Skip to main content

Vlaams_eurydice_rapport_2007.pdf

Page 1

Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

Vlaams Eurydice rapport 2007 Overzicht van het onderwijsbeleid en de onderwijsorganisatie in Vlaanderen

Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap

Departement Onderwijs en Vorming Afdeling Internationale Relaties Onderwijs Eurydice Vlaanderen Brussel, 2007

www.eurydice.org

1


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

Verantwoordelijke uitgever: Gaby Hostens Afdeling Internationale Projecten Onderwijs Koning Albert II-laan 15 1210 Brussel

Tekst: Rob De Vries

Coördinatie: Ilse Scheirlinckx

Drukwerk: Ministerie Onderwijs en Vorming Drukkerij

Naast deze brochure geeft het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming tal van andere publicaties uit. Voor een overzicht kunt u terecht op de website www.ond.vlaanderen.be/publicaties HU

UH

Een papieren versie van de catalogus kunt u bekomen bij het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming, Agentschap voor Onderwijscommunicatie, Cel Publicaties Onderwijs, Koning Albert II-laan 15, 1210 Brussel, tel: 02-553.66.53 – fax: 02-553.66.54 – e-mail: onderwijspublicaties@vlaanderen.be HU

UH

U kan alle Eurydice publicaties raadplegen op www.eurydice.org. HU

UH

D/2008/3241/056

www.eurydice.org

2


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

INHOUD INHOUD U

3

U

1. DE POLITIEKE, SOCIALE EN ECONOMISCHE ACHTERGROND U

15

U

1.1. Historisch overzicht ........................................................................................................................ 15 U

U

1.1.1. Naar een federale staat met communautarisering van het onderwijs ..................................... 15 1.1.2. Structuur van de politieke besluitvorming ................................................................................ 17 1.1.3. Politieke partijen in Vlaanderen ............................................................................................... 17 U

U

U

U

U

U

1.2. Wetgevende en uitvoerende machten op de verschillende niveaus .............................................. 19 U

U

1.2.1. Federaal ................................................................................................................................... 19 1.2.2. Vlaamse Gemeenschap en Vlaamse Gewest ......................................................................... 21 1.2.3. Brussels Hoofdstedelijk Gewest .............................................................................................. 23 1.2.4. Provincies, steden en gemeenten ........................................................................................... 23 U

U

U

U

U

U

U

U

1.3. Godsdienst en onderwijs ................................................................................................................ 24 U

U

1.4. Talen ............................................................................................................................................... 24 U

U

1.5. Demografische indicatoren ............................................................................................................. 25 U

U

1.6. Economische indicatoren ............................................................................................................... 27 U

U

1.6.1. Economische toestand van Vlaanderen .................................................................................. 27 1.6.2. De Vlaamse actieve bevolking ................................................................................................ 28 U

U

U

U

1.7. Statistieken ..................................................................................................................................... 31 U

U

1.7.1. Scholingsgraad van de bevolking van het Vlaamse Gewest (25-64 jaar), in % ...................... 31 1.7.2. Scholingsgraad van de bevolking van het Vlaamse Gewest (25-34 jaar), in % ...................... 32 1.7.3. Schoolverlaters en restpercentage naar scholingsgraad, in % ............................................... 33 U

U

U

U

U

U

2. ALGEMENE ORGANISATIE VAN HET ONDERWIJSSYSTEEM U

U

34

2.1. Historisch overzicht ........................................................................................................................ 34 U

U

2.2. Actuele discussies en toekomstige ontwikkelingen ........................................................................ 35 U

U

2.3. Fundamentele principes en wetgeving ........................................................................................... 39 U

U

2.3.1. Vrijheid van onderwijs .............................................................................................................. 40 2.3.1.1. Vrijheid van oprichting, richting en inrichting van onderwijs .......................................... 40 2.3.1.2. Vrijheid van schoolkeuze en inschrijvingsrecht ............................................................. 41 2.3.2. Onderwijsnetten ....................................................................................................................... 42 2.3.3. Wettelijke voorzieningen voor gesubsidieerde scholen........................................................... 43 2.3.4. Onderwijsmethoden en 'pedagogisch project' ......................................................................... 44 2.3.5. Eindtermen en leerplannen ..................................................................................................... 45 2.3.6. Algemene regelgeving ............................................................................................................. 46 U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

2.4. Algemene structuur van en beslissingsmomenten in het onderwijs .............................................. 48 U

U

2.5. Leerplicht ........................................................................................................................................ 49 U

U

2.5.1. Historisch overzicht.................................................................................................................. 49 2.5.2. Actuele wetgeving.................................................................................................................... 49 2.5.3. Controle op de leerplicht .......................................................................................................... 50 U

U

U

U

U

U

2.6. Algemeen beheer ........................................................................................................................... 51 U

U

2.6.1. Algemeen beheer op nationaal niveau: de federale staat ....................................................... 52 www.eurydice.org 3 U

U


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) 2.6.2. Algemeen bestuur en beheer op regionaal niveau: de Vlaamse Gemeenschap .................... 53 2.6.2.1. Onderwijs en vorming .................................................................................................... 53 2.6.2.2. Beroepsopleiding en ondernemingsvorming ................................................................. 54 2.6.2.3. Landbouwvorming .......................................................................................................... 55 2.6.2.4. Sociaal-cultureel werk met volwassenen ....................................................................... 55 2.6.2.5. Naar een geïntegreerd beleid voor onderwijs, vorming en werk ................................... 56 2.6.3. Algemeen bestuur en beheer op lokaal niveau ....................................................................... 57 2.6.3.1. Netoverstijgende overlegstructuren op stedelijk niveau ................................................ 58 2.6.3.2. Ondersteuning van lokaal onderwijsbeleid vanuit de Vlaamse overheid....................... 59 2.6.4. Onderwijsinstellingen, bestuur en beheer ............................................................................... 60 2.6.4.1. Inrichtende machten....................................................................................................... 60 2.6.4.2. De onderwijskoepels ...................................................................................................... 65 2.6.4.3. Onderwijsinstellingen, bestuur en beheer in de scholen ............................................... 67 2.6.4.4. Onderwijsinstellingen, bestuur en beheer in de scholengemeenschappen................... 69 2.6.4.5. Onderwijsinstellingen, bestuur en beheer in de hogescholen ....................................... 72 2.6.4.6. Onderwijsinstellingen, bestuur en beheer in de universiteiten ...................................... 74 2.6.4.7. Onderwijsinstellingen, bestuur en beheer in de associaties .......................................... 76 U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

2.7. Interne en externe participatie- en overlegstructuren..................................................................... 77 U

U

2.7.1. Interne participatie en overleg in het basis- en secundair onderwijs ....................................... 78 2.7.1.1. De pedagogische raad, de ouderraad en de leerlingenraad op schoolniveau .............. 78 2.7.1.2. De schoolraad ................................................................................................................ 78 2.7.1.3. Het medezeggenschapscollege op het niveau van de scholengemeenschap .............. 80 2.7.1.4. Klassenraden ................................................................................................................. 80 2.7.1.5. Informele overlegorganen : vakgroepen en personeelsvergaderingen ......................... 81 2.7.2. Participatie en overleg tussen de verschillende actoren in het onderwijsveld ........................ 81 2.7.2.1. Vlaamse Onderwijsraad (VLOR).................................................................................... 81 2.7.2.2. Vlaamse Interuniversitaire Raad (VLIR) en Vlaamse Hogescholenraad (VLHORA) .... 82 2.7.2.3. Ouderkoepelverenigingen .............................................................................................. 83 2.7.2.4. Onderwijsvakbonden...................................................................................................... 83 2.7.2.5. Studenten- en leerlingenkoepelverenigingen ................................................................ 84 2.7.2.6. Participatie omtrent arbeidsvoorwaarden ...................................................................... 85 2.7.2.7. Band met de arbeidsmarkt en met de andere opleidingsverstrekkers .......................... 87 U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

2.8. Financiering en onderwijsbudget.................................................................................................... 88 U

U

2.8.1. Herkomst van de middelen voor onderwijs.............................................................................. 88 2.8.2. De omvang van de middelen voor onderwijs en de budgetposten ......................................... 89 2.8.3. Financiering van de verschillende onderwijsnetten ................................................................. 89 2.8.4. Financiering van de scholeninfrastructuur en scholenbouw ................................................... 91 2.8.5. Financiering van de permanente vorming ............................................................................... 92 2.8.6. Financiering van de hogescholen ............................................................................................ 95 2.8.7. Financiering van de universiteiten ........................................................................................... 97 2.8.8. Financiering van het geïntegreerd hoger onderwijs ................................................................ 98 U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

2.9. Statistieken ................................................................................................................................... 101 U

U

2.9.1. Schoolbevolking in het voltijds onderwijs naar inrichtende macht en geslacht, schooljaar 2005-2006 ........................................................................................................................................ 101 2.9.2. Evolutie van de totale schoolbevolking in het voltijds onderwijs vanaf het schooljaar 19931994 ................................................................................................................................................. 103 2.9.3. Aantal onderwijsinstellingen per onderwijsniveau en per net; schooljaar 2005-2006 ........... 105 2.9.4. Huisonderwijs; schooljaar 2005-2006.................................................................................... 105 2.9.4.1. Huisonderwijs binnen het basisonderwijs .................................................................... 105 2.9.4.2. Huisonderwijs binnen het secundair onderwijs ............................................................ 106 2.9.5. Leerkrachten-leerlingen ratio per onderwijsniveau; schooljaar 2005-2006 ........................... 106 www.eurydice.org 4 U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) 2.9.6. Evolutie van de kostprijs per leerling/student per onderwijsniveau (in €) 2004 - 2006 ......... 107 2.9.7. Verhouding onderwijsbudget t.o.v. het budget van de Vlaamse Gemeenschap en het Bruto Regionaal Product (in duizend €) .................................................................................................... 108 2.9.8. Onderwijsbegroting per organisatieafdeling (in duizend €); evolutie 2004 - 2005 ................ 109 2.9.9. Onderwijsbegroting per uitgavecategorie, in duizend € (evolutie 2004-2006) ...................... 110 2.9.10. Schoolbevolking in het Nederlandstalig gewoon onderwijs, Brusselse Hoofdstedelijke gewest.............................................................................................................................................. 113 U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

3. KINDEROPVANG U

114 U

3.1. Historisch overzicht ...................................................................................................................... 114 U

U

3.2. Actuele discussies en toekomstige ontwikkelingen ...................................................................... 115 U

U

3.3. Wettelijk kader .............................................................................................................................. 116 U

U

3.4. Algemene doelstellingen .............................................................................................................. 116 U

U

3.5. Geografische toegankelijkheid ..................................................................................................... 119 U

U

3.6. Toelatingsvoorwaarden en schoolkeuze ...................................................................................... 119 U

U

3.7. Financiële ondersteuning van het gezin ....................................................................................... 119 U

U

3.8. Leeftijdsniveaus en leeftijdsgroepen ............................................................................................ 120 U

U

3.9. Organisatie van de schooltijd ....................................................................................................... 120 U

U

3.10. Curriculum en activiteiten ........................................................................................................... 120 U

U

3.11. Onderwijsmethoden en didactisch materiaal ............................................................................. 120 U

U

3.12. Evaluatie van leerlingen ............................................................................................................. 121 U

U

3.13. Bijzondere begeleiding van leerlingen........................................................................................ 121 U

U

3.14. Privé-onderwijs ........................................................................................................................... 121 U

U

3.15. Andere organisatievormen ......................................................................................................... 121 U

U

3.16. Statistieken ................................................................................................................................. 122 U

U

4. BASISONDERWIJS U

123

U

4.1. Historisch overzicht ...................................................................................................................... 124 U

U

4.2. Actuele discussies en toekomstige ontwikkelingen ...................................................................... 125 U

U

4.3. Wettelijk kader .............................................................................................................................. 125 U

U

4.4. Algemene doelstellingen .............................................................................................................. 126 U

U

4.5. Geografische toegankelijkheid ..................................................................................................... 126 U

U

4.6. Toelatingsvoorwaarden en schoolkeuze ...................................................................................... 127 U

U

4.7. Financiële ondersteuning van het gezin ....................................................................................... 127 U

U

4.8. Leeftijdsniveaus en leeftijdsgroepen ............................................................................................ 128 U

U

4.9. Organisatie van de schooltijd ....................................................................................................... 129 U

U

4.9.1. Organisatie van het schooljaar .............................................................................................. 129 4.9.2. Organisatie van de schoolweek en de schooldag ................................................................. 129 U

U

U

U

4.10. Curriculum, leergebieden, aantal lesuren................................................................................... 130 U

U

4.11. Onderwijsmethoden en didactisch materiaal ............................................................................. 132 U

U

4.12. Evaluatie van leerlingen ............................................................................................................. 132 U

U

4.13. Voortgang van leerlingen ........................................................................................................... 133 U

U

4.14. Studiebewijzen ........................................................................................................................... 133 U

U

4.15. Begeleiding ................................................................................................................................. 133 U

U

4.15.1. Bijzondere begeleiding van leerlingen ................................................................................. 134 4.15.2. De rol van centra voor leerlingenbegeleiding (CLB)............................................................ 134 U

U

U

U

www.eurydice.org

5


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) 4.16. Privé-onderwijs ........................................................................................................................... 136 U

U

4.17. Andere organisatievormen ......................................................................................................... 136 U

U

4.17.1. Type 5-onderwijs (ziekenhuisscholen en preventoria) ........................................................ 137 4.17.2. Permanent Onderwijs Aan Huis (POAH) ............................................................................. 137 4.17.3. Tijdelijk Onderwijs Aan Huis (TOAH)................................................................................... 139 4.17.4. K-diensten (jeugdpsychiatrische diensten) .......................................................................... 139 U

U

U

U

U

U

U

U

4.18. Statistieken ................................................................................................................................. 140 U

U

4.18.1. Evolutie van het aantal leerlingen in het kleuteronderwijs................................................... 140 4.18.2. Schoolbevolking in het kleuteronderwijs per inrichtende macht .......................................... 141 4.18.3. Evolutie van het aantal leerlingen in het lager onderwijs .................................................... 142 4.18.4. Vooruitgang van de leerlingen met Belgische nationaliteit .................................................. 143 4.18.5. Vooruitgang van de leerlingen met vreemde nationaliteit ................................................... 144 U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

5. SECUNDAIR ONDERWIJS U

145

U

5.1. Historisch overzicht ...................................................................................................................... 146 U

U

5.2. Actuele discussies en toekomstige ontwikkelingen ...................................................................... 147 U

U

5.3. Wettelijk kader .............................................................................................................................. 149 U

U

5.4. Algemene doelstellingen .............................................................................................................. 150 U

U

5.5. Soorten instellingen ...................................................................................................................... 150 U

U

5.6. Geografische toegankelijkheid ..................................................................................................... 152 U

U

5.7. Toelatingsvoorwaarden en schoolkeuze ...................................................................................... 152 U

U

5.8. Inschrijving en/of inschrijvingsgeld ............................................................................................... 153 U

U

5.9. Financiële steun voor leerlingen ................................................................................................... 154 U

U

5.10. Leeftijdsniveaus en leeftijdsgroepen .......................................................................................... 155 U

U

5.11. Studierichtingen en specialisatie ................................................................................................ 155 U

U

5.12. Organisatie van de schooltijd ..................................................................................................... 156 U

U

5.12.1. Organisatie van het schooljaar ............................................................................................ 156 5.12.2. Organisatie van schoolweek en schooldag ......................................................................... 157 5.13. Curriculum, leervakken, aantal lesuren .................................................................................. 157 5.13.1. Eindtermen en ontwikkelingsdoelen .................................................................................... 158 5.13.2. Leerplannen ......................................................................................................................... 159 5.13.3. Lessenroosters .................................................................................................................... 160 5.13.3.1. Basisvorming.............................................................................................................. 160 5.13.3.2. Het optionele vakkenpakket (fundamenteel en complementair gedeelte) ................. 162 U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

5.14. Onderwijsmethoden en didactisch materiaal ............................................................................. 170 U

U

5.15. Evaluatie van leerlingen ............................................................................................................. 171 U

U

5.16. Voortgang van leerlingen ........................................................................................................... 171 U

U

5.17. Studiebewijzen ........................................................................................................................... 172 U

U

5.18. Begeleiding en band met verdere studies/arbeidsmarkt ............................................................ 173 U

U

5.19. Privé-onderwijs ........................................................................................................................... 176 U

U

5.20. Andere organisatievormen ......................................................................................................... 176 U

U

5.21. Statistieken ................................................................................................................................. 176 U

U

5.21.1. Evolutie van het aantal leerlingen in het secundair onderwijs vanaf het schooljaar 1990-1991 ......................................................................................................................................................... 176 5.21.2. Evolutie leerlingenaantallen in het gewoon secundair onderwijs per onderwijsvorm; schooljaar 2005-2006 ...................................................................................................................... 177 5.21.3. Evolutie van het aantal leerlingen in het DBSO vanaf het schooljaar 1991-1992, naar leeftijd ......................................................................................................................................................... 178 U

U

U

U

U

U

www.eurydice.org

6


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) 5.21.4. Studiebewijzen deeltijds beroepssecundair onderwijs (DBSO) uitgereikt op het einde van het schooljaar 2003-2004, naar geboortejaar ........................................................................................ 178 U

U

6. HOGER ONDERWIJS U

179

U

6.1. Historisch overzicht ...................................................................................................................... 180 U

U

6.1.1. Geschiedenis van het hogescholenonderwijs ....................................................................... 180 6.1.2. Geschiedenis van het universitair onderwijs ......................................................................... 181 6.1.3. Een geïntegreerd hoger onderwijs ........................................................................................ 181 U

U

U

U

U

U

6.2. Actuele discussies en toekomstige ontwikkelingen ...................................................................... 183 U

U

6.3. Wettelijk kader .............................................................................................................................. 183 U

U

6.4. Algemene doelstellingen .............................................................................................................. 184 U

U

6.5. Instellingen voor hoger onderwijs ................................................................................................. 184 U

U

6.6. Toelatingsvoorwaarden ................................................................................................................ 186 U

U

6.7. Inschrijving en/of inschrijvingsgeld ............................................................................................... 187 U

U

6.8. Financiële steun voor studenten .................................................................................................. 187 U

U

6.9. Organisatie van het academiejaar................................................................................................ 189 U

U

6.10. Studiegebieden........................................................................................................................... 189 U

U

6.11. Curriculum .................................................................................................................................. 191 U

U

6.12. Onderwijsmethoden.................................................................................................................... 191 U

U

6.13. Evaluatie van studenten ............................................................................................................. 191 U

U

6.14. Voortgang van studenten ........................................................................................................... 192 U

U

6.15. Studiebewijzen ........................................................................................................................... 193 U

U

6.16. Begeleiding en band met verdere studies/arbeidsmarkt ............................................................ 193 U

U

6.17. Privé-onderwijs ........................................................................................................................... 194 U

U

6.18. Verschillen in organisatie en andere structuren ......................................................................... 194 U

U

6.19. Statistieken ................................................................................................................................. 195 U

U

6.19.1. Evolutie van het aantal hoofdinschrijvingen aan hogescholen per soort opleiding en per geslacht............................................................................................................................................ 195 6.19.2. Aantal hoofdinschrijvingen in de hogescholen academiejaar 2004-2005, per soort onderwijs, studiegebied en geslacht ................................................................................................................. 196 6.19.3. Evolutie van het aantal generatiestudenten aan hogescholen per soort opleiding en studiegebied (1) ............................................................................................................................... 198 6.19.4. Evolutie van het aantal generatiestudenten in het universitair onderwijs, per studiegebied (1) ......................................................................................................................................................... 200 6.19.5. Aantal diploma's uitgereikt in het hogescholenonderwijs op het einde van het academiejaar 2003-2004, per studiegebied en cyclus ........................................................................................... 201 6.19.6. Aantal diploma's uitgereikt in het universitair onderwijs op het einde van het academiejaar 2003-2004, per studiegebied en per soort opleiding ....................................................................... 202 U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

7. PERMANENTE VORMING EN OPLEIDINGEN VOOR JONGE SCHOOLVERLATERS EN VOLWASSENEN U

U

203

7.1. Historiek ........................................................................................................................................ 204 U

U

7.1.1. Volwassenenonderwijs - historiek ......................................................................................... 204 7.1.2. VDAB – historiek.................................................................................................................... 205 7.1.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen - Historiek ....................................................... 206 7.1.4. Landbouwvorming - Historiek ................................................................................................ 207 7.1.5. Deeltijds kunstonderwijs DKO - historiek............................................................................... 207 7.1.6. Sociaal-cultureel volwassenenwerk Historiek ....................................................................... 208 U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

7.2. Actuele discussies en toekomstige ontwikkelingen ...................................................................... 208 www.eurydice.org 7 U

U


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) 7.2.1. Volwassenenonderwijs – actuele discussies en nieuwe ontwikkelingen .............................. 215 7.2.2. Beroepsopleiding VDAB - actuele discussies en nieuwe ontwikkelingen ............................. 216 7.2.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen - actuele discussies en nieuwe ontwikkelingen ......................................................................................................................................................... 217 7.2.4. Landbouwvorming - actuele tendensen................................................................................. 217 7.2.5. DKO - actuele discussies en nieuwe ontwikkelingen ............................................................ 217 7.2.6. Sociaal-cultureel volwassenenwerk - actuele tendensen ...................................................... 218 U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

7.3. Wettelijk kader .............................................................................................................................. 218 U

U

7.3.1. Volwassenenonderwijs - wettelijk kader ................................................................................ 218 7.3.2. Beroepsopleiding VDAB - wettelijk kader .............................................................................. 219 7.3.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen - wettelijk kader............................................... 220 7.3.4. Landbouwvorming – wettelijk kader ...................................................................................... 220 7.3.5. Deeltijds kunstonderwijs DKO – wettelijk kader .................................................................... 220 7.3.6. Sociaal-cultureel volwassenenwerk - wettelijk kader ............................................................ 221 U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

7.4. Algemene doelstellingen .............................................................................................................. 221 U

U

7.4.1. Volwassenenonderwijs - doelstellingen ................................................................................. 221 7.4.2. Beroepsopleiding VDAB - algemene doelstellingen .............................................................. 222 7.4.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen - algemene doelstellingen .............................. 222 7.4.4. Landbouwvorming - algemene doelstellingen ....................................................................... 223 7.4.5. Deeltijds kunstonderwijs – algemene doelstellingen ............................................................. 224 7.4.6. Sociaal-cultureel volwassenenwerk- algemene doelstellingen ............................................. 224 U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

7.5. Soorten instellingen ...................................................................................................................... 224 U

U

7.5.1. Volwassenenonderwijs - soorten instellingen........................................................................ 225 7.5.2. Beroepsopleiding VDAB - soorten instellingen ...................................................................... 225 7.5.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen - soorten instellingen ...................................... 226 7.5.4. Landbouwvorming - soorten instellingen ............................................................................... 226 7.5.5. Deeltijds Kunstonderwijs – soorten instellingen .................................................................... 227 7.5.6. Sociaal-cultureel volwassenenwerk - soorten instellingen .................................................... 227 U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

7.6. Geografische toegankelijkheid ..................................................................................................... 228 U

U

7.6.1. Volwassenenonderwijs - geografische toegankelijkheid ....................................................... 228 7.6.2. Beroepsopleiding VDAB - geografische toegankelijkheid ..................................................... 229 7.6.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen - geografische toegankelijkheid ...................... 229 7.6.4. Landbouwvorming - geografische toegankelijkheid .............................................................. 229 7.6.5. Deeltijds kunstonderwijs – geografische toegankelijkheid .................................................... 229 7.6.6. Sociaal-cultureel volwassenenwerk - geografische toegankelijkheid.................................... 229 U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

7.7. Toelatingsvoorwaarden ................................................................................................................ 230 U

U

7.7.1. Volwassenenonderwijs - toelatingsvoorwaarden .................................................................. 230 7.7.2. Beroepsopleiding VDAB - toelatingsvoorwaarden ................................................................ 231 7.7.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen - toelatingsvoorwaarden ................................. 231 7.7.4. Landbouwvorming - toelatingsvoorwaarden .......................................................................... 231 7.7.5. Deeltijds Kunstonderwijs DKO - toelatingsvoorwaarden ....................................................... 231 7.7.6. Sociaal-cultureel volwassenenwerk - toelatingsvoorwaarden ............................................... 232 U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

7.8. Inschrijving(geld) .......................................................................................................................... 232 U

U

7.8.1. Volwassenenonderwijs - inschrijving(sgeld) .......................................................................... 232 7.8.2. Beroepsopleiding VDAB - inschrijving(sgeld) ........................................................................ 233 7.8.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen - inschrijving(sgeld) ........................................ 233 7.8.4. Landbouwvorming – inschrijving(sgeld) ................................................................................ 233 7.8.5. Deeltijds kunstonderwijs DKO – inschrijving(sgeld) .............................................................. 233 7.8.6. Sociaal-cultureel volwassenenwerk – inschrijving(sgeld)...................................................... 233 U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

7.9. Financiële steun voor cursisten .................................................................................................... 234 U

U

7.9.1. Volwassenenonderwijs - financiële steun voor cursisten ...................................................... 234 www.eurydice.org 8 U

U


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) 7.9.2. Beroepsopleiding VDAB - financiële steun voor cursisten .................................................... 234 7.9.3. ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen – financiële steun voor cursisten ..................... 235 7.9.4. Landbouwvorming - financiële steun voor cursisten ............................................................. 236 7.9.5. Deeltijds Kunstonderwijs – financiële steun voor leerlingen.................................................. 236 7.9.6. Sociaal-cultureel volwassenenwerk - financiële steun voor cursisten................................... 237 U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

7.10. Studieaanbod ............................................................................................................................. 237 U

U

7.10.1. Volwassenenonderwijs - studieaanbod ............................................................................... 237 7.10.2. Beroepsopleiding VDAB - studieaanbod ............................................................................. 240 7.10.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen - studieaanbod .............................................. 240 7.10.4. Landbouwvorming - studie aanbod ..................................................................................... 242 7.10.5. Deeltijds kunstonderwijs DKO – studieaanbod ................................................................... 243 7.10.6. Sociaal-cultureel volwassenenwerk - studieaanbod............................................................ 244 U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

7.11. Onderwijsmethoden.................................................................................................................... 244 U

U

7.11.1. Volwassenonderwijs - onderwijsmethoden ......................................................................... 244 7.11.2. Beroepsopleiding VDAB - onderwijsmethoden ................................................................... 245 7.11.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen - onderwijsmethoden .................................... 245 7.11.4. Landbouwvorming - onderwijsmethoden ............................................................................. 246 7.11.5. Deeltijds kunstonderwijs DKO - onderwijsmethoden........................................................... 246 7.11.6. Sociaal-cultureel volwassenenwerk - onderwijsmethoden .................................................. 246 U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

7.12. Lesgevers ................................................................................................................................... 247 U

U

7.12.1. Volwassenenonderwijs - lesgevers ..................................................................................... 247 7.12.2. Beroepsopleiding VDAB - lesgevers ................................................................................... 248 7.12.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen - lesgevers .................................................... 248 7.12.4. Landbouwvorming - lesgevers ............................................................................................. 248 7.12.5. Deeltijds kunstonderwijs DKO - leraars ............................................................................... 248 7.12.6. Sociaal-cultureel volwassenenwerk - lesgevers .................................................................. 248 U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

7.13. Evaluatie en voortgang ............................................................................................................... 249 U

U

7.13.1. Volwassenenonderwijs - evaluatie en voortgang ................................................................ 249 7.13.2. Beroepsopleiding VDAB - evaluatie en voortgang .............................................................. 249 7.13.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen - evaluatie en voortgang ............................... 249 7.13.4. Landbouwvorming - evaluatie en voortgang ....................................................................... 250 7.13.5. Deeltijds Kunstonderwijs DKO – evaluatie en voortgang .................................................... 250 7.13.6. Sociaal-cultureel volwassenenwerk - evaluatie en voortgang ............................................. 250 U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

7.14. Studiebewijzen ........................................................................................................................... 251 U

U

7.14.1. Volwassenenonderwijs - studiebewijzen ............................................................................. 251 7.14.2. Beroepsopleiding VDAB - studiebewijzen ........................................................................... 251 7.14.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen - studiebewijzen ............................................ 252 7.14.4. Landbouwvorming - studiebewijzen .................................................................................... 253 7.14.5. Deeltijds kunstonderwijs DKO - studiebewijzen .................................................................. 253 7.14.6. Sociaal-cultureel volwassenenwerk - studiebewijzen.......................................................... 253 U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

7.15. Begeleiding en band met verdere studies/arbeidsmarkt ............................................................ 254 U

U

7.15.1. Volwassenenonderwijs - begeleiding en band met verdere studies/arbeidsmarkt ............. 255 7.15.2. Beroepsopleiding VDAB - Begeleiding en band met verdere studies/arbeidsmarkt ........... 255 7.15.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen - begeleiding en band met verdere studies/arbeidsmarkt........................................................................................................................ 256 7.15.4. Landbouwvorming - begeleiding en band met verdere studies/arbeidsmarkt ..................... 257 7.15.5. Deeltijds kunstonderwijs DKO - begeleiding en band met verdere studies/arbeidsmarkt... 257 7.15.6. Sociaal-cultureel volwassenenvorming - begeleiding en band met verdere studies/arbeidsmarkt........................................................................................................................ 257 U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

7.16. Privé-onderwijs ........................................................................................................................... 257 U

U

7.17. Statistieken ................................................................................................................................. 257 U

U

www.eurydice.org

9


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) 7.17.1. Volwassenenonderwijs ........................................................................................................ 257 7.17.1.1. Onderwijs voor sociale promotie ................................................................................ 257 7.17.1.2. Basiseducatie ............................................................................................................. 260 7.17.2. VDAB ................................................................................................................................... 261 7.17.2.1. Trajectwerking in 2005 ............................................................................................... 261 7.17.2.2. Aantal beëindigde opleidingen, opgesplitst naar activiteit werknemers werkzoekenden in 2005 ............................................................................................................ 262 7.17.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen ....................................................................... 263 7.17.3.1. Leertijd - aantal cursussen, lesuren en cursisten ...................................................... 263 7.17.3.2. Ondernemersopleiding - aantal cursussen, lesuren en cursisten.............................. 263 7.17.3.3. Leerovereenkomsten en -verbintenissen ................................................................... 263 7.17.3.4. Stageovereenkomsten en -verbintenissen ................................................................ 263 7.17.4. Landbouwvorming ............................................................................................................... 264 7.17.4.1. Landbouwkundige opleiding van starters in de landbouw, Vlaanderen 2005 ........... 264 7.17.5. Deeltijds kunstonderwijs (DKO) ........................................................................................... 264 7.17.5.1. Evolutie van het aantal leerlingen vanaf het schooljaar 1991-1992 .......................... 264 U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

8. ONDERWIJZEND PERSONEEL, MANAGEMENTPERSONEEL EN EDUCATIEVE STAFLEDEN U

U

266

8.1. Initiële lerarenopleiding................................................................................................................. 266 U

U

8.1.1. Historisch overzicht................................................................................................................ 267 8.1.2. Actuele discussies en toekomstige ontwikkelingen ............................................................... 267 8.1.3. Wettelijk kader ....................................................................................................................... 273 8.1.4. Instellingen, niveau en opleidingsmodellen ........................................................................... 273 8.1.4.1. Leerkrachten basisonderwijs en secundair onderwijs – groep 1 ................................. 273 8.1.4.2. Leerkrachten secundair onderwijs – groep 2 ............................................................... 274 8.1.4.3. Leraar dans .................................................................................................................. 274 8.1.5. Toelatingsvoorwaarden ......................................................................................................... 274 8.1.6. Curriculum, speciale vaardigheden, specialisatie ................................................................. 275 8.1.6.1. Leerkrachten basisonderwijs en secundair onderwijs – groep 1 ................................. 275 8.1.6.2. Leerkrachten secundair onderwijs – groep 2 ............................................................... 276 8.1.7. Evaluatie, diploma's ............................................................................................................... 276 8.1.7.1. Leerkrachten basisonderwijs en secundair onderwijs – groep 1 ................................. 277 8.1.7.2. Leerkrachten secundair onderwijs – groep 2 ............................................................... 278 8.1.8. Opleiding tot het Getuigschrift Pedagogische Bekwaamheid (GPB) .................................... 278 U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

8.2. Arbeidsvoorwaarden voor het onderwijzend personeel ............................................................... 278 U

U

8.2.1. Historisch overzicht................................................................................................................ 279 8.2.2. Actuele discussies en toekomstige ontwikkelingen ............................................................... 280 8.2.3. Wettelijk kader ....................................................................................................................... 281 8.2.3.1. Leerkrachten basisonderwijs en secundair onderwijs ................................................. 281 8.2.3.2. Onderwijzend personeel in hogescholen ..................................................................... 281 8.2.3.3. Academisch personeel in universiteiten....................................................................... 281 8.2.4. Planningsbeleid ..................................................................................................................... 282 8.2.5. Toegang tot het beroep ......................................................................................................... 282 8.2.5.1. Leerkrachten basisonderwijs en secundair onderwijs ................................................. 283 8.2.5.2. Onderwijzend personeel in hogescholen ..................................................................... 284 8.2.5.3. Academisch personeel in universiteiten....................................................................... 285 8.2.6. Statuut ................................................................................................................................... 285 8.2.6.1. Leerkrachten basisonderwijs en secundair onderwijs ................................................. 286 8.2.6.2. Onderwijzend personeel in hogescholen ..................................................................... 287 8.2.6.3. Academisch personeel in universiteiten....................................................................... 287 www.eurydice.org 10 U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) 8.2.7. Vervangingsmaatregelen ....................................................................................................... 287 8.2.7.1. Leerkrachten basisonderwijs en secundair onderwijs ................................................. 288 8.2.7.2. Onderwijzend personeel in hogescholen ..................................................................... 288 8.2.7.3. Academisch personeel in universiteiten....................................................................... 288 8.2.8. Ondersteunende maatregelen ............................................................................................... 288 8.2.9. Evaluatie ................................................................................................................................ 289 8.2.9.1. Leerkrachten basisonderwijs en secundair onderwijs ................................................. 289 8.2.9.2. Onderwijzend personeel in hogescholen ..................................................................... 290 8.2.9.3. Academisch personeel in universiteiten....................................................................... 290 8.2.10. Nascholing ........................................................................................................................... 291 8.2.11. Salaris .................................................................................................................................. 292 8.2.11.1. Leerkrachten basisonderwijs en secundair onderwijs ............................................... 292 8.2.11.2. Onderwijzend personeel in hogescholen ................................................................... 293 8.2.11.3. Academisch personeel in universiteiten..................................................................... 293 8.2.12. Arbeidstijd en vakantie ........................................................................................................ 294 8.2.12.1. Leerkrachten basisonderwijs en secundair onderwijs ............................................... 294 8.2.12.2. Onderwijzend personeel in hogescholen ................................................................... 295 8.2.12.3. Academisch personeel in universiteiten..................................................................... 296 8.2.13. Bevordering ......................................................................................................................... 296 8.2.13.1. Leerkrachten basisonderwijs en secundair onderwijs ............................................... 296 8.2.13.2. Onderwijzend personeel in hogescholen ................................................................... 296 8.2.13.3. Academisch personeel in universiteiten..................................................................... 297 8.2.14. Beroepsmobiliteit ................................................................................................................. 298 8.2.14.1. Leerkrachten basisonderwijs en secundair onderwijs ............................................... 298 8.2.14.2. Onderwijzend personeel in hogescholen ................................................................... 298 8.2.14.3. Academisch personeel in universiteiten..................................................................... 298 8.2.15. Ontslag ................................................................................................................................ 298 8.2.15.1. Leerkrachten basisonderwijs en secundair onderwijs ............................................... 299 8.2.15.2. Onderwijzend personeel in hogescholen ................................................................... 300 8.2.15.3. Academisch personeel in universiteiten..................................................................... 300 8.2.16. Pensioenregeling ................................................................................................................. 301 U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

8.3. Managementpersoneel ................................................................................................................. 301 U

U

8.3.1. Aanstellingsvoorwaarden voor het directeursambt ............................................................... 301 8.3.2. Arbeidsvoorwaarden .............................................................................................................. 303 U

U

U

U

8.4. Inspectie en Entiteit Curriculum (ex-DVO) ................................................................................... 303 U

U

8.4.1. Aanstellingsvoorwaarden inzake het inspecteursambt ......................................................... 303 8.4.2. Arbeidsvoorwaarden .............................................................................................................. 305 U

U

U

U

8.5. Personeel verantwoordelijk voor begeleiding ............................................................................... 305 U

U

8.6. Ander onderwijspersoneel ............................................................................................................ 306 U

U

8.7. Statistieken ................................................................................................................................... 307 U

U

8.7.1. Bestuurs- en onderwijzend personeel per onderwijsniveau .................................................. 307 8.7.2. Bestuurspersoneel per onderwijsniveau................................................................................ 308 8.7.3. Bestuurs- en onderwijzend personeel alle onderwijsniveaus (grafiek) ................................. 309 8.7.4. Personeel aan de universiteiten ............................................................................................ 309 8.7.5. Bruto-jaarsalaris (€) van het onderwijzend personeel ........................................................... 310 8.7.6. Bruto-jaarsalaris (€) van het voltijds academisch personeel ................................................. 310 U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

9. EVALUATIE BINNEN HET ONDERWIJSSYSTEEM U

U

311

9.1. Historisch overzicht ...................................................................................................................... 311 U

U

www.eurydice.org

11


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) 9.2. Actuele discussies en toekomstige ontwikkelingen ...................................................................... 312 U

U

9.3. Administratief en wettelijk kader ................................................................................................... 313 U

U

9.3.1. De onderwijsinspectie ............................................................................................................ 314 9.3.1.1. Organisatie van de inspectie........................................................................................ 314 9.3.1.2. Taken van de inspectie ................................................................................................ 315 9.3.2. De Entiteit Curriculum (voorheen de Dienst voor Onderwijsontwikkeling, DVO) .................. 316 9.3.3. Pedagogische begeleidingsdiensten (PBD) .......................................................................... 317 9.3.4. Speciale regelingen ............................................................................................................... 318 9.3.4.1. Controle en ondersteuning van de levensbeschouwelijke vakken .............................. 318 9.3.4.2. Inspectie en begeleidingsdiensten van steden en provincies ...................................... 319 U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

9.4. Evaluatie van onderwijsinstellingen.............................................................................................. 319 U

U

9.4.1. Interne evaluatie .................................................................................................................... 320 9.4.1.1. Interne evaluatie in het basis- en secundair onderwijs ................................................ 320 9.4.1.2. Interne evaluatie in het hoger onderwijs ...................................................................... 321 9.4.2. Externe evaluatie ................................................................................................................... 322 9.4.2.1. Doorlichting in het basis-, secundair, volwassenen en deeltijds kunstonderwijs ......... 322 9.4.2.2. Doorlichting en visitatie CLB, centra voor leerlingenbegeleiding ................................. 325 9.4.2.3. Visitaties hoger onderwijs ............................................................................................ 326 9.4.3. De accreditatie van opleidingen in het hoger onderwijs ........................................................ 326 U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

9.5. Evaluatie van het onderwijssysteem ............................................................................................ 327 U

U

9.5.1. Het jaarverslag van de onderwijsinspectie ............................................................................ 327 9.5.2. Periodiek peilingonderzoek ................................................................................................... 327 9.5.3. Deelname aan internationaal vergelijkend onderzoek .......................................................... 328 U

U

U

U

U

U

9.6. Onderwijskundig wetenschappelijk onderzoek betreffende de evaluatie van het onderwijssysteem ............................................................................................................................................................. 330 U

U

9.7. Statistieken ................................................................................................................................... 331 U

U

9.7.1. Aantal schooldoorlichtingen 2005-2006 ................................................................................ 331 9.7.2. Aantal inspectieleden 2006 ................................................................................................... 332 U

U

U

U

10. ONDERWIJS VOOR LEERLINGEN MET SPECIFIEKE ONDERWIJSBEHOEFTEN U

U

333

10.1. Historisch overzicht .................................................................................................................... 333 U

U

10.2. Actuele discussies en toekomstige ontwikkelingen .................................................................... 334 U

U

10.3. Definiëring en diagnose van doelgroepen .................................................................................. 335 U

U

10.4. Financiële ondersteuning van het gezin ..................................................................................... 336 U

U

10.5. Specifieke voorzieningen binnen het gewoon onderwijs............................................................ 337 U

U

10.5.1. Geïntegreerd onderwijs (GON) ............................................................................................ 337 10.5.1.1. Wettelijk kader............................................................................................................ 337 10.5.1.2. Algemene doelstellingen ............................................................................................ 337 10.5.1.3. Specifieke ondersteunende maatregelen .................................................................. 338 10.5.2. Inclusief onderwijs (ION) ..................................................................................................... 339 10.5.2.1. Wettelijk kader............................................................................................................ 339 10.5.2.2. Algemene doelstellingen ............................................................................................ 339 10.5.2.3. Specifieke ondersteunende maatregelen .................................................................. 339 10.5.3. Het geïntegreerd gelijkeonderwijskansenbeleid (GOK) ...................................................... 340 10.5.3.1. Wettelijk kader............................................................................................................ 340 10.5.3.2. Algemene doelstellingen ............................................................................................ 340 10.5.3.3. Ondersteuning............................................................................................................ 341 10.5.3.4. Zelfevaluatie ............................................................................................................... 342 U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

www.eurydice.org

12


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) 10.5.3.5. Tijdelijke projecten kunstinitiatie ................................................................................ 342 10.5.3.6. Steunpunt GOK .......................................................................................................... 343 10.5.3.7. LOP's, lokale overlegplatforms & Commissie inzake leerlingenrechten .................... 344 U

U

U

U

U

U

10.6. Buitengewoon onderwijs (BuO) .................................................................................................. 344 U

U

10.6.1. Wettelijk kader ..................................................................................................................... 344 10.6.2. Algemene doelstellingen ..................................................................................................... 346 10.6.3. Geografische toegankelijkheid ............................................................................................ 346 10.6.4. Toelatingsvoorwaarden en schoolkeuze ............................................................................. 346 10.6.5. Leeftijdsniveaus en leeftijdsgroepen ................................................................................... 348 10.6.6. Organisatie van het schooljaar ............................................................................................ 349 10.6.7. Curriculum en vakken .......................................................................................................... 349 10.6.8. Onderwijsmethoden en didactisch materiaal ....................................................................... 352 10.6.9. Voortgang van leerlingen ..................................................................................................... 352 10.6.10. Begeleiding en band met verdere studies/arbeidsmarkt ................................................... 352 10.6.11. Studiebewijzen................................................................................................................... 353 10.6.12. Privé-onderwijs .................................................................................................................. 354 U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

10.7. Specifieke maatregelen voor leerlingen van migranten en etnische minderheden ................... 354 U

U

10.7.1. Het onderwijsvoorrangsbeleid (OVB) in het buitengewoon onderwijs ................................ 354 10.7.1.1. Wettelijk kader............................................................................................................ 354 10.7.1.2. Doelgroep................................................................................................................... 355 10.7.1.3. Specifieke ondersteunende maatregelen .................................................................. 355 10.7.1.4. Actieterreinen ............................................................................................................. 355 10.7.1.5. Looptijd ....................................................................................................................... 356 10.7.2. Het onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers (OKAN) in het gewoon onderwijs .. 356 10.7.2.1. Wettelijk kader............................................................................................................ 356 10.7.2.2. Doelgroep................................................................................................................... 357 10.7.2.3. Specifieke ondersteunende maatregelen .................................................................. 357 10.7.2.4. Bekrachtiging van de studie ....................................................................................... 358 10.7.3. Het onderwijs voor Brussel, de rand- en taalgrensgemeenten (en daaraan grenzende gemeenten) ...................................................................................................................................... 358 10.7.3.1. De ondersteunende maatregelen voor Nederlandstalige basisscholen in de rand- en taalgrensgemeenten en daaraan grenzende gemeenten ......................................................... 359 10.7.3.2. Brusselvarianten in het secundair onderwijs 1e graad ............................................... 359 U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

10.8. Statistieken ................................................................................................................................. 360 U

U

10.8.1. Aantal leerlingen in het buitengewoon kleuteronderwijs ..................................................... 360 10.8.2. Aantal leerlingen buitengewoon lager onderwijs ................................................................. 361 10.8.3. Evolutie van het aantal leerlingen buitengewoon kleuteronderwijs ..................................... 361 10.8.4. Evolutie van het aantal leerlingen buitengewoon lager onderwijs ....................................... 362 10.8.5. Evolutie van het aantal leerlingen buitengewoon secundair onderwijs ............................... 362 10.8.6. Aantal leerlingen in het buitengewoon secundair onderwijs 2005-2006 ............................. 362 10.8.7. Aantal leerlingen in het geïntegreerd onderwijs .................................................................. 365 10.8.8. Evolutie van het aantal GON-leerlingen begeleid vanuit het buitengewoon basisonderwijs ......................................................................................................................................................... 366 10.8.9. Evolutie van het aantal GON-leerlingen begeleid vanuit het buitengewoon secundair onderwijs .......................................................................................................................................... 367 10.8.10. GOK ................................................................................................................................... 368 10.8.11. Aantal leerlingen/studenten van vreemde nationaliteit, per onderwijsniveau.................... 369 U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

11. DE EUROPESE EN INTERNATIONALE DIMENSIE IN HET ONDERWIJS U

U

370

11.1. Historisch overzicht .................................................................................................................... 370 U

U

11.2. Actuele discussies en toekomstige ontwikkelingen .................................................................... 370 U

U

www.eurydice.org

13


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) 11.2.1. Huidige Europese invloeden op het Vlaams onderwijssysteem .......................................... 371 11.2.2. Europese samenwerkingen ................................................................................................. 371 11.2.2.1. Het Bolognaproces..................................................................................................... 372 11.2.2.2. Het Europees Doelstellingenproces........................................................................... 372 11.2.2.3. Het Kopenhagenproces ............................................................................................. 373 U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

11.3. Vlaamse beleidslijnen en wettelijk kader .................................................................................... 373 U

U

11.4. Vlaamse programma's en initiatieven ........................................................................................ 374 U

U

11.4.1. Bilaterale programma's en initiatieven ................................................................................. 374 11.4.1.1. Culturele akkoorden en samenwerkingsprogramma's ............................................... 374 11.4.1.2. Vlaamse verdragen .................................................................................................... 375 11.4.1.3. Onderwijsakkoorden .................................................................................................. 375 11.4.1.4. Samenwerking met buurlanden ................................................................................. 378 11.4.2. Multilaterale programma's en initiatieven ............................................................................ 379 11.4.2.1. Samenwerking in het kader van de Raad van Europa .............................................. 379 11.4.2.2. Samenwerking in het kader van de OESO (OECD) .................................................. 380 11.4.2.3. Samenwerking in het kader van de UNESCO ........................................................... 381 11.4.2.4. EU-programma's en initiatieven ................................................................................. 382 U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

11.5. Europese en internationale dimensie in het Vlaamse curriculum .............................................. 383 U

U

11.6. Mobiliteit en uitwisseling ............................................................................................................. 383 U

U

11.6.1. Mobiliteit en uitwisseling van leerlingen en studenten......................................................... 384 11.6.1.1. Programma's voor het basisonderwijs ....................................................................... 384 11.6.1.2. Programma's voor het secundair onderwijs ............................................................... 385 11.6.1.3. Programma's voor het hoger onderwijs ..................................................................... 386 11.6.2. Mobiliteit en uitwisseling van leerkrachten en academisch personeel ................................ 386 11.6.2.1. Basisonderwijs ........................................................................................................... 386 11.6.2.2. Secundair onderwijs ................................................................................................... 387 U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

11.7. Statistieken ................................................................................................................................. 387 U

U

11.7.1. Evolutie van deelname van studenten aan het Socrates/Erasmusprogramma vanaf schooljaar 1990-1991 ...................................................................................................................... 387 11.7.2. Socrates 2 - goedgekeurde projecten basis- en secundair onderwijs en volwassenenonderwijs ..................................................................................................................... 389 11.7.3. Evolutie van deelname aan het Leonardo-programma ....................................................... 390 11.7.4. Evolutie van deelname van Vlaamse docenten aan het Socrates/Erasmusprogramma, naar bestemming ..................................................................................................................................... 391 U

U

U

U

U

U

U

U

WET- EN REGELGEVING

395

INSTELLINGEN

411

BIBLIOGRAFIE

422

U

U

U

U

U

U

www.eurydice.org

14


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

1. DE POLITIEKE, SOCIALE EN ECONOMISCHE ACHTERGROND In België heeft de ontwikkeling naar een federale staat belangrijke implicaties gehad voor onderwijs. Vanaf 1989 is de bevoegdheid voor onderwijs bijna volledig overgeheveld naar Vlaamse, Franse en Duitstalige Gemeenschap. Deze zijn sindsdien op het vlak van onderwijsstructuur en het onderwijsbeleid hun eigen weg gegaan. Dit rapport beschrijft onderwijssysteem van de Vlaamse Gemeenschap.

het de de het

1.1. Historisch overzicht Hier behandelen we: ●

De creatie van een federale staat en communautarisering van het onderwijs via vijf staatshervormingen 1.1.1. De verschillende niveaus van besluitvorming 1.1.2. Het partijpolitieke landschap 1.1.3. De grondwettelijke waarborgen voor onderwijs 2.3.1. U

● ● ●

U

U

U

U

U

U

U

1.1.1. Naar een federale staat met communautarisering van het onderwijs Bij de oprichting van de Belgische staat (1830) legde de Grondwet, afgekondigd in februari 1831, de structuren van een gecentraliseerde staat vast, gebaseerd op het principe van een éénvormige wetgeving en bestuur voor het hele land. De Grondwet huldigt het principe van de scheiding der machten: de wetgevende (bestaande uit de Koning, de Kamer van Volksvertegenwoordigers en de Senaat), de uitvoerende (bestaande uit de Koning en de Regering) en de rechterlijke macht. In de tweede helft van de 19e eeuw kwam een taalstrijd op gang, ter erkenning van het Nederlands als volwaardige taal naast het Frans, tot dan de enige officiële taal van België. ●

● ● ● ●

Pas in 1930 werd de Gentse universiteit als eerste officieel Nederlandstalig. Vanaf 1936 werden de meeste colleges aan de Leuvense universiteit zowel in het Nederlands als het Frans gegeven. De definitieve splitsing van de universiteit zou eerst in 1970 wettelijk worden vastgelegd. Eerst in 1959 werd het Nederlands een volwaardige rechtstaal in België. In 1960 werd het unitaire omroepinstituut gesplitst in een Nederlandstalige en een Franstalige omroep. In 1962 werd de ministerportefeuille voor Cultuur gesplitst, in 1968 deze van Nationale Opvoeding. In 1962 werd ook de taalgrens definitief territoriaal vastgelegd en in 1963 werd België ingedeeld in 4 taalgebieden.

○ Het Nederlandse: Vlaanderen (de provincies Antwerpen, Limburg, Vlaams-Brabant, Oost- en West-Vlaanderen)

○ Het Franse: Wallonië (de provincies Henegouwen, Luik, Luxemburg, Namen en Waals-Brabant)

○ Het Duitse (de 9 gemeenten van de Oostkantons) www.eurydice.org

15


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

○ Het tweetalig gebied Brussel-hoofdstad (de 19 Brusselse gemeenten) Elke Gemeenschap behoort tot een taalgebied. Tweetaligheid is van toepassing op de 19 gemeenten van de hoofdstad Brussel, waar de Franstaligen een duidelijke meerderheid uitmaken. Rond dit tweetalig gebied liggen een aantal Nederlandstalige gemeenten met administratieve taalfaciliteiten voor de Franstalige inwoners. Een wijziging of aanpassing van de taalgrens vergt een speciale meerderheid in het federale parlement. De taalstrijd in de jaren '60 leidde tot een reeks staatshervormingen en wijzigingen van de grondwet die gestalte gaven aan een dubbele federatie van gewesten en gemeenschappen. ●

●

●

●

●

De 1e staatshervorming (1970) creëerde 3 cultuurgemeenschappen als antwoord op het streven van de Vlamingen naar culturele autonomie. Tevens werd de basis gelegd voor de oprichting van 3 gewesten, als antwoord op het streven van de Franstaligen naar economische autonomie. De 2e staatshervorming (1980) verruimde de cultuurgemeenschappen tot 3 gemeenschappen (de Vlaamse -, de Franse - en de Duitstalige Gemeenschap) die naast culturele aangelegenheden ook persoongebonden aangelegenheden, met name gezondheid en sociale bijstand onder hun bevoegdheid kregen. Deze gemeenschappen kregen elk een raad (hun parlement) en een regering. Tevens werden ook twee gewesten opgericht: het Vlaamse Gewest en het Waalse Gewest. Ook zij kregen een raad en een regering. In Vlaanderen werden de instellingen van Gemeenschap en Gewest meteen samengesmolten tot één raad en één regering. De Franstaligen hebben de instellingen van de Franse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest niet samengevoegd. Er zijn immers veel meer Franstalige Brusselaars t.o.v. Franstalige Walen dan dat er Nederlandstalige Brusselaars zijn t.o.v. Vlamingen. De 3e staatshervoming (1988) gaf vorm aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest dat eveneens een raad en een regering kreeg en breidde de bevoegdheid van de Gemeenschappen en Gewesten verder uit. Zo werd de bevoegdheid voor onderwijs overgeheveld naar de Gemeenschappen en ingeschreven in de Grondwet (art. 127 § 1.2). Ook de garanties die vroeger reeds waren gewaarborgd door de zogenaamde Schoolpactwet van 29 mei 1959 (art. 24), werden nu ingeschreven in de Grondwet. Artikel 142 van de herziene Grondwet (17 februari 1994) geeft elke belanghebbende burger het recht een beroep te doen op het Arbitragehof (nu Grondwettelijk hof) wanneer hij van oordeel is dat er sprake is van een schending van de principes en de waarborgen die zijn vastgelegd in onder andere artikel 24 van de Grondwet omtrent onderwijs. De 4e staatshervorming (1993) maakte van België een volwaardige federale staat. De voormalig tweetalige provincie Brabant werd opgesplitst in twee provincies: Vlaams Brabant (Nederlandstalig) en Waals Brabant (Franstalig). Brussel, de hoofdstad van België én tevens geografisch gezien in het centrum van de voormalige provincie Brabant gelegen, behoorde niet langer tot een provincie. Haar speciaal statuut als tweetalig gebied werd versterkt. De 5e staatshervorming (de zgn. Lambermontakkoorden) (2001) gaf de verschillende deelstaten zowel meer financiële middelen als meer bevoegdheden. Zo was er voor het eerst echt sprake van fiscale autonomie en kregen de gewesten de nagenoeg volledige bevoegdheid over een aantal belastingen waaronder de verkeersbelasting en de registratieen successierechten. Daarnaast werden bevoegdheden over landbouw, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking naar de deelstaten overgeheveld. Verder verwierven de gewesten door de overheveling van de Gemeente- en Provinciewet de bevoegdheid en het toezicht over de ondergeschikte besturen (provincies, gemeenten, ocmw's) binnen hun territorium. De samenstelling en werking van de instellingen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest werden nogmaals gewijzigd.

Referenties

Politiek zakboekje (jaarlijks) www.eurydice.org

16


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) Bijzondere Wet betreffende de financiering van Gemeenschappen en Gewesten De Grondwet Wet tot bepaling van de criteria bedoeld in artikel 39, §2, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten

1.1.2. Structuur van de politieke besluitvorming België is eigenlijk een dubbele federatie, een federale unie van 3 gewesten en een federale unie van 3 gemeenschappen. We behandelen eerst de relatie tussen gemeenschappen, gewesten en taalgebieden (voor de taalgebieden zie 1.1.1.). (Zie ook: Res Publica 2000:1 de consequenties van multi-level governance) U

U

België telt 3 gemeenschappen (zie 1.1.1.) U

●

● ●

U

De Vlaamse Gemeenschap: dit is het Vlaamse Gewest, maar ook de Nederlandstalige instellingen op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, bestaande uit 19 gemeenten. In dat gewest gelden de beslissingen van de gemeenschappen enkel voor die instellingen die op basis van hun organisatorische kenmerken exclusief aan één gemeenschap worden toegeschreven (bv. de Vlaamse scholen in Brussel). De Franse Gemeenschap: dit is het Waalse Gewest, zonder het Duitse taalgebied, maar met de Franstalige instellingen op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. De Duitstalige Gemeenschap: dit is het Duitse taalgebied.

België telt 3 gewesten (zie 1.1.1.) U

● ● ●

U

Het Vlaamse Gewest: het Nederlandse taalgebied Het Waalse Gewest: het Franse taalgebied en het Duitse taalgebied Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest: het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad

België bestaat ook uit 10 provincies en 589 gemeenten (waarvan 19 in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en 308 in Vlaanderen).

1.1.3. Politieke partijen in Vlaanderen Het partijpolitieke landschap in Vlaanderen werd de laatste jaren herverkaveld door ●

herpositionering (en naamsverandering):

○ van CVP (Christelijke Volkspartij) naar CD&V (Christen-Democratisch en Vlaams) ° 2001

○ van SP (Socialistische Partij) naar SP.A (SP Anders - met als ondertitel "sociaal progressief alternatief") ° 2002

○ van PVV (Partij voor Vrijheid en Vooruitgang) naar VLD (Vlaamse Liberalen en Democraten) ° 1992

○ van Agalev (Anders Gaan Leven) naar Groen! ° 2003 ○ van (het extreem-rechtse) Vlaams Blok naar Vlaams Belang ° 2004 (wegens ●

juridische veroordeling voor racisme) het ontstaan van nieuwe partijen als gevolg van het uiteenvallen in 2001 van de Vlaamsnationalistische Volksunie (VU): www.eurydice.org

17


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

○ NVA (Nieuw-Vlaamse Alliantie) ° 2001 ○ spirit (met als ondertitel De Vlaamse Links-liberalen) ° 2001 (ontstaan uit VU en het links-liberale iD21) kartelvorming (mede vanwege de invoering van een kiesdrempel van 5%) als aanloop tot de verkiezingen voor het Vlaams Parlement op 13 juni 2004.

●

○ CD&V + NVA ○ SP.A + spirit (reeds een kartel in 2002 ter voorbereiding van de federale verkiezingen) ○ VLD + Vivant (° 1997), in 2007 opgegaan in de Open VLD. In Vlaams-Brabant is tevens een Franstalige partij, UF (Union des Francophones) actief. Politieke samenstelling van het Vlaams Parlement 2004 - 2009 Ministers Zetels Waarvan in BHG CD&V + 4 (3+1) 29+6 1 NVA Vlaams 32 3 Belang SP.A / spirit 3 (2+1) 25 1 VLD / Vivant 3 (3+0) 25 1 Groen! 6 0 UF 1 0 Totaal

124

1999 - 2004 Zetels

Waarvan in BHG

CVP

30

2

Vlaams Blok

22

2

20 27 12 1 12 124

1

SP VLD Agalev UF VU&ID

6

1 6

Sinds de federale verkiezingen van 2003 maken de VLD en SP.A / spirit ook deel uit van de Federale regering. Op gemeentelijk vlak zijn er heel wat lokale partijen. Met betrekking tot het thema onderwijs is hun relevantie eerder beperkt; ze zijn enkel op lokaal vlak van belang. Dikwijls hebben dergelijke lokale partijen banden met één van de grote partijen. Referenties ● ● ● ● ● ● ● ● ●

www.cdenv.be www.n-va.be www.s-p-a.be www.meerspirit.be www.vld.be www.vivant.org www.groen.be www.vlaamsbelang.org www.uniondesfrancophones.be HU

U

HU

U

HU

U

U

HU

HU

U

U

U

U

HU

HU

HU

HU

U

www.eurydice.org

18


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

1.2. Wetgevende en uitvoerende machten op de verschillende niveaus We behandelen achtereenvolgens: ● ● ● ●

De federale staat 1.2.1. De Vlaamse Gemeenschap en Vlaamse Gewest 1.2.2. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest 1.2.3. De provincies, steden en gemeenten 1.2.4. U

U

U

U

U

U

U

U

1.2.1. Federaal De wetgevende macht op federaal niveau berust bij de Kamer van volksvertegenwoordigers, die fungeert als politieke kamer die het regeringsbeleid controleert en de Senaat die fungeert als bezinningskamer. Ze vormen samen het federale Parlement. ● ●

De Kamer telt 150 volksvertegenwoordigers die rechtstreeks worden gekozen op basis van 11 kieskringen. De Senaat telt 71 senatoren, waarvan

○ 40 rechtstreeks gekozen (door 2 kiescolleges, op basis van 3 kieskringen); 25 N, 15 F ○ 21 afgevaardigde gemeenschapssenatoren aangeduid door en uit de Gemeenschapsraden; 10 N, behorende tot de Nederlandse taalgroep, 10 F behorende tot de Franse taalgroep, 1 D, behorende tot de Duitse taalgroep)

○ 10 gecoöpteerde senatoren, aangeduid door de rechtstreeks gekozen senatoren en de gemeenschapssenatoren (6 N, 4 F)

○ 3 senatoren van rechtswege (de kinderen van de Koning) http://www.ibzdgip.fgov.be/result/nl/main.html HU

U

De uitvoerende macht berust bij de federale regering. Het is een zgn. 'legislatuurregering' die enkel tot ontslag kan worden gedwongen wanneer de Kamer een motie van wantrouwen heeft aangenomen of een motie van vertrouwen heeft verworpen en tegelijk een nieuwe Eerste Minister aan de Koning voor benoeming heeft voorgedragen. De verkiezingen worden gehouden om de 4 jaar. De eerstvolgende federale verkiezingen hebben plaats in 2007. Ook de Koning beschikt over een beperkte federale macht. De federale wetgevende macht wordt uitgeoefend door middel van wetten. De regering vaardigt daarop gebaseerde koninklijke besluiten uit. Vanaf 1989 is de Vlaamse Gemeenschap verantwoordelijk voor onderwijsmateries en staat bijgevolg in voor het bestuur van het onderwijs in haar taalgebied. Immers, na de grondwetsherziening van 15 juli 1988, hevelde de grondwet (17 februari 1994) alle verantwoordelijkheden (art. 127 § 1.2) in verband met het onderwijssysteem over naar de Gemeenschappen met uitzondering van drie punten: ● ● ●

de vastlegging van het begin en het einde van de leerplicht; de minimumvoorwaarden voor het verlenen van diploma's; het pensioenstelsel.

De eerste twee uitzonderingen zijn nodig om een minimum aan coherentie tussen de onderwijssystemen van de Gemeenschappen veilig te stellen. De pensioenregeling maakt nog steeds deel uit van het nationale sociale zekerheidssysteem waarvoor nog een nationaal financieringssysteem in voege is, gebaseerd op solidariteit tussen Gemeenschappen en Gewesten. www.eurydice.org

19


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) Ook het voor de beroepsopleiding belangrijke betaald educatief verlof blijft federale materie. Dat is ook het geval voor de militaire opleiding en de politieopleiding. Zie 2.6.1.. U

U

De bevoegdheidsverdeling onder de ministers verantwoordelijk voor onderwijs sinds de 2e staatshervorming illustreert goed het hele communautariseringsproces.

Federale regering Martens II

1980 01 23

CVP/PSC/ PS/SP/FDF

Martens III

1980 05 18

CVP/PSC/PS/SP

Martens IV

1980 10 22

CVP/PSC/ PS/SP/PVV/PRL

Eyskens I

1981 04 06

Martens V

1981 12 17

Martens VI

1985 11 28

Martens VII

1987 10 21

CVP/PSC/PS/SP CVP/PSC/PVV/P RL CVP/PSC/PVV/P RL CVP/PSC/PS/SP/ VU

1988 05 09

CVP/PSC/PS/SP

1989 01 16

CVP/PSC/PS/SP

Martens VIII

Jef Ramaekers Jacques Hoyaux Willy Calewaert + Gaston Geens Guy Mathot Willy Calewaert + Gaston Geens Philippe Busquin Willy Calewaert + Gaston Geens Philippe Busquin Daniël Coens Michel Tromont Daniël Coens André Damseaux Daniël Coens Antoine Duquesne Willy Claes+ Luc Van den Bossche (vanaf 18/10/88 Pierre Chevalier) Yvan Ylieff Willy Claes Philippe Moureaux Willy Claes

Martens IX

1991 09 29

CVP/PSC/PS/SP

1981 12 21 1985 12 10

proportioneel CVP/SP/PVV/VU CVP/PVV

Philippe Moureaux

Nationale opvoeding Education nationale Nationale opvoeding + adj. nationale opv. Education nationale Nationale opvoeding + adj. nationale opv. Education nationale Nationale opvoeding + adj. nationale opv. Education nationale Nationale opvoeding Education nationale Nationale opvoeding Education nationale Nationale opvoeding Education nationale Nationale opvoeding + adj. nationale opvoeding Education nationale herstructurering nationale opvoeding restructuration de l'Education nationale herstructurering nationale opvoeding restructuration de l'Education nationale

Vlaamse regering Geens I Geens II

Jan Lenssens Theo Kelchtermans Hugo Weckx // Jan Lenssens

Geens III Geens IV

1988 02 03 1988 10 18

CVP/PVV CVP/SP/PVV/VU

Daniël Coens

Van den Brande I Van den Brande II Van den Brande III

1992 01 21

CVP/SP

Luc Van den Bossche

1992 30 01

CVP/SP/VU

Luc Van den Bossche

1992 10 20

CVP/SP/VU

1995 06 20

CVP/SP

Luc Van den Bossche Luc Van den Bossche (tot 28/998) Eddy Baldewijns

Van den Brande IV

www.eurydice.org

Leefmilieu, waterbeleid & onderwijs Onderwijs en vorming Onderwijs en Brusselse aangelegenheden // Tewerkstelling, vorming & openbaar ambt Onderwijs Onderwijs & ambtenarenzaken Onderwijs & ambtenarenzaken Onderwijs & ambtenarenzaken Onderwijs & ambtenarenzaken 20


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) Dewael I (tot 11/6/2003)

1999 07 13

id.

id.

Somers I

2003 06 11

Leterme I

2004 07 22

VLD/SP/ Agalev/ VU&ID VLD/SP.A/Groen!/ Spirit id. CD&V-N-VA /VLD-Vivant/ SP.A-Spirit

Marleen Vanderpoorten Marleen Vanderpoorten Marleen Vanderpoorten Frank Vandenbroucke

Onderwijs en vorming Onderwijs en vorming Onderwijs en vorming Onderwijs en vorming

Referenties Administratie der pensioenen DPF, Federale Politie, LAgemene Directie van de Ondersteuning en het Beheer, Directie van de Opleiding FOD Defensie - Algemene Directie Vorming (DG FMN) FOD Financiën, Administratie der Thesaurie, Centrale dienst der vaste uitgaven - pensioenen FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, Algemene Directie Werkgelegenheid en Arbeidsmarkt

1.2.2. Vlaamse Gemeenschap en Vlaamse Gewest

Het Vlaams Parlement U

Het wetgevende orgaan voor Vlaanderen is het Vlaams parlement, het parlement van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest. Het nieuwe Vlaams parlement bestaat thans uit 124 leden: 118 direct verkozen door de inwoners van het Vlaamse Gewest en 6 verkozen onder de Nederlandstalige vertegenwoordigers van de Brusselse Gewestraad . Het Vlaams parlement heeft de drie klassieke functies van een parlement: een wetgevende functie, de vorming van regeringen en een controlefunctie. Wetgevingsinstrumenten Het Vlaams parlement oefent haar wetgevende macht uit door middel van decreten, die dezelfde rechtskracht hebben als de wetten van het nationale parlement. Deze decreten zijn van toepassing in het Nederlandse taalgebied en ten aanzien van de instellingen in het tweetalig gebied BrusselHoofdstad, die zich uitsluitend richten tot de Vlaamse gemeenschap. Voor gewestaangelegenheden zijn de decreten enkel in het Nederlandse taalgebied van toepassing en niet in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. De Vlaamse regering vaardigt besluiten uit (BVR, Besluit van de Vlaamse Regering) op basis van de decreten. Ter uitvoering van besluiten kan een minister ministeriële besluiten treffen. Omzendbrieven van de administratie geven instructies of uitleg bij de toepassing van de reglementering. Zie http://www.ond.vlaanderen.be/cursusschoolsecretariaten/nieuwestijl/03_wegwijs_reglement/default.ht m De verkiezingen voor het Vlaams Parlement worden gehouden om de 5 jaar (sinds 1995 los van de federale verkiezingen die om de 4 jaar worden gehouden). De meest recente verkiezing werd gehouden in 2004.

De Vlaamse regering U

De uitvoerende macht is in handen van de Vlaamse regering, die bij decreet maximum elf leden telt, waarvan minstens één woonplaats heeft in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (en bijgevolg niet www.eurydice.org

21


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) bevoegd is voor Vlaamse gewestaangelegenheden; de andere ministers zijn bevoegd voor zowel gewest- als gemeenschapsaangelegenheden). De ministers worden aangesteld door het Vlaams parlement. De Vlaamse regering beslist 'collegiaal': elke beslissing wordt genomen door de ganse regering, tenzij een bevoegdheid expliciet wordt 'gedelegeerd' aan een individuele minister. De Vlaamse regering is een zogenaamde legislatuurregering. Het Vlaamse Parlement kan haar vertrouwen in de regering opzeggen, maar de regering pas naar huis sturen als tegelijk een andere regering wordt voorgesteld.

De Vlaamse Administratie U

Als gevolg van de 5 staatshervormingen met telkens nieuwe Vlaamse bevoegdheden was de Vlaamse administratie uitgegroeid tot één ministerie van de Vlaamse Gemeenschap met 7 departementen, met daarnaast 58 Vlaamse openbare instellingen (VOI's), 7 Vlaamse wetenschappelijke instellingen (VWI's), 23 diensten met afzonderlijk beheer (DAB's) en tientallen andere rechtspersonen met elk hun eigen statuten, structuren en taakverdelingen. Met het oog op een Beter Bestuurlijk Beleid werden een nieuwe structuur en nieuwe werkingsprincipes verankerd in nieuwe decreten en besluiten. ● ●

Het kaderdecreet Bestuurlijk Beleid (18 juli 2003) legt het nieuw organisatorisch-administratief kader van de Vlaamse overheid vast. Het Organisatiebesluit van 3 juni 2005 concretiseert verder de organisatiestructuur. Het trad in werking op 1 januari 2006.

Er worden 13 beleidsdomeinen afgebakend. Daarbinnen worden opgericht: ● ●

13 departementen, interne verzelfstandigde agentschappen (IVA's):

○ 29 zonder rechtspersoonlijkheid ○ 9 mét rechtspersoonlijkheid (IVA RP) ●

externe verzelfstandigde agentschappen (EVA's):

○ 11 publiekrechtelijk vormgegeven EVA's ○ 7 privaatrechtelijk vormgegeven EVA's. Elk beleidsdomein omvat: ● ●

●

● ●

een departement voor het beleidsondersteunend werk, rechtstreeks door de minister aangestuurd en geleid door een secretaris-generaal; verzelfstandigde agentschappen voor de beleidsuitvoerende taken, waarvoor de opdracht wordt vastgelegd in een beheersovereenkomst; ze worden geleid door een administrateurgeneraal (of in sommige gevallen door een gedelegeerd bestuurder; naargelang de graad van verzelfstandiging spreekt men van interne (IVA's) en externe (EVA's) verzelfstandigde agentschappen; een strategische adviesraad (zoals de Vlaamse Onderwijsraad VLOR Zie 2.7.2.1. en de Sociaal Economische Raad van Vlaanderen SERV), met specialisten en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld; een beleidsraad, die zorgt voor strategisch overleg tussen de minister en de leidende ambtenaren; de verantwoordelijke minister, die wordt bijgestaan door een kabinet met technische experten en materiedeskundigen. U

U

Onder een Vlaams ministerie wordt voortaan verstaan: het departement en de IVA's zonder rechtspersoonlijkheid van een beleidsdomein. Binnen de vernieuwingsoperatie Beter Bestuurlijk Beleid wordt ook gewerkt aan een nieuwe cultuur gericht op kennisdeling, coaching, permanente vorming en innovatie, grotere interne mobiliteit en verbeterde interne en externe kwaliteitszorg. Zie http://www2.vlaanderen.be/ned/sites/bbb/ HU

www.eurydice.org

U

22


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) De beleidsdomeinen die we concreter zullen behandelen zijn; ● ● ● ●

Onderwijs en vorming, zie 2.6.2.1. Werk en sociale economie, zie 2.6.2.2. Landbouw, zie 2.6.2.3. Cultuur, jeugd , sport en media, zie 2.6.2.4. U

U

U

U

U

U

U

U

Wetenschappelijk onderzoek valt onder het beleidsdomein Economie, wetenschap en innovatie. Het Onderwijskundig wetenschappelijk onderzoek betreffende de evaluatie van het onderwijssysteem (OBPWO) valt onder het departement Onderwijs en Vorming en wordt behandeld in 9.6.. U

U

SERV, Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen VLOR, Vlaamse Onderwijsraad

1.2.3. Brussels Hoofdstedelijk Gewest Zoals vermeld in 1.1.1. gaf de 3e staatshervorming van 1988 (Bijzondere Wet van 12/1/1989) een eigen statuut aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, dat door de 5e staatshervorming van 2001 bijkomende bevoegdheden kreeg met dezelfde fiscale autonomie als Vlaanderen en Wallonië. U

U

Het Brussels Hoofdstedelijk Parlement oefent zijn gewestelijke macht uit door middel van ordonnanties (i.p.v. wetten en decreten), die 'kracht van wet' hebben; de Brusselse Hoofdstedelijke regering d.m.v. besluiten.

U

Voor onderwijsaangelegenheden is de Vlaamse Gemeenschapscommissie van belang. Ze heeft voor deze en andere gemeenschapsaangelegenheden de bevoegdheid van inrichtende macht. Zie 2.6.2.2. U

1.2.4. Provincies, steden en gemeenten Vlaanderen bestaat uit 5 provincies en 308 gemeenten; Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest omvat 19 gemeenten.(Wallonië omvat 5 provincies en telt 262 gemeenten, waarvan 9 Duitstalige; daarnaast is ook een administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad opgericht, eveneens geleid door een gouverneur). De scholen ingericht door provincies, steden en gemeenten behoren tot het 'officieel gesubsidieerd onderwijs', zie onderwijsnetten 2.3.2.. U

U

Provincies U

U

Een provincie wordt geleid door een gouverneur, de vertegenwoordiger van het algemeen bestuur. Deze functie oefent hij uit zowel voor de federale regering als deze van gemeenschap en gewest. De wetgevende macht berust bij de provincieraad waarvan de leden voor 6 jaar zijn verkozen. De uitvoerende macht berust bij de bestendige deputatie, bestaande uit 6 leden verkozen onder de raadsleden, onder voorzitterschap van de gouverneur (die niet stemgerechtigd is). Voor het provinciaal onderwijs fungeert de provincieraad als inrichtende macht. Voor het onderwijsbeheer zie 2.6.4.1.4.. U

www.eurydice.org

23


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

Steden en gemeenten U

Een gemeente staat onder leiding van een burgemeester. De wetgevende macht berust bij de gemeenteraad, de uitvoerende bij het college van burgemeester en schepenen. De gemeenteraadsleden zijn verkozen voor een periode van 6 jaar. Voor het gemeentelijk onderwijs fungeert de gemeenteraad als inrichtende macht. http://www.vvsg.be U

Voor het onderwijsbeheer zie 2.6.4.1.5.. U

U

1.3. Godsdienst en onderwijs De Belgische grondwet garandeert de scheiding van Kerk en Staat. In deze context zijn er vele sociale, culturele en onderwijsaangelegenheden georganiseerd volgens het subsidiariteitsprincipe. Dit verklaart waarom de regering in Vlaanderen geen directe invloed heeft op de opstelling van de leerplannen zelf. De regering heeft enkel een duidelijk gedefinieerd recht om deze leerplannen te controleren (zie 5.13.2. en 9.3.4.1.). De overheid 'erkent' bij wet verschillende godsdiensten: de katholieke, protestantse, joodse, anglicaanse, islamitische en orthodoxe godsdienst. U

U

U

U

De grondwet garandeert (art. 24) dat alle kinderen in het lager en het secundair onderwijs het recht hebben 2 lesuren per week een vak levensbeschouwelijke vorming als onderdeel van het basiscurriculum. Het officieel onderwijs moet de levensbeschouwelijke keuze van alle ouders respecteren en de keus bieden tussen een godsdienstig vak en een vak niet-confessionele zedenleer. Er is geen overheidscontrole op de vakinhoud voor deze lessen (zolang ze de democratische principes van de samenleving niet in het gedrang brengen). In gesubsidieerde vrije scholen bestaat dergelijke keuze niet. De meerderheid van deze scholen zijn katholiek geïnspireerd. Protestantse en joodse scholen vormen een minderheid. Een speciale regeling is voorzien voor scholen georganiseerd op basis van 'alternatieve' onderwijsbenaderingen zoals deze ontwikkeld door Steiner en Freinet (zie 2.3.2.). U

U

Besluit van de Minister betreffende de erkenning van de instanties van de erkende godsdiensten en van de vereniging van de niet-confessionele gemeenschap

1.4. Talen De enige officiële taal van de Vlaamse Gemeenschap is het Nederlands, dat dus ook de onderwijstaal is. Veel Vlamingen hebben een goede communicatieve kennis van ten minste één of twee andere Europese talen (Engels, Frans, Duits,...). Officieel zijn er geen wettelijk erkende minderheidstalen in Vlaanderen met uitzondering van het Frans in sommige gemeenten langs de taalgrens met taalfaciliteiten. Frans wordt aangeleerd als tweede taal vanaf het vijfde jaar van het lager onderwijs (in de Brusselse regio gebeurt dit vanaf het derde jaar van het lager onderwijs). Engels wordt aangeleerd vanaf het secundair onderwijs. Afhankelijk van de genomen onderwijskundige opties kunnen andere talen op school worden aangeleerd. Zie Wet houdende taalregeling in het onderwijs van 30 juli 1963. De talen gesproken door migranten zijn wettelijk niet erkend als minderheidstalen. Niettemin heeft men een speciaal beleid ontwikkeld binnen het onderwijssysteem om gelijke leermogelijkheden te www.eurydice.org 24


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) bieden, vooral voor migrantenkinderen die onder de leerplicht vallen. In 10.5.3. wordt het gelijke onderwijskansendecreet (GOK-I) dat op 28 juni 2002 werd goedgekeurd door de Vlaamse regering toegelicht en in 10.7. wordt ingegaan op de opvang van anderstalige nieuwkomers in het Vlaamse onderwijs. U

U

U

U

Er vallen enkele Franstalige scholen onder de bevoegdheid van het Vlaamse Ministerie van Onderwijs en Vorming. Deze tellen 1.080 leerlingen in het gewoon kleuteronderwijs en 1.740 leerlingen in het gewoon lager onderwijs (allen in gesubsidieerde vrije scholen). (Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2005-2006). Er zijn ook enkele Franstalige afdelingen van Vlaamse scholen die onder de bevoegdheid vallen van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming. Deze tellen 45 kleuters, 138 leerlingen in het gewoon lager onderwijs en 107 leerlingen in het gewoon secundair onderwijs, enkel in het gemeenschapsonderwijs. (Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2005-2006).

Wetgeving houdende taalregeling in het onderwijs

1.5. Demografische indicatoren Vlaanderen is een bijzonder dichtbevolkte regio, waarvan het aantal inwoners over de laatste 100 jaar verdubbeld is. De geürbaniseerde zones overwegen duidelijk in Vlaanderen, waarbij de dichtste bevolkingsconcentraties zich in het centrum bevinden, binnen de ruit gevormd door Antwerpen, Leuven, Brussel en Gent. Telling 1/12006 aantal inwoners oppervlakte bevolkingsdichtheid aantal vreemdelingen % vreemdelingen t.o.v. bevolkingstotaal

6.078.600 1352225 450 314.202

Waalse Gewest (incl. Duits. Gem.) 3.413.978 1684428 203 312.578

Brussels Hoofdstedelijk Gewest 1.018.804 16138 6.313 273.693

10.511.382 3052791 344 900.473

5,2

9,2

26,9

8,6

Vlaamse Gewest

Rijk

(APS, 2006)

Het % vreemdelingen op de totale populatie in het Vlaamse Gewest op 1/1/2006 Nederlanders

30,8

Marokkanen

8,4

Italianen

7,2

Turken

6,0

Fransen

5,7

Bron: APS, 2006

www.eurydice.org

25


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

Leeftijdsgroepen in het Vlaams Gewest op 1/1/2006 man

vrouw

totaal

%

5 jaar

32.696

31.422

64.118

10,5

17 jaar

36.030

34.484

70.514

11,6

28 jaar

37.325

37.963

75.288

12,38

Bron: APS, 2006

Op 1/10/2006 waren er volgens het rijksregister 968.926 leerplichtigen (geboortejaar 1989-2000). De laatste jaren werd Vlaanderen, net als de rest van Europa, geconfronteerd met het probleem van de toenemende veroudering van haar bevolking en de ontgroening bij de jongeren.

Evolutie bevolkingsstructuur 1990-2050 Vooruitzichten op 31/12 van het jaar

Bevolking op 1 januari van het jaar Leeftijdsgroep

1990

2000

2001

2002

2003

2004

2009

2015

0-19

1.413.368 1.369.264 1.359.547 1.351.286 1.345.685 1.338.871 1.309.387 1.256.249

20-39

1.782.520 1.676.627 1.659.164 1.643.421 1.627.796 1.583.375 1.508.318 1.493.678

40-59

1.412.454 1.577.593 1.607.213 1.646.413 1.681.446 1.727.703 1.770.575 1.738.859

60-79

941.637 1.114.883 1.114.353 1.108.289 1.107.464 1.116.283 1.180.634 1.271.404

80+

189.757

TOTAAL

201.884

212.275

223.372

233.162

255.541

302.437

352.442

5.739.736 5.940.251 5.952.552 5.972.781 5.995.553 6.021.773 6.071.351 6.112.632

Geboorte- en sterftecijfers, in %, per gewest, in 2005 geboortecijfer % sterftecijfer %

Vlaamse Gewest

Waalse Gewest

Brussels Hoofdstedelijk Gewest

10,5

11,3

15,3

9,4

10,8

9,6

Bron: APS, 2006 Er zijn drie Vlaamse steden met meer dan 100.000 inwoners in 2006: Antwerpen (461.496 inwoners), Gent (233.120 inwoners) en Brugge (117.224 inwoners). Brussel-stad telt 144.784 inwoners, Schaarbeek 117.224 inwoners (het Brussels Hoofdstedelijk Gewest 1.018.804 inwoners). Gemiddeld is er een dorp om de vijf kilometer, en een stad elke twintig kilometer. Ongeveer de helft van de bevolking leeft in urbane of sub-urbane zones. Bijna 25% van de totale oppervlakte van Vlaanderen zijn bebouwde gronden en terreinen, waarvan 10,5% woongebied (APS 2006). Cijfers afkomstig van de Administratie Planning en http://aps.vlaanderen.be/statistiek/cijfers/stat_cijfers_demografie.htm

Statistiek

(APS),

zie

U

Structuur van de bevolking

www.eurydice.org

26


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

1.6. Economische indicatoren In onderstaande paragrafen komt de economische toestand in Vlaanderen en actieve bevolking op de arbeidsmarkt aan bod.

1.6.1. Economische toestand van Vlaanderen Een groeiende en beter presterende economie is één van de beleidseffecten die de Vlaamse regering wil bereiken. Een indicator hiervoor is het Bruto Binnenlands Product of BBP. De drijvende kracht achter het Vlaamse economische gebeuren zijn voor een groot stuk de Kleine en Middelgrote Ondernemingen (KMO's), die vaak in de toeleveringssector actief zijn en verantwoordelijk zijn voor minstens 40% van de werkgelegenheid in die sector. Slechts 1,3% van het Vlaamse BBP wordt geleverd door de landbouwsector. Dit aandeel vermindert voortdurend, net zoals in andere geïndustrialiseerde landen. De belangrijkste sectoren zijn de staalproductie, die bijna 10% bijdraagt tot het BBP, de chemische sector (ongeveer 5%) en de textielsector. De handels- en dienstensector vertegenwoordigen samen ongeveer 60% van het BBP. Evolutie van het Bruto Binnenlands Product tegen marktprijzen (constante prijzen van 1995) 160.000.000

140.000.000

120.000.000

duizend euro

100.000.000

80.000.000

60.000.000

40.000.000

20.000.000

0 1975 1976 1977 1978 1979 1980 1981 1982 1983 1984 1985 1986 1987 1988 1989 1990 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 tijd Vlaams Gewest

Waals Gewest

Brussels Gewest

De Vlaamse economie is zeer 'open'.

www.eurydice.org

27


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

Evolutie van de uitvoer van goederen per gewest, 1993-2002 180.000 166.634,4 160.000

160.317,9 154.423,1

140.000 128.740,4 122.733,7

120.000

miljoen euro

110.357,0 100.000 96.671,2 90.383,9 80.000

81.921,2 73.715,5

60.000

40.000

20.000

15.359,7

17.497,0

8.722,2

9.693,6

18.162,5

24.008,1

20.142,3

18.077,3

23.906,2

29.089,6

30.652,1 19.741,5

12.964,5

11.252,0

10.412,7

30.527,3

20.525,1

15.000,1

13.768,5

18.826,3

0 1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002*

tijd Vlaams Gewest**

Waals Gewest

Brussels Hoofdstedelijk Gewest

1.6.2. De Vlaamse actieve bevolking

Werkzaamheidsgraad (15-64 jaar) (België en de gewesten; 1996-2004) (%) België

Vlaams Gewest

Waals Gewest

Brussels H. Gewest

1996

1997

1998

1999

2000 2001 2002 2003 2004

Mannen

67,8

68,1

68,0

67,7

69,3

68,8

68,3

67,3

67,9

Vrouwen

47,0

48,2

49,0

49,7

50,8

51,0

51,4

51,8

52,6

Totaal

57,5

58,2

58,5

58,8

60,1

59,9

59,9

59,6

60,3

Mannen

72,0

71,8

71,4

71,0

72,8

72,1

71,6

70,7

71,6

Vrouwen

49,3

50,8

51,7

52,9

54,0

54,5

55,2

55,0

56,7

Totaal

60,8

61,4

61,7

62,1

63,5

63,4

63,5

62,9

64,3

Mannen

62,6

63,4

64,0

63,9

65,4

64,9

64,2

63,5

63,2

Vrouwen

43,4

44,2

44,4

44,5

46,0

45,8

45,6

47,4

46,9

Totaal

53,0

53,8

54,2

54,2

55,7

55,4

54,9

55,4

55,1

Mannen

59,0

59,9

59,8

59,8

60,8

61,3

60,9

59,1

60,3

Vrouwen

45,6

46,3

47,7

47,2

48,4

46,7

48,2

47,4

47,9

Totaal

52,2

53,0

53,7

53,4

54,5

53,9

54,5

53,2

54,1

Bron: NIS, bewerking Steunpunt WSE, jaarboek 2005, Hoofdstuk 3, tabel B.3.1

www.eurydice.org

28


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

Activiteitsgraad naar leeftijd in het Vlaams Gewest, 1996-2005 Opmerking: De Belgische cijfers vertonen een tijdreeksbreuk tussen 1998 en 1999. (%) Totaal

Mannen

Vrouwen

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

15-64 jaar

64,7

64,8

65,2

65,7

66,4

66,1

66,8

66,8

68,0

68,6

15-24 jaar

37,7

35,8

35,9

38,1

37,9

38,3

38,9

38,5

38,0

37,1

25-49 jaar

86,5

86,6

86,5

86,8

87,6

87,0

87,9

87,5

89,0

89,7

50-64 jaar

36,3

37,8

39,6

39,6

41,0

41,2

42,1

43,5

45,8

48,0

25-54 jaar

83,4

84,2

83,9

84,8

84,8

86,2

87,3

55-64 jaar

24,6

26,1

25,2

26,6

27,2

30,6

31,9

15-64 jaar

75,0

74,5

74,4

74,3

75,2

74,8

74,9

74,6

75,1

75,4

15-24 jaar

40,7

37,8

39,2

40,6

41,4

41,9

41,9

41,5

40,1

39,3

25-49 jaar

96,3

96,0

95,0

95,3

95,5

95,0

95,2

94,6

95,7

95,4

50-64 jaar

52,3

53,3

54,1

52,5

55,1

54,8

55,1

55,9

56,7

59,7

25-54 jaar

93,1

93,7

93,3

93,6

93,2

93,8

94,2

55-64 jaar

34,8

37,4

36,3

36,9

37,7

40,3

42,6

15-64 jaar

54,2

54,8

55,7

56,8

57,3

57,1

58,5

58,7

60,7

61,7

15-24 jaar

34,6

33,8

32,5

35,5

34,4

34,6

35,7

35,4

35,7

34,7

25-49 jaar

76,3

76,8

77,5

77,9

79,3

78,8

80,4

80,2

82,0

83,8

50-64 jaar

20,6

22,4

25,1

26,7

26,9

27,6

29,1

31,0

34,5

36,2

25-54 jaar

73,3

74,4

74,3

75,8

76,3

78,3

80,3

55-64 jaar

14,6

14,9

14,3

16,5

16,9

20,7

21,1

Bron: NIS EAK (Bewerking Steunpunt WSE)

De Vlaamse arbeidsmarkt in cijfers, 2005 Vlaanderen in Europa

Vlaams Gewest

EU-25

2004

2005

2004

2005

Totaal (15-64 jaar)

64,3

64,9

63,1

63,8

Vrouwen (15-64 jaar)

56,7

57,8

55,6

56,3

Ouderen (55-64 jaar)

29,5

30,7

40,9

42,6

5,4

5,5

9,3

9,1

Werkzaamheidsgraad (%)

ILO-werkloosheidsgraad (%) Nationaliteit

Totaal

Autochtonen /

Andere

Niet-

genaturaliseerden

EU-15-inwoners

EU-15-inwoners

Werkzaamheidsgraad 2005 (%) Vlaams Gewest

64,9

65,4

64,2

41,9

België

61,1

62,0

59,5

36,4

Duitsland

65,4

66,9

67,4

47,5

www.eurydice.org

29


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) Frankrijk

63,1

63,8

66,5

44,0

Nederland

73,2

74,1

78,9

42,7

Werkloosheid

Vlaams Gewest 2003

2004

2005

2006

207810

225630

235343

222204

<25 jaar

56290

57970

56372

49264

25-39 jaar

84040

87060

83636

76357

40-49 jaar

49680

53170

55348

50946

>49 jaar

17790

27440

39987

45637

Niet-werkende werkzoekenden (n) Totaal

Werkgelegenheid

Vlaams Gewest

België

2003 (4e kwartaal)

2003-2004 Gemiddelde groei

Totaal

Zelfstandig

Loontrekkend

Loontrekkend

(n)

(n)

(n)

(%)

2388900

399300

1989600

+1,1

60500

43900

16500

+2,1

Secundaire sector

625500

74500

551100

-1,6

Tertiaire sector

971700

221600

750100

+2,0

Quartaire sector

729600

58300

671300

+2,0

Jobs Totaal Primaire sector

Bron: NIS EAK, Eurostat LFS, VDAB Arvastat, RSZ DMFA, RSZ gedecentraliseerd (Bewerking Steunpunt WSE)

www.eurydice.org

30


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

Evolutie werkloosheid in Vlaanderen (bron: VDAB 2006)

1.7. Statistieken 1.7.1. Scholingsgraad van de bevolking van het Vlaamse Gewest (25-64 jaar), in %

Hoogst behaalde diploma 2005 2004 2003 2002 2001 2000 1999 1998 1996 1994 1992 1990 maximaal lager secundair hoger secundair hoger niet-universitair universitair niveau

32,7 36,8 17,9 12,6

34,6 35,2 17,4 12,8

37,5 34,1 16,7 11,7

37,8 34,3 15,9 12,0

39,0 33,4 15,4 12,2

40,4 33,0 15,3 11,3

42,3 32,5 14,0 11,2

42,3 45,0 49,5 54,2 60,6 33,1 31,0 28,9 26,5 22,4 13,5 14,0 12,4 11,3 9,0 11,2 9,0 9,2 8,0 8,0

Bron : http://aps.vlaanderen.be

www.eurydice.org

31


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

Scholingsgraad van de bevolking van het Vlaamse Gewest (25-64 jaar)

100%

80%

%

60%

40%

20%

0% 1990

1992

1994

1996

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

tijd maximaal lager secundair

hoger secundair

hoger niet-universitair

universitair niveau

1.7.2. Scholingsgraad van de bevolking van het Vlaamse Gewest (25-34 jaar), in %

hoogst behaalde diploma

2004

2003

2002

2000

1999

1998

1996

1994

1992

1990

maximaal lager secundair

16,6

19,6

19,4

21,0

24,0

23,4

26,5

31,4

37,7

45,0

hoger secundair

41,5

41,1

42,1

42,0

41,7

42,0

40,3

38,2

35,0

30,5

hoger niet-universitair

22,7

21,7

21,1

20,0

18,7

18,2

19,9

17,7

16,2

13,0

universitair niveau

19,2

17,6

17,5

17,0

15,6

16,4

13,3

12,8

11,1

11,5

Bron : http://aps.vlaanderen.be

www.eurydice.org

32


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

Scholingsgraad van de bevolking van het Vlaamse Gewest (25-34 jaar)

100%

80%

%

60%

40%

20%

0% 1990

1992

1994

1996

1998

1999

2000

2002

2003

2004

tijd maximaal lager secundair

hoger secundair

hoger niet-universitair

universitair niveau

1.7.3. Schoolverlaters en restpercentage naar scholingsgraad, in %

februari 2004 - januari 2005

scholingsgraad U

U

alle nog school- werkzoekend verlaters na 1 jaar

februari 2003 - januari 2004

februari 2002 - januari 2003

alle schoolverlaters

nog werkzoekend na 1 jaar

alle schoolverlaters

nog werkzoekend na 1 jaar

laaggeschoold

15,2

30,6

15,0

26,7

17,1

30,4

middengeschoold

43,9

46,5

43,4

41,5

44,1

46,5

hooggeschoold

40,8

23,0

41,7

31,8

38,7

23,1

Bron : http://aps.vlaanderen.be

www.eurydice.org

33


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

2. ALGEMENE ORGANISATIE VAN HET ONDERWIJSSYSTEEM Na een bondig historisch overzicht (zie 2.1.) dat hier beperkt wordt tot de vrijheid van onderwijs en actuele discussies en toekomstige ontwikkelingen (zie 2.2.) behandelen we: U

U

U

● ● ● ● ● ●

U

de fundamentele principes 2.3. de algemene structuur en beslissingsmomenten in het onderwijs 2.4. de leerplicht 2.5. het beheer 2.6. de participatie- en overlegstructuren 2.7. de financiering 2.8. U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

2.1. Historisch overzicht Een historisch perspectief op het Vlaamse onderwijsbeleid leert dat de vrijheid van onderwijs voortdurend één van de meest centrale thema's geweest is. De vrijheid van onderwijs is opgenomen in de grondwet sinds het prille begin van de Belgische Staat en is het voorwerp geweest van vele conflicten en strijd, de zogenaamde 'schoolstrijd'. Dit vormt een niet onbeduidend deel van de culturele en politieke geschiedenis van België, zowel in de 19de eeuw, met grote opwellingen rond 1850 en 1879, als in de 20ste eeuw, vooral vanaf 1951. Deze honderdjarige periode van confrontatie eindigde bij het ondertekenen van het zogenaamde schoolpact op 6 november 1958. Krachtens het principe van de vrije schoolkeuze mag de organisatie van onderwijsinrichtingen niet onderworpen worden aan enige beperkende maatregel. Nochtans moeten scholen die wensen erkende diploma's uit te reiken en overheidssubsidies te ontvangen, voldoen aan de wettelijke en statutaire voorschriften. Sinds het sluiten van het Schoolpact vormt de Schoolpactwet van 29 mei 1959 het fundament voor de organisatie van alle onderwijsinrichtingen (met uitzondering van de universiteiten) in een onderwijssysteem, gefinancierd of gesubsidieerd door de overheid. Om de uitvoering van het pact te volgen werd een Permanente (politieke) Commissie opgericht. Deze periode van een nationaal Schoolpact werd definitief afgesloten bij de communautarisering van het onderwijs door de basisprincipes in te schrijven in artikel 24 van de grondwet, gewijzigd op 15 Juli 1988. Andere artikels (art. 127 § 1.2 en art. 142) kennen de verantwoordelijkheid voor het doen eerbiedigen van die onderwijsvrijheid voortaan toe aan de Gemeenschappen en niet meer de federale overheid en geven alle leerlingen of studenten, ouders, personeelsleden en onderwijsinstellingen de waarborg dat ze op een gelijke behandeling kunnen rekenen. Referenties ● ● ●

Jan De Groof, De schoolpactwet: coördinatie en annotatie. Kluwer, 1996 Jan De Groof, De grondwetsherziening van 1988 en het onderwijs: de schoolvrede en zijn toepassing. Story Scientia, 1989 Els Witte, Jan De Groof, Jeffrey Tyssens, Het schoolpact van 1958: ontstaan, grondlijnen en toepassing van een Belgisch compromis, Garant, 1999

Meer specifieke historieken vindt men in: ● ● ● ● ●

Kleuteronderwijs, zie 3.1. Lager onderwijs, zie 4.1. Secundair onderwijs, zie 5.1. Hoger onderwijs, zie 6.1. Permanente vorming, zie 7.1. U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

www.eurydice.org

34


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) ● ● ● ● ●

Lerarenopleiding, zie 8.1.1. Arbeidsvoorwaarden personeel, zie 8.2.1. Evaluatie, zie 9.1. Onderwijs voor leerlingen met specifieke onderwijsproblemen, zie 10.1. Europese en internationale dimensie, zie 11.1. U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

2.2. Actuele discussies en toekomstige ontwikkelingen Op de beleidsagenda staan volgende thema's. ●

Gelijkeonderwijskansenbeleid,

○ ○ ○ ○ ○

●

Lokaal onderwijsbeleid in de centrumsteden, zie 2.6.3.1. U

U

Uitvoering strategisch plan geletterdheid Netoverschrijdend leerlingenvervoer Tegengaan schoolmoeheid, spijbelen en schoolverzuim

Onderwijskansen voor jongeren met gedrags- en emotionele problemen Verbeteren aansluiting onderwijs – arbeidsmarkt

○ Inzake afwisselend leren en werken zal een kader worden uitgetekend voor de opwaardering van het deeltijds beroepssecundair onderwijs, de leertijd en de deeltijdse vorming

○ Stimulering werkplekleren ●

Inzake financiering onderwijs

○ ○ ○ ○

Kosteloosheid basisonderwijs; verlaging kostprijs onderwijs voor ouders De studiefinanciering wordt uitgebreid Nieuw financieringssysteem leerplichtonderwijs Nieuw financieringssysteem hoger onderwijs; een nota daarover is goedgekeurd door de Vlaamse regering en wordt vertaald in een decreet

○ Het decreet betreffende de inhaaloperatie investering in schoolinfrastructuur is goedgekeurd in 2006 en in uitvoering, zie 2.8.4.. Beleidsvoerend vermogen verhogen U

●

U

○ Verdere professionalisering schoolleiding en leerkrachten ○ Vermindering planlast en vereenvoudiging regelgeving ○ Gebruik van zelfevaluatiesystemen ●

●

Onderwijsverbreding en verdieping

○ ○ ○ ○

Ondersteuning onderwijsvernieuwing door proeftuinen

○ ○ ○ ○

Verdere ontwikkeling kwalificaties, valorisatie competenties

Herziening eindtermen en ontwikkelingsdoelen Overgang van HOSP naar hogescholen Er wordt een conceptnota voorbereid over het 'tertiair' onderwijs, het opleidingsaanbod tussen het 6e jaar secundair onderwijs en de bachelor en masteropleidingen. Implementatie van flexibilisering leertrajecten Voorrangsbeleid Brussel

Taalonderwijs Geplande decreten

○ Decreet kosteloosheid basisonderwijs zie hierna en 4.2.; U

www.eurydice.org

U

35


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

○ ○ ○ ○

Basisdecreet hoger onderwijs, zie 6.2. U

U

Decreet volwassenenonderwijs, zie 7.2.0.2. Decreet lerarenopleiding, zie 8.1.2. U

U

Decreet buitengewoon onderwijs en opvang jongeren met speciale behoeften in gewoon onderwijs – onderwijszorgcontinuüm, zie 10.2. U

U

○ Decreet flankerend onderwijsbeleid op lokaal niveau, zie 2.6.3.1. U

U

Nieuwe ontwikkelingen U

Tijdelijke projecten voor onderwijsvernieuwing

Sinds 9/12/2005 vormt het Decreet betreffende tijdelijke projecten in het onderwijs de rechtsgrond voor projectmatige initiatieven (de eerdere 'proeftuinen'). Het geldt voor het basis- en secundair onderwijs, de deeltijdse vorming in het kader van de deeltijdse leerplicht, het volwassenenonderwijs, het deeltijds kunstonderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding. Hierdoor kan de Vlaamse Regering tijdelijke projecten opzetten of scholen en centra de mogelijkheid verlenen tijdelijke projecten te organiseren. De regering dient de inhoud en de doelstellingen vast te leggen, de tijdsduur te bepalen en de voorwaarden waaronder ze eenmaal kunnen worden verlengd. Voor de realisatie van de projecten zijn afwijkingen van wettelijke en decretale bepalingen mogelijk. Deze dienen wel per project aangegeven en gemotiveerd te worden in een Besluit en daarna bekrachtigd te worden door een Decreet. De afwijkingen kunnen echter geen betrekking hebben op de eindtermen en ontwikkelingsdoelen en de bepalingen inzake: ● ● ● ● ● ● ●

het inschrijvingsrecht in basis- en secundaire scholen; het minimumlessenrooster of minimumlessentabel in secundair en volwassenenonderwijs en in deeltijdse vormingen in het kader van de deeltijdse leerplicht; het minimumaantal wekelijkse lestijden in basis-, secundair en volwassenenonderwijs; de participatieregeling; de erkenning van scholen en centra, met uitzondering van onderwijsstructuur en leerplan; het inschrijvingsgeld in het volwassenenonderwijs; het zorgvuldig bestuur.

Het decreet geeft rechtzekerheid aan leerlingen en leerkrachten die bij de projecten betrokken zijn. De tijdelijke projecten zullen tijdens hun looptijd geëvalueerd worden en de resultaten daarvan worden geformuleerd in een advies aan de Vlaamse Regering dat voorgelegd wordt aan het parlement. Ingeval ze daarna organiek geïmplementeerd worden zal zo nodig worden voorzien in structurele financiering of subsidiëring.

Schoolkosten, schooltoelagen en een nieuw financieringssysteem

Inzake schoolkosten wordt een meersporenbeleid gevoerd. ● ●

De decretaal voorziene kosteloosheid in het basisonderwijs zal vanaf het schooljaar 20072008 dienen gerespecteerd te worden in alle basisscholen. Voor de kosten die toch nog mogen doorgerekend worden zal een dubbele maximumfactuur stapsgewijze worden ingevoerd (zie 4.2.). Om de scholen toe te laten die engagementen te realiseren zal: U

●

U

○ in 2007 45 euro/per kind extra werkingsmiddelen worden toegekend, d.i. een toename voor het hele basisonderwijs met 29,5 mio € (= 10%).

www.eurydice.org

36


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

○ een nieuw financieringssysteem worden uitgewerkt voor het ganse

●

leerplichtonderwijs. Daarin zullen de volledige omkadering en de werkingsmiddelen van de scholen afhangen van leerlingenkenmerken. Scholen met veel kansarme leerlingen zullen zo extra middelen krijgen. Ter financiering daarvan wordt voor het basisonderwijs 85,2 mio euro extra voorzien. Een stijging met 27% op jaarbasis, op te starten in 2008 en volledig te realiseren in 2009. Tevens worden de schooltoelagen (basis- en secundair onderwijs) grondig hervormd.

○ Er wordt een uniek gezinsdossier ingevoerd voor alle leerlingen en studenten.

▪

De criteria voor toekenning die nu afzonderlijk gelden voor het secundair onderwijs en voor het basisonderwijs zullen afgestemd worden op de criteria voor het hoger onderwijs.

▪

De verwerking van de aanvragen die nu per onderwijsniveau gebeurt, zal dank zij het uniek gezinsdossier (geldend voor alle leerlingen en studenten binnen datzelfde gezin) voortaan gebeuren door één ploeg dossierbehandelaars.

▪

Alle voorwaarden om in aanmerking te komen voor een financiële tussenkomst, nl. de nationaliteitsvoorwaarde en de financiële voorwaarden, zullen voor alle niveaus gelijk worden. De pedagogische voorwaarden zullen wel verschillen per onderwijsniveau.

○ De subsidies voor de sociale voorzieningen van de hogescholen (voor goedkope restaurants, huisvesting enz.) zullen gelijkgetrokken worden met de universiteiten. Dat verschil wegwerken zal op jaarbasis 11 miljoen € kosten.

○ In het secundair onderwijs zullen de schooltoelagen worden verhoogd en zullen studiepremies worden toegekend vanaf het schooljaar 2007-2008 (zie 5.2.). U

U

○ Voor kleuters en leerlingen in het basisonderwijs zal, vanaf het schooljaar 20082009, ook een schooltoelage worden ingevoerd. Gezien de criteria voor toekenning dezelfde zullen zijn als voor het hoger onderwijs zal ¼ van de leerlingen voor de schooltoelage in aanmerking komen. In een eerste fase zal daarvoor 10 mio € worden uitgetrokken, voor een gemiddelde toelage van 60 €/kind.

○ Vanaf het schooljaar 2008-2009 zullen ook leerlingen uit centra voor deeltijds onderwijs, centra voor deeltijdse vorming en de leertijd een schooltoelage kunnen krijgen. Daar zullen een 3300-tal leerlingen voor in aanmerking komen. Die financiële maatregelen worden gekoppeld aan: ● ●

de stimulering van kleuterparticipatie; er zal een vereiste minimumaanwezigheid worden vastgelegd; het tegengaan van spijbelen door de studie- of schooltoelage in het leerplichtonderwijs te koppelen aan de leerplicht door controle op de inschrijving van de leerlingen en een voldoend aantal dagen aanwezigheid op school of op de werkplek.

Zie de nota van de Vlaams minister van Onderwijs en Vorming 'Schoolkosten: voorstellen voor een nieuw Vlaams beleid', 14 juni 2006; en persmededelingen van 14 oktober 2006 en 26 januari 2007.

Actieplan inzake spijbelen en schoolverzuim

●

●

Uit onderzoek in 2004-2005 bleek dat 51 10-11-jarigen en 87 14/15-jarigen zich onttrokken aan de leerplicht, dus schoolverzuim pleegden (Brussel is in die cijfers niet begrepen). Daarnaast bleken 0,6% van de leerlingen in het voltijds gewoon secundair onderwijs en 3,3% van de leerlingen in het voltijds buitengewoon secundair onderwijs frequent te spijbelen, ongewettigd afwezig te zijn; in het deeltijds onderwijs zelfs 21,3%. Daarom is een actieplan met 12 acties uitgewerkt, gaande van sensibilisering en een warm schoolklimaat tot een effectiever vervolgingsbeleid door het parket, waarvoor extra parketpersoneel zal worden ingeschakeld. (http://www.ond.vlaanderen.be/nieuws/2006p/files/0217-spijbelen-bijlage1.htm). HU

UH

www.eurydice.org

37


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) ●

Vanaf 2007-2008 zullen alle inschrijvingen van leerlingen geregistreerd worden op de derde schooldag in september, i.p.v. op 1 oktober. Tevens zal het controlesysteem drastisch worden hervormd en sluitend gemaakt. Ook de controle op het zgn. huisonderwijs (zie 2.5.2.) zal worden verstrengd. Zo kan sneller worden opgetreden. Time-out projecten voor opvang van moeilijke leerlingen zullen structureel worden verankerd. De eerste 4 Time-outprojecten (waarbij leerlingen die grote moeilijkheden veroorzaken of geheel gedemotiveerd zijn uit de school worden gehaald en apart begeleid) doorliepen een experimentele fase van 2001-2006. Onderzoek toonde een positief effect aan. Daarom zijn in 2006 in samenwerking met de minister van Welzijn nieuwe projecten met een looptijd van 3 jaar gestart. Voortaan wordt een onderscheid gemaakt tussen: een korte timeout (met intensieve begeleiding binnen of buiten de school gedurende 5-10 dagen, eventueel met herstelgerichte acties; volledig gefinancieerd door onderwijs) en een lange time-out (van 3-6 weken, gecofinancieerd door de minister van welzijn; elk 273.000 €/j.). Er worden 14 korte (voor 645 leerlingen) en 6 lange projecten (voor 182 jongeren) gesubsidieerd. Het totale budget bedraagt 1,2 miljoen €/j.; kost per leerling van een korte time-out is 1000 €, een lange 3000 €. (http://www.ond.vlaanderen.be/beleid/toespraak/070122-reddingsboei.htm). Voor korte time-outprojecten werd alvast een 3-daagse opleiding HERGO, herstelgericht groepsoverleg georganiseerd. U

●

HU

U

UH

Proefprojecten Brede school

Een brede school is gericht op de brede ontwikkeling van alle kinderen en jongeren door het ondersteunen en/of creëren van een brede leer- en leefomgeving op lokaal niveau waarbinnen kinderen en jongeren een waaier aan leer- en leefervaringen kunnen opdoen. Daartoe kan de school een samenwerking opzetten en een netwerk uitbouwen met verenigingen of instellingen op het terrein van cultuur, sport, jeugdwerk, kinderopvang, welzijn, buurtwerk…,sectoren die samen het leren/leven van kinderen en jongeren mee vormgeven en ondersteunen. Om duurzame samenwerkingsverbanden op lokaal niveau tot stand te laten komen is er ook op beleidsniveau samenwerking ontstaan. Eind 2006 startten 14 Vlaamse en 3 Brusselse proefprojecten voor 3 jaar. Ze worden ondersteund door de Vlaamse ministers van werk, onderwijs en vorming (jaarlijks 200.000 €); cultuur, jeugd, sport en Brussel (200.000 € in 2007); en welzijn; en door de Nederlandstalige minister van Brusselse regering bevoegd voor onderwijs, beroepsopleiding en begroting (jaarlijks 50.000 €). Wettelijke obstakels om bv. schoolgebouwen ter beschikking te stellen van derden zullen worden opgeheven. Het Steunpunt GOK 10.5.3.6. heeft een referentiekader opgesteld en zal de proefprojecten opvolgen en begeleiden. Het zal ook op basis van de ervaringen in de proefprojecten aanbevelingen voor het beleid formuleren, zie http://www.ond.vlaanderen.be/bredeschool/. U

U

HU

UH

Actieplan gezondheidsbeleid (inz. evenwichtige voeding en beweging)

Vanaf 1 september 2007 moeten alle basis- en secundaire school een gezondheidsbeleid uitstippelen. Op basis van een analyse van de eigen situatie, zullen ze streefdoelen formuleren en acties ondernemen. Daartoe is alvast in 2006 bij de VLOR, Vlaamse Onderwijsraad gezondheidscoördinator aangesteld die een strategisch actieplan uitwerkt en tevens, samen met de commissie gezondheidsbevordering van de VLOR, een instrument voor de scholen om hun eigen situatie op vlak van gezondheidsbevordering in kaart te brengen. Het initiatief wordt ondersteund door de ministers van Onderwijs, Volksgezondheid, Sport en Landbouw, die ook instellingen uit hun beleidsdomein inschakelen zoals het Vlaams Instituut voor Gezondheidspromotie, de voedingsinformatiecel van het Vlaams Centrum voor Agro- en Visserijmarketing en het Steunpunt Sport, Beweging en Gezondheid. Het budget bedraagt 150.000 €.

www.eurydice.org

38


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) Aanpak geweld op school

●

Er is ook toenemende aandacht voor pesten & cyberpesten, afpersing (steaming) en geweld op school. Daartoe wordt met verschillende organisaties samengewerkt: het Steunpunt voor Grensoverschrijdend Gedrag op School (http://www.iswlimits.be/nl/onderwijs.asp) , het Vlaams Netwerk Kies Kleur tegen pesten (http://www.kieskleurtegenpesten.be/) en participeert onderwijs aan het OESO-project International network on school bullying and violence (http://oecd-sbv.net/). Er gaan ook tweehonderd extra jo-jo's aan de slag in secundaire scholen. Dat zijn jongeren die via een startbaan binnen het project 'Scholen voor jongeren, jongeren voor scholen' werken aan de 'preventie van antisociaal gedrag op school'. Voortaan komen ook jongeren uit de deeltijdse leerplicht in aanmerking om als jo-jo te werken, maar dan voor nieuwe praktische taken zoals onderhoud en renovatiewerken, zie 5.18. en http://www.ond.vlaanderen.be/jojo/. HU

UH

HU

HU

●

UH

UH

U

U

HU

UH

Participatieonderzoek

Het Participatiedecreet (2004-2005) verplichtte elke school tot het installeren van een schoolraad en (bij voldoende vraag) een leerlingen-, ouder- en pedagogische raad (zie 2.7.1.). In 2008 is een grondige evaluatie gepland van de mate waarin leerlingen, ouders en leerkrachten betrokken worden bij het schoolbeleid. Daartoe werd een set van vragenlijsten ontwikkeld, de participatiebarometer, die zal peilen naar de werking van de bestaande raden en naar de feitelijke sfeer, het participatieklimaat. Met die participatiebarometer zal alvast in 2007 een representatieve steekproef worden gedaan. U

U

ICT Gespreid over 3 jaar wordt 35 miljoen € uitgetrokken voor investeringen in ICT in het onderwijs. Het budget voor 2006 is toegepitst op basis- en secundaire scholen en basiseducatie; in 2007 komen daar het deeltijds kunstonderwijs en de centra voor volwassenenonderwijs bij.

Beleidsbrief Onderwijs en Vorming 2005 - 2006 Beleidsbrief Onderwijs en Vorming 2006-2007 Beleidsnota onderwijs en vorming 2004-2009. Vandaag kampioen in wiskunde, morgen ook in gelijke kansen. Beleidsnota 2004-2009 Concept volwassenenonderwijs - 8 mei 2005 Onderwijs in de Septemberverklaring 2005, Vlaamse regering Onderwijs in het nieuwe regeerakkoord BVR betreffende de toekenning van subsidies aan time-outprojecten voor welzijn en onderwijs

2.3. Fundamentele principes en wetgeving We behandelen hier: ● ● ● ● ●

De vrijheid van onderwijs 2.3.1. De onderwijsnetten 2.3.2. De wettelijke voorschriften voor gesubsidieerde scholen 2.3.3. De vrijheid van onderwijsmethoden en pedagogisch project 2.3.4. De eindtermen, ontwikkelingsdoelen en leerplannen 2.3.5. U

U

U

U

U

U

U

U

www.eurydice.org

U

U

39


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

2.3.1. Vrijheid van onderwijs Centraal in de Belgische onderwijswetgeving staat de Belgische grondwet waarin de 'vrijheid van onderwijs' gegarandeerd wordt (art. 24). Dit is een dubbele vrijheid: ●

de actieve vrijheid voor elke natuurlijke persoon of rechtspersoon tot het organiseren van onderwijs en daarvoor instellingen op te richten 2.3.1.1.; de vrijheid van schoolkeuze voor leerlingen en hun ouders 2.3.1.2.. U

●

U

U

U

2.3.1.1. Vrijheid van oprichting, richting en inrichting van onderwijs

Onder de actieve vrijheid kan worden verstaan: ●

●

●

het recht van oprichting, d.i. de vrijheid van privé-personen alsook overheden om scholen op te richten en er onderwijs te verstrekken, dit zowel naar de vorm als naar de inhoud. De uit dit beginsel voortvloeiende autonomie houdt tevens het recht in om, binnen de geldende regelgeving, ter sanctionering van de studies rechtsgeldige studiebewijzen en getuigschriften uit te reiken; het recht van richting, dat de oprichting van scholen impliceert die gesteund zijn op zowel een welbepaalde confessionele (katholieke, joodse, protestantse en islamscholen) of nietconfessionele levensbeschouwing, als welbepaalde pedagogische of onderwijskundige opvattingen (de zgn. kleine onderwijsverstrekkers zoals Steiner-, Freinet-, … of ervaringsgericht onderwijs); het recht van inrichting, of het recht van inrichtende machten en schoolbesturen om zonder inmenging van de overheid de organisatie en de werking van scholen te bepalen; dit houdt o.m. in het bepalen van het inschrijvingsbeleid en het toepassen van het tuchtrecht, de keuze van personeel met het oog op de verwezenlijking van de eigen onderwijsdoelstellingen, de uitvaardiging van een schoolreglement,…Met andere woorden, de beslissingsmacht van de schoolbesturen (inrichtende macht) en de directie mag niet op kennelijk onredelijke of onevenredige wijze worden beknot. De grondwet verbiedt alle preventieve maatregelen. Ze mogen echter niet worden verward met regulerende maatregelen. Zo mag de overheid bv.

○ decretale regels inzake het toelatingsbeleid en weigeringsrecht vastleggen; ○ voorwaarden stellen in verband met de kwalificaties van personen; ○ ontwikkelingsdoelen en eindtermen opleggen voor zover dit voldoende ruimte laat om het pedagogisch of levensbeschouwelijk project te verwezenlijken;

○ participatiestructuren in te voeren,… ○ (Evenzeer kunnen de aanspraak op subsidiëring en de daarmee samenhangende voorwaarden tot een inperking van de actieve vrijheid van onderwijs leiden.) (Seneca, Forum voor onderwijsrecht, trefwoordenlijst, http://www.seneca.be ) HU

UH

Referenties De grondwetsherziening van 1988 en het onderwijs. De schoolvrede en zijn toepassing De Schoolpactwet. Coördinatie en annotatie. Het schoolpact van 1958 / Le pacte scolaire de 1958. Ontstaan, grondlijnen en toepassing van een Belgisch compromis / Origines, principes et application d'un compromis belge

www.eurydice.org

40


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

2.3.1.2. Vrijheid van schoolkeuze en inschrijvingsrecht

Naast de 'pedagogische vrijheid' (zie 2.3.1.1.) is er de vrije schoolkeuze. Ook deze wordt door de grondwet gegarandeerd. Ouders en hun kinderen moeten over een school van hun keuze kunnen beschikken op een redelijke afstand van de woonplaats. U

U

Een school kan autonoom haar maximale opvangcapaciteit bepalen, maar als ze deze hanteert om leerlingen te weigeren zal op de consequente toepassing van het weigeren toezicht worden uitgeoefend. Een leerling kan zich ten vroegste inschrijven vanaf 1 september van het voorafgaande schooljaar. Daarvan moet elke school een inschrijvingsregister bijhouden, de chronologische volgorde van inschrijving is bepalend. Als correctie daarop krijgen broers en zussen of leerlingen die onder hetzelfde dak wonen, vanaf het schooljaar 2005-2006, een voorrangsperiode voor inschrijving in dezelfde school voor andere nieuwe leerlingen. Ook kansarme kinderen & kansrijke kinderen in een school met veel kansarme kinderen (enkel in basisonderwijs en 1e graad SO) en Nederlandstalige kinderen in een Brusselse school kunnen van zo'n voorrangsperiode genieten. Vanaf het schooljaar 2006-2007 wordt de regelgeving ter zake verder aangepast met het oog op het vergroten van de toepasbaarheid, het bevorderen van de diversiteit, verminderen van de planlast voor de scholen en vergroting van de lokale autonomie. Het recht van de leerling of zijn ouders op een inschrijving in de school van eigen keuze wordt in het decreet betreffende gelijke onderwijskansen I (decreet van 28 juni 2002) decretaal sterk verankerd. Met dit principieel inschrijvingsrecht gaat een aanvaardingsplicht van de school gepaard. Dit betekent dat elke leerling die voldoet aan de algemene toelatingsvoorwaarden (inzake leeftijd en bekwaamheid) recht heeft op inschrijving in de door de ouders (in samenspraak met de leerling als die leerling 12 jaar of ouder is) gekozen school. Dit recht moet toelaten dat alle leerlingen en ouders in deze pluralistische maatschappij onbelemmerd onderwijs kunnen kiezen binnen een waaier van pedagogische projecten. Weigeringen op grond van huidskleur, nationale of etnische herkomst, afkomst, religie of geslacht zijn niet toelaatbaar. De ouders en leerling worden geïnformeerd over het pedagogisch project en het schoolreglement (die de internationaalrechtelijke en grondwettelijke beginselen inzake de rechten van de mens en van het kind eerbiedigen). Indien de ouders niet instemmen met dit project of het schoolreglement dan zal de inschrijving niet worden aanvaard. Een school kan slechts 2 redenen tot weigering inroepen: ● ●

wanneer een bijkomende inschrijving omwille van materiële omstandigheden de veiligheid van de leerlingen in het gedrang brengt; wanneer de betrokken leerling het vorige of het daaraan voorafgaande schooljaar definitief werd uitgesloten in de school.

Een inrichtende macht kan ook bij inschrijving elke bijkomende leerling waarvan de thuistaal niet, of (afhankelijk van het geval) wél het Nederlands is, doorverwijzen om de vooropgestelde verhouding tussen beide leerlingengroepen te waarborgen. Er worden wel verschillende voorwaarden gesteld voor de doorverwijzing in verband met het taalvaardigheidsonderwijs Nederlands binnen de school en de relatieve aanwezigheid van de doelgroep die ten minste 20% moet bedragen en hoger moet zijn dan de relatieve aanwezigheid in het werkingsgebied waarin de school ligt. Daarnaast kan de school ook oordelen dat de draagkracht onvoldoende is om een leerling met een zware handicap optimaal te kunnen ondersteunen. In dergelijk geval kan de leerling worden doorverwezen. Alle doorverwijzingen worden behandeld door de LOP's. Ouders die niet akkoord gaan met een weigering van de school kunnen de LOP's om bemiddeling vragen. De LOP's, lokale overlegplatforms inzake gelijke onderwijskansen werden opgericht om het gelijkeonderwijskansenbeleid op het lokale vlak mee implementeren (41 basisonderwijs, 19 secundair onderwijs). Hierin zetelen onderwijsverstrekkers en lokale actoren zoals vertegenwoordigers van www.eurydice.org

41


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) allochtone en (kans)arme autochtone gemeenschappen, van de integratiesector, van socioeconomische partners, etc.. ● ●

●

● ● ●

Ze hebben als onderzoekstaak de lokale situatie in kaart te brengen en een omgevingsanalyse inzake ongelijke onderwijskansen door te voeren. Bij doorverwijzing van een leerling zal de bemiddelingscel zoeken naar de beste oplossing voor de leerling in kwestie. Zij bemiddeld ook op vraag van ouders bij weigering tot inschrijving door de school. De LOP's hebben ook een adviesopdracht op lokaal, provinciaal en gewestelijk vlak en zal middels het doorgeven van goede praktijkvoorbeelden bijdragen in het ontwikkelen van instrumenten om het inschrijvingsrecht te helpen realiseren. In Brussel dient de LOP een consensus te vinden over het principe van de gelijktijdige voorrang voor kinderen met thuistaal Nederlands en voor GOK-leerlingen (zie 10.5.3.7.]). http://www.lop.be http://www.ond.vlaanderen.be/GOK/lop/ HU

U

Als de ouders de school niet volgen in haar motivatie om het kind te weigeren, kunnen zij klacht indienen bij de Commissie inzake leerlingenrechten, binnen de 30 kalenderdagen na het ontvangen van de weigering. Na ontvangst van de klacht oordeelt de Commissie inzake leerlingenrechten binnen de vijf kalenderdagen over de grond van de klacht en stuurt een bericht per aangetekende brief en een advies aan de Vlaamse regering. Oordeelt de commissie dat de school het recht had het kind te weigeren, dan wordt met de hulp van het lokaal overlegplatform gezocht naar een andere, geschikte school. Indien de commissie vindt dat de school geen enkele gegronde reden had om het kind te weigeren, kan de school een financiële sanctie krijgen, tenzij ze toch bereid is het kind in te schrijven. De Commissie behandelt ook alle doorverwijzingen waarvoor er binnen het lokale overlegplatform geen oplossing werd gevonden. De Commissie werd opgericht door het Besluit van 27/9/2002 en is operationeel sinds 1 januari 2003; ze is autonoom en niveauoverschrijdend.

Commissie inzake Leerlingenrechten http://www.ond.vlaanderen.be/leerlingenrechtencommissie HU

2.3.2. Onderwijsnetten De strijd voor de vrijheid van inrichting van onderwijs werd bepaald door de verzuilde uitbouw van het onderwijs. Het begrip wordt echter niet eenduidig omschreven in de wetgeving en dekt soms verschillende groeperingen. Op basis van het schoolpact en de schoolpactwetgeving worden verschillende fundamentele classificaties gebruikt. Naar soort inrichtende macht onderscheidt men: ● ●

officiële scholen opgericht door openbare besturen (gemeenschap, provincies, steden, gemeenten of andere publiekrechtelijke personen) vrije scholen opgericht door een natuurlijk of een privaatrechtelijk rechtspersoon.

Naar aard van financiële middelen onderscheidt men financiering & subsidiëring door de overheid: ● ●

het gemeenschapsonderwijs dat rechtstreeks en volledig gefinancierd wordt door de Vlaamse Gemeenschap; het gesubsidieerd onderwijs dat subsidies ontvangt van de Vlaamse Gemeenschap (salaristoelagen, werkings- en uitrustingstoelagen, en toelagen voor gebouwen) mits het voldoet aan programmatie- en rationalisatienormen en bepaalde erkenningsvoorwaarden (zie 2.8.3.). U

U

www.eurydice.org

42


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) De combinatie van beide criteria levert dan de gebruikelijke 3-deling op, waaraan het begrip ' onderwijsnet' wordt gekoppeld: ●

●

●

het gemeenschapsonderwijs, nu GO!, voorheen rijksonderwijs, georganiseerd door het Gemeenschapsonderwijs (d.i. de Raad en de scholengroepen), voorheen de ARGO, daarvoor de Vlaamse Gemeenschap en initieel het 'rijk' of de Belgische staat; het gesubsidieerd vrij onderwijs (katholiek onderwijs, protestants onderwijs, joods onderwijs, niet-confessioneel onderwijs, onafhankelijke methodescholen) dat voor het grootste deel vrij gesubsidieerd katholiek onderwijs is het gesubsidieerd officieel onderwijs (georganiseerd door steden, gemeenten en provincies, intercommunales, ocmw's)

Naar karakter levensbeschouwelijke vorming onderscheidt men: ● ● ● ●

confessionele scholen die een vorming op godsdienstige basis aanbieden (katholiek onderwijs, protestants onderwijs, joods onderwijs); neutrale scholen die middels een vak levensbeschouwelijke vorming de keuze aanbieden tussen onderricht in één van de erkende godsdiensten of niet-confessionele zedenleer; niet-confessionele (vrijzinnige) scholen die enkel niet-confessionele zedenleer aanbieden; methodescholen die verschillen volgens hun pedagogisch project.

