Skip to main content

M&L_28_5.pdf

Page 1

M O N U M E N T E N , LANDSCHAPPEN SEPTEMBER-OKTOBER

1

& ARt

AANDELIJKS

2009

l

*«-*J LLJ^

-

\\\

Sk^é j-i

I


N.V. VAN LOY & CIE ALGEMENE RESTAURATIEWERKEN Aarschotsesteenweg 4 2230 Herselt Tel. (014)54 43 97 Fax (014)54 72 72 bouw.vanloy@skynet.be

Restauratie Sint-Dimpnakerk te Geel.

RESTAURATIE • RENOVATIE EN VERBOUWING • DAK- EN GEVELWERKEN


ItvOWÏïïi

28 jaarga september-oktot

M O N U M E ^ T E ^ , LANl EN ARCHEOLOGIE

Agentschap R-0 Vlaanderen Onroerend erfgoed Phoenix-gebouw Koning Albert H-laan 19 (bus 3) 1210 BRUSSEL Tel. 02-553 16 13 - Fax 02-553 16 05 E-mail: luc.tack@rwo.vlaanderen.be Voorzitter: Luc Tack Eindredactie: Marjan Buyle en Marcel M. Celis Fotografie: Oswald Pauwels Vormgeving en productie; LucTack Secretariaat: Diane Torbeyns

Coi'er; Gezicht op het salon m restauratie (foto 0. Pauwels)

H AP P E M

Advertentiewerving

Website: www.onroerenderfgoed.be

J. Casier Maalsesteenweg 73, 8310 Sint-Kruis Tel.: 050-36 25 89 - Fax; 050-37 33 64 E-mail: jancasier.brugge@telenet.be www.jancasier.be

Redactiecomité*

Druk Die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge Tel.; 050-47 12 72 - Fax; 050-34 37 68

Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving op rek. nr. 091-2206040-95 van Monumenten & Landschappen, Phoenix-gebouw, Koning Albert H-laan 19 (bus 3), 1210 Brussel met vermelding "M&L-jaarabonnement 2008". U ontvangt dan alle nummers van het lopende jaar. E-mail: diane.torbeyns@rwo.vlaanderen.be

Ere-voorzitter: Edgard Ooedleven Ere-leden: Jo De Schepper, Hedwig Van Den Bossche, Suzanne Van Aerschot Voorzitter: Luc Tack Kernredactie: Marjan Buyle, Marcel M. Celis, LucTack, Herman Van den Bossche, Peter Van den Hove Redactie: Anna Bergmans, Jo Bracken, Marc De Borgher, Jos Gijselinck, Catheline Metdepenninghen, Dieter Nuytten, Greet Plomteux, Paul Van den Bremt, Christine Vanthillo, Linda Wylleman, Oswald Pauwels, PietGeleyns

Zonder schriftelijke opzegging voor het einde van elk kalenderjaar, wordt een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang. Tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd.

' Het redactiecomité is samengesteld uit erfgoedconsulenten van het Agentschap R-0 Vlaanderen, Onroerend Erfgoed, en van het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed

De verantwoordelijkheid voor de gepubliceerde artikels berust uitsluitend bij de auteurs. Alle rechten voor het reproduceren, vertalen of herwerken zijn voorbehouden.

Internet

Abonnementsvoorwaarden 2009 België: 40 € (ook losse nummers verkrijgbaar voor 7 € ) . CJP'ers betalen: 28 € Buitenland: 65 €

II

ou 10

Verantwoordelijke uitgever Agentschap R-0 Vlaanderen Onroerend erfgoed Luc Tack Phoenix-gebouw Koning Albert ll-laan 19 (bus 3) 1210 BRUSSEL Tel.: 02-553 16 13 - Fax: 02-553 16 05

i

Een m i l i t a i r hospitaal in het Romeinse

Castellum

van Oudenburcj Sofie Vanhoutte

29

Herinrichting en restauratie van het stucplafond in het "Blauwe Salon" van de landcommanderij Alden Biesen Denis Van Baren en Hugo VandenBorre

42

Stucwerk van de 17de en 18de eeuw in de Lage Landen, Giuseppe Maria M o r e t t i , eenl8de-eeuwse stucwerker

Bi

in Alden Biesen Fabrice Giot

5 3 Summary


Wij hebben allemaal bescherming nodig, maar niet allemaal dezelfde!

Restauratie en Monumentenzorg

Dawaunest is door zijn agressieve chemische bestanddelen één van de belangrijkste oorzaken van onomkeerbare beschadigingen aan gebouwen en monumenten. Maar er is meer! De duif, maar vooral de duivenmest, brengt naast het cultuurpatrimonium ook onze gezondheid in gevaar door overbrenging van ziekten zoals ornithose, salmonella, psittacosis, e.a.,...

Nu is er echter BIRDEX (een gamma diervriendelijke afschrikkingsmiddelen dal de duiven voorgoed weg houdt van monumenten en gebouwen. Wilt u er meer over weten, neem dan vrijblijvend contact met ons op.

P.E.C. International n.v. Kleine Breedstraat 37, B-9100 St.-Niklaas Tel.: 03-776 84 39 - Fax: 03-777 35 09

Traditie en technologie in harmonie

p. Nijs www.pnijs.be E3-LAAN 49 - 9800 Delnze TEL 09 386 07 63 - FAX 09 380 35 71 p.nijs.nv@pandora.be

IMPERPLEX I Onzichtbare bescherming van VLOEREN & MUREN Protection invisible

ANTI-GRAFFITI 0475.731215 www.imperplex.com

.


NATUURLIJKE MAKEN HET V E R S C H I L

hydraulische kalkmortels, kallei en tadeiaktbepleistering UNILIT buitengevel isolatiesystemen LIMETICS kalkverven CORICAL silicaatverven CORISILK en KEIM irmerafwerkingen MARMOLUX, CORISTIL en DECORLUX stucco venetiano PLASTELUX en VENESTUK

Arte VI bio-ecologische bouwpartner

Arte Constructo bv. lolenberglei 18 - B-2627 Schelle - Belgium +32 (0)3 880.73.73 - Fax +32 (0)3 880.73.70 www.a nsttwitaimimatia^ iH'jf'PiiReconstruct


BVBA.

Reg. nr.: 042801 Erkenning: D23 klasse 2 de producent van kaarten, databanken en luchtfoto's voor ruimtelijke ordening en stadsrenovatie historische kaarten: archief en reproducties

mmm vm—mra,*

ar

®

NATIONAAL GEOGRAFISCH INSTITUUT INSTITUT GEOGRAPHIQUE NATIONAL

VEN NOOTSCHAP VOOR DE CONSERVATIE EN DE RESTAURATIE VAN KUNSTWERKEN - Restauratie van schilderijen (namelijk: grote formaten) - Doublering op vacuümtafel - Behandeling van: gepolychromeerde beelden, altaren en meubels, muurschilderijen. Oosters lakwerk, conservatie van kunstwerken op papier en zijde, terracotta's

ill

30 JAAR AKTIEF IN SAMENWERKING MET DE OFFICIËLE INSTANTIES DIEPESTRAAT 18 - 3061 BERTEM (Leefdaal) TEL. & FAX 02-767 97 80 E-mail: salvartes@panclora.be


BODJMA ~ NUVERHEIDSWEG 1 - 2240 ZANDHOVEN TEL. (03)475 13 00 - FAX (03)485 74 47 Venecolaan 30 - 9880 AALTER TEL, (09)375 12 66 - FAX (09)375 22 88 E-MAIL: info@bodima.be Herentalsestraat, Turnhout

Grote Markt, Mechelen ocW

:vs^ 1\e^ WV eo Gevelreiniging • Betonherstelling • G e ^ s 0 '

v^

.OV'.

^

. ttoUt'«tauratie • Ontmossan va n d a k e r ,


FOR

VOOR

ROUP RENOTEC MONUMENTENZORG AURATIE

RENOTEC NV Acaciastraat 14-0 2440 Geel Klasse 7 D 24 Klasse 5 D 23 info0renotec.be www.renotec.be


fjcff f. de neef consolidatie injecties van beton en metselwerk polymeerchemiscbe restauratie micropalen waterdichtingsinjecties uitwendige verkleving met koolstofvezel, aramidevezel (Kevlar®) stool, etc* nische gevelbepleisteringen pulstraat 7 • 2220 Heist-op-den-Berg • Belgium • Tel. +32 15 24


—F*l fill v

'

^^J ISO 9001

Schildersbedrijf W O U T I M nv Nijverheidsstraat 7 Industrieterrein 'BOKT' 3990 Peer Tel.: 011-61 0 8 0 8 Fax: 011-61 08 09 Website: www.woutim.be info: info@woutim.be

^£ VCA*


Generiek Een Romeins lazaret Nihil novum sub sole: ook Romeinse legioensoldaten werden wel eens ziek. Ongewoon zijn deze militaire hospitalen niet, maar wél uitzonderlijk want voor het oude Gallië uniek is de recente opgraving van dergelijk complex binnen de muren van het castellum in Oudenburg. Sofie Vanhoutte gunt ons hierbij een inside-blik op de ziekenzorg in de prille 3de eeuw.

Moretti: niet zomaar stuc Ruim 38 jaar na de verwoestende brand van 1971 raken de wonden van de landcommanderij Alden Bi iiesen stilaan geheeld. De restauratie, waarin een groot deel reconstructie, van het 18de-eeuwse stucplafond van het 'blauw salon' werd aldus, tot veler voldoening, enige tijd geleden afgerond. De ingreep was allesbehalve vanzelfsprekend en vergde een wel zeer bijzondere benadering: wat Denis Van Baren en Hugo Vandenborre plastisch naar de lezer vertalen.

Stuc du terroir Nog onbekend en derhalve onbemind is het stucwerk van eigen bodem. Grootmeesters als Cornells Floris De Vriendt, Lucas Faydherbe en Christiaan Hansche leenden er bijwijlen hun signatuur aan, maar nog méér een keur van vrijwel anonieme, plaatselijke ambachtslui. Dat zij hierbij ook een eigen techniek ontwikkelden, los van het Italiaans model, wéét Fabrice Giot, met voorbeelden ter staving.

^ '


So fie

Vanhoutte

EEN MILITAIR HOSPITAAL IN HET ROMEINSE CASTEllVM VAN OHÜENBORG

Luchtfoto van Oudenburg met aanduiding van het Romeinse costellum

'

en de grafvelden (VIOE)

Tijdens de opgravingen het Viaams Instituut

begin 2V''

voor het

Erfgoed (VIOE) ter hoogte

eeuw

door

Onroerend

van de

zuidwest-

hoek van het Romeinse c a s t e l l u m van Oudenburg

werden de resten gevonden

een groot complex met binnenhof helft van de 3 * eeuw. Het gebouw lijk uitgerust

met

Nader onderzoek om een militair

spectaculaire

uit de eerste was

rijke-

muurschilderingen. wees uit dat het hier

hospitaal:

Callië! Dit artikel

van

een unicum

wil dieper ingaan

gaat voor

op deze

vondst en wil een eerste

indruk

geven van hoe de medische verzorging

in het

Romeinse leger geregeld

was (1).

OUDENBURG, MILITAIR BOLWERK AAN DF RAND VAN DF KUSTVLAKTE Tussen augustus 2001 en april 2005 voerde het V I O E grootschalig archeologisch onderzoek uit in het stadscentrum van Oudenburg. De bouwplannen voor een grootwarenhuis bedreigden er een belangrijk stuk bodemarchief. In Oudenburg, vandaag een stadje van ca. 9000 inwoners, bevond zich immers in de Romeinse periode een castellum, een uitvalsbasis van het Romeinse leger (van ca. 200 na Chr. tot het begin van de 5 c eeuw na Chr.). Door zijn bijzondere strategische ligging, op een hoge dekzandrug aan de rand van de toenmalige kustvlakte, vormde dit kamp met een legereenheid van ongeveer 500 man een belangrijk onderdeel van de


kustverdediging in het noordwesten van het Romeinse Rijk. Vermits vroeger onderzoek duidelijk aangetoond had dat het bouwterrein ter hoogte van de zuidwesthoek van dit castellum lag, wist het archeologisch team waar het zich aan kon verwachten bij het opstarten van het archeologisch project. Het Oudenburgse fort vormde een onderdeel van het kustverdedigingssysteem dat vanaf de late 2 e eeuw aan de Gallische kust werd uitgebouwd, nadat onze streken waren geteisterd door Germaanse invallen van over land en over zee. De oprichting van de kampen van Maldegem-Vake en Aardenburg na de invallen van de Chauci (172-174) was vermoedelijk het begin van de uitbouw van deze linie waarvan het fort van Oudenburg vanaf ca. 200 na Christus een onderdeel vormde. De permanente legerbasis in steen uit de latere 3 e eeuw, speelde waarschijnlijk een rol in het Gallische Rijk, een afscheidingsrijk dat door Postumus, de bevelhebber van de Rijnlegers, werd opgericht in 260 na Christus tegen de regerende Romeinse keizer. Mogelijk organiseerde Postumus zijn acties in de jaren 260-268 tegen de Franken vanuit Oudenburg. Heel wat vondsten tonen aan dat het castellum tijdens de 4 c eeuw een onderdeel vormde van de Litus Saxonicum, het grootschalige verdedigingssysteem aan de Britse en Gallische kusten. Uit de nog deels bewaarde muren in de Zuidengelse forten van Portchester en Richborough kan worden afgeleid hoe imposant het stenen fort van Oudenbutg moet zijn geweest (2).

REEDS .SQ JAAR OPGRAVINGSGESCHIEDENIS Het was Prof. J. Mertens die tijdens de eerste opgravingcampagnes in 1956-1957 en 1960 de contouren van het fort lokaliseerde en de verdediging van het kamp onderzocht. Onderzoek in de jaren 1960 op twee 4 e -eeuwse militaire grafvelden ten westen van het castellum bracht de graven van de inwoners van de laatste kampfasen aan het licht. Ook de resten van een oudete burgerlijke nederzetting uit de periode tweede helft r t e eeuw - ca. 270 na Christus werden blootgelegd. Begin jaren 1990 kwamen tijdens noodopgravingen ten zuiden van het fort een burgerlijk crematiegrafveld en nederzettingssporen uit de 2 c en 3 e eeuw aan het licht. (3) Recente opgravingen, van midden 2007 tot de zomer van 2009 op de westkant van de zandrug naar aanleiding van de uitbreiding van het rusthuiscomplex Riethove, lokaliseerde de westrand van deze burgerlijke nederzetting (4).

A Evocatietekening

NIEUW ONDERZOEK, NIEUWE INZICHTEN

uit 1972 van het stenen costellum door J. Hertens

De grootschalige archeologische campagne van augustus 2001 tot april 2005 bood een unieke gelegenheid voor gedetailleerd onderzoek naar de binnenbebouwing van een castellum. Het ontrafelen van het kluwen van bewoningsniveaus en brand-, afval- en nivelleringslagen heeft een veel complexere occupatiegeschiedenis van het fort opgeleverd dan vroeger werd aangenomen. Maar liefst vijf fortperiodes kunnen onderscheiden worden. Verschillende argumenten pleiten voor een opeenvolging van drie houten en aarden forten en twee stenen castella. Het stenen fort besloeg een oppervlakte van maar liefst 153 op 176 m of circa 2,7 ha. Het betreft hier een castellum, een legerbasis voor een hulptroep van ongeveer 480 manschappen. De militaire occupatie ving vermoedelijk pas omstreeks 200 na Christus aan en kende haar einde in de beginjaren van de 5 c eeuw. Het recente onderzoek van de zuidwesthoek van het castellum biedt een kijk op de evolutie van de ruimtelijke organisatie binnen de kampmuren. Een enorm aantal sporen en structuren kwam aan het licht: restanten van houtbouwconstructies, haardplaatsen, waterputten waarvan de houten bekistingen nog deels bewaard waren, afvalkuilen, enz. Door haar bewoningsgeschiedenis heen werd de zuidwestzone voor verschillende doeleinden gebruikt. Sporen van het eerste houten en aarden fort, rond 200 na Christus te dateren, tonen de restanten van verschillende houten gebouwen die georiënteerd zijn volgens de assen van het kamp. Minstens één constructie met een indeling in een voor- en ach-

IVI&L


Plan van het opgravingterrein met schematische aanduiding van het militaire hospitaal in de zuidwestelijke hoek van het kamp (VIOE)

terkamer kan herkend worden als een contubemium, een onderdeel van een manschapsbarak waar in de regel acht soldaten hun onderkomen hadden. De militairen waren slechts krap behuisd: de arma of voorkamer die als berging diende, en de papilio, het eigenlijke woonvertrek, beslaan hier samen slechts een oppervlakte van 5,5 op 3,8 m. Later in de eerste helft van de 3 e eeuw (op basis van het aardewerk vermoedelijk tijdens het tweede kwart te dateren), domineert een groot complex met binnenhof deze zone. Het was hoogstwaarschijnlijk een valetudinarium of militair hospitaal. Het is deze vondst waarop we in dit artikel dieper willen ingaan. De aanleg van het derde houten en aarden fort, rond het midden van de 3 c eeuw, betekent opnieuw een wijziging van de ruimtelijke organisatie

met ditmaal langwerpige vrijstaande wooneenheden in de zuidwestelijke zone. In de latere 3 c eeuw werd vermoedelijk reeds het eerste stenen fort (een stenen verdedigingsmuur) opgericht. Deze aanleg vond waarschijnlijk plaats omstreeks 260 na Christus. Ateliers oï fabricae palmen nu de zuidwestzone van het castellum in. De talrijke haardplaatsen en ovens waren ingeschakeld in de metaalbewerking. Vondsten wijzen op de productie van eenvoudige mantelspelden {dna.dfii'ulae) en armbanden uit koperlegering. Lagen vol verkoolde graankorrels en talrijke maalsteenfragmenten tonen dan weer aan dat hier ook graanverwerking gebeurde. In de noordelijke sector vond J. Mertens in 1976-1977 de resten van een stenen gebouw uit deze periode. Omstreeks 275-280 na Christus kwam vermoedelijk een einde aan deze bezetting.


Pas in het tweede kwart van de 4 e eeuw werd het stenen fort gerenoveerd en herbezet. Een stenen badgebouw met ondergronds verwarmingssysteem {hypocaustuni) domineert nu de zuidwesthoek. In de late 4 e eeuw verandert het karakter van deze zone opnieuw compleet. Paarden op stal palmen in deze periode de zuidwesthoek in.

" l aarden wal periode 2

1 (paal)kullen en (stand)greppels 1 perrode 2

EEN RIJK UITGERUST CQMPI FX IN DE TWEEDE FQRTPERIODF Het eerste legerkamp in Oudenburg werd slechts korte tijd bezet. Tijdens de eerste helft van de 3 e eeuw, mogelijk in het tweede kwart, werd een tweede houten fort opgericht. De oudste gracht werd

vermoedelijke restant van haardplaats periode 2

stenen periode 2

veronderstelde structuren periode 2

neergevallen stukken pleisterwand eiste en in situ pleisterfragmenten periode 2

verdedigingsgracht periode 2 draineringsgreppels en -grachten periode 2 g ^ j sporen periode 1 of 2

sporen periode 2 of 3

latere verstoringen omgevallen pleisterwand periode 2 niet opgegraven zone

mortel- en/of steenvloeren periode 2 niveau vol dakpanfragmenten Deriode22 periode

i i

10 p g r a v j n g S V | a k 3 1


rein genivelleerd met zand en werd deze zone plaatselijk gedraineerd met een grachtensysteem.

Hortelvloer en pleisterfragmenten van het gebouw uit de tweede fortperiode (foto ÏIOE)

gedempt en een nieuwe gracht van 3 m breed werd aangelegd. De oudere wal werd deels afgegraven, misschien om de oude palissade uit te breken, en vervolgens opgehoogd en verbreed tot zo'n 10 m. De verdedigingsgracht kan aan de hand van de opgravingprofielen van J. Mertens verder noordwaarts worden gevolgd tot aan de latere noordelijke verdedigingsmuur. In deze fase lijken de bekende fortafmetingen dus reeds bereikt. Vooraleer men met de aanleg binnen de aarden wal begon, werd het ter-

Een groot complex met binnenhof van 32 op 23 m, opgericht in vakwerkbouw, domineerde de zuidwestzone in deze fortperiode. Plaatselijk wijzen enkele standgreppels op een oudere constructie. Het gebouw toont een opeenvolging van kleine kamers die aansluiten op een gang aan de noordkant, enkele grotere ruimtes aan de westkant en een gang aan de zuid- en oostzijde. De verschillende ruimtes zijn ingeplant rond een binnenhof. De kamertjes hadden een breedte van binnenwerks 1,5 tot 1,8 m en een lengte van zo'n 4,2 m. De muren van de cellen en van de gangen waren uitgerust met beschilderd pleisterwerk; verder waren deze ruimtes voorzien van mortelvloeren. O o k het binnenhof van ca. 22,5 op 14 m was oorspronkelijk voorzien van een mortelgruisvloer. Deze vloeren waren ofwel onmiddellijk op de zandige ondergrond ofwel op een bed van Doornikse kalksteenfragmenten en keien aangelegd. In enkele standgreppels waren nog verkoolde restanten bewaard van de oorspronkelijke balken. Voor de constructie van deze vakwerkbouw werd eik gebruikt (5). Het pleisterwerk was plaatselijk nog in situ bewaard aan de basis van de verdwenen lemen wanden, ofwel als van de wand afgevallen pleisterzones. De wand aan de oostrand van het complex droeg ook aan de buitenzijde beschilderd pleisterwerk. Vermoedelijk was het gebouw aan deze zijde voorzien van een portiek waarvan de staanders zich net bui-

• Pleisterfragmenten

gebouw uit de

In situ aan de

tweede fortperiode

Zicht op mortelvloer

gebouw uit de

basis van de lemen

(foto VIOE)

en standgreppels.

tweede fortperiode

restanten van het

(foto VIOE)

wanden van een


• Omgevallen pleister-

gebouw

Detail

wand aan de

(foto VIOE)

van pleisterwand

zuidzijde van het

ten het opgravingareaal bevinden. Aan de zuidkant van het gebouw werd een neergevallen pleisterwand vrij gelegd over een lengte van 11 m en een breedte van 3,5 m. De pleisterstrook met de beschildering naar boven gericht, was afkomstig van de binnenwand. Samen met het ontbreken van gelijktijdige paalkuilen en standgreppels aan de zuidzijde, toont deze omgevallen wand aan dat een rij vertrekken aan deze zijde ontbrak en dat er dus geen sprake is van een symmetrische indeling van het complex. Ervan uitgaande dat de wand over de gehele hoogte was bepleisterd, geeft de pleisterstrook een idee van de hoogte van de ruimtes. De verschillende pleisterzones werden minutieus gelicht. De reiniging van de duizenden pleisterfragmenten is volop aan de gang: nu al is duidelijk dat de wanden van dit complex bekleed waren met een kleurrijke paneeldecoratie. Gelegen op de as van het binnenhof werden de laatste restanten vrij gelegd van een kleine constructie van ca. 3 op 2,25 m, die aan de westkant een apsis lijkt te vertonen. De strook van 4 m breed tussen de zuidrand van het gebouw en de voet van de aarden wal was verhard. De doorgang naar de veronderstelde houten hoektorenconstructie was hiermee verzekerd. Ook aan de westkant was er een passage van ca. 3 m. Een grote uitgraving was vermoedelijk een zandwinningkuil. Deze strook tussen het complex en de wal werd naderhand genivelleerd met een dik kleipakket. Aan de noordoostelijke hoek van het gebouw vertrekt een omheining die noordwaarts bijna 9 m kan gevolgd worden. Net

(foto VIOE)

ten noorden van het gebouw wijst een groep van 6 paalkuiltjes op een constructie die mogelijk nog buiten het opgravingvlak doorloopt.

EEN MILITAIR HOSPITAAL De dimensies en het grondplan van het complex van Oudenburg vertonen opmerkelijke gelijkenissen met die van een stenen gebouw met binnenhof van 30 op 22 m in het fort van Housesteads (GrootBrittannië) aan de Hadrianusmuur. Dit gebouw werd geïdentificeerd als een valetudinarium of militair lazaret waarbij de kleine kamers als cellen voor de patiënten werden herkend en een grote ruimte als operatiekwartier (6). Het hospitaal van Housesteads is vergelijkbaar, maar dan wel op een kleinere schaal en met een eenvoudiger layout, met de lazaretten uit de legioenkampen van de l s t t en 2 e eeuw na Christus, zoals die van Neuss in Duitsland en Inchtuthil in Schotland. Het legioenlazaret was een groot gebouw met binnenhof, met in elke vleugel een lange middengang met ziekenkamers langs beide zijden. De identificatie van deze gebouwen als militair hospitaal is gebaseerd op de vondst van chirurgische en medische instrumenten, zoals in het legioenkamp van Novaesium-Neuss (7). Tot op heden zijn de resten van een dertigtal hospitalen in legioenkampen gekend. De legioenhospitalen konden twee tot zeven procent van de totale bezetting van het kamp huisvesten. Het oudste hospitaal

M&L


zmi

11

Cl Ijl

I

S unn-nm»! VIA PRAETORIA

* sickrooms antechamber for personal belongings and food • stores

O latrine •

first-aid room (?)

0 operating room (?) 0 sacellum

A Het grondplan van het gebouw van Oudenburg (a) vergeleken met de grondplannen van het (b) voletudinorium van Housesteads en (c) het legioenslazaret van Novae (bron: Charlesworth, 1976, p. 18 en Dyczek, 1997, p.201)

M&L

werd gevonden in het legioenkamp van Hal tern, dat in 9 na Chrisuts werd verlaten. Het is 50 op 90 meter groot en kon ongeveer 260 patiënten herbergen. Eén van de grootste en best bewaarde lazaretten is dat van het legioenkamp in Novae (Bulgarije). Zo'n 70 procent van het totale hospitaalterrein, dat bijna 6000 vierkante meter bedraagt, is tot op heden blootgelegd. Het werd opgericht ten tijde van Trajanus en werd verlaten in de eerste helft van de 3 c eeuw. Eén van de vertrekken in het hospitaal van Novae was mogelijk een opslagruimte van medische instrumenten; heel wat fragmenten van gebroken instrumenten en restanten van medische kistjes werden hier gevonden (8). Met vier tot zes patiënten per kamer kon dit hospitaal ongeveer 300 zieke of gewonde militairen opvangen. O p het binnenhof werd een kleine constructie aangetroffen van 2,4 meter op 2,6 meter dat op een laag podium stond. Het kon worden geïdentificeerd als een sacellum of schrijn voor de genezende goden HygiaHygiaea en Aesculapius-Asklepios op basis van de inscripties op voetstukken van beelden die in situ werden aangetroffen en door de vondst van enkele kleine altaren en een groot altaar gewijd aan Aesculapius. Zoals in Oudenburg waren ook in het hospitaal van Novae de wanden van de kamers bezet met eenvoudige decoratieve muurschilderingen (9).

In de castella — legerbasissen voor hulptroepen van doorgaans 480 man — komen volgens archeologisch onderzoek twee gebouwtypes in aanmerking voor de functie van valetudinarium. Het eerste type is het gebouw met binnenhof, dat als een verkleinde legioenlazaret kan beschouwd worden met slechts één rechthoek van kamers rond een binnenhof, zoals dat van Housesteads. Zeer gelijkaardig is het grondplan van het vermoedelijke lazaret van Wallsend (steenbouwfase) van 23,7 meter op 17,4 meter. Gelijkaardige gebouwen vond men verder in de castella van Benwell en Hod Hill. Het andere gebouwtype is het ganghuis, dat in de castella van Wallsend (houtbouwfase), Fendoch, Corbridge, Strageath, Künzing en Oberstimm werd aangetroffen. Het bestaat uit twee rijen kleine kamers aan beide zijden van een middengang (10). Harde bewijzen, zoals chirurgische instrumenten en medisch gereedschap, ontbreken echter om beide types met zekerheid als valetudinarium te identificeren. Meerdere argumenten wijzen in de richting van een identificatie van het Oudenburgse gebouw als een lazaret. O p basis van de frappante gelijkenis met het gebouw van Housesteads kunnen ook de kleine kamers in Oudenburg als ziekencellen en de


Twee reconstructies van het hospitaal van Novae. Links: het binnenhof en socefcm. Onder: een ziekenkamer (bron: Dyczek, e.a. 2001, p. 23 en 25)

M&L


ui uu ii i in t-

]—r

II I I I |

JfTTT

"Irir

Hod Hill

Housesteads i

^r '

WÊmr.-

Oberstimm

i

Wallsend (stone)

Benwell

i ii i m i MHT Inchtuthil

„ r

U LU U_J

g Künzing

L 1

ÜÏ

Strageath

Wallsend (timber)

Fendoch

Corbridge

Grondplannen van yermoedeliike (bron Hodgson, 2003, p. 127)

IVI&L

;t

Corbridge Red House

A

valetudimma

n

grotere ruimtes aan de westkant als onder andere een behandelingskamer of een mogelijke keuken worden geïnterpreteerd. Voor Housesteads berekende men een capaciteit van 20 tot 30 bedden (2 tot 3 bedden voor elk van de 10 kamers). Voor het hospitaal van Oudenburg kan eenzelfde capaciteit verondersteld worden. We kunnen immers aannemen dat er aan de noordzijde van het gebouw oorspronkelijk ook een tiental kamers aanwezig waren.

Ten slotte ondersteunt de rustige ligging in de hoek van het kamp een interpretatie van het Oudenburgse complex als valetudinarium. De antieke auteur Hyginus Gromaticus (of psenAo-Hyginus) raadt in hoofdstuk IV van zijn Liber de munitionibus castrorum, een werk uit de late l s t e eeuw na Christus over marskampen, immers een rustige ligging aan voor het valetudinarium waar het stil is voor de herstellende patiënten (11).

De kleine constructie op het binnenhof van het complex in Oudenburg vertoont verder een opmerkelijke gelijkenis met de constructie op het binnenhofvan het valetudinarium in het legioenskamp van Novae, zowel wat de afmetingen als wat de ligging in de as van het binnenhof betreft. Het is vermoedelijk eveneens als schrijn te herkennen waar de genezende goden werden aanbeden.

De vondst van een valetudinarium in Oudenburg is uniek. Tot nu toe werden valetudinaria in castella enkel opgegraven in Brittannia, aan de Rijn en aan de Bovengermaanse-Raetische grens. Het is de eerste maal dat in een castellum in Gallië een lazaret kan geattesteerd worden (12). Bovendien gaat het hier om één van de jongste valetudinaria tot nog toe opgegraven.


OPMERKELIJKE VONDSTEN Slechts één mogelijk medisch instrument kan toegeschreven worden aan deze fortperiode. Het gaat om een ligula of oor- of zalflepeltje uit been. Het werd gevonden in een rijke afvalkuil net buiten de zuidzijde van het complex, onder de omgevallen pleisterwand. Het archeologisch team verzamelde wel uit jongere contexten meerdere vondsten die mogelijk in verband staan met de functie van het militaire hospitaal en opgespit materiaal kunnen zijn door het graven van jongere sporen. Het gaat om enkele zalfplaatfragmentjes, waaronder één uit rode en één uit zwarte porfier (gesteenten die uit Egypte werden geïmporteerd), een instrumentje met deels afgebroken lepelvormig uiteinde — vermoedelijk een oorlepeltje of lepelsonde - , drie pincetten of epileertangen uit koperlegering, twee spatulae of sonden uit koperlegering en een mogelijk chirurgische naald uit koperlegering. De pincetten zijn van het eenvoudige type dat uit één metaal-

band werd vervaardigd en dat voorkwam van de l stc tot de 4 c eeuw na Christus (13). Net buiten het gebouw werden nog enkele andere opmerkelijke vondsten ingezameld. In de rijke afvalkuil net ten zuiden van het complex vonden we, behalve twee benen haarpinnen, ook een zwaard-

Zwaardpuntbeschermer uit koperlegering (foto H. Denis, VIOE)

Fibula met email inlegwerk (foto H.Denis,VIOE)

T U%\>\o uit been (foto H. Denis.ïlOE)

Enkele cosmetische/ medische instrumenten gevonden op de site ter hoogte van de zuidwesthoek van het castellum (foto H. DemsJlOE)

A/I&L


DE MUURSCHILDERINGEN VAN HET MILITAIR HOSPITAAL IN OUDENBURG Sofie Vanhoutte De site ter hoogte van de zuidwesthoek van het castellum van Oudenburg leverde een enorme collectie beschilderde pleisterfragmenten op, waarvan het aantal op ongeveer 70.000 stuks kan worden berekend. Het merendeel hiervan hoort toe aan het militair hospitaal uit de tweede fortperiode. Het grootste deel van het pleisterwerk uit jongere contexten bestaat bovendien vooral uit opgespit materiaal, dat hoogstwaarschijnlijk ook aan dit complex toebehoort. De pleisterfragmenten werden teruggevonden hetzij in situ aan de basis van de verdwenen lemen vakwerkwanden, hetzij als omgevallen pleisterwand, hetzij in afbraaklagen van dit complex. Na opgave van het kamp werd het terrein immers geruimd, waarbij de pleisterwanden werden afgebroken en

Plelsterfragmenten

met torato van boogvormige lijnen (foto H. Denis. VIOE)

en Lara

Laken

gebruikt om het terrein te nivelleren, zodat ze de afsluitende laag van dit fortniveau vormen. Aan de zuidzijde van het complex werd over een zone van 11 bij 3,5 meter een omgevallen pleisterwand vrij gelegd. Het bleek de binnenwand te zijn van de zuidelijke gang, die naar buiten toe was omgevallen. Ovet grote zones lag het pleister nog in verband en het werd dan ook zorgvuldig in delen gelicht. Het verband tussen deze delen is onder meer van belang omdat de positie van de verschillende decoratiepatronen op de omgevallen wand inzicht kan leveren in de lokalisatie van motieven binnen de wanddecoratie. Daarbij zijn ook de openingen in de wand interessant. De aanwezigheid van pleisterloze zones duidt mogelijk op de positie van de ramen. De reiniging van deze pleisterfragmenten is nog steeds aan de gang. Een eerste doornemen van de stukken geeft echter al een beeld van hoe het complex versierd moet zijn geweest. De fragmenten vertonen onderdelen van een eenvoudige paneeldecoratie bestaande uit lijnen, vlakken en motieven op een witte stuclaag. Door de lokalisatie op het onderste deel van de wand kunnen verschillende motieven herkend worden die thuishoren in de zogenaamde dado of het sokkelonderdeel. Het betreft hier zowel tondo's (concentrische cirkelmotieven) als plantmotieven, spatwerk dat een marmeren sokkel moest imiteren en porfierimitaties. Soms kunnen zelfs witte accenten worden onderscheiden die de zogenaamde lichtspeling op de steen moesten nabootsen. Hierboven was de wand gekenmerkt door een paneeldecoratie bestaande uit lijnwerk, dat vagelijk naar architectonische vormen verwijst, en beperkte florale motieven. O p enkele fragmenten was graffiti aanwezig die door de militairen zijn achtergelaten. Kraste een zieke soldaat hier uit verveling zijn naam of een spreuk in de wand? De studie van de pleisterfragmenten van Oudenburg kan ons ook informatie opleveren over de constructiewijze van dergelijke wanden en indirect over het vertrek of gebouw waarvan ze deel


uitmaakten. Stukken pleister, die aan de basis van de wand werden gevonden, vertonen bijvoorbeeld veelal een ruwe boord. Wellicht was hierover een planken vloer gelegd. Stukken met een gebogen rand behoorden mogelijk tot een raamomlijsting. De indruk van een lat in de achterzijde van een ander stuk kan veroorzaakt zijn door een deurlijst. Ribbels in visgraatpatroon en kruislingse uitstulpingen aan de achterkant van pleisterstukken wijzen er op hun beurt op dat er krassen in de lemen vakwerkwand, tegels of tubuli waren gemaakt om de pleisterlaag erop te laten hechten. Ten slotte is op sommige fragmenten een voortekening zichtbaar die moest helpen bij het aanbrengen van de geschilderde motieven op de pleisterlaag, zoals de incisie van cirkels onder de verschillende gekleurde randen van de tondos. In kunsthistorisch opzicht is deze paneeldecoratie misschien niet de meest interessante. Toch kan gedegen studie van dit pleisterwerk ons enorm veel informatie opleveren. O p heel wat Romeinse sites in Vlaanderen worden beschilderde pleisterfrag-

menten aangetroffen. Ze worden echter amper aan een detailonderzoek onderworpen en de vondstmelding beperkt zich meestal tot een opsomming van het aantal fragmenten, de decoratiepatronen en het gebruikte kleurenpalet. De studie van muurschilderingen kan echter tot nieuwe sociale en culturele inzichten leiden, zeker als er zoveel bewaard is als in Oudenburg. Onderzoek naar alle aspecten van het voorkomen en de verspreiding van muurschilderingen is een belangrijke strategie, om tot kennis te komen van de invloed van de Romeinse cultuur en maatschappij in dit deel van het Romeinse Rijk. Gezien het kleine aantal muurschilderingen dat in ons land tot nu toe onderzocht werd, is het van belang doorgedreven studies uit te voeren op belangrijke ensembles, om zo meer te weten te komen over de gebruikte technieken en materialen in onze gebieden. Deze bevindingen hebben uiteraard ook hun impact op het gehele archeologische verhaal van de site. Ze leveren niet alleen inzichten op over het materiaal zelf en de technische kwaliteiten van de schilder, maar ook over de totstandkoming, de oorspronkelijke context en de functie van de decoratie.

Voor de site van Oudenburg kan men zich zo de volgende vragen stellen: Met welke zorg en precisie werden deze muurschilderingen hier uitgevoerd en afgewerkt en in hoeverre kunnen we hier spreken van een luxedecoratie? Wie was er verantwoordelijk voor het aanbrengen van de muurschilderingen? Gebeurde dit door militairen zelf of gaat het om rondtrekkende kunstenaars? Gaat het hier om de echte frescotechniek of hebben we te maken met een imitatievorm? En op welke voorbeelden is de decoratie geïnspireerd? Deze en vele andere vragen zullen — voor wat het militaire hospitaal van Oudenburg betreft - in de toekomst hopelijk kunnen worden beantwoord na gedetailleerd onderzoek van de pleisterfragmenten.

Pleisterwerk met deel van een plantmotief (foto H. Dems.ïlOE)


puntbeschermer uit koperlegering. Dit ronde type met pelta-vormige uitsparing is kenmerkend voor de periode eind 2 L - eerste helft 3 e eeuw na Christus (14). Onder de omgevallen pleisterwand aan de zuidkant van het hospitaal werd nog een 3 ^eeuwse fibula met email inlegwerk ingezameld. Onder de vondsten uit koperlegering uit deze fortperiode tellen we verschillende fragmenten van wijnzeven.

DF MEDISrHF VERZORGING IN HET RQMFINSE LEGFR

• De pleisterwand werd nauwkeurig opgemeten en ingetekend zodat reconstructie moge-

De gezondheid van de militair was natuurlijk van primordiaal belang in het Romeinse leger (14). In het werk Epitoma rei militaris (ca. 390 na Chr.) van de antieke auteur Vegetius is te lezen welk groot belang de verantwoordelijke officieren hechtten aan de medische verzorging van hun manschappen. Werd een militair tijdens zijn dienst gewond, dan

was het hun plicht ervoor te zorgen dat de zieke soldaten een geschikt dieet kregen en door medische zorgen herstelden. Rekruten werden bovendien onderworpen aan een medische keuring. O n der Augustus (27 vóór tot 14 na Christus) ontstond voor de Romeinse beroepssoldaten een erkende militair-medische dienst met eigen militaire artsen. Veel militaire artsen waren Grieken, zoals ook vele van hun burgerlijke collega's. Alle dokters die in Brittannia gekend zijn bij naam, hadden Griekse namen. In de Romeinse wereld was de geneeskunde sterk ontwikkeld. De artsen genoten dan ook een hoog aanzien. Meerdere handboeken zijn bewaard die tot in de middeleeuwse periode werden geraadpleegd. Eén van de belangrijkste is de Materia Medica, samengesteld door de rondreizende militaire arts Pedanius Dioscorides. Scribonius Largus, die Claudius vergezelde naar Brittannia (43 na Christus), gaf in de inleiding van zijn werk

lijk is (foto VIOE)

• Pleisterzones werden nauwkeurig ingepakt

De fragmenten

gelicht

van de pleisterwand

(foto VIOE)

worden minutieus

zodat latere reiniging en reconstructie mogelijk is (foto VIOE)

Compositiones medicamentorum zelfs ware humanitaire gedachten mee. Hij benadrukte dat het de plicht was van de arts om ook aan de vijand medische hulp te bieden. Als soldaat en burger moest hij de vijand bestrijden zonder genade, als dokter moest hij hem genezen. Hierin klinkt duidelijk het intellectuele erfgoed na van Hippocrates. Samen met het ontstaan van een militair-medische dienst werden de eerste militaire hospitalen opge-

1VI&L


• Pleisterfragmenten

archltecluurvoorstcl-

Pleisterfragmenten

tonen

met onderdeel van

ling

die delen van de

(foto H. Denis. VIOE)

een vereenvoudigde

(foto H. Denis, ÏIOE)

paneeldecoratie

richt. Het lazaret van Haltern in Westfalen is tot nog toe het oudste. Militaire hospitalen moeten het nodige personeel hebben gehad. De medische verzorging in het legioen is door literaire, epigrafische en archeologische bronnen goed gedocumenteerd. Voor wat betreft de hulptroepen, is onze kennis echter zeer beperkt. In de loop van de Keizertijd is de organisatie binnen de hulptroepen wel meer en meer te vergelijken met die van de legioenen maar dan op kleinere schaal. O m een idee te krijgen van de medische verzorging in het hospitaal van Oudenburg, kunnen we ons dus een beeld vormen vanuit de kennis over de geneeskunde in de legioenkampen. De verantwoordelijkheid voor de organisatie van de medische verzorging lag bij de Praefectus Castrorum. Het lazaret werd door een Optio Valetudinarii geleid. De titel medicus werd door soldaten van verschillende rang gedragen, gaande van de leidende arts {medicus ordinarius) die vermoedelijk de rang had van centurio, tot de medic die de zieken verzorgde en die eveneens van de normale legerdienst vrijgesteld was. E H B O werd in het leger toegediend door de capsarii, die genoemd werden naar

de cilindrische verbanddoos (capsd) die ze droegen. Ze stonden onder de controle van de dokter, de medicus ordinarius. Verder zijn ook de benamingen van gespecialiseerde dokters gekend. Ook bij de hulptroepen was een medicus ordinarius. In het fort van Housesteads aan de Hadrianusmuur werd in de vroege 19 c eeuw een grafsteen gevonden met de inscriptie: "Aan de geesten van de overledenen (en) aan Anicius Ingenuus, medicus ordinarius van de Eerste Cohorte van de Tungri: hij leefde 25 jaar". Vermoedelijk was een deel van het medisch personeel immunes, militairen die ontheven waren van hun dagelijkse militaire plichten. Langdurig gewonden werden niet opgevangen in de lazaretten in de kampen, maar werden op ziekteverlof gestuurd naar huis of naar een herstellingsoord, zoals een nederzetting aan de kust. Er zijn weinig bronnen die vertellen over de soort ziektes en kwetsuren aan het front. Dat is onder andere ook te wijten aan het gebrek aan opgravingen van militaire grafvelden en het gebruik om tijdens de Keizertijd de doden te cremeren. O p basis van de vondsren van andere Romeinse sites in Groot-Brittannië kunnen we er wel van uit gaan dat osteoartri-


a

^

'•)

(A

mi

A Reconstructietekening van een •4

pleisterwand uit de

Reconstructie-

Villa van Druten

tekening van een

(bron: Peters e.a.,

pleisterwand uit

1978, p. 173)

Aardenburg (bron: Van Dierendonck e.a.. 1969, p. 166)

tis en breuken veel voorkwamen en dat tuberculose, jicht en lepra gekend leed waren. De fortbewoners hebben alleen informatie nagelaten over de toestand van hun ogen, tanden en ingewanden. Veel voorkomend waren oogziektes maar de reden hiervoor is onbekend. Het probleem was voornamelijk conjunctivitis, ontstoken slijmvlies van de ogen, dat zeer besmettelijk was. In de dichtbevolkte fortgemeenschap kon deze ziekte zich natuurlijk snel verspreiden. De namen van oogspecialisten zijn gekend, alsook die van verschillende oogzalven. Over militaire tandartsen zijn geen inscripties bewaard en het is zeer waarschijnlijk dat in kleine forten de medische officier zijn taak moest combineren met die van tandarts. Verder leert de analyse van beerputmateriaal ons veel over de gezondheid van de fortbewoners. Opgravingen in Carlisle (GrootBrittannië) leverden onder andere eitjes op van de

worm Trichuris trichium, een parasiet die zich nestelt in het darmkanaal en die dysenterie en uitzakking van de endeldarm kan veroorzaken. Buikloop en dysenterie worden bovendien als veel voorkomend vermeld bij de Romeinse medische schrijvers. De medici konden een beroep doen op een groot aantal geneesmiddelen, die vooral bereid waren op basis van kruiden die lokaal werden gevonden. De opium papaver was één van de essentiële ingrediënten van de pharmaceutica. Opium, bilzekruid en witte mandragora waren trouwens de enige mogelijke verdovingsmiddelen voor patiënten die een chirurgische ingreep moesten ondergaan. In het legioenskamp van Haltern werd een loden deksel van een dokterskoffertje teruggevonden, met de inscriptie: 'ex radice britan(n)icd (geneesmiddel uit


.--rr'Si

. %

y. ü de wortel van Britannia). Deze wortel, die met behulp van de Naturalis Historiae van Plinius kan vereenzelvigd worden met zuring, was een uitstekend middel tegen scheurbuik. Tijdens opgravingen op het hospitaalterrein van Novaesium vonden archeologen in een brandlaag gedeeltelijk verkoolde planten en vruchtenresten. Archeobotanisch onderzoek wees uit dat het gaat om duizendguldenkruid, thijm, bilzenkruid, bokshoorn, hertshooi en nog andere soorten. Mogelijk werden ze gebruikt als geneesmiddel en als voedsel voor de zieken. Buiten het hospitaal werden resten van planten en vruchten als weegbree, St-Janskruid, wikke, bonekruid, bonen, vijgen en perziken aangetroffen. Deze soorten worden allemaal genoemd door antieke auteurs als Celsus, Plinius, Galenus en door de militaire medicus Dioscurides als geneesmiddelen voor bijvoorbeeld oogziekten, longontsteking, jicht, reumatiek, als pleister, tegen littekenpijn, en bij doorliggen. Vleeswonden werden eenvoudig dichtgenaaid of dichtgelijmd. Verwondingen veroorzaakt door projectielen vroegen een complexere behandeling. Projectielen die vastzaten in het bot, werden zo mogelijk met de hand of een tang verwijderd. Lukte dit niet dan werd het bot ingesneden. Na de behandeling werd de wond gedicht. Wonden die niet

genaaid of gelijmd konden worden, werden met spelden gesloten. Ten slotte werd een pleister en verband aangebracht die één of meer plantenextracten en mineralen bevatten. Deze remden volgens de medici de ontstekingen af en bevorderden de wondheling. Extracten en mineralen als wijn, honing, eiwit, gemalen slakken en pijnboomhars werden hiervoor gebruikt. Aangezien er geen krachtige antiseptische producten bestonden en het instrumentarium niet ontsmet werd, was de kans op ontstekingen natuurlijk groot. Amputatie kwam dan ook vermoedelijk vaak voor als laatste reddingsmiddel. De artsen hadden verder een arsenaal aan efficiënte medische en chirurgische instrumenten (16). Van verschillende instrumenten kan echter niet met zekerheid gezegd worden of ze voor cosmetische of medische doeleinden werden gebruikt. We denken hierbij aan zalf- of wrijfplaatjes en wrijfstaven, pincetten en sonden. Er bestonden zowel lepel-, spatel- als oorsonden. Meer specifiek chirurgische instrumenten zijn scalpels, haken, tangen, messen, brandijzers, beitels, scharen, spieropheffers, botheffers, zagen, katheters, lavementen, staarnaalden, enz. Ze waren vaak zeer gesofisticeerd. Bijvoorbeeld scalpel handvaten uit koperlegering hadden


STEDELIJK ROMEINS ARCHEOLOGISCH MUSEUM OUDENBURG (RAM) De opgraving van het militair hospitaal komt natuurlijk ook aan bod in het vernieuwde Stedelijk Romeins Archeologisch Museum, dat op 29 mei 2009 de deuren opende in Oudenburg. Het RAM, dat zich in de voormalige abtsgebouwen bevindt, brengt het verhaal van het Romeinse castellum in al zijn facetten. 50 jaar na de eerste opgravingen komen de oude archeologische collecties - aan•

gevuld met recente vondsten én nieuwe inzichten uit de opgravingen van de laatste decennia - weer tot leven. In een nieuw concept met afwisselend foto's en reconstructies, maquettes en archeologische vondsten, tekeningen en computersimulaties, kan iedere bezoeker op een aangename manier de rijke Romeinse geschiedenis van het castellum in Oudenburg verkennen en beleven.

•

Stedelijk Romeins Archeologisch Museum in Oudenburg (RAM)

Sporen worden ingetekend, beschreven en onderzocht en vondsten worden ingezameld (foto VIOE)

ipn

M&L


Zicht op een door-

Sleufwand met zicht

middeleeuwse zoge-

snede van de verde-

op de Romeinse

naamde 'zwarte

digingsgrachten van

lagen onderaan.

laag'

fortperiode I en 2

afgedekt door een

(foto VIOE)

(foto VIOE)

een vervangbaar ijzeren lemmet die in een groef past. Ondanks het gesofisticeerde instrumentarium, de uitgebreide farmaceutica en de verspreiding van de kennis door handboeken, bleef de bevolking echtet meer vertrouwen hebben in hun goden dan in hun artsen. Naar de dokter gaan, werd eerder gezien als een laatste reddingsmiddel dan als een eerste impuls. Er werden dan ook veel offers gebracht aan genezende godheden en men probeerde ziektes te weren door het dragen van amuletten. Religie was zeer nauw verbonden met alle aspecten van het Romeinse leven, zo ook met de gezondheidszorg. Apollo was de oorspronkelijke godheid geassocieerd met geneeskunde, maar geleidelijk werd Aesculapius, de zoon van Apollo, meer en meer geassocieerd met de gezondheidszorg. Water was een centraal element in de religieuze praktijken van de cultus van Aesculapius. Zijn nazaten waren Acesis (Telesphorus), Hygeia (Salus) en Panacea. Alhoewel Aesculapius en zijn familie verbonden werden met gezondheid, zou het verkeerd zijn te veronderstellen dat de andere antieke goden hier niets mee te maken hadden. Genezende gebeden en offers ter genezing konden gericht worden aan elke god naargelang de individuele voorkeur. In Britannia zijn ook lokale varianten van de cultussen van Aesculapius en Apollo herkend en is er bewijs gevonden voor specifieke lokale genezende centra.

Het mag duidelijk zijn dat achter de aangetroffen restanten van het complex in Oudenburg een fascinerende wereld van gezondheidszorg en religie schuilgaat.

Sofie Vanhoutte is als archeologe verbonden aan het Vlaams Instituut voor het Onroerend

Erfgoed.

EINDNOTEN (1) Met dank aan Sylvia Mazereel (VIOE) die zorgde voor de uitwerking van de grafische illustraties. (2) VANHOUTTE S., Het Romeinse castellum van Oudenburg (prov. West-Vlaanderen) herontdekt: de areheologisehe campagne van augustus 2001 tot april 2005 ter hoogte van de zuidwesthoek. Interim-rapport, in Relicta. Archeologie, Monumenten- en Landschapsonderzoek in Vlaanderen, nr. 3, 2007, p. 199-236. (3) Zie VANHOUTTE S., op.cit., voor meer informatie en referenties. (4) DHAEZE W. en VANHOUTTE S., Archeologisch nieuws uit Romeins Oudenburg: onderzoek 2008 - voorjaar 2009, in Rometnendag- Journée dArchéologie Romatne 2009, 2009, p. 83-87. (5) Determinatie door Koen Deforce (VIOE). (6) CHARLESWORTH D., The Hospital, Housesteads, in Archaeologia Aeliana or Miscellaneous Tracts Relating to Antiquity, jg. 5, nr. IV, 1976, p. 17-30; JOHNSON A., Römische Kastelle des 1. und 2. Jahrhunderts n. Chr. in Bntannien und in den germanischen

M&L


Provinzen des Römeneiches (übersetzt von G. Schulte-Holtey, hearheitet von D. Baatz) (Kulturgeschichte der Antiken Welt, 37,) Mainz am Rhein, 1987 2 , p. 179-186.

(13) KÜNZL E., Zur typologie von Klammern und Pinzetten, in Saalburgjahrbuch, 49, 1998, p. 76-82. (14) OLDENSTEIN J., Zur Ausriistung romischer Auxiliareinheiten.

(7) J O H N S O N A., op.at., p. 182; P. Baker stelt zich vragen bij

Studiën zu Beschlagen und Zierat an der Ausriistung der römischen

de identificatie van militaire valetudimria als hospitalen (BA-

Auxiliareinheiten des obergermamsch-raettschen Limesgebietes aus

KER P., The Roman military valetudimria: fact or fiction?, in

dem zweiten und dritten Jahrhundert n. Chr, in Bericht der

ARNOTT R. (ed.), The Archaeology of Medicine. Papers given at

Römisch-Germanischen Kommission, 58, 1977, p. 122.

a session of the annual conference of the Theoretical Archaeology Group held at the University of Birmingham on 20 December 1998

(8)

literatuur:

PRESS L ,

op.cit.;

DOLMANS

M.TH.R.M., De medische verzorging van de Romeinse soldaat, in

{BAR. International Series, 1046), 2002, p. 69-79); haar beden-

Hermeneus, jg. 64, 1,1992, p. 1 -11; HEINZ W. (unter Mitarbeit

kingen worden weerlegd door onder andere E. Künzl (KUNZL

von E. Riha), Baden, Salben und Heilen in der römischen Antike

E., Aesculapius im Valetudinarium, in Archiiologisches Korrespon-

{AugsterMuseumshefie, 13),Augst, 1993; WILMANNS J.C., Der

denzblatt, 33, 2005, p. 55-64).

Sanitdtsdienst im Römischen Reich. Erne sozialgeschichtliche Studie

PRESS L., Valetudinarium at Novae and other Roman Danubian

zum römischen Militdrsanitatswesen nebst einer Prosopographie des

1988, p. 69-89; DYCZEK P.,

Sanitiitspersonals, {Medizin der Antike, 2), Hildesheim-Zurich-

The valetudinarium at Novae - new components, in GROEN-

New York, 1995, p. 109-110; ALLASON-JONES L , Health

hospitals, in ArchaeologiaXmX,

MAN-VAN WAATERINGE W., VAN BEEK B.L., WILLEMS

Care in the Roman North, in Britannia XXX, 1999, p. 133-146;

W.J.H, en WYNIAS.L (eds.). Roman Frontier Studies 1995. Pro-

KÜNZL E., Medizin in der Antike. Aus einer Welt ohne Narkose

ceedings of the XVIth International Congress of Roman Frontier

und Aspirin, Stuttgart, 2002; SUMMERTON N., Medicine and

Studies {Oxbow Monograph, 91), 1997, p. 202-203; DYCZEK P.,

Health Care in Roman Britain {Shire Archaeology, 87), Bucking-

KOLENDO J. en SARNOWSKIT., Novae - 40 lat wykopalisk I

hamshire, 2007, p. 13-14.

Novae - 40 years of excavations, Warschau, 2001; DYCZEK P.,

(16) Zie onder andere: WATERMANN R.A., Medizinisches und

On the Genesis of Roman Legionary hospitals, in VISY Z. (ed.),

Hygienisches aus Germania inferior. Fin Beitrag zur Geschichte der

Limes XIX. Proceedings of the XIXth International Congress of Ro-

Medizin und Hygiene der römischen Provinzen, Neuss, 1974;

man Frontier Studies held in Pecs, Hungary, September 2003, Pecs,

RIHA E., Römisches Toilettgerdt undmedizinische Instrumente aus

2005, p. 871. (9)

(15) Geraadpleegde

DYCZEK P., o/..«>.

Augst undKaïseraugst {Forschungen inAugst, 6), Augst, 1986. (17) Bronvermelding bij figuren 23 en 24: VAN DIERENDONCK

(10) J O H N S O N A., o/..a<; H O D G S O N N., The Roman Fort at Wall-

R.M. en SWINKELS L.J.F., Wall-Painting Fragments Found in

send (Segedunum) (Tyne and Wear Museums Archaeological Mono-

the Roman Settlement at Aarden burg, in ROB Berichten, jg. 19,

graph, 2), Newcastle upon Tyne, 2003. (11) RICHARDSON A., Theoretical Aspects of Roman Camp and Fort Design{BAR. International Series, 1321), Oxford, 2004, p. 70. (12) REDDE M., Valetudinarium, in REDDÉ M., BRULET R., FELLMANN R., HAALEBOS J.-K. en VON SCHNURBEIN S. (dir.), L'architecture de la Gaule romaine 1: Les fortifications militaires, {Documents d'archéologie Fran^aise, 100), Bordeaux, 2006, p. 121.

1969, p. 166, fig. 11; PETERS W.J.TH., SWINKELS LJ.E en MOORMANN E.M., Die Wandmalereien der römischen Villa von Druten und die Frage der Felderdekoration in den europaischen römischen Provinzen, in ROB Berichten, jg. 28, 1978, p. 173,

afb. 10.


Nr. 158 Bijlage bij MEtL 28/5 sept.-okt. 2009

• Noyon. gotische kathedraal. kapiteel met een verdoemde die door twee duivels naar de hel wordt geleid (foto M Buyle)


B 1 N 1 \ E N K R A 1 \ T

Literatuur Tomas Termote en Dirk

Termote

SPHATTFN FN SCHEEPSWRAKKEN. RDFIFNDF ONDFRWATER-

ARCHEOLOGIE IN DE N O O R D Z E E Van militaire schepen uit de twee wereldoorlogen tot vrachtschepen en containers, van houten zeilschepen en jachten tot vliegtuigen. In de Belgische territoriale wateren bevinden zich maar liefst 277 gekende en onbekende wrakken die door storm, oorlog, brand... op de bodem van de Noordzee zijn beland. Schatten en scheepswrakken geeft voor het eerst een systematisch overzicht van elke obstructie in onze territoriale wateren. Het is een primeur in het onderwater- en wrakkenonderzoek in België. Elk vergaan vaartuig draagt een schat aan informatie met zich mee voor archeologen en wetenschappers. De exacte plaats- en dieptebepaling van de wrakken is nodig om onderzoek op de wrakken te kunnen doen, maar is daarnaast ook van het grootste belang voor de veiligheid van de scheepsvaart. Per wrak wordt de locatie aangegeven samen met gedetailleerde technische gegevens, de historische achtergrond

en de actuele toestand van het wrak. Via schetsen, zeekaarten, spectaculaire onderwaterfotografie, historische afbeeldingen van de schepen en dieptescans wordt deze onbekende onderwaterwereld tot leven gebracht. Maritiem archeoloog Tomas Termote is, in navolging van zijn vader Dirk, al jarenlang bezig met het in kaart brengen van de wrakken in de Noordzee. Samen ontdekten ze heel wat nieuwe wrakken. Deze publicatie is het resultaat van bijna 5000 duiken van twee generaties gedurende de laatste dertig jaar.

Davidsfonds Leuven, verschijnt september 2009, gebonden, 340 p., ISBN: 978 90 5826 609 5 Prijs: € 34,50 Voor meer informatie over het onderwerp en ook bestellingen kan u steeds contact opnemen met de auteur Tomas Termote via mail tomastermote@yahoo.com of telefoon 059/325244.

Publicatie

Guido Cuyt en Rica

• Guido CUYT, Woord vooraf • Davy HERREMANS, De burcht van Antwerpen, enkele discussiepunten De opgravingen bij het Steen in Antwerpen uit de jaren '50 schetsten een ontwikkeling van een 9de-eeuwse Karolingische v/cus over een 10de-eeuws Ottoons castrum naar de middeleeuwse burcht. De auteur plaatst hier enkele kritische kanttekeningen bij. • Jona LENDERING, Dood in Babyion, Alexander de Grote en de Chaldeeën Dit artikel focust op de Babylonische bronnen over Alexander de Grote, o.a. over de slag bij Gaugamela, en kleitabletten waardoor meer te zeggen valt over de wijze waarop Babyloniërs keken naar Alexanders overlijden. • Bernard VAN DAELE, Het Romeinse fort in Iza - Kelemantia (Slowakije)

Annaert

AVRA B U I I E T I N De AVRA (Antwerpse Vereniging voor Romeinse Archeologie) publiceert elk jaar een Bulletin dat het leven van de vereniging weerspiegelt. Sinds kort is het nieuwe Bulletin (over 2008) beschikbaar. Het biedt een overzicht van de activiteiten van de vereniging gedurende het voorbije jaar 2008: verslagen van voordrachten, artikels allerhande, reisverslagen, gevarieerd nieuws, ledenlijst enz. Redactie: Guido Cuyt, dr. Kathy Sas en Rica Annaert. Dit laatste nummer telt 85 bladzijden en bevat circa 70 figuren, waarvan de meeste in kleur.

1VI&L

Inhoud AVRA Bulletin 9, 2008

Het Romeinse legerkamp Kelemantia maakte deel uit van de Limes Romanusaan de Donau In Pannonië. Het werd gebouwd rond 170 na Chr. onder Marcus Aurelius in het kader van de oorlogen tegen de Markomannen. Het castellum werd verwoest tijdens de invallen van de 5de eeuw na Chr. •Jeroen VANDEN BORRE, Net over de grens... De oudste geschiedenis van Nispen blootgelegd In Nispen bij Roosendaal (Ned.) bevond zich een middeleeuwse nederzetting uit de 12de eeuw, bestaande uit twee bootvormige hoofdgebouwen, vermoedelijk woonstalhoeven, twee bijgebouwen, een zestal spiekers en enkele waterputten. • Natasja REYNS, Het Romeinse kwaliteitsaardewerk van de site Steenakker-Kapelleveld in Kontich


B I N N E N K R A I M T

Dit artikel is een materiaalstudie van het Romeinse kwaliteitsaardewerk (de terra sigillata uitgezonderd) afkomstig van de opgravingen van AVRA in Kontich: Belgische waar, kurkwaar, gebronsde waar, geverfde waar, Pompeiaans rood aardewerk, beschilderde waar en fijn gesmookt aardewerk; het bevat ook de inventaris van de aangetroffen vormen. • Ludo GIEBENS, AVRA-reis 138 naar Zuidwest-Turkije en Sagalassos van 2tot10Juni2008 Deze reis ging naar het walhalla van de archeologie. Stonden op het programma: sites als Sagalassos, Antalya, Side, Aspendos, Perge, Termessos, Pamukkale, Hierapolis, Laodicea Aphrodisias, Nyssa, Ephese, Priene, Milete, Dydema, enz. • Guido CUYT, AVRA-daguitstap 139 naarLaon en Marie op 29 juni 2008 • Yves VAN ROY en Ludo GIEBENS, AVRA-dag uitstap 140 naar Ossen Nijmegen op 19 oktober 2008 • Yves VAN ROY en Ludo GIEBENS, Microreis naarAsse op 21 december 2008 • Guido CUYT, Viering 45 jaar AVRA op 20 september 2008 • VARIAVRA, gevarieerd verenigingsnieuws 2008 • Lijst van AVRA-voordrachten in 2008 • AVRA-Ledenlijst

Beschermingen

Peter Van den Hove

TWELNJEUWE BESCHERMDE ARCHFOIOniSCHF

MONUMENTEN Op 22 juni 2009 ondertekende minister Dirk Van Mechelen de definitieve bescherming van twee archeologische monumenten: de primitieve parochie van Weerde (Aarschot) en het Romeinse aquaduct in Tongeren en Heers. Daarmee telt Vlaanderen momenteel vijf definitief beschermde archeologische zones. Voor drie andere archeologische sites is een procedure tot bescherming lopende. In het voorjaar van 2006 voerde RAAP Archeologisch Adviesbureau een evaluerend onderzoek uit op de site in Weerde, in opdracht van het Agentschap R-0 Vlaanderen. Op basis van de conclusies van het onderzoek werd door de administratie vervolgens een beschermingsdossier opgesteld. De historische en archeologische site te Weerde is één van de zeldzame en van

20ste-eeuwse bebouwing gespaarde verlaten Karolingische nederzettingen in het Demerbekken, die teruggaat tot een primitieve parochie en als dusdanig van een uitzonderlijk wetenschappelijk belang is. Het aquaduct van Tongeren is waarschijnlijk het grootst bewaarde aarden monument in Vlaanderen en is prominent aanwezig in het landschap. Het is ook het enige zichtbare Romeinse aquaduct in België. Een beschermingsdossier werd opgesteld op basis van een onderzoek dat in 2002 werd uitgevoerd door het archeologisch studiebureau ARON, in opdracht van de provincie Limburg. In opdracht van het Agentschap R-0 Vlaanderen voerde ook de Vlaamse Landmaatschappij (VLM) in 2007 een studie uit in het gebied, met ondermeer het oog op een toekomstige bescherming. Wat de bewaringstoestand betreft is het aquaduct een uniek archeologisch monument voor noordwest Europa. Het wetenschappelijke en cultuurhistorisch belang van dit monument overstijgt zelfs Vlaanderen en heeft een internationaal karakter. De structuur en wijze van functioneren zijn bovendien vrijwel onbekend en kunnen in de toekomst alleen door wetenschappelijk onderzoek van het monument bepaald worden.

Prijs: 9 € + verzendingskosten: 3 € voor België, 9 € voor Nederland. Het boek kan besteld worden door storting van het juiste bedrag op het rekeningnummer van A.V.R.A., Wilrijk: 647-0233521-35, met vermelding "Bulletin AVRA" (Delta Lloyd bank, IBAN BE57 6470 2335 2135, BIC BNAGBEBB). Wij sturen u het boek op zodra we het bedrag ontvangen hebben. De leden van AVRA krijgen het boek gratis toegezonden. Het kan ook bekomen worden op de maandelijkse voordrachten van AVRA of bij secretaris Lea Diricx, Groenenborgerlaan 35, 2610 Wilrijk (03-827 62 21, ludo.giebens@telenet. be).

1VI&L


B 1 N N E N X R A N T

waarde. Over deze problematiek verscheen in MftLeen uitvoerig artikel van Katrien Hebbelinck (jg. 28 nr. 7 p. 46-70). Het stadpark van Antwerpen en het Maria-Hendrikapark van Oostende (beide van E. Keilig) kunnen beschouwd worden als de meest kwalitatief hoogstaande van de waardevolle stadparken in Vlaanderen, zoals het Citadelpark te Gent, het stadpark van Aalst, het Koningin Astridpark te Brugge. Beide monumenten werden dan ook beschermd als getuigen enerzijds en met het oog op toekomstig onderzoek anderzijds.

Mare De Borgher

DF RFSCHFRMING AIS MONUMENT VAN HFT STADSPARK VAN ANTWFRPEN Bij ministerieel besluit van 17 juni 2009 heeft de toenmalige minister bevoegd voor monumenten, de heer Dirk Van Mechelen, het stadspark van Antwerpen voorlopig integraal als monument beschermd om reden van zijn historische, artistieke, wetenschappelijke en sociaal-culturele

De historische waarde wordt als volgt omschreven: het stadspark van Antwerpen vertegenwoordigt een zeldzaam hoogtepunt in de IS^-eeuwse geschiedenis van het Belgische openbaar groen. Het bewaart een, voor ons land, uniek voorbeeld van een tot stadspark getransformeerde brllschans, aangelegd naar een ontwerp van de Duitse landschapsarchitect, Eduard Keilig (1827-1895). Het ontwerp en de aanleg zelf is één van de belangrijkste en typerende werken van Keilig. Het geheel van de aanleg van het park bepaalt dus de historische waarde. De artistieke waarde wordt als volgt verwoord: Keilig is een vermaard landschapsarchitect met een voor het Vlaamse gewest belangwekkend oeuvre. Zijn oeuvre wordt gekenmerkt door een reeks ingebouwde contras-

ten, die zelden beter tot hun recht komen dan in zijn ontwerp voor het stadspark van Antwerpen. Kaderend in een traditie binnen de Duitse landschapsstijl worden verschillende ontwerpaspecten hier verscherpt, maar gescheiden in beeld gebracht. Deze wisselwerking bepaalt zowel de relatie van het park tot zijn omgeving, de structuur en variatie binnenin, als de wijze waarop wandelaars hier bewegen en kijken. De omvang van het terrein bepaalt daarbij de vorm. Waar schaal en bebouwing het zichtbereik beperken tot één enkele zichtlijn, gaat de keuze naar een gemengde vormentaal, in relatie tot de architectuur. Laat een grotere ruimte de uitbouw van meerdere zichten toe, dan kiest Keilig steevast voor een landschappelijke vormgeving. In de inrichting van de Louiza Marialei worden stad en park éénmalig samengebracht. Eens hier voorbij wordt alles in het werk gesteld om het park, naar ruimte, vorm en materie, van zijn omgeving te onderscheiden. In het oorspronkelijke ontwerp worden stad en park door een dicht beplante buffer van elkaar gescheiden. Door aldus de grenzen van het terrein te verbergen, zal de interne ruimte groter ogen dan ze in werkelijkheid is. Het parkreliëf wordt gevonden in de eigenschappen van de plek én de natuur. Zowel de keel, de vestinggracht, het ravelijn als het bastion leven in dit ontwerp nog door. Maar ook reminiscenties aan natuurbeelden, als een berghelling of rivierdal, zijn niet ver weg. Water en bodem worden van nieuwe contouren, profielen en beplanting voorzien. Wat hoger ligt wordt opgehoogd, waardoor de lagere zones nog dieper gaan lijken. Het beplantingschema volgt een zelfde, heldere logica. Wat laag ligt, krijgt water of gras toebedeeld en werkt als lichtvang. Hoogten worden door hoge beplanting bekroond. Door boomgroepen systematisch hoger in te planten [massifs exhaussés), reiken alle zichten van bodem tot boomtop. Accenten in kruinvorm, kleur en textuur brengen de natuur letterlijk dichterbij. Het hele park krijgt een dubbelzijdige opbouw. Enerzijds primeert de open

1VI&L


B I N M E N K R A N T

ruimte, als een omzoomde grashelling, langzaam oplopend tot de hoogte van de rotspartij. Anderzijds duikt water op, omringd door steile rotswanden en overkragende beplanting. Twee karakters van uiteenlopende vorm vragen ook verschillende attractiepolen: een pavilion of kiosk voor de ene, een hangbrug voor de andere. Dit spel van vergelijking maakt alle overgangen tussen stad en park, massa en open ruimte of bodem en water, tot de meest markante elementen binnen Keiligs werk. Net in deze zones komen alle wegen en zichtlijnen te liggen, opgebouwd langs beplantingscontouren met vooruitgeschoven groepen en contrastrijke details. Aan de rand van open ruimte of water wordt een beweeglijk wandelparcours ingebracht. Geen opgelegd traject, maar een vrij te kiezen en ontdubbeld circuit, gemotiveerd door natuurlijke obstakels en ingebouwde zichtassen. De centrale hoogte verhindert daarbij het doorkijken. Gezien vanaf de zijlijn komen slechts wisselende fragmenten van een zelfde geheel in beeld. Nu eens verlengd door helling of water, maar steeds aankijkend tegen een groene wand. Pas vanaf de belvédère zal de stad weer opduiken, als een gekaderde momentopname. Want nog belangrijker dan het baken in de verte, is de variabele inrichting van het voorplan: een lijst van rotsen en wintergroen voor de torens van de Sint Jozefkerk of een grasvallei met kleuraccenten als aanloop naar de stad. Al vroeg in zijn loopbaan omschrijft Keilig parken en tuinen als kunstwerken, gevormd in, met en naar de natuur. Hun streefdoel is zowel de eenheid als de variatie binnen de natuur in beeld te brengen. Dichtbij en veraf, hoog en laag, licht en donker, open en gesloten, ...de bijzondere samenhang en detaillering van het park schuilen in de plaats, dosering en selectie van bodem, water en planten. Wat raakt aan deze bouwstenen, ondermijnt al gauw het hele concept. De onmiddellijke nabijheid van architectuur en verkeer dwingen hier tot een duidelijke stellingneming ten opzichte van de stad en haar bewoners. Keilig reserveert het park als wandelgebied. Rijwegen en bebouwing worden hier

afgeschermd door hoge en dichte beplanting. Achter deze buffer verdwijnt een drukke omgeving voor een eigen wereld, waarvan rust, reliëf, uitgesponnen water en detailrijke beplanting de karakterbepalende elementen zijn. Wie dit kunstwerk van natuur nader wil ervaren, zal stad en verkeer achter zich moeten laten, maar krijgt in ruil hiervoor, ongeacht leeftijd, rang of herkomst, een wandeling met artistieke, natuurwetenschappelijke en cultuurhistorisch waarden. De wetenschappelijke waarde wordt als volgt beschreven: de aanleg van het park - zowel de structuur, de opbouwende elementen, zoals de beplantingen, de beelden, de water- en heuvelconfiguratie, de belvédère en de brugconstructie, als de zichtassen - is een illustratief voorbeeld van de Landschapsstijl in de landschapsarchitectuur. Het is een monument met bijzondere landschappelijke waarden. De beplantingen, zowel de hoogstammige bomen als de struiken hebben een dendrologische waarde. Het stadspark heeft ook een sociaalculturele waarde. Het park is aangelegd en gebruikt als groene sociale openbare stadswandel- en vertierplek, doorspekt van gedenktekens en geschiedenis. Naast het flaneren werd van oudsher ook aandacht besteed aan het educatieve door botanische wandelingen en wandelbrochures. Inzake de beheersdoelstellingen en toekomstvisie wordt met de bescherming als monument het integrale behoud van het park nagestreefd, zowel wat betreft aanleg, vormgeving als beheer. Naar het toekomstige beheer, dient maximaal getracht te worden om groenpartijen, watervolumes, paden e.d. in hun oorspronkelijke staat te herstellen, minimaal te behouden. Een deskundig onderhoud van het historische parkgroen is een even belangrijke doelstelling. Ook de relatie met de omgeving dient in de geest van het ontwerp van Keilig te worden bekeken. Recente of nieuwe gebruiksvormen in het stadspark moeten steeds op een gepaste manier ingepast zijn of worden.

Colloquium

COLLOQUIUM FORTFNfiORDELS NU! Antwerpen was na Parijs aan het begin van de 20ste eeuw de grootste Europese vesting. De binnenste (Brialmontforten) en buitenste (pantserforten) fortengordel rond de stad vormen vandaag nog steeds de kern van een ongekende schat aan militair erfgoed. Het structurerende karakter van deze erfgoedelementen is bepalend voor de Antwerpse regio. Voor verschillende gemeenten betekenen deze forten en militaire constructies een essentieel element binnen een maatschappelijk relevant beleid. Talloze erfgoedactoren zijn zowel professioneel als op vrijwillige basis betrokken bij de instandhouding en ontsluiting van deze monumenten. Naar aanleiding van het herdenkingsjaar "Brialmont 150", in het kader van het Interreg-project Forten en Linies in grensbreedperspectief, organiseert het provinciebestuur Antwerpen in samenwerking met het Simon Stevin Vlaams Vestingbouwkundig Centrum, de provincies Oost- en West-Vlaanderen, Zeeland en Noord-Brabant, een studie-tweedaagse over de hedendaagse betekenis van en omgang met forten, gordels en verdedigingslinies. Met dit internationale colloquium wil het provinciebestuur een aanzet geven om het denkproces rondom dit erfgoed, de ruimtelijke context en de hedendaagse bestemming ervan, op gang te trekken. Hierbij het programma van de lezingen: VRIJDAG 25 SEPTEMBER 2009 09.00 ontvangst en inschrijving 10.00 verwelkoming door dhr. Ludo Helsen, gedeputeerde voor cultuur en erfgoed


1

B I N N E ^ K R A N T

••

•

Forten en hun (her)integratie in de ruimtelijke context en maatschappij 10.20 Keynote-lecture: Mathieu de Meyer, projectcoördinator lnterreg IVA-project 'Forten en Linies in Grensbreed Perspectief', Provincie West-Vlaanderen De Staats-Spaanse Linies: de opwaardering van Spaanse, Nederlandse en Franse verdedigingswerken in de grensstreek van West-, Zeeuws- en OostVlaanderen 11.00 Pauze 11.20 Robert Gils ft Piet Lombaerde, Simon Stevin Vlaams Vestingbouwkundig Centrum De Brialmontforten rond Antwerpen: van militaire dwangbuis tot vestinglandschap in

—

IP

A

W i m *

•4

25 en 26

i

c

'

BRf NJ ^ Ï J I

HBn LÜ

12.00 Lunch Forten en linies en hun ruimtelijke impact 13.30 Keynote-lecture: Marc Dewilde, Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed Hoe archeologisch onderzoek het belang van het 'Grote Oorlog' erfgoed nog meer in de verf

wording

ar JEM

•

11.40 Karl Blokland, accountmanager projectbureau Nieuwe Hollandse Waterlinie De Nieuwe Hollandse Waterlinie als megasingel van de Randstad

'i

Ü

zet! 14.00 Tim Vanderbeken, Intergemeentelijk archeoloog, ZuidOost-Limburgse Archeologische Dienst De lokalisatie van een 18de eeuwse redoutengordel tussen Hocht en Eigenbilzen. De implicaties op het gebied van slagveldarcheologie. 14.20 BirgerStichelbaut, Jean Bourgeois, Universiteit Gent/Vakgroep Archeologie Ignace Bourgeois, Provinciebestuur Antwerpen/ dienst Erfgoed Het Antwerps W0I erfgoed. meer dan forten! De 'verzameling Zimmerman' (1918): een bijdrage van de militaire luchtfotografie 14.40 Huibert Grijns, Stadsbestuur 's Hertogenbosch Stad en streek duurzaam verbonden 15.00 Pauze

41

^•B^B

ïi^^BI

BfeMïM^iaS ^^^^^^^^^^^^^^^i

i

Fortengordeist ^ u ! "1

•

a

^

PROVINCIE ANTWERPEN

i M&L

Forten en hun herbestemming 15.20 Keynote-lecture: Maartje van de Ven, Themacoördinator Economische Benutting, Stelling van Amsterdam Behoud door ontwikkeling, economische benutting als kans 15.50 Koen Demarsin, werkgroep K.W.-stelling De K.W.-Linie: Nutteloos in het verleden, een functie in het heden 16.10 PietVeldeman, Koninklijk Museum van het Leger en de

Krijgsgeschiedenis De Forten in het Koninklijk Legermuseum - het Koninklijk Legermuseum in de Forten? 16.30 Diederik Willems, Agentschap voor Natuur ft Bos Forten, Vleermuizen en de Habitatrichtlijn 17.00 einde

ZATERDAG 26 SEPTEMBER 2009 09.00 ontvangst Forten: welke rol voor (erfgoed) actoren en overheid? 09.30 Keynote-lecture Unesco-werelderfgoed 10.15 Evgeniy Grigorievich Grishko, director of the St. Petersburg State Enterprise "Historical Architectural and Arts Museum of the town of Kronstadt" Kronstadt: The past, the present and the future of the fortress in a World Heritage region: Saint Petersburg and its neighbouring forts 11.00 pauze 11.20 Karen Gysen, Provinciebestuur Antwerpen, departement Ruimtelijke Ordening en Mobiliteit Gebiedsgericht project Antwerpse Fortengordels: een toekomstvisie 11.50 Conclusies door dhr. Koen Helsen, gedeputeerde voor ruimtelijke ordening en ruimtelijke planning 12.20 Lunch 13,30 Start excursies Het bezoekenparcours wordt georganiseerd in samenwerking met het Simon Stevin Vlaams Vestingbouwkundig Centrum vzw. Excursie A:

Fort Liefkenshoek

Fort Lillo Excursie B:

Fort 4 Mortsel Fort Kessel


Bl^NEMKRANT

Praktische informatie Snel inschrijven! Locatie: Auditorium van het Provinciehuis Antwerpen Koning Elisabethlei 22 2018 Antwerpen U kan een folder met inschrijvingsstrook aanvragen op onderstaand adres of via de provinciale website www.provant.be Provinciebestuur Antwerpen Departement Cultuur - Dienst Erfgoed Serge Migom Kon. Elisabethlei 22 B-2018 Antwerpen erfgoed@admin.provant.be ++32/(0)3/240.64.53 www.provant.be

V

Marjan Buyle

(VIOE)

PDF I I M T F R N A T I O N A A I

Onderzoek van gotische architectuur en sculptuur moet in een bredere context onderzocht worden: economisch, sociaal, religieus. De onderzoekers moeten zich inspannen om eikaars onderzoeksmethodologieën te kennen en te verstaan. Zo moet een restaurateur weten welke analysemethodes er bestaan, welke vragen hij kan stellen en hij moet ook de onderzoeksresultaten, in overleg met de labo's, kunnen interpreteren. Een ander discussiepunt waren de verschillend optieken en methodieken waarmee gotische kunst bestudeerd kan worden. Tot nu toe beperkt het onderzoek zich al te vaak tot een vormelijke kunsthistorische benadering. Dit moet aangevuld worden met een meer materiaal-archeologische benadering, waarbij aandacht gaat naar de gebruikte materialen, de evolutie van technieken en gereedschappen, het noteren van de sporen van bewerking. Dit soort studies bestaat in sommige gevallen voor de architectuur, maar voor de sculptuur ontbreekt dat.

COLLOQUIUM

VAN NOYON MFT AISTHFMA "ARrHITFriURF ET SrUIPTURF OOTHIQUFS: RFNOiiVFIIFMENT DFS MFTHODFS ET DES REHARDS" VERSLAG VAN DF JFNDINn VAN IB TOT ?1 JUNI ?009 Als eindresultaten van de lezingen en de boeiende discussies die ze opriepen, kunnen volgende punten aangehaald worden: De noodzaak van de pluridisciplinariteit werd herhaald, waarbij de analyse nog verder kan gaan met bijvoorbeeld een onderzoek niet alleen naar de steensoort, maar eveneens naar de herkomst ervan door identificatie van de groeven en zelfs van de lagen in de groeven. Restauratie van gotische architectuur en sculptuur moet absoluut samengaan en de analyse van archiefdocumenten moet verder verfijnd worden: in welke context werden deze teksten opgesteld? Met welk doel werden ze gemaakt en voor wie?

Onderzoek is noodzakelijk naar de limieten van materialen voor sculptuur: noodzakelijke dikte om voldoende weerstand te hebben, geen te grote uitsteeksels, nodige 'bruggen' ter versteviging. Wat werd uitgevoerd in het atelier en wat was de afwerking ter plaatse. De assemblageproblematiek is weinig bestudeerd. Wanneer werd de polychromie aangebracht? Deze polychromie is nog steeds een immense onderzoekslacune; staalnames en analyses zijn bijna altijd (om budgettaire of andere redenen) veel te beperkt om sluitende conclusies te kunnen maken over het totaaluitzicht van bijvoorbeeld een gepolychromeerd gotisch portaal. Onderzoek van bronnen kan enigszins helpen, al worden in de rekeningen meestal alleen de dure materialen vermeld. De polychromeerder kon wel de gewone materialen leveren (aardepigmenten, bindmiddelen), maar de opdrachtgever stond vaak in voor de kostelijke materialen (dure pigmenten zoals azuriet, lapislazuli, vermiljoen, malachiet) en de metaalbladen (goud, zilver, tin).

Om niet te blijven hangen in de vormelijke studie, moet meer aandacht gaan naar de context, de religie, de devotie, de functie, de iconografie, de rituelen, de dualiteit functie van het beeld versus zijn materialiteit, het realisme dat zowel nabijheid als afstandelijkheid inhoudt. De rol van de opdrachtgever is ook interessante onderzoeksmaterie: wat is de juiste impact van de opdrachtgever voor bepaalde kunstwerken? Bepaalde hij de iconografie? De vorm? De materialen? Wie is de echte opdrachtgever? Werden er ontwerpen gemaakt en door wie werden die uiteindelijk beoordeeld? Volgens welke criteria? Kunnen we uitmaken hoe deze "keten' van beslissingen verlopen is? Het is belangrijk dat voor dit soort onderzoek de terminologie verfijnd wordt. Kleur en licht zijn essentiële elementen geworden in het architecturaal onderzoek. Uit recent onderzoek van de kathedraal van Chartres bleek dat de buitenpolychromie een exacte kopie was van de binnenpolychromie. De lezing van Nicolas Reveyron over het thema van het gotische licht werd spijtig genoeg afgelast. Een ander probleem is dat van de kunstenaarsmonografie en de toeschrijving van kunstwerken aan bepaalde kunstenaars, of aan ateliers, of aan kunstenaarsdynastieën (denken we maar aan de beeldsnijderdynastie van de Borreman). Wat is de plaats van het individu in dit alles? Verhouding tussen het collectief en de persoon. Een steeds weerkerende problematiek, die al te vaak onderschat wordt, is deze van het archaïsme, de routine, de continuïteit, de atelierpraktijken versus traditie ofwel vernieuwing. Dateringen kunnen volledig fout zitten als er hiermee geen rekening gehouden wordt. Een interactieve gegevensbank is een onontbeerlijk instrument geworden voor de onderzoeker. Peter Kurman (Universiteit Freiburg Zwitserland) belichtte zijn onderzoek naar de al dan niet persoonlijke stijl

M&L


I

B I N N E ^ K R A N T

Kathedraal van Noyon, gotisch kloosterpand (foto M. Buyle)

van de middeleeuwse bouwmeesters, waarbij hij een vergelijking maakte tussen de kerken van Meaux en Evreux op het einde van de 13de eeuw.

sionale laser voor het opmeten van gebouwen. Dit heeft naast een ongekende precisie ook het voordeel dat er geen stellingen nodig zijn.

website voor waarbij de bezoeker virtueel door de gotische kerkgebouwen in Frankrijk kan wandelen (www.learn. columbia.edu/mgf).

Markus Schlicht (CNRS) reconstrueerde de middeleeuwse rozas van de kathedraal van Poitiers aan de hand van 1 bewaard fragment. Hij baseerde zich hiervoor op elementen, teruggevonden tijdens de opgravingen, een relevé uit 1850 en een geschreven bron: een gedetailleerd contract voor de restauratie na een brand in 1681. Deze rozassen vertonen in heel Europa trouwens opvallende gelijkenissen: hij verklaart dit door het vermoedelijke bestaan van een ouder, wellicht heel beroemd archetype (de SainteChapelle van Parijs?). De verspreiding gebeurde misschien via tekeningen.

Géraldine Victoir (Courtauld Institute Londen) besprak de polychromie en het belang van deze studie voor de kennis van de gotische architectuur. Sommige veralgemeningen wat betreft de middeleeuwse architectuurpolychromie, als zouden bijvoorbeeld steeds goedkope pigmenten gebruikt worden, gaven aanleiding tot interventies tijdens de discussie. Haar werkhypothese dat de architectuurpolychromie zou uitgevoerd zijn door de metsers zelf, riep vele vragen op, al was het maar hoe dit te rijmen valt met de strikte regelgeving en de werkverdeling van de middeleeuwse ambachten.

Etienne Hamon (Université de Paris Sorbonne) breekt een lans voor de herwaardering van de 'gothique flamboyant', die in een bepaalde periode volledig werd verguisd als gedegenereerd en decadent. Zijn onderzoek stelt de chronologie van deze stijl beter op punt, waardoor vele monumenten jonger zijn dan eerder gedacht (rond 1500).

Andrew Tallon (Vassar University USA) stelde de 'archéologie spatiele' voor, die gebruikmaakt van een driedimen-

M&L

Stephen Murray (Columbia University USA) stelde een nogal spectaculaire

Arnauld Timbert (Université de Lille) definieert de plaats van de materiële analyse in de architectuurmonografie en stelt de sinds lang gangbare methodologie van 1906 voor (E. LefèvrePontalis), waarin volgende punten aan bod kwamen: geschiedenis, archeologische beschrijving met identificatie van de materialen, studie van


B 1 N N E N K R A N T

het metselwerk, het architecturaal 'geschrift' en het gesculpteerd decor, de beschrijving van de buitenarchitectuur, de beschrijving van de binnenarchitectuur en de vergelijkende beschrijving van de sculptuur en het lijstwerkpatroon. Timbert stelt een nieuwe methodologie voor: geschiedenis, authenticiteitskritiek, architecturale analyse, materiële studie van de stenen, de mortels, het hout, de metalen, de afwerkingslagen zoals pleisteren polychromielagen, de studie van de vormen, het verloop van de werf, de esthetiek van het monument (ruimtes, vormen, beelden, functies), de plaats van het monument in zijn architecturaal landschap. David Morel (Université de Clermont) bestudeert de overgang van de romaanse naar de gotische sculptuur en beklemtoont hierbij het belang van het onderzoek van de technische verworvenheden, de materialen, de evolutie in de gereedschappen en de beschikbaarheid van lokale steen, die al dan niet gemakkelijk te bewerken is hetgeen zijn impact heeft op de vorm. Hij wijst op de prefabricatie van bepaalde elementen, hetgeen af te leiden is aan de lokalisatie- en assemblagemerktekens. Hij bemerkt ook de aanwezigheid van initialen, waarvan sommige een handtekening lijken te zijn. De theorie dat de middeleeuwse kunstenaar bewust anoniem wilde zijn omwille van de hogere functie van het gebouw moet wellicht vervangen worden door de theorie dat de ambachtsman zich door middel van (weliswaar discreet aangebrachte initialen en ander opschriften toch wilde identificeren.

Heike Hansen (Universiteit van Tubingen) bespreekt de inbreng van het bouwarcheologisch onderzoek voor de kennis van de monumentale sculptuur. Ze bestudeerde hiervoor de drie portalen van de Saint-Etienne van Auxerre, met relevés van alle details: elke steen, merken, sporen van gereedschap, restauraties, ontbrekende delen, vervangen delen, constructiedetails enz. Ze merkt hierbij op dat veel sculpturen op voorhand gekapt werden, omdat veel plaatsen na montage

niet meer toegankelijk zijn. Naast het feit dat een dergelijk onderzoek alleen mogelijk is op volledig gedecapeerde sculpturen, met andere woorden beelden die een essentieel onderdeel van hun wezen al kwijtgeraakt zijn, werd vanuit de zaal opgemerkt dat het bijna onmogelijk is om iets helemaal afgewerkt te kappen en het dan te assembleren. Ter plaatse moesten zeker nog aanpassingen gebeuren, hetgeen ook vaak zichtbaar is (denken we maar aan de recente restauratie van de sacramentstoren in Zoutleeuw waar de opmerkzame restaurateurs al deze aanpassingen genoteerd hebben, zie MEtL, 2009, nr. 4). Een andere opmerking van een restaurateur uit de zaal was dat ze op één van haar restauratiewerven opgemerkt had dat afgebroken stukken tijdens het assemblageproces herlijmd waren met dezelfde mortel als bij de bouw van de kerk gebruikt was. Iemand anders merkte op dat architecturale onderdelen soms al in de groeve gekapt werden en dan verder vervoerd per boot, hetgeen soepel verliep, of bij gebrek aan waterwegen over land, hetgeen veel meer aanleiding gaf tot breuken in het materiaal.

Brigitte D'Hainaut-Zveny (Université Libre de Bruxelles) gaf een opgemerkte lezing over de problematiek en de uitdaging van het opmaken van beeldhouwermonografieën. Wat de biografie betreft, is er een revalorisatie van dit soort onderzoek merkbaar sinds 1980, met mooie studies over Jan van Steffesweert, Claus Sluter, Tilman Riemenschneider en andere. Al vertoont elke beeldhouwer individuele kenmerken, toch past hij zich tegelijkertijd in zijn eigen periode in. Dit wordt geïllustreerd door de sculpteursfamilie Borreman, waarin trouwens ook een vrouwelijke beeldsnijder werkzaam was, Maria Borreman. De historische coherentie waarin deze 'acteurs' functioneren mag niet onderschat worden. Wat het corpus betreft, merkt ze terecht op dat de efficiëntie van deze studies vaak beperkt wordt tot een louter esthetische benadering. Meer aandacht moet gaan naar volgende onderzoeksdomeinen: waarom zijn

die werken gemaakt, aan welke behoefte voldoen ze, welke functie, welke praktische situatie, welke inpassing in rituelen en in gebeden, welke sociale context, welke functie had de polychromie: een realistische polychromie brengt de beelden dichter bij de leefwereld van de gelovige, een vergulding verwijst naar een hogere werkelijkheid. De lezing van Stephanie Daussy-Turpain (Université de Lille) was volledig in tegenspraak met de vorige lezing in die zin dat ze de koorbanken van Amiens uitsluitend stilistisch bestudeerd had, met weinig belangstelling voor de context waarin deze werken tot stand kwamen. Catherine Chedeau (Université de Besangon) waarschuwt voor de gevaren van het archaïsme in de beeldhouwkunst en de mogelijks verkeerde chronologie die daaraan gekoppeld wordt. Als voorbeeld geeft ze enkele heel late 'kopieën' van de Mozesput van Sluter, waarbij het vermoedelijk de wil van de opdrachtgever was om een stijl te hernemen die toen al helemaal achterhaald was. Het kan ook zijn dat de beeldhouwer een kopie van de Mozesput voorgesteld heeft aan de opdrachtgever, als een huldebetoon aan de illustere voorganger, al is dat in die periode moeilijk denkbaar. Pierre-Yves Le Pogam (Musée du Louvre) poneerde in zijn lezing over de sculptuur van rond 1500 enkele vrij betwistbare stellingen, zoals bijvoorbeeld dat er uit die periode veel verdwenen is omdat de beelden niet vast zaten aan de architectuur zoals vroeger, dat er op het einde van de middeleeuwen wel nog grote iconografische programma's werden uitgewerkt maar nooit uitgevoerd en dat het iconoclasme zich eerder zou gericht hebben tegen meer 'recente' kunst, een soort van differentieel vandalisme dus. De laatste spreker, Jean Delivre (restaurateur) was een illustratie van de verzuchting dat men op basis van een beperkt aantal analyses geen totaalbeeld van een polychromie kan


B l N ^ E l ^ K R A N T

verkrijgen. Omdat hij ook geen enkel onderscheid maakte tussen polychromie en afwerkingslagen, werd de discussie vrij steriel en trok hij foute en veralgemenende conclusies over de gotische 'partiële polychromie'. De aktes van dit congres zullen gepubliceerd worden.

In memoriam

IN MEMORIAM KUNSTHISTORICA LINDA VAN LANfiFNDONrK Op zaterdag 20 juni 2009 namen familie, vrienden en collega's afscheid van kunsthistorica Linda Van Langendonck in de parochiekerk van Onze-Lieve-Vrouw-over-de-Dijle in Mechelen. Met dit gebouw had Linda een speciale band, aangezien zij in 1999 de bouwhistorische studie er van uitvoerde. In het jaar waarin het thema van de Open Monumentendag 'zorg' is, bleek de geneeskunde niet ver genoeg gevorderd om Linda meer tijd te geven voor de vele initiatieven en gebouwenonderzoeken die zij nog wilde uitvoeren. Zij overleed na een lange ziekte thuis in Mechelen op 11 juni 2009, omringd door haar familie. Linda werd op 1 mei 1959 geboren in Leuven; haar jeugd bracht zij door in Haacht. Na haar humaniora aan het Sint-Ursulalyceum in Onze-LieveVrouw-Waver, trok Linda voor haar studies terug naar haar geboortestad Leuven. De studie Oudheidkunde en Kunstgeschiedenis bleek Linda op het lijf geschreven te staan en met professor Raymond Lemaire als promotor

schreef zij haar licentiaatsverhandeling over de Sint-Romboutstoren in Mechelen. Haar speciale band met Mechelen en met de Keldermansfamilie moet vanaf die tijd begonnen zijn. Na haar studies startte zij haar loopbaan in het onderwijs als lerares geschiedenis. Gelijktijdig volgde ze een bijkomende opleiding aan het postgraduaat afdeling Monumenten en Landschapszorg in Antwerpen. In 1987 begon Linda haar carrière als deeltijds wetenschappelijk medewerkster bij het Departement Cultuur van het Provinciebestuur van Antwerpen. Het wetenschappelijk onderzoek was haar op het lijf geschreven en zij beet zich met volharding vast in elk nieuw onderwerp en genoot er met volle teugen van. Ze zei vaak dat ze zo gelukkig was met deze job en niets anders ambieerde omdat ze exact datgene deed wat ze interessant vond. Linda lag mede aan de basis van het interdisciplinaire onderzoek van de Antwerpse Onze-Lieve-Vrouwekathedraal. Zij werkte verder voor het provinciebestuur aan onder andere de volgende onderzoeken: het Bisschoppelijk Paleis te Antwerpen, de voormalige Refuge van Sint-Truiden in Mechelen, het Provinciaal domein Kasteel d'Ursel te Hingene en het Sterckshof in Deurne. Linda was ijzersterk in het archiefonderzoek en had geen enkel probleem met het paleografische schrift.

Naast het zuiver wetenschappelijke onderzoek, is Linda vooral bekend en geliefd geworden bij de studenten van de opleiding Monumenten- en Landschapszorg te Antwerpen (thans onderdeel van Artesis Hogeschool). In 2000 leerde ik haar als docente kennen en raakte ik onmiddellijk geboeid door het enthousiasme en de passie voor de bouwhistorische vakken, die zij met zoveel overgave en liefde wist te brengen. Het is zeldzaam dat docenten elke les, jaar in jaar uit, zo blijven voorbereiden. Maar Linda was zo iemand die haar les de dag van tevoren nog oefende. De hulp die zij aan studenten verschafte om samen in het archief op zoek te gaan naar de noodzakelijke

schepenakten, vond ik verbazingwekkend. Het was nooit teveel en zij deed het met volle toewijding. Hetzelfde geldt voor de praktijkoefeningen. De studenten moesten in het eerste en tweede jaar een werk maken over een gebouw en dat werd begeleid door Linda en door Paul Bellemans. Door de jaren heen waren deze twee docenten uitstekend op elkaar ingespeeld en speelden zij een uitermate stimulerende en motiverende rol in de begeleiding van de practica van de studenten en in de kwaliteit van de opleiding. De deskundige hulp en steun van Linda bij het indienen van de eindstudies was bewonderenswaardig. Zij evalueerde en corrigeerde vooraf de studies en lichtte de verbeteringen en aanvullingen persoonlijk toe.

In de bijna 20 jaar dat Linda als docente aan de masteropleiding werkte, hebben zeker 380 studenten les van haar gehad. Vele afgestudeerden vonden ondertussen een job in de monumentenzorg en dat deed haar deugd. Ze zei dan met een klein beetje trots: 'dof wos een studente van mif. Linda heeft haar kennis aan veel mensen doorgegeven en hopelijk zullen wij haar voorbeeld navolgen. Naast de twee deeltijdse functies was Linda ook als zelfstandige in het bouwhistorische onderzoek werkzaam. De vele gebouwen, die zij vooral in Antwerpen en Mechelen onderzocht, vormen een lange lijst op haar curriculum vitae. Als je door Mechelen loopt valt het op dat veel van de door Linda onderzochte gebouwen inmiddels


B 1 1 M N E N K R A N T

gerestaureerd zijn. Door haar niet aflatende inzet heeft ze samen met de stedelijke dienst monumentenzorg enkele belangrijke historische huizen van de sloop gered. Haar naam is ook onlosmakelijk verbonden aan de Mechelse Stedelijke Commissie voor Monumentenzorg en de Mechelse Open Monumentendag.

Tentoonstelling

In (2007) werkten wij in Mechelen samen aan een de bouwhistorische studie. Deze handelde over de 16de' eeuwse woning met rijk gesculpteerde voorgevel in witte natuursteen, die bekend staat onder de naam De Lepe/aer gelegen aan de Zoutwerf in Mechelen. Zij legde haarzelf hierbij geen enkele beperking op: in plaats van een archiefonderzoek voor één huis, onderzocht zij het volledige bouwblok. Tijdens de onplezierige uren (zo noemde zij het) die zij voor haar behandeling moest doorbrengen in het ziekenhuis, bespraken wij de bouwgeschiedenis van de Lepelaer. Naast haar doorgedreven ambitie in haar vakgebied, stond zij graag op de tennisbaan, zette zij zich actief in voor haar serviceclub en was zij verknocht aan haar twee lieve honden.

Het begrip Oriënt duidt sinds de Middeleeuwen een exotisch continent met onduidelijke grenzen aan, een vergaarbak voor alle culturen ten oosten van Europa, met inbegrip van Noord-Afrika, het zuiden van Spanje en van Italië. De ongekende bloei die dit imaginaire oosten in de loop van de 19de eeuw in kunst en literatuur beleefde, werd gevoed door diverse bronnen: de kruistochten, de archeologische ontdekkingen, de Grand Jour \isn de kunstenaars, de ontsluiting van Japan vanaf 1850, de expansie van de spoorwegen, de romans van Jules Verne, de wereldtentoonstellingen, de daguerreotypes, de operadecors, het kolonialisme en zoveel meer.

Met het afscheid van Linda hebben wij niet alleen vaarwel moeten zeggen aan een deskundige, gedreven en gewaardeerde collega en vriendin, maar tevens aan een meer dan gerespecteerde prominente dame in de wereld van het onroerend erfgoed. Aan ons de taak om datgene wat zij ons met hart en ziel bracht, zo goed mogelijk voort te zetten.

I

Archives d'Architecture

Moderne

DF O R I F N T V A N DE ARCHITECTEN

De Europese architecten zetten dit mythische Oosten om in materiële creaties door de bouw van Indische theaters. Moorse baden, Chinese pagodes of nog Egyptische vrijmetselaarstempels. De exotische architectuur figureerde in de stedelijke ruimte als

Voo/7r7o//gTheatre de la Bourse, Auguste Ortsstraat 7-23, in Brussel (vernield door brand in 1890). Charles Gys architect, Alban Chambon interieurarchitect, 1885. Eigentijdse foto (©Archives d'Architecture Moderne, Brussel)

Olifantenbrug (brug van Kiel) op de Internationale tentoonstelling van Antwerpen van 1930. Jos Smolderen architect, Albéric Collin beeldhouwer. Eigentijdse foto (® Archives dArchitecture Moderne, Brussel) een soort uitlaatklep voor de verbeelding, in een tijd waarin reizen naar het buitenland voor slechts zeer weinigen was weggelegd. Naar aanleiding van de Open Monumentendagen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, dit jaar op 19 en 20 september 2009, brengen de Archives d'Architecture Moderne op initiatief van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in de beschermde Sint-Gorikshallen, hartje Brussel, de veelbelovende gelegenheidstentoonstelling De Oriënt van de architecten, waarvoor selectief geput wordt uit de rijke eigen verzamelingen.

De Oriënt van de architecten, Sint-Gorikshallen, Sint-Goriksplein, 1000 Brussel, van 4 september tot 1 november 2009, dagelijks van 10u tot 18u. Toegang gratis. Info: 00 32 (0)2 642 24 62; www.monument.irisnet.be; www.sintgorikshallen.be

1VI&L


i

B 1 N N E N K R A N T

Varia

M.M.

Cells

IAMFS STEVENS CURL & 25 JAAR EPITAAF vzw Epitaaf vzw viert dit jaar haar 25 jarig bestaan, en niet zonder reden. Sinds haar oprichting heeft Epitaaf vzw geijverd voor het behoud van het funerair erfgoed. Nadat in 1971 de eeuwigdurende concessie werd afgeschaft kwam dat erfgoed immers sterk onder druk te staan. De sensibilisatie die door Epitaaf vzw reeds vroeg in de jaren 1980 op gang werd gebracht werpt intussen zijn vruchten af. Het bewustwordingsproces rond de herwaardering van het funerair erfgoed is doorgedrongen tot een grote groep mensen, waardoor er een draagvlak is gecreëerd voor het behoud, het beheer en de ontsluiting van begraafplaatsen. Met de jaren bouwde Epitaaf vzw ervaring op in het inventariseren, wat resulteerde in de opmaak van een veldwerkfiche, die door VCM-Contactforum gratis wordt ter beschikking gesteld van geïnteresseerden. Ook wat betreft het onderzoek van graftekens, restauratie, opmaak van publicaties, publiekswerking, rondleidingen, opmaak van funeraire inventarissen en dergelijke, is Epitaaf vzw gekend om haar baanbrekend werk. De vereniging heeft haar zetel in de voormalige ateliers van de grafbeeldhouwers Ernest Salu, in Laken. Meer dan een eeuw lang bleven deze beeldhouwers zich toeleggen op funeraire beeldhouwkunst en de realisatie van grafmonumenten aan de rand van het kerkhof van Laken. Epitaaf vzw heeft zich tot doel gesteld om deze unieke ruimtes te restaureren en te ontsluiten. Het documentatiecentrum en museum, met ondermeer een omvangrijke collectie gipsen, krijgt stilaan vorm. Dit work in progress vergt heel wat arbeid en voortdurende inzet, waarbij alle hulp nog steeds welkom is. De viering van 2S jaar Epitaaf vzw siari op vrijdag 23 oktober 2009 met een academische zitting aan de Universiteit

1VI&L

Gent, in de lokalen van de Vakgroep Kunstwetenschappen. Op zaterdag 24 oktober opent een gelegenheidstentoonstelling in het atelier Salu, te Laken (in principe) gewijd aan de beeldhouwer Pieter Braecke. De Academische zitting, i.s.m. de Universiteit Gent, Vakgroep Kunstwetenschappen, heeft als hoofdspreker de eminente Britse architectuurhistoricus Prof. Dr. emeritus James Stevens Curl, een internationaal erkende autoriteit inzake funeraire en ma^onnieke architectuur, egyptomanie en het Victoriaans tijdperk, met een lezing over Salubrious Dwellings for the Dead: the Knockbreda Puzzles. An Irish Enigma. A Divertissment with Variations. Dr. Catheline Metdepennighen zal hierop aansluiten met een lezing over de Nieuwpoortse gipsencollectie van de beeldhouwer Pieter Braecke (Nieuwpoort 1858-Nossegem 1938), naar aanleiding van de publicatie, dit najaar en in samenwerking met Marcel M. Cells, van een MEtL Cahier, gewijd aan het oeuvre van deze kunstenaar. De lezingen worden namens de Universiteit Gent, Vakgroep Kunstwetenschappen, ingeleid door Prof. Dr. Linda Van Santvoort. Het slotwoord wordt gevoerd door M.M. Cells, als voorzitter van Epitaaf vzw.

De academische zitting zal plaatshebben op vrijdag 23 oktober 2009, aan de Universiteit Gent, Vakgroep Kunstwetenschappen, Sint-Hubertusstraat 2, 9000 Gent (HIKO), auditorium B011 gelijkvloers, van 10u30 tot 12u30. De toegang is gratis. De oktober-aflevering van de Epitaafperiodiek (23ste jg., n°10) zal geheel in het teken staan van dit 25-jarig jubileum. Voor het gedetailleerde programma van de viering, en/of de mail-nieuwsbrief: info@epitaaf.be. of 03 665 02 19. In het najaar komt de website www.epitaaf.be online.

Coördinatiecentrum Open Monumentendag Vlaanderen

OPEN MONUMENTENDAG VIAANDFRFN 1 ^ SFPTFMBFR 7 0 0 9 Op zondag 13 september 2009 staan de deuren van een heleboel monumenten in Vlaanderen weer wagenwijd open voor, traditiegetrouw, talloze nieuwsgierigen. Tijdens deze 21 stc editie van Open Monumentendag Vlaanderen wordt het zorgpatrimonium in de schijnwerpers geplaatst en dit levert opnieuw een zeer divers en verrassend aanbod op. Zorg voor zieken, armen en vreemdelingen: de vroege geschiedenis in vogelvlucht Zorg voor de mens is zorg voor lichaam en geest. Het inzicht betreffende dit samengaan varieerde sterk in de geschiedenis en hield min of meer gelijke tred met de evolutie van een intuïtieve naar een meer wetenschappelijke aanpak. De eerste duidelijke zorginspanningen in onze streken werden geleverd tussen de 10de en de 12de eeuw, met de oprichting van gasthuizen en hospitalen. Deze plekken stonden aanvankelijk in voor de opvang van pelgrims, maar evolueerden stilaan naar plaatsen waar ook armen, ouderen en zieken terecht konden. Soms werden ook psychiatrische patiënten opgevangen in deze gebouwen, meer bepaald in de dolhuizen. De gebouwen telden één of meerdere grote zalen en zieke en gezonde mensen lagen door elkaar. De zieken werden er wel verzorgd, maar van echte geneeskunde was geen sprake. De motivatie voor de oprichting van zulke gasthuizen en hospitalen was simpel: door liefdadigheid (de zogenaamde caritas) hoopte men zijn hemel te verdienen. Ook op het lichamelijk welzijn werd toegezien door de Kerk. Een keur aan zorgheiligen konden worden aangeroepen voor alle mogelijk kwalen. In kerken, kloosters en kapellen kon de ongeletterde mens deze bijna mythische figuren aanschouwen en aanbidden in de vorm van beelden, altaren en relikwievereringen. Hoewel er meer en meer specifieke instellingen werden opgericht zoals


B 1 N N E N K R A N T

te oefenen op de talloze paupers en overlast van bedelarij en criminaliteit in te perken.

B

Antwerpen, Bontwerkerswerkplaats (® Stad Antwerpen, Jan Mastboom) godshuizen voor bejaarden, pesthuizen, leprozerieën, infirmerieën in kloosters of begijnhoven, of passantenhuizen, kwam in de kwaliteit van de zorg toch niet veel verandering. Eeuwenlang stond zorg voor zieken en bejaarden bijna uitsluitend in het teken van het beoefenen van de 'werken van barmhartigheid'. In de Nieuwe Tijd ontwikkelde de geneeskundige wetenschap zich door de vooruitgang in de natuurwetenschappen en het experimenteel onderzoek. De bevindingen van de renaissancistische wetenschappers zullen geleidelijk ook bijdragen tot een betere verzorging en behandeling.

Armen en bejaarden konden ook in sommige gevallen terecht in de godshuizen, hofjes of beluiken. Dikwijls bepaalde het beroep dat men had uitgeoefend of men aanspraak kon maken op een dergelijke woonst. Zo werd rond 1425 de Bontwerkersplaats aan de Wolstraat in Antwerpen gesticht door het ambacht van de bontwerkers. Dit complex was bedoeld voor hun zieke en arme leden en hun weduwen. Deze sociale huisvesting avant-la-lettre leefde ook verder in de late 19de eeuw, toen fabrieksdirecteurs in de schaduw van hun fabriek beluiken met kleine arbeidershuizen lieten bouwen voor hun personeel. Deze vormen van huisvesting verbonden aan arbeid verstevigden indirect ook de sociale controle.

De 19de en 20ste eeuw De Franse Revolutie en de daarop volgende hervormingen tijdens de Franse periode van de Zuidelijke Nederlanden (1794-1814) maakten abrupt een einde aan de bestaande structuren van armen- en ziekenzorg. De religieuze orden werden afgeschaft en de zorg werd grotendeels losgekoppeld van de Kerk. Een Commissie voor Burgerlijke Godshuizen - later zal dit het OCMW worden - werd opgericht voor de verzorging van zieken, wezen en bejaarden. Hospitalen werden open-

bare instellingen, bestuurd door een gemeentelijke commissie. Daarnaast ontstonden ook de Burelen van Weldadigheid, die instonden voor hulpverlening aan thuiswonende behoeftigen, zowel in de stad als op het platteland.

i

In de 20ste eeuw ging die interactie tussen de evoluerende geneeskunde en de architectuur verder. Vanaf het interbellum zal men meer en meer opteren voor hoogbouw. Paviljoenbouw omwille van luchthygiëne was achterhaald. Ventilatiesystemen en desinfecteermethoden zorgden vanaf dan voor een optimale hygiëne. Door de technische verbeteringen was het mogelijk in de hoogte te bouwen. Functionaliteit stond centraal bij de architectuur van het moderne ziekenhuis. Tegelijk behoorden de 20ste-eeuwse ziekenhuizen tot de eerste openbare gebouwen die volop putten uit de verworvenheden van het modernisme met bijvoorbeeld veel glas. Eveneens deed zich een verregaande specialisatie in de zorgarchitectuur voor met het ontstaan van kraamklinieken, militaire hospitalen, hulpposten en noodziekenhuizen, dokterswoningen, dagcentra, poliklinieken, psychiatrische instellingen, revalidatiecentra e.a. Tuberculose gaf dan weer de aanleiding tot de bouw van imposante sanatoria en preventoria met een eigen aangepaste architectuur. Deze werden gebouwd in gebieden met gezonde lucht, zoals aan de kust of in de Ardennen.

6ee/, Sint-Dimpnamuseum (luchtfoto)

De armenzorg werd aanvankelijk aangestuurd door de Kerk maar kwam later meer en meer in stedelijke handen. Vooraanstaande burgers stonden onbezoldigd in voor de bedeling van giften aan behoeftige burgers van de stad. In elke parochie werd ook een 'Armentafel' of een 'Heilige Geesttafel' opgericht die hun middelen vooral uit testamentaire schenkingen haalden. Ook hierbij speelden liefdadigheid en godvrezendheid een rol, maar het was ook een manier om controle uit

1VI&L


B 1 M N E N K R A N T

concepten voor architectuur, inrichting en uitrusting van zorginstellingen in ons land hielden eveneens gelijke tred met de nieuwe inzichten. Zo speelde het 19de-eeuwse België, via sturing door de Hoge Raad voor Hygiëne, een voortrekkersrol in de vernieuwing van de ziekenhuisbouw. De belangrijkste kenmerken van die vernieuwing waren de onderverdeling in paviljoenen en de vermindering van het aantal bedden per ziekenzaal. Dit moest zorgen voor gezonde lucht en een vermindering van het besmettingsgevaar.

Brugge-Asseboek, centrale begraafplaats

Tegelijk gingen visie en wetenschappelijke benadering er fors op vooruit, met voorop een groeiende aandacht voor hygiëne, preventie en positieve beïnvloeding van de gezondheid. Dit leidde tot nieuwe voorzieningen zoals badhuizen, openbare parken, zwem-

Leuven, kruidtuin

baden en andere sportinfrastructuur. Zelfs de sanering van krottenwijken, de evoluerende stedenbouwkundige aanpak en de aanleg van waterleidingen, rioleringen en andere nutsvoorzieningen beoogden onder meer een verbetering van de volksgezondheid. De

Van een zelfde orde waren de verbeteringen in de particuliere woonhuizen: efficiëntere verwarming en verluchting, opkomst van de badkamers... Tijdens het Interbellum was een uitgeruste badkamer zeker niet voor iedereen weggelegd, ondanks de steile opmars na de Eerste Wereldoorlog. De integratie van de badkamer in huis werd gestimuleerd door tal van middenveldorganisaties en zogenaamde hygiënedeskundigen. Het idee van het reine en het propere hing nauw samen met gelukkig zijn en schoonheid. Het streven naar volksverheffing was immers nadrukkelijk aan de orde. Verzuilde organisaties als de Katholieke Arbeidersvrouwen (KAV) en de Socialistische Vooruitziende Vrouwen (SW) leverden inspanningen om de woonomstandigheden van arbeidersgezinnen aanzienlijk te verbeteren. Ook damesbladen en huishoudhandboeken maanden aan tot een regelmatige lichaamshygiëne. De nadruk op het belang van lichaamshygiëne voor de gezondheid domineerde het reinheidsvertoog tot aan de Tweede Wereldoorlog.

Zorg voor de doden Zorg voor de doden behoort tot de oudste vormen van zorg. De sporen van rituele begraving gaan dan ook ver terug in de tijd. Denk maar aan de tumuli of de restanten van Romeinse begraafplaatsen. Onze kerken en kathedralen getuigen nog steeds van het respect dat onze voorouders opbrachten voor de doden. De vele tientallen grafmonumenten die er vooral tijdens het Ancien Régime werden opgericht voor de adel en clerus zijn vaak hoogtepunten in de architectuur- en

M&L


B 1 N N E N K R A 1 M T

Herentals, Oud gasthuis

later werd in Ukkel het eerste crematorium van België in gebruik genomen. In Vlaanderen worden pas in de jaren 1970 intercommunales opgericht met als opdracht crematoria te bouwen.

sommige steden ertoe aan 'groene longen' aan te leggen waar hun bewoners tot rust konden komen en genieten in een gezonde omgeving.

Herzele, Rochuskapel

kunstgeschiedenis, van de ingetogen gotische grafplaat over de bewogen barokke praalgraven tot de meer strakke classicistische grafstèles. Tot vandaag zijn de grafmonumenten op onze begraafplaatsen de spiegel van de maatschappij waaruit ze zijn ontstaan. Ook de locatie van de begraafplaatsen weerspiegelt het wijzigende maatschappijbeeld. Het begraven van overleden mensen in het hart van een dorp of stad getuigt van een sterk geloof in de band tussen leven en dood. Het keizerlijk edict van Jozef II (1784) stelde een eind aan deze traditie: met de aanleg van nieuwe begraafplaatsen buiten de stadsmuren haalde de hygiene het op geloofsargumenten. De erkenning van crematie in België werd pas in 1932 bekrachtigd na een lange ideologische strijd tussen katholieken en niet-gelovigen. Het christelijke monopolie over de teraardbestelling stond ter discussie en de Kerk zag hierin een poging om haar gezag te ondermijnen. Op 2 april 1932 werd bij wet vastgelegd dat begraven en cremeren evenwaardig waren en een jaar

Zorg en landschap Niet alleen de zorg voor de doden laat zijn sporen na in het landschap. Onze omgeving bevat ook vele landschappelijke getuigenissen van zorg. In het stedelijk landschap gaat het om de stedenbouwkundige inpassingen van grote ziekenhuizen en sociale woningbouw in een groene omgeving, of om de restanten van een oude kruidentuin, waar geneeskundige planten werden geteeld die indertijd noodzakelijk waren voor de farmacie van het nabijgelegen hospitaal. Zo was de plantentuin in Antwerpen verbonden met het in oorsprong middeleeuwse Sint-Elisabethhospitaal. De oudste kruidentuin van het land (1738) bevindt zich thans in Leuven. Buiten de stad was soms het landschap zelf bepalend voor de inplanting en ook wel voor de harmonieus ingepaste architectuur van zorginstellingen. Voor sanatoria en preventoria bijvoorbeeld werd een gezonde omgeving van bos of zee uitgezocht zodat patiënten in de 'goede lucht' op krachten konden komen. Sommige instellingen bezitten ook een eigen tuin of zelfs een uitgestrekt park ten behoeve van de patiënten. Een zelfde gedachtengang zette

Het volledige programma kan u vinden op de website www.openmonumenten. be of in het Monumentenmagazine, dat gratis te verkrijgen is in bibliotheken, VW's, KBC-kantoren, Lijnwinkels, Standaard Boekhandels en Fnacfilialen. Naar aanleiding van de Open Monumentendag wordt ook een boek uitgegeven in samenwerking met het Davidsfonds en De Standaard. Monumenten met een hart. De zeven werken van barmhartigheidvene\t het verhaal van de zorg voor armen. Maar u ontdekt ook hoe de drinkwatervoorziening in onze streken evolueerde, hoe men omging met gevangenen, hoe psychiatrische patiënten werden behandeld en waar reizigers terecht konden. De zorg voor onze doden sluit het boek af. Het is een mooi kijk- en leesboek met teksten van Patrick De Rynck en foto's van Stefan Dewickere.

1VI&L


MaL

citoat

Marco Polo beschrijft een brug, steen voor steen. 'Maar welke is de steen waar de brug op rust?' vraagt Kublai Kan. 'De brug rust niet op de één of andere steen,' antwoordt Marco, 'maar op de lijn van de boog die de stenen vormen.' Kublai Kan blijft zwijgen en denkt na. Dan voegt hij eraan toe: 'Waarom heb je het met me over de stenen? Alleen de boog interesseert me.' Polo antwoordt: 'Zonder stenen is er geen boog.' Uit Italo Calvo, Onzichtbare steden, Uitgeverij Atlas.


Denis Van Baren en Hugo VandenBorre

HERINRICHTING EN RESTAURATIE VAN HET STUCPEAFOND IN HET "BEAUWE SAEON" VAN DE EANÜCOMMANÜERU AEDEN B1ESEN < Gezicht op het salon na restauratie

i

(foto 0 . Pauwels)

I l •l I i l 3il i PI De stukadoorsfamilie tijdens het midden

Moretti

realiseerde

van de 18de eeuw

dene stucwerk plafonds

in de salons van de

landcommanderij

van Alden

Deze evolueerden

van een zuivere

naar een rococoplafond mengeling In 2007

verschei-

Biesen.

fond in de torenkamer, vloerse verdieping

voltooid.

omdat

en uiteindelijk

een

van het

stucpla-

gelegen op de gelijk-

in de zuidwestelijke

hoek

opzichte

in ere te

ook nederig

van het authentieke

De realisatie

van deze opdracht

minst eenvoudig

te zijn.

salon'

met een blaurestauratie-

was de artistieke

van de Moretti's

maar tegelijkertijd

kamer

'blauw

Doel van de

en reconstructiewerken liteiten

Deze

de naam

de muren zijn afgewerkt

we textielbespanning. barokstijl,

tussen rococo en classicisme.

werd de restauratie

van de waterburcht,

kreeg na de restauratie

kwa-

herstellen

te blijven

ten

kunstwerk. bleek

aller-


• AldiMi Biostn, waterburcht. Het blauwe salon bevindt zich op de geli)l<vloerse verdieping van de hoektoren vooraan, rechts van de Ingang (foto 0. Pauwels)

De waterburcht ging in 1971 door een fatale brand grotendeels in de vlammen op. De daken, de binneninrichting en een groot gedeelte van de stucplafonds werden verwoest. De Belgische overheid, die inmiddels eigenaar van het complex was geworden, startte onder leiding van de Regie der Gebouwen onmiddellijk een grootschalige restauratiecampagne. De historische interieurelementen zoals schou-

wen, schilderijen, meubilair, fragmenten van stucplafonds en lambriseringen... werden zoveel mogelijk gerecupereerd en in situ gestockeerd. De historische interieurs op de gelijkvloerse verdieping kregen een voorlopige afwerking met nieuwe parketvloeren, nieuwe schouwen, nieuwe deuren en nieuwe plafonds op betonnen dragers. Na de overdracht van de landcommanderij aan de Vlaam•

Orlgineel medaillon

Gereconstrueerd

met pijlenkoker

medaillon met

na restauratie

kruis in schild

(foto 0. Pauwels)

(foto 0. Pauwels)


A Schematische

se overheid in 1994 kreeg het architectenbureau BOA, nu ARTER, uit Brussel de opdracht een algemeen concept van historisch verantwoorde interieurinrichting te formuleren waarin de uit de brand gerecupereerde interieurelementen maximaal zouden geïntegreerd worden. Een eerste realisatie was de herinrichting en restauratie van het historische appartement van de landcommandeur in de noordoostelijke vleugel van de waterburcht; het appartement bestaat uit het kabinet, het salon met stucwerkplafond in rococo en de bibliotheek (1). In de tweede fase volgde de herinrichting en restauratie van het blauwe salon. Het stucplafond was slechts voor een derde bewaard gebleven, te weten de twee medaillons met de pijlenkoker en het schild met bloem rechts van de schouw en het grootste deel van de kooflijst met uitzondering van het stuk boven de toegangsdeur. Het geheel van de

nog bewaarde fragmenten werd gedemonteerd, verpakt en geïnventariseerd door de firma Menchior. O p enkele stukken van ongeveer 1 5 x 1 5 cm en één van 25 x 50 cm na, beperkten alle andere stukken zich slechts ter grootte van een bladmotief, een bloemmotief of een deel ervan.

voorstelling van het stucplafond. De donkere zones tonen de originele bewaarde fragmenten (foto H. VandenBorre)

BESCHRIJVING VAN HET QORSPRONKFI IIK STUCPLAFOND Het blauwe salon vormt een onregelmatig achthoekig grondplan. Het stucwerk dateert uit het tweede kwart van de 18 e eeuw en vormt een overgang van rococo naar classicisme. De ornamenten op het plafond en de kooflijst zijn uitgevoerd in laagreliëf en elke kleine nuance is zichtbaar door het prachtig scherend licht dat van op de spiegelende slotgracht

M&L


in het salon wordt verspreid. Het geheel was vrij druk ingevuld maar de speelsheid in het ontwikkelen van de plafondornamenten toonde de virtuoze capaciteit van de stukadoorsploeg. Zowel technisch als esthetisch bereikten hun spontaneïteit en virtuositeit hier een hoogtepunt. Het decoratieve plafond is opgebouwd uit vier medaillons die vanuit de schuine hoeken van de kooflijst vertrekken. Zij tonen martiale voorstellingen zoals een pijlenkoker, een schild met bloem, een harnas en een schild met kruis. Dergelijke motieven komen op meerdere plaatsen in het kasteel voor. Tussen de hoofdmotieven vertrekken vanuit • Foto's van het de kooflijst secundaire motieven met rocailles die Koninkli|k Instituut waarschijnlijk twee aan twee gelijk waren. De voor het hoofd- en zij motieven zijn met elkaar verbonden Kunstpatrimonium te Brussel uit 1942 door bloemenguirlandes. met voorstelling van de vier medaillons: schild met bloem, harnas, schild met kruis, pi|lenkoker

M&L

In het midden van het stucplafond bevindt zich tevens een decoratief element. Dit is onmogelijk in zijn geheel te beschrijven omdat er geen iconogra-

fische documenten van vóór de brand bestaan. Alleen de twee uiterste decoratieve stukken links en rechts zijn gekend. Na vergelijkend onderzoek kan men er van uitgaan dat hier een ruitvormig motief bevond met gelijkaardige ornamenten als in het overige gedeelte van het plafond.

DE VOQRSTUDIF VOOR DE RESTAURATIE Iconografische bronnen Het was vanzelfsprekend dat de nog bestaande stucfragmenten hun oorspronkelijke plaatsing moesten terugkrijgen, vermits de ruimte en een groot deel van de hoofdornamenten nog aanwezig waren. Een uitgebreide voorstudie was nodig om enerzijds de exacte ligging van deze fragmenten terug te vinden en anderzijds om een duidelijk overzicht te krijgen op de lacunes. Er werd in drie stappen gewerkt. Het bestaande


fotomateriaal van het stucplafond werd geïnventariseerd en grondig geanalyseerd. Vervolgens werd hier een synthese van opgemaakt, waarin alle gekende informatieve bronnen werden omgezet in driedimensionale kleimodellen. Tenslotte werd een proefopstelling in gips gemaakt waarbij de gedemonteerde brokstukken van het stucplafond opnieuw werden samengevoegd. De belangrijkste iconografische bronnen zijn bewaard in het Koninklijk Instituut van het Kunstpatrimonium, namelijk vier foto's uit 1942 van zeer goede kwaliteit waarop de hoofdornamenten van de vier medaillons worden afgebeeld: een schild met bloem, een pijlenkoker, een schild met kruis en een harnas. Omdat de foto's vanuit het middelpunt van de motieven genomen zijn, is er praktisch geen enkele vervorming. Door dit specifiek standpunt ontbrak echter de informatie over de onderzijde van de kooflijst. Er bestaan ook drie foto's, die na de brand en vóór de ontmanteling van de stucfragmenten werden genomen door de toenmalige eigenaar, de Regie der Gebouwen. Deze opnames geven een algemeen beeld van het plafond. Anderzijds werd bij het begin van de werf een zeer interessante fotoreportage teruggevonden bij de firma Menchior uit Luik, die instond voor de ontmanteling en de eerste inventarisatie van het stucplafond. Deze bieden een bijna volledige reportage van de ornamentele stukken van de kooflijst. O m wille van hun zeer slechte kwaliteit en de willekeurig genomen standpunten, kwamen de plastisch zeer rijke vormen over als effen en onduidelijke beelden. Zowel de optische als de fysische perceptie van het stucplafond werd hierdoor sterk vervormd. Een vergelijking van de historische foto's van vóór en na de brand toonde de diverse ornamenten vanuit verschillende gezichtspunten, vanuit horizontaal en vanuit vertikaal perspectief. De verwerking en synthese van deze foto's lieten toe een gecorrigeerd beeld van de plasticiteit en de werkelijke proporties van het stucplafond te verkrijgen. Uiteindelijk werd de afgeleide informatie via een beeldverwerkingsprogramma zo veel mogelijk rechtgetrokken en in het correcte perspectief omgezet. De fotomontage van de gekende grafische documentatie toonde de lacunes: een groot deel van het centrale motief en van de secundaire motieven in de kooflijst boven de deur en de schouw. Het is pas in een latere restauratiefase, dat een oplossing zou gevonden worden voor deze lacunes. Als voorbereiding van de restauratie en reconstructie van het

stucplafond was een uitgebreide studie van de plastische werking van het reliëf noodzakelijk.

Het belang van het kleimodel Een noodzakelijke en onontbeerlijke tussenstap ter voorbereiding van de eigenlijke restauratiewerken, was de uitvoering van een kleimodel. Dit had een tweevoudig doel: ten eerste kregen de stukadoorsrestaurateurs, die later het definitieve platform zouden boetseren, de kans om zich in te werken in de rococostijl en in de vormentaal van het tweede kwart van de 18 c eeuw. Na uitvoering van het kleimodel werden de meest geschikte restaurateurs geselecteerd op basis van hun plastisch kunnen, h u n kritisch vermogen in het evalueren van de vormentaal en vooral op basis van hun bekwaamheid om binnen een team te werken. Tijdens het modeleren kon een rollen- en samenwerkingspatroon uitgewerkt worden. Van in het begin werd gekozen voor twee groepen die afwisselend de werken zouden uitvoeren. De twee groepen moesten aanvaarden dat de andere groep het eigen werk deels vernietigde en opnieuw opbouwde. Aldus was er tussen de twee groepen steeds een kritische opbouwende spanning die moest leiden tot een optimaal resultaat. Uiteindelijk konden ook de verschillende specifieke talenten van de verschillende medewerkers worden verkend. De ene restaurateur is beter in de algemene compositie opbouw en het creëren van spanning in het lijnenspel, terwijl de andere uitvoerder zich eerder verdiept in het eindeloos uitwerken van barokke details. Het belangrijkste en ultieme doel was het vertalen van de tweedimensionale foto's in driedimensionale beelden. De correcte interpretatie van de foto's was niet altijd gemakkelijk. Door op schaal te werken werd een soort kunstmatige afstand gecreëerd ten opzichte van de motieven. Hierdoor was het gemakkelijker de spanningen tussen licht en schaduw op de foto's correct te interpreteren en een optimale visie te verkrijgen op de geboetseerde motieven en h u n proporties. Het schaalmodel in klei liet daarenboven toe correcties uit te voeren totdat het juiste evenwicht werd gevonden.

Gedemonteerde fragmenten van het stucplafond Alle gedemonteerde brokstukken die op zolder waren opgeslagen waren nauwkeurig geherinventariseerd door de restaurateurs (2); ze werden alle voorzien van een aanduiding van de zone of ornament waartoe ze behoorden. Aan de hand van deze gegevens en de fotocollage van het KIK en Menchior's afbeeldingen, konden de stukken duidelijk


DF MOFILIJKHEIDSGRAAD VAN DF NIET-GEKFNDE DELEN FN DF FILQSOEISCHF KEUZE VOOR HET INVULLEN VAN DE LACUNES Hoewel de filosofie van de Brandiaanse school (3) maar een strikt minimum van reconstructie van verdwenen elementen ondersteunt, werd hier toch aangevoeld dat een plafond met een zo belangrijke plastische waarde, als één geheel ervaren moest worden. Door het louter terugbrengen van de oorspronkelijke stucfragmenten in een kale omgeving, zou een verkeerd begrip van de barokke geest ontstaan waardoor het globaal concept van het kunstwerk zou verdwijnen. In de barok is het evenwicht tussen enerzijds de massa en de leemten en anderzijds de hoofdornamenten en de secundaire ornamenten, immers van primordiaal belang. Christian Norberg-Schulz schrijft in dit verband: «.L'indusion baroque peut être comprise également comme la synthese des contraires: espace et masse, mouvement et repos, fermeture et extension, proximité et distance, puissance et tendresse, dignité et delicatesse, illusion et réalité, opera di mano ed opera di natura.» (4).

• Proefmodel m gips van het stucplafond op schaal 30% om het effect van de met-gekende delen te onderzoeken (foto H.VandenBorre)

gegroepeerd worden. Hieruit konden de twee grote medaillons met de pijlenkoker en het schild met bloem rechts van de schouw weer samengesteld worden. Alle andere stukken behoorden grotendeels tot de kooflijst. Ze werden zo goed mogelijk in hun decoratief element gesitueerd. Slechts enkele fragmenten konden omwille van hun kleinschalige afmetingen niet in kaart worden gebracht.

Proefopstelling in gips van het volledige plafond Een volgende stap was het omzetten van alle tot nu toe verzamelde informatie in een gipsen schaalmodel van 3 0 % van het volledige stucplafond. Deze uitvoering werd mogelijk gemaakt door het analyseren van de iconografische bronnen van de gedeeltelijk verdwenen ornamenten, aangevuld met de gedetailleerde kleimodellen en de plastische informatie van de gerecupereerde brokstukken van het oorspronkelijke plafond. Het maken van een volledig schaalmodel werd door alle betrokken partijen als noodzakelijk aangevoeld om een antwoord te kunnen bieden op de vraag naar de rol van de lacunes en de uiteindelijke restauratieoptie, te weten een verregaande reconstructie.

1VI&L

Een volgend aspect dat duidelijk naar voren kwam in het schaalmodel was het totaaloverzicht van de gekende en de niet gekende reliëfornamenten. Het liet toe een beeld van de lacunaire zones te verkrijgen en te bepalen of deze al dan niet een storend effect zouden hebben. De algemene consensus was dat er wel degelijk behoefte was om de lacunes in te vullen omdat deze te dominant leken. Ze speelden een nefaste rol op de leesbaarheid van het origineel concept. Maar hoe dit probleem opgelost zou worden, vereiste nog grondig overleg. Er moest getoond worden dat wat verdwenen was, onmisbaar deel uitmaakte van het origineel concept. De oorspronkelijke leemtes speelden immers een fundamentele rol en mochten in geen geval vermengd worden met deze van de lacunes. Er moest dus gestreefd worden om enerzijds dit verschil aan te tonen en anderzijds de barokke geest terug op te roepen; in dit opzicht bestond het stucplafond uit een evenwicht tussen de dynamische ornamenten in de kooflijst en het centrale ornament enerzijds en de leemtes in de omliggende gedeeltes anderzijds. De plasticiteit van de barok werkt met een opeenvolging van actie en reactie; aan de duwkrachten van krachtige golven beantwoordt een zachte beweging. Vanaf het begin werd getracht een suggestie voor te stellen van het verdwenen en niet gedocumen-


teerde middendeel. Het was echter niet de bedoeling een fictief ontwerp te maken, maar wel vat te krijgen op de grote krachtlijnen. Als voorbereidende tussenstap bleek het nodig verschillende varianten van het historisch stucplafond te maken: een schetsmatige tekening, een volplastisch reliëf, een afgezwakt plastisch reliëf en dergelijke meer. Deze proefontwerpen bleven steeds vast zitten aan het idioom van de rococo en als gevolg suggereerden ze ook te specifieke vormen. Het aanvankelijk plan om de vormen van de rococo na te bootsen bleek onuitvoerbaar. Men moest dit idioom kunnen loslaten en duidelijk maken dat men niet wist hoe het oorspronkelijk ontwerp was. De barokke stijl heeft immers een oneindig aantal variaties. Bovendien kon uit de vergelijkingsstudie met andere plafonds van de Moretti's geen leidmotief afgeleid worden, dat de specifieke vormen van het plafond kon weergeven. Uiteindelijk leidde dit tot het groeiproces dat geen enkel ontwerp voor het ontbrekende deel van het stucplafond kon goedgekeurd worden, aangezien dit steeds een te duidelijke suggestie van 'het gekende' weergaf. Er moest iets 'nieuw' ontworpen worden. Er moest een andere strategie gevonden worden voor de onbekende decoratieve delen.

De "trillingen" als inleving van de barokke vormentaal Met strategie wordt bedoeld dat onder het complexe en zeer decoratieve weefsel van de barok, zich een eenvoudige en vaak geometrische basiscompositie van het kunstwerk bevindt. Deze compositie moest voorgesteld worden op een abstracte manier én een onderscheid maken tussen de oorspronkelijke leemtes en de lacunaire zones van het plafond. Dit punt maakte de invulling van de lacunes juist zo moeilijk. Het is voor de hedendaagse mens immers niet eenvoudig om de barokke stijl te vatten; om de lacunes van het stucplafond in te kunnen vullen, moest geprobeerd worden zich los te maken van de ingreep van onze tijd en de Siècle des Lumières - die tot ons rationalistisch denken heeft geleid - en terug te gaan naar de barokke vormentaal m.a.w. de hedendaagse dominantie op de complexe en decoratieve vormentaal van de barok moet losgelaten worden Eens de basiscompositie duidelijk was, moest deze omgezet worden in een abstracte vorm die de barokke vormentaal zou suggereren en toch gemakkelijk identificeerbaar zou zijn als een moderne interventie. Uiteindelijk mondde dit uit in een soort

•4 Abstracte pointillistlsche vormgeving om de lacunes in het barokke stucplafond op een hedendaagse manier in te vullen (foto H. VandenBorre)

M&L


pointillistische trillingen, die verwant waren met de vormentaal van de omgeving. Eens dit begrip 'trillingen ontdekt, kon ook meteen een 'eerlijke' invulling van het stucplafond uitgevoerd worden. Zo werden de schelp-, bloem-, en bladmotieven omgevormd tot pointillistische vormen.

DF TECHNISCHF ASPECTEN De basisconstructie voor het te restaureren plafond bestond uit twee delen: een mobiel gedeelte nodig voor het plaatsen van de twee grote bewaarde hoekmedaillons en een vast gedeelte voor de te reconstrueren delen. Dit tweede deel werd met ijzeren I-profielen aan de muren verankerd waarna de Iprofielen verstevigd werden met traditionele moeren kinderbalken. De mobiele constructie liet toe de twee gerecupereerde hoekornamenten vanuit twee kanten te benaderen: de achterkant en de gedecoreerde kant. Bij een historisch plafond, geconstrueerd uit moeren kinderbalken, kan men de vloer op de bovenliggende verdieping losmaken zodat het stucwerk zowel langs boven als langs onder bereikbaar is. Dit was niet hier mogelijk omdat er een betonnen plafond aanwezig was; het mobiele plafond was bijgevolg een goed alternatief; de oorspronkelijke fragmenten werden op twee mobiele houten constructies gemonteerd en vervolgens aan het plafond vastgemaakt door middel van een schoorsysteem en met epoxy en kalkmortel gehecht. Met het oog op een naadloze vernetting tussen de mobiele en de vaste constructie, werd geopteerd voor de verweving van een lattenstructuur dat zich over alle afzonderlijke constructiedelen van het plafond uitspreidde, zodanig dat aftekeningen en onregelmatigheden vermeden werden. Deze lattenstructuur

De mobiele steunconslructie met de gemonteerde originele stukken wordt met hulp van een schoorsysteem aan het plafond bevestigd (foto H. VandenBorre)

M&L

werd bekleed met een licht en vervormbaar gaas van strekmetaal dat zorgde voor een structurele continuïteit tussen de oorspronkelijke fragmenten en de gereconstrueerde delen van het stucplafond. Een bijkomende moeilijkheid was het gevolg van de demontage van het plafond in 1971. Het oorspronkelijke plafond uit het tweede kwart van de achttiende eeuw bestond uit een klassieke kalkmortel. Na de brand waren sommige ornamenten zo verzwakt dat men verplicht was ze te versterken, indien men ze in een voldoende grote vorm wilde bewaren. Dit is met gips gebeurd, gewapend met vezels en houten latten. Waar echter geen rekening mee werd gehouden, was de combinatie van beide materialen: de versterking met gips was te hard ten opzichte van de verzwakte materie van de kalk. Bovendien heeft kalk een ander uitzettingscoëfficient waardoor een ongelijke spanning ontstond. Wegens de zeer broze toestand van de oorspronkelijke ornamenten, was het onmogelijk de later toegevoegde gips te verwijderen. Als gevolg moest bij de montage rekening gehouden worden met redelijk grote dikteverschillen tussen de niet behandelde originele fragmenten en de in de jaren '70 versterkte fragmenten.

DF RESTAURATIE FN RECONSTRUCTIE Van primordiaal belang was de synthese tussen het behoud van het oorspronkelijk kunstwerk en de wetenschappelijke reconstructie. De ontwerper moest het oorspronkelijk plafond respecteren en de intuïtieve kracht van het kunstwerk laten primeren en tegelijkertijd zijn artistieke élan zien te behouden.


A De originele frag-

ware grootte op de

De op ware grootte

het plafond over

tnenten worden

vaste constructie

aangebrachte foto

te brengen

aangevuld met een fotomontage op

(foto H.VandenBorre)

wordt geperforeerd

(foto

en getamponneerd

H.VandenBorre)

om de tekening op

O p het nieuw te boetseren plafond werd een raaplaag aangebracht en hierop een fotomontage op ware grootte van de te reconstrueren ornamenten bevestigd. De foto-afdrukken werden geperforeerd en getamponneerd en vervolgens in een lijntekening op het plafond omgezet. Met het oog op deze perfecte aansluiting hebben de stucadoors-restaurateurs eerst de grote curven en krachtlijnen van het stucplafond geboetseerd en daarna de detailwerking, zoals in de oorspronkelijke bouwperiode

gebruikelijk was; ook in de barok en rococo had elke vakman zijn eigen rol in het totale verwezenlijkingproces van dergelijke grootschalige kunstwerken. Bij de restauratie en reconstructie van het stucwerkplafond werd veel waarde gehecht aan de samenwerking van de verschillende vakmensen. Iedereen had zijn eigen taak of specialiteit in het proces. Nadat het volledige plafond was gemonteerd, diende de vraag over het afschilferen van de patinalaag


• De puntjes die doorheen de geperforeerde foto zijn aangebracht, worden in een lijntekening omgezet (foto H.VandenBorre)

M&L


• Het kleurverschil tussen de originele

opgelost. De leesbaarheid van het plafond gaf immers een zeer storend en vlekkerig effect, met een sterke tegenstelling tussen de oorspronkelijke fragmenten, de reconstructie en de lacunes. Door de hitte en de rook van de brand had de 19 e eeuwse lijnolieverf een onomkeerbare grijsbruine kleur gekregen. Hierdoor waren de oorspronkelijke reliëfornamenten verdonkerd en slecht leesbaar. Bovendien hadden sommige fragmenten na de ontmanteling in de jaren '70 een oppervlaktebehandeling gekregen waardoor rode tot roze verkleuringen waren ontstaan. Het was niet wenselijk deze latere kleurverschillen te verwijderen aangezien de kalk al te veel geleden had en dit de kwaliteit van het plafond niet zou bevorderen. Twee mogelijkheden boden zich aan: enerzijds kon men een transparante patina gebruiken die het verschil tussen de originele en aangevulde delen duidelijk zou aantonen. Dit zou meteen ook de meest eerlijke behandeling zijn. Anderzijds kon men dekkend werken om een chromatisch geheel te verkrijgen. Indien men dekkend werkte moesten twee verschillende kleurnuances gebruikt worden: één voor de originele stukken en één voor de nieuwe delen.

Beide opties werden uitvoerig getest. Het transparante patina gaf geen voldoening wegens te grote diversiteit tussen de verschillende fragmenten. De dekkende laag echter gaf een bevredigend effect op voorwaarde dat ze zo dun mogelijk werd aangebracht, zodat geen bijkomend verlies aan plasticiteit zou ontstaan. Uiteindelijk werd de behandeling met een kalkhoudend lazuur uitgevoerd dat overeenkwam met de oorspronkelijke afwerking van circa 1745.

ornamenten en de aangevulde fragmenten wordt weggewerkt door afwerking met een kalkhoudend lazuur (foto H. VandenBorre)

DF HARMONIF MFT DF GEHFLE RUIMTF Eens de restauratie van het historisch plafond afgewerkt, diende men belangrijke ingrepen aan de overige elementen van het salon uit te voeren. Een groot deel van de inrichting, namelijk de parketvloer, de deuromkasting en de lambrisering, behalve drie panelen, waren in de jaren 1970-1980 vervangen. De originele schouwmantel was na de brand van 1971 verdwenen en was vervangen door een nieuwe schouw in Carraramarmer. Al deze elementen dienden beter geïntegreerd zodat een eenheid met het stucplafond en een harmonieus

M&L


^

w

x

i

n

•• iB


totaalbeeld van de ruimte zouden ontstaan. De binnenwanden waren tijdens de brand sterk beschadigd. Het profiel van de kooflijsten duidde aan dat er ooit een textielbespanning aanwezig geweest was; enkele foto's uit de periode voor de brand tonen dat de vorige eigenaar de wandbespanning had vervangen door behangpapier. Er werd geopteerd voor een rijke barokke afwerking met een blauwe damaststof met een achttiende eeuws motief wat de authentieke waarde van het salon ten goede kwam. De oorspronkelijke lambrisering was slechts fragmentair bewaard maar kon gereconstrueerd worden dankzij een vergelijkingsstudie met de identieke lambrisering van het kasteel Belle-Maison in Marchin. Het gebrek aan harmonie tussen de donkere kleur van de gerecupereerde neogotische schouwboezem, de spierwitte marmeren schouwmantel en de lichte kleur van de lambrisering en de binnenluiken werd als storend ervaren. Na overleg werd besloten om de schouwmantel dun te overschilderen in een transparante kleur zodat het witte marmer beter aansloot bij de omgeving. De recente stervormige eiken parketvloer en de lambrisering werden kunstmatig verouderd. Aangezien er geen verwijzing naar de oorspronkelijke verlichtingsbron was, opteerde men voor het plaatsen van een moderne luchter. Er werd gekozen voor een goudkleurige, handgemaakte kroonluchter uit staal met Swarovskikristal, Candles en Spirits, van William Brand en Annet van Egmond. Het transparante en haast pointillistisch effect van de luchter lijkt perfect in te spelen op de trillingen van het centrale plafondornament.

OPDRACHTGEVER: Vlaamse overheid, agentschap voor facilitair management. Afdeling Gebouwen, Staf Briers, Jaak Smeets

Het blauwe salon na de restauratie van het stucplafond en de reconstructie van de wandbe-

ONTWERP EN WERFOPVOLGING: s t u d i e b u r e a u

Arter Brussel, Denis van Baren, Mare Vanderauwera, Kunsthistoricus: Guido Jan Bral

spanning en de lambrisering (foto 0. Pauwels)

ADVIES: agentschap RWO, Onroerend Erfgoed Limburg, Christine Vanthillo UITVOERING:

Algemene aannemer: Monument VDK, Willy van Noten, Stefan van de Stadt GESPECIALISEERDE ONDERAANNEMERS:

Restauratie plafond: restauratievennootschap Profiel, Hugo VandenBorre met een team van medewerkers: Katrien van den Bosch, Ellen Hectors, Pieter Noppe, Sarah Rugeon, Elke van Bockstal, Aike de Bin, Dorota Drescik, Nele Yperman, Gabi Possarnig. Wandbespanning: Servio Luchter: Claeys Verlichting, Avelgem KOSTPRIJS: 885.640 euro

EINDNOTEN (1) BRAL G. J., VANDENBORRE H. en VANTHILLO C, Landcommanderij Alden Biesen. restauratie van het appartement van de landcommandeur, in M&L, jg.22, nr.6, 2003, p.48-71. (2) VANDENBORRE H., Alden Biesen stucwerk G12. Diagnose en behandelingsvoorstel gerecupereerde elementen stucplafond. Research reconstructie stucplafond, onuitgegeven studie, Lovendegem. 2004. (3) BRANDI C, Theoriedela restauration, Parijs, 2001. Cesare Brandi (1906-1988) was stichter en directeur van het Istituto Centrale

fi£SLLLlI

del Restauro in Rome en professor kunstgeschiedenis aan de universiteiten van Palermo en Rome. Hij schreef verscheidene theore-

Het gerestaureerde salon werd op 28 november 2007 plechtig heropend voor het publiek. Het resultaat roept de sfeer op van de hoogdagen van de landcommanderij in het midden van de achttiende eeuw. Vanaf heden staat de prestigieuze ruimte van het blauwe salon ten dienste van de bezoekers en gebruikers van het cultuurcentrum.

Denis van Baren is restauratie-architect en Master in Conservation. Hij werkt als projectleider restauratie in het studiebureau ARTER. Hugo VandenBorre is restaurateur en zaakvoerder van de restauratievennootschap Profiel.

tische enfilosofischeboeken over conservatie en restauratie van cultureel erfgoed. (4) NORBERG-SCHULZ C, La signification dans l'architecture occidentale {Architecture et documents). Brussel, 1977.


Fabric e Giot

STUCWERK VAN DE 17 DE EN 1 8DE EEUW IN DE LAGE LANDEN. GIUSEPPE MARIA M0RETT1, EEN 18DE-EEUWSE STUCWERKER IN ALÜEN B1ESEN

Om het werk en de aanwezigheid van de

Maar anderzijds hebben plaatselijke

ambachts-

stucwerker Giuseppe Moretti in Alden Biesen

lui, los van deze grote namen, tal van stuc-

te begrijpen, is het nuttig om de artistieke

werkensembles van een verbluffende

context van de kunst van het stucwerk in onze

nagelaten. In tegenstelling tot wat in de

streken nader toe te lichten. De rijkdom van

literatuur wordt beweerd, hebben ze hiervoor

dit specifieke erfgoed is tot op heden onvol-

niet de Italiaanse, in de 16'le eeuw 'heruit-

doende gekend. Het is nochtans belangrijk om

gevonden ' antieke techniek met kalkmortel en

te weten dat de idee van een luxueuze kunst-

marmerpoeder

productie, zoals die in de literatuur wordt

Uit recente Engelse, Duitse en Nederlands-

voorgesteld, niet strookt met de werkelijkheid,

talige studies blijkt immers dat men in onze

met uitzondering van enkele decors die bij ons

streken voor stucwerk gebruik maakte van een

door trans-Alpijnse artiesten werden uitge-

amalgaam van pleisters, dierlijke lijmen en

voerd (1), waarover verder meer. Deze kunste-

paardenhaar.

diversiteit

afgewacht.

naars en enkele gekende meesters zoals Cornells Floris De Vriendt (1514

1575),

Lucas Faydherbe (1617 1697), Pieter Paul Rubens (1577-1640)

en uiteraard jan

STUCWFRKERS EN STUCWERK IN DE VOORMALIGE LAGE LANDEN IN DF 17 DE EEUW

Christiaan Hansche in de 17* eeuw, droegen bij tot de idee dat stucwerk zeldzaam en prestigieus was. De plastische kwaliteiten van hun decors kunnen inderdaad wedijveren met de beste productie van het continent.

De huidige stand van het onderzoek wijst er op dat er in de Lage Landen vanaf het begin van de 17 e eeuw een grote belangstelling bestond voor stucdecors. Ouder gedateerde ensembles zijn zeer zeldzaam en bovendien moet de datering van sommige


ensembles dringend herbekenen worden. De stucwerkdecoratie van de Carolus Borromeuskerk in Antwerpen, uitgevoerd tussen 1615 en 1621, wellicht naar ontwerp van Rubens, blijft een uitzondering, evenals de versiering van de Onze-LieveVrouwkapel in dezelfde kerk. Hun uitwerking is buitengewoon plastisch, waardoor ze eerder aansluiten bij het Italiaanse maniërisme vanaf 1550. Voorbeelden uit de tweede helft van deze gouden eeuw 17 e eeuw zijn talrijker en hun dateringen zijn betrouwbaarder. Naast de luisterrijke en sculpturale decors van Jan Christiaan Hansche en enkele anderen die in dezelfde stijl werkten, kan men drie grote decoratiegroepen onderscheiden. Tot de eerste groep behoren de zogenaamde gotische plafonds. Deze categorie groepeert gewelven die versierd zijn met fijne en eenvoudige reliefboordjes, waardoor valse ribben gesuggereerd worden die verwijzen naar gotische gewelven. In het midden is dit spel van moulures soms zeer ingewikkeld en soms verschijnt op die plaats een rozas, een ster, een bloem of een engel. Deze motieven herinneren aan een weliswaar renaissancistisch plafond in het kasteel Brake in Lemgo (Westfalen), dat Conrad Rotermundt in 1586 met stucwerk versierde. Voorbeelden van deze categorie stucwerk vindt men voornamelijk terug in de omgeving van Gent: de Sint-Catharinakerk in Wondelgem, SintElisabeth in Gent, Onze-Lieve-Vrouw en Sint-Pieter in Gent, de Sint-Pietersabdij eveneens in Gent, de abdij van Herkenrode in Kuringen en de SintEligiuskerk in Eine (2). Dit type plafonds komt ook voor in Nederland, zoals bijvoorbeeld in de stad Brielle. Vormverwantschap bestaat er ook met Engels stucwerk tussen 1600 en 1635.

gewoon naast mekaar geplaatst. Soms zijn de balken gepleisterd zodat langs de muren en aan de binnenzijde van de ruimtes een hoefijzervorm wordt bekomen. Gelijkaardige voorbeelden kan men terugvinden in Nederland vanaf het tweede kwart van de 17 c eeuw, zoals bijvoorbeeld in het stadhuis van Zutphen. In België zijn er verschillende plafonds in deze stijl, maar met dit verschil dat de balken niet worden uitvergroot of verkleind, maar afgewerkt zijn met een eerder rechte profilering. H u n ornamentering behoort, met uitzondering van engeltjes, tot een overwegend plantaardig repertorium. Voorbeelden hiervan zijn het plafond van de refter van het franciscanenklooster in Mechelen, de trouwzaal van het stadhuis van Bergen uit 1682 en een plafond in het klooster van de ongeschoeide karmelietessen in Brugge. Een plafond in een pand, door het KIK

• Mechelen, Sint-Janskerk, gordelbogen met sobere ornamenten en geometrische motieven, 2de helft 17de eeuw (foto 0. Pauwels)

Een tweede groep wordt gevormd door balkenplafonds met stucwerk, die herinneren aan de Duitse Kölner Decken (4) en de plafonds in Nederland (5). Deze Duitse variant vindt men terug in het Rijnland en Westfalen vanaf Keulen. Het gaat om plafonds met balken die versierd zijn met stuc op basis van plaatster en dit meestal in twee lagen. In de streek rond Keulen komen ze voor vanaf het einde van de 16 e eeuw tot het begin van de 18 e eeuw. H u n versiering varieert al naargelang de periode en naargelang de leefwijze van de opdrachtgever, veelal een rijke burger, een priester of een vertegenwoordiger van de lage aristocratie. A priori worden nooit figuren voorgesteld, maar bloemen, rankwerk, guirlandes, soms een kroon, een jaartal of een opschrift, dit alles bijeengevoegd in guirlandes of

M&L


gesitueerd in Neuvice 55 in Luik, toont een decor van rozassen als verfraaiing van geometrische moulures. Er werden ook takken in verwerkt, die met eikenbladeren samengebonden zijn. Dit type van bijeengebonden takken ziet men ook op het plafond van 1699 van de Sint-Stefanuskerk in Seilles (Andenne), maar eveneens in een reeks van vergelijkbare decors in het oosten van het land: in de pastorij van Baelen uit 1694, het kasteel van Olne, de abdij van Charneux in Herve van 1702 en het kasteel Astenet in Lontzen. De composities vertonen enkele varianten door toevoeging van engeltjes, grafische versieringen, rozassen of vogels. Er is wellicht een verband tussen deze plafonds in het oosten van het land en de traditie van de Keulse plafonds. Een derde categorie decors verschijnt in de tweede helft van de 17 e eeuw en is gekenmerkt door soberheid: eenvoudige moulures getrokken met een mal, zonder ornamenten, die op een meer of minder perfecte manier geometrische motieven vormen (Sint-Jan Baptist en Sint-Jan Evangelistkerk in Mechelen en kasteel Astenet in Lontzen). Parallel met dit soort plafonds verrijkt men de compositie soms met ornamenten uit het laatste decennium van de 17 c eeuw (Sint-Vincentiuskerk van Zinnik uit einde 17 c eeuw. Sint Antonius klui-

Haaseik. kapel van Marlmdis en Relmdis in Aldeneik, volkse voorstelling van de heiligen in het koor, begin 18de eeuw (foto 0. Pauwels)

M&L

zenaarkerk van Thimister-Clermont uit 1688). D e geometrische vormen en de ornamenten worden talrijker (Minderbroederkerk in Hasselt) om tenslotte een dicht netwerk te vormen van moulures, rijkelijk versierd met motieven waaronder naïeve figuurtjes (Sint-Niklaaskerk van Edingen van 1690).

STUCWFRK IN DF 1RDF FEUW Voortleven van de gewelven en gemoulureerde plafonds in de 18 de eeuw Een bepaald type decors zet gedurende de hele 18 eeuw de traditie van het einde van de vorige eeuw verder met gewelven en plafonds met moulures en/ of naïeve figuurtjes. Zo blijft het type van plafonds met eenvoudige moulures voortleven tot het einde van de 18 e eeuw, al zijn er stijlaanpassingen merkbaar wat betreft de krommingen van de moulures (Onze-Lieve-Vrouwekerk in Dendermonde in 1716), de kronkels (Sint-Remikapel in Dinant in 1736, plafonds van de Dartevelle-vleugel van de abdij van Floreffe rond 1750), de delicate soepelheid (plafond van de pastorie van Rachamps in Bastogne uit derde kwart van de 18 e eeuw) en de terugkeer van de hoeken in de jaren 1770 (SintHubertuskerk van Sommière in 1778).


De kleine naïeve en volkse figuurtjes die vanaf het einde van de 17 c eeuw verschijnen, blijven actueel gedurende de hele 18 c eeuw: Sint-Harlindis en Renildiskapel in Maaseik in begin 18 e eeuw, O n ze-Lieve-Vrouwekerk van Strée-Iez-Beaumont rond 1772 en de Sint-Pauluskerk van Mont-en-Marchienne in 1773).

De jaren van de barok Tussen 1700 en circa 1735 worden deze plafonds met hun geometrische moulurepatroon verfraaid met enkele versieringen en worden 'gebarokiseerd', met een diversificatie en een vermenigvuldiging van de motieven: ze worden zwaarder en hun indeling wordt ingewikkelder. Voorbeelden hiervan zijn de Boskapel van Wolvertem-Meise in 1707, Sint-Martinuskerk van Frasnes-Buissenal in 1713, Onze-Lieve-Vrouwekerk van Bassilly in 1715, Onze-Lieve-Vrouwekerk van Zwalm in 1721 en de Sint-Martinuskerk van Volkegem in 1725. In diezelfde periode komen enkele uitzonderlijke barokke of Lodewijk XIV decors tot stand: onder andere deze van het chinees salon in het kasteel van Waleffe-Saint-Pierre met stucwerk van Jean Gérard tussen 1706 en 1712, naar ontwerp van Daniel Marot (1663-1752) (6) ofeen plafond van 1715 in het Bijlokemuseum van Gent. Dit laatste herinnert aan de balkenplafonds met stucwerk en omwille van de rijkdom aan weelderige plantaardige motieven ook aan de Duitse school van Wessobrun.

het voormalige Joegoslavië. Via het westen van Duitsland bereiken deze stucwerkers in die periode ook de Oostenrijkse Nederlanden. Ze reizen meestal te voet, soms op een wagen of met een boot die toevallig hun weg kruiste. Sommigen zijn alleen op doorreis en blijven niet lang ter plaatse, maar reizen verder richting Engeland, Schotland en Ierland; anderen blijven langere tijd. Men vindt hen eveneens terug in Frankrijk, Corsica en Spanje, en enkelen wagen zelfs de overtocht naar de Nieuwe Wereld en met name naar Zuid-Amerika!

Naar de régence en rococo stijlen Rond 1735-1740 voltrekt zich in sommige leidende ateliers een opvallende technische en esthetische evolutie. Wellicht kan dit verklaard worden door de grote aanvraag enerzijds en de soms moordende concurrentie van de nieuwe Italiaanse ploegen anderzijds. De vernieuwing wordt gekenmerkt door stijlevoluties, die bevorderd worden door het circuleren van modellen en door een grotere erva-

T Denderleeuw, Sint-Amanduskerk van Idergem, stucplafond In Régencestijl, 1737 (foio 0. Pauwels)

Gedurende deze periode verschijnen ook de eerste zogenaamde Italiaanse kunstenaars op het toneel. Deze vruchtbare migratie wordt gedeeltelijk verklaard door het relatief klein aantal inheemse stucwerkers alsook de duidelijke voorliefde in de 18 e eeuw voor dit soort materiaal. In de streek van Tessin, een voormalig Italiaans gebied dat Zwitsers werd in de 19 e eeuw, zijn talrijke ambachtslui uit de bouwsector aanwezig. De aanwezigheid van marmergroeven verklaart uiteraard deze specialisatie in de bouwberoepen. In de Italiaanse Alpen werd stucwerk trouwens onafgebroken vervaardigd sinds het einde van de Romeinse oudheid. Wat er ook van zij, de herontdekking van deze techniek werd onmiddellijk gevolgd door haar verspreiding eerst in Italië en daarna heel snel in de rest van Zwitserland (7). Gedurende de tweede helft van de eeuw doen Duitsland, Oostenrijk en Bohemen beroep op het ervaren vakmanschap van deze ambachtslui uit Tessin. Van de 16 c eeuw tot het begin van de 18 e eeuw vindt men hen terug in de Scandinavische landen. Polen, Rusland, Hongarije en

M&L


Vanaf de eeuwwisseling en gedurende de volgende twintig jaar, ontwikkelt het rococo stucwerk zich tot een uitbundige stijl. Soms worden oude tradities geïntegreerd in de uitvoering van vrij grote decors, zoals het gebruik van de naïeve kleine figuurtjes, en soms worden de nieuwe rocaillemotieven verwerkt in een traditioneel opzet van eenvoudige moulures. Als mooiste voorbeelden citeren we de decors van de Sint-Martinuskerk van Nettine in 1749, de Sint-Martinuskerk van Beveren in 1755, het hotel Croix in Namen tussen 1751 en 1757, de gevels van het Musée des arts anciens du Namurois rond 1770 (8), de Sint-Bartholomeuskapel van Jamblinne-Rochefort in 1759, de SintPieterskerk van Melreux in 1770-1771 (9) en de Sint-Genovevakerk van Oplinter van het derde kwart van de 18 e eeuw.

• Beveren-Waas, sacristie van de Sint-Martinuskcrk, rocaillemotieven verwerkt in traditionele eenvoudige motieven, 1755 (foto 0. Pauwels)

M&L

ring in de beheersing van het materiaal. Bovendien heeft de grote werkvrijheid, zonder de beperkingen van het corporatistisch systeem, het ontstaan van nieuwe ateliers zeker in de hand gewerkt. Geleidelijk voltrekt zich de overgang van regionale naar internationale stijltendensen. Dit noemt men aanvankelijk de ontwikkelde régencesdjl (gewelf van de Onze-Lieve-Vrouwekerk in T h u i n van de tweede helft 18 e eeuw, Sint-Aldegondiskerk in Mespelare in 1737, kerk van Sint-Antonius de kluizenaar van Thimister in 1744 en de Sint-Amanduskerk van Iddergem in Denderleeuw in 1737). De kwaliteit varieert uiteraard van gebouw tot gebouw, maar het gemiddeld niveau kan ongetwijfeld rivaliseren met de werken van de Italiaanse artiesten uit de Tessin.

De jaren 1740 tot 1760 kenmerken zich door de aankomst in Luik en omstreken van een tweede golf kunstenaars van de Noorditaliaanse meren. H u n namen zijn Giuseppe en Giovanni Antonio Moretti van Riva San Vitale, Carlo Giuseppe Spinedi (1723-1793) waarschijnlijk afkomstig van Rancate, Geronimo Parini, alsook Francesco Maria Cantoni en zijn zoon Pietro, Gaetano Matteo Pisoni (1713-1782), de beroemde architect uit Ascona (kathedraal van Namen) en Francesco Pozzi (17021784-1788) van Gastel San Pietro (10). Spijtig voor hen waren de belangrijkste werken in Luik en omstreken al uitgevoerd en de verschillende kunstenaars moesten grote moeite doen om opdrachten in de wacht te slepen. Dit fenomeen verklaart de concurrentie tussen Italiaanse en plaatselijke stucwerkers. Sommige stucwerkers trokken zelfs weg of oriënteerden zich naar andere beroepen zoals wellicht Giuseppe Moretti die het stucwerk lijkt in te ruilen voor het beroep van architect (zie verder meer). Wellicht omwille van de nabijheid van Nederland en Duitsland, zal de streek van Luik nochtans de thuishaven blijven voor de mensen uit Tessin. Ze zullen de Lodewijk XIV-stijl van de vroegere periode inruilen voor de rococo, die toen zeer in de mode was (11).

De neoklassieke of Lodewijk XVI- stijl tussen 1765 en circa 1780 Met de opkomst rond 1765 van de Lodewijk XVIstijl neemt het aantal ambachtslieden toe, zowel de plaatselijke als de inwijkelingen (bijvoorbeeld de Tirolers Joseph Geiger en Anton Zangerl of de Beierse F. A. Baader). Het succes van deze stijl wordt ook gedeeltelijk verklaard door de minder hoge uitvoeringseisen. Het vraagt immers minder


werk in de diepte, en ook kleinere ateliers, die veel gebruik maken van getrokken moulures en van moulages, konden werken in deze stijl aan. De traditionele ateliers en de ploegen die in de modestijlen werken vinden mekaar hierin terug. Anderzijds vergroot in de loop van deze eeuw het aantal mensen die plaasteren moules vervaardigen. De kwalitatieve resultaten van een dergelijke werkwijze zijn uiteraard wisselend, maar in sommige gevallen leiden de creativiteit en het talent van de stucwerkers tot uitvoeringen van een hoog esthetisch niveau (plafond van het hotel Vandermaesen in Luik). Gelukkig wordt het respect voor de stijl gewaarborgd door andere ateliers (decors van het stadhuis van Verviers in 1775 door de ploeg van Antoine-Pierre Franck of de refter van de abdij van Stavelot rond 1778 door het atelier van de Duckers). Deze ateliers werken vaak zelfstandig en vooral in burgerlijke gebouwen, alhoewel ze soms ook kleinere opdrachten krijgen voor religieuze gebouwen (een altaar, een koorversiering, en andere). Voor hun prestigieuze religieuze bouwwerken kiezen de belangrijke architecten van die periode voor ploegen die reeds een stevige reputatie hebben opgebouwd. In deze gevallen moeten de stucwerkers wel de ontwerptekeningen en de aanwijzingen van de architecten volgen. Men spreekt hier eerder van neoclassicisme dan van Lodewijk XVI (bijvoorbeeld de decors van de abdijkerk van Floreffe onder leidingvan Laurent-Benoit Dewez rond 1770).

Vanaf 1760 tot in 1780 neemt de immigratie van ultramontaanse kunstenaars merkbaar toe. De hoofdreden hiervoor is dat lang aanslepende conflicten, die het land in hun greep hielden, tot een einde kwamen. Naar het voorbeeld van gouverneur Karel van Lorreinen, die het startsein geeft voor een hele reeks bouwwerven (zijn paleis in Brussel en zijn kastelen in Mariemont enTervuren), besluiten veel gefortuneerde particulieren, religieuze gemeenschappen en openbare overheden om overal ten lande nieuwe gebouwen op te trekken of bestaande constructies te 'moderniseren'. Twee geografische gebieden nemen het voortouw: Brussel en de Maasvallei. De kunstenaars nemen deze streken nu als uitvalsbasis, waar dat voorheen Luik was. Onder hen bevinden zich Giovanni Antonio Moretti, die stucateur de Son Altesse Royale geworden is, maar ook zijn oudste twee zonen Paolo Antonio (1735-1799) en Carlo Domenico (1736/19371789), alsook de trouwe Carlo Giuseppe Spinedi, die onder andere in 1764-1765 de architecturale ornamenten van de grote trap, de koepeldecoratie en de inkomsthal van de paleiskapel van Karel van

Brussel, paleis van Karel van Lorreinen,

Lorreinen realiseerde. De Italiaanse stucwerkers werken eerst in Brussel, maar worden daarna ook snel bekend in heel het zuiden van het land. Men vindt ze onder andere terug in vele van de mooiste kastelen van de Maasvallei (Annevoie, Freyr, Brumagne, Houx, provinciepaleis van Namur). De intense Brusselse activiteit zal ook nieuwe artiesten aantrekken, voornamelijk stucwerkers, maar ook schilders zoals Giovanni Antonio Caldelli (17201791) van Brissago en zijn zoon Giorgio, gekend als de peintre en optiquevan het kasteel van Hingene in Bornem in 1782. In datzelfde jaar werkt hij eveneens in het theater van Antwerpen (12). Spijtig genoeg hebben deze kunstenaars vaak onder leidins van architecten gewerkt, die hen de teke-

stucplafond in de kamer van Charlotte van Lorreinen door Giovanni Antonio Moretti, 1765 (foto F Giot|

1VI&L


ningen voor aangenomen werkploegen. vinden op de

het stucwerk leverden als simpele arbeiders Men kan nochtans hun belangrijke werven van

of werden ze binnen grote namen terughet land.

De Pompejaanse, Empire en eclectische stijlen van rond 1780 tot 1830 De jaren 1780 tot aan de vooravond van de Belgische onafhankelijkheid kenmerken zich door een gestage achteruitgang van het gebruik van stuc ten voordele van moulages in pleister en van staffwerk. Vanaf 1780 worden kleine decorwerken uitgevoerd, door lokale ateliers (schouwmantels, sopraporta's en andere), steeds populairder bij een groter publiek (decors in het kasteel van Vêves, het kasteel van Boëlhe in Geer, de pastorie van Aubel, het huis Monnay in Fosses-la-Ville, het kasteel van Ordange in Jemeppe en het doksaal van de Sint-Servatiuskerk in Beaumont). Het resultaat is een opvallende achteruitgang van de stilistische kwaliteit en de opkomst van een duidelijk eclectisme op het einde van de eeuw (huis op het Carmersplein 10 in Luik, huis Sint-Hadelin in Olne in 1778, huis aan de Kapenbergstmsse 33 in Eupen, schouwmantel in het voormalige Vredegerecht van Marchienne-au-Pont). Gedurende het laatste decennium van de 18 e eeuw tot het begin van de volgende eeuw is er een evolutie waar te nemen waarbij ornamenten in Pompejaanse stijl hun intrede maken, als solitair motief of geïntegreerd in grotere composities. Deze zijn vaak van hoge kwaliteit (huis aan de rue des Raines 6 in Verviers, huis aan de rue du village in Olne, groot salon van de kasteelhoeve van Baya in Goesnes). O o k de empirestijl komt op, al zijn de creaties van wisselende kwaliteit en soms nog schatplichtig aan de Lodewijk XVI-stijl (decors van het kasteel van Golzinne of muzieksalon van het hotel Sauvage in Luik). Tezamen met de geleidelijke teloorgang van de stucwerktechniek, daalt ook het aantal stucwerkers van de Italiaanse meren. Toch worden ze tot begin 19 eeuw nog vaak vermeld. De gebroeders Moretti, Paolo Antonio en Carlo Domenico, worden vervoegd door hun jongere broer Giovanni Maria (13). Ze werken alle drie in een meer en meer klassieke stijl, soms zelfs naar de empirestijl toe, op basis van een rijk en vernieuwd decoratief repertorium. Namen en de Maasstreek, evenals Brussel blijven hun voorkeur behouden, maar anderzijds breiden ze hun werkveld uit tot aan de landsgrens van Vlaanderen en Frankrijk toe, en meer bepaald tot in de streek van Oudenaarde (kasteel van Wan-

negem-Lede in 1786). Paolo Antonio 1798 zelfs in leper gesignaleerd (14) en Vassalli werkt in 1788, tezamen met de wers Lambiliotte, in het kasteel van de in Condé-sur-1'Escaut in Rijsel (15).

wordt in een zekere HenegouHermitage

Een ander belangrijk centrum dat ambachtslui uit de Tessin aantrekt is Luik met haar omgeving, zowel aan de Nederlandse zijde dan in de Duitstalige Belgische kantons en in Duitsland. Pietro Nicolao Gaggini de Bissone, die in België aankomt in 1771, is heel actief in deze streek (pand aan de Kapenbergstra e'm Eupen in 1781 of de lambrisering van 1789 voor een pand aan de Kapucijnenstraat in Maastricht, afgebroken in 1922, maar het houtwerk is bewaard in het stadhuis aldaar). In volle klassieke periode zal Gaggini een heel persoonlijke stijl uitvinden, waarbij hij elementen uit Lodewijk XIV en XVI combineert met antieke herinneringen en middeleeuwse thema's. Dit alles verwerkt hij in weelderige en gemaniëreerde composities, soms tegen een blauwe achtergrond, met barokelementen in reliëf, en op die manier komt hij tegemoet aan de eclectische smaak van het einde van de 18 L eeuw. Tenslotte vindt men op het einde van deze eeuw ook ambachtslui die plaasteren monies maken, een beroep dat verschilt van dat van stucwerker.

BESLUIT Het lezen van deze bijdrage roept ongetwijfeld een beeld op van de rijkdom en de authenticiteit van ons stucpatrimonium. Getuige van een bepaalde periode, van de ambachten, van de tradities, hoort stuc tegelijkertijd thuis in de ambachtelijke continuïteit, overigens nog niet volledig gedefinieerd, en in een internationaal artistiek kader dat beter gekend is en waardoor het zijn plaats heeft in de kunstgeschiedenis en eveneens in de populaire traditie.


BIOGRAFIE VAN GIUSEPPE MARIA MORETTI Wij weten dat Giuseppe Moretti het stucwerk in de landcommanderij Alden Biesen in 1745 gerealiseerd heeft dankzij een archiefstuk dat in Luik bewaard wordt (16). Het document geeft aan dat hij er samen met Carlo Giuseppe Spinedi aan de slag was. Zij lieten het werk er staan om een andere stucwerker in Luik die hun een opdracht beloofd had, te vervoegen. Die stucwerker was Giovanni Antonio Moretti, hetgeen er op wijst dat Giuseppe en Giovanni Antonio verwanten waren. Carlo Giuseppe Spinedi werkt trouwens vanaf de jaren 1760 samen met Giovanni Antonio Moretti en diens zonen. De vraag is of Giuseppe en Giovanni Antonio Moretti familie van elkaar waren. En daar lichten de archieven uitTessin ons over in (17). Van de drie families Moretti die er in de 18 e eeuw ingeschreven zijn, schijnt er maar één ambachtslieden naar het buitenland gestuurd te hebben (18). Deze familie is afkomstig uit het dorpje Riva San Vitale aan de oevers van het meer van Lugano. Zowel Giovanni Antonio als Giuseppe worden vermeld als zonen van Vittorio of Vittorino. Giuseppe had overigens een tweede naam, Maria, die veel in de familie voorkwam. De twee mannen zouden dus broers zijn. In Hoei (19) wordt trouwens een document bewaard dat vermeldt dat Paolo Antonio Moretti, zoon van Giovanni Antonio, in 1770 een neef had in Luik. En waar een neefis, moet een oom zijn. De identiteit van die neef roept trouwens andere vragen op. Zo is er in 1744 een Giuseppe Moretti de jonge aanwezig op een werf in het bisschoppelijk paleis van Luik (20). De vermelding 'de Jonge' in de tekst en de handtekening kan alleen maar uitgelegd worden door de gezamenlijke aanwezigheid van een Giuseppe de oude en een Giuseppe de jonge. Deze benaming duidt meestal op een familiale band. Giuseppe Maria zou dus een zoon gehad hebben, Giuseppe de jonge. Moet één van deze Giuseppe Moretti in verband gebracht worden met de uit Milaan afkomstige Akense architect Joseph Moretti, die vanaf 1735 actief was, op de VK mei 1793 in Aken overleed en er in de kerk van Sankt-Follian begraven is (21)? De vermelding 'uit Milaan' moet met een korreltje zout genomen worden. Milaan was de enige aan-

zienlijke stad in het historische Lombardije, waar Tessin in de 18 e eeuw aan toegevoegd is. De kunstenaars van de Noorditaliaanse meren plachten op zijn minst rare titels en afkomsten aan hun curriculum toe te voegen om er meer gewicht aan te geven! Het is veel moeilijker om te weten te komen wie van de twee, vader of zoon -tenzij zij met elkaar verward worden- deze architect was. Het antwoord op deze recente vraag kan voorlopig niet gegeven worden omdat nog onderzoek, voornamelijk in Duitsland, nodig is. Nochtans kunnen nu reeds een paar denkpistes uitgezet worden. De kunstenaars uit Tessin waren in familie opgeleid, buiten elke academie of gilde. Die polyvalente opleiding kwam hun van goed pas wanneer de gelegenheid zich voordeed. Het gebeurde dus dat zij van beroep veranderden of beroepen alterneerden. Giuseppe Maria Moretti, net als zijn zoon, zouden dus de ene keer als stucwerker en de andere keer als architect gewerkt hebben. De data waarop deze "Joseph Moretti uit Aken" als architect werkzaam was, tussen 1735 en 1793, wekt ook enige verbazing, omdat dit zou betekenen dat de kunstenaar een krasse bijna honderdjarige moet geweest zijn! Bovendien is er geen spoor van architecturale activiteit van deze architect tussen 1735 en 1755. Het lijkt aannemelijk dat het werk aan het binnenhof van de abdij Klosterrath aan de Augustinerplatz in Aken (22), waarvan slechts het portaal bewaard is, slechts een vluchtige vingeroefening van Giuseppe Maria Moretti was en dat het latere werk van de hand van zijn zoon, Giuseppe Moretti de jonge, was. De laatste geschreven vermelding in Tessin van de Giuseppe Maria Moretti uit Aken dateert van 5 mei 1765 (23). De laatste brief, die zijn aanwezigheid in Vlaanderen aantoont, gaat terug tot 1767 (24) en valt samen met het jaar waarin zijn broer, de stucwerker Giovanni Antonio, voor het laatst in onze contreien vermeld wordt (25). Is dit een toeval of zouden beide broers samen definitief naar Riva San Vitale teruggekeerd zijn? Een verleidelijke hypothese Wat er ook van zij, hopelijk krijgen deze enkele biografische verwijzingen enige weerklank buiten de landsgrenzen en komt er meer duidelijkheid in het leven van deze twee kunstenaars.


DE STIJL VAN STUCWERKER GIUSEPPE MARIA MORETTI Twee elementen karakteriseren het oeuvre van Giuseppe Maria Moretti in Alden Biesen. Ten eerste is er de zeer heldere, in sequenties opgedeelde algemene compositie. Alternerende decoratieve groepen in de hoeken en temidden van de lijsten lijken eerder een spel van vraag en antwoord te spelen dan dat zij innig met elkaar verbonden zijn. Zij worden voortgezet en verenigd door eenvoudig lijstwerk. Toch mag men deze werkwijze niet toeschrijven aan de periode waarin de rococo bij ons ingang vindt. De stucwerkplafonds uit dezelfde

periode 1740-1750 van Giovanni Antonio Moretti in de voormalige officiële vertrekken van de prinsbisschop in het bisschoppelijk paleis getuigen reeds van een soepeler spreiding van de ornamenten in het vlak en van een onderlinge verstrengeling van de decoratieve groepen. Een tekening van Giovanni Antonio Moretti voor een plafond in een kapel van de Sint-Maartenskerk in Luik (26) bevestigt de tendens van die beweeglijke stijl die men doorgaans veel later dateert dan de jaren 1740. Giuseppe Maria Moretti heeft echter in Alden Biesen geopteerd voor orde en klaarheid eerder dan voor een allesomvattende bewe-

Bilzen, Kloosterstraat, tuinprieel met stucplafond van Giuseppe Maria Moretti (!) gebouwd in opdracht van de landcommandeur baron von Sielingen von Ehrenburg tussen 1743 en 1749 (foto 0. Pauwels)

Deze keuze wordt duidelijk in de tweede karakteristiek van de kunstenaar, namelijk de zeer rijke, ongelooflijk precieze detaillering. Hier krijgen de volumes de grafische gekunsteldheid mee die zo typisch is voor het werk van de kunstenaars uit Tessin, die in onze streken werkzaam zijn. Giovanni Antonio Moretti verkiest om de detaillering te beperken, maar vooral om ze te laten versmelten met de materie en hun grenzen te doen vervagen.

• Bilzen, tuinprieel in de Kloosterstraat, bmnenaan zicht (foto 0. Pauwels)

Vanuit deze waarnemingen dringt een vergelijking van de plafonds in de landcommanderij met het stucwerk in het tuinprieel in de Kloosterstraat van Bilzen zich op. Dit gebouwtje werd opgetrokken tussen 1743 en 1749 in opdracht van de landcommandeur van Alden Biesen, baron von Sickingen von Ehrenburg. Het stucwerk hier is weliswaar lichter en meer uitgepuurd, maar de lijnen van de compositie en de aandacht en precisie voor de details zijn zonder twijfel vergelijkbaar. Hetzelfde geldt voor de stucwerkplafonds op het gelijkvloers van het kasteel Belle-Maison in Marchin (Hoei). O m d a t men van het bestaan van Giuseppe Maria Moretti niet afwist, was er een tendens om het auteurschap toe te schrijven aan Giovanni Antonio Moretti die goed bekend was met de eigenaar van het kasteel, Guillaume Van Buel. Deze toeschrijving is moeilijk vol te houden omdat alle karakteristieken van het werk van Giuseppe Maria Moretti ook hier aanwezig zijn. Sterker nog, ze komen hier tot ontwikkeling! Men staat hier voor een waar repertorium van rocailleversieringen, uitgewerkt op allerlei manieren en met eenzelfde zin


voor detail als in Alden Biesen. Het bewijs dat Giuseppe Maria Moretti de perfectie nastreefde wordt geleverd door de opmerkelijke aanpassing van het volume aan de bescheidener verhoudingen van de vertrekken en de lagere plafonds dan in de landcommanderij. De virtuositeit van dit ensemble met ondermeer een rozas in een wervelende beweging die al te zien is in het centraal gedeelte van het plafond van het tuinprieel in Bilzen, laat een datering toe van 1752-1757. We sluiten hier een samenwerking met zijn broer Giovanni Antonio Moretti en met Carlo Giuseppe Spinedi ook niet uit. De plafonds in de landcommanderij van Alden Biesen uit 1745, het stucwerk van het tuinprieel in Bilzen uit 1743-1749 en de plafonds van het kasteel Belle-Maison uit 1752-1752 zouden de basis kunnen vormen van een oeuvrecatalogus van Giuseppe Maria Moretti. Men zou er nog het stucwerk uit 1745 van de grote galerij van het bisschoppelijk paleis van Luik kunnen aan toevoegen, dat minder gedetailleerd is maar met een vergelijkbare compositie en perfectie in het modelleren.

BFSLUIT Met de restauratie van het plafond in de landcommanderij Alden Biesen kwam een vergeten, hoog kwalitatieve kunstenaar opnieuw onder de aandacht waarbij het accent op erfgoed lag dat nog veel rijker is dan men gewoonlijk aanneemt. Moge dit artikel aanleiding geven tot nieuw onderzoek om dit boeiende onderwerp verder uit te diepen.

(vertaling Marjan BuyIe en Herman Van den Bossche)


Giovanni Antonio Caldelli, peintre de l'illusion a l'ancienne abbaye

Fabrice Giot is doctorandus in de kunstgeschiedenis, assistent en pedagogisch medewerker bij de afdeling didactiek en communicatie van het departement kunstgeschiedenis, archeologie en musicologie van de Katholieke Universiteit van Louvain-la-Neuve (UCL)

de Floreffe au XVIIIe siècle, in Le Guetteur wallon, 1998, p. 44-50; ID., Giovanni Antonio Caldelli (1721-1790) dans les Pays-Bas, in Archivio Storico Ticinese, 130, Bellinzona, 2001, p. 255-274; ID., Le decor peint en trompe-l'oeil de la bibliotheque de l'ancienne abbaye de Floreffe, oeuvre italienne du XVIIIe siècle? Etude stylistique, essai de datation et d'attribution, in Congres de Mons. Sixième congres de lAssociation des Cerclesfrancophonesd'Histoire et dArchéologie et Lllle congres de la Federation de Cercles dArchéologie et d'Histoire de Belgique. Actes, dl. III, Bergen, 2002, p. 819-829. (13) GIOT F, Les Moretti, stucateurs Tessinis dans les anciens Pays-Bas

NOTEN

autrichiens au XVIIIe siècle. Etude historique et approche stylistique de leur oeuvre, in Revue des Archéologues et Historiens d'Art deLou-

(1)

Over het werk van de stucwerkers uit de Tessin: GIOT E, Des vallées alpines aux vallons belges. Les artistes des Laes au Royaume de Belgique du XVllIe au déhut du XlXe s., in Arte Lomharda, 2,

toegekend. Zie: BASTIN N., Le Palais Provincial de Namur, an-

1998, p. 34-40; ID., Decors civils namurois en stue et en platre aux

cien Palais Episcopal Namen, 1980, p. 119.

XVIIIe et XlXe siècles, in Hotels de maitre a Namur, du style Louis

(15) ROUSSEAU L., L'Hermitage a Condé-sur-l'Escaut. Jardins, archi-

XLV au premier Empire (Monographies du Musée des Arts anciens

tecture et decor dans le Nord dans la seconde moitié du XVIIIe siècle,

du Namurois, 19), Namen, 2001, p. 139-166. (2)

(16) Luik, Rijksarchief, Notaris L.-D. Lhoist, 18/08/1745.

van de fiches van de fototheek van het Koninklijk instituut voor

(17) LIENHARD-RIVA A., Armoriale ticinese, Dipartimento canto-

FRELING W., Stucwerk in het Nederlandse woonhuis in de 17' en 18^ eeuw, 2 de uitg., Leeuwarden, 1993, p. 94-105.

(4)

Parijs, 1982, p. 175 e.v.; Bergen, Rijksarchief, Fonds Croy, 3021.

Voor de geciteerde voorbeelden gebruiken we de nomenclatuur

het kunstpatrimonium (KIK). (3)

vain, 26, Louvain-la-Neuve, 1993, p. 223-224. (14) Een paspoort voor leper wordt hem op deze datum in Namen

RINN B., Stuck im Rheiniand, in Historische Ausstattung, Arbeitskreis für Hausforschung, Jahrbuch fürHausforschung, 50, p. 473485.

nale della pubblica educazione, 1945, p. 282. (18) MARTINOLAG., Le maestranze d'arte delMendrisiotto in Italia nei secoli XVI-XVIII, 1964, p. 87; CRIVELLI A., Artisti ticinesi in Europa. Catalogo critico, Locarno, 1970, p. 72. (19) Hoei, Rijksarchief, stad van Hoei, nr. 72, correspondentie

nr. 852.

(5)

FRELINGW., «/>.«>., p. 94-102.

(20) Luik, Rijksarchief, notaris L.-D. Lhoist, 15/10/1744.

(6)

Zie over dit onderwerp onze bijdrage in: Decors intérieurs en Wal-

(21) Over de werkzaamheden van Giuseppe Moretti, zie: HOUBBEN

/ o ^ f , d l . I , Luik, 2003, p. 147-151. (7) JACCARD P.-A., La sculpture {Ars Helvetica, VII, Arts et culture visuels en Suisse), Disentis, 1992, p. 137-138. (8)

(9)

G., Les églises de la region germanophone de Belgique. Juin 1990. in Revue des archéologues et historiens d'art de Louvain, 23, Louvainla-Neuve, 1990, p. 235-236; BAUER M. e.a.. Sur les traces de

Zie voor deze laatste twee voorbeelden onze bijdragen in: Decors

Couven (Chemins de découvertes), Eupen, 2005; Analytisch fiche-

intérieurs en Wallonië, dl. III, Luik, 2006, p. 85-87 et 72-79.

systeem van het KIK.

Dit decor is het werk van Henry Maya, stucwerker in Dinanr: JAVAUX J.-L., Documents relatifs a l'aménagement intérieur et au mobilier de l'église St-Pierre de Melreux au XVIIIe siècle in Coup d'ceilsur Hotton, jg. 20, 2005, p. 37-45.

(10) CRIVELL1 Aldo, Artisti ticinesi in Europa, Locarno, 1970, p. 72. (11) MINGUET P. (dir.). Baroque et Rococo en Belgique, Brussel, 1987, p. 84-141. (12) GIOT E, Les decors peints de la bibliotheque, in LAbbaye de Floreffe. 875 ans d'art et d'histoire, Namen, 1996, p. 140-145; ID.,

(22) BAUERM. e.a.. Sur les traces de Couven (Chemins de découvertes), Eupen, 2005, p. 43. (23) LIENHARD-RIVA A., Armoriale ticinese, Dipartimento cantonale della pubblica educazione, 1945, p. 282. (24) MARTINOLA G., Maestri ticinesi all'estero dal'500 a/700, in Bollettino storico della Svizzera italiana, 1944, p. 36. (25) Luik, kunstcollectie van de universiteit, 22.962. (26) Over dit onderwerp zie onze studie in: Decors intérieurs en Wallonië, dl. II, Luik, 2004, p. 29-30.


SUMMARY A MILITARY HOSPITAL AT THE ROMAN FORT AT OUDENBURG A building project on the south west corner of the Roman fort at Oudenburg engendered large-scale rescue excavations which were conducted by the Flemish Heritage Institute (VIOE from August 2001 until April 2005. Nowadays Oudenburg is located about 8 km distance from the Flemish coastline. In Roman times however the site was positioned strategically on an elevated sandy ridge overlooking the coastal plain. Since the 19505 excavations took place at the site. The recent research resulted in a new chronology of 5 main fort periods, running from ca. 200 until the very beginning of the 5th century AD. The fort formed part of a coastal defense system along the North Sea; the 4th century fort was most likely part of the Litus Saxonicum or the Saxon Shore system in relation to forts along the British coastline. The corner area of the Oudenburg castellum underwent a spatial reorganisation during the different fort phases serving several purposes throughout its occupation. During the second wood and earthen fort period, probably to be dated in the 2nd quarter of the 3rd century A D , a large timber-framed building with courtyard of which the dimensions can be set on 32 by 23 m, dominated the south west corner area. The small rooms and corridors were decorated with painted plaster on the walls and were equipped with mortar and stone floors. Further research pointed out that this must have been a military hospital or valetudinarium: a unique find for Gaul! Several similarities with the stone courtyard building at Housesteads and the resemblance of the structure in the courtyard with the sacellum at the legionary valetudinarium at Novae, can be recognized. The thousands of recovered wall fragments show a simple panel decoration with coloured lines, areas and motifs on white plaster. T h e study of these plaster fragments can learn us a lot about the location of motifs within the wall decoration, the construction of these walls, and indirectly also about the construction of these buildings. Plaster fragments are in Flanders often a forgotten find category. However, the study of these finds can lead to new social and cultural insights and is an important strategy to analyse the influence of the Roman culture and society in this part of the Roman Empire.

X

REFURNISHING AND RESTORATION OF THE STUCCO CEILING IN THE "BLUE ROOM" IN THE LAND C0MMANDERY ALDEN BIESEN rSTM T h e Moretti family of plasterers manufactured several stucco ceilings around the mid 18th century in the drawing rooms of the land commandery Alden Biesen. These evolved from a pure baroque style to a rococo ceiling and eventually a mix of rococo and classicism. In 2007 the restoration was completed of the stucco ceiling in the tower chamber, located on the ground-floor southwest corner of the water castle. This room was named "blue drawing room" following the restoration, since its walls are covered with blue textile. In 1971 the larger part of the water castle went up in flames. T h e Belgian government, which had in the meantime become the owner of the complex, immediately started a major restoration campaign. The historical interiors on the ground-floor were temporarily finished. In 1994 the architect's firm was commissioned with a general concept of historically justified interior decoration with maximal integration of the interior elements saved from the fire. T h e blue drawing room has an irregular octagonal ground plan. T h e stucco dates from the second quarter of the 18th century and is a transition from rococo to classicism. T h e decorative ceiling contains four medallions surrounded by rocailles and floral garlands. The preliminary study first consisted of gathering iconographical sources, these were then made in three-dimensional clay models and finally an experimental set-up in plaster was made joining together again the dismantled pieces of the stucco ceiling. T h e recuperated stucco fragments were remounted in their original location. The known ornaments which had

1VI&L


disappeared were reconstructed using a photomontage which was transposed in a line drawing on the ceiling. T h e main difficulty consisted of finding a solution for the unknown zones. A fictitious design with imitation of rococo motifs was turned down. T h e baroque shell, leaf and flower motifs were abstracted and transformed into pointillist shapes. For the lighting a modern, gold-coloured handmade steel chandelier with Swarovski crystals was chosen.

17 TH AND 18 TH CENTURY STUCCOWORK IN THE LOW COUNTRIES. GIUSEPPE MARIA MORETTI, AN 18TH-CENTURY PLASTERER IN ALDEN BIESEN In order to fully understand the presence of the plasterer Giuseppe Moretti in Alden Biesen, it is useful to elucidate the artistic context of the stucco art in these parts. T h e richness of this specific heritage is until now insufficiently known. It is however important to understand that the concept of an exclusive art production, as it is often referred to in literature, does not agree with reality, except for some scenes manufactured by transalpine artists, which will be dealt with further on. These artists as well as a few renowned masters like Cornells Floris De

Vriendt (1514-1575), Lucas Faydherbe (1617-1697), Pieter Paul Rubens (1577-1640) and of course Jan Christiaan Hansche in the 17th century, contributed to the idea of stuccowork being both rare and prestigious. T h e artistic qualities of their works can indeed rival in beauty with the continent's best production. O n the other hand, apart from these well-known names, quite a few local craftsmen have left us a number of stucco ensembles of an amazing diversity. Contrary to the prevailing view in literature, they did not wait for the re-invention of the Italian, 16th century antique technique with lime mortar and marble powder. It appears from recent English, German, Dutch and Flemish studies that in these parts stuccowork was made using an amalgam of plaster, animal glue and horsehair.


Ql1^ *•

ei r X

V « tE

\

i. —

V*i

f

^1

*~

«v'??

»

^^ M |

1 «TT7-

!

•l1

.7

•••' ••'**• r " •••WW

h^^i^flBv • •

|

r 1 MAL i--'''"'

M I •

^

_

^

t

iJI ö

(3

msrammmm

••

'^^\ '

i i

'"ijs

r-1

-

•

. 1

tfj-ygi^^j^^L \LL

wm ^ i

ii li

J K\ •

•

E-

•>!

.«

.

'Il'-L

i IJSL

,^5L-

•

Iffiji p *

i

^^—

1;M>

"•^W

t

'l^ffL

S

l-U hi

jscjliea^ 9

m

• ,'

.'*

n

M*L

httn


"

..

••

.

••:•

• •

'

•

•

•

•

STERK in details, solide over de ganse lijn

êU

remmers

FTB-Remmers - Bouwelven 19 - B-2280 Grobbendonk Tel +32 14 84 80 80 - Fax +32 14 84 80 81

bouwafdichting en-onderhoud Igevelrenovatieen-bescherming | binnenwandafwerkingen | betonreparatie en -conservering vloersystemen schuimen,

www.ftbremmers.com

|

dakbeschermingsproducten

chemische

verankering

|

kitten,

houtbescherming


Restauratie en algemene bouwwerken Steenhouwerij en marmerbewerking Schrijnwerkerij, glas-in-lood, decoratief stuc- en staffwerk en restauratieschildertechnieken Speciale restauratietechnieken Steigers, stut- en schoringwerken Archeologisch onderzoek

Group Monument Oostrozebekestraat 54 8770 Ingelmunster T. 051/31 60 80 F. 051/30 22 37 info@monument.be www.monument.be

GROUP

mi'

MONUMENT


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook