Skip to main content

AR-AR-ADV-2122-005.pdf

Page 1

ADVIES AR-AR-ADV-2122-005

Naar een nieuw decreet leersteun Advies over de conceptnota decreet leersteun

Vlaamse Onderwijsraad Koning Albert II-laan 37 BE-1030 Brussel T +32 2 219 42 99 www.vlor.be info@vlor.be

Wijs beleid door overleg


Advies op vraag van Ben Weyts, Viceminister-president van de Vlaamse Regering en Vlaams minister van Onderwijs, Sport, Dierenwelzijn en Vlaamse Rand op 25 juni 2021 Uitgebracht door de Algemene Raad op 23 september 2021 met 25 stemmen voor en 1 stem tegen. De organisatie die tegen het advies stemt, verduidelijkt haar standpunt in de bijlage bij het advies. Voorbereiding: Commissie Onderwijs aan Lerenden met Specifieke Noden op 2, 9 en 16 september 2021 onder voorzitterschap van Annemie Jennes Met inbreng van de Commissie Leerlingenbegeleiding op 7 september 2021,de Raad Basisonderwijs op 8 september 2021, de Raad Secundair onderwijs op 9 september 2021, en de Commissie Diversiteit & GOK op 14 september 2021 Dossierbeheerder: Eric d’Hooghe


Inhoud 1

Situering .......................................................................................................................................... 2

2

Advies in 10 kernboodschappen ................................................................................................... 2 2.1

Positieve punten ..................................................................................................................... 2

2.2

Terminologie verduidelijken ................................................................................................... 2

2.3

Verder concretiseren in overleg............................................................................................. 3

2.4

Nood aan globaal plan voor inclusie ..................................................................................... 3

2.5

Visie op buitengewoon onderwijs verbreden ........................................................................ 3

2.6

Uitbouwen, borgen en ontwikkelen van handicapspecifieke competenties ...................... 4

2.7

Verbinding Welzijn/Gezondheid en Onderwijs versterken ................................................... 4

2.8

Rol van de verschillende actoren uitklaren .......................................................................... 4

2.9

Financiële impact verduidelijken........................................................................................... 5

2.10 3

4

Fundamentele zaken die we missen in de conceptnota ................................................. 5

De conceptnota onder de loep ...................................................................................................... 5 3.1

Concretisering vijf speerpunten............................................................................................. 5

3.2

Bezorgdheden over timing ..................................................................................................... 6

3.3

Knelpunten uit eerdere studies als uitgangspunt mag niet tot versnippering leiden ........ 7

3.4

Reeds verwezenlijkte opstappen nog te prematuur? .......................................................... 7

3.5

Beleidsmaatregelen voor drie domeinen versus continuüm ............................................... 8

3.6

Doelstellingen voor gewoon onderwijs .................................................................................. 8

3.7

Doelstellingen voor de leersteun ......................................................................................... 13

3.8

Doelstellingen voor buitengewoon onderwijs ..................................................................... 19

Bronnen......................................................................................................................................... 23

1

vlor.be


1 Situering De minister van Onderwijs deelde op 25 juni 2021 aan de Vlaamse Regering de conceptnota mee voor een nieuw decreet leersteun. Die conceptnota legt de contouren vast van het toekomstig decreet leersteun, met inbegrip van het leersteunmodel. Het decreet leersteun zal het huidige Mdecreet moeten vervangen en zet in op de versterking van het gewoon onderwijs, de leersteun en het buitengewoon onderwijs. In wat volgt, geeft de Vlor eerst zijn advies over de gehele conceptnota in tien kernboodschappen. Vervolgens gaan we dieper in op de aparte punten van de nota en gaan we voor elk van de voorgelegde domeingebonden doelstellingen na of ze wenselijk, haalbaar en aanvaardbaar zijn. Het is een advies over een conceptnota, die vooral de contouren van het decreet leersteun weergeeft. We hebben daarom veel vragen gesteld naar verdere concretisering en verduidelijking die nog ruimte laten voor debat. De Vlor is bereid om daar een bijdrage aan te leveren.

2 Advies in 10 kernboodschappen 2.1 Positieve punten De Vlor is tevreden dat er een conceptnota ligt die de contouren van het decreet leersteun schetst. Zoals het een conceptnota past, vragen heel wat punten om verdere concretisering en verduidelijking. We zien wel al een aantal voorstellen die een stap vooruit zijn:. • de verzelfstandiging van de leersteuncentra en het voorstel dat de toeleiding via één spoor gebeurt; • de langverwachte realisatie van een ambt van leerondersteuner. Het statuut van de leerondersteuner zou in de eerste fase van de implementatie van het decreet leersteun moeten ingaan; • het streven naar een referentiekader voor kwaliteitsvolle ondersteuning in cocreatie met het onderwijsveld. We hopen dat dit gebeurt met betrokkenheid van Welzijn/Gezondheid en de actoren uit dat domein. Het is ook positief dat er gestreefd wordt naar afstemming tussen de verschillende kaders die er al zijn en/of in ontwikkeling zijn.

2.2 Terminologie verduidelijken Voor de gedragenheid is het nodig dat iedereen dezelfde terminologie en dezelfde definiëring hanteert. In de gehele conceptnota duiken echter termen op waarvan niet altijd duidelijk is wat het beleid daarmee bedoelt of hoe het die concreet wil invullen. •

Achterblijvende scholen

•

Objectieve diagnostiek

•

Buitengewoon onderwijs als volwaardige plaats

•

Onderwijscontinuüm

•

Externe expertise

•

Planlastluwe doorverwijzing

•

Gefaseerde invoering van de maatregelen

•

Regio

•

Individueel aangepast curriculum (IAC)

•

Slapende (gemotiveerde) verslagen

•

Inclusief onderwijs en maatschappelijke inclusie

•

Vakbekwame professionals

2

vlor.be


2.3 Verder concretiseren in overleg De doelstellingen en maatregelen in de conceptnota zijn nog zeer generalistisch omschreven. Ondanks de positieve intenties leven er nog heel veel vragen over de concretisering ervan. We verwachten dat de onderwijspartners bij die concretisering betrokken worden, samen met enkele verwante actoren, o.a. vanuit het beleidsdomein Welzijn/Gezondheid. De Vlor hoopt dat dit resulteert in doelstellingen die voldoende ambitieus zijn en er een definitieve regeling komt die rust zal brengen in het onderwijsveld.

2.4 Nood aan globaal plan voor inclusie Het is onduidelijk hoe de conceptnota een opstap kan zijn naar een meer inclusief onderwijssysteem. Er moet onderzocht worden op welke manier ‘Elk kind op de juiste plaats’ zich verhoudt met het door België geratificeerde VN-verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap1 (art. 24). Daarin is het doel om te evolueren naar een inclusief onderwijssysteem. De Vlor verwijst naar zijn advies van 2020 voor een strategische onderwijsplanning om inclusief onderwijs te kunnen realiseren en in het bijzonder naar de aanbeveling om een realistisch en haalbaar transitietraject naar inclusie uit te tekenen.2 Daarvoor dient een globaal plan te worden ontwikkeld en dat globaal plan ontbreekt. We merken ook op dat de conceptnota de huidige terminologie wat betreft redelijke aanpassingen, handelingsgericht werken, etc., niet hanteert. Dat is nochtans de terminologie waarmee ook ouders intussen vertrouwd zijn en zich in herkennen. Betekent dit dat inclusief onderwijs nu ook anders zal worden ingevuld? De Vlor stelt zich ook vragen bij de impact van de voorgestelde maatregelen op bepaalde doelgroepen zoals leerlingen met ernstige meervoudige beperkingen en leerlingen met gedrags- en emotionele stoornissen (GES), ... De term ‘maatschappelijke inclusie’ wordt daar gebruikt, maar het is niet duidelijk wat het beleid er precies mee bedoelt.

2.5 Visie op buitengewoon onderwijs verbreden De conceptnota vermeldt over de verschillende domeinen heen dat gewoon en buitengewoon onderwijs samen hun verantwoordelijkheid zullen opnemen. Ondanks het expliciet formuleren van die doelstelling, vinden we nergens terug op welke manier ze écht samen hun verantwoordelijkheid zullen moeten opnemen. Er blijven te veel obstakels en er zijn hefbomen nodig om die weg te werken. Het valt daarbij op dat buitengewoon onderwijs een zeer ondergeschikte rol toebedeeld krijgt in de conceptnota. Er wordt daarnaast ook te sterk gefocust op de noden in het buitengewoon onderwijs om terug te keren naar het gewoon onderwijs. Zolang een sterk plan richting een globaal onderwijs ontbreekt, moet het buitengewoon onderwijs als volwaardig alternatief beschouwd worden met het nodige respect.

1 2

Verdrag van 13 december 2006 inzake de Rechten van Personen met een Handicap, BS 22 juli 2009, Vlor, Algemene Raad. Een pleidooi voor strategische beleidsplanning om inclusief onderwijs te kunnen realiseren, 23 januari 2020.

3

vlor.be


We vragen ons af in welke mate buitengewoon onderwijs in zijn totaliteit voldoende gevat wordt in de conceptnota. De eigenheid van de types en van de opleidingsvormen wordt onvoldoende meegenomen. We missen in de doelstellingen voor het buitengewoon onderwijs de nodige structurele maatregelen om het buitengewoon onderwijs in zijn geheel te versterken.

2.6 Uitbouwen, borgen competenties

en

ontwikkelen

van

handicapspecifieke

Het is belangrijk dat het leersteunteam, in wisselwerking met de scholen buitengewoon onderwijs van het overeenkomstige type, de nodige handicapspecifieke competenties kan opbouwen, borgen en verder ontwikkelen. De organisatie van de leersteun moet de expertiseborging en -ontwikkeling kunnen faciliteren, zeker voor doelgroepen met lage prevalentie waar er nood is aan samenwerking met Welzijn/Gezondheid. Voor het delen en verspreiden van die expertise speelt ook de regionale spreiding een rol (zie 3.8.3). Daarnaast blijft het ontwikkelen van handicapspecifieke expertise ook voor alle andere doelgroepen uiteraard belangrijk.