Met het oog op belangenbehartiging, ondersteuning en participatie in overlegstructuren werden representatieve verenigingen of koepelorganisaties gecreëerd. Zie 2.6.4.2.. U

Net

U

Aantal leerlingen in basis- en secundair onderwijs in schooljaar 2005-2006 (Bron: Statistisch jaarboek)

Gemeenschapsonderwijs

168.686

Vrij gesubsidieerd onderwijs

757.387

Provinciaal onderwijs

14.934

Gemeentelijk onderwijs

165.821

Intercommunale

256

Vlaamse Gemeenschapscommissie

2.523

Privé-onderwijs of huisonderwijs valt buiten hogergenoemde indelingen, wordt ook niet gefinancierd of gesubsidieerd door de overheid, zie 4.16.. U

U

2.3.3. Wettelijke voorzieningen voor gesubsidieerde scholen De intenties uitgedrukt in artikel 6 van de Schoolpactwet (29 mei 1959), zoals gewijzigd (Decreet van 24 juli 1996 (b)), zijn gespecificeerd in artikel 24 § 2. Dit artikel stipuleert dat "Een school of een deel van een onderwijsinstelling voor kleuter-, lager-, secundair en hoger onderwijs wordt gesubsidieerd wanneer voldaan wordt aan de wettelijke en statutaire voorschriften met betrekking tot de organisatie van onderwijs en de toepassing van de taalwetgeving". Meer bepaald moet, volgens art. 24 § 2 van de Schoolpactwet van 29 mei 1959 (zoals gewijzigd), aan 10 criteria worden voldaan: ●

● ●

een structuur aannemen vastgelegd door of krachtens een wet of decreet. Onder structuur wordt begrepen de grote indelingen binnen een onderwijsniveau en de duur van deze indelingen; een leerplan eerbiedigen, dat overeenstemt met de wettelijke voorschriften of dat door de Minister van Onderwijs is goedgekeurd; zich aan controle en inspectie door de overheid onderwerpen. Deze inspectie heeft in het bijzonder betrekking op de onderwezen vakken, het peil der studiën en de toepassing van taalwetten, met uitsluiting van de pedagogische methodes; www.eurydice.org

43


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) ● ●

● ● ● ● ●

●

ingericht zijn door een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die de gehele verantwoordelijkheid ervoor op zich neemt; per klas, afdeling, graad of andere onderverdeling het minimum aantal leerlingen tellen, bepaald bij in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, behoudens een door de Minister van Openbaar Onderwijs verleende vrijstelling met het oog op bijzondere en exceptionele omstandigheden; gevestigd zijn in lokalen die aan de voorwaarden inzake hygiëne en bewoonbaarheid voldoen; beschikken over didactisch materieel en een schooluitrusting die beantwoorden aan de pedagogische vereisten; beschikken over een personeel waarvan de gezondheidstoestand die van de leerlingen niet in gevaar brengt en onderworpen is aan controle; zich onderwerpen aan de wettelijk vastgelegde verlofregeling; deelnemen aan en samenwerken binnen een lokaal overlegplatform opgericht overeenkomstig artikel IV.2, § 2, eerste lid, van het decreet van 28 juni 2002 betreffende gelijke onderwijskansen I. voor wat betreft het gesubsidieerd onderwijs : geen afbreuk doen aan de besluitvormingsprocedures bedoeld in artikelen 19 tot en met 22 van het decreet van 2 april 2004 betreffende participatie op school en de Vlaamse Onderwijsraad. Deze voorwaarde sluit tevens in dat de directeur met betrekking tot de hem door de inrichtende macht gedelegeerde bevoegdheden die voorwerp uitmaken van advies of overleg, voldoende gemandateerd wordt om in de verhouding tot de schoolraad autonoom te kunnen optreden; voor wat betreft het gemeenschapsonderwijs : de bevoegdheden van de schoolraad respecteren. H

●

H

Gesubsidieerde officiële scholen dienen bovendien: ● ● ● ● ●

een open karakter te hebben door open te staan voor alle leerlingen ongeacht de ideologische, filosofische of godsdienstige opvattingen van de ouders en leerlingen; officiële leerplannen te gebruiken, ontwikkeld door een van de overkoepelende organisaties van het officieel onderwijs, of eigen leerplannen die ermee verenigbaar zijn; een schoolwerkplan, schoolreglement en schoolboeken te gebruiken in overeenstemming met het open karakter; begeleid te worden door een begeleidingsdienst van het officieel onderwijs; het godsdienstonderwijs of het onderwijs in de niet-confessionele zedenleer te laten geven door een leermeester.

2.3.4. Onderwijsmethoden en 'pedagogisch project' Inzake onderwijsmethoden, leerprogramma's, beoordeling van leerlingen en pedagogisch project zijn de verschillende onderwijsnetten en de scholen in grote mate autonoom. Elke inrichtende macht definieert autonoom zijn pedagogisch project of opdrachtverklaring. Overheidscontrole is dus uitgesloten zolang de projecten niet in contradictie zijn met de democratische principes die de Belgische staat schragen en de wettelijke en statutaire voorschriften. Dit is de reden waarom de verschillende onderwijsnetten en scholen hun pedagogische projecten gedetailleerd hebben uitgewerkt, uitgeschreven en gepubliceerd. Zie daarvoor bij de zgn. onderwijskoepels 2.6.4.2. en bij enkele grote steden, Antwerpen en Gent 2.6.4.1.5.. U

U

U

U

De methodenscholen kunnen ingedeeld worden volgens hun pedagogisch project.

www.eurydice.org

44


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

Type methodeschool

Aantal vestigingsplaatsen Totaal

Gemeentelijk ond.

Gemeenschapsond.

Vrij ond.

Ervaringsgericht onderwijs

13

2

1

10

Freinet

49

15

23

11

Jenaplan

2

2

0

0

Leefschool

24

0

22

2

Montessori

3

0

0

3

Steiner

18

0

0

18

http://www.debuurt.be

Ervaringsgericht onderwijs HU

UH

http://www.freinetbewegingvlaanderen.be http://www.freinetherentals.be/deschool/schoolcultuur_invariante n.html HU

U

Freinet HU

UH

http://www.jenaplan.be http://www.bs-dejenaplaneet.be/schoolfilosofie/pijlersWerk.htm

Jenaplan HU

HU

Leefschool

UH

http://schoolweb.rago.be/bs/kruibeke/woll/leef.html

Montessori

HU

UH

http://www.schooltjevanoppem.be UH

Steiner

HU

http://www.steinerscholen.be UH

basis- en secundaire methodescholen van het Gemeenschapsonderwijs

HU

http://www.andereschool.be HU

UH

FOPEM, Federatie van Onafhankelijke Pluralistische http://users.skynet.be/fopem Emancipatorische Methodescholen HU

UH

Referenties

FOPEM, Federatie van Onafhankelijke Pluralistische Emancipatorische Methodenscholen Freinetbeweging Vlaanderen

2.3.5. Eindtermen en leerplannen Een belangrijk principe in het Vlaamse onderwijs is het gebruik van eindtermen en ontwikkelingsdoelen. Eindtermen zijn minimumdoelen op het vlak van kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes die de onderwijsoverheid als noodzakelijk en bereikbaar acht voor een bepaalde leerlingenpopulatie. Ontwikkelingsdoelen zijn minimumdoelen die de onderwijsoverheid wenselijk acht voor een bepaalde leerlingenpopulatie (decreet 4 februari 2003). In eindtermen en ontwikkelingsdoelen wordt omschreven welke kennis, inzichten, vaardigheden en attitudes de samenleving noodzakelijk of wenselijk acht voor leerlingen op verscheiden onderwijsniveaus. Eindtermen en ontwikkelingsdoelen worden aldus door de overheid gehanteerd als middel om aan kwaliteitsbewaking te doen. Ze zullen dienen aanwezig zijn in de leerplannen, die daarop worden gecontroleerd tijdens de goedkeuringsprocedure. Zie 4.10., 5.13., 9.3.2.. U

www.eurydice.org

U

U

U

U

U

45


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) http://www.ond.vlaanderen.be/dvo/ HU

U

Het kleuteronderwijs is geen verplicht onderwijs. Niet alle kleuters stappen de school binnen op dezelfde leeftijd. Ze ontwikkelen zich ieder op hun eigen tempo. In het kleuteronderwijs wordt daarom gesproken over ontwikkelingsdoelen en niet over eindtermen. Kleuters krijgen alle ontwikkelingsdoelen aangeboden, maar het is niet strikt vereist dat ze die bij het instappen in de lagere school ook allemaal bereikt hebben. Ontwikkelingsdoelen worden dus nagestreefd. De ontwikkelingsdoelen en eindtermen zeggen wel wat de leerlingen minimaal moeten kennen en kunnen, maar geven niet aan hoe dit moet gebeuren. De scholen zijn hierin volledig vrij. Er kunnen dus verschillen zijn in aanpak. Dat blijkt uit de verscheidenheid van leerplannen die in Vlaamse scholen gehanteerd worden. De vakgebonden eindtermen en ontwikkelingsdoelen moeten herkenbaar in de leerplannen worden verwerkt. Een leerplan is een document dat de essentiële gegevens bevat voor de concrete onderwijspraktijk. Het is afgestemd op een welomschreven leerlingengroep en het somt de algemene en specifieke doelstellingen en aansluitende leerinhouden op voor één of meer vakken of vakgebieden. Bovendien geeft het wenken voor de didactische aanpak en verschaft het gegevens die nuttig zijn voor de realisatie van het leerplan. De onderwijsinspectie beoordeelt het leerplan op basis van vastgelegde criteria en adviseert de minister van onderwijs met betrekking tot de goedkeuring. Voor zover er reeds eindtermen en ontwikkelingsdoelen voor het niveau in kwestie zijn opgesteld, gaat de inspectie na of de leerplannen daaraan beantwoorden. ● ●

Besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 1992 tot vaststelling van de goedkeuringsmodaliteiten van de leerplannen. Omzendbrief OND/V/VO/LP/IG/HDB van 17 januari 1994 betreffende de goedkeuring van leerplannen.

Het leerplan wordt ontwikkeld door de inrichtende macht of door de overkoepelende onderwijsorganisatie van de school (zie 2.3.5.). De bij de koepels aangesloten scholen nemen gewoonlijk de door de inspectie geëvalueerde en door de minister goedgekeurde leerplannen ontwikkeld door de koepelorganisaties over. U

U

2.3.6. Algemene regelgeving In onderwijs geldt het zogenaamde “legaliteitsbeginsel”: elke maatregel die ernstig ingrijpt op de organisatie van het onderwijs moet door de decreetgever worden geregeld. Het opstellen en wijzigen van decreten is echter veel omslachtiger dan het nemen van besluiten. Hierdoor is de traditie ontstaan om alle decretale wijzigingen die nodig zijn om het nieuwe schooljaar voor te bereiden, te bundelen in één verzameldecreet. Na de goedkeuring van dit decreet worden de wijzigingen overgebracht in de bestaande “niveau- en themadecreten”. Het gaat zowel om de juridische vertaling van nieuwe maatregelen, als om rechtzettingen en verbeteringen. Daarom geven we hier een kort overzicht van de meest recente verzameldecreten. Onderwijsdecreet XVI - 7 juli 2006 ● ●

● ● ●

Zorgt voor bijkomende financiering van de basisscholen in de brede Vlaamse Rand. Bevordert de integratie van het buitengewoon secundair onderwijs in de bestaande scholengemeenschappen secundair onderwijs o.m. door het in-lijn-brengen van het ondersteunend personeel van de BuSO en de gewone scholen. Vereenvoudigt de procedures bij programmaties in het secundair onderwijs. Vergemakkelijkt de mogelijkheid van scholen om leerlingen die te lang gewettigd afwezig zijn hun hoedanigheid als regelmatige leerling te laten behouden. Maakt de regelgeving over schoolreglementen in het secundair onderwijs eenvormig voor alle scholen en centra van het leerplicht secundair onderwijs. www.eurydice.org 46


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) ● ● ● ●

● ● ●

Versoepelt de organisatie van de aanvullende beroepsopleiding in de onderwijsvorm 3. Vergemakkelijkt de samenwerking tussen de verschillende instellingen in het deeltijds kunstonderwijs, o.m. door fusies tot een kunstschool die alle vier de studierichtingen aanbiedt. Houdt voortaan ook rekening met het aantal GON-leerlingen om een directeur van een BUSOschool eventueel klasvrij te maken. Past de bevoegdheden van de inspectie van de centra voor leerlingenbegeleiding (CLB) aan het nieuwe kwaliteitssysteem voor CLB’s. Naast de doorlichtingen van de inspectie zal ook een visitatiecommissie de kwaliteit van de werking van de centra evalueren. Voorziet bijkomende middelen voor de verdere informatisering van de CLB’s (NICO). Verhoogt de drempel voor een vaste benoeming die voortaan minimum een volledige prestatie-eenheid (één uur) dient te omvatten. Verdubbelt de programmatienorm om de oprichting van internaten toe te laten (van 30 naar 60 leerlingen).

Onderwijsdecreet XVII - op 2/2/2007 goedgekeurd door de Vlaamse regering ●

Opdat zoveel mogelijk kleuters zo vroeg mogelijk regelmatig naar school zouden gaan in kleinere klassen start een actieplan kleuterparticipatie in 2007-2008, met:

○ een verhoging van het budget voor 'zomerklasjes' (extra uren als het feitelijk aantal kleuters hoger ligt dan de telling op 1 februari van het vorige jaar); een verhoging van 4 naar 14 miljoen € (goed voor 800 extra kleuterleid(st)ers;

○ verhoging met 5,4 miljoen € van het budget voor GOK (gelijke onderwijskansen); ○ extra middelen voor scholengemeenschappen om een eigen stimuleringsbeleid rond ●

kleuterparticipatie te ondersteunen. De onderwijscao's VIII en hoger onderwijs-II uitvoeringsbasis.

(zie

8.2.2.) U

U

krijgen

een

decretale

○ Functiebeschrijvingen en evaluaties in basis- en deeltijds kunstonderwijs. ○ Functie- en taakdifferentiatie in secundair onderwijs. ○ Extra ondersteunend personeel in buitengewoon onderwijs, deeltijds kunstonderwijs en centra voor leerlingenbegeleiding.

○ Nascholing voor directies centra voor volwassenenonderwijs, het deeltijds kunstonderwijs en CLB's, centra voor leerlingenbegeleiding.

○ Grotere afwijkingsruimte tussen begrootte en gerealiseerde personeelsformaties in de hogescholen. Andere decreten die in 2006 werden goedgekeurd ●

Decreet van 27/01/2006 tot bekrachtiging van het reglement van de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie tot bepaling van de bestuursbeginselen die van toepassing zijn bij de besluitvorming inzake accreditatie en toets nieuwe opleiding ten aanzien van hogeronderwijsopleidingen in de Vlaamse Gemeenschap, zie 9.4.3. Decreet van 27/1/2006 tot bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 september 2005 tot ontvankelijkheid en gelijkwaardigheid van een aanvraag tot afwijking op de decretale specifieke eindtermen voor het algemeen secundair onderwijs (afwijking voor de Steinerscholen), zie 5.13.1. Decreet van 1/06/2006 tot bekrachtiging van de decretale specifieke eindtermen 'topsport' algemeen en technisch secundair onderwijs Decreet van 7/7/2006 betreffende de inhaalbeweging voor schoolinfrastructuur, zie 2.8.4. Decreet van 14/7/2006 tot bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse Regering van 23/6/2006 betreffende de organisatie van tijdelijke projecten in het basis- en secundair onderwijs, zie 2.2. Decreet betreffende de lerarenopleiding in Vlaanderen (goedgekeurd maar nog niet gepubliceerd in B.S.), zie 8.1.. U

●

U

● ● ●

U

U

U

●

U

U

U

U

U

www.eurydice.org

47


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

2.4. Algemene structuur van en beslissingsmomenten in het onderwijs Organisatie van het onderwijssysteem in de Vlaamse Gemeenschap van België, 2006/07 1

2

BE nl

4

3

5

KLEUTERONDERWIJS

6

7

8

9

10

11

LAGER ONDERWIJS

12

13

SECUNDAIR ONDERWIJS

14

15

16

17

ALGEMEEN SECUNDAIR ONDERWIJS

18

19

20

21

22

23

24

25

26

27

UNIVERSITEIT

HOGESCHOOL TECHNISCH / KUNST SECUNDAIR ONDERWIJS BEROEPSSECUNDAIR ONDERWIJS DBSO

Pre-primair – ISCED 0 (waarvoor het Ministerie Onderwijs en Vorming niet verantwoordelijk is)

Pre-primair – ISCED 0 (waarvoor het Ministerie

Primair Onderwijs – ISCED 1

Enkelvoudige structuur – ISCED 1 + ISCED 2

Onderwijs en Vorming verantwoordelijk is) (geen institutioneel onderscheid tussen ISCED 1 en 2)

Algemeen Lager Secundair – ISCED 2

Lager Beroepssecundair – ISCED 2

(inclusief Beroepsvoorbereidend)

Algemeen Hoger Secundair – ISCED 3

Hoger Beroepssecundair – ISCED 3

Post-secundair niet-tertiair – ISCED 4 Tertiair onderwijs – ISCED 5A

Tertiair onderwijs – ISCED 5B

Toewijzing aan de ISCED niveau’s:

-/n/-

ISCED 0

ISCED 1

Voltijds leerplichtonderwijs

Deeltijds leerplichtonderwijs

Deeltijds of alternerend leren en werken

Bijkomend jaar

Verplichte werkervaring + de duur ervan

Studie in het buitenland

ISCED 2

Bron: Eurydice

Het Vlaamse onderwijs is ingedeeld in niveaus: basisonderwijs BaO, secundair onderwijs (SO) en hoger onderwijs (HO). Daarnaast is er ook de permanente vorming. Die richt zich, met uitzondering van het deeltijds kunstonderwijs, hoofdzakelijk tot volwassenen. Het basisonderwijs omvat het kleuteronderwijs (2,5 - 6 jaar) en het lager onderwijs (6 - 12 jaar). In een basisschool wordt kleuter- én lager onderwijs gegeven, in een kleuterschool alleen kleuteronderwijs, in een lagere school alleen lager onderwijs. Tussen beide tracht men een vloeiende overgang te realiseren. Op het niveau van het basis- en het secundair onderwijs is er gewoon en buitengewoon onderwijs. Het buitengewoon onderwijs is bedoeld voor kinderen die, tijdelijk of permanent, speciale hulp nodig hebben. Dit kan zijn omwille van een lichamelijke of geestelijke handicap, omwille van ernstige gedrags- of emotionele problemen of omwille van zware leerstoornissen. Het geïntegreerd onderwijs is dan weer een samenwerking tussen onderwijs. Dit onderwijs is bedoeld om kinderen met een opvoedingsmoeilijkheden de lessen of activiteiten te laten volgen in onderwijs, mits hulp vanuit het buitengewoon onderwijs. Dit kan tijdelijk gaan om een gedeelte van de lessen of om alle lessen. H

H

gewoon en buitengewoon handicap of leer- en een school voor gewoon of permanent zijn. Het kan

Een eerste beslissingsmoment ligt na de lagere school (12 jaar). Dan moet de leerling kiezen welk secundair onderwijs. Ofschoon in theorie de eerste graad van het secundair onderwijs gericht is op een gemeenschappelijke basisvorming, weerspiegelen de aangeboden optiemogelijkheden al de keuzes die moeten worden gemaakt na de eerste graad.

www.eurydice.org

48


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) Het secundair onderwijs is bedoeld voor jongeren van 12 tot 18 jaar. Er wordt vanaf de tweede graad een onderscheid gemaakt tussen het algemeen secundair onderwijs (ASO), technisch secundair onderwijs (TSO), beroepssecundair onderwijs (BSO) en kunstsecundair onderwijs (KSO). Dat vormt een tweede beslissingsmoment. De overgang van secundair naar hoger onderwijs vormt een derde beslissingsmoment.

2.5. Leerplicht We geven hier achtereenvolgens: ● ● ●

historiek 2.5.1. actuele toestand 2.5.2. controle 2.5.3. U

U

U

U

U

U

2.5.1. Historisch overzicht In België bestaat enkel 'leerplicht', geen 'schoolplicht'. De wet van 19 mei 1914 introduceerde de leerplicht voor alle kinderen tussen 6 en 12 jaar en stipuleerde dat de bovenste leeftijdsgrens zou worden verhoogd tot 13 en vervolgens tot 14 jaar. Deze wet werd echter eerst na de Eerste Wereldoorlog in 1919 toegepast. In 1953 stelde de regering een verlenging tot 15 jaar voor, gevolgd in de jaren '70 door verscheidene andere wetsvoorstellen voor verlenging tot 16 jaar. Dit gezien het aangetoonde verband tussen onderwijsniveau en werkloosheid. Eerst in 1983 werd de verlenging wettelijk vastgelegd. De wettelijk aanvaarde leeftijd van schoolverlaten blijft echter verder ter discussie staan.

De verlenging van de leerplicht. Veertig jaar Belgische onderwijspolitiek

2.5.2. Actuele wetgeving De wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht schrijft voor dat minderjarigen, zowel Belgen als allochtonen, onderworpen zijn aan de leerplicht voor een periode van 12 jaar. Deze start vanaf het schooljaar waarin het kind 6 jaar wordt en eindigt op 18 jaar. De omzendbrief SO 68 van 1/3/2000 verduidelijkt dit de 18e verjaardag is, dan is de leerling burgerlijk meerderjarig en kan niet langer worden verplicht lessen te volgen tot het einde van het schooljaar. Wel vraagt de omzendbrief aan de scholen om hun uiterste best doen de leerlingen te overtuigen het nog lopende schooljaar te voltooien. Voor leerlingen die, in het kalenderjaar waarin zij 18 worden, reeds 12 jaren lager en secundair onderwijs hebben gevolgd, eindigt de leerplicht op 30 juni, het einde van het schooljaar. De leerplicht is voltijds tot 16 jaar. Enkel wie de twee leerjaren van de 1e graad secundair onderwijs succesvol doorlopen heeft (en dus geslaagd is) kan al vanaf 15 jaar opteren voor de deeltijdse leerplicht. Die houdt in dat deeltijds onderwijs dient gevolgd dat bestaat uit minstens 360 uren per jaar tot 30 juni van het jaar van de 16de verjaardag, en tenminste 240 uren per jaar tot 30 juni van het jaar van de 18de verjaardag. Aan de vereisten van de deeltijdse leerplicht kan ook worden voldaan door verder voltijds onderwijs te blijven volgen of door een deeltijds programma te volgen in een centrum dat daarvoor is opgericht, www.eurydice.org

49


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) of door een erkende opleidingscursus te volgen die voldoet aan de vereisten van de leerplicht. 'Erkende opleidingscursussen' zijn deze die in artikel 2 van de leerplichtwet worden gedefinieerd. Dit zijn bijvoorbeeld de opleidingscursussen die gegeven worden door SYNTRA Vlaanderen. Aan de leerplicht kan eveneens worden voldaan door het verstrekken van huisonderwijs, georganiseerd en bekostigd door de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen of in rechte of in feite de minderjarige leerlingen onder hun bewaring hebben. Zie het Decreet basisonderwijs van 25/2/97 art. 3 (zoals gewijzigd) en het Decreet van 8 juli 1996 betreffende het onderwijs VII art. 71. Ouders die kiezen voor huisonderwijs, dienen uiterlijk op de dag dat zij daarmee starten het departement Onderwijs en Vorming daarvan schriftelijk op de hoogte brengen. Zij moeten zich ertoe verbinden onderwijs te verstrekken of te laten verstrekken dat beantwoordt aan volgende minimumeisen (die overigens voor elke vorm van onderwijs gelden op basis van art. 29 van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind): ● ●

het onderwijs is gericht op de ontplooiing van de volledige persoonlijkheid en de talenten van het kind en op de voorbereiding van het kind op een actief leven als volwassene; het onderwijs bevordert het respect voor de grondrechten van de mens en voor de culturele waarden van het kind zelf en van anderen. (Decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, art. 26 bis)

De onderwijsinspectie is bevoegd om te controleren of het verstrekte huisonderwijs beantwoordt aan de doelstellingen zoals beschreven. Huisonderwijs geeft echter nooit recht op erkende studiebewijzen. De leerling kan examen af te leggen voor de Examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap, wil hij een erkend diploma behalen. Slechts enkele honderden leerlingen volgen huisonderwijs (zie 2.9.4.). Huisonderwijs mag niet verward worden met 'onderwijs aan huis', dat thuis of in een medische instelling wordt verstrekt aan zieke leerplichtigen of leerplichtigen met een handicap. Zie 4.17.2.. U

U

U

U

Zie ook 'Rapport leerplicht 2004-2005':

http://www.ond.vlaanderen.be/secundair/rapportleerplicht.htm U

Examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap voor het voltijds secundair onderwijs De leerplicht Decreet betreffende het onderwijs XIV

2.5.3. Controle op de leerplicht Bij Decreet van 8 juli 1996 betreffende het onderwijs VII art. 71, is er een controlesysteem opgezet met een speciale verantwoordelijkheid voor de schooldirecteur. Het maakt gebruik van de dossiernummers die worden toegewezen aan elke burger vanaf zijn geboorte. Het dossiernummer van ingeschreven leerlingen kan makkelijk worden vergeleken met dat van alle jonge Belgen in het Rijksregister. Met het koninklijk besluit van 7 juli 2002 kan het departement Onderwijs en Vorming voortaan ook het rijksregisternummer gebruiken om controle uit te oefenen op inschrijvingen en geregeld schoolbezoek, rationalisatie van bestaande gegevensopvragingen en follow-up van studie- en schoolloopbaan van een leerling uitvoeren (B.S. 17/09/2002). Ouders van leerlingen zijn verantwoordelijk voor de inschrijving van hun kinderen. Wanneer de administratie heeft opgemerkt dat een kind niet is ingeschreven, moeten de ouders zich daarvoor verantwoorden en worden zij aan hun verantwoordelijkheid herinnerd. Gerechtelijke stappen zijn mogelijk wanneer zij hun verantwoordelijkheid niet nemen (Decreet van 25 februari 1997). De Centra voor Leerlingenbegeleiding (CLB's) hebben van de overheid de taak gekregen om jongeren die problemen hebben in verband met de leerplicht, te begeleiden. Het doel van de centra is om deze jongeren te herintegreren in het onderwijsproces (Decreet van 1 december 1998). De overheid wil een pro-actiever beleid

www.eurydice.org

50


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) inzake problematische afwezigheden; een school moet voor een problematische afwezigheid geen bewijsstukken voorleggen, maar moet de leerling actief begeleiden in samenwerking met het begeleidend CLB. Indien de school niet kan aantonen dat ze ernstige inspanningen heeft geleverd om de vastgelopen situatie van de leerling te deblokkeren, kan er wel een probleem ontstaan met de wettiging van de afwezigheid. Zie o.m. omzendbrieven SO/2002/05/BuSO (buitengewoon secundair onderwijs) en SO/2005/04 (voltijds gewoon secundair onderwijs en deeltijds beroepssecundair onderwijs). Het spijbelactieplan dat momenteel wordt uitgewerkt heeft tot doel de leerplicht van alle leerlingen nog beter te garanderen, door o.m. een optimalisering van het systeem van leerplichtcontrole vanaf 2007-2008 (zie 2.2.). U

U

Afwezigheden en in- en uitschrijvingen in het buitengewoon secundair onderwijs Afwezigheden en in- en uitschrijvingen in het voltijds gewoon secundair onderwijs en het deeltijds secundair onderwijs Decreet basisonderwijs Decreet betreffende de Centra voor Leerlingenbegeleiding Koninklijk Besluit inzake gebruik rijksregisternummer door het Departement Onderwijs als uniek leerlingennummer

2.6. Algemeen beheer Inzake onderwijsbeleid, -bestuur en -beheer dienen 3 verschillende indelingen te worden gehanteerd. ●

Een geopolitieke indeling hanteert de indeling van de staat op de diverse politieke bestuurniveaus:

○ op federaal niveau 2.6.1.: na de communautarisering blijft de federale slechts U

U

bevoegd voor een beperkt aantal onderwijsmateries. Daarnaast blijven de militaire en politionele beroepsopleiding onder de bevoegdheid vallen van federale ministers.

○ op gemeenschapsniveau 2.6.2.1.: na de communautarisering ligt de bevoegdheid U

U

voor onderwijs en vorming bij de Vlaamse Gemeenschap; de Vlaamse Gemeenschap heeft haar bevoegdheid als inrichtende macht voor het gemeenschapsonderwijs overgedragen aan twee niveaus binnen dit net: de centrale raad (RAGO) en de scholengroepen.

○ op niveau Brussels Hoofdstedelijk Gewest 2.6.2.2.: ○ op niveau provincies 2.6.3.1.; ○ op niveau gemeenten 2.6.3.2.. U

U

U

U

●

U

U

Daarnaast is, gezien de verzuilde uitbouw van het onderwijs, de indeling volgens de onderwijsnetten van belang (zie 2.3.2.). Kernbegrippen hierbij zijn 'de inrichtende machten', die het onderwijs organiseren 2.6.4.1. en de 'onderwijskoepels', organisaties voor belangenbehartiging, vertegenwoordiging en ondersteuning van de onderwijsnetten 2.6.4.2.. Met als invalshoek de onderwijsinstellingen dienen we verschillende niveaus te onderscheiden: het bestuur op niveau van de scholen voor leerplichtonderwijs en de centra voor permanente vorming 2.6.4.3. en op de groepering van scholen op het niveau van de scholengemeenschappen 2.6.4.4.. Op niveau van het hoger onderwijs dienen we aandacht te besteden aan het bestuur van de hogescholen 2.6.4.5., het bestuur van de universiteiten 2.6.4.6. en het bestuur van de associaties van hogescholen en universiteiten 2.6.4.7.. U

U

U

U

U

●

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

www.eurydice.org

U

51


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

2.6.1. Algemeen beheer op nationaal niveau: de federale staat Vanaf 1989 is de Vlaamse Gemeenschap verantwoordelijk voor onderwijsmateries en staat bijgevolg in voor het bestuur van het onderwijs in haar taalgebied. Immers, na de grondwetsherziening van 15 juli 1988, hevelde de grondwet (17 februari 1994) alle verantwoordelijkheden (art. 127 § 1.2) in verband met het onderwijssysteem over naar de Gemeenschappen met uitzondering van drie punten: ● ● ●

de vastlegging van het begin en het einde van de leerplicht; de minimumvoorwaarden voor het verlenen van diploma's; het pensioenstelsel.

De eerste twee uitzonderingen zijn nodig om een minimum aan coherentie tussen de onderwijssystemen van de Gemeenschappen veilig te stellen. De pensioenregeling maakt nog steeds deel uit van het nationale sociale zekerheidssysteem waarvoor nog een nationaal financieringssysteem in voege is, gebaseerd op solidariteit tussen Gemeenschappen en Gewesten. Voor enkele materies blijft de bevoegdheid op het federale niveau: pensioenen en betaald educatief verlof ●

Pensioenen

○ Bevoegd minister: de minister van Pensioenen ○ Bevoegde administratie:

▪

Administratie der pensioenen (AP) (vanaf 1/1/2006 autonome instelling – voorheen onderdeel van het Ministerie van financiën), voor toekenning, berekening en beheer pensioenen personeelsleden openbare sector

▪

Federale overheidsdienst Financiën > Administratie der Thesaurie > Centrale dienst der vast uitgaven – pensioenen; http://www.ap.fgov.be; voor uitbetalingen Betaald educatief verlof U

●

UH

UH

○ Bevoegd minister: de federale minister van werk ○ Bevoegde administratie: FOD Werkgelegenheid, Arbeid en sociaal overleg > Algemene directie werkgelegenheid en arbeidsmarkt > Afdeling van het werkgelegenheidsbeleid > Directie van het BEV;

○ http://meta.fgov.be. HU

UH

Ook enkele beroepsopleidingen blijven federaal: de militaire opleiding en de politieopleiding ●

Militaire opleiding

○ Bevoegd minister: de minister van Landsverdediging ○ Bevoegde administratie: Federale overheidsdienst (FOD) Defensie > Algemene ●

directie vorming (DG FMN) Politieopleiding

○ Bevoegde ministers: de minister van Binnenlandse Zaken en de minister van justitie. Overeenkomstig het KB van 30 maart 2001, tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (RPPol), wordt de opleidingspolitiek voor de politiediensten bepaald door de minister van Binnenlandse zaken en de minister van Justitie. Het initiatief en het dagelijks beheer van de vorming behoren feitelijk tot de bevoegdheden van de minister van Binnenlandse zaken die de minister van Justitie betrekt bij de algemene maatregelen betreffende de opleiding van het politiepersoneel. De minister van Justitie oefent een eigen rol uit voor de opleidingen van het personeel van de Algemene Directie van de gerechtelijke politie (opsporingsen recherchedienst). Het RPPol bepaalt daarvoor dat de minister van Justitie binnen de federale politie een nationale rechercheschool opricht die de gerechtelijke opleidingen verstrekt. www.eurydice.org

52


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

○ Bevoegde administratie: Commissariaat-generaal federale politie > Algemene directie personeel > Directie van de opleiding van de Belgische politie (DPF); www.police.ac.be. Gezien de directie van de opleiding open staat voor externe opleidingen, werkt ze ook samen met het Opleidingsinstituut voor de Federale Overheid (OFO). Deze opleidingsinstelling van de federale overheid is een entiteit van de federale overheidsdienst «personeel en organisatie ». Zij beheert volledige opleidingsprogramma's voor de administratie van de federale openbare diensten, waaronder ook de politie. De personeelsleden van de politie kunnen zich inschrijven bij de opleidingsinstelling van de federale overheid. H

H

H

H

○ Onderwijsinstellingen

▪ ▪ ▪ ▪

Politiescholen De nationale school voor officieren (DPEO) De nationale rechercheschool (DPER) De federale school (DPEF)

2.6.2. Algemeen bestuur en beheer op regionaal niveau: de Vlaamse Gemeenschap Binnen de Vlaamse regering is de Minister van Onderwijs en Vorming verantwoordelijk voor bijna alle aspecten van het onderwijsbeleid van het kleuter- tot en met het universitair onderwijs. Enkel de pensioenen van het onderwijspersoneel, het vastleggen van de leerplicht en het bepalen van de minimumvoorwaarden voor het behalen van een diploma behoren tot de federale Belgische materie. Naast de Minister van Onderwijs zijn nog andere ministers bevoegd voor specifieke vormen van opleiding en onderwijs. ● ●

Landbouwvorming 2.6.2.3. Sociaal-cultureel volwassenenwerk 2.6.2.4. U

U

U

U

Zie www2.vlaanderen.be/ned/sites/dagvlaanderen/wegwijs.html U

2.6.2.1. Onderwijs en vorming

Frank Vandenbroucke, vice-minister-president van de Vlaamse regering is Vlaams minister van Werk, Onderwijs en Vorming (http://www.ministerfrankvandenbroucke.be) en bevoegd voor: HU

● ● ●

UH

het tewerkstellingsbeleid; beroepsomscholing en bijscholing; het onderwijs, de voorschoolse vorming in de peutertuinen, de post- en parascolaire vorming, de sociale promotie en basiseducatie; de coördinatie van het beleid met betrekking tot de Vlaamse Rand rond Brussel.

Een minister wordt bijgestaan door een kabinet, bestaande uit een beperkt aantal rechtstreekse persoonlijke medewerkers (14 in de cel onderwijs). Het Beleidsdomein Onderwijs en Vorming omvat (zie ook 2.8.4.): U

●

U

het Vlaams ministerie van onderwijs en vorming, bestaande uit:

○

het DOV, Departement Onderwijs en Vorming, dat onder leiding van de Secretarisgeneraal zorgt voor de beleidsondersteuning;

○ 4 interne verzelfstandigde agentschappen, die o.l.v. van een administrateur-generaal zorgen voor de beleidsuitvoering www.eurydice.org

53


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

● ●

▪

AgODi, Agentschap voor Onderwijsdiensten (basis-, secundair-, deeltijds kunstonderwijs, centra voor leerlingenbegeleiding, inspectie en begeleiding)

▪ ▪ ▪

AHOVO, Agentschap voor Hoger Onderwijs en Volwassenenonderwijs Agentschap voor Onderwijscommunicatie

AGIOn, Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs een IVA met rechtspersoonlijkheid de Beleidsraad, waarin de minister strategisch overleg pleegt met de 5 leidende ambtenaren de VLOR, Vlaamse Onderwijsraad die fungeert als strategische adviesraad (zie 2.7.2.1.]).

Belangrijke beleidsdocumenten zijn het Vlaamse regeerakkoord, de Verklaring van de Vlaamse Regering, de discussienota en beleidsnota Onderwijs en Vorming 2004-2009 bij aanvang van de legislatuur; de jaarlijkse beleidsbrief van de minister en de conceptnota's, discussienota's, vervolgnota's over geplande vernieuwingen. Die documenten vindt men op (http://www.ond.vlaanderen.be/beleid/). Inzake de arbeidsvoorwaarden van het personeel zijn de afgesloten cao's bepalend (zie 8.2.2.). Daarnaast zijn voor beleidsontwikkelingen ook van belang de adviezen, jaarplanning en jaarverslag van de VLOR (http://www.vlor.be), en de 'Onderwijsspiegel', het jaarverslag van de onderwijsinspectie HU

UH

U

U

HU

UH

http://www.onderwijsinspectie.be/onderwijsspiegel/onderwijsspiegel.htm). HU

UH

Alle voorontwerpen van decreet dienen een advies te krijgen van de VLOR, Vlaamse Onderwijsraad (zie 2.7.2.1.). Ze worden doorgaans ook voorgelegd aan de Raad van State (voor juridisch advies) en de SERV, Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen (sociaal-economisch advies toegespitst op de aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt en levenslang en levensbreed leren). U

U

De onderwijswetgeving verwerken we in de tekst. Enkel aan de algemene onderwijsdecreten besteden we afzonderlijk aandacht in 2.3.6.. De onderwijswetgeving op alle niveaus en omzendbrieven zijn gebruiksvriendelijk te raadplegen op Edulex: U

U

http://www.ond.vlaanderen.be/edulex/ HU

UH

Onderwijsthema's belicht vanuit de schooladministratie worden zeer overzichtelijk behandeld in weTwijs, http://www.ond.vlaanderen.be/wetwijs/info.htm HU

U

AGIOn, Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs (voorheen DIGO) AgODI, Agentschap voor Onderwijsdiensten AOC, Agentschap voor Onderwijscommunicatie Departement Onderwijs Vlaams minister van Werk, Onderwijs en Vorming BVR tot operationalisering van het beleidsdomein Onderwijs en Vorming

2.6.2.2. Beroepsopleiding en ondernemingsvorming

Binnen het nieuwe beleidsdomein Werk en Sociale Economie zijn voor onderwijs van belang: ●

de VDAB (Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding) die beroepsopleidingen organiseert ten behoeve van werkzoekenden en werknemers (een EVA), zie 7.3.2.; U

U

www.eurydice.org

54


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) ●

het Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming – Syntra Vlaanderen (een EVA) dat instaat voor de opleiding van zelfstandigen en KMO's (de vroegere 'middenstandsopleiding') middels het SYNTRA-opleidingsnetwerk. Het neemt de taken van het VIZO over, zie 7.3.3.. U

U

Zowel de VDAB als het Vlaams Agentschap voor Ondernemingsvorming staan onder toezicht van de Vlaamse minister die werkgelegenheid in zijn bevoegdheid heeft, sinds 2004 gekoppeld aan de bevoegdheid voor onderwijs en vorming in de persoon van de Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming. (Besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2005 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 juli 2004 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse Regering).

SYNTRA-Vlaanderen VDAB, Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding

2.6.2.3. Landbouwvorming

Het beroepsonderwijs gericht op de landbouwsector, dat vroeger de bevoegdheid van de federale minister van Landbouw was, is overgeheveld naar de Gemeenschappen door de Bijzondere Wet van 8 augustus 1980. Landbouw en visserij werd eerst na de 5e staatshervorming in 2002 een volledig Vlaamse bevoegdheid. Bevoegde minister: Het beleidsdomein Landbouw en Visserij valt in de huidige regering onder de bevoegdheid van Yves Leterme, Minister-President van de Vlaamse Regering, tevens Vlaams Minister van Institutionele Hervormingen, Landbouw, Zeevisserij en Plattelandsbeleid. Bevoegde administratie : Departement Landbouw en Visserij > Afdeling Duurzame landbouwontwikkeling. Deze staat in voor de erkenning van de organisatoren (de erkende centra), de registratie van de lesgevers, de subsidiëring van de vormingsactiviteiten , de inspecties ter plaatse, de visering van de getuigschriften en de betaling van de vergoeding voor sociale promotie van de deelnemers, zie 7.3.5.. U

U

Departement landbouw & visserij, Afdeling Duurzame Landbouwontwikkeling

2.6.2.4. Sociaal-cultureel werk met volwassenen

Het Sociaal-cultureel werk met volwassenen valt binnen het beleidsdomein Cultuur, Jeugd, Sport en Media Bevoegde minister: Bert Anciaux, Vlaamse minister van Cultuur, Jeugd, Sport en Brussel. Bevoegde administratie: het Vlaams Ministerie van Cultuur, Jeugd, Sport en Media ● ●

Het departement Cultuur, Jeugd, Sport en Media staat in voor de voorbereiding, opvolging en evaluatie van het beleid. Het agentschap Sociaal-cultureel werk voor jeugd en volwassenen (een IVA) > afdeling Lokaal Cultuurbeleid en Sociaal-cultureel Volwassenenwerk zorgt voor de beleidsuitvoering. http://www.wvc.vlaanderen.be/cultuur/meerinfo/organisatie/agentschap_scw.htm & Zie http://www.wvc.vlaanderen.be/sociaalcultureelwerk/volwassenenwerk.htm . HU

UH

HU

UH

Steunpunt: SoCiuS, zie 7.1.6. U

U

www.eurydice.org

55


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

Departement Cultuur, Jeugd, Sport en Media Socius, Steunpunt voor Sociaalcultureel Volwassenenwerk

2.6.2.5. Naar een geïntegreerd beleid voor onderwijs, vorming en werk

Bij de vorming van de nieuwe Vlaamse Regering in 2004 werden voor het eerst de bevoegdheden voor onderwijs en werk samengebracht. De nieuwe Vlaamse minister van onderwijs en vorming was overigens voorheen (2003-2004) federaal minister van werk en pensioenen. Hierdoor wordt een meer geïntegreerde beleidsvisie onderwijs en beroepsopleiding en ondernemersvorming mogelijk. Bovendien willen de Vlaamse ministers Frank Vandenbroucke en Bert Anciaux vanuit hun bevoegdheden (zie 2.6.2.1., 2.6.2.2. en 2.6.2.4.) de structurele basis versterken voor het uitbouwen van een geïntegreerd onderwijs- en vormingsbeleid. U

U

U

U

U

U

Dat beleid is gericht op: ●

●

Het stimuleren van levenslang en levensbreed leren. Dit vangt aan in het leerplichtonderwijs, omspant het leren tijdens de hele levensloop en omvat alle vormen van leren zowel informeel als formeel leren, zowel algemeen vormend als beroepsgericht. Het versterken van de aansluiting tussen enerzijds onderwijs, opleiding en vorming en anderzijds de arbeidsmarkt. Dit omvat alle aangelegenheden die onder de verschillende bevoegdheden ressorteren zoals de afstemming tussen de veranderende vraag naar competenties in de beroepswereld en het onderwijs-, vormings- en opleidingsaanbod, de mogelijkheden tot werkervaring, de valorisatie van competenties, de waardering van het beroepsgericht leren, de onderlinge afstemming van het onderwijs-, vormings- en opleidingsaanbod met het oog op een grotere efficiëntie en effectiviteit en een adequatere mobiliteit op de arbeidsmarkt.

Het geïntegreerde beleid krijgt vorm via een integrerende structuur. Conform de principes van Beter Bestuurlijk Beleid wordt die structuur op drie onderscheiden niveaus uitgewerkt: beleidsbepaling, beleidsvoorbereiding en beleidsuitvoering.

2.6.2.5.1. Beleidsbepaling: het Ministerieel Comité Onderwijs, Vorming en Werk U

De hoofdbevoegdheid voor het geïntegreerde beleid ligt bij de minister van Werk, Onderwijs en Vorming. De minister van Cultuur heeft eveneens een bevoegdheid op het vlak van vorming, meer bepaald inzake sociaal-cultureel werk. Op 25 februari 2005 besliste de Vlaamse regering het Ministerieel Comité Onderwijs, Vorming en Werk op te richten. Dit comité bestaat uit de minister van Werk, Onderwijs en Vorming en de minister van Cultuur. De rol van het Ministerieel Comité beperkt zich tot de coördinatie van de beslissingen die beide bevoegdheidsdomeinen omvatten. De beide ministers en hun respectieve departementen behouden hun bevoegdheden. Tevens werd voor de beleidsvoorbereiding, een interdepartementale stuurgroep O, V en W opgericht. Het ministerieel comité kan -op advies van de stuurgroep O, V en W en in functie van de beleidsopties- beleidsuitvoerende entiteiten oprichten. Het managementcomité staat in voor de taakafbakening van de onderscheiden uitvoerende entiteiten en de aansturing, opvolging en bijsturing van hun werkzaamheden. Voor de nieuw opgerichte entiteiten, relevant voor onderwijs.

www.eurydice.org

56


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

2.6.2.5.2. Beleidsvoorbereiding en –planning: de interdepartementale stuurgroep O,V en W U

Het departement Onderwijs en Vorming, de administratie Werkgelegenheid en de administratie Cultuur vormen een interdepartementale stuurgroep O, V en W. Het betreft een tussenstructuur of interface tussen de verticaal georganiseerde departementen en administraties. De organisatie en bevoegdheden van de betrokken departementen veranderen niet, maar voor de aangelegenheden op het snijvlak van onderwijs, vorming en werk worden de beleidsvoorbereiding en -planning interdepartementaal overlegd, aangestuurd, uitgewerkt en opgevolgd.

2.6.2.5.3. Beleidsuitvoerende entiteiten U

Dienst Informatie, Vorming en Afstemming vzw (DIVA) U

Diva vzw (geen agentschap) verenigt de publieke opleidingspartners VDAB (beroepsopleiding), Syntra (ondernemersvorming), SoCius (sociaal-cultureel volwassenenwerk), Gemeenschapsonderwijs (gemeenschapsonderwijs), VSKO (vrij katholiek onderwijs), OVSG (onderwijs steden en gemeenten), POV (provinciaal onderwijs) en CBE (basiseducatie). Zie 7.2.0.5. en http://diva-vlaanderen.be/ U

U

EPOS (de opvolger van het vroegere Vlaams Leonardo Da Vinci Agentschap vzw) U

Dit agentschap coördineert het "Lifelong Learning Programma" (LLP), het nieuwe Europees actieprogramma op het gebied van een leven lang leren. Het LLP is een geïntegreerd programma dat bestaat uit vier sub-programma's (Comenius, Erasmus, Leonardo da Vinci en Grundtvig), het transversale programma (bestaande uit 4 kernactiviteiten) en de Jean-Monnet-actie. De wettelijke basis voor het LLP is het Besluit van het Europees Parlement en de Raad dat op 24 november 2006 gepubliceerd werd. Zie http://www.vl-leonardo.be/

ESF-agentschap Vlaanderen vzw U

Dit agentschap beheert het Europees sociaal fonds Vlaanderen. Het ESF ondersteunt scholingsmaatregelen en werkgelegenheidsregelingen en bevordert de sociale integratie en inpassing in het arbeidsproces van werklozen en achterstandsgroepen. Zie http://www.esf-agentschap.be

DIVA, Dienst Informatie Vorming en Afstemming EPOS, Leonardo Da Vinci ESF-Agentschap (Europees Sociaal Fonds - Vlaanderen)

2.6.3. Algemeen bestuur en beheer op lokaal niveau Op het lager niveau dienen we een onderscheid te maken tussen het subregionale niveau van de provincies en het lokale niveau van steden en gemeenten, zie 2.6.4.1.5.. Provincies en steden en gemeenten organiseren zelf onderwijs en fungeren daarbij als inrichtende macht. Daarom behandelen we dat bestuur bij de inrichtende machten, zie 2.6.4.1.4. provinciaal onderwijs en 2.6.4.1.5. stedelijk en gemeentelijk onderwijs. U

U

U

www.eurydice.org

U

U

U

57


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

2.6.3.1. Netoverstijgende overlegstructuren op stedelijk niveau

Het laatste decennium worden de grotere centrumsteden geconfronteerd met een dalend aantal leerlingen door stadsvlucht naar de rand, vooral in het secundair onderwijs. Bovendien blijkt het percentage leerlingen met schoolse vertraging en het percentage spijbelaars het hoogst in die steden te zijn. De grootstedelijke onderwijsproblemen en de link tussen onderwijs, achterstelling en stadsproblematiek krijgen dan ook toenemende beleidsaandacht. Zie de stadsmonitor, http://www.thuisindestad.be en Paul Mahieu e.a., Schoolbeleid en stadsbeleid. Aanzetten tot een geopedagogiek. Wolters Plantyn, 2005. HU

UH

Enkele steden hebben dan ook beslist netoverstijgende initiatieven te nemen en dienstverlening uit te bouwen. De dubbele functie van onderwijsverstrekker (inrichtende macht) en regisseur die op stedelijk niveau middelen toewijst wordt door sommigen gezien als een potentiële aantasting van de vrijheid van onderwijs. Om het vertrouwen onder de partners te bevorderen kan de stad haar eigen onderwijs verzelfstandigen (Antwerpen) of een onafhankelijk orgaan oprichten dat het stedelijk netoverschrijdende onderwijsbeleid stuurt. De Antwerpse en Oostendse netoverstijgende Onderwijsraad en de Gentse Stuurgroep Onderwijsstedenfondsprojecten zijn recente voorbeelden daarvan. Zie Luc Heyerick, Reflecties op 'Schoolbeleid en stadsbeleid, aanzetten tot een geopedagogiek', in Paul Mahieu e.a., Schoolbeleid en stadsbeleid. Aanzetten tot een geopedagogiek. Wolters Plantyn, 2005. De stad Antwerpen heeft verschillende initiatieven genomen. ●

● ●

●

●

●

●

●

De stedelijke bedrijfseenheid Lerende Stad staat in voor de organisatie van het stedelijk onderwijs, de coördinatie van de stedelijke kinderopvang en het uitwerken van het stedelijk jeugdbeleid. Daarnaast vervult de eenheid ook een regierol voor de beleidsdomeinen onderwijs, jeugd en kinderopvang, waarbij ze impulsen geeft voor samenwerking tussen bestaande organisaties in Antwerpen. De stedelijke dienst Algemeen onderwijsbeleid is verantwoordelijk voor netoverschrijdende onderwijsacties en projecten. De Onderwijsraad Antwerpen is het officiële overleg en -adviesorgaan over onderwijs in de stad(met vertegenwoordigers van verschillende onderwijsnetten,vakbonden, gebruikers, hoger onderwijs…). Samenwerkingsverbanden zijn: Platform Alternerend Leren (alle Antwerpse Centra Werken en Leren), VOA, Samenwerkingsverband Volwassenenonderwijs (alle Antwerpse Centra voor Volwassenenonderwijs). Financiële ondersteuning op projectbasis gebeurt via: het Projectenfonds onderwijsvernieuwing en samenwerking; het Fonds Werkend Leren; het Stimuleringsfonds Brede School. Daarnaast zijn er nog initiatieven inzake verkeersveilige schoolomgeving, internationalisering (helpdesk voor internationale onderwijs- en jeugdprojecten met bijzondere aandacht voor risicojongeren), samenlevingseducatie. I.s.m. de 'Associatie van universiteit en hogescholen Antwerpen' werd een leerstoel 'onderwijsvernieuwing en samenwerking' gecreëerd, gericht op onderwijsvernieuwing in een grootstedelijke context. Informatie over het hele schoolaanbod vindt men in een studiewijzer http://studiewijzer.antwerpen.be/onderwijs_start.aspx http://www.antwerpen.be HU

●

U

HU

U

Ook de stad Gent onderneemt verschillende initiatieven. ● ●

Netoverschrijdend financiert de stad een aantal kunstzinnige en zorgverbredende projecten van scholen, waarbij enkele expliciet kansarmoedebestrijding tot doel hebben. Daarnaast wordt een ruime samenwerking uitgebouwd in het kader van een protocolakkoord 'Open School' tussen de officiële onderwijsverstrekkers met afspraken over onderwijsaanbod in secundaire scholen en gemeenschappelijk gebruik van infrastructuur. www.eurydice.org 58


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) ●

●

In Gent fungeert tevens een 'Stuurgroep Onderwijsstedenfondsprojecten' die onder andere het brugfigurenproject beheert, dat erop gericht is om participatie van ouders en leerlingen in scholen met een hoge concentratie aan kansarme en allochtone kinderen te verhogen. http://onderwijs.gent.be/ HU

U

Ook de stad Leuven richt in 2007 een Leuvens onderwijsplatform op dat de projecten (voor het schooljaar 2007-2008) van een 'marshallplan' voor kansarme leerlingen zal coördineren. Het is o.m. de bedoeling dat kansarme leerlingen in klasjes van 4 worden begeleid door studenten uit het hoger onderwijs. In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (de 19 gemeenten) ondersteunt de dienst Algemeen Onderwijsbeleid van de VGC, Vlaamse Gemeenschapscommissie de uitbouw van het Nederlandstalig onderwijsaanbod in Brussel, in al zijn vormen, zie 2.6.4.1.6.. Tevens worden daar door de Vlaamse Gemeenschap extra ondersteunende maatregelen genomen, zie 10.7.3.. Ter ondersteuning van een netoverschrijdend taalbeleid en een netoverschrijdende zorgstructuur werd een Brussels ondersteuningscentrum secundair onderwijs (BROSO) opgericht. U

U

U

U

2.6.3.2. Ondersteuning van lokaal onderwijsbeleid vanuit de Vlaamse overheid

Reeds in het Decreet op gelijke onderwijskansen in 2002 werd aandacht besteed aan het lokale niveau en daartoe LOP's, lokale onderwijsplatforms opgericht, die ook als opdracht kregen om een omgevingsanalyse uit te voeren om de problematiek van achterstelling ruimtelijk te vatten. Vanuit prioritaire aandacht voor het gelijkeonderwijskansenbeleid heeft de Vlaamse overheid recent verschillende initiatieven genomen voor een zgn. "flankerend onderwijsbeleid op lokaal niveau". ●

● ●

●

● ●

De Vlaamse overheid ondersteunt netoverschrijdende projecten in 13 centrumsteden die de kansarmoede aanpakken. In 2005-2006 zijn 4 centrumsteden gestart (Antwerpen, Genk, Gent, Mechelen); in 2006-2007 de 9 andere centrumsteden (Aalst, Brugge, Hasselt, Kortrijk, Leuven, Oostende, Roeselare, St.-Niklaas en Turnhout). De projecten worden deels door de overheid, deels door de steden betaald. Het totaalbedrag is 1.792.818 €, waarvan de minister van onderwijs 639.320 € inbrengt (aangevuld met een 'rollend fonds' van 6 detacheringen, die volgens een beurtrol worden verdeeld). Verschillende projecten focussen op time-out (jongeren die de normale klaswerking belemmeren worden tijdelijk afzonderlijk begeleid). De minister voorziet voor 2007-2008 een extra bedrag van 500.000 € ter ondersteuning van flankerend onderwijsbeleid in niet-centrumsteden. Reeds in 2005 werd een Overlegplatform lokaal flankerend onderwijsbeleid opgericht. Dat is een ontmoetingsplaats voor de beleidsverantwoordelijken van 13 centrumsteden teneinde goede praktijkvoorbeelden uit te wisselen en beleidsvoorstellen uit te werken. Momenteel wordt een decreet betreffende het flankerend onderwijsbeleid op lokaal niveau voorbereid, dat nog in 2007 zou moeten ingediend worden en een decretale grond zou moeten geven aan de projectsubsidies. http://www.ond.vlaanderen.be/lokaalbeleid/ (Voor de maatregelen van de Vlaamse Regering ter ondersteuning van het Nederlandstalig onderwijs in Brussel, zie 10.7.3.). HU

U

U

U

www.eurydice.org

59


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

2.6.4. Onderwijsinstellingen, bestuur en beheer

2.6.4.1. Inrichtende machten

De inrichtende macht (een overheid, een natuurlijke persoon of een rechtspersoon) wordt door de wet (wet van 29 mei 1959, art. 2) gezien als de initiatiefnemer tot oprichting van de school en is verantwoordelijk voor de organisatie. (zie ook 2.3.1.1.). Zij kiest onderwijsniveau, onderwijsvorm, aangeboden studierichtingen, locaties, maximale capaciteit, bezit of huur van schoolinfrastructuur. Zij is tevens verantwoordelijk voor het opstellen van het pedagogische project van de school, schoolwerkplan, nascholingsplan, schoolreglement, uitreiken van diploma's en getuigschriften, keuze van pedagogische begeleidingsdienst. Haar vrijheid inzake onderwijsmethoden en onderwijsconcept is wettelijk gegarandeerd. Op voorwaarde dat een minimaal lessenrooster wordt gerespecteerd en het leerplan is goedgekeurd kan de school worden gefinancierd of gesubsidieerd. De inrichtende machten zijn verantwoordelijk voor de rekrutering en benoeming van personeel en ontvangen financiële middelen van de overheid. De beheersfunctie van de inrichtende macht wordt meestal gedeeld of zelfs in grote mate uitgeoefend door de schooldirecteur. Een inrichtende macht van een basisschool wordt door het decreet op het basisonderwijs van 25 februari 1997 een schoolbestuur genoemd (in dit rapport zullen we consistent 'inrichtende macht' gebruiken). U

U

Voor ondersteuning, representatie in beleidsorganen en belangenbehartiging van de aangesloten scholen hebben de inrichtende machten per onderwijsnet een representatieve koepelorganisatie opgericht, zie 2.6.4.2.. U

U

We behandelen de inrichtende machten per onderwijsnet. ●

In het gemeenschapsonderwijs fungeren de 28 scholengroepen én de Raad van het Gemeenschapsonderwijs als inrichtende machten 2.6.4.1.1.. Het gesubsidieerd vrij katholiek onderwijs kent een groot aantal privaatrechtelijke inrichtende machten die elk vele scholen organiseren en heeft daarvoor ook overkoepelende structuren uitgebouwd 2.6.4.1.2.. Het gesubsidieerd vrij niet-katholiek onderwijs en de onafhankelijke methodenscholen heeft voornamelijk privaatrechtelijke inrichtende machten die slechts één of enkele scholen hebben opgericht 2.6.4.1.3. Het totaal aantal inrichtende machten van het gesubsidieerd vrij onderwijs is 928 (gegeven verstrekt door de Stafdiensten Onderwijs en Vorming *) Het provinciaal onderwijs is begrijpelijkerwijze opgedeeld per provincie. De provincieraad fungeert daar immers als inrichtende macht, er zijn dus 5 inrichtende machten; zie 2.6.4.1.4.. Ook het stedelijk en gemeentelijk onderwijs is per gemeente georganiseerd. Ongeveer 2/3 van de gemeentebesturen zijn inrichter van onderwijs. De inrichtende macht is daar de gemeenteraad, zie 2.6.4.1.5.. Er zijn 265 inrichtende machten (gegeven verstrekt door de Stafdiensten Onderwijs en Vorming*). 1 school buitengewoon secundair onderwijs heeft als inrichtende macht een gemeentelijke intercommunale. In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest fungeert de Vlaamse Gemeenschapscommissie als inrichtende macht van de Hoofdstedelijke Vlaamse scholen, zie 2.6.4.1.6.. (* in dit getal werd enkel rekening gehouden met gewoon en buitengewoon basis- en secundair onderwijs, deeltijds beroepssecundair onderwijs, secundair en hoger onderwijs voor sociale promotie, deeltijds kunstonderwijs & de Franstalige scholen onder bevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap). U

●

U

●

U

● ●

U

U

U

U

●

U

●

U

U

●

U

www.eurydice.org

U

60


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

2.6.4.1.1. Gemeenschapsonderwijs, GO! U

Tot de eerste januari van 1989 was de minister van Onderwijs de inrichtende macht van het Rijksonderwijs in elk van de drie Belgische Gemeenschappen. In het kader van de communautarisering droeg in Vlaanderen de Vlaamse Gemeenschap haar bevoegdheid als inrichtende macht over aan een verkozen Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs (ARGO), opgericht door het Bijzonder Decreet van 19 december 1988. Het Rijksonderwijs werd voortaan gemeenschapsonderwijs genoemd. Na de creatie van scholengemeenschappen in het secundair onderwijs werd (door het Bijzonder Decreet van 14 juli 1998) de ARGO vervangen door een nieuwe openbare instelling, namelijk het Gemeenschapsonderwijs en werden specifiek voor het gemeenschapsonderwijs nieuwe bestuursentiteiten nl. scholengroepengecreëerd. De inrichtende machten van het gemeenschapsonderwijs zijn voortaan de 28 scholengroepen én de Raad en niet langer uitsluitend een centraal orgaan. Zo ontstond een bestuursstructuur van drie niveaus: de school (het lokale niveau), de scholengroep (mesoniveau) en het centraal niveau bestuurd door de Raad en de afgevaardigd-bestuurder. Vanaf 2007 noemt het gemeenschapsonderwijs zichzelf voortaan GO

Nieuw decreet voor de ARGO: van twee naar drie sporen Bijzonder Decreet betreffende de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs Bijzonder Decreet betreffende het Gemeenschapsonderwijs

2.6.4.1.1.1. Bestuur op centraal niveau: de Raad

Op het centrale niveau situeren zich het bewaken van de grondwettelijke waarborgen, o.m. inzake de vrije keuze, het bewaken van de taken van de openbare dienst, de algemene kwaliteitszorg, de ondersteuning van de scholen en de scholengroepen en de toewijzing van de middelen voor de investeringen en de grote infrastructuurwerken. Deze bevoegdheden worden uitgeoefend door de Raad en de afgevaardigd-bestuurder die het dagelijkse beheer en beleid voert en de centrale administratie leidt. De Raad bestaat uit 15 niet-bezoldigde mandaatfuncties, voor een periode van 4 jaar: ● ● ● ●

5 leden verkozen door een kiescollege bestaande uit de rechtstreeks verkozen ouders en gecoöpteerde leden van de schoolraden 5 leden verkozen door een kiescollege bestaande uit de directeurs en de door het personeel verkozen leden van de schoolraden 3 leden aangeduid door de drie Vlaamse universiteiten met een pedagogische faculteit, op gezamenlijke voordracht van de faculteiten pedagogie, economie en rechten 2 leden gezamenlijk aangeduid door de Vlaamse Autonome Hogescholen.

De Afgevaardigd-Bestuurder heeft een raadgevende stem in de Raad. Hij is namens de Raad belast met het dagelijkse beheer en beleid. Binnen het kader van de bevoegdheden van de Raad heeft hij beleidsvoorbereidende en beleidsuitvoerende bevoegdheden. De Afgevaardigd-Bestuurder treedt op in spoedeisende gevallen, maar moet zijn beslissing laten bekrachtigen op de eerstkomende vergadering van de Raad. Tevens ressorteert de centrale administratie onder zijn bevoegdheid.

www.eurydice.org

61


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) 2.6.4.1.1.2. Bestuur op mesoniveau: scholengroepen

Beslissingsbevoegdheden liggen grotendeels bij het mesoniveau, bij de scholengroep. Een scholengroep is een geografisch samenhangende entiteit waarin onderwijsinstellingen van alle niveaus en een centrum voor leerlingenbegeleiding kunnen vertegenwoordigd zijn, en die tenminste basisonderwijs BaO en secundair onderwijs aanbiedt,eventueel aangevuld met een centrum voor leerlingenbegeleiding (CLB). Op dit niveau wordt het onderwijsbeleid concreet gestalte gegeven. De scholengroep heeft de bevoegdheid van inrichtende macht en wordt bestuurd door een algemene vergadering, een raad van bestuur en een algemeen directeur. De algemeen directeur voert het dagelijkse beheer van de scholengroep. Hij wordt gekozen uit de directeurs van de scholen van de scholengroep door de raad van bestuur. Het is een mandaatfunctie die kan beëindigd worden door de algemene vergadering mits 2/3 meerderheid. Ook vanuit het niveau van de Vlaamse Gemeenschap kan de Raad op voorstel van de afgevaardigd bestuurder en binnen de lijnen van het beleidsmatig toezicht, het mandaat van de algemene directeur beëindigen. De algemeen directeur heeft beslissings- en managementbevoegdheid op vlak van de scholengroep en beslist bij spoedeisende omstandigheden. Deze beslissingen moeten achteraf wel door de raad van bestuur bekrachtigd worden. De raad van bestuur telt 10 leden. ● ● ●

6 leden worden rechtstreeks verkozen door de leden van de schoolraden, voor een periode van 4 jaar. Deze leden coöpteren 3 leden op voorstel van het college van directeurs. Daarnaast is er de algemeen directeur met raadgevende stem.

Lidmaatschap van een raad van bestuur is niet verenigbaar met lidmaatschap van een schoolraad en kan ook niet voor personeelsleden met uitzondering van de algemeen directeur. Algemeen beleid, pedagogisch beleid, personeelsbeleid en materieel en financieel beleid op het niveau van de scholengroep behoren tot de bevoegdheid van de raad van bestuur. Daarenboven heeft de raad van bestuur alle bevoegdheden die niet zijn toevertrouwd aan andere administratieve organen. In de algemene vergadering zetelen per schoolraad 2 afgevaardigden (1 afgevaardigde aangeduid door en uit de ouders en gecoöpteerde leden van de schoolraad en 1 afgevaardigde aangeduid door en uit de personeelsleden). De algemene vergadering wordt voorgezeten door de voorzitter van de raad van bestuur. De bevoegdheid van de algemene vergadering ligt op het vlak van het bekrachtigen van de begroting, de jaarrekening en de aanstelling van de algemeen directeur door de raad van bestuur. Het college van directeurs, bestaande uit alle directeurs van de scholen en het centrum voor leerlingenbegeleiding, vormt de brug tussen de scholen en de scholengroep, en zorgt voor het beleidsvoorbereidend en beleidsuitvoerend werk. De algemeen directeur is voorzitter van het college. Hij staat tevens in voor het dagelijks bestuur van de scholengroep.

2.6.4.1.2. Het gesubsidieerd vrij katholiek onderwijs U

Het katholiek onderwijs telt traditioneel een groot aantal privaatrechtelijke inrichtende machten. Deze inrichtende machten van het katholiek onderwijs zijn gegroepeerd in de VIMKO, vereniging van inrichtende machten van het katholiek onderwijs, die zorgt voor samenwerking en structureel overleg en het inspraakkanaal is van de inrichtende machten in het algemeen beleid van het katholiek onderwijs. Het Centraal Bureau van het katholiek onderwijs is het hoogste beslissingsorgaan van het katholiek onderwijs. De leden worden benoemd door de bisschoppen. www.eurydice.org

62


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) In het onderwijsoverleg wordt het katholiek onderwijs vertegenwoordigd door het VSKO, Vlaams Secretariaat van het Katholiek Onderwijs, http://ond.vsko.be H

2.6.4.1.3. Het gesubsidieerd vrij niet-katholiek onderwijs

Naast het katholiek onderwijs, zijn er een beperkt aantal scholen die een vorming aanbieden op een andere godsdienstige basis: protestants-christelijke scholen en joodse scholen met hun eigen inrichtende machten. De vrije protestants-christelijke scholen worden in het onderwijsoverleg vertegenwoordigd door IPCO, Inrichtende machten van vrije protestants-christelijke onderwijsinstellingen, http://www.ipco.be H

Er zijn ook enkele niet-confessionele vrijzinnige scholen. Deze worden vertegenwoordigd door VOOP, Vlaams Onderwijs Overlegplatform, http://www.voop.be H

2.6.4.1.4. Het provinciaal onderwijs

Binnen een provincie (zie 1.2.4.) oefent de provincieraad de functie uit van inrichtende macht voor de provinciale scholen. Voor de belangenbehartiging van het provinciaal onderwijs zorgt de representatieve vereniging van de inrichtende machten van het provinciaal onderwijs, 'Provinciaal Onderwijs Vlaanderen' (POV), http://www.pov.be H

Sommige provinciebesturen hebben binnen de provinciale administratie een eigen pedagogische begeleidingsdienst en onderwijsinspectie uitgebouwd. Antwerpen

Provinciale directie > Departement welzijn, onderwijs, veiligheid > Dienst onderwijs

Limburg

1e directie onderwijs > Onderwijsinspectie

Oost-Vlaanderen

7° Directie/Onderwijs > PIBO pedagogische begeleiding en inspectie onderwijs

Vlaams-Brabant

Directie cultuur en onderwijs

West-Vlaanderen

Provinciale administratie Boeverbos

http://www.provant.be H

H

http://www.limburg.be H

H

http://www.oost-vlaanderen.be H

H

http://www.vl-brabant.be H

H

http://www.west-vlaanderen.be H

H

Referenties POV, Provinciaal Onderwijs Vlaanderen Provincie Antwerpen, Dienst Onderwijs Provincie Limburg, 1° Directie onderwijs en onderwijsinspectie Provincie Oost-Vlaanderen, 7e directie onderwijs Provincie Vlaams-Brabant, Dienst Onderwijs Provincie West-Vlaanderen

www.eurydice.org

63


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

2.6.4.1.5. Het stedelijk en gemeentelijk onderwijs

Gemeenten waren traditioneel vooral actief in het organiseren van kleuter- en lager onderwijs. Grotere steden als Antwerpen, Gent en Mechelen hebben ook geïnvesteerd in het secundair onderwijs, inz. technisch en beroepsonderwijs. Het deeltijds kunstonderwijs wordt zelfs voor 92% georganiseerd door steden. Aantal leerlingen in het gemeentelijk onderwijs, in 2005-2006, in % Gewoon basisonderwijs

22,49

Gewoon secundair onderwijs

4,71

Buitengewoon basisonderwijs

12,76

Buitengewoon secundair onderwijs

9,34

Deeltijds kunstonderwijs

92,69

Secundair onderwijs voor sociale promotie

13,18

Hoger onderwijs voor sociale promotie

7,34

Vooral de steden Antwerpen en Gent, organiseren een ruim onderwijsaanbod, onder bevoegdheid van een aparte schepen voor onderwijs en vorming, ondersteund door een specifiek departement voor onderwijs en opvoeding binnen hun administratie (in Antwerpen de bedrijfseenheid 'lerende stad') en een eigen pedagogische begeleidingsdienst. Antwerpen, administratie + pedagogische begeleidingsdienst + inspectie

http://www.antwerpen.be

Gent, administratie + inspectie

http://onderwijs.gent.be/

Gent, pedagogische begeleidingsdienst

http://www.pbdgent.be/

Binnen de steden en gemeenten (zie ook 1.2.4.) oefent de gemeenteraad de functie uit van inrichtende macht voor de gemeentelijk onderwijs. Hij heeft de zgn. 'volheid van bevoegdheid' en neemt alle beslissingen, tenzij de bevoegdheden die expliciet aan het College van Burgemeester en Schepenen zijn overgedragen. De gemeenteraad is als enige bevoegd om het onderwijzend personeel te benoemen of te ontslaan. Een bevoegdheid die niet kan worden gedelegeerd. Voor het financieel beheer zie 2.8.3.. Voor de belangenbehartiging van het stedelijk en gemeentelijk onderwijs zorgt de representatieve koepelorganisatie OVSG, 'Onderwijssecretariaat van de steden en gemeenten van de Vlaamse Gemeenschap', http://www.ovsg.be . Zie ook: OVSG, Gemeentelijk onderwijs organiseren. OVSG & Politeia, 2006 H

H

De grotere centrumsteden zijn echter als regisseur ook netoverschrijdend actief geworden op het gemeentelijk niveau. Dat behandelen we bij het lokale niveau 2.6.3..

Gemeentelijk onderwijs organiseren Handboek gemeentelijk basisonderwijs OVSG, Onderwijssecretariaat van de Steden en Gemeenten van de Vlaamse Gemeenschap Stad Antwerpen, Lerende Stad Stad Brussel, Openbaar onderwijs Stad Gent, Departement Onderwijs en Opvoeding

www.eurydice.org

64


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

2.6.4.1.6. Het Nederlandstalig onderwijs in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest telt 19 gemeenten en wordt bestuurd door een eigen parlement (de Brusselse Hoofdstedelijke Raad) en regering (de Brusselse regering). De Raad telt 89 rechtstreeks verkozen leden die in gedeeld worden in een Nederlandse taalgroep (17 leden) en een Franse taalgroep (72 leden). De leden van de Nederlandse taalgroep vormen de raad van de Vlaamse Gemeenschapscommissie. De Vlaamse ministers en staatssecretarissen uit de Brusselse regering vormen het College van de Vlaamse Gemeenschapscommissie. College en Raad vormen samen de Vlaamse Gemeenschapscommissie. De Vlaamse en Franse gemeenschapscommissies vormen samen de gemeenschappelijke gemeenschapscommissie. Zie ook 2.6.4.1.6.. De Vlaamse Gemeenschapscommissie (VGC) is in Brussel bevoegd voor culturele, onderwijs- en persoonsgebonden aangelegenheden en heeft voor deze gemeenschapsaangelegenheden de bevoegdheid van inrichtende macht. De Vlaamse Gemeenschapscommissie is enkel bevoegd voor instellingen die uitsluitend ressorteren onder de Vlaamse Gemeenschap, niet voor personen. De VGC staat onder toezicht van de Vlaamse Gemeenschap. De VGC ondersteunt het hele Nederlandstalig onderwijs in het BHG. Als inrichtende macht heeft de VGC ook enkele eigen schoolinstellingen: 1 BuBaO, 1 BSO, 2 BuSO, 1 CVO, 2 internaten en 1 CLB. Het Collegelid bevoegd voor onderwijs, beroepsopleiding en begroting is Guy Vanhengel. Bevoegde administratie

Vlaamse www.vgc.be/administratie/dir_onderwijs/index Gemeenschapscommiss .asp ie > Directie onderwijs H

H

Onderwijsinstellingen

http://www.vgc.be/organisaties/onderwijs.asp H

Voor directies en leerkrachten Brussels OnderwijsPunt heeft de VGC een (BOP) informatiepunt en website uitgebouwd

H

http://bop.vgc.be/index.html

Ouders die in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wonen kunnen – volgens het principe van de vrijheid van het gezinshoofd – kiezen of ze hun kinderen naar het Nederlandstalig of het Franstalig onderwijs sturen.

BOP, Brussels Onderwijspunt (databank) VGC, Vlaamse Gemeenschapscommissie - Directie Onderwijs

2.6.4.2. De onderwijskoepels

Voor ondersteuning, representatie in beleidsorganen en belangenbehartiging van de aangesloten scholen hebben de inrichtende machten per onderwijsnet een representatieve koepelorganisatie opgericht. De huidige koepelorganisaties zijn opgericht eind jaren '80 n.a.v. de communautarisering van het onderwijs en zijn vaak ontstaan uit oudere Belgische organisaties.

www.eurydice.org

65


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

Onderwijskoepel

Onderwijsnet

Vlaams Secretariaat van het Katholiek Onderwijs (VSKO)

Katholiek onderwijs

URL http://ond.vsko.be H

Onderwijs van Vlaamse Steden Onderwijs van Steden en en Gemeenten (OVSG) gemeenten

H

Provinciaal Onderwijs Vlaanderen (POV)

http://www.ovsg.be H

H

http://www.pov.be

Provinciaal onderwijs H

H

http://www.gemeenschapsonderwijs .be http://www.portaal.gemeenschapso nderwijs.be/ H

Gemeenschapsonderwijs

Gemeenschapsonderwijs

Vlaamse GemeenschapsCommissie (VGC)

Vlaamstalig onderwijs in BHG

http://www.vgc.be H

Groepering van 11 Federatie van Onafhankelijke Freinetscholen, Pluralistische Emancipatorische ervaringsgerichte scholen, Methodescholen (FOPEM) projectscholen uit het vrij nietconfessioneel onderwijs

H

Federatie van Rudolf Steinerscholen

Steinerscholen

Vlaams Onderwijs Overlegplatform (VOOP)

Vrijzinnige scholen

Inrichtende machten van vrije protestants-christelijke onderwijsinstellingen (IPCO)

Vrije protestants-christelijke scholen

Overleg Kleine Onderwijsverstrekkers (OKO)

Overlegplatform van FOPEM, VOOP, Federatie Steinerscholen, IPCO

http://users.skynet.be/fopem H

H

http://www.steinerscholen.be http://www.voop.be H

H

http://www.ipco.be H

H

Referenties Federatie Steinerscholen Vlaanderen FOPEM, Federatie van Onafhankelijke Pluralistische Emancipatorische Methodenscholen GO! onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap IPCO, Raad van inrichtende machten van het Protestants-Christelijk Onderwijs OKO, Overlegplatform Kleine Onderwijsverstrekkers OVSG, Onderwijssecretariaat van de Steden en Gemeenten van de Vlaamse Gemeenschap POV, Provinciaal Onderwijs Vlaanderen VOOP, Vlaams Onderwijs OverlegPlatform VSKO, Vlaams Secretariaat van het Katholiek Onderwijs

www.eurydice.org

66


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

2.6.4.3. Onderwijsinstellingen, bestuur en beheer in de scholen

Hier bespreken we verschillende aspecten van schoolmanagement: ● ● ● ●

Bestuurorganen en –ambten, zie 2.6.4.3.1. Bevoegdheden, zie 2.6.4.3.2. Benoeming en rekrutering van personeel, zie 2.6.4.3.3. Organisatie en planning, zie 2.6.4.3.3.

2.6.4.3.1. Bestuursorganen en -ambten

Het schoolhoofd wordt 'directeur' genoemd. De meeste kleuterschoolinrichtingen maken deel uit van een basisschool die eveneens lager onderwijs aanbiedt. Veel directeurs van dergelijke instellingen hebben nog steeds onderwijstaken. Enkel in scholen met minstens 180 leerlingen heeft de directeur geen onderwijstaken. In het secundair onderwijs heeft de directeur nooit onderwijstaken. Werkingsmiddelen voor bijkomende beleidsondersteuning zijn voorzien, afhankelijk van het aantal leerlingen op school. In het geval van een fusie tussen basisscholen wordt een adjunct-directeur aangesteld (Decreet van 25 februari 1997). Er is tevens in de mogelijkheid voorzien om van een directiefunctie een duobaan te maken (Onderwijsdecreet XIV). De ambten van directeur, beheerder en technisch adviseur-coördinator worden officieel bevorderingsambten genoemd. Daarnaast zijn er de ambten van directiesecretaris, opvoederhuismeester, onderdirecteur, technisch adviseur en intern pedagogische begeleider die als selectieambten worden omschreven. Het ambt van leerkracht is een wervingsambt. Algemene omschrijvingen van deze ambten zijn enkel voor het gemeenschapsonderwijs voorzien bij wet. Als resultaat van overleg zijn er algemene - maar niet-bindende - omschrijvingen van dergelijke administratieve ambten opgesteld in het gesubsidieerd onderwijs (Devos, e.a., 1987).

Decreet betreffende het onderwijs XIV

2.6.4.3.2. Bevoegdheden

De directeur is verantwoordelijk voor het bestuur van de school en staat aan het hoofd van de beperkte administratieve staf (indien voorhanden). Hij staat in voor de registratie van de leerlingen, hun administratieve dossiers en voor de dossiers van zijn personeelsleden. De directeur is bij delegatie door de inrichtende macht medeverantwoordelijk voor de beslissingen over de aanwending van de financiële middelen. Regelmatig, minstens éénmaal per jaar, informeert hij de inrichtende macht over de financiële situatie van de school en stelt hij het budget voor het volgend jaar voor. Hij is ook verantwoordelijk voor het materieel beheer van de school, voor het onderhoud en de herstellingen wanneer nodig en voor de aankoop van schooluitrusting, de opstelling van leraars- en leerlingenreglementen, de orde en tucht op school, enzovoort (Devos, e.a., 1987). De directeur neemt de verantwoordelijkheid voor de coördinatie op het schoolniveau door onder andere: ● ●

persoonlijk contact met het personeel te (onder)houden; klassen te bezoeken; www.eurydice.org

67


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) ● ● ● ● ● ●

de organisatie van personeelsvergaderingen omtrent pedagogische kwesties, de keuze van didactisch materiaal en onderwijsmethoden; deel te nemen aan de begeleiding van nieuwe leerkrachten of deze te organiseren; de evaluatie van leerplannen en de voorbereiding van de lessen; nascholingsactiviteiten te ontwikkelen en te stimuleren; de participatieraad voor te zitten in het gesubsidieerd onderwijs en de vergaderingen van de schoolraad voor te bereiden in het gemeenschapsonderwijs; het toezicht op het administratief personeel.

De directeur speelt een centrale rol bij de selectie van nieuw onderwijzend en ander personeel dat benoemd wordt door de inrichtende macht. Hij is ook verantwoordelijk voor alle contacten naar buiten toe (met de inspectie, pedagogische begeleidingsdiensten, ouders, de lokale gemeenschap,...) en voor de public relations van de school in het algemeen. De adjunct-directeur is de directe medewerker van de directeur en staat hem bij in overeenstemming met zijn kwalificatie, met betrekking tot o.a. de coördinatie van het onderwijs en de leerplannen, de dagroosters voor lessen en taken en andere activiteiten van het personeel. Hij vervangt de directeur bij diens afwezigheid, organiseert het toezicht op de leerlingen buiten de lesuren; hij kan verantwoordelijk zijn voor het goed functioneren van de schoolbibliotheek, enz. De directiesecretaris is verantwoordelijk voor administratieve taken die de directeur hem toevertrouwt (KB van 15 juli 1969 en van 23 november 1970). De beheerder is verantwoordelijk voor het materieel en boekhoudkundig beheer in een onderwijsinstelling die een internaat heeft. De opvoeder-huismeester voert de taken met betrekking tot het materieel en boekhoudkundig beheer uit die de beheerder hem toevertrouwt of hij heeft de taken van de beheerder in de scholen waar het ambt van beheerder niet bestaat (KB van 15 juli 1969). In het beroeps- en technisch onderwijs coördineert de technisch adviseur (TA) (voorheen de werkmeester) de activiteiten van het onderwijzend personeel met betrekking tot de beroepspraktijken waar hij verantwoordelijk voor is. Hij houdt het toezicht op het beheer van de technische uitrusting. Een technisch adviseur-coördinator (TAC) (voorheen werkplaatsleider) coördineert de activiteiten van de technisch adviseurs in scholen waar er minstens drie technisch adviseurs zijn (Decreet van 14 juli 1998). De taken van de intern pedagogische begeleider vertrekken vanuit het pedagogisch project en het schoolwerkplan van de school. Zijn opdracht heeft betrekking op de pedagogische en opvoedkundige onderwijsmateries en de daarmee verbonden organisatorische taken. Hij ziet toe op de realisatie van het pedagogisch project van de school en meer algemeen legt hij zich toe op de zorg voor de onderwijskwaliteit. Zo participeert hij in het pedagogisch beleid en het beheer van de school en bevordert hij de 'schoolcultuur' (bv. de bevordering van de interne en externe communicatie op schoolniveau). Elke school zal deze algemene taken specificeren. Hij kan alle vormen van leerlingenbegeleiding coördineren en een belangrijke verantwoordelijkheid hebben met betrekking tot de voorbereiding van en het verloop van de vergaderingen van de klassenraad - die bestaat uit de leden van het onderwijzend personeel van een klas en die alle beslissingen en verantwoordelijkheden neemt met betrekking tot de evaluatie van de leerlingen - en de nazorg ervan. Ook kan hij een belangrijke contactpersoon zijn voor ouders en leden van de Centra voor Leerlingenbegeleiding (CLB's). Andere mogelijke taken zijn de begeleiding van nieuwe leerkrachten, de organisatie van werkgroepen van leerkrachten, de voorbereiding van diverse pedagogische activiteiten,... (VVKSO, 1994). Voor bevoegdheden van de participatieorganen: zie 2.7.1.1.

www.eurydice.org

68


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

2.6.4.3.3. Organisatie en planning

De directeur is verantwoordelijk voor het opstellen van een schoolwerkplan en een leerplan. In het buitengewoon onderwijs is ook een handelingsplan vereist. Een leerplan formuleert in het algemeen de doelen voor de leerlingen op basis van het pedagogische project en meer in het bijzonder de schoolvisie op de inhoud van de onderwezen vakken. Een handelingsplan bestaat uit een pedagogische en opvoedkundige planning voor één of meerdere leerlingen uit het buitengewoon onderwijs voor een welbepaalde periode. Het integreert de sociale, medische, psychologische en orthopedagogische begeleiding in het buitengewoon onderwijs (Decreet van 25 februari 1997), zie 10.6.7.. In het schoolwerkplan wordt het pedagogisch project beschreven. In feite behandelt het alle aspecten die belangrijk zijn om de visie van de school op onderwijs te implementeren, zoals de organisatie van de school, de opdeling van de leerlingen, de manier van beoordelen en rapporteren, nascholing, het schoolreglement, enzovoort. Eventueel worden zowel voorzieningen voor leerlingen met een handicap of met leermoeilijkheden gedefinieerd als zaken zoals de vorm van samenwerking met andere scholen van het gewoon en buitengewoon onderwijs. Naast dit alles, bevat het schoolwerkplan een variabel deel dat bestaat uit een werkplanning voor een zekere tijdsperiode waarbij bepaalde prioriteiten worden vooropgesteld als iets 'waaraan moet gewerkt worden' (VSKO, 1998). In het basisonderwijs BaO bestaat geen verplichte indeling in jaren, vakken en graden meer; verplichte lessenroosters behoren tot het verleden. Behalve de verplichting om een schoolwerkplan op te stellen, geniet het schoolbestuur heel wat vrijheid in het organiseren van onderwijs. Het is bijvoorbeeld mogelijk om met een andere indeling te werken dan met het jaarklassensysteem, met als gevolg dat het onderwijsaanbod meer gedifferentieerd kan worden en worden aangepast aan de specifieke leerlingengroepen. In het hervormde secundair onderwijs wordt de lokale autonomie van de school bevorderd; de centraal opgelegde lessenroosters worden achterwege gelaten zodat er meer ruimte is voor een aanpassing aan de noden van de leerlingen. Er zijn ook mogelijkheden tot de integratie van vakken en leerplannen die een hele graad omvatten. Enkel de eindtermen en een minimale lessenrooster voor de basisvorming worden door de overheid vastgelegd. In het buitengewoon onderwijs zijn er meer mogelijkheden voor differentiatie omwille van de vervanging van het jaarklassensysteem door een flexibel systeem van leerlingengroepen waarbij er meer aandacht uitgaat naar de individuele noden van de leerlingen. In het buitengewoon onderwijs moet ook een groepswerkplan worden geïntegreerd in het schoolwerkplan; het plant het onderwijs voor een groep leerlingen met gelijkaardige handicaps. Ook wordt er een aantal uren voor paramedische, medische, sociale, psychologische en orthopedagogische begeleiding voorzien. Verder definieert elke school haar schoolreglement dat de relaties regelt tussen de school enerzijds en de leerlingen en ouders anderzijds. Dit reglement omvat bijvoorbeeld een tuchtreglement, regelingen i.v.m. huiswerk, agenda's, rapporten...

2.6.4.4. Onderwijsinstellingen, bestuur en beheer in de scholengemeenschappen

Een scholengemeenschap is een verzameling van verschillende scholen van een zelfde onderwijsniveau (basis- of secundair onderwijs) die samenwerken op diverse vlakken (logistiek, studieaanbod, …). Dat kunnen scholen zijn met eenzelfde of verschillende inrichtende machten en ze www.eurydice.org

69


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) behoren tot eenzelfde of verschillend onderwijsnet. In 1998 werden zij ingevoerd in het secundair onderwijs, in 2003 in het basisonderwijs. De aansluiting van scholen gebeurt op vrijwillige basis. In toenemende mate worden echter de scholengemeenschappen in de beleidsuitvoering betrokken.

2.6.4.4.1. Basisonderwijs

In het basisonderwijs BaO werden scholengemeenschappen ingevoerd vanaf het schooljaar 20032004, door het decreet van 10 juli 2003 betreffende het landschap basisonderwijs. Dit met het oog op een bestuurlijke schaalvergroting en een efficiënter beheer en gebruik van de beschikbare middelen. Een scholengemeenschap dient te bestaan uit meerdere basisscholen, minstens 900 leerlingen te tellen en zowel kleuter- als lager onderwijs te omvatten. De samenstellende basisscholen kunnen al dan niet behoren tot eenzelfde schoolbestuur en/of eenzelfde onderwijsnet. Scholen voor buitengewoon onderwijs worden er maximaal bij betrokken. De aansluiting van een basisschool bij een scholengemeenschap, door het schoolbestuur,gebeurt op vrijwillige basis, dient schriftelijk vastgelegd en geldt voor perioden van telkens 6 schooljaren. Voor de vorming van scholengemeenschappen gelden dezelfde 44 geografische zones als voor het secundair onderwijs. Als algemeen principe (met twee uitzonderingen) geldt dat elke scholengemeenschap binnen maximaal 5 aangrenzende zones moet gelegen zijn. Tevens is het aantal scholengemeenschappen gecontingenteerd. Vanaf 1 september 2006 gelden volgende contingenten. Gemeenschapsonderwijs

Maximum 44

Gesubsidieerd officieel onderwijs

Maximum 95

Gesubsidieerd vrij confessioneel onderwijs

Maximum 248

Gesubsidieerd vrij niet-confessioneel onderwijs

Maximum 5

Netoverschrijdende scholengemeenschappen worden op basis van het aantal scholen van elk net tot een van deze contingenten gerekend. Schoolbesturen kunnen een aantal bevoegdheden overdragen aan de scholengemeenschap: ● ● ● ● ●

aanwending van de puntenenveloppe stimulus aanwending van de punten beleids- en ondersteunend personeel aanwending van de puntenenveloppe voor ICT wijze waarop de school voor buitengewoon basisonderwijs haar deskundigheid ter beschikking stelt sluiten van samenwerkingsakkoorden met andere basisscholen buiten de scholengemeenschap, andere scholengemeenschappen basis- of secundair onderwijs, instellingen voor secundair onderwijs, deeltijds kunstonderwijs en/of volwassenenonderwijs.

Niet overdraagbare bevoegdheden waarvoor de scholengemeenschap wel het initiatief tot het maken van afspraken kan nemen zijn: ● ● ● ● ●

overdracht van lestijden zorgbeleid overdracht van punten zorg naar andere scholengemeenschappen binnen dezelfde of aangrenzende zones i.f.v. speciale projecten personeelsbeleid gebruik infrastructuur.

www.eurydice.org

70


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) Afhankelijk van het aantal leerlingen krijgt een scholengemeenschap als stimulus een extra puntenenveloppe (waarmee bv. een managementsfunctie kan worden uitgebouwd). Vanaf het schooljaar 2003-2004 ontvangt elke basisschool op basis van haar leerlingenaantal 3 puntenenveloppen: voor administratieve ondersteuning, ICT en zorg. Met de punten worden betrekkingen ingericht, in een bepaalde instelling, in een bepaald ambt, in een bepaald opleidingsniveau en voor een bepaald aantal uren. Ter ondersteuning van de scholengemeenschap werden de functies van directeur-coördinatie scholengemeenschap en van stafmedewerker-scholengemeenschap gecreëerd. Binnen het beleids- en ondersteunend personeel van een school zijn er voortaan drie ambten: ● ● ●

administratief medewerker ICT-coördinator Zorgcoördinator.

Referenties BVR betreffende de puntenenveloppe voor scholengemeenschappen basisonderwijs Decreet betreffende het landschap basisonderwijs Decreet betreffende het onderwijs-XV Puntenenveloppen voor scholen en scholengemeenschappen basisonderwijs: personeelsformatie en personeelsaspecten Scholengemeenschappen basisonderwijs

2.6.4.4.2. Secundair onderwijs

Het Decreet van 14 juli 1998 bepaalt een opdeling in 44 geografische onderwijszones, waarbinnen de scholengemeenschappen kunnen georganiseerd worden. Een scholengemeenschap valt onder de verantwoordelijkheid van de betrokken inrichtende macht(en) en wordt beheerd op de wijze waartoe, naargelang, van het geval, de enige betrokken inrichtende macht heeft beslist dan wel de diverse betrokken inrichtende machten zich bij schriftelijke overeenkomst hebben verbonden (art. 65). Scholengemeenschappen werden door de overheid in de eerste plaats in het leven geroepen om ervoor te zorgen dat leerlingen gemakkelijker doorstromen van de ene school naar de andere en studiekeuzes kunnen maken die aanleunen bij hun wérkelijke interesses. In het kader hiervan wordt er nauw samengewerkt met de Centra voor Leerlingenbegeleiding (CLB's). Rond een aantal themata heeft de decreetgever uitdrukkelijke bevoegdheden aan de scholengemeenschappen toevertrouwd. Deze bevoegdheden nemen de vorm aan van verplichte afspraken, een verplichte adviesformulering of een optie op een samenwerkingsakkoord (Omzendbrief : Scholengemeenschappen secundair onderwijs. SO 62, 30/04/1999): ● ● ● ●

personeelsbeleid (criteria voor het rekruteren, functioneren en evalueren personeelsleden) investeringen in schoolaccommodatie en infrastructuur overdracht van lestijden tussen de scholen onderling samenwerking met scholen uit andere onderwijssectoren of onderwijsnetten.

van

De administratieve voordelen voor scholen die participeren aan een scholengemeenschap zijn o.a. bijkomende financiële stimuli, de mogelijkheid om uren over te dragen tussen de scholen onderling, de www.eurydice.org

71


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) toewijzing van specifieke taken naar het niveau van de scholengemeenschap en het gezamenlijk inzetten van administratief personeel op het niveau van de scholengemeenschap (Decreet van 14 juli 1998). Referenties Decreet betreffende het onderwijs XIV Decreet betreffende het onderwijs-XV Decreet houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs Scholengemeenschappen secundair onderwijs

2.6.4.5. Onderwijsinstellingen, bestuur en beheer in de hogescholen

Het Decreet van 13 juli 1994 met betrekking tot de hogescholen herdefinieerde de administratieve organisatie van de hogescholen en gaf hen een grotere autonomie. Het decreet maakt daarbij onderscheid tussen de Vlaamse Autonome hogescholen (publieke instellingen) en gesubsidieerde hogescholen (private en provinciale instellingen).

2.6.4.5.1. Algemene beheersstructuren en administratieve ambten

De bestuursorganen van de Vlaamse Autonome Hogescholen zijn de raad van bestuur, het bestuurscollege, de algemeen directeur, de departementsraden, de departementshoofden en de andere door de raad van bestuur bepaalde organen. De Raad van Bestuur bestaat uit: ● ● ●

8 vertegenwoordigers van de verschillende categorieën van het personeel, verkozen voor 4 jaar door het personeel, 3 vertegenwoordigers van de studenten, verkozen voor 2 jaar door de studenten, Maximum 12 vertegenwoordigers van de socio-economische en culturele milieus (ook voor een termijn van 4 jaar).

De algemeen directeur neemt deel aan de bestuursvergaderingen met adviserende stem. De Raad van Bestuur bepaalt het administratief reglement, het examen- en tuchtreglement, stelt het budget op, benoemt het personeel, stelt het kader op voor de organisatie en coördinatie van de taken van de onderwijsinstelling,... Het Bestuurscollege bestaat uit de voorzitter van de Raad van Bestuur, de algemeen directeur en 3 vertegenwoordigers van het personeel, allen voor 4 jaar door de raad van bestuur benoemd. Het Bestuurscollege is verantwoordelijk voor het dagelijks bestuur en de voorbereiding, het openbaar maken en de uitvoering van de beslissingen van de Raad van Bestuur, voor het financieel beheer binnen de lijnen die door de Raad van Bestuur zijn uitgezet, de benoeming van het lager administratief en technisch personeel en vele andere materies die niet expliciet door de wet worden toegewezen aan andere administratieve organen of ambten. De algemeen directeur wordt benoemd (en eventueel ontslagen) door de Raad van Bestuur. Hij is verantwoordelijk voor het bestuur van de instelling en staat aan het hoofd van het administratief en ander personeel (bv. de ambtenaar voor internationale relaties). Hij is verantwoordelijk voor de inschrijving van studenten, hun administratieve gegevens, alsook de gegevens van ieder van zijn www.eurydice.org

72


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) personeel. Hij is door delegatie medeverantwoordelijk voor beslissingen omtrent de aanwending van de financiële middelen. Regelmatig, tenminste éénmaal per jaar, informeert hij de inrichtende macht over de financiële toestand van de school en stelt hij het budget voor het volgende jaar voor. Verder is hij ook verantwoordelijk voor de materiële toestand van de school, voor onderhoud en herstellingen en voor de aankoop van schooluitrusting. Hij speelt een centrale rol bij de selectie van het nieuwe onderwijzend en ander personeel dat door de inrichtende macht wordt benoemd. Hij is verantwoordelijk voor alle externe contacten (met de inspectie, de lokale gemeenschap, de arbeidsmarkt...) en in het algemeen voor de public relations van de school. De onderwijsinstellingen moeten hun eigen aanwervingsprocedures voor het directeursambt organiseren. Het ambt mag worden ingevuld door een lid van het permanente onderwijzend personeel of door middel van externe rekrutering. De benoemingsvoorwaarden zijn gelijkaardig aan die van het onderwijzend personeel. In de gesubsidieerde hogescholen bestaat het hogeschoolbestuur uit leden die het zelf coöpteert. Het duidt per departement een departementshoofd aan, die wordt belast met de dagelijkse leiding. Het richt ook een Academische Raad op, die door het bestuur moet geïnformeerd worden over alle aangelegenheden omtrent de onderwijsinstelling. De Academische Raad bestaat uit de verkozen vertegenwoordigers van het Hogeschoolbestuur (3/8) en het personeel (3/8) (voor 4 jaar), en de studenten (2/8) (voor 2 jaar). Deze raad heeft het informatierecht, de adviesbevoegdheid (op vraag van het Hogeschoolbestuur of op eigen initiatief) voor op zijn minst de onderwijskundige aspecten van bepaalde aangelegenheden (ook bijvoorbeeld het onderzoeksbeleid,...). Daarnaast heeft de raad de overlegbevoegdheid (het nemen van een beslissing op eigen initiatief of op vraag van het Hogeschoolbestuur, die in geval van consensus zal worden uitgevoerd door het Hogeschoolbestuur) voor op zijn minst de onderwijskundige aspecten van bepaalde aangelegenheden als daar zijn: het financieel beleid, het beleid inzake onderwijs en examinering, de organisatie van studiebegeleiding,... Het decreet van 13 juli 1994 creëerde ook een studentenraad. Voortaan wordt echter de participatie van de studenten voor het hele hoger onderwijs (ook universiteiten en associaties) geregeld door het zgn. participatiedecreet van 19 maart 2004, dat ook de rechtspositie van de student regelt. Zie 2.6.4.6.1.. Met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden beschikt elke hogeschool en elk departement van die instelling over een onderhandelingscomité, resp. hogeschoolonderhandelingscomité (HOC) en departementaal onderhandelingscomité (DOC), bedoeld om de relaties tussen de werkgever en de vakbonden van het personeel te regelen. In een gefinancierde hogeschool bestaat het hogeschoolonderhandelingscomité (HOC) uit de vertegenwoordigers van de Raad van Bestuur en de vertegenwoordigers van het onderwijzend personeel. In gesubsidieerde hogescholen bestaat deze raad uit de vertegenwoordigers van het Hogeschoolbestuur en die van het personeel (Decreet van 13 juli 1994).

Bijzonder decreet betreffende de participatie in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen, de coördinatie van de hogeronderwijsregelgeving en de modernisering van de regelgeving op de Vlaamse autonome hogescholen Decreet betreffende de rechtspositieregeling van de student, de participatie in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen

www.eurydice.org

73


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

2.6.4.5.2. Beheersstructuren en ambten op een lager niveau

Elke hogeschool, zowel een gefinancierde als een gesubsidieerde, is onderverdeeld in departementen. ●

●

In de gefinancierde hogescholen bestaat er voor elk departement een departementsraad die dezelfde partijen bevat als de Raad van Bestuur (met dezelfde ambtstermijnen, maar met een andere proportionele samenstelling). Deze raad verkiest het hoofd van het departement die de raad voorzit voor 4 jaar. De departementsraad organiseert het aanbod van onderwijs, de projecten voor wetenschappelijke onderzoek en de dienstverlening aan de samenleving. Deze raad is o.a. verantwoordelijk voor de vaststelling van onderwijsprogramma's en examens, de organisatie van de onderzoeksprogramma's, de aanwending van de financiële middelen en het personeel, de aanwerving van tijdelijk personeel en de voorstelling van kandidaten voor een vaste benoeming, de interne organisatie van het departement, de jaarlijkse opstelling van voorstellen van budget, enzovoort (Decreet van 13 juli 1994). In een gesubsidieerde hogeschool moet er een departementale raad worden opgericht voor elk departement, bestaande uit het hoofd van het departement als de voorzitter van de raad, de verkozen vertegenwoordigers van het onderwijzend personeel, de vertegenwoordigers van de studenten en van de socio-economische en culturele milieus. Deze raad heeft het informatierecht voor alle aangelegenheden op het niveau van het departement en kan advies geven op vraag van het Hogeschoolbestuur of op eigen initiatief omtrent een hele waaier van materies op het niveau van het departement (Decreet van 13 juli 1994).

Het departementaal onderhandelingscomité (DOC) bestaat in gefinancierde hogescholen uit de vertegenwoordigers van de departementsraad en van het personeel; in gesubsidieerde hogescholen uit de vertegenwoordigers van het departementsbestuur en van het personeel (Decreet van 13 juli 1994).

2.6.4.6. Onderwijsinstellingen, bestuur en beheer in de universiteiten

Elke universiteit is in principe verantwoordelijk voor de oprichting van haar eigen interne organisatie. De beleidsstructuur van de Katholieke Universiteit Leuven (K.U.Leuven) zal hier als voorbeeld worden genomen (Info: vzw Associatie K.U.Leuven). We behandelen achtereenvolgens: ● ● ●

De algemene beheersstructuren en administratieve ambten 2.6.4.6.1. De rector 2.6.4.6.2. De beheersstructuren en ambten op niveau van de faculteiten en departementen 2.6.4.6.3.

2.6.4.6.1. Algemene beheersstructuren en administratieve ambten

Eerst en vooral heeft de Katholieke Universiteit Leuven (K.U.Leuven) een inrichtende macht die de opdrachtsverklaring van de universiteit goedkeurt en het organiek reglement van de universiteit vastlegt, beide na advies van de Academische Raad en de Raad van Bestuur. De Inrichtende overheid is ook verantwoordelijk voor de grootste beleidsopties (bv. participatie in andere rechtspersonen, zoals onder meer de associatie). Verder is de inrichtende macht verantwoordelijk voor de oprichting, het statuut en het behoud van de faculteit theologie en godsdienstwetenschappen. De inrichtende macht benoemt en ontslaat naast de rector en de algemeen beheerder ook de leden www.eurydice.org 74


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) van de Raad van Bestuur en van het Gemeenschappelijk bureau van de Raad van Bestuur en de Academische raad (K.U.Leuven, 2004). Sinds de oprichting van de Associatie K.U.Leuven op 10 juli 2002, zetelen in de Inrichtende overheid naast vertegenwoordigers van de universiteit ook vertegenwoordigers van elk van de instellingen voor hoger onderwijs die lid zijn van de Associatie K.U.Leuven vzw en een derde leden die gecoöpteerd werden als lid van de Algemene vergadering van de Associatie K.U.Leuven vzw. Aan de Katholieke Universiteit Leuven bestuurt de Raad van Bestuur de universiteit en vertegenwoordigt haar naar buiten toe. Deze raad is o.a. bevoegd om het budget en de rekeningen en het gewoon, personeels- en studentenreglement vast te leggen. Dit gebeurt na advies van de Academische Raad. De Raad van Bestuur is verantwoordelijk voor het financieel beheer van de universiteit en het personeelsbeleid (benoemingen, aanwervingen,...) en kijkt toe op de vervulling van de opdrachtsverklaring van de universiteit. Hij bestaat uit de rector, de algemeen beheerder, de leden van het Gemeenschappelijk Bureau en andere leden die verkozen worden voor 5 jaar. De Academische Raad bepaalt het beleid en coördineert inzake onderwijs, wetenschappelijk onderzoek en wetenschappelijke dienstverlening. Hij organiseert ook de verkiezing van de rector en benoemt de leden van het Gemeenschappelijk Bureau. De Academische Raad geeft advies aan de Raad van Bestuur op eigen initiatief of op vraag van deze laatste, met betrekking tot aangelegenheden waarvoor de Raad van Bestuurbevoegd is, zoals het personeels- en financieel beleid, reglementen, enzovoort. Naast de rector, de algemeen beheerder en de leden van het Gemeenschappelijk Bureau zijn de decanen van de faculteiten lid van de Academische Raad. Deze raad bevat ook vertegenwoordigers van het zelfstandig academisch personeel, assisterend academisch personeel, administratief en technisch personeel en de studenten (K.U.Leuven, 2004). Zowel de Raad van Bestuur als de Academische Raad stimuleren de samenwerking met de Associatie K.U.Leuven vzw en met haar leden. Het Gemeenschappelijk Bureau bestaat uit de rector, de algemeen beheerder en andere leden. Dit orgaan is verantwoordelijk voor het dagelijks bestuur van de universiteit, bereidt de vergaderingen van de Academische Raad en de Raad van Bestuur voor, dient voorstellen in en is verantwoordelijk voor de uitvoering van hun beslissingen (K.U.Leuven, 2004). Het 'participatiedecreet' van 19 maart 2004 regelt de participatie van de studenten. Er dient één studentenraad te worden opgericht op het niveau van de associatie, respectievelijk de instelling. De instellingen voor hoger onderwijs moeten kiezen tussen twee modellen van studentenparticipatie: ●

●

het medebestuursmodel: in dat geval moeten in de organen die omtrent een aantal in het decreet opgelijste materies de eindbeslissingen nemen ten minste tien procent studenten zetelen; de universiteiten van Antwerpen, Brussel, Gent, Leuven en Limburg kozen voor dit model; het medezeggenschapsmodel: in dat geval organiseert de instelling volgens bepaalde afspraken overlegprocedures, kunnen de studenten beleidsadviezen geven waarop de instelling een gemotiveerd antwoord moet bieden.

Het 'participatiedecreet' van 19 maart 2004 regelt ook de rechtspositie van de student en zorgt voor rechtsbescherming bij studievoortgangsbeslissingen middels een interne beroepsprocedure en door oprichting van een administratief rechtscollege bij het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap: de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen (ook de 'Raad voor examenbetwistingen' genoemd). Wat betreft de arbeidsvoorwaarden hebben de gesubsidieerde universiteiten in overeenstemming met de nationale arbeidswetgeving een ondernemingsraad (bij minimum 100 werknemers) en/of een comité voor preventie en bescherming op het werk (bij minimum 50 werknemers), net zoals alle andere privé-instellingen.

www.eurydice.org

75


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

2.6.4.6.2. Belangrijke ambten aan de top: de rector

De rector is verantwoordelijk voor het beheer van de universiteit en staat aan het hoofd van het personeel. Hij is verantwoordelijk voor de inschrijving van studenten, hun administratieve gegevens, alsook de gegevens van elk personeelslid. Hij is door delegatie medeverantwoordelijk voor beslissingen omtrent het gebruik van de financiële middelen. Regelmatig, tenminste éénmaal per jaar, informeert hij de inrichtende macht over de financiële toestand van de universiteit en stelt hij het budget voor het volgende jaar voor. Hij speelt een centrale rol bij de selectie van nieuwe docenten en ander personeel dat door de inrichtende macht wordt benoemd. Hij is verantwoordelijk voor alle externe contacten en in het algemeen voor de public relations van de universiteit. De rector moet worden verkozen onder de gewoon hoogleraren. Aan de Katholieke Universiteit Leuven wordt hij verkozen door de leden van de faculteitsraden en een beperkte groep personeelsleden uit de centrale administratie, voor een periode van 4 jaar die bij positieve evaluatie automatisch wordt verlengd tot 8 jaar. Hernieuwbaarheid is uitgesloten. Hij wordt benoemd door de inrichtende macht (K.U.Leuven, 2004).

2.6.4.6.3. Beheersstructuren en ambten op een lager niveau

De Katholieke Universiteit Leuven heeft in 2005 gekozen voor reorganisatie waarbij een belangrijk deel van de personeelsbeslissingen, financiële beslissingen binnen vooraf bepaalde beleidsplannen worden gedelegeerd aan de zogenaamde Groepsstructuren. Er zijn drie Groepen (Humane wetenschappen, Exacte Wetenschappen, Biomedische Wetenschappen), die elk een vorm van bestuurs- en parlementair controleorgaan hebben. Hoofdverantwoordelijke voor elke groep is één van de drie vice-rectoren. Binnen de groep Humane wetenschappen is er enkel nog een substructuur van faculteiten die zowel onderwijs als onderzoek in een bepaald domein coördineren. Binnen de beide andere groepen kent men een opdeling in faculteiten die verantwoordelijk zijn voor het onderwijs en departementen die verantwoordelijk zijn voor het onderzoek. Personeelsleden behoren in die laatste gevallen dus zowel tot een faculteit als een departement van hun groep. Op het niveau van de faculteiten en waar relevant de departementen van de Katholieke Universiteit Leuven is er een Raad die bestaat uit het zelfstandig academisch personeel, de vertegenwoordigers van het assisterend academisch personeel en de vertegenwoordigers van de studenten. De Raad is bevoegd om onderwijsprogramma's op te stellen, het onderwijsaanbod te organiseren en te evalueren, om studiebegeleiding te organiseren en te evalueren, om examens te organiseren, te controleren en te evalueren (K.U.Leuven, 2004). Het faculteitsbureau staat in voor het dagelijkse bestuur van de faculteit. Het bestaat uit de decaan en enkele leden van de faculteitsraad. De faculteitsraad richt voor elke richting een permanente onderwijscommissie (POC) op die bestaat uit het academisch personeel en de vertegenwoordigers van de studenten. Zij geeft advies aan de faculteitsraad wat betreft onderwijsaangelegenheden (de evaluatie van de examens, programma's, onderwijsmethoden, examineringmethoden,...) (K.U.Leuven, 2004).

2.6.4.7. Onderwijsinstellingen, bestuur en beheer in de associaties

We geven opnieuw als voorbeeld de associatie K.U.Leuven. (Info: vzw Associatie K.U.Leuven) De leden van de Associatie K.U.Leuven kozen van in het begin resoluut voor een sterke bestuurlijke structuur. Naast de decretaal verplichte oprichting van een associatie-vzw hebben ze geopteerd voor www.eurydice.org

76


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) de vorming van een federatie en voor personele integratie op het niveau van de hoogste organen van de betrokken instellingen. Federatie via personele integratie De personele integratie betekent dat het hoogste orgaan van elk van de instellingen (i.e. de algemene vergadering/de inrichtende overheid) voor een groot deel (3/5) identiek is. De overige 2/5 wordt gevormd uit de eigen verkozen leden van elke instelling. De personele integratie verbindt de betrokken instellingen nauw met elkaar. De leden blijven als afzonderlijke instellingen bestaan, maar vormen samen een federatie. Omdat het grootste deel van de besluitvorming bij de afzonderlijke instellingen blijft liggen en om de identiteit van elke instelling te garanderen, is de samenstelling van de respectievelijke raden van bestuur niet gekoppeld aan de associatiestructuur. vzw Associatie K.U.Leuven De associatieleden hebben – conform het structuurdecreet van 4 april 2003 - een aparte associatievzw opgericht. De associatie-vzw heeft twee beleidsorganen: de Algemene vergadering en de Raad van bestuur. De Algemene vergadering bestaat uit vertegenwoordigers van de hogescholen, de universiteit en uit gecoöpteerde leden. De leden van de Algemene vergadering van de associatie-vzw vormen tevens het gemeenschappelijke deel van de algemene vergadering van de betrokken instellingen. In de Raad van bestuur zetelen de algemeen directeurs van de hogescholen, leden aangeduid door de universiteit en 3 studenten. De regeringscommissaris neemt deel aan de vergadering van de Algemene vergadering en van de Raad van bestuur.

2.7. Interne en externe participatie- en overlegstructuren We gaan eerst in op de interne participatie binnen het basis- en secundair onderwijs 2.7.1., daarna op de inspraak van en het overleg met andere actoren 2.7.2.. Daarin komen ook de participatie- en overlegstructuren inzake arbeidsvoorwaarden aan bod in 2.7.2.6.. Voor de participatiestructuren op niveau hogescholen, zie 2.6.4.5.; voor deze op niveau universiteiten, zie 2.6.4.6.. ●

●

Intern 2.7.1.

○ ○ ○ ○ ○

Pedagogische raad, ouderraad, leerlingenraad op schoolniveau 2.7.1.1.

○ ○ ○ ○ ○ ○ ○

VLOR 2.7.2.1.

Schoolraad 2.7.1.2. Medezeggenschapscollege op niveau scholengemeenschap 2.7.1.3. Klassenraden 2.7.1.4.

Informele overlegorganen: vakgroepen en personeelsvergaderingen 2.7.1.5. Extern 2.7.2. VLIR, VLHORA 2.7.2.2. Ouderkoepelverenigingen 2.7.2.3. Onderwijsvakbonden 2.7.2.4. Studenten- en leerlingenkoepelverenigingen 2.7.2.5. Participatie omtrent arbeidsvoorwaarden 2.7.2.6. Band met de arbeidsmarkt en andere opleidingsverstrekkers 2.7.2.7.

www.eurydice.org

77


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

2.7.1. Interne participatie en overleg in het basis- en secundair onderwijs De participatie van ouders, leraars en de lokale gemeenschap was tot de jaren '90 zeer beperkt. Bij het autonoom worden van het gemeenschapsonderwijs en de creatie van een Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs ( ARGO) werd ook het medebeheer in lokale schoolraden geregeld, in 1988, later aangepast door het bijzonder decreet van 14 juli 1998. In het gesubsidieerd onderwijs werden door het Decreet van 23 oktober 1991 betreffende medezeggenschap, participatieraden met beperkter inspraakbevoegdheden gecreëerd en werd in 1999 de oprichting van leerlingenraden geregeld. Een globale regeling van de lokale participatie in het basis- en secundair onderwijs kwam tot stand door het Decreet betreffende de participatie op school en de Vlaamse Onderwijsraad, van 2 april 2004 (gewijzigd door het Onderwijsdecreet XV van 15 juli 2005). De nieuwe regeling is van toepassing op alle basis- en secundaire scholen (gewoon en buitengewoon, voltijds en deeltijds) met uitzondering van scholen buitengewoon onderwijs type 5. Zie Omzendbrief GD/2004/03 van 13 juli 2004.

2.7.1.1. De pedagogische raad, de ouderraad en de leerlingenraad op schoolniveau

In een basis- en secundaire school dienen vanaf 1 september 2004 een pedagogische raad, een ouderraad en een leerlingenraad te worden opgericht, als ten minste 10% (met een minimum van 3 personen) van respectievelijk de personeelsleden, de ouders en de leerlingen (in het basisonderwijs BaO uit de leeftijdsgroep van 11-13-jarigen) dit vragen. De inrichtende macht kan uiteraard ook op eigen initiatief deze raden oprichten. Ze worden samengesteld voor een periode van 4 jaar, via verkiezingen (de leerlingenraad in het lager onderwijs mogelijk ook op minder formele wijze, vastgelegd in het schoolreglement). De bevoegdheden van deze raden (recht op informatie en recht op inzage van documenten en adviesrecht) worden uitgeoefend via hun vertegenwoordigers in de schoolraad. Daar ligt dan ook het zwaartepunt van de participatie.

Leerkrachtenparticipatie in het schoolmanagement. Een Vlaamse beleidsstudie Decreet betreffende participatie op school en de Vlaamse Onderwijsraad Lokale participatieregeling in het basis- en secundair onderwijs

2.7.1.2. De schoolraad

2.7.1.2.1. Gemeenschapsonderwijs

Een schoolraad telt 8 leden (3 leden rechtstreeks verkozen door en uit ouders, 3 leden rechtstreeks verkozen door en uit het personeel en 2 leden gecoöpteerd uit sociale, economische en culturele milieus). De directeur is geen lid van de schoolraad, maar woont de vergaderingen bij en heeft een adviserende stem. De schoolraad heeft advies- en overlegbevoegdheid en informatierecht over de beslissingen die het schoolleven beïnvloeden. De directeur en de schoolraad zijn tezamen bevoegd voor de algemene en pedagogische organisatie en voor personeelszaken (zoals aanwending van lestijden, veiligheid op school en het schoolreglement). Schoolraden binnen hetzelfde onderwijsniveau www.eurydice.org

78


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) en gevestigd in eenzelfde omgeving kunnen vrijwillig samensmelten. De schoolraden worden verkozen voor een periode van vier jaar, met uitzondering van het onderwijs voor sociale promotie en het deeltijds kunstonderwijs, waar de schoolraad voor een periode van twee jaar wordt gekozen. (Bijzonder decreet van 14 juli 1998).

2.7.1.2.2. Gesubsidieerd onderwijs

In het gesubsidieerd onderwijs werden de bestaande participatieraden per 1 april 2005 vervangen door schoolraden. Met enkele uitzonderingen. ●

● ●

Voor centra voor deeltijds onderwijs dient geen aparte schoolraad te worden opgericht. De participatierechten zullen worden uitgeoefend in de schoolraad van de school waarmee het centrum verbonden is. Ook scholen van het buitengewoon onderwijs type 5 moeten geen schoolraad hebben. Scholen met een participatief samengesteld schoolbestuur/ inrichtende macht moeten evenmin een schoolraad hebben. Het bestuur dient dan wel voor minstens 2/3 te bestaan uit rechtstreeks gekozen vertegenwoordigers van personeel en ouders, waarbij tussen beide groepen een billijk evenwicht dient te zijn. In het secundair onderwijs dienen bovendien de vertegenwoordigers van de leerlingen met raadgevende stem betrokken te worden bij het uitoefenen van de bevoegdheden tot overleg en verplicht advies.

Samenstelling ● ● ●

● ● ●

In het basisonderwijs BaO bestaat de schoolraad uit een gelijk aantal (minstens 2) vertegenwoordigers van ouders, personeel en lokale gemeenschap. In het secundair onderwijs daarenboven uit een gelijk aantal vertegenwoordigers van leerlingen. In het buitengewoon onderwijs oordeelt de inrichtende macht in overleg met de pedagogische raad over de opname van een of meer leerlingen in de schoolraad. Wanneer echter opleidingsvorm 4 wordt aangeboden is die opname verplicht. De directeur is geen lid van de schoolraad, maar woont de vergaderingen bij met raadgevende stem. De vertegenwoordigers van de lokale gemeenschap worden gecoöpteerd bij consensus door de andere geledingen. De andere vertegenwoordigers worden ofwel aangeduid door de respectievelijke ouder-, pedagogische of leerlingenraad, ofwel via verkiezingen door en uit de ouders, personeelsleden of leerlingen.

Bevoegdheden ●

●

De schoolraad heeft recht op informatie, op inzage van documenten en recht om (op eigen vraag of op verzoek) gehoord te worden. De schoolraad heeft zelf ook een communicatie- en informatieplicht over zijn werking. De schoolraad kan ook op elk ogenblik op eigen initiatief advies uitbrengen. Het advies dient gemotiveerd te zijn en geleverd binnen de 21 dagen. Het advies is verplicht over:

○ de bepaling van het profiel van de directeur; ○ het studieaanbod; ○ het aangaan van samenwerkingsverbanden met andere inrichtende machten en externe instanties;

○ de opstapplaatsen en de busbegeleiding van het leerlingenvervoer; ○ het nascholingsbeleid; ○ het beleid inzake experimenten en projecten. ●

Voorafgaand overleg met de schoolraad is nodig bij beslissingen over: www.eurydice.org

79


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

○ het schoolreglement; ○ de lijst van bijdragen die aan de ouders kunnen worden gevraagd en de afwijkingen daarop;

○ ○ ○ ○ ○ ○

het schoolwerkplan; het beleidsplan of –contract met het CLB; jaarplanning van extra-muros- en parascolaire activiteiten; grote en niet-dringende infrastructuurwerken; de criteria voor aanwending van lestijden, uren, uren-leraar en punten; het welzijns- en veiligheidsbeleid op school (complementair aan de bevoegdheid van het Comité voor Preventie en Bescherming op het Werk – zie 2.7.2.6.);

○ duur en tijdstip van stageactiviteiten. De inrichtende macht dient te motiveren waarom zij eventueel van het advies afwijkt. Bij problemen inzake participatie kan op vraag van de schoolraad of het schoolbestuur/inrichtende macht een bemiddelingscommissie worden ingeschakeld. Bestaande uit één persoon aangeduid door de schoolraad, één aangeduid door het schoolbestuur, één in overleg door de andere twee personen. Bij ernstige klachten over het besluitvormingsproces, de bevoegdheden of de niet-gevolgdeprocedure, kan een klacht ingediend worden bij de Commissie Zorgvuldig Bestuur.

Commissie Zorgvuldig Bestuur

2.7.1.3. Het medezeggenschapscollege op het niveau van de scholengemeenschap

Alle basis- en secundaire scholen uit het gesubsidieerd onderwijs en het gemeenschapsonderwijs, met uitzondering van de scholen van het buitengewoon onderwijs type 5, moeten op het niveau van de scholengemeenschap de inspraak van ouders, personeelsleden en leerlingen organiseren. Daartoe moeten alle schoolraden van de scholen behorend tot een scholengemeenschap vertegenwoordigd worden in een medezeggenschapscollege. Dit medezeggenschapscollege moet geraadpleegd worden door de scholengemeenschap telkens deze scholengemeenschap beslissingen op het niveau van de scholengemeenschap voorbereidt over aangelegenheden die de vertegenwoordigde geledingen aanbelangen. Bij beslissingen inzake het rationaliseren van het onderwijsaanbod en beslissingen inzake leerlingenoriëntering en -begeleiding moet deze raadpleging onder de vorm van overleg verlopen.

2.7.1.4. Klassenraden

Van een klassenraad maken doorgaans alle leerkrachten deel uit die in een bepaalde klas lesgeven. De vergaderingen vinden plaats na de gewone lesuren. De klassenraad kan met drie functies worden belast en wordt dienvolgens, naargelang van het geval, aangeduid als respectievelijk ''toelatingsklassenraad'', 'begeleidende klassenraad' en 'delibererende klassenraad' (omzendbrief, S.O. 64). De twee laatste functies zijn het meest belangrijk. In het secundair onderwijs komt 'begeleidende klassenraad' doorgaans samen na een examenreeks of wanneer er een bepaald probleem gesitueerd wordt in de klasgroep of met een bepaalde leerling. De begeleidende klassenraad houdt zich voornamelijk bezig met het bespreken van het klasklimaat (verhoudingen binnen de klas, interesse en medewerking van leerlingen) met het opvolgen, evalueren www.eurydice.org

80


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) en begeleiden van de studievordering en met het gedrag van de leerlingen (bv. door middel van remediëringstaken bij gedrags- of studieproblemen). De 'delibererende klassenraad vindt plaats na de examens van juni en is bevoegd om te beslissen over het al dan niet slagen van een leerling. Deze klassenraad kent attesten, diploma's en getuigschriften toe en geeft advies over de verdere studie van leerlingen.

2.7.1.5. Informele overlegorganen : vakgroepen en personeelsvergaderingen

In vele secundaire scholen wordt structureel overleg gevoerd tussen leerkrachten die verantwoordelijk zijn voor eenzelfde vak(kencluster). De invulling van deze vakgroepen (bv. naar frequentie van vergaderen en aangaande de nagestreefde doelen) behoort tot de autonomie van de individuele school. Een sleutelfiguur in dit verband wordt de vakverantwoordelijke. Deze heeft doorgaans de supervisie over een vakgroep of vakkencluster (hij leidt de vakvergaderingen) en begeleidt beginnende leerkrachten. Een belangrijk overlegorgaan binnen scholen is de personeelsvergadering. Er zijn daaromtrent geen strikte voorschriften en de invulling ervan is dan ook sterk schoolafhankelijk. Bij wijze van voorbeeld verwijzen we naar de volgende beschrijving van de functie van personeelsvergadering op de website van een secundaire school. ''Eénmaal per maand is er, afwisselend op maandag, dinsdag en donderdag, na de schooluren een personeelsvergadering. Alle leraren en secretariaatsmedewerkers dienen daarop aanwezig te zijn. De directeur overloopt daarin de tijdens de schoolraad besproken punten en informeert naar de reactie van de groep. Ook individuele personeelsleden kunnen punten op de agenda laten plaatsen. Eventuele op- of aanmerkingen worden tijdens de vergadering besproken. Na de vergadering wordt er door het secretariaat een verslag verspreid, met een overzicht van de besproken thema's en de genomen beslissingen'' (PSS, 2004).

2.7.2. Participatie en overleg tussen de verschillende actoren in het onderwijsveld De volgende paragrafen inventariseren de belangrijkste Vlaamse participatie- en overlegstructuren die schooloverstijgend ingericht worden.

2.7.2.1. Vlaamse Onderwijsraad (VLOR)

Voor de federalisering van het onderwijs werd zowel het overleg op alle onderwijsniveaus als het overleg met de socio-economische wereld georganiseerd in een aantal Hoge Raden. Al deze raden zijn momenteel door het Decreet van 31 juli 1990 samengebracht in de VLOR (Vlaamse Onderwijsraad) . De VLOR heeft binnen de Vlaamse overheid het statuut van een strategische adviesraad (SA). Vertegenwoordigers uit het hele onderwijslandschap overleggen in de VLOR over het onderwijsbeleid. Op basis daarvan geeft de VLOR adviezen aan de Vlaamse minister van Onderwijs en het Vlaamse Parlement. De Vlaamse Onderwijsraad bestaat uit een Algemene Raad en aparte raden voor de verschillende onderwijsniveaus met deelcommissies : een Raad Basisonderwijs; een Raad Secundair Onderwijs; een Raad Hoger Onderwijs en een Raad Levenslang en Levensbreed Leren. Daarnaast zijn er nog speciale overlegplatforms, themacommissies en sectorcommissies voor het overleg met de vertegenwoordigers van de verschillende socio-economische sectoren. www.eurydice.org

81


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) In de raden zitten vertegenwoordigers van: ●

● ● ● ● ● ●

de inrichtende machten, met inbegrip van de centra voor leerlingenbegeleiding (de koepelorganen GO, OVSG, POV, VSKO, OKO, VCLB); voor het hoger onderwijs vertolken de instellingshoofden (aangeduid door VLHORA en VLIR) de rol van de inrichters van onderwijs; in de Raad Levenslang en Levensbreed Leren zetelen ook vertegenwoordigers van VDAB, SYNTRA Vlaanderen en Socius; het personeel (de onderwijsvakbonden ACOD, COV, COC, VSOA); de ouders (de ouderverenigingenkoepels VCOV, KOOGO, ROGO); de studenten, scholieren en gebruikers (VSK, VVS, cursisten permanente vorming); de socio-economische wereld (Sociaal-Economische Raad voor Vlaanderen,SERV) & sociaalculturele organisaties (Staten-Generaal van het middenveld); ervaringsdeskundigen; directeurs - rechtstreeks verkozen - van BaO, SO, DKO, CBE's CVO's.

