Skip to main content

Vlaams_actieplan_synthese_aanbevelingen_2002.pdf

Page 1

SYNTHESE EN AANBEVELINGEN

Synthese en aanbevelingen:

De Vlaamse werkzaamheidsgraad opnieuw doen toenemen

1

Door de recente kentering in de Vlaamse werkzaamheidsgraad (lichte daling van 63,9% in 2000 tot 63,3% in 2001) worden de Europese ‘benchmarks’ of streefcijfers hierover nog scherper gesteld op Vlaams niveau. Voor het bereiken van de gestelde objectieven op middellange en lange termijn (65,5% tot 67% in 2004 uit het Vlaams regeerakkoord, 70% in 2010 uit het pact van Vilvoorde) is het dan ook noodzakelijk de huidige en verwachte conjuncturele heropleving de komende jaren voluit te vertalen in een sterke groei van het aantal werkende Vlamingen. De Vlaamse regering en sociale partners kunnen hiertoe bijdragen m.b.v. een effectieve en evenwichtige beleidsmix. Hieronder worden een aantal van de betrokken beleidslijnen en –uitdagingen beknopt toegelicht. Figuur 1: De globale werkzaamheidsgraad (in % van de bevolking tussen 15 en 64 jaar)

65% 64% 63% 1998

62%

1999

61%

2000 60%

2001*

59% 58% 57% Vlaams Gewest

België

Euro-15

Bron: Eurostat, NIS-Enquête naar de arbeidskrachten * voorlopige raming o.b.v. de eerste drie kwartalen van 2001 van de NIS-Enquête

2

Een versterkte preventieve en actieve aanpak van de werkloosheid

De Europese richtsnoeren over de preventieve en actieve aanpak van werkloosheid worden in Vlaanderen vertaald in de verdere uitbouw van de individuele trajectwerking voor werkzoekenden, met als algemene doelstelling de werkzoekenden ‘actief’ te bereiken (via een intensieve begeleiding en/of het aanbieden van een (beroeps)opleiding of werkervaring) vooraleer ze instromen in de langdurige werkloosheid. Het aantal bereikte werkzoekenden met een individuele trajectovereenkomst neemt dan ook verder toe in Vlaanderen (van 141.000 in 2000 tot 161.000 in 2001). Uitgedrukt als een % van het totaal aantal ingeschreven niet-werkende werkzoekenden op de laatste dag van het jaar bedraagt de globale ‘dekkingsgraad’ van de trajectwerking 31% in 2001.

Vlaams Actieplan Europese richtsnoeren 2002

11

Administratie Werkgelegenheid


SYNTHESE EN AANBEVELINGEN

In Europees perspectief ligt het aandeel Vlaamse werkzoekenden die in de opvolgingsperiode (6 maand voor jongeren, 12 maand voor volwassenen) werden bereikt via één of meerdere actieve maatregelen (vorming, werkervaring of intensieve begeleiding) echter iets lager dan gemiddeld in de EU (26% tegenover 30%).

3

De daling van het bereik voor laaggeschoolde volwassen werkzoekenden

Uit diverse indicatoren blijkt dat Vlaanderen en België er steeds beter in slagen deze preventieve aanpak te realiseren voor de jonge werkzoekenden, in Vlaanderen o.m. via de systematische intake van jonge werkzoekenden in hun 3e of 4e maand werkloosheid, en via de samenwerkingsakkoorden met de federale overheid over het inschakelingsplan en de startbaanovereenkomst. Ook de vooropgestelde beleidsprioriteit voor de laaggeschoolde jonge werkzoekenden wordt in 2001 verder in praktijk gebracht. Uit de opvolging van het bereik en niet-bereik van de volwassen werkzoekenden (ouder dan 25 jaar) blijkt echter dat hun instroom in de langdurige werkloosheid verder toeneemt (van 25% in 2000 tot 36% in 2001), en dat het aandeel volwassen werkzoekenden die instromen in de langdurige werkloosheid zonder het afsluiten van een individuele trajectovereenkomst recent is toegenomen, en dit volledig op rekening van de laaggeschoolde volwassen werkzoekenden (42% niet-naleving in 2001 tegenover 28,5% in 2000). Figuur 2: De preventieve aanpak van langdurige werkloosheid (Vlaams Gewest)

Jonge werkzoekenden (- 25 jaar)

45% 40% 35% 30% 25% 20% 15% 10% 5% 0%

1999 2000 2001

Instroom in de langdurige werkloosheid

Niet-bereik

Volwassen werkzoekenden (+ 25 jaar)

45% 40% 35% 30% 25% 20% 15% 10% 5% 0%

1999 2000 2001

Instroom in de langdurige werkloosheid

Niet-bereik

Bron: VDAB

Vlaams Actieplan Europese richtsnoeren 2002

12

Administratie Werkgelegenheid


SYNTHESE EN AANBEVELINGEN

4

Beleidsprioriteit voor ouderen

Uit de meest recente cijfers blijkt dat de structureel lage werkzaamheidsgraad bij ouderen - de werkzaamheid van de groep tussen 55 en 64 jaar is in Vlaanderen en België het laagst van de EU - opnieuw daalt (van 25,6% in 2000 tot 24,5% in 2001), terwijl de groei bij de ouderen in 2000 nog sterker was dan gemiddeld. Het nieuwe VESOC-actieplan ter bevordering van de werkgelegenheid van ouderen biedt een eerste antwoord op deze acute beleidsuitdaging voor de Vlaamse overheid (o.m. via de zilverpasplannen). In de toekomst is een versterkte beleidsinspanning voor de oudere werkzoekenden en werknemers aangewezen, o.m. in het licht van de geplande afbouw van het federale stelsel van oudere ‘uitgeschreven’ werklozen, waardoor in de nabije toekomst een groter aantal 50-plussers tot de bij de VDAB geregistreerde werkzoekenden zal behoren. Figuur 3: De werkzaamheidsgraad bij ouderen (55 tot 64 jaar)

40%

35% 1997

30%

1999 2000 25%

2001*

20%

15% Vlaams Gewest

België

Euro-15

Bron: Eurostat, NIS-Enquête naar de arbeidskrachten * voorlopige raming o.b.v. de eerste drie kwartalen van 2001 van de NIS-Enquête

5

De ongekwalificeerde uitstroom verder terugdringen

Het garanderen van een voldoende startkwalificatie vormt een belangrijk objectief van het initiële onderwijs. In 2001 is de ‘ongekwalificeerde uitstroom’, dit zijn de schoolverlaters zonder een diploma hoger secundair, lichtjes gedaald in Vlaanderen (van 11,9% tot 11,4%). De verdere daling van deze ongekwalificeerde uitstroom wordt door de Vlaamse regering en sociale partners nagestreefd via tal van initiatieven zoals de herwaardering van het technisch en beroepsonderwijs (o.m. via de projecten modularisering, de stages en de regionale technologische centra), en de herwaardering van de leertijd en het alternerend leren. Voor het bereiken van de in Vlaanderen vooropgestelde daling van de ongekwalificeerde uitstroom (-20% tegen 2004, halvering tegen 2010) is een verdere inspanning nodig.

Vlaams Actieplan Europese richtsnoeren 2002

13

Administratie Werkgelegenheid


SYNTHESE EN AANBEVELINGEN

Figuur 4: De ongekwalificeerde uitstroom uit het initiële onderwijs

24% 22% 20% 18% 1998

16%

2000 14%

2001*

12% 10% 8% 6% Vlaams Gewest

België

EU-15

Bron: Eurostat, NIS-Enquête naar de arbeidskrachten * voorlopige raming o.b.v. de eerste drie kwartalen van 2001 van de NIS-Enquête

6

ICT-basisvaardigheden in het onderwijs

Vlaanderen boekte de afgelopen jaren een belangrijke vooruitgang in het licht van de Europese ICT-benchmarks voor het onderwijs (1 PC per 10 leerlingen, 100% van de scholen internet-aansluiting voor educatieve doeleinden eind 2001, nascholing van alle docenten in het gebruik van internet en multimedia tegen eind 2002). Belangrijke Vlaamse beleidsinitiatieven in dit verband zijn de PC-infrastructuurprogramma’s, de uitbouw van regionale expertisecentra en de aanstelling van ICT-coördinatoren in de scholen. Deze initiatieven moeten ervoor zorgen dat Vlaanderen de betrokken Europese benchmarks tijdig en volledig bereikt.

7

Werknemers en werkzoekenden blijven bij via permanente vorming

In het licht van de Europese strategische doelstelling over de ontwikkeling van de kennismaatschappij is het van cruciaal belang dat aan werknemers en werkzoekenden voldoende kansen geboden wordt zich permanent bij te scholen. De deelnamekans aan permanente vorming evolueert licht positief in Vlaanderen (van 6,9% in 2000 tot 7,1% in 2001). De verdere verhoging van deze opleidingsparticipatie tot 10% tegen 2010 (zoals afgesproken in het pact van Vilvoorde) vormt een belangrijke beleidsuitdaging voor de komende jaren.

Vlaams Actieplan Europese richtsnoeren 2002

14

Administratie Werkgelegenheid


SYNTHESE EN AANBEVELINGEN

Figuur 5: De participatie aan permanente vorming (25-64 jaar)

8,5% 8,0% 7,5% 1999

7,0%

2000 6,5%

2001*

6,0% 5,5% 5,0% Vlaams Gewest

België

EU-15

Bron: Eurostat, NIS-Enquête naar de arbeidskrachten * voorlopige raming o.b.v. de eerste drie kwartalen van 2001 van de NIS-Enquête

In dit verband werden in Vlaanderen recent diverse beleidsinitiatieven genomen. Voor de werknemers zijn er o.m. de opleidingscheques, het opleidingskrediet en het Hefboomkrediet. De acties voor werkzoekenden (o.m. rond ICT-basisvaardigheden) worden ingebed in de opleidingsmodules van de individuele trajectwerking. In 2001 bedroeg de gemiddelde opleidingsparticipatie1 van de geregistreerde Vlaamse werkzoekenden 7,5%. Ook deze indicator is toegenomen ten opzichte van 2000 (6,6%), wat wijst op een toegenomen opleidingsinspanning voor de Vlaamse werkzoekenden. Het kan zinvol zijn om een nieuwe kwantitatieve doelstelling m.b.t. dit ‘activeringspercentage’ van werkzoekenden via vorming en opleiding in het vooruitzicht te stellen, bv. 10% tegen 2004 en 15% tegen 2010. Uit een recente internationale survey blijkt dat in Vlaanderen een relatief groot aandeel van de opgeleide werkzoekenden meer dan één type opleiding volgen (naar schatting 50% tegenover 10% gemiddeld in de EU), wat er op wijst dat Vlaamse werkzoekenden relatief vaak ‘geïntegreerde’ opleidingsvormen krijgen aangeboden en volgen. Het gevolgde opleidingstraject wordt door de Vlaamse werkzoekenden bovendien positief beoordeeld. Ongeveer 85% van de ondervraagde werkzoekenden vond de gevolgde opleiding of intensieve begeleiding nuttig tot zeer nuttig met het oog op het vinden van werk, tegenover iets meer dan 60% gemiddeld in Europa. Uit de lage tevredenheid in de drie Scandinavische landen blijkt dat de in deze landen geldende vormings- en begeleidingsplicht wel leidt tot een hoger aandeel actief bereikte werkzoekenden, met als keerzijde van de medaille een negatieve evaluatie over de impact ervan bij een aantal (minder gemotiveerde) werkzoekenden.

1)

verhouding tussen het gemiddeld aantal in de loop van een maand via vorming en opleiding bereikte werkzoekenden en het gemiddeld aantal ingeschreven werkzoekenden op de laatste dag van de maand

Vlaams Actieplan Europese richtsnoeren 2002

15

Administratie Werkgelegenheid


SYNTHESE EN AANBEVELINGEN

8

Evenredige arbeidsdeelname voor kansengroepen

In de Europese werkgelegenheidsstrategie wordt ook aandacht gevraagd voor de bestrijding van diverse vormen van discriminatie en uitsluiting op de arbeidsmarkt. De Vlaamse regering en sociale partners komen hieraan tegemoet door de diverse VESOC-actieplannen voor kansengroepen (allochtonen, personen met een handicap, ouderen,…) vanaf 2002 in te bedden in een overkoepelend beleid voor evenredige arbeidsdeelname. Diverse indicatoren wijzen immers op de vaak grote en blijvende kloof in de arbeidsdeelname afhankelijk van een aantal persoonskenmerken. Zo is bv. de ‘nationaliteitskloof’ (verschil EU-burgers / niet-EU burgers) in de werkzaamheidsgraad in Vlaanderen vooral erg groot bij de vrouwen.

9

Administratieve vereenvoudiging voor meer ondernemerschap en werkgelegenheid

Uit recent onderzoek blijkt dat de hoge administratieve lasten een belangrijk pijnpunt blijven voor Belgische en Vlaamse ondernemers (o.m. door de complexe regelgeving inzake tewerkstelling). Op vlak van de online-beschikbaarheid van overheidsdiensten belandde België in een recent Europees onderzoek met 20% op de voorlaatste plaats. In de Europese werkgelegenheidsstrategie neemt de bevordering van het ondernemerschap via o.m. een administratieve vereenvoudiging een belangrijke plaats in. De Vlaamse overheid komt aan deze vraag tegemoet via het project e-government (uniek loket voor alle communicatie met de overheid) en via een vereenvoudiging van de tewerkstellingsmaatregelen (ook in overleg over het vereenvoudigde ‘banenplan’ met de Federale overheid).

10

Subregionaal en lokaal werkgelegenheidsbeleid geënt op de Europese richtsnoeren?

De afgelopen jaren is op Europees niveau de aandacht voor de (sub)regionale en lokale dimensie van het werkgelegenheidsbeleid toegenomen. In Vlaanderen werden de STC-beleidsplannen voor 2002 afgestemd op de structuur van de Europese richtsnoeren. Op lokaal niveau staan de verdere uitbouw van de lokale werkgelegenheidsfora en de lokale werkwinkels vooraan op de beleidsagenda. Een belangrijk nieuw initiatief voor 2002 is de lancering van het nieuwe stelsel van dienstencheques, waarbij de creatie van lokale dienstenwerkgelegenheid gekoppeld wordt aan de invulling van een aantal niet-vervulde maatschappelijke behoeften op het gebied van zorg en gezinsdiensten.

11

Modernisering van de arbeidsorganisatie

De Europese doelstelling over de modernisering van de arbeidsorganisatie beoogt een optimale afstemming tussen flexibiliteit en zekerheid. Een belangrijk Vlaamse beleidsinitiatief in dit verband is de vernieuwing van het stelsel van de aanmoedigingspremies voor loopbaanonderbreking (vanaf 2002 tijdskrediet). De nadruk verschuift hierbij naar het autonoom beheer van de loopbaan, met specifieke aandacht voor levenslang leren en de vlotte combinatie tussen arbeid en zorg, waarbij de sectoren zelf een keuzemenu kunnen opstellen.

Vlaams Actieplan Europese richtsnoeren 2002

16

Administratie Werkgelegenheid


SYNTHESE EN AANBEVELINGEN

Het stelsel van loopbaanonderbreking/tijdskrediet kent een hoge vlucht in het Vlaams Gewest: van 67.600 loopbaanonderbrekers in 2000 naar 97.100 in 2001 (+17%). Vooral de combinatie van deeltijds werk met een aanvullende premie voor deeltijdse loopbaanonderbreking wint de laatste jaren aan belang (57.300 in 2001). De tijdelijke (vaak deeltijdse) onderbreking van de loopbaan beantwoordt dus duidelijk aan een maatschappelijke behoefte. Het aandeel onvrijwillige deeltijdarbeid is in Vlaanderen in Belgisch perspectief dan ook relatief beperkt, en daalt verder in 2001.

12

Combinatie arbeid en zorg en gelijke kansen M/V

De aandacht voor de gelijke kansen tussen mannen en vrouwen vormt een horizontaal aandachtspunt in de Europese werkgelegenheidsstrategie. Vanuit het idee van ‘gendermainstreaming’ wordt aan de lidstaten gevraagd voor elk van de richtsnoeren en beleidsinitiatieven de nodige aandacht te besteden aan de genderdimensie. De genderkloof in de werkzaamheidsgraad blijft aanzienlijk in Vlaanderen (18 procentpunten), maar neemt wel verder af. In de Vlaamse tewerkstellingsprogramma’s zijn de vrouwen alvast iets sterker vertegenwoordigd dan hun globale aandeel in de werkloosheid. Een belangrijke randvoorwaarde voor de arbeidsmarktdeelname van mannen én vrouwen is de beschikbaarheid van voldoende en kwalitatief goede opvang voor kinderen en andere zorgbehoevenden. Met de geplande uitbreiding in de voorzieningen voor kinderopvang (10.000 extra plaatsen op 4 jaar tijd) en de uitbreiding van het urencontingent in de gezinszorg komt de Vlaamse overheid tegemoet aan de Europese doelstellingen op dit vlak.

13

Besluit: een evenwichtige beleidsmix met aandacht voor de kwaliteit van de arbeid

Voor het bereiken van een werkzaamheidsgraad van 70% in 2010 is een verdere daling van de officiële werkloosheid onvoldoende, maar dienen ook een grote groep ‘inactieven’ aangesproken te worden die zich om uiteenlopende redenen niet (langer) actief aanbieden op de arbeidsmarkt, en dienen oudere werknemers te worden aangemoedigd langer aan het arbeidsproces deel te nemen. Via beleidsinitiatieven inzake de kwaliteit van de arbeid (o.m. loonharmonisatie en regularisatie van de DAC- en PBW-contracten in het Social Profit Akkoord) en een verbetering van de afstemming tussen arbeid en zorg (o.m. via de aanmoedigingspremies voor tijdskrediet en uitbreiding van kinderopvang) kan deze verhoogde (her)intrede of latere uittrede aangemoedigd worden. Ook drempelverlagende initiatieven bij de VDAB zoals de electronische zelfinschrijving via dossiermanager dragen hiertoe bij. Aansluitend zorgt de verhoging van de inzetbaarheid van de werkzoekenden (via de maatgerichte trajectwerking) en van werknemers (o.m. via loopbaanbegeleiding en het stimuleren van hun deelname aan permanente vorming) ervoor dat de afstemming tussen vraag en aanbod op de Vlaamse arbeidsmarkt vlotter verloopt.

Vlaams Actieplan Europese richtsnoeren 2002

17

Administratie Werkgelegenheid


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Vlaams_actieplan_synthese_aanbevelingen_2002.pdf by Vlaanderen-be - Issuu