2.7 Verbinding Welzijn/Gezondheid en Onderwijs versterken De Vlor refereert naar het regeerakkoord 2019-2024 waarin vermeld wordt dat er nood is aan meer samenwerking en afstemming met o.a. Welzijn/Gezondheid. Wij onderschrijven deze nood en vragen de overheid om met de betrokken beleidsdomeinen in gesprek te gaan om tot de vereiste samenwerking en afstemming te komen in functie van het realiseren van inclusie, in het bijzonder voor leerlingen met specifieke noden met een lage prevalentie die ook aangewezen zijn op ondersteuning vanuit deze beleidsdomeinen. Zo kan de expertise die in de verschillende domeinen aanwezig is complementair ingezet worden.

2.8 Rol van de verschillende actoren uitklaren Voor de verschillende actoren die vernoemd worden in de conceptnota moet verduidelijkt worden welke rol ze moeten opnemen en de verantwoordelijkheden die daarbij horen. De overheid moet elke actor voldoende uitrusten om deze rol en verantwoordelijkheden te kunnen opnemen. Enkele voorbeelden: • Wat is de specifieke rol van de pedagogische begeleidingsdiensten (pbd) bij de zogenaamde ‘achterblijvende scholen’? Welke rol vervullen de school, centra voor leerlingenbegeleiding (CLB) en onderwijsinspectie? Wie heeft welke verantwoordelijkheid? • Dezelfde vragen werpen zich op bij de ‘objectieve diagnostiek’. • Voldoet de handicapspecifieke kennis over sommige doelgroepen bij CLB, pbd en onderwijsinspectie, noodzakelijk voor de rol die ze toebedeeld krijgen? • Het inschakelen van een niet-betrokken CLB als het overleg over disproportionaliteit gaat. Wanneer het echter ook over verslaggeving gaat, denken we best eerder in de richting van een bemiddelingscommissie. • Wat zijn precies de bevoegdheden die de leersteunraad toebedeeld krijgt? Wie zijn de actoren en wat is hun rol? • Ouders en leerlingen moeten als gelijkwaardige actieve partners gezien worden. Het mag niet enkel gaan om het verstrekken van informatie maar ook om effectief partnerschap in iedere fase van het zorgcontinuüm.

4

vlor.be


• •

Wat is de rol van externe actoren inzake diagnostiek? Zeker als we rekening houden met de wachtlijsten en met de vaststelling dat de criteria van sommige types problematisch zijn. De conceptnota spreekt over een gedeelde verantwoordelijkheid in het vormgeven van de ondersteuning en het maken van afspraken omtrent de coördinatie van verschillende vormen van ondersteuning. De regie over het leerproces ligt bij de scholen gewoon onderwijs. In de praktijk zijn het vaak de ouders die de coördinatie en afstemming tussen verschillende diensten op zich nemen. Voor een aantal ouders is dat een positief gegeven. Voor veel ouders is dat echter niet haalbaar en vormt het een drempel voor inclusief onderwijs. Dat laatste moeten we vermijden.

2.9 Financiële impact verduidelijken Verder in het advies, bij de bespreking van de aparte doelstellingen, zal er ook geregeld een vraag over of een oproep tot mogelijke financiering opduiken. Alvast twee belangrijke opmerkingen: • Er is doorheen de conceptnota sprake van (verdere) professionalisering voor alle actoren in elk domein. Dat vraagt om middelen die de huidige financiering overstijgen. • De modaliteit van financiering van de geplande leersteuncentra is nog onduidelijk

2.10 Fundamentele zaken die we missen in de conceptnota • •

• •

•

In de eerste plaats een langetermijnvisie met een helder tijdspad; De focus op de ondersteuningsbehoeften van leerlingen en handicapspecifieke competenties. Het gaat hier vaak over leerlingen op de juiste plaats krijgen. Daarbij moeten niet enkel pedagogisch-didactische maar ook participatie en andere domeinen meegenomen worden, zoals het sociaal-emotionele en de context van de leerling; De kerngedachten van netwerking en co-creatie; Erkennen en bestendigen van good practices: - De laatste jaren werden door de ondersteuners in het veld veel inspanningen geleverd om handicapspecifieke kennis te ontwikkelen. We hadden graag de waardering daarvoor expliciet gelezen in de nota; - De nota vertrekt uit knelpunten, terwijl er heel wat goede praktijken vanuit de rapporten en vanuit het werkveld naar boven komen. Er mag ook aandacht besteed worden aan het deeltijds kunstonderwijs. Ook het dko heeft immers te maken met leerlingen die uit het leerplichtonderwijs komen met bepaalde noden, gekoppeld aan basiszorg en verhoogde zorg.

3 De conceptnota onder de loep We volgen in dit derde deel de opbouw van de conceptnota. Bij het bespreken van de doelstellingen citeren we steeds de doelstelling uit de conceptnota en gaan we dieper in op de inhoud ervan en ook op de bijhorende maatregelen.

3.1 Concretisering vijf speerpunten De Vlor gaat akkoord met de voorgestelde vijf speerpunten. Toch leven er wat bezorgdheden over de concretisering en de uitwerking ervan in de conceptnota. • Bij speerpunt 2: Elk kind krijgt in de klas maximale en kwaliteitsvolle ondersteuning met het oog op leerwinst en optimale ontwikkelingskansen

5

vlor.be


-

-

Ontwikkeling moet breed bekeken worden. We gaan voor maximale ontplooiing van elk kind, waarin ook het sociaal-emotionele een plaats moet krijgen. We vragen dan ook om leerwinst en optimale ontwikkelingskansen steeds als een geheel te blijven zien. Bovendien is het ook nodig om ‘participeren aan het schoolleven’ voorop te stellen. Daarvoor moet op meerdere domeinen ingezet worden, zoals mobiliteit, zelfredzaamheid, algemeen dagelijkse verrichtingen (ADL) en verpleegkundige handelingen.

•

Bij speerpunt 3: Elk kind zit op de juiste plaats: ‘gewoon onderwijs waar het kan, buitengewoon onderwijs waar nodig’ via een planlastluwe doorverwijzing - ‘‘Elk kind op de juiste plaats’’ geeft de indruk dat het tweesporenmodel het na te streven doel is, terwijl volgens het eerder genoemde VN-verdrag inclusief onderwijs het na te streven doel is. Het is duidelijk dat het VN-verdrag en de bijhorende general comment nog steeds aanleiding geven tot meerdere interpretaties van het inclusiemodel. De Vlor vraagt zich af of daarover wel degelijk een consensus bestond. - We stellen voor om hier het begrip onderwijscontinuüm in te brengen: ‘’Elk kind situeert zich op de juiste plaats in het onderwijscontinuüm’’, waarmee we bedoelen: een gedifferentieerd onderwijsaanbod in een gepaste setting, dat aansluit op de verschillende onderwijsbehoeften van de leerlingen. - Wat houdt een ‘planlastluwe doorverwijzing’ in en hoe zal die geconcretiseerd worden? - Het is belangrijk om speerpunt 3 te koppelen aan het nieuwe inschrijvingsdecreet.

•

Bij speerpunt 4: Elk kind krijgt ondersteuning door vakbekwame professionals - Welke ondersteuning wordt hier bedoeld? Leersteun, leerlingenbegeleiding of beide? - Wat bedoelt men met vakbekwaamheid? Gaat het enkel om onderwijskundige vakbekwaamheid of ziet men dat breder? Welke criteria worden dan er dan aan gekoppeld?

•

Bij speerpunt 5: Elk kind en zijn/haar ouders krijgen snelle, duidelijke en bruikbare informatie en worden bij het ondersteuningsproces betrokken - De betrokkenheid van ouders mag krachtiger uitgewerkt worden. Ouders moeten de kans krijgen een echte actieve partner te zijn in het proces. We gebruiken liever de term partnerschap. - Leersteuncentra en scholen moeten tijdig de nodige inspanningen leveren om alle ouders te bereiken en een partnerschap met hen aan te gaan. Scholen zetten in op partnerschap met alle ouders vanaf de inschrijving en in elke fase van het zorgcontinuüm. Partnerschap tussen school en ouders start dus niet vanaf het moment dat een kind leersteun krijgt maar is een fundamentele voorwaarde voor een succesvolle schoolloopbaan van ieder kind.

3.2

Bezorgdheden over timing

Het decreet leersteun en het leersteunmodel gaan vanaf 1 september 2022 gefaseerd van start. De Vlor hoopt dat er, zoals vooropgesteld, in samenspraak met het werkveld een totaaldecreet komt vanwege het belang van transparantie en het scheppen van een totaalbeeld met een duidelijk tijdspad voor de fasering. Dat tijdspad is zeker belangrijk voor het uitbouwen van het ambt van leerondersteuner en voor de bijkomende investeringen in brede basiszorg. We moeten tot elke prijs een versnipperde aanpak met o.a. tussentijdse besluiten van de Vlaamse Regering vermijden. Het zou goed zijn als sommige zaken volgend schooljaar geïmplementeerd worden, zoals het statuut van de ondersteuner, maar er moet ook de tijd genomen worden om dat grondig en degelijk te doen. Kwaliteit mag niet ten koste gaan van snelheid. Dat vraagt een goed doordachte,

6

vlor.be


planmatige aanpak. Er zullen verschillen zijn in snelheid van implementatie. Die verschillen moeten voldoende meegenomen worden in de voorbereiding van de concretisering in fases.