De samenstelling van de raden en afdelingen voor elk onderwijsniveau worden per decreet vastgesteld door de Vlaamse regering. De Vlaamse Onderwijsraad heeft bij decreet de algemene bevoegdheid gekregen voor studie, gezamenlijke actie en overleg, op eigen initiatief of op vraag van de minister van Onderwijs en Vorming, omtrent alle onderwijsaangelegenheden waarvoor de Vlaamse Gemeenschap verantwoordelijk is. Meer in het bijzonder moet de minister van Onderwijs, alvorens ermee naar het Vlaams parlement te gaan, een voorafgaand advies van de Vlaamse Onderwijsraad vragen voor alle voorontwerpen van decreet omtrent onderwijsaangelegenheden (met uitzondering van het budget voor onderwijs) en voor rapporten en documenten omtrent het te voeren beleid bestemd voor het Vlaams parlement. De VLOR stimuleerde ook de oprichting en het neemt het secretariaat waar van de EUNEC (European Network of Education Councils), zie http://www.eunec.org. Zie http://www.vlor.be H

H

VLOR, Vlaamse Onderwijsraad

2.7.2.2. Vlaamse Interuniversitaire Raad (VLIR) en Vlaamse Hogescholenraad (VLHORA)

In 1976 is de Vlaamse Interuniversitaire Raad (VLIR) opgericht als een autonoom publiek orgaan met een eigen institutioneel statuut. De raad bestaat uit leden die de Vlaamse universiteiten vertegenwoordigen. Het verdedigt de belangen van de universiteiten en geeft advies aan de Vlaamse regering met betrekking tot aangelegenheden die de universiteiten aangaan (overleg, advies en aanbevelingen). Daarenboven organiseert de raad overleg onder de universitaire instellingen. Na de fusieoperatie van 1995 functioneert sinds 1996 een gelijkaardig orgaan voor de hogescholen: de Vlaamse Hogescholenraad (VLHORA). De VLHORA en de VLIR zorgen ook voor de organisatie en coördinatie van de externe kwaliteitszorg door de zgn. visitaties van opleidingen (zie 9.4.2.). VLIR-UOS is verantwoordelijk voor het beleid en beheer van de internationle samenwerking tussen de 6 universiteiten en 22 hogescholen in Vlaanderen, België en hun partneruniversiteiten in het Zuiden.

VLHORA, Vlaamse Hogescholenraad VLIR, Vlaamse Interuniversitaire Raad www.eurydice.org

82


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

2.7.2.3. Ouderkoepelverenigingen

Veel scholen hebben hun eigen schoolgebonden oudervereniging. Deze verenigingen mengen zich doorgaans niet met het klas- en schoolgebeuren maar hebben enkel tot doel het contact en samenwerking tussen ouders en school, en tussen ouders onderling te bevorderen. De participatie van de ouders gebeurt via de ouderraad, zie 2.7.1.1.. Schooloverstijgend zijn er de ouderkoepelverenigingen die ressorteren onder de onderwijskoepelorganisaties 2.6.4.2. en die de ouders vertegenwoordigen in de VLOR (Vlaamse Onderwijsraad). ●

gemeenschapsonderwijs

○ ROGO, ouderverenigingen van het gemeenschapsonderwijs (een samengaan van het vroegere NVO – Nederlandstalig Verbond van ouderverenigingen en EVO – educatieve vereniging voor ouderwerking

○ www.rogovzw.be Katholiek onderwijs H

●

○ VCOV, Vlaamse confederatie van ouders en ouderverenigingen ○ www.vcov.be H

gesubsidieerd

officieel onderwijsKOOGO, koepelvereniging gesubsidieerd officieel onderwijs

van

ouderwerkingen

in

het

○ www.sip.be/bo/gbs/oudervereniging/koogo.html H

Het Decreet van 5 juni 1996 voorziet in een financiële ondersteuning van de ouderverenigingen, op voorwaarde dat de verenigingen binnen het gemeenschaps- en het gesubsidieerd officiële onderwijsnet enerzijds en die binnen het vrije onderwijsnet anderzijds beslissen om samen te werken. Het decreet voorziet: een financiële basisvergoeding voor administratieve taken, projectgebonden financiële ondersteuning op jaarbasis en een maximum van 5 leerkrachten toegewezen aan de organisaties voor de bevordering van de ouders-schoolrelatie. Het doel van de ouderverenigingen is het vormen van een centrum dat ouders en de lokale ouderverenigingen helpt wegwijs te geraken in de onderwijswereld. Bovendien vertegenwoordigen en verdedigen ze de ideeën en belangen van de ouders naar de overheid en de buitenwereld.

Ouders over scholen KOOGO, Koepel van Ouderverenigingen van het Officieel Gesubsidieerd Onderwijs ROGO, Raad voor Ouders van het Gemeenschapsonderwijs VCOV, Vlaamse Confederatie van Ouders en Ouderverenigingen Decreet betreffende de subsidiëring van ouderkoepelverenigingen

2.7.2.4. Onderwijsvakbonden

De representatieve onderwijsvakbonden, die de personeelsbelangen verdedigen in het officieel overleg en ook participeren binnen de Vlaamse Onderwijsraad (VLOR), zijn gestructureerd volgens de traditionele politieke strekkingen in de Vlaamse samenleving. www.eurydice.org

83


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) ●

● ●

●

ACOD-onderwijs, de Algemene Centrale der Openbare Diensten – Sector Onderwijs (ACOD), maakt deel uit van het ABVV (Algemeen Belgisch Vakverbond) en behoort tot de socialistische beweging. VSOA-onderwijs, het Vrij Syndicaat voor het Openbaar Ambt – Sector Onderwijs (VSOA), maakt deel uit van het ACLVB (Algemene Centrale der Liberale Vakbonden van België). COV, het Christelijk Onderwijzersverbond, maakt deel uit van het ACV (Algemeen Christelijk Vakverbond); het verdedigt de belangen van het personeel in de gesubsidieerde vrije en officiële scholen van het basisonderwijs en van het personeel van de pedagogische begeleidingsdiensten en van de gemeenschapsinspectie. COC, de Christelijke Onderwijscentrale, vertegenwoordigt alle personeelsleden in het secundair en hoger onderwijs (exclusief de universiteiten), het volwassenenonderwijs, het deeltijds kunstonderwijs, de centra voor leerlingenbegeleiding alsook het basisonderwijs van het gemeenschapsonderwijs. Voor de gemeenschappelijke beroepsbelangen van werknemers in de openbare sector coördineren de centrales hun werking via de FCSOD (Federatie van de Christelijke Syndicaten der Openbare Diensten).

Referenties

ACOD, Algemene Centrale der Openbare Diensten - Sector Onderwijs COC, Christelijke Onderwijscentrale COV, Christen Onderwijzersverbond VSOA-onderwijs, Vrij Syndicaat voor Openbare Ambten - Groep Onderwijs

2.7.2.5. Studenten- en leerlingenkoepelverenigingen

Er zijn twee koepelverenigingen (één voor studenten en één voor scholieren) erkend en gesubsidieerd. Zij vertegenwoordigen de studenten en scholieren in de VLOR (Vlaamse Onderwijsraad). De koepelverenigingen brengen op verzoek van de Vlaamse regering advies uit en staan onder controle van de Vlaamse Gemeenschap, departement Onderwijs en Vorming (Decreet van 30 maart 1999). VVS (Vereniging van Vlaamse Studenten) bestaat uit twee centrales: één voor de hogescholen en één voor de universiteiten. De VVS sluit associatieakkoorden met de verschillende studentenorganisaties die de belangen van de studenten vertegenwoordigen aan de verschillende instellingen voor hoger onderwijs afzonderlijk. Er zijn ook andere studentenorganisaties op gemeenschapsniveau, maar deze vertegenwoordigen de studenten niet als geheel. Zie http://www.vvs.ac H

VSK (Vlaamse Scholierenkoepel) is opgericht in 1997-1998 en heeft als doel op te komen voor de belangen van de scholieren in het secundair onderwijs, ongeacht de onderwijsvorm en het net. De basisdoelstellingen zijn leerlingeninspraak en participatie op klas-, school- en beleidsniveau, democratisering van het onderwijs en kinderrechten op school. Zie

Kinderrechtencommissariaat VSK, Vlaamse Scholierenkoepel VVS, Vlaamse Vereniging van Studenten

www.eurydice.org

84


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

2.7.2.6. Participatie omtrent arbeidsvoorwaarden

Voor de onderhandelingen over de arbeidsvoorwaarden werden op verschillende niveaus specifieke overlegorganen gecreëerd, die verschillen naargelang het onderwijsnet en de onderwijssector. We behandelen die afzonderlijk voor het officieel onderwijs 2.7.2.6.1., het gesubsidieerd vrij onderwijs 2.7.2.6.2. en het hoger onderwijs 2.7.2.6.3.. In het onderwijs bestaat de traditie om centrale CAO's (collectieve arbeidsovereenkomsten) af te sluiten. In 2006 werd voor alle onderwijssectoren, behalve die van het hoger onderwijs CAO VIII afgesloten, die tot eind 2009 sociale vrede moet waarborgen en qua uitvoering loopt tot 2011. Bij die besprekingen waren voor het eerst ook de onderwijskoepels betrokken. In de onderwijs-cao VIII - afgesloten 5/10/2006 en lopend tot 2009 - werd overeengekomen: ● ●

●

in 2007 zal een OCSG, OnderhandelingsComité op het niveau van de ScholenGemeenschappen worden opgericht, in alle netten en ook in het basisonderwijs; vanaf het schooljaar 2007-2008 zal een bemiddeling inzake collectief overleg worden georganiseerd voor een proefperiode van 2 jaar. Vakorganisaties, inrichtende machten of hun koepels, en de overheid kunnen bij de bemiddelaars terecht met problemen inzake de toepassing van het syndicaal statuut, de rechten en plichten van de sociale partners en de toepassing van de regels betreffende functiebeschrijving en evaluatie; er zullen teven middelen worden voorzien om de vakbondswerking te ondersteunen en het toezicht op de uitvoering van de cao-afspraken uit te oefenen.

Voor het hoger onderwijs zal een aparte CAO II worden afgesloten. In het ontwerp daarvan worden alvast afspraken voorzien over: ● ● ●

het onthaal, begeleiding, ondersteuning en vorming van nieuwe personeelsleden; een vormingsfonds dat moet leiden tot bijkomende opleidings- en vormingsinitiatieven bovenop de bestaande; een evaluatie van de evaluatieprocedures aan zowel hogescholen als universiteiten.

2.7.2.6.1. Officieel onderwijs

In het officieel onderwijs (gemeenschapsonderwijs, provinciaal en gemeentelijk onderwijs) worden de collectieve arbeidsverhoudingen geregeld via het syndicaal statuut van het overheidspersoneel dat is vastgelegd in de wet van 19 december 1974 en haar uitvoeringsbesluiten (28/2/1984). De materies waarover volgens het syndicaat statuut verplicht en voorafgaandelijk dient te worden onderhandeld zijn: de reglementering betreffende het geldelijk statuut, het administratief statuut, de pensioenregeling, de betrekkingen met de vakorganisaties en de organisatie van de sociale diensten alsook de algemene bepalingen inzake de arbeidsduur, de arbeidsorganisatie en de personeelsformatie. Daartoe werden paritaire organen op verschillende niveaus opgericht. ●

● ●

Op het centrale niveau: Sectorcomité X - Onderwijs (voor het gemeenschapsonderwijs) en het Comité voor de Provinciale en Plaatselijke Overheidsdiensten – Afdeling 2 – Onderafdeling Vlaamse Gemeenschap (voor het gesubsidieerd officieel onderwijs) Op het lokale niveau: Tussenoverlegcomités & BOC's (basisonderhandelingscomités, voorheen basisoverlegcomités). Voor het gemeentelijk onderwijs vinden de onderhandelingen plaats in het ABC, Afzonderlijk Bijzonder Comité (dat los staat van het onderhandelingscomité van het overige gemeentepersoneel). De onderhandelingen worden afgesloten met een protocol. Voor overleg richt men een HOC, Hoog Overleg Comité op, dat zijn besprekingen besluit met een gemotiveerd advies. (OVSG, Gemeentelijk onderwijs organiseren, 2006). www.eurydice.org

85


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) ●

Voor het gemeenschapsonderwijs heeft het Besluit van de Vlaamse regering van 28 augustus 2000 de structuur op het lokale niveau ervan aangepast aan de nieuwe bestuursorganen zoals bepaald in het bijzonder decreet betreffende het gemeenschapsonderwijs en volgende organen opgericht:

○ een basiscomité

▪

per school, voor de materies die tot de bevoegdheid van de schooldirecteur behoren; voorgezeten door de directeur; idem voor een centrum voor leerlingenbegeleiding;

▪

per scholengroep, voor de materies die de personeelsleden betreffend die rechtstreeks onder de scholengroep ressorteren; voorgezeten door de algemeen directeur;

▪

voor de pedagogische begeleidingsdienst, voor de materies die de personeelsleden van de pedagogische begeleidingsdienst betreffen; voorgezeten door de afgevaardigd bestuurder;

○ een tussenoverlegcomité

▪

per scholengroep, voor de materies die de bevoegdheid van één basiscomité van een bepaalde scholengroep overstijgen en die tot de bevoegdheid van de raad van bestuur, de algemene vergadering, de algemeen directeur of van het college van directeurs van de betreffende scholengroep behoren; voorgezeten door de algemeen directeur;

▪

op het centrale niveau, voor de materies die de bevoegdheid van één scholengroep overstijgen en die tot de bevoegdheid van het centrale niveau behoren; voorgezeten door de afgevaardigd bestuurder.

Participatie inzake het welzijnsbeleid (Preventie en Bescherming op het Werk) gebeurt in het gemeenschaps- en gesubsidieerd officieel onderwijs via de BOC's.

2.7.2.6.2. Gesubsidieerd vrij onderwijs

Het gesubsidieerd vrij onderwijs en de vrije centra voor leerlingenbegeleiding vallen niet onder de wet van 19 december 1974. Het Decreet van 5 april 1995 heeft echter een gelijkaardige structuur opgericht. ●

●

Een Overkoepelend Onderhandelingscomité dat is samengesteld uit vertegenwoordigers van de minister van onderwijs, de representatieve onderwijsvakbonden en de inrichtende machten; met bevoegdheid over de materies waarover ook in het syndicaal statuut voor het officieel onderwijs verplicht en voorafgaandelijk dient te worden onderhandeld. LOC's (lokale onderhandelingscomités), paritair samengesteld uit vertegenwoordigers van het personeel en de inrichtende macht. Deze hebben:

○ informatierecht over de tewerkstelling, de inrichtende macht, het financieel beleid en de infrastructuur van de school;

○ onderhandelingsbevoegdheid over de aanvullende regelingen inzake personeelmateries;

○ toezichtsbevoegdheid op de naleving van de sociale wetgeving en van de sociale en administratieve reglementeringen voortvloeiend uit de onderwijswetgeving;

○ bemiddelingsbevoegdheid bij elk geschil of bij elke betwisting van collectieve aard. Het Decreet van 15 juli 2005 betreffende het onderwijs XV regelt de begeleiding van de lokale comités door de representatieve vakorganisaties. De participatie van de werknemers in het welzijnsbeleid gebeurt in het vrij onderwijs via de Comités voor Preventie en Bescherming op het Werk (comité PBW). Deze moeten enkel verplicht www.eurydice.org

86


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) worden ingericht in scholen met ten minste 50 werknemers. In het gemeenschaps- en gesubsidieerd officieel onderwijs worden die bevoegdheden opgenomen door de BOC's.

2.7.2.6.3. Hoger onderwijs

Door het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen werd in elke hogeschool een HOC's (hogeschoolonderhandelingscomité) opgericht en in elk departement daarvan een DOC's (departementaal onderhandelingscomité), zie 2.6.4.5.1.. Voor het hoger onderwijs (hogescholen, universiteiten en associaties) is in 2004 een VOC (Vlaams Onderhandelingscomité voor het hoger onderwijs) opgericht. Dit door het Decreet van 19 maart 2004 en het Besluit van de Vlaamse regering van 21 januari 2005. Het is samengesteld uit een delegatie van de Vlaamse regering en vertegenwoordigers van de erkende vakorganisaties en van de besturen (paritair aangeduid door de VLIR en de VLHORA). Het behandelt de administratieve en geldelijke rechtspositieregeling van het personeel en de regeling van de collectieve arbeidsverhoudingen in het hoger onderwijs, alsook de onderwijsorganisatorische maatregelen met een rechtstreeks effect op de arbeidsduur en/of de organisatie van het werk. Het voorontwerp van een nieuw decreet (eind 2006) bepaalt dat de instellingen voortaan een volwaardige partner zullen zijn in de onderhandelingen en ook mee zullen beslissen over de personeelsmaterie.

2.7.2.6.4. Basiseducatie

Op 15 januari 2007 werd een VOC, Vlaams Onderhandelingscomité basiseducatie opgericht. Tot dan werden de algemene afspraken van de socio-culturele sector gevolgd.

2.7.2.7. Band met de arbeidsmarkt en met de andere opleidingsverstrekkers

Voor het technisch en beroepsonderwijs zijn er de zogenaamde sectorcommissies opgericht voor alle grote segmenten van de arbeidsmarkt (metaalindustrie, textiel, voeding,…) (Wet van 20 september 1948; Geers en Van Weydeveldt, 1994). Binnen het kader van de Vlaamse Onderwijsraad (VLOR) verkennen zij de nieuwe tendensen op de arbeidsmarkt en geven advies over nieuwe geplande initiatieven daaromtrent. In het bijzonder voor het volwassenenonderwijs zijn er permanente werkgroepen opgericht binnen de ERSV's, de Erkende Regionale Samenwerkingsverbanden (de vroegere STC's) . Deze werkgroepen hebben een overlegfunctie en doelen op een intense samenwerking tussen industrie, onderwijs en de werkgelegenheidscentra. Zij hebben daarenboven een formele adviesbevoegdheid met betrekking tot de planning van nieuwe opleidingsprogramma's in het volwassenenonderwijs. De RTC's, Regionale Technologische Centra moeten de terbeschikkingstelling van hoogtechnologische apparatuur aan het onderwijs vergemakkelijken en de samenwerking met VDAB, Syntra en de sectorfondsen bevorderen. Zie verder 5.2. en 5.18.. De lerenden kunnen kiezen tussen het aanbod van diverse opleidingsverstrekkers. Om de lerenden een homogeen vormingsaanbod te kunnen aanbieden en ter afstemming tussen de institutionele opleidingsverstrekkers werd op 31 maart 2003 de DIVA, Dienst Informatie Vorming en Afstemming opgericht;. een samenwerking tussen de beleidsdomeinen Onderwijs en Vorming, Werkgelegenheid, Cultuur en Economie, vertegenwoordigd door het volwassenenonderwijs, de VDAB, SYNTRA Vlaanderen en het Steunpunt voor Sociaal-cultureel Volwassenenwerk (SoCiuS). Zie 7.2.0.5.. www.eurydice.org

87


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) Binnen het departement onderwijs en vorming houdt de DBO, Dienst Beroepsopleiding zich bezig met de beroepsopleiding in de breedst mogelijke context, zie ttp://www.ond.vlaanderen.be/dbo/nl/dbo_algemeen_wat.htm Zie ook secundair onderwijs 5.18., volwassenenonderwijs en beroepsopleiding 7.15., buitengewoon secundair onderwijs 10.6.10..

2.8. Financiering en onderwijsbudget We behandelen achtereenvolgens: ● ● ● ● ● ● ●

De herkomst van de middelen voor onderwijs 2.8.1. De omvang van de middelen voor onderwijs en de budgetposten 2.8.2. De financiering van de verschillende onderwijsnetten 2.8.3. Financiering van de scholeninfrastructuur en scholenbouw 2.8.4. Financiering van de permanente vorming 2.8.5. Financiering van de hogescholen 2.8.6. Financiering van de universiteiten 2.8.7.

Voor de voorwaarden tot financiering zie 2.3.3..

Financiering van onderwijs: een verkenning

2.8.1. Herkomst van de middelen voor onderwijs In 1989 werd het onderwijs in België gecommunautariseerd. Sindsdien zijn het de Vlaamse, de Franse en de Duitse Gemeenschap die het onderwijs financieren. Daartoe kregen deze dotaties van de federale staat,volgens een verdeelsleutel die in 1999 diende aangepast te worden aan het aantal leerlingen aan de hand van bij wet vastgestelde criteria. Deze aanpassing vormde lang een politiek probleem dat geregeld werd door de wet van 23 mei 2000. Enkel het aantal leerlingen van 6 tot 17 jaar oud, die ingeschreven zijn als regelmatige leerling in het lager of secundair onderwijs in een onderwijsinstelling georganiseerd of gesteund door de Vlaamse of de Franse Gemeenschap, worden geteld. De telling heeft plaats op 1 februari en de data worden bekend gemaakt aan het Rekenhof voor 15 de mei van elk jaar. Het Rekenhof controleert de data nauwkeurig. Het Lambermont akkoord (2001) herzag de bijzondere financieringswet van 16 januari 1989 en zorgde o.m. voor meer financiële middelen (afkomstig van BTW-inkomsten en een gedeelte van de personenbelasting). De financiering van het onderwijs van de Duitstalige Gemeenschap wordt geregeld door een aparte wet en gegeven de kleine omvang van deze onderwijssector wordt er rekening gehouden met de specifieke behoeften die in 1990 zijn vastgesteld. http://www2.vlaanderen.be/ned/sites/financien/begrotingsdecreten/recent_goedgekeurde_begrotingsd e.htm H

H

www.eurydice.org

88


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

2.8.2. De omvang van de middelen voor onderwijs en de budgetposten Voor de evolutie van het onderwijsbudget, de verdeling van de middelen over onderwijsnetten, niveaus en uitgavencategories, zie 2.9.7., 2.9.8. en 2.9.9.. Voor de kostprijs per leerling/student zie 2.9.6.. Voor de totale kost moet men naast de onderwijsuitgaven van de federale en gemeenschapsoverheid rekening houden met de (beperkte) financiering door provincies en gemeenten in het gesubsidieerd officieel onderwijs en kerkautoriteiten en private personen in het gesubsidieerd vrij onderwijs. De belangrijkste posten in de begroting van het Vlaamse onderwijs zijn als volgt verdeeld. 2005

%

5.779.444

68,9

736.433

8,7

1.405.315

16,7

Investeringen

244.092

2,9

Andere

218.982

2,6

8.384.266

100

Salarissen (*) Werking Hoger Onderwijs

Totaal Voor details en de evolutie 2004-2006: zie 2.9.9..

(*) Salarissen: alle directeurs, leden van het onderwijzend en paramedisch personeel van het basis en secundair onderwijs, ongeacht het onderwijsnet, worden direct door de Vlaamse Gemeenschap betaald. Elke school wordt een urenpakket (basis- en buitengewoon onderwijs), een aantal urenleerkracht (secundair onderwijs) of een allesomvattend budget (hoger onderwijs) toegewezen, afhankelijk van het aantal studenten, dat kan worden aangewend en verdeeld in overeenstemming met de noden tussen de niveaus, onderwijsvormen, studierichtingen, enzovoort.

Decreet houdende de Middelenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2007

2.8.3. Financiering van de verschillende onderwijsnetten Het probleem van de verdeling van de middelen over de onderwijsnetten heeft continu op de politieke agenda gestaan en is verbonden met twee basisprincipes in de onderwijswetgeving: de vrije schoolkeuze en de leerplicht. Algemeen wordt aangenomen dat het gemeenschapsonderwijs een relatief hogere financiering vereist om zo in staat te zijn onderwijs te organiseren op dezelfde wijze als in de andere grote netten. Daarvoor worden verschillende argumenten ingeroepen: ●

●

omwille van historische redenen heeft het katholiek onderwijs grotere (eigen) activa tot haar beschikking en ontvangt het gesubsidieerd officieel onderwijs bijkomende middelen van de provincies en gemeenten; het officieel onderwijs is verplicht om alle leerlingen te aanvaarden, wat betekent dat dit net een relatief hoger aandeel kinderen opvangt van socio-economisch zwakke gezinnen en kinderen met leermoeilijkheden; www.eurydice.org

89


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) ●

●

de vereiste voor alle officiële scholen om zowel niet-confessionele zedenleer als godsdienstlessen in te lassen resulteert in hogere kosten dan de vrije scholen die enkel godsdienstonderricht geven; het netwerk van gemeenschapsscholen is minder sterk gespreid, waardoor de voordelen van schaalvergroting niet werken.

Bij Decreet van 25 februari 1997 is vastgelegd dat de hoogte van de werkingsmiddelen voor elke leerling in het gesubsidieerd basisonderwijs tussen 75,8% en 76,2% moet liggen van het bedrag van de werkingsmiddelen voor elk leerling van het gemeenschapsbasisonderwijs (de financiering van het onderhoudspersoneel niet inbegrepen). De hervorming van het secundair onderwijs, zoals staat in het Decreet van 14 juli 1998 regelt de verdeling van de werkingsmiddelen tussen het gemeenschaps- en het gesubsidieerd onderwijs op een gelijkaardige manier (artikel 100 van dit decreet). Het Decreet stelt dat de werkingsmiddelen voor elke leerling in het gesubsidieerd vrij secundair onderwijs in 2007, 76% moet zijn van de werkingsmiddelen voor elke leerling in het gemeenschapssecundair onderwijs. De regels en procedures met betrekking tot het financieel beheer opgelegd aan de schoolbesturen verschillen grondig tussen de onderwijsnetten. In het gemeenschapsonderwijs zijn de scholengroepen en de Raad de inrichtende machten (Bijzonder Decreet van 14 juli 1998). De Raad blijft bevoegd voor de definitie van de regels voor de toewijzing van de middelen tussen de scholengroepen. De scholengroepen zelf zijn bevoegd voor het autonoom financieel en materieel beheer van de scholen die tot de scholengroep behoren. Een College van Accountants, aangesteld door de Vlaamse Regering, heeft een controlerende taak over het financieel beleid van de scholengroepen. Het College is tevens belast met het financieel toezicht op de Raad. Het College van Accountants bestaat uit 5 leden en is aangesteld voor 4 jaar. In het gesubsidieerd officieel onderwijs zijn de gemeenten en provincies verantwoordelijk voor het financieel beheer van de scholen. Het budget moet worden goedgekeurd op een hoger niveau - de Bestendige Deputatie (het provinciebestuur) voor het gemeentelijk budget en de Vlaamse regering voor het provinciale budget. Financiële beslissingen op een lager niveau kunnen op hoger niveau worden geschorst wanneer de wetgeving niet wordt nageleefd. De schoolbesturen van het gesubsidieerd vrij onderwijs hebben een grotere autonomie. Zij moeten wel voldoen aan de boekhoudkundige verplichtingen van nieuwe vzw-wetgeving en de controle daarop. Omwille van de bestaande meningsverschillen over de gegrondheid van de 'objectiveerbare verschillen' en omwille van de complexiteit van de materie, waardoor het niet mogelijk was om een objectieve kijk te verwerven, heeft de Vlaamse regering in 1997 beslist om een studie te laten uitvoeren die klaarheid moest brengen in deze materie. Ondertussen zijn de resultaten van deze studie ''Inkomsten en uitgaven van scholen in Vlaanderen. Kwantificering van de objectiveerbare verschillen.'', uitgevoerd door het studiebureau Deloitte en Touche, bekend. De voornaamste conclusie van het rapport is dat het onderwijsnet waartoe een school behoort, weinig verschil maakt in de behoeften aan werkingsmiddelen die ze heeft. Dit betekent dat de huidige grote verschillen in subsidiëring van de scholen naargelang het net waartoe ze behoren, niet gegrond zijn in 'objectiveerbare behoeften'. De studie suggereert dan ook de werkingsmiddelen van scholen gelijk te maken voor de scholen van alle netten en alleen verschillen toe te laten op basis van leerlingenkenmerken (kansarmoede bijvoorbeeld) (Deloitte en Touche, 2001). Gesubsidieerde onderwijsinstellingen, internaten en CLB's die beantwoorden aan de criteria van rationalisatie en –programmatieplannen kunnen voor investeringen beroep doen op de overheid.

www.eurydice.org

90


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

2.8.4. Financiering van de scholeninfrastructuur en scholenbouw

AGIOn, het Agentschap voor Infrastructuur in het onderwijs AGIOn ●

● ● ● ●

●

subsidieert de aankoop, de bouw, de verbouwing én de eerste uitrusting van gebouwen bestemd voor de gesubsidieerde onderwijsinstellingen, centra voor leerlingenbegeleiding en internaten (de subsidies bedragen 70% voor het basisonderwijs BaO en 60% voor andere onderwijsniveaus, CLB's en internaten); financiert de investeringen van de hogescholen; stimuleert en onderneemt net- en beleidsdomeinoverschrijdende samenwerking inzake onderwijsinfrastructuur; coördineert, stuurt en regiseert publiek-publieke en publiek-private samenwerking inzake onderwijsinfrastructuur; verleent een waarborg voor de terugbetaling van kapitaal, intresten en bijhorende onkosten van leningen die werden aangegaan met het oog op de financiering van het nietgesubsidieerde gedeelte van de subsidiabele kostprijs (30% of 40%); beheert de federale leningen aangegaan voor 1 januari 1989, voor het gesubsidieerd vrij en officieel onderwijs.

AGIOn is sinds 1 april 2006 operationeel en werd opgericht bij decreet van 7 mei 2004 in het kader van het overheidsproject Beter Bestuurlijk Beleid (zie 1.2.2. en 2.6.2.1.). Het is de rechtsopvolger van de vroegere DIGO, Dienst infrastructuurwerken van het gesubsidieerd onderwijs (opgericht in 1989) en IVAH, Investeringsdienst voor de Vlaamse Autonome Hogescholen (opgericht in 1994). In 2006 beschikte AGIOn over volgende middelen. Vrij leerplichtonderwijs

88.399.000 €

Officieel leerplichtonderwijs

21.052.000 €

Vrije hogescholen

13.272.000 €

Officiële hogescholen

1.427.000 €

Totaal

124.150.000 €

Daarenboven voorziet de meerjarenbegroting in een bijkomend bedrag van 50 miljoen euro in 2006 en in 2007, 75 miljoen in 2008 en in 2009. Voor de subsidiëring van de Vlaamse basis- en secundaire schoolinfrastructuur in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest kan AGIOn net zoals in de voorbije 3 jaar rekenen op een extra budget (voor de periode 2005-2009) vanuit de Vlaamse Gemeenschapscommissie. Het extra geld komt pas echt vrij op het ogenblik van de betalingen. Het gaat om een globaal richtbedrag van 12,9 miljoen euro. Zie http://www.agion.be H

Inhaaloperatie scholenbouw met nieuw financieringssysteem Op 7 juli 2006 keurde het Vlaams Parlement een decreet inhaaloperatie scholenbouw goed. De investeringsnood voor schoolgebouwen was de afgelopen decennia zo opgelopen (1,9 miljard euro, waarvan ongeveer 1,4 miljard euro via subsidies van de Vlaamse overheid moeten komen), dat hij niet te lenigen was met de reguliere budgetten (150 miljoen per jaar). Daarom werd geopteerd voor een aanvullende alternatieve financieringsmethode, de DBFM-formule (design, build, finance and maintain). Een private vennootschap geselecteerd door de overheid, ontwerpt, bouwt , financiert en www.eurydice.org

91


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) onderhoudt de bouwprojecten. Dat wil ook zeggen dat elk project binnen een bepaalde termijn wordt afgewerkt, voor een vooraf bepaalde prijs. Ook de grotere herstellingen moeten door de vennootschap gebeuren. De vennootschap zal 1 miljard euro investeren en moet ervoor zorgen dat alle geselecteerde projecten snel gerealiseerd worden, tussen 2007 en 2011. In ruil krijgt ze gedurende 30 jaar een beschikbaarheidsvergoeding van de scholen, die wel onmiddellijk eigenaar worden. De vergoeding wordt gesubsidieerd of gefinancierd door het AGIOn (Vlaams Agentschap voor Infrastructuur in Onderwijs), volgens de spelregels die vandaag gelden voor subsidiëring of financiering van scholenbouw, d.w.z. voor 100%, 70% of 60%. De vennootschap kan alleen uit financiële partners bestaan. Voor het uitvoeren van de bouwprojecten zal concurrentie georganiseerd worden tussen aannemers. Het decreet bevat ondermeer de procedure om een vennootschap aan te duiden. De selectie van de projecten gebeurde door de decretaal vastgelegde ad hoc-commissie, samengesteld uit vertegenwoordigers van de netten, de Vlaamse Bouwmeester en de administratie, onder voorzitterschap van de voormalig directeur-generaal van de administratie hoger onderwijs. De projecten werden geselecteerd op basis van criteria vastgelegd door de Vlaamse regering. Uit de 322 kandidaat-projecten werden 211 geselecteerd, waaronder 29 projecten die model kunnen staan voor de school van de toekomst. ● ●

http://www.ond.vlaanderen.be/nieuws/2006p/files/1124-scholenbouw-bijlage1.pdf http://www.ond.vlaanderen.be/nieuws/2006p/files/1124-scholenbouw-bijlage2.pdf H

H

De Vlaamse Bouwmeester zal samen met de vennootschap en de betrokken inrichtende macht de ontwerpen beoordelen. Bij gewone projecten moet de Bouwmeester een verplicht advies leveren, bij modelprojecten moeten de drie partijen unaniem beslissen. Hier heeft de Bouwmeester dus medebeslissingsbevoegdheid. Ter ondersteuning werd een handleiding en een website met o.m. goede schoolvoorbeelden (uit Vlaanderen én Europa) uitgebouwd; zie http://www.scholenbouwen.be/ H

De nieuwe gebouwen zullen zeer energiezuinig ingericht worden en aan strenge isolatienormen moeten voldoen. Voor rationeel energiegebruik wordt van 2007 tot 2011 elk jaar 20 miljoen euro extra voorzien binnen het reguliere budget. Het onderhoudspersoneel dat in 2006 in de scholen werkte werd buiten de publiek-private samenwerking (PPS) gehouden.

De school als ontwerpopgave. Schoolarchitectuur in Vlaanderen “Aanbevelingen bij de inhaaloperatie in de scholenbouw (2006-2010).

1995-2005”

met

katern

AGIOn, Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs (voorheen DIGO) Decreet betreffende de de inhaalbeweging voor schoolinfrastructuur Decreet tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid "Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs"

2.8.5. Financiering van de permanente vorming

OSP De CVO's, Centra voor Volwassenenonderwijs worden gefinancierd op basis van historisch vastgestelde bedragen waardoor ook verschillen tussen centra bestaan. Het volwassenenonderwijs (OSP) kent alleen een overheidsfinanciering van de personeelsleden. De centra ontvangen geen werkingsbudgetten. Ze ontvangen wel voor de cursisten vrijgesteld van inschrijvingsgeld een minimale

www.eurydice.org

92


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) compensatie van de overheid voor het gederfde inschrijvingsgeld. Voor de begroting, zie 2.9.8.. Het nieuwe decreet op het volwassenenonderwijs hervormt deze financiering, zie 7.2.0.2..

Basiseducatie De basiseducatie is gefinancierd via een stelsel van enveloppefinanciering. Het werk in de CBE's, Centra voor Basiseducatie wordt gefinancierd op basis van een globaal bedrag (enveloppe) per deelnemersuur. Het bedrag dekt de volledige loonkost en de organisatiekosten van de centra voor het volume van erkende deelnemersuren. Het VOCB ontvangt jaarlijks een globale toelage. Deze toelage is berekend op basis van de personeelskosten, werkingskosten en een bedrag voor de financiering van experimentele of tijdelijke projecten. De Vlaamse regering legt ook het aantal deelnemersuren vast waarop de CBE's, Centra voor Basiseducatie in een kalenderjaar voor subsidiëring aanspraak kunnen maken. Voor de begroting zie 2.9.8.. Het nieuwe decreet op het volwassenenonderwijs hervormt deze financiering, zie 7.2.0.2..

Beroepsopleiding VDAB De VDAB is een Extern Verzelfstandigd Agentschap (zie 1.2.2.). De werking van de VDAB wordt grotendeels gefinancierd door de Vlaamse overheid. In dit kader sluit de VDAB met de Vlaamse Regering een Beheersovereenkomst af. Naast de dotatie van de Vlaamse Gemeenschap zijn er ook inkomsten van de Europese Unie en uit facturatie aan werkgevers.

Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen Het agentschap SYNTRA Vlaanderen wordt gesubsidieerd en beschikt over eigen inkomsten. Het erkent en subsidieert de regionale centra. De centra ontvangen een werkings- en een investeringssubsidie. ●

●

De werkingssubsidie omvat de subsidie leertijd, de subsidie gecertificeerde en nietgecertificeerde opleidingen en desgevallend een subsidie projectfinanciering. Ze wordt berekend op het aantal cursistlesuren van die cursisten die deelnemen aan het examen. De investeringssubsidie omvat de subsidie voor het huren, de nieuwbouw of de verwerving en het eigenaarsonderhoud van de gebouwen. Inbegrepen in de werkingssubsidie zijn de subsidie voor de organisatie van de examens en de subsidie voor de uitrusting. Met uitzondering van de projectfinanciering worden de subsidies uitgekeerd in vier schijven. Hiertegenover een organisatieplan (zie 7.2.3.).

Deeltijds kunstonderwijs DKO De academies voor deeltijds kunstonderwijs ontvangen een lesurenpakket op basis van het leerlingenaantal geteld op 1 februari van het voorafgaande schooljaar. Daarnaast betaalt de Vlaamse Gemeenschap ook werkingsmiddelen uit. Voor de begroting zie 2.9.8..

Landbouwvorming De erkende centra voor landbouwvorming dienen jaarlijks een jaarprogramma in ter kennisgeving van het aantal uren waarvoor subsidie zal aangevraagd worden. De minister keurt de programma’s goed in functie van de beschikbare begrotingsmiddelen. De centra dienen per opleiding een subsidieaanvraag in (via internet). Zij ontvangen als enige tussenkomst een forfaitaire subsidie per lesuur, die opgesplitst is in een lesgeververgoeding en een werkingstoelage. Een opleiding is maar www.eurydice.org

93


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) subsidieerbaar als zij aan de subsidievoorwaarden voldoen, zoals bijvoorbeeld een voldoende aantal deelnemers aantrekken.

www.eurydice.org

94


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

Sociaal-cultureel volwassenenwerk

Enveloppenfinanciering

De overheid stuurt de sociaal-culturele organisaties in de door haar gewenste richting door ze financieel te ondersteunen. Het decreet vormt de wettelijke basis voor de structurele subsidie die zij krijgen indien ze aan de voorwaarden voldoen. Het nieuwe decreet maakt niet langer strikt onderscheid tussen de subsidies voor personeelskosten, werkingskosten en basiskosten. De organisaties krijgen een enveloppe. Indexaanpassingen en eventuele sancties niet te na gesproken, gaat het jaarlijks om hetzelfde bedrag gedurende een beleidsperiode. Vermits het decreet bepaalt dat elke organisatie over een minimum aan personeel moet beschikken - dit minimum varieert naargelang de werksoort is de besteding van de enveloppe niet geheel vrij. Voor de verenigingen en sommige vormingsinstellingen geldt bovendien dat ze minstens 2/3 van het subsidiebedrag aan personeelskosten moeten besteden. Anders dan vroeger moet het subsidiebedrag niet volledig worden uitgegeven in het jaar waarvoor het werd toegekend. Organisaties mogen een reserve aanleggen, mits ze het geld in de lopende beleidsperiode effectief uitgeven en ze deze werkwijze in hun beleidsplan hebben verantwoord. Basis en variabel bedrag

De enveloppe die verenigingen en gespecialiseerde vormingsinstellingen krijgen, bestaat uit een basisbedrag en een variabel bedrag. Het basisbedrag houdt rekening met de grootte van de organisaties (aantal afdelingen voor de verenigingen, aantal cursusuren over het thema voor de gespecialiseerde vormingsinstellingen) vóór het decreet 2003. Op basis van de beoordeling van het beleidsplan van deze organisaties door de administratie en door een adviescommissie kan dit bedrag vermeerderen of verminderen. De bewegingen krijgen een bedrag op basis van de beoordeling van hun beleidsplan. In het decreet staan minimum- en maximumbedragen per organisatie en het totale bedrag dat voor de bewegingen wordt gereserveerd, ingeschreven. De volkshogescholen krijgen vanaf 2005 1,5 euro per inwoner in hun werkgebied, onafhankelijk van hun realisaties of de kwaliteit van hun beleidsplan. Andere subsidies

Geen enkele organisatie komt rond met het subsidiebedrag dat ze als sociaal-culturele volwassenenorganisatie van de minister van Cultuur krijgt. Organisaties vullen dit bedrag aan met eigen inkomsten (zoals bijdragen van deelnemers en giften) én met andere subsidies. Het gaat om provinciale subsidies (elke provincie heeft een eigen reglement), subsidies van andere Vlaamse of federale ministers (als het thema of de doelgroep van de organisatie aansluit bij een ander beleidsdomein) en Europese projectsubsidies.

Decreet betreffende de herziening van de financiering van de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap en begeleidende bepalingen.

2.8.6. Financiering van de hogescholen Het Decreet op de hogescholen van 13 juli 1994 legt een totaalbedrag voor alle hogescholen vast, dat geïndexeerd wordt overeenkomstig de stijging van de loonkost en de prijzen. In het begrotingsjaar 2005 was dat bedrag gelijk aan 536.011.719,26 euro verhoogd met aanvullende middelen (5.602.000 euro) voor de omvorming van hogeschoolopleidingen naar de bachelor-masterstructuur (en voor de wijze waarop ze bij die omvorming de innovatie en flexibilisering van het onderwijs gestalte geven) en www.eurydice.org 95


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) met extra middelen (10,9 miljoen euro in 2005) voor de academisering van de opleidingen van twee cycli. Vooraleer er een verdeling tussen de hogescholen kan worden uitgevoerd, doet men een voorafname om bepaalde kosten te dekken. Het gaat om kosten waar de regering nog steeds direct in tegemoet komt, zoals de loonkosten voor een deel van het personeel. Na deze voorafname blijft er een globaal bedrag over voor de werkingsuitkeringen van de hogescholen. Het bedrag is per hogeschool bepaald op basis van de volgende criteria: ● ● ●

het historisch forfait: de kost van de hogeschool in het verleden; de studentenaantallen (vijfjaarlijks gemiddelde); de onderwijsbelasting: een combinatie van studentenaantallen (driejaarlijks gemiddelde) en van de puntgewichten toegekend aan de opleidingen. Vier groepen worden onderscheiden waaraan de volgende gewichten worden toegekend:

○ 1 : handelswetenschappen en bedrijfskunde, opleidingen van twee cycli van de studiegebieden audiovisuele en beeldende kunst, muziek en dramatische kunst en de opleiding van 1 cyclus van het studiegebied muziek en dramatische kunst,

○ 1,2 : toegepaste taalkunde en opleidingen van één cyclus in industriële wetenschappen en technologie en nautische wetenschappen,

○ 1,4 : architectuur, biotechnologie, sociaal-agogisch werk, opleidingen van twee cycli in de industriële wetenschappen en technologie en nautische wetenschappen en de opleidingen van één cyclus van het studiegebied audiovisuele en beeldende kunst,

○ 1,6 : productontwikkeling, gezondheidszorg en onderwijs. Binnen de werkingsuitkeringen vallen ook de kosten voor samenwerkingsakkoorden en associaties.(Decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen). Met ingang van het academiejaar 2004-2005 zijn enkel de bachelor- en masteropleidingen die voorkomen in het hoger onderwijsregister financierbaar, alsook de basisopleidingen die in afbouw zijn. De Vlaamse Gemeenschap verstrekt ook investeringsuitkeringen. Investeringsuitkeringen begrotingsjaar 2005 in euro Vlaamse Autonome hogescholen

7.561.000

Gesubsidieerde officiële hogescholen

1.315.000

Gesubsidieerde vrije hogescholen

12.222.000

AGIOn [zie 2.8.2.] beheert deze middelen. Het college van algemeen directeurs van de hogescholen beslist hierover. Bovendien subsidieert de Vlaamse regering jaarlijks het projectmatig wetenschappelijk onderzoek van het hoger professioneel onderwijs. Daarvoor waren in 2005 twee subsidie-enveloppes beschikbaar van 3 en 4,5 miljoen euro. In 2004 en 2005 werden tevens aan sommige hogescholen forfaitaire bedragen toegekend voor de overname van sommige afdelingen van het onderwijs voor sociale promotie door de betreffende hogescholen. De regering subsidieert ook de sociale voorzieningen van de hogescholen (voor goedkope restaurants, huisvesting enz.). Deze subsidies zullen in 2007 gelijkgetrokken worden met de universiteiten. Dat verschil wegwerken zal op jaarbasis 11 miljoen € kosten. De hogescholen zijn gerechtigd om inschrijvingsgeld te vragen. Het decreet betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap bepaalt dat de hogescholen een inschrijvingsgeld mogen www.eurydice.org

96


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) vragen van minimum € 62 en maximum € 360 per jaar voor een student die geen recht heeft op een studiebeurs. De hogescholen genieten een grote mate van autonomie omtrent het beleid dat zij willen volgen met het toegewezen geld. Zij zijn echter wel gebonden door een aantal decretale voorschriften, zoals inzake de aanwerving en benoeming van personeelsleden. De naleving van deze regels wordt gecontroleerd door een Commissaris van de Vlaamse regering en een inspecteur van financiën. De commissaris kan in beroep gaan tegen een beslissing van de hogeschool en dan moet de Vlaamse regering de beslissing beoordelen. Net zoals de universiteiten moeten de hogescholen regels opstellen voor de interne verdeling van de middelen. De financiering van het hoger onderwijs werd bevroren in afwachting van het nieuwe financieringsysteem voor het gehele hoger onderwijs (hogescholen, universiteiten en associaties) waarvan het decreet gepland is voor 2007.

Decreet betreffende de studiefinanciering en studentenvoorzieningen in het hoger onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap

2.8.7. Financiering van de universiteiten In de financiering van de universiteiten wordt een onderscheid gemaakt tussen werkingsmiddelen, investeringen en sociale voorzieningen voor studenten. Het Decreet van 12 juni 1991 had o.m. als doel om meer autonomie en lokale financiële verantwoordelijkheid te geven aan de universiteiten. Vanaf dan werden universiteiten voor 50% gefinancierd in functie van het aantal studenten op 1 februari van het voorgaande academiejaar (waarbij verschillende gewichten werden toegekend naargelang de aard van het studieveld – 1 voor menswetenschappen, 2 voor kandidaturen toegepaste een biomedische wetenschappen en 3 voor de 2e cyclus daarvan). De andere 50% was vast en varieerde in functie van de index van consumptieprijzen en de loonkosten. Op die manier werden de uitgaven stabieler en werd langetermijnplanning mogelijk. Vanaf dan is het financieringssysteem regelmatig op kleine punten aangepast door verschillende decreten. Als gevolg van de ongelijke groei in het aantal onderwijsbelastingseenheden in de universiteiten, ontstond er in de verschillende universiteiten een ongelijke financiering per student. Artikel 96 van het decreet van 14 juli 1998 betreffende Onderwijs IX poogde dit probleem te corrigeren door het verdelen van een extra bedrag. Dit decreet veranderde ook de financiële formule. Maar om een optimalisatie en rationalisatie van het universitair onderwijsaanbod te kunnen realiseren is een nieuwe financieringswijze nodig (zie 2.8.8.). In afwachting daarvan is een overgangsperiode ingesteld van 2001 tot 2004 (Decreet van 7 december 2001), later tot 2006 (Decreet van 24 juni 2005) waarbinnen de financiering onafhankelijk is van fluctuaties in studentenaantallen. In 2007 komt er een overgangssysteem sterk gelijkend op 2006 maar met extra middelen voor de snel groeiende instellingen. De universiteiten genieten van een zekere mate van autonomie wat betreft het financieel beleid. Het naleven van de wet wordt evenwel opgevolgd door een Commissaris van de Vlaamse Regering en een financieel inspecteur. De Commissaris kan in beroep gaan tegen een beslissing van de universiteit, waarover de Vlaamse regering moet beslissen. De Vlaamse regering geeft sinds september 2002 (Besluit van 13/09/02) ondersteuning aan de Interface-activiteiten van de universiteiten. Interface-activiteiten zijn activiteiten ter bevordering van: ● ●

de samenwerking tussen de universiteiten en bedrijven; de economische valorisatie van het universitair onderzoek; www.eurydice.org

97


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) ●

de oprichting van spin-off bedrijven door de universiteiten.

De Interfacediensten moeten om de 5 jaar een beleidsplan opstellen waarin de hoofdlijnen worden geschetst van het gevoerde valorisatiebeleid en de aanwending van de financiële steun. Dit beleidsplan moeten ze voorleggen aan het IWT-Vlaanderen. De financiering van de universiteiten zal grondig worden georganiseerd door het nieuwe financieringsysteem voor het gehele hoger onderwijs (hogescholen, universiteiten en associaties) waarvan het decreet gepland is voor 2007.

2.8.8. Financiering van het geïntegreerd hoger onderwijs De krijtlijnen voor een nieuw financieringssysteem voor het ganse hoger onderwijs (hogescholen, universiteiten en associaties) zijn uitgetekend en alvast goedgekeurd door de Vlaamse Regering; in de loop van 2007 zullen ze vertaald worden in een decreet. Het zal gelden voor het hele hoger onderwijs. Enkel de lerarenopleidingen (aan hogescholen en universiteiten) zullen een apart decreet krijgen. De doelstellingen zijn: ● ● ● ● ● ● ● ●

het bevorderen van de participatie aan en succesvolle uitstroom uit het hoger onderwijs; verhoging van het rendement van de studietrajecten en responsabilisering van de instellingen voor hun studievoortgangbeleid; verhoogde democratisering en toegankelijkheid; verhoging van de kansen op hoger onderwijs voor jongeren van allochtone afkomst; een meer doelmatig en gerationaliseerd onderwijsaanbod; financiering van flexibeler trajecten, maar rekening houdende met studievoortgang en succesvolle uitstroom; de academisering van de vroegere hogeschoolopleidingen van twee cycli doen slagen; de kwaliteit van het wetenschappelijk onderzoek stimuleren.

In functie van eenvoud en transparantie werd gekozen voor 3 deelbudgetten (en niet langer een volledige integratie zoals in de concept- en vervolgnota was voorzien; die zal wellicht pas mogelijk zijn na afloop van het academiseringsproces in 2012). In elk deelbudget is een vaste sokkel onderwijs en een variabel deel onderwijs voorzien. ●

● ●

Een deelbudget voor de academische opleidingen aan de universiteiten, waarin bovendien een sokkel onderzoek en een variabel deel onderzoek is voorzien; dat onderzoeksdeel zal 45% bedragen van het deelbudget; Een deelbudget voor de academisch gerichte opleidingen aan de hogescholen, met onderzoeksmiddelen buiten dit financieringsmodel; Een deelbudget voor de professioneel gerichte opleidingen aan de hogescholen uitgezonderd de studiegebieden van het hoger kunstonderwijs.

Per instelling zal de eerste geldstroom bestaan uit verschillende delen. ●

Een aanmoedigingsfonds voor beleidsspeerpunten, een vorm van 'incentive funding' op basis van een beheersovereenkomst;

○ het is de bedoeling dit fonds in te zetten voor het realiseren van met elke instelling afgesproken doelstellingen op het vlak van het aanmoedigen van gelijke kansen en diversiteit in het hoger onderwijs;

○ de eerste beheersovereenkomst zou een looptijd hebben van 3 jaar, daarna telkens voor een periode 5 jaar; vanaf de 3e periode zullen resultaatindicatoren de financiering vanuit het aanmoedigingsfonds sturen; het totale bedrag van het fonds zal evenwel constant blijven; www.eurydice.org

98


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

○ in 2008 zal het fonds 3 miljoen € kunnen besteden, vanaf 2009 6 miljoen €. ●

Een vaste forfaitaire onderwijssokkel, onafhankelijk van studentenaantallen

○ de totale onderwijssokkel voor alle universiteiten en hogescholen samen zal 100 miljoen euro bedragen;

○ dit bedrag wordt verdeeld volgens het totaal aantal opgenomen studiepunten door studenten met een diplomacontract met het oog op het behalen van een diploma van bachelor en master (initiële opleidingen); het wordt daarna geventileerd naar de deelbudgetten;

○ de associaties krijgen elk een forfaitair bedrag van 100.000 euro in te schrijven op een afzonderlijke budgetpost (de associatiesokkel);

○ om voor de onderwijssokkel in aanmerking te kunnen komen dient een minimale

●

instellingsnorm van 90.000 opgenomen studiepunten in de bachelor- en masteropleidingen te worden gehaald; vanaf 2009 kan daarop gedurende maximaal 3 opeenvolgende jaren een tolerantie van 10% worden toegepast om fluctuaties in de studentenpopulatie op te vangen; instellingen die de minimale instellingsnorm niet halen kunnen een 'economische unie' aangaan met een referentie-instelling, teneinde het variabel onderwijsdeel samen te voegen en middelen doorgestort te krijgen van de referentie-instelling. Een variabel onderwijsdeel

○ de opleidingen die hiervoor in aanmerking komen zijn:

▪ ▪ ▪ ▪

de geaccrediteerde initiële bacheloropleidingen; de geaccrediteerde initiële masteropleidingen; de schakelprogramma's; de voorbereidingsprogramma's;

○ de postinitiële bacheloropleidingen (de bachelor-na-bacheloropleidingen) worden aan de helft van de initiële bacheloropleidingen gefinancierd, maar de Vlaamse Regering zal daarvan kunnen afwijken; alvast voor het studiegebied onderwijs zal de minister zelf een afwijking voorstellen;

○ de postinitiële masteropleidingen (master-na-masteropleidingen) worden in principe niet meer gefinancierd; maar ook daar zal de Vlaamse regering kunnen afwijken, zij het enkel voor opleidingen van uitzonderlijk hoog wetenschappelijk belang waarvoor bovendien geen koopkrachtige vraagzijde kan worden ontwikkeld;

○ voor deze postinitiële bachelor- en masteropleidingen kunnen de instellingen alternatieve financieringsbronnen aanboren met inbegrip van een hoger studiegeld (voor de gefinancierde opleidingen maximaal het dubbel, voor de niet-gefinancierde een studiegeld dat ten hoogste gelijk is aan de kost voor de organisatie van de betreffende opleiding);

○ voor financiering komen zowel diploma- als creditcontracten in aanmerking, echter geen examencontracten;

○ de eerder voorgestelde outputfinanciering heeft een heel debat op gang gebracht en kreeg ondertussen een sterkere empirische onderbouwing; gezien de grootte van de instroomverschillen werd de voorgestelde outputfinanciering aangepast en werd ook het aanmoedigingsfonds aangewend om de instellingen te stimuleren nieuwe doelgroepen aan te boren en de studiekeuze beter te begeleiden en de studenten beter te ondersteunen;

○ diplomacontracten zullen gefinancierd worden op basis van input én outputgegevens:

▪

startende studenten worden gefinancierd op inputbasis tot ze in één opleiding 60 studiepunten verworven hebben;

▪

vanaf het 61e studiepunt wordt de instelling gefinancierd op basis van verworven studiepunten (output); een studiepunt is een maatstaf voor studiebelasting en komt overeen met 25 tot 30 uur studeren; www.eurydice.org 99


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

▪ ▪

de inputfinanciering geldt bovendien enkel voor een bacheloropleiding; als de student zich in de loop van het academiejaar heroriënteert en zich in een andere opleiding met diplomacontract inschrijft krijgt ook die instelling het aantal studiepunten waarvoor de student inschrijft als input, zo wordt heroriëntering niet bestraft;

○ creditcontracten zullen enkel gefinancierd worden op basis van outputgegevens (verworven studiepunten);

○ bovendien zijn verschillende wegingen van studentenkenmerken voorzien:

▪

studenten met een beurs en studenten met functiebeperkingen wegen zwaarder door (factor 1,5);

▪

er wordt nog onderzocht of ook het diploma van de moeder als 'studentenkenmerk' en het studeren als 'werkstudent' als wegingsfactor technisch realiseerbaar is;

○ elk uitgereikt diploma van een professionele bachelor en initiële masteropleiding levert een diplomabonus van 30 studiepunten op (als de student de helft van de studiepunten van de betreffende opleiding in de betreffende instelling heeft verworven);

○ op het volume van de studiepunten zullen ook wegingscoëfficiënten van studiegebieden worden toegepast;

○ er zijn ook bonussen voor de instellingen voorzien ter bevordering van de doelmatigheid

▪

per studiegebied of opleiding zal bepaald worden hoeveel opleidingen idealiter aangeboden mogen worden in de Vlaamse hogeronderwijsruimte (referentienorm) en hoeveel er maximaal mogen zijn (tolerantienorm). Met deze richtnormen in het achterhoofd moeten de instellingen samen per studiegebied een rationalisatieplan opstellen. Het al dan niet hebben van een rationalisatieplan dat is goedgekeurd door de Vlaamse Regering wordt gekoppeld aan het al dan niet krijgen van extra middelen;

▪

voor gezamelijke opleidingen van instellingen wordt een bonus voorzien; het volume aan studiepunten wordt aan beide instellingen toegekend;

▪

●

bij stopzetting van opleidingen wordt in een uitdovende overgangsfinanciering voorzien (met daarenboven een rationalisatiebonus, mits goedgekeurd reorganisatieplan voor het betrokken personeel). Een vaste onderzoekssokkel

○ die bedraagt 90 miljoen €; ○ het bedrag wordt verdeeld onder de universiteiten op basis van het aantal ●

(ongewogen) doctoraten en het aantal publicaties, met een onder- en bovengrens. Een variabel onderzoeksdeel dat onder de universiteiten zal worden verdeeld op basis van:

○ het aantal academische en academisch gerichte bachelor- en initiële masterdiploma's uitgereikt door de universiteiten en de hogescholen die deel uitmaken van de associatie;

○ het aantal uitgereikte diploma's van doctor; ○ het aantal publicaties en citaties volgens criteria die ook meespelen bij de verdeling van middelen uit het Bijzonder onderzoeksfonds (BOF). Om geen plotse schokken in de financiering van de instellingen te veroorzaken, wordt het systeem bovendien geleidelijk ingevoerd. Daarnaast is het principe van de “verevening” in het leven geroepen. Dat zegt dat elke instelling na de hervorming op zijn minst het bedrag van 2007 behoudt (maar dat bedrag mag nooit meer dan 90% zijn van het bedrag berekend volgens het financieringsmodel). Alleen instellingen die onder de minimale instellingsnorm voor de onderwijssokkel vallen, kunnen middelen verliezen.

www.eurydice.org

100


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

Leerkrediet voor studenten Om de verantwoordelijkheid van de studenten voor studievoortgang uit te drukken wordt voorzien in een individueel leerkrediet voor elke student in het hoger onderwijs. Bij de start in het hoger onderwijs krijgt elke student vanaf het academiejaar 2007-2008 een leerkrediet van 140 studiepunten. Bij inschrijving wordt het aantal opgenomen studiepunten afgetrokken van het krediet. Verworven studiepunten komen terug bij dit krediet, de eerste 60 zelfs tweemaal (in geval van diplomacontract, niet voor een creditcontract). Dat is een extra reserve voor wie zich herpakt. Studenten zonder leerkrediet zijn niet financierbaar. De instellingen kunnen zelf beslissen of ze hen nog inschrijven en ze mogen maximaal een dubbel inschrijvingsgeld vragen. Voor inschrijving in een schakelprogramma of voorbereidingsprogramma wordt het leerkrediet niet gebruikt. Bij het behalen van een masterdiploma wordt het initiële leerkrediet van 140 studiepunten opnieuw afgetrokken van het leerkrediet. De invoering van het leerkrediet vergt ook de ontwikkeling van een centrale online studentendatabank.

Budget Met het bestaande financieringsmodel wordt momenteel 1,2 miljard € verdeeld. De middelen in het nieuwe model zullen tussen 2007 en 2010 toenemen met ongeveer 34 miljoen €. De extra middelen voor academisering van de hogeschoolopleidingen zijn daar niet in opgenomen, dat bedrag loopt op van 16 miljoen € in 2006 tot 30 miljoen € in 2009. Tegen 2009 zullen ook 10 miljoen extra voor sociale voorzieningen beschikbaar zijn.

2.9. Statistieken 2.9.1. Schoolbevolking in het voltijds onderwijs naar inrichtende macht en geslacht, schooljaar 2005-2006

IntercomGem. VGC munale

GO!

Vrij ond.

Prov.

J

M

Totaal

Gewoon

32.406

147.480

117

52.706

-

- 118.706 114.003

232.709

Buitengewoon

537

1.136

-

101

47

-

591

1.821

Totaal kleuteronderwijs

32.943

148.616

117

52.807

47

- 119.936 114.594

234.530

Gewoon

53.522

248.114

241

87.096

-

- 195.409 193.564

388.973

Buitengewoon

5.910

16.565

664

3.546

68

-

10.053

26.753

Totaal lager onderwijs

59.432

264.679

905

90.642

68

- 212.109 203.617

415.726

TOTAAL BASISONDERWIJS

92.375

413.295

1.022 143.449

115

- 332.045 318.211

650.256

BASISONDERWIJS Kleuteronderwijs

1.230

Lager onderwijs

www.eurydice.org

16.700

101


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

IntercomGem. VGC munale

GO!

Vrij ond.

Prov.

J

M

Totaal

511

758

111

304

-

-

940

744

1.684

1ste leerjaar A

9.534

50.064

1.045

2.011

15

-

31.438

31.231

62.669

1ste leerjaar B

2.120

5.559

462

766

13

-

5.007

3.913

8.920

2de leerjaar

8.926

48.441

1.134

2.016

15

-

30.187

30.345

60.532

2de leerjaar BVJ

3.297

7.787

724

1.232

31

-

7.263

5.808

13.071

Totaal 1ste graad

23.877

111.851

3.365

6.025

74

-

73.895

71.297

145.192

Algemeen

10.657

52.370

303

1.418

-

-

29.726

35.022

64.748

Technisch

5.283

35.806

2.106

2.269

34

-

26.163

19.335

45.498

Kunst

515

1.340

346

499

-

-

941

1.759

2.700

Beroeps

7.636

19.223

1.835

2.502

80

-

17.215

14.061

31.276

Totaal 2de graad

24.091

108.739

4.590

6.688

114

-

74.045

70.177

144.222

Algemeen

8.084

42.077

291

1.065

-

-

22.422

29.095

51.517

Technisch

5.626

36.107

2.096

2.181

46

-

26.169

19.887

46.056

Kunst

530

1.494

371

599

-

-

1.116

1.878

2.994

Beroeps

9.100

25.868

2.274

2.821

71

-

21.599

18.535

40.134

Totaal 3de graad

23.340

105.546

5.032

6.666

117

-

71.306

69.395

140.701

-

246

-

-

-

-

48

198

246

-

246

-

-

-

-

48

198

246

- op niveau 2de en 3de graad

216

2.033

166

920

-

-

1.645

1.690

3.335

- op niveau 4de graad

288

3.428

347

107

-

-

592

3.578

4.170

Totaal gewoon secundair

72.323

332.601 13.611

20.710

305

- 222.471 217.079

439.550

Totaal buitengewoon secundair

3.988

301

1.662

103

256

6.672

17.801

TOTAAL SECUNDAIR ONDERWIJS

76.311

344.092 13.912

22.372

408

256 233.600 223.751

457.351

TOTAAL BASIS- EN SECUNDAIR ONDERWIJS

168.686

757.387 14.934 165.821

523

256 565.645 541.962 1.107.607

SECUNDAIR ONDERWIJS Anderstalige nieuwkomers 1ste graad

2de graad

3de graad

4de graad

Totaal 4de graad modulair onderwijs

11.491

www.eurydice.org

11.129

102


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

J

M

Totaal

Professioneel gerichte bachelor en basisopleidingen van één cyclus

32.272

45.434

77.706

Academische opleidingen en basisopleidingen van twee cycli en HOKT SP

14.632

10.029

24.661

26.501

32.671

59.172

73.405

88.134

161.539

HOGER ONDERWIJS (1) Hogescholenonderwijs

Universitair onderwijs Academische opleidingen en basisopleidingen van twee cycli TOTAAL HOGER ONDERWIJS

639.050 630.096 1.269.146

ALGEMEEN TOTAAL

(1) Het betreft een eerste inschrijving van de studenten met een diplomacontract, en dit in een instelling van het hoger onderwijs in het huidige academiejaar. Daarnaast kunnen de studenten zich nog inschrijven in een andere opleiding. Dit zijn dan tweede of volgende inschrijvingen. Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2005-2006

2.9.2. Evolutie van de totale schoolbevolking in het voltijds onderwijs vanaf het schooljaar 1993-1994

Schooljaar

Kleuter-

Lager

Secundair

Hogescholen-

Universitair

onderwijs (1)

onderwijs (1)

onderwijs (1)

onderwijs (2)(3)(4)

onderwijs (3)(4)

1993 - 1994

249.139

414.528

448.988

90.651

50.887

1.254.193

1994 - 1995

254.731

412.589

451.917

90.155

52.777

1.262.169

1995 - 1996

255.477

412.723

450.793

91.046

55.298

1.265.337

1996 - 1997

253.043

417.369

447.775

93.976

56.416

1.268.579

1997 - 1998

247.515

424.110

441.867

97.574

56.902

1.267.968

1998 - 1999

242.621

429.956

436.025

99.933

57.170

1.265.705

1999 - 2000

240.654

434.272

431.027

98.536

56.740

1.261.229

2000 - 2001

240.582

435.535

429.106

99.258

56.118

1.260.599

2001 - 2002

239.504

434.320

430.163

99.339

56.693

1.260.019

2002 - 2003

238.143

431.209

435.781

99.661

56.839

1.261.633

2003 - 2004

236.671

426.567

444.714

100.178

56.839

1.264.969

2004 - 2005

234.963

420.678

452.441

101.185

57.005

1.266.272

2005 - 2006

234.530

415.726

457.351

102.367

59.172

1.269.146

www.eurydice.org

Totaal

103


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

Schooljaar

Aandeel jongens

Aandeel meisjes

Absoluut

%

Absoluut

%

1993 - 1994

640.185

51,04

614.008

48,96

1.254.193

1994 - 1995

643.731

51,00

618.438

49,00

1.262.169

1995 - 1996

644.216

50,91

621.121

49,09

1.265.337

1996 - 1997

645.586

50,89

622.993

49,11

1.268.579

1997 - 1998

644.282

50,81

623.686

49,19

1.267.968

1998 - 1999

642.022

50,72

623.683

49,28

1.265.705

1999 - 2000

638.243

50,60

622.986

49,40

1.261.229

2000 - 2001

636.814

50,52

623.785

49,48

1.260.599

2001 - 2002

635.488

50,43

624.531

49,57

2002 - 2003

635.856

50,40

625.777

49,60

2003 - 2004

637.242

50,38

627.727

49,62

2004 - 2005

637.622

50,35

628.650

49,65

2005 - 2006

639.050

50,35

630.096

49,65

(1) Om dubbeltellingen te vermijden werden de leerlingen in het buitengewoon onderwijs van het type 5 niet meegeteld in deze tabel (zie toelichting). (2) Vanaf het academiejaar 1999-2000 worden de IAJ-studenten (Individueel Aangepast Jaarprogramma) slechts éénmaal geteld, in het laagste jaar waarin ze zijn ingeschreven. In de voorgaande academiejaren werden ze dubbel geteld. (3) Voor het hogescholenonderwijs en het universitair onderwijs worden vanaf het academiejaar 1999-2000 de hoofdinschrijvingen in de basisopleidingen opgenomen. Vrije studenten zijn niet opgenomen in de cijfers. (4) Vanaf 2005-2006 betreft het de eerste inschrijvingen van studenten met een diplomacontract, en dit in een instelling van het hoger onderwijs in het huidig academiejaar. Tot 2004-2005 gaat het om het aantal hoofdinschrijvingen in de basisopleidingen. Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2005-2006

www.eurydice.org

104


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

2.9.3. Aantal onderwijsinstellingen per onderwijsniveau en per net; schooljaar 2005-2006

GO! (1)

Vrij ond. Prov. Ond.

Gemeentel. Ond.

VGC (2)

Totaal

Kleuterscholen

376

1.375

2

464

1

2.218

Lagere scholen

389

1.440

4

503

1

2.337

Basisscholen met kleuter en lager ond.

373

1.244

1

431

1

2.050

Secundaire scholen

247

698

31

58

3

1.037

DBSO

16

23

4

4

47

94

CVO (SO)

29

53

12

13

1

108

CVO (HO)

17

31

8

4

1

61

CVO (volwassenenond.)

29

60

14

15

1

119

CBE's (Basiseducatie)

29

Academies DKO Franstalige scholen (3)

15

4

0

147

0

166

1

2

0

6

0

9

Hogescholen

22

Universiteiten

7

Associaties

5

(1) GO! = gemeenschapsonderwijs (2) VGC = Vlaamse Gemeenschapscommissie (Brussels Hoofdstedelijk Gewest) (3) Franstalige scholen onder bevoegdheid van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Werk.

2.9.4. Huisonderwijs; schooljaar 2005-2006

2.9.4.1. Huisonderwijs binnen het basisonderwijs

2001-2002

2002-2003

2003-2004

2005-2006

2004-2005

J

M

T

J

M

T

J

M

T

J

M

T

J

M

T

4 jaar

-

2

2

-

1

1

2

1

3

-

-

-

-

1

1

5 jaar

4

1

5

-

-

-

-

2

2

3

1

4

-

-

-

6 jaar

4

10

14

9

9

18

13

6

19

21

17

38

14

10

24

7 jaar

11

6

17

7

9

16

14

10

24

12

17

29

17

18

35

8 jaar

5

7

12

9

7

16

10

8

18

19

12

31

15

18

35

9 jaar

6

7

13

5

12

17

10

11

21

19

9

28

27

16

43

10 jaar

3

3

6

6

5

11

4

11

15

17

18

35

31

15

46

11 jaar

7

8

15

7

6

13

10

10

20

10

27

37

20

18

38

Totaal

40

44

84

43

49

92

63

59

122

101

101

202

124

96

220

www.eurydice.org

105


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2005-2006

2.9.4.2. Huisonderwijs binnen het secundair onderwijs

2001-2002 J

M

T

2002-2003 J

M

2003-2004 T

J

M

2005-2006

2004-2005 T

J

M

T

J

M

T

12 jaar

6

4

10

12

10

22

13

9

22

11

14

25

11

22

33

13 jaar

7

4

11

9

15

24

18

12

30

18

17

35

18

21

39

14 jaar

7

10

17

16

6

22

14

19

33

30

19

49

24

23

47

15 jaar

12

9

21

18

22

40

17

11

28

28

25

53

33

26

59

16 jaar

14

21

35

33

26

59

20

36

56

29

30

59

45

45

90

17 jaar

20

21

41

26

46

72

40

46

86

42

48

90

46

46

92

totaal

66

69

135

114

125

239

122

133

255

158

153

311

177

183

360

Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2005-2006

2.9.5. Leerkrachten-leerlingen ratio per onderwijsniveau; schooljaar 2005-2006

(Het aantal leerlingen per onderwijsniveau gedeeld door het aantal budgettaire fulltime-equivalenten bestuurs- en onderwijzend personeel)

Leerlingen/studenten

Bestuurs- en onderwijzend personeel

Ratio

621.682

46.479

13,3

Basisonderwijs (buitengewoon)

28.574

5.595

5,1

Secundair onderwijs (gewoon)

439.550

55.388

7,9

17.801

5.120

3,4

Hogescholenonderwijs

102.367

7.498

13,6

Universitair onderwijs

59.172

8.244

7,1

Basisonderwijs (gewoon)

Secundair onderwijs (buitengewoon)

Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2005-2006

www.eurydice.org

106


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

2.9.6. Evolutie van de kostprijs per leerling/student per onderwijsniveau (in €) 2004 - 2006

727,20 OSP

710,95 692,13

1.134,09 DKO

1.028,37 1.001,92

0,00 Universitair

14.326,61 13.841,32

6.619,71 6.322,92

Hogescholen

6.219,37

15.098,89 14.695,43

Buitengew oon secundair

14.764,72

7.157,19 7.037,71

Gew oon secundair

7.009,84

11.876,54 11.217,75

Buitengew oon basis

10.613,07

3.881,52 3.704,67

Gew oon basis

3.627,98 2.000

4.000 2004

Onderwijsniveau

6.000

8.000

10.000

2005

12.000

14.000

16.000

2006

2004

2005

2006

3.627,98

3.704,67

3.881,52

31.2 : Buitengewoon basisonderwijs

10.613,07

11.217,75

11.876,54

32.1 : Gewoon secundair onderwijs

7.009,84

7.037,71

7.157,19

14.764,72

14.695,43

15.098,89

6.219,37

6.322,92

6.619,71

13.841,32

14.326,61

-

1.001,92

1.028,37

1.134,09

692,13

710,95

727,20

31.1 : Gewoon basisonderwijs

32.2 : Buitengewoon secundair onderwijs 33.1 : Hogescholenonderwijs 33.2 : Universitair onderwijs (1)(2) 34.1 : Deeltijds kunstonderwijs 34.2 : Onderwijs voor sociale promotie (3)

(1) Inclusief de jaarboek kredietenvan voorhet wetenschappelijk onderzoek die op de onderwijsbegroting ingeschreven Bron: Statistisch Vlaams onderwijs 2005-2006 staan. Vanaf 2002 werden bijkomend de middelen van het bijzonder onderzoeksfonds op de onderwijsbegroting ingeschreven. (2) Vanaf het academiejaar 2004-2005www.eurydice.org zijn er geen financierbare studenten meer geteld waardoor107 er geen vergelijkbare kostprijs meer berekend kan worden.


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

2.9.7. Verhouding onderwijsbudget t.o.v. het budget van de Vlaamse Gemeenschap en het Bruto Regionaal Product (in duizend €)

Algemene evolutiecijfers

2001

2002

2003

2004

2005

2006

6.863.584

7.244.700

7.591.367

7.862.181

8.067.878

8.384.507

Budget Vlaamse Gemeenschap

16.696.864

17.317.978

17.971.087

18.924.053

19.670.458

20.900.89 5

Bruto Regionaal Product (1)

157.924.68 5

163.105.72 1

167.708.81 6

176.073.25 9

181.703.41 8

ongekend

2001

2002

2003

2004

2005

2006

6.863.584

7.127.804

7.351.702

7.457.960

7.445.439

7.600.858

Budget Vlaamse Gemeenschap

16.696.864

17.038.546

17.403.726

17.951.103

18.152.877

18.947.41 6

Bruto Regionaal Product

157.924.68 5

160.473.94 8

162.414.11 6

167.020.73 5

167.684.95 6

ongekend

(in lopende prijzen) Onderwijsbudget

(1) : Aan marktprijzen in werkelijke prijzen

Algemene evolutiecijfers (in vaste prijzen van 2001) (1) Onderwijsbudget

(1) : Bron inflatiepercentage : Federaal Planbureau

Jaarlijkse procentuele evolutie

2001

2002

2003

2004

2005

2006

Onderwijsbudget

-

+3,8%

+3,1%

+1,4%

-0,2%

+2,1%

Budget Vlaamse Gemeenschap

-

+2,0%

+2,1%

+3,1%

+1,1%

+4,4%

Bruto Regionaal Product

-

+1,6%

+1,2%

+2,8%

+0,4%

ongekend

2001

2002

2003

2004

2005

2006

41,1

41,8

42,2

41,5

41,0

40,1

4,3

4,4

4,5

4,5

4,4

ongekend

10,6

10,6

10,7

10,7

10,8

ongekend

(inflatievrij)

Onderlinge verhouding (in %) Onderw.budg./Budg. Vl. Gem. Onderw.budg./Bruto Reg. Prod. Budg. Vl. Gem./Bruto Reg. Prod.

Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2005-2006

www.eurydice.org

108


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

2.9.8. Onderwijsbegroting per organisatieafdeling (in duizend €); evolutie 2004 - 2005

beleidskredieten (1)

2004

2005

2006

2.025.276

2.166.598

2.227.877

295.369

311.678

330.268

2.832.483

2.939.869

3.035.803

Buitengewoon secundair onderwijs

228.757

242.029

258.000

Hogescholenonderwijs

578.885

589.194

620.751

Universitair onderwijs

751.293

774.640

778.191

3.572

3.760

4.972

Deeltijds kunstonderwijs

146.370

154.879

177.385

Onderwijs voor sociale promotie

195.180

203.550

226.178

4.239

3.507

3.440

18.280

18.814

19.170

8.268

12.994

13.083

93.517

95.293

94.122

130.413

131.093

134.441

18.328

18.688

20.079

262.514

271.822

328.958

Aanwending teruggevorderde salarissen

47.377

45.022

48.372

Provisionele kredieten

65.397

65.447

34.524

156.663

19.001

28.722

7.862.181

8.067.878

8.384.336

Gewoon basisonderwijs Buitengewoon basisonderwijs Gewoon secundair onderwijs (2)

Coördinatie hoger onderwijsbeleid

Begeleid individueel studeren (BIS) Basiseducatie Coördinatie permanente vorming Studietoelagen Centra voor leerlingenbegeleiding (CLB) Leerlingenvervoer Algemeen onderwijs en vorming

Coördinatie beleids- & gegevensbeheer (3) Totaal

(1) : In de onderste tabel zijn de beleidskredieten per programma weergegeven zoals ze effectief in de begroting ingeschreven staan. Heel wat uitgaven zijn echter ingeschreven op niveauoverschrijdende programma's (35.4 t/m 39.2) zodat de reële uitgaven per niveau in sterke mate vertekend worden door deze indeling. Om dit vertekend beeld enigszins te corrigeren werden enkele grote uitgavenposten waarvan de verdeling over de niveaus gekend is, verdeeld naar de niveaus, nl. de aanwending teruggevorderde salarissen, de provisionele kredieten, de investeringen en de middelen voor onderwijsvoorrangsbeleid en zorgverbreding. We spreken in dit geval dan van de niveaugebonden beleidskredieten. Deze zijn opgenomen in de bovenste tabel en worden in alle andere tabellen en grafieken ook gebruikt. (2) : Het gewoon secundair onderwijs omvat zowel het voltijds als het deeltijds leerplan. (3) : Vanaf begrotingsjaar 2005 werd het budget van een aantal aparte basisallocaties van het programma 39.2 op nul geplaatst en geïntegreerd in de 'gewone' loonallocaties van de andere programma's. Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2004-2005 www.eurydice.org

109


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

2006

10,14%

9,28%

28,00%

7,68% 4,08%

3,18%

37,65% Gew oon basisonderw ijs

Buitengew oon basisonderw ijs

Gew oon secundair onderw ijs

Buitengew oon secundair onderw ijs

Hogescholenonderw ijs

Universitair onderw ijs

Andere

2.9.9. Onderwijsbegroting per uitgavecategorie, in duizend € (evolutie 2004-2006)

2004

2005

2006

5.502.825

5.627.961

5.779.444

674.234

693.386

736.433

1.324.139

1.355.729

1.405.315

Investeringen

160.734

187.592

244.092

Andere

200.249

203.210

218.982

Totaal

7.862.181

8.067.878

8.384.266

5.143.957

5.258.965

5.391.615

AMVD-personeel gemeenschapsonderwijs

55.905

55.683

51.513

Allerhande salarissen (gesco's, peutertuinen, ped. centra,…)

15.638

15.373

13.952

114.650

115.887

119.185

13.360

13.513

13.664

9.416

10.354

10.555

147.354

155.447

176.252

2.545

2.739

2.708

5.502.825

5.627.961

5.779.444

Salarissen Werking Hoger onderwijs

Salarissen Onderwijspersoneel

Personeel CLB's Onderwijsinspectie Personeel pedagogische begeleiding Personeel deeltijds kunstonderwijs Personeel zeevaartonderwijs Totaal

www.eurydice.org

110


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

Werking Gemeenschapsonderwijs

125.097

126.802

129.279

Gesubsidieerd onderwijs

514.472

533.085

572.474

14.252

14.218

14.673

1.385

1.460

1.591

13.289

11.927

12.125

Pedagogische begeleiding

2.000

2.071

2.124

Deeltijds kunstonderwijs

2.406

2.461

2.608

Zeevisserij-onderwijs

1.333

1.362

1.559

674.234

693.386

736.433

Werking universitair onderwijs

727.694

747.140

748.516

Werking hogescholenonderwijs

593.068

603.427

651.495

3.377

5.162

5.304

1.324.139

1.355.729

1.405.315

9

9

9

Basisonderwijs

60.201

75.247

101.675

Secundair onderwijs

57.827

63.835

89.759

Hogescholenonderwijs

19.172

21.098

22.942

Universitair onderwijs

23.525

27.403

29.707

160.734

187.592

244.092

4.833

5.463

5.479

18.328

18.688

20.079

4.239

3.507

3.440

Basiseducatie

18.280

18.814

19.170

Studietoelagen

77.671

79.197

61.546

Algemene werking VOI's onderwijs

30.276

29.275

31.557

Allerhande werkingskosten

46.622

48.266

77.711

200.249

203.210

218.982

CLB's Onderwijsinspectie Nascholing

Totaal Hoger onderwijs

Algemene werking hoger onderwijs Totaal Investeringen Algemeen

Totaal Andere Internationale betrekkingen Leerlingenvervoer Begeleid individueel studeren (BIS)

Totaal

Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2004-2005

www.eurydice.org

111


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2004-2005

www.eurydice.org

112


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

2.9.10. Schoolbevolking in het Nederlandstalig gewoon onderwijs, Brusselse Hoofdstedelijke gewest

% homogeen Franstalig

% homogeen anderstalig

21,5

26,0

30,3

22,2

55,1

12,1

20,8

35,1

32,0

48,7

49,9

11,0

19,8

34,6

34,6

33,9

29,6

50,3

49,7

77,2

21,9

14,5

49,4

50,6

60,2

16,2

25,7

29,4

28,7

15,5

23,3

30,9

30,3

17,3

8,0

4,0

% meisjes

1995-1996

8.715

51,5

48,5

66,7

2003-2004

10.335

51,6

48,4

2004-2005

10.745

51,3

1995-1996

9.766

2003-2004

12.526

schooljaar

secundair onderwijs

% taalgemengd

% jongens

Kleuteronderwijs

lager onderwijs

% westerse % homogeen culturele Nederlandsachtergrond talig

totaal

Onderwijsniveau

2004-2005

12.643

49,2

50,8

58,6

1995-1996

12.162

53,3

46,7

92,2

2003-2004

11.716

48,3

51,7

81,3

41,4

28,1

14,7

15,7

2004-2005

12.140

51,6

48,4

76,4

38,9

27,6

16,8

16,7

70,7

Bron: APS, http://aps.vlaanderen.be/statistiek/cijfers/stat_cijfers_onderwijs.htm

www.eurydice.org

113


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

3. KINDEROPVANG Organisation of the education system in the Flemish Community of Belgium, 2006/07 1

2

BE nl

3

4

5

KLEUTERONDERWIJS

6

7

8

9

10

11

LAGER ONDERWIJS

12

13

SECUNDAIR ONDERWIJS

14

15

16

17

ALGEMEEN SECUNDAIR ONDERWIJS

18

19

20

21

22

23

24

25

26

27

UNIVERSITEIT

HOGESCHOOL TECHNISCH / KUNST SECUNDAIR ONDERWIJS BEROEPSSECUNDAIR ONDERWIJS DBSO

Pre-primary education – ISCED 0

Pre-primary – ISCED 0

(for which the Ministry of Education is not responsible)

(for which the Ministry of Education is responsible)

Primary – ISCED 1

Single structure – ISCED 1 + ISCED 2 (no institutional distinction between ISCED 1 and 2)

Lower secondary general – ISCED 2

Lower secondary vocational – ISCED 2

(including pre-vocational)

Upper secondary general – ISCED 3

Upper secondary vocational – ISCED 3

Post-secondary non-tertiary – ISCED 4 Tertiary education – ISCED 5A Allocation to the ISCED levels:

Tertiary education – ISCED 5B ISCED 0

Compulsory full-time education

-/n/-

ISCED 1

ISCED 2

Compulsory part-time education

Part-time or combined school and workplace courses

Additional year

Compulsory work experience + its duration

Study abroad

Source: Eurydice.

3.1. Historisch overzicht ●

● ●

●

●

●

Het eerste Belgisch kinderdagverblijf werd op 25 december 1845 geopend in Brussel, gevolgd door gelijkaardige liefdadige initiatieven van plaatselijke industriëlen en notabelen in Gent (1869). In 1909 bracht de toenmalige arbeidsinspectie haar eerste overheidsrapporten uit over die eerder (medische) opvangvoorzieningen voor preventie van kindersterfte. De wet van 5 september 1919 voorzag in een specifiek toezicht door net Nationaal Werk voor Kinderwelzijn op de kinderen beneden 7 jaar die tegen loon werden opgevangen. Omdat er evenwel onvoldoende subsidiëring voorzien was , kon het NWK geen strenge toepassing van de reglementering eisen. Het KB van 13 februari 1970 voerde een subsidiëringsstelsel in gekoppeld aan kwaliteitscriteria inzake gekwalificeerd personeel. Toen werd het kinderdagverblijf een standaardopvangvoorziening voor alle gezinnen. De eerste dienst voor opvanggezinnen werd georganiseerd in 1972 door de stad Brugge om buitenshuiswerkende moeders een opvang voor baby’s van 0 tot 18 maanden bij pleegmoeders te kunnen aanbieden. In 1974-75 werd een eerste wettelijk kader voor die diensten goedgekeurd. Met het besluit van 21 december 1983 werd een overkoepelend reglementair kader voor de gesubsidieerde opvang d.i. voor kinderdagverblijven en diensten voor opvanggezinnen ingevoerd. In het besluit van 1983 was ook sprake van opvang van zieke en gehandicapte

www.eurydice.org

114


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

●

● ●

●

kinderen en van ouderinspraak en –participatie. Voor- en naschoolse opvang werd als een aanvullende voorziening binnen de reguliere opvang aangeboden. Eerst in 1989 zag een wettelijk kader rond melding en toezicht voor de zelfstandige opvang het licht. Deze regeling betrof de toenmalige particuliere opvanggezinnen (max. 5 kinderen) en particuliere opvanginstellingen (meer dan 5 kinderen). Melding was en is nog altijd verplicht en opende de mogelijkheid tot het aanvragen van een attest van toezicht mits aan minimale kwaliteitsnormen werd voldaan. Vanaf 1997 zagen specifieke initiatieven voor buitenschoolse opvang het licht. In 2003 werd de procedure voor de zelfstandige sector geactualiseerd en uitgebreid. De naam particuliere opvanggezinnen werd vervangen door de benaming zelfstandig onthaalouder. Particuliere opvanginstellingen werden omgedoopt tot mini-crèches en zelfstandige kinderdagverblijven (afhankelijk van de capaciteit) Tot 2003 hadden onthaalouders aangesloten bij een dienst geen eigen sociaal rechtelijk statuut. Zij ontvingen een fiscaal vrijgestelde kostenvergoeding en konden in de sociale zekerheid enkel van afgeleide rechten genieten. Sinds 1 april 2003 hebben alle onthaalouders recht op fiscaal vrijgestelde onkostenvergoedingen en recht op een eigen, aangepast aan hun specifieke manier van werken, sociaal statuut.

3.2. Actuele discussies en toekomstige ontwikkelingen De overheid en de opvangsector doen heel wat inspanningen om een leefbare, kwaliteitsvolle kinderopvang in voldoende aantal te realiseren. Momenteel wordt werk gemaakt van een nieuw organisatiemodel voor de kinderopvang. Via het stimuleren van lokale en regionale samenwerkingsverbanden streeft de overheid ernaar volgende doelstellingen maximaal te kunnen waarmaken. ●

●

●

●

Alle gezinnen met kinderen kunnen terecht in een doorzichtig georganiseerde, toegankelijke en betaalbare kinderopvang. Het opvanglandschap moet minder versnipperd en transparanter georganiseerd worden. Kinderopvang moet voor elke ouder vlot toegankelijk zijn en via coördinatiepunten moet de ouder zicht krijgen op het effectieve aanbod. Dit wil men realiseren door de verschillende opvangvormen zoals gezinsopvang, groepsopvang, buitenschoolse opvang, flexibele opvang, inclusieve opvang, … vanuit een geïntegreerd kader aan te bieden. Zo krijgen ouders op een efficiënte manier een antwoord op hun verschillende opvangvragen. Elk kind kan rekenen op een kwaliteitsvolle kinderopvang. Momenteel zijn er verschillende kwaliteitseisen binnen de verschillende deelsectoren van de kinderopvang. Elk kind heeft echter recht op eenzelfde basiskwaliteit, gelijk waar het wordt opgevangen. Deze zelfde basiskwaliteit zal worden gerealiseerd door uniforme vergunningsvoorwaarden voor alle opvangvormen. Het opvangaanbod beantwoordt aan de lokale en regionale opvangbehoefte. Opvangnoden kunnen lokaal en regionaal verschillen. Kinderopvang moet nog beter worden afgestemd op deze behoeften maar niet elke individuele voorziening kan dit op zichzelf. Kinderopvang realiseert naast haar economische en pedagogische ook expliciet haar sociale functie, met bijzondere aandacht voor een gecoördineerd en transparant opnamebeleid dat de toegankelijkheid verbetert. Kinderopvang heeft immers 3 maatschappelijke functies:

○ een economische functie, omdat kinderopvang ouders in staat stelt om het aan het arbeidsproces deel te nemen. Maar ook omdat kinderopvang een belangrijke randvoorwaarde is om lager geschoolden toe te leiden naar de arbeidsmarkt;

○ een educatieve functie, omdat kinderopvang een sociale leerplek kan zijn, waar kinderen respectvol kunnen omgaan met de grote diversiteit in etnische achtergrond, religie, gezinssamenstelling,… De educatieve functie van de kinderopvang vloeit ook www.eurydice.org

115


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) voort uit haar complementariteit aan de ouderlijke opvoeding en haar opvoedingsondersteunende waarde;

○ een sociale functie omdat kinderopvang kan bijdragen tot een rechtvaardige samenleving, via maatschappelijke integratie en het tegengaan van uitsluitingsmechanismen. Het gaat onder meer over het mogelijk maken van een actieve participatie aan de opvang van gezinnen uit kansengroepen, het voorzien in een buurtgerichte netwerking,… Het nieuwe organisatiemodel wordt uitgeprobeerd in een aantal pilootprojecten die in de eerste helft van 2007 zullen opstarten en zal, bij positieve evaluatie, de komende jaren regelgevend vertaald worden.

In het voorjaar van 2006 stelde de Vlaamse regering haar actieplan voor flexibele en occasionele opvang voor. Vanaf 2007 worden bijkomende middelen vrijgemaakt die het ruimer aanbieden van flexibele opvang buiten de ‘normale’ openingstijden en van occasionele opvang moet mogelijk maken. De voorgestelde maatregelen zullen in 2008 geëvalueerd worden. Vanaf 2004 subsidieert Kind en Gezin bij wijze van experiment ook kleinschalige, buurtgerichte vormen van kinderopvang. Deze zogenoemde buurt- en nabijheidsdiensten (BND’s) garanderen laagdrempelige kinderopvang. Ze vangen vooral kinderen op die vaak, om allerlei redenen, niet in de reguliere opvang worden opgevangen. Kenmerkend is ook de tewerkstelling van doelgroepmedewerkers. Dat zijn personen die moeilijk hun plaats vinden in de reguliere arbeidsmarkt. De buurt- en nabijheidsdiensten voorzien ook in een opleidingstraject voor deze ongeschoolde begeleiders. Buurt- en nabijheidsdiensten kinderopvang worden gefinancierd volgens het zogenoemde klaverbladmodel. Voor de doelgroepmedewerkers kunnen zij een beroep doen op Vlaamse en federale middelen van Werk en Sociale Economie. Kind en Gezin voorziet in een aanvullende subsidie voor de concrete kinderopvangwerking. Tot slot kunnen de buurt- en nabijheidsdiensten ook beschikken over de - weliswaar beperkte - inkomsten uit de ouderbijdragen. Dit experiment zal tegen eind 2007 geëvalueerd worden.

3.3. Wettelijk kader Een volledig overzicht van de regelgeving is te vinden op http://www.kindengezin.be >Professional>Je bent een (kiezen)>Regelgeving H

H

Ook in de bijlage van het jaarverslag Kinderopvang, zie http://www.kindengezin.be >professional >rapporten en verslagen >jaarverslagen en Kind in Vlaanderen is een volledig overzicht opgenomen van de vigerende regelgeving. H

H

3.4. Algemene doelstellingen Iedereen die op bestendige wijze en al dan niet tegen betaling kinderen onder de 12 jaar opvangt, moet deze opvangactiviteit melden aan Kind en Gezin. Ouders en verwanten tot en met de vierde graad en opvang die georganiseerd wordt in het thuismilieu van het kind zijn vrijgesteld van deze plicht tot melding.

www.eurydice.org

116


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

Kind en Gezin Kind en Gezin is een intern verzelfstandigd agentschap, met rechtspersoonlijkheid. De missie van Kind en Gezin is samen met haar partners voor elk kind, waar en hoe het ook geboren is en opgroeit, zoveel mogelijk kansen creëren. http://www.kindengezin.be H

Om dit te realiseren heeft Kind en Gezin een ruime dienstverlening. Aan ouders met jonge kinderen bieden Kind en Gezin advies, medisch-preventieve begeleiding, vaccinaties, en ondersteuning bij opvoeding. Dit gebeurt via huisbezoeken, via consulten op de consultatiebureaus en via de permanenties in de regiohuizen van Kind en Gezin. Kind en Gezin heeft naast het basisaanbod ook een specifiek aanbod naar gezinnen die het moeilijk hebben. Kind en Gezin subsidieert ook centra voor kinderzorg en gezinsondersteuning en de vertrouwenscentra kindermishandeling. Kinderopvang is één van de belangrijke opdrachten van Kind en Gezin. Kind en Gezin organiseert zelf geen kinderopvang, maar staat in voor het erkennen en het uitreiken van attesten van toezicht, voor de subsidiering en voor de kwaliteitsbevordering in de kinderopvang.

Soorten kinderopvang Ouders die hun kinderen buitenshuis laten opvangen, kunnen een beroep doen op een waaier van opvangmogelijkheden. In de formele opvang worden er verschillende types van opvangvoorzieningen onderscheiden.

Kinderdagverblijven

● ● ●

● ●

● ●

Dit is opvang in groepsverband. Ze voorzien in voorschoolse opvang van kinderen voor ze naar de basisschool gaan en in de overgangsperiode tussen kinderopvang en basisschool. Sommige kinderdagverblijven hebben een bijkomend aanbod van buitenschoolse kinderopvang, ofwel in dezelfde lokalen (kinderen uit de kleuterschool), ofwel in aparte lokalen (kinderen uit de lagere school). De minimale capaciteit is 23 plaatsen. Erkend en gesubsidieerd door Kind en Gezin. Dit betekent dat de voorziening moet voldoen aan een aantal kwaliteitsvoorwaarden op het vlak van opvoeding, begeleiding, ouderparticipatie, personeel, veiligheid,… Daarnaast moet de voorziening ook beschikken over een systeem om aan kwaliteitszorg te doen. Het gaat hier over de wijze waarop een voorziening zich organiseert om een bepaald kwaliteitsniveau te garanderen. Dit betekent concreet dat de voorziening haar missie, visie en waarden formuleert en gaat nadenken over de wijze waarop ze dit gaat realiseren en over de middelen die ingezet zullen worden. Een kinderdagverblijf moet zijn werking ook evalueren en nadenken over mogelijkheden om verbeteringen aan te brengen. Een tevredenheidsonderzoek bij de ouders maakt hier deel van uit. De erkenning houdt ook in dat de voorziening op regelmatige basis geïnspecteerd wordt. Ouders betalen een inkomensgerelateerde ouderbijdrage. In Vlaanderen zijn er zo'n 334 kinderdagverblijven, goed voor ongeveer 14.800 plaatsen.

Diensten voor onthaalouders

● ●

●

Dit is opvang in gezinsverband. Ze voorzien in voorschoolse opvang van kinderen voor ze naar de basisschool gaan en in de overgangsperiode tussen kinderopvang en basisschool. Onthaalouders kunnen ook buitenschoolse opvang verzorgen voor kinderen uit de basisschool. Een dienst groepeert minimaal 14 onthaalouders. Elke onthaalouder kan maximaal 8 kindjes gelijktijdig opvangen en gemiddeld 4 voltijds. www.eurydice.org

117


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) ●

● ● ●

Erkend en gesubsidieerd door Kind en Gezin. Dit betekent dat de dienst moet voldoen aan een aantal kwaliteitsvoorwaarden op het vlak van opvoeding, begeleiding, ouderparticipatie, personeel, veiligheid,… Daarnaast moet de dienst ook beschikken over een systeem om aan kwaliteitszorg te doen. Het gaat hier over de wijze waarop een voorziening zich organiseert om een bepaald kwaliteitsniveau te garanderen. Dit betekent concreet dat de dienst haar missie, visie en waarden formuleert en gaat nadenken over de wijze waarop ze dit gaat realiseren en over de middelen die ingezet zullen worden. Een dienst moet zijn werking ook evalueren en nadenken over mogelijkheden om verbeteringen aan te brengen. Een tevredenheidsonderzoek bij de ouders maakt hier deel van uit. De erkenning houdt ook in dat de voorziening op regelmatige basis geïnspecteerd wordt. Onthaalouders moeten aan een aantal minimale voorwaarden voldoen om te mogen aansluiten bij een dienst. Ouders betalen een inkomensgerelateerde ouderbijdrage. In Vlaanderen zijn er iets minder dan 195 diensten voor onthaalouders, goed voor zo'n 30.500 plaatsen. Bij deze diensten zijn iets meer dan 7500 onthaalouders aangesloten.

Mini-crèches en zelfstandige kinderdagverblijven

● ● ● ●

●

● ●

Dit is opvang in groepsverband. Ze voorzien zowel in opvang voor niet-schoolgaande kinderen, als in opvang voor kinderen uit het basisonderwijs. Mini-crèches hebben een capaciteit van 8 tot 22 plaatsen en zelfstandige kinderdagverblijven hebben een capaciteit van minstens 23 plaatsen. Wettelijk gezien moeten deze voorzieningen hun opvangactiviteit enkel melden aan Kind en Gezin, maar de meeste kiezen ervoor om een attest van toezicht van Kind en Gezin te verkrijgen. Dit betekent dat ze moeten voldoen aan een aantal voorwaarden inzake omgaan met kinderen en ouders, veiligheid en gezondheid, inrichting van de ruimtes. Het attest van toezicht houdt ook in dat de voorziening op regelmatige basis geïnspecteerd wordt door Kind en Gezin. De belangrijkste bron van inkomsten zijn de inkomsten uit de ouderbijdrage. Sinds 2001 kunnen mini-crèches een financiële ondersteuning krijgen van Kind en Gezin indien ze voldoen aan een aantal voorwaarden. Ook zelfstandige kinderdagverblijven die uitsluitend buitenschoolse opvang aanbieden, kunnen een dergelijke financiële ondersteuning krijgen. Het is de opvangvoorziening zelf die bepaalt hoeveel de ouders moeten betalen. In Vlaanderen zijn er bijna 800 mini-crèches en ongeveer 150 zelfstandige kinderdagverblijven, samen goed voor ruim 18.500 plaatsen.

Zelfstandige onthaalouders

● ● ● ●

● ● ●

Dit is opvang in gezinsverband. Ze voorzien zowel in opvang voor niet-schoolgaande kinderen, als in opvang voor kinderen uit het basisonderwijs. Een zelfstandige onthaalouder mag tot 7 kinderen gelijktijdig opvangen. Wettelijk gezien moeten zelfstandige onthaalouders hun opvangactiviteit enkel melden aan Kind en Gezin, maar de meeste kiezen ervoor om een attest van toezicht van Kind en Gezin te verkrijgen. Dit betekent dat ze moeten voldoen aan een aantal voorwaarden inzake omgaan met kinderen en ouders, veiligheid en gezondheid, inrichting van de ruimtes. Het attest van toezicht houdt ook in dat de voorziening op regelmatige basis geïnspecteerd wordt door Kind en Gezin. De belangrijkste bron van inkomsten zijn de inkomsten uit de ouderbijdrage. Het is onthaalouder zelf die bepaalt hoeveel de ouders moeten betalen. In Vlaanderen zijn er 1.200 zelfstandige onthaalouders die een capaciteit van zo’n 6.800 plaatsen hebben.

www.eurydice.org

118


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) Initiatieven voor Buitenschoolse Opvang

● ●

●

●

●

● ●

Dit is opvang in groepsverband. De initiatieven zijn specifiek en exclusief gericht op de buitenschoolse opvang van kinderen uit de basisschool. Ze kunnen opvang aanbieden voor en na schooltijd, op woensdagnamiddag, op schoolvrije dagen en gedurende de schoolvakanties Minimale capaciteit is 21 plaatsen. Werking kan op verschillende vestigingsplaatsen georganiseerd worden. Deze vestigingsplaatsen hebben een minimumcapaciteit van 8 plaatsen. Erkend door Kind en Gezin Dit betekent dat de voorziening moet voldoen aan een aantal kwaliteitsvoorwaarden op het vlak van opvoeding, begeleiding, ouderparticipatie, personeel, veiligheid,… Daarnaast moet de voorziening ook beschikken over een systeem om aan kwaliteitszorg te doen. Het gaat hier over de wijze waarop een voorziening zich organiseert om een bepaald kwaliteitsniveau te garanderen. Dit betekent concreet dat de voorziening haar missie, visie en waarden formuleert en gaat nadenken over de wijze waarop ze dit gaat realiseren en over de middelen die ingezet zullen worden. Een kinderdagverblijf moet zijn werking ook evalueren en nadenken over mogelijkheden om verbeteringen aan te brengen. Een tevredenheidsonderzoek bij de ouders maakt hier deel van uit. De erkenning houdt ook in dat de voorziening op regelmatige basis geïnspecteerd wordt. Initiatieven voor buitenschoolse opvang worden door verschillende instanties gesubsidieerd. De personeelskosten voor de begeleiders worden voor een deel gesubsidieerd door het Vlaams Subsidieagentschap voor Werk en Sociale Economie. Voor de personeelskosten van de coördinator, de opleg van de personeelskosten van de begeleiders en voor de werkingskosten wordt er in een subsidie voorzien door het Fonds voor Collectieve Uitrustingen en Diensten (FCUD) of door Kind en Gezin. Voor sommige initiatieven is er een verdeelde subsidiëring door zowel Kind en Gezin als door het FCUD. De ouderbijdrage is niet gerelateerd aan het inkomen, maar de minimum- en de maximumbijdragen zijn wel regelgevend vastgelegd. In Vlaanderen zijn er ongeveer 230 van deze voorzieningen, die samen een capaciteit hebben van ruim 23.500 plaatsen.

3.5. Geografische toegankelijkheid Zie 3.4..

3.6. Toelatingsvoorwaarden en schoolkeuze Zie 3.4..

3.7. Financiële ondersteuning van het gezin Gezinnen worden op verschillende wijzen financieel gesteund bij de opvoeding van hun kinderen. ●

Ouders genieten van kinderbijslag. Vanaf één maand na de geboorte wordt maandelijks voor de voorbije maand kinderbijslag uitbetaald voor elk kind dat tot het gezin behoort en ten laste is. Deze bijslag is een basisbedrag aangevuld met een leeftijdsbijslag. Het basisbedrag loopt trapsgewijs op van het eerste tot het derde kind. Voor zelfstandigen is het bedrag kleiner dan voor werknemers. De bijslag wordt uitbetaald voor alle kinderen tot 18 jaar die ten laste zijn. www.eurydice.org

119


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) Voor 18 tot 25-jarigen wordt de kinderbijslag uitbetaald als ze nog ten laste zijn, hoger onderwijs volgen en/of geen eigen inkomen (boven een bepaalde grens hebben) hebben. Meer info : www.kindergeld.be of www.rkw.be (Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers) en www.rsvz-inasti.fgov.be (Rijksdienst voor de Sociale Verzekering der Zelfstandigen) Bovendien geven kinderen ten laste recht op belastingvermindering. Ouders die gebruik maken van formele kinderopvang voor kinderen tot 12 jaar kunnen deze kosten fiscaal afhouden op voorwaarde dat de opvang erkend of onder toezicht van Kind en Gezin, georganiseerd door de school of door een initiatief dat erkend, gecontroleerd of gesubsidieerd is door een lokaal bestuur of een openbaar bestuur van de Vlaamse gemeenschap. H

● ●

H

H

H

3.8. Leeftijdsniveaus en leeftijdsgroepen Voorschoolse opvang is er voor kinderen die nog niet naar school gaan en voor kinderen in de overgangsperiode tussen opvang en school. Grosso modo komt dit overeen met de leeftijd van 0 tot 3 jaar. Buitenschoolse opvang is er voor kinderen die naar school gaan.

3.9. Organisatie van de schooltijd Erkende kinderdagverblijven realiseren een opvangaanbod van minstens 11 opeenvolgende uren tussen 6u30 en 18u30, gedurende ten minste 220 werkdagen per jaar. Erkende diensten voor onthaalouders realiseren een opvangaanbod van minstens 11 opeenvolgende uren tussen 6u30 en 18u30, gedurende ten minste 220 werkdagen per jaar. De individuele onthaalouders moeten minstens 5 uur per dag beschikbaar zijn voor de opvang. Erkende initiatieven voor buitenschoolse opvang organiseren voor- en naschoolse opvang, opvang op woensdagnamiddag en opvang op schoolvrije dagen en tijdens schoolvakanties voor schoolgaande kinderen. Een initiatief is ’s morgens uiterlijk om 7 uur open en ’s avonds tot minstens 18 uur. Op woensdagnamiddag opent het initiatief na het beëindigen van de schooltijd.

3.10. Curriculum en activiteiten Niet van toepassing.

3.11. Onderwijsmethoden en didactisch materiaal Niet van toepassing.

www.eurydice.org

120


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

3.12. Evaluatie van leerlingen In 2004 werd een zelfevaluatie-instrument ontwikkeld dat toelaat het welbevinden en de betrokkenheid van de kinderen in de opvang te meten (ZiKo). Het instrument is bruikbaar in alle opvangsituaties en helpt te zien wat goed loopt en waar kansen liggen om de aanpak te verbeteren. 78% van de erkende kinderdagverblijven heeft een begeleidingstraject gevolgd om met dit instrument te kunnen werken. Bij de diensten bedraagt dit percentage 42% en bij de initiatieven voor buitenschoolse opvang 62%. Het aantal zelfstandige voorzieningen dat een begeleidingstraject volgde, ligt onder de 10%.

3.13. Bijzondere begeleiding van leerlingen Opvangvoorzieningen die kinderen met specifieke zorgbehoeften opvangen kunnen hiervoor een bijkomende financiële ondersteuning krijgen van Kind en Gezin.

3.14. Privé-onderwijs Heel wat kinderen worden in het informele netwerk opgevangen. De overheid treedt hier niet regulerend op.

3.15. Andere organisatievormen Wanneer een kind ziek is, worden ouders soms onverwacht met een opvangprobleem geconfronteerd. Het is niet altijd mogelijk om het kind in de informele kinderopvang te verzorgen. Georganiseerde vormen van kinderopvang kunnen het zieke kind dan aan huis opvangen. ●

●

Formele opvangvoorzieningen. Wanneer een kind licht ziek is en er geen besmettingsgevaar dreigt voor de andere opgevangen kinderen, kan het meestal terecht in de opvangvoorziening waar het normaal wordt opgevangen. Daarnaast organiseren een aantal kinderdagverblijven en initiatieven voor buitenschoolse opvang thuisopvang voor zieke kinderen. Zij hebben een aantal personeelsleden in dienst die aan huis de opvang verzorgen wanneer het kind ziek is. Andere vormen van thuisopvang voor zieke kinderen. Sommige gemeenten en OCMW's organiseren ook thuisopvang van zieke kinderen. Voor aangesloten leden organiseren sommige ziekenfondsen eveneens thuisopvang voor zieke kinderen. Ten slotte zijn er ook werkgevers (profit en non-profit) die thuisopvang organiseren wanneer kinderen van werknemers ziek zijn.

www.eurydice.org

121


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

3.16. Statistieken Cijfers over het aanbod aan kinderopvang en het gebruik van kinderopvang zijn terug te vinden in het jaarverslag kinderopvang. Deze jaarverslagen zijn terug te vinden op www.kindengezin.be>professional>Rapporten,verslagen,publicaties

www.eurydice.org

122


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

4. BASISONDERWIJS Organisation of the education system in the Flemish Community of Belgium, 2006/07 1

2

BE nl

3

4

5

KLEUTERONDERWIJS

6

7

8

9

10

11

LAGER ONDERWIJS

12

13

SECUNDAIR ONDERWIJS

14

15

16

17

ALGEMEEN SECUNDAIR ONDERWIJS

18

19

20

21

22

23

24

25

26

27

UNIVERSITEIT

HOGESCHOOL TECHNISCH / KUNST SECUNDAIR ONDERWIJS BEROEPSSECUNDAIR ONDERWIJS DBSO

Pre-primary education – ISCED 0

Pre-primary – ISCED 0

(for which the Ministry of Education is not responsible)

(for which the Ministry of Education is responsible)

Primary – ISCED 1

Single structure – ISCED 1 + ISCED 2 (no institutional distinction between ISCED 1 and 2)

Lower secondary general – ISCED 2

Lower secondary vocational – ISCED 2

(including pre-vocational)

Upper secondary general – ISCED 3

Upper secondary vocational – ISCED 3

Post-secondary non-tertiary – ISCED 4 Tertiary education – ISCED 5A Allocation to the ISCED levels:

Tertiary education – ISCED 5B ISCED 0

Compulsory full-time education

-/n/-

ISCED 1

ISCED 2

Compulsory part-time education

Part-time or combined school and workplace courses

Additional year

Compulsory work experience + its duration

Study abroad

Source: Eurydice.

In Vlaanderen maakt het kleuteronderwijs, samen met het lager onderwijs, deel uit van het basisonderwijs BaO (Decreet basisonderwijs van 25 februari 1997). Vanaf 1 september 2003 dienen nieuwe scholen de structuur kleuter- én lager onderwijs aan te nemen. In het schooljaar 2005-2006 zijn er 1.959 basisscholen (plus 91 buitengewoon onderwijs). Bestaande autonome kleuter- (166) en lagere scholen (187, plus 100 buitengewoon onderwijs) konden hun structuur behouden (Decreet landschap basisonderwijs van 10 juli 2003). Het lager onderwijs bestaat normaal gezien uit zes leerjaren (minimaal 4 en maximaal 8 jaren). In dit onderdeel behandelen we het gewoon basisonderwijs. Sommige voorzieningen die ook van toepassing zijn op leerlingen in het basisonderwijs worden elders behandeld: ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ●

GON, Geïntegreerd onderwijs, zie 10.5.1. ION, Inclusief onderwijs voor mentaal gehandicapte type 2 leerlingen, zie 10.5.2. GOK, Gelijkeonderwijskansenbeleid, zie 10.5.3.1. OKAN, Onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers, zie 10.7.2. Buitengewoon onderwijs, zie 10.6. Buitenschoolse kinderopvang, zie [3….] Onderwijs voor langdurig zieke kinderen behandelen we wel hier 4.17. Deeltijds kunstonderwijs, zie 7. De internationale samenwerkingsprojecten, mobiliteit en uitwisseling van leerlingen in het basisonderwijs, zie 11.6.1.1.. Bestuur en beheer van de instellingen, & scholengemeenschappen basisonderwijs, zie 2.6.4.4.1. Interne participatie en overleg, zie 2.7.1. www.eurydice.org

123


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

4.1. Historisch overzicht In 1827 werd te Brussel de eerste bewaarschool voor kleuters van buitenhuiswerkende ouders geopend. In 1843 werd dit type van voorschools onderwijs erkend als een onderwijsinstelling die een basis vormde voor de volksschool. Deze nieuwe schoolvorm verspreidde zich snel: in 1845 bestonden er reeds een vierhonderdtal van deze bewaarscholen. Ze stonden in voor de verzorging en het morele welzijn van de kinderen, en bereidden de oudste kinderen voor op het lager onderwijs. In 1857 werd de eerste Fröbel-kindertuin geopend waar elk nuttigheidsonderricht werd geweerd. In navolging van de Duitse pedagoog Friedrich Fröbel werd aan creatief spel gedaan, waarbij de activiteit en spontaniteit van de kleuter centraal stonden. Het duurde echter een tijdje voor de Fröbel-methode in de gewone bewaarscholen ingang vond. Pas in 1880 werden ministeriële richtlijnen uitgevaardigd om de werking van het voorschools onderwijs te reguleren. Het eerste curriculum voor deze scholen, dat in 1890 werd opgelegd, was grotendeels gebaseerd op het werk van Fröbel. De inspecteurs voor het lager onderwijs stonden in voor het toezicht op de implementatie van de richtlijnen. Gedurende de daarop volgende periode, tot 1914, was voorschools onderwijs geen prioritair beleidsdomein meer. Tussen de twee wereldoorlogen zijn de bewaarscholen uitgegroeid tot opvangcentra waar kinderen sociale vaardigheden kregen aangeleerd en hun intellectuele capaciteiten en persoonlijkheid verder ontwikkelden. Verscheidene officiële programma's en activiteiten werden ingevoerd. De invloed van Fröbel, samen met die van de Italiaanse Maria Montessori en de Belgische Ovide Decroly, werden groter. Dit is onder meer te merken aan de curricula uitgevaardigd in 1936. Sindsdien kent voorschools onderwijs in België een expansieve groei. Bij de onafhankelijkheid van België in 1830 werd de vrijheid van onderwijs ingevoerd: iedereen kon een school oprichten zonder daarvoor de toestemming van de overheid nodig te hebben. Dit leidde tot de oprichting van een groot aantal lagere scholen op initiatief van particulieren of geestelijken. In 1842 vaardigde het parlement de eerste wet op het lager onderwijs uit met de bedoeling de uitbreiding ervan in goede banen te leiden en de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren. Deze wet verplichtte elk lokaal bestuur tot het oprichten van minstens één lagere school. In 1914 werd de leerplicht ingevoerd in België: iedereen van zes tot veertien jaar was verplicht onderwijs te volgen. Tot dan telde het lager onderwijs drie graden van elk twee jaar, maar met de wet van 1914 werd een vierde graad voor de kinderen van twaalf tot veertien jaar ingericht; een leerplan daarvoor werd in 1920 uitgewerkt. Het leerplan van 1936 beoogde meer dan het louter aanleren van lezen, schrijven en rekenen. Vanaf dan tot op heden is de invloed van Ovide Decroly op de leerplannen zeer belangrijk geweest, vooral zijn ideeën over de invloed van de interesses van het kind op de leerprocessen. In 1973 werden in de Vlaamse Gemeenschap in enkele scholen als experiment een aantal hervormingsinitiatieven opgestart. Uit deze experimenten groeide een grootschalig innovatieproject: het Vernieuwd Lager Onderwijs. De principes van deze nieuwe onderwijsbenadering werden vanaf 1980 in alle scholen toegepast. Het Decreet Basisonderwijs van 25 februari 1997 integreerde alle wetgeving met betrekking tot het kleuter- en lageronderwijs in één coherent kader. Op 1 september 2003 werd er gestart met de uitvoering van het Decreet van 10 juli 2003 betreffende het landschap basisonderwijs. Naar aanleiding van dit decreet hebben 9 op de 10 basisscholen zich verenigd tot scholengemeenschappen. Dit wordt gestimuleerd, doch niet verplicht.

www.eurydice.org

124


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) Decreet betreffende het landschap basisonderwijs

4.2. Actuele discussies en toekomstige ontwikkelingen ● ●

●

●

● ●

● ●

De aandacht voor meer gelijke kansen blijft centraal staan in het onderwijsbeleid. Omdat een zo vroeg mogelijke deelname aan het onderwijs de kansen vergroot, wordt gewerkt aan een impulsplan om de deelname van kleuters aan het onderwijs zoveel mogelijk te vergroten waarbij een minimumaanwezigheid zal worden vastgelegd. Daarnaast worden de schoolkosten verder beperkt. Activiteiten of schoolbenodigdheden die noodzakelijk zijn voor het bereiken van een eindterm of het nastreven van een ontwikkelingsdoel (bv. schriften, mappen, schoolagenda, schoolboeken) dienen vanaf het schooljaar 2007-2008 effectief kosteloos te zijn (dat is nu reeds verplicht, maar feitelijk niet steeds het geval). Voor de andere kosten (tijdschriften waarmee in de klas wordt gewerkt, eendaagse extra-murosactiviteiten) zal een 'scherpe' maximumufactuur worden vastgelegd. Voor meerdaagse uitstappen zal een minder scherpe factuur worden vastgelegd. Voor kleuters en leerlingen in het basisonderwijs zal, vanaf het schooljaar 2008-2009, ook een schooltoelage worden ingevoerd. Gezien de criteria voor toekenning dezelfde zullen zijn als voor het hoger onderwijs zal ¼ van de leerlingen voor de schooltoelage in aanmerking komen. In een eerste fase zal daarvoor 10 mio € worden uitgetrokken, voor een gemiddelde toelage van 60 €/kind. Voor vernieuwingen werd een decreet betreffende tijdelijke projecten geïntroduceerd, zie 2.2.. Voor ICT werden leergebiedoverschrijdende eindtemen voor het gewoon onderwijs en ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon onderwijs uitgewerkt die breed zijn en niet toegespitst op bepaalde computerprogramma's. Ze zullen worden ingevoerd op 1 september 2007. Er worden tevens extra middelen vrijgemaakt voor ICT-hard- en software en nascholing. De geplande hervorming van het buitengewoon onderwijs (zie 10.6.) zal moeten leiden tot een onderwijscontinuüm (leerzorgkader) waarvan ook het basisonderwijs deel uitmaakt. Actueel is ook de talenbeleidsnota van de minister: http://www.ond.vlaanderen.be/beleid/nota/talenbeleid.htm, in herwerking H

H

4.3. Wettelijk kader Volgende onderwijswetgeving is van belang voor het basisonderwijs in Vlaanderen. ● ● ●

Decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 + de bijhorende uitvoeringsbesluiten. Omzendbrief BaO/2006/04, Controle van de leerlingen in het gewoon basisonderwijs (9 oktober 2006). (voor GOK zie 10.5.3.1.)

eindtermen en ontwikkelingsdoelen ●

Decreet van 15 juli 1997 tot bekrachtiging van de ontwikkelingsdoelen en de eindtermen van het gewoon basisonderwijs.

Referenties

BVR tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen en de eindtermen van het gewoon basisonderwijs Controle van de leerlingen in het gewoon basisonderwijs www.eurydice.org

125


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) Decreet basisonderwijs Decreet betreffende de afwijkingsprocedure voor de ontwikkelingsdoelen en eindtermen

4.4. Algemene doelstellingen De school moet op grond van een pedagogisch project een opvoedings- en leeromgeving creëren waarin de leerlingen een ononderbroken leerproces kunnen doormaken. Die omgeving dient aangepast aan de voortgang in de ontwikkeling van de leerlingen. Het basisonderwijs BaO is verantwoordelijk voor onderwijs aan alle leerlingen en moet door blijvende aandacht en verbreding van de zorg zoveel mogelijk leerlingen blijvend begeleiden. Zo stelt het decreet Basisonderwijs van 25 februari 1997 (art. 8.). De algemene doelstellingen van het kleuter- en het lager onderwijs liggen in elkaars verlengde. Deze algemene doelstellingen worden vertaald in ontwikkelingsdoelen en eindtermen die meer concreet aangeven wat wenselijk en haalbaar wordt geacht voor kinderen in het basisonderwijs. ●

●

●

●

Brede vorming: in het kleuteronderwijs en in het lager onderwijs wordt de nadruk gelegd op een ruime basisvorming waarbij de persoonlijke ontwikkeling van het kind centraal staat. Bovendien wordt er de fundering gelegd voor de verdere studie en voor het goed functioneren in de maatschappij. De verstandelijke ontwikkeling, maar ook houdingen en waarden zijn belangrijk. Actief leren: de ontwikkelingsdoelen en de eindtermen geven de kinderen de ruimte om tijdens het lesgebeuren samen met de leerkracht en de medeleerlingen op zoek te gaan naar oplossingen, ervaringen op te doen, vaardigheden te gebruiken, inzichten te verwerven,… Het gaat hier om 'basiscompetenties': de geformuleerde doelen zijn levensecht en kunnen worden toegepast in het dagelijks leven van de kinderen. Zorg voor elke leerling: de eerste zorg van de school is dat elk kind de nodige basisbekwaamheden verwerft. Alle kinderen hebben recht op dat minimum. Toch doet ze ook recht aan de verschillen tussen de kinderen. De persoonlijke ontwikkeling van ieder kind staat immers centraal. Samenhang: een vierde belangrijk kenmerk is de samenhang tussen de leergebieden onderling. Kinderen zien de werkelijkheid niet gescheiden in vakjes. Daarom zijn er slechts 5 leergebieden en 2 leergebiedoverschrijdende thema's. Dit noemt men de horizontale samenhang. Daarnaast spreekt men van verticale samenhang. Er moet een vloeiende lijn zijn in het leerproces vanaf de kleuterschool tot het einde van de leerplicht.

4.5. Geografische toegankelijkheid Scholen zijn in Vlaanderen vrij gelijkmatig over het territorium verspreid. De Grondwet garandeert ouders niet enkel vrijheid van schoolkeuze, maar ook het recht om te kiezen tussen een neutrale officiële school of een confessionele school (behorend tot het vrij gesubsidieerd onderwijs). Indien één van beide scholen niet beschikbaar is binnen een omtrek van 4 kilometer van de woonplaats voor het lager onderwijs en 8 kilometer voor het secundair onderwijs, dan is er een speciale transportregeling, gefinancierd door de overheid, van toepassing. In het schooljaar 2006-2007 is een 3-jarig pilootproject gratis netoverstijgend leerlingenvervoer voor het basisonderwijs gestart in 9 pilootgemeenten. Deze zullen ook een schoolvervoerplan voor elke school opstellen gekoppeld aan extra inspanningen voor veilige schoolroutes en schoolomgevingen. Hierbij hanteert men het STOP-principe, stappen, trappen, organisatie van busvervoer en privé-vervoer in volgorde van prioriteiten. www.eurydice.org 126


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

4.6. Toelatingsvoorwaarden en schoolkeuze Een kleuter wordt toegelaten in het kleuteronderwijs en als regelmatige leerling beschouwd vanaf de instapdatum volgend op de datum waarop hij/zij de leeftijd van 2,5 jaar heeft bereikt. De instapdata zijn de eerste schooldag na : de zomervakantie, de herfstvakantie, de kerstvakantie, de eerste schooldag van februari, de eerste schooldag na de krokusvakantie, de paasvakantie en de eerste schooldag na Hemelvaart. Vóór de instapdatum mag een kleuter tussen 2,5 jaar en 3 jaar niet op school aanwezig zijn. Een kleuter die de leeftijd van 3 jaar bereikt heeft, kan elke dag worden ingeschreven en in de school worden toegelaten zonder rekening te moeten houden met de instapdata (Omzendbrief van 10 augustus 2001). Een schoolcarrière in het kleuteronderwijs eindigt meestal in de maand juni van het jaar waarin het kind 6 jaar wordt. De ouders kunnen beslissen dat hun kind een jaar langer in het kleuteronderwijs blijft of dat hun kind een jaar vroeger overstapt naar het lager onderwijs. De klassenraad van de betrokken kleuterschool en het hoofd van het Centrum voor leerlingenbegeleiding (CLB) brengen hierbij advies uit, maar de ouders nemen de eindbeslissing. In geval dat het kind een jaar langer in het kleuteronderwijs blijft, is het leerplichtig. Het lager onderwijs begint normaal in september van het jaar dat het kind de leeftijd van 6 jaar bereikt. Deze datum markeert het begin van de leerplicht die twaalf jaar duurt. De ouder kan echter beslissen dat zijn/haar kind het eerste jaar lager onderwijs mag aanvangen op de leeftijd van vijf jaar of dat het kind het eerste jaar van de leerplicht in het kleuteronderwijs doorbrengt, steeds na een advies van de klassenraad en het Centrum voor Leerlingenbegeleiding (CLB). Anderzijds is het in geval van een positief advies van de klassenraad en advies van het CLB mogelijk dat het kind acht jaar doorbrengt in het lager onderwijs (Decreet van 25 februari 1997). Dergelijke regeling laat het kind dat laattijdig (te wijten aan ziekte, handicap of immigratie) aanvangt in het onderwijs toe om in het lager onderwijs te blijven tot het einde van het schooljaar waarin het de leeftijd van 15 jaar bereikt (en onder voorwaarde dat hij/zij niet meer dan 8 jaar in dit onderwijsniveau heeft school gelopen). Het minimaal aantal jaren in het lager onderwijs is teruggebracht tot 4. De schoolkeuze gebeurt door de ouders. Bij de eerste inschrijving in het lager onderwijs stelt de inrichtende macht/het schoolbestuur de ouders en de leerling in kennis van het pedagogisch project en het schoolreglement van de school. De ouders moeten zich hiermee akkoord verklaren. Behalve de leeftijd zijn er geen toelatingsvoorwaarden. Het decreet van 28 juni 2002 betreffende gelijke onderwijskansen verankerde het principieel recht van elke ouder op een inschrijving in de gekozen school en vestigingsplaats; vanaf 12 jaar is het de leerling die in samenspraak met de ouders de keuze bepaalt Ze dienen wel in te stemmen met het pedagogisch project en het schoolreglement. Voor de coördinatie en de controle van dat inschrijvingsrecht werden Lokale Overlegplatforms (LOP's) ,en een Commissie inzake leerlingenrechten gecreëerd (zie 2.3.1.2.).

4.7. Financiële ondersteuning van het gezin Het basisonderwijs BaO moet voor iedereen in principe gratis toegankelijk zijn (Decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, artikel 27). Er zijn tot nu toe geen beurzen of toelagen voorzien. Vanaf het schooljaar 2008-2009 zullen schooltoelagen in het basisonderwijs worden ingevoerd. Aan ouders die hun kind inschrijven in een basisschool mag geen direct (d.i. bij de inschrijving zelf) of indirect inschrijvingsgeld worden gevraagd (door bv. hoge kosten aan te rekenen voor zaken waarvoor een bijdrage mag worden gevraagd aan de ouders). Er kan wel aan de ouders (= de personen die het www.eurydice.org 127


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) ouderlijk gezag uitoefenen of in rechte of in feite de minderjarige onder hun bewaring hebben) een bijdrage worden gevraagd voor bv. de kosten van maaltijden en vervoer in het kader van een schooluitstap en facultatieve (en aldus niet-verplichte) buitenschoolse activiteiten (zoals sneeuwklassen, sportklassen,…). Er moet worden overlegd binnen de schoolraad over de materialen en diensten waarvoor een bijdrage mag worden gevraagd aan de ouders. Sinds het schooljaar 20022003 moet de bijdrageregeling via het schoolreglement aan de ouders kenbaar worden gemaakt. Deze bijdragenlijst bij het schoolreglement bevat een opgave van de verschillende categorieën kosten waarvoor een tussenkomst kan worden gevraagd. Er wordt een raming gemaakt van het maximale bedrag per categorie zodat de ouders een inschatting kunnen maken van de grootte van de jaarlijkse bedragen en aldus niet in de loop van het schooljaar voor verrassingen komen te staan. Binnen het overleg in de schoolraad wordt een gedifferentieerde regeling uitgewerkt voor minder gegoede ouders, die ook in het schoolreglement wordt opgenomen (Omzendbrief BaO/2002/4). Vanaf 2007-2008 zal ook een maximumfactuur worden ingevoerd, zie 4.2.. Studiekosten in het basisonderwijs worden regelmatig onderzocht door het HIVA: zie Joost Bollens, 2005 en http://www.ond.vlaanderen.be/obpwo/projecten/2004/0406nicaise.htm. Gezinnen worden nog op andere wijzen financieel gesteund bij de opvoeding van hun kinderen. ●

Vanaf één maand na de geboorte wordt maandelijks voor de voorbije maand kinderbijslag uitbetaald voor elk kind dat tot het gezin behoort en ten laste is. Deze bijslag is een basisbedrag aangevuld met een leeftijdsbijslag. Het basisbedrag loopt trapsgewijs op van het eerste tot het derde kind. Voor zelfstandigen is het bedrag kleiner dan voor werknemers. De bijslag wordt uitbetaald voor alle kinderen tot 18 jaar die ten laste zijn. Voor 18 tot 25-jarigen wordt de kinderbijslag uitbetaald als ze nog ten laste zijn, hoger onderwijs volgen en/of geen eigen inkomen (boven een bepaalde grens hebben) hebben. Meer info : www.kindergeld.be of www.rkw.be (Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers) en www.rsvz-inasti.fgov.be (Rijksdienst voor de Sociale Verzekering der Zelfstandigen) Ouders krijgen ook een belastingvermindering voor de kinderen die ze ten laste hebben (gedomicilieerd zijn op het adres van de ouders en weinig of geen inkomen hebben en dit ongeacht hun leeftijd). Er is ook fiscale aftrekbaarheid voor de kosten voor kinderopvang van kinderen tot 12 jaar betaald aan opvangdiensten, zelfstandige onthaalouders of kinderdagverblijven mits deze onder toezicht staan van Kind en Gezin (zie [3]). H

H

●

●

H

H

Referenties

Studiekosten in het basisonderwijs: wat het aan ouders kost om schoolgaande kinderen te hebben. Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers RSVZ, Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen Omzendbrief "Overzicht subsidies en toelagen aan gewoon en/of buitengewoon gefinancierd en/of gesubsidieerd onderwijs"

4.8. Leeftijdsniveaus en leeftijdsgroepen In de meeste gevallen worden in het kleuteronderwijs jaren gegroepeerd volgens de leeftijd: kinderen van 2,5 jaar tot 3 jaar; van 3 tot 4 jaar; van 4 tot 5 jaar; van 5 tot 6 jaar. De indeling in groepen behoort echter tot de vrijheid van de inrichtende macht. Meestal blijft de leerkracht niet bij de klasgroep als die overgaat naar een volgend jaar. Sommige scholen hanteren kortstondig of continu het verticaal verdelingssysteem, waarbij verschillende leeftijdsgroepen in eenzelfde jaar samen zitten, www.eurydice.org

128


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) wanneer het aantal leerlingen te klein is om aparte jaren in te richten. Het aantal leerlingen per klas valt onder de autonomie van het schoolbestuur. Het lager onderwijs omvat 6 leerjaren. De indeling van de kinderen in groepen en het aantal leerlingen per klas behoort tot de vrijheid van elk schoolbestuur. Het jaarklassensysteem is geen verplichting, maar nog wel in de meerderheid van de scholen de vaste structuur in het lager onderwijs. Dit neemt niet weg dat vele vormen van differentiatie voorkomen, meestal binnenklasdifferentiatie. De overheid ondersteunt scholen hierin door het ter beschikking stellen van extra lestijden die scholen flexibel kunnen inzetten, naast de klasseleerkracht. Klasgroepen worden zo bijvoorbeeld voor bepaalde leergebieden opgesplitst, sommige leerlingen krijgen tijdelijk individuele begeleiding, leerkrachten worden gecoacht door collega’s, enz.. Op die manier geven basisscholen vorm aan een zorg- en gelijkekansenbeleid. Normaal is er één leerkracht die alle vakken geeft. Soms worden er echter speciale leerkrachten aangesteld voor vakken als muziek, lichamelijke opvoeding en een bijzondere leermeester voor levensbeschouwelijke vorming (godsdienst of niet-confessionele zedenleer) in het officieel onderwijs.

4.9. Organisatie van de schooltijd De organisatie van de schooltijd wordt geregeld door het Besluit van de Vlaamse Regering tot organisatie van het schooljaar in het basisonderwijs van 17 april 1991. Binnen het kader dat door dit besluit wordt geschapen handelt het schoolbestuur autonoom wat betreft de organisatie van de schooldag, schoolweek en het schooljaar in het kleuteronderwijs.

4.9.1. Organisatie van het schooljaar Het schooljaar begint op 1 september en eindigt op 31 augustus.

4.9.2. Organisatie van de schoolweek en de schooldag Het schoolbestuur is vrij om de organisatie van het onderwijs die wordt vastgelegd in een schoolwerkplan, te bepalen. Er bestaan een vaste lesroosters in het basisonderwijs BaO. Met uitzondering van ziekenhuisscholen volgen de kinderen per schoolweek 28 of 29 lestijden van 50 minuten. Ze worden gelijkmatig verspreid over vijf dagen, van maandag tot en met vrijdag. De woensdagnamiddag is vrij (Besluit van de Vlaamse regering van 17 april 1991). De lessen beginnen op zijn vroegst om 8 uur en eindigen op zijn vroegst om 15 uur en uiterlijk om 17 uur. Er is een middagpauze van tenminste één uur. Vaak worden de lessen in de voor- en / of in de namiddag onderbroken voor een speeltijd. Aansluitend voor- en/of na de lunchpauze is er soms ook een speeltijd. Er is een wettelijk kader ontwikkeld voor kinderopvang voor en na de schooltijd, op woensdagnamiddag en tijdens de vakantie. Naast privé-initiatieven kan een school kinderopvang organiseren wanneer op gemeentelijk niveau blijkt dat omwille van organisatorische redenen de school best kan instaan voor de organisatie van kinderopvang, rekening houdend met het bestaand aanbod van voorzieningen in kinderopvang in de gemeente. Net zoals alle andere initiatieven moet de

www.eurydice.org

129


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) school beantwoorden aan specifieke kwaliteitsvereisten voor kinderopvang (Besluit van de Vlaamse regering van 17 april 1991). De scholen zijn echter niet verplicht om deze dienst te voorzien.

Lengte van de schooldag in het lager onderwijs maandag

dinsdag

woensdag donderdag vrijdag

Voorschoolse opvang mogelijk / voorziening buiten de lesuren Start lessen ten vroegste om 8 u, meestal 8u30 Lunchpauze Einde lessen ten vroegste om 15u, ten laatste 17u Naschoolse opvang mogelijk / voorziening buiten de lesuren

Namiddag vrij eventueel beperkte naschools e opvang

4.10. Curriculum, leergebieden, aantal lesuren Voor het kleuteronderwijs werden door de DVO, Dienst voor Onderwijsontwikkeling (nu Entiteit Curriculum) ontwikkelingsdoelengeformuleerd en decretaal verankerd door het Vlaams parlement in het Decreet van 15 juli 1997. Een nieuwe definitie voor ontwikkelingsdoelen en eindtemen werd in 2004 geformuleerd. Zie http://www.ond.vlaanderen.be/dvo/basisonderwijs/info/tekstdefinitieET.htm H

De ontwikkelingsdoelen vormen het kerncurriculum. Zij worden geformuleerd voor vijf leergebieden: ● ● ● ● ●

lichamelijke opvoeding: motorische competenties, gezonde en veilige levensstijl, zelfconcept en sociaal functioneren, muzische vorming: beeld, muziek, drama, beweging, media en attitudes, Nederlands: luisteren, spreken, lezen, schrijven, taalbeschouwing, Wereldoriëntatie: natuur, mens, maatschappij, technologie, tijd en ruimte, wiskundige initiatie: getallen, meten en ruimte.

Alle scholen moeten activiteiten in al deze leergebieden aan de leerlingen aanbieden. De onderwijsinspectie controleert of de ontwikkelingsdoelen worden nagestreefd. Op basis van de ontwikkelingsdoelen maken de schoolbesturen of de onderwijskoepels een ontwikkelingsplan (leerplan). Doelen en activiteiten worden uitgezet voor alle leeftijdsgroepen in een doorgaande leerlijn naar het lager onderwijs. Het lesrooster wordt door het schoolbestuur opgesteld. Voor het lager onderwijs zijn er door de Dienst voor Onderwijsontwikkeling (nu Entiteit Curriculum) eindtermengeformuleerd en decretaal verankerd door het Vlaams parlement in het Decreet van 15 juli 1997. Ze zijn vanaf 1 september 1998 verplicht voor alle scholen. Eindtermen zijn minimumdoelen die de overheid noodzakelijk en bereikbaar acht voor een bepaalde leerlingenpopulatie. Met minimumdoelen wordt bedoeld: enerzijds een minimum aan kennis, inzicht en vaardigheden die alle leerlingen van de leerlingengroep verwerven tijdens het leerproces en anderzijds een minimum aan attitudes die de school nastreeft bij de leerlingen. (Schoolbesturen kunnen op grond van hun pedagogisch project en middels een grondige procedure alternatieve eindtermen vragen. Enkel de Steinerscholen hebben (beperkte) afwijkingen voorgesteld en verkregen.)

www.eurydice.org

130


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) Er zijn verschillende soorten eindtermen. ●

●

Leergebiedgebonden eindtermen betreffende kennis, inzicht en vaardigheden dienen door elke school bij de leerlingen bereikt te worden. Leergebiedgebonden eindtermen betreffende attitudes dienen door elke school bij de leerlingen te worden nagestreefd. Leergebiedoverschrijdende eindtermen zijn minimumdoelen die niet specifiek tot één leergebied behoren, maar door meer leergebieden of onderwijsprojecten kunnen worden nagestreefd.

Het kerncurriculum bestaat uit leergebieden en leergebiedoverschrijdende thema's. ●

leergebieden:

○ lichamelijke opvoeding: motorische competenties, gezonde en veilige levensstijl, zelfconcept en sociaal functioneren

○ muzische vorming: beeld, muziek, drama, beweging, media en attitudes ○ Nederlands: luisteren, spreken, lezen, schrijven, taalbeschouwing ,vaardigheden en strategieën Nederlands

○ Frans: luisteren, lezen, spreken en schrijven ○ wereldoriëntatie: natuur, mens, maatschappij, technologie, tijd en ruimte ○ wiskundige: getallen, meten, meetkunde, strategieën en probleemoplossende ●

vaardigheden, en attitudes. leergebiedoverschrijdende thema's:

○ leren leren ○ sociale vaardigheden ○ ICT (vanaf 2007) Specifieke ICT-competenties voor het basisonderwijs BaO werden door de DVO uitgewerkt en verspreid in 2004. Ze werden nader toegelicht met praktijkvoorbeelden van schoolwerking door ENISscholen op een studiedag in 2005. ENIS (Europees Netwerk van Innovatieve Scholen) is een Europees initiatief om het gebruik van ICT in het onderwijs te stimuleren, zie www.enis.be Ondertussen werden vakoverschrijdende ICT-eindtermen vastgelegd en goedgekeurd door de regering. Ze moeten ingaan op 1 september 2007. H

H

Het Decreet Basisonderwijs van 25 februari 1997 maakt een afwijking van de vastgelegde ontwikkelingsdoelen en eindtermen mogelijk voor schoolbesturen die verantwoordelijk zijn voor de inrichting van basisonderwijs. Een schoolbestuur kan oordelen dat de vastgelegde ontwikkelingsdoelen/eindtermen te weinig ruimte bieden om de eigen pedagogische en opvoedkundige visie te realiseren en/of dat ze onverenigbaar zijn met deze visie. In dat geval kan het schoolbestuur een gemotiveerde vraag tot afwijking indienen samen met een eigen alternatieve definitie van de ontwikkelingsdoelen/eindtermen. De Vlaamse regering beoordeelt dan de gelijkwaardigheid van de voorgestelde ontwikkelingsdoelen/eindtermen met de vastgelegde. Op basis van de eindtermen maken de schoolbesturen zelf hun leerplan. In praktijk gebeurt dit meestal door de koepels van de onderwijsnetten. Deze leerplannen worden met het oog op het waarborgen van het onderwijspeil op advies van de inspectie door de regering goedgekeurd. Het lesrooster wordt door het schoolbestuur opgesteld. Tot 2004 was het leergebied Frans mogelijk maar niet verplicht vanaf het 5e leerjaar lager onderwijs. De meeste scholen boden het ook in de praktijk aan. Vanaf het schooljaar 2004-2005 is dit voortaan verplicht. Voor de gemeenten met een speciaal statuut (Brussel, randgemeenten, taalgrensgemeenten) geldt sinds 1963 een speciale regeling, daar is Frans verplicht a rato van 3u/week vanaf het 3e jaar lager onderwijs en 5u/week vanaf het 5e jaar. Bovendien is vanaf 1 september 2004 taalinitiatie in het Frans mogelijk vanaf het begin van het gewoon basisonderwijs (dus ook al in het gewoon kleuteronderwijs). Dit zowel in Vlaanderen als in de www.eurydice.org

131


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) hogergenoemde gemeenten met een speciaal statuut. Daarnaast kan ook bijkomend taalinitiatie in een andere taal worden aangeboden, doch taalinitiatie in het Frans moet altijd eerst worden aangeboden (Omzendbrief BaO/2004/02 van 11/06/2004). Vanaf 1 september 2005 hebben scholen die lager onderwijs inrichten recht op aanvullende lestijden voor lichamelijke opvoeding.

4.11. Onderwijsmethoden en didactisch materiaal Volgens het principe van de pedagogische vrijheid (zie 2.3.1.1.) behoort een beslissing omtrent de onderwijsmethoden en de gebruikte didactische hulpmiddelen tot de vrijheid van het schoolbestuur. Bijgevolg is er geen sprake van officiële richtlijnen. De activiteiten in het kleuteronderwijs staan meestal in het teken van een bepaald thema of belangstellingspunt. Deze thema's hangen vaak samen met de jaarkalender, maar kunnen ook onderwerpen zijn die door de kleuters zelf worden ingebracht. Hoekenwerk als organisatievorm vindt men in vrijwel elke kleuterschool. Kinderen krijgen de kans zelfstandig of met hulp van andere kinderen (en volwassenen) te experimenteren, ontdekken, overleggen,... Hoekenwerk en contractwerk zijn belangrijke hulpmiddelen in het verwerven van zelfstandigheid in het lager onderwijs. ●

●

Bij hoekenwerk worden elke week een paar uurtjes (autonomie van de school) uit getrokken om de kinderen in de verschillende hoeken van de klas ontdekkingen te laten doen, reeds gekende zaken in dagdagelijkse situaties toe te passen of een oplossing voor een probleem proberen te vinden. Die uurtjes kunnen de kinderen ook gebruiken om naar eigen keuze een opdracht uit hun contract uit te voeren. Ze moeten ervoor zorgen dat ze voor een afgesproken datum klaar zijn met hun werk (planning). Dit noemt men contractwerk. Contractwerk is een organisatievorm waarbij voor iedere leerling een activiteitenpakket voor een bepaalde periode wordt vastgelegd. Voor de afwerking van het pakket (bundeltje) krijgen de leerlingen een bepaald deel van de klastijd ter beschikking, waarbij ze relatief zelfstandig over de duur en de volgorde van de activiteiten kunnen beslissen.

ICT wordt beschouwd in het basisonderwijs BaO als ondersteuning van het leerproces. Daarom werden de kleuters vanaf 4 jaar opgenomen bij de doelgroepen van het ICT-infrastructuurprogramma. Hiertoe zijn ook ICT-competenties voor de basisschool ontwikkeld. Elke school is echter vrij om te beslissen vanaf welke leeftijd zij hieraan begint te werken (zie 4.10.). Vooral binnen het basisonderwijs kennen methodescholen een toenemend succes (zie 2.3.4.). De aankoop van leermateriaal zoals schoolboeken, audiovisueel materiaal e.a. wordt niet opgelegd vanwege de overheid. Scholen kunnen hierover wel onderling afspraken maken (bv. binnen de scholengemeenschappen).

4.12. Evaluatie van leerlingen Scholen zijn vrij in hun evaluatiebeleid. De beoordeling in het kleuteronderwijs is hoofdzakelijk gebaseerd op observatie en vervult drie rollen: ●

Een vooruitziende rol: biedt de graad van ontwikkeling die door de leerling bereikt is voldoende perspectieven voor een schoolcarrière in het lager onderwijs? www.eurydice.org 132


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) ● ●

Een peilende rol: wat heeft het kind geleerd, hoever staat de leerling in vergelijking met zijn leeftijdsgenoten? Een diagnostische rol: waarom heeft de ontwikkeling van een leerling vertraging opgelopen of waarom is de kennis op bepaalde terreinen niet verworven?

De overgang van kleuter- naar lager onderwijs wordt op vraag van het schoolteam en na instemming van de ouders opgevolgd door het Centrum voor Leerlingenbegeleiding (CLB) (zie 4.15.2.), samen met het onderwijsteam van de school. In het lager onderwijs toetst de leerkracht zeer regelmatig kleine en grotere leerstofonderdelen met de bedoeling om te beoordelen in welke mate de vooropgestelde doelstellingen door de leerlingen bereikt zijn en om de doelmatigheid van zijn/haar lesgeven te evalueren. Een schoolrapport informeert elke leerling en zijn/haar ouders op regelmatige tijdstippen over de bereikte resultaten, de vooruitgang die is gemaakt, het leergedrag en de persoonlijke ontwikkeling van het kind. Op dit niveau (net zoals in het secundair onderwijs) wordt de leerkracht aangemoedigd om een pedagogie van succes en positieve stimulering te hanteren, die rekening houdt met de moeilijkheden die inherent zijn aan de vooropgestelde doelstellingen en de variërende bekwaamheden van de leerlingen. Samen met de formatieve toetsen kunnen de resultaten van de summatieve toetsen die in december of juni worden afgenomen hierbij worden gebruikt. Er is een groeiende expertise wat betreft het werken met instrumenten zoals kind- of leerlingvolgsystemen bij de observatie en het opvolgen van de ontwikkeling van de leerlingen, de instrumenten van het Centrum voor Ervaringsgericht onderwijs CEGO bijvoorbeeld, de schalen voor het in kaart brengen van de betrokkenheid en het welbevinden van kinderen. Op het einde van het basisonderwijs BaO beslist de klassenraad over het al dan niet uitreiken van een getuigschrift basisonderwijs. Scholen hebben hierin een grote mate van autonomie. De klassenraad baseert zich hiervoor op de schooleigen evaluatiegegevens en doet een uitspraak over het beheersen van de doelen uit het leerplan, waarin de eindtermen voor het lager onderwijs vervat zitten.

4.13. Voortgang van leerlingen Over het met vrucht doorlopen van een schooljaar en het overgaan naar het volgende leerjaar wordt beslist door de klasleraar, vaak in overleg met de directeur en eventueel met andere leden van het onderwijsteam. Het zittenblijven is bij allochtone leerlingen duidelijk een probleem in het lager onderwijs, zie 4.18.4. en 4.18.5..

4.14. Studiebewijzen Het Getuigschrift Basisonderwijs kan worden bekomen op het einde van het 6de leerjaar van het lager onderwijs, op het einde van het eerste jaar van het secundair onderwijs (1ste jaar A of B) of op het einde van het voorbereidende jaar beroepsonderwijs (d.i. het tweede jaar van de eerste graad secundair onderwijs voor zij die uit de het eerste jaar B komen) waar een evenwaardig certificaat wordt verstrekt.

4.15. Begeleiding www.eurydice.org

133


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

4.15.1. Bijzondere begeleiding van leerlingen In 1984 werd het Koninklijk Besluit van 27 oktober 1966 gewijzigd om een grotere autonomie voor elke school te garanderen wat betreft de organisatie van haar onderwijsaanbod en dit door de school te financieren op basis van een pakket toegewezen lesuren. Een lestijdenpakket wordt ter beschikking gesteld van elke school, afhankelijk van het aantal leerlingen. Daarbovenop krijgen scholen nog een aantal uren waarmee zij een zorgbeleid kunnen vormgeven. Scholen zijn relatief vrij in de wijze waarop zij dit doen (bijvoorbeeld voor individuele begeleiding van leerlingen, voor het coachen van leerkrachten en coördineren van zorginitiatieven, voor schoolmanagement …. Scholen met veel GOKleerlingen (d.w.z. leerlingen die beantwoorden aan de gelijke kansen indicatoren (zie 10.5.3.3.) krijgen ook nog extra GOK-lestijden om gerichte initatieven te nemen in het kader van een eigen gelijke kansenbeleid. De specifieke voorzieningen en begeleiding van leerlingen met extra behoeften, behandelen we in 10.5., de extra begeleiding voor kinderen van minderheden in 10.7.. Vanaf het schooljaar 2001-2002 wordt er een afzonderlijk urenpakket voor kinderverzorgers gefinancierd of gesubsidieerd in het gewoon kleuteronderwijs. Deze maatregel is een stap in de richting van een betere begeleiding en van het optimaliseren van de opvang van de jongste kleuters. Het urenpakket wordt berekend op basis van het aantal regelmatige kleuters op de teldag en op basis van het aantal vestigingsplaatsen. Van zodra de school 35 kleuters telt, worden er 8 uren kinderverzorgers gesubsidieerd. Per volle schijf van 55 kleuters komt er één uur bij. Per bijkomende vestigingsplaats kleuteronderwijs die wordt ingericht, ontvangt de school 2 extra uren (Decreet van 13 juni 2001). In het kleuteronderwijs zijn er sinds 1 september 2002 aanvullende lestijden bewegingsopvoeding. Ook een deel van de middelen voor zorgcoördinatie gaat naar het kleuteronderwijs waardoor zij zorgcoördinatoren kunnen aanstellen. De specifieke voorzieningen en begeleiding van leerlingen met extra behoeften, behandelen we in 10.5., de extra begeleiding voor kinderen van minderheden in 10.7..

4.15.2. De rol van centra voor leerlingenbegeleiding (CLB) Naast de leeropdracht die scholen ontegensprekelijk hebben, moeten ze leerlingen ook begeleiden in hun totale ontwikkeling als individu in de samenleving. Voor deze taak kunnen scholen een beroep doen op een centrum voor leerlingenbegeleiding (CLB). Elke school heeft een beleidsplan of beleidscontract afgesloten met een CLB. Deze centra zijn het resultaat van de samenvoeging van de vroegere psycho-medisch sociaal centrum (PMS) en het centrum voor medisch toezicht (MST). Een centrum voor leerlingenbegeleiding of CLB is een dienst waarop leerlingen, ouders, leerkrachten en schooldirecties een beroep kunnen doen voor informatie, hulp en begeleiding. In de begeleiding staat de leerling centraal. maar het CLB ondersteunt en begeleidt ook de school en de ouders met wie zij de verantwoordelijkheid ten aanzien van het welzijn van de leerlingen delen. De zorg van het CLB begint daar waar de mogelijkheden van school en ouders (de eerste begeleiders van het kind) ontoereikend blijken; de CLB-begeleiding is dus aanvullend. Een CLB kan leerlingen op vier domeinen begeleiden: ● ● ● ●

het leren en studeren; onder meer leerstoornissen,… de schoolloopbaan; studiekeuzebegeleiding en alle informatie m.b.t. onderwijs en schoolgaan. de preventieve gezondheidszorg; onder meer obesitas, mishandeling,… de sociaal-emotionele ontwikkeling, onder meer gedragsproblemen, verslavingsproblematiek… www.eurydice.org

134


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) De begeleiding is multidisciplinair. Verschillende vakmensen werken aan een oplossing in teamverband, elk vanuit hun eigen discipline. In een CLB werken onder andere artsen, maatschappelijk werkers, pedagogen, psychologen, psychologisch assistenten en verpleegkundigen. Die werken samen in een (multidisciplinair) team om het welbevinden van leerlingen te bevorderen doorheen hun schoolloopbaan. Het gaat er dus om de leerling zich goed te laten voelen zodat hij zijn kennis en vaardigheden in de beste omstandigheden kan ontwikkelen. Daarom is het belangrijk dat verschillende vakmensen van een CLB in team werken. De werking van het CLB is vraaggestuurd: een CLB gaat in op vragen van ouders en leerlingen; daarnaast kan een CLB ook voorstellen tot begeleiding aan scholen doen. Begeleiding gebeurt in een sfeer van vertrouwen en dialoog. Het initiatief gaat in principe altijd uit van de vraagsteller. Een begeleiding kan dus pas opgestart worden nadat een leerling of een ouder daartoe het initiatief neemt. Vraagt een school het CLB om een leerling te begeleiden, dan zal het centrum altijd eerst de uitdrukkelijke toestemming vragen aan de ouders (voor een leerling jonger dan 12 jaar) of aan de leerling zélf (vanaf 12 jaar). In principe kan begeleiding door een CLB niet verplicht worden. Er zijn echter twee uitzonderingen op deze regel, waarbij de verplichting toch geldt: bij spijbelgedrag en bij sommige medische onderzoeken. In sommige leerjaren is de deelname aan het medisch onderzoek verplicht. Het is belangrijk dat elke leerling deelneemt aan het onderzoek om beginnende aandoeningen of ziekten tijdig te kunnen opsporen of voorkomen. Daarnaast kan er op die manier belangrijke informatie verzameld worden over de algemene gezondheidstoestand van de jongeren. Naast het medisch onderzoek doet het CLB aan preventieve jeugdgezondheidszorg. Hiermee wil men de gezondheidstoestand van leerlingen bewaken, behouden of bevorderen. Om deze opdracht te realiseren, kan het CLB-team één van de volgende acties ondernemen: een georganiseerd medisch onderzoek of consult organiseren; beschermingsmaatregelen nemen bij bepaalde besmettelijke aandoeningen in het schoolmilieu; aan gezondheidspromotie doen of dergelijke initiatieven ondersteunen; inentingen aanbieden, toedienen of hiervoor doorverwijzen. Elke leerling heeft recht op bijzondere aandacht maar het centrum begeleidt prioritair en intensief leerlingen die leerbedreigd zijn door hun sociale achtergrond en leefsituatie. Er is tevens bijzondere aandacht voor leerlingen uit het buitengewoon onderwijs, het kleuteronderwijs en de aanvangsjaren van de lagere school, het technisch, kunst-, beroepssecundair onderwijs, het deeltijds beroepsonderwijs en de erkende vormingen, het eerste leerjaar B, het beroepsvoorbereidend jaar. De dienstverlening is discreet, gratis en de CLB-medewerkers zijn gehouden aan het beroepsgeheim. In een CLB wordt ook per leerling een leerlingdossier bijgehouden gedurende de volledige schoolloopbaan. De geheimhouding van gegevens wordt gegarandeerd. Dit waarborgt een onafhankelijke werking van het CLB-personeel tegenover scholen en andere instellingen; Het CLB staat ook in voor de attesten die in bepaalde gevallen noodzakelijk kunnen zijn om een kind in te schrijven in een bepaald leerjaar of in het buitengewoon onderwijs. het CLB lost niet alle problemen op. Soms zal men doorverwijzen naar andere, meer gespecialiseerde diensten. Zo zal het centrum voor leerlingenbegeleiding een belangrijke rol spelen bij de contacten tussen de school en de welzijns- en gezondheidsinstellingen.

http://www.ond.vlaanderen.be/clb/prof/overzicht.htm

Departement onderwijs en vorming Inspectie CLB

H

H

http://www.onderwijsinspectie.be/CLB/indexclb.htm

Netoverschrijdend platform voor informatisering CLB's Gemeenschapsonderwijs

http://portal.nico-clb.be H

H

http://www.go-clb.be H

www.eurydice.org

H

135


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) POC, Permanente ondersteuningscel (CLB's http://pedago.rago.be/ van het gemeenschapsonderwijs) Provinciaal onderwijs

http://www.pov.be H

Stedelijk en gemeentelijk onderwijs

H

http://www.ovsg.be/1scholen.htm H

Netoverschrijdende CLB-informatiedienst van de Gentse Centra voor Leerlingenbegeleiding en de stad Gent Vrij onderwijs

H

http://www.destapgent.be/default.asp H

H

http://www.vclb-koepel.be

Tijdschrift van de vrije CLB's

http://www.caleidoscoop.be/ H

Vrije CLB's van Vlaams-Brabant en Brussel

H

http://www.digiclb.be H

H

De kwaliteitsbewaking van de CLB's gebeurt d.m.v. visitaties door de sector zelf en doorlichtingen door de onderwijsinspectie CLB, zie 9.4.2.2..

Caleidoscoop (tijdschrift van de vrije CLB's) CLB-werking vandaag: een introductie VCLB, Vrije-CLB-Koepel Decreet betreffende de Centra voor Leerlingenbegeleiding

4.16. Privé-onderwijs 68 % van de leerlingen in het basis en secundair onderwijs lopen school in vrije scholen, niet opgericht door openbare besturen of publiekrechtelijke personen. Dit vrij onderwijs is gesubsidieerd, erkend, gecontroleerd en geïnspecteerd door de staat (zie 2.3.3.. Daarom wordt het ook niet afzonderlijk in dit onderdeel behandeld, maar samen met het officieel onderwijs. Aan de leerplicht kan echter ook voldaan worden door het volgen van lessen in huisonderwijs, dat door ouders zelf bekostigd en georganiseerd wordt en geen recht geeft op erkende studiebewijzen. Dat dient slechts aan een beperkt aantal voorwaarden te voldoen (zie 2.5.2.). Slechts enkele honderden leerlingen volgen dergelijk onderwijs (zie 2.9.4.). Zie ook SIDIN 2004-2205, http://www.ond.vlaanderen.be/sidin/wnhso/wnhso2004-2005.pdf H

Huisonderwijs mag niet worden verward met 'onderwijs aan huis' voor zieke of gehandicapte kinderen (zie 4.17.2..

4.17. Andere organisatievormen Voor onderwijs aan langdurig zieke kinderen zijn verschillende voorzieningen uitgebouwd: ziekenhuisscholen 4.17.1., tijdelijk 4.17.3. en permanent 4.17.2. onderwijs aan huis, jeugdpsychiatrische diensten (gesubsidiëerd als Diensten met Onderwijsbehoeften) 4.17.4.. Voor kinderen van foorkramers is in het schooljaar 2006-2007 een 3-jarig project gestart met een rijdende kleuterschool. De rijdende kleuterschool beschikt over 1 gedetacheerde kleuterleidster en werkingsbudget en zal het parcours van de grote kermissen volgen. Tijdens de winterstop (half november - half februari) zal voor de kleuters een ankerschool worden gezocht. www.eurydice.org

136


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

4.17.1. Type 5-onderwijs (ziekenhuisscholen en preventoria) Ziekenhuisscholen en preventoria bestaan sinds vele jaren in Vlaanderen, maar zijn beperkt in aantal. ●

De programmatie- en rationalisatienormen liggen in het basisonderwijs BaO relatief hoog zodat enkel zeer grote ziekenhuizen met een voldoende grote groep jongeren een ziekenhuisschool kunnen oprichten en/of in stand houden. Er zijn 7 basisscholen van het type 5, waar op één dag in het totaal zo'n 370 kinderen aanwezig zijn:

○ 3 verbonden aan universitaire ziekenhuizen (Antwerpen, Gent en Leuven), ○ 2 verbonden aan revalidatieklinieken (Pulderbos en Vlezenbeek), ○ 2 bij het preventorium in De Haan (1 Franstalig en 1 Nederlandstalig). ●

In het secundair onderwijs wordt het aantal ziekenhuisscholen beperkt doordat zij enkel kunnen worden opgericht bij de universitaire ziekenhuizen. Er bestaan 3 van dergelijke scholen, in Antwerpen, Gent en Leuven. Dat secundair onderwijs bestaat eigenlijk uit een afdeling van de basisschool verbonden aan deze ziekenhuizen. Het was indertijd (1986) een keuze om geen onafhankelijke secundaire ziekenhuisscholen op te richten, maar om ze te integreren in de basisschool. De secundaire scholen van het type 5 bieden enkel opleidingsvorm 4 aan. Daarnaast bestaat nog het zeepreventorium in De Haan, maar dat valt onder een eigen regeling.

Sommige jongeren krijgen 1 lestijd per dag, anderen zijn in staat om meer onderwijs te ontvangen. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van de arts en de ziekenhuisschool om te oordelen hoeveel onderwijs de zieke jongere aankan. Het feit dat een kind zich in een type 5-school bevindt, ontslaat de thuisschool niet van de verantwoordelijkheid voor dit kind. Het kind blijft immers ingeschreven in de thuisschool. Die wordt geacht de ziekenhuisschool ten minste informatie te geven over bv. de gebruikte handboeken, mogelijke aandachtspunten voor de leerlingen, het programma enz.

4.17.2. Permanent Onderwijs Aan Huis (POAH) Leerplichtige leerlingen die voldoen aan de toelatingsvoorwaarden voor het buitengewoon onderwijs maar door hun handicap (bv. zeer broze beenderen, vergroot risico bij infecties) niet over een langere periode (één of meerdere jaren) onderwijs kunnen volgen op school, hebben recht op Permanent Onderwijs Aan Huis. De school voor buitengewoon onderwijs die het Permanent Onderwijs Aan Huis zal verstrekken, krijgt voor de betrokken leerling vier bijkomende lestijden per week gefinancierd of gesubsidieerd. Ze wordt toegewezen door de Commissie van Advies voor Buitengewoon Onderwijs, rekening houdend met de vrije keuze van de ouders. In het buitengewoon basisonderwijs bestaat deze regeling al langer. Momenteel krijgen jaarlijks vier à vijf kinderen op deze manier onderwijs. Sinds 1 september 2005 bestaat deze regeling ook voor het buitengewoon secundair onderwijs. Zie ● ● ● ● ●

Besluit van de Vlaamse regering van 17 juni 1997 Besluit van de Vlaamse regering van 27 juli 1999 Besluit van de Vlaamse regering van 23 december 2005 Omzendbrief SO/2005/05 van 22 juli 2005 Besluit van de Vlaamse regering betreffende het secundair onderwijs aan huis voor zieke jongeren en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 17 juni 1997 betreffende het onderwijs aan huis. www.eurydice.org

137


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

www.eurydice.org

138


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

4.17.3. Tijdelijk Onderwijs Aan Huis (TOAH) In 1997 werd het Tijdelijk Onderwijs Aan Huis in het basisonderwijs BaO geïntroduceerd en in 2005 uitgebreid naar het secundair onderwijs. Tijdelijk Onderwijs Aan Huis komt er op neer dat een leerplichtig kind, na een ononderbroken afwezigheid wegens ziekte of ongeval van 21 kalenderdagen, onder bepaalde voorwaarden recht heeft op 4 lestijden of -uren onderwijs thuis of in het regionale ziekenhuis. De organisatie ervan is de verantwoordelijkheid van de thuisschool, die een leerkracht aanstelt. Hiertoe krijgt de school vier bijkomende lestijden of -uren per week en per zieke leerling gefinancierd of gesubsidieerd. Jaarlijks worden door deze maatregel in het basisonderwijs zo'n 150 leerlingen geholpen. Voor het secundair onderwijs zijn er nog geen cijfers omdat de maatregel zeer recent is. Vanaf januari 2007 kunnen ook chronisch zieke kinderen (nierpatiënten, astmapatiënten, herstellende kankerpatiënten...) in basis- en secundair onderwijs genieten van dit Tijdelijk Onderwijs Aan Huis, ook al geraken ze - door de specificiteit van hun ziekte - vaak niet aan 21 kalenderdagen ononderbroken afwezigheid. Immers, ze missen veel lessen en lopen door hun chronische afwezigheid ook leerachterstand op. Er wordt extra budget voor voorzien. Tijdelijk Onderwijs aan Huis wordt vanaf januari 2007 ook mogelijk voor kinderen die vrij ver van hun school wonen, maar enkel op voorwaarde dat de school het kan organiseren.

4.17.4. K-diensten (jeugdpsychiatrische diensten) In 2002 werd er gestart met het toekennen van subsidie-enveloppen aan de 12 kinderpsychiatrische diensten. Die zijn gebaseerd op het aantal dag- en dagen nachtbedden waarvoor de betrokken Kdienst erkend is. Zo zijn er in Vlaanderen momenteel 257 subsidieerbare plaatsen. Uiteraard wordt ook hier, net zoals in type 5, op jaarbasis een veelvoud aan jongeren geholpen. Deze groep stijgt. De subsidie-enveloppe wordt toegekend om de K-dienst in staat te stellen onderwijs te organiseren. Dit onderwijs is voor de betrokken jongeren geen verplichting maar een mogelijkheid. Net als bij type 5, blijft een kind dat zich in een K-dienst bevindt toch mee de verantwoordelijkheid van de thuisschool. (Discussienota 'Leerzorg in het onderwijs', december 2005, Minister van Onderwijs, Frank Vandenbroucke)

www.eurydice.org

139


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

4.18. Statistieken 4.18.1. Evolutie van het aantal leerlingen in het kleuteronderwijs

Schooljaar

Gewoon kleuteronderwijs

Buitengewoon kleuteronderwijs

Totaal kleuteronderwijs

Verhouding t.o.v.

Verhouding t.o.v.

Verhouding t.o.v.

1995-1996

1995-1996

1995-1996

Absoluut

Procent

Absoluut

Procent

Absoluut

Procent

1990 - 1991

212.697

83,82

1.142

66,36

213.839

83,70

1991 - 1992

233.261

91,92

1.337

77,69

234.598

91,83

1992 - 1993

240.514

94,78

1.413

82,10

241.927

94,70

1993 - 1994

247.631

97,59

1.508

87,62

249.139

97,52

1994 - 1995

253.100

99,74

1.631

94,77

254.731

99,71

1995 - 1996

253.756

100,00

1.721

100,00

255.477

100,00

1996 - 1997

251.259

99,02

1.784

103,66

253.043

99,05

1997 - 1998

245.704

96,83

1.811

105,23

247.515

96,88

1998 - 1999

240.841

94,91

1.780

103,43

242.621

94,97

1999 - 2000

238.887

94,14

1.767

102,67

240.654

94,20

2000 - 2001

238.881

94,14

1.701

98,84

240.582

94,17

2001 - 2002

237.818

93,72

1.686

97,97

239.504

93,75

2002 - 2003

236.417

93,17

1.726

100,29

238.143

93,22

2003 - 2004

234.951

92,59

1.720

99,94

236.671

92,64

2004 - 2005

233.172

91,89

1.791

104,07

234.963

91,97

2005 - 2006

233.709

92,62

1.821

102,07

234.530

92,68

Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2005-2006

www.eurydice.org

140


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) Bron : Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2005-2006

4.18.2. Schoolbevolking in het kleuteronderwijs per inrichtende macht

Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2005-2006

www.eurydice.org

141


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

4.18.3. Evolutie van het aantal leerlingen in het lager onderwijs

Schooljaar

Gewoon lager onderwijs

Buitengewoon lager onderwijs

Totaal lager onderwijs

Verhouding t.o.v.

Verhouding t.o.v.

Verhouding t.o.v.

1995-1996

1995-1996

1995-1996

Absoluut

Procent

Absoluut

Procent

Absoluut

Procent

1990 - 1991

412.140

105,62

18.088

80,29

430.228

104,24

1991 - 1992

404.773

103,74

19.783

87,82

424.556

102,87

1992 - 1993

398.229

102,06

20.462

90,83

418.691

101,45

1993 - 1994

393.474

100,84

21.054

93,46

414.528

100,44

1994 - 1995

390.837

100,16

21.752

96,56

412.589

99,97

1995 - 1996

390.195

100,00

22.528

100,00

412.723

100,00

1996 - 1997

394.248

101,04

23.121

102,63

417.369

101,13

1997 - 1998

400.038

102,52

24.072

106,85

424.110

102,76

1998 - 1999

405.021

103,80

24.935

110,68

429.956

104,18

1999 - 2000

408.545

104,70

25.727

114,20

434.272

105,22

2000 - 2001

409.323

104,90

26.212

116,35

435.535

105,53

2001 - 2002

407.526

104,44

26.794

118,94

434.320

105,23

2002 - 2003

404.308

103,62

26.901

119,41

431.209

104,48

2003 - 2004

399.615

102,41

26.952

119,64

426.567

103,35

2004 - 2005

393.910

100,95

26.768

118,82

420.678

101,93

2005 - 2006

388.973

98,66

26.753

115,71

415.726

99,61

Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2005-2006

www.eurydice.org

142


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

4.18.4. Vooruitgang van de leerlingen met Belgische nationaliteit

Vooruitgang in de studies van de leerlingen met Belgische nationaliteit in het gewoon lager onderwijs; schooljaar 2005-2006 Leerlingen met voorsprong Leerjaar

Aantal

%

Leerlingen normaal gevorderd Aantal

%

Leerlingen met 1 jaar achterstand Aantal

%

Leerlingen met 2 jaar achterstand

Leerlingen met > 2 jaar achterstand

Aantal

Aantal

%

Totaal aantal leerlingen

%

Jongens Eerste

236 0,73

28.024

87,00

3.805 11,81

137 0,43

8 0,02

32.210

Tweede

251 0,81

26.272

84,90

4.188 13,53

224 0,72

9 0,03

30.944

Derde

338 1,11

25.590

84,17

4.147 13,64

306 1,01

22 0,07

30.403

Vierde

403 1,33

25.246

83,50

4.183 13,84

380 1,26

21 0,07

30.233

Vijfde

400 1,34

24.842

83,19

4.259 14,26

344 1,15

18 0,06

29.863

Zesde

379 1,29

24.964

85,13

3.791 12,93

187 0,64

4 0,01

29.325

Totaal

2.007 1,10

154.938

84,68

24.373 13,32

1.578 0,86

82 0,04

182.978

Meisjes Eerste

351 1,11

28.345

89,38

2.885

9,10

128 0,40

4 0,01

31.713

Tweede

340 1,11

26.353

86,35

3.581 11,73

235 0,77

11 0,04

30.520

Derde

337 1,11

26.094

85,61

3.788 12,43

249 0,82

13 0,04

30.481

Vierde

382 1,27

25.545

84,87

3.827 12,71

323 1,07

22 0,07

30.099

Vijfde

379 1,27

25.233

84,61

3.876 13,00

325 1,09

10 0,03

29.823

Zesde

353 1,22

24.954

86,53

3.351 11,62

182 0,63

0 0,00

28.840

Totaal

2.142 1,18

156.524

86,25

21.308 11,74

1.442 0,79

60 0,03

181.476

Totaal Eerste

587 0,92

56.369

88,18

6.690 10,47

265 0,41

12 0,02

63.923

Tweede

591 0,96

52.625

85,62

7.769 12,64

459 0,75

20 0,03

61.464

Derde

675 1,11

51.684

84,89

7.935 13,03

555 0,91

35 0,06

60.884

Vierde

785 1,30

50.791

84,19

8.010 13,28

703 1,17

43 0,07

60.332

Vijfde

779 1,31

50.075

83,90

8.135 13,63

669 1,12

28 0,05

59.686

Zesde

732 1,26

49.918

85,82

7.142 12,28

369 0,63

4 0,01

58.165

Totaal

4.149 1,14

311.462

85,46

45.681 12,53

3.020 0,83

142 0,04

364.454

www.eurydice.org

143


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

4.18.5. Vooruitgang van de leerlingen met vreemde nationaliteit

Vooruitgang in de studies van de leerlingen met vreemde nationaliteit in het gewoon lager onderwijs; schooljaar 2005-2006

Leerlingen met voorsprong Leerjaar

Aantal

%

Leerlingen normaal gevorderd Aantal

%

Leerlingen met 1 jaar achterstand Aantal

Leerlingen met 2 jaar achterstand

Leerlingen met > 2 jaar achterstand

%

Aantal

%

Aantal

%

Totaal aantal lln.

Jongens

Eerste

12

0,52

1.513

65,19

635

27,36

129

5,56

32

1,38

2.321

Tweede

22

1,04

1.187

56,20

708

33,52

155

7,34

40

1,89

2.112

Derde

13

0,62

1.155

55,50

669

32,15

210 10,09

34

1,63

2.081

Vierde

10

0,48

1.014

48,80

734

35,32

263 12,66

57

2,74

2.078

Vijfde

19

0,93

965

47,44

795

39,09

234 11,50

21

1,03

2.034

Zesde

7

0,39

930

51,52

687

38,06

174

9,64

7

0,39

1.805

Totaal

83

0,67

6.764

54,41

4.228

34,01

1.165

9,37

191

1,54

12.431

Meisjes

Eerste

12

0,54

1.519

68,70

553

25,01

102

4,61

25

1,13

2.211

Tweede

13

0,61

1.287

60,82

613

28,97

171

8,08

32

1,51

2.116

Derde

13

0,62

1.221

58,37

614

29,35

211 10,09

33

1,58

2.092

Vierde

15

0,74

1.045

51,43

692

34,06

235 11,56

45

2,21

2.032

Vijfde

8

0,40

961

48,61

744

37,63

237 11,99

27

1,37

1.977

Zesde

9

0,54

855

51,51

624

37,59

157

9,46

15

0,90

1.660

Totaal

70

0,58

6.888

56,98

3.840

31,77

1.113

9,21

177

1,46

12.088

Totaal

Eerste

24

0,53

3.032

66,90

1.188

26,21

231

5,10

57

1,26

4.532

Tweede

35

0,83

2.474

58,51

1.321

31,24

326

7,71

72

1,70

4.228

Derde

26

0,62

2.376

56,94

1.283

30,75

421 10,09

67

1,61

4.173

Vierde

25

0,61

2.059

50,10

1.426

34,70

498 12,12

102

2,48

4.110

Vijfde

27

0,67

1.926

48,02

1.539

38,37

471 11,74

48

1,20

4.011

Zesde

16

0,46

1.785

51,52

1.311

37,84

331

9,55

22

0,63

3.465

Totaal

153

0,62

13.652

55,68

8.068

32,91

2.278

9,29

368

1,50

24.519

Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2005-2006 www.eurydice.org

144


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

5. SECUNDAIR ONDERWIJS Organisation of the education system in the Flemish Community of Belgium, 2006/07 1

2

BE nl

3

4

5

KLEUTERONDERWIJS

6

7

8

9

10

11

LAGER ONDERWIJS

12

13

SECUNDAIR ONDERWIJS

14

15

16

17

ALGEMEEN SECUNDAIR ONDERWIJS

18

19

20

21

22

23

24

25

26

27

UNIVERSITEIT

HOGESCHOOL TECHNISCH / KUNST SECUNDAIR ONDERWIJS BEROEPSSECUNDAIR ONDERWIJS DBSO

Pre-primary education – ISCED 0

Pre-primary – ISCED 0

(for which the Ministry of Education is not responsible)

(for which the Ministry of Education is responsible)

Primary – ISCED 1

Single structure – ISCED 1 + ISCED 2 (no institutional distinction between ISCED 1 and 2)

Lower secondary general – ISCED 2

Lower secondary vocational – ISCED 2

(including pre-vocational)

Upper secondary general – ISCED 3

Upper secondary vocational – ISCED 3

Post-secondary non-tertiary – ISCED 4 Tertiary education – ISCED 5A Allocation to the ISCED levels:

Tertiary education – ISCED 5B ISCED 0

Compulsory full-time education

-/n/-

ISCED 1

ISCED 2

Compulsory part-time education

Part-time or combined school and workplace courses

Additional year

Compulsory work experience + its duration

Study abroad

Source: Eurydice.

De organisatie van de vier graden-structuur van het voltijds secundair onderwijs is gebaseerd op het decreet van 31 juli 1990 betreffende het secundair onderwijs-II, zoals gewijzigd. De tweede en derde graad biedt Algemeen Secundair Onderwijs (ASO), Technisch Secundair Onderwijs (TSO), Kunstsecundair Onderwijs (KSO) en Beroepssecundair Onderwijs (BSO). Er bestaat ook deeltijds beroepssecundair onderwijs DBSO. In dit onderdeel behandelen we het gewoon secundair onderwijs. Sommige voorzieningen die van toepassing zijn op leerlingen in het secundair onderwijs behandelen we elders: ● ● ● ● ● ● ● ● ● ●

Het gelijke kansen beleid (GOK), zie 10.5.3. Het geïntegreerd onderwijs (GON), zie 10.5.1. Het inclusief onderwijs voor mentaal gehandicapte type 2 leerlingen, zie 10.5.2. Het onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers (OKAN), zie 10.7.2. Buitengewoon secundair onderwijs, zie 10.6. Deeltijds Kunstonderwijs, zie 7. Onderwijs aan langdurig zieke kinderen, zie 4.17. Ondernemersvorming, zie 7. Methodenscholen, zie 2.3.4. Internationale samenwerkingsprojecten, mobiliteit en uitwisseling van leerlingen in het SO, zie 11.6.1.2..

Na het historisch overzicht 5.1., actuele discussies 5.2. en wettelijk kader 5.3. behandelen we: ● ● ●

Algemene doelstellingen 5.4. Soorten instellingen 5.5. Geografische toegankelijkheid 5.6. www.eurydice.org

145


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ●

Toelatingsvoorwaarden en schoolkeuze 5.7. Inschrijving en/of inschrijvingsgeld 5.8. Financiële steun voor leerlingen 5.9. Leeftijdsniveaus en leeftijdsgroepen 5.10. Studierichtingen en specialisatie 5.11. Organisatie van de schooltijd 5.12. Curriculum, leervakken, aantal lesuren 5.13. Onderwijsmethoden en didactisch materiaal 5.14. Evaluatie van leerlingen 5.15. Voortgang van leerlingen 5.16. Studiebewijzen 5.17. Begeleiding en band met verdere studies/arbeidsmarkt 5.18. Privé-onderwijs 5.19.

5.1. Historisch overzicht Het duurde tot 1887 vooraleer een wet de structuur van het secundair onderwijs vastlegde. Die structuur werd behouden tot het einde van de Tweede Wereldoorlog. Naast de klassieke richtingen (Latijn-Grieks en Latijn) kreeg ook de moderne humaniora (met de klemtoon op moderne talen en wetenschappen) betekenis. Daarenboven werden secundaire scholen opgericht, die geen humanioraonderwijs aanboden maar die bedoeld waren om jongeren voor te bereiden op een loopbaan in de handel, industrie, administratie en financiële wereld. Ook ontstond in de loop van de 19de eeuw, los van de bestaande secundaire scholen, het technisch onderwijs. Dit onderwijstype dat gericht was op de sectoren landbouw, tuinbouw, industrie en handel, voorzag lessen met een praktische en nuttige inslag, 's avonds en op zondag. De grote politieke, sociale en economische veranderingen uit de nadagen van de Eerste Wereldoorlog hadden een invloed op de toenmalige structuur van het secundair onderwijs; het aantal scholen en leerlingen nam sterk toe (De Keyser en D'Hoker, 19841985). Vanaf het interbellum spitste de discussie zich toe op de gelijkwaardigheid tussen de klassieke richtingen enerzijds en de moderne humaniora anderzijds. In 1924 kwam het leerplan van de middelbare scholen, dat een afdeling Latijn-Grieks kon bevatten in de rijksmiddelbare scholen, overeen met de eerste drie jaar van de moderne humaniora. Het technisch onderwijs, waarvan de ontwikkeling werd gekenmerkt door een gebrek aan coherentie en dat noch over een statuut noch over een unitaire structuur beschikte, kreeg door een koninklijk besluit in 1933 voor de eerste keer een samenhangende indeling voor technische scholen. Het bestuur van het technisch onderwijs, dat tot dan toe de verantwoordelijkheid was geweest van verschillende ministers (Landbouw, Handel en Arbeid) kwam onder de bevoegdheid van de minister van Openbaar Onderwijs. Op dat moment kwam, tenminste in bepaalde kringen, het idee naar voren om het secundair en technisch onderwijs dichter bij elkaar te brengen. Na de Tweede Wereldoorlog, en vooral na de jaren 1950 en 1960, evolueerde het secundair onderwijs op een determinerende wijze. Eerst en vooral werden er nieuwe afdelingen en structuren opgericht (KB van 30 april 1957(b)). Op hetzelfde moment werd het technisch en beroepsonderwijs een structuur gegeven die gelijkaardig was aan die van het oudere algemeen vormend onderwijs (KB van 30 april 1957(a)). De 'Omnivalentiewet' van 8 juni 1964 liet een grotere toegang tot hoger onderwijs en bepaalde universiteitsfaculteiten in het bijzonder toe. Tijdens de decennia die het einde van de Tweede Wereldoorlog voorafgingen was het secundair onderwijs met zijn zeer hiërarchische, categoriale en piramidale structuur, immers enkel toegankelijk geweest voor een kleine groep jongeren. De democratiseringsbewegingen hebben in het secundair onderwijs na de Tweede Wereldoorlog een radicale hervorming teweeg gebracht in haar structuren en pedagogische methoden. Deze evolutie had zowel een kwalitatieve (structurele veranderingen) als een kwantitatieve dimensie (de 'school-boom'). www.eurydice.org 146


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) Meer pogingen tot hervorming van het secundair onderwijs gaan terug tot het schooljaar 1969-1970. De Wet van 19 juli 1971 introduceert een nieuw type van secundair onderwijs, dat het Type 1 werd genoemd. Waar dit nieuwe (comprehensieve) type verplicht werd in het rijksonderwijs, werd het slechts gedeeltelijk toegepast in de gesubsidieerde scholen. Twee belangrijke hervormingen bepalen de actuele eenheidsstructuur van het secundair onderwijs. ●

●

Ten eerste zijn de twee hoofdtypes (een comprehensief type en een type met verschillende richtingen) vervangen, door een nieuw algemeen kader. De vroegere nationale wetgeving (aangenomen vóór de bevoegdheidsoverdracht van federale overheid naar gemeenschap) van 1971 (type I) en 1957 (type II) is vervangen door het Decreet betreffende het onderwijs-II van 31 juli 1990. Dit voerde een nieuwe algemene structuur voor het secundair onderwijs in. Vanaf 1 september 1989 namen alle Vlaamse scholen progressief deze organisatievorm aan, vertrekkend van het eerste jaar secundair onderwijs. Ten tweede is het secundair onderwijs over de laatste 30 jaren geëvolueerd naar een uniforme wetgeving voor het hele secundaire onderwijs (technisch en beroepsonderwijs inbegrepen) met betrekking tot de uitreiking van diploma's, leerplannen, leerlingenevaluatie,…. In Vlaanderen verwijzen de termen 'lager' en 'hoger' secundair onderwijs naar de voormalige structuur van het secundair onderwijs dat uit twee cycli van 3 jaar bestond (met name de lagere en de hogere cyclus). Vandaag heeft het secundair onderwijs een meer uniforme structuur en een onderverdeling in 3 graden.

In het Decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs BaO wordt een nieuwe reorganisatie vastgelegd. Een belangrijke doelstelling van het Decreet van 14 juli 1998 is de optimalisering van de oriëntering van de leerlingen, met de bedoeling aan elke leerling het onderwijs te geven dat het best beantwoordt aan zijn interesses en capaciteiten. Dit betekende dat er komaf moest worden gemaakt met een aantal problemen die zich in het onderwijs voordoen, als daar zijn: het toenemende aantal leerlingen in het buitengewoon onderwijs, het groter aantal mislukkingen, het eliminatiemechanisme dat karakteristiek is voor het secundair onderwijssysteem, de ongekwalificeerde 'output' van leerlingen van het secundair onderwijs op de arbeidsmarkt, enzovoort. Op vijf vlakken werden hervormingen vastgelegd, zoals de rationalisering en herschikking van het onderwijsaanbod, de bevordering van de lokale autonomie van de scholen, bijkomende inspanningen voor leerlingen met leermoeilijkheden, de integratie van het gewoon en buitengewoon onderwijs en de modularisering van het beroepsgericht onderwijs.

5.2. Actuele discussies en toekomstige ontwikkelingen Voor vernieuwingen werd een decreet betreffende tijdelijke projecten geïntroduceerd, zie 2.2.. Het stelsel van schooltoelagen wordt grondig hervormd. ● ●

● ●

Er zal voortaan worden gewerkt met een uniek gezinsdossier, zie 2.2.. De voorwaarden voor een toelage in het secundair worden gelijk gelegd met de voorwaarden voor het hoger onderwijs. Daardoor zullen vanaf 2007-2008 ongeveer 27.000 leerlingen meer in aanmerking komen, een stijging van 17% naar 25% en zal een gemiddelde toelage stijgen van 164 € naar 263 €. Hiervoor wordt een budget van 10 mio euro extra uitgetrokken. Leerlingen die het 7e jaar TSO en BSO volgen krijgen een verhoogde schooltoelage, die 20% hoger zal liggen dan een gewone schooltoelage voor het secundair onderwijs. Daarnaast komen er bijkomende studiepremies voor leerlingen die een dure opleiding volgen in een richting die relevant is voor de arbeidsmarkt. Samen met de reeds bestaande knelpuntpremie zal daarvoor een budget van 5 mio € worden voorzien.

www.eurydice.org

147


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) ●

●

●

Vanaf het schooljaar 2008-2009 zullen ook leerlingen uit centra voor deeltijds onderwijs, centra voor deeltijdse vorming en de leertijd een schooltoelage kunnen krijgen. Daar zullen een 3300-tal leerlingen voor in aanmerking komen. Zie de nota van de Vlaams minister van Onderwijs en Vorming 'Schoolkosten: voorstellen voor een nieuw Vlaams beleid', 14 juni 2006; en persmededelingen van 14 oktober 2006 en 26 januari 2007. Dit beleid wordt tevens gekoppeld aan een strengere aanpak van spijbelen en schoolverzuim, zie 2.2..

Veel aandacht gaat uit naar de aansluiting onderwijs - arbeidsmarkt (zie ook 5.18.) ●

Samen met de Vlaams minister van Economie heeft de Vlaams minister van Onderwijs en Vorming een actieplan 'Ondernemend onderwijs' gelanceerd in 2006. Het objectief is elk kind ondernemingszin bij te brengen en geïnteresseerden op weg te zetten naar het starten van een eigen zaak. Daartoe zijn verschillende maatregelen uitgewerkt.

○ Er is een virtueel Kenniscentrum rond ondernemerscompetenties opgericht om het gebrek aan overzicht en de versnippering van het aanbod aan ondernemersvorming tegen te gaan; zie http://www.competento.be H

○ Diverse ondernemerschapsprojecten zullen worden ondersteund door de Minister van Economie. Brugprojecten zijn samenwerkingsverbanden tussen onderwijsinstellingen en bedrijven om ondernemerschap te stimuleren. 14 projecten werden geselecteerd voor een totaalbudget van 2,4 miljoen €, met de focus op internationaal, ethisch en duurzaam ondernemen. De uitgekozen projecten krijgen maximaal vijftig procent steun van de Vlaamse overheid. De andere vijftig procent moet van de privé-sector komen. De looptijd van een project is maximum drie jaar.

○ In een ondernemersklasseweek worden initiatieven van scholen aan een breder publiek voorgesteld.

○ Ook de Koning Boudewijnstichting zal verdere ervaringsuitwisseling tussen scholen ●

●

●

en bedrijven stimuleren. Eind 2006 waren alle 26 sectorconvenants met het bedrijfsleven vernieuwd. Daardoor zal o.m. het aantal en de kwaliteit van de werkervaringsplaatsen en de stageplaatsen toenemen, zie 5.18.. Binnen de lopende startbanenprojecten werd het aantal JoJo-startbaners in 2006-2007 sterk uitgebreid en kunnen ze voortaan ook worden ingezet voor preventie of voor onderhoudswerken. Binnen de verkeerveiligheidsprojecten wordt in 2007 gestart met schoolspotters om het sociaal onveiligheidsgevoel op het openbaar vervoer te reduceren, zie 5.18.. In 2006 werden de eerste Ervaringsbewijzen uitgereikt. Die laten mensen toe hun competenties, waar ook verworven, te verzilveren. Ook mensen die geen diploma hebben kunnen hun beroepservaring op die manier valoriseren. Momenteel bestaat het Ervaringsbewijs voor zes beroepen: autobus- en autocarchauffeur, begeleider buitenschoolse kinderopvang, callcenter operator, industriële schilder en torenkraanbestuurder. De testcentra die werden aangeduid voor het afnemen van de proeven verwachten dat nog voor het einde van het jaar 200 mensen gescreend kunnen worden. Begin 2007 starten er ook testcentra voor kapper, kapper-salonbeheerder, verhuizer-inpakker en verhuizer-drager. Kandidaten moeten in een gesprek en een praktische proef aantonen dat zij bepaalde vaardigheden onder de knie hebben. Wie geïnteresseerd is om een Ervaringsbewijs te behalen, kan een afspraak maken met een erkend testcentrum.

Het onderwijsdecreet XVI van 7 juli 2006 bevordert de integratie van het buitengewoon secundair onderwijs in de bestaande scholengemeenschappen van het secundair onderwijs o.m. door het inlijn-brengen van het ondersteunend personeel.

www.eurydice.org

148


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

5.3. Wettelijk kader Onderstaande onderwijswetgeving is van belang in het secundair onderwijs. ● ● ● ● ●

● ● ● ● ● ●

Wet tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving van 29 mei 1959, bijgenaamd de 'Schoolpactwet'. Besluit van de Vlaamse Regering 31 juli 1990 houdende inrichting van het deeltijds beroepssecundair onderwijs. Decreet van 17 juli 1991 betreffende inspectie en pedagogische begeleiding. Decreet van 31 juli 1990 betreffende het Onderwijs-II. Decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs. Decreet van 18 mei 1999 betreffende het Onderwijs-XI. Decreet van 13 juli 2001 betreffende het Onderwijs-XIII. Besluit van de Vlaamse regering van 31 augustus 2001 houdende de organisatie van het schooljaar in het secundair onderwijs. Besluit van de Vlaamse regering van 25 mei 2004 tot vaststelling van de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs. Decreet van 14 februari 2003 betreffende het onderwijs-XIV. Besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2004 betreffende het experimenteel Brussels curriculum in het voltijds secundair onderwijs. Besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003 betreffende de integratie van leerlingen met een matige of ernstige verstandelijke handicap in het gewoon lager en secundair onderwijs. Decreet van 15 juli 2005 betreffende het onderwijs-XV. Besluit van de Vlaamse Regering van 10 februari 2006 betreffende de uitreiking van premies aan leerlingen in studierichtingen van het secundair onderwijs die leiden naar de invulling van knelpuntberoepen H

H

●

● ●

Eindtermen en ontwikkelingsdoelen

● ● ● ● ●

● ● ● ●

Decreet van 24 juli 1996 tot bekrachtiging van de eindtermen en de ontwikkelingsdoelen van de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs. Decreet van 18 januari 2002 tot bekrachtiging van de eindtermen van de 2e en 3e graad van het gewoon secundair onderwijs (bekrachtigt BVR 23/6/2000) Decreet van 20 december 2002 tot bekrachtiging van de eindtermen van het derde leerjaar van de 3e graad van het gewoon beroepssecundair onderwijs (bekrachtigt BVR 20/9/2002). Decreet van 7 mei 2004 tot bekrachtiging van de decretale specifieke eindtermen voor het algemeen secundair onderwijs (bekrachtigt BVR 17/10/2003). Besluit van de Vlaamse Regering van 16 september 2005 tot ontvankelijkheid en gelijkwaardigheid van een aanvraag tot afwijking op de decretale specifieke eindtermen voor het algemeen secundair onderwijs. Omzendbrief SO/2006/02, Peiling eindtermen biologie in de a-stroom van de 1e graad van het secundair onderwijs Omzendbrief SO/2006/04, Beginmeting en peiling in de B-stroom van de 1e graad van het secundair onderwijs. Decreet van 2 juni 2006 tot bekrachtiging van de decretale specifieke eindtermen "topsport" algemeen en technisch secundair onderwijs (bekrachtigt BVR 10/3/2006). Ministerieel besluit van 12 mei 2006 tot uitvoering van het besluit van de Vlaamse regering van 4 april 2003 ter ondersteuning van brugprojecten tussen economie en onderwijs.

www.eurydice.org

149


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) Deeltijdse vormingen

●

●

Besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2005 houdende de organisatie, de normering en de financiering van deeltijdse vormingen die voor de vervulling van de deeltijdse leerplicht in aanmerking komen. Omzendbrief SO/2005/09 - Deeltijdse vormingen die in aanmerking komen voor de vervulling van de deeltijdse leerplicht.

Deeltijds beroepssecundair onderwijs

● ● ● ● ●

Decreet van 31 juli 1990, onderwijs-II BVR van 31 juli 1990 betreffende de inrichting van het DBSO BVR van 14 september 2001 betreffende de trajectbegeleiding BVR van 28 mei 2004 betreffende de CDO's Omzendbrief SO 66

5.4. Algemene doelstellingen Het algemeen secundair onderwijs (ASO) houdt in vergelijking met de andere onderwijsvormen een meer theoretische benadering van de vakken in en heeft duidelijk de rol om de overgang van de leerlingen naar het hoger onderwijs te bevorderen. Het technisch secundair onderwijs (TSO) legt de nadruk op de praktische realisatie van theoretische kennis. De doelstelling van het TSO is tweeledig: enerzijds de voorbereiding op de uitoefening van een beroep en anderzijds de voorbereiding op doorstroming naar het hoger onderwijs. Het kunstsecundair onderwijs (KSO) voorziet in een meer 'artistiek' aanbod en heeft dan ook tot taak een basis aan te bieden voor doorstroming naar artistieke gebieden van het hoger onderwijs, zonder evenwel vervolgstudies in niet-artistieke gebieden van het hoger onderwijs of beroepsuitoefening na het afstuderen, uit te sluiten. Het beroepssecundair onderwijs (BSO) is een praktijkgerichte onderwijsvorm waarin de jongere naast algemene vorming vooral een specifiek beroep aanleert. In het voltijds beroepssecundair onderwijs vindt men evenwel niet enkel jongeren met een praktische aanleg terug die een beroep willen leren, maar ook leerlingen wiens vroegere schoolcarrière - soms al van het lager onderwijs af wordt gekenmerkt door een reeks mislukkingen of leermoeilijkheden.

5.5. Soorten instellingen Het voltijds secundair onderwijs wordt ingedeeld in vier graden van elk twee leerjaren (uitgezonderd de driejarige opleiding verpleegkunde van de vierde graad), eventueel aangevuld met een derde leerjaar van de tweede graad van het beroepssecundair onderwijs en met een derde leerjaar van de derde graad.

Structuur secundair onderwijs De structuur ziet eruit als volgt (Omzendbrief over de structuur en de organisatie van het voltijds secundair onderwijs, SO 64). Eerste graad : ●

eerste leerjaar A; www.eurydice.org

150


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) ●

●

●

eerste leerjaar B is bestemd voor leerlingen die een leerachterstand hebben opgelopen in het lager onderwijs of minder geschikt zijn voor overwegend theoretisch onderwijs; dit leerjaar fungeert als brugklas tussen LO en SO. Na het eerste leerjaar B kunnen de leerlingen ofwel naar het beroepsvoorbereidend leerjaar ofwel naar het eerste leerjaar A; tweede leerjaar van de eerste graad biedt de keuze uit verschillende opleidingen, die basisopties worden genoemd. Deze basisopties worden telkens aangevuld met een pakket vakken gemeenschappelijk voor alle leerlingen van dit leerjaar in eenzelfde school. Het leerjaar bereidt de leerling voor om in de 2e graad te kiezen voor een studierichting in één van de 4 onderwijsvormen die vanaf dan worden aangeboden. beroepsvoorbereidend leerjaar is eveneens een tweede leerjaar en biedt de keuze uit verschillende opleidingen die hier beroepenvelden worden genoemd. Het bereidt de leerling voor om bij de overstap naar de tweede graad te kiezen voor één van de studierichtingen in het beroepssecundair onderwijs.

Tweede graad : ● ●

eerste en tweede leerjaar van de tweede graad bieden de keuze tussen 4 onderwijsvormen: ASO, TSO, KSO, BSO (zie hierna onder 'onderwijsvormen'); derde leerjaar van de tweede graad van het BSO, ingericht onder de vorm van een vervolmakingsjaar.

Derde graad : ● ● ● ●

eerste en tweede leerjaar van de derde graad bieden de keuze tussen 4 onderwijsvormen:ASO, TSO, KSO, BSO (zie hierna onder 'onderwijsvormen'); derde leerjaar van de derde graad van het ASO en KSO ingericht onder de vorm van een voorbereidend jaar op het hoger onderwijs; derde leerjaar van de derde graad van het TSO, KSO en BSO, ingericht onder de vorm van een specialisatiejaar; derde leerjaar van de derde graad van het BSO, niet ingericht onder de vorm van een specialisatiejaar.

Vierde graad : ● ●

eerste en tweede leerjaar van de vierde graad van het BSO; derde leerjaar van de vierde graad van het BSO (enkel voor de verpleegkunde).

Zie schema structuur van het Vlaams onderwijs. Het onthaaljaar voor anderstalige nieuwkomers wordt in geen enkele graad ondergebracht.

Onderwijsvormen De eerste graad heeft een gemeenschappelijke onderwijsvorm voor alle leerlingen, behalve voor diegenen die zich voorbereiden op het beroepsonderwijs. De tweede, derde en vierde graad bieden vier onderwijsvormen aan, die verder zijn onderverdeeld in studiegebieden, waarbinnen de leerling kan kiezen voor een bepaalde studierichting: ● ●

●

Algemeen Secundair Onderwijs (ASO) beoogt een brede theoretische vorming en bereidt de leerling voor op hoger onderwijs; Technisch Secundair Onderwijs (TSO) heeft vooral aandacht voor algemene en technischtheoretische vakken, met praktijklessen en bereidt de leerlingen voor op het beroepsleven of het hoger onderwijs; Kunstsecundair Onderwijs (KSO) combineert een algemene en brede ontwikkeling met een actieve artistieke praktijk en bereidt de leerlingen voor op een professioneel leven of op hoger onderwijs; www.eurydice.org

151


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) ●

Beroepssecundair Onderwijs (BSO) laat de leerlingen specifieke beroepsvaardigheden opdoen in combinatie met een algemene opleiding. De overstap naar hoger onderwijs is mogelijk maar niet gebruikelijk.

Types onderwijsinstellingen Niet alle onderwijsinstellingen bieden alle graden en alle onderwijsvormen aan. Er zijn tal van verschillende combinaties en dus verschillende types van onderwijsinstellingen mogelijk. In het licht van de ontwikkelingen tot comprehensivering van het secundair onderwijs dient hier de organisatie van 'authentieke onafhankelijke middenscholen' vermeld. Deze ijveren ervoor om hun structuur, schoolwerkplanen schoolpraktijk te focussen op de opvang van alle basisschoolverlaters, basisvorming voor alle leerlingen, uitstel van studiekeuze en positieve oriëntering en begeleiding van alle leerlingen in de domeinen van 'leren leren', 'leren leven' en 'leren kiezen'. De vereniging St.A.M. is al sinds 1985 actief en groepeert een 60-tal middenscholen uit het katholieke en provinciale net. VIGOM groepeert instellingshoofden middenscholen uit het gemeenschapsonderwijs. http://users.pandora.be/vigom St.A.M.-Vlaanderen, Studiegroep Authentieke Middenscholen

5.6. Geografische toegankelijkheid Scholen in Vlaanderen, en dus ook scholen die secundair onderwijs verstrekken, zijn vrij gelijkmatig verspreid over het territorium. Grondwettelijk wordt gegarandeerd dat ouders het recht hebben om een school te kiezen van een filosofische of godsdienstige strekking waaraan zij de voorkeur geven.

5.7. Toelatingsvoorwaarden en schoolkeuze Over het algemeen hebben de leerlingen de leeftijd van twaalf jaar bereikt vooraleer zij tot het secundair onderwijs toetreden. Hieronder worden de toelatingsvoorwaarden beschreven voor leerlingen in de verschillende graden en onderwijsvormen van het secundair onderwijs. Zij kunnen het eerste leerjaar A aanvangen wanneer ze het getuigschrift basisonderwijs bezitten (Besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002). Wanneer jongeren na het laatste jaar lager onderwijs dit getuigschrift niet bereiken, kunnen zij toch worden toegelaten tot het 1ste jaar A, dit in onderling akkoord met de ouders en op advies van het Centrum voor Leerlingenbegeleiding (CLB) en op voorwaarde dat de toelatingsklassenraad van het 1ste jaar A een gunstig advies geeft. De rol van de centra voor leerlingenbegeleiding wordt beschreven in 4.15.2.. In het eerste leerjaar B kunnen als regelmatige leerling worden toegelaten: ● ●

●

de regelmatige leerlingen die het zesde leerjaar van het gewoon lager onderwijs hebben beëindigd, doch niet met vrucht; de leerlingen die het zesde leerjaar van het gewoon lager onderwijs niet hebben gevolgd of niet hebben beëindigd, op voorwaarde dat zij uiterlijk op 31 december volgend op de aanvang van het schooljaar 12 jaar worden; de houders van het getuigschrift van basisonderwijs, behaald in het gewoon of buitengewoon onderwijs, op voorwaarde van akkoord van de betrokken personen die vooraf het advies van het CLB moeten hebben ontvangen; www.eurydice.org

152


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) ●

de regelmatige leerlingen van het buitengewoon lager of secundair onderwijs die geen getuigschrift van basisonderwijs bezitten, op voorwaarde van a) gunstige beslissing van de toelatingsklassenraad en b) akkoord van de betrokken personen, die vooraf het advies van het CLB-centrum moeten hebben ontvangen.

De overgang van het 1ste leerjaar B naar het 1ste leerjaar A is mogelijk tot de 15de november en van het 1ste leerjaar A naar het 1ste leerjaar B tot de 15de januari, indien de ouders van de leerling akkoord gaan en de klassenraad van 1A dit gunstig adviseert. Een overstap van de ene onderwijsvorm naar de andere is toegelaten doorheen het secundair onderwijs, op voorwaarde dat het advies van de toelatingsklassenraad en de overgangsvoorwaarden tussen de studierichtingen worden gerespecteerd. In de derde graad van het algemeen, technisch en kunstonderwijs zijn overgangen beperkter. Op de leeftijd van 16 jaar kan een leerling het derde jaar van het beroepsonderwijs aanvangen, wat ook zijn voorafgaande schoolcarrière mag zijn, indien de toelatingsklassenraad een gunstig advies geeft. Buitenlandse leerlingen die wensen hun secundaire studies in België verder te zetten, moeten bij de eerste inschrijving in het bezit zijn van een gelijkwaardigheidsverklaring voor hun gedane studies in het buitenland, verstrekt door de betrokken administratie. Bij de inschrijving van een leerling zonder wettig verblijfsstatuut kunnen, wanneer een buitenlands studiebewijs kan worden voorgelegd, de bestaande procedures voor het bekomen van de gelijkwaardigheid gehanteerd worden. Zoniet kan de gelijkwaardigheid ook worden verkregen, zoals dit voor het onthaalonderwijs reeds van toepassing is, op basis van een verklaring op eer door de ouder of de niet begeleide minderjarige zelf over de precieze opleiding die werd gevolgd. In het secundair onderwijs wordt er een onderscheid gemaakt tussen drie soorten attesten: ● ●

● ● ● ●

een A-attest (wanneer een leerling het jaar succesvol doorlopen heeft); een B-attest (de leerling wordt toegelaten tot het volgende jaar maar sommige onderwijsvormen en/of richtingen zijn uitgesloten); dit attest wordt echter niet uitgereikt aan het eind van: het 1e jaar B het 1e jaar van de 3e graadASO, BSO en KSO de 4e graad BSO een C-attest (de leerling moet zittenblijven).

Daarnaast is wat betreft schoolkeuze uiteraard ook hier het nieuwe decreet gelijke onderwijskansen relevant (zie 2.3.1.2. ). Het recht op inschrijving in de school naar keuze wordt vanaf 2003-2004 gegarandeerd.

5.8. Inschrijving en/of inschrijvingsgeld De wettelijke basis betreffende inschrijvingsgeld en schoolgeld wordt geregeld in het Onderwijsdecreet-XIII van 13 juli 2001. Internationale verdragen en de Belgische grondwet vertalen het beginsel van de kosteloosheid naar het secundair onderwijs door het verbieden van een direct of een indirect inschrijvingsgeld in de door de gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde scholen voor voltijds of deeltijds onderwijs. ●

Directe inschrijvingsgelden kunnen enkel in het niet-leerplichtonderwijs (d.i. het onderwijs buiten het basis- en secundair onderwijs) worden gevraagd (zie 7.).

www.eurydice.org

153


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) ●

Met indirecte inschrijvingsgelden worden kosten bedoeld, geheven bij het begin of in de loop van het jaar, door inrichtende machten of nevenorganisaties, waarvan het bedrag dermate hoog is dat ze een reële belemmering vormen om zich in te schrijven.

Er mogen echter wel bepaalde kosten worden doorgerekend aan ouders en meerderjarige leerlingen, met name voor bepaalde onderwijsactiviteiten en voor didactisch materiaal mogen aan ouders en meerderjarige leerlingen bepaalde kosten worden doorgerekend. Het is evident dat het om effectieve, aantoonbare en verantwoordbare kosten moet gaan die in evenwichtige verhouding staan tot de eigenheid en de doelgroep van het secundair onderwijs. Tevens dient vanaf het schooljaar 2002-2003 aan twee bijkomende voorwaarden te worden voldaan, met name: ●

●

de lijst van de bijdragen die aan ouders en meerderjarige leerlingen worden gevraagd, evenals de afwijkingen daarvan voor financieel minder gegoede gezinnen kunnen pas door de inrichtende macht worden vastgelegd na overleg binnen de schoolraad; de bijdrageregeling moet uiterlijk bij het begin van het schooljaar schriftelijk aan de belanghebbenden worden meegedeeld. Het schoolreglement is hiervoor het meest aangewezen instrument.

5.9. Financiële steun voor leerlingen Het toekennen van schooltoelagen wordt geregeld in de Wet van 19 juli 1971. Om een schooltoelage van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap te kunnen ontvangen moet men voldoen aan een aantal voorwaarden: nationaliteitsvoorwaarden, financiële voorwaarden (betreffende inkomen, kadastraal inkomen, voorwaarden voor zelfstandig wonende of gehuwde leerlingen) en studievoorwaarden. De studievoorwaarden houden het volgende in: ● ●

zolang de leerling leerplichtig is, én voltijds onderwijs volgt, kan een schooltoelage steeds worden ontvangen; als de leerling echter niet meer leerplichtig is, moet aan een aantal bijkomende voorwaarden worden voldaan, namelijk dat de leerling:

○ het vorige jaar een A of B attest behaalde, ○ niet meer dan één schooljaar heeft gedubbeld tijdens de niet-leerplichtige periode; ○ een hoger leerjaar volgt dan vorig jaar. Als de leerling een zelfde leerjaar volgt, moet dat zijn omdat de schooldirectie dat heeft geadviseerd. Het Studiefonds van de Gezinsbond vzw staat studieleningen toe aan studenten uit grote gezinnen (vanaf 3 kinderen). Het geld is bestemd om de studiekosten te financieren voor Nederlandstalig secundair en hoger onderwijs met volledig leerplan. Om leerlingen aan te moedigen een opleiding te kiezen die leidt naar een zgn. knelpuntberoep (met een tekort aan kandidaten op de arbeidsmarkt) wordt, door het decreet van 10 februari 2006, een knelpuntpremie toegekend ongeacht het gezinsinkomen en aanvullend op een eventuele studiepremie. Een 4000 leerlingen krijgen gemiddeld 250 €. Het stelsel van schooltoelagen wordt vanaf 2007-2008 grondig hervormd (zie 5.2. en 2.2.).

Studiekosten in het secundair onderwijs. Wat het aan ouders kost om schoolgaande kinderen te hebben

www.eurydice.org

154


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

5.10. Leeftijdsniveaus en leeftijdsgroepen In theorie geldt voor het secundair onderwijs het jaarklassensysteem waar groepen leerlingen met een identieke leeftijd een klas vormen. Omwille van mislukkingen en zittenblijven hebben de klassen soms een heterogene samenstelling (in het bijzonder in het beroepsonderwijs). Elk vak wordt onderwezen door een leerkracht die zich daarin heeft gespecialiseerd. De onderwijsbevoegdheid van de leerkracht hangt af van zijn bekwaamheidsbewijs. Leerkrachten geven les in verschillende leerjaren en leerlingen krijgen les van verschillende leerkrachten. De leerplicht stopt op de 18e verjaardag. Wie 18 jaar en dus burgerlijk meerderjarig is, kan niet worden verplicht tot het einde van het schooljaar de lessen te volgen. In het kalenderjaar waarin een leerling de leeftijd van 18 jaar bereikt, eindigt de leerplicht hetzij op 30 juni (einde schooljaar) voor leerlingen die reeds 12 jaren lager en secundair onderwijs hebben gevolgd, hetzij op de dag van de 18e verjaardag zelf.

5.11. Studierichtingen en specialisatie Het Decreet van 14 juli 1998 betreffende het secundair onderwijs bepaalt dat het aanbod van onderwijsvormen, studiedomeinen en studierichtingen meer transparant moet worden georganiseerd. ●

●

De eerste graad moet een brede vorming garanderen. Specifiek moet erop toegekeken worden dat een te sterke specialisatie in het tweede jaar van de eerste graad wordt vermeden. Het aantal optionele vakken wordt gereduceerd. In de tweede en derde graad worden een aantal studierichtingen gereduceerd of gehergroepeerd met het oog op een duidelijker aanbod van studierichtingen met een duidelijker herkenbaar profiel. Dit moet resulteren in een betere voorbereiding binnen de verschillende onderwijsvormen op het hoger onderwijs of het beroepsleven.

Vanaf de 2e graad worden 4 onderwijsvormen aangeboden (ASO, TSO, BSO, KSO) die verder zijn onderverdeeld in studiegebieden waarbinnen de leerling kan kiezen voor een bepaalde studierichting. Naast dit 'lineaire' stelsel (met graden en leerjaren) loopt in het BSO sinds september 2000 het experimenteel modulair onderwijs. In dat stelsel bestaan geen graden, leerjaren en studierichtingen. De studiegebieden zijn er opgebouwd uit verschillende modules. Studiegebieden 2e en 3e graad SO

ASO

TSO

BSO

Modulair BSO

Algemeen SO

Auto

Auto

Auto

KSO

Ballet Beeldende kunsten Bouw

Bouw

Chemie Decoratieve technieken Fotografie Glastechnieken Grafische technieken Grafische technieken

Grafische technieken

Handel

Handel

Handel www.eurydice.org

155


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) Hout

Hout

Hout

Juwelen Koeling en warmte

Koeling en warmte

Land- en tuinbouw

Land- en tuinbouw

Lichaamsverzorging

Lichaamsverzorging

Maritieme opleidingen

Maritieme opleidingen

Mechanicaelectriciteit

Mechanica-electriciteit

Mode

Mode

Koeling en warmte Lichaamsverzorging

Mechanicaelectriciteit

Muziekinstrumentenbouw Optiek Orthopedische technieken Personenzorg

Personenzorg

Personenzorg Podiumkunsten

Sport

Sport Tandtechnieken Textiel

Textiel

Textiel

Voeding

Voeding

Toerisme Voeding

5.12. Organisatie van de schooltijd Het schoolbestuur beschikt over een grote vrijheid wat betreft de organisatie van de schooldag, schoolweek en het schooljaar in het secundair onderwijs (zie ook omzendbrief SO 74 van 12 juni 2001 betreffende de organisatie van het schooljaar).

5.12.1. Organisatie van het schooljaar Net zoals voor het basisonderwijs, begint het schooljaar voor het secundair onderwijs op 1 september en eindigt het in theorie op 31 augustus. ● ●

●

Omwille van de zomervakantie (1 juli t/m 31 augustus) eindigt het schooljaar in de praktijk echter op 30 juni. Na 31 augustus is geen enkele onderwijsactiviteit (ook geen leerlingenstage) meer mogelijk die betrekking heeft op het voorbije schooljaar; uitzondering hierop vormen laattijdige beslissingen van de delibererende klassenraad (uiterlijk 1 september) of beroepen tegen omstreden beslissingen van voornoemde klassenraad (uiterlijk 20 september). Gezien 31 augustus de theoretische einddatum van het schooljaar is, betekent dit dat regelmatige leerlingen ertoe gehouden zijn om aan alle onderwijsactiviteiten die de school in de zomerperiode organiseert, deel te nemen, bv. een leerlingenstage of een vakantietaak. In voorkomend geval geldt het principe van uitstel op 30 juni van de eindbeslissing van de www.eurydice.org

156


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

●

delibererende klassenraad, aangezien het onderwijsprogramma nog niet volledig is afgewerkt of aangezien de klassenraad over onvoldoende gegevens beschikt om de beslissing te nemen over het al dan niet geslaagd zijn. De vakanties indachtig, is de school gedurende 182 dagen per schooljaar open.

5.12.2. Organisatie van schoolweek en schooldag

Schoolweek De lessen zijn in het voltijds gewoon secundair onderwijs en in het buitengewoon secundair onderwijs gespreid over 9 halve dagen van maandag tot en met vrijdag; leerlingenstages worden hierbij buiten beschouwing gelaten. De vrije halve dag (voormiddag of namiddag) kan naar keuze worden bepaald en valt in praktijk zeer vaak op woensdagnamiddag. In het deeltijds beroepssecundair onderwijs worden de lessen gespreid over maximum 4 halve dagen van maandag tot en met vrijdag. Het woord ''maximum'' slaat op het feit dat voor sommige leerlingen het deeltijds beroepssecundair onderwijs 15 uren omvat en voor anderen, die de algemene vakken in een erkende vormingsinstelling volgen, slechts 8 uren. De lesspreiding doet in elk geval geen afbreuk aan de mogelijkheid om, na toelating van het onderwijsdepartement, de lessen in een ander ''ritme'' te organiseren (cf. ministeriële omzendbrief SO 66 van 30 juni 1999 betreffende de organisatie van het DBSO). Binnen het ''voltijds secundair onderwijs'' geldt een lesweek van ten minste 28 lesuren (36 wekelijkse lesuren voor de verpleegkunde). Het maximum aantal wekelijkse lestijden, dat voor overheidsfinanciering of -subsidiëring in aanmerking komt (waarin de eventuele lesuren inhaallessen niet zijn begrepen) varieert tussen 32 en 36 u. Het is vastgelegd in het koninklijk besluit nr. 2 van 21 augustus 1978.

Schooldag De lessen starten ten vroegste om 8u en eindigen tussen 15u en 17u. Er is een middagpauze van minimaal 50 minuten die moet worden voorzien op een voor het nuttigen van een middagmaal aanvaardbaar tijdstip. Bij afwezigheid van de leraar en de onmogelijkheid om in vervanging of een vervangende activiteit te voorzien, kan beslist worden dat de leerlingen de school mogen verlaten. Het gezond verstand en het belang van de leerlingen moeten hierbij vooropstaan; elementen zoals het akkoord van de ouders, de verzekeringsdekking, de mate van overmacht, het tijdstip, de leeftijd van de leerlingen e.d. zullen in overweging worden genomen.

5.13. Curriculum, leervakken, aantal lesuren ●

1e graad SO

○ In het 1e leerjaar A en in het 1e leerjaar B onderscheidt men telkens basisvorming en een keuzegedeelte.

○ In het 2e leerjaar A onderscheidt men naast de basisvorming de basisopties en een keuzegedeelte.

○ In het beroepsvoorbereidend leerjaar onderscheidt men naast de basisvorming de ●

beroepenvelden en een keuzegedeelte. 2e en 3e graad SO

○ Hier onderscheidt men in de studierichtingen naast de basisvorming en het fundamenteel gedeelte, het complementaire gedeelte. www.eurydice.org

157


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) Voor het experiment met een aangepast curriculum voor secundaire scholen in Brussel, rekening houdende met een grote instroom aan anderstalige leerlingen, zie 10.7.3.2..

5.13.1. Eindtermen en ontwikkelingsdoelen De eindtermen en ontwikkelingsdoelen worden door de overheid gehanteerd als middel tot kwaliteitsbewaking. Ze zijn verplicht opgenomen in de leerplannen. Voor de basisvorming zijn er vakgebonden eindtermen geformuleerd. Dit zijn minimumdoelen op het vlak van kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes die de onderwijsoverheid als noodzakelijk en bereikbaar acht voor een bepaalde leerlingenpopulatie. Voor het gewoon secundair onderwijs worden ze vastgelegd per graad en per onderwijsvorm. Attitudinale vakgebonden eindtermen, moeten niet bereikt worden, maar nagestreefd. Naast de vakgebonden eindtermen zijn er ook vakoverschrijdende eindtermen. Dat zijn minimumdoelen die niet specifiek behoren tot een vakgebied, maar onder meer door middel van meerdere vakken of onderwijsprojecten worden nagestreefd. De vakgebonden eindtermen m.b.t. kennis, inzicht en vaardigheden houden voor de school een resultaatsverplichting in. Het bereiken ervan wordt bij een schooldoorlichting afgewogen tegenover de schoolcontext en de kenmerken van de schoolpopulatie. De vakoverschrijdende eindtermen houden voor de school een inspanningsverplichting in. Ze hoeven dan ook niet in de leerplannen te worden opgenomen. Enkel voor de basisvorming van het eerste leerjaar B en het beroepsvoorbereidend leerjaar van de eerste graad zijn er i.p.v. eindtermen ontwikkelingsdoelen geformuleerd. Het zijn minimumdoelen op het vlak van kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes die de onderwijsoverheid wenselijk acht voor een bepaalde leerlingenpopulatie en die de school bij haar leerlingen moet nastreven. Ontwikkelingsdoelen kunnen vakgebonden of vakoverschrijdend zijn. Voor het fundamenteel gedeelte van een opleiding worden specifieke eindtermen ontwikkeld. Dit zijn doelen met betrekking tot de vaardigheden, de specifieke kennis, inzichten en attitudes waarover een leerling van het voltijds secundair onderwijs beschikt om vervolgonderwijs aan te vatten en/of als beginnend beroepsbeoefenaar te kunnen fungeren. Er bestaan momenteel enkel specifieke eindtermen voor het ASO. De overheid formuleert geen eindtermen of ontwikkelingsdoelen voor het keuzegedeelte, de basisopties en de beroepenvelden van de eerste graad secundair onderwijs en voor het complementaire gedeelte van de tweede en derde graad. Gewoon secundair onderwijs

1e graad

2e graad

3e graad

A-stroom

ASO

TSO

KSO

BSO

ASO

TSO

KSO

BSO

Vakgebonden eindtermen voor de basisvorming

X

X

X

X

X

X

X

X

X

Vakoverschrijdende eindtermen

X

X

X

X

X

X

X

X

X

Cesuurdoelen voor de specifieke eindtermen

X

Specifieke eindtermen

X B-stroom

Vakgebonden ontwikkelingsdoelen

X

Vakoverschrijdende ontwikkelingsdoelen

X

www.eurydice.org

158


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) Eindtermen en ontwikkelingsdoelen worden uitgewerkt door de Entiteit Curriculum (ex-DVO). De Vlaamse Onderwijsraad (VLOR) adviseert zulke voorstellen steeds wanneer ze naar het Vlaams parlement gaan. De eindtermen en ontwikkelingsdoelen voor de eerste graad secundair onderwijs zijn vastgelegd in het Decreet van 24 juli 1996 en werden in september 1997 ingevoerd. Er werden tevens vakoverschrijdende eindtermen geformuleerd inzake: leren leren, sociale vaardigheden, opvoeden tot burgerzin, gezondheidseducatie en milieueducatie. De eindtermen voor de 2de en 3de graad van het secundair onderwijs werden met het Decreet van 18 januari 2002 officieel goedgekeurd door het Vlaams parlement. Eindtermen werden geformuleerd voor alle vakken binnen de basisvorming van de verschillende studierichtingen. Bijkomend werden er vakoverschrijdende eindtermen geformuleerd. Deze vakoverschrijdende eindtermen zijn geordend in thema's, die dezelfde zijn voor alle onderwijsvormen (ASO, TSO, KSO, BSO) zij het niet in aantal. In de 1e graad zijn er 5 thema's: leren leren, sociale vaardigheden, opvoeden tot burgerzin, gezondheidseducatie en milieueducatie. In de 2e en 3e graad komen daar nog 2 thema's bij: muzischcreatieve vorming en technisch-technologische vorming. Dit laatste enkel voor het Algemeen Secundair Onderwijs. Deze vakoverschrijdende eindtermen, alsook de eindtermen voor de vakken van de basisvorming, zijn vanaf het schooljaar 2002-2003 progressief ingevoerd in de tweede en de derde graad. In 2006 werden vakoverschrijdende ICT-eindtermen opgesteld voor de eerste graad van het secundair, en door de regering goedgekeurd. Ze moeten ingaan op 1 september 2007. Voor de 2e en 3e graad bestonden al vakgebonden ICT-eindtermen. De vakoverschrijdende ICT-eindtermen zijn algemeen en niet toegespitst op specifieke softwareprogramma's. Net zoals voor het kleuter- en lager onderwijs, geldt voor het secundair onderwijs eveneens de mogelijkheid tot afwijking van de vastgelegde eindtermen en ontwikkelingsdoelen (http://www.ond.vlaanderen.be; Decreet van 15 juli 1997). H

H

5.13.2. Leerplannen De ontwikkelingsdoelen en eindtermen zeggen wel wat de leerlingen minimaal moeten kennen en kunnen, maar geven niet aan hoe dit moet gebeuren. De scholen zijn hierin volledig vrij. Er is ruimte voor verscheidenheid en verschil in aanpak. Dat blijkt uit de verscheidenheid van leerplannen die de Vlaamse scholen hanteren. Leerplannen bevatten essentiële gegevens voor de concrete onderwijspraktijk en zijn afgestemd op een welomschreven leerlingengroep. Vertrekkend van de eindtermen en ontwikkelingsdoelen vermelden de leerplannen de algemene en specifieke doelstellingen en aansluitende leerinhouden voor één of meer vakken of vakgebieden. Bovendien geven ze wenken voor de didactische aanpak en de realisatie ervan. Ze kunnen in principe door elke school ontwikkeld worden, maar worden in praktijk ontwikkeld door de inrichtende macht of overkoepelende onderwijsorganisatie. De bij de koepels aangesloten scholen nemen gewoonlijk de goedgekeurde leerplannen over. De onderwijsinspectie beoordeelt het leerplan op basis van vastgelegde criteria en de eindtermen en ontwikkelingsdoelen en adviseert de minister van onderwijs m.b.t. de goedkeuring. ● ● ● ●

Katholiek onderwijs, zie http://www.vvkso.be > secundair onderwijs > publicaties > leerplannen Gemeenschapsonderwijs, zie http://pbd.gemeenschapsonderwijs.net/so/index.htm Provinciaal onderwijs, zie http://www.pov.be > documenten> leerplannen Onderwijs van steden en gemeenten, zie http://www.ovsg.be > publicaties en documenten > leerplannen H

H

H

H

H

H

www.eurydice.org

H

159


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

5.13.3. Lessenroosters De lessentabellen in het secundair onderwijs bestaan telkens uit een gemeenschappelijk en een optioneel pakket. Het gemeenschappelijke deel bestaat uit een basisvorming die per graad en per onderwijsvorm gemeenschappelijk is; optionele vakken behoren ofwel tot het fundamenteel gedeelte (afhankelijk van verdere keuzes) ofwel tot het vrije keuzegedeelte dat door de school in te vullen is, binnen het voorziene wettelijke kader. Dit laatste wordt het 'complementair gedeelte' genoemd.

5.13.3.1. Basisvorming

Wat de basisvorming (het kerncurriculum) betreft, worden aan de diverse limitatieve lijsten van verplicht te volgen vakken uitsluitend in de eerste graad - en dan nog globaal en geenszins per afzonderlijk vak – minimale lestijden gekoppeld. Overigens kan de Vlaamse regering, op voorwaarde dat hetzelfde studiepeil voor de basisvorming wordt gewaarborgd, aan onderwijsinstellingen individuele afwijkingen verlenen van voornoemde minimale lestijden. In de tweede en derde graad kan de urentoekenning en -verdeling met betrekking tot de basisvorming op volledig autonome wijze worden uitgevoerd. De respectieve verplichte vakkenreeksen van de basisvorming 1e graad

2e graad

1e lj. A

1e lj. B

2e lj.

beroepsvoorbereidend lj.

1e en 2e lj. ASO

1e en 2e lj. TSO en KSO

1e en 2e lj. BSO

levensbesch.*

levensbesch.*

levensbesch.*

levensbesch.*

levensbesch.*

levensbesch.*

levensbesch.*

Nederlands

Nederlands

Nederlands

Nederlands

Nederlands

Nederlands

Nederlands

Frans

ev. Frans

Frans

Ev. Frans

Frans

Frans of Engels

eventueel Engels

Engels

Engels

wiskunde

wiskunde

wiskunde

wiskunde

wiskunde

wiskunde

natuurwet. of [fysica en/of biologie]

natuurwet. of [fysica en/of biologie]

natuurwet. of [fysica en/of biologie] of wetenschap. werk

natuurwet. of [fysica en/of biologie] of wetenschap. werk

(toegepaste) natuurwet. of [fysica en/of biologie of en/of chemie] al dan niet geïntegreerd

(toegepaste) natuurwet. of fysica en/of biologie of en/of chemie al dan niet geïntegreerd

geschiedenis

geschiedenis

aardrijkskunde

aardrijkskunde

lich. opv.

lich. opv.

geschiedenis

maatschap. v. of geschiedenis en aardrijkskunde

aardrijkskunde

geschiedenis

maatschap. v. of geschiedenis en aardrijkskunde

aardrijkskunde

artistieke of plastische en/of muzikale opv.

artistieke of plastische en/of muzikale opv.

artistieke of plastische en/of muzikale opv.

artistieke of plastische en/of muzikale opv.

lich. opv.

lich. opv.

lich. opv.

lich. opv.

technol. opv.

technol. opv.

technol. opv.

min. 27u/w

min. 27u/w

min. 24 u/w

wiskunde en/of toegepaste [natuurwet. en/of fysica en/of biologie of en/of chemie] al dan niet geïntegreerd

maatschap. v. of geschiedenis en/of aardrijkskunde

lich. opv.

min. 16 u/w

www.eurydice.org

160


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

3e graad 1e en 2e lj. ASO

1e en 2e lj. TSO en KSO

1e en 2e lj. BSO

levensbesch.*

levensbesch.*

levensbesch.*

Nederlands

Nederlands

Nederlands

Frans Engels of Duits

Frans of Engels

wiskunde

wiskunde

natuurwet. of [fysica en/of biologie en/of chemie] geschiedenis

geschiedenis

aardrijkskunde

aardrijkskunde

maatschap. v. of geschiedenis en/of aardrijkskunde

lich. opv.

lich. opv.

lich. opv.

Nadere specificatie ●

●

●

●

●

●

Levensbeschouwing = de keuze godsdienst of niet-confessionele zedenleer in het officieel onderwijs; godsdienst of niet-confessionele zedenleer, of cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie (uitsluitend voor het vrij onderwijs). In de 1e leerjaren A en B dient de basisvorming, die tenminste 27 u/w bedraagt, te worden georganiseerd op grond van minstens eenzelfde minimumleerplan dat door alle leerlingen van eenzelfde onderwijsinstelling dient gevolgd te worden. In het 2e lj. van de 1e graad bedraagt de basisvorming tenminste 24u/w, waarvan tenminste 14u/w dienen te worden georganiseerd op grond van minstens eenzelfde minimumleerplan dat door alle leerlingen van eenzelfde onderwijsinstelling dient te worden gevolgd. In het 1e leerjaar B, het beroepsvoorbereidend jaar van de 1e graad en in het 1e en 2e leerjaar van de 2e graad BSO en de 3e graad BSO kunnen twee of meer vakken worden geïntegreerd onder het project algemene vakken. Voor het 3e leerjaar van de 2e graad BSO, ingericht onder de vorm van een vervolmakingsjaar, wordt geen basisvorming opgelegd, aangezien de vervolmaking uitermate optie-gebonden is met bijgevolg bijzondere aandacht voor technische en zeker praktische vakken. Voor het 3e leerjaar van de 3e graad BSO al dan niet ingericht onder de vorm van een specialisatiejaar geldt een ietwat bijzondere regel :

○ de basisvorming

▪

moet worden samengesteld uit algemene vakken waarvan er twee of meer kunnen worden geïntegreerd onder het project algemene vakken;

▪

moet de vakken bevatten van het eerste en het tweede leerjaar van de derde graad BSO;

▪

moet tenminste 12 uren/week bedragen;

○ wanneer dit leerjaar wordt ingericht onder de vorm van een specialisatiejaar, moeten ●

daarenboven tenminste 14 uren/week worden toegekend aan technische vakken en/of praktische vakken. Voor het 3e leerjaar van de 3e graad ASO, resp. KSO, ingericht onder de vorm van een voorbereidend jaar op het hoger onderwijs, en voor het 3e leerjaar van de 3e graad KSO, resp. TSO, ingericht onder de vorm van een specialisatiejaar wordt geen basisvorming opgelegd, vermits de secundaire opleiding van de betrokken leerlingen reeds als voltooid mag www.eurydice.org

161


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

●

worden beschouwd en het leerjaar in kwestie hetzij een zuiver specialiserend karakter draagt, hetzij een verdieping van de genoten studie met het oog op hoger onderwijs beoogt. Voor de leerjaren van de 4e graad BSO wordt omwille van de specificiteit ook geen basisvorming opgelegd. Daarenboven is in het officieel onderwijs de cursus godsdienst of niet-confessionele zedenleer niet verplicht (Omzendbrief SO 64 van 25 juni 1999; Decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II).

De lessenroosters worden door het schoolbestuur opgesteld.

5.13.3.2. Het optionele vakkenpakket (fundamenteel en complementair gedeelte)

Aangezien de eigenlijke lessenroosters de verantwoordelijkheid zijn van de inrichtende macht, kunnen zij in dit kort bestek niet worden gegeven. Wij geven exemplarisch deze van het gemeenschapsonderwijs. We gaan achtereenvolgens dieper in op: ● ● ● ● ● ● ●

de eerste graad het Algemeen Secundair Onderwijs (ASO) het Technisch Secundair Onderwijs (TSO) het Kunstsecundair Onderwijs (KSO) het Beroepssecundair Onderwijs (BSO) het Deeltijds Beroepssecundair Onderwijs (DBSO) de vierde graad Beroepssecundair Onderwijs

5.13.3.2.1. Eerste graad

In het eerste jaar A volgen alle leerlingen een gelijkaardige basisvorming van maximum 28 lestijden per week (zie 5.13). Bijkomend moeten leerlingen in het gemeenschapsonderwijs per week 4 lestijden naar keuze volgen, dus maximum 32 uur les per week. Zij kunnen opteren voor het volgen van nieuwe vakken en/of voor aanvulling van de lestijd van de reeds gedoceerde vakken uit de basisvorming. De keuze bestaat tussen de algemene vakken Latijn, lichamelijke opvoeding, muzikale opvoeding, plastische opvoeding, wetenschappelijk werk en Nederlands, en tussen de technische vakken technologische opvoeding en nautische technieken. Voorwaarde is dat de school deze keuzes aanbiedt en dat het totaal aantal keuzelestijden niet meer dan 4 bedraagt. Voor het 1ste leerjaar B geldt vrijwel een identieke indeling maar binnen de lijst van keuzevakken zijn de algemene vakken Frans en Wiskunde opgenomen. Latijn, wetenschappelijk werk en nautische technieken behoren niet tot de keuzemogelijkheden. In het tweede jaar volgen alle leerlingen uit de A-stroom een basisvorming van maximum 26 lestijden per week. Afhankelijk van de gekozen basisoptie, krijgen de leerlingen nog bijkomend 6 of 8 uur per week les binnen optiespecifieke vakken. Leerlingen hebben de keuze uit volgende basisopties: agroen biotechnieken, artistieke vorming, ballet, bouw- en houttechnieken, Grieks-Latijn, grafische technieken, handel, hotel-voeding, industriële wetenschappen, Latijn, maritieme vorming, mechanicaelektriciteit, moderne wetenschappen, en sociale en technische vorming. In totaal geldt aldus een lesweek van maximum 32 of 34 uur. In het tweede leerjaar B, het zogenaamde beroepsvoorbereidende leerjaar (BVL) geldt een basisvorming van maximum 16 lesuren per week, aangevuld met een pakket van maximum 18 lestijden waarvan de inhoud verschilt naargelang het gekozen beroepenveld, wat het totaal aantal lesuren per week aldus op maximum 34 brengt. Er kan worden gekozen uit 48 beroepenvelden die www.eurydice.org

162


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) worden gevormd door combinaties van bouw, decoratie, elektriciteit, haarzorg, hout, kantoor en verkoop, metaal, mode, Rijn- en binnenvaart en verzorging-voeding. Enige uitzonderingen op deze ''combinatieregel'' zijn de beroepenvelden Land- en tuinbouw, en Nijverheid (gemeenschapsonderwijs, 2004).

5.13.3.2.2. Algemeen Secundair Onderwijs (ASO)

Het ASO houdt in vergelijking met de andere onderwijsvormen een meer theoretische benadering van de vakken in en heeft duidelijk de rol om de overgang van de leerlingen naar het hoger onderwijs te bevorderen. Binnen het ASO zijn twee studiegebieden: ASO en sport. Daarbinnen zijn verschillende studierichtingen in de 2e en 3e graad mogelijk. We geven hierna als voorbeeld het gemeenschapsonderwijs. ASO studierichtingen (gemeenschapsonderwijs)

2e graad ASO

3e graad ASO

Studiegebied ASO Bijzondere wetenschappelijke vorming H

Economie H

X H

Economie-moderne talen

X

H

Economie-wiskunde H

Grieks H

H

X H

X H

Grieks-Latijn H

X H

Grieks-moderne talen H

Grieks-wetenschappen Grieks-wiskunde H

X X

H

H

X H

X H

Humane wetenschappen H

Latijn

X (7de leerjaar ) H

X H

X

X

H

H

Latijn-moderne talen H

Latijn-wetenschappen H

Latijn-wiskunde H

X H

X H

X H

Moderne talen-wetenschappen H

Moderne talen-wiskunde H

Rudolf Steinerpedagogie Wetenschappen

X H

H

H

X H

Wetenschappen-wiskunde Yeshiva

X

X H

H

H

X H

X H

X H

X

Studiegebied sport Moderne talen-topsport H

X

H

Sport H

X H

Wetenschappen-sport H

Wetenschappen-topsport H

Wiskunde-topsport H

X H

X H

X X

H

www.eurydice.org

163


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) In het 3e leerjaar van de 3e graad wordt een nog de speciale studierichting Bijzondere wetenschappelijk vorming aangeboden die een voorbereiding inhoudt op het hoger onderwijs.

Onderwijsaanbod SO, zie http://www.ond.vlaanderen.be/onderwijsaanbod/so/gewoon.htm H

ASO

Maximum aantal lestijden per week (gemeenschapsonderwijs) studierichtingen 1e en 2e lj. 3e graad

bijzondere wetenschappelijke vorming

sport-wetenschappen

Basisvorming

18 - 20

2

18

Fundamenteel gedeelte

8 - 14

24

13

Complementair gedeelte

4-0

6

1

32

32

32

Totaal

5.13.3.2.3. Technisch Secundair Onderwijs (TSO)

Het TSO legt de nadruk op de praktische realisatie van theoretische kennis. De doelstelling van het TSO is tweeledig: enerzijds de voorbereiding op de uitoefening van een beroep en anderzijds de voorbereiding op doorstroming naar het hoger (technisch) onderwijs. Voor de studiegebieden binnen het TSO zie 5.11. Maximum aantal lestijden per week (gemeenschapsonderwijs) TSO

2e en 3e graad

3e lj. 3e graad

Basisvorming

13 - 20

4

Fundamenteel gedeelte

14 - 23

32

Complementair gedeelte

0-4

Totaal

36

36

In het kader van de herwaardering van het TSO, en ook van het BSO nemen leerlingenstages een belangrijke plaats in omdat zij een hefboom vormen voor de noodzakelijke aansluiting tussen de onderwijs- en de beroepswereld. Om scholen te helpen in hun zoektocht naar stageplaatsen, heeft de overheid een stagedatabank opgericht: een elektronische markt waar vraag en aanbod inzake stages worden gekoppeld (zie http://www.stagedatabank.be/ ). In een omzendbrief van 16 september 2002 (SO/2002/09) worden duidelijke richtlijnen gegeven met betrekking tot de eigenlijke organisatie van leerlingenstages. H

H

Effectiviteit van TSO- en BSO-scholen in Vlaanderen Historiek van het technisch- en beroepsonderwijs 1830-1990

www.eurydice.org

164


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

5.13.3.2.4. Kunstsecundair Onderwijs (KSO)

Deze kleine onderwijsvorm (ongeveer 2% van de leerlingen van het secundair onderwijs) voorziet in een meer 'artistiek' aanbod en heeft dan ook tot taak een basis aan te bieden voor doorstroming naar artistieke gebieden van het hoger onderwijs, zonder evenwel vervolgstudies in niet-artistieke gebieden van het hoger onderwijs of beroepsuitoefening na het afstuderen, uit te sluiten. Omwille van deze ruime doeleinden van het KSO, is het vormingsproces fundamenteel gebaseerd op de integratie van algemene vorming met artistieke componenten. In het KSO krijgen jongeren aldus een zeer volledige opleiding: handvaardigheidstraining, kunstopleiding en theoretische vorming. Daarnaast worden ze ook filosofisch gevormd (VLOR, 2001). Het decreet van 14 juli 1998 bepaalt dat het KSO in drie studiegebieden wordt ingedeeld, met name ballet, podiumkunsten en beeldende kunsten. Elk van deze drie studiegebieden bevat één of meerdere studierichtingen. Kenmerkend voor het studiegebied beeldende kunsten is de zogenaamde driepoligheid 'vorming', 'kunsten' en 'opleiding'. De polen verschillen van elkaar op vlak van doelstellingen, verhouding algemene en kunstvakken, en de uitstroommogelijkheden. Ongeacht de studierichting, moeten KSO-leerlingen volgens het decreet betreffende het onderwijs-II van 31 juli 1990 verplicht een aantal algemene vakken volgen. Deze basisvorming is identiek aan deze van het TSO (gemeenschappelijke eindtermen ingaand op 1 september 2002) (zie inleidend deel van 5.13. ). Naast de algemene vakken dienen leerlingen een belangrijk pakket kunstvakken te volgen. Dit pakket verschilt naargelang de gekozen studierichting. In dit specifieke gedeelte komen geen technische en/of praktijkvakken voor. Binnen het studiegebied beeldende kunsten worden na het tweede leerjaar van de derde graad nog enkele 'specialisatiejaren' aangeboden, gericht op leerlingen met intrinsieke kwaliteiten en een specifieke motivatie voor bepaalde kunstgerichte beroepen: 'architecturale vormgeving', 'audiovisuele vormgeving', 'grafische vormgeving', 'industriële kunst', en 'ruimtelijke vormgeving'. In het derde leerjaar van de derde graad voorziet het KSO ook twee voorbereidende leerjaren. ●

● ●

Een voorbereidend leerjaar richt zich tot leerlingen die geen KSO gevolgd hebben, geen of onvoldoende artistieke vooropleiding genoten hebben en toch wensen door te stromen naar het hoger kunstonderwijs. 'Bijzondere beeldende vorming' is het voorbereidend jaar voor het studiegebied beeldende kunsten. Mits een minimale vooropleiding, kan binnen het studiegebied podiumkunsten de opleiding 'bijzondere muzikale vorming' gevolgd worden (Decreet betreffende het onderwijs-II van 31 juli 1990; decreet van 14 juli 1998; VLOR, 2001).

www.eurydice.org

165


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

KSO

Maximum aantal lestijden per week (gemeenschapsonderwijs) Beeldende kunsten

Podiumkunsten

voorbereidend 3e leerjaar bijzondere beeldende vorming 2e graad

2e graad

3e graad

Basisvorming

17 - 21

13 - 16

4

19 - 20

15

16

4

Fundamenteel gedeelte

15 - 19

18 - 23

28

13 - 17

21

20

25

Complementair gedeelte

0-2

0-2

36

36

totaal

3e graad

voorbereidend 3e leerjaar bijzondere muzikale vorming

0-3 32

36

3 36

36

32

Referenties

Het Kunstsecundair onderwijs Studieloopbanen in het kunstgericht onderwijs: in-, door- en uitstroom in het secundair en hoger onderwijs

5.13.3.2.5. Beroepssecundair Onderwijs (BSO)

Het beroepssecundair onderwijs is een praktijkgerichte onderwijsvorm waarin de jongere naast algemene vorming vooral een specifiek beroep aanleert. In het voltijds beroepssecundair onderwijs vindt men evenwel niet enkel jongeren met een praktische aanleg terug die een beroep willen leren, maar ook leerlingen wiens vroegere schoolcarrière - soms al van het lager onderwijs af - wordt gekenmerkt door een reeks mislukkingen of leermoeilijkheden. Zoals reeds vermeld (zie 5.11. ), is het BSO-onderwijsaanbod van de tweede, derde en vierde graad gegroepeerd rond 18 studiegebieden die in grote lijnen overeenkomen met deze uit het TSO. Maximum aantal lestijden per week (gemeenschapsonderwijs) BSO

2e en 3e graad

3e lj. 3e graad

Basisvorming

8 - 13

4 - 12

Fundamenteel gedeelte

21 - 26

20 - 32

Complementair gedeelte

1-4

0-4

36

36

Totaal

Experimenteel beroepsgericht secundair onderwijs volgens een modulair stelsel ( modulair BSO) Het Decreet van 14 juli 1998 betreffende het secundair onderwijs heeft belangrijke wijzigingen ingevoerd voor het beroepsgerichte onderwijs. Door de overheid wordt een structuur van opleidingsmodules ontwikkeld, met de bedoeling om o.a. de problemen van enerzijds de ongekwalificeerde uitstroom van leerlingen uit het beroepsgerichte onderwijs en van anderzijds de www.eurydice.org

166


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) discrepantie tussen het beroepsopleidingsaanbod en de vraag op de arbeidsmarkt aan te pakken. Daarnaast is een modulaire opleidingenstructuur eveneens bedoeld om leerlingen te oriënteren op basis van hun capaciteiten in plaats van op basis van hun mislukkingen. In het modulair onderwijs wordt elke opleiding naast de basisvorming opgedeeld in een aantal modules met beroepsgerichte vorming waarin algemeen vormende componenten zijn geïntegreerd en waarbij de nodige aandacht wordt besteed aan sleutelvaardigheden. Hierdoor bereidt men de leerling beter voor op de beroepsuitoefening maar eveneens op het persoonlijk en maatschappelijk functioneren. Van belang hierbij zijn de beroepsprofielen die opgesteld worden door de sociale partners en de eindtermen door de overheid opgesteld per graad en per onderwijsvorm. Op basis van de beroepsprofielen wordt een nauwere band met de arbeidsmarkt verzekerd Modularisering is een belangrijk instrument om het aantal niet gekwalificeerden uit het leerplichtonderwijs te verminderen. Deelcertificaten geven immers toegang tot de arbeidsmarkt of tot vervolgonderwijs. Door de opleidingenstructuur en de verschillende onderdelen daarvan af te stemmen op de gevraagde kwalificaties, realiseert men bovendien een transparantie tussen het onderwijsaanbod en de arbeidswereld. Daarenboven heeft de organisatie van een schooljaar in modulair onderwijs een heel ander uitzicht dan in het niet-modulair onderwijs. Onder meer verdwijnt de indeling in vakken, wordt geen onderscheid naar graden of leerjaren gemaakt en is er op weekbasis een structurele ruimte voorzien voor differentiatie. Het project modularisering wordt eveneens gekoppeld aan de integratie van nieuwe onderwijsvisies en onderwijsmethodes zoals geïntegreerd werken, gedifferentieerd werken en team teaching. Het modulair onderwijs wordt georganiseerd per studiegebied. Elk studiegebied bundelt een reeks opleidingen. Een opleiding is een samenhangend geheel van modules dat wordt gesanctioneerd met een door de overheid erkend certificaat Eenzelfde opleiding kan in verschillende studiegebieden voorkomen. De opleidingen zijn identiek in het voltijds en deeltijds onderwijs. Elke opleiding bestaat uit één of meer modules (het kleinste deel van een opleiding dat wordt gesanctioneerd met een door de overheid erkend deelcertificaat). Eenzelfde module kan in verschillende opleidingen en bijgevolg in verschillende studiegebieden voorkomen. De modules zijn identiek in het voltijds en deeltijds onderwijs. In het voltijds onderwijs kan binnen eenzelfde instelling een studiegebied niet gelijktijdig modulair en niet-modulair worden aangeboden, uitgezonderd tijdens het progressief opbouwproces. De invoering van het voltijds modulair onderwijs vindt progressief plaats vanaf het eerste leerjaar respectievelijk van de tweede graad van het beroepssecundair onderwijs en van de vierde graad verpleegkunde van het beroepssecundair onderwijs. In het deeltijds onderwijs kan binnen eenzelfde instelling een studiegebied niet gelijktijdig modulair en niet-modulair worden aangeboden, tenzij het opleidingen betreft die nog niet modulair zijn uitgewerkt en derhalve niet in de bijgaande opleidingenstructuur voorkomen. Op 1 september 2000 is de invoering van de modulaire onderwijsstructuur experimenteel gestart met leerlingen in het voltijds gewoon en deeltijds beroepssecundair onderwijs en vanaf 1 september 2001 in het buitengewoon beroepssecundair onderwijs (opleidingsvormen 3 en 4) en dit tot 31 augustus 2007. De volgende studiegebieden zijn opgenomen in het modulair onderwijs: ● ●

vanaf 1 september 2000: auto, bouw, handel, mechanica-elektriciteit, personenzorg; vanaf 1 september 2001: grafische technieken, hout, kleding, koeling en warmte, lichaamsverzorging, textiel en voeding.

Zie Omzendbrief van 26 juli 2001, SO 76 (aangepast op 27/9/2005). www.eurydice.org

167


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

De profielengids Evaluatie van het experiment modularisering in het secundair onderwijs Invoering modulair onderwijs in BSO.

5.13.3.2.6. Deeltijdse leerplicht

De wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht bepaalt dat aan de deeltijdse leerplicht onder meer kan worden voldaan door het volgen van een erkende deeltijdse vorming. ●

De deeltijdse leerplicht vangt aan :

○ hetzij bij het bereiken van de leeftijd van 16 jaar; ○ hetzij bij het bereiken van de leeftijd van 15 jaar op voorwaarde dat de jongere reeds

●

de eerste twee leerjaren van het voltijds secundair onderwijs heeft doorlopen (het eerste leerjaar A en B worden als één leerjaar beschouwd, de onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers wordt buiten beschouwing gelaten). De (deeltijdse) leerplicht eindigt:

○ hetzij bij het bereiken van de leeftijd van 18 jaar, indien dit voor 30 juni gebeurt; ○ hetzij op 30 juni, indien de leeftijd van 18 jaar wordt bereikt op 30 juni of later in het desbetreffend kalenderjaar. Er zijn verschillende wegen om te voldoen aan de deeltijdse leerplicht.

1) Deeltijds beroepssecundair onderwijs (DBSO). Dit onderwijs wordt speciaal ingericht voor leerlingen die problemen hebben met het voltijds onderwijs en die vaak schoolmoe zijn. Het deeltijds beroepssecundair onderwijs (DBSO) voorziet in een formule waarbij leerlingen deeltijds werken en deeltijds naar school gaan. Het curriculum en de lesmethodes zijn aangepast aan de specifieke noden van deze jongeren. Het is opgebouwd uit rubrieken die op hun beurt zijn opgedeeld in opleidingen. De rubrieken zijn : bouw, decoratie, distributie, elektriciteitelektronica, grafische nijverheid, handel en administratie, hout, kleding en confectie, land- en tuinbouw, metaal en kunststoffen, onderhoud, personenzorg, schoonheidszorg, sport en vrije tijd, textiel, transport, voeding-horeca. Het deeltijds secundair onderwijs wordt 40 weken per jaar aangeboden met wekelijks 15 lesperioden van 50 minuten. De opleiding omvat daarnaast een deeltijdse tewerkstelling, die aansluit bij de opleiding in het centrum. Dit onderwijs wordt aangeboden door 47 Centra voor Deeltijds Beroepsonderwijs (CDO). Deze centra zijn verbonden met secundaire scholen die voltijds technisch en beroepsonderwijs aanbieden. Sinds september 2000 loopt net zoals in het voltijds beroepssecundair onderwijs (zie 5.13.3.2.5.) een experiment met modulair onderwijs. In dit stelsel werkt men met studiegebieden, opgebouwd uit verschillende modules. Sinds mei 2003 loopt in een aantal centra voor deeltijds onderwijs een experiment met een onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers (zie 10.7.2.). Het Besluit van de Vlaamse Regering van 3 september 2003 voerde een 'trajectbegeleiding DBSO' in. Dit project beoogt enerzijds het brengen van de leerling naar een duurzame inschakeling in de arbeidsmarkt door middel van een geïndividualiseerde benadering, en anderzijds het bijbrengen van een startkwalificatie. Trajectbegeleiding moet voortijdig afhaken voorkomen. www.eurydice.org

168


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

2) De leertijd, georganiseerd door SYNTRA Vlaanderen (zie 7.) Via een leerovereenkomst kunnen meer dan 200 beroepen worden aangeleerd. De leerling volgt vier dagen per week een praktijkopleiding in een onderneming en volgt één dag per week aanvullende cursussen. Deze 'leertijd' is mogelijk voor jongeren vanaf 15 jaar die de eerste twee jaren van het secundair onderwijs gevolgd hebben of vanaf 16 jaar. Vanaf 18 jaar kunnen zij een stageovereenkomst sluiten. Een opleiding in de leertijd duurt in principe 3 jaar. Afhankelijk van leeftijd en vooropleiding is een kortere opleiding mogelijk.

3) Deeltijds zeevisserijonderwijs Dit onderwijs omvat tenminste 240 lesuren en wordt gedurende ten minste zeven en ten hoogste tien weken per schooljaar gegeven. Het omvat zowel de algemene vakken, als de technische vakken en de praktische vakken. Ten minste 80 lesuren worden besteed aan algemene vakken (Besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 1991 houdende de organisatie van het secundair zeevisserijonderwijs). Het aantal leerlingen bedroeg in 1992-1993 nog 52, verminderde snel tot 20 in 1994-1995 en schommelt de laatste jaren rond 6.

4) Erkende deeltijdse vormingen Deze vormingsprogramma's worden georganiseerd door diverse vzw's die actief zijn in het vormingsen het jeugdwerk. Bij Besluit van 8 juli 2005 heeft de Vlaamse regering een nieuwe regelgeving uitgevaardigd rond organisatie, normering en financiering, die ingaat vanaf het schooljaar 2005-2006. Uitgangspunt hierbij is, in de mate van het haalbare, de regelgeving te stroomlijnen met deze die van toepassing is voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs. De omzendbrief SO/2005/09 - Deeltijdse vormingen die in aanmerking komen voor de vervulling van de deeltijdse leerplicht (10/11/2005) licht de nieuwe regeling nader toe. H

H

Deeltijdse vormingen kunnen niet worden geassocieerd met studierichtingen en zijn als dusdanig niet opgebouwd uit afzonderlijke vakken. Toch zijn er enkele voorwaarden waaraan het programma moet beantwoorden : ● ●

ten minste 360 jaaruren omvatten indien gevolgd voor 30 juni van het kalenderjaar waarin de jongere 16 wordt ; in het overige geval : ten minste 240 jaaruren omvatten. voor ten minste 1/3 uit persoonlijke en maatschappelijke vorming en voor ten minste 1/3 uit arbeidsgerichte vorming bestaan; maar in afwijking hiervan kan het programma zich beperken tot persoonlijke en maatschappelijke vorming wanneer het zich richt tot jongeren die de technische en praktische vorming volgen in een centrum deeltijds beroepssecundair onderwijs, waarmee het centrum deeltijdse vorming een samenwerkingsovereenkomst heeft gesloten. Vermits de inschrijving van de jongere in het centrum deeltijds beroepssecundair onderwijs plaats vindt, is het dit centrum dat bevoegd is op administratief vlak. De rol van het centrum deeltijdse vorming behelst louter de verstrekking van 7 wekelijkse uren algemene vorming, wat overeenstemt met 280 uren op jaarbasis. Indien deze persoonlijke en maatschappelijke (= algemene) vorming door vormingswerkers wordt verstrekt binnen een centrum deeltijds beroepssecundair onderwijs, dan wordt het in aanmerking genomen bij uitreiking aan de betrokken leerlingen van het getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs, op voorwaarde dat in voldoende mate de doelstellingen van het door de overheid goedgekeurd leerplan worden bereikt.

Het vormingsprogramma wordt, gelijkmatig over de duur van het schooljaar, gespreid over maximum 4 halve dagen van maandag tot en met vrijdag. Dit betekent dat in beginsel steeds eenzelfde aantal uren op weekbasis wordt aangehouden. www.eurydice.org 169


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) Er zijn in 2006 27 Centra voor deeltijdse vorming erkend, georganiseerd door vormingsorganisators: Groep Intro (17), Lejo (4), De Werf (1), Foyer (1), Arktos (3), Aura (1).

