Skip to main content

Actieprogramma_Nitraatrichtlijn_Vlaanderen_2011_2014.pdf

Page 1

Actieprogramma nitraatrichtlijn 20112014 van Vlaanderen 1 Inleiding Na de Vlaamse verkiezingen van 7 juni 2009 werd een nieuwe Vlaamse Regering geïnstalleerd voor een periode van 5 jaar. Het regeerakkoord van deze nieuwe Vlaamse Regering bepaalt dat, in het kader van de nitraat- en fosfaatproblematiek van grond- en oppervlaktewater, het mestbeleid volledig zal worden uitgevoerd, incluis het opmaken in 2010 van een nieuw mestactieprogramma voor vier jaar. De beleidsnota van Vlaams minister van Leefmilieu Joke Schauvliege vertaalt dit engagement in concrete maatregelen en doelstellingen die als basis dienen voor het vierde Vlaams actieprogramma. Het derde Vlaams actieprogramma van 2007-2010 was volledig in overeenstemming met de Nitraatrichtlijn en voerde verscherpte maatregelen in. Het volledige grondgebied van Vlaanderen werd als kwetsbaar gebied afgebakend en nieuwe, wetenschappelijk onderbouwde, mestuitscheiding- en emissiecijfers, werden ingeschreven in de wetgeving. De meest aangewezen bemestingsperiodes werden doorgevoerd voor alle soorten meststoffen maar ook verder gediversifieerd naargelang de bijzondere omstandigheden, zoals in de tuinbouw of op bodems in de Polders. Het houden van het aantal dieren werd strikt gereglementeerd door de invoering van nutriëntenemissierechten, mestverwerking werd gemeengoed en het instrument van de nitraatresidumeting werd geleidelijk aan ontwikkeld. In het vierde actieprogramma zullen de maatregelen uit het derde actieprogramma verder worden uitgevoerd. Een aantal aspecten die in het derde actieprogramma waren opgenomen om uitgevoerd te worden in het vierde actieprogramma, zullen ook daadwerkelijk worden uitgevoerd. Een aanzienlijke verscherping van de maatregelen wordt hiermee doorgevoerd. Begin februari bereikte minister Schauvliege een akkoord met de DG environment van de Europese Commissie over een ontwerp actieprogramma. DG environment van de Europese Commissie is van oordeel dat Vlaanderen weliswaar vooruitgang boekt in het verbeteren van de waterkwaliteit, maar dat de vooruitgang niet snel genoeg gaat. Daarom worden door DG environment van de Europese Commissie, voor de periode 2011-2014, aan Vlaanderen strengere maatregelen opgelegd om de verontreiniging van het grond- en oppervlaktewater door nutriënten en eutrofiëring tegen te gaan.

1


2 Openbare raadpleging In het akkoord tussen Vlaanderen en DG environment van de Europese Commissie werd onder meer bepaald dat de tekst van het ontwerp actieprogramma gedurende een maand zou worden onderworpen aan een publieke consultatieronde. De openbare raadpleging over het ontwerp actieprogramma ging van start op 16 februari 2011. Gedurende een periode van 30 dagen kon iedereen de tekst van het ontwerp actieprogramma raadplegen op de website van de Vlaamse Landmaatschappij en er opmerkingen op formuleren. In totaal werden zo’n 150 adviezen ontvangen van landbouworganisaties, milieuverenigingen, consulenten, land- en tuinbouwers, burgers, … Ook de SALV (Strategische Adviesraad voor Landbouw en Visserij), de SERV (SociaalEconomische Raad van Vlaanderen) en de Minaraad (Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen) dienden een gezamenlijk advies in. Er volgde een presentatie en discussie in het Vlaams Parlement op 6 april 2011. De adviezen bevatten in totaal een duizendtal reacties op zo’n 25 verschillende thema’s. Ongeveer een kwart van de reacties ging over de hoogte van de bemestingsnormen. Andere populaire thema’s waren de uitrijregeling, het nitraatresidu, de mestsoorten en de monitoring van het grond- en oppervlaktewater. Alle reacties werden beantwoord door de Vlaamse Landmaatschappij, behalve de reacties over de monitoring van het grond- en oppervlaktewater die werden beantwoord door de Vlaamse Milieumaatschappij. Alle reacties werden gebundeld in een overwegingsdocument dat overgemaakt werd aan minister Schauvliege. Elke indiener krijgt ook een individueel antwoord van de Vlaamse Landmaatschappij op zijn of haar advies. Het overwegingsdocument bevat naast de resultaten van het openbaar onderzoek ook de aanpassingen van het ontwerp actieprogramma naar aanleiding van het openbaar onderzoek. Het overwegingsdocument, samen met bundeling van de antwoorden op alle ontvangen adviezen, is te vinden op de website van de Vlaamse Landmaatschappij (www.vlm.be). Na de publieke consultatie werd een definitief actieprogramma opgesteld. Dit werd vertaald in een voorstel van decreet dat gestemd is in de Commissie Leefmilieu van het Vlaams Parlement op 5 april 2011 en voor spoedadvies voorgelegd aan de Raad van State. De uiteindelijke stemming van het decreet in de plenaire vergadering van het Vlaams Parlement vond plaats op 4 mei 2011.

3 Doelstellingen 3.1 Doelstellingen voor oppervlaktewater en grondwater Het Vlaamse Gewest formuleert ambitieuze doelstellingen en wil de doelstellingen van de Nitraatrichtlijn bereiken binnen de 2 volgende actieprogramma's. De doelstelling voor de volgende twee actieprogramma's is het verlagen van het percentage van de meetpunten in het MAP-meetnet oppervlakwater die de drempelwaarde van 50 mg NO3-/l overschrijden, tot een zo laag mogelijke waarde. Aangezien de monitoring wordt uitgevoerd in een zeer dicht netwerk in zeer kleine waterlichamen – de ‘haarvaten’ van het hydrografisch netwerk – kan niet worden uitgesloten dat overschrijdingen van de drempelwaarde worden vastgesteld in een beperkt deel van de meetpunten.

2


Om de impact van de landbouw op de grotere watersystemen te beoordelen, zullen de monitoringresultaten in het operationele meetnet in de Vlaamse waterlichamen worden opgevolgd. In het actieprogramma (2011-2014) is de reductiedoelstelling om het percentage meetpunten die de 50 mg NO3-/l in het MAP-meetnet oppervlaktewater overschrijden, te doen dalen met 14% (in absolute waarden) en een verdere vermindering van 11% (in absolute waarden) is ingesteld voor het actieprogramma 2015-2018 (zie figuur 1). Vlaanderen benadrukt dat de verwezenlijking van deze doelstelling zal leiden tot een nog hoger percentage van punten met een jaarlijkse gemiddelde waarde onder 50 mg NO3-/l (in de buurt van 100%). Op deze manier, uitgaande van een waarde van ongeveer 30% van de punten die de 50 mg nitraat per liter overschrijden, wordt de doelstelling voor 2014 vastgesteld op een overschrijding van maximaal 16% van de MAP-meetpunten oppervlaktewater. Dit betekent dat 84% van de meetpunten een maximum onder de 50 mg NO3-/l vertonen in 2014 en 95% van de meetpunten een maximum vertoont onder de 50 mg NO3-/l in 2018. Deze doelstelling zal worden geëvalueerd in 2014 op basis van een trendlijn. % MAP meetpunten > 50 mg nitraat per liter 70

60 Metingen MAP-meetnet 50 Trendlijn 1999-2009 40

30

Trendlijn huidig actieprogramma

20

Geëxtrapoleerde trendlijn 1999-2009 Doelstellingen

10

Figuur 1

2017-2018

2016-2017

2015-2016

2014-2015

2013-2014

2012-2013

2011-2012

2010-2011

2009-2010

2008-2009

2007-2008

2006-2007

2005-2006

2004-2005

2003-2004

2002-2003

2001-2002

2000-2001

1999-2000

0

Overzicht van de doelstellingen voor oppervlaktewater tijdens het vierde en het vijfde actieprogramma

De resultaten tonen dalende nitraatconcentraties in oppervlaktewater over het vorige actieprogramma en tonen aan dat de strengere bemestingsnormen in de loop van het vorige actieprogramma, een gunstig effect hadden op de verdere daling van het aantal meetpunten met een overschrijding. Vlaanderen benadrukt dat de gestippelde groene lijn de verdere daling van de overschrijdingen van meetpunten visualiseert, die Vlaanderen verwacht te realiseren in de loop van de volgende actieprogramma's waarin nog strengere bemestingsnormen, voorschriften op landbouwpraktijken en controles van toepassing zullen zijn. Het grondwater monitoringprogramma in toepassing van de Nitraatrichtlijn (91/676/EEG) en ook de Grondwaterrichtlijn (2006/118/EC) is gebaseerd op twee analysecampagnes per jaar (voorjaar en najaar) die voor het freatische grondwatermeetnet worden uitgevoerd. In het kader van de Nitraatrichtlijn wordt specifiek gebruik gemaakt van de putten die in

3


landbouwgebied gelegen zijn. Dit monitoringmeetnet bestaande uit mulitlevel putten is sinds 2004 volledig operationeel. De meetresultaten van het huidige freatische grondwatermeetnet worden gewogen door de gemiddelde nitraatconcentratie per filterniveau voor het grondwater onder het landbouwgebied per hydrogeologisch homogene zone (33 zones afgebakend gekenmerkt door vergelijkbaar nitraattransport en nitraatafbraak) te berekenen. In een volgende stap worden alle delen van de gemiddelde nitraatinput per filter en per zone opgesomd als totaal gemiddelde input voor het landbouwgebied van heel Vlaanderen. Door het wegen is het mogelijk een globaal overzicht te geven en evenwel nog altijd met regionale verschillen bij de nitraatinput rekening te houden. Om reden van de algemeen vrij trage processen in het grondwatersysteem, is het meest ondiepe filterniveau 1 de beste indicator voor veranderingen van de grondwaterkwaliteit als gevolg van maatregelen die zijn genomen in het kader van het Vlaamse Mestdecreet. Globaal gezien wordt grondwater met de kortste verblijftijden in het meest ondiepe gedeelte van de watervoerende laag gemeten. De trendlijn, gebaseerd op de meetresultaten sinds 2004, geeft aan dat de gemiddelde gewogen concentratie in 2010 voor filterniveau 1 ongeveer 40 mg NO3-/l bedraagt. De doelstelling voor dit actieprogramma is de vermindering van de gewogen gemiddelde nitraatconcentraties met 10% en voor het volgende actieprogramma 2015-2018 een vermindering met nog eens 10%. Dit betekent een  

Afname van de gewogen gemiddelde nitraatconcentraties in grondwater van filterniveau 1 tot maximum 36 mg NO3-/l op het einde van het actieprogramma 20112014. Afname van de gewogen gemiddelde nitraatconcentraties in grondwater van filterniveau 1 tot maximum 32 mg NO3-/l op het einde van het actieprogramma 20152018.

Voor grondwater wordt een bijkomende lokale aanpak overwogen. De grondwater kwaliteitsdoelstellingen moeten ook gerelateerd worden aan de 50 mg NO3-/l norm van de Nitraatrichtlijn als toetsparameter. Een beoordeling zal uitgevoerd worden, gebruik makend van de 33 hydrogeologisch homogene zones met vergelijkbaar nitraattransport en nitraatafbraak in het grondwater. Speciale aandacht wordt gehecht aan de zones waar de nitraatconcentraties op filterniveau 1 en/of op putniveau gemiddeld hoger zijn dan 50 mg NO3-/l. Deze zones zijn gekenmerkt door hun specifieke (nitraat)kwetsbaarheid of door hun slechte toestand om reden van (historisch) hoge inputs. De doelstelling is de gemiddelde nitraatconcentraties op filterniveau 1 met minimum 5 mg NO3-/l per actieprogramma voor de zones met gemiddeld meer dan 50 mg NO3-/l te verlagen. Dit komt overeen met de klasse van maximale verbetering, die in het kader van de rapporteringsrichtsnoer van de Nitraatrichtlijn wordt aangegeven. Voor de meetputten met een overschrijding van minimum 2 maal de nitraat kwaliteitsdoelstelling in filter 1 in 2010 (≥100 mg NO3-/l), is de doelstelling om de nitraatconcentratie te verminderen voor de individuele putten met minimum 10% per actieprogramma. Ongeacht de hierboven genoemde doelstellingen, zal de Vlaamse overheid ervoor zorgen dat de gestelde doelen en termijnen voor de grondwaterkwaliteit, zoals bepaald in de kaderrichtlijn water en GW richtlijn zullen worden gerespecteerd.

4


3.2 Samenvatting van de meetresultaten Voor de volledigheid, wordt een overzicht toegevoegd van de nitraatwaarden in de circa 200 Vlaamse waterlichamen1: Tabel 1 geeft voor beide meetnetten de evolutie van het percentage meetpunten en het percentage metingen met een overschrijding van de 50 mg NO 3-/l. Uit beide indicatoren blijkt dat in het meetnet voor de Vlaamse waterlichamen de nitraatconcentraties aanzienlijk lager zijn. Terwijl in 17% van de metingen en 33% van de MAP-meetpunten (ten minste één meting boven 50 mg NO3-/l) een nitraatconcentratie van meer dan 50 mg NO3-/l vastgesteld wordt tijdens winterjaar 2009-2010, vertonen slechts 1,1% van de monsters en 8% van de meetpunten in het operationele meetnet voor de kaderrichtlijn Water een overschrijding van de 50 mg NO3-/l. Tabel 1 Evolutie van het percentage meetpunten en het percentage metingen in het operationele meetnet in de Vlaamse waterlichamen (voor de KRW) en het MAPmeetnet oppervlaktewater met ten minste één overschrijding van de 50 mg NO 3 /l, per winterjaar (juli-juni) sinds 1999 1999- 2000- 2001- 2002- 2003- 2004- 2005- 2006- 2007- 2008- 20092000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010* Operationele monitoring in Vlaamse waterlichamen % stalen 5,1% 3,2% 2,0% 1,2% 2,8% 2,9% 4,0% 3,0% 1,9% 0,6% 1,1% > 50 mg NO3 /l % meetpunten 20% 12% 10% 8% 17% 17% 14% 11% 9% 4% 8% > 50 mg NO3 /l MAP-meetnet oppervlaktewater % stalen 23% 22% 17% 16% 17% 20% 25% 23% 21% 14% 17% > 50 mg NO3 /l % meetpunten 59% 50% 41% 31% 42% 40% 41% 43% 37% 28% 33% > 50 mg NO3 /l Winterjaar

De meetresultaten van de Vlaamse Milieumaatschappij tonen aan dat, afhankelijk van de klimatologische omstandigheden, het percentage van de MAP-meetpunten met een gemiddelde nitraatconcentratie van meer dan 50 mg NO3-/l, varieert tussen 8,9% (winter 2009-2010) en 12,9% (winter 2007-2008). De gemiddelde (gemiddelde van de gemiddelde per meetpunt) nitraatconcentratie in de MAP-meetpunten en de meetpunten van het operationele meetnet voor de waterlichamen voor de kaderrichtlijn Water (KRW) worden in Figuur 2 weergegeven. In deze waterlichamen overschrijden slechts 8,9% (2010) en 15,5% (2007) van de meetpunten de 25 mg NO3-/l. Dit toont aan dat de toestand van de Vlaamse oppervlaktewaterkwaliteit beter is dan enkel op basis van de metingen in het MAP-meetnet alleen zou kunnen worden beoordeeld.

1

200 meetplaatsen corresponderen met een dichtheid van ongeveer 15,4 per 1000 km² wat nog steeds een van de hoogste waarden in Europa is op basis van document SEC (2010)118. In onze buurlanden bedragen de dichtheden van de oppervlaktewatermeetnetten 6,2 voor Luxemburg, 3,2 voor Frankrijk, 13,4 voor Nederland en 0,5 voor Duitland.

5


2009-2010

2008-2009

2007-2008

2006-2007

2005-2006

2004-2005

Operationeel meetnet

2003-2004

2002-2003

2000-2001

2001-2002

MAP-meetnet

40 35 30 25 20 15 10 5 0 1999-2000

Nitraatconcentratie

Evolutie gemiddelde nitraatconcentratie

winterjaar

Figuur 2

Evolutie van de gemiddelde (gemiddelde van de gemiddelde per meetpunt) nitraatconcentratie in het MAP-meetnet en in de KRW-waterlichamen

3.3 Relatie met de kaderrichtlijn water Met betrekking tot engagementen van Vlaanderen voor de KRW, kunnen twee elementen worden genoemd. Vlaanderen heeft in 2009 het Pact 2020 gelanceerd. Het Pact van Vlaanderen bevat doelstellingen voor een breed scala van beleidsdomeinen (economie, welzijn, milieu, logistiek,...) met concrete doelstellingen. Het pact omvat meer mensen met een baan, het creëren van een betere kwaliteit van leven en het waarborgen van een efficiënte en effectieve overheid. Alle sociale partners hebben het pact getekend en zetten zich in om deze doelstellingen te halen. In dit pact 2020 wordt de algemene doelstelling voor waterkwaliteit geformuleerd als: 'De meeste Vlaamse waterlopen hebben in 2020 een goede ecologische toestand bereikt zodat het daadwerkelijk mogelijk is om te voldoen aan de kwaliteitseisen van de kaderrichtlijn Water uiterlijk in 2021.' Dit betekent niet dat geen overschrijdingen meer kunnen voorkomen vanaf 2021, er blijft immers een bijkomende planningsperiode om de resterende problemen in oppervlaktewateren te overwinnen, maar oppervlaktewater is ook gedeeltelijk gevoed door grondwater. Dus de verdere vermindering van de overschrijdingen van de 50 mg NO3-/l zal afhangen van de vooruitgang die in het grondwater kan worden geboekt. Omdat grondwater trager op maatregelen reageert dan oppervlaktewater, kan het effect op oppervlaktewater ook worden vertraagd voor de laatste overschrijdingen. De Vlaamse Regering heeft de stroomgebiedbeheerplannen voor de Maas en de Schelde en het Maatregelenprogramma voor Vlaanderen in uitvoering van de KRW vastgesteld op 8 oktober 2010. Het is duidelijk dat de maatregelen die worden genomen ter uitvoering van de Nitraatrichtlijn in combinatie met de maatregelen die worden genomen in de stroomgebiedbeheerplannen in uitvoering van de KRW, zullen bijdragen tot het bereiken van de doelstellingen van beide richtlijnen.

6


3.4 Belang van grondig en billijk monitoren Vlaanderen is het eens met de Europese Commissie dat goede monitoring een nuttig instrument is voor communicatie en in de beleidsvoorbereiding, de beleidsevaluatie en de rapportering. De motiveringen voor het dichte MAP-meetnet in Vlaanderen worden nog eens op een rijtje gezet: Het meetnet werd geïnstalleerd in 1999 voor communicatiedoeleinden: om aan de landbouwsector en de samenleving het belang te illustreren van het aandeel van de nitraatverontreiniging van het oppervlaktewater door de landbouwsector en de evolutie van nitraatconcentraties toe te schrijven aan de verbetering van de landbouwpraktijken. Het bestond uit circa 260 meetpunten op dat moment. In 2002, besloot Vlaanderen de resultaten van het MAP-meetnet te gebruiken voor beleidsontwikkeling: het aanwijzen van kwetsbare zones voor de Nitraatrichtlijn. Het meetnet werd uitgebreid tot bijna 800 meetpunten om de volgende zaken toe te laten:    

een meer gedetailleerde aanduiding van kwetsbare zones; een meer lokale begeleiding van de landbouwers; een meer lokale communicatie aan de landbouwers; een meer gerichte controle voor de overheid.

Na het gebruik van de resultaten van het MAP-meetnet voor de aanduiding van kwetsbare zones, werden de resultaten gebruikt voor de 4-jaarlijkse rapportering (art. 10) voor de Nitraatrichtlijn. Sinds 2007 wordt het actieprogramma voor de Nitraatrichtlijn toegepast in heel Vlaanderen. Het voordeel van het dense meetnet is dat het een gedetailleerde beschrijving geeft van de impact van landbouw op de kwaliteit van het oppervlaktewater. De dichtheid en de omvang van de bemonsterde oppervlaktewateren zou de vergelijkbaarheid met de kwaliteit van het oppervlaktewater in andere lidstaten kunnen verstoren. Bovendien zouden we willen benadrukken dat, zelfs als het interessant is voor alle partijen, zowel overheid als landbouw, om te beschikken over een grote set van monitoringresultaten om de kwaliteit van onze oppervlaktewateren op te volgen, dit meetnet ook rekening dient te houden met een groot aantal parameters, zowel fysisch-chemische als biologische als chemische. De monitoringvoorschriften ten gevolge van de kaderrichtlijn Water, zijn toegenomen en zullen nog verder toenemen met de nieuwe prioritaire stoffen. Dus moet ook een evenwicht worden gezocht tussen de monitoring voor de Nitraatrichtlijn en voor andere Europese richtlijnen en in de eerste plaats voor de kaderrichtlijn Water. Monitoring en analyse zijn duur, en het is mogelijk dat in het komende jaar de budgettaire toestand het nodig zal maken om prioriteiten te leggen op het vlak van monitoringinspanningen. Wij zullen ervoor zorgen dat Europese verplichtingen worden gerespecteerd, maar ook meer in overeenstemming worden gebracht met de inspanningen die door andere lidstaten worden geleverd. Het is duidelijk dat een aanpassing van het meetnet moet overeenstemmen met de realiteit van de waterkwaliteit. Een mogelijke aanpassing van het meetnet zal alleen uitgevoerd worden na de raadpleging van DG Leefmilieu van de Europese Commissie.

7


4 Samenvatting gegevens over gewasopbrengst en nutriëntenopname en afvoer via gewassen Een evenwichtige bemesting houdt rekening met de gemiddelde N-opname van de gewassen en de gemiddelde P-afvoer van de gewassen aan de ene kant en de nutriëntencyclus aan de andere kant. Dit hoofdstuk geeft een samenvatting van de gegevens over de gewassen (opbrengst, nutriëntensamenstelling, N-opname en P-afvoer via gewassen) gebruikt om de bemestingsnormen wetenschappelijk te onderbouwen, resulterend in een evenwichtige bemesting die rekening houdt met de impact op het milieu. Gegevens over opbrengst en nutriëntenopname en -afvoer via gewassen werden verzameld vanuit drie verschillende soorten bronnen:  

Gegevens van veldproeven, opgezet vanuit wetenschappelijk oogpunt (bv. door de Universiteit Gent, K.U.Leuven, …) om de bodem- en plantprocessen en bemestingspraktijken te onderzoeken; Gegevens van veldproeven, opgezet vanuit een meer praktisch oogpunt (rassenproeven, optimalisatie van de bemesting, …). Het ILVO (Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek), het KBIVB (Koninklijk Belgisch Instituut tot Verbetering van de Biet) de BDB (Bodemkundige Dienst van België) en heel wat erkende landbouwkundige proefcentra (o.a. LCV (Landbouwcentrum voor Voedergewassen), LCG (Landbouwcentrum Granen), PCA (Proefcentrum voor Aardappelteelt), …) voeren onderzoek dat voornamelijk gebaseerd is op veldproeven om landbouwers te ondersteunen en te adviseren over de meest geschikte en allernieuwste landbouwpraktijken; Praktische gegevens over opbrengst- en oogstkwaliteit, verkregen van reële landbouwbedrijven, die dienen als input voor de bedrijfseconomische balansen. De economische verslagen van de landbouwbedrijven bestaan uit de beheersverslagen van een netwerk van meer dan 1.200 landbouwers die de verschillende landbouwexploitatievormen in Vlaanderen vertegenwoordigen. Deze databank is de referentiedatabank voor representatieve cijfers over inkomen en uitgaven van de Vlaamse land- en tuinbouw.

Alle gegevens verkregen vanuit één van deze bronnen werden grondig nagekeken om te komen tot representatieve cijfers over gemiddelde opbrengstniveaus en stikstof- en fosforopname en -afvoer via gewassen (Tabel 5 en Tabel 6) voor de belangrijkste landbouwgewassen in Vlaanderen (Tabel 2). De gemiddelde opbrengst anno 2009 is hoofdzakelijk gebaseerd op recentere opbrengstcijfers (tijdreeks 2000-2009). Er moet wel opgemerkt worden dat er geen rekening werd gehouden met de verwachte opbrengststijging van de komende jaren bij de berekeningen van de N- en P2O5-bemestingsnormen. De verwachte opbrengststijging van de verschillende gewassen zal zo, aan de nieuwe bemestingsnormen, leiden tot een substantiële bijkomende P2O5-onttrekking uit de bodem tegen het einde van de actieprogrammaperiode. Met betrekking tot stikstof wordt de N-opname van het volledige gewas berekend, rekening houdend met de oogstopbrengst en het N-gehalte van de verschillende delen van het gewas (bovengronds + wortels). De berekende N-opname vertegenwoordigt aldus de totale stikstofbehoefte voor gewasgroei. Met betrekking tot fosfor is de P2O5-afvoer via gewassen gebaseerd op de gewasopbrengst en het P-gehalte van de bovengrondse delen van het gewas die effectief van het veld afgevoerd worden. Er is voldoende buffer van beschikbare fosfor in de bodem om de P2O5behoefte te vervullen van deze delen van het gewas die niet van het veld afgevoerd worden.

8


Tabel 2 Belangrijkste landbouwgewassen in Vlaanderen gebaseerd op het jaar 2008 Gewas

Landbouwoppervlakte (ha)

Blijvend grasland

168.192

Tijdelijk grasland

82.055

Silomaïs

122.850

Korrelmaïs

68.428

Wintertarwe

73.194

Wintergerst

12.208

Triticale

4.030

Andere graangewassen

4.460

Aardappelen

37.197

Suikerbieten

21.698

Voederbieten

3.150

Andere voedergewassen

10.731

Groenten

27.016

Fruit

16.057

Andere gewassen

30.804

Totaal

682.070

4.1 Aanpassingen voor grasland Voor grasland is gekend dat de norm van 350 kg totale N/ha vrij laag is, zoals kon afgeleid worden uit de evenwichtige bemestingsnormen in het technisch document “Evenwichtige bemesting in Vlaanderen”. Bovendien blijkt uit de resultaten van de nitraatresidumetingen voor grasland (behalve bij sommige specifieke klimaatsituaties zoals in de tweede helft van 2009) dat milieuproblemen op grasland minimaal zijn (zie Tabel 3). Wanneer de residu’s op grasland vergeleken worden met het gewogen gemiddelde nitraatresidu (Tabel 4), rekening houdend met alle gewassen, is het duidelijk dat de nadruk gelegd moet worden op de vooruitgang die geboekt kan worden op akkerland. Daarom heeft Vlaanderen een vermindering van 16 % van de stikstofinput vooropgesteld voor akkerland in vergelijking met het huidige actieprogramma.

9


Tabel 3

-

Evolutie van het gemiddelde nitraatresidu (in kg NO 3 -N/ha) op percelen bemonsterd in opdracht van de Mestbank sinds 2004

Gewas Blijvend grasland Tijdelijk grasland Totaal grasland

2004 101 80 93

2005 90 71 81

2006 84 69 78

2007 56 48 53

2008 57 48 54

2009 92 70 83

2010 55* 52* 53*

* Gebaseerd op voorlopige resultaten

Tabel 4

-

Evolutie van het gewogen gemiddelde nitraatresidu (in kg NO 3 -N/ha) gewogen naar de gewasarealen, op percelen bemonsterd in opdracht van de Mestbank sinds 2004.

Gewogen gemiddeld nitraatresidu (kg NO3 -N/ha)

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

112

99

91

70

67

87

67*

* Gebaseerd op voorlopige resultaten

Bovendien zullen de nitraatresidudrempelwaarden voor grasland verder dalen: de nitraatresidu drempelwaarde voor gemaaid grasland wordt vastgelegd op een maximum van 70 kg NO3--N/ha en voor gemaaid en begraasd grasland op een maximum van 80 kg NO3-N/ha en dit vanaf de nitraatresiducampagne in 2011, voor alle bodemtypes behalve klei (Polders). Voor kleigronden blijft de nitraatresidudrempelwaarde op 90 kg NO3--N/ha voor alle gewassen. De nieuwe gedifferentieerde nitraatresidudrempelwaarden zullen deze cijfers voor grasland niet overschrijden Op basis van een drogestofopbrengst vastgelegd op 11,2 ton per hectare voor gemaaid grasland en op 10,5 ton per hectare per jaar voor de combinatie gemaaid en begraasd grasland wordt een totale stikstofbemestingsnorm van 360 kg N/ha voor grasland (maaien en grazen) en van 380 kg N/ha voor grasland (maaien) op niet-zandige bodems vastgelegd. Voor grasland op zandbodems is er een reductie van 10 kg N/ha wat resulteert in 350 kg N/ha voor grasland (maaien en grazen) en 370 voor grasland (maaien) op zandbodems. Landbouwers worden sterk gestimuleerd om verder te werken aan een stijging van hun Nefficiëntie door het beheer aan te passen aan de lokale situatie (bv. stijging van maaipercentage, goed evenwicht tussen grazen/maaien op perceelsniveau, maaien in plaats van grazen in de herfst, toedienen van mengmest in de lente en het begin van de zomer, Ngebruik uit kunstmest aangepast aan de weers- en grasgroeiomstandigheden). In tegenstelling tot andere gewassen kan op grasland de totale hoeveelheid en de spreiding over het groeiseizoen van de N-bemesting gemakkelijk aangepast worden aan de weers- en groeiomstandigheden en aan het variërende beheer (maaien of grazen). De lagere drempelwaarde voor het nitraatresidu van 80 kg NO3--N/ha voor begraasd grasland (gemengd gebruik) zal de landbouwers stimuleren om het beheer aan te passen om onder deze drempel te blijven. Op die manier zijn we overtuigd dat de minimale gestegeNbemestingsnormen voor N niet zullen leiden tot een stijging van de verliezen.

10


4.2 Aanpassingen voor aardappelen Voor aardappelen zal er een gemiddelde versestofopbrengst van 55 ton/ha gebruikt worden en dit vanuit een voorzichtig oogpunt met betrekking tot waterbescherming. De versterkte bemestingsnormen zijn opgenomen in Tabel 7. Vermits de bemestingsnormen vanaf 2011 onder economische optimale waarden voor aardappelen kunnen zakken (vooral op landbouwbedrijven met veel hogere opbrengsten dan 55 ton/ha) zal een hoger bemestingsniveau mogelijk gemaakt worden als strikte voorwaarden, vastgelegd door de Vlaamse overheid, gerespecteerd en aan grondige controles onderworpen worden. Deze voorwaarden zijn: 

 

Een bodemanalyse en bemestingsadvies (rekening houdend met bodemmineralisatie en depositie) zal uitgevoerd moeten worden voor elk perceel dat afwijkt van de algemene bemestingsnorm. De totale N-bemesting mag niet hoger zijn dan 10% van de algemene maximale bemestingsnormen. De opbrengst moet bewezen worden door officiële documenten. De nitraatresidumeting op kosten van de landbouwer zal gebruikt worden als controlemiddel voor deze op advies gebaseerde bemestingsafwijking. Als het nitraatresiduresultaat hoger is dan de (laagste) drempelwaarde voor aardappelen zal deze afwijking het volgende jaar verboden worden voor deze landbouwbedrijven. De maximale N-bemesting uitgedrukt in totale N kan niet hoger zijn dan de hoeveelheid van het bemestingsadvies.

4.3 Aanpassingen voor granen gevolgd door een nateelt Voor granen wordt het verschil tussen de werkzame stikstofnorm met en zonder nateelt vastgelegd op 20 kg N/ha omdat de nateelt instaat voor een bepaalde stikstofopname. Zo blijven de landbouwers gestimuleerd om nateelt te gebruiken met een positieve impact op de waterkwaliteit vermits uitspoelen (van nitraat) in de winter voorkomen wordt. Dit is belangrijk voor de verbetering van de waterkwaliteit. De aangepaste bemestingsnormen zijn opgenomen in Tabel 7. De onderzoeken en experimenten die in heel Vlaanderen uitgevoerd worden, zullen zo georganiseerd worden dat het effect van verschillende bemestingsniveaus op verschillende soorten vanggewassen en winterteelten zal onderzocht worden met betrekking tot N-opname, nitraatresidu en bijdrage aan het koolstofgehalte van de bodem. Een wetenschappelijk rapport over het verband tussen N-gebruik in teeltrotaties met inbegrip van vang- en wintergewassen en het risico op waterverontreiniging (nitraatuitspoeling) zal worden overgemaakt aan de Europese Commissie tegen eind 2013.

4.4 Aanpassingen voor de combinatie gras-maïs De stikstofbemestingsnormen voor de combinatie gras-maïs werden vastgelegd vanuit een voorzichtig oogpunt met betrekking tot waterbescherming. De verstrengde bemestingsnormen zijn opgenomen in Tabel 7.

11


Tabel 5

Gewasopbrengst, N-concentratie, N-opname voor de belangrijkste landbouwgewassen in Vlaanderen. Gewasopbrengst zoals gebruikt voor de berekening van de bemestingsnormen Gebruikte gewasopbrengst voor het Actieprogramma 2011-2014

Gewas

Deel van het gewas

Grasland

Bovengronds

(maaien)

Wortels

Grasland

Bovengronds

(maaien en grazen)

Wortels

Wintertarwe

Graan

(+Triticale)

Stro

Opbrengst

N-concentratie

N-opname

ton DS / ha

‰ N op DS

kg N/ha

11,2

30

336 45

10,5

30

40 8 (9,3)

22

176

5,5

6

33

Wortels Wintergerst +

andere

Graan graan-

gewassen

Suikerbieten

Stro

30 7,3 (8,5)

19

139

4,5

5

23

Wortels Bieten Bladeren + kolven

30 16 (70)

8

128

6

25

150

Wortels Voederbieten

10

Bieten

20

12,8

256

Bladeren

4,6

29,1

134

Wortels Aardappelen, uitgezonderd vroege

315

Knollen Bladeren

10 12,1 (55)

17

206

3,5

17

60

variëteiten Wortels Silomaïs

Bovengronds Stoppels + wortels

10 18

12

216 25

12


Gebruikte gewasopbrengst voor het Actieprogramma 2011-2014 Gewas

Deel van het gewas

Korrelmaïs

Korrel Stro

Opbrengst

N-concentratie

N-opname

ton DS / ha

‰ N op DS

kg N/ha

10,5 (12,2)

15,1

159

6

8

48

Wortels 1 snede gras**/ maïs

25

Gras bovengronds

3

30

90

Gras wortels

20

Maïs bovengronds Maïs

stoppels

18

12

216

+

20

wortels DS = droge stof

* Waarden tussen haakjes zijn resultaten voor opbrengst (ton/ha) herberekend tot een vochtgehalte van 14% (wintertarwe, wintergerst, korrelmaïs) of verse opbrengst (suikerbieten 23 % DS, aardappelen 22 % DS) ** Snijrogge, gebruikt als voedergewas (weghalen van het veld), kan een alternatief zijn voor 1 snede gras

Tabel 6

Gewasopbrengst, P-concentratie, P2O5-afvoer via gewassen voor de belangrijkste landbouwgewassen in Vlaanderen. Gewasopbrengst zoals gebruikt voor de berekening van de P2O5-afvoer via gewassen en P2O5-onttrekking uit de bodem Gebruikte gewasopbrengst voor het Actieprogramma 2011-2014

Gewas

Deel van het gewas

Opbrengst

P-

P2O5-afvoer via

concentratie

gewassen**

‰ P op DM

kg P2O5/ha

11,2

3,8

97

10,5

3,8

91

8(9,3)

3,75

69

5,5

1

13

ton DS / ha

Grasland

Bovengronds

(maaien)

Wortels

Grasland

Bovengronds

(maaien en grazen)

Wortels

Wintertarwe

Graan

(+Triticale)

Stro Wortels

13


Gebruikte gewasopbrengst voor het Actieprogramma 2011-2014 Gewas

Deel van het gewas

Opbrengst

P-

P2O5-afvoer via

concentratie

gewassen**

‰ P op DM

kg P2O5/ha

7,3 (8, 5)

3,75

64

4,5

1

10

16 (70)

1,6

59

1,3

60

2,1

58

18

2

83

10,5 (12,2)

3,3

79

3

3,8

26

18

2

82

ton DS / ha

Wintergerst +

andere

Graan graan-

gewassen

Suikerbieten

Stro Wortels Bieten Bladeren + kolven

6

Wortels Voederbieten

Bieten

20

Bladeren

4,6

Wortels Aardappelen, uitgezonderd vroege

Knollen

12,1 (55)

Bladeren

3,5

variëteiten Wortels Silomaïs

Bovengronds Stoppels + wortels

Korrelmaïs

Korrel Stro

6

Wortels 1 snede gras***/ maïs

Gras bovengronds Gras wortels Maïs bovengronds Maïs

stoppels

+

wortels DS = droge stof * Waarden tussen haakjes zijn resultaten voor opbrengst (ton/ha) herberekend tot een vochtgehalte van 14% (wintertarwe, wintergerst, korrelmaïs) of verse opbrengst (suikerbieten 23 % DS, aardappelen 22 % DS) ** Berekeningsfactor: P P2O5 : 2.29 *** Snijrogge, gebruikt als voedergewas (weghalen van het veld), kan een alternatief zijn voor 1 snede gras

14


5 Aanscherping op zandige bodems Om hogere uitspoelingsverliezen voor kwetsbare bodems in overweging te nemen (zie conclusie Alterra: “Rapport 1.6 België Bemestingsnormen”) zal Vlaanderen de werkzame Nbemestingsnorm voor zandige gronden in Vlaanderen met 10% verminderen voor alle gewassen behalve voor grasland waarvoor een vermindering van 10 kg N/ha geldt. De totale N-bemestingsnormen nemen evenredig af. De N-bemestingsnormen worden hieronder weergegeven voor het totale N-systeem en voor het werkzame N-systeem.

6 Stikstofbemestingsnormen 6.1 Inleiding Om N-bemestingsnormen te bepalen, werden nauwkeurige N-balansen berekend voor grasland en verschillende akkerbouwgewassen. Deze balansen houden rekening met de gewasstikstofbehoefte, gebaseerd op opbrengsten en stikstofopname enerzijds, en de stikstoflevering uit alle relevante bronnen (mineralisatie, stikstofaanbod uit de bodem bij het begin van het groeiseizoen, depositie,…) anderzijds. De resultaten van deze balansen bepalen de maximale hoeveelheid gewasbeschikbare stikstof uit bemesting die kan worden toegediend om aan de gewasbehoefte te voldoen. Samengevat vertegenwoordigen zij de maximumbemestingsnormen uitgedrukt in werkzame N. Tot hiertoe gebruikte Vlaanderen een systeem van maximale bemestingsnormen, uitgedrukt in totale N. Dit betekent dat de totale stikstofinhoud van dierlijke mest en andere organische meststoffen in acht wordt genomen. De mogelijkheid om bemestingsnormen te baseren op gewasbeschikbare N en zo met de werkingscoëfficiënt van meststoffen rekening te houden, werd onderzocht. Na grondig intern Vlaams overleg werd het duidelijk dat de bemestingsnormen uitgedrukt als werkzame N op dit ogenblik zouden kunnen ervaren worden als meer complex voor sommige landbouwers in vergelijking met het systeem van Nbemestingsnormen uitgedrukt in totale N aangezien zij dit systeem van totale bemestingsnormen momenteel gewoon zijn te gebruiken. Bemestingsnormen gebaseerd op het systeem van werkzame N (werkzame N-systeem) stimuleren de landbouwer om organische meststoffen op de meest efficiënte manier toe te passen en dit draagt bij tot een oordeelkundige bemestingspraktijk. Niettemin om de Vlaamse landbouwers de tijd te bieden om vertrouwd te geraken met deze nieuwe benadering, blijven ook bemestingsnormen gebaseerd op totale N (totale N-systeem) van kracht. In het totale N-systeem worden N-bemestingsnormen voor minerale meststoffen zodanig vastgelegd dat de nodige gewasbeschikbare N uit bemesting onder geen enkele omstandigheid wordt overschreden. Dit betekent een drastische daling van de minerale Nbemestingsnorm in vergelijking met het actieprogramma 2007-2010. De landbouwers zullen de kans hebben om te kiezen welk systeem (werkzame N-systeem of het totale N-systeem) te gebruiken. Het gekozen systeem zal op alle percelen van het landbouwbedrijf van toepassing zijn. De bedoeling is om de landbouwers te stimuleren om in het werkzame N-systeem te stappen. Zodra een landbouwer dit systeem heeft gekozen is deze keuze definitief voor de ganse duur van het actieprogramma tot en met 2014.

15


6.2 Bemestingsnormen gebaseerd op het systeem van totale N (Totale N-systeem) 6.2.1 Bemestingsnormen voor dierlijke mest en andere meststoffen De N-bemestingsnormen voor zowel dierlijke mest als andere meststoffen zoals vermeld in het Mestdecreet, blijven over het algemeen onveranderd. Dit betekent een bemestingsnorm voor dierlijke mest en andere meststoffen van  

170 kg N/ha voor de meeste gewassen 125 kg N/ha voor gewassen met lage N-behoefte d.w.z. cichorei, witloof, fruit (behalve aardbeien), sjalotten, ui en vlas

In het actieprogramma 2011-2014 zal de bemestingsnorm voor andere leguminosen dan erwten en bonen veranderen. In het actieprogramma 2007-2010 was de N-bemestingsnorm voor andere leguminosen dan erwten en bonen 0 kg N/ha (voor elk soort meststof). Dit was gebaseerd op de veronderstelling dat leguminosen geen N uit bemesting nodig hebben. De toegestane P bemesting, en het noodzakelijke kalium, konden bijgevolg slechts als minerale meststof worden toegediend. Deze maatregel leidde tot het probleem dat in het kader van de biologische landbouw, deze gewassen niet meer konden worden geteeld, aangezien de biologische landbouw het gebruik van minerale meststoffen niet toestaat. In het actieprogramma 2011-2014 wordt voor de N-bemesting uit dierlijke mest en andere organische meststoffen maximum 125 kg N/ha voor andere leguminosen dan erwten en bonen toegestaan, overeenkomstig de bemestingsnorm voor gewassen met lage Nbehoefte. Dit geeft geen probleem naar N-opname aangezien de leguminosen de in de bodem beschikbare N zullen opnemen (bovendien zal het N-fixatie-mechanisme slechts in actie treden wanneer het gewas tekort heeft aan N). In het actieprogramma 2011-2014 worden enkele algemene aanscherpingen voorzien: 

Voor granen niet gevolgd door een nateelt, wordt de N-bemestingsnorm voor dierlijke en andere meststoffen maximaal 100 kg N/ha.

De algemeen toepasbare N-bemestingsnorm voor dierlijke en andere meststoffen kan verminderen wanneer een bepaalde waarde voor het nitraatresidu is overschreden. (zie ook 9.2.1.3.3 en 9.2.1.3.4).

Voor percelen met een beheerovereenkomst verminderde bemesting blijft de bemestingsnorm voor dierlijke mest maximaal 140 kg N/ha. Voor granen zonder nateelt wordt de hoeveelheid dierlijke mest evenwel beperkt tot maximaal 100 kg N/ha. N-bemestingsnormen voor dierlijke mest voor sommige specifieke gewassen (of gewassencombinaties) in aanmerking komend voor derogatie in het kader van de Nitraatrichtlijn kunnen, afhankelijk van het resultaat van het besluit van de Europese Commissie betreffende het voorgenomen Vlaamse verzoek ter verlenging van de derogatie en overeenkomstig dat besluit, worden veranderd.

16


6.2.2 Maximale totale N-bemestingsnormen bemestingsnormen voor kunstmest

en

maximale

N-

De maximale totale N-bemestingsnormen voldoen aan een evenwichtige bemesting. De berekeningen voor evenwichtige bemesting in Vlaanderen zijn gebaseerd op de gemiddelde opbrengstniveaus en N-opname zoals voorgesteld in Tabel 5.

6.2.2.1 Voeder- en akkerbouwgewassen De maximale totale N-bemestingsnormen werden afgeleid uit de N-balansberekeningen zoals voorzien in de technische documenten. Deze N-balansen werden berekend voor alle belangrijke gewassen en de definitieve resultaten, die de hoeveelheid N weergeven die uit bemesting voor de gewassengroei vereist is (afgerond op 5 of 0), met andere woorden de gewasbeschikbare stikstof nodig uit bemesting, weergegeven in de derde kolom van Tabel 7. De maximale totale N-bemestingsnormen in het geval dat dierlijke mest of andere organische meststoffen worden gebruikt, werden berekend uitgaande van een gemaximaliseerd gebruik van 170 kg N/ha van dierlijke mest of andere organische meststoffen (of 100 kg N/ha voor graangewassen zonder nateelt). Een werkingscoëfficiënt van 60% in het geval van dierlijke mest of andere organische meststoffen en van 20% voor uitscheiding bij begrazing wordt gebruikt om de werkzame N uit de organische bemesting te berekenen. Dit resulteert in de maximale totale N-bemestingsnormen voor de verschillende gewassen en de verschillende soorten meststoffen voor het geval dat dierlijke mest of andere organische meststoffen worden gebruikt, zoals voorgesteld in Tabel 7. De minerale N-fractie uit zowel de organische bemesting als uit de kunstmest (=werkzame N) is gelijk aan de voor de plant noodzakelijke beschikbare N uit bemesting zoals weergegeven in kolom 3 van Tabel 7. Voor het geval dat dierlijke mest of andere organische meststoffen worden gebruikt, is er een verschil tussen de totale N-bemestingsnorm en de voor de plant noodzakelijke beschikbare N uit bemesting aangezien niet alle organische N voor het gewas beschikbaar is. Deze verschillen zijn te verklaren door: 

de gebruikte hoeveelheid organische N (over het algemeen 170 kg N/ha * 60% werkingscoëfficiënt = 100 kg werkzame N en 70 kg N dat niet beschikbaar is voor het gewas; voor graangewassen zonder nateelt 100 kg N/ha * 60% werkingscoëfficiënt = 60 kg N werkzame N en 40 kg N niet beschikbaar voor het gewas)

verschillen in de werkingscoëfficiënt (20% voor uitscheiding bij begrazing en 60% in het geval van toediening van dierlijke mest of andere organische meststoffen) in het geval van grasland waar maaien en begrazing wordt gecombineerd. In de veronderstelling dat 120 kg N/ha uit beweiding en 50 kg N/ha van dierlijke mesttoediening voortkomt, resulteert dit in een hoeveelheid van 115 kg N (van de totale toediening van 170 kg N/ha) die niet plantbeschikbaar is. Dit aandeel van toepassing door beweiding zal worden geverifiëerd tijdens dit actieprogramma door de jaarlijkse aangifte door de landbouwbedrijven, waar het aandeel van de beweiding zal worden verzameld.

17


Tabel 7

Maximale N-bemestingsnormen voor totale N, N uit dierlijke mest, N uit andere meststoffen en N uit kunstmest in kg N/ha per jaar voor akkerbouw- en voedergewassen. Een maximaal gebruik van dierlijke mest wordt verondersteld.

Gewas

Grasland maaien

Bodemtype

Maximale werkzame N*

N-bemestingsnormen bij gebruik van dierlijke en andere meststoffen Totale N

Ntot – dierlijke mest

Ntot – andere meststoffen

Nkunstmest

Zand Niet-zand Zand Niet-zand

300 310 235 245

370 380 350 360

170 170 170 170

170 170 170 170

200 210 180 190

Zand Niet-zand Zand Niet-zand

180 195 160 175

250 265 200 215

170 170 100 100

170 170 100 100

80 95 100 115

Zand Niet-zand Zand Niet-zand

130 145 110 125

200 215 150 165

170 170 100 100

170 170 100 100

30 45 50 65

Suikerbieten

Zand Niet-zand

135 150

205 220

170 170

170 170

35 50

Voederbieten

Zand Niet-zand

235 260

305 330

170 170

170 170

135 160

Aardappelen

Zand Niet-zand

190 210

260 280

170 170

170 170

90 110

Maïs

Zand Niet-zand

135 150

205 220

170 170

170 170

35 50

Gras*** –maïs

Zand Niet-zand

200 230

270 300

170 170

170 170

100 130

maaien + grazen Wintertarwe + Triticale nateelt** Geen nateelt**

Wintergerst + andere graangewassen nateelt** Geen nateelt**

*

dit is de behoefte aan gewasbeschikbare N uit bemesting voor niet-zandige bodems en de behoefte aan gewasbeschikbare N uit bemesting -10% voor zandige bodems ** teelt na de hoofdteelt en verbouwd op hetzelfde perceel en in zelfde kalenderjaar, uitz. groenten *** Snijrogge geteeld als voedergewas (afvoer van het veld) kan gebruikt worden als alternatief voor 1 snede gras

6.2.2.2 Groenten Voor groenten is een specifiekere benadering onderbouwd. De gewasbeschikbare stikstof nodig uit bemesting is afgeleid uit het aangepaste `KNS'-adviessysteem. Het originele Duitse `Kulturbegleitenden Nmin Sollwerte-Systeem' is aangepast aan de Vlaamse productieniveaus anno 2010 zoals die uit het onderzoek van de erkende praktijkcentra voor groenten zijn verkregen. Dit adviessysteem is gebaseerd op de werkelijke stikstofbehoefte om groenten te telen op een specifiek perceel. Het is belangrijk dat kort voor de teelt van een gewas (voor gewassen met een lang groeiseizoen zoals prei zelfs tijdens het groeiseizoen), de minerale N-inhoud van de bodem wordt bepaald door een bodemstaalname, op een

18


snelle en nauwkeurige manier. Binnen een paar dagen na de bodemstaalname, geven de erkende laboratoria of de erkende praktijkcentra een bemestingsadvies rekening houdend met de gemeten minerale N-inhoud van de bodem, met de groeiperiode van het gewas, met de opname door het gewas, met de worteldiepte en met de minimale N-inhoud van de bodem die nodig is voor de goede groei en kwaliteit van de groenten. Het aangepaste KNSsysteem omvat ook een geschatte N-mineralisatie tijdens het groeiseizoen. Voor de vertaling van het KNS-adviessysteem in gewasbeschikbare stikstof nodig uit bemesting, worden een mineralisatie van 0,6 kg N/ha/dag en een gemiddelde N-inhoud van de bodem van 50 kg N bij het begin van het groeiseizoen in rekening gebracht. Gebaseerd op deze berekeningen worden 3 groepen groenten onderscheiden met een verschillende behoefte aan gewasbeschikbare stikstof uit bemesting en waarvoor dus verschillende maximale N-bemestingsnormen gelden: Groep I: Bloemkool, groene selder, spruitkool, witte kool, boerenkool, spitskool, prei, broccoli, romanesco kool, rode kool, savooikool, artisjok, Chinese kool, rabarber, andere kolen, bladselder of aardbeien. Groep II Spinazie, courgettes, sla, vroege aardappelen, knolselder, peterselie, bieslook, basilicum, augurken, pompoenen, knolvenkel, koolrabi, paksoi, sierteeltgewassen die geteeld worden op niet permanent overkapte landbouwgronden of andere groenten die geen groenten van groep I, geen groenten van groep III of geen teelt met lage stikstofbehoefte zijn. Groep III Wortelen, rapen, koolraap, rode biet, pastinaak, rammenas, radijs, mierikswortel, schorseneren, wortelpeterselie, asperges, erwten, bonen, dille, kervel, tijm, of andere kruiden met uitzondering van peterselie, bieslook en basilicum. De maximale N-bemestingsnormen voor groenten zijn weergegeven in Tabel 8. De totale Nbemestingsnorm is gebaseerd op een maximum gebruik van 170 kg N/ha uit dierlijke mest of andere organische meststoffen, met een werkingscoëfficiënt van 60%. Dit resulteert in een maximale totale N-bemestingsnorm die 70 kg N/ha hoger is dan gewasbeschikbare stikstof nodig uit bemesting. Tabel 8

Gewas

Groep I

Groep II

Groep III *

Maximale N-bemestingsnormen voor totale N, N uit dierlijke mest, N uit andere meststoffen en N uit kunstmest in kg N/ha per jaar voor groenten. Een maximaal gebruik van dierlijke mest wordt verondersteld. N-bemestingsnormen bij gebruik van dierlijke en andere meststoffen

Maximale werkzame N*

Totale N

Ntot – dierlijke mest

Ntot – andere meststoffen

N – kunstmest

Zand

225

295

170

170

125

Niet-zand

250

320

170

170

150

Zand

160

230

170

170

60

Niet-zand

180

250

170

170

80

Zand

115

185

170

170

15

Niet-zand

125

195

170

170

25

Bodemtype

dit is de behoefte aan gewasbeschikbare N uit bemesting voor niet-zandige bodems en de behoefte aan gewasbeschikbare N uit bemesting -10% voor zandige bodems

19


Combinatie van groentensoorten Bij een combinatie van groentensoorten is het gebruikelijk dat 2 of meer gewassen in het zelfde groeiseizoen worden geteeld. Allerlei gewascombinaties, ongeacht de verschillende groepen, komen voor. In deze gevallen wordt dezelfde benadering gebruikt om de gewasbeschikbare stikstof nodig uit bemesting, en dus de maximale werkzame Nbemestingsnormen, af te leiden maar daarbovenop wordt ook de N-mineralisatie van de oogstresten van het vorige gewas in rekening gebracht. Deze mineralisatie wordt berekend als 80% van de N-inhoud van de oogstresten, wat een hoog cijfer is. De formule voor de berekening is: De gewasbeschikbare stikstof nodig uit bemesting = De N opname door gewas 1 + de minimale N-inhoud van de bodem die nodig is voor de goede groei en kwaliteit van gewas 1 - de minerale N-inhoud van het bodemprofiel bij de start van het groeiseizoen - de N-mineralisatie tijdens de groei van gewas 1 + De N-opname door gewas 2 + (de minimale N-inhoud van de bodem die nodig is voor de goede groei en kwaliteit van gewas 2 - de minimale N-inhoud van de bodem die nodig is voor de goede groei en kwaliteit van gewas 1) - de N-mineralisatie tijdens de groei van gewas 2 - de N-inhoud van de oogstresten van gewas 1 x 80% Deze berekeningen resulteren in de maximale N-bemestingsnormen voorgesteld in Tabel 9, afhankelijk van de soort gewassen die worden geteeld. De totale N-bemestingsnorm is gebaseerd op een maximumgebruik van 170 kg N/ha uit dierlijke mest of andere organische meststoffen, met een werkingscoëfficiënt van 60%. Dit resulteert in een maximale totale Nbemestingsnorm die 70 kg N/ha hoger is dan gewasbeschikbare stikstof nodig uit bemesting. Tabel 9

Maximale N-bemestingsnormen voor totale N, N uit dierlijke mest, N uit andere meststoffen en N uit kunstmest in kg N/ha per jaar voor 2 of meer groenten geteeld in hetzelfde groeiseizoen. Een maximaal gebruik van dierlijke mest wordt verondersteld.

Gewascombinatie

Bodemtype

N-bemestingsnormen bij gebruik van dierlijke en andere meststoffen

Maximale werkzame N*

Totale N

Ntot – dierlijke mest

Ntot – andere meststoffen

N – kunstmest

1A - groep I en I

Zand Niet-zand

315 350

385 420

170 170

170 170

215 250

1B - groep I en II

Zand Niet-zand

270 300

340 370

170 170

170 170

170 200

1C - groep I en III

Zand Niet-zand

250 275

320 345

170 170

170 170

150 175

Zand Niet-zand

250 275

320 345

170 170

170 170

150 175

Zand Niet-zand

205 225

275 295

170 170

170 170

105 125

Zand Niet-zand

180 200

250 270

170 170

170 170

80 100

2

2A - groep II en II 1

2B - groep II en III 1

3 - groep III en III

* dit is de behoefte aan gewasbeschikbare N uit bemesting voor niet-zandige bodems en de behoefte aan gewasbeschikbare N uit bemesting -10% voor zandige bodems

2

In sommige situaties worden 3 of meer groenten geteeld in hetzelfde groeiseizoen. Wanneer een gewas uit groep II betrokken is, zullen de bemestingsnormen uit groep 2A gelden. In de andere gevallen zullen de bemestingsnormen uit groep 3 gebruikt worden.

20


Combinatie van akkerbouw- en groentensoorten Voor combinaties van akkerbouwbemestingsnormen voorzien.

en

groentensoorten

worden

aangepaste

In het geval dat de hoofdteelt een akkerbouwgewas is gevolgd door een nateelt groenten, gelden volgende bemestingsnormen:   

een combinatie van een akkerbouwgewas als hoofdteelt met een groente van groep I als nateelt wordt gelijkgesteld met een combinatie van 2 teelten groente van groep I; een combinatie van een akkerbouwgewas als hoofdteelt met een groente van groep II als nateelt wordt gelijkgesteld met een combinatie van een groente van groep I en een groente van groep II; een combinatie van een akkerbouwgewas als hoofdteelt met een groente van groep III als nateelt wordt gelijkgesteld met een combinatie van een groente van groep I en een groente van groep III.

In het geval dat de hoofdteelt een akkerbouwgewas is voorafgegaan door een voorteelt groenten, gelden volgende bemestingsnormen:   

een combinatie van een akkerbouwgewas als hoofdteelt met een groente van groep I als voorteelt wordt gelijkgesteld met een combinatie van 2 teelten groente van groep I; een combinatie van een akkerbouwgewas als hoofdteelt met een groente van groep II als voorteelt wordt gelijkgesteld met een combinatie van een groente van groep I en een groente van groep II; een combinatie van een akkerbouwgewas als hoofdteelt met een groente van groep III als voorteelt wordt gelijkgesteld met een combinatie van een groente van groep I en een groente van groep III.

Deze bemestingsnormen gelden ook voor percelen met granen gevolgd door een groente als nateelt. Een overzicht van de bemestingsnormen is te vinden in Tabel 10.

21


Tabel 10 Maximale N-bemestingsnormen voor totale N, N uit dierlijke mest, N uit andere meststoffen en N uit kunstmest in kg N/ha per jaar voor een combinatie van akkerbouw- en groentesoorten. Een maximaal gebruik van dierlijke mest wordt verondersteld.

Gewascombinatie

Bodemtype

N-bemestingsnormen bij gebruik van dierlijke en andere meststoffen

Maximale werkzame N*

Totale N

Ntot – dierlijke mest

Ntot – andere meststoffen

N – kunstmest

Akkerbouwgewas gevolgd door nateelt groenten groep I

Zand Niet-zand

315 350

385 420

170 170

170 170

215 250

Akkerbouwgewas gevolgd door nateelt groenten groep II

Zand Niet-zand

270 300

340 370

170 170

170 170

170 200

Akkerbouwgewas gevolgd door nateelt groenten groep III

Zand Niet-zand

250 275

320 345

170 170

170 170

150 175

Voorteelt groenten groep I gevolgd door akkerbouwgewas

Zand Niet-zand

315 350

385 420

170 170

170 170

215 250

Voorteelt groenten groep II gevolgd door akkerbouwgewas

Zand Niet-zand

270 300

340 370

170 170

170 170

170 200

Voorteelt groenten groep III gevolgd door akkerbouwgewas

Zand Niet-zand

250 275

320 345

170 170

170 170

150 175

* dit is de behoefte aan gewasbeschikbare N uit bemesting voor niet-zandige bodems en de behoefte aan gewasbeschikbare N uit bemesting -10% voor zandige bodems

6.2.2.3 Andere gewassen, gewassen met lage N-behoefte en leguminosen (uitgezonderd erwten en bonen) Alle andere gewassen in Vlaanderen zijn minder belangrijk in areaal. Volledigheidshalve wordt de totale N-bemestingsnorm voor deze gewassen op 215 (niet zand) en 200 (zand) kg N/ha geplaatst en de bemestingsnorm voor dierlijke mest en andere meststoffen blijft 170 kg N/ha. Gewassen met lage stikstofbehoefte zijn cichorei, witloof, fruit (uitgezonderd aardbeien), sjalotten, uien en vlas. Ter vereenvoudiging en om verdere complexiteit te vermijden, alsook wegens hun beperkte oppervlakte, worden deze gewassen in één groep geïntegreerd voor toepassing van de bemestingsnormen. De maximale totale N-bemestingsnormen voor deze groep zijn opnieuw gebaseerd op dezelfde veronderstellingen, namelijk indien dierlijke mest of andere organische meststoffen worden gebruikt, wordt een werkingscoëfficiënt van 60% in rekening gebracht. Aangezien de bemestingsnorm voor dierlijke mest of andere organische meststoffen op 125 kg N/ha blijft zoals in het vorige actieprogramma, resulteert dit in een maximale totale N-bemestingsnorm die 50 kg N/ha hoger is dan de gewasbeschikbare N uit bemesting. Voor leguminosen (behalve erwten en bonen) is de maximale bemestingsnorm voor dierlijke mest of andere organische meststoffen gesteld op 125/120 kg N/ha (voordien was deze 0). Dit is bedoeld om het gebruik van dierlijke mest of andere organische meststoffen op deze gewassen toe te staan (vooral om deze gewassen op biologische landbouwbedrijven niet uit te sluiten). De norm voor kunstmeststoffen voor leguminosen (behalve erwten en bonen) blijft

22


op 0 staan. Dit stelt geen probleem naar stikstofopname aangezien leguminosen de beschikbare N in de bodem zullen opnemen (bovendien zal het N-fixatie mechanisme slechts N fixeren uit de lucht als het gewas een tekort ondervindt aan N in de bodem). De evolutie van het areaal leguminosen zal in detail in het jaarlijkse voortgangsrapport van de Mestbank worden opgevolgd. De maximale N-bemestingsnormen voor andere gewassen, gewassen met de lage N-behoefte en leguminosen (behalve erwten en bonen) worden weergegeven in Tabel 11. Tabel 11

Maximale N-bemestingsnormen voor totale N, N uit dierlijke mest, N uit andere meststoffen en N uit kunstmest in kg N/ha per jaar voor andere gewassen, gewassen met lage N-behoefte en voor andere leguminosen dan erwten en bonen. Een maximaal gebruik van dierlijke mest wordt verondersteld.

Gewas

Bodemtype

N-bemestingsnormen bij gebruik van dierlijke en organische meststoffen

Maximale werkzame N*

Totale N

Ntot – dierlijke mest

Ntot – andere meststoffen

Nkunstmest

Andere gewassen

Zand Niet-zand

130 145

200 215

170 170

170 170

30 45

Gewassen met lage stikstofbehoefte **

Zand Niet-zand

115 125

165 175

125 125

125 125

40 50

Andere leguminosen dan erwten en bonen

Zand Niet-zand

70 75

120 125

120 125

120 125

0 0

* dit is de behoefte aan gewasbeschikbare N uit bemesting voor niet-zandige bodems en de behoefte aan gewasbeschikbare N uit bemesting -10% voor zandige bodems ** Gewassen met lage stikstofbehoefte zijn cichorei, witloof, fruit (uitz. aardbeien), sjalotten, uien en vlas

6.3 Stikstofbemestingsnormen uitgedrukt in werkzame N (werkzame N-systeem) 6.3.1 Bemestingsnormen voor dierlijke mest Dezelfde N-bemestingsnormen voor dierlijke mest zullen geldig zijn in het werkzame Nsysteem als beschreven in paragraaf 5.2.1. Op deze wijze, zijn de expliciete vereisten van de Nitraatrichtlijn betreffende het maximale gebruik van 170 kg N/ha uit dierlijke mest gewaarborgd. De beperkingen met betrekking tot de andere organische meststoffen worden in rekening gebracht door de berekening van de werkzame N.

6.3.2 Werkzame N-bemestingsnormen De maximale werkzame N-bemestingsnormen werden afgeleid uit de N-balansberekeningen. De definitieve resultaten van deze balansberekeningen geven de gewasbeschikbare stikstof weer nodig uit bemesting. Deze gewasbeschikbare stikstof nodig uit bemesting is gelijk aan de maximale werkzame N-bemestingsnorm.

23


6.3.2.1 Voeder- en akkerbouwgewassen De maximale werkzame N-bemestingsnormen voor voeder- en akkerbouwgewassen zijn voorgesteld in Tabel 11 en zijn afgeleid uit de N-balansberekeningen zoals voorzien in de technische documenten. Deze balansberekeningen zijn gebaseerd op de gemiddelde opbrengstniveaus en N-opnames zoals voorgesteld in Tabel 5. De N-balansen werden berekend voor alle belangrijke gewassen en het definitieve resultaat stelt de gewasbeschikbare stikstof nodig uit bemesting voor (afgerond naar 5 of 0). Deze gewasbeschikbare stikstof nodig uit bemesting is gelijk aan de maximale werkzame Nbemestingsnorm. Tabel 12 Maximale werkzame N-bemestingsnormen in kg N/ha per jaar voor akkerbouw- en voedergewassen en maximale N-bemestingsnorm voor dierlijke mest. De gewasbeschikbare stikstof nodig uit bemesting is gelijk aan de maximale werkzame N-bemestingsnorm. Maximale werkzame N bemestingsnorm = gewasbeschikbare N nodig uit bemesting

Maximale N bemestingsnorm voor dierlijke mest

Zand Niet-zand Zand Niet-zand

300 310 235 245

170 170 170 170

Zand Niet-zand Zand Niet-zand

180 195 160 175

170 170 100 100

Zand Niet-zand Zand Niet-zand

130 145 110 125

170 170 100 100

Suikerbieten

Zand Niet-zand

135 150

170 170

Voederbieten

Zand Niet-zand

235 260

170 170

Aardappelen

Zand Niet-zand

190 210

170 170

Maïs

Zand Niet-zand

135 150

170 170

Gras*** – maïs

Zand Niet-zand

200 230

170 170

Gewas

Grasland maaien maaien + grazen Wintertarwe + Triticale Nateelt** Geen nateelt**

Wintergerst + andere graangewassen Nateelt** Geen nateelt**

Bodemtype

** teelt na de hoofdteelt en verbouwd op hetzelfde perceel en in zelfde kalenderjaar, uitz. groenten *** Snijrogge geteeld als voedergewas (afvoer van het veld) kan gebruikt worden als alternatief voor 1 snede gras

24


6.3.2.2 Groenten Voor groenten is een specifiekere benadering onderbouwd. De gewasbeschikbare stikstof nodig uit bemesting is afgeleid uit het aangepaste ‘KNS’- adviessysteem. Het originele Duitse `Kulturbegleitenden Nmin Sollwerte-Systeem' is aangepast aan de Vlaamse productieniveaus anno 2010 zoals die uit het onderzoek van de erkende praktijkcentra voor groenten zijn verkregen. Dit adviessysteem is gebaseerd op de werkelijke stikstofbehoefte om groenten te telen op een specifiek perceel. Het is belangrijk dat kort voor de cultivatie van een gewas (voor gewassen met een lang groeiseizoen zoals prei zelfs tijdens het groeiseizoen), de minerale N-inhoud van de bodem wordt bepaald door een bodemstaalname, op een snelle en nauwkeurige manier. Binnen een paar dagen na de bodemstaalname, geven de erkende laboratoria of de erkende praktijkcentra een bemestingsadvies rekening houdend met de gemeten minerale N-inhoud van de bodem, met de groeiperiode van het gewas, met de opname door het gewas, met de worteldiepte en met de minimale N-inhoud van de bodem die nodig is voor de goede groei en kwaliteit van de groenten. Het aangepaste KNS-systeem omvat ook een geschatte N-mineralisatie tijdens het groeiseizoen. Voor de vertaling van het KNS-adviessysteem in gewasbeschikbare stikstof nodig uit bemesting, worden een mineralisatie van 0,6 kg N/ha/dag en een gemiddelde N-inhoud van de bodem van 50 kg N bij het begin van het groeiseizoen in rekening gebracht. Gebaseerd op deze berekeningen worden 3 groepen groenten onderscheiden met een verschillende behoefte aan gewasbeschikbare stikstof uit bemesting en aldus een verschillende maximale werkzame N-bemestingsnorm (Tabel 13): Groep I: Bloemkool, groene selder, spruitkool, witte kool, boerenkool, spitskool, prei, broccoli, romanesco kool, rode kool, savooikool, artisjok, Chinese kool, rabarber, andere kolen, bladselder of aardbeien. Groep II Spinazie, courgettes, sla, vroege aardappelen, knolselder, peterselie, bieslook, basilicum, augurken, pompoenen, knolvenkel, koolrabi, paksoi, sierteeltgewassen die geteeld worden op niet permanent overkapte landbouwgronden of andere groenten die geen groenten van groep I, geen groenten van groep III of geen teelt met lage stikstofbehoefte zijn. Groep III Wortelen, rapen, koolraap, rode biet, pastinaak, rammenas, radijs, mierikswortel, schorseneren, wortelpeterselie, asperges, erwten, bonen, dille, kervel, tijm, of andere kruiden met uitzondering van peterselie, bieslook en basilicum.

25


Tabel 13

Gewas

Groep I

Groep II

Groep III

Maximale werkzame N-bemestingsnormen in kg N/ha per jaar voor groenten en maximale N-bemestingsnorm voor dierlijke mest. De gewasbeschikbare stikstof nodig uit bemesting is gelijk aan de maximale werkzame N-bemestingsnorm. Maximale werkzame N bemestingsnorm = gewasbeschikbare N nodig uit bemesting

Maximale N bemestingsnorm voor dierlijke mest

Zand

225

170

Niet-zand

250

170

Zand

160

170

Niet-zand

180

170

Zand

115

170

Niet-zand

125

170

Bodemtype

Combinatie van groentensoorten Bij een combinatie van groentensoorten is het gebruikelijk dat 2 of meer gewassen in het zelfde groeiseizoen worden gekweekt. Allerlei gewascombinaties, ongeacht de verschillende groepen, komen voor. In deze gevallen wordt dezelfde benadering gebruikt om de gewasbeschikbare stikstof nodig uit bemesting, en dus de maximale werkzame Nbemestingsnormen, af te leiden maar daarbovenop wordt ook de N-mineralisatie van de oogstresten van het vorige gewas in rekening gebracht. Deze mineralisatie wordt berekend als 80% van de N-inhoud van de oogstresten, wat een hoog cijfer is. De formule voor de berekening is:

De gewasbeschikbare stikstof nodig uit bemesting = De N-opname door gewas 1 + de minimale N-inhoud van de bodem die nodig is voor de goede groei en kwaliteit van gewas 1 - de minerale N-inhoud van het bodemprofiel bij de start van het groeiseizoen - de N-mineralisatie tijdens de groei van gewas 1 + De N-opname door gewas 2 + (de minimale N-inhoud van de bodem die nodig is voor de goede groei en kwaliteit van gewas 2 - de minimale N-inhoud van de bodem die nodig is voor de goede groei en kwaliteit van gewas 1) - de N-mineralisatie tijdens de groei van gewas 2 - de N-inhoud van de oogstresten van gewas 1 x 80% De maximale werkzame N-bemestingsnormen die gelden in het geval dat meer dan één groente wordt geteeld in hetzelfde groeiseizoen, zijn voorgesteld in Tabel 13, afhankelijk van de soort gewassen die worden geteeld.

26


Tabel 14 Maximale werkzame N-bemestingsnormen in kg N/ha per jaar bij een opeenvolging van twee of meerdere groenteteelten in hetzelfde groeiseizoen en maximale Nbemestingsnorm voor dierlijke mest. De gewasbeschikbare stikstof nodig uit bemesting is gelijk aan de maximale werkzame N-bemestingsnorm.

Gewascombinatie

Bodemtype

1A - groep I en I

Zand Niet-zand

Maximale werkzame N bemestingsnorm = gewasbeschikbare N nodig uit bemesting 315 350

1B - groep I en II

Zand Niet-zand

270 300

170 170

1C - groep I en III

Zand Niet-zand

250 275

170 170

Zand Niet-zand

250 275

170 170

Zand Niet-zand

205 225

170 170

Zand Niet-zand

180 200

170 170

3

2A - groep II en II 1

2B - groep II en III 1

3 - groep III en III

Maximale N bemestingsnorm voor dierlijke mest 170 170

Combinatie van akkerbouw- en groentensoorten Voor combinaties van akkerbouwbemestingsnormen voorzien.

en

groentensoorten

worden

aangepaste

In het geval dat de hoofdteelt een akkerbouwgewas is gevolgd door een nateelt groenten, gelden volgende bemestingsnormen:   

een combinatie van een akkerbouwgewas als hoofdteelt met een groente van groep I als nateelt wordt gelijkgesteld met een combinatie van 2 teelten groente van groep I; een combinatie van een akkerbouwgewas als hoofdteelt met een groente van groep II als nateelt wordt gelijkgesteld met een combinatie van een groente van groep I en een groente van groep II; een combinatie van een akkerbouwgewas als hoofdteelt met een groente van groep III als nateelt wordt gelijkgesteld met een combinatie van een groente van groep I en een groente van groep III.

3

In bepaalde gevallen zullen 3 of meer gewassen geteeld worden in hetzelfde groeiseizoen. Als een gewas van groep II betrokken is, zullen de bemestingsnormen van gewascombinatie 2A toegepast worden. In andere situaties zullen de bemestingsnormen van combinatie 3 toegepast worden.

27


In het geval dat de hoofdteelt een akkerbouwgewas is voorafgegaan door een voorteelt groenten, gelden volgende bemestingsnormen:   

een combinatie van een akkerbouwgewas als hoofdteelt met een groente van groep I als voorteelt wordt gelijkgesteld met een combinatie van 2 teelten groente van groep I; een combinatie van een akkerbouwgewas als hoofdteelt met een groente van groep II als voorteelt wordt gelijkgesteld met een combinatie van een groente van groep I en een groente van groep II; een combinatie van een akkerbouwgewas als hoofdteelt met een groente van groep III als voorteelt wordt gelijkgesteld met een combinatie van een groente van groep I en een groente van groep III.

Deze bemestingsnormen gelden ook voor percelen met granen gevolgd door een groente als nateelt. Een overzicht van de bemestingsnormen is te vinden in Tabel 15. Tabel 15 Maximale werkzame N-bemestingsnormen in kg N/ha per jaar voor een combinatie van akkerbouw- en groentesoorten en maximale N-bemestingsnorm voor dierlijke mest. De gewasbeschikbare stikstof nodig uit bemesting is gelijk aan de maximale werkzame N-bemestingsnorm. Maximale werkzame N bemestingsnorm = gewasbeschikbare N nodig uit bemesting

Maximale N bemestingsnorm voor dierlijke mest

Gewascombinatie

Bodemtype

Akkerbouwgewas gevolgd door nateelt groenten groep I

Zand Niet-zand

315 350

170 170

Akkerbouwgewas gevolgd door nateelt groenten groep II

Zand Niet-zand

270 300

170 170

Akkerbouwgewas gevolgd door nateelt groenten groep III

Zand Niet-zand

250 275

170 170

Voorteelt groenten groep I gevolgd door akkerbouwgewas

Zand Niet-zand

315 350

170 170

Voorteelt groenten groep II gevolgd door akkerbouwgewas

Zand Niet-zand

270 300

170 170

Voorteelt groenten groep III gevolgd door akkerbouwgewas

Zand Niet-zand

250 275

170 170

6.3.2.3 Andere gewassen, gewassen met lage N-behoefte en leguminosen (uitgezonderd erwten en bonen) Alle andere gewassen in Vlaanderen zijn minder belangrijk in areaal. Volledigheidshalve wordt de totale N-bemestingsnorm voor deze gewassen op 215 (niet- zand) en 200 (zand) kg N/ha geplaatst en de bemestingsnorm voor dierlijke mest en andere meststoffen blijft 170 kg N/ha. Gewassen met lage stikstofbehoefte zijn cichorei, witloof, fruit (uitgezonderd aardbeien), sjalotten, uien en vlas. Ter vereenvoudiging en om verdere complexiteit te vermijden, alsook wegens hun beperkte oppervlakte, worden deze gewassen in één groep geïntegreerd voor

28


toepassing van de bemestingsnormen. De werkzame N-bemestingsnormen voor deze groep zijn 125 kg N/ha op niet-zand-bodems en 115 kg N/ha op zand-bodems. Voor leguminosen (behalve erwten en bonen) is de maximale bemestingsnorm voor dierlijke mest 125 (Niet-zand) en 120 (zand) kg N/ha (voordien was deze 0) en de werkzame Nbemestingsnorm is 75 (Niet-zand) en 70 (zand) kg N/ha . Dit is bedoeld om het gebruik van dierlijke mest of andere organische meststoffen op deze gewassen toe te staan (vooral om deze gewassen op biologische landbouwbedrijven niet uit te sluiten). De norm voor kunstmeststoffen voor leguminosen (behalve erwten en bonen) blijft op 0 staan. Dit stelt geen probleem naar stikstofopname aangezien leguminosen beschikbare N in de bodem zullen opnemen (bovendien zal het N-fixatie mechanisme slechts N fixeren uit de lucht als het gewas een tekort ondervindt aan N in de bodem). De evolutie van het areaal leguminosen zal in detail in het jaarlijkse voortgangsrapport van de Mestbank worden opgevolgd. De werkzame N-bemestingsnormen en de totale bemestingsnorm voor dierlijke mest voor andere gewassen, gewassen met de lage N-behoefte en leguminosen (behalve erwten en bonen) worden weergegeven in Tabel 16. Tabel 16

Maximale werkzame N-bemestingsnormen in kg N/ha per jaar voor andere gewassen, gewassen met lage N-behoefte en leguminosen (uitgezonderd erwten en bonen) en maximale N-bemestingsnorm voor dierlijke mest. De gewasbeschikbare stikstof nodig uit bemesting is gelijk aan de maximale werkzame Nbemestingsnorm. Maximale werkzame N bemestingsnorm = gewasbeschikbare N nodig uit bemesting

Maximale N bemestingsnorm voor dierlijke mest

Gewas

Bodemtype

Andere gewassen

Zand Niet-zand

130 145

170 170

Gewassen met lage N-behoefte*

Zand Niet-zand

115 125

125 125

Leguminosen (behalve erwten en bonen)

Zand Niet-zand

70 75

120 125

* het gebruik van kunstmest is verboden voor leguminozen (behalve erwten en bonen)

6.3.3 Werkingscoëfficiënten van meststoffen Het gebruik van dierlijke mest en andere organische meststoffen wordt beperkt door hun totale N-inhoud. Aangezien de werkzame N-bemestingsnormen overeenkomen met de gewasbeschikbare N nodig uit bemesting, moet rekening gehouden worden met de werkingscoëfficiënt van dierlijke mest en andere organische meststoffen voor de bepaling van de gewasbeschikbare N-fractie bij bemesting. Dit is ook essentieel voor de landbouwer om te bepalen hoeveel kunstmest hij kan gebruiken in combinatie met bepaalde hoeveelheden organische meststoffen, opdat de werkzame N-bemestingsnormen gerespecteerd worden. Verschillende soorten dierlijke mest en andere organische meststoffen, hebben verschillende werkingscoëfficiënten. Afhankelijk van de fractie van totale N die plantbeschikbaar is, worden vijf verschillende groepen van werkingscoëfficiënten onderscheiden (60, 30, 20, 15 en 100% - zie Tabel 17).

29


Tabel 17

Werkingscoëfficiënten van verschillende meststoffen (% van totale N)

Meststoffen

Werkingscoëfficiënt

Vloeibare dierlijke mest (behalve effluent van mestverwerking) en dunne fractie na het scheiden van dierlijke mest

60%

Andere organische meststoffen (behalve gecertificeerde GFTen groencompost en andere organische meststoffen met trage N-vrijstelling)

60%

Vaste dierlijke mest: stalmest, champost, vaste fractie na scheiding van dierlijke mest of dierlijke mest met een drogestofgehalte van minstens 20 %

30%

Andere organische meststoffen met trage N-vrijstelling

30%

Bemesting door begrazing van vee

20%

Gecertificeerde GFT- en groencompost (groenten, fruit en tuincompost)

15%

Effluent van mestverwerking

100%

Kunstmest

100%

6.4 8 % vermindering van de stikstofinput uit bemesting in Vlaanderen Om de vermindering van de stikstofinput uit bemesting te berekenen, wordt de maximale totale bemesting in het kader van het huidige actieprogramma (2007-2010) vergeleken met het volgende actieprogramma (2011-2014). De maximale totale bemesting in het kader van het vorige actieprogramma bedraagt 203,4 miljoen kg N/jaar. De maximale totale bemesting in het kader van het actieprogramma 20112014 bedraagt 187,5 miljoen kg N/jaar. Dit betekent een potentiële vermindering van 15,8 miljoen kg N/jaar van de totale stikstofinput uit bemesting in Vlaanderen of een vermindering van 7,8 %.

6.5 Bemestingsnormen opbrengst

voor

gewassen

met

hoge

Landbouwers bij wie de gewasopbrengsten heel hoog zijn, zullen niet in staat zijn om hun normale productieniveaus te realiseren met de nieuwe N-bemestingsnormen. Zelfs wanneer zij alle mogelijke inspanningen leveren om de efficiëntie van hun bemestingsmanagement te maximaliseren, zullen zij niet in staat zijn om de gewasbehoeften in te vullen. Dit is inherent aan het feit dat de N-bemestingsnormen worden afgeleid uit balansen die op gemiddelde gewasopbrengsten zijn gebaseerd. Om de economische leefbaarheid van deze landbouwers niet te schaden, zal een afwijking van de bemestingsnormen worden voorzien per teelt als de landbouwer bewijst dat hij voor de betrokken teelt de hoge gewasopbrengsten realiseert zonder risico op uitspoeling van

30


nitraat. Deze afwijking zal slechts in zeer strikte omstandigheden die door de Vlaamse overheid worden opgesteld, verleend worden en aan grondige controles worden onderworpen. Deze voorwaarden zijn: •

•

•

•

Voor elk perceel van het bedrijf waarop dezelfde hoofdteelt wordt verbouwd als de teelt waarop de afwijking toegepast wordt, moet een bodemanalyse en een bemestingsadvies (rekening houdend met de bodem mineralisatie en depositie) worden uitgevoerd in het voorjaar. Per teelt moet worden aangetoond dat de gewasopbrengst hoger is dan een bepaalde vastgestelde minimum opbrengst (door officiële documenten of op basis van een bedrijfsbalans rekening houdend met alle stikstof-inputs en outputs). Een nitraatresidumeting in de periode van 1 oktober tot en met 15 november betaald door de landbouwer zal worden gebruikt als een controle-instrument voor deze bemestingsverhoging op ten minste 3 percelen aangeduid door de Mestbank. Als een gemeten nitraatresidu hoger is dan de (laagste) drempelwaarde voor het specifieke gewas, zal deze afwijkende bemesting voor de betrokken gewassen verboden worden voor deze bedrijven het jaar nadien. De maximale totale stikstofbemesting voor de betrokken teelt mag niet hoger zijn dan de geadviseerde hoeveelheid werkzame N van het bemestingsadvies. Bovendien mag de totale stikstofbemesting niet hoger zijn dan 10% van de maximale totale of werkzame N-bemestingsnormen voor de betrokken teelt.

Deze verhoogde bemesting zal alleen worden toegestaan voor maximaal 10% van de bedrijven.

6.6 Opvolging van de landbouwbedrijven

N-bemesting

op

biologische

Gezien de specifieke omstandigheden en werkmethodes binnen de biologische landbouw, zoals bijvoorbeeld teeltrotatie en afwisseling van intensieve en extensieve teelten, wordt een opvolging van de stikstofbemestingsnormen op bedrijfsniveau voorzien voor de biologische landbouwbedrijven. Voor de gangbare landbouwbedrijven blijven de stikstofbemestingsnormen vast gelegd op perceelsniveau. Door de gemakkelijke uitspoelbaarheid van nitraten, leidt een overbemesting met stikstof op perceelsniveau immers onvermijdelijk tot uitspoeling van nitraten naar gronden oppervlaktewater. Vanuit dit oogpunt, rekening houdend met de specifieke nitraatproblematiek in Vlaanderen, zijn stikstofbemestingsnormen op bedrijfsniveau niet milieukundig verantwoord voor de gangbare landbouwbedrijven.

31


7 Evenwichtige bemesting voor P2O5 De bemestingsnormen voor totaal P2O5 voldoen aan een evenwichtige bemesting, rekening houdend met de bodemvoorraad. De berekeningen voor een evenwichtige bemesting in Vlaanderen zijn gebaseerd op de gemiddelde gewasopbrengsten en daaruit resulterende P2O5-gewasexportcijfers zoals opgenomen in Tabel 6. Evenwichtige bemesting is gebaseerd op de P2O5 export van de gewassen. Dit betekent dat de hoeveelheid P2O5 die werkelijk afgevoerd wordt van het veld (bovengrondse gewasopbrengsten) moet aangevuld worden als P2O5-bemesting. De hoeveelheid P2O5 die vereist is voor de groei van wortels wordt niet toegediend via bemesting aangezien deze hoeveelheid reeds beschikbaar is in de bodemvoorraad. Dit betekent dat de P2O5bemestingsnorm gemiddeld gezien significant lager is dan de totale P2O5-opname. Op basis van de P2O5-exportcijfers van de verschillende gewassen (Tabel 6), zullen de vooropgestelde P2O5-bemestingsnormen (Tabel 18) resulteren in een netto P2O5-onttrekking voor het volledige Vlaamse grondgebied in 2011-2018. Ook voor individuele gewassen die het grootste aandeel van het landbouwareaal vertegenwoordigen is er een netto P2O5onttrekking (Tabel 19). Tabel 19 geeft de hoeveelheid P2O5 geëxporteerd door het gewas, de maximale hoeveelheid P2O5 toegediend onder de vorm van bemesting en de netto P2O5onttrekking voor de belangrijkste gewassen in Vlaanderen in 2017-2018. Deze gewassen exporteren 51 miljoen kg P2O5 (gebaseerd op de gewasopbrengsten van 2009) terwijl ze een maximale P2O5-bemesting van 46,6 miljoen kg P2O5 kunnen krijgen. Dit betekent dat deze gewassen een netto P2O5-onttrekking van 4,4 miljoen kg P2O5 realiseren wanneer op elk perceel de maximale P2O5-bemestingsnorm zou ingevuld worden. Voor grasland is er een gewasexport van 23,3 miljoen kg P2O5 bij een maximale P2O5-bemesting van 22,5 miljoen kg P2O5. Dit betekent dat graslanden een netto P2O5-onttrekkking van 0,8 miljoen kg P2O5 realiseren. Voor akkerland is er een gewasexport van 27,8 miljoen kg P2O5 bij een maximale P2O5-bemesting van 24,2 miljoen kg P2O5. Dit betekent dat akkerlanden een netto P2O5onttrekking van 3,6 miljoen kg P2O5 realiseren. Tabel 20 geeft de hoeveelheid P2O5 geëxporteerd door de gewassen, de maximale hoeveelheid P2O5 toegediend via bemesting en de netto P2O5-onttrekking in gebieden met een fosfaatverzadigingsgraad van meer dan 35% met een 95% betrouwbaarheidsinterval. In deze gebieden, die een totaal areaal van 4.400 ha vertegenwoordigen, is de maximale bemestingsnorm 40 kg P2O5. Dit betekent een netto P2O5-onttrekking van 0,2 miljoen kg P2O5 per jaar in deze gebieden. Een fosfaatverzadigingsgraad van 35% komt overeen met een P-concentratie in de bovenste grondwaterlaag van 18 mg ortho P per liter, zoals kan afgeleid worden uit figuur 2 van de studie: ‘afbakening van de fosfaatverzadigde gebieden in Vlaanderen op basis van de een kritische fosfaatverzadigingsgraad van 35%, deel 1b, protocolevaluatie’.

32


Uitzondering voor percelen in fosfaatverzadigde gebieden Het Mestdecreet voorziet de mogelijkheid, voor percelen gelegen in de aangeduide fosfaatverzadigde gebieden, om af te wijken van de bemestingsnorm van 40 kg P 2O5 per ha onder zeer specifieke omstandigheden. Als de landbouwer, op basis van een analyse aantoont dat:  

het fosfaatbindend vermogen (gemeten tot op een diepte van 90 cm) van het perceel lager is dan 25 mmol P per kg luchtdroge grond en tezelfdertijd de hoeveelheid P-oxalaat (gemeten tot een diepte van 30 cm) lager is dan 20 mmol P per kg luchtdroge grond,

mag hij een P2O5-bemesting toedienen die hoger is dan 40 kg P2O5 per ha die normaal geldt voor deze percelen, maar die nog steeds lager is dan de algemeen van toepassing zijnde P2O5-bemestingsnorm. In het actieprogramma 2011-2014 wordt de P2O5-bemestingsnorm voor deze specifieke gevallen vastgelegd op de algemene P2O5-bemestingsnorm verminderd met 10 kg P2O5 per ha. Gebruik van compost Vlaanderen erkent en onderschrijft het belang van een evenwichtige P2O5-bemesting van de Vlaamse landbouwgronden en het belang van het beperken van de P2O5-bemesting tot de hoeveelheid die geëxporteerd wordt door het gewas. Daarom moet het totale P2O5-gehalte van alle messtoffen in rekening gebracht worden bij het toepassen van de bemesting. Anderzijds is ook een goede bodemtoestand essentieel om een goede gewasopbrengst, nutriëntenopname, erosiepreventie, bodemvruchtbaarheid, … te garanderen. In Vlaanderen, zoals in vele regio’s met intensieve landbouw, worden we de laatste jaren geconfronteerd met een zorgwekkende daling van het organisch koolstofgehalte van onze landbouwbodems. Het gebruik van compost op landbouwgronden is een belangrijke maatregel om het organisch koolstofgehalte van een bodem te verbeteren. Bij de vooropgestelde P2O5bemestingsnormen kan slechts een zeer beperkte hoeveelheid compost toegediend worden wanneer de totale P2O5-inhoud van compost in rekening gebracht moet worden. Compost bestaat in essentie uit twee componenten (met een gelijk aandeel) namelijk organische restfracties en bodemfracties zoals zand en klei. De organische fractie is vanzelfsprekend een ‘meststof’ die N en P bevat. De bodemfractie aan de andere kant, is een fractie die niet in rekening gebracht zou mogen worden binnen het concept van een gesloten cyclus. Daarom, en om het gebruik van compost als een waardevolle bron voor de opbouw van organisch materiaal in de bodem niet in het gedrang te brengen, moet bij gebruik van gecertificeerde compost als meststof slechts 50% van de totale P2O5-inhoud van de compost in rekening gebracht worden, wat overeenkomt met de P-fractie van de compost die afkomstig is van de organische fractie.

33


Tabel 18 Bemestingnormen voor P2O5 voor het ganse Vlaamse grondgebied, behalve voor de 4.400 ha in gebieden met een fosfaatverzadigingsgraad van meer dan 35% met een 95% betrouwbaarheidsinterval waar een maximale bemestingsnorm van 40 kg P2O5/ha geldt voor alle gewassen; en de respectievelijke P2O5-onttrekking P2O5-bemestingsnormen -1 (kg P2O5 ha )

Gewasexport (kg P2O5/ha)

2011-2012

2013-2014

2015-2016

2017-2018

Grasland – enkel maaien

97

95

95

95

90

Grasland (Maaien + grazen)

91

90

90

90

90

1 snede gras* + maïs

108

95

95

95

90

Snijmaïs

83

80

80

75

70

Korrelmaïs

79

80

80

75

70

Wintertarwe (Triticale)

82

75

75

70

70

Wintergerst + andere graangewassen

74

75

70

70

70

Voederbieten

60

75

65

55

55

Suikerbieten

59

75

65

55

55

Aardappelen

58

75

65

55

55

-

75

65

55

55

519.557

1.223.347

2.991.307

4.357.972

Gewas Jaar

Groenten, gewassen met een lage N-behoefte, leguminosen en andere gewassen P2O5-onttrekking (kg P2O5)

* Snijrogge, gebruikt als voedergewas (en van het veld afgevoerd), kan een alternatief zijn voor 1 snede gras ° Dit is de gewasexport van 2009. De gewasexport zal in 2014 herberekend worden op basis van de gemiddelde gewasopbrengsten anno 2014.

De maximale P2O5-bemestingsnormen omvatten eveneens de toepassing van P2O5 uit kunstmest. Het gebruik van fosfaat uit kunstmest is opnieuw mogelijk in het actieprogramma 2011-2014. De maximale P-bemestingsnormen zullen opgevolgd worden op bedrijfsniveau, behalve voor de fosfaatverzadigde gebieden waar een opvolging op perceelsniveau voorzien is.

34


Tabel 19 Overzicht van de P2O5-export van de belangrijkste gewassen, de maximale P2O5-bemesting en de netto P2O5-onttrekking in Vlaanderen in 2017-2018, rekening houdende met de P2O5-gewasexport, gebaseerd op de gewasopbrengsten van 2009, die gebruikt werden voor het onderbouwen van de P-bemestingsnormen Gewas Tijdelijk grasland Blijvend grassland Alle grasland Snijmaïs 1 snede gras/ snijmaïs Korrelmaïs Alle maïs Suikerbieten Voederbieten Wintertarwe Triticale Wintergerst Andere granen Alle granen Aardappelen Totaal

Oppervlakte (ha)

export P2O5

Totale export

82.055 168.192 250.247 83.850 39.000 68.428 191.278 21.698 3.150 73.194 4.030 12.208 4.460 93.892 37.197 597.462

97 91

7.959.335 15.305.472 23.264.807 6.959.550 4.212.000 5.405.812 16.577.362 1.280.182 189.000 6.001.908 330.460 903.392 330.036 7.565.796 2.157.426 51.034.573

83 108 79 59 60 82 82 74 74 58

Maximale bemesting P2O5 90 90 70 90 70 55 55 70 70 70 70 55

Totale maximale bemesting P2O5 7.384.950 15.137.280 22.522.230 5.869.500 3.510.000 4.789.960 14.169.460 1.193.390 173.250 5.123.580 282.100 854.560 312.197 6.572.437 2.045.835 46.676.602

export – maximale bemesting P2O5 574.385 168.192 742.577 1.090.050 702.000 615.852 2.407.902 86.792 15.750 878.328 48.360 48.832 17.840 993.360 111.591 4.357.972

Tabel 20 Overzicht van de P2O5-export, de maximale P2O5-bemesting en de netto P2O5-onttrekking door gewassen in Vlaanderen in gebieden met een fosfaatverzadigingsgraad van meer dan 35% met een 95% betrouwbaarheidinterval Gewas Grasland Maïs Akkerland Totaal

4

Oppervlakte (ha)

Export P2O5

1.803 902 1.708 4.413

93 87 72

4

Totale export 167.679 78.474 122.976 369.129

maximale bemesting P2O5 40 40 40

Totale maximale bemesting P2O5 72.120 36.080 68.320 176.520

export - maximale bemesting P2O5 95.559 42.394 54.656 192.609

Gemiddelden gebaseerd op de relatieve oppervlakte van deze gewassen.

35


De progressieve daling van de fosfaatbemestingsnormen zal leiden tot een progressieve toename van de mestverwerking aangezien de fosfaatbemestingsnormen in bepaalde gevallen een limiterende factor zullen worden voor het gebruik van dierlijke mest. Dit biedt de landbouwsector de tijd om de effectieve mestverwerking geleidelijk aan te verhogen. Daarenboven zal, om de opvolging van de mestverwerking te verbeteren, naast N ook op P2O5 gefocust worden. De Europese Commissie vraagt een rapport op te maken dat een verband legt tussen de toekomstige maatregelen inzake fosfor en de doelstellingen van de kaderrichtlijn Water. Vlaanderen heeft voor het opmaken van de stroomgebiedsbeheersplannen voor de Kaderrichtlijn Water een aantal scenarioberekeningen uitgevoerd waarbij gebruik gemaakt wordt van een nutriëntenemissiemodel en een waterkwaliteitsmodel, om te voorspellen welke waterlichamen een goede status zullen bereiken in 2015. Uit deze berekeningen blijkt dat met de huidige rekeninstrumenten een volledige inschatting van de effecten van de maatregelen op het vlak van fosfor fosforbemestingsnormen op het realiseren van de doelstellingen van de Kaderrichtlijn Water niet altijd even makkelijk is. Fosfor is immers een moeilijk te modelleren parameter. De VMM plant een studie om de effecten van de verschillende maatregelen op het bereiken van de doelstellingen van de Kaderrichtlijn Water nog beter te kunnen inschatten. In de eerste plaats zal het bestaande nutriëntenemissiemodel SENTWA zowel voor N als P verbeterd worden zodat ook korte en lange termijn effecten van verschillende types van maatregelen in rekening gebracht kunnen worden. Het gaat hier dan over zowel maatregelen die rechtstreeks het gebruik van N en P verminderen, als over verbeterde landbouwpraktijken en agromilieumaatregelen. Dit verbeterde model moet toelaten de Pen N- belasting van oppervlaktewater op korte en lange termijn te voorspellen. Vervolgens zullen de resultaten van dit emissiemodel gebruikt worden in een geoptimaliseerd waterkwaliteitsmodel. Om de (herziene) waterkwaliteitsmodellen te kunnen kalibreren en valideren, moet in bijkomende monitoring voorzien worden. Deze bijkomende monitoring zal doorgaan in 2012. De eerste resultaten van het geoptimaliseerde waterkwaliteitsmodel kunnen dan verwacht worden in 2014. Dit engagement zal opgenomen worden in de wettelijke tekst.

8 Wetenschappelijke onderbouwing van de bemestingsnormen Vlaanderen zal het landbouwonderzoek heroriënteren om een consistente, wetenschappelijke onderbouwing van het berekeningssysteem van de bemestingsnormen te hebben in 2014. De onderbouwing zal onafhankelijk geëvalueerd en gepubliceerd worden.

36


9 Het nitraatresidu 9.1 Vaststellen van de drempelwaarde Tijdens het actieprogramma 2007-2010 startte Vlaanderen met een studie om de zogenaamde ‘procesfactor’’ te evalueren. Deze procesfactor weerspiegelt de transformatieen verdunningsprocessen die zich voordoen tijdens het (horizontale) transport van nitraat van het bodemprofiel naar het grond- en oppervlaktewater. In een voorgaande wetenschappelijke studie “N-eco²: Bepaling van de hoeveelheid minerale stikstof in de bodem als beleidsinstrument” (uitgevoerd door K.U.Leuven, U.Gent en de Bodemkundige Dienst van België) werd een procesfactor van 2,4 voor oppervlaktewater afgeleid. Deze procesfactor bepaalde de nitraatresidudrempelwaarde die gehaald moest worden om te voldoen aan de doelstellingen van de Nitraatrichtlijn. De resultaten van de nieuwe studie worden verwacht in de eerste helft van 2011. Op basis van de resultaten zullen nieuwe, wettelijke nitraatresidudrempelwaarden kunnen bepaald worden die gelden vanaf 2011, het eerste jaar van het actieprogramma 2011-2014. Vlaanderen zal de wetenschappelijke conclusies van deze studie omtrent de procesfactor gebruiken om herziene nitraatresiduwaarden op te stellen vanaf 2011. Voor 2010 blijft de nitraatresidudrempelwaarde vastgesteld op 90 kg NO3--N/ha voor alle bodemtypes en gewassen, behalve voor akkerbouwgewassen (aardappelen uitgezonderd) en voedergewassen op zandbodems waar de nitraatresidudrempelwaarde vastgesteld is op 88 kg NO3--N/ha. De publicatie van de resultaten van de procesfactorstudie worden verwacht tegen 31 maart 2011. Van zodra beschikbaar, zal deze studie overgemaakt worden aan het Directoraat Generaal Milieu van de Europese Commissie. Binnen de 3 maanden na publicatie van de studie, en ten laatste tegen 30 juni 2011, zal Vlaanderen een voorstel tot aanpassing van de nitraatresidudrempelwaarden voorleggen aan het Directoraat Generaal Milieu van de Europese Commissie. Deze herziene nitraatresidudrempelwaarden kunnen dan toegepast worden voor de nitraatresiducampagne van 2011. De tussentijdse resultaten van de procesfactorstudie wijzen op nitraatresidudrempelwaarden die van dezelfde grootorde zijn als in de N-eco² studie. Een globale procesfactor van 2,1 werd afgeleid in deze studie. De gedifferentieerde nitraatresidudrempelwaarden zullen geleidelijk aan dalen tijdens het actieprogramma.

9.2 Concept van het nitraatresidubeleid Het doel van een nitraatresidumeting is het bemestingsgedrag van de landbouwer te evalueren. Landbouwers moeten gestimuleerd worden om hun nitraatresiduwaarde beneden de nitraatresidudrempelwaarde te laten dalen. De verschillende maatregelen die voorzien worden bij de overschrijding van bepaalde nitraatresiduwaarden, hebben als doel de landbouwer te stimuleren onder de nitraatresidudrempelwaarde te blijven. Bovenop de nitraatresiducontrole, zal ook het controlesysteem dat evalueert of de landbouwer de maximale bemestingsnormen gerespecteerd heeft (zie 12.2), versterkt worden. De maatregelen die van toepassing zijn bij het overschrijden van de nitraatresidudrempelwaarde, gelden voor het ganse Vlaamse grondgebied (in tegenstelling tot het vorige actieprogramma waar de meeste maatregelen, gekoppeld aan een nitraatresiducontrole, beperkt waren tot de zogenaamde risicogebieden). Voor bepaalde gewassen is het vanuit landbouwkundig oogpunt eenvoudiger om de nitraatresidudrempelwaarde te respecteren dan voor andere gewassen. Dit aspect wordt in 37


rekening gebracht bij het implementeren van de maatregelen. De maatregelen hangen af van de mate waarin de nitraatresidudrempelwaarde wordt overschreden. Hoe hoger de overschrijding, hoe meer begeleidende maatregelen opgelegd worden. Er zal tevens een boete opgelegd worden wanneer de landbouwer de opgelegde maatregelen niet uitvoert.

9.2.1 Implementatie van de maatregelen 9.2.1.1 Concept De implementatie van de maatregelen wordt weergegeven in Figuur 3. Aan de landbouwers met een nitraatresiduwaarde gelegen tussen de drempelwaarde van A kg NO3--N/ha en de waarde van niveau X, zal het maatregelenpakket 0 opgelegd worden. Aan landbouwers met een nitraatresiduwaarde gelegen tussen de waarde van niveau X en de waarde van niveau Y, zal het maatregelenpakket 1 opgelegd worden, …. Het maatregelenpakket 1 bevat ook alle maatregelen van pakket 0, de maatregelen in pakket 2 omvatten ook alle maatregelen in de pakketten 0 en 1, … Wanneer bij een landbouwer 2 of meer percelen gecontroleerd worden, met een verschillend resultaat en dus verschillende maatregelen tot gevolg, dan zal het perceel met het hoogste nitraatresidu bepalen welk maatregelenpakket opgelegd wordt. Perceelsgerelateerde maatregelen daarentegen zullen opgelegd worden op elk perceel waar de vooropgestelde nitraatresidudrempelwaarde overschreden wordt.

Drempelwaarde A Maatregelen

niveau X groep 0

niveau Y groep 1

Figuur 3 Maatregelenimplementatieschema nitraatresidudrempelwaarden

bij

niveau Z groep 2

overschrijding

groep 3

van

de

9.2.1.2 Waarde van de verschillende niveau’s De X, Y en Z-waarden worden weergegeven in Tabel 21 en Tabel 22. Tabel 21 geeft de waarden voor niveau X, Y en Z, uitgedrukt als waarde bovenop de nitraatresidudrempelwaarde (in kg NO3--N/ha), geldig gedurende het actieprogramma 20112014. Aangezien de nitraatresidudrempelwaarde herzien zal worden in 2011, op basis van de procesfactor-studie, zullen de absolute waarden van de niveaus X, Y en Z overeenkomstig wijzigen. Niveau Z wordt verder verlaagd met 20 kg NO3--N/ha in 2012. Tabel 22 geeft de absolute X, Y en Z waarden voor het jaar 2010.

38


Tabel 21 Overzicht van niveau X, Y en Z (uitgedrukt als waarde bovenop de drempelwaarde), geldig gedurende het actieprogramma 2011-2014 (in kg NO3 -N/ha). De bijhorende maatregelenpakketten zullen opgelegd worden in het jaar volgend op de controlemeting. Gewastype

Drempelwaarde

Niveau X

Niveau Y

2011

2011-2014

2011-2014

2011

2012-2014

Zand

A

+25

+40

+70

+50

Andere

B

+25

+60

+100

+80

Klei

C

+25

+70

+110

+90

Zand

D

+25

+75

+100

+80

Niet-zand

E

+25

+90

+130

+110

Bodemtype

Jaar van de meting

Landbouw

Tuinbouw en aardappelen

Niveau Z

9.2.1.2.1 Drempelwaarden en de X, Y en Z niveaus voor de nitraatresiducampagne 2010 en de opgelegde maatregelen in 2011 De nitraatresidudrempelwaarde en de absolute waarde van de X, Y en Z niveaus voor de campagne 2010 worden weergegeven in Tabel 22. Tabel 22 Overzicht van de verschillende nitraatresidudrempelwaarden voor de meetcampagne 2010 voor de implementatie van de maatregelenpakketten in 2011. Gewastype

Landbouw

Tuinbouw en aardappelen

Bodemtype

Drempelwaarde

Niveau X

Niveau Y

Niveau Z

Zand

88

113

128

158

Andere

90

115

150

190

Klei

90

115

160

200

Zand

90

115

165

190

Niet-zand

90

115

180

220

9.2.1.3 Maatregelenpakketten 9.2.1.3.1 Maatregelenpakket 0 Rekening houdend met de variatie inherent aan bemonstering en analyse (ingeschat op 30%), kan bij een gemeten nitraatresiduwaarde van 115 kg NO3--N/ha of minder niet met absolute zekerheid gesteld worden dat een drempelwaarde van bijvoorbeeld 90 kg NO3-N/ha effectief overschreden is. Desalniettemin wordt toch reeds een eerst set begeleidende maatregelen voorzien van zodra deze eerste drempelwaarde overschreden wordt: in de eerste plaats kan het volgende jaar geen derogatie toegepast worden op het betreffende perceel; ten tweede moet de landbouwer op eigen kosten een voorjaarsbodemanalyse laten uitvoeren door een erkend laboratorium op het betreffende perceel. Wanneer de landbouwer het betreffende perceel niet meer in gebruik heeft, moet hij een ander perceel met hetzelfde gewas als dat van het oorspronkelijk gecontroleerde perceel, laten bemonsteren. De bodem moet geanalyseerd worden op alle relevante paramaters op een zodanige manier dat een bemestingsadvies, gebaseerd op zowel landbouwkundige als milieukundige overwegingen, kan geformuleerd worden door hetzij een erkend laboratorium hetzij een erkend praktijkcentrum. De voorwaarden hiervoor zullen vastgelegd worden in een uitvoeringsbesluit van de Vlaamse Regering. De landbouwer moet dit bemestingsadvies opvolgen, rekening houdend met de werkingscoëfficiënten van de verschillende meststoffen die hij gebruikt. De

39


toegepaste bemesting moet genoteerd worden met het oog op de controle van een evenwichtige bemesting. Het bodemstaal mag niet gebruikt worden om aan andere verplichtingen, opgelegd in het kader van het Mestdecreet, te voldoen (zoals bijvoorbeeld de verplichte bodemanalyses in het kader van derogatie). Het SMIL (Staalname Melding Internet Loket) van de Mestbank zal in de loop van het actieprogramma 2011-2014 aangepast worden om niet enkel de voormelding van de geplande staalname mogelijk te maken maar ook toe te laten dat de analyseresultaten, en op termijn ook de eventuele bemestingsadviezen, on-line gerapporteerd worden. Het SMIL zal daarenboven uitgebreid worden voor alle staalnames in het kader van het Mestdecreet (dus niet enkel bodem-, maar ook mest- en veevoederstalen). Dit online systeem vermindert de administratieve lasten voor de landbouwer en laat een sluitende controle door de overheid toe. Tot slot moet de landbouwer op eigen kosten het nitraatresidu op een door de Mestbank aangeduid perceel laten bepalen in de periode van 1 oktober tot 15 november door een erkend laboratorium. 9.2.1.3.2 Maatregelenpakket 1 Dit pakket omvat alle maatregelen uit maatregelenpakket 0. Verder moet de landbouwer op eigen kosten het nitraatresidu op een bijkomend, door de Mestbank aangeduid perceel, laten bepalen in de periode van 1 oktober tot 15 november door een erkend laboratorium. Concreet betekent dit dat de landbouwer binnen dit maatregelenpakket op 2 door de Mestbank aangeduide percelen, op eigen kosten, het nitraatresidu moet laten bepalen in de periode van 1 oktober tot 15 november door een erkend laboratorium. Daarnaast moet ook voor alle percelen van het bedrijf een bemestingsplan- en register bijgehouden worden. 9.2.1.3.3 Maatregelenpakket 2 Dit pakket omvat alle maatregelen uit pakket 0 en 1. Vanaf dit maatregelenpakket worden de opgelegde maatregelen bovendien ook sterk aangescherpt. De Mestbank kan een audit uitvoeren waarbij de landbouwers met de hoogste overschrijdingen prioritair aan een audit zullen onderworpen worden. De audit resulteert in een advies voor de landbouwer dat hij moet opvolgen. Dit advies kan alle mogelijke acties omvatten nodig om te voldoen aan de mestwetgeving. Ook bijkomende adviezen, na de audit, worden voorzien met betrekking tot de optimalisatie van het gebruik van vanggewassen en gewasrotaties gebaseerd op goede landbouwpraktijken. Voor alle percelen met groenten van groep I of groep II (uitgezonderd voor vroege aardappelen en spruitkool) zal een bemestingsadviessysteem moeten toegepast worden onder begeleiding van een erkend laboratorium, een erkende telersvereniging of een erkend praktijkcentrum5. Het jaar volgend op de nitraatresiducontrole worden de N bemestingsnormen voor het perceel waar de overschrijding werd vastgesteld, met 20% verminderd voor wat betreft de toegestane bemesting uit dierlijke mest en met 30% voor de werkzame of totale bemestingsnorm (uitgezonderd voor begrazing). 9.2.1.3.4 Maatregelenpakket 3 Dit pakket omvat alle maatregelen uit pakket 0, 1 en 2. Verder worden alle Nbemestingsnormen met 60% verminderd ten opzichte van de algemene bemestingsnormen voor deze gewassen (uitgezonderd voor begrazing). Landbouwers die onder dit maatregelenpakket vallen, hebben een verhoogde kans op een controle op de randvoorwaarden. Het Z-niveau zal ook een controleparameter worden in het kader van de randvoorwaarden (een waarschuwing bij de eerste overschrijding, een korting op de 5

Dit system is verplicht voor alle percelen met groenten van groep I of groep II (uitgezonderd vroege aardappelen en spruitkool) vanaf 2013. 40


toeslagrechten bij een tweede overschrijding). De maatregelen in dit pakket kunnen nog verder aangescherpt worden, afhankelijk van het resultaat van de tussentijdse evaluatie in 2013 en de evaluatie in 2014. 9.2.1.3.5 Sancties Wanneer de landbouwer de opgelegde maatregelen, ongeacht onder welk pakket ze vallen, niet uitvoert, dan zullen het daaropvolgende jaar de maatregelen uit een hoger pakket opgelegd worden evenals een administratieve geldboete. De hoogte van de boete zal zodanig zijn dat deze substantieel hoger ligt dan de kost voor het uitvoeren van de opgelegde maatregelen. De Mestbank zal minstens 1.500 audits uitvoeren tijdens de duur van dit actieprogramma.

9.3 Aantal nitraatresidumetingen 9.3.1 Huidige opzet van de nitraatresidumetingen Momenteel wordt er naar gestreefd om jaarlijks een 10.000-tal nitraatresidubepalingen te laten uitvoeren. Dit gebeurt op kosten van de Vlaamse overheid. Dit betekent concreet dat jaarlijks op 7.500 à 8.000 percelen het nitraatresidu gecontroleerd wordt. Het verschil in aantallen tussen nitraatresidubepalingen en gecontroleerde percelen is te wijten aan het feit dat, om een representatief beeld te krijgen van het nitraatresidu op een perceel, er per 2 ha een nitraatresidubepaling moet uitgevoerd worden. Op percelen met een oppervlakte groter dan 2 ha moeten dus minstens 2 nitraatresidubepalingen uitgevoerd worden. In het kader van de beheerovereenkomsten verminderde bemesting worden jaarlijks 13.000 percelen gecontroleerd. Deze nitraatresiducontrole gebeurt op kosten van de landbouwer. In totaal worden er momenteel jaarlijks 21.000 percelen gecontroleerd.

9.3.2 Toekomstige opzet van de nitraatresidumetingen 9.3.2.1 Metingen op kosten van de overheid In de toekomst zullen meer percelen gecontroleerd worden. In eerste instantie zal het nitraatresidu op 7.500 percelen gecontroleerd worden op kosten van de overheid. De criteria voor de selectie van de specifieke percelen zullen elk jaar worden opgesteld binnen het volgende kader: 1. Een volledig willekeurige selectie van percelen, rekening houdend met het aandeel dat de verschillende gewassen en bodemtypes vertegenwoordigen in het totale landbouwareaal. Deze dataset kan gebruikt worden als representatieve steekproef om de evolutie van het nitraatresidu over de jaren heen op te volgen. Deze groep vertegenwoordigt ongeveer 2.000 percelen. 2. Een doelgerichte selectie van percelen na risicoanalyse gebaseerd op: a. (de evolutie van) de waterkwaliteit in een bepaalde regio b. de, op basis van Mestbank-gegevens, als risicobedrijf geïdentificeerde bedrijf Deze groep vertegenwoordigt ongeveer 5.500 percelen.

41


9.3.2.2 Metingen op kosten van de landbouwers In bepaalde omstandigheden zullen de landbouwers een nitraatresidubepaling moeten laten uitvoeren op eigen kosten: 1. Onder het vorige actieprogramma waren bedrijven met derogatie onderworpen aan nitraatresiducontroles. Daartoe moest jaarlijks bij minstens 25% van de landbouwers die derogatie toepassen een nitraatresiducontrole uitgevoerd worden. Deze controle moet bovendien 5% van de percelen onder derogatie + 1% van de nietderogatiepercelen van deze landbouwers omvatten. Deze groep vertegenwoordigt ongeveer 3.000 percelen afhankelijk van het aantal derogatiebedrijven en -percelen. 2. Daarenboven zullen bedrijven met inbreuken tegen de mestwetgeving op eigen kosten een nitraatresidubepaling moeten laten uitvoeren. Het betreft hier inbreuken met betrekking tot: 

overbemesting

onvoldoende mestafzet

bemesting buiten de uitrijperiode

bemesting op drassig, ondergelopen, bevroren of met sneeuw bedekt land

de afstand tot waterlopen niet respecteren tijdens het aanwenden van meststoffen

onvoldoende mest verwerken

meer dieren houden dan toegestaan volgens nutriëntenemissierechten

niet-emissiearm aanwenden van mest

onvoldoende opslagcapaciteit

Deze nitraatresidubepalingen worden voorzien als bijkomende maatregel bovenop de boetes en andere maatregelen voorzien in de mestwetgeving voor de betreffende inbreuken. Deze groep vertegenwoordigt ongeveer 2.000 percelen afhankelijk van het aantal inbreuken. Dit resulteert in een totaal van 12.500 gecontroleerde percelen. De resultaten van alle nitraatresidumetingen zullen getoetst worden aan de vastgestelde drempelwaarden en de verscherpte maatregelenpakketten zullen opgelegd worden. Dit geldt ook voor de nitraatresidubepalingen die de landbouwers op eigen kosten uitgevoerd hebben. Aangezien één van de maatregelen bij overschrijding van bepaalde drempelwaarden een verplichting is om, op eigen kosten, een nitraatresidubepaling te laten uitvoeren, zal het aantal percelen waar het nitraatresidu gemeten wordt vanaf 2011 nog stijgen boven de 12.500 percelen. Vertrekkende van een initieel aantal van 12.500 gecontroleerde percelen werd een simulatie gemaakt van het verwachte aantal gecontroleerde percelen, rekening houdend met een jaarlijkse lineaire afname van 1% van het aantal percelen met een nitraatresiduwaarde gelegen tussen de drempelwaarde en het X niveau en een jaarlijkse lineaire afname van 2% van het aantal percelen met een nitraatresiduwaarde boven het X-niveau gedurende de volgende twee actieprogramma’s. Dit betekent dat over verloop van tijd ongeveer 24.000 percelen zullen gecontroleerd worden.

42


Tabel 23 Simulatie van het aantal percelen waarop een nitraatresiducontrole uitgevoerd zal worden over verloop van tijd, met uitzondering van de percelen met een beheerovereenkomst.

Jaar

Initieel aantal stalen

2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 Total

12.500 12.500 12.500 12.500 12.500 12.500 12.500 12.500 12.500 112.500

Geschat aantal percelen tussen de drempelwaarde en het X niveau 9% 13% 12% 11% 10% 9% 8% 7% 6%

Geschat aantal Bijkomende percelen Totaal percelen boven het betaald door de percelen X-niveau landbouwers 14% 21% 19% 17% 15% 13% 11% 9% 7%

4.625 9.419 10.959 10.557 9.223 7.603 6.031 4.633 63.049

12.500 17.125 21.919 23.459 23.057 21.723 20.103 18.531 17.133 175.549

Aangezien het nitraatresidu op percelen met een beheerovereenkomst verminderde bemesting doorgaans lager ligt dan op de percelen die gecontroleerd worden op kosten van de overheid, worden minder overschrijdingen van de drempelwaarde en het X-niveau verwacht voor deze percelen en dus minder bijkomende nitraatresidubepalingen. Aangezien verwacht wordt dat er slechts een beperkt aantal overschrijdingen van de drempelwaarden zal zijn voor deze percelen, werden in de simulatie hiervoor geen extra metingen doorgerekend. Dit resulteert in een maximaal aantal van 37.000 (24.000 + 13.000) percelen die in de toekomst zullen gecontroleerd worden. Het totaal aantal gecontroleerde percelen kan afnemen wanneer de nitraatresidu’s sterker dalen dan gesimuleerd of wanneer het aantal inbreuken vermindert. Een toename van 21.000 percelen naar ongeveer 37.000 percelen is een toename van 76% van het aantal nitraatresiducontroles. Aangezien er 33.000 landbouwbedrijven zijn in Vlaanderen, betekent dit dat jaarlijks bij minstens 1/3 van de bedrijven het nitraatresidu zal gecontroleerd worden. Aangezien de selectie van de percelen voor nitraatresiducontrole grotendeels gebaseerd is op risicoanalyse en aangezien landbouwers met een resultaat boven de drempelwaarde verplicht zijn om opnieuw een nitraatresidubepaling te laten uitvoeren, blijven de bedrijven met overschrijdingen in het nitraatresidu controlesysteem.

43


10 Tuinbouw Vanaf 2013 zal het verplicht worden om voor alle percelen met groenten van groep I en II, met uitzondering van vroege aardappelen en spruitkool, een bemestingsadviessysteem te gebruiken. Dit laat de erkende praktijkcentra, telersverenigingen en laboratoria toe om zich voor te bereiden op de meer grootschalige toepassing van een bemestingsadviessysteem. Vroege aardappelen worden vroeg op het jaar geoogst zodat een vanggewas of nateelt de residuele stikstof kan opnemen. Voor spruitkool is er geen milieuprobleem omdat spruitkool een diep wortelstelsel heeft en tot laat tijdens het groeiseizoen stikstof kan opnemen. Voor groenten van groep III zijn de bemestingsnormen heel laag waardoor het gebruik van een bemestingsadviessysteem niet bruikbaar of relevant is. Tegen het einde van 2012 zal het protocol van het bemestingsadviessysteem aangepast zijn vanuit milieukundig oogpunt en opgenomen zijn in de wetgeving. In 2011 en 2012 zal dit systeem getest worden op bedrijven met een nitraatresidu hoger dan de Y-waarde. Er zal een studie uitgevoerd worden naar het verband tussen de huidige bemestingsnormen en het risico op waterverontreiniging. Voorstellen zullen geformuleerd worden over hoe waterverontreiniging effectief kan gereduceerd worden opdat de waterkwaliteitsdoelstellingen kunnen gehaald worden. De focus zal liggen op de belangrijkste en meest intensieve tuinbouwteelten. In deze studie zal onderzocht worden of enerzijds de verwijdering van oogstresten kan beschouwd worden als een best beschikbare techniek en anderzijds onder welke omstandigheden deze oogstrestverwijdering moet uitgevoerd worden in de praktijk. Bovendien zal een internationale aftoetsing uitgevoerd worden van innovatieve cultiveringstechnieken voor tuinbouwteelten. Als deze studie gebiedsmetingen zou moeten omvatten, kan zij slechts medio 2014 worden verwacht (beginnend vanaf Januari 2012 - 2 meetjaren met inbegrip van de nitraatuitspoeling tijdens de winter). Een internationale benchmark van innovatieve cultiveringtechnieken voor tuinbouwgewassen, zou tegen 2013 kunnen worden beëindigd. Deze verplichting zal in de wettekst worden opgenomen. Vlaanderen zal een Europese conferentie organiseren in 2013 over de beste praktijken in de tuinbouw met betrekking tot waterbescherming. Naast deze studie, zal de Vlaamse overheid de universiteiten, de erkende praktijkcentra en de onderzoekinstellingen raadplegen voor een heroriëntatie van hun onderzoek om deze vragen te beantwoorden. Het voordeel van deze manier van werken is de mogelijkheid om aan structureel onderzoek te doen op de lange termijn. Voor serretuinbouw op substraat, zijn oplossingen voor het niet-lozen in oppervlakte- of grondwater voorzien in de wetgeving. Een mogelijkheid is het recycleren van de voedingsmiddelen door recirculatie van het waswater of het gebruiken van spuistroom als bemesting op landbouwgrond. Aangezien de inhoud van P2O5 en N vrij laag is (tussen 0,1 kg en 0,5 kg N per ton), is het risico op overbemesting te verwaarlozen. De input van spuistroom die op landbouwgrond wordt gebruikt, moet ook in de evenwichtige bemesting worden meegerekend. Voorts moet het vervoer van spuistroom door de Mestbank worden geregistreerd. De Mestbank bezoekt momenteel heel wat tuinbouwbedrijven om na te gaan of de wetgeving wordt nageleefd. Dit werk zal verder gezet worden tot de tuinbouwsector volledig overeenkomstig de wetgeving werkt. Het wordt duidelijk dat heel wat tuinbouwbedrijven kiezen voor de recirculatie van het voedingswater met bijna geen verliezen naar het milieu.

44


11 Verfijnde en aangescherpte maatregelen Het Vlaamse mestbeleid is vastgelegd in het Mestdecreet. De hoekstenen van het huidige mestbeleid blijven ook tijdens het vierde actieprogramma bestaan:  

 

De nutriëntenemissierechten zorgen ervoor dat de mestproductie onder controle wordt gehouden; het gebruik van lage-nutriëntvoeders wordt sterk aangemoedigd. Oordeelkundige bemesting is van essentieel belang. Daarom zijnNbemestingsnormen, verbodsperiodes, toedieningswijzen (emissiearme aanwending) en specifieke bepalingen (toepassing op de hellingen, in de buurt van waterlopen, …) uitgewerkt. Vervoer van mest is gebonden aan een specifieke regelgeving en wordt nauwlettend gevolgd. Mestverwerking is een essentieel onderdeel van het Vlaamse mestbeleid. Voor intensieve veeteelt geldt een mestverwerkingplicht en groei van de individuele bedrijven is slechts mogelijk mits mestverwerking. Sensibilisering en begeleiding van de landbouwers is een belangrijke taak van de Mestbank ter ondersteuning van de correcte uitvoering van het mestbeleid. Daarnaast is controle (administratieve, in het veld, nitraatresidu, …) belangrijk om te zorgen voor een correcte uitvoering.

Tijdens het vierde actieprogramma zullen sommige maatregelen van het huidige mestbeleid worden verfijnd of aangescherpt.

11.1 Verfijnde maatregelen in het mestbeleid 11.1.1

Nutriëntarme voeders

De vereisten en engagementen voor nutriëntarme voeders zijn vastgelegd in een convenant tussen de veevoederfabrikanten en de Vlaamse minister van Leefmilieu. In het verleden werd deze overeenkomst onderhandeld en ondertekend op jaarbasis. Voor het vierde actieprogramma is het convenant voor de gehele programmaperiode overeengekomen. Dit zorgt voor een voortdurende inzet van de veevoederfabrikanten en verbetert de controle en de follow-up van de overeengekomen voedersamenstelling.

11.1.2

Opvolging diervoeder

Er zal meer toezicht gehouden worden op de samenstelling van de veevoeders. Een extra opvolgingssysteem voor regressievoeders wordt ontwikkeld. Hiervoor kan een overeenkomst met de veevoederfabrikanten gesloten worden waarbij de samenstelling van de voeders voor regressie binnen een vooraf bepaalde maximale afwijking moeten vallen. Een dergelijk systeem bestaat voor veevoederfabrikanten die aan landbouwers zogenaamd ‘convenantvoeder’ (met een maximum vastgelegde hoeveelheid N en P) leveren.

45


11.1.3

Aanpassing van de uitscheidingcijfers

11.1.3.1

Runderen

In het actieprogramma 2007-2010 zijn de uitscheidingscijfers voor melkkoeien gekoppeld aan de melkproductie en de aard van het voederrantsoen. Voor melkkoeien met een afwijkend voederrantsoen werden afwijkende, hogere uitscheidingsnormen vastgelegd. De koppeling van de uitscheidingsnormen aan het voederrantsoen zorgt voor bijkomende administratieve lasten voor de landbouwers en de overheid. In praktijk is de verhoogde mestproductie tengevolge van een afwijkend voederrantsoen beperkt tot 0,4 miljoen kg N en 0,2 miljoen kg P. Het is daarom een logische stap om de correctie op basis van het rantsoen te schrappen gezien het in de praktijk zelden voorkomt maar ook rekening houdend met het relatieve belang ervan en de extra administratieve last.

11.1.3.2

Pluimvee

Met betrekking tot de uitscheidingsnormen voor pluimvee, bevat de uitgevoerde studie “Evalueren van de mestuitscheidings- en mestsamenstellingscijfers voor pluimvee” aanbevelingen voor een aantal wijzigingen. Deze wijzigingen zullen vanaf 2011 worden ingevoerd.

11.1.4

Aanpassing van de mestsamenstelling

De richtwaarden van mest van varkens, rundvee, pluimvee en andere diersoorten, zullen herzien worden in 2011 op basis van mestanalyses die de erkende laboratoria rechtstreeks aan de Mestbank moeten rapporteren

11.2 Aanscherping van het mestbeleid 11.2.1

Aanscherping van de verbodsperiode

In het actieprogramma 2007-2010, is de verbodsperiode voor dierlijke mest, andere meststoffen en kunstmest vastgelegd op 5,5 maanden vanaf 1 september tot en met 15 februari. Op zware kleigronden in de Polders, is de verbodsperiode vastgelegd op 4 maanden vanaf 15 oktober tot en met 15 februari. Een kortere verbodsperiode voor zware kleigronden in de Polders werd toegestaan omdat deze gronden worden geploegd, bemest en voorbereid voor cultivatie in de herfst aangezien de toepassing van mest en het ploegen in de lente zeer moeilijk is wegens het risico op grondcompactie en verslemping. De verbodsperiode voor stalmest en champost is vastgelegd op 2 maanden vanaf 15 november tot en met 15 januari. Andere meststoffen met trage N-vrijstelling of lage N-inhoud zoals GFT- en groencompost mogen gedurende het ganse jaar opgebracht worden. Voor specifieke teelten die nog een belangrijke stikstofopname hebben tijdens de verbodsperiode en waar de bodem niet voldoende N kan leveren uit mineralisatie, is een afwijking toegestaan voor de verbodsperiode tot en met 14 november (voor najaarsteelten) en vanaf 16 januari (voor voorjaarsteelten).

46


In het actieprogramma 2011-2014 kunnen graszoden bemest worden tot en met 14 november en vanaf 16 januari (gelijkaardig als specifieke teelten). Bovendien is er op 2 vlakken een verstrenging voorzien.

11.2.1.1

Zware kleigronden

Zware kleigronden zijn alle landbouwgronden die gelegen zijn in de Polders en de landbouwgronden die gelegen zijn in een afgebakend gebied waarvan de landbouwer aantoont dat deze vergelijkbare bodemkarakteristieken hebben. a. De eerste wijziging is de uitbreiding van de verbodsperiode voor blijvend grasland op zware kleigronden tot 5,5 maanden van 1 september tot 15 februari. b. De tweede wijziging is het verbod op het gebruik van vloeibare dierlijke mest, kunstmest of andere meststoffen (uitgezonderd andere meststoffen met trage N-vrijstelling of lage N-inhoud) na de oogst als hetzelfde jaar geen gewas meer ingezaaid wordt. Dit is vooral relevant voor granen en groenten. Deze maatregel zal het gebruik van vanggewassen en tussengewassen tussen de teeltperiodes van groenten stimuleren. De specifieke regeling betreffende deze tweede verstrenging van de verbodsperiode, wordt hieronder beschreven: Voor akkerland op zware kleigronden: 

11.2.1.2

Als na de oogst een vanggewas is ingezaaid binnen de 15 dagen na het toepassen van de mest of als een nateelt wordt geplant of ingezaaid, kan dierlijke mest worden toegediend volgens de huidige regelgeving: o Dierlijke mest (uitgezonderd stalmest) tot 14 oktober. o Stalmest en champost tot 14 november. Als na de oogst geen vanggewas of nateelt is ingezaaid (bijvoorbeeld geen gewas na graan of geen tweede gewas na eerdere groenten): o Vloeibare mest, kunstmest en andere meststoffen (uitgezonderd andere meststoffen met trage N-vrijstelling of lage N-inhoud) zijn verboden. o Overige meststoffen zijn toegestaan binnen de huidige regelgeving (bijvoorbeeld stalmest en champost tot 14 november; andere meststoffen met trage N-vrijstelling of lage N-inhoud zoals GFT- en groencompost zonder verbodsperiode).

Andere bodems

Voor akkerland op andere gronden, is een beperkte bemesting met vloeibare mest na de oogst als een vanggewas is gezaaid, geen probleem voor het milieu. Om deze reden is voor andere gronden dan zware kleigronden (90% van de totale oppervlakte) het gebruik van vloeibare dierlijke mest, kunstmest of andere meststoffen (uitgezonderd andere meststoffen met trage N-vrijstelling of lage N-inhoud) na de oogst van een gewas verboden, behalve:   

Als een groente van groep I, groep II of groep III, wordt ingezaaid als nateelt. Als uiterlijk op 31 juli een nateelt wordt ingezaaid. Als na 31 juli en uiterlijk op 31 augustus een vanggewas wordt ingezaaid. In dit geval is de bemesting beperkt tot: o Maximaal 30 kg N/ha voor kunstmest of effluenten van mestverwerking o Maximaal 60 kg N/ha voor vloeibare dierlijke mest of andere meststoffen (uitgezonderd andere meststoffen met trage N-vrijstelling of lage N-inhoud)

47


Als het niet mogelijk is om een vanggewas te zaaien vóór 1 september, wegens uitzonderlijke weersomstandigheden, kan de Vlaamse minister van Leefmilieu beslissen dat het vanggewas moet worden gezaaid vóór 10 september. De uitzonderlijke weersomstandigheden kunnen niet worden gebruikt voor andere afwijkingen van de verbodsperiodes voor de toediening van mest. Andere organische meststoffen worden toegestaan binnen de huidige regelgeving (b.v. stalmest en champost tot 14 november; andere meststoffen met trage N-vrijstelling of lage Ninhoud zonder verbodsperiode).

11.2.2 Verstrengde maatregelen opslagcapaciteit

met

betrekking

tot

de

Op dit moment is de minimaal vereiste opslagcapaciteit voor stalmest 3 maanden. Dit zal ook zo blijven in het actieprogramma 2011-2014. In sommige situaties wordt stalmest tijdelijk opgeslagen op het veld voordat hij gebruikt wordt. Tijdens het actieprogramma 2007-2010 was dit toegestaan voor een periode van maximaal drie maanden, op voorwaarde dat de minimum afstand tot de rand van het perceel ten minste 10 meter is en ligt op 100 meter afstand van de huizen. Om onnodige opslag op het veld te voorkomen, zal de opslag op het veld vanaf 15 november 2013 verboden worden tijdens de verbodsperiode van uitvoeren (van 15 november tot 15 januari). Buiten deze verbodsperiode (van 16 januari tot 14 november) is de opslag van stalmest op het veld toegelaten tot maximaal één maand vóór het spreiden. Deze oplossing voor het verminderen van de opslag op het veld heeft het voordeel dat het gemakkelijk kan worden gecontroleerd.

11.2.3

Strengere maatregelen voor gebruik van meststoffen op de steile hellingen en nabij waterlopen

Het mestdecreet legt strengere regels op voor het gebruik van meststoffen op hellingen (met een helling van meer dan 8 %). Meststoffen moeten geïnjecteerd worden of direct ondergewerkt worden. Bovendien is het gebruik van kunstmest en dierlijke mest verboden op percelen met een gemiddeld hellingspercentage van 18% of meer (beweiding is toegestaan op grasland). In het actieprogramma 2011-2014 zal dit laatste hellingspercentage worden vastgesteld op 15% en zal de toepassing van andere meststoffen op die hellingen ook verboden worden.

11.2.4

Strengere maatregelen op de uitstoot van ammoniak

Vlaanderen werkte een ammoniakreductieprogramma uit dat gebaseerd is op N-arm voeder, het bouwen van emissiearme stallen, mestverwerking en emissiearme aanwending van mest. Al deze maatregelen werden in het verleden reeds aangescherpt, waardoor er slechts een kleine marge is voor verdere verbetering. De invoering van emissiearme stallen voor sommige categorieën pluimvee (zoals vleeskuikens en opfokpoeljen voor slachtkuikens) is voorzien. De bouw van emissiearme stallen zal verplicht worden voor landbouwers die nieuwe stallen bouwen of bestaande stallen grondig renoveren. Deze verplichting bestaat al voor varkenshuisvesting en andere categorieën pluimvee dan de hierboven genoemde.

48


12 Administratieve actieprogramma

controle

van

het

12.1 Gegevensverzameling 12.1.1

De jaarlijkse aangifte

Om een volledig overzicht van alle nitraat- en fosforstromen in de Vlaamse landbouw te krijgen, is iedereen die nitraat en fosfor produceert, transporteert of gebruikt, verplicht om een jaarlijkse aangifte te doen bij de bevoegde overheid, zijnde de Mestbank. Iedere landbouwer die meer dan 2 ha landbouwgrond in gebruik heeft of jaarlijks meer dan 300 kg P2O5 uit dierlijke mest produceert of meer dan 0,5 ha groeimedium beteelt, doet jaarlijks aangifte van de gemiddelde veebezetting (rundvee, varkens, pluimvee, paarden, schapen, geiten, konijnen,…), van het staltype waarin deze dieren worden gehouden, van de oppervlakte landbouwgrond, van het gebruik van chemische en andere meststoffen, van de opslagcapaciteit en van de hoeveelheid dierlijke mest die op het einde van het jaar opgeslagen is op het bedrijf. De jaarlijkse aangifte moet ingediend worden bij de Mestbank voor 15 februari met de gegevens van het voorgaande productiejaar. Ook elke mestverwerkingsinstallatie moet jaarlijks aangifte doen bij de Mestbank van alle voor het verwerkingsproces relevante gegevens. Dit omvat informatie over de in- en uitgaande nutriëntenstromen, de opslagcapaciteit, de hoeveelheid opgeslagen mest en de verwerkte producten. Verder bevat de aangifte een nutriëntenbalans die gestaafd wordt met de analyseresultaten van de samenstelling van de mest en de verwerkte producten. Ook moeten dagelijks gedetailleerde registers ingevuld worden van de in- en uitgaande nutriëntenstromen. De Mestbank kan vragen om deze registers in te dienen of kan deze ter plaatse controleren. De gegevens over mesttransporten en deze aangifte worden gebruikt in de kruiscontrole en de risicoanalyse die de basis vormt voor de controles op het terrein. Daarnaast wordt informatie van producenten van andere meststoffen, zoals compost of slib uit de voedingsindustrie, alsook van verzamelpunten voor dierlijke mest, opgevraagd via een jaarlijkse aangifte. Ook de veevoederproducenten dienen een jaarlijkse aangifte te doen van alle geleverde voeders en hun samenstelling (in P en ruw eiwit) per landbouwbedrijf. Alle gegevens van deze jaarlijkse aangiftes worden geregistreerd in een centrale databank. Gegevens die verzameld worden door andere overheden, worden niet opgevraagd bij de landbouwers, maar rechtstreeks afgeleid via de bestaande gegevens. Zo wordt bijvoorbeeld de gemiddelde veebezetting voor runderen afgeleid uit de door de Europese wetgeving verplichte registratie van deze dieren (geboortedatum, kalfdatum, slachtdatum,…) en de dierbewegingen tussen landbouwbedrijven. Elke aangifte wordt administratief nagekeken op 3 types van fouten. Ten eerste worden statistische uitschieters opgelijst om mogelijke inputfouten te elimineren. Ten tweede worden er lijsten gemaakt van ontbrekende gegevens. Het laatste type van administratieve controle legt de nadruk op mogelijke inconsistenties in de aangegeven data. Bij fouten van de laatste 2 types, worden de landbouwers gecontacteerd en krijgen ze de mogelijkheid om de gegevens te corrigeren zonder beboet te worden. Om de aangifte te controleren, worden de gegevens vergeleken met algemene gegevens en met data die afgeleid worden uit andere bronnen zoals de geregistreerde mesttransporten, de aangiftes van de veevoederfabrikanten of de aangiftes van de voorgaande jaren. Bij het vermoeden van fraude wordt ter plaatse een grondige inspectie van het bedrijf uitgevoerd waarbij de aangegeven data vergeleken worden met de reële situatie op het bedrijf. 49


12.1.2

De perceelsregistratie

De gegevensverzameling van de landbouwpercelen wordt uitgevoerd voor landbouwkundige doeleinden (toeslagrechten) enerzijds en vanuit milieukundige overwegingen (actieprogramma, agro-milieumaatregelen) anderzijds. Tussen de Mestbank en het Agentschap voor Landbouw en Visserij is in het verleden een efficiënte samenwerking opgezet. Elk jaar ontvangen de landbouwers op het einde van februari de nodige documenten om de perceelsregistratie voor het lopende jaar te kunnen doen. Deze documenten bevatten enerzijds afdrukken van luchtfoto’s op de welke de percelen van de landbouwer zijn aangeduid en anderzijds documenten op de welke alfanumerieke gegevens kunnen genoteerd worden. Sinds 2008 bestaat ook de mogelijkheid om de volledige registratie, zowel het grafische als het alfanumerieke gedeelte, te doen via een online internetapplicatie. De registratie van de perceelsgegevens wordt uitgevoerd door het Agentschap voor Landbouw en Visserij. Dit agentschap voert controles uit om inconsistenties in de registratie te ontdekken. Deze inconsistenties worden zo snel mogelijk opgelost. Hiervoor worden landbouwers bij wie onduidelijkheden in de aangifte zijn vastgesteld, op de hoogte gebracht via mail. Deze automatische controles zorgen voor een vermindering van het foutenpercentage, wat op zijn beurt het risico op een reductie van de toeslagrechten voor de landbouwer vermindert. Landbouwers die online de perceelsregistratie indienen, worden onmiddellijk op de hoogte gebracht van eventuele inconsistenties, wat leidt tot minder correcties achteraf. Via deze controles, informeert het Agentschap voor Landbouw en Visserij de landbouwers ook wanneer ongeldige aanvragen zijn gebeurd in het kader van de mestwetgeving. Voorbeelden daarvan zijn: a. De landbouwer vraagt de toepassing van rechten die vallen onder de mestwetgeving op een perceel dat niet in gebruik is op 1 januari van het jaar waarop de registratie betrekking heeft. b. De landbouwer vraagt derogatie aan op een perceel waarvoor een hoofdteelt is aangeduid die niet in aanmerking komt voor derogatie. c. De verhoogde bemesting voor meerdere opeenvolgende teelten van groenten is niet toegestaan voor de aangeduide gewasrotatie. d. Grafische conflicten en overlappingen in de tijd: wanneer verschillende landbouwers hetzelfde perceel aangeven, worden ze uitgenodigd om hun perceelsregistratie te herbekijken. Volgens de mestwetgeving moeten alle aangifteplichtige landbouwers jaarlijks een perceelsregistratie doen. Voor controles in het kader van actieprogramma, verzamelt en controleert de Mestbank de volgende informatie op landbouwgronden: a. Ligging van de percelen op basis van luchtfoto’s b. Gewas: voor-, hoofd- en nateelt c. Beteelde oppervlakte d. Gespecialiseerde productiemethodes: teelt in serres, teelt op groeimedium e. Derogatieaanvraag op perceelsniveau f.

Toepassing van specifieke bemestingstechnieken in de tuinbouw, het gebruik van compost en slib in een meerjarige teeltrotatie

g. Aanvraag voor het gebruik van een bijkomende hoeveelheid groen- of GFT-compost h. Bemestingsregimes (bijvoorbeeld bemestingsverbod, agro-milieumaatregelen) 50


De verzamelde gegevens worden geregistreerd door het Agentschap voor Landbouw en Visserij en vervolgens doorgegeven aan de Mestbank. Deze informatie wordt geëvalueerd door middel van een proces waarbij verschillende controles uitgevoerd worden. Specificaties over het type kwetsbaar gebied, worden toegewezen aan de verschillende percelen (bijvoorbeeld fosfaatverzadigde gebieden). De volgende belangrijke stap is de goedkeuring van bepaalde aanvragen door de Mestbank. Voorbeelden zijn derogatie, specifieke bemestingsmogelijkheden voor twee of meer groenteteelten in één jaar, het gebruik van compost en slib in een meerjarig perspectief en het gebruik van een bijkomende hoeveelheid compost. Alvorens deze aanvragen goed te keuren, controleert de Mestbank het type kwetsbaar gebied waarin het perceel gelegen is, de gespecialiseerde productiemethoden, de gewassen, de datum dat het perceel in gebruik is, de datum wanneer de aanvraag gebeurd is, … De laatste stap in de verwerking van de perceelsgegevens is het berekenen van de maximale bemestingsnormen voor elk perceel. De toepasbare bemestingsnorm wordt berekend in functie van het kwetsbaar gebied, het gewas, specifieke aanvragen (bijv. derogatie) en agro-milieumaatregelen.

12.1.3

Vervoer van meststoffen

In het Mestdecreet worden 4 verschillende registratie- en opvolgingssystemen uitgewerkt voor de opvolging van transporten van mest en verwerkte mestproducten. Algemeen geldt dat het transport naar of van landbouwers, mestverwerkingseenheden, mestverzamelpunten of producenten van andere meststoffen, steeds moet uitgevoerd worden door een erkende mestvoerder. Voor elk transport moet op voorhand een mestafzetdocument opgemaakt worden. De Mestbank heeft het Mest Transport Internet Loket (MTIL) ontwikkeld. Dit is een internetapplicatie die de erkende mestvoerders de mogelijkheid biedt om hun transporten vóór transport online aan te melden. De gegevens die in de databank geregistreerd worden zijn: datum van transport, identificatie van mestproducent (aanbieder), identificatie van de gebruiker van de mest (afnemer), de laad- en losplaats, aantal vrachten, mestsoort, mestsamenstelling, tonnage en de nummerplaat van het voertuig. Na een controle van de opgegeven gegevens op basis van de gegevens in de databank van de Mestbank, kan de erkende mestvoerder, als de uitkomst van de controle positief is, het mestafzetdocument meteen uitprinten en het meesturen met het transportmiddel. Als uit de (automatische) controle blijkt dat het transport niet kan toegelaten worden, kan het mestafzetdocument niet afgedrukt worden. De automatische controle door het MTIL-systeem wordt uitgevoerd op basis van een aantal controleparameters die in het system ingebouwd zijn: correcte identificatie van de mestaanbieder, voerder en ontvanger, de mogelijke vervoersdatum, de tonnage, de juiste mestsoort, erkende nummerplaten, … Het MTIL-systeem kan bepaalde transporten weigeren en kan waarschuwingen geven aan de erkende mestvoerders. Deze werkwijze is in het verleden zeer effectief gebleken voor het verbeteren van het gedrag van sommige mestvoerders. Alle gegevens van MTIL worden getoond op het Mest Internet Loket (MIL) voor de landbouwers. Daarnaast geeft de Mestbank 3 keer per jaar een overzicht van alle transportgegevens aan aanbieders en afnemers van mest, zodat ze kunnen nagaan of de gegevens correct zijn. Als er onregelmatigheden worden opgemerkt, onderzoekt de Mestbank deze. De transporten moeten achteraf ook bevestigd worden in MTIL binnen de 7 kalenderdagen volgend op de dag van het transport. Een transport kan ook geannuleerd worden. Het mestafzetdocument moet ondertekend worden door de aanbieder, de mestvoerder en de afnemer.

51


Het tweede systeem regelt het transport door erkende mestvoerders over langere afstanden. In dit geval zijn alle transportmiddelen uitgerust met een ‘Automatische Gegevens Registratie - Global Positioning System’ (AGR-GPS)-apparaat. Op het moment van het laden en lossen wordt een signaal gestuurd naar een centrale server. Tijdens het mesttransport wordt om de 15 km een automatisch signaal gegenereerd en naar de centrale server doorgestuurd. Deze GPS-gegevens worden verwerkt en opgeslagen in een databank en kunnen vergeleken worden met de gegevens van de mestafzetdocumenten, met andere administratieve gegevens en met vaststellingen op terrein. Met dit systeem kan de Mestbank zich ervan verzekeren dat de mest effectief van de opgegeven aanbieder naar de opgegeven afnemer is getransporteerd. Het derde systeem regelt het transport tussen landbouwers van dezelfde gemeente of van twee aangrenzende gemeentes (Vlaanderen telt 308 gemeentes). In dit geval wordt een overeenkomst opgemaakt (burenregeling) tussen twee landbouwers. Deze overeenkomst wordt minstens 7 dagen voor transport overgemaakt aan de Mestbank. Het vierde systeem regelt de export en de levering aan niet-landbouwkundige gebruikers van bepaalde producten van zeer specifieke subsectoren. Deze transporten kunnen uitgevoerd worden door erkende verzenders en vereisen geen AGR-GPS. De producenten van deze specifieke producten moeten voor elk transport voorafgaand aan het transport, via het MTIL, een voormelding sturen en elk transport nadien via MTIL bevestigen.

12.2 Administratieve controle van de mestbalans en de bemestingsnormen op bedrijfsniveau 12.2.1

Concept

Alle bij de Mestbank gekende administratieve gegevens met betrekking tot de aanvoer- en afvoerstromen van nutriënten op het landbouwbedrijf (dierlijke productie, staltypes, aangegeven of gemeten mestopslag bij het begin van het jaar, gebruik van kunstmest, teelten en percelen, mesttransport,…) worden gecentraliseerd in één databank. Op basis van deze gegevens wordt een algemene nutriëntenbalans berekend op bedrijfsniveau, welke aangeeft of de toegestane bemestingsnormen op bedrijfsniveau wel of niet overschreden worden. Als de bemestingsnormen overschreden worden, wordt een waarschuwing gegeven of een administratieve boete opgelegd. De boetes bedragen 1 euro per kg nutriënt dat zich boven de norm bevindt (zowel voor P2O5 als voor N). Bij recidivisme wordt de boete verdubbeld (2 euro).

12.2.2

Bijkomende acties in 2011-2014

12.2.2.1

Concept

In het algemeen kan gesteld worden dat de kwaliteit van belangrijkste onderdelen van de berekende mestbalans op bedrijfsniveau, reeds zeer hoog is. De Mestbank doet daarbij beroep op kwaliteitsvolle gegevens die door derde partijen worden aangeleverd en die in overeenstemming zijn met de realiteit van het landbouwbedrijf. Bijvoorbeeld wordt gebruik gemaakt van de nauwkeurige registratie van de runderen uit de Sanitrace-databank. Voor sommige andere gegevens noodzakelijk voor de mestbalans is de juistheid minder gegarandeerd en is eventuele fraude moeilijker aan te pakken. Hoewel de kwaliteit van de gegevens reeds zeer hoog is, zullen bijkomende acties ondernomen worden om de kwaliteit van de informatiegegevens nog te verbeteren. 52


12.2.2.2

Verbetering van de controle van het aantal varkens en pluimvee

De aangifte van het aantal varkens en pluimvee wordt momenteel door de landbouwer zelf ingevuld en ingediend. Er ontbreekt echter een automatisch controlemechanisme dat vergissingen of fouten kan opsporen. De voorbije jaren werd een sanitaire databank ontwikkeld, het zogenaamde 'Veeportaal'. Deze databank registreert alle slachtgegevens. Deze informatie kan een beeld geven van het aantal dieren en zal gebruikt worden voor het uitvoeren van risicoanalyses bij de controle van het aantal opgegeven dieren bij landbouwers met een hoog risicoprofiel. Als uit deze gegevens onvoldoende informatie kan gehaald worden, kan de informatie voor risicoanalyses ook rechtstreeks bij de slachthuizen worden opgevraagd. Ook gegevens over het aantal oormerken of informatie over de karkassen kan, indien nodig, opgevraagd worden. Tijdens dit actieprogramma zal de Mestbank, in overleg met de beheerders van de diverse databanken, een geautomatiseerd systeem ontwikkelen voor de uitwisseling van gegevens tussen de verschillende databanken. Er zal een wettelijke basis gecreëerd worden voor de uitwisseling van deze gegevens.

12.2.2.3

Automatische uitwisseling van informatie met de veevoedersector

Volgens de huidige wetgeving moet elk veevoederbedrijf vanaf een vastgelegde productieomvang bepaalde relevante gegevens per landbouwer aan de Mestbank overmaken. Op dit ogenblik kan dit alleen schriftelijk worden ingediend. Het vraagt dan ook grote inspanningen om al deze gegevens in een databank in te voeren ter uitvoering van de nodige kruiscontroles en risicoanalyses. Daarom wordt voorzien om de uitwisseling van informatiegegevens tussen veevoederfabrikanten en de Mestbank op digitale en geautomatiseerde manier te laten verlopen. Er zal een wettelijke basis gecreëerd worden voor de uitwisseling van deze gegevens.

12.2.2.4

Aanscherping van de controle op het vervoer van mest

Voor het gebruik van eigen mest op eigen grond, kan de landbouwer mest vervoeren zonder enige aanmelding. Dit zal ongewijzigd blijven in het actieprogramma 2011-2014. Voor alle ander mesttransport voorziet het actieprogramma 2007-2010, vier verschillende systemen voor de registratie en de opvolging van het vervoer van mest (zie ook 8.1.3.). Het nieuwe actieprogramma voorziet aangescherpte maatregelen en controle voor het eerste (lokaal transport door erkend mestvoerders) en derde (burenregelingen) systeem. De andere twee systemen blijven ongewijzigd. In de huidige wetgeving zijn de erkende mestvervoerders klasse A (voor lokaal vervoer) en klasse E immers niet verplicht een AGR-GPS-systeem te gebruiken. Onder het nieuwe actieprogramma zal het gebruik van een AGR-GPS-systeem verplicht worden voor alle erkende mestvoerders vanaf 1 januari 2012. Voor plaatselijke transporten tussen bedrijven binnen dezelfde of naburige gemeenten, bestaat het systeem van ‘burenregelingen’. Hierbij sluiten twee landbouwers een contract om transporten uit te voeren gedurende een bepaalde periode. Ook bepaalde transporten tussen landbouwers en mestverwerkingsinstallaties binnen dezelfde of tussen naburige gemeentes kunnen vanaf 1 januari 2013 uitgevoerd worden met het systeem van burenregeling. Vanaf 1 januari 2013 worden een aantal verstrengingen ingevoerd om een betere opvolging te garanderen van de burenregelingen. Zo zullen burenregelingen in de toekomst enkel nog toegepast kunnen worden door landbouwers die met eigen materiaal (doelend op het trekkend voertuig, geldt niet voor de aanhangwagen) als aanbieder of afnemer de transporten realiseren binnen dezelfde gemeente of naburige fusiegemeente. In het kader van de burenregeling met eigen vervoer moet er, naast een aan te melden jaarcontract, een eenvoudige voormelding 24 uur voor uitvoering van het transport gebeuren door de aanbieder of de afnemer. Deze voormelding kan digitaal of telefonisch uitgevoerd worden. Doordat de exacte transportdatum is gekend, kunnen meer gerichte controles plaatsvinden. 53


Als de aanbieder of de afnemer van de mest het vervoer niet met eigen middelen doet of verder dan de eigen gemeente of buurgemeente rijdt, moet het vervoer worden uitgevoerd door een erkende mestvoerder. Een derde actie die bijkomend kan uitgevoerd worden, is de verplichting tot het werken met een erkende mestvoerder bij transport van mest voor landbouwbedrijven met herhaalde overtredingen tegen de maatregelen van het actieprogramma. Dit kan bijvoorbeeld bij recidiverende bedrijven met een mestbalans die verschillende opeenvolgende jaren niet in evenwicht is of bedrijven wiens bemestingsregister verschillende opeenvolgende jaren overbemesting aanwijst. Een laatste bijkomende actie betreft het beter opvolgen van de grensboeren. Op dit moment worden grensoverschrijdende transporten enkel via een administratieve procedure opgevolgd in overleg met de andere lidstaat. Momenteel zijn onderhandelingen opgestart om het grensoverschrijdend vervoer voor landbouwers met percelen in en buiten Vlaanderen op een meer automatische wijze op te volgen.

12.2.2.5

Verbetering van de controle op het gebruik van kunstmeststoffen

De informatie over het effectieve gebruik van kunstmeststoffen op een bedrijf is van essentieel belang om te bepalen of de N-gebruiksnormen werden gerespecteerd. Momenteel geven de landbouwers zelf hun gebruik van kunstmeststoffen aan, zonder dat via automatische controlemechanismen fouten kunnen opgespoord worden. Om een duidelijk beeld te hebben van het gebruik van kunstmeststoffen is een meer gerichte opvolging van de handel van kunstmeststoffen tussen de groot- en kleinhandel noodzakelijk. Daarover zal een bilateraal akkoord besproken worden tussen de overheden en de kunstmeststoffensector over de ontwikkeling van een efficiënt, gedigitaliseerd registratiesysteem. Omdat de landbouwers kunstmeststoffen buiten Vlaanderen kunnen aankopen om het registratiesysteem te omzeilen, zou dit op Europees niveau moeten aangepakt worden.

12.2.2.6

Mestbalans op bedrijfsniveau

In het actieprogramma 2007-2010 werden bepaalde marges met betrekking tot de mestbalans in aanmerking genomen voor het geven van waarschuwingen of het opleggen van boetes. Deze marges zijn geïnspireerd op het feit dat bepaalde gegevens (zoals analyses van mest, diervoeder en andere gegevens) een bepaalde variabiliteit vertonen bij het meten van hun samenstelling. In het actieprogramma 2011-2014 zullen deze marges dalen om te voorkomen dat landbouwers deze marges systematisch in rekening brengen bij hun bemestingspraktijken. Voor landbouwbedrijven waarbij het onevenwicht is veroorzaakt door sommige onzekerheden of variabiliteiten van de meetgegevens, kan er een uitzondering gemaakt worden. Het is aan de landbouwer te bewijzen dat het berekende onevenwicht toe te schrijven is aan deze elementen. Aanvullende maatregelen kunnen worden opgelegd aan landbouwers die zich nog steeds niet aan de bemestingsnormen houden, zelfs na diverse waarschuwingen en boetes. Hiertoe kunnen diverse maatregelen ingezet worden zoals: de beperking om mest van andere bedrijven te ontvangen, de verplichting om bodemstalen te nemen op verschillende percelen en het resulterende bemestingsadvies toe te passen bij de bemesting van de percelen, de verplichting tot mestverwerking, de verplichting om de mest te analyseren, de verplichting om alle mesttransporten door een erkend mestvoerder te laten uitvoeren. Deze maatregelen kunnen ook worden opgelegd als andere regels worden overtreden.

54


13 Controle van het actieprogramma 13.1 Wettelijk kader Het Mestdecreet geeft voor Vlaanderen uitvoering aan de Nitraatrichtlijn. Het wettelijk kader rond controles was vroeger ook reeds opgenomen in het Mestdecreet. In mei 2009 werd de regelgeving rond controles echter ondergebracht in het Milieuhandhavingsdecreet. Dit decreet regelt de handhaving van alle milieucontroles en bepaalt welke diensten gemachtigd zijn om controles uit te voeren. Ook de wijze van sanctioneren voor de meeste milieuovertredingen is vastgelegd in het Milieuhandhavingsdecreet. Een aantal sancties blijven echter ondergebracht in het Mestdecreet omdat de Mestbank in het verleden al een efficiënt geautomatiseerd systeem had uitgewerkt voor het opleggen en innen van verschillende administratieve geldboetes. De Mestbank heeft een grote expertise opgebouwd op het vlak van administratieve controles en terreincontroles. De administratieve boetes hangen af van de ernst van de overtreding en worden berekend aan de hand van gegevens uit de verschillende databanken van de Mestbank. De controles op het Mestdecreet worden uitgevoerd door inspecteurs van de Mestbank, ook toezichthouders genoemd. De namen van deze inspecteurs worden gepubliceerd in een Ministerieel Besluit. Inspecteurs van de Mestbank mogen, zonder voorafgaandelijk te verwittigen, alle bedrijfsgebouwen en terreinen betreden, uitgezonderd de woongebouwen. Ze kunnen inzage vorderen van alle zakelijke documenten en gegevens en hiervan kopieën nemen. Toezichthouders mogen ook zaken onderzoeken of laten onderzoeken, ze mogen hiervoor monsters nemen of laten nemen, meten en analyseren. Voor de controle van mesttransporten, zijn inspecteurs van Mestbank bevoegd om transportmiddelen stil te laten zetten, de lading te onderzoeken en de wettelijk voorgeschreven documenten op te vragen. Bij al deze zaken kunnen inspecteurs van de Mestbank de bijstand van politie en deskundigen vorderen. Bij het vaststellen van overtredingen, wordt door de inspecteur een verslag geschreven dat, afhankelijk van de aard van de overtreding, naar de Mestbank of naar het Parket gestuurd wordt. Bepaalde misdrijven moeten strafrechtelijk behandeld worden. Daarom worden deze overtredingen door middel van een proces-verbaal gerapporteerd aan de Procureur des Konings. Andere inbreuken worden bestraft met administratieve geldboetes die opgelegd en geïnd worden door de Mestbank.

13.2 De bevoegde autoriteiten Controles op het Mestdecreet worden voornamelijk door inspecteurs van de Mestbank uitgevoerd. Politiediensten en lokale overheden zijn ook bevoegd om controles op het Mestdecreet uit te voeren. Ook zijn er gemeenschappelijke bevoegdheden met inspecteurs van het Agentschap voor Landbouw en Visserij (ALV) en andere milieu-inspecteurs in het kader van de cross compliance, de agro-milieumaatregelen en de milieuvergunningen. De Mestbank is de instantie die de controles op het Mestdecreet coördineert. In elke Vlaamse provincie is een afdeling van de Mestbank gevestigd. Gezien Vlaanderen zelf verantwoordelijk en bevoegd is voor deze controles, worden deze niet op het federale maar op het Vlaamse niveau geregeld en uitgevoerd. De Vlaamse controleacties kunnen wel door de federale politie gesteund worden.

55


13.3 Het controle plan Jaarlijks wordt er een controleactieplan opgesteld waarbij gestreefd wordt naar een algemene controledruk op het terrein van 1 % voor de algemene controles, zoals controle op dierlijke productie, opbrenging van mest, mesttransporten, bemestingsnormen,… In dit controleactieplan worden jaarlijks bepaalde accenten gelegd en prioritaire controleacties opgenomen. Deze prioritaire acties worden door de Mestbank bepaald, afhankelijk van de eventueel veranderde politieke beslissingen, of worden opgelegd door Europese wetgevingen, zoals bijvoorbeeld de controle van derogatiebedrijven en controle van agromilieumaatregelen. De controledruk op deze prioritaire controleacties is meestal hoger dan 1%. Voor deze specifieke acties krijgen inspecteurs van de Mestbank een lijst van bedrijven die gecontroleerd moeten worden. Deze bedrijven worden geselecteerd door middel van een risicoanalyse. De criteria voor de selecties verschillen per actie. De provinciale afdelingen van de Mestbank mogen verdachte bedrijven toevoegen aan deze selectie en extra controles uitvoeren.

13.4 Sancties 13.4.1

Administratieve boetes en strafrechtelijke sancties

Voor een hele reeks overtredingen zijn administratieve boetes voorzien. Een eerste reeks boetes betreft inbreuken tegen de administratieve verplichtingen waaraan de mesttransporten zijn onderworpen (burenregelingen, mestafzetdocumenten, het verplichte gebruik van het AGR-GPS systeem voor bepaalde transporten). Elk jaar moeten de landbouwers verplicht aangifte doen van hun dierbezetting, van de percelen die ze in gebruik hebben, van hun mestopslag en van het gebruik van kunstmeststoffen. Indien ze nalaten dit te doen of dit niet op de geëigende manier doen, worden er administratieve boetes opgelegd. In sommige gevallen is men verplicht een register bij te houden van de dierbezetting, het gebruik van de veevoeders en de bemestingsschema’s. Indien dit niet wordt bijgehouden of niet conform de wet wordt bijgehouden,volgen er administratieve boetes. Dit zijn vaststaande bedragen gaande van 50 tot 300 euro. Voor het houden van meer dieren dan toegestaan volgens de nutriëntenemissierechten, wordt een administratieve boete van 1 euro per ontbrekend recht opgelegd. Het niet eerbiedigen van de verplichte mestverwerking zal leiden tot een boete van 2 euro per kg niet-verwerkte stikstof. De administratieve boete zal echter worden verdubbeld in geval van herhaling van de overtreding binnen de vijf jaar. Het niet eerbiedigen van het uitrijverbod en het niet-emissiearm aanbrengen van mest, stelt de overtreder bloot aan strafrechtelijke vervolging. Dit geldt evenzeer voor het aanbrengen van mest op een bodem die reeds verzadigd is van water, bevroren is, besneeuwd is of zich te dicht bij een waterloop bevindt. Idem voor het bemesten van beschermde gebieden en het illegaal lozen van mest. Strafrechtelijke vervolging kan worden ingesteld wanneer mest wordt vervoerd door voerders die niet over een licentie beschikken of met niet-goedgekeurde voertuigen rijden. Evenzo wanneer mest wordt ingevoerd naar Vlaanderen zonder rekening te houden met de wettelijke voorschriften of op het ogenblik dat een uitrijverbod werd opgelegd door de Mestbank. Sommige overtredingen kunnen zowel leiden tot strafrechtelijke vervolging als tot de oplegging van boetes: het niet-conform aanbrengen van mest en het lozen van mest strijdig met de normen opgelegd door het Mestdecreet.

56


13.4.2 Strikte procedures voor het innen van de administratieve geldboetes Teneinde de nitraatrichtlijnen te laten respecteren, legt de Mestbank boetes op. De Mestbank moet zich aan strikte procedures houden bij de inning van de boetes. De boetes moeten betaald worden binnen de dertig dagen na de oplegging ervan. Bij niet-betaling wordt in eerste instantie een herinnering verstuurd. Als dit geen resultaat oplevert, zal een dwangbevel worden opgelegd. Dit dwangbevel is een uitvoerbare titel waarbij de VLM via een gerechtsdeurwaarder de schuldenaar zal dwingen om tot betaling over te gaan. In eerste instantie zal de gerechtsdeurwaarder het dwangschrift betekenen. Dit is een officiële overmaking van de schuld aan de schuldenaar. De schuldenaar krijgt dertig dagen om aan de schuld te voldoen, in handen van de gerechtsdeurwaarder. Na deze limiet volgt een herinnering en wordt het roerend beslag voorbereid. Het roerend beslag houdt in dat de gerechtsdeurwaarder een inventaris opmaakt van de huisraad en meubelen van de schuldenaar. Bij niet-betaling zullen deze goederen openbaar worden verkocht in een veilingzaal. Soms zal de gerechtsdeurwaarder echter melden aan de Mestbank dat de waarde van deze goederen ontoereikend is om de schuld te delgen of om zelfs maar de kosten van dit beslag te dekken. Dan worden andere invorderingmogelijkheden onderzocht. De Mestbank kan aan de gerechtsdeurwaarder opdracht geven beslag te leggen op de banktegoeden van de debiteur. Dit kan slechts indien dit banknummer bij de VLM bekend is. Dit uitkomst hiervan is onzeker daar de financiële situatie niet op voorhand bekend is. Het saldo op de bank kan dan ook zeer gering zijn. De VLM beschikt ook over de mogelijkheid beslag te leggen op de nutriëntenemissierechten (NER) van de debiteur. Het leggen van het beslag zal soms al volstaan om de debiteur te laten betalen. Als dit echter niet gebeurt, kunnen deze rechten ook worden verkocht. Als de voorgaande maatregelen niets of onvoldoende opleveren, zal de Mestbank in voorkomend geval een hypothecaire inschrijving nemen op de onroerende eigendommen van haar debiteur. Dit zal slechts gebeuren als de schuld minstens 3000 euro bedraagt aangezien het om een ingrijpende en administratief tijdrovende en daarenboven relatief dure procedure gaat. Deze procedure geeft echter een grote zekerheid dat de schuld zal gedelgd worden omdat een onroerend goed toch een stevige onderpand is. Voor alle hierboven vermelde procedures en in elk stadium van de invordering, zal de Mestbank echter toestaan dat de schuldenaar zijn schuld afbetaalt in schijven volgens een afbetalingsplan. De maandelijkse som van de afbetaling zal dan wel in verhouding moeten staan met de schuld, waarbij het plan zal moeten voldoen aan de normen die zijn opgelegd door de raad van bestuur van de VLM. De Mestbank is een afdeling van de Vlaamse Landmaatschappij (VLM).

57


13.5 Cross-compliance en agro-milieumaatregelen De overtredingen op de cross-compliance en de agro-milieumaatregelen worden gerapporteerd via een officieel verslag door de Mestbank aan het controleorgaan voor de cross-compliance (Agentschap voor Landbouw en Visserij) door middel van een “crosscompliance informatie toepassing”. Dit is een geautomatiseerde toepassing die speciaal voor dit doel opgezet werd. Daarnaast verstrekt de Mestbank op vraag van het Agentschap voor Landbouw en Visserij, de mestgegevens en de mestrekeningen van de landbouwbedrijven die zij voor de controle op de cross-compliance hebben geselecteerd. De volgende elementen worden gecontroleerd in de cross-compliance:        

Voldoende mestopslagcapaciteit Constructievereisten van de mestopslag Respecteren van de maximale bemestingsnormen Respecteren van de verbodsperiode Gebruik van mest op drassige, overstroomde, bevroren of besneeuwde gronden Gebruik van mest dichtbij waterlopen en op steile hellingen Emissiearme aanwending van mest Lozing van mest in waterlopen

Voor de agro-milieumaatregelen is de uitwisseling van informatie ook geautomatiseerd.

14 Vermindering van de fosfaataanrijking in oppervlaktewater door voorkoming van bodemerosie Bodemerosie leidt tot het transport van sediment (bodempartikels) naar het oppervlaktewater. Doordat fosfor sterk gekoppeld is aan bodempartikels, wordt met dit sediment ook fosfor meegevoerd naar het waterlichaam. Bovendien is dit sediment relatief verrijkt aan fosfor, gezien fosfor in de bodem voornamelijk gekoppeld is aan de fijne textuurfractie en deze fijne textuurfractie het meest gevoelig is voor bodemerosie. In het waterlichaam kan het sediment zowel fosfaten vrijgeven als opnemen. Als dusdanig is dit sediment een potentiële bron van fosfaatverrijking in het oppervlaktewater. De erosiegevoeligheidskaart van Vlaanderen (Figuur 3) geeft aan dat bodemerosie voornamelijk voorkomt in het zuidelijk deel van Vlaanderen, waar voornamelijk leem- en zandleembodems voorkomen op matige tot steile hellingen. Gezien de schade door bodemerosie zich zowel on-site (verlies van bodemkwaliteit, gewasschade) als off-site (modderstromen, schade aan wegen en woningen, sedimenttransport naar oppervlaktewater) situeert, heeft de Vlaamse overheid werk gemaakt van een uitgebreid erosiebeleid. Zowel lokale overheden (gemeenten) als landbouwers worden gestimuleerd om preventieve en remediërende erosiebestrijdingsmaatregelen uit te voeren.

58


Figuur 4 Gemiddelde erosiegevoeligheid van de Vlaamse gemeenten

Sinds de invoering van het Erosiebesluit in 2001 worden subsidies verleend aan gemeenten voor het opstellen van een gemeentelijk erosiebestrijdingsplan. Op dit ogenblik beschikken de meeste erosiegevoelige gemeenten over een gemeentelijk erosiebestrijdingsplan (94 gemeenten) of zijn bezig met de opmaak van een dergelijk plan (9 gemeenten). Deze plannen bevatten richtlijnen voor het bestrijden van bodemerosie op het grondgebied van de gemeente, gaande van brongericht maatregelen op de akkers tot kleinschalige inrichtingswerken stroomafwaarts. Gemeentelijke erosiebestrijdingswerken worden door de Vlaamse overheid gesubsidieerd voor 75% van de totale investeringskosten. Deze subsidie betreft ook de vergoeding van de grondinname aan eigenaars en landbouwers. In de periode 2002-2009 werd 6,8 miljoen euro subsidies verleend aan de Vlaamse gemeenten voor de realisatie van erosiebestrijdingswerken. Recent traden twee belangrijke wijzigingen van het Erosiebesluit in werking die de versnelde uitvoering van erosiebestrijdingswerken beogen: 1) Vanaf 2010 kunnen gemeenten een subsidie aanvragen voor het aanstellen van een erosiecoördinator die de realisatie van gemeentelijke erosiebestrijdingswerken ondersteunt. Met deze aanstelling van lokale erosiedeskundigen wordt verwacht dat erosiebestrijdingsinitiatieven zullen gestimuleerd worden, zowel top-down als bottemup. 2) Vanaf 2011 werd de administratieve procedure voor het aanvragen van subsidies drastisch vereenvoudigd, zodat de gemeenten op korte termijn erosiebestrijdingswerken kunnen realiseren. Op de meest erosiegevoelige percelen heeft de Vlaamse overheid verplichte maatregelen opgelegd in het kader van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid. Sinds de Mid Term Review (2003) wordt het ontvangen van inkomenssteun afhankelijk gemaakt van de toepassing van specifieke milieugerelateerde beheerseisen (randvoorwaarden), zoals het in goede landbouw- en milieuconditie houden van de landbouwgrond. Vlaamse landbouwers

59


zijn verplicht bepaalde brongerichte erosiebestrijdingsmaatregelen te nemen op hun meest erosiegevoelige percelen. Tenslotte kunnen individuele landbouwers sinds 2005 beheerovereenkomsten sluiten in het kader van het Vlaams Plan voor Plattelandsontwikkeling. De subsidies voor erosiebestrijding zijn zeer succesvol. De totale oppervlakte van grasbufferstroken en grasgangen bedroeg eind 2009 3.520 ha, terwijl niet-kerende bodembewerking en directe inzaai werden toegepast op 2.492 ha. Bovendien worden de investeringen voor gespecialiseerde machines voor nietkerende bodembewerking gedeeltelijk terugbetaald door het Vlaamse Investeringsfonds. Het Vlaamse erosiebeleid moet, samen met sensibiliserende acties, leiden tot een aanzienlijke vermindering van bodemerosie en bijgevolg tot een vermindering van de aanrijking van oppervlaktewater met fosfaat via sedimentaanvoer.

15 Agro-milieumaatregelen Figuur 4 geeft een overzicht van de huidige agro-milieumaatregelen (Van Zeebroeck M., Maertens E. (2010) Vlaams Programma voor Plattelandsontwikkeling 2007-2013, Jaarverslag 2009, Departement Landbouw en Visserij, afdeling Monitoring en Studie, Brussel). De agro-milieumaatregelen met als doel ‘de bescherming van wateren’ zijn:

 Beheerovereenkomst water (verminderde bemesting)  Beheerovereenkomst erosie (erosiebestrijding) o Grasbufferstroken o Grasgangen o Niet-kerende bodembewerking o Directe inzaai  Beheerovereenkomst perceelsrandenbeheer (Grasbufferstroken nabij kwetsbare elementen, zoals waterlopen) Meer dan 1.600 landbouwers hebben een beheerovereenkomst verminderde bemesting voor een totale oppervlakte van 29.500 ha. 800 landbouwers hebben een beheerovereenkomst voor erosiebestrijding. Dit betekent 800 ha grasbufferstroken en 3.100 ha met niet-kerende bodembewerking of directe inzaaien. 1.136 landbouwers hebben een beheerovereenkomst perceelsrandenbeheer voor 1.500 ha.

60


Figuur 5

Landbouwoppervlakte (ha) voor de verschillende agro-milieumaatregelen in de periode 2000-2009

Tot 2010 bestond een agro-milieumaatregel voor groenbedekking die heel succesvol was. Omdat het voor de overheid te duur werd, bestaat deze maatregel niet meer, resulterend in een mogelijke daling van het gebruik van vanggewassen. Met dit actieprogramma zal het gebruik van vanggewassen sterk worden aangemoedigd. De agro-milieumaatregelen voor waterkwaliteit zullen tijdens de volgende programmaperiode worden herzien om een sterkere nadruk te bereiken op de verbetering van de waterkwaliteit. Ook zullen agro-milieumaatregelen voor vanggewassen tijdens de winter opnieuw in overweging worden genomen. Deze maatregelen zijn ook onderhevig aan de implementatie van de beschreven maatregelen voor het nitraatresidu.

61


16 Milieueffectbeoordeling van het programma Wat de toepassing van de bepalingen van de Plan-MER-richtlijn (Richtlijn 2001/42/EG) betreft, neemt de Vlaamse overheid in beginsel aan dat, volgens de huidige Europese wetgeving en de recente rechtspraak, niet kan afgeleid worden dat de nationale overheid bij het opstellen van een actieprogramma in uitvoering van artikel 5, lid 4 van de nitraatrichtlijn, op automatische wijze en voor de gehele inhoud van het programma een milieueffectenrapport moet opstellen. Allereerst houdt de fundamentele verplichting van de Plan-MER-richtlijn in dat een milieueffectbeoordeling moet worden uitgevoerd voor elk plan en programma voor zover het aanzienlijke milieueffecten zou kunnen hebben (zie art. 3, lid 1, Plan-MER-richtlijn). Volgens deze Richtlijn betekent dit dat het voorliggend Vlaams actieprogramma – dat een programma is in kader van de "de landbouw"- het kader moet vormen voor de vergunningen voor toekomstige ontwikkelingen van individuele projecten, die onder de project-MER-richtlijn (Richtlijn 1985/337/EEG) zijn opgenomen (zie art. 3, lid 2 Plan-MER-richtlijn). Het Europees Hof heeft duidelijk gesteld dat hierbij met de concrete omstandigheden moet rekening worden gehouden om te zien of er een echte koppeling bestaat tussen de maatregelen in het programma en de procedure voor toestemming voor de betrokken projecten. In de zaak C105/09, besloot het Hof van Justitie: “Een actieprogramma dat is vastgesteld krachtens artikel 5, lid 1, van richtlijn 91/676/EEG (…) is in beginsel een plan of een programma als bedoeld in artikel 3, lid 2, sub a, van richtlijn 2001/42/EG (…) wanneer het (…) maatregelen bevat waarvan de nakoming een voorwaarde is voor de toekenning van de vergunning die kan worden verleend voor de verwezenlijking van de projecten die zijn vermeld in de bijlagen I en II bij richtlijn 85/337/EEG (…) ". Het is onbetwistbaar dat maatregelen met betrekking tot de opslagcapaciteit dergelijke maatregelen vormen. Andere maatregelen vallen buiten de werkingssfeer van artikel 3, lid 2. Bovendien moet rekening gehouden worden met het feit dat het Vlaams mestbeleid historisch werd opgebouwd, dankzij de verschillende opeenvolgende versies van actieprogramma’s, die werden uitgedrukt in wetgeving en die periodiek werden geëvalueerd en indien nodig herzien, overeenkomstig de nitraatrichtlijn. Daarom kan het huidige actieprogramma 2007-2010 en het voorliggende ontwerp actieprogramma 2011-2014, deels gezien worden als een wijziging van vroegere actieprogramma’s. Dit is nu precies het geval voor de maatregelen met betrekking tot de opslagcapaciteit. Deze maatregelen werden al in de vroege jaren negentig van de vorige eeuw getroffen en zij hebben volledige beleidseffecten verwezenlijkt voor de projecten van de mestproducenten, met name via vergunningsbeleid. Het huidige en het volgende actieprogramma verfijnen enkel deze maatregelen. In beide gevallen is artikel 3, lid 3 van de Plan-MER-Richtlijn toepasselijk aangezien het duidelijk gaat om "kleine" wijzigingen van maatregelen in het reeds geldende actieprogramma, die het kader vormen voor vergunningen, in het bijzonder deze met betrekking tot de opslagcapaciteit van dierlijke mest. De toepassing van artikel 3, lid 3 van de Plan-MER-richtlijn impliceert ook de toepassing van de bepalingen van leden 5, 6 en 7 van dat artikel 3. Dit omvat dus een beoordeling van het actieprogramma op grond van de criteria van bijlage II van de Plan-MER-richtlijn om na te gaan of er aanzienlijke milieueffecten zijn, alsook de raadpleging van bepaalde instanties en de verplichting om het publiek te infomeren6. Gelet op de bepalingen van Richtlijn 2003/35/EG betreffende inspraak van het publiek en gelet op de evidentie om brede 6

Als gevolg van de omzetting in de Vlaamse wetgeving betreft dit de toepassing van het geval bepaald in van artikel 4.2.3, §3 van het DABM, dat procedureel werd bepaald in de artikelen 4.2.5. tot 4.2.7 DABM en het besluit van 27 oktober 2007 betreffende de milieueffectrapportage over plannen en programma’s (“Onderzoek tot milieueffectrapportage”).

62


maatschappelijke steun voor de maatregelen te vinden, wenst de Vlaamse overheid binnen de procedure van art 3, lid 3, van de Plan-MER-richtlijn, ook op de meest doeltreffende manier de belangrijkste belanghebbenden te betrekken. Om te voldoen aan de vereisten van de Plan-MER-richtlijn (2001/42/EG) en de Richtlijn 2003/35/EG betreffende inspraak van het publiek, is de Vlaamse overheid gestart met de “screeningprocedure” zoals bepaald in artikel 3, lid 3 van de Plan-MER-richtlijn (m.b.t. “kleine” wijzigingen van maatregelen in het reeds geldende actieprogramma, die het kader vormen voor vergunningen, in het bijzonder deze met betrekking tot de opslagcapaciteit van dierlijke mest). De Vlaamse Landmaatschappij stelde hiertoe een screeningsnota op waarin onderzocht is of de gewijzigde maatregelen van het verscherpte actieprogramma 2011-2014 mogelijks aanzienlijke milieueffecten kan veroorzaken t.o.v. het vorige actieprogramma. De Plan-MERscreening is hiermee ruimer dan strikt noodzakelijk volgens de Nitraatrichtlijn. In de screeningsnota is men tot het besluit gekomen dat het verscherpte actieprogramma in zijn huidige vorm in vergelijking met het vorige geen aanzienlijke negatieve milieueffecten kan genereren. Er werd een adviesronde georganiseerd waarbij verschillende overheidsinstanties (gemeentes, provincies en adviesinstanties) geraadpleegd werden i.v.m. de screeningsnota. Een aangetekend schrijven werd verstuurd naar de verschillende overheidsinstanties op 25 maart 2011 met de uitnodiging om een advies te formuleren op de screeningsnota. De overheidsinstanties kregen een termijn van 30 dagen om een advies over te maken aan de Vlaamse Landmaatschappij. Op 18 april 2011 werd een herinneringsbrief verstuurd naar de overheidsinstanties die nog geen advies overgemaakt hadden aan de Vlaamse Landmaatschappij. De adviesronde in het kader van de screeningsnota had specifiek de milieueffecten als onderwerp. Inhoudelijke opmerkingen op het ontwerp actieprogramma zelf konden geformuleerd worden tijdens het openbaar onderzoek dat liep van 16 februari 2011 tot 18 maart 2011. De opmerkingen geformuleerd tijdens het openbaar onderzoek brachten geen significante negatieve milieueffecten aan het licht en hadden daarom geen invloed op de screening van de milieueffecten van het ontwerp actieprogramma 2011-2014. De naar aanleiding van de adviesronde aangepaste screeningsnota en de ontvangen adviezen werden voorgelegd aan de dienst MER van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energy die de finale beslissing nam met betrekking tot de Plan-MER-plicht over het verscherpte actieprogramma op 4 mei 2011. Deze beslissing is gepubliceerd op de website: http://www.lne.be/themas/milieueffectrapportage/raadplegenmilieueffectrapportages/dossierdatabank, met dossiernummer 1056.

63


17 Verdere verbetering 17.1 Tussentijdse evaluatie in 2013 Een tussentijdse evaluatie zal in 2013 plaatsvinden om de vooruitgang van de waterkwaliteit van de winters 2010-2011, 2011-2012 en 2012-2013 en de vooruitgang in de metingen van het nitraatresidu van 2010, 2011 en 2012 te evalueren. Als deze resultaten met de doelstellingen overeenstemmen, zal geen verdere verscherping plaatsvinden. Als deze resultaten niet met de doelstellingen overeenstemmen, zal verdere verscherping plaatsvinden in relatie tot het nitraatresidu. Als de evaluatie in 2013 aantoont dat de vooruitgang van de waterkwaliteit niet met de doelstellingen overeenstemt, zal een bemestingsverbod worden geïntroduceerd voor percelen boven de Z-waarde en een vermindering van het gebruik van dierlijke mest met 10% (maximum 155 kg N/ha) op bedrijfsniveau voor landbouwbedrijven met een perceel boven de Z-waarde. Deze maatregelen zullen van toepassing zijn vanaf 2014.

17.2 Overzicht in 2014 De vooruitgang van de doelstellingen die zijn geformuleerd in hoofdstuk 2, zal in 2014 worden geëvalueerd. Deze evaluatie omvat een voorspelling over de trend in waterkwaliteit voor de periode 2015-2018, gebaseerd op de reeds genomen maatregelen. Als uit het resultaat van deze evaluaties blijkt dat de doelstellingen niet zullen bereikt worden, zal een verdere verscherping worden uitgevoerd in het actieprogramma 2015-2018. Als de evaluatie in 2014 aantoont dat de vooruitgang in waterkwaliteit niet met de doelstellingen overeenstemt, kan een boete worden geïntroduceerd voor percelen boven de Z-waarde vanaf de nitraatresidumetingen van 2014. De Vlaamse overheid zal supplementaire verscherpte maatregelen treffen indien nodig voor het realiseren van de doelstellingen voor het bereiken van een goede waterkwaliteit. Daartoe zullen de studies die tijdens dit actieprogramma zullen worden uitgevoerd en de voorspelling van de waterkwaliteit, in overweging worden genomen. Deze maatregelen zullen worden genomen tijdens de actieprogrammaperiode 2015-2018. Vanaf 2015 zullen de maatregelen in werking treden die nodig zijn om ten minste 50% van de kloof tussen de voorspelde waterkwaliteit en de set waterkwaliteitsdoelstellingen voor 2018 te dichten. De rest van deze kloof zal worden gedicht in de periode 2016-2018. Deze maatregelen kunnen zijn: een daling van de bemestingsnormen voor dierlijke mest, een verbod op het gebruiken van dierlijke mest, een daling van de totale bemestingsnormen voor N, een verplichting van het toepassen van bemestingsadviezen op het gehele landbouwbedrijf, de verplichting van het vervoeren van alle geproduceerde mest met erkende vervoerders uitgerust met AGR-GPS, de verplichting van het gebruiken van een data log systeem bij het uitvoeren van de bemesting, of een combinatie maatregelen. Dit kan regionaal geïmplementeerd worden op basis van de lokale waterkwaliteit.

64


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Actieprogramma_Nitraatrichtlijn_Vlaanderen_2011_2014.pdf by Vlaanderen-be - Issuu