Achtergronddocument ‘Frisse wind door certificatensteun?’ Brussel, 3 april 2020
Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen Wetstraat 34-36, 1040 Brussel T +32 2 209 01 11 info@serv.be www.serv.be
‘Frisse wind door certificatensteun?’
Dit achtergronddocument werd opgemaakt door het SERV-secretariaat ter ondersteuning van het sociaal-economisch overleg en de beleidsadvisering door de sociale partners in de SERV. De bevindingen, interpretaties en conclusies in deze bijlagen vallen volledig onder de verantwoordelijkheid van het SERV-secretariaat en kunnen op geen enkele wijze toegeschreven worden aan de Raad, een organisatie vertegenwoordigd in de Raad of een lid van de Raad.
Contactpersoon: Annemie Bollen – abollen@serv.be
2
‘Frisse wind door certificatensteun?’
Inhoud Achtergronddocument ........................................................................................................ 4 1
Situering ................................................................................................................. 4
2
Basisdata voor de berekening .............................................................................. 4
3
Impacts van de voorgestelde wijzigingen ............................................................ 5
3.1
Steunverlening in € .................................................................................................. 6
3.2
Certificatentoekenning ............................................................................................. 7
3.3
Elektriciteitsfactuur gezin ......................................................................................... 8
3.4
Totale certificatenkosten .......................................................................................... 9
3.5
Steun aan diverse technologieën ............................................................................. 9
4
Beperkingen van de berekeningen ....................................................................... 10
3
‘Frisse wind door certificatensteun?’
Achtergronddocument 1
Situering
Dit achtergronddocument werd opgemaakt door het SERV-secretariaat bij de voorbereiding van het SERV-advies ‘Frisse wind door certificatensteun’. Dat advies is een reactie op de vraag van de minister van energie om te reflecteren op de onderzoeksvragen die behandeld worden in de studie ‘Evaluatie van het gebruik van de internal rate of return (IRR) methode en van de impact van maximale bandingfactoren’.
In dit achtergronddocument wordt door het SERV-secretariaat een ruwe inschatting gemaakt van de impact van de voorgestelde wijzigingen inzake de aanpassing van de IRR’s en de afbouw van de maximale bandingfactoren voor nieuwe groene stroominstallaties op de elektriciteitsfactuur. Deze inschatting gebeurde voornamelijk op basis van de vermogens- en productiedata uit het Vlaams klimaat- en energieplan 2021-2030, IRR- en bandingfactorendata uit de Trinomicsstudie1, de certificatenvolumes uit het Deel 3 Quotumrapport van VEA2, data uit de energiekaart van VEA en het certificatenrapport van de VREG3. De inschatting gebeurt voor 2020 tot 2025 omdat er hiervoor IRR-gegevens uit het Trinomics-rapport beschikbaar zijn. Deze inschatting gebeurde dus op basis van publiek beschikbare informatie en is wellicht minder nauwkeurig en volledig dan de inschattingen die de administratie terzake kan maken. Tijdens een hoorzitting met de administratie, het kabinet en de uitvoerders van de studie werd naar inschattingen over de impact op de elektriciteitsfactuur gevraagd, maar deze informatie werd niet verkregen. Het is aan de Vlaamse overheid om de gemaakte inschattingen aan te vullen en te verfijnen.
2
Basisdata voor de berekening
De berekening baseert zich op verwachte volumes groene stroom (MWh) (Figuur 1) vermenigvuldigd met de steun in €/MWh in een scenario zonder steunaanpassing (BAU), een scenario met de door Trinomics voorgestelde IRR-aanpassing (IRR) en een scenario met de door Trinomics voorgestelde IRR-aanpassing én de door de Vlaamse regering voorgestelde afbouw van de maximale bandingfactoren (Figuur 2). Deze steun in €/MWh werd afgeleid van de bandingfactoren verkregen van Trinomics4 vermenigvuldigd met 97 (de bandingdeler).
1
Trinomics, ‘Evaluatie van het gebruik van de internal rate of return (IRR) methode en van de impact van maximale bandingfactoren’.
2
Deel 3 : Evaluatie quotumpad en productiedoelstellingen, https://www.energiesparen.be/sites/default/files/atoms/files/Rapport_OT_BF_deel3_2019.pdf
3
https://www.vreg.be/sites/default/files/document/rapport-2019-09.pdf
4
Trinomics maakte de cijfers over achter de figuren 4.4 tot 4.10 in het rapport.
4
‘Frisse wind door certificatensteun?’
Figuur 1: Veronderstelde jaarlijkse bijkomende groene stroomproductie5 MWh 2020 2021 2022 2023 wind 225.720 225.720 225.720 225.720 zon 10-40kW 1.596 1.596 1.596 1.596 zon 40-250kW 14.364 14.364 14.364 14.364 250-750kW 17.556 17.556 17.556 17.556 zon >750kW 38.304 38.304 38.304 38.304 biogas 25.000 25.000 24.000 25.000 biomassa 125.000 62.500 125.000 0 Figuur 2: Veronderstelde steun in €/MWh6 in diverse scenario’s BAU 2020 2021 2022 wind 20 j 25 24 23 zon 10-40kW 0 0 0 zon 40-250kW 45 37 29 zon 250-750kW 25 18 11 zon > 750kW 25 18 11 biogas 78 78 78 biomassa 78 78 78 IRR wind 20 j 25 24 12 zon 10-40kW 0 0 0 zon 40-250kW 45 37 23 zon 250-750kW 25 18 5 zon > 750kW 25 18 5 biogas 78 78 76 biomassa 78 78 78 IRR+maxBF wind 20 j 25 24 12 zon 10-40kW 0 0 0 zon 40-250kW 45 37 23 zon 250-750kW 25 18 5 zon > 750kW 25 18 5 biogas 78 74 70 biomassa 78 74 70
3
2024 225.720 1.596 14.364 17.556 38.304 20.000 0
2025 225.720 1.596 14.364 17.556 38.304 30.000 0
2023 21 0 21 4 4 78 78
2024 20 0 14 0 0 78 78
2025 18 0 6 0 0 78 78
11 0 15 0 0 76 78
10 0 7 0 0 76 78
8 0 0 0 0 78 78
11 0 15 0 0 66 66
10 0 7 0 0 62 62
0 0 0 0 0 54 54
Impacts van de voorgestelde wijzigingen
Hierna worden de berekende impacts weergegeven van de voorgestelde aanpassing van de IRR en van de voorgestelde aanpassing van de IRR’s in combinatie met de aanpassing van de maximale bandingfactoren.
5
Op basis van klimaat- en energieplan, verdeling over vermogens zonne-installaties uit energiekaart Vlaanderen, 2090 uren voor wind en 950 uren voor zon (afgeleid uit energieplan), quotumrapport (onderscheid tussen nieuwe en bestaande installaties voor biomassa). Kleine zonne-installaties (<10 kW) worden in deze figuur niet opgenomen omdat ze geen certificatensteun meer krijgen. Uitgaande van de spreiding van de zonne-installaties in 2019 werd verondersteld dat 56% van het nieuw vermogen aan zonnepanelen vanaf 2020 wordt geplaatst als kleine zonne-installaties (<10kW), 1% tussen 10 en 40 kW, 9% tussen 40 en 250 kW, 11% tussen 250 en 750 kW en 24% >750kW.
6
Op basis van Trinomics. De steun werd gelijkgesteld met de OT, tenzij de maximale bandingfactor lager is, want dan werd de maximale bandingfactor herrekend in €/MWh gebruikt.
5
‘Frisse wind door certificatensteun?’
3.1
Steunverlening in €
Figuur 3: Toegekende steun in diverse scenario’s in mio €/jaar aan nieuwe installaties >2020 BAU 2020 2021 2022 2023 2024 2025 Totaal 19 33 51 58 64 71 Zon 2 4 5 5 5 5 Wind 6 11 16 21 25 29 Biogas 2 4 6 8 9 12 Biomassa 10 15 24 24 24 24 IRRwijz Totaal Zon Wind Biogas Biomassa
2020 19 2 6 2 10
2021 33 4 11 4 15
2022 48 4 14 6 24
2023 53 4 16 8 24
2024 56 5 18 9 24
2025 61 5 20 11 24
maxBFafbouw Totaal Zon Wind Biogas Biomassa
2020 19 2 6 2 10
2021 33 4 11 4 14
2022 47 4 14 5 23
2023 51 4 16 7 23
2024 54 5 18 8 23
2025 56 5 18 10 23
Effect IRR-aanpassing (BAU-IRR) Totaal Zon Wind Biogas Biomassa
2020 0 0 0 0 0
2021 0 0 0 0 0
2022 3 0 2 0 0
2023 5 1 5 0 0
2024 8 1 7 0 0
2025 10 1 9 0 0
Effect van afbouw max.BF (IRR-maxBF) Totaal Zon Wind Biogas Biomassa
2020 0 0 0 0 0
2021 0 0 0 0 0
2022 1 e0 0 0 1
2023 2 0 0 0 1
2024 2 0 0 1 1
2025 4 0 2 1 1
0
0
4
7
10
15
Totaal effect beide wijzigingen
De aanpassing van de IRR’s zorgt minder certificatentoekenning ter waarde van 0 tot 10 mio € per jaar tussen 2020 en 2025. Vóór 2022 is er nog geen effect omdat het voorstel van Trinomics de aangepaste IRR’s pas voorziet vanaf 2022. De aanpassing van de IRR’s leidt tot minder certificatentoekenning bij PV-installaties en vooral bij windturbines omdat voor deze installaties de OT lager is dan de maximale bandingfactor. Voor biogas- en biomassa-installaties is de OT (ruim) hoger dan de maximale bandingfactor waardoor een aanpassing van de IRR op de steunverlening aan deze installaties geen invloed op heeft. De afbouw van de maximale bandingfactoren heeft vooral een impact op de biogas- en biomassa-installaties en in 2025 ook voor windturbines (omdat de maximale bandingfactor dan onder de berekende OT duikt). Die afbouw zorgt voor bijkomend 0 tot 4 mio € per jaar minder certificatentoekenning tussen 2020 en 2025. Samen zorgen beide voorstellen voor nieuwe groene stroominstallaties voor 0 tot 15 mio € per jaar minder certificatentoekenning. Gecumuleerd gaat het tussen 2020 en 2025 over 36 mio €, waarvan 26 mio € door de IRR-aanpassing en 10 mio € door de afbouw van de maximale bandingfactoren (Figuur 4).
6
‘Frisse wind door certificatensteun?’
Figuur 4: Voorstellen verminderen voor nieuwe installaties druk op elektriciteitsfactuur met 0 à 15 mio€/j
Gecum. besparing 2020-2025: IRR-aanpassing: afbouw max. bandingfactor: Bfbiomassa Bfbiogas Bfwind IRRwind IRRzon
2020
3.2
2021
36 mio € 26 10
15
10 7
4
2022
2023
2024
2025
Certificatentoekenning
Ten opzichte van het totaal aantal toegekende groene stroomcertificaten zouden de voorstellen leiden in 2025 leiden tot 3% minder certificatentoekenning, ermee rekening houdend dat sowieso door autonome evolutie het aantal toegekende certificaten al fors daalt (-25% in 2025 tov 2018) (Figuur 5). Het aantal toegekende certificaten aan nieuwe installaties zou met 14% dalen ten opzichte van de VEA-inschattingen over het aantal toe te kennen certificaten aan nieuwe installaties7. Tussen 2020 en 2025 zou het gaat over 371.605 minder toegekende groene stroomcertificaten.
7
Dat percentage is onzeker omdat de inschattingen over toe te kennen steun van Trinomics wellicht afwijken van de inschattingen door VEA. Ook de gebruikte volumes door VEA zijn onduidelijk en mogelijk niet coherent met de berekeningen die gebeurden op basis van de cijfers in het klimaat- en energieplan. Dat komt omdat de inschattingen over de certificatentoekenning door VEA dateren van juli 2019, dus van ruimschoots voor de goedkeuring van het plan en de opmaak van de Trinomics studie. Vooral de inschattingen over de volumes toegekend aan biomassa-installaties zijn onzeker omdat deze uit staafjesdiagrammen moesten worden afgeleid omdat in het klimaat- en energieplan enkel de netto toename van biomassa-productie wordt weergegeven die het resultaat is van de afbouw van bestaande biomassa-installaties en de komst van nieuwe biomassainstallaties.
7
‘Frisse wind door certificatensteun?’
Figuur 5: Aantal toegekende GSC is door voorstellen (IRR en maxBF) in 2025 3% lager dan BAU-scenario
8.000.000 7.000.000 6.000.000 5.000.000 4.000.000 3.000.000 2.000.000 1.000.000 2018
2019
2020
Bestaand
3.3
2021 Nieuw
2022 IRR
2023
2024
2025
IRR+BF
Elektriciteitsfactuur gezin
Voor een gemiddeld gezin zouden de voorstellen (IRR-aanpassing en afbouw maximale bandingfactoren gecombineerd) indien ze leiden tot een quotumverlaging een besparing betekenen van 0,04 €/jaar in 2021, 0,51 €/jaar in 2022, 0,87 €/j in 2023, 1,20 €/j in 2024 en 1,79€/j in 20258. Dat is een besparing van 3% op de bijdrage groene stroom (waarin de certificatenkosten die doorgerekend worden via de nettarieven niet in zijn meegerekend, en excl. bijdrage voor WKK) (Figuur 6). De besparing door IRR-aanpassing stijgt van 0,34 €/jaar in 2022 naar 1,24 €/jaar in 2025. De extra besparing door de afbouw van de maximale bandingfactoren stijgt van 0,04 €/jaar in 2021 naar 0,55 €/jaar in 2025.
8
Ervan uitgaande dat het aantal certificaatplichtige leveringen ten opzichte van het laatste certificatenrapport constant blijft (inleverronde begin 2019) en dat de quota volstaan om de toegekende certificaten uit de markt te nemen (dus abstractie maken van historische overschotten en de afbouw hiervan). Doorrekening via nettarieven constant verondersteld gezien impact van verlaging van steuntoekenning aan PV pas eind jaren ’20 tot uiting zal komen.
8
‘Frisse wind door certificatensteun?’
Figuur 6: Impact op de bijdrage groene stroom voor een gemiddeld gezin 90
BAU IRR IRR+BF
groene stroombijdrage gem. gezin €/j (toekenning = doorrekening)
80 70 60 50 40 30 20 10 2018
3.4
2019
2020
2021
2022
2023
2024
2025
Totale certificatenkosten
Ten opzichte van de totale groene stroomcertificatenkosten, doorgerekend via de bijdrage groene stroom (of heffing) en de nettarieven zorgen de voorstellen voor een verlaging van de kosten met 0,3% in 2022 tot 1,4% in 2025 (Figuur 7). Figuur 7: Groenestroomcertificatenkosten in diverse scenario’s in mio € 1.400 1.200 1.000
800 600 400 200 2018 2019 2020 2021 2022 2023 2024 Bijdrage GS Nettarief GS IRR BF
3.5
2025
Steun aan diverse technologieën
De voorgestelde wijzigingen zijn in het bijzonder betekenisvol voor windturbines. De steuntoekenning aan windturbines zou van 29 mio €/jaar in 2025 dalen naar 18 mio €/jaar, een daling met 37% (Figuur 8). Gemiddeld gaat het over 21% minder steuntoekenning aan nieuwe installaties in 2025, 17% minder voor zonne-installaties, 14% voor biogasinstallaties en 5% voor biomassa-installaties.
9
‘Frisse wind door certificatensteun?’
mio € steun nieuwe installaties
Figuur 8: Steuntoekenning vermindert relatief sterk bij windturbines
80 70 60 50 40 30 20 10 0
6
6
BAU IRR 2020 biomassa 10 10 biogas 2 2 wind 6 6 zon 2 2
6
11
11
11
BF BAU IRR 2021 10 15 15 2 4 4 6 11 11 2 4 4
14
14
BF BAU IRR 2022 14 24 24 4 6 6 11 16 14 4 5 4
zon
4
16
wind
21
16
BF BAU IRR 2023 23 24 24 5 8 8 14 21 16 4 5 4
biogas
16
25
29 18
BF BAU IRR 2024 23 24 24 7 9 9 16 25 18 4 5 5
18
20
BF BAU IRR 2025 23 24 24 8 12 11 18 29 20 5 5 5
18 BF 23 10 18 5
biomassa
Beperkingen van de berekeningen
De inschattingen kunnen een overschatting zijn van de besparing om volgende redenen: Er wordt abstractie gemaakt van de tijd tussen de startdatum waarop de steun wordt vastgelegd en de effectieve start van de toekenning van de geëngageerde steun omdat het project nog in dienst moet worden genomen. In dat perspectief zijn de ingeschatte besparingen tussen 2022 en 2025 wellicht overschat. Er wordt verondersteld dat de veronderstelde groei in groene stroomproductie in de plannen gerealiseerd wordt. Wordt die niet gerealiseerd, dan is de gerealiseerde besparing lager. De inschattingen kunnen een onderschatting zijn van de besparing om volgende redenen: De impact van de wijzigingen voor de verlengingsdossiers kon niet worden ingeschat omdat er geen publieke data beschikbaar zijn over individuele certificatendossiers om de benodigde berekeningen te kunnen doen. VEA beschikt over betere data om dergelijke inschattingen te kunnen maken. Ook de impact op WKK’s kon niet worden ingeschat. Het VEA-quotumrapport veronderstelt geen nieuwe WKK’s, enkel vervanging van bestaande, maar verduidelijkt niet hoeveel certificaten aan oude, dan wel vervangen installaties wordt toegekend. Ook hier geldt dat VEA wellicht over betere data beschikt om wel dergelijke inschattingen te kunnen maken. De kosten verbonden met de voorgestelde aanpassingen zijn moeilijker in te schatten. Ze vergen een inschatting van de impact van de steunverlaging op het gerealiseerd volume groene stroomvermogen en -productie, in relatie tot de doelstelling en in vergelijking met alternatieven om deze doelstelling te halen, bv. via statistische transfers (in het scenario van Luxemburg: 14€/MWh/jaar, weliswaar zonder de gemiste baten van lokale productie in rekening te hebben gebracht).
10