6

Opleidingskaarten DBSO Trajectbegeleiding in DBSO Voortrajecten: opstap naar de arbeidsmarkt voor deeltijds lerenden. Een conceptnota

5.13.3.2.7. Vierde graad beroepssecundair onderwijs

De vierde graad beroepssecundair onderwijs is ontstaan uit het ''Aanvullend Secundair Beroepsonderwijs (ASBO)'' dat lange tijd een verzameling van opleidingen was, zwevend tussen het secundair en het hoger onderwijs. Na de fusie-operatie van 1995 in het hoger onderwijs, werden deze opleidingen samengebracht en gegroepeerd onder de noemer 'vierde graad beroepssecundair onderwijs'. (ISCED 4 niveau). Er worden momenteel 3 studierichtingen aangeboden, in drie studiegebieden. Studiegebied Decoratieve technieken Mode Personenzorg

Studierichting Plastische kunsten Modevormgeving Verpleegkunde

Met uitzondering van de opleiding verpleegkunde, die drie leerjaren omvat, telt de vierde graad telkens twee leerjaren. Omwille van de specificiteit wordt geen basisvorming opgelegd. Daarenboven is in het officieel onderwijs de cursus godsdienst of niet-confessionele zedenleer niet verplicht (Omzendbrief van 25 juni 1999; decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II, zoals gewijzigd en het Besluit van de Vlaamse regering van 19/7/2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs).

5.14. Onderwijsmethoden en didactisch materiaal De keuze van onderwijsmethoden en -hulpmiddelen behoort tot de vrijheid van de inrichtende machten. Bijgevolg is er geen sprake van officiële richtlijnen hieromtrent. In het algemeen kan worden gezegd dat het onderricht vakgebonden gebeurt. Door de vakoverschrijdende eindtermen is men echter verplicht ook vakoverschrijdend te werken. Een aantal zogenoemde methodescholen laten zich - wat betreft ideeën en methoden - inspireren door Steiner, Freinet, Montessori en andere belangrijke figuren uit de onderwijsgeschiedenis. Er bestaat geen wettelijke regeling inzake de duur en omvang van huistaken. De Vlaamse Gemeenschap laat dit over aan de scholen. In het modulair beroepssecundair onderwijs (5.13.3.2.5.) ligt de klemtoon op onderwijsmethodes zoals 'geïntegreerd werken', 'team teaching', 'permanente evaluatie' en 'step by step learning'.

www.eurydice.org

170


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

5.15. Evaluatie van leerlingen De evaluatie van de leerlingen gebeurt door testen en examens, georganiseerd door de individuele leerkracht onder de uiteindelijke verantwoordelijkheid van de inrichtende macht van de school (Besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002). Ook permanente evaluatie is mogelijk. In het secundair onderwijs vormt de klassenraad het centrale beoordelingsorgaan. De begeleidende en de delibererende klassenraad bestaan uit de directeur of zijn afgevaardigde en alle leden van het onderwijzend personeel die in een bepaald leerjaar aan de leerling onderwijs verstrekken (deze personen zijn stemgerechtigd). Zij kunnen worden bijgestaan door de adjunct-directeur, de technisch adviseur(-coördinator), ondersteunend personeel en/of personeelsleden die in de betrokken onderwijsinstelling bij de psycho-sociale of pedagogische begeleiding van de leerlingen betrokken zijn (deze personen zijn raadgevend) (Omzendbrief SO 64). De klassenraad is verantwoordelijk voor het onderricht van een specifieke groep leerlingen, de beoordeling van hun vooruitgang op school, de beslissing over de overgang van elke leerling naar een hoger jaar en de uitreiking van attesten.

5.16. Voortgang van leerlingen Elke klassenraad heeft de delicate taak om op regelmatige tijdstippen een intellectuele en sociale evaluatie van elke leerling te maken en om de pedagogische conclusies te trekken die uit deze evaluatie voortkomen. Daarbij wordt mogelijke hulp gesuggereerd en, indien nodig, een (her)oriëntering. Verder heeft de klassenraad de taak om een gezamenlijke houding af te spreken voor elke leerling en aan het eind van het schooljaar de noodzakelijke beslissingen te nemen voor de overgang naar een hoger jaar en de uitreiking van een oriënteringsattest. De klassenraad kan zijn beslissingen baseren op onder meer de volgende factoren: ● ● ● ●

de vroegere schoolcarrière van elke leerling; de tussentijdse resultaten van het dagelijks werk, testen en examens; de informatie van het Centrum voor Leerlingenbegeleiding; gesprekken met ouders en kinderen, indien nodig.

Er kunnen 3 soorten attesten worden uitgereikt: ● ● ●

een A-attest wanneer de leerling het jaar succesvol heeft doorlopen; een B-attest als de leerling wordt toegelaten tot het volgend jaar, maar waarbij sommige onderwijsvormen en/of richtingen zijn uitgesloten; een C-attest waardoor de leerling moet blijven zitten.

De beslissing kan ook worden uitgesteld en afhankelijk gemaakt van slagen in een herexamen. De beslissing ligt bij de betrokken personen (bv. bij B-attest kan/kunnen de leerling/ouders beslissen het leerjaar te herdoen). Een belangrijk probleem blijft dat van de mislukkingen. In te veel gevallen is het zittenblijven een te gemakkelijk alternatief voor een falend oriënteringsproces of het gevolg van een verkeerde studiekeuze. Verdere initiatieven omtrent het zittenblijven en mislukken op school zijn op til.

www.eurydice.org

171


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

5.17. Studiebewijzen Naast de adviserende rapporten (oriënteringsattesten) die aan het eind van elk jaar van het secundair onderwijs worden opgelegd, kan de klassenraad het diploma secundair onderwijs (volgens de voorwaarden bepaald door het Decreet van 31 juli 1990, zoals gewijzigd) uitreiken op het eind van: ● ●

3e graad: 2e leerjaar ASO, TSO, KSO en 3e leerjaar BSO ingericht als specialisatiejaar 4e graad BSO: 1e of laatste leerjaar.

Na het 1e leerjaar A en B kan ook een getuigschrift basisonderwijs verworven worden, voor leerlingen die dat nog niet zouden bezitten; na het beroepsvoorbereidend leerjaar, een gelijkwaardig getuigschrift. Er kunnen ook getuigschriften worden afgeleverd na: ● ●

1e graad: het beroepsvoorbereidend leerjaar en het 2e leerjaar 2e graad: 2e leerjaar ASO, TSO, KSO.

In het beroepssecundair onderwijs kunnen leerlingen naast oriënteringsattesten getuigschriften verwerven na: ● ● ●

2e graad: 2e leerjaar en 3e leerjaar (ingericht als vervolmakingsjaar) 3e graad: 2e leerjaar en 3e leerjaar (ingericht als specialisatiejaar) 4e graad: 2e leerjaar (Omzendbrief SO 64 Structuur en organisatie van het voltijds secundair onderwijs).

In een aantal leerjaren en onderwijsvormen moeten de leerlingen slagen in een geïntegreerde proef (GIP): ● ● ●

2e graad BSO: 3e leerjaar ingericht als vervolmakingsjaar 3e graad TSO, KSO, BSO: 2e leerjaar en 3e leerjaar ingericht als specialisatiejaar 4e graad BSO: 2e leerjaar studierichtingen kleding en plastische kunsten en 3e leerjaar studierichting verpleegkunde (Omzendbrief SO 64)

De 3e graad: 3e leerjaar ASO, KSO, ingericht als voorbereidend jaar op het hoger onderwijs levert een attest van regelmatige lesbijwoning op. In het 2e en 3e leerjaar van de 3e graad, alle onderwijsvormen, en leerjaren 4e graad BSO kan een getuigschrift over basiskennis van het bedrijfsbeheer worden behaald. In het deeltijds beroepssecundair onderwijs zijn volgende studiebewijzen mogelijk: ● ● ● ●

een getuigschrift van de 2e graad van het secundair onderwijs. Daartoe dient de leerling o.m. een deeltijdse alternerende werkplekervaring op contractuele basis te hebben verworven; een attest van verworven bekwaamheden, voor wie het getuigschrift niet haalt; een kwalificatiegetuigschrift van het deeltijds beroepssecundair onderwijs; een getuigschrift over basiskennis van het bedrijfsbeheer.(zie Omzendbrief SO 66 betreffende de organisatie van het deeltijds beroepssecundair onderwijs).

In het modulair beroepsonderwijs (zie 5.13.3.2.5.) leidt elke module tot een deelcertificaat en alle modules van een leertraject samen leiden tot een certificaat. Een of meerdere certificaten gekoppeld aan eindtermen en een studieduur leiden tot een diploma.

www.eurydice.org

172


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

5.18. Begeleiding en band met verdere studies/arbeidsmarkt De Vlaamse Regering wil de band tussen onderwijs en arbeidsmarkt versterken en vooral de kansen verhogen voor kansarmen, en allochtonen om werkervaring op te doen. Daartoe zijn een hele reeks initiatieven genomen (zie ook 5.2. en 2.2.).

Sectorconvenants en onderwijsconvenants In 1993 organiseerde de Vlaamse Onderwijsraad (VLOR) voor het technisch secundair onderwijs de 'Staten Generaal' waar er samenwerkingsverbanden tot stand werden gebracht tussen het onderwijs en bepaalde sectoren zoals 'bouw', 'voeding' en 'kleding'. In 1995 formuleerde de Sociaal Economische Raad van Vlaanderen samen met het onderwijzend personeel en met steun van de Europese Commissie een handleiding voor het organiseren van zulke samenwerkingsverbanden. Sinds 2001 heeft de samenwerking tussen onderwijs en het bedrijfsleven meer structurele steun gekregen door middel van convenants met de sectoren over werkgelegenheid en opleiding. De eerste generatie convenants waren op heel wat vlakken vrijblijvend. Met de tweede generatie wordt nu een volgende stap gezet. Via duidelijke kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen geven de sectoren aan tot welke inspanningen ze zich verbinden. Eind 2006 waren alle 26 sectorconvenants vernieuwd. In het totaal worden in het kader daarvan 103,5 voltijdse sectorconsulenten gesubsidieerd. Zij waken over de uitvoering van de afspraken en volgen de acties op het terrein op. In de sectorconvenants wordt o.m. concreet gespecifieerd hoeveel plaatsen voor werkervaringen er komen in het deeltijds onderwijs, hoeveel stageplaatsen in het voltijds onderwijs, hoeveel opleidingen er kunnen gevolgd worden, hoeveel banen gecreëerd, de waardering van verworven competenties…In een aantal gevallen leidt dit tot de onderhandeling van specifieke onderwijsconvenants.

Startbanenprojecten voor jonge schoolverlaters en werklozen De (federale) wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid voorziet in een stelsel van startbanen voor jonge schoolverlaters en werklozen. In een samenwerkingsakkoord tussen de federale overheid en de Vlaamse Gemeenschap werden 315 startbanen aan het ministerie van onderwijs en vorming toegekend die volledig federaal (door de FOD, Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg) gefinancierd zouden worden; aanvankelijk 100 startbaners voor preventie van antisociaal gedrag op school, 215 startbaners voor verkeersveiligheid rond en van en naar school. De projecten richten zich in het bijzonder tot laaggeschoolde, allochtone of kansarme jongeren die de school voortijdig hebben verlaten of hun studies na het secundair onderwijs hebben stopgezet en werkloos zijn. De doelstelling is dubbel: enerzijds de jongeren werkervaring laten opdoen en hen stimuleren tot verdere opleiding en tewerkstelling, anderzijds hen maatschappelijke relevante taken laten uitvoeren. In het Jo-Jo startbanenproject 'Scholen voor Jongeren, Jongeren voor scholen' worden zij toegewezen aan scholen secundair onderwijs met veel probleemjongeren en ingezet bij het werken aan een positief schoolklimaat en aan een beter contact tussen de leraren en de allochtone of kansarme gezinnen, ter preventie van anti-sociaal gedrag. In 2006 werd het startbanenproject (waarnaar ondertussen al 70 startbaners uit het VeVe-project waren overgeheveld) uitgebreid met 200 extra Jo-Jo's. Niet enkel meer als preventiemedewerkers voor het secundair onderwijs, want voortaan komen ook jongeren uit het DBSO in aanmerking om als jo-jo te werken, maar dan voor nieuwe praktische taken zoals onderhoud en renovatiewerken in scholengemeenschappen van zowel het secundair als het basisonderwijs. Zie http://www.ond.vlaanderen.be/jojo/ H

In het VeVe startbanenproject 'verkeersveiligheid' worden de jongeren tewerkgesteld bij steden, gemeenten, provinciebesturen of verkeersorganisaties om een verkeersveilige schoolomgeving te www.eurydice.org

173


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) creëren en het school-woonverkeer veiliger te maken. Naar aanleiding van talloze incidenten op het openbaar vervoer in 2006 werd beslist om in februari 2007 te starten met 20 'schoolspotters' (binnen het VeVe-project) die zich zullen focussen op de veiligheid op en educatie over het openbaar vervoer. De doelstelling is het sociaal onveiligheidsgevoel op het openbaar vervoer sterk te reduceren. Antwerpen en Gent kunnen als grootstad aanspraak maken op 5 spotters, de centrumsteden maximaal 2, andere steden of gemeenten slechts één. Zie http://www.ond.vlaanderen.be/veve/ H

Regionale Technologische Centra (RTC) De 6 RTC's, Regionale Technologische Centra werden in 2000 opgericht bij Onderwijsdecreet-XIII, maar het decreet van 7 mei 2004 herdefinieerde hun werking, die voortaan meer gefocust is op het ter beschikking stellen van hoogtechnologische apparatuur aan het onderwijs. Ze hebben als belangrijkste doelstelling de onderlinge afstemming tussen onderwijsinstellingen, de VDAB, SYNTRA Vlaanderen, UNIZO, VOKA, bedrijfssectoren en ondernemingen inzake de vraag naar en het aanbod van hoogtechnologische infrastructuur, apparatuur en uitrusting voor technisch en beroepsonderwijs. Ze gaan na wie welke apparatuur nodig heeft, waar deze voorhanden is en hoe ze ter beschikking kan komen. Ze werken netoverschrijdend. In elke provincie is er een RTC actief. Het decreet van 7 juli 2006 maakt het de RTC's mogelijk, mits onderling akkoord, gezamenlijk over te gaan tot de oprichting van één Vlaams centrum, RTC-Vlaanderen. De Vlaamse overheid sluit met de RTC's driejarige beheersovereenkomsten (2005-2007) met een bijhorend actieplan waarin de langetermijndoelstellingen worden opgenomen. Ze ontvangen daarvoor samen een vaste werkingsenveloppe van 2,8 miljoen € per jaar sinds 2006. Sinds september 2005 (besluit van de Vlaamse regering van 17 juni 2005) kunnen ze voor kortlopende initiatieven een aparte projectfinanciering aanvragen. De subsidie bedraagt maximaal 5000 € en wordt slechts toegekend als de partners eenzelfde bedrag inbrengen. Zie http://www.ond.vlaanderen.be/rtc/, met linken naar de verschillende RTC's. (Zie ook 2.7.2.7.). H

H

DBO, Dienst Beroepsopleiding Binnen het departement onderwijs en vorming, als onderdeel van de entiteit Instellingen en Leerlingen Secundair Onderwijs en volwassenenonderwijs houdt de DBO, Dienst Beroepsopleiding zich bezig met beroepsopleiding in de breedst mogelijke context. De dienst treedt ook op als coördinerende instantie voor onderwijsprojecten van het Europees Sociaal Fonds, zie http://www.ond.vlaanderen.be/dbo/ H

Interdepartementale structuur Onderwijs, Vorming, Werk en Cultuur Vanuit de bevoegdheden werk, onderwijs en vorming willen de ministers Frank Vandenbroucke en Bert Anciaux de structurele basis versterken voor het uitbouwen van een geïntegreerd onderwijs- en vormingsbeleid, dat gericht is op het stimuleren van levenslang en levensbreed leren, en op het versterken van de aansluiting tussen enerzijds onderwijs, opleiding en vorming en anderzijds de arbeidsmarkt. Op 25 februari 2005 keurde de Vlaamse Regering op voorstel van vice-ministerpresident Frank Vandenbroucke en van Vlaams minister Bert Anciaux, een nieuwe drieledige structuur goed voor levenslang leren met beleidsbepaling door een Ministerieel Comité Onderwijs, Vorming en Cultuur, de beleidsondersteuning door een interdepartementale structuur en de beleidsuitvoering door de DIVA en de RTC. Zie 7.2.0.5.. Een van de prioritaire beleidsacties is het garanderen van werkervaring door: ●

Centra leren en werken: ontwikkeling van concept en structuur, opvolgen van het implementatieplan en van de effecten; www.eurydice.org

174


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) ●

●

werkplekleren: vereenvoudigen van de systemen en ontwikkelen van een beleid voor kwaliteitsverbetering van de stages, stagedatabank, ontwikkelen van een faciliterend beleid rond de organisatie van leerkrachten- en opleidersstages in het beroepsgericht onderwijs en vorming; het ontwikkelen van een gericht beleid rond de sectorconvenants en een nauwgezette opvolging ervan.

Accent op talent In november 2002 publiceerde de Koning Boudewijnstichting het rapport van haar commissie ''Een nieuw perspectief voor technische en technologische beroepen en opleidingen'', getiteld ''Accent op talent. Een geïntegreerde visie op leren en werken''. De commissie is voorstander van 'anders leren' (bv. afschaffing ASO/ TSO/BSO, meer modulair onderwijs, levenslang leren), 'anders kiezen' (bv. betere studieoriëntering, aantrekkelijker aanbod van technische opleidingen) en 'anders besturen' (meer autonomie voor scholen). Ze opteerde expliciet voor een hervorming waarbij ook de sociaaleconomische wereld wordt betrokken en pleitte daarom eveneens voor 'anders werken' (bv. organisatievernieuwing in bedrijven). Op basis hiervan zijn verschillende projecten gestart. In 2004 publiceerde de Koning Boudewijnstichting een tweede rapport. Op basis hiervan werkten 16 proeftuinen in 2005 & 2006. Analoog hiermee namen 15 bedrijven met ESF-subsidies een voortrekkersrol op, vnl. in samenwerking met secundaire scholen. De ervaring werd gebundeld in een reeks publicaties die in 2006 op ruime schaal werden verspreiden. Tevens werd een nieuw thema 'ondernemerschap' verkend waarvan de resultaten in 2007 worden gecommuniceerd. Zie verder ook DIVA 7.2.0.5., Steunpunt WSE, Werk en sociale economie 9.6., volwassenenonderwijs en beroepsopleiding 7.15., buitengewoon secundair onderwijs 10.6.10..

Accent op talent - historiek van het project (2000 - 2004) Accent op talent. Competenties in balans. Zoeken naar afstemming tussen competentieontwikkeling in school en bedrijf Accent op talent. Een agenda voor vernieuwing Accent op talent. Een geïntegreerde visie op leren en werken. Eindrapport van de commissie 'een nieuw perspectief voor technische en technologische beroepen en opleidingen' aan de Koning Boudewijnstichting Accent op talent. Leren van elkaar. Samenwerking tussen scholen en bedrijven Accent op talent. Meer techniek in algemene vorming Accent op talent. Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijk uit 10 Europese landen Accent op talent. Stages, een win-win activiteit voor leerlingen, scholen en bedrijven De Regionale Technologische Centra: een uitgebreide kennismaking Koning Boudewijnstichting Decreet betreffende de regionale technologische centra en houdende noodzakelijke en dringende onderwijsbepalingen

www.eurydice.org

175


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

5.19. Privé-onderwijs Zie 4.16..

5.20. Andere organisatievormen Onderwijs voor langdurig zieke leerlingen hebben we behandeld in 4.17.2..

5.21. Statistieken 5.21.1. Evolutie van het aantal leerlingen in het secundair onderwijs vanaf het schooljaar 1990-1991

Schooljaar

Gewoon secundair onderwijs

Buitengewoon secundair onderwijs

Totaal secundair onderwijs

Verhouding t.o.v.

Verhouding t.o.v.

Verhouding t.o.v.

1995-1996

1995-1996

1995-1996

Absoluut

Procent

Absoluut

Procent

Absoluut

Procent

1990 - 1991

426.325

97,91

13.700

89,21

440.025

97,61

1991 - 1992

427.380

98,15

13.909

90,57

441.289

97,89

1992 - 1993

428.227

98,34

14.222

92,61

442.449

98,15

1993 - 1994

434.430

99,77

14.558

94,80

448.988

99,60

1994 - 1995

436.956

100,35

14.961

97,42

451.917

100,25

1995 - 1996

435.436

100,00

15.357

100,00

450.793

100,00

1996 - 1997

432.227

99,26

15.548

101,24

447.775

99,33

1997 - 1998

426.220

97,88

15.647

101,89

441.867

98,02

1998 - 1999

420.366

96,54

15.659

101,97

436.025

96,72

1999 - 2000

415.253

95,36

15.774

102,72

431.027

95,62

2000 - 2001

413.343

94,93

15.763

102,64

429.106

95,19

2001 - 2002

414.079

95,10

16.084

104,73

430.163

95,42

2002 - 2003

419.379

96,31

16.402

106,80

435.781

96,67

2003 - 2004

427.922

98,27

16.792

109,34

444.714

98,65

2004 - 2005

435.048

99,91

17.393

113,26

452.441

100,37

2005 - 2006

439.550

101,69

17.801

114.49

457.351

102,14

Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2005-2006 www.eurydice.org

176


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

5.21.2. Evolutie leerlingenaantallen in het gewoon secundair onderwijs per onderwijsvorm; schooljaar 2005-2006

Schooljaar

OKAN (*)

1e graad

ASO

TSO

KSO BSO (**)

Totaal

1991 - 1992

-

146.889

113.550

84.934

3.646

78.361

427.380

1992 - 1993

-

146.919

113.708

85.305

3.997

78.298

428.227

1993 - 1994

-

147.894

115.703

87.348

4.636

78.849

434.430

1994 - 1995

291

145.281

116.932

89.921

5.114

79.417

436.956

1995 - 1996

364

141.347

117.276

91.696

5.239

79.514

435.436

1996 - 1997

414

137.489

117.154

91.833

5.223

80.114

432.227

1997 - 1998

429

133.870

115.593

91.506

5.117

79.705

426.220

1998 - 1999

606

133.332

112.626

90.301

5.093

78.408

420.366

1999 - 2000

947

134.725

109.821

88.826

4.816

76.118

415.253

2000 - 2001

1.597

136.051

108.307

88.131

4.663

74.594

413.343

2001 - 2002

1.810

138.101

107.243

87.890

4.782

74.253

414.079

2002 - 2003

1.897

141.606

107.519

88.343

5.018

74.996

419.379

2003 - 2004

1.879

144.970

109.896

89.127

5.446

76.604

427.922

2004 - 2005

1.695

146.257

112.951

90.452

5.555

78.138

435.048

2005 - 2006

1.684

145.192

116.265

91.554

5.694

79.161

439.550

(*) OKAN Onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers (**) BSO incl. 4e graad en modulair onderwijs Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2005-2006

www.eurydice.org

177


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

5.21.3. Evolutie van het aantal leerlingen in het DBSO vanaf het schooljaar 1991-1992, naar leeftijd

Schooljaar

15-18 jarigen

18-25 jarigen

Verhouding t.o.v.

Verhouding t.o.v.

1992-1993

1992-1993

Absoluut

Procent

Absoluut

Procent

1992 - 1993

4.461

100,00

325

100,00

1993 - 1994

4.378

98,14

406

124,92

1994 - 1995

4.531

101,57

526

161,85

1995 - 1996

4.717

105,74

528

162,46

1996 - 1997

4.814

107,91

535

164,62

1997 - 1998

5.117

114,71

584

179,69

1998 - 1999

5.155

115,56

517

159,08

1999 - 2000

5.276

118,27

449

138,15

2000 - 2001

5.468

122,57

482

148,31

2001 - 2002

5.665

126,99

564

173,54

2002 - 2003

5.655

126,77

624

192,00

2003 - 2004

5.693

127,62

649

199,69

2004 - 2005

5.759

129,10

621

191,08

2005 - 2006

5.872

134,13

573

141,13

Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2005-2006

5.21.4. Studiebewijzen deeltijds beroepssecundair onderwijs (DBSO) uitgereikt op het einde van het schooljaar 2003-2004, naar geboortejaar

www.eurydice.org

178


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

6. HOGER ONDERWIJS Organisatie van het onderwijssysteem in de Vlaamse Gemeenschap van België, 2006/07 1

2

BE nl

4

3

5

KLEUTERONDERWIJS

6

7

8

9

10

11

LAGER ONDERWIJS

12

13

SECUNDAIR ONDERWIJS

14

15

16

17

ALGEMEEN SECUNDAIR ONDERWIJS

18

19

20

21

22

23

24

25

26

27

UNIVERSITEIT

HOGESCHOOL TECHNISCH / KUNST SECUNDAIR ONDERWIJS BEROEPSSECUNDAIR ONDERWIJS DBSO

Pre-primair – ISCED 0 (waarvoor het Ministerie Onderwijs en Vorming niet verantwoordelijk is)

Pre-primair – ISCED 0 (waarvoor het Ministerie

Primair Onderwijs – ISCED 1

Enkelvoudige structuur – ISCED 1 + ISCED 2

Onderwijs en Vorming verantwoordelijk is) (geen institutioneel onderscheid tussen ISCED 1 en 2)

Algemeen Lager Secundair – ISCED 2

Lager Beroepssecundair – ISCED 2

(inclusief Beroepsvoorbereidend)

Algemeen Hoger Secundair – ISCED 3

Hoger Beroepssecundair – ISCED 3

Post-secundair niet-tertiair – ISCED 4 Tertiair onderwijs – ISCED 5A

Tertiair onderwijs – ISCED 5B

Toewijzing aan de ISCED niveau’s:

-/n/-

ISCED 0

ISCED 1

Voltijds leerplichtonderwijs

Deeltijds leerplichtonderwijs

Deeltijds of alternerend leren en werken

Bijkomend jaar

Verplichte werkervaring + de duur ervan

Studie in het buitenland

ISCED 2

Bron: Eurydice

Onder impuls van het Bolognaproces is in 2003 een grondige hervorming van het Vlaamse hoger onderwijs gestart. Er kwam een geïntegreerd hoger onderwijs tot stand met een bachelor-master structuur en de invoering van een creditsysteem maakte flexibilisering van de leertrajecten mogelijk. De samenwerkingsverbanden van universiteiten met hogescholen worden juridisch gekaderd in ‘associaties’ en de creatie van een Nederlands-Vlaamse accreditatieorganisatie borgt de kwaliteitscontrole van de hogeronderwijsopleidingen. Tevens werd de participatie van de studenten in het bestuur van de instellingen verzekerd en werd hun studiefinanciering herzien. In 2007 wordt een nieuw financieringssysteem voor het hoger onderwijs decretaal vastgelegd. Ook wordt een conceptnota voorbereid waarin het post-secundair opleidingsaanbod tussen het laatste jaar secundair onderwijs en de hogeronderwijsopleidingen zal worden ge(her)structureerd. Na het historische overzicht 6.1., actuele discussies 6.2. en het wettelijk kader 6.3. volgen: ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ●

Algemene doelstellingen 6.4. Soorten instellingen 6.5. Toelatingsvoorwaarden 6.6. Inschrijving en/of inschrijvingsgeld 6.7. Financiële steun voor studenten 6.8. Organisatie van het academiejaar 6.9. Studiegebieden 6.10. Curriculum 6.11. Onderwijsmethoden 6.12. Evaluatie van studenten 6.13. Voortgang van studenten 6.14. Studiebewijzen 6.15. www.eurydice.org

179


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) ● ● ● ●

Begeleiding en band met verdere studies/arbeidsmarkt 6.16. Privé-onderwijs 6.17. Verschillen in organisatie en andere structuren 6.18. Statistieken 6.19.

Ook andere hoofdstukken bevatten voor het hoger onderwijs relevante onderdelen: ● ● ● ●

Het bestuur en beheer komen aan bod in 2.6.4.5. hogescholen, 2.6.4.6. universiteiten en 2.6.4.7. associaties De VLIR, Vlaamse Interuniversitaire Raad, en de VLHORA, Vlaamse Hogescholenraad, worden behandeld in 2.7.2.2. De financieringdetails staan in 2.8.6. hogescholen, in 2.8.7. universiteiten en in 2.8.8. de toekomstige financiering van het geïntegreerd hoger onderwijs De kwaliteitsbewaking wordt beschreven in 9.4.1.2. interne kwaliteitsbewaking, 9.4.2.3. externe visitaties en 9.4.3. de accreditatie

6.1. Historisch overzicht Het hogescholenonderwijs en universitair onderwijs hebben tot 2003 een afzonderlijke ontwikkeling gekend.

6.1.1. Geschiedenis van het hogescholenonderwijs Het hogescholenonderwijs is hoofdzakelijk ontstaan uit hogere niveaus van het secundair onderwijs, vooral uit beroepsgerichte opleidingen verbonden aan technische scholen. Na de 2e wereldoorlog werden ze opgewaardeerd als hogeronderwijsinstellingen tot op het niveau ‘NUHO’, niet-universitair hoger onderwijs. De groei van het hoger onderwijs door de democratisering in de jaren '60 stimuleerde een grondige reorganisatie en opwaardering.

De wet van 7 juli 1970 hervormde het NUHO, tot ‘HOBU’, Hoger Onderwijs Buiten de Universiteit, bestaande uit: ●

twee onderwijstypes:

○ HOKT, Hoger Onderwijs van het Korte Type, met een studieduur van 2 of 3 jaar ○ HOLT, Hoger Onderwijs van het Lange type, met een studieduur van 4 of 5 jaar; ●

zeven onderwijsvormen:

○ ○ ○ ○ ○ ○ ○ ○

technisch, economisch, agrarisch, paramedisch, sociaal, artistiek, pedagogisch en in 1985 aangevuld met maritiem hoger onderwijs.

www.eurydice.org

180


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) Het Vlaams decreet van 23 oktober 1991 opwaardeerde het HOLT, hoger onderwijs van het lange type, door; ● ● ● ● ●

het HOLT-onderwijs aan te duiden als 'onderwijs op academisch niveau'; dezelfde regels op te leggen als aan het universitair onderwijs; het HOLT een veel grotere autonomie, ondersteund door een forfaitaire financiering (voorheen viel HOLT onder het schoolpact, zie 2.3.3.) toe te kennen; de mogelijkheid om wetenschappelijk onderzoek uit te voeren samen met andere hogescholen, universiteiten en derden aan te bieden; een flexibeler systeem voor overgangen tussen de verschillende opleidingsniveaus te ontwikkelen.

Het Vlaams decreet van 31 juli 1994 hervormde het geheel, namelijk het HOBU, Hoger Onderwijs Buiten de Universiteit ten gronde; ● ● ●

alle hogeschooolopleidingen zijn geïntegreerd in één systeem met één institutioneel kader en één wetgeving; de hogescholen werden ook meer autonoom inzake budgetaanwending; elke hogeschool ontvangt voortaan een werkingsenveloppe; het decreet leidde ook tot fusies waardoor de 164 hogescholen samensmolten tot 25 hogescholen.

De ondertekening van de Bolognaverklaring in 1999 (zie 11.2.2.1.) leidde in 2003 tot een ingrijpende reorganisatie en een geïntegreerd hogeronderwijsbeleid. Zie 6.1.3.

6.1.2. Geschiedenis van het universitair onderwijs Na de Belgische onafhankelijkheid in 1830 bleef de Rijksuniversiteit Gent (° 1817) bestaan en heropende de in 1425 gestichte Katholieke universiteit Leuven (°1834). Als vrijzinnige tegenhanger werd de Vrije Universiteit Brussel (° 1834) opgericht. De Belgische wet van 1835 op het hoger onderwijs erkende formeel twee staatsuniversiteiten (Rijksuniversiteit Gent en l’Université de Liège (° 1817)), één katholieke universiteit (Katholieke universiteit Leuven) en één vrijzinnige universiteit (Vrije Universiteit Brussel). Het universitair onderwijs was Franstalig, in overeenstemming met de doelgroep, namelijk de hogere burgerij en de adel. Pas in 1930 werd de Rijksuniversiteit Gent volledig Nederlandstalig. Vanaf de jaren zestig werd het universitair onderwijs meer gedemocratiseerd en steeg de studentenbevolking in Vlaanderen fel. Met als gevolg dat er in Vlaanderen nieuwe universiteiten werden opgericht, enkele hogescholen werden opgewaardeerd tot universiteiten, de unitaire universiteiten werden gesplitst in autonome Nederlandstalige en Franstalige universiteiten en dat de studenten inspraak kregen. Dit werd wettelijk verplicht dankzij het universiteitsdecreet van 12 juni 1991, en het hogescholendecreet van 13 juli 1994. Het participatiedecreet van 19 maart 2004 regelt de participatie in het gereorganiseerde hoger onderwijs. De uitvoering van de Bolognaverklaring in 1999 (zie 11.2.2.1.) leidde in 2003 tot een grondige reorganisatie en een geïntegreerd hogeronderwijsbeleid, zie 6.1.3..

6.1.3. Een geïntegreerd hoger onderwijs De Bolognaverklaring (http://www.ond.vlaanderen.be/soho/BolognaDeclaration.htm) beoogt de creatie van een Europese hogeronderwijsruimte en een Europees hogeronderwijssysteem, met als basisprincipes: www.eurydice.org 181 H

H


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) ● ●

●

● ● ●

De invoering van een systeem bestaande uit twee cycli, de bachelor-master structuur. De invoering van een veralgemeende eenvoudige maat om de studieomvang van opleidingsonderdelen en opleidingen te meten en bijgevolg flexibiliteit en mobiliteit mogelijk te maken. Die maat is het studiepunt of de credit, dat overal in Europa voor 25 à 30 uren studieactiviteiten staat. De invoering van een creditsysteem waarbinnen een opleiding wordt gezien als een geordend geheel van opleidingsonderdelen en waarbij de studenten een bepaald aantal credits dienen te behalen om een diploma te verwerven; credits kunnen ook verworven worden buiten het hoger onderwijs (zoals in levenslang leren) mits erkenning door de organiserende instelling (zie 6.14.). Het stimuleren van mobiliteit van studenten en leerkrachten, onderzoekers en stafleden. De promotie van Europese samenwerking inzake kwaliteitszorg met het oog op de creatie van vergelijkbare criteria en methodologen. Het invoeren van een Europese dimensie in het hoger onderwijs.

De uitvoering van de Bolognaverklaring in Vlaanderen kreeg gestalte door een 'structuurdecreet' van 4 april 2003, een 'participatiedecreet' van 19 maart 2004 (zie 2.6.4.6.1.) en een 'flexibiliseringdecreet' van 30 april 2004 (zie 6.7. en 6.14.). Een nieuw financieringsdecreet is gepland in 2007, op basis van krijtlijnen die al goedgekeurd zijn door de regering in 2006 (zie 2.8.8.). De principes van de hervormingen en het geïntegreerd hoger onderwijs zijn: ●

de bachelor-masterstructuur (zie 6.4.)

○ bacheloropleidingen

▪

professioneel gerichte bacheloropleidingen, enkel georganiseerd door hogescholen;

▪

academisch gerichte bacheloropleidingen georganiseerd door universiteiten en door hogescholen in associatie met een universiteit

▪

bachelor-na-bacheloropleidingen, enkel georganiseerd door hogescholen;

○ masteropleidingen

● ●

● ●

●

▪

masteropleidingen, georganiseerd door universiteiten en door hogescholen in associatie met een universiteit

▪

master-na-masteropleidingen, georganiseerd door universiteiten en door hogescholen in associatie met een universiteit

○ de promotie tot de graad van doctor, enkel georganiseerd door de universiteiten; flexibilisering van de leertrajecten, zie 6.14.; een versterking van het systeem van kwaliteitsbewaking door accreditatie, zodat de studenten en de werkgevers de garantie hebben dat de afgestudeerden een internationaal herkenbaar competentieniveau bereiken, zie 9.4.3.; samenwerking van hogescholen met een universiteit in de vorm van een associatie, zie 2.6.4.7. en 6.5.; het Nederlands blijft de onderwijstaal met de mogelijkheid om bepaalde opleidingsonderdelen in een andere taal aan te bieden, vooral voor masteropleidingen. In de postinitiële masteropleidingen is de onderwijstaal volledig vrij; andere (private) instellingen in Vlaanderen kunnen ook erkende opleidingen hoger onderwijs aanbieden en erkende diploma's uitreiken indien hun opleidingen geaccrediteerd worden door het accreditatieorgaan, de Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie.

Het Vlaamse kwaliteitszorgstelsel bestaat uit drie stappen: ● ●

een intern gedeelte, een zelfevaluatie resulterend in een zelfevaluatierapport (zie ook 9.4.1.2.); een extern gedeelte, de visitatie georganiseerd door de koepelorganisaties van de universiteiten (VLIR) en de hogescholen (VLHORA) op basis van het zelfevaluatierapport (zie ook 9.4.2.3.); www.eurydice.org

182


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) ●

de accreditatie, de finale kwaliteitsbevestiging door de gezamenlijke Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO) gebaseerd op het visitatierapport en de beoordeling van de opleiding door de visitatiecommissie (zie ook 9.4.3. en http://nvao.net en http://www.hogeronderwijsregister.be (Engelse versie: www.highereducation.be)) H

H

H

H

6.2. Actuele discussies en toekomstige ontwikkelingen De krijtlijnen voor een nieuw financieringssysteem voor het hoger onderwijs zijn uitgetekend en alvast goedgekeurd door de Vlaamse Regering. In de loop van 2007 zullen ze omgezet worden in een decreet. De deadline voor de inwerkingtreding van het nieuwe systeem is 1/1/2008. Het zal gelden voor het hele hoger onderwijs. Enkel de lerarenopleidingen (aan hogescholen en universiteiten) zullen een apart decreet krijgen (zie 2.8.8.). In 2007 is ook een ministeriële conceptnota gepland over de structurering van het postsecundaire opleidingsaanbod tussen het 6e leerjaar secundair onderwijs en de bachelor- en masteropleidingen.

6.3. Wettelijk kader Basisregelgeving hoger onderwijs in Vlaanderen. ● ● ● ●

●

●

●

Decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap. Decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap. Decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen (het structuurdecreet). Decreet van 19 maart 2004 betreffende de rechtspositieregeling van de student, de participatie in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen (participatiedecreet). Bijzonder decreet van 19 maart 2004 betreffende de participatie in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen, de coördinatie van de hogeronderwijsregelgeving en de modernisering van de regelgeving op de Vlaamse autonome hogescholen. De principes van het participatiedecreet worden door dit bijzonder decreet ingevoerd voor de gemeenschapsinstellingen van het hoger onderwijs. Decreet van 30 april 2004 betreffende de flexibilisering van het hoger onderwijs en houdende dringende hogeronderwijsaangelegenheden (flexibiliseringsdecreet), gewijzigd bij decreet van 20 mei 2005. Het flexibiliseringsdecreet is vanaf 2005-2006 van toepassing voor alle opleidingen. Voor de opleidingen in afbouw is een afwijking mogelijk. Decreet van 27 januari 2006 tot bekrachtiging van het reglement van de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie tot bepaling van de bestuursbeginselen die van toepassing zijn bij de besluitvorming inzake accreditatie en toets nieuwe opleiding ten aanzien van hogeronderwijsopleidingen in de Vlaamse Gemeenschap.

Een volledig overzicht vindt men op http://www.ond.vlaanderen.be/hogeronderwijs/regelgeving/ H

Referenties

De universitaire regelgeving. Coördinatie en annotatie

www.eurydice.org

183


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

6.4. Algemene doelstellingen Professioneel gerichte bacheloropleidingen hebben tot doel de studenten te brengen tot een niveau van algemene en specifieke kennis en van competenties die nodig zijn voor de zelfstandige uitoefening van een beroep of groep van beroepen. Een professioneel gerichte bacheloropleiding biedt als dusdanig een directe uitstroommogelijkheid naar de arbeidsmarkt. Voor academisch gerichte bacheloropleidingen vormt het doorstromen naar een masteropleiding de hoofddoelstelling. Zij hebben dus tot doel de studenten te brengen tot een niveau van kennis en competenties eigen aan het wetenschappelijk of artistiek functioneren in het algemeen en aan een specifiek domein van de wetenschappen of de kunsten in het bijzonder. Het uitstromen naar de arbeidsmarkt is een secundaire doelstelling. De masteropleidingen hebben tot doel de studenten te brengen tot een gevorderd niveau van kennis en competenties eigen aan het wetenschappelijk of artistiek functioneren in het algemeen en aan een specifiek domein van de wetenschappen of de kunsten in het bijzonder, dat noodzakelijk is voor de autonome beoefening van de wetenschappen of de kunsten of voor de aanwending van deze wetenschappelijke of artistieke kennis in de zelfstandige uitoefening van een beroep of groep van beroepen. Sommige bacheloropleidingen volgen op een andere (professioneel gerichte) bacheloropleiding. Deze vervolgopleiding is gericht op de verbreding of specialisatie van de competenties verworven tijdens de initiële bacheloropleiding. Sommige masteropleidingen volgen op een andere masteropleiding. Bacheloropleidingen sluiten aan bij het secundair onderwijs. Masteropleidingen sluiten in de regel aan bij een (academische) bacheloropleiding. Masteropleidingen kunnen ook toegankelijk zijn voor professioneel gerichte bachelors na het succesvol afronden van een schakelprogramma. Indien een student niet in het bezit is van een diploma dat hem op rechtstreekse wijze toelating verleent tot de opleiding waarvoor hij zich wil inschrijven, kan hem een voorbereidingsprogramma worden opgelegd.

6.5. Instellingen voor hoger onderwijs De instellingen voor hoger onderwijs in Vlaanderen bestaan uit de ambtshalve geregistreerde instellingen en de geregistreerde instellingen voor hoger onderwijs. De ambtshalve geregistreerde instellingen zijn de hogeronderwijsinstellingen die reeds vóór 2004 door de overheid zijn erkend en die voor hun onderwijs en onderzoek op overheidsfinanciering kunnen rekenen. De lijst van deze instellingen is opgenomen in het Hogeronderwijsregister (zie http://www.hogeronderwijsregister.be). H

H

Het gaat om: ● ● ●

de hogescholen en de universiteiten de andere ambtshalve geregistreerde instellingen: Vlerick Leuven Gent Management School en het Instituut voor Tropische Geneeskunde de Faculteit voor Protestantse Godgeleerdheid Brussel en de Evangelische Theologische Faculteit Heverlee

Een bijzondere instelling is de transnationale Universiteit Limburg (tUL). Deze werd bij verdrag opgericht door Nederland en Vlaanderen en is dus een binationale instelling. In Vlaanderen is het een www.eurydice.org

184


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) ambtshalve geregistreerde instelling en maakt, via de Universiteit Hasselt, deel uit van de groep van de Vlaamse universiteiten. De geregistreerde instellingen voor hoger onderwijs zijn alle niet-ambtshalve geregistreerde instellingen die hoger onderwijs aanbieden in Vlaanderen en door de Vlaamse Regering zijn geregistreerd. Hun geaccrediteerde bachelor- en masteropleidingen zijn opgenomen in het Hogeronderwijsregister. De registratie door de Vlaamse Regering gebeurt op basis van een dossier, waarin de kandidaatinstellingen hun financiële solvabiliteit moeten aantonen en een samenwerkingsakkoord met een hogeschool of een universiteit moeten afsluiten, onder meer met de garantie dat de studenten hun studies kunnen beëindigen aan die hogeschool of universiteit indien de betrokken instelling haar activiteiten zou stopzetten. Na deze registratie mogen deze instellingen bachelor- en masteropleidingen aanbieden aan de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie. Een associatie is een officiële samenwerking tussen een universiteit en één of meer hogescholen. Aan de associatie kunnen die instellingen bepaalde beslissingsbevoegdheden overdragen. Er zijn 5 associaties tot stand gekomen in Vlaanderen. Enkel de Katholieke Universiteit Brussel heeft geen associatie.

Aantal Aantal studenten ingeschreven met diplomacontract hogescholen in een basisopleiding (2005-2006)

Associatie

Professioneel gerichte opleiding

Academische opleiding

Totaal

12

36.469

34.319

70.800

Associatie KU Leuven

KUL

Associatie Universiteit en Hogescholen Antwerpen

UA

4

12.786

11.912

24.698

Associatie Universiteit Gent

UG

3

19.989

26.099

46.088

Associatie UniversiteitHogescholen Limburg (*)

UH

2

5.409

3.126

8.535

Universitaire Associatie VUB Brussel

1

3.053

8.061

11.114

KUB

0

0

316

316

(*) met inbegrip van de Transnationale Universiteit Limburg Bron: Statistisch Jaarboek Onderwijs 2005-2006 Commissarissen van de Vlaamse Regering, aangeduid voor een periode van 5 jaar door de Minister van Onderwijs en Vorming houden toezicht op de wettelijkheid van de beslissingen en het financiële evenwicht van de associaties. Door de beperkte bevoegdheid blijft de beleidsvrijheid van de associaties gegarandeerd. Een commissaris kan alle bestuursvergaderingen van een associatie bijwonen met raadgevende stem (Besluit van de Vlaamse Regering van 5 september 2003). Meer informatie over het beheer van de hogescholen, de universiteiten en de associaties vindt u in 2.6.4.5., 2.6.4.6. en 2.6.4.7..

Bijzonder Decreet houdende de deelname van gemeenschapsinstellingen aan de associaties in het hoger onderwijs www.eurydice.org

185


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

6.6. Toelatingsvoorwaarden Volgende diploma's verlenen rechtstreeks toegang tot een bacheloropleiding: ● ●

het Vlaams diploma van secundair onderwijs, een buitenlands diploma dat door een Vlaams decreet, Belgische wet, Europese richtlijn of een internationale overeenkomst als gelijkwaardig wordt erkend.

Een 'numerus clausus' bestaat in Vlaanderen niet maar er zijn wel toelatingsexamens voor elke student die de opleiding tot Burgerlijk ingenieur, Burgerlijk ingenieur-architect, Tandarts, Arts, Licentiaat in de nautische wetenschappen en Meester (in een bepaalde kunstrichting) wil aanvatten. Ook een examen dat de kennis van de onderwijstaal test kan verplicht worden. Het instellingsbestuur kan, vastgelegd in een reglement, de inschrijving tot een bacheloropleiding mogelijk maken op grond van afwijkende toelatingsvoorwaarden die enkel rekening mogen houden met: ● ● ●

humanitaire redenen; medische, psychische of sociale redenen; het algemeen niveau van de kandidaat, getoetst op een door het instellingsbestuur bepaalde wijze.

Deze reglementen betreffende de afwijkende toelatingsvoorwaarden kunnen bij de instelling worden opgevraagd. Een student die reeds een bachelordiploma heeft, kan instromen in een andere bacheloropleiding en dan studieduurverkorting of vermindering van de voorgeschreven studieomvang verkrijgen. De student moet dan wel nog ten minste voor 60 studiepunten opleidingsonderdelen van de andere bacheloropleiding volgen. De bachelor-na-bacheloropleidingen kunnen door de hogeronderwijsinstellingen enkel opengesteld worden voor personen die reeds in het bezit zijn van een diploma van een bacheloropleiding. De instellingen kunnen de rechtstreekse toegang tot die opleidingen beperken tot afgestudeerden van bacheloropleidingen met specifieke opleidingskenmerken; afgestudeerden van andere bacheloropleidingen kunnen dan door de instelling verplicht worden tot het volgen van een voorbereidingsprogramma als voorwaarde tot toelating. De inhoud en studieomvang van deze voorbereidingsprogramma's wordt bepaald door de instelling en kan variëren naargelang de graad van inhoudelijke verwantschap tussen de vooropleiding en de betrokken bachelor-na-bacheloropleiding. Het bezit van de graad van bachelor, verworven in een academische gerichte bacheloropleiding, geeft recht op een rechtstreekse toegang tot een masteropleiding. Met een professioneel gerichte bacheloropleiding dient er een schakelprogramma te worden gevolgd. Een schakelprogramma omvat ten minste 45 en ten hoogste 90 studiepunten; dat minimum kan worden teruggebracht tot 30 studiepunten op basis van de resultaten van een bekwaamheidsonderzoek. Indien dat bekwaamheidsonderzoek ook betrekking had op de eerder verworven kwalificaties (EVK) kan de instelling het schakelprogramma nog verder terugbrengen of zelfs een volledige vrijstelling verlenen. Een houder van een bacheloropleiding met een andere kwalificatie dient eventueel een voorbereidingsprogramma te volgen vooraleer toegang te krijgen tot de masteropleiding. Een student met een masterdiploma, kan instromen in een andere masteropleiding en daarvoor studieduurverkorting of vermindering van de voorgeschreven studieomvang krijgen, mits hij ten minste voor 45 studiepunten opleidingsonderdelen van die andere masteropleiding volgt. Master-na-masteropleidingen kunnen door de hogeronderwijsinstellingen enkel opengesteld worden voor personen die reeds in het bezit zijn van een diploma van masteropleiding. Ze kunnen de www.eurydice.org

186


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) rechtstreekse toelating beperken tot afgestudeerden van masteropleidingen met specifieke opleidingskenmerken. Voor afgestudeerden van andere masteropleidingen, kan de instelling het volgen van een voorbereidingsprogramma als toelatingsvoorwaarde opleggen. De inhoud en studieomvang daarvan wordt bepaald door de instelling en kan variëren naargelang de graad van inhoudelijke verwantschap tussen de vooropleiding en de betrokken master-na-masteropleiding. Als algemene toelatingsvoorwaarde tot het doctoraat op proefschrift geldt het bezit van een diploma van een masteropleiding. De universiteit kan echter een bijkomend onderzoek eisen, waarin kan gepeild worden naar "de geschiktheid van de student om in de betrokken discipline wetenschappelijk onderzoek uit te voeren en de resultaten ervan in een proefschrift neer te leggen". Ook een student die niet in het bezit is van een masterdiploma kan toegelaten worden tot een doctoraatsopleiding. De universiteit kan dan echter verlangen dat de student ofwel een bekwaamheidsonderzoek ondergaat waarin kan gepeild worden naar de geschiktheid voor het opstellen van een doctoraatsproefschrift, ofwel een examen aflegt over onderdelen van het academisch onderwijs, die door de universiteit worden bepaald.

6.7. Inschrijving en/of inschrijvingsgeld Een student die zich inschrijft voor een aantal studiepunten sluit een studiecontract met een bepaalde instelling. Het flexibiliseringsdecreet creëert drie types van studiecontract. ●

Diplomacontract: de student schrijft zich in voor een aantal studiepunten met het oog op het behalen van een diploma van een opleiding of voor een volledig schakel- of voorbereidingsprogramma, waarbij verschillende trajecten mogelijk zijn.

○ ○ ○ ○

● ●

Modeltraject van 60 studiepunten per academiejaar Modeltraject van minder dan 54 studiepunten per academiejaar (deeltijdse opleiding) Andere modeltrajecten uitgetekend door de instellingen

Geïndividualiseerde trajecten: inschrijving voor een bepaald aantal studiepunten op basis van een dossier. Creditcontract: de student schrijft zich in voor een aantal studiepunten met het oog op het behalen van een creditattest voor een of meerdere opleidingsonderdelen. Examencontract: de student schrijft zich uitsluitend in voor het afleggen van examens, met het oog op het behalen van een diploma of met het oog op het behalen van een creditattest voor een of meerdere opleidingsonderdelen.

Het studiegeld wordt geregeld door het decreet van 30 april 2004 betreffende de flexibilisering van het hoger onderwijs (gewijzigd door het decreet van 20 mei 2005). Het bedrag is verschillend naar gelang de student beursgerechtigd is of niet, naar gelang de opleiding (bachelor, master, schakelprogramma, …), naar gelang de student EU-onderdaan is of niet en naar gelang het aantal studiepunten. Ter indicatie enkele getallen (geïndexeerd voor 2006 - 2007), inschrijving voor een bacheloropleiding: minimum 307,7 € en maximum 349,2 €, inschrijving voor een examencontract: een vast gedeelte van 50,7 € en een variabele gedeelte van 3 € per studiepunt. Gedetailleerde informatie vindt men in de omzendbrieven voor resp. 2005-2006 en 2006-2007 op

http://www.ond.vlaanderen.be/hogeronderwijs/download/omzendbrief-studiegeld.htm H

6.8. Financiële steun voor studenten Met de herstructurering (bachelor-master) werd ook het stelsel van studietoelagen voor het hoger onderwijs omgevormd met ingang van academiejaar 2004-2005 (Decreet van 30 april 2004 en Besluit www.eurydice.org 187


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) van de Vlaamse Regering 28 mei 2004). Voortaan spreekt men van studiefinanciering voor het hoger onderwijs. Het departement Onderwijs en Vorming heeft een specifieke website gewijd aan studiefinancieringen http://www.ond.vlaanderen.be/studietoelagen/; de voorwaarden vindt men gedetailleerd op http://www.ond.vlaanderen.be/studietoelagen/destudietoelage/voorwaardenHo.htm H

H

H

Er zijn drie groepen van voorwaarden: n a t i o n a l i t e i t s v o o r wa a r d e n ( m e t s p e c i f i e k e v o o r wa a r d e n v o o r n i e t - B e l g e n ) p e d a g o g i s c h e v o o r wa a r d e n

● ●

de student moet ingeschreven zijn aan een ambtshalve geregistreerde instelling voor hoger onderwijs; de opleiding moet geaccrediteerd zijn, erkend als nieuwe opleiding of tijdelijk erkend (of een opleiding zijn uit de oude structuur); waarnaast ook volgende opleidingen in aanmerking komen:

○ voorbereidingsprogramma's ○ schakelprogramma's ○ lerarenopleiding als vervolgopleiding ● ●

de opleiding moet gevolgd worden met een diplomacontract; de student dient te beschikken over een studiefinancieringkrediet en studiepunten:

○ studiefinanciering wordt uitgedrukt in 'kredieten'. In het kader van levenslang leren heeft iedereen recht op een studiefinancieringkrediet dat bestaat uit:

▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

twee bachelorkredieten; één masterkrediet; één jokerkrediet; één krediet voor het volgen van een voorbereidingsprogramma; één krediet voor het volgen van een schakelprogramma; één krediet voor het volgen van een lerarenopleiding als vervolgopleiding;

○ opleidingen worden uitgedrukt in studiepunten;

▪

een voltijds studietraject kan een studieprogramma bevatten tussen 54 en 66 studiepunten (voor de berekening van de studiefinanciering worden hier 60 studiepunten aan toegekend);

▪

een halftijds studietraject kan een studieprogramma bevatten tussen 27 en 33 studiepunten (voor de berekening van de studiefinanciering worden hier 30 studiepunten aan toegekend);

▪

in een flexibel traject worden voor de berekening van de studiefinanciering zoveel studiepunten toegekend als waarvoor men effectief is ingeschreven;

○ de student dient ingeschreven te zijn voor minstens 30 studiepunten en kan per academiejaar voor maximaal 60 studiepunten studiefinanciering krijgen;

○ ingeval studenten aan sommige pedagogische voorwaarden niet voldoen kunnen zij een jokerkrediet van 60 studiepunten aanvragen;

○ ingeval studies zijn gevolgd in de Franse of Duitstalige Gemeenschap of in het buitenland is, onder bepaalde voorwaarden, studiefinanciering meeneembaar; f i n a n c i ë l e v o o r wa a r d e n

● ● ● ●

de 'leefeenheid' (een ruimer begrip dan 'gezin'), het referentie-inkomen, de toegelaten inkomensgrenzen, het kadastraal inkomen (afgezien van een eigen woning), het aantal punten in de leefeenheid.

Er worden ook studiebeurzen verstrekt door instanties zoals de Provinciale Commissies voor Studiebeurzenstichtingen, ook in het kader van Europese uitwisselingsprogramma’s en ook door www.eurydice.org

188


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) allerlei private organisaties en stichtingen. Voor het buitenland en voor wetenschappelijk onderzoek zijn ook studiebeurzen beschikbaar, zie: http://www.ond.vlaanderen.be/studietoelagen/destudietoelage/Andere_studiebeurzen_leningen.pdf H

Voor studenten met functiebeperkingen kunnen speciale onderwijsleermiddelen gefinancierd worden. Doctoraatsstudenten kunnen worden gefinancierd door de universiteit als universitaire assistenten of als doctoraatsbursalen of door het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek en aanverwante fondsen. Het is ook mogelijk om het doctoraat zelf te financieren, maar dit gebeurt eerder uitzonderlijk. Studieleningen worden verstrekt door allerlei private organisaties en stichtingen.

Studiekosten in het hoger onderwijs: wat het kost om deel te nemen aan het hogeschool- en universitair onderwijs.

6.9. Organisatie van het academiejaar De organisatie van het academiejaar - met inbegrip van de vakantieregeling voor de studenten - wordt opgenomen in het door het instellingsbestuur opgestelde onderwijsreglement. Een academiejaar wordt omschreven als een periode van één jaar die ten vroegste op 1 september en uiterlijk op 1 oktober begint en eindigt op de dag voor het begin van het volgende academiejaar. Van die vaste duur van één jaar kan uitzonderlijk worden afgeweken, indien het instellingsbestuur beslist de start van het academiejaar ofwel te vervroegen, ofwel te verlaten. De meeste hogescholen en universiteiten werken met een semestersysteem, d.w.z. dat het academiejaar wordt ingedeeld in twee afzonderlijke lesperiodes of semesters. Na het 2de semester volgt een zomeronderbreking met daarna de tweede zittijd, die bestaat uit enkele weken examens.

6.10. Studiegebieden Het structuurdecreet legt strenge voorwaarden op aan nieuwe opleidingen. Zo toetst de onafhankelijke Erkenningscommissie of de opleiding wel een meerwaarde biedt in het bestaande onderwijslandschap. De Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO) gaat nauwgezet na of er voldoende redenen zijn om aan te nemen dat de opleiding van een hoge kwaliteit zal zijn. Bovendien kunnen nieuwe opleidingen pas ingericht worden als de betrokken instellingen bestaande opleidingen schrappen. Hogescholen zijn vooral actief in het hoger professioneel onderwijs en kunnen ook opleidingen aanbieden in het academisch onderwijs in het kader van een associatie. De universiteiten zijn actief in het academisch onderwijs. Basisopleidingen omvatten de professioneel gerichte bacheloropleidingen (enkel aan hogescholen georganiseerd), de academisch gerichte bacheloropleidingen en de masteropleidingen. Hun studieomvang wordt uitgedrukt in studiepunten: ●

de professionele en academische bacheloropleidingen omvatten minstens 180 studiepunten (komt overeen met ongeveer 3 studiejaren);

www.eurydice.org

189


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) ●

de masteropleidingen sluiten aan bij een academische bachelor en omvatten minstens 60 studiepunten.

Voortgezette opleidingen sluiten aan bij de basisopleidingen en omvatten minstens 60 studiepunten: ● ●

een bachelor-na-bachelor; een master-na-master.

De lerarenopleidingen omvatten: ●

● ● ●

de initiële lerarenopleidingen: dit zijn de bacheloropleidingen in onderwijs, namelijk de opleiding tot kleuteronderwijzer(es), onderwijzer(es) en geaggregeerde voor het secundair onderwijs-groep 1; de initiële lerarenopleiding van academisch niveau leidende tot geaggregeerde voor het secundair onderwijs-groep 2; voortgezette lerarenopleidingen leidende tot een graad van bachelor na bachelor; de initiële lerarenopleiding dans leidende tot een graad van bachelor na bachelor.

De hogescholen bieden alle lerarenopleidingen aan. De universiteiten bieden de initiële academische lerarenopleiding aan. Vanaf 1 september 2007 start de lerarenopleiding nieuwe stijl (zie 8.1.2.). De universiteiten en hogescholen kunnen ook korte opleidingstrajecten met de studieomvang van ten minste 20 studiepunten organiseren in het kader van de verdere professionele vorming die bekrachtigd worden met een postgraduaat getuigschrift. De doctoraatsopleiding is gericht op de voorbereiding van een proefschrift.

Hogescholen kunnen in de volgende studiegebieden professioneel gerichte bacheloropleidingen aanbieden en binnen het kader van een associatie academisch gerichte bachelor- en masteropleidingen: Architectuur

Handelswetenschappen en bedrijfskunde

Audiovisuele en beeldende kunst

Industriële wetenschappen, technologie en nautische wetenschappen

Biotechniek

Muziek en podiumkunsten

Gezondheidszorg

Hogescholen kunnen in de volgende studiegebieden professioneel gerichte bacheloropleidingen aanbieden: - Onderwijs - Sociaal-agogisch werk Hogescholen kunnen in de volgende studiegebieden binnen het kader van een associatie academisch gerichte bachelor- en masteropleidingen aanbieden: - Productontwikkeling - Toegepaste taalkunde Een overzicht van de opleidingen in afbouw in het hoger http://www.ond.vlaanderen.be/onderwijsaanbod/ho/richtingen.asp

onderwijs

vindt

men

op

H

www.eurydice.org

190


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

Universiteiten kunnen academisch onderwijs (bachelor- en masteropleidingen) aanbieden in de volgende studiegebieden: Archeologie en kunstwetenschappen

Psychologische en pedagogische wetenschappen

Biomedische wetenschappen

Rechten, notariaat en criminologische wetenschappen

Diergeneeskunde

Sociale gezondheidswetenschappen

Economische en toegepaste economische wetenschappen

Taal- en letterkunde

Farmaceutische wetenschappen

Tandheelkunde

Geneeskunde

Toegepaste biologische wetenschappen

Geschiedenis

Toegepaste wetenschappen

Godgeleerdheid, godsdienstwetenschappen en kerkelijk recht

Verkeerskunde

Lichamelijke opvoeding, revalidatiewetenschappen en kinesitherapie

Wetenschappen

Politieke en sociale wetenschappen

Wijsbegeerte en moraalwetenschappen

Een geïntegreerd overzicht van alle opleidingen is voortaan Hogeronderwijsregister (HOR) zie http://www.hogeronderwijsregister.be/

te

raadplegen

in

het

H

6.11. Curriculum Hogescholen en universiteiten zijn vrij in het uitwerken van de curricula. Het instellingsbestuur bepaalt voor elke opleiding een opleidingsprogramma dat bestaat uit een samenhangend geheel van opleidingsonderdelen. Bij de vaststelling van het opleidingsprogramma houdt het instellingsbestuur rekening met de bij of krachtens de wet, het decreet of de Europese richtlijn vastgelegde voorwaarden die de toegang tot bepaalde ambten of beroepen reguleren.

6.12. Onderwijsmethoden De keuze van onderwijsmethoden en –hulpmiddelen behoort tot de vrijheid van de instellingen. Professioneel gerichte bacheloropleidingen omvatten doorgaans theorielessen, praktijklessen en een stageperiode, die doorgaans ontbreekt bij academisch gerichte opleidingen waarin de klemtoon ligt op het theoretische luik en onderzoek. Het gebruik van elektronische leerplatforms vindt meer en meer ingang.

6.13. Evaluatie van studenten Over het algemeen worden minstens één of twee weken voorzien voor voorbereiding op de examens, die plaatsgrijpen in twee examenperiodes, met name in juni en september. In een semestersysteem worden ook examens georganiseerd in januari (het einde van het eerste semester); deze worden www.eurydice.org

191


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) gerekend tot de eerste zittijd. Op het einde van de masteropleiding moet elke student een verhandeling (masterproef) indienen (en soms verdedigen). Het Participatiedecreet van 19 maart 2004 regelt o.m. de rechtsbescherming bij examens met de oprichting van een Raad voor betwistingen inzake studievoortgangbeslissingen, een administratief rechtscollege op Vlaams niveau.

6.14. Voortgang van studenten Het Flexibiliseringsdecreet van 30 april 2004 maakt meer flexibele studietrajecten mogelijk, met meer kansen op uitwisseling tussen opleidingen en instellingen, grotere differentiatie o.m. op vlak van aanbiedingsvormen en met meer kansen tot levenslang leren. Het hanteert daarvoor volgende principes, waarbinnen de universiteiten en hogescholen op eigen wijze invulling kunnen geven aan het creditsysteem. ● ● ●

● ●

●

● ●

●

●

Het jaarsysteem wordt vervangen door een een credit- of studiepuntensysteem. De opleiding is en blijft de basis- en structurerende eenheid, maar wordt niet langer gezien als een optelsom van leerjaren, maar als één geordend geheel van opleidingsonderdelen. Een opleiding wordt opgedeeld in opleidingsonderdelen. Een opleidingsonderdeel is een afgebakend geheel van onderwijs-, leer- en evaluatieactiviteiten dat gericht is op het verwerven van welomschreven (deel)competenties inzake kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes. Het kan flexibel ingevuld worden door de instelling en daardoor bestaan uit één vak (in de traditionele betekenis van het woord), maar net zo goed uit een clustering van vakken of van groepen leeractiviteiten. Het volledige studieprogramma van een opleiding wordt uitgedrukt in ECTS studiepunten waarbij één studiepunt een studielast van 25-30 uren vertegenwoordigt. De omvang van een opleidingsonderdeel wordt uitgedrukt in gehele ECTS studiepunten. Een opleidingsonderdeel omvat ten minste 3 studiepunten, met een maximum van 12 onderdelen per 60 studiepunten. Een student heeft een opleidingsonderdeel voltooid wanneer evaluatie aantoont dat hij de relevante (deel)competenties in voldoende mate heeft verworven. Hij wordt daartoe beoordeeld op een schaal van 0 tot 20 (in gehele getallen), met 10 als slaaggrens. De student heeft per opleidingsonderdeel recht op ten minste twee inschrijvingen, met per inschrijving het recht op tenminste twee examenkansen. Het voltooien van een opleidingsonderdeel (slagen voor een opleidingsonderdeel) resulteert in een formele erkenning via een creditattest, onafhankelijk van de stand van zaken met betrekking tot andere opleidingsonderdelen die eventueel in zijn programma voorkomen. De geldigheidsduur van een verworven creditattest is in principe onbeperkt en geldt ten minste tot 5 kalenderjaren na het behalen van het creditattest. Kennis evolueert echter zeer snel en een kwaliteitsvolle opleiding moet zich permanent actualiseren. Daarom moeten de instellingen ook de mogelijkheid hebben om na 5 jaar een soort van 'actualiseringprogramma' op te leggen, wanneer de student het vroeger behaalde creditattest wil valoriseren met het oog op een diploma. Instellingen kunnen aan studenten vrijstellingen verlenen op basis van eerder verworven kwalificaties (EVK) en/of eerder verworven competenties (EVC). Meer details daarover is te vinden in het onderwijs- en examenreglement van elke instelling voor hoger onderwijs en uitgebreide informatie over de algemene principes en procedures voor flexibele studievoortgang staat in de brochure 'Bewijs je bekwaamheid', waarvan de elektronische versie staat op www.ond.vlaanderen.be/hogeronderwijs. Om de studievoortgang op een reguliere manier te kunnen bewaken en dwingend te kunnen optreden bij ontsporing voorziet het decreet verschillende maatregelen. Zo kan aan een student bindende voorwaarden worden opgelegd bij inschrijving (zoals een tussenevaluatie of H

●

H

www.eurydice.org

192


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) een minimaal te leveren studieprestatie) en kan een risicostudent na meerdere kansen geweigerd worden.

6.15. Studiebewijzen Alleen diegene aan wie in overeenstemming met het Vlaamse structuurdecreet van 4 april 2003 de graad van bachelor, master of doctor is verleend, is gerechtigd tot het voeren van de overeenkomstige titel van bachelor, master of doctor. Het instellingsbestuur verleent de graad van bachelor of master als de student de bacheloropleiding of masteropleiding met succes voltooit. De graad van 'doctor' wordt behaald na de openbare verdediging van het proefschrift. Het instellingsbestuur verleent een creditbewijs als een persoon slaagt voor een opleidingsonderdeel. Meer details zijn te vinden in het onderwijs- en examenreglement van elke instelling voor hoger onderwijs. Personen kunnen ook het diploma van bachelor en master behalen als het instellingsbestuur van mening is dat zij op basis van EVC en EVK beschikken over voldoende bekwaamheden. 'EVC' betekent een eerder verworven competentie, namelijk het geheel van kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes verworven door middel van leerprocessen die niet met een studiebewijs werden bekrachtigd; 'EVK' betekent een eerder verworven kwalificatie, namelijk elk binnenlands of buitenlands studiebewijs dat aangeeft dat een persoon een formeel leertraject, al dan niet binnen onderwijs, met goed gevolg hebt doorlopen. Uitgebreide informatie over de algemene principes en procedures voor flexibele studievoortgang staat in de brochure 'Bewijs je bekwaamheid'. Deze brochure vertelt meer specifiek wat eerder verworven competenties (EVC) en eerder verworven kwalificaties (EVK) inhouden en welke plaats ze innemen binnen het systeem van flexibele studievoortgang. Voor een elektronische versie : http://www.ond.vlaanderen.be/hogeronderwijs. H

H

Voor de erkenning van buitenlandse diploma's, Europese onderwijsberoepen en niveaubepalingen staat NARIC-Vlaanderen, het National Academic (& Professional) Recognition and Information Centre in. http://www.ond.vlaanderen.be/hogeronderwijs/NARIC/default.htm H

H

Vlaanderen was de eerste in Europa om, in 1991 voor de universiteiten, in 1994 voor de hogescholen, een diplomasupplement wettelijk in te voeren met gegevens over de aard, het niveau, de inhoud en de status van de gevolgde studies en een beschrijving van het hogeronderwijssysteem. Studenten krijgen het automatisch bij hun diploma. Het Vlaamse diplomasupplement was gebaseerd op het oude UNESCO Diploma Supplement model. Heel wat buitenlandse hogeronderwijssystemen hanteerden het Vlaamse diplomasupplement als voorbeeldmodel. De Raad van Europa, de Europese Unie en UNESCO hanteerden het Vlaamse diplomasupplement als voorbeeld voor de nieuwe versie (1998) van het internationale diplomasupplement (zie Europass 11.4.2.4.).

6.16. Begeleiding en band met verdere studies/arbeidsmarkt Het hoger professioneel onderwijs legt de nadruk op praktische aspecten en is vanaf het begin georiënteerd op het toekomstige beroepsleven. Een praktische opleiding in echte werkomstandigheden (bedrijven, scholen, ziekenhuizen, ...) maakt een essentieel deel van elke opleiding uit. De begeleiding van de studenten om hun intrede op de arbeidsmarkt te vergemakkelijken, neemt verschillende vormen aan. De meerderheid van de hogescholen heeft plaatsingsdiensten, alhoewel de werking nogal kan verschillen. Hiervoor zijn geen officiële richtlijnen. Sommige hogescholen beperken zich tot het verzamelen van vacatures of het bijhouden van de tewerkstellingsstatistieken, terwijl www.eurydice.org

193


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) andere uitgebreide tewerkstellingsdossiers van de individuele afgestudeerden bijhouden, sollicitatietrainingen geven en/of voorbereidingsseminaries op tewerkstelling organiseren, .... Regelmatig gebeurt het dat de stageactiviteiten van de student leiden tot de aanwerving van de student eens hij/zij is afgestudeerd. De interactie tussen de arbeidsmarkt en de onderwijsprogramma's is niet altijd even optimaal, maar dit varieert naargelang het studieveld of de opleiding. Net als de hogescholen hebben de universiteiten binnen de sociale sector een specifieke infrastructuur uitgebouwd ten behoeve van deze ruimere zorg en begeleiding. Het gaat hier onder andere om jobdiensten. Al naargelang de instelling worden er initiatieven genomen voor afstuderenden en oud-studenten door onder meer een eigen vacaturedatabank te creëren, het organiseren van informatiesessies over tewerkstelling in verschillende sectoren, enz.

6.17. Privé-onderwijs Instellingen die geen geregistreerde instellingen voor hoger onderwijs zijn behoren tot het privéonderwijs dat in Vlaanderen niet wettelijk gereglementeerd is.

6.18. Verschillen in organisatie en andere structuren Binnen het actuele opleidingenaanbod kunnen vier varianten of alternatieven op de reguliere organisatie van het hoger onderwijs worden onderscheiden. ● ●

● ●

Sommige instellingen bieden een alternatieve lesindeling (avondonderwijs) aan voor studenten die al zijn tewerkgesteld. Voor iedereen bestaat de mogelijkheid om enkel de examens af te leggen, dus zonder dat er lessen moeten worden bijgewoond. Deze examens moeten worden afgelegd in de onderwijsinstelling die het voltijdse programma aanbiedt (zie 6.7 Examencontract). Vele programma's worden ook (deeltijds) aangeboden onder de vorm Onderwijs voor Sociale Promotie. Deze leiden niet tot een Bachelor of Master. De Open Universiteit Heerlen in Nederland biedt academisch afstandsonderwijs aan. De Vlaamse universiteiten ondersteunen dit met eigen studiecentra

○ http://www.ond.vlaanderen.be/hogeronderwijs/studenten/ou.htm ○ http://www.ou.nl/ H

www.eurydice.org

194


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

6.19. Statistieken 6.19.1. Evolutie van het aantal hoofdinschrijvingen aan hogescholen per soort opleiding en per geslacht BAMA en Basisopleidingen en initiële lerarenopleidingen (1) Mannen Academiejaar

Absoluut

Vrouwen

Procentueel

Absoluut

Totaal

Procentueel

Absoluut

% t.o.v. 19992000

1999 - 2000

45.747

46,43

52.789

53,57

98.536

100,00

2000 - 2001

45.773

46,12

53.485

53,88

99.258

100,73

2001 - 2002

45.775

46,08

53.564

53,92

99.339

100,81

2002 - 2003

46.125

46,28

53.536

53,72

99.661

101,14

2003 - 2004

45.998

45,92

54.180

54,08

100.178

101,67

2004 - 2005

46.233

45,69

54.952

54,31

101.185

102,69

(1) Vanaf 2004-2005 worden in deze tabel de professioneel en academisch gerichte bacheloropleidingen, de masteropleidingen, en de basisopleidingen in afbouw, inclusief HOKT SP opgenomen Bachelor-na-bacheloropleidingen Mannen Academiejaar 2004 - 2005

Absoluut

Vrouwen

Procentueel

368

34,62

Absoluut

Totaal

Procentueel

695

Absoluut

65,38

1.063

100,00

Master-na-masteropleidingen Mannen Academiejaar 2004 - 2005

Absoluut

Vrouwen

Procentueel

23

50,00

Absoluut

Totaal

Procentueel

23

Absoluut

50,00

46

100,00

Initiële lerarenopleiding van academisch niveau Mannen Academiejaar

Absoluut

Vrouwen

Procentueel

Absoluut

Totaal

Procentueel

Absoluut

% t.o.v. 19992000

1999 - 2000

167

40,83

242

59,17

409

100,00

2000 - 2001

145

34,04

281

65,96

426

104,16

2001 - 2002

166

36,48

289

63,52

455

111,25

2002 - 2003

183

38,36

294

61,64

477

116,63

2003 - 2004

244

37,31

410

62,69

654

159,90

2004 - 2005

230

36,68

397

63,32

627

153,30

www.eurydice.org

195


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

Voortgezette lerarenopleidingen Mannen Academiejaar

Absoluut

Vrouwen

Procentueel

Absoluut

Totaal

Procentueel

Absoluut

% t.o.v. 19992000

1999 - 2000

146

15,77

780

84,23

926

100,00

2000 - 2001

147

14,36

877

85,64

1.024

110,58

2001 - 2002

133

13,42

858

86,58

991

107,02

2002 - 2003

141

12,75

965

87,25

1.106

119,44

2003 - 2004

183

14,41

1.087

85,59

1.270

137,15

2004 - 2005

188

14,14

1.142

85,86

1.330

143,63

Voortgezette opleidingen Mannen Academiejaar

Absoluut

Vrouwen

Procentueel

Absoluut

Totaal

Procentueel

Absoluut

% t.o.v. 19992000

1999 - 2000

534

39,29

825

60,71

1.359

100,00

2000 - 2001

646

42,61

870

57,39

1.516

111,55

2001 - 2002

708

44,98

866

55,02

1.574

115,82

2002 - 2003

962

47,79

1.051

52,21

2.013

148,12

2003 - 2004

845

42,76

1.131

57,24

1.976

145,40

2004 - 2005

388

52,15

356

47,85

744

54,75

Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2004-2005

6.19.2. Aantal hoofdinschrijvingen in de hogescholen academiejaar 20042005, per soort onderwijs, studiegebied en geslacht

M

V

Totaal

Architectuur

1.761

2.194

3.955

Audiovisuele en beeldende kunst

1.833

2.014

3.847

982

825

1.807

74

115

189

1.949

9.055

11.004

Handelswetenschappen en bedrijfskunde

15.381

13.697

29.078

Industriële wetenschappen en technologie, en nautische wet.

14.905

2.134

17.039

845

907

1.752

5.281

14.079

19.360

242

115

357

Sociaal-agogisch werk

2.257

7.564

9.821

Toegepaste taalkunde

723

2.253

2.976

46.233

54.952

101.185

BAMA- en Basisopleidingen (1)

Biotechniek Gecombineerde studiegebieden: ARCH, IWT, en NW Gezondheidszorg

Muziek en podiumkunsten Onderwijs Productontwikkeling

Totaal www.eurydice.org

196


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) Bachelor-na-bacheloropleidingen Architectuur

18

15

33

Gezondheidszorg

130

432

562

Handelswetenschappen en bedrijfskunde

219

213

432

1

35

36

368

695

1.063

1

9

10

16

4

20

6

10

16

23

23

46

13

8

21

6

6

12

61

98

159

154

114

268

64

11

75

Muziek en podiumkunsten

8

6

14

Onderwijs

6

18

24

Sociaal-agogisch werk

25

48

73

Toegepaste taalkunde

51

47

98

388

356

744

Onderwijs

188

1.142

1.330

Totaal

188

1.142

1.330

Onderwijs

230

397

627

Totaal

230

397

627

47.430

57.565

104.995

Sociaal-agogisch werk Totaal Master-na-masteropleidingen Gezondheidszorg Industriële wetenschappen en technologie, en nautische wetenschappen Muziek en podiumkunsten Totaal Voortgezette opleidingen Architectuur Audiovisuele en beeldende kunst Gezondheidszorg Handelswetenschappen en bedrijfskunde Industriële wetenschappen en technologie, en nautische wetenschappen

Totaal Voortgezette lerarenopleidingen

Initiële lerarenopleiding van academisch niveau

Algemeen totaal

(1) Staat voor: professioneel en academisch gerichte bacheloropleidingen, masteropleidingen en basisopleidingen in afbouw, inclusief HOSP. Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2004-2005

www.eurydice.org

197


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

6.19.3. Evolutie van het aantal generatiestudenten aan hogescholen per soort opleiding en studiegebied (1)

20002001

20012002

20022003

20032004

20042005

Professioneel gerichte bacheloropleidingen en basisopleidingen van één cyclus Architectuur

421

534

546

580

533

29

39

40

25

52

259

253

268

407

462

Gezondheidszorg

2.398

2.175

2.293

2.502

2.695

Handelswetenschappen en bedrijfskunde

7.332

7.026

6.436

6.073

6.170

Industriële wetenschappen en technologie, en nautische wetenschappen

2.646

2.724

2.837

2.709

2.946

15

20

12

9

10

Onderwijs

5.307

5.796

5.463

5.604

5.584

Sociaal-agogisch werk

2.185

2.284

2.358

2.691

2.747

20.592

20.851

20.253

20.600

21.199

Audiovisuele en beeldende kunst Biotechniek

Muziek en podiumkunsten

Totaal

Academisch gerichte bacheloropleidingen en basisopleidingen van twee cycli Architectuur

380

416

514

558

566

Audiovisuele en beeldende kunst

895

898

854

896

856

56

56

60

56

84

312

262

119

166

211

Handelswetenschappen en bedrijfskunde

1.294

1.179

1.066

952

1.006

Industriële wetenschappen en technologie, en nautische wetenschappen

2.061

1.781

1.660

1.577

1.425

Muziek en podiumkunsten

305

246

272

236

267

Productontwikkeling

113

82

77

80

64

Toegepaste taalkunde

758

781

752

739

760

6.174

5.701

5.374

5.260

5.239

Biotechniek Gezondheidszorg

Totaal

www.eurydice.org

198


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

Totaal aantal generatiestudenten Architectuur

801

950

1.060

1.138

1.099

Audiovisuele en beeldende kunst

924

937

894

921

908

Biotechniek

315

309

328

463

546

Gezondheidszorg

2.710

2.437

2.412

2.668

2.906

Handelswetenschappen en bedrijfskunde

8.626

8.205

7.502

7.025

7.176

Industriële wetenschappen en technologie, en nautische wetenschappen

4.707

4.505

4.497

4.286

4.371

320

266

284

245

277

5.307

5.796

5.463

5.604

5.584

113

82

77

80

64

Sociaal-agogisch werk

2.185

2.284

2.358

2.691

2.747

Toegepaste taalkunde

758

781

752

739

760

26.766

26.552

25.627

25.860

26.438

Muziek en podiumkunsten Onderwijs Productontwikkeling

Algemeen totaal

(1) Generatiestudent: een student die voor het eerst ingeschreven is in het eerste jaar van een basisopleiding (professioneel of academisch gericht) in het Vlaams hoger onderwijs en op 1 februari 2005 nog is ingeschreven. Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2004-2005

www.eurydice.org

199


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

6.19.4. Evolutie van het aantal generatiestudenten in het universitair onderwijs, per studiegebied (1)

Studiegebieden

2002-2003

2003-2004

2004-2005

M

V

T

M

V

T

M

V

T

118

75

193

91

61

152

86

56

142

15

31

46

15

31

46

18

33

51

Taal- en letterkunde

211

585

796

205

568

773

240

665

905

Geschiedenis

314

228

542

282

226

508

309

177

486

Archeologie en kunstwetenschappen

79

177

256

76

162

238

68

184

252

Rechten, notariaat en criminologische wet.

744

1.054

1.798

752

1.061

1.813

760

1.081

1.841

Psychologie en pedagogische wetenschappen

246

1.239

1.485

233

1.174

1.407

260

1.179

1.439

Economische en toegepaste economische wetenschappen

927

660

1.587

927

572

1.499

931

623

1.554

Politieke en sociale wet.

540

668

1.208

538

590

1.128

499

602

1.101

Sociale gezondheidswetenschappen

5

84

89

4

104

108

120

120

Lichamelijke opvoeding, revalidatiewetenschappen en kinesitherapie

258

292

550

261

295

556

302

303

605

Wetenschappen

724

356

1.080

702

340

1.042

715

373

1.088

Toegepaste wetenschappen

662

198

860

649

172

821

729

235

964

Toegepaste biologische wetenschappen

232

207

439

239

177

416

232

176

408

Geneeskunde

151

253

404

197

334

531

225

387

612

Tandheelkunde

16

27

43

17

31

48

16

37

53

Diergeneeskunde

80

278

358

73

266

339

98

273

371

Farmaceutische wet.

63

198

261

63

227

290

91

270

361

174

352

526

36

12

48

708

99

149

248

6.873 12.423

5.888

7.287

13.175

Wijsbegeerte en moraalwetenschappen Godgeleerdheid, godsdienstwetenschappen en kerkelijk recht

Biomedische wetenschappen Verkeerskunde Gecombineerde studiegebieden Totaal

238 5.623

568

806

226

7.178 12.801

5.550

482

(1) Generatiestudent: een student die voor het eerst ingeschreven is in het eerste jaar van een basisopleiding (professioneel of academisch gericht) in het Vlaams hoger onderwijs en op 1 februari 2005 nog is ingeschreven. Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2004-2005 www.eurydice.org

200


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

6.19.5. Aantal diploma's uitgereikt in het hogescholenonderwijs op het einde van het academiejaar 2003-2004, per studiegebied en cyclus

Basisopleidingen en initiële lerarenopleidingen Opleidingen van één cyclus

Studiegebieden

Opleidingen van twee cycli

Opleidingen van twee cycli

Eerste cyclus van twee (1)

Tweede cyclus van twee

Totaal

M

V

T

M

V

T

M

V

T

M

V

T

169

230

399

136

204

340

122

173

295

291

403

694

22

35

57

287

372

659

255

323

578

277

358

635

Biotechniek

150

71

221

35

27

62

51

39

90

201

110

311

Gezondheidszorg

356

2.205

2.561

66

84

150

71

139

210

427

2.344

2.771

Handelswetenschappen en bedrijfskunde

2.946

3.272

6.218

589

518 1.107

643

579 1.222 3.589

3.851

7.440

Industriële wetenschappen en technologie

1.747

281

225 1.642 1.483

300 1.783 3.230

581

3.811

2

4

6

115

138

253

140

141

281

142

145

287

914

3.360

4.274

-

-

-

-

-

-

914

3.360

4.274

-

-

-

49

14

63

57

25

82

57

25

82

Sociaal-agogisch werk

353

1.608

1.961

-

-

-

-

-

-

353

1.608

1.961

Toegepaste taalkunde

-

-

-

120

430

550

85

360

445

85

360

445

Architectuur Audiovisuele en beeldende kunst

Muziek en dramatische kunst Onderwijs Productontwikkeling

Totaal

2.028 1.417

6.659 11.066 17.725 2.814 2.012 4.826 2.907 2.079 4.986 9.566 13.145 22.711

(1) In deze tabel worden de kandidaatsdiploma's (cursief aangebracht) niet opgenomen in het algemeen totaal. Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2004-2005

www.eurydice.org

201


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

6.19.6. Aantal diploma's uitgereikt in het universitair onderwijs op het einde van het academiejaar 2003-2004, per studiegebied en per soort opleiding

Studiegebied

Academische opleiding 1ste cyclus M

V

Academische opleiding 2de cyclus

T

M

V

Aanvullende opleidingen

T

M

V

Specialisatieopleidingen T

M

V

Academische initiële lerarenopleiding

T

M

V

Doctoraten

T

M

V

T

Wijsbegeerte & moraalwet.

132

82

214

88

55

143

10

11

21

12

13

25

26

18

44

10

6

16

Godgeleerdh., godsdienstwet. kerkelijk recht

18

30

48

65

48

113

1

-

1

-

-

-

10

14

24

21

2

23

Taal- en letterkunde

152

441

593

140

417

557

15

49

64

13

17

30

76

246

322

16

21

37

Geschiedenis

232

197

429

163

168

331

6

3

9

9

15

24

45

76

121

12

5

17

Archeologie & kunstwet.

53

163

216

61

149

210

5

10

15

1

3

4

11

34

45

7

5

12

Rechten, notariaat en criminol. wet.

558

816 1.374

531

738 1.269

56

88

144

199

213

412

14

53

67

10

9

19

Psychologie en pedag. wet.

162

922 1.084

169

783

952

34

63

97

11

41

52

24

184

208

18

17

35

Econ. & toegep. econ. wet.

636

511 1.147

598

533 1.131

365

257

622

289

187

476

29

79

108

18

12

30

Pol. en sociale wet.

358

510

868

353

484

837

166

276

442

47

64

111

34

97

131

16

9

25

17

132

149

41

186

227

23

8

31

4

14

18

7

44

51

1

1

2

Lich. opv., revalidatiewet. en kinesith.

174

233

407

148

253

401

3

-

3

12

43

55

50

92

142

9

2

11

Wetenschappen

399

242

641

530

313

843

106

54

160

107

75

182

88

142

230 164

94 258

Toegep. wet.

487

168

655

488

131

619

91

53

144

229

116

345

13

7

20 130

15 145

Toegep. biol. wetenschappen

169

169

338

200

196

396

78

55

133

55

36

91

15

18

33

67

30

Geneeskunde

161

242

403

265

432

697

-

-

-

49

49

98

3

4

7

78

51 129

Tandheelkunde

19

38

57

25

25

50

3

3

6

8

8

16

-

-

-

-

-

-

Diergeneesk.

48

119

167

70

122

192

-

-

-

6

9

15

1

3

4

10

6

16

Farmaceutische wetenschappen

45

143

188

37

147

184

5

4

9

14

33

47

-

11

11

22

18

40

Gecombineerde studiegebieden

92

290

382

116

336

452

182

275

457

150

165

315

15

48

63

3

9

12

Sociale gezondheidswet.

Totaal

97

3.912 5.448 9.360 4.088 5.516 9.604 1.149 1.209 2.358 1.215 1.101 2.316 461 1.170 1.631 612 312 924

Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2004-2005

www.eurydice.org

202


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

7. PERMANENTE VORMING EN OPLEIDINGEN VOOR JONGE SCHOOLVERLATERS EN VOLWASSENEN In dit hoofdstuk worden 7 verschillende stelsels behandeld 1 volwassenenonderwijs (OSP, Onderwijs voor sociale promotie & basiseducatie) 2 DKO, Deeltijds kunstonderwijs 3 Beroepsopleiding VDAB 4 Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen 5 Landbouwvorming 6 Sociaal-cultureel volwassenenwerk Elk stelsel wordt op dezelfde wijze beschreven. De aandachtspunten zijn vergelijkbaar met deze gebruikt voor de beschrijving van de verschillende onderwijsniveaus (hoofdstukken 3 t/m 6). Deze aandachtspunten zijn: 1 Historisch overzicht 2 Actuele discussies en toekomstige ontwikkelingen 3 Wettelijk kader 4 Algemene doelstellingen 5 Soorten instellingen 6 Geografische toegankelijkheid 7 Toelatingsvoorwaarden 8 Inschrijving(sgeld) 9 Financiële steun voor cursisten 10 Studieaanbod 11 Onderwijsmethoden 12 Lesgevers 13 Evaluatie en voortgang 14 Studiebewijzen 15 Begeleiding en band met verdere studies/arbeidsmarkt 16 Privé-onderwijs 17 Statistieken Begrippen In Vlaanderen vallen verschillende opleidingen onder de noemer 'permanente vorming'. Deze opleidingen richten zich tot zeer verschillende doelgroepen, van zeer uiteenlopende leeftijden (bij DKO van jong tot oud) en, bieden cursussen aan op zeer verschillende niveaus. Permanente vorming omvat zowel formeel als niet-formeel onderwijs en training, en is al dan niet beroepsgericht. Het is alleszins ruimer dan volwassenenonderwijs, dat zich richt op volwassenen. Volwassenenvorming en volwasseneneducatie en "levenslang en levensbreed leren" zijn andere gangbare benamingen. ●

●

●

In enge betekenis wordt volwassenenonderwijs gebruikt voor Onderwijs voor Sociale Promotie (dat daarom georganiseerd wordt in zogenaamde Centra voor Volwassenenonderwijs die enkel OSP verstrekken). Ruimer wordt het door het departement onderwijs en vorming ook gebruik om 3 onderwijsvormen, georganiseerd door dat departement, te groeperen: het Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP) (inclusief het vroegere TKO); de basiseducatie en het afstandsonderwijs. De hervorming van het volwassenenonderwijs die eind 2007 start omvat dan ook die vormen. Het departement onderwijs en vorming gebruikt het begrip overigens ook in een bredere betekenis die naast hogergenoemde vormen ook volgende vormen omvat:

www.eurydice.org

203


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

○ het avondonderwijs van de hogescholen en universiteiten (zoals de bachelor in onderwijs die ook georganiseerd wordt als avond- en weekendonderwijs en via een verkort studietraject)

○ de beroepsopleiding van de VDAB ○ de ondernemersvorming (of opleiding) van SYNTRA. ●

Men kan er nog de landbouwvorming en het niet-formele sociaalculturele volwassenenwerk toevoegen.

Gedeeltelijk buiten de volwasseneneducatie valt het Deeltijds Kunstonderwijs (DKO), waarin zowel jongeren als volwassenen onderwijs volgen. Ook het Begeleid Individueel Studeren richt zich tot elke geïnteresseerde zonder leeftijdsdrempel.

Volwasseneneducatie Volwassenenonderwijs (formeel) Beroepsopleiding

Volwassenen en jongeren formeel en niet-formeel Volwassenenwerk (niet-formeel)

Basiseducatie Onderwijs voor sociale promotie (OSP) Beroepsopleiding werkzoekenden en werknemers (VDAB) Ondernemersvorming (SYNTRA Vlaanderen) Landbouwvorming Deeltijds kunstonderwijs (DKO) Sociaal-cultureel volwassenenwerk

Bevoegd minister Onderwijs Onderwijs

Zie 7.*.1 7.*.1

Werk

7.*.2

Werk

7.*.3

Landbouw Onderwijs

7.*.4 7.*.5

Cultuur

7.*.6

7.1. Historiek 7.1.1. Volwassenenonderwijs - historiek

OSP, Onderwijs voor sociale promotie De oorsprong van het OSP, Onderwijs voor Sociale Promotie ligt in twee soorten instellingen uit de 19de eeuw: de volwassenenscholen en de industriële scholen. Deze laatste werden opgericht in de grote steden en waren een vorm van volwassenenonderwijs dat een typisch technisch programma aanbood voor de 'elite' van het 'werkvolk'. Op zondagen en weekavonden werden lessen gegeven door onderwijzers. In het begin boden de initiatiefnemers van dit volwassenenonderwijs een bijzonder grote variëteit aan opleidingen aan, afhankelijk van de eisen en het niveau van ervaring en kennis van hen die zich wilden inschrijven. Reeds in 1933 werden er aanzienlijke inspanningen gedaan om het volwassenenonderwijs te standaardiseren binnen het kader van het technisch onderwijs. In 1957 trokken wettelijke regelingen de aangeboden opleidingen en kwalificaties gelijk, waarbij 4 categorieën werden onderscheiden. Met een herclassificatie van het aanbod en de categorieën in 1967 (met telkens een 2-cycli structuur in SO - LSO en HSO - en HO - 1e en 2e graad). Het hoger OSP werd opnieuw hervormd door de Wet van 7 juli 1970 op het HO. Dit is nu het hoger onderwijs voor sociale promotie dat opleidingen hoger onderwijs korte type en hogere technische leergangen 2de graad aanbiedt. In het kader van de BAMA-hervormingen zal dit hoger onderwijs in de toekomst nog aan wijzigingen onderhevig zijn. www.eurydice.org

204


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) Door het decreet van 2 maart 1999 heeft het OSP de organisatorische structuur van het SO overgenomen en is het actief in de 2e en de 3e graad, en in beperkte mate in de 4e graad. Het talenonderwijs heeft een eigen rangschikking in richtgraden.

Schriftelijk onderwijs Het schriftelijk onderwijs ging in België van start in 1959 en werd door de Wet van 5 maart 1965 officieel erkend. Het decreet van 2 maart 1999 integreerde dit 'zelfgestuurd leren' gedeeltelijk in het deeltijds volwassenenonderwijs. Het Besluit van de Vlaamse Regering van 30 juni 2000 introduceerde de naam 'Begeleid Individueel Studeren'. De term 'Afstandsonderwijs' werd echter ook gebruikt. Maar tot het afstandsonderwijs hoorden naast het BIS ook het Open Hoger Onderwijs en de Open Universiteit.

Basiseducatie Bij het begin van de jaren '80 ontstonden in Vlaanderen binnen de sociaal-culturele sector tal van initiatieven met een educatief aanbod voor laaggeschoolde volwassenen. In 1985 startte de Vlaamse overheid met een 3-jarig experiment ' basiseducatie'. Op 12 juli 1990 werd het decreet voor de basiseducatie goedgekeurd dat op 1 september van datzelfde jaar operationeel werd. Dit decreet regelt onder meer de oprichting van 29 lokale centra, en 1 ondersteunings- en coördinatiecentrum VOCB, Vlaams Ondersteuningscentrum voor de basiseducatie. Het hevelde de bevoegdheid voor basiseducatie ook over naar de Minister van Onderwijs. Op 21 december 1994 keurde het Vlaams Parlement een eerste keer een aantal regelingen goed die het decreet van 12 juli 1990 wijzigden. De wijzigingen hadden betrekking op het scholingsniveau van de cursisten in de basiseducatie, de financieringstechniek en de functieomschrijvingen van het personeel in de centra. In 1996 werd een tweede decreetwijziging doorgevoerd (Besluit van de Vlaamse regering van 24 juli 1996) die als gevolg had dat de aanvankelijk opgerichte Raad voor Basiseducatie werd opgeheven en de opdrachten werden overgedragen aan de Raad voor Volwassenenonderwijs binnen de VLOR (Vlaamse Onderwijsraad). Op 2 maart 1999 werd een derde wijziging doorgevoerd, met als resultaat dat het administratief toezicht en de kwaliteitscontrole die aanvankelijk aan het VOCB waren toegewezen, nu worden opgenomen door het departement Onderwijs en Vorming zelf. Daartoe werden binnen de afdeling volwassenenonderwijs medewerkers belast met de beleidsvoorbereiding en –uitvoering voor de basiseducatie en werd de inspectieregeling van het volwassenenonderwijs ook uitgebreid tot de basiseducatie. Het Onderwijsdecreet XIV van 14 februari 2003 regelde de ontwikkelingsdoelen en de modulaire structuur van de opleidingen basiseducatie. Via de modulaire organisatie van het aanbod worden de opleidingen in de basiseducatie onderdeel van een algemene opleidingenstructuur en wordt de aansluiting op het volwassenenonderwijs beter gewaarborgd. Het eindniveau van de opleidingen basiseducatie met een equivalent in het leerplichtonderwijs is vergelijkbaar met het lager onderwijs of met de eerste graad van het secundair onderwijs.

7.1.2. VDAB – historiek Na 1945 werd op vraag van de regering, in functie van de ontwikkeling van het sociale zekerheidssysteem, een omvangrijk netwerk van centra uitgebouwd dat beroepsopleidingscursussen voor de secundaire en de tertiaire sector organiseerde voor de werkloze bevolking.

www.eurydice.org

205


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) De wet van 14 februari 1961 betreffende de economische expansie introduceerde niet enkel een nieuwe benaming, namelijk de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (RVA), maar voerde bovenal veranderingen inzake doelstellingen, inhoud en doelgroepen in. In het kader van de communautarisering werd in 1984 bij decreet de VDAB (Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding) opgericht, maar de uitvoering en bevoegdheidsoverdracht gebeurde eerst na de grondwetsherziening van 1988. De controle van de werkloosheid en de werkloosheidsuitkeringen bleven federale RVA-bevoegdheden. De arbeidsbemiddeling werd sinds 1989 overgedragen aan de gewesten, de beroepsopleiding is een gemeenschapsbevoegdheid: VDAB (Vlaanderen), FOREM (Waalse Gewest) en BGDA (Brussels Hoofdstedelijk Gewest). Zie http://www.vdab.be/ > over VDAB > geschiedenis H

H

In het kader van de reorganisatie van de Vlaamse administratie werd de VDAB door het decreet van 7 mei 2004 een extern verzelfstandigd agentschap EVA. Het beheer wordt uitgemaakt door de representatieve Vlaamse werkgevers- en werknemersorganisaties. De VDAB staat onder toezicht van de Vlaamse minister die werkgelegenheid in zijn bevoegdheid heeft. Zie 2.6.2.2.. Sinds 1 mei 2006 werkt de VDAB volgens een nieuwe structuur. ● ●

●

De VDAB blijft centraal aangestuurd. Alles wat met opleiding en competentieontwikkeling te maken heeft wordt ondergebracht onder een nieuwe directie competentiecentra. De regionale werking van de competentiecentra wordt provinciaal vertaald. De dienstverlening arbeidsbemiddeling, begeleiding en vacaturewerking, wordt ondergebracht bij de directie arbeidsmarktbeheer. Deze directie behoudt haar huidige regionale verankering.

7.1.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen - Historiek De oudste vorm van buitenschoolse beroepsopleiding vormt het systeem van leercontracten in de sector van de zelfstandige beroepen. Reeds in de vroege middeleeuwen ontwikkelden coöperatieve verenigingen en handelsgilden in steden als Brugge, Gent, Brussel en Antwerpen een systeem dat voorzag in de opleiding van leerlingen op de werkvloer, met een hiërarchische indeling in leerjongens, gezellen en meesters, samen met een raad voor ambachten of gilden die toezicht hield op de toelatingsvoorwaarden tot het beroep. Het was echter pas in 1906 dat een Ministerieel Besluit officieel 'leercontracten' vastlegde en een vergoeding uitkeerde aan werkgevers die jonge leerlingen in hun zaak opnamen. In 1947 werd een officieel kader opgesteld voor de opleiding en nascholing voor ambachtslieden en zelfstandigen. In 1959 werd een begeleiding door pedagogische adviseurs georganiseerd. Het KB van 4 oktober 1976 betreffende de voortdurende vorming van de middenstand, creëerde Instituten voor Voortdurende Vorming van de Middenstand (IVVM) en een Nationaal Coördinatie en Overlegcomité en legde de structuur van de opleiding vast. Na de staatshervorming van 1980 werd de middenstandvorming overgedragen aan de Gemeenschappen en werd de lijst van beroepen waarvoor in een leertijd en/of een opleiding tot ondernemingshoofd kan worden voorzien erkend door de minister van onderwijs. In Vlaanderen werd de bevoegdheid voor de vorming door het decreet van 23/1/1991 overgedragen aan een Vlaamse Openbare Instelling (VOI), nl. het Vlaams Instituut voor Zelfstandig Ondernemen (VIZO), Het had drie werkingsterreinen: bedrijfsadvies, opleiding en vormgeving. In 2002 reorganiseerden de 16 bestaande vormingscentra (met toen 22 lesplaatsen) zich tot 5 grote SYNTRAkoepels. www.eurydice.org

206


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) In het kader van de reorganisatie van de Vlaamse administratie – die per 1/1/2006 operationeel werd werden nieuwe Agentschappen gecreëerd. Het Vlaams Agentschap Ondernemen neemt de taken bedrijfsadvies en vormgeving van het VIZO over. Voor de opleiding zorgt voortaan een Vlaams Agentschap voor ondernemersvorming – SYNTRA Vlaanderen. SYNTRA Vlaanderen valt sindsdien onder de bevoegdheid van de Vlaamse minister die werkgelegenheid in zijn bevoegdheid heeft; dit is sinds 2004 de minister van Werk, Onderwijs en Vorming (zie 1.2.2. en 2.6.2.2.).

SYNTRA-Vlaanderen VDAB, Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding

7.1.4. Landbouwvorming - Historiek Het beroepsonderwijs gericht op de landbouwsector, was vroeger de bevoegdheid van de federale minister van Landbouw. Door de Bijzondere Wet van 8 augustus 1980 is het overgeheveld naar de Gemeenschappen.

7.1.5. Deeltijds kunstonderwijs DKO - historiek In het gewone, voltijds onderwijs wordt kunstonderwijs gegeven op niveau van het secundair, hoger en universitair onderwijs. Daarnaast bestaat apart deeltijds kunstonderwijs, gegroeid uit de kunstacademies waarvan vele werden opgericht in de 17e, 18e en 19e eeuw. In de jaren '70 van de 20e eeuw zorgde de toegenomen vrije tijd, democratisering en maatschappelijke participatie voor een sterke toename van volwassenen aan dit onderwijs. Het is een onderwijsvorm die traditioneel overwegend als gemeentelijk onderwijs werd uitgebouwd. Het kunstonderwijs voor sociaal-culturele promotie kreeg een eerste duidelijke structuur door de Koninklijke Besluiten van 5 en 12 augustus 1971. Het eerste KB bepaalde de volledige structuur (in 4 cycli) en organisatie. Het tweede KB herhaalde die structuur maar dan in een lichter lestijdenregime (het normale stelsel), in principe afgestemd op algemene kunstzinnige persoonlijkheidsontwikkeling. Het decreet van 31 juli 1990 reorganiseerde de structuur van het DKO ten gronde. Zo werd de eigen structuur met graden en opties van elke studierichting in het DKO vastgelegd. Het werd echter nog gedefinieerd als complementair aan het leerplichtonderwijs. In 2001 werd de afstemming op de leerbehoeften van steeds meer uiteenlopende groepen van participanten in het licht van levenslang leren verbeterd, door het creëren van flexibelere leertrajecten en een meer gedifferentieerd en geactualiseerd studieaanbod. Tevens werd de autonomie voor directies, leerkrachten en schoolbestuur vergroot. Vanaf september 2000 heeft de inspectie het nieuwe doorlichtingsinstrument volgens het CIPO-model toegepast.

www.eurydice.org

207


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

7.1.6. Sociaal-cultureel volwassenenwerk Historiek Het sociaal-cultureel volwassenenwerk (vroeger: volksopvoeding, volksverheffing, volksontwikkeling, vormings- en ontwikkelingswerk) heeft zijn wortels in de periode van de Verlichting. Het (liberale) Willemsfonds (1851) en het (katholieke) Davidsfonds (1875) worden beschouwd als de eerste volksontwikkelingsinitiatieven, waarop ook andere sociale ontvoogdingsbewegingen inhaakten. Het kende een grote (maar levensbeschouwelijk en ideologisch verzuilde) expansie in de tweede helft van de 20ste eeuw. Daarom werd in 1967 een betere subsidieregeling voor nationale en regionale volksontwikkelingsorganisaties van kracht en werden in de periode '75- '85 bestaande en nieuwe werksoorten erkend en gesubsidiëerd door een hele reeks nieuwe afzonderlijke decreten. In 1995 werd een herordening van het terrein doorgevoerd door de verschillende werksoorten onder te brengen in drie nieuwe decreten, met name voor verenigingen, vormingsinstellingen en diensten. De ontzuiling van het werkveld leidde eind 1999 tot de beslissing te stoppen met subsidiëring van de koepels vanaf 1 januari 2001. In 2000 hebben de koepels samen de FOV, Federatie van Organisaties voor Volksontwikkelingswerk opgericht die de belangenbehartigende taak van de koepels heeft overgenomen. Nagenoeg alle erkende organisaties zijn daar nu lid van. De FOV wordt daarvoor gesubsidieerd door de Vlaamse overheid, à rato van het aantal aangesloten leden. Een aantal koepelmedewerkers werd overgeheveld naar diverse steunpunten, o.m. het VCVO, dat voorjaar 2001 werd omgedoopt tot SoCiuS. ● ●

Steunpunt Socius: http://www.socius.be FOV: http://www.fov.be/ H

H

In 2003 kwam een geïntegreerde wetgeving tot stand; één decreet met 3 luiken: voor sociaal-culturele verenigingen, voor bewegingen en voor vormingsinstellingen (regionale volkshogescholen en landelijke vormingsinstellingen). Dit decreet van 4 april 2003 regelt ook de erkenning en subsidiëring van één steunpunt voor het sociaal-cultureel volwassenenwerk (SoCiuS). In het kader van het project 'Beter Bestuurlijk Beleid' is de administratie geherstructureerd (zie 1.2.2.). Sinds 1 april 2006 is binnen het Vlaams ministerie van Cultuur, Jeugd, Sport en Media, het Departement Cultuur, Jeugd, Sport en Media verantwoordelijk voor de voorbereiding, de opvolging en de evaluatie van het beleid, het Agentschap Sociaal-cultureel werk voor Jeugd en Volwassenen voor de uitvoering van het beleid inzake sociaal-cultureel volwassenenwerk, jeugdwerk, amateurskunsten en lokaal cultuurbeleid.

FOV, Federatie van Organisaties voor Volksontwikkelingswerk Socius, Steunpunt voor Sociaalcultureel Volwassenenwerk

7.2. Actuele discussies en toekomstige ontwikkelingen Elk stelsel van permanente vorming heeft zijn eigen wetgevend kader (zie 7.3.). Er worden echter verschillende initiatieven genomen om tot een meer geïntegreerd beleid te komen. De gecombineerde bevoegdheid van de huidige Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming en ministeriële samenwerking dragen daartoe bij.

www.eurydice.org

208


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

7.2.0.1. De uitbouw van een geïntegreerd onderwijs- en vormingsbeleid Vanuit de bevoegdheden werk, onderwijs en vorming willen de ministers Frank Vandenbroucke en Bert Anciaux de structurele basis versterken voor het uitbouwen van een geïntegreerd onderwijs- en vormingsbeleid, dat gericht is op het stimuleren van levenslang en levensbreed leren, en op het versterken van de aansluiting tussen enerzijds onderwijs, opleiding en vorming en anderzijds de arbeidsmarkt. Op 25 februari 2005 keurde de Vlaamse Regering op voorstel van vice-ministerpresident Frank Vandenbroucke en van Vlaams minister Bert Anciaux, een nieuwe drieledige structuur goed voor levenslang leren. ●

● ●

De beleidsbepaling gebeurt door het Ministerieel Comité Onderwijs, Vorming, Werk en Cultuur. Hierin zetelen de minister van Werk, Onderwijs en Vorming en de minister van Cultuur. De hoofdbevoegdheid voor het geïntegreerde beleid ligt bij de Minister van Werk, Onderwijs en Vorming. De minister van Cultuur heeft eveneens een bevoegdheid op het vlak van vorming, meer bepaald in zake sociaal-cultureel werk. De beleidsondersteuning gebeurt door een, nieuw op te richten, interdepartementale structuur. De departementen Onderwijs en Vorming, Werk en Cultuur zijn daarbij betrokken. De beleidsuitvoering gebeurt in eerste instantie door DIVA, voor de volwasseneneducatie, en door de Regionale Technologische Centra (RTC), voor de lokale afstemming tussen onderwijs en arbeidsmarkt.

Prioritaire beleidsacties voor de interdepartementale stuurgroep zijn: ●

Beleid ontwikkelen voor een eenduidige en vlotte kwalificatie en certificering

○ Opmaak en toepassen van een kwalificatiestructuur. ○ Valorisatie van elders verworven competenties (EVC) uit zowel niet-formele als formele leeromgevingen: o.a. verdere uitvoering geven aan het decreet titel van Beroepsbekwaamheid en afstemming met de werkprocedures die hiervoor worden ontwikkeld, mogelijkheden en knelpunten onderzoeken bij de afstemming tussen standaarden en beroepsgerichte specifieke eindtermen, stimuleringsbeleid EVC ontwikkelen (Europass, ECVET, …).

○ Regie en monitoring van de opleidingsmarkt: uitwerken van een

●

kwaliteitswaarborgingssysteem voor de opleidings-en vormingsmarkt, bepalen van prioriteiten in instrumentontwikkeling (bv. uitbreiding van de wordwatjewil-databank naar de bredere opleidingsmarkt). Garanderen van werkervaring

○ Centra leren en werken: ontwikkeling van concept en structuur, opvolgen van het implementatieplan en de effecten.

○ Werkplekleren: vereenvoudigen van de systemen en ontwikkelen van een beleid voor kwaliteitsverbetering van de stages, stagedatabank, ontwikkelen van een faciliterend beleid rond de organisatie van leerkrachten- en opleiderstages in het beroepsgericht onderwijs en vorming.

○ Het ontwikkelen van een gericht beleid rond de sectorconvenants en een ●

nauwgezette opvolging ervan. Realiseren van afstemming tussen de actoren betrokken bij de relatie tussen enerzijds onderwijs, vorming, opleiding en anderzijds arbeidsmarkt

○ Coördinatie en opvolging van het plan geletterdheid: stimuleren van geletterdheidtraining op de werkvloer, screeningsinstrument voor geletterdheid van werkzoekenden, sensibiliseringscampagne.

○ Coördinatie en opvolging van het strategisch plan hulp- en dienstverlening gedetineerden (luik onderwijs en vorming).

○ Stimuleringsbeleid levenslang en levensbreed leren, inclusief marketing, lokale partnerschappen, leerwinkels (werkwinkels en bibliotheken), communicatie en sensibilisatiecampagnes (bepalen van accenten, doelgroepen, prioriteiten, prijszetting, budget), regionale partnerschappen. www.eurydice.org

209


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

○ Bepaling van beleidsprioriteiten in de afstemming tussen de publieke opleidingsverstrekkers voor het uitwerken van een transparant en behoeftedekkend aanbod.

○ Een beleid ontwikkelen rond deskundigheidsbevordering van de opleiders (opvolgen van het experiment 'opleiding van opleiders').

○ Een beleid ontwikkelen rond contractonderwijs- en opleiding. ○ Uitbouwen van een beleid voor vormings- en loopbaanbegeleiding. ○ Een beleid voor de flexibilisering van de leertrajecten ontwikkelen: modulaire opleidingen, gecombineerde opleiding. Het beleidsdocument "Naar een geïntegreerd beleid voor onderwijs, vorming en werk: organisatie en acties" is te raadplegen op de website van DIVA, onder documenten, zie http://diva-vlaanderen.be H

7.2.0.2. Naar een nieuw decreet op het volwassenenonderwijs Eind 2006 werd het ontwerpdecreet ter hervorming van het volwassenenonderwijs door de regering goedgekeurd. De objectieven van het volwassenenonderwijs worden verfijnd en uitgebreid met: ● ● ●

● ●

● ●

Het inrichten van TKO, tweedekansonderwijs of diplomatrajecten op het niveau van secundair onderwijs (voorbereidend op examens ASO, TSO, BSO). Het inrichten van basiseducatie (met meer doorstroming van cursisten naar OSP). Het inrichten van beroepsopleidingen, bijscholing en omscholing op het niveau van het secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs (niveau tussen secundair en hoger onderwijs) (bij elk diploma of certificaat zou een soort van 'onderhoudscontract' voor permanente bijscholing moeten worden meegegeven). Intake en individuele trajectbegeleiding. Doelgroepenbeleid (zowel op vlak van aanbod als op vlak van didactische en pedagogische benadering); ook inclusief of geïntegreerd onderwijs zou een plaats moeten krijgen binnen het volwassenenonderwijs. De erkenning van EVC's, Eerder Verworven Competenties (de 'titel van beroepsbekwaamheid', voortaan het ervaringsbewijs, is daar al een aanzet toe (zie 7.2.0.4.). Het fungeren als regionale examencommissie.

De hervorming voorziet de afbakening van 13 regio’s waarbinnen de instellingen voor volwassenenonderwijs en basiseducatie nauw samenwerken. Voor de regionale samenwerking worden consortia opgericht met een eigen werkingsbudget. Per consortium zal er 1 Centrum voor Basiseducatie zijn. De integratie heeft ook onderwijskundige gevolgen. Zo zullen er voortaan ook eindtermen gelden voor basiseducatie. De CVO’s en CBE’s zullen ook afspraken maken met andere opleidingenverstrekkers binnen de regio, zodat cursisten makkelijker kunnen doorstromen tussen de verstrekkers. Ze zullen ook regionaal afspreken hoe ze verworven competenties zullen erkennen en hoe werken en leren gecombineerd kunnen worden. Dat moet cursisten toelaten om vlotter in te stappen in opleidingen en over te stappen tussen instellingen. Voor de CVO's, Centra voor volwassenenonderwijs, het nieuwe steunpunt en de nieuwe consortia zal de hervorming op 1/1/2007 starten, voor de CBE's, Centra voor basiseducatie op 1/9/2008. De financiering zal gebeuren op basis van 3 parameters: het aantal uur les dat cursisten gevolgd hebben, het aantal uur leerkracht en de groepsgrootte. Tegelijk krijgen de centra tussen de 10 en 15 miljoen euro extra werkingsmiddelen (gemiddeld 120.000 euro per CVO), deels gefinancierd door een verhoging van de inschrijvingsgelden. Het budget voor volwassenenonderwijs zoals in de begroting voorzien zal de volgende jaren stijgen van 291 miljoen euro in 2007 naar 308 miljoen euro in 2009. Door de verhoging van de inschrijvingsgelden stijgen de werkingsmiddelen van de centra voor volwassenenonderwijs nog eens met 14 miljoen euro. Dat stemt overeen met 120.000 euro gemiddeld per centrum. www.eurydice.org

210


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

De nieuwe berekening van de inschrijvingsgelden voorziet voortaan een standaardtarief van 1 euro per uur (vroeger was het 0,39 à 0,78 euro). Kwetsbare groepen worden echter beschermd: zo moeten leefloners helemaal niets betalen, werkzoekenden betalen in principe 0,25 euro per uur. Deze kost wordt echter overgenomen door de VDAB als de opleiding past in een erkend traject naar werk. Cursisten die een lange opleiding afwerken zullen bovendien een premie krijgen, die de inschrijvingsgelden geheel of gedeeltelijk dekt. Voor opleidingen in het Hoger Beroepsonderwijs zal er met een maximum plafond aan inschrijvingsgelden gewerkt worden. En werknemers kunnen nog steeds de helft van de inschrijvingskost betalen met opleidingscheques. De personeelsregelgeving in de basiseducatie wordt binnen een onderwijskader gebracht. Daarvoor wordt tegelijkertijd gewerkt aan een nieuwe syndicale structuur voor deze sector. De personeelsregelgeving voor de centra voor volwassenenonderwijs wijzigt beperkt. Zo wordt deze personeelsregelgeving aangepast aan het modulaire onderwijssysteem. Ook worden de salarisschalen vereenvoudigd en wordt functiedifferentiatie mogelijk. Zoals afgesproken in cao VIII komt er ook extra administratieve omkadering voor het volwassenenonderwijs. De toekomstige opleidingenstructuur wordt volledig modulair. De combinatie van meerdere modules binnen een goedgekeurd leertraject vormt een opleiding. Een module bevat een zinvol en coherent geheel van eindtermen, specifieke eindtermen of basiscompetenties. Elke module wordt bekroond met een deelcertificaat. Deelcertificaten kunnen per opleiding kunnen gekapitaliseerd worden tot certificaten, die (wellicht) worden opgenomen in een overkoepelende kwalificatiestructuur. Binnen de beroepsopleidingen moet elk uitgereikt certificaat minstens toegang geven tot één beroep. Het decreet voorziet ook in meer mogelijkheden tot combinatie van onderwijs met werk en/of gezin, erkenning van eerder verworven competenties, betere afstemming van de opleidingen in functie van vlottere doorstroming, individuele begeleiding en aandacht voor doelgroepen als gedetineerden. Alle centra moeten voortaan 5% van de werkingsmiddelen investeren in een beleid dat gericht is op kwaliteitszorg. Ze zullen daarbij ondersteund worden door een VOCVO, Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs dat kennis over methodieken en didactiek in het volwassenenonderwijs zal verzamelen en verspreiden, onder meer via navorming voor leerkrachten. Het steunpunt moet ook afstandsleren stimuleren en de uitvoering van het Plan Geletterdheid coördineren. Per consortium zal ook een ombudsdienst voor cursisten worden opgericht. Er zal ook een 'HBO, Hoger Beroepsonderwijs' worden ingericht. Hieronder worden alle beroepsgerichte opleidingen begrepen tussen secundair onderwijs en de professionele bachelor. Geslaagde cursisten moeten ook de mogelijkheid krijgen om via een brugprogramma een professionele bachelor te verwerven. Het Hoger Beroepsonderwijs zal in de toekomst ook door scholen van het secundair onderwijs en instellingen hoger onderwijs kunnen aangeboden worden. In het voorjaar van 2007 zal hierover een conceptnota voor een apart decreet voorgesteld worden. http://www.ond.vlaanderen.be/nieuws/2006p/1201-hervorming-volwassenenonderwijs.htm H

7.2.0.3. Strategisch Plan Geletterdheid Eind juni 2005 heeft de Vlaamse Regering een 'Strategisch Plan Geletterdheid' goedgekeurd. Het bevat 35 acties waarin heel wat partners betrokken worden: de opleidingenverstrekkers (VDAB, SYNTRA, Centra voor Basiseducatie (CBE's) en Centra voor Volwassenenonderwijs en het leerplichtonderwijs), de werkgevers en werknemers en welzijnsorganisaties. Er zijn 10 doelstellingen geformuleerd: ●

Een operationele definitie van geletterdheid uitwerken op basis van inzichten uit relevant internationaal onderzoek (IALS, Life Skills, referentiekader Nederlandse Taalunie, referentiekader Raad van Europa). Deze operationele definitie moet toelaten het gebruik van screeningsinstrumenten te richten naar de prioritaire groepen. www.eurydice.org

211


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) ●

● ● ●

●

Een quickscaninstrument toepassen voor detectie van geletterdheidrisico bij werkzoekenden (ontwikkeld door het VOCB en de VDAB) en een instrument implementeren voor plaatsing cursisten in leertrajecten in de Centra voor Basiseducatie. Een instrument voor diepgaande screening van geletterdheid ontwikkelen, te gebruiken voor plaatsing in onderwijs en vorming en in het lokaal of regionaal sociaal beleid. Bestaande instrumenten in het werkgelegenheidbeleid en de financiële mogelijkheden van Europese programma's en acties voor kansengroepen meer optimaal aanwenden. Geïntegreerde opleidingstrajecten uitbouwen rekening houdende met het geletterdheidniveau van de cursist. Met nog meer samenwerking tussen de Centra voor Basiseducatie (CBE's) en de beroepsopleidingen van o.m. OSP, ondernemersvorming (SYNTRA) en VDAB. Stimuleren op vlak van welzijn en sociaal-cultureel werk.

○ Doelstellingen en acties van het plan geletterdheid opnemen in het Vlaams actieplan armoedebestrijding.

○ Ervaringsdeskundigen in armoede en sociale uitsluiting inschakelen in acties en projecten.

○ Laagdrempelige initiatieven stimuleren. ○ Organisaties in het sociaalculturele werk stimuleren tot aandacht voor geletterdheid en de mogelijkheden van een geïntegreerde aanpak.

○ Geletterdheidtraining integreren in nieuw uit te werken initiatieven voor ●

● ● ●

kansengroepen in het sociaal-cultureel werk. Het onderwijsaanbod in de basiseducatie flexibiliseren en optimaliseren, met verhoging van het rendement, en het cultuurverschil tussen de Centra voor Basiseducatie (CBE's) en de andere opleidingenverstrekkers verkleinen. Grotere aandacht voor het geletterdheidprobleem in de lerarenopleiding. De mogelijkheden van het alternerend leren en de bedrijfsstages aanwenden voor geletterdheidtraining. De acties differentiëren naar de verschillende (risico)doelgroepen die de IALS studie aanwijst: jonge schoolverlaters, langdurig werklozen, senioren, kansarmen. Schoolprojecten opzetten in het leerplicht onderwijs en lokale overlegplatforms (in het kader van het GOK-decreet) zo mogelijk inzetten voor gecoördineerde acties. Communicatie- en sensibiliseringsacties opzetten naar het brede publiek en naar de verschillende actoren die met het geletterdheidprobleem geconfronteerd worden gekoppeld aan de algemene sensibilisering in verband met levenslang leren.

7.2.0.4. Ervaringsbewijzen (de vroegere 'titels van beroepsbekwaamheid') De regering wil meer mensen 'titels van beroepsbekwaamheid' laten verwerven. Met deze titel kunnen mensen officieel bewijzen dat ze hun beroep helemaal onder de knie hebben. Ook al hebben ze het niet op de schoolbanken geleerd. ●

● ●

De titel van beroepsbekwaamheid is het bewijs uitgereikt door een bevoegde instantie nadat een procedure van herkenning, beoordeling en erkenning heeft plaatsgevonden waarbij vastgesteld werd dat de betrokken persoon beschikt over de ten aanzien van een bepaald beroep of deelberoep vastgelegde competenties. Wordt als een titel van beroepsbekwaamheid beschouwd : elk erkend studiebewijs dat de ten aanzien van een bepaald beroep of deelberoep vastgelegde competenties omvat. Diploma's, mede afgeleverd op grond van het voldoen aan de specifieke eindtermen die ontwikkeld werden uit een bepaald beroepsprofiel, worden te allen tijde geacht ten minste de ten aanzien van het betrokken beroep of deelberoep vastgelegde competenties te omvatten.

Onder de voorwaarden door de Vlaamse Regering bepaald wordt de titel van beroepsbekwaamheid in aanmerking genomen wanneer de betrokken persoon zich inschrijft voor een opleiding of vorming of als werkzoekende bij de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding. www.eurydice.org

212


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) Er worden extra financiële middelen vrijgemaakt voor het ontwikkelen van standaarden die de basis vormen voor de titels, en voor de werking van de beoordelingsinstanties. Dit laat toe om de deelnamekost voor de kandidaten sterk te beperken. Voor werknemers zullen de kosten 100 euro bedragen (voor de helft betaalbaar met opleidingscheques). Voor zelfstandigen is het 50 euro. Werknemers en zelfstandigen uit kansengroepen betalen telkens de helft. Werkzoekenden en deeltijds leerplichtigen hoeven niets te betalen. In 2006 werden de eerste Ervaringsbewijzen uitgereikt. Deze laten mensen toe hun competenties, waar ook verworven, te verzilveren. Ook mensen die geen diploma hebben kunnen hun beroepservaring op die manier valoriseren. Momenteel bestaat het Ervaringsbewijs voor zes beroepen: autobus- en autocarchauffeur, begeleider buitenschoolse kinderopvang, callcenter operator, industriële schilder en torenkraanbestuurder. De testcentra die werden aangeduid voor het afnemen van de proeven verwachten dat nog voor het einde van het jaar 200 mensen gescreend kunnen worden. Begin 2007 starten er ook testcentra voor kapper, kapper-salonbeheerder, verhuizerinpakker en verhuizer-drager. Kandidaten moeten in een gesprek en een praktische proef aantonen dat zij bepaalde vaardigheden onder de knie hebben. Wie geïnteresseerd is om een Ervaringsbewijs te behalen, kan een afspraak maken met een erkend testcentrum. Zie http://www.ervaringsbewijs.be H

Relevante wetgeving ●

Besluit van de Vlaamse Regering van 25 november 2005 tot bepaling van de beroepen waarvoor een titel van beroepsbekwaamheid kan worden uitgereikt (B.S. 29/12/2005). Besluit van de Vlaamse Regering van 23 september 2005 tot uitvoering van het decreet van 30 april 2004 betreffende het verwerven van een titel van beroepsbekwaamheid (B.S. 30/11/2005). Decreet van 30 april 2004 betreffende het verwerven van een titel van beroepsbekwaamheid (B.S. 26/11/2004). H

H

●

H

H

●

H

H

7.2.0.5. DIVA (Dienst informatie, vorming en afstemming) DIVA is opgericht op 31 maart 2003 en gegroeid uit de vroegere Edufora. In de nieuwe drieledige structuur voor levenslang leren, goedgekeurd op 25 februari 2005 (beleidsbepaling, -ondersteuning en -uitvoering, zie 7.2.0.1.), werd het takenpakket beperkt tot beleidsuitvoering. De nieuwe DIVA heeft het karakter gekregen van een vzw-structuur, waarin de VDAB, SYNTRA Vlaanderen, SoCiuS, CBE's en de onderwijskoepels volwassenenonderwijs zetelen. Met het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap is in 2006 een samenwerkingsovereenkomst afgesloten voor 4 jaar, waarin een jaarlijkse werkingssubsidie is vastgelegd. DIVA legt jaarlijks een jaarverslag voor aan het Ministerieel Comité Onderwijs, Vorming en Werk, bestaande uit de minister van Werk, Onderwijs en Vorming en de minister van Cultuur. De opdracht van de nieuwe structuur DIVA vzw is het realiseren van afstemming en samenwerking tussen de publieke opleidingenverstrekkers, met het oog op een verhoging van de participatie van volwassenen aan levenslang en levensbreed leren, door meer transparantie, efficiëntie en sensibilisatie. Zie ook 2.6.2.5.3. en http://diva-vlaanderen.be H

Lopende projecten ● ●

●

De vormingsdatabank http://www.wordwatjewil.be. Het stageforum L-wordwatjewil, een databank die informatie-uitwisseling mogelijk maakt tussen stageen leerwerkplaatszoekers (leerlingen, cursisten en werkzoekenden) en aanbieders (werkgevers); http://www.stageforum.be. Edubell, een methodologie (uitgewerkt door het Centrum voor Sociale en Beroepspedagogiek van de K.U.Leuven) voor de regionale detectie van educatieve behoeften aan levenslang en levensbreed leren; het project is beëindigd voor DIVA maar de resultaten worden nu geëvalueerd; zie H

H

○ http://ppw.kuleuven.be/csbp/WatisEDUBELL.PDF ○ http://www.socius.be/modules/indexnews_article.php?rubriek=6&article=1230. H

www.eurydice.org

213


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) ●

Europass, in de DIVA is in 2006 het NEC, Nationaal Europass Centrum voor Vlaanderen gestart; zie 11.4.2.4. en http://www5.vdab.be/vdab/online/europass/. Een project over e-leren uittekenen. De OOV, Opleiding voor Opleiders van Volwassenen promoten. In samenwerking met de VDAB komen tot een ontwikkel- en ervaringsplatform voor beoordelingsinstanties EVC, Erkenning Verworven Competenties in functie van het uitreiken van Ervaringsbewijzen (zie 7.2.0.4.). Het becijferen van de participatie van niet-werkende werkzoekenden aan het opleidingsaanbod; Sensibilisatie-actie naar opleiders, begeleiders en intermediairen voor het SPG, Strategisch Plan Geletterdheid (zie 7.2.0.3.). H

● ● ●

● ●

H

Voor de implementatie van het Europese 'Levenslang Leren Programma 2007-2013 (LLP, Lifelong Learning Programme)' zorgt de vzw EPOS, de opvolger van het Vlaams Leonardo Da Vinci Agentschap en het Vlaams Socrates Agentschap, zie 11.4.2.4..

7.2.0.6. 'Huizen van het Nederlands' als draaischijven voor Nederlands als 2e taal Sinds november 2002 brengen 7 experimentele 'Huizen van het Nederlands' het volledige aanbod Nederlands Tweede taal (NT2) in hun werkingsgebied in kaart, evenals de noden van anderstaligen op zoek naar een cursus. Na een professionele en eenvormige intakeprocedure, oriënteren zij de anderstaligen naar het meest geschikte cursusaanbod Nederlands. Dankzij een speciaal hiertoe ontwikkeld cursistenregistratiesysteem informeren zij de overheid over de bestaande behoeften, eventuele wachtlijsten, doorstroming en uitval. Alle Centra voor Basiseducatie, Centra voor Volwassenenonderwijs, VDAB-centra, Syntra, universitaire talencentra, provinciale overheden, de Vlaamse Gemeenschapscommissie en de stedelijke overheden van Antwerpen en Gent zetelen als partners in de Huizen van het Nederlands. In 2005 werd hun werking wettelijk verankerd en het aantal uitgebreid tot 8. In elke provincie is er nu een Huis, alsook in de steden Antwerpen, Brussel en Gent. Daarmee zijn de huizen net zo verspreid als de onthaalbureaus (voor immigranten) waarmee ze nauw zullen samenwerken voor de inburgering van anderstalige nieuwkomers. Een Huis van het Nederlands kan slechts worden erkend en gesubsidieerd indien het wordt ingericht onder de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk. De doelstelling is het optimaliseren van de dienstverlening t.a.v. anderstaligen die aan de voltijdse leerplicht voldaan hebben en die Nederlands willen leren gericht op sociale, professionele of educatieve redzaamheid. Relevante wetgeving ● ● ●

Decreet van 7 mei 2004 betreffende de Huizen van het Nederlands (B.S.19/11/2004). Besluit van de Vlaamse regering van 24 juni 2005 (houdende inwerkingtreding van het decreet van 7 mei 2004 betreffende de Huizen van het Nederlands (B.S. 20/07/2005). Besluit van de Vlaamse regering van 22 juli 2005 betreffende de Huizen van het Nederlands (B.S. 16/09/2005).

http://www.ond.vlaanderen.be/permanente_vorming/huizen.htm H

Referenties

DIVA, Dienst Informatie Vorming en Afstemming EPOS, Leonardo Da Vinci Examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap voor het voltijds secundair onderwijs Huizen van het Nederlands www.eurydice.org

214


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) BVR tot bepaling van de beroepen waarvoor een titel van beroepsbekwaamheid kan worden uitgereikt BVR tot uitvoering van het decreet van 30 april 2004 betreffende het verwerven van een titel van beroepsbekwaamheid Decreet van 30 april 2004 betreffende het verwerven van een titel van beroepsbekwaamheid

7.2.1. Volwassenenonderwijs – actuele discussies en nieuwe ontwikkelingen Er is een nieuw ontwerpdecreet voor het volwassenenonderwijs goedgekeurd door de regering dat het OSP vanaf 1 september 2007 grondig zal hervormen (zie 7.2.0.2.). Lesgevers aan volwassenen kunnen vanaf het schooljaar 2006-2007 een specifieke opleiding volgen, die gedurende 2 jaren in 6 proefprojecten wordt uitgetest. De opleiding telt 280 lestijden, waarvan 120 praktijk. Cursisten die het opleidingstraject volledig doorlopen krijgen een certificaat Opleiding voor Opleiders van Volwassenen. De opleiding wordt gegeven door CVO's met een GPBaanbod (Getuigschrift Pedagogische Bekwaamheid zie 8.1.8.). De DIVA (7.2.0.5.) zorgt voor de promotie. Vanaf 16 april 2007 stopt het ministerie met nieuwe inschrijvingen voor de schriftelijke cursussen, met uitzondering voor studenten die zich voorbereiden op een centraal examen en gedetineerden. In de conceptnota voor het nieuwe decreet wordt de onlinedienstverlening doorgeschoven naar het geplande VOCVO, Vlaams Ondersteuningscentrum voor heel het Volwassenenonderwijs. Dat zal moeten instaan voor het terbeschikkingstellen van een elektronische leeromgeving. De cursusontwikkeling van BIS, zowel schriftelijk als elektronisch, zal in het VOCVO worden geïntegreerd. Het kan dan uitgroeien tot een expertisecentrum voor de CVO's voor e-leren. Inzake basiseducatie lopen verschillende ontwikkelingsprojecten. ●

Een project van samenwerking met het sociaal-cultureel vormingswerk, meer bepaald de volkshogescholen (Vormingplus-centra). Deze samenwerking tussen VOCB en SoCius kadert binnen de doelstellingen van het Strategisch Plan Geletterdheid (van de Vlaamse regering) (zie 7.2.0.3.), de beleidsopties van het departement Onderwijs en Vorming, waarbij veel nadruk gelegd wordt op het levensbrede leren, en de beleidsopties van het departement Cultuur, waarbij volkshogescholen zich uitdrukkelijk ook tot kansengroepen moeten wenden. Een project rond het gebruik van eenvoudige taal (inz. kranten in een eenvoudige taal), binnen het kader van het Europees project Grundtvig Vlaanderen (GRU 2: European Learning Partnership on easy-to-read and plain language). Een project rond sleutelcompetenties, meer bepaald het evalueren van 'eigen leren en presteren verbeteren', 'omgaan met problemen' en 'omgaan met numerieke gegevens'. Een project ter verbetering van de doorstroming van cursisten uit de basiseducatie naar de centra voor volwasseneneducatie. Een samenwerkingsovereenkomst tussen Federatie Centra Basiseducatie, VOCB en VDAB voor de screening van werkzoekenden op hun geletterdheid. VDAB brengt in 2007 na screening 4 000 laaggeletterde werkzoekenden in contact met de basiseducatie. Deze overeenkomst is tot stand gekomen in het kader van het Plan Geletterdheid van de Vlaamse Regering. Het VOCB en het Vlaams Netwerk Armoede zetten in overleg een actie op om via de armenverenigingen meer kansarme laaggeletterden te bereiken. De verdere implementering en evaluatie van de modulaire opleidingen is een belangrijk actueel aandachtspunt. Via de activiteiten van vakgroepen wordt de implementering van de modulaire opleidingen inhoudelijk ondersteund. De inspectie volwassenenonderwijs is in september 2004 gestart met een kwalitatief onderzoek naar de organisatie van de modulaire opleidingen in de CBE's, Centra voor Basiseducatie. In overleg tussen de onderwijsoverheid H

●

● ● ●

● ●

H

www.eurydice.org

215


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) en de sector van de basiseducatie worden initiatieven ontwikkeld om de modulaire trajecten van de basiseducatie verder te flexibiliseren. Eind 2006 werd het ontwerpdecreet ter hervorming van het volwassenenonderwijs door de regering goedgekeurd. De hervorming voorziet de afbakening van 13 regio’s waarbinnen de instellingen voor volwassenenonderwijs en basiseducatie nauw samenwerken. Voor de regionale samenwerking worden consortia opgericht met een eigen werkingsbudget. Per consortium zal er 1 Centrum voor Basiseducatie zijn. De integratie heeft ook onderwijskundige gevolgen. Zo zullen er voortaan ook eindtermen gelden voor basiseducatie. De CVO’s en CBE’s zullen ook afspraken maken met andere opleidingverstrekkers binnen de regio, zodat cursisten makkelijker kunnen doorstromen tussen de verstrekkers. Ze zullen ook regionaal afspreken hoe ze verworven competenties zullen erkennen en hoe werken en leren gecombineerd kan worden. Dat moet cursisten toelaten om vlotter in te stappen in opleidingen en over te stappen tussen instellingen. Voor de Centra voor basiseducatie zal de hervorming starten op 1/9/2008. Zie verder 7.2.0.2. In de Onderwijs-CAO VIII, afgesloten op 5/10/2006, wordt het erkenningsvolume van de CBE's m.b.t. de uitbreiding van het Plan Geletterdheid, in de jaren 2006 tot en met 2009 jaarlijks verhoogd met 5 %.

7.2.2. Beroepsopleiding VDAB - actuele discussies en nieuwe ontwikkelingen De beheersovereenkomst en het meerjarenondernemingsplan van VDAB voor de periode 2005-2009 omvat voor de beroepsopleiding onder meer de volgende ontwikkelingen. Na een experimentele start in 2002 en de omvorming van de VDAB-centra voor beroepsopleiding in competentiecentra in 2003 worden deze centra als belangrijke pijler van de VDAB-dienstverlening geconsolideerd. De uitbouw van de competentiecentra sluit aan bij de Vlaamse en Europese doelstellingen van een Leven Lang Leren om alle actieven op de arbeidsmarkt te begeleiden en hen kansen te geven om competenties te verwerven. De gekende vaktechnische opleiding (competentieontwikkeling) werd in deze competentiecentra aldus aangevuld met informatie over de arbeidsmarkt (infotheken), loopbaanbegeleiding, gespecialiseerde screening en certificering van competenties. Met zijn competentiebeleid wil VDAB werkzoekenden en werknemers laten 'evolueren' in functie van hun elders verworven competenties en hun competenties toetsen aan competenties die in een vacature worden gevraagd. De sectorale aansturing en inbedding van deze centra moet borg staan voor een nauwe aansluiting van het competentie- en opleidingsbeleid bij de sectorale ontwikkelingen. De verdere ontwikkeling van de VDAB-competentiecentra gebeurt volgens de volgende krachtlijnen: ● ● ● ● ● ●

nauwere en gestructureerde samenwerking met sectoren; gecoördineerde uitvoering van de afspraken voortvloeiende uit de sectorconvenanten; zich inschakelen in de uitvoering van het decreet " titels van beroepsbekwaamheid" en in de ruimere EVC-procedures; integratie van de opleiding basisvaardigheden ICT; afstemming met de andere publieke opleidingsactoren en onderwijsinstellingen via de DIVA; uitbouw van virtuele dienstverlening en mengvormen van leren en leermethodes ter flexibilisering van de leerpaden in functie van talentontwikkeling in de professionele loopbaan.

Ingevolge de beheersovereenkomst moet de VDAB een oververtegenwoordiging van de volgende kansengroepen in zijn aanbod bereiken: allochtonen, arbeidsgehandicapten, ouderen, kortgeschoolden. Dit impliceert dat de competentiecentra hun processen op methodologisch vlak aan deze nieuwe klanten zullen aanpassen met focus op een gepaste kanalenmix. Nagestreefde innovaties houden o.a. in multiculturele leeromgevingen creëren d.m.v. zelfcoachende cursistenteams, remediërende opleidingen voor volwassenen met leerproblemen, expertise-opbouw inzake cultuurneutraal test- en leermateriaal. www.eurydice.org 216


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) In het kader van het meerjarenbanenplan investeert de Vlaamse Regering extra middelen voor de begeleiding van langdurig werkzoekenden met een ernstige medische, mentale, psychische en/of psychiatrische problematiek (MMPP problematiek) teneinde hen in te kunnen schakelen in het Normaal Economisch Circuit, beschermd circuit of arbeidszorg. Vanaf 1 maart 2007 doet de VDAB door 'Tendering activeringsbegeleiding' beroep op niet-commerciële en commerciële begeleidingsorganisaties om deze begeleiding te realiseren.

7.2.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen - actuele discussies en nieuwe ontwikkelingen Zie de nieuwe doelstellingen voor SYNTRA Vlaanderen 7.4.3..

7.2.4. Landbouwvorming - actuele tendensen De centra voor landbouwvorming worden gestimuleerd tot het ontwikkelen van innovatieve vormingsprojecten. In 2006 werd een oproep gedaan tot het indienen van projecten die nieuwe leermethoden toepassen die gebruik maken van Internet (e-learning), en peterschapsprojecten. De peterschapsprojecten zijn totaal nieuw in de landbouwsector. In 2005 werden e-learningsprojecten opgestart over internet, virtuele vergaderingen, veiligheid en preventie, een interactieve ondernemerschapsacademie, online teeltregistratie en waarschuwingsberichten en gewasbescherming. In 2006 werden twee nieuwe e-learningsprojecten opgestart, en twee peterschapsprojecten.

7.2.5. DKO - actuele discussies en nieuwe ontwikkelingen Binnen het DKO lopen verschillende "tijdelijke projecten" (zie 2.2.) en zijn een reeks nieuwe gepland. ●

● ● ●

Tot het schooljaar 2007-2008 lopen 5 tijdelijke projecten intergemeentelijke samenwerking waarbij een aantal buurgemeenten met hoofdinstellingen en filialen samen het DKO in de regio organiseren. Daarnaast lopen er ook nog 2 tijdelijke projecten "samenvoegen podiumkunsten en beeldende kunst" waarbij één instelling alle studierichtingen aanbiedt. Er lopen tevens tijdelijke projecten muzische vorming, waarin basisscholen samenwerken met academies en leerkrachten BaO leren van DKO-leerkrachten. Academies kunnen ook participeren in de tijdelijke projecten voor kunstinitiatie voor kansarme autochtone en allochtone jongeren die lopen van 2006 tot 2008 (zie 10.5.3.5.). Vanaf het schooljaar 2007-2008 zullen nieuwe tijdelijke projecten (van maximum 4 schooljaren) starten binnen de volgende beleidsprioriteiten:

○ verbetering van de doorstroming van amateurkunstgroepen naar het deeltijds kunstonderwijs en vice versa;

○ het DKO in het perspectief van "brede school" plaatsen (zie 2.2.); ○ integratie van leerinhouden van verschillende vakken; ○ ontwikkeling van een visie op het gebruik van ICT in het DKO. ●

De voorwaarde voor die tijdelijke projecten is dat ze: www.eurydice.org

217


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

○ ofwel onderwijsvernieuwend zijn en nieuwe leerinhouden aanbieden inspelend op de vraag van leerlingen naar een nieuwe opleiding,

○ ofwel doelgroepspecifiek zijn en het leerlingen met speciale noden mogelijk maken om een DKO-opleiding te volgen. Sinds het schooljaar 2006-2007 wordt een samensmelting van een instelling Muziek, Woord en Dans met een instelling Beeldende Kunst decretaal mogelijk gemaakt. De concrete voorwaarden en modaliteiten moeten nog wel via uitvoeringsregelgeving vastgelegd worden.

7.2.6. Sociaal-cultureel volwassenenwerk - actuele tendensen Een eerste evaluatie (aangekondigd voor 2005 en uitgevoerd in 2006) heeft geleid tot een bijsturing van het decreet van 4 april 2003. De beleidsperiodes werden met een jaar verlengd en de rol van het Agentschap Sociaal-cultureel Werk voor Jeugd en Volwassenen (zie 2.6.2.4.) werd verduidelijkt. Een nieuwe evaluatie van de uitvoering van het decreet is decretaal vastgelegd voor 30 juni 2007. Deze evaluatie zal leiden tot nieuwe aanpassingen. Werken op basis van een beleidsplan blijft verplicht, maar de beoordeling van de werking door het Agentschap Sociaal-cultureel werk voor Jeugd en Volwassenen zal bepalen of een organisatie verder gesubsidieerd wordt (bewegingen) respectievelijk of ze in een volgende beleidsperiode minder subsidies zal krijgen dan wel in aanmerking komt voor een hoger subsidiebedrag (verenigingen en gespecialiseerde vormingsinstellingen). Dat laatste hangt af van een debat in het Vlaams parlement over de aanpassing van het budget, rekening houdend met elementen als de gestegen levensduurte, collectieve behoeften van de werksoort en beleidsintenties van de Vlaamse overheid waarop organisaties van dit type kunnen inspelen. Over het subsidiebedrag van een beweging beslist de Minister op basis van een advies van een adviescommissie die de werking én het beleidsplan van de organisaties beoordeelt. De beleidsplannen van de volkshogescholen, die ook nu reeds een vast bedrag per inwoner van hun regio uitgekeerd krijgen, zouden niet langer beoordeeld worden door een adviescommissie. Bij de beoordeling van de werking van de volkshogescholen zou het Agentschap ook personen uit de regio willen betrekken. Op 20 februari 2006 maakte de bevoegde minister een 'Vlaams Actieplan: Interculturaliseren van en voor Cultuur, Jeugdwerk en Sport ' bekend. Dit plan houdt onder meer in dat het steunpunt SoCiuS en de volkshogescholen hun besturen en personeelsbestanden etnisch-cultureel divers moeten samenstellen. De notie 'interculturaliteit' wordt ook als beoordelingscriterium ingeschreven voor alle werksoorten. Dit wil concreet zeggen dat de organisaties in hun beleidsplan en jaarplannen moeten verduidelijken hoe ze zich positioneren ten opzichte van dit criterium en dat het Agentschap Sociaalcultureel werk voor Jeugd en Volwassenen het zal gebruiken voor de beoordeling van de werking van de organisaties.

7.3. Wettelijk kader 7.3.1. Volwassenenonderwijs - wettelijk kader

Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP) - wettelijk kader ● ●

De Wet van 7 juli 1970 introduceerde het begrip Onderwijs voor Sociale Promotie. Het decreet van 2 maart 1999 regelt het Onderwijs voor Sociale Promotie met betrekking tot de opdracht van het onderwijs, de indeling van het onderwijs en de programmatieregels, het www.eurydice.org

218


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

● ● ● ● ●

●

● ●

● ● ● ● ● ●

onderwijsaanbod, de toelatingsvoorwaarden, de examens en studiebekrachtiging, de financiering of subsidiëring, de benoemings- en bezoldigingsvoorwaarden van het personeel, en de terugvorderingen en sancties. Sinds het Decreet van 2 maart 1999 heten de instellingen voor het Onderwijs voor Sociale Promotie: Centra voor Volwassenenonderwijs, afgekort 'CVO's' Na dit decreet volgden er heel wat besluiten. Het Besluit van de Vlaamse regering van 10 januari 2003 wijzigt meer specifiek de vaststelling van de vakken en de indeling van de vakken in het secundair onderwijs voor sociale promotie. Besluit van de Vlaamse regering van 18 juli 2003 betreffende de programmatie in het secundair volwassenenonderwijs voor het schooljaar 2003-2004. Besluit van de Vlaamse regering van 17 oktober 2003 betreffende structuurwijzigingen in het HO voor sociale promotie. Besluit van de Vlaamse regering van 30 april 2004 betreffende structuurwijzigingen in het HO voor sociale promotie. Besluit van de Vlaamse regering van 16 april 2004 houdende de vaststelling van de modellen van de studiebewijzen in het OSP vast en de modaliteiten voor uitreiking van de studiebewijzen door de centra voor volwassenenonderwijs. Besluit van de Vlaamse regering van 17 september 2004 betreffende de omvorming van sommige afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie naar de bachelormasterstructuur van het hoger onderwijs in Vlaanderen. Besluit van de Vlaamse Regering van 21 oktober 2005 betreffende de structuur van het secundair onderwijs voor sociale promotie. Het Besluit van de Vlaamse regering van 17 september 2004 betreft de omvorming van sommige afdelingen van het HO voor sociale promotie naar de bachelor-masterstructuur van het HO in Vlaanderen. Besluit van de Vlaamse regering van 18 november 2005 betreffende de modulaire structuur van het OSP (een hele reeks verschillende besluiten). Omzendbrief PV/2004/03 Organisatie van het OSP. Omzendbrief PV/2004/04 Structuur van de lineaire en modulaire taalopleidingen in het volwassenenonderwijs Omzendbrief PV/2005/05 Personeelsaangelegenheden in het OSP. Omzendbrief PV/2005/04 De modulaire structuur van het SO voor sociale promotie. Voor een volledig overzicht zie http://www.ond.vlaanderen.be/edulex/ > trefwoorden > permanente vorming > onderwijs voor sociale promotie

Basiseducatie – wettelijk kader ● ● ● ● ●

Decreet van 12 juli 1990 houdende regeling van basiseducatie voor laaggeschoolde volwassenen. Besluit van de Vlaamse regering van 18 juli 1990 ter uitvoering van het decreet houdende de regeling van basiseducatie voor laaggeschoolde volwassenen. Decreet van 14 februari 2003 betreffende het onderwijs XIV. Besluit van de Vlaamse regering van 15 juli 2005 tot uitvoering van artikelen 3, 5, 6 en 6bis, van het decreet houdende de regeling van basiseducatie voor laaggeschoolde volwassenen. Omzendbrief PV/2005/03 Organisatie van het onderwijs in de centra voor basiseducatie.

7.3.2. Beroepsopleiding VDAB - wettelijk kader ● ● ●

Besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 1988 houdende de organisatie van de arbeidsbemiddeling en de beroepsopleiding. Besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli 2003 betreffende de opleidings- en begeleidingscheques voor werknemers. VDAB-decreet van 7 mei 2004.

www.eurydice.org

219


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

7.3.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen - wettelijk kader Het Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming – SYNTRA Vlaanderen (een EVA, extern verzelfstandigd agentschap) werd gecreëerd door het Decreet van 7 mei 2004, in uitvoering van het kaderdecreet Bestuurlijk Beleid van 18 juli 2003; geconcretiseerd door het Organisatiebesluit van 3 juni 2005. Het werd onder de bevoegdheid gebracht van de Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming door het Besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2005. Een gedetailleerd overzicht van de relevante wetgeving vindt men op de website van SYNTRA Vlaanderen. Volgende besluiten hebben betrekking op de vorming: Leertijd - basisbesluit

Besluit Vlaamse regering 24 juli 1996

Ondernemersopleiding - basisbesluit

Besluit Vlaamse regering 23 februari 1999

Voortgezette vorming - basisbesluit

Besluit Vlaamse regering 4 april 2003

7.3.4. Landbouwvorming – wettelijk kader ● ● ●

Decreet van 3 maart 2004 inzake de subsidiëring van meer duurzame landbouwproductiemethoden en de erkenning van centra voor meer duurzame landbouw. Besluit van de Vlaamse regering van 4 juni 2004 betreffende de toekenning van subsidies voor naschoolse opleidingsinitiatieven in de landbouwsector. Ministerieel besluit van 12 juli 2004 betreffende de toekenning van subsidies voor naschoolse opleidingsinitiatieven in de landbouwsector.

7.3.5. Deeltijds kunstonderwijs DKO – wettelijk kader ● ● ● ● ● ● ● ●

Decreet van 31 juli 1990 (Onderwijsdecreet II). Besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 houdende organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichting "Beeldende Kunst". Idem, voor "Muziek, Woordkunst en Dans". Het Besluit van de Vlaamse Regering van 15 oktober 1996 houdende de oprichting en samenstelling van de afdeling Deeltijds Kunstonderwijs van de Vlaamse Onderwijsraad. Het Besluit van de Vlaamse regering van 15 juli 2002, bepaalt het aanwendingspercentage van het aantal uren-leraar. Omzendbrief ond/13ea/SBT 2001/05 (flexibelere leertrajecten, actualisering studieaanbod, meer autonomie directies). Omzendbrief PV/2002/7 bekwaamheidsbewijzen deeltijds kunstonderwijs. Het ministerieel besluit van 16 mei 1999 bepaalt de voorwaarden voor de aanvraag van een programmatie in het deeltijds kunstonderwijs en de behandeling ervan, de voorwaarden voor de melding van een structuurwijziging in het bestaande studieaanbod in het deeltijds kunstonderwijs en de infrastructuurvereisten voor de studierichting dans in het deeltijds kunstonderwijs.

www.eurydice.org

220


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

7.3.6. Sociaal-cultureel volwassenenwerk - wettelijk kader ● ● ● ●

Decreet van 6 juli 2001 houdende ondersteuning van de federatie van erkende organisaties voor volksontwikkelingswerk (FOV-decreet). Decreet van 4 april 2003 betreffende het sociaal-cultureel volwassenenwerk. Besluit van de Vlaamse regering van 13 juni 2003 houdende uitvoering van het decreet van 4 april 2003 betreffende het sociaal-cultureel volwassenenwerk. Na een eerste evaluatie werd de regelgeving in 2006 bijgestuurd door het uitvoeringsbesluit van 17 maart 2006 en het decreet van 2 juni 2006.

Het decreet beperkt zich tot het sociaal-cultureel werk voor volwassenen. Het bepaalt de organisatie van de sector, welke werksoorten erkend en gesubsidieerd kunnen worden en aan welke voorwaarden ze moeten voldoen.

7.4. Algemene doelstellingen 7.4.1. Volwassenenonderwijs - doelstellingen

Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP) – algemene doelstellingen Er wordt een onderscheid gemaakt tussen twee soorten sociale promotie: ● ●

verticale promotie of het vervolmaken van secundair of hoger onderwijs, horizontale promotie, namelijk aanvullende opleidingen en/of herscholing voor personen die tewerkgesteld zijn in de industrie of andere sectoren van het beroepsleven of gewoonweg die hun maatschappelijk functioneren en welbevinden willen versterken.

Het decreet van 2 maart 1999 bepaalt dat het OSP tot opdracht heeft: ●

●

de cursisten kennis, vaardigheden en attitudes bij te brengen, nodig voor het maatschappelijk functioneren, het deelnemen aan verder onderwijs, de uitoefening van een beroep, het beheersen van een taal; de cursist in staat te stellen een erkend studiebewijs te behalen.

In het nieuwe ontwerpdecreet voor het volwassenenonderwijs worden de doelstellingen verfijnd en uitgebreid. Zie 7.2.0.2.

Basiseducatie – algemene doelstellingen De basiseducatie is een educatieve voorziening voor laaggeschoolde en educatief achtergestelde volwassenen; het onderwijsaanbod is gericht op het aanleren en verbeteren van basiscompetenties die elementair zijn voor het functioneren in en het participeren aan de samenleving: Het decreet van 12 juli 1990 geeft aan de CBE's, Centra voor Basiseducatie ook de mogelijkheid om activerings- en keuzebegeleidingsactiviteiten te organiseren. De basiseducatie heeft een dubbele functie. ●

Enerzijds wordt een onderwijs- en vormingsaanbod ontwikkeld dat tegemoet komt aan de behoefte aan het verwerven van basisvaardigheden bij potentiële cursisten en dat een eigen www.eurydice.org

221


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

●

finaliteit heeft. Er zijn cursussen die gericht zijn op sociale redzaamheid, op educatieve redzaamheid of op professionele redzaamheid. Anderzijds functioneert de basiseducatie als opstapvoorziening in functie van doorstroming naar andere vormings-, opleidings- of onderwijsinitiatieven en naar werk.

7.4.2. Beroepsopleiding VDAB - algemene doelstellingen Het dienstenpakket van de VDAB omvat arbeidsbemiddeling, trajectbegeleiding, training en opleiding, loopbaanbegeleiding. Met betrekking tot competentie-ontwikkeling met het oog op de levenslange en duurzame inschakeling op de arbeidsmarkt staan drie belangrijke doelstellingen centraal: ●

●

●

het stimuleren, organiseren en bevorderen van de competentieontwikkeling en –erkenning van werkzoekenden inzonderheid door de inrichting van competentiecentra, de erkenning van de verworven competenties en de organisatie van opleidingen met als doel het verwerven van aangepaste competenties met het oog op de inschakeling op de arbeidsmarkt; het verschaffen, organiseren en bevorderen van beroepsopleidingen en de bijhorende begeleiding van werkzoekenden en werknemers door, onder meer, het verzorgen van sollicitatietraining, van beroepsspecifieke opleiding, van persoonsgerichte vorming in opleidingscentra en/of op de werkvloer; het toekennen van tegemoetkomingen inzake opleiding met het oog op de inschakeling op de arbeidsmarkt, inzonderheid het toekennen van opleidingscheques.

Krachtens een Besluit van de Vlaamse Regering van 21-12-1988 maken de opleidingen voor werknemers op vraag van de werkgever én de opleidingen voor individuele werknemers deel uit van het opleidingsaanbod van de VDAB . Sinds 2002 zijn de werknemersopleidingen op vraag van de werkgever betalend. De algemene doelstellingen, leerplannen en methoden hangen sterk samen en hangen af van het specifieke doel van een bepaalde opleiding of initiatief. Het opleidingsaanbod omvat: ● ● ● ●

opleidingen voor de secundaire sector, opleidingen voor de tertiaire economische sector, opleidingen voor de social profit, meer gespecialiseerde initiatieven voor werklozen.

7.4.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen - algemene doelstellingen Het "Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming – SYNTRA Vlaanderen" heeft tot missie de draaischijf te zijn van een geïntegreerd beleid inzake “Ondernemersvorming”, teneinde hierdoor bij te dragen tot meer en beter ondernemerschap als essentiële factor in de sociaal – economische ontwikkeling van Vlaanderen. Strategisch moeten door “Ondernemersvorming” drie doelstellingen bewerkstelligd worden: de organisatie van een draaischijf, meer ondernemerschap en beter ondernemerschap. Als draaischijf moet SYNTRA Vlaanderen instaan voor een brede kennisvergaring rond het opleidings- en vormingsgebeuren m.b.t. ondernemerschap. Een gestructureerd overzicht van info moet leiden tot kwaliteitsverbetering en moet het mogelijk maken om lacunes op te sporen en aan te pakken, zowel voor het beleid als relevante spelers op het terrein." ("Samen voor meer banen": Een Vlaams Meerbanenplan, januari 2006, p. 14). Het in belangrijke mate virtueel kenniscentrum www.eurydice.org

222


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) (http://www.competento.be) zorgt voor de kennisborging van alle inhoudelijke activiteiten inzake “Ondernemersvorming” in Vlaanderen. De draaischijf kan bepaalde (potentiële) marktsegmenten, knelpuntenberoepen of specifieke doelgroepen detecteren en aanspreken. Daartoe zullen samenwerkingsverbanden en partnerschappen worden aangegaan met instellingen en organisaties die de specificiteit van deze markt goed kennen of die ervaring hebben met een bepaalde doelgroep. H

H

Om meer ondernemerschap te realiseren zal het Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming – SYNTRA Vlaanderen de draaischijf zijn van diverse initiatieven in verband met de algemene promotie en sensibilisering rond “Ondernemersvorming” en het stimuleren van de ondernemerszin, ondernemersvaardigheden en – attitudes, en dit met het oog op doelgroepen die in het verleden minder participeerden aan het opleidingsaanbod en aan het ondernemerschap in Vlaanderen. Speerpunt is het onderwijs. Vandaag al worden er binnen onderwijs tal van initiatieven genomen om de ondernemerscompetenties bij jongeren aan te scherpen. SYNTRA Vlaanderen treedt daarom ondersteunend op – zowel beleidsmatig als operationeel – binnen het Actieplan Ondernemend Onderwijs. Het agentschap zal instaan voor de formulering, implementatie en coördinatie van een doelgroepen – en kansengroepenbeleid inzake ondernemersvorming. Uit de praktijk blijkt immers dat specifieke groepen, in elk geval kansengroepen, in onvoldoende mate doorstromen naar het ondernemerschap. Aangepaste trajecten in functie van de vooropleiding en elders verworven competenties vormen vaak de juiste brug tussen het willen starten als ondernemer en het effectief opstarten van een zaak. Met het oog op beter ondernemerschap is een eerste geplande actie de afstemming en de vernieuwing van de trajecten bedrijfsbeheer. Het agentschap speelt een ondersteunende rol, vanuit de expertise die het opbouwde. Om de ondernemerschap – en innovatiecultuur van zowel ondernemers als werknemers in de ondernemingen te realiseren, moeten de behoeften aan kennis van de ondernemingen in alle fases van hun groei ingevuld worden. Dergelijke bedrijfsversterkende acties zijn hoofdzakelijk vraaggericht. Het opleidingsaanbod van het SYNTRA-netwerk is gebaseerd op drie basisprincipes: ● ● ●

het aanbieden van permanente vorming met opeenvolgende niveaus en mogelijkheden; het systeem van alternerend leren, waarbij studeren afgewisseld wordt met werken; de modulaire organisatie van het aanbod, waarbij men zelf de opleiding samenstelt volgens het eigen niveau en de eigen opleidingsbehoeften.

SYNTRA Vlaanderen verdeelt jaarlijks 2 miljoen € Europese gelden (ESF) aan projecten die het ondernemerschap in Vlaanderen bevorderen.

7.4.4. Landbouwvorming - algemene doelstellingen De vormingsactiviteiten zijn bestemd voor verschillende doelgroepen. Alle opleidingen (behalve vervolmaking):

● ● ● ● ● ●

de zelfstandige bedrijfshoofden (in hoofd- of nevenberoep) van een land- of tuinbouwbedrijf, hun medewerkende gezinsleden, zelfstandige helpers en landbouwwerknemers; de werknemers van bedrijfsverzorgingsdiensten in de landbouwsector; de loonwerkers, bloemisten, tuinaannemers en hun meewerkende gezinsleden en werknemers; de werknemers van groendiensten van openbare besturen; de erkende verkopers en gebruikers van fytoproducten en de erkende gebruikers van biociden voor gebruik in de landbouw; de imkers.

www.eurydice.org

223


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) Startersopleidingen:

● ●

●

alle voornoemde deelnemers; de personen die zich voorbereiden om in hoofd- of nevenberoep te gaan werken in de landbouwsector, of die zich voorbereiden op een bedrijfsaanpassing, een omschakeling of een diversifiëring binnen de landbouwsector; de personen die kandidaat zijn om erkende verkopers en gebruikers van fytoproducten en erkende gebruikers van biociden voor gebruik in de landbouwsector te worden.

K o r t e v o r m i n g s a c t i v i t e i t e n b e s t e m d v o o r h o b b yl a n d b o u we r s :

●

personen die landbouwactiviteiten als hobby uitoefenen

Vervolmakingsdagen:

●

de lesgevers die in de naschoolse landbouwvorming actief zijn.

7.4.5. Deeltijds kunstonderwijs – algemene doelstellingen Het deeltijds kunstonderwijs komt tegemoet aan de algemene kunstzinnige belangstelling van de leerling, biedt de mogelijkheid tot voeding van zijn artistieke ambities of kan instaan voor een professionele vorming, met kansen in het beroepsleven. De doelstellingen zijn drieledig: kunst zelf beoefenen, kunst leren ontdekken en jongeren voorbereiden op het hoger kunstonderwijs.

7.4.6. Sociaal-cultureel volwassenenwerk- algemene doelstellingen Het sociaal-cultureel volwassenenwerk heeft drie gemeenschappelijke algemene doelstellingen: ● ● ●

bijdragen tot de evenwichtige ontplooiing van ieder individu als actieve participant in de samenleving; mensen via niet-formele educatie stimuleren in de ontwikkeling van competenties (bijv. op het vlak van maatschappelijke integratie, actief burgerschap, …); werken aan de zingeving en emancipatie van mensen en zo bijdragen tot cultuuropbouw, tot maatschappelijke integratie en tot de realisatie en de versteviging van een democratische samenleving.

7.5. Soorten instellingen Soorten en aantal instellingen CVO's, Centra voor Volwassenenonderwijs

120

CBE's, Centra voor Basiseducatie

29

Campussen van SYNTRA Vlaanderen (5 regionale koepels)

23

Opleidingscentra VDAB

68

Academies voor deeltijds kunstonderwijs, waarvan: - voor beeldende kunst

167 66

- voor muziek, woordkunst en dans

101

Opleidingscentra voor landbouwvorming

64

Sociaal-culturele verenigingen

57 www.eurydice.org

224


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) Sociaal-culturele bewegingen

32

Volkshogescholen

13

Erkende landelijke vormingsinstellingen

26

7.5.1. Volwassenenonderwijs - soorten instellingen

Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP) – soorten instellingen Het Onderwijs voor Sociale Promotie wordt verstrekt door erkende en gefinancierde of gesubsidieerde CVO's, Centra voor Volwassenenonderwijs. Aantal centra in Vlaanderen (schooljaar 2005-2006) - centra die SO aanbieden

108

- centra die HO aanbieden

62

Totaal aantal

120

Basiseducatie – soorten instellingen Op dit ogenblik worden er 29 CBE's, Centra voor Basiseducatie erkend en betoelaagd. De centra zijn onafhankelijke pluralistische instellingen, gestructureerd als privaatrechtelijke organisaties. Een doorgedreven fusie van de centra naar grotere regionale entiteiten wordt voorbereid. De centra worden jaarlijks erkend voor een welbepaald aantal deelnemersuren (d.w.z. een bepaald volume van educatief werk met een aantal cursisten). De erkenningsdrempel voor de centra werd decretaal vastgelegd op 12.000 deelnemersuren. Door de toegenomen belangstelling voor de basiseducatie beschikken de kleinere centra echter sinds januari 1996 feitelijk over een minimale erkenning van 15.000 deelnemersuren. Grote centra als Gent, Antwerpen en Brussel hebben een erkenning van 50.000 à 90.000 deelnemersuren (VOCB, http://www.vocb.be, 2004). Na de spectaculaire groei in het werkjaar 2001-2002 (+ 24,39 % t.o.v. 2000-2001) daalde het aantal cursisten in de basiseducatie in het werkjaar 2002-2003 (- 6,54 % t.o.v. 2001-2002) voor het eerst. Nadien is het aantal cursisten opnieuw gestegen (zie statistische gegevens). De verschillende onderwijsnetten en de verschillende soorten organisaties (OSP, sociaal-culturele vorming,...) participeren in de beheersorganen van de lokale centra. ● ● ●

Het educatief aanbod van de centra voor basiseducatie : http://www.basiseducatie.be/ Het VOCB ondersteuningscentrum: VOCB : http://www.vocb.be/ De Federatie Centra Basiseducatie,een koepelorganisatie die de belangen van de centra behartigt: H

H

Referenties

Federatie Centra Basiseducatie

7.5.2. Beroepsopleiding VDAB - soorten instellingen De meeste VDAB-opleidingen vinden plaats in de eigen centra van de VDAB. De VDAB heeft 68 opleidingscentra, verspreid over Vlaanderen, met zo'n 700 instructeurs. Over het hele land zijn er www.eurydice.org

225


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) ongeveer 400 afdelingen die een hele reeks beroepen beslaan in de bouwnijverheid, metaalnijverheid, transportindustrie, grafische industrie, houtindustrie, textielindustrie,... Voorts kunnen opleidingen ook plaatsvinden in de ondernemingen zelf die vragende partij zijn voor de opleiding. Met webleren gebeurt het leren thuis of op de werkplek en is het cursusmateriaal 24 uur op 24 online ter beschikking Van maandag tot en met vrijdag tussen 16.00u en 22.00u geeft een onlinecoach feedback.

VDAB, Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding

7.5.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen - soorten instellingen Het SYNTRA-netwerk bestaat uit 5 regionale koepels met in het totaal 23 campussen in Vlaanderen en Brussel. Het wordt erkend en gesubsidieerd door SYNTRA Vlaanderen. Met de VDAB heeft SYNTRA een overeenkomst afgesloten inzake de competentiecentra (zie 7.15.2.).

SYNTRA-Vlaanderen

7.5.4. Landbouwvorming - soorten instellingen Het vormingsaanbod wordt georganiseerd door erkende centra gesubsidieerd door het Vlaamse Gewest (zie 2.6.2.3.). De subsidie wordt deels gedragen door de Europese Unie in het kader van het Vlaams Programma voor Plattelandsontwikkeling. De Vlaamse Overheid (Departement Landbouw en Visserij, Afdeling Duurzame Landbouwontwikkeling) staat in voor de erkenning van de organisatoren (de erkende centra), de registratie van de lesgevers, de subsidiëring van de vormingsactiviteiten, de inspecties ter plaatse, de visering van de getuigschriften en de betaling van de vergoeding voor sociale promotie van de deelnemers. Er zijn in Vlaanderen 64 erkende opleidingscentra: ● ● ●

5 algemene centra, 36 gewestelijke, 11 centra voor hobbylandbouwvorming.

De Afdeling Duurzame Landbouwontwikkeling heeft in het kader van de nieuwe regelgeving van de landbouwvorming de mogelijkheid om jaarlijks een oproep tot het indienen van innovatieve vormingsprojecten in de landbouwsector te richten aan de erkende vormingscentra. Ze dienen de toepassing van nieuwe leermethoden die gebruik maken van Internet (e-learning) te stimuleren, of het uittesten van peterschap in de landbouw .

Departement landbouw & visserij, Afdeling Duurzame Landbouwontwikkeling

www.eurydice.org

226


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

7.5.5. Deeltijds Kunstonderwijs – soorten instellingen Het DKO biedt 4 studierichtingen aan in 2 soorten scholen: ● ●

academies voor Beeldende kunst, academies voor Muziek, Woordkunst en Dans.

Aantal academies in Vlaanderen Beeldende kunst

Gemeenschapsond.

Vrij ond.

Gemeentelijk ond.

Totaal

5

5

56

66

Muziek, woordkunst, dans

10

2

89

101

TOTAAL

15

7

145

167

De schoolbevolking in het Deeltijds Kunstonderwijs is sinds het schooljaar 1994-1995 sterk toegenomen (zie 7.17.5.1.). Directeursverenigingen voor het deeltijds kunstonderwijs (DKO) VerDi vzw en Codibel vzw hebben samen een website deeltijds kunstonderwijs ontwikkeld die een permanent geactualiseerd overzicht geeft van activiteiten: http://www.deeltijdskunstonderwijs.be H

7.5.6. Sociaal-cultureel volwassenenwerk - soorten instellingen Het nieuwe decreet sociaal-cultureel volwassenenwerk (4 april 2003) heeft geleid tot een grondige hertekening van het landschap, met sociaal-culturele verenigingen, volkshogescholen (of Vormingsplus-centra), landelijke vormingsinstellingen en bewegingen. Verenigingen

Een vereniging is volgens het decreet, een netwerk van afdelingen of groepen, gericht op zingeving en emancipatie van leden en deelnemers, met het oog op persoonlijke en maatschappelijke ontplooiing. Een vereniging vervult een gemeenschapsvormende functie, een culturele functie, een educatieve functie en een maatschappelijke activeringsfunctie. Een vereniging moet minstens 50 werkende (lokale) afdelingen of (thematische/bovenlokale) groepen tellen, gespreid over minstens 3 provincies, een vereniging met startsubsidies minstens 25 afdelingen. Verenigingen van migranten moeten pas tegen het einde van de lopende beleidsperiode (2010) voldoen aan de normen van het decreet (minstens 50 afdelingen of groepen, spreiding over 3 provincies) en vanaf dan werken op basis van een beleidsplan. Het decreet voorziet wel in een evaluatie van de situatie van de verenigingen van migranten in 2008. De 57 sociaal-culturele verenigingen tellen bijna 13.000 lokale afdelingen en groepen en 2 miljoen leden. Bewegingen

Bewegingen zijn organisaties met landelijk karakter die gespecialiseerd zijn in een thema of cluster van nauw verwante thema's. Ze organiseren activiteiten op het vlak van sensiblisatie, educatie en sociale actie met het oog op maatschappelijke verandering en richten zich daartoe op een ruim publiek. Sedert 1 januari 2006 worden 32 organisaties gesubsidieerd als sociaal-culturele beweging. Vormingsplus-centra of volkshogescholen

Sedert begin 2004 zijn 13 volkshogescholen (dit zijn de Vormingplus-centra) actief in evenveel regio's. Zij moeten zorgen voor een behoeftedekkend aanbod van niet-formele educatie in hun regio door het zelf te organiseren en door het aanbod van andere culturele aanbieders te coördineren. Dit aanbod moet breed en open zijn. Open wil zeggen dat het tijdig wordt aangekondigd en dat iedereen vrijwillig www.eurydice.org

227


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) moet kunnen deelnemen. Een volkshogeschool mag daarvan afwijken voor doelgroepen met een educatieve achterstand die weinig of niet bereikt worden met een open aanbod in hun autonome levenssfeer. Bij de oprichting van deze volkshogescholen waren een 30-tal erkende vormingsinstellingen en deelorganisaties van erkende samenwerkingsverbanden betrokken. Landelijke vormingsinstellingen

Deze moeten in minstens 4 provincies activiteiten ontplooien of deelnemers uit minstens 4 provincies bereiken. Er zijn 3 soorten instellingen met in het totaal 26 erkende vormingsinstellingen. ●

●

●

In een thema gespecialiseerde vormingsinstellingen: deze moeten een aanbod nietformele educatie ontwikkelen en organiseren rond het thema of de cluster van thema's waarin ze gespecialiseerd zijn. Ook dit aanbod moet in principe open zijn. Een gespecialiseerde vormingsinstelling mag daarop een uitzondering maken met een gesloten aanbod voor kaders en multiplicatoren uit de culturele sector en in beperkte mate voor doelgroepen met een educatieve achterstand. Tot het einde van de lopende beleidsperiode (2006-2010) worden 19 (in een thema) gespecialiseerde vormingsinstellingen erkend en gesubsidieerd. Syndicale vormingsinstellingen: deze richten zich binnen een syndicale beweging met een open aanbod tot personen in een arbeidssituatie en personen in een situatie van werkloosheid. Sedert het nieuwe decreet worden nog 3 (samenwerkingsverbanden van) syndicale vormingsinstellingen erkend. Er wordt immers nog slechts één syndicale vormingsinstelling per erkende vakbond gesubsidiëerd. Vormingsinstellingen met bijzondere doelgroep

○ De vormingsinstellingen gespecialiseerd in de doelgroep personen met een handicap hebben zich, zoals de overheid voorschreef, gegroepeerd in 3 federaties. Ze moeten via een aanbod niet-formele educatie een sociaal-culturele werking ontplooien voor personen met een handicap en hun omgeving. Een kwart van hun programmaaanbod mag zich richten tot begeleiders van hun doelgroep uit de non-profitsector.

○ Sedert begin 2004 werd ook één vormingsinstelling gespecialiseerd in de doelgroep gedetineerden erkend door de Vlaamse overheid. Ze staat in voor het sociaalcultureel werk in gevangenissen. Federatie van vormingsdiensten voor personen met een handicap

Los van de 3 werksoorten (verenigingen, bewegingen en vormingsinstellingen) erkent en subsidieert de overheid op basis van het decreet ook één Federatie van vormingsdiensten voor personen met een handicap. Deze federatie groepeert 5 voormalige diensten voor sociaal-cultureel werk. Zij ontwikkelen naast educatieve programma's, aanvullende activiteiten op het vlak van sensiblisatie, begeleiding en maatschappelijke activering.

7.6. Geografische toegankelijkheid 7.6.1. Volwassenenonderwijs - geografische toegankelijkheid De OSP-centra zijn verspreid over gans Vlaanderen. Er zijn 29 centra voor basiseducatie verspreid over gans Vlaanderen. Vrijwel alle centra hebben bijkomende vestigingsplaatsen verspreid over hun werkingsgebied.

www.eurydice.org

228


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

7.6.2. Beroepsopleiding VDAB - geografische toegankelijkheid De VDAB heeft een wijdvertakt lokaal en regionaal netwerk van kantoren, lokale werkwinkels en competentiecentra. Bovendien maakt de VDAB gebruik van de nieuwste informaticatoepassingen. WIS-kiosken (elektronische vacaturedatabank) zijn raadpleegbaar in VDAB-kantoren, bibliotheken, supermarkten, gemeentehuizen,... Webleren is sterk uitgebouwd.

7.6.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen - geografische toegankelijkheid Het SYNTRA-netwerk bestaat uit 5 regionale koepels (West, Midden-Vlaanderen, Limburg, Brussel, provincies Antwerpen en Vlaams-Brabant), met in het totaal 23 campussen in Vlaanderen en Brussel.

7.6.4. Landbouwvorming - geografische toegankelijkheid De 5 algemene centra zijn in gans Vlaanderen actief. Daarnaast zijn er ook 36 gewestelijke centra, die meestal provinciaal werken of gespecialiseerd zijn in een sector. Recent wordt ook e-learning en peterschap gepromoot (zie 7.2.).

7.6.5. Deeltijds kunstonderwijs – geografische toegankelijkheid Het DKO is dank zij de gemeentelijke uitbouw sterk verspreid in Vlaanderen. De meeste grote en middelgrote steden hebben op hun grondgebied een academie voor beeldende kunst en een voor muziek, woordkunst en dans. Die academies hebben meestal filialen in kleinere gemeenten in de buurt, waar heel wat leerlingen dichter bij huis de lagere graad kunnen volgen. Niettemin bestaan er door de zware programmeringregelgeving nog gemeenten zonder officieel aanbod. Door intergemeentelijke samenwerkingsverbanden (die vrijgesteld zijn van de strikte programmaregelgeving) wordt getracht die blinde vlekken weg te werken (zie 7.2.4.).

7.6.6. Sociaal-cultureel volwassenenwerk - geografische toegankelijkheid De sociaal-culturele verenigingen zijn doorgaans sterk lokaal ingebed. Zij tellen samen ongeveer 13.000 lokale afdelingen, dat is gemiddeld bijna 40 afdelingen per Vlaamse en Brusselse gemeente. De 13 volkshogescholen zijn actief in evenveel regio's . Zij vormen samen een netwerk dat het heel Vlaanderen en Brussel bestrijkt. Elke volkshogeschool afzonderlijk moet haar aanbod spreiden tot in de uithoeken van de regio. De landelijke vormingsinstellingen en de bewegingen moeten in minstens 4 provincies activiteiten ontplooien of deelnemers uit minstens 4 provincies bereiken.

www.eurydice.org

229


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

7.7. Toelatingsvoorwaarden 7.7.1. Volwassenenonderwijs - toelatingsvoorwaarden

Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP) - toelatingsvoorwaarden Om toegelaten te worden tot het secundair onderwijs voor sociale promotie moet de cursist voldaan hebben aan de voltijdse leerplicht (ofwel zestien jaar zijn, ofwel vijftien jaar en de eerste twee jaren van voltijds secundair onderwijs hebben gevolgd). In afwijking hiervan mogen cursisten die de voltijdse leerplicht nog niet voltooid hebben, deelnemen aan de opleidingen van het studiegebied Nederlands tweede taal en de opleidingen Hebreeuws. Om als regelmatige cursist toegelaten te worden moet de cursist bovendien ingeschreven zijn voor 1/3 van de module (modulair systeem) of als het leerjaar (lineair systeem) voorbij is. Naargelang het moment waarop men in het leertraject stapt, kan een zekere voorkennis of vooropleiding vereist zijn. De toegang tot opleidingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie vereist steeds één van de volgende studiebewijzen: ● ● ● ●

een diploma van het secundair onderwijs; een brevet van het aanvullend secundair beroepsonderwijs (ASBO) of een diploma van het voltijds hoger onderwijs; een getuigschrift of diploma van de hogere secundair technische leergangen of een certificaat of getuigschrift van een OSP-opleiding gerangschikt als TSO3; een diploma of getuigschrift dat krachtens een wet, decreet, Europese richtlijn of een internationale overeenkomst als gelijkwaardig wordt erkend.

Indien de cursist geen van deze studiebewijzen kan voorleggen, maar de leeftijd van 21 jaar bereikt heeft, kan deze cursist toegelaten worden via een toelatingsproef.

Basiseducatie - toelatingsvoorwaarden Tot september 2005 werden enkel personen die niet in het bezit zijn van een gehomologeerd getuigschrift van lager secundair onderwijs of een getuigschrift van de tweede graad van het lager secundair onderwijs tot de opleidingen basiseducatie toegelaten; ook migranten die ten hoogste 10 jaar onderwijs hebben genoten in het land van herkomst worden toegelaten. Het besluit van 15 juni 2005 bepaalt nu het maximale competentieniveau waarover de kandidaatcursisten mogen beschikken en de wijze waarop dit door de centra geëvalueerd kan worden. Het competentieniveau waarover de kandidaat-cursist beschikt wordt door de centra beoordeeld aan de hand van studievaardigheidstoetsen wanneer een opleiding van hetzelfde niveau wordt aangeboden in een Centrum voor Volwassenenonderwijs (Nederlands tweede taal). In alle andere gevallen (Nederlands, ICT, Wiskunde, Maatschappij-oriëntatie, opstap Frans en opstap Engels) wordt een kandidaat-cursist toegelaten wanneer hij niet de ontwikkelingsdoelen beheerst die bereikt moeten worden aan het einde van de basiseducatie. Via plaatsingstoetsen worden de cursisten naar het meest geschikte niveau georiënteerd. Het onderscheiden van niveaus per leergebied betekent niet dat cursisten alle voorziene niveaus moeten doorlopen. Afhankelijk van hun instapniveau en hun leerwensen kunnen zij op elk niveau in- en uitstromen.

www.eurydice.org

230


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

7.7.2. Beroepsopleiding VDAB - toelatingsvoorwaarden De opleidingen van de VDAB staan open voor elke volwassene -zonder onderscheid van nationaliteit. Door middel van voordelen en begeleiding worden bepaalde categorieën in het bijzonder aangespoord om de opleidingen te volgen. Voor bepaalde opleidingen stelt men hogere toelatingsvoorwaarden en moet men tevens slagen voor selectieproeven.

7.7.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen toelatingsvoorwaarden Net zoals de VDAB, legt SYNTRA geen algemene toelatingsvoorwaarden op aan diegenen die zich wensen in te schrijven voor een opleiding. Voor bepaalde opleidingen worden wel hogere toelatingsvoorwaarden gesteld. ● ●

De algemene voorwaarden om te starten in de leertijd zijn: 15 jaar oud zijn, én het tweede jaar middelbaar onderwijs afgewerkt hebben, of minimaal 16 jaar oud zijn. Jonge mensen die de ondernemersvorming willen volgen moeten ofwel voldoende vooropleiding hebben (bv. in de leertijd) of voldoende beroepservaring in het beroep dat onderwerp is van hun ondernemersvorming. Indien hieraan niet voldaan is, kan praktijkervaring opgedaan worden door het volgen van een aanvullende praktijkopleiding of een praktijkstage via een stageovereenkomst.

7.7.4. Landbouwvorming - toelatingsvoorwaarden De deelnemers mogen bij aanvang van de opleidingen niet meer leerplichtig zijn.

7.7.5. Deeltijds Kunstonderwijs DKO - toelatingsvoorwaarden Het Deeltijds Kunstonderwijs kent een organisatiestructuur met verschillende niveaus die in een hiërarchische verhouding tot elkaar staan; men kan bv. niet met een specialisatiecursus aanvangen zonder voldoende opleiding op een lager niveau te hebben gevolgd. Op voorwaarde dat de vereiste minimumleeftijd voor de studierichting bereikt is, start een leerling in principe in het eerste leerjaar van de gekozen optie. Om naar een volgend leerjaar over te gaan, moet de leerling geslaagd zijn voor de proeven van het gevolgde jaar. Op dit algemeen principe zijn er twee uitzonderingen. Enerzijds werd er vastgesteld dat leerlingen in volgende gevallen instromen volgens leeftijd: in de lagere en middelbare graad Beeldende kunst, in de lagere graad Woordkunst, en in de eerste drie leerjaren van de lagere graad Dans. Anderzijds werd beslist dat na een positieve toelatingsperiode een leerling een leerjaar kan/mag volgen waarvoor hij/zij volgens de 'gewone' toelatingsvoorwaarden niet in aanmerking komt. Dergelijke toelatingsperiode laat de leerkrachten toe om de leerling gedurende een korte of langere periode (max. tot 31 januari) grondig te observeren. Gezien op deze manier het niveau en de leermoeilijkheden van de leerling veel beter kunnen worden ingeschat dan bij een toelatingsproef, wordt in het gewijzigde Besluit van de Vlaamse regering van 9 juli 2001 enkel nog een toelatingsperiode voorzien. Bovenop deze uitzonderingsregels, kan er in sommige gevallen nog www.eurydice.org

231


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) worden afgeweken van de gebruikelijke toelatingsvoorwaarden 'minimumleeftijd' en/of 'succesvol beëindigen van het gevolgde jaar'.

7.7.6. Sociaal-cultureel volwassenenwerk - toelatingsvoorwaarden Voor deelname aan de leeractiviteiten van sociaal-culturele organisaties gelden geen specifieke toelatingsvoorwaarden. Behalve voor bepaalde activiteiten van verenigingen die zich specifiek tot de eigen leden richten en van de (kader)vormingsinitiatieven gericht op de vrijwillige en freelance medewerkers van organisaties.

7.8. Inschrijving(geld) 7.8.1. Volwassenenonderwijs - inschrijving(sgeld)

Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP) – inschrijving(sgeld) De cursisten betalen een inschrijvingsgeld. Het bedrag ligt tussen 0.37€ en 0.74€, per lestijd. Binnen die grenzen bepaalt het centrum vrij het inschrijvingsgeld. De bijdrage dient voor het hele schooljaar of voor de ganse module betaald. Het centrum bepaalt eveneens voor welke verbruiksmaterialen de reële kosten worden aangerekend, bovenop het inschrijvingsgeld. Verder kunnen geen bijdragen aan de cursisten worden gevraagd. In bepaalde gevallen is vrijstelling van inschrijvingsgeld mogelijk. Dit geldt voor ● ● ● ● ● ● ● ● ● ●

personen die aanspraak kunnen maken op het bestaansminimum, uitkeringsgerechtigde werklozen of niet-werkenden, verplicht ingeschreven werkzoekenden (uitgezonderd bruggepensioneerden), vrij ingeschreven niet-werkende werkzoekenden ouder dan 25 jaar, mindervaliden, personen die een procedure hebben lopen tot erkenning als politiek vluchteling of als dusdanig zijn erkend, gedetineerden die in een Belgische strafinrichting verblijven, deeltijds of voltijds leerplichtigen, cursisten van het studiegebied Nederlands tweede taal, (richtgraad 1 en 2), cursisten van het studiegebied Algemene Vorming (voorheen 'tweedekansonderwijs), personen die ten minste twee jaar basiseducatie gevolgd hebben (vrijstelling voor een periode van vier opeenvolgende schooljaren).

Basiseducatie – inschrijving(sgeld) In tegenstelling tot het Onderwijs voor Sociale Promotie worden de cursussen in de basiseducatie gratis aangeboden. Alleen kopiekosten of het cursusboek dienen betaald te worden.

www.eurydice.org

232


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

7.8.2. Beroepsopleiding VDAB - inschrijving(sgeld) Voor niet-werkende werkzoekenden zijn alle opleidingen van de VDAB gratis. Dit geldt eveneens voor de webleercursussen, waarbij overigens ook andere werkloosheidscategorieën in aanmerking komen voor vrijstelling van de opleidingskost (zie 7.9.2.). Een werknemer die op eigen verzoek een opleiding volgt, betaalt enkel een vergoeding voor didactisch cursusmateriaal. Deze vergoeding bedraagt -naargelang de opleidingscategorie- 25, 37 of 43 euro/dag met een maximum van 250 euro per opleiding. Voor webleercursussen varieert de totale opleidingsprijs van 30 tot 360 euro (afhankelijk van de opleiding). Voor werkgevers geldt dat de prijs van de opleiding afhankelijk is van de gekozen opleiding, de duurtijd, de opleidingsplaats (bedrijf of VDAB-centrum), het aantal deelnemers, enz.. De prijs wordt contractueel vastgelegd na onderhandeling met de opleidingsverantwoordelijke van het betrokken VDAB-centrum. In principe varieert een werknemersopleiding op vraag van de werkgever (afhankelijk van de opleiding) van 99 tot 161 euro per deelnemer per dag.

7.8.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen - inschrijving(sgeld) De prijzen voor kortlopende opleidingen verschillen naargelang het aantal sessies. Ook de prijzen van langdurige opleiding verschillen naargelang de opleiding. In het kader van de leerplicht dient geen inschrijvingsgeld betaald te worden voor de leertijd.

7.8.4. Landbouwvorming – inschrijving(sgeld) Inschrijvingen gebeuren via de erkende centra. De centra bepalen zelf hoeveel inschrijvingsgeld zij vragen.

7.8.5. Deeltijds kunstonderwijs DKO – inschrijving(sgeld) De opleidingen van het Deeltijds Kunstonderwijs vallen niet onder de leerplicht, bijgevolg moet een inschrijvingsgeld worden betaald. Het inschrijvingsgeld voor het schooljaar 2006-2007 is 52 euro voor jongeren (verminderd tarief: 34 euro) en 170 euro voor volwassenen (verminderd tarief: 98 euro). Dit bedrag wordt doorgestort aan het departement Onderwijs en Vorming (Omzendbrief OND/13EA/SBT 01/3).

7.8.6. Sociaal-cultureel volwassenenwerk – inschrijving(sgeld) Voor deelname aan het educatief aanbod van sociaal-culturele volwassenenorganisaties wordt doorgaans een kleine bijdrage gevraagd. Het bedrag ervan wordt bepaald door de aanbieder zelf. www.eurydice.org

233


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

7.9. Financiële steun voor cursisten Binnen Vlaanderen bestaan een aantal vormen van financiële toelage aan cursisten binnen het geheel van opleidingen voor jonge schoolverlaters en volwassenen. De overheid heeft dergelijke maatregelen in het leven geroepen om het "levenslang en levensbreed" leren bij volwassenen te stimuleren. De voornaamste zijn het systeem van betaald educatief verlof en het systeem van de ondernemerschapsportefeuille voor werkgevers enerzijds, en opleidings- en begeleidingscheques voor werknemers anderzijds (zie ook 7.9.4. VDAB en 7.9.5. SYNTRA). Het systeem van het Betaald Educatief Verlof (BEV) wordt geregeld door de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, het Koninklijk Besluit van 23 juli 1985 en dat van 27 augustus 1993. Het Betaald Educatief Verlof beoogt de sociale promotie van de werknemers uit de privé-sector. Hiertoe krijgen ze extra verlofuren voor de opleidingen die ze in hun vrije tijd volgen of wordt hen verlof toegekend om effectief de lessen bij te wonen, dit laatste als de lesuren met de werkuren samenvallen. Dit verlof wordt in eerste instantie door de werkgever met het normale maandloon en op het normale tijdstip van verloning uitbetaald. Deze kan echter terugbetaling bekomen bij het daartoe opgericht fonds. Het aantal terugbetaalbare uren verlof is gelijk aan het aantal aanwezigheidsuren op de cursus en is begrensd in functie van de aard van de gevolgde opleiding en het al of niet samenvallen van de lesuren met de werkuren. Er is ook een begrenzing vastgelegd voor het terugbetaalbaar loon. De gevolgde opleidingen kunnen een professionele finaliteit hebben, zonder dat er een verband moet bestaan met het actueel uitgeoefend beroep, maar ze kunnen ook algemeen vormend van aard zijn. Daarenboven bestaan er ook specifieke regelingen voor de werknemers die zich voorbereiden voor de examens van de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap, voor de werknemers van KMO's en voor bepaalde deeltijdse werknemers. Bij Koninklijk Besluit van 20 juli 2006 werd het aantal kredieturen waar een werknemer recht op heeft sterk gereduceerd. Zie http://www.meta.fgov.be, met downloadbare brochure "Wegwijs in het BEV" van de Algemene Directie werkgelegenheid en arbeidsmarkt (november 2005). H

H

7.9.1. Volwassenenonderwijs - financiële steun voor cursisten

Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP) – financiële steun voor cursisten Als cursist in het hoger onderwijs voor sociale promotie komt men niet in aanmerking voor een studietoelage. Er is wel de mogelijkheid gecreëerd om betaald educatief verlof te nemen (zie 7.9.).

Basiseducatie – financiële steun voor cursisten ● ●

Betaald educatief verlof is mogelijk. De centra zijn in het kader van de opleidingscheques erkend door de VDAB (zie 7.9.2.).

7.9.2. Beroepsopleiding VDAB - financiële steun voor cursisten VDAB voorziet voor werkzoekende cursisten een aantal vergoedingen. Een greep uit de voornaamste: ●

de opleidingspremie: cursisten die een beroepsopleiding volgen in een competentiecentrum van VDAB of een opleiding volgen georganiseerd door VDAB in samenwerking met derden hebben recht op een opleidingspremie van 1 € per effectief gevolgd uur beroepsopleiding op www.eurydice.org

234


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

● ● ●

voorwaarde dat ze bij de aanvang van het opleidingstraject gedurende een termijn van één jaar voorafgaand aan de opleiding, niet-werkend werkzoekend zijn. Ook steuntrekkers van het OCMW die werkzoekend zijn hebben recht op deze premie; een reiskostenvergoeding; een kinderopvangvergoeding voor cursisten met kinderlast; een vergoeding voor communicatiekosten bij afstandsleren.

Verder zijn er tal van opleidingssubsidies zowel van de Vlaamse en federale als Europese overheid (inz. via Europees Sociaal Fonds). Daarnaast zijn er nog heel wat maatregelen per beroepssector. Een overzicht daarvan vindt men op de website van de VDAB. Bovendien geeft de VDAB advies en begeleiding voor de aanwending van die subsidies. We vermelden enkele maatregelen. ●

Opleidingscheques voor werknemers en voor werkgevers

○ Werknemers kunnen opleidingscheques aankopen ter waarde van maximum 250 € per kalenderjaar. Daarmee kunnen zij opleidingen betalen bij een erkend opleidingsverstrekker. De werknemer zelf dient slechts de helft van het gevraagde bedrag aan opleidingscheques te betalen. Zie http://www.vdab.be/opleidingscheques/werknemers.shtml H

○ Ook ondernemingen konden gebruik maken van opleidingcheques. Maar vanaf 2006 wordt het systeem vervangen door een zogenaamde ondernemerschapsportefeuille, of Budget voor economisch advies (BEA) die een onderneming slechts om de 3 jaar kan aanvragen en die 4 diensten omvat: opleiding, advies, mentorschap, aankoop van kennis in Vlaamse kenniscentra. De overheidssteun bedraagt maximaal 5000 €, waarvan maximum 2500 € voor eenzelfde dienst. De ondernemer betaalt voortaan tweederde van de dienstverlening zelf. Zie http://www.beaweb.be Premies voor knelpuntopleidingen H

●

○ Voor werkzoekenden die een opleiding volgen voor een knelpuntberoep. ○ Voor werkzoekenden zonder diploma hoger secundair onderwijs die een opleiding volgen die leidt naar de uitoefening van een beroep op beginniveau.

▪

studiegebieden in het technisch en beroepssecundair onderwijs voor sociale promotie (dus geen algemene vorming), met uitzondering van de studiegebieden huishoudelijk onderwijs, kant, talen en Nederlands tweede taal. H

H

●

▪

Stage overeenkomsten voor +18-jarigen georganiseerd door Syntra in het kader van de ondernemingsopleidingen.

▪ ▪

Industriële leerovereenkomst, voor zover de cursist aan de voorwaarden voldoet.

Werkend leren voor 18 tot 25-jarigen bij de centra voor deeltijds onderwijs. Tegemoetkomingen bij Leren op de werkvloer : zowel de individuele beroepsopleiding in de onderneming (IBO), als de instapopleiding (zie 7.10.2.)

○ Tijdens de opleiding betaalt de onderneming geen loon of RSZ, enkel een productiviteitsvergoeding. Bovendien krijgt de onderneming een extra korting voor de begeleiding wanneer de kandidaat laaggeschoold is (geen diploma HSO).

○ De werkzoekende kandidaat krijgt een extra premie bovenop zijn uitkering (het verschil tussen het normale loon en de uitkering).

7.9.3. ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen – financiële steun voor cursisten Starters kunnen genieten van startercheques. www.eurydice.org

235


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) Werknemers kunnen (via de VDAB) opleidingscheques aankopen ter waarde van 250 € maximum per kalenderjaar. Daarmee kunnen zij opleidingen betalen. De werknemer zelf dient slechts de helft van het bedrag te betalen. Zie http://www.vdab.be/opleidingscheques/werknemers.shtml Tot 2006 konden ook kleine en middelgrote ondernemingen, KMO's gebruik maken van opleidingcheques. Vanaf 2006 wordt het systeem vervangen door een zogenaamde ondernemerschapsportefeuille of Budget voor economisch advies (BEA), die een onderneming slechts om de 3 jaar kan aanvragen en die 4 diensten omvat: opleiding, advies, mentorschap, aankoop van kennis in Vlaamse kenniscentra. De overheidssteun bedraagt maximaal 5000 €, waarvan maximum 2500 € voor eenzelfde dienst. De ondernemer betaalt voortaan tweederde van de dienstverlening zelf. Zie http://www.beaweb.be H

Leerjongeren hebben recht op een leervergoeding. Deze is afhankelijk van hun leeftijd en hun ervaring in het beroep. Cursisten–stagiairs hebben recht op een stagevergoeding.

7.9.4. Landbouwvorming - financiële steun voor cursisten Aan de deelnemers van de vorming wordt een premie (van 2 euro per lesuur) als vergoeding voor sociale promotie toegekend. Dit mits het voorleggen van getuigschriften (van erkende centra en stages) waarvan het totale aantal lesuren minstens 75 uur bedraagt Wie komt in aanmerking voor het aanvragen van de premie? ● ● ● ● ● ●

de zelfstandige bedrijfshoofden (in hoofd- of nevenberoep) van een land- of tuinbouwbedrijf, hun medewerkende gezinsleden, zelfstandige helpers en landbouwwerknemers; de werknemers van bedrijfsverzorgingsdiensten in de landbouwsector; de loonwerkers, bloemisten, tuinaannemers en hun meewerkende gezinsleden en werknemers; de werknemers van groendiensten van openbare besturen; de erkende verkopers en gebruikers van fytoproducten en de erkende gebruikers van biociden voor gebruik in de landbouw; de imkers.

7.9.5. Deeltijds Kunstonderwijs – financiële steun voor leerlingen Zoals blijkt in 7.8.6., bestaat er in het deeltijds kunstonderwijs een systeem van 'sociale reductie' of 'verminderd tarief'. Om voor het verminderde inschrijvingsgeld in aanmerking te komen, moet de leerling (Decreet van 31 juli 1990) een attest of bewijs kunnen voorleggen waaruit blijkt dat hij/zij: ● ● ● ● ● ●

uitkeringsgerechtigd volledig werkloos is, of ten laste van een uitkeringsgerechtigde volledig werkloze; of, verplicht ingeschreven is als werkzoekende, het bestaansminimum ontvangt, of ten laste is van één van deze twee categorieën; of, gehandicapt is met een arbeidsongeschiktheid van ten minste 66 %, recht heeft op een tegemoetkoming als gehandicapte, of ten laste is van één van deze twee categorieën; of, in een gezinsvervangend tehuis of in een medisch-pedagogische instelling verblijft; of, het statuut van erkend politiek vluchteling heeft of ten laste is van een dergelijke persoon; of, steun krijgt uit het kinderbijslagfonds, indien hij ouder is dan 18 jaar.

Een leerling die de leeftijd van 18 jaar niet bereikt heeft op 31 december van het schooljaar in kwestie, betaalt verminderd inschrijvingsgeld indien een ander lid van het gezin waartoe hij/zij behoort het www.eurydice.org

236


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) inschrijvingsgeld reeds heeft betaald in dezelfde of in een andere instelling; en/of voor iedere extra inschrijving in een andere studierichting in dezelfde of in een andere instelling.

7.9.6. Sociaal-cultureel volwassenenwerk - financiële steun voor cursisten Verenigingen hanteren meestal lagere tarieven voor eigen leden, vormingsinstellingen houden vaak rekening met het (gezins)inkomen en/of de gezins- of werksituatie van deelnemers bij het bepalen van deelnemersgelden.

7.10. Studieaanbod 7.10.1. Volwassenenonderwijs - studieaanbod

7.10.1.1. Onderwijs voor Sociale promotie (OSP) - studieaanbod Het aanbod van het Onderwijs voor Sociale Promotie is zeer divers en ruim. Het wordt georganiseerd op het niveau van het secundair onderwijs (31 studiegebieden) en op het niveau van het hoger onderwijs van het korte type (7 categorieën). 7.10.1.1.1 Het secundair onderwijs voor sociale promotie

Dit is ingedeeld in studiegebieden, die op hun beurt een aantal opleidingen ('afdelingen') groeperen. De studiegebieden in het secundair onderwijs voor sociale promotie zijn: Algemene vorming = TKO H

Auto

H

H

Bedrijfsbeheer H

Bijzondere educatieve noden

H

H

H

Boekbinden H

Bouw

H

H

Chemie H

H

H

Diamantbewerking H

Fotografie

H

H

Grafische technieken H

H

H

Handel H

H

Hout

Huishoudelijk onderwijs

H

H

Juwelen H

H

Koeling en warmte H

H

H

Land-en tuinbouw H

H

Lederbewerking H

Lichaamsverzorging

H

H

H

Maritieme opleidingen H

Mechanica - elektriciteit

H

H

H

Meubelrestauratie en houtsnijden H

Muziekinstrumentenbouw

H

H

Mode

H

Nederlands tweede taal H

Personenzorg H

H

Smeden H

H

Talen

H

Textiel

H

H

Toerisme H

H

Kant

H

H

H

Decoratieve technieken

H

H

H

H

H

H

Voeding

www.eurydice.org

H

237


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) Het OSP biedt zowel lineaire als modulaire opleidingen aan. ● ●

De lineaire opleidingen met een duur van een of meer leerjaren en met lessen gespreid over 32 tot 40 weken in de periode begin september - einde juni. De modulaire opleidingen waarin de leerstof wordt onderverdeeld in een aantal modules die in gans Vlaanderen dezelfde zijn. Die opdeling laat de cursist toe zelf het studiepakket samen te stellen en de duur van de studie te bepalen. Het Centrum voor Volwassenenonderwijs kan een modulaire opleiding over een gedeelte van het jaar of over een heel jaar spreiden. Daardoor kunnen opleidingen op verschillende ogenblikken van het jaar starten. De ontwikkeling van de modulaire structuur behoort tot de bevoegdheden van twee overheidsdiensten:

○ de Dienst Beroepsopleiding Onderwijs (DBO) die verantwoordelijk is voor het beroepsgerichte aanbod dat ook in het voltijds secundair onderwijs bestaat (=analoog aanbod);

○ de Entiteit Curriculum (ex DVO) voor het beroepsgerichte aanbod dat in het voltijds secundair onderwijs niet bestaat (= niet-analoge aanbod). De coördinatie gebeurt door de Entiteit Curriculum. De centra worden tot nu toe vrij gelaten al dan niet te modulariseren. Voor sommige opleidingen zijn de modulaire schema's reeds meer dan tien jaar oud. Voor andere opleidingen zijn recentere schema's opgesteld. Voor sommige opleidingen (zoals Algemene vorming en GPB-opleiding d.i. Getuigschrift Pedagogische Bekwaamheid) bestaan enkel modulaire schema's en geen lineaire opleidingen. Voor andere opleidingen is er een lineair aanbod naast een modulair aanbod. De opleiding worden nu systematisch gemodulariseerd. en daarenboven is een nieuw decreet in voorbereiding dat alle opleidingen wil modulariseren. Het studiegebied algemene vorming omvat ook het vroegere tweedekansonderwijs (TKO) ●

● ● ●

TKO is voor volwassenen die minimum achttien jaar zijn en alsnog een diploma van het secundair onderwijs (ASO/ TSO/BSO) willen behalen. Maar ook volwassenen die slechts één of meerdere vakken niet diplomagericht wensen te volgen kunnen deelnemen. De lessen zijn gericht op het behalen van het diploma en dus systematisch opgebouwd over een langere termijn. De lessen worden overdag en/of 's avonds gegeven. De toelatingsvoorwaarden zijn laagdrempelig.

○ De toelatingsvoorwaarde voor de derde graad ASO of TSO is het bezit van een getuigschrift van de tweede graad ASO of TSO.

○ De toelatingsvoorwaarde voor de derde graad BSO is het bezit van een getuigschrift van de tweede graad BSO.

○ Indien men niet over deze getuigschriften beschikt kan men deelnemen aan een ● ● ●

intern toelatingsexamen. Er is een inloopperiode voorzien met begeleiding waarbij de deelnemers getest worden op het vlak van inzicht en tempo, waarna zo nodig een heroriëntering plaatsvindt. De opleiding heeft een algemeen sociaal vormend aspect hetgeen zich vertaalt in de leerinhouden en aanpak. Ook is er speciale aandacht voor de sociale vaardigheden. Het TKO wordt echter niet in alle regio's aangeboden.

www.eurydice.org

238


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

7.10.1.1.2. Het hoger onderwijs voor sociale promotie

Dit is ingedeeld in 7 categorieën, die op hun beurt een aantal opleidingen ('afdelingen') groeperen. Deze categorieën zijn : ● ● ● ● ● ● ●

artistiek hoger onderwijs korte type, (2 opleidingen : Bouwkunde en Openbare werken) economisch hoger onderwijs korte type, paramedisch hoger onderwijs korte type, pedagogisch hoger onderwijs korte type (= de GPB-opleiding), sociaal hoger onderwijs korte type, technisch hoger onderwijs korte type, hogere technische leergangen 2e graad.

Ondanks het ruime aanbod kunnen bepaalde opleidingen niet worden gevolgd in het Onderwijs voor Sociale Promotie (bv. paramedische basisopleidingen, opleiding voor kleuteronderwijzer(es) of onderwijzer(es), enz..). Anderzijds worden in het Onderwijs voor Sociale Promotie een aantal opleidingen georganiseerd die niet in het voltijds onderwijs voorkomen (bv. opleiding ''polyvalent verzorgende''). In 2004 werden sommige afdelingen van het hoger OSP omgevormd tot bachelor- en masteropleidingen van het HO en werden overgedragen van CVO's naar Hogescholen.

7.10.1.2. Basiseducatie - studieaanbod De Centra voor Basiseducatie bieden cursussen aan op het niveau van het lager onderwijs en de eerste graad van het secundair onderwijs. ● ● ● ● ● ●

Nederlands (NT1), Nederlands als tweede taal (NT2) met inbegrip van alfabetisering NT2, ICT, maatschappij-oriëntatie, wiskunde, opstapcursussen Frans en Engels.

Daarnaast bieden de centra ook cursussen op maat voor organisaties, zowel overheden als bedrijven De organisatie van het aanbod van de basiseducatie is gesteund op door de overheid vastgelegde ontwikkelingsdoelen. De centra moeten deze ontwikkelingsdoelen nastreven met alle cursisten. Cursisten die in aanmerking willen komen voor deelcertificaten en/of certificaten, moeten de ontwikkelingsdoelen bereiken. De DVO (nu Entiteit Curriculum) ontwikkelde opleidingsprofielen voor alle opleidingen in de basiseducatie. Het individueel plan heeft tot doel de competenties van stagnerende cursisten op peil te houden. Het IP kan andere doelen bevatten dan de ontwikkelingsdoelen die zijn vastgelegd in de modulaire opleidingen van de basiseducatie op voorwaarde dat de relatie met één of meerdere reglementair vastgelegde ontwikkelingsdoelen duidelijk wordt aangegeven. In 2000 ging het project modularisering van start. De eerste cursussen werden modulair aangeboden in 2003. Sinds februari 2006 worden alle opleidingen modulair aangeboden. De modulaire opleiding in de centra voor basiseducatie sluiten aan op de opleidingen in de centra voor volwassenenonderwijs, zodat een vlotte overstap mogelijk is. De regelgeving voorziet een evaluatie van elke modulaire opleiding, uiterlijk twee jaar na implementatie. Deze evaluatie wordt tevens gerapporteerd aan het Vlaamse parlement. De onderwijsinspectie heeft tijdens het schooljaar 2004 - 2005 de modulaire opleidingen Nederlands als tweede taal, Wiskunde en Informatie- en communicatietechnologie (ICT) geëvalueerd. www.eurydice.org

239


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

7.10.2. Beroepsopleiding VDAB - studieaanbod De VDAB organiseert honderden praktijkgerichte beroepsopleidingen, in zowat alle mogelijke beroepsdomeinen, met daarnaast taalopleidingen, ICT-opleidingen en managementopleidingen. De opleidingen worden zowel tijdens werkuren als 's avonds of op zaterdagen gegeven en kunnen verschillende organisatievormen aannemen, zoals opleidingen in VDAB-opleidingscentra of bij derden, stages in ondernemingen, opleidingen in een erkend centrum, individuele beroepsopleiding in een onderneming of onderwijsinrichting, open leren, afstandsleren en webleren. Leren op de werkvloer kan via volgende opleidingen: ●

●

Individuele beroepsopleiding in de onderneming (IBO). Dit is een opleiding waarbij de cursist door de onderneming op de werkplek wordt getraind en begeleid. In het kader van het meerbanenplan van de Vlaamse regering wordt het IBO-proces meer intensief begeleid, niet alleen door de werkgever. Voor deze begeleiding doet de VDAB beroep op andere marktspelers en schrijft daarvoor aanbestedingen uit, waarop zowel commerciële als nietcommerciële organisaties kunnen intekenen (Tendering IBO-begeleiding). Instapopleiding. Dit is een bedrijfsgerichte afwerking van een beroepsopleiding of studie (voor schoolverlaters). De opleiding duurt 2 maanden en moet starten binnen de 4 maanden na het einde van een gevolgde beroepsopleiding (georganiseerd of erkend door de VDAB) of studie (voor schoolverlaters met een diploma of studiebewijs van eerste graad ASO, tweede graad TSO, BSO, KSO, ondernemersvorming, het DBSO, alternerend beroepsonderwijs).

Na deze opleidingen is het bedrijf verplicht om de cursisten een contract voor onbepaalde duur te geven. ● ●

Voltooiingsstages (na de opleiding in het VDAB-competentiecentrum): maximum 6 weken. Alternerende opleidingsvormen: opleidingsperiodes in een beroepsspecifieke opleiding in een VDAB-competentiecentrum wordt afgewisseld met stages in een bedrijf.

7.10.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen - studieaanbod

Permanente vorming ●

De leertijd (+ 15 j.)

○ Dit is een initiële beroepsopleiding voor leerjongeren die nog slechts deeltijds leerplichtig zijn, d.w.z. vanaf 15 jaar als ze de eerste twee jaren van het secundair onderwijs gevolgd hebben, anders vanaf 16 jaar.

○ De leerling verwerft daardoor een basis om als medewerker in een bedrijf te kunnen functioneren.

○ De leertijd omvat:

▪

Een leerovereenkomst voor praktijkvorming. Dit is een overeenkomst van bepaalde duur waarbij een ondernemingshoofd-opleider zich ertoe verbindt aan de leerling een beroep aan te leren, en waarbij de leerling zich ertoe verbindt deze praktijk aan te leren onder leiding van dit ondernemingshoofd-opleider, en daarnaast de nodige theoretische opleiding te volgen.

▪

Een theoretische vorming met maatschappijgerichte (120 uren per jaar + 120 uren supplementair voor 15-jarigen) en beroepstechnische vorming (120 uren per jaar).

▪

Tevens kunnen aanvullende taalcursussen gegeven worden, en kunnen zowel binnen de maatschappijgerichte als binnen de beroepstechnische vorming nog aanvullende cursussen worden georganiseerd www.eurydice.org 240


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

○ De leerlingen worden hierbij begeleid door een leertrajectbegeleider. ○ http://www.syntra.be/leertijdloket H

●

De ondernemersopleiding (+ 18j.)

○ Deze bereidt de deelnemers voor op het algemene, technische, commerciële, financiële en administratief beheer van een zelfstandig beroep of een kleine of middelgrote onderneming.

○ Ze omvat een theoretische vorming beroepskennis en bedrijfsbeheer en kan worden

●

gecombineerd met een stageovereenkomst waarbij de cursist praktijkopleiding in een onderneming krijgt. De stageovereenkomst wordt begeleid door een leertrajectbegeleider. Bedrijfsbeheer

○ De opleiding 'bedrijfsbeheer' leidt tot een getuigschrift 'basiskennis van bedrijfsbeheer', vereist voor een vestigingsattest.

○ De opleiding 'bedrijfsmanagement voor KMO' is bestemd voor bedrijfsleiders of ●

leidinggevende functies en vereist een hogere vooropleiding. Bijscholings- en vervolmakingsprogramma's

○ Deze zijn gericht op zelfstandige ondernemers, KMO's en naaste medewerkers. ○ Ze omvatten:

▪

programma's voor bepaalde beroepen omtrent zeer specifieke beroepstechnieken (nieuwe evoluties en technologie in het beroep);

▪ ▪ ▪ ▪

algemene programma's over actuele topics voor de KMO;

▪

opfrissingscursussen voor gevestigde ondernemers die op de hoogte willen blijven van een bepaalde ontwikkeling in hun beroep of in het algemene ondernemen;

thema's uit bedrijfsbeheer en KMO-management; seminaries over nieuwe reglementering in de KMO; specifieke taalcursussen voor de KMO waarin vooral bedrijfseconomische conversaties worden bijgebracht en geoefend;

▪

●

gecertificeerde bijscholingen die aansluiten op een ondernemersopleiding. Opleidingen op maat

○ Deze kunnen worden georganiseerd zowel in-company, als in een van de educatieve centra van SYNTRA, of elders.

○ De opleidingsconsulenten van de SYNTRA-koepels werken een globaal opleidingsplan uit dat bijdraagt tot de verhoging van de competentie van de medewerkers en dus ook van de onderneming.

Alternerend leren Dis is een opleiding die het volgen van cursussen in een SYNTRA-campus combineert met werken onder begeleiding van een ondernemer of stagebegeleider.

Modulair aanbod Dit zijn opleidingen samengesteld uit modules die een bepaalde competentie vertegenwoordigen. http://www.syntra.be/ H

www.eurydice.org

241


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

7.10.4. Landbouwvorming - studie aanbod De naschoolse vormingsactiviteiten, die gesubsidieerd worden door de afdeling Duurzame Landbouwontwikkeling, worden in 5 vormingstypes onderverdeeld. ●

Starterscursussen:

○ Type A : algemene starterscursussen (vroegere B1-cursus) H

▪

H

Deze geven een vorming over de bedrijfsvoering in het algemeen en de wetgeving met betrekking tot de landbouwsector.

○ Type B : bijzondere starterscursussen (vroegere B3-cursus) H

▪ ○

H

Deze geven een vorming over de bedrijfsvoering, de wetgeving en een aantal belangrijke technische aspecten met betrekking tot een of twee deelsectoren van de landbouw.

Type C

▪

●

● ●

Deze geven specifieke technische kennis die nodig is bij een eerste vestiging op een landbouwbedrijf of voor de erkenning als verkoper of gebruiker van fytoproducten en biociden voor gebruik in de landbouwsector. Vormingscursussen (vroegere C-cursussen): opleidingen van minimum 20 uur bestemd voor land- en tuinbouwers. Het aanbod is zeer gevarieerd, zoals computercursussen, cursussen kunstmatige inseminatie bij rundvee, rundveepedicure, onderhoud van materieel,... Dit kunnen theoretische cursussen of praktijkcursussen zijn. Stages: praktische opleidingen op een landbouwbedrijf met het doel het bedrijfsbeleid ter plaatse te observeren of speciale kennis te verwerven. Korte vormingsactiviteiten: bijeenkomsten waarop een bepaald onderwerp in verband met de landbouwsector onder de leiding van een lesgever wordt uitgediept (studievergadering, demonstratie, geleid bezoek, panelgesprek, contactvergadering of voordracht).

○ Korte vormingsactiviteiten ingericht door een algemeen of gewestelijk centrum: vormingsactiviteiten van maximum 3 uur bestemd voor personen die een landbouwactiviteit uitoefenen. Zij kunnen een sociaal, juridisch, technisch, economisch, milieukundig of ethisch thema behandelen. De thema's sluiten dikwijls zeer dicht aan bij de actualiteit.

○ Korte vormingsactiviteiten ingericht door een centrum voor ●

hobbylandbouwvorming: behandelen onderwerpen over landbouwactiviteiten die als hobby worden uitgeoefend. Vervolmakingsdagen: activiteiten van minimum 3 uur voor de bijscholing van de lesgevers in de landbouwvorming.

www.eurydice.org

242


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

7.10.5. Deeltijds kunstonderwijs DKO – studieaanbod

Beeldende kunst J Lagere Graad

Woordkunst

J

V

J

V

Dans J

V

Aanvangsleeftij d

6

8 - 14

15

8

6

15

Aantal leerjaren

6

4

3

4

6

2

Minimum lesuren

2

3,5

1

(*)

2

Opties

2

1

1

1

Middelbare Aanvangsleeftij Graad d

12

Aantal leerjaren

6

Minimum lesuren Opties Hogere Graad

V

Muziek

1 vanaf 1 2e jaar meteen 18

12

12

15

12

3

3

3

3

4

2 of 3

2

2

2

5

8

5

5

3

Aanvangsleeftij d

18

15

15

Aantal leerjaren

4 of 5

3

3

3

10 (4j.) of 8 (5j.)

2

2

2

28

12

4

4

Minimum lesuren Opties

15

Specialisat Aanvangsleeftij Na hogere graad ie d graad Aantal leerjaren 2 Minimum lesuren

8

Opties

28

J= jongere; V = volwassene; (*) minimum 1 lesuur/week eerste 2 jaren, minimum 2 de volgende 4 leerjaren Een academie kan ook, bij wijze van experiment een nieuwe opleiding inrichten, die gedurende 4 jaar door het departement Onderwijs en Vorming wordt gesubsidieerd. Er lopen een reeks experimentele opleidingen. Vanaf het schooljaar 2006-2007 heten deze experimenten 'tijdelijke projecten'. Zie http://www.ond.vlaanderen.be/onderwijsaanbod/dko/default.htm. H

H

www.eurydice.org

243


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

7.10.6. Sociaal-cultureel volwassenenwerk - studieaanbod Het aanbod aan leeractiviteiten van sociaal-culturele volwassenenorganisaties is zeer divers. De indeling naar thema van de meer dan 5.400 activiteiten die in 2004 in de databank Prettig Geleerd (een databank van sociaal-culturele activiteiten) werden ingevoerd, geeft een concreet beeld van deze diversiteit. Persoonlijkheidsvorming

14,1 % Sociale en communicatieve vaardigheden

Gezondheid, zorg en sport

12,5 % Interculturele vorming

4,71 %

Kunsteducatie

9,27 % Consumentenvorming

1,62 %

Zingeving en filosofie

8,3 % Natuur en milieu

Maatschappij en politiek

7,8 % Opvoeding en onderwijs

Creativiteit en expressie

9,7 % Relationele vorming

2,4 %

4,78 % 2,0 % 2,07 %

Computer, media en informatie

3,44 % Toerisme

2,67 %

Werk en loopbaan

1,57 % Wetenschap en techniek

2,22 %

Populaire cultuur en hobby

4,54 % Andere

4,64 %

Talen

1,57 %

Kanttekening bij dit beeld is dat het om (een deel van) het bovenlokaal aanbod van verenigingen, bewegingen en vormingsinstellingen gaat. Met name de lokale activiteiten van de afdelingen van verenigingen waren in deze databank niet opgenomen.

Prettig geleerd (databank - socioculturele activiteiten)

7.11. Onderwijsmethoden 7.11.1. Volwassenonderwijs - onderwijsmethoden

Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP) - onderwijsmethoden Onderwijsmethoden en leerplannen behoren tot de pedagogische vrijheid (zie 2.3.1.1.) van de inrichtende machten. De leerplannen dienen wel te worden goedgekeurd op advies van de onderwijsinspectie, zie 2.3.5..

Basiseducatie - onderwijsmethoden De einddoelen van de opleidingen in de basiseducatie zijn analoog aan de doelen van het leerplichtonderwijs, maar via een geëigende agogische aanpak. Naast het bijbrengen van kennis en vaardigheden, gaat de aandacht vooral naar het aanbrengen van sleutelcompetenties, studievaardigheden en naar cursistenbegeleiding. In de open leercentra kunnen cursisten op zelfstandige basis extra oefeningen maken of informatie opzoeken en verwerken. Ze werken er in een multimediale omgeving aan hun eigen leervraag, op hun eigen tempo. www.eurydice.org

244


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

Elektronisch ondersteund leren in het volwassenenonderwijs: een verkenning

7.11.2. Beroepsopleiding VDAB - onderwijsmethoden Er worden uiteenlopende onderwijsmethoden gehanteerd al naargelang de opleiding. ●

●

● ●

●

Opleiding in groep onder leiding van een instructeur, op vaste tijdstippen en met een gemeenschappelijk leertraject voor de deelnemers. Het betreft dus klassikaal onderwijs (in een VDAB-centrum of in het bedrijf). Bij open leren neemt men individueel het totale leerpakket door in een VDAB-centrum of het bedrijf. Naast ondersteuning van een instructeur kan men er gebruik maken van een waaier aan leermiddelen (cd-rom, video, zelfstudiepakketten). Het betreft hier dus zelfstudie met onmiddellijke begeleiding, op afspraak, wanneer het de cursist past. Bij webleren kan de cursist rekenen op de steun en feedback van een onlinecoach. Bij werkplekleren kan de cursist beroep doen op een coach binnen het bedrijf. De VDAB heeft daartoe trouwens een Vademecum werkplekleren samengesteld en online ter beschikking gesteld. Blended learning: een mix van verschillende aanbiedingsvormen. Voorbeeld: webleren in combinatie met groepsleren.

7.11.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen - onderwijsmethoden We bespreken achtereenvolgens de leertijd, de ondernemingsopleiding (inclusief stageovereenkomst), de bijscholing, en de opleidingen op maat. De leertijd is uitgebouwd als een alternerende opleiding: de praktijkopleiding (4 dagen per week) bij een zelfstandige of in een kleine of middelgrote onderneming is gekoppeld aan een theoretische vorming (1 dag per week) in een SYNTRA-campus. ●

●

●

In de beroepsgerichte vorming wordt de "betogende praktijk" gehanteerd: men combineert praktische demonstratie met een denk- en leerproces dat door de leerlingen met behulp van de lesgever luidop doorlopen en gedemonstreerd wordt. In de beroepstechnische vorming wordt door de lesgevers theoretische ondersteuning aangebracht m.b.t. het beroep dat de jongere aanleert op de werkvloer. In de cursus maatschappijgerichte vorming wordt via thematisch projectwerk en afzonderlijke trainingsmomenten voor taalen rekenvaardigheden gewerkt aan de persoonlijkheidsontwikkeling van de leerjongeren. Specifiek wordt gewerkt aan: een verantwoorde zelfontplooiing, een verantwoord familiaal en beroepsleven, burgerschap en wereldburgerschap. Zowel binnen de maatschappijgerichte, als binnen de beroepstechnische vorming kunnen aanvullende cursussen worden georganiseerd, zoals bijwerkingscursussen (''remediëring'') voor leerlingen met leerachterstand

De ondernemersopleiding omvat zowel een theoretische vorming (ook hier zowel beroepstechnisch als bedrijfsbeheer) als praktijkervaring, een praktijkstage of aanvullende praktijkopleiding. Voor het bedrijfsbeheer wordt gebruik gemaakt van een haalbaarheidsstudie als rode draad doorheen de opleiding.

www.eurydice.org

245


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) De bijscholings- en vervolmakingsprogramma's voor zelfstandige ondernemers, KMO en naaste medewerkers bestaan uit algemene en specifieke/thematische programma's, seminaries, specifieke taalcursussen, opfrissingscursussen; enz.. Bij de opleidingen-op-maat werken opleidingsconsulenten via een stappenplan een globaal opleidingsplan uit dat het dichtst bij de persoonlijke behoeften en ambities van (het hoofd van) de onderneming aanleunt.

7.11.4. Landbouwvorming - onderwijsmethoden Een theoretische les is een theoretische uiteenzetting, gegeven door een lesgever en eventueel gevolgd door een bespreking of een demonstratie van de praktijk aan de deelnemer. Een praktijkles is een les waarbij alle deelnemers, na een eventuele korte theoretische inleiding, de praktijk van het vak beoefenen onder leiding van een lesgever. Een stagedag bestaat uit acht uur stageactiviteit. In de praktijk worden ook panelgesprekken, geleide bedrijfsbezoeken, discussiegroepen e.d. aanvaard, mits die geleid worden door een moderator, die de functie van 'lesgever' vervult.

7.11.5. Deeltijds kunstonderwijs DKO - onderwijsmethoden Beslissingen omtrent methoden behoren tot de vrijheid van de inrichtende machten. Bijgevolg zijn er geen officiële richtlijnen; onderwijs in kleine groepjes en zelfs individueel onderricht zijn alledaagse praktijk.

7.11.6. Sociaal-cultureel volwassenenwerk - onderwijsmethoden Volgens het decreet van 4 april 2003 dient elke erkende sociaal-culturele volwassenenorganisatie een sociaal-culturele methodiek te hanteren. “Een sociaal-culturele methodiek is een wijze van denken en handelen die gesteund is op reflectie, ervaringsdeskundigheid en wetenschappelijke inzichten. Die methodiek wordt door diverse organisaties en hun vrijwillige en professionele medewerkers gebruikt om individuen en groepen aan te spreken en te activeren in één of meerdere bestaansdimensies en in hun diverse leefsituaties. Deze bestaansdimensies kenmerken de mens als zin- en waardenzoeker, als kennisverwerker, als vaardige actor of creatieve explorator, als cultuurschepper en sociaal wezen. Als doelstellingen staan het ontwikkelen van een eigen identiteit, het bevorderen van sociale integratie en maatschappelijke participatie en de opbouw van een democratische, duurzame en inclusieve samenleving voorop. Daartoe worden op bewuste en doordachte wijze open kansen geschapen die uitnodigen tot ontmoeting en informeel leren. Er worden processen van kritische bewustwording, reflexieve verantwoording en persoonlijke bekwaming gestimuleerd. Er wordt aangezet tot de ontwikkeling van sociale, culturele en communicatieve competenties en de vorming van sociale netwerken en culturele symbolen. In het scheppen en benutten van deze kansen zijn de betrokken personen en groepen actieve ‘deel-nemers’ met wie de medewerkers in dialoog treden over de concrete doelen en de aanpak."

www.eurydice.org

246


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) In het Sociaal-cultureel Volwassenenwerk worden de methoden bepaald door de interventiestrategie die men aanwendt. De belangrijkste interventiestrategieën van het sociaal-cultureel volwassenenwerk zijn: ●

● ● ●

Het opzetten van een context waarbinnen deelnemers informeel kunnen leren in interactie met anderen en/of via zelfreflectie, alsook het begeleiden van deelnemers op niet-formele wijze ( d.w.z. vormen van begeleiden van leerprocessen, die niet gebonden zijn aan vooraf door derden vastgestelde programma's en eindtermen); Het maatschappelijk activeren van mensen rond diverse kwesties en thema's van collectieve aard met het oog op integratie en/of participatie aan de samenleving. Het stimuleren van gemeenschapsvorming en ontmoeting tussen mensen en; Het creëren van een context waarin cultuurbeleving, betekenisschepping en de creatie van symbolen, mogelijk is en aangemoedigd wordt.

In het sociaal-cultureel volwassenenwerk is er onder meer sprake van een educatieve functie en met name van niet-formele educatie. Hierbij ligt in het aanbod de klemtoon op het informele en nietformele leren. Het omvat zowel het stimuleren van incidenteel als intentioneel leren. In het sociaalcultureel volwassenenwerk worden interventies en vormen van begeleiding niet als een overdracht opgevat van de begeleider naar het individu. De deelnemer is daarentegen een actieve partner die zowel de inhoud als de aanpak van de programma's, projecten en activiteiten, op een of andere wijze mee bepaalt.

7.12. Lesgevers 7.12.1. Volwassenenonderwijs - lesgevers

Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP) - lesgevers Het onderwijzend personeel in het OSP valt onder de decreten rechtspositie (27 maart 1991). Hun wettelijk statuut en kwalificaties zijn gelijkaardig aan de vereisten die bestaan voor het gewoon secundair en hoger niet-universitair onderwijs. Lesgevers kunnen sinds 2006-2007 daarenboven een specifieke opleiding (van 280 lestijden, waaronder 120 praktijk) volgen die leidt tot een certificaat Opleiding voor Opleiders van Volwassenen.

Basiseducatie - lesgevers De personeelsleden van de Centra voor Basiseducatie vallen onder de sociaal-culturele sector. Ook de educatieve medewerkers hebben niet het statuut van onderwijzend personeel, zij werken met een bediendenstatuut. Elk centrum beschikt ook over één of meer administratieve medewerkers. Binnen de ruim 700 personeelsleden worden volgende functies onderscheiden: ● ● ●

coördinator, educatief medewerker administratief medewerker

Decretaal is voorzien in verplichte bijscholing van educatieve medewerkers, sedert 1996 georganiseerd als voortgezette lerarenopleiding (Decreet van 16 april 1996). De opleiding wordt aangeboden door twee Vlaamse hogescholen in Antwerpen. Deze opleiding bestaat uit contactmodules, begeleide praktijk en zelfstudie. Voor de evaluatie van medewerkers in de centra werden een procedure en instrumenten uitgewerkt. Sinds november 2004 stelt het VOCB een onlinedatabank met beschrijvingen van leermiddelen basiseducatie ter beschikking. www.eurydice.org

247


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

7.12.2. Beroepsopleiding VDAB - lesgevers Ofschoon de VDAB over een eigen opleidingsdienst beschikt die o.a. de initiële en voortgezette opleiding van de instructeurs (doorgaans gerekruteerd als vakmensen uit de bedrijfswereld) verzekert, werft de VDAB ook lesgevers aan die een lerarenopleiding hebben gevolgd.

7.12.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen - lesgevers SYNTRA Vlaanderen organiseert voor de lesgevers een initiële bijscholing van 120 uur, waarbij de klemtoon ligt op pedagogisch-didactische elementen. Verder worden regelmatig periodieke bijscholingen georganiseerd waarbij de klemtoon ligt op vaktechnische elementen, of specifieke aspecten van de pedagogisch-didactische aanpak. Voor de patroons (die de leerjongere 4 dagen per week opleiden) bestaan de Estafette-opleidingen. Hierin wordt voornamelijk gefocust op instructies geven aan leerjongeren, coaching en conflicthantering.

7.12.4. Landbouwvorming - lesgevers Het Vlaamse Gewest subsidieert via de vervolmakingsdagen ook de opleiding van de lesgevers. De centra doen eveneens beroep op lesgevers met een diploma van leerkracht. Meest doen zij beroep op specialisten in de onderwezen materie. Dit zijn lesgevers uit het dagonderwijs, personeelsleden van landbouworganisaties, voorlichters,… De Afdeling Duurzame landbouwontwikkeling (zie 2.6.2.3.) zorgt voor inspecties ter plaatse.

7.12.5. Deeltijds kunstonderwijs DKO - leraars Leraars in het DKO dienen over een specifiek, vereist bekwaamheidsbewijs te beschikken. Voor bijna alle vakken in het DKO zijn deze vereiste bekwaamheidsbewijzen vastgelegd. Het betreft specifieke basisdiploma's van kunstopleidingen, aangevuld met een lerarenopleiding. Sinds 1 september 2002 worden er daarnaast ook voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen aanvaard: algemene basisdiploma's, meestal van het kunstonderwijs, aangevuld met een lerarenopleiding. De academies beoordelen zelf of een houder van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs de nodige competenties heeft om een vak te onderwijzen. In uitzonderlijke gevallen kan ervaring als bekwaamheidsbewijs in aanmerking genomen worden, en tot een volwaardige aanwerving leiden. (Zie 8.2.5.1.)

7.12.6. Sociaal-cultureel volwassenenwerk - lesgevers De educatieve medewerkers in sociaal-culturele organisaties dienen niet over een specifiek diploma te beschikken. Geëigende opleidingen vormen de basisopleiding 'sociaal-agogisch werk' ingericht door de sociale hogescholen en de richtingen sociale (ped)agogiek en sociaal werk op universitair niveau. www.eurydice.org

248


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) SoCiuS, het steunpunt voor sociaal-cultureel volwassenenwerk, heeft een bijscholingsaanbod en organiseert intervisiebijeenkomsten, collegagroepen en werkplaatsen. Speciale aandacht krijgen de thema's 'interculturaliseren' en 'gemeenschapsvorming en maatschappelijke activering'. Samen met de cel voor kwaliteitszorg Kwasimodo begeleidt het Steunpunt de toepassing van kwaliteitszorg in de sector. De organisaties zorgen meestal zelf voor de vorming van hun vrijwillige en freelance lesgevers. Zowel verenigingen als vormingsinstellingen doen ook beroep op gespecialiseerde experts.

7.13. Evaluatie en voortgang 7.13.1. Volwassenenonderwijs - evaluatie en voortgang

Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP) – evaluatie en voortgang Een Centrum voor Volwassenenonderwijs dient in het modulair systeem ten minste één examen aan het einde van elke module te organiseren. In het lineair systeem moet het centrum ten minste één examen voor elk vak aan het einde van het schooljaar organiseren.

Basiseducatie – evaluatie en voortgang Doorheen de opleiding worden cursisten intensief begeleid op hun niveau. Het cursusaanbod van de in 7.10.3. vermelde leerdomeinen omvat verschillende niveaus die aansluiten op de verschillende instapniveaus van cursisten. In algemene zin is er in de niveau-indeling een onderscheid tussen een elementaire basis en een niveau van verbreden en verdiepen. Het onderscheiden van niveaus per leerdomein betekent niet dat cursisten alle niveaus moeten doorlopen. Afhankelijk van hun instapniveau en hun leerwensen kunnen zij op elk niveau in- en uitstromen. Er zijn bovendien op verschillende tijdstippen van het jaar instapmogelijkheden. Het CBE organiseert per module een evaluatie. Die kan de vorm aannemen van permanente evaluatie en/of een examen.

7.13.2. Beroepsopleiding VDAB - evaluatie en voortgang Cursisten worden permanent opgevolgd en geëvalueerd in de loop van hun (modulaire) opleiding.

7.13.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen - evaluatie en voortgang Een opleiding in de leertijd duurt in principe 3 jaar. Afhankelijk van leeftijd en vooropleiding is een kortere opleiding mogelijk. Tijdens hun opleiding worden leerlingen permanent geëvalueerd. Dit houdt in dat de jongeren, naast het overgangsexamen en het eindexamen, tevens beoordeeld worden aan de hand van tussentijdse evaluaties met betrekking tot het functioneren bij de patroon (4 dagen / week). De tussentijdse evaluaties hebben niet alleen betrekking op het functioneren bij de patroon maar ook op de vorderingen in het centrum. Het overgangsexamen vindt plaats op het einde van het eerste en het tweede opleidingsjaar. Het eindexamen vindt plaats in het laatste jaar van de leertijd. Het eindexamen omvat een geïntegreerde praktijkproef (de zogenaamde C-proef) waarbij de leerling www.eurydice.org 249


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) moet bewijzen zowel de beroepstechnische als de algemene vakken te beheersen. De leerling die niet slaagt voor de eindexamens van maatschappijgerichte en/of beroepstechnische vorming, krijgt de gelegenheid in hetzelfde jaar te herkansen. Een herkansing in de praktijkproef kan slechts tijdens het volgende cursusjaar.

7.13.4. Landbouwvorming - evaluatie en voortgang Het initiatief wordt aan de centra overgelaten.

7.13.5. Deeltijds Kunstonderwijs DKO – evaluatie en voortgang Tweemaal per schooljaar wordt er een schriftelijke evaluatie gemaakt van elke leerling en meegedeeld aan de leerling en/of ouders. Het schoolbestuur kan zelf de vorm van die evaluatie uittekenen. Binnen de academies voor Beeldende kunst worden aan het einde van de lagere graad, aan het einde van het vijfde en zesde leerjaar van de middelbare graad en aan het einde van ieder leerjaar van de andere graden tussen 1 juni en 30 juni overgangsproeven of eindproeven georganiseerd. De eindproeven worden georganiseerd in het laatste leerjaar van de middelbare graad, van de hogere graad en van de specialisatiegraad. Binnen de academies voor Muziek, Woordkunst en Dans vinden de overgangs- en eindproeven plaats tussen 15 mei en 30 juni. De eindproeven worden hier georganiseerd in het laatste leerjaar van elke graad; de overgangsproeven in de andere leerjaren. Verspreide of gedeeltelijke proeven kunnen georganiseerd worden mits kennisgeving aan de inspectie. Voor bepaalde vakken worden geen proeven georganiseerd, of geldt er geen verplichting tot het afnemen van overgangsproeven. Tussen 15 augustus en 15 september worden van alle vakken uitgestelde proeven afgenomen van de leerlingen die om een gewettigde reden niet hebben kunnen deelnemen aan de proeven aan het einde van het schooljaar. De inrichtende macht kan beslissen om tijdens die periode ook herkansingsproeven te organiseren. De leerlingen zijn verplicht deel te nemen aan de proeven ingericht aan het einde van het leerjaar waarvoor zij zijn ingeschreven. De leerlingen die meer dan 1/3 van de lessen niet hebben bijgewoond zonder dat hun afwezigheid gewettigd was, worden niet toegelaten tot de proeven en zijn derhalve niet geslaagd.

7.13.6. Sociaal-cultureel volwassenenwerk - evaluatie en voortgang Kenmerkend is het ontbreken van elke vorm van formele evaluatie van de deelnemers. De organisaties doen wel aan zelfevaluatie, zowel ten behoeve van de deelnemers, als ten behoeve van hun eigen werking.

www.eurydice.org

250


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

7.14. Studiebewijzen 7.14.1. Volwassenenonderwijs - studiebewijzen

Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP) - studiebewijzen Er zijn verschillende types van studiebewijzen in het Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP). Een deelcertificaat bekrachtigt een module in het modulair georganiseerd onderwijs. Een certificaat bekrachtigt een modulaire opleiding of optie met uitzondering van de opleidingen algemene vorming ASO van de derde graad van het studiegebied algemene vorming en een opleiding van het pedagogisch hoger onderwijs. Een getuigschrift bekrachtigt een opleiding van het pedagogisch hoger onderwijs en een lineaire opleiding of optie. Een diploma bekrachtigt: ● ●

●

●

een optie van de opleiding algemene vorming (ASO) van de derde graad van het studiegebied algemene vorming; een opleiding algemene vorming TSO of BSO van de derde graad van het studiegebied algemene vorming, gecombineerd met een certificaat of een getuigschrift van een opleiding of optie van de derde graad van een ander studiegebied voor zover dat diploma in het voltijds secundair onderwijs wordt uitgereikt; een opleiding TSO of BSO van de derde graad van een ander studiegebied dan het studiegebied algemene vorming, als de cursist bij zijn inschrijving houder is van een diploma van secundair onderwijs, voor zover dat nieuw verworven diploma in het voltijds secundair onderwijs kan worden uitgereikt; een opleiding van het hoger onderwijs met uitzondering van het pedagogisch hoger onderwijs.

Basiseducatie - studiebewijzen Cursisten kunnen vanaf 2006 officiële certificaten krijgen. Een module met door de overheid vastgestelde leerdoelen geeft recht op een deelcertificaat en een opleiding wordt afgesloten met een certificaat. Opleidingen kunnen worden aangeboden tot op het niveau van de eerste graad van het secundair onderwijs.

7.14.2. Beroepsopleiding VDAB - studiebewijzen Deelnemers kunnen een attest krijgen voor bepaalde opleidingen die ze hebben gevolgd. Bij webleercursussen bekomt de cursist, na positieve evaluatie door de coach,een getuigschrift. Dergelijke attesten hebben geen formele of wettelijke waarde; zij worden niet erkend als equivalent met de erkende studiebewijzen van de eigenlijke onderwijssector. Ze worden echter wel de facto erkend door de bedrijfswereld.

www.eurydice.org

251


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) Er bestaan verschillende vormen van certificering van werkzoekenden of werknemers binnen VDAB: ●

VDAB-certificaten – veelal "getuigschriften" genoemd:

○ vermelden de inhoud van de programmaonderdelen die de cursist met succes ●

gevolgd heeft; VDAB-certificaten met certificaat van een sector:

○ het certificaat geeft aan dat de sector de opleiding promoot en co-financiert; ○ bovendien ondersteunt het certificaat van de sector het VDAB-getuigschrift als bewijs van verworven competenties;

○ voorbeelden: Europees lasdiploma EWF, opleidingen in de autosector ondersteund

●

door EDUCAM, opleidingen in de electrosector ondersteund door VORMELEK, opleidingen in de bouwsector ondersteund door het Fonds voor Vakopleiding in de Bouwnijverheid; VDAB-certificaten met certificaat van een bedrijf:

○ het certificaat geeft aan dat het bedrijf de opleiding promoot en co-financiert; ○ bovendien ondersteunt het certificaat het VDAB-getuigschrift als bewijs van verworven competenties;

○ voorbeelden: ECDL, VCA, Cysco; ●

VDAB-certificaten met aanvullend wettelijk certificaat:

○ VDAB bereidt de cursist grondig voor op een examen buiten VDAB voor certificaten die wettelijk verplicht zijn voor de uitoefening van bepaalde beroepen;

○ voorbeelden: rijbewijs CE, ADR (zwaar goederenvervoer op de weg), CEDICOL ●

(centrale verwarming), diploma's in de social profit; Een titel van beroepsbekwaamheid:

○ dit is een wettelijk certificaat uitgereikt door de Minister van Onderwijs, Vorming en Werk;

○ doelgroepen die in aanmerking komen: cursisten op het einde van hun opleiding die vermoedelijk voldoen aan de competenties vermeld in de standaard van de Sociaaleconomische Raad van Vlaanderen (SERV), werkzoekenden op eigen verzoek, werknemers op eigen verzoek.

7.14.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen - studiebewijzen ●

●

● ●

Wanneer de leertijd door de leerling met succes wordt afgerond, ontvangt de leerling een erkend getuigschrift dat hem/haar recht geeft op toegang tot de ondernemersopleiding. Met dit getuigschrift voldoet hij/zij eveneens aan de vestigingseisen inzake beroepskennis voor het merendeel van de gereglementeerde beroepen. Dit getuigschrift is echter niet equivalent met een diploma van voltijds secundair onderwijs. Na het met succes beëindigen van een ondernemersopleiding krijg men een diploma dat beantwoordt aan de eisen van de vestigingswet. Daarnaast ontvangt men een getuigschrift van basiskennis van bedrijfsbeheer, waarmee men voldoet aan de Programmawet over de vereisten van bedrijfsbeheer. Gecertificeerde bijscholingen die aansluiten op een ondernemingsopleiding leiden tot een officieel getuigschrift van de Vlaamse Gemeenschap. Niet-gecertificeerde bijscholingen (actuele thema's, taalcursussen, thema's uit bedrijfsbeheer en management, nieuwe reglementering…) leveren een attest van SYNTRA Vlaanderen op.

www.eurydice.org

252


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

7.14.4. Landbouwvorming - studiebewijzen De cursussen worden steeds afgesloten met een cursustest. De deelnemers die minstens 75 % van de uren aanwezig waren en geslaagd zijn voor de cursustest krijgen een namens de minister door de Afdeling Duurzame Landbouwontwikkeling geviseerd getuigschrift. Een succesvolle opleiding voor starter in land- en tuinbouw leidt tot een installatieattest. Het is nodig voor: ● ● ●

personen die zich wensen te vestigen op een land- of tuinbouwbouwbedrijf en hiervoor een tussenkomst wensen van het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds (VLIF) en geen diploma kunnen voorleggen van een volledige cyclus land- of tuinbouwgericht onderwijs van minstens het niveau hoger secundair onderwijs. H

Het installatieattest geldt als voldoende bewijs van de basiskennis van het bedrijfsbeheer, voor de inschrijving bij de Kruispuntenbank van ondernemingen (KBO). Het bekomen van een installatieattest verloopt in vier fasen: 1 2 3 4

starterscursus type A van minimum 75 uren; starterscursus type B van minimum 40 lesuren afgestemd op de landbouwsector waarin de kandidaat-landbouwer zich wenst te vestigen; stages van 20 stagedagen van acht uur op een land- of tuinbouwbedrijf; installatieproeven.

De afdeling Duurzame Landbouwontwikkeling organiseert tweemaal per jaar in elke provincie een installatieproef, in samenwerking met de provinciale landbouwdiensten. De jury bestaat uit ambtenaren van de ALT (2) en de provincie (1), en vertegenwoordigers van de algemene centra.

7.14.5. Deeltijds kunstonderwijs DKO - studiebewijzen Bij het succesvol beëindigen van elke graad ontvangt de leerling een attest of getuigschrift. Dit heeft geen 'civiel effect', maar toont enkel aan dat men een bepaald niveau aankan. De opleiding biedt natuurlijk wel een stevige basis aan jongeren die wensen aan te vangen met een opleiding binnen het hoger kunstonderwijs (bv. muziekconservatorium, toneel- en kleinkunstopleidingen, dansopleidingen). Al naargelang de graad kan het getuigschrift beeldende kunst als complementair aan het basis- of secundair kunstonderwijs worden beschouwd.

7.14.6. Sociaal-cultureel volwassenenwerk - studiebewijzen Het leerbewijs is een bewijsstuk voor opleidings- en vormingservaring. Het is een formulier dat uitgereikt wordt door diegene die de activiteit organiseert na het volgen van een opleiding, studiedag, cursus,… Het is met andere woorden een bewijs voor de deelname van de betrokken persoon. Op het leerbewijs staan ook de educatieve doelstellingen van de vormingsactiviteit vermeld. Om de herkenbaarheid van een dergelijk bewijs te vergroten, voorziet SoCiuS een gemeenschappelijk format dat ter beschikking wordt gesteld van de organisaties uit de sector. Op dit leerbewijs worden de leerdoelstellingen van de activiteit vermeld.

www.eurydice.org

253


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) Een competentiebewijs toont aan dat een coherent geheel van competenties effectief verworven is. Om een competentiebewijs te kunnen verkrijgen, moet er dus een beoordeling plaatsvinden. De uitreikende instantie stelt zich garant dat de competenties ook effectief aanwezig zijn en waakt over de kwaliteit van het proces en de gehanteerde standaarden. Voor een competentiebewijs wordt hetzelfde format gebruikt als voor het leerbewijs, aangevuld met een beschrijving van de competenties en het niveau waarop ze verworven zijn. Dit in navolging van het 'Advies Erkenning Verworven Competenties' dat door de DIVA werd overgemaakt aan de Vlaamse Regering. In het sociaal-cultureel volwassenenwerk worden vanaf 2006 ook functiebewijzen geïntroduceerd. Een functiebewijs geldt als bewijs voor competenties verworven door het uitvoeren van vrijwilligerstaken of het opnemen van andere vormen van engagement. SoCiuS wil ook werk maken van een 'leerboekje'. Het leerboekje zou een portfolio moeten worden voor ervaringen uit niet-formele en informele leeromgevingen. Elke activiteit wordt hierbij afzonderlijk geregistreerd. SoCiuS riep ook een werkgroep ‘EVC in het sociaal-cultureel werk’ in het leven. In deze groep zetelden naast vertegenwoordigers uit het werkveld ook mensen van de administratie, het kabinet, de Universiteit Gent, de basiseducatie en het Steunpunt Jeugd. De activiteiten van deze werkgroep resulteerden in de visietekst ‘EVC in het sociaal-cultureel werk’ (2006).

7.15. Begeleiding en band met verdere studies/arbeidsmarkt ●

Het meest volledige overzicht van cursussen en opleidingen voor volwassenen in Vlaanderen, met gegevens geleverd door VDAB, VIZO en Socius, vindt men op : http://www.wordwatjewil.be Jaarlijks organiseert het departement Onderwijs en Vorming ook in elke provincie Studieinformatiedagen, SID-in's, zie http://www.ond.vlaanderen.be/sidin/ Er zijn ook regionale informatiepunten H

●

H

●

○ ○ ○ ○ ○

● ● ● ●

Werkwinkels van de VDAB verspreid over heel Vlaanderen H

H

De Stap te Gent geeft alle informatie over onderwijs en vorming uit de regio H

H

Tracé te Brussel H

H

Educatieve Wegwijzer te Hasselt H

H

Ivo dekt de regio Gent-Eeklo. De Huizen van het Nederlands: oriënteren anderstaligen naar de meest gepaste cursus Nederlands tweede taal (zie 7.2.0.6.). Europass vindt men op http://www5.vdab.be/vdab/online/europass/ De DIVA wordt behandeld in 7.2.0.5. Binnen het departement Onderwijs en Vorming houdt de DBO, Dienst Beroepsopleiding zich bezig met de beroepsopleiding in de breedst mogelijke betekenis. De dienst zorgt voor: H

H

H

H

H

○ coördinatie tussen de verschillende administraties voor overkoepelende materies m.b.t. onderwijs en arbeidsmarkt

○ ○ ○ ○ ○ ○

contactpersoon met andere beroepsverstrekkers: VIZO – VDAB – NGO's … contactpersoon met werkgevers-, werknemers- en sectororganisaties opvolgen van adviezen SERV - VLOR … opvolgen convenanten onderwijs-arbeidswereld opvolging Vlaamse en Europese werkgelegenheidsrichtsnoeren opvolgen bespreking rond invulling 2de luik deeltijdse leerplicht en trajectbegeleiding in DBSO www.eurydice.org 254


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

○ opvolging Europese structuurfondsen met het oog op de realisatie van projecten. ○ coördinatie ESF-projecten voor onderwijs. ○ http://www.ond.vlaanderen.be/dbo/projecten/proj_Onderwijs-arbeidsmarkt.htm H

●

Voor wetenschappelijke ondersteuning, zie Hoger instituut voor de Arbeid, HIVA, http://www.hiva.be/ H

7.15.1. Volwassenenonderwijs - begeleiding en band met verdere studies/arbeidsmarkt

Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP) De rol van de pedagogische begeleiding in het onderwijs voor sociale promotie is grosso modo dezelfde als deze in het leerplichtonderwijs, alleen met een beperkter omkadering. De pedagogische begeleidingsdiensten van de vier koepels werken samen aan netoverschrijdende leerplannen.

Basiseducatie In 1990 werd het VOCB, Vlaams Ondersteuningscentrum voor de Basiseducatie opgericht. Het centrum heeft een specifieke ondersteunings- en ontwikkelingsopdracht. Het VOCB heeft samen met de VDAB een test ('Quickscan') ontwikkeld om het niveau van basiskennis te meten (zie ook 7.2.4.). Najaar 2004 hebben medewerkers van het Academisch Vormingsinstituut voor Leraren van de KU Leuven het project Ontwikkeling van een systeem van assessment ten behoeve van de centra voor basiseducatie afgerond – een opdracht van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement Onderwijs en Vorming. Dit project omvatte de ontwikkeling van drie instrumenten: ● ● ●

Een intaketoets voor de opleiding informatie- en communicatietechnologie (ICT); Een plaatsingstoets voor de opleiding wiskunde; Een gestandaardiseerde intakeprocedure.

Via de intake-procedure wordt de cursist naar de meest geschikte cursus en het aangepaste niveau doorverwezen. De basiseducatie werkt samen met de VDAB, voor opleidingen basisvaardigheden op de werkvloer of voor de remediëring van rekenen tijdens beroepsopleidingen. Samenwerking is er ook met de centra voor volwassenenonderwijs, de ocmw's, de gemeentebesturen en andere diensten vormen de centra een netwerk. Een overzicht van het aanbod van de centra vindt men op: http://www.basiseducatie.be

7.15.2. Beroepsopleiding VDAB - Begeleiding en band met verdere studies/arbeidsmarkt Ingevolge de herstructurering van VDAB is er vanaf 2006 naast de Directie Competentiecentra, een Directie Arbeidmarktregie (regie-coördinatie en regie-uitvoering). De hoofdactiviteiten van de omgevormde bemiddelingsdiensten omvatten: de basisdienstverlening, de uitgebreide dienstverlening aan werkzoekenden, d.i. de trajectwerking, en de uitgebreide dienstverlening aan werkgevers. Daarnaast zijn er nog specifieke taken: haven, trajectbegeleiding gedetineerden, ervaringsdeskundigen, jobcoaching, Euroconsulenten (Eures), inburgering, sociaal interventie-advies, gespecialiseerde psychologische screening. www.eurydice.org

255


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) Naast de klassieke media zijn vooral de WIS-kiosken en de uitgebreide toepassingen op het internet belangrijke hulpmiddelen, alsook het call center. WIS is een jobcomputer met jaarlijks meer dan 120.000 werkaanbiedingen. Op het vlak van internettoepassingen dient de KISS-sollicitantenbank vermeld te worden, een gratis databank met cv's van meer dan 60.000 sollicitanten. Voorts zijn er ook nog 'Lokale Werkwinkels' die alle diensten samenbrengen die men kan raadplegen wanneer men op zoek is naar werk. Met het oog op het ondersteunen van mensen die hun eigen loopbaan in handen willen nemen, biedt de VDAB loopbaandiensten aan in competentiecentra. In deze centra helpen VDABloopbaanbegeleiders mensen om loopbaankeuzes te bepalen en een persoonlijk ontwikkelingsplan op te stellen. Dergelijk loopbaanadvies gebeurt vaak op vraag van de werkgever. In dat geval draagt het advies en de begeleiding van de VDAB bij tot de onderlinge optimale afstemming van de behoeften en competenties van de medewerkers en de noden van het betreffende bedrijf. Als werknemer kan men ook op eigen initiatief naar een competentiecentrum stappen. Voor diegenen die nog geen werk hebben, biedt de VDAB de mogelijkheid tot trajectbegeleiding, of ''jobbegeleiding op maat''. De 'trajectwerking' werd in 1999 geïntroduceerd. Deze methode impliceert diepgaande en persoonlijke begeleiding van de werkloze en bestaat uit verschillende stappen: ● ● ● ● ● ●

diagnose en trajectbepaling ( kwalificerende intake, screening, oriëntatie, psychologisch en medisch onderzoek, profielbepaling, infosessies, vooropleiding), sollicitatietraining en -begeleiding, opleiding in een centrum, persoonsgerichte vorming, begeleiding naar de arbeidsmarkt, opleiding en begeleiding op de werkvloer, trajectbegeleiding en -opvolging van de verdere stappen die de werkzoekende doorneemt.

Sinds 1 januari 2006 doet de VDAB beroep op niet-commerciële en commerciële begeleidingsorganisaties om de begeleiding, opleiding en/of werkervaring van langdurig werkzoekenden te realiseren. In de trajecttendering wordt de volledige trajectbegeleiding toevertrouwd aan externe organisaties. De VDAB zorgt enkel voor de trajectbepaling. Naast trajectbegeleiding, kan een werkloze in zijn zoektocht naar een gepaste job via de VDABwebsite ook een beroep doen op de CO.BR.A.-databank (COmpetentie- en BeroepenRepertorium voor de Arbeidsmarkt) die 550 beroepenfiches bevat. Uiteraard is deze databank ook voor nietwerkloze geïnteresseerden toegankelijk. Een ander instrument is de VDAB-beroepenoriëntatie die aan de hand van een vragenlijst duidelijk maakt welke beroepen bij een persoon passen. De commerciële diensten werden afgesplitst in 2002.

7.15.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen - begeleiding en band met verdere studies/arbeidsmarkt De opleidingen van SYNTRA Vlaanderen zijn sterk praktijk- en arbeidsmarkt gericht. Leertrajectbegeleiders begeleiden het traject van de leerlingen verbonden door een leerovereenkomst en cursisten-stagiairs verbonden door een stageovereenkomst. De leertrajectbegeleiders sluiten een overeenkomst af met de Praktijkcommissie en worden ook erkend en gecontroleerd door deze Praktijkcommissie. Zowel in de raad van beheer van SYNTRA Vlaanderen als in de ondersteunende Praktijkcommissie zetelen vertegenwoordigers van de representatieve organisaties van werkgevers en werknemers, middenstand en landbouw die deel uitmaken van de SERV.

www.eurydice.org

256


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

7.15.4. Landbouwvorming - begeleiding en band met verdere studies/arbeidsmarkt Het initiatief wordt aan de centra overgelaten.

7.15.5. Deeltijds kunstonderwijs DKO - begeleiding en band met verdere studies/arbeidsmarkt Het initiatief wordt aan de centra overgelaten.

7.15.6. Sociaal-cultureel volwassenenvorming - begeleiding en band met verdere studies/arbeidsmarkt Het initiatief wordt aan de centra overgelaten.

7.16. Privé-onderwijs De privé onderwijssector heeft zich eveneens ingelaten met afstandsonderwijs –als vorm van volwassenenonderwijs- en heeft 'scholen' of centra opgezet in verschillende steden en gemeenten, vooral in de sector van talen en informatietechnologie. Dit privé-onderwijs (al dan niet schriftelijk) is in ons land echter niet wettelijk gereglementeerd en bijgevolg ook niet van overheidswege gefinancierd of gesubsidieerd. De diploma's afgeleverd door deze instellingen hebben geen wettelijke waarde en het aanbod binnen dit privé-onderwijs is zeer verscheiden, zowel qua aard van de opleidingen, als qua de lesmodaliteiten en prijs zie de jaarlijkse Studie- en informatiedagen (SIDIN) http://www.ond.vlaanderen.be/sidin. H

H

7.17. Statistieken 7.17.1. Volwassenenonderwijs

7.17.1.1. Onderwijs voor sociale promotie

Totaal aantal leerlingen in OSP: 326.775 (2005-2006)

www.eurydice.org

257


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

7.17.1.1.1. Evolutie van het aantal leerlingen in het secundair onderwijs voor sociale promotie

Referteperiode

Lineair onderwijs Mannen

Vrouwen

Modulair onderwijs Totaal

Mannen

Vrouwen

Totaal

1/9/1999 - 31/1/2000

36.330

65.823

102.153

30.605

37.305

67.910

1/2/2000 - 31/1/2001

37.101

65.382

102.483

58.787

71.642

130.429

1/2/2001 - 31/1/2002

36.075

62.997

99.072

66.751

85.706

152.457

1/2/2002 - 31/1/2003

30.588

53.825

84.413

80.843

101.511

182.354

1/2/2003 - 31/1/2004

29.244

52.052

81.296

82.308

107.315

189.623

1/2/2004 - 31/1/2005

21.405

40.961

62.366

97.439

131.432

228.871

1/2/2005 - 31/1/2006

14.642

29.650

44.292

106.462

148.502

254.964

Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2005-2006

7.17.1.1.2. Evolutie van het aantal studenten in het hoger onderwijs voor sociale promotie

Referteperiode

Lineair onderwijs Mannen

Vrouwen

Modulair onderwijs Totaal

Mannen

Vrouwen

Totaal

1/9/1999 - 31/1/2000

6.109

5.299

11.408

2.465

3.034

5.499

1/2/2000 - 31/1/2001

6.643

5.513

12.156

3.846

5.050

8.896

1/2/2001 - 31/1/2002

6.334

5.433

11.767

4.906

6.600

11.506

1/2/2002 - 31/1/2003

5.494

5.180

10.674

6.731

9.030

15.761

1/2/2003 - 31/1/2004

4.328

4.487

8.815

8.184

10.689

18.873

1/2/2004 - 31/1/2005

3.226

3.424

6.650

8.724

11.975

20.699

1/2/2005 - 31/1/2006

2.283

2.666

4.949

9.339

13.231

22.570

Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2005-2006

www.eurydice.org

258


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

7.17.1.1.3. Aantal studenten in het hoger onderwijs voor sociale promotie, korte type, naargelang onderwijsvorm en type; (referteperiode 1/2/2005 - 31/1/2006)

Lineair onderwijs M

V

Modulair onderwijs T

M

V

T

Korte type Artistiek

37

6

43

Economisch

991

908

1.899

2.816

2.202

5.018

Paramedisch

35

91

126

0

13

13

4.441

6.947

11.388

Pedagogisch Sociaal

391

1.524

1.915

1.431

3.985

5.416

Technisch

829

137

966

651

84

735

2.283

2.666

4.949

9.339

13.231

22.570

Totaal korte type

Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2005-2006

7.17.1.1.4. Aantal getuigschriften, certificaten en diploma's in het secundair onderwijs voor sociale promotie, uitgereikt tijdens de referteperiode 1 februari 2005 - 31 januari 2006

Getuigschriften

Certificaten

Diploma's

17.446

17.559

792

Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2005-2006

7.17.1.1.5. Aantal diploma's uitgereikt in het hoger onderwijs voor sociale promotie, per type en categorie, tijdens de referteperiode 1 februari 2005 - 31 januari 2006

Lineair ond.

HTO 2de graad

Korte type Artistiek

17

Economisch

859

239

Paramedisch

54

3

Sociaal

605

301

Technisch

302

51

1.837

694

Totaal korte type

Lineair ond.

Modulair ond.

Technisch ingenieur

6

Algemeen totaal

1.843

Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2005-2006 www.eurydice.org

259


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

7.17.1.1.6. Aantal getuigschriften pedagogische bekwaamheid (GPB) uitgereikt in het hoger onderwijs voor sociale promotie, tijdens de referteperiode 1 februari 2005 - 31 januari 2006 Getuigschriften GPB: 2.750 (Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2005-2006)

7.17.1.1.7. Evolutie budget OSP (in 1000 €)

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

125.997

144.549

158.522

178.574

202.933

210.896

230.121

Bron: Vlaams onderwijs in cijfers (Departement Onderwijs en Vorming) Het budget voor VWO tussen 1999 en 2004 steeg van 3,9 naar 4,7 % van het Vlaamse onderwijsbudget. Deze stijging heeft te maken met een stijging in de deelname aan volwassenenonderwijs en het verminderen van het aantal cumulbetrekkingen. Meer en meer centra trekken voltijdse medewerkers aan. Deze worden door de overheid beter verloond. (Toelichting inspectie OSP).

7.17.1.2. Basiseducatie

7.17.1.2.1. Evolutie van het aantal cursisten in de basiseducatie vanaf het werkjaar 1990-1991 (bron VOCB) Werkjaar

Mannen

Vrouwen

Totaal

1990 - 1991

0

0

7085

1991 - 1992

3633

5030

8663

1992 - 1993

4204

1993 - 1994

5058

6767

11825

1994 - 1995

5491

7351

12842

1995 - 1996

5421

7867

13288

1996 - 1997

5681

7909

13590

1997 - 1998

6006

8773

14779

1998 - 1999

6748

10154

16902

1999 - 2000

7788

11684

19472

2000 - 2001

8460

12753

21213

2001 - 2002

10462

15925

26387

2002 - 2003

10456

14206

24662

2003 - 2004

n.b.

n.b.

n.b.

2004 - 2005

n.b.

n.b.

26188

www.eurydice.org

9994

260


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

7.17.1.2.2. Evolutie van het budget basiseducatie (duizend €)

2000

2001

2002

2003

2004

2005

14.995

15.345

17.730

18.032

18.280

18.736

Bron: Vlaams onderwijs in cijfers (Departement Onderwijs en Vorming)

7.17.2. VDAB

7.17.2.1. Trajectwerking in 2005

Uitstroom trajectwerking Totaal aantal afgesloten projecten

85.647

Uitstroom uit werkloosheid

52.312

Uitstroompercentage

61,1%

Uitstroomdoelgroep

Aantal afgesloten trajecten

Allochtonen Arbeidsgehandicapten Kort-geschoolden Ouderen > 1 jaar werkloos

Aantal uitgestroomd naar werk

% uitstroom naar werk

14.519

7.358

50,9%

7.446

3.878

52,1%

40.005

22.110

55,3%

2.693

1.307

48,5%

15.302

8.636

56,4%

Bron: VDAB Kerncijfers 2005 http://www.VDAB.be H

www.eurydice.org

261


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

7.17.2.2. Aantal beëindigde opleidingen, opgesplitst naar activiteit werknemers werkzoekenden in 2005

BEROEPSOPLEIDING VAN DE VDAB in 2005 Werknemers

Werkzoekenden

Uren

Uren

Totaal

Totaal uren

A. VDAB-centra Module 2: Oriënterende opleiding

30

109

12.722

344.693

12.752

344.802

676

12.544

9.982

397.569

10.658

410.113

Module 4: Beroepsspecifieke opleiding

37.580

998.026

56.490

10.380.611

94.070

11.378.637

Module 5: Persoonsgerichte vorming

19.644

64.681

10.647

966.882

30.291

1.031.563

Module 6: Begeleiding/opleiding op de werkvloer

(1)

1.249

199

1.845.492

199

1.846.742

57.930

1.076.609

90.040

13.935.247

147.970

15.011.856

Module 3: Sollicitatietraining en -begeleiding

Totaal

B. Individuele opleidingen

14.593

14.593

C. Profielbepalingen

40.635

40.635

(1) deze aantallen zijn vervat in module 4 Bron: Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB), Keizerslaan 11, 1000 Brussel. Toelichting: A. VDAB-centra B. Individuele opleidingen: 1) Onderneming (IBO): de individuele beroepsopleidingen in de onderneming zijn 'on the job'- trainingen in een bedrijf. Enkel uitkeringsgerechtigde werkzoekenden komen hiervoor in aanmerking. Deze opleidingen zijn bedoeld als voorbereiding op vast werk en zijn een ideale formule voor sommige moeilijk in te vullen vacatures. De VDAB staat in voor de kwaliteitsbewaking en opvolging van deze opleidingen. 2) Technische school (IBT): individuele beroepsopleiding in technische scholen. Het betreft studenten die nog naar school gaan en terzelfdertijd een BO-contract met de VDAB afsloten. C. Profielbepalingen: Voor de werkzoekende aan een bepaalde opleiding begint, wordt hij in veel gevallen eerst getest (gaande van intake-gesprekken tot effectieve bekwaamheidstesten).

www.eurydice.org

262


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

7.17.3. Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen

7.17.3.1. Leertijd - aantal cursussen, lesuren en cursisten

Maatschappijgerichte vorming

Beroepskennis

Cursusjaar

Cursussen

Lesuren

Cursisten

Cursussen

Lesuren

Cursisten

2004-2005

438

46.103

5.170

1.085

67.202

5.322

2005-2006

404

43.657

5.406

1.308

98.076

5.796

Bron: SYNTRA Vlaanderen; Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2005-2006

7.17.3.2. Ondernemersopleiding - aantal cursussen, lesuren en cursisten

Bedrijfsbeheer

Beroepskennis

Cursusjaar

Cursussen

Lesuren

Cursisten

Cursussen

Lesuren

Cursisten

2004-2005

746

50.517

6.904

4.203

250.628

20.913

2005-2006

878

55.832

7.741

4.513

304.231

23.369

Bron: SYNTRA Vlaanderen; Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2005-2006

7.17.3.3. Leerovereenkomsten en -verbintenissen

onder toezicht op 31 december 2004

4.543

onder toezicht op 31 december 2005

4.296

7.17.3.4. Stageovereenkomsten en -verbintenissen

onder toezicht op 31 december 2004

1.004

onder toezicht op 31 december 2005

918

Bron: SYNTRA Vlaanderen; Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2005-2006

www.eurydice.org

263


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

7.17.4. Landbouwvorming

7.17.4.1. Landbouwkundige opleiding van starters in de landbouw, Vlaanderen 2005

B-cursus of gelijkwaardig

9

Hoger secundair onderwijs landbouw

65

Hoger secundair beroepsonderwijs landbouw

33

Hoger onderwijs landbouw

49

Installatietest of gelijkwaardig

52

andere

7

Bron: VLIF

7.17.5. Deeltijds kunstonderwijs (DKO)

7.17.5.1. Evolutie van het aantal leerlingen vanaf het schooljaar 1991-1992

Schooljaar

Beeldende kunst

Muziek, woordkunst, dans

Totaal

Verhouding t.o.v. 1991-1992

Verhouding t.o.v. 1991-1992

Verhouding t.o.v. 1991-1992

Absoluut

Procent

Absoluut

Procent

Absoluut

Procent

1991 - 1992

39.910

100

91.207

100

131.117

100

1992 - 1993

40.446

101,34

90.587

99,32

131.033

99,94

1993 - 1994

41.190

103,21

86.950

95,33

128.140

97,73

1994 - 1995

43.553

109,13

88.407

96,93

131.960

100,64

1995 - 1996

44.534

111,59

90.036

98,72

134.570

102,63

1996 - 1997

45.456

113,90

89.851

98,51

135.307

103,20

1997 - 1998

46.233

115,84

89.108

97,70

135.341

103,22

1998 - 1999

48.205

120,78

90.059

98,74

138.264

105,45

1999 - 2000

49.901

125,03

89.586

98,22

139.487

106,38

2000 - 2001

50.989

127,76

89.961

98,63

140.950

107,50

2001 - 2002

52.380

131,25

93.228

102,22

145.608

111,05

2002 - 2003

54.132

135,64

95.589

104,80

149.721

114,19

2003 - 2004

54.994

137,80

98.557

108,06

153.551

117,11

2004 - 2005

55.511

139,09

102.201

112,05

157.712

120,28

2005 - 2006

56.119

138,75

106.004

117,02

162.123

123,73

www.eurydice.org

264


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) Schooljaar

Beeldende Kunst

Muziek, Woordkunst, Dans Muziek

Woordkunst

Dans

Totaal DKO

Totaal MWD

1991 - 1992

39.910

67.787

18.373

5.047

91.207

131.117

1992 - 1993

40.446

67.886

18.185

4.516

90.587

131.033

1993 - 1994

41.190

66.033

16.917

4.000

86.950

128.140

1994 - 1995

43.553

66.983

17.512

3.912

88.407

131.960

1995 - 1996

44.534

68.130

17.920

3.986

90.036

134.570

1996 - 1997

45.456

67.974

18.167

3.710

89.851

135.307

1997 - 1998

46.233

67.280

18.198

3.630

89.108

135.341

1998 - 1999

48.205

67.348

19.104

3.607

90.059

138.264

1999 - 2000

49.901

66.527

19.381

3.678

89.586

139.487

2000 - 2001

50.989

66.927

19.354

3.680

89.961

140.950

2001 - 2002

52.380

68.558

19.623

5.047

93.228

145.608

2002 - 2003

54.132

70.058

19.646

5.885

95.589

149.721

2003 - 2004

54.994

72.098

20.013

6.446

98.557

153.551

2004 - 2005

55.511

74.350

20.600

7.251

102.201

157.712

2005 - 2006

56.119

77.107

20.841

8.056

106.004

162.123

Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2005-2006

www.eurydice.org

265


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

8. ONDERWIJZEND PERSONEEL, MANAGEMENTPERSONEEL EN EDUCATIEVE STAFLEDEN Algemeen kunnen er in het basis- en secundair onderwijs vier verschillende types van leerkrachten worden onderscheiden (Decreet van 16 april 1996): ● ● ●

●

de 'leraar kleuteronderwijs' die algemeen en sociaalopvoedend onderwijs geeft aan kinderen van drie tot zes jaar; de 'leraar lager onderwijs' die algemeen en sociaalopvoedend onderwijs geeft aan kinderen van zes tot twaalf jaar; de 'leraar secundair onderwijs - groep 1' die opgeleid is om les te geven in de eerste en de tweede graad secundair onderwijs, in de derde graad technisch secundair onderwijs (voor de opleidingseenheden bio-esthetiek; haartooi en kleding; voeding en verzorging), en in de derde en vierde graad beroepssecundair onderwijs; de 'leraar secundair onderwijs - groep 2' die opgeleid is om les te geven in de tweede, derde en vierde graad van het secundair onderwijs.

We behandelen hier: ● ● ● ● ● ●

De initiële lerarenopleiding, zie 8.1. De arbeidsvoorwaarden voor het onderwijzend personeel, zie 8.2. De aanstellings- en arbeidsvoorwaarden voor (adjunct)directeurs, zie 8.3. De aanstellings- en arbeidsvoorwaarden voor inspecteurs en personeelsleden van de Dienst voor Onderwijsontwikkeling, zie 8.4. Het personeel verantwoordelijk voor begeleiding en personeel van de Centra voor leerlingenbegeleiding, zie 8.5. Andere personeelsleden, zie 8.6.

8.1. Initiële lerarenopleiding De initiële lerarenopleidingen zijn gericht op het verwerven van de basiscompetenties voor een bepaald leraarstype. Er zijn verschillende soorten opleidingen. ●

●

Initiële lerarenopleidingen worden georganiseerd door de hogescholen en leiden tot een volledige onderwijsbevoegdheid voor kleuteronderwijs of voor lager onderwijs en tot een onderwijsbevoegdheid voor specifieke vakken voor vnl. de 1e graad secundair onderwijs (het vroegere regentaat). Ook voor leraren dans is er een initiële lerarenopleiding dans georganiseerd op hogeschoolniveau. Voor de bevoegdheid tot leraar secundair onderwijs - groep 2 (het vroegere aggregaat) gericht op een onderwijsbevoegdheid betreffende de competenties verworven tijdens de basisopleiding, dient de opleiding te worden gevolgd aan de universiteiten in een academische initiële lerarenopleiding (AILO). Voor onderwijsbevoegdheid binnen de studiegebieden 'handelswetenschappen en bedrijfskunde', 'audiovisuele en beeldende kunst' en 'muziek en dramatische kunst' kan de opleiding worden gevolgd in een initiële lerarenopleiding van academisch niveau georganiseerd door hogescholen die een basisopleiding van twee cycli (in afbouw) hebben of academische bachelors en masters in die studiegebieden.

www.eurydice.org

266


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) ●

Voor de mensen die intussen een ander beroep uitoefenden (de zogenaamde zij-instromers) bestaat een opleiding tot het Getuigschrift Pedagogische Bekwaamheid (GPBopleiding), zie 8.1.8..

Voor het onderwijzend personeel aan hogescholen en het academisch personeel aan universiteiten bestaat geen specifieke initiële lerarenopleiding. De hogescholen en universiteiten organiseren daarnaast nog voortgezette lerarenopleidingen (gericht op het behalen van een bijkomende graad of tot verdere verdieping van verworven basiscompetenties). Deze worden in dit overzicht niet behandeld.

8.1.1. Historisch overzicht

Leerkrachten basisonderwijs en secundair onderwijs – groep 1

Vroeger werden de opleidingen van leerkracht voor het kleuter-, lager en secundair onderwijs in aparte instellingen georganiseerd, nl. de normaalscholen. (Voor de leerkrachten secundair onderwijs – groep 1 het zgn. 'regentaat'). Oorspronkelijk ging het om een soort van hoger secundair onderwijs, om dan later tot het hoger onderwijs te gaan behoren. Vanaf 1970 zijn de normaalscholen geïntegreerd in het structurele kader van het hoger onderwijs. Na de fusieoperatie van 1995, zijn deze instellingen omgevormd tot departementen voor lerarenopleiding binnen de nieuwe gefusioneerde hogescholen. Leerkrachten secundair onderwijs – groep 2

In 1929 werd bij wet een minimalistisch deeltijds schema voor de lerarenopleiding aan de universiteit vastgelegd dat complementair was met de gekozen studierichting, het zgn. 'aggregaat'. Veel pogingen zijn ondernomen om deze wet te wijzigen. Pas in 1996 gebeurde dit met succes. De actuele organisatie van de lerarenopleiding heeft vorm gekregen door het Decreet betreffende de lerarenopleiding en nascholing van 16 april 1996.

8.1.2. Actuele discussies en toekomstige ontwikkelingen Op 6 december 2006 heeft het Vlaams Parlement de tekst van het ontwerp van decreet betreffende de hervorming van de lerarenopleiding in Vlaanderen aangenomen. Vanaf 1 september 2007 worden nog maar twee soorten lerarenopleidingen onderscheiden, die de aspirant-leraren opleiden tot startende leraren: ● ●

● ● ●

De geïntegreerde lerarenopleidingen integreren vakinhoudelijke en pedagogischdidactische onderdelen gedurende de gehele 3-jarige opleiding. Het zijn professioneel gerichte bacheloropleidingen aangeboden door hogescholen die leiden tot de graad van bachelor in onderwijs, respectievelijk in kleuteronderwijs, basisonderwijs en secundair onderwijs. De opleiding omvat 180 studiepunten (1 studiepunt vertegenwoordigt 25 à 30 uur studiebelasting, een volledig academiejaar omvat 60 studiepunten). De praktijkcomponent omvat praktijkgerichte onderwijsactiviteiten en bedraagt 45 studiepunten (i.p.v. gemiddeld 34 voorheen). Voor de opleiding secundair onderwijs kiest de student voortaan 2 onderwijsvakken i.p.v. 3 vakken. Dat moet voor meer diepgang zorgen en ruimte in het curriculum creëren voor nieuwe aandachtspunten zoals zorg voor leerlingen met specifieke behoeften, omgaan met andere culturen, taalvaardigheid, enz. www.eurydice.org

267


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) ●

De specifieke lerarenopleiding beroepservaring.

na

een

vakinhoudelijke

basisopleiding

of

een

○ Deze opleidingen worden aangeboden door hogescholen, universiteiten en CVO's, centra voor volwassenenonderwijs.

○ Ze hebben een studieomvang van 60 studiepunten waarvan 30 voor de praktijkcomponent. Er wordt geopteerd voor een geïntegreerd opleidingsconcept waarin de theoretische en praktijkgerichte opleidingsonderdelen alterneren en interageren.

○ De specifieke lerarenopleiding kan in 3 vormen worden aangeboden:

▪ ▪

Als aansluitende opleiding bij een vakinhoudelijke opleiding;

▪

Als aparte opleiding voor mensen die vanuit een beroepservaring de stap naar het lerarenberoep willen zetten.

Als ingebouwde opleiding als afstudeerrichting van een vakinhoudelijke opleiding (de hogescholen en universiteiten kunnen de lerarenopleiding voor 30 studiepunten laten indalen in een masteropleiding van 120 studiepunten);

○ De hogescholen kunnen -mits goedkeuring van de Vlaamse Regering- de specifieke lerarenopleidingen voortaan organiseren voor de afgestudeerden van de professionele bachelors. De hogescholen bieden deze ook aan voor de afgestudeerden van de masteropleidingen in de studiegebieden waarvoor ze dat nu ook al konden (handelswetenschappen en kunst). De universiteiten kunnen deze aanbieden voor afgestudeerden van masteropleidingen. De CVO’s kunnen deze aanbieden voor iedereen. De opleidingen in de CVO’s die leidden tot een getuigschrift van pedagogische bekwaamheid (‘GPB-opleidingen’) worden volwaardige specifieke lerarenopleidingen en moeten ook 60 studiepunten tellen. De praktijkcomponent kan niet enkel verworven worden via een preservicetraining, d.i. de stage, maar ook via een in-servicetraining, d.i. de LIO-baan, leraar-in-opleiding, waarbij men kennis maakt met het beroep via een leerwerktraject (nadat men de theoretische component al geheel of gedeeltelijk achter de rug heeft). De LIO-baan is een onderwijsopdracht van 500 - al naargelang van het onderwijsniveau - 'uren-leraar', 'lesuren', 'lestijden' of 'leraarsuren' op jaarbasis en kan zonodig gecombineerd worden met een gewone preservicetraining). De leraar-in-opleiding wordt begeleid door het centrum, de instelling of de school van tewerkstelling en krijgt ondersteuning van zijn opleidingsinstelling. Het salaris als leraar-in-opleiding (LIO) zal op het niveau staan van een leraar zonder pedagogisch bekwaamheidsbewijs. De opleidingsprogramma's van de lerarenopleidingen zullen voortaan gebaseerd zijn op dezelfde set basiscompetenties die een pas afgestudeerde leerkracht moet bezitten en die een brede visie inhouden op de professionaliteit van de leraar met specifieke kwaliteitseisen op vlak van taalvaardigheid, meertaligheid, kennismaken met onderwijsuitdagingen in een grootstedelijke context, zorg enz. Als zij-instromers (uit een ander beroep) aan een lerarenopleiding beginnen zal trouwens moeten rekening gehouden worden met hun elders verworven competenties (EVC) en eerder verworven kwalificaties (EVK). De opleidingen leiden alle tot hetzelfde diploma, namelijk dat van leraar. Voortaan zullen ze ook onder eenzelfde systeem van kwaliteitszorg vallen, namelijk de visitaties die het hoger onderwijs al kent. In het centrum, de instelling of de school is de mentor verantwoordelijk voor de begeleiding en ondersteuning van stagiairs, leraren-in-opleiding en startende leraren. Mentoren zijn leraren die in het kader van taakdifferentiatie een vermindering van hun lesopdracht krijgen om zich aan deze begeleidingstaak te wijden en die ook een specifieke vorming daartoe krijgen. Men wordt mentor na een selectie in onderling overleg tussen de centra, instellingen of scholen en de lerarenopleidingen. Een mentor moet voorafgaand aan of in het begin van zijn mentorschap een mentorenvorming volgen, maar welke precies wordt niet voorgeschreven. Het mentorschap zal vanaf 1 september 2007 organiek worden ingevoerd. Sinds 1 januari 2006 krijgen alvast beginnende leraren in het secundair onderwijs aanvangsbegeleiding door een mentor. Vanaf 1 september was dat ook het geval voor stagiairs en cursisten uit de lerarenopleiding. Door het besluit van de Vlaamse regering van www.eurydice.org

268


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) 27/01/2006 werd een tijdelijk project ingevoerd waardoor de begeleiding werd uitgebreid tot de basisscholen, de instellingen van deeltijds kunstonderwijs en de centra voor volwassenenonderwijs. De instellingen die lerarenopleidingen aanbieden, worden aangespoord om samen te werken op vlak van onderwijs- en studieactiviteiten, kwaliteitszorg en gebruik van infrastructuur. Een universiteit en meerdere centra voor volwassenenonderwijs zullen bijvoorbeeld in de toekomst een samenwerkingsakkoord kunnen sluiten om samen te werken voor de opleidingen waar masters opgeleid worden tot leraar. Die samenwerking kan ook gestructureerd worden door uitbouw van door de overheid gefinancierde Expertisenetwerken of regionale platforms. ●

Expertisenetwerken (ENW) worden gevormd in de schoot van een associatie (er kunnen maximaal 2 expertisenetwerken worden opgericht binnen één associatie) en hebben ruime in het decreet welomschreven opdrachten

○ de aanduiding van een penvoerende instelling ○ de ontwikkeling van een strategisch beleidsplan betreffende de lerarenopleiding, nascholing en de wetenschappelijke en maatschappelijke dienstverlening inzake professionalisering van leraren

○ de samenwerking en profilering van de verschillende lerarenopleidingen, onder meer wat betreft toegankelijkheid, doelgroepenbeleid, flexibele leerwegen en zij-instromers

○ de ondersteuning en versterking van de lerarenopleiding op het vlak van pedagogisch, onderwijskundig en vakdidactisch onderzoek

○ de synergie op het vlak van de praktijkcomponent en de mentorenvorming ○ de aanpak van de interne en externe kwaliteitszorg. ●

Regionale platforms werken associatieoverschrijdend en moeten toelaten dat lerarenopleidingen die deel uitmaken van een pluralistische associatie kunnen samenwerken met lerarenopleidingen van dezelfde ideologische strekking maar van een andere associatie.

Geïntegreerde lerarenopleiding opleiding

werk diploma

45 stp stage

aanvangsbegeleiding

geïntegreerde lerarenopleiding

De student volgt een geïntegreerde lerarenopleiding (professionele bachelor) aan een hogeschool, met vakinhoudelijke en pedagogisch-didactische competenties, van in totaal 180 stp waarvan 45 stp stage. Na het behalen van het diploma is er aanvangsbegeleiding bij de start van de loopbaan.

www.eurydice.org

269


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

Specifieke, ingebouwde lerarenopleiding opleiding

werk

masterdiploma

diploma

ingebouwd 30 stp

opleiding

pre-service stage

aanvangsbegeleiding

mastersopleiding 120 stp

De student volgt aan een universiteit een lerarenopleiding van 60 stp die gedeeltelijk (30 stp) ingebouwd is als afstudeerrichting in de mastersopleiding wanneer die 120 stp bedraagt, gedeeltelijk daarna wordt gevolgd. De stage gebeurt ‘pre-service’, gedeeltelijk samen met de master, gedeeltelijk nadien. Het diploma leraar wordt behaald aan het einde van de lerarenopleiding.

Specifieke, ingebouwde lerarenopleiding opleiding

werk

masterdiploma

diploma

ingebouwd 30 stp

opleiding

pre-service stage

LIO-baan =

mastersopleiding 120 stp

in-service stage

De student volgt aan een universiteit een lerarenopleiding van 60 stp die gedeeltelijk (30 stp) ingebouwd is als afstudeerrichting in de mastersopleiding wanneer die 120 stp bedraagt, gedeeltelijk daarna wordt gevolgd. De stage bestaat uit een preservice en in-service gedeelte; dit laatste noemen we ‘de LIO-baan’. Het diploma wordt behaald aan het einde van het gehele leer-werk-traject.

www.eurydice.org

270


Eurybase â&#x20AC;&#x201C; BelgiĂŤ â&#x20AC;&#x201C; Vlaamse gemeenschap (2006/07)

Specifieke, aansluitende lerarenopleiding opleiding

werk diploma

30 stp pre-service stage

aanvangsbegeleiding

basisopleiding ba + ma aansluitende lerarenopleiding

De student volgt aansluitend op (maar kan ook gelijktijdig met) de vakinhoudelijke basisopleiding (ba+ma) aan een universiteit of hogeschool een specifieke lerarenopleiding van 60 stp waarvan 30 stp pre-service stage. Na het behalen van het diploma is er aanvangsbegeleiding bij de start van de loopbaan.

Specifieke, aansluitende lerarenopleiding opleiding

werk masterdiploma

diploma

LIO-baan basisopleiding ba + ma

= pre-service stage

in-service stage

aansluitende lerarenopleiding

opleiding

De student volgt aansluitend op (maar kan ook gelijktijdig met) de vakinhoudelijke basisopleiding (ba+ma) aan een universiteit of hogeschool een specifieke lerarenopleiding van 60 stp waarvan de stage voor het grootste deel in-service gebeurt, in een LIO-baan. Tijdens de LIO-baan is er ook nog opleiding. Het diploma wordt behaald aan het einde van het gehele leer-werk-traject.

www.eurydice.org

271


Eurybase â&#x20AC;&#x201C; BelgiĂŤ â&#x20AC;&#x201C; Vlaamse gemeenschap (2006/07)

Specifieke, aparte lerarenopleiding opleiding

werk diploma

30 stp pre-service stage

basisopleiding

werkervaring

aanvangsbegeleiding

aparte lerarenopleiding

De student volgt na reeds geruime tijd te zijn afgestudeerd en werkervaring te hebben opgedaan, aan een centrum voor volwassenenonderwijs een specifieke, aparte lerarenopleiding van 60 stp waarvan 30 stp pre-service stage. Na het behalen van het diploma is er aanvangsbegeleiding bij de start van de loopbaan.

Specifieke, aparte lerarenopleiding opleiding

werk diploma

basisopleiding

werkervaring

LIO-baan =

pre-service stage aparte lerarenopleiding

in-service stage opleiding

De student volgt na reeds geruime tijd te zijn afgestudeerd en werkervaring te hebben opgedaan, aan een centrum voor volwassenenonderwijs een specifieke, aparte lerarenopleiding van 60 stp waarvan een gedeelte pre-service stage en een ander deel in-service gebeurt, in een ingroeibaan. Tijdens de LIO-baan is er ook nog opleiding. Het diploma wordt behaald aan het einde van het gehele leer-werk-traject.

Los van de hervorming van de lerarenopleiding zal er ook een volwaardige opleiding komen voor islamleraars en imams binnen het Vlaams onderwijs. Twee jaar nadat de opleiding van start is gegaan, zullen conform de taalwetgeving, enkel mensen die middels een taalexamen bewezen hebben de Nederlandse taal te beheersen, in aanmerking komen voor de functie van leraar islamitische godsdienst. Voor de personen die thans als leraar islamitische godsdienst of imam fungeren is een overgangsperiode voorzien.

www.eurydice.org

272


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

8.1.3. Wettelijk kader De volgende decreten en besluiten regelen de initiële lerarenopleiding voor de leraren kleuteronderwijs, lager onderwijs, en secundair onderwijs – groep 1. ● ● ● ● ● ●

Het Decreet betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap van 13 juli 1994. Het Decreet betreffende de lerarenopleiding en nascholing van 16 april 1996. Besluit van de Vlaamse regering van 15 juli 1997 betreffende de omvorming van de lerarenopleidingen van de hogescholen in Vlaanderen. Besluit van de Vlaamse regering van 29 september 1998 betreffende de basiscompetenties van leerkrachten. Het Decreet van 15 december 1998 tot bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse regering van 29 september 1998 betreffende de beroepsprofielen van de leraren. Brief van 27 januari 2003: toegang tot de voortgezette lerarenopleiding zorgverbreding en remediërend leren

Leraren secundair onderwijs - groep 2 krijgen een academische initiële lerarenopleiding aan een universiteit of hogeschool. Het wettelijk kader van die academische initiële lerarenopleiding bestaat uit de volgende decreten en besluiten. ● ● ● ●

● ●

Decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap (enkel voor initiële academische lerarenopleiding aan de universiteit). Decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap (enkel voor initiële academische lerarenopleiding aan de hogeschool). Decreet betreffende de lerarenopleiding en nascholing van 16 april 1996. Besluit van de Vlaamse regering van 15 juli 1997 betreffende de omvorming van de lerarenopleidingen van de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap (enkel voor initiële academische lerarenopleiding aan de hogeschool). Decreet van 15 december 1998 tot bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse regering van 29 september 1998 betreffende de beroepsprofielen van de leraren. Decreet van 8 juni 2000 houdende dringende maatregelen betreffende het lerarenambt.

8.1.4. Instellingen, niveau en opleidingsmodellen We behandelen achtereenvolgens de opleidingen voor leerkrachten ● ● ●

kleuter- en lageronderwijs en secundair onderwijs-groep 1, zie 8.1.4.1. secundair onderwijs-groep 2, zie 8.1.4.2. dans, zie 8.1.4.3.

8.1.4.1. Leerkrachten basisonderwijs en secundair onderwijs – groep 1

De initiële lerarenopleiding voor leerkrachten kleuteronderwijs, lager onderwijs of secundair onderwijs – groep 1 wordt georganiseerd door de inrichtende machten die verantwoordelijk zijn voor de hogescholen. Zij bieden dit in een basisopleiding van één cyclus aan (studiegebied 'onderwijs'). De opleiding duurt 3 jaar.

www.eurydice.org

273


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

8.1.4.2. Leerkrachten secundair onderwijs – groep 2

De academische initiële lerarenopleiding wordt georganiseerd door de faculteiten of departementen die eveneens instaan voor de organisatie van de betrokken basisopleiding aan de universiteiten. Hetzelfde is het geval voor de initiële lerarenopleiding van academisch niveau aan de hogescholen. De duur van de academische initiële lerarenopleiding omvat één studiejaar halftijds (30 studiepunten, 168 contacturen, 750u studietijd waarvan 270u praktijk) en een equivalent van 9 studiepunten (270u studietijd) te kiezen uit departementale en interdepartementale brugvakken uit de tweede cyclus. De opleiding kan worden gevolgd in één jaar ofwel gespreid over twee jaren. Men kan de opleiding simultaan volgen met de tweede cyclus van de basisopleiding. Het diploma lerarenopleiding kan echter pas bekomen worden nadat het diploma van de tweede cyclus van de basisopleiding behaald werd. Men kan de opleiding ook volledig na de tweede cyclus volgen ofwel gedeeltelijk tijdens de tweede cyclus en gedeeltelijk erna. Hogescholen die basisopleidingen van twee cycli aanbieden in de studiegebieden handelswetenschappen en bedrijfskunde, audiovisuele en beeldende kunst of muziek en dramatische kunst, kunnen aansluitend bij deze basisopleidingen een initiële lerarenopleiding van academisch niveau organiseren, die wordt bekrachtigd met de graad van geaggregeerde voor het secundaironderwijs-groep 2 (Decreet van 13 juli 1994). De academische initiële lerarenopleiding aan de hogeschool kan tijdens of na de basisopleiding worden gevolgd. De concrete spreiding en duur van de opleiding verschilt echter naargelang studiegebied en de instelling.

8.1.4.3. Leraar dans

De hogeschool die de basisopleiding dans van één cyclus aanbiedt, kan aansluitend bij deze basisopleiding een initiële lerarenopleiding organiseren, waarvoor het diploma van leraar dans wordt verleend. Deze lerarenopleiding bestaat uit één studiejaar en bedraagt ten minste 1.500 en ten hoogste 1.800 uren onderwijs- en andere studie-activiteiten. (Decr.18 mei 1999)

8.1.5. Toelatingsvoorwaarden

Leerkrachten basisonderwijs en secundair onderwijs – groep 1

De toelatingsvoorwaarden zijn identiek aan die van het hoger onderwijs in het algemeen (zie 6.6.). Voor de inschrijving in een bacheloropleiding geldt als algemene toelatingsvoorwaarde het bezit van een diploma van secundair onderwijs, een diploma van het hoger onderwijs van het korte type met volledig leerplan, een diploma van het hoger onderwijs voor sociale promotie of van een diploma of getuigschrift dat bij of krachtens een wet, decreet, Europese richtlijn of een andere internationale overeenkomst als gelijkwaardig wordt erkend (Decreet van 4 april 2003).

Leerkrachten secundair onderwijs – groep 2

Voor de inschrijving in een academische initiële lerarenopleiding aan de universiteit geldt het bezit van een diploma van de eerste cyclus van een academische opleiding als toelatingsvoorwaarde. Het www.eurydice.org

274


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) universiteitsbestuur kan ook personen die in het bezit zijn van een einddiploma van een universiteit in het buitenland – voor zover dit diploma een opleiding van ten minste vier jaar afrondt- toelating geven tot de inschrijving in een academische initiële lerarenopleiding. In dat geval kan het universiteitsbestuur de inschrijving afhankelijk maken van het volgen van sommige opleidingsonderdelen van een academische opleiding (Decreet van 12 juni 1991). Voor de inschrijving in een academische initiële lerarenopleiding aan de hogeschool geldt als algemene toelatingsvoorwaarde het bezit van een diploma van een basisopleiding van academisch niveau (Decreet van 13 juli 1994). Leerkrachten dans

Tot de lerarenopleiding dans worden toegelaten : ●

●

de geslaagden van het tweede studiejaar van de basisopleiding dans van één cyclus. Om het diploma van leraar dans te behalen, moeten de studenten in kwestie het diploma van de basisopleiding dans van één cyclus behaald hebben; de kandidaten die voldoen aan de algemene toelatingsvoorwaarden tot de basisopleidingen van één cyclus, geslaagd zijn voor een artistiek toelatingsexamen, georganiseerd door de hogeschool die de basisopleiding dans van één cyclus organiseert, en vijf jaar nuttige ervaring als professioneel danser in een erkend gezelschap kunnen aantonen (Decreet van 18 mei 1999).

8.1.6. Curriculum, speciale vaardigheden, specialisatie We behandelen eerst de initiële opleiding voor leerkrachten BaO en SO-groep 1; vervolgens deze voor groep 2.

8.1.6.1. Leerkrachten basisonderwijs en secundair onderwijs – groep 1

Het is decretaal vastgelegd dat de lerarenopleiders op basis van de basiscompetenties het opleidingsprogramma van hun verschillende lerarenopleidingen bepalen. De opleidingsprogramma's van de lerarenopleidingen omvatten ten minste de twee onderscheiden componenten die ook in de basiscompetenties voorkomen. Voor de opleiding van de leerkrachten kleuteronderwijs, lager onderwijs en secundair onderwijs - groep 1, bedraagt de minimumomvang van de gemeenschappelijke stam van de basiscompetenties 45 studiepunten (Decreet van 16 april 1996). In de opleidingen voor de leraar secundair onderwijs – groep 1 zijn verschillende opties of specialisaties mogelijk. Elke specialisatie bestaat uit: ● ●

een basiscluster van opleidingseenheden; één of meerdere opleidingseenheden voor uitdieping.

Elke basiscluster moet overeenkomen met een waarde van drie punten. Dergelijke basisclusters zijn in theorie een vrije combinatie van verschillende opleidingseenheden die samen tellen voor 3 punten (Decreet van 16 april 1996). In de realiteit hangen de keuzes af van wat het opleidingsprogramma van het departement aanbiedt. ●

●

Opleidingseenheden met een waarde van één punt zijn: aardrijkskunde, geschiedenis, Engels, fysica, Latijn, biologie, Frans, Nederlands, gebarentaal, godsdienst, nietconfessionele, economie, technisch-technologische opvoeding, informatica en burotica, kleding, bewegingsrecreatie, project algemene vakken (voor het beroepssecundair onderwijs). Opleidingseenheden met een waarde van twee punten zijn: www.eurydice.org

275


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

○ mechanica-electriciteit, voeding/ verzorging - kleding, bio-esthetiek - haartooi, houtbouw, biotechnieken-land-tuinbouw, ●

○ muzikale opvoeding, plastische opvoeding en lichamelijke opvoeding De opleidingseenheid 'bewegingsrecreatie' kan enkel worden gekozen in combinatie met de opleidingseenheid 'lichamelijke opvoeding'.

Voor uitdieping kan men kiezen voor: ● ● ● ●

Een van de opleidingseenheden van de basiscluster, met uitzondering van Latijn en technisch-technologische opvoeding Duits Chemie (op voorwaarde dat zowel fysica als biologie deel uitmaken van de basiscluster) Twee opleidingseenheden mits deze bestaan uit:

○ de opleidingseenheid project algemene vakken ○ één van volgende opleidingseenheden: aardrijkskunde, geschiedenis, Engels, wiskunde, fysica, biologie, Frans, Nederlands, godsdienst, niet-confessionele zedenleer, economie. Voor elk van de gekozen vakken wordt naast de theoretische kennis, eveneens de didactiek en de praktijk van het lesgeven aangeleerd en ingeoefend.

Competentiematrix bachelor in onderwijs: lager onderwijs

8.1.6.2. Leerkrachten secundair onderwijs – groep 2

Ook met betrekking tot de academische initiële lerarenopleiding werd decretaal vastgelegd dat de lerarenopleiders op basis van de basiscompetenties het opleidingsprogramma van hun lerarenopleidingen bepalen (Decreet van 16 april 1996). Aan de hogeschool voor Wetenschap en Kunst (VLEKHO) bijvoorbeeld, bestaat de academische initiële lerarenopleiding in het academiejaar 2002-2003 uit contactonderwijs (algemene didactiek, didactiek van de handelswetenschappen, historische pedagogiek en onderwijswetgeving), begeleide onderwijspraktijk (simulatielessen, capita selecta didactiek en stage) en studie-activiteiten uit de basisopleiding (leidinggeven en personeelsbeleid, seminarie loopbaanperspectieven en –planning en bedrijfsethiek) (brochure academische initiële lerarenopleiding handelswetenschappen VLEKHO). Aan de Universiteit Antwerpen bestaat de academische initiële lerarenopleiding – naast de brugvakken – uit 7 specifieke modules, namelijk: Onderwijskunde–Oriëntatie, Onderwijskunde– Onderwijs en Psychologie, Onderwijskunde–Verbreding en Verdieping, Onderwijskunde–Onderwijs en Samenleving, Didactiek per discipline (deel 1), Didactiek per discipline (deel 2) en Stage (Uit: studiegids academische lerarenopleiding UA 2003-2004).

8.1.7. Evaluatie, diploma's Om op een volwaardige manier als beginnend leraar te kunnen fungeren dient iedere afgestudeerde over de relevante basiscompetenties (omschrijving van de kennis, vaardigheden en attitudes) te beschikken. Deze basiscompetenties stellen de leraar in staat door te groeien naar het beroepsprofiel (omschrijving van de kennis, vaardigheden en attitudes van de leraar bij zijn beroepsuitoefening). Elk profiel bevat op zijn minst zowel gemeenschappelijke competenties voor alle leerkrachten inzake kennis, vaardigheden en attitudes, als specifieke competenties die verbonden zijn met een bepaald www.eurydice.org 276


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) onderwijsniveau. De competenties van het gemeenschappelijk gedeelte van de opleiding vertegenwoordigen een studielast van minstens 45 studiepunten. In het Decreet van 1996 betreffende de lerarenopleiding en de nascholing worden de volgende 10 functionele gehelen van competenties onderscheiden: de leraar als: ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ●

begeleider van leer- en ontwikkelingsprocessen opvoeder inhoudelijk expert organisator innovator onderzoeker partner van de ouders/verzorgers lid van een schoolteam partner van externen lid van de onderwijsgemeenschap cultuurparticipant.

Elk profiel wijst op bepaalde vaardigheden die leraren moeten hebben. Daarenboven worden er tien attitudes vermeld die aan toekomstige leerkrachten moeten worden geleerd: ● ● ● ● ● ● ● ● ● ●

beslissingsvermogen openheid voor relaties met anderen kritische ingesteldheid leergierigheid organisatievermogen zin voor samenwerking verantwoordelijkheidszin creatieve gerichtheid flexibiliteit gerichtheid op adequaat en correct taalgebruik en communicatie.

In 2002 werd door de DVO (nu Entiteit Curriculum) i.s.m. het hoger onderwijsveld gestart met de actualisering van de basiscompetenties. De ontwerpbesluiten kregen echter een negatief advies van de VLOR. Daarom wordt het dossier opnieuw gekoppeld aan het geplande nieuwe decreet op de lerarenopleiding en de loopbaan van de leraar. Algemeen geldt aan Vlaamse hogescholen en universiteiten dat niemand door de examencommissie van een bepaald studiejaar geslaagd kan worden verklaard voor dat studiejaar tenzij hij/zij alle examens die horen bij het opleidingsprogramma van dat studiejaar, heeft afgelegd. De geëxamineerde kan zich in de loop van een zelfde academiejaar maximaal tweemaal voor dezelfde examens of examengedeelten aanmelden (Decreet van 4 april 2003).

8.1.7.1. Leerkrachten basisonderwijs en secundair onderwijs – groep 1

De initiële lerarenopleiding kleuteronderwijs geeft uitzicht op het bachelordiploma 'initiële lerarenopleiding kleuteronderwijs'. De initiële lerarenopleiding lager onderwijs wordt afgerond met het bachelordiploma 'initiële lerarenopleiding lager onderwijs'. De initiële lerarenopleiding secundair onderwijs – groep 1 leidt tot het bachelordiploma 'initiële lerarenopleiding secundair onderwijs – groep 1'.

www.eurydice.org

277


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

8.1.7.2. Leerkrachten secundair onderwijs – groep 2

De academische graad die men verkrijgt na het afmaken van de academische initiële lerarenopleiding is die van 'geaggregeerde van het secundair onderwijs - groep 2'. Oorspronkelijk wordt naar dit type van leerkracht gerefereerd door middel van zijn discipline-georiënteerde titel van licentiaat of meester (voor kunstrichtingen).

8.1.8. Opleiding tot het Getuigschrift Pedagogische Bekwaamheid (GPB) Binnen het Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP) (zie hoofdstuk 7. ) op het niveau van het hoger onderwijs van korte type wordt (door 23 centra) een opleiding georganiseerd tot het behalen van een Getuigschrift Pedagogische Bekwaamheid (GPB-opleiding). Deze opleiding (vroeger 'D-cursus' genoemd) is – als vorm van alternatieve initiële opleiding tot leerkracht – bedoeld voor alle personen die een leraarsambt wensen uit te oefenen en is trouwens een vereiste om vast benoemd te kunnen worden. Het Getuigschrift Pedagogische Bekwaamheid geldt als bewijs van pedagogische bekwaamheid en geeft in combinatie met een basisdiploma onderwijsbevoegdheid in graden en onderwijsvormen van het secundair onderwijs, het buitengewoon onderwijs, het deeltijds beroepsonderwijs en het volwassenenonderwijs. De GPB- opleiding wordt modulair georganiseerd, de leerstof wordt onderverdeeld in een aantal modules. Door deze opdeling kan de cursist zelf het studiepakket samenstellen en de duur van de studie bepalen. Het centrum voor volwassenenonderwijs is vrij om een modulaire opleiding over een gedeelte van het jaar of over een heel jaar te spreiden. Dit betekent ook dat de opleidingen op verschillende ogenblikken van het jaar kunnen starten. De kandidaat-leerkrachten krijgen naast algemene vorming een grondige psychopedagogische en didactische opleiding. Om als regelmatig cursist toegelaten te worden tot de GPB-opleiding dient men houder te zijn van één van de hierna volgende studiebewijzen: diploma van secundair onderwijs; brevet van het aanvullend secundair beroepsonderwijs; diploma van het voltijds hoger onderwijs; getuigschrift of diploma van een hogere secundaire technische leergang; of diploma of getuigschrift dat krachtens een wet, decreet, Europese richtlijn of een internationale overeenkomst als gelijkwaardig wordt erkend. Een kandidaat-cursist die niet over één van deze studiebewijzen beschikt kan toch toegelaten worden als hij/zij: ten minste 21 jaar wordt in het kalenderjaar waarin hij zich voor het eerst inschrijft, en slaagt voor een toelatingsexamen of een aanvullend programma volgt.

8.2. Arbeidsvoorwaarden voor het onderwijzend personeel Na historiek 8.2.1., actuele tendensen 8.2.2. en wetgeving 8.2.3. behandelen we hier ● ● ● ● ● ● ● ● ●

Het planningsbeleid, zie 8.2.4. Toegang tot het beroep, zie 8.2.5. Het statuut, zie 8.2.6. Vervangingsmaatregelen, zie 8.2.7. Ondersteunende maatregelen inzonderheid de begeleiding van beginnende leerkrachten, zie 8.2.8. Evaluatie, zie 8.2.9. Nascholing, zie 8.2.10. Salaris, zie 8.2.11. Arbeidstijd en vakantie, zie 8.2.12. www.eurydice.org

278


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) ● ● ● ●

Bevordering, zie 8.2.13. Beroepsmobiliteit, zie 8.2.14. Ontslag, zie 8.2.15. Pensioenregeling, zie 8.2.16.

Soorten ambten

Voor de leden van het onderwijzend personeel in het (buiten)gewoon basis- en secundair onderwijs kunnen 3 soorten ambten onderscheiden worden ● ● ●

Wervingsambt (bv. leerkracht, begeleider, …), Selectieambt (bv. adjunct-directeur, technisch adviseur, …), Bevorderingsambt (bv. directeur, technisch adviseur-coördinator.

In het hoger onderwijs worden de ambten van het onderwijzend personeel ingedeeld in 3 groepen. Groep

Ambt

1

Praktijklector Hoofdpraktijklector Lector Hoofdlector Assistent Doctor-assistent Werkleider Docent Hoofddocent Hoogleraar Gewoon hoogleraar

2 Assisterend personeel 3

Type van HO waarin het ambt kan voorkomen HO van één cyclus

HO van 2 cycli HO van één cyclus en HO van 2 cycli

De ambten van hoofdpraktijklector, hoofdlector en werkleider kunnen slechts door bevordering of ambtswijziging worden toegewezen. De andere kunnen ook door werving worden toegewezen. Sinds 1991 bestaat er aan de universiteiten geen onderwijzend personeel meer. Het academisch personeel moet zowel wetenschappelijk onderzoek verrichten als academisch onderwijs verschaffen. Het academisch personeel aan de universiteiten wordt in het Decreet van 12 juni 1991 ingedeeld als volgt. Zelfstandig academisch personeel (ZAP)

Assisterend academisch personeel (AAP)

Docent Hoofddocent Hoogleraar Gewoon hoogleraar Buitengewoon hoogleraar Assistent Doctor-assistent Praktijkassistent of –lector

Voor het academisch personeel aan de universiteiten en het onderwijzend personeel in de hogescholen bestaat geen initiële lerarenopleiding.

8.2.1. Historisch overzicht Zowel in het gemeenschapsonderwijs als in het gesubsidieerd onderwijs regelt een statuut dat bij decreet is uitgevaardigd in 1991, de loopbaan van het personeel. Voor het gemeenschapsonderwijs was het de vervanging van de statuten van de jaren '60. Voor het gesubsidieerd onderwijs betekende het de realisatie van een reeds sedert 1973 aangekondigd initiatief. Beide statuten zijn gekenmerkt door een streven om de regels op een minder rigide manier vast te leggen en door het verlenen van www.eurydice.org 279


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) autonomie aan de plaatselijke inrichtende machten. Sedert hun ontstaan zijn de decreten van 1991 al herhaaldelijk gewijzigd en fundamenteel aangepast ingevolge structurele wijzigingen in enkele onderwijsniveaus: ● ● ● ● ●

de hervorming van het secundair onderwijs; de omvorming van de PMS-centra en het MST tot centra voor leerlingenbegeleiding (CLB's); het decreet betreffende het volwassenenonderwijs; het Bijzonder Decreet van 14 juli 1998 (voor het gemeenschapsonderwijs); decreet van 10 juli 2003 betreffende het landschap basisonderwijs.

De opeenvolgende wijzigingen hebben vereenvoudiging en overeenstemming tussen de onderwijsniveaus nagestreefd. Toch blijven er enkele verschillen bestaan (Heyvaert en Janssens).

8.2.2. Actuele discussies en toekomstige ontwikkelingen ● ● ●

● ●

● ●

●

● ●

● ●

De aanvangsbegeleiding en nascholing van leerkrachten moeten structureel verankerd worden binnen een traject van levenslang leren. Er is een evolutie naar taakdifferentiatie binnen de school als organisatie, waarbij leerkrachten ook gewaardeerd en aangesproken worden op hun specifieke competenties en interesses. Via detacheringen en zelfs outplacement zal externe mobiliteit bij leerkrachten worden aangemoedigd. Ook zal de instap van zogenaamde zij-instromers (mensen met beroepservaring in andere sectoren) gestimuleerd worden. Verschillen tussen de huidige rechtsposities zullen worden weggewerkt, met meer autonomie, deregulering en responsabilisering voor scholen en scholengemeenschappen. Na de integratie van opleidingen in de bachelor/master-structuur zal ook het personeelsbeleid tussen hogescholen en universiteiten beter op elkaar moeten worden afgestemd en zal er een evolutie zijn naar een geïntegreerd personeelsstatuut. Zie discussienota 'onderwijs en vorming 2004-2009. In de onderwijs-cao VIII afgesloten op 5/10/2006 werd beslist om vanaf 2008 nascholingsbudgetten toe te kennen aan voor centra voor volwassenenonderwijs, het deeltijds kunstonderwijs en CLB's, centra voor leerlingenbegeleiding. De centra voor volwassenenonderwijs krijgen per ambt hetzelfde nascholingsbudget als de scholen voor secundair onderwijs. Teneinde bekwame directeurs te kunnen aantrekken en behouden krijgen directeurs van middelgrote en grote basisscholen vanaf 1/9/2007 een verhoging van vakantiegeld en een loonsverhoging van 7 %. Directeurs van kleinere basisscholen krijgen vermindering van lesopdracht. Voor directeurs secundair onderwijs was de regeling al beter. Voor alle directies wordt ook meer opleiding en navorming voorzien. Ook de lonen van inspecteurs basis- en secundair onderwijs en van de pedagogische adviseurs worden opgetrokken. Voor de personeelsleden komt een geleidelijke verhoging van het vakantiegeld, zodat het in 2011 92% zal bedragen van het brutomaandloon van maart (zoals dat nu reeds is voor de Vlaamse ambtenaren). Bij de lagere lonen (inz. administratief en ondersteunend personeel) wordt het aantal salarisschalen op termijn herleid van 14 naar 2. Volwaardige functiebeschrijvingen en evaluaties worden geleidelijk ingevoerd in het volledig leerplichtonderwijs, het volwassenenonderwijs, de centra voor leerlingenbegeleiding en in het deeltijds kunstonderwijs (zie 8.2.9.1.). Tegelijk wordt een beroepsprocedure uitgewerkt. Daartoe wordt een college van beroep betreffende evaluaties opgericht, bestaande uit drie kamers (respectievelijk voor het gemeenschapsonderwijs, het gesubsidieerd vrij en het gesubsidieerd officieel onderwijs) dat paritair (werknemers en werkgevers) wordt samengesteld en dat wordt voorgezeten door een magistraat omwille van de morele garantie voor objectiviteit. Dit college doet in een met redenen omklede beslissing www.eurydice.org

280


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

●

uitspraak over evaluaties met eindconclusie “onvoldoende” door enerzijds na te gaan of de evaluatie op een zorgvuldige en kwaliteitsvolle manier is gebeurd en anderzijds de redelijkheid van de sanctie te beoordelen. Voor elk beginnend personeelslid en bij belangrijke opdrachtswijzigingen dienen te nodige begeleiding, ondersteuning en vormingsmogelijkheden te worden voorzien. Daartoe wordt voor het hoger onderwijs een vormingsfonds gecreëerd (cao II-hoger onderwijs).

8.2.3. Wettelijk kader We behandelen achtereenvolgens ● ● ●

Basisonderwijs en secundair onderwijs Hogescholenonderwijs Universitair onderwijs

8.2.3.1. Leerkrachten basisonderwijs en secundair onderwijs

● ● ● ● ● ●

Decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs. Decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde Centra voor Leerlingenbegeleiding. Bijzonder Decreet van 14 juli 1998 betreffende het Gemeenschapsonderwijs. Decreet van 13 juli 2001 betreffende het onderwijs XIII. Decreet van 14 februari 2003 betreffende het onderwijs XIV. Decreet van 7 juli 2005 betreffende het onderwijs XV.

8.2.3.2. Onderwijzend personeel in hogescholen

Het Decreet van 13 juli 1994 vormt het wettelijk kader van de arbeidsvoorwaarden van het onderwijzend personeel aan de hogescholen. Titel III van dat decreet gaat meer specifiek in op de rechtspositieregeling van het personeel van de hogescholen. De gemeenschappelijke bepalingen hebben betrekking op de administratieve standen (dienstactiviteit, non-activiteit en terbeschikkingstelling), de evaluatie, de tucht, de toegang tot de ambten, de einde-aanstelling en de definitieve ambtsneerlegging; terwijl de bepalingen specifiek voor het onderwijzend personeel ingaan op de samenstelling, de taakomschrijving en de opdracht, de werving, bevordering en ambtswijziging, de toegang tot de ambten, de bezoldigingsregeling en de cumulatieregeling.

8.2.3.3. Academisch personeel in universiteiten

Het Decreet van 12 juni 1991 en het Besluit van de Vlaamse regering van 1 december 1998 tot vaststelling van de regeling omtrent de afwezigheden, de tucht, de administratieve standen, het verlof, de mandaatsbeëindiging, het onderzoek van de lichamelijke geschiktheid en het geneeskundig toezicht voor het academisch personeel bij de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap vormen het wettelijk kader van de arbeidsvoorwaarden van het onderwijzend personeel aan de universiteiten. In het decreet wordt ondermeer dieper ingegaan op de samenstelling en opdrachten van het academisch www.eurydice.org

281


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) personeel, de benoeming en aanstelling van het academisch personeel, de salarisschalen, vergoedingen en toelagen en tenslotte ook de evaluatie.

8.2.4. Planningsbeleid In een arbeidsmarktrapport (2005) analyseert het departement Onderwijs en Vorming vraag en aanbod op de onderwijsarbeidsmarkt en verwachte evolutie 2005-2008. ● ● ●

●

Voor kleuteronderwijs verwacht men een overschot van meer dan 1100 voltijdsen. Voor lager onderwijs verwacht men een overschot van meer dan 2100 voltijdsen. Voor het secundair onderwijs verwacht men een overschot van meer dan 4300 voltijdsen. Voor sommige vakken blijft er echter een tekort : katholieke godsdienst, Nederlands, Frans, wiskunde, algemene verpleegkunde en mechanica. Scholen in verstedelijkte gebieden en aan de taalgrens vinden echter veel moeilijker vervangers. Vooral Brussel vormt een probleemzone. Jonge leraren verlaten vaak snel het onderwijs. In het basisonderwijs stapt 19,5% van de jonge leraren binnen de 5 jaar na hun indiensttreding uit het onderwijs, in het secundair onderwijs is dat zelfs 36%. http://www.ond.vlaanderen.be/schooldirect/BL503/arbeidsmarktrapport.pdf

●

● H

In 2006 is geen nieuw arbeidsmarktrapport gemaakt. In het algemeen blijkt echter dat de tendensen van 2005 zich verder zetten, namelijk zowel in het kleuter-, lager als secundair onderwijs is er een overschot aan leraren. Dit is onder meer te wijten aan het feit dat de laatste jaren heel wat meer studenten zich in een lerarenopleiding inschreven hebben en nu dus beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt. Exacte aantallen van overschot kunnen echter niet gegeven worden. Het is wel mogelijk dat er voor specifieke vakken en regio's (o.a. Brussel) nog steeds tekorten zijn. Jonge leraren verlaten nog steeds vaak snel het onderwijs. In het basisonderwijs stapte in 2005 28% van de jonge leraren na vijf jaar uit het onderwijs, in het secundair onderwijs is dat 36%. Opvallend is dat deze percentages voor Brussel heel wat hoger liggen: zo verliet in 2005 zowel in het basis als in het secundair onderwijs maar liefst 52% van de jonge leraren het onderwijs na vijf jaar. Om vraag en aanbod in het onderwijs vlotter samen te brengen heeft de VDAB i.s.m. het departement Onderwijs en Vorming een leerkrachtendatabank uitgewerkt voor basis- en secundair onderwijs. Zie http://www.vdab.be/leerkrachtendatabank

Personeelsbeleid in Vlaamse scholen Ruimte voor personeelsbeleid in Vlaamse scholen

8.2.5. Toegang tot het beroep We behandelen achtereenvolgens de reglementering voor: ● ● ●

Basis- en secundair onderwijs, zie 8.2.5.1. Hoger onderwijs, zie 8.2.5.2. Universiteiten, zie 8.2.5.3.

www.eurydice.org

282


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

8.2.5.1. Leerkrachten basisonderwijs en secundair onderwijs

De Vlaamse overheid legt de bekwaamheidsbewijzen vast per vak, graad, onderwijsvorm en onderwijsniveau. Een bekwaamheidsbewijs omvat een basisdiploma (bv. onderwijzer, licentiaat) en eventueel een bewijs van pedagogische bekwaamheid (cf. lerarenopleiding) en/of nuttige ervaring. H

H

Er zijn drie soorten bekwaamheidsbewijzen, namelijk: "vereiste", "voldoende geachte" en "andere". Men beschikt over een "vereist" bekwaamheidsbewijs, als men een specifieke vooropleiding gevolgd heeft in functie van dat te onderwijzen vak. De eisen die aan het diploma gesteld worden qua niveau, zijn afhankelijk van het soort vak, de graad en de onderwijsvorm. Men beschikt over een "voldoende geacht" bekwaamheidsbewijs als men een basisdiploma van hetzelfde niveau heeft als het vereiste bekwaamheidsbewijs, maar niet in die specialiteit. In het bezit zijn van een bewijs van pedagogische bekwaamheid (cf. lerarenopleiding) is een noodzakelijke voorwaarde voor een "vereist" en "voldoende geacht" bekwaamheidsbewijs. De inrichtende macht kan bij de aanwerving vrij kiezen tussen kandidaten met een "vereist" of een "voldoende geacht" bekwaamheidsbewijs. In principe moeten scholen steeds voorrang geven aan iemand met een "vereist" of "voldoende geacht" bekwaamheidsbewijs. Uitzonderlijk kan de school afwijken van deze algemene regel en iemand aanstellen met een "ander bekwaamheidsbewijs". In dit geval beschikt men over een basisdiploma van een bepaald (minimum)niveau, voor sommige vakken volstaat drie jaar "nuttige ervaring". Op www.ond.vlaanderen.be/ infolijn/faq/bekwaamheidsbewijzen/ staat een overzicht van welke bekwaamheidsbewijzen geldig zijn . Andere vereisten zijn (Decreten van 27 maart 1991): ● ● ● ● ● ●

burger zijn van de Europese Unie (uitzonderingen zijn mogelijk gezien de Vlaamse regering een vrijstelling kan verlenen); in het bezit zijn van zijn/haar burger- en politieke rechten (de Vlaamse regering kan ook hier een vrijstelling verlenen die samengaat met de hierboven vermelde vrijstelling); voldoen aan de bepalingen van de taalwetten. Het Nederlands is de officiële onderwijstaal; van onberispelijk gedrag zijn, zoals dat blijkt uit een attest van goede zeden dat niet langer dan één jaar tevoren werd afgegeven; voldoen aan de dienstplichtwetten; medisch geschikt zijn.

De onderwijsloopbaan van een leerkracht in het basisonderwijs BaO of het secundair onderwijs bestaat uit drie belangrijke stappen ● ● ●

de tijdelijke aanstelling van bepaalde duur de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur de vaste benoeming.

We lichten die nader toe. ●

●

Bij het begin van de onderwijsloopbaan krijgt een leerkracht steeds een tijdelijke aanstelling van bepaalde duur. Dit is een aanstelling voor maximum één schooljaar in een vacante of niet-vacante betrekking. Het personeelslid moet voldoen aan de financierings- of subsidiëringsvoorwaarden (zie hierboven). Verder worden geen bijkomende voorwaarden gesteld. Na tenminste drie schooljaren kan een tijdelijk personeelslid een tweede fase bereiken in de onderwijsloopbaan: de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur. De tijdelijke aanstelling www.eurydice.org

283


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) van doorlopende duur (TADD) geldt vanaf 1 september 2003 als eenvormig voorrangssysteem voor leerkrachten in het basis- en secundair onderwijs. De tijdelijke aanstelling van doorlopende duur loopt over de schooljaren heen en kan gebeuren in een vacante of niet vacante betrekking. De voorwaarden om het recht op TADD te kunnen inroepen zijn de volgende:

○ een dienstanciënniteit hebben van ten minste 720 dagen gespreid over ten minste drie schooljaren. Van deze 720 dagen moeten er 600 effectief gepresteerd zijn;

○ als laatste evaluatie geen beoordeling of evaluatie "onvoldoende" gekregen hebben; ○ niet ontslagen zijn. ●

Een derde stap in de onderwijsloopbaan is de vaste benoeming. Bij vaste benoeming is er een (hiërarchisch) onderscheid tussen de vaste benoeming in een vacant wervingsambt en de vaste benoeming in een selectie- of bevorderingsambt (zie 8.2.).

○ Een vaste benoeming in een wervingsambt is zowel in het gemeenschapsonderwijs als in het gesubsidieerd onderwijs enkel mogelijk als het personeelslid

▪

een aantal persoonsgebonden voorwaarden (de financierings- of subsidiëringsvoorwaarden) vervult,

▪

minstens 720 dagen dienstanciënniteit heeft geaccumuleerd, waarvan minstens 360 in het ambt waarin het personeelslid wordt benoemd,

▪

op 31 december voorafgaand aan de vaste benoeming aangesteld is voor doorlopende duur.

○ Voor vaste benoeming in een selectie- of bevorderingsambt zijn naast een aantal persoonsgebonden voorwaarden (de financierings- of subsidiëringsvoorwaarden), geen bijkomende voorwaarden inzake dienstanciënniteit vereist. Beslissingen betreffende carrièreperspectieven worden steeds genomen door de inrichtende macht van de school.

8.2.5.2. Onderwijzend personeel in hogescholen

Voor de toegang tot een ambt van het personeel van de hogescholen gelden de volgende algemene toelatingsvoorwaarden: ● ● ● ● ● ● ●

onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Vrijhandelsassociatie; de burgerlijke en politieke rechten genieten; houder zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs; voldoen aan de bepalingen van de taalwetten ter zake; een gedrag hebben dat in overeenstemming is met de eisen van het beoogde ambt; voldoen aan de dienstplichtwetten; de lichamelijke geschiktheid bezitten die vereist is voor het uit te oefenen ambt (Decreet van 13 juli 1994).

De formele kwalificatievereisten zijn: ● ● ●

het diploma van hogeschoolonderwijs van 1 cyclus voor de ambten van praktijklector en hoofdpraktijklector; een diploma universitair onderwijs of een diploma hoger onderwijs van twee cycli voor de ambten lector, hoofdlector, assistent en werkleider; de graad van doctor voor het ambt van doctor-assistent, docent, hoofddocent, hoogleraar en gewoon hoogleraar.

Kandidaten voor het ambt van gewoon hoogleraar moeten aan de volgende criteria beantwoorden:

www.eurydice.org

284


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) ● ● ●

de instelling die aanwerft, moet betrokken zijn in een gezamenlijk onderzoeksakkoord met een universiteit binnen het betrokken onderzoeksveld; de kandidaat moet minstens zes jaren anciënniteit hebben in een ambt van groep 3 of equivalent daarmee; de wetenschappelijke bekwaamheden van de kandidaat moeten worden geëvalueerd door een commissie die bestaat uit drie gewone hoogleraren van drie verschillende Vlaamse universiteiten.

De hogescholen bepalen zelf de nadere specificaties waarover iemand moet beschikken om een bepaald ambt te kunnen uitoefenen. Vier soorten administratieve toestanden zijn mogelijk: tijdelijke benoemingen, contractverlenging, vaste benoeming en promotie. De leden van het onderwijzend personeel die belast zijn met de opleidingsonderdelen godsdienst of niet-confessionele zedenleer worden aangesteld door het Hogeschoolbestuur, in consensus met de bevoegde instantie van de betrokken levensbeschouwing. Elke werving in een vacante betrekking, met uitzondering van de aanstelling van minder dan één academiejaar, kan slechts gebeuren na een openbare oproep, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad (Decreet betreffende het Onderwijs X).

8.2.5.3. Academisch personeel in universiteiten

Een belangrijke voorwaarde om tot lid van het zelfstandig academisch personeel (ZAP) te worden benoemd, is een diploma van doctor op proefschrift of een diploma dat hiermee equivalent wordt geacht (in overeenstemming met de richtlijnen van de Europese Unie of een bilateraal akkoord). In uitzonderlijke gevallen kan het universiteitsbestuur, na advies en op grond van een omstandige motivering, personen die blijk hebben gegeven van een buitengewone wetenschappelijke verdienste of een specifieke deskundigheid, tot deeltijds lid van het ZAP benoemen of aanstellen. Om lid van het assisterend academisch personeel (AAP) te worden moet men houder zijn van een universiteitsdiploma van licentiaat of een diploma dat equivalent is volgens de richtlijnen van de Europese Unie of een bilateraal akkoord. Voor een aanstelling tot praktijkassistent volstaat een diploma van de tweede cyclus van het hoger onderwijs van het lange type of een diploma dat equivalent is volgens de richtlijnen van de Europese Unie of een bilateraal akkoord. In uitzonderlijke omstandigheden kan het universiteitsbestuur, na advies en op grond van een omstandige motivering, personen die een ander buitenlands einddiploma van een instelling van academisch onderwijs hebben behaald dan het in lid één bedoelde, aanstellen tot assistent. In het belang van het onderwijs of het onderzoek kan het universiteitsbestuur ook personen die geen onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Gemeenschappen tot lid van het academisch personeel benoemen of aanstellen.

8.2.6. Statuut We behandelen achtereenvolgens het statuut voor: ● ● ●

Basis- en secundair onderwijs, zie 8.2.6.1. Hoger onderwijs, zie 8.2.6.2. Universiteiten, zie 8.2.6.3.

www.eurydice.org

285


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

8.2.6.1. Leerkrachten basisonderwijs en secundair onderwijs

Leerkrachten zijn een soort bedienden in de private onderwijsinstellingen en een soort van ambtenaren in de publieke onderwijsinstellingen. De Vlaamse regering heeft in de hoedanigheid van financier de modaliteiten voor recrutering, benoeming, evaluatie, bevordering, ontslag en dergelijke vastgelegd. Het statuut van de leerkrachten is geregeld door twee decreten van 27 maart 1991, zie 8.2.3.1. die voorzien in een specifiek statuut voor de leerkrachten uit respectievelijk het gemeenschaps- en het gesubsidieerd onderwijs, verschillend van het normale statuut van het personeel uit de publieke en private sector, omwille van het specifieke karakter en de speciale noden van het onderwijsveld. Op grond van het soort contract, kan er een onderscheid worden gemaakt tussen contractuele aanstellingen, tijdelijke aanstellingen en vaste benoemingen. ●

Er bestaan verschillende soorten contractuele aanstellingen waarvoor specifieke regelingen zijn uitgewerkt, o.m.

○ contractuele personeelsleden ten laste van het departement Onderwijs en Vorming (CODO's); zij hebben een contract van onbepaalde duur en kunnen rechten opbouwen om vast benoemd te worden. Naargelang de functie waarvoor, het onderwijsnet of de onderwijsvorm waarin zij zijn tewerkgesteld worden verschillende categorieën van CODO's onderscheiden:

▪

gesubsidieerde contractuelen (GECO's) aangesteld op conventies, afgesloten tussen de Vlaamse minister van Onderwijs en de Vlaamse minister van Tewerkstelling;

▪

GECO's in scholen aangesteld op basis van individuele conventies tussen een inrichtende macht en een minister bevoegd voor tewerkstelling;

▪

de contractuelen aangesteld op basis van werkingsmiddelen van de school (COWE's). → omzendbrief Pers/2003/06 (2/4/2004)

○ Zowel voor GECO's, CODO's als COWE's zijn bepalingen uitgewerkt waardoor zij op ●

●

basis van hun vroegere prestaties dienst- en ambtsanciënniteit verwerven. Een tijdelijke aanstelling kan van bepaalde duur of van doorlopende duur zijn (zie 8.2.13. ). Een aanstelling voor bepaalde duur geldt voor maximaal één jaar. Een tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur (TADD) daarentegen loopt over de schooljaren heen. De voordelen van een vaste benoeming t.o.v. een tijdelijke aanstelling zijn de garantie op vastheid van betrekking en verloning, de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking indien er geen betrekking is en vervolgens recht op reaffectatie en wedertewerkstelling, de toegang tot een aantal verlofstelsels, en het recht op een overheidspensioen.

Terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, reaffectatie en wedertewerkstelling

Vastbenoemde personeelsleden van wie de opdracht wegviel of verminderde buiten hun wil om, vallen onder het stelsel van de 'terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, reaffectatie en wedertewerkstelling'. Dit betekent dat zij 'ter beschikking worden gesteld' als hun betrekking wegvalt en op dat moment voorrang genieten bij vacatures; scholen moeten prioritair op hen beroep doen. Reaffectatie gebeurt binnen hetzelfde ambt. Indien dit niet mogelijk is, kan de inrichtende macht of de reaffectatiecommissie de betrokkene 'wedertewerkstellen'. Wedertewerkstelling gebeurt in een 'ander ambt', zoals een directeur in een leraarsambt en een leraar in het ambt van opvoeder of in het ambt van leraar maar dan voor vakken waar hij geen vereist bekwaamheidsbewijs voor heeft (zie 8.2.5.1.). Voor scholen die tot een scholengemeenschap behoren, situeren de reaffectatie- en wedertewerkstellingsverplichtingen zich op het niveau van de scholengemeenschap. www.eurydice.org 286


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) Tijdens de terbeschikkingstelling krijgen de personeelsleden een wachtgeld(toelage). Terbeschikkinggestelde personeelsleden zijn in bepaalde gevallen verplicht hun reaffectatie of wedertewerkstelling te aanvaarden. Zij kunnen ook in bepaalde gevallen beschikbaar zijn voor het uitoefenen van pedagogische taken. Voor de reaffectaties en wedertewerkstellingen werden per onderwijssector verschillende reaffectatiecommissies opgericht: per scholengroep en per scholengemeenschap. Zonale commissies zijn vanaf het schooljaar 2005 afgeschaft, interprovinciale voor onbepaalde tijd opgeschort. Bij het departement Onderwijs en Vorming fungeert een Vlaamse Reaffectatiecommissie die beslissingsbevoegdheid heeft maar ook fungeert als beroepsinstantie voor het behandelen van bezwaarschriften. Deze commissie bestaat uit een kamer voor het gemeenschapsonderwijs en een voor het gesubsidieerd onderwijs. Meer info : Heyvaert en Janssens & http://www.ond.vlaanderen.be/gidsvoorleraren.

Onderwijszakboekje Statuut personeel gemeenschapsonderwijs

8.2.6.2. Onderwijzend personeel in hogescholen

De leden van het onderwijzend personeel in de hogescholen zijn contractueel gezien werknemers in de gesubsidieerde hogescholen of een soort van ambtenaren in de gefinancierde hogescholen. Het hogeschoolpersoneel wordt betaald door de Vlaamse regering. Ofschoon hun wettelijk statuut voor de gesubsidieerde en gefinancierde hogescholen niet geheel hetzelfde is, zijn de verschillen tussen de twee klein. Aan de hogescholen kan de raad van bestuur of het Hogeschoolbestuur vacante betrekkingen tijdelijk of permanent toewijzen aan kandidaten. Enkel de assistenten zijn steeds tijdelijk benoemd. De benoeming in een betrekking gebeurt door recrutering, promotie of verschuiving van betrekkingen.

8.2.6.3. Academisch personeel in universiteiten

Contractueel gezien zijn academici werknemers in de private sector van hoger onderwijs en een soort van ambtenaren in de publieke sector van hoger onderwijs. Het academisch personeel wordt betaald door de universiteiten. De verschillen qua wettelijk statuut voor publiek en privaat universitair onderwijs zijn echter klein. De universiteitsbesturen zijn bevoegd om vacante voltijdse of deeltijdse betrekkingen aan kandidaten toe te wijzen. Het assisterend academisch personeel is tijdelijk benoemd, terwijl het zelfstandig academisch personeel vastbenoemd is, met uitzondering van de buitengewoon hoogleraren die een deeltijdse universitaire functie vervullen.

8.2.7. Vervangingsmaatregelen Hier behandelen we de mogelijke manieren waarop onderwijzend personeel (tijdelijk) vervangen kan worden. Dergelijke 'vervangingsmaatregelen' kunnen ook opgevat worden als onderdeel van de arbeidsvoorwaarden van de leerkracht in Vlaanderen. www.eurydice.org

287


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

8.2.7.1. Leerkrachten basisonderwijs en secundair onderwijs

Van 2000 – 2005 was een vervangingspool in werking. Die pool bood beginnende leerkrachten een vast loon voor een heel schooljaar, en zette hen in voor korte vervangingen en alternatieve taken in hun "ankerkantoor". Het bleek een goed instrument in tijden van lerarentekort, maar een te duur instrument bij een lerarenoverschot, hetgeen nu het geval is. Daarom werd de pool vanaf het schooljaar 2005-2006 afgeschaft. Vanaf 1 september 2005 tot 31 augustus 2007 loopt een tijdelijk project ‘vervangingen van korte afwezigheden’ waarbij de mogelijkheid wordt geboden aan scholen in het basisonderwijs en aan 1/3 van de scholen in het secundair onderwijs om leerkrachten die minder dan 10 dagen afwezig zijn, te vervangen.

8.2.7.2. Onderwijzend personeel in hogescholen

Zoals gezegd in 8.2.3.2. regelt het Decreet van 13 juli 1994 het wettelijk kader van de arbeidsvoorwaarden van het onderwijzend personeel aan de hogescholen. In dit Decreet wordt echter niets vermeldt over maatregelen ter vervanging van (tijdelijk) afwezig onderwijzend personeel in de hogescholen.

8.2.7.3. Academisch personeel in universiteiten

Het universiteitsbestuur stelt zelf een reglement op dat de tijdelijke vervanging van de leden van het academisch personeel regelt. Een tijdelijke vervanging van een lid van het zelfstandig academisch personeel door een externe persoon is uitzonderlijk en kan nooit langer duren dan één academiejaar en eindigt in ieder geval op het einde van het academiejaar. Deze vervangingen in hoofde van de vervanger zijn maximaal vier maal hernieuwbaar. Om te voorzien in tijdelijke personeelsbehoeften of in tijdelijke vervangingen van personeelsleden, kan het universiteitsbestuur personeel aanwerven, doch enkel op contractuele basis. De duur van de waarneming van vacante betrekkingen in afwachting van de definitieve opvulling ervan mag ten hoogste twee jaar bedragen (Decreet van 12 juni 1991 en Besluit van 1 december 1998).

8.2.8. Ondersteunende maatregelen Het decreet betreffende de lerarenopleiding en de nascholing van 16 april 1996 (B.S. 12/06/1996) stelt dat de school waar de beginnende leraar zijn opdracht vervult verantwoordelijk is voor de organisatie van de aanvangsbegeleiding. Bij de invulling van de opdracht van haar personeelsleden, houdt de school hiermee uitdrukkelijk rekening. In het basisonderwijs BaO kunnen de middelen voorzien voor de nascholing worden aangewend om de aanvangsbegeleiding te organiseren. Deze middelen kunnen met dat doel worden omgezet in bijkomende lestijden. De Vlaamse regering bepaalt de modaliteiten van de omzetting. Sinds 1 januari 2006 kunnen mentoren aangeduid worden voor startende leerkrachten in het secundair onderwijs. In totaal is 1,9 miljoen uitgetrokken om de circa 3000 starters te begeleiden. Vanaf 1 september 2006 kunnen die mentoren ook aangesteld worden in het basisonderwijs, deeltijds kunstonderwijs en volwassenenonderwijs. (PERS 2006/09) www.eurydice.org 288


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

8.2.9. Evaluatie We behandelen achtereenvolgens: ● ● ●

basis- en secundair onderwijs, zie 8.2.9.1. hoger onderwijs, zie 8.2.9.2. universiteiten, zie 8.2.9.3.

8.2.9.1. Leerkrachten basisonderwijs en secundair onderwijs

De decreten van 27 maart 1991 voerden een evaluatiesysteem in dat nauw aansluit bij het systeem van de functiebeschrijving. Een functiebeschrijving omvat drie delen: ● ● ●

de taken en instellinggebonden opdrachten en de wijze waarop het personeelslid deze moet uitvoeren, de instellingspecifieke doelstellingen en de persoons- en ontwikkelingsgerichte doelstellingen, de rechten en plichten inzake permanente vorming en nascholing.

Voor het secundair onderwijs en het onderwijs voor sociale promotie gelden de functiebeschrijvingen voor alle personeelsleden vanaf 1 september 2004; voor de centra voor leerlingenbegeleiding vanaf 1 september 2005. In het basisonderwijs en het deeltijds kunstonderwijs worden de functiebeschrijvingen ingevoerd vanaf 1/9/2007 (onderwijscao VIII afgesloten op 5/10/2006). Het decreet basisonderwijs regelt de functiebeschrijvingen voor de personeelsleden in het basisonderwijs. Er werd voor hen ook een negatieve lijst voorzien met taken die niet in de functiebeschrijving kunnen worden opgenomen. De inrichtende macht of de scholengemeenschap (gesubsidieerd onderwijs) en het college van directeurs (gemeenschapsonderwijs) onderhandelt over de algemene afspraken inzake functiebeschrijving in het voor de instelling bevoegde lokaal comité. Het functioneringsgesprek, waarbij de evaluator en het personeelslid op gelijke voet worden geplaatst, kadert in de individuele personeelsbegeleiding. De evaluator heeft als voornaamste taak het personeelslid te coachen in diens functioneren. De evaluatoren zullen daartoe ook opgeleid worden. Elk personeelslid moet minimaal om de drie jaar worden geëvalueerd. Indien voor het personeelslid geen functiebeschrijving werd opgemaakt is evaluatie niet mogelijk. Het evaluatieverslag dat opgesteld wordt beschrijft op zorgvuldige wijze het volledig functioneren van het personeelslid ten opzichte van de overeengekomen functiebeschrijving, met inbegrip van de voor de betrokken evaluatieperiode afgesproken specifieke doelstellingen en ontwikkelingsgerichte doelstellingen. De evaluatie gebeurt in de school waar het personeelslid lesgeeft. Elk personeelslid heeft één of twee evaluatoren, waaronder een directeur en/of adjunct-directeur. Voor de godsdienstleraars en leraren niet-confessionele zedenleer treedt de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of levensbeschouwing op als evaluator voor de vakinhoudelijke en –technische aspecten. Voor de andere aspecten is het de gewone evaluator. Enkel bij een evaluatieverslag dat wordt besloten met de eindconclusie 'onvoldoende', kan het personeelslid beroep aantekenen bij een college van beroep inzake evaluaties. Zolang het college van beroep echter niet functioneert, zijn evaluaties met de eindconclusie 'onvoldoende' niet mogelijk. Als het vastbenoemde personeelslid of het personeelslid aangesteld voor doorlopende duur, een evaluatie met eindconclusie 'onvoldoende' heeft gekregen, moet betrokkene een nieuwe evaluatie krijgen. Deze nieuwe evaluatie moet een periode van minimum acht en maximum twaalf maanden www.eurydice.org

289


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) effectieve prestaties omvatten (Decreten van 27 maart 1991). Onvoldoendes kunnen ook leiden tot ontslag, zie 8.2.15. Het college van beroep betreffende evaluaties wordt opgericht naast de beroepsinstanties voor tuchtzaken. Het wordt paritair samengesteld en bestaat uit 3 kamers (respectievelijk voor GO!, gesubsidieerd vrij en gesubsidieerd officieel onderwijs). Het wordt voorgezeten door een magistraat. Het gaat na of de evaluatie op een zorgvuldige en kwaliteitsvolle manier is gebeurd en beoordeelt de redelijkheid van de sanctie. Het doet uitspraak in een met redenen omklede beslissing. In het secundair onderwijs, het onderwijs voor sociale promotie en de centra voor leerlingenbegeleiding starten de evaluaties op 1 september 2007; in het basisonderwijs en het deeltijds kunstonderwijs op 1/9/2009 (onderwijs cao VIII afgesloten op 5/10/2006). Twee jaar na de decretale vertaling van de cao (Onderwijsdecreet XVII) zal een brede evaluatie van de hele procedure worden gemaakt door de overheid, de vakorganisaties en de inrichtende machten.

8.2.9.2. Onderwijzend personeel in hogescholen

De evaluatieregeling wordt vastgelegd door het hogeschoolbestuur (Decreet van 13 juli 1994). Deze evaluatie is verplicht voor elk personeelslid en wordt minstens elke vijf jaar uitgevoerd. Er zijn echter een aantal uitzonderingen ● ●

wanneer het personeelslid de evaluatie ''onvoldoende'' toegewezen krijgt, dient een nieuwe evaluatie te gebeuren na één jaar; in afwijking van de termijn van vijf jaar, gebeurt de eerste evaluatie van het personeelslid na de eerste aanstelling, of na benoeming of bevordering na maximum drie jaar.

Indien een evaluatie ''onvoldoende'' wordt toegekend, kan het betrokken personeelslid binnen een termijn van vijftien kalenderdagen beroep aantekenen tegen deze beslissing bij het college van beroep inzake evaluatie. De evaluatie ''onvoldoende'' is definitief indien de termijn waarin is voorzien voor het instellen van een beroep is verstreken of nadat in beroep een definitieve beslissing werd genomen. Op elke evaluatie die niet eindigt met een ''onvoldoende'' kan de betrokkene schriftelijk reageren. Deze schriftelijke reactie wordt aan het evaluatiedossier toegevoegd.

8.2.9.3. Academisch personeel in universiteiten

In een academische carrière bestaan er enkele evaluatiemomenten: de tijdelijke benoeming, contractverlenging, vaste benoeming en promotie. In het kader van het systeem van kwaliteitsgarantie, zijn ook de individuele docenten onderworpen aan een evaluatie en kunnen de verkregen resultaten worden gehanteerd in de context van benoemingen en promotie. Het universiteitsbestuur legt de regels vast voor de evaluatie van de prestaties en de wijze van functioneren van de leden van het academisch personeel (Decreet van 12 juni 1991). Ten minste om de vijf jaar moet er een evaluatie plaatsvinden van de wijze waarop elk lid van het academisch personeel zijn taak heeft vervuld in de voorbije periode. Na elke nieuwe aanstelling en na elke benoeming of bevordering dient er een evaluatie na drie jaar plaats te vinden. De evaluatieprocedure moet voorzien in een beroepsmogelijkheid bij onafhankelijke beroepsinstanties. De procedure moet de rechten van het personeelslid maximaal waarborgen. Indien de geleverde prestaties en de bereikte resultaten als ondermaats worden geëvalueerd, kan het universiteitsbestuur besluiten dat de anciënniteitsopbouw met het oog op de volgende salaristrap gedurende één jaar wordt gehalveerd. Indien het eindoordeel van een evaluatie ''onvoldoende'' is, kan het universiteitsbestuur de anciënniteitsopbouw met het oog op de volgende salaristrap gedurende www.eurydice.org

290


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) één jaar stopzetten. Indien het eindoordeel van twee opeenvolgende evaluaties ''onvoldoende'' is of driemaal ''onvoldoende'' is in de loop van de beroepscarrière, kan het universiteitsbestuur het betrokken personeelslid ontslaan. In deze gevallen wordt een opzeggingstermijn toegekend waarvan de duur gelijk is aan de periode die nodig is om de voordelen van de sociale zekerheid en werkloosheidsuitkeringen te kunnen genieten. Tijdens deze opzeggingsperiode wordt het personeelslid geacht als tijdelijk te zijn aangesteld en kan het universiteitsbestuur het betrokken personeelslid met een andere opdracht belasten. Het betrokken personeelslid geniet dan het brutosalaris verbonden aan het ambt waarin het was benoemd. Het personeelslid kan geheel of gedeeltelijk afstand doen van die opzeggingstermijn. De Vlaamse regering zal ten laatste in 2006 de effecten en de uitkomsten van de door de universiteiten gehanteerde evaluatieprocedures evalueren (Decreet betreffende Onderwijs X). Het zelfstandig academisch personeel (ZAP) wordt ook geëvalueerd buiten de statutaire context van de universiteit, zoals bij het wedijveren naar onderzoeksfondsen op nationale en internationale niveaus.

8.2.10. Nascholing Het decreet betreffende de lerarenopleiding en de nascholing van 16 april 1996 (B.S. 12/06/1996) stelt dat de inrichtende macht van de school waar de leraar zijn opdracht vervult, er zorg voor moet dragen dat elke leraar ook voor verdere professionalisering ondersteuning krijgt. Dit decreet introduceerde een systeem van vraaggestuurde nascholing. De scholen krijgen de verantwoordelijkheid en de middelen voor hun eigen nascholingsbeleid. Naast de scholen krijgen het gemeenschapsonderwijs en de representatieve groeperingen van de inrichtende machten van het gesubsidieerd onderwijs een budget voor de vorming van personeel dat geen deel uitmaakt van het eigenlijke domein van het nascholingsbeleid (personeel van de internaten, het Centrum voor Leerlingenbegeleiding (CLB) of de pedagogische begeleidingsdiensten) en voor nascholingsinitiatieven specifiek voor het eigen pedagogisch project. Om het gebruik van ICT optimale slaagkansen te geven werden in 2000 5 Regionale expertisenetwerken (REN) uitgebouwd en wordt jaarlijks op de onderwijsbegroting 1,8 miljoen euro voorzien voor de nodige nascholing. De Kerntaak van de REN's bestaat in het aanbieden van nascholing en het aanwenden van hun expertise voor technische en organisatorische ondersteuning. De netwerken bevorderen de samenwerking en bundelen en optimaliseren de aanwezige ICTexpertise, alsook de integratie van ICT in de lerarenopleiding. Vanaf 2004 zijn de 5 regionale expertisenetwerken geïntegreerd in één competentiecentrum REN-Vlaanderen. Het biedt zowel aanbod- als vraaggestuurde nascholing aan. Het volledige aanbod vindt men op http://www.renvlaanderen.be H

H

Zie ook http:// www.ond.vlaanderen.be/ict H

Het departement Onderwijs creëerde ook een databank van het nascholingsrepertorium voor onderwijspersoneel http://www.ond.vlaanderen.be/nascholing/database/zoekscherm.asp. H

H

H

Het wettelijk kader dat de nascholing van personeelsleden onderwijs regelt bestaat uit de volgende decreten en besluiten. ● ● ●

Decreet van 16 april 1996 betreffende het mentorschap en de nascholing in Vlaanderen. Besluit van de Vlaamse regering van 22 oktober 1996 tot regeling van de procedure voor de toewijzing van nascholingsprojecten op initiatief van de Vlaamse Regering. Decreet van 20 oktober 2000 betreffende het Onderwijs XII-Ensor.

www.eurydice.org

291


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) Er bestaan geen vaste regels voor de structurele organisatie van nascholingsprogramma's; zij kunnen zowel op school als in opleidingscentra worden georganiseerd, voor één dag of meerdere dagen. De onderwijsmethoden behoren tot de verantwoordelijkheid van de inrichtende machten zodat er geen sprake is van officiële richtlijnen hieromtrent. Een school is verplicht om elk jaar een nascholingsplan op te maken. In het nascholingsplan worden de behoeften aan nascholing vastgesteld. De vaststelling van de noden kan resulteren in een prioriteitenplan op korte en lange termijn. Binnen de wetgeving wordt nascholing ruim opgevat, zolang kan worden aangetoond dat de gefinancierde initiatieven bijdragen tot de professionalisering van de leerkracht. Zowel de directie als alle personeelsleden van de school kunnen in principe beroep doen op het nascholingsgeld. Er moet wel kunnen worden aangetoond dat de nascholing nuttig is voor de taken van het personeelslid. Scholen kunnen vervoerskosten en inschrijvingsgelden van leerkrachten terugbetalen.

Visietekst ICT in het onderwijs

8.2.11. Salaris We behandelen achtereenvolgens: ● ● ●

basis- en secundair onderwijs, zie 8.2.11.1. hoger onderwijs, zie 8.2.11.2. universiteiten, zie 8.2.11.3.

Voor de jaarsalarissen: zie 8.7.5. en 8.7.6.

8.2.11.1. Leerkrachten basisonderwijs en secundair onderwijs

De personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs ontvangen een salaris, en de personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs een salaristoelage, die rechtstreeks en maandelijks uitbetaald wordt door de Vlaamse Gemeenschap. Het salaris hangt in de onderwijssector af van de volgende factoren (Heyvaert en Janssens): ● ● ● ● ● ● ● ●

het uitgeoefende ambt (soorten ambten en personeelscategorieën (zie 8.4.) de statutaire toestand (tijdelijk of vast benoemd); de administratieve toestand (actief, non-actief,…); de bekwaamheidsbewijzen en de eraan verbonden salarisschalen; de aard van de betrekking (hoofdbetrekking, bijkomende betrekking) en de omvang van de betrekking; de vroegere diensten (anciënniteit); de persoonlijke en familiale situatie (bijkomende financiële voordelen als vakantiegeld, kindergeld, vergoeding van transportkosten, eindejaarspremie,…); andere tegemoetkomingen, zoals de vergoeding voor kinderopvang voor en na de schooltijd en de vergoeding voor middagtoezicht.

De salarisschalen zijn verbonden met een welbepaald bekwaamheidsbewijs en bestaat uit een aanvangssalaris (minimum), een aantal periodieke verhogingen (jaarlijks, tweejaarlijks en op het einde van de loopbaan) en een maximumsalaris, overeenkomstig de salarisanciënniteit. De salarisanciënniteit begint pas te lopen na het bereiken van de minimumleeftijd. De bedragen van de salarisschalen worden aangepast aan de stijging van de consumptieprijzen. De salarisschalen kunnen www.eurydice.org

292


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) worden geraadpleegd op de website van het departement (http://www.ond.vlaanderen.be/wedde/weddenschalen/overzicht.htm) H

Onderwijs

en

Vorming.

H

Naast het eigenlijke salaris kan een personeelslid, in welbepaalde omstandigheden, aanspraak maken op volgende vergoedingen: ● ● ● ● ● ● ● ● ● ●

haard- en standplaatsvergoeding, een niet-verworven salarisschaal bv.: vergoeding voor bijzondere getuigschriften en diploma's, vakantiegeld, eindejaarstoelage, kraamgeld, kinderbijslag, verplaatsingskosten, begrafenisvergoeding, vakbondspremie vergoeding voor middagtoezicht en voor- en naschoolse opvang.

Sinds 1 september 1983 worden overwerk en prestaties als bijbetrekking in het onderwijs niet meer vergoed, tenzij een afwijking wordt verleend(Heyvaert en Janssens). De uitgaven voor salarissen beliepen in 2006 69,06 % van de totale onderwijsuitgaven (het hoger onderwijs niet meegerekend). In feite hebben de leerkrachten een speciaal bezoldigingsstatuut in die zin dat zij worden betaald naargelang het aantal geleverde diensten (op basis van het aantal gegeven lesuren), maar het aantal lesuren dat ze willen geven niet vrij kunnen kiezen. De politieke maatregelen die zijn voorgesteld om inzake het aantal uren lesgeven (en dus het salaris) meer flexibiliteit in te voeren, zijn op verzet gestoten. Een ander probleem is dat van de beroepsonkosten van de leerkrachten: in de meeste gevallen moeten zij zelf boeken en didactisch hulpmateriaal bekostigen. Dit is hoofdzakelijk te wijten aan het feit dat de toegekende werkingsmiddelen aan de scholen onvoldoende zijn. Bijgevolg kunnen de eisen voor meer loon ook gedeeltelijk worden geïnterpreteerd als een eis voor hogere werkingsmiddelen voor de school.

8.2.11.2. Onderwijzend personeel in hogescholen

De salarissen van het onderwijzend personeel in de hogescholen zijn bij decreet en besluit vastgelegd (zie tabel 8.7.5.). De berekening van de salarissen gebeurt volgens dezelfde principes als voor het onderwijzend personeel van de andere onderwijsniveaus. De hogescholen hebben het recht om personeelsleden die bijkomende administratieve taken zijn toevertrouwd, een bonus van maximum 20% van het normale salaris toe te kennen (Decreet van 13 juli 1994 en Besluit van 3 mei 1995).

8.2.11.3. Academisch personeel in universiteiten

De salarissen van het zelfstandig academisch personeel, het assisterend academisch personeel en de lectoren in de universiteiten zijn bij decreet en besluit vastgelegd (Decreet van 12 juni 1991, Besluit van 30 juni 1998, Besluit van 4 mei 2001, en Besluit van 31 januari 2003). De salarisschalen van het academisch personeel worden in tabel 8.7.7 gegeven. In principe kunnen de universiteiten aanvullend bepaalde personeelsleden vergoeden voor bijzondere prestaties. Universiteiten maken gebruik van de mogelijkheid om aanvullende vergoedingen uit te reiken voor www.eurydice.org

293


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) wetenschappelijke diensten, postacademische opleidingen en professoren op emeritaat die jonger zijn dan 65 en hun activiteiten voortzetten.

8.2.12. Arbeidstijd en vakantie Het volume van de opdracht van leerkrachten wordt in het basis- en secundair onderwijs uitgedrukt in lestijden van 50 minuten, en niet in uren werk. In het hoger onderwijs van één cyclus wordt het volume van de opdracht doorgaans ook uitgedrukt in lestijden van 50 minuten, maar er is een tendens om naar 60 minuten over te stappen. We behandelen achtereenvolgens: ● ● ●

basis- en secundair onderwijs, zie 8.2.12.1. hoger onderwijs, zie 8.2.12.2. universiteiten, zie 8.2.12.3.

8.2.12.1. Leerkrachten basisonderwijs en secundair onderwijs

Arbeidstijd

Het Decreet Basisonderwijs heeft in het basisonderwijs 3 begrippen ingevoerd: de opdracht, de schoolopdracht en de hoofdopdracht. ● ●

●

De opdracht omvat alle taken die het personeelslid uitvoert, zowel in als buiten de school (bv. thuis). De schoolopdracht bestaat uit de taken die een leerkracht uitvoert in schoolverband, zijnde de hoofdopdracht (de lesopdracht) en een aantal andere taken. De overheid heeft daarbij vastgelegd (Besluit van 17 juni 1997) dat de wekelijkse schoolopdracht maximaal 26 klokuren bedraagt en dat het deelnemen aan oudervergaderingen of personeelsvergaderingen niet in de schoolopdracht is inbegrepen. De wekelijkse hoofdopdracht is bij besluit vastgelegd.

Wekelijkse hoofdopdracht voltijds

Aantal lestijden minimum

maximum

Onderwijzend personeel, gewoon basisonderwijs

24

28

Onderwijzer, gewoon lager onderwijs

24

27

Kleuteronderwijzer, gewoon kleuteronderwijs

24

26

Onderwijzend personeel, buitengewoon basisonderwijs

22

27

Kleuteronderwijzer ASV, buitengewoon basisonderwijs

22

26

In het secundair onderwijs worden de werkuren van leerkrachten nog steeds aangeduid als uren van effectief lesgeven. ●

●

In het gewoon secundair onderwijs bedragen de wekelijkse lestijden, afhankelijk van de graad waarin de leerkracht lesgeeft en het ambt (algemene vakken, technische vakken, kunstvakken of praktische vakken), minimaal 20 lestijden en maximaal 29 lestijden van 50 minuten. In het buitengewoon secundair onderwijs bedragen de wekelijkse lestijden minimaal 22 lestijden voor de leraar algemene en sociale vorming en 24 lestijden voor de leraar beroepsgerichte vorming, en maximaal 24 lestijden en 28 lestijden respectievelijk. www.eurydice.org 294


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) Sinds 1 september 2004 is in het secundair onderwijs de functiebeschrijving ingevoerd. Er is een voorstel om vanaf 1 september 2007 de geïndividualiseerde functiebeschrijving in te voeren. Voor leerkrachten zouden dan naast de geïntegreerde lerarenopdracht (de hoofdtaak) een aantal instellingsgebonden taken kunnen worden opgenomen. Vakantieregeling

De jaarlijkse vakantie bestaat uit de officiële vakanties en vakantiedagen, en enkele dagen die elke onderwijsinstelling zelf moet kiezen. Het jaarlijks vakantieverlof bestaat uit de kerstvakantie (2 weken), de paasvakantie (2 weken), de zomervakantie (2 maanden), de herfstvakantie en de krokusvakantie (2 keer 1 week), en een aantal wettelijke en reglementaire verlofdagen (+/- 4 dagen). De instellingen voor secundair onderwijs kunnen bijkomend over een facultatieve vakantiedag beschikken; de instellingen voor basisonderwijs BaO en buitengewoon secundair onderwijs over twee facultatieve vakantiedagen. De vakanties worden vergoed en met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld. Tijdelijke leerkrachten worden evenwel per 30 juni uit dienst gemeld (Heyvaert en Janssens). Tijdelijke onderbrekingen

Verder bestaat er de mogelijkheid van omstandigheidsverlof (maximum acht dagen per jaar, in geval van huwelijk, bevalling, overlijden van een familielid,…) en uitzonderlijk verlof wegens overmacht (ziekte of ongeval van een gezinslid dat onder hetzelfde dak als de leerkracht woont). Een afwezigheid is ook gewettigd voor het vervullen van staatsburgerlijke plichten of burgerlijke opdrachten (rechtsgedingen, lokale verkiezingen,…), en voor de opvang van kinderen met het oog op adoptie of pleegvoogdij. Verder beschikken de vast benoemde leerkrachten nog over andere gronden voor gewettigde afwezigheid, zoals verlof voor verminderde prestaties omwille van sociale of familiale redenen of wegens persoonlijke aangelegenheden, verlof voor het uitoefenen van bepaalde publieke ambten, politiek verlof,… (Heyvaert en Janssens) . Net zoals in de andere sectoren is er ook de mogelijkheid van loopbaanonderbreking. Onder bepaalde voorwaarden kunnen tijdelijk en vast benoemde personeelsleden hun professionele activiteiten voor een bepaalde tijdsperiode onderbreken en een vergoeding ontvangen. Meer informatie op http://www.ond.vlaanderen.be/gidsvoorleraren/

8.2.12.2. Onderwijzend personeel in hogescholen

Het hogeschoolbestuur bepaalt de opdracht en taakomschrijving van het onderwijzend personeel. Een voltijdse betrekking bedraagt 38,5 tot 40 uren per week (inclusief lesvoorbereiding). De voltijdse beschikbaarheid van een personeelslid impliceert echter geen voltijdse aanwezigheid; voor voltijdse personeelsleden is de aanwezigheid immers niet vereist voor twee halve dagen per week. De meeste hogescholen hebben een protocol gesloten met de personeelsafvaardiging omtrent de taakbelasting en uurregeling. Daarin staan richtlijnen omtrent het aantal lesuren en uren voor andere opdrachten (bv. begeleiden van eindwerk, uitvoeren van projectmatig wetenschappelijk onderzoek,…). Het hogeschoolbestuur kan ervoor opteren beginnend onderwijzend personeel minder lesuren te geven omdat hij/zij nog meer tijd nodig heeft voor lesvoorbereidingen. Het aantal lesuren kan dus verschillen van persoon tot persoon, en van hogeschool tot hogeschool. Voltijds personeel mag geen andere functie of job hebben. Zij kunnen een uitzondering vragen indien deze andere professionele verplichtingen in het voordeel zijn van de onderwijsinstelling en indien ze niet meer dan twee halve dagen per week in beslag nemen. De wetgeving voorziet het onderwijzend personeel van minstens negen vakantieweken. De vakantieregeling wordt vastgelegd door het hogeschoolbestuur. Verder zegt het Decreet op de hogescholen van 13 juli 1994 dat de Vlaamse regering de voorwaarden voor verlof zal vastleggen. Ondertussen blijven de bestaande regelingen van kracht. www.eurydice.org

295


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

8.2.12.3. Academisch personeel in universiteiten

Elk lid van het personeel heeft een individuele functiebeschrijving die bestaat uit onderwijs-, onderzoeks- en beleidstaken. Voltijdse personeelsleden mogen bijkomend geen andere functie bekleden, tenzij de bijkomende professionele verplichtingen ook een voordeel voor de onderwijsinstellingen inhouden en niet meer dan twee halve dagen per week beslaan. De vakantieregeling wordt vastgelegd door het universiteitsbestuur.

8.2.13. Bevordering We behandelen achtereenvolgens: ● ● ●

basis- en secundair onderwijs, zie 8.2.13.1. hoger onderwijs, zie 8.2.13.2. universiteiten, zie 8.2.13.3.

8.2.13.1. Leerkrachten basisonderwijs en secundair onderwijs

Het basis- en secundair onderwijs kennen slechts in beperkte mate bevorderingsmogelijkheden, zodat de loopbaan van een leerkracht hoofdzakelijk een vlakke loopbaan is. Bevordering is mogelijk via een aanstelling in een selectie- of bevorderingsambt. ● ● ●

Selectieambten zijn het ambt van adjunct-directeur, technisch adviseur en coördinator. Bevorderingsambten zijn het ambt van directeur basisonderwijs BaO, directeur secundair onderwijs en, technisch adviseur-coördinator in het secundair onderwijs. Daarnaast zijn er nog een aantal functies in beide onderwijsniveaus die als een bevordering kunnen worden beschouwd. Het gaat om de functies van directeur coördinatie scholengemeenschap basisonderwijs, stafmedewerker scholengemeenschap basisonderwijs, coördinerend directeur van een scholengemeenschap secundair onderwijs en algemeen directeur van een scholengroep in het gemeenschapsonderwijs.

Om de vlakke loopbaan in enige mate te doorbreken wordt op dit ogenblik een discussie gevoerd over het invoeren van taakdifferentiatie in het ambt van leerkracht (mentorschap voor beginnende leerkrachten, graadcoördinatie, …).

8.2.13.2. Onderwijzend personeel in hogescholen

De betrekkingen van hoofdpraktijklector, hoofdlector en werkleider kunnen enkel worden ingenomen door promotie of verschuiving van betrekkingen. Anciënniteit vormt in combinatie met nuttige professionele ervaring het criterium voor de betrekkingen van hoofdpraktijklector, hoofdlector, werkleider, hoofddocent en hoogleraar. In het geval van interne promotie moeten kandidaten minstens twee jaar anciënniteit hebben als praktijklector om hoofdpraktlijklector te worden. In het geval van externe promotie tot hoofddocent www.eurydice.org

296


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) moeten kandidaten minstens vier jaren van nuttige beroepservaring buiten de hogeschool of minstens twee jaar anciënniteit als docent aan een andere hogeschool of universiteit kunnen voorleggen. De promotie naar gewoon hoogleraar vereist het volgende: ten eerste moet de hogeschool actief betrokken zijn bij onderzoek in samenwerking met een universiteit in het onderzoeksveld van de vacante betrekking; ten tweede moeten de kandidaten docent, hoofddocent of hoogleraar zijn geweest voor zes jaren aan een hogeschool of een universiteit en tijdens die periode verantwoordelijk geweest zijn voor kwalitatief hoogstaand onderzoek. De bekwaamheid van de kandidaten binnen een bepaald onderzoeksveld wordt beoordeeld door een 'jury' of commissie van drie gewone hoogleraren van verschillende universiteiten.

8.2.13.3. Academisch personeel in universiteiten

Het academisch vast benoemd personeel begint haast altijd zijn/haar universitaire loopbaan als docent. Inzake de promotie tot zelfstandig academisch personeel (ZAP) evalueren beoordelingscommissies op departements- en/of faculteitsniveau de kandidaturen voor promoties. Naast het diploma spelen andere criteria mee voor promotie. Zij die het mandaat van docent beogen, moeten op basis van voordien geleverde prestaties, beantwoorden aan de verwachting dat men degelijk wetenschappelijk onderzoek en onderwijs verricht en verstrekt. De kandidaat voor hoofddocent moet bewezen hebben dat men degelijk wetenschappelijk onderzoek en onderwijs verricht en verstrekt. Indicaties van het wetenschappelijk onderzoek vormen bv. publicaties, deelname aan congressen, het lidmaatschap van redactieraden,... Zij die promoveren naar het ambt van hoogleraar worden verondersteld een creatieve en productieve onderzoeker te zijn (ook leiding geven aan onderzoek en verwerven van onderzoeksgelden), alsook een lesgever met didactische kwaliteiten en een brede onderwijservaring. De kandidaat voor gewone of buitengewone hoogleraren moet een uitstekend onderzoeker zijn die nationale of internationale erkenning geniet in zijn vakgebied. Als pedagoog wordt van hem/haar verwacht over de nodige didactische vaardigheden te beschikken, alsook een brede onderwijservaring en leiderskwaliteiten. De Vlaamse regering heeft de verantwoordelijkheid voor het bepalen van de anciënniteitsvereisten voor de benoeming in een bepaalde ZAP-rang aan de universiteiten gelaten. Het Decreet op de universiteiten van 12 juni 1991 specificeert enkel een aantal minimumvereisten voor de promotie inzake anciënniteit. Een docent moet reeds minstens twee jaar benoemd zijn in deze betrekking voor de promotie naar het mandaat van hoofddocent. Een benoeming of rekrutering als hoogleraar vereist het ZAP-lidmaatschap voor minstens vier jaar, alsook voor de mandaten van gewoon en buitengewoon hoogleraar. Met het Decreet betreffende het Onderwijs X worden de regels scherper. Bevordering is mogelijk na interne bekendmaking en na het met succes doorlopen van de door het universiteitsbestuur vastgelegde selectieprocedure. Een bevordering in een functie van de onmiddellijk hogere graad en van de daaropvolgende graad kan daarentegen plaatsvinden zonder interne bekendmaking en zonder selectie indien dit gebeurt in het kader van een vooraf door het universiteitsbestuur bepaalde loopbaanplanning en binnen de perken van de personeelsformatie. Deze afwijking geldt enkel voor de zeer goed functionerende personeelsleden. De bevordering moet afdoende gemotiveerd worden op basis van een evaluatie van de door de betrokkene geleverde prestaties. Een eerste bevordering in een leidinggevende functie vindt steeds plaats na interne bekendmaking en selectie. Het universiteitsbestuur weegt bij elke selectie minstens de verworven kennis en ervaring, de opleiding, de technische en persoonlijke bekwaamheden en de potentialiteit van de kandidaten af tegen de functiebeschrijving en het functieprofiel. De beslissing wordt gemotiveerd op grond van die afweging (Decreet betreffende Onderwijs X). Het decreet van 18 mei 1999, betreffende Onderwijs X, schrijft verder ook voor dat bij de vaststelling van de personeelsformatie en de begrote jaarlijkse bezettingsgraad het aantal betrekkingen van het www.eurydice.org 297


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) zelfstandig academisch personeel, uitgedrukt in voltijdse eenheden, ten hoogste 70 percent van het totaal aantal plaatsen in de formatie van het academisch personeel mogen bedragen. Zo lang dit aantal is overschreden, mag geen enkele benoeming of aanstelling in de desbetreffende personeelscategorie worden gedaan.

8.2.14. Beroepsmobiliteit We behandelen achtereenvolgens: ● ● ●

basis- en secundair onderwijs, zie 8.2.14.1. hoger onderwijs, zie 8.2.14.2. universiteiten, zie 8.2.14.3.

8.2.14.1. Leerkrachten basisonderwijs en secundair onderwijs

De mobiliteit tussen het onderwijs en de andere sectoren is traditioneel erg beperkt. Recent worden wel maatregelen genomen om de opleiding van de zgn. zij-instromers te verbeteren, maar deze zal daardoor ook zwaarder worden (zie 8.1.2. en 8.1.8.). Ook de mobiliteit tussen scholen is eerder beperkt.

Aantrekken, ontwikkelen en behouden van leerkrachten: achtergrondrapport Vlaanderen Waar staat de leraar in onze samenleving? Een onderzoek naar opvattingen over maatschappelijke waardering van leerkrachten

8.2.14.2. Onderwijzend personeel in hogescholen

Horizontale beroepsmobiliteit in hogescholen is eerder beperkt, wat hoofdzakelijk wordt veroorzaakt door de individuele band tussen het personeelslid en de hogeschool. Gewoonlijk wordt het personeelslid benoemd aan één bepaalde hogeschool en die benoeming kan niet simpelweg worden overgedragen naar een andere hogeschool. Hoewel er maar weinig informatie beschikbaar is, wordt er verondersteld dat ook verticale mobiliteit aan hogescholen beperkt is (Informatie verkregen van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement Onderwijs en Vorming).

8.2.14.3. Academisch personeel in universiteiten

Horizontale beroepsmobiliteit aan de universiteiten is eerder beperkt.

8.2.15. Ontslag We behandelen achtereenvolgens: www.eurydice.org

298


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) ● ● ●

basis- en secundair onderwijs, zie 8.2.15.1. hoger onderwijs, zie 8.2.15.2. universiteiten, zie 8.2.15.3.

8.2.15.1. Leerkrachten basisonderwijs en secundair onderwijs

Een tijdelijk personeelslid kan zijn/haar ambt vrijwillig neerleggen, mits een opzeggingstermijn van 7 kalenderdagen in acht wordt genomen (15 dagen in geval van tijdelijke aanstelling van doorlopende duur). De directeur (gemeenschapsonderwijs) of inrichtende macht (gesubsidieerd onderwijs) kan evenwel akkoord gaan met een kortere opzeggingstermijn. Ook vast benoemde personeelsleden kunnen hun job vrijwillig verlaten. In dat geval geldt een opzeggingstermijn van minstens 15 kalenderdagen, tenzij met de inrichtende macht een andere termijn wordt overeengekomen (Heyvaert en Janssens). De directeur (gemeenschapsonderwijs) of inrichtende macht (gesubsidieerd onderwijs) kan een personeelslid met tijdelijke aanstelling van bepaalde duur ook om dringende redenen ontslaan, zonder vooropzeg. Daaronder is de ernstige tekortkoming begrepen die het voortduren van de tijdelijke aanstelling onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt. Zowel tijdelijke, als vast benoemde personeelsleden kunnen ook ambtshalve en zonder vooropzeg uit hun ambt worden ontslagen. Dit is bijvoorbeeld het geval indien zij na een geoorloofde afwezigheid, zonder geldige reden, hun dienst niet hervatten, behoudens overmacht, en gedurende een ononderbroken periode van meer dan tien kalenderdagen afwezig blijven. Vast benoemde leerkrachten en leerkrachten met tijdelijke aanstelling van doorlopende duur kunnen ten gevolge van een tuchtmaatregel worden ontslagen. Bij het ontslag (gemeenschapsonderwijs) en de afdanking (gesubsidieerd onderwijs) wordt het vast benoemd personeelslid definitief verwijderd uit zijn/haar ambt. Daarbij wordt een opzeggingstermijn gerespecteerd, afhankelijk van het aantal arbeidsdagen die vereist zijn om aanspraak te kunnen maken op een werkloosheidsuitkering (Heyvaert en Janssens). Er zijn echter ook andere sancties decretaal vastgelegd voor vast benoemden en personeelsleden met tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, zoals: ● ● ● ● ● ●

een blaam afhouding van het salaris schorsing bij tuchtmaatregel terbeschikkingstelling bij tuchtmaatregel terugkeer tot de tijdelijke aanstelling terugzetting in rang.

Naast de tuchtmaatregelen kan ook de evaluatie (zie 8.2.9.1.) een reden tot ontslag zijn en dit als een personeelslid tijdens zijn onderwijsloopbaan een of meerdere keren een evaluatie met eindconclusie 'onvoldoende' krijgt. In het kader van evaluatie volgt ontslag voor een vastbenoemde leerkracht of een tijdelijke leerkracht die voor doorlopende duur is aangesteld als hij/zij twee opeenvolgende definitieve evaluaties met eindconclusie 'onvoldoende' krijgt of in zijn loopbaan drie keer een definitieve evaluatie met eindconclusie 'onvoldoende' krijgt. Voor een tijdelijke leerkracht (niet TADD) volgt ontslag als hij/zij een definitieve evaluatie met eindconclusie 'onvoldoende' krijgt. Plichten

De personeelsleden moeten de belangen behartigen van het onderwijs, de instelling en de leerlingen. Zij vervullen de taken die hen worden opgedragen nauwgezet en gedragen zich in de omgang met de www.eurydice.org 299


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) leerlingen, de ouders en het publiek op een correcte wijze. Zij vermijden alles wat het vertrouwen van het publiek kan schaden of afbreuk kan doen aan de eer of de waardigheid van de functie. Het is hen verboden giften, geschenken, beloningen of een ander voordeel te aanvaarden. Ze mogen hun gezag niet aanwenden voor politieke of commerciële doeleinden. Ze moeten het ambtsgeheim bewaren (bv. na de delibererende klassenraad). Ze mogen de uitoefening van hun ambt niet onderbreken zonder voorafgaande toestemming van de hiërarchische overheid. In het gesubsidieerd onderwijs moeten de verplichtingen die voortvloeien uit de specificiteit van het opvoedingsproject worden nageleefd (onverenigbaarheden dienen door het schoolbestuur/ inrichtende macht schriftelijk meegedeeld voor indiensttreding). Het decreet vermeldt expliciet dat feiten uit het privé-leven, die geen weerslag hebben op de relatie tussen de leerling en het personeelslid of op het schoolleven, geen aanleiding kunnen geven tot een maatregel vanwege het schoolbestuur of inrichtende macht. In het gemeenschapsonderwijs moeten de personeelsleden de neutraliteit in acht nemen en vormgeven aan het pedagogisch project van het gemeenschapsonderwijs. De neutraliteitsverklaring vindt men op http://www.gemeenschapsonderwijs.be/raadgo/neutra.htm H

8.2.15.2. Onderwijzend personeel in hogescholen

Onder normale omstandigheden kunnen personeelsleden worden ontslagen met een opzegperiode van drie maanden voor elke dienstperiode van vijf jaar (een juist nieuw begonnen periode van vijf jaar wordt beschouwd als een volledige periode). Een personeelslid kan worden ontslagen (zonder een opzegperiode) als gevolg van een tuchtmaatregel of wanneer hij/zij twee opeenvolgende jaren een negatieve evaluatie heeft gekregen of vijfmaal in zijn/haar carrière aan de hogeschool. De onderwijsbevoegdheid godsdienst of niet-confessionele zedenleer van personeelsleden belast met de lesopdracht godsdienst of niet-confessionele zedenleer eindigt van rechtswege vanaf het ogenblik dat de bevoegde instantie van de betrokken levensbeschouwing daartoe beslist. Deze beslissing moet uitdrukkelijk gemotiveerd zijn (Decreet betreffende Onderwijs X). Een vast benoemd personeelslid kan op eigen initiatief zijn betrekking verlaten, waarbij een opzegtermijn van minstens 60 dagen moet worden gerespecteerd. Tijdelijk benoemden moeten een opzegtermijn respecteren van 30 dagen. Bij ontslag wegens dringende redenen (bv. fraude) is er geen opzegtermijn van toepassing.

8.2.15.3. Academisch personeel in universiteiten

Het universiteitsbestuur kan een personeelslid ontslaan indien het eindoordeel van twee opeenvolgende evaluaties ''onvoldoende'' is of driemaal ''onvoldoende'' in de loop van de beroepscarrière. In deze gevallen wordt een opzeggingstermijn toegekend waarvan de duur gelijk is aan de periode die nodig is om de voordelen van de sociale zekerheid en werkloosheidsuitkeringen te kunnen genieten. Tijdens deze opzeggingsperiode wordt het personeelslid geacht als tijdelijk te zijn aangesteld en kan het universiteitsbestuur het betrokken personeelslid met een andere opdracht belasten. Het betrokken personeelslid geniet dan het brutosalaris verbonden aan het ambt waarin het was benoemd. Het personeelslid kan evenwel geheel of gedeeltelijk afstand doen van die opzeggingstermijn (Decreet betreffende Onderwijs X).

www.eurydice.org

300


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

8.2.16. Pensioenregeling De pensioenregeling voor het onderwijzend personeel is in de federale (Belgische) wetgeving vastgelegd. De pensioensregeling voor de sector onderwijs is één van de aspecten waarvoor de Vlaamse Gemeenschap niet bevoegd is. De regeling is overigens identiek voor alle onderwijsniveaus. Het pensioen is gebaseerd op het aantal jaren dienst en het salaris. Verschillende regelingen zijn er voor leerkrachten die vervroegd met pensioen willen gaan. Om een pensioen te ontvangen moet een personeelslid (Heyvaert en Janssens): ● ● ● ●

een aanvraag indienen (een persoonlijke aanvraag is steeds vereist ook al is de betrokken persoon bij wet verplicht om zijn professionele carrière te beëindigen); vast benoemd zijn; de vereiste leeftijd hebben bereikt (60 jaar); beantwoorden aan het vereiste aantal dienstjaren (vijf jaar).

8.3. Managementpersoneel We behandelen hier de ambten van directeur en adjunct-directeur en de mandaten voor directeur, algemeen directeur (scholengroep/ inrichtende macht), coördinerend directeur (scholengemeenschap), directeur coördinatie scholengemeenschap basisonderwijs. Deze personeelsleden worden aangesteld en benoemd door de inrichtende machten.

8.3.1. Aanstellingsvoorwaarden voor het directeursambt

Directeur en adjunct-directeur Het ambt van directeur is een bevorderingsambt binnen de categorie bestuurs- en onderwijzend personeel. Het ambt van adjunct-directeur is een selectieambt binnen de categorie van het bestuurs- en onderwijzend personeel. In het gemeenschapsonderwijs bestaat er voor de selectie- en bevorderingsambten een proeftijd van 12 maanden, die eenmaal met 12 maanden kan worden verlengd. Tijdens deze periode moet het personeelslid effectief presteren in het ambt waarin het tot de proeftijd toegelaten is. Het personeelslid moet voor de toelating tot de proeftijd: ● ● ● ● ●

houder zijn van het vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, tijdens de laatste evaluatie of beoordeling geen ''onvoldoende'' hebben bekomen, voldoen aan de algemene wervingsvoorwaarden (zie 8.2.5.1.), beschikken over de vereiste bekwaamheden voor het ambt (vastgelegd door de raad voor het gemeenschapsonderwijs) en getest in een proef, zich kandidaat gesteld hebben bij de raad van bestuur.

Na het beëindigen van de proeftijd met gunstig advies wordt het personeelslid door de raad van bestuur in vast verband benoemd. In het gesubsidieerd onderwijs bestaat de proeftijd niet. Het personeelslid wordt vast benoemd in het selectie- of bevorderingsambt indien hij/zij houder is van het vereiste of voldoende geachte www.eurydice.org

301


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) bekwaamheidsbewijs, als de laatste evaluatie geen evaluatie met de eindconclusie ''onvoldoende'' heeft opgeleverd, en als de kandidaat voldoet aan de algemene wervingsvoorwaarden (zie 8.2.5.1.). Een vaste benoeming is enkel mogelijk in hoofdambt. Sinds 1 september 2002 kan een volledige betrekking echter worden toegekend aan één of twee personeelsleden, die elk met een halve betrekking worden belast. Naast een vaste benoeming in het ambt van directeur is het ook mogelijk dat een vast benoemd personeelslid (gesubsidieerd onderwijs) of personeelslid (gemeenschapsonderwijs) wordt aangesteld als waarnemend (adjunct-)directeur. Het Bijzonder Decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs bepaalt dat het ambt van directeur bij mandaat zal moeten worden toegewezen. De modaliteiten zijn vastgelegd in het decreet rechtspositie gemeenschapsonderwijs. Gelijkaardige bepalingen zijn opgenomen in het decreet rechtspositie gesubsidieerd onderwijs. De ingangsdatum die bepaald was op 1 september 2000 is ondertussen uitgesteld, behalve voor de centra voor leerlingenbegeleiding. In deze centra wordt vanaf 1 september 2000 elke nieuwe directeur – met uitzondering van de permanente ondersteuningscel – aangesteld met een mandaat. Het mandaat geldt voor onbepaalde duur en zowel het personeelslid als de inrichtende macht resp. raad van bestuur kunnen er een einde aan stellen. Het personeelslid neemt na het mandaat zijn vorige ambt weer op. Het personeelslid en de inrichtende macht kunnen wel een mutatie of een nieuwe affectatie (gesubsidieerd vrij onderwijs) overeenkomen. Wanneer het mandaat beëindigd wordt ingevolge een evaluatie 'onvoldoende' dan neemt het personeelslid eveneens zijn vorig ambt weer op.

Algemeen directeur Het Bijzonder Decreet betreffende het gemeenschapsonderwijs van 14 juli 1998 bepaalt dat de scholengroepen bestuurd worden door een algemene vergadering, een raad van bestuur, een college van directeurs en een algemeen directeur. Het mandaat van die algemeen directeur wordt toegewezen door de raad van bestuur en bekrachtigd door de algemene vergadering. Alleen directeurs van scholen van de scholengroep komen voor dit mandaat in aanmerking. Het mandaat wordt toegekend voor onbepaalde duur en kan op elk ogenblik op gemotiveerde wijze beëindigd worden door de algemene vergadering of door de raad van het gemeenschapsonderwijs. In het gesubsidieerd onderwijs kan de inrichtende macht een directeur van een instelling belasten met de taak van algemeen directeur van de totaliteit van haar instellingen. De algemeen directeur ontvangt een niet-verworven salarisschaal. Ook het ambt van algemeen directeur in een hogeschool kan uitsluitend bij mandaat toegewezen worden.

Coördinerend directeur Zowel in het gemeenschaps- als het gesubsidieerd secundair onderwijs kan een directeur aan een instelling van een scholengemeenschap voltijds (of met twee elk halftijds) bij mandaat aangesteld worden tot coördinerend directeur, belast met taken voor de totaliteit van de instellingen die deel uitmaken van de scholengemeenschap. Ook de coördinerend directeur ontvangt een niet-verworven salarisschaal (niet cumuleerbaar met deze van algemeen directeur). De coördinerend directeurs van scholengemeenschappen in het secundair onderwijs kunnen voltijds ingezet worden en dus niet t.z.t. directeur van een school zijn en/of lesgeven.

Directeur coördinatie scholengemeenschap basisonderwijs Vanaf 1 september 2005 kan op het niveau van de scholengemeenschap basisonderwijs BaO een nieuwe betrekking van directeur worden ingericht. Per scholengemeenschap kunnen maximaal twee halftijdse of één voltijdse functie(s) worden ingericht. Dit personeelslid wordt klas- en schoolvrij aangesteld ter ondersteuning van de scholengemeenschap. Het is echter geen afzonderlijk ambt. Vaste benoeming is niet mogelijk. Het personeelslid ontvangt geen bijkomende vergoeding.

www.eurydice.org

302


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

8.3.2. Arbeidsvoorwaarden Met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden van de directeur en de adjunct-directeur – ambten die ressorteren onder de categorie van het niet-onderwijzend personeel- verwijzen we naar 8.2.. Wat de evaluatieprocedure betreft is er een verschil met 8.2., in die zin dat de (adjunct-)directeur wordt geëvalueerd door de raad van bestuur (gemeenschapsonderwijs) of de inrichtende macht (gesubsidieerd onderwijs).

8.4. Inspectie en Entiteit Curriculum (ex-DVO) We behandelen hier de zowel de ambten van de inspectie als deze van de Entiteit Curriculum. (Voor hun opdracht en werking zie resp. 9.3.1. en 9.3.2.). Deze personeelsleden worden aangesteld en benoemd door de Vlaamse regering. De ambten die de leden van de inspectie kunnen uitoefenen zijn: ●

● ● ●

inspecteur basisonderwijs BaO, secundair onderwijs, kunstonderwijs, volwassenenonderwijs (één inspecteur volwassenenonderwijs wordt belast met de basiseducatie), centra voor leerlingenbegeleiding coördinerend inspecteur basisonderwijs, secundair onderwijs inspecteur generaal basisonderwijs, secundair onderwijs coördinerend inspecteur-generaal

In de Entiteit Curriculum bestaan de ambten van: ● ● ●

adviseur navorser directeur

8.4.1. Aanstellingsvoorwaarden inzake het inspecteursambt Om tot de onderwijsinspectie te worden toegelaten dient men te behoren tot één van de volgende categorieën personeelsleden: ●

● ● ● ● ●

bestuurs- en onderwijzend, paramedisch, sociaal, medisch, orthopedagogisch en psychologisch personeel in het onderwijs; (de educatieve personeelsleden tewerkgesteld in de Centra voor Basiseducatie (CBE's) en in het Vlaams Ondersteuningscentrum voor de Centra voor Basiseducatie); personeelsleden van pedagogische begeleidingsdiensten; het technisch personeel van de gesubsidieerde vrije en officiële centra, van de centra van het gemeenschapsonderwijs en van het rijksvormingscentrum; directeurs en adviseurs van de Entiteit Curriculum; het zelfstandig en het assisterend academisch personeel van de universiteiten; het onderwijzend personeel van de hogescholen.

Om tot de inspectie van de CLB, centra voor leerlingenbegeleiding te worden toegelaten komen volgende categorieën personeelsleden in aanmerking: ●

directeurs – als ze houder zijn van het diploma dat toegang verleent tot het ambt van arts of psycho-pedagogisch consulent; www.eurydice.org

303


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) ● ● ● ● ●

artsen; psycho-pedagogisch consulenten; paramedisch werkers; maatschappelijk werkers uit de centra voor leerlingenbegeleiding; personeelsleden van de pedagogische begeleidingsdiensten (Decreet van 17 juli 1991).

Wanneer een ambt bij de inspectie of de Entiteit Curriculum vacant is, wordt een oproep bekend gemaakt in het Belgisch Staatsblad en verspreid via een omzendbrief aan de scholen en de website van het departement Onderwijs en Vorming, en wordt een proef georganiseerd. De toelatingsvoorwaarden voor de proef voor inspecteur zijn: 1 2 3 4 5

onderdaan te zijn van een lidstaat van de Europese Gemeenschap, van goed gedrag te zijn, de burgerlijke en politieke rechten te genieten, ten minste 10 jaar dienstanciënniteit te hebben, aangesteld of in vast verband benoemd te zijn in één van de in aanmerking komende personeelscategorieën, een dossier voor te leggen m.b.t. zijn/haar curriculum vitae, met opgave van alle elementen waardoor hij/zij zijn/haar onderwijskundige inzichten, agogische vaardigheden en vakdidactische deskundigheid heeft uitgebreid en verdiept. De Vlaamse regering kan desgevallend bijkomende diplomavereisten bepalen.

6

Voor adviseur en navorser bij de Entiteit Curriculum vervalt voorwaarde 5) en is in voorwaarde 6) enkel onderwijskundig inzicht vermeld. Navorsers dienen echter geen 10 j. dienstanciënniteit te hebben, maar wel in het bezit te zijn van een diploma van doctor op proefschrift en ten minste 3 jaar ervaring te hebben inzake onderwijskundige wetenschappelijke studieactiviteiten, of in het bezit te zijn van een academisch diploma of een diploma van academisch niveau en ten minste 6 jaar ervaring te hebben inzake onderwijskundige wetenschappelijke studieactiviteiten. De proef omvat een mondeling en schriftelijk gedeelte en wordt beoordeeld door een commissie samengesteld door de Vlaamse regering. De commissie draagt 2 kandidaten voor, de Vlaamse regering beslist. Geselecteerden dienen een proeftijd van één jaar te doorlopen begeleid door een stageleider aangesteld door de bevoegde inspecteur-generaal respectievelijk de directeur van de Entiteit Curriculum. In de loop van de laatste maand van de proeftijd levert het betrokken personeelslid een rapport af dat, naargelang het geval, door de bevoegde inspecteur-generaal of de directeur van de Entiteit Curriculum, en de stageleider wordt geëvalueerd. De beoordeling van de proeftijd door de stageleider en, naargelang het geval, door de bevoegde inspecteur-generaal of de directeur van de Entiteit Curriculum, geeft aanleiding tot een verslag dat besloten wordt met een gemotiveerd voorstel tot benoeming in vast verband of tot afdanking van het betrokken personeelslid. Om tot het ambt van directeur van de Entiteit Curriculum, coördinerend inspecteur, inspecteurgeneraal en coördinerend inspecteur-generaal te worden toegelaten moet men: ● ● ●

vastbenoemd inspecteur, adviseur of navorser zijn; tenminste 3 jaar dienstanciënniteit hebben; zich kandidaat hebben gesteld volgens de vereisten van de vacature.

De Vlaamse regering kan eventueel extra diplomavereisten en nuttige ervaring bepalen. Met uitzondering van het ambt van coördinerend inspecteur kunnen deze ambten ook bij mandaat worden toegewezen aan een kandidaat extern aan de Entiteit Curriculum of de inspectie, mits die ● ● ●

blijkt geeft van een zeer grondig onderwijskundig inzicht, ten minste 10 jaar een leidinggevende functie heeft uitgeoefend, ten minste 15 jaar nuttige ervaring heeft in het onderwijs (waarvoor de inspectie bevoegd is) ofwel deels in het onderwijs en deels met het onderwijs

www.eurydice.org

304


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

8.4.2. Arbeidsvoorwaarden De rechtspositie van de inspectieleden wordt voor een groot deel geregeld door het decreet van 17 juli 1991 betreffende inspectie, dienst voor onderwijsontwikkeling en pedagogische begeleidingsdiensten. Hier gaan we enkel in op de evaluatieprocedure waaraan inspectieleden onderworpen worden, en op de consequenties verbonden aan een dergelijke evaluatie. De leden van de inspectie doorlopen normaal een proeftijd van één jaar en worden dan - bij gunstige evaluatie - definitief benoemd (zie 8.4.1.). Voor de coördinerend inspecteur-generaal, de inspecteurs-generaal, de coördinerende inspecteurs en de directeur van de Entiteit Curriculum geldt een mandaatformule: ze hebben een mandaat van onbepaalde duur. De Vlaamse regering, kan een einde maken aan het mandaat, mits motivering en een opzegtermijn van 6 maanden. Bij het beëindigen van het mandaat neemt het vastbenoemd personeelslid opnieuw zijn ambt op als inspecteur, adviseur of navorser of wordt ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking. Het personeelslid dat voorafgaand aan het mandaat vastbenoemd is in de inspectie of in de Entiteit Curriculum, en dat belast is met een mandaat in een vacante betrekking in het ambt, wordt op zijn verzoek vanaf de leeftijd van 55 jaar door de Vlaamse regering vastbenoemd in dit ambt. Evaluatie

Elk personeelslid dat meer dan drie maanden per jaar effectief fungeert bij de diensten van de inspectie of de Entiteit Curriculum, wordt geëvalueerd. Elk personeelslid wordt éénmaal per schooljaar geëvalueerd in de eerste drie jaren van zijn/haar loopbaan. Daarna minstens om de twee schooljaren, tenzij het personeelslid vraagt om twee opeenvolgende schooljaren te worden geëvalueerd. De evaluatie gebeurt op basis van de functiebeschrijving en de doelstellingen en is de appreciatie van het totaal functioneren van het betrokken personeelslid. Wanneer een personeelslid de evaluatie ''onvoldoende'' krijgt, moet hij/zij na één jaar opnieuw worden geëvalueerd. Het personeelslid kan tegen die evaluatie beroep aantekenen bij een raad van beroep (voor de inspecteur-generaal, de coördinerend inspecteur-generaal, en de directeur van de Entiteit Curriculum is dat in zulk geval de Vlaamse regering). Het personeelslid wordt ontslagen wegens beroepsongeschiktheid indien hij/zij gedurende twee opeenvolgende jaren of drie keer tijdens de loopbaan (vast benoemd lid), of één keer (contractueel of tijdelijk lid) de evaluatie ''onvoldoende'' heeft gekregen.

8.5. Personeel verantwoordelijk voor begeleiding We moeten hier een onderscheid maken tussen het personeel van de pedagogische begeleidingsdiensten en dat van de centra voor leerlingenbegeleiding. Beide categorieën ressorteren onder de noemer 'niet-onderwijzend personeel'. De personeelsleden worden aangesteld en benoemd door de inrichtende machten.

In de pedagogische begeleidingsdiensten (zie 9.3.3. voor hun opdracht en werking) bestaan de (bevorderings)ambten van pedagogisch adviseur en pedagogisch adviseur-coördinator (het hoofd van een pedagogische begeleidingsdienst). Deze ambten kunnen halftijds of voltijds worden uitgeoefend. De toelatingsvoorwaarden tot een ambt binnen de pedagogische begeleidingsdienst van het gesubsidieerd onderwijs verschillen licht van deze van het gemeenschapsonderwijs. Algemeen kunnen we echter stellen dat de kandidaat minstens 10 jaar dienstanciënniteit dient te hebben om in aanmerking te komen voor een tijdelijke aanstelling of vast benoeming. De Vlaamse Regering kan ook steeds bijkomende diplomavereisten bepalen (Decreet van 17 juli 1991). www.eurydice.org

305


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) Een begeleidingsopdracht kan ook worden toegekend aan onderwijzend personeel d.m.v. verlof wegens bijzondere opdracht. Het personeel van een centrum voor leerlingenbegeleiding (CLB) bestaat uit een aantal vaste ambten, gaande van directeur (bevorderingsambt), over arts, consulent, psycho-pedagogische consulent, maatschappelijk werker, administratief werker, paramedisch werker, psycho-pedagogisch werker tot medewerker. Het ambt van directeur is een bevorderingsambt. Sinds 1 september 2000 wordt elke nieuwe directeur van een CLB – met uitzondering van de permanente ondersteuningscel – aangesteld met een mandaat. De administratief werkers en de medewerkers vormen het administratief personeel van een CLB, terwijl de overige ambten het technisch personeel van een CLB uitmaken. Voor de aanstelling en benoeming in de ambten van het CLB zijn bepaalde bekwaamheidsbewijzen vereist (Besluit Vlaamse Regering van 12 december 2003). Ook personeelsleden van een CLB kunnen vast benoemd worden. Het personeel van de centra is per definitie met vakantie op dagen dat het centrum gesloten is (zie Omzendbrief CLB/2005/01). Daarnaast heeft het personeel extra recht op 21 werkdagen vakantie. Elk voltijds personeelslid in de centra voor leerlingenbegeleiding heeft ook recht op een door de Vlaamse regering te bepalen aantal vormingsdagen per schooljaar (Decreet van 1 december 1998, Besluit van Vlaamse regering van 19 september 2003 & Omzendbrief CLB/2005/04).

8.6. Ander onderwijspersoneel Naast het bestuurs- en onderwijzend personeel bestaan er nog een aantal andere categorieën nietonderwijzend personeel in het Vlaamse onderwijssysteem ●

In het gewoon basisonderwijs:

○ beleids- en ondersteunend personeel (administratief medewerker, zorgcoördinator, ICT-coördinator)

○ paramedisch personeel (kinderverzorger). ●

In het buitengewoon basisonderwijs bovendien:

○ medisch personeel (arts), ○ orthopedagogisch personeel (orthopedagoog), ○ paramedisch personeel (ergotherapeut, kinderverzorger, kinesitherapeut, logopedist, verpleger),

○ psychologisch personeel (psycholoog) ○ sociaal personeel (maatschappelijk werker). ●

In het secundair onderwijs:

○ administratief personeel (o.a. opsteller) ○ ondersteunend personeel (administratief medewerker, opvoeder). ●

In het buitengewoon secundair onderwijs bovendien:

○ medisch personeel (arts), ○ orthopedagogisch personeel (orthopedagoog), ○ paramedisch personeel (ergotherapeut, kinderverzorger, kinesitherapeut, logopedist, verpleger),

○ psychologisch personeel (psycholoog) ○ sociaal personeel (maatschappelijk werker) www.eurydice.org

306


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

○ ondersteunend personeel (administratief personeel, opvoeder). ●

In het hoger onderwijs:

○ ○ ○ ○

directie, onderwijzend personeel, administratief en technisch personeel mandaten (algemeen directeur, departementshoofd, bibliothecaris).

Tijdens de overgangsmaatregelen voor de schooljaren 1999-2000 tot 2005-2006, worden de personeelsleden van het ondersteunend en administratief personeel getransfereerd naar de categorie van het ondersteunend personeel op basis van de nieuwe normen (Decreet van 18 mei 1999).

8.7. Statistieken 8.7.1. Bestuurs- en onderwijzend personeel per onderwijsniveau

Bestuurs- en onderwijzend personeel per onderwijsniveau (exclusief UO) : aantal budgettaire fulltime-equivalenten, uitgesplitst naar geslacht en statuut; januari 2006 Onderwijsniveau

Geslacht Mannen

Vrouwen

Statuut Totaal

Vastbenoemd

Tijdelijk

Totaal

Basisonderwijs

8.289

38.190

46.479

35.181

11.298

46.479

Buitengewoon basisonderwijs

1.121

4.474

5.595

4.116

1.479

5.595

23.727

31.661

55.388

41.243

14.145

55.388

Buitengewoon secundair onderwijs

2.223

2.897

5.120

3.650

1.470

5.120

Hogescholenonderwijs

3.898

3.600

7.498

4.706

2.792

7.498

OSP (secundair)

1.485

2.421

3.906

2.279

1.627

3.906

376

301

677

332

345

677

1.714

1.944

3.658

2.742

916

3.658

42.833

85.488

128.321

94.249

34.072

128.321

Secundair onderwijs

OSP (hoger) Deeltijds kunstonderwijs Totaal

Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2005-2006

www.eurydice.org

307


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

8.7.2. Bestuurspersoneel per onderwijsniveau

Bestuurspersoneel per onderwijsniveau (exclusief UO); aantal budgettaire fulltimeequivalenten (inclusief alle vervangingen, TBS+ en Bonus) - januari 2006 (1)

Bestuurspersoneel

M Gewoon basisonderwijs (2) Buitengewoon basisonderwijs (3) Gewoon secundair onderwijs (4) Buitengewoon secundair onderwijs (5)

1.526 123 1.744

Totaa l

V

Algemeen en Coördinerend directeurs

Totaal

M

V

40

13

53

1.566

236

1

1

2

124

660 2.404

60

8

68

1.804

1.251 2.777 113

Totaal

M

Totaa l

V

1.264 2.830 114

238

668 2.472

214

97

311

0

0

0

214

97

311

Secundair onderwijs voor sociale promotie (6)

97

80

177

1

0

1

98

80

178

Hoger onderwijs voor sociale promotie (6)

34

17

51

0

0

0

34

17

51

141

25

166

0

0

0

141

25

166

Deeltijds kunstonderwijs (7)

(1) De personen die omwille van een tijdelijk ander ambt van onderwijsniveau veranderen, werden niet opgenomen. (2) Als bestuurspersoneel in het gewoon basisonderwijs wordt beschouwd : de directeur, de directeur van een kleuterschool, de directeur van een lagere school de directeur van een basisschool, de adjunct directeur. (3) In het buitengewoon basisonderwijs wordt als bestuurspersoneel beschouwd : de directeur, de directeur van een lagere school, de directeur van een MPI van de Vlaamse Gemeenschap, de adjunct directeur. (4) Tot het bestuurspersoneel behoort in het gewoon secundair onderwijs : de directeur, de technisch adviseur, de technisch adviseur coördinator, de coördinator, de adjunctdirecteur. (5) Het bestuurspersoneel in het buitengewoon secundair onderwijs is : de directeur, de technisch adviseur, de technisch adviseur coördinator, de adjunctdirecteur. (6) In het secundair en hoger onderwijs voor sociale promotie is bestuurspersoneel : de directeur, de adjunct directeur hoger onderwijs, de adjunct directeur secundair onderwijs, de technisch adviseur, de technisch adviseur coördinator. (7) Het ambt van directeur is het bestuurspersoneel in het deeltijds kunstonderwijs. (8) Alleen de algemeen en coördinerend directeurs werden opgenomen waarvoor een verlof mandaat algemeen of coördinerend directeur werd aangevraagd. Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2005-2006

www.eurydice.org

308


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

8.7.3. Bestuurs- en onderwijzend personeel alle onderwijsniveaus (grafiek)

Bestuurs- en onderwijzend personeel alle onderwijsniveaus (exclusief UO) , naar leeftijd, statuut en geslacht, aantal personen; januari 2006

Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2005-2006

8.7.4. Personeel aan de universiteiten

Personeel aan de universiteiten betaald ten laste van de werkingsuitkeringen (voltijdse eenheden op 1 februari 2006) Mannen Zelfstandig academisch personeel (ZAP)

Vrouwen

Totaal

2.082,3

430,8

2.513,1

918,9

898,9

1.817,8

Administratief en technisch personeel (ATP)

1.854,3

1.969,7

3.823,9

Totaal

4.855,5

3.299,3

8.154,8

Assisterend academisch personeel (AAP)

Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2005-2006

www.eurydice.org

309


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

8.7.5. Bruto-jaarsalaris (€) van het onderwijzend personeel

(Toestand november 2006)

Barema's

Aanvang

Bij maximum aantal jaren salarisanciënniteit

Kleuterond.

141

17.347,42

30.212,35

Lager ond. (onderwijzer)

148

17.347,42

30.212,35

SO- groep 1 (regent)

301

17.347,42

30.212,35

SO - groep 2 (licentiaat/ geaggregeerde SO)

501

21.726,55

38.312,63

De salarissen zijn bedragen in € aan 100 %, ze dienen vermenigvuldigd met coëfficiënt 1,4002 (index op 1/11/2006)

8.7.6. Bruto-jaarsalaris (€) van het voltijds academisch personeel

Barema's

Aanvang

Bij maximum aantal jaren salarisanciënniteit

Praktijklector

316

22.498,03

35.362,96

Hoofdpraktijklector

348

23.405,66

38.313,47

Lector

502

24.177,08

40.763,16

Hoofdlector

509

26.695,63

43.281,71

Werkleider

509

26.695,63

43.281,71

Assistent

502

23.468,58

39.716,10

Doctor-assistent

509

26.695,63

43.281,71

Docent

528

28.669,65

45.255,73

Hoofddocent

515

30.825,29

48.047,08

Hoogleraar

544

35.726,27

52.312,35

Gewoon hoogleraar

520

46.272,53

70.692,49

Toestand november 2006 Hogeschool

Universiteit

De salarissen zijn bedragen in € aan 100 %, ze dienen vermenigvuldigd met coëfficiënt 1,4002 (index op 1/11/2006) Bron : http//www.ond.vlaanderen.be/wedde/weddenschalen/overzicht.htm

www.eurydice.org

310


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

9. EVALUATIE BINNEN HET ONDERWIJSSYSTEEM Korte inhoud ● ● ●

Historisch overzicht, zie 9.1. Actuele discussies en nieuwe ontwikkelingen, zie 9.2. De verschillende instanties

○ ○ ○ ○ ○

●

De onderwijsinspectie, zie 9.3.1. De Entiteit Curriculum (ex-DVO), zie 9.3.2. De pedagogische begeleidingsdiensten, zie 9.3.3. De Inspectie van levensbeschouwelijke vakken, zie 9.3.4.1.

De inspectie van steden en provincies, zie 9.3.4.2. De evaluatieprocedures op de verschillende onderwijsniveaus

○ Interne evaluatie, zie 9.4.1. ○ Externe evaluatie, zie 9.4.2. ○ De accreditatie van opleidingen in het hoger onderwijs, zie 9.4.3. ● ●

De evaluatie van het onderwijssysteem, zie 9.5. Het wetenschappelijk onderzoek betreffende de evaluatie, zie 9.6.

9.1. Historisch overzicht De controlebevoegdheid van de overheid over het onderwijssysteem, en haar gevolgen in het bijzonder, is steeds een heel delicaat punt geweest in de Belgische (en nu Vlaamse) onderwijswereld. De oorspronkelijke zin over de controle vanwege de overheid is expliciet afgewezen bij de voorbereiding van de eerste Belgische grondwet in 1830. Er werd uitdrukkelijk de nadruk gelegd op de keuzevrijheid voor de ouders enerzijds en de vrijheid van de inrichtende machten om de scholen te organiseren anderzijds. Daarom bouwden veel inrichtende machten en koepelorganisaties van de gesubsidieerde netten een eigen inspectie uit die tevens begeleidingstaken op zich namen. Dit, naast een rijksinspectie die o.m. de minimumleerplannen opstelde, de diploma's controleerde en het studiepeil naging. De inrichtende machten stelden de leerplannen op die door de minister werden goedgekeurd. De toepassing ervan werd gecontroleerd door de (rijks)inspectie. Deze inspecteurs deden ook klasbezoeken. Die leerplannen moesten analoog zijn aan de rijksleerplannen die als referentie fungeerden. Met de wet van 1971 op het VSO (vernieuwd secundair onderwijs) werden de leerplannen voor het secundair onderwijs door de inrichtende machten opgesteld en geadviseerd voor al of niet goedkeuring door de zogenaamde commissie artikel 8 van die wet. Het verlenen van autonomie aan het toenmalige rijksonderwijs en de creatie van een Autonome Raad voor het gemeenschapsonderwijs vergde vanaf 1989 een hertekening van het onderwijsbeleid. De zorg voor de kwaliteit van het onderwijs werd ingrijpend gereorganiseerd door het nieuwe Decreet van 17 juli 1991. ●

●

Het systeem van beoordeling van individuele leraren door individuele (vak)inspecteurs via (doorgaans vooraf onaangekondigde) klasbezoeken werd vervangen door een grondig voorbereide en geplande schooldoorlichting door een team van inspecteurs (zonodig aangevuld met externe deskundigen). Tevens werd een scheiding doorgevoerd tussen controle en begeleiding. De inspectie legde zich voortaan toe op doorlichting, kwaliteitsbewaking en –verhoging en feedback. Voor de begeleiding van leerkrachten en ondersteuning van scholen werden nieuwe pedagogische begeleidingsdiensten opgericht. www.eurydice.org 311


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) ●

● ● ●

●

De inspectie werd een gemeenschapsinspectie (zie 9.3.1.) die enkel zou werken in opdracht van de Vlaamse Gemeenschap; de pedagogische begeleidingsdiensten (zie 9.3.3.) zouden netgebonden worden uitgebouwd. De inspectie zou niet bevoegd zijn voor de gebruikte pedagogische methodes. De inspectie van de levensbeschouwelijke vakken werd buiten het decreet gehouden (zie 9.3.4.1.). De te controleren minimum-verwachtingen van de gemeenschap dienden geconcretiseerd te worden in nieuw te ontwikkelen minimum-lessenroosters, minimum-leerplannen, eindtermenen ontwikkelingsdoelen. Daartoe werd een Dienst voor Onderwijsontwikkeling (DVO) opgericht, nu de Entiteit Curriculum (zie 9.3.2.).

9.2. Actuele discussies en toekomstige ontwikkelingen De krachtlijnen van de huidige discussies rond het onderwijskwaliteitszorgsysteem binnen de Vlaamse gemeenschap concentreren zich rond volgende aspecten: ●

●

●

het versterken van de positie van de school binnen het kwaliteitszorgsysteem: op dit vlak worden duidelijke sporen getrokken in de richting van erkenning en waardering van zelfevaluatieprojecten op schoolniveau (dit kan o.m. de ''integratie'' van zelfevaluatieresultaten in de doorlichtingen impliceren); het versterken van de operationele autonomie van de onderwijsinspectie: daarbij wordt gedacht aan een beheersovereenkomst tussen regering en inspectie, die moet toelaten de inspectie tot grotere verantwoordelijkheid aan te zetten in ruil voor grotere transparantie inzake doelen en middelen; de systematische organisatie van onderwijspeilingen;

De overheid wil aansluiting zoeken bij een Europees onderwijsbeleid met internationale indicatoren en benchmarks, en kwaliteitsbewaking via open coördinatie gekoppeld aan het ontwikkelen van een eigen Vlaams onderwijsbeleid gericht op de realisatie van de Vlaamse eindtermen en ontwikkelingsdoelen en een evaluatie van de mate waarin scholen en leerlingen deze maatschappelijk gedragen minimumdoelen bereiken. Onderwijspeilingen

Om de kwaliteit van het onderwijs op diverse niveaus (micro, meso, macro) te bewaken is het nodig om zicht te krijgen op de prestaties en de vooruitgang die leerlingen boeken, zonder uit te monden in een systeem van centrale examens en bijhorende excessen zoals rankings van scholen. De onderwijspeilingen moeten de overheid beleidsinformatie geven én de scholen een spiegel voorhouden. Daartoe is de methodiek bijgestuurd. ●

●

Voortaan wordt gewerkt met grotere steekproeven en bijkomende gegevens. Dat laat preciezere analyses toe. Een peiling kan zo bv. een beter inzicht bieden in hoe de prestaties van leerlingen samenhangen met bepaalde kenmerken van de school. Ook gelijkaardige scholen die niet deelnamen kunnen leren uit die verbanden. Bovendien zullen vanaf 2008 parallelversies beschikbaar zijn van de peilingsproeven van het jaar voordien. Met deze parallelversies kunnen scholen die niet in de steekproef opgenomen waren, zichzelf testen en hun resultaten analyseren en vergelijken. De toetsopgaven in deze versies zijn anders dan in de echte peilingen, maar ze meten wel dezelfde kennis en/of vaardigheden.

Vanaf het schooljaar 2006-2007 zal de Vlaamse overheid minstens tweemaal per jaar een onderwijspeiling organiseren. Daartoe is alvast een vijfjarenplan opgesteld.

www.eurydice.org

312


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) Indicatieve planning voor de afname (mei-juni) van peilingen en herhalingspeilingen voor de eerstkomende jaren (daar gaat dus nog een ontwikkelfase aan vooraf) 2007

luisteren (eerste peiling) en begrijpend lezen (herhaling) in het basisonderwijs Frans in de A-stroom van de eerste graad secundair onderwijs

2008

Frans in het basisonderwijs wiskunde in de B-stroom van de eerste graad secundair onderwijs (eind schooljaar 2006/2007 werden daartoe alvast begintoetsen afgenomen - zie omzendbrief SO/2006/04)

2009

wiskunde (herhaling) in het basisonderwijs wiskunde in de A-stroom van de eerste graad secundair onderwijs

2010

WO: tijd, ruimte en maatschappij in het basisonderwijs maatschappelijke betrokkenheid in de derde graad secundair onderwijs of Nederlands in de derde graad secundair onderwijs

2011

Nederlands in de A-stroom van de eerste graad secundair onderwijs Informatieverwerving en –verwerking (herhaling) in de A-stroom van de eerste graad van het secundair onderwijs Wiskunde in de tweede graad van het secundair onderwijs

2012

Informatieverwerving en –verwerking in het basisonderwijs Moderne vreemde talen in de derde graad van het secundair onderwijs

Internationaal vergelijkend onderzoek: PISA 2009

Vlaanderen start alvast in 2007 de voorbereiding van het Pisa 2009-onderzoek.

9.3. Administratief en wettelijk kader Korte inhoud ● ● ● ● ●

De onderwijsinspectie, zie 9.3.1. De Entiteit Curriculum (voorheen de dienst voor onderwijsontwikkeling, DVO), zie 9.3.2. De pedagogische begeleidingsdiensten, zie 9.3.3. De Inspectie van levensbeschouwelijke vakken, zie 9.3.4.1. De inspectie van steden en provincies, zie 9.3.4.2.

Volgende wetgeving is hier van belang: ● ●

● ●

● ● ● ● ●

Decreet van 17 juli 1991 betreffende inspectie, Dienst voor Onderwijsontwikkeling en pedagogische begeleidingsdiensten. Besluit van de Vlaamse Regering van 17 juli 1991 tot uitvoering van het decreet van 17 juli 1991 betreffende inspectie, Dienst voor Onderwijsontwikkeling en pedagogische begeleidingsdiensten. Decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken. Besluit van de Vlaamse regering van 15 december 1993 tot uitvoering van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken. Decreet van 23 oktober 1991 houdende wijziging van artikel 19 en artikel 108 van het decreet van 17 juli 1991 betreffende inspectie en pedagogische begeleidingsdiensten. Besluit van de Vlaamse regering van 2 februari 1999 betreffende de wijze waarop sommige bevoegdheden van de onderwijsinspectie van de Vlaamse Gemeenschap worden uitgevoerd. Decreet van 28 juni 2002 betreffende gelijke onderwijskansen I. Decreet van 14 juli 1998 betreffende het onderwijs IX. Decreet van 16 april 1996 betreffende de lerarenopleiding en de nascholing. www.eurydice.org 313 H

H

H

H

H

H

H

H

H


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) Decreet van 2 april 2004 houdende goedkeuring en uitvoering van het verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Vlaamse Gemeenschap van België inzake de accreditatie van opleidingen binnen het Nederlandse en het Vlaamse hoger onderwijs, ondertekend te Den Haag op 3 september 2003. Besluit van de Vlaamse regering van 9 juli 1996 houdende bekrachtiging van de werkingscodes van de pedagogische begeleidingsdiensten in het onderwijs. Decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen.

●

●

H

●

H

H

9.3.1. De onderwijsinspectie De onderwijsinspectie van de Vlaamse gemeenschap werkt in opdracht van de Vlaamse overheid en is belast met het toezicht op de kwaliteit van het onderwijs. Het Decreet van 17 juli 1991 legt de structuur en werking vast van de inspectie voor alle onderwijsniveaus, de universiteiten en het hogeschoolonderwijs van twee cycli uitgezonderd. Hierna behandelen we de organisatie 9.3.1.1. en de taken 9.3.1.2. van de inspectie. Andere aspecten worden elders behandeld: ● ● ● ● ● ●

Werkwijze van de doorlichting: 9.4.2.1. Jaarverslag van de inspectie, De Onderwijsspiegel: 9.5.2. Inspectie van de levensbeschouwelijke vakken: 9.3.4.1. Het ambt van inspecteur: 8.4. Inspectie van stedelijk en provinciaal onderwijs: 9.3.4.2. Zie ook: http://www.onderwijsinspectie.be H

9.3.1.1. Organisatie van de inspectie

De onderwijsinspectie is onderverdeeld in 5 niveaukorpsen: ● ● ● ● ●

basisonderwijs secundair onderwijs volwassenenonderwijs + basiseducatie deeltijds kunstonderwijs (DKO) Centra voor Leerlingenbegeleiding (CLB's)

De algemene sturing van de inspectie is toevertrouwd aan een inspectieraad onder voorzitterschap van de coördinerend inspecteur-generaal (CIG); decretaal samengesteld uit de inspecteurs-generaal BaO en SO en de directeur van de Entiteit Curriculum, maar in de praktijk sinds 2005 uitgebreid met de coördinerende inspecteurs. (Een aanpassing van de wetgeving is overigens in voorbereiding). De inspectieraad heeft als kerntaken het effectief functioneren van de onderwijsinspectie en het sturen van de kwaliteitsverzorgende opdrachten die de inspectie vanwege de Vlaamse overheid ten opzichte van de onderwijsinstellingen en van de centra uitvoert. Ze bevordert de samenwerking tussen de verschillende afdelingen van de inspectie. Tevens onderhoudt ze geregeld contact met het departement Onderwijs en Vorming en reikt, indien nodig, beleidssuggesties aan. Ze coördineert en stuurt de verschillende concepten, instrumenten en procedures die gebruikt worden in het kader van de inspectieopdrachten. De inspectieraad coördineert tevens de totstandkoming van het jaarlijks verslag van de inspectie over de toestand van het onderwijs. (Artikel 13 van het Decreet van 14 juli 1998 betreffende het onderwijs IX, dat het Decreet van 17 juli 1991 wijzigt.)

www.eurydice.org

314


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) De coördinerend inspecteur-generaal: ● ● ●

coördineert de werkzaamheden van de inspectie; coördineert en organiseert de werkzaamheden van de inspecteurs kunstonderwijs, CLBcentra en volwassenenonderwijs; coördineert en organiseert de administratieve werkzaamheden van de inspecteurs levensbeschouwelijke vakken.

De inspecteur-generaal voor het basisonderwijs is belast met de leiding voor het basisonderwijs BaO, inclusief het buitengewoon basisonderwijs. Per provincie is er in het gewoon basisonderwijs een coördinerend inspecteur. Elke provincie is ingedeeld in een aantal ambtsgebieden (ressorten) waarvoor telkens één inspecteur verantwoordelijk is. Het buitengewoon basisonderwijs wordt mee opgenomen in het takenpakket van deze coördinerende inspecteurs. Formeel is evenwel de mogelijkheid aanwezig om één coördinerend inspecteur voor gans Vlaanderen te belasten met het buitengewoon onderwijs. De inspecteur-generaal voor het secundair onderwijs is belast met de leiding van de inspectie voor het secundair onderwijs, inclusief het buitengewoon secundair onderwijs en het deeltijds beroepsonderwijs. De Ontwikkelingscel is een autonome cel binnen de onderwijsinspectie met als voornaamste taak conceptuele ondersteuning aan zowel de inspectieraad als de inspectie van het basisonderwijs, het secundair onderwijs, de centra voor leerlingbegeleiding, het volwassenenonderwijs en het deeltijds kunstonderwijs. De cel bestaat uit vier conceptuele medewerkers en wordt aangestuurd door de coördinerend inspecteur ‘algemene beleidsondersteuning’. Het werk van de medewerkers is gericht op het samen ontwikkelen van niveau- of korpsoverschrijdende concepten en de bijbehorende operationaliseringen. De ondersteuningstaken bestaan momenteel uit de ontwikkeling en integratie van een instrument voor risico-analyse in de doorlichtingen, de integratie van een beheersbaar systeem van databeheer en de deelname aan niveauoverstijgende projectgroepen.

9.3.1.2. Taken van de inspectie

De inspectie gaat door middel van schooldoorlichtingen na of de school haar maatschappelijke opdracht vervult en/of de gemeenschapsgelden op verantwoorde wijze worden gebruikt. Op basis hiervan brengt de inspectie een advies uit over het al dan niet erkennen of subsidiëren van scholen. Het inspectieteam heeft de volle bevoegdheid voor alle vakken die op school worden aangeleerd, met uitzondering van levensbeschouwelijke vakken. Daarnaast heeft de inspectie een adviesfunctie voor het beleid. De informatie over de effecten van het gevoerde beleid op de scholen en het onderwijs in het algemeen is belangrijk voor de verdere uitstippeling van het beleid. De jaarlijkse uitgave van een “Verslag over de toestand van het Onderwijs” is een decretale verplichting voor de inspectie. Dit verslag is decretaal in eerste instantie bedoeld voor de leden van het Vlaams Parlement. Sedert enkele jaren wordt dit verslag uitgegeven onder de titel “Onderwijsspiegel”. De inhoud ervan wordt ruim vooraf door de Inspectieraad vastgelegd. Daarbij wordt eens om de drie jaar een uitvoeriger verslag geschreven op basis van de doorlichtingsverslagen van de voorgaande 3 jaren. Dit verslag zoomt dan in op specifieke aspecten die tijdens iedere doorlichting onderzocht werden. In de tussenliggende 2 jaren wordt de “Onderwijsspiegel” uitgewerkt rond vooraf vastgelegde thema’s. Die thema’s worden dan meer gericht (hetzij tijdens doorlichtingen, hetzij afzonderlijk) onderzocht. De keuze van thema’s gebeurt normaal door de Inpectieraad of resulteert uit bijzondere opdrachten van de Minister aan de Inspectie. Zie http://www.onderwijsinspectie.be/onderwijsspiegel/onderwijsspiegel.htm H

De taken van de inspectie die bij wet zijn vastgelegd zijn: www.eurydice.org

315


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) ● ●

● ● ● ●

de controle op de ontwikkeling en realisatie van de leerplannen door de onderwijsinstellingen die zijn goedgekeurd door de regering; controleren of de vak- of leergebiedgebonden eindtermen bereikt worden en of de ontwikkelingsdoelen en/of vak- of leergebiedoverschrijdende eindtermen in voldoende mate worden nagestreefd door de onderwijsinstellingen; de controle en toepassing van de schooltijd; de controle van de hygiëne van de schoolaccommodatie, de taalwetgeving, de onderwijs- en schooluitrusting; advies geven m.b.t. de financiering van de onderwijsinstellingen; beleidsadviezen uitbrengen over het onderwijs.

De inspectie controleert niet louter of een aantal wettelijke voorschriften qua onderwijs worden nageleefd, maar heeft ook aandacht voor de bredere schoolcontext zoals het schoolklimaat, de relaties tussen de verschillende actoren binnen onderwijs, de infrastructuur,… De inspectie is niet gekwalificeerd om de onderwijsmethoden of het schoolwerkplan van de onderwijsinstelling te evalueren. Die behoren tot de onderwijsvrijheid. Zij mag evenmin de vakken godsdienst en niet-confessionele zedenleer controleren. De vertegenwoordigende organen van elke erkende filosofische of religieuze gemeenschap organiseren zelf de inspectie en de ondersteuning van die vakken. Zie 9.3.4.1.. Voor het aantal doorlichtingen, zie 9.7..

9.3.2. De Entiteit Curriculum (voorheen de Dienst voor Onderwijsontwikkeling, DVO) Bij haar oprichting in 1991 was de DVO een studiedienst bij de inspectie. Oorspronkelijk had deze nieuwe dienst vier taken: ● ● ● ●

het formuleren van voorstellen inzake eindtermen; de ontwikkeling van analyse- en evaluatie-instrumenten om scholen door te lichten onder meer inzake het bereiken van eindtermen; de ontwikkeling van methodes voor het opstellen van leerplannen en lessenroosters, onder meer in het licht van beroepsprofielen; het uitwerken van voorstellen inzake de introductie en bijscholing van inspectieleden.

Het decreet betreffende de lerarenopleiding en de nascholing van 16 april 1996 kent de Dienst voor Onderwijsontwikkeling tevens de volgende opdracht toe: 'De Vlaamse regering bepaalt het beroepsprofiel en de basiscompetenties van elk leraarstype op advies van de Vlaamse Onderwijsraad. De Dienst voor Onderwijsontwikkeling stelt daartoe een voorstel op voor de Vlaamse Onderwijsraad.' In 1999 werd de decretale opdracht en de positie van de dienst enigszins aangepast. De DVO werd een studiedienst van de minister en de Vlaamse regering. 'Binnen het kader van de beleidsvoorbereidende opdracht van het departement Onderwijs en Vorming, heeft de Dienst voor Onderwijsontwikkeling tot opdracht het uitbrengen van wetenschappelijke onderbouwde adviezen ten behoeve van de Vlaamse regering en de minister bevoegd voor onderwijs'. De opdracht omvat in hoofdzaak de volgende taken: ● ● ● ●

het formuleren van voorstellen betreffende de ontwikkeling van de opleidingenstructuur; de ontwikkeling van criteria voor het goedkeuren van leerplannen en handelingsplannen (zie 2.6.4.3. en 10.6.7.); het formuleren van voorstellen inzake ontwikkelingsdoelen, eindtermen en basiscompetenties; de ontwikkeling van analyse- en evaluatie-instrumenten om scholen en centra door te lichten. www.eurydice.org

316


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) De decretale opdracht van de Entiteit Curriculum vertaalt zich momenteel in de volgende activiteiten (DVO, 2005): ● ● ● ● ● ● ● ● ●

ontwikkeling van eindtermen, ontwikkelingsdoelen en specifieke eindtermen; ontwikkeling van basiscompetenties voor de lerarenopleiding; ontwikkeling van studieprofielen; ontwikkeling van instrumenten voor kwaliteitsbewaking; ontwikkeling van criteria voor leerplannen en handelingsplannen op pedagogisch-didactisch vlak screenen van studierichtingen en modulaire trajecten voorbereiding opleidingenstructuur; advisering en deskundigheidsinbreng; publiceren over inhouden, evaluatie en implementatie van curricula.

Deze activiteiten hebben betrekking op het basisonderwijs, het buitengewoon onderwijs, het secundair onderwijs, het volwassenenonderwijs en het hoger onderwijs wat betreft de lerarenopleiding. Daarnaast zijn een aantal thema's niveauoverschrijdend. In het kader van Beter Bestuurlijk Beleid (zie 1.2.2.) werd de DVO in 2006 de Entiteit Curriculum binnen het departement Onderwijs en Vorming. De Entiteit Curriculum vervult daarbinnen nog dezelfde taken als deze voorzien in het decreet van 1989. http://www.ond.vlaanderen.be/dvo/ H

Voor de ambten binnen de Entiteit Curriculum, zie 8.4..

9.3.3. Pedagogische begeleidingsdiensten (PBD) Sinds het decreet van 17 juli 1991 de bevoegdheden van de inspectie en van de netgebonden pedagogische begeleidingsdiensten grondig herverkavelde, worden de voornaamste controlerende functies toevertrouwd aan de onderwijsinspectie en is er een adviserende en ondersteunende taak weggelegd voor de netgebonden pedagogische begeleiding. De pedagogische begeleidingsdiensten bevorderen de onderwijskwaliteit en ondersteunen leerkrachten, schooladministraties, scholen enz. om pedagogische projecten te realiseren die specifiek zijn voor de schoolbesturen (inrichtende machten). De diensten worden voor elk onderwijsnet afzonderlijk ingericht. Pedagogisch begeleiders zijn meestal leerkrachten die voor hun begeleidingswerk gedurende een of meerdere jaren van hun onderwijstaken worden ontheven. De werkingscodes van de pedagogische begeleidingsdiensten van elk net werden bekrachtigd door het Besluit van de Vlaamse regering van 9 juli 1996. Tot de opdrachten behoren: ● ● ●

de externe ondersteuning van de betrokken onderwijsinstellingen volgens het eigen pedagogisch concept, onder meer bij het opstellen van het schoolwerkplan; het ontwikkelen van initiatieven ter bevordering van de onderwijskwaliteit van de betrokken instellingen; het stimuleren van initiatieven ter versterking van de beroepsbekwaamheid van de personeelsleden uit de betrokken instellingen.

De pedagogische begeleidingsdiensten hebben geen autoriteit over de levensbeschouwelijke vakken. Voor die vakken zijn er speciale procedures van toepassing. ●

Voor de PBD van het gemeenschapsonderwijs, zie http://pbd.gemeenschapsonderwijs.net/ H

www.eurydice.org

317


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) ●

Voor de PBD van het KO, zie http://ond.vsko.be/portal/page?_pageid=533,41186&_dad=portal&_schema=portal&p_portal_i d=6&p_folder_id=41186 Binnen het VSKO zorgt de Algemene Pedagogische Begeleidingsdienst voor vorming, nascholing en begeleiding van begeleiders; coördineert de verschillende begeleidende instanties en vormt een studie- en documentatiedienst ter ondersteuning van de begeleiders, zie http://ond.vsko.be/portal/page?_pageid=533,41187&_dad=portal&_schema=portal&p_portal_i d=6&p_folder_id=41187 H

●

H

Voor de ambten binnen de pedagogische begeleidingsdiensten, zie 8.5..

Bevorderen en bewaken van de kwaliteit van het onderwijs, de opleiding en de vorming Visietekst: de pedagogische begeleiding BVR houdende bekrachtiging van de werkingscodes van de pedagogische begeleidingsdiensten in het onderwijs

9.3.4. Speciale regelingen Hier behandelen we: ● ●

de inspectie levensbeschouwelijke vakken, zie 9.3.4.1. de inspectie en begeleidingsdiensten van steden en provincies, zie 9.3.4.2.

9.3.4.1. Controle en ondersteuning van de levensbeschouwelijke vakken

De grondwet garandeert alle leerlingen, die onder de voorwaarden van de wet op de leerplicht vallen, twee lesuren per week moraal- of godsdienstonderricht op school, als deel van het leerplan. Deze vakken zijn op geen enkele manier onderworpen aan enige overheidscontrole - zolang de democratische basisbeginselen van de samenleving worden gerespecteerd. Het decreet van 17 juli 1991 op de inspectie en de begeleidingsdiensten had uitdrukkelijk geen betrekking op de levensbeschouwelijke vakken. De inspectie en onderwijskundige ondersteuning van de levensbeschouwelijke vakken op het basis- en secundair niveau en in de lerarenopleiding (aan de hogescholen) werd geregeld door een apart decreet van 1 december 1993. De erkende instanties van de erkende godsdiensten (rooms-katholieke, orthodoxe, protestantsevangelische, anglicaanse, israëlitische en islamitische godsdienst) en de erkende vereniging van de niet-confessionele gemeenschap bepalen de werking van de inspectie en de begeleiding van de betrokken godsdiensten en van de niet-confessionele zedenleer. Bovendien zijn ze verantwoordelijk voor de leerplannen voor deze vakken en de nascholing van de betrokken leerkrachten. De aangewezen inspecteurs-adviseurs hebben o.m. volgende taken en verantwoordelijkheden: ● ● ● ●

de controle op de naleving van het lesrooster en de verklaringen betreffende de keuze voor een godsdienst of de niet-confessionele zedenleer; de controle van de leermiddelen; de controle van de bewoonbaarheid, de didactische bruikbaarheid en de hygiëne van de lokalen; het uitbrengen van beleidsadviezen; www.eurydice.org

318


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) ● ●

●

●

het controleren van de uitvoering van de leerplannen en de controle van het peil der studiën; de externe ondersteuning en de beoordeling van de beroepsbekwaamheid en de pedagogische bekwaamheid van de betrokken leerkrachten en het stimuleren van initiatieven ter verbetering van de beroepskwaliteit; het ontwikkelen van initiatieven ter bevordering van de onderwijskwaliteit van het betrokken vakgebied en het bewaken en het stimuleren van het aan de levensbeschouwing aangepast opvoedingsproject binnen het vakgebied; alle andere opdrachten die worden toegekend door of krachtens wetten en decreten.

De inspecteurs-adviseurs geven informatie aan: ●

●

de erkende instanties van de erkende godsdiensten en de erkende vereniging voor de nietconfessionele zedenleer voor wat betreft de inhoud, de leerplannen en de beroepsbekwaamheid van de leerkrachten; de coördinerend inspecteur-generaal - die aan het hoofd van de inspectie staat, voor wat de toepassing van de wettelijke en administratieve reglementering betreft.

Binnen de inspectie levensbeschouwelijke vakken is een CLBV, Commissie LevensBeschouwelijke Vakken opgericht. Een overlegcel van inspecteurs-adviseurs van alle erkende levensbeschouwingen. Ze geeft gemeenschappelijke adviezen die voor de verschillende vakken gelden. Tevens werd een Nascholingsinstituut levensbeschouwelijke vakken vzw opgericht, waarin eveneens alle erkende en onderwezen levensbeschouwingen zijn vertegenwoordigd. http://www.onderwijsinspectie.be/LBV/indexlbv.htm H

http://www.ribz.be H

9.3.4.2. Inspectie en begeleidingsdiensten van steden en provincies

Enkele grotere steden (Antwerpen en Gent) en provincies (Antwerpen, Limburg en Oost-Vlaanderen) betalen hun eigen 'inspectiepersoneel' en/of begeleidingsdienst. In feite moeten zij worden gezien als ambtenaren van hogere rang die in naam van de gemeentelijke overheid optreden, in haar rol van inrichtende macht voor de gesubsidieerd officiële scholen. Zie 1.2.4..

9.4. Evaluatie van onderwijsinstellingen De evaluatie van onderwijsinstellingen omvat: ● ● ●

interne evaluatievormen op aangeven van de scholen zelf of hun inrichtende machten, zie 9.4.1.; externe evaluatie door de onderwijsinspectie, zie 9.4.2.; accreditatie in het hoger onderwijs, zie 9.4.3..

In 2005 publiceerde de DVO online de vergelijkende studie "Equilibrium: evenwicht tussen interne en externe evaluatie op de Europese scène". Zie http://www.ond.vlaanderen.be/dvo/publicaties/equilibrium/equilibrium.htm H

www.eurydice.org

319


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

9.4.1. Interne evaluatie Vlaanderen heeft geen sterke institutionele traditie opgebouwd inzake zelfevaluatie. In feite is zelfevaluatie nog niet zo lang officieel aangemoedigd als deel van het huidige inspectiesysteem en de huidige programma's voor externe ondersteuning van scholen; het principe van zelfevaluatie is eveneens terug te vinden in de meest recente wetgeving op het hoger onderwijs. De voorbije jaren werden verscheidene zelfevaluatie-instrumenten ontwikkeld, maar de uitvoering van dergelijke procedures voor zelfevaluatie behoren nog steeds tot de exclusieve bevoegdheid van de scholen en hun inrichtende machten (Van Petegem, 1996). Systemen van zelfevaluatie in het kleuter-, lager en secundair onderwijs werden uitgebouwd (zie 9.4.1.1.); voor de hogescholen en de universiteiten voorzien de decreten op de universiteiten en de hogescholen een systeem van kwaliteitsbewaking waarin zelfevaluatie een essentieel element is (zie 9.4.1.2.).

Handboek zelfevaluatie in het secundair onderwijs. Vormgeven aan schoolbeleid: effectieve scholenonderzoek als inspiratiebron voor de zelfevaluatie van scholen Zelfevaluatie en beleidseffectiviteit in Vlaamse scholen: het gelijkeonderwijskansenbeleid als casus Zelfevaluatie versus externe evaluatie: zinvolle beleidsaspiraties?

9.4.1.1. Interne evaluatie in het basis- en secundair onderwijs

Internationaal is er een groeiende tendens bij scholen om zichzelf kritisch te bevragen en de realisatie van de eigen doelen op een meer systematische wijze te onderzoeken (Michielsens, 2002). Het uitvoeren van zelfevaluaties is ook binnen het Vlaamse onderwijs een belangrijk aspect in de kwaliteitsbewaking geworden. Bij zelfevaluatie gaat het om de vraag of de basisschool of de secundaire school voldoet aan de eigen doelstellingen die zij vanuit haar pedagogisch project formuleert. Bij een doorlichting door de onderwijsinspectie daarentegen gaat het in de eerste plaats over de vraag of de school voldoet aan de minimumverwachtingen die de samenleving (m.m. het beleid) stelt t.a.v. de school (Michielsens, 2002). Het overgrote deel van de zelfevaluaties wordt geïnitieerd door de scholen zelf, zonder verplichting van overheidswege. Daartoe kunnen scholen een beroep doen op een veelheid van instrumenten die met het oog op het uitvoeren van zelfevaluatie in het basisonderwijs BaO en secundair onderwijs ontwikkeld werden. De verscheidenheid in zelfevaluatie-instrumenten gaat terug op verschillende invullingen omtrent het onderwijsniveau, de te bevragen aspecten, de gevolgde methodieken, de functies van de zelfevaluatie, de begeleiding die scholen genieten en dergelijke. Scholen kiezen dus doorgaans zelf of ze zichzelf evalueren en hoe ze daarbij te werk gaan. Het Decreet betreffende de gelijke onderwijskansen I (GOK-I) (B.S. 14/09/02) geeft aan het uitvoeren van zelfevaluatie voor het eerst het statuut van een wettelijk verankerde verwachting ten aanzien van scholen. Van basisscholen en secundaire scholen die over GOK-middelen beschikken, wordt verwacht dat zij in de loop van de looptijd van het Gelijkeonderwijskansenbeleid een zelfevaluatie van het beleid dienaangaande uitvoeren. Het behoort echter tot de autonomie van de school om concreet invulling te geven aan deze zelfevaluatie.

www.eurydice.org

320


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

9.4.1.2. Interne evaluatie in het hoger onderwijs

De vorm van interne en externe kwaliteitsbewaking in het hoger onderwijs verschilt van het systeem van kwaliteitscontrole zoals dat in het kleuter-, lager en secundair onderwijs gekend is. Zowel het decreet op de universiteiten als dat op de hogescholen voorziet een tweeledige structuur voor kwaliteitsbewaking Enerzijds voorzien beide decreten in de kwaliteitsbewaking door de hogescholen en universiteiten zelf, anderzijds heeft de overheid tot taak op de kwaliteitsbewaking van de universiteiten en hogescholen toe te zien. Er wordt dus ook in het hoger onderwijs een onderscheid gemaakt tussen de interne en externe kwaliteitsbewaking (zie 9.4.2.3.). Wat de interne kwaliteitsbewaking betreft heeft elke instelling de plicht permanent de eigen onderwijsen onderzoeksactiviteit te controleren. We behandelen hier achtereenvolgens de interne kwaliteitsbewaking in de hogescholen, zie 9.4.1.2.1. en de universiteiten, zie 9.4.1.2.2..

9.4.1.2.1. Interne kwaliteitsbewaking aan de hogescholen

Van elke hogeschool wordt verwacht dat zij permanent de kwaliteit van haar onderwijs en onderzoek evalueert en dat acties om de situatie te verbeteren worden opgenomen in het jaarlijks rapport van de hogeschool. Studenten dienen actief in dit proces betrokken te worden. Daarenboven dient men zoveel mogelijk de gegradueerden en andere mensen uit het beroepsveld waarop het studiedomein is gericht, bij deze evaluatie te betrekken. De zelfevaluatie moet resulteren in een rapport waarvan de status en de verdeling wordt bepaald door het Hogeschoolbestuur. Op dit moment passen de meeste hogescholen het EFQM-systeem (European Foundation for Quality Management) toe, hoewel zeer verscheidene toepassingen gebruikt worden. Eén van dergelijke evaluatie-instrumenten is PROZA (Projectgroep Ontwikkeling Zelfanalyse – instrument kwaliteitszorg, dit is een projectgroep voor de ontwikkeling van een instrument voor de zelfevaluatie van kwaliteit). Hierin dienen verschillende stappen te worden gezet door het evaluatieteam van de hogeschool: ● ● ●

de voorbereiding van de zelfevaluatie: Wie zal de coördinator worden? Wat dient er geëvalueerd te worden? Hoe dient men te quoteren, enz..; de samenstelling van het evaluatieteam; de stappen die moeten gezet worden, d.w.z. individuele zelfevaluatie, discussie van de individuele vragenlijsten in groepsvorm; het actieplan om de situatie te verbeteren (Schoofs, 1997-1998).

Uit het VLHORA-onderzoek 'Optimalisatie van het hogeschoolonderwijs' (2000) blijkt dat de meeste hogescholen kiezen voor een systeem van Integrale Kwaliteitszorg (IKZ). Dit betekent dat niet alleen het onderwijs en onderzoek aan bod komt in de kwaliteitszorg maar ook het systematisch beheersen en continu verbeteren van de werking van de hele hogeschool als organisatie opdat deze haar missie zou kunnen realiseren. De integrale kwaliteitszorg heeft dus betrekking op alle organisatieaspecten van de hogeschool en wordt zo een zaak van alle geledingen binnen de hogeschool (Rottiers, 2001; Bronders, 2001).

9.4.1.2.2. Interne kwaliteitsbewaking aan de universiteiten

In Vlaanderen hebben de universiteiten in 1991 in ruil voor een grotere zelfstandigheid een systeem van interne en externe kwaliteitszorg opgezet. De verantwoordelijkheid en het eigenaarschap van het www.eurydice.org 321


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) kwaliteitszorgsysteem werd door de overheid volledig bij de instellingen gelegd. Net als de hogescholen zorgen de universiteiten voor de interne en externe kwaliteitszorg van de onderwijs- en onderzoeksactiviteiten. Zij zien permanent en op eigen initiatief toe op de kwaliteit van hun onderwijsactiviteiten. Het Decreet betreffende de universiteiten stelt de betrokkenheid van de studenten, de alumni en externe deskundigen uit het beroepsveld voorop bij deze processen van interne kwaliteitsbewaking. Een centraal aspect in de kwaliteitsbewaking van het hoger onderwijs zijn de zogenaamde visitaties die gecoördineerd worden door de Vlaamse Interuniversitaire Raad (VLIR). Het visitatiestelsel valt uiteen in drie fasen (zie 9.4.2.3.). In een eerste fase ligt het zwaartepunt op de interne evaluatie. Het gaat om een kritische zelfanalyse door de betrokkenen van de te visiteren opleidingen: academisch, administratief en technisch personeel, studenten, afgestudeerden en vertegenwoordigers van het beroepenveld. Deze zelfbevraging neemt ongeveer een jaar in beslag. De resultaten worden samengebracht in een uitvoerig zelfevaluatierapport. De zelfevaluatie is een controlevorm binnen het geheel van de interne kwaliteitszorg. De periodiciteit wordt vastgelegd door het universiteitsbestuur rekening houdende met elementen als de duur van de opleiding en de frequentie van de externe kwaliteitszorg.

9.4.2. Externe evaluatie De externe kwaliteitscontrole is gebaseerd op de doorlichting van scholen in het basisonderwijs, het secundair onderwijs, het volwassenenonderwijs (incl. de basiseducatie), het deeltijds kunstonderwijs en op een systeem van externe visitaties in het hoger onderwijs. We behandelen hier achtereenvolgens de externe evaluatieprocedures in:

● ● ●

het basis-, secundair, volwassenen en deeltijds kunstonderwijs, zie 9.4.2.1. de CLB, centra voor leerlingenbegeleiding, zie 9.4.2.2. het hoger onderwijs, zie 9.4.2.3.

9.4.2.1. Doorlichting in het basis-, secundair, volwassenen en deeltijds kunstonderwijs

De inspectie streeft ernaar om alle scholen in een cyclus van zes jaar door te lichten. In het secundair onderwijs wordt de planning opgemaakt gericht op de scholengemeenschappen (alle scholen van een scholengemeenschap in dezelfde periode). Om de gelijkvormigheid te bewaken, gebruiken alle doorlichtingsteams eenzelfde instrumentarium. Ook de procedure van doorlichten is in de ganse Vlaamse gemeenschap gelijk. Naargelang het niveau worden er specifieke accenten gelegd, maar de basis is gemeenschappelijk. Zie de draaiboeken voor de verschillende niveaus op http://www.onderwijsinspectie.be/ H

9.4.2.1.1. Instrumentarium

Bij zijn kwaliteitsbewakende opdracht gebruikt de inspectie het CIPO-model (context, input, proces, output) als structurerend kader waarbinnen de vaststellingen in hun onderlinge samenhang kunnen worden bekeken. De invulling van deze aspecten is de volgende: ●

Context: de stabiele informatie m.b.t. ligging, bestuurlijke organisatie, materiële en structurele omstandigheden waarin de school moet functioneren, maar waar ze zelf nauwelijks invloed op heeft. www.eurydice.org 322


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) ●

●

●

Input: informatie over de omstandigheden waarin en de middelen waarmee de school haar processen moet uitbouwen, maar waarop ze zelf toch enige invloed kan hebben zoals personeel (profiel, nascholing en vorming), financiële middelen, studieaanbod, leerlingen (aanbod, profiel)… Proces: het geheel van onderwijskundige en schoolorganisatorische kenmerken dat aangeeft welke inspanningen de school doet om de door de overheid vooropgestelde doelen te bereiken. Output: zowel de harde outputgegevens die aangeven in welke mate de te realiseren doelstellingen (eindtermen, leerplannen, doorstroming…) worden bereikt, als de zachtere outputgegevens zoals het welbevinden van leerlingen en leerkrachten.

De keuze voor dit model impliceert dat de inspectie het functioneren van de leraar en de directeur ziet binnen het totale functioneren van de school en dat men het functioneren van de school kadert binnen de lokale context. Het werken met dit model gebeurt vanuit een verantwoordings- en schoolontwikkelingsperspectief. De schooldoorlichting is zowel een middel om gegevens in de school te controleren (verantwoording) als een mogelijke aanleiding voor scholen om hun onderwijskwaliteit te optimaliseren (ontwikkeling). Aanvullend gaat het doorlichtingsteam na of de infrastructuur van de school voldoet en of de wettelijke bepalingen nauwgezet worden opgevolgd.

9.4.2.1.2. Procedure

1

2 3

4

Een schooldoorlichting wordt altijd ruim vooraf aangekondigd met een brief aan de voorzitter van de inrichtende macht, de schooldirecteur (en in het secundair onderwijs de coördinerend directeur van de scholengemeenschap). Voor de scholen van het gemeenschapsonderwijs wordt ook de algemeen directeur van de scholengroep en de Raad van het Gemeenschapsonderwijs op de hoogte gebracht. Het aantal inspecteurs dat een school doorlicht, hangt af van het aantal schoolteamleden, het aantal vestigingsplaatsen en het niveau. Elke doorlichting gebeurt door minimum drie inspecteurs. De inspecteurverslaggever is verantwoordelijk voor de organisatie van de schooldoorlichting en voor de verslaggeving. De duur van de schoolfase (het feitelijk doorlichtingsbezoek van de inspectie) verschilt al naargelang het niveau (in BaO maximaal 4 dagen, in het SO in principe een werkweek). In de periode die aan de schoolfase vooraf gaat, verzamelt de inspecteurverslaggever een aantal basisgegevens over de school. Vervolgens vindt een voorbereidend gesprek/informatiesessie plaats met de directie over de schoolinformatiedossiers en de schooldoorlichting waarbij de praktische organisatie wordt besproken alsook het CIPO-analysekader, de voorbereiding, het verloop van de schooldoorlichting en de verslaggeving. Daarna wordt een contactmoment met de school georganiseerd ter ondersteuning bij het invullen van de verschillende dossiers. De beschikbare gegevens van de administratie dienen zonodig door de school verbeterd. Op de website van de inspectie zijn overigens alle relevante documenten te vinden, alsook uitgebreide informatie over de doorlichtingsprocedure. De feitelijke doorlichting (in het secundair onderwijs, dat we hier als het meest uitgebreide voorbeeld nemen) begint met een kennismaking van het inspectieteam met de directeur. De directie wordt dan uitgenodigd de school kort voor te stellen. De inspecteurs nemen de eerste dag van de doorlichting kennis van bijkomende informatie die op de school beschikbaar is. De uitgebreide informatieve fase wordt afgesloten met een teambespreking en resulteert in een gerichte planning van de doorlichtingsactiviteiten. De eigenlijke activiteiten van de inspectieleden worden hieronder opgelijst.

○ Gesprekken: de gesprekken beogen de verworven informatie uit het informatiedossier en de vaststellingen te vervolledigen en te verfijnen. In de gesprekken met leerlingen komen algemene thema's aan bod, gebaseerd op de schalen en subschalen van de wetenschappelijk ontwikkelde enquête 'welbevinden leerlingen'. Deze gesprekken zijn niet bedoeld als een evaluatie van personeelsleden. Gesprekken met leraren hebben onder andere tot doel de reeds ingewonnen informatie te verfijnen, eventuele nieuwe aspecten of aandachtspunten te ontdekken, de persoonlijke inbreng en het initiatief van de leraar in de doorlichting te garanderen, www.eurydice.org

323


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) en vaststellingen mee te delen. Gesprekken met titularissen van een vak- of vakkengroep zijn in het begin van de feitelijke doorlichting nuttig om informatie uit documenten (bijvoorbeeld het vak- of studierichtingsinformatiedossier) en observaties toe te lichten en op het einde van de feitelijke doorlichting om de bevindingen te bespreken. Gesprekken met ouders en/of externen beogen de perceptie van het schoolgebeuren door derden te toetsen.

○ Lesobservaties: de inspecteurs wonen lessen bij. Deze klasbezoeken hebben niet als doel de individuele leraar te beoordelen, maar dragen bij tot vaststellingen m.b.t. het rendement van het vakkenonderwijs.

○ Deelonderzoeken: voor sommige deelaspecten, zoals o.m. de vakoverschrijdende eindtermen en ontwikkelingsdoelen, de veiligheid, het welbevinden en het taalbeleid, maakt de inspectie gebruik van specifieke instrumenten. Die instrumenten zijn voor de scholen ter beschikking op de website van de inspectie.

○ Deelname aan het schoolleven: bezoek aan het leerlingenrestaurant, speelplaatsbezoek, informele ontmoetingen met leraren in de leraarskamer, aanwezigheid bij klassenraden.

○ Vakvergaderingen: op het einde van de doorlichting kunnen de bevindingen op vak5

6

of studierichtinggebied door de betrokken inspecteurs met de vakgroepen in een vergadering of met individuele leraren worden besproken. Na de schoolfase selecteert en ordent elke inspecteur zijn informatie op basis van het analysekader om te komen tot een zo objectief mogelijk totaalbeeld van de school. Op het einde van de verwerkingsperiode organiseert de inspecteurverslaggever een vergadering met alle teamleden. Die vergadering heeft een delibererend karakter, wat leidt tot het uiteindelijke verslag en advies. Op initiatief van de inspecteurverslaggever wordt ten laatste 60 kalenderdagen na de schooldoorlichting een afspraak gemaakt met de inrichtende macht en de directie voor de bespreking van de bevindingen aan de hand van het ontwerpverslag. Na dit afrondend gesprek wordt het verslag als advies aan de overheid gefinaliseerd. Dat advies is mogelijk:

○ gunstig; ○ gunstig, maar beperkt in de tijd: in dit geval worden een aantal tekorten vastgesteld die binnen een vooropgestelde tijd dienen weggewerkt te worden. Na die tijd zal een voortgangscontrole m.b.t. de vastgestelde tekorten volgen;

○ ongunstig; dit leidt tot een opheffing van de erkenning van een school of een onderdeel ervan. De doorlichting van centra voor volwassenenonderwijs, Centra voor Basiseducatie (CBE's) en instellingen voor deeltijds kunstonderwijs is vergelijkbaar met de doorlichting in basis- en secundair onderwijs. Het gebruikte instrumentarium beantwoordt eveneens aan de CIPO-indeling, de doorlichtingsprocessen zijn eveneens vergelijkbaar. De doorlichtingsverslagen zijn eveneens openbaar. De inspectie volwassenenonderwijs voert sinds 2004 een kwalitatief onderzoek uit naar de organisatie van de modulaire opleidingen in de centra voor basiseducatie. Dat onderzoek wordt ook in 20062007 verder gezet.

9.4.2.1.3. De bestemming van het doorlichtingsverslag en de openbaarheid ervan

Het verslag moet binnen dertig dagen na ontvangst door de directeur op de agenda van een personeelsvergadering worden geplaatst. Het moet integraal worden besproken. Een exemplaar van het volledige verslag ligt op het schoolsecretariaat ter inzage. Voor de school en de inrichtende macht heeft het verslag een klankbordfunctie vanwege de concrete aanknopingspunten waarop de school en de inrichtende macht zich in de toekomst kunnen richten. Het personeel heeft inzagerecht en kan desgewenst van de school een kopie van het verslag krijgen. De Vlaamse regering heeft deze www.eurydice.org

324


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) verplichtingen van de school inzake de toegankelijkheid van het doorlichtingsverslag voor personeelsleden, leerlingen en ouders in een besluit vastgelegd (B.S. 01/04/1999). Het is de directie uiteraard niet verboden het verslag ook zelf te overhandigen aan wie daarom verzoekt. In ieder geval moet er steeds over worden gewaakt dat het verslag in zijn geheel wordt bezorgd en geen uittreksels. Andere onderwijsparticipanten zoals: de leden van het basisoverlegcomité (BOC), het lokaal onderhandelingscomité (LOC), de ondernemingsraad, de afzonderlijke bijzondere comités (ABC), de participatie-/schoolraad en de oudervereniging kunnen een kopie van het doorlichtingsverslag ontvangen, als zij het vragen aan de inrichtende macht. De inrichtende machten kunnen het doorlichtingsverslag ook ter beschikking stellen van hun pedagogische begeleidingsdienst. In het kader van de openbaarheid van bestuur kunnen ook personen die geen onmiddellijk belang hebben, inzage krijgen in doorlichtingsverslagen. Zij moeten het verslag aanvragen bij het betreffende Agentschap (AGODI voor basis, secundair, CLB- en DKO-verslagen; AHOVO voor volwassenenonderwijs). Wanneer geïnteresseerden een doorlichtingsverslag aanvragen, dan krijgen zij daar een korte inleidende nota bij. Daarin staat onder meer dat het verslag niet mag worden gebruikt voor commerciële doeleinden of om een rangschikking van scholen op te stellen op basis van vergelijking van gegevens uit doorlichtingsverslagen. Voorts legt de nota de nadruk op het tijdgebonden karakter van een doorlichtingsverslag. Het inzagerecht geldt niet voor ongunstige adviezen, omdat die nog aan een beroepsprocedure zijn onderworpen en er nog een definitieve beslissing moet worden genomen.

Onderwijsspiegel - Kwaliteit van het onderwijs

9.4.2.1.4. Verdere opvolging van de doorlichting

De opvolgingprocedure werd in 2006 herzien. Wanneer een school is doorgelicht zal na drie schooljaren een opvolging plaatsvinden (in principe één dag). Er kan alleen een tussentijdse opvolging plaatsvinden, indien dit omwille van heel specifieke problemen afgesproken wordt met het doorlichtingsteam en indien dit in het doorlichtingsadvies zo vermeld staat. De opvolging zal steunen op het bijsturingsplan dat de school heeft opgemaakt, waarin onderscheid wordt gemaakt tussen dringende actiepunten en 3 actiepunten die de school zelf in het kader van de opvolging heeft gekozen. Indien de school bij de doorlichting een gunstig advies ontving, dan zal de inspecteur-verslaggever de opvolging verzorgen. Bij ‘een gunstig advies beperkt in de tijd’ worden naast de inspecteurverslaggever ook andere inspecteurs (van het doorlichtingsteam) betrokken, in relatie tot de tekorten vermeld in het doorlichtingsadvies.

9.4.2.2. Doorlichting en visitatie CLB, centra voor leerlingenbegeleiding

Het decreet van 1 december 1998 betreffende de CLB's voorziet in kwaliteitsbewaking aan de hand van een systeem van visitaties zoals in het hoger onderwijs. In de opstartperiode van de CLB's werd door de CLB-inspectie tijdens doorlichtingen vooral gefocust op de omvorming van PMS en MST naar CLB. Van 2003 tot 2004 werd vervolgens onderzocht op welke wijze de kwaliteitsbewaking met visitatiecommies zou kunnen worden georganiseerd. Dat resulteerde in een 3-jarig proefproject met proefvisitaties. Op basis van die resultaten wordt nu geopteerd voor een doorlichting in aansluiting bij het leerplichtonderwijs. De verder uitbouw van een intern kwaliteitssysteem moet resulteren in periodieke zelfevaluatierapporten die de basis zullen vormen voor een kwaliteitsdoorlichting door de onderwijsinspectie in samenwerking met externe deskundigen. www.eurydice.org

325


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

9.4.2.3. Visitaties hoger onderwijs

De interne kwaliteitszorg behoort tot de autonomie van de instellingen hoger onderwijs. Een externe beoordeling, per opleiding of per cluster van opleidingen, dient ten minste om de acht jaar te gebeuren voor de bachelor- en de masteropleidingen (Decreet betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen (B.S. 18.08.2003). De VLHORA en de VLIR (zie 2.7.2.2.) zorgen voor de organisatie en coördinatie van deze zgn. visitaties van opleidingen. Ze hebben een protocol van kwaliteitszorg uitgewerkt dat de visitatiecommissies bij hun beoordeling van de kwaliteit hanteren. Het zijn de visitatiecommissies, bestaande uit externe deskundigen, die de externe beoordeling van een opleiding of cluster van opleidingen uitvoeren. Alle instellingen die een te controleren opleiding of groep van opleidingen aanbieden, worden bij de visitatie betrokken. De procedure verloopt als volgt: 1 2

3

De visitatiecommissie vertrekt van het zelfevaluatierapport, opgesteld door de opleidingen (zie 9.4.1.2.). De visitatiecommissie bezoekt de betrokken instelling. Op basis van de visitatieactiviteiten komt ze tot een consensus over de sterke punten en de punten waarvoor de commissie aanbevelingen tot verbetering wenst te formuleren. De bezoekfase wordt afgerond met een mondeling verslag van de voornaamste bevindingen aan de beleidsverantwoordelijken van de betrokken instelling. De visitatie is gericht op het proces van kwaliteitsverbetering. De visitatiecommissies brengen de uitkomst van hun beoordeling samen in een openbaar verslag.

De visitatieprotocols en de visitatierapporten vindt men op http://www.vlir.be > documenten; http://www.vlhora.be > visitaties & accreditatie. H

H

H

H

Het hogeronderwijsregister (databank - opleidingen hoger onderwijs) NVAO, Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie BVR houdende de machtiging tot uitvoering en de bekrachtiging van sommige regelingen van de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie Decreet tot bekrachtiging van het reglement van de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie tot bepaling van de bestuursbeginselen die van toepassing zijn bij de besluitvorming inzake accreditatie en toets nieuwe opleiding ten aanzien van hoger onderwijs

9.4.3. De accreditatie van opleidingen in het hoger onderwijs In het licht van het Bolognaproces is er beslist om accreditatie (naast interne evaluatie en de visitatie) als sluitstuk van het bestaande kwaliteitszorgstelsel in te voeren. Accreditatie moet op termijn leiden tot een automatische erkenning van het behaalde Vlaamse diploma in de rest van Europa. Het begrip 'accreditatie' duidt op het verlenen van een 'keurmerk' dat aangeeft dat aan bepaalde kwalitatieve maatstaven wordt voldaan. Accreditatie is in Vlaanderen een voorwaarde voor bekostiging/financiering van een bachelor- of masteropleiding door de overheid en voor het recht erkende diploma's af te geven. Het initiatief voor een accreditatieaanvraag ligt bij de instelling voor hoger onderwijs. Een opleiding wordt beoordeeld aan de hand van zes onderwerpen: doelstellingen van de opleiding, programma, inzet van personeel, voorzieningen, interne kwaliteitszorg en resultaten.

Daartoe werd door Nederland en Vlaanderen gezamenlijk de NVAO, Nederlands-Vlaamse accreditatieorganisatie opgericht. De beoordeling van de opleiding door de visitatiecommissie, het visitatierapport dus, vormt voor de NVAO de basis om tot een accreditatiebesluit te komen. Dit besluit H

H

www.eurydice.org

326


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) is of positief of negatief. Om tot dit besluit te komen, gaat de NVAO na of een bewuste opleiding voldoende basiskwaliteit heeft. Daartoe heeft de NVAO een accreditatiekader uitgewerkt. H

H

Bij een positief accreditatiebesluit is de opleiding geaccrediteerd voor de duur van acht academiejaren Bij een negatief accreditatiebesluit is er beroep mogelijk bij de Vlaamse Regering of kan een instelling bij de Vlaamse regering een aanvraag voor een tijdelijke erkenning indienen. Zo een tijdelijke erkenning heeft een looptijd van één academiejaar en kan twee keer verlengd worden. Het reglement van de NVAO werd bekrachtigd door het decreet van 27 januari 2006. Als eerste Vlaamse opleiding werd de bachelor- en masteropleiding diergeneeskunde van de universiteit Gent in 2005 geaccrediteerd voor een periode van 8 jaar. Zie http://nvao.net & http://www.hogeronderwijsregister.be H

9.5. Evaluatie van het onderwijssysteem Vlaanderen beschikt niet over een systeem van nationale examens. Dat neemt niet weg dat verschillende andere kanalen in het leven geroepen werden die het mogelijk maken de kwaliteit van het onderwijssysteem te evalueren. We verwijzen daarbij naar het zogenaamde periodiek peilingonderzoek en de deelname aan internationaal vergelijkend onderzoek. Uiteraard speelt ook de onderwijsinspectie hier een belangrijke rol.

9.5.1. Het jaarverslag van de onderwijsinspectie Op basis van de ervaringen bij de evaluatie van de onderwijsinstellingen (zie 9.4.2.) schrijft de onderwijsinspectie elk jaar een verslag over de toestand van het onderwijs. Dit jaarverslag van de inspectie (de zogenaamde onderwijsspiegel) beschrijft de toestand van het onderwijs tijdens het voorgaande schooljaar en poneert een aantal beleidsaanbevelingen, zowel op algemeen beleidsniveau als op schoolniveau. Het is decretaal in eerste instantie bedoeld voor de leden van het Vlaams parlement.

9.5.2. Periodiek peilingonderzoek De overheid organiseert sedert enkele jaren regelmatig een peilingonderzoek naar een cluster van eindtermen. Via representatieve steekproeven worden de prestaties van de leerlingen anoniem onderzocht en worden resultaten op het niveau van het onderwijssysteem berekend. Aan de hand van de periodieke peilingen wil de overheid zicht krijgen op het behalen van de eindtermen in het Vlaams onderwijs. De peilingen worden steeds aan het einde van een onderwijsniveau of van een graad in het secundair onderwijs afgenomen. Zo wordt een peiling over de eindtermen van het basisonderwijs steeds op het einde van het zesde leerjaar lager onderwijs afgenomen. Dat komt omdat de eindtermen ook per onderwijsniveau of graad geformuleerd zijn. De peilingen verschaffen noodzakelijke informatie over de opbrengsten van het onderwijs in termen van wat de leerlingen nu werkelijk geleerd hebben, wat ze kennen en kunnen. De betrouwbare landelijke gegevens over leerlingenprestaties worden aangewend in het bevorderen en bewaken van de kwaliteit van het onderwijssysteem. De informatie uit peilingen kan - naast andere informatie over de implementatie van de eindtermen - worden gebruikt om deze te evalueren en eventueel te herzien. Het peilingonderzoek kan ook worden gebruikt om het onderwijsaanbod en de gebruikte leer- en onderwijsmethodes bij te sturen en een idee te krijgen van de behoefte aan begeleiding en nascholing van leerkrachten. Vanaf www.eurydice.org 327


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) het schooljaar 2006-2007 zullen meer peilingen worden georganiseerd en wordt de methodiek bijgestuurd, zie 9.2.. Volgende peilingen werden reeds georganiseerd. 2002

Basisonderwijs

Wiskunde en begrijpend lezen

2005

Basisonderwijs

Het domein natuur uit het leergebied wereldoriëntatie

2004

Secundair onderwijs 1e graad, A-stroom

Informatieverwerving- en verwerking

2006

Secundair onderwijs 1e graad, A-stroom

Biologie

9.5.3. Deelname aan internationaal vergelijkend onderzoek Vlaanderen neemt met grote regelmaat deel aan internationaal vergelijkend onderzoek. Op basis van een internationale vergelijking van verscheidene kenmerken van het Vlaamse onderwijssysteem wordt informatie verkregen die het mogelijk maakt het functioneren van het onderwijssysteem te evalueren. Outputinformatie speelt daarbij een belangrijke rol maar wordt systematisch aangevuld met context-, input en procesinformatie. We geven de belangrijkste internationaal vergelijkende onderwijsonderzoeken waaraan Vlaanderen recentelijk heeft geparticipeerd.

Trends in International Mathematics and Science Study (TIMSS). TIMSS brengt de leerlingenprestaties voor wiskunde en wetenschappen in het 4e leerjaar lager onderwijs en het 2e leerjaar secundair onderwijs internationaal in kaart. De Vlaamse lagere scholen deden voor het eerst in 2003 mee aan de test. Vlaanderen neemt echter niet deel aan TIMSS 2007. Info: http://timss.bc.edu/

● ● H

Comparing NAEP, TIMSS, and PISA in mathematics & science, zie

http://nces.ed.gov/timss/pdf/naep_timss_pisa_comp.pdf http://www.ond.vlaanderen.be/publicaties/eDocs/pdf/209.pdf H

●

Programme for International Student Assessment (PISA) Dit is een internationaal onderzoek van de OESO naar de kennis en vaardigheden van 15-jarigen ongeacht het leerjaar waarin ze zich bevinden. Eerder dan op de beheersing van een schools curriculum richt PISA zich op de mate waarin leerlingen begrippen en concepten verstaan, processen beheersen en kennis en vaardigheden kunnen toepassen in verschillende realiteitsgetrouwe situaties. PISA meet het gecumuleerd effect van vaardigheden en competenties in leesvaardigheid, wiskundige geletterdheid en wetenschappelijke geletterdheid ongeacht waar jongeren dit hebben geleerd. ●

Worldwide learning at age 15. First results from PISA 2000 (Belgian report Flemish speaking community)

http://www.pisa.oecd.org/dataoecd/30/16/33683931.pdf H

●

Learning for Tomorrow’s Problems in Flanders – First Results from PISA 2003 (report Flemish Community of Belgium) http://www.ond.vlaanderen.be/publicaties/eDocs/pdf/235.pdf

PISA werkt met een driejaarlijkse cyclus. In PISA2000 lag de nadruk op leesvaardigheid. De volgende cycli leggen de nadruk op wiskundige geletterdheid en problemen oplossen (2003) en wetenschappelijke geletterdheid (2006). De PISA 2003-steekproef bestond uit 162 Vlaamse scholen waaronder een aantal scholen van het buitengewoon secundair onderwijs. In elke geselecteerde school werden op basis van toeval ongeveer 35 leerlingen geselecteerd. Vlaamse jongeren horen bij de besten van de wereld op vlak van leesvaardigheid en wiskundige geletterdheid, en bij de subtop www.eurydice.org

328


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) voor wetenschappelijke geletterdheid. Deze goede resultaten werden gehaald zonder grote verschillen tussen de leerlingen met de hoogste en de laagste scores. De verschillen tussen leerlingen uit gezinnen met een hoge en lage sociaaleconomische status zijn relatief groot in Vlaanderen. Toch presteren leerlingen uit Vlaamse kansarmere milieus even goed als vergelijkbare groepen in het buitenland. Maar ze moeten 'opboksen' tegen leerlingen uit gezinnen met een hogere sociaaleconomische status die ongewoon hoge prestaties halen. Ook blijkt het verschil tussen autochtonen en allochtonen zeer groot. Het PISA-onderzoek toont hoe Vlaanderen voor wiskunde van de derde naar de eerste plaats op de wereldranglijst klimt. TIMSS daarentegen stelt dalende trends vast. Dat is volgens de onderzoekers een gevolg van de 'thermometer' waarmee wordt gemeten. H

●

●

H

TIMSS test vooral de klassieke schoolse kennis. De wiskunde wordt theoretisch en abstract benaderd. De testitems zijn geïnspireerd op oefeningen zoals die doorgaans in scholen worden aangeboden. PISA situeert de opdrachten in levensechte contexten. Wiskunde wordt functioneel benaderd: wat kan ik ermee doen in het dagelijks leven? Leerlingen moeten 'echte' problemen oplossen met behulp van wiskundige formules en redeneringen in plaats van traditionele wiskundeoefeningen te maken. De klemtoon ligt meer op (probleemoplossende) vaardigheden dan op kennis. Daarom spreekt PISA ook over 'wiskundige geletterdheid'. Dat de Vlaamse leerlingen op PISA beter scoren, komt volgens de onderzoekers omdat de eindtermen net op die vaardigheden meer de klemtoon leggen dan op theoretische kennis. Die andere benadering van wiskunde zou tevens kunnen verklaren waarom steeds meer leerlingen aangeven dat ze graag wiskunde doen.

Op 4 december 2007 worden de resultaten van PISA 2006 bekendgemaakt. In PISA 2006 staat wetenschappelijke geletterdheid centraal. Info ● ● ●

http://www.pisa.oecd.org http://www.oecd.org/department/0,2688,en_2649_35845621_1_1_1_1_1,00.html http://www.ond.vlaanderen.be/publicaties/eDocs/pdf/235.pdf H

H

Daarnaast worden er in Vlaanderen gegevens verzameld met het oog op het vergelijken van aspecten van het onderwijssysteem in internationale publicaties zoals Education at a Glance (OESO) en Key data on Education in Europe (Europese Commissie).

Het hoger secundair onderwijs in Vlaanderen geschetst. resultaten van de International Survey of Upper Secondary Schools (IUSS) Vlaanderen in TIMSS 2003

www.eurydice.org

329


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

9.6. Onderwijskundig wetenschappelijk onderzoek betreffende de evaluatie van het onderwijssysteem OBPWO-onderzoek Elk jaar besteedt de minister van Onderwijs en Vorming een deel van het budget aan 'Onderwijskundig Beleids- en Praktijkgericht Wetenschappelijk Onderzoek' (OBPWO). Het budget voor OBPWO bedroeg in 2006 € 1,6 miljoen. Het OBPWO is een onderzoeksprogramma voor beleidsgericht onderzoek. De onderzoeksprogrammering sluit nauw aan bij de strategische en operationele doelstellingen zoals geformuleerd in de Beleidsnota en de beleidsbrieven van de minister. Het OBPWO werkt met een jaarlijkse open oproep aan alle Vlaamse universiteiten. Zij kunnen voorstellen indienen aansluitend bij de prioritaire thema's die de minister vastlegt op voorstel van het departement Onderwijs en Vorming en na advies van de Vlaamse Onderwijsraad. Bij de selectie worden de ingediende voorstellen zowel op beleidsrelevantie als op wetenschappelijke kwaliteit beoordeeld. Deze dubbele beoordeling gebeurt door twee afzonderlijke jury's die onafhankelijk van elkaar werken. De beleidsrelevantie wordt beoordeeld door een commissie van leidende ambtenaren. De wetenschappelijke kwaliteit wordt beoordeeld door een internationale, interdisciplinaire wetenschappelijke jury. Gedurende de looptijd (gemiddeld 2 jaar) wordt elk onderzoeksproject opgevolgd door een stuurgroep die zowel de wetenschappelijke kwaliteit als de beleidsrelevantie van dat project bewaakt. In elke stuurgroep zetelen zowel beleidsmakers als wetenschappelijke experts. De onderzoekers verbinden zich ertoe om op basis van hun bevindingen een reeks beleidsaanbevelingen te formuleren. In overleg met de stuurgroep wordt voor elk onderzoeksproject ook een gepast initiatief voor valorisatie en publicatie ontwikkeld (bv. studiedag, seminarie, uitgave brochure voor scholen). Zo werden de resultaten van het uitgevoerd onderzoek naar het beleidsvoerend vermogen van scholen en het functioneren van schoolleiders eind 2006 voorgesteld op een studiedag ter zake. In 2006 en 2005 werden onderzoeksprojecten over de volgende thema's goedgekeurd: ● ●

● ● ● ● ●

evaluatie van het CLB-decreet; vakoverschrijdende eindtermen in het secundair onderwijs: een onderzoek naar de maatschappelijke en onderwijskundige relevantie van vakoverschrijdende eindtermen en de haalbaarheid ervan; het beroep van leraar doorgelicht (profiel en loopbaan in vergelijking met andere beroepsgroepen); de private, fiscale en sociale opbrengstvoet van investeringen in het hoger onderwijs; het leren zoals het is, bij volwassenen met een geletterheidsrisico; monitor voor ICT-integratie in het Vlaams onderwijs; "Wie herkanst?" Sociografische schets, leerroutes en beweegredenen van deelnemers aan het tweedekansonderwijs en de centrale examencommissie.

http://www.ond.vlaanderen.be/obpwo/ H

Steunpunten voor beleidsrelevant onderzoek van belang voor onderwijs Het Steunpunt SSL, 'Studie- en schoolloopbanen' - voorheen het steunpunt LOA - is een Vlaams multidisciplinair expertisecentrum gefinancierd door de Vlaamse Regering met als centrale doelstellingen de constructie en ontsluiting van gegevensbestanden die toelaten om na te gaan welk pad jongeren volgen van het begin van het basisonderwijs tot de intrede op de arbeidsmarkt alsook de uitvoering van beleidgericht onderzoek en wetenschappelijke dienstverlening. Hierbij ligt in eerste instantie de nadruk op het opzetten van gespecialiseerde surveys met betrekking tot het basisonderwijs en de overgang van school naar werk. Zie http://www.steunpuntloopbanen.be H

Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de steunpunten voor beleidsrelevant onderzoek, van 15/09/2006 (B.S. 04/12/2006) H

H

www.eurydice.org

330


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

Universitaire onderzoeksgroepen Tenslotte zijn er aan de verschillende Vlaamse Universiteiten onderzoeksgroepen die zich bezig houden met fundamenteel en praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek omtrent het functioneren van (aspecten van) het Vlaamse onderwijssysteem.

EduBROn, Begeleiding, Research, Onderwijs, Universiteit Antwerpen FWO, Fonds voor wetenschappelijk onderzoek - Vlaanderen HIVA, Hoger Instituut voor de Arbeid - Onderwijs en Arbeidsmarkt ICOR, Interuniversitair Centrum voor Onderwijsrecht K.U. Leuven, Centrum voor Onderwijsbeleid en -vernieuwing SENECA, Forum voor Onderwijsrecht Steunpunt Studie- en Schoolloopbanen (voorheen Steunpunt LOA) Steunpunt WAV, Interuniversitair samenwerkingsverband Werkgelegenheid, Arbeid en Vorming Universiteit Gent - Vakgroep Onderwijskunde VFO, Vlaams Forum voor Onderwijsonderzoek VUB, Vrije Universiteit Brussel - Vakgroep Onderwijskunde BVR betreffende de steunpunten voor beleidsrelevant onderzoek

9.7. Statistieken 9.7.1. Aantal schooldoorlichtingen 2005-2006

Aantal schooldoorlichtingen basisonderwijs

Gewoon basisonderwijs

Totaal

Buitengewoon basisonderwijs

Gemeenschapsonderwijs

30

7

37

Officieel onderwijs

64

11

75

Vrij onderwijs

206

25

231

Totaal

300

43

343

Aantal schooldoorlichtingen Secundair onderwijs

Gewoon voltijds onderwijs

Deeltijds Buitengewoon beroepsonderwijs secundair onderwijs

Totaal

Gemeenschapsonderwijs

39

5

1

45

Officieel onderwijs

0

0

2

2

Vrij onderwijs

87

5

11

103

Totaal

126

10

14

150

www.eurydice.org

331


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

Volwassenenonderwijs: 20 centra werden doorgelicht.

Deeltijds kunstonderwijs

Muziek - Woord - Dans

Beeldende Kunst

Totaal

Totaal

11

8

19

Centra voor leerlingenbegeleiding: 15 centra werden doorgelicht.

9.7.2. Aantal inspectieleden 2006

Coördinerend inspecteur-generaal

1

BaO Inspecteur-generaal

1

Coördinerende inspecteurs

4

Inspecteurs

84

Coördinerend inspecteur niveauoverschrijdend (o.a. BuO)

1

SO Inspecteur-generaal

1

Coördinerende inspecteurs

2

Inspecteurs

24

CLB

5

Volwassenenonderwijs + basiseducatie

7

Deeltijds kunstonderwijs

4

Coördinerend inspecteur ontwikkelingscel

1

Ontwikkelingscel

4

Inspectie levensbeschouwelijke vakken

32

Totaal

171

www.eurydice.org

332


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

10. ONDERWIJS VOOR LEERLINGEN MET SPECIFIEKE ONDERWIJSBEHOEFTEN In Vlaanderen bestaat er voor andersvalide leerlingen: ●

binnen het gewoon onderwijs:

○ een systeem van Geïntegreerd Onderwijs (GON) (zie 10.5.1.) ○ een project met inclusief onderwijs voor mentaal gehandicapte type 2 leerlingen ION, ●

zie 10.5.2. naast het gewoon onderwijs: het buitengewoon onderwijs, zie 10.6.

Voor migrantenleerlingen en leerlingen van etnisch-culturele minderheden lopen verschillende projecten: ● ●

het onderwijsvoorrangsbeleid gericht op migrantenleerlingen in het buitengewoon onderwijs (OVB), zie 10.7.1. het onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers in het gewoon onderwijs (OKAN), zie 10.7.2.

Het gelijkeonderwijskansenbeleid (GOK) gericht op doorstroming van leerlingen uit kansarme milieus behandelen we in 10.5.3.,

10.1. Historisch overzicht Ofschoon enkele buitengewone scholen reeds een geschiedenis van honderd jaar achter de rug hebben (bv. scholen voor visueel of auditief gehandicapten), werd de gemeenschap zich slechts bewust van haar plicht tegenover de fysiek en mentaal gehandicapten op het moment dat de idee van het recht op onderwijs voor iedereen ingeburgerd geraakte (Broekaert, e.a., 1993). In 1901 richtte Decroly een 'Instituut voor abnormale kinderen' op. Voor de zwaar gehandicapten bestonden er in de jaren '30 een aantal instellingen. In 1956 werden er jaren ingericht voor kinderen met een hersenletsel en deze waren verbonden aan normaalscholen. In 1968 gingen 46.000 leerlingen naar buitengewone scholen. Op dat moment bereikte het buitengewoon lager onderwijs (BLO) haar verzadigingspunt en werd het duidelijk dat twee categorieën door elkaar werden gehaald: enerzijds de kinderen met leermoeilijkheden en anderzijds de gehandicapte kinderen die echt nood hadden aan speciaal onderwijs De wet van 1970 legde het toekomstig beleid vast met o.m. toelatingsprocedures voor de leerlingen, de organisatie van de verschillende onderwijsniveaus, de personeelscategorieën, de overheidsinterventies, raden en commissies. In 1978 werd de huidige indeling in types vastgelegd. (Zie 10.3.). In 1980 werd het Geïntegreerd Onderwijs (GON) als experiment tot leerlingenintegratie geïntroduceerd. In 1991 werd gestart met de onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers in het gewoon basis- en secundair onderwijs. In maart 2003 is ook het DBSO (deeltijds beroepssecundair onderwijs) gestart met het onthaalonderwijs. In 1991 startte het project onderwijsvoorrangsbeleid voor migranten. In 1998 ging het van start in het buitengewoon basis- en secundair onderwijs. www.eurydice.org

333


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) In 2002 kreeg het gelijkeonderwijskansenbeleid decretaal vorm.

10.2. Actuele discussies en toekomstige ontwikkelingen De herziening van het buitengewoon onderwijs staat al een tijd op de beleidsagenda. In 1998 formuleerde de Vlaamse Onderwijsraad (VLOR) een advies over inclusief onderwijs, in 2002 legde de minister van onderwijs een discussienota voor. Ook de huidige minister van onderwijs heeft een ontwerp van conceptnota 'Leerzorg' voorgelegd. Deze is voor advies aan de VLOR voorgelegd, zodat een beleidsnota kan worden opgesteld. Het doel is tegen 1 september 2009 de nieuwe regeling in een decreet vast te leggen. De krachtlijnen van het nieuwe leerzorgkader zijn gericht op de verbreding van de doelgroepen in het buitengewoon onderwijs en de opvang van meer leerlingen in het gewoon onderwijs i.p.v. in het buitengewoon onderwijs. Daartoe wordt in het ontwerp van conceptnota een nieuwe structuur voorgesteld met twee assen: clusters en niveaus. Vier clusters vervangen de acht types van buitengewoon onderwijs. ●

● ● ●

geen beperkingen: dit zijn alle leerlingen die niet onder andere clusters vallen. Toch zijn hier ook leerlingen bij die extra aandacht nodig hebben, bijvoorbeeld omdat ze anderstalige ouders hebben; leerbeperkingen, bijvoorbeeld dyslexie; functiebeperkingen, bijvoorbeeld slecht horen; beperkingen in de sociale interactie, bijvoorbeeld autisme.

De vier clusters groeperen een aantal specifieke problemen. Ze zijn breder dan de bestaande types zodat leerlingen soepeler georiënteerd kunnen worden. Door die clustering moeten zowel het gewoon als het buitengewoon onderwijs met een grotere diversiteit leren omgaan. Die manier van werken kan de problemen in verband met het leerlingenvervoer en de gebrekkige spreiding van het aanbod in het buitengewoon onderwijs deels verhelpen. Vier zorgniveaus vervangen de tweedeling gewoon en buitengewoon onderwijs. ●

●

●

●

De eerste twee niveaus zijn bedoeld voor gewone scholen. Niveau één richt zich op preventie, differentiëren, remediëren en compenseren, niveau twee op compenseren en dispenseren. De scholen streven een gemeenschappelijk curriculum na en de leerlingen krijgen een diploma. Op het derde niveau kunnen leerlingen zowel gewoon als buitengewoon onderwijs volgen. Scholen in het gewoon onderwijs krijgen daarbij dezelfde ondersteuning als in het buitengewoon onderwijs. Op zorgniveau vier volgen de leerlingen buitengewoon onderwijs. Zowel op niveau drie als vier individualiseren de scholen en werken ze met een handelingsplanning (zie 10.6.7.), ze streven een individueel curriculum na en de leerlingen krijgen alternatieve certificaten. Naast de vier zorgniveaus is er ook nog een apart zorgniveau voor kinderen die tijdelijk of niet naar school gaan. Dat niveau bevat de ziekenhuisscholen en preventoria, permanent en tijdelijk onderwijs aan huis en onderwijs in K-diensten, de jeugdpsychiatrische diensten (zie 4.17.).

Die zorgniveaus verwijzen naar de kenmerken van het onderwijs: ze geven aan welke aanpassingen nodig zijn. Die aanpassingen slaan op het zorgaanbod, de pedagogisch-didactische aanpak en de onderwijsdoelstellingen. Hoe hoger het niveau, hoe meer zorg een leerling nodig heeft. Het Centrum voor Leerlingenbegeleiding selecteert het meest geschikte zorgniveau voor een leerling in nauw overleg met de school, de ouders en de leerling zelf. Leerlingen kunnen ook veranderen van zorgniveau. Een leerling kan pas naar een hoger zorgniveau als de school aantoont dat ze voldoende inspanningen geleverd heeft op het huidige zorgniveau. www.eurydice.org

334


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) Schema bij het ontwerp van conceptnota:

Het ontwerp van conceptnota vindt u terug op http://www.ond.vlaanderen.be/beleid/nota/leerzorg.htm Het onderwijsdecreet XVI van 7 juli 2006 wil alvast de integratie van het BuSO in de bestaande scholengemeenschappen van secundair onderwijs vergemakkelijken door het in-lijn-brengen van het ondersteunend personeel in beide soorten onderwijs.

10.3. Definiëring en diagnose van doelgroepen Andersvalide leerlingen in het buitengewoon onderwijs (zie 10.6.) Het KB van 28 juni 1978 en het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 definiëren 8 types buitengewoon onderwijs op basis van de aard en graad van de (hoofd)handicap van een bepaalde groep: ● ● ● ● ● ● ● ●

Type 1: kinderen met een licht mentale (= geestelijke) handicap; · Type 2: kinderen met een matige of ernstige mentale handicap; · Type 3: kinderen met ernstige emotionele en/of gedragsproblemen; · Type 4: kinderen met een fysieke (= lichamelijke) handicap; · Type 5: kinderen die opgenomen zijn in een ziekenhuis of op medische gronden verblijven in een preventorium; · Type 6: kinderen met een visuele handicap (= gezichtsstoornis); · Type 7: kinderen met een auditieve handicap (= gehoorstoornis); · Type 8: kinderen met ernstige leerstoornissen.

Type 1 en type 8 worden niet georganiseerd in het buitengewoon kleuteronderwijs. Bovendien wordt type 8 ook niet aangeboden op het niveau van het secundair onderwijs. www.eurydice.org

335


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) Op het niveau van het secundair onderwijs worden vier opleidingsvormen georganiseerd die leerlingen van verschillende types kunnen samenbrengen, overeenkomstig de aard en graad van hun handicap (Broekaert e.a., 1993).

Opleidingsvorm Aard en graad handicap

Attest dat ervoor in aanmerking komt

OV 1

kinderen voor wie een individueel zelfstandig leven niet mogelijk is

type 2, 3, 4, 6 of 7

OV 2

kinderen die, beschikkend over een zekere mate aan sociale zelfredzaamheid, een opleiding kunnen krijgen om hen voor te bereiden op een arbeidsleven in een beschermde arbeids- en leefomgeving

type 2, 3, 4, 6 of 7

OV 3

leerlingen die bekwaam zijn om een beroepsopleiding te volgen, die voorbereidt op een job in een normale werkomgeving.

type 1, 3, 4, 6 of 7

OV 4

leerlingen wiens intellectuele capaciteiten voldoende zijn type 3, 4, 5, 6 of 7 om onderwijsprogramma's van het gewoon onderwijs te volgen, waarbij onderwijsmethoden en – regelingen zijn aangepast aan hun specifieke handicap

Migrantenkinderen in het buitengewoon onderwijs die onderwijsvoorrang genieten (zie 10.7.1.) Het Onderwijsvoorrangsbeleid (OVB) richt zich op migrantenkinderen in het buitengewoon basis- en secundair onderwijs, die omwille van hun etnische herkomst en omwille van sociale, culturele en economische omstandigheden leer- en ontwikkelingsmoeilijkheden ervaren of risico lopen in een achterstandpositie te raken.

Anderstalige nieuwkomers (OKAN) in het gewoon onderwijs die onthaalonderwijs krijgen (zie 10.7.2.) Het onthaalonderwijs richt zich op Nederlandsonkundige leerlingen die pas in het land aankomen.

10.4. Financiële ondersteuning van het gezin Het systeem van toelagen verschilt niet van dat in het gewoon onderwijs (zie 4.5.) : leerlingen in het secundair en tertiair onderwijs ontvangen financiële ondersteuning via het reguliere systeem van de studietoelagen (zie 5.9. en 6.8.). Voor kinderen uit het buitengewoon onderwijs wordt bus- of taxitransport georganiseerd, gefinancierd door de overheid. Ouders ontvangen diverse extra financiële tegemoetkomingen: ●

●

verhoogd kindergeld, in functie van de graad van handicap, door het Kinderbijslagfonds; het percentage handicap wordt bepaald volgens de OBSI, de officiële Belgische schaal ter bepaling van de graad van invaliditeit, die berust op 3 pijlers: de mate van ongeschiktheid van het kind, de activiteits- en participatiemogelijkheden van het kind, de belasting voor het gezin; belastingsvermindering, afhankelijk van het inkomen, door FOD financiën.

In het volwassenenonderwijs zijn gehandicapte leerlingen vrijgesteld van inschrijvingsgeld. www.eurydice.org

336


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

10.5. Specifieke voorzieningen binnen het gewoon onderwijs We behandelen hier: ● ● ●

het geïntegreerd onderwijs (GON), zie 10.5.1. het inclusief onderwijs (ION), zie 10.5.2. het gelijke onderwijskansen beleid (GOK), zie 10.5.3.

De maatregelen binnen het gewone onderwijs voor kinderen van minderheden worden behandeld in 10.7..

10.5.1. Geïntegreerd onderwijs (GON) Het geïntegreerd onderwijs kan worden gegeven op niveau van het kleuter, lager, secundair en hoger onderwijs (met uit zondering van het universitair onderwijs). GON-leerlingen volgen les in het gewoon onderwijs en worden begeleid door een personeelslid uit het buitengewoon onderwijs. Het systeem startte in 1983 voor leerlingen met een attest van type 4, 6 en 7 en in 1994 uitgebreid met types 1, 2 (kleuter), 3 en 8. Leerlingen van type 2 kunnen in beperkte mate instappen in het inclusief onderwijs (ION), zie 10.5.2. In 2005-2006 waren er 1.045 GON-leerlingen in het kleuteronderwijs ; 2.857 in het lager, 1.866 in het secundair en 103 in het hoger onderwijs (zie 10.8.7.).

10.5.1.1. Wettelijk kader

Het geïntegreerd onderwijs (GON) wordt geregeld door de volgende onderwijswetgeving: ● ●

● ● ●

Wet van 6 juli 1970 op het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs (inclusief uitvoeringsbesluiten). Decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap dat o.m. de toelatingsvoorwaarden tot het geïntegreerd hoger onderwijs en de eventuele vrijstellingen vastlegt. Decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 dat o.m. de bijkomende toelatingsvoorwaarden voor het geïntegreerd basisonderwijs vastlegt. Omzendbrief GD/2003/05 (11/09/2003). Omzendbrief SO 75, Onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers in het gewoon voltijds secundair onderwijs (30/06/2006). Omzendbrief CLB/2006/01 betreffende GON en ASS (21/06.2006). H

H

●

10.5.1.2. Algemene doelstellingen

Het geïntegreerd onderwijs is een samenwerking tussen het gewoon onderwijs en het buitengewoon onderwijs. Het is bedoeld om jongeren met een handicap en/of leer- en opvoedingsmoeilijkheden tijdelijk of permanent, gedeeltelijk of volledig de lessen of activiteiten te laten volgen in een school voor gewoon onderwijs. Dit met hulp vanuit een school voor buitengewoon onderwijs. Deze krijgt www.eurydice.org

337


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) daartoe aanvullende lestijden en/of aanvullende uren (GON-pakket) alsook een integratietoelage via het werkingsbudget..

10.5.1.3. Specifieke ondersteunende maatregelen

Opdat een leerling in het geïntegreerd onderwijs financier- of subsidieerbaar zou zijn dienen verschillende voorwaarden vervuld. ● ● ●

De GON-leerling moet in het bezit zijn van een inschrijvingsverslag (= attest en protocol) dat hem toelaat tot het buitengewoon onderwijs. De GON-leerlingen die georiënteerd worden naar de types 1, 3 en 8 moeten het voorafgaand schooljaar minstens negen maanden voltijds buitengewoon onderwijs gevolgd hebben. Voor GON-leerlingen moet een integratieplan opgemaakt zijn. Dat is een handelingsgerichte engagementsverklaring die essentiële gegevens bevat en voor een langere periode wordt opgesteld. Dit plan bevat o.a.

○ een omschrijving van de problematiek en de hulpvragen van de leerling, de ouders en het schoolteam;

○ de inhoud van de collegiale ondersteuning (teamgerichte werking), leerlinggerichte werking, en oudergerichte werking;

○ de planning (intensiteit, evolutie doorheen het schooljaar, betrokken disciplines, plaats...);

○ materiaalaanpassingen en materiële ondersteuning (speciale onderwijsleermiddelen); ○ de inschakeling van het centrum voor leerlingenbegeleiding (CLB). Bij volledige integratie volgt de leerling alle lessen en activiteiten in het gewoon onderwijs. Bij de gedeeltelijke integratie volgt de leerling minstens twee halve dagen per week gewoon onderwijs. De GON-begeleiding wordt verzorgd door een school voor buitengewoon onderwijs. Deze instelling ontvangt daarvoor ●

●

een financiële tegemoetkoming onder de vorm van een integratietoelage. Hiermee worden o.a. de verplaatsingen van de personeelsleden van het buitengewoon onderwijs naar het gewoon onderwijs betaald; een GON-pakket voor het aanstellen van de GON-begeleiders. Deze wordt toegekend aan de school voor buitengewoon onderwijs om aan de leerlingen en scholen, onderwijskundige en/of paramedische, medische, sociale, psychologische en of orthopedagogische hulp te bieden. Dit Gon-pakket wordt besteed aan begeleiding van leerkrachten van het gewoon onderwijs waar de leerlingen de lessen volgen (collegiale consultatie) en begeleiding van de leerlingen en/of de ouders. Het pakket hangt af van het type-attest en van de ernst van de handicap: matig of ernstig.

Type

Matig

Ernstig

4

2 uur, 2 jaar

2 uur, elk jaar

6/7

2 uur, 2 jaar

4 uur, elk jaar

3

8

(Lager, secundair, hoger onderwijs) 2 uur, elk jaar

(enkel lager onderwijs) 1 of 2 uur, elk jaar

Voor het eventueel klasvrij maken van de directie van een BuSO-school houdt men (op grond van het onderwijsdecreet XVI) voortaan ook rekening met het aantal GON-leerlingen. Voor het hogeschoolonderwijs zijn gelijkaardige voorwaarden en regelingen van kracht, ofschoon er geen scholen voor buitengewoon hoger onderwijs bestaan. De student participeert aldus enkel in het www.eurydice.org

338


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) gewoon hogescholenonderwijs met de nodige aanpassingen en begeleiding die karakteristiek zijn voor het GON. Die zal dan gebeuren vanuit het buitengewoon secundair onderwijs.

10.5.2. Inclusief onderwijs (ION) Inclusief onderwijs (ION) is een project gericht op de begeleide opname in het gewoon lager en secundair onderwijs van kinderen met een matige of ernstige verstandelijke handicap (type 2). Het project startte in 1999-2000 met 5 leerlingen. In 2003 werd de ondersteuning van het project geregeld door een Besluit van de Vlaamse regering van 12 december 2003. Momenteel zijn alle beschikbare 50 plaatsen ingenomen. Onderzoek inclusief onderwijs

10.5.2.1. Wettelijk kader

Besluit van de Vlaamse regering van 12 december 2003 betreffende de integratie van leerlingen met een matige of ernstige verstandelijke handicap in het gewoon lager en secundair onderwijs (B.S. 02/03/2004).

10.5.2.2. Algemene doelstellingen

Het project wil de integratie ondersteunen van leerlingen met een matige of ernstige verstandelijke handicap in het gewoon lager en secundair onderwijs (niet in het kleuteronderwijs). De leerlingen moet beschikken over een attest buitengewoon onderwijs waaruit blijkt dat type 2 aangewezen is.

10.5.2.3. Specifieke ondersteunende maatregelen

De ondersteuning neemt de vorm aan van: ● ●

5,5 aanvullende lestijden of lesuren onderwijzend personeel per leerling; een forfaitaire integratietoelage van 250 euro op jaarbasis per leerling.

De aanvullende lestijden of lesuren en de forfaitaire integratietoelage worden toegekend aan de school voor buitengewoon lager onderwijs of aan de school voor buitengewoon secundair onderwijs die buitengewoon onderwijs van type 2 organiseert en die een leerling met een matige of ernstige verstandelijke handicap in het gewoon onderwijs ondersteunt. De aanvullende lestijden of lesuren worden aangewend om vanuit de school voor buitengewoon onderwijs pedagogische en didactische ondersteuning te verlenen aan de klasseleerkracht, het team en aan de leerling met het oog op de maximale integratie van de leerling binnen de reguliere klassituatie en zijn deelname aan de lessen en activiteiten. Het aantal leerlingen dat hiervoor in aanmerking komt, is beperkt tot 50. Ook hogescholen kunnen persoonlijke ondersteuning of opvolging door studenten, stagiairs hoger onderwijs, aanvragen. Die zal doorgaans verstrekt worden vanuit hogescholen die een voortgezette opleiding buitengewoon onderwijs in dagopleiding aanbieden. ● ●

http://www.ond.vlaanderen.be/gok/inclusief/ www.inclusiefonderwijs.be H

www.eurydice.org

339


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

10.5.3. Het geïntegreerd gelijkeonderwijskansenbeleid (GOK) Het decreet Gelijke Onderwijskansen (GOK) zag het levenslicht in september 2002. Dit geïntegreerd ondersteuningaanbod wil alle kinderen dezelfde optimale mogelijkheden bieden om te leren en zich te ontwikkelen. Dit decreet wil tegelijk uitsluiting, sociale scheiding en discriminatie tegengaan en heeft daarom speciale aandacht voor kinderen uit kansarme milieus. Het beleid Gelijke Onderwijskansen bestaat uit drie onderdelen: ● ● ●

Inschrijvingsrecht: het recht op inschrijving van een kind in een school naar keuze en de wijze waarop dit recht wordt verzekerd (zie 2.3.1.2.). Lokale overlegplatforms (LOP’s) en de Commissie inzake leerlingenrechten. Een geïntegreerd ondersteuningsaanbod dat de scholen toelaat een zorgbrede werking te ontwikkelen gericht op kansarme kinderen.

http://www.ond.vlaanderen.be/gok/

10.5.3.1. Wettelijk kader

● ● ● ● ● ● ● ● ●

Het gelijkeonderwijskansenbeleid vindt haar wettelijke basis in het Decreet betreffende gelijke onderwijskansen – I van 28 juni 2002, zoals gewijzigd door het decreet van 15 juli 2005. Besluit van de Vlaamse regering van 28 juni 2002 creëerde lokale overlegplatforms. Besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 regelt het geïntegreerd ondersteuningsaanbod in het gewoon basisonderwijs. Besluit van de Vlaamse regering van 6 september 2002 regelt het geïntegreerd ondersteuningsaanbod in het gewoon secundair onderwijs. Besluit van de Vlaamse regering van 27 september 2002, richtte de Commissie inzake leerlingenrechten op. Omzendbrief SO/2005/07, Het gelijkeonderwijskansenbeleid voor het secundair onderwijs vanaf het schooljaar 2006-2007 (15/08/2005). Omzendbrief BaO/2005/13, Het gelijkeonderwijskansenbeleid voor het basisonderwijs vanaf het schooljaar 2006-2007 (20/07/2005). Omzendbrief BaO/2006/01 Het gekijkeonderwijskansenbeleid voor het basisonderwijs. Besluit van de Vlaamse regering van 31 maart 2006 betreffende tijdelijke projecten inzake kunstinitiatie voor kansarme en/of allochtone minderjarigen.

10.5.3.2. Algemene doelstellingen

Dankzij het decreet over Gelijke Onderwijskansen (GOK) kunnen scholen met relatief veel kansarme leerlingen extra begeleiding voorzien. Het gaat om leerlingen die bv. minder kansen hebben omwille van hun thuissituatie, anderstaligheid of omdat ze eerder al achterstand opliepen. GOK-uren worden soms verward met zorguren. Die laatste kunnen worden ingezet om het brede zorgbeleid in de school te ondersteunen en zijn dus bestemd voor alle leerlingen die extra aandacht vragen omwille van ontwikkelings- en leerachterstanden of sociaal-emotionele problemen. De school bepaalt, op basis van een analyse van de beginsituatie, welke concrete doelstellingen zij met de extra middelen wil nastreven, op welke wijze zij deze doelstellingen wil bereiken en op welke

www.eurydice.org

340


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) wijze zij zichzelf zal evalueren. De doelstellingen kunnen gekozen worden binnen de volgende themata: ● ● ● ● ● ●

preventie en remediëring van ontwikkelings- en leerachterstanden, taalvaardigheidsonderwijs, intercultureel onderwijs, doorstroming en oriëntering, sociaal-emotionele ontwikkeling, leerlingen- en ouderparticipatie.

Of binnen een cluster waarvan de doelstellingen op voorhand zijn vastgelegd. Deze clusters zijn: ● ● ●

cluster 1: ontwikkelings- en leerachterstanden remediëren en leerwinst realiseren; cluster 2: de taalvaardigheid bij leerlingen bevorderen; cluster 3: een positief zelfbeeld en sociale competentie bij leerlingen stimuleren.

10.5.3.3. Ondersteuning

Voorwaarden: minimumdrempels en gelijkekansenindicatoren

Scholen kunnen op grond van het gelijkeonderwijskansenbeleid voor een periode van drie opeenvolgende schooljaren bijkomende ondersteuning (aanvullende lestijden of extra uren/leraar) krijgen, indien de school in haar leerlingenpopulatie minimum 10 % doelgroepleerlingen (in het basisonderwijs en de 1ste graad secundair onderwijs) of 25 % doelgroepleerlingen (in de 2de en 3de graad secundair onderwijs) telt die beantwoorden aan één of meerdere gelijkekansenindicatoren. ●

Voor het gewoon basisonderwijs BaO en de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs zijn dat kansarmoede-indicatoren:

○ het gezin leeft uitsluitend van een vervangingsinkomen; ○ de minderjarige is tijdelijk of permanent buiten het eigen gezinsverband opgenomen door een gezin of persoon, een voorziening of een sociale dienst, bedoeld in de gecoördineerde decreten van 4 april 1990 inzake bijzondere jeugdbijstand, met uitzondering van de internaten gefinancierd of gesubsidieerd door het departement;

○ de ouders behoren tot de trekkende bevolking; ○ de moeder is niet in het bezit van een diploma van het secundair onderwijs, een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig studiebewijs;

○ de thuistaal is niet het Nederlands. ●

Voor de tweede en derde graad van het gewoon secundair onderwijs zijn dat achterstandsindicatoren:

○ de leerling heeft een schoolse achterstand van ten minste twee jaar; ○ de leerling is een neveninstromer (leerling die in het betrokken schooljaar ingeschreven is in een leerjaar van de tweede of derde graad van het beroepssecundair onderwijs, respectievelijk het technisch onderwijs, en het voorafgaand schooljaar niet in de school ingeschreven was, en het voorafgaand schooljaar een oriënteringsattest B of C behaalde);

○ de leerling volgde het voorafgaande schooljaar onthaalonderwijs (onderwijs voor anderstalige nieuwkomers).

www.eurydice.org

341


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) Extra zorguren

Vanaf 1 september 2003 trad de tweede cyclus van het GOK in werking en kunnen alle gewone basisscholen rekenen op extra zorguren. Het aantal zorguren wordt toegekend via een puntenenveloppe, die wordt berekend naargelang het aantal ingeschreven leerlingen. Deze zorguren komen bovenop de bestaande GOK-lestijden. De GOK-telling van 1/2/2005 legde het aantal GOKlestijden vast voor de schooljaren 2005-2006 tot 2007-2008. Omdat er meer kinderen in aanmerking kwamen voor GOK-ondersteuning werd in 2006 € 8 miljoen extra uitgetrokken. Op 1 september 2007 stijgt het aantal GOK-uren in de 2e en 3e graad van het secundair onderwijs met 30 %. Alle scholen die daarvoor reeds over gok-uren voor de 2e en 3e graad beschikken, krijgen een evenredige verhoging. (Aan indicatoren en minimumdrempels verandert niets, er komen dus geen bijkomende scholen in aanmerking). Voor de maatregel wordt € 2 miljoen per schooljaar uitgetrokken. Dat komt overeen met een 50-tal voltijdse jobs verspreid over 109 scholen. Het hoofddoel van het nieuwe zorgbeleid is dat kinderen met een leerprobleem zich in de eerste plaats goed voelen op school. Aangepaste zorg zal hun motivatie verhogen en leren leuker maken voor hen. Voor kinderen met leerproblemen betekent dit ook een kans om les te blijven volgen in een gewone school. De persoon die verantwoordelijk wordt voor de zorg binnen een school, is de zorgbegeleider of zorgcoördinator. De zorgbegeleider doet meer dan de zorg binnen een school coördineren en leerlingen begeleiden. Hij of zij kan ook leerkrachten begeleiden die met vragen zitten over hoe ze kinderen met een bepaald probleem moeten benaderen en kan daarnaast ook de link zijn tussen leerling, school, ouders, CLB, therapeut en alle andere instanties die bij een betere ondersteuning van het kind kunnen helpen. In tegenstelling tot de vroegere tijdelijke projecten kunnen leraren benoemd worden in de uren gelijkeonderwijskansenbeleid van het basisonderwijs BaO en van de 1ste graad secundair onderwijs. In de Onderwijsspiegel 2006 (het jaarverslag van de onderwijsinspectie) brengt de inspectie verslag uit van haar GOK-evaluatie en de knelpunten die daarbij aan het licht kwamen.

10.5.3.4. Zelfevaluatie

In het gelijkeonderwijskansenbeleid is zelfevaluatie van de scholen ingebouwd als onderdeel van de driejarige GOK-cyclus. Een tussentijdse zelfevaluatie dient te gebeuren in het tweede trimester van het tweede schooljaar, in 2007 dient dit te gebeuren in het kader van de 2e GOK-cyclus. De Vlaamse Onderwijsraad (VLOR) en het Steunpunt gok hebben daarom de tekst 'Aanzetten tot Zelfevaluatie binnen GOK' aangepast op basis van de ervaringen tijdens de eerste GOK-cyclus. De nieuwe versies (één voor het basisonderwijs en één voor het secundair onderwijs) zijn te vinden de site van de VLOR.

GOK-evaluatie: inspiratietekst basisonderwijs GOK-zelfevaluatie: inspiratietekst secundair onderwijs VLOR, Vlaamse Onderwijsraad

10.5.3.5. Tijdelijke projecten kunstinitiatie

In het kader van het decreet betreffende Gelijke onderwijskansen I initieerde de Vlaamse regering ook, vanaf het schooljaar 2002-2003 projecten inzake kunstinitiatie voor kansarme en/of allochtone www.eurydice.org

342


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) leerlingen in het basis- en secundair onderwijs (Besluit van de Vlaamse regering van 6 september 2002). De 3-jarige proefperiode is ondertussen verlengd door het Decreet van 15 juli 2005 betreffende het onderwijs XV (hoofdstuk IX, afdeling III) De eerdere strategische doelstelling "toeleiding naar het deeltijds kunstonderwijs" wordt een langetermijndoelstelling die meer naar de achtergrond verschuift. In de plaats komt een drieledige doelstelling die in een werkperiode van 3 schooljaren gerealiseerd kan worden: ● ● ●

het zelfbeeld bevorderen van leerlingen die risico lopen op schoolse achterstand; de cultuurcompetentie bij deze doelgroep bevorderen; de betrokkenheid van de buurt en ouders bij de school vergroten.

De projectwerking zelf is echter in handen van een samenwerkingsverband waaraan naast de initiatiefnemende basis- of secundaire school (en eventuele andere scholen) de volgende partners verplicht deelnemen: ● ● ●

één of meer academies voor deeltijds kunstonderwijs; een culturele organisatie (bv. cultuurcentrum, kunsteducatieve organisatie); een buurtgerichte organisatie (bv wijkcomité, buurthuis, plaatselijke gemeenschap…).

allochtone

Het gelijkeonderwijskansendecreet geeft zelf drie mogelijke werkwijzen om de drieledige projectdoelstelling te verwezenlijken: ● ● ●

een artistieke begeleiding van de betrokken minderjarigen door kunstenaars; de professionalisering van leerkrachten van een school voor basisonderwijs of secundair onderwijs inzake de integratie van muzische vorming in een interculturele schoolomgeving; de organisatie van een kunstinitiatie die nauw aansluit bij de leefwereld van de betrokken minderjarigen.

De ondersteuning heeft de vorm van een puntenenveloppe die gradueel stijgt naarmate er meer basis- of secundaire scholen aan het project deelnemen. De school kan vrij kiezen hoe zij die punten besteedt: ● ●

extra uren voor onderwijzend personeel, beleids- en ondersteunend ondersteunend personeel, administratief personeel of opvoedend hulppersoneel; bijkomende middelen voor werkingskosten of voordrachtgevers.

personeel,

Naar analogie van ICT-coördinatie komt elk uur-opdracht overeen met een puntenwaarde. Zowel leerkrachten van basis- en secundair onderwijs als deeltijds kunstonderwijs kunnen aan de projecten meewerken. Daarvoor wordt tot 2008 € 497.000 per jaar uitgetrokken. Zie http://www.ond.vlaanderen.be/schooldirect/BL502/KI_info.doc H

10.5.3.6. Steunpunt GOK

Het Steunpunt Gelijke Onderwijskansen integreert het Steunpunt Intercultureel Onderwijs (ICO), het Steunpunt Nederlands Tweede Taal (NT2), het Expertisecentrum voor Ervaringsgericht Onderwijs (ECEGO). Het ondersteunt scholen bij de implementatie van het lokaal GOK-beleid. Steunpunt Gelijke Onderwijskansen

http://www.grootgelijk.be www.steunpuntgok.be H

http://www.steunpuntico.be

ICO, Steunpunt Intercultureel Onderwijs CTO, Centrum voor taal en onderwijs

H

H

http://millennium.arts.kuleuven.ac.be/steunpunt/Steunp H

www.eurydice.org

343


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) unt.cfm?CFID=1346996&CFTOKEN=38721451tersqsd fqfdsