Raad Secundair Onderwijs 1 april 2021 RSO-RSO-ADV-2021-013
Duurzame innovatie en professionalisering in arbeidsmarktgericht secundair onderwijs Advies naar aanleiding van InnoVET
Vlaamse Onderwijsraad Koning Albert II-laan 37 BE-1030 Brussel T +32 2 219 42 99 www.vlor.be info@vlor.be
Advies op eigen initiatief Uitgebracht door de Raad Secundair Onderwijs op 1 april 2021 met eenparigheid van stemmen Voorbereiding: werkgroep Professionalisering leraren arbeidsmarktgericht onderwijs via innovatie op 29 oktober 2020, 26 november 2020, 4 maart 2021 en 16 maart 2021 onder voorzitterschap van Tom Rydant Dossierbeheerders: Marleen Colpin, Martijn De Laender, Carine De Smet
Vlaamse Onderwijsraad – Koning Albert II-laan 37 – BE-1030 Brussel – info@vlor.be – www.vlor.be
1 SITUERING
2
2 BELANG VAN INNOVATIE EN LEVENSLANG LEREN
2
3 VOOR EEN GOED BEGRIP
3
4 WAT HEEFT ONDERWIJS NODIG OM INNOVATIE EN PROFESSIONALISERING WAAR TE MAKEN?
5
4.1 LANGETERMIJNVISIE
5
4.2 REGIE BIJ ONDERWIJS
5
4.3 NETWERK VAN PARTNERS MET DUIDELIJKE, COMPLEMENTAIRE ROLLEN
6
4.4 EVENWAARDIGE TOEGANG TOT INNOVATIE VOOR ALLE SCHOLEN
9
5 AANBEVELINGEN VOOR DE OVERHEID
9
1
1 Situering De Vlor geeft op eigen initiatief advies over innovatie en professionalisering in arbeidsmarktgericht secundair onderwijs. Aanleiding voor het advies zijn de bevindingen van het project ‘InnoVET’ of innovatie in Vocational Education and Training (arbeidsmarktgericht onderwijs). InnoVET zet via innovatieve projecten in op professionalisering van leraren bso/tso. De Vlor nam tussen april 2019 en december 2020 de coördinatie op van de eerste cyclus van InnoVET met 13 projecten. Intussen is een tweede cyclus opgestart, die door het departement Onderwijs en Vorming gecoördineerd wordt. 1 Aanleiding voor InnoVET was het voornemen om vanuit het beleidsdomein Onderwijs en Vorming in te zetten op de ondersteuning en professionalisering van leraren in arbeidsmarktgericht onderwijs, via duurzame innovatieve trajecten in samenwerking met partners uit het arbeidsveld. Het departement Onderwijs en Vorming liet in eerste instantie een draagvlakbevraging uitvoeren door IDEA-consult.2 Op basis van die bevraging tekende IDEA een concept uit van professionalisering met een scenario voor de volgende stappen. Daarna werd de eerste oproep voor InnoVET-projecten gelanceerd. Dit advies gaat niet over het project InnoVET an sich. Het gaat over professionalisering in innovatief arbeidsmarktgericht onderwijs. De inzichten uit de eerste cyclus InnoVET-projecten en het overleg dat daarrond ontstaan is, hebben de Vlor geïnspireerd.