3.3 Knelpunten uit eerdere studies als uitgangspunt mag niet tot versnippering leiden Het is evident dat bij het uitwerken van beleid, informatie uit onderzoek wordt meegenomen. Enkel uitgaan van de knelpunten die verbeterd moeten worden, kan echter versnippering in de hand werken. We missen een blik op wat er intussen wel goed gelopen is, wat we geleerd hebben en wat we willen versterken. De Vlor prefereert een totaalvisie als uitgangspunt. De Vlor stelt vast dat er sedert de rapporten van de voorgestelde onderzoeken intussen al enige verdere ontwikkelingen zijn met in de eerste plaats de uitrol van het ondersteuningsmodel. Maar er zijn ook enkele knelpunten op de voorgrond gekomen zoals de problemen rond leerlingenvervoer of de inclusieve voor- en naschoolse opvang. De kleine types kunnen zich goed herkennen in de terreinverkenning kleine types3. Die terreinverkenning is echter te weinig meegenomen in de conceptnota. De stuurgroep die de opdracht had om mee vorm te geven aan de voorbereiding, opvolging en aansturing van de invoering van de ondersteuningsnetwerken, werd intussen opgeheven. Het is een gemiste kans dat zij niet mee ingeschakeld werd om de conceptnota vorm te geven.

3.4 Reeds verwezenlijkte opstappen nog te prematuur? De minister realiseerde deze legislatuur al enkele opstappen naar het decreet Leersteun met bijkomende budgetten vanaf het schooljaar 2020-2021/begrotingsjaar 2021. De raad merkt op dat het hier om kleine losstaande opstappen gaat, die niet ingebed zijn in een groter geheel. Die opstappen zitten ook vaak nog in een beginfase en werden nog niet geëvalueerd. Bij twee van de opstappen heeft de Vlor nog enkele bedenkingen: • Opstap 2: versterking van de zorgcoördinatie-leerlingondersteuning in het basisonderwijs De Vlor vindt de versterking van de leerlingondersteuning zeker positief. We vragen wel dat de overheid nagaat of deze versterking via zorgcoördinatie de vooropgestelde ondersteuning in de klas brengt. Daarnaast is er zeker nog nood aan middelen voor zorg, ook voor het uitwerken van een zorgbeleid. We merken op dat er in het secundair en het buitengewoon onderwijs hiervoor nog geen middelen voorzien zijn. •

Opstap 3: de planlastreductie door middel van een administratieve vereenvoudiging van het gemotiveerd verslag. Er zijn inderdaad enkele delen uit het verslag geschrapt, maar dat leidde niet tot een vereenvoudiging. De ondersteuners geven aan dat de planlast die daardoor is weggevallen, gecompenseerd wordt door extra werk en bijkomend overleg om tot een goede beeldvorming van de leerling te komen. Ook voor de CLB zorgt die zogenaamde vereenvoudiging amper voor verlichting in de opdracht. Er is nood aan échte stappen naar administratieve vereenvoudiging,

3

Onderwijsinspectie (2020). Ondersteuning kleine types: tweede fase van de terreinverkenning, maart 2020. Vlaamse

Overheid.

7

vlor.be


met tegelijk de bezorgdheid dat iedereen toegang moet blijven hebben tot de nodige informatie om tot beeldvorming te komen en de leerling te ondersteunen.

3.5 Beleidsmaatregelen voor drie domeinen versus continuüm Het is niet geheel duidelijk wat men precies met ‘(onderwijs-)continuüm’ bedoelt. De Vlor ziet in elk geval geen continuüm in deze driedeling. In plaats van naar één inclusief systeem te streven, blijven we steken in deze driedeling. Het apart oplijsten van doelstellingen voor drie domeinen is een pragmatische aanpak, maar zet een visie vanuit co-creatie en netwerking onder druk, terwijl die wel positief verloopt in de huidige werking. Ook het idee dat een continuüm werkt in twee richtingen zit onvoldoende vervat in deze driedeling. De driedeling wordt sterk vorm gegeven vanuit het organisatorisch perspectief, terwijl het ook zou kunnen vertrekken vanuit het perspectief van leerlingen. Dan zouden we betere antwoorden kunnen bieden. De Vlor wil erover waken dat de knelpunten voor kwaliteitsvol onderwijs voor alle leerlingen in het hele onderwijscontinuüm worden aangepakt.

3.6 Doelstellingen voor gewoon onderwijs 3.6.1 “Alle scholen realiseren een doeltreffend beleid op leerlingenbegeleiding. Het schoolteam beschikt over de nodige competenties om dit te realiseren.” Dit is een mooie doelstelling. We prefereren echter te lezen: ‘Alle scholen realiseren verder een doeltreffend beleid op leerlingenbegeleiding’. Het decreet leersteun zal volgens de conceptnota meer maatschappelijke inclusie beogen. De Vlor is voorstander van maatschappelijke inclusie, maar het is onduidelijk welke invulling het beleid eraan geeft. Extra middelen voor bijkomende investeringen brede basiszorg en verhoogde zorg De Vlor vindt het zeker positief dat die bijkomende investeringen er komen. In een recent advies geeft de raad een aantal aandachtspunten en voorwaarden mee om die basiszorg en verhoogde zorg vorm te geven.4 Wat betreft de bijkomende investeringen vraagt de Vlor zich af van waar de extra middelen komen om deze investeringen te realiseren. Voorwaarden voor een professionaliseringsbeleid in scholen Het is de verantwoordelijkheid en de autonomie van de scholen om invulling te geven aan professionalisering. Er leven vragen zoals: • Wat is basismateriaal en waar pikt professionele hulpverlening in? • Als het gaat om professionalisering van het schoolteam, lijkt het onmogelijk dat het schoolteam over al die specifieke expertise voor elke doelgroep beschikt. En wie zal die expertise dan binnenbrengen? • …

4

Vlor, Algemene Raad. Een pleidooi voor strategische beleidsplanning om inclusief onderwijs te kunnen realiseren, 23 januari 2020.

8

vlor.be


Een professionaliseringsbeleid vraagt enkele bijkomende voorwaarden: • De scholen moeten de autonomie behouden om de juiste (contextgebonden) keuzes te maken op vlak van professionalisering; • Naast voldoende tijd voor overleg, moet er ook binnen de opdracht voldoende tijd en ruimte zijn om aan expertise-uitwisseling en expertise-ontwikkeling te doen met leersteunnetwerken en scholen (zowel gewoon als buitengewoon). Dat staat nu onder druk door het gebrek aan vervangingsmogelijkheden; • Het versterken van professionalisering vereist ook extra middelen. De huidige volstaan niet om de verwachtingen in te lossen. Hoe gaat de overheid concreet investeren? Lerarenopleidingen versterken: eerst wachten op effect van pilootprojecten? Het zal nog veel te lang duren voordat de effecten van de pilootprojecten, die nog opgestart moeten worden, geïmplementeerd kunnen worden en voelbaar zijn in het onderwijsveld. Er zijn dringender maatregelen nodig op korte termijn. Zoals we hierboven ook voor de huidige leraren vermeldden, kunnen we ook van startende leraren niet verwachten dat ze de specificiteit van elke doelgroep kennen. Basiszorg en verhoogde zorg moet wel meegegeven worden in de lerarenopleiding.

3.6.2 “De pedagogische begeleidingsdiensten en centra voor leerlingenbegeleiding zetten versterkt in op leerlingenbegeleiding met effect op de klasvloer. Ze geven verhoogde aandacht aan scholen die achterblijven.” Term ‘scholen die achterblijven’ en rol van de betrokken actoren verduidelijken Pbd en CLB moeten versterkt inzetten op leerlingenbegeleiding met verhoogde aandacht voor scholen die ‘achterblijven’, wat volgens de conceptnota ‘die scholen die er niet in slagen voldoende leerwinst te genereren bij hun leerlingen’ zijn. Dat vraagt om extra middelen. Anderzijds moet de onderwijsinspectie tijdens de doorlichting focussen op de kwaliteit van de leerlingenbegeleiding (zie ook 3.6.3). Er moet duidelijk uitgeklaard worden wat de rol van de verschillende actoren is en wie welke verantwoordelijkheid draagt inzake kwaliteitsvolle leerlingenbegeleiding. Daarbij is het referentiekader voor onderwijskwaliteit (OK-kader) de referentie. Wij menen dat het niet aan de CLB of de pbd is om te bepalen welke de ‘achterblijvende scholen’ zijn. Noden bij ondersteuning en kwaliteitsinschatting door CLB, pbd en onderwijsinspectie Zowel CLB als pbd zijn zeker bereid om sterk in te zetten op ondersteuning in brede basiszorg en verhoogde zorg en op begeleiding dicht bij de scholen. Daarvoor moeten ze wel meer tijd, voldoende middelen en de nodige omkadering krijgen. Voor de pbd moeten die niet eenmalig zijn maar structureel ingebed in het kwaliteitsdecreet. Voor de CLB zijn er ook verwachtingen die aansluiten bij de kernprocessen. Sinds 2000 was er echter, ondanks het toenemende belang van overleg en contacten, geen enkele injectie voor personeel en middelen om die extra tijd te realiseren. Ook scholen hebben het lastig met de beperkte tijd voor overleg met het CLB of dat het CLB niet altijd beschikbaar is. Zonder extra investering van middelen, zal dat niet opgelost kunnen worden. De Vlor pleit er ook hier voor om het vraaggestuurd werken meer te accentueren. De verschillende actoren kunnen hun noden immers heel goed benoemen.

9

vlor.be


Daarnaast stellen we vast dat voor sommige doelgroepen heel wat handicapspecifieke kennis nodig is, die nu soms ontbreekt bij CLB, pbd en inspectie. Maar zij krijgen wél de rol toebedeeld om een inschatting te maken. De focus van deze maatregel ligt nogal expliciet op het onderwijsaspect. Er zijn heel mooie voorbeelden van samenwerking met Jeugdhulp. Die mogen ook meegenomen worden in aanloop naar het decreet Leersteun. Komt implementatie van de maatregelen te vroeg? De implementatie van het decreet Leerlingenbegeleiding loopt nog volop. Daardoor lijkt het ons nog te vroeg om de maatregelen bij deze doelstelling te implementeren. Die implementatie is enkel haalbaar indien er een gezamenlijk gedragen kwaliteitskader is.

3.6.3 “De onderwijsinspectie focust tijdens alle doorlichtingen op de kwaliteit van de leerlingenbegeleiding en legt scholen en CLB die geen performante leerlingenbegeleiding realiseren een begeleidingstraject op.” Sturende rol van onderwijsinspectie Het is goed dat er controle en toezicht is door de inspectie. Maar in welke mate die zal gebeuren, is onduidelijk. Het vertrekpunt moet het referentiekader voor onderwijskwaliteit zijn en wie welke rol daarin opneemt. Daarbij moet iedereen zijn rol sterk kunnen uitvoeren om tot kwaliteit te komen. Dat vraagt ook een garantie op voldoende kennis van de doelgroepen bij de inspectie. Concretiseren verplicht begeleidingstraject voor scholen en CLB en intensievere opvolging Wat met de pedagogische vrijheid van scholen om zelf de tekorten aan te pakken? Bij de concretisering van het begeleidingstraject vragen we ons af wie de actoren zijn in dat traject, wie men zal bevragen en of er dan ook voldoende aandacht zal zijn voor de beleving of ervaringen van leerlingen en ouders. We stellen ons daarbij ook vragen bij de rechtspositie van leerlingen in een klimaat van controle. De vrees bestaat dat scholen leerlingen gaan wegsturen indien ze een extra traject lopen of om dat traject te voorkomen. Waar kunnen ouders terecht voor informatie over het begeleidingstraject.? Een doorlichting om de zes jaar lijkt in elk geval te weinig om deze doelstelling te bereiken. De Vlor wacht hier het resultaat af van de huidige herwerking van de manier waarop de inspectie gaat kijken naar leerlingenbegeleiding in het gewoon onderwijs en de bijsturing van de manier van doorlichten.

3.6.4 “De leraren herkennen zeer makkelijk lerenden, hoogbegaafden en uitzonderlijk hoogbegaafden en maken het onderwijs ook voor hen voldoende uitdagend. “ Extra aandacht voor cognitief sterk functionerenden? De Vlor is tevreden met de aandacht voor deze doelgroep. In een recent advies vermeldden we al dat basiszorg en verhoogde zorg een antwoord moet kunnen bieden op vragen van een heel heterogene groep van leerlingen waaronder ook de hoogbegaafden.5 De conceptnota is niet duidelijk over wat er met die specifieke groep moet gebeuren in de basiszorg en verhoogde zorg. Liever dan op te splitsen in de voorgelegde drie categorieën, verwijzen we hier naar de overkoepelende term die Prodia hanteert: ‘cognitief sterk functionerend’. De conceptnota voegt

5

Vlor, Algemene Raad. Een pleidooi voor strategische beleidsplanning om inclusief onderwijs te kunnen realiseren, 23 januari 2020.

10

vlor.be


met deze formulering immers nog eens drie extra labels toe. Door die expliciet te benoemen, lijken andere groepen uit de boot te vallen. Denk in het kader van comorbiditeit aan leerlingen die hoogbegaafd zijn met ass, of hoogbegaafd en ADHD, die soms in het buitengewoon onderwijs terechtkomen. Wanneer we meer inzetten op en vertrekken vanuit de specifieke onderwijsbehoeften van elke leerling, hebben we die labels niet nodig. De vraag is ook of we door dergelijke opdeling inclusief onderwijs voor elke leerling zullen realiseren. De essentie is dat alle leerlingen in het brede spectrum van begaafdheid uitgedaagd moeten worden. Ook voor die groep leerlingen is het van belang dat gewoon en buitengewoon onderwijs samenwerken en dat ze onder de aandacht komen in de lerarenopleiding. Betere herkenning door leraren niet evident Het mag zeker niet de bedoeling zijn om te evolueren naar een screening door leraren maar wel een pleidooi voor meer alertheid van leraren voor dergelijke leerlingen. We vragen hier om een minder sterke formulering. Het is niet evident om tot een diagnose te komen van de hier genoemde drie types of ze zelfs maar van elkaar te onderscheiden. Het kan ook niet de bedoeling zijn dat er meteen doorverwezen wordt naar het CLB. Disseminatie van voorbeeldpraktijken verbreden De Vlor hoopt dat er lessen getrokken worden uit het project met de voorbeeldscholen dat in 2020 werd opgestart. Naast deze doelgroep zijn er nog kwetsbare doelgroepen die extra ondersteuning kunnen gebruiken en waarvan er goede voorbeeldpraktijken zijn. Het is een gemiste kans om die niet mee te nemen.

3.6.5 “De scholen voor gewoon en buitengewoon onderwijs benutten (samen) maximaal hun verantwoordelijkheid in functie van de begeleiding van de individuele leerling.” Leerlingen met zorgnoden in het gewoon onderwijs en hun ouders willen niet het gevoel hebben dat het zorgtraject in het gewoon onderwijs elk jaar kan stoppen. De Vlor vraagt dat klassenraden in hun advies het langetermijnperspectief van de leerling meenemen en hierover helder communiceren naar de ouders en leerling in kwestie. De conceptnota doet geen uitspraken over de beroepsprocedure voor ouders tegen een weigering van een leerling omwille van disproportionaliteit van maatregelen. De Vlor hecht belang aan die beroepsmogelijkheid en wil die graag behouden. Gewoon en buitengewoon onderwijs moeten elkaar beter leren kennen en écht verantwoordelijkheid gaan delen Voor de Vlor is de formulering van de doelstelling verontrustend. Door het belangrijke woord ‘samen’ tussen haakjes te plaatsen, ligt het accent opnieuw meer op de tweedeling. Deze doelstelling lijkt in de conceptnota misschien een ‘kleine’ doelstelling, maar ze heeft een zeer grote impact op het realiseren van leerkansen voor elk kind. Het is echt noodzakelijk dat gewoon en buitengewoon onderwijs elkaar beter leren kennen én verantwoordelijkheid gaan delen. In de conceptnota vinden we geen enkele maatregel/incentive over hoe het gewoon en buitengewoon onderwijs samen hun verantwoordelijkheid kunnen opnemen. Welke obstakels worden daarvoor weggewerkt? Het gaat om de vraag: Hoe zorgen we voor de verankering van de samenwerkingsverbanden die tot op heden steeds op vrijwillige basis en boven op de normale opdracht georganiseerd werden?

11

vlor.be


Autonomie klassenraad certificering leerlingen met IAC vraagt meer concretisering De Vlor staat positief tegenover de vooropgestelde autonomie van de klassenraad om leerlingen met een individueel aangepast curriculum (IAC) te certificeren. Hij gaf dat al aan in een eerder advies.6 De klassenraad volgt immers de evolutie van de leerling permanent op. Er moet nog aan volgende voorwaarden voldaan worden: • Er is nood aan voldoende tijd en ruimte om degelijk overleg te voeren en de verkregen autonomie te kunnen opnemen; • Het kan, in functie van bepaalde situaties, wenselijk zijn de partners uit Welzijn/Gezondheid en ondersteuners in het hele traject te betrekken. Zij kunnen een zinvolle inbreng doen met de expertise die de ‘onderwijsmensen’ in de klassenraad in mindere mate hebben; • Het is belangrijk dat ouders, maar ook leerlingen, helder geïnformeerd worden over de voorwaarden tot het behalen van een studiebewijs én over de mogelijkheden om in beroep te gaan; • Het systeem moet garanties bieden dat wie een certificaat verdient, dat ook krijgt. We zijn bezorgd dat meer leerlingen zullen doorverwezen worden naar het buitengewoon onderwijs. Uitklaren en concretiseren van objectieve diagnostiek Wat wordt precies bedoeld met ‘objectieve diagnostiek’? We zijn wel vertrouwd met de terminologie uit het Protocol betreffende het concept van redelijke aanpassingen (2007).7 De Vlor vraagt dat de nota volledig gescreend wordt op die terminologie en dat er gebruik wordt gemaakt van terminologie die vertrouwd is. In het hier gehanteerde perspectief vraagt de Vlor zich af of een ‘objectieve’ diagnostiek wel mogelijk is, vermits kinderen toch steeds beïnvloed zijn door hun context. Als het bijvoorbeeld gaat om gedragsproblemen, dan kan je niet uitsluiten dat interactie met de leerkracht bepaald gedrag oproept, versterkt of verzwakt. In welke mate kan er dan sprake zijn van ‘objectieve’ diagnostiek? Ondanks de onderlegdheid van de CLB-medewerkers, zijn er echter nog vragen bij dit concept: • Als ‘objectieve diagnostiek’ daadwerkelijk wordt ingevoerd, kunnen we dan een uniforme tool verwachten of hebben scholen een mate van vrijheid om dit in te vullen? • Wat zal de rol zijn van de verschillende actoren bij deze diagnostiek? Bezorgdheden over aantonen van disproportionaliteit De Vlor merkt heel wat bezorgdheden op als het gaat over aantonen van disproportionaliteit: • Het verkeerd hanteren van de disproportionaliteit kan er voor zorgen dat er te veel kinderen (voorbarig) in het buitengewoon onderwijs terecht komen. • De conceptnota vermeldt: ‘Wanneer scholen meermaals oordelen dat de aanpassingen die nodig zijn (…) niet redelijk zijn, moet de school zich versterken (…)’. Wie gaat die beslissing nemen en op welke criteria zal die beslissing gefundeerd zijn? • De grote zorg om verdoken weigeringen zou ook meegenomen moeten worden in het aantal keren dat een school oordeelt dat de aanpassingen niet redelijk zijn. • Is de extra ondersteuning door het leersteuncentrum voor leerlingen met een IAC wel effectief voelbaar op de klasvloer?

6 7

Vlor, Algemene Raad. Bijsturingen aan het M-decreet, 5 januari 2018. Protocol tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, het Waals Gewest, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de Franse Gemeenschapscommissie ten gunste van de personen met een handicap. Brussel, 19 juli 2007.

12

vlor.be


•

Wat is de impact van de voorgestelde maatregelen op bepaalde groepen, zoals leerlingen met ernstige meervoudige beperkingen en kinderen met een gedrags- en emotionele stoornis

We willen daarbij ook benadrukken dat ouders goed moeten geïnformeerd worden over wat ze van een school kunnen verwachten, zodat ze ook vanuit het perspectief van de school kunnen aanvoelen wat haalbaar is. Bemiddeling door CLB wanneer overleg moeilijk loopt? De Vlor is geen voorstander van het CLB in de rol van bemiddelaar, omdat het CLB te veel betrokken partij is. Wanneer overleg moeilijk loopt tussen de betrokken partners, kan bemiddeling van een niet-betrokken CLB ingeschakeld worden. Dat valt nog te bespreken wanneer het gaat over disproportionaliteit. Wanneer het echter ook over verslaggeving gaat, denken we best eerder in de richting van een bemiddelingscommissie of de commissie Leerlingenrechten. De ouders zijn vragende partij om daarbij telkens het standpunt van de (kwetsbare) ouders mee te nemen.

3.7 Doelstellingen voor de leersteun 3.7.1 “Een duidelijk en breed gedragen referentiekader voor kwaliteitsvolle ondersteuning zorgt voor een onderbouwde en gelijkgerichte benadering in het Vlaamse onderwijsveld.” De Vlor juicht toe dat zijn eerder pleidooi is gevolgd voor een referentiekader voor kwaliteitsvolle ondersteuning.8 Het is bovendien beloftevol als dat in co-creatie met het onderwijsveld wordt gerealiseerd, maar ook afgestemd met en met betrokkenheid van Welzijn/Gezondheid en de actoren uit dat domein. Het is ook positief dat er gestreefd wordt naar afstemming tussen de verschillende kaders die er al zijn en/of in ontwikkeling zijn. Maar ook hier enkele aandachtspunten: • De Vlor pleit voor coherentie, co-creatie en participatie van de onderwijspartners, waaronder ook de leraren; • Er moet ruimte zijn voor elke school om de pedagogische visie binnen dat kader te implementeren.

3.7.2 “De onderwijsinspectie monitort doeltreffend de kwaliteit van de leersteun via doorlichting van de leersteuncentra.” De Vlor vindt het positief dat er een monitoring van de kwaliteit van de leersteun komt. Indien de onderwijsinspectie die monitoring moet opnemen, is er wel extra omkadering nodig. Het is echter niet helemaal duidelijk wie zal bevraagd worden. Is dat de betrokken school (de directie, de coördinatoren) of enkel het leersteuncentrum (de ondersteuners) of beiden? Daarom wijst de Vlor op het belang van een duidelijk organisatiemodel. De centra moeten duidelijk onderscheiden entiteiten zijn met een bestuur dat verantwoordelijkheid draagt zodat de inspectie de doorlichting kan doen en de juiste verantwoordelijke kan aanspreken.

8

Vlor, Algemene Raad. Advies over de nota over het ondersteuningsmodel, 23 februari 2017.

13

vlor.be


Daarnaast vragen we ook om een verduidelijking over het verplicht verbetertraject waarvan sprake. Moet de pedagogische begeleiding dat opnemen? En welke middelen worden er voorzien?

3.7.3 “De ondersteuning komt terecht bij die leerlingen en hun leerkrachten en schoolteams die nood hebben aan leersteun voor de uitbreiding van zorg of een individueel aangepast curriculum.” Het is evident dat de ondersteuning terecht moet komen waar er nood aan is. Maar er moet nog veel denkwerk gebeuren over het financieringssysteem. Als we ervan uitgaan dat financiering enkel gekoppeld is aan geïdentificeerde noden, dan zal heel veel capaciteit van de CLB naar het vaststellen van die noden gaan. Andere opdrachten komen dan in het gedrang. En er is de bezorgdheid voor nog meer etikettering, net omdat het hele huidige systeem daarop afgestemd is. Optimalisatie verdeling middelen leersteuncentra uitklaren De Vlor ziet tegenstrijdigheden in de tekst wanneer het gaat over hoe de verdeling van de middelen tussen leersteuncentra en scholen er zal uitzien. Zo lezen we bij doelstelling 3: “De leersteuncentra zetten, met inspraak van de scholen, de verkregen middelen in …” . Verder in de conceptnota lezen we: “De middelen die de scholen voor gewoon onderwijs genereren op basis van het financieringsmodel brengen ze in het leersteuncentrum in.” Dat vraagt verduidelijking voor heel wat actoren. Degelijke simulaties voor verdeling middelen leerlingen en leraren op basis van ondersteuningsbehoeften Er is heel wat te doen geweest over de financiële verdelingsmechanismen in de aanloop naar deze conceptnota. Uiteindelijk wordt nu 60/40 voorgesteld in plaats van het huidige 70/30. Hoe kan er gemotiveerd worden dat deze verdeling de beste manier is om de doelstelling te realiseren? Dat verdient nog verdere uitklaring met betrokkenheid van alle onderwijspartners, inclusief CLB. De Vlor vraagt zich af of er bij het nieuwe financiële verdelingsmechanisme voldoende ingezet zal worden op ondersteuning van lerarenteams. Net als bij de aanloop naar het huidige ondersteuningsmodel, vraagt de Vlor ook nu om degelijke simulaties te voorzien waarbij de personeelsvertegenwoordigers betrokken worden omwille van het groot effect op tewerkstelling. Naast de aandacht voor tewerkstelling moet ook het behoud van expertise bewaakt worden. 9 Objectivering (gemotiveerde) verslagen via gezamenlijke ontwikkeling en kwaliteitstoezicht roept vragen op De doelstelling zelf is uiteraard positief en lijkt duidelijk. Maar in de praktijk rijzen er veel vragen over het opmaken van een gemotiveerd verslag dat eigenlijk bedoeld is om de basiszorg en de verhoogde zorg te versterken. Bij deze doelstelling duidt de conceptnota op de verschillen tussen de CLB op vlak van het te gemakkelijk schrijven van een gemotiveerd verslag, of net niet. Er zijn inderdaad verschillen tussen de CLB, maar die zijn er ook tussen scholen, leerlingen en regio’s. We hadden daarover graag een meer genuanceerd verhaal gezien. De CLB willen immers paal en perk stellen aan de toenemende vraag naar diagnostiek door de koppeling aan de financiering. Het is onmogelijk om elke leerling te gaan wegen. Zo komen ze te weinig toe aan hun basisopdracht: signaalfunctie en consultatieve leerlingenbegeleiding.

9

Vlor, Algemene Raad. Advies over de nota over het ondersteuningsmodel, 23 februari 2017.

14

vlor.be


De Vlor stelt zich vragen bij enkele formuleringen bij die maatregel: • De conceptnota vermeldt: “Er wordt onderzocht of er ‘slapende (gemotiveerde) verslagen’ zijn, en die worden afgesloten.” Wat wordt er precies bedoeld met ‘slapende (gemotiveerde) verslagen’? We zijn hier ook bezorgd om de planlast die deze oefening met zich meebrengt. Het CLB moet hiervoor niet alleen verantwoordelijk zijn. • Het is evident dat men streeft naar een gelijkgerichte benadering. De conceptnota vermeldt daarbij: “De sector heeft inspanningen gedaan, o.a. via Prodia, om die gelijkgerichtheid te realiseren.” Maar ook hier weer de vraag wat de overheid hier bedoelt. • Wat bedoelt de overheid concreet met de hier vermelde ‘externe expertise’?

3.7.4 “De leersteuncentra voeren een doeltreffend professionaliserings- en financieel beleid.”

leersteun-,

personeels-,

3.7.5 “De toeleiding van de leersteun naar de scholen voor gewoon onderwijs verloopt via een duidelijk en eenvoudig model.” Zowel de organisatie van de leersteuncentra, het aanstellen van een leersteunraad als het nieuwe ambt van leerondersteuner vragen nog heel wat concretisering en uitklaring. We geven per onderdeel onze bezorgdheden mee: Leersteuncentra De modaliteiten in de conceptnota voor het oprichten van een leersteuncentrum lijken er toe te leiden dat er voor de kleine types geen rechtstreekse band meer is tussen het leersteuncentrum en een school voor buitengewoon onderwijs. Dat kan leiden tot verlies van expertise. Terwijl we in Vlaanderen fier mogen zijn dat scholen voor buitengewoon onderwijs expertise opgebouwd hebben om voor elk type sterk onderwijs aan kinderen en jongeren te verstrekken. Omdat de volledige inkanteling van de types 6 en 7 zonder de gegarandeerde structurele samenwerking met de school voor buitengewoon onderwijs op middellange en lange termijn zou kunnen leiden tot een verlies van expertise, vragen we bijkomend onderzoek vooraleer de verplichting wettelijk te verankeren. Zeker wat de kleine types betreft, types 4, 6 en 7, is een rechtstreekse band met de expertiseschool nodig om de kwaliteit van de ondersteuning te kunnen waarborgen. De expertise is opgebouwd en wordt verder ontwikkeld in deze teams. Een rechtstreekse toeleiding van leerlingen met een kleine prevalentie, samen met de financiering via het leersteunloket, biedt de beste garantie om tijdig de juiste ondersteuning te voorzien. Dynamische samenwerkingen tussen en vanuit types moet mogelijk zijn, in het kader van comorbiditeit. Organisatie leercentrum

Er worden nu twee mogelijkheden voorgesteld voor de organisatie van een leersteuncentrum: 1 Een leersteuncentrum als een zelfstandige afdeling van een bestaande school voor buitengewoon onderwijs 2 Een zelfstandige instelling, opgericht door minstens één of meerdere huidige (school)besturen Dat roept enkele vragen op, waar de conceptnota nog geen antwoord op heeft:

15

vlor.be


•

Mogen schoolbesturen voor de organisatie van een leersteuncentrum kiezen uit de twee mogelijke organisatievormen? Wat zijn de consequenties voor die keuze? Is er een termijn verbonden aan die keuze?

•

Een school voor gewoon onderwijs kiest een leersteuncentrum waarmee ze samenwerkt. Ze kunnen indien gewenst een nieuwe keuze maken. Is er een termijn verbonden aan die keuze?

•

Als aan een schoolbestuur maar één leersteuncentrum kan verbonden zijn, hoe moeten de grote schoolbesturen of degene die vestigingsplaatsen hebben over heel Vlaanderen dat praktisch organiseren? Krijgt een leersteuncentrum een eigen instellingsnummer, een eigen huisvesting en eigen middelen? Voor scholen van het GO! is het principe van verplichte netoverstijgende leersteuncentra in strijd met het Bijzonder decreet betreffende het gemeenschapsonderwijs (art. 33°13)

• •

De Vlor pleit ook hier voor een duidelijke organisatiestructuur, zonder te veel verschuivingen die zouden leiden tot het verloren gaan van expertise. De Vlor vraagt om de contingentering vast te zetten nadat het landschap zich georganiseerd heeft in leersteuncentra op basis van de 2 mogelijke organisatievormen. Bij de omzetting van een ondersteuningsnetwerk naar een nieuw leersteuncentrum moet het vanuit zijn eigen ervaringen naar een optimale gebiedsomschrijving kunnen evolueren. De huidige contingentering beschouwt de Vlor als richtinggevend om een optimale transitie naar leersteuncentra Vlaanderenbreed te kunnen realiseren. Opsplitsing type 7

De raad heeft ook bedenkingen bij de opsplitsing van type 7 in type 7 spraak-of taalstoornis (‘STOS’)10 en type 7 auditief. We houden een pleidooi voor een duidelijke afbakening van de doelgroep spraak- of taalstoornis. De exponentiële toename van het aantal (gemotiveerde) verslagen spraak- of taalstoornis kan teruggeschroefd worden door een correcte toeleiding. Bij de opstart van ondersteuning bij ‘vermoeden van’ stellen we voor om een ‘ondersteuningstermijn’ in te voeren of een herevaluatie na een bepaalde termijn. Een spraak- of taalstoornis mag niet verward worden met secundaire taalstoornissen. Die laatste zijn stoornissen ten gevolge van problemen in andere ontwikkelingsdomeinen, ten gevolge van onvoldoende of onaangepast taalaanbod, terwijl het bij een spraak- of taalstoornis gaat om een aangeboren (neurologische) stoornis. We zien de ondersteuning van leerlingen met een spraak- of taalstoornis graag aansluiten bij de teams van ondersteuning voor type 7. Voor spraak- of taalstoornissen worden heel wat didactische principes gehanteerd die ook voor dove en slechthorende leerlingen van toepassing zijn. Het team combineert (logopedische) kennis op het gebied van gehoor, taal, spraak en communicatie met leerdoelen en leren en het heeft kennis van alternatieve communicatiestrategieën. Verdere bedenkingen bij de leercentra

•

10

Een leersteuncentrum moet alle types aankunnen tot aan het loket en dan doorverwijzen (met financiering) naar het juiste type.

De Vlor hanteert hier de term ‘spraak- of taalstoornis’, zoals aangegeven wordt in het decreet betreffende de maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften (art. II.3 en art. III.21).

16

vlor.be


•

De schaalvergroting mag geenszins leiden tot homogenisering of standaardisering van zorg. Het is ook belangrijk dat de leersteuncentra regelmatig de beleving en mening van hun gebruikers (ouders en leerlingen) bevragen en deze input meenemen in hun continue kwaliteitsbewaking.

•

Er is sprake van afspraken tussen het leersteuncentrum en de scholen, maar we missen de afspraken tussen het leersteuncentrum en de CLB. Er moet niet meteen gestreefd worden naar een formeel contract of overeenkomst, maar er moet toch minstens een link zijn.

•

De Vlor had ook bij deze doelstellingen graag de expliciete vermelding gezien van de wenselijkheid van beleid rond samenwerking met relevante partners uit Welzijn/Gezondheid, met respect voor de draaischijffunctie van CLB. Die wordt ook benadrukt in het decreet leerlingenbegeleiding (Art. 102). Ook in verband met doelgroepen met zeer lage prevalentie blijft die nood groot.

•

Op vlak van personeel zal ook nog heel wat uitgeklaard moeten worden.

Leersteunraad De Vlor is het ermee eens dat een leersteunraad kan wegen op de beslissing, maar hij mag geen formele bevoegdheid krijgen bij individuele casuïstiek. Het is trouwens onduidelijk welke specifieke bevoegdheid de leersteunraad toebedeeld krijgt. Heeft hij een controlerende rol? Als het effectief een vereiste is dat elke school moet vertegenwoordigd zijn in deze leersteunraad, zal dat efficiënt werken bemoeilijken. Geldt deze regel trouwens ook voor de scholen buitengewoon onderwijs? Krijgen zij ook een stem in de leersteunraad? Ambt leerondersteuner De Vlor vindt het een goede zaak dat er een ambt van leerondersteuner komt. Toch zijn er nog bezorgdheden die niet uitgeklaard worden in de conceptnota: • Het installeren van dit ambt mag niet in het gedrang komen omwille van timing; • Het ambt mag ook niet leiden tot verlies van banen of verlies van ondersteuning; • Wat met ondersteuners die al benoemd zijn in het buitengewoon onderwijs?

3.7.6 “Het team van leerondersteuners beschikt over voldoende handicapspecifieke-, onderwijskundige, inclusie- en coachingsexpertise, die ze laagdrempelig, netoverschrijdend en regionaal samen uitbouwen.” Die doelstelling hangt nauw samen met de vorige twee doelstellingen. Verdere ontwikkeling competentieprofiel Het is goed dat er een competentieprofiel voor ondersteuners komt. Er is ook de nodige expertise vereist voor o.a. leerlingen met SES-kenmerken en de diagnostiek bij meertaligheid. Onderzoek en ondersteuning vanuit de academische wereld zou hier terug een plaats moeten krijgen. Gerichte praktijkervaring ondersteuners vraagt extra vervangingen Het is wel mogelijk dat dit voor scholen buitengewoon onderwijs moeilijk te organiseren is. De Vlor heeft ook bedenkingen bij de mogelijkheid tot vervanging in geval van gerichte praktijkervaring. Waar gaan we die vervangers vinden? Zolang daarvoor geen perspectief is, is deze doelstelling met bijhorende maatregelen een slag in het water.

17

vlor.be


Welke rol ziet men hier voor de pedagogische begeleiding?

3.7.7 “De informatiestroom en de samenwerking tussen het gewoon onderwijs, het leersteuncentrum, het centrum voor leerlingbegeleiding en de ouders staan in functie van de leersteun.” Aangaan van wederkerig partnerschap met ouders en leerlingen De Vlor is tevreden dat de informatiestroom naar en samenwerking met de ouders en de leerlingen een afzonderlijk aandachtspunt is in de conceptnota. Samen denken en samenwerken met ouders en leerlingen kan enkel vanuit een wederkerig partnerschap. Zo wordt voorkomen dat deze doelstelling vertaald wordt naar louter passieve participatie van ouders en leerlingen. Het nodige vertrouwen om dat partnerschap waar te maken, vereist een respectvolle grondhouding en een oudervriendelijk klimaat, zowel van de school als van het leercentrum. Ervaringsdeskundigheid van ouders moet erkend worden en wederzijdse verwachtingen moeten geëxpliciteerd worden. Tegelijk moeten ook de leerlingen mederegisseur zijn van hun eigen zorgtraject. Het is belangrijk om alle ouders en leerlingen te informeren over leersteun en leersteuncentra en wat dat voor hen kan betekenen. Het is dan ook aangewezen om de structuur en terminologie te verhelderen, zodat alle betrokkenen dezelfde taal spreken. Ouders en leerlingen kunnen best de informatie over leersteun al krijgen voor of tijdens het diagnostisch traject, voorafgaand aan de opstart van de effectieve leersteun. Op dat punt is afstemming tussen CLB en leersteuncentrum ook hier nodig. De ouders kunnen volgens de conceptnota informatie inwinnen bij het leersteuncentrum. Om te voorkomen dat sommige ouders (en leerlingen) onvoldoende geïnformeerd worden, vragen we dat ze altijd en zo vroeg mogelijk geïnformeerd worden. Maar wie informeert waarover? De Vlor is akkoord dat het leersteuncentrum informeert over de werking en het aanbod, maar niet over casuïstiek. We vragen duidelijkheid over welke informatie het hier kan gaan en welke informatie gegeven wordt door het leersteuncentrum en welke door de ondersteuner. Zo weten ouders en leerlingen ook waar ze terecht kunnen met eventuele vragen. Uitklaren rollen in informatiestroom Het is nog onduidelijk wie het initiatief zal nemen voor deze informatiestromen en of dat wel de ondersteuner moet zijn. Het moet voor alle partners helder zijn wie welke informatie kan geven. Zo mag een informatiepunt niet over casuïstiek communiceren. Verdere uitbouw digitale informatie De digitalisering is inderdaad belangrijk, maar daar moeten dan ook voldoende middelen voor zijn. De Vlor vraagt daarbij om tijdig na te denken over de technische aspecten bij de implementatie van de doelstellingen. Dat wordt best samen met AGODI opgenomen. Er moet ook rekening gehouden worden met gebruiksvriendelijkheid waaronder een eenvoudige manier om te registreren en data te genereren. De Vlor kaartte dat al eerder aan.11

11

Vlor, Algemene Raad. Advies over bijsturingen aan het M-decreet, 25 januari 2018.

18

vlor.be


Bij een digitaal aanbod moet altijd rekening gehouden worden met kwetsbare groepen die minder toegang hebben tot ICT. Bij gevoelige informatie is digitalisering trouwens vaak een bijkomende drempel en hebben ouders meer nood aan ‘face-to-face’ communicatie.

3.8 Doelstellingen voor buitengewoon onderwijs De Vlor verwijst voor die doelstellingen naar zijn eerder advies (2020) waarin hij de rol van het buitengewoon onderwijs uitklaarde maar ook al een aantal aandachtspunten meegaf voor deze conceptnota.12 Doorheen de conceptnota, maar zeker in de volgende vier doelstellingen, leeft de indruk dat niet de totaliteit van buitengewoon onderwijs gevat wordt.

3.8.1 “Het buitengewoon onderwijs realiseert doelgericht, aangepast onderwijs met een focus op leerwinst en ontwikkeling.” Het is positief dat de conceptnota spreekt over professionaliseringstrajecten en het versterken van teams in het buitengewoon onderwijs bij de implementatie van de ontwikkelingsdoelen. De Vlor vraagt hier in de eerste plaats om een verhelderende definitie van ‘volwaardige plaats’ in deze context. De uitspraak: ‘Buitengewoon onderwijs behoudt zijn volwaardige plaats’ houdt trouwens een zekere discrepantie in. Men zoekt in de nota enerzijds naar samenwerking en expertisedeling, en tegelijk wordt alles apart gehouden. Ook hier is het verschil in interpretatie van het VN-verdrag duidelijk en verwijst de Vlor naar zijn advies van 2020 met de aanbeveling om een realistisch en haalbaar transitietraject naar inclusie uit te tekenen. 13 Het buitengewoon onderwijs heeft een heel belangrijke rol te spelen in het onderwijsveld. Het is er ooit gekomen om leerlingen zo ver mogelijk op weg te helpen in de maatschappij en expertise te verwerven. Als inclusie betekent dat iedereen een gewaardeerde volwaardige plaats krijgt in het onderwijs en de maatschappij, dan kan het buitengewoon onderwijs daar een ideale rol in spelen voor een bepaalde groep leerlingen. We willen die volwaardige plaats niet verloren zien gaan. De meningen blijven verdeeld over hoe het buitengewoon onderwijs van de toekomst er zal moeten uitzien. Blijft het een volwaardige lesplaats, al dan niet voor een beperkte doelgroep of met een tijdelijk karakter voor sommige leerlingen of wordt het een dienstverlenende organisatie? Het is duidelijk dat een apart debat over buitengewoon onderwijs nodig is, zeker in aanloop naar een nieuw decreet Leersteun. We moeten daarvoor ook kijken naar de modernisering van het secundair onderwijs. De monitoring van leerlingenbewegingen moet zeker in dat debat meegenomen worden. De Vlor pleit om, telkens als er wijzigingen overwogen worden in het regelgevend kader, het open te trekken naar het breed buitengewoon onderwijs. Enkel op die manier kan buitengewoon onderwijs ten volle zijn plaats krijgen. Ook de regelgeving voor leerlingen met meervoudige beperkingen moet zeker breder opengetrokken worden. We moeten ons de vraag stellen: “Moet de leerling aangepast worden aan het systeem of gaan we het systeem aanpassen aan de leerling?”

Vlor, Algemene Raad. Een pleidooi voor strategische beleidsplanning om inclusief onderwijs te kunnen realiseren, 23 januari 2020. 13 Vlor, Algemene Raad. Een pleidooi voor strategische beleidsplanning om inclusief onderwijs te kunnen realiseren, 23 januari 2020. 12

19

vlor.be


We vragen ook specifiek voor het buitengewoon onderwijs aandacht voor de omkadering en de middelen die nodig zijn om kwaliteitsvol onderwijs aan te bieden, gezien de gewijzigde populatie in het buitengewoon onderwijs. De Vlor merkt hier ook op dat scholen die werken met revalidatiecentra (CAR) en niet met MFC’s, eigenlijk gestraft worden. Zij krijgen geen paramedische omkadering voor die leerlingen die naar het CAR gaan.14 Naar één doelenkader voor gewoon en buitengewoon onderwijs De Vlor pleit ervoor om ontwikkelingsdoelen voor buitengewoon onderwijs te capteren in het proces naar eindtermen en ontwikkelingsdoelen voor basisonderwijs. Voor wat die ontwikkelingsdoelen betreft, verwijzen we naar recente Vlor-adviezen.15 16 17 Vragen bij gevalideerde, gestandaardiseerde en genormeerde proeven Er is nog niet bij alle stakeholders voldoende draagvlak voor deze proeven. De Vlor verwijst uitdrukkelijk naar zijn advies ‘Nood aan breed debat over gevalideerde, gestandaardiseerde en genormeerde proeven’ (2021).18 Bijkomend stellen we de vraag of de overheid van mening is dat alle leerlingen in het buitengewoon onderwijs moeten deelnemen aan de gevalideerde, gestandaardiseerde en genormeerde proeven. Stimulansen die terugkeer naar gewoon onderwijs bevorderen Er is de mogelijkheid om deeltijds les te krijgen in gewoon onderwijs en deeltijds in buitengewoon onderwijs. In dat geval heeft de leerling geen recht op ondersteuning in het gewoon onderwijs. De ouders moeten dan ook zelf instaan voor het vervoer. Dat vormt drempels die ertoe kunnen leiden dat de leerling voltijds terugstroomt naar het buitengewoon onderwijs. Dat vraagt nog heel wat onderzoek voor de praktische uitwerking ervan. De Vlor vraagt om ook na te denken over wie de verantwoordelijkheid krijgt voor de praktische regeling van deze terugkeer, zonder die zomaar bij de ouders te leggen.

3.8.2 “De pbd en CLB ondersteunen de doelgerichte werking in de scholen en geven verhoogde aandacht aan de scholen die achterblijven. De onderwijsinspectie monitort de kwaliteit en legt bij tekorten een begeleidingstraject op. “ Voor de opmerkingen bij deze doelstelling verwijzen we naar de opmerkingen bij de tweede doelstelling voor het gewoon onderwijs ( 3.6.2)

3.8.3 “De handicapspecifieke expertise uit het buitengewoon onderwijs benutten we optimaal in het volledige Vlaamse onderwijs en voor alle leerlingen.” De Vlor wil ook hier wijzen op de belangrijke rol die Onderwijs samen met Welzijn/Gezondheid gespeeld heeft om uit te denken - en ook expertise uit te bouwen - hoe onderwijs aan bepaalde doelgroepen moet aangeboden worden, zowel in het gewoon als in het buitengewoon onderwijs. We zijn dan ook bezorgd dat die verworven expertise verloren zal gaan als we de reeds bestaande

We verwijzen naar art. 149 van het decreet basisonderwijs en art. 310 van de Vlaamse Codex Secundair Onderwijs. Vlor, Algemene Raad. Onderwijsdoelen voor lerenden met specifieke noden, 24 september 2020. 16 Vlor, Raad Basisonderwijs. Vorm geven aan nieuwe onderwijsdoelen voor het basisonderwijs, 10 juni 2020. 17 Vlor, Raad Basisonderwijs. Eindtermen en ontwikkelingsdoelen basisonderwijs, 16 oktober 2020. 18 Vlor, Algemene Raad. Nood aan breed debat over gevalideerde, gestandaardiseerde en genormeerde proeven, 23 september 2021. 14 15

20

vlor.be


linken tussen gewoon en buitengewoon onderwijs gaan opgeven. Buitengewoon onderwijs zou mee moeten blijven nadenken over hoe dat onderwijs aan bepaalde doelgroepen er moet uitzien. We merken dat er op het vlak van samenwerking nog wel heel wat verbeterpunten zijn als het gaat over het samenbrengen van de verschillende expertises van de verschillende scholen en types. Zeker als er sprake is van comorbiditeit. De handicapspecifieke expertise is niet eenvoudig te realiseren en is regionaal niet evenredig verspreid. Zo is de expertise voor de doelgroepen met een lage prevalentie, zoals ‘doven en slechthorenden’ en ‘blinden en slechtzienden’, zeer regionaal gebonden. Hoe zal die expertise verdeeld worden over alle regio’s en alle toekomstige 36 leersteuncentra? Ook hier is de samenwerking met de actoren uit Welzijn/Gezondheid erg belangrijk. Wat betreft de aanpassing van het regelgevend kader voor volwaardig onderwijs- en zorgaanbod voor leerlingen met ernstige meervoudige beperking, verwijzen we naar eerder onderzoek en naar ons eerder advies waarin we pleiten om de krachten te bundelen voor het bevorderen en ondersteunen van opvoeding, onderwijs en therapeutische behandeling van kinderen en jongeren met ernstige meervoudige beperkingen. 1920

3.8.4 “De scholen voor gewoon en buitengewoon onderwijs benutten (samen) maximaal hun verantwoordelijkheid in functie van de begeleiding van de individuele leerling, met bijzondere aandacht voor de mogelijkheid tot terugkeer van leerlingen van buitengewoon naar gewoon onderwijs.” Ook bij deze doelstelling verwijzen we in de eerste plaats naar de opmerkingen bij de parallelle doelstelling voor het gewoon onderwijs (3.6.4) . Bijkomende opmerkingen Deze doelstelling gaat al lang mee maar werd nog helemaal niet gerealiseerd. Als men echt naar deze gezamenlijke verantwoordelijkheid wil streven, vraagt dat nog heel wat inspanningen. Er werd ook heel weinig meegenomen van de expertise die ten tijde van GON op dat vlak ontwikkeld werd. Op dit moment stellen we vast dat, eens de link tussen gewoon en buitengewoon onderwijs is doorgeknipt, een terugkeer naar het gewoon onderwijs in realiteit zeer moeilijk is. De Vlor vraagt dan ook om hier duidelijk op in te zetten. Er heerst een bezorgdheid over het binnensluipen van het IAC in het buitengewoon onderwijs. We werken al jaren met het proces van individuele handelingsplanning (IHP). Het is onduidelijk hoe een IAC gaat werken in het buitengewoon onderwijs. Geldt een IAC ook voor leerlingen in OV1 en OV2? De Vlor pleit dan ook eerder voor behoud van het werken met een individueel handelingsplan en daarin verder te professionaliseren. Het is belangrijk dat de verantwoordelijkheid en de samenwerking er zal zijn voor de doorstroom in twee richtingen en dat men ook de mogelijkheden van een gecombineerd aanbod zal benutten. De obstakels moeten geïdentificeerd en aangepakt worden en daar zullen ook de nodige middelen voor voorzien moeten worden. Neem zeker de lopende good practices mee in dit verhaal. We merken dat deze samenwerking een groter effect zal hebben als het gaat over scholen in elkaars

Penne, A., Maes, B. & Vastmans, K. (2016). An optimal learning environment for children with profound intellectual and multiple disabilities. Presented at the Biennial meeting of Earli SIG 15 Special Educational Needs. Leuven: 29 Aug 2016-30 Aug 2016. 20 Vlor. Beleidsaanbevelingen over onderwijs aan kinderen en jongeren met ernstige meervoudige beperkingen, 2 juli 2015. 19

21

vlor.be


nabijheid. De vraag is hier wel naar welke school de middelen zullen gaan. Wat betreft het deeltijds volgen van onderwijs in zowel het gewoon als het buitengewoon onderwijs, kan er nagedacht worden om dat te enten op de werking in de ziekenhuisscholen (type5), zeker als het gaat om gedeelde verantwoordelijkheid (zie ook de opmerkingen bij de eerste doelstelling voor buitengewoon onderwijs (3.8.1)). De vrees leeft dat men, met het oog op terugkeer naar het gewoon onderwijs, voor alle types in het buitengewoon onderwijs de verplichte gestandaardiseerde evaluaties zal doorvoeren, terwijl permanent evalueren een wezenlijk onderdeel is van het werken op basis van handelingsplanning. Het invoeren van extra planlast werkt op dit moment contraproductief. De Vlor is van mening dat het beleid in het kader van deze doelstelling niet te lichtzinnig mag omgaan met de maatregelen met het oog op de doorstroom in twee richtingen. Vooral wat betreft de doorstroom of terugkeer van buitengewoon naar gewoon onderwijs. Een goede handelingsplanning is daarbij van groot belang. Maar er spelen nog heel wat andere factoren mee zoals het leerlingenprofiel, ervaringen die de leerling al heeft gehad in zijn/haar schoolloopbaan, het tijdstip dat een leerling in het buitengewoon onderwijs is terechtgekomen en de context van de leerling. Hou daarom ook hier niet enkel rekening met het cognitieve, maar ook met het sociaalemotionele en de context.

22

vlor.be


4 Bronnen •

• •

• • •

•

Commissie Struyf (2019). Evaluatie van het nieuwe ondersteuningsmodel. Rapport op basis van beschikbare bronnen over de organisatie en werking van het ondersteuningsmodel in de periode van 1 september 2017 tot 31 augustus 2019. Vlaamse Overheid. Departement Onderwijs & Vorming (2017). Meta-evaluatie M-decreet. Synthese van evaluatieve publicaties verschenen sinds de inwerkingtreding van het M-decreet in 2015. Vlaamse Overheid. Onderwijsinspectie (2018). Onderzoek Leerlingenbegeleiding: hoe kwaliteitsvol is de leerlingenbegeleiding in de basisscholen en in de eerste graad secundair onderwijs? Vlaamse Overheid. Onderwijsinspectie (2019). Ondersteuningsnetwerken: een terreinverkenning, september 2019. Vlaamse Overheid. Onderwijsinspectie (2020). Ondersteuning kleine types: tweede fase van de terreinverkenning, maart 2020. Vlaamse Overheid. Penne, A., Maes, B., & Vastmans, K. (2016). An optimal learning environment for children with profound intellectual and multiple disabilities. Presented at the Biennial meeting of Earli SIG 15 Special Educational Needs. Leuven: 29 Aug 2016-30 Aug 2016. Project Talent (2021). Project Voorbeeldscholen Cognitieve begaafdheid.

Vlor-adviezen •

•

Vlor, Algemene Raad. Beleidsaanbevelingen over onderwijs aan kinderen en jongeren met ernstige meervoudige beperkingen, 2 juli 2015. Vlor, Algemene Raad. Advies over de krijtlijnen voor een hervorming van de leerlingenbegeleiding in Vlaanderen, 28 januari 2016. Vlor, Algemene Raad. Advies over kaders voor een nieuw decreet leerlingenbegeleiding, 24 november 2016. Vlor, Algemene Raad. Advies over de nota over het ondersteuningsmodel, 23 februari 2017.

•

Vlor, Algemene Raad. Advies over bijsturingen aan het M-decreet, 25 januari 2018.

•

Vlor, Algemene Raad. Een pleidooi voor strategische beleidsplanning om inclusief onderwijs te kunnen realiseren, 23 januari 2020. Vlor, Algemene Raad. Onderwijsdoelen voor lerenden met specifieke noden, 24 september 2020.

• •

• •

Vlor, Algemene Raad. Nood aan breed debat over gevalideerde, gestandaardiseerde en genormeerde proeven, 23 september 2021.

•

Vlor, Raad Basisonderwijs. Eindtermen en ontwikkelingsdoelen basisonderwijs, 16 oktober 2020.

•

Vlor, Raad Basisonderwijs. Knelpunten in de procedure voor nieuwe onderwijsdoelen basisonderwijs. Advies over de conceptnota “Eindtermen en ontwikkelingsdoelen basisonderwijs”, 16 oktober 2020.

•

Vlor, Raad Basisonderwijs. Vorm geven aan nieuwe onderwijsdoelen voor het basisonderwijs, 10 juni 2020 .

23

vlor.be


Mo$vering tegenstem Vlor-advies conceptnota Leersteun Overleg Kleine Onderwijsverstrekkers

Algemene Raad 23 september 2021

Het advies over de conceptnota Leersteun is volgens OKO onvoldoende uitgebalanceerd en wij kunnen onze standpunten onvoldoende terugvinden. Daarom stemden we tegen dit advies. In deze motivering willen we vooral de klemtoon leggen op het onderdeel 3.7.3 over het financieringsmechanisme voor de gemotiveerde verslagen van de brede types. De conceptnota spreekt van een 60/40-basis: 60 % berekend op basis van het globaal aantal leerlingen, slechts 40% op basis van het aantal leerlingen waarvoor de middelen (exclusief) moeten ingezet worden. Het Vlor-advies stelt enerzijds dat er “nog veel denkwerk moet gebeuren over het financieringssysteem”, maar anderzijds bevatten meerdere formuleringen reeds voorafnames op dit denkwerk die het 60/40-mechanisme eerder ondersteunen. Er wordt echter geen melding gemaakt van de problematiek die met dat denkwerk zou moeten uitgeklaard worden. OKO pleit voor een rechtvaardige verdeling van alle omkadering voor het toekomstige leersteunmodel, waarbij de toegekende middelen een faire weerspiegeling zijn van het aantal leerlingen dat met deze middelen moet ondersteund worden. Wij houden hierbij consequent vast aan het standpunt dat we sedert de start van het ondersteuningsmodel innamen. De OKO-partners hebben geen CLB’s die met de eigen koepel geaffilieerd zijn en hebben toch reeds van lang voor de introductie van het ondersteuningsmodel een hoger aantal leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften. Dat wordt door diverse data en instanties bevestigd. Onze ervaring gedurende de voorbije jaren is dat een financieringsmodel zoals vandaag gebruikt wordt voor de brede types, het huidige 70/30 verdeelmechanisme, niet aansluit bij de realiteit van de ondersteuning. Wanneer een CLB een gemotiveerd verslag opmaakt, ontstaat uit hoofde van de betrokken leerling een recht op ondersteuning. Voor het ondersteuningsnetwerk (en ook het toekomstige leersteuncentrum) houdt de ondersteuningsvraag een plicht in tot het bieden van ondersteuning. Dit betekent dat in het huidige en toekomstige ondersteuningsmodel een rechtstreeks verband bestaat tussen het aantal leerlingen met een gemotiveerd verslag brede types en de omvang van de te bieden ondersteuning en dit ongeacht of er een ondersteuningsbehoefte is op niveau van de leerling of van het lerarenteam. Een financieringsmechanisme dat grotendeels wordt losgekoppeld van deze realiteit en deze negeert, creëert daardoor onvermijdelijk een ongelijke behandeling van leerlingen, ondersteuners, scholen en ondersteuningsnetwerken/leersteuncentra. Hier bestaat geen redelijke verantwoording voor. Wij menen dat een dergelijk financieringsmechanisme strijdig kan zijn met art. 24 § 4 van de grondwet dat luidt: “Alle leerlingen of studenten, ouders, personeelsleden en onderwijsinstellingen zijn gelijk voor de wet of het decreet. De wet en het decreet houden rekening met objectieve verschillen, waaronder de eigen karakteristieken van iedere inrichtende macht, die een aangepaste behandeling verantwoorden.” In het rapport Struyf lezen we een bevestiging van deze stellingname dat dit op het werkveld leidt tot schrijnende verschillen in het aantal te ondersteunen leerlingen door een ondersteuner. Bovendien wordt verwacht dat in alle leersteuncentra een gelijkwaardige ondersteuningskwaliteit zal moeten gerealiseerd worden. Dat is met een dergelijke ongelijkheid geen billijke verwachting. We willen tenslotte nog verwijzen naar het recht op inclusie dat als art. 22ter in de grondwet is opgenomen: “Iedere persoon met een handicap heeft recht op volledige inclusie in de samenleving, met inbegrip van het recht op redelijke aanpassingen. De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen de bescherming van dat recht”. Ook dit recht dient voor elke persoon, zonder discriminatie, op gelijke wijze gewaarborgd te worden. Noch de actuele 70/30-financiering, noch de voorgestelde 60/40-financiering kunnen vanuit dit principe verantwoord worden.

OKO is van mening dat de verdeling van alle omkadering voor het toekomstige leersteunmodel, gebaseerd moet zijn op het aantal leerlingen met specifieke ondersteuningsbehoeften die les volgen in het gewoon onderwijs. Het is voor OKO in ieder geval nodig om een financieringssysteem te kiezen dat maximaal tegemoet komt aan het recht van alle leerlingen op inclusie en ondersteuning bij hun ontwikkeling en hun leren.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
AR-AR-ADV-2122-005.pdf by Vlaanderen-be - Issuu