Evaluatie bermbeheer Ring Brussel invloed van het 20 jaar volgehouden beheer op de biodiversiteit en op de structuurkwaliteit/robuustheid van de aanwezige ecosystemen.
omgeving.vlaanderen.be
Evaluatie bermbeheer Ring Brussel Deze studie begint met een uitgebreide samenvatting, gevolgd door een inleiding. Daarna komt de bespreking van de methodiek om elk van de 5 elkaar logisch opeenvolgende vragen die gesteld worden in deze studie te beantwoorden (hoofdstuk 2.1 tem 2.5): hoe verloopt het bermbeheer momenteel in de praktijk? Inventariseer de fauna en flora. Wat is het effect van het ecologisch bermbeheer. Bepaal een toekomstig streefdoel en geef suggesties voor toekomstig beheer. Vervolgens komen de resultaten aan bod voor elk van deze 5 vragen (hdst 3.1 tem 3.5), waarbij de resultaten van de voorgaande vraag, meegenomen worden naar de volgende vraag. Dit rapport bevat de mening van de auteur(s) en niet noodzakelijk die van de Vlaamse Overheid.
omgevingvlaanderen.be
COLOFON Verantwoordelijke uitgever Peter Cabus Departement Omgeving Vlaams Planbureau voor Omgeving Koning Albert II-laan 20 bus 8, 1000 Brussel vpo.omgeving@vlaanderen.be www.omgevingvlaanderen.be Contactpersoon: Lien van Besien Auteurs Roosmarijn Steeman – Natuurpunt Studie – Flora, algemene coördinatie Jorg Lambrechts – Natuurpunt Studie – spinnen, loopkevers, mieren, pissebedden, hooiwagens, duizendpoten, miljoenpoten Win Vertommen – Natuurpunt Studie – Bijen, vlinders, zweefvliegen, sprinkhanen, lieveheersbeestjes Pieter Vanormelingen – Natuurpunt Studie – PCA-analyses spinnen, loopkevers, mieren, Ilf Jacobs – Natuurpunt Studie – Iepenpage, Sleedoornpage Medewerkers Maarten Jacobs– Nature-ID (triage bodemvalstalen & determinatie loopkevers) Pallieter De Smedt (determinatie pissebedden) Sam Van de Poel (determinatie hooiwagens) Koen Lock (determinatie duizendpoten) Willem Proesmans (determinatie miljoenpoten) Francois Vankerkhoven (determinatie mieren) Johan Van Keer (determinatie spinnen) Met dank aan Wouter Dekoninck (KBIN) voor het kritisch nalezen van de teksten mbt spinnen, loopkevers en mieren. Depotnummer D/2021/3241/253 Wijze van citeren Steeman, R., Lambrechts J., Vertommen, W., Vanormelingen, P. & I. Jacobs 2021. Evaluatie bermbeheer Ring Brussel. Rapport Natuurpunt Studie 2021/1, Mechelen.
PARTNERS
SAMENVATTING Sinds 2000 wordt ecologisch bermbeheer toegepast op de bermen van de Brusselse ring met als doel via aangepast maaibeheer de biodiversiteit te vergroten. Dit beheer werd vastgelegd in een bermbeheerplan. In 2004, 4 jaar na de start, werden zowel flora als fauna (invertebraten) éénmalig geïnventariseerd, waarbij het effect van het beheer werd onderzocht. Delen van de bermen bestonden al van bij het begin uit zeer kwaliteitsvolle graslanden met zowel Europees beschermde soorten als RodeLijstsoorten (fauna en flora). Dit resulteerde in een rapport waaruit kon vastgesteld worden dat het ecologisch beheer nog niet voldoende lang was volgehouden om een effect te kunnen waarnemen. De beheeradviezen van het beheerplan van 1999 werden bijgestuurd en er werden nieuwe doelstellingen bepaald. Omdat de bermen nu bijna 20 jaar op een ecologische manier beheerd zijn, werd een opdracht uitgeschreven om te kijken welke invloed het langdurig volgehouden beheer had op de biodiversiteit en op de structuurkwaliteit/robuustheid van de aanwezige ecosystemen. Deze opdracht omvatte een evaluatie van 20 jaar toepassing van ecologisch bermbeheer op Vlaams grondgebied langs de Brusselse ring (R0), meer bepaald vanaf de grens met het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (bocht van Vorst ten zuidwesten van Brussel) over het westen, noorden en oosten van Brussel tot aan de taalgrens (zijde Zoniënwoud). Zowel flora als bepaalde fauna (invertebraten) werden geïnventariseerd. De focus lag op de graslanden. De resultaten werden naast de toegepaste beheervorm gelegd. Op basis daarvan werden conclusies getrokken en werden aanbevelingen gegeven voor een optimaal ecologisch bermbeheer specifiek op deze plaats, maar ook in het algemeen. De opdracht bestond uit de volgende deelopdrachten: 1. Nagaan of het beheer werd uitgevoerd zoals werd voorgesteld in het beheerplan en het aanvullende rapport in 2004. Was het mogelijk om het beheer uit te voeren zoals beschreven in het bermbeheerplan. Welke aanpassingen zijn gebeurd + eventuele redenen/lessons learnt? We konden vaststellen dat heel wat maaiwerken niet werden uitgevoerd zoals gepland. Op maar liefst 23 locaties werd afgeweken van het vooropgestelde maaischema. Redenen hiervoor zijn mogelijk: - technische gebreken (te weinig tijd om alles in een bepaalde periode te kunnen uitvoeren) - Verkeerde interpretatie van het uitvoeringsplan Ook konden we vaststellen dat op zeer veel plaatsen nog teveel maaisel bleef liggen en dat er meestal geen strook als ruigte beheerd werd als overgang naar de beplanting. Ook stelden we vast dat de zware machines in natte periodes diepe sporen nalaten bij het maaien. 2. Nieuwe inventarisatie uitvoeren van flora en invertebraten, hoofdzakelijk volgens dezelfde methodiek als in 2004. - Er werden opnieuw 40 vegetatie-opnames van 4m x 4m gemaakt op dezelfde locaties als in 2004. - Wilde bijen, dag- en nachtvlinders, zweefvliegen, sprinkhanen, wantsen en lieveheersbeestjes zijn geteld langs (variabele) trajecten. Daarbij zijn zowel visuele als auditieve waarnemingen verricht, evenals sleep- en klopvangsten. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 4 van 352
Er vond uitgebreid onderzoek naar de bodembewonende fauna plaats, via bodemvallen. Daarbij zijn spinnen, loopkevers, mieren, hooiwagens, pissebedden, duizend- en miljoenpoten onderzocht. Er werd op 26 locaties een reeks van 3 bodemvallen geplaatst, op dezelfde locaties als in 2004. 3. Analyse van de nieuwe inventarisatie + vergelijking tussen 2004 en 2020: welke verschillen blijken uit de vergelijking van beide inventarisaties? Aan de vegetatie-opnames werd er een typologie toegekend op basis van de bermtypes van Zwaenepoel (1998), de vegetatie van Nederland (Schaminée et al. 1995-1999) en de bermtypologie van het INBO (Van Uytvanck et al., 2017). Er werd ook gekeken naar de toename en afname van indicatorsoorten: positieve indicatoren voor glanshaverhooilanden en struisgraslanden en storingsindicatoren. -
Op basis van de bermtypering werden 26 bermen met een positieve evolutie beoordeeld.
-
Op basis van de indicatorsoorten werden 27 bermen met een positieve evolutie beoordeeld.
In totaal is voor 25 proefvlakken het Ellenberggetal voor stikstof lager in 2020 dan in 2004, wat aangeeft dat er verschraling is opgetreden. Voor 31 proefvlakken geeft het Ellenberggetal voor de zuurtegraad aan dat de bodem iets zuurder werd. Vooral D4, een proefvlak op een steile helling, werd veel zuurder. Het Ellenberggetal voor vocht geeft aan dat 19 proefvlakken iets droger werden en 21 proefvlakken werden iets natter. Bij D5, een proefvlak op droog zand, werd een duidelijke verdroging vastgesteld. In het perceel van dit proefvlak werden Bokkenorchis en Bijenorchis waargenomen. Naast het complex van Diegem, werd ook in het complex van Machelen de grootste verdroging waargenomen. Er werden drie Rode-Lijstplanten in de PQ’s waargenomen: Graslathyrus, Bijenorchis en Gewone agrimonie. In de percelen werden nog 5 extra Rode-Lijstsoorten waargenomen: Bokkenorchis, Rond wintergroen, Blauwe bremraap, Bergnachtorchis en Hondskruid. Voor vijf invasieve exoten dient er actie ondernomen te worden: Amerikaanse vogelkers, Robinia, Late guldenroede, Japanse duizendknoop en Reuzenberenklauw. Het onderzoek naar de mycoflora resulteerde in 9 Rode-Lijstsoorten: Papegaaizwammetje, Sneeuwzwammetje, Roze ruitertje, Muurtrechtertje, Grasvlamhoed, Gewone ruige aardtong, Sneeuwzwammetje, Kortstelige satijnzwam, Wormvormige knotszwam en Grote aderbekerzwam. Daarnaast werden nog indicatorsoorten gevonden voor kalkgraslanden (Piekhaarzwammetje), oude schrale graslanden (Melige stuifzwam), kruidenrijke graslanden (Zwartwordende wasplaat) en heischrale graslanden (Sterspoorsatijnzwam).
In 2020 werden 89 soorten wilde bijen waargenomen in de bermen van de R0, op zich een groot aantal. Dit ligt deels aan de grote variatie aan abiotische factoren, zoals bodemsamenstelling, oriëntatie en microklimaat. Bovendien waren de meeste bermen voldoende structuurrijk, wat zeer belangrijk is voor wilde bijen. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 5 van 352
Er zijn zeker nog meer soorten in de bermen te verwachten. De vroege maaidata (eind mei) in de meeste bermen, zeker in de bloemrijke bermen met onder meer veel Knoopkruid, is zeker een groot knelpunt voor wilde bijen. Van de waargenomen soorten wilde bijen is 1 soort ‘Bedreigd’, namelijk Roodbruine groefbij (Lasioglossum xanthopus), en 8 soorten staan op ‘Gevoelig’ op de Belgische Rode Lijst. Deze soorten zijn Texelse zandbij (Andrena fulvago), Geelstaartklaverzandbij (A. wilkella), Tuinhommel (Bombus hortorum), Veldhommel (B. lucorum), Grote koekoekshommel (B. vestalis), Bruine rouwbij (Melecta albifrons), Gewone smaragdgroefbij (L. leucopus) en Gouden slakkenhuisbij (Osmia aurulenta). Er zijn meerdere typische soorten voor bloemrijke glanshaverhooilanden aangetroffen: Goudpootzandbij (Andrena chrysosceles), Texelse zandbij (A. fulvago), Weidebij (A. gravida), Viltvlekzandbij (A. nitida), Roodbruine groefbij (Lasioglossum xanthopus), Breedkaakgroefbij (L. laticeps), Breedbuikgroefbij (L. lativentre), Kleigroefbij (L. pauxillum), Breedbandgroefbij (Halictus scabiosae) en Zwartbronzen houtmetselbij (Osmia niveata). Van de 89 aangetroffen soorten wilde bijen nestelen er 59 strikt ondergronds en 15 strikt bovengronds. De overige 15 soorten kunnen zowel boven- als ondergronds een nest maken. Deze aantallen omvatten zowel de soorten die zelf aan broedzorg doen als hun parasitaire bijensoorten. De verdeling die we hier opmerken volgt de verwachtingen, aangezien ongeveer 80 % van de inheemse bijensoorten hun nestjes ondergronds maken. Dit illustreert uiteraard het belang van open, schraal begroeide zones in de graslanden (bijvoorbeeld op zuidgerichte hellingen). Enkele typische soorten voor bloemrijke graslanden, namelijk Gewone langhoornbij (Eucera longicornis), Wikkebij (Andrena lathyri), Klaverdikpoot (Melitta leporina) en Donkere klaverzandbij (A. labialis), zijn niet waargenomen langs de R0 en bijvoorbeeld wél in eerder onderzoek op de aanpalende terreinen van Brussels Airport. Deze 4 soorten zijn gelinkt aan vlinderbloemigen zoals Witte en Rode klaver, Veldlathyrus en Vogelwikke, plantensoorten die slechts beperkt waargenomen werden in de bermen van de R0. Enkel soorten die ook op andere vlinderbloemigen zoals rolklavers foerageren, werden bij de R0 waargenomen. Hoewel we hier geen sluitende verklaring voor hebben, denken we dat de hete en droge zomer van 2020 ervoor kan gezorgd hebben dat planten als Rode klaver amper tot bloei zijn kunnen komen en de daarvan afhankelijke soorten bijgevolgd elders op zoek zijn gegaan naar de juiste planten. In 2004 werden slechts 19 soorten wilde bijen waargenomen. Er werden 16 jaar later dus 70 soorten meer waargenomen. We kunnen daar echter weinig uit besluiten aangezien er in 2004 niet zo intensief gezocht werd naar bijen als in 2020. Er werden 20 soorten dagvlinders waargenomen. Één soort, Zwartsprietdikkopje, staat op de recente (2021) Vlaamse Rode Lijst. De meeste soorten zijn typische graslandsoorten. Icarusblauwtje werd met voorsprong het vaakst waargenomen. De top 3 van de meest waargenomen soorten wordt vervolledigd door Bruin zandoogje en Hooibeestje. Van de soorten die als ‘momenteel niet in gevaar’ beschouwd worden op de Rode Lijst, zijn er wel tal van soorten die een goede indicatorwaarde voor schrale bloemrijke graslandvegetaties hebben. We vermelden Bruin blauwtje, Hooibeestje, Icarusblauwtje, Kleine vuurvlinder, Koninginnepage en Oranjetipje. Het onderzoek met de bodemvallen in de bermen van de R0 in 2020 leverde in totaal 10.058 spinnen op, behorend tot 95 soorten. Hiertoe behoorden 25 soorten die opgelijst zijn in de Rode Lijst, met name één ‘met uitsterven bedreigde’ soort, 7 ‘bedreigde’ soorten, 12 ‘kwetsbare’ /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 6 van 352
soorten, en 5 ‘zeldzame’ soorten. De ‘zeldzame’ soorten zitten hier aan hun areaalgrens en dit betreft onder meer één nieuwe spinnensoort voor België, Nurscia albomaculata, en voorts ook 2 soorten die relatief recent nieuw voor Vlaanderen zijn gemeld, Diplocephalus graecus en Zodarion italicum. Via sleepvangsten zijn 13 extra spinnensoorten vastgesteld, waarvan 4 extra Rode Lijst soorten, dus niet met de bodemvallen gevangen. In totaal, met de beide methodes samen (bodemvallen + sleepvangsten), zijn er in 2020 dus 108 (95 + 13) spinnensoorten door ons vastgesteld in de bermen van de R0, waarvan 29 (25 + 4) op de Rode Lijst opgenomen. Het bodemval-onderzoek van 16 jaar eerder, door Desender et al. (2004), leverde meer spinnen op (11.919 ex.), maar minder soorten (83, dus 12 soorten minder), en vooral belangrijk, fors minder Rode Lijst soorten, met name 14. We concluderen dat de spinnenfauna er op die 16 jaar kwalitatief is op vooruitgegaan: op een beperkter aantal exemplaren zijn er in 2020 meer soorten en veel meer Rode Lijstsoorten gevonden. Er is wel een afname van kensoorten van vochtig tot nat terrein tov 2004. Vooral bij enkele droge locaties in Machelen (zuidwest georiënteerde hellingen met bloemrijke, schrale vegetatie) is er een sterke verschuiving van de spinnengemeenschap richting meer droogteminnende soorten. We zien hierin een gecombineerd effect van: Het ijler en schraler worden van vegetaties, en dus vanuit oogpunt van bodembewonende ongewervelden droger en warmer worden, omwille van het volgehouden maaien met afvoer maaisel (‘verschralen’). Klimaatopwarming in het algemeen, en drie opeenvolgende droge, warme zomers in het bijzonder, en de bijhorende toename van xerothermofiele soorten. Het onderzoek met de bodemvallen in 2020 in de bermen van de R0 leverde in totaal 7.723 loopkevers op, behorend tot 61 soorten. Hiervan zijn 18 Rode Lijst soorten, meer bepaald één ‘bedreigde’ soort, Harpalus pumilus, twee ‘kwetsbare’ soorten, Amara kulti en Harpalus modestus, 14 ‘zeldzame’ soorten en één ‘achteruitgaande’ soort. De vierde talrijkst gevangen soort is een Rode Lijstsoort, de Kalkgroefkop (Parophonus maculicornis), en deze is in zeer indrukwekkende aantallen gevangen (889 ex.). Hoewel minder uitgesproken dan bij de spinnen, zijn de gemeenschappen in 2020 (tov 2004) duidelijk verschoven in de richting van gemeenschappen typisch voor droge locaties. Er is een toename van aantal Rode Lijst loopkeversoorten vastgesteld, en van de aantallen van bepaalde Rode Lijst loopkeversoorten. Deze zijn daarenboven sterk geassocieerd met de richting waarin (een deel van) de bermen evolueert, met name in de richting die voor het natuurbehoud wenselijk is, meer bepaald schraler begroeide bermen met gemeenschappen met droogte- en warmteminnende loopkeversoorten die op de Rode Lijst zijn opgenomen. Droge, schrale, bloemrijke graslanden nemen al vele decennia lang sterk af in oppervlakte in Vlaanderen, waardoor de rijke loopkever- en spinnenfauna die ermee geassocieerd ook sterk is afgenomen en deze soorten dus merendeels op de respectievelijke Rode Lijsten zijn opgenomen. De dominante spinnen- en loopkeversoorten in de bermen van de R0 zijn ‘echte graslandsoorten’. Storingssoorten, namelijk van het type pioniersoorten die men veel in intensief agrarisch gebied vindt, zijn slechts beperkt aanwezig. Het onderzoek met de bodemvallen van de bermen van de R0 in 2020 leverde in totaal 14.620 mieren op, behorend tot 12 soorten. Hiertoe behoort één soort opgelijst als ‘kwetsbaar’ in de Rode Lijst, de Oprolmier (Myrmecina graminicola). De Oprolmier is op 4 locaties in de bermen van de R0 vastgesteld, telkens met slechts één exemplaar. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 7 van 352
In 2020 zijn 6 soorten pissebedden gevangen, in 2004 waren dat 5 soorten. De dominante soort is in beide onderzoeken zeer nadrukkelijk de Gewone oproller (>10.000 ex.). Er lijkt een verschuiving te zijn naar droogtetolerantere soorten. Mospissebed is in 2020 namelijk veel minder gevangen dan in 2004. De hooiwagens, duizend- en miljoenpoten zijn in 2004 niet onderzocht en kunnen we dus niet vergelijken.
4. Naar welke soortensamenstelling en welke habitats kan hier gestreefd worden? Wat zijn de potenties? Moeten deze bijgesteld worden? Ondanks dat 26 proefvlakken positief evolueerden, zijn er maar 6 proefvlakken die het doeltype volledig behaalden en 11 proefvlakken die het doeltype deels behaalden. Voor 9 proefvlakken stellen we een ander doeltype voor en op drie plaatsen zou de boomopslag moeten verwijderd worden om het doeltype te behalen.
5. Suggesties voor toekomstig beheer Naast het maaischema zijn er ook een aantal vuistregels voor een goed beheer voor het ontwikkelen van de doelvegetatie. Deze worden per soortgroep behandeld, maar volgende aspecten komen bij alle soortgroepen terug: Na elke maaibeurt wordt het maaisel zorgvuldig verwijderd. Indien dit niet gebeurt, dan kan er beter niet gemaaid worden. Maaisel dat blijft liggen, zorgt voor verstikking en verruiging van de vegetatie. Het beheer van grazige vegetatie moet tot verschraling of op zijn minst niet tot verruiging leiden. Voor bodembewonende insecten is het belangrijk dat de bodem toegankelijk blijft, bijv. voor zandbijen voor het bereiken van de nestjes. - Er wordt rekening gehouden met het beheer van bosranden. Waar houtige vegetaties grenzen aan grasland, moet aan ruigtebeheer worden gedaan. Een strook van minimum 1,5 m breed, grenzend aan de houtige vegetatie, wordt slechts één keer om de 3 jaar gemaaid. Voor heel wat soorten zijn de hieruit resulterende mantel-zoomvegetaties van groot belang of zelfs onmisbaar. Door gefaseerd te maaien ontstaat een bosrand die niet te recht loopt, waarvan stukken vaker gemaaid worden dan andere stukken. Er moet ook voor gezorgd worden dat de bosrand niet volledig verbost. - Opletten voor maaien met te zware machines waarbij de bodem wordt beschadigd. - Er dient zoveel mogelijk gefaseerd gemaaid te worden. Daarbij moet steeds zo’n 20% van de vegetatie blijven staan zodat er steeds voldoende voedsel voorradig is voor de daarin levende soorten.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 8 van 352
INHOUDSTAFEL 1
Inleiding .................................................................................................................................. 12
1.1 1.2
Historiek Doel van de opdracht
2
Methodiek .............................................................................................................................. 14
2.1 Deelvraag 1: Nagaan en evaluatie van het effectief uitgevoerd bermbeheer 2.2 Deelvraag 2: inventarisatie fauna en flora 2.2.1 Beschrijving van de locaties 2.2.2 Flora: vegetatie-opnames met PQ's 2.2.3 Mycoflora: wegbermen en graslandpaddenstoelen 2.2.4 Fauna: wetenschappelijke monitoring wilde bijen, dagvlinders, zweefvliegen, sprinkhanen, wantsen en lieveheersbeestjes 2.2.5 Fauna: wetenschappelijke monitoring van loopkevers, spinnen, mieren en andere bodembewonende ongewervelden 2.3 Deelvraag 3: effect van het ecologisch bermbeheer 2.3.1 Flora 2.3.2 Fauna: methodiek data analyse 2.4 Deelvraag 4: bepalen toekomstig streefdoel 2.4.1 Flora 2.5 Deelvraag 5: suggesties voor toekomstig beheer
3
12 13
14 15 15 18 22 24 26 28 28 30 32 32 33
Resultaten............................................................................................................................... 34
3.1 Deelvraag 1: Nagaan en evaluatie van het effectief uitgevoerd bermbeheer 3.2 Deelvraag 2: inventarisatie fauna en flora 3.2.1 Flora: vegetatie-opnames met PQ's Zeldzaam 39 Achteruitgaand Bedreigd 41 3.2.2 Mycoflora: wegbermen en graslandpaddenstoelen Ernstig bedreigd Bedreigd 60 Kwetsbaar 60 Gevoelig 61 Voedselrijke graslanden Vermesting 62 Ruigtevegetaties Verdroging 63 Beginnende verschraling 3.2.2.2.14 Groot mosklokje Heischrale graslanden Kalkhoudende graslanden Kruidenrijk grasland Oude graslanden 3.2.3 Fauna: wilde bijen 3.2.4 Fauna: vlinders 3.2.5 Fauna: zweefvliegen 3.2.6 Fauna: sprinkhanen 3.2.7 Fauna: lieveheersbeestjes 3.2.8 Fauna: wantsen 3.2.9 Fauna: spinnen 3.2.10 Fauna: loopkevers 3.2.11 Fauna: mieren 3.2.12 Fauna: duizendpoten 3.2.13 Fauna: miljoenpoten 3.2.14 Fauna: pissebedden 3.2.15 Fauna: hooiwagens 3.3 Deelvraag 3: effect van het ecologisch bermbeheer
34 37 37 41 59 59
62 62 63 63 64 64 64 65 66 76 86 87 88 88 89 108 123 126 128 129 131 133
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 9 van 352
3.3.1 Flora Complex Diegem Complex Groot-Bijgaarden Complex Grimbergen Complex Kraainem Complex Machelen Strombeek-Bever Complex Vilvoorde Complex Wemmel Complex Woluwe Wezembeek-Oppem 3.3.2 Fauna: wilde bijen 3.3.3 Fauna: spinnen 3.3.4 Fauna: loopkevers 3.3.5 Fauna: mieren 3.3.6 Fauna: pissebedden 3.4 Deelvraag 4: bepalen toekomstig streefdoel 3.4.1 Flora 3.4.2 Fauna 3.5 Deelvraag 5: suggesties voor toekomstig beheer 3.5.1 Aanbevelingen voor beheer voor flora 3.5.2 Aanbevelingen voor beheer voor graslandpaddenstoelen 3.5.3 Gericht beheer voor fauna
4 5
133 134 135 135 135 136 136 136 137 137 137 141 142 151 157 160 161 161 163 164 164 164 164
Referenties ........................................................................................................................... 165 Bijlagen ................................................................................................................................. 174
5.1 Bijlage 1: Fiches met omschrijving en bespreking van de Locaties en Vegetatietypes, syntaxonomie en BWK voor 2004 en 2020 174 5.1.1 Afrit Wezembeek-Oppem Z1 174 5.1.2 Verkeersknooppunt Woluwe (E40-Luik): K1-K2-K3-K4-K5-K6 176 Verkeersknooppunt Diegem-Zaventem (Woluwelaan): WO1-WO2 182 5.1.3 Verkeersknooppunt Diegem (A201-Luchthaven): D1-D7 184 5.1.4 Verkeersknooppunt Machelen (E19-Antwerpen): M1-M7 193 5.1.5 Afrit Vilvoorde: V1 200 5.1.6 Wegvak Grimbergen-Vilvoorde: GR1-GR2 201 5.1.7 Verkeersknooppunt Strombeek-Bever (A12-Antwerpen): S1-S4 203 5.1.8 Afrit Wemmel: WE1-WE2 207 5.1.9 Afrit Asse: A1-A3 209 5.1.10 Verkeersknooppunt Groot-Bijgaarden (E40-Oostende): G1-G4 212 5.1.11 Wegvak Dilbeek: DI1 216 5.2 BIJLAGE 2 OVERZICHT VAN DE SOORTEN DIE WERDEN WAARGENOMEN IN de percelen en Proefvlakken met RL-status, herkomst, invasiviteit en indicatorwaarde. 218 5.3 Bijlage 3: Waargenomen bijensoorten en het aantal waarnemingen per soort in de onderzochte bermen van de R0. 223 5.4 Bijlage 4: Waargenomen bijensoorten per locatie en het aantal waargenomen individuen. 228 5.5 Bijlage 5 Waargenomen vlinders, lieveheersbeestjes, sprinkhanen, wantsen en zweefvliegen. 232 5.6 Bijlage 6 Overzicht van de Rode-Lijst en Indicatorplanten op kaart 237 5.7 Bijlage 7 Overzicht van de INvasieve planten op kaart 246 5.8 Bijlage 8 Beheerfiches van de vegetatieproefvlakken 253 5.8.1 Afrit Wezembeek-Oppem Z1 253 5.8.2 Verkeersknooppunt Woluwe (E40-Luik): K1-K2-K3-K4-K5-K6 254 5.8.3 Verkeersknooppunt Diegem-Zaventem (Woluwelaan): WO1-WO2 257 5.8.4 Verkeersknooppunt Diegem (A201-Luchthaven): D1-D7 258 5.8.5 Verkeersknooppunt Machelen (E19-Antwerpen): M1-M7 262 5.8.6 Afrit Vilvoorde: V1 266 5.8.7 Wegvak Grimbergen-Vilvoorde: GR1-GR2 267 5.8.8 Verkeersknooppunt Strombeek-Bever (A12-Antwerpen): S1-S4 268 5.8.9 Afrit Wemmel: WE1-WE2 271 5.8.10 Afrit Asse: A1-A3 272 5.8.11 Verkeersknooppunt Groot-Bijgaarden (E40-Oostende): G1-G4 274 /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 10 van 352
5.8.12 Wegvak Dilbeek: DI1 5.9 Bijlage 9: Overzicht van de waargenomen paddenstoelen in de onderzochte bermen in 2020 met hun Ecologie, Rode-Lijststatus en indicatorwaarde. 5.10 Bijlage 10: Beschrijving van de berm-locaties die met bodemvallen zijn onderzocht 5.10.1 Z1 te Wezembeek-Oppem 5.10.2 K1 te Kraainem 5.10.3 K2 te Kraainem 5.10.4 K3 te Kraainem 5.10.5 K4 te Kraainem 5.10.6 WO1 te Woluwe 5.10.7 WO2 te Woluwe 5.10.8 D1 te Diegem 5.10.9 D2 te Diegem 5.10.10 D3 te Diegem 5.10.11 D4 te Diegem 5.10.12 D5 te Diegem 5.10.13 DG5 te Diegem 5.10.14 M1 te Machelen 5.10.15 M2 te Machelen 5.10.16 M3 te Machelen 5.10.17 MG3 te Machelen 5.10.18 M4 te Machelen 5.10.19 M5 te Machelen 5.10.20 S1 te Strombeek-Bever 5.10.21 S2 te Strombeek-Bever 5.10.22 WE1 te Wemmel 5.10.23 WE2 te Wemmel 5.10.24 AS1 te Asse 5.10.25 G1 te Groot-Bijgaarden 5.10.26 G2 te Groot-Bijgaarden 5.11 Bijlage 11: Spinnen gevangen in de periode midden maart – begin juli 2020 in de bermen van de R0, met bodemvallen. 5.12 Bijlage 12: Spinnen gevangen in de bermen van de R0, met sleepvangsten. Soorten die niet met de bodemvallen gevangen zijn, werden met een asterix * gemarkeerd. 5.13 Bijlage 13: Loopkevers gevangen in de periode midden maart – begin juli 2020 in de bermen van de R0, met bodemvallen. 5.14 Bijlage 14: Mieren gevangen in de periode midden maart – begin juli 2020 in de bermen van de R0, met bodemvallen. 5.15 Bijlage 15: Duizendpoten gevangen in de periode midden maart – begin juli 2020 in de bermen van de R0, met bodemvallen. 5.16 Bijlage 16: Miljoenpoten gevangen in de periode midden maart – begin juli 2020 in de bermen van de R0, met bodemvallen. 5.17 Bijlage 17: Overzichtskaart van de Rode-Lijst en indicatorpaddenstoelen 5.18 Bijlage 18 Overzichtskaarten van het beheer per complex
276 277 279 279 281 282 282 283 285 287 288 290 292 293 295 296 298 300 301 303 303 305 307 309 311 313 314 316 318 320 324 325 328 329 330 331 338
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 11 van 352
1 INLEIDING 1.1 HISTORIEK Sinds 2000 wordt ecologisch bermbeheer toegepast op de bermen van de Brusselse ring. Iedereen kent wel de borden ‘Kijk! Hier werken wij aan een ecologische berm’. Op deze manier wordt getracht om vooral via aangepast maaibeheer de biodiversiteit te vergroten, waar nodig een omvorming van bos naar grasland te bevorderen en invasieve exoten te bestrijden. Al deze maatregelen zijn opgenomen in het bermbeheerplan. In 2004, 4 jaar na de start, werden zowel flora als fauna (invertebraten) éénmalig geïnventariseerd. Daarbij werd onderzocht of er reeds een effect te zien was van het beheer op de verspreiding en biodiversiteit van soorten. Delen van de bermen bestonden al van bij het begin uit zeer kwaliteitsvolle graslanden met zowel Europees beschermde soorten als rode lijst soorten (fauna en flora). Uit de inventarisatie van de flora werd de conclusie getrokken dat het belangrijk is om geen ruigtebeheer, maar maaibeheer uit te voeren in de delen waar veel rode lijstsoorten staan. Ook het zo veel mogelijk afstemmen van de maaidatum op de bloeiperiode van die rode lijstsoorten, was een belangrijke beheertip. Uit de analyse van de inventarisatie van invertebraten werd afgeleid dat er nog onvoldoende verschillen konden gedetecteerd worden tussen meer of minder gemaaide graslanden of ruigtes. Uit de analyse van de soortengroepen die voldoende aanwezig waren (spinnen, loopkevers en mieren) bleek dat verschillen in aanwezigheid in de eerste plaats het gevolg bleken te zijn van sterke verschillen in vochtgehalte, expositie en/of bodemtype en in veel mindere mate het gevolg van verschillen in maaibeheer en -intensiteit. Als verklaring werd hiervoor gegeven dat het uitgevoerde verschralingsbeheer nog gedurende te weinig jaren of te weinig continu volgehouden was om voldoende effect te kunnen waarnemen. Beide studies gaven aan dat het belangrijk is om voorgeschreven beheervormen langdurig aan te houden om positieve effecten mogelijk te maken voor flora en fauna. Ook werd in beide studies aanbevolen om regelmatig opnieuw te inventariseren, om zo de ontwikkeling van waardevolle flora en fauna te kunnen opvolgen en het beheer er maximaal op af te stemmen. Omdat deze bermen binnenkort gedurende 20 jaar op een ecologische manier beheerd zijn, was het zinvol om binnen deze opdracht te kijken welke invloed dit heeft op de biodiversiteit en op de structuurkwaliteit/robuustheid van de aanwezige ecosystemen. Bovendien zullen waarschijnlijk sommige van deze bermen verdwijnen of aangepast worden bij geplande aanpassingswerken aan de R0. Daarom is het belangrijk om tijdig nog een aantal conclusies en lessen te kunnen trekken uit de beheervorm die hier gedurende lange termijn is gevoerd. Op die manier wordt informatie vergaard, niet enkel voor de toekomstige bermen van de R0, maar ook voor talrijke andere bermen langs Vlaamse gewestwegen, waterwegen en spoorwegen.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 12 van 352
1.2 DOEL VAN DE OPDRACHT Deze opdracht omvat een evaluatie van 20 jaar toepassing van ecologisch bermbeheer op Vlaams grondgebied langs de Brusselse ring (R0), meer bepaald vanaf de grens met het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (bocht van Vorst ten zuidwesten van Brussel) over het westen, noorden en oosten van Brussel tot aan de taalgrens (zijde Zoniënwoud). Zowel flora als bepaalde fauna (invertebraten) werden geïnventariseerd. De focus lag op de graslanden. De resultaten werden naast de toegepaste beheervorm gelegd. Op basis daarvan werden conclusies getrokken en werden aanbevelingen gegeven voor een optimaal ecologisch bermbeheer specifiek op deze plaats, maar ook in het algemeen. Deze opdracht bestaat uit de volgende deelopdrachten: 1. Nagaan of het beheer werd uitgevoerd zoals werd voorgesteld in het beheerplan en het aanvullende rapport in 2004. Was het mogelijk om het beheer uit te voeren zoals beschreven in het bermbeheerplan. Welke aanpassingen zijn gebeurd + eventuele redenen/lessons learnt? 2. Nieuwe inventarisatie uitvoeren van flora en invertebraten, hoofdzakelijk volgens dezelfde methodiek als in 2004. 3. Analyse van de nieuwe inventarisatie + vergelijking tussen 2004 en 2020: welke verschillen blijken uit de vergelijking van beide inventarisaties? Wat kan hieruit afgeleid worden over de ontwikkeling en evolutie van flora en fauna de voorbije 20 jaar? In welke mate heeft het ecologisch bermbeheer op de plaatsen waar dit lange tijd is toegepast, een significant effect gehad op de verspreiding en aanwezigheid van minder algemene soorten (flora en fauna)? Kan na ongeveer 2 decennia gesproken worden van een robuuster ecosysteem voor dergelijke soorten als gevolg van de toegepaste beheervorm? 4. Naar welke soortensamenstelling en welke habitats kan hier gestreefd worden? Wat zijn de potenties? Moeten deze bijgesteld worden? 5. Welke aanpassingen zijn eventueel nodig om het actuele beheer optimaal af te stemmen op dit (aangepaste) streefdoel?
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 13 van 352
2 METHODIEK 2.1 DEELVRAAG 1: NAGAAN EN EVALUATIE VAN HET EFFECTIEF UITGEVOERD BERMBEHEER Het ecologisch bermbeheer langs de R0 is beschreven in een bermbeheerplan dat sinds 2000 van toepassing is. In de evaluatie uitgevoerd in 2004 werden aanpassingen aan dit bermbeheerplan voorgesteld. Deze werden doorgegeven aan de betreffende beheerders. Praktische, organisatorische en financiële redenen, maar ook de weersomstandigheden en communicatie met degene die het bermbeheer uitvoert, kunnen echter de oorzaak zijn dat het bermbeheer in de praktijk niet is uitgevoerd zoals voorzien. In overleg met de uitvoerende firma Krinkels konden we achterhalen welke beheervorm werkelijk toegepast werd op de verschillende locaties. De focus lag op 40 locaties (meetpunten) waarvan in 2004 een opname gemaakt werd in permanente kwadraten (PQ’s). Deze werden in 2020 opnieuw opgenomen. Per meetpunt ginge we na wat in de periode van 2004 - 2019 het effectieve beheertype was (vb. maaibeheer, hakhoutbeheer, exotenbestrijding,…) en specifiek voor dat type, wat de omlooptijd was (om de hoeveel tijd het beheer toegepast werd). Met de verkregen beheerinformatie konden we voor de te evalueren PQ’s oplijsten: - wat het beheer was, zoals gevraagd in het bermbeheerplan - wat het beheer was dat werd aanbevolen in 2004 - het beheer dat effectief op het terrein werd uitgevoerd.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 14 van 352
2.2 DEELVRAAG 2: INVENTARISATIE FAUNA EN FLORA 2.2.1 Beschrijving van de locaties Om dit onderzoek zo correct mogelijk te kunnen uitvoeren werd getracht op dezelfde manier tewerk te gaan als in 2004. Voor de fauna- en flora inventarisaties werden immers dezelfde locaties geselecteerd en werden de bodemvallen (indien mogelijk) op exact dezelfde locatie geplaatst (Tabel 1 en Figuur 1). Tabel 1: Overzicht van de locaties van de PQ's en bodemvallen met de respectievelijke coördinaten
PQ
Bodemval
X-coördinaat
Y-coördinaat
A1
AS1
4.28289211
50.88407821
A2
4.28575331
50.88130252
A3
4.28536955
50.88135619
D1
D1
4.45737485
50.89393652
D2
D2
4.45719025
50.89402655
D3
D3
4.45508516
50.89323706
D4
D4
4.44877706
50.89477876
D5
D5
4.44798087
50.89465345
DG5
4.44788126
50.89459059
D6
4.45357954
50.89378652
D7
4.45724435
50.89257922
DI1
4.27928302
50.84626582
G1
G1
4.28419472
50.87082872
G2
G2
4.28447871
50.87090982
G3
4.28325261
50.87330913
G4
4.28336659
50.87312942
GR1
4.36869638
50.9168574
GR2
4.36831243
50.91773835
K1
K1
4.46895969
50.86781283
K2
K2
4.46918715
50.86789354
K3
K3
4.47018265
50.86839609
K4
K4
4.46989826
50.86827048
K5
4.46937419
50.86899009
K6
4.46926072
50.86907109
M1
M1
4.43386415
50.90310324
M2
M2
4.43370769
50.90304939
M3
M3
4.43350909
50.90335514
M4
M4
4.43511382
50.90214067
M5
M5
4.43393352
50.90188065
MG3
4.43332438
50.90343614
M6
4.43335153
50.90251023
M7
4.4334653
50.90253713
4.33987249
50.91488535
4.34005734
50.91490338
4.340466022
50.91247177
S1
S1
S2
S2
S3
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 15 van 352
PQ
Bodemval
S4 V1
X-coördinaat
Y-coördinaat
4.33900976
50.91156768
4.39006777
50.91235168
WE1
WE1
4.32290954
50.89858235
WE2
WE2
4.32312138
50.90002972
WO1
WO1Er
4.4628597
50.87905473
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 16 van 352
Figuur
1:
Geselecteerde
bermen
langs
de
R0
waar
de
fauna-
en
flora
inventarisaties
uitgevoerd
werden.
omgevingvlaanderen.be
2.2.2 Flora: vegetatie-opnames met PQ's In de periode april-juli 1999 werden de bermen van de R0 volledig geïnventariseerd. Er werden hierbij 418 deelgebieden (percelen) afgebakend waarbinnen de voorkomende plantensoorten werden genoteerd. Op basis hiervan werd het bermtype bepaald. Om de reeds geïnventariseerde deelgebieden te evalueren in 2004, werden 40 representatieve meetpunten geselecteerd uit die 418 deelgebieden. Deze punten werden m.b.v. gps opgenomen in een gis-laag met als ondergrond de digitale basiskaarten van het Agentschap Wegen en Verkeer (AWV). Elk meetpunt vormt het middelpunt van een permanent kwadraat (PQ) van 16m² (4 x 4m) waarin in meijuni 2004 een eerste vegetatieopname gebeurde. Van elk PQ werd ook een digitale foto genomen. Deze 40 PQ’s werden opnieuw geïnventariseerd. In overleg met de stuurgroep werd beslist om in 2020 de opnames te maken met de schaal van Braun/Blanquet. De schaal van Tansley die in 2004 gebruikt werd is een ruwere schaal die meer voor het inschatten van bedekkingen op perceelsniveau dient. We voerden de inventarisaties in 2020 begin mei uit omdat ze in 2004 ook begin mei werden uitgevoerd. Door het warme weer in april 2020 was het vegetatieseizoen iets sneller op gang gekomen. We gingen dus al op 6 mei van start. De wegentoezichter van AWV verzekerde ons dat er nergens voor eind mei werd gemaaid, dus konden we begin mei de vegetatie-opnames uitvoeren voor de (eerste) maaibeurt. Helaas bleek deze info niet te kloppen en werden 6 proefvlakken (G1, G2, G3, G4, A2, A3) reeds gemaaid voor de vegetatie-opname omdat ze onder “gazonbeheer” werden gerekend. Per opname werd een beschrijving gemaakt zoals in 2004 (Bijlage § 5.1). We namen de fiches uit het rapport van 2004 mee op terrein om niets over het hoofd te zien: Omschrijving locatie: beschrijving van de structuur van de vegetatie, van de helling van het talud en van eventueel beïnvloedende factoren zoals de nabije aanwezigheid van bruggen, struweel, e.d.. We gingen na of deze beschrijving nog steeds klopt en gaven aan welke eventuele veranderingen ondertussen opgetreden zijn. Bodemtextuur: 2004: weergave bodemtextuur (inclusief aanduiding van vochtigheidsgraad) aan de hand van de Bodemkaart van België. We hebben nergens duidelijke verschillen gezien t.o.v. de gegevens van 2004. Type bemonstering: 2004: vegetatieopname uitgevoerd volgens de Tansleyschaal waarbij de bedekkingsgraad van de aanwezige soorten genoteerd werd. In 2020 werden dezelfde 40 PQ’s uitgezet op basis van de GPS-coördinaten: elk meetpunt vormt het middelpunt van een permanent kwadraat (PQ) van 16m² (4 x 4m). Voor alle 40 PQ’s wordt een vegetatie-opname uitgevoerd: er werd een volledige lijst van alle aanwezige plantensoorten in het PQ opgemaakt en voor elke soort werd de bedekking volgens Braun-Blanquet genoteerd.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 18 van 352
Gegevensverwerking van de opnames van de PQ’s: De gegevens van de PQ's werden ingevoerd in Turboveg (Hennekens & Schaminée, 2001). Voor de verwerking van de gegevens werd het programma ASSOCIA (in Turboveg) als hulpmiddel gebruikt om de vegetatietypes volgens de typologie van de ‘Vegetatie van Nederland’ (Schaminée et al., 1995, 1996, 1998) te bepalen. Dit programma werkt vrij goed voor opnames in proefvlakken, mits rekening wordt gehouden met het volgende: - default instellen - belang hechten aan “incompleteness” en “weirdness”. Het IBN neemt als drempel voor “incompleteness” < of = 1, hoe kleiner hoe beter. Het aantal “weird” soorten is best kleiner dan 0, hoe negatiever, hoe beter. De volledige opnames zitten in de (digitale) bijlage als “Vegetatieopnames2020.xlsx” Per perceel waarin de vegetatie-opnames liggen, werden kenmerkende plantensoorten/zeldzame soorten genoteerd met het programma Obsmapp zodat de puntlocaties van deze soorten kunnen weergegeven worden op kaart. Deze kaarten zijn te vinden in Bijlage § 5.6 en Bijlage § 5.7 Alle plantensoorten die werden waargenomen in de onderzochte bermen worden opgelijst in Bijlage § 5.2, waarbij wordt weergegeven of het om Rode-Lijstsoorten, indicatorsoorten, inheemse of uitheemse soorten en/of invasieve exoten gaat. Foto’s: Van elk PQ werden meerdere foto’s gemaakt. Deze zitten digitaal in bijlage. De meest illustratieve foto werd aan de fiche per PQ toegevoegd in Bijlage § 5.1. Vegetatietype: 2004: aan de hand van de vegetatieopame werd het bermtype bepaald volgens de typologie van Zwaenepoel (1998). Waar overgangen tussen twee types aanwezig zijn, werd dit vermeld. Voor de vegetatieopnames van 2020 bepaalden we ook het bermtype volgens de typologie van Zwaenepoel (1998) met daarnaast de recente typering van het INBO (Van Uytvanck et al., 2017). Deze typering wordt tegenwoordig toegepast in de snelwegbermen i.f.v. opmaak van bermbeheerplannen. Wij hebben die al meermaals toegepast, in snelwegbermonderzoek (Steeman 2017) en bij ecoduct studies (cfr. Feys et al. 2019).
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 19 van 352
Opgaande houtige vegetatie
grasland
ruigte
struweel
R1 R2 R3 R4
S1 S2 S3 S4 S5
H1 H2 H3 H4 H5
graslandfasen
Soortenarm soortenrijk G0 G1 G2
G3 G4 G5
Exoten
Figuur 2: Overzicht van de vegetatietypes volgens de nieuwe INBO-methode voor bermkartering
De vegetatietypes zijn de volgende: Graslanden: Raaigrasweide (G0), Grassenmix (G1), Dominant stadium (G2), Gras- Kruidenmix (G3), Bloemrijk grasland (G4), Soortenrijk schraal grasland (G5); Ruigtes: Verstoord grasland (R1), Verruigd grasland (R2), Natte ruigte (R3), Riet en rietruigte (R4); Struwelen Dwergstruikvegetatie: heidesoorten (S1), Brem – en gaspeldoornstruwelen (S2), Doornstruwelen (S3), Bramen (S4), Vlierstruweel (S5); Opgaande houtige vegetaties: Wilgenbos/struweel (H1), Ruderaal olmenbos (H2), Loofbos (H3), Loofhoutaanplant (H4), Naaldbos (H5), Exoten (E). G4 en G5 worden (indien aanwezig) meer in detail getypeerd op basis van kenmerkende soorten. Detailtypering G4: G4a Bloemrijk glanshavergrasland G4b Stroomdalgrasland G4c Kalkrijk kamgrasland G4d Bloemrijk struisgrasland G4e Bloemrijk vochtig tot nat grasland Detailtypering G5: G5a Duingrasland G5b Dwerghavergrasland G5c Kalkgrasland G5d Heischraal grasland Als extra vermelden we hier ook het Natura 2000 Habitat-type. Syntaxonomie: Per opname bepaalden we het herkenbare syntaxon (of syntaxa) volgens Schamineé et al. (1995, 1996) op basis van ken- en differentiërende soorten. Indien er geen duidelijke associatie ontwikkeld was, hebben we het meest benaderend syntaxon van hogere rang vermeld.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 20 van 352
Bespreking: In de bespreking geven we voor elke opname een toelichting bij de identificatie van het bermtype, ‘INBO-type’, Natura 2000 type en vegetatiekundig syntaxon. Er wordt een kort vergelijkend overzicht gegeven van de aanwezige dominante, abundante en frequente soorten in 2004 en 2020. We geven per PQ ook de zeldzame soorten en Vlaamse Rode-Lijstsoorten (Van Landuyt et al., 2006) weer, evenals alle invasieve exoten. In Bijlage § 5.6 worden de waargenomen Rode-Lijstsoorten op kaart weergegeven. Bijlage § 5.7 bevat de kaart met de invasieve exoten. Deze kaarten bevatten gegevens die op volgende drie manieren werden verzameld: Eigen waarnemingen verricht binnen het PQ, dus bij de vegetatie-opname die gevraagd werd i.k.v. deze opdracht; Eigen waarnemingen verricht buiten het PQ. Dit zijn waarnemingen die rond de PQ’s werden waargenomen na de vegetatie-opnames ( er werd telkens een kwartier lang rondlopen in de directe omgeving van het PQ). Hieronder zitten ook floragegevens die werden ingevoerd tijdens de fauna-inventarisaties door de andere projectmedewerkers. Waarnemingen door derden, aanwezig in onze database Waarnemingen.be. Naast de fiches in Bijlage § 5.1 wordt in 2.2.2 een tekstuele toelichting gegeven van de aanwezige: vegetatie(type)s; Rode-lijstsoorten Indicatorsoorten die niet op de Rode lijst staan invasieve exoten.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 21 van 352
2.2.3 Mycoflora: wegbermen en graslandpaddenstoelen 2.2.3.1 Het belang van paddenstoelen Paddenstoelen spelen een sleutelrol in het functioneren van ecosystemen. Ze vertegenwoordigen daarenboven een groot deel van de biodiversiteit. Ze vormen een eigen rijk, naast planten en dieren. In Nederland komen ruim 5000 soorten voor (Ozinga et al. 2013a,b). Een groot aandeel van deze soorten is kwetsbaar of bedreigd en staat op de Rode lijst (62% in Nederland). Uit Vlaanderen zijn er meer dan 4.000 soorten bekend. In diverse (ook Europese) habitattypen is de diversiteit aan paddenstoelen vele malen hoger dan die van hogere planten. Er is echter nauwelijks sprake van (natuur)beheer gericht op behoud of herstel van deze soortgroep. Paddenstoelen stellen deels andere eisen aan hun standplaats dan hogere planten en profiteren daardoor niet automatisch van beheer gericht op planten. Beheerders willen vaak wel rekening houden met paddenstoelen maar de kennis ontbreekt grotendeels. Met de recente publicaties van Ozinga et al. (2013a,b) kunnen we nu aan de slag! 2.2.3.2 Graslandpaddenstoelen als belangrijke natuurindicatoren en het belang van bermen Vijf groepen graslandpaddenstoelen die kenmerkend zijn voor oude, voedselarme en soortenrijke graslanden, grazige bermen en gazons, zijn Wasplaten (Hygrocybe), Knotszwammen (Clavaria en Clavulinopsis), Aardtongen (Geoglossum), Barsthoeden (Dermaloma) en Satijnzwammen (Entoloma). Wasplaten worden wel de ‘orchideeën onder de paddenstoelen’ genoemd. Ze delen immers zowel hun zeer fraaie en kleurrijke uiterlijk als hun hoge indicatorwaarde met orchideeën. Ze zijn op die manier een uitgelezen soortgroep om naar het grote publiek toe ‘biodiversiteit’ en het belang van (natuur)beheer en natuurbehoud uit te leggen. Daardoor kunnen ze ingezet worden als vaandeldragers voor het herstel van een habitat dat nog tal van andere soorten herbergt. Graslandpaddenstoelen zijn belangrijke indicatoren voor de ouderdom en de mate van verstoring van graslanden, ook voor bermen.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 22 van 352
2.2.3.3
Mycologische evaluatie van de PQ’s in de bermen van de R0
Paddenstoelen hebben zowel een belangrijke troef als een belangrijk nadeel t.o.v. flora/vegetaties. Troef: doordat ze zich via sporen verspreiden, kunnen ze ‘overal’ geraken en reageren ze dus ‘directer’ op de biologische kwaliteit van een locatie: is de locatie geschikt, dan vind je er één of veel indicatorsoorten graslandpaddenstoelen. Heel wat hogere planten daarentegen ontbreken op een locatie omdat ze er niet (meer) geraken, niet omdat het er niet geschikt is. Nadeel: als er een bepaald jaar geen geschikte weersomstandigheden zijn (te droog), is het niet mogelijk om graslandpaddenstoelen te inventariseren, vermits de vruchtlichamen dan niet bovengronds verschijnen. Door de botanisch meest waardevolle stukken in november te doorzoeken naar grasland-paddenstoelen, konden we enkele nieuwe groeiplaatsen vinden van waardevolle graslandindicatoren.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 23 van 352
2.2.4 Fauna: wetenschappelijke monitoring wilde bijen, dagvlinders, zweefvliegen, sprinkhanen, wantsen en lieveheersbeestjes Voor dit deel van het onderzoek werd er intensief gezocht naar wilde bijen. Tegelijkertijd werden ook de waarnemingen van dag- en nachtvlinders, zweefvliegen, sprinkhanen, wantsen en lieveheersbeestjes genoteerd. De focus lag echter hoofdzakelijk bij Wilde bijen. 2.2.4.1 Wilde bijen Deze werden gezocht op bloemen en rond mogelijk interessante nestplaatsen in dezelfde bermen waar de bodemvallen geplaatst zijn (Tabel 1). Op locaties waar verschillende sets bodemvallen dicht bij elkaar of in eenzelfde homogene berm stonden, werden de locaties samen genomen voor de bijeninventarisaties. Zo bekwamen we 17 locaties. Deze bermen werden 4 keer bezocht doorheen het vliegseizoen van wilde bijen, namelijk in april, mei, juni en augustus 2020, om een zo volledig mogelijk beeld te kunnen vormen van de bijengemeenschap in de bezochte bermen. Het veldwerk werd verricht door Win Vertommen, Willem Proesmans en Ward Tamsyn, die respectievelijk 5, 3 en 2 dagen veldwerk deden in kader van dit project. Wilde bijen zijn thermofiele organismen. De inventarisaties vonden daarom plaats tijdens gunstige weersomstandigheden: windkracht < 4 Beaufort – in de praktijk zo weinig mogelijk wind temperatuur: (> 17°C en < 30°C) tijdstip: 10u - 17u dagen zonder neerslag zonneschijn gedurende min. 50% van de dag De potenties voor wilde bijen werden bekeken, en de ecologische toestand van de verschillende bermen geëvalueerd in functie van het gevoerde beheer. Er werd geïnventariseerd door middel van netvangsten. Het leeuwendeel van de waargenomen bijen kon meteen op naam gebracht worden, de overige werden meegenomen en later gedetermineerd met behulp van een stereoscopische binoculair. Alle waarnemingen werden ter plaatse ingevoerd in de www.waarnemingen.be-database met behulp van de app Obsmapp. Tegelijkertijd werden de gelopen transecten steeds opgeslagen. Doordat zowel de gespendeerde tijd, als de gelopen route opgeslagen werd, is de zoekinspanning bekend. Hierdoor is het mogelijk om een monitoring in de toekomst uit te voeren en de resultaten rechtstreeks te vergelijken met voorliggend onderzoek. 2.2.4.2 Dag- en nachtvlinders, zweefvliegen, sprinkhanen, wantsen en lieveheersbeestjes Wanneer de bermen bezocht werden voor het plaatsen, legen of weghalen van de bodemvallen, wanneer er gezocht werd naar wilde bijen, of tijdens de sleepnetvangsten werden andere insectengroepen ook zoveel mogelijk geïnventariseerd. Zweefvliegen worden ook vaak op of rondom planten waargenomen en werden dan ook tegelijkertijd met wilde bijen door middel van netvangsten geïnventariseerd. Ook de dag- en nachtvlinders die er rondvlogen konden meteen herkend worden. Wantsen en lieveheersbeestjes werden meestal als bijvangst waargenomen bij de sleepnetvangsten in de zoektocht naar vegetatiebewonende spinnen en sprinkhanen konden op basis van het geluid van de mannetjes herkend worden bij onze bezoeken aan de bermen. Al deze insectengroepen worden immers in dezelfde weersomstandigheden als bijen of spinnen waargenomen.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 24 van 352
2.2.4.3
Gerichte inventarisaties Sleedoorn- en Iepenpage
Daarnaast werd er in kader van deze opdracht in het winterhalfjaar specifiek gezocht naar eitjes van Sleedoornpage op Sleedoorn (Prunus spinosa) en eitjes van de Iepenpage op iep (Ulmus spec.) langs de bermen en struwelen van de R0. Beide soorten werden aangetroffen langs de R0 en de directe omgeving ervan. De verzamelde verspreidingsgegevens uit dit onderzoek en waarnemingen uit het verleden maken duidelijk dat de bermen en struwelen van de R0 een functioneel leefgebied vormen voor deze attractieve vlinders.
Figuur 3: Gericht zoeken naar eitjes van de Sleedoornpage langs de R0. (Foto: Ilf Jacobs)
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 25 van 352
2.2.5
Fauna: wetenschappelijke monitoring van loopkevers, spinnen, mieren en andere bodembewonende ongewervelden
2.2.5.1 Inleiding Spinnen (Aranea), loopkevers (Carabidae) en zandloopkevers (Cicindelidae) staan bekend als goede indicatoren voor habitatkwaliteit. Het zijn soortenrijke groepen met heel wat vertegenwoordigers met een sterke habitatbinding. Spinnen en loopkevers verschillen als diergroep nog behoorlijk in levenswijze. Ze geven dus deels complementaire informatie. Alle spinnen zijn predatoren, terwijl er onder de loopkevers zowel carnivoren zijn als heel wat zaadeters. De meeste soorten mieren (Formicidae) zijn, in tegenstelling tot de meerderheid aan loopkever- en spinnensoorten, gebonden aan langdurig stabiele milieus. Ze zijn gevoelig voor beheeringrepen en dat maakt hen tot belangrijke indicatoren. Samen met spinnen, loopkevers, pissebedden, hooiwagens, duizendpoten en miljoenpoten maken ze het grootste deel uit van de bodembewonende ongewerveldenfauna. Onderzoek naar loopkevers is eveneens relevant in het kader van onderzoek naar ecologische ontsnippering. Er zijn immers tal van brachyptere (kort gevleugelde) of dimorfe loopkevers die niet kunnen vliegen en dus zeer gevoelig zijn voor versnippering door transportinfrastructuur. Ook dat aspect is mee beschouwd in voorliggende studie.
2.2.5.2 Methodiek terreinonderzoek Er is gewerkt met bodemvallen. Dit zijn potten die in de grond ingegraven worden, waarmee bodembewonende ongewervelden gevangen worden. Centraal op elke locatie werden 3 bodemvallen op enkele meters afstand van elkaar geplaatst. Natuurpunt Studie werkt meestal met 2 bodemvallen per locatie, maar in voorliggend onderzoek was het zeer belangrijk met 3 vallen per locatie te werken omdat dat bij het vorig onderzoek van Desender et al. (2004) eveneens het geval was. De bodemvallen bestaan uit een pvc huls, een glazen pot en een ijzeren dakje waaraan een stuk plexiglas bevestigd is. De pvc huls en glazen pot worden volledig ingegraven in de grond zodat de bovenrand op gelijk niveau komt met de grond (Figuur 4). De glazen pot wordt gevuld met een waterige oplossing van ca. 4% formol en een weinig afwasmiddel. Organismen die over het bodemoppervlak lopen vallen zo in de bodemvallen. Formol zorgt ervoor dat de organismen geconserveerd worden en het afwasmiddel verlaagt de oppervlaktespanning om te voorkomen dat de organismen uit de bodemvallen kunnen ontsnappen. Boven de bodemval wordt een ijzeren dakje met plexiglas geplaatst. Dit dakje voorkomt dat er regen of bladeren in de vallen terecht komen en vermijdt dat zoogdieren ervan drinken. Om de resultaten van dit onderzoek zo correct mogelijk te kunnen vergelijken met het eerder onderzoek, werd getracht om op dezelfde manier tewerk te gaan als in 2004. Voor de fauna- en flora inventarisaties werden dezelfde locaties geselecteerd en werden de bodemvallen op exact dezelfde locatie geplaatst. De locaties waar bodemvallen zijn opgesteld, worden weergegeven in Figuur 1. Voor de exacte coördinaten verwijzen we naar Desender et al. (2004). We geven een beknopte, doch rijkelijk geïllustreerde beschrijving van de bodemval-locaties in Bijlage § 5.10. Deze foto’s geven overigens een goed beeld van het studiegebied.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 26 van 352
De bodemvallen zijn geplaatst op 17 en 18 maart 2020, behalve K1-K4 (pas op 23 april, omwille van bereikbaarheid). Ze zijn geledigd op 1 april, 23 april, 4 mei, 20 / 22 mei, 4 juni, 18 juni en 3 juli 2020. Op laatstgenoemde datum zijn de vallen opgehaald. Ze zijn dus 3,5 maanden continu werkzaam geweest. De stalen van de tweede helft maart (17/18 maart – 1 april) zijn echter verloren gegaan (door beperkte toelating voor verplaatsingen en kantoorbezoek omwille van corona) Geregeld zijn er: Één of meerdere vallen vernield door maaien, ondanks onze vraag naar de aannemer om ons op de hoogte te houden van de maaiwerkzaamheden; vallen door ons opgehaald omdat men ging maaien (wat vervolgens al dan niet gebeurde) en dan bij de volgende ledigingsronde terug geplaatst (tenzij op de laatste ronde uiteraard). We vermelden dit in de beschrijvingen van de locaties in Bijlage § 5.10. Samengevat: de resultaten van 2020 betreffen de vangsten van 3 maanden, terwijl in 2004 een kortere tijdspanne van één maand (meer bepaald van 28 april 2004 tot 26 mei 2004, met één tussentijdse lediging op 12 mei 2004) werd bemonsterd. Na het ophalen van de vallen, werd de inhoud getrieerd. Alle loopkevers, spinnen, hooiwagens, mieren, pissebedden, duizendpoten, miljoenpoten en sprinkhanen werden gesorteerd en door de diverse taxonspecialisten gedetermineerd. Vervolgens zijn alle determinaties digitaal ingevoerd.
Figuur 4: Willem Proesmans plaatst één van de bodemvallen op locatie WO2. De pvc huls en de glazen pot worden volledig ingegraven. Daarna wordt er een dakje boven de vallen geplaatst. 17 maart 2020. (Foto Jorg Lambrechts).
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 27 van 352
2.3 DEELVRAAG 3: EFFECT VAN HET ECOLOGISCH BERMBEHEER In het bermbeheerplan van AWV van 2000 stond de verwachting dat het gedurende een lange tijd continu toepassen van ecologisch bermbeheer leidt tot: 1. het ontwikkelen van meer stabiele vegetaties; 2. het verhogen van de diversiteit in flora en fauna 3. het versterken en/of waarborgen van de samenhang en duurzaamheid van het fysisch milieu. Hiervan zijn punt 3 en in mindere mate punt 1 vrij vaag en abstract. Punt 2 daarentegen zullen we, dankzij de gedetailleerde inventarisaties die gevraagd worden, nauwkeurig kunnen beantwoorden. De combinatie van de informatie verzameld in deelvraag 1 over het daadwerkelijk uitvoeren van het gewenste beheer, met de diepgaande inventaris en analyse van de fauna en floragegevens, is de basis om het antwoord te formuleren op de vraag of de evolutie van de flora en fauna (mede) verklaard kan worden door het langdurig uitvoeren van het ecologisch bermbeheer.
2.3.1 Flora De gegevens over de soortensamenstelling van de vegetaties uit de inventarisatie, vertellen iets over de milieuomstandigheden. Door de inventarisatie van 2004 naast de huidige inventarisatie te leggen, kunnen eventuele veranderingen blootgelegd worden. We passen dezelfde methodiek toe als Econnection in 2004. Per PQ werd destijds aangegeven wat de floristische doelstellingen zijn, welk beheer er tot nu toe werd uitgevoerd en of dit eventueel dient aangepast te worden om de beoogde doelstellingen te halen. In Bijlage § 5.8 vind je de fiches met beheerdoelstellingen en vergelijking met vorig beheer. De verzamelde inventarisatiegegevens (vegetatietypes) worden vergeleken met die van 2004 en geïnterpreteerd. Om een vergelijking te maken tussen de gegevens van 1999 en 2004, werd gebruik gemaakt van “tolerantiegrenzen” van plantengemeenschappen op vlak van abiotische factoren zoals vochtigheid, bodemtextuur, pH en voedselrijkdom. Hiervoor werd toen gebruik gemaakt van de Ellenberg indicatorgetallen (van der Maarel 1993). We zullen opnieuw deze tolerantiegrenzen hanteren. 2.3.1.1
Vergelijking vegetatietypes 2004-2020
Voor elk vegetatietype dat in de inventarisatieperiode 1999 en 2004 werd waargenomen, werd door Econnection een successieschema opgesteld op basis van de literatuurkennis van: van der Maarel (1993) (Ellenbergindicatorwaarden voor vocht en stikstof) Bax & Schippers (1997) (vochtgehalte, graslandstadium en bodemtextuur). Daarnaast werd in het schema het botanisch doeltype aangeduid, op basis van het werk van Zwaenepoel (1998). Aan elk voorkomend vegetatietype werd een waarde-oordeel gegeven in een vijfdelige schaal. Daarbij werd rekening gehouden met verruigingsindicatoren en fragmentatie. Op basis van dit succesieschema werd de evolutie van de vegetatie besproken. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 28 van 352
Wij bespreken de evolutie van de bermvegetatietypes van 2004-2020 op dezelfde manier, waarbij we opnieuw rekening houden met de waarde beoordeling van de vegetatietypes in het succesieschema en de volgende aspecten.
2.3.1.2
Voorkomen van Rode-Lijstsoorten.
Waardering op basis van Rode Lijstsoorten De Rode Lijst van de vaatplanten van Vlaanderen en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (Van Landuyt et al., 2006) wordt gebruikt om de zeldzaamheid van de vegetaties aan te duiden. Hieronder volgt duiding bij het gebruik van de Ellenberg waarden. Milieucondities verbonden aan de vegetatie Uit de dataset van proefvlakopnames wordt een berekening van een aantal ecologische (Ellenberg)parameters gemaakt: stikstofindex (N) pH (zuurtegraad) vochtigheid van de bodem (F) Deze berekening verloopt geautomatiseerd met behulp van het programma Turboveg. Er wordt immers met bedekkingspercentages rekening gehouden van de individuele soorten en op basis hiervan gemiddelden berekend voor de proefvlakken. Op basis van de aanwezige plantensoorten en de gemiddelde Ellenbergwaarden worden vegetaties ingedeeld in de bermtypes volgens Zwaenepoel (1998). Het ELLENBERG et al. (1991) systeem moet worden gebruikt om op basis van de waargenomen vegetatie een schatting te kunnen maken van de aanwezige milieucondities. Dit systeem werd aangepast voor West-Europa door HILL et al. (1999). Het is gebaseerd op een kwantitatieve schatting van de ecologische eisen van iedere plantensoort. De berekening van de stikstofindex (N), de pH en de vochtigheid van de bodem (F) gebeurt als volgt. Negen categorieën die overeen komen met intervallen van de concentratie aan stikstof in de bodem moeten worden geïdentificeerd. 1 2 3 4 5
zeer arm zeer arm tot arm arm arm tot middelmatig rijk middelmatig rijk
6 7 8 9
middelmatig rijk tot rijk rijk uitgesproken hoeveelheid excessieve hoeveelheid
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 29 van 352
Voor iedere vegetatieopname wordt de coëfficiënt van de hoeveelheid getolereerde stikstof vermenigvuldigd met de overeenkomende talrijkheid/bedekkinggraad; deze bedekkingsgraad wordt bekomen uit de mediaan van iedere categorie: bedekkinggraad 5 = 87,5% bedekkinggraad 4 = 62,5% bedekkinggraad 3 = 37,5% bedekkinggraad 2 = 15% bedekkinggraad 1 = 2,5% bedekkinggraad + = 0,5% bedekkinggraad r = 0,2% Het gewogen gemiddelde produceert een globale waarde voor de stikstofcondities in iedere vegetatieopname, en bijgevolg een waarde die op een betrouwbare wijze de condities van het proefvlak en haar homogene omgeving weergeeft (PERSSON, 1981). Op een gelijkaardige manier worden proefvlakcondities bepaald voor de vochtigheid van de bodem: 1 2 3 4 5 6
zeer droog zeer droog tot droog droog droog tot fris fris fris tot vochtig
7 8 9 10 11 12
vochtig vochtig tot zeer vochtig zeer vochtig variabele vochtigheid Overstroomd ondergedompeld
De zuurheid van het milieu (pH) : 1 2 3 4 5
zeer zuur zeer zuur tot zuur zuur zuur tot middelmatig zuur middelmatig zuur
6 7 8 9
middelmatig zuur tot neutraal neutraal neutraal tot basisch basisch en kalkrijk
2.3.2 Fauna: methodiek data analyse Principal Components Analyse (PCA) werd gebruikt om de variatie in de gemeenschappen van bodemongewervelden (spinnen, loopkevers en mieren) zichtbaar te maken. Er werd gefocust op de eerste twee assen van de PCA, en dus op de belangrijkste patronen van gemeenschapsverandering. Enkel soorten die in minstens 3 stalen werden aangetroffen werden meegenomen voor de PCA, en er werd voorafgaand Hellinger transformatie toegepast op de gegevens: indien een enkele locatie met een sterk afwijkende gemeenschap de PCA te veel bepaalt, werd deze voorafgaand verwijderd. Verklarende variabelen werden gehaald uit de vegetatie-opnames (Ellenberg vocht, stikstof en zuurtegraad) en het onderzoek in 2004 (bodemtype en expositie) en geplot op de biplots van de PCAs. De significantie van correlaties tussen verklarende variabelen (bodem, expositie, Ellenberg getallen vegetatie, Jaar) en gemeenschapsveranderingen over de PCA assen werd getest aan de hand van /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 30 van 352
permutaties via de Envfit functie (Ellenberg getallen) en Mann Whitney U (Jaar, ruderaal aspect vegetatie) en Kruskal Wallis (bodem, expositie) tests, die laatste met post-hoc paarsgewijze Wilcoxon rank sum test (incl. correctie voor meerdere tests). Voor de vergelijking met 2004 werden enkel de staalnamedatums 23/4, 4/5, 20/5 en 22/5 meegenomen in de analyse om de periodes zo goed mogelijk te laten overeenkomen. Vergelijkingen van soorten en soortgroepen tussen beide jaren werden uitgevoerd aan de hand van gepaarde Wilcoxon Rank Sum tests. Statistische analyses werden uitgevoerd in R3.5.1., voor de PCA met behulp van package vegan.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 31 van 352
2.4 DEELVRAAG 4: BEPALEN TOEKOMSTIG STREEFDOEL 2.4.1 Flora Voor de flora werd in 2004 een duidelijke doelvegetatie vooropgesteld per PQ. In deelvraag 3 wordt geantwoord op de vraag of de vegetatie de voorbije twee decennia in de richting van die doelvegetatie geëvolueerd is. De bedoeling van deelvraag 4 is om te kijken of de streefdoelen dienen bijgesteld te worden als gevolg van de bevindingen uit deelvraag 1 t.e.m. 3 en eventueel ook als gevolg van algemene abiotische evoluties de voorbije 20 jaar. We maken onderscheid tussen: 1. De locaties waarvoor de vegetatie in vergelijking met 2004 ‘in de goede richting’ evolueerden. Hier geven we aan: op welke termijn we verwachten dat de doelvegetatie van 2004 zal bereikt worden; of op welke termijn we verwachten dat een ander vegetatietype dan de doelvegetatie van 2004 zal bereikt worden; we geven aan welk type dit is, en waarom we dit nieuw toekomstig streefdoel geschikt achten (vb. ook een Europees habitattype) 2. De locaties waarvoor de vegetatie in vergelijking met 2004 NIET ‘in de goede richting’ evolueerden. Om deze vraag te beantwoorden waren eerdere conclusies erg belangrijk: - waaraan zijn de evoluties te wijten? - Heeft dit te maken met het niet uitvoeren van het voorgestelde beheer? - Of is dit daarentegen volledig op conto te zetten van externe, verstorende factoren? Afhankelijk van het antwoord op die vraag gaven we per locatie een antwoord op deelvraag 4. Als er geen evolutie was richting streefdoel omwille van achterwege blijven van het geschikte beheer, dan is er weinig reden om het streefdoel bij te stellen, tenzij er andere zwaarwegende redenen zijn, zoals bijvoorbeeld dat die locatie niet meer bereikbaar is voor beheer.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 32 van 352
2.5 DEELVRAAG 5: SUGGESTIES VOOR TOEKOMSTIG BEHEER Op basis van dit grondige onderzoek naar fauna en flora geven we suggesties voor het optimaliseren van het toekomstig beheer. Wij hebben kennis van soorten en hun vereisten inclusief het vereiste beheer. De wegbeheerder en opdrachtgever zijn dan weer goed geplaatst om de randvoorwaarden (vb. naar veiligheid) mee te geven, zodat een goed evenwicht gevonden wordt tussen ecologische wenselijkheid en economische haalbaarheid, m.a.w. hoe tijd, middelen en personeel optimaal ingezet worden. Hierbij werd rekening gehouden met rendementseisen: voor zeer goede bermen of bermen met een hoge potentie werd gekozen voor een optimaal beheer. Anderzijds werd voor slechte en ‘kansarme’ bermen (vb. zeer smalle bermen) gekozen voor adviezen die vooral ingaan op de noodzaak van het veiligheidsaspect van de verkeerssituatie. Voor de evaluatie van het beheer werkten we met een systeem van troeven en werkpunten. Dit houdt in dat we enerzijds aangeven wat reeds goed is (troeven) en anderzijds beschrijven waar bijsturing vereist is (werkpunten). Dit deden we met betrekking tot zowel flora, mycoflora als diverse faunagroepen en we integreerden dit in globaal beheeradvies. Het beheeradvies is rijkelijk geïllustreerd met foto’s, meer bepaald van mooie, geschikte situaties en bijhorend beheer (troeven) en anderzijds foto’s hoe het niet hoort (werkpunten).
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 33 van 352
3 RESULTATEN 3.1 DEELVRAAG 1: NAGAAN EN EVALUATIE VAN HET EFFECTIEF UITGEVOERD BERMBEHEER We deden navraag bij de uitvoerder van het bermbeheer, de firma Krinkels, om na te gaan welk beheer er effectief werd uitgevoerd de voorbije 15 jaar. Zij konden zelf niet meer achterhalen of dit bermbeheer 15 jaar lang hetzelfde bleef. Ze gaven aan hoe het beheer de voorbije twee jaar werd uitgevoerd en dit werd opgenomen in Tabel 2. We zien dat heel wat maaiwerken niet uitgevoerd werden zoals gepland. Op maar liefst 23 locaties werd afgeweken van het vooropgestelde maaischema. Redenen hiervoor zijn mogelijk: - technische gebreken (te weinig tijd om alles in een bepaalde periode te kunnen uitvoeren) - Verkeerde Interpretatie van het uitvoeringsplan Het gazonbeheer dat werd uitgevoerd in Groot-Bijgaarden en Asse kan wellicht gerekend worden tot “verkeerde interpretatie van het maaischema”. In het beheeradvies van 2004 werden zones ingekleurd voor gazonbeheer en deze zones werden daar dan foutief bijgerekend. Eigenlijk hoort gazonbeheer niet thuis in deze bermen, die gelegen zijn buiten de bebouwde kernen. Hier gebeurt dus best een bijsturing naar ofwel een verschralingsbeheer (vervroegd maaien tegen vergrassing) of anders een regulier beheer om een schrale berm te behouden. Zeker 4 keer maaien over grote oppervlaktes heeft botanisch weinig zin. Op beperkte kleine oppervlakte (bv. langs toegangswegen) kan het een voordeel bieden door een zone met zeer lage structuur naast hogere structuren aan te bieden (cfr beheer dat bv. voor Grauwe klauwier wordt gevoerd). Op plaatsen waar verschillende maairegimes worden voorgesteld voor één complex, werd dit gereduceerd tot één maairegime. Zo werden in het complex van Diegem alle oppervlakten gemaaid in mei en september en werd er geen rekening mee gehouden dat bepaalde zones later moesten gemaaid worden. Dit is iets om rekening mee te houden in de toekomst, dat er best gewerkt wordt met één maairegime per complex. Het complex van Strombeek-Bever werd op aanraden van Anne Ronse van Agentaschap Plantentuin Meise slechts pas vanaf augustus gemaaid. Dit beheer zou de vegetatie ten goede komen en was nodig in functie van het inzamelen van rijpe zaden van bijzondere planten (mond. med. Anne Ronse). Voor de zones waarin de proefvlakken gelegen waren, was dit niet het meest geschikte beheer. Toch pleiten we ervoor om dit aan te houden, om zo te beperken tot één maairegime per complex. Wel konden we vaststellen dat de maaibeurt van augustus pas half november werd uitgevoerd, wanneer het veel te nat was en er diepe sporen werden achter gelaten. Het is aan te bevelen om het maaibeheer van dit complex niet zo laat uit te voeren om verdere verstoring te beperken. Tenslotte merkten we op dat na het maaien zeer veel maaisel bleef liggen en een verstikkende laag vormde bovenop de vegetatie. Het is vaak beter om niet te maaien, dan maaien en het maaisel te laten liggen. Het laten composteren van maaisel op het terrein doet alle moeite van het maaien teniet. Afruimen van maaisel is m.a.w. zeer belangrijk indien je wil verschralen of een bloemrijk hooiland in stand wil houden.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 34 van 352
Tabel 2: Overzicht van het beheer in 1999, het ingesteld beheer in 2004 en het effectief uitgevoerd bermbeheer van 2005 tot 2020.
Code PQ 2004
A1 A2
juni en september juni en september
Voorstel maaibeheer 2004 juli en september juni en september
A3 D1 D2 D3 D4 D5 D6 D7 DI1 G1
beplanting om de 3 jaar juli mei en september mei en september mei en september mei en september mei en september beplanting om de 3 jaar
juni en september juli en september juli en september mei en september mei en september mei en september juli en september mei en september September juli en september
G2
om de 3 jaar
juli en september
G3
juni en september
juli en september
G4
om de 3 jaar
juli en september
GR1 GR2 K1 K2 K3 K4 K5
september september juli en september juli en september september september september
K6
september
M1 M2 M3 M4 M5 M6 M7 S1
om de 3 jaar maaien om de 3 jaar maaien om de 3 jaar maaien om de 3 jaar maaien september om de 3 jaar maaien mei en september maaien juli en september juli en september juli en september
september september juli en september juli en september september september juni en september eerste 5 jaar, nadien juli en september juni en september eerste 5 jaar, nadien juli en september mei en september mei en september mei en september mei en september september mei en september mei en september juli en september
S2 S3
Maaibeheer 1999
juli en september juli en september
Vermoedelijk gevoerd maaibeheer 2005-2020 mei en september april, juni, september, november juli, september mei en september mei en september mei en september mei en september mei en september mei en september mei en september Onbekend april, juni, september, november april, juni, september, november april, juni, september, november april, juni, september, november mei en september mei en september juli en september juli en september juli en september juli en september juli en september
Uitgevoerd zoals gepland Nee nee
juli en september
ja
mei en september mei en september mei en september mei en september mei en september mei en september mei en september Augustus
ja ja ja ja Nee ja ja Nee
Augustus Augustus
Nee Nee
nee Nee Nee ja ja ja nee ja Nee Nee Nee Nee Nee Nee ja ja Nee Nee ja
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 35 van 352
Code PQ 2004
S4 V1 WE1 WE2 WO1 WO2 Z1
Maaibeheer 1999 om de 3 jaar september mei en september mei en september om de 3 jaar maaien september september
Voorstel maaibeheer 2004 juli en september september mei en september mei en september september september september, dichter tegen beplanting maaien
Vermoedelijk gevoerd maaibeheer 2005-2020 Augustus mei en september mei en september mei en september juli en september juli en september juli en september
Uitgevoerd zoals gepland Nee Nee ja ja Nee Nee Nee
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 36 van 352
3.2 DEELVRAAG 2: INVENTARISATIE FAUNA EN FLORA 3.2.1 Flora: vegetatie-opnames met PQ's In totaal werden 40 vegetatie-opnames gemaakt van 40 PQ’s op 5, 6, 7, 8, 11 en 12 mei 2020. Per vegetatie-opname werd een fiche opgemaakt die wordt weergegeven in Bijlage § 5.1 3.2.1.1 Waargenomen soorten in en buiten de proefvlakken Er werden in de PQ’s in totaal 111 plantensoorten waargenomen, waarvan er vier op de Rode Lijst staan. (Bijlage § 5.2). Op de soortenlijst van de onderzochte percelen staan 192 plantensoorten, met 10 soorten op de Rode Lijst. (zie Bijlage § 5.2). Tabel 3 geeft een overzicht van de Rode-Lijstsoorten en waar deze werden waargenomen in de PQ’s en percelen. In Bijlage § 5.6 worden deze waarnemingen op kaart weergegeven. In 2004 stond Blauw walstro nog op de Rode Lijst, maar op de Rode Lijst van Van Landuyt (2006) kreeg deze de status “niet bedreigd”, maar de soort blijft wel “Vrij zeldzaam” in Vlaanderen. Er werden in totaal 7 ingeburgerde exoten waargenomen, waarvan er drie als invasief worden beschouwd. Van deze invasieve exoten werd er geen enkele in een proefvlak gezien. Tabel 4 geeft een overzicht van de complexen waar de invasieve exoten werden waargenomen. In 2004 werd enkel Amerikaanse vogelkers genoteerd. Tabel 3: Geeft een overzicht van de Rode-Lijstsoorten en hun groeiplaats in 1999, 2004 en 2020. Blauw walstro wordt hier ook vermeld omdat de soort in 2004 nog op de Rode Lijst stond.
Rode lijst-soort Bijenorchis Bijenorchis Bijenorchis Bijenorchis Bijenorchis Bijenorchis Bijenorchis Bijenorchis Bokkenorchis Blauw walstro Blauw walstro Blauw walstro Blauw walstro Blauw walstro Blauw walstro Blauw walstro Eekhoorngras Graslathyrus Graslathyrus Graslathyrus Graslathyrus Graslathyrus
PQ/perceel/Complex 1999
PQ/perceel/complex 2004
Percelen D1-D2 Strombeek-Bever
Percelen D1-D2 Strombeek-Bever Perceel D6 K4
PQ/perceel/complex 2020 Perceel G1, G3
Percelen M1-M2 M4
PQ M1-M2 M4
Perceel K4
PQ K3
Perceel D3 Perceel D7
Complex GrootBijgaarden
D7 D1 A1 G4
PQ S4 (Strombeek-Bever) Perceel D2, D5 (Diegem) Complex Wemmel Perceel A1 (Asse) Perceel M2 (Machelen) Perceel D5 (Diegem) Complex Groot – Bijgaarden PQ M2 PQ M4 PQ M3 PQ K4 PQ V1 PQ S4 Complex Diegem Perceel A1
PQ K5
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 37 van 352
Rode lijst-soort Graslathyrus Graslathyrus Rietorchis Gewone agrimonie Hondskruid Hondskruid Bokkenorchis Rond wintergroen Blauwe bremraap Blauwe bremraap Bergnachtorchis
PQ/perceel/Complex 1999
PQ/perceel/complex 2004
PQ/perceel/complex 2020 Woluwe Wezembeek-Oppem
Perceel WO2
Perceel WO2 PQ S1 (Strombeek-Bever) Perceel D4-D5 Strombeek-Bever Perceel D4-D5 Strombeek-Bever Strombeek-Bever Vilvoorde Strombeek-Bever
Tabel 4: Overzicht van het voorkomen van invasieve exoten in de onderzochte complexen van de R0
Invasieve exoten Amerikaanse vogelkers Amerikaanse vogelkers Amerikaanse vogelkers Japanse duizendknoop Japanse duizendknoop Japanse duizendknoop Japanse duizendknoop Japanse duizendknoop Late guldenroede Reuzenberenklauw Reuzenberenklauw Reuzenberenklauw Robinia Robinia Robinia
PQ/perceel/complex 2004 M6
PQ/perceel/complex 2020 Perceel K3-K4 Complex Vilvoorde Complex Woluwe Complex Wemmel Complex Strombeek Complex Groot-Bijgaarden Perceel A1 Perceel K2 Complex Grimbergen Perceel K3-K4 Complex Strombeek Complex Groot-Bijgaarden Perceel M5, M6 Complex Wemmel
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 38 van 352
3.2.1.2 Rode-Lijstsoorten Hieronder worden de Rode-Lijstsoorten besproken die werden waargenomen in de onderzochte percelen in 2020. Zeldzaam 3.2.1.2.1 Graslathyrus (Lathyrus nissolia) Graslathyrus is een soort van vochtig grasland, die zich gedraagt als een zich wat laattijdig manifesterende pionier. Veelal gaat het om locaties die enkele jaren tot zelfs decennia voorheen vergraven zijn. Kanaalbermen, wegbermen en braakland zijn in Vlaanderen de klassieke milieus. De soort wordt in Vlaanderen het meest op lemige bodems gevonden. Vaak staat ze op iets ruderale plaatsen. Graslathyrus mijdt plaatsen met een intensief maai- of graasbeheer. Graslathyrus is een indicatorsoort voor bloemrijke glanshaverhooilanden.
Figuur 5: Graslathyrus in bloei in het complex van Kraainem. (Foto: Roosmarijn Steeman)
3.2.1.2.2 Bijenorchis (Ophrys apifera) Bijenorchis komt in Vlaanderen vaak voor op opgespoten of vergraven terreinen, waar de soort optreedt als pionier. Ze staat op vochtige tot droge plaatsen op kalkhoudende, relatief humusarme bodem. Ze staat zowel op kalkrijk zand als op leem of klei en wordt in Vlaanderen het meest gevonden in wegbermen, op opgespoten terreinen en zelfs op mijnsteenbergen. Het is een indicatorsoort voor droge kalkgraslanden en struweel op kalkbodem. Bijenorchis heeft een grote populatie op het complex van Groot-Bijgaarden. Daar groeit ze in grote aantallen onder meidoornstruweel, maar ook in de graslanden. Bijenorchis werd in beperkte aantallen nu ook in andere complexen waargenomen. Deze zelfbestuivende soort is in opmars door klimaatopwarming.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 39 van 352
Figuur 6: Bijenorchis in bloei in het complex van Groot-Bijgaarden Foto: Lieven Decrick
3.2.1.2.3 Hondskruid (Anacamptis pyramidalis) Hondskruid houdt van volle zon en een open vegetatie, en verkiest daarbij kalkrijke, droge plaatsen. Hoewel het een typische soort is voor kalkgraslanden, kan ze ook in kalkrijke duingraslanden, op opgespoten terreinen en in wegbermen voorkomen. Soms groeit ze ook in iets minder kalkrijke biotopen, maar in die gevallen staat ze iets vochtiger, waarbij ze beïnvloed wordt door mineraalrijk grondwater. Hondskruid is een typische pionier, die even plots kan verdwijnen als verschijnen. Op het complex van Strombeek-Bever bevindt zich de grootste Vlaamse populatie van Hondskruid. Ook in Diegem werd Hondskruid waargenomen, maar in kleinere aantallen. 3.2.1.2.4 Blauwe bremraap (Orobanche purpurea) Blauwe bremraap is een soort die in hoofdzaak op Duizendblad parasiteert. In tegenstelling tot haar waardplant is Blauwe bremraap zeer zeldzaam. Bovendien heeft de soort ook een veel nauwere ecologische range. Ze staat enkel op matig voedselrijke locaties op droge, basische bodem. In de praktijk zijn dat in Vlaanderen vooral duingraslanden. Meestal staat de plant in iets ruigere duingraslanden dan Walstrobremraap. De binnenlandse locaties betreffen steeds wegbermen op kalkhoudende bodem. Blauwe bremraap bloeit in juni en juli en is gevoelig aan maaibeheer.
Figuur 7: Blauwe bremraap in bloei in Vilvoorde. (Foto: Lieven Decrick)
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 40 van 352
Achteruitgaand 3.2.1.2.5 Gewone agrimonie (Agrimonia eupatoria) Doorgaans is Gewone agrimonie een goede indicator voor soortenrijke, zowel botanisch als visueel aantrekkelijke vegetaties. Gaat dit soort begroeiingen achteruit door vergrassing en verruiging, dan behoort Gewone agrimonie niet zelden tot het kransje van wat langer standhoudende soorten. In Vlaanderen is het vooral een plant van wegbermen met een oude, stabiele beheertraditie, zonder geregelde bodem- verstoring. De soort heeft een voorkeur voor matig arme tot matig voedselrijke, eerder droge, kalkhoudende bodems. Ze groeit bij voorkeur op zonnige tot licht beschaduwde plaatsen, onder meer ook in de rand van bossen of houtkanten. Dat ze vroeger vaker in bossen werd gesignaleerd, onderstreept wellicht het globaal meer lichtrijke karakter van het toenmalige bos. Gewone agrimonie is een indicatorsoort voor bloemrijke glanshaverhooilanden (G4a). De soort komt vrij laat in bloei en zaad. In gemaaide graslanden is een vroege eerste maaibeurt (half april tot half mei) en een late tweede maaibeurt (vanaf 15 september) nodig om de soort in zaad te laten komen. In schrale graslanden kan één late maaibeurt volstaan. De soort gedijt ook goed onder begrazingsbeheer, door koeien en paarden wordt ze gemeden. Wordt de hoofdstengel afgemaaid of afgegeten door schapen dan vorm de plant meestal enige zijstengels die alsnog in bloei en zaad kunnen komen. Een afwisselend beheer van begrazen en nietsdoen, met een cyclus van enkele jaren, kan na het tijdelijk stopzetten van begrazing leiden tot een uitbundige groei en bloei. 3.2.1.2.6 Rond wintergroen (Pyrola rotundifolia) Rond wintergroen groeit onder struweel (vooral van wilgen) in vochtige tot natte duinpannen, langs bosranden, in wegbermen onder hakhout, onder kreupelhout langs bospaden, in open bossen en op open plekken in het bos. Bedreigd 3.2.1.2.7 Bokkenorchis (Himantoglossum hircinum) Bokkenorchis groeit in vochtige, voedselarme, basische graslanden. Het merendeel van de populaties in Vlaanderen is gelegen in duingraslanden. Dikwijls groeit de soort in iets verruigde duingraslanden. Het is een indicatorsoort voor droge kalkgraslanden en struweel op kalkbodem. Bokkenorchis is in opmars door de klimaatopwarming. De soort werd in 2004 nog niet waargenomen in de onderzochte complexen. 3.2.1.2.8 Bergnachtorchis (Plathanthera chlorantha) Bergnachtorchis groeit op voedselarme kalkgronden, in hoofdzaak in lichtrijke loofbossen, in struwelen en langs bosranden. Soms wordt de soort aangetroffen in voedselrijke, humeuze vochtige weiden.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 41 van 352
3.2.1.3
Invasieve exoten
3.2.1.3.1 Reuzenberenklauw (Heracleum mantegazzianum) De Reuzenberenklauw komt voornamelijk voor op zonnige tot licht beschaduwde standplaatsen op vochtige, voedselrijke grond. Snel ingrijpen is bij deze soort de boodschap. Kleine populaties zijn met beperkte inspanningen op relatief korte termijn te bestrijden. Bestrijding van grotere populaties vraagt een langdurige en intensieve inzet. Manueel verwijderen van bovengrondse en ondergrondse delen, maaien voor de zaadzetting of begrazing zijn de meest aangewezen technieken. Het sap van de plant kan bij aanraking met de huid irritaties en brandwonden veroorzaken. De nodige voorzorgsmaatregelen dienen genomen te worden. Onbeschermd contact met de plant wordt ten stelligste afgeraden. Reuzenberenklauw werd waargenomen langs de afrit Grimbergen en in het complex van StrombeekBever.
Figuur 8: Blad van de Reuzenberenklauw (Foto: Roosmarijn Steeman)
3.2.1.3.2 Japanse duizendknoop (Fallopia japonica) Japanse duizendknoop is een typische soort van voedselrijke, vochtige standplaatsen, zowel in de (half)schaduw als in de volle zon. Ze wordt aangetroffen langs de bermen van wegen, spoorwegen en rivieren, in en langs bossen, op braakliggende terreinen, verlaten spoorwegterreinen enz. Waar Japanse duizendknoop opduikt, is de soort onverwoestbaar en neemt ze binnen de kortste keren grote oppervlakten in, waaronder geen enkele inheemse soort overleeft. Haar uitbreiding gebeurt hoofdzakelijk vegetatief. Populaties van Japanse duizendknoop kunnen een verhoogde erosiegevoeligheid tot gevolg hebben: in de winter, na de bladval, is de vrijgekomen grond extra onderhevig aan wind en water. Zonder twijfel is de plant een van de schadelijkste neofyten van de Vlaamse flora. 3.2.1.3.3 Valse acacia (Robinia pseudoacacia) Valse acacia is een invasieve soort die de ontwikkeling van waardevolle vegetaties (bossen, struwelen en open terrein) sterk kan hypothekeren. Ze doet dit door concurrentie en door bodemaanrijking
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 42 van 352
(stikstoffixatie). Valse acacia is in bosverband met slimme ingrepen en wat geduld makkelijk uit te faseren. Buiten bossen is de bestrijding arbeidsintensief. 3.2.1.3.4 Late guldenroede (Solidago gigantea) Late guldenroede wordt in Vlaanderen in een brede waaier van habitats waargenomen, weliswaar meestal op relatief tot sterk door de mens beïnvloede groeiplaatsen zoals braakliggende terreinen, en weg- en spoorwegbermen. Late guldenroede kan uitgestrekte monotone vegetaties vormen door middel van een netwerk van wortelstokken. Bovendien produceren ze grote hoeveelheden zaad. Door deze combinatie worden ze beschouwd als de meest bedreigende invasieven voor biodiversiteit in Europa. Bestrijding kan door de planten uit te trekken (kleine groeiplaatsen) of herhaaldelijk te maaien/mulchen en inzaaien met inheemse soorten. Wanneer de omstandigheden het toelaten kan best gepoogd worden de wortelstokken te verwijderen. De soort werd in beperkte mate waargenomen in Kraainem. Er kan best gericht ingegrepen worden nu het probleem nog niet zo groot is. 3.2.1.3.5 Amerikaanse vogelkers (Prunus serotina) Amerikaanse vogelkers is een soort van bosranden en komt voor in de ondergroei van (ijle) bossen, struwelen en houtkanten. De soort heeft een voorkeur voor zure tot zwak zure zandige bodems en is daarom slechts beperkt aanwezig langs de Brusselse ring en zal wellicht ook nooit een groot probleem vormen. Toch is het best om de voorkomende exemplaren te verwijderen ten voordele van de inheemse bomen en struiken.
3.2.1.4 Indicatorsoorten We selecteerden een aantal indicatorsoorten die kenmerkend zijn voor de doelvegetaties en bespreken deze hieronder dan ook kort per vegetatietype. 3.2.1.4.1 Natura 2000 – Glanshaver- en Grote vossenstaartgraslanden (6510) Dit habitattype omvat Glanshavergraslanden en Grote vossenstaartgraslanden. Glanshavergraslanden komen voor op vochtige tot frisse bodems, Grote vossenstaartgraslanden vinden we terug op bodems die regelmatig in de winter overstromen. Goed ontwikkelde voorbeelden van beide types zijn zeldzaam geworden in Vlaanderen. Typische soorten van het Glanshavergrasland zijn Groot streepzaad, Glad walstro en Beemdkroon. Grote vossenstaartgraslanden zijn vaak wat minder bloemenrijk, een typische soort van dit graslandtype is Weidekervel-torkruid. Ook de mooie Grote pimpernel komt voor in Vossenstaartgraslanden, maar deze kan je ook vinden in Glanshaverhooilanden. Er werden 13 kwaliteitsbepalende soorten voor dit habitattype waargenomen. Hieronder geven we deze soorten weer. In Tabel 5 wordt weergegeven in welke complexen deze soorten werden waargenomen en in welk percentage. Om te spreken over habitatwaardige vegetaties dienen er meer dan 7 kensoorten te worden waargenomen en de bedekking van deze soorten moet samen meer dan 30% zijn. Het complex van Kraainem is het enige dat de 7 soorten haalt, maar de bedekkingen zijn te laag om een habitatwaardig Glanshaverhooiland te kunnen genoemd worden. In 2018 werd door De Saeger & Vriens een actualisatie van de habitatkaart en BWK uitgevoerd in het complex van Strombeek-Bever en dit werd bijna volledig ingekleurd als habitatwaardig. De proefvlakken werden in 2004 in feite in iets minder waardevolle percelen gelegd en zijn niet volledig representatief voor het complex (Mond. med. Anne Ronse). /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 43 van 352
-
Gewone agrimonie (zie Rode-Lijstsoorten) Graslathyrus (zie Rode-Lijstsoorten) Knoopkruid Glad walstro Veldlathyrus Gewone margriet Kraailook Rapunzelklokje Gele morgenster Grote bevernel
Tabel 5: Overzicht van de kensoorten van het Europees habitat 6510 met percentages van voorkomen in de onderzochte percelen in de complexen
Indicatorsoort Graslathyrus Knoopkruid Veldlathyrus Gewone margriet Gele morgenster Gewone agrimonie Glad walstro Rapunzelklokje Grote bevernel
G 1 1
A 1 5 1 40
0,1
S
We
M
D
10 1 10 0,1 0,1
10
5
5
10
10
5
0,5
K 1 5 1 5
WO 0,1
Z 0,1
1
0,1
0,5 0,1 0,1
3.2.1.4.2 Soortenrijk Struisgrasland met regionaal belangrijke soorten (rbb_Ha) Het natuurstreefbeeld ‘regionaal belangrijk biotoop soortenrijk struisgrasland’ is bijna hetzelfde als het Europees beschermd natuurstreefbeeld ‘soortenrijk struisgrasland’. Het verschil zit in het al dan niet aanwezig zijn van meer specifieke, vaak zeldzamere soorten. Deze soorten zijn afwezig of zeer weinig aanwezig in het regionaal biotoop en meer aanwezig in het Europees beschermd habitattype. Voorbeelden van vrij algemene soorten die duiden op dit natuurstreefbeelden zijn Akkerhoornbloem, Gewone veldbies, Gewoon Biggenkruid, Kleine leeuwentand en Muizenoor. Meer specifieke soorten zoals bijvoorbeeld Grasklokje, Kleine tijm of Steenanjer zijn weinig of niet aanwezig. Ook soorten die duiden op een heischrale component zijn niet of nauwelijks aanwezig. Sleutelsoorten voor dit biotoop werden nooit met voldoende hoge bedekking (>10%) of in voldoende aantallen waargenomen in de bermen van de R0 om van een “Regionaal belangrijk struisgrasland” te spreken. -
Gewone rolklaver Duizendblad Gewone reigersbek Gewone veldbies Gewoon biggenkruid
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 44 van 352
-
Kleine bevernel Kleine leeuwenand Liggende klaver Schermhavikskruid Sint-janskruid
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 45 van 352
3.2.1.5 Classificatie van de vegetatietypes volgens de Vegetatie van Nederland Hieronder worden de geïdentificeerde vegetatietypes besproken. Vaak beperkten we ons tot het benoemen van de klasse omdat het om overgangsvormen ging tussen verschillende associaties. Heel vaak worden ook twee vegetatietypes toegekend aan een proefvlak, omdat de proefvlakken op een overgang werden gelegd en in volle ontwikkeling zijn met pleksgewijze vegetatiepatronen. geeft een overzicht van de classificatie volgens de “Vegetatie van Nederland”, de bermtypes volgens Zwaenepoel en de nieuwe INBO-vegetatietypes. 13AA Verbond van vetkruiden en Kandelaartje – Alysso – Sedion (GR1) Dit verbond omvat thermofiele pioniersgemeenschappen op kalkhoudende, onbeschaduwde substraten, waarbij van bodemvorming nauwelijks sprake is. In de zomermaanden vindt een sterke verhitting en regelmatig uitdroging plaats. 14B Struisgrasorde – Trifolio – Festucetalia ovinae (M4) Deze orde omvat open tot gesloten, grazige gemeenschappen op droge, min of meer humushoudende, niet stuivende zandgrond. De huidige vegetaties langs de R0 leunen op sommige plaatsen (bv. op de droge, zuidgeëxposeerde taluds te Machelen) aan bij dit vegetatietype. Het betreft echter steeds doorgaans meer vervilte zones die aanleunen bij het Struisgrasverbond of percelen waar gemengd soorten van het Glanshaververbond en soorten van droge graslanden op zandgrond voorkomen. 16 Klasse van de matig voedselrijke graslanden - Molinio-Arrhenatheretea (A2, G3, G4, M6, DI1, GR1) Deze klasse omvat beweidde en/of gehooide graslanden op voedselrijke tot relatief schrale standplaatsen, die niet zeer nat of zeer droog zijn. Dit tamelijk brede spectrum aan beheer, voedingsstoffen en vochtgehalte van de bodem weerspiegelt zich in een breed spectrum aan begroeiingen. 16 Bb01 Glanshaver associatie - Arrhenatheretum elatioris (D7, A1, D1, D2, D3,D4, D5, D6, K3, K4, K5, M3, M4, M7, S1, S2,S3, S4, WE1, WE2, K1, M1, M2, V1, W01, Z1) De Glanshaver-associatie komt vaak voor in hooilanden en hooiweiden, wegbermen en dijken. De plaatselijk zeer soortenrijke gemeenschappen zijn vaak tweelagig en vertonen een duidelijke seizoensperiodiciteit. In het voorjaar domineren rozetplanten en vlinderbloemigen in de onderlaag, die later in het seizoen overwoekerd raakt door hoger opschietende kruiden, in het bijzonder schermbloemigen, en langhalmige grassen. De gemeenschap komt voor op min of meer voedselrijke, vochtige tot matig droge, vaak kalkhoudende en basische, maar hier en daar ook zwak zure tot neutrale bodems. De grondsoort kan variëren van kleigrond tot zavel en lemige zandgrond. Door verandering van gebruik en beheer kan de associatie zich in verschillende richting ontwikkelen. Bij een verdere toename van bemesting ontstaan soortenarme gemeenschappen waarin triviale grassen overheersen. Intensivering van beweiding leidt tot Kamgrasweiden, bij verwaarlozing van het beheer ontstaan ruigten van de Klasse van de ruderale gemeenschappen of zoomgemeenschappen van de Marjolein-klasse. De associatie wordt gekenmerkt door een aanzienlijk aantal kensoorten, waarvan Glad walstro, Gele morgenster, Groot streepzaad, Pastinaak en in het bijzonder de naamgevende Glanshaver het meest algemeen zijn. De laatste heeft meestal ook een hoge bedekking. Minder algemeen zijn Grote bevernel, Karwijvarkenskervel, Beemdkroon en Beemdooievaarsbek. Ook enkele andere zeldzame soorten hebben plaatselijk hun zwaartepunt in de Glanshaver-associatie,
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 46 van 352
waaronder Rapunzelklokje, Bermooievaarsbek, Graslathyrus en Paarse morgenster. Van de grassen zijn naast Glanshaver onder meer Rood zwenkgras, Kropaar, Veldbeemdgras, Engels raaigras, Gestreepte witbol, Goudhaver, Kweek en Ruw beemdgras goed vertegenwoordigd. Minder vaak treden grassen als Gewoon reukgras, Zachte dravik, Beemdlangbloem, Timoteegras, Grote vossenstaart, Fioringras en Rietzwenkgras op de voorgrond. De moslaag is in deze hoog opgaande graslanden meestal slecht ontwikkeld. Langs de R0 komt dit type reeds zeer vaak voor. Het betreft echter op heel wat plaatsen de armere vorm van het Glanshaverhooiland, met soorten als Gewone glanshaver, Margriet, Scherpe boterbloem en Rode klaver als aspectbepalende soorten, maar ook met typische verruigingsindicatoren zoals Boerenwormkruid, Bijvoet, Grote brandnetel en Ringelwikke. Mits een aangepast maaibeheer kunnen deze verruigde graslanden evolueren naar soortenrijke Glanshavergraslanden.
16RG01 Rompgemeenschap Gestreepte witbol en Engels raaigras - Holcus lanatus-Lolium perenne (K6, A3, GR2) Begroeiingen met dominantie van Gestreepte witbol komen voornamelijk voor op voedselrijke, vochtige zandgronden waar ze ontstaan door drainage en bemesting. Kenmerkende soorten zijn Engels raaigras, Ruw beemdgras, Kruipende boterbloem, Gewone hoornbloem en Paardenbloem. Omgekeerd ontwikkelt deze gemeenschap zich uit intensieve landbouwgronden die minder intensief begraasd/bemest worden. 31 Klasse van de ruderale gemeenschappen (M5, M6; W02, D1, K1, M1, M2, V1, WO1, Z1, G3,G4, GR1) Ruderale gemeenschappen komen tot ontwikkeling op allerlei plekken die sterk onderhevig zijn aan menselijke verstoring. Bovendien is vaak sprake van een overmaat aan voedingsstoffen (vooral stikstof) zonder dat de grond gebruikt wordt voor voedselproductie. Denk hierbij aan spoorwegemplacementen, industrie- en bouwterreinen, aan plekken waar steen en puin wordt gestort, aan sterk betreden wegbermen en aan randen van trottoirs en plantsoenen. Permanent vochtige tot natte omstandigheden worden gemeden. 31Ca Wormkruid-verbond – Dauco Melilotion (S3, D4) Deze dichte en tot anderhalve meter hoge ruderale, uit overblijvende planten bestaande ruigte valt vooral op door de gele schermen van Boerenwormkruid en de groengrijze planten van Bijvoet. Behalve uit hoge kruiden bestaat de twee- tot drielagige vegetatie ook voor een groot deel uit grassen. Veel soorten binnen dit verbond hebben wortelstokken, waarmee zij zich gemakkelijk vegetatief kunnen uitbreiden. Deze hoog opschietende gemeenschap handhaaft zich op lichte, minerale, goed gedraineerde, matig vochtige tot matig droge, matig stikstofrijke, niet uitgesproken kalkrijke, zandige of zavelige bodem, die soms is gemengd met stenen of klei. Zij komt veel voor in weg- en spoorbermen, in akkerranden, op oevers van kanalen en op braakliggende (bouw)terreinen in het stedelijke gebied. Dit vegetatietype wordt zelden als doel gesteld langs de R0, omdat op de plaats waar dit vegetatietype voorkomt, ecologisch zeldzamere en waardevollere vegetatietypes werden verkregen. Het is pleksgewijs te vinden en geldt als overgangstype. Het PQ D1 behoort binnen dit verbond maar is niet representatief voor het volledige perceel waarin het gelegen is.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 47 van 352
31Ca01 Honingklaverassociatie – Echio Meliloteton (S4, G1, G2) Deze associatie komt voor op omgewerkte of verplaatste grond. De belangrijke plaats die vlinderbloemigen in deze associatie innemen wijst erop dat het substraat niet bijzonder stikstofrijk is. Deze associatie komt voor op neutrale tot basische, droge bodems. 31RGO5: Rompgemeenschap van Akkerdistel (K2) Akkerdistel is van oorsprong een rivierbegeleider, die op droogvallende grond succes boekt. De soort komt tot dominantie op recent omgewerkte grond en drooggevallen tot ontwaterde grond. Even snel als deze gemeenschap verschijnt, kan ze ook weer verdwijnen en overgaan in een andere dominantiegemeenschap. 33Aa Verbond van Look – zonder – look – Galio – Alliarion (GR2) Deze vrij soortenarme associatie wordt overheerst door hoog opschietende kruiden, waarbij de naamgevende soort het aanzien bepaalt. In de bloemrijke begroeiingen komen vooral witbloeiende soorten voor. De gemeenschap komt voor op licht tot zwaar beschaduwde standplaatsen op humeuze, voedselrijke, vochthoudende maar niet te natte, zwak zure tot basische bodems, zowel op zand als op leem. Net als enkele verwante zoomgemeenschappen kent de associatie verschillende varianten, met een wisselend aandeel aan bosplanten, graslandplanten en ruderalen. Door menselijk toedoen heeft de associatie allerlei nieuwe plekken in het cultuurlandschap weten in te nemen, variërend van randen van parkbossen en plantsoenen, gemeentelijke beplantingen in bermen en taluds. De Associatie van Lookzonder-look en Dolle kervel is een vervangingsgemeenschap van vochtige loofbossen van het Verbond van Els en Vogelkers. Ondanks de betrekkelijk korte levensduur van het merendeel van de samenstellende soorten is de gemeenschap stabiel en kan zij lang blijven bestaan.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 48 van 352
3.2.1.6
Waardeoordeel: evolutie in biologische waarde
Aan elk voorkomend vegetatietype werd in 2004 een waardeoordeel gegeven in een vijfdelige schaal van 1=zeer lage biologische waarde tot 5=zeer hoge biologische waarde. Daarbij werden de volgende criteria gebruikt: De betekenis voor het voorkomen van zeldzame soorten De kwetsbaarheid en mate van vervangbaarheid van de vegetatie (gevoeligheid voor eutrofiëring, verstoring, onjuist beheer) De floristische waarde: hoe hoger de bloemenrijkdom, hoe hoger de waarde De mate van verruiging De mate van fragmentair zijn Voorkomen positieve indicatorsoorten Het aandeel positieve indicatorsoorten in de proefvlaken is belangrijk voor de waardebeoordeling. We nemen als positieve indicatorsoorten de Rode-Lijstsoorten en indicatorsoorten voor glanshaverhooilanden en struisgraslanden uit 3.2.1.4. In Tabel 12 wordt de toename en afname van de indicatorsoorten in de proefvlakken bekeken. -
Gewone agrimonie (Rode-Lijst) Graslathyrus (Rode-Lijst) Bijenorchis (Rode-Lijst) Blauw walstro Knoopkruid Glad walstro Veldlathyrus Gewone margriet Gele morgenster Gewone rolklaver Duizendblad Gewone reigersbek Gewone veldbies Gewoon biggenkruid Kleine bevernel Sint-janskruid
In 2004 zijn er 7 proefvlakken waarin geen indicatorsoorten voor glanshaverhooilanden of struisgraslanden werden waargenomen: D6, G3, GR1, GR2, K6, M6 en M7. In 2020 werd slechts in twee van deze proefvlakken, GR1 en K6, geen enkele indicatorsoort waargenomen.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 49 van 352
In Tabel 6 en Tabel 7 wordt een overzicht gegeven van de toename/afname van ruigte-indicatoren in de proefvlakken door de numerieke getallen van de opnames van 2004 en 2020 met elkaar te vergelijken. Indien we alle indicatorsoorten in beschouwing nemen kunnen we het volgende vast stellen: -
Er zijn 33 proefvlakken waarvoor het aandeel van de positieve indicatorsoorten toenam: A1, A3, D1-D7, DI1, G1, G3, GR2, K1, K3, K4, K5, M1, M2, M3, M5, M6, M7, S1-S4, V1, WE1, WE2, WO1, WO2, Z1. Voor 4 proefvlakken bleef het aandeel indicatorsoorten gelijk: A2, G4, GR1, K6 Voor 3 proefvlakken nam het aantal positieve indicatorsoorten af: G2, K2, M4
Tabel 6 Overzicht van de toename/afname van positieve indicatorsoorten in de opnames van de proefvlakken
Positieve indicatoren Graslathyrus Bijenorchis Blauw walstro Knoopkruid Veldlathyrus Gewone margriet Duizendblad Gewone reigersbek Gele morgenster Kleine bevernel Gewone rolklaver Gewone veldbies Gewoon biggenkruid Sint-janskruid Totale toename/afname
A1 -1
A2
A3
D1 -1
D2
D3
D4
D5
D6
D7 -1
DI
G1
G2
2 2 7 3
5
3
-1 -2
4
3 1 3
6 3 3
3 3
0 1 -4 -2
0
G3
-1
1
3
12 0
1
3
2
5
3
3 1
-1
6
3
3 2
3
3
GR1
GR2
K1
K2
-2 3
-2 -2 -3
2 3 -7
2
-1
0 3 -1 2
2
11 11 13 14 12 1
K4
8
-1 2 4
K5 3
K6
3 -1
3
-1 -1
3 3 3
K3
1
-1 3
G4 -2
-1
3
-1
2
2
-2
1
4
-4
3
0
1
0
2
3
3
4
-5
2
3
11
12
7
0
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 50 van 352
Tabel 7 Overzicht van de toename/ afname van de positieve indicatoren in de opnames van de proefvlakken
Positieve indicatoren Gewone agrimonie Bijenorchis Blauw walstro Knoopkruid Glad walstro Veldlathyrus Gewone margriet Duizendblad Gewone reigersbek Gele morgenster Kleine bevernel Gewone rolklaver Gewone veldbies Gewoon biggenkruid Sint-janskruid Totale toename/afname
M1
M2
M3
M4
-1 3
3
2 3 -1
-2 1
M5
M6
M7
S1 1
S2
2
3
5
-5 1 1
6 5
1 2 -2
-1
3
S4
V1
WE1
WE2
W01
-1
3
7 2
-1
5
2
5
4
8
W02
Z1
3
3 2
2 3
2 3
3
3
2
3
-3
1 1
3
3
3 2
14
14
8
-3
3
3
21
2 2
S3
3 2
3 -2
-1 3 2 3
2 3 3 -1
5
3
-7
3
10 4
7
-1
1 3
-7
3 2
10 12 13
2
14
14
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 51 van 352
Verruiging Verruiging is een belangrijk aspect dat werd meegenomen in de waardebeoordeling. Het verruigen staat los van eventuele verstoring door de mens. Verstoringen die veroorzaakt zijn door omwoelen van de bodem, zijn van een andere orde dan de vorming van ruigten door bijvoorbeeld een slecht beheer of te sterke eutrofiëring door bijvoorbeeld bladval. Plantensoorten die als indicatoren voor verruiging in de bermvegetaties langs de R0 kunnen gebruikt worden, zijn de volgende (verruigingsindicatoren werden gebaseerd op Jalink et al. (1995) en Bax & Schippers (1997)): -
Akkerdistel Avondkoekoeksbloem Bijvoet Boerenwormkruid Braam Gewone berenklauw Grote brandnetel Heelblaadjes Heermoes Ijle dravik Jakobskruiskruid Kleefkruid Kropaar Kweek Ridderzuring Smeerwortel Speerdistel Zevenblad
In 2004 werden in alle opnames ruigte-indicatoren aangetroffen, in 2020 werden in opnames K3 en D6 geen indicatoren voor verruiging gevonden.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 52 van 352
In Tabel 8 en Tabel 9 wordt een overzicht gegeven van de toename/afname van ruigte-indicatoren in de proefvlakken door de numerieke getallen van de opnames van 2004 en 2020 met elkaar te vergelijken. Indien we alle indicatorsoorten in beschouwing nemen kunnen we het volgende vast stellen: -
Voor 24 proefvlakken is er een toename van de ruigte-indicatoren: A1, A2, A3, D2, D3, D7, DI1, G2, GR2, K1, K2, K4, K5; K6, M1, M2, M3; M6, M7, S4, WO1, WO2, WE1, WE2. Voor 13 proefvlakken is er een afname van de ruigte-inciatoren: D1, D4, D5; D6, G1, G3, G4, GR1, K3, M5, S1, S3, V1 Voor 3 proefvlakken bleef het aandeel ruigte-indicatoren gelijk: M4, S2, Z1.
Tabel 8 Overzicht van de toename/afname van de ruigte-indicatoren in de opnames van de proefvlakken
Verruigingsindicatoren Akkerdistel Avondkoekoeksbloem Bijvoet Boerenwormkruid Braam spec. Gewone berenklauw Gewone smeerwortel Grote brandnetel Heelblaadjes Ijle dravik Jakobskruiskruid Kleefkruid Kropaar Kweek Ridderzuring Speerdistel Totale toename/afname
A1 -1
A2 -2
A3
D1 -3
D2
D3 -1
D4 -1 3
D5 -2
-4
-2
D6 -1
D7
DI 1
G1 -3
G2 -2
G3 -1
G4
-2
-5
-2 2
2 3
-2 -1 -1 -1 -1
GR1 -1
GR2 2
2 -3
-2 3 -1
-3 3 -3
-3 -2
K1 5
K2 7
K3 -1
K4 2
K5 -1
K6 -1
-1 3
4
2 3
3
1
-3 -1 -2
-1 -1
-1
2 2 3
2 2
3 1 7
-3
-1
1
1
1
1
2
2
3
2
-5 -1
1
-1
5
-1
-1
-1
2
-2
1
3
3
3 2
6
-2
-1
12 2
2
-2
-1
2
-1
-8
-1
2
8
-7
6
-1
-1
6
3
1
-7
-4
1
-1
-1 -1
-1
2
3
-1
3
1
-1
-1
9
-6
9
3 2
3
4
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 53 van 352
Tabel 9 Overzicht van de toename/afname van de ruigte-indicatoren in de opnames van de proefvlakken
Verruigingsindicatoren Akkerdistel Avondkoekoeksbloem Bijvoet Boerenwormkruid Braam spec. Gewone berenklauw Gewone smeerwortel Grote brandnetel Heelblaadjes Ijle dravik Jakobskruiskruid Kleefkruid Kropaar Ridderzuring Speerdistel Zevenblad Totale toename/afname
M1 -2 2
M2 -1 -1
3
3
-2
-1
M3
M4
-1
-1
M5 -3
5
M6 -2 2 1 2 3
M7 -1
S1 -3
1 1
S2 -2
1 2
-1 -1
1
S3 -2 -1
S4 1
V1 -1
-3
2
-1 2
-5 -1
3
WE1 -1
WE2 1
W01 0
-1 1 2
5
2 3
-1
3
-1
-2 2
3 -2 -1
3 1 -1
2
-1
-3
-1
1
3 -2
3
2
2 2 -3 3
1
Z1 -1
-1 8
2 -2 -1
-3 3 1
W02 -2
2
-1 2
2
7
3 3 2
2 3
-1 -1
10
3
3
0
-1
5
2
-3
0
-2
7
-1
3
4
6
15
0
Vegetatietypes die een indicatie aangeven van een verruigd stadium, en die voorkomen in de PQ’s langs de R0, betreffen de volgende types: - Type 6: Zevenblad-Ridderzuringtype - Type 21: Fijne kervel-Gewone glanshaver-type - Type 23: Klein streepzaad-Duizendblad-type Vegetatietypes die ook een ruderaal aspect vertonen, maar die ontstaan zijn ten gevolge van bijvoorbeeld bodemomwoelingen of andere bodemverstoringen, of pionierssituaties op zandige of stenige bodem en die dus beide een pionierssituatie indiceren, komen eveneens langs de R0 voor: - Type 26: Muurpeper-Zandmuur-type - Type 27: Grote klaproos-Gewone raket-type
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 54 van 352
Deze types zijn in hoge mate vervangbaar, weinig kwetsbaar, vermits ze typische vegetaties zijn die ontstaan door verstoring van de bodem, zoals bijvoorbeeld bij wegenwerken (geldt wel in mindere mate voor het Muurpeper-Zandmuur-type, dat eerder als een pionierssituatie op zandige tot stenige bodem kan beschouwd worden). Waardebepaling Voor de voorkomende types die in 2004 werden waargenomen, werd de waardebepaling weergegeven in Tabel 10. Tabel 10: Waardebepaling van de vegetatietypes (typologie volgens Zwaenepoel 1998) die langs de R0 waargenomen werden (vergelijking opnames 1999-2004). Waardebepaling: 1= zeer lage biologische waarde, 5= zeer hoge biologische waarde.
Vegetatietype Type 6: Zevenblad-Ridderzuring-type Type 10: Geel nagelkruid-Schaduwgras-type Type 13: Kleine klaver – Smalle weegbree Type 14: Scherpe boterbloem-Rode klaver-type Type 16: Moerasrolklaver-Egelboterbloem-type Type 19: Veldlathyrus-Gulden sleutelbloem-type Type 20: Gevlekte rupsklaver-Klein hoefblad-type Type 21: Fijne kervel-Gewone glanshaver-type Type 22: Witte honingklaver - Hopklaver Type 23: Klein streepzaad-Duizendblad-type Type 25: Vlasleeuwenbek – Sint-Janskruid-type Type 26: Muurpeper-Zandmuur-type Type 27: Grote klaproos-Gewone raket-type Type 31: Valse salie-Pluisjesmos-type
Waardebepaling 1 3 4 4 5 4 2 2 3 3 3 3 2 5
De biologische waarde van overgangstypes tussen twee types wordt berekend door “best professional judgement”, rekening houdend met de mate van belangrijkheid van de vernoemde criteria.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 55 van 352
Tabel 11: Overzicht van de classificatie van de vegetatie-opnames volgens de bermtypering van Zwaenepoel, de bermtypering van het INBO, de Vegetatietypes van Nederland en de waarde op basis van het Zwaenepoeltype en de beoordeling van de evolutie van de vegetatie PQ A1
Type 1999 0
Type 2004 14
A2 A3 D1 D2
O O 14 14
21_14 21 21 14_21
D3 D4 D5 D6 D7 DI1 G1 G2 G3 G4 GR1 GR2 K1
26 14 14 14 14 6 23 23 14 14 O 14 31
14 21 14-21 16 14-23 21 21 14 21 14 14-21 21-6 21
K2 K3 K4 K5 K6
31 10 10 10 14
19 14(ruig) 14 21 21-14
M1 M2
O O
21 21-14
M3 M4
14 27
14 14
M5 M6 M7
10 O O
21-6 21-6 21
S1
14
S2 S3
14 14
14(ruig) _21 14 21
S4
14
14
V1 WE1 WE2 WO1
6 19 20 14
6-21 14 14 21-16
Type 2020 14-1921 14 14 13 14-23
INBOty2004 G3 G3 G2 G2 G2-G3
INBO2020 G3-G4a (R1) G3 (R1) G3 G3-R1 G3-G4a
14-23 22-23 23 14-19 23 21 21 21 14-21 14-21 14-27 14-21 14-2527 14-25 19 14-19 19 14-21
G3 G2 G2-G3 G3 G3 G2 G2 G3 G2 G3 G2-G3 G2-R2 G2
G3-G4a G3-R1 G3-G4a G3-G4a G3 G2-R2 G2 G2 G2 G2-R2 G3 (R1) G2-G3(R2) R1-G3
G4a G3 G3 G2 G2-G3
21-23 14-1921 23-26 19-2326 23-25 21-23 14-27
G2-R2 G2-G3
13-19
G2-G3
13-19 11-1425 19-2327 22-23 14-19 19 14-21
G3 G2
G3 G3 G2-R2 G2-R2 G2
G3 G2 (R2) G3 (R1) G3 G2-G3G4a
VN 2004
VN 2020
Waarde 2004 4
Waarde 2020 4
Evaluatie
16 Bb01
16 Bb01
16 16 - 33A 31CA 16 Bb01 31Ca 16 Bb01 31CA 16 16 16 - 14 16 - 33A 31Ca - 16 16 16 - 31 16 Bb01 16 -31 16 - 33A 16 Bb01 - 31
16 16RG01 - 16Bb01 31 - 16Bb01 16 Bb01
3 2 2 3
4 4 4 4
P P P P
16 Bb01 31CA -16Bb01 16 Bb01 16 Bb01 16 Bb01 16 - 33A 31CA01 - 16 31CA01- 16 16 - 31 16 - 31 16 -13AA - 31 16RG01 - 33A 16 Bb01 - 31
4 2 3 5 4 1 2 3 2 4 3 2 2
4 3 3 4 3 2 2 4 3 3 3 3 3
P P O N N P O P P N O P P
R1-G3 G4a G3-G4a G3-G4 G2-G3 (R2) G3-R2 G3-G4a (R1) G3-G4a G3-G4a
16 Bb01 16 Bb01 - 14B 16 Bb01 - 14B 16 - 33A 16
31RG05 16 Bb01 16 Bb01 16 Bb01 16RG01
4 3 4 2 3
4 4 4 4 3
O P P P 0
16 - 31 16
16 Bb01 - 31 16 Bb01 - 31
2 3
3 4
P P
16 Bb01 16 Bb01 - 14
16 Bb01 16 Bb01 -14B- 31
4 4
4 4
O O
G4-R1 G3-R1 G3-G4a (R1) G2-G3G4a G3-G4a G3-R1
31 - 16 16 - 31 16
31 16 - 31 16 Bb01
2 2 2
3 3 3
P P P
16 Bb01 - 31
16 Bb01
3
4
P
16 Bb01 31Ca
16 Bb01 16 Bb01-31Ca
4 2
4 3
P P
G3-G4aR1 G3 (R2) G3 - G4a G4a G3-G4a (S4)
16 Bb01
16 Bb01 - 31CA01
4
4
O
33A 16 Bb01 16 Bb01 16 - 12A
16 Bb01 - 31 16 Bb01 16 Bb01 16 Bb01 - 31
2 4 4 3
3 4 4 3
P P P O
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 56 van 352
0
PQ WO2 Z1
Type 1999 14 10
Type 2004 16 14(ruig) _21
Type 2020 6-14 23
INBOty2004 G3-G4 G2-G3
INBO2020 G3 G3-R1-R2
VN 2004
VN 2020
16 - 12A 16 Bb01 - 31
31 16 Bb01 - 31
Waarde 2004 5 3
Waarde 2020 3 3
Evaluatie N 0
In Tabel 12 geven we een overzicht van de toename/afname van positieve indicatorsoorten die berekend werden uit Tabel 6 en Tabel 7. Daarnaast legen we de toename/afname van de storingsindicatoren die berekend werden in Tabel 8 en Tabel 9. We beoordelen de toename/afname van de indicatorsoorten als volgt: -
Positief (P): Indien de toename van de positieve indicatorsoorten groter is dan de toename van de storingsindicatoren.
-
Negatief (N): Indien de toename van de positieve indicatorsoorten kleiner is dan de toename van de storingsindicatoren.
-
Ongewijzigd (O): Indien de toename van de positieve indicatorsoorten gelijk is aan de toename van de storingsindicatoren.
Indien we de beoordeling uit Tabel 11 vergelijken met de beoordeling uit Tabel 12 komen we tot de conclusie dat de beoordelingen in 18 gevallen afwijken: -
Op basis van bermtype worden A2 en A3 positief beoordeeld, maar op basis van indicatorsoorten krijgen deze stukken een negatieve beoordeling.
-
Het bermtype van D5, G1, GR1, M2, M4, WO1, Z1 is ongewijzigd maar op basis van indicatorsoorten worden deze bermen positief beoordeeld.
-
Het bermtype van K2, K6 en M4 is ongewijzigd maar op basis van indicatorsoorten worden deze bermen negatief beoordeeld.
-
Het bermtype van GR2 en We2 is positief gewijzigd, maar op basis van indicatorsoorten is deze berm ongewijzigd.
-
D6 en G4 worden op basis van het bermtype negatief beoordeeld, maar op basis van de indicatorsoorten krijgen deze een positieve beoordeling.
-
DI1, G2 en M6 worden op basis van het bermtype positief beoordeeld maar op basis van indicatorsoorten krijgen deze bermen een negatieve beoordeling.
Bij de afwijkende beoordeling op basis van bermtypering en indicatorsoorten gaat het om twijfelgevallen en bermen met lokale verruiging of toename van positieve indicatorsoorten. Op basis van de bermtypering werden 26 bermen als positief gewijzigd geëvalueerd. Op basis van de indicatorsoorten werden 27 bermen als positief gewijzigd geëvalueerd. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 57 van 352
Tabel 12 Overzicht van de toename/afname van positieve indicatoren en storingsindicators en de waarde die gekoppeld is aan de bermtypes met de respectievelijke evaluaties.
PQ A1 A2 A3 D1 D2 D3 D4 D5 D6 D7 DI1 G1 G2 G3 G4 GR1 GR2 K1 K2 K3 K4 K5 K6 M1 M2 M3 M4 M5 M6 M7 S1 S2 S3 S4 V1 WE1 WE2 WO1 WO2 Z1
Toename/afname indicatorsoorten
Toename/afname storingssoorten
12 0 1 6 11 11 13 14 12 1 1 4 -4 3 0 0 2 4 -5 11 12 7 0 14 14 8 -3 3 3 21 10 4 7 10 12 13 4 8 14 14
12 2 5 -2 6 2 -1 -8 -1 2 8 -7 1 -7 -4 -1 2 3 9 -6 9 3 4 10 3 3 0 -1 5 2 -3 0 -2 7 -1 3 4 6 15 0
Waarde 2004 4 3 2 2 3 4 2 3 5 4 1 3 3 2 4 3 2 2 4 3 4 2 3 2 3 4 4 2 2 2 3 4 2 4 2 4 4 3 5 3
Waarde 2020 4 4 4 4 4 4 3 3 4 3 2 2 4 3 3 3 3 3 4 4 4 4 3 3 4 4 4 3 3 3 4 4 3 4 3 4 4 3 3 3
Evaluatie bermtype 0 P P P P P P O N N P O P P N O P P O P P P 0 P P O O P P P P P P O P P P O N 0
Evaluatie indicatorsoorten 0 N N P P P P P P N N P N P P P 0 P N P P P N P P P N P N P P P P P P P 0 P N P
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 58 van 352
3.2.2
Mycoflora: wegbermen en graslandpaddenstoelen
Er werd naar paddenstoelen gezocht in de botanisch meest interessante bermcomplexen op 3 november en 23 november 2020. In totaal leverde dat een soortenlijst op van 67 soorten waarvan 10 soorten op de Rode Lijst (Arnolds & Veerkamp, 2008) van Nederland staan. In Bijlage § 5.9 geven we een overzicht van de 67 soorten die werden waargenomen in de onderzochte bermen met hun Rode-Lijststatus, indicatorwaarde en ecologie.
3.2.2.1 Rode-Lijstsoorten Hieronder bespreken we kort de Rode-Lijstsoorten die in de bermen werden waargenomen op 3 en 23 november 2020. We gebruiken de Rode Lijst van Nederland (Arnolds & Veerkamp) omdat er geen volledige Rode Lijst is voor Vlaanderen en de toestand van de Nederlandse mycoflora vergelijkbaar is met deze in Vlaanderen. In Bijlage § 5.9 worden de Rode-Lijstsoorten die werden waargenomen in de bermen op kaart weergegeven.
Ernstig bedreigd 3.2.2.1.1 Muurtrechtertje Muurtrechtertje leeft saprotroof op mos op kalkrijke muurtjes. De soort werd hier gevonden in Diegem, langs op een met mos begroeide stenen afwateringsgracht. Ze staat op de Rode Lijst als “Ernstig bedreigd” omdat het oorspronkelijk biotoop (met mos begroeide rotsen) zeldzaam was in Nederland. Maar intussen blijkt de soort door kolonisatie van met mos begroeide oude muurtjes sterk toe te nemen. 3.2.2.1.2 Roze ruitertje Het Roze ruitertje is een indicatorsoort van oude graslanden. De soort is “Ernstig bedreigd” vanwege grote (internationale) zeldzaamheid en kwetsbaar milieu. In het complex van Strombeek-Bever werd de soort gevonden op een talud, waar de vegetatie plaatselijk wat hoger was, omdat de zware maaimachines daar wellicht niet gemakkelijk konden maaien. Verderop waren een zware sporen gemaakt in het grasland door de machines.
Figuur 9: Roze ruitertje, een internationaal zeldzame soort van oude graslanden (foto; Roosmarijn Steeman). /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 59 van 352
Bedreigd 3.2.2.1.3
Grote aderbekerzwam
Saprotroof, op kale of met mos bedekte bodem in loofbos op voedselrijke lemige bodems. De soort is een indicator van kalk in de bodem en werd waargenomen in het complex van Strombeek-Bever.
Kwetsbaar 3.2.2.1.4 Wormvormige knotszwam Wormvormige knotszwam is een indicator van oude graslanden. Het is een soort van wasplaatgraslanden die te vinden zijn op voedselarme tot matig voedselrijke grond. De soort is gevoelig aan verzuring en vermesting. 3.2.2.1.5
Gewone ruige aardtong
Saprotroof op de grond, in graslanden op zandige en lemige bodems. Deze soort is een indicator voor oude, voedselarme graslanden en werd gevonden op een steil talud.
Figuur 10: Gewone ruige aardtong, waargenomen op een talud in het complex van Strombeek-Bever (Foto: Roosmarijn Steeman)
3.2.2.1.6 Grasvlamhoed Saprotroof (of necrotrofe parasiet?) op wortels van Kropaar in graslanden op voedselrijke bodem. Het is een indicator voor beginnende verschraling. Deze soort staat op de Rode Lijst omdat ze zelden wordt waargenomen. Grasvlamhoed werd zowel in het complex van Strombeek-Bever als in het bloemrijke perceel in Asse waargenomen. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 60 van 352
3.2.2.1.7 Kortstelige satijnzwam Saprotroof, in humus op meestal wat ruderale, stikstofrijke plaatsen, zoals ingewaaid plantaardig afval in het buitenduin en op zandplaten, ook in tuinen en andere verstoorde plekken, van nature waarschijnlijk een soort van graslanden op iets kalkrijke, sterk doorlatende bodem. De soort is een indicator voor schraallanden in ontwikkeling en werd waargenomen in het complex van Strombeek-Bever op het talud van de plas waarlangs PQS3 gelegen is. Gevoelig 3.2.2.1.8 Papegaaizwammetje Het Papegaaizwammetje is een indicatorsoort voor kruidenrijk grasland. Hij komt voor in onbemeste kortgrazige weilanden en wegbermen. Het Papegaaizwammetje is vooral te vinden op schrale grazige plaatsen waar de bodem gedurende lange tijd met rust is gelaten. Het is een kritische soort die zich op nieuwe geschikte plaatsen pas na 20 jaar vestigt. Bij een ingezet verschralingsbeheer van vermeste graslanden duurt het vele jaren voordat het zwammetje zich weer laat zien. Is hij aanwezig, dan zijn er vaak ook andere grasplandpaddenstoelen te vinden.
Figuur 11: Papegaaizwammetje, waargenomen langs de afrit Wemmel, tussen Bijenorchissen (Foto: Roosmarijn Steeman).
3.2.2.1.9 Sneeuwzwammetje Net zoals het Papegaaizwammetje, is het sneeuwzwammetje een soort van oude, onbemeste graslanden. De soort is gevoelig aan verzuring en vermesting. Sneeuwzwammetje werd waargenomen in het complex van Strombeek-Bever, waar ook orchideeën staan.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 61 van 352
3.2.2.2 Indicatorsoorten Hieronder bespreken we enkele indicatorsoorten die niet op de Rode Lijst staan. De groeiplaatsen van deze indicatorsoorten staan eveneens op de kaarten in Bijlage § 5.17
Voedselrijke graslanden 3.2.2.2.1 Bleekgele mycena Saprotroof op dode grashalmen en grasstrooisel in schrale tot matig bemeste graslanden. 3.2.2.2.2 Grijsbruine grasmycena Saprotoof op de grond in schrale tot matig bemeste graslanden op allerlei bodemtypen. 3.2.2.2.3 Afgeplatte stuifzwam Saprotroof op zand-, klei- en leembodems, in bermen, matig tot niet bemeste graslanden (veel in mosrijke gazons) en op mosrijke of kortgrazige plaatsen. 3.2.2.2.4 Gazonvlekplaat Saprotroof, het meest op humeuze zandgrond, in parken, plantsoenen, gazons, tuinen en bemeste graslanden. 3.2.2.2.5 Geschubde inktzwam Saprotroof, liefst op pas omgewerkte, voedselrijke grond, bijvoorbeeld in akkers, gazons, wegbermen en parken, maar ook in bosranden.
Vermesting 3.2.2.2.6 Bleke veldtrechterzwam Saprotroof, tussen gras in graslanden, wegbermen, soms ook in open loofbos. 3.2.2.2.7 Grauwe vlekplaat Saprotroof op de bodem, vaak bij of op mest, in onbemeste tot sterk bemeste graslanden, plantsoenen, gazons, wegbermen en dergelijke, zelden in bossen; vooral op zandige bodems. 3.2.2.2.8 Dooiergele mestzwam Saprotroof op humeuze grond, uitwerpselen, mest- en composthopen en rottend gras in tuinen, graslanden, wegbermen en bosranden; op voedselrijke bodems of verrijkte plekjes.
Ruigtevegetaties 3.2.2.2.9 Gewone beurszwam Saprotroof op humeuze grond, compost en houtsnippers, het meest in parken, tuinen en op ruigtes, ook in akkers, loofbossen en graslanden, steeds op stikstofrijke, vaak verstoorde bodems. Deze soort werd op verschillende plaatsen waargenomen en profiteert wellicht van het niet altijd nauwkeurig uitgevoerd maaibeheer waarbij maaisel wordt achtergelaten en diepe sporen worden gemaakt door de zware machines.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 62 van 352
Verdroging Bermen zijn onderhevig aan verdroging, door hun ligging tussen gebetonneerde oppervlakken en vaak zuidgerichte oriëntatie. 3.2.2.2.10 Bruine satijnzwam Saprotroof, in niet tot matig bemeste, droge tot vrij vochtige graslanden op allerlei typen bodem. 3.2.2.2.11 Bruinsnedemycena Saprotroof op dode grashalmen en strooisel, vooral in graslanden en wegbermen op voedselarme tot voedselrijke, al of niet bemeste bodems, ook in vochtige duinvalleien. 3.2.2.2.12 Giftige weidetrechterzwam Saprotroof, tussen mos en gras in voedselarme tot -rijke graslanden. 3.2.2.2.13 Weidekringzwam Saprotroof of necrotroof-parasitair op gras(wortels) en humus, in voedselarme tot voedselrijke graslanden op allerlei typen bodem.
Beginnende verschraling 3.2.2.2.14 Groot mosklokje Groot mosklokje is een indicator van beginnende verschraling, het is een saprofyt op bodem tussen mossen in (matig) schrale graslanden. 3.2.2.2.15 Grasmosklokje Saprotroof op de bodem, vaak tussen mossen, vooral in (matig) schrale graslanden, wegbermen en grazige plekken in de duinen, meestal kalkhoudende, zwak zure tot basische zand- en kleibodems. 3.2.2.2.16 Roze pronkridder Roze pronkridder is een indicator van beginnende verschraling. Het is een soort van grazige graslanden en bermen, die gevoelig is aan vermesting.
Figuur 12: Steeman).
Roze pronkridder tussen Margrieten, een indicatorsoort voor beginnende verschraling (Foto: Roosmarijn
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 63 van 352
3.2.2.2.17 Loodgrijze bovist Saprotroof in matig bemeste, meestal mosrijke, vaak gemaaide of gehooide graslanden en parken en plantsoenen, in bermen langs wegen en paden, op dijken en in open plekken in bossen.
Heischrale graslanden 3.2.2.2.18 Sterspoorsatijnzwam Saprotroof, in heischrale graslanden en in heiden.
Kalkhoudende graslanden 3.2.2.2.19 Piekhaarzwammetje Saprotroof op grassen en grasresten in schrale graslanden en open struwelen, vooral op kalkrijke, droge bodems op kalkrijke leem. Hoewel de vegetatie van verschillende complexen aangeeft dat het om een kalkrijke bodem gaat, werd Piekhaarzwammetje slechts één keer waargenomen, in het complex van Machelen. Kruidenrijk grasland 3.2.2.2.20 Zwartwordende wasplaat Zwartwordende wasplaat is een vrij algemene soort van niet of weinig bemeste graslanden.
Figuur 13: Zwartwordende wasplaat in Wemmel (Foto: Roosmarijn Steeman).
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 64 van 352
Oude graslanden 3.2.2.2.21 Melige stuifzwam Saprotroof op droge zwak zure tot basische, zandige bodems. Deze soort werd één keer waargenomen in het complex van Diegem, tussen PQ D4 en D5.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 65 van 352
3.2.3
Fauna: wilde bijen
3.2.3.1 Algemene bevindingen In totaal werden in 2020 over alle bermen heen 89 bijensoorten waargenomen (Bijlage § 5.3), op zich een groot aantal. Dit ligt deels aan de grote variatie aan abiotische factoren, zoals bodemsamenstelling, oriëntatie en microklimaat, die in mindere en meerdere mate van belang zijn voor bijen. Geen enkele berm was immers identiek aan een andere en elke berm had unieke planten of nestlocaties die interessant waren voor bijen. Zo werden Texelse zandbij en Kleine roetbij bijvoorbeeld enkel waargenomen in Kraainem (Z1), waar voldoende gele composieten groeien of werd er in Machelen een zeer grote nestplaats van dwergzandbijen en bijhorende parasitaire soorten aangetroffen (M4). Bovendien waren de meeste bermen voldoende structuurrijk wat zeer belangrijk is voor wilde bijen. Toch denken we dat er nog heel wat meer soorten in de bermen gevonden kunnen worden. Eind mei waren de meeste bermen immers gemaaid, net wanneer Knoopkruid in bloei zou komen. In 3.3.2.2 vergelijken we het aantal en de soorten die waargenomen werden langs de R0 met ‘vergelijkbare gebieden’ zoals Brussels Airport en de bermen van de E314. Van de waargenomen soorten is 1 soort ‘Bedreigd’, namelijk Roodbruine groefbij (Lasioglossum xanthopus), en 8 soorten staan op ‘Gevoelig’ op de Belgische Rode Lijst (Drossart et al.,2019). Deze soorten zijn Texelse zandbij (Andrena fulvago), Geelstaartklaverzandbij (A. wilkella), Tuinhommel (Bombus hortorum), Veldhommel (B. lucorum), Grote koekoekshommel (B. vestalis), Bruine rouwbij (Melecta albifrons), Gewone smaragdgroefbij (L. leucopus) en Gouden slakkenhuisbij (Osmia aurulenta). Tabel 13: Aantal soorten per Rode lijstcategorie die waargenomen zijn in de geselecteerde bermen van de R0. De RodeLijstcategorieën zijn gebaseerd op de Belgische Rode Lijst voor wilde bijen (Drossart et al., 2019).
Rode-lijstcategorieën Niet bedreigd (LC) Gevoelig (NT) Kwetsbaar (VU) Bedreigd (EN) Ernstig bedreigd (CR) Onvoldoende data (DD)
Aantal soorten 76 8 0 1 0 4
Steenhommel is met voorsprong de vaakst aangetroffen soort op de bezochte bermen. Deze hommel heeft een erg korte tong en vliegt dan ook bij voorkeur op bloemen met een korte bloembuis. Verschillende van de waargenomen soorten zijn typische soorten voor bloemrijke glanshaverhooilanden (Jacobs & Raemakers, 2016). Zo werden Goudpootzandbij (Andrena chrysosceles), Texelse zandbij (A. fulvago), Weidebij (A. gravida), Viltvlekzandbij (A. nitida), Roodbruine groefbij (Lasioglossum xanthopus), Breedkaakgroefbij (L. laticeps), Breedbuikgroefbij (L. lativentre), Kleigroefbij (L. pauxillum), Breedbandgroefbij (Halictus scabiosae) en Zwartbronzen houtmetselbij (Osmia niveata) allemaal in minstens 1 van de onderzochte bermen waargenomen. Wat betreft de verdeling van het aantal soorten per familie (Tabel 14) merken we op dat er slechts 1 soort Melittidae waargenomen is. Hoewel dit de kleinste familie is moeten we toch opmerken dat er geen slobkousbijen en dikpootbijen waargenomen zijn. Vooral Klaverdikpoot is een grote afwezige.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 66 van 352
Tabel 14: Aantal waargenomen soorten per familie. Dit is een vrij logische verdeling, de meeste te verwachten soorten werden in de onderzochte gebieden gevonden.
Familie Andrenidae Apidae Colletidae Halictidae Megachilidae Melittidae
# 19 27 7 23 13 1
3.2.3.2 Nestgedrag De ecologie van de aangetroffen soorten wordt beknopt weergegeven in Bijlage § 5.4. Van de 89 soorten nestelen er 59 strikt ondergronds en 15 strikt bovengronds. De overige 15 soorten uit deze studie kunnen zowel boven- als ondergronds een nest maken. Deze aantallen omvatten zowel de soorten die zelf aan broedzorg doen als hun parasitaire bijensoorten. De verdeling die we hier opmerken is te verwachten gezien ongeveer 80 % van de bijensoorten hun nestjes ondergronds maken (Peeters et al., 2012). Ondergronds nestelende bijen worden soms in grote aggregaties waargenomen. Zeker bij grote soorten vallen deze aggregaties soms erg hard op. In één van de locaties in Machelen (M4) was de bodem erg schraal en lag de helling bovendien in de volle zon, de ideale combinatie voor grondnestelende bijen (3.2.3.6.4). Er werden op die locatie grote aantallen dwergzandbijen (Gewone dwergzandbij – Andrena minutula en Witkopdwergzandbij – A. subopaca) en hun parasiet (Gewone kleine wespbij – Nomada flavoguttata) waargenomen. Een deel van de bovengronds nestelende bijen maakt gebruik van holle en merghoudende stengels, terwijl andere soorten gangen in dood hout verkiezen. Deze soorten werden opvallend meer waargenomen in bermen waar struweel en planten met holle of merghoudende stengels zoals braam aanwezig waren. K1-2 in Kraainem, M5 in Machelen en WO1-2 in Zaventem waren de meest interessante bermen voor bovengronds nestelende soorten.
3.2.3.3 Voedingswijze 73 soorten hebben tot op zekere hoogte een polylectische levenswijze (Bijlage § 5.4) (Peeters et al., 2012). 16 soorten zijn oligolectisch en dus gespecialiseerd op één plantenfamilie of -genus (Figuur 14). Het is belangrijk om bij het interpreteren van deze cijfers rekening te houden met het feit dat veel soorten gecategoriseerd zijn als polylectisch, maar ze in de praktijk toch een voorkeur voor een bepaalde plantenfamilie of soort (kunnen) vertonen. Andrena nigrospina bijvoorbeeld verzamelt stuifmeel op meerdere families, maar wordt vooral op kruisbloemigen aangetroffen. Gouden slakkenhuisbij (Osmia aurulenta) heeft dan weer een lichte voorkeur voor vlinderbloemigen. Parasitaire bijensoorten daarentegen verzamelen geen stuifmeel en zijn uitgesproken polylectisch. Bij de oligolectische soorten zijn er verschillende gespecialiseerd in composieten (8 soorten) (Figuur 14). 7 daarvan hebben een voorkeur voor gele composieten: Texelse zandbij (Andrena fulvago), Kleine en Grote roetbij (Panurgus calcaratus & P. banksianus), Zuidelijke zijdebij (Colletes similis), Wormkruidbij (C. daviesanus), Tronkenbij (Heriades truncorum) en Pluimvoetbij (Dasypoda hirtipes). De laatste,
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 67 van 352
Zwartbronzen houtmetselbij (Osmia niveata), heeft een voorkeur voor andere composieten zoals Knoopkruid en distels. Daarnaast werden er ook 3 soorten waargenomen met een voorkeur voor vlinderbloemigen: Geelstaartklaverzandbij (A. wilkella), Driedoornige metselbij (Hoplitis tridentata) en Lathyrusbij (Megachile ericetorum). De andere oligolectische soorten in het gebied zijn gespecialiseerd op wilgen (Grijze zandbij – A. vaga en Roodbuikje – A. ventralis), klokjes (Grote en Kleine klokjesbij – Chelostoma campanularum & C. rapunculi) en boterbloemen (Ranonkelbij – C. florisomne). Het zou echter kunnen dat we een deel van de soorten die leven in de bermen van de R0 gemist hebben omdat de meeste bermen gemaaid werden eind mei, vlak voor de bloei van Knoopkruid. De plant is nog steeds in bloei gekomen, maar veel later waardoor soorten die ervan afhankelijk zijn hun voedsel elders hebben moeten zoeken. Bijensoorten als Zwartbronzen en Kauwende houtmetselbij zijn immers grotendeels van Knoopkruid afhankelijk. De eerste soort werd slechts in 1 berm waargenomen, de andere soort niet. Daarnaast werden slechts enkele soorten waargenomen die hun voedsel verzamelen op vlinderbloemigen. Dit waren alle 3 soorten die niet of in beperkte mate afhankelijk zijn van wikke- en klaversoorten. Soorten als Gewone langhoornbij (Eucera longicornis), Wikkebij (Andrena lathyri), Klaverdikpoot (Melitta leporina) en Donkere klaverzandbij (A. labialis) die dat wel zijn, werden niet gevonden (3.3.2.2: Vergelijking met gelijkaardige projecten). Hoewel we hier geen sluitende verklaring voor hebben denken we dat de hete en droge zomer van 2020 ervoor kan gezorgd hebben dat planten als Rode klaver amper tot bloei zijn kunnen komen en de daarvan afhankelijke soorten bijgevolgd elders op zoek zijn gegaan naar de juiste planten. [CATEGORIENAAM][CATEGORIENAAM] [CATEGORIENAAM] (1) (2) (2) [CATEGORIENAAM] (3) [CATEGORIENAAM] (8)
[CATEGORIENAAM] (73)
Figuur 14: Overzicht van de mate van specialisatie voor de waargenomen bijensoorten in de bezochte bermen. 16 soorten zijn oligolectisch en zijn dus gespecialiseerd in 1 plantenfamilie of genus. De overige 73 soorten zijn minder selectief en kunnen op verschillende plantenfamilies aangetroffen worden.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 68 van 352
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 69 van 352
3.2.3.4 Socialiteit Parasitaire soorten vormen in bijengemeenschappen vaak een groot en onmisbaar deel van de soortendiversiteit, zo zijn er langs de R0 nu 23 zogenaamde koekoeksbijen bekend (Bijlage § 5.3). Ongeveer 1 op 4 van de waargenomen soorten is dus een parasitaire soort! Gezien koekoeksbijen alleen voorkomen op plaatsen waar er een voldoende groot aantal gastheren aanwezig zijn, kunnen we stellen dat er een goed uitgebouwde bijengemeenschap aanwezig is in de bezochte bermen. 18 soorten zijn in minder of meerdere mate sociaal, in dit gebied zijn dit voornamelijk hommels, Honingbijen en groefbijen. De andere soorten nestelen solitair of communaal in grote nestaggregaties.
3.2.3.5
Bijzondere soorten
3.2.3.5.1 Roodbruine groefbij De Roodbruine groefbij (Lasioglossum xanthopus) (Figuur 15) is een zeldzame soort die slechts in 1 van de bezochte bermen waargenomen werd (WE2). Hoewel de Roodbruine groefbij een generalist is, is ze zeldzaam geworden in ons land. De soort is immers vrij kritisch wat haar leefgebied betreft. Ze prefereert goed ontwikkelde kruidenrijke graslandvegetaties met een overvloedig aanbod aan nectar en stuifmeel op lemige bodems (Peeters et al. 2012). Een belangrijk bijkomend leefgebied zijn vegetaties van éénjarigen op akkerland en ruderale terreinen met gele kruisbloemigen, klaproos, Korenbloem en dergelijke (D’Haeseleer & Vanormelingen 2016, waarnemingen.be).
Figuur 15: De Roodbruine groefbij is een zeldzame soort die één keer waargenomen werd in Wemmel (WE2) op 20 mei 2020. Het is een typische soort voor de regio gezien ze nestelt in lemige bodem met goed ontwikkelde graslandvegetaties in de buurt (Foto: Win Vertommen).
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 70 van 352
Omdat deze soort slechts éénmalig waargenomen werd, foeragerend op Knoopkruid, is het onduidelijk of de soort echt afhankelijk is van de bermen of ze slechts sporadisch bezoekt. 3.2.3.5.2 Gouden slakkenhuisbij De Gouden slakkenhuisbij (Osmia aurulenta) is een voorjaarssoort (piek eind mei) met een lange vliegtijd van eind april tot begin augustus (Figuur 16). Ze heeft een sterke voorkeur voor Gewone rolklaver, en vliegt daarnaast ook op andere vlinderbloemigen, lipbloemigen en Slangenkruid. Zoals haar naam al aangeeft, nestelt ze in verlaten slakkenhuisjes. Hierdoor is ze beperkt tot kalkrijke gebieden waar veel huisjesslakken aanwezig zijn, en dan met name kalkrijke duingraslanden en kalkgraslanden. In ons land staat ze als gevoelig op de Rode Lijst (Drossart et al.,2019). In Vlaanderen kwam de soort enkel voor aan de Westkust en de kalkgraslanden van zuidoost-Limburg tot ze in 2017 voor het eerst waargenomen werd in de provincie Vlaams-Brabant tijdens een biodiversiteitsonderzoek op Brussels Airport (Lambrechts et al., 2017). Er wordt verondersteld dat de soort daar in de buurt nestelt in de spoorwegtalud. In 2020 werd de soort op enkele kilometers afstand van deze vindplaats waargenomen in Diegem (D1-2) foeragerend op Gewone rolklaver. Een gefaseerd maaibeheer van de bermen is dan ook steeds aangeraden om een continu aanbod aan bloeiende Gewone rolklaver te voorzien.
Figuur 16: Eind mei 2020 werd er in Diegem een vrouwtje Gouden slakkenhuisbij waargenomen. Deze zeldzame soort heeft een beperkt verspreidingsgebied in België, maar werd de voorbije jaren ook al op enkele kilometers afstand in de buurt van de spoorweg waargenomen. (Foto: Pieter Vanormelingen)
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 71 van 352
3.2.3.5.3 Andrena nigrospina Andrena nigrospina1 (Figuur 17) is een zeer zeldzame bijensoort die geen gespecialiseerd bloembezoek heeft, maar vaak wordt aangetroffen op kruisbloemigen. In 2020 werd een vrouwtje waargenomen op Margriet in Machelen (M3-MG3). Deze locatie ligt niet ver verwijderd van Brussels Airport, waar ze in 2017 al enkele keren waargenomen werd in kader van een biodiversiteitsonderzoek (Lambrechts et al., 2017). De soort heeft er een voorkeur voor zandig of lemig open landschap en kan in de bermen van de R0 dus een geschikte leefruimte vinden.
Figuur 17: Eind mei 2020 werd er in Machelen een vrouwtje Andrena nigrospina waargenomen. Deze zeldzame soort werd in 2017 ook al op Brussels Airport aangetroffen. (Foto: Kurt Geeraerts)
3.2.3.5.4 Geelstaartklaverzandbij Deze soort is vrij algemeen en kan bijna over heel het land gevonden worden. Ze staat echter op ‘Gevoelig’ op de Belgische Rode Lijst. Voor dit project werd de soort in 2 bermen waargenomen, namelijk in Grimbergen (G1-2) en in Diegem (D3). De Geelstaartklaverzandbij (Andrena wilkella) is een voorjaarssoort met piek in haar vliegtijd rond eind mei-begin juni waarbij ze afhankelijk is van vlinderbloemigen zoals wikke-, rolklaver- en klaversoorten. Andrena nigrospina en A. pilipes zijn soorten die zeer hard op elkaar lijken en beide voorkomen in Zuid-Europa. In het verleden werd gedacht dat de soort die bij ons voorkomt A. pilipes (Koolzwarte zandbij) was. Deze soort heeft echter 2 generaties die vliegen in april en juli-augustus. Recent onderzoek door Thomas Wood heeft echter aangetoond dat de soort die bij ons voorkomt waarschijnlijk enkel A. nigrospina is omwille van haar vliegtijd in mei. Verder onderzoek moet aantonen of dit effectief klopt en of A. pilipes ook bij ons voorkomt (Bron: Mondelinge communicatie met Thomas Wood). 1
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 72 van 352
3.2.3.5.5 Texelse zandbij en Kleine roetbij De Texelse zandbij (Andrena fulvago) is een zeldzame soort die nestelt in schaars begroeide lemige grond en zandgrond. Het is een oligolectisch soort op gele composieten als Groot streepzaad, Muizenoor en Gewoon biggenkruid. Op de Brusselse ring werd de soort slechts twee keer waargenomen op 18 juni 2020 in Kraainem (Z1). Diezelfde dag werden ook enkele Kleine roetbijen (Panurgus calcaratus) waargenomen. Ook deze soort is gespecialiseerd op gele composieten.
Figuur 18: Op 18 juni 2020 werden er in Kraainem 2 vrouwtjes Texelse zandbij waargenomen. Deze soort is gespecialiseerd op gele composieten. (Foto: Kurt Geeraerts)
3.2.3.6 Groepering van de bermen op basis van soortenrijkdom In dit hoofdstuk proberen we bepaalde bermen te groeperen gaande van de minst soortenrijke bermen tot bermen met de grootste diversiteit op vlak van bijenfauna en bespreken de factoren die bepalen dat er in deze bermen meer of minder soorten waargenomen werden. Daarmee willen we de variatie in de soortendiversiteit verklaren. We willen hiermee dus niet zeggen dat bepaalde bermen niet interessant zijn voor bijen. Daarnaast kunnen ze net interessanter zijn voor andere diergroepen en omgekeerd. Bijen vertoeven immers graag op warme, zonnige en droge plaatsen terwijl andere soortgroepen schaduw of vochtige plaatsen nodig hebben. Omdat er in alle bermen voldoende interessante voedselplanten groeiden werden de onderlinge verschillen grotendeels verklaard door abiotische factoren als reliëf, ligging en structuur.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 73 van 352
3.2.3.6.1 Bermen met weinig structuur en reliëf In de bermen in Asse (AS1) en Diegem (D1-5 & DG5) werd de laagste diversiteit aan wilde bijen waargenomen. Er werden tussen 11 en 16 bijensoorten geïnventariseerd (Bijlage § 5.4). Deze lagere soortenaantallen zijn enerzijds te verklaren door de afwezigheid van structuur in de berm. Zo zijn struiken en reliëf van groot belang voor bijen. Ze zorgen voor een warm microklimaat en windluwe plekjes. Bij grote open stukken heeft de wind vrij spel, waardoor het voor bijen moeilijker is om te foerageren (Figuur 19). Dat wilt echter niet zeggen dat deze bermen niet interessant waren. D1-2 was immers de enige berm waar Gouden slakkenhuisbij (Osmia aurulenta) waargenomen werd. Daarnaast is in D3 Rimpelkruinbloedbij (Sphecodes reticulatus) aangetroffen, een zeldzame soort die slechts in 2 andere bermen gevonden is.
Figuur 19: De berm in Asse (AS1) is vlak en structuurarm. Hierdoor zijn er geen windluwe plekjes met een warm microklimaat waar bijen graag vertoeven. Hoewel er verschillende interessante voedselplanten op de foto te zien zijn, werden er in deze berm slechts 14 bijensoorten waargenomen. (Foto: Win Vertommen – 10/08/’20)
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 74 van 352
3.2.3.6.2 Bermen met veel structuur en bovengrondse nestgelegenheid In één berm was opvallend veel bovengrondse nestgelegenheid aanwezig, namelijk in Machelen (M5). Dit is de enige berm waar struweel domineert. In deze berm werden de hoogste aantallen Blauwe ertsbijen (Ceratina cyanea) en Tuinmaskerbijen (Hylaeus hyalinatus) waargenomen (Bijlage § 5.4). Deze soorten nestelen vaak in de merghoudende stengels van braam. Ondanks het grote aanbod aan nestgelegenheid voor bovengronds nestelende soorten, werden er minder soorten waargenomen dan verwacht (16 soorten). Dit kan verklaard worden door het koelere klimaat dat er heerst omwille van de brug erboven en door de relatief lage diversiteit aan interessante voedselplanten. 3.2.3.6.3 Bermen met voldoende reliëf, maar weinig nestgelegenheid In heel wat bermen werd een redelijk hoog aantal bijensoorten waargenomen (17-23 soorten – Bijlage § 5.4), hoofdzakelijk dankzij de aanwezigheid van een redelijk hoge diversiteit aan stuifmeelbronnen. De betreffende bermen zijn Z1 in Wezembeek-Oppem, WE1 en WE2 in Wemmel, G1-2 in Groot-Bijgaarden, M1-2 in Machelen, K3-4 in Kraainem en S1-2 in Strombeek-Bever. Deze bermen waren voor bijen dus iets interessanter dan de bermen uit de eerste categorie, maar toch ontbraken er nog een deel te verwachten soorten door de afwezigheid van geschikte ondergrondse nestgelegenheid. Op de meeste plaatsen in deze bermen was de bodem zo dicht begroeid met hoge vegetatie dat bijen geen geschikte nestplaats kunnen vinden in de bodem. Het aantal soorten koekoeksbijen was in deze bermen dan ook meestal vrij laag. Deze soorten maken zelf geen nest, maar parasiteren op andere bijen door hun eitjes in de nesten van andere soorten af te zetten. Deze soorten zijn dan ook meestal in de buurt van nesten te vinden. 3.2.3.6.4 Bermen met ijle vegetatie en veel ondergrondse nestgelegenheid Bij 2 bermen was er opvallend veel geschikte nestplaats voor ondergronds nestelende bijen. Deze bermen waren M3-MG3 en M4 in Machelen. De vegetatie was er ijl en bovendien lagen de bermen in de volle zon door hun zuidwest gerichte oriëntatie. Wanneer deze omstandigheden optimaal zijn, zoals in voorgenoemde bermen, kunnen ondergronds nestelende bijen in zeer grote aantallen in de buurt van elkaar nestelen (Figuur 20). We spreken dan van een nestaggregatie. De aanwezigheid van dergelijke grote aantallen grondnestelende soorten trekt ook al snel andere soorten bijen aan die erop parasiteren. Deze zogenaamde ‘koekoeksbijen‘ verzamelen zelf geen stuifmeel, maar leggen hun eitjes in de nesten van hun gastheer. De larve van de koekoeksbij zal, wanneer ze uitsluipt, de larve of het eitje van de gastheer doden en het voedsel dat ervoor voorzien was, opeten. Wespbijen en bloedbijen zijn de belangrijkste genera van koekoeksbijen die voornamelijk op zand- en groefbijen parasiteren. Zo werd er in M4 een zeer grote nestaggregatie dwergzandbijen (Gewone dwergzandbij – Andrena minutula en Witkopdwergzandbij – A. subopaca) en de daarvan afhankelijke Gewone kleine wespbij (Nomada flavoguttata) aangetroffen. Daarnaast namen we nog 5 andere soorten wespbijen, 6 soorten bloedbijen en 1 soort viltbij waar. Met 13 soorten koekoeksbijen was er geen enkele andere berm waar zoveel koekoeksbijen waargenomen zijn, goed voor meer dan de helft van de waargenomen soorten in deze berm (Bijlage § 5.4)! Gezien koekoeksbijen alleen voorkomen op plaatsen waar er een voldoende groot aantal gastheren aanwezig zijn, kunnen we stellen dat er een goed uitgebouwde bijengemeenschap aanwezig is in deze bermen. De aanwezigheid van deze nestaggregaties en een grotere diversiteit in bermen met schralere bodems toont het belang aan van verschralen en afvoer van het maaisel. We pleiten er dan ook voor om de
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 75 van 352
bermen uit deze categorie zeker correct te blijven beheren met tijdige maaibeurten en afvoer van het maaisel.
Figuur 20: De bodem bij M4 was bijzonder schraal waardoor de vegetatie er ijl was en er voldoende geschikte nestgelegenheid was voor ondergronds nestelende bijen. In deze berm werden ongeveer evenveel koekoeksbijen als gastheersoorten aangetroffen. (Foto: Win Vertommen – 19/05/’20)
3.2.3.6.5 Bermen met een combinatie van interessante abiotische factoren voor bijen De meest diverse bermen op vlak van het aantal bijensoorten waren K1-2 in Kraainem en WO1-2 in Zaventem met respectievelijk 30 en 28 waargenomen soorten (Bijlage § 5.4). K1-2 wordt enerzijds gekarakteriseerd door een bijzonder groot aanbod aan interessante bijenplanten gaande van schermbloemigen als Wilde peen en Gewone pastinaak, tot braam, Knoopkruid, Rapunzelklokje en distels. Daarnaast is de bodem op een stukje van de berm ijler waardoor de omstandigheden er ideaal zijn voor ondergronds nestelende bijensoorten. Ook bovengronds nestelende soorten vinden er een geschikte nestplaats in de holle en merghoudende stengels van de aanwezige ruigteplanten. Ook in Zaventem (WO1-2) was een groot aanbod van interessante voedselplanten zoals Veldlathyrus, Gewone rolklaver, Sleedoorn, braam en Heelblaadjes. Verder is er een bosje aanwezig met een interessante bosrand. Niet toevallig werd er in deze berm dan ook het grootste aantal bovengronds nestelende soorten waargenomen. Daarnaast was de bodem in deze berm hier een daar voldoende open met geschikte nestgelegenheid voor ondergronds nestelende soorten.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 76 van 352
Deze bermen tonen aan dat een combinatie van nestgelegenheid en interessante voedselplanten in de directe omgeving resulteren in een hoger soortenaantal. We pleiten er dan ook voor om deze bermen op dezelfde manier te blijven beheren. Dat wilt ook zeggen dat erop gewaakt moet worden dat de berm niet volledig verbost. Dit is immers negatief voor wilde bijen die houden van open, zonbeschenen habitats. 3.2.4
Fauna: vlinders
In dit hoofdstuk geven we een overzicht van de waargenomen soorten dagvlinders en (dagactieve) nachtvlinders en de resultaten van de specifieke zoektocht naar Sleedoornpage en Iepenpage. Daarnaast bespreken we kort de meest bijzondere waargenomen soorten dagvlinders. De totale aantallen opgesplitst per berm zijn weergegeven in Bijlage § 5.5.
3.2.4.1 Dagvlinders Dagvlinders zijn makkelijk te herkennen en moeten meestal niet gevangen worden om met zekerheid op naam gebracht te worden. Verder is het, dankzij hun aantrekkelijk uiterlijk, een populaire soortgroep waarvan de verspreiding goed in kaart gebracht is. Ook hun ecologie en habitatvereisten zijn al heel goed gekend. Ze vormen dan ook een goede indicatorgroep voor de kwaliteit van biotopen. Omdat dagvlinders voor hun verschillende levensfasen verschillende eisen stellen aan hun leefgebied kunnen ze ons heel wat leren over een bepaald gebied. Het is bovendien een dankbare soortgroep waarbij soorten vaak snel reageren op genomen beheermaatregelen. Er werden in totaal zo’n 400 dagvlinders waargenomen van 20 verschillende soorten. De meeste van deze soorten zijn typische graslandsoorten en 1 soort, Zwartsprietdikkopje, staat op de Rode Lijst (Tabel 15) (Maes et al., 2021). Icarusblauwtje werd met voorsprong het vaakst waargenomen. De top 3 van de meest waargenomen soorten wordt vervolledigd door Bruin zandoogje en Hooibeestje. Tabel 15: Waargenomen soorten dagvlinders in de bermen van de R0 en hun Rode Lijst status (Maes et al., 2021 VU = Vulnerable/Kwetsbaarn, LC = Least concern/Niet bedreigd).
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15
Wetenschappelijke naam Aglais io Anthocharis cardamines Aricia agestis Carcharodus alceae Celastrina argiolus Coenonympha pamphilus Colias crocea Gonepteryx rhamni Lycaena phlaeas Maniola jurtina Ochlodes sylvanus Papilio machaon Pararge aegeria Pieris brassicae Pieris napi
Nederlandse naam Dagpauwoog Oranjetipje Bruin blauwtje Kaasjeskruiddikkopje Boomblauwtje Hooibeestje Oranje luzernevlinder Citroenvlinder Kleine vuurvlinder Bruin zandoogje Groot dikkopje Koninginnenpage Bont zandoogje Groot koolwitje Klein geaderd witje
Aantal 3 1 3 2 6 47 2 3 2 71 2 8 1 25 6
RL LC LC LC LC LC LC LC LC LC LC LC LC LC LC LC
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 77 van 352
16 17 18 19 20
Pieris rapae Polyommatus icarus Pyronia tithonus Thymelicus lineola Vanessa atalanta
Klein koolwitje Icarusblauwtje Oranje zandoogje Zwartsprietdikkopje Atalanta
5 224 2 1 2
LC LC LC VU LC
Van de soorten die als ‘momenteel niet in gevaar’ beschouwd worden op de Rode Lijst, zijn er nog tal van soorten die wel een goede indicatorwaarde voor schrale bloemrijke graslandvegetatie hebben. We vermelden Bruin blauwtje, Hooibeestje, Icarusblauwtje, Kleine vuurvlinder, Koninginnepage en Oranjetipje. 3.2.4.2 (Dagactieve) Nachtvlinders Daarnaast werden ook enkele soorten (dagactieve) nachtvlinders waargenomen (Tabel 16). Vooral de Sint-Jansvlinder, een dagactieve nachtvlinder, werd soms in grote aantallen waargenomen. In Strombeek (S1-2) was een andere soort van de familie van de bloeddrupjes, de Metaalvlinder, dan weer heel algemeen. Deze soort is er afhankelijk van Veldzuring. Tabel 16: Waargenomen soorten (dagactieve) nachtvlinders in de bermen van de R0. Wetenschappelijke naam
Nederlandse naam
Aantal
1
Adscita statices
Metaalvlinder
2
2
Bembecia ichneumoniformis
Klaverwespvlinder
4
3
Euclidia glyphica
Bruine daguil
10
4
Macroglossum stellatarum
Kolibrievlinder
1
5
Noctua pronuba
Huismoeder
1
6
Pseudopanthera macularia
Boterbloempje
1
7
Siona lineata
Vals Witje
1
8
Synanthedon myopaeformis
Appelglasvlinder
1
9
Tyria jacobaeae
Sint-Jacobsvlinder
2
Sint-Jansvlinder
15
10 Zygaena filipendulae
3.2.4.3
Bijzondere soorten
3.2.4.3.1 Zwartsprietdikkopje Het Zwartsprietdikkopje is vooral te vinden in graslanden met een vrij hoge en ruige vegetatie. Als waardplant worden allerlei grassen gebruikt. Het is een algemene soort in Vlaanderen, maar sinds 2000 neemt de verspreiding ervan af. De soort is in de Rode Lijst opgenomen als ‘Kwetsbaar’ (Maes et al., 2013). De soort is slechts 1 keer waargenomen, op 3 juli 2020 in Zaventem (K1-2). 3.2.4.3.2 Bruin blauwtje Het Bruin blauwtje werd in 2020 in 2 bermen rond de R0 waargenomen (WO1-2 en D1-2). Het is een typische soort van droge, voedselarme graslanden, die ooievaarsbek en reigersbek gebruikt om haar eitjes op af te zetten. Tot de jaren ’90 was dit een vrij zeldzame soort, die nadien echter uitbreidde en nu over nagenoeg heel Vlaanderen kan worden aangetroffen (Maes et al., 2013).
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 78 van 352
3.2.4.3.3 Hooibeestje Het Hooibeestje is een typische graslandsoort, die vooral te vinden is in structuurrijke en matig voedselarme graslanden met een lage vegetatie. Smalbladige grassen worden als waardplant gebruikt. In de bermen van de R0 was dit de 3de meest waargenomen soort. Bij een biodiversiteitsonderzoek op Brussels Airport was de soort talrijk aanwezig (Lambrechts et al. 2016, 2017). De soort is sinds 1990 echter sterk achteruit gegaan en op veel plaatsen in Vlaanderen al volledig verdwenen. We concluderen dan ook dat de populaties in de bermen van de R0 en op de luchthaven behoren tot de belangrijkste van Vlaams-Brabant. 3.2.4.3.4 Klaverwespvlinder Deze zeldzame soort werd 4 keer waargenomen (WE1, S1-2, D3, AS1). Het is een dagactieve nachtvlinder die zijn eitjes afzet op verschillende soorten klavers, waarvan Gewone rolklaver de meest belangrijke is. De soort werd ook verschillende keren waargenomen op Brussels Airport (Lambrechts et al. 2016, 2017). De Klaverwespvlinder is een warmteminnende soort en is de laatste jaren sterk in opmars (Meert et al., 2020). 3.2.4.3.5 Sint-Jansvlinder De Sint-Jansvlinder is een makkelijk te herkennen soort die onder andere voorkomt in bloemrijke graslanden en wegbermen, en rolklavers als waardplant heeft (Waring & Townsend, 2015). Het is in Vlaanderen een vrij algemene, maar achteruitgaande soort. De soort werd in bijna alle bezochte bermen waargenomen. Daarnaast werd deze soort ook reeds verspreid over de luchthaven aangetroffen, met vooral in het noordwesten, aansluitend bij de R0, verschillende waarnemingen (Lambrechts et al. 2016, 2017). De Sint-Jansvlinder was plaatselijk ook talrijk te vinden in de bermen van de E314 (Steeman et al. 2014; Lambrechts et al. 2014). Het is een fraaie vlindersoort waarvoor bermen een grote rol kunnen spelen. Men zou ze als mascotte voor goed bermbeheer langs de R0 kunnen selecteren.
3.2.4.4
Sleedoornpage en Iepenpage
3.2.4.4.1 Beschrijving van de soorten De Sleedoornpage (Thecla betulae) werd zowel voor de periode voor 1991 als tussen 1991 en 1999 beschouwd als ‘bedreigd’ in Vlaanderen (Maes & Van Dyck 1999). De soort werd in die periode vooral aangetroffen in de provincie Vlaams-Brabant. Intens onderzoek in Vlaams-Brabant tussen 2000 en 2010 toonde aan dat de soort in deze provincie wijd verspreid was. In de recente Rode lijst (Maes et al. 2011) wordt de soort als ‘Momenteel niet bedreigd’ beschouwd. In tegenstelling tot vele andere soorten is de Sleedoornpage het beste te inventariseren door gericht te zoeken naar de op Sleedoorn afgezette eitjes tijdens de winterperiode. De eitjes, die eruitzien als kleine witte golfballetjes, zijn voor het geoefende oog vrij gemakkelijk te vinden op de donkere takken van Sleedoorn (Figuur 21).
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 79 van 352
Figuur 21: Het vinden van een piepklein Sleedoornpage-eitje in de winter is veel gemakkelijker dan het zoeken naar de volwassen vlinders in de zomer. (Foto: Ilf Jacobs)
De Iepenpage (Satyrium w-album) was anno 2007 een vlindersoort waarvan zeer weinig bekend was in Vlaanderen. Ze stond in de Dagvlinderatlas bekend als ‘zeer zeldzaam’ in de periode 1991-1999 en ‘zeldzaam’ voor 1991 (Maes & Van Dyck 1999). Er was sprake van een achteruitgang. Wegens gebrek aan gegevens is de soort op de Rode lijst van 1999 opgenomen als ‘Onvoldoende gekend’. De belangrijkste conclusie van de auteurs was: gericht verspreidingsonderzoek naar deze soort is noodzakelijk. Natuurpunt Studie deed in de periode 2008-2012 intensief onderzoek naar Iepenpage in de provincie Vlaams-Brabant, in het kader van drie opeenvolgende provinciale projecten. Deze studies maakten duidelijk dat de vlinder er nog wijd verspreid voorkomt. Er werden tientallen nieuwe populaties ontdekt! 3.2.4.4.2 Kenmerken van het leefgebied Sleedoorn- en Iepenpages prefereren landschappen/biotopen met veel structuurvariatie waar de waardplanten Sleedoorn (Prunus spinosa) voor Sleedoornpage en iepen (Ulmus spec.) voor Iepenpage voorkomen. Zonbeschenen bosranden en mantel- en zoomvegetaties vormt de natuurlijke habitat van de soorten. Voor Vlaanderen vormen bocagelandschappen met verspreid voorkomende bossen in combinatie met een kleinschalig landbouwlandschap uiterlijk het meest geschikte landschap.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 80 van 352
Beide soorten blijken tevens te gedijen in het kleinschalig ‘verkavelings’ landschap wat zo typisch is voor het versnipperde en verstedelijkte Vlaanderen. Deze zones van ruimtelijke wanorde met snipperbosjes, bebouwde kavels, spoorwegbermen, ruige overhoekjes, beplantingen, etc. blijken alvast geschikter voor de soorten dan grootschalig en intensief landbouwgebied. Dit wil niet zeggen dat we voorbeeld moeten nemen aan deze ruimtelijke wanorde maar hieruit wel kunnen concluderen dat als de benodigde ecologische hulpbronnen aanwezig zijn (kleinschalig gevarieerd landschap met waard- en nectarplanten), dat deze 2 soorten hiermee vaak al verder kunnen. Dit biedt kansen om de handen uit de mouwen te steken voor beide soorten, niet alleen in natuurgebieden maar in het ganse buitengebied, inclusief langs robuuste bermen en struwelen langs autosnelwegen. Binnen het hierboven beschreven landschap is voor de Sleedoornpage een goed ontwikkelde mantel- en zoomvegetatie met uitlopende Sleedoorn (Prunus spinosa) belangrijk. Omdat de soort zijn eitjes afzet op jonge uitlopers van Sleedoorn, verdient de uitbreiding van Sleedoorn in de randen en de ontwikkeling en gefaseerd onderhoudsbeheer van mantel- en zoomvegetaties extra aandacht. Voor een goed voorbeeld van een leefgebied voor Sleedoornpage wordt verwezen naar Figuur 22. De Iepenpage spendeert het grootste deel van zijn tijd in de kruinen van de hoogste/meest opvallende iepen of de omgeving ervan. De soort kan zich echter tevens handhaven op locaties waar enkel lage iepen aanwezig zijn, zolang er in dat geval maar genoeg staan. Iepenpage gebruikt als bruidsboom voornamelijk Iepen. In mindere mate worden ook andere bomen zoals Essen, Esdoorn, etc gebruikt. Voor een goed voorbeeld van een leefgebied voor Iepenpage wordt verwezen naar Figuur 22. Beide soorten houden - zoals tal van vlindersoorten - van een warm microklimaat, wat vooral te vinden is in windluwe en snel opwarmende hoekjes. Hoewel beide soorten veelal hoog in de boomkruinen foerageren op honingdauw dat door bladluizen afgescheiden wordt, vormt de aanwezigheid van nectarplanten in de onmiddellijke omgeving een pluspunt.
Figuur 22 Voorbeeld van een ideaal leefgebied voor Sleedoornpage met een mooi ontwikkelde mantel- en zoomvegetatie. In de mantel zijn o.a. Hazelaars en volwassen Sleedoorns te vinden. In de zoom zijn jonge uitlopers van Sleedoorn en ruigtekruiden te vinden. (Foto: Ilf Jacobs)
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 81 van 352
Figuur 23 Een zonbeschenen kruin van een grote iep in een bosrand. Het ideale leefgebied voor Iepenpage. (Foto: Ilf Jacobs)
3.2.4.5 Verspreiding Sleedoorn –en Iepenpage langs de R0 Zowel de Sleedoorn- als Iepenpage werden verspreid langsheen het ganse onderzochte traject van de R0 aangetroffen. Sleedoornpage Zoals te verwachten werden heel wat waarnemingen verricht van Sleedoornpage in de onmiddellijke omgeving van de R0. De soort komt verspreid voor langs het ganse traject waarbij opvalt dat de soort hogere densiteiten bereikt in het verstedelijkt gebied dan bijvoorbeeld ter hoogte van het Zoniënwoud. Voor een overzicht van de waarnemingen van Sleedoornpage in de onmiddellijke omgeving van de R0 wordt verwezen naar Figuur 26. Het geprefereerde leefgebied voor Sleedoornpage, nl. mantel-zoomvegetaties met jonge opslag van Sleedoorn, is aanwezig op heel wat locaties langs de R0. Het gefaseerd hakhoutbeheer uitgevoerd langs de R0, en andere wegen, is ongetwijfeld een maatregel die gunstig uitpakt voor deze soort. Op deze manier ontstaan er immers telkens opnieuw zones met jonge opslag die, indien er Sleedoorn aanwezig is, een ideaal leefgebied kunnen vormen.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 82 van 352
Figuur 24 Waarnemingslocatie van Sleedoornpage langs een oprit van de R0 in Dilbeek. (Foto: Ilf Jacobs)
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 83 van 352
Iepenpage Iepenpage werd verspreid waargenomen in de onmiddellijke omgeving van de R0. De soort werd echter opvallend minder waargenomen dan Sleedoornpage. Vaak zijn het de zones iets verwijderd van de R0 waar nog geschikte, grote, iepen aanwezig zijn. Voor een overzicht van de waarnemingen van Iepenpage in de onmiddellijke omgeving van de R0 wordt verwezen naar Figuur 27. De Iepenpage verkiest grote robuuste Iepen in zonbeschenen bosranden en mantel-zomen. Eén enkele grote iep kan reeds een aanzienlijk deel bevatten van een metapopulatie. Het kappen van grote iepen langs de autosnelwegen, wat waargenomen werd op terrein, dient dan ook vermeden te worden. De zones met hakhoutstruwelen zonder hoger opgaande iepen zijn immers ongeschikt voor de soort. Vaak worden bij hakhoutbeheer langs de wegen overstaanders gespaard. Indien er extra aandacht kan gaan naar het sparen van grote iepen kunnen ook de bermen en struwelen langs de R0 uitgroeien tot functioneel leefgebied voor de soort.
Figuur 25 Holle weg in Vilvoorde in de onmiddellijke omgeving van de R0 waar zowel Iepen- als Sleedoornpage werd aangetroffen (Foto: Ilf Jacobs).
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 84 van 352
Figuur 26: Weergave van waarnemingspunten van Sleedoornpage in de onmiddellijke omgeving van de R0. (bron: www.waarnemingen.be en projectwaarnemingen)
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 85 van 352
Figuur 27: Weergave van waarnemingspunten van Iepenpage in de onmiddellijke omgeving van de R0. (bron: www.waarnemingen.be en projectwaarnemingen)
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 86 van 352
3.2.5 Fauna: zweefvliegen 3.2.5.1
Algemene resultaten
Zweefvliegen zijn in heel veel verschillende biotopen waar te nemen. Adulten bezoeken vaak bloemen, dus ze werden hoofdzakelijk waargenomen tijdens de bijen inventarisaties. De larvale stadia daarentegen hebben sterk van soort tot soort verschillende behoeftes. Zo zijn er soorten waarvan de larven leven in paddenstoelen, andere leven in rottend plantenmateriaal en nog andere zijn afhankelijk van andere insecten zoals bladluizen. In dit hoofdstuk geven we een overzicht van de waargenomen soorten (Tabel 17) en bespreken we ook kort enkele bijzondere soorten. Tabel 17: Waargenomen soorten in de bermen van de R0 en hun aantallen. Daarnaast ook de status volgens waarnemingen.be. Er is immers nog geen Rode Lijst voor de zweefvliegen van Vlaanderen / België.
Wetenschappelijke naam
Nederlandse naam
W.be status
Aantal
1
Cheilosia bergenstammi
Kruiskruidgitje
Zeldzaam
1
2
Cheilosia scutellata
Paddenstoelgitje
Vrij algemeen
1
3
Chrysogaster solstitialis
Donker doflijfje
Vrij algemeen
2
4
Epistrophe eligans
Enkele-bandzweefvlieg
Vrij algemeen
6
5
Epistrophe melanostoma
Zwartbekbandzweefvlieg
Vrij algemeen
1
6
Episyrphus balteatus
Snorzweefvlieg
Algemeen
14
7
Eristalinus sepulchralis
Weidevlekoog
Vrij algemeen
1
8
Eristalis arbustorum
Kleine bijvlieg
Algemeen
3
9
Eristalis nemorum
Puntbijvlieg
Algemeen
3
10 Eristalis pertinax
Kegelbijvlieg
Algemeen
15
11 Eristalis tenax
Blinde bij
Algemeen
86
12 Eupeodes corollae
Terrasjeskommazweefvlieg
Algemeen
9
13 Eupeodes luniger
Grote kommazweefvlieg
Vrij algemeen
16
14 Helophilus pendulus
Gewone pendelvlieg
Algemeen
1
15 Helophilus trivittatus
Citroenpendelvlieg
Vrij algemeen
5
16 Melanostoma mellinum
Gewone driehoekszweefvlieg
Algemeen
10
17 Melanostoma scalare
Slanke driehoekszweefvlieg
Algemeen
3
18 Myathropa florea
Doodshoofdzweefvlieg
Algemeen
9
19 Paragus quadrifasciatus
Geelbandkrieltje
Zeer zeldzaam
1
20 Pipiza notata
Fijngestippelde platbek
Algemeen
1
21 Pipiza luteitarsis
Slanke platbek
Zeldzaam
1
22 Pipizella annulata
Grote langsprietplatbek
Zeer zeldzaam
2
23 Pipizella viduata
Gewone langsprietplatbek
Vrij algemeen
5
24 Platycheirus albimanus
Micaplatvoetje
Algemeen
1
25 Riponnensia splendens
Grote Limburgse glimmer
Zeldzaam
1
26 Scaeva pyrastri
Witte halvemaanzweefvlieg
Algemeen
6
27 Scaeva selenitica
Gele halvemaanzweefvlieg
Vrij algemeen
2
28 Sphaerophoria scripta
Grote langlijf
Algemeen
14
29 Syritta pipiens
Menuetzweefvlieg
Algemeen
10
30 Syrphus ribesii
Bessenzweefvlieg
Algemeen
1
31 Syrphus torvus
Bosbandzweefvlieg
Vrij algemeen
1
32 Volucella bombylans
Hommelreus
Vrij algemeen
1
33 Xanthogramma pedissequum
Gewone citroenzweefvlieg
Vrij algemeen
3
omgevingvlaanderen.be
3.2.5.2
Bijzondere soorten
3.2.5.2.1 Geelbandkrieltje Het Geelbandkrieltje is een kleine soort die tot enkele jaren geleden zeer zeldzaam was in België. Sinds 2015 lijkt de soort echter sterk uit te breiden in ons land. De soort komt voornamelijk voor in ruderale vegetaties van eenjarige kruiden in warme ruderale terreinen. Op 12 augustus 2020 werd een mannetje waargenomen in Machelen (M5). De larven leven van bladluizen op onder meer Kompassla (Lactuca serriola) en melkdistels (Sonchus sp.). 3.2.5.2.2 Grote Limburgse glimmer Deze grote zweefvlieg leeft voornamelijk in vochtige loofbossen en nabij beken en sloten in graslanden. Op 10 augustus 2020 werd deze soort waargenomen op Grote berenklauw in Groot-Bijgaarden (G1-2), één van haar favoriete planten. Larven leven in stilstaand water van rottend organisch materiaal. 3.2.5.2.3 Slanke platbek Op 7 april werden 2 mannetjes Slanke platbek waargenomen in de berm in Zaventem (WO1-2). Deze soort komt vaak voor in en rond loofbossen in halfopen landschappen, meestal op plaatsen waar iep in de buurt aanwezig is. Larven leven namelijk van de wolluizen op deze plant. Iep werd echter niet in de berm waargenomen, dus groeit waarschijnlijk in de directe omgeving van de berm. 3.2.5.2.4 Kruiskruidgitje Het Kruiskruidgitje werd waargenomen op 10 april 2020 in Asse (AS1) en bevond zich daar in een typisch habitat voor de soort. Ze is namelijk vooral op zandgronden te vinden, in allerlei droge open biotopen waar Jakobskruiskruid gedijt. Larven leven in de stengel en wortel van (Jakobs)kruiskruid.
3.2.6 Fauna: sprinkhanen De beste methode om sprinkhanen te inventariseren is door het geluid van de mannetjes te herkennen. Deze konden dus steeds geïnventariseerd worden wanneer de bermen bezocht werden. Soorten waarvan het geluid zachter en minder goed hoorbaar is, kunnen door het drukke verkeer echter makkelijk gemist zijn. Er werden in de bermen rond de R0 enkel algemene soorten aangetroffen (Tabel 18). De Greppelsprinkhaan was zeldzaam maar is het voorbije decennium zeer sterk toegenomen. Tabel 18: Waargenomen soorten sprinkhanen in de onderzochte bermen van de R0. Alle soorten zijn momenteel niet in gevaar (LC) (Maes et al., 2017).
1 2 3 4 5
Wetenschappelijke naam Chorthippus biguttulus Chorthippus brunneus Pseudochorthippus parallelus Roeseliana roeselii Tettigonia viridissima
Nederlandse naam Ratelaar Bruine Sprinkhaan Krasser Greppelsprinkhaan Grote Groene Sabelsprinkhaan
Aantal 12 8 10 2 7
RL LC LC LC LC LC
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 88 van 352
3.2.7 Fauna: lieveheersbeestjes Lieveheersbeestjes werden hoofdzakelijk als bijvangst bij de sleepnetvangsten waargenomen. Geen enkele soort staat op de Rode Lijst of staat bekend als zeldzaam (Adriaens et al. 2014) (Tabel 19). Het Zevenstippelig lieveheersbeestje werd het vaakst gevangen. Dit is dan ook de meest voorkomende soort in Vlaanderen. Tabel 19: Waargenomen soorten lieveheersbeestjes in de onderzochte bermen van de R0. Alle soorten zijn momenteel niet in gevaar (LC) (Adriaens et al., 2014).
1 2 3 4 5 6 7 8
Wetenschappelijke naam Adalia decempunctata Calvia quatuordecimguttata Coccinella septempunctata Exochomus quadripustulatus Harmonia axyridis Hippodamia variegata Propylea quatuordecimpunctata Psyllobora vigintiduopunctata
Nederlandse naam Tienstippelig lieveheersbeestje Roomvleklieveheersbeestje Zevenstippelig lieveheersbeestje Viervleklieveheersbeestje Veelkleurig Aziatisch lieveheersbeestje Ruigtelieveheersbeestje Veertienstippelig lieveheersbeestje Citroenlieveheersbeestje
Aantal 1 1 48 1 3 9 3 1
RL LC LC LC LC LC LC LC LC
3.2.8 Fauna: wantsen Wantsen werden hoofdzakelijk als bijvangst bij de sleepnetvangsten waargenomen. Het betroffen allemaal algemene soorten (Tabel 20). Tabel 20: Waargenomen soorten wantsen in de bezochte bermen van de R0.
1 2 3 4 5 6 7 8 9
Wetenschappelijke naam Aelia acuminata Coriomeris denticulatus Eurydema oleracea Eurygaster testudinaria Eysarcoris aeneus Nezara viridula Piezodorus lituratus Sciocoris cursitans Zicrona caerulea
Nederlandse naam Grote mijterschildwants Bruine getande randwants Koolwants (Figuur 28) Gewone pantserwants Weegbreeschildwants Zuidelijke groene schildwants Bremschildwants Zandschildwants Blauwe schildwants
Aantal 5 1 2 7 1 2 1 1 1
Figuur 28: De Koolschildwants is een vrij algemene soort die waargenomen werd in Wemmel. (Foto: Win Vertommen) /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 89 van 352
3.2.9
Fauna: spinnen
3.2.9.1 Algemene bevindingen van het onderzoek in 2020 Een overzicht van de spinnensoorten die gevangen zijn met bodemvallen, en hun totaal-aantallen, wordt gegeven in Tabel 21. Een overzicht van de spinnensoorten die gevangen zijn met bodemvallen, en de aantallen per locatie, wordt gegeven in Bijlage §5.11. Een overzicht van de spinnensoorten die gevangen zijn met sleepvangsten, en de aantallen per locatie, wordt gegeven in Bijlage §5.12. We vingen bij voorliggend onderzoek van de bermen van de R0 in 2020 met de bodemvallen in totaal 10.071 spinnen, behorend tot 95 soorten. Hiertoe behoorden 25 soorten (26% van de soorten) die opgelijst zijn in de Rode Lijst van Maelfait et al. (1998), meer bepaald als (zie ook Tabel 21): Met Uitsterven Bedreigd (1 soort): Heidekrabspin (Xysticus acerbus) Bedreigd (7 soorten): Argenna subnigra, Hahnia nava, Ozyptila sanctuaria, Pardosa agrestis, Robertus arundineti, Trachyzelotes pedestris en Xerolycosa miniata Kwetsbaar (12 soorten): Aelurillus v-insignitus, Alopecosa cuneata, Arctosa leopardus, Asagena phalerata, Enoplognatha mordax, Pardosa lugubris, Pardosa prativaga, Phlegra fasciata, Talavera aequipes, Tibellus oblongus, Xerolycosa nemoralis en Zelotes petrensis. Zeldzaam wegens aan de areaalgrens (5 soorten): Agyneta fuscipalpa, Diplocephalus graecus, Nurscia albomaculata, Pardosa tenuipes en Zodarion italicum. Opmerkingen: 1. Soorten uit de categorie ‘Zeldzaam’ zijn sensu stricto geen ‘Rode Lijst-soorten’. Het zijn soorten die hier aan de grens van hun areaal voorkomen. Vaak, maar niet altijd, zijn dit wel bijzondere soorten, die informatie geven over de kwalitatieve waarde van het ecotoop op een bepaalde locatie. Vandaar dat we deze vijf soorten hier mee oplijsten. Één voorbeeld: niet minder dan drie van de vijf bovenvermelde ‘zeldzame’ soorten (Diplocephalus graecus, Nurscia albomaculata en Zodarion italicum) waren anno 1998 nog niet bekend van Vlaanderen, en dus niet opgenomen in de Vlaamse Rode Lijst. Wij plaatsen ze hier, ter evaluatie van de bermen, in de categorie ‘zeldzaam’ (expert judgment). 2. De Rode Lijst van Maelfait et al. (1998) is inmiddels ruim 20 jaar oud. Door enerzijds nieuwe inzichten ten gevolge van veel nieuw verspreidingsonderzoek, en anderzijds door reële veranderingen (toename / afname) in het voorkomen van soorten, is de status van heel wat soorten niet meer adequaat, waaronder een deel van de i.k.v. voorliggend onderzoek gevangen Rode Lijst-soorten. We duiden dit (onder meer) in de soortbesprekingen meer concreet. Één voorbeeld: de Noordelijke veldwolfspin (Pardosa tenuipes) is recent zeer sterk toegenomen en hoort in de categorie ‘Momenteel niet bedreigd’ thuis. Via sleepvangsten, uitgevoerd op 20 en 22 mei 2020, zijn 306 spinnen gevangen. Dit betreft 26 spinnensoorten, waarvan slechts de helft, 13 soorten, ook met bodemvallen zijn gevangen. Met andere woorden, dit extra onderzoek leverde 13 extra spinnensoorten op. Van deze 26 soorten zijn 8 soorten opgenomen in de Rode Lijst. Hiervan zijn opnieuw de helft, dus 4 soorten, niet met de bodemvallen gevangen. De resultaten van het onderzoek met de sleepvangsten worden weergegeven in Bijlage. Alle spinnensoorten die niet met de bodemvallen gevangen zijn, werden met een asterix * gemarkeerd.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 90 van 352
In totaal, met de beide methodes samen (bodemvallen + sleepvangsten), zijn er in 2020 dus 108 (95 + 13) spinnensoorten door ons vastgesteld in de bermen van de R0. Van die 108 spinnensoorten zijn er 29 (25 + 4) op de Rode Lijst sensu stricto opgenomen, als men ook de 7 (5+2) randareaalsoorten mee in beschouwing neemt. In de analyse, de vergelijking met het eerder onderzoek, werken we enkel met de dataset bekomen via bodemvalonderzoek, omdat dit gestandaardiseerd onderzoek betreft, dat nauwkeurig kan vergeleken worden.
4 5 3 6 1 0 0 3 1 0 1 0 0 0 1 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0
23 26 26 26 23 26 25 22 25 21 15 17 23 23 10 23 21 9 19 5 16 17 17 17 13 16 12 15 11
Aantal 1678 1663 1200 869 743 457 285 273 264 215 212 207 155 136 131 121 117 113 89 80 77 77 77 72 52 48 45 40 39
Maelfait (1998)
Pachygnatha degeeri Pardosa pullata Alopecosa pulverulenta Xysticus kochi Pardosa palustris Xysticus cristatus Drassyllus pusillus Agyneta rurestris Tenuiphantes tenuis Trachyzelotes pedestris Alopecosa cuneata Trochosa ruricola Erigone dentipalpis Enoplognatha thoracica Argenna subnigra Mermessus trilobatus Pardosa prativaga Ozyptila simplex Hahnia nava Trochosa terricola Ozyptila sanctuaria Pelecopsis parallela Phrurolithus festivus Asagena phalerata Diplostyla concolor Euophrys frontalis Pardosa tenuipes Phlegra fasciata Palliduphantes insignis
N Locaties
Soort (Lat.)
Kleine dikkaak Gewone wolfspin Gewone panterspin Kochs krabspin Moeraswolfspin Gewone krabspin Kleine kampoot Veldprobleemspinnetje Bodemwevertje Stekelkaakkampoot Dikpootpanterspin Veldnachtwolfspin Aeronautje Bodemtandkaak Bodemkaardertje Drielobbige Amerikaanse dwergspin Oeverwolfspin Bonte bodemkrabspin Heidekamstaartje Gewone nachtwolfspin Bleke bodemkrabspin Neusballonkopje Bonte fruroliet Heidesteatoda Langtongspinnetje Gewone zwartkop Noordelijke veldwolfspin Gestreepte springspin Sikkelbodemwevertje
N Locaties Meest talrijk
Soort (Nl)
Tabel 21. Lijst van door middel van het bodemval onderzoek in 2020 langs de R0 aangetroffen spinnensoorten. De soorten zijn gerangschikt volgens het totaal aantal gevangen individuen (kolom “Aantal”). Ook het aantal bodemvallocaties waar de soort werd aangetroffen is aangegeven (N locaties), evenals het aantal locaties waar de soort de meest getelde was (N locaties meest talrijk) en de Rode Lijst categorie en habitat volgens Maelfait et al. (1998).
Bedreigd (Godt) Kwetsbaar (Godb)
Bedreigd (Godb) Kwetsbaar (Mc) Bedreigd (Godr) Bedreigd (Godt)
Kwetsbaar (Hd)
Rand areaal (Noord) Kwetsbaar (Godb)
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 91 van 352
Maelfait (1998)
Aantal
N Locaties
Soort (Lat.)
N Locaties Meest talrijk
Soort (Nl) Slank probleemspinnetje Klein haarpalpje Tuingroefkopje Latreilles kampoot Krulpalpje Vale zakspin Geknot bodemwevertje Storingsdwergspin Stekelrugje Gehoornd zonnedubbelkopje Groot haarpalpje Kleine piraat Kortkaakzakspin Slikwolfspin Oranje mierenjager
Agyneta mollis Centromerita concinna Microctenonyx subitaneus Zelotes latreillei Tiso vagans Clubiona diversa Palliduphantes pallidus Erigone atra Cercidia prominens Walckenaeria antica Centromerita bicolor Piratula latitans Clubiona neglecta Micaria micans Pardosa agrestis Zodarion italicum
0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0
8 11 1 8 12 5 15 7 8 7 6 5 9 10 3 4
34 34 28 27 24 23 21 19 18 18 16 16 15 15 13 13
Plat putkopje Rotsmuisspin Moswolfspin Gewone blinker Graswolfspin Schorrentandkaak Kustwolfspin Moeraskrabspin Gewone doolhofspin Vingerpalpputkopje Smal groefkopje Gewone bodemkrabspin Kraamwebspin Heidekrabspin
Micrargus subaequalis Drassodes lapidosus Arctosa leopardus Heliophanus flavipes Pardosa nigriceps Enoplognatha mordax Xerolycosa miniata Xysticus ulmi Agelena labyrinthica Micrargus herbigradus Monocephalus fuscipes Ozyptila praticola Pisaura mirabilis Xysticus acerbus
0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0
5 4 6 8 5 4 1 2 4 2 3 3 3 4
12 10 9 9 9 8 8 7 6 6 6 6 6 6
Zompzakspin Donker tepelpalpje Spiraaltrechterspin Gehaakte blinker Kleine heidehangmatspin
Clubiona reclusa Cnephalocotes obscurus Eratigena picta Heliophanus cupreus Microlinyphia pusilla Troxochrus scabriculus Agyneta fuscipalpa Robertus arundineti Araeoncus humilis Microneta viaria Stemonyphantes lineatus Xerolycosa nemoralis
0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0
5 2 2 3 4 1 1 4 3 3 3 2
5 5 5 5 5 5 4 4 3 3 3 3
Getand probleemspinnetje Moerasmolspin Bescheiden voorkopje Lentestrooiselspin Paardenkopje Bosrandwolfspin
Bedreigd (Rs) (Recent nieuw voor Vl.) Rand areaal (Noord)
Kwetsbaar (Gow)
Kwetsbaar (Godd) Bedreigd (Godb)
Met Uitsterven Bedreigd (Hdb)
Rand areaal (West) Bedreigd (Gowr)
Kwetsbaar (Fddv)
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 92 van 352
Maelfait (1998)
Aantal
N Locaties
Soort (Lat.)
N Locaties Meest talrijk
Soort (Nl) Boskrabspin Bonte zakspin Gewone muisspin Roodwitte celspin Bonte springspin Kelderkleinoogje V-vlek springspin Gewoon wevertje Griendwevertje Pionierdwergspin
Xysticus lanio Clubiona comta Drassodes cupreus Dysdera crocata Evarcha falcata Porrhomma egeria Aelurillus v-insignitus Bathyphantes gracilis Bathyphantes nigrinus Collinsia inerrans Diplocephalus graecus
0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0
1 2 1 2 2 1 1 1 1 1 1
3 2 2 2 2 2 1 1 1 1 1
Eratigena atrica Maso sundevalli Nurscia albomaculata Oedothorax retusus Pardosa lugubris Pocadicnemis juncea Porrhomma microphthalmum Pseudeuophrys lanigera Robertus lividus Talavera aequipes Tibellus oblongus Typhochrestus digitatus Zelotes petrensis
0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0
1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1
1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1
Gewone huisspin Gewoon dwergstekelpootje Bolkopvelddwergspin Zwartstaartboswolfspin Bleek heidegroefkopje Aeronautkleinoogje Huisspringspin Bosmolspin Ringpootzwartkop Gewone sprietspin Geknot groefkopje Steppekampoot
Kwetsbaar (Godd)
(Recent nieuw voor Vl.) Rand areaal (Noord)
Nieuw voor België Kwetsbaar (Fddv)
Kwetsbaar (Godbs) Kwetsbaar (Gowt) Kwetsbaar (Godt)
LEGENDE:
Godt: Droog schraalgrasland met graspollen, Godb: idem maar met plekken open bodem, Godbs: idem maar met plekken open bodem en zuidgericht, Godr: idem maar met ruige vegetatie, Godd: idem maar met stuikjes, Hd: Droge heide, Hdb: idem maar met plekken open bodem, Gow: Nat schraalgrasland, Gowr: idem maar met ruige vegetatie, Gowt: idem maar met graspollen, Mc: Grote-zeggevegetatie, Fddv: bosrand droog loofbos, Rs: zandige oevers.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 93 van 352
3.2.9.2 De talrijkst en meest schaars gevangen soorten De met bodemvallen gevangen spinnensoorten worden in bovenstaande Tabel 21 in afnemende volgorde van talrijkheid weergegeven. Er zijn 18 spinnensoorten waarvan in de loop van het onderzoek meer dan 100 exemplaren zijn gevangen met bodemvallen. Hiervan zijn vier Rode Lijstsoorten: Stekelkaakkampoot (Trachyzelotes pedestris), Dikpootpanterspin (Alopecosa cuneata), Bodemkaardertje (Argenna subnigra) en de Oeverwolfspin (Pardosa prativaga). Er zijn drie soorten waarvan in de loop van het onderzoek zelfs meer dan 1.000 exemplaren zijn gevangen. Dit zijn in Vlaanderen zeer algemene graslandsoorten. De twee talrijkst gevangen soorten, de Kleine dikkaak (Pachygnatha degeeri) en de Gewone wolfspin (Pardosa pullata), komen overeen met de twee meest talrijk gevangen soorten uit het onderzoek van Desender et al. (2004). In dat opzicht vonden er dus geen grote verschuivingen plaats. De relatieve dominantie van deze soorten nam eerder af tov 2004. Met andere woorden, toen waren deze nog (veel) talrijker. Van drie Rode Lijstsoorten, met name Heidekamstaartje (Hahnia nava), Bleke bodemkrabspin (Ozyptila sanctuaria) en Heidesteatoda (Asagena phalerata) zijn tussen de 50 en 100 exemplaren gevangen, wat nog steeds behoorlijk veel is. Omgekeerd, van 18 spinnensoorten is in de loop van het bodemvalonderzoek maar één exemplaar gevangen. Dit kan zowel zwervende exemplaren betreffen van soorten die geen populaties hebben in het gebied, als soorten die lastig te vangen zijn met bodemvallen. Onder die 18 soorten zijn er zeven Rode Lijstsoorten (vijf ‘kwetsbare’ soorten en twee randareaalsoorten). Belangrijk om weten hierbij is wel dat de aantallen met bodemvallen gevangen exemplaren van een bepaalde soort afhankelijk zijn van de mate van activiteit van de soort. De meeste soorten wolfspinnen (Lycosidae) lopen veel rond en worden daardoor in hoge aantallen gevangen, in tegenstelling tot vele webspinnen of soorten met een ‘sit and wait’ jachttechniek. Zes van de 18 talrijkst gevangen soorten zijn Wolfspinnen (Lycosidae), waarvan drie Pardosasoorten. Vier van de 18 talrijkst gevangen soorten zijn Dwerg- en Hangmatspinnen (Linyphiidae). Dit is met verre voorsprong de soortenrijkste spinnenfamilie in België, met anno 2009 niet minder 264 soorten (Bosmans & Van Keer 2017). Hiervan is er één uitgesproken pionierssoort, met name het Aeronautje (Erigone dentipalpis). Ook de Krabspinnen (Thomisidae) zijn goed vertegenwoordigd, met drie soorten in de top-18. Van de Bodemjachtspinnen (Gnaphosidae) zijn twee vertegenwoordigers talrijk, de Kleine kampoot (Drassyllus pusillus) en de Stekelkaakkampoot (Trachyzelotes pedestris). Daarnaast treffen we telkens één soort uit drie andere spinnenfamilies aan, met name de Strekspinnen (Tetragnathidae), Kogelspinnen (Theridiidae) en Kaardertjes (Dictynidae). 3.2.9.3 Voorkeursecotoop van de Rode Lijst-soorten De 22 Rode Lijst-soorten (s.s.) die voorliggend onderzoek opleverde (20 soorten met bodemvallen, 2 extra soorten met sleepvangsten), zijn door Maelfait et al. (1998) gekarakteriseerd naar ecotoopvoorkeur. We vinden de volgende verdeling: God = droge, voedselarme graslanden: 13 soorten; Gow = natte, voedselarme graslanden: 3 soorten; waarvan één specifiek gebonden aan de aanwezigheid van graspollen (Gowt) en een andere aan plekken ruigere vegetatie (Gowr); Mc = moerassen met grote-zeggenvegetaties: 1 soort; /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 94 van 352
Hd = droge heide: 2 soorten, waarvan één soort aan kale bodem gebonden is (Hdb); Fdd = droog loofbos: 2 soorten, beide gebonden aan bosranden (Fddv); dus eerder ‘bosrandsoorten’ dan ‘oud-bossoorten’ (id est soorten met voorkeur voor Fddd). Rs = zandige oeverhabitats.
Er is dus een zekere variatie in ecotoopvoorkeuren: er leven kensoorten van droge en natte voedselarme graslanden, van droge heide, van droge loofbossen en zelfs een enkele van moerasen oeverhabitats. Het hoge aantal (20) kensoorten van open, droge, voedselarme open (tot halfopen) ecotopen valt op: 2 kensoorten van droge loofbosranden, 2 kensoorten van droge heide en vooral, 13 soorten van droge, voedselarme graslanden. Er is geen enkele kensoort van droge gesloten ecotopen (droog loofbos) aangetroffen. Er is dan ook geen bos bemonsterd… Er zijn 17 kensoorten van droge ecotopen en 5 kensoorten van natte ecotopen aanwezig. Als we de 13 soorten met voorkeur voor het ecotoop ‘droge voedselarme graslanden’ nader beschouwen, zien we volgende microhabitat-voorkeur: Godb = droge, voedselarme graslanden met plekken kale bodem: 5 soorten, waarvan er 1 gebonden is aan zuidhellingen (Godbs); Godd = droge, voedselarme graslanden met dwergstruiken: 3 soorten; Godr = droge, voedselarme graslanden met plekken ruige vegetatie: 1 soort; Godt = droge, voedselarme graslanden met graspollen: 3 soorten; Godf = droge, voedselarme graslanden rijk aan bloemen: 1 soort;
Belangrijke besluiten hieruit zijn: dat 5 van de 13 soorten (38%) binnen deze al zeer schrale graslanden, een sterke binding heeft aan kale bodem (schrale open plekken, kale bodem); dat meer dan de helft van de soorten (7 van de 13 ofwel 54% van de aangetroffen soorten) binnen deze droge schrale graslanden nood heeft aan structuur, bijvoorbeeld grassen in pollen, of dwergstruiken, of in mindere mate (1 soort) plekken ruigere vegetatie. Het leefgebied van de meeste bijzondere soorten (zoals vermeld door Maelfait et al. 1998) bestaat dus uit verschillende vormen van droog schraal grasland, en dan zeker van de soorten die in aantal werden aangetroffen, met name Stekelkaakkampoot (Trachyzelotes pedestris), Dikpootpanterspin (Alopecosa cuneata), Bodemkaardertje (Argenna subnigra), Heidekamstaartje (Hahnia nava), Bleke bodemkrabspin (Ozyptila sanctuaria), Heidesteatoda (Asagena phalerata) en Gestreepte springspin (Phlegra fasciata). De enige echte uitzondering op die regel is de Oeverwolfspin (Pardosa prativaga), die op niet minder dan 21 locaties wordt aangetroffen. Als voorkeurshabitat worden grote-zeggevegetaties vermeld, maar onze ervaring is dat ze in een brede range aan vochtige tot natte ecotopen kan aangetroffen worden. Zo kan ze in valleigebieden in zowat alle types kruidige vegetaties worden aangetroffen. En tenslotte bevestigen we de vaststelling die Desender et al. (2004) reeds deden, dat bepaalde ‘storingssoorten’, namelijk van het type pioniersoorten die men veel in intensief agrarisch gebied vindt, slechts beperkt aanwezig zijn. De Gewone velddwergspin (Oedothorax fuscus) ontbreekt zelfs in 2020, terwijl er in 2004 nog 171 ex. zijn gevangen (weliswaar 170 op één locatie, WO2). /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 95 van 352
Van de Bolkopvelddwergspin (Oedothorax retusus) is slechts één exemplaar gevonden in 2020 (geen in 2004). De Storingsdwergspin (Erigone atra) is beperkt aanwezig (19 ex. in 2020; 13 ex. in 2004), meest op de ‘afwijkende’ locatie M1 (niet echt als grasland te beschouwen) in 2020. Ook de Pionierdwergspin (Collinsia inerrans) (1 ex. in 2020) is nauwelijks gevangen, en het Zwartgatje (Ostearius melanopygius) ontbrak zelfs in 2020 (1 ex. in 2004). Sommige andere ‘storingssoorten’ zijn echter wel in (groot) aantal aanwezig, en dan met name het Bodemwevertje (Tenuiphantes tenuis), Aeronautje (Erigone dentipalpis), de Drielobbbige Amerikaanse dwergspin (Mermessus trilobatus) en Langtongspinnetje (Diplostyla concolor). Deze soorten werden op bijna alle locaties aangetroffen, met uitzondering van het Langtongspinnetje (13 locaties). Zo zijn er van het Aeronautje 155 exemplaren gevangen in 2020 (slechts 30 ex. in 2004), verdeeld over 23 van de 26 onderzochte locaties, met de hoogste aantallen op de 2 locaties in Woluwe (W01 en WO2) en op de afwijkende locatie M1.
3.2.9.4
Gemeenschapssamenstelling 2020
Locatie M1 werd weggelaten uit de analyses aangezien het een outlier betreft met een sterk van de andere locaties afwijkende soortensamenstelling. Het is het enige staal gedomineerd door de storingssoort Bodemwevertje (Tenuiphantes tenuis), en samen met WE2 het enige met een groot aantal Drielobbige Amerikaanse dwergspin (Mermessus trilobatus), eveneens een storingssoort. Soorten die in de andere stalen domineren zijn nauwelijks aanwezig. Ongetwijfeld heeft de situering van de locatie M1, in de schaduw vlakbij een brug, hiermee te maken. De spinnengemeenschappen van de overige locaties worden samengevat in Figuur 29 en Figuur 30.
Figuur 29: Eerste twee assen van een Principal Component Analyse (PCA) van de spinnengemeenschappen langs de Brusselse Ring met de stalen en de 20 meest talrijk gevangen soorten.
De eerste as van de PCA scheidt de gemeenschappen gedomineerd door Kleine dikkaak (P. degeeri) en Gewone wolfspin (P. pullata), met bijkomende soorten als Bonte bodemkrabspin (O. simplex), van die met een dominantie van Kochs en Gewone krabspin (X. kochi en X. cristatus) en begeleidende soorten als Kleine kampoot (D. pusillus) (Figuur 29). /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 96 van 352
Rode Lijstsoorten geassocieerd met die eerste gemeenschap zijn vooral Schorrentandkaak (E. mordax), Moerasmolspin (R. arundineti) en Moswolfspin (A. leopardus) (Figuur 30). Bodemkaardertje (A. subnigra), Dikpootpanterspin (A. cuneata), Heidesteatoda (A. phalerata) en Gestreepte springspin (P. fasciata) zijn geassocieerd met de tweede gemeenschap. De tweede as is vooral geassocieerd met Gewone panterspin (A. pulverulenta), Gewone nachtwolfspin (T. terricola) en de Rode Lijstsoort Stekelkaakkampoot (T. pedestris) versus Moeraswolfspin (P. palustris) (Figuur 29).
Figuur 30:. Eerste twee assen van een Principal Component Analyse (PCA) van de spinnengemeenschappen langs de Brusselse Ring met de stalen en de Rode Lijstsoorten volgens Maelfait (1998). Enkel Rode Lijstsoorten die op minstens 3 locaties werden aangetroffen worden getoond.
De Rode Lijstsoorten Heidekamstaartje (H. nava), Oeverwolfspin (P. prativaga), Heidekrabspin (X. acerbus), Bleke bodemkraspin (O. sanctuaria), Slikwolfspin (P. agrestis), Noordelijke veldwolfspin (P. tenuipes) vertonen geen associatie met de eerste twee PCA assen (Figuur 30).
3.2.9.5
Onderliggende verklarende factoren 2020
De eerste as van de PCA is sterk gecorreleerd met het Ellenberg vochtgetal (r2=-0,57, p=0,0001) en in mindere mate het Ellenberg stikstofgetal van de vegetatie (r2=-0,28, p=0,0066) (Figuur 31), en scheidt de locaties met ofwel een zuidelijke oriëntatie op droge zandleem of leem of ofwel vlak met een droge zandbodem van de locaties met een noordelijke en westelijke oriëntatie of vlak met een pure leembodem. Bodemtype is dan ook sterk geassocieerd met de eerste as (Kruskal-Wallis test, p=0,0024). Met name droge leem is significant verschillend van droge zandleem en droog zand (pairwise Wilcoxon test, p=0,0078). Ook oriëntatie is significant geassocieerd met de eerste as (p=0,022), met name het verschil tussen vlak en zuid (p=0,037). Het verschil tussen noord en zuid was net niet significant (p=0,071), waarschijnlijk enkel door een te laag aantal locaties. De antropogeen verstoorde bodems vertonen geen duidelijke scheiding over de eerste as.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 97 van 352
Figuur 31:. Eerste twee assen van een PCA van de spinnengemeenschap, met de stalen en supplementaire variabelen expositie, bodemtype en Ellenberg vocht- en stikstofgetal van de vegetatie.
De tweede as scheidt vooral enkele locaties met een hoge en dichte grasvegetatie (Figuur 32), doorgaans met een ruderaal aspect (BWK code Ku), van de overige locaties. Vegetatie code Ku is echter (net) niet significant geassocieerd met de tweede as (Mann-Whitney U-test, W = 44, p-value = 0.09097). Het betreft dus locaties die ofwel niet gemaaid worden (m5) ofwel niet voldoende / tijdig om echt te verschralen (vb. z1) en/of noordelijk gericht (G1, G2).
Figuur 32: Eerste twee assen van een PCA van de spinnengemeenschap, met de stalen en het vegetatietype (resulterend uit de vegetatie-opnames 2020) als supplementaire variabelen.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 98 van 352
3.2.9.6
Soortbesprekingen
We bespreken de aangetroffen Rode Lijstsoorten. Eerst bespreken we de ecotoopvoorkeur volgens de
literatuur, vervolgens onze eigen bevindingen in het studiegebied. 3.2.9.6.1
Nieuw voor België
Nurscia albomaculata behoort tot de familie van de Rotskaardespinnen (Titanoecidae). Het is een soort met een meer zuidelijke verspreiding: Zuid-Europa tot Centraal-Azië (zie https://www.gbif.org/species/2151132). Ze is bekend van onze buurlanden Duitsland en Frankrijk (zie https://araneae.nmbe.ch/data/98/Nurscia_albomaculata). De Duitse naam is ‘Tienvlekkalksteenspin’ (‘Zehnfleck-Kalksteinspinne’). In de eerste helft van juni 2020 vingen we één subadult mannetje in het verkeersknooppunt van Sint-Stevens-Woluwe (K4). Onvolwassen spinnen zijn in de regel niet met zekerheid op naam te brengen, vermits de bouw van genitaalstructuren bepalend is voor zekere determinatie. Bepaalde soorten zijn op basis van kenmerkende tekening op het achterlijf echter herkenbaar. Zo ook deze soort. Maar om een soort ‘officieel’ nieuw voor België te melden, is een volwassen exemplaar vereist… Nurscia albomaculata is nooit eerder in België vastgesteld. De vraag stelt zich of dit exemplaar op eigen kracht de berm bereikt heeft, of dat ze zich via passief transport, door de mens, verplaatst heeft. Het lijkt ons eerder waarschijnlijk dat de soort op korte termijn ook elders in België wordt vastgesteld. 3.2.9.6.2
Recent nieuw voor België gemelde soorten
Diplocephalus graecus werd niet vermeld in Maelfait et al. (1998), wat impliceert dat ze op dat moment niet van België bekend was. Lambrechts et al. (2010) vonden de soort 2x aan de Westkust, in het VNR Ter Yde (2 ex. in 2005) en in de fossiele duinen (‘Cabourduinen’) in Adinkerke (1 mannetje eind oktober – begin november 2006). In Limburg zijn een aantal waarnemingen bekend: telkens een mannetje in een wegberm, in Gingelom (in 2017) en in Herstappe (in 2019), en voorts ook in de heidegebieden ‘de Teut’ en Tenhaagdoornheide (pers. med. Luc Crevecoeur, collectie Marc Janssen). Op 22 mei 2020 vingen we één mannetje Diplocephalus graecus in een snelwegberm van de R0, namelijk in het grasland D2 te Diegem. Zodarion italicum, de Oranje mierenjager, werd door Maelfait et al. (1998) vermeld voor België, maar niet voor Vlaanderen. Roberts (1998) vermeldt droge stenige gebieden en oude steengroeven als leefgebied. De soort komt noordwaarts voor tot Zuid-Limburg in Nederland en tot Zuid-Engeland, alwaar het duidelijk een xerothermofiele soort is, gebonden aan droge, warme, zonnige open ecotopen met veel kale bodem, zoals in bepaalde graslanden, voormalige kalksteen- en zandgroeves, ‘brownfields’ en (al dan verlaten) spoorwegbermen (http://srs.britishspiders.org.uk/portal.php/p/Summary/s/Zodarion+italicum). In Belgisch Limburg is Zodarion italicum enkel bekend van een populatie langs een spoorlijn nabij de voormalige Ford-terreinen in Genk, ontdekt in 2017 (pers. med. Luc Crevecoeur, collectie Marc Janssen) en van één mannetje op het ecoveloduct Wiemesmeer in Zutendaal in 2020 (Feys et al., in voorbereiding). In de provincie Antwerpen is Zodarion italicum verzameld tijdens een zeer uitgebreide inventarisatie van spinnen in Antwerpen stad (Van Keer et al., 2010).
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 99 van 352
In de bermen van de R0 zijn niet minder dan 13 exemplaren gevangen, op 4 locaties. Het betreft allicht 2 populaties, op flinke afstand van elkaar, met name in Groot-Bijgaarden (G1 en G2; 4 vrouwtjes en één mannetjes) en in Machelen (M3 en M5; 6 vrouwtjes, 2 mannetjes). 3.2.9.6.3
Met uitsterven bedreigd
Xysticus acerbus, de Heidekrabspin, is zeldzaam in Vlaanderen. De Nederlandse naam suggereert een voorkeur voor heide en ook Maelfait et al. (1998) geven ‘droge heide met plekken kale bodem’ (Hdb) op als voorkeurshabitat. Lambrechts & Janssen (2005) vermelden de soort van Oost-Limburg nochtans van meerdere plaatsen in droge schrale graslanden. De soort is er in 1999 in behoorlijke aantallen gevangen (in totaal 47 ex.) in de bermen van de snelweg E314, op zes vindplaatsen tussen Zonhoven en Maasmechelen, waarvan vier droge schrale graslandbermen in de verstedelijkte omgeving van Genk. Anderzijds deden deze auteurs tal van onderzoeken in droge heide in Limburg en daarbij is de soort niet gevangen. Het feit dat deze soort blijkbaar eerder droge (kalk)graslanden (ipv heide) bewoont, wordt ook door Roberts (1998) vermeld.
Figuur 33: Xysticus acerbus, de Heidekrabspin, is volgens de Rode Lijst de meest bedreigde spinnensoort die bij voorliggend onderzoek is aangetroffen. Er werd een populatie ontdekt in het verkeersknooppunt van Sint-StevensWoluwe (foto: Gilbert Loos (Beeldbank Arabel)).
Recent lijkt de soort (sterk) in toename te zijn. Ze wordt bijna systematisch gevangen bij recente bemonsteringen! Een eerste opvallende vondst was in 2008 in Het Vinne te Zoutleeuw, in het uiterste oosten van de provincie Vlaams-Brabant, waar opmerkelijk hoge aantallen gevonden zijn (61 exemplaren), daarenboven in ‘schijnbaar afwijkende ecotopen tov de gekende voorkeur. Er zijn namelijk /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 100 van 352
populaties gevonden in een nat ‘veenmosgrasland’ dat al lange tijd in natuurbeheer is, maar evenzeer in twee ‘schraalgraslanden’ die slechts kort voor de bemonstering zijn hersteld door plagbeheer, een vochtig en droog ‘schraalgrasland’ (Lambrechts et al., 2013). Zeer recent, in 2019, zijn drie exemplaren gevangen op het één jaar eerder aangelegde ecoduct Groenendaal over de R0 in het Zoniënwoud (Feys et al. 2020; Lambrechts et al. 2021). Dit gaat dus eerder om een ruderale vegetatie en geen droog schraal grasland… Bij voorliggend onderzoek in de bermen van de R0 zijn 5 mannetjes en 1 wijfje Heidekrabspin gevangen. Vijf van de 6 dieren zijn gevangen op drie nabij elkaar gelegen locaties in Kraainem, in het verkeersknooppunt van Sint-Stevens-Woluwe (K1, K2 en K3), waar dus een populatie aanwezig is. Een enkel mannetje is gevangen in Z1 in Wezembeek-Oppem. De vindplaatsen van deze soort zijn de bermen die het dichtst bij ecoduct Groenendaal liggen… 3.2.9.6.4
Bedreigd
Argenna subnigra, het Bodemkaardertje, is in de Benelux niet zeldzaam in de duinen en vrij zeldzaam op de hogere zandgronden in Nederland en het oosten van Vlaanderen (Roberts, 1998). In de Cabourduinen vonden we de soort slechts op 1 locatie (Lambrechts et al. 2010), maar bij later onderzoek in de Schuddebeurze vonden we de soort in aanzienlijke aantallen (56 ex.) (Lambrechts et al. 2015) en ook in het Zwin komt het Bodemkaardertje wijd verspreid (op 6 locaties) en vrij talrijk voor (60 ex. in totaal) (Lambrechts et al. 2016). Het Bodemkaardertje was anno 2020 de 15de talrijkst gevangen soort in de bermen van de R0, met 131 ex., terwijl ze in 2004 niet vastgesteld was! Het merendeel van de dieren, 120 ex., is wel afkomstig van 6 onderzochte locaties (D1 – D5 en DG5) in ‘één deelgebied’ (Diegem). Daarnaast is de soort in lage aantallen gevonden in Kraainem (K4, 2 ex.) en in Machelen (9 ex. verspreid over 3 locaties). Hahnia nava, het Heidekamstaartje, is sinds het verschijnen van de Rode Lijst van Maelfait et al. (1998) op heel wat nieuwe vindplaatsen aangetroffen. Voedselarme graslanden met plekken ruige vegetatie genieten de voorkeur volgens deze auteurs. De soort kan in flinke aantallen in snelwegbermen voorkomen, zo blijkt: in 14 verschillende bermen van de snelweg E314, met opmerkelijk hoge aantallen in een vochtig grasland met veel mossen te Maasmechelen (Lambrechts et al., 2000b). 50 dieren in een brede snelwegberm van de E34 in Postel in 2012 (tijdens de T0monitoring), op 100m ten oosten van de plaats waar twee jaar later ecoduct Kempengrens is aangelegd. In 2016 (T2) is één exemplaar Hahnia nava in de stobbenwal op het ecoduct Kempengrens gevonden (Lambrechts et al., 2017). Op ecoduct Kikbeek zijn in totaal 15 Heidekamstaartjes gevangen (Lambrechts et al., 2014) en tijdens de T7 op ecoduct De Munt drie ex. Heidekamstaartje. In de bermen van de R0 nam deze soort vrij sterk af in aantallen tussen 2004 (347 ex.) en 2020 (89 ex.). Nochtans is de soort anno 2020 nog wijd verspreid aanwezig, met name op 19 van de 26 onderzochte locaties. In 2004 was dit op 25 van de 26 locaties. In 2004 lagen de aantallen per locatie gemiddeld ook hoger, met op 14 locaties meer dan 10 exemplaren. Anno 2020 zijn er slechts op 2 plaatsen meer dan 10 ex. gevangen: DG5 (14 ex., zelfs iets meer dan in 2004, toen 9 ex.) en WO2 (11 ex.). /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 101 van 352
De twee locaties waar de soort in 2004 het talrijkst was, waren AS1 met 50 ex. (6 ex. in 2020) en K1 met 35 ex. (4 ex. in 2020). We hebben geen sluitende verklaring voor de afname van deze soort. Een doorgedreven verschraling zou voor deze soort, die een voorkeur voor plekken ruigere vegetatie heeft binnen droog voedselarm grasland, negatief kunnen uitpakken. Maar zulke verschraling is slechts op een beperkt aantal locaties aan de orde! De voorkeur voor ruigere vegetatie zien we in Woluwe, waar 11 ex. gevangen zijn in WO2 en geen dieren in het veel schralere, aanpalende WO1! Ook de relatief hogere aantallen op de twee locaties in Strombeek met hogere dichtere vegetatie (S1, 9 ex. en S2, 7 ex.) suggereren deze voorkeur. Ozyptila sanctuaria, de Bleke bodemkrabspin, heeft volgens Maelfait et al. (1998) een voorkeur voor droge, voedselarme graslanden met graspollen. Roberts (1998) meldt vindplaatsen in Nederlands Limburg en in België vooral in de duinen en het zuiden. Van Helsdingen (1999) vermeldt voor Nederland 3 vindplaatsen in Limburg en 1 in Zuid-Holland. De eerste waarnemingen voor Belgisch Limburg dateren van 1999 in snelwegbermen van de E314 in Zonhoven, Houthalen en Maasmechelen (Lambrechts et al., 2000b): in 2 droge, voedselarme graslanden met zeer korte vegetatie en in een berm waar een korte grasvegetatie afwisselt met hogere vegetatie van Struikheide, Pijpestro en Brem. De Bleke bodemkrabspin wordt door ons sinds 2000 frequent gevangen in Vlaanderen, wat een sterke indicatie is dat de soort in uitbreiding is. Deze toename zien we ook terug in de bermen van de R0, waar de soort toenam van 11 ex. in 2004 tot 79 ex. in 2020, en van 7 locaties (met lage aantallen) in 2004 tot 16 locaties in 2020. De soort is in 2020 meest gevonden in Kraainem, 30 ex. op de 4 locaties (K1 – K4) met de hoogste aantallen in K4 (14 ex.), de enige vindplaats met meer dan 10 dieren. Op het ecoduct Groenendaal is er in 2019 een populatie Bleke bodemkrabspin (13 ex. gevangen) vastgesteld (Feys et al. 2020; Lambrechts et al. 2021). Pardosa agrestis, de Slikwolfspin, behoort tot de ‘P. palustris’-groep en enkel mannetjes kunnen van de ‘tweelingsoort’ , de met uitsterven bedreigde Schorrenwolfspin (Pardosa purbeckensis), worden onderscheiden. Vaak worden P. agrestis en P. purbeckensis als 1 soort beschouwd. P. purbeckensis komt vrijwel enkel langs de kust voor en is op schorren zeer talrijk (Roberts, 1998). P. agrestis heeft een voorkeur voor zandige rivieroevers, maar wordt sporadisch ook op akkers (‘surrogaat-ecotoop’) gevonden. Een populatie is bekend van de bezinkingsputten van de suikerfabriek in Tienen, waar door industriële activiteit vaak grote oppervlaktes kaal slik voorhanden zijn (Lambrechts, 1999; Lambeets & Lambrechts, 2005). In de bermen van de R0 vingen we 13 exemplaren Slikwolfspin, verspreid over drie locaties: D1 (2 ex.), M3 (5 ex.) en WO2 (6 ex.). Opmerkelijk: op deze drie locaties zijn steeds ook één of meerdere andere locaties vlakbij de vindplaats (resp. D2, M2 én MG3, WO1) bemonsterd en daar is de soort niet gevonden. Ze lijkt er dus steeds zeer lokaal voor te komen. Robertus arundineti, de Moerasmolspin, is in de bermen van de R0 in 2004 in hogere aantallen (17 ex.) gevonden dan in 2020 (4 ex.). In 2004 ging het om 10 vindplaatsen, steeds met lage aantallen, in 2020 waren er 4 vindplaatsen met telkens slechts één exemplaar (2 plekken in Kraainem en 2 in Woluwe). De afname is ook bij andere vochtminnende soorten vastgesteld en houdt mogelijk verband met de ‘extreem’ droge en warme zomers 2018, 2019 en 2020. Op het ecoduct Groenendaal over de R0 is in 2019 één mannetje Moerasmolspin gevonden (Feys et al. 2020; Lambrechts et al. 2021). /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 102 van 352
Trachyzelotes pedestris, de Stekelkaakkampoot, komt/kwam in Nederland vooral op kalkgraslanden voor, maar in België is de soort algemener verspreid (Roberts, 1998). In Limburg en Vlaams-Brabant is de soort door ons de voorbije 20 jaren regelmatig gevangen, en uit de vindplaatsen blijkt een voorkeur voor droge, schraal begroeide (warme) graslanden (Lambrechts & Janssen, diverse publicaties). De (sterke) toename in vindplaatsen suggereert een (sterke) toename van deze schraalgraslandsoort. Dit werd alvast ondersteund door de bevindingen op het ecoduct De Warande, waar de soort gestaag is toegenomen doorheen de jaren: één exemplaar in 2006 (T1), vijf exemplaren in 2008 (T3) en 15 exemplaren in 2012 (T7), wijd verspreid over het ecoduct (Lambrechts et al., 2013a). Trachyzelotes pedestris is eveneens talrijk gevangen bij de T2 op het ecoduct Kempengrens (77 dieren) (Lambrechts et al., 2017) en bij de T7 op ecoduct De Munt (Feys et al., 2019; Lambrechts et al., 2019). De Stekelkaakkampoot was de talrijkst gevangen Rode Lijstsoort (65 ex.; op 12 van de 16 onderzochte locaties) op ecoduct Groenendaal in 2019 (Feys et al. 2020; Lambrechts et al. 2021). In de bermen van de R0 was dit anno 2020 de tiende talrijkst gevangen spinnensoort en de talrijkst gevangen Rode Lijstsoort. Ze nam sterk toe tussen 2004 (40 ex.) en 2020 (215 gevangen ex.). De soort komt wijd verspreid voor in de bermen van de R0 en is op 21 van de 26 onderzochte plekken aangetroffen in 2020, soms in hoge aantallen (vb. 43 ex. in Z1, Wezembeek-Oppem). Xerolycosa miniata, de Kustwolfspin, komt in de duinen voor, maar er zijn ook heel wat vindplaatsen in het binnenland, vooral in de Kempen. In Nederland is ze vrij zeldzaam in de duinen en nog zeldzamer in het binnenland (Roberts, 1998). Het is een soort van droge, voedselarme graslanden met kale (zandige) plekken (Maelfait et al., 1998). De Kustwolfspin is één van de 16 Rode Lijst spinnensoorten die in 2004 niet was aangetroffen en wel in 2020. De soort is slechts op één plaats gevonden, in Diegem, op locatie D1 en dus niet in het vlakbij gelegen D2. De vangstaantallen (8 ex.) wijzen wel op een lokale populatie.
3.2.9.6.5
Kwetsbaar
Aelurillus v-insignitus, de V-vlekspringspin, is slechts op één plek met één exemplaar gevonden, in M5 in Machelen. Dit laat voorts weinig zinvolle conclusies toe, te meer daar de soort in 2004 niet was aangetroffen. Alopecosa cuneata, de Dikpootpanterspin, was anno 2020 de 11de talrijkst gevangen spinnensoort, met 212 ex., en – nét na de Stekelkaakkampoot - de tweede talrijkst gevangen Rode Lijstsoort. Nog opmerkelijker: in 2004 is ze niet vastgesteld. De Dikpootpanterspin komt nochtans niet overal voor. Ze is aangetroffen op 15 van de 26 onderzochte locaties. Ze was vooral talrijk in Diegem: daar zijn 175 dieren gevangen op de 6 onderzochte locaties (D1-D5, DG5). Ook in Kraainem zit een populatie: 26 ex. op de 4 onderzochte locaties. In Machelen is ze slechts op 3 van de 6 onderzochte plekken gevonden (in totaal 9 ex.). In Wezembeek-Oppem en Woluwe is slechts een enkel dier gevangen, mogelijk dus eerder een zwerver. In de 4 westelijke deelgebieden van de R0, dus in Wemmel, Strombeek, Groot-Bijgaarden en Asse, ontbrak de soort.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 103 van 352
Arctosa leopardus, de Moswolfspin, is een soort met een kenmerkend uiterlijk die een voorkeur heeft voor nat voedselarm grasland met pollenvegetatie (Maelfait et al., 1998) terwijl ze volgens Roberts (1998) vooral in mosrijke venen algemeen kan zijn. Lambrechts & Janssen stelden in meerdere studies vast dat er een duidelijke voorkeur is voor schaars begroeide (niet beboste) natte terreinen (dus met veel kale natte plekken) (cfr. onder meer Lambrechts, 2002). De Moswolfspin nam licht af in aantal, met 14 ex. in 2004 versus 9 ex. in 2020. En ook de afname in aantal vindplaatsen was beperkt, met 7 in 2004 versus 6 in 2020. Het grootste verschil is dat de soort in 2004 in W02 met 8 ex. is gevangen versus maar één ex. in 2020. Maar voor een wolfspin zijn dit beide eerder lage aantallen. Waar de Moswolfspin goede populaties heeft, vangt men makkelijk tientallen ex. / locatie. Asagena phalerata, de Heidesteatoda, leeft vooral van mieren, en zou meestal in de buurt van (bos)mierennesten voorkomen (Roberts, 1998; Noordam, 1998). De voorkeur gaat uit naar droge heide (Maelfait et al., 1998). We stelden recent een toename van deze spinnensoort vast in Vlaanderen: we ontdekten tal van nieuwe vindplaatsen en vrij hoge aantallen, niet enkel in typisch leefgebied zoals in een soortenrijk heidegebied in Dessel (Lambrechts et al., 2012), maar ook na natuurherstel in het Vinne in Zoutleeuw, ver buiten de zandige Kempen (Lambrechts et al., 2013b) en op meerdere plaatsen in de duinen (cfr. overzicht in Lambrechts et al., 2018), alwaar de soort nooit eerder was vastgesteld! Ook op drie recent onderzochte ecoducten is de soort vastgesteld: in de omgeving van het ecoduct Kempengrens, op ecoduct De Munt en op ecoduct Groenendaal (Feys et al. 2020; Lambrechts et al. 2021). Op de 2 laatstgenoemde locaties was dit eerder onverwacht, omdat er geen droge heide of droge voedselarme graslanden in de directe omgeving aanwezig zijn. De Heidesteatoda was anno 2020 de 24ste talrijkst gevangen soort in de bermen van de R0, met 72 ex. Nochtans was ze anno 2004 nog niet vastgesteld! Deze mooie kogelspin is op niet minder dan 17 van de 26 locaties genoteerd. Bijna steeds ging het om eerder lage aantallen (vb. 7 keer 1 ex.). Op één locatie zijn opmerkelijk hoge aantallen gevangen, met name M4 in Machelen (31 ex.!). dit komt zeker overeen met de ecotoopvoorkeur van de Heidesteatoda, want dit is een locatie met zeer Ijle, lage vegetatie en een bijzonder warm microklimaat. Pardosa lugubris, de Zwartstaartboswolfspin, leeft op lichtrijke plaatsen in en bij droge loof- en naaldbossen. We vingen in 2020 één exemplaar in MG3 in Machelen, allicht een zwerver vanuit de warme, zuidwestgerichte ‘bosrand’ van de houtige vegetatie op enkele tientallen meters afstand van de vindplaats. Xerolycosa nemoralis, de Bosrandwolfspin, is een soort met een enigszins gelijkaardige ecotoopvoorkeur als bovenvermelde P. lugubris. We vonden één exemplaar op dezelfde locatie MG3 en 2 exemplaren in D2 in Diegem, waar geen boom te bekennen is in dit grasland… Pardosa prativaga, de Oeverwolfspin, is in een groot deel van de Benelux algemeen, op natte onbeschaduwde plaatsen (Roberts, 1998). Maelfait et al. (1998) vermelden een voorkeur voor moerassen met grote zeggenvegetaties. In de bermen van de R0 nam de Oeverwolfspin globaal vrij sterk af in aantallen tussen 2004 (316 ex.) en 2020 (117 ex.). Nochtans is de soort anno 2020 nog wijd verspreid aanwezig, met name op 21 van de 26 onderzochte locaties. Dat is maar één locatie minder dan in 2004 (toen 22 locaties). Een aanzienlijk deel van het verschil wordt verklaard door de aantallen op één locatie, M5, die terugvielen van 137 ex. in 2004 tot 2 ex. in 2020. Dat is te verklaren doordat dit grasland beplant werd en anno 2020 ruigte en struweel is, en geen grasland meer. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 104 van 352
Toch liggen ook elders de aantallen gemiddeld wat lager: zo waren er in 2004 niet minder dan 8 andere locaties waar meer dan 10 exemplaren zijn gevangen. In 2020 zijn er in totaal maar drie locatie met meer dan 10 ex: beide locaties in Woluwe (WO1, 26 ex., en WO2, 11 ex.) en de meest dichte vegetatie van de twee onderzochte in Wemmel (WE2, 13 ex;). Phegra fasciata, de Gestreepte springspin, staat bekend om haar binding aan plekken kale bodem in droge voedselarme graslanden (Maelfait et al., 1998). In de bermen van de R0 zijn in 2004 en 2020 precies evenveel dieren gevangen, namelijk 40. Dit zijn behoorlijke aantallen voor een springspin. In 2020 is de soort op 15 locaties gevangen, steeds in vrij lage aantallen (1-5 ex.) behalve wat meer in Wezembeek Oppem (Z1, 9 ex.). In 2004 was de soort op minder locaties gevangen (11), doch gemiddeld wat meer, en de hoogste aantallen in M3 (10 ex.). Talavera aequipes, de Ringpootzwartkop, is een springspin die in heel de Benelux een lokaal voorkomen heeft. In Nederland is de soort nog niet ten noorden van de Veluwe gevonden. De soort komt voor tussen stenen en lage vegetatie, op warme zonnige plekken (Roberts 1998). We stellen voor deze soort een sterke afname vast, van 12 exemplaren op 7 locaties in 2004, tot een enkel dier in 2020 in M3. Dit is, gezien de ecotoopvoorkeur, volledig tegen alle verwachtingen in. Zo lijkt locatie M4 ons geschikt voor deze soort.
Figuur 34: Talavera aequipes, de Ringpootzwartkop, is in 2020 in de bermen van de R0 in lagere aantallen dan in 2004 gevonden. © Foto Arnaud Henrard (Beeldbank ARABEL).
Zelotes petrensis, de Steppekampoot, ontbrak in 2004 en is slechts met één exemplaar gevangen in 2020, in Machelen (MG3). In de Kempen vinden we deze soort in schraal begroeide, open gebieden vaak in hoge aantallen.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 105 van 352
3.2.9.6.6
Zeldzaam
Agyneta fuscipalpa, het Getand probleemspinnetje, komt hier aan de westgrens van haar areaal voor. In Groot-Brittannië slechts bekend van één enkele locatie, een kalkgrasland. Voor Duitsland worden open, zandige habitats vermeld (http://srs.britishspiders.org.uk/portal.php/p/Summary/s/Agyneta+fuscipalpa). We vonden vier exemplaren in M4 in Machelen, in een zeer ijle, lage vegetatie en een bijzonder warm microklimaat. Ero aphana, de Vierspits-spinneneter, heeft in de Benelux haar noordgrens en houdt (bijgevolg) van warme plekken (Roberts, 1998). Ero-soorten hebben een nomadische levenswijze: ze gaan op zoek naar webben van andere spinnen en peuzelen de eigenaar op. We vingen met sleepvangsten één vrouwtje op 20 mei 2020, in M4 in Machelen. De locatie komt overeen met de ecotoopvoorkeur, want een zeer ijle, lage vegetatie en een bijzonder warm microklimaat.
Figuur 35: Ero aphana, de Vierspits-spinneneter, is enkel met sleepvangsten aangetroffen in de bermen van de R0. © Foto Ludwig Jansen (Beeldbank ARABEL).
Philodromus rufus, de Bonte renspin, kan – net als bepaalde andere renspinnen - als een ‘mantelzoomsoort’ beschouwd worden. We vingen de soort enkel via sleepvangsten, met name een mannetjes op 20 mei 2020 in Strombeek. Pardosa tenuipes, de Noordelijke veldwolfspin, is algemeen in Zuid-Europa, maar heeft (had) bij ons zijn noordgrens. In Nederland is (was) ze enkel in Zuid-Limburg gevonden (Roberts, 1998). De soort is recent sterk toegenomen en wordt tegenwoordig vaak in hoge aantallen gevonden. Eén (van de vele) voorbeeld(en): op ecoduct De Munt was het de talrijkst gevangen spinnensoort, met /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 106 van 352
1.357 ex. (dit was 27,6% van al de gevangen spinnen aldaar), verspreid over alle 16 onderzochte locaties (Feys et al. 2019; Lambrechts et al. 2019). Op het ecoduct Groenendaal zijn in 2019 zes mannetjes P. tenuipes gevangen met bodemvallen, vooral centraal op het ecoduct (Feys et al. 2020; Lambrechts et al. 2021). De Noordelijke veldwolfspin (Pardosa tenuipes) was anno 2020 in de bermen van de R0 de 27ste talrijkst gevangen soort, met 45 ex. In 2004 ontbrak ze nog in de bermen. De aantallen zijn, vergeleken met tal van andere onderzoeken, erg bescheiden. De soort is op 12 locaties gevonden, steeds minder dan 5 exemplaren, behalve in Strombeek (S1: 10 ex.; S2 14 ex.). 3.2.9.6.7
Momenteel niet bedreigd
Mermessus trilobatus, de Drielobbige Amerikaanse dwergspin, is in 1999 voor het eerst in België gevonden, in de Mechelse heide (Lambrechts et al., 2002). De soort heeft momenteel een holarctische verspreiding. Eerst kwam ze enkel in Noord-Amerika voor, nu ook in Europa. De soort heeft zich sindsdien sterk verspreid en wordt sinds 2007 ook in hogere aantallen gevonden zoals beschreven door Lambrechts et al. (2008). Mermessus trilobatus is één der meer algemene spinnensoorten in ons land geworden. De toename wordt ook op het ecoduct De Warande mooi geïllustreerd (Lambrechts et al. 2013a): één ex in 2006 (T1); 23 ex in 2008 (T3); 153 ex in 2012 (T7), verspreid over alle acht locaties, met de laagste aantallen aan de noordrand van de stobbenwal. Mermessus trilobatus was daarmee in 2012 de vijfde talrijkst gevangen spinnensoort, en de talrijkst gevangen niet-wolfspin, op het ecoduct De Warande. Op ecoduct Groenendaal vonden we Mermessus trilobatus in 2019 op 14 van de 17 onderzochte locaties, met in totaal 44 exemplaren (Feys et al. 2020; Lambrechts et al. 2021). Mermessus trilobatus is met 121 exemplaren de 16de talrijkst gevangen soort in 2020 in de bermen van de R0, terwijl ze in 2004 nog niet was aangetroffen. Ze is bovendien wijd verspreid, want gevonden op 23 van de 26 locaties. Overal ging het om minder dan 10 exemplaren, behalve in de sterk afwijkende locatie M1 (30 ex.) en in WE2, in Wemmel (22 ex.). Micaria micans, is recent (opnieuw) afgesplitst van de ‘tweelingsoort’ Micaria pulicaria, de Gewone mierspin. Beiden behoren tot de familie van de bodemjachtspinnen (Gnaphosidae) en lijken oppervlakkig op mieren (mimicry), waarschijnlijk om predatoren te misleiden en niet omdat ze op mieren jagen (Muster & Michalik, 2020). We vonden in 2020 in de bermen van de R0 15 exemplaren Micaria micans. Wat in 2004 vermeld staat als Micaria pulicaria, is allicht ook Micaria micans. Microctenonyx subitaneus, het Tuingroefkopje, behoort tot de hangmatspinnen (Linyphiidae). De soort heeft een holarctische verspreiding en is daarbuiten ook nog vastgesteld in Nieuw-Zeeland en Zuid-Amerika, mogelijk ingevoerd. M. subitaneus wordt sterk geassocieerd met stro en wordt aangetroffen in hooimijten, strorijk afval, tussen hooi en stro in stallen en mesthopen, enz. Ze kan frequent voorkomen in tuinen en volkstuinen, eerder in de minder beheerde delen van tuinen, in ruig gras, vooral dicht bij heggen (http://srs.britishspiders.org.uk/portal.php/p/Summary/s/Microctenonyx+subitaneus). In de bermen van de R0 vonden we de soort maar op één locatie, M1, maar daar zijn wel hoge aantallen gevonden (28 ex.). Dit illustreert nog eens het afwijkende karakter van deze locatie, een /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 107 van 352
smalle strook gras / ruigte in de schaduw, met veel antropogene invloed (betonnen jerseys aan de ene zijde, en ook brugpijlers vlakbij). Pseudeuophrys lanigera, de Huisspringspin, is algemeen in Zuid-Europa, breidt zich uit in de Benelux en komt er momenteel vooral in het westen voor; nabij menselijke bebouwing, meestal op muren, soms binnenshuis (Roberts 1998). We vingen één exemplaar in Machelen in M2. Dit is niet vlakbij een huis, maar wel vlakbij tal van bruggen.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 108 van 352
3.2.10 Fauna: loopkevers 3.2.10.1 Algemene bevindingen van het onderzoek in 2020 Een overzicht van de loopkeversoorten die gevangen zijn met bodemvallen, en hun totaalaantallen, wordt gegeven in onderstaande Tabel 22. Een overzicht van de loopkeversoorten die gevangen zijn met bodemvallen, en de aantallen per locatie, wordt gegeven in Bijlage §5.13. We vingen bij voorliggend onderzoek van de bermen van de R0 in 2020 met de bodemvallen in totaal 7.723 loopkevers, behorend tot 61 soorten. Hiertoe behoorden 18 soorten (=29,5%) die opgelijst zijn in de Rode Lijst van Desender et al. (2008), meer bepaald als (zie ook Tabel 22): Bedreigd (B): Harpalus pumilus; Kwetsbaar (K): Amara kulti en Harpalus modestus; Zeldzaam (Z): 14 soorten: Amara aulica, Amara bifrons, Amara eurynota, Calathus cinctus, Harpalus anxius, Harpalus attenuatus, Harpalus distinguendus, Harpalus luteicornis, Microlestes minutulus, Notiophilus quadripunctatus, Olisthopus rotundatus, Ophonus puncticeps, Panagaeus bipustulatus en Parophonus maculicornis; Achteruitgaand (A): Groene zandloopkever (Cicindela campestris) Opmerking: Soorten opgenomen in de categorie ‘zeldzaam’ (Z) zijn sensu stricto geen ‘Rode Lijst-soorten’. Het betreffen echter veelal wel habitatspecialisten waarvan bij de meeste niet echt sprake is van een toename. Vandaar dat we de ‘zeldzame’ soorten hier als doelsoorten voor het natuurbehoud beschouwen en als indicatoren voor evaluatie van de aanwezige ecotopen (en eventueel gevoerde beheer). Er zijn dus ‘maar’ drie soorten aangetroffen die volgens de Rode Lijst ‘in min of meerdere mate bedreigd’ zijn in Vlaanderen (categorieën ‘kwetsbaar’, ‘bedreigd’ of ‘met uitsterven bedreigd’). Drie loopkeversoorten bepalen de aantallen sterk: er zijn in totaal meer dan 1.000 exemplaren van gevangen met bodemvallen gedurende het onderzoek in 2020. In volgorde van afnemende talrijkheid zijn dit Poecilus (Pterostichus) cupreus (1925 ex), Poecilus (Pterostichus) versicolor (1762 ex) en Amara aenea (1591 ex.). Deze drie talrijkst gevangen soorten vertegenwoordigen méér dan 2/3 de (68,5%) van het totaal aantal gevangen loopkevers. Daarnaast zijn er nog 4 soorten, waarvan meer dan 100 ex. (en minder dan 1.000) zijn gevangen, waaronder twee Rode Lijstsoorten: de Kalkgroefkop (Parophonus maculicornis) en de Geelsprietkruiper (Harpalus luteicornis). De aantallen van eerstgenoemde soort (889 ex.) zijn zeer indrukwekkend. Omgekeerd, van 10 loopkeversoorten is in de loop van het bodemvalonderzoek maar één exemplaar gevangen. Dit kan zowel zwervende exemplaren betreffen van soorten die geen populaties hebben in het gebied, als soorten die lastig te vangen zijn met bodemvallen. Onder die 10 soorten zijn er drie Rode Lijstsoorten (‘zeldzame’ soorten). Het leefgebied van de meeste bijzondere (Rode Lijst) soorten, en dan vooral deze die op meerdere locaties aangetroffen werden, bestaat uit verschillende droge of zelfs xerotherme biotopen volgens Desender et al. (2008). Afgaande op deze auteurs, lijken er twee uitzonderingen te zijn:
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 109 van 352
de talrijk en in alle stalen aangetroffen Kalkgroefkop (Parophonus maculicornis), waarvoor ‘vochtige graslanden’ vermeld wordt als leefgebied door Desender et al. (2008), maar dit betreft een vergissing, zoals we aangeven in de soortbespreking (zie verder). Groene kruiper (Harpalus distinguendus), een soort van ‘Oevers van stilstaand eutroof water’ volgens Desender et al. (2008), maar ook dat klopt niet (of erg beperkt).
Er zijn geen kort gevleugelde (brachyptere) loopkeversoorten, die gevoelig zijn voor ecologische versnippering door transportinfrastructuur, aangetroffen bij voorliggend onderzoek. Er zijn twee dimorfe soorten gevonden waarvan vermoed wordt dat ze mogelijk versnipperingsgevoelig zijn: de Bronzen heideloper, Olisthopus rotundatus. Onder de soortbespreking wordt toegelicht waarom we vermoeden dat het hier een gevleugeld, mobiel exemplaar betrof. de Dwergkruiper, Harpalus pumilus.
Soort (Lat.)
N Locaties Meest talrijk
N Locaties
Aantal
Soort (Nl)
Desender et al. (2008)
Tabel 22:. Lijst van in 2020 met bodemvallen in de bermen van de R0 aangetroffen loopkeversoorten. De soorten zijn gerangschikt volgens het totaal aantal getelde individuen (kolom “Aantal”). Ook het aantal bodemval locaties waar de soort werd aangetroffen is aangegeven (N locaties), evenals het aantal locaties waar de soort de meest getelde was (N locaties meest talrijk) en de Rode Lijst categorie en habitat volgens Desender et al. (2008).
Koperen kielspriet Veelkleurige kielspriet Bronskleurige glansloopkever Kalkgroefkop Roodpoothardloper Geelsprietkruiper Gewone glimmer Veelkleurige loopkever Kleine dwergloper Bosstompkaak Oeverspiegelloopkever Bronzen dwergloper Akkerroodpootglimmer Vijfdoornkruiper
Poecilus cupreus Poecilus versicolor Amara aenea Parophonus maculicornis Harpalus rubripes Harpalus luteicornis Amara lunicollis Harpalus affinis Microlestes minutulus Badister bullatus Notiophilus substriatus Syntomus foveatus Amara familiaris
3 6 11 1 3 1 1 0 0 0 0 0 0
14 20 22 26 26 16 16 14 10 19 15 10 11
1925 1762 1591 890 332 296 177 80 68 59 58 49 44
Vochtige biotopen (eurytoop) (MNB) Droge biotopen (eurytoop) (MNB) Droge biotopen (eurytoop) (MNB) Vochtige graslanden (Z) Droge biotopen (eurytoop) (MNB) Droge biotopen (eurytoop) (Z) Vochtige biotopen (eurytoop) (MNB) Droge biotopen (eurytoop) (MNB) Droge biotopen (stenotoop) (Z) Bossen (eurytoop) (MNB) Droge schrale graslanden (MNB) Droge biotopen (stenotoop) (MNB) Droge biotopen (eurytoop) (MNB) Kalkgraslanden, stenige hellingen en andere xerotherme biotopen (KW) Kalkgraslanden, stenige hellingen en andere xerotherme biotopen (Z) Vochtige biotopen (eurytoop) (MNB) Oevers van stilstaand eutroof water (Z) Vochtige graslanden (MNB) Droge schrale graslanden (MNB) Droge schrale graslanden (KW) Droge biotopen (eurytoop) (MNB) Droge biotopen (stenotoop) (Z) Droge biotopen (eurytoop) (MNB) Droge biotopen (eurytoop) (MNB) Droge biotopen (eurytoop) (MNB)
Harpalus modestus
0
6
39
Ophonus puncticeps Amara communis Harpalus distinguendus Bembidion properans Syntomus truncatellus Amara kulti Clivina fossor Harpalus attenuatus Harpalus tardus Calathus melanocephalus Bembidion lampros
0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0
12 12 10 11 9 4 5 11 5 5 3
32 25 24 22 19 18 17 17 16 13 11
Slanke halmklimmer Kameelloopkever Groene kruiper Puntglanspriemkever Zwarte dwergloper Glanzende drietandglimmer Bietengraafkever Sobere kustkruiper Zandkruiper Zwartkoptandklauw Glanzende snelloopkever
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 110 van 352
Soort (Lat.)
N Locaties Meest talrijk
N Locaties
Calathus fuscipes Harpalus latus Nebria brevicollis Harpalus rufipes Trechus obtusus
0 0 0 0 0
3 4 5 7 4
9 9 9 7 7
Acupalpus dubius Amara eurynota Amara similata Asaphidion flavipes Cicindela campestris Harpalus pumilus Nebria salina Paradromius linearis Amara aulica Anisodactylus binotatus Anchomenus dorsalis Bembidion quadrimaculatum Bradycellus verbasci Harpalus anxius Notiophilus palustris Pterostichus vernalis Amara bifrons Amara ovata Bembidion lunulatum Clivina collaris Notiophilus quadripunctatus Amara plebeja Calathus cinctus Carabus granulatus Leistus fulvibarbis Notiophilus biguttatus Notiophilus rufipes Olisthopus rotundatus Panagaeus bipustulatus Pterostichus strenuus Stomis pumicatus
0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0
1 4 3 5 4 3 3 4 3 4 3 2 1 2 2 3 2 2 2 1 2 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1
5 5 5 5 5 5 5 5 4 4 3 3 3 3 3 3 2 2 2 2 2 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1
Breedrugglimmer Akkerglimmer Akkergrootoogkever Groene zandloopkever Dwergkruiper Heidekortnek Smalle schorsloper Fraaie kanaalkever Gewone roodkruin Akkersnelloper Viervlekpriemkever Ruigterondbuik Variabele kruiper Moerassnelkever Groeftarszwartschild Bruingele glimmer Ovale glimmer Kleine maanvlekpriemkever Akkergraver Vierpuntspiegelloopkever Gewone glansloopkever Mostandklauw Gekorrelde veldloopkever Zwartblauwe baardloper Tweevlekkige snelkever Bosspiegelloopkever Bronzen heideloper Tweevleksmalkop Gepuncteerde zwartschild Glimmende langkaak
Aantal
Desender et al. (2008)
Soort (Nl) Roodpotige breedhalsloopkever Breedkopkruiper Breedhalsnebria Aardbeiloopkever Gewone boogkever Moerasbontloper
Droge biotopen (eurytoop) (MNB) Droge biotopen (eurytoop) (MNB) Droge biotopen (eurytoop) (MNB) Ruigten en akkers (MNB) Droge biotopen (eurytoop) (MNB) Oevers van stilstaand eutroof water (MNB) Droge schrale graslanden (Z) Ruigten en akkers (MNB) Droge biotopen (eurytoop) (MNB) Droge biotopen (eurytoop) (A) Droge schrale graslanden (BE) Droge schrale graslanden (MNB) Droge biotopen (eurytoop) (MNB) Vochtige graslanden (Z) Vochtige biotopen (eurytoop) (MNB) Ruigten en akkers (MNB) Droge schrale graslanden (MNB) Droge biotopen (eurytoop) (MNB) Droge biotopen (stenotoop) (Z) Vochtige biotopen (eurytoop) (MNB) Vochtige biotopen (eurytoop) (MNB) Droge biotopen (stenotoop) (Z) Droge schrale graslanden (MNB) Vochtige biotopen (eurytoop) (MNB) Vochtige biotopen (eurytoop) (MNB) Bossen (stenotoop) (Z) Vochtige biotopen (eurytoop) (MNB) Droge schrale graslanden (Z) Vochtige biotopen (eurytoop) (MNB) Bossen (eurytoop) (MNB) Bossen (eurytoop) (MNB) Bossen (eurytoop) (MNB) Droge heide (Z) Droge biotopen (stenotoop) (Z) Droge biotopen (eurytoop) (MNB) Bossen (eurytoop) (MNB)
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 111 van 352
3.2.10.2 Gemeenschapssamenstelling 2020
Figuur 36. Eerste twee assen van een Principal Component Analyse (PCA, incl. percentage verklaarde variatie) van de loopkevergemeenschappen langs de Brusselse Ring met de stalen en de 20 meest talrijk gevangen soorten.
De eerste as van de PCA scheidt de gemeenschappen met een dominantie van Veelkleurige of Koperen kielspriet (P. versicolor en P. cupreus) en begeleidende soorten als Roodpoothardloper (H. rubripes), Gewone glimmer (A. lunicollis), Kameelloopkever (A. communis) en Puntglanspriemkever (B. properans), van die gedomineerd door Bronskleurige glansloopkever (A. aenea) met begeleidende soorten als Bronzen dwergloper (S. foveatus), Groene kruiper (H. distinguendus), Vijfdoornkruiper (H. modestus) en Veelkleurige loopkever (H. affinis) (Figuur 36). Met die eerste gemeenschap zijn geen Rode Lijst soorten geassocieerd (Figuur 37), met de tweede naast de bovenvermelde Vijfdoorn- en Groene kruiper ook Sobere kustkruiper (H. attenuatus), Groene zandloopkever (C. campestris) en in mindere mate Dwergkruiper (H. pumilus) en Kalkgroefkop (P. maculicornis). De tweede as scheidt vooral de locaties M1 en M5 van de overige af. Deze hebben vooral een groot aandeel Kalkgroefkop (P. maculicornis), vooral doordat de soorten die in de meeste andere stalen domineren zo goed als ontbreken of veel minder talrijk zijn. M1 bevat ook nog eens een uitzonderlijk groot aandeel Oeverspiegelloopkever (N. substriatus) en M5 het grootste aantal Bosstompkaak (B. bullatus) (Figuur 36). Tenslotte is er ook een Rode Lijst soort vrij sterk geassocieerd met deze tweede as: Amara eurynota (Figuur 37). Echter, het gaat over lage aantallen: drie van de in totaal 5 ex. die van deze soort gevangen zijn, was in M1 en M5. M1 en M5 zijn afwijkende locaties: ze zijn niet echt als typische graslandsites te beschouwen.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 112 van 352
Andere Rode Lijstsoorten, met name Geelsprietkruiper (H. luteicornis), Glanzende drietandglimmer (A. kulti), Kleine dwergloper (M. minutulus), Slanke halmklimmer (O. puncticeps) en Fraaie kanaalkever (A. aulica), vertonen weinig associatie met de eerste twee assen.
Figuur 37: Eerste twee assen van een Principal Component Analyse (PCA, incl. percentage verklaarde variatie) van de loopkevergemeenschappen langs de Brusselse Ring met de stalen en de Rode Lijstsoorten die op minstens 3 locaties werden aangetroffen
3.2.10.3 Onderliggende verklarende factoren 2020 Net als bij de spinnen is de eerste as van de loopkever PCA sterk gecorreleerd met het Ellenberg vochtgetal (r2=-0,41, p=0,0003) en in mindere mate het Ellenberg stikstofgetal van de vegetatie (r2=-0,22, p=0,015) (Figuur 37). De as scheidt de locaties met ofwel een zuidelijke oriëntatie op droge zandleem of leem of ofwel vlak met een droge zandbodem, van de locaties met een noordelijke en westelijke oriëntatie of vlak met een pure leembodem. Bodemtype is dan ook sterk geassocieerd met de eerste as (Kruskal-Wallis test, p=0,00084). Met name droge leem is sterk significant verschillend van droge zandleem en droog zand (pairwise Wilcoxon test, p=0,0078), terwijl ook droge leem en natte leem significant verschillen (p=0,0040). De verschillen tussen droge zandleem resp. droog zand enerzijds en natte leem resp. antropogeen anderzijds zijn net niet significant (p=0,0544), waarschijnlijk vooral door het lager aantal locaties. Ook oriëntatie is significant geassocieerd met de eerste as (p=0,0056), met name het verschil tussen vlak en zuid (p=0,0066). Het verschil tussen noord en zuid was net niet significant (p=0,050), waarschijnlijk enkel door een te laag aantal locaties. De antropogeen verstoorde bodems vertonen geen duidelijke scheiding over de eerste as. Het is opmerkelijk hoe nauwgezet de loopkevergemeenschappen het bodemtype (en de daarmee samenhangende vegetatie, en microklimaat) volgen, sterker nog dan de spinnen. Net daarom zijn het goede indicatoren uiteraard…
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 113 van 352
Figuur 38:. Eerste twee assen van een PCA van de loopkevergemeenschap (incl. percentage verklaarde variatie), met de stalen en supplementaire variabelen expositie, bodemtype en Ellenberg vocht- en stikstofgetal van de vegetatie.
De tweede as scheidt vooral locaties M1 en M5 van de overige locaties. M1 ligt in de schaduw van een brug, M5 heeft een dichte hoge grasvegetatie incl. jonge struiken. Denkelijk hebben ze voor loopkevers een gelijkaardig koel microklimaat. Er is echter geen duidelijke associatie tussen het vegetatietype of de aanwezigheid van een ruderaal aspect en de eerste twee PCA assen, hoewel vegetatietype (net) niet significant geassocieerd is met de eerste as (Kruskal-Wallis test, p-waarde = 0.062).
Figuur 39:. Eerste twee assen van een PCA van de loopkevergemeenschap (incl. percentage verklaarde variatie), met de stalen en het vegetatietype (resulterend uit de vegetatie-opnames 2020) als supplementaire variabelen.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 114 van 352
3.2.10.4 Soortbesprekingen Eerst bespreken we de ecotoopvoorkeur volgens de literatuur, vervolgens onze eigen bevindingen in het studiegebied. 3.2.10.4.1 Bedreigd Harpalus pumilus, de Dwergkruiper, (let op: anno 2004 werd dit synoniem gebruikt: H. vernalis) is in Nederland vrij zeldzaam, langs de Hollandse kust en op de Waddeneilanden (Muilwijk et al. 2015). In België voor 1950 in 21 atlashokken gevonden, tussen 1950 en 1980 in 2 atlashokken en in de periode 1980 – 2007 in 8 hokken, waarvan 2 aan de Westkust (Desender et al. 2008). De soort stond op de eerste Rode Lijst ook in dezelfde categorie (bedreigd). In de bermen van de R0 zijn in 2020 door ons 5 exemplaren Harpalus pumilus gevangen, 4 in Diegem (1 in D1 en 3 in D2) en één in Machelen (M3). De locatie waar we deze soort meest vingen in 2020, is tevens de enige vindplaats in het onderzoek van 2004. Toen zijn daar 2 exemplaren gevangen. In Diegem is dus al minstens 16 jaar een populatie aanwezig van de meest bijzondere loopkeversoort die in de R0 bermen is gevonden! Harpalus pumilus is een dimorfe soort. Wouter Dekoninck (pers. med.) vond één brachypteer individu in de Brugse heide, wat wijst op een relictpopulatie. 3.2.10.4.2 Kwetsbaar Amara kulti, de Glanzende drietandglimmer, is in België bekend van 19 UTM-hokken (van 5x5km) vóór 1950, vijf hokken tussen 1950 en 1980 en 10 hokken tussen 1980 en 2007 (Desender et al., 2008). De soort stond op de eerste Rode Lijst als ‘bedreigd’ dus één bedreigingsgraad hoger (Desender et al., 1995). Zelf vonden we de soort eerder in twee snelwegbermen, in Houthalen en Maasmechelen (Lambrechts et al., 2000b). De berm in Houthalen is een frequent gemaaide, zeer korte vegetatie met soorten uit het Dwerghaververbond (Thero-Airion). In de berm in Maasmechelen troffen we een hogere vegetatie aan met veel Gestreepte witbol en Rood zwenkgras en veel mossen (mesofiel hooiland). Vermeldenswaardig is ook de vondst van A. kulti op een verlaten akker in de Winterbeekvallei in Beringen (Thys & Desender, 2000), wat als een ‘pioniersituatie’ of ‘ruderaal terrein’ te beschouwen is. Maarten Jacobs (pers. med.) vond de soort op grazige heide op het Vliegveld van Malle. In 2018 vonden we drie exemplaren Amara kulti op het ecoduct De Munt in Wuustwezel (Feys et al. 2019). A. kulti is volgens Desender et al. (1995) een macroptere (gevleugelde) soort van droge, schrale graslanden die ook op ruderale terreinen kan voorkomen. In Noordwest-Europa is het een zeldzame soort en er is geen duidelijk ecologisch profiel van de soort. Er is een waarneming in aren van Gestreepte witbol. Net als bij andere Amara-soorten vormen graszaden een belangrijke voedselbron voor de adulte dieren (Turin, 2000). In de bermen van de R0 zijn in 2020 behoorlijke aantallen van de Glanzende drietandglimmer gevangen, namelijk 18 exemplaren. De meeste dieren (12 ex.) zijn gevangen in de eerdere ruige vegetatie in Strombeek (S1: 10 ex.; S2: 2 ex.). Daarnaast is ook een populatie aanwezig in de meest forse vegetatie van beide locaties te Wemmel (WE2: 5 ex.). Een enkel dier is gevangen te Machelen (MG3) waarbij een zwerver dus niet uit te sluiten is.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 115 van 352
Harpalus modestus, de Vijfdoornkruiper, is in België bekend van 14 UTM-hokken (van 5x5km) vóór 1950, vier hokken tussen 1950 en 1980 en 6 hokken tussen 1980 en 2007 (Desender et al., 2008). Sinds 2008 zijn er enkele nieuwe vondsten in Limburg (Oudsbergen) en Vlaams-Brabant (Wezemaal, 3 sites en Kortenberg, één site) (zie Dekoninck et al. 2019). De soort stond op de eerste Rode Lijst als ‘met uitsterven bedreigd’ dus twee stappen hoger qua bedreigingsgraad (Desender et al., 1995). In 2004 vond men twee exemplaren in de bermen van de R0, één in Diegem (DG5) en één in Machelen (M2). Anno 2020 vonden we de soort nog steeds in die 2 deelgebieden, maar in véél hogere aantallen (39 ex.). Vooral in Machelen is de soort veel gevonden (37 ex.), meer bepaald in de drie zuidwest gerichte, steile hellingen met schrale vegetatie (M2, M3 en M4), meest in de meest thermofiele berm (M4: 17 ex.). In Diegem zijn twee dieren gevangen (in D4). 3.2.10.4.3 Zeldzaam Amara aulica, de Distelglimmer, is in Nederland vooral in streken met kleiige of lemige bodem te vinden. Daar prefereert ze graslanden en ruderale situaties met vrij hoge maar niet te dichte vegetatie met veel grassen en composieten (vooral distels). De soort foerageert ’s nachts hoog in de vegetatie op zoek naar zaden (Turin, 2000). Volgens Desender et al. (1995) is in Vlaanderen het aantal UTM-hokken met vindplaatsen na 1950 verdubbeld (34) ten opzichte van voor 1950 (17), maar het blijft toch een minder algemene soort. De soort zou in Vlaanderen vochtige graslanden prefereren. We vonden in 2019 één exemplaar centraal op het ecoduct Groenendaal (Feys et al. 2020). In de bermen van de R0 zijn in 2020 vier exemplaren Amara aulica gevangen, drie in Machelen (M1, MG3) en één in Groot-Bijgaarden. Anno 2004 stond deze soort nog niet op de Rode Lijst (met andere woorden, ze stond vermeld als ‘momenteel niet bedreigd’). Toen is er door Desender et al. (2004) één exemplaar Amara aulica gevangen, in Diegem (D5). Amara bifrons, de Bruingele glimmer, is in België en Nederland zeer verspreid maar toont ook grote gaten in het verspreidingsgebied, zonder duidelijk patroon. Het aantal vindplaatsen is min of meer stabiel gebleven. Voor België liggen deze cijfers voor: 73 UTM-hokken (van 5x5km) vóór 1950, 40 hokken tussen 1950 en 1980 en 64 hokken tussen 1980 en 2007 (Desender et al., 2008). Het is een thermofiele soort met sterke binding aan zandgronden met een ijle mozaïekvegetatie, zoals weinig bemeste droge graslanden en akkers, ruderale terreinen en droge heide. Het is een goede vlieger die vaak op licht afkomt. Vooral de jonge dieren, kort na het uitkomen, hebben een dispersiefase. Later treedt er bij een aanzienlijk deel van de dieren vliegspierautolyse (reductie in vliegspierontwikkeling) op, hoewel ze goed ontwikkelde vleugels hebben (Turin, 2000). We vonden in 2019 twee exemplaren Amara bifrons centraal op het ecoduct Groenendaal (Feys et al. 2020). In de bermen van de R0 zijn in 2020 door ons twee exemplaren Amara bifrons gevangen, beide in Diegem. Anno 2004 stond deze soort nog niet op de Rode Lijst (met andere woorden, ze stond vermeld als ‘momenteel niet bedreigd’). Toen is er door Desender et al. (2004) één exemplaar Amara bifrons gevangen, in Diegem (DG5). Deze lage aantallen laten weinig conclusies toe.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 116 van 352
Amara eurynota, de Breedrugglimmer, kende een aanzienlijke achteruitgang in Vlaanderen, van een voorkomen in 17 UTM-hokken voor 1950 naar acht na 1950, wel verspreid over de regio. De soort is daarom als ‘kwetsbaar’ opgenomen in de eerste Rode Lijst (Desender et al., 1995). Ten tijde van de tweede Rode lijst lagen voor België deze cijfers voor: 61 UTM-hokken (van 5x5km) vóór 1950, 11 hokken tussen 1950 en 1980 en 42 hokken tussen 1980 en 2007 (Desender et al., 2008). De auteurs vermelden droge schrale graslanden en akkers als biotoop. De adulten voeden zich onder andere met zaden van Herderstasje. De soort is macropteer en kan vliegen. Turin (2000) vermeldt A. eurynota voor Noordwest-Europa in open terreinen, op kleiige of grindachtige bodem met dunne maar vrij hoge vegetaties met voorkeur voor extensief bewerkte cultuurgronden. Bijvoorbeeld graag op braaklanden tussen kruidenvegetaties. In Nederland komen de weinige bodemval-vangsten uit duingraslanden en duinstruwelen, maar dit geeft volgens de auteur een incompleet beeld van de terreinkeuze. In Nederland en omliggende landen is de soort volgens hem sterk achteruitgegaan. Op het ecoduct Groenendaal vingen we in 2019 drie exemplaren A. eurynota (Feys et al. 2020). In de bermen van de R0 zijn in 2020 – net als voor de twee hierboven vermelde Amara-soorten lage aantallen Amara eurynota gevangen (5 exemplaren). Hiervan zijn 3 dieren gevangen in Machelen, in M1 en M5, twee locaties die niet echt als typische graslandbermen kunnen beschouwd worden (beschaduwd resp. beplant). In 2004 was deze soort niet gevonden in de bermen van de R0. Calathus cinctus, de Mostandklauw, lijkt sterk op Calathus melanocephalus. C. cinctus heeft een meer zuidelijke verspreiding. Ze zou ook meer aangepast zijn aan tijdelijke biotopen en wordt in Nederland vooral in weinig bemeste, zandige cultuurterreinen met spaarzame vegetatie gevonden, evenals in duinen en droge, schrale graslanden (Turin, 2000). Desender et al. (1995) noemen het een droogteminnende soort die voornamelijk leeft op droge, schrale graslanden met korstmossen. Op de Mechelse heide (Maasmechelen) is ze enkel op een grote droog-zandige plagplaats gevonden en niet tussen Struikheide, waaruit men de zeer duidelijke voorkeur voor open, vegetatie-arme locaties binnen droge heide kan afleiden (Lambrechts et al., 2000a). Er zijn in België vondsten in 58 UTM-hokken (van 5x5km) vóór 1950, 9 hokken tussen 1950 en 1980 en 56 hokken tussen 1980 en 2007 (Desender et al., 2008). In de bermen van de R0 is in 2020 door ons slechts één exemplaar Mostandklauw gevangen (in M1), in 2004 geen enkel. Harpalus anxius, de Variabele kruiper, is gebonden aan open, zandige, droge terreinen met spaarzame vegetatie. Het aantal vindplaatsen in Nederland en omliggende gebieden is matig tot sterk gedaald. Ze komt vaak samen met Harpalus neglectus en Harpalus smaragdinus voor, die nog sterker bedreigd zijn (Turin, 2000). Er zijn in België vondsten in 71 UTM-hokken (van 5x5km) vóór 1950, 33 hokken tussen 1950 en 1980 en 70 hokken tussen 1980 en 2007 (Desender et al., 2008). Anno 2004 stond deze soort nog niet op de Rode Lijst (met andere woorden, ze stond vermeld als ‘momenteel niet bedreigd’). Toen zijn er door Desender et al. (2004) vier exemplaren Harpalus anxius gevangen, in Diegem (D2). Anno 2020 konden we de (kleine) populatie in Diegem bevestigen: we vonden drie exemplaren, verspreid over D1 en D2. Elders is de soort dus niet vastgesteld in de R0-bermen.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 117 van 352
Figuur 40: Harpalus anxius, de Variabele kruiper © Foto: Maarten Jacobs.
Harpalus attenuatus, de Sobere kustkruiper, was in Nederland tot eind jaren ‘90 nog erg zeldzaam zodat geen goed beeld bekomen is van de habitatvoorkeur. Ze komt er enkel op ruderale terreinen voor, vooral in de kustduinen en zeldzamer in het binnenland (Turin, 2000). In Midden-Europa leeft ze op xerotherme, schaars begroeide plaatsen. Er zijn in België vondsten in 9 UTM-hokken (van 5x5km) vóór 1950, 9 hokken tussen 1950 en 1980 en 59 hokken tussen 1980 en 2007 (Desender et al., 2008), wat een toename indiceert. Nochtans stond de soort anno 2004 nog niet op de Rode Lijst … (ze stond vermeld als ‘momenteel niet bedreigd’). Wij vangen deze soort geregeld in lage aantallen in diverse types droge schrale ecotopen: bijvoorbeeld in 1999 in zeven van de 33 onderzochte snelwegbermen van de E314 in MiddenLimburg, waarvan zes grazige bermen (Lambrechts et al., 2000b) en in drie van de 10 onderzochte brede bermen van het Albertkanaal in Zuidoost-Limburg (Indeherberg et al., 2003). In een heidegebied in Dessel (Antwerpse Kempen) zijn hoge aantallen Harpalus attenuatus vastgesteld in botanisch zeer soortenrijke, jaarlijks gemaaide heischrale wegbermen (Lambrechts et al., 2009). We vonden de soort in 2019 in lage aantallen (drie ex.) centraal op ecoduct Groenendaal (Feys et al. 2020). In de bermen van de R0 zijn de vangstaantallen in 2004 (15 ex.) en 2020 (17 ex.) vergelijkbaar. In 2020 is de soort op veel meer locaties (11) gevangen dan in 2004 (6 locaties), maar dus in lagere aantallen (1 – 2 ex., enkel 4 ex in M4) dan in 2004 (toen 10 ex. op 3 locaties in Diegem).
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 118 van 352
Figuur 41: Harpalus attenuatus, de Sobere kustkruiper, nam de voorbije decennia sterk toe in Vlaanderen (foto Maarten Jacobs).
Harpalus distinguendus, de Groene kruiper, wordt in Nederland vooral gevangen in droge heiden en zandige akkers. Droge en open, zon-geëxponeerde bodem met ijle vegetatie geniet de voorkeur (Turin, 2000). Er zijn in België vondsten in 92 UTM-hokken (van 5x5km) vóór 1950, 42 hokken tussen 1950 en 1980 en 66 hokken tussen 1980 en 2007 (Desender et al., 2008). Ook deze soort stond anno 2004 nog niet op de Rode Lijst (met andere woorden, ze stond vermeld als ‘momenteel niet bedreigd’). Toen is er door Desender et al. (2004) één exemplaar Harpalus distinguendus gevangen in de bermen van de R0, in M4. In 2020 lagen de vangstaantallen heel wat hoger, 24 ex. Dit was verspreid over 10 locaties en op 7 van deze locaties is maar één exemplaar gevangen. Enkel in de drie schraal begroeide, zuidwest geëxponeerde steile bermen te Machelen (M2, 6 ex.; M3, 7 ex. en M4, 4 ex.) lagen de aantallen hoger. Harpalus luteicornis, de Geelsprietkruiper, is in België bekend van 10 UTM-hokken (van 5x5km) vóór 1950, vier hokken tussen 1950 en 1980 en 18 hokken tussen 1980 en 2007. De soort is recent dus wat meer gevangen, en verspreid over Vlaanderen. Er is helemaal geen zwaartepunt in de Kempen te vinden (Desender et al., 2008). De soort is zelfs opvallend afwezig in tal van bodemvalonderzoeken in de Limburgse heidegebieden (o.a. Lambrechts et al. 2000a,b; Lambrechts 2002, Lambrechts et al. 2004, 2014). De soort is zeer zeldzaam in Nederland, verspreid over het land. Ze komt voor in lichtrijke bossen en op zandige, ruderale, open terreinen (Muilwijk et al., 2015). We vinden de soort recent ook wat vaker. Vooral op het ecoduct De Munt is de soort in hoge aantallen aangetroffen tijdens de T7 in 2018. Het was daar de derde talrijkst aangetroffen loopkeversoort in het onderzoek, met in totaal 113 exemplaren (Feys et al. 2019). Nochtans
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 119 van 352
vonden we een jaar later, in 2019, slechts één exemplaar van de Geelsprietkruiper op ecoduct Groenendaal (Feys et al. 2020). Anno 2004 stond Harpalus luteicornis op de Rode Lijst in de categorie ‘waarschijnlijk bedreigd’. Toen zijn er door Desender et al. (2004) 33 exemplaren gevangen, waarmee het toen de tweede talrijkst gevangen Rode Lijst soort was. Ze is wijd verspreid over 11 locaties aangetroffen. Anno 2020 is de Geelsprietkruiper nog steeds de tweede talrijkst gevangen Rode Lijst soort, maar met véél hogere aantallen. Er zijn namelijk 296 individuen gevonden, verspreid over 16 van de 26 onderzochte locaties. Opmerkelijk zijn de zeer hoge aantallen in Kraainem, 249 dieren op de 4 locaties (K1 – K4), waarvan 124 in K3. Eveneens opvallend is de afwezigheid in Machelen, behalve 15 ex. in MG3, maar dus geen enkel dier in de nabijgelegen bermen M3, M2 en M4, wat droge schrale graslanden zijn. Harpalus (Ophonus) puncticeps, de Slanke halmklimmer, was volgens de eerste Rode Lijst ‘zeldzaam’ op Vlaams niveau, met vindplaatsen in 18 UTM-hokken voor 1950 en 22 na 1950 (Desender et al., 1995). De tweede Rode lijst geeft volgende data voor heel België: 68 UTM-hokken (van 5x5km) vóór 1950, 35 hokken tussen 1950 en 1980 en 54 hokken tussen 1980 en 2007 (Desender et al., 2008). Volgens Turin (2000) leeft ze op terreinen die licht verstoord zijn zoals ruderale terreinen, wegbermen en groeven. Daarnaast worden ook schrale graslanden (ook kalkgraslanden) bewoond waar schermbloemigen voorkomen. In het najaar worden de volwassen dieren vaak in aantal aangetroffen in dichtgeklapte, verdrogende schermen van Wilde peen, waarvan de zaden de belangrijkste voedselbron voor de larven vormen. Er zijn vele vliegwaarnemingen bekend van deze macroptere soort en de soort wordt vaak op licht gevangen (bij nachtvlinderonderzoek). Het is dus vermoedelijk een goede verbreider. De soort koloniseerde het ecoduct Groenendaal in elk geval snel: we vingen 20 exemplaren op vijf (van de acht) locaties centraal op het ecoduct en zeven dieren op het westelijke talud (Feys et al. 2020). In de bermen van de R0 zijn er door Desender et al. (2004) 19 exemplaren gevangen, waarmee het toen de derde talrijkst gevangen Rode Lijst soort was. Alle dieren zijn toen in Diegem aangetroffen, de meeste in D5 (14 ex.). Anno 2020 is de soort wat meer gevangen, 32 individuen, verspreid over veel meer locaties, nl. 12. Nog steeds komen de meeste dieren van Diegem (15 ex., wél verspreid over 5 bemonsterde locaties aldaar). Microlestes minutulus, de Kleine dwergloper, wordt xerofiel en heliofiel genoemd (droogte- en zonminnend). De voorkeur gaat uit naar vrij droge, open en zonnige plaatsen op zandige of grindachtige, soms kleiige, bodem, met ijle vegetatie (Turin 2000). Ook deze soort slaagde er zeer snel in om het ecoduct Groenendaal te koloniseren. We vingen drie exemplaren centraal op het ecoduct (Feys et al. 2020). Desender et al. (2004) vingen slechts 2 exemplaren Microlestes minutulus in de bermen van de R0, in Asse. Op die locatie is de soort anno 2020 niet meer aangetroffen, maar wél zijn er niet minder dan 68 exemplaren Microlestes minutulus gevangen, verspreid over het grootste deel van de R0, in vier deelgebieden: Meest in Machelen: 43 ex. verspreid over de drie schraal begroeide, zuidwest geëxponeerde steile bermen (M2, 19 ex.; M3, 23 ex. en M4, 1 ex.); Ook veel in Kraainem: 19 ex. verspreid over de 4 locaties K1-K4; Lage aantallen in Woluwe: 5 ex. (WO1 en WO2); /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 120 van 352
Een enkel ex. in Wemmel (WE2).
Notiophilus quadripunctatus is een kenmerkende soort van bossen, vooral op zwaardere bodems, en is in de periode 1980 - 2007 slechts van 35 UTM hokken in heel België bekend (Desender et al., 2008). Wouter Dekoninck (pers. med.) laat weten dat die habitat-afbakening allicht niet meer klopt. Hij vindt de soort in Brugge vooral in droge graslanden, heides en bosranden. Deze soort neemt volgens hem toe in Vlaanderen. We vingen in 2020 telkens één exemplaar in K2 en K3, in de verkeerswisselaar St Stevens Woluwe. Daar zijn wel wat houtige aanplanten aanwezig (zie Figuur 102). Olisthopus rotundatus, de Bronzen heideloper, prefereert volgens Desender et al. (1995) een droge kiezel- of zandbodem met een schaarse vegetatie (van Struikhei, grassen en korstmossen). Bij deze dimorfe soort zijn in België slechts lage percentages gevleugelde dieren gevonden: 7 macroptere dieren versus 136 brachyptere (Desender 1986). In Denemarken, veel dichter bij de areaalgrens, lag dit percentage macropteren veel hoger, nl ca. 40%. Ook bij de macroptere vorm blijken de vleugels gereduceerd en er zijn geen vliegspieren vastgesteld bij de Belgische dieren. Er zijn geen vliegwaarnemingen bekend (Turin 2000). Dit wijst er op dat het een versnipperingsgevoelige soort is. De Bronzen heideloper is in 2004 niet vastgesteld in de bermen van de R0. In 2020 is één exemplaar gevangen op de schraal begroeide, zuidwest geëxponeerde steile berm M3 in Machelen. Maarten Jacobs heeft het exemplaar gecontroleerd op vleugellengte en het leek volledig ontwikkelde achtervleugels te hebben. Of er ook functionele vliegspieren zijn, weten we niet omdat we geen ervaring hebben om dit na te gaan. Wel waren de vleugels deels uitgeklapt wat erop wijst dat de soort bij het in de vloeistof vallen de vleugels geopend heeft. Dit wordt doorgaans enkel vastgesteld bij soorten die ook effectief kunnen vliegen. Besluit: we hebben weinig ervaring met het inschatten van functionaliteit van achtervleugels en vliegspieren en we kunnen daarom niet met zekerheid zeggen of de achtervleugels echt functioneel zijn, maar de inschatting van loopkeverexpert Maarten Jacobs is van wel. Parophonus maculicornis, de Kalkgroefkop, kende een vrij sterke achteruitgang bij vergelijking van de periode voor 1950 (11 UTM-hokken) met de periode 1950-1995 (slechts in vijf UTM-hokken) en werd toen als ‘kwetsbaar’ beschouwd (Desender et al., 1995). De meest recent verschenen loopkeveratlas (Desender et al., 2008) geeft volgende cijfers voor heel België: vindplaatsen in 32 atlashokken voor 1950, in zeven hokken tussen 1950 en 1980 en in 35 hokken tussen 1980 en 2007. Desender et al. (1995) geven aan dat de soort voorkomt in schrale graslanden, vaak op kalkgraslanden. Vreemd genoeg vermelden Desender et al. (2008) ‘vochtige graslanden’ als habitat, wat zonder twijfel een vergissing betreft. De Kalkgroefkop is een macroptere (gevleugelde) soort die hier aan de rand van haar areaal voorkomt. Ze bereikt bij ons de noordgrens van haar verspreidingsgebied in Europa. In Nederland is de soort enkel van het zuiden bekend: Zuid-Limburg en 1 recente vangst in Zeeland (Turin, 2000). Volgens Turin is het een thermofiele soort, die vooral op kalkbodem leeft maar ook op zandsteen, vaak aan de voet van bomen of muren. In Nederland komen vangsten van ruderale terreinen, kruidenrijke graslanden, weinig bemeste akkers op kalkbodem en kalkgraslanden. Bij het onderzoek van de snelwegbermen langs de Brusselse Ring in 2004 is de Kalkgroefkop op 24 van de 26 onderzochte locaties gevonden, soms in hoge aantallen (vooral in Machelen en Diegem). In totaal zijn toen 374 ex. gevangen, wat zeer spectaculair was voor een soort die op dat moment nog erg zeldzaam was. De auteurs vonden de soort recent ook elders in Vlaanderen en opperen dat ze door de klimaatswijziging toegenomen is (Desender et al., 2004). /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 121 van 352
Zelf vingen we de soort sinds 2003 ook frequent, bijvoorbeeld aan de Tiense bezinkingsputten (4 mannetjes en 5 wijfjes in 2004), in natuurgebieden in Hoegaarden in 2003-2004 (wijd verspreid en talrijk aanwezig) (Lambrechts et al. 2007) en nadien nog in vele andere gebieden. Onze eigen ervaringen (ook sinds de atlas van Desender et al., 2008) zijn dus dat deze soort zonder twijfel sterk is toegenomen. Op het ecoduct De Munt vingen we in 2018 in totaal 29 ex., op het ecoduct Groenendaal langs de R0 ontbrak de soort echter bij onderzoek in 2019 (Feys et al. 2020), wat vreemd is gezien de grote populaties elders langs de R0. Ook in West- en Oost-Vlaanderen wordt de soort de laatste 10 jaar veel gemeld in uiteenlopende ecotopen. In de nieuw te verschijnen Rode Lijst (2021) zal deze soort als ‘momenteel niet bedreigd’ beschouwd worden (pers. med. Wouter Dekoninck). De Kalkgroefkop is sinds 2004 nog sterk toegenomen in de bermen van de R0. Er zijn anno 2020 niet minder dan 890 exemplaren gevangen en daarmee was het de vierde talrijkste soort van het onderzoek, en (net als in 2004) de talrijkste Rode Lijst soort. De Kalkgroefkop is - samen met de Roodpoothardloper (Harpalus rubripes), die de vijfde talrijkste soort van het onderzoek was - de enige soort die op alle 26 onderzochte locaties is gevonden in 2020. De hoogste aantallen zijn nog steeds voor Diegem (404 ex. op de 6 aldaar onderzochte locaties, waarvan 191 in D4!) en Machelen (286 ex. op de 6 aldaar onderzochte locaties). Opmerkelijk, en lastig te verklaren, zijn in Machelen de hoge aantallen (89 ex.) in M1 ((deels) beschaduwde situatie) versus lage aantallen (slechts 4 ex.) in de nabijgelegen thermofiele berm M4. 3.2.10.4.4 Achteruitgaand Cicindela campestris, de Groene zandloopkever, is in Nederland de meest eurytope zandloopkeversoort die in hoogveen, natte en droge heide en op paden in lichte bossen voorkomt (Turin, 2000). Binnen droge heide is de soort het talrijkst in lage heidevegetaties, maar kan ook gezien worden op kleine open plaatsen te midden van een hoge, dichte struikheidevegetatie (Lambrechts et al., 2000a). Het is een soort die zich snel kan verspreiden en zich goed kan handhaven in dynamische milieus. Daar kunnen hoge dichtheden gehaald worden (vb. https://waarnemingen.be/observation/209680716/). Nu de losse gegevens van waarnemingen.be zullen meegenomen worden in de nieuw te verschijnen Rode Lijst (2021), zal deze soort als ‘momenteel niet bedreigd’ beschouwd worden (pers. med. Wouter Dekoninck). In 2020 zijn in de bermen van de R0 in totaal 5 Groene zandloopkevers gevangen, meer bepaald te Machelen in de schraal begroeide, zuidwest geëxponeerde steile bermen M2, M3 en M4, en meer aan de voet van deze berm (MG5). In 2004 is de soort niet vastgesteld.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 122 van 352
3.2.10.4.5 Momenteel niet bedreigd Carabus granulatus, de Kettingschallebijter (of Gekorrelde schallebijter), is wellicht de talrijkste Carabus-soort in Vlaanderen. De soort is gebonden aan vochtige terreinen. Men vindt vooral hoge aantallen in natte gebieden met staand dood hout. Het is geen zeldzaamheid om honderden exemplaren samen overwinterend achter de schors van een dode boom aan te treffen. De Kettingschallebijter is de enige Carabus-soort die lang gevleugeld is. In 2020 is in de bermen van de R0 slechts één Kettingschallebijter gevangen, in Strombeek. In 2004 is de soort niet vastgesteld. Er is geen enkele andere Carabus-soort vastgesteld. Geen gouden schallebijter (Carabus auratus), geen Graslandschallebijter (Carabus monilis), zelfs geen Tuinschallebijter (Carabus nemoralis)… Deze grote, fraaie loopkevers zijn in grote delen van het sterk versnipperde en qua natuurkwaliteit gedegradeerde Vlaanderen, compleet van de kaart geveegd… terwijl de verspreidingskaarten tonen dat ze een eeuw geleden een wijde verspreiding hadden in de Brusselse regio.
Figuur 42: De Kettingloopkever (Carabus granulatus) is in Vlaanderen een zeer algemene soort van vochtige tot natte terreinen. In de bermen van de R0 vingen we één exemplaar in Strombeek. We troffen geen enkele andere Carabussoort aan in de bermen van de R0. © Foto Maarten Jacobs.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 123 van 352
3.2.11 Fauna: mieren 3.2.11.1 Algemene bevindingen van het onderzoek in 2020 Een overzicht van de mierensoorten die gevangen zijn met bodemvallen, en hun totaal-aantallen, wordt gegeven in onderstaande Tabel 23. Een overzicht van de mierensoorten die gevangen zijn met bodemvallen, en de aantallen per locatie, wordt gegeven in Bijlage §5.14.
16 8 1 0 0 0 1 0 0 0 0 0
25 16 9 19 16 16 4 2 4 3 1 1
Aantal 7670 5336 606 328 317 212 76 66 4 3 1 1
Rode Lijst
Lasius niger Myrmica scabrinodis Myrmica sabuleti Lasius flavus Myrmica rugulosa Formica cunicularia Tetramorium caespitum Myrmica rubra Myrmecina graminicola Lasius fuliginosus Lasius umbratus Myrmica ruginodis
N Locaties
Soort (Lat.)
Wegmier Moerassteekmier Zandsteekmier Gele weidemier Kleine steekmier Bruine baardmier Zwarte zaadmier Gewone steekmier Oprolmier Glanzende houtmier Schaduwmier Bossteekmier
N Locaties Meest talrijk
Soort (Nl)
Tabel 23:. Lijst van met bodemvallen in 2020 langs de R0 aangetroffen mierensoorten. De soorten zijn gerangschikt volgens het totaal aantal getelde individuen (kolom “Aantal”). Ook het aantal bodemval locaties waar de soort werd aangetroffen is aangegeven (N locaties), evenals het aantal locaties waar de soort de meest getelde was (N locaties meest talrijk) en de Rode Lijst categorie volgens Dekoninck et al. (2003).
Momenteel niet bedreigd Momenteel niet bedreigd Momenteel niet bedreigd Momenteel niet bedreigd Momenteel niet bedreigd Momenteel niet bedreigd Momenteel niet bedreigd Momenteel niet bedreigd Kwetsbaar Momenteel niet bedreigd Momenteel niet bedreigd Momenteel niet bedreigd
We vingen bij voorliggend onderzoek van de bermen van de R0 in 2020 met de bodemvallen in totaal 14.620 mieren, behorend tot 12 soorten. Hiertoe behoort één soort opgelijst als Kwetsbaar in de Rode Lijst van Dekoninck et al. (2003), de Oprolmier (Myrmecina graminicola). De Oprolmier is overal in Europa te vinden in thermofiele terreinen. Ze vormt zeer kleine kolonies van maximaal 50 werksters. Deze situeren zich diep onder de grond en de werksters zouden enkel na zeer hevige regenbuien naar de oppervlakte komen. Dit alles maakt dat het geen makkelijk waarneembare soort is. De soort is van een vijftiental plaatsen in Vlaanderen bekend, vooral in stenige habitats, zowel urbaan als op mijnterrils en halfnatuurlijke plaatsen. Daarnaast is ze merkwaardigerwijs ook al in natte graslanden gevonden, onder andere in de Laanvallei nabij het Rodebos (Dekoninck et al., 2003). De Oprolmier is op 4 locaties in de bermen van de R0 vastgesteld, telkens slechts één exemplaar: Machelen, Wemmel (WE1 én WE2) en Wezembeek-Oppem.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 124 van 352
Bij de mieren vangt men vooral werksters en in mindere mate geslachtsdieren. De vangstaantallen zijn sterk gerelateerd aan de afstand tot een mierennest. De aantallen van de twee dominante soorten, de Moerassteekmier (M. scabrinodis) en de Wegmier (L. niger), vertegenwoordigen 89% van de totale vangstaantallen.
3.2.11.2 Gemeenschapssamenstelling 2020 Locatie M4 werd weggelaten uit de analyses aangezien het een outlier betreft met een sterk van de andere locaties afwijkende soortensamenstelling. Het is het enige staal waar de Zwarte zaadmier in aantal, en als dominante soort, werd aangetroffen. Dat is niet onverwacht: de Zwarte zaadmier is een thermofiele soort en M4 is als zuidwest gerichte, steile helling met schrale vegetatie de meest ‘warme’ locatie.
Figuur 43. Eerste twee assen van een Principal Component Analyse (PCA, incl. percentage verklaarde variatie) van de mierengemeenschappen langs de Brusselse Ring met de stalen en soorten.
De eerste as van de PCA scheidt de gemeenschappen met een dominantie van Moerassteekmier (M. scabrinodis) van die gedomineerd door Wegmier (L. niger) met begeleidende soort Kleine steekmier (Figuur 43). Dit illustreert duidelijk een nat-droog gradiënt. De tweede as scheidt de locaties gedomineerd door Wegmier met een hoger aandeel Gele weidemier (L. flavus) en Oprolmier (M. graminicola) van die met Bruine baardmier (F. cunicularia) en Zandsteekmier (M. sabuleti).
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 125 van 352
3.2.11.3 Onderliggende verklarende factoren 2020
Figuur 44:. Eerste twee assen van een PCA van de mierengemeenschap (incl. percentage verklaarde variatie), met de stalen en supplementaire variabelen expositie, bodemtype en Ellenberg vocht- en stikstofgetal van de vegetatie.
Net als bij de spinnen en loopkevers is de eerste as van de mieren PCA sterk gecorreleerd met het Ellenberg 2 2 vochtgetal (r =0,38, p=0,0004) en in mindere mate het Ellenberg stikstofgetal van de vegetatie (r =0,18, p=0,039) (Figuur 44). In tegenstelling tot de spinnen en loopkevers is het de oriëntatie (Kruskal-Wallis test, p=0,016) die vooral geassocieerd is met de eerste as, eerder dan het bodemtype (p=0,15). De locaties met een zuidelijke oriëntatie zijn significant gescheiden van de vlakke (pairwise Wilcoxon test, p=0,037). De verschillen tussen een noordelijke en zuidelijke oriëntatie zijn net niet significant (p=0,071), waarschijnlijk enkel door het lage aantal locaties. Bodemtype is sterk geassocieerd met de tweede PCA as (Kruskal-Wallis test, p=0,0049), die de locaties op droge zandleem scheidt van die op droge leem (p=0,016) en droog zand (p=0,040), en net niet significant van de locaties op natte leem (p=0,089). Dat laatste is waarschijnlijk te wijten aan het lager aantal locaties. F. cunicularia en M. sabuleti zijn geassocieerd met de locaties op zandleem. De (drogere) locaties gedomineerd door L. niger op droog zand of op leem hebben eerder Gele weidemier en/of Oprolmier als begeleidende soorten. Vegetatietype of een ruderaal aspect van de vegetatie zijn niet geassocieerd met de eerste twee assen.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 126 van 352
Figuur 45:. Eerste twee assen van een PCA van de mierengemeenschap (incl. percentage verklaarde variatie), met de stalen en het vegetatietype (resulterend uit de vegetatie-opnames 2020) als supplementaire variabelen.
3.2.12 Fauna: duizendpoten De duizendpoten uit de bodemvallen zijn gedetermineerd door Koen Lock. Tabel 24 geeft aan welke soorten gevonden zijn en in welke aantallen. In Bijlage § 5.15 wordt per locatie aangegeven welke soorten gevangen zijn bij het onderzoek, en in welke aantallen. Tabel 24: Lijst van met bodemvallen in 2020 langs de R0 aangetroffen soorten duizendpoten.
Wetenschappelijke naam
Nederlandse naam
Cryptops anomalans Geophilus flavus Geophilus linearis
Grote bladkruiper Gele aardkruiper Rozetaardkruiper
Lamyctes emarginatus Lithobius forficatus Lithobius melanops Lithobius microps Schendyla nemorensis aantal exemplaren
Eenoogje Gewone duizendpoot Huissteenloper Dwergsteenloper Bosaardkruiper
aantal soorten
aantal 1 1 2 6 8 1 205 2 226 8
In totaal zijn er 226 duizendpoten vastgesteld, verdeeld over 8 soorten. De Dwergsteenloper (Lithobius microps) domineert de aantallen sterk en is verantwoordelijk voor 91% van de gevangen duizendpoten. Deze soort is op alle 25 locaties gevonden waar duizendpoten zijn aangetroffen. De Dwergsteenloper is zeer algemeen in België. Ze heeft een duidelijke voorkeur voor gecultiveerde terreinen en tuinen in de bebouwde kom, zelfs in de stad. De soort is eveneens /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 127 van 352
wijdverbreid in bossen. Ze wordt vaak aangetroffen in strooisel, in mos en onder stenen (Lock 2000). De Gewone duizendpoot (Lithobius forficatus) is de tweede meest aangetroffen soort, op 7 locaties, doch steeds in zeer lage aantallen (6 keer één ex., éénmaal 2 ex.). Dit is de meest bekende duizendpoot en de soort is in het hele land zeer algemeen. De soort leeft in een grote verscheidenheid aan biotopen. De soort is algemeen in tuinen en in de bebouwde kom en komt vaak voor in bijgebouwen en huizen, maar ook in bossen (vooral naaldbossen), graslanden en heidegebieden (Lock 2000). De zes andere soorten duizendpoten zijn elk maar op één locatie gevonden. Op 25 van de 26 onderzochte locaties zijn duizendpoten aangetroffen, enkel op één locatie in Strombeek-Bever (S1) zijn er geen gevangen. Op 16 van de 25 locaties (64 %) is enkel de Dwergsteenloper gevonden, op 7 (andere) locaties zijn 2 soorten gevonden. Op één locatie in Kraainem zijn drie soorten gevonden. Naast de 2 hierboven besproken meest talrijk aangetroffen soorten, is ook de Gele aardkruiper (Geophilus flavus) hier gevonden. Ook deze heeft een zeer brede habitatkeuze en wordt gevonden langs de kust, in bossen en graslanden. De soort is algemeen in tuinen in de bebouwde kom en zelfs in stedelijk milieu (Lock 2000). Op de meest thermofiele locatie, de zuidwest georiënteerde berm M4 in Machelen met ijle en schrale vegetatie, zijn niet minder dan 5 soorten genoteerd, waarvan drie soorten enkel hier. De Rozetaardkruiper (Geophilus linearis). Deze soort werd in 2009 als 38ste soort duizendpoot voor België gemeld (Lock 2009) en stond toen nog gekend onder het synoniem Stenotaenia linearis. Het Eenoogje (Lamyctes emarginatus) is in 2019 door ons talrijk aangetroffen op het ecoduct Groenendaal (Feys et al. 2020). De soort wordt in Lock (2000) nog genoemd als L. fulvicornis. De Huissteenloper (Lithobius melanops), een vrij algemene soort die vaak in huizen en bijgebouwen voorkomt. Ze is echter voornamelijk te vinden in droge bossen en tuinen (Lock 2000). Enkel in D2 in Diegem is de Bosaardkruiper (Schendyla nemorensis) gevonden. Deze in België zeer algemene soort wordt gewoonlijk gevonden in bossen maar komt ook voor in tuinen en graslanden (Lock 2000). De Grote bladkruiper (Cryptops anomalans) was anno 2000 een zeer zeldzame soort in België, enkel bekend van 2 oude waarnemingen ten zuiden van Samber en Maas. Men vermoedde dat de soort in België alleen synantroop kan voorkomen (Lock 2000). Wij vonden één exemplaar op de zuidoostgerichte helling WE2 in Wemmel.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 128 van 352
3.2.13 Fauna: miljoenpoten De miljoenpoten uit de bodemvallen zijn gedetermineerd door Willem Proesmans. Tabel 25 geeft aan welke soorten miljoenpoten gevonden zijn en in welke aantallen. In Bijlage § 5.16 wordt per locatie aangegeven welke soorten gevangen zijn bij het onderzoek, en in welke aantallen. Tabel 25: Lijst van met bodemvallen in 2020 langs de R0 aangetroffen soorten miljoenpoten.
Wetenschappelijke naam
Brachyiulus pusillus Craspedosoma rawlinsi Cylindroiulus caeruleocinctus Cylindroiulus latestriatus/britannicus Cylindroiulus punctatus Cylindroiulus truncorum Leptoiulus kervillei Polydesmus denticulatus Proteroiulus fuscus aantal exemplaren aantal soorten
Nederlandse naam Kleine tweestreep Vlekribbel Brede kronkel Zandkronkel / Britse kronkel Knotskronkel Stompe kronkel Stompe haakpoot Gewone platrug Bruinstipje
aantal
151 1 323 2 4 19 2 1 1 504 9
In totaal werden 504 miljoenpoten gevangen en op naam gebracht, behorende tot 9 soorten. Op 16 van de 26 onderzochte locaties zijn miljoenpoten aangetroffen. Op 10 locaties zijn er dus geen gevangen, waaronder 5 van de 6 bermen in Diegem. Op 7 van die 16 locaties is maar één soort miljoenpoot gevonden, op 9 (andere) locaties zijn 2 tot 5 soorten gevonden. De 2 locaties met 5 soorten situeren zich in Machelen: de meest thermofiele locatie, de zuidwest georiënteerde berm M4 in Machelen met ijle en schrale vegetatie; de locatie M5, die aan het verstruwelen is (oa Meidoorns aangeplant). Brede kronkel (Cylindroiulus caeruleocinctus) (323 ex.) en Kleine tweestreep (Brachyiulus pusillus) (151 ex.) waren samen goed voor 94% van alle individuen. De Brede kronkel (Cylindroiulus caeruleocinctus), is een typische miljoenpoot van open habitats, zowel natuurlijke, kalkrijke habitats als verstoorde, antropogene habitats zoals tuinen, parken en landbouwgrond. De gemeenschap bestond vrijwel uitsluitend uit warmteminnende soorten van open landschappen. Daarnaast werd er één exemplaar Vlekribbel (Craspedosoma rawlinsi), één Bruinstipje (Proteroiulus fuscus) en 4 ex. Knotskronkel (Cylindroiulus punctatus) gevonden. Dit zijn zeer algemene soorten met een lichte voorkeur voor bos. De Knotskronkel leeft waar dood hout te vinden is. De Vlekribbel is een vochtminnende soort en het ene exemplaar werd gevonden in de berm waar struweel is aangeplant (M5). De meest bijzondere soort was ongetwijfeld de Stompe kronkel (Cylindroiulus truncorum), een vrij zeldzame soort die vooral geassocieerd is met antropogene habitats, maar generalistisch is. Dit was met 19 exemplaren (waarvan 17 in M1) de derde meest gevangen soort. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 129 van 352
Enkele vrouwelijke exemplaren behoorden tot het complex Zandkronkel / Britse kronkel Cylindroiulus latestriatus/britannicus. Deze zijn zeer lastig te determineren (cfr. https://waarnemingen.be/species/85303/). Beide soorten verschillen echter ecologisch sterk: C. latestriatus is vrij algemeen en typisch voor open zandgrond en wordt vooral in de duinen en in de Kempen in grote aantallen gevonden. C. britannicus komt typisch op zwaardere bodems voor in antropogene habitats (tuinen, parken,…). In principe kunnen beide dus, maar C. latestriatus is iets algemener en is in dit habitat iets meer te verwachten.
3.2.14 Fauna: pissebedden De pissebedden uit de bodemvallen zijn gedetermineerd door Pallieter De Smedt van Spinicornis. Tabel 26 geeft per locatie aan welke soorten pissebedden gevangen zijn bij het onderzoek, en in welke aantallen. In totaal werden bijna 13.000 (meer bepaald 12.814) pissebedden gevangen en op naam gebracht, een zeer indrukwekkend aantal. Deze behoren tot 6 soorten: in afnemende mate van talrijkheid zijn dit: Gewone oproller (Armadillidium vulgare): 11.876 ex. Dit is bijna 93 % van alle exemplaren. De Gewone oproller is een zeer droogte- en hittebestendige soort, dit in tegenstelling tot vele andere soorten pissebedden. Het is vaak de meest algemene soort in droge schrale graslanden (De Smedt et al. 2018). De Gewone oproller is op alle 26 onderzochte locaties aangetroffen, met de hoogste aantallen (>1000 ex.) op 2 locaties in Kraainem en op 2 locaties in Machelen. Kleipissebed (Trachelipus rathkei): 515 ex. De Kleipissebed komt vooral in graslanden en aan de oevers van waterlopen voor, en niet in bossen. De soort is goed bestand tegen droogte, maar kan ook zeer goed overstromingen doorstaan (De Smedt et al. 2018). Bij onderzoeken in valleigebieden is dit vaak een dominante soort (Nijs et al. 2016; ongepubliceerde data Natuurpunt Studie uit project Future Floodplains). De hoogste aantallen Kleipissebed in de bermen van de R0 vonden we op locaties waar de aantallen Gewone oproller wat lager lagen, zoals in Groot-Bijgaarden, Strombeek en Wemmel. Opmerkelijk: deze soort is niet gevangen in het eerdere onderzoek (Desender et al. 2004). Is die toen als Ruwe pissebed gedetermineerd? Ruwe pissebed was in het eerdere onderzoek namelijk veel algemener. Ruwe pissebed (Porcellio scaber): 214 ex. De Ruwe pissebed is één der meest algemene pissebedden van België. Het is de soort die in het hoogste aantal UTM 10x10 km hokken is gevonden in belgië sinds 2000, gevolgd door Kelderpissebed en Mospissebed. De soort komt zowel in droge als natte ecotopen voor (De Smedt et al. 2018). In de bermen van de R0 vonden we op één locatie veel Ruwe pissebedden (WE2: 137 ex.), elders lage aantallen (<15 ex.). Mospissebed (Philoscia muscorum): 197 ex. Kelderpissebed (Oniscus asellus): 10 ex. Neusoproller (Armadillidium nasatum): 2 ex. Deze 6 soorten zijn in België zeer talrijk (zie De Smedt et al. 2018) en volgens de recente Rode Lijst (De Smedt et al. in prep.) momenteel niet bedreigd. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 130 van 352
Tabel 26: Lijst van met bodemvallen in 2020 langs de R0 aangetroffen soorten pissebedden en hun aantallen per locatie
Locaties / Soorten AS1 D1 D2 D3 D4 D5 DG5 G1 G2 K1 K2 K3 K4 M1 M2 M3 M4 M5 MG3 S1 S2 WE1 WE2 WO1 WO2 Z1 Totaal
Armadillidium A. vulgare nasatum 194 151 115 197 40 268 371 39 86 1037 624 1297 762 657 496 1 530 1 249 1247 1369 102 56 348 253 263 400 720 11876 2
Oniscus asellus
Philoscia muscorum
Porcellio scaber
2
1
1 1
22 3 1 1 8 9 43
16 17
1 3 1 2 10
7 17 20 20 3 3 7 197
4 3
1 12 4 4 7 3 8 2 7 137 3 3 14 214
Trachelipus Aantal Aantal rathkei exemplaren soorten 63 257 2 151 1 115 1 197 1 42 2 268 1 371 1 41 107 5 43 135 4 1038 2 625 2 8 1315 5 5 777 4 712 3 501 3 1 536 4 272 3 1267 3 1377 2 47 149 4 114 145 3 53 429 5 10 423 5 41 311 5 69 477 5 20 761 4 515 12814 6
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 131 van 352
3.2.15 Fauna: hooiwagens Tabel 27 geeft per locatie aan welke soorten hooiwagens gevangen zijn bij het onderzoek, en in welke aantallen. Er zijn bij het onderzoek in 2020 in de bermen van de R0 369 hooiwagens gevangen in de bodemvallen. 63 beestjes waren nog te klein om met zekerheid op naam te brengen. De overige 306 exemplaren behoorden 11 soorten hooiwagens.
3 1
1
1 4
1 4
2 1
2 1
2
2 5
Trogulus closanicus
Rilaena triangularis
1 1 3 1 1 1 5 13 59 34 3 31 11 43
2
2
1 2 2
1 1
38 46
5 6
1
7
1 1
3 4
3
11
15
208
3
2
Aantal soorten
5
Phalangium opilio
Opilio saxatilis
Odiellus spinosus
Nemastoma bimaculatum
Nelima sempronii
Mitostoma chrysomelas
Mitopus morio
5
Aantal exemplaren
D2 D3 D4 DG5 G1 G2 K1 K2 K3 K4 M1 M2 M3 M4 M5 MG3 S1 S2 WE1 WE2 WO1 Z1 Totaal
Leiobunum rotundum
Locaties/ Soorten
Homalenotus quadridentatus
Tabel 27: Lijst van met bodemvallen in 2020 langs de R0 aangetroffen soorten hooiwagens en hun aantallen per locatie.
1 6 8 1 7 2 5 14 64 34 9 35 12 48 5 1 2 3 0 2 0 47 306
1 2 2 1 4 2 1 2 3 1 3 3 2 4 1 1 1 2 0 2 0 4 11
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 132 van 352
Veel hooiwagensoorten zijn gebonden aan vochtige omstandigheden. Enkele soorten wijken daarvan af. De resultaten tonen een dominantie (68%) van de warmte- en droogteminnende Gewone hooiwagen (Phalangium opilio). Dit is een vroege zomersoort waarvoor de vangstperiode geschikt was. De tweede meest gevangen soort was Homalenotus quadridentatus (15%), een soort die gebonden is aan kalkhoudende bodems en langer dan een jaar leeft, waardoor volwassen dieren een heel jaar door gevonden kunnen worden. Verder zijn er geen opvallende bevindingen behalve het zeer lage aantal van de Voorjaarshooiwagen (Rilaena triangularis). Slechts drie dieren van deze soort werden gevangen. Deze soort is zeer algemeen en kent haar piek normaal gezien in april. Dus we hadden dan dus meer dieren verwacht. Bij het onderzoek van 2004 zijn de hooiwagens niet op naam gebracht.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 133 van 352
3.3 DEELVRAAG 3: EFFECT VAN HET ECOLOGISCH BERMBEHEER 3.3.1 Flora 3.3.1.1 Is het doelvegetatietype gerealiseerd? Om het effect van het ecologisch bermbeheer na te gaan geven we in Tabel 28 een overzicht van het geplande beheer, uitgevoerde beheer en de evaluatie of de vegetatie Negatief (N), Postitief (P) of ongewijzigd (O) is gebleven. Ook bekijken we in deze tabel of de doelvegetatie is behaald. Tabel 28: Overzicht van de Proefvlakken met de bermtypes volgens Zwaenepoel in 2004 en 2020, met de doeltypes erbij. Daarbij is er een evaluatie (O = ongewijzigd, P=positief, N = Negatief) van de ontwikkeling van de vegetatie, er wordt aangegeven of het beheer werd uitgevoerd zoals gepland en of de doeltype dat werd vooropgesteld in 2004 werd behaald. PQ
A2 A3 D1 D2 D3 D4 D5 D6 D7 DI1 G1 G2 G3 G4 GR1
21_14
Type 2020 1419-21 14
21
14
14
21
13
14
14_21
14-23
14
14-23
21 14-21
A1
Type 2004 14
Streefdoel 2004 14
Nieuw streefdoel
14
Evalua tie 0
Uitgevoerd zoals gepland Nee
Doelstelling behaald Ja
P
nee
Ja
P
nee
Ja
P
Nee
Nee
14
P
Nee
Deels
14
P
ja
Deels
22-23
14
P
ja
Nee
23
14
0
ja
Nee
16
14-19
16
N
Nee
Nee
14-23
23
14
N
ja
Nee
21
21
21
P
21
21
14
O
Nee
Nee
14
21
14
P
Nee
Nee
21
14-21
14
P
Nee
Deels
14
14-21
14
N
Nee
Deels
14-21
14-27
14
0
Nee
Deels
GR2 K1
21-6
14-21
14
P
Nee
Deels
21
19
P
ja
Nee
K2 K3 K4 K5 K6 M1 M2
19
1425-27 14-25
14 (ruig)
19
14
14
14-19
21
19
21-14
14-21
21
21-23
21-14
M3 M4
14
M5 M6
13
14
Verbossing verwijderen?
0
ja
Nee
P
Nee
Nee
14
P
Nee
Deels
14
P
ja
Nee
14
0
ja
Deels
14
P
ja
Nee
1419-21 23-26
14
P
ja
Deels
14
0
ja
Nee
14
0
ja
Nee
21-6
1923-26 23-25
P
Nee
Nee
21-6
21-23
14
P
ja
Nee
14
19
Ja
21
19
Verbossing verwijderen? Verbossing
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 134 van 352
PQ
Type 2004
Type 2020
Streefdoel 2004
M7 S1
21
14-27
14
14(ruig) _21 14
13-19
14
13-19
14
21
14
S2 S3
Nieuw streefdoel verwijderen?
Evalua tie
Uitgevoerd zoals gepland
Doelstelling behaald
P
ja
Deels
19
P
Nee
Nee
19
P
Nee
Nee
P
Nee
Deels
P
Nee
Nee
S4
14
V1 WE1 WE2 WO1 WO2 Z1
6-21
1114-25 1923-27 22-23
21
P
Nee
Nee
14
14-19
14
P
ja
Ja
14
19
14
19
P
ja
Nee
21-16
14-21
16
14
0
Nee
Nee
16
6-14
16
14
N
Nee
Nee
14(ruig) _21
23
14
0
Nee
Nee
14
19
Ondanks dat 26 proefvlakken positief evolueerden, zijn er maar 6 proefvlakken die het doeltype behaalden en 11 proefvlakken die het doeltype deels behaalden. Voor 9 proefvlakken stellen we een ander doeltype voor en op drie plaatsen zou de boomopslag moeten verwijderd worden om het doeltype te behalen. Hieronder bespreken we per proefvlak wat de reden zou kunnen zijn van het niet behalen van het doeltype en geven we aanbevelingen voor beheer die ook in de fiches in Bijlage § 5.6 worden aangehaald.
Complex Diegem In dit complex ging de vegetatie erop vooruit, maar de doelstellingen werden niet gehaald. We bekijken per proefvlak wat de reden kan zijn. D1 evolueerde naar Type 13 i.p.v. Type 14. Dit was echter te voorspellen, aangezien het hier om een zandige bodem gaat en Type 13 de zandige variant is van Type 14. We stellen dus Type 14 voorop als toekomstig doeltype voor dit perceel. Juli en eind september zijn de meest geschikte periodes om dit Type te handhaven. Voor D2 en D3 werd de doelstelling deels gehaald. Type 23 zal bij verdere verschraling overgaan naar Type 14. Bijenorchis en Eekhoorngras werden hier niet meer waargenomen. Om verder te verschralen stellen we hier een vroegere maaibeurt voor: eind april tot half mei. De tweede maaibeurt mag vanaf eind september worden uitgevoerd. D4 is positief geëvolueerd van een ruiger Type 21 naar Type 22 en Type 23. Verdere verschraling kan deze vegetatie laten evolueren naar Type 14. Door de aanwezigheid van Bokkenorchis en Hondskruid in dit perceel raden we aan om later te maaien: Juli en eind september. D5 is positief geëvolueerd van een ruiger Type 21 naar Type 23. Bij verdere verschraling zal dit perceel evolueren naar Type 14. Dit proefvlak ligt in hetzelfde perceel als D4, dus we raden hetzelfde beheer aan vanwege de aanwezigheid van Bokkenorchis en Hondskruid: juli en eind september.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 135 van 352
D6 is positief geëvolueerd van een ruiger Type-16-vegetatie naar Type 14. We stellen het doeltype voor dit perceel bij en zullen door aanwezigheid van Bijenorchis het maaischema verlaten zoals de rest van het complex: juli – eind september. D7 is een zuidgericht perceel op een antropogene bodem. De open plekken worden hier gekoloniseerd door Luzerne, een vlinderbloemige die zorgt voor stikstoffixatie en een lichte verruiging van het perceel. Daardoor is de vegetatie hier lichtjes verruigd tot Type 23. Een eerste maaibeurt tussen eind april en half mei is voor dit perceel de beste optie om te verschralen.
Complex Groot-Bijgaarden G1 en G2 werden als gazon beheerd (4 keer per jaar gemaaid) waardoor de ruigte in stand werd gehouden voor G1 en verruigde voor G2. Reden hiervoor is dat er teveel maaisel blijft liggen en de vegetatie verstikt en aanrijkt. We stellen voor om hier 2 keer per jaar te maaien in dit perceel, mét afvoer van maaisel, tussen eind april en half mei en vanaf eind september. Het is belangrijk dat er zeker niet na half mei gemaaid wordt omwille van de aanwezigheid van Bijenorchis en Graslathyrus. G3 en G4 werden eveneens als gazon beheerd maar konden door de minder ruige uitgangssituatie dan G1 en G2 toch deels de doelstelling van Type 14 halen, zij het dan een ruig type. Voor dit perceel stellen we ook voor om tussen eind april en half mei te maaien en een tweede keer vanaf eind september. Vanwege de aanwezigheid van Bijenorchis en Graslathyrus (die al dan niet verdwenen is) is het best om de eerste maaibeurt niet later dan 15 mei uit te voeren.
Complex Grimbergen GR1 is momenteel volledig bebost, de opname die we maakten betrof het resterende stuk smalle berm dat mee gemaaid wordt met de veiligheidsmaaibeurt. Voor dit stuk heeft het in principe weinig zin om doelstellingen en beheeradvies op te stellen, indien de houtige opslag hier behouden blijft. GR2 betreft een noordgericht grasland aanliggend aan struweel. Het advies was in 2004 om hier maar één keer te maaien omdat dit grasland toch nooit zou ontwikkelen tot een waardevoller grasland. Toch werd hier in de praktijk in mei en september gemaaid. De doelstelling van Type 14 werd deels gehaald, het is best om nu verder te maaien vanaf 15 juni en september. Complex Kraainem K1 en K2 zijn gelegen in een perceel met waardevolle vegetatiezones. Door werken of te zware machines zijn er sporen van verstoring die zorgen voor lokaal veel Akkerdistel. Verder maaien in juli en september, zoals nu reeds gebeurt, is goed om stillaan verder te ontwikkelen naar de doelvegetatie. K3 en K4 kenden door de extra maaibeurt in juli (bovenop de ene maaibeurt in september die werd aanbevolen) een positieve evolutie naar Type 19. Het doeltype van dit perceel wordt bijgesteld naar dit Type 19 en verder maaien in juli en september wordt aanbevolen. K5 en K6 werden gemaaid zoals aanbevolen in juli en september. Toch werd het doeltype niet behaald voor K5 en deels behaald voor K6. Voor K5 stellen we het doeltype bij naar Type 19 en voor K6 werd het doeltype deels behaald en blijft het doeltype 14 en mag er verder in juli en september gemaaid worden. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 136 van 352
Complex Machelen M1 is een perceel waar ruigere en minder ruige stukken elkaar afwisselen en door de zuidgerichte oriëntatie er open plekken ontstaan waar ook veel pionierkruiden een kans krijgen. De maaibeurten, die uitgevoerd werden zoals gepland in mei en september, mogen hier verlaat worden. We stellen zelfs voor om deze schrale vegetatie vanaf nu slechts 1 keer te maaien eind september. M2 en M3 zijn deels verschraald t.o.v. 2004 door maaibeurten in mei en september. Voor de verdere verschraling volstaat één maaibeurt eind september. In het perceel van M4 zijn Margriet en Knoopkruid sterk afgenomen, op deze zuidgerichte, zandige helling is Blauw walstro goed vertegenwoordigd. Voor deze schrale vegetatie volstaat één maaibeurt per jaar vanaf eind september. Het lijkt erop dat M5 en M6 niet of minder beheerd worden dan beweerd wordt door de uitvoerders. Beide percelen zijn verruigd en dreigen te vebramen en verbossen. Indien houtopslag hier werwijderd wordt en er vanaf 15 juni en vanaf 15 september gemaaid wordt kunnen de vooropgestelde types gehaald worden. M7 is mooi verschraald, de ruigere stukken zijn te wijten aan het feit dat de noordhelling beschaduwd wordt en aanligt tegen houtige vegetatie die zorgt voor pleksgewijze verruiging van het perceel. Om verder te verschralen en nog meer bloemen te krijgen in dit perceel wordt best gemaaid in vanaf 15 juni en vanaf 15 september.
Strombeek-Bever Het perceel van S1 en S2 heeft zich ontwikkeld tot een schralere en bloemrijkere vegetatie, ondanks dat het beheer is gewijzigd naar een enkele maaibeurt in augustus. Het doeltype van dit perceel wordt aangepast naar Type 19. Om verder te verschralen wordt er best gemaaid van eind april tot half mei en een tweede keer vanaf eind september. Er moet over gewaakt worden dat de tweede maaibeurt niet in november gebeurt, wanneer de bodem natter is en het maaien voor veel bodemverstoring zorgt. Het perceel van S3 is een ruigte op een helling, aangrenzend aan struweel. Op deze helling zijn Hondskruid en Bijenorchis te vinden, maar de helling is te rijk om één enkele keer maaien in augustus. Daarom kan er best een eerste keer gemaaid worden vanaf 15 juli, na de bloei van de orchideeën. De tweede maaibeurt mag vanaf eind september. Het perceel van S4 was kort gegraasd door konijnen. Door deze begrazing krijg je een snellere kringloop die zorgt voor lokale verruiging. Het grasland is wel pleksgewijs verschraald. Hier stellen we ook voor om een eerste keer te maaien vanaf 15 juli en een tweede keer vanaf 15 september. Complex Vilvoorde Ondanks het beperkte stuk grazige vegetatie waarin V1 zich bevindt, werd in dit perceel wel Blauwe bremraap waargenomen. De aanbeveling om hier enkel in september te maaien werd niet opgevolgd, in de praktijk werd er in mei en september gemaaid. Dit maaibeheer is uitstekend voor de Blauwe bremraap en kan zo verder gezet worden. Het is wel best voor de bloei van de soort dat er niet meer na 15 mei gemaaid wordt. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 137 van 352
Complex Wemmel In Wemmel werd zoals gepland in mei en september gemaaid. We1 haalde het doeltype 14, terwijl We2 verschraalde tot Type 19. Om deze doeltypes te behouden wordt best verder gemaaid vanaf 15 juni en vanaf 15 september. Complex Woluwe Door verdroging van het complex Woluwe is deze site aan het verruigen en verbramen. Mogelijk is doeltype 16 hier niet meer haalbaar. Toch stellen we voor om het uitgevoerde maaibeheer in juli en september hier aan te houden. Wezembeek-Oppem Z1 ligt in een ruiger stuk van het talud dat in juli en september wordt gemaaid. Aangezien Graslathyrus, Wilde marjolein en Kraailook hier nog steeds aanwezig zijn, maar er toch een sterke verruiging merkbaar is, stellen we voor om hier te verschralen met een eerste maaibeurt tussen eind april en hal mei. De tweede maaibeurt mag vanaf eind september worden uitgevoerd.
3.3.1.2 Evaluatie op basis van Ellenbergwaarden De verschraling van de bodem en de vochtigheidsgraad kan geëvalueerd worden op basis van de Ellenbergwaarden die horen bij de toegekende vegetatietypes. Figuur 46 geeft het schema weer dat werd opgemaakt door Econnection in 2004. Tabel 29 geeft de Ellenbergwaarden voor Stikstof (N) waaruit we kunnen besluiten of de vegetatie verschraald is. In totaal is voor 25 proefvlakken het Ellenberggetal voor stikstof lager in 2020 dan in 2004, wat aangeeft dat er verschraling is opgetreden. In 2004 was het laagste Ellenberggetal voor stikstof 4,5 en het hoogste 7,5. Terwijl het laagste Ellenberggetal in 2020 gedaald is tot 4,37 en het hoogste tot 6,5. In Tabel 29 werden ook de evaluaties van de PQ’s op basis van de vegetatietypes toegevoegd om te vergelijken of dit overeenkomt met de verschraling. Op basis van de vegetatietypes werden proefvlakken als positief beoordeeld, waarbij ook rekening werd gehouden met de omliggende vegetatie in het perceel een aanwezigheid van zeldzame soorten. Zo blijkt dat er 9 positief beoordeelde proefvlakken zijn, waarbij het stikstofgetal in feite is toegenomen. Voor 1 proefvlak, GR2, is het stikstofgetal afgenomen en toch wordt dit PQ op basis van het vegetatietype negatief beoordeeld. Deze 10 opnames werden in geel gemarkeerd. In Tabel 30 vergelijken we de Ellenbergwaarden voor de zuurtegraad (Ph ) en het vochtgehalte (F ) in 2004 en 2020. In deze tabel zien we dat in 31 proefvlakken de bodem iets zuurder werd, in de overige 9 proefvlakken werd de bodem iets basischer. De verschillen zijn vaak erg klein. Het grootste verschil werd waargenomen bij D4, het proefvlak op de helling, dat veel zuurder werd. Als we kijken naar de verdroging, zien we dat 19 proefvlakken iets droger werden en 21 proefvlakken werden iets natter. De verschillen zijn bij de meeste proefvlakken zeer klein, enkel bij D5 werd een duidelijke verdroging vast gesteld. Naast het complex van Diegem is er de meeste verdroging vastgesteld in het complex van Machelen.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 138 van 352
Figuur 46: Successieschema voor de bermvegetatietypes langs de R0 (op basis van de gekarteerde zones/PQ’s in resp. 1999 en 2004).
omgevingvlaanderen.be
Tabel 29: Overzicht van de vegetatie-opnames met de bermtypes van Zwaenepoel in 2004 en 2020 en de bijhorende Ellenbergwaarden voor stikstof, waarbij aangegeven wordt of er verschraling plaats vond. PQ
Type 2004
Type 2020
A1 A2 A3 D1 D2 D3 D4 D5 D6 D7 DI1 G1 G2 G3 G4 GR1 GR2 K1 K2 K3 K4 K5 K6 M1 M2 M3 M4 M5 M6 M7 S1 S2 S3 S4 V1 WE1 WE2 WO1 WO2 Z1
14
14-19-21
21_14
14
21
14
21
13
14_21
14-23
14
14-23
21
22-23
14-21
23
16
14-19
14-23
23
21
21
21
21
14
21
21
14-21
14
14-21
14-21
14-27
21-6
14-21
21
14-25-27
19
14-25
14 (ruig)
19
14
14-19
21
19
21-14
14-21
21
21-23
21-14
14-19-21
14
23-26
14
19-23-26
21-6
23-25
21-6
21-23
21
14-27
14(ruig)_21
13-19
14
13-19
21
11-14-25
14
19-23-27
6-21
22-23
14
14-19
14
19
21-16
14-21
16
6-14
14(ruig)_21
23
Ellenberg Stikstof 2004
5,72 5,22 5,90 5,81 4,88 5,14 6,41 7,72 5,17 4,93 6,04 6,66 5,37 6,03 5,34 5,78 6,18 6,44 6,14 5,31 5,26 6,12 5,66 6,43 5,88 5,22 4,48 5,72 5,89 6,32 6,07 5,29 5,78 5,63 6,44 6,12 5,30 5,94 5,54 5,38
Ellenberg Stikstof 2020
5,15 5,75 5,50 5,17 4,65 5,57 4,96 5,06 6,29 5,21 6,70 5,56 6,11 6,25 6,71 5,41 6,33 5,56 5,56 4,64 4,77 5,29 5,35 5,35 4,91 4,89 4,37 5,67 6,22 5,01 6,84 5,49 5,68 5,15 4,92 5,08 5,25 6,50 5,93 5,52
Afname/ toename
0,57 -0,53 0,4 0,64 0,23 -0,43 1,45 2,66 -1,12 -0,28 -0,66 1,1 -0,74 -0,22 -1,37 0,37 -0,15 0,88 0,58 0,67 0,49 0,83 0,31 1,08 0,97 0,33 0,11 0,05 -0,33 1,31 -0,77 -0,2 0,1 0,48 1,52 1,04 0,05 -0,56 -0,39 -0,14
Verschraling
Ja Nee Ja Ja Ja Nee Ja Ja Nee Nee Nee Ja Nee Nee Nee Ja Nee Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Nee Ja Nee Nee Ja Ja Ja Ja Ja Nee Nee Nee
Evaluatie 0 P P P P P P O N N P 0 P P N O P P P P P P 0 P P O O P P P P P P O P P P O N 0
omgevingvlaanderen.be
Tabel 30: Overzicht van de Ellenbergwaarden voor de zuurtegraad en het vochtgehalte van de opnames in 2004 en 2020 PQ
Ellenberg PH 2004
Ellenberg PH2020
Afname/ Toename PH
Ellenberg vocht 2004
Ellenberg vocht 2020
Afname/ Toename vocht
A1 A2 A3 D1 D2 D3 D4 D5 D6 D7 DI1 G1 G2 G3 G4 GR1 GR2 K1 K2 K3 K4 K5 K6 M1 M2 M3 M4 M5 M6 M7 S1 S2 S3 S4 V1 WE1 WE2 WO1 WO2 Z1
7,07 6,81 7,15 7,29 7,10 6,64 8,75 4,25 6,00 5,71 6,88 7,24 6,70 7,33 6,89 6,57 6,85 5,00 6,94 6,58 6,88 7,21 6,94 6,61 6,68 6,19 6,00 6,54 7,00 6,91 7,00 6,65 7,20 6,93 6,14 7,00 7,19 7,00 6,27 6,92
6,42 6,22 6,54 6,30 6,40 5,98 6,28 6,21 5,81 6,03 6,64 6,47 6,76 6,15 6,25 6,54 6,82 6,42 6,41 6,33 6,71 6,83 6,79 6,56 6,58 6,75 6,42 6,62 6,88 6,13 5,85 5,89 5,22 6,23 6,27 6,36 6,50 6,65 6,72 6,86
0,65 0,59 0,61 0,99 0,7 0,66 2,47 -1,96 0,19 -0,32 0,24 0,77 -0,06 1,18 0,64 0,03 0,03 -1,42 0,53 0,25 0,17 0,38 0,15 0,05 0,1 -0,56 -0,42 -0,08 0,12 0,78 1,15 0,76 1,98 0,7 -0,13 0,64 0,69 0,35 -0,45 0,06
4,63 5,09 5,95 4,83 4,60 4,76 5,00 6,46 5,40 4,50 5,24 5,35 4,80 5,11 4,91 5,31 5,37 5,29 4,87 4,64 4,69 5,26 5,07 4,79 4,58 4,58 4,23 5,33 4,79 4,96 4,64 4,58 4,76 4,90 4,80 4,88 4,56 6,35 5,33 4,67
5,13 5,55 5,14 4,92 4,62 4,01 4,52 4,58 5,05 4,49 5,25 5,29 5,24 5,52 5,39 4,88 5,73 5,38 5,00 4,93 4,63 4,90 4,94 4,61 4,46 4,42 4,30 4,99 5,08 4,63 5,22 5,22 5,24 5,44 4,59 4,96 5,16 5,69 6,07 4,64
-0,5 -0,46 0,81 -0,09 -0,02 0,75 0,48 1,88 0,35 0,01 -0,01 0,06 -0,44 -0,41 -0,48 0,43 -0,36 -0,09 -0,13 -0,29 0,06 0,36 0,13 0,18 0,12 0,16 -0,07 0,34 -0,29 0,33 -0,58 -0,64 -0,48 -0,54 0,21 -0,08 -0,6 0,66 -0,74 0,03
Verzuring
Verdroging
Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Nee Ja Nee Ja Ja Nee Ja Ja Ja Ja Nee Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Nee Nee Nee Ja Ja Ja Ja Ja Ja Nee Ja Ja Ja Nee Ja
Nee Nee Ja Nee Nee Ja Ja Ja Ja Ja Nee Ja Nee Nee Nee Ja Nee Nee Nee Nee Ja Ja Ja Ja Ja Ja Nee Ja Nee Ja Nee Nee Nee Nee Ja Nee Nee Ja Nee Ja
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 141 van 352
3.3.2 Fauna: wilde bijen 3.3.2.1 Vergelijking met resultaten uit 2004 In 2004 werden slechts 19 soorten wilde bijen waargenomen. Er werden 16 jaar later dus 70 soorten meer waargenomen! We kunnen daar echter niet uit besluiten dat de bijenfauna sterk uitgegroeid is gezien er in 2004 niet zo intensief gezocht werd naar bijen als in 2020. De beste methode om bijen te inventariseren is met behulp van netvangsten. In 2004 werden bijen enkel geïnventariseerd door middel van sporadische waarnemingen en witte bodemvallen, waardoor het gros van de bijenfauna over het hoofd gezien werd. Het is dan ook onmogelijk om onze resultaten correct te vergelijken met die van in 2004. Opvallend is dat Kleigroefbij (Lasioglossum pauxillum) in het vorige rapport omschreven staat als een zeldzame soort in opmars. Tegenwoordig is dit de meest algemene soort groefbij die bijna vlakdekkend in het land waargenomen wordt. Ondanks haar grootte (5-6 mm) werd ze in 10 van de 17 onderzochte locaties waargenomen (Bijlage § 5.3).
3.3.2.2
Vergelijking met gelijkaardige projecten
3.3.2.2.1 Brussels Airport In 2017 werden de bijen van de luchthaven van Zaventem geïnventariseerd en werden er 80 soorten waargenomen (Lambrechts et al., 2017). De soortensamenstelling komt grotendeels overeen met die van de R0. Toch valt op dat enkele typische soorten voor bloemrijke graslanden, namelijk Gewone langhoornbij (Eucera longicornis), Wikkebij (Andrena lathyri), Klaverdikpoot (Melitta leporina) en Donkere klaverzandbij (A. labialis), niet waargenomen zijn op de R0. Deze 4 soorten zijn gelinkt aan vlinderbloemigen zoals Witte en Rode klaver, Veldlathyrus en Vogelwikke, allemaal plantensoorten die amper waargenomen werden in de bermen van de R0. Enkel soorten die ook op andere vlinderbloemigen zoals rolklavers foerageren, werden in de bermen van de R0 waargenomen (3.2.3.3). Hoewel we hier geen sluitende verklaring voor hebben denken we dat de hete en droge zomer van 2020 ervoor kan gezorgd hebben dat planten als Rode klaver amper tot bloei zijn kunnen komen en de daarvan afhankelijke soorten bijgevolg elders op zoek zijn gegaan naar de juiste planten. 3.3.2.2.2 Bermen van de E314 In 2013 werden de bijensoorten in de bermen van de E314 geïnventariseerd (Lambrechts et al., 2014). Er werden toen in totaal 54 bijensoorten waargenomen. Belangrijk hierbij op te merken is dat er pas in juni van start is gegaan met het veldwerk, waardoor een flink deel van de bijenfauna gemist werd. We veronderstellen dat het aantal bijensoorten op gelijke lijn zou komen met de 89 waargenomen bijensoorten bij de R0, wanneer dit onderzoek ook in de vroege lente uitgevoerd was. Ook in deze bermen werden Wikkebij en Gewone langhoornbij waargenomen. 3.3.2.2.3 Yeti heuvel Anderlecht De bijensoorten die voorkomen op de Yeti heuvel in Anderlecht komen goed overeen met de soorten waargenomen rond de R0. Er zijn momenteel 90 waargenomen soorten in het gebied (Bron: Brusselse bijenatlas, in prep.). Ook hier zijn Wikkebij, Donkere klaverzandbij en Gewone langhoornbij al verschillende keren waargenomen.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 142 van 352
3.3.3 Fauna: spinnen 3.3.3.1
Globale vergelijking
Het bodemval-onderzoek van Desender et al. (2004) leverde meer spinnen op (11.919 ex.) dan het huidige van 2020, maar minder soorten (83, dus 12 soorten minder). Nog belangrijker: het eerdere onderzoek leverde fors minder Rode Lijst soorten op, met name 14, meer bepaald 7 ‘bedreigde’ soorten, 6 ‘kwetsbare’ en 1 ‘zeldzame’. De spinnenfauna is er op die 16 jaar kwalitatief op vooruitgegaan: op een lager aantal gevangen exemplaren in 2020 zijn er méér spinnensoorten en veel meer Rode Lijstsoorten gevonden. Het feit dat er in 2004 op een kortere tijdspanne (één maand vangsten in 2004 versus 3 maanden in 2020) méér spinnen zijn gevangen, suggereert dat de situatie toen nog voedselrijker was, met meer biomassa, en dus dat de vegetaties toen nog denser en forser waren, en hierdoor een aantal cultuurvolgers en eurytope soorten zeer abundant waren. Tabel 31: Vergelijking van de spinnenfauna van de bodemvalonderzoeken van 2004 en 2020
Spinnen Aantal exemplaren Aantal soorten Aantal Rode Lijst soorten Aantal ‘met uitsterven bedreigd’ Aantal ‘bedreigd’ Aantal ‘kwetsbaar’ Aantal ‘zeldzaam’
Onderzoek 2004 11.919 83 14 0 7 6 1
Onderzoek 2020 10.071 95 25 1 7 12 5
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 143 van 352
3.3.3.2
Vergelijking 2004-2020 op basis van de dominante soorten
Locaties g1 (2004) en m1 (2020) werden weggelaten uit de PCA aangezien het outliers betreft met een sterk van de andere locaties afwijkende soortensamenstelling.
Figuur 47:. Eerste twee assen van een Principal Component Analyse (PCA) van de spinnengemeenschappen in beide jaren langs de Brusselse Ring incl. de stalen. Ook het percentage verklaarde variatie van beide assen is weergegeven.
Hoewel de meest getelde soorten, en dan met name Gewone wolfspin (P. pullata), Kleine dikkaak (P. degeeri), Gewone krabspin (X. cristatus), Gewone panterspin (A. pulverulenta), Kochs krabspin (X. kochi) en Moeraswolfspin (P. palustris) in beide jaren grotendeels dezelfde zijn, zijn er toch grote verschuivingen in de gemeenschappen (in het voorjaar) tussen 2004 en 2020. De locaties van de verschillende jaren zijn zo goed als volledig gescheiden over de eerste twee assen van een PCA van de spinnengemeenschappen (Mann-Whitney U test, p=0,000013 en p=0,00060 respectievelijk) (Figuur 47). Vooral de gemeenschappen op de drogere locaties zijn sterk gewijzigd, met de 2020 locaties afgescheiden op de eerste as van de PCA en de 2004 locaties op de tweede as. Erg opvallend zijn onder andere Dikpootpanterspin (A. cuneata), Noordelijke veldwolfspin (P. tenuipes), Bodemkaardertje (A. subnigra), Drielobbige Amerikaanse dwergspin (Mermessus trilobatus) en Heidesteatoda (Asagena phalerata) die helemaal niet aangetroffen werden in 2004, maar in voorjaar 2020 bij de 20 meest getelde soorten horen, maar evengoed de in 2020 sterk toegenomen Kleine kampoot (D. pusillus) en Bodemwevertje (T. tenuis). Ook Kochs krabspin is toegenomen in 2020 tov. 2004, dit itt Gewone krabspin (X. cristatus), die afnam (zie Figuur 48). Soorten die in 2004 een groter aandeel hadden in de spinnengemeenschappen zijn onder andere Gewone krabspin (X. cristatus), Kortkaakzakspin (C. neglecta), Krulpalpje (T. vagans), Oeverwolfspin (P. prativaga) en Stekelrugje (C. prominens). De verschillen tussen 2004 en 2020 van de vochtiger locaties zijn minder uitgesproken. Voornoemde soorten zijn afgenomen terwijl vooral Moeraswolfspin (P. palustris) toegenomen lijkt in 2020 tov. 2004.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 144 van 352
Figuur 48:. Eerste twee assen van een Principal Component Analyse (PCA) van de spinnengemeenschappen in beide jaren langs de Brusselse Ring, met de soorten die in minstens één van beide jaren tot de 20 meest talrijk gevangen soorten horen. Ook het percentage verklaarde variatie van beide assen is weergegeven.
3.3.3.3
Vergelijking 2004-2020 op basis van de Rode Lijst soorten
Kijken we naar de Rode Lijst soorten (Figuur 49), dan zijn een reeks soorten geassocieerd met (de drogere locaties in) 2020, en dan met name Heidesteatoda, Dikpootpanterspin, Bodemkaardertje, Noordelijke veldwolfspin, en in mindere mate Slikwolfspin (P. agrestis) en Bleke bodemkrabspin (O. sanctuaria).
Figuur 49: Eerste twee assen van een Principal Component Analyse (PCA) van de spinnengemeenschappen in beide jaren langs de Brusselse Ring, incl. de Rode Liist soorten die in minstens 3 stalen werden aangetroffen. Ook het percentage verklaarde variatie van beide assen is weergegeven. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 145 van 352
Daartegenover staan Gestreepte springspin (P. fasciata), Oeverwolfspin (P. prativaga), Heidekamstaartje (H. nava) en Moerasmolspin (R. arundineti), die in 2004 een groter aandeel in de spinnengemeenschap hadden dan in 2020. Ringpootzwartkop (T. aequipes), Stekelkaakkampoot (T. pedestris) en Heidekrabspin (X. acerbus) vertonen weinig associatie met de eerste twee PCA assen. Vijf van de 14 Rode Lijstsoorten die Desender et al. (2004) vingen, zijn niet gevonden door ons in 2020. Het betreft: drie ‘bedreigde’ soorten, met name Drassyllus lutetianus (4 ex.), Ozyptila scabricula (1 ex.) en Sibianor aurocinctus (1 ex.); één kwetsbare soort: Trichopterna cito (1ex.); één zeldzame soort: Enoplognatha caricis (1 ex.) Merk op dat van vier van deze vijf soorten maar één exemplaar werd gevangen gedurende het onderzoek van Desender et al. (2004). Het waren dus allicht geen (omvangrijke) populaties op de plaats van bemonstering. Er zijn dus 9 Rode Lijst soorten gemeenschappelijk tussen beide onderzoeksperiodes. Omgekeerd zijn er 16 Rode Lijst spinnensoorten met bodemvallen gevangen in 2020, die niet in 2004 waren vastgesteld! Van deze 16 soorten zijn zes soorten maar met één exemplaar gevangen (Aelurillus v-insignitus, Pardosa lugubris, Tibellus oblongus, Zelotes petrensis, Nurscia albomaculata en Diplocephalus graecus), maar dus ook 10 soorten meer dan één. Vier Rode Lijst soorten die niet in 2004 zijn gevangen, zijn zelfs erg talrijk in 2020: de Dikpootpanterspin (Alopecosa cuneata) was anno 2020 de 11de talrijkst gevangen soort, met 212 ex. Het Bodemkaardertje (Argenna subnigra) was anno 2020 de 15de talrijkst gevangen soort, met 131 ex. De Heidesteatoda (Asagena phalerata) was anno 2020 de 24ste talrijkst gevangen soort, met 72 ex. De Noordelijke veldwolfspin (Pardosa tenuipes) was anno 2020 de 27ste talrijkst gevangen soort, met 45 ex. Deze Rode Lijst soorten zijn dus niet enkel nieuw verschenen in het gebied, ze hebben ook omvangrijke populaties weten op te bouwen. Dit is een duidelijke illustratie dat de bermen geschikt leefgebied zijn voor deze veelal kritische soorten. Het zijn dus niet zomaar toevallige zwervers, wat wel het geval kan zijn bij soorten die slechts éénmaal zijn aangetroffen… En in totaal zijn er dus 30 Rode Lijst soorten met bodemvallen gevangen in beide periodes (2004 en 2020). Dit is dus zonder de sleepvangsten te beschouwen. Inclusief de sleepvangsten zijn er 34 Rode Lijst spinnensoorten geregistreerd in de bermen van de R0. In 2004 vonden geen sleepvangsten plaats. We vergelijken in Tabel 32 de aantallen van de negen Rode Lijst soorten, die gemeenschappelijk waren voor beide onderzoeksperiodes, om te kijken of die toe- of afnamen. Hierbij hoort een belangrijke bedenking: dit zijn de totaalaantallen voor de volledige onderzoeksperiode in 2020 (april –juni) en dus niet enkel de met 2004 gemeenschappelijke periode die voor de PCA gebruikt is. De onderzoeksperiode in 2004 was namelijk veel korter (slechts één maand: mei).
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 146 van 352
Tabel 32: Trend van de negen Rode Lijst spinnensoorten (B=bedreigd, K=kwetsbaar), die gemeenschappelijk waren voor beide onderzoeksperiodes
Soort Arctosa leopardus Hahnia nava Robertus arundineti Pardosa prativaga Talavera aequipes Ozyptila sanctuaria Trachyzelotes pedestris Phlegra fasciata Xerolycosa nemoralis
Rode Lijst K B B K K B B K K
Voorkeurshabitat Gow Godr Gowr Mc Godbs Godt Godt Godb Fddv
Aantal in 2004 14 347 17 316 12 11 40 40 3
Aantal in 2020 9 89 4 117 1 79 215 40 3
Trend +-= ----++ ++ = =
Er zijn: Twee soorten die een sterke toename vertonen, allebei soorten van droog voedselarm grasland met graspollen. Twee soorten die in identieke aantallen genoteerd zijn. Dit zijn ook soorten van droge ecotopen. Één soort die een (zeer) lichte afname vertoont: een soort van nat voedselarm grasland. Vier soorten die een sterke afname in aantallen laten zien: dit zijn 2 soorten van droge graslanden én 2 soorten van vochtige tot natte ecotopen. Daartegenover staat de vaststelling dat twee van de 3 Rode Lijstsoorten (Oeverwolfspin en Moerasmolspin) van vochtige tot natte ecotopen die gemeenschappelijk waren voor beide onderzoeksperiodes, zijn afgenomen in aantal. De enige uitzondering, Moswolfspin, komt in beide jaren slechts in laag aantal voor en is een soort die in het algemeen is toegenomen in Vlaanderen. Daar komt bij dat twee van de vijf tussen 2004 en 2020 verdwenen soorten (zie hoger) ook kenmerkend waren voor vochtige ecotopen, met name de Moeraskampoot (Drassyllus lutetianus) en de Moerastandkaak (Enoplognatha caricis). Er is dus duidelijk een sterke afname van kensoorten van vochtig tot nat terrein. De vraag die dit opwerpt, is of dit een gevolg is van structurele ‘verdroging’ door het ijler en schraler worden van de vegetatie door het maaibeheer (warmer microklimaat), of dat dit een (tijdelijk) gevolg is van drie opeenvolgende droge, warme zomers, met in het bijzonder een zeer droog en warm voorjaar tijdens de bemonstering van 2020. Waarschijnlijk is het een gevolg van beide factoren, die elkaar (kunnen) versterken. 3.3.3.4
Vergelijking 2004-2020 voor ‘storingssoorten’
We hebben een selectie van ‘storingssoorten’ gemaakt op basis van literatuurstudie en expert judgement. Met ‘storingssoorten’ bedoelen we soorten met een sterke voorkeur voor een ‘verstoord’ leefgebied, in de betekenis van ‘een milieu dat constant verandert’, vooral door antropogene (menselijke) invloed. Hiermee bedoelen we bijvoorbeeld door een herhaald sterk verstorend beheer, zoals bijvoorbeeld vergraving, maar vooral door verstoring die overeenkomt met gangbare praktijken in de intensieve moderne landbouw, met name zware bemesting en gebruik pesticiden. Het gaat dus om soorten die domineren in ca. 50 % van de oppervlakte van Vlaanderen (meer bepaald het intensief bewerkte, agrarische gebied). Het zijn namelijk die soorten die we minder /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 147 van 352
willen in de bermen, en die we liefst vervangen zien door rijke gemeenschappen met veel voor het natuurbehoud relevante soorten (Rode Lijst soorten). Kijken we naar het totaalpercentage storingssoorten (Agyneta rurestris, Collinsia errans, Diplostyla concolor, Erigone atra, E. dentipalpis, Mermessus trilobatus, Oedothorax fuscus, O. retusus, Ostearius melanopygius, Tenuiphantes tenuis), dan zien we dat er een duidelijke toename is in 2020 vs. 2004 (pairwise Wilcoxon signed-rank test, p=0,000052), waarschijnlijk vooral door de sterke toename van Bodemwevertje (Tenuiphantes tenuis) en Drielobbige Amerikaanse dwergspin (Mermessus trilobatus). De vraag stelt zich dan ook of die twee laatstgenoemde dan wel uitgesproken ‘storingssoorten’ zijn? 1. Voor Bodemwevertje (Tenuiphantes tenuis) gingen we daarvan uit obv deze betrouwbare internet-referentie: http://srs.britishspiders.org.uk/portal.php/p/Summary/s/Tenuiphantes+tenuis. De soort is een veel voorkomende aeronaut en kan in veel verschillende situaties worden aangetroffen. Ze wordt regelmatig binnenshuis opgenomen. In het laagland van Engeland omvatten de habitats ruderale vegetatie, tuinen, graslanden, akkers, moerassen, heide en bossen, maar ze wordt misschien vooral geassocieerd met graslanden. R. Gallon (pers. Comm.) merkt op dat de soort een bijzondere voorliefde heeft voor plekken waar konijnen gegraven hebben in de korte grasmat van kalksteengrasland. In veel van deze situaties kan het Bodemwevertje worden beschouwd als een 'pioniersoort' die snel nieuwe habitats zal koloniseren en voordeel zal halen uit verstoorde grond. Het is dus duidelijk een soort die van ‘verstoring’ houdt, maar wel (vooral) binnen de context van graslanden, en vooral van ‘natuurlijke verstoring’ zoals gegraaf door Konijnen, en niet van zware antropogene verstoring in de vorm van bemesting of pesticidengebruik… 2. De Drielobbige Amerikaanse dwergspin is een snel toegenomen exoot.
Figuur 50: Percentage storingssoorten bij de spinnen per bodemval locatie in 2004 vs. 2020.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 148 van 352
Het is dus duidelijk dat we deze twee soorten beter niet meenamen en we deden de oefening opnieuw zonder deze soorten (zie Figuur 51). Het aandeel dat de storingssoorten Agyneta rurestris, Collinsia errans, Diplostyla concolor, Erigone atra, E. dentipalpis, Oedothorax fuscus, O. retusus en Ostearius melanopygius uitmaken van het totaal aantal getelde spinnen, is in beide periodes beperkt, met weliswaar een verdubbeling van gemiddeld 2,4% in 2004 naar 4,8% in 2020 (mediaan 1,1% naar 2,04%) (pairwise Wilcoxon signedrank test, p=0,02381).
Figuur 51: Aantalspercentage storingssoorten bij de spinnen per bodemval locatie in 2004 vs. 2020, berekend als het aantal van alle storingssoorten samen ten opzichte van het totaal aantal gevangen spinnen.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 149 van 352
3.3.3.5
Samenvatting en conclusies
We vingen bij voorliggend onderzoek van de bermen van de R0 in 2020 met de bodemvallen in totaal 10.058 spinnen, behorend tot 95 soorten. Hiertoe behoorden 25 soorten die opgelijst zijn in de Rode Lijst van Maelfait et al. (1998). Het betrof één ‘met uitsterven bedreigde’ soort, de Heidekrabspin (Xysticus acerbus), 7 ‘bedreigde’ soorten, Argenna subnigra, Hahnia nava, Ozyptila sanctuaria, Pardosa agrestis, Robertus arundineti, Trachyzelotes pedestris en Xerolycosa miniata, 12 ‘kwetsbare’ soorten, Aelurillus v-insignitus, Alopecosa cuneata, Arctosa leopardus, Asagena phalerata, Enoplognatha mordax, Pardosa lugubris, Pardosa prativaga, Phlegra fasciata, Talavera aequipes, Tibellus oblongus, Xerolycosa nemoralis en Zelotes petrensis en 5 ‘zeldzame’ soorten. De ‘zeldzame’ soorten zitten hier aan de areaalgrens. Het betreft één nieuwe soort voor België, Nurscia albomaculata, 2 soorten die relatief recent nieuw voor Vlaanderen zijn gemeld, Diplocephalus graecus en Zodarion italicum, één soort die hier aan de westgrens van haar areaal voorkomt, Agyneta fuscipalpa, en tenslotte één soort die recent erg sterk toenam en niet meer op de Rode Lijst thuishoort, Pardosa tenuipes. Via sleepvangsten zijn 13 extra spinnensoorten vastgesteld, waarvan 4 extra Rode Lijst soorten, dus niet met de bodemvallen gevangen. In totaal, met de beide methodes samen (bodemvallen + sleepvangsten), zijn er in 2020 dus 108 (95 + 13) spinnensoorten door ons vastgesteld in de bermen van de R0, waarvan 29 (25 + 4) op de Rode Lijst opgenomen. Het bodemval-onderzoek van Desender et al. (2004) leverde meer spinnen op (11.919 ex.), maar minder soorten (83, dus 12 soorten minder), en vooral belangrijk, fors minder Rode Lijst soorten, met name 14. We kunnen dus stellen dat de spinnenfauna er op die 16 jaar kwalitatief is op vooruitgegaan: op een beperkter aantal exemplaren zijn er meer soorten en veel meer Rode Lijstsoorten gevonden. Vijf van de 14 Rode Lijstsoorten die Desender et al. (2004) vingen, zijn niet gevonden door ons in 2020. Wel is het zo dat van vier van deze vijf soorten maar één exemplaar werd gevangen gedurende hun onderzoek. Het waren dus allicht geen (omvangrijke) populaties op de plaats van bemonstering. Er zijn dus 9 Rode Lijst soorten wél gemeenschappelijk tussen beide onderzoeksperiodes 2004 en 2020. Omgekeerd zijn er niet minder dan 16 Rode Lijst spinnensoorten gevangen in 2020, die niet in 2004 waren vastgesteld! En in totaal zijn er dus 30 Rode Lijst soorten met bodemvallen gevangen in beide periodes. Dit is dus zonder de sleepvangsten te beschouwen. In 2004 vonden geen sleepvangsten plaats. De twee talrijkst gevangen spinnensoorten, de Kleine dikkaak (Pachygnatha degeeri) en de Gewone wolfspin (Pardosa pullata), komen overeen met het onderzoek van Desender et al. (2004). In dat opzicht vonden er dus geen grote verschuivingen plaats. De relatieve dominantie van deze soorten nam wel af tov 2004. Met andere woorden, in 2004 waren deze nog (veel) talrijker. We stellen duidelijk een sterke afname van kensoorten van vochtig tot nat terrein vast tov 2004. Ook in de PCA zien we – vooral bij enkele droge locaties in Machelen – een sterke verschuiving van de spinnengemeenschap richting meer droogteminnende soorten. We zien hierin een gecombineerd effect van:
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 150 van 352
Het ijler en schraler worden van vegetaties, en dus vanuit oogpunt van bodembewonende ongewervelden droger en warmer worden, omwille van het volgehouden maaien met afvoer maaisel (‘verschralen’). Klimaatopwarming in het algemeen, en drie opeenvolgende droge, warme zomers in het bijzonder, en de bijhorende toename van xerothermofiele soorten.
Tenslotte lijkt er een lichte toename in het aandeel storingssoorten. Echter, de meest uitgesproken ‘soorten van antropogene verstoring’ zijn - net als vastgesteld in Desender et al. (2004) - slechts beperkt aanwezig. Er is er in 2020 een sterke toename van (slechts) 2 soorten die wij op basis van literatuur selecteerden als ‘storingssoorten’, maar die allicht géén goede kensoorten van zware antropogene verstoring zijn.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 151 van 352
3.3.4 Fauna: loopkevers 3.3.4.1
Globale vergelijking
Het bodemval-onderzoek van Desender et al. (2004) leverde circa de helft minder loopkevers op dan het huidige van 2020 en minder soorten (6 soorten minder). Op zich logisch gezien er toen (in 2004) een kortere periode (één maand) bemonsterd is dan in 2020 (3 maanden). Het eerdere onderzoek leverde ook fors minder Rode Lijst soorten op, met name 8, meer bepaald 1 ‘met uitsterven bedreigde, 1 ‘bedreigde’ soorten, 2 ‘kwetsbare’, 1 ‘waarschijnlijk bedreigde’ en 3 ‘zeldzame’. Maar het lastige aan de vergelijking is dat dit twee verschillende Rode Lijsten betreft! Vijf soorten die anno 2020 gevangen zijn, en die nu op de Rode Lijst (van 2008) staan, stonden anno 2004 nog niet op de Rode Lijst (van 1995). Het betreft met name Amara aulica, Amara bifrons, Harpalus anxius, H. distinguendus en H. attenuatus. Anderzijds zijn er ook vier soorten die er op de Rode Lijst van 2008 beter (minder slecht) voorstaan dan in de eerdere Rode Lijst van 1995: Amara kulti, Amara eurynota, Harpalus modestus en Parophonus maculicornis. Ze staan nog op de Rode Lijst, maar in een ‘lagere categorie’. Dit is voor al deze soorten ook weergegeven in de respectievelijke soortbesprekingen. Als we de soortenlijst van het onderzoek van 2004 beschouwen, dan waren er 8 Rode Lijst soorten volgens de toen geldende Rode Lijst. Deze 8 staan anno 2020 nog steeds op de Rode Lijst. Maar als we daar de meest recente Rode Lijst van 2008 op toepassen, dan komen daar nog eens 6 soorten bij. Want met name deze 6 soorten zijn in 2004 gevangen, stonden toen niet op de Rode Lijst, maar inmiddels wel: Amara aulica, Amara bifrons, Bembidion mannerheimi, Harpalus anxius, H. distinguendus en H. attenuatus. Ze staan anno 2020 allen in de categorie ‘zeldzaam’. Vijf van de zes soorten zijn in 2020 trouwens ook aangetroffen, enkel Bembidion mannerheimi niet. Laatstgenoemde wordt door Desender et al. (2008) een stenotope bossoort genoemd. Turin (2000) noemt het een soort van matig vochtige beschaduwde terreinen, waar hij tussen strooisel op schaars begroeide plekken leeft, met name in vochtige bossen op humusrijke bodem. Tabel 33: Vergelijking van de loopkeverfauna van de bodemvalonderzoeken van 2004 en 2020
Loopkevers Aantal exemplaren Aantal soorten Aantal Rode Lijst soorten volgens de eerste Rode Lijst (1995) Aantal Rode Lijst soorten volgens de meest recente Rode Lijst (2008)
Onderzoek 2004 3600 55 8
Onderzoek 2020 7723 61 nvt
8 + 6 : 14
18
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 152 van 352
Van de 8 Rode Lijst soorten die in 2004 zijn gevangen, troffen we er 2 niet meer aan bij ons onderzoek in 2020; Het betreft: Amara tibialis: 1 ex. (‘zeldzaam’); Stenolophus skrimshiranus: 2 ex. (‘kwetsbaar’) Merk op dat beide soorten destijds slechts in lage aantallen zijn gevangen. Eerstgenoemde is een soort van droge, schrale graslanden en destijds gevonden in M1. Nochtans lijken de locaties M2, M3 en M4 anno 2020 geschikt voor deze soort, dus het is ons niet duidelijk waarom ze anno 2020 niet meer is vastgesteld. Laatstgenoemde is een soort van vochtige graslanden (Desender et al. 2008). Ook Turin (2000) noemt Stenolophus skrimshiranus een zeer hygrofiele soort van natte, kleiige en humusrijke bodem op terreinen met voldoende beschaduwing. Ze is in 2004 gevonden in K3 en K4 (telkens één ex.). We stellen dus ook vast dat van de 14 loopkeversoorten die in 2004 gevangen zijn en op de Rode lijst van 2008 staan, er 11 nog steeds aanwezig zijn in 2020, maar de 2 vochtminnende soorten zijn wel verdwenen!
3.3.4.2
Vergelijking met het eerder onderzoek in de bermen van de R0: vergelijking bodemvalonderzoeken 2004 - 2020
Figuur 52: Eerste twee assen van een Principal Component Analyse (PCA) van de loopkevergemeenschappen in beide jaren langs de Brusselse Ring incl. de stalen. Ook het percentage verklaarde variatie van beide assen is weergegeven.
De veranderingen in loopkever-gemeenschappen zijn minder uitgesproken dan bij de spinnen, aangezien de locaties langsheen de eerste twee assen van de PCA veel overlap vertonen (Figuur 51). Er is over de eerste as wel een algemene verschuiving tussen 2004 en 2020 (Mann-Whitney U test, p=0,0034), en dit in de richting van de gemeenschap van drogere locaties met Bronskleurige glansloopkever (A. aenea) als dominante soort (Figuur 52). Heel wat van de loopkevers die met deze gemeenschap geassocieerd zijn, zoals Veelkleurige loopkever (H. affinis), Vijfdoornkruiper (H. modestus), Zwarte dwergloper (S. truncatellus) of
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 153 van 352
Slanke halmklimmer (O. puncticeps), zijn dan ook sterk in aantal toegenomen tov. 2004 en staan bekend als soorten van droge tot zelfs xerotherme (droge en warme) biotopen. Daartegenover staat een sterke afname van heel wat soorten geassocieerd met de loopkevergemeenschap van de vochtiger locaties, waaronder Groeftarszwartschild (P. vernalis), Gepuncteerde zwartschild (P. strenuus) of Puntglanspriemkever (B. properans), die meestal ook bekend staan als soorten van vochtige biotopen. Voor het natuurbehoud en –beheer is dit wel relevant, want binnen de eerste groep (droogte- en warmteminners) zitten heel wat Rode Lijst soorten, terwijl de tweede groep vooral zeer algemene soorten betreft. Er is met andere woorden in tegenstelling tot de spinnen niet echt een Rode lijst soort geassocieerd met de “vochtige” locaties in 2004. De locaties M1, M2, M3 en M4 zijn bij de sterkst gewijzigde tov 2004. De wijzigingen op deze locaties kunnen aanzien worden als positief aangezien die in de richting lopen waarin de Rode Lijstsoorten zitten. M2, M3 en M4 zijn steile, zuidwest georiënteerde hellingen. Daar heeft een goed maaibeheer dus relatief sterke impact in positieve zin. Er zijn ook heel wat locaties met vroeger een hoog aandeel vochtminners, zoals k1, die sterk veranderd zijn qua loopkevergemeenschap, door de afname van die vochtminnende soorten. Dit zijn locaties met een ruigere vegetatie in 2004 die door een volgehouden grasland beheer (maaien met afvoer) interessanter zijn geworden.
Figuur 53:. Eerste twee assen van een Principal Component Analyse (PCA) van de loopkevergemeenschappen in beide jaren langs de Brusselse Ring incl. soorten die in minstens één van beide jaren tot de 20 meest getelde horen. Ook het percentage verklaarde variatie van beide assen is weergegeven.
Kijken we naar de Rode Lijst soorten (Figuur 53), dan zien we dat deze enerzijds vooral geassocieerd zijn met de locaties met veel Bronskleurige glansloopkever (A. aenea) (wat geen Rode Lijst soort is), en dan ofwel met de m1-m5 locaties in 2020 linksboven in de biplot, of anderzijds met de gemengde 2004-2020 locaties linksonder met een hoger aandeel Kalkgroefkop (P. maculicornis). Enkel Breedrugglimmer (A. eurynota) en Geelsprietkruiper (H. luteicornis) lijken hier niet echt mee geassocieerd. Voor eerstgenoemde soort gaven we al eerder aan dat de lage aantallen, op de 2 ‘afwijkende locaties’ (M1, M5), weinig zeggen. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 154 van 352
Figuur 54: Eerste twee assen van een Principal Component Analyse (PCA) van de loopkevergemeenschappen in beide jaren langs de Brusselse Ring, incl. de Rode Liist soorten die in minstens 3 stalen werden aangetroffen. Ook het percentage verklaarde variatie van beide assen is weergegeven.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 155 van 352
3.3.4.3
Vergelijking 2004-2020 voor ‘storingssoorten’
De dominante soorten zijn ‘echte graslandsoorten’. Storingssoorten, namelijk van het type pionierssoorten die men veel in intensief agrarisch gebied vindt, zijn slechts beperkt aanwezig. Drie soorten zijn volgens Desender et al. (2008) typisch voor ‘ruigten en akkers’: De Aardbeiloopkever (Harpalus (Pseudoophonus) rufipes): is slechts met 7 ex. aangetroffen (1 per locatie op 7 plaatsen). Akkerglimmer (Amara similata): slechts 5 ex. (waarvan drie op de beplante locatie M3). Akkersnelloper (Anchomenus dorsalis): slechts 3 ex. Naast H. rufipes, Amara similata en Anchomenus dorsalis selecteerden we obv literatuur nog een aantal ‘storingssoorten’ om hiermee de vergelijking 2004-2020 te kunnen maken, met name Acupalpus meridianus, Agonum muelleri, Anisodactylus binotatus, Bembidion lampros, B. obtusum, B. properans en B. quadrimaculatum. Kijken we naar het totaalpercentage storingssoorten, dan zien we dat er -in tegenstelling tot de spinnen - een duidelijke afname is in 2020 vs. 2004 (pairwise Wilcoxon signed-rank test, p=0,0016).
Figuur 55: Aantalspercentage storingssoorten bij de loopkevers, per bodemval locatie, in 2004 vs. 2020, berekend als het aantal van alle storingssoorten samen ten opzichte van het totaal aantal gevangen loopkevers.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 156 van 352
3.3.4.4
Samenvatting en conclusies
We vingen in 2020 met de bodemvallen in de bermen van de R0 in totaal 7.723 loopkevers, behorend tot 61 soorten. Hiervan zijn 18 Rode Lijst soorten, meer bepaald één ‘bedreigde’ soort, Harpalus pumilus, twee ‘kwetsbare’ soorten, Amara kulti en Harpalus modestus, 14 ‘zeldzame’ soorten (Amara aulica, Amara bifrons, Amara eurynota, Calathus cinctus, Harpalus anxius, Harpalus attenuates, Harpalus distinguendus, Harpalus luteicornis, Microlestes minutulus, Notiophilus quadripunctatus, Olisthopus rotundatus, Ophonus puncticeps, Panagaeus bipustulatus en Parophonus maculicornis) en één ‘achteruitgaande’ soort, de Groene zandloopkever (Cicindela campestris). De drie talrijkst gevangen soorten vertegenwoordigen méér dan 2/3de (68,5%) van het totaal aantal gevangen loopkevers. De vierde talrijkst gevangen soort is een Rode Lijstsoort, de Kalkgroefkop (Parophonus maculicornis), en deze is in zeer indrukwekkende aantallen gevangen (889 ex.). Hoewel minder uitgesproken dan bij de spinnen, zijn de gemeenschappen in 2020 duidelijk verschoven in de richting van gemeenschappen typisch voor droge locaties. Met de gemeenschap van vochtiger locaties zijn in de bermen van de R0 geen Rode Lijst soorten geassocieerd, met die van drogere locaties wel. Samengevat: we stellen een toename van aantal Rode Lijst loopkeversoorten vast, en van de aantallen van bepaalde Rode Lijst loopkeversoorten. Deze zijn daarenboven sterk geassocieerd met de richting waarin (een deel van) de bermen evolueert. Met andere woorden, minstens een deel van de bermen evolueert in de richting die voor het natuurbehoud wenselijk is, naar schraler begroeide bermen met gemeenschappen met droogteen warmteminnende loopkeversoorten die op de Rode Lijst zijn opgenomen, nét omdat dit ecotoop al vele decennia lang sterk afneemt in oppervlakte in Vlaanderen. De dominante soorten zijn ‘echte graslandsoorten’. Storingssoorten, namelijk van het type pioniersoorten die men veel in intensief agrarisch gebied vindt, zijn slechts beperkt aanwezig en zijn duidelijk afgenomen tegenover 2004.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 157 van 352
3.3.5 Fauna: mieren 3.3.5.1
Vergelijking 2004-2020
Locatie m4 (van 2020) werd als outlier weggelaten uit de PCA analyse.
Figuur 56:. Eerste twee assen van een Principal Component Analyse (PCA) van de mierengemeenschappen in beide jaren langs de Brusselse Ring incl. de stalen. Ook het percentage verklaarde variatie van beide assen is weergegeven.
De veranderingen in de mierengemeenschappen zijn weinig uitgesproken, aangezien beide jaren langsheen de eerste twee assen van de PCA helemaal niet gescheiden zijn (Figuur 55) (MannWhitney U test, p=0,59 en p=0,53 respectievelijk). Figuur 56 toont dat de Moerassteekmier (M. scabrinodis) geassocieerd is met de linkerzijde van de eerste as, terwijl de andere dominante mierensoort geassocieerd is met de rechterzijde. Op de locaties met een dominantie van Moerassteekmier (M. scabrinodis), is deze soort in 2020 nog verder toegenomen in vergelijking met 2004. De locaties staan namelijk nog verder naar links op de eerste PCA as. Dit is waarschijnlijk een effect van het maaibeheer, en de daaruit volgende veranderingen in vochtgehalte en vegetatie-hoogte. De andere dominante soort, de Wegmier (L. niger), staat bekend als een verstoringsindicator. De Bruine renmier (F. cunicularia), een soort die in 2004 nog niet aanwezig was, maar in 2020 op een aantal locaties gedomineerd door Wegmier voorkomt, is, alleszins in het voorjaar, (nog) niet talrijk genoeg om de gemeenschapsstructuur sterk te beïnvloeden.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 158 van 352
Figuur 57:. Eerste twee assen van een Principal Component Analyse (PCA) van de mierengemeenschappen in beide jaren langs de Brusselse Ring incl. de soorten (geteld op minstens 3 locaties).
3.3.5.2
Vergelijking 2004-2020 storingssoorten
Er is slechts één echte storingssoort, maar wel een heel dominante, met name Wegmier (Lasius niger). De Wegmier is een cultuurvolger wat betekent dat zij zich ophoudt in de buurt van de mens – het is één van de meest algemene mieren en het is die soort die graag vertoeft onder de tegels van het terras of onder de klinkers van de oprit… Kijken we naar het percentage Wegmier, dan zien we dat er weliswaar een trend is tot een algemene afname van het aandeel Wegmier in 2020 tov. 2004 maar deze is net niet significant (pairwise Wilcoxon signed-rank test, p=0,084).
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 159 van 352
Figuur 58: Percentage van de storingssoort Wegmier (Lasius niger) in de mierengemeenschap op de bodemval locaties in 2004 vs. 2020, per locatie. Op de meeste locaties is er een trend tot afname.
3.3.5.3
Samenvatting en conclusies
We vingen bij voorliggend onderzoek van de bermen van de R0 in 2020 met de bodemvallen in totaal 14.620 mieren, behorend tot 12 soorten. Hiertoe behoort één soort opgelijst als ‘kwetsbaar’ in de Rode Lijst, de Oprolmier (Myrmecina graminicola). De Oprolmier is op 4 locaties in de bermen van de R0 vastgesteld, telkens met slechts één exemplaar. Bij de mieren vangt men vooral werksters en in mindere mate geslachtsdieren. De vangstaantallen zijn sterk gerelateerd aan de afstand tot een mierennest en dienen daarom met de nodige voorzichtigheid geïnterpreteerd te worden. De vangstaantallen zijn dus niet zonder meer te gebruiken als maat voor geschiktheid van een locatie voor een mierensoort. De aantallen van de twee dominante soorten, de Moerassteekmier (M. scabrinodis) en de Wegmier (L. niger), vertegenwoordigen 89% van de totale vangstaantallen. Voor bijzondere mierensoorten zijn in Vlaanderen vooral heidegebieden, duinen en lichtrijke bossen zeer waardevol. De betekenis van de bermen van de R0 voor het behoud van zeldzame mierensoorten kan momenteel als beperkt beschouwd worden, met name slechts voor één soort (Oprolmier). De mantelzoomvegetaties die her en der ontwikkeld worden, zoals in Machelen, lijken nochtans geschikt voor de Zwartrugbosmier (Formica pratensis) en deze kan daar zeker als waardevolle doelsoort beschouwd worden.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 160 van 352
Anderzijds is het zo dat bepaalde algemene mierensoorten belangrijk zijn als gastheren (voor tientallen soorten ongewervelden) of voedsel voor tal van diersoorten (vb. Groene specht) of dat hun nesten een gunstig substraat vormen voor planten (vb. tijm op nestbulten Gele weidemier).
3.3.6 Fauna: pissebedden In 2020 vingen we 6 soorten pissebedden, in 2004 zijn er 5 soorten gevangen. De dominante soort is in beide onderzoeken zeer nadrukkelijk de Gewone oproller. Er lijkt wel een verschuiving te zijn naar droogtetolerantere soorten. Mospissebed is in 2020 namelijk veel minder gevangen dan in 2004. Omgekeerd, de tweede talrijkst gevangen soort van 2020, de Kleipissebed, was niet aangetroffen in 2004. Dit is zo frappant dat we ons afvragen of ze destijds niet herkend is... Het Gewoon paars drieoogje is de enige soort die in 2004 was aangetroffen, en niet in 2020, doch slechts met één exemplaar, zodat daar weinig conslucies kunnen uit getrokken worden.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 161 van 352
3.4 DEELVRAAG 4: BEPALEN TOEKOMSTIG STREEFDOEL 3.4.1 Flora Op basis van de huidige vegetatie (proefvlakken en complexen) werd het toekomstig streefdoel voor een aantal percelen licht aangepast. Er werd rekening gehouden met de Rode-Lijstsoorten en aanwezige indicatorsoorten. Het toekomstig beheer en streefdoel wordt per perceel besproken in Bijlage Tabel 34 geeft een overzicht van het doeltype en het beheer dat voorop werd gesteld in 2004 en het bijgestelde doeltype en bijhorende beheer. Het doeltype is slechts voor 8 percelen licht bijgesteld. Type 19 werd voorop gesteld op iets nattere bodems en Type 13 is voor één perceel het doeltype voor de meer zandige bodem in Diegem. Voor 21 percelen van de 40 werd het beheervoorstel aangepast. Hieronder zit ook StrombeekBever waar het beheer op basis van de botanische vondsten al was aangepast. Voor V1, M5 en M6 moet bekeken worden of de boomopslag wordt verwijderd om terug te keren naar de voormalige graslandvegetatie. Tabel 34: Overzicht van de Doeltypes van 2004 en 2020 en het daarbij horende beheervoorstel.
Code PQ 2004
Doeltype 2004
Doeltype 2020
Beheervoorstel 2004
Beheervoorstel 2020
A1 A2 A3 D1 D2 D3 D4 D5 D6 D7 DI1 G1 G2 G3 G4 GR1
14
14
juli en september
juni-september
14
14
juni en september
april-september
14
14
juni en september
april-september
14
13
juli en september
april-september
14
14
juli en september
april-september
14
14
mei en september
juli-september
14
14
mei en september
juli-september
14
14
mei en september
juli-september
16
14
juli en september
juli-september
14
14
mei en september
april-september
21
21
september
14
14
juli en september
april-september
14
14
juli en september
april-september
14
14
juli en september
april-september
14
14
juli en september
april-september
14
september
juni-september
GR2 K1 K2 K3 K4 K5
14
Verbossing verwijderen? 14
september
juni-september
19
19
juli en september
juli-september
19
19
juli en september
juli-september
14
19
september
juli-september
14
19
september
juli-september
14
19
juli-september
K6
14
14
juni en september eerste 5 jaar, nadien juli en september juni en september eerste 5 jaar, nadien juli en september
September
juli-september
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 162 van 352
Code PQ 2004
Doeltype 2004
Doeltype 2020
Beheervoorstel 2004
M1 M2 M3 M4 M5
14
14
mei en september
september
14
14
mei en september
september
14
14
mei en september
september
14
14
mei en september
september
21
september
M6
14
Verbossing verwijderen? Verbossing verwijderen?
M7 S1 S2 S3 S4 V1 WE1 WE2 WO1 WO2 Z1
14
14
mei en september
april en september (indien verwijdering boomopslag) of september April en september (indien verwijdering boomopslag) of september juni-september
14
19
juli en september
April en september
14
19
juli en september
April en september
14
14
juli en september
Juli en september
14
19
juli en september
Juli en september
21
14
september
april-september
14
14
mei en september
juni-september
14
14
mei en september
juni-september
16
14
september
juli-september
16
14
september
juli-september
14
14
september, dichter tegen beplanting maaien
april-september
mei en september
Beheervoorstel 2020
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 163 van 352
3.4.2 Fauna De resultaten tonen aan dat er al een goede diversiteit is aan bijensoorten die leven en foerageren in de bermen van de R0. In de meeste bermen werden ook verschillende soorten koekoeksbijen waargenomen. We raden aan om de interessantste grazige bermen (WO1-2, K1-2, M3-MG3 en M4) op dezelfde manier te blijven beheren en onder andere te voorkomen dat struwelen en houtige aanplanten teveel uitbreiden. Beplanten van bloemrijke bermen dient zeker vermeden te worden. De goede resultaten bij M4 en M3-MG3 in Machelen toonden het belang van maaien met afvoer van het maaisel aan. Zo is er steeds voldoende nestgelegenheid voor ondergronds nestelende soorten. Knoopkruid en Gewone rolklaver zijn erg belangrijke voedselplanten in de bermen, maar deze kwamen pas veel ‘later dan normaal’ in bloei omdat de meeste bermen rond eind mei gemaaid werden in 2020. Soorten die ervan afhankelijk zijn vonden rond die periode waarschijnlijk dan ook geen voedsel. We raden aan om een groot deel van de nu reeds bloemrijke bermen pas te maaien vanaf eind juni, wanneer deze planten grotendeels uitgebloeid zijn. Nog beter zou zijn om de bermen gefaseerd te maaien. Zo kunnen de bermen op het meest geschikte moment gemaaid worden in functie van botanisch goede ontwikkeling (dus ifv verlaging van de voedselrijkdom = ‘verschraling’), maar blijven bijen (en vlinders) toch steeds voldoende nectar en stuifmeel vinden dicht bij hun nestplaats. Dit kan gerealiseerd worden door op elke locatie een tweetal maaibreedtes, verspreid over het terrein, te laten staan. Voor grotere stukken kan die vertaald worden in 20% van het totaaloppervlak om zo steeds voldoende voedsel over te houden voor wilde bijen en andere insecten. Verder raden we aan om de bestaande mantel-zoom vegetaties te behouden of beter te ontwikkelen waar mogelijk. Wanneer deze beheermaatregelen toegepast worden in functie van wilde bijen, zullen andere soortgroepen daar ook meteen profijt van hebben. Er is in 2020 - tov 2004 - een toename van aantal Rode Lijst spinnen- en loopkeversoorten vastgesteld, en van de aantallen van bepaalde Rode Lijst soorten. Deze zijn daarenboven qua ecotoopvoorkeur sterk geassocieerd met de richting waarin (een deel van) de bermen evolueert, met name in de richting die voor het natuurbehoud wenselijk is, meer bepaald schraler begroeide bermen met gemeenschappen met droogte- en warmteminnende loopkeversoorten die op de Rode Lijst zijn opgenomen. Droge, schrale, bloemrijke graslanden nemen al vele decennia lang sterk af in oppervlakte in Vlaanderen, waardoor de rijke loopkever- en spinnenfauna die ermee geassocieerd is, ook sterk is afgenomen en waardoor deze soorten dus merendeels op de respectievelijke Rode Lijsten zijn opgenomen. Het streefbeeld voor de bermen van de R0 ifv de soortenrijke diergroepen spinnen en loopkevers is dus zeer nadrukkelijk in de richting van soortenrijke, schrale glanshavergraslanden en plaatselijk nog schralere graslandtypes (vb. struisgrasland). Dus een goed maaibeheer met afvoer van maaisel. Uiteraard is eenheidsworst niet wenselijk en dus mogen er ruigere zones zijn, struwelen, overgangen naar houtige vegetaties, etc. … en mag er dus ook variatie in maaidata en maaiintensiteit (aantal maaibeurten) zijn. Ook het gefaseerd maaien, wat zo cruciaal is voor bloembezoekende insecten als wilde bijen, komt met name vegetatiebewonende spinnengemeenschappen ten goede.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 164 van 352
3.5 DEELVRAAG 5: SUGGESTIES VOOR TOEKOMSTIG BEHEER 3.5.1 Aanbevelingen voor beheer voor flora Naast het maaischema zijn er ook een aantal vuistregels voor een goed beheer voor het ontwikkelen van de doelvegetatie: -
-
Na elke maaibeurt wordt het maaisel zorgvuldig verwijderd. Indien dit niet gebeurt, dan kan er beter niet gemaaid worden. Maaisel dat blijft liggen zorgt voor verstikking en verruiging van de vegetatie. De maaiperiodes worden zo goed mogelijk opgevolgd. Een late maaibeurt in november zorgt in deze nattere periode voor zwaardere verstoring van de bodem. Er wordt rekening gehouden met het beheer van bosranden. Waar houtige vegetaties grenzen aan grasland moet aan ruigtebeheer worden gedaan. Een strook van minimum 1,5 m breed, grenzend aan de houtige vegetatie, wordt slechts één keer per jaar gemaaid.
In Bijlage § 5.18 wordt per complex een kaart weergegeven met de beheermaatregelen, waarbij ook het ruigtebeheer werd opgenomen.
3.5.2 Aanbevelingen voor beheer voor graslandpaddenstoelen Voor het beheer ten voordele van zeldzame graslandpaddenstoelen zijn er een aantal vuistregels: 1) Het is belangrijk dat na het maaien het maaisel goed wordt afgevoerd 2) Het beheer van de grazige bermen moet tot verschraling leiden 3) Opletten voor maaien met te zware machines waarbij de bodem wordt beschadigd 4) Uitbreiden van de oppervlakte aan grazige bermen door terugzetten van de houtkanten. Op die manier wordt ook de verruigende invloed van bladafval teruggedrongen.
3.5.3 Gericht beheer voor fauna Voor fauna zijn dit erg belangrijke zaken: - Maaisel dient steeds zo goed mogelijk afgevoerd te worden om verruiging tegen te gaan en de bodem steeds toegankelijk te houden voor soorten die op de bodem leven of er hun nestjes in maken. Denk aan de vele soorten wilde bijen die in de bodem nestelen. - Er dient zoveel mogelijk gefaseerd gemaaid te worden. Daarbij moet steeds zo’n 20% van de vegetatie blijven staan zodat er steeds voldoende voedsel voorradig is voor bloembezoekende insecten en structuur voor vegetatiebewonende spinnen. - Voor heel wat soorten zijn de mantel-zoomvegetatie van erg groot belang. Het is dan ook belangrijk om deze te behouden, maar tegelijkertijd te zorgen dat deze door successie niet omvormen tot bos. Ook dit kan voorkomen worden door gefaseerd te beheren en de bosranden slechts één keer per jaar te maaien.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 165 van 352
4 REFERENTIES Aeolus (2008). Dag, vlinders in de berm! Vlindervriendelijke inrichting en beheer van bermen, taluds en restgronden. Brochure samengesteld in opdracht van LNE, dienst Natuurtechnische Milieubouw. 30 pp. Tekst Jorg Lambrechts, Foto’s Rollin Verlinde. Folder voorgesteld op de Vlinderstudiedag op 9 maart 2008. Adriaens T., San Martin y Gomez G., Bogaert J., Crevecoeur L., Beuckx J.-P., Lock K., Jonckheere K. & Maes D. 2014. Red List of ladybirds in Flanders. Chances for better protection and adapted native conservation. Natuur.focus 13(3): 118-128. Allen-Wardell G, et al. 1998 The potential consequences of pollinator declines on the conservation of biodiversity and stability of crop yields.Conserv. Biol. 12, 8–17. Andriessen, W., Lambrechts, J. & I. Plessers (2004). Opstellen beheeradviezen voor bermen, taluds en restgronden langs de N73 Tessenderlo-Kinrooi. Aeolus in opdracht van AMINABEL, cel NTMB. Bax, I.H.W. & Schippers, W. 1997 Ontwikkeling van botanisch waardevol grassland. Publikatienummer C-18, Dienst Landelijk Gebied en Informatie- en Kenniscentrum. Natuurbeheer, Wageningen, 88 p. Berwaerts, K. & Vints, E., 2003. De E314-wegbermen in Vlaams-Brabant: een habitat voor de Sleedoornpage? In: Jaarboek BRAKONA 2001 (red. stuurgroep Brakona) pp 72-76, Acco, Leuven. Biesmeijer J.C. et al. (2006). Parallel declines in pollinators and insect-pollinated plants in Britain and the Netherlands. Science 313: 351-354. Bogaert, S., Ruijgrok, E., J. Lambrechts & S. Lambert (2011). Uitvoeren van maatschappelijke kostenbatenanalyse voor ecologisch bermbeheer in Vlaanderen. Arcadis & Witteveen en Bos iov Cel Milieueconomie. Bosch, H., Hoffmann, M., Van Den Bergh, E., Vandevoorde, B. & Provoost, S. (2009). Slikken en schorren. In: Tjollyn, F. et al. 2009. Criteria voor de beoordeling van de lokale staat van instandhouding van de NATURA2000-habitattypen, versie 2.0. Rapporten van het Instituut voor natuur- en Bosonderzoek 2009 (46). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Bosmans R. & J. Van Keer 2017. Een herziene soortenlijst van de Belgische spinnen (Araneae). Nieuwsbrief van de Belgische Arachnologische Vereniging 32 (2): 39-69. Calle L. & Jacobusse C (red.). (2008). Bijen en wespen in Zeeland; Fauna Zeelandica deel 4, Het Zeeuwse Landschap, Wilhelminadorp. Claus, K., Vercayie, D., Rodts, J., 2012, “Flanders Flattened Fauna, Monitoring of wildlife road casualties by volunteers by means of a web-based application”, poster presented at the IENE 2012 conference, Potsdam, Germany. Defever H. (2001). Natuurwaarden op de bermen van de E314 in Vlaams-Brabant. Brakona Jaarboek 2000: 84-86. Dekoninck W., Vankerkhoven F. & Maelfait J.-P. (2003). Verspreidingsatlas en voorlopige Rode Lijst van de mieren van Vlaanderen. Rapport van het Instituut voor Natuurbehoud 2003.7. Brussel.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 166 van 352
Dekoninck W., Ignace D., Vankerkhoven, F. & Wegnez F. (2012). Verspreidingsatlas van de mieren van België. Bulletin de la Société royale belge d’Entomologie / Bulletin van de Koninklijke Belgische Vereniging voor Entomologie 148 (2012): 95-186. Dekoninck W., Baugnée J.-Y., Boosten G., Crevecoeur l., Dahan l., Drumont A., Ignace d., Jacobs M., Lambeets K., Lambrechts J., Limbourg P., Maquet D., Migon M., Minet G., Muls D., Raemdonck H., Renneson J.-L., Scheers k., Stassen e., Struyve t., Thys N., Troukens w., Van Grimberge A., Van Kerckvoorde M., Van Malderen M., & Hendrickx F. (2019). Records of new and rare carabid beetles (Coleoptera- Carabidae) in Belgium collected or identified during the period 2008 - 2018 (Coleoptera: Carabidae). Bulletin de la Société royale belge d’Entomologie/Bulletin van de Koninklijke Belgische Vereniging voor Entomologie, 155 (2019): 19–63. Desender, K., Maes, D., Maelfait, J.-P. & M. Van Kerckvoorde 1995. Een gedocumenteerde Rode Lijst van de zandloopkevers en loopkevers van Vlaanderen. Mededelingen van het Instituut voor Natuurbehoud 1995 (1): 1-208. Desender, K. Dekoninck, Baert, L., Grootaert, P. & Maelfait, J.-P 2004. ‘In de ban van de ring’. Inventarisatie van een aantal invertebratengroepen op de bermen, de taluds en de restgronden van de R0 (Ring van Brussel) en een voorstel tot monitoring. KBIN & IN in opdracht van AMINAL, cel NTMB. Desender, K. Dekoninck, W., Maes, D., Crevecoeur, L., Dufrêne, M., Jacobs, M., Lambrechts, J., Pollet, M., Stassen, E. & Thys, N. (2008). Een nieuwe verspreidingsatlas van de loopkevers en zandloopkevers (Carabidae) in België. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, 2008(13). Brussel : Belgium. 184 pp D’Haeseleer J & P. Vanormelingen (2016) Bijen in akkerranden in Vlaams-Brabant. Rapport Natuurpunt Studie 2016/17, Mechelen. Drossart, M., Rasmont, P., Vanormelingen, P., Dufrêne, M., Folschweiller, M., Pauly, A., ... & Michez, D. (2019). Belgian Red List of Bees De Saeger, S. & L. Vriens 2018. Actualisatie van de Biologische Waarderingskaart en Natura 2000 Habitatkaart t.h.v. de verkeerswisselaar van Strombeek-Bever. INBO.A.3691. De Smedt, P., Boeraeve, P., Arijs, G. & Segers, S. 2020. De landpissebedden van België (Isopoda: Oniscidea). Spinicornis, Bonheiden, belgium, 148 pp. De Smedt, P., Boeraeve, P., Arijs, G., Segers, S., Lambrechts, J. & D. Maes 2021. An IUCN Red List of terrestrial woodlice (Isopoda: Oniscidae) in Flanders and its implications for conservation. Journal of Insect Conservation (in prep.) ELLENBERG, H., WEBER, H.E., DÜLL, R., WIRTH, V., WERNER, W., PAULISSEN, D., 1991.- Zeigerwerte von Pflanzen in Mitteleuropa, Goltze KG, Göttingen. Feys, S., Boers, K., Hoeymans, B., Jacobs, M., Lefevre, A., Steeman, R., Symens, P. & J. Lambrechts 2019. Monitoring van het ecoduct De Munt over de E19 in Wuustwezel (T7). Natuurpunt Studie i.o.v. Vlaamse Overheid, LNE, Dienst Milieu-integratie Economie en Infrastructuur. Rapport Natuurpunt Studie 2019/1, Mechelen. Feys, S. & J. Lambrechts 2019a. Poelen op ecoduct De Munt succes voor amfibieën. Natuurbericht 7 januari https://www.natuurpunt.be/nieuws/poelen-op-ecoduct-de-munt-succes-voor-amfibie%C3%ABn2019. 20190107.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 167 van 352
Feys, S. & J. Lambrechts 2019b. Volop Hazen en Reeën op ecoduct De Munt in Wuustwezel! Natuurbericht 1 april 2019. https://www.natuurpunt.be/nieuws/volop-hazen-en-ree%C3%ABn-op-ecoduct-de-muntwuustwezel-20190401. Feys S., Boers K., Jacobs, M., Lambrechts, J., Lefevre A., Steeman R., Vanormelingen P., Van De Poel S. & Willems W. 2020. Monitoring van drie ontsnipperende maatregelen in het Zoniënwoud. Natuurpunt Studie i.o.v. Vlaamse Overheid, Departement Omgeving. Rapport Natuurpunt Studie 2020/15, Mechelen. Guelinckx (2001). De Sleedoornpage in zuidoost-Brabant: een nieuwe kijk op de verspreiding. Natuurpunt Oost-Brabant. Jaarboek natuurstudie 2000: 22-35. Hennekens, S.M. & J.H.H. Schaminee (2001). Turboveg, a comprehensive database management system for vegetation data Journal of Vegetation Science 12: 589-591. Hens, M., Fluyt, F. & B. Vercoutere (2008). Natuur voor filerijders. Opmerkelijke bermflora in VlaamsBrabant. Natuur.focus 7 (1): 17-20. Hermy, M. & De Blust, G. (1997). Punten en lijnen in het landschap. Uitgeverij Marc Van de Wiele: Brugge : Belgium. ISBN 90-6966-115-2. 336 pp. Jacobs I., 2010. Eindverslag van de opdracht ‘Verkennend onderzoek naar de ecologie en verspreiding van Iepenpage in Vlaams-Brabant’. Rapport Natuur.studie 2010/12 Mechelen. Jacobs I., 2011a. De Sleedoornpage in Vlaams-Brabant. Concrete soortbescherming, sensibilisatie en samenwerking. Rapport Natuurpunt Studie 2011/12, Mechelen. Jacobs I., 2011b, Ecologie en verspreiding van de Iepenpage in Vlaams-Brabant’. Rapport Natuur.studie 2011/10 Mechelen. Jacobs I., Herremans M., Berwaerts K., Merckx, T. & Vanreusel, W., 2010. Ecologie en verspreiding van Sleedoornpage in Vlaams-Brabant. Rapport Natuur.studie 2010/11 Mechelen. Jacobs, I., Steeman, R., Van de Poel, S., Lewylle, I. & J. Lambrechts 2019a. Eindrapport Monitoring Fauna- en Flora-elementen binnen het GIP ‘Vallei van de Drie Beken’. Rapport Natuurpunt Studie 2019/21, Mechelen. Jacobs, I., Jacobs, M. & J. Lambrechts 2019b. Monitoring in het domein Most-Keiheuvel in Balen in het kader van het LIFE+ project natuurherstel Most-Keiheuvel. Natuurpunt Studie en Nature ID in opdracht van het Agentschap voor Natuur en Bos. Rapport Natuurpunt Studie 2019/2, Mechelen. Jacobs M. & Raemakers I., 2016. Beheer in functie van (wilde) bijen: handleiding-21 toolboxen. NATURE-ID gcv 2016. In opdracht van de provincie Limburg. Lambeets, K. & J. Lambrechts (2005). De spinnenfauna van een ruderaal terrein langsheen de bezinkingsputten van Tienen. Nieuwsbrief van de Belgische Arachnologische Vereniging 20 (3): 73-80. Lambrechts, J. 1997. Spinnen en pissebedden van snelwegbermen rond Gent en het voorkomen van zware metalen in deze organismen. Licentiaatsthesis Biologie. UGent. Begeleider: Jean-Pierre Maelfait (Instituut voor Natuurbehoud, thans INBO), promotor : Prof. J. Mertens. Lambrechts, J. (1999). Een populatie Slikwolfspinnen (Pardosa agrestis) aan de bezinkingsputten van Tienen. Nieuwsbrief van de Belgische Arachnologische Vereniging 14 (1): 14-16.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 168 van 352
Lambrechts, J., Verheijen, W., Gabriëls, J., Gorssen, J. & Rutten, J. 2000a. Evaluatie van het actuele heidebeheer op de intrinsieke kwaliteiten voor de fauna. Aeolus in opdracht van AMINAL afdeling Natuur (Limburg) Lambrechts, J., Verheijen, W., Gorssen, J. & Rutten, J. 2000b. Fauna-elementen op de wegbermen langsheen de autosnelweg E314. Aeolus in opdracht van AMINAL afdeling Natuur (Limburg). Lambrechts, J. 2004a. Opmeten nulsituatie omgeving ecoduct Kikbeek (E314). Opdrachtgever: AMINABEL, cel NTMB. Lambrechts, J. 2004b. Opmeten nulsituatie omgeving ecoduct over de N25 (Meerdaalwoud). Opdrachtgever: AMINABEL, cel NTMB. Lambrechts, J. 2006. Een vierde Vlaamse populatie Rosse sprinkhaan (Gomphocerippus rufus), in een wegberm te Halen (Limburg). Natuur.focus 5 (2): 67-68. Lambrechts, J., Verlinde, R., Van der Wijden, B. & Gorssen, J. 2007. Monitoring ecoduct Warande over de N25 in Meerdaalwoud (Bierbeek). Verslag van het onderzoek in T1 (2006). Aeolus in opdracht van cel NTMB. Lambrechts, J. & M. Janssen 2007. Een brug tussen Meerdaalbos en Mollendaalbos, wat betekent dat voor de bosbewonende spinnen ? Nieuwsbrief van de Belgische Arachnologische Vereniging 22 (3): 90-101. Lambrechts, J., Verlinde, R., Van der Wijden, B. & Gorssen, J. 2008. Monitoring ecoduct KIKBEEK over de E314 in Maasmechelen. Verslag van het onderzoek in T1 (2007). Aeolus in opdracht van cel NTMB. Lambrechts, J. 2008. Snelle kolonisatie van een waterplas op het ecoduct Kikbeek (Maasmechelen, Limburg) door libellen. Libellenvereniging Vlaanderen Nieuwsbrief Jaargang 2 (nr. 2): 2-6. Lambrechts, J., M. Janssen & A. Zwaenepoel 2010. Hoge soortenrijkdom aan spinnen in de fossiele duinen van Adinkerke (De Panne). Nieuwsbrief van de Belgische Arachnologische Vereniging 25 (1): 16-40. Lambrechts, J., Verlinde, R., Stassen, E., &. S. Verkem 2010. Monitoring ecoduct Warande over de N25 in Meerdaalwoud (Bierbeek). Resultaten van het onderzoek in het derde jaar na aanleg (T3: 2008). Arcadis in opdracht van Dienst NTMB. 88 p. + 6 bijlages. Lambrechts, J. & M. Janssen 2010. Monitoring van de spinnenfauna op het ecoduct Kikbeek in Maasmechelen: 78 soorten vastgesteld in het eerste jaar na aanleg. Nieuwsbrief van de Belgische Arachnologische Vereniging 25 (1): 1-15. Lambrechts, J. 2010. Monitoring van het ecoduct ‘De Warande’ over de N25 in Meerdaalwoud. De Boomklever 38 (2): 34-45. Lambrechts, J., Verlinde, R., Stassen, E., Hendig, P. & Verkem, S. 2011. Monitoring ecoduct ‘KIKBEEK’ over de E314 in Maasmechelen. Resultaten van het derde jaar na aanleg (T3: 2009). Arcadis iov Dienst NTMB. 107 pp+ 8 bijlages. Lambrechts, J., Janssen, M. & M. Jacobs 2012. Een zeer rijke spinnenfauna op een heideterrein in de nucleaire zone te Dessel (provincie Antwerpen). Nieuwsbrief van de Belgische Arachnologische Vereniging 27 (1): 1-21. Lambrechts, J. 2013a. Ecoduct over E34/A67 wil natuurgebieden weer verbinden. Natuurbericht 25 maart http://www.natuurpunt.be/news/ecoduct-over-e34a67-wil-natuurgebieden-weer2013. verbinden#.VjIW1SskSls.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 169 van 352
Lambrechts, J. 2013b. Eerste ecoduct van Vlaanderen is een succes. Natuurbericht 25 juli 2013. http://www.natuurpunt.be/news/eerste-ecoduct-van-vlaanderen-een-succes#.VjIM0CskSls. Lambrechts, J., Boers, K., Keulemans, G., Jacobs, M., Moens, L., Renders, M., & Willems, W. 2013a. Monitoring ecoduct ‘De Warande’ over de N25 in Meerdaalwoud (Bierbeek). Resultaten van het zevende jaar na aanleg (T7: 2012) en vergelijking met de T3 en T1. Natuurpunt Studie i.o.v. Vlaamse Overheid, LNE, Dienst Milieu-integratie Economie en Infrastructuur. Rapport Natuurpunt Studie 2013/4, Mechelen. Lambrechts, J., Boers, K., Jacobs, M., Mergeay, J., Machielsen, W., Lefevre, A., Pandelaers, C. & Puls, S. 2013c. Opmeten van de huidige ecologische situatie (T0) in de omgeving van het geplande ecoduct Kempengrens over de E34 in Postel (Mol). Natuurpunt Studie i.o.v. Vlaamse Overheid, LNE, Dienst Milieuintegratie Economie en Infrastructuur. Rapport Natuurpunt Studie 2013/1, Mechelen. 166 p. Lambrechts, J. 2014. Aftoetsing van de ecologische werking van een eerste ontwerp van het geplande ecoduct Konijnenpijp over de N25 in Meerdaalwoud. Rapport Natuurpunt Studie 2014/9, Mechelen. Lambrechts, J., Lewylle, I., Vercayie, D., Jacobs, M. & Lefevre, A. 2014. Monitoring ecoduct ‘Kikbeek’ over de E314 in Maasmechelen. Resultaten van het zevende jaar na aanleg (T7: 2013) en vergelijking met de T3 en T1. Natuurpunt Studie in opdracht van de Vlaamse Overheid, departement Leefmilieu, Natuur en Energie, afdeling Milieu-integratie en -subsidiëringen, Dienst Milieu-integratie Economie en Infrastructuur. Rapport Natuurpunt Studie 2014/3, Mechelen. Lambrechts, J., Steeman, R., Jacobs, I. & D'Haeseleer, J. 2014. Opmaak van een bermbeheerplan voor de snelweg E314/A2 in Vlaams-Brabant. Natuurpunt Studie i.o.v. Vlaamse Overheid, LNE, Dienst Milieuintegratie Economie en Infrastructuur. Rapport Natuurpunt Studie 2014/2, Mechelen. Lambrechts, J., Van Keer, J., Jacobs, M., Boydens, W. & E. Ameloot 2015. De spinnenfauna van de subrecente duinen van de Schuddebeurze (Middelkerke, provincie West-Vlaanderen). Nieuwsbrief van de Belgische Arachnologische Vereniging 30 (2): 66-83. Lambrechts, J., Thys N. & W. Veraghtert, 2015. Biodiversiteitsonderzoek op Brussels Airport. Resultaten van het onderzoek in 2015. Rapport Natuurpunt Studie 2015/20, Mechelen. Lambrechts, J., Jacobs, I. & Jacobs, M. 2015. Monitoring in het domein Most-Keiheuvel in Balen in het kader van het LIFE+ project natuurherstel Most-Keiheuvel. Natuurpunt Studie en Nature ID in opdracht van het Agentschap voor Natuur en Bos. Rapport Natuurpunt Studie 2015/1, Mechelen. 290 pp. Lambrechts, J. 2016. Zelfs zeldzame Gladde slang gebruikt ecoduct Kikbeek. Natuurbericht 20 juli 2016. https://www.natuurpunt.be/nieuws/zelfs-zeldzame-gladde-slang-gebruikt-ecoduct-kikbeek20160720#.V5X_WvmLSM8. Lambrechts, J., Van Keer, J., Jacobs, M. & E. Cosyns 2016. Herstel van oude glorie: de spinnenfauna van het schorrenreservaat Het Zwin (Knokke-Heist, provincie West-Vlaanderen). Onderzoek naar spinnen in kader van de monitoring van LIFE ZTAR. Nieuwsbrief van de Belgische Arachnologische Vereniging 31 (2): 59-92. Lambrechts, J., Vanormelingen, P. & W. Veraghtert, 2016. Biodiversiteitsonderzoek op Brussels Airport. Resultaten van het onderzoek in 2016. Rapport Natuurpunt Studie 2016/13, Mechelen. Lambrechts, J. 2017. Ecoduct Kempengrens verbindt Vlaanderen en Nederland voor dieren. Natuurbericht 1 juni 2017. https://www.natuurpunt.be/nieuws/ecoduct-kempengrens-verbindt-vlaanderen-en-nederlandvoor-dieren-20170601#.WS_wBeuLSM8.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 170 van 352
Lambrechts, J., Boers, K., Feys, S., Jacobs, M., Machielsen, W. & Lefevre, A. 2017. Monitoring van het ecoduct Kempengrens over de E34 in Mol (T2). Natuurpunt Studie i.o.v. Vlaamse Overheid, LNE, Dienst Milieuintegratie Economie en Infrastructuur. Rapport Natuurpunt Studie 2017/1, Mechelen. Lambrechts, J., Feys, S., Vanormelingen, P. & W. Veraghtert, 2017. Biodiversiteitsonderzoek op Brussels Airport. Resultaten van het onderzoek in 2017. Rapport Natuurpunt Studie 2017/45, Mechelen. Lambrechts, J. 2018. Monitoring ecoduct Kempengrens. Meander 17 (1): 4-9. Lambrechts J., Janssen M. & Jacobs M. 2019. De spinnenfauna op het ecoduct De Munt in Wuustwezel (Provincie Antwerpen), zeven jaar na de aanleg. Nieuwsbrief van de Belgische Arachnologische Vereniging 34 (1): 10-36. Lambrechts, J., Van Keer, J., Jacobs, M., Feys S. & S. Van de Poel (2021). De spinnen en hooiwagens van ecoduct Groenendaal en ecotunnel Flossendelle in het Zoniënwoud (Provincie Vlaams-Brabant). 57 spinnensoorten aangetroffen centraal op ecoduct in eerste jaar na aanleg. Nieuwsbrief van de Belgische Arachnologische Vereniging 36 (1): 1-45. La Salle, J. & J.D. Gould. 1993. Hymenoptera: their diversity and their impact on the diversity of other organisms. P 1-26 in Hymenoptera and biodiversity. CAB International, Washington D.C. Lefevre, A. & J. Lambrechts 2017. Monitoring ecoduct Kempengrens (Postel) op vleermuizen. Chiropcontact 23 (2): 10-15. Lock, K. 2000. Voorlopige atlas van de duizendpoten van België (Myriapoda, Chilopoda). I.N. en K.B.I.N., Rapport Instituut voor Natuurbehoud 2000/19, Brussel, 40p. Lock, K. 2009. Stenotaenia linearis: an expected species new to the Belgian fauna (Myriapoda Chilopoda). Bulletin K.B.V.E. 145: 114-116. Maelfait J.-P., Baert L., Janssen M. & Alderweireldt M. (1998). A Red list for the spiders of Flanders. Bulletin van het K.B.I.N. 68 :131-142. Maes D., Herremans M., Vantieghem P., Veraghtert W., Jacobs I., Fajgenblat M. & Van Dyck H. (2021). IUCN Rode Lijst van de dagvlinders in Vlaanderen 2021 Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2021 (10). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Maes D., Adriaens T., Decleer K., Foquet B., Foquet R., Lambrechts J., Lock K. & Piesschaert F. (2017). IUCN Rode Lijst van de sprinkhanen en krekels in Vlaanderen. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2017 (29). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Meert R., Garrevoet T. & Goossens R. 2020. Klaverwespvlinder verovert Vlaanderen. Natuurbericht op https://www.natuurpunt.be/nieuws. Muster, C. & Michalik P. (2020). Cryptic diversity in ant‐mimic Micaria spiders (Araneae, Gnaphosidae) and a tribute to early naturalists. Zoologica scripta 49 (2): 197-209. Nijs G. 2009. Provinciaal Prioritaire Soorten: het hoe, wat en waarom. Brakona jaarboek 2008, pp 36-39 Nijs G., Lambrechts J., Stassen E., Vanormelingen P. Lambeets, K., & S. Feys, 2016. De Grauwe klauwier in Vlaams-Brabant: inventarisatie, habitatpreferentie en voedselbeschikbaarheid. Rapport Natuurpunt Studie 2016/5, Mechelen.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 171 van 352
Noordijk, J. 2009. Arthropods in linear elements : occurence, behaviour and conservation management. Proefschrift Wageningen. Ozinga, W.A., Arnolds, E., Keizer, P.J. & T.W. Kuyper 2013a. Paddenstoelen in het natuurbeheer. OBN preadvies paddenstoelen. Deel 1: ecologie, knelpunten en kennislacunes. OBN rapport. Ministerie van Economische Zaken. Den Haag. Nederland. 120 pp. Ozinga, W.A., Arnolds, E., Keizer, P.J. & T.W. Kuyper 2013b. Paddenstoelen in het natuurbeheer. OBN preadvies paddenstoelen. Deel 2: mycoflora per natuurtype. OBN rapport. Ministerie van Economische Zaken. Den Haag. Nederland. 379 pp. Peeters, T.M.J., Nieuwenhuijsen,H., Smit, J., van der Meer, F., Raemakers, I.P., Heitmans, W.R.B., van Achterberg, C., Kwak, M., Loonstra, A.J., de Rond, J., Roos, M. & M., Reemer 2012 De Nederlandse bijen (Hymenoptera: Apidae s.L.). Natuur van Nederland 11, Naturalis Biodiversity Center & European Invertebrate Survey – Nederalnd, Leiden. 544p. Peeters T. M.J. & Reemer M. (2002). Bedreigde en verdwenen bijen in Nederland, Basisrapport met voorstel voor de Rode Lijst. Stichting European Invertebrate Survey – Nederland Leiden. PERSSON, S. 1981. Ecological indicator values as an aid in the interpretation of ordination diagrams. Journal of Ecology 69: 71-84. Roberts M.J. (1998). Tirion spinnengids. Vertaald door Aart Noordam. Tirion, Baarn. 397 blz. Schaminée J.H.J., Weeda E.J. & Westhoff, 1995. De vegetatie Plantengemeenschappen van wateren, moerassen en natte heiden.
van
Nederland.
Deel
2.
Schaminée J.H.J., Stortelder A. H. F. & Weeda E.J., 1996. De vegetatie van Nederland. Deel 3. Plantengemeenschappen van graslanden, zomen en droge heiden. Schaminée J.H.J., Weeda E.J. & Westhoff, 1998. De vegetatie Plantengemeenschappen van de kust en van binnenlandse pioniersmilieus.
van
Nederland.
Deel
4.
Steeman, R., Lambrechts, J. & R. Guelinckx 2008. Een netwerk van aardtong-houdende, knotszwamrijke ‘wasplatenweiden’ in Vlaams-Brabant. BRAKONA jaarboek 2006-2007: 100-121 Steeman R., 2013. Graslandpaddenstoelen in halfnatuurlijke graslanden, wegbermen en tuinen in WestBrabant. Rapport Natuurpunt Studie 2013/11, Mechelen, België. Steeman, R. & J. Lambrechts 2013. Parels sieren bermen E314. Natuurbericht 27 juni 2013. http://www.natuurpunt.be/news/parels-sieren-bermen-e314#.VlM2Jr8kSls. Steeman, R., Lambrechts, J., Jacobs, I. & D'Haeseleer, J. 2014. Opmaak van een bermbeheerplan voor de snelweg E314/A2 in Limburg. Natuurpunt Studie i.o.v. Vlaamse Overheid, LNE, Dienst Milieu-integratie Economie en Infrastructuur. Rapport Natuurpunt Studie 2014/1, Mechelen. Steeman, R. 2015. Graslandpaddenstoelen zoeken toevlucht in gazons. Natuurbericht 22 oktober 2015. https://www.natuurpunt.be/nieuws/graslandpaddenstoelen-zoeken-toevlucht-gazons-20151022. Steeman, R. 2016. Topnatuur binnen handbereik! Grasperken en gazons met kleuren en vormen: wasplaten en co. Rapport Natuurpunt Studie 2015/15, Mechelen. Steeman R. 2017. Inventarisatie van de bermvegetatie van de E34/A21. Rapport Natuurpunt Studie 2017/27, Mechelen. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 172 van 352
Turin H. (2000). De Nederlandse loopkevers, verspreiding en ecologie (Coleoptera, Carabidae). Nederlandse fauna III. Naturalis, KNNV en EIS-Nederland, Leiden. 666blz., 16 platen, met cdrom. Van Keer, K., Vanuytven, H., De Koninck, H. & Van Keer, J.,2010. 'More than one third of the Belgian spider fauna (Araneae) found within the city of Antwerp: faunistics and some reflections on urban ecology', Nwsbr. Belg. Arachnol. Ver., Vol. 25, No. 2, 160-180. Vanderheyden, I. & Lambrechts, J. 2008. Onderzoek naar de versnipperingsknelpunten en de mogelijkheden voor ontsnippering langs de E40/A10 tussen de R0 (ring rond Brussel) en Oostende. Arcadis Aeolus in opdracht van het Agentschap Infrastructuur, afdeling Planning en Coördinatie. Vanderheyden, I., Lambrechts, J. & K. Traen (2009). Voorbereidende studie voor de ecologische verbindingen aan de R0 en de A4/E411 ter hoogte van het Zoniënwoud. Arcadis i.o.v Agentschap Wegen en Verkeer (AWV) Vlaams-Brabant. Van Landuyt, W. et al. 2006. Atlas van de flora van Vlaanderen en het Brussels Gewest. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek: Brussel : Belgium. ISBN 90-726-1968-4. 1007 pp Van Uytvanck, J., Van Kerckvoorde, A., Vandevoorde, B., De Blust, G. (2017). Evaluatie en optimalisatie van de inventarisatiemethodiek en de beheerevaluatie voor bermen en dijken. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2017 (32). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel.
Vercayie, D., Herremans, M., Verbeylen, G., Verbelen, D., Lambrechts, J., Smets, L., Degraeve, K., Rodts, J., Gielen, K. & Vanreusel, W. 2012. Monitoring van verkeersslachtoffers langs Vlaamse wegen: “Dieren onder de wielen”. Rapport van de Vlaamse overheid – Departement Leefmilieu, Natuur en Energie, Natuurpunt Studie vzw en Vogelbescherming Vlaanderen vzw. België. Vercayie, D. & Lambrechts, J. 2014. Voorbereidende studie en opvolging van de monitoring van de ecologische infrastructuur ter ontsnippering van het Zoniënwoud. Monitoringplan. Natuurpunt Studie in opdracht van Agentschap voor Natuur en Bos. Rapport Natuurpunt Studie 2014/20, Mechelen. Vercayie, D., 2014. Handleiding voor trajecttellers. Versie 2. Dieren onder de wielen 2.0. Natuurpunt Studie, Mechelen. Vercayie, D. & Herremans, M. 2015. Citizen science and smartphones take roadkill monitoring to the next level. In: Seiler A, Helldin J-O (Eds) Proceedings of IENE 2014 International Conference on Ecology and Transportation, Malmö, Sweden. IENE 2014. Nature Conservation 11: 29–40. doi: 10.3897/natureconservation.11.4439 http://natureconservation.pensoft.net/articles.php?id=4439 Vercayie D., 2015. Handleiding cameravallen, opgesteld in het kader van Zoogdierenatlas Brussel 2001-2016. Natuurpunt Studie en Zoogdierenwerkgroep in opdracht van Leefmilieu Brussel. Handleiding Natuurpunt Studie, Mechelen. Vercayie D., 2015. Handleiding muizen inventariseren, opgesteld in het kader van Zoogdierenatlas Brussel 2001-2016. Natuurpunt Studie en Zoogdierenwerkgroep in opdracht van Leefmilieu Brussel. Handleiding Natuurpunt Studie, Mechelen. Vercayie D. 2015. Determinatietabel voor de muizen van België, opgesteld in het kader van Zoogdierenatlas Brussel 2001-2016. Naar Bonne (jaar onbekend) en Twisk et al. 2010. Natuurpunt Studie en Natuurpunt Zoogdierenwerkgroep in opdracht van Leefmilieu Brussel. Vercayie D. & J. Lambrechts, 2017. Inventarisatie en evaluatie van de impact van het verkeer op wilde dieren in Vlaanderen – “Dieren onder de wielen 2.0”. Eindrapport. Rapport Natuurpunt Studie 2017/8, Mechelen. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 173 van 352
Vercayie D. 2017. Impact van verkeer op invertebraten. Literatuurstudie in het kader van het project “Dieren onder de wielen 2.0”. Rapport Natuurpunt Studie 2017/9, Mechelen. Vercayie D., Paquet A., Feys S., Willems W. & J-Y. Paquet, 2017. Zoogdierenatlas van het Brussels gewest. 2001-2017. Rapport Natuurpunt Studie 2017/39, Mechelen. Vercayie D. & K. Swinnen, 2016. Voorbereidende studie en opvolging van de monitoring van de ecologische infrastructuur ter ontsnippering van het Zoniënwoud. Tussentijds rapport 1. Rapport Natuurpunt Studie 2016/2, Mechelen. Vercayie D. & K. Swinnen, 2017. Voorbereidende studie en opvolging van de monitoring van de ecologische infrastructuur ter ontsnippering van het Zoniënwoud. Tussentijds rapport 2. Rapport Natuurpunt Studie 2017/10, Mechelen. Vercayie D. & K. Swinnen, 2018. Monitoring van de ecologische infrastructuur ter ontsnippering van het Zoniënwoud. Eindrapport. Rapport Natuurpunt Studie 2018/12, Mechelen. Verlinde, R., Wuytens, S., Lambrechts, J. & P.T. Hendig (2003). Evaluatie van de ecotunnel TeutTenhaagdoornheide: opstellen van een monitoringstechniek en evaluatie gebruik door fauna. Eindverslag. AEOLUS in opdracht van AMINAL afdeling Natuur (Limburg). Verschraegen, T., Vanreusel, W., Lambrechts, J. & D. Maes (2003). Klavertje 4: het Bruin dikkopje, Boswitje, Dwergblauwtje en Klaverblauwtje in Vlaanderen. Vlinders 18 (4): 4-6. Zwaenepoel, A. 1998. Werk aan de berm! Handboek botanisch bermbeheer. Stichting Leefmilieu vzw. Antwerpen.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 174 van 352
5 BIJLAGEN 5.1 BIJLAGE 1: FICHES MET OMSCHRIJVING EN BESPREKING VAN DE LOCATIES EN VEGETATIETYPES, SYNTAXONOMIE EN BWK VOOR 2004 EN 2020 5.1.1 Afrit Wezembeek-Oppem Z1 Locatie Omschrijving locatie 2004 Omschrijving locatie 2020
Bodemtextuur Vegetatietype(s) 2004 Vegetatietype(s) 2020
Syntaxonomie 2004 Syntaxonomie 2020 BWK 2004 BWK 2020 Bespreking 2004
Bespreking 2020
Z1 Ruigte op talud. Het talud heeft een W-helling. Aan de onderzijde van het talud grenst een onverharde landbouwweg met akker, de N-zijde betreft struweel. Ruigte op talud dat gelegen is op een W-gerichte helling. Aan de onderzijde van het talud grenst een ondiepe gracht en een onverharde landbouwweg met akker. De N-zijde is begroeid met struweel. Droge leem Ruig type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver-type) = G3 met overgangen naar type 21 (Fijne kervel-Gewone glanshaver-type) = G2 R1: verstoord grasland (Akkerwinde) R2: verruigd grasland (Kleefkruid, Jacobskruiskruid) Ruig Type 14 = G3: Gras-kruidenmix (Sint-janskruid, Rood zwenkgras, Vogelwikke, Veldbeemdgras) Arrhenatherion elatioris met overgangen naar Artemisietea vulgaris Arrhenatherion elatioris met overgangen naar Artemisietea vulgaris Hu- (ku) Hu-Hr (ku) Het grasland heeft een vrij ruig aspect en een hoge productie, o.m. door Gewone glanshaver. Andere Glanshavergraslandsoorten zijn o.m. Knoopkruid en Scherpe boterbloem. Door de weinige kensoorten van het Arrhenatheretum elatioris is de associatie slechts zwak ontwikkeld. Daarnaast komen veel ruigteindicerende soorten voor, zoals Gewone berenklauw, Akkerdistel, Jakobskruiskruid en Smeerwortel. Dit heeft te maken met het relatief extensieve maaibeheer (1x/jaar in september), waardoor ruigtesoorten van de Artemisietea vulgaris zich kunnen ontwikkelen. Deze soorten komen echter voor in lage bedekkingen. Het bloemrijk aspect wordt verzorgd door o.m. Voeder- en Ringelwikke en Sint-Janskruid. Het grasland heeft een ruig aspect met een hoog aandeel van Gewone glanshaver. Scherpe boterbloem, Gewone rolklaver en Knoopkruid werden hier in het PQ niet meer waargenomen, wel nog sporadisch in de rest van het perceel.
Dominant 2004: Gewone glanshaver Abundant 2004: Gewone rolklaver Frequent 2004: Ringelwikke Dominant 2020: Gewone glanshaver Frequent 2020: Akkerwinde en Vogelwikke
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 175 van 352
11-05-2020
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 176 van 352
5.1.2 Verkeersknooppunt Woluwe (E40-Luik): K1-K2-K3-K4-K5-K6 Locatie
K1
Omschrijving locatie 2004
Vrij voedselrijke, vlakke ruigte met een gesloten structuur. In de nabijheid komt geen struiklaag voor. Vlakke, verstoorde bodem met 5% open bodem door verstoring. Antropogeen, zandig, droog Type 21 (Fijne kervel-Gewone glanshaver-type) = G2 R1: Verstoord grasland: Akkerdistel G3: Sint-janskruid, Rood zwenkgras, Veldbeemdgras, Rietzwenk-gras G4a: Veldlathyrus Arrhenaterion elatioris met overgangen naar Artemisietea vulgaris Arrhenatherion elatioris met overgangen naar Artemisietea vulgaris HuHu (Ku) Het aandeel grassen is vrij hoog (40%, Gewone glanshaver). Er zijn echter te weinig kensoorten op associatieniveau om te kunnen spreken van een goed ontwikkelde Glanshaverassociatie. Er komen wel een aantal klasse- en verbondssoorten voor, waaronder de reeds genoemde Gewone glanshaver, Scherpe boterbloem, Peen, Knoopkruid en Voederwikke, echter in lage bedekkingen. Speerdistel, Akkerdistel en Ridderzuring wijzen op een verruigde vegetatie en wijzen op een affiniteit tot de Artemisietea vulgaris. Door de verstoring op deze plaats is er vrij veel Akkerdistel aanwezig (20%). De aanwezigheid van Sint-Janskruid, Rood zwenkgras en Veldlathyrus wijzen op een positieve ontwikkeling naar glanshaverhooiland en struisgrasland. In dit perceel zijn Kraailook, Zomerbitterling en Echt duizendguldenkruid lokaal frequent aanwezig, met occasioneel voorkomen van Rapunzelklokje, Margriet en Knoopkruid. Dit wijst erop dat hier een glanshavergrasland ontwikkelt met waardevolle pioniersvegetatie op kalkrijke bodem en voedselrijke zoomvegetatie als overgang naar de beplanting.
Omschrijving locatie 2020 Bodemtextuur Vegetatietype(s) 2004 Vegetatietype(s) 2020
Syntaxonomie 2004 Syntaxonomie 2020 BWK 2004 BWK 2020 Bespreking 2004
Bespreking 2020
Abundant 2020: Veldbeemdgras Frequent 2020: Akkerdistel, Gewoon dikkopmos, Rood zwenkgras, Gewoon haakmos en Rietzwenkgras
Foto 2004
12-05-2020
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 177 van 352
Locatie Omschrijving locatie 2004 Omschrijving locatie 2020 Bodemtextuur Vegetatietype(s) 2004 Vegetatietype(s) 2020
Syntaxonomie 2004 Syntaxonomie 2020 BWK 2004 BWK 2020 Bespreking 2004
Bespreking 2020
K2 Gesloten grasland (vlak) met een dichte grasmat. Er is geen struiklaag aanwezig in de nabijheid. Verstoord grasland met Akkerdistel en Duizendguldenkruid, 20% open bodem. antropogeen Type 19 (Veldlathyrus-Gulden sleutelbloem-type) G4a Type 25: R1:Verstoord grasland, Akkerdistel, Duizendguldenkruid, SintJanskruid Type 14: (Scherpe boterbloem-Rode klaver) G3: Gras-Kruidenmix: Veldbeemdgras Molinio-Arrhenateretea (Fragmentair Arrhenatheretum elatioris) RG Cirsium arvense-[Artemisietea vulgaris] Hp* (Hu+) Ku Hoog-productieve grassen zijn Gewone glanshaver, in mindere mate Rood zwenkgras. Heel wat kensoorten van de Molinio-Arrhenateretea komen in de opname voor, o.m. Scherpe boterbloem, Paardebloem, Knoopkruid en Peen. Tevens komen Veldlathyrus en Voederwikke abundant voor. Akkerdistel is abundant aanwezig en Veldbeemdgras frequent. In mindere mate is er Echt duizendguldenkruid, Sint-Janskruid, Kleine veldkers, Smalle weegbree, Jacobskruiskruid, Rood zwenkgras en Gewone glanshaver. 20% van de bodem is open door verstoring. Dit PQ ligt in hetzelfde perceel dan K1 en heeft dus ook potentie voor ontwikkeling naar een glanshavergrasland met waardevolle pioniersvegetatie op kalkrijke bodem en een waardevolle zoomvegetatie als overgang naar de beplanting.
Abundant 2004: Gewone glanshaver Bijzondere soorten 2004: Kleine bevernel (s) Abundant 2020: Akkerdistel Frequent 2020: Veldbeemdgras Bijzondere soorten 2020: Echt duizendguldenkruid ®
2004
12-05-2020
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 178 van 352
Locatie Omschrijving locatie 2004 Omschrijving locatie 2020 Bodemtextuur Vegetatietype(s) 2004 Vegetatietype(s) 2020 Syntaxonomie 2004 Syntaxonomie 2020 BWK 2004 BWK 2020 Bespreking 2004
Bespreking 2020
K3 Gesloten, vlakke ruigte met een hoog aandeel aan Rood zwenkgras (70%). Aansluitend op deze locatie bevindt zich geen struweel. Zeer licht hellend perceel met lokaal een groot aandeel aan Boszegge en Knoopkruid. Droge leem met overgang naar droog zand Ruig type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver-type) G3 G4a: Glanshavergrasland: Knoopkruid Molinio-Arrhenateretea (Fragmentair Arrhenatheretum elatioris) met overgangen naar Trifolio-Festucetalia ononae (Koelerio-Corynephoretea) Arrhenatheretum elatioris Hp*-Hu Hu+ Dit grasland behoort tot de Molinio-Arrhenateretea, maar heeft te weinig kensoorten om tot de Glanshaverassociatie gerekend te kunnen worden. Wel komen overgangen naar de Struisgras-orde voor (Koelerio-Corynephoretea), met als kensoort Gewoon struisgras en als differentiërende soorten Rood zwenkgras in een hoge bedekking en Jakobskruiskruid. Gewone glanshaver komt in mindere mate voor; in vergelijking met K1 is deze locatie minder productief. Dit grasland behoort tod de Glanshaverassociatie met kensoorten als Knoopkruid en Gewone margriet die lokaal frequent aanwezig zijn. De lokaal frequente aanwezigheid van Boszegge wijst op het ontwikkelen van een waardevolle zoomvegetatie als overgang naar de beplanting.
Dominant 2004: Rood zwenkgras Frequent 2004: Rode klaver Bijzondere soorten: Blauw walstro ® Dominant 2020: Knoopkruid Frequent 2020: Gewone bermzegge
2004
12-05-2020
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 179 van 352
Locatie Omschrijving locatie 2004 Omschrijving locatie 2020 Bodemtextuur Vegetatietype(s) 2004 Vegetatietype(s) 2020
Syntaxonomie 2004 Syntaxonomie 2020 BWK 2004 BWK 2020 Bespreking 2004
Bespreking 2020
K4 Zeer bloemrijk grasland. Deze locatie is bloemrijker dan K2. Zeer bloemrijk grasland met deze opname op talud met Zuidwest-oriëntatie. Droge leem Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver-type) G3 G3: gras-kruidenmix: Rood zwenkgras G4a: Glanshavergrasland: Knoopkruid, Gewone margriet, Kleine bevernel R1: Boerenwormkruid R2: Kropaar Molinio-Arrhenateretea (Fragmentair Arrhenatheretum elatioris) met overgangen naar Trifolio-Festucetalia ononae (Koelerio-Corynephoretea) Arrhenatheretum elatioris (Molinio-Arrhenatheretea) Hp* Hu+ Het aandeel Gewone glanshaver is lager dan in K2, maar toch blijft het grasland in een vrij productief stadium. Naast grassen zoals Rood zwenkgras, Gewoon struisgras en Gewone glanshaver komen vrij veel aspectbepalende soorten voor, zoals o.m. Rode klaver, Gewone rolklaver, Margriet, Voederwikke en Knoopkruid. In het algemeen is dit grasland te plaatsen tussen de MolinioArrhenateretea en de Koelerio-Corynephoretea, met een reeks kensoorten van beide klassen. Een bijzondere soort betreft Bijenorchis die met een dertigtal exemplaren voorkwam in de opname. Het aandeel Gewone glanshaver is in dit stuk beperkt, Rood zwenkgras, komt hier abundant voor. Knoopkruid is abundant met frequent Margriet en lokaal Kleine bevernel en Blauw walstro.
Dominant 2004: Rood zwenkgras Frequent 2004: Madeliefje Bijzondere soorten: Bijenorchis (s) Zeer vreemd dat Madeliefje de code f kreeg en Gewone margriet de code r, want de foto doet anders vermoeden. Bijenorchis kreeg de code s, wat wijst op 1 exemplaar, terwijl er in de tekst vermeld wordt dat er een 30-tal exemplaren voorkwamen in de opname. Abundant 2020: Knoopkruid, Rood zwenkgras Frequent 2020: Gewone margriet Bijzondere soorten 2020: Kleine bevernel (o), Blauw walstro (r)
2004
12-05-2020
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 180 van 352
Locatie Omschrijving locatie 2004 Omschrijving locatie 2020 Bodemtextuur Vegetatietype(s) 2004 Vegetatietype(s) 2020
Syntaxonomie 2004 Syntaxonomie 2020 BWK 2004 BWK 2020 Bespreking 2004
Bespreking 2020
K5 Ruig grasland met een hoog aandeel aan Gewone glanshaver. Het talud is Wgeoriënteerd. In de nabijheid bevindt zich struweel. Bloemrijk grasland met veel Veldzuring, smalle weegbree en lokaal frequent Graslathyrus. Droge leem Type 21 (Fijne kervel-Gewone glanshaver-type) G2 G3: Veldzuring, Veldbeemdgras G4a: Graslathyrus G4d: Smalle weegbree Molinio-Arrhenateretea met affiniteit tot Galio-Alliarion Arrhenatheretum elatioris (Molinio-Arrhenatheretea) Hp* Hu+ Het aandeel Gewone glanshaver is zeer hoog, waardoor de grasmat ook zeer dicht en vervilt is. Andere grassen die voorkomen, zijn o.m. Rood zwenkgras. Er komen vrijwel geen andere soorten voor, met uitzondering van een aantal ruigte-indicatoren zoals Krulzuring, Grote brandnetel, e.d. Het aandeel Gewone glanshaver is beperkt, Velbeemdgras is nu abundant met frequent voorkomen van Smalle weegbree en Veldzuring en Graslathyrus is lokaal frequent aanwezig. Dit perceel is veel bloemrijker geworden en is geëvolueerd naar een Glanshaverhooiland.
Dominant 2004: Gewone glanshaver Abundant 2020: Veldbeemdgras Frequent 2020: Veldzuring, Smalle weegbree Bijzondere soorten 2020: Graslathyrus (o)
2004
12-05-2020
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 181 van 352
Locatie Omschrijving locatie 2004 Omschrijving locatie 2020 Bodemtextuur Vegetatietype(s) 2004 Vegetatietype(s) 2020
Syntaxonomie 2004 Syntaxonomie 2020 BWK 2004 BWK 2020 Bespreking 2004
Bespreking 2020
K6 Vrij ruig grasland met lokaal bloemrijk aspect. Het talud is W-georiënteerd. In de nabijheid bevindt zich struweel. Vrij ruig grasland met lokaal bloemrijk aspect en lokaal ruigte-aspect. Licht hellend talud met W-oriëntatie. Droge leem Type 21 (Fijne kervel-Gewone glanshaver-type) G2 met overgangen naar type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver-type) G3 G2: Gestreepte witbol G3: Veldbeemdgras, Gewone glanshaver, veldzuring, peen R2: Kleefkruid, Kropaar Molinio-Arrhenateretea Holcus lanatus-Lolium perenne-[Molinio-Arrhenatheretea] Hp* Hp (Hk) De vegetatie heeft een vrij hoog aandeel aan Gewone glanshaver, maar in tegenstelling tot K5, is de bloemenrijkdom hoger. Toch kan op basis van de aanwezige soorten niet echt gesproken worden van een affiniteit tot de associatie Arrhenatheretum elatioris, maar is een syntaxonomische typering op verbondsniveau correcter. De vegetatie heeft plaatselijk een vrij hoog aandeel Gestreepte witbol en ruigtesoorten zoals Kleefkruid en Kropaar, maar ook soorten van het Glanshaververbond zoals Veldzuring, Gewone margriet en Knoopkruid zijn op dit perceel lokaal frequent. Dit proefvlak ligt op de overgang van glanshaverhooiland naar ruigte.
Dominant 2004: Gewone glanshaver Abundant 2020: Gestreepte witbol Frequent 2020: Gewone glanshaver, Veldbeemdgras
12-05-2020
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 182 van 352
Verkeersknooppunt Diegem-Zaventem (Woluwelaan): WO1-WO2 Locatie Omschrijving locatie 2004
Omschrijving locatie 2020
Bodemtextuur Vegetatietype(s) 2004 Vegetatietype(s) 2020 Syntaxonomie 2004 Syntaxonomie 2020 BWK 2004 BWK 2020 Bespreking 2004
Bespreking 2020
W01 Deze locatie betreft een ruig, nat grasland nabij de Woluwebeek. Aanpalend aan de ruigte bevindt zich struweel met een gevarieerde aanplant van verschillende leeftijd en dichtheden. Deze locatie is verruigd en verbraamd, met veel open bodem en houtsnipperresten. Een storingsindicator als Kleefkruid groeit er naast hooilandsoorten als Veldlathyrus, Gewone rolklaver. Antropogeen Type 21 (Fijne kervel-Gewone glanshaver-type) G2 met overgang naar type 16 (Moerasrolklaver-Egelboterbloem-type) G3 of G4 G3: Veldbeemdgras, G4a: Gewone rolklaver, S4: Braam Molinio-Arrhenateretea met overgang naar Lolio-Potentillion anserinae (Plantaginetea majoris) Artemisietea vulgaris Hp* Hp (Ku) Dominante plantensoorten zijn o.m. Heelblaadjes, Ruw beemdgras, Voederwikke en Gestreepte witbol. De kensoorten behoren zowel tot de MolinioArrhenateretea als tot de Plantaginetea majoris (Lolio-Potentillion anserinae), waaronder Ruige zegge, Kruipende boterbloem en Vijfvingerkruid als kensoorten van het laatstgenoemde syntaxon. De dominante plantensoort Dauwbraam (60%) wijst op verbraming van deze zone van dit perceel. De aanwezigheid van hooilandsoorten wijst erop dat door een aangepast maaibeheer de bramen kunnen teruggedrongen worden. Soorten als Veenwortel, Ruige zegge en Heelblaadje wijzen op wisselende waterstanden.
Abundant 2004: Ruw beemdgras Dominant 2020: Braam Frequent 2020: Gewone rolklaver, Veldbeemdgras
2004
11-05-2020
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 183 van 352
Locatie Omschrijving locatie 2004 Omschrijving locatie 2020 Bodemtextuur Vegetatietype(s) 2004 Vegetatietype(s) 2020
Syntaxonomie 2004 Syntaxonomie 2020 BWK 2004 BWK 2020 Bespreking 2004
Bespreking 2020
W02 Locatie WO2 is een vochtig grasland, waarvan het aandeel zomerbloeiers vrij hoog ligt. Een vochtig grasland dat verruigd en verstoord is en aan het verbossen en verbramen is. Natte leem Type 16 (Moerasrolklaver-Egelboterbloem-type) G3 of G4 G3: Beemdlangbloem, Heelblaadjes, Veldbeemdgras G4a: Veldlathyrus R2: Ridderzuring, Kleefkruid, Kropaar R1: Heermoes Molinio-Arrhenateretea met overgang naar Lolio-Potentillion anserinae RG Elytrigia repens-[Artemisietea vulgaris] Hp Hr Hoewel deze zone als grasland niet optimaal ontwikkeld is, is ze behoorlijk rijk aan kensoorten van vochtig grasland, met name behorend tot het LolioPotentillion anserinae, een graslandtype van vochtige tot natte, verdichte bodem. Het aandeel kensoorten van grassen is vrij hoog, o.m. Fioringras en Grote vossenstaart wijzen op vochtindicerende omstandigheden (en een maaibeheer). Soorten die het aspect bepalen zijn o.m. Voederwikke, Scherpe boterbloem, Peen en Veldlathyrus, kensoorten van de Molinio-Arrhenateretea. Een fraaie vondst betreft Rietorchis, een soort die een voorkeur heeft voor vochtige veengronden, humusrijke zandgronden en lichte klei-gronden.
Abundant 2004: Fioringras Frequent 2004: Voederwikke Abundant 2020: Beemdlangbloem, Heelblaadjes Frequent 2020: Veldbeemdgras, Ruw beemdgras
2004
11-05-2020
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 184 van 352
5.1.3 Verkeersknooppunt Diegem (A201-Luchthaven): D1-D7 Locatie Omschrijving locatie 2004 Omschrijving locatie 2020
Bodemtextuur Vegetatietype(s) 2004 Vegetatietype(s) 2020
Syntaxonomie 2004 Syntaxonomie 2020 BWK 2004 BWK 2020 Bespreking 2004
Bespreking 2020
D1 Locatie D1 betreft een ruig grasland met een sterk vervilte grasmat. Het terrein is vlak. Licht verstoord en verruigd grasland op licht hellend terrein met NOoriëntatie. In dit perceel werd ook Graslathyrus gevonden, maar niet meer in het proefvlak. Droog zand Type 21 (Fijne kervel-Gewone glanshaver-type) = G2 G3: Rood Zwenkgras, Gewone berenklauw, Smalle weegbree, Peen, Rode klaver G4a: Knoopkruid, Gewone rolklaver; Graslathyrus R1: Boerenwormkruid, Heermoes Dauco-Melilotum (Artemisietea vulgaris) Artemisietea vulgaris met overgang naar Arrhenatherion elatioris Ku Ku en Hu De vervilting is hoofdzakelijk afkomstig van Gewone glanshaver en Rood zwenkgras. De ruigte is weinig bloemrijk in het voorjaar, maar gedurende de zomermaanden zorgt Boerenwormkruid en Jakobskruiskruid voor het bloemrijk aspect. De hoge bedekking van Boerenwormkruid, Akkerdistel en minder abundant Speerdistel wijst op een affiniteit met het Dauco-Melilotum (Artemisietea vulgaris). Gewone glanshaver neemt in dit proefvlak minder dan 5% in en is niet meer dominant aanwezig, Rood zwenkgras is frequent aanwezig met 20%, samen met Kropaar, Gestreepte witbol en Veldbeemdgras. Akkerdistel en Jakobskruiskruid zijn hier niet meer aanwezig en de soorten van het Glanshaververbond zijn hier vertegenwoordigd. Dit grasland is op weg om een bloemrijk hooiland te worden.
Dominant 2004: Gewone glanshaver Abundant 2004: Boerenwormkruid Bijzondere soorten 2004: Graslathyrus (s) Abundant 2020: Boerenwormkruid Frequent 2020: Rood zwenkgras, Kluwenhoornbloem
2004
11-05-2020
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 185 van 352
Locatie Omschrijving locatie 2004
Omschrijving locatie 2020
Bodemtextuur Vegetatietype(s) 2004 Vegetatietype(s) 2020
Syntaxonomie 2004 Syntaxonomie 2020 BWK 2004 BWK 2020 Bespreking 2004
Bespreking 2020
D2 D2 is een bloemrijk grasland met een hoog aandeel aan voorjaars- en zomerbloeiers. Het grasland is vlak ter hoogte van de vegetatieopname. Het omringend bodemgebruik betreft verkeerswegen. Midden de grote graslandoppervlakte waarin D2 gelegen is, komen ruigtezones voor (hierin situering D1). Dit proefvlak ligt in een droog, bloemrijk, schraal grasland dat gelegen is op een lichte noordhelling. In 2018 werd hier Beemdkroon waargenomen, we hebben de soort in 2020 niet opgemerkt. In 2010 werd hier Blauwe bremraap waargenomen, maar die werd in 2020 niet waargenomen. Droog zand Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver-type) = G3 met overgang naar type 21 (Fijne kervel-Gewone glanshaver-type) = G2 R1: Boerenwormkruid R2: Kropaar G3: Rood zwenkgras, Peen, Smalle weegbree, Gewoon duizendblad, Rode klaver G4a: Knoopkruid, Gewone margriet, Gewone rolklaver Fragmentair Arrhenatheretum elatioris (Molinio-Arrhenateretea) met overgang naar Dauco-Melilotum (Artemisietea vulgaris) Arrhenatheretum elatioris (Molinio-Arrhenateretea) met fragmentair DaucoMelilotum (Artemisietea vulgaris) Ku (Hu) Hu (Ku) Het bloemrijk aspect wordt veroorzaakt door Boerenwormkruid (zomerbloeier), Rode klaver, Margriet en in mindere mate door Knoopkruid en Voederwikke. Met uitzondering van Boerenwormkruid, wijzen deze soorten op een affiniteit met Molinio-Arrhenateretea. Andere kensoorten van dit syntaxon zijn o.m. Gestreepte witbol, Paardenbloem, Gewone hoornbloem, Gele morgenster Gewone brunel en Peen. Hoewel het een vrij schraal grasland betreft, is het aandeel aan Rood zwenkgras vrij hoog; Gewone glanshaver komt minder abundant voor. Van de ruderale klasse (Artemisietea vulgaris) haalt Boerenwormkruid hoge bedekkingen. Vermeldenswaardig is het voorkomen van Bijenorchis buiten de vegetatieopname. Boerenwormkruid neemt nog minder dan 5% in terwijl soorten als Knoopkruid en Peen nu frequent aanwezig zijn. Ook andere soorten van het Glanshaververbond (Gewone margriet, Gewone rolklaver) nemen hier nu een prominente plaats in. Dit perceel heeft zich ontwikkeld naar een bloemrijk glanshaverhooiland met sporadisch nog wat ruigtekruiden.
Abundant 2004: Boerenwormkruid, Rood zwenkgras Dominant 2020: Rood zwenkgras Frequent 2020: Knoopkruid, Peen
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 186 van 352
11-05-2020
2004
Locatie Omschrijving locatie 2004
Omschrijving locatie 2020 Bodemtextuur Vegetatietype(s) 2004 Vegetatietype(s) 2020
Syntaxonomie 2004 Syntaxonomie 2020 BWK 2004 BWK 2020 Bespreking 2004
Bespreking 2020
D3 Zeer bloemrijk, vlak grasland. Door de nabije aanwezigheid van bruggen van de autosnelweg, wordt het grasland beïnvloed door storingssoorten die onder deze bruggen voorkomen (o.m. Bijvoet en Akkerdistel). Zeer bloemrijk, vlak grasland met kleine stukken open bodem die wijzen op verstoring. antropogeen Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver-type) G3 R1: Heermoes, Kluwenhoornbloem R2: Kropaar, Jacobskruiskruid G3: Rood zwenkgras, Veldbeemdgras, Duizendblad, Scherpe boterbloem, Rode klaver, Gewoon duizendblad G4a: Gewone margriet, Gewone rolklaver, Knoopkruid Arrhenatheretum elatioris (Molinio-Arrhenateretea) Arrhenatheretum elatioris (Molinio-Arrhenateretea) Hu Hu+ (Ku) D3 is een zeer bloemrijke zone, waarvan de bloemenrijkdom hoofdzakelijk gevormd wordt door kensoorten van de Molinio-Arrhenateretea zoals Rode klaver, Margriet en Voederwikke. Het aandeel hoog-produktieve grassen (Gewone glanshaver) is laag, maar minder-produktieve grassen zoals Veldbeemdgras en Rood zwenkgras nemen ca. 60% (bedekking) in. Bijvoet en Akkerdistel zijn beide kensoorten van de Artemisietea vulgaris, maar komen in een dusdanig lage bedekking voor, dat er niet kan gesproken worden van een overgang naar dit syntaxon. Zeer bloemrijke zone, met voornamelijk bloemen uit het Glanshaververbond (Gewone margriet, Knoopkruid, Gewone rolklaver). Bijvoet en akkerdistel kwamen niet meer voor in het proefvlak, maar wel pioniersoorten als Heermoes en Kluwenhoornbloem wat wijst op verstoring. Aangezien Kluwenhoornbloem frequent voorkomt is het belangrijk om bij de BWK te vermelden dat er een overgang is naar verstoord grasland.
Abundant 2004: Veldbeemdgras Frequent 2004: Gewone margriet, Rode klaver Abundant 2020: Gewoon haakmos, Veldbeemdgras Frequent 2020: Gewoon duizendblad, Gewone margriet, Peen, Gewone rolklaver; Scherpe boterbloem, Rode klaver, Kluwenhoornbloem /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 187 van 352
2004
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 188 van 352
Locatie Omschrijving locatie 2004 Omschrijving locatie 2020
Bodemtextuur Vegetatietype(s) 2004 Vegetatietype(s) 2020
Syntaxonomie 2004 Syntaxonomie 2020 BWK 2004 BWK 2020 Bespreking 2004
Bespreking 2020
D4 Locatie D4 is gelegen op een talud en wordt gekenmerkt door een ruigtevegetatie. Er bevindt zich geen struweel in de nabijheid. Dit proefvlak is gelegen op een talud dat ZW-gericht is en het wordt gekenmerkt door een grazige vegetatie met bloemrijke stukken en ruigere stukken die elkaar afwisselen. Droog zand Type 21 (Fijne kervel-Gewone glanshaver-type) = G2 G3: Rood zwenkgras, duizendblad, Veldbeemdgras, Smalle weegbree, Peen, Gewoon biggenkruid G4a: Knoopkruid, Gewone margriet, Gewone rolklaver G4d: Kleine klaver G5b: Gewone zandmuur, Veldereprijs, Kleine leeuwenklauw R1: Boerenwormkruid, Kluwenhoornbloem R2: Kropaar Dauco-Melilotum (Artemisietea vulgaris) Dauco-Melilotum (Artemisietea vulgaris) met overgang naar Arrhenatheretum elatioris (Molinio-Arrhenateretea) Ku Ku (Hu) De kenmerkende en dominante soorten zijn o.m. Boerenwormkruid, Gewone glanshaver en Kropaar. Ook andere soorten bepalen het ruige aspect van de vegetatie en zorgen voor een vervilte, dichte grasmat, zoals o.m. Rood zwenkgras. Andere soorten zorgen voor een bloeiaspect, al zijn deze slechts in geringe abundantie aanwezig (o.m. Voederwikke, Ringelwikke, Duizendblad). Van een echte overgang naar de Molinio-Arrhenateretea kan daarom op basis van deze kensoorten niet gesproken worden. Dit perceel is veel minder ruig dan in 2004, Boerenwormkruid komt nog wel frequent voor maar is niet meer dominant. Kluwenhoornbloem en Luzerne zijn wel abundant aanwezig, wat wijst op verstoring. Mogelijk wordt de bodem bij het maaien van dit zeer steil talud verstoord en/of heeft dit zuidgericht talud in de voorbije warme zomers afgezien van de hitte waardoor er kale bodem ontstaat. Er kan in 2020 wel gesproken worden van een overgang naar het Glanshaververbond, met aanwezigheid van kensoorten als Gewone margriet, Knoopkruid en Gewone rolklaver. Er is zelfs een kensoort van bloemrijk struisgrasland (Kleine klaver) en er zijn kensoorten van dwerghavergrasland (Gewone zandmuur, Veldereprijs en Kleine leeuwenklauw) die kenmerkend zijn voor deze droge zandige bodem.
Dominant 2004: Boerenwormkruid Abundant 2004: Gewone glanshaver Abundant 2020: Kluwenhoornbloem, Luzerne Frequent 2020: Rood zwenkgras, Gewoon duizendblad, Veldbeemdgras, Boerenwormkruid
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 189 van 352
11-05-2020
2004
Locatie
D5
Omschrijving locatie 2004
D5 betreft een vrij ruig grasland dat aan de voet van het talud met D4 gelegen is. In de omgeving bevindt zich geen struweel, het aanpalend grondgebruik betreft weg en ruigte (zone met D4). Proefvlak D5 ligt in een vrij bloemrijk grasland met Gewone margriet en Peen als abundante soorten. In dit perceel werd ook Hondskruid, Bokkenorchis, Bijenorchis Droog zand Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver-type) = G3met overgang naar type 21 (Fijne kervel-Gewone glanshaver-type) = G2 G3: Rood zwenkgras, Veldbeemdgras, Duizendblad, Rode klaver G4a: Gewone margriet, Kleine bevernel Molinio-Arrhenateretea met overgangen naar Artemisietea vulgaris en KoelerioCorynephoretea Arrhenatherion elatioris Hp* (Ku) Hu+ De vegetatie heeft het aspect van een Glanshavergrasland, maar vertoont overgangen naar de Artemisietea vulgaris (o.m. Boerenwormkruid en Akkerdistel) en de Koelerio-Corynephoretea (droge graslanden met o.m. Gewoon struisgras en Gewoon biggenkruid als kensoorten en Smalle weegbree, Gewoon duizendblad en Jakobskruiskruid als differentiërende soorten). Syntaxonomisch is de opname moeilijk te plaatsen, gezien beide gemeenschappen niet echt vegetatievormend zijn. De sterk productieve grassen Kropaar en Gewone glanshaver zorgen voor het ruig aspect, maar ook soorten als Akkerdistel, Kweek en Gewone berenklauw wijzen hierop. Door het hoge aandeel aan grassen en ruigtekruiden is het bloemrijk aspect vrij laag. Margriet, Rode klaver en Voederwikke verhogen wel dit aspect en bepalen de affiniteit tot de MolinioArrhenateretea. De vegetatie heeft het aspect van een pleksgewijs bloemrijk Glanshavergrasland, maar vertoont op deze zandige bodem overgangen naar struisgrasland met Gewoon biggenkruid, Gewoon struisgras, Gewone rolklaver, Smalle weegbree en Duizendblad. Kropaar en Glanshaver zijn niet meer abundant aanwezig. Gewone margriet, Peen, Gewoon duizendblad en Rode klaver zorgen voor een bloemrijk aspect. Op de iets ruigere plekken zijn Jacobskruiskruid en kluwenhoornbloem frequent aanwezig.
Omschrijving locatie 2020
Bodemtextuur Vegetatietype(s) 2004 Vegetatietype(s) 2020 Syntaxonomie 2004 Syntaxonomie 2020 BWK 2004 BWK 2020 Bespreking 2004
Bespreking 2020
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 190 van 352
Abundant 2004: Kropaar Abundant 2020: Rood zwenkgras, Gewone margriet, Peen, Veldbeemdgras Frequent 2020: Gewoon dikkopmos, Gewoon duizendblad, Rode klaver, Kluwenhoornbloem Bijzondere soorten 2020: Kleine bevernel (o)
2004
Locatie Omschrijving locatie 2004
Omschrijving locatie 2020
Bodemtextuur Vegetatietype(s) 2004 Vegetatietype(s) 2020 Syntaxonomie 2004 Syntaxonomie 2020 BWK 2004 BWK 2020 Bespreking 2004
Bespreking 2020
D6 Locatie D6 bevindt zich in een gevarieerd terrein en werd opgenomen in de lager gelegen delen van de zone. Er bevindt zich geen struweel in de nabijheid van de locatie. In dit perceel werd Bijenorchis waargenomen. Het is een zeer bloemrijk perceel met reliëf en een mozaïek van ruigere en meer bloemrijke stukken. Het proefvlak bevindt zich in een bloemrijker stuk. Antropogeen Type 16 (Moerasrolklaver-Egelboterbloem-type) = G3 of G4 G3: Scherpe boterbloem, Rode klaver, Veldbeemdgras, peen G4a: Knoopkruid Molinio-Arrhenateretea Arrhenatherion elatioris Hp* Hu+ De lager gelegen delen zijn vochtig en hebben een hoog aandeel aan indicatorsoorten van vochtige, relatief voedselarme graslanden (MolinioArrhenateretea). Grassen hebben een vrij hoog aandeel en bestaan hoofdzakelijk uit Gestreepte witbol en Fioringras als dominante soorten. Buiten de opname kwamen een tiental Bijenorchissen voor. Ruigte-indicatoren betreffen Akkerdistel, Smeerwortel en Heelblaadjes. Het aandeel van deze soorten is echter laag, zodat van geen affiniteit tot de Artemisietea vulgaris kan gesproken worden. Het grasland is zeer bloemrijk, het aspect wordt hoofdzakelijk bepaalt door kensoorten van de Molinio-Arrhenateretea: Scherpe en Kruipende boterbloem, Rode klaver en Voederwikke. De dominantie van Gestreepte witbol is door het passende maaibeheer doorbroken, dit gras heeft plaats gemaakt voor Veldbeemdgras en is nog bloemrijker geworden dan het al was. Soorten die het aspect bepalen zijn indicatorsoorten voor Glanshaverhooiland; Knoopkruid, Scherpe boterbloem, Rode klaver, Peen, Gewone rolklaver en in beperkte mate Gewone margriet.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 191 van 352
Dominant 2004: Gestreepte witbol Abundant 2004: Fioringras Frequent 2004: Scherpe boterbloem Dominant 2020: Fijn laddermos Abundant 2020: Knoopkruid, Scherpe boterbloem, Rode klaver Frequent 2020: Peen, Veldbeemdgras
2004
Locatie Omschrijving locatie 2004 Omschrijving locatie 2020
Bodemtextuur Vegetatietype(s) 2004 Vegetatietype(s) 2020
Syntaxonomie 2004 Syntaxonomie 2020 BWK 2004 BWK 2020 Bespreking 2004
Bespreking 2020
D7 D7 is een reeds vrij schraal grasland met een hoog aandeel aan voorjaars- en zomerbloeiers. Het terrein vertoont een lichte ZW-helling. D7 is een schraal en bloemrijk grasland met een licht reliëf (ZW-gericht). Er is een gradiënt aanwezig van struisgrasvegetatie op zanderige bodem tot glanshavergraslandvegetatie. Antropogeen Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver-type) = G3 met overgang naar type 23 (Klein streepzaad-Duizendblad-type) = G3 G3: Rood zwenkgras, Smalle weegbree, Peen, Rode klaver G4a: Gewone rolklaver, Gewone margriet G4d: Gewone veldbies, Gewoon biggenkruid, Gewoon struisgras, Gewoon duizendblad G5b: Klein streepzaad, Veldereprijs Molinio-Arrhenateretea met affiniteit tot Koelerio-Corynephoretea Arrhenatherion elatioris Hp* Hu+ Het bloemrijk aspect wordt gevormd door o.m. Margriet, Rode klaver, Duizendblad en Gewoon biggenkruid. Deze soorten zijn zowel kensoorten van de Molinio-Arrhenateretea als van de Koelerio-Corynephoretea. Tevens komt in de opname vrij veel Zachte ooievaarsbek en Smalle weegbree voor. Het bloemrijk aspect wordt bepaald door Margriet, Rode klaver, Knoopkruid, Gewone rolklaver, Peen, Klein streepzaad en Veldereprijs. Graslathyrus werd hier niet meer waargenomen. Op de open plaatsen die gecreëerd worden door droogte op deze licht zuidgerichte helling vind je hier Gewone veldsla en Luzerne. Deze laatste heeft zich hier goed uitgezaaid in dit perceel.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 192 van 352
Dominant 2004: Veldbeemdgras Abundant 2004: Gewoon duizendblad, Gewone margriet Bijzondere soorten 2004: Graslathyrus (s) Dominant 2020: Rood zwenkgras Frequent 2020: Smalle weegbree, Duizendblad, Peen
5.1.3.1.1 5.1.3.1.2
2004
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 193 van 352
5.1.4 Verkeersknooppunt Machelen (E19-Antwerpen): M1-M7 Locatie Omschrijving locatie 2004
Omschrijving locatie 2020
Bodemtextuur Vegetatietype(s) 2004 Vegetatietype(s) 2020
Syntaxonomie 2004 Syntaxonomie 2020 BWK 2004 BWK 2020 Bespreking 2004
Bespreking 2020
M1 M1 betreft een weinig bloemrijke ruigte, die beïnvloed wordt door beschaduwing door de langsliggende bruggen. Het terrein vertoont een WZW-helling. Er bevindt zich aansluitend geen struweel. M1 ligt op een steile ZW helling en ligt in een grasland dat bestaat uit bloemrijke stukken en ruigere, pionierstukken door verstoring. Hier werd Bijenorchis waargenomen. Droge zandleem Type 21 (Fijne kervel-Gewone glanshaver-type) = G2 G3: Rood zwenkgras, veldbeemdgras, Peen, Vijfvingerkruid G4a: Kleine bevernel, Knoopkruid, Gewoon duizendblad, Gewone margriet, Gewone rolklaver R1: Boerenwormkruid, honingklaver R2: Jacobskruiskruid Molinio-Arrhenatheretea met overgangen naar Artemisietea vulgaris Arrhenatherion elatioris met overgangen naar Artemisietea vulgaris Hp* (Ku) Hu (Ku) De ruigte heeft een hoog aandeel aan Gewone glanshaver. Daarnaast komen als ruigte-indicatoren o.m. Speer- en Akkerdistel, Gewone berenklauw, Grote brandnetel en Krulzuring voor. Het aandeel aan voorjaars- en zomerbloeiers die het aspect bepalen is vrij laag: enkel Avondkoekoeksbloem en Jakobskruiskruid zorgen voor het bloemrijk aspect. Het aandeel Gewone glanshaver en Kropaar is sterk afgenomen en heeft plaats gemaakt voor Rood zwenkgras en Veldbeemdgras. Deze helling is bloemrijker geworden met Knoopkruid, Kleine bevernel, Gewone margriet en Gewone rolklaver in lage bedekkingen. De ruigtekruiden Jakobskruiskruid en Avondkoekoeksbloem zijn nog aanwezig en ook pioniersoorten als Gewone veldsla en blauw walstro zijn op deze bijna zuidgerichte helling present.
Dominant 2004: Gewone glanshaver Frequent 2004: Kropaar Bijzondere soorten 2004: Blauw walstro (s) Dominant 2020: Rood zwenkgras Abundant 2020: Gewoon dikkopmos Frequent 2020: Peen, veldbeemdgras, Kluwenhoornbloem Bijzondere soorten 2020: Kleine bevernel (r)
2004
8-05-2020
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 194 van 352
Locatie Omschrijving locatie 2004 Omschrijving locatie 2020 Bodemtextuur Vegetatietype(s) 2004 Vegetatietype(s) 2020
Syntaxonomie 2004 Syntaxonomie 2020 BWK 2004 BWK 2020 Bespreking 2004
Bespreking 2020
M2 Vrij ruig grasland met een WZW-helling. Het wordt deels beschaduwd door de naastgelegen bruggen. Vrij bloemrijk grasland op een ZW-helling met open bodem voor pioniervegetatie. Droge zandleem Type 21 (Fijne kervel-Gewone glanshaver-type) G2 met overgang naar type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver-type) G3 G3: Veldbeemdgras, Peen, Sint-Janskruid, smalle weegbree G4a: Gewone margriet, Knoopkruid, Gewoon duizendblad, Gewone rolklaver G5b: Kleine leeuwenklauw, Gewone zandmuur, Veldereprijs R1: Boerenwormkruid Molinio-Arrhenatheretea Arrhenatherion elatioris met overgangen naar Artemisietea vulgaris en TheroAirion Hp* Hu (Ha, Ku) Het grasland is vrij ruig en heeft een dichte grasmat door het hoog aandeel aan Gewone glanshaver. Ruigte-indicatoren zijn o.m. Jakobskruiskruid, Akkerdistel en Gewone berenklauw. Deze komen slechts in een lage bedekking voor, zodat niet van een ruigtevegetatie kan gesproken worden. Margriet komt slechts in een lage bedekking voor (10%). Blauw walstro maakt 15% uit van de bedekking in de opname en is lokaal vrij abundant aanwezig. De dominantie van Gewone glanshaver is doorbroken en er is plaats gemaakt voor een meer bloemrijke vegetatie met Gewone margriet, Knoopkruid, Gewone rolklaver, Gewoon duizendblad, Peen, Veldereprijs, Gewone zandmuur. De ruigteindicatoren Boerenwormkruid en Jakobskruiskruid zijn in zeer beperkte mate aanwezig. Margriet maakt 15% uit van de bedekking en is lokaal frequent aanwezig, Blauw walstro is in de opname niet frequent maar in het perceel is de soort wel lokaal frequent aanwezig. Er is een overgang naar het Dwerghaververbond door de lokaal frequent aanwezigheid van soorten als Gewone zandmuur, Kleine leeuwenklauw en Veldereprijs.
Dominant 2004: Gewone glanshaver Bijzondere soorten 2004: Blauw walstro (o), Zeepkruid (r) Frequent 2020: Gewone margriet, Peen, Veldbeemdgras Bijzondere soorten 2020: Blauw walstro (o)
2004
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 195 van 352
Locatie Omschrijving locatie 2004 Omschrijving locatie 2020 Bodemtextuur Vegetatietype(s) 2004 Vegetatietype(s) 2020
Syntaxonomie 2004 Syntaxonomie 2020 BWK 2004 BWK 2020 Bespreking 2004
Bespreking 2020
M3 Vrij schraal en bloemrijk grasland met een WZW-helling. Aansluitend aan het grasland bevindt zich struweel. Schraal en bloemrijk grasland met een ZW-helling, aanliggend aan een boomgordel. Droge zandleem Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver-type) = G3 G3: Veldbeemdgras, Peen G4a: Knoopkruid, Gewoon duizendblad, Margriet, Gewone rolklaver G5b: Gewone zandmuur, Veldereprijs, Gewone reigersbek Arrhenatheretum elatioris (Molinio-Arrhenateretea) Arrhenatherion elatioris Hu Hu+ Het grasland is zeer bloemrijk; Margriet bepaalt het bloemaspect (50% bedekking). Gewone glanshaver is nog vrij dominant aanwezig, Rood zwenkgras haalt tevens hoge bedekkingen. Soorten die aspectbepalend zijn, betreffen o.m. Voederwikke, Knoopkruid, Smalle weegbree en Margriet. Deze kensoorten bepalen de affiniteit van het grasland tot de Molinio-Arrhenateretea. Het grasland is zeer bloemrijk met Margriet, Knoopkruid, Gewone rolklaver, Gewoon duizendblad en Peen. Glanshaver is niet meer dominant en ook Rood zwenkgras is in dit proefvlak niet zo frequent aanwezig als Veldbeemdgras. Er is een overgang naar het Dwerghaververbond door de lokaal frequent aanwezigheid van soorten als Gewone zandmuur, Gewone reigersbek en Veldereprijs.
Abundant 2004: Gewone glanshaver Frequent 2004: Smalle weegbree Frequent 2020: Knoopkruid, Veldbeemdgras, Veldereprijs, Gewone zandmuur Bijzondere soorten 2020: Blauw walstro (r)
2004
8-05-2020
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 196 van 352
Locatie Omschrijving locatie 2004 Omschrijving locatie 2020 Bodemtextuur Vegetatietype(s) 2004 Vegetatietype(s) 2020
Syntaxonomie 2004 Syntaxonomie 2020 BWK 2004 BWK 2020 Bespreking 2004
Bespreking 2020
M4 Vrij schraal grasland met een WZW-helling. Aansluitend aan het grasland bevindt zich struweel. Vrij schraal grasland met een ZW-helling waarop bovenaan een boomgordel ligt. Droge zandleem Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver-type) = G3 G3: Rood zwenkgras, Peen, Smalle weegbree, G4a: Gewone margriet; Knoopkruid G4d: Gewoon biggenkruid G5b: Gewone zandmuur, Gewone reigersbek R1: Gewoon varkensgras Arrhenatheretum elatioris (Molinio-Arrhenateretea) met overgang naar Koelerio-Corynephoretea Arrhenatheretum elatioris (Molinio-Arrhenateretea) met overgang naar Ornithopodo-Corynephoretum en Artemisietea vulgaris Hu (Ha) Hu (Ha, Ku) Locatie M4 heeft een hoge bloemenrijkdom. Margriet is hier dominant aanwezig (75%). Veldbeemdgras en Rood zwenkgras zijn de dominante grassen. Daarnaast komen een hoog aantal soorten voor, waaronder Blauw walstro, die lokaal een bodembedekkend tapijt vormt. Deze soort is een kalkindicator, evenals Echt bitterkruid. De kensoorten van de Molinio-Arrhenateretea zijn abundant aanwezig, waaronder Margriet, Peen, Paardenbloem, Gewone hoornbloem, Veldzuring, Kleine klaver en Gewone glanshaver. Anderzijds komen kensoorten van de droge graslanden op zandiger grond voor, zoals Gewoon biggenkruid en Gewoon struisgras en met als differentiërende soorten o.m. Rood zwenkgras, Smalle weegbree en Gewoon duizendblad. Locatie M4 is bloemrijk, maar het aandeel van Margriet en Knoopkruid is hier sterk afgenomen. De droge, zandige bodem heeft plaats gemaakt voor soorten van het Dwerghaververbond. Blauw walstro is hier lokaal frequent aanwezig.
Dominant 2004: Gewone margriet Frequent 2004: Rood zwenkgras, Blauw walstro Bijzondere soorten 2004: Blauw walstro (f), Kleine bevernel (s) Dominant 2020: Rood zwenkgras Frequent 2020: Gewone margriet, Peen Bijzondere soorten 2020: Blauw walstro (o)
8-05-2020
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 197 van 352
Locatie Omschrijving locatie 2004 Omschrijving locatie 2020 Bodemtextuur Vegetatietype(s) 2004 Vegetatietype(s) 2020 Syntaxonomie 2004 Syntaxonomie 2020 BWK 2004 BWK 2020 Bespreking 2004
Bespreking 2020
M5 Ruigte met een dikke, vervilte grasmat. In de nabijheid komt struweel voor. Verstruweelde ruigte Droge zandleem Type 21 (Fijne kervel-Gewone glanshaver-type) G2 met overgang naar type 6 (Zevenblad-Ridderzuring-type) R2 G2 of G3: Gewone glanshaver, Veldbeemdgras, Sint-Janskruid G5d: Veldereprijs R2: Kropaar R3: Zeegroene rus S4: braam Artemisietea vulgaris met fragmentaire elementen van MolinioArrhenatheretea Artemisietea vulgaris met fragmentaire elementen van Rubo-Origanetum Ku (Hp*) Ku (Kh) De ruigte heeft een hoog aandeel aan Gewone glanshaver, een kensoort van de Glanshavergraslanden. Daarnaast komen slechts een paar kensoorten voor van de Molinio-Arrhenatheretea (o.m. Scherpe boterbloemen Paardenbloem, Gewone hoornbloem)). Het grasland heeft meer kensoorten van de Artemisietea vulgaris met o.m. volgende ruigte-indicatoren, die het aspect bepalen: Grote brandnetel, Akker- en Speerdistel, Jakobskruiskruid en Gewone smeerwortel. Deze ruigte is aan het verbramen met momenteel 15% braam in het opgemeten proefvlak. In het perceel is Akker- en speerdistel, Grote brandnetel, Jakobskruiskruid en Boerenwormkruid zijn lokaal frequent aanwezig. Meidoorn verspreidt zich over het perceel en Robinia werd hier aangeplant. Dit grasland heeft meer weg van een ruigte met struweel dan van een grasland. Graslandsoorten als Sint-Janskruid en Veldereprijs zijn nog lokaal aanwezig.
Frequent 2004: Gewone glanshaver Abundant 2020: Gewoon dikkopmos, Gewone glanshaver, Veldbeemdgras, Gewoon haakmos Frequent 2020: Fijn laddermos, Gewone braam, Echt bitterkruid
8-05-2020
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 198 van 352
Locatie Omschrijving locatie 2004
Omschrijving locatie 2020
Bodemtextuur Vegetatietype(s) 2004 Vegetatietype(s) 2020 Syntaxonomie 2004 Syntaxonomie 2020 BWK 2004 BWK 2020 Bespreking 2004
Bespreking 2020
M6 M6 is gelegen in een smalle ruigtezone, die aansluit op struweel (bovenzijde talud) en grasland (onderzijde talud). Het talud heeft een NOoriëntatie. De GPS-coördinaten voor dit proefvlak waren foutief, waardoor het proefvlak en de bodemval in 2020 niet op het talud is gelegd, maar op de het vlakke schoudergedeelte, tussen het struweel. Droge zandleem Type 21 (Fijne kervel-Gewone glanshaver-type) G2 met overgang naar type 6 (Zevenblad-Ridderzuring-type) R2 G3: Rood zwenkgras, Sint-Janskruid, veldbeemdgras, vijfvingerkruid S4: braam R1: teunisbloem R2: Ridderzuring Molinio-Arrhenatheretea met overgang naar Artemisietea vulgaris Molinio-Arrhenatheretea met overgang naar Artemisietea vulgaris Hp* (Ku) Hp* (Ku) De ruigte heeft een hoog aandeel aan Gewone glanshaver, minder aan Rood zwenkgras (10%). Daarnaast komen slechts een paar kensoorten voor van de Molinio-Arrhenatheretea (o.m. Gewone hoornbloem, Peen, Gewone brunel en Veldzuring). Gezien de ruigte dicht bij struweel gelegen is, komen heel wat soorten uit dit struweel voor in de ruigte, zoals Amerikaanse vogelkers en Zomereik. Daarnaast komen tevens storingssoorten voor, o.m. IJle dravik, Zevenblad, Kleefkruid en Paarse dovenetel, de meeste van deze soorten zijn kensoorten van de Artemisietea vulgaris en het Arction (IJle dravik). Dit onbeheerd stuk ruigte is aan het verbramen. Er zijn nog wat ruigere graslandrestanten aanwezig, maar het merendeel bestaat uit ruigtekruiden en braamstruweel.
Dominant 2004: Slipbladige ooievaarsbek Abundant 2004: Gewone glanshaver Dominant 2020: Rood zwenkgras
8-05-2020
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 199 van 352
Locatie Omschrijving locatie 2004 Omschrijving locatie 2020
Bodemtextuur Vegetatietype(s) 2004 Vegetatietype(s) 2020
Syntaxonomie 2004 Syntaxonomie 2020 BWK 2004 BWK 2020 Bespreking 2004
Bespreking 2020
M7 Vrij ruig grasland, dat een hoog aandeel aan ruigtesoorten heeft en daardoor niet veel verschilt van de ruigte M6. Het talud heeft een NO-oriëntatie. Glanshaverhooiland met Veldbeemdgras, Glanshaver, Rood zwenkgras, Kropaar, Peen, Pastinaak, Knoopkruid en Gewone margriet die abundant aanwezig zijn. Droge zandleem Type 21 (Fijne kervel-Gewone glanshaver-type) = G2 Type 14 (Scherpe boterbloem – Rode klaver) G3: Smalle weegbree, Gewoon duizendblad, Peen, Gewone hoornbloem, Rood zwenkgras Type 11 (Glad walstro – Ruige weegbree) G4a: Gewone margriet, Kleine bevernel Molinio-Arrhenatheretea Arrhenatheretum elatioris (Molinio-Arrhenatheretea) Hp* Hu De vegetatie kan worden beschreven als een slecht ontwikkeld Glanshaverhooiland. Gewone glanshaver heeft een hoog aandeel in het grasland. De productie is nog vrij hoog, met o.m. kensoorten als Kropaar als andere grassoort. Het grasland is weinig bloemrijk, slechts enkele kensoorten zorgen voor een bloemrijker aspect (o.m. Vogelwikke, Scherpe boterbloem, Gewone hoornbloem). Het aandeel aan ruigte-indicatoren (Artemisietea vulgaris) is nog vrij hoog, maar laag in bedekking, zodat hier niet van een echte overgangsvegetatie kan gesproken worden. Het aandeel aan kensoorten van de Glanshaverassociatie (Arrhenatheretum elatioris) is echter te laag om de opname tot deze gemeenschap te rekenen. De vegetatie heeft zich ontwikkeld tot een bloemrijk glanshaverhooiland met indicatorsoorten voor een nog voedselarmer type (Type 11 - Kleine bevernel) en kalk in de bodem (Echt bitterkruid).
Dominant 2004: Gewone glanshaver Abundant 2004: Rood zwenkgras Abundant 2020: Fijn laddermos, Gewone margriet, Veldbeemdgras Frequent 2020: Smalle weegbree, Gewoon duizendblad, Peen, Veldereprijs Bijzondere soorten 2020: Kleine bevernel (o)
8-05-2020
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 200 van 352
5.1.5 Afrit Vilvoorde: V1 Locatie Omschrijving locatie 2004
Omschrijving locatie 2020
Bodemtextuur Vegetatietype(s) 2004 Vegetatietype(s) 2020
Syntaxonomie 2004 Syntaxonomie 2020 BWK 2004 BWK 2020 Bespreking 2004
Bespreking 2020
V1 Vrij ruig grasland, dat een hoog aandeel aan ruigtesoorten heeft. Het talud heeft een O-oriëntatie. Op het talud bevindt zich een bomenrij van Gewone esdoorn. Het talud is momenteel volledig verbost, dus werd een opname gemaakt van het grazige stuk dat tegen de Indringingsweg aanligt. In dit perceel werd Blauwe bremraap waargenomen. Droge leem Type 6 (Zevenblad-Ridderzuring-type) = R2 met overgang naar type 21 (Fijne kervel-Gewone glanshaver-type) = G2 G3: Veldbeemdgras, Rode klaver, Hopklaver, Sint-Janskruid, Gewoon duizendblad, Gewoon biggenkruid G4a: Gewone rolklaver, Gewone margriet, Klein streepzaad R2: Jacobskruiskruid Galio-Alliarion Molinio-Arrhenatheretea met overgang naar Artemisietea vulgaris Hr Hp* (Hk) Gewone glanshaver heeft een hoog aandeel in het grasland. De productie is vrij hoog. De opname heeft een hoog aandeel aan ruigtesoorten, kensoorten van het Galio-Alliarion (o.a. Kleefkruid, Hondsdraf, Kleine veldkers). Het grasland is weinig bloemrijk, slechts enkele soorten zorgen voor een bloemrijker aspect (o.m. Fluitenkruid en Scherpe boterbloem). Het aandeel Gewone glanshaver is beperkt, Veldbeemdgras is de dominante grassoort. Het aantal ruigtesoorten is beperkt, maar het aantal soorten van bloemrijke glanshaverhooilanden is ook beperkt. Dit betreft hier een graskruidenmix, een grasland dat mits het gepaste beheer nog beter kan ontwikkelen.
Dominant 2004: Gewone glanshaver Frequent 2004: Gewone berenklauw Dominant 2020: Veldbeemdgras Abundant 2020: Kluwenhoorbloem Frequent 2020: Rode klaver, Hopklaver Bijzondere soort 2020: Blauw walstro (o)
2004
8-05-2020
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 201 van 352
5.1.6 Wegvak Grimbergen-Vilvoorde: GR1-GR2 Locatie Omschrijving locatie 2004 Omschrijving locatie 2020
Bodemtextuur Vegetatietype(s) 2004 Vegetatietype(s) 2020 Syntaxonomie 2004 Syntaxonomie 2020 BWK 2004 BWK 2020 Bespreking 2004
Bespreking 2020
GR1 Locatie GR1 betreft een vrij ruig grasland op een talud met Z-oriëntatie. Aan de O-zijde bevindt zich struweel. Locatie GR1 is momenteel volledig bebost, enkel op het talud is nog een grazige strook van 1 meter en langs R0 is nog een ruige strook van 2m. We bespreken hier de grazige strook op het talud. Droge leem Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver-type) G3 met overgang naar type 21 (Fijne kervel-Gewone glanshaver-type) G2 G3: Veldbeemdgras R2: Kropaar Molinio-Arrhenatheretea met overgang naar Artemisietea vulgaris Molinio-Arrhenatheretea met overgang naar Alysso-Sedion en Artemisietea vulgaris Hp* (Ku) Hp (Ku) Gewone glanshaver heeft een vrij hoog aandeel (45%). Daarnaast komen een aantal ruigte-indicatoren voor, zoals Heelblaadjes, Gewone berenklauw, Jakobskruiskruid en Akkerdistel. De meeste van deze indicatoren zijn kensoorten van de Artemisietea vulgaris. Het grasland heeft echter voldoende kensoorten in een hoge bedekking die wijzen op de Molinio-Arrhenatheretea (o.m. Gewone hoornbloem, Paardenbloem, Kleine klaver, Gestreepte witbol en Rode klaver). Veldbeemdgras domineert deze grazige strook, samen met lagere bedekkingen van Gewone glanshaver, Kropaar en Zachte dravik. Er zijn weinig bloemen aanwezig. In het proefvlak enkel Gewone vogelwikke en Veldereprijs.
Abundant 2004: Gewone glanshaver Frequent 2004: Kleine klaver Dominant 2020 GR1a: Veldbeemdgras
8-05-2020
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 202 van 352
Locatie Omschrijving locatie 2004 Omschrijving locatie 2020 Bodemtextuur Vegetatietype(s) 2004 Vegetatietype(s) 2020
Syntaxonomie 2004 Syntaxonomie 2020 BWK 2004 BWK 2020 Bespreking 2004
Bespreking 2020
GR2 Ruigte langsheen oprit Grimbergen, vrij smalle berm met aanpalend struweel. Verruigd grasland langs oprit Grimbergen. Grazige berm op Noord-helling met op de schouder boom- en struiklaag. Droge leem Type 21 (Fijne kervel-Gewone glanshaver-type) G2 met overgang naar type 6 (Zevenblad-Ridderzuring-type) R2 R2: Kropaar G2: Gestreepte witbol G3: Gewone glanshaver Molinio-Arrhenatheretea met overgangen naar Galio-Alliarion Holcus lanatus-Lolium perenne-[Molinio-Arrhenatheretea] met overgang naar Galio-Alliarion Hp (Hr) Hp (Hr) Ruig grasland met een hoog aandeel aan Gewone glanshaver. De berm is vrij bloemenarm met ruigte- en nitrofiele soorten als Braam, Kleefkruid, Heermoes, Heelblaadjes, Speerdistel en Smeerwortel. Er is duidelijk een randinvloed vanaf het struweel: de opname ligt in een nitrofiele zoomvegetatie behorend tot de Molinio-Arrhenatheretea maar met overgangen naar het Galio-Alliarion. De gemeenschap is niet voldoende ontwikkeld voor een determinatie op associatieniveau. Verruigd grasland met een hoog aandeel aan Gewone glanshaver, Kropaar, Gestreepte witbol en Ruw beemdgras.
Dominant 2004: Gewone glanshaver Abundant 2020: Kropaar, Gewone glanshaver, Gestreepte witbol, Ruw beemdgras
2004
8-05-2020
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 203 van 352
5.1.7 Verkeersknooppunt Strombeek-Bever (A12-Antwerpen): S1-S4 Locatie Omschrijving locatie 2004 Omschrijving locatie 2020
Bodemtextuur Vegetatietype(s) 2004 Vegetatietype(s) 2020
Syntaxonomie 2004 Syntaxonomie 2020 BWK 2004 BWK 2020 Bespreking 2004
Bespreking 2020
S1 Ruigte op vlak deel in een smalle zone. In de nabijheid bevinden zich bomenrijen (laankastanjes). Glanshaverhooiland op licht hellend, zuidgericht stuk, in de nabijheid van een rij laankastanjes. In dit perceel zijn Kraailook, Hondskruid, en Bijenorchis opvallende aanwezige soorten, die niet in het proefvlak werden gevonden. Pinksterbloem is in de lager gelegen stukken te vinden. Droge leem Ruig type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver-type) G3 met overgang naar type 21 (Fijne kervel-Gewone glanshaver-type) G2 G1: Kruipende boterbloem, Gewone hoornbloem G2: Gestreepte witbol G3:Scherpe boterbloem, Veldbeemdgras, Smalle weegbree, Beemdlangbloem G4a: Gewone agrimonie, Knoopkruid, Gewone margriet, Gewone rolklaver Arrhenatheretum elatioris (Molinio-Arrhenatheretea) met overgangen naar Artemisietea vulgaris Arrhenatherion elatioris Hu (Ku) Hu Gewone glanshaver bepaalt het aspect van de ruigte. De vegetatie kan omschreven worden als een fragmentaire Glanshaverassociatie met elementen die wijzen op een eerder extensief of onregelmatig maaibeheer: ruigtesoorten zoals Akkerdistel en Jakobskruiskruid. Het bloemrijke aspect is vrij hoog met soorten als Scherpe boterbloem, Margriet, Knoopkruid en Veldlathyrus, kensoorten van de Molinio-Arrhenatheretea. De dominantie van Gewone glanshaver heeft plaats gemaakt voor een bloemrijke glanshavervegetatie met Knoopkruid, Scherpe boterbloem, Gewone margriet, Gewone rolklaver en Gewone agrimonie. Ruigtekruiden ontbreken, maar belangrijke aanwezigheid van Kruipende boterbloem en Gestreepte witbol wijzen nog op de aanwezigheid van vrij veel stikstof in de bodem en geven aan dat hier nog verder ingezet moet worden op een verschralingsbeheer.
Dominant 2004: Gewone glanshaver Frequent 2004: Ruige zegge, Rood zwenkgras Abundant 2020: Knoopkruid, Gestreepte witbol, Scherpe boterbloem Frequent 2020: Kruipende boterbloem, Veldbeemdgras Bijzondere soorten 2020: Gewone agrimonie
2004
6-05-2020
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 204 van 352
Locatie Omschrijving locatie 2004 Omschrijving locatie 2020
Bodemtextuur Vegetatietype(s) 2004 Vegetatietype(s) 2020
Syntaxonomie 2004 Syntaxonomie 2020 BWK 2004 BWK 2020 Bespreking 2004
Bespreking 2020
S2 S2 betreft een zeer bloemrijk grasland, dat in een smalle, vlakke zone gelegen is. In de nabijheid bevinden zich bomenrijen (laankastanjes). S2 ligt op de vlakke zone bovenaan het talud en is bloemrijker dan S1. In dit perceel zijn Kraailook, Hondskruid en Bijenorchis opvallende aanwezige soorten, die niet in het proefvlak werden gevonden. Pinksterbloem is in de lager gelegen stukken te vinden. Droge leem Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver-type) G3 G1: Kruipende boterbloem, Gewone hoornbloem G3: Beemdlangbloem, Scherpe boterbloem, Veldbeemdgras, Gewoon reukgras, Smalle weegbree, Rood zwenkgras G4: Knoopkruid, Gewone rolklaver, Gewone margriet Arrhenatheretum elatioris (Molinio-Arrhenatheretea) Arrhenatheretum elatioris (Molinio-Arrhenatheretea) Hu Hu+ De opname in de smalle strook is goed verwant met het Glanshaverhooiland (Arrhenatheretum elatioris). Het grasland is vrij productief en heeft een hoog aandeel aan voorjaars- en zomerbloeiers. Het hoogste aandeel van de grassen heeft Rood zwenkgras, verder komen Gewone glanshaver en Veldbeemdgras in mindere mate voor. Soorten die het bloei-aspect bepalen zijn o.m. Rode klaver, Knoopkruid, Scherpe boterbloem en Sint-Janskruid. Deze bloemrijke opname hoort thuis in het Glanshaverhooiland. Beemdlangbloem is hier het best vertegenwoordigde gras, met frewuent Veldbeemdgras en Gewoon reukgras die wijzen op verschraling. Met een doorgedreven verschralingsbeheer kan dit stuk nog veel waardevoller worden.
Dominant 2004: Rood zwenkgras Abundant 2004: Sint-janskruid Abundant 2020: Knoopkruid, Scherpe boterbloem, Beemdlangbloem Frequent 2020:Gewoon dikkopmos, Gewone hoornbloem, Kruipende boterbloem, Gewone rolklaver, Veldbeemdgras, Gewoon reukgras
6-05-2020
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 205 van 352
Locatie Omschrijving locatie 2004 Omschrijving locatie 2020 Bodemtextuur Vegetatietype(s) 2004 Vegetatietype(s) 2020
Syntaxonomie 2004 Syntaxonomie 2020 BWK 2004 BWK 2020 Bespreking 2004
Bespreking 2020
S3 Ruigte op talud naast het spaarbekken. De helling is NO-georiënteerd. Op de onderzijde van het talud is struweel aanwezig. Verruigd grasland op NO-georiënteerd talud. Op de onderzijde zijn struweel- en bomen (boswilgen) aanwezig. Droge leem Type 21 (Fijne kervel-Gewone glanshaver-type) = G2 R1: Boerenwormkruid, Ijle dravik G3: Gewone glanshaver, Veldbeemdgras, Vijfvingerkruid, Veldzuring, Gewoon duizendblad, Scherpe boterbloem G4a: Veldlathyrus, Gewone margriet G5c: Bijenorchis Dauco-Melilotum (Artemisietea vulgaris) Arrhenatheretum elatioris (Molinio-Arrhenatheretea) met overgang naar Dauco-Melilotum (Artemisietea vulgaris) Ku Hu (Ku) De ruigte is vrij bloemrijk; hiervoor zorgen Boerenwormkruid en Jakobskruiskruid als zomerbloeiers. Naast deze soorten komt Gewone glanshaver in een hoge bedekking voor; andere soorten die het aspect bepalen zijn o.m. Voeder- en Ringelwikke en Scherpe boterbloem, deze laatste evenwel in een lage bedekking. Ruigte-indicerende soorten zijn o.m. Akkerdistel, Kleefkruid en Gewone berenklauw, kensoorten van de Artemisietea vulgaris. Het verruigd grasland is nog steeds bloemrijk met Boerenwormkruid, Vijfvingerkruid, Scherpe boterbloem en Gewoon duizendblad. Er is nu ook een overgang naar glanshaverhooiland met een beperkt aandeel Veldlathyrus en Gewone margriet. Op de open plaatsen werd een enkel exemplaar van Blauw walstro en Bijenorchis gevonden.
Op de kaart wordt deze locatie aangegeven als S4. Dominant 2004: Boerenwormkruid, Abundant 2004: Gewone glanshaver, Smalle weegbree Abundant 2020: Gewoon dikkopmos, Gewone glanshaver, Fijn laddermos, Veldbeemdgras, Boerenwormkruid Frequent 2020:Ruw beemdgras, Vijfvingerkruid Bijzondere soorten 2020: Blauw walstro (r), Bijenorchis ®
2004
6-05-2020
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 206 van 352
Locatie Omschrijving locatie 2004 Omschrijving locatie 2020
Bodemtextuur Vegetatietype(s) 2004 Vegetatietype(s) 2020
Syntaxonomie 2004 Syntaxonomie 2020 BWK 2004 BWK 2020 Bespreking 2004
Bespreking 2020
S4 Bloemrijk grasland op het vlak deel van de berm. Er is geen invloed van struweel aanwezig. Er is een willekeurige locatie gekozen omdat de locatie van het voormalig PQ gebetonneerd is. Dit is eveneens een vlak grasland op de schouder van de berm, zonder invloed van struweel maar wel sterk begraasd door konijnen. Vochtige leem Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver-type) = G3 G3: Veldbeemdgras, Sint-Jankruid G4a: Gewone margriet, Gewone rolklaver R1: Akkerdistel R2: Jacobskruiskruid Arrhenatheretum elatioris (Molinio-Arrhenatheretea) Arrhenatheretum elatioris (Molinio-Arrhenatheretea) met overgang naar EchioMelilotetum Hu Ku (Hu) Het grasland is zeer bloemrijk en vrij schraal met een hoog aandeel aan Veldbeemdgras en Rood zwenkgras. De bloemenrijkdom wordt bepaald door kensoorten van het Arrhenatheretum elatioris, met o.m. Scherpe boterbloem en Kleine klaver. Minder opvallende soorten zijn Peen, Gestreepte witbol, Duizendblad en Veldzuring. Het grasland is vrij ruig met Hondsdraf, Akkerdistel en Jacobskruiskruid, maar er zijn ook soorten die wijzen op een overgang naar glanshaverhooiland. De ruigtesoorten zijn er onder invloed van de struikvegetatie in de nabijheid en de konijnenbegrazing.
De coördinaten van dit PQ waren verkeerd, de locatie was een gebetonneerde oppervlakte. We selecteerden zelf een locatie op het vlakke deel van de berm. Dominant 2004: Veldbeemdgras Frequent 2004: Rood zwenkgras, Scherpe boterbloem Abundant 2020: Veldbeemdgras Frequent 2020: Fijn laddermos, Hondsdraf, Gewone ereprijs
2004
6-05-2020
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 207 van 352
5.1.8 Afrit Wemmel: WE1-WE2 Locatie Omschrijving locatie 2004
Omschrijving locatie 2020 Bodemtextuur Vegetatietype(s) 2004 Vegetatietype(s) 2020
Syntaxonomie 2004 Syntaxonomie 2020 BWK 2004 BWK 2020 Bespreking 2004
Bespreking 2020
WE1 Vrij open grasland met een hoge bloemenrijkdom. Het talud heeft een NWexpositie. De taluds van de brughoofden zijn begroeid met struweel. Er komen veel stenen in de bodem voor. Vrij open, licht hellend grasland met een hoge bloemenrijkdom. In dit perceel is Bijenorchis waargenomen. Droge leem Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver-type) G3, lokaal type 20 (Gevlekte rupsklaver-Klein hoefblad-type) R1 G1: Kruipende boterbloem G3: Rood zwenkgras, Gewone glanshaver, Peen, Scherpe boterbloem, Veldbeemdgras G4: Knoopkruid, Gewone margriet, Gewone rolklaver R2: Gewone berenklauw Arrhenatheretum elatioris (Molinio-Arrhenatheretea) Arrhenatheretum elatioris (Molinio-Arrhenatheretea) Hu (Ku) Hu Gewone glanshaver zorgt voor de vrij hoge productie van het grasland. Een aantal soorten uit het Artemisieta vulgaris wijzen nog op een verruigd stadium: Boerenwormkruid en Akkerdistel. Margriet heeft een vrij hoog aandeel (40%), naast andere soorten als Duizendblad. Bovenaan het talud, buiten de opname, bevindt zich een ruigere zone met als vegetatietype 20 (Gevlekte rupsklaverKlein hoefblad-type), met een hoog aandeel aan Klein hoefblad. Gewone glanshaver is nog steeds frequent aanwezig (15%), maar de bloemen zijn nu ook in grotere bedekkingen present. Gewone margriet neemt 40% in en Knoopkruid 20%. Gewone berenklauw wijst op beperkte verruiging, maar is slechts beperkt aanwezig (<5%).
Dominant 2004: Rood zwenkgras Abundant 2004: Knoopkruid Frequent 2004: Gewone glanshaver Dominant 2020: Gewoon haakmos Abundant 2020: Rood zwenkgras, Knoopkruid, Gewone margriet Frequent 2020: Kruipende boterbloem, Gewone glanshaver, Peen, Gewone rolklaver, Veldbeemdgras, Scherpe boterbloem
2004
6-05-2020
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 208 van 352
Locatie Omschrijving locatie 2004 Omschrijving locatie 2020
Bodemtextuur Vegetatietype(s) 2004 Vegetatietype(s) 2020
Syntaxonomie 2004 Syntaxonomie 2020 BWK 2004 BWK 2020 Bespreking 2004
Bespreking 2020
WE2 Vrij ruig en gesloten grasland met een hoge bloemenrijkdom. Het talud heeft een ZO-expositie. De taluds van de brughoofden zijn begroeid met struweel. Bloemrijke, ruiger grasland op ZO-georiënteerd, vrij steil talud. Op de schouder van het talud werden talrijke Bijenorchisplanten waargenomen. Op deze plaats werd in de herfst veel Papegaaizwammetje gezien. Droge leem Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver-type) = G3 G2: Gestreepte witbol G3: Glanshaver, Beemdlangbloem, Gewoon duizendblad G4a: Gewone margriet, Knoopkruid Arrhenatheretum elatioris (Molinio-Arrhenatheretea) Arrhenatheretum elatioris (Molinio-Arrhenatheretea) HuHu Gewone glanshaver en Rood zwenkgras zijn de dominante grassoorten. Het bloemrijk aspect wordt in de zomer bepaald door kensoorten van de MolinioArrhenatheretea; daarnaast komen vrij veel Madeliefje, Rode klaver en Scherpe boterbloem voor. Gewone glanshaver en Gestreepte witbol zijn abundant. Het bloemrijk aspect wordt bepaald door Gewone margriet.
Abundant 2004: Gewone glanshaver, Gewone margriet, Rood zwenkgras Abundant 2020: Gewone glanshaver, Gewone margriet, Gestreepte witbol Frequent 2020: Ruw beemdgras, Beemdlangbloem
2004
6-05-2020
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 209 van 352
5.1.9 Afrit Asse: A1-A3 Locatie Omschrijving locatie 2004 Omschrijving locatie 2020
Bodemtextuur Vegetatietype(s) 2004 Vegetatietype(s) 2020
Syntaxonomie 2004 Syntaxonomie 2020 BWK 2004 BWK 2020 Bespreking 2004
Bespreking 2020
A1 Vlak grasland met een vrij hoge productie door o.m. Gewone glanshaver. Er is geen invloed van struweel aanwezig. Vlak grasland met een grote bloemenrijkdom met dominant Gewone margriet. In dit perceel werd een grote populatie (>100) Graslathyrus waargenomen. Er werd slechts 1 Bijenorchis gezien. Droge leem Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver-type) G3 R1: Boerenwormkruid R2: Kropaar G1: Kruipende boterbloem G3: Veldbeemdgras; Smalle weegbree, Gewoon duizendblad, Scherpe boterbloem, Rode klaver G4a: Gewone margriet, Gewone rolklaver Arrhenatheretum elatioris (Molinio-Arrhenatheretea) Arrhenatheretum elatioris (Molinio-Arrhenatheretea) Hu Hu+ Gewone glanshaver bepaalt het hoofdaandeel van de grassen. Voederwikke en Scherpe boterbloem komen eveneens in een hoog aandeel voor. Andere soorten die in het grasland aangetroffen werden, zijn o.m. Margriet, Duizendblad, Jakobskruiskruid en Boerenwormkruid, evenwel in lagere bedekkingen. Het hoofaandeel van de aangetroffen soorten betreft kensoorten van de Molinio-Arrhenatheretea. Een Rode lijst-soort betreft Graslathyrus. Gewone margriet is dominant en Veldbeemdgras is het meest voorkomende gras.
Dominant 2004: Gewone glanshaver Abundant 2004: Scherpe boterbloem Bijzondere soorten 2004: Graslathyrus (s) Dominant 2020: Gewone margriet Frequent 2020: Kruipende boterbloem, Gewoon haakmos, Veldbeemdgras, Boerenwormkruid
5-05-2020
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 210 van 352
Locatie Omschrijving locatie 2004 Omschrijving locatie 2020 Bodemtextuur Vegetatietype(s) 2004 Vegetatietype(s) 2020
Syntaxonomie 2004 Syntaxonomie 2020 BWK 2004 BWK 2020 Bespreking 2004
Bespreking 2020
A2 Vrij ruig grasland op het vlak deel van de berm. In de nabijheid bevindt zich struweel. Kort gemaaid grasland op vlak deel van de berm. In de nabijheid bevindt zich struweel. Natte leem Type 21 (Fijne kervel-Gewone glanshaver-type) G2 met overgang naar type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver-type) G3 G0: Ruw beemdgras G1: Kruipende boterbloem, paardenbloem G3: Vijfvingerkruid, Smalle weegbree, Scherpe boterbloem, Gewoon biggenkruid R2: Kropaar Molinio-Arrhenatheretea Molinio-Arrhenatheretea Hp* Hp* Het grasland heeft een vrij hoog aandeel aan grassen, waaronder Gestreepte witbol en Gewone glanshaver. Toch is het aandeel aan andere soorten nog vrij hoog, met een aantal kensoorten van de Molinio-Arrhenatheretea, zoals Kleine klaver, Paardebloem, Gewone hoornbloem, naast de reeds vermelde grassoorten. Het grasland wordt gedomineerd door Ruw beemdgras met lokaal Gestreepte witbol en Gewone glanshaver. Er zijn geen kensoorten van bloemrijke graslanden waargenomen in het PQ, het gazonbeheer heeft er voor gezorgd dat hier een gras-kruidenmix tot stand is gekomen.
Frequent 2004: Gestreepte witbol, Veldbeemdgras, Vijfvingerkruid Bijzondere soorten 2004: Knolboterbloem (s) Dominant 2020: Ruw beemdgras Frequent 2020: Fijn laddermos, Madeliefje, Vijfvingerkruid; Gewoon haakmos
2004
6-05-2020
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 211 van 352
Locatie Omschrijving locatie 2004 Omschrijving locatie 2020 Bodemtextuur Vegetatietype(s) 2004 Vegetatietype(s) 2020
Syntaxonomie 2004 Syntaxonomie 2020 BWK 2004 BWK 2020 Bespreking 2004
Bespreking 2020
A3 Vrij vochtige ruigte nabij struweel. Ruigte vlakbij struweel, die voor de helft met het gazon mee is afgemaaid. Natte leem Type 21 (Fijne kervel-Gewone glanshaver-type) G2 R2: Kropaar, Kleefkruid, Jakobskruiskruid G2: Gestreepte witbol G3: Gewone glanshaver, Rood zwenkgras, Scherpe boterbloem, Smalle weegbree, Vijfvingerkruid Molinio-Arrhenatheretea met overgang naar Galio-Alliarion Holcus lanatus-Lolium perenne-[Molinio-Arrhenatheretea] met overgang naar Arrhenatherion elatioris Hp* Hp (Hu) Door de nabijheid van struweel, is de invloed merkbaar op de soorten in het grasland: er komen vrij veel ruigtesoorten voor, zoals Kleefkruid, Smeerwortel, Krulzuring, Hondsdraf, Heermoes en Heelblaadjes. Toch is het aandeel van deze soorten nog vrij laag en komen naast deze soorten tevens Gewone glanshaver en Gestreepte witbol in een vrij hoog aandeel voor. Door de nabijheid van struweel zijn ruigtesoorten in beperkte mate aanwezig. Gewone glanshaver en Gestreepte witbol zijn nog steeds de meest bedekkende soorten.
Abundant 2004: Gewone glanshaver, Slipbladige ooievaarsbek Frequent 2004: Gestreepte witbol Abundant 2020: Kropaar, Gewone glanshaver, Gestreepte witbol Frequent 2020: Rood zwenkgras, Veldbeemdgras, Scherpe boterbloem, Vijfvingerkruid, Gewoon haakmos
2004
6-05-2020
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 212 van 352
5.1.10 Verkeersknooppunt Groot-Bijgaarden (E40-Oostende): G1-G4 Het verkeersknooppunt van Groot-Bijgaarden bestaat vrijwel hoofdzakelijk uit beplante vakken. De meeste percelen zijn langs de binnenrand beplant met rozenstruweel. Binnenin staat ook bosgoed met overwegend Veldesdoorn, Rode kornoelje en bomenrijen of solitaire bomen. Waar de E40 de stad inloopt bevinden zich twee grote graslandcomplexen van ca. 9 ha groot. Deze werden in 2020 en ook de jaren daarvoor al begin mei gemaaid. Het maaisel werd zeer slecht afgeruimd. Nadat we dit lieten weten aan de beheerders zijn ze nog een tweede keer het maaisel beter gaan wegruimen. De tweede maaibeurt gebeurde pas half november. Locatie Omschrijving locatie 2004 Omschrijving locatie 2020
Bodemtextuur Vegetatietype(s) 2004 Vegetatietype(s) 2020
Syntaxonomie 2004 Syntaxonomie 2020 BWK 2004 BWK 2020 Bespreking 2004
Bespreking 2020
G1 Ruigte op talud met een NW-oriëntatie. Er bevindt zich geen struweel in de nabijheid. Onderaan het talud is een natte ruigte met o.m. Riet aanwezig. Verruigd grasland op talud met een NW-oriëntatie. Onderaan het talud is er een wilgenstruweel en een natte ruigte rond een poel. Er werden enkele planten Bijenorchis waargenomen. Natte leem Type 21 (Fijne kervel-Gewone glanshaver-type) = G2 R2: Kropaar G1: Kruipende boterbloem G3: Glanshaver G4a: Veldlathyrus G5c: Bijenorchis Dauco-Melilotum (Artemisietea vulgaris) met overgang naar de MolinioArrhenatheretea Echio-Melilotetum (Artemisietea vulgaris) met overgang naar de MolinioArrhenatheretea Ku (Hp*) Hr (Hp*) De ruigte heeft een hoog aandeel aan Gewone glanshaver. Hierdoor is een zeer dichte grasmat aanwezig. Ruigte-indicerende soorten zijn o.m. Braam, Akkerdistel, Boerenwormkruid, Gewone berenklauw, Grote brandnetel en Smeerwortel. De meeste van deze soorten wijzen op een affiniteit van het grasland met het Dauco-Melilotum (Artemisietea vulgaris). Veldlathyrus staat tussen Gewone glanshaver lokaal abundant. Het verruigde grasland heeft een hoog aandeel aan Gewone glanshaver (80%), waardoor een vrij dichte grasmat aanwezig is. Ruigte-indicerende (Jacobskruiskruid, Gewone berenklauw en Heermoes) planten zijn echter in zeer kleine hoeveelheden (<1%) aanwezig. Smeerwortel, Grote brandnetel en Akkerdistel ontbreken in het proefvlak. Bijenorchis werd in dit proefvlak waargenomen en ook Veldlathyrus wijst op de overgang naar bloemrijk grasland.
Dominant 2004: Gewone glanshaver Dominant 2020: Gewone glanshaver Abundant 2020: Fijn laddermos Bijzondere soort 2020: Bijenorchis
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 213 van 352
2004
5-05-2020
Locatie Omschrijving locatie 2004
Omschrijving locatie 2020
Bodemtextuur Vegetatietype(s) 2004 Vegetatietype(s) 2020 Syntaxonomie 2004 Syntaxonomie 2020 BWK 2004 BWK 2020 Bespreking 2004
Bespreking 2020
G2 Vrij ruig grasland op talud met NW-oriëntatie. Er bevindt zich geen struweel in de nabijheid. Onderaan het talud is een natte ruigte met o.m. Riet aanwezig. Vrij ruig grasland op talud met NW-oriëntatie. Onderaan het talud is er struweel en een natte ruigte rond een poel. Ook dit stuk is begin mei al gemaaid waarbij veel maaisel bleef liggen en werd pas voor de tweede keer half november gemaaid. Natte leem Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver-type) = G3 R2: Kropaar G3: Gewone glanshaver, Rood zwenkgras G4a: Veldlathyrus Molinio-Arrhenatheretea Echio-Melilotetum (Artemisietea vulgaris) met overgang naar de MolinioArrhenatheretea Hp* Ku (Hp*) Het grasland heeft een vrij ruig aspect en een gesloten grasmat van o.m. Gewone glanshaver. Het bloemrijk aspect wordt verzorgd door o.m. Margriet en Knoopkruid. Andere aspectbepalende soorten zijn o.m. Smalle weegbree, Boerenwormkruid, Scherpe boterbloem en SintJanskruid, die wijzen op een affiniteit tot de Molinio-Arrhenatheretea. Het grasland heeft een ruig aspect en een gesloten grasmat van 80¨% Gewone glanshaver en 20% Kropaar. Veldlathyrus bedekt minder dan 5% en Knoopkruid en Veldzuring zijn zeer beperkt aanwezig. Gewone berenklauw en Heermoes bedekken ook minder dan 1%.
Abundant 2004: Gewone glanshaver, Gewone margriet, Smalle weegbree Dominant 2020: Gewone glanshaver Abundant 2020: Kropaar
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 214 van 352
2004
05 05-2020
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 215 van 352
Locatie Omschrijving locatie 2004 Omschrijving locatie 2020
Bodemtextuur Vegetatietype(s) 2004 Vegetatietype(s) 2020
Syntaxonomie 2004 Syntaxonomie 2020 BWK 2004 BWK 2020 Bespreking 2004
Bespreking 2020
G3 Ruigte met boomopslag. Er is struweel in de nabijheid; de opname ligt op het vlakke deel van de berm. Verruigd grasland op bijna vlak perceel met struweel en een boom in de nabijheid. Ook dit perceel werd begin mei al gemaaid en werd pas eind november voor de tweede keer gemaaid. Bijenorchis is hier zeer beperkt aanwezig. Vochtige leem Type 21 (Fijne kervel-Gewone glanshaver-type) G2 G1: Kruipende boterbloem G3: Glanshaver G5c: Bijenorhcis Molinio-Arrhenatheretea met overgangen naar Artemisietea vulgaris Molinio-Arrhenatheretea met overgangen naar Artemisietea vulgaris Hu (Ku) Hu (Ku) Ruig grasland met een hoog aandeel aan Gewone glanshaver en ruigtesoorten zoals Akerdistel, Gewone berenklauw, Boerenwormkruid en Heermoes. Door het hoge aandeel aan deze ruigte-indicatoren is er een sterke affiniteit tot de Artemisietea vulgaris, maar het aandeel aan kensoorten van de Molinio-Arrhenatheretea is nog hoog genoeg om van een overgangsvegetatie tussen deze twee syntaxa te kunnen spreken. Ruig grasland met een hoog aandeel aan Gewone glanshaver (80%). Ruigtesoorten (Gewone berenklauw, Haagwinde, Heermoes) zijn slechts beperkt aanwezig (<1%).. Wat betreft kensoorten van glanshaverhooilanden is enkel Gewoon knoopkruid in beperkte mate (<1%) aanwezig.
Dominant 2004: Gewone glanshaver Frequent 2004: Boerenwormkruid Dominant 2020: Gewone glanshaver Abundant 2020: Fijn laddermos, Gewoon haakmos Bijzondere soort 2020: Bijenorchis ®
2004
5-05-2020
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 216 van 352
Locatie Omschrijving locatie 2004 Omschrijving locatie 2020
Bodemtextuur Vegetatietype(s) 2004 Vegetatietype(s) 2020
Syntaxonomie 2004 Syntaxonomie 2020 BWK 2004 BWK 2020 Bespreking 2004
Bespreking 2020
G4 Bloemrijk grasland op talud met NW-helling. Er bevindt zich struweel in de nabijheid. Licht hellend grasland (NO) met struweel en een boom in de nabijheid. De coördinaten van 2004 klopten niet, waardoor dit proefvlak op de verkeerde plaats werd gelegd. Dit perceel werd ook begin mei al gemaaid en pas een tweede keer half november. Vochtige leem Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver-type) = G3 G1: Kruipende boterbloem G3: Gewone glanshaver, Rood zwenkgras, Gewone berenklauw, Smalle weegbree, vogelwikke G4a: Veldlathyrus Arrhenatheretum elatioris (Molinio-Arrhenatheretea) Molinio-Arrhenatheretea met overgangen naar Artemisietea vulgaris Hu Hu (Ku) Het betreft een zeer bloemrijk grasland met een hoog soortenaantal, waaronder het voorkomen van Graslathyrus (Rode lijst-soort) in een hoog aandeel. Andere soorten die wijzen op het Arrhenatheretum elatioris zijn o.m. Rode klaver, Scherpe boterbloem, Gewone hoornbloem, Kleine klaver, Gele morgenster en Margriet. Lokaal is er verstoring merkbaar, door het voorkomen van Akkerdistel. Wellicht zijn deze verruigingsplaatsen ontstaan door het oprijden van het talud voor maaiwerkzaamheden. Dit betreft een verruigd grasland met een hoog aandeel (80%) Gewone glanshaver. Graslathyrus werd in dit perceel niet meer waargenomen na 2011. Knolboterbloem werd ook niet teruggevonden. Ruigte-indiciatoren zoals Hondsdraf en Braam zijn in beperkte mate (<1%) aanwezig. De aanwezigheid van indicatorsoorten voor bloemrijke glanshaverhooilanden is beperkt tot Veldlathyrus met een bedekking van 4%.
Dominant 2004: Kleine klaver, Gewone glanshaver, Gestreepte witbol Abundant 2004: Sint-Janskruid Frequent 2004: Veldbeemdgras, Slipbladige ooievaarsbek, Rode klaver, Ringelwikke Bijzondere soorten 2004: Graslathyrus (r), Knolboterbloem (s) Dominant 2020: Gewone glanshaver Frequent 2020: Fijn laddermos, Kruipende boterbloem, Gewoon dikkopmos
5.1.11 Wegvak Dilbeek: DI1
2004
5-05-2020
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 217 van 352
Locatie Omschrijving locatie 2004 Omschrijving locatie 2020 Bodemtextuur Vegetatietype(s) 2004 Vegetatietype(s) 2020 Syntaxonomie 2004 Syntaxonomie 2020 BWK 2004 BWK 2020 Bespreking 2004
Bespreking 2020
DI1 Ruig grasland op talud met O-oriëntatie. Vlakbij bevindt zich struweel. Verruigd grasland op talud met O-oriëntatie. Vlakbij bevindt zich struweel. Droge leem Type 21 (Fijne kervel-Gewone glanshaver-type) = G2 G3: Gewone glanshaver R2: Grote brandnetel, Kleefkruid Molinio-Arrhenatheretea met overgang naar Galio-Alliarion Molinio-Arrhenatheretea met overgang naar Galio-Alliarion Hr Hr Het grasland is ruig met een hoog aandeel aan Gewone glanshaver en ruigte-indicatoren zoals Krulzuring, Grote brandnetel en Heermoes. De nabijheid van struweel is merkbaar door zaailingen van Gewone es. Naast deze soorten komen kensoorten van de Molinio-Arrhenatheretea voor (o.m. Veldzuring, Scherpe boterbloem, Gestreepte witbol). Het grasland is ruig met een hoog aandeel aan Gewone glanshaver (80%). Volgende ruigte-indicatoren zijn aanwezig: Grote brandnetel (10%), Kleefkruid (<5%), Robertskruid <1%), Gewone smeerwortel (<1%) en Gewone melkdistel (<1%). Sint-Janskruid en Kale jonker zijn zeer beperkt aanwezig, deze soorten wijzen op een overgang naar een bloemrijker grasland.
Dominant 2004: Gewone glanshaver Dominant 2020: Gewone glanshaver Abundant 2020: Gewoon dikkopmos Frequent 2020: Grote brandnetel
2004
5-05-2020
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 218 van 352
5.2 BIJLAGE 2 OVERZICHT VAN DE SOORTEN DIE WERDEN WAARGENOMEN IN DE PERCELEN EN PROEFVLAKKEN MET RL-STATUS, HERKOMST, INVASIVITEIT EN INDICATORWAARDE. Nederlandse naam
Wetenschappelijke naam
Rode Lijst
Herkomst
Gewone agrimonie Look-zonder-look Gewone bermzegge Dolle kervel Robertskruid Hondsdraf Groot hoefblad Dagkoekoeksbloem Bosandoorn Geel nagelkruid Speenkruid Bokkenorchis Bergnachtorchis Bijenorchis Hondskruid Bosorchis Boszegge Wilde marjolein Graslathyrus Knoopkruid Glad walstro Veldlathyrus Gewone margriet Kraailook Rapunzelklokje Gele morgenster Gulden sleutelbloem Grote bevernel
Agrimonia eupatoria Alliaria petiolata Carex spicata Chaerophyllum temulum Geranium robertianum Glechoma hederacea Petasites hybridus Silene dioica Stachys sylvatica Geum urbanum Ficaria verna Himantoglossum hircinum Platanthera chlorantha Ophrys apifera Anacamptis pyramidalis Dacthylorhiza fuchsii Carex sylvatica Origanum vulgare Lathyrus nissolia Centaurea jacea Galium mollugo Lathyrus pratensis Leucanthemum vulgare Allium vineale Campanula rapunculus Tragopogon pratensis Primula veris Pimpinella major
Achteruitgaand
Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems
Bedreigd Bedreigd Zeldzaam Zeldzaam
Zeldzaam
Invasief
6510 x
Ha
6430_bz
in PQ
x x x x x x x x x x x
x x
Buiten PQ x
x x x X x x x x X x x X x x x
x x x x x x x x x x
x x x x x x x X x x
omgevingvlaanderen.be
Nederlandse naam
Wetenschappelijke naam
Groot streepzaad Canadese fijnstraal Pijlkruidkers Luzerne Middelste teunisbloem Reuzenberenklauw Japanse duizendknoop Robinia Rietorchis Blauwe bremraap Rond wintergroen Gewone hoornbloem Gestreepte witbol Kruipende boterbloem Veldzuring Witte klaver Engels raaigras Braam Fioringras Gewone glanshaver Ruige zegge Kropaar Rietzwenkgras Ruw beemdgras Ridderzuring Bijvoet Akkerdistel Speerdistel Akkerwinde Kantige basterdwederik s.l. Heermoes Kleefkruid Krulzuring Jakobskruiskruid s.l.
Crepis biennis Conyza canadensis Lepidium draba Medicago sativa Oenothera biennis Heracleum mantegazzianum Fallopia japonica Robinia pseudoacacia Dacthylorhiza praetermissa Orobanche purpurea Pyrola rotundifolia Cerastium fontanum Holcus lanatus Ranunculus repens Rumex acetosa Trifolium repens Lolium perenne Rubus subg. Rubus Agrostis stolonifera Arrhenatherum elatius Carex hirta Dactylis glomerata Festuca arundinacea Poa trivialis Rumex obtusifolius Artemisia vulgaris Cirsium arvense Cirsium vulgare Convolvulus arvensis Epilobium tetragonum Equisetum arvense Galium aparine Rumex crispus Senecio jacobaea
Rode Lijst
Zeldzaam Zeldzaam Zeldzaam
Herkomst Inheems Ingeburgerd Ingeburgerd Ingeburgerd Ingeburgerd Ingeburgerd Ingeburgerd Ingeburgerd Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems
Invasief
6510
Ha
6430_bz
in PQ
x
Buiten PQ x
x x x x x x x
x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 220 van 352
Nederlandse naam
Wetenschappelijke naam
Gewone melkdistel Vogelmuur Boerenwormkruid Gewone paardebloemen Grote brandnetel Spaanse aak Gewone esdoorn Gewoon duizendblad Gewone engelwortel IJle dravik Gewoon reukgras Kleine leeuwenklauw Kleine klit Gewone zandmuur Madeliefje Zachte dravik s.l. Haagwinde Kleine veldkers Echt duizendguldenkruid Kluwenhoornbloem Kale jonker Hazelaar Klein streepzaad Peen Gewone reigersbek s.s. Vroegeling Reuzenzwenkgras Beemdlangbloem Rood zwenkgras s.s. Slipbladige ooievaarsbek Zachte ooievaarsbek Kleine ooievaarsbek Bermooievaarsbek Gewone berenklauw
Sonchus oleraceus Stellaria media Tanacetum vulgare Taraxacum sectie Ruderalia Urtica dioica Acer campestre Acer pseudoplatanus Achillea millefolium Angelica sylvestris Anisantha sterilis Anthoxanthum odoratum Aphanes inexpectata Arctium minus Arenaria serpyllifolia Bellis perennis Bromus hordeaceus Calystegia sepium Cardamine hirsuta Centaurium erythraea Cerastium glomeratum Cirsium palustre Corylus avellana Crepis capillaris Daucus carota Erodium cicutarium Erophila verna Festuca gigantea Festuca pratensis Festuca rubra Geranium dissectum Geranium molle Geranium pusillum Geranium pyrenaicum Heracleum sphondylium
Rode Lijst
Herkomst Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems
Invasief
6510
Ha
x
x
6430_bz
in PQ
Buiten PQ
x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 221 van 352
Nederlandse naam
Wetenschappelijke naam
Kantig hertshooi Sint-Janskruid Frans hertshooi Gewoon biggenkruid Zeegroene rus Wilde liguster Gewone rolklaver Gewone veldbies Hopklaver Veelkleurig vergeet-mij-nietje Ruw vergeet-mij-nietje Bleke klaproos Kleine bevernel Veenwortel Echt bitterkruid Smalle weegbree Veldbeemdgras Gewoon varkensgras Vijfvingerkruid Gewone brunel Zoete kers Sleedoorn Heelblaadjes Zomereik Scherpe boterbloem Bermzuring Tengere vetmuur Blauw walstro Avondkoekoeksbloem Gewone smeerwortel Kleine klaver Rode klaver Ruwe iep Gewone veldsla
Hypericum dubium Hypericum perforatum Hypericum x desetangsii Hypochaeris radicata Juncus inflexus Ligustrum vulgare Lotus corniculatus Luzula campestris Medicago lupulina Myosotis discolor Myosotis ramosissima Papaver dubium Pastinaca sativa Persicaria amphibia Picris hieracioides Plantago lanceolata Poa pratensis Polygonum aviculare Potentilla reptans Prunella vulgaris Prunus avium Prunus spinosa Pulicaria dysenterica Quercus robur Ranunculus acris Rumex crispus x obtusifolius Sagina apetala Sherardia arvensis Silene latifolia Symphytum officinale Trifolium dubium Trifolium pratense Ulmus glabra Valerianella locusta
Rode Lijst
Herkomst Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems
Invasief
6510
Ha
x x
x x
x
6430_bz
in PQ
Buiten PQ
x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 222 van 352
Nederlandse naam
Wetenschappelijke naam
Veldereprijs Gewone ereprijs Vogelwikke Ringelwikke Voederwikke Noorse esdoorn Grote vossenstaart Zomerbitterling Gevlekte scheerling Es Kruipertje Rode kornoelje Paarse doventel Mannetjesvaren Ruw walstro Akkerkool Hertshoornweegbree Schietwilg grote klit Scherpe zegge Tweerijige zegge Eenstijlige meidoorn Harig wilgenroosje Viltige basterdwederik Koninginnenkruid Grote wederik Boswilg Grauwe wilg Echt koekoeksbloem
Veronica arvensis Veronica chamaedrys Vicia cracca Vicia hirsuta Vicia sativa s. sativa Acer platanoides Allopecurus pratensis Blackstonia perfoliata Conium maculatum Fraxinus excelsior Hordeum murinum Cornus sanguinea Lamium purpureum Dryopteris filix-mas Galium uliginosum Lapsana communis Plantago coronopus Salix alba Arctium lappa Carex acuta Carex disticha Crataegus monogyna Epilobium hirsutum Epilobium parviflorum Eupatorium cannabinum Lysimachia vulgaris Salix caprea Salix cinerea Silene flos-cucculi
Rode Lijst
Herkomst Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems
Invasief
6510
Ha
6430_bz
in PQ
Buiten PQ
x x x x x x x x x x x X X X X X X X X X X X X X X X X X X
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 223 van 352
5.3 BIJLAGE 3: WAARGENOMEN BIJENSOORTEN EN HET AANTAL WAARNEMINGEN PER SOORT IN DE ONDERZOCHTE BERMEN VAN DE R0. Voor elke soort wordt de nestecologie (B= Bovengronds; O= Ondergronds), waardplant (P = Polylectisch) en socialiteit (P = Broedparasiet; S = Solitair; C= Communaal; E= Eusociaal) vermeld. Voor broedparasieten worden de meest waarschijnlijke gastheren weergegeven. Verder vermelden we ook de Rode Lijst status van elke soort (EN = Endangered/Bedreigd, VU = Vulnerable/Kwetsbaar, NT = Near threatened/Gevoelig, LC = Least concern/Niet bedreigd, DD = Data deficient/Onvoldoende data). Nederlandse naam
Wetenschappelijke naam
#
Nestecologie
Socialiteit
Bloembezoek
Tweekleurige zandbij
Andrena bicolor
1
O
S
P
Goudpootzandbij
Andrena chrysosceles
9
O
S
P
Asbij
Andrena cineraria
1
O
S
P
Wimperflankzandbij
Andrena dorsata
8
O
S
P
Grasbij
Andrena flavipes
29
O
S
P
Vosje
Andrena fulva
3
O
S
P
Texelse zandbij
Andrena fulvago
2
O
S
O: Gele composieten
Weidebij
Andrena gravida
1
O
S
P
Roodgatje
Andrena haemorrhoa
8
O
S
P
Gewone dwergzandbij
Andrena minutula
9
O
S
P
Viltvlekzandbij
Andrena nitida
1
O
S
P
1
O
S
P (Kruisbloemigen)
Gastheer
RL
Andrenidae (19 soorten)
1
Andrena nigrospina
Meidoornzandbij
Andrena scotica
4
O
S
P
Witkopdwergzandbij
Andrena subopaca
4
O
S
P
Grijze zandbij
Andrena vaga
4
O
S
O: Wilgen
Roodbuikje
Andrena ventralis
10
O
S
O: Wilgen
Geelstaartklaverzandbij
Andrena wilkella
3
O
S
O: Vlinderbloemen
Grote roetbij
Panurgus banksianus
1
O
S
O: Gele composieten
1
LC LC LC LC LC LC NT LC LC LC LC DD LC LC LC LC NT LC
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 224 van 352
Nederlandse naam
Wetenschappelijke naam
#
Nestecologie
Socialiteit
Bloembezoek
Kleine roetbij
Panurgus calcaratus
4
O
S
O: Gele composieten
Gewone sachembij
Anthophora plumipes
2
O
S
P
Honingbij
Apis mellifera
109
B
E
P
Tuinhommel
Bombus hortorum
3
O/B
E
P
Boomhommel
Bombus hypnorum
4
B
E
P
Steenhommel
Bombus lapidarius
234
O/B
E
P
Veldhommel
Bombus lucorum
2
O
E
P
Akkerhommel
Bombus pascuorum
50
O/B
E
P
Weidehommel
Bombus pratorum
1
O/B
E
P
2
O/B
E
P
100
O (B)
E
P
Gastheer
RL LC
Apidae (27 soorten)
Aardhommel
Bombus terrestris 2
2
3
Aardhommel-groep
Bombus terrestris - agg.
Grote koekoekshommel
Bombus vestalis
3
O/B
P
-
Blauwe ertsbij
Ceratina cyanea
6
B
S
P
Gewone viltbij
Epeolus variegatus
5
O
S
-
Bruine rouwbij
Melecta albifrons
1
O
P
-
Bleekvlekwespbij
Nomada alboguttata
2
O
P
-
Bonte wespbij
Nomada bifasciata
5
O
P
-
Roodzwarte dubbeltand
Nomada fabriciana
5
O
P
-
Geelschouderwespbij
Nomada ferruginata
2
O
P
-
Gewone wespbij
Nomada flava
8
O
P
-
Gewone kleine wespbij
Nomada flavoguttata
12
O
P
-
Zwartsprietwespbij
Nomada flavopicta
1
O
P
-
Roodsprietwespbij
Nomada fulvicornis
8
O
P
-
Smalbandwespbij
Nomada goodeniana
2
O
P
-
Koolzwarte zandbij en Grijze rimpelrug (A. tibialis) Grijze rimpelrug, Zwartbronzen zandbij (A. nigroaenea), Viltvlekzandbij en Asbij
Gewone dubbeltand
Nomada ruficornis
1
O
P
-
Roodgatje
Gewone sachembij Witbaardzandbij (A. barbilabris) en Roodbuikje
LC DD NT LC LC NT LC LC LC LC NT LC LC NT
LC LC Weidebij Tweekleurige zandbij en Goudpootzandbij LC LC Vroege zandbij (A. praecox) LC Viltvlekzandbij en Meidoornzandbij LC Dwergzandbijen (A. minutula-gr.) LC Melitta-soorten LC LC LC
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 225 van 352
Nederlandse naam
Wetenschappelijke naam
#
Nestecologie
Socialiteit
Bloembezoek
Gastheer
Signaalwespbij
Nomada signata
1
O
P
-
Vosje
Geelzwarte wespbij
Nomada succincta
1
O
P
-
Viltvlekzandbij en Zwartbronzen zandbij
Variabele wespbij
Nomada zonata
7
O
P
-
Wimperflankzandbij
Wormkruidbij
Colletes daviesanus
18
O
S
O: Gele composieten
Zuidelijke zijdebij
Colletes similis
13
O
S
O: Gele composieten
Gewone maskerbij
Hylaeus communis
4
O/B
S
P
Brilmaskerbij
Hylaeus dilatatus
3
B
S
P
Zompmaskerbij
Hylaeus gredleri
6
B
S
P
Tuinmaskerbij
Hylaeus hyalinatus
6
O/B
S
P
Stipmaskerbij
Hylaeus styriacus
2
B
S
P
Breedbandgroefbij
Halictus scabiosae
18
O
E
P
Parkbronsgroefbij
Halictus tumulorum
9
O
E
P
Gewone geurgroefbij
Lasioglossum calceatum
5
O
E
P
Breedkaakgroefbij
Lasioglossum laticeps
3
O/B
E
P
Breedbuikgroefbij
Lasioglossum lativentre
8
O
S
P
Gewone smaragdgroefbij
Lasioglossum leucopus
2
O
E
P
Matte bandgroefbij
Lasioglossum leucozonium
9
O
S
P
Groepjesgroefbij
Lasioglossum malachurum
4
O
E
P
Langkopsmaragdgroefbij
Lasioglossum morio
2
O/B
E
P
Kleigroefbij
Lasioglossum pauxillum
19
O
E
P
Fijngestippelde groefbij
Lasioglossum punctatissimum
3
O
S
P
Biggenkruidgroefbij
Lasioglossum villosulum
7
O
S
P
Roodbruine groefbij
Lasioglossum xanthopus
1
O
S
P
Glanzende bandgroefbij
Lasioglossum zonulum
1
O
S
P
Grote bloedbij
Sphecodes albilabris
2
O
P
-
RL LC LC LC
Colletidae (7 soorten)
LC LC LC DD DD LC LC
Halictidae (23 soorten)
Grote zijdebij (Colletes cunicularius)
LC LC LC LC LC NT LC LC LC LC LC LC EN LC LC
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 226 van 352
RL LC LC
Nederlandse naam
Wetenschappelijke naam
#
Nestecologie
Socialiteit
Bloembezoek
Gastheer
Brede dwergbloedbij
Sphecodes crassus
2
O
P
-
Kleigroefbij en Fijngestippelde groefbij
Bosbloedbij
Sphecodes ephippius
9
O
P
-
Kleine spitstandbloedbij
Sphecodes longulus
1
O
P
-
Gewone dwergbloedbij
Sphecodes miniatus
3
O
P
-
Dikkopbloedbij
Sphecodes monilicornis
7
O
P
-
Breedkaakgroefbij en Matte bandgroefbij Ingesnoerde groefbij (L. minutissimum), Langkopsmaragdgroefbij en Gewone smaragdgroefbij Borstelgroefbij (L. nitidiusculum), Gewone franjegroefbij (L. sexstrigatum) en Langkopsmaragdgroefbij Groepjesgroefbij, Gewone- en Berijpte geurgroefbij (L. albipes)
Grote spitstandbloedbij
Sphecodes puncticeps
1
O
P
-
Biggenkruidgroefbij
Rimpelkruinbloedbij
Sphecodes reticulatus
5
O
P
-
Witbaardzandbij
Kleine klokjesbij
Chelostoma campanularum
1
B
S
O: Klokjes
Ranonkelbij
Chelostoma florisomne
5
B
S
O: Boterbloemen
Grote klokjesbij
Chelostoma rapunculi
2
B
S
O: Klokjes
Tronkenbij
Heriades truncorum
4
B
S
O: Gele composieten
Driedoornige metselbij
Hoplitis tridentata
3
B
S
O: Vlinderbloemen
Tuinbladsnijder
Megachile centuncularis
1
O/B
S
P
Lathyrusbij
Megachile ericetorum
1
B
S
O: Vlinderbloemen
Luzernebehangersbij
Megachile rotundata
3
B
S
Gewone behangersbij
Megachile versicolor
3
O/B
S
Grote bladsnijder
Megachile willughbiella
13
O/B
S
Gouden slakkenhuisbij
Osmia aurulenta
1
B
S
P P (Vlinderbloemen en composieten) P (Composieten, klokjes en vlinderbloemigen) P (Vlinderbloemen en lipbloemen)
Gehoornde metselbij
Osmia cornuta
1
O/B
S
P
Zwartbronzen houtmetselbij
Osmia niveata
1
B
S
O: Composieten (Vaak distels)
NT LC LC
Dasypoda hirtipes
10
O
S
O: Gele composieten
LC
LC LC LC LC LC
Megachilidae (13 soorten)
LC LC LC LC LC LC LC LC LC LC
Melittidae (1 soort) Pluimvoetbij
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 227 van 352
1
Andrena nigrospina en A. pilipes zijn soorten die zeer hard op elkaar lijken en beide voorkomen in Zuid-Europa. In het verleden werd gedacht dat de soort die bij ons voorkomt A. pilipes (Koolzwarte zandbij) was. Deze soort heeft echter 2 generaties die vliegen in april en juli-augustus. Recent onderzoek door Thomas Wood heeft echter aangetoond dat de soort die bij ons voorkomt waarschijnlijk enkel A. nigrospina is omwille van haar vliegtijd in mei. Verder onderzoek moet aantonen of dit effectief klopt en of A. pilipes ook bij ons voorkomt (Bron: Mondelinge communicatie met Thomas Wood). 2 De soorten behorende tot het Aardhommel-complex zijn morfologisch niet met zekerheid te onderscheiden. Veldhommel en Aardhommel zijn echter zeer algemeen en komen zonder twijfel beide voor in het gebied. Hier wordt gekozen om de vier inheemse soorten samen te voegen in een ‘morphospecies’. Mannetjes van Veldhommel zijn wel met zekerheid te determineren, de soort werd dan ook apart opgenomen in de tabel. 3 De Aardhommel (en dus ook zijn koekoekshommel) nestelt bij voorkeur ondergronds, maar kan soms ook bovengronds nesten bouwen.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 228 van 352
5.4 BIJLAGE 4: WAARGENOMEN BIJENSOORTEN PER LOCATIE EN HET AANTAL WAARGENOMEN INDIVIDUEN.
1
Andrena chrysosceles
1
1
2
2
Andrena dorsata 1
2
3
6
4
2
1
1
2
2
1 1
1
Andrena fulva
1
9
5
1
1
8
6
28
11
2
2
2
1
1
1
2
8
5
1
8
5
1
1
1
1
4
2
4
3
4
2
10
5
3
2
1
1
106
17
3
1
4
3
1 2
Andrena fulvago 1
Andrena gravida 1
Andrena haemorrhoa 3
Andrena minutula
1
1
3
1
1
2 1
Andrena nitida 1
Andrena nigrospina
1
Andrena scotica 1
Andrena subopaca
1 1
Andrena ventralis Andrena wilkella
2
Anthophora plumipes
1
Bombus hortorum
7
6
3
3
3
2
3
Andrena vaga
1
2
1
3
1 1
5
29 3
9
13
2
3
1
4
12
3
2
# locaties 1
1 3
Eindtot. 1
1
Andrena cineraria
Apis mellifera
Z1
WO1-2
WE2
WE1
S1-2
M5
M4
1
Andrena bicolor
Andrena flavipes
M3-MG3
M1-2
K3-4
K1-2
G1-2
D5-DG5
D4
D3
D1-2
AS1
Wet. naam
Ook het aantal locaties waarin elke soort is waargenomen en het aantal waargenomen soorten per berm is in deze tabel opgenomen.
3
3
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 229 van 352
Bombus lapidarius
36
10
4
1
4
38
10
30
5
6
3
2
14
36
11
7
3
2
5
4
1
3
1
1
1
6
5
3
7
1
15
Bombus vestalis 1
4
20
1
1
5
1
5 1
1
3
4
1
1 2
1
1
1
1
2
2
1
2
1
1
1
1
2
Epeolus variegatus 5
Halictus scabiosae
9
3
7
7
2
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
48
14
1
1
2
2
104
15
3
3
6
4
1
1
1
4
3
1
2
2
17
10
2
12
9
2
2
10
7
5
2
1
1
18
8
8
6
4
4
3
3
4
2
3
3
5
4
6
2
6
3
16
3 1 1
2
1
1
1 1
1
1
1
1 2
1
2
1 1
Hylaeus gredleri 4
1 1 2
1
# locaties
2
2
2
Eindtot.
Z1
17
3
Hylaeus communis
Hylaeus hyalinatus
219
1
Dasypoda hirtipes
Hylaeus dilatatus
5
2
1
Colletes similis
Hoplitis tridentata
4
1
1
Chelostoma rapunculi
Heriades truncorum
3
1
Chelostoma florisomne
Halictus tumulorum
4
1
Chelostoma campanularum
Colletes daviesanus
6
1
Bombus terrestris
Ceratina cyanea
1
1
Bombus pratorum Bombus terrestris-gr.
1 2
Bombus lucorum Bombus pascuorum
WO1-2
WE2
WE1
S1-2
M5
M4
M3-MG3
M1-2
K3-4
K1-2
G1-2
D5-DG5
D4
D3
D1-2
Wet. naam
AS1
2
Bombus hypnorum
2
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 230 van 352
2
Lasioglossum calceatum
1
Lasioglossum laticeps
1
Lasioglossum lativentre
1
1
1
Lasioglossum leucozonium
3
Lasioglossum malachurum
1
2
1
1
2
Lasioglossum punctatissimum
1
1
2
1 2
2 1
2
3
2
1
3
2
1
7
2
2
9
6
4
3
1
2
2
2
19
10
3
3
7
4
1
1
1
1
1
1
1
1
1
3
2
1
3
3
11
8
1
1
2
1
5
2
1
4
4
1
2
2
2
8
5
1
1
3
1
Lasioglossum zonulum 1
1
Megachile ericetorum 2
Megachile rotundata 1
Megachile versicolor 1
1
1 1
1
1
1
1
4
1
Melecta albifrons Nomada alboguttata
2
Nomada bifasciata
2 1
Nomada fabriciana
3
1
1 1
Nomada ferruginata 1
3
1
1
# locaties
8 1
1
Eindtot. 3
1
Megachile centuncularis
Z1
WO1-2
3
1
Lasioglossum xanthopus
Nomada flava
5
1
1
Lasioglossum villosulum
5
1
1
1
Lasioglossum pauxillum
1
1
Lasioglossum morio
Megachile willughbiella
WE2
WE1 1
2 1
1
Lasioglossum leucopus
S1-2
1
1 1
M5
M4
M3-MG3
M1-2
K3-4
K1-2
G1-2
D5-DG5
D4
D3
D1-2
AS1
Wet. naam Hylaeus styriacus
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 231 van 352
3
1
1
3
Nomada goodeniana
1
Nomada ruficornis
1
1
6
4
1
1
2
8
5
1
2
2
1
1
1
1
1
1
7
6
1
1
1
1
1
1
1
1
4
1
2
2
2
2
1
Nomada succincta 1
Nomada zonata
1
1
1
1
2
1
Osmia aurulenta
1
Osmia cornuta
1
Osmia niveata 1
Panurgus banksianus
4
Panurgus calcaratus 1
Sphecodes albilabris 1
Sphecodes crassus
2
1 1
Sphecodes monilicornis
1
2
2
8
4
1
1
1
1
1
3
3
2
1
6
5
1
1
5
3
914
17
Sphecodes longulus Sphecodes miniatus
1 1
2
Sphecodes ephippius
1
1
Sphecodes puncticeps 1
Sphecodes reticulatus
# locaties
12
1
Nomada signata
Eindtot.
Z1
WO1-2
WE2
WE1
S1-2
M5
M4
M3-MG3
M1-2
K3-4 2
1
Nomada flavopicta Nomada fulvicornis
K1-2
G1-2
D5-DG5
D4
D3
D1-2
Wet. naam
AS1
1
Nomada flavoguttata
3
1
Totaal aantal waarnemingen
70
45
34
11
24
130
69
87
38
42
47
36
66
71
37
51
56
Aantal soorten per berm
14
16
16
11
12
23
30
20
17
23
25
16
17
19
18
28
19
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 232 van 352
Eindtot.
Z1
WO1-2
WE2
WE1
S1-2
M5
M4
M3-MG3
M1-2
K3-4
K1-2
G1-2
D5-DG5
D4
D3
D1-2
AS1
Wet. naam
5.5 BIJLAGE 5 WAARGENOMEN VLINDERS, LIEVEHEERSBEESTJES, SPRINKHANEN, WANTSEN EN ZWEEFVLIEGEN.
Dagvlinders 1
Aglais io
1
1
3
1
Anthocharis cardamines
1
1
Aricia agestis
1
1 1
Carcharodus alceae 1
Celastrina argiolus Coenonympha pamphilus
7
Colias crocea
1
5
3
10
2
1
1
4
6
2 7
1
1
25
Maniola jurtina
47
7
1
1
1
1
1
34
3 1
1
Pieris brassicae Pieris napi
1
Pieris rapae
1 13
14
2
2
1
3
3
1
1
1 6
15
7
23
10
24
1
1
3
4
4
2
8
1
3
1
2
25 6
1 85
2
3
6
5 7
224 2
1
Thymelicus lineola
3
1 3 2
71 2
1
2
Pyronia tithonus
3
1 2
2 2
Pararge aegeria
Vanessa atalanta
3 1
1
Ochlodes sylvanus
Polyommatus icarus
6
2
Lycaena phlaeas
2
1 1
Gonepteryx rhamni
Papilio machaon
3 1
1 1
2
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 233 van 352
14
26
13
20
7
56
34
27
6
16
12
5
134
9
7
20
Eindtot.
Z1
WO1-2
WE2
WE1
S1-2
M5
M4
M3-MG3
M1-2
K3-4
K1-2
G1-2
D5-DG5
D4
D3
D1-2
AS1
Wet. naam Totaal Dagvlinders
12
418
Nachtvlinders 1
Adscita statices Bembecia ichneumoniformis
1
Euclidia glyphica
1
1
1 1
2
2
1
1 1
4
2
1
1
Macroglossum stellatarum
10 1
Noctua pronuba
1
1
Pseudopanthera macularia
1
1 1
Siona lineata 1
Synanthedon myopaeformis 1
Tyria jacobaeae
2
2
1
1
Zygaena filipendulae Totaal Nachtvlinders
1
1
8
33
9
36
2 153 2
154
2
1
5
1
14
208
15
230
1
1
Lieveheersbeestjes Adalia decempunctata 1
Calvia quatuordecimguttata 1
Coccinella quinquepunctata Coccinella septempunctata
1
2
3
5
2
1
Hippodamia variegata Propylea quatuordecimpunctata Psyllobora vigintiduopunctata
2
Totaal Lieveheersbeestjes
4
3
1
4
10 1
1 2
1
1
13
3
3
1
2
2 1
3
47 1
10
1
3
1 6
2
11
2
3
3
1
2
1 2
15
3
3
1
1
5
2
1
2
1
1
1
64
Sprinkhanen Chorthippus biguttulus
1
17
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 234 van 352
1
Pseudochorthippus parallelus
1
1 4
2
1
1
6
7
1
8
1
3
1
3
24
3
4
1
3
11
105
5
125
1
3
6
52
15
208
32 2
Eindtot.
1
2
Tettigonia viridissima
Z1
WO1-2
WE2
WE1
S1-2
M5
M4
M3-MG3
M1-2
K3-4 2
10
Roeseliana roeselii
Totaal Sprinkhanen
K1-2
G1-2
D5-DG5
D4
D3
D1-2
AS1
Wet. naam Chorthippus brunneus
140
1
1
Wantsen 5
Aelia acuminata 1
Coriomeris denticulatus
1 1
Eurydema oleracea 6
Eurygaster testudinaria Eysarcoris aeneus
5 1
1
7
1
1 1
Piezodorus lituratus
1 1
Sciocoris cursitans
1 1
Sehirus luctuosus
1
1
Zicrona caerulea Totaal Wantsen
2
1
1
8
1
1 1
1
5
1
1
20
Zweefvliegen Cheilosia bergenstammi
1
1
Cheilosia scutellata
1
1
Chrysogaster solstitialis
1
1 2
Epistrophe eligans
Eristalinus sepulchralis
1
1
6
1
Epistrophe melanostoma Episyrphus balteatus
2
2
1
1
2
3
1 1
4
2
14
1
1
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 235 van 352
Eristalis nemorum
2
Eristalis pertinax
1
Eristalis tenax
12
Eupeodes corollae Eupeodes luniger
1
1
2
1
2
1
1
1
1 1 1
Helophilus trivittatus Melanostoma mellinum
1
Melanostoma scalare
1
Myathropa florea
2
2
12
1
3
1
1
11
1
8
18
1
1
2
8
2
1
1
1
1
2
1
1
1
3
1
2
2
2
1
Platycheirus albimanus
1 2 1
Scaeva selenitica Sphaerophoria scripta
2
Syritta pipiens
2
1 1
2
5 1
1 2
Eindtot. 2
1
1
9 1
2
Scaeva pyrastri
10
1
1
Riponnensia splendens
16
3
1
Pipizella annulata
86
5
1 1
15 9
1
1
Z1 2
1
1
Pipiza notata
WO1-2
WE2
3
1
5
Paragus quadrifasciatus
Syrphus ribesii
WE1
S1-2
M5
3
1
Helophilus pendulus
Pipizella viduata
M4
1 1
22
1
M3-MG3
M1-2
K3-4
K1-2
G1-2
D5-DG5
D4
D3
D1-2
AS1
Wet. naam
2
Eristalis arbustorum
1
1
1
1
1
1
6
1
2
1
4
1 2
1
3
14 10 1
Syrphus torvus
1
1
Volucella bombylans
1
1
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 236 van 352
Eindtot.
Z1
WO1-2
WE2
WE1
S1-2
M5
M4
M3-MG3
M1-2
K3-4
K1-2
G1-2
D5-DG5
D4
D3
D1-2
Wet. naam
AS1
1
Xanthogramma pedissequum
2
3
Totaal Zweefvliegen
27
5
5
3
8
36
10
17
21
6
3
8
35
34
20
1
7
246
Eindtotaal
49
41
26
26
42
141
74
204
45
29
19
22
315
50
31
38
34
1186
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 237 van 352
5.6 BIJLAGE 6 OVERZICHT VAN DE RODE-LIJST EN INDICATORPLANTEN OP KAART
Figuur 59: Overzicht van de indicatorplanten in complex Dilbeek
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 238 van 352
Figuur 60: Overzicht van de indicatorplanten en Rode-Lijstsoorten in complex Groot-Bijgaarden
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 239 van 352
Figuur 61: Overzicht van de Rode-Lijstplanten en indicatorsoorten in complex Asse
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 240 van 352
Figuur 62: Overzicht van de indicatorplanten en Rode-Lijstsoorten in complex Wemmel
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 241 van 352
Figuur 63: Overzicht indicatorplanten en Rode-Lijstsoorten in het complex Strombeek-Bever
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 242 van 352
Figuur 64: Overzicht van de indicatorplanten en Rode-Lijstsoorten in het complex Machelen
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 243 van 352
Figuur 65: Overzicht van de indicatorplanten en Rode-Lijstsoorten in complex Diegem
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 244 van 352
Figuur 66: Overzicht van de indicatorplanten en Rode-Lijstsoorten in complex Woluwe /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 245 van 352
Figuur 67: Overzicht van de indicatorplanten en Rode-Lijstsoorten in complex Wezembeek-Oppem
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 246 van 352
5.7 BIJLAGE 7 OVERZICHT VAN DE INVASIEVE PLANTEN OP KAART
Figuur 68: Overzicht van de invasieve exoten in het complex van Groot-Bijgaarden
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 247 van 352
Figuur 69: Overzicht van de invasieve exoten in het complex van Wemmel
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 248 van 352
Figuur 70: Overzicht van de invasieve exoten in het complex van Strombeek-Bever
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 249 van 352
Figuur 71: Overzicht van de invasieve exoten in het complex van Vilvoorde
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 250 van 352
Figuur 72: Overzicht van de invasieve exoten in het complex van Machelen /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 251 van 352
Figuur 73: Overzicht van de invasieve exoten in het complex Kraainem
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 252 van 352
Figuur 74: Overzicht van de invasieve exoten in het complex Woluwe /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 253 van 352
5.8 BIJLAGE 8 BEHEERFICHES VAN DE VEGETATIEPROEFVLAKKEN 5.8.1
Afrit Wezembeek-Oppem Z1
Locatie Vegetatietype 1999 Vegetatietype(s) 2004 Doeltype 2004 Doelstelling 2004 Beheer 1999 In te stellen beheer 2004 Effectief uitgevoerd beheer 2004 Bespreking 2004
Vegetatietype 2020 Doelstelling 2020 In te stellen beheer 2020 Bespreking 2020
Z1 Type 10 (Geel nagelkruid-Schaduwgras) Ruig type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) met overgangen naar type 21 (Fijne kervel-Gewone glanshaver) Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) Verruiging niet verder laten gaan 1x/jaar maaienin september, niet volledig tot tegen de beplanting maaien; 1x/3 jaar wel tot tegen de beplanting maaien 1x/jaar maaien in september, dichter tegen beplanting maaien Maaien juli en september Het grasland heeft een vrij ruig aspect en heeft een hoge productie. Hoewel het doeltype type 14 is, opteren we om praktische redenen toch om het talud ruiger te laten. De potenties voor een bloemrijk grasland zijn vrij laag, gezien de zeer geringe oppervlakte van het perceel en de nabijheid van akkers en struweel. Daarom zal een verderzetting van het huidig beheer (1x/jaar maaien in september) verkozen worden. Wel opteren we om dichter tegen de beplanting te maaien, aangezien anders te veel struweelopslag en verruiging in het grasland ontstaat. Ruig type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) met overgangen naar type 21 (Fijne kervel-Gewone glanshaver) Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) Maaien eind april/begin mei en september Het grasland heeft nog steeds een ruig aspect en een hoge productie. Er werd geopteerd om het grasland als ruigte te beheren, terwijl het doeltype wel Type 14 was. Ondanks dat het ruigtebeheer niet gevolgd is, lijkt dit perceel minder bloemrijk dan in 2004. Gewone rolklaver die toen abundant aanwezig was is in het perceel nog sporadisch aanwezig en niet meer in het proefvlak. We stellen voor om hier vroeger te maaien, aangezien Graslatyrus, Wilde marjolein en Kraailook hier nog steeds aanwezig zijn. Een vervroegd maaibeer kan kansen bieden aan deze soorten.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 254 van 352
5.8.2
Verkeersknooppunt Woluwe (E40-Luik): K1-K2-K3-K4-K5-K6
Locatie Vegetatietype 1999 Vegetatietype(s) 2004 Doeltype 2004 Doelstelling 2004 Beheer 1999 In te stellen beheer 2004 Effectief uitgevoerd beheer 2004 Bespreking 2004
Vegetatietype 2020
Doelstelling 2020 In te stellen beheer 2020 Bespreking 2020
Locatie Vegetatietype 1999 Vegetatietype(s) 2004 Doeltype 2004 Doelstelling 2004 Beheer 1999 In te stellen beheer 2004 Effectief uitgevoerd beheer 2004 Bespreking 2004
Vegetatietype 2020 Doelstelling 2020 In te stellen beheer 2020 Bespreking 2020
K1 Type 31 (Valse salie-Pluisjesmos) Type 21 (Fijne kervel-Gewone glanshaver) Type 19 (Veldlathyrus-Gulden sleutelbloem) Maaibeheer en –tijdstip afstemmen op doeltype (verschraling) 1x/3 jaar maaien 2x maaien per jaar, juli en september 2x maaien per jaar, juli en september Dit is een voedselrijke ruigte met een hoog aandeel aan Gewone glanshaver. Speerdistel, Akkerdistel en Ridderzuring wijzen op een verruigde vegetatie. Gezien het vorig beheer weinig meerwaarde opleverde, opteren we voor een aanpassing van het beheer. Een ruigte-strook is overbodig, omdat de brughoofden en aanpalend struweel en beplanting reeds voor een beschaduwing en een gradiënt in ruigere vegetaties zorgen. Ruig Type 19 (Veldlathyrus-Gulden sleutelbloem) met overgangen naar type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) en type 21 (Fijne kervelGewone glanshaver) Type 19 (Veldlathyrus-Gulden sleutelbloem) 2x maaien per jaar, juli en september Door lokale verstoring is er vrij veel Akkerdistel aanwezig (20%) in het PQ. De aanwezigheid van Sint-Janskruid, Rood zwenkgras en Veldlathyrus wijzen op een positieve ontwikkeling naar glanshaverhooiland en struisgrasland. In dit perceel zijn Kraailook, Zomerbitterling en Echt duizendguldenkruid lokaal frequent aanwezig, met occasioneel voorkomen van Rapunzelklokje, Margriet en Knoopkruid. Dit wijst op een glanshavergrasland in ontwikkeling met waardevolle pioniersvegetatie op kalkrijke bodem en voedselrijke zoomvegetatie als overgang naar de beplanting. Het beheer dat werd ingesteld in 2004 en ook zo werd uitgevoerd mag verder worden aangehouden. K2 Type 31 (Valse salie-Pluisjesmos-type) Type 19 (Veldlathyrus-Gulden sleutelbloem) Type 19 (Veldlathyrus-Gulden sleutelbloem) Huidig maaibeheer aanhouden voor doeltype 2x maaien per jaar, juli en september 2x maaien per jaar, juli en september 2x maaien per jaar, juli en september Gezien het grasland vrij bloemrijk is, maar nog steeds vrij productief, wordt geopteerd om het huidige maaibeheer (2x/maaien per jaar, juli en september) verder te zetten. Type 25 (Vlasleeuwenbek – Sint-Janskruid) met overgang naar Type 14: (Scherpe boterbloem-Rode klaver. Type 19 (Veldlathyrus-Gulden sleutelbloem) 2x maaien per jaar, juli en september Door bodemverstoring is Akkerdistel lokaal frequent aanwezig. Dit PQ ligt in hetzelfde perceel dan K1 en heeft dus ook potentie voor ontwikkeling naar een glanshavergrasland met waardevolle pioniersvegetatie op kalkrijke bodem en een waardevolle zoomvegetatie als overgang naar de beplanting. Het is wel belangrijk dat de beplanting die midden in dit grazige perceel gelegen is zich niet te hard uitbreidt ten voordele van de waardevolle hooilandvegetatie hier.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 255 van 352
Locatie Vegetatietype 1999 Vegetatietype(s) 2004 Doeltype 2004 Doelstelling 2004 Beheer 1999 In te stellen beheer 2004 Effectief uitgevoerd beheer 2004 Bespreking 2004
Vegetatietype 2020 Doelstelling 2020 In te stellen beheer 2020 Bespreking 2020
Locatie Vegetatietype 1999 Vegetatietype(s) 2004 Doeltype 2004 Doelstelling 2004 Beheer 1999 In te stellen beheer 2004 Effectief uitgevoerd beheer 2004 Bespreking 2004
Vegetatietype 2020 Doelstelling 2020 In te stellen beheer 2020 Bespreking 2020
K3 Type 10 (Geel nagelkruid-Schaduwgras) Ruig type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) Maaibeheer en –tijdstip afstemmen op doeltype (verschraling), maaitijdstip afstemmen op zaadzetting Bijenorchis 1x/3 jaar maaien 1x maaien per jaar, september 2x maaien per jaar, juli en september Het grasland is aan de rand van het struweel vrij ruig met een gesloten grasmat. Gezien de zeer hoge potenties voor de ontwikkeling van orchideeën (Bijenorchis of misschien zelfs Rietorchis op de nattere delen), wordt aangeraden om i.p.v. een ruigtebeheer (1x/3 jaar maaien) een hooibeheer van 1x/jaar in te stellen (september). Door de aanwezigheid van de nieuwe beplanting worden reeds voldoende ruigtezones gecreëerd. Type 19 (Veldlathyrus-Gulden sleutelbloem) Type 19 (Veldlathyrus-Gulden sleutelbloem) 2x maaien per jaar, juli en september Dit grasland behoort tot de Glanshaverassociatie met frequente aanwezigheid van Gewone bermzegge wat wijst op het ontwikkelen van een waardevolle zoomvegetatie als overgang naar de beplanting. Om dit grasland niet te laten verruigen kan best twee keer per jaar worden gehooid.
K4 Type 10 (Geel nagelkruid-Schaduwgras) Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) Maaibeheer en –tijdstip afstemmen op doeltype (verschraling), maaitijdstip afstemmen op zaadzetting Bijenorchis 1x maaien per jaar, september 1x maaien per jaar, september 2x maaien per jaar, juli en september Het betreft reeds een zeer bloemrijk en vrij schraal grasland. Een bijzondere soort betreft Bijenorchis die met een dertigtal exemplaren voorkwam in de opname. Om deze soort te behouden, wordt het voorgestelde beheer aangehouden, maaien in september geeft Bijenorchis de kans om voldoende zaad te zetten. Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) met overgang naar type 19 (Veldlathyrus-Gulden sleutelbloemtype) Type 19 (Veldlathyrus-Gulden sleutelbloem) 2x maaien per jaar, juli en september Dit grasland is nog steeds bloemrijk, maar Bijenorchis werd hier niet meer gezien. Twee keer maaien per jaar is nodig om de bloemrijke glanshaverhooilandfase te behouden.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 256 van 352
Locatie Vegetatietype 1999 Vegetatietype(s) 2004 Doeltype 2004 Doelstelling 2004 Beheer 1999 In te stellen beheer 2004 Effectief uitgevoerd beheer 2004 Bespreking 2004
Vegetatietype 2020 Doelstelling 2020 In te stellen beheer 2020 Bespreking 2020
Locatie Vegetatietype 1999 Vegetatietype(s) 2004 Doeltype 2004 Doelstelling 2004 Beheer 1999 In te stellen beheer 2004 Effectief uitgevoerd beheer 2004 Bespreking 2004
Vegetatietype 2020 Doelstelling 2020 In te stellen beheer 2020 Bespreking 2020
K5 Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) Type 21 (Fijne kervel-Gewone glanshaver) Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) Maaibeheer en –tijdstip afstemmen op doeltype (verschraling) 1x maaien per jaar, september 2x maaien per jaar, juni en september eerste 5 jaar, nadien 2x/maaien per jaar, juli en september 2x maaien per jaar, juli en september Het perceel betreft een ruig grasland. Het aandeel Gewone glanshaver is zeer hoog, waardoor de grasmat ook zeer dicht en vervilt is. Het optimale beheer dient hier afgestemd te worden op bloemrijkere graslanden, met name door een hooibeheer de eerste 5 jaar in te stellen van 2x maaien per jaar in de maand juni en september, dit om sneller te verschralen. Na voldoende verschraling kan overgegaan worden op een hooibeheer in juli en september. Er dient geen ruigtestrook gelaten te worden, aangezien de aanwezigheid van het struweel aan de rand reeds voor een ruigere zone zorgt. Type 19 (Veldlathyrus-Gulden sleutelbloemtype) Type 19 (Veldlathyrus-Gulden sleutelbloemtype) 2x maaien per jaar, juli en september Dit perceel is veel bloemrijker geworden en is geëvolueerd naar een Glanshaverhooiland. Het beheer dat werd ingesteld in 2004 en ook zo werd uitgevoerd mag verder worden aangehouden. Zo kan Graslathyrus zich verder verspreiden.
K6 Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) Type 21 (Fijne kervel-Gewone glanshaver) met overgangen naar type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) Maaibeheer en –tijdstip afstemmen op doeltype (verschraling) 1x maaien per jaar, september 2x maaien per jaar, juni en september eerste 5 jaar, nadien 2x/maaien per jaar, juli en september 2x maaien per jaar, juli en september De vegetatie heeft een vrij hoog aandeel aan Gewone glanshaver, maar in tegenstelling tot K5, is de bloemenrijkdom hoger. Toch wordt hier eenzelfde hooibeheer voorgesteld om het doeltype te bereiken. Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver-type) met overgang naar Type 21 (Fijne kervel – Gewone glanshavertype). Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver-type) 2x maaien per jaar, juli en september Dit perceel ligt op de overgang van glanshaverhooiland naar ruigte. Het beheer dat werd ingesteld in 2004 en ook zo werd uitgevoerd mag verder worden aangehouden. Zo kan Graslathyrus zich verder verspreiden.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 257 van 352
5.8.3
Verkeersknooppunt Diegem-Zaventem (Woluwelaan): WO1-WO2
Locatie Vegetatietype 1999 Vegetatietype(s) 2004 Doeltype 2004 Doelstelling 2004 Beheer 1999 In te stellen beheer 2004 Effectief uitgevoerd beheer 2004 Bespreking 2004
Vegetatietype 2020 Doelstelling 2020 In te stellen beheer 2020 Bespreking 2020
Locatie Vegetatietype 1999 Vegetatietype(s) 2004 Doeltype 2004 Doelstelling 2004 Beheer 1999 In te stellen beheer 2004 Effectief uitgevoerd beheer 2004 Bespreking 2004
Vegetatietype 2020 Doelstelling 2020 In te stellen beheer 2020 Bespreking 2020
W01 Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) Type 21 (Fijne kervel-Gewone glanshaver-type) met overgang naar type 16 (Moerasrolklaver-Egelboterbloem) Type 16 (Moerasrolklaver-Egelboterbloem-type) Maaibeheer en –tijdstip afstemmen op doeltype (verschraling), maaitijdstip afstemmen op zaadzetting Rietorchis 1x/3 jaar maaien 1x maaien per jaar, september Maaien juli - september Deze locatie betreft een ruig, nat grasland. Gezien de potenties voor de ontwikkeling van orchideeën (Rietorchis), wordt voorgesteld om de maaifrequentie aan te passen naar 1x/jaar maaien. Op deze manier wordt een minder ruig grasland bekomen. De aanwezigheid van struweel aan de rand zorgt op zich reeds voor een ruigere situatie, zodat geen speciaal ruigtebeheer meer dient gevoerd te worden. Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver-type) met overgang naar type 21 (Fijne kervel- Gewone glanshaver) Type 16 (Moerasrolklaver-Egelboterbloem) Maaien juli- september Braam is dominant. De aanwezigheid van hooilandsoorten wijst erop dat door een aangepast maaibeheer de bramen kunnen teruggedrongen worden. Soorten als Veenwortel, Ruige zegge en Heelblaadje wijzen op wisselende waterstanden. Twee keer maaien is nodig om verbraming tegen te gaan.
W02 Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) Type 16 (Moerasrolklaver-Egelboterbloem) Type 16 (Moerasrolklaver-Egelboterbloem) Behoud soortenrijk grasland, maaitijdstip afstemmen op zaadzetting Rietorchis 1x maaien per jaar, september 1x maaien per jaar, september Maaien juli - september Hoewel deze zone als grasland niet optimaal ontwikkeld is, is ze behoorlijk rijk. Gezien de vondst van Rietorchis in het grasland, kan het maaibeheer in de huidige vorm (1x/jaar in september) verdergezet worden. Ook de aanwezigheid van Heelblaadjes heeft baat bij dit maaibeheer. Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) met overgang naar Type 6 (Zevenblad-Ridderzuring) Type 16 (Moerasrolklaver-Egelboterbloem) Maaien juli - september Ondanks de verruiging en verbraming van dit grasland zijn er toch kensoorten van het Zilverschoonverbond en het Glanshaververbond aanwezig. Rietorchis werd in dit perceel niet meer waargenomen. Twee keer maaien is nodig om verbraming tegen te gaan.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 258 van 352
5.8.4
Verkeersknooppunt Diegem (A201-Luchthaven): D1-D7
Locatie Vegetatietype 1999 Vegetatietype(s) 2004 Doeltype 2004 Doelstelling 2004 Beheer 1999 In te stellen beheer 2004 Effectief uitgevoerd beheer 2004 Bespreking 2004
Vegetatietype 2020 Doelstelling 2020 In te stellen beheer 2020 Bespreking 2020
Locatie Vegetatietype 1999 Vegetatietype(s) 2004 Doeltype 2004 Doelstelling 2004 Beheer 1999 In te stellen beheer 2004 Effectief uitgevoerd beheer 2004 Bespreking 2004
Vegetatietype 2020 Doelstelling 2020 In te stellen beheer 2020 Bespreking 2020
D1 Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) Type 21 (Fijne kervel-Gewone glanshaver) Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) Maaibeheer en –tijdstip afstemmen op doeltype (verschraling), maaitijdstip afstemmen op zaadzetting Bijenorchis 1x/3 jaar maaien 2x maaien per jaar, juli en september 2x maaien per jaar, mei en september Locatie D1 is een ruig grasland, met een sterk vervilte grasmat. Gezien de hoge potenties voor verschaling en de aanwezigheid van Bijenorchis in dit perceel, wordt aangeraden het ruigtebeheer om te zetten in een verschralingsbeheer, rekening houdend met de bloeiperiode van Bijenorchis. Een eerste maal dient er gemaaid te worden vanaf midden juli, een tweede maaibeurt kan volgen in september om te verschralen. Type 13 (Kleine klaver-smalle weegbree) Type 13 (Kleine klaver-smalle weegbree) 2x maaien per jaar: eind april/begin mei en eind september/oktober Dit grasland is op weg om een bloemrijk hooiland te worden. Er werd in dit perceel ook Graslathyrus gevonden. Een paar jaar geleden werd hier nog Beemdkroon waargenomen. Door de eerste maaibeurt te vevroegen naar mei kan dit grasland nog bloemrijker worden en kansen bieden aan Graslathyrus en Beemdkroon die pas eind juni/begin juli bloeien.
D2 Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) met overgang naar type 21 (Fijne kervel-Gewone glanshaver) Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) Maaibeheer en –tijdstip afstemmen op doeltype (verschraling), maaitijdstip afstemmen op zaadzetting Bijenorchis 1x maaien per jaar, juli 2x maaien per jaar, juli en september 2x maaien per jaar, mei en september Vermeldenswaardig is het voorkomen van Bijenorchis. De maaiperiode dient op deze soort afgestemd te worden, dus maaien met afvoer dient te gebeuren na de zaadzetting van deze soort (vanaf midden juli). Gezien het grasland nog een vrij hoge productie heeft, kan een tweede maaibeurt eind september-begin oktober volgen. Type 23 (Klein streepzaad – Duizendblad) met overgang naar Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) 2x maaien per jaar, eind april/begin mei en eind september/begin oktober Dit perceel heeft zich ontwikkeld naar een bloemrijk glanshaverhooiland met sporadisch nog wat ruigtekruiden. Blauwe bremraap en Beemdkroon werden hier in het verleden waargenomen. Door de eerste maaibeurt te vervroegen naar ein april/begin mei kan dit grasland nog bloemrijker worden.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 259 van 352
Locatie Vegetatietype 1999 Vegetatietype(s) 2004 Doeltype 2004 Doelstelling 2004 Beheer 1999 In te stellen beheer 2004 Effectief uitgevoerd beheer 2004 Bespreking 2004
Vegetatietype 2020 Doelstelling 2020 In te stellen beheer 2020 Bespreking 2020
Locatie Vegetatietype 1999 Vegetatietype(s) 2004 Doeltype 2004 Doelstelling 2004 Beheer 1999 In te stellen beheer 2004 Effectief uitgevoerd beheer 2004 Bespreking 2004
Vegetatietype 2020 Doelstelling 2020 In te stellen beheer 2020 Bespreking 2020
D3 Type 26 (Muurpeper-Zandmuur) Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) Behoud graslandtype met verdere verschraling 2x maaien per jaar, mei en september 2x maaien per jaar, mei en september 2x maaien per jaar, mei en september D3 is een zeer bloemrijke zone. Het huidig beheer kan verdergezet worden (2x maaien per jaar, mei en september) voor het behoud van het huidige type en doeltype. Type 23 (Klein streepzaad – Duizendblad) met overgang naar Type 14 (Scherpe boterbloem – Rode klaver) Type 14 (Scherpe boterbloem – Rode klaver) 2x maaien per jaar, juli en september Zeer bloemrijke zone, met voornamelijk bloemen uit het Glanshaververbond. Door de eerste maaibeurt te verlaten naar juli kan dit grasland nog bloemrijker worden.
D4 Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) Type 21 (Fijne kervel-Gewone glanshaver) Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) Maaibeheer en –tijdstip afstemmen op doeltype (verschraling) 1x/3 jaar maaien 2x maaien per jaar, mei en september 2x maaien per jaar, mei en september Het grasland heeft een dikke, vervilte mat. De biologische waarde ervan is erg gering en bovendien is het ruigtebeheer moeilijk uit te voeren (het betreft slechts een kleine ruigtestrook). Daarom wordt voorgesteld geen ruigtebeheer uit te voeren, maar het grasland te verschralen zoals gebeurt bij de rest van het perceel, d.i. een hooibeheer van 2x per jaar in mei en september. Type 22 (Witte honingklaver – Hopklaver) met overgang naar Type 23 (Klein streepzaad- Duizendblad Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) 2x maaien per jaar, juli en september Dit perceel is veel minder ruig dan in 2004. Er kan in 2020 wel gesproken worden van een overgang naar het Glanshaververbond naar een bloemrijk struisgrasland en een dwerghavergrasland. Door de eerste maaibeurt te verlaten naar juli kan dit grasland nog bloemrijker worden.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 260 van 352
Locatie Vegetatietype 1999 Vegetatietype(s) 2004 Doeltype 2004 Doelstelling 2004 Beheer 1999 In te stellen beheer 2004 Effectief uitgevoerd beheer 2004 Bespreking 2004
Vegetatietype 2020 Doelstelling 2020 In te stellen beheer 2020 Bespreking 2020
Locatie Vegetatietype 1999 Vegetatietype(s) 2004 Doeltype 2004 Doelstelling 2004 Beheer 1999 In te stellen beheer 2004 Effectief uitgevoerd beheer 2004 Bespreking 2004
Vegetatietype 2020 Doelstelling 2020 In te stellen beheer 2020 Bespreking 2020
D5 Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) met overgang naar type 21 (Fijne kervel-Gewone glanshaver) Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) Behoud graslandtype met verdere verschraling 2x maaien per jaar, mei en september 2x maaien per jaar, mei en september 2x maaien per jaar, mei en september Het huidig beheer kan behouden blijven. Hoewel de vegetatie nog vrij ruig is, zal een verder verschralingsbeheer zorgen voor de ontwikkeling van het doeltype. Type 23 (Klein streepzaad – duizendblad-type) Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver-type) 2x maaien per jaar, juli en september De vegetatie heeft het aspect van een pleksgewijs bloemrijk Glanshavergrasland, maar vertoont op deze zandige bodem overgangen naar struisgrasland met lokaal ruigere plekken. In dit perceel werden Hondskruid, Bokkenorchis en Bijenorchis waargenomen. Door de eerste maaibeurt te verlaten naar juli kan dit grasland nog bloemrijker worden.
D6 Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) Type 16 (Moerasrolklaver-Egelboterbloem) Type 16 (Moerasrolklaver-Egelboterbloem) Maaibeheer en –tijdstip afstemmen op doeltype (verschraling), maaitijdstip afstemmen op zaadzetting Bijenorchis 2x maaien per jaar, mei en september 2x maaien per jaar, juli en september 2x maaien per jaar, mei en september Het grasland is vrij gevarieerd met op de hogere delen veel Margriet; op de lagere delen werd Bijenorchis aangetroffen. Door het huidige maaibeheer (1e maaibeurt mei) krijgt deze geen kans om zaad te vormen. Daarom wordt voorgesteld de 1e maaibeurt te verlaten tot midden juli, een 2e maaibeurt kan dan volgen vanaf eind september. Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) met overgang naar type 19 (Veldlathyrus-Gulden sleutelbloem) Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) 2x maaien per jaar, juli en september De dominantie van Gestreepte witbol is door het passende maaibeheer doorbroken, dit gras heeft plaats gemaakt voor Veldbeemdgras en is nog bloemrijker geworden dan het al was. In dit perceel werd ook Bijenorchis waargenomen. Door de eerste maaibeurt te verlaten naar juli kan dit grasland nog bloemrijker worden.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 261 van 352
Locatie Vegetatietype 1999 Vegetatietype(s) 2004 Doeltype 2004 Doelstelling 2004 Beheer 1999 In te stellen beheer 2004 Effectief uitgevoerd beheer 2004 Bespreking 2004
Vegetatietype 2020 Doelstelling 2020 In te stellen beheer 2020 Bespreking 2020
D7 Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) met overgang naar type 23 (Klein streepzaad-Duizendblad) Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) Behoud graslandtype met verdere verschraling 2x maaien per jaar, mei en september 2x maaien per jaar, mei en september 2x maaien per jaar, mei en september D7 is een reeds vrij schraal grasland. Een verderzetting van het huidige beheer is daarom aangewezen (2x maaien per jaar, mei en september). Type 23 (Klein streepzaad – Duizendblad) Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) 2x maaien per jaar, eind april tot half mei en vanaf eind september Dit bloemrijke grasland is op weg naar een Glanshaverhooiland. Graslathyrus werd hier niet meer waargenomen, wellicht door de vroege maaibeurt. Om dit grasland nog bloemrijker te laten ontwikkelen is het beter om de eerste maaibeurt pas in juli uit te voeren. .
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 262 van 352
5.8.5
Verkeersknooppunt Machelen (E19-Antwerpen): M1-M7
Locatie Vegetatietype 1999 Vegetatietype(s) 2004 Doeltype 2004 Doelstelling 2004 Beheer 1999 In te stellen beheer 2004 Effectief uitgevoerd beheer 2004 Bespreking 2004
Vegetatietype 2020 Doelstelling 2020 In te stellen beheer 2020 Bespreking 2020
Locatie Vegetatietype 1999 Vegetatietype(s) 2004 Doeltype 2004 Doelstelling 2004 Beheer 1999 In te stellen beheer 2004 Effectief uitgevoerd beheer 2004 Bespreking 2004
Vegetatietype 2020
Doelstelling 2020 In te stellen beheer 2020 Bespreking 2020
M1 onbekend Type 21 (Fijne kervel-Gewone glanshaver) Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) Maaibeheer en –tijdstip afstemmen op doeltype (verschraling) 1x/3 jaar maaien 2x maaien per jaar, mei en september 2x maaien per jaar, mei en september M1 betreft een weinig bloemrijke ruigte, die beïnvloed wordt door beschaduwing door de langsliggende bruggen. Een ruigtebeheer voor het grasland is daarom niet aangewezen, vermits het grasland reeds van nature een ruig aspect heeft door de beschaduwing. Een maaibeheer van 2x maaien per jaar, mei en september is daarom aangewezen. Type 21 (Fijne kervel-Gewone glanshaver) met overgang naar Type 23 (Klein streepzaad – duizendblad) Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver-type) 1x maaien per jaar vanaf 15 september Deze helling is bloemrijker met glanshaverhooilandoorten. De ruigtekruiden zijn nog aanwezig en ook pioniersoorten zijn op deze bijna zuidgerichte helling present. Verder verschralen is hier niet nodig, de vegetatie is hier zo laag dat één keer maaien per jaar zal volstaan om de goede staat te behouden.
M2 onbekend Type 21 (Fijne kervel-Gewone glanshaver) met overgang naar type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) Behoud graslandtype met verdere verschraling 2x maaien per jaar, mei en september 2x maaien per jaar, mei en september 2x maaien per jaar, mei en september Het grasland is vrij ruig en heeft een dichte grasmat door het hoog aandeel aan Gewone glanshaver. Een verderzetting van het huidige verschralingsbeheer (2x maaien per jaar, mei en september) is dan ook aangewezen. Type 21 (Fijne kervel-Gewone glanshaver) met overgang naar type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) en overgang naar Type 19 (Veldlathyrus – Gulden sleutelbloem). Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) met overgang naar Type 19 (Veldlathyrus – Gulden sleutelbloem). 1x maaien per jaar vanaf 15 september De dominantie van Gewone glanshaver is doorbroken en er is plaats gemaakt voor een meer bloemrijke vegetatie. De ruigte-indicatoren zijn in zeer beperkte mate aanwezig en er is een overgang naar het Dwerghaververbond. Verder verschralen is hier niet nodig, één keer per jaar maaien zal volstaan om de goede staat te behouden.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 263 van 352
Locatie Vegetatietype 1999 Vegetatietype(s) 2004 Doeltype 2004 Doelstelling 2004 Beheer 1999 In te stellen beheer 2004 Effectief uitgevoerd beheer 2004 Bespreking 2004
Vegetatietype 2020 Doelstelling 2020 In te stellen beheer 2020 Bespreking 2020
Locatie Vegetatietype 1999 Vegetatietype(s) 2004 Doeltype 2004 Doelstelling 2004 Beheer 1999 In te stellen beheer 2004 Effectief uitgevoerd beheer 2004 Bespreking 2004
Vegetatietype 2020
Doelstelling 2020 In te stellen beheer 2020 Bespreking 2020
M3 Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver-type) Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver-type) Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver-type) Behoud graslandtype met verdere verschraling 2x maaien per jaar, mei en september 2x maaien per jaar, mei en september 2x maaien per jaar, mei en september Het grasland is zeer bloemrijk; Margriet bepaalt het bloemaspect. Een verderzetting van het huidige verschralingsbeheer (zonder een ruigtebeheer toe te passen langs het struweel) verdient de voorkeur. Type 23 (Klein streepzaad – Duizendblad) met overgang naar Type 26 (Muurpeper – zandmuur). Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver-type) 1x maaien per jaar vanaf 15 september Het grasland is zeer bloemrijk en er is een overgang naar het Dwerghaververbond. Verder verschralen is hier niet nodig, één keer maaien per jaar zal volstaan om de goede staat te behouden.
M4 Type 27 (Grote klaproos-Gewone raket) Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) Behoud graslandtype met verdere verschraling 2x maaien per jaar, mei en september 2x maaien per jaar, mei en september 2x maaien per jaar, mei en september Locatie M4 heeft een hoge bloemenrijkdom. Een toepassing van het huidige beheer in de toekomst is daarom aangewezen. Wel is dit grasland reeds vrij schraal, zodat eventueel na een aantal jaren verschralingsbeheer (2x maaien per jaar, mei en september) de maaidatum kan aangepast worden, waarbij de 1e maaibeurt verlaat kan worden naar juni. Dit moet door monitoring echter opgevolgd worden. Type 19 (Veldlathyrus – Gulden sleutelbloem) met overgang naar Type 23 (Klein streepzaad – Duizendblad) met overgang naar Type 26 (Muurpeper – zandmuur). Type 19 (Veldlathyrus – Gulden sleutelbloem 1x maaien per jaar vanaf 15 september Locatie M4 is bloemrijk, maar het aandeel van Margriet en Knoopkruid is hier sterk afgenomen. De droge, zandige bodem heeft plaats gemaakt voor soorten van het Dwerghaververbond. Blauw walstro is hier lokaal frequent aanwezig. Eén keer maaien in september zal voor deze schrale vegetatie volstaan.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 264 van 352
Locatie Vegetatietype 1999 Vegetatietype(s) 2004 Doeltype 2004 Doelstelling 2004 Beheer 1999 In te stellen beheer 2004 Effectief uitgevoerd beheer 2004 Bespreking 2004
Vegetatietype 2020 Doelstelling 2020 In te stellen beheer 2020 Bespreking 2020
M5 Type 10 (Geel nagelkruid-Schaduwgras-type) Type 21 (Fijne kervel-Gewone glanshaver-type) met overgang naar type 6 (Zevenblad-Ridderzuring-type) Type 21 (Fijne kervel-Gewone glanshaver-type) Behoud graslandtype met verdere verschraling 1x maaien per jaar, september 1x maaien per jaar, september 2x maaien per jaar, mei en september De locatie betreft een ruigte met een dikke, vervilte grasmat en in de nabijheid komt struweel voor. Aangezien het grasland ook nog eens beschaduwd wordt door bruggen, zijn de potenties vrij laag voor de ontwikkeling van een bloemrijk grasland. Daarom wordt de huidige maaiperiode en –frequentie aangehouden (1x maaien per jaar, september). Type 23 (Klein streepzaad – duizendblad) met overgang naar Type 25 (Sint-Janskruid –Vlasbekje) Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver-type) of Type 21 (Fijne kervelGewone glanshaver-type) Afhankelijk van de doelstelling 1x maaien per jaar vanaf 15 september of vanaf 15 april tot 15 mei en vanaf 15 september Deze ruigte is aan het verbramen met momenteel 15% braam in het opgemeten proefvlak. Andere ruigtekruiden zijn frequent aanwezig. Meidoorn verspreidt zich over het perceel en Robinia schiet hier overal op. Dit grasland heeft meer weg van een ruigte met struweel dan van een grasland. Het is moeilijk te geloven dat hier twee keer per jaar gemaaid wordt. Om te verschralen moet Robinia van dit perceel verwijderd worden en moet er effectief twee keer per jaar gemaaid worden. Als de struikopslag hier niet verwijderd wordt kan er best verder één keer in september gemaaid wordt het doeltype best gewijzigd in Type 21.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 265 van 352
Locatie Vegetatietype 1999 Vegetatietype(s) 2004 Doeltype 2004 Doelstelling 2004 Beheer 1999 In te stellen beheer 2004 Effectief uitgevoerd beheer 2004 Bespreking 2004
Vegetatietype 2020 Doelstelling 2020 In te stellen beheer 2020 Bespreking 2020
Locatie Vegetatietype 1999 Vegetatietype(s) 2004 Doeltype 2004 Doelstelling 2004 Beheer 1999 In te stellen beheer 2004 Effectief uitgevoerd beheer 2004 Bespreking 2004
Vegetatietype 2020 Doelstelling 2020 In te stellen beheer 2020 Bespreking 2020
M6 onbekend Type 21 (Fijne kervel-Gewone glanshaver-type) met overgang naar type 6 (Zevenblad-Ridderzuring-type) Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver-type) Maaibeheer en –tijdstip afstemmen op doeltype (verschraling) 1x/3 jaar maaien 2x maaien per jaar, mei en september 2x maaien per jaar, mei en september M6 is gelegen in een smalle ruigtezone, die aansluit op struweel. Gezien het talud zeer smal is en tevens aansluit bij struweel dat al voor een verruiging van het grasland zorgt (beschaduwing, bladval, enz.), wordt geopteerd om geen ruigtebeheer uit te voeren op dit perceel en voor een verdere verschraling d.m.v. een hooibeheer te zorgen (2x maaien per jaar, mei en september). Type 21 (Fijne kervel-Gewone glanshaver) met overgang naar Type 23 (Klein streepzaad – duizendblad) Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver-type) of Type 21 (Fijne kervelGewone glanshaver-type) 1x maaien per jaar vanaf 15 september of vanaf 15 april tot 15 mei en 15 september Dit onbeheerd stuk ruigte is aan het verbramen. Er zijn nog wat ruigere graslandrestanten aanwezig, maar het merendeel bestaat uit ruigtekruiden en braamstruweel. Het is moeilijk te geloven dat hier effectief twee keer per jaar werd gemaaid. Twee keer per jaar maaien is nodig om verbossing tegen te gaan. Indien hier niet op ingezet wordt, kan het doeltype aangepast worden en zal 1 keer maaien per jaar in september volstaan.
M7 onbekend Type 21 (Fijne kervel-Gewone glanshaver) Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) Maaibeheer en –tijdstip afstemmen op doeltype (verschraling) 2x maaien per jaar, mei en september 2x maaien per jaar, mei en september 2x maaien per jaar, mei en september Het grasland is een vrij ruig grasland, dat een hoog aandeel aan ruigtesoorten heeft. Daarom wordt een verder verschralinsgbeheer voorgesteld, met een hooibeheer van 2x maaien per jaar in mei en september. Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) met overgang naar Type 27 (Grote klaproos – Gewone raket) Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) 2x maaien per jaar, vanaf 15 juni en vanaf 15 september De vegetatie heeft zich ontwikkeld tot een bloemrijk glanshaverhooiland met indicatorsoorten voor een nog voedselarmer type (Type 11 - Kleine bevernel) en kalk in de bodem (Echt bitterkruid). Het aandeel van de indicatorsoorten voor habitatwaardig glanshaverhooiland (Gewone margriet, Knoopkruid, Pastinaak) is nog te laag (<30%) om als Europees habitat bestempeld te worden
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 266 van 352
5.8.6
Afrit Vilvoorde: V1
Locatie Vegetatietype 1999 Vegetatietype(s) 2004 Doeltype 2004 Doelstelling 2004 Beheer 1999 In te stellen beheer 2004 Effectief uitgevoerd beheer 2004 Bespreking 2004
Vegetatietype 2020 Doelstelling 2020 In te stellen beheer 2020 Bespreking 2020
V1 Type 6 (Zevenblad-Ridderzuring-type) met overgang naar type 21 (Fijne kervel-Gewone glanshaver-type) Type 6 (Zevenblad-Ridderzuring-type) Type 21 (Fijne kervel-Gewone glanshaver-type) Behoud graslandtype met verdere verschraling 1x maaien per jaar, september 1x maaien per jaar, september Maaien mei en september Het betreft een vrij ruig grasland, dat een hoog aandeel aan ruigtesoorten heeft. De productie is vrij hoog. Daarom wordt voorgesteld om het huidige beheer verder te zetten. Omwille van praktische redenen (maaischema, oprit) wordt het maaibeheer slechts 1x/jaar (september) uitgevoerd. Type 22 (Witte honingklaver – Hopklaver) met overgang naar Type 23 (Klein streepzaad – Duizendblad). Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) Maaien eind april-begin mei en september Het aantal ruigtesoorten is beperkt, maar het aantal soorten van bloemrijke glanshaverhooilanden is ook beperkt. Dit betreft hier een graskruidenmix, een grasland dat mits het gepaste verschralings-beheer met twee maaibeurten nog beter kan ontwikkelen. Blauwe bremraap is hier aanwezig, dus dit grasland heeft potentie. Een vroege maaibeurt kan deze soort en andere soorten extra kansen geven.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 267 van 352
5.8.7
Wegvak Grimbergen-Vilvoorde: GR1-GR2
Locatie Vegetatietype 1999 Vegetatietype(s) 2004 Doeltype 2004 Doelstelling 2004 Beheer 1999 In te stellen beheer 2004 Effectief uitgevoerd beheer 2004 Bespreking 2004
Vegetatietype 2020 Doelstelling 2020 In te stellen beheer 2020 Bespreking 2020
Locatie Vegetatietype 1999 Vegetatietype(s) 2004 Doeltype 2004 Doelstelling 2004 Beheer 1999 In te stellen beheer 2004 Effectief uitgevoerd beheer 2004 Bespreking 2004
Vegetatietype 2020 Doelstelling 2020 In te stellen beheer 2020 Bespreking 2020
GR1 onbekend Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) met overgang naar type 21 (Fijne kervel-Gewone glanshaver) Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) Behoud graslandtype met verdere verschraling 1x maaien per jaar, september 1x maaien per jaar, september Maaibeurt mei en september Er wordt voor het behoud van het huidige maairegime gekozen, omdat een verschraling vrij moeilijk uit te voeren is door een hogere maaifrequentie in te stellen. Indien enkel voor dit graslandperceel een tweede maaibeurt dient uitgevoerd te worden, zou dit de kostprijs doen oplopen. Bovendien zijn de potenties vrij gering. Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) met overgang naar Type 27 (Grote klaproos – Gewone raket) Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) Maaibeurt vanaf 15 juni en vanaf 15 september Dit perceel is vol geplant en er resten enkele meters grazige berm die bijna volledig met de veiligheidsmaaibeurt worden mee gemaaid. Instellen van een maaibeheer met 1 of 2 maaibeurten zal in principe weinig verschil maken.
GR2 Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) Type 21 (Fijne kervel-Gewone glanshaver) met overgang naar type 6 (Zevenblad-Ridderzuring) Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) Behoud graslandtype met verdere verschraling 1x maaien per jaar, september 1x maaien per jaar, september Maaibeurt mei en september Het betreft een vrij smalle berm, met weinig potenties tot ontwikkeling naar hogere biologische waarden. Door de recente kappingen van struweel naast de berm is er een verstoring merkbaar in de berm zelf; een verdere uitvoering van het maaibeheer (1x maaien per jaar, september) zal echter voor een verdere verschraling van de berm zorgen. Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) met overgang naar type 21 (Fijne kervel-Gewone glanshaver) Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) Maaibeurt vanaf 15 juni en vanaf 15 september Verruigd grasland waar ingezet moet worden op verschraling door twee keer te maaien per jaar.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 268 van 352
5.8.8
Verkeersknooppunt Strombeek-Bever (A12-Antwerpen): S1-S4
Locatie Vegetatietype 1999 Vegetatietype(s) 2004 Doeltype 2004 Doelstelling 2004 Beheer 1999 In te stellen beheer 2004 Effectief uitgevoerd beheer 2004 Bespreking 2004
Vegetatietype 2020 Doelstelling 2020 In te stellen beheer 2020 Bespreking 2020
S1 Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) Ruig type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) met overgang naar type 21 (Fijne kervel-Gewone glanshaver) Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) Maaibeheer en –tijdstip afstemmen op doeltype (verschraling) 1x/3 jaar maaien 2x maaien per jaar, juli en september 1x maaien per jaar in augustus De locatie betreft een ruigte op een vlak deel in een smalle zone. Het uitgevoerde ruigtebeheer draagt echter weinig bij tot de biologische waarde, temeer omdat de berm gedeeltelijk beschaduwd wordt door bomenrijen. Deze zorgen reeds voor een verhoogde voedselrijkdom van de berm door de bladval (en de beschaduwing verlaagt de bloemenrijkdom). Een aanpassing van het ruigtebeheer naar een maaibeheer van 2 maal maaien per jaar verdient daarom de voorkeur (juli en september). Type 13 (Kleine klaver – Smalle weegbree) met overgang naar Type 19 (Veldlathyrus – Gulden boterbloem) Type 14 (Scherpe boterbloem – Rode klaver) 2x maaien per jaar eind april/begin mei en vanaf 15 september De dominantie van Gewone glanshaver heeft plaats gemaakt voor een bloemrijke glanshavervegetatie Ruigtekruiden ontbreken, maar belangrijke aanwezigheid van Kruipende boterbloem en Gestreepte witbol wijzen nog op de aanwezigheid van vrij veel stikstof in de bodem en geven aan dat hier nog verder ingezet moet worden op een verschralingsbeheer. Met een doorgedreven verschralingsbeheer, door een tweede maaibeurt, kan dit stuk nog waardevoller worden.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 269 van 352
Locatie Vegetatietype 1999 Vegetatietype(s) 2004 Doeltype 2004 Doelstelling 2004 Beheer 1999 In te stellen beheer 2004 Effectief uitgevoerd beheer 2004 Bespreking 2004
Vegetatietype 2020 Doelstelling 2020 In te stellen beheer 2020 Bespreking 2020
Locatie Vegetatietype 1999 Vegetatietype(s) 2004 Doeltype 2004 Doelstelling 2004 Beheer 1999 In te stellen beheer 2004 Effectief uitgevoerd beheer 2004 Bespreking 2004
Vegetatietype 2020
Doelstelling 2020 In te stellen beheer 2020 Bespreking 2020
S2 Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver-type) Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver-type) Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver-type) Behoud graslandtype met verdere verschraling 2x maaien per jaar, juli en september 2x maaien per jaar, juli en september 1x maaien per jaar in augustus Het perceel heeft reeds een hoge bloemenrijkdom. Daarom wordt een verderzetting van het huidige beheer (2x maaien per jaar, juli en september) voorgesteld. Type 13 (Kleine klaver – Smalle weegbree) met overgang naar Type 19 (Veldlathyrus – Gulden boterbloem) Type 14 (Scherpe boterbloem – Rode klaver) 2x maaien per jaar eind april-begin mei en vanaf 15 september Deze bloemrijke opname hoort thuis in het Glanshaver-hooiland. Met een doorgedreven verschralingsbeheer, door een tweede maaibeurt, kan dit stuk nog waardevoller worden
S3 Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver-type) Type 21 (Fijne kervel-Gewone glanshaver) Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) Maaibeheer en –tijdstip afstemmen op doeltype (verschraling) 1x/3 jaar maaien 2x maaien per jaar, juli en september 2x maaien per jaar juli en vanaf 15 september De locatie betreft een vrij bloemrijke ruigte naast struweel. Gezien er in de buurt van het struweel reeds van nature ruigere omstandigheden voorkomen, wordt geopteerd om geen ruigtebeheer toe te passen in het grasland. Een maaibeheer van 2x maaien per jaar in juli en september is meer aangewezen. Gezien de voorgaande kenmerken zal bij dit beheer reeds voldoende ruigte aanwezig zijn om voor een variatie in het graslandperceel te zorgen. Type 11 (Glad walstro – ruige weegbree) met overgang naar Type 14 (Scherpe boterbloem – Rode klaver) met overgang naar Type 25 (Vlasbekje – Sint-Janskruid). Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver-type) 1x maaien per jaar in augustus Het verruigd grasland is nog steeds bloemrijk en er is nu ook een overgang naar glanshaverhooiland. Op de open plaatsen werd een enkel exemplaar van Blauw walstro en Bijenorchis gevonden. Met een doorgedreven verschralingsbeheer, door een tweede maaibeurt, kan dit stuk nog waardevoller worden.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 270 van 352
Locatie Vegetatietype 1999 Vegetatietype(s) 2004 Doeltype 2004 Doelstelling 2004 Beheer 1999 In te stellen beheer 2004 Effectief uitgevoerd beheer 2004 Bespreking 2004
Vegetatietype 2020
Doelstelling 2020 In te stellen beheer 2020 Bespreking 2020
S4 Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) Behoud graslandtype met verdere verschraling 2x maaien per jaar, juli en september 2x maaien per jaar, juli en september 1x maaien per jaar in augustus Het grasland is reeds zeer bloemrijk en vrij schraal. Daarom wordt een verderzetting van het huidige beheer (2x maaien per jaar, juli en september) voorgesteld. Type 19 (Veldlathyrus – Gulden boterbloem) met overgang naar Type 23 (Klein streepzaad – Duizendblad) en Type 27 (Grote klaproos – Gewone raket) Type 14 (Scherpe boterbloem – Rode klaver) 2x maaien per jaar, juli en september Het grasland is vrij ruig met Hondsdraf, Akkerdistel en Jacobskruiskruid, maar er zijn ook soorten die wijzen op een overgang naar glanshaverhooiland. De ruigtesoorten zijn er onder invloed van de struikvegetatie in de nabijheid en de konijnenbegrazing. Met een doorgedreven verschralingsbeheer, door een tweede maaibeurt, kan dit stuk nog waardevoller worden.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 271 van 352
5.8.9
Afrit Wemmel: WE1-WE2
Locatie Vegetatietype 1999 Vegetatietype(s) 2004 Doeltype 2004 Doelstelling 2004 Beheer 1999 In te stellen beheer 2004 Effectief uitgevoerd beheer 2004 Bespreking 2004
Vegetatietype 2020 Doelstelling 2020 In te stellen beheer 2020 Bespreking 2020
Locatie Vegetatietype 1999 Vegetatietype(s) 2004 Doeltype 2004 Doelstelling 2004 Beheer 1999 In te stellen beheer 2004 Effectief uitgevoerd beheer 2004 Bespreking 2004
Vegetatietype 2020 Doelstelling 2020 In te stellen beheer 2020 Bespreking 2020
WE1 Type 19 (Veldlathyrus-Gulden sleutelbloem) Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver), lokaal type 20 Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) Behoud graslandtype met verdere verschraling 2x maaien per jaar, mei en september 2x maaien per jaar, mei en september Maaien mei en september De locatie is een grasland met een hoge bloemenrijkdom. Gezien het beheer uitgevoerd wordt met 2x maaien per jaar en reeds start vanaf mei, wordt een verdere verschraling verkregen indien dit hooibeheer verdergezet wordt. Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) met overgang naar Type 19 (Veldlathyrus – Gulden sleutelbloem) Type 14 (Scherpe boterbloem – Rode klaver) 2 x maaien per jaar, vanaf 15 juni en vanaf 15 september Gewone glanshaver is nog steeds frequent aanwezig, maar de bloemenrijkdom is nu veel groter. Om nog meer bloemen de kans te geven om zaad te zetten mag de eerste maaibeurt naar juni worden verplaatst.
WE2 Type 20 (Gevlekte rupsklaver-Klein hoefblad) Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) Behoud graslandtype met verdere verschraling 2x maaien per jaar, mei en september 2x maaien per jaar, mei en september Maaien mei en september Het grasland is nog vrij ruig. Daarom wordt voorgesteld om het optimale verschralingsbeheer (2x maaien per jaar, mei en september) verder te zetten. Type 19 (Veldlathyrus – Gulden sleutelbloem) Type 14 (Scherpe boterbloem – Rode klaver) 2x maaien per jaar, vanaf 15 juni en vanaf 15 september Gewone glanshaver en Gestreepte witbol zijn abundant. Het bloemrijk aspect wordt bepaald door Gewone margriet. Op de schouder van het talud werden Bijenorchis en Kattendoorn waargenomen.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 272 van 352
5.8.10 Afrit Asse: A1-A3 Locatie Vegetatietype 1999 Vegetatietype(s) 2004 Doeltype 2004 Doelstelling 2004 Beheer 1999 In te stellen beheer 2004 Effectief uitgevoerd beheer 2004 Bespreking 2004
Vegetatietype 2020
Doelstelling 2020 In te stellen beheer 2020 Bespreking 2020
Locatie Vegetatietype 1999 Vegetatietype(s) 2004 Doeltype 2004 Doelstelling 2004 Beheer 1999 In te stellen beheer 2004 Effectief uitgevoerd beheer 2004 Bespreking 2004
Doelstelling 2020 In te stellen beheer 2020 Bespreking 2020
A1 onbekend Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) Maaibeheer en –tijdstip afstemmen op doeltype (verschraling), maaitijdstip afstemmen op zaadzetting Graslathyrus 2x maaien per jaar, juni en september 2x maaien per jaar, juli en september Maaien mei en september Een zeldzame (Rode lijst)soort in het grasland betreft Graslathyrus. Gezien deze op het tijdstip van de 1e huidige maaibeurt nog volop in bloei is en dus eigenlijk geen kans krijgt om zaad te vormen, wordt voorgesteld om de 1e maaibeurt te verlaten naar juli. De tweede maaibeurt kan dan in september volgen. Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) met overgang naar Type 19 (Veldlathyrus – Gulden sleutelbloem) en Type 21 (Fijne kervel – Gewone glanshaver). Type 19 (Veldlathyrus – Gulden sleutelbloem) 2x maaien per jaar, vanaf 15 juni en vanaf 15 september Gewone margriet is dominant en Veldbeemdgras is het meest voorkomende gras. In dit grasland werden. In dit grasland werden ondanks het maaien in mei nog Bijenorchis en Graslathyrus waargenomen. De eerste maaibeurt kan dus best verplaatst worden naar juni.
A2 onbekend Type 21 (Fijne kervel-Gewone glanshaver) met overgang naar type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver Behoud graslandtype met verdere verschraling 2x maaien per jaar, juni en september 2x maaien per jaar, juni en september Maaien april, juni, september, november He grasland heeft een vrij hoog aandeel aan grassen, waaronder Gestreepte witbol en Gewone glanshaver. Een verdere verschraling door verderzetting van het huidige maaibeheer (2x maaien per jaar, juni en september) is daarom aangewezen. Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver 2x maaien per jaar, eind april-begin mei en vanaf 15 september Door de nabijheid van struweel zijn ruigtesoorten in beperkte mate aanwezig. Gewone glanshaver en Gestreepte witbol zijn nog steeds de meest bedekkende soorten. Het gazonbeheer heeft de bloemenrijkdom van de ruigtekruiden doen afnemen. Een extra vroege maaibeurt doet verschralen en de bloemenrijkdom toenemen.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 273 van 352
Locatie Vegetatietype 1999 Vegetatietype(s) 2004 Doeltype 2004 Doelstelling 2004 Beheer 1999 In te stellen beheer 2004 Effectief uitgevoerd beheer 2004 Bespreking 2004
Vegetatietype(s) 2020 Doelstelling 2020 In te stellen beheer 2020 Bespreking 2020
A3 onbekend Type 21 (Fijne kervel-Gewone glanshaver) Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) Behoud graslandtype met verdere verschraling 2x maaien per jaar, juni en september 2x maaien per jaar, juni en september Maaien april, juni, september, november/juli, september Door de nabijheid van struweel, is de invloed merkbaar op de soorten in het grasland: er komen vrij veel ruigtesoorten voor. Daarom wordt voorgesteld om hier geen extra ruigtebeheer toe te passen, maar een verder verschralingsbeheer uit te voeren van 2 maal maaien per jaar in juni en september. Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) 2x maaien per jaar, eind april-begin mei en vanaf 15 september Door de nabijheid van struweel zijn ruigtesoorten in beperkte mate aanwezig. Gewone glanshaver en Gestreepte witbol zijn nog steeds de meest bedekkende soorten. Het gazonbeheer heeft de bloemenrijkdom van de ruigtekruiden doen afnemen. Een extra vroege maaibeurt doet verschralen en het perceel bloemrijker maken.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 274 van 352
5.8.11
Verkeersknooppunt Groot-Bijgaarden (E40-Oostende): G1-G4
Locatie Vegetatietype 1999 Vegetatietype(s) 2004 Doeltype 2004 Doelstelling 2004 Beheer 1999 In te stellen beheer 2004 Effectief uitgevoerd beheer 2004 Bespreking 2004
Vegetatietype 2020 Doelstelling 2020 In te stellen beheer 2020 Bespreking 2020
Locatie Vegetatietype 1999 Vegetatietype(s) 2004 Doeltype 2004 Doelstelling 2004 Beheer 1999 In te stellen beheer 2004 Effectief uitgevoerd beheer 2004 Bespreking 2004
Vegetatietype 2020 Doelstelling 2020 In te stellen beheer 2020 Bespreking 2020
G1 Type 23 (Klein streepzaad-Duizendblad) Type 21 (Fijne kervel-Gewone glanshaver) Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) Maaibeheer en –tijdstip afstemmen op doeltype (verschraling), maaitijdstip afstemmen op zaadzetting Graslathyrus 1x/3 jaar maaien, september 2x maaien per jaar, juli en september Maaien april, juni, september, november De ruigte heeft een hoog aandeel aan Gewone glanshaver. Hierdoor is een zeer dichte grasmat aanwezig. Gezien de zeer hoge potenties voor Graslathyrus (komt reeds in de nabijheid voor), is een stopzetting van het ruigtebeheer wenselijk. Een hooibeheer van 2x per jaar in juli en september is optimaal voor de mogelijke zaadzetting van Graslathyrus en de ontwikkeling van een bloemrijker graslandtype. Type 21 (Fijne kervel-Gewone glanshaver-type) G2 Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) 2x maaien per jaar, eind april- begin mei en vanaf 15 september Het verruigde grasland heeft een hoog aandeel aan Gewone glanshaver waardoor een vrij dichte grasmat aanwezig is. Ruigte-indicerende (Jacobskruiskruid, Gewone berenklauw en Heermoes) planten zijn echter in zeer kleine hoeveelheden aanwezig. In dit proefvlak werd Bijenorchis waargenomen en ook Veldlathyrus wijst op de overgang naar bloemrijk grasland. Een extra vroege maaibeurt kan voor verschraling zorgen indien het maaisel goed wordt afgeruimd. G2 Type 23 (Klein streepzaad-Duizendblad) Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) Maaibeheer en –tijdstip afstemmen op doeltype (verschraling), maaitijdstip afstemmen op zaadzetting Graslathyrus 2x maaien per jaar, juni en september 2x maaien per jaar, juli en september Maaien april, juni, september, november Het grasland heeft een vrij ruig aspect en een gesloten grasmat van o.m. Gewone glanshaver. Een aanpassing van het maaitijdstip kan ervoor zorgen dat Graslathyrus (die op het talud lokaal aanwezig was, maar niet in het PQ) voldoende zaad kan zetten (het grasland wordt nu reeds gemaaid in juni, wanneer de soort nog in volle bloei staat). Een maaifrequentie van 2 maal per jaar in juli en september is ideaal om deze doelstelling te bereiken. Type 21 (Fijne kervel-Gewone glanshaver-type) G2 Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) 2x maaien per jaar, eind april-begin mei en vanaf 15 september Het grasland heeft een ruig aspect en een gesloten grasmat van Gewone glanshaver en Kropaar. Veldlathyrus bedekt minder dan 5% en Knoopkruid en Veldzuring zijn zeer beperkt aanwezig. Gewone berenklauw en Heermoes bedekken ook minder dan 1% Door het gazonbeheer is Graslathyrus verdwenen. Een extra vroege maaibeurt helpt verschralen indien het maaisel goed wordt afgeruimd.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 275 van 352
Locatie Vegetatietype 1999 Vegetatietype(s) 2004 Doeltype 2004 Doelstelling 2004 Beheer 1999 In te stellen beheer 2004 Effectief uitgevoerd beheer 2004 Bespreking 2004
Vegetatietype 2020 Doelstelling 2020 In te stellen beheer 2020 Bespreking 2020
Locatie Vegetatietype 1999 Vegetatietype(s) 2004 Doeltype 2004 Doelstelling 2004 Beheer 1999 In te stellen beheer 2004 Effectief uitgevoerd beheer 2004 Bespreking 2004
Vegetatietype 2020 Doelstelling 2020 In te stellen beheer 2020 Bespreking 2020
G3 Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) Type 21 (Fijne kervel-Gewone glanshaver) Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) Maaibeheer en –tijdstip afstemmen op doeltype (verschraling), maaitijdstip afstemmen op zaadzetting Graslathyrus 1x/3 jaar maaien, september 2x maaien per jaar, juli en september Maaien april, juni, september, november Op het talud vlakbij deze ruigte met boomopslag komt Graslathyrus voor. Hierdoor is een ruigtebeheer minder waardevol dan een maaibeheer ten voordele van deze soort. Twee keer maaien per jaar in juli en september verdient daarom de voorkeur. Type 21 (Fijne kervel-Gewone glanshaver-type) met overgang naar Type 14 (Scherpe boterbloem – Rode klaver) Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) 2x maaien per jaar, eind april-begin mei en vanaf 15 september Ruig grasland met een hoog aandeel aan Gewone glanshaver en een beperkt aandeel ruigtesoorten. Wat betreft kensoorten van glanshaverhooilanden is enkel Knoopkruid in beperkte mate aanwezig. Ondanks het gazonbeheer werd er toch een beperkt aantal Bijenorchissen gezien. Een extra vroege maaibeurt kan voor verschraling zorgen indien het maaisel goed wordt afgeruimd.
G4 Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) Maaibeheer en –tijdstip afstemmen op doeltype (verschraling), maaitijdstip afstemmen op zaadzetting Graslathyrus 2x maaien per jaar, juni en september 2x maaien per jaar, juli en september Maaien april, juni, september, november Zeer bloemrijk grasland met een hoog soortenaantal, waaronder hoge aantallen Graslathyrus. Lokaal is er verstoring, door het voorkomen van Akkerdistel. Wellicht is deze verruiging ontstaan door het oprijden van het talud voor maaiwerkzaamheden. In de toekomst zou het talud langs de kant van het struweel dienen opgereden te worden, aangezien de vegetatie hier reeds meer verruigd is. Gezien Graslathyrus op het moment van de 1e huidige maaibeurt nog volop in bloei staat, dient de 1e maaibeurt verlaat te worden naar juli, zodat deze soort voldoende zaad kan vormen. De tweede maaibeurt kan in september plaats vinden. Type 21 (Fijne kervel-Gewone glanshaver-type) met overgang naar Type 14 (Scherpe boterbloem – Rode klaver) Type 14 (Scherpe boterbloem-Rode klaver) 2x maaien per jaar, eind april – begin mei en vanaf 15 september Dit betreft een verruigd grasland met een hoog aandeel (80%) Gewone glanshaver. Graslathyrus werd in dit perceel niet meer waargenomen na 2011. Knolboterbloem werd ook niet teruggevonden. Ruigte-indiciatoren zoals Hondsdraf en Braam zijn in beperkte mate (<1%) aanwezig. De aanwezigheid van indicatorsoorten voor bloemrijke glanshaverhooilanden is beperkt. Het feit dat hier gazonbeheer werd uitgevoerd heeft er wellicht voor gezorgd dat Graslathyrus verdween.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 276 van 352
5.8.12 Wegvak Dilbeek: DI1 Locatie Vegetatietype 1999 Vegetatietype(s) 2004 Doeltype 2004 Doelstelling 2004 Beheer 1999 In te stellen beheer 2004 Effectief uitgevoerd beheer 2004 Bespreking 2004
Vegetatietype 2020 Doelstelling 2020 In te stellen beheer 2020 Bespreking 2020
DI1 Type 6 (Zevenblad-Ridderzuring) Type 21 (Fijne kervel-Gewone glanshaver) Type 21 (Fijne kervel-Gewone glanshaver) Behoud graslandtype met verdere verschraling 1x maaien per jaar, september 1x maaien per jaar, september Niet bekend Het grasland is ruig met een hoog aandeel aan Gewone glanshaver en ruigte-indicatoren. Omwille van een aantal praktische redenen (ligging in een maaischema van 1x/jaar) en de geringe potenties, wordt geopteerd om het huidig beheer aan te houden (1x maaien per jaar, september). Type 21 (Fijne kervel-Gewone glanshaver) Type 21 (Fijne kervel-Gewone glanshaver) 1x maaien per jaar, september Het grasland is ruig met een hoog aandeel aan Gewone glanshaver en ruigte-indicatoren. Sint-Janskruid en Kale jonker zijn zeer beperkt aanwezig, deze soorten wijzen op een overgang naar een bloemrijker grasland. Hier is geen achteruitgang vast gesteld dus we stellen voor om het uitgevoerde beheer aan te houden.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 277 van 352
5.9 BIJLAGE 9: OVERZICHT VAN DE WAARGENOMEN PADDENSTOELEN IN DE ONDERZOCHTE BERMEN IN 2020 MET HUN ECOLOGIE, RODE-LIJSTSTATUS EN INDICATORWAARDE. Nederlandse naam
Wetenschappelijke naam
Ecologie
Rode Lijst
Indicatorwaarde
Grasvlamhoed
Gymnopilus flavus
st
KW
Grasmosklokje
Galerina graminea
st
Groot mosklokje
Galerina clavata
st
Loodgrijze bovist
Bovista plumbea
st
Roze pronkridder
Calocybe carnea
st
Sterspoorsatijnzwam Grote aderbekerzwam Piekhaarzwammetje Papegaaizwammetje Zwartwordende wasplaat Sneeuwzwammetje Gewone ruige aardtong Wormvormige knotszwam Melige stuifzwam Gewone beurszwam Kortstelige satijnzwam
Entoloma conferendum Disciotis venosa Crinipellis scabella Hygrocybe psittacina Hygrocybe conica Hygrocybe virginea Trichoglossum hirsutum Clavaria fragilis Lycoperdon lividum Volvariella gloiocephala Entoloma rusticoides
st St st st st st st st st st St
Bruine satijnzwam Bruinsnedemycena Giftige weidetrechterzwam Weidekringzwam Bleke veldtrechterzwam Dooiergele mestzwam Grauwe vlekplaat Bleekgele mycena Afgeplatte stuifzwam Gazonvlekplaat Geschubde inktzwam Grijsbruine grasmycena Muurtrechtertje Roze ruitertje Groot kalkschuim Grasleemhoed Somber trechtertje Bleke franjehoed Berkenzwam Bermbreeksteeltje Bleek nestzwammetje Bruine bundelridderzwam Bundelfranjehoed Dikvoetbreeksteeltje Esdoornvlekkenzwam Geringd breeksteeltje Geweizwam Gewone fopzwam
Entoloma sericeum Mycena olivaceomarginata Clitocybe rivulosa Marasmius oreades Clitocybe agrestis Bolbitius titubans Panaeolus fimicola Mycena flavoalba Vascellum pratense Panaeolina foenisecii Coprinus comatus Mycena aetites Omphalina rickenii Contumyces rosellus Mucilago crustacea Agrocybe pediades Omphalina obscurata Psathyrella candolleana Piptoporus betulinus Conocybe rostellata Cyathus olla Lyophyllum decastes Psathyrella multipedata Conocybe subovalis Rhytisma acerinum Pholiotina arrhenii Xylaria hypoxylon Laccaria laccata
st st st st st st st st St st st st st st F st st st P st sk st st st P st sh Em
Beginnende verschraling Beginnende verschraling Beginnende verschraling Beginnende verschraling Beginnende verschraling heischrale graslanden Kalkhoudende bodem kalkhoudende bodem Kruidenrijk grasland Kruidenrijk grasland oude graslanden oude graslanden oude graslanden Oude graslanden ruigtevegetaties schraallanden in ontwikkeling verdroging verdroging verdroging verdroging vermesting vermesting vermesting Voedselrijke graslanden Voedselrijke graslanden voedselrijke graslanden voedselrijke graslanden voedselrijke graslanden
Nederlandse naam
Wetenschappelijke naam
Ecologie
BE GE GE KW KW
KW
EB EB
Rode
Indicatorwaarde
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 278 van 352
Lijst Gewone glimmerinktzwam Gewone viltkop Gewoon donsvoetje Gewoon plooirokje Grijze veldridderzwam Klein oorzwammetje Kleine grasfranjehoed Kortwortelfranjehoed Langsteelfranjehoed Okergele stropharia Okerkleurige veldridderzwam Paarse schijnridderzwam Plooivoetstuifzwam Smeerwortelmycena Smeerwortelroest Stinkparasolzwam Tranende franjehoed Tweekleurige vaalhoed Wollige franjehoed Zemelig donsvoetje Zwartwitte veldridderzwam Zwerminktzwam
Coprinellus micaceus Inocybe dulcamara Tubaria furfuracea Parasola plicatilis Melanoleuca exscissa Crepidotus epibryus Psathyrella prona Psathyrella microrrhiza Psathyrella conopilus Stropharia coronilla Melanoleuca cognata Lepista nuda Calvatia excipuliformis Hemimycena candida Melampsorella symphyti Lepiota cristata Lacrymaria lacrymabunda Hebeloma mesophaeum Psathyrella artemisiae Tubaria conspersa Melanoleuca polioleuca Coprinellus disseminatus
st Em st st st Sk St st st st st st st sK P st st Em st st st Sh
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 279 van 352
5.10 BIJLAGE 10: BESCHRIJVING VAN DE BERM-LOCATIES DIE MET BODEMVALLEN ZIJN ONDERZOCHT We geven een beknopte beschrijving van de bodemval locaties in de bermen van de R0. We overlopen alle locaties van oost naar west.
5.10.1 Z1 te Wezembeek-Oppem Oriëntatie: West gerichte, vrij steile helling Ligging: Deze locatie bevindt zich net voor de afrit van Wezembeek-Oppem (Figuur 75). Beschrijving van de locatie: Dichte, hoge vegetatie gedomineerd door grassen. Kruiden beperkt o.a. Wilde peen en Jacobskruiskruid.
Figuur 75: Satellietfoto van de locatie te Wezembeek-Oppem (Z1). Deze berm is gesitueerd net ten noorden van de afrit Wezembeek-Oppem. (Foto: Google Earth)
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 280 van 352
Figuur 76: Overzicht van de locatie te Wezembeek-Oppem (Z1). De bodemvallen staan op de onderste helft van de helling, net achter de struiken. 17 maart 2020. (Foto: Jorg Lambrechts)
Figuur 77: 1 van de 3 bodemvallen in de berm te Wezembeek-Oppem (Z1). 17 maart 2020. (Foto: Jorg Lambrechts)
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 281 van 352
5.10.2 K1 te Kraainem Oriëntatie: Vlak Ligging: De locaties K1-K4 situeren zich in het verkeersknooppunt van Sint-Stevens-Woluwe (Figuur 78). De bodemvallen zijn hier pas op 23 april 2020 kunnen geplaatst worden; eerder waren deze locaties niet toegankelijk. Beschrijving van de locatie: Vrij ijle, lage vegetatie; op 18 mei viel op dat er veel onbegroeide bodem was; veel distels, Veldlathyrus en Knoopkruid.
Figuur 78: Satellietfoto van de locaties te Kraainem (K1-4). Deze liggen allemaal in de buurt van het knooppunt SintStevens-Woluwe. (Foto: Google Earth)
Figuur 79: Overzicht van de locatie te Kraainem (K1). De bodemvallen staan op een stuk waar de vegetatie wat ijler is, aan de kant van de verkeersarm. (Foto: Google Maps)
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 282 van 352
5.10.3 K2 te Kraainem Oriëntatie: Vlak Ligging: De locaties K1-K4 situeren zich in het verkeersknooppunt van Sint-Stevens-Woluwe (Figuur 78). De bodemvallen zijn hier pas op 23 april 2020 kunnen geplaatst worden; eerder waren deze locaties niet toegankelijk. Beschrijving van de locatie: De vegetatie was op deze locatie iets minder ijl en duidelijk hoger dan op de vorige.
Figuur 80: Zicht op de locatie K2 te Kraainem. De bodemvallen staan op een stuk waar de vegetatie redelijk dicht en hoog is. 4 juni 2020 (Foto: Win Vertommen).
5.10.4 K3 te Kraainem Oriëntatie: West gerichte helling Ligging: De locaties K1-K4 situeren zich in het verkeersknooppunt van Sint-Stevens-Woluwe (Figuur 78). De bodemvallen zijn hier pas op 23 april 2020 kunnen geplaatst worden; eerder waren deze locaties niet toegankelijk. Beschrijving van de locatie: Glanshaverhooiland met dichte, hoge vegetatie. Veel Knoopkruid en Gewone rolklaver.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 283 van 352
Figuur 81: Overzicht van de locatie K3 te Kraainem. De bodemvallen staan op de west gerichte helling. 4 juni 2020 (Foto: Jens D’Haeseleer)
5.10.5 K4 te Kraainem Oriëntatie: Vlak Ligging: De locaties K1-K4 situeren zich in het verkeersknooppunt van Sint-Stevens-Woluwe (Figuur 78). De bodemvallen zijn hier pas op 23 april 2020 kunnen geplaatst worden; eerder waren deze locaties niet toegankelijk. Beschrijving van de locatie: Dit is een dicht begroeid glanshaverhooiland waar de bodemvallen centraal in het grasland geplaatst zijn. De vegetatie is in het volledige grasland erg hoog. Veel Knoopkruid en Gewone rolklaver.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 284 van 352
Figuur 82: Overzicht van de locatie K4 te Kraainem. De bodemvallen staan centraal in het grasland, tussen de dichte, hoge doch bloemrijke vegetatie. 4 juni 2020 (Foto: Jens D’Haeseleer)
Figuur 83: Overzicht van de locatie te Kraainem (K4). De bodemvallen staan centraal in het grasland. 4 juni 2020 (Foto: Jens D’Haeseleer)
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 285 van 352
5.10.6 WO1 te Woluwe Oriëntatie: Vlak Ligging: Deze locatie bevindt zich net voor de afrit Vilvoorde / Diegem-Woluwelaan, waar een verkeersarm toekomt vanuit Sint-Stevens-Woluwe (Figuur 84). Beschrijving van de locatie: De bodemvallen bevinden zich hier aan de rand van het grasland, niet ver van de bosrand. De vegetatie was er iets ijler en lager (schraler) dan bij de andere bodemvallen in deze berm. Bij het plaatsen van de bodemvallen op 17 maart 2020 was het er vochtig, in het ‘bos’ zelfs nat. Opmerkingen ivm werking bodemvallen: op 22 mei 2020 zijn de vallen WO1 – WO2 tijdelijk weggehaald ifv aangekondigde maaiwerken. Op 4 juni 2020 was er echter nog niet gemaaid! We hebben de vallen terug gezet. Er is dus geen resultaat voor de periode 20 mei – 4 juni.
Figuur 84: Satellietfoto van de locaties te Woluwe (WO1-2). Deze locatie bevindt zich net voor de afrit Vilvoorde / Diegem-Woluwelaan. (Foto: Google Earth)
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 286 van 352
Figuur 85: Overzicht van de locatie WO1 te Woluwe. De bodemvallen staan in de buurt van de bosrand. 17 maart 2020. (Foto: Jorg Lambrechts)
Figuur 86: één van de drie bodemvallen in de berm WO1 te Woluwe.. 17 maart 2020. (Foto: Jorg Lambrechts)
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 287 van 352
5.10.7 WO2 te Woluwe Oriëntatie: Vlak Ligging: Deze locatie bevindt zich net voor de afrit Vilvoorde / Diegem-Woluwelaan, waar een verkeersarm toekomt vanuit Sint-Stevens-Woluwe (Figuur 84). Beschrijving van de locatie: De bodemvallen bevinden zich in het midden van het grasland, waar de vegetatie erg dicht en vrij lang was. Op 17 maart, het moment van het plaatsen van de vallen, viel op dat de bodem verstoord was, met veel rij-sporen. Er zijn braamvegetaties die gemaaid worden. Opmerkingen ivm werking bodemvallen: op 22 mei 2020 zijn de vallen WO1 – WO2 tijdelijk weggehaald ifv aangekondigde maaiwerken. Op 4 juni 2020 was er echter nog niet gemaaid! We hebben de vallen terug gezet. Er is dus geen resultaat voor de periode 20 mei – 4 juni.
Figuur 87: Locatie WO2 te Woluwe.. Ruigere, meer ruderale vegetatie dan WO1. Vlek gemaaid braamstruweel zichtbaar op foto. 17 maart 2020. (Foto: Jorg Lambrechts)
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 288 van 352
Figuur 88: Locatie WO2 te Woluwe. De bodemvallen staan centraal in het grasland. 17 maart 2020. (Foto: Jorg Lambrechts)
5.10.8 D1 te Diegem Oriëntatie: Vlak Ligging: Deze locatie bevindt zich in de buurt van het verkeersknooppunt van Zaventem (Figuur 89). De bodemvallen stonden dicht bij de Nieuwe Zaventemsesteenweg. Beschrijving van de locatie: De vegetatie op deze locatie was over de hele periode laag en vrij ijl. Wel veel Boerenwormkruid en leek op 17 maart wat ruderaler dan D2. Opmerkingen ivm werking bodemvallen: op 22 mei 2020 zijn de vallen D1 – D5 én DG5 tijdelijk weggehaald ifv aangekondigde maaiwerken. Op 4 juni 2020 was er gemaaid en het maaisel was afgevoerd. We hebben de vallen terug gezet.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 289 van 352
Figuur 89: Satellietfoto met situering van 6 onderzochte locaties te Diegem (D1-5 + DG5). Deze liggen allemaal in de buurt van het knooppunt Zaventem. (Foto: Google Earth)
Figuur 90: Locatie D1 te Diegem. De bodemvallen stonden dicht bij de Nieuwe Zaventemsesteenweg. 17 maart 2020. (Foto: Jorg Lambrechts)
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 290 van 352
Figuur 91: Locatie D1 te Diegem. De bodemvallen stonden dicht bij de Nieuwe Zaventemsesteenweg. 17 maart 2020. (Foto: Jorg Lambrechts)
5.10.9 D2 te Diegem Oriëntatie: Vlak Ligging: Deze locatie bevindt zich op slechts circa 50 m van de D1 (Figuur 89). De bodemvallen stonden dicht bij de ring. Beschrijving van de locatie: De vegetatie in dit grasland was over de hele periode laag en vrij ijl. Veel Knoopkruid. Opmerkingen ivm werking bodemvallen: op 22 mei 2020 zijn de vallen D1 – D5 én DG5 tijdelijk weggehaald ifv aangekondigde maaiwerken. Op 4 juni 2020 was er gemaaid en het maaisel was afgevoerd. We hebben de vallen terug gezet.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 291 van 352
Figuur 92: Locatie D2 te Diegem. De bodemvallen stonden dicht bij de oprit richting de R0. 17 maart 2020. (Foto: Jorg Lambrechts)
Figuur 93: Locatie D2 te Diegem. 17 maart 2020. (Foto: Jorg Lambrechts)
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 292 van 352
5.10.10
D3 te Diegem
Oriëntatie: Vlak Ligging: centraal in het verkeersknooppunt van Zaventem (Figuur 89). Beschrijving van de locatie: Vrij dichte, hoge vegetatie. Op circa 2m van één van de drie vallen ligt een meer verstoorde berm, met veel Paarse dovenetel. Opmerkingen ivm werking bodemvallen: op 23 april, 4 mei én 18 juni 2020 zat telkens één (van de drie) val vol aarde. Op 22 mei 2020 zijn de vallen D1 – D5 én DG5 tijdelijk weggehaald ifv aangekondigde maaiwerken. Op 4 juni 2020 was er gemaaid en het maaisel was afgevoerd. We hebben de vallen terug gezet.
Figuur 94: Locatie D3 te Diegem. 17 maart 2020. (Foto: Jorg Lambrechts)
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 293 van 352
Figuur 95: Locatie D3 te Diegem. 17 maart 2020. (Foto: Jorg Lambrechts)
5.10.11
D4 te Diegem
Oriëntatie: Zuidwest gerichte helling Ligging: Deze locatie bevindt zich in de buurt van het verkeersknooppunt van Zaventem, op enkele meters van de brug (Figuur 89). De bodemvallen zijn geplaatst in het onderste deel van een steile helling. Beschrijving van de locatie: De vegetatie op deze locatie was over de hele periode laag en vrij ijl. Opmerkingen ivm werking bodemvallen: op 22 mei 2020 zijn de vallen D1 – D5 én DG5 tijdelijk weggehaald ifv aangekondigde maaiwerken. Op 4 juni 2020 was er gemaaid, maar het maaisel is deels blijven liggen op de steile helling. We hebben de vallen terug gezet.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 294 van 352
Figuur 96: Locatie D4 te Diegem. 17 maart 2020. De bodemvallen zijn geplaatst op deze steile helling, nabij de voet ervan, en nabij de brug (Foto: Jorg Lambrechts)
Figuur 97: Locatie D4 te Diegem. 17 maart 2020. De bodemvallen zijn geplaatst op een steile helling (Foto: Jorg Lambrechts)
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 295 van 352
5.10.12
D5 te Diegem
Oriëntatie: Vlak Ligging: Deze locatie bevindt zich in de buurt van het verkeersknooppunt van Zaventem, niet ver van de afrit Vilvoorde (Figuur 89). Beschrijving van de locatie: Interessant grasland met o.a. Bokkenorchis. De vegetatie was er verder vrij laag en vrij dicht. Opmerkingen ivm werking bodemvallen: op 22 mei 2020 zijn de vallen D1 – D5 én DG5 tijdelijk weggehaald ifv aangekondigde maaiwerken. Op 4 juni 2020 was er gemaaid en het maaisel was afgevoerd. We hebben de vallen terug gezet.
Figuur 98: Locatie D5 te Diegem. 17 maart 2020. Deze reeks bodemvallen stond dichter bij de afrit (Foto: Jorg Lambrechts).
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 296 van 352
Figuur 99: Locatie D5 te Diegem. 17 maart 2020. (Foto: Jorg Lambrechts).
5.10.13
DG5 te Diegem
Oriëntatie: Vlak Ligging: Deze locatie bevindt zich in de buurt van het verkeersknooppunt van Zaventem, niet ver van de oprit van Vilvoorde (Figuur 89). De locatie situeert zich vlakbij D5 (slechts ca. 10m afstand) en is schijnbaar homogeen. Beschrijving van de locatie: Interessant grasland met o.a. Bokkenorchis. De vegetatie was er verder vrij laag en vrij dicht. Opmerkingen ivm werking bodemvallen: op 22 mei 2020 zijn de vallen D1 – D5 én DG5 tijdelijk weggehaald ifv aangekondigde maaiwerken. Op 4 juni 2020 was er gemaaid en het maaisel was afgevoerd. We hebben de vallen terug gezet.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 297 van 352
Figuur 100: Locatie DG5 te Diegem. 17 maart 2020. Deze set bodemvallen stond dichter bij de oprit richting de R0 (Foto: Jorg Lambrechts).
Figuur 101: Locatie DG5 te Diegem. 17 maart 2020. (Foto: Jorg Lambrechts).
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 298 van 352
5.10.14
M1 te Machelen
Oriëntatie: Vlak Ligging: Aan het knooppunt van Machelen (Figuur 102). Deze lag wat verder verwijderd van het drukke verkeer ten opzichte van de andere locaties in Machelen omdat de bodemvallen langs een afrit stonden die niet in gebruik is. Beschrijving van de locatie: Van alle 26 onderzochte locaties was dit was de koelste. De bodemvallen waren deels in de schaduw van de brug geplaatst, op slechts 1 meter van de betonblokken langs de ongebruikte afrit. Het is een smalle strook met o.a. Brandnetel. Opmerkingen ivm werking bodemvallen: Op 4 juni 2020 waren de locaties M1-5+MG3 gemaaid! Dit in tegenstelling tot de afspraken, want anders hadden we de vallen opgehaald op 20 mei, net zoals we deden op tal van andere plekken (vb. M1 – M5). Er was veel materiaal stuk en waar de bodemvallen niet vernietigd zijn, waren ze vaak uitgedroogd omdat het dakje verdwenen was. Vaak zat er ook veel maaisel in de vallen. Maaisel was wel goed afgevoerd.
Figuur 102: Satellietfoto van de zes locaties te Machelen (M1-5 + MG3). Deze liggen allemaal in de buurt van het knooppunt Machelen. (Foto: Google Earth)
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 299 van 352
Figuur 103: Locatie M1 te Machelen. 17 maart 2020. De bodemvallen waren geplaatst onder deze brug en vrij dicht bij de rand van het grasland waardoor het microklimaat er vrij koel was (Foto: Jorg Lambrechts).
Figuur 104: Locatie M1 te Machelen. 17 maart 2020. Willem Proesmans plaatst de bodemvallen (Foto: Jorg Lambrechts).
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 300 van 352
5.10.15
M2 te Machelen
Oriëntatie: Zuidwest gerichte, vrij steile helling Ligging: Aan het knooppunt van Machelen (Figuur 102). Ongeveer midden in de helling langs de R0. Beschrijving van de locatie: Vrij ijle, lage vegetatie. Op 17 maart 2020 opvallend veel bloeiende akkerkruiden, zoals Paarse dovenetel, Grote ereprijs, Ruw vergeet-mij-nietje,… Dit is allicht een gevolg van de verstoring door het maaien: er waren tractorsporen zichtbaar. Deze verstoring (dynamiek) is niet persé negatief, noch botanisch noch faunistisch. Later op jaar o.a. veel Margriet en Knoopkruid en (rol)klaver. Opmerkingen ivm werking bodemvallen: Op 4 juni 2020 waren de locaties M1-5+MG3 gemaaid! Dit in tegenstelling tot de afspraken, want anders hadden we de vallen opgehaald op 20 mei, net zoals we deden op tal van andere plekken (vb. M1 – M5). Er waren in M2 geen bodemvallen stuk maar wel veel maaisel in de vallen. Maaisel was wel goed afgevoerd.
Figuur 105: Locatie M2 te Machelen. 17 maart 2020. De bodemvallen stonden ongeveer halverwege deze steile helling (Foto: Jorg Lambrechts).
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 301 van 352
5.10.16
M3 te Machelen
Oriëntatie: Zuidwest gerichte helling Ligging: Aan het knooppunt van Machelen (Figuur 102). Idem M2, maar aan de andere kant van een dwarsweg. Ongeveer midden in de helling langs de R0. Beschrijving van de locatie: Warme locatie met vrij ijle, lage vegetatie met veel Margriet, Liggend hertshooi, … Opmerkingen ivm werking bodemvallen: op 23 april waren de 3 vallen verdwenen; ze zijn op 4 mei 2020 opnieuw geplaatst. Op 4 juni 2020 waren de locaties M1-5+MG3 gemaaid. Dit in tegenstelling tot de afspraken, want anders hadden we de vallen opgehaald op 20 mei, net zoals we deden op tal van andere plekken (vb. M1 – M5). Er was in M3 één bodemvallen stuk en we hebben die meteen vervangen door een nieuwe. Maaisel was wel goed afgevoerd. Op 3 juli 2020 was één val uitgedroogd.
Figuur 106: Locatie M3 te Machelen. 17 maart 2020. De bodemvallen waren ongeveer halverwege deze helling geplaatst (Foto: Jorg Lambrechts).
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 302 van 352
Figuur 107: Locatie M3 te Machelen. 17 maart 2020. Op de achtergrond van de foto is te zien waar de bodemvallen van MG3 ingegraven worden (Foto: Jorg Lambrechts).
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 303 van 352
5.10.17
MG3 te Machelen
Oriëntatie: Zuidwest gerichte helling Ligging: Aan het knooppunt van Machelen (Figuur 101). Vrij dicht (ca. 20m) bij de vorige locatie, maar wel een aantal meter lager op de helling, en dichter bij de snelweg. Beschrijving van de locatie: Warme locatie met vrij ijle, lage vegetatie Opmerkingen ivm werking bodemvallen: op 23 april 2020 was één val verdwenen; ze is op 4 mei 2020 opnieuw geplaatst. Op 4 juni 2020 waren de locaties M1-5+MG3 gemaaid. Dit in tegenstelling tot de afspraken, want anders hadden we de vallen opgehaald op 20 mei, net zoals we deden op tal van andere plekken (vb. M1 – M5). Er was in MG3 één bodemvallen stuk en we hebben die meteen vervangen door een nieuwe. Maaisel was wel goed afgevoerd.
Figuur 108: Locatie MG3 te Machelen. 17 maart 2020. De bodemvallen waren aan de voet van de helling geplaatst, waar de berm minder steil is, nabij de snelweg. (Foto: Jorg Lambrechts).
5.10.18
M4 te Machelen
Oriëntatie: Zuidwest gerichte helling Ligging: Aan het knooppunt van Machelen (Figuur 102). Dit is dezelfde helling dan de vorige 3 locaties (M2, M3, MG3) maar een stuk zuidelijker gelegen. De bodemvallen stonden ongeveer midden op de helling langs de R0. Beschrijving van de locatie: Zeer Ijle, lage vegetatie (met dus vrij veel onbegreoide bodem) op een locatie met een bijzonder warm microklimaat. Van alle 26 locaties was dit was duidelijk de meeste warme. Op 17 maart 2020 noteerden we veel Ruw vergeet-mij-nietje op plaatsen waar kale bodem was door bandensporen van tractoren (cfr. M2). Opmerkingen ivm werking bodemvallen: op 23 april 2020 was één val uitgedroogd; dit illustreert het thermofiele karakter van deze locatie. Op 4 juni 2020 waren de locaties M1-5+MG3 gemaaid. Dit in
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 304 van 352
tegenstelling tot de afspraken, want anders hadden we de vallen opgehaald op 20 mei, net zoals we deden op tal van andere plekken (vb. M1 – M5). Er was in M4 één bodemvallen stuk en we hebben die meteen vervangen door een nieuwe. Maaisel was wel goed afgevoerd.
Figuur 109: Locatie M4 te Machelen. 17 maart 2020. Foto zuidwaarts genomen. De bodemvallen waren ongeveer halverwege deze helling geplaatst (Foto: Jorg Lambrechts).
Figuur 110: Locatie M4 te Machelen. Foto noordwaarts genomen.17 maart 2020. (Foto: Jorg Lambrechts).
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 305 van 352
5.10.19
M5 te Machelen
Oriëntatie: Vlak Ligging: Aan het knooppunt van Machelen (Figuur 102). Deze locatie lag wat verder van de R0 verwijderd, zoals M1. Beschrijving van de locatie: Door de aanwezigheid van meidoorns en andere struiken was deze locatie op vlak van de vegetatie heel verschillend van de andere locaties. De vegetatie en de bruggen zorgden er ook voor een koeler microklimaat dan op de andere locaties. Opmerkingen ivm werking bodemvallen: Op 4 juni 2020 waren de locaties M1-5+MG3 gemaaid. Dit in tegenstelling tot de afspraken, want anders hadden we de vallen opgehaald op 20 mei, net zoals we deden op tal van andere plekken (vb. M1 – M5). Er was in M3 één bodemvallen stuk; die is niet vervangen door een nieuwe (onvoldoende vallen).
Figuur 111: Locatie M5 te Machelen. 17 maart 2020. Dit was de locatie met het grootste aandeel aan hogere vegetatie zoals ruigteplanten en struiken (Foto: Jorg Lambrechts).
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 306 van 352
Figuur 112: Locatie M5 te Machelen. 17 maart 2020. Op deze foto is te zien hoe de bodemvallen op deze locatie tussen veel meer en hogere planten staan ten opzichte van de andere locaties (Foto: Jorg Lambrechts).
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 307 van 352
5.10.20
S1 te Strombeek-Bever
Oriëntatie: Vlak Ligging: Deze berm ligt aan de rand van het knooppunt Strombeek-Bever, tussen de R0 en de Boechoutlaan. Waarbij S1 iets dichter bij de Boechoutlaan ligt dan S2 (Figuur 113). Beschrijving van de locatie: De vegetatie op deze locatie was veel hoger en dichter dan op de andere locaties. Op 18 maart was het vrij vochtig op deze locatie, met zelfs een plekje open water, hoewel de berm hoger ligt dan de omgeving. Heeft dit te maken met feit dat dit opgehoogd, verslempt terrein is? (steenpuin in molshoop gezien). Opmerkingen ivm werking bodemvallen: op 3 juli 2020 was op de locaties S1 en S2 (onaangekondigd) gemaaid. Het onderzoeksmateriaal is deel vernield en alleszins zwaar verstoord. We hebben een deel van de inhoud van de bodemvallen kunnen recupereren.
Figuur 113: Satellietfoto van de locaties te Strombeek-Bever (S1-2). Deze liggen aan de rand van het knooppunt Strombeek-Bever, tussen de R0 en de Boechoutlaan. (Foto: Google Earth)
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 308 van 352
Figuur 114: Locatie S1 te Strombeek-Bever. 18 maart 2020. Deze set van bodemvallen stond dichter bij de Boechoutlaan (Foto: Jorg Lambrechts).
Figuur 115: Locatie S1 te Strombeek-Bever. 18 maart 2020. (Foto: Jorg Lambrechts).
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 309 van 352
5.10.21
S2 te Strombeek-Bever
Oriëntatie: Vlak Ligging: Deze berm ligt aan de rand van het knooppunt Strombeek-Bever, tussen de R0 en de Boechoutlaan, waarbij S2 iets dichter bij de R0 ligt (Figuur 113). S1 en S2 liggen vlakbij elkaar (ca. 10m afstand) in een schijnbaar identieke situatie. Beschrijving van de locatie: De vegetatie op deze locatie was veel hoger en dichter dan op de andere locaties. Opmerkingen ivm werking bodemvallen: op 3 juli 2020 was op de locaties S1 en S2 (onaangekondigd) gemaaid. Het onderzoeksmateriaal is deel vernield en alleszins zwaar verstoord. We hebben een deel van de inhoud van de bodemvallen kunnen recupereren.
Figuur 116: Locatie S2 te Strombeek-Bever. 18 maart 2020. Deze set van bodemvallen stond dichter bij de R0 (Foto: Jorg Lambrechts).
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 310 van 352
Figuur 117: Locatie S2 te Strombeek-Bever. 18 maart 2020. (Foto: Jorg Lambrechts).
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 311 van 352
5.10.22
WE1 te Wemmel
Oriëntatie: zacht hellend grasland, noordwest gericht. Ligging: Deze locatie bevindt zich tussen de R0 en de afrit Wemmel van de Binnenring (Figuur 118). Beschrijving van de locatie: Vrij dichte, lage vegetatie. Veel mos. Bloemrijk, met veel Margriet en Knoopkruid. Opmerkingen ivm werking bodemvallen: op 20 mei 2020 hebben we de bodemvallen weggehaald voor een aangekondigde maaibeurt. Op 4 juni 2020 was er gemaaid, maar maaisel is slecht afgevoerd (op de helling). We heben de vallen terug gezet. Er is dus geen resultaat voor de periode 20 mei – 4 juni.
Figuur 118: Satellietfoto van de locaties te Wemmel (WE1-2). Deze liggen bij de afrit Wemmel, zowel aan de Buitenring als Binnenring. (Foto: Google Earth).
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 312 van 352
Figuur 119: Locatie WE1 te Wemmel. Foto genomen richting noord. 18 maart 2020. Deze set van bodemvallen stond min of meer centraal in het licht afhellende grasland, dat omgeven is door wegen (Foto: Jorg Lambrechts).
Figuur 120: Locatie WE1 te Wemmel. Foto genomen richting zuid. 18 maart 2020. (Foto: Jorg Lambrechts).
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 313 van 352
5.10.23
WE2 te Wemmel
Oriëntatie: Zuidoost gerichte helling Ligging: Deze locatie bevindt zich tussen de R0 en de afrit Wemmel van de Buitenring (Figuur 118). Beschrijving van de locatie: Vrij hoge, dichte vegetatie. Forsere, ruigere vegetatie dan S1, met soorten als Glanshaver en Kropaar, maar ook interessante planten als Bijenorchis. Op circa 10m van de bodemvallen, aan de voet van de helling, situeert zich een ruigte met veel Groot hoefblad. Er ligt ook een plek met al schralere vegetatie. Opmerkingen ivm werking bodemvallen: op 20 mei 2020 hebben we de bodemvallen weggehaald voor een aangekondigde maaibeurt. Op 4 juni 2020 was er gemaaid en het maaisel is afgevoerd. We hebben de vallen terug gezet. Er is dus geen resultaat voor de periode 20 mei – 4 juni.
Figuur 121: Locatie WE2 te Wemmel. Foto genomen richting noord. 18 maart 2020. Deze set van bodemvallen stond op de bovenste helft van de helling (Foto: Jorg Lambrechts).
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 314 van 352
Figuur 122: Locatie WE2 te Wemmel. Forsere ruigere vegetatie dan S1. 18 maart 2020. (Foto: Jorg Lambrechts).
5.10.24
AS1 te Asse
Oriëntatie: Vlak Ligging: Deze berm ligt tussen de afritten Zellik en Asse (Figuur 123). Beschrijving van de locatie: Vrij dichte, lage vegetatie. Veel Margriet. Opmerkingen ivm werking bodemvallen: op 20 mei 2020 hebben we de bodemvallen weggehaald voor een aangekondigde maaibeurt. Op 4 juni 2020 was er gemaaid en het maaisel is afgevoerd. We hebben de 3 vallen terug gezet. Er is dus geen resultaat voor de periode 20 mei – 4 juni.
Figuur 123: Satellietfoto van de locatie te Asse (AS1). Deze berm ligt tussen de afrit Zellik en de afrit Asse. Het grasland ligt ingesloten door wegen. (Foto: Google Earth)
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 315 van 352
Figuur 124: Locatie AS1 te Asse. 18 maart 2020. Deze set van bodemvallen stond ongeveer centraal in het grasland (Foto: Jorg Lambrechts).
Figuur 125: Locatie AS1 te Asse. 18 maart 2020. (Foto: Jorg Lambrechts).
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 316 van 352
5.10.25
G1 te Groot-Bijgaarden
Oriëntatie: steile noordwest gerichte helling Ligging: Deze berm ligt aan de afrit Zellik / Groot-Bijgaarden (Figuur 126). De bodemvallen bevonden zich dichtbij (ca. 10 m) de set bodemvallen van G2, in een (schijnbaar) identieke situatie. De bodemvallen stonden op ongeveer 3 meter afstand van de bovenrand van de berm (=overgang naar de weg). Aan de voet van de helling ligt een wilgenbos, met Riet. Op moment van het plaatsen van de bodemvallen, op 18 maart, stond dit onder water (zie foto’s). Beschrijving van de locatie: Dichte, hoge vegetatie Opmerkingen ivm werking bodemvallen: op 4 mei 2020 was er reeds gemaaid en hierbij was één val vernield. We hebben meteen één nieuwe val gezet. Op 16 juni 2020 zijn de vallen WO1 – WO2 definitief weggehaald ifv aangekondigde maaiwerken. Er is dus geen materiaal van de laatste periode, 16 juni – 3 juli 2020.
Figuur 126: Satellietfoto van de locaties in Groot-Bijgaarden (G1-2), aan de afrit Zellik / Groot-Bijgaarden. (Foto: Google Earth)
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 317 van 352
Figuur 127: Locatie G1 te Groot-Bijgaarden. 18 maart 2020. Deze set van bodemvallen stond op de bovenste helft van de steile, noordwest gerichte helling (Foto: Jorg Lambrechts).
Figuur 128: Locatie G1 te Groot-Bijgaarden. 18 maart 2020. De bodemvallen stonden nabij de bovenrand van de helling, nabij de weg (Foto: Jorg Lambrechts).
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 318 van 352
5.10.26
G2 te Groot-Bijgaarden
Oriëntatie: Noordwest gerichte helling Ligging: Deze berm ligt aan de afrit Zellik / Groot-Bijgaarden (Figuur 126). Deze bodemvallen bevonden zich dichtbij locatie G1 (zie aldaar voor beschrijving). Beschrijving van de locatie: Dichte, hoge vegetatie Opmerkingen ivm werking bodemvallen: op 4 mei 2020 was er reeds gemaaid en hierbij waren twee vallen vernield. We hebben op 20 mei 2020 twee nieuwe vallen gezet. Op 16 juni 2020 zijn de vallen WO1 – WO2 definitief weggehaald ifv aangekondigde maaiwerken. Er is dus geen materiaal van de laatste periode, 16 juni – 3 juli 2020.
Figuur 129: Locatie G2 te Groot-Bijgaarden. 18 maart 2020. (Foto: Jorg Lambrechts).
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 319 van 352
Figuur 130: Locatie G2 te Groot-Bijgaarden. 18 maart 2020. Aan de voet van de helling ligt een nat wilgenbos (Foto: Jorg Lambrechts).
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 320 van 352
5.11 BIJLAGE 11: SPINNEN GEVANGEN IN DE PERIODE MIDDEN MAART – BEGIN JULI 2020 IN DE BERMEN VAN DE R0, MET BODEMVALLEN.
Soort Aelurillus vinsignitus Agelena labyrinthica Agyneta fuscipalpa Agyneta mollis Agyneta rurestris Alopecosa cuneata Alopecosa pulverulenta Araeoncus humilis Arctosa leopardus Argenna subnigra Asagena phalerata Bathyphantes gracilis Bathyphantes nigrinus Centromerita bicolor Centromerita concinna Cercidia prominens Clubiona comta Clubiona diversa Clubiona neglecta Clubiona reclusa Cnephalocotes obscurus
AS 1
D 1
D 2
D 3
D 4
D 5
D G5
G 1
G 2
K 1
K 2
K 3
K 4
M 1
M 2
M 3
M 4
M 5
M G3
S1
S2
W E1
W E2
W O1
W O2
Z1
1 1
1
1
2
2
4 8 33
8 4 10
1 28 13
10 4 41
5 2 61
31 1
18
6
20
34
44
25
6 3
3 7
4 2
20 6
62 1
17 78
49
1
14 4
22 5
9 3
7 14
27
25
20
67
78 1 3 2
1 4
1
2 1
1
1
4 11
1 42 2
25
12
2 4
2 11 3
5
5
3
1
86
27
1
7
2
1 6
95
3
4
31
12 1
11 7
10 0
77
48 1
1
2
31
2
3 20
21
1 1 11 8
1
1
1
1
1
2 8
7 2
1 1
1
1
1
3 1
1
3
2 3
1
7
6 1
1
3 2
1
12 1
1
1 1
6 4 34 273 212 120 0 3 9 131 72 1
1 1
Tota al
4 1
6 4 1 3 2
1
3
16
1
4 2 1
1
1
1
1 1
1
34 18 2 23 15 5
4
5
omgevingvlaanderen.be
Soort Collinsia inerrans Diplocephalus graecus Diplostyla concolor Drassodes cupreus Drassodes lapidosus Drassyllus pusillus Dysdera crocata Enoplognatha mordax Enoplognatha thoracica Eratigena atrica Eratigena picta Erigone atra Erigone dentipalpis Euophrys frontalis Evarcha falcata Hahnia nava Heliophanus cupreus Heliophanus flavipes Maso sundevalli Mermessus trilobatus Micaria micans Micrargus herbigradus Micrargus subaequalis Microctenonyx subitaneus Microlinyphia pusilla
AS 1
D 1
D 2
D 3
D 4
D 5
21
1
D G5
G 1
G 2
K 1
K 2
K 3
K 4
M 1 1
M 2
M 3
M 4
M 5
M G3
S1
5
1
1
21
26
1
12
1
2
2
2
S2
W E1
W E2
W O1
W O2
Z1
1
7
4
3
1
1 52 2
12
3
8
4
13
10 286 2
1 1
3
3 2
9
7
16
8
15
6
15
14
19
30
27
29
2
5
12
1
6 1
2 3 1
4
1 2
8
14
4
13
7
5
2
5 16 1
1 11
1
4
1
1
6
2
4
8 16
1 3
1 1
1 3
2
8
3 1
8 1
1
5
1 7
1 3 1
4 1
4 1
12 1
4
3
2
2
8 1
5
3
13 8
5
3 1
6
3 1
9 2
2
15
9
7
2
1
4 23
2 17 6
1 6
1
4
2
3
1
3
3 1
1
2
1 5 1 6
136 1 5 19 155 48 2 89
1
5
1
9 1
2 1
121 15
1 1 5 2
1
1
11 1
1
1
1 2
5
4 2
2
8
4
2
1 2
1
1
7
30
2
3 1
5
2
1 1
2
7 2
4
7
4
22
1
2
1 1
6 2
4
28 1
1 1
1
4
Tota al 1
1
12 28
1
1
5
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 322 van 352
Soort Microneta viaria Monocephalus fuscipes Nurscia albomaculata Oedothorax retusus Ozyptila praticola Ozyptila sanctuaria Ozyptila simplex Pachygnatha degeeri Palliduphantes insignis Palliduphantes pallidus Pardosa agrestis Pardosa lugubris Pardosa nigriceps
AS 1
D 1 1
D 2
D 3
D 4
D 5
D G5
G 1
G 2
K 1
K 2
K 3
K 4
M 1
M 2
M 3
M 4
M 5
M G3
S1
S2
W E1
W E2
3
W O1
W O2 1
1
2
Z1 1
6
1 1 3
4
4
5 18 8
14
5
20
7
6
5
5
3
6
8
1 2
1
1
1
1
7
18
10 17 5
3 4
6
42
5
4
3
6
16
1 14
4
82
2
1
4
1 1
1
1 4
1
3
3
5
7
9 1 43 0
6 3 42 0
1 1 68
1
2
17
73
14
1 2
88
52
10
1 3
1
2
2 2
5
1 6
Pardosa palustris Pardosa prativaga
17
Pardosa pullata Pardosa tenuipes Pelecopsis parallela Phlegra fasciata Phrurolithus festivus Piratula latitans Pisaura mirabilis Pocadicnemis juncea Porrhomma egeria Porrhomma microphthalmum Pseudeuophrys
81 3 1
2
21 1
15 2
19
1 6
31 7
25 4
3 6 3
15 3 2 2
7
6
2 2
9 4
17 3 10 1
16 1 1 5
1
6
2
1
9
1 4 13 2
3
3 62 1
12 1
26 1
29
18 1
3
1
6 4 11 0
83 9 28 9
5
1
1 2
1 1
5
5
2 3 1
1 2 10 1
1
1
1 2
2
3
1
2
2 9 6
5
2
4
3 4
9 1 6 1
23
1
11 0 6 25 5 10 3
3
3
26 0 4 27 6 14 6 1
4
18 4
7 13
71
15
3
4
38 26 10 9 3 3 1
36 11
1
83 3
45
6 2
1 5
1
5 9 12
1
21 13 1 9 744 117 166 3 45 77 40
1
77 16 6
2
1 2
1
1
1 1 6 79 113 168 2 40
1 1
Tota al 3
1 1
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 323 van 352
Soort lanigera Robertus arundineti Robertus lividus Stemonyphantes lineatus Talavera aequipes Tenuiphantes tenuis Tibellus oblongus Tiso vagans Trachyzelotes pedestris Trochosa ruricola Trochosa terricola Troxochrus scabriculus Typhochrestus digitatus Walckenaeria antica Xerolycosa miniata Xerolycosa nemoralis Xysticus acerbus Xysticus cristatus Xysticus kochi Xysticus lanio Xysticus ulmi Zelotes latreillei Zelotes petrensis Zodarion italicum
aantal exemplaren aantal soorten
AS 1
D 1
D 2
D 3
D 4
D 5
D G5
G 1
G 2
K 1
K 2
K 3
1 1 1
K 4
M 1
M 2
M 3
M 4
M 5
M G3
S1
S2
W E1
W E2
1
W O1
W O2
1
1
4 1
1
3 1
1
Z1
1 5
8 10 1
14
2
10
2
1
24
1
1
2 1
5
5
2
19 1
5
4
4
1
8 1 46
8
1
3 1
1
69 2
1 2
2 1
32 40
7
5
4
2 46
1
9
16
1
4
4
16
8
3
2
2 1 2
9 46
7 42
9
21
2
1
1 2
15 1
31
16
13
11
265 1 24
43 2 1
215 207 80
1 23
8 6
1 5
5
1 4
1
1
3
5
1
1
3
8 2 15 10 6
1
11
21
8
6
43
35
6
3
27
1 17
34
26
22
27
54
51
10
1
52
22
56
2 64
2 49
1
5
12
26
1
28
12
22
14
4
12
3
1 12
83
2
14
24
57
12
58
17
12
72
27
2 3 6 1
8
20
1
1
52 8 38
35 3 37
1 1
1
1
3
18
1
56 1 25
24 3 29
24 3 32
16 7 26
23 7 32
36 6 29
46 6 31
3
2
50 1 35
21 3 26
1 21 8 26
18 0 25
Tota al
46 5 29
81 0 31
22 3 30
10 9 27
13 0 27
7 19 2 25
26 0 34
24 8 33
10 36 26
12 44 28
40 1 28
29 9 26
36 5 40
18 8 3 6 458 871 3 7 27 1 13 100 71 95
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 324 van 352
Soort aantal Rode Lijstsoorten
AS 1
D 1
D 2
D 3
D 4
D 5
D G5
G 1
G 2
K 1
K 2
K 3
K 4
M 1
M 2
M 3
M 4
M 5
M G3
S1
S2
W E1
W E2
W O1
W O2
Z1
4
8
10
6
5
8
9
6
7
8
7
9
11
1
5
9
5
9
10
7
9
3
5
6
8
7
Tota al 25
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 325 van 352
5.12 BIJLAGE 12: SPINNEN GEVANGEN IN DE BERMEN VAN DE R0, MET SLEEPVANGSTEN. SOORTEN DIE NIET MET DE BODEMVALLEN GEVANGEN ZIJN, WERDEN MET EEN ASTERIX * GEMARKEERD. Soort / Locatie Agyneta rurestris Araniella opisthographa * Brigittea latens * Cheiracanthium erraticum* Clubiona neglecta Enoplognatha mordax Erigone dentipalpis Ero aphana * Evarcha arcuata * Gongylidiellum vivum * Heliophanus cupreus Heliophanus flavipes Mangora acalypha * Misumena vatia * Neottiura bimaculata * Nigma flavescens * Philodromus cespitum * Philodromus rufus * Phlegra fasciata Phylloneta impressa * Tenuiphantes tenuis Tibellus oblongus Xysticus acerbus Xysticus cristatus Xysticus kochi Xysticus lanio aantal exemplaren aantal soorten
Rode Lijst
Voorkeurshabitat
AS1
D12
D3
D4
D5 DG5
GB12
K12
K34
M12
M3 MG3
1 B
Godd
K
Godd
1
M4
M5
S12
WE1
WE2
WO12
Z1
1 1
1
1 1
2
1
1 1 1 Z (n)
1 1
1 1
2 15 K
Godf
1 17 1
15
2 8
5 10
1 16
2 1
17
2 1 7 1 1
6 8
1 18
12
1
1
7
1
1 7 7
2 1
Godb
1 2 2
K MUB
4 1 14 1
1
1 Z (n) K
2 1 4
2
4
1
Gowt Hdb
2 2
23 5
22 5
1 3 1
1 1
2 1
2 2
3
3 1
19 5
18 6
19 4
23 5
10 7
1 1 1
1
1 1
3
2
1 1
20 4
19 10
17 4
15 10
22 5
1
2 1
1 1
26 7
16 4
13 7
1 2 1
1
1 5 5
19 6
Totaal 2 1 6 1 1 1 1 1 2 1 10 27 178 4 2 2 3 1 1 12 6 7 1 26 8 1 306 26
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 326 van 352
aantal Rode Lijstsoorten
0
2
1
1
0
1
2
1
3
0
2
2
1
0
2
0
8
1
5.13 BIJLAGE 13: LOOPKEVERS GEVANGEN IN DE PERIODE MIDDEN MAART – BEGIN JULI 2020 IN DE BERMEN VAN DE R0, MET BODEMVALLEN. Soort
R L
Acupalpus dubius
RA DB (eu)
Agonum dorsalis Amara aenea Amara aulica
Z
Amara bifrons
Z
Amara communis Amara eurynota
Amara lunicollis
DSG DB (eu)
K
DSG VB (eu)
Amara plebeja
DSG VB (eu)
Amara similata Anisodactylus binotatus
RA VB (eu)
Amara ovata
as 1
d1
d2
d3
d4
d5
dg 5
g 1
g 2
k1
k2
k3
k4
m 1
m 2
m 3
m 4
m 5
mg 3
s1
s2
we 1
we 2
wo 1
wo 2
z 1
5
13
VG DB (st) VB (eu)
Z
Amara familiaris Amara kulti
Habit at OSE W
92
16 3
14 9
28 2
1 21 9
5 1
13 2
1
4
26
1
1
1 1
1 23 5
82
59
1
6
3
86
1
1
4
30
7
2
4 2
1
1
3
1
5
6
1
1
2 3
3
3 159 3
1 1
3
20
1
Tota al
8
6
3
8
37
10
2
1
10 1
2
1 3
1
1
5
2
1 2
1
1
1
10
2
25 1
5
44 5
13
10
18 10
7
4 2
1
177 2
1 3 1
5
1
1 1
1 5
1
1
4
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 327 van 352
Soort
R L
Asaphidion flavipes Badister bullatus Bembidion lampros Bembidion lunulatum Bembidion properans Bembidion quadrimaculatum
d1
d2
d3
d4
d5
dg 5
Z
Carabus granulatus A
Clivina collaris Clivina fossor Harpalus affinis Harpalus anxius
Z
Harpalus attenuatus Harpalus distinguendus
Z Z
DSG DB (eu) DB (eu) VB (eu) DB (eu) VB (eu) DB (eu) DB (eu) DB (st) DB (st) OSE W
g 1
g 2
k1
k2
1 1
4
2
3
3
6
k3
k4
1 2
3
m 1
m 2
m 3
1
3
4
m 4
m 5
mg 3
s1
1 1
1
9
s2
we 1
we 2
wo 1
1
2
7
1
1
1
2
3
3
1
2
2
4
1
2
1
2
2
1
1
2
3
22
1
3
3
3
1
1 9
1
1
1
9
13
1
2
1
1
5 2
1
2
2
1
7
1 4
2
10
3
2 3
12
7
36
1
1
1
1
2
3
17 80 3
1 1
59 11
3 1
1
Tota al
1
1
1
z 1
5
1
1
wo 2
1 1 4
1
DSG DB (eu)
Calathus fuscipes Calathus melanocephalus
Cicindela campestris
as 1
VG
Bradycellus verbasci Calathus cinctus
Habit at DB (eu) B (eu) DB (eu) VB (eu)
1
1 1
1
2 1
1
1
1
4
2
1
6
7
4
1
17 1
1
24
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 328 van 352
Z
Habit at DB (eu) DB (eu)
Harpalus modestus
K
KSHX
Harpalus pumilus
B
DSG DB (eu)
Soort
R L
Harpalus latus Harpalus luteicornis
Harpalus rubripes Harpalus rufipes Harpalus tardus Leistus fulvibarbis Microlestes minutulus
Z
Nebria brevicollis
Notiophilus rufipes Notiophilus substriatus Olisthopus rotundatus Ophonus puncticeps Panagaeus bipustulatus
Z
d2
2
1
1
3
d3
d4
1
d5
2
dg 5
Z
DH
Z
KSHX DB (st)
g 1
g 2
7
k1
59
k2
k3
k4 3
51
4 12 4
m 1
14
20
1
10
m 3
m 4
m 5
mg 3
s1
s2
we 1
we 2
wo 1
1
15
15 8
17
2
1
2 3
3
wo 2 1
6
1
7
1
23
3
2
21
20
1
1
1 1
8
18
30
12
5
1
3
2
2
5
5
7
2
19 1
8
6
19
7
1
4
14
13
1
3
1 5
1
1 3
1
1 2
1
4
3
3 2
1 2
68
5
1
6
2
9
1
1
333
16
1
1
3 6
7
1
23
296 39
1
2
1
5
1
9
Tota al 9
1
1
1
z 1
1
1 2
m 2
9
B (st) B (eu) DSG
Z
d1
2
DSG B (eu) VB (eu)
Nebria salina Notiophilus biguttatus Notiophilus palustris Notiophilus quadripunctatus
RA DB (eu) B (eu) DB (st) DB (eu)
as 1
1
1
1
1
2
2
2
1
6
3
1
32
1
2
1
2
1
1
1
1
2
2
58 1
1
4
4
32 1
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 329 van 352
Soort Paradromius linearis Parophonus maculicornis Poecilus cupreus Poecilus versicolor Pterostichus strenuus Pterostichus vernalis Stomis pumicatus Syntomus foveatus Syntomus truncatellus Trechus obtusus
aantal exemplaren aantal soorten aantal Rode Lijstsoorten
R L
Z
Habit at DB (eu) VG VB (eu) DB (eu) DB (eu) VB (eu) B (eu) DB (st)
as 1
d1
4
36
14
1
86
d2
53
d3
d4
43
19 1
d5
30
dg 5
51
g 1
2
g 2
45
6
5
4
k2
k3
1
24
24
41
2
3
2 14 9
52 16 8
1 1
k1
4
k4
4 10 55 61 8
m 1
m 2
1
1
89
82
m 3
11
m 4
m 5
1
2 1 9
3
mg 3
s2
we 1
we 2
wo 1
wo 2
z 1
1 3
82
25 29 4 19 1
16 48 7 39 8
9
27
4
5
2
1
2
11
22
1
27
18
1
1 1
1
3 1
DSG DB (eu)
3
1
3
2
1
2
1
1
2 2
2
2
8
3
15 0
18 1
25 1
27 0
52 5
29 9
23 6
3 2
13
19
17
11
18
16
15
2
7
5
3
6
4
4
13
2
5
1
890 192 5 176 9 1
1
1
Tota al 5
1 1 3
2
s1
1
1
15
50
2
20
2
29 1
15 7
47 1
17 31
16 4
38 6
16 4
14 7
9
2 9 1 0
17
12
20
13
26
16
17
1
3
4
5
6
4
6
7
8
7 23 3
54 0
95 2
57
98
74
77
9 7
772 3
19
9 8 1 8
16
14
17
11
18
14
16
9
61
6
4
9
4
3
2
6
3
3
3
18
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 330 van 352
5.14 BIJLAGE 14: MIEREN GEVANGEN IN DE PERIODE MIDDEN MAART – BEGIN JULI 2020 IN DE BERMEN VAN DE R0, MET BODEMVALLEN. Wetenschappelijke naam Formica cunicularia Lasius flavus Lasius fuliginosus Lasius niger Lasius umbratus Myrmecina graminicola Myrmica rubra Myrmica ruginodis Myrmica rugulosa Myrmica sabuleti Myrmica scabrinodis Tetramorium caespitum aantal exemplaren aantal soorten
RL
AS1 1 2 25
D1
D2
68 1 581
32
D3 3 1
D4 2 19
D5 1 7
DG5
G1
16
G2
K1 1
2
K2 3 29
K3 2 35
K4
M1 22
M2 20 12
M3 39 3
1 380
87
271
292
462
109
190
550
1520
452
403 1 1
K
422
430
M4 39 1 54
5
M5 29
460
MG3 45 6
S1
182
9
S2 1 1
WE1
WE2 11
WO1 2 1
WO2 1 17
2
4
95
201
123
132
1
1
604
2565
731 5
2715 4
61 1
45
73 4
7 1 14
672 6
1 17
1
24
2 2
1
1 4
1
1
431 5
93 5
316 4
304 5
479 3
114 3
1
198 4
1
1
700
21
1252 4
1574 5
7 5 5 1 507 7
7 4
35
170 1
31 111
753
250
7 1 1
120 2
759 4
348 4
222 6
572
260
1 73
261 2
438 6
489 4
643 5
167 4
582 5
805 4
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 331 van 352
5.15 BIJLAGE 15: DUIZENDPOTEN GEVANGEN IN DE PERIODE MIDDEN MAART – BEGIN JULI 2020 IN DE BERMEN VAN DE R0, MET BODEMVALLEN. Soort / Locatie
Cryptops anomalans Geophilus flavus Geophilus linearis Lamyctes emarginatus Lithobius forficatus Lithobius melanops Lithobius microps Schendyla nemorensis aantal exemplaren aantal soorten
AS1 D1 D2 D3 D4 D5 DG5 G1 G2 K1 K2 K3 K4 M1 M2 M3 M4 M5 MG3 S2 WE1 WE2 WO1 WO2 Z1 Totaal 1 1 1 1 2 2 6 6 1 1 2 1 1 1 1 8 1 1 2 4 10 18 2 4 14 1 5 3 10 11 1 21 15 24 3 13 23 2 3 3 3 2 4 205 2 2 2 1
4 12 18 2 1 2 1 1
4 1
14 1
2 2
6 2
6 11 11 1 21 15 24 13 13 3 2 1 1 1 1 1 5 1
23 1
3 2
4 2
4 2
3 1
2 1
4 1
226 8
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 332 van 352
5.16 BIJLAGE 16: MILJOENPOTEN GEVANGEN IN DE PERIODE MIDDEN MAART – BEGIN JULI 2020 IN DE BERMEN VAN DE R0, MET BODEMVALLEN. Soort / Locatie
Brachyiulus pusillus Craspedosoma rawlinsi Cylindroiulus caeruleocinctus Cylindroiulus latestriatus/britannicus Cylindroiulus punctatus Cylindroiulus truncorum Leptoiulus kervillei Polydesmus denticulatus Proteroiulus fuscus aantal exemplaren aantal soorten
D4 G1 G2 K1 K2 K3 K4 M1 M2 M3 M4 M5 S1 S2 WE1 Z1 Totaal Kleine tweestreep 21 2 4 13 28 24 1 8 4 30 3 13 151 Vlekribbel 1 1 Brede kronkel 42 8 50 95 7 39 7 31 44 323 Zandkronkel / Britse kronkel 1 1 2 Knotskronkel 1 1 1 1 4 Stompe kronkel 17 1 1 19 Stompe haakpoot 1 1 2 Gewone platrug 1 1 Bruinstipje 1 1 21 2 1 1
4 42 8 64 124 42 1 1 1 3 3 3
1 1
15 46 40 35 57 2 5 5 3 2
2 2
1 1
504 9
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 333 van 352
5.17 BIJLAGE 17: OVERZICHTSKAART VAN DE RODE-LIJST EN INDICATORPADDENSTOELEN
Figuur 131 Overzicht van de waargenomen indicatorpaddenstoelen in het complex Asse /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 334 van 352
Figuur 132 Waargenomen indicatorpaddenstoelen en Rode-Lijstsoorten Asse
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 335 van 352
Figuur 133 Waargenomen indicatorpaddenstoelen en Rode-Lijstsoorten in complex Wemmel
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 336 van 352
Figuur 134 Waargenomen indicatorpaddenstoelen en Rode-Lijstsoorten Strombeek-Bever
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 337 van 352
Figuur 135: Waargenomen indicatorpaddenstoelen Machelen
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 338 van 352
Figuur 136 Waargenomen indicatorpaddenstoelen en Rode-Lijstsoorten
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 339 van 352
Figuur 137 Waargenomen indicatorpaddenstoelen Kraainem
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 340 van 352
5.18 BIJLAGE 18 OVERZICHTSKAARTEN VAN HET BEHEER PER COMPLEX
Figuur 138 Overzicht van het beheeradvies voor complex Dilbeek
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 341 van 352
Figuur 139 Overzicht van het beheeradvies voor het complex Groot-Bijgaarden
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 342 van 352
Figuur 140 Overzicht van het beheeradvies voor het complex Asse
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 343 van 352
Figuur 141 Overzicht van het beheeradvies voor complex Wemmel
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 344 van 352
Figuur 142 Overzicht van het beheeradvies voor de onderzochtte delen van het complex Strombeek-Bever
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 345 van 352
Figuur 143 Overzicht van het beheeradvies voor het complex Grimbergen
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 346 van 352
Figuur 144 Overzicht van het beheeradvies voor het complex Vilvoorde.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 347 van 352
Figuur 145 Overzicht van het beheeradvies voor het complex Machelen
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 348 van 352
Figuur 146 Overzicht beheeradvies complex Diegem.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 349 van 352
Figuur 147 Overzicht beheeradvies complex Kraainem.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 350 van 352
Figuur 148 Overzicht beheeradvies complex Woluwe.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 351 van 352
Figuur 149 Overzicht beheeradvies complex Wezembeek-Oppem
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 352 van 352
Departement Omgeving Koning Albert II-laan 20 bus 8 1000 Brussel omgeving.vlaanderen.be