2 Belang van innovatie en levenslang leren De Vlor onderschrijft voluit het belang van innovatie in arbeidsmarktgericht onderwijs. De arbeidsmarkt, de toekomstige werkomgeving van de leerlingen evolueert heel snel. Het onderwijs moet op die vernieuwingen kunnen inspelen om de leerlingen een goed beeld te geven en goed voor te bereiden op hun toekomstige loopbaan. Daartoe zijn extra impulsen nodig op vlak van infrastructuur en expertise. Die kunnen bijdragen aan een positiever imago van het arbeidsmarktgericht onderwijs. Leren in innovatieve leeromgevingen bereidt leerlingen beter voor op reële uitdagingen op de arbeidsmarkt van vandaag en morgen. Leerlingen zijn zich goed bewust van het feit dat werken met nieuwe materialen en processen een meerwaarde kan betekenen wanneer ze later werk gaan zoeken. Dat werkt ook motiverend voor leraren en leerlingen en heeft een positieve invloed op hun welbevinden. Je kan leraren en leerlingen niet eenmalig opleiden en voorbereiden op toekomstige evoluties. Het belang van levenslang leren wordt terecht steeds meer benadrukt en de Vlor onderschrijft dat ten volle.3 Voor leraren betekent levenslang leren verdere professionalisering tijdens hun
InnoVET: wat, hoe en waarom? - Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming (vlaanderen.be) https://www.idea-group.be/images/Rapport_InnoVET.pdf 3 Vlor, Raad Levenslang en Levensbreed Leren. Advies over de conceptnota ‘De Lerende Samenleving’, 10 juli 2020. 1 2
2
loopbaan. Voor leerlingen wordt in het leerplichtonderwijs de basis gelegd voor die lerende houding. Dit advies gaat in op de voorwaarden om innovatie binnen te brengen én ervoor te zorgen dat ze structureel verankerd wordt door van meet af aan in te zetten op duurzame professionalisering. We zoomen dus in op de integratie van innovatie én professionalisering.
3 Voor een goed begrip Wat verstaan we onder innovatie?
Innovatie zien we breed als ‘vernieuwing’, in de vorm van ideeën, goederen, diensten of processen en de menselijke handelingen die daarbij komen kijken. We beperken het dus niet tot ‘technologische innovatie’. De meeste InnoVET-projecten uit de eerste cyclus richtten zich op STEM-innovatie, mede als gevolg van de betrokkenheid van de Regionale Technologische Centra (RTC) bij de oproep en samenwerking in de eerste cyclus. Maar wij situeren ‘innovatie’ ook in de opleidingen buiten STEM. Daar is ook nood aan innovatie en die sectoren beschikken doorgaans over minder middelen om innovatie in onderwijs te stimuleren en ondersteunen. Via bewustmakingsacties en via samenwerking tussen de sectoren is er veel mogelijk. Innovatie hoeft niet altijd groots of duur of complex te zijn. Het kan ook heel laagdrempelig starten. Als er maar ruimte is om vernieuwende ideeën te laten groeien of bestaande dingen in een nieuwe context te plaatsen. Verder in dit advies gaan we in op het belang van die ‘innovatieve cultuur’ (zie 4.3). Innovatie mag niet voorbijgaan aan het belang van het aanleren en inslijten van basisvaardigheden. Die zijn essentieel om op verder te bouwen en daar moet dan ook de nodige tijd naartoe kunnen gaan. We benadrukken het belang van een graduele opbouw, een leerlijn die begint bij basisinzichten en -vaardigheden, waarbij innovatie gaandeweg binnengebracht wordt. Leerlingen moeten eerst de principes begrijpen die aan de basis liggen, om dan de meerwaarde van de innovatie te begrijpen. Wat verstaan we onder professionalisering?
Ook professionalisering zien we breed, als het geheel van “activiteiten die expliciet ontworpen zijn voor en gebracht aan leraren om hun eigen kennis, vaardigheden, en houding, en die van hun leerlingen te versterken”.4 Of “alle vormingsinspanningen die erop gericht zijn de kennis, vaardigheden en attitudes van de personeelsleden van de instelling te ontwikkelen, te verbreden of te verdiepen.”5
Merchie, E., Tuytens, M., Devos, G., & Vanderlinde, R. (2016). Hoe kan je de impact van professionalisering voor leraren in kaart brengen? Departement Onderwijs en Vorming. Deze definitie wordt ook gehanteerd in het bronnendocument van het referentiekader voor onderwijskwaliteit dat door de Onderwijsinspectie ontwikkeld werd i.s.m. andere belanghebbenden. 5 Decreet betreffende de kwaliteit van onderwijs 4
3
Het kan gaan om nieuwe inzichten binnenbrengen, maar ook om het verankeren en delen van inzichten die aanwezig zijn in schoolteams. We hebben het dus zowel over externe professionalisering (begeleiding, nascholing, deelname aan lerende netwerken met andere scholen en andere professionaliseringsvormen door externe organisaties, …) als over interne professionalisering (observatiebezoeken, informele gesprekken met collega’s, teamteaching, praktijkonderzoek, lezen van professionele literatuur …). 6 Professionalisering beoogt zowel individuele ontwikkeling als collectief leren in team. Wat verstaan we onder arbeidsmarktgericht secundair onderwijs?
Met ‘arbeidsmarkgericht secundair onderwijs’ bedoelen we in dit advies het geheel van de studierichtingen met finaliteit arbeidsmarkt of dubbele finaliteit uit het (buitengewoon) secundair onderwijs, ofwel het (buitengewoon) (deeltijds) beroepsonderwijs en technisch onderwijs (buso, dbso, bso en tso). Dit advies focust dus op het secundair onderwijs, omdat het aansluit bij de bevindingen van InnoVET, en het is gekaderd in de modernisering en opwaardering van bso/tso. Dat betekent niet dat er geen nood is aan innovatie en professionalisering in andere onderwijsniveaus die arbeidsmarktgerichte opleidingen aanbieden, maar daar gaat dit advies niet op in. Verder in dit advies bespreken we wel de samenwerking met andere onderwijsniveaus (zie 4.3). Wat verstaan we onder de combinatie en integratie van innovatie en professionalisering?
De combinatie van innovatie en professionalisering betekent ‘mee zijn’ met zowel de nieuwste inzichten en ontwikkelingen in een bepaald vakgebied, als met de nieuwste didactische ontwikkelingen (vakoverschrijdend, digitalisering, 21steeeuwse vaardigheden, …) én met de vertaling ervan naar het pedagogisch-didactisch handelen van de leraar. De innovaties hebben een impact op ‘wat’ de leraar overbrengt naar zijn leerlingen, maar ook op het ‘hoe’. Nieuwe materialen, inzichten en processen vragen ook een eigentijdse pedagogisch-didactische aanpak. De twee componenten ‘innovatie’ en ‘pedagogisch-didactische vertaling’ kunnen we enkel geïntegreerd zien: het gaat erom hoe de innovatie naar de leerlingen te vertalen. Die integratie of vertaalslag helpen maken, is een kernopdracht van de pedagogische begeleiding. Daar gaan we verder op in (zie 4.3). Ook uit InnoVET hebben we geleerd dat enkel de innovatie op school binnenbrengen, bijvoorbeeld in de vorm van leermiddelen of infrastructuur, geen garantie biedt voor een duurzaam effect. Als de pedagogisch-didactische vertaling van meet af aan meegenomen wordt in een innovatie-en-professionaliseringstraject, is het lange-termijn-effect beter gegarandeerd. Innovatie kan je niet top-down opleggen. Het is belangrijk om draagvlak te creëren bij schoolteams, de bereidheid tot professionalisering aan te wakkeren en ervoor te zorgen dat ‘iedereen mee’ is. We streven naar een scholenlandschap waarin alle scholen maximaal toegang hebben tot innovatie en professionalisering. We vertrekken zeker niet van een blanco blad. Er waren ook voor InnoVET al heel veel initiatieven tot innovatie en professionalisering, o.a. vanuit scholen, de pedagogische begeleiding, de RTC, in
6
4
Bron: Professionalisering - onderwijspersoneel - Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming (vlaanderen.be)
samenwerking met ondernemingen.7 De 13 projecten van InnoVET genereerden in meer of mindere mate een meerwaarde op vlak van innovatie en professionalisering. Er is dus veel kennis en expertise bij diverse actoren, maar hoe krijg je die duurzaam verankerd en breder gedeeld? Daarvoor doet dit advies beleidsaanbevelingen.
4 Wat heeft onderwijs nodig om innovatie en professionalisering waar te maken? In dit deel van het advies gaan we in op de voorwaarden om innovatie duurzaam te verankeren. We zoomen in op wat scholen nodig hebben, wat de rollen en verantwoordelijkheden zijn van alle andere actoren die erbij betrokken zijn en wat we verwachten van de overheid. In deel 5 zetten we die verwachtingen nog eens op een rij.
4.1 Langetermijnvisie De Vlor benadrukt het belang van een langetermijnvisie op innovatie en professionalisering. Projecten zijn een waardevolle motor om innovatie op te starten en om te experimenteren. Maar vaak wordt de looptijd als te kort ervaren om de inzichten die verduurzaamd kunnen worden, ook effectief te implementeren en dissemineren. Dat was ook zo bij InnoVET. Om te vermijden dat innovatie stilvalt, is er nood aan een langetermijnvisie gekoppeld aan voldoende langdurige financiering, zodat scholen echt een traject kunnen aangaan, voor langere tijd samenwerken met alle partners en duurzame impact genereren. We zien ook potentieel voor innovatie en professionalisering in de extra impulsen voor digitalisering via de ‘Digisprong’. Maar ook in het advies daarover sprak de Vlor zijn bezorgdheid uit over duurzame verankering.8 We vragen ook om de rol van InnoVET niet te beperken tot de ontwikkeling van digitaal lesmateriaal, zoals we in de visienota Digisprong lezen. Het gaat om het samenspel van innovatie en didactiek én de verduurzaming daarvan.
4.2 Regie bij onderwijs De onderwijspartners zijn overtuigd van de nood aan versterkt inzetten op innovatie en de verduurzaming ervan. Daarom moeten ze de mogelijkheid hebben om de regie daarvan in handen te nemen. Door bestaande structuren en middelenstromen naar de sectoren (sectorale partnerschappen, duale addenda van de sectorconvenants, ESF-projecten, …) verschuift de regie van het arbeidsmarktgericht onderwijs steeds meer naar het beleidsdomein Werk. 9 Door die permanente
‘Ondernemingen’ hanteren we in dit advies als overkoepelende term voor ‘bedrijven en non-profitorganisaties’. Vlor, Algemene Raad. Voorwaarden voor succesvolle ICT-integratie in onderwijs. Advies over de visienota ‘Digisprong: van achterstand naar voorsprong’, 21 januari 2021. 9 De Vlor ziet diezelfde verschuiving ook op het niveau van de EU en uitte daarover zijn bezorgdheid: ‘Daarnaast gebeurt nu ook een aansturing voor onderwijs vanuit het werkgelegenheidsprogramma en de actielijnen rond de skills agenda. Door de opsplitsing van onderwijsdoelen enerzijds en de vorming (in het kader van het werkgelegenheidsbeleid) anderzijds was er een verlies aan coherentie in de aansturing van het onderwijsbeleid. De Vlor vraagt om voor de 7 8
5
stroom van middelen de voorbije jaren kunnen de sectoren meer initiatief nemen. Ook Onderwijs heeft middelen nodig om de beoogde structurele innovatie en professionalisering te kunnen bewerkstelligen. Recent waren er voor onderwijspartners kansen op extra middelen via ESF, maar die zijn absoluut onvoldoende om meer evenwicht in de middelenstromen en structurele inbedding te bewerkstelligen. Mede door de impact die de arbeidsmarkt dankzij die extra middelen heeft, dreigt de onafhankelijkheid van scholen ten aanzien van sectoren en ondernemingen soms in het gedrang te komen. Een opleiding moet leiden tot een kwalificatie waarmee een leerling Vlaanderenbreed inzetbaar is op de arbeidsmarkt, in de sector(en) waarvoor hij opgeleid is. Het kan niet de bedoeling zijn dat de impact van sectoren of ondernemingen die onafhankelijkheid in het gedrang brengt. Zij kunnen infrastructuur en expertise aanbieden, maar de regie en eindverantwoordelijkheid over een opleidingstraject blijft altijd bij onderwijs liggen. Een school doet meer dan leerlingen voorbereiden op onmiddellijke inzetbaarheid. Goede afspraken zijn nodig om dat evenwicht te bewaken en grenzen af te bakenen.
4.3 Netwerk van partners met duidelijke, complementaire rollen Samenwerking tussen onderwijs- en arbeidsmarktactoren is een basisvoorwaarde om innovatie binnen te brengen in onderwijs en leraren daarin te professionaliseren. We zien die samenwerking vorm krijgen in een breed, laagdrempelig en nabij netwerk van scholen(gemeenschappen) met hun pedagogische begeleiding, met hogescholen en universiteiten, met de RTC, met sectororganisaties (onder meer via onderwijsconvenanten), ondernemingen en andere (regionale) partners. Voor de Vlor staan bij die samenwerking een aantal principes voorop: ¬ Duidelijkheid over de regie van onderwijs en onafhankelijkheid van scholen (zie eerder); ¬ Complementariteit: duidelijke afbakening van rollen en verantwoordelijkheden; ¬ Efficiëntiewinst: goede afspraken en duidelijke rolafbakening moeten ertoe leiden dat iedere partner een meerwaarde vormt in het raderwerk en op die manier de innovatie alle kansen krijgt op een duurzaam effect. We zetten hieronder de verantwoordelijkheden en rollen van de partners in het netwerk uiteen. Schoolbesturen en -directies
De voornaamste reden waarom de innovatie- en daaraan gekoppelde professionaliseringsoperatie in het arbeidsmarktgericht onderwijs soms moeizaam verloopt, is niet dat de onderwijsactoren er het belang niet van inzien, wel dat ze er onvoldoende ruimte voor hebben. Scholen beschikken doorgaans over weinig budget voor professionalisering en zijn afhankelijk van projecten en sectoren voor extra middelen. Het lestijdenpakket van leraren van praktijkvakken maakt het ook moeilijker om ruimte te creëren voor innovatie en professionalisering. We vragen dan ook dat de overheid toekomstgericht investeert in meer
onderwijsdoelen een maximale coherentie na te streven tussen de verschillende beleidsdomeinen. Een directoraat voor onderwijs is te verkiezen boven een aansturing vanuit verschillende directoraten.’ Uit: Vlor, Algemene Raad. Advies over de Europese samenwerking na ‘Education and Training 2020’, 26 september 2019. En: Vlor, Algemene Raad. Naar een Europese Onderwijsruimte? Advies over de Mededeling van de Europese Commissie, 17 december 2020.
6
ruimte voor scholen om te innoveren, experimenteren en professionaliseren. Dat zal ook bijdragen tot de motivatie van leraren om te innoveren en tot hun welbevinden. Daarnaast ziet de Vlor ook mogelijkheden om binnen de bestaande middelen via schoolorganisatie en samenwerking grenzen te verleggen. Het beleidsvoerend vermogen van scholen bepaalt hoe het innovatie- en professionaliseringsbeleid vorm krijgt en welke keuzes gemaakt worden. Het begint met een gezamenlijk ervaren belang van innovatie en professionalisering in een schoolteam. Dat vraagt om een sterke visie van de schooldirectie die het team daarin meeneemt, die de teamleden uitdaagt om hun noden te signaleren en ruimte creëert voor overleg daarover, die opportuniteiten signaleert en het team erop laat reageren, die de innovatie mee draagt door leraren te steunen en waarderen. Met andere woorden een bottomup-aanpak die streeft naar gedragenheid, wat een goede garantie is voor een innovatieve cultuur en een duurzaam beleid rond innovatie en professionalisering. De Vlor pleit er dan ook voor om in te zetten op de versterking van beleidsvoerend vermogen. De pedagogische begeleidingsdiensten zijn daarbij het eerste aanspreekpunt voor scholen (zie verder). Op het niveau van de school (of scholengroep/scholengemeenschap) biedt de schoolorganisatie mogelijkheden om leraren ruimte te geven voor professionalisering. InnoVET toont aan dat extra middelen daartoe een belangrijke hefboom zijn. De projecten die de middelen ingezet hebben om extra uren te genereren, bijvoorbeeld door iemand vrij te roosteren om het project te coördineren en de valorisatie te bevorderen, zijn de projecten waar de garantie op een duurzaam effect het grootst lijkt te zijn. Die extra ruimte voor professionalisering zou er voor alle scholen en leraren moeten zijn, niet afhankelijk van een project. We vragen dan ook aan de overheid om een persoonlijk professionaliseringstraject structureel in te bedden in de opdracht van elke leraar. Hoe het professionaliseringstraject ingevuld wordt, is een zaak van het schoolteam. We zien kansen in lerarenstages (de innovatie ‘beleven’, om ze vervolgens binnen te brengen in de school),10 valorisatie van expertise die leraren buiten het onderwijs opgedaan hebben enzovoort. Pedagogische begeleidingsdiensten
Voor de pedagogische begeleidingsdiensten zien we een structurele en brede rol in het hele innovatieproces. Zij zijn uitstekend geplaatst om met scholen aan de slag te gaan, hen te ondersteunen en mee in te staan voor: ¬ De verdere ontwikkeling van hun beleidsvoerend vermogen om een innovatieve cultuur en daaraan gekoppeld innovatie- en-professionaliseringbeleid uit te zetten dat aansluit bij hun noden; ¬ Het opzetten en faciliteren van een netwerk; ¬ De koppeling tussen de behoeftes van scholen en het curriculum; ¬ De koppeling tussen de innovatie en de vernieuwende pedagogisch-didactische aanpak die ze vraagt; ¬ De opvolging en duurzame inbedding van de innovatie en professionalisering in de schoolwerking. De pedagogische begeleidingsdiensten zijn ook bij uitstek dé partner om scholen met elkaar te verbinden, zodat innovatie en professionalisering over schoolmuren heen verspreid worden en tot
10
Zie IDEA-rapport (voetnoot 2)
7
schooloverstijgende samenwerking leiden. Zij hebben daarin veel ervaring en kunnen dus de bredere disseminatie en implementatie garanderen. Dat alles zijn kerntaken van de pedagogische begeleiding. Ze kunnen die vandaag echter onvoldoende waarmaken als gevolg van besparingen en de uitdagingen die de coronacrisis voor onderwijs stelt. Over de besparingen heeft de Vlor zijn verontwaardiging al in meerdere adviezen duidelijk uitgesproken.11 We vragen dan ook om deze belangrijke taken en de nodige ruimte om ze waar te maken, mee te nemen in het debat over de kerntaken van de pedagogische begeleidingsdiensten dat momenteel gevoerd wordt. Regionale Technologische Centra
Voor de RTC ziet de Vlor de rol van facilitator en bruggenbouwer weggelegd, specifiek gericht op het ondersteunen van arbeidsmarktgericht onderwijs. Zij kunnen innovatie binnenbrengen in scholen en bestaande initiatieven capteren, de toegang tot infrastructuur faciliteren en inzetten op nauwe samenwerking met onderwijsverstrekkers en arbeidsmarktpartners. Complementair aan die partners kunnen zij scholen en leraren samenbrengen en succesvolle innovaties verder dissemineren, in en over de regio’s en netten heen. Belangrijk is dat de rol van de RTC complementair is met die van andere actoren. De Vlor heeft daarover recent een advies uitgebracht naar aanleiding van de visienota over de toekomstige rol van de RTC. Die dreigt te breed en allesomvattend te worden, zodat de goede en gewaardeerde samenwerking die er vandaag is, in het gedrang komt.12 Hogescholen, universiteiten en volwassenenonderwijs
Hogescholen en universiteiten zijn waardevolle partners voor scholen om hun vakspecifieke expertise in te zetten met het oog op innovatie. Dat zagen we ook bij InnoVET. De inzichten uit innovatieve projecten moeten op hun beurt hun weg vinden naar de lerarenopleidingen. Ook het volwassenenonderwijs kan bijdragen aan een kwalitatief en innovatief professionaliseringsaanbod voor onderwijsprofessionals op alle niveaus. De Vlaamse Regering voorziet een maatgericht aanbod door het volwassenenonderwijs voor het versterken van digitale competenties voor een ruim doelpubliek, incl. onderwijspersoneel, in het kader van de ‘Edusprong’.13 Ondernemingen, sectororganisaties, VDAB
De arbeidsmarktpartners staan in voor het aanleveren van innovatieve knowhow en infrastructuur. Zij kunnen ook ondersteunend materiaal ontwikkelen, dat geënt is op de kaders die voor onderwijs van toepassing zijn (specifieke eindtermen en beroepskwalificaties). Daartoe
Vlor, Algemene Raad. Advies over de beleidsnota Onderwijs 2019-2024. 28 november 2019, § 2.2.5 en 5.1.4.2. En Vlor, Algemene Raad. Programmadecreet bij begrotingsopmaak 2021. Advies over het voorontwerp van programmadecreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2021, 22 oktober 2020, § 4. 12 Vlor, Raad Secundair Onderwijs. Toekomstvisie voor RTC. Advies naar aanleiding van de visienota “Regionaal Technologisch Centrum - Streven naar optimalisatie via structurele samenwerking met alle partners”, 11 februari 2021. 13 Vlor, Raad Levenslang en Levensbreed Leren. Kiem voor een sterke relance van het volwassenenonderwijs. Advies bij de visienota Edusprong, 30 maart 2021. 11
8
werken ze best van meet af aan samen met de pedagogische begeleiding die de band met het totale curriculum bewaakt en de pedagogisch-didactische vertaling maakt. VDAB is een partner van betekenis voor onderwijs, omdat scholen er tot nu toe een beroep op kunnen doen voor expertise en gebruik van infrastructuur. Dat aanbod moet gevrijwaard worden voor leraren en leerlingen, ook bij strategiewijzigingen. We vragen om bij de verdere ontwikkeling van mastercampussen rekening te houden met de ervaringen uit de provincies die er al een hebben.
4.4 Evenwaardige toegang tot innovatie voor alle scholen Voor de Vlor is het van essentieel belang dat samenwerking erop gericht is alle scholen een evenwaardige toegang te geven tot de nieuwste inzichten en infrastructuur. We zien vandaag dat dat niet altijd zo is, waardoor de verschillen tussen scholen groter kunnen worden. Onevenwichtige toegang kan het gevolg zijn van: ¬ De verschillen in middelen waarover de sectoren beschikken; ¬ De keuzes die de sectoren maken voor de inzet van hun middelen; ¬ De regionale verschillen in de aanwezigheid van sectoren. De Vlor is het model van specifieke samenwerkingen tussen scholen en ondernemingen wel genegen. Bij de InnoVET-projecten bleek dat vaak een succesfactor te zijn voor een nauwe samenwerking. Maar tegelijkertijd moet de brede toegankelijkheid van vernieuwingen voor elke school gegarandeerd worden. Ondernemingen en sectoren moeten de middelen voor onderwijs effectief gebruiken en ervoor zorgen dat ze daarmee alle scholen in een brede regio bereiken, eerder dan exclusieve samenwerkingsverbanden aan te gaan. Er moet ook aandacht zijn voor scholen in regio’s waarin bepaalde types sectoren minder aanwezig zijn. Ook de RTC kunnen bijdragen aan provincie-overschrijdende toegang tot innovatieve projecten. 14 De overheid op haar beurt kan aan de brede toegankelijkheid bijdragen door de middelen evenwichtiger te verdelen.
5 Aanbevelingen voor de overheid De bovenstaande noden kunnen we vertalen naar deze verwachtingen voor de overheid:
¬ ¬ ¬ ¬
14
Ga uit van een langetermijnvisie op duurzame innovatie en professionalisering. Zet het belang van innovatie en professionalisering in de verf bij onderwijs- en arbeidsmarktpartners. Stimuleer en faciliteer de doorstroom van innovaties van de arbeidsmarkt naar onderwijs, en dat voor alle sectoren en alle scholen. Definieer complementaire rollen en verantwoordelijkheden voor alle betrokken actoren.
Ook in het advies over de toekomst van de RTC stelt de Vlor dat elke school in Vlaanderen recht heeft op dezelfde ondersteuning. Dat kan door meer samenwerking tussen de RTC vanuit een gezamenlijke visie. Zie Vlor, Raad Secundair Onderwijs. Toekomstvisie voor RTC. Advies naar aanleiding van de visienota “Regionaal Technologisch Centrum - Streven naar optimalisatie via structurele samenwerking met alle partners”, 11 februari 2021 (deel 5).
9
¬ ¬ ¬ ¬ ¬
10
Versterk de onderwijspartners om de regie in handen te nemen en ruimte te creëren voor de ontwikkeling van een innovatieve cultuur en beleid op schoolniveau. Bouw in de opdracht van de leraar structureel ruimte in voor een persoonlijk professionaliseringstraject. Voorzie duurzame financiering voor de pedagogische begeleidingsdiensten zodat ze de ruimte hebben om met schoolteams aan de slag te gaan en de vernieuwingen en expertise te verankeren en dissemineren. Blijf investeren in basisinfrastructuur voor scholen en zorg ervoor dat ze vlot toegang hebben tot gespecialiseerde infrastructuur. Voorzie extra impulsen om innovatietrajecten van voldoende lange duur te kunnen opzetten, te experimenteren en daarbij ondersteuning te krijgen, om te kunnen nagaan wat kan verduurzaamd worden én om die duurzame implementatie vorm te geven.