Evaluatie van het instrument Bouwmeester Scan
Eindrapport omgevingvlaanderen.be
Evaluatie van het instrument Bouwmeester Scan Het evaluandum van deze studie is het instrument Bouwmeester Scan en de daarbij horende Scans uitgevoerd voor 51 gemeenten. Via een ruime enquête en selectie van 10 gemeenten voor interviews worden ervaringen bevraagd en een selectie van 5 scans worden gereviseerd door André Loeckx, emeritus hoogleraar van het Departement Architectuur, Stedenbouw en Ruimtelijke Ordening van de KU Leuven. Het doel van deze evaluatie is om te onderzoeken hoe het instrument zinvol kan worden verdergezet en om na te gaan welke zaken er moeten worden bijgestuurd opdat het instrument nuttiger zou zijn voor de verschillende betrokken actoren. De evaluatie van de scan gaat over de meerwaarde van het instrument ten opzichte van initiatieven van Vlaamse overheden en over de meerwaarde voor het Departement Omgeving, lokale overheden en het Team Vlaams Bouwmeester. Vragen over de rol van het instrument en de opties van beheer en verdere ontwikkeling worden onderzocht. Op basis van deze evaluatie kan worden beslist of en op welke manier gemeenten nog beroep kunnen doen op de Scan. Dit rapport bevat de mening van de auteur(s) en niet noodzakelijk die van de Vlaamse Overheid.
COLOFON Verantwoordelijke uitgever Peter Cabus Departement Omgeving Vlaams Planbureau voor Omgeving Koning Albert II-laan 20 bus 8, 1000 Brussel vpo.omgeving@vlaanderen.be www.omgevingvlaanderen.be Auteurs Helena Bieseman, Departement Omgeving, VPO Fatma Kamas, Departement Omgeving, VPO Karin Hahn, Departement Omgeving, VPO Depotnummer D/2022/3241/028
Wijze van citeren Vlaams Planbureau voor Omgeving (VPO) (2021) Evaluatie van het instrument Bouwmeester Scan.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 2 van 113
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 3 van 113
MANAGEMENTSAMENVATTING Aanleiding, doel en onderzoeksvragen De evaluatie is er gekomen naar aanleiding van de opdracht van de minister president om het instrument Bouwmeester Scan te evalueren. Deze evaluatie focust zich op de totstandkoming van de scan en de uitvoering van de scans tot nu toe. In deze evaluatie vertrekken we van de hoofdvraag “Hoe het instrument zinvol kan worden verdergezet?” en te detecteren welke aspecten er moeten worden bijgestuurd en nuttiger kunnen gemaakt worden voor de verschillende stakeholders. De hoofdvraag van deze evaluatie wordt verder ingedeeld in volgende subvragen: - Wat is de huidige scope van de Scan? Wat is de link met de werking van het Team Vlaams Bouwmeester en van het Departement Omgeving? - Wat is de relatie (positie en meerwaarde) van de Scan t.o.v. andere instrumenten en planprocessen? - Wat is de inhoudelijke meerwaarde van de Scan voor gemeenten/ Departement Omgeving/ Vlaams Bouwmeester? - Wat is de outcome van de Scan? Wat is de doorwerking van de Scan en wat is de invloed ervan op het publiek debat over ruimtelijke ontwikkelingen? Om de onderzoeksvragen te beantwoorden, werden verschillende onderzoeksmethoden gebruikt, namelijk analyse van literatuur en beleidsdocumenten, een enquêtering bij deelnemende gemeenten, interviews met gemeenten en betrokken experten en een verdiepende casestudy (inhoudelijke reflectie) van 5 scans. Wat is de Scan? Stand van zaken anno 2021 De Bouwmeester Scan is een tool in 2018 ontwikkeld door het Team Vlaams Bouwmeester (TVB) dat hiervoor een samenwerkingsovereenkomst heeft afgesloten met het Departement Omgeving (DO), de Vlaamse Landmaatschappij (VLM), het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB), de Vereniging van de Vlaamse Provincies (VVP), Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG) (Vlaams Bouwmeester, 2021). Voor de uitvoering van de scan wordt er beroep gedaan op 5 multidisciplinaire teams (studiebureaus) die zijn aangesteld via een raamovereenkomst. De Scan is bedoeld voor lokale besturen (uitgezonderd centrumsteden) die werk willen maken van een duurzamer ruimtegebruik geënt op de Vlaamse visie inzake ruimte en klimaat. De Bouwmeester Scan brengt het grondgebied van de gemeente in kaart aan de hand van een reeks onderzoeksvragen. De rapporten kennen een vaste format met vier hoofdstukken; verkenning, diagnose, ambitie en transitieagenda. In totaal zijn er de voorbije jaren 51 scans uitgevoerd, 47 hiervan zijn opgeleverd en terug te vinden op de website van de Vlaams Bouwmeester, 4 hiervan zijn nog lopende 1. Voor 7 gemeenten zijn de gesprekken rond een scan opgestart maar is het nooit tot effectieve uitvoering gekomen.
1
Toestand dd. November 2021
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 4 van 113
Geografische weergave en status van de ingeschreven gemeenten – Stand van zaken 01/09/2021
Conclusies: Uit de gehele evaluatie kunnen we concluderen dat de verschillende betrokken actoren het nut en de voortzetting van de het instrument Bouwmeester Scan niet in vraag stellen. Men is van oordeel dat het instrument is opgebouwd rond de juiste beleidsvragen en dat het argumenten aanreikt om dringende kwesties te remediëren en te agenderen. Tegelijkertijd worden er hiaten gedetecteerd en opportuniteiten geformuleerd om het instrument nuttiger te maken voor de betrokkenen Onderstaande conclusies en suggesties komen uit de input van de bevraagde gemeenten, studiebureaus, TVB, deskundigen en uit de inhoudelijke reflectie van de scans.
Een Scan met een brede scope De huidige scope van de scan is in eerste fase gefocust op de ruimtelijke toestand van het grondgebied van een gemeente op het vlak van knooppunten voor ontwikkeling, verdichting, kernversterking, open ruimte en mobiliteit. In de diagnosefase van de scan wordt de scope bewust breed gehouden om vervolgens in de transitieagenda keuzes te maken in thematieken die de gemeente kunnen verder helpen. De transitieagenda bestaat uit strategische projecten en quick-wins die de gemeente kan uitwerken. Over het algemeen wordt vooral de diagnose als het meest interessante onderdeel ervaren, het stipt verschillende thema’s aan op een inzichtelijke manier. De transitie-agenda daarentegen lijkt vaak te omvangrijk en teveel in detail uitgewerkt voor de respondenten. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 5 van 113
Dat de diagnose het sterkste onderdeel is van de scan wordt bevestigd in de inhoudelijke reflectie op basis van de casestudie van vijf scans. Het ontbreken van een historisch-morfologische analyse van het gebouwde patrimonium van de gemeente wordt hier wel als een gebrek aanzien. Ook wordt het thema ‘werk’ en de omschakeling naar een circulaire economie slechts op de achtergrond aangehaald. Daartegenover is er een tendens aan ‘generieke vergroening’ van de open ruimte en missen de gebruikte referentiebeelden soms wat duiding om de nood aan een specifieke groenaanleg te kaderen. Aanvullend werd door de stuurgroep van de evaluatie geduid op de soms gebrekkige inhoudelijke uitwerking van aansluitende thema’s. Zo tonen bijvoorbeeld sommige uitspraken in de scan over landbouw, buitengebied,… aan dat de (technische) kennis hiervan beperkt is bij de uitvoerende studiebureaus. De bepaling van de scope en de uitwerking van de inhoud heeft natuurlijk ook te maken met de tijd en budget die studiebureaus kregen. Ook zij moeten focus leggen in te behandelen thema’s en een afweging maken bij het beantwoorden van specifieke vragen van gemeenten.
De relatie van het instrument Scan met ander instrumentarium Het instrument Bouwmeester Scan is bedoeld om ingezet te worden bij strategische verkenning. Bij de opstart van de Bouwmeester Scan was er de veronderstelling bij het Team Vlaams Bouwmeester dat het instrument de link tussen verkenning en rechtstreekse uitvoering op terrein zou kunnen realiseren. Hierin is de Bouwmeester Scan echter niet gelukt, daar blijkt op dit moment niet genoeg draagvlak voor te zijn binnen de gemeenten. Er is dus een ‘gap’ tussen de Bouwmeester Scan en planvormende en planuitwerkende instrumenten. De resultaten uit de enquête geven weer dat één op drie respondenten het instrument binnen strategische verkenning plaatst, maar de meerderheid van de bevraagde gemeenten zag de scan eerder voor visievorming. Zelfs 10% zag het voor planvorming of hoopte dat het richting planvorming zou gaan. Uit de gesprekken bleek dan ook dat vele gemeenten zich hebben kandidaat gesteld voor de scan met de opmaak van een nieuw beleidsplan in het achterhoofd. De gemeenten die de scan als een instrument voor visievorming percipieerden, waren van mening dat de scan voor hen niet altijd even goed bruikbaar is. Deze verwachtten meer kant-en-klare oplossingen. Dit brengt bij sommigen ook de moeilijkheid naar boven over hoe men communiceert over de scan, omdat het geen beslist beleid is. Een ander deel van gemeenten beseft dat de scan (slechts) een startdocument is. Volgens de meerderheid van de bevraagde gemeenten had de scan wel een meerwaarde t.o.v. ander instrumentarium. Doordat de scan een degelijke analyse en synthese bevat van bestaande plannen is het makkelijker voor de gemeente om deze te interpreten. Daarnaast biedt het een insteek voor de ontwikkeling van instrumentarium en maakt het duidelijk welk instrumentarium nodig is om de Vlaamse doelstellingen die vertaald worden in gemeentelijke ambities, te kunnen realiseren. Volgens de analyse binnen de inhoudelijke reflectie zijn de meest haalbare projecten uit de scans, projecten die verwantschap vertonen met de stadsvernieuwingsprojecten.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 6 van 113
Meerwaarde van de Scan voor de verschillende stakeholders Meerwaarde voor het departement Het instrument slaagt er slechts gedeeltelijk in om de Vlaamse doelstellingen inzake ruimte en klimaat door te vertalen naar het lokale niveau. Waar er al zeker een meerwaarde ligt, is dat de scan als een soort van graadmeter van het Vlaamse ruimtelijke ordening beleid fungeert. De scan laat toe om te meten waar gemeenten op dit moment staan in de ruimtelijke transitie en waar er nog knelpunten liggen zowel voor de gemeenten, maar ook voor het Vlaamse niveau. Gemeenschappelijke visies uit de ambitiefase uit de vele scans zijn ook een belangrijke bron van bottom-up inspiratie van wat er in de Vlaamse gemeenten belangrijk is. De inhoudelijke reflectie geeft aan dat er in de diagnose en de Transitieagenda een gebrek aan instrumenten, samenwerkingsinitiatieven en wetgevend kaders wordt herhaald waarvoor hogere overheden zouden moeten instaan. Deze stellingnames zouden moeten uitgewerkt worden in de rubrieken ‘Publieke Slagkracht’ en ‘Aanbevelingen aan het Adres van Hogere Overheden’. Deze onderdelen van het rapport worden als cruciaal beschouwd, echter is de vaststelling dat deze heel verschillend worden ingeschat door de verschillende studiebureaus, waardoor het soms gaat om vage aanbevelingen aan de hogere overheden die onvoldoende gestoffeerd zijn met kennis over de lokale condities. De meerwaarde voor het departement zou hoger kunnen liggen, enerzijds indien de geleverde informatie aan het Vlaams niveau relevant en werkbaar zou zijn en anderzijds indien het departement/Vlaams niveau effectief aan de slag gaat met de geleverde informatie uit de Scans. De vele voorstellen die beschreven staan in de transitie-agenda waar de gemeenten niet onmiddellijk mee aan de slag kunnen, zijn inspiratiebronnen voor het departement waarmee ze ondersteunende acties kunnen uitwerken’. De gemeenten bezitten niet altijd over voldoende slagkracht om voorgestelde projecten uit te voeren, waardoor Vlaanderen een rol kan opnemen. Ook het deel ‘aanbevelingen aan het adres van hogere overheden’ uit de transitie-agenda wordt te weinig opgepikt. Hier liggen opportuniteiten voor het Departement Omgeving om het eigen beleid beter af te stemmen op of rechtstreeks te linken aan de praktijk. De scan zorgt voor een bijzondere en directe input. De scan kan voor het departement een grotere rol spelen in de integrale benadering van ruimtelijke ontwikkeling. Vanuit de praktijk en het nadenken over transitie wordt er onderling beter afgestemd met de betrokken partners, de verschillende bestuurslagen en maatschappelijke actoren. Via de scan wordt, via concrete cases, gebouwd aan een netwerk van actoren die cruciaal zijn om de transitie te initiëren en te versnellen. In analogie van de scan als een patiënt die zich bij een doktersbezoek zou laten diagnosticeren, wordt gesuggereerd dat het departement meer de rol van apotheker zou kunnen opnemen. De diagnose is gesteld, maar om te remediëren is ook de juiste medicatie nodig. Het departement moet de nodige (aangepaste) instrumenten aanreiken zodat gemeenten hiermee aan de slag kunnen in hun ‘herstelproces’. Tot slot waren er meer verwachtingen bij de overige betrokken entiteiten in de stuurgroep van de Scan naar inhoudelijke aansluiting bij hun thematieken. Hun betrokkenheid bij de uitwerking van de scans was niet zo groot. Dit maakt dat de meerwaarde voor deze entiteiten niet duidelijk is.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 7 van 113
Meerwaarde voor TVB De rapporten zijn voor TVB belangrijk omdat hierin de krijtlijnen of basisvoorwaarden staan om te komen tot architectuurkwaliteit. Het creëren van een gunstig kader voor architectuurkwaliteit is cruciaal voor TVB. Volgens de inhoudelijke reflectie is de grootste verdienste van het Bouwmeester Scan – traject de bijdrage die het kan leveren aan het preciseren en verbeteren van de cruciale wisselwerking tussen de bovenlokale overheden en de lokale overheid bij de implementatie van een Transitieagenda. De scans geven weer in hoeverre het beleid dat de overheid uitzet ‘lokaliseerbaar is’, hoe het lokaal zo goed mogelijk kan worden uitgewerkt, hoe doeltreffend deze lokalisering is en wat de overheid moet doen om de doeltreffendheid aanzienlijk te verbeteren. Het TVB en de voormalige Vlaams Bouwmeester hebben kunnen inspelen op de vraag van gemeenten om hun ‘koudwatervrees’ te helpen overwinnen. De scan kon lokale besturen helpen om zicht te krijgen in wat prioritair is en wat niet. Het TVB helpt op deze manier ook draagvlak te creëren voor beslissingen die lokale politiek in de toekomst kan nemen, maar die nu wellicht nog electoraal riskant zijn. Meerwaarde voor gemeenten De meerwaarde voor de gemeenten is voornamelijk dat ze inzicht krijgen in de lokale knelpunten en kansen. De Scan zet in op het samenvoegen van GIS-data, waar bij de gemeenten veel vraag naar is. De duidelijke en logische opbouw van het analysedeel is volgens de bevraging dan ook de grootste meerwaarde. De relevantie van de uitkomst scoorde hoog in de enquête wat aangeeft dat de scan de voor de gemeente belangrijke thematieken behandelt. De visiefase en voornamelijk de transitieagenda werden op verschillende manieren onthaald. Afhankelijk van de verwachtingen voorafgaand aan de scan zien gemeenten zelf de meerwaarde niet even positief in. Of kan het zijn dat de gemeenten de link tussen de analyse en de transitie-agenda niet meteen inzien. Om in de analogie met het doktersbezoek te blijven, het is aan de patiënt om te beslissen of deze de medicatie wil innemen. Gemeenten die sterke verwachtingen hadden richting concrete projecten blijven op hun honger zitten. De voorgestelde quick-wins zijn volgens hen niet altijd even snel uit te voeren. De vele vragen over de haalbaarheid van de transitieagenda, inzake stappenplan, juridische vertaling, nodige middelen en instrumenten,… tonen aan dat gemeenten het niet zien als document waarmee ze meteen aan de slag zullen gaan. Dit kan mede verklaart worden door het verschillende detailleringsniveau van de diagnose (hoe is de situatie nu?) en dat van de transitie-agenda (waar willen we naartoe op lange termijn?). Sommige gemeenten verwachten namelijk dat de transitieagenda, net zoals de diagnose, ook voorstellen zou bevatten om nu concreet aan de slag te gaan terwijl er nu eerder een ambitieuze visie en transitie op lange termijn wordt opgesteld. Tussen diagnosestelling en realisatie van de transitie zijn er tussenstappen nodig via andere manieren en instrumenten, omdat de scan slechts een instrument van strategische verkenning is. Duidelijkere communicatie over de inhoud van het instrument zou dit probleem kunnen hebben voorkomen. Vanuit de stuurgroep van de evaluatie werd bevestigd dat het voor sommige gemeenten onvoldoende duidelijk was dat de scan (1) snel en met een beperkte inzet werd uitgevoerd, zodat niet teveel diepgang kon verwacht worden en er geen ruimte was om de scan in vraag te stellen of /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 8 van 113
te bediscussiëren , en soms wel de bal kon misgeslagen worden, (2) een onafhankelijke expertendiagnose weergaf van feitelijke toestanden, zodat (vertegenwoordigers van) gemeenten zich soms aangevallen voelden over hun (voorbije) ruimtelijke beleid, (3) een onafhankelijke expertentransitieagenda voorstelde zonder toetsing van het draagvlak, zodat (vertegenwoordigers van) gemeenten het draagvlak voor acties en de expertise soms in vraag stelden. Gemeenten die inzien dat de transitie-agenda een startpunt is van een groter transitieproces, zien de grootste meerwaarde van de scan. Er is een versnelling via de quick-wins, maar ook naar planningsproces kan de scan tot een versnelling leiden. Dit door zaken zo te formuleren en neer te schrijven dat het de ogen opent van de betrokkenen. Ze kunnen via de scan van op afstand kijken wat er moet en kan gebeuren. De agenda met korte termijn acties kan dan gekoppeld worden aan de lange termijnambities en de verschillende betrokken actoren verbinden. Afhankelijk van het engagement en motivatie maar dus ook van het verwachtingspatroon van de gemeente zien zij de meerwaarde in van de scan.
Outcome en doorwerking van de Scan De doorwerking van de scan binnen de gemeenten kan ook tweeledig gezien worden. In eerste plaats heeft de scan in de meeste gemeenten er voor gezorgd dat het de ogen opende van de betrokkenen. De gemeenten beseffen dat de scan een startpunt is en dat het nu aan hun is om er mee aan de slag te gaan. Het is duidelijk geworden wat de knelpunten zijn en waar de opportuniteiten liggen om de ruimte toekomstbestendig te maken. De debatten die gevoerd worden in gemeenten over de inhoud van de scan en over de geformuleerde visie is op zich ook een doorwerking, waarbij draagvlak voor de Vlaamse doelstellingen wordt gecreëerd. In tweede instantie kan de doorwerking van de scan teleurstellen omdat de transitie-agenda bijna niet gerealiseerd wordt. Er blijken onvoldoende aanknopingspunten met lokale initiatieven in de transitie-agenda en sommige quick-wins zijn noch snel uit te voeren, noch snel zichtbaar. Afhankelijk van de gemeenten krijgen bepaalde zaken een direct vervolg en krijgen andere zaken bewust geen vervolg. De opvolging vanuit de stuurgroep van de Scan is momenteel ook te beperkt, waardoor gemeenten niet aangemaand worden om vervolg te geven aan de scan. Uit de reflectie van de scans is het ook duidelijk dat het efficiënt realiseren van de transitieagenda enkel mogelijk is met een gezamenlijke en complementaire inzet van zowel de lokale als de bovenlokale overheden. Uit de bevraging van de gemeenten komt naar voor dat niet alle voorstellen meteen of dusdanig uit te voeren zijn. Als redenen worden aangegeven dat de voorstellen niet tot de mogelijkheden of bevoegdheden van een stad/gemeente behoren, niet op korte termijn financieel haalbaar zijn, omdat het juridische kader het niet toestaat of omdat de nodige capaciteit niet beschikbaar is. Echter moet men volgens de inhoudelijke reflectie oppassen dat men niet de perceptie van lokale onmacht in de hand werkt in de scans, door te suggereren dat wezenlijke stappen naar een klimaatbewuste en duurzame ruimtelijke ordening niet tot mogelijkheden/bevoegdheden van gemeenten behoren.
Suggesties:
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 9 van 113
Meer inhoudelijke afbakening thema’s scan De inhoud van de scan, of voornamelijk de brede inhoud van de scan, zorgt er voor dat niet altijd alles even diep kan besproken worden. De suggestie vanuit de gemeenten maar ook de studiebureaus is dan ook om de scan minder breed uit te werken maar eerder te verdiepen in een paar goed gekozen thematieken. De focus van het instrument kan zo verschuiven naar thema’s op maat van het lokaal fysisch systeem, en niet zozeer vertrekken vanuit vooraf bepaalde instrument zelf. Via een open gesprek bij aanvang van de scan kan gekozen worden welke focus de scan kan hebben (bijvoorbeeld a.d.h.v. een checklist), welk schaalniveau gewenst is en welke concrete vragen de gemeenten hebben. Belangrijk hierbij is wel dat bij de start van de diagnose het vizier steeds voldoende breed wordt gehouden om een goede inschatting van de situatie te kunnen maken en goede onderbouwde keuzes voor verdieping te kunnen maken. Voor een beperkt aantal thema’s die een intergemeentelijke aanpak nodig hebben, kan er gekeken worden om te werken op een hoger schaalniveau. De bedenking die hierbij wordt gemaakt is om dit niet door te trekken voor alle thema’s, gezien de analyse van het lokaal systeem net een meerwaarde blijkt voor gemeenten. Betere doorwerking door opvolging Vanuit de gemeenten is er de vraag om naast voorstel en ontwerp, ook meer informatie mee te geven over hoe de projecten/ voorstellen bewerkstelligd kunnen worden. Dit kan bijvoorbeeld door de link te leggen met het instrumentendecreet, (meer) focus op ontwerpend onderzoek, door prioriteiten aan te duiden, via best practices (voorbeelden of contactgegevens),…. en door aan te geven voor welke project/voorstellen een aanpak op hoger niveau nodig is (provincie of Vlaamse Overheid). Daarnaast zijn gemeenten vragende partij om het urenpakket van de studiebureaus uit te breiden, zodat ze ook nog op hen beroep kunnen doen voor de uitwerking van de transitie-agenda (zonder opnieuw de markt te moeten consulteren) of voor verdere toelichting van de resultaten van de scan. Vanuit de gemeenten en het TVB zou het inzetten van een projectmanager ook waardevol kunnen zijn voor de uitwerking en betere opvolging van de scans. Verschillende respondenten zijn van mening dat eerder een scan 1.2 (met aandacht voor vervolgtraject) gewenst is in plaats van een scan 2.0. De inhoudelijke reflectie pleit voor een scan aanpak die eerder een toetsing en lokale verrijking van ruimtelijke theorieën zou zijn dan een a priori toepassing ervan. De transitie-agenda zou strategische projecten en suggesties moeten bevatten die een boost geven aan wat er al lokaal aan de gang is zodat de scan op die manier beter zou worden ontvangen door gemeenten. De stuurgroep van de evaluatie van de bouwmeester scan suggereert om voldoende tijd te nemen om verwachtingen van de gemeenten en verwachtingen van de verschillende entiteiten die in de stuurgroep van de bouwmeester scan zetelen uit te klaren. De stuurgroep merkt op dat er heel veel vraag is van gemeenten naar het transitieproces. Om een betere doorwerking te realiseren en meer gedragenheid voor de inhoud van de scans te bekomen, moet er nog een doorvertaling plaatsvinden naar verschillende niveaus en agenda’s, bv naar de politieke agenda. Vanuit de kant van de overheid is het proces vormgeven ook evenzeer van belang. Als hogere overheid is het belangrijk om uit te zoeken hoe het proces voor ruimtelijke transitie in de transitie-agenda kan gefaciliteerd worden. Zo kan er ook onderzocht worden waarom potentiële projecten uit de transitie-agenda niet altijd worden opgepikt, bijvoorbeeld in de Blue deal.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 10 van 113
Herziening organisatie Voor de realisatie van de scan wordt veel verwacht van de studiebureaus. Het is dan ook niet verwonderlijk dat zij toch wel vragen hebben naar aanpassing van het proces en bijhorend budget. Er is de suggestie om de financiering van de scan op te splitsen. Een eerste fase waarin de diagnose wordt gesteld, kent een vast budget. In functie van de vastgestelde problematieken wordt vervolgens een budget op maat van te lopen traject bepaald voor de opmaak van de visie en transitie-agenda. Hierbij kan dan meer tijd gaan naar participatie, wat het draagvlak ten goede komt. De studiebureaus zijn ook vragende partij voor meer kennisuitwisseling en interactie onderling. Elk studiebureau kan gelijkaardige struikelblokken tegen komen en dezelfde vragen hebben (bijvoorbeeld juridisch advies) en dan is het van meerwaarde hierover te kunnen overleggen met anderen. Er zullen zeker gemeenschappelijke lessen getrokken kunnen worden. Om dit te organiseren is echter de nodige regie nodig, bijvoorbeeld via de stuurgroep of opstart van een begeleidingscomité (met meer inhoudelijke kennis van betreffende problematieken). Vanuit de stuurgroep ter ondersteuning van de evaluatie van de bouwmeester scan is de suggestie gekomen om de stuurgroep horende bij de bouwmeester scan uit te breiden naar aantal personen/entiteiten zodat er meer inhoudelijke expertise aanwezig is, maar ook om de rol van de stuurgroep zelf uit te breiden, zodat deze een meer actieve rol heeft. Door meer interactie kan foutieve informatie in de scan, al dan niet gebaseerd op gebrekkige gegevensuitwisseling of te weinig interne kennis, vermeden worden. De studiebureaus kunnen in de stuurgroep aangeven over welke onderwerpen zij voldoende kennis hebben als expert, over welke onderwerpen zij bijkomende vragen hebben maar evengoed aangeven over welke onderwerpen een leemte in kennis kan ingevuld worden door betrokken entiteiten.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 11 van 113
INHOUDSTAFEL 1 2 3 4
Inleiding ............................................................................................................................... 13 Aanleiding evaluatie ............................................................................................................ 14 Scope en onderzoeksmethodiek ......................................................................................... 15 De Bouwmeester Scan als vernieuwend ruimtelijk instrument ......................................... 18
4.1 4.1.1 4.1.2 4.1.3 4.1.4 4.2 4.2.1 4.2.2 4.2.3
Een Scan naar analogie met een doktersbezoek Wat is de Scan? Waarvoor dient de Scan? Beoordeling opbouw scan Beoordeling thema’s in de scan Situering in het beleid Een gemeentelijke scan om Vlaamse doelstellingen te vertalen Positie Scan in ruimtelijk instrumentarium Stempel Vlaams Bouwmeester
5
De opgeleverde Bouwmeester Scans.................................................................................. 32
5.1 5.1.1 5.1.2 5.1.3 5.2
Deelnemers en organisatie Overzicht deelnemers scan en budgetten Vijf onderzoeksteams Opvolging via stuurgroep Reflectie op een Selectie van 5 scans
6
De bevindingen over de opgeleverde Bouwmeester Scans ............................................... 57
6.1 6.2 6.2.1 6.2.2 6.2.3 6.2.4 6.2.5 6.3 6.3.1 6.3.2
Context van de deelnemende gemeenten Ervaringen werkwijze en uitkomst scan Beoordeling uitkomst scan Analysedeel: diagnose in de scan Visievorming in de scan: ambitie en transitieagenda/ visievorming Inhoudelijke inzichten: ontbrekende, vernieuwende inzichten Verhouding tijdsinzet Vervolg van de scans binnen de gemeenten Opstart projecten uit scan: welke elementen wel en welke niet Communicatie/ debat over scan
7
Conclusies en suggesties uitgevoerde scans ....................................................................... 70
7.1 7.1.1 7.1.2 7.1.3 7.1.4 7.1.5 7.1.6 7.2 7.2.1 7.2.2 7.2.3
Conclusies Scope scan? Relatie ander instrumentarium? Meerwaarde voor Departement Omgeving? Meerwaarde voor TVB? Meerwaarde voor gemeenten? Outcome en doorwerking van de scan? Suggesties Suggesties inhoud scan Suggesties voor betere doorwerking scan Suggesties voor organisatie scan
8 9
Referenties .......................................................................................................................... 82 Bijlagen ................................................................................................................................ 83
9.1 9.2 9.3
Budgetten gemeenten en Vlaamse overheid Interviewlijst Enquêtevragen en -resultaten
18 18 22 22 24 26 26 28 31
32 32 36 39 41 57 58 58 60 61 63 65 65 65 69
70 70 72 73 74 75 76 77 77 78 80
83 84 85
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 12 van 113
1 INLEIDING De Bouwmeester Scan (hierna de Scan) is een nieuw katalyserend, verbindend en sturend instrument om ruimtelijke ontwikkelingen in de gewenste richting te sturen. Het is een methodiek waarbij op basis van een analyse van data en kaartmateriaal van het grondgebied van een gemeente, ruimtelijke en beleidsmatige ingrepen voorgesteld worden voor die gemeente. Het maakt de Vlaamse strategische ambitie op vlak van ruimte en klimaat concreet voor de lokale besturen. De resultaten van de scan worden samengevat in een rapport dat ter beschikking wordt gesteld aan de ingeschreven gemeenten en publiek gemaakt via de website van Team Vlaams Bouwmeester (Team Vlaams Bouwmeester, 2020). De Scan is een initiatief van Team Vlaams Bouwmeester (TVB), dat hiervoor een samenwerkingsovereenkomst heeft afgesloten met het Departement Omgeving (DO), de Vlaamse Landmaatschappij (VLM), het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB), de Vereniging van de Vlaamse Provincies (VVP), Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG) (Vlaams Bouwmeester, 2021). Voor de uitvoering van de scan wordt een beroep gedaan op 5 multidisciplinaire teams die zijn aangesteld via een raamovereenkomst. Na het ondertekenen van de samenwerkingsovereenkomst tussen de partners, werd in december 2017 een (eerste) oproep aan gemeenten gericht om zich kandidaat te stellen voor het uitvoeren van een Scan. In december 2018 werd er gestart met de voorstellingsrondes van de eindrapporten, waarbij het onderzoeksteam hun resultaat aan de betreffende gemeente voorstelden en er discussie gevoerd werd met al de aanwezigen, (stuurgroepleden, vertegenwoordigers van de gemeente en ev. Gecoro, ... en het onderzoeksteam). Eind 2019 werden 20 gemeentelijke scans afgerond en eind 2020 stond de teller op 41. De volgende 10 eindrapporten volgen in 2021. Tot op heden is 1.831.378 euro, exclusief btw, besteed aan de Bouwmeester Scan. Veruit het grootste deel van dat bedrag heeft betrekking op de kosten voor de scans in de gemeenten. De kosten worden door elke gemeente apart gefinancierd. Momenteel gaat het om 51 scans voor een totaalbedrag van 1.620.000 euro. Het verschil tussen die twee bedragen, namelijk 211.378 euro, wordt gedragen door de Vlaamse overheid, namelijk het Team Vlaams Bouwmeester (202.738 euro) en ANB (8.640 euro), en is verdeeld als volgt: 48.400 euro voor de vijf onderzoeksteams voor het uitwerken van een methodiek, 68.486 euro voor de drie externe deskundigen in de stuurgroep en 94.492 euro voor communicatie2. Het instrument zelf werd tussentijds geëvalueerd door de Universiteit Antwerpen (Coppens, 2019; Ilsbroekx, R., & Coppens, 2019) en op basis hiervan bijgestuurd. De hieronder beschreven evaluatie van de scan gaat dieper in op de impact van het instrument en de meerwaarde ervan voor het departement, het Team Vlaams Bouwmeester maar voornamelijk voor de gemeenten zelf. Op basis van deze evaluatie zullen de actueel geëngageerde partijen kunnen beslissen wat de opties zijn voor het al dan niet voortzetten van dit initiatief en indien nodig, welke bijsturingen er moeten gebeuren om het instrument verder te verfijnen.
2
Bron: berekeningen, Team Vlaams Bouwmeester (zie bijlage)
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 13 van 113
2 AANLEIDING EVALUATIE Het instrument was in de periode februari 2018 tot op heden voorwerp van negen parlementaire vragen, wat de belangstelstelling voor de Scan en diens resultaten aantoont. Naar aanleiding van het antwoord van de minister-president op VOU 265 van mevrouw C. Van Cauter en VOU 269 van de heer L. Ceyssens werd beslist om het instrument te evalueren. Het Departement Omgeving en Team Vlaams Bouwmeester voerden deze evaluatieopdracht uit in onderlinge samenwerking waarbij het trekkerschap bij het Departement Omgeving (evaluatiecel afdeling VPO) geplaatst werd. Het Departement Omgeving stelde hiervoor een plan van aanpak op in overleg met het Team Vlaams Bouwmeester, dat werd goedgekeurd door de directieraad van het Departement Omgeving. De uitvoeringstermijn van deze evaluatie bedroeg 11 maanden en de evaluatie vond plaats van december 2020 tot oktober 2021, rekening houdend met de aanstelling van de nieuwe Bouwmeester in juni 2020. Voor de directe opvolging van deze evaluatie is een dagelijks bestuur samengesteld. Dit bestaat uit personen werkzaam binnen het Departement Omgeving, afdelingen VPO, PBM en SID. André Loeckx (KUL) neemt deel aan het dagelijks bestuur als onafhankelijk expert. Naast een dagelijks bestuur, volgt ook een stuurgroep de evaluatie op. Deze is samengekomen ter bespreking van de interviewlijst (vragen en actoren) en ter bespreking van de resultaten. Deze groep is samengesteld door personen actief binnen de verschillende betrokken entiteiten (zie tabel). Uitvoering
Dagelijks bestuur
Dep. OMG, VPO
Helena Bieseman, Fatma Kamas, Karin Hahn
Dep. OMG, PBM
Ilse Van Roey, Geert Stichelbaut
Dep. OMG, SID
Sofie Troch
Dep. OMG, VPO
Ann Pisman
Onafhankelijk expert
André Loeckx (KUL)
Dep. OMG, VPO
Ivo Palmers (voorzitter), Ludo Vanongeval
Dep. OMG, GOP
Francis Beosiere, Koen Grootaert
Vlaamse Landmaatschappij Frans Pauwels Stuurgroep evaluatie
VVSG
Xavier Buijs
VVP
Tom De Bruyn
ANB
Liesbet Van Laer
TVB
Erik Wieërs, Mario Deputter
Kabinet Minister-President
Karen Vanalsenoy
Departement MOW
Peter Hofman
Departement L&V
Sam Van Vlierberghe
Dep. OMG, BJO
Kathelijne Toebak
Uitgenodigd voor stuurgroep KVS Kabinet Omgeving
Linda Boudry Gaëtane Maes
Tabel 1: samenstelling dagelijks bestuur en stuurgroep voor de opvolging van de evaluatie
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 14 van 113
3 SCOPE EN ONDERZOEKSMETHODIEK De hoofddoelstelling van deze evaluatie is om na te gaan hoe het instrument zinvol kan worden verdergezet en om te detecteren welke zaken er moeten worden bijgestuurd. M.a.w. moet er worden nagaan hoe, indien nodig, het instrument nuttiger kan worden gemaakt voor de verschillende actoren. De evaluatie van de scan gaat over de meerwaarde van het instrument voor initiatieven van Vlaamse overheden zoals het Departement Omgeving en overheden op andere bestuurslagen. Welke verbindende en stimulerende rol kan het instrument opnemen en wat zijn de opties voor beheer en verdere ontwikkeling van het instrument? Op basis van deze evaluatie zal worden beslist of en op welke manier gemeenten nog beroep kunnen doen op de Scan. In deze evaluatie wordt gekeken naar het verleden. De uitgevoerde scans worden onder de loep genomen en de deelnemende gemeenten en uitvoerders worden bevraagd naar hun ervaringen. De hoofdvraag van deze evaluatie wordt verder ingedeeld in volgende subvragen: -
Wat is de huidige scope van de scan? Wat is de link met de werking van het team van de Vlaams Bouwmeester3 en van het dep. Omgeving (beleids- en omgevingsscope)? Wat is de relatie (positie en meerwaarde) van de Scan t.o.v. andere instrumenten en planprocessen? Wat is de Inhoudelijke meerwaarde van de scan voor gemeenten/ Departement Omgeving/ Vlaams Bouwmeester? Wat is de outcome van de Scan? Wat is de doorwerking van de en wat is de invloed op het publiek debat over ruimtelijke ontwikkelingen?
Het evaluandum is het instrument Bouwmeester Scan en de daarbij horende Scans voor de 51 gemeenten, waarvan een selectie van 10 scans nader wordt bekeken bij de interviews en een selectie van 5 scans wordt verdiept bij de casestudy. Methodiek: Om bovenstaande onderzoeksvragen te beantwoorden werden verschillende onderzoeksmethoden gebruikt. Evaluatietype Methode Evaluatieluik Ex-post evaluatie Documentanalyse Informatie over het instrument, beleidsdocumenten, literatuur over het instrument
Casestudy: selectie van 5 scans 1 Wat werd in de scans niet scan per studiebureau. Revisie meegenomen? welke acties zitten vervat in de transitieagenda? door André Loeckx
3
Deze onderzoeksvraag werd initieel opgenomen in het plan van aanpak maar is intussen achterhaald doordat de VR heeft gekozen om de Bouwmeester Scan naar het Departement Omgeving over te hevelen op 15/10/2021.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 15 van 113
Enquête: zowel administratie als bestuur van deelnemende gemeenten + Gecoro’s
Ex-post evaluatie toekomstverkenning
+ Diepte-interviews interviews):
Eerste bevraging op hoofdlijnen naar de context van de gemeenten, ervaringen in werkwijze, naar uitkomst en vervolg van de scans
(+/-25 Verdieping
Studiebureaus (5): PosadMaxwan, Buur, Maat, PTA, BPL (Blauwdruk Stedenbouw, Palmbout Urban landscapes en LAMA landscape architects)
Doorwerking; hebben ze andere opdrachten gekregen van bepaalde gemeenten?
Groepsinterview deskundigen; Tom Coppens, Universiteit Antwerpen (UA), Philippe Vanwesenbeeck, Dienst Stedenbouw en Ruimtelijke Planning Stad Gent en Erik Grietens, Bond Beter Leefmilieu. (groepsinterview)
Vragen gerelateerd aan opzet van het instrument, lessons learned, aanpak van bouwmeester & blik op de toekomst
Gemeenten van geselecteerde Doorvragen op enquête scans (selectie van 10 scans op basis van relevante criteria: 2 per studiebureau en op basis van ontvankelijkheid binnen de gemeente). Interview met schepen en/of burgemeester en administratie
Dubbelinterview TVB: projectleider Bouwmeester Scan en vorige Bouwmeester
Vragen over ontstaan instrument, visie en toekomst
Tabel 2: overzicht onderzoeksmethoden
Documentanalyse Ter voorbereiding van het onderzoek werden verschillende beleidsdocumenten als literatuur doorgenomen, waaronder de handleiding en evaluatierapport opgeleverd door UA. Daarnaast werd de website gebruikt als informatiebron. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 16 van 113
Enquête Een online enquête met een mix van gesloten vragen (waarde van 1 tot 5: helemaal niet akkoord tot helemaal wel akkoord) en open vragen werd rondgestuurd naar alle gemeenten die deel hebben genomen aan de Bouwmeester Scan (vragenlijst in bijlage). Dit zowel naar gemeenten die reeds een scan hadden afgerond als diegene waar de scan nog lopende was. De enquête is gericht geweest naar zowel de administratie, bevoegde schepenen als de burgemeester. Bovendien werd de enquête ook uitgestuurd naar de Gecoro’s van de deelnemende gemeenten. We hebben 29 antwoorden mogen ontvangen van 24 verschillende gemeenten. Voornamelijk vanuit de administratie is de enquête ingevuld geweest, vervolgens door de bevoegde schepenen. Slechts 2 burgemeesters hebben de bevraging ingevuld. 1 respondent was onvoldoende betrokken bij de scan, de anderen waren voornamelijk zeer actief betrokken bij de scan. De respondenten hebben dus voldoende ervaring met de scan gehad om de vragenlijst correct in te vullen. De respondenten in de bevraging representeren een goede verdeling over de 5 uitvoerende studiebureaus en over beide oproepen. De enquête uitgestuurd naar de Gecoro’s werd beantwoord door Gecoro-leden van 5 verschillende gemeenten.
Figuur 1: respondenten van de enquête weergave per studiebureau en jaartal oproep
Casestudy Door het dagelijks bestuur werd een selectie gemaakt van 10 scans/gemeenten (en een 2-tal scans als reserve) om te gebruiken voor de casestudy en voor de interviews. De selectie vond plaats op basis van de uitvoerende studiebureau (2 per studiebureau) en afhankelijk van hoe de scans binnen de gemeente ontvangen werden en de mate van betrokkenheid van de gemeente bij de totstandkoming van de scan. Er werd getracht een breed beeld van cases te selecteren. ✓ Sint-Martens-Latem (PosadMaxwan) ✓ Halle (PosadMaxwan) ✓ Lommel (Buur) /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 17 van 113
✓ ✓ ✓ ✓
Tessenderlo (Buur) Torhout/Beersel (Maat-ontwerpers) Langemark – Poelkapelle (Maat-ontwerpers) Sint-Katelijne-Waver (Blauwdruk Stedenbouw, Palmbout Urban landscapes en LAMA landscape architects ) ✓ Ronse/Overijse (Blauwdruk Stedenbouw, Palmbout Urban landscapes en LAMA landscape architects ) ✓ Huldenberg (PTArchitecten) ✓ Temse (PTArchitecten)
Voor de casestudy werden er 5 van de 10 scans (aangeduid in het vet) gereviseerd door André Loeckx, emeritus hoogleraar van het Departement Architectuur, Stedenbouw en Ruimtelijke Ordening van de KU Leuven (zie hoofdstuk 7 Fout! Verwijzingsbron niet gevonden.).
Interviews In de periode mei – juni werden verschillende actoren geïnterviewd. In eerste instantie werden de gemeenten van de 10 geselecteerde scans (zie hierboven) geïnterviewd om door te vragen op hun antwoorden uit de enquête. Deze interviews bestonden uit groepsgesprekken met de betrokken ambtenaar en de schepen en/of burgemeester. Daarnaast hebben we interviews gehad met de 5 studiebureaus, de betrokkenen van het Team Vlaams Bouwmeester, zijnde de projectleider Mario Deputter en de voormalige Bouwmeester Leo Van Broeck alsook de experten Tom Coppens, Universiteit Antwerpen (UA), Philippe Vanwesenbeeck, Dienst Stedenbouw en Ruimtelijke Planning Stad Gent en Erik Grietens, Bond Beter Leefmilieu.
4 DE BOUWMEESTER SCAN ALS VERNIEUWEND RUIMTELIJK INSTRUMENT 4.1 EEN SCAN NAAR ANALOGIE MET EEN DOKTERSBEZOEK 4.1.1 Wat is de Scan? De Bouwmeester Scan is een nieuwe tool in 2018 ontwikkeld door het Team Vlaams Bouwmeester. De Scan is bedoeld voor lokale besturen (uitgezonderd centrumsteden) die werk willen maken van een duurzamer ruimtegebruik geënt op de Vlaamse visie inzake ruimte en klimaat. De Bouwmeester Scan brengt het grondgebied van de gemeente in kaart aan de hand van een reeks onderzoeksvragen. Met de scan wil men de gemeenten bijstaan in de transitie naar een aangenamere, gezondere, beter uitgeruste en meer inclusieve leefomgeving, gekoppeld aan een betere mobiliteit en aan een zorgzamere en duurzamere omgang met het leefmilieu en met natuurlijke hulpbronnen (Vlaams Bouwmeester, 2021).
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 18 van 113
De Scan heeft aandacht voor verdichting en kernversterking, de versterking en uitbreiding van groenblauwe netwerken, de creatie van groengebieden met verhoogde ecologische waarde, een beter samenspel tussen open ruimte en verstedelijking, systeemdenken, een veel betere continuïteit van ecologische netwerken en landschapsstructuren in een samenhangend geheel, collectieve woonmodellen, warmtenetten, een mobiliteit die inzet op voetgangers, fietsers, openbaar vervoer en autodelen. Aansluitend wordt de vraag gesteld hoe de gemeente een regisseursrol kan opnemen om publieke en private ontwikkelingen in de gewenste richting te sturen en welke knelpunten en kansen er liggen in beleid en regelgeving. Naar analogie met een dokter die een diagnose stelt, wordt er gewerkt met een multidisciplinair team van deskundigen die als een soort van ‘dokter” eerst een diagnose stelt over de ruimtelijke toestand van het gebied op het vlak van ontwikkelingsknopen, verdichting, te versterken kernen, open ruimte en mobiliteit. Vervolgens worden de instrumenten die de ruimtelijke ontwikkeling in het gebied sturen onder de loep genomen. Na een brede ruimtelijke verkenning worden deze in de scan geclusterd rond vier thema’s: 1. Dichtheid en kernversterking 2. Open ruimte 3. Mobiliteit 4. Regelgeving en publiek ondernemerschap (Vlaams Bouwmeester, 2021). Het instrument ‘de Bouwmeester Scan’ hanteert een nieuwe manier van werken waarbij maatschappelijke uitdagingen voor lokale besturen op een integrale wijze aangepakt worden. Het vernieuwende aan dit instrument is de procesbegeleiding die men biedt aan gemeenten om eerste stappen te zetten richting een duurzamer ruimtegebruik. Op basis van data en indicatoren, analyse en concrete voorstellen wil het Team Vlaams Bouwmeester, samen met partners uit de samenwerkingsovereenkomst (zie verder) lokaal engagement en visieontwikkeling stimuleren en helpen draagvlak te creëren voor ruimtelijke transitie. De effectieve uitvoering of realisatie ervan is wegens de korte looptijd van de scan niet haalbaar en maakt ook geen deel uit van de opzet van het instrument. Het onafhankelijk experten advies dient eerder als een start om burgers te informeren en participatie te activeren (intern document Vlaamse Overheid, 2019). De Bouwmeester Scan mikt erop welwillende bestuurders de nodige armslag te bieden om samen met overtuigde burgers en ondernemers de verandering in ieders voordeel om te buigen (Team Vlaams Bouwmeester, 2020) .
Figuur 2: Het proces van de Bouwmeester Scan. Bron: intern document Vlaamse Overheid (2019)
De experten van de onderzoeksteams maken de scan onafhankelijk op en de stuurgroep zorgt voor inhoudelijke, wetenschappelijke en beleidsmatige kwaliteit van de Bouwmeester Scan en verleent /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 19 van 113
advies bij de te nemen beslissingen. De eerste reeks scans zijn gestart in het najaar 2018 en de tweede reeks in 2019/2020. De Bouwmeester Scan start met een ruimtelijke verkenning van het gebied in zijn ruimere context. Het doel is inzicht te bieden in de biotische en abiotische kenmerken van het gebied, in het menselijke nederzettingspatroon en in het globaal mobiliteitsnetwerk. Aansluitend worden alle belangrijke recent gestarte en op te starten bouwprojecten, het vastgoed in eigendom van de lokale openbare besturen en de ruimtelijke vragen of problemen van de opdrachtgever opgelijst en in kaart gebracht. Vervolgens wordt een ‘macroscan’ uitgevoerd aan de hand van het VITO onderzoek ‘Ontwikkelingskansen op basis van knooppuntwaarde en nabijheid voorzieningen’. Het resultaat is een eerste onderverdeling van het gebied in zones met ontwikkelingskansen voor meer dichtheid en kernversterking en zones met ontwikkelingskansen voor meer open ruimte (Vlaams Bouwmeester, 2021) Deze zones worden vervolgens geanalyseerd op mesoniveau, aan de hand van drie pijlers: dichtheid en kernversterking, open ruimte en mobiliteit. De keuze voor deze thema’s is omdat ze met elkaar verbonden zijn in een systeem, waardoor ingrepen in één domein kansen creëren in een ander. Zo kan bv. verdichting in een dorpskern open ruimte creëren in het buitengebied en kan openbaar vervoer efficiënter georganiseerd worden. Bij uitbreiding bestaat er binnen elk hoofdthema een logisch verband tussen de onderliggende thema’s. Zo bestaat er op het vlak van verdichting en kernversterking een direct verband tussen de werkgelegenheid, het aantal woonentiteiten, de rendabiliteit van de sociaal-culturele infrastructuur, de kansen voor het handelsapparaat en de inrichting van de publieke ruimte. Wat de open ruimte betreft zijn landbouw, natuur en recreatie met elkaar verbonden. Zo kan schapenhouderij ook een functie krijgen bij natuurbeleving en natuurbeheer. Inzake mobiliteit kan een goede fietsinfrastructuur ervoor zorgen dat de fiets als efficiënter vervoersmiddel in een stedelijke context kan worden ingezet voor een snelle doorstroming. Bij de eerste bespreking met de onderzoeksteams werd energie nog als bijkomende ruimtelijke thema toegevoegd (Vlaams Bouwmeester, 2021). In het laatste overkoepelende thema ‘regelgeving en publiek ondernemerschap’ worden de instrumenten voor sturing van de ruimtelijke ontwikkeling in het gebied onder de loep genomen in functie van de creatie van open ruimte, verdichting en kernversterking en een aangepaste mobiliteit. Hierbij gaat de aandacht naar de noodzakelijke relaties tussen de private en publieke actoren in het kader van de beoogde ruimtelijke transitie en naar de capaciteit van het openbaar bestuur op vlak van sturing en evaluatie van ruimtelijke kwaliteit (Vlaams Bouwmeester, 2021). Tot slot wordt een agenda voor ruimtelijke transitie opgesteld mét een overzicht van concrete projecten zoals sloop- en bouwopdrachten en ontwerp- en studieopgaven en beleidsmatige ingrepen die cruciaal zijn voor de transitie naar duurzamer en beter ruimtegebruik (transitieagenda). De aandacht gaat hierbij in het bijzonder naar de link tussen het ruimtegebruik en de uitdagingen in het kader van de huidige klimaat- en energiecrisis. De prioriteiten in de transitieagenda worden bepaald aan de hand van drie criteria: De bijdrage aan het behalen van klimaatdoelstellingen, de sociaal-maatschappelijke winsten en de financiële impact (Vlaams Bouwmeester, 2021). De workflow van de Bouwmeester Scan bestaat uit 5 fasen en is er gekomen in samenwerking met de onderzoeksteams. Bij de start was er geen vaste aanpak, deze is al doende opgemaakt geweest. Naderhand zijn er geleidelijk aan nieuwe elementen toegevoegd zoals het plaatsbezoek, de atlas, de reviewers, waardoor er niet voor elke scan exact hetzelfde traject doorlopen is geweest. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 20 van 113
• • • • •
Opmaak diagnose en ambitie Opmaak transitieagenda Review en eindredactie Discussie in Atelier Ruimte Communicatie4 en na-traject5
Na de selectie van de onderzoeksteams was er overleg over de opbouw van de scans. De onderzoeksteams bestaande uit verschillende studiebureaus vonden dezelfde insteek belangrijk en zo werden er samen tools ontwikkeld. In de eerste drie fasen wordt het rapport opgemaakt. Dit rapport bevat steeds dezelfde vier hoofdstukken: • • • •
Verkenning, Diagnose, Ambitie en Transitieagenda.
Het onderzoeksteam presenteert het eindrapport in het Atelier BWMSTR dat voor de gelegenheid wordt omgedoopt tot ‘Atelier Ruimte’, een forum voor debat over ruimtelijke transitie. Bij deze eindpresentatie is de stuurgroep als ook vertegenwoordigers van de gemeenten aanwezig. De onderzoeksteams gaven in de interviews aan dat het ook boeiend zou zijn geweest, had er na verloop van het uitvoeren van de verschillende scans nog een workshop met alle studiebureaus geweest. Dit om de ervaringen te bespreken. Helaas was hier onvoldoende budget voor. Gemeenten die een scan laten uitvoeren, krijgen als resultaat een rapport over sterkten en zwakten op ruimtelijk en beleidsmatig vlak, bepaald op basis van een kwantitatieve en een kwalitatieve evaluatie. Voor de kwantitatieve evaluatie worden beschikbare cijfergegevens zoals het inwonersaantal, het ruimtebeslag of de bebouwingsdichtheid verzameld. Via kwantitatieve modellen en aan de hand van beschikbare variabelen worden bepaalde effecten geëxpliciteerd of voorspeld, bijvoorbeeld over de relatie tussen het inwonersaantal en het voorzieningsniveau. Voor elk thema worden de relevante achterliggende gegevens en de evaluatie maximaal gevisualiseerd via diagrammen, schema’s, kaarten etc. Het gaat bijvoorbeeld over het overzicht van onderbenutte verkavelingen, de verdichtingsopties, etc. De kwalitatieve evaluatie betreft onder meer aspecten die te maken hebben met functies en gebruik. Zo kan men kwantitatief vaststellen dat er voldoende publieke ruimte is, maar vervult ze wel haar functie en wordt ze door gebruikers op een succesvolle manier toegeëigend? Op basis van deze evaluatie worden besluiten geformuleerd (Vlaams Bouwmeester, 2021). Na de voorstelling van het eindrapport adviseert de stuurgroep de gemeente steeds om op basis van het eindrapport het debat in de gemeente op te starten en samen te werken met de changemakers en innovators binnen en buiten de gemeente (Team Vlaams Bouwmeester, 2020). De Bouwmeester Scan wordt gekenmerkt door: ✓ Wel agendering (gemeenten wakker schudden, maar impact op LT onduidelijk); ✓ Niet burgercollectieven (enkel lokale besturen); 4
In functie van de communicatie kunnen de onderzoeksteams betalend gevraagd worden. Uit de handleiding die UA opstelde na de evaluatie van het proces werden een aantal voorstellen naar voor geschoven. Deze voo rstellen werden systematisch ingevoerd. Sommige voorstellen werden enkel als test ingevoerd zoals bv. de peer reviewers en de atlas. Voor andere zoals het na-traject voor lokale overheden, ontbraken de financiële middelen. Het na-traject voor hogere overheden werd wel opgestart met de nota van UA met een eerste overzicht van knelpunten bij het in de praktijk brengen van de transitie (R. Ilsbroekx, Coppens, & Deputter, 2019). 5
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 21 van 113
✓ ✓ ✓ ✓ ✓ ✓
Wel proactief (algemene scan van de gemeente); Wel visie op gebied (& agenda van projecten); Niet ‘convenant’ (Bouwmeester Scan bevat actieplan, maar geen enkel engagement); Versnelling (wel verhogen kwaliteit); Niet financiering; Oproep naar gemeenten en onderzoeksteams (intern document Vlaamse Overheid, 2019).
4.1.2 Waarvoor dient de Scan? Op de website van de Bouwmeester Scan is duidelijk omschreven wat de doelstellingen van de scan (kunnen) zijn. De diagnose kan dienen als een eerste stap naar een Gemeentelijk Ruimtelijk Beleidsplan (GRB). Ze kan ook gebruikt worden om bestaande beleidsinstrumenten zoals een gemeentelijke verordening, een RUP of een verkavelingsvergunning bij te sturen of als grondlegger dienen om nieuwe instrumenten te ontwikkelen. De diagnose biedt eveneens een kader voor het uitwerken van masterplannen en voor het nemen van beslissingen over waar beter wel en waar beter niet gebouwd wordt . De diagnose zal ook uitwijzen of de gemeente voldoende slagkracht heeft om de ruimtelijke transitie in de praktijk te brengen, door te peilen naar de capaciteit van de gemeente als procesregisseur en als initiator van ruimtelijke kwaliteit. Het eindrapport geeft eveneens een overzicht van concrete sloop- en bouwprojecten, infrastructuurprojecten of landschappelijke ingrepen die op korte of op langere termijn kunnen worden gerealiseerd en die model staan voor het nieuwe ruimtelijk beleid, dat onder meer de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen vooropstelt. Tot slot worden aanzetten gegeven voor mogelijke engagementen en acties in het kader van mogelijke Green Deals met de Vlaamse overheid en andere partners. Samengevat tracht de Bouwmeester Scan te leiden naar concrete projecten en beleidsmatige ingrepen die bijdragen tot drie doelen: het behalen van onze klimaatdoelstellingen, de transitie naar een ruimtelijk model dat kostenefficiënt is en het realiseren van brede sociaal-maatschappelijke winsten (Vlaams Bouwmeester, 2021).
4.1.3 Beoordeling opbouw scan Onderstaande figuur geeft de antwoorden weer van de perceptie van de gemeenten over de opbouw van de Scan.
Figuur 3: vraag uit de enquête “hoe vond u de opbouw van de Scan?” gericht naar gemeenten, waarbij 1 staat voor “helemaal niet logisch opgebouwd” en 5 voor “zeer duidelijk met een heldere structuur”.
De meerderheid van de respondenten geven aan dat de Scan duidelijk was opgebouwd en een heldere structuur had. Het gemiddelde bij de tweede oproep ligt een beetje lager. De terugkerende /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 22 van 113
opbouw in elke scan zorgt er voor dat de structuur herkenbaar is en dat gemeenten eenvoudig naar de scan van andere gemeenten kunnen kijken, maar ook dat de opbouw voor de stuurgroep te vergelijken valt en zo eenvoudig te beoordelen/ bij te sturen is. Uit de gesprekken met gemeenten is wel gebleken dat gemeenten hun scans niet veel vergelijken met andere scans. Vooral bij de opstart werd er wel eens gekeken naar andere scans om een beeld te vormen van wat ze konden verwachten, maar de diagnose en transitie-agenda van een gemeente werden niet zozeer vergeleken met die van andere gemeenten. Dit omwille van tijdsgebrek of omwille dat ook in de andere scans geen concrete oplossingen zouden staan voor eigen problemen. Het vast patroon waarop de scan tot stand komt (beperkte doorlooptijd, raamcontract, contacten via TVB,…) kon de meeste respondenten ook tevreden stellen (zie figuur 4).
Figuur 4: vraag uit de enquête “de manier waarop de Bouwmeester Scan tot stand komt, kenmerkt zich door een vast patroon (beperkte looptijd van 6 maanden, raamcontract.. onderzoeksteam via TVB..) wat vond u hiervan?” gericht naar gemeenten , waarbij 1 staat voor “helemaal niet tevreden over” en 5 voor “zeer tevreden over”.
Uit de interviews kregen we nog bijkomende informatie over het proces. Er kwam vooral naar boven dat de timing toch wat krap was en het niet evident was om op korte termijn alle informatie aan te leveren aan de studiebureaus. Soms vonden de gemeenten ook niet alle input die ze aanleverden terug in het rapport, andere gemeenten gaven dan weer aan dat er weinig input werd gevraagd van hen maar ze toch de indruk hadden dat het studiebureau de gemeente goed kende en de rapportering vrij accuraat was. In sommige gevallen stonden er nog een aantal foutjes in het rapport, dit kan volgens de gemeenten voorkomen worden door meer tijd te voorzien voor nazicht. De studiebureaus hebben een uiteenlopende mening over de opbouw en het werken met een vast format. De ene stelde het nut ervan in vraag en meent dat de structuur voor de gemeenten niet veel uitmaakt en dat het doel het voornaamste is en niet het format. Anderen geven dan weer aan dat er wel best hetzelfde format gebruikt wordt omdat je dan makkelijker data kan combineren; digitale analyses, vergelijkingen per provincie/grootsteden, klikken en bewerken. Het is makkelijker om op die manier ook voort te bouwen op een voorgaande scan. Je kan het voor alle gemeenten gebruiken en de methodiek is passend voor de scope van de scan. Ze zien ook mogelijkheden voor automatisatie wat dan weer zou leiden tot meer efficiëntie. De studiebureaus geven in de interviews aan dat het TVB heel hard geprobeerd heeft een uniforme werkwijze door te drukken. Een studiebureau geeft aan dat ze die niet (strikt) hebben gevolgd omdat zij meenden dat elke gemeente anders is. De diagnose hebben ze wel op dezelfde manier opgebouwd. Ze zijn dieper ingegaan op de zaken waar de gemeente het meest mee vooruit kwam. Gezien er geen tijd was om alles te onderzoeken, was het noodzakelijk een selectie van onderwerpen te maken. Extra thema’s konden wel nog aangebracht worden. Een ander bureau gaf aan de methodiek vrij goed te hebben kunnen toepassen, ze hebben getracht zo grondig mogelijk een beeld te vormen van de gemeente. Hiervoor /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 23 van 113
lieten zij een informatieve fietstocht organiseren door de gemeente zodat zij een beeld kregen van wat de gemeente belangrijk vond. Het was een efficiënte manier om elkaar te leren kennen. Andere studiebureaus verkozen een andere manier om zich in te werken in de gemeente, bijvoorbeeld via de organisatie van een eerste verkennende workshop met de administratie en politiek. Nog een ander studiebureau paste een top-down methodiek toe geënt op het idee van een audit. Ze hadden ook een zelfscan gemaakt rond vijf thema’s. Gemeenten moesten antwoorden en input geven. Op die manier kon er ook toegewerkt worden richting meer bewustwording. Een minpunt van de scan is volgens een studiebureau het feit dat er geen participatieve inbreng vanuit de burgers mogelijk was. Een grote kracht daarentegen ligt in de snelheid en het feit dat verschillende thema’s tegelijk aan bod komen en geïntegreerd worden behandeld. Doorgaans werd de methodiek dus aangehouden, maar werd de studiebureaus gedwongen algemeen te blijven voor bepaalde thema’s wegens tijdsgebrek. In latere scans werd er dan gekozen om meer in de diepte te gaan voor een selectie van thema’s voor een aantal gemeenten. Soms werden alle thema’s wel oppervlakkig opgenomen en werd er meer focus gebracht in de ambities.
4.1.4 Beoordeling thema’s in de scan Wanneer we de gemeenten in de enquête bevragen naar de keuze van de behandelde thema’s, wordt de inhoudelijke samenhang van de verschillende onderdelen binnen de scan door de meerderheid van de respondenten positief beoordeeld. Thematieken die meer uitgewerkt mochten worden, waren deze die dieper ingingen op de knelpunten binnen het transitietraject zoals het juridisch kader en instrumentarium of thema’s die meer het economische beleid (retail in kernwinkelgebied) of demografie bespraken. Volgens een gemeente is de scan zeer stedelijk opgevat. De landelijke woonzones/wijken zijn er niet in opgenomen. Anderen geven aan dat bijvoorbeeld landbouw te veel aan bod kwam. Vooral wanneer er een specifiek probleem is voor een gemeente zoals bijvoorbeeld rond lokale handel bestaan er verwachtingen dat ze in de Scan antwoorden zullen krijgen. Zo gaf een gemeente aan teleurgesteld te zijn dat economie en ondernemen niet opgenomen werd, niettegenstaande ze dit bij aanvang duidelijk gevraagd hebben aan het studiebureau. Volgens hen werd de scope bij aanvang niet duidelijk gecommuniceerd en wisten ze niet wat er wel of niet tot de scope behoorde. Uit de interviews horen we verschillende stemmen vanuit de gemeenten over de thematieken. Voor een bepaalde gemeente waren er geen ontbrekende thema’s, de behandelde thema’s volstaan voor hen. Ze vonden het goed dat alles eens samen werd bekeken. Een andere gemeente zegt dan weer dat het beter was geweest, had men minder breed gegaan en bepaalde thema’s had aangehaald die dichter bij hen aansluiten, zoals bv. zonevreemde sites. Nu vinden ze de scan eerder een voorbereiding op een structuurplan, terwijl een voorbereiding op een paar beleidskaders volgens hen misschien beter was geweest. De gemeente denkt dat er dan wellicht minder controverse zou geweest zijn en kon er meer verdieping zijn in de workshops. Een andere gemeente gaf aan dat zowel zij als het studiebureau het gevoel hadden dat er niet dieper kon ingegaan worden op bepaalde zaken. Het studiebureau liep tegen budgettaire limieten aan. Voor nog een andere gemeente bestaat de perceptie dat het document te lijvig en te uitgebreid is en de Scan dan wellicht niet zal worden gelezen door bv. de gemeenteraad. De thema’s rond duurzaamheid en energie konden naast de klassieke thema’s de gemeenten wel bekoren. Het thema klimaat kon soms confronterend zijn voor de gemeenten en zet er hen toe aan om te werken rond het klimaataspect. Een bepaalde gemeente gaf wel aan dat ze slechts matig enthousiast waren over de resultaten voor Energie en Klimaat gezien ze hogere verwachtingen hadden. De diagnose liet hen wel toe om een stap vooruit te zetten in een strategisch project dat /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 24 van 113
ook in de Scan werd opgenomen. Een andere gemeente gaf aan dat het luik rond energie niet op maat van een landelijke gemeente was uitgewerkt (vb. voorstel voor warmtenetten is meer op een stad gericht). Deze gemeente loopt op beperkingen aan op vlak van windenergie (nabijheid van de luchthaven (veiligheid), speciale beschermingszones en VEN-gebieden). Ze vonden dat het technische aspect in de scan niet zo goed was uitgewerkt. Voor het thema mobiliteit waren er voor een bepaalde gemeente enkele vernieuwende ideeën, al was er o.a. een voorstel voor trajectcontrole die op een gewestweg zou komen. Dan gaat het niet langer meer om lokale maar Vlaamse materie. Voor de thema’s landbouw en circulaire economie geeft een gemeente aan dat ze er nog niet veel mee hebben gedaan omdat het te oppervlakkig en te algemeen was. De voorstellen waren niet meteen iets waar iedereen van overtuigd was om op in te zetten. Dat heeft volgens de bevraagden ook te maken met het feit dat niet alle diensten van de gemeente bij de Bouwmeester Scan betrokken waren. In een ander gemeente ontbreekt dan weer het toeristisch aspect. Al geven ze wel aan dat dat eerder op regionale schaal moet bekeken worden (Limburg is een toeristische regio). Het zou wel leuk zijn om dat bv. in een annex op te nemen en dan bepaalde deelaspecten per gemeente selecteren. De studiebureaus geven aan dat elke gemeente input wilde over het thema verdichting. Energie en open ruimte daarentegen kwam aan bod omdat zij als studiebureau erover wilden praten. Ze hadden de indruk dat dit veel minder op de agenda van gemeenten stond. Het thema energie is heel specifiek en vereist heel veel technische kennis, maar veel studies zijn er niet over beschikbaar. De vraag was dan soms ook in hoeverre dit dan een toegevoegde waarde was. Het was voor hen moeilijk uitspraken te doen die ze nauwelijks konden onderbouwen. Hetzelfde geldt voor landbouw; volgens de studiebureaus is er nog weinig geweten over hoe de verduurzaming van de landbouw tot stand kan komen en dan is het moeilijk om daarin te sturen. Een suggestie is om beter met de lokale boeren te bekijken wat realistisch is en zo bewustmaking te creëren. Soms hadden de studiebureaus de indruk dat sommige gemeenten van de eerste reeks een soort van boodschappenlijstje op allerlei schaalniveaus hadden. Zo gaf een studiebureau aan dat ze in de eerste scans bijvoorbeeld wel dingen gedaan hadden die niet in de scan horen, naar latere scans toe konden ze beter inschatten wat ze wel konden en moesten doen. Voor de studiebureaus was het uiteindelijk ook een leertraject en zoektocht naar de beste manier van werken en wat de beste rol is die ze t.o.v. de gemeenten konden aannemen. Doordat zij door de gemeente worden betaald, vonden ze het moeilijk zich steeds volledig onafhankelijk op te stellen en kordaat te antwoorden op dat bepaalde vragen of verwachtingen die een gemeente had die niet binnen de opdracht passen. Bij bepaalde gemeenten merkten ze ook de lokale spanningen als ze workshops organiseerden. Dit bijvoorbeeld waar de administratie zich wat eenzijdig hield als er een schepen of burgemeester aanwezig was. Door tijdsgebrek en gebrek aan budget konden de studiebureaus niet alle specifieke vragen van gemeenten beantwoorden, dat was ook niet het doel van de scan. Ze hebben getracht er in de transitieagenda kort naar te verwijzen. De transitieagenda kan dan ook gezien worden als een soort van bestek voor studies die kunnen uitgevoerd worden voor bepaalde strategische programma’s. Het feit dat er keuzes werden gemaakt in thematieken hielp de studiebureaus ook om focus te /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 25 van 113
leggen en een agenda te bepalen voor gemeenten. Het is wel zo dat gemeenten vaak de diagnose en analyse interessanter vonden dan de transitieagenda omdat er daar veel meer thema’s worden aangestipt, (hoofdthema’s en sub thema’s). Soms kreeg het studiebureau de kritiek uit de stuurgroep dat er informatie ontbreekt omdat ze een bepaald thema hebben laten vallen. In hun ogen is dit onvermijdelijk gezien het beperkte budget en timing.
4.2 SITUERING IN HET BELEID In juni 2015 keurde de Vlaamse Regering de conceptnota over het vernieuwd bouwmeesterschap goed. De Bouwmeester Scan sluit aan bij één van de kerntaken van de bouwmeester die bestaat uit het actief bijdragen aan visievorming en reflectie, resulterend in beleidsadvies en initiatieven omtrent maatschappelijke uitdagingen en hun implicaties en mogelijkheden op het vlak van kwaliteitsvol ontwerpen en bouwen. De Bouwmeester Scan werd in 2017 ontwikkeld in uitvoering van het Meerjarenprogramma 20172020 van de Vlaams Bouwmeester dat door de Vlaamse Regering werd goedgekeurd met als titel ‘Ruimte maken voor mens en natuur’. De Scan laat toe om het grondgebied van de deelnemende gemeenten snel door te lichten en te meten in hoeverre hun huidige ruimtegebruik en gevoerde beleid voldoet aan de doelstellingen van het witboek, het finale Beleidsplan Ruimte Vlaanderen en het Meerjarenprogramma 2017-2020.
4.2.1 Een gemeentelijke scan om Vlaamse doelstellingen te vertalen De Scan beoogt de ontwikkeling van een concrete agenda van projecten en beleidsmatige ingrepen, voor de transitie naar een aangenamere, gezondere, beter uitgeruste en meer inclusieve leefomgeving, gekoppeld aan een zorgzamere en duurzamere omgang met ons leefmilieu en met natuurlijke hulpbronnen.’(Vlaams Bouwmeester, 2017) De scan kan men plaatsen binnen de uitdagingen waar Vlaanderen en de Vlaamse gemeenten voor staan (Vlaams Bouwmeester, 2021). Steden en gemeenten staan voor een grote ruimtelijke opgave. De Vlaams Bouwmeester ziet dan ook een belangrijk deel van de oplossing in het vrijwaren en creëren van open ruimte, het maximaal benutten van de gebruikte ruimte, de ontwikkeling van nieuwe en betaalbare woonvormen, de zorgzame omgang met erfgoed en een efficiëntere mobiliteit. Dit vereist ook publiek ondernemerschap en een toekomstbestendig wetgevend kader, omdat innovatie slechts mogelijk is via participatie en collectiviteit (Vlaams Bouwmeester, 2021). De scan was oorspronkelijk niet opgenomen in de visie van de Bouwmeester. Enkel de ondersteuning van gemeenten behoorde tot een kerntaak van de Bouwmeester. De ontwikkeling van het instrument is er gekomen tijdens de roadshow en gesprekken die de Bouwmeester heeft gevoerd tijdens zijn mandaat. Het was verwonderlijk hoe weinig gemeenten en steden inzicht en kennis hadden in hun eigen grondgebied. Zo bleek er veel vraag te zijn naar het samenvoegen van GIS-data, wat de scan doet. De eerste scans kunnen we situeren in de eerste fase van de ruimtelijke transitie in Vlaanderen en waren bedoeld om nieuwe ideeën op de agenda proberen te krijgen en om debat op gang te brengen en mensen te overtuigen. Uit de bevraging van het TVB bleek ook dat er bij de start het idee was dat er meteen concrete projecten uit de scans gingen komen, maar daar blijkt op dit moment niet genoeg draagvlak voor te zijn binnen de gemeenten. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 26 van 113
De bestaansreden van de scan ligt in de samenwerking tussen de verschillende publieke partners. Deze samenwerking is noodzakelijk omdat ‘systeemdenken’ aan de basis ligt van de scanmethodiek. De scan wil komen tot duurzame ingrepen door bewust verbanden te leggen tussen de bouwstenen van onze ruimtelijke ontwikkeling zoals ecosysteemdiensten, mobiliteit, voedselproductie, inwonersaantallen en dichtheden. Het instrument zet vanuit de vaststellingen op het terrein in op de ontkokering van sectoren en de cross-functionele samenwerking tussen publieke partners in de verschillende bestuurslagen. De scan vertrekt vanuit de stelling dat enkel reeds door een betere onderlinge afstemming, geplaatst binnen een lange termijn perspectief, grote efficiëntiewinsten kunnen geboekt worden(bron: Mario, TVB). Een interessant voorbeeld hiervan zijn de richtwaarden in de scan (in onderzoek) die gebaseerd zijn op de studie van DO over het monetariseren van urban sprawl (Vlaams Bouwmeester, 2019). De resultaten van de studie vinden via de scan onmiddellijk hun weg naar de praktijk. Via de scan wordt theoretisch onderzoek plots praktijkgericht onderzoek. Zo is in de scan van Temse een concrete uitwerking te vinden rond Urban Sprawl. Aansluitend stelt zich de vraag of de scan voor de verschillende Vlaamse overheden ook kan bijdragen aan een éénduidige adviesverlening. Het rapport voor de gemeente Ronse is in dit verband een nuttig voorbeeld. De heraanleg van de N60 werd plots in een veel breder perspectief van ruimtelijke ontwikkeling geplaatst (Team Vlaams Bouwmeester, 2020). De scan is bedoeld om Vlaamse doelstellingen inzake duurzaam ruimtegebruik door te vertalen en concreet te maken op gemeentelijk niveau. In de enquête is gepolst in welke mate dit lukte.
Figuur 5: vraag uit de enquête “de Scan is bedoeld om Vlaamse doelstellingen inzake duurzaam ruimtegebruik door te vertalen en concreet te maken op gemeentelijk niveau. In hoeverre vindt u dat de Scan hierin geslaagd is?” gericht naar gemeenten, waarbij 1 staat voor “Nee, de Scan slaagt er niet in om de doelstellingen concreet te vertalen voor onze gemeente” en 5 voor “Ja, de Scan draagt zeker bij in het concreet maken van de Vlaamse doelstellingen voor onze gemeente”.
Voor enkele respondenten slaagt de scan er zeker in om de Vlaamse doelstellingen voor hun gemeente inzichtelijk te maken. Tegelijkertijd zijn er ook enkele respondenten die vinden dat de scan hier niet of weinig in slaagt voor hun gemeente. Uit de enquête komt ook naar boven dat het Vlaams niveau zeker kan leren van de lokale scans, uit de bottom-up werking. Zo bijvoorbeeld over de belemmeringen bij het uitwerken van lokale ruimtelijke visies, inzicht in de problematieken van juridisch instrumentarium, uit de toepassing van ideeën die aan de praktijk getoetst worden en zo los komen van de theoretische modellen. Echter ontbreekt het lokale besturen aan wetgeving of autonomie om echt tussen te komen in ruimtelijke ordening en de vooropgestelde visies. Gemeenten vinden het spijtig dat Vlaanderen hier te veel vrijheid geeft. Het bewerkstelligen van bijvoorbeeld de bouwshift heeft nood aan betaalbare en vlotte instrumenten, met duidelijke en harde cijfers.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 27 van 113
4.2.2 Positie Scan in ruimtelijk instrumentarium In een intern document opgemaakt voor de Vlaamse Overheid werden de instrumenten die gehanteerd worden door VLM, TVB, Dept. OMG en stedenbeleid gepositioneerd volgens vijf opeenvolgende fasen: strategische verkenning, visievorming, planvorming, planuitwerking en realisatie. De bouwmeester Scan bevindt zich volgens deze studie in de eerste fase, de strategische verkenning (Team Vlaams Bouwmeester, 2020). In principe kan de scan in elk stadium van het proces uitgevoerd worden maar is divers en afhankelijk van de gemeente. Vaak was het bedoeld als beleidsvoorbereidend onderzoek, voorafgaand aan bv. de opmaak Beleidsplan Ruimte (intern document Vlaamse Overheid, 2019). Dit schema verduidelijkt dat er een ‘lacune’ zit in de begeleiding van de fases ‘visie- en planvorming’ voor lokale projecten: de Bouwmeester Scan is een strategische verkenning, de Open Oproep begeleidt planuitwerking, maar de twee tussenliggende fases worden niet ondersteund. Bij de opstart van de Bouwmeester Scan was er de veronderstelling dat deze scan projecten zou opleveren voor de Open Oproep. Dit gebeurt echter niet. Er is dus inderdaad een ‘gap’ tussen de Bouwmeester Scan en planvormende en planuitwerkende instrumenten binnen de bouwmeester. De Pilootprojecten dekken deze fases wel af, maar dit zijn slechts tijdelijke instrumenten met een thematische en hierdoor iets meer beperkte inzet.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 28 van 113
Figuur 6: Ruimtelijke instrumenten van VLM, Departement Omgeving en TVB gerangschikt volgens de vijf ruimtelijke fasen, bron: intern document Vlaamse Overheid (2019)
Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan
pagina 29 van 113
Uit de bevraging van de deelnemende gemeenten komt dat ook hier het instrument niet zuiver als strategische verkenning wordt gezien.
Figuur 7: vraag uit de enquête “binnen welke fase(s) van de ruimtelijke beleidsvorming sluit het instrument voor uw gemeente het beste aan?” gericht naar gemeenten.
Voor bijna de helft van de respondenten sluit het instrument van de Bouwmeester Scan het best aan bij visievorming, gevolgd door een 31% van de gemeenten die het instrument eerder zagen bij de strategische verkenning binnen hun gemeente, 10% ziet het instrument als planvorming. Uit de gesprekken blijkt dat vele gemeenten zich hebben kandidaat gesteld voor de scan met de opmaak van een nieuw beleidsplan in het achterhoofd. Gestuurd door verschillende verwachtingen formuleert de scan dan ook voldoende visie of quick-wins. Uit de enquête blijkt ook dat een merendeel van de respondenten de scan als verbredend instrument ziet en niet als zeer sectoraal ruimtelijk gebruik.
Figuur 8: vraag uit de enquête “bleek de scan het gewenste ‘instrument’ t.o.v. andere reeds bestaande instrumenten en planprocessen (bijvoorbeeld het gemeentelijk beleid.. en plannen zoals gemeentelijk mobiliteitsplan,..)?” gericht naar gemeenten , waarbij 1 staat voor “Nee, de Scan was voor ons geen meerwaarde” en 5 “Ja, de Scan biedt een meerwaarde t.o.v. andere instrumenten”.
Als we gemeenten bevragen of de scan het gewenste 'instrument' bleek te zijn t.o.v. andere reeds bestaande instrumenten en planprocessen (bijvoorbeeld het gemeentelijk beleidsplan of structuurplan, nota's over beleidsmatig gewenste ontwikkelingen, sectorale plannen zoals gemeentelijk mobiliteitsplan,...), dan antwoorden de meeste gemeenten dat de scan inderdaad een meerwaarde biedt t.o.v. ander instrumentarium.
Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan
pagina 30 van 113
Wat de scan bijdraagt ten opzichte van ander instrumentarium is dat het een analyse, samenvatting of update is van andere bestaande planningsinitiatieven met een onafhankelijke globale kijk. De scan biedt een overzichtelijke insteek voor de ontwikkeling van instrumentarium. De aanvulling is een andere kijk op de invulling van de ruimte. Het geeft inzichten in nieuwe normen en waarden en duidt krachtlijnen én pijnpunten aan en zet aan tot actie via concrete quick wins. Het merkt zaken op die binnen de gemeente ‘genormaliseerd’ waren of waarover te weinig gecommuniceerd werd met een nieuwe en positieve wind. Door de visie extreem te formuleren, worden andere zaken van de visie zichtbaar en bespreekbaar. Sommige respondenten verwachtten te concrete kant-en-klare oplossingen, terwijl het voor andere respondenten wel duidelijk is dat de scan gewoon aanzet tot nadenken. Andere gemeenten geven dan weer aan dat de scan te veel blijft hangen in de visievorming. Er wordt onvoldoende rekening gehouden met de schaal en geschiedenis van de gemeente en illustraties zijn niet altijd toepasbaar omwille van de bestaande (ruimtelijke en juridische) toestand. Niet iedereen vindt het een bruikbaar instrument, want je moet opletten hoe je er mee omgaat. Sommigen geven aan dat het raadzaam is op te letten hoe er over te communiceren of dialogeren, omdat het geen beslist beleid is, maar een externe visie die wordt meegegeven. De vraag of de scan bruikbare suggesties bevat om het instrumentarium aan te passen aan lokale noden geeft een eerder negatief patroon van antwoorden. De meerderheid is neutraal, maar toch ook 1 op 4 geeft aan dat de scan er niet in slaag om lokale noden, hinderpalen of kansen door te vertalen naar het Vlaams niveau. Terwijl toch de meerderheid overtuigd is dat de scan suggesties vanuit de lokale ervaringen bevat voor het versterken of aanpassen van het beleid of instrumentarium op Vlaams niveau.
4.2.3 Stempel Vlaams Bouwmeester De scan wordt georganiseerd vanuit het Team Vlaams Bouwmeester, en heeft ook die naam meegekregen. De scan is dan ook onlosmakelijk verbonden met de Vlaams Bouwmeester. Dit schepte enerzijds verwachtingen maar evengoed vooringenomenheid, zo blijkt uit de bevraging. Vanuit het Team Vlaams Bouwmeester was het nooit de bedoeling dat het instrument bij het team zou blijven. Het voornaamste is dat zij instrumenten bedenken waarvan ze hopen dat ze opgeschaald worden en dat ze structureel in het beleid ingebed kunnen worden. Uit de bevraging van de deelnemende gemeenten en de uitvoerende studiebureaus blijkt dat de stempel van de Bouwmeester op de scan zeer belangrijk was. Dit stond voor velen garant voor wetenschappelijke expertise, de onafhankelijke blik en voor geloofwaardigheid. De Bouwmeester, of het TVB, hebben een reputatie waaraan deskundigheid en kennis is gekoppeld. In combinatie met het feit dat het een extern studiebureau is dat de scan uitvoerde, zorgde dit voor de voldoende maar noodzakelijke onafhankelijkheid. Het helpt eveneens om bepaalde thema’s bespreekbaar te maken binnen een gemeente. Hoewel soms cru of extreem maar wel met de nodige open-mind geformuleerd, worden ze dan toch besproken. Door te verbeelden en te tekenen kan zo de scan iets veranderen aan de denkwijze. Ook kan de stempel van Bouwmeester er voor zorgen dat de politiek rond tafel wil komen doordat het de scan enig gewicht gaf. De scans zijn telkens onafhankelijk uitgevoerd, de Bouwmeester was niet betrokken bij de opmaak van de individuele Scans. De rol van de Bouwmeester was beperkt tot overleg over de gemeenschappelijke visie bij de start maar de uitwerking van de scans lag volledig in handen van de studiebureaus. Op het einde heeft de Bouwmeester dan mee de resultaten becommentarieerd. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 31 van 113
Volgens sommige respondenten zijn er ook wel wat negatieve aspecten gebonden aan de stempel Bouwmeester. Er kan namelijk enige controverse bestaan rond deze figuur en dus zo ook aan de scan. De visie van de Bouwmeester kan wel in het gemeentelijke plaatje passen maar op politiek niveau is dit niet altijd eenvoudig uit te leggen. Sommigen denken dan dat je een prijs betaalt voor de stempel van Bouwmeester. Een uitvoerend studiebureau gaf zelfs aan dat hierdoor landelijke gemeenten vermoedelijk minder geneigd waren om in te tekenen op de scan. In dit opzicht is het belangrijk de stempel van de Bouwmeester uit te dragen als garantie voor kwaliteit en niet voor een ideologie. Het mag niet de bedoeling zijn dat studiebureaus het gevoel hebben dat ze een missie moeten verkondigen. De link met de Bouwmeester laat wel toe om een neutraal persoon in te zetten als de Vlaams Bouwmeester. Iemand die er geen belang bij heeft en die gemeenten begeleidt bij het nemen van gedurfde stappen richting een duurzaam ruimtelijk beleid. Het voordeel is natuurlijk dat de Bouwmeester electorale schade of druk van ontwikkelaars, politici of protesterende actievoerders kan absorberen. Gemeenten lijken volgens het TVB zo’n persoon nodig te hebben die er geen belang, noch voor- of nadeel bij heeft.
5 DE OPGELEVERDE BOUWMEESTER SCANS In volgend onderdeel zoomen we dieper in op de uitgevoerde scans uit de eerste en tweede oproep. Naast een opsomming van de deelnemende gemeenten bekijken we ook de organisatie met de onderzoeksteams en de stuurgroep. In een laatste stuk worden 5 scans meer in detail bekeken.
5.1 DEELNEMERS EN ORGANISATIE 5.1.1 Overzicht deelnemers scan en budgetten Lijst van deelnemende gemeenten In totaal zijn er de voorbije jaren 51 scans uitgevoerd, 47 hiervan zijn opgeleverd en terug te vinden op de website van de Vlaams Bouwmeester, 4 hiervan zijn nog lopende. Voor 7 gemeenten zijn de gesprekken rond een scan opgestart maar is het nooit tot effectieve uitvoering gekomen. Jaartal 2018
Provincie West-Vlaanderen
Oost-Vlaanderen
Gemeente Zedelgem Diksmuide LangemarkPoelkapelle Wervik Moorslede Kortemark Blankenberge Ninove
Status Uitgevoerd Uitgevoerd Uitgevoerd Uitgevoerd Uitgevoerd Uitgevoerd Definitief opgezegd Uitgevoerd
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 32 van 113
Antwerpen
Vlaams-Brabant
Limburg
2019
West-Vlaanderen
Oost-Vlaanderen
Ronse Zulte Sint-Martens-Latem Brakel Lede Olen Arendonk Lier Berlaar Sint-Katelijne-Waver Grobbendonk Opwijk Overijse Huldenberg Galmaarden Beersel Halle Lommel Heusden-Zolder Bocholt Pelt Peer Harelbeke Torhout Tielt Temse Wetteren Evergem Zele Assenede Berlare Erpe-Mere
Antwerpen
Vlaams-Brabant
Limburg
Haaltert Mol Zoersel Boom Wommelgem Bierbeek Boutersem Meise Kampenhout Ternat Zoutleeuw Tessenderlo Beringen Lummen
Uitgevoerd Uitgevoerd Uitgevoerd Uitgevoerd Uitgevoerd Uitgevoerd Uitgevoerd Uitgevoerd Uitgevoerd Uitgevoerd Uitgevoerd Uitgevoerd Uitgevoerd Uitgevoerd Uitgevoerd Uitgevoerd Uitgevoerd Uitgevoerd Uitgevoerd Uitgevoerd Uitgevoerd Uitgevoerd Uitgevoerd Uitgevoerd Definitief opgezegd Uitgevoerd Definitief opgezegd Uitgevoerd Uitgevoerd Lopende, verwacht na de zomer Lopende, verwacht na de zomer Lopende, verwacht na de zomer Uitgevoerd Uitgevoerd Uitgevoerd Uitgevoerd Uitgevoerd Uitgevoerd Uitgevoerd Uitgevoerd Uitgevoerd Uitgevoerd Definitief opgezegd Uitgevoerd Uitgevoerd Lopende, verwacht na de zomer
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 33 van 113
Sint-Truiden Oudsbergen Kinrooi Kortessem Maasmechelen
Uitgevoerd Definitief opgezegd Definitief opgezegd Definitief opgezegd Definitief opgezegd
Tabel 3: lijst van ingeschreven gemeenten over de twee calls heen met bijhorende status over scan.
Figuur 9: geografische weergave en status van de ingeschreven gemeenten – Stand van zaken 01/09/2021
Na het ondertekenen van een samenwerkingsovereenkomst tussen de partners, is in december 2017 een (eerste) oproep aan gemeenten gericht om zich kandidaat te stellen voor het uitvoeren van een Bouwmeester Scan. Eind februari stellen 61 gemeenten zich kandidaat.6 Er waren geen selectiecriteria, een kandidatuur indienen voor de uiterste datum volstond. Na de kandidatuur moest nog de effectieve bestelling gebeuren via het afsluiten van een contract met het onderzoeksteam. Enkele gemeenten hebben die volgende stap niet gezet. Er is dan ook geen enkele kandidaat-gemeente niet weerhouden voor de scan. In maart 2017 werd de raamovereenkomst voor het uitvoeren van de scans gegund aan vijf onderzoeksteams. Gemeenten konden zich kandidaat stellen via het aanvraagformulier op de website Bouwmeester Scan. Een gemeente kon binnen deze oproep slechts eenmalig elektronisch een aanvraag indienen. Het gaat dan om een beslissing van het college van burgemeester en schepenen, ondertekend door de burgemeester en de secretaris.
6
Van de 61 gemeenten heeft Blankenberge de kandidatuur ingetrokken, 4 gemeenten zijn gefusioneerd naar 2 gemeenten (Meeuwen-Gruitrode + Opglabbeek = Oudsbergen en Overpelt + Neerpelt = Pelt.) en later zijn er nog 7 gemeenten die beslist hebben om geen scan uit te voeren wat het totaal aantal scans op 51 brengt.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 34 van 113
Een van de factoren die ervoor gezorgd heeft dat er zoveel inschrijvingen waren, is het feit dat de voormalige Bouwmeester een ronde van de gemeenten heeft gedaan in de opstart van zijn bouwmeesterschap en daar uitvoerig de scan heeft toegelicht. Hierdoor waren de meest enthousiaste gemeenten meteen op de kar gesprongen. Na het afsluiten van de indieningstermijn en het verwerken van de aanvragen wordt de rangschikking van de gemeenten bekendgemaakt via de website van de Vlaams Bouwmeester en het Departement Omgeving en ter kennis gegeven aan alle kandidaten. Vervolgens wijst de stuurgroep een geschikt onderzoeksteam aan voor het uitvoeren van de Bouwmeester Scan. Bij het Team Vlaams Bouwmeester wordt Mario Deputter als coördinator en eerste aanspreekpunt aangesteld voor de gemeenten. Hij zorgt voor de algemene organisatie van de Bouwmeester Scan en draagt zorg voor de ontwikkeling en toepassing van het instrument. Hij staat bijvoorbeeld in voor de oproep aan de gemeenten, de contacten met de stuurgroep en de communicatie. De coördinator van de Bouwmeester Scan maakt in samenspraak met de gemeente een afsprakennota dat door het college moet worden goedgekeurd. Na dat akkoord vindt er een startoverleg plaats en start met een toelichting over de opdracht van het onderzoeksteam en het plan van aanpak. Vervolgens maakt het onderzoeksteam concrete werkafspraken en brengen de deskundigen samen met de lokale projectgroep een eerste bezoek aan het onderzoeksgebied. Het plaatsbezoek is er na de evaluatie uitgevoerd door de UA aan het proces toegevoegd.. Namens de gemeente nemen naast de contactpersoon ook alle andere leden van de lokale projectgroep (zie verder) deel aan het startoverleg (Vlaams Bouwmeester, 2021). Na het startoverleg ligt het initiatief bij het onderzoeksteam. Dit voert vanaf dan in overleg met de lokale projectgroep en op basis van het beschikbare materiaal, de Bouwmeester Scan uit. Bij het uitvoeren van de eerste scans koppelt onderzoeksteam regelmatig terug met de stuurgroep van de Bouwmeester Scan.
Budgetten volgens drie complexiteitsklassen Voor het uitvoeren van de Bouwmeester Scan wordt een forfaitair ereloon voor het onderzoeksteam vastgelegd. Dit bedrag is afhankelijk van de tijdsinvestering die nodig is om de Scan uit te voeren. Hierbij wordt uitgegaan van 3 types: small, medium en large. De drie types (small, medium of large) zijn afgeleid van de VRIND-classificatie. Small: het platteland en het overgangsgebied; medium: het kleinstedelijk provinciaal gebied, het stedelijk gebied rond Brussel, de grootstedelijke rand en de regionaal stedelijke rand; en large: de structuur-ondersteunende steden. Aangezien in elk type (en elke categorie van de VRIND classificatie) nog relatief grote verschillen kunnen bestaan tussen de gemeenten, wordt elk type onderverdeeld volgens 3 complexiteitsklassen, die bepaald worden in functie van het inwonersaantal, de nederzettingsstructuur en het fysisch systeem. Samengevat zijn in functie van type en complexiteit volgende forfaitaire erelonen van toepassing:
Type Small Medium Large
minimaal 24.200 36.300
complexiteit gemiddeld 30.250 42.350
maximaal 36.300 48.400
48.400
54.450
60.500
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 35 van 113
Tabel 4: prijzen van de Bouwmeester Scans, alle vermelde prijzen zijn uitgedrukt in euro en inclusief btw, bron: (Vlaams Bouwmeester, 2021).
De coördinator van de Bouwmeester Scan maakt voorafgaandelijk aan de bestelling van de Scan afspraken met de gemeente over dit forfaitaire ereloon. De gemeente betaalt de vergoeding van het onderzoeksteam voor het uitvoeren van de Bouwmeester Scan. Er wordt een variabele prijs gehanteerd volgens de complexiteit en grootte van de gemeente. De kosten verbonden aan de organisatie van de Bouwmeester Scan, zoals de vergoeding van de deskundigen in de stuurgroep, de ontwikkelingskosten van de Bouwmeester Scan en de begeleiding door het Team Vlaams Bouwmeester, worden niet in rekening gebracht voor de gemeenten (Vlaams Bouwmeester, 2021). Zowel bij de selectie van de projecten uit de eerste oproep, als voor die van de tweede oproep werd een specifieke verdeelsleutel per provincie en per type toegepast. Over heel Vlaanderen gaat het om 2 gemeenten ‘type large’, 8 gemeenten ‘type medium’ en 20 gemeenten ‘type small’. Bij de selectie primeert een gelijkmatige spreiding over de provincies. Per provincie en per type wordt de rangschikking voor selectie bepaald door de volgorde van indienen. Op deze manier is er in de opstartfase van de Bouwmeester Scan voldoende diversiteit. Wanneer het quotum voor een of meerdere provincies of types niet gehaald wordt, wordt het quotum van andere provincies of types verhoogd. Vanuit de bevraging van de studiebureaus kwam naar boven dat er toch wat problemen waren op vlak van financiering. Het voorziene budget was ruimschoots onvoldoende om alle kosten te dekken die ze hadden gemaakt. De scan was beperkt in tijd (de uitvoeringstermijn van een scan ligt gemiddeld op 6 maanden), maar het format van de scan lag vast en dus ook de verwachtingen naar analyses toe. Het was zeer spannend voor de studiebureaus om een kwalitatief rapport af te leveren met de beperkte middelen die ze hadden en velen hebben de scan als verliespost moeten boeken (dixit studiebureau, werd verder niet onderzocht). Anderzijds hebben ze naar aanleiding van de scan een werkwijze ontwikkeld die ze nu ook elders kunnen gebruiken en in die zin kan het ook als investering worden gezien. De indeling van de budgetten over de verschillende gemeenten leidt bij de studiebureaus ook tot onbegrip. Er komt kritiek op de maatstaf van budgettering (aantal inwoners) en indeling van gemeenten in klein, middelmatig of groot en de daaraan gekoppelde budgetten. Voor een kleine gemeente wordt er minder geld voorzien dan voor een grote gemeente, terwijl een grote gemeente kampt met andere problematieken maar ook meer administratief personeel ter beschikking heeft. Het aantal inwoners is dus geen goed criterium om budgetten toe te kennen. In kleine gemeenten kunnen evengoed dezelfde problematieken voorkomen en heeft men ook het probleem van te weinig capaciteit om zaken te onderzoeken, dus is er ook net meer budget nodig. Een kleine gemeente daarentegen is vaak al geholpen met elementaire zaken.
5.1.2 Vijf onderzoeksteams De Bouwmeester Scan wordt uitgevoerd door een onderzoeksteam. Dit team bestaat uit deskundigen op het vlak van landschapsinrichting, stedenbouw, architectuur, mobiliteit, klimaat en de juridische en beleidsmatige aspecten van de ruimtelijke ordening in Vlaanderen. De vijf aangestelde onderzoeksteams zijn: 1. Buur cvba /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 36 van 113
2. Maat-ontwerpers 3. Blauwdruk Stedenbouw, Palmbout Urban landscapes en LAMA landscape architects 4. PosadMaxwan 5. PTArchitecten Deze teams laten zich voor het uitvoeren van de scans bijstaan door deskundigen op vlak van bijvoorbeeld energie, mobiliteit, ecologie en het juridisch-ruimtelijk kader. Uit de interviews geeft een studiebureau aan dat er voor energie en mobiliteit in onderaanneming werd gewerkt, maar dat de aanpak van de onderaannemers anders en minder diepgaand was. De gemeenten werden volgens een verdeelsleutel en in onderling overleg verdeeld onder de teams. Het streefdoel was om elk team 6 scans te laten uitvoeren op jaarbasis of samen 20 à 25 scans per jaar.7 In 2018 zijn er in totaal zeven scans uitgevoerd, in 2019 dertien, in 2020 eenentwintig en in 2021 zes (toestand augustus 2021). De vijf resterende scans zullen in 2021 worden opgeleverd. Voor het uitvoeren van de Bouwmeester Scan werkt het onderzoeksteam samen met een lokale projectgroep. Deze is samengesteld uit de verantwoordelijken en/of deskundigen met betrekking tot de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente. De projectgroep zorgt ervoor dat het onderzoeksteam toegang heeft tot alle beschikbare gegevens om de Bouwmeester Scan te kunnen uitvoeren. Indien nodig geven ze bijvoorbeeld toelichting over de ruimtelijke organisatie van de gemeente of feedback op voorstellen van het onderzoeksteam. De contactpersoon bij de gemeente zorgt voor de coördinatie van de projectgroep. Uit de interviews kunnen we concluderen dat elk onderzoeksteam een eigen werkwijze en aanpak kent en toch een gelijkaardig proces doorliep tijdens de opmaak van de scan. Sommige bureaus gingen voor een wekelijks overleg of afstemming tussen ambtenarij en studiebureau, terwijl anderen voornamelijk inzetten op enkele workshops met een bredere betrokkenheid vanuit de gemeente. De bevraging van de gemeenten geeft weer dat zij op de startvergadering duidelijk werden gemaakt dat het proces volgens een vast stramien zou verlopen. Hun bijdrage was beperkt tot een paar feedbackmomenten. Gemeenten waren er zich van bewust dat er verder geen inbreng van hen mogelijk was, gezien het om een onafhankelijke scan ging. Een gemeente geeft wel aan dat er naar aanleiding van het finale document veel wisselwerking was tussen de gemeente en het studiebureau. Als er incorrecte zaken in het rapport stonden, konden zij verbeteringen aanbrengen en het studiebureau aansporen om ter plekke te gaan kijken. Zo konden ze hun terreinkennis mooi combineren met de theoretische kennis van het studiebureau (vb. een bepaald gebied dat door het studiebureau als onontgonnen werd gepercipieerd en voor de gemeente vol met verkavelingen zit). Waar een gemeente een studiebureau kreeg toegewezen met wie er al andere samenwerkingen lopende zijn, heeft het studiebureau ook de bevindingen van de andere studies ingekanteld in het rapport. We kunnen uit de bevraging concluderen dat elk studiebureau een eigen expertise heeft, ze kennen elk hun eigen geschiedenis en eigenheid. Er leeft de perceptie dat die eigenheid jammer genoeg niet ten volle werd benut, en dat de aanpak in een soort uniformiteit werd gedwongen terwijl eigenheid en diversiteit net als sterkte kunnen ingezet worden. De vastgelegde structuur en snelheid, het budget, de druk waarin de studiebureaus moesten opereren zorgde ervoor dat de opmaak van de scan als een soort van bandwerk werd ervaren. De studiebureaus moesten bijna het onmogelijke 7
2018 was een opstartjaar waardoor er maar 2 overlegmomenten op het eind van het jaar ingepland worden. In 2019 werden 4 over legmomenten geannuleerd wegens Corona. (per overlegmoment kunnen maximaal 4 gemeenten besproken worden) De voorkeur ging er naar uit om het overleg tussen gemeente en stuurgroep live te organiseren. In 2020 werd finaal beslist om het overleg via Teams te laten doorgaan.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 37 van 113
mogelijk maken en een manier vinden om te kunnen leveren wat er gevraagd werd waardoor de aanpak naar de laatste rapporten toe als een soort van copy-paste aanvoelde. Ze geven aan dat het zinvol zou zijn om het extern expertenadvies los te laten en meer maatwerk toe te passen en meer in dialoog te gaan met de gemeente. Het zou voor de studiebureaus althans meer inspireren bij het opstellen van een scan. Een studiebureau geeft ook aan dat als de keuze aan hen zou liggen, ze liever scans zouden willen doen voor gemeenten die echt geëngageerd zijn. Het verschil in samenwerking met een gemeente die wel of niet geëngageerd is namelijk sterk merkbaar. De studiebureaus verwachten als garantie toch wel voldoende initiatief van de gemeente, zoniet rijst soms het gevoel dat ze goed proberen te doen voor de gemeente, maar dat er geen erkenning of waardering is voor hetgeen op tafel ligt. Een mogelijke piste die wordt aangegeven door de studiebureaus is om vanuit de stuurgroep capaciteit te geven aan de gemeente of het lokaal projectteam om samen iets op te bouwen en dit dan te laten bestempelen. De verwachting van de studiebureaus is om iets te veranderen en iets op gang te zetten, maar ze hebben het gevoel dat ze niet veel uit scans terugkrijgen. Als we kijken naar de perceptie van de gemeente over de samenwerking met de studiebureaus, zien we in de enquête dat de inhoudelijke samenwerking en dialoog met het studiebureau door de meeste respondenten positief werd ervaren.
Figuur 10: vraag uit de enquête “hoe verliep de inhoudelijke samenwerking met het studiebureau?” gericht naar gemeenten, waarbij 1 staat voor “Geen afstemming, weinig co-creatief proces” en 5 voor “Evenwaardige samenwerking en co-creatief proces”.
De gemeenten geven aan dat het een evenwaardig en co-creatief proces was/is. Hoewel de gemeenten geen inspraak hadden in de toewijzing van de studiebureaus, waarbij sommigen in het begin misschien hun bedenkingen hadden, is het toch voor de meesten goed uitgedraaid. De gemeenten zijn van oordeel dat de studiebureaus er goed in geslaagd zijn om de vele informatie op korte tijd te verwerken in een mooie analyse. Er was bij momenten wel een goede wisselwerking en informatie-uitwisseling tussen de theoretische kennis van de bureaus en de terreinkennis van de betrokkenen binnen de gemeenten. Deze laatsten konden zo wijzen op fouten in de rapportering. Maar meer overleg was ook niet gewenst om de neutraliteit en onafhankelijkheid te bewaken. Politieke inmenging was met andere woorden niet gewenst/mogelijk. De tijd werd goed bewaakt en er zijn degelijke nota’s opgemaakt. Sommige gemeenten zijn van mening dat er nog meer uit de scan kon gehaald worden, maar daarvoor is het nodig om de duurtijd van de scan te verlengen zodat de studiebureaus in staat zijn om de gemeente goed te leren kennen en alle informatie te verwerken. Nu bleek dit niet altijd voldoende op enkele maanden tijd.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 38 van 113
4 respondenten vonden dat er geen/ weinig afstemming was en er geen of op onvoldoende wijze aan co-creatie werd gedaan. De samenwerking met de gemeenten uit de tweede oproep wordt beperkt slechter beoordeeld. Zij die de samenwerking eerder negatief bevonden geven aan dat ze te weinig respons kregen op hun vragen om de inhoud te wijzigen. Deze beslissing lag niet altijd in de hand van het studiebureau omdat ook zij vast hingen aan de opgelegde structuur. Ook kon het zijn dat de werkwijze (en resultaten) van de studiebureaus voor sommigen confronterend was.
5.1.3 Opvolging via stuurgroep Het traject van de Bouwmeester Scan wordt opgevolgd door een stuurgroep die mee het proces aanstuurt en advies geeft advies over de Bouwmeester Scan als instrument, over de tussentijdse en eindresultaten van de scans en over administratief-operationele kwesties. De stuurgroep bespreekt het eindrapport met de vertegenwoordigers van de gemeente (Vlaams Bouwmeester, 2021). De stuurgroep is samengesteld uit vertegenwoordigers van: • • • • • •
het Departement Omgeving (DO) de Vlaamse Landmaatschappij (VLM) het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) de Vereniging van de Vlaamse Provincies (VVP) de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG) het Team Vlaams Bouwmeester (TVB)
De stuurgroep wordt aangevuld met deskundigen met klimaatexpertise en met goede kennis van de ruimtelijke ordening in Vlaanderen, van ruimtelijke ontwikkeling en beleidsmatige sturing. Deze stuurgroep bestaat uit een vertegenwoordiging van de 6 partners en is aangevuld met drie deskundigen: • • •
Tom Coppens, Universiteit Antwerpen (UA) Philippe Vanwesenbeeck, Dienst Stedenbouw en Ruimtelijke Planning Stad Gent Erik Grietens, Bond Beter Leefmilieu
De stuurgroep adviseert over het proces (ook administratief), de kwaliteit van het instrument ‘de Bouwmeester Scan’ en de kwaliteit van de eindrapporten. Uit de bevraging van de gemeenten (enquête) bleek de inhoudelijke samenwerking en dialoog met de stuurgroep van de Bouwmeester Scan over het algemeen overwegend positief. Al geeft de verdere bevraging van de gemeenten aan dat de finale stuurgroep niet altijd een succes bleek te zijn.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 39 van 113
Figuur 11: vraag uit de enquête “hoe verliep de inhoudelijke samenwerking met de stuurgroep?” gericht naar gemeenten, waarbij 1 staat voor “Geen afstemming, weinig co-creatief proces” en 5 voor “Evenwaardige samenwerking en co-creatief proces”.
Enerzijds was de stuurgroep interessant voor gemeenten om samen aan tafel te zitten met een grote groep van deskundigen die kunnen wijzen op interessante punten, concrete stappen om mee aan de slag te gaan. In de interviews geeft een bepaalde gemeente aan dat de stuurgroep goede voorbeelden en tips heeft gegeven. Anderzijds komt ook in de interviews naar voor dat de setting waarin de stuurgroep plaats vond niet veel ruimte gaf voor discussie, gezien de grote hoeveelheid nieuwe informatie die wordt toegelicht, de verscheidenheid van aanwezigen en voornamelijk ook gezien de beperkte tijd. Voor een gemeente was de scan goed, maar de nabespreking niet. En nog een andere gemeente geeft de bemerking dat de sommige experten vervallen in algemeenheden en te weinig concrete tips geven. De voeling met de gemeente ontbreekt en de algemene antwoorden op bepaalde vragen (bv. niet alle bedrijvigheid uit de kern trekken) zijn van weinig meerwaarde voor de gemeente. Een studiebureau geeft in de interviews ook aan dat het moeilijk is om de prioriteiten vast te leggen voor de gemeenten op zo een overleg. Volgens de respondent zouden in de discussie met de stuurgroep focussen moeten worden bepaald en er zou eigenlijk meer tijd moeten worden uitgetrokken voor bespreking van vervolgstappen. Maar anderzijds is dit praktisch onhaalbaar voor de gemeentelijke medewerkers en bestuur om daar een halve dag voor op te eisen. Door de beperkte tijd had een bevraagde gemeente het gevoel dat het een verplicht nummer was dat afgehandeld moest worden. Hierdoor hebben gemeenten, maar ook studiebureaus het gevoel dat de scan niet volwaardig is afgerond en is er vraag naar een vervolgtraject. Zeker in die stuurgroep die online plaats hebben gevonden ten gevolge van de corona-maatregelen, was er nog minder interactie. Het zorgde voor een rem om over de resultaten in discussie te gaan. Gemeenten hebben de stuurgroep meer ondergaan omdat ze nog niet de tijd hebben gehad om het gehele document grondig door te lezen en hebben vraag naar, op een later tijdstip (mogelijks na enkele jaren), opnieuw een stuurgroep te organiseren met een soort van evaluatie waarin ze de scan en vervolgstappen ervan kunnen bediscussiëren. Daarnaast wordt het eindresultaat niet altijd even grondig doorgepraat vooraleer het wordt gepubliceerd op de website, hoewel de publicatiedatum steeds in samenspraak met de betreffende gemeente wordt bepaald. De stuurgroep is de eerste en laatste kans om het geheel van de scan te bespreken waardoor er het gevoel is dat dit een gemiste kans is. Ook is het in deze fase te laat om te wijzen op materiële fouten in de scan, wat de kwaliteit, geloofwaardigheid en draagkracht van de scan ten goede zou komen. Door kleine fouten die tijdens een goede bespreking op een stuurgroep naar boven komen, er uit te halen, zou de scan minder in twijfel getrokken worden. Uit de interviews van de gemeenten bleek verder dat er nood is aan nazorg. Vooral bij de opstart van processen uit de transitieagenda is het belangrijk om van gedachten te wisselen. Dit zit op dit moment niet in de scan en moet apart gebeuren. De gemeenten willen de uitvoering van de prioriteiten (transitieagenda) samen met experten doen om tot concrete acties te komen en de beleidsmakers hiertoe aan te zetten. Een gemeente geeft aan dat ze voor het vervolgtraject sowieso rekenen op de Vlaamse overheid voor wat betreft het institutionele en het juridische aspect. Men verwijst ook naar het beleidsplan ‘Kernversterking’ van de provincie waar men op wacht.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 40 van 113
Uit de interviews met de studiebureaus zijn er ook verschillende meningen over de stuurgroep. Er wordt aangegeven dat het nuttig zou zijn mocht de stuurgroep actief ondersteunen en bv. een jurist of financieel expert de gemeenten zou adviseren bij de uitwerking van projecten. Hierdoor zou de kracht en impact van de scan vergroot kunnen worden. Het departement speelt soms een dubbele rol, een rol als missionaris en een rol als evaluator over wat de studiebureaus schrijven. Hierdoor wordt er niet altijd in eigen boezem gekeken. Gemeenten hebben het instrumentarium zelf niet in handen en ze merken ook niet dat Vlaanderen ermee aan de slag gaat. Nochtans ligt er heel wat potentieel op tafel om vanuit het departement en politiek iets met de scans te doen. Er wordt ook de bedenking gegeven dat de studiebureaus bij de eindevaluatie niet de ruimte krijgen om deel te nemen aan de discussie. Naar aanvoelen van de studiebureaus is er slechts beperkt dialoog tussen de onderzoeksteams, de stuurgroep en de gemeenten. Sommige onderzoeksteams geven hun presentatie over de scan en houden zich vervolgens bewust afzijdig. De stuurgroepleden zijn ook niet op de hoogte van de gesprekken die tijdens het traject gevoerd worden tussen de studiebureaus en de gemeenten waardoor de nuances er ook niet zijn bij de eindbesprekingen. De stuurgroep zou niet enkel als ambtelijke, wetenschappelijke criticus moeten fungeren, maar ook in een meer hands-on en actiegerichte modus, bijvoorbeeld gekoppeld aan een evaluatie halverwege het proces. Bij de slotpresentatie kwam vaak de vraag: hoe moeten we dat nu doen? Zowel de gemeenten als de Vlaamse overheid moeten in actie schieten om dingen gedaan te krijgen. De gemeenten moeten begeleid worden bij de uitvoering, de andere overheidsinstanties blijven te veel aan de zijlijn. Er wordt vanuit de stuurgroep getracht d.m.v. voorbeelden over te gaan tot voorstellen van acties, maar voor sommige gemeenten mogen deze debatten langer duren en hopen ze er meer info uit te halen. Voorafgaandelijke is in samenspraak met de coördinator van de bouwmeester scan bepaald wie de rapporten leest en in de stuurgroep zetelt. Dit kunnen experten van ANB zijn, of van landbouw, of ook provinciegerichte mensen. Hierbij geven de studiebureaus de kritiek dat de feedback van de stuurgroep op het ontwerprapport niet altijd realistisch is voor de studiebureaus om ermee aan de slag te gaan. Het rapport wordt vanuit verschillende kanten gelezen en becommentarieerd maar de studiebureaus moeten keuzes maken. Het lijkt de studiebureaus wel zinvol om de rol van de stuurgroep uit te breiden en ze bijvoorbeeld ook bij het na-traject te betrekken. Zo zou er na 6 maanden en na een jaar nog een vergadering met de stuurgroep kunnen georganiseerd worden samen met de gemeente en eventueel de provincie om afspraken te maken voor opvolging.
5.2 REFLECTIE OP EEN SELECTIE VAN 5 SCANS Op het moment van de evaluatie waren er in totaal 47 scans opgeleverd. Hiervan werd een selectie van 10 scans gemaakt – 2 scans per studiebureau – voor verdere verdieping in de interviews en een selectie van 5 scans – 1 scan per studiebureau – voor revisie door André Loeckx, emeritus hoogleraar van het Departement Architectuur, Stedenbouw en Ruimtelijke Ordening van de KU Leuven. André Loeckx geeft hierbij ook zijn standpunt op de vijf scans en na de revisie van de scans een aantal conclusies en suggesties. Onderzoeksteam PosadMaxwan Buur Maat-ontwerpers
Geselecteerde gemeenten Halle Lommel Beersel
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 41 van 113
Blauwdruk Stedenbouw, Palmbout Urban landscapes en LAMA landscape architects PTArchitecten
Sint-Katelijne-Waver Temse
Tabel 5: lijst van geselecteerde scans ter verdieping (zie hoofdstuk 3)
1. Eindrapport Halle, Posad Maxwan i.s.m. Deltares, december 2019 Eindrapport Halle van Posad/Maxwan is de afronding van een ‘vroege’ scan uit de reeks. Op dat moment was de scan methodologie nog in ontwikkeling. Dat belet niet dat de Halle Scan een goede scan is, die een plausibel en afgerond verhaal brengt (van data over diagnose naar adviezen en projecten), die goed verwoord en grafisch onderbouwd is, die getuigt van professionele degelijkheid en van professionele inzet. Tegelijk kondigt het Eindrapport van deze vroege scan zowel de sterktes als de zwaktes van de scan aanpak aan. a) De Halle Scan geeft een goed inzicht zowel in sterktes van de stad (geografische ligging, connectiviteit, uitrusting...) als in problematieken waarmee de stad worstelt (verstedelijkingsdruk, fragmentatie van het landschap, mobiliteitskwestie, conflict tussen harde en zachte structuren...). Het is opmerkelijk hoe uit het samenbrengen en samenlezen van kaarten en data een coherent en gestoffeerd beeld van de stad en haar territorium te voorschijn komt. Dit is des te opmerkelijk gezien de beperkte looptijd van het scanproces en gezien de al bij al beperkte inbreng die van lokale verantwoordelijken en resource persons gevraagd werd (cfr p6). b) De Halle Scan interpreteert data en kaarten vanuit een op voorhand gegeven frame. Dit frame leest en beschrijft de stad en haar ruimtelijke conditie in eerder ‘klassieke’, eerder generieke termen (kernstad en sprawl als verstedelijkingspatroon, externe verstedelijkingsdruk vanwege de nabije grootstad, residentiële sprawl in het omgevende natuurlijke landschap, nood aan zachte mobiliteit, waterproblematiek, het blauw-groen netwerk als herordenende en helende kracht...). Op zich is er niets mis met dit frame en de termen ervan. Wel is een heel andere lezing mogelijk: Halle als ‘dubbelstad’. Vanaf de 19e eeuw werd Halle (net als Vilvoorde en Tubise) een belangrijke ‘stedelijke kamer’ op de Antwerpen-BrusselCharleroi infrastructuurbundel (kanaal+spoor+[later]snelweg), de ‘ABC-as’, met de brede Zennevallei als bedding. De Zenne zelf raakte verstrikt/verweven in deze infrastructuurbundel. De ABC-as was lange tijd een van de belangrijkste industriële assen van België. Deze as/strip/strook kan worden gezien als een vorm van lijnstadontwikkeling met een lineaire suite van bedrijventerreinen, woonomgevingen, open ruimten al dan niet met groene Zenneoevers. De strook raakte vervolgens ten prooi aan de postindustriële teloorgang en is momenteel her en der gevat in uiteenlopende initiatieven van reconversie of herbestemming. In Halle scheidt en verbindt de infrastructuurbundel twee zeer verschillende soorten stad die samen een ‘dubbelstad’ vormen. Op de westoever van de Zenne ontwikkelde Halle zich als een belangrijke middeleeuwse markstad aan de rand van het uitgestrekte landelijke Pajottenland. De overgang tussen de stad en het platteland wordt in toenemende mate gekenmerkt door voortschrijdende lintbebouwing. Op de oostoever ontstond in de 20e eeuw een ‘moderne’ stad: kleine historische kernen werden er opgenomen in een lappendeken van tuinwijken (‘cités’) van sociale en bescheiden woningen die de nodige woonvoorzieningen verschaften aan de industriële strook. Aan de oosteinder wisselt de bebouwing van de oostoever af met bosfragmenten die uitlopen in het majestueuze Hallerbos (dat zelf een uitgstrekt fragment is van het Zoniënwoud). Op de schaal van de ABC-as figureert de Halse oostoever als ‘stadskamer’ of ‘woonkamer’ in de lineaire suite van woonkamers, bedrijfskamers, groene kamers die zich vanaf Brussel zuidwaarts uitstrekt tot diep in Wallonië.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 42 van 113
Anders dan de eerder ‘klassieke’ lezing van de stad Halle tekent deze dubbelstructuur (middeleeuwse stad + stedelijke kamer van de ABC-as) een heel andere stedelijke morfologie binnen de stedelijke regio in zijn geheel, met een heel andere positie van de Zenne, en heel andere problemen en mogelijkheden voor de west- en oostoever. Zo laat deze tweede lezing niet zonder meer toe de Zenne in de verf te zetten als ‘identiteitsdrager van de stad’, par force te vergroenen tot ‘continu Zennepark’ en te zuiveren van ‘zonevreemde bedrijfsvestigingen’. Evenmin laat de dubbelstructuur toe Halle simpelweg te bestempelen als compacte stad waarvan men ‘de twee gescheiden helften’ met een ring van zacht verkeer zou kunnen verenigen. In de ‘klassieke’ lezing van de Halle Scan speelt de historische ABC-as geen noemenswaardige rol, wordt industriële bedrijvigheid langs de volledig te vergroenen Zenneoevers als ‘zonevreemd’ beschouwd en ‘uitgefaseerd’, horen spoor en kanaal ondanks hun dominante ruimtelijke aanwezigheid noch bij het stadslandschap noch bij het stedelijke erfgoed, komen de talrijke ‘cités’ op de oosteroever niet voor in het stuk (zij worden zelfs niet opgenomen in de te verenigen ‘binnenstad’). Op een grotere schaal echoot de Beschrijving en de Diagnose van de Halle Scan herhaaldelijk de politieke retoriek van ‘Halle als stad gelegen in de Groene Gordel rond Brussel’ terwijl de dominante ABC-as (van Vilvoorde, dwars door Brussel tot diep in Henegouwen) samen met het Pajottenland in het westen en de Brabantse Wouden in het oosten (die zich uitstrekken over de grens tussen Vlaams en Waals Brabant heen) een heel andere figuur uitzetten dan deze van een Groene Gordel rond Brussel die Vlaanderen moet beschermen tegen de metropolitane bedreiging. Uiteraard beïnvloedt een verschillende lezing van de historische morfologie en de stadsregionale geografie de formulering van de Ambities en van de Transitieagenda. c) Dergelijk verschil in geografisch en morfologische lezing laat m.i. toe drie conclusies te trekken. Eerst en vooral gaat het niet om ‘een juiste’ versus ‘een verkeerde’ lezing. Dit betekent dus niet dat de Halle Scan tekort zou schieten of zich vergissen; het betekent wel dat het beter zou zijn verschillende lezingen van de stad en verschillende scenario’s van mogelijke stedelijke ontwikkeling naast elkaar te plaatsen als stof voor een stadsdebat en voor verder onderzoek. Dit stelt wel de eenduidige, eensporige opbouw van het Scan format in vraag: alsof er maar één lezing van de verzamelde data, één diagnose, één vulling van de transitieagenda mogelijk zou zijn. Twee: Tegelijk illustreren de Ruimtelijke Beschrijving (p14) en de Diagnose (p20 e.v.) uit de Halle Scan het risico van het beperkte format (beperkte tijd en middelen) waarbinnen elke Scan noodgedwongen werkt. Tijd noch middelen laten toe meerdere plausibele lezingen en diagnoses als alternatieve scenario’s uit te werken en naast elkaar te plaatsen en dat terwijl dergelijke alternatieven niet gaan over lokale details maar over de toekomst van de gehele stedelijke regio. Drie: Dat de Halle Scan mogelijk een alternatieve lezing over het hoofd heeft gezien ligt m.i. grotendeels aan een lacune in de voorgestelde Scan methodiek. Deze stapt van data (grotendeels gevat in cijfers en grafieken) naar diagnose. Inzicht in de stedelijke en stadsregionale morfologie wordt evenwel niet aangeleverd door dergelijke data wel door interpretatie van beelden en kaarten en door veldwerk ter plaatse. Morfologische stadsanalyse wordt onderschat in de Scan methodiek en is dan ook onvoldoende aanwezig in de Ruimtelijke Beschrijving en de Diagnose. Nochtans is de stedelijke morfologie een belangrijke factor in de relatie tussen de bebouwde en de open ruimte binnen de stad en tussen de stad en het omringende open landschap. Ook heeft de morfologie een belangrijke impact op connectiviteit en op nagenoeg alle modi van mobiliteit. Bij dit alles voegt zich een vreemde tegenspraak: alhoewel de data grotendeels recente gegevens betreffen lijkt de (beperkte) stadshistorische duiding (p14 en 15) de morfologische impact van de industriële en postindustriële ontwikkelingen van de 19e en 20ste eeuw te minimalseren en zich te inspireren op het beeld van de compacte stad omgeven door open ruimte uit de Ferrariskaarten van de 18e eeuw.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 43 van 113
d) Conform de scan methode en het scan format getuigt de Halle Scan eerder van een top-down dan van een bottom up aanpak. De ‘klassieke lezing’ van Posad/Maxwan komt m.i. niet voort uit een nauwkeurige analyse van de specifieke historische/morfologische/landschappelijke eigenheid van Halle maar eerder uit het consequent toepassen van een generiek beeld van een compacte kleine stad langs een rivier omgeven door het open landschap en waarbij infrastuctuur geen landschappelijke of ruimtelijk ordende rol heeft maar dient voor verbinding. Samen met dit beeld past Posad/Maxwan ook het gekende vocabularium en de gekende concepten van het paradigma van klimaatadaptatie/-mitigatie en duurzame stedelijkheid toe op de specifieke stedelijke conditie van Halle. Binnen deze tweevoudige toepassing van een gegeven frame op een reële situatie, levert de scan goed werk met degelijke data, een overtuigend narratief en een uitvoerige beschrijving van de verschillende mogelijke transities, telkens verduidelijkt door sterk uitgewerkt ontwerpend onderzoek. e) Eerder dan beleidsaanbevelingen, geïllustreerd met ontwerpend onderzoek, komen de rubrieken van de Transitieagenda over als uitgewerkte voorstellen van stadsprojecten. Deze zijn kwaliteitsvol, ambitieus en hertekenen een groot gedeelte van de Zennebedding, de stationsomgeving en het centrale deel van de (‘moderne’) oostoever. (Waarbij zoals reeds gezegd de oostoever ingelijfd wordt als deel van de compacte binnenstad en miskend wordt als onderdeel van de lineaire ABC-as). Als stadsvernieuwingsprogramma is dit m.i. veel te omvangrijk voor een kleine stad zoals Halle en kan dus te gemakkelijk afgevoerd worden als ‘ondoenbaar’. (Ontwerp en uitvoering van het middelgrote stadsvernieuwingsproject Nederhem zijn bijna 15 jaar aan de gang; het project is ongeveer halfweg.) Tegelijk bevat elke rubriek en elk projectvoorstel heel wat interessante onderdelen die, alhoewel meer bescheiden in omvang, niettemin een strategische zet kunnen betekenen. Op de ‘quick wins’ na ontbreekt dergelijke hiërarchisering van de transitierubrieken. De ‘quick wins’ van hun kant blijven erg bescheiden en riskeren daardoor als zelfdragende acties over te komen die geen onomkeerbare eerste stap zetten en daardoor onvoldoende de grote transitie aankondigen. f) De Halle Scan maakt melding van een groot aantal lopende initiatieven (studies of projecten) gedragen door de stad en door diverse organisaties en instanties. Onder de rubriek 2.5 Publiek Ondernemerschap vindt men een indrukwekkende lijst van beleidsdocumenten, studies en projectvoorbereidingen van de stad (p59). Anderzijds wordt weing aandacht besteed aan de stand van zaken van dergelijke lopende projecten, projectvoorbereidingen en samenwerkingsverbanden. Vaak houdt de tekst het bij een formulering in de aard van : ‘...er moeten samenwerkingesverbanden worden opgezet met...’ (cfr p103). Nochtans zou het vervoegen, activeren en versterken van lopende initiatieven kunnen helpen strategische keuzen te maken binnen de rubrieken van de transitieagenda en deze te verankeren in de lokale ruimtelijke, sociale en politieke conditie. En mogelijk kan het koppelen van lopende projecten en acties ( bv. het project Nederhem) aan het ontwerpend onderzoek van de scan omtrent de Zennebedding en de oostoever zowel een nieuw elan bezorgen aan het project Nederhem als een ferme boost geven aan enkele strategische onderdelen van dit kwaliteitsvolle maar veel te brede ontwerpend onderzoek. g) De gedetaileerde, kwaliteitsvolle en zeer verdedigbare omschrijving van mogelijke transities op de oostoever en langs de Zennebedding contrasteert m.i. met een eerder algemene of zelfs zwakke aanpak aan de kant van het Pajottenland. Het interessante voorstel van het zogenaamde ‘ Actieve Randpark naar het Pajottenland’ blijft beperkt tot een algemeen schema. En verder worden de kwalen van het Pajottenland (de verlinting, de zonevreemde bebouwing, de kaalslag van kleine landschapselementen, de overbemesting, de verpaarding e.d.m.) te weinig getackeld met concrete ruimtelijke ingrepen. De suggesties die de Halle Scan in deze zone binnen de bevoegdheid en de capaciteit van de stad acht lijken eerder marginaal ten overstaan van /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 44 van 113
de enorme problematiek van het gebied. Dit is niet zomaar op rekening van Posad/Maxwan te schrijven: de vraag rijst in welke mate effectieve stappen in de transities naar klimaatadaptatie/mitigatie en duurzame ruimtelijke ontwikkeling van een stedelijke/gemeentelijk territorium binnen de capaciteit van een (nochtans geïnteresseerde en geëngageerde) stad/gemeente zoals Halle vallen. In Halle betreft deze vraag niet enkel het kwetsbare en reeds gekwetste Pajottenland. Welke bijdrage die het verschil zou maken heeft de stad te bieden aan de werken aan het kanaal Brussel-Charleroi en de toekomst van deze waterweg?, aan het spoorverkeer en de rol van de kleine stations van Buizingen en Lembeek?, aan het stoppen van de verlinting?, aan de infrastructurele ingrepen aan de snelwegen en steenwegen? aan het herstel van de samenhang van de Brabantse Wouden?
2. Eindrapport Beersel, Maat-ontwerpers, Voorland, Tractebel, november 2020 Binnen de scan aanpak kan Eindrapport Beersel een modelrapport worden genoemd: goed geschreven, uitvoerig gestoffeerd, een volledig en coherent narratief van Verkenning over Diagnose naar Transitieagenda. De te volgen scan methodologie wordt aangevuld met eigen bijdragen zoals het Gisprotocol. Een eerder beperkte collectie van data en kaarten bij de Verkenning is geen belemmering voor het formuleren van een uitvoerige en goed geargumenteerde Diagnose, geïllustreerd met zelf gemaakt kaartmateriaal en SWOT schema’s. De Transitieagenda met bijhorende acties is zeer uitgebreid. Mogelijk is deze sterkte van de Beersel Scan tegelijk de achilleshiel ervan. De Beersel Scan sluit geografisch aan bij de Halle Scan, samen bestrijken zij een brede corridor binnen de relatief smalle strook Vlaanderen die geklemd zit tussen het Brussels Gewest en Wallonië. In dit deel van Vlaams Brabant worden de vraagstukken omtrent klimaatadaptatie/mitigatie en duurzame ruimtelijke ontwikkeling gekleurd door de onvermijdelijke impact van de Brusselse Metropolitane Ruimte en van Waals Brabant. Er ontstaat een ‘driegewestelijk spanningsveld’ waaraan de gemeente Beersel zich niet onttrekken kan. a) De Beersel Scan probeert in meer genuanceerde termen dan de Halle Scan om te gaan met het vraagstuk van de impact van de Brusselse Metropool: ‘Beersel maakt functioneel deel uit van de Brusselse Regio’ (p48), ‘41% van de werkende bevolking pendelt naar Brussel’, een significant deel van de nieuwe inwoners van Beersel en van de occasionele bezoekers/horeca klanten komt uit het Brusselse’ (p28). Beersel is terecht bezorgd dat de grootstedelijke dynamieken ‘het landschappelijke karakter van de gemeente’ zouden aantasten (p48) maar ‘moet vermijden om vanuit een te grote schrik voor verstedelijking en verfransing kansen te missen die de metropolitane invloedssfeer hen biedt’ (p49). De formulering van de Beersel Scan schippert tussen het erkennen van de mogelijkheden die de nabije metropool biedt en de retoriek van ‘sluimerende bedreigingen’ die ervan uitgaan (vastgoedprijzen, verstedelijkingsdruk, verfransing...). Het vrijwaren en opwaarderen van het ‘Groen Hart’ (rond de Meigemheide) moet de ruimtelijke identiteit affirmeren van ‘een open ruimte gemeente in een metropolitane regio’. Tegelijk moet dit Groen Hart zorgen voor een ‘gedeelde identiteit’ en een gezamenlijk ‘kloppend hart’ voor vijf zeer verschillende kernen (Lot, Huizingen, Beersel, Dworp en Alsemberg), verspreid over het gemeentelijk territorium, vijf kernen die eigenlijk met elkaar weinig uitstaans hebben. Terwijl de Halle Scan herhaaldelijk affirmeert ‘dat Halle ligt in de Groene Gordel rond Brussel’ wikt en weegt de Beersel Scan de woorden en bestempelt het Groen Hart van Beersel als een deel van ‘de Groene Rand rond Brussel’ of van een ‘Groene Wig’ naar Brussel of van ‘het metropolitane netwerk van open ruimten in en rond Brussel’(p48). De terminologische twijfel omtrent het Groen Hart zal weerslag hebben op de ruimtelijke uitwerking ervan. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 45 van 113
b) Het Groen Hart wordt als ‘de overkoepelende ambitie’ naar voor gebracht. Een intelligente zet. Het betreft een uitgestrekt gebied dat bestaat uit de Meigemheide, weide- en landbouwgronden en bosfragmenten. In een wijde cirkel rond dit ‘Groen Hart’ liggen de vijf, onderling zeer verschillende kernen die samen Beersel uitmaken. Het centrale groengebied is zowat het enige dat gemeenschappelijk is aan de vijf kernen. Belangrijk is dat de overkoepelende ambitie niet vanaf nul start maar sedert 2007 deel uitmaakt van het Landinrichtingsproject Meigemheide, een samenwerkingsverband tussen de gemeente, Natuurpunt, het Agentschap voor Natuur en Bos en de Vlaamse Landmaatschappij. Het activeren en uitbreiden van dergelijk samenwerkingsverband is cruciaal voor het welslagen van de verschillende ‘acties’ die strategische stappen moeten zetten in het realiseren van de overkoepelende ambitie. Negen ‘acties’ worden voorgesteld: concrete prioritaire interventies zijn er niet bij; het blijft bij een opsomming van omvangrijke en algemene opdrachten zoals: een ‘Masterplan Groene Ruimte’ opstellen, medefinanciering zoeken, zonevreemd gebruik stoppen, ‘medetrekker’ worden van enkele andere lopende plannen en projecten, korte keten landbouw ondersteunen, openbaar domein en Groen Hart laten overvloeien, een coalitie van stakeholders trekken, onthaalpoorten inrichten... Coproductie van een groot aantal zeer verschillende actoren en instanties is nodig. Een stand van zaken wordt niet gegeven. Prioriteiten, eerste stappen en wat de gemeente kan doen om het verschil te maken blijft onduidelijk. Een knap concept muteert in een waterval van algemene to do’s. c) Het Groen Hart concept is absoluut interessant en verdient verdere uitwerking. Maar het is niet zomaar evident om dit tot ‘overkoepelende ambitie’ en tot generator van een nieuwe ‘gemeenschappelijke identiteit’ te promoveren. Het lijkt wel of ‘centrum, ‘kern’ of ‘hart’ de enig mogelijke morfologische figuren zijn die in staat geacht worden om een verband te creëren tussen verspreide en heterogene ruimtelijke fragmenten. Zo blijft, net als in de Halle Scan, de figuur van de lineaire infrastructuurbundel (kanaal, spoorweg, Zenne, steenweg, snelweg), die de gehele westkant van het gemeentelijk territorium van Beersel domineert en de verbinding maakt met Brussel in het noorden en Halle in het zuiden, buiten beschouwing. De Beersel Scan zelf lijkt te twijfelen tussen het Groen Hart als ‘hart’ en het groen hart als missing link tussen het Hallerbos en het Zoniënwoud. En waarom zou het werk maken van groene corridors, die verbindingen forceren tussen de grote en kleine brokstukken van de Brabantse Wouden, niet evengoed een ‘overkoepelende ambitie’ kunnen zijn? Ook hier gaat het m.i. niet om de enige mogelijke waarheid maar om verschillende mogelijke scenario’s die de Scan zou kunnen formuleren als uitgangspunten van een ferm stadsdebat of van verder onderzoek in samenwerking met de gemeente. d) De Beersel Scan lijkt zich aan te sluiten bij de intentie van de gemeente Beersel om te focussen ‘op het stoppen van de bevolkingsgroei om haar eigenheid als open ruimte gemeente te behouden’ (p66) ‘uit schrik om haar groene dorpse karakter te verliezen’(p52) onder meer door ‘verstedelijkingsdruk’ die uitgaat van de nabijgelegen metropool (p48). In grote delen van de gemeente lijkt dit ’dorpse karakter’ eerder een fata morgana: de infrastuctuurbundel en bedrijvenclusters aan de westkant, uitgestrekte en onstopbare verkavelingen alom, zeer drukke en verlinte steenwegen, tanende landbouw, sprawl van zonevreemde functies e.d.m. doen niet meteen ‘dorps’ aan. Dit roept lastige vragen op die min of meer onzeild worden in de Beersel Scan. Zijn verkavelingen een figuur van verstedelijking of van het afwijzen van de stad? Zijn wettelijke en financiële middelen voorhanden om verdere bodembezetting door dit ondichte woonpatroon tegen te gaan? Is het vermeerderen van het aantal inwoners rond grotere groengebieden (Groen Hart, Hallerbos, Zoniënwoud) niet aangewezen (op p52 staat een foto van Central Park NewYork!)? En moet binnen de invloedssfeer van een metropool verdichting niet radicaler zijn dan het toevoegen van enkele woningen aan een verkaveling? Met andere woorden: is het bevriezen van het inwonersaantal wel een te verantwoorden optie? Dit zijn fundamentele /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 46 van 113
vragen waarop meestal geen eenduidig zaligmakend antwoord bestaat. Opnieuw zou m.i. de scan op dit gebied verschillende beleidslijnen en hun ruimtelijke implicaties moeten ophelderen en naast elkaar plaatsen maar of het beperkte format (werktijd, budget) dit toelaat is maar de vraag. e) Op een overzichtelijke en consequente wijze werkt de Beersel Scan van 1 ‘ overkoepelende ambitie’ naar 3 grote ‘beleidsambities’, uitgewerkt in 9 ‘doelstellingen, gekoppeld aan 26 ‘acties’ om te eindigen met 2 ‘strategische projecten’. De ‘acties’ zijn vaak erg algemeen en omvangrijk; samen genomen vormen zij een enorm programma en kunnen dus overkomen als een niet te beklimmen berg. Anderzijds blijft de Beersel Scan erg spaarzaam met ‘strategische projecten’. Het project ‘Beleefbaar Beersel’ heeft het karakter van een werkbaar stads(dorps)vernieuwingsproject en creëert een interessante synergie tussen een groot aantal relatief kleine ingrepen. Wat ontbreekt is een onderscheid tussen prioritaire ingrepen en aanvullende ingrepen. Het project ‘Verkaveling Schaveys’ wil focus en geleding geven aan een uitgestrekte en motone verkaveling en tegelijk ecologische corridors openen tussen het Groen Hart en meer oostwaarts (richting Zoniënwoud) gelegen bosfragmenten en landbouwgronden. Een lastige vraag daarbij is of dit niet neerkomt op het repareren, verschonen gentrifiëren en bestendigen van een ongewenst woonpatroon. f) De Beersel Scan eindigt met ‘Aanbevelingen voor de Hogere Overheid’, een bondig, uiterst belangrijk maar ook ontmoedigend onderdeel van de scan. In feite hebben deze hogere overheden alle cruciale sleutels in handen voor een ruimtelijke beleid dat de nodige transities naar klimaatadaptatie/-mitigatie, behoud van biodiversiteit en duurzame ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt. Daarbij komt nog dat het merendeel van de 26 aan de gemeentelijke overheid gesuggereerde ‘acties’ van de Transitieagenda niet realiseerbaar zijn zonder coproductie vanwege hogere overheden of bovengemeentelijke organisaties en instanties. 3 Eindrapport Lommel, BUUR, juli 2019 Eindrapport Lommel is een stevig werkstuk dat zich vooral onderscheidt door een uitgebreide en gedetailleerde formulering van de Ambities en de Transitieagenda. In zelfzekere termen borstelt de Lommel Scan een helder beeld van een stralende toekomst voor een stad die ‘alle troeven in handen heeft’ om zich te profileren als pionier ‘van een klimaatneutrale samenleving’ en van ‘een nieuwe circulaire economie’. Tegelijk merkt men hier en daar aan de ondertoon en de subtekst van de scan dat de auteurs/experten op een heel andere golflente zitten dan de lokale overheid. Dit roept twee vragen op: 1 Wiens ‘stemmen’ moeten doorklinken in de scan: de externe stemmen van de experten, de interne van de lokale actoren (human en non-human), of een samenspraak van externe en interne stemmen? 2 Zijn Ambities en Transitieagenda stappen naar ‘de ideale wereld’ of zijn het stappen in transities die een verschil kunnen maken op het vlak van klimaatadaptatie/-mitigatie en duurzame ontwikkeling? a) De Lommel scan is een werkstuk dat volop gaat voor het hedendaags paradigma van planning en ontwikkeling, een werkstuk dat bij de toepassing ervan op de lokale situatie beroep doet op een grote professionele kennis. Doorheen het Eindrapport primeert de overtuigingskracht van het paradigma op een ‘neutrale’ beschrijving van de lokale context die, zoals elke complexe situatie, niet vrij is van ongerijmdheden en onzekerheden. Kencijfers en Ruimtelijke beschrijving blijven in het Eindrapport beperkt. Data worden eerder ingezet bij het formuleren van de verschillende rubrieken van de Diagnose; daar dienen zij om de Diagnose te bekrachtigen. Eventuele tegenstrijdige fenomenen die oplichten uit een neutrale weergave van data verdwijnen daardoor uit beeld. Tussen de stellingen van de Diagnose is geen speld te krijgen.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 47 van 113
b)Een centrale doelstelling van het paradigma is het vrijwaren van de open ruimte, na jarenlange aantasting ervan, en het herstel van de continuiteit van groenblauwe netwerken, weggewalst door productivistische landbouw en betonzieke verstedelijking. De Lommel Scan gaat daarbij verder dan de courante mantra die zweert bij het vergroenen en vertragen van de openbare ruimte en bij uitgebreid verstelwerk dat voorziet in groene doorsteken, groene fietspaden, groene kamers, parkjes voor stadslandbouw en ander fraais. De Lommel Scan besteedt bijzondere aandacht aan de productieve roeping van de open ruimte (onder meer voor houtproductie) en aan de grondige reconversie van overbemeste naar ‘natuurinclusieve landbouw’, als belangrijke onderdelen van een duurzame economie. Wel blijven de concrete mogelijkheden van de lokale overheid om wezenlijk bij te dragen aan de transities naar deze duurzame economie in het ongewisse. c) In meerdere steden of gemeenten proberen de scans van klimaatadaptatie/-mitigatie en duurzame ruimtelijke ontwikkeling een lokale aangelegenheid te maken door de omvattende thematiek toe te spitsen op omschreven thema’s zoals het vrijwaren van de resterende open ruimte en het verdichten van de bebouwde ruimte (waar mogelijk en haalbaar), zoals de algemene vergroening en ontharding van de publieke ruimte, zoals de herwaardering van het vergeten bekennetwerk, het terugdringen van automobiliteit door genereuze fietsinfrastructuur, het ondersteunen van kleinschalige korte keten voedselproductie, het bevorderen van lokale initiatieven van hernieuwbare energie e.d.m. Economische ontwikkeling en tewerkstelling lijken daarbij naar de achtergrond verdrongen. De Lommel Scan slaat een heel andere toon aan: de stad zou ‘over alle troeven beschikken’ om een voortrekkersrol te vervullen in Vlaanderen op het vlak van hernieuwbare energie (wind, zon, geothermie, biomassa) en van circulaire economie op grote schaal (materialenstromen uit de gehele regio). Daarmee zou Lommel, na een geschiedenis van grootschalige industrialisering en ontginning (met spoor, kanaal en beschikbare ruimte als gangmakers), niet terugplooien op louter lokalisme en kleinschaligheid. Ook blijft op die manier tewerkstelling, homo faber zeg maar, een belangrijke motor van transitie. d) De Transitieagenda van de Lommel Scan is zeer uitgewerkt en wordt geordend in ‘programma’s, ‘strategische projecten’, ‘quick wins’ en aanbevelingen voor ‘publieke slagkracht’. In zijn geheel dekt de agenda nagenoeg alle aspecten van klimaatadaptatie/mitigatie en duurzaamheid en bestrijkt daarbij het gehele Lommelse territorium. De agenda is niet deze van ‘wat het meest nodig is’ en ‘wat maximaal tot de lokale mogelijkheden behoort’ maar wel deze van een algehele en grondige vernieuwing van het gehele stedelijk territorium gericht op klimaatadaptatie/-mitigatie en duurzame ontwikkeling. De Transitieagenda komt dan ook niet over als een overzicht van mogelijke prioriteiten en werkbare strategische stappen maar wel als een overweldigend totaalprogramma dat m.i. de capaciteit van elke kleine en middelgrote stad ver te boven gaat. e)Het is niet denkbeeldig dat er een kloof ontstaat tussen aan de ene kant de Transitieagenda uitgedokterd door de auteurs/experten en aan de andere kant het beleidsprogramma van de lokale overheid dat uitgaat van een opvatting over wat het maatschappelijk draagvlak torsen kan en wat binnen de capaciteit van de stedelijke diensten en lokale organisaties ligt. De Transitieagenda verwijst slechts nu en dan en in algemene bewoording naar lopende projecten of actieve samenwerkingsverbanden met stevige partnerorganisaties. Het blijft bij: “Er moeten goede partnerschappen (met VLM, Vilt, Natuurpunt, ANB,...) worden gevormd...”. f) Men kan een zekere tegenspraak ontdekken tussen de potige Diagnose en de uitgebreide reeks items van de Transitieagenda. De Lommel Scan benadrukt dat de stad Lommel “flink investeert in studies, plannen, visievorming omtrent gewenste ruimtelijke ontwikkeling” (p37) maar /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 48 van 113
aansluitend op meerdere vlakken een argwanende of afwachtende houding aaneemt (o.m. p17, p27). Maar, bij nader inzien, komen nagenoeg alle ‘programma’s van de Transitieagenda eveneens neer op visievorming, gaan de ‘strategische projecten’ eerder over voorbereidende planning die eventueel tot een project kan leiden en betreft de helft van de ‘quick wins’ eveneens studiewerk dat heel wat voeten in de aarde heeft en dus niet op korte termijn met een zichtbaar en wervend resultaat kan uitpakken. g) De Lommel Scan lijkt sporen te dragen van een onderhuidse spanning tussen de auteurs/experten aan de ene kant en de lokale overheid aan de andere kant. Meer dan als een zware maar noodzakelijke opdracht voor de stad Lommel, om lokaal bij te dragen tot het afwentelen van een zeer problematisch klimaatscenario, presenteert de scan de transities naar klimaatadaptatie/-mitigatie en duurzaamheid als het stappenplan naar een stralende toekomst waarvoor de stad alle troeven in handen heeft. Onderhuids klinkt kritiek op de afwachtende houding van de stad en op haar behoudsgezinde attitude die onder meer doorschemert in haar onbegrip voor een drastische reductie van het autoverkeer of in haar afwijzing van een uitdoofscenario voor verspreide bebouwingsflarden zonder enige voorziening. De toon van de scan is affirmatief. Hier zijn experten aan het woord die, niet gehinderd door enige twijfel, lijnen uitzetten, zelfs als deze dwars door de lokale heug en meug gaan. Heel wat zinnen van het Eindrapport vangen aan met ‘Lommel zal...’ terwijl wat volgt in Lommel haast zeker op twijfel en weerstand zal stuiten.
4 Eindrapport Sint-Katelijne-Waver, Blauwdruk + Palmbout + Lama, juni 2019 Het Eindrapport Sint-Katelijne-Waver getuigt van een moedige worsteling met een weerbarstige omgeving. De scan slaagt er in een tegendraadse realiteit te vatten in een sterke Diagnose maar vervolgens lukt het minder goed om uit deze Diagnose heldere Ambities te distilleren. Het is alsof de scherpte van de Diagnose verdwijnt in een wolk van algemene principes en generieke termen. Dit belet de auteurs niet om in het hoofdstuk Transitieagenda een zeer verdedigbare set van strategische projecten voor te stellen waarvan de meeste evenwel door gebrek aan concrete aanknopingspunten (lopende initiatieven, geïnteresseerde partners, bijzondere opportuniteiten of urgenties,...) en het ontbreken van enkele noodzakelijke instrumenten, hun strategische inzetbaarheid verliezen. Dit stelt de vraag naar het ambitieniveau en de gewenste uitkomst van de scan. Uit het beschrijvend en analytisch gedeelte van de Sint-KatelijneWaver Scan (Verkenning en Diagnose) komt een ruimtelijke problematiek naar voor van een enorme schaal (algeheel versplinterde open ruimte, ingrijpende economische mutatie) waarvan de schaal en de diverse factoren zo verknoopt zijn dat de bevoegdheden, de beschikbare toolbox en de capaciteiten van het lokale bestuur niet toelaten om dergelijke problematische situatie op eigen kracht om te buigen naar transities. Wat in zulke gevallen de best mogelijke uitkomst van de scan kan zijn is niet evident. Is het zinvol te proberen over de hele breedte van de problematiek een Transitieagenda uit te rollen die al gauw onhaalbaar zal blijken? Of is het beter enkele, tegelijk werkbare en strategische, invalshoeken te vinden die op zich ontoereikend zijn maar wel binnen de gemeente een nieuwe soort opdracht op de dagorde plaatsen? Of is het aangewezen om, vanuit een gedetailleerde formulering van een of meerdere strategische projecten, de voorwaarden van hun welslagen scherp te stellen: op welk bestuursniveau en in welk ‘agentschap’ moet er wat gebeuren om een project te doen slagen? hoe verschillende bevoegdheden en competenties samenleggen? welke instrumenten zijn nodig en welke moeten nog ontwikkeld worden? a) Aan complexiteit heeft de ruimtelijke conditie van Sint-Katelijne-Waver alvast geen gebrek. De Diagnose windt er geen doekjes rond. De ligging van de gemeente, in de schaduw van /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 49 van 113
Mechelen en met directe verbindingen naar Antwerpen, zorgt voor toenemende vastgoeddruk. De westerhelft van het territorium wordt doorsneden met infrastructuren en muteert gaandeweg van tuinbouw naar logistiek (gigantische tuinbouwveiling) en agro-industrie (grootschalige serreteelt) maar wordt daarbij gehinderd door een haast algemene versnippering van de gebouwde ruimte. Een wildgroei van serrebouw, zonevreemde woningen en gebouwen in overstromingsgebied vervolledigen, samen met de alomtegenwoordige linten en verkavelingen, een “exemplarisch” palet van versnipperende bebouwing. In de oosterhelft van het gemeentelijk territorium lijken doorgedreven verlinting en verkaveling de perceptie van het ‘dorps karakter’ evenwel niet in de weg te staan. De lage bebouwinsdichtheid gaat gepaard met een hoge verhardingsgraad. De open ruimte ligt opgesloten in landschapskamers verborgen achter de bebouwing. De landschapskwaliteit en de biologische waarde van de open ruimte laat te wensen over. Het bekensysteem heeft het hard te verduren: teruggedrongen naar de perceelsgrens, ingebuisd, samengevoegd met de riolering. De gehele open ruimte is Focusgebied Nitraat... De Diagnose, goed gestoffeerd met data en kaarten, is helder: het gaat niet meer om sluipende veranderingen maar wel om overheersende kwesties, positieve en negatieve. Ecosysteemdiensten, ecomische mutatie, residentiële voorkeur, landschappelijke integriteit, gunstige ligging, vastgoedappetijt, dorps karakter...: elk rubriek heeft nood aan ingrijpend beleid maar alles lijkt met alles verknoopt in samenhang en tegenstelling. Dat het Eindrapport bestaat uit een overtuigende Diagnose en een onbevredigende Transitieagenda wijst mogelijk op een mismatch tussen aan de ene zijde het overkoepelende en holistische paradigma waar de scan aanpak bij aansluit en aan de andere kant de tegenstrijdige feitelijkheid waarin de gemeente zich bevindt. Misschien is deze kwestie aan de orde stellen de grootste verdienste van de Sint-Katelijne-Waver Scan. b) Zoals in meerdere andere scans het geval is wordt in de Sint-Katelijne-Waver Scan de Verkenning (geografische situering, kencijfers, ruimtelijke beschrijving) beknopt gehouden. Data en kaarten worden ingeschoven in de verschillende rubrieken van de Diagnose. Dit versterkt de Diagnose maar verhindert een alternatieve lezing van de verzamelde gegevens. Anderzijds geeft de Diagnose van de Sint-Katelijne-Waver Scan de complexiteit van de lokale conditie goed weer en zou in principe het formuleren van alternatieve scenario’s voor een mogelijke Transitieagenda kunnen ondersteunen. Maar net zoals de formulering van de Ambities verliest de formulering van verschillende strategische projecten in de Transitieagenda zich te veel in algemene principes met weinig concrete aanknopingspunten. c) Het overzicht van ‘samenvattende ambities’ (p49) lijkt eerder uitgesponnen dan samenvattend. De titels ‘een weerbaar, dienstbaar en kwalitatief landschap als basis’, ‘koppel bouwopgaven aan het verbeteren van de ruimtelijke structuur‘, ‘herwaardeer de kwaliteit van de dorpskernen’ en ‘doe aan integrale projectontwikkeling’ zijn toepasbaar op alle scans in alle gemeenten. De eigenheid van Sint-Katelijne-Waver, zoals beschreven in de sterke Diagnose, klinkt er niet in door. Soms leest de tekst als een opsomming van ‘geboden’ (‘organiseer’, ‘verhinder’, ‘verplaats’, ‘zorg voor’, benader kritisch’,...) gekoppeld aan ‘beloften van een betere wereld’ die zal voorzien in ‘een sterke identiteit’, ‘recreatieve functies’, ‘een vernieuwde stadsrand’, ‘veerkrachtige landschapstypes’, belevingskwaliteit’, ‘toegankelijkheid’, ‘veiligheid’, ‘heropleving van de middenstand’, ‘betaalbaarheid’,.... d) Het Eindrapport presenteert de Transitieagenda als een vertaling van de Ambitie naar een reeks concrete Projecten. De Transitieagenda presenteert een set van zes Strategische projecten die inderdaad een welkome concretisering van de algemene Ambities zouden kunnen aanbrengen. Enkele ervan (Dorpskernversterking, Stationsomgeving, Maenhoevevelden) spelen in op meer hanteerbare, meer stedelijke problematieken en zijn knappe stads(dorps)vernieuwingsprojecten in spe. Maar de cruciale strategische projecten die een grondige /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 50 van 113
opwaardering van de open ruimte op het oog hebben blijven erg algemeen (Waverwoud, Duurzaam Productielandschap en Landschapskamers); zij moeten het stellen zonder concrete aanknopingspunten en blijven dus grotendeels wishful thinking. Het meest wishful evenwel lijkt het project Serre Hub: een grootschalige operatie die inspeelt op een grootschalige problematiek maar volledig hypothetisch blijft. Een ‘knelpuntenkaart’ geeft relocatiemogelijkheden maar zegt niets over de reële opportuniteit daarvan. Het Eindrapport stelt eveneens dat de zes projecten ‘niet gebiedsdekkend zijn’ maar wel “de prioriteiten vertegenwoordigen die het ruimtelijke beleid zou kunnen hebben”. Niettemin toont de bijgevoegde kaart (p56) dat de zes projecten zowat de helft van het territorium van de gemeente bestrijken. Dit is niet eigen aan het Eindrapport SintKatelijne-Waver: in meerdere eindrapporten lijken de auteurs/experten er naar te streven ‘diagnosedekkende ambities’ te vertalen in een ‘problematiekdekkende’ en ‘gebiedsdekkende’ transitieagenda van strategische projecten. 5 Eindrapport Temse, PTArchitecten, oktober 2020 Het Eindrapport Temse is het verslag van een zeer goede scan. Uit het document blijkt een sterke operationele vertrouwdheid vanwege de auteurs/experten met de mogelijkheden en de leemtes van het gangbare planologische kader: de procedures, de wettelijke mogelijkheden, de beschikbare instrumenten etc. Binnen de korte werktijd van de scan heeft het studiebureau een samenhangend en onderbouwd narratief opgebouwd van de ruimtelijke situatie en de ruimtelijke problematiek van de gemeente. Dit samenballen in één inzichtelijk document is op zich een opmerkelijke prestatie. Wat de Diagnose aanbrengt is goed geargumenteerd en wordt op meerdere plaatsen opvallend gedetailleerd en precies geformuleerd. De Transitieagenda is uitgebreid en ontvouwt meerdere rubrieken: quick wins, strategische projecten, programma’s, publieke slagkracht, adviezen aan hogere overheden. Ongetwijfeld heeft de relatief heldere ruimtelijke conditie van Temse de experten/auteurs een handje geholpen bij het scannen: Temse: een kleine ‘stad aan de stroom’ (evenwel zonder stedelijk statuut), ‘parel aan de Schelde’, goed gelegen tussen Antwerpen en Sint-Niklaas, in trek als woonplaats, nog steeds gevat binnen een duidelijke morfologie, zich affirmerend achter een oud en nieuw waterfront met stedelijke allure, landinwaarts aan alle kanten omgeven door landbouwgebied, stroomopwaarts en stroomafwaarts geflankeerd met een sliert van straatdorpjes langs overstromingsgebieden, werkterrein van het Sigmaplan. Het Eindrapport toont hoe de scan aanpak het er vanaf brengt in een situatie die niet bol staat van complexe en tegenstrijdige condities en waar dus meer evenwicht bestaat tussen het scan format en de complexiteit van de gescande ruimte. Tegelijk kan men de vraag stellen of de graad van detail en precisie die in dit geval mogelijk blijkt aan de Transitieagenda niet teveel de allure geeft van een uitgestippeld stappenplan in de plaats van een verstandige set van mogelijkheden die voor verder debat, keuze en amendering aangeboden wordt aan de gemeente. a) Het accent van de scan ligt op het verdichten van de stedelijke kern, het behoeden van het buitengebied voor verdere verlinting en het vergroenen van het geheel. Daarentegen krijgen de economische ontwikkeling en de sanering van de landbouw weinig aandacht. Beide lacunes zijn niet eigen aan de Temse Scan. Dit heeft mogelijk te maken met het ontbreken van kennis en cases omtrent duurzame reconversie van landbouw en industrie in de disciplines van de gebouwde ruimte. En er is natuurlijk ook de huiver van lokale en andere besturen om zich met dergelijke gevoelige sectoren in te laten. Nochtans nemen landbouw en industrie vaak een aanzienlijk deel van de ruimte in beslag en zijn verknoopt met andere sectoren: bedrijventerreinen met bereikbaarheid en mobiliteit, landbouw met het natuurlijk landschap, residentiële sprawl met mobiliteit en met de integriteit van het agrarisch gebied. De spreiding van wonen, bedrijven, landbouw en mobiliteitsnetwerken over heel Vlaanderen maken van dergelijke verknoping een haast algemeen kenmerk van de Vlaamse gebouwde ruimte. Temse kende een /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 51 van 113
belangrijke industriële ontwikkeling en de ruimte voor bedrijventereinen is ongeveer even groot als deze van de rest van het stedelijk gebied. Het reusachtige TTS bedrijventerrein sluit aan op spoor, gewestweg en snelweg, is blijkbaar aan reconversie toe maar komt niet aan bod in de Transitieagenda. Wel wordt, wat de reconversie van de landbouw betreft, herstel van landschappelijke integriteit onderdeel van de groenagenda (herstel van ‘bolle akkers’ door treescape en het afbakenen van landbouwkamers met groen en bomen). b) Temse is een kleine stad met zeer herkenbare stedelijke kenmerken: de kade, de stadsstructuur, de moderne waterfront stadsvernieuwing, mobiliteitsinfrastructuren, bedrijventerreinen...De Temse Scan doet er alles aan om deze stedelijke allure te verzoenen met een zeer uitgewerkte groenagenda. In grote lijnen lukt deze opzet wel en dat is geen geringe prestatie. Toch lijkt ‘het vergroenen’ in verschillende rubrieken van de Transitieagenda een passe-partout oplossing te worden die in de plaats komt van noodzakelijke harde stedenbouwkundige ingrepen. Zo komt de herontwikkeling van de stationsomgeving, met aangepaste herinrichting van de openbare ruimte, naar voor als een essentieel strategisch project maar lijkt neer te komen op ‘overgroenen’ van alle open ruimtes en het verdichten van enkele verkavelingen in de buurt. Ook de harde breuk tussen het oude en het nieuwe centrum (de Zaat) zou in hoofdzaak met groen gehecht worden. Elke stedelijke open ruimte wordt een groene ruimte ongeacht het karakter, de geschiedenis, de positie en de rol van deze ruimte. Dit terwijl een structurele en tegelijk ‘groene’ problematiek zoals deze van de connecties en synergieën tussen ‘groen wonen’, ‘wild groen’ en ‘wandelgroen’ in de overstromingsgebieden en de kleine woonkernen langs de Scheldeoever het niet tot een strategische project brengen en dit ondanks evidente connecties met het Sigmaplan. c)Wat te doen met de ondichte verkavelingen en de talrijke WUG’s is terecht een grote bekommernis van de Diagnose en de Transitieagenda. De voorstellen voor verdichting van de westvleugel van ‘de Stadsvlinder’ zijn waardevol maar blijven al bij al erg randstedelijk wat weefseltype betreft. Interessant is het Programma van de woonuitbreidingsgebieden (PR2) die de rand van het stedelijk gebied zouden kunnen versterken en tegelijk vorm geven aan groene vingers naar het binnenstedelijk weefsel. Wat het terugdringen van de residentiële sprawl in het landbouwgebied betreft (verkavelingen, verlinting, zonevreemd wonen) worden heel wat opdrachten voor de gemeente opgelijst: RUP’s herzien, een strenger vergunningsbeleid uitwerken, case-to-case beoordelingen riskeren, een lastenregeling uitwerken tot een stedenbouwkundige verordening, een beleidsmatige gewenste ontwikkeling voor de gehele gemeente opmaken, een inventaris van onbebouwde percelen en leegstand opmaken, experimenteren met planologische ruil etcetera. Vreemd is dat, in tegenstelling met heel wat andere scans, de Aanbevelingen aan het Adres van de Overheid (het laatste deel van de Transitieagenda) op het vlak van het uitwerken van wettelijke mogelijkheden en bruikbare instrumenten tegen sprawl erg mager blijven. d) De detaillering van sommige elementen van de Diagnose en de gedetailleerde uitwerking van de strategische projecten in de ‘Stadsvlinder’ komen sterk in de buurt van de Stadsvernieuwingsprojecten die deel uitmaken van het Stedenbeleid. Opvallend is wel dat de Temse Scan weinig beroep doet op ontwerpend onderzoek naar nieuwe typo-morfologieën of naar alternatieve scenario’s en dat er al helemaal geen sprake is van ‘stadsontwerp’. De voorstellen blijven stedenbouwkundig erg op de vlakte. Het lijkt wel of het ‘architectuur van de stad’-paradigma weggespoeld werd door ‘de groene golf’ terwijl het er juist op aan komt een generieke overgroening te vermijden door een innovatieve en veelvormige vergroening op punt te stellen die stedelijke, dorpse, buurtgebonden of landelijke ruimtes onderscheidt naar karakter, schaal, positie, gebruik, geschiedenis.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 52 van 113
e)Al vertonen verschillende strategische projecten en elementen van de Diagnose verwantschap met de Stadsvernieuwingsprojecten, een opmerkelijk verschil is het ontbreken in de scan benadering van initiatieven in de richting van coproductie tussen de drie belangrijkste actoren in het realiseren van ruimtelijke veranderingen: met name de overheid, de private sector en de civiele maatschappij. In de scan benadering bezet het orkest van overheden en overheidsagentschappen het volle podium (al zijn valse noten legio en kakofonieën niet zeldzaam). Zonder er nader op in te gaan verwijst het Eindrapport Temse naar “een nieuw ruimtelijke beleid met aandacht voor participatie” (p19. De private sector verschijnt als de potentiële boeman die met regelgeving en lasten tot de orde moet geroepen worden. In de rubrieken Publieke Slagkracht (p68, p70) en Aanbevelingen aan het Adres van Hogere Overheden (p71) worden enkele voorzichtige openingen gemaakt naar een ‘onderhandelingsstedenbouw’ (onderhandelde lasten, wetgevend kader voor regeling belangenconflicten op gemeentelijk niveau, onderhandse regeling planologische ruil). 6. Tot besluit: kwesties en suggesties Het narratief van de scans is lineair, convergerend en affirmatief: getrouw aan het opgelegde format evolueert het van Verkenning, over Diagnose naar een ‘samenvattende ambitie’ die vervolgens wordt opengevouwen tot Transitieagenda. Verwarrende zijsporen, paradoxen of onduidelijkheden worden niet meegenomen. Er is geen plaats voor alternatieve interpretaties van gegevens en observaties, geen plaats voor verschillende diagnoses en uiteenlopende ambities, geen plaats voor open vragen. Als dusdanig is een scan te nemen of te laten, in zijn geheel of gedeeltelijk maar hij verwijst fundamentele opties of open kwesties niet door naar een debat. Daardoor is het mogelijk dat interessante alternatieve interpretaties of pistes gewoon niet in beeld komen. Deze eenduidigheid contrasteert in zekere zin met het gebrek aan prioriteit en hiërarchie in de doorgaans overladen Transitieagenda’s. Het lijkt m.i. aangewezen de scans meer als gefundeerde reflectie dan als richtlijn op te vatten. De scan benadering sluit zich aan bij wat zich aandient als een hedendaags planologische paradigma (klimaatadaptatie/-mitigatie, korte ketens, de natuurlijke context als ordenend principe, het primaat van de open ruimte, e.d.m.). Maar eerder dan de huidige situatie van een stad/gemeente sui generis te beschrijven en vervolgens te toetsen aan het paradigma, wordt de lokale context beschreven in de termen van het paradigma. Daarbij treden de lokale elementen die het paradigma confirmeren op de voorgrond ten nadele van deze die er niet bij passen. In feite is dit een doorgedreven top-down benadering die dreigt lokale eigenheid en eigenzinnigheid, wanneer deze vreemd is aan het paradigma, weg te snoeien. Wanneer dergelijke selectieve benadering in het Scan Rapport samengaat met een affirmatieve of zelfs dirigerende toon, die bovendien lokale bezwaren, inzichten en initiatieven naast zich neerlegt, wordt het topdown effect nog versterkt. Dit creëert een vorm van vervreemding tussen wat de scan aanbrengt en wat in een stad/gemeente aangevoeld wordt, een vervreemding die overheersend kan worden en resulteren in een afwijzing van de gehele scan. De toonzetting van het hele verhaal blijft best bevragend en suggererend: niet “doe dit” of “doe dat”, eerder: “...gezien de context lijkt het aangewezen om ‘dit’ te doen, maar ook ‘dat’ is eventueel mogelijk mits...”. En meer algemeen zou de scan aanpak eerder een toetsing, amendering of verrijking van het paradigma moeten betekenen dan een a priori toepassing ervan. Anders gesteld: het is van belang de deductie van het paradigma naar de lokale context voldoende aan te vullen met inductief denken vanuit de lokale context naar het paradigma toe. Paradigmatische zichtbaarheid gaat vaak samen met een graad van paradigmatische blindheid. Dit kan een verklaring bieden voor de methodologische zwaktes of inhoudelijke leemtes waarvan sommige scans getuigen. Zo ontbreekt het meerdere scans aan een sterke /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 53 van 113
historisch-morfologische analyse en duiding van de gebouwde ruimte. De ruimtelijke beschrijving valt terug op generieke ruimtelijke sjablonen (kernen, gordels, poorten,...) die weinig oog hebben voor de bijzondere kenmerken van het gebouwde patrimonium. Alsof ‘de architectuur van stad of dorp’ van geen tel meer is. Dit gaat niet alleen over finesses van de ruimtelijke beschrijving: sommige scans negeren dominante historische ontwikkelingen die nog steeds de morfologie van de stad en haar impact op het ommeland bepalen. Dergelijke lacune heeft uiteraard een weerslag op de Diagnose en de Transitieagenda. Opmerkelijk is dat de cruciale transitie van een klimaat- en ruimtebelastende economie (landbouw, industrie, logistiek, transport) naar een circulaire economie slechts op de achtergrond aanwezig is in meerdere scans. Zelfs bij scans in steden en gemeenten met een groot maar problematisch landbouwpotentieel, of waar een opmerkelijke industriële geschiedenis wacht op een vervolg, is dit het geval. Transitieagenda’s raken soms niet verder dan een algemene vermelding van belangrijke op til zijnde veranderingen of houden het bij lokale, kleinschalige, korte keten initiatieven. Zelfs de scans die transitie in economische bedrijvigheid wel bovenaan de agenda plaatsen, slagen er moeilijk in om dit te vertalen in krachtige en toch werkbare ingrepen waarbij de stad/gemeente een belangrijke rol kan spelen, in samenspel met de andere nodige instanties. Dit wijst op het ontbreken van kennis, ervaring en referenties (best practices) in de disciplines van planning en ontwerp (waar sowieso economie, tewerkstelling en sociale emancipatie zelden bovenaan de agenda prijkten). Voor planners en ontwerpers staat de homo faber achteraan de rij van actoren van de lokale transitie: achter de wandelaar, de fietser, de bewoner, de recreant. Waarschijnlijk heeft dit eveneens te maken met het ontbreken van instrumenten, procedures en wettelijke middelen om economische transities ruimtelijk te bewerkstelligen en met de terughoudendheid van beleidsmakers om daar sterk op in te grijpen. In elk geval is er op dit vlak voor de betreffende disciplines en voor toekomstige scanners heel wat werk aan de winkel. In een gebouwde omgeving, stad, dorp of platteland, wordt immers niet enkel gewoond, gereden, gefietst, gewandeld, gespeeld, gesport, gepraat en samen gezeten maar ook gewerkt! Terwijl er nood is aan meer aandacht of aan meer actiemiddelen voor de analyse van de ruimtelijke morfologie, voor de architectuur van de stad/het dorp, voor economische reconversie en tewerkstelling, voor de sanering van de landbouw, voor ingrijpend landschapsherstel, voor het daadwerkelijk aanpakken van WUG’s, linten en zonevreemde gebouwen, is er geen gebrek aan aandacht en inzet voor het vergroenen van de ruimte. Het dominante paradigma kleurt groen. Dat is absoluut nodig om een halt toe te roepen aan de excessieve verharding, om hitte te temperen, om biodiversiteit te beschermen, om kaalgeslagen landschappen te herstellen, om natuurlijke afwatering en insijpeling te bevorderen... Maar de scans lijken niet te ontsnappen aan een tendens van ‘generieke overgroening’ van de open ruimte, in de eerste plaats van de openbare ruimte. Zo wordt in sommige gevallen van een zachte groenaanleg zeer ingrijpende morfologische capaciteiten verwacht zoals het helen van harde breuken in het gebouwde weefsel of het overbruggen van harde ruimtelijke barrières. Haast alle scans doen aan ‘generieke vergroening: kades, stadspleinen, buurtpleintjes, dreven, lanen, corridors, restruimtes, vacante terreinen, en landschapskamers worden eenduidig overgroend, los van hun schaal, hun morfologische positie, hun gebruik of hun geschiedenis. Scans maken wel gebruik van referentiebeelden om de nood aan een meer specifieke groenaanleg op bepaalde plekken te onderstrepen. Het gebrek aan duiding waarop de referentie juist slaat herleidt deze evenwel tot een vage illustratie. In feite staat de discipline van het stads- of landschapsontwerp hier voor een historische taak: het open ruimte paradigma van deze tijd moet dringend worden uitgerust met een uitgebreid, innovatief en geïnspireerd ontwerpvocabularium van de vergroening. Het is aan de scans om deze taak mee te ondersteunen.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 54 van 113
Het scan format, met de sequens van Beschrijving, Diagnose en Transitieagenda, blijkt als een manier om een eerste doorlichting van lokale condities en mogelijkheden te vertalen in een ordentelijk narratief, naar behoren te werken. Niettemin kan men enkele bedenkingen terzake formuleren. Scans vermelden ternauwernood, in het hoofdstuk Verkenning, hoe de feitelijke kennisname ter plekke is gebeurd: veldwerk, fietstocht, lokale workshop, gesprekken met bevoegde personen... Over het algemeen lijkt deze fysieke lokale verkenning beperkt. Dit verklaart misschien waarom specifieke informatie (een bijzondere plek, een bijzondere functie, een gevoelige kwestie,...) schaars blijft en in het scan verhaal zelden een planmatige of cijfermatige stellingname bijstelt. Verschillende scans integreren het beschikbare cijfer- en kaartmateriaal in de Diagnose. Dit laat toe onderdelen van de Diagnose ferm te staven maar belemmert dan weer een mogelijke alternatieve interpretatie van de data. De Diagnoses zijn (naar mijn mening) de beste onderdelen van de scans. Niet zelden zijn het staaltjes van een compacte en toch welvoorziene duiding van de ruimtelijke status questionis van een stad of gemeente (ook is deze stand van zaken, zoals reeds gesteld, niet per se vrij van blinde vlekken). Het hoofdstuk Ambitie daarentegen staat vaak bol van generieke veralgemening. Daarbij rijst de vraag over wiens en welke ambitie men het heeft: deze van de auteurs/experten of deze van de stad/gemeente?, deze die men heeft of deze die men idealiter zou moeten hebben? Aan het formuleren van de Transitieagenda wordt heel wat aandacht besteed. Wel lijdt deze niet zelden aan overdaad. Blijkbaar vinden de experten/auteurs dat de agenda zowel ‘problematiekdekkend’ als ‘territoriumdekkend’ moet zijn. Sommige Transitieagenda’s lijken eerder een stappenplan naar de ideale wereld dan een lijst van suggesties van strategische ingrepen die in staat zijn het verschil te maken en die tegelijk voldoende aanknopingspunten hebben met lokale initiatieven en lokale opportuniteiten. Overdadige Transitieagenda’s kunnen ontmoedigend werken of lopen het gevaar als volstrekt onhaalbaar van de kaart geveegd te worden. De meest doenbare strategische projecten lijken deze met een eerder stedelijke problematiek en daarbij verwantschap vertonen met de stads(vernieuwings)projecten. Jammer genoeg zijn de strategische projecten in de open ruimte (continue netwerken van open ruimten maken, deze versterken met korte keten initiatieven, blauw-groene netwerken herstellen, verkavelingen verdichten of verdunnen, linten laten uitdoven etc.) veel minder overtuigend. Structurele ingrepen blijken vaak niet te beschikken over de nodige wettelijke of procedurele instrumenten. Men houdt het dan maar noodgedwongen bij wandel- en fietspaden, het vergroenen van landschapskamers, het forceren van enkele corridors. Maar of ze nu structureel zijn dan wel corrigerend, in elk geval primeert, naar mijn mening, een lijst met suggesties van werkbare en zinvolle activiteiten, die hoe dan ook met transitie bezig zijn en een boost geven aan wat reeds lokaal min of meer aan de gang is, veruit op een theoretisch perfecte maar onhaalbare agenda. Een merkwaardig genre binnen de Transitieagenda’s zijn de quick wins. Er zijn er zeker die beantwoorden aan de bedoeling om gevat en wervend, snel en onomkeerbaar, een bescheiden ingreep met grote zichtbaarheid in gang te zetten. Heel wat gesuggereerde quick wins betreffen evenwel acties die heel wat voeten in de aarde hebben (zoals een ‘quasi autovrije herinrichting van het stadshart’) of betreffen voorbereidend studie- of inventariswerk dat noch quick, noch snel zichtbaar, noch wervend kan genoemd worden (zoals ‘de mogelijkheid van een warmtenet onderzoeken’ of ‘het afbakenen van zones voor onderscheiden woonverdichting en het herformuleren van bouwvoorschriften’).
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 55 van 113
Kortom, naar mijn mening zou het zinvol zijn na deze eerste (en zeer leerrijke) ronde van de BMSTRSCAN het scan format bij te stellen 1. In de richting van meer aandacht voor veldwerk en lokale prospectie, 2. in de richting van meer nadruk op de Diagnose (zo mogelijk met formulering van alternatieve scenario’s) als een stevige insteek voor lokale reflectie, debat en keuze, 3. In de richting van meer haalbare Transitieagenda’s die beter ingebed zitten in het lokale doen en laten. In nagenoeg alle scans sluit de Transitieagenda af met een rubriek ‘Publieke Slagkracht’ en een rubriek ‘Aanbevelingen aan het Adres van Hogere Overheden’. Beide rubrieken sluiten nauw op elkaar aan. Het relatieve belang van beide rubrieken wordt heel verschillend ingeschat door de verschillende teams van auteurs/experten. In enkele gevallen wordt nauwelijks de moeite genomen om aanbevelingen aan de hogere overheden scherp te stellen en voldoende inhoud te geven vanuit de vergaarde kennis omtrent de lokale conditie. En dit terwijl de Diagnose en de Transitieagenda herhaaldelijk een gebrek aan instrumenten, samenwerkingsinitiatieven en wetgevend kaders aantonen waarvoor hogere overheden zouden moeten instaan. De rubrieken ‘Publieke Slagkracht’ en ‘Aanbevelingen aan het Adres van Hogere Overheden’ mogen niet beschouwd worden als een obligate annex bij de scan. De bezorgdheden die er in verwoord kunnen worden zijn cruciaal. Het ontbreken van instrumenten, samenwerkingsverbanden en wettelijke kaders dreigt her en der in de scans op een patstelling uit te draaien. In meerdere rubrieken van meerdere scans kan men de indruk krijgen dat de meest noodzakelijke maatregelen die op de schaal van een stad/gemeente zouden moeten genomen worden - om wezenlijke stappen te zetten in de richting van een klimaatbewuste, biodiversiteit ondersteunende, duurzame ruimtelijke ordening - , niet tot de mogelijkheden of bevoegdheden van een stad/gemeente behoren (cfr de reconversie naar duurzame productiewijzen, de modal shift, de sanering en verduurzaming van de landbouw, het terugdringen van sprawl in de open ruimte, het herstel van het natuurlijk landschap, het instellen van uitgebreide ecosysteemdiensten, een niet-gentrifiërende woningmarkt gericht op kwalitatitieve kernversterking,...). Dat de meeste aantastingen van de ruimtelijke integriteit van een stad/gemeente grensoverschrijdend zijn, werkt deze indruk van lokale onmacht of lokale onbevoegdheid om de zaken voldoende daadkrachtig aan te pakken in de hand . Kortom steeds opnieuw wijzen de scans er op dat het efficiënt realiseren van een daadkrachtige Transitieagenda niet mogelijk is zonder de gezamenlijke en complementaire inzet van zowel de lokale als de bovenlokale overheden. Deze cruciale complementariteit laat vooralsnog te wensen over. Aan het begin van elke scan stelt het ‘Woord Vooraf’ dat een “multidisciplinair team van deskundigen nagaat in hoeverre het huidige ruimtegebruik en het gevoerde beleid van de gemeente/stad al beantwoorden aan de doelstellingen van het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen,(...)”. Een staaltje van autoritair top-down denken dat er bovendien van uit gaat dat ‘alle heil van boven komt’, wat gezien bovenstaande bedenkingen duidelijk niet het geval is. Maar dit hoeft niet finaal neer te komen op inactiviteit, in afwachting van... Zeker niet! Naar mijn mening is zowel de grootste verdienste van het Scan Project als de belangrijkste reden voor het verderzetten ervan, de wezenlijke bijdrage die dit Scan Project kan leveren aan het preciseren en verbeteren van de cruciale wisselwerking tussen de boven-lokale overheden en de lokale overheid bij het implementeren van een Transitieagenda die in staat is om het verschil te maken en tegelijk werkbaar blijkt. De scans gaan na in hoever het beleid dat de overheid uitzet ‘lokaliseerbaar is’, hoe het lokaal zo goed mogelijk kan worden uitgewerkt, hoe doeltreffend deze lokalisering is en wat de overheid moet doen om de doeltreffendheid aanzienlijk te verbeteren. Bovenstaande kwesties en suggesties stellen het Scan Project en de voortzetting ervan niet in vraag. Integendeel. De kritiek op sommige lacunes en de suggesties van mogelijke bijsturingen wijzen er /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 56 van 113
op dat de scan aanpak zich bezig houdt met de juiste vragen of tenminste de nodige argumenten aanreikt om dergelijke vragen als dringend te remediëren kwesties op de agenda te plaatsen.
6 DE BEVINDINGEN OVER DE OPGELEVERDE BOUWMEESTER SCANS In volgend hoofdstuk bespreken we de bevindingen vanuit de deelnemende gemeenten en studiebureaus over de opgeleverde scans. Deze tekst is voornamelijk gebaseerd op de enquête die naar alle deelnemende gemeenten werd verstuurd en uit de interviews van een 10 gemeenten.
6.1 CONTEXT VAN DE DEELNEMENDE GEMEENTEN Uit de bevraging blijkt dat voornamelijk de gemeentelijke omgevingsambtenaar (GOA) en andere gemeentelijke ambtenaren betrokken waren bij de opmaak van de Bouwmeester Scan, maar dat ook het politieke niveau (schepen en burgemeester) voldoende of actief betrokken is geweest. Het voltallige CBS is meestal sporadisch betrokken geweest (voornamelijk bij de opstart). Terugkoppeling met de gemeentelijke administratie en politiek was er voornamelijk tijdens het startoverleg en de workshops ten aanzien van het ambitiekader... Op deze afstemmingsmomenten waren doorgaans meerdere diensten vanuit de gemeente aanwezig (wonen, milieu, mobiliteit,…). Voor sommige respondenten was deze werkwijze voldoende, terwijl andere respondenten aangaven dat dergelijke beperkte betrokkenheid een eerder negatief aspect was van de scan. Meerdere respondenten gaven aan dat er meer interactie mocht zijn naar aanleiding van het finale overlegmoment met presentatie van uitkomst van de scan: ofwel kan dit overleg voor gegaan worden door het bespreken van een voorlopig document, ofwel gevolgd worden door een opvolgingsgesprek. Op de laatste stuurgroep zijn meerdere gemeenten ‘overdonderd’ geweest door het finale resultaat zonder hier dan meteen te kunnen over discussiëren (ook door de digitale setting tijdens de corona-pandemie). Hoewel sommige van de bevraagde gemeenten misschien wat teleurgesteld waren in het feit dat ze niet zelf de studiebureaus konden kiezen (en dus sommigen een bureau toegewezen kregen die hen nog onbekend was), was dit finaal nooit een probleem en was er met elk studiebureau een goede samenwerking. Indien nodig, werd er vanuit het team VB bijgestuurd zodat het niveau van elke scan gelijkaardig was. Naast de ambtelijke en politieke betrokkenheid blijkt uit de enquête maar ook uit de interviews dat voornamelijk de GECORO of Milieuraad betrokken is geweest bij de scan. Dit niet zo zeer tijdens de opmaak van de scan, maar eerder een terugkoppeling of presentatie van het eindresultaat. Bij twee respondenten van de enquête was er doorheen de opmaak van de scan een wissel van het politieke bestuur dat een invloed had op de zienwijze en verwachtingen ten aanzien van de scan. Ook was soms de betrokkenheid van de lokale politiek eerder zwak doordat de opstart van de scan samenviel met het laatste jaar van de legislatuur. De hoofden van de lokale politici stonden op dat moment niet meer op de Bouwmeester Scans maar wel op de nakende verkiezingen. De voorafgaandelijke verwachtingen met betrekking tot de scan waren voor de meeste van de gemeenten niet al te specifiek. Deze wilden vooral geïnspireerd worden, hadden een nieuwsgierigheid naar een externe, onafhankelijke/kritische blik over de gemeente (vanuit een duurzaam perspectief), op verschillende vernieuwende thema’s zoals klimaat en energie. Dit blijkt /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 57 van 113
dan ook uit de bevraging de belangrijkste reden waarom ze zich kandidaat hadden gesteld. Dit naar aanleiding van op te maken plannen voor stadskernvernieuwing of de nood aan visie rond wooninbreidingsprojecten. Deelnemers wilden de gemeente via de scan eens laten doorlichten, iets waar de administratie niet de tijd voor heeft om zelf uit te voeren. Doorgaans werd de kandidaatstelling voor de scan dan ook getrokken vanuit de administratie. De politiek steunde niet altijd even goed het project van de Bouwmeester Scan. Hierdoor waren er vooral vanuit de administratie grote verwachtingen ten aanzien van de studiebureaus, hopend op een goed resultaat van de scan om voor te leggen aan de politiek en ze zo mee te krijgen in de geformuleerde visies. De deelnemende gemeenten zagen de scan met andere woorden als opstap of als antwoord naar toekomstige beleidsmatig gewenste ontwikkelingen omtrent hun ruimtelijke ordening. Waarbij de verwachtingen waren dat de scan richtlijnen zou aanreiken of uitgangspunten zou formuleren voor de opmaak van een nieuw beleidsplan en bijhorende visieontwikkeling. Zo geven gemeenten aan dat er nood was aan een nieuwe gemeentelijke visie en ruimtelijke concepten conform het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen. Gemeenten waren benieuwd waar ze stonden in kader van hun visievorming voor een nieuw beleidsplan, zeker in die gemeenten waar het gemeentelijke structuurplan al meerdere jaren oud is. Bij andere gemeenten was de verwachting anders. Deze hoopten dat er oplossingen konden worden geboden voor bepaalde problematieken of vraagstukken als hoogbouw, verstedelijking in landelijke gemeenten, ruimtelijk rendement of hoe mobiliteitsproblemen aan te pakken, en dit aan de hand van concrete acties of maatregelen. Of bijvoorbeeld omdat binnen een gemeente enkele strategische sites vrijkwamen waarop ze graag een visie kregen. Ontwerpideeën waren welkom, maar voornamelijk een gedachtenwissel met externen was een belangrijke drijfveer om in te schrijven. Tijdens de oproep was de ‘betonstop’ zeer actueel en ook door de ronde van de Vlaams Bouwmeester in veel Vlaamse gemeenten, begonnen ook landelijke gemeenten na te denken over hoe ze dit in de praktijk zouden kunnen brengen waardoor ze zich inschreven. Zij hoopten op feedback en een aanzet tot manier van aanpak en zicht op beschikbare tools. Een andere respondent verwachte ontwerpend onderzoek, nog twee andere gemeenten wilden voornamelijk de sterktes en zwaktes van de gemeente met duidelijke werkpunten en de bepaling van prioriteiten concreet aanpakken. De gemeenten hebben bij de start deze concrete verwachtingen kunnen doorpraten, en in de mate dat de problematieken binnen de gekozen thema’s van de scan pasten, zijn deze verder uitgewerkt door de studiebureaus (bijvoorbeeld de opmaak van een verdichtingsvisie).
6.2 Ervaringen werkwijze en uitkomst scan 6.2.1 Beoordeling uitkomst scan
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 58 van 113
Figuur 12: vraag uit de enquête “hoe hebben de gemeentelijke actoren naar uw ervaring de resultaten van de scan ontvangen?” gericht naar gemeenten.
De wijze waarop een scan onthaald werd kan verschillen tussen de betrokken actoren binnen een gemeente. Uit de enquête blijkt dat in sommige gemeenten de meningen over de scan redelijk gelijklopend waren, maar in andere gemeenten konden deze sterk verdeeld zijn. Zaken waarover men niet of weinig enthousiast was gaan van te weinig oplossingen in de scan tot de angst over bepaalde suggesties zoals bv. verappartementisering van het buitengebied, het afbreken om elders ontwikkelingsrechten te krijgen of voorstellen die niet in overeenstemming zijn met de visie van het structuurplan. Positieve suggesties vond men dan de voorgestelde woonverdichting, kernversterking, de nieuwe inzichten rond ontharding en waterkwaliteit, het omgaan met erfgoed en de versterkte inzet van fietsgebruik. Voor een bepaalde gemeente bevat de scan dan ook een heldere formulering van enkele grote projecten waar ze de komende jaren in hun gemeente aan zullen werken. Voornamelijk waren bij de gemeentelijke ambtenaren en de betrokken schepenen de meest positieve reacties te vinden. De respondenten die burgemeester of lid van het CBS zijn van een gemeente ontvangen de scan al eerder neutraal of negatiever t.o.v. de gemeentelijke administratie. Zo waren er gemeenten waar voornamelijk de politiek eerder een afwachtende houding aannam met weinig interesse of betrokkenheid. Het besef dat het werk start met de scan is er niet altijd voldoende duidelijk bij deze actoren wat wijst op foutieve verwachtingen over het eindresultaat.
Wanneer we de respondenten in de bevraging analyseren, zien we dat het voornamelijk respondenten uit grote gemeenten zijn die het meest positief antwoorden. Daarnaast zijn het de respondenten uit gemeenten van de tweede oproep die de scan iets minder goed beoordelen. De globale visies en algemene inzichten in de scan worden doorgaans gevolgd door de brede groep van betrokkenen, maar over concrete uitwerkingen is meer gediscussieerd. Bij de fase van uitwerking was meer mogelijkheid tot politieke of bestuurlijke invloeding. Zo kon het soms zijn dat politici slechts enkele zaken er uit kozen, die pasten binnen bepaalde politieke standpunten. Voorstellen die volgens het bestuur weinig realistisch of te ver van de realiteit waren, werden dan bewust links gelaten. Het feit dat de verwachtingen over de uitkomst sterk konden verschillen, ligt ook aan het gegeven dat het een nieuw instrument was. Een gemeente gaf aan dat ze in feite bij de start een soort van blanco cheque tekenden omdat ze in het begin nog niet echt konden weten wat ze mochten verwachten. Omgekeerd hadden sommige gemeenten het gevoel dat ze zelf ook hun verwachtingen duidelijker hadden kunnen stellen en meegeven aan het studiebureau. Dan hadden ze misschien meer concrete antwoorden gekregen. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 59 van 113
6.2.2 Analysedeel: diagnose in de scan
Figuur 13: vraag uit de enquête “kende de Scan een meerwaarde voor uw gemeente kijkend naar het analysedeel binnen de Scan?” gericht naar gemeenten, waarbij 1 staat voor “helemaal geen meerwaarde” en 5 voor ”grote meerwaarde”.
De analyse van de scan heeft volgens de enquête voor het merendeel van de respondenten een voldoende tot grote meerwaarde. Uit de interviews kwam naar voor dat voornamelijk het samenbrengen van een verscheidenheid aan informatie op een sterk analytische en wetenschappelijke manier de meerwaarde was van de diagnose in de scan. Een nieuwe helikoptervisie, geformuleerd door een buitenstaander waarin op kernachtige wijze de gemeente wordt beschreven is voor velen een sterk onderdeel omdat het op een verhalende wijze een overzicht biedt, al dan niet met actualisatie van gekende cijfers. Het biedt overzicht en laat toe prioriteiten te zien. Hoewel misschien niet altijd nieuwe informatie te vinden was in de diagnose, was de synthetiserende benadering en cijfermatige onderbouwing toch voor velen nieuw en verhelderend. Ook kon het zijn dat door gekende pijnpunten zwart op wit neer te schrijven, de ogen van de lezers (extra) werden geopend of dat werd aangetoond dat een fenomeen (negatief zoals verharding maar ook positief zoals resterende aanwezigheid van open ruimte) toch groter was dan gedacht. Anderzijds zagen gemeenten de analyse als zeer nuttig omdat ze zelf niet altijd zo veel ervaring hebben met verwerking van resultaten op basis van de vele cijfers of de capaciteit er niet voor hebben. Ook voor de uitvoerende bureaus was de analysefase zeer belangrijk omdat ze zo aspecten die ze wilden uitwerken in de ambitiefase op de radar konden brengen. Ze zagen het als een soort objectieve verantwoording én basis voor draagvlak voor de gekozen ambities. Het is een hefboom om de strategie en visie logisch op te bouwen en inzichtelijk te maken. Het samenbrengen van de verschillende beleidsplannen die er zijn binnen een gemeente, tonen ook aan dat er doorgaans samenhang en een overkoepelende visie ontbreekt. Omgekeerd gaven de onderzoeksteams ook wel het belang van een goede cijferanalyse aan. Ze voeren deze niet louter omdat het zo hoort in de opbouw. Het is belangrijk deze te koppelen aan een visie. Wel was het zo dat bepaalde kritische noten in de scan op basis van de analyse binnen gemeente de nodige openheid eisten van de lezers. Er kon een breuk ontstaan tussen wat de deskundigen afleidden uit de cijfers en wat lokale betrokkenen zelf aanvoelden. Het besef is er niet altijd waardoor de analyse confronterend of vrank geformuleerd kon zijn. Een ander voordeel van de
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 60 van 113
analysefase is bij nieuwe politieke bestuurwissels binnen een gemeente, deze nieuwe bestuurders zich op basis van een goede onderbouwing in de scan kunnen inwerken in de RO van de gemeente. Afhankelijk van de verwachtingen en voorkeuren binnen een gemeente waren bepaalde onderdelen van de diagnose niet voldoende diep en onderbouwd uitgewerkt volgens enkele respondenten of niet vernieuwend genoeg. Daarbij aansluitend komt uit de enquête naar boven dat sommige gemeenten vonden dat de uitvoerende bureaus te weinig terreinkennis hadden waardoor de lokale situatie in de analyse of diagnose te beperkt was. Nuanceringen in algemene grafieken verdwijnen waardoor de link met lokale onderzoeken niet altijd duidelijk terug te vinden was. Bij de uitvoerende studiebureaus heerste eenzelfde gevoel over het feit dat de analyse niet altijd even grondig of diepgaand was, maar gezien de compactheid van het traject was het niet mogelijk om de analyses grondiger uit te voeren. Hoewel ze aanvoelen dat het voor sommige sceptische gemeenten had geholpen om standpunten diepgaander te analyseren, is er toch gekozen geweest om de analyses zo breed mogelijk uit te voeren zonder bepaalde zaken er uit te kiezen om meer in detail uit te werken. Algemeen gesteld was de tevredenheid over de diagnose positief omdat het gebaseerd is op een cijfermatige analyse dat eens neerschrijft wat er goed en slecht gaat in een gemeente en waar de verbeterkansen liggen. En dit op een duidelijke, eenvoudige en gefundeerde maar verzamelende wijze.
6.2.3 Visievorming in de scan: ambitie en transitieagenda/ visievorming Meer dan de helft van de respondenten in de bevraging was tevreden met de geformuleerde ambities en transitie-agenda in de scan. 1 op 4 was neutraal. De visievorming wordt eveneens positief beoordeeld met voornamelijk een ‘meerwaarde’ of ‘grote meerwaarde’, terwijl toch ook opnieuw 1 op 4 neutraal is. De respondenten die deel uitmaakten van de tweede oproep hebben op deze vraag licht positiever geoordeeld. Tussen de verschillende studiebureaus of grootte van de gemeenten zijn er maar beperkte verschillen in de beoordeling.
Figuur 14: vraag uit enquête: “In welke mate was u tevreden van de ambities en de transitieagenda in de scan voor uw gemeente?” gericht naar gemeenten, waarbij 1 staat voor “De ambities en transitie-agenda bleven zeer oppervlakkig” en 5 voor “De ambities en transitie-agenda waren grondig en diepgaand uitgevoerd”.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 61 van 113
Figuur 15: vraag uit enquête: “Kende de Scan een meerwaarde voor de visievorming op de toekomst van uw gemeente?” gericht naar gemeenten, waarbij 1 staat voor “helemaal geen meerwaarde” en 5 voor “grote meerwaarde”.
Binnen enkele gemeenten zien respondenten de meerwaarde van de ambitie binnen de scan voornamelijk in het feit dat het gebaseerd is op een objectieve analyse is van de vele planningsinitiatieven die er zijn en dat het aanzet tot nadenken, tot reflectie en bredere inzichten. Het bevat een andere, meer toekomstgerichte kijk en verwoordt ideeën, vernieuwende projecten of pijnpunten die nog niet uitgeschreven waren met een frisse blik en nieuwe doelstellingen op een kernachtige manier. De koppeling tussen de (ambitieuze) voorstellen en de analyses in de diagnosefase is zeer belangrijk voor draagkracht en inzicht in de voorstellen. Het is het onafhankelijke advies van personen met vakkennis dat hier voor meerwaarde zorgt. Bij sommige actoren zullen de geformuleerde visies nog wat moeten rijpen, maar uit de bevraging blijkt wel dat voor sommigen de visies na enkele jaren wel de juiste bleken te zijn. Er is het bewustzijn dat er nog vele jaren naar de scan kan teruggegrepen worden, dat het geen eindpunt maar een beginpunt is.
Figuur 16: vraag uit enquête: “Wat vond u van de haalbaarheid van de voorstellen in de transitieagenda van de Scan?” gericht naar gemeenten, waarbij 1 staat voor “Voorstellen totaal niet realiseerbaar” en 5 voor “Voorstellen zeker realiseerbaar en behapbaar”.
De beperkte meerwaarde of de zwakke punten van de ambitie en transitie-agenda zitten volgens de gemeenten voornamelijk in de beperkte haalbaarheid van de voorstellen of de geringe concreetheid van voorstellen. Hierover is de beoordeling in de enquête gemiddeld lager, de meerderheid spreekt zich hier neutraal over uit. De voorstellen hielden volgens de respondenten te weinig rekening met bestaande maatregelen, met beschikbare middelen (financiën en budgetten), met de lokale draagkracht en capaciteit, met onveranderbare juridische of instrumentele situaties maar ook te weinig rekening met de politieke context. De vraag is natuurlijk of dit de bedoeling is van een onafhankelijke visie en transitie-agenda. Het aanvoelen is er bij sommige respondenten dat de scan te veel is opgemaakt vanuit een theoretische oefening, terwijl de gemeenten rekening moeten /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 62 van 113
houden met een andere realiteit, zoals het financiële verhaal, eigendomsstructuren,…. Voorstellen opnieuw bovenhalen die politiek al beslist waren, konden eveneens op weinig begrip rekenen. Hierdoor hadden de gemeenten het gevoel dat de voorstellen niet realistisch waren. Deze opmerkingen moeten uiteraard gezien worden tegenover het karakter van de scan als onafhankelijke visie met een eigen voorgestelde transitie-agenda, met toch ook wel sterke ontwerpcapaciteit binnen de onderzoeksteams. Wel geven sommige gemeenten mee dat de voorstellen tot transitie er mogen in opgenomen worden, zolang er niet verwacht wordt dat ze alles zullen uitvoeren. Daarnaast gaven gemeenten aan dat door het ontbreken van concrete maatregelen toegespitst op de gemeente, het binnen de gemeente ontbreekt aan verdere doorvertaling van de inzichten in de scan. Ook door de omvang van de transitie-agenda met een groot aantal strategische projecten en quick-wins is het voor sommige gemeentelijke actoren moeilijk om het geheel te overzien en acties op te starten, én niet te verdwalen in detailniveau, want de scan is niet op dergelijke manier uitgewerkt. Door de sterke analysefase hebben bepaalde respondenten het gevoel dat de oplossingen te weinig zijn uitgewerkt. Sommige voorstellen waren moeilijk vorm te geven op het lokale niveau zoals het energie of klimaatverhaal en bleven te universeel, terwijl ander aspecten van de transitie-agenda te veel in detail werd uitgewerkt. Belangrijk bij de ambitie- en transitiefase is dat de gemeenten beseffen dat ze er nog mee aan de slag moeten gaan. Het is nog geen beslist beleid maar dient nog een vertaalslag naar de gemeente en wensen van de politiek. Vandaar geven sommige respondenten wel aan dat er ambitie in de scan mag zitten, maar dit moet duidelijk zijn naar alle actoren toe. Hoe de transitie-agenda nu in de scan zit, is voor sommigen nog te vrijblijvend, sommige passages uit de scan kunnen uit hun context worden gehaald en dus verkeerdelijk worden gebruikt. Hoewel het voor de gemeenten dus niet altijd meteen haalbare voorstellen waren in de ambitie en visiefase, is het wel de verdienste van de scan dat er nu wel al over nagedacht wordt. Er is het aanvoelen bij de gemeenten dat, om er echt mee aan de slag te gaan, er eerder een projectmanager zal nodig zijn voor de uitwerking. Dit laatste was ook een belangrijk aspect dat het TVB aanhaalde dat zal nodig zijn voor betere opvolging van de scans. De uitvoerende studiebureaus bevestigen dat sommige voorstellen niet geheel haalbaar zijn. Ze beseffen maar al te goed dat de (kleine) gemeenten niet in staat zijn om alle financiële last op zich te nemen. Ze hebben gepoogd die quick-wins op te nemen waarvan de gemeenten zelf de touwen in handen hebben, maar dat was voor een gebiedsdekkende visie niet altijd mogelijk. Wel willen ook zij er op wijzen dat ze op lange termijn denken en dat sommige voorstellen nu mogelijks nog niet haalbaar zijn, maar in de toekomst wel. Om gemeenten te overtuigen nu voor een goede ruimtelijke ordening te zorgen, heb je concrete projecten nodig die niet te oppervlakkig of abstract blijven. Hoewel die nu nog utopisch kunnen lijken voor bepaalde gemeenten, is dit misschien niet zo voor anderen of op langere termijn, maar zijn zij er zelf gewoon nog niet klaar voor. Ze beseffen dat gemeenten teleurgesteld kunnen zijn door de frisse blik die er is genomen. Het is aan de studiebureaus om voldoende uitleg en visualisaties te voorzien om het verhaal behapbaar en objectief te brengen.
6.2.4 Inhoudelijke inzichten: ontbrekende, vernieuwende inzichten
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 63 van 113
Figuur 17: vraag uit enquête: “Als u kijkt naar wat de Scan heeft opgeleverd aan inzichten, in welke mate heeft de Scan dan bijkomende inzichten geleverd?” gericht naar gemeenten.
Als we kijken naar wat de scan voor de gemeenten heeft opgeleverd dan heeft de scan vooral voor nieuwe inzichten opgeleverd t.o.v. de eigen kennis de respondenten, in tweede instantie voor nieuwe inzichten t.o.v. andere instrumenten en op de derde plaats voor nieuwe inzichten t.o.v. Vlaams beleid en doelstellingen. De zaken die bevestigd werden in de scans waren voornamelijk algemene zaken die in meerdere gemeenten van toepassing zijn. Zaken zoals problematieken rond mobiliteit en sluipverkeer, de vele versnippering en noodzakelijke vrijwaring van de open ruimte of groen, kwaliteitsvolle verdichting en zuinig ruimtegebruik, verstedelijkingsdruk, storende zonevreemde ontwikkelingen of schrappen van woonreservegebieden. Dergelijke zaken waren voor de meeste betrokkenen niet altijd nieuw, maar vormden wel een meerwaarde voor de inwoners die hun gemeente nog niet goed kennen of niet op die manier aanzien. Eveneens werd bevestigd dat het lokale ruimtelijk beleid ambitieuzer moet worden. Verrassende uitspraken waren dan weer deze met toepassing op het dorpenbeleid en de verkavelingswijken (al dan niet keuzes maken) of het verrassend aanbod aan groen in een gemeente en de kansen van de mobipunten. Ontbrekende uitspraken bleken er te zijn over de problematiek rond hoogbouw, waarbij uit de bevraging komt dat er meer gewenst is dan enkel illustraties omdat deze voorbeelden zonder goede onderbouwing ‘misbruikt’ kunnen worden, over de link tussen de ruimtelijke visie en de sociale draagkracht van de impact hiervan. Ook ontbrak volgens sommigen een plan om de gestelde doelstellingen te halen. Opnieuw wordt hier verwezen naar de beperkte rol van de stuurgroep. Op de vraag of de scan in de gemeenten heeft bijgedragen tot meer capaciteit om werk te maken van duurzame ruimtelijke ontwikkeling zijn de meningen sterk verdeeld. De meeste antwoorden neutraal, enkele respondenten zien een grote bijdrage terwijl ook andere respondenten weinig bijdrage zien. Uit de interviews komt naar voor dat de scan voor vele beleidsmakers wel een wakeup call kan zijn. De uitgeschreven problematieken met bijhorende oplossingen zetten aan tot nadenken. Ook binnen andere gemeentelijke projecten kan de scan, de visies of de transitie-agenda, gebruikt worden om naar terug te grijpen als ondersteuning om bijvoorbeeld strategische plekken af te bakenen.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 64 van 113
6.2.5 Verhouding tijdsinzet
Figuur 18: vraag uit enquête: “Hoe verhoudt de tijdsinzet en inzet van middelen binnen uw gemeente zich tot de uitkomst van de Scan?” gericht naar gemeenten, waarbij 1 staat voor “Inzet van tijd en middelen totaal niet in verhouding met de uitkomst” en 5 voor “Inzet van tijd en middelen komen volledig overéén met de uitkomst van de scan”.
De Scan heeft zeker een impact op de organisatie van de gemeentelijke diensten. Er wordt veel input en informatie gevraagd aan de diensten maar daarnaast worden er geen andere inspanningen verwacht. De timing is bewust krap. De timing zou volgens de bevraagden iets ruimer mogen, en daarbij best ook verlofperiodes vermijden. Doordat er heel snel een eindresultaat moest liggen, was het voor betrokken uit de deelnemende gemeenten soms moeilijk om te volgen, om de vele informatie aan te leveren en te controleren op fouten. Uit de enquête komt dat de meerderheid de verhouding inzet en uitkomst ‘goed’ of ‘neutraal’ vond. Enkele respondenten gaan hier niet mee akkoord en vonden de verhouding niet goed.
6.3 VERVOLG VAN DE SCANS BINNEN DE GEMEENTEN 6.3.1 Opstart projecten uit scan: welke elementen wel en welke niet Een belangrijke vraag in de enquête polste naar het feit of de inzichten uit de scan ingang hebben gevonden of zullen vinden in de gemeente. Bijna 2 op 3 van de respondenten geeft aan dat een vervolg traject is of wordt opgestart. (zonder aan te geven welk traject).
Figuur 19: vraag uit enquête: “Hebben de inzichten uit de Scan ingang gevonden in de werking van uw gemeente? Of wordt in de nabije toekomst verwacht ingang te zullen vinden?” gericht naar gemeenten, waarbij 1 staat voor “ Nee, er is niets mee gebeurd en zal zeker niet gebeuren” en 5 voor “Ja, het vervolgtraject is/wordt opgestart”.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 65 van 113
Bijna de helft van de respondenten in de enquête antwoorden neutraal op de vraag of ze onmiddellijk aan de slag konden met de resultaten van de scan. Hieruit blijkt nogmaals dat de scan wel voor inzichten zorgt, maar niet voor pasklare oplossingen. De voorgestelde programma’s beschrijven een duidelijk denkpatroon binnen het ambitieus programma, maar hebben nog een doorvertaling (naar bijvoorbeeld niveau gemeenteraad) nodig voor het omzetten naar effectief uitvoerend beleid. Andere respondenten (37%) geven wel aan dat de zaken duidelijk waren en geen verheldering nodig hadden. Uit de interviews blijkt dat de gemeenten er wel mee aan de slag willen, maar dat dit niet eenvoudig is. Vandaar dat het vervolg van de scan een zeer laag tempo kent in vele gemeenten. Hoewel de scan als een katalysator kan gezien worden om de zaken te versnellen. Het is een bouwsteen waar op verder gewerkt wordt, maar er is nog werk aan. Zo is er bijvoorbeeld in een bevraagde gemeente gekozen om jaarlijks 2 quick-wins uit te werken, waarbij de politiek beslist wat en wanneer. Dit om het draagvlak op te bouwen. Ook komt de scan doorgaans midden in een legislatuur, waarvoor het meerjarenbudget al vast ligt. Financiering zoeken voor uitwerking van de quick-wins ondervindt dan dergelijk obstakel. In de vraag of de gemeente onmiddellijk aan de slag kan met de resultaten van de scan is toch ook een verschil te merken tussen de grote en kleinere gemeenten. Het zijn deze laatsten die deze vraag negatiever beantwoorden. Ook op de vraag of de inzichten uit de scan ingang hebben of zullen vinden binnen de werking van de gemeente is een gelijkaardig patroon vast te stellen. Naar timing van de oproep is er geen opmerkelijk verschil te merken tussen de antwoorden. Tussen de studiebureaus zijn wel verschillen te constateren. Gemeenten met heel concrete aanwijzingen in de scan konden beduidend beter aan de slag dan gemeenten met een high-level scan. De elementen uit de transitie-agenda die meegenomen zullen worden in verdere uitwerking zijn voornamelijk diegene van impact op kernversterking of -verdichting of andere zaken die aansluiten bij doelstellingen uit het BRV. Zo halen ook verscheidene respondenten het belang van groen in de gemeente aan dat ze verder willen uitwerken, door aandacht voor openbaar groen, bouwvrij houden van groene gebieden etc. Het inzetten op monitoring (gebiedsgerelateerde opvolging) of verdere afstemming met het mobiliteitsbeleid komt eveneens naar boven als uit te werken elementen. De scan moedigt ook aan om weerstand te bieden tegen ongewenste ontwikkelingen of in te zetten op ontharding en groen/blauwe netwerken. Andere elementen zullen bewust niet opgenomen worden voor verdere uitwerking. Deze gaan voornamelijk in op te verregaande verdichting of te doorgedreven hoogbouw, iets waar geen draagvlak voor te vinden is in de gemeenten. Of omvatten andere thema’s zoals energie of mobiliteit, waarover andere administratieve sectoren beslissen en die niet altijd de scan als leidraad nemen. Voor andere elementen geven gemeenten mee dat ze wachten op beslissingen van het hogere (Vlaamse) beleid om hier verder mee aan de slag te gaan, zoals bijvoorbeeld het stoppen van ontwikkelingen in open ruimte/ woonuitbreidingsgebieden, verduurzaming van de landbouw,… In de gesprekken met de studiebureaus geven zij aan dat ze beseffen dat gemeenten niet altijd meteen aan de slag kunnen met de voorstellen, maar zij doen dit ook om gemeenten bewust te maken van mogelijke toekomstige keuzes, zodat bepaalde voorstellen kunnen rijpen. Uit de gesprekken met enkele gemeenten blijkt dan ook dat hoewel niet altijd concrete quick-wins uit de scan worden uitgewerkt of opgevolgd, er toch regelmatig naar de scan wordt terug gegrepen. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 66 van 113
Zowel naar de cijfers uit de analysefase als naar de ambitiefase wordt teruggegrepen om andere problemen te kunnen kaderen of oplossingen te zoeken voor concrete vragen. Zaken uit de scan worden vertaald naar een meer realistisch werkpatroon. Het zijn dan wel aparte projecten maar wel geïnspireerd op de scan en de Bouwmeester. Het document wordt gezien als een soort adviesdocument, waarin gezocht wordt naar uitspraken over bepaalde zaken om zo mee richting te geven aan bijvoorbeeld het vergunningenbeleid. Op de vraag of er ook effectief werk wordt gemaakt van een nieuw beleidsplan, waarvoor de scan voor verschillende gemeenten de opstap moest zijn, is het antwoord eerder negatief. Het blijkt dat nog niet veel gemeenten effectief aan de slag zijn gegaan met de opmaak van een nieuw beleidsplan, en hebben vele eerder een afwachtende houding. Ze gaan aan de start met de ideeën uit de scan voor lokale concrete projecten maar nog niet voor een geheel nieuw beleidsplan. Ze kijken hiervoor naar andere gemeenten om die pioniersrol op te nemen en gaan verder met het bestaand structuurplan. Wetende dat de opmaak hiervoor ook lang heeft geduurd. •
Knelpunten voor uitwerken vervolg:
Waarom er niet meer vervolg gegeven wordt aan de voorgestelde projecten uit de transitie-agenda wordt verantwoord door een paar concrete knelpunten, die al dan niet veel frustraties oproepen. Deze werden reeds (deels) aangekaart in de evaluatiestudie, ‘Knelpunten bij het realiseren van projecten uit de Bouwmeester Scan’ uitgevoerd door UA. Op basis van een analyse van de eerste 23 eindrapporten van de Bouwmeester Scan maakte Tom Coppens van de Onderzoeksgroep voor Stadsontwikkeling, Universiteit Antwerpen een synthese van de knelpunten. De knelpunten werden gebundeld volgens vijf thema’s: de rol van bovenlokale planningsprocessen, de integratie met beleidssectoren, financiële middelen, instrumenten en de ondersteuning van gemeentelijke capaciteit. Voornamelijk deze laatste drie knelpunten zijn nog steeds van tel volgens de bevraagde gemeenten. Uit de evaluatie door UA werd het gebrek aan financiering om ruimtelijke doelstellingen te kunnen bereiken als belangrijk struikelpunt gesignaleerd. Lokale overheden beschikken niet over de noodzakelijke financiële middelen voor strategische projecten en het vrijwaren van open ruimte. Tegelijk wordt ervaren dat de huidige gemeentefinanciering te weinig incentives geeft aan besturen om te werken aan een ambitieus open ruimte beleid (Coppens, 2019) Uit de informatie gehaald bij de gemeenten is dit nog steeds een belangrijk knelpunt. De voorstellen in de ambitiefase worden als niet haalbaar gedefinieerd omdat er binnen de gemeenten niet altijd de financiële mogelijkheden zijn om deze uit te werken. Voor een vervolgtraject kijken veel gemeenten naar steun of engagement vanuit het Vlaams niveau. De timing van de oplevering van de Bouwmeester Scan past ook niet altijd binnen de meerjarenplanning van een gemeente. Hierdoor zijn de quick-wins niet altijd meteen realiseerbaar. Een ander vastgesteld knelpunt in de evaluatie door UA was dat lokale besturen instrumenten missen voor een kernversterkend beleid en het vrijwaren van de open ruimte. In het bijzonder ontbreekt het aan effectieve instrumenten die de meerwaarden uit verdichting kunnen afromen om de minwaarden bij het neutraliseren van juridisch aanbod te kunnen compenseren. De in het instrumentendecreet voorgestelde instrumenten dragen onvoldoende bij tot de realisatie van een bouwshift. Ook bepalingen in de codex en regelgeving in andere domeinen zijn vaak contraproductief aan de ruimtelijke doelstellingen (Coppens, 2019). /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 67 van 113
Ook uit onze bevraging blijkt dit nog steeds een struikelpunt. De gemeenten beseffen dat ze onvoldoende slagkracht hebben in het wetgevende kader om de voorstellen te realiseren. Gemeenten botsen op juridische limieten en rekenen op de Vlaamse overheid om institutionele en juridische aspecten op te lossen. Ook hebben gemeenten soms problemen met de verschillende bevoegdheidsniveaus waarbinnen niet altijd rekening wordt gehouden met hun gemeentelijke visie. Er is een duidelijke vraag naar meer ondersteuning achteraf. Dit kan gaan over gedachtewisseling met het Vlaamse niveau maar ook over opstarten van concrete processen via al dan niet integraal ontwerpen met projectmatige allianties tot zelfs het aanpassen van het instrumentarium of juridische knelpunten. De oefeningen uit de scans vragen met andere woorden een vertaling op verschillende beleidsniveaus. Ook dit kwam naar voor in de studie van UA. Als struikelpunt werd daarin vastgesteld dat het bereiken van gemeentelijke doelstellingen en het realiseren van projecten afhankelijk is van initiatieven, kaders en planprocessen van hogere overheden. In de laatste twee decennia is er een sterke verschuiving geweest van bevoegdheden en taakstellingen in het ruimtelijk beleid van Vlaanderen naar de lokale besturen. Echter, uit de scans blijkt de noodzaak aan meer bindende kaders vanuit de hogere overheden, maar anderzijds ook de nood aan een betere samenwerking rond gemeentelijke projecten met bovenlokale aspecten (Coppens, 2019). Een ander punt uit de evaluatiestudie uitgevoerd door UA sluit hier ook bij aan. De afstemming en integratie van het Vlaamse sectorenbeleid op lokaal niveau was een belangrijk struikelpunt volgens deze evaluatie. De sectorale en verkokerde werking van de Vlaamse (uitvoerende) administraties is een oud zeer voor lokale besturen. De projecten van Vlaamse sectoren worden nog te vaak vanuit het eigen sectorale perspectief benaderd, waardoor de integratie op het terrein moeizaam verloopt (Coppens, 2019). Een laatste struikelpunt uit de evaluatie opgemaakt door de UA bleek de capaciteit van lokale besturen. Uit de evaluatie door UA blijkt dat vooral kleinere gemeenten de capaciteit missen om complexe vergunningendossiers, strategische projecten en planningsdossiers adequaat op te kunnen volgen, laat staan om transitieprojecten proactief op te zetten of aan te sturen. Het bestaande instrumentarium is onvoldoende gekend en er ontstaat een wildgroei aan lokale instrumenten. De capaciteit om ruimtelijke beleidsplannen en uitvoeringsplannen op te maken is beperkt, alsook methoden en knowhow voor draagvlakontwikkeling rond de beleidslijnen van de strategische visie (Coppens, 2019). Hoewel niet zo letterlijk geformuleerd in de enquête of interviews, lijkt ons dat dit nog steeds geldt. Uit onze bevraging blijkt dat er bijkomend ook een probleem zit in het kunnen prioriteiten toekennen aan de voorstellen in de transitie-agenda. Het is aan de politiek om hierover te beslissen, maar dat gebeurt niet altijd. Keuzes zullen soms eerder gemaakt worden in het kader van mogelijke opportuniteiten, los van de geformuleerde visie (op LT). Deze prioritering zou een combinatie moeten zijn van inzicht van de experten en draagvlak bij de politiek. Dit draagvlak voor de gehele scan is zeer belangrijk voor verder gevolg. Want vanuit de gemeenten is er ook het gevoel dat het een gevaarlijk document kan worden als ieder er zijn eigen voorkeur uithaalt en vergroot. Het is doorgaans aan het college om lijnen te trekken en prioriteiten te kiezen die door de meerderheid gedragen worden. Uit onze evaluatie, maar niet zo meteen terug te vinden in de evaluatie uitgevoerd door de UA, blijkt toch ook wel dat voor de gemeenten zelf de formulering van de voorstellen in de transitie-agenda /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 68 van 113
soms het struikelpunt is. Het lijkt dat voor sommige respondenten de voorstellen niet altijd voldoende uitgewerkt zijn. De vraag hierbij is of het aan de maturiteit van de gemeente ligt of aan het ambitieniveau van de voorstellen (te hoog in relatie tot de haalbaarheid van uitvoering op niveau van -kleinere- gemeenten) Conclusie is dat voor de gemeenten de voorstellen niet altijd werkbaar zijn, dat er meer tijd nodig was om deze volledig te begrijpen en in te zien en vervolgens uit te werken. Het zijn volgens gemeenten nog veelal concepten die verder geconcretiseerd moeten worden eer ze gerealiseerd kunnen worden. Er was duidelijk meer vraag naar concrete handvaten om bepaalde problemen op te lossen. In de transitie-agenda was misschien te weinig aandacht voor de gemeentelijke capaciteit en kennis over o.a. de te gebruiken instrumenten. Ook bij de uitvoerende studiebureaus was er dit aanvoelen. Zo hebben ze voor de laatste scans bewust ingezet op meer strategische projecten en de vertaling van ambitie naar concrete projecten voor de gemeenten op korte termijn. Op deze manier blijven de voorstellen beter hangen en komt er eerder gevolg aan. Echter is het voor de studiebureaus zeer moeilijk om concrete acties of een actieagenda te formuleren zonder in het vaarwater van de politiek te komen en zo de neutrale expertise te verliezen.
6.3.2 Communicatie/ debat over scan De scan nodigt de gemeenten uit tot discussie en intern debat over de opgeleverde inzichten. De meeste gemeenten geven aan voornamelijk intern te debatteren over de scan; binnen de administratie (voornamelijk dienst Omgeving) en met de bevoegde schepenen of schepencollege. Soms wordt er een open debat gevoerd, soms worden deze eerst intern binnen de betrokken administratie voorbereid, zodat er met concrete acties uit de scan naar het schepencollege of de andere administratieve diensten kan gestapt worden. Verschillende diensten zijn doorgaans betrokken bij de opmaak, maar de opvolging van de geformuleerde visies binnen deze verschillende diensten is af te wachten. Wel is er het aanvoelen dat er voor de uitvoering van acties uit de transitieagenda zal samengewerkt moeten worden met de verschillende diensten binnen een gemeentelijke administratie. Maar louter opleggen aan collega’s van wat er in de scan staat uit te voeren, zal niet gaan, enkel voor deelacties. Ook de Gecoro is in verschillende gemeenten betrokken geweest voor discussie, al dan niet via werkgroepen of eerder toelichtingen aan de gehele groep. Algemene infovergadering waar voorzitters van de verschillende adviesraden aanwezig waren zijn eveneens gehouden. De meerderheid van de gemeenten hebben ook de resultaten van de scan publiek bekend gemaakt via de gemeentelijke website of via nieuwsbrief. Gezien de geldende corona-maatregelen zijn voorstellingen van de resultaten niet kunnen doorgaan of hebben deze online plaats gevonden. Of er consensus zal gevonden worden in de debatten over de uitkomst van de scan, zijn de antwoorden eerder neutraal. Het is een document waar niet veel dialoog tijdens de opmaak nodig was, dus achteraf ook niet? Ook is de vraag gesteld in de enquête of het publiek beter had betrokken kunnen geweest zijn bij de opmaak van de scan. Hierover zijn de meningen echter zeer verdeeld. Participatiemomenten tijdens de opmaak of een bevraging van de inwoners tussen het onderzoek en het eindresultaat zou kunnen, maar de meeste gemeenten geven aan het publiek te willen betrekken bij het uitvoeren van de ambities, dus eens de analyses uitgevoerd zijn. En andere gemeenten willen pas burgers betrekken eens zeer concrete projecten worden uitgewerkt. Betrokkenheid van de burger kan er voor zorgen dat de uitvoering van de processen vlotter kan verlopen. Men roept op om het publiek zeker niet te betrekken bij de opmaak van de scan want dan gaat de objectieve evaluatie van een extern studiebureau verloren. Ook concrete acties uit de ambitiefase bespreken met het publiek kan moeilijk zijn omdat verwacht wordt dat deze door het publiek /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 69 van 113
wellicht te letterlijk zullen worden geïnterpreteerd, wat meteen hoge verwachtingen of commotie kan scheppen. Ook kan het voor het brede publiek soms moeilijk zijn om abstracte principes uit het ruimtelijk ontwerpen goed te begrijpen of de scan te kaderen binnen het gamma van instrumentaria. Daarenboven zou dit impliceren dat gemeenten volledig achter staan wat er in de scan staat, terwijl dit ook niet altijd het geval is. Het instrument van Bouwmeester Scan is geen beslist beleid en omvat complexe materies, waardoor het niet evident is om eenvoudig uit te leggen aan de bewoners. Bijkomend kunnen de resultaten van de scan wel gedeeld worden om meer kennis en inzicht te geven in de toestand binnen een gemeente en eventueel meer informatie over wat kan en wat niet kan/wenselijk is binnen de gemeente, bijvoorbeeld op vlak van verharding of andere maatschappelijke thema’s waar discussie rond is. Een open proces kan dan waardevol zijn om iets teweeg te brengen in de gemeente. De studiebureaus geven wel aan dat ook in een extern advies dialoog kan gevoerd worden met inwoners, waarbij zij ervaring hebben met de juiste keuze van woordgebruik en kadering van het beleid. Maar dit paste niet in de filosofie van het proces van de scan.
7 CONCLUSIES EN SUGGESTIES UITGEVOERDE SCANS Om de onderzoeksvragen (zie 3. Scope en onderzoeksmethodiek) te beantwoorden en een conclusie te formuleren, gebruiken we de input uit de enquête, uit de interviews met gemeenten als met de deskundigen en met het Team Vlaams Bouwmeester en de inzichten uit de casestudy van André Loeckx. Uit de vele gesprekken en analyse zijn ook verschillende suggesties gekomen over wat de scan in de toekomst beter kan maken. Dit zowel qua inhoud, organisatie als naar doorwerking. Een samenvatting daarvan doen bij de suggesties. Uit de gehele evaluatie kunnen we concluderen dat de verschillende betrokken actoren het nut en de voortzetting van de het instrument Bouwmeester Scan niet in vraag stellen. Er worden hiaten gedetecteerd en opportuniteiten gedefinieerd om het instrument nuttiger te maken voor de betrokkenen, echter is men van oordeel dat het instrument zich wel al bezig houdt met de juiste vragen of dat het argumenten aanreikt om dringende kwesties te remediëren en te agenderen..
7.1 CONCLUSIES 7.1.1 Scope scan? Het doel van de scan is om via een snelle multidisciplinaire doorlichting na te gaan in hoeverre een gemeente voldoet/kan voldoen aan de Vlaamse beleidsdoelstellingen. Binnen de scan wordt nagedacht over hoe de gemeente een regisseursrol kan opnemen om publieke en private ontwikkelingen in de gewenste richting te sturen. Instrumenten die van invloed zijn op de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente worden onder de loep genomen en kansen en knelpunten in beleid en regelgeving worden weergegeven. De huidige scope van de scan is in eerste fase gefocust op de ruimtelijke toestand van een grondgebied van een gemeente op het vlak van ontwikkelingsknopen, verdichting, te versterken /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 70 van 113
kernen, open ruimte en mobiliteit. De scope in de diagnosefase is bewust breed gehouden om een volledig beeld te krijgen van de gemeente. In de transitie-agenda worden er vervolgens keuzes gemaakt in thematieken die de gemeente zouden kunnen vooruit helpen. Zo wordt er een selectie van strategische projecten beschreven die de gemeente zou kunnen uitwerken. De effectieve uitvoering of realisatie ervan is wegens de korte looptijd van de scan niet haalbaar en maakt ook geen deel uit van de opzet van het instrument. Het onafhankelijk experten advies is eerder bedoeld als startpunt om burgers te informeren en participatie te activeren. Voor de studiebureaus is het voornaamste bij de scope bepaling het in rekening brengen van de beschikbare tijd en budgetten. Zij zijn gedwongen om keuzes te maken gezien de korte tijdsspanne en het gelimiteerde budget. Soms kreeg het studiebureau de kritiek dat er informatie ontbrak omdat ze een bepaald thema hebben laten vallen. In hun ogen is dit echter onvermijdelijk gezien het beperkte budget en timing. Zo konden ze bv. niet alle specifieke vragen van gemeenten beantwoorden, maar dat was volgens de studiebureaus ook niet het doel van de scan. In de mate dat de problematieken binnen de gekozen thema’s van de scan pasten, zijn deze wel verder uitgewerkt door de studiebureaus. Zoniet, hebben ze getracht in de transitieagenda kort te verwijzen naar specifieke vragen. De transitieagenda kan dan ook gezien worden als een soort van bestek voor studies die kunnen uitgevoerd worden voor bepaalde strategische programma’s. Het feit dat er keuzes werden gemaakt in thematieken hielp de studiebureaus ook om focus te leggen en een agenda te bepalen voor gemeenten. Het is wel zo dat gemeenten vaak de diagnose en analyse interessanter vonden dan de transitieagenda omdat er daar veel meer thema’s worden aangestipt en het meer inzichtelijke informatie was. Andere gemeenten beschouwden de transitie-agenda dan weer als te omvangrijk en teveel in detail uitgewerkt t.o.v. de rest van de scan. Volgens de inhoudelijke reflectie laat de bundeling van beschikbare cijfers- en kaartmateriaal toe om de diagnose te staven, maar kan het ook tegelijk mogelijke alternatieve interpretaties van data belemmeren. Toch zijn de diagnoses de beste onderdelen van de scans. Ze zijn compact en geven een welvoorziene duiding van de ruimtelijke stand van zaken van een stad of gemeente. Wat volgens de verdiepende inhoudelijke reflectie in meerdere scans ontbreekt is een sterke historisch-morfologische analyse en duiding van de gebouwde ruimte. De ruimtelijke beschrijving valt volgens de analyse terug op generieke ruimtelijke sjablonen (kernen, gordels, poorten,...) die weinig oog hebben voor de bijzondere kenmerken van het gebouwde patrimonium. Ook wordt aangehaald dat er in de scan weinig aandacht wordt besteed aan het thema ‘werk’. Het is opmerkelijk dat de cruciale transitie van een klimaat- en ruimtebelastende economie (landbouw, industrie, logistiek, transport) naar een circulaire economie slechts op de achtergrond aanwezig is in meerdere scans. De transitieagenda’s raken naar soms niet verder dan een algemene vermelding van belangrijke op til zijnde veranderingen of houden het bij lokale, kleinschalige, korte keten initiatieven. De scans die de transitie in economische bedrijvigheid wel bovenaan de agenda plaatsen, slagen er moeilijk in om dit te vertalen in krachtige en toch werkbare ingrepen waarbij de stad/gemeente een belangrijke rol kan spelen, in samenspel met de andere nodige instanties. De inhoudelijke reflectie wijst ook op de tendens van ‘generieke overgroening’ van de open ruimte: kades, stadspleinen, buurtpleintjes,.. worden eenduidig overgroend, los van hun schaal, hun morfologische positie, hun gebruik of hun geschiedenis. De referentiebeelden die in de scans worden gebruikt om de nood aan een meer specifieke groenaanleg op bepaalde plekken te onderstrepen /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 71 van 113
missen duiding waarop de referentie juist slaat, wat ervoor zorgt dat de referenties worden gereduceerd tot vage illustraties. Aanvullend werd door de stuurgroep van de evaluatie geduid op de soms gebrekkige inhoudelijke uitwerking van randthema’s. Zo tonen bijvoorbeeld sommige uitspraken in de scan over landbouw, buitengebied,… aan dat de (technische) kennis hiervan beperkt is bij de uitvoerende studiebureaus. Het probleem hierbij is deels objectiviteit en deels gebrekkige kennis waardoor niet de juiste data gebruikt wordt. De vraag kan gesteld worden of er bij de studiebureaus voldoende plannings- en ontwerpexpertise is over open ruimte, en in het bijzonder van landbouwsystemen en hydrologie. Anderzijds is het voor een studiebureau onmogelijk om te beschikken over zeer gespecialiseerde kennis over alle te behandelen sectoren in de bouwmeester scan.
7.1.2 Relatie ander instrumentarium? De bestaansreden van de scan ligt in de samenwerking tussen de verschillende publieke partners. De scan wil vanuit de vaststellingen op het terrein inzetten op de ontkokering van sectoren en de cross-functionele samenwerking tussen publieke partners in de verschillende bestuurslagen. Door een betere afstemming, in een lange termijn perspectief, hoopt men zo grote efficiëntiewinsten te boeken. Hierbij aansluitend kan de scan voor de verschillende Vlaamse overheden ook bijdragen aan een éénduidige adviesverlening. Uit de enquête blijkt dat een merendeel van de respondenten de scan als verbredend instrument ziet en niet als instrument van zeer sectoraal ruimtelijk gebruik. De scans kunnen we situeren binnen de fase van strategische verkenning, de eerste fase van de ruimtelijke transitie in Vlaanderen en waren bedoeld om nieuwe ideeën op de agenda proberen te krijgen en om debat op gang te brengen en mensen te overtuigen. Bij de opstart van de Bouwmeester Scan was er de veronderstelling bij het Team Vlaams Bouwmeester dat het instrument de link tussen verkenning en rechtstreekse uitvoering op terrein zou kunnen realiseren en bv. projecten zou opleveren voor de Open Oproep. Hierin is de Bouwmeester Scan echter niet gelukt, daar blijkt op dit moment niet genoeg draagvlak voor te zijn binnen de gemeenten. Er is dus een ‘gap’ tussen de Bouwmeester Scan en planvormende en planuitwerkende instrumenten. Instrumenten die deze fases wel afdekken, zoals de pilootprojecten zijn slechts tijdelijke instrumenten met een thematische en beperkte inzet. Volgens de analyse binnen de inhoudelijke reflectie lijken de meest haalbare projecten uit de scans, projecten te zijn met een eerder stedelijke problematiek die verwantschap vertonen met de stads(vernieuwings)projecten. De voorgestelde projecten in de open ruimte lijken uit de analyse veel minder overtuigend. Bij de bevraging plaatst bijna 1 op de 3 respondenten het instrument binnen strategische verkenning, maar de meerderheid van de bevraagde gemeenten zagen de scan eerder voor visievorming. Zelfs 10% zag het voor planvorming of hoopte dat het richting planvorming zou gaan. Uit de gesprekken bleek dan ook dat vele gemeenten zich hebben kandidaat gesteld voor de scan met de opmaak van een nieuw beleidsplan in het achterhoofd. Voor sommige van de deelnemende gemeenten zorgde het feit dat de scan voornamelijk visievorming is er voor dat het niet altijd een even goed bruikbaar instrument is. Deze verwachtten meer kant-en-klare oplossingen. Dit brengt bij sommigen ook de moeilijkheid naar boven over hoe /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 72 van 113
men communiceert over de scan, omdat het geen beslist beleid is. Andere gemeenten beseffen maar al te goed dat de scan een startdocument is. De scan slaagt er volgens sommige respondenten niet in om lokale noden of kansen door te vertalen naar het Vlaamse niveau, terwijl er wel degelijk veel suggesties inzitten om het Vlaams instrumentarium (of beleid) aan te passen. De vraag is dan of deze niet goed verwoord zijn of deze gewoon niet opgenomen worden. Volgens de meerderheid van de bevraagde gemeenten had de scan wel een meerwaarde t.o.v. ander instrumentarium. Doordat de scan een degelijke analyse en synthese bevat van bestaande plannen is het makkelijker voor de gemeente om deze te interpreten. Daarnaast biedt het een insteek voor de ontwikkeling van instrumentarium en maakt het duidelijk welk instrumentarium nodig is om de Vlaamse doelstellingen die vertaald worden in gemeentelijke ambities, te kunnen realiseren.
7.1.3 Meerwaarde voor Departement Omgeving? De scan is in het leven geroepen om o.a. de Vlaamse doelstellingen inzake ruimtegebruik te vertalen van Vlaams naar lokaal niveau. Het instrument slaagt hier maar gedeeltelijk in. Waar er al zeker een meerwaarde ligt, is dat de scan als een soort van graadmeter van het Vlaamse ruimtelijke ordening beleid fungeert. De scan laat toe om te meten waar gemeenten op dit moment staan in de ruimtelijke transitie en waar er nog knelpunten liggen zowel voor de gemeenten, maar ook voor het Vlaamse niveau. In de reflectie wordt het belang van de rubrieken ‘Publieke Slagkracht’ en ‘Aanbevelingen aan het Adres van Hogere Overheden’ in de scans geduid. De bezorgdheden die er in verwoord kunnen worden zijn cruciaal. Echter worden deze rubrieken heel verschillend ingeschat door de verschillende studiebureaus. Enkele scans bevatten vage aanbevelingen aan de hogere overheden en onvoldoende inhoud vanuit de vergaarde kennis omtrent de lokale conditie. En dit terwijl het discours in de diagnose en de Transitieagenda herhaaldelijk een gebrek aan instrumenten, samenwerkingsinitiatieven en wetgevend kaders aantonen waarvoor hogere overheden zouden moeten instaan. De meerwaarde van de scans voor het departement zou dus hoger kunnen liggen, enerzijds door relevante en werkbare informatie aan het Vlaamse niveau te leveren en anderzijds indien het departement ook effectief zelf met de scans aan de slag gaat. De vele voorstellen die beschreven staan in de transitie-agenda waar de gemeenten niet onmiddellijk mee aan de slag kunnen, zijn belangrijke inspiratiebronnen voor het departement om hier tussen te komen. De slagkracht van de voorgestelde projecten zit niet altijd op het niveau van de gemeenten, waardoor Vlaanderen een rol kan opnemen. Op dit moment wordt de informatie uit de rubrieken gericht aan de hogere overheden te weinig opgepikt door op Vlaams niveau. Hierin liggen nochtans opportuniteiten voor het Departement Omgeving om het eigen beleid beter af te stemmen op of rechtstreeks te linken aan de praktijk. De scan zorgt voor een bijzondere en directe input. De scan kan voor het departement een grotere rol spelen in de integrale benadering van ruimtelijke ontwikkeling. Vanuit de praktijk en het nadenken over transitie wordt er onderling beter af gestemd met de betrokken partners, de verschillende bestuurslagen en maatschappelijke actoren. Via de scan wordt, via concrete cases, gebouwd aan een netwerk van actoren die cruciaal zijn om de transitie te initiëren en te versnellen. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 73 van 113
Visies uit de ambitiefase die herhaaldelijk terugkomen in de scans zijn ook een belangrijke bron van bottom-up inspiratie van wat er in de Vlaamse gemeenten belangrijk is. Hoewel reeds een beduidend aantal gemeenten de scan hebben laten uitvoeren, is er zeker nog marge om de lokale ambities door te vertalen naar andere gemeenten die nu nog geen scan hebben laten uitvoeren. In vervolg op de analogie van de scan met een doktersbezoek, zou het departement meer de rol van apotheker kunnen opnemen. De diagnose is gesteld, maar om te verbeteren is ook de juiste medicatie nodig. Het departement moet de nodige (aangepaste) instrumenten aanreiken zodat gemeenten hiermee aan de slag kunnen in hun ‘herstelproces’. De meerwaarde was niet voor iedere betrokken entiteit bij (de stuurgroep van) de bouwmeesterscan even groot. Er waren meer verwachtingen naar inhoudelijke aansluiting bij hun thematieken en vroegtijdige betrokkenheid bij uitwerking, die niet werden of konden worden ingelost. Verder werd hier niet op ingegaan bij deze evaluatie.
7.1.4 Meerwaarde voor TVB? Het ontstaan van de Bouwmeester Scan bij het Team Vlaams Bouwmeester is er gekomen omdat de Bouwmeester tijdens zijn aanstelling in contact was met gemeenten en hij merkte dat zij nood hadden aan ondersteuning in het realiseren van de ruimtelijke transitie. De meerwaarde die de Bouwmeester in zijn hoedanigheid had is vooral omdat hij als neutraal figuur hierop kon inspelen en de gemeenten kon helpen om hun ‘koudwatervrees’ te overwinnen. De scan kon lokale besturen helpen om zicht te krijgen in wat prioritair is en wat niet. Het TVB / Bouwmeester helpt op deze manier ook draagvlak te creëren zodat de lokale politiek binnen x aantal jaar niet bang zou zijn om beslissingen te nemen die nu misschien nog electoraal riskant zijn. In de inhoudelijke reflectie komt naar voor dat de grootste verdienste van het traject van de Bouwmeester Scan Project de wezenlijke bijdrage is die het traject kan leveren aan het preciseren en verbeteren van de cruciale wisselwerking tussen de bovenlokale overheden en de lokale overheid bij de implementatie van een Transitieagenda die het verschil kan maken en tegelijk werkbaar blijft. De scans geven weer in hoeverre het beleid dat de overheid uitzet ‘lokaliseerbaar is’, hoe het lokaal zo goed mogelijk kan worden uitgewerkt, hoe doeltreffend deze lokalisering is en wat de overheid moet doen om de doeltreffendheid aanzienlijk te verbeteren. Voor TVB zijn de rapporten belangrijk omdat hierin de krijtlijnen of basisvoorwaarden staan om te komen tot architectuurkwaliteit. Een ontwerper gaat meestal aan de slag nadat de randvoorwaarden van een ruimtelijke opgave reeds bepaald zijn. Het gaat bijvoorbeeld om de locatiekeuze, de juridisch-ruimtelijke randvoorwaarden en het publiek programma. Indien deze randvoorwaarden slecht bepaald zijn, is dit onoplosbaar voor de ontwerper. De kwaliteit van de architectuur kan de ongunstige locatiekeuze van bv. een sociale woonwijk niet verhelpen. Integendeel kwaliteitsvolle architectuur kan het probleem vanuit zijn potentiële erfgoedwaarde zelfs bestendigen. Het creëren van een gunstig kader voor architectuurkwaliteit is cruciaal voor TVB (gebaseerd op een interne evaluatienota t.a.v. Erik Wieërs).
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 74 van 113
7.1.5 Meerwaarde voor gemeenten? De initiële doelstelling die men zag bij de opmaak van de scan, was dat de diagnose zou kunnen dienen als een eerste stap naar een Gemeentelijk Ruimtelijk Beleidsplan (GRB), om bestaande beleidsinstrumenten zoals een gemeentelijke verordening, een RUP of een verkavelingsvergunning bij te sturen of als grondlegger te dienen om nieuwe instrumenten te ontwikkelen. De diagnose zou ook een kader kunnen zijn voor het uitwerken van masterplannen en voor het nemen van beslissingen over waar beter wel en niet gebouwd wordt. Daarnaast zou ook moeten blijken of de gemeente voldoende slagkracht heeft om de ruimtelijke transitie in de praktijk te brengen, door te peilen naar de capaciteit van de gemeente als procesregisseur en als initiator van ruimtelijke kwaliteit. De meerwaarde voor de gemeenten is voornamelijk inzicht krijgen in de lokale knelpunten en kansen. De Scan zet in op het samenvoegen van GIS-data, waar bij de gemeenten veel vraag naar is. De duidelijke en logische opbouw van het analysedeel is volgens de bevraging dan ook de grootste meerwaarde. De relevantie van de uitkomst scoorde hoog in de enquête wat aangeeft dat de scan die zaken behandelt waar de gemeenten mee worstelen. De visiefase en voornamelijk de transitieagenda werden op verschillende manieren onthaald. Afhankelijk van de verwachtingen voorafgaand aan de scan zien gemeenten zelf de meerwaarde niet even positief in. Of kan het zijn dat de gemeenten de link tussen de analyse en de transitie-agenda niet meteen inzien. Om in de analogie met het doktersbezoek te blijven, het is aan de patiënt om te beslissen of deze de medicatie wil innemen. Gemeenten die sterke verwachtingen hadden richting concrete projecten blijven op hun honger zitten. De voorgestelde quick-wins zijn niet altijd even snel uit te voeren. De vele vragen over de haalbaarheid van de transitieagenda, inzake stappenplan, juridische vertaling, nodige middelen en instrumenten,… tonen aan dat gemeenten het niet zien als document waarmee ze meteen aan de slag zullen gaan. Dit kan mede verklaart worden door het verschillende detailleringsniveau van de diagnose (hoe is de situatie nu?) en dat van de transitie-agenda (waar willen we naartoe op lange termijn?). Sommige gemeenten verwachten namelijk dat de transitie-agenda, net zoals de diagnose ook voorstellen zou bevatten om nu concreet aan de slag te gaan, terwijl er nu eerder een ambitieuze visie en transitie op lange termijn wordt opgesteld. Tussen diagnosestelling en realisatie van de transitie zijn er dus eigenlijk tussenstappen nodig via andere manieren en instrumenten, wat logisch is sinds de scan slechts een instrument van strategische verkenning is. Duidelijkere communicatie over de inhoud van het instrument zou dit probleem kunnen hebben voorkomen. Vanuit de stuurgroep van de evaluatie werd bevestigd dat het voor sommige gemeenten onvoldoende duidelijk was dat de scan (1) snel en met een beperkte inzet werd uitgevoerd, zodat niet teveel diepgang kon verwacht worden en er geen ruimte was om de scan in vraag te stellen of te bediscussiëren , en soms wel de bal kon misgeslagen worden, (2) een onafhankelijke expertendiagnose weergaf van feitelijke toestanden, zodat (vertegenwoordigers van) gemeenten zich soms aangevallen voelden over hun (voorbije) ruimtelijke beleid, (3) een onafhankelijke expertentransitieagenda voorstelde zonder toetsing van het draagvlak, zodat (vertegenwoordigers van) gemeenten het draagvlak voor acties en de expertise soms in vraag stelden. Gemeenten die inzien dat de scan een startpunt is, zien de grootste meerwaarde van de scan. Er is het besef dat het lokale ruimtelijk beleid ambitieuzer moet worden en zij zien de scan als een bouwsteen of als een katalysator om aan de slag te gaan binnen de gemeente. De transitie-agenda /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 75 van 113
wordt gezien als een startpunt van een groter transitieproces. Er is een versnelling via de quick-wins, maar ook naar planningsproces kan de scan tot een versnelling leiden. Dit door zaken zo te formuleren en neer te schrijven dat het de ogen opent van de betrokkenen. Ze kunnen via de scan van op afstand kijken wat er moet en kan gebeuren. De agenda met korte termijn acties kan dan gekoppeld worden aan de lange termijnambities en de verschillende betrokken actoren verbinden. Afhankelijk van het engagement en motivatie maar dus ook van het verwachtingspatroon van de gemeente zien zij de meerwaarde in van de scan.
7.1.6 Outcome en doorwerking van de scan? De outcome en doorwerking van de scan dient tweeledig gezien te worden. In eerste plaats heeft de scan in de meeste gemeenten er voor gezorgd dat het de ogen opende van gemeentelijke betrokkenen. Deze gemeenten beseffen dat de scan een startpunt is en dat het nu aan hun is om er mee aan de slag te gaan. Het is duidelijk geworden wat de knelpunten zijn en waar de opportuniteiten liggen om de ruimte toekomstbestendig te maken. Ze hebben een visie beschikbaar waarmee ze aan de toekomst kunnen werken, al dan niet via de opstart van de opmaak van een gemeentelijk beleidsplan Ruimte. De debatten die gevoerd worden in gemeenten over de inhoud van de scan en over de geformuleerde visie is op zich ook een doorwerking, waarbij draagvlak voor de Vlaamse doelstellingen wordt gecreëerd. Gemeenten die positief staan tegenover de samenwerking en resultaten van de scan, zullen zeker vervolg geven aan de voorstellen, al dan niet na de nodige debatten. Daarnaast zorgt de scan er ook voor dat gemeenten weerstand bieden tegen ongewenste ruimtelijke ontwikkelingen. De scan kan dus zeker gebruikt worden bij gemeentelijke discussies, waarbij men ervoor kan zorgen dat de bepaalde beslissingen gestoeld zijn op de juiste analyse en cijfers, wat de scan op dit moment al zeker bevat. Het proces van remediëring is een lang en traag proces en vraagt een blijvende inzet van alle partijen om te blijven inzien/erkennen wat er tijdens het proces van de scan naar boven kwam, wat men geleerd heeft en waar men naartoe moet streven. In tweede instantie kan de doorwerking van de scan teleurstellen omdat de transitie-agenda bijna niet gerealiseerd wordt. Dit klinkt ook weer in de analyse binnen de inhoudelijke reflectie. Hieruit blijkt dat de scan een te doorgedreven top-down benadering hanteert waardoor lokale eigenheid niet wordt meegenomen en sommige Transitieagenda’s eerder een stappenplan naar de ideale wereld lijken te beschrijven dan dat ze een lijst van suggesties van strategische ingrepen geven die in staat zijn het verschil te maken en die tegelijk voldoende aanknopingspunten hebben met lokale initiatieven en lokale opportuniteiten. Ook zijn er heel wat gesuggereerde quick wins in de transitieagenda die acties betreffen die heel wat voeten in de aarde hebben (zoals een ‘quasi autovrije herinrichting van het stadshart’) of voorbereidend studie- of inventariswerk betreffen dat noch quick, noch snel zichtbaar, noch wervend kan genoemd worden (zoals ‘de mogelijkheid van een warmtenet onderzoeken’ of ‘het afbakenen van zones voor onderscheiden woonverdichting en het herformuleren van bouwvoorschriften’). Een andere bemerking die naar bovenkomt in de reflectie is dat er in de scans vaak beschreven wordt dat er instrumenten, wettelijke kaders en samenwerkingsverbanden ontbreken. Dit wekt de indruk dat de meest noodzakelijke maatregelen die op de schaal van een stad/gemeente zouden moeten genomen worden - om wezenlijke stappen te zetten in de richting van een klimaatbewuste, biodiversiteit ondersteunende, duurzame ruimtelijke ordening - niet tot de mogelijkheden of bevoegdheden van een stad/gemeente behoren (cfr de reconversie naar duurzame /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 76 van 113
productiewijzen, de modal shift, de sanering en verduurzaming van de landbouw, het terugdringen van sprawl in de open ruimte, het herstel van het natuurlijk landschap, het instellen van uitgebreide ecosysteemdiensten, een niet-gentrifiërende woningmarkt gericht op kwalitatitieve kernversterking,...). Volgens de reflectie werkt het feit dat de meeste aantastingen van de ruimtelijke integriteit van een stad/gemeente grensoverschrijdend zijn, de indruk van lokale onmacht of lokale onbevoegdheid om de zaken voldoende daadkrachtig aan te pakken net in de hand. Steeds opnieuw wijzen de scans er op dat het efficiënt realiseren van een daadkrachtige Transitieagenda niet mogelijk is zonder de gezamenlijke en complementaire inzet van zowel de lokale als de bovenlokale overheden. Het is duidelijk dat niet alles meteen uit te voeren valt en dat de scan niet letterlijk gebruikt kan worden. Dit doorgaans omdat de voorstellen niet op korte termijn financieel haalbaar zijn, omdat het juridische kader het niet toestaat of omdat de nodige capaciteit niet beschikbaar is. Gemeenten ondervinden ook teveel vrijheid, bv. bij het bewerkstellingen van de bouwshift en wensen Vlaamse instrumenten met duidelijke en harde cijfers. Afhankelijk van de gemeenten krijgen bepaalde zaken een direct vervolg en krijgen andere zaken bewust geen vervolg. Ook valt het op dat kleinere gemeenten niet onmiddellijk aan de slag kunnen/zullen gaan met de resultaten. Doorgaans bepaald door de slagkracht van lokale besturen die nodig is voor een project uit de transitie-agenda. Dee opvolging vanuit de stuurgroep is momenteel ook te beperkt, waardoor gemeenten niet aangemaand worden om vervolg te geven aan de scan.
7.2 SUGGESTIES 7.2.1 Suggesties inhoud scan De inhoud van de scan, of voornamelijk de brede inhoud van de scan, zorgt er voor dat niet altijd alles even diep kan besproken worden. De suggestie vanuit de gemeenten maar ook de studiebureaus is dan ook om de scan minder breed op te nemen maar te verdiepen in een paar thematieken. De studiebureaus geven aan dat het zinvol zou zijn om het extern experten-advies los te laten en meer maatwerk toe te passen en meer in dialoog te gaan met de gemeente. Ze hebben elk hun eigen expertise en het lijkt hen dan ook zinvol om die eigenheid beter te benutten en wat meer af te stappen van een te strakke uniformiteit. De focus kan verschuiven naar het doel van het instrument binnen het lokaal fysisch systeem, en niet vertrekken vanuit het instrument zelf. Via een open gesprek bij aanvang van de scan kan gekozen worden welke focus de scan kan hebben, welk schaalniveau gewenst is en welke concrete vragen de gemeenten hebben. Een voorstel is om dit aan de hand van een checklist te organiseren waarbij gemeenten aangeven wat ze willen dat de studiebureaus onder de loep nemen. Zo kunnen andere thema’s waar vraag naar is ook besproken worden, zoals bijvoorbeeld het toeristische aspect. Ook kan de focus verschoven worden van bijvoorbeeld dorpskernen naar meer aandacht voor de groene ruimte, afhankelijk van de keuze en draagvlak van de gemeente. Of de verdiepende analyses in de scan zelf dienen opgenomen te worden of eerder in annex, is verdeeldheid tussen de respondenten. Belangrijk hierbij is wel dat bij de start van de diagnose het vizier steeds voldoende breed wordt gehouden om een goede inschatting van de situatie te kunnen maken en goede onderbouwde keuzes voor verdieping te kunnen maken. Vanuit de begeleidende stuurgroep van deze evaluatie kwam de vraag naar boven om de scans inhoudelijk en technisch te laten controleren /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 77 van 113
door de verschillende betrokken entiteiten vooraleer deze gepubliceerd worden. Hierbij wordt o.a. gekeken of de data-uitwisseling correct is toegepast en geïnterpreteerd. Samen met de verdieping van de thema’s, zijn er ook kansen voor een ander schaalniveau van de scan. Een inhoudelijke uitwerking van bepaalde thema’s vragen een intergemeentelijke aanpak omdat de problematieken zich op een hoger schaalniveau afspelen. Hierbij wordt voornamelijk mobiliteit of energielandschappen aangehaald. Afhankelijk van de thematische uitwerking kunnen dan naburige gemeenten en/of steden samen bekeken worden in de scan. Voornamelijk het niveau van regiovorming kan in de toekomst bekeken worden. Ook kunnen meer middelen beschikbaar zijn voor uitvoering van de agenda indien meerdere gemeenten samenwerken. Omgekeerd kunnen ambities op regioniveau een bijkomende kader vormen voor gemeentelijke scans. Echter er is niet al te veel animo om deze schaalvergroting verder door te trekken in het geheel van de scan. Gemeenten geven meteen aan dat de eigen specificiteit en problematiek belangrijk is en dat het niet eenvoudig zal zijn om prioriteiten en ambities vast te leggen op een hoger gemeentelijke schaalniveau. Ook vrezen ze voor meer vaagheid indien op een hoger schaalniveau gewerkt zal worden in de scan.
7.2.2 Suggesties voor betere doorwerking scan Vanuit de gemeenten zijn enkele suggesties gegeven om de doorwerking en outcome van de scans te verhogen. Zo zeggen zij dat er meer manieren moeten worden aangereikt hoe bepaalde zaken gerealiseerd kunnen worden. Naast het voorstel en ontwerp, ook meegeven hoe dat kan bewerkstelligd worden. Dit kan bijvoorbeeld door de link te leggen met het instrumentendecreet, (meer) focus op ontwerpend onderzoek, via best practices,…. Daarnaast geven enkele bevraagden mee dat ze het kiezen van de prioriteiten uit de transitie-agenda moeilijk vinden en hierbij ook hopen op begeleiding van de experten. De transitieagenda mag niet gezien worden als een afgewerkt document. De agenda moet stelselmatig aangepast worden en gelinkt worden aan de politieke agenda’s en meerjarenplanning van de gemeente. Vanuit de stuurgroep van de evaluatie van de bouwmeester scan werd de voorkeur geuit om de strategische projecten in de transitie-agenda meer geïntegreerd en gebiedsgericht te benaderen met een verknoping tussen de thema’s , i.p.v. puur thematisch. In de inhoudelijke reflectie wordt ook gepleit voor meer strategische ingrepen en suggesties van werkbare en zinvolle activiteiten, die hoe dan ook met transitie bezig zijn en een boost geven aan wat reeds lokaal min of meer aan de gang is. Zoniet kan door overdadige Transitieagenda’s een vorm van vervreemding ontstaan tussen wat de scan aanbrengt en wat er in de gemeente/stad aangevoeld wordt. Dit kan ontmoedigend werken en wanneer er een overheersende vervreemding ontstaat, kan dit vervolgens resulteren in een totale afwijzing van de scan. Door in de beginfase meer tijd voor verkenning te voorzien en in de transitie-agenda meer aansluiting te zoeken bij wat er lopende is in een gemeente, kan men de voorwaarde scheppen voor het gemeentelijk debat dat men zich als gemeente in de scan herkent en dat het voor de gemeente duidelijk is waar ze al goed bezig zijn met bestaande projecten/ideeën. De gemeenten zijn vragende partij om het urenpakket met de studiebureaus uit te breiden, zodat ze ook nog op hen beroep kunnen doen voor de uitwerking van de transitie-agenda (zonder opnieuw de markt te moeten consulteren) of voor verdere toelichting van de resultaten van de scan aan bijvoorbeeld de Gecoro. Vanuit de gemeenten en het TVB zou het inzetten van een projectmanager ook waardevol kunnen zijn voor de uitwerking en betere opvolging van de scans. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 78 van 113
De inhoudelijke analyse in de reflectie komt ook tot de suggestie om de toonzetting in de scan best suggererend of bevragend op te nemen, om ervoor te zorgen dat gemeenten de scan beter ontvangen. De scan aanpak zou eerder een toetsing en lokale verrijking van ruimtelijke theorieën moeten zijn dan een a priori toepassing ervan. Het is van belang de deductie van het paradigma naar de lokale context voldoende aan te vullen met inductief denken vanuit de lokale context naar het paradigma toe. Het uitwerken van good of best practices over de (deelnemende) gemeenten en het steeds ter beschikking stellen ervan is iets waar geregeld vraag naar was. Dit kan gaan over concrete situaties waarvoor dan een werkwijze wordt voorzien en contactpersonen beschikbaar worden gesteld voor vragen, etc. Op deze manier kan een permanent netwerk gecreëerd worden waarin ervaringen, moeilijkheden en inspiratie worden gedeeld over het realiseren van projecten uit de transitieagenda. Dit netwerk kan ter aanvulling gezien worden van de atriumwerking, waar ook de scans voorgesteld zijn geweest. De studiebureaus erkennen ook dat het geven van best practices voor de gemeenten interessant zou kunnen zijn. Linken naar hoe andere gemeenten ermee aan de slag gaan zou voor gemeenten een meerwaarde zijn. Echter wordt hierbij wel meteen aangehaald dat er nog niet veel best practices beschikbaar zijn. Nog niet veel gemeenten hebben al de projecten uitgewerkt, en indien wel, zijn deze misschien wel al bekend binnen de gemeenten. De stuurgroep van de evaluatie van de bouwmeester scan stelt hierbij de vraag of de deelnemende gemeenten zich op voorhand voldoende hebben beraad over hoe de scan een onderdeel kan uitmaken van het gemeentelijk ruimtelijk beleid en wat de gemeente met de scan wil bereiken. De scan is een onderdeel van een proces, maar van welk proces precies? En wat met de plaats van de scan in dat proces en waartoe moet dat proces leiden? Tal van vragen komen hierbij naar boven en zaken die heel relevant zijn om te incorporeren in de verdere uitwerking van het scan traject. De stuurgroep suggereert daarom om voldoende tijd te nemen om verwachtingen van de gemeenten en verwachtingen van de verschillende entiteiten die in de stuurgroep van de bouwmeester scan zetelen uit te klaren. Andere zaken die in de weg staan om de transitie-agenda te realiseren zullen op hoger niveau aangepakt moeten worden (provincie of Vlaamse Overheid). Zo ook de vraag naar prefinanciering. Er is budget binnen de gemeenten nodig voor uitvoering van actiepunten op korte termijn. Een voorstel is om vanuit Vlaanderen met prefinanciering te werken op het moment van inschrijving en eens de transitie-agenda gerealiseerd is, wordt het geld door de gemeente terugbetaald. Ook de studiebureaus en bevraagde experten voelen de duidelijke hulpvraag van de gemeenten naar hoger niveau. Vandaar geven er ook verschillende respondenten weer dat eerder een scan 1.2 gewenst is in plaats van een scan 2.0. Bij een dergelijke scan 1.2 kan er veel aandacht besteed worden aan een vervolgtraject van de reeds uitgevoerde scans. Wat is nodig om met de projecten uit de geformuleerde transitie-agenda’s uit te werken? Enkele projecten zouden geselecteerd kunnen worden en hiermee, in samenwerking met verschillende niveaus, aan de slag gegaan worden. Bestuurlijke actoren en andere actoren kunnen dan betrokken worden via projectmatige allianties. Het schaalniveau van onderuit bepaalt de nodige actoren, maar met hulp van bovenuit. Het lijkt de studiebureaus ook zinvol om de rol van de stuurgroep uit te breiden en ze bijvoorbeeld ook bij het na-traject te betrekken. Zo zou er na 6 maanden en na een jaar nog een vergadering met
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 79 van 113
de stuurgroep kunnen georganiseerd worden samen met de gemeente en eventueel de provincie om een soort evaluatie te doen van de scan en om afspraken te maken voor verdere vervolgstappen. De stuurgroep van de evaluatie merkt op dat er heel veel vraag is van gemeenten naar het transitieproces. De transitie-agenda is in feite een startpunt en dient om objectief debat te kunnen organiseren en om een gemeenschappelijke ambitie te creëren zodat agenda daarop kan gedijen. Er moet dus m.a.w. nog een doorvertaling plaatsvinden naar verschillende niveaus en agenda’s, bv naar politieke agenda, naar etc., zodat er meer gedragenheid is voor de inhoud van de scans. Vanuit de kant van de overheid is het proces vormgeven ook evenzeer van belang. Hoe de hogere overheid het proces van de transitie-agenda kan faciliteren voor ruimtelijke transitie is een belangrijk vraagstuk en komt ook in verschillende beleidsdocumenten aan bod. In de Blue deal bijvoorbeeld is er ruimte voor potentiële transitieprojecten, dewelke ook opgenomen zijn in de bouwmeesterscans. Het is dus belangrijk om uit te zoeken waarom deze potentiële projecten niet altijd zijn opgenomen in de Blue deal. Daar ligt een grote opportuniteit voor het departement in samenwerking met de andere entiteiten om de transitie-agenda mogelijk te maken voor de deelnemende gemeenten (gepast instrumentarium, financiering..).
7.2.3 Suggesties voor organisatie scan De inhoudelijke reflectie wijst uit dat het scan format, met de hoofdstukken Verkenning, diagnose, ambitie en transitie-agenda naar behoren blijkt te werken als eerste doorlichting van de lokale conditie en mogelijkheden. Niettemin zijn er enkele bedenkingen, zoals bij het hoofdstuk Verkenning. Zo blijkt het dat er over het algemeen een beperkte fysieke lokale verkenning werd gedaan. Dit kan verklaren waarom specifieke informatie (een bijzondere plek, een bijzondere functie, een gevoelige kwestie,...) schaars blijft in de scan en waarom er in de scan zelden een planmatige of cijfermatige stellingname wordt bijgesteld. Voor de realisatie van de scan wordt veel verwacht van de studiebureaus. Het is dan ook niet verwonderlijk dat zij toch wel vragen hebben naar aanpassing van het proces en bijhorend budget. Het proces vraagt veel budget en tijd om zich in te werken, plaatsbezoeken te organiseren, gemeentelijke actoren te spreken, etc. Indien meer participatie gewenst is, bijvoorbeeld om het draagvlak te verhogen, is meer budget nodig. Ook zien zij mogelijkheden in meer opvolging en nazorgtraject indien er meer uren beschikbaar zouden zijn binnen de scan. Een suggestie die wordt aangehaald is dat per scan het departement, naast de gemeenten, bijdraagt in de kosten. Daarnaast was er de suggestie om de financiering van de scan op te splitsen. Een eerste fase waarin de diagnose wordt gesteld, kent een vast budget. In functie van de vastgestelde problematieken wordt vervolgens een budget bepaald voor de opmaak van de visie en transitie-agenda. Op deze manier staat het budget in verhouding ten opzichte van de uit te werken problematieken en niet in verhouding tot het aantal inwoners. Tussen de verschillende bureaus was er bij de start een samenwerking en afstemming, maar in latere fases heeft dit niet meer plaats gevonden. De studiebureaus zijn dan ook vragende partij voor meer kennisuitwisseling en interactie. Elk studiebureau kan gelijkaardige struikelblokken tegen komen en dan is het van meerwaarde hierover te kunnen overleggen met anderen. Er zullen zeker gemeenschappelijke lessen getrokken kunnen worden. Om dit te organiseren is echter de nodige regie nodig. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 80 van 113
Een andere regierol waar vraag naar is, is meer begeleiding voor bijvoorbeeld juridisch advies rond instrumentarium. Dit kan volgens respondenten opgenomen worden in de stuurgroep of via TVB. Via deze organismen kunnen de problematieken centraal aangepakt worden en kan bijvoorbeeld een juridisch handboek of handboek rond beschikbare tools uitgewerkt worden. Ook zien ze een rol voor een soort begeleidingscomité dat samengesteld wordt in functie van de inhoud en problematieken binnen de verschillende scans (kan breder gaan dan huidige stuurgroep). Een dergelijk stuurgroep of begeleidingscomité dat uitgebreid wordt met experten die de betreffende sectoren kennen, kan er voor zorgen dat er meer inhoudelijke discussies plaats vinden en kan de scan meer vanuit duurzaamheid beoordeeld worden etc. Vanuit de stuurgroep ter ondersteuning van de evaluatie van de bouwmeester scan is de suggestie gekomen om de stuurgroep horende bij de bouwmeester scan naast uit te breiden, ook de rol ervan uit te breiden. Door meer interactie kan foutieve informatie in de scan, al dan niet gebaseerd op gebrekkige gegevensuitwisseling of te weinig interne kennis, vermeden worden. In de stuurgroep kunnen meer vragen beantwoord worden op vragen die het studiebureau heeft omdat ze te weinig interne kennis en data hebben, bijvoorbeeld over landbouw, buitengebied of historische geomorfologie. De gevraagde input op het ontwerpeindrapport komt voor sommige betrokken entiteiten te laat tijdens het proces om voldoende te kunnen discussiëren over fundamentele thematieken. De studiebureaus kunnen in de stuurgroep aangeven over welke onderwerpen zij voldoende kennis hebben als expert, over welke onderwerpen zij bijkomende vragen hebben maar evengoed aangeven over welke onderwerpen een leemte in kennis kan ingevuld worden door betrokken entiteiten.
Daarnaast is er het voorstel om iemand van de stuurgroep aan te duiden die een meer interactieve rol zou hebben met de studiebureaus bij de uitvoering. Deze kan dan de workshops binnen de gemeenten opvolgen waardoor deze meer inzicht en verbondenheid krijgt met de scan. Er is een duidelijke vraag naar meer en intensievere samenwerking met het Vlaamse niveau vanuit de studiebureaus. De data van stuurgroepen zijn ook vastgelegd op voorhand, en sluiten niet altijd direct aan op het proces van de scan binnen een gemeente. Een studiebureau vraagt hier meer vrijheid in de organisatie.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 81 van 113
8 REFERENTIES Coppens, T. (2019). BWMSTR Scan. Knelpunten bij het realiseren van projecten uit de Bouwmeester Scan. Ilsbroekx, R.,, & Coppens, T. (2019). Evaluatierapport BWMSTR scan. Ilsbroekx, R., Coppens, T., & Deputter, M. (2019). BWMSTR scan | Handleiding. Intern document Vlaamse Overheid (2019). Schakelen tussen open en bebouwde ruimte Maat-ontwerpers. (2016). Sterke kernen in regio's met een landelijk karakter: kernversterking via interbestuurlijke samenwerking. Team Vlaams Bouwmeester. (2020). De Bouwmeester Scan, Scan voor Ruimte en Klimaat, Een Evaluatie. Vlaams Bouwmeester. (2017). Meerjarenprogramma 2017-2020. Ruimte maken voor mens en natuur. Brussel Vlaams Bouwmeester. (2019). Maatschappelijke kosten van verspreide bebouwing voor het eerst becijferd, Resultaten studie urban sprawl. https://www.vlaamsbouwmeester.be/nl/nieuws-opinie/maatschappelijke-kosten-vanverspreide-bebouwing-voor-het-eerst-becijferd Vlaams Bouwmeester. (2021). Bouwmeester Scan. https://www.vlaamsbouwmeester.be/nl/subsite/bouwmeester-scan
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 82 van 113
9 BIJLAGEN 9.1 BUDGETTEN GEMEENTEN EN VLAAMSE OVERHEID
Raamovereenkomst: opdracht teams op punt stellen methodiek Raamovereenkomst: scan (volgens matrix: minimum 20K maximum 50K) totaal voor alle 51 scans
Contractant
excl btw
btw 21%
hoeveelheid
DKB/TVB
Onderzoeksteams
8.000
1.680
5
48.400
ANB
gemeenten
FF voor 51 scans Onderzoeksteams
Vormgeving Vormgeving Deskundige stuurgroep 1 Deskundige stuurgroep 2 ter herinnering, opgenomen in post Evaluatie UA Deskundige stuurgroep 3 Evaluatie Scan Opmaak kaartenatlas voor 5 gemeenten Reviewer 1 Reviewer 2 Nota knelpunten Studie richtwaarden dimensies van een duurzaam en efficiënt ruimtegebruik
1.620.000
Eva Le Roi
400
Gestalte
3.250
BBL
geen btw 683
12.000 2.520
UA
Philippe Van Wesenbeeck UA Tractebel
1
400
1
3.933
1
14.520
1
15.000 3.150
1
18.150
29.600 6.216
1
35.816
26.300 5.523
1
31.823
1
8.640
geen btw geen btw 859
André Loeckx
8.640
Frank d'Hondt
8.640
UA
4.091
UA
29.840 6.266
1
8.640
1
4.950
1
36.106
202.738 8.640 totaal Vlaamse overheden algemeen totaal
1.620.000
211.378 1.831.378
Bedragen uitgedrukt in euro.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 83 van 113
9.2 INTERVIEWLIJST Studiebureaus
POSADMAXWAN
BUUR
MAAT
Cateau Albers (PosadMaxwan); Johan De Wachter (2DVW architecten)
Kristine Verachtert
Filip Buyse; Esther Jacobs
BPL (Blauwdruk Stedenbouw, Palmbout Urban landscapes en LAMA landscape architects) Els Nulens (Blauwdruk); Jeroen Ruitenbeek (Palmbout); Claire Laeremans (Lamaland) en Jorryt Braaksma (Lamaland)
PTA
Tine Van Herck
Gemeenten POSADMAXWAN Halle
BUUR
Lommel Tessenderlo
MAAT
Torhout
Burgemeester: Marc Snoeck Schepen: Marijke Ceunen Secretaris Gecoro: Kristof De Cuyper Stedenbouwkundige ambtenaar: Korneel Ponseele Stedenbouwkundige ambtenaren: stein Geuens; Mertens Valerie Stedenbouwkundige ambtenaar: An Mertens Burgemeester: Kristof Audenaert
Schepen: Lieselotte Denolf
Langemark- Poelkapelle BPL (Blauwdruk Sint-Katelijne-Waver Stedenbouw, Palmbout Urban landscapes en LAMA landscape architects)
Stedenbouwkundige ambtenaren: Bert Desendere Stedenbouwkundige ambtenaar: Dominiek Vancolen Schepen: Joris De Pauw
Secretaris: Kristof Michiels Ronse
Schepen: Jan Foulon Stedenbouwkundige ambtenaar: Kristof Meerschaut
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 84 van 113
Overijse
Schepen: Jan De Broyer Stedenbouwkundige ambtenaar: Tim Houben
PTA
Huldenberg
Burgemeester: Danny Vangoidtsenhoven
Temse
Stedenbouwkundige ambtenaar: Bert Remmerie Schepen: Wim Van Rossen Stedenbouwkundige ambtenaar: Inge Temmerman
Van de selectie van 10 gemeenten (en twee reserve) – 2 per studiebureau - hebben we er uiteindelijk 10 geïnterviewd. Enkel voor de studiebureau PosadMaxwan hebben we slechts 1 gemeente kunnen vastkrijgen voor een interview. Sint-Martens-Latem werd gecontacteerd maar heeft niet gereageerd op de uitnodiging. De gemeente Beersel was opgenomen als reserve voor het studiebureau MAAT, maar hebben wij ook niet geïnterviewd omdat het moeilijk was een gepast moment te vinden met de gemeente. Om aan een totaal van 10 interviews te komen, hebben we 3 gemeenten voor het consortium BPL (Blauwdruk Stedenbouw, Palmbout Urban landscapes en LAMA landscape architects) geïnterviewd.
Deskundigen Universiteit Antwerpen Bond Beter Leefmilieu Dienst Stedenbouw en Ruimtelijke Planning Stad
Tom Coppens Erik Grietens Van Wesenbeeck Philippe
Team Vlaams Bouwmeester Projectcoördinator Voormalig Vlaams Bouwmeester
Mario Deputter Leo Van Broeck
9.3 ENQUÊTEVRAGEN EN -RESULTATEN Informatie deelnemers: 1. Voor welke gemeente vult u deze survey in? Van de 51 gemeenten die de Bouwmeester Scan hebben besteld, hebben er 29 respondenten uit 24 verschillende gemeenten geantwoord op de enquête. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 85 van 113
2. Welke positie heeft u binnen de gemeente?
Van de 24 antwoorden die we kregen, kwamen de meeste antwoorden van personen die werkzaam zijn binnen de administratie (54,2%), gevolgd door de bevoegde schepen (25%), gevolgd door de burgemeester (12.5%). Naast deze top 3 kregen we 1 antwoord van een lid van het CBS en van een schepen van mobiliteit. 3. Kent u of heeft u reeds gehoord van de Bouwmeester Scan binnen uw gemeente?
De enquête was bedoeld voor alle deelnemende gemeenten van de scan, maar werd bij het versturen verkeerdelijk naar alle Vlaamse gemeenten verstuurd. Voordat deze fout kon rechtgezet worden, werd de enquête ingevuld door vijf respondenten van niet-deelnemende gemeenten. Dit verklaart de 14.7 % ‘nee’ vs. 85,3% ‘ja’. We kunnen dus concluderen dat van de deelnemende gemeenten de respondenten die de enquête hebben ingevuld wel goed op de hoogte waren van het initiatief. De vragenlijst liep verder voor de 29 respondenten die de Bouwmeester Scan kenden.
Context deelnemende gemeente 4. Heeft u een actieve rol gehad bij dit initiatief en bij de totstandkoming van de Scan in uw gemeente?
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 86 van 113
15 van de 19 respondenten (78,9%) geven aan zeer actief betrokken te zijn bij het initiatief, 3 respondenten (15,8%) waren actief betrokken, 1 respondent was onvoldoende betrokken bij de Bouwmeester Scan. We kunnen aldus poneren dat het vervolg van de vragenlijst is ingevuld door personen die wel degelijk goed op de hoogte zijn van de scan en in voldoende mate betrokken waren. 5. In welke mate waren/zijn onderstaande actoren naar uw ervaring betrokken bij de totstandkoming van de scan?
Zeer actief betrokken: de GOA, gevolgd door de gemeentelijke ambtenaren, gevolgd door de bevoegde schepen(en) en de burgemeester. Actief betrokken: de gemeentelijke ambtenaren, bevoegde schepen, de burgemeester, de GOA, het voltallige CBS. Op voldoende wijze betrokken: het voltallige CBS, de burgemeester, de bevoegde schepen, de gemeentelijke ambtenaren, de GOA Sporadisch betrokken: het voltallige CBS, de burgemeester, de bevoegde schepen, de GOA, de gemeentelijke ambtenaren. Niet actief betrokken: de burgemeester, de GOA Deze vraag naar de betrokkenheid binnen de gemeenten geeft weer dat voornamelijk de GOA (en andere gemeentelijke ambtenaren) betrokken is bij de opmaak van de Bouwmeester Scan, maar dat toch ook de politiek voldoende of sporadisch betrokken is geweest.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 87 van 113
6. Waren er nog andere actoren betrokken bij de opmaak van de scan binnen uw gemeente? Zo ja, welke en in welke mate? (bijvoorbeeld de Gecoro, Milieuraad, mobiliteitsraad, lokale Unizo, Natuurpunt,...) Vooral de Gecoro of gecorovoorzitter aanwezig bij de opmaak van de Bouwmeester Scan. De gemeentelijke milieuraad, het autonoom gemeentebedrijf, of gemeenteraadsleden werden in sommige gevallen ook benaderd. 7. Waarom heeft uw gemeente gekozen voor dit instrument? Wat heeft uw gemeente overtuigd om zich kandidaat te stellen voor de scan? De respondenten geven aan dat hun gemeente zich inschreef voor de BMScan omdat ze het een interessante oefening vonden. Dit naar aanleiding van hun plannen voor stadskernvernieuwing, omdat ze een nieuwe visie willen rond bepaalde wooninbreidingsprojecten, omdat ze een basis zochten voor hun gemeentelijk ruimtelijk beleidsplan, omdat ze een toekomstvisie willen uitwerken. Een andere gemeente geeft aan dat er nood was aan een nieuwe visie en ruimtelijke concepten conform het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen voor het beleidsplan Ruimte van de gemeente dat concepten rond mobiliteit, groen/blauwe netwerken, trage wegen, ontharding, kwalitatieve verdichting, mee zou opnemen. Een andere gemeente schreef zich in om een onafhankelijke blik over de gemeente te krijgen vanuit een duurzaam perspectief. Gemeenten zien een meerwaarde in de BMScan voor een visievorming op lange termijn en verwachten vernieuwende ideeën. Een andere reden is om als gemeente te weten waar ze staan ikv het Beleidsplan ruimte en om hieruit een nieuwe ruimtelijke visie te ontwikkelen en omdat de politieke timing correct was (begin van legislatuur). In een andere gemeente was de GRS gedateerd van 2008 en was er nood aan een update en vernieuwd kader. Een andere gemeente zag de BMScan als belangrijke opstap richting het BPR waarbij de sterkten en zwakten van de gemeente zouden worden onderzocht. Een andere gemeente deed mee omwille van de reputatie van de bouwmeester of om een korte externe toets te doen voor de opmaak van hun beleidsplan. De gemeenten hebben zich voornamelijk ingeschreven voor de Bouwmeester Scan om een nieuw zicht of externe visie te krijgen op hun te hernieuwen GRB of richting BPR. Deze waren op zoek naar een visievorming op langere termijn voor de hele gemeente of voor enkele specifieke knooppunten. 8. Wat waren de voorafgaandelijke verwachtingen van uw gemeente met betrekking tot de scan? De voorafgaandelijke verwachtingen van de gemeenten met betrekking tot de scan waren geen al te grote verwachtingen maar vooral geïnspireerd worden, een nieuwsgierigheid naar een externe, onafhankelijke/kritische blik over de gemeente (vanuit een duurzaam perspectief), een antwoord krijgen op beleidsmatig gewenste ontwikkelingen, de verwachting dat de scan richtlijnen zou aanreiken, een duidelijk standpunt over de uitgangspunten van het BRP voor de stad of minstens als voorbereiding voor de opmaak van het nieuw BRP, als startpunt voor verdere visieontwikkeling omtrent stedenbouw en RO, vernieuwende ideeën krijgen. Bij andere gemeenten was het eerder de verwachting dat er oplossingen konden worden geboden voor bepaalde problematieken als hoogbouw, verstedelijking in een ooit meer landelijke gemeente, ruimtelijk rendement en hoe mobiliteitsproblemen aan te pakken aan de hand van concrete acties of maatregelen. Bij een bepaalde gemeente waren de verwachtingen behoorlijk hoog, ook omdat ze met een aantal vragen zaten waarop we antwoorden verwachtten. 1 respondent verwachte /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 88 van 113
ontwerpend onderzoek, nog twee andere gemeenten wouden de sterktes en zwaktes van de gemeente met duidelijke werkpunten en de bepaling van prioriteiten. 9. Was er een wissel in politieke ploeg tussen kandidaatstelling en de uitvoering van de scan? Zo ja, heeft dit invloed gehad op de zienswijze op de scan? Bij de meeste respondenten was er geen politieke wissel tussen kandidaatstelling en de uitvoering van de scan. Bij twee respondenten was er wel een wissel en heeft deze geen invloed gehad op de zienswijze van de scan. En bij 1 respondent was er een wissel en voelde de nieuwe politieke ploeg zich totaal niet betrokken bij of gebonden door de scan. 10. Hebt u nog aanvullingen, opmerkingen,... omtrent de interne betrokkenheid binnen uw gemeente bij de opmaak van de Bouwmeester Scan? Omtrent de betrokkenheid van de deelnemende gemeenten bij de opmaak van de Bouwmeester Scan gaf één gemeente aan dat er een negatieve invloed was door de veranderde politieke ploeg. Een andere gemeente was tevreden over de wijze waarop de scan werd uitgevoerd, nl vanuit een onafhankelijke visie. De scan kwam tot stand met de gevraagde input van de stad, maar werd uiteindelijk opgemaakt zonder dat de politiek zich daarover moest uitspreken. Voor de administratie van deze gemeente bleek dit een pluspunt te zijn en werd de scan als deskundig advies aanzien. Een andere gemeente daarentegen antwoordt dat er helemaal geen betrokkenheid was van een lokale (stuur)groep, wat achteraf een grote fout bleek. Een andere gemeente antwoordt dat een ruimere betrokkenheid positief zou zijn geweest, maar dat het tijdspad daarvoor te kort was. Tot slot is er een gemeente die aangeeft dat er omwille van corona weinig of beperkte interactie was met het studiebureau.
Werkwijze Bouwmeester Scan als instrument 11. Kende de Scan een meerwaarde voor uw gemeente kijkend naar het analysedeel binnen de scan?
1: helemaal geen meerwaarde 5: grote meerwaarde /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 89 van 113
De analyse van de gemeente in de scan heeft volgens de meeste respondenten een voldoende tot grote meerwaarde. Voor 1 respondent bevatte de analyse geen meerwaarde. 12. Kende de Scan een meerwaarde voor de visievorming op de toekomst van uw gemeente?
1: helemaal geen meerwaarde 5: grote meerwaarde De Scan kent volgens de meeste respondenten een grote meerwaarde voor de visievorming van hun gemeente. Volgens 3 respondenten is er voldoende meerwaarde en 1 respondent ziet geen meerwaarde voor de visievorming van de gemeente. Meerwaarde: De scores bij de gemeenten die in de tweede oproep hebben deelgenomen, zijn beetje hoger. Tussen de verschillende studiebureaus zijn er ook kleine verschillen.
13. Kan u deze (beperkte) meerwaarde specifiëren? Binnen enkele gemeenten zien respondenten de meerwaarde van de scan voornamelijk in het feit dat het een objectieve analyse is van de vele planningsinitiatieven die er zijn of dat het aanzet tot nadenken, tot reflectie en een bredere kijk. Het bevat een andere, meer toekomstgerichte kijk en verwoordt ideeën, vernieuwende projecten of pijnpunten die nog niet uitgeschreven waren. Het beleid kan nu de link leggen tussen visie naar uitvoering. De scan had een frisse blik met andere doelstellingen ten opzichte van de opmaak van een GRS, dat de basis zal vormen voor het RBP. De aangehaalde beperkte meerwaarde is dat de voorstellen niet altijd even realistische zijn of dat de scan niet altijd oplossingen aanbiedt. Door het ontbreken van concrete maatregelen ontbreekt het binnen een gemeente aan verdere doorvertaling van de inzichten in de scan. Bepaalde respondenten hadden het gevoel dat de scan een vertaling was van een theoretisch concept, zonder echte inzichten en kennis van de lokale situatie. Een respondent gaf aan dat er geen nieuwe inzichten te vinden waren in de scan en dat de link met de bouwmeester ook een extra (negatieve) lading gaf aan de scan (cfr discussie mobiliteitsscore). 14. Hoe vond u de opbouw van de Scan? /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 90 van 113
1: helemaal niet logisch opgebouwd 5: zeer duidelijk met een heldere structuur De opbouw van de Scan is volgens de meeste respondenten duidelijk opgebouwd met een heldere structuur, een 5-tal respondenten vond de scan voldoende logisch opgebouwd en 1 respondent vond de opbouw niet logisch. Het gemiddelde bij de tweede oproep ligt een klein beetje lager
15. Wat vond u goed aan de opbouw? Waar had u problemen met de opbouw? Over het algemeen geven de respondenten aan dat de opbouw van de scan zeer logisch was. Stap per stap, van analyse (gebaseerd op cijfers!) tot concrete uitwerking en aandachtspunten. Er was een duidelijk sjabloon dat gevolgd werd. Echter vonden bepaalde gemeenten dat dit sjabloon te strikt gevolgd werd en dat er geen ruimte was voor specifieke zaken uit de gemeente met terreinkennis of dat minder relevante zaken niet losgelaten werden. Ook concrete projecten konden duidelijker naar voor gebracht worden terwijl nu het actieplan voor bepaalde respondent uit de lucht gevallen kwam. Ook de ambitie- en transitieagenda waren voor sommige verwarrend door de verschillende benadering van niveau en detailleringsgraad tussen beide onderdelen. 16. Hoe verliep de inhoudelijke samenwerking en dialoog met het studiebureau?
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 91 van 113
1: Geen afstemming, weinig co-creatief proces 5: Evenwaardige samenwerking en co-creatief proces De inhoudelijke samenwerking en dialoog met het studiebureau was voor de meeste respondenten (12) evenwaardig met een co-creatief proces. 4 respondenten antwoorden neutraal op deze vraag en 4 respondenten vonden dat er geen/ weinig afstemming was en er geen of op onvoldoende wijze aan co-creatie werd gedaan.
17. Hoe verliep de inhoudelijke samenwerking en dialoog met de stuurgroep van de Bouwmeester Scan?
1: Geen afstemming, weinig co-creatief proces 5: Evenwaardige samenwerking en co-creatief proces De inhoudelijke samenwerking en dialoog met de stuurgroep van de Bouwmeester Scan was voor de meeste respondenten (11) een evenwaardige samenwerking met een co-creatief proces. 6 respondenten antwoorden neutraal op deze vraag en 2 respondenten vonden echter dat er geen afstemming en weinig co-creatie was. 18. Waren de meningen over de Scan éénduidig of waren de meningen verdeeld binnen uw gemeente? /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 92 van 113
1: meningen waren sterk verdeeld 5: meningen waren éénduidig Als we polsen naar de meningen over de scan binnen de gemeenten antwoorden er 9 respondenten dat de meningen (sterk) verdeeld waren terwijl bij een 8- tal gemeenten de meningen eerder éénduidig waren. De meeste gemeenten antwoorden neutraal op deze vraag. 19. De manier waarop de Bouwmeester Scan tot stand komt, kenmerkt zich door een vast patroon (beperkte doorlooptijd van 3 maand, raamcontract met onderzoeksteam via TVB,...) Wat vond u hiervan?
1: helemaal niet tevreden over 5: zeer tevreden over De manier waarop de Bouwmeester Scan tot stand kwam kon de meeste gemeenten tevreden stellen, 4 gemeenten waren voldoende tevreden en een 4-tal gemeenten waren (helemaal) niet tevreden. 20. Hoe waren de meningen binnen uw gemeente over deze manier van totstandkoming?
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 93 van 113
De meningen binnen de gemeenten over de totstandkoming van de scan waren verdeeld tussen de respondenten. Van positief en prima samenwerking tot een te beperkte terugkoppeling of bepaalde personen die actiever betrokken hadden willen zijn (voornamelijk vanuit bestuursniveau dergelijke werkwijze niet gewoon). Sommige gemeenten gaven aan dat het proces te lang duurde en dat er een te beperkte communicatie, bezoek,… was. Terwijl andere gemeenten de snelheid of snel resultaat en efficiëntie van het proces aanhaalden en positief bevonden. Het nadeel van snel werken was voor een andere gemeente dan weer wel dat er te weinig diepgang mogelijk was en dat niet altijd alles even transparant verliep. 21. Bleek de Scan het gewenste 'instrument' t.o.v. andere reeds bestaande instrumenten en planprocessen (bijvoorbeeld het gemeentelijk beleidsplan of structuurplan, nota's over beleidsmatig gewenste ontwikkelingen, sectorale plannen zoals gemeentelijk mobiliteitsplan,...)?
1: Nee, de Scan was voor ons geen meerwaarde 5: Ja, de Scan biedt een meerwaarde t.o.v. andere instrumenten Als we gemeenten bevragen of de scan het gewenste 'instrument' bleek te zijn t.o.v. andere reeds bestaande instrumenten en planprocessen (bijvoorbeeld het gemeentelijk beleidsplan of structuurplan, nota's over beleidsmatig gewenste ontwikkelingen, sectorale plannen zoals gemeentelijk mobiliteitsplan,...), dan antwoorden de meeste gemeenten dat de scan inderdaad een meerwaarde biedt t.o.v. ander instrumentarium. 6 gemeenten zijn neutraal en 3 gemeenten zagen geen/weinig meerwaarde. 22. Wat voegt de scan toe ten opzichte van het bestaand instrumentarium? Of waarmee overlapt de scan? Wat de scan bijdraagt ten opzichte van ander instrumentarium is dat het een analyse, samenvatting of update is van andere bestaande planningsinitiatieven met een onafhankelijke globale kijk. De scan biedt een overzichtelijke insteek voor de ontwikkeling van instrumentarium. De aanvulling is een andere kijk op de invulling van de ruimte. Het geeft inzichten in nieuwe normen en waarden en duidt krachtlijnen én pijnpunten aan en zet aan tot actie via concrete quick wins. Het merkt zaken op die binnen de gemeente ‘genormaliseerd’ waren of waarover te weinig gecommuniceerd werd met een nieuwe en positieve wind. Door de visie extreem te formuleren, worden andere zaken van de visie zichtbaar en bespreekbaar. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 94 van 113
Andere gemeenten geven dan weer aan dat de scan te veel blijft hangen in de visievorming. Er wordt onvoldoende rekening gehouden met de schaal en geschiedenis van de gemeente en illustraties zijn niet altijd toepasbaar omwille van de bestaande (ruimtelijke en juridische) toestand. Sommige respondenten verwachtten te concrete kant-en-klare oplossingen, terwijl het voor andere respondenten wel duidelijk is dat de scan gewoon aanzet tot nadenken. 23. Wat is de ambitie van uw gemeente voor het gebruik van de scan?
1: Zeer sectoraal ruimtelijk gebruik 5: Zeer verbredend instrument Voor 2 gemeenten zal de scan vooral een zeer sectoraal ruimtelijk gebruik kennen, voor 8 gemeenten valt het wat middenin een sectoraal ruimtelijk gebruik en verbreding en voor 9 gemeenten zal de scan eerder als verbredend instrument worden ingezet.
24. Binnen welke fase(s) van de ruimtelijke beleidsvorming sluit het instrument voor uw gemeente het beste aan?
De meerderheid (44%) sluit het instrument BMScan voor hun gemeente het best aan bij visievorming, gevolgd door een 26,3% van de gemeenten die het instrument eerder gebruiken bij de strategische verkenning binnen hun gemeente, 10,5% gebruikt het instrument bij planvorming en 10.5% voor /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 95 van 113
realisatie. Een andere gemeente legt de scan naast zich neer en begint opnieuw op basis van ander materiaal en nog een andere respondent geeft aan nog maar in de opstartfase van de scan (inventarisatie) te zitten en dus nog niet kan oordelen. 25. Heeft de scan in uw gemeente bijgedragen tot meer capaciteit om werk te maken van duurzame ruimtelijke ontwikkeling?
1: helemaal niet 5: Zeer grote bijdrage Op de vraag of de scan in de gemeenten heeft bijgedragen tot meer capaciteit om werk te maken van duurzame ruimtelijke ontwikkeling zijn de meningen sterk verdeeld. De meeste antwoorden neutraal, 5 respondenten zien een grote bijdrage en 4 respondenten weinig bijdrage. 2 respondenten zien helemaal geen bijdrage en 1 respondent ziet net een zeer grote bijdrage. 26. Op welk gebied droeg de scan al dan niet bij tot dergelijke 'capacity building'? Op de vraag of de scan in de gemeenten heeft bijgedragen tot meer capaciteit om werk te maken van duurzame ruimtelijke ontwikkeling zijn, geven de gemeenten aan dat de kennis zich geleidelijk aan opbouwt doordat de scan hiaten en valkuilen heeft blootgelegd. Binnen verschillende gemeenten is er voornamelijk vanuit de administratie het besef dat er ruimtelijk mee verder gewerkt dient te worden, vanuit de politiek is er minder of geen animo voor te vinden of verschuift de focus. Voor andere gemeenten was de scan een interessante oefening zonder meer. De boodschap vanuit het Vlaamse niveau was reeds doorgedrongen. 27. Heeft de Scan geholpen bij het definiëren van doelen voor uw gemeente inzake duurzaam ruimtegebruik?
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 96 van 113
1: nee, de Scan heeft helemaal geen rol gespeeld of zal geen rol spelen bij het formuleren van doelen voor onze gemeente 5: ja, de Scan heeft ons zeker geholpen of zal helpen bij het formuleren van doelen voor onze gemeente De scan heeft de meeste gemeenten in een grote mate geholpen of zal het in de toekomst helpen bij het formuleren van doelen voor de gemeenten. Bij 7 respondenten zal de scan op voldoende wijze een rol spelen bij het bepalen van doelen, en bij 2 respondenten heeft de scan helemaal geen rol gespeeld of zal het helemaal geen rol spelen bij het formuleren van doelen. 28. Bevat de scan bruikbare suggesties om het Vlaams instrumentarium aan te passen of te ontwikkelen op maat van lokale besturen? In hoeverre bent u van mening dat de scan hierin slaagt?
1: Nee, de Scan slaagt er niet in onze lokale noden, hinderpalen en kansen mee te nemen en door te vertalen naar het Vlaams niveau 5: Ja, de Scan slaagt er in om onze lokale noden, hinderpalen en kansen door te vertalen naar het Vlaams niveau Volgens 4 respondenten slaagt de scan erin om de lokale noden, hinderpalen en kansen door te vertalen naar het Vlaams niveau. 8 respondenten antwoorden neutraal en volgens 7 respondenten
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 97 van 113
slaagt de scan er niet of beperkt in om suggesties van het lokale niveau door te vertalen naar het vlaamse niveau. 29. Bevatten de lokale resultaten van de scan of de lokale ervaringen met de scan suggesties voor het versterken of aanpassen van de visie, het beleid of de instrumenten op het Vlaamse niveau?
1: Nee, helemaal niet 5: ja, heel zeker Volgens de meeste respondenten bevatten de lokale resultaten van de scan of de lokale ervaringen met de scan zeker suggesties voor het versterken of aanpassen van de visie, het beleid of de instrumenten op het Vlaamse niveau. 5 respondenten antwoorden neutraal en 3 gemeenten zijn er (helemaal) geen suggesties voor Vlaams beleid of instrumentarium of visievorming. 30. Wat kan het Vlaamse niveau leren uit de lokale scan? De suggesties vanuit de respondenten voor het Vlaamse niveau zijn voornamelijk dat de vertaling van ruimtelijke concepten naar een lokaal niveau een meerwaarde kan vormen en dat lokale informatie zeer belangrijk is. Inzichten uit de praktijk geven aan dat gemeenten meer tools kunnen gebruiken, meer autonomie gewenst is voor bottom-up initiatieven en waar de noden zijn. Gemeenten geven aan dat er te weinig instrumenten, gemeentelijke wetgeving of financiële steun is voor effectieve uitvoering van ruimtelijk beleid, binnen de grote ruimtelijke differentiaties tussen de gemeenten. De greep op de goede ruimtelijke ordening is vanuit de gemeenten beperkt door o.a. systemen van vrijstellingen en meldingen of de afwezigheid van betaalbare instrumenten (of aanwezigheid van onbetaalbare kosten zoals planschade). 31. Hebt u nog aanvullingen, bedenkingen,... omtrent de werkwijze van het instrument? Enkele bedenkingen over de werkwijze van de scan verwoordden dat in een gemeente enkele passages uit de scan uit zijn context zijn gehaald en zo verkeerdelijk gebruikt worden. Ook houdt voor een gemeente de scan te weinig rekening met de juridische context waardoor de voorstellen eerder utopisch zijn. Zo vormen de resultaten van de scan eerder een teleurstelling. Andere gemeente heeft nog meer nood aan concrete insteken en good practices om de bouwshift verder te bewerkstelligen. Ook de korte doorlooptijd halen respondenten aan, wat samenhangt met de /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 98 van 113
verwachtingen/ inzicht om nu zelf aan de slag te gaan voor de opmaak van een beleidsplan ruimte, ofwel dat de scan meer concreet hier had moeten toe bijdragen.
Uitkomst van de Bouwmeester Scan: de inhoud van de scan 32. Wat vindt u van de inhoudelijke opbouw van de scan (thema's, concepten, rubrieken)?
1: De scan vertoont inhoudelijk meerdere gebreken 5: De scan is inhoudelijk zeer goed opgebouwd De meerderheid van de respondenten is van mening dat de scan inhoudelijk goed is opgebouwd. 3 respondenten zijn van mening dat de scan (meerdere) inhoudelijke gebreken bevat en voor 3 respondenten was de opbouw op voldoende wijze opgebouwd. 33. Wat was inhoudelijk sterk aan de scan? Wat bleef inhoudelijk eerder zwak? Enkele gemeenten geven aan dat de analyse en de ambitievorming voornamelijk zeer sterk was in de scan. Binnen de ambitievorming was de grote algemene boodschap van de bouwmeester duidelijk, maar niet voldoende lokaal toegepast. Voornamelijk wonen/gebouwen is sterk uitgewerkt, retail, milieu en mobiliteit minder of te weinig. Ook het strak vasthouden aan het sjabloon zorgde ervoor dat sommige zaken kunstmatig werden ondergebracht in de scan en kwam de zwakke terreinkennis naar boven. Andere gemeenten vonden dan weer de analysefase te sterk uitgewerkt, waardoor te weinig aandacht was voor de oplossingen of dat de transitieagenda te vrijblijvend opgemaakt opgevat was. Antwoorden op specifieke problematieken (zoals de bouwwoede van promotoren in de verappartementisering) werden te weinig uitgewerkt. 34. In welke mate was u tevreden over de gevoerde analyses in de scan over uw gemeente?
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 99 van 113
1: De analyse is oppervlakkig en bevat lacunes 5: De analyse was grondig en correct uitgevoerd 8 respondenten zijn op voldoende wijze tevreden over de gevoerde analyses in de scan over hun gemeenten, 9 respondenten zijn tevreden en vinden de analyse grondig en correct uitgevoerd en 2 respondenten vonden de analyse over hun gemeente oppervlakkig en zijn van oordeel dat de analyse lacunes bevat. 35. In welke mate was u tevreden over de geformuleerde diagnose in de scan over uw gemeente?
1: De diagnose bleef oppervlakkig en bevatte fouten 5: De diagnose was correct en nauwkeurig geformuleerd De geformuleerde diagnose in de scan van de gemeenten wordt door de meesten als correct en nauwkeurig beoordeeld, 12 respondenten zijn hier dan ook tevreden over. 3 respondenten zijn voldoende tevreden en 2 respondenten zijn niet tevreden omdat de diagnose volgens hen fouten bevatte en oppervlakkig was. 36. Welke waren de meest storende lacunes in de analyse en/of diagnose? Welke waren de sterke punten?
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 100 van 113
Onder de bevraagde gemeenten waren er van oordeel dat de analyse en diagnose zeer sterk was uitgevoerd en dat deze geen lacunes bevatte. De onderbouwing van de stellingen en diagnose was hierbij belangrijk. Anderen vonden de diagnose te vaag en te algemeen door te weinig lokale toepassing en kennis van lokale elementen of dat de diagnose gebrek aan realiteitszin bevatte. Het is moeilijk en weinig realistisch om recente projecten opnieuw helemaal in vraag te stellen en te herinrichten. 37. In welke mate was u tevreden van de ambities en de transitie-agenda in de scan voor uw gemeente?
1: De ambities en transitie-agenda bleven zeer oppervlakkig 5: De ambities en transitie-agenda waren grondig en diepgaand uitgevoerd 11 respondenten zijn in grote mate tevreden over de ambities en transitie-agenda die in de scan werden voorgesteld voor hun gemeenten. Volgens deze respondenten waren de ambities en transitie-agenda grondig en diepgaand uitgevoerd. 5 respondenten antwoorden neutraal en zijn voldoende tevreden. 3 andere respondenten zijn helemaal niet tevreden en zijn van oordeel dat de ambities en transitie-agenda in hun scan zeer oppervlakkig bleven. 38. Wat vond u van de inhoudelijke resultaten van de Scan voor uw gemeente?
1: De inhoudelijke resultaten van de Scan waren niet relevant /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 101 van 113
5: De inhoudelijke resultaten van de Scan waren zeer relevant voor onze gemeente 14 respondenten vonden de inhoudelijke resultaten van de Scan relevant voor hun gemeente. Volgens 2 respondenten waren de inhoudelijke resultaten niet relevant. En 3 respondenten antwoorden neutraal. 39. Wat vond u van de haalbaarheid van de voorstellen in de transitieagenda van de scan?
1: Voorstellen totaal niet realiseerbaar 5: Voorstellen zeker realiseerbaar en behapbaar Niemand van de respondenten heeft de realiseerbaarheid van de voorstellen met absolute zekerheid beantwoordt. 5 respondenten geven aan dat de voorstellen in de transitie-agenda realiseerbaar en behapbaar zijn. 8 respondenten vinden de voorstellen voldoende realiseerbaar, en 6 respondenten vonden de voorstellen (helemaal) niet realiseerbaar. 40. Welke waren de meest storende lacunes in de ambities en transitieagenda? Welke waren de sterke punten? Wat maakte voorstellen onrealiseerbaar of wat net wel? De meningen over de ambitie- en transitieagenda waren over het algemeen minder positief. De bedenkingen hierbij waren dat de voorstellen niet altijd rekening houden met de gemeentelijke draagkracht, met onveranderbare situaties zoals regelgeving of eigendomssituaties, met de ontbrekende instrumenten, met de politieke inmenging,…. Met andere woorden waren de voorstellen niet altijd even realistisch en soms gewoon een samenraapsel van zaken die niet van toepassing waren of onder invloed waren van het Vlaams beleid. Sommige verhalen waren moeilijk vorm te geven op het lokale niveau zoals het energie of klimaatverhaal en bleven te universeel, terwijl ander aspecten van de transitie-agenda te veel in detail werd uitgewerkt. Hierdoor is de transitie-agenda zeer omvangrijk geworden binnen bepaalde scans. Het risico zit er in dat de detaillering meer blijft hangen (zeker op lokaal politiek niveau) dan de algemene analyse en ambitie van de scan. 41. Wat vindt u van de inhoudelijke samenhang tussen de onderdelen (sectoren, rubrieken) in de scan?
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 102 van 113
1: De onderdelen van de Scan werden veel te los van elkaar uitgewerkt 5: De onderdelen van de Scan vormden een zeer goed samenhangend geheel De inhoudelijke samenhang tussen de onderdelen (sectoren, rubrieken) in de scan worden door 9 respondenten als een goed samenhangend geheel beoordeeld. 8 respondenten waren op neutrale wijze tevreden over de samenhang en voor 2 respondenten ontbrak er samenhang en waren de verschillende onderdelen (veel) te los van elkaar uitgewerkt. 42. Welke thematieken vond u te veel of te weinig aan bod komen? Uit de bevraging kwam naar voor dat enkele ruimtelijke problematieken zoals hoogbouw, waar verdichten, woonzones in buitengebied verhinderen of nieuwe woonvormen meer uitgewerkt mochten zijn in de scan. Ook de rol van de ambtenaren, mogelijkheden van concrete instrumenten of een knelpuntenanalyse van het juridisch kader was iets dat meer uitgewerkt had mogen zijn. Verder kwam mobiliteit, retail, milieu of ecologie en landschap naar voor als thema’s die te weinig aan bod kwamen in de scans. 43. Als u kijkt naar wat de Scan heeft opgeleverd aan inzichten, in welke mate heeft de Scan dan bijkomende inzichten geleverd?
Als we kijken naar wat de scan voor de gemeenten heeft opgeleverd dan heeft de scan vooral voor nieuwe inzichten t.o.v. de eigen kennis de respondenten, in tweede instantie voor nieuwe inzichten
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 103 van 113
t.o.v. andere instrumenten en op de derde plaats voor nieuwe inzichten t.o.v. Vlaams beleid en doelstellingen. Sommige respondenten beantwoorden deze vraag neutraal en kregen in eerste instantie eerder inzichten over het Vlaams beleid en doelstellingen, dan inzichten t.o.v. ander instrumentarium en in de derde plaats t.o.v. eigen kennis. Er zijn ook respondenten die geantwoord hebben dat de scan voor weinig inzichten heeft gezorgd, in de eerste plaats t.o.v. Vlaams beleid/doelstellingen, dan t.o.v. ander instrumentarium en tot slot t.o.v. eigen kennis. Dan zijn er ook respondenten die geen bijkomende inzichten kregen t.o.v. eigen kennis, t.o.v. eigen instrumentarium en t.o.v. Vlaams beleid. 44. Wat waren voor uw gemeente voorbeelden van uitspraken of inzichten (zowel in positieve als in negatieve zin) die bevestigden/ benadrukten wat reeds geweten was? De zaken die bevestigd werden in de scans waren voornamelijk algemene zaken die in meerdere gemeenten van toepassing zijn. Zaken zoals problematieken rond mobiliteit en sluipverkeer, de vele versnippering en noodzakelijke vrijwaring van de open ruimte of groen, kwaliteitsvolle verdichting en zuinig ruimtegebruik, storende zonevreemde ontwikkelingen of schrappen van woonreservegebieden. Dergelijke zaken waren voor de meeste betrokkenen niet altijd nieuw, maar vormde wel een meerwaarde voor de inwoners die hun gemeente nog niet goed kennen of op die manier aanzien. Eveneens werd bevestigd dat het lokale ruimtelijk beleid ambitieuzer moet worden. 45. Wat waren voor uw gemeente voorbeelden van verrassende/vernieuwende uitspraken of inzichten (zowel in positieve als in negatieve zin)? Als we de respondenten bevragen rond mogelijke verrassende of vernieuwende inzichten of uitspraken dan krijgen we diverse antwoorden. Voor een bepaalde gemeente was het bv. de uitspraak rond het werken met hoogbouw aan het water. Deze gemeente was eerder negatief verrast over hoogbouw als norm langs het water. Voor een andere gemeente waren en nieuwe inzichten rond de mobipunten en het advies rond verhandelbare ontwikkelingsrechten dat voor hen zeer interessant was. Uitspraken over groene zones, of zones voor windenergie worden ook genoemd. Voor sommige gemeenten werd het aandeel open ruimte inzichtelijk gemaakt en waren ze positief verrast dat er nog veel open ruimte is en kregen ze inzichten hoe ze de unieke groenkwaliteiten op hun grondgebied nog meer kunnen versterken. Voor een andere gemeente bleek dat er nog verder moest gewerkt worden aan de heraangelegde dorpskernen binnen hun gemeente. Het bleek dat beleidsmakers de heraanleg als afgewerkt en esthetisch zien, terwijl buitenstaanders nog ‘lelijke’ plekken zien. Een andere gemeente tot slot kreeg inzicht in de ruime mogelijkheden van het stedelijk gebied. 46. Wat waren voor uw gemeente voorbeelden van ontbrekende uitspraken of inzichten? Waren er onderwerpen waarover u meer uitspraken had gewenst? Voor de gemeente Boom ontbraken er uitspraken over hoogbouw en leken de illustraties die werden gegeven onvoldoende. Ze misten onderbouwing hierover in de scan en vrezen dat de geïllustreerde /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 104 van 113
voorbeelden nu worden misbruikt. Een andere gemeente mist informatie over de afbakening van kernen, beeldkwaliteit, realistische ontwikkelingsvoorstellen, hoe mobiliteit kan bijgestuurd worden (breder dan alleen met deelfietsen). Daarnaast wordt er aangegeven dat er gebrek is aan een plan om de gestelde doelstellingen te kunnen realiseren, en dan vooral het wettelijk kader dat dient gewijzigd te worden. Twee andere gemeenten willen weten hoe ze nieuwe woonvormen (bv appartementen inzetten voor woonuitbreiding in dorpen) kunnen realiseren. 47. Heeft de scan geholpen bij het opstarten of het verder zetten van lokale acties (ingrepen, projecten) voor duurzame ruimtelijke ontwikkeling?
1: Neen, helemaal geen rol gespeeld 5: Ja, absoluut geholpen De scan heeft de meeste respondenten goed geholpen bij het opstarten of het verder zetten van lokale acties (ingrepen, projecten) ikv duurzame ruimtelijke ontwikkeling. 7 respondenten antwoorden neutraal en voor 2 respondenten heeft de scan helemaal geen rol gespeeld. 48. Welke lokale acties werden door de scan gestimuleerd? Welke acties werden door de scan tegengewerkt? De scan moedigt aan om weerstand te bieden tegen ongewenste ontwikkelingen en stimuleert lokale acties zoals het inzetten op ontharding en groen/blauwe netwerken, het kwalitatief en inzichtelijk verdichten, o.a. via de gebiedsgerelateerde opvolging / monitoring van het aandeel bijkomende woningen en de open ruimte open houden en integreren in de kern, het starten met de verdere uitwerking van verdichtingsbeleid, het uitwerken van een shift door middel van aanpassen van verordeningen of de techniek van de verhandelbare ontwikkelingsrechten. 49. Hoe verhoudt de tijdsinzet en inzet van middelen binnen uw gemeente zich tot de uitkomst van de scan?
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 105 van 113
1: Inzet van tijd en middelen totaal niet in verhouding met de uitkomst 5: Inzet van tijd en middelen komen volledig overéén met de uitkomst van de scan Wat betreft de inzet van tijd en middelen, antwoordt 1 respondent dat uitkomst van de scan volledig overéén komt met de ingezette middelen en tijd, 6 respondenten vonden de verhouding van tijd en middelen t.o.v. de uitkomst goed en 8 respondenten antwoorden neutraal. 4 respondenten zijn eerder van mening dat de verhouding tijd/middelen t.o.v. de uitkomst van de scan (totaal) niet in overéénstemming is. 50. De Scan is bedoeld om Vlaamse doelstellingen inzake duurzaam ruimtegebruik door te vertalen en concreet te maken op gemeentelijk niveau. In hoeverre vindt u dat de Scan hierin geslaagd is?
1: Nee, de Scan slaagt er niet in om de doelstellingen concreet te vertalen voor onze gemeente 5: Ja, de Scan draagt zeker bij in het concreet maken van de Vlaamse doelstellingen voor onze gemeente De doelstelling van de BMScan is bedoeld om Vlaamse doelstellingen inzake duurzaam ruimtegebruik door te vertalen en concreet te maken op gemeentelijk niveau. Voor 3 respondenten draagt de scan zeker in om de Vlaamse doelstellingen voor hun gemeente inzichtelijk te maken. 6 respondenten zijn van oordeel dat de scan hier goed in slaagt, 6 respondenten antwoorden neutraal en 4 respondenten vinden dat de scan hier niet of weinig in slaagt voor hun gemeente. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 106 van 113
51. Voldeed de scan aan de verwachtingen binnen uw gemeente? Zijn jullie behoeften aan inzicht omtrent de ruimtelijke situatie, knelpunten en mogelijkheden voor uw gemeente ingewilligd en de vragen daarover beantwoord?
1: nee, de Scan voldoet niet aan de verwachtingen die we initieel hadden als gemeente 5: ja, de Scan voldoet aan de verwachtingen die we op voorhand hadden als gemeente Als we de gemeenten vragen of de scan voldeed aan de verwachtingen binnen uw gemeente en of hun behoeften aan inzicht omtrent de ruimtelijke situatie, knelpunten en mogelijkheden voor uw gemeente ingewilligd zijn en hun vragen daarover beantwoord, dan zijn de meeste respondenten hier positief over. 5 respondenten antwoorden neutraal, en voor 4 respondenten voldeed de scan niet of slechts in beperkte mate aan hun initiële verwachtingen. 52. Hoe hebben onderstaande gemeentelijke actoren naar uw ervaring de resultaten van de scan ontvangen?
De respondenten geven ons inzicht over hoe de gemeentelijke actoren volgens hen de resultaten hebben ontvangen. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 107 van 113
zeer positief: de bevoegde schepen(en) Volgens de respondenten werd de scan positief onthaald in eerste plaats door de GOA’s, dan door de gemeentelijke ambtenaren, dan de bevoegde schepen(en), burgemeester en in de laatste plaats door het CBS. Neutraal: CBS, de burgemeester, de gemeentelijke ambtenaren, de GOA en de bevoegde schepen Negatief: de burgemeester, de bevoegde schepen, CBS, de GOA Zeer negatief: CBS, burgemeester, de bevoegde schepen(en) 53. Hoe werden de resultaten van de Scan globaal gesproken ontvangen binnen de gemeente? Wat kwam slecht aan? Wat werd lauw of afwachtend onthaald? Waarover was men enthousiast? Een van de bevraagde gemeenten geeft aan dat de resultaten van de scan te weinig oplossingen biedt. Een andere gemeente geeft aan dat er soms weinig betrokkenheid of interesse was in de scan, bij anderen is het eerder afwachten wat de stakeholders zullen zeggen. In een aantal gevallen geeft men zeer concreet aan waarover men niet enthousiast was, nl de angst voor verappertementisering van het buitengebied, het afbreken om elders ontwikkelingsrechten te krijgen, een ander voorbeeld is het voorstel om het gemeentelijke marktplein opnieuw aan te pakken,.. bij een andere gemeente werden de resultaten van de scan slecht onthaald omdat deze niet in overeenstemming zijn met de visie van het structuurplan. Een respondent zegt dat er soms onvoldoende besef is dat het werk nu moet beginnen. De scan wordt aanzien als een afgewerkt geheel, terwijl het eerder een startpunt is. Bij een andere gemeente zijn de algemene visies te volgen, maar werd er bv wel gediscussieerd over de concrete uitwerking of afbakening. Bij een andere gemeente was men minder enthousiast over de voorstelling van de resultaten in een openbaar forum omdat de voorstelling een globale analyse miste en men enkel resultaten voorstelde die interessant waren voor bepaalde personen. Een andere gemeente was teleurgesteld omdat ze prangende vragen hadden gesteld waarop ze geen antwoord kregen. Ook de bespreking van de Bouwmeester Scan nadien was voor deze gemeente geen succes doordat er te weinig tijd was voor een inhoudelijke discussie. Het vervolgoverleg dat hen werd beloofd heeft nooit plaatsgevonden en het momentum om dit te bespreken lijkt voor hen voorbij. Een ander respondent geeft aan dat bij de toelichting van de scan aan de gemeenteraad en de gecoro de actoren eerder politieke standpunten innamen over de grote lijnen van de concrete projecten dan dat er inhoudelijke vragen werden gesteld. De zaken waar de gemeenten wel enthousiast over waren zijn bv in een bepaalde gemeente de voorgestelde woonverdichting, kernversterking , en verdere ontwikkeling van de stationsomgeving in de scan. Voor een andere gemeente blijkt de scan een houvast te zijn voor ruimtelijke planning en beleidsvoering en wordt regelmatig naar de scan teruggegrepen. In een andere gemeente bevat de scan een heldere formulering van enkele grote projecten voor de komende jaren in hun gemeente. Deze zijn voor hun zeer zinvol en daar baseren zij zich vaak op.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 108 van 113
Bij een andere gemeente werd de scan bij de toelichting aan de gemeenteraad en gecoro onthaald als zeer interessant en leverde wellicht nieuwe algemene inzichten op inzake de Vlaamse doelstellingen (ontharding, waterkwaliteit,...). in een andere gemeente werd het omgaan met erfgoed en het versterkt inzetten op fietsgebruik als positief onthaald. 54. Hebt u nog aanvullingen of bedenkingen omtrent de uitkomst / inhoud van de Scan? Sommige respondenten hadden geen aanvullingen of bedenkingen en andere wel. Zo zegt een gemeente dat ze niet volledig mee waren in het verhaal en dat dat kon gelegen hebben aan hun samenwerking met het studiebureau. Een andere respondent geeft als opmerking dat de visie die geformuleerd is verschilt van de realiteit waarin de gemeente opereert. Daarnaast geeft een andere respondent aan dat een volwaardige eindpresentatie nog een meerwaarde had kunnen zijn. Het eindresultaat werd besproken door de betrokkenen, maar werd daarna (na de vele discussies in de stuurgroep - zonder gemeente) gewoon gepubliceerd. Tot slot zijn er ook positieve opmerkingen, dat er knap werk is geleverd door alle betrokkenen en dat ze allen een heel heldere en duidelijke visie hebben op de toekomstige ruimtelijke ordening. Een andere respondent antwoordt dat de scan een stap was in de juiste richting naar een ruimtelijk beleidsplan.
Vervolg van de Bouwmeester Scan 55. Kan uw gemeente onmiddellijk aan de slag met de resultaten van de scan?
1: Nee, er moeten nog veel zaken verhelderd worden 5: Ja, het is zeer duidelijk hoe we kunnen starten Voor 7 gemeenten resultaten waren de resultaten van de scan (zeer) duidelijk en kunnen ze onmiddellijk aan de slag met de resultaten. 8 respondenten antwoorden neutraal en voor 4 respondenten moeten er toch nog zaken verhelderd worden en kunnen ze niet of in beperkte mate starten.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 109 van 113
56. Hebben de inzichten uit de scan ingang gevonden in de werking van uw gemeente? Of wordt in de nabije toekomst verwacht ingang te zullen vinden?
1: Nee, er is niets mee gebeurd en zal zeker niet gebeuren 5: Ja, het vervolgtraject is/wordt opgestart 12 respondenten geven aan dat er binnen hun gemeente een vervolgtraject is of wordt opgestart en dat de inzichten uit de scan hun doorwerking zullen vinden binnen de gemeente. 5 respondenten antwoorden neutraal en 2 respondenten antwoorden dat er niets werd gedaan met de inzichten uit de scan en dat men dit in de toekomst ook niet verwacht te doen. 57. Wordt er over de opgeleverde scan en de resultaten intern debat gevoerd? Indien ja, door wie? (bestuur, ambtenarij, Gecoro,... ?) De scan nodigt de gemeenten uit tot discussie en intern debat over de opgeleverde inzichten. De meeste gemeenten geven aan intern te debatteren over de scan binnen de gecoro , de administratie, binnen de dienst RO, bij het CBS de gemeenteraad, de minaraad, de milieuraad en in sommige gevallen met bezorgde burgers. Een gemeente geeft aan dat ze voorafgaand aan de conclusies van de Bouwmeester Scan al concrete transities proberen te vinden om voor te leggen aan het bestuur voor een gewijzigde aanpak (bv geen nieuwe wegen meer laten aanleggen). 58. Wat verwacht u als uitkomst van de debatten binnen de gemeente over de opgeleverde scan?
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 110 van 113
1: Geen eensgezindheid te vinden tussen meningsverschillen 5: Consensus zal bereikt worden Als we vragen naar de uitkomst van de debatten over de opgeleverde scan binnen hun gemeente, antwoorden 4 respondenten dat er waarschijnlijk consensus zal worden bereikt. De meesten antwoorden neutraal en voor 3 respondenten lijkt men eerder geen of weinig eensgezindheid te vinden tussen de verschillende meningsverschillen in de gemeente. 59. Welke elementen uit de transitie-agenda van de Scan heeft/zal uw gemeente opnemen voor verdere uitwerking en waarom? Welke elementen wil uw gemeente in de nabije toekomst zeker opnemen en waarom juist deze? De gemeenten geven aan volgende elementen uit de transitie-agenda mee te nemen voor verdere uitwerking; handhaving, mobiliteitsbeleid, kernversterking en (kern)verdichting, alle elementen die vereist zijn om te voldoen aan de doelstellingen binnen BRV, de zaken die al in het meerjarenplan stonden zullen worden uitgevoerd, groen in de kern, groene longen vrijwaren en kwalitatief verdichten, het bouwvrij houden van waterzieke en nog groene gebieden, in een bepaalde gemeente wordt de transitie van een steenweg naar een groene woonboulevard meegenomen, warmtemeter, beperken verdichting buitengebied, meer inzetten op fietsen en openbare ruimte. Ook zullen ideeën om niet meer te bebouwen worden meegenomen, het inzetten op leefbare kernen, uitwerking van het verdichtingsbeleid (nakijken wat er hiervoor concreet hanteerbaar is bij het beoordelen van omgevingsvergunningen), verdere invulling mobipunten, meer inzetten op kwalitatieve inbreiding, oplossing zoeken voor de problematiek van de sociale wooneenheden en het realiseren van het BSO, een gemeente geeft aan dat eens er inzichten worden verkregen over de structuurschets van hun centrum en er een kader is rond verdichting, ze beter aan stadsplanning kunnen doen, in een andere gemeente tot slot gaat men nadenken over wooninbreiding en het openbaar domein van de gemeente. 60. Welke elementen uit de transitie-agenda van de Scan zal uw gemeente niet opnemen voor verdere uitwerking en waarom niet?
Elementen uit de transitie-agenda die gemeenten niet zullen meenemen, zijn bv. bij een bepaalde gemeente de regierol opnemen voor industrieterreinen en de verduurzaming van de landbouw, /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 111 van 113
omdat de gemeente daar te klein voor is. Een andere gemeente zal beslissingen die al genomen zijn rond de uitbreiding / reconversie industriezones en woonuitbreidingsgebieden niet kunnen terugdraaien omdat er al lopende projecten zijn. Een andere gemeente geeft aan dit te bespreken met de hogere overheden aangezien de transitieagenda enkel kan worden uitgevoerd mits samenwerking met de hogere overheden. Een ander voorbeeld is het opstarten van CSA (omdat er al twee CSA’s zijn in de gemeente), verdichten buiten de kern zal ook niet worden meegenomen in een bepaalde gemeente omdat dit politiek moeilijk ligt. De aanleg van fietsbruggen over de Leie is voor een gemeente onuitvoerbaar. De thema’s energie en mobiliteit vinden in een bepaalde gemeente geen doorwerking omdat ze niet worden getrokken vanuit de andere sectoren en deze de BMScan niet gebruiken als leidraad. De keuze voor al te doorgedreven hoogbouw vindt ook geen draagvlak. De stationswijk van een bepaalde gemeente en een deel van de landbouwambities zullen niet uitgewerkt worden in die mate waarop ze voorgesteld zijn in de scan. Hiervoor zal deze gemeente eerder zien wat er op lange termijn haalbaar is, maar op dit moment heeft de gemeente andere prioriteiten. Een andere gemeente verwijst naar de ontwikkelingen in open ruimte waarbij ze deze eerder zal laten afhangen van het Vlaams beleid 61. Vindt u dat het brede publiek meer moet betrokken worden bij de scan?
1: Neen, heeft helemaal geen meerwaarde 5: Ja, zeker wel publiek betrekken 6 respondenten vinden dat het bredere publiek (zeker) moet betrokken worden bij de scan. 7 respondenten antwoorden neutraal en voor 6 respondenten heeft de betrokkenheid van het publiek bij de scan geen / weinig meerwaarde. 62. Hoe en wanneer zou volgens u het publiek betrokken kunnen worden bij de scan? (bij de opmaak van de scan, bij de uitvoering van de ambities,... ?) Een gemeente geeft aan burgers te kunnen betrekken bij participatiemomenten en een andere gemeente stelt voor om de burgers tussen het onderzoek en de eindresultaten te bevragen. Naast het bevragen of de mening vragen van de burger kan men als “overheid” het publiek ook meer kennis en inzicht geven in wat kan en wat niet kan / wenselijk is bv op vlak van verharding en het huidige gebruik van mobiliteit.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 112 van 113
De meeste gemeenten geven aan het publiek pas te betrekken bij de uitvoering van de ambities. Meer publieke interactie lijkt pas wenselijk nadat de analyse gebeurd is. Men roept op om het publiek zeker niet te betrekken bij de opmaak want dan gaat de 'objectieve' evaluatie van een buitenstaander verloren. Ook concrete projecten zijn moeilijk te communiceren omdat er verwacht wordt dat deze wellicht te letterlijk zullen worden genomen. Men waarschuwt wel voor betrokkenheid van de burger omdat meer input zorgt voor een langer en minder onafhankelijk proces. Ook vreest men dat enkel burgers met een interesse in die ruimtelijke planning een meerwaarde zullen kunnen bieden. Het is moeilijk om publiek te betrekken bij abstracte principes. Een bepaalde gemeente heeft dit voorafgaand op een alternatieve manier trachten te doen door het tonen van de film van de bouwmeester en het voeren van een debat daarrond. 63. Hoe werden of worden de resultaten van de scan aan het brede publiek bekend gemaakt? Hoe werden of worden reacties hierop gecapteerd? De resultaten van de scan worden aan het publiek bekend gemaakt via de website/nieuwsbrief, via een voorstelling aan de gemeenteraadsleden en de Gecoro-leden, in een online raadscommissie met deelname van voorzitters adviesraden, op info vergaderingen met adviesraden, via een openbare digitale voorstelling. De scan zal in een bepaalde gemeente vermeld worden in de verdere opmaak van hun beleidsplan ruimte. In bepaalde gevallen is er (nog) geen publieke bekendmaking of zal dit niet plaatsvinden. 64. Hebt u nog aanvullingen, bedenkingen, opmerkingen,... omtrent het vervolg van de scan voor uw gemeente? De aanvullingen hadden vooral betrekking op het organiseren van een opvolggesprek, begeleiding voorzien naar het bredere publiek toe en samenwerking/ondersteuning voorzien op verschillende niveaus.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Eindrapport evaluatie instrument Bouwmeester Scan pagina 113 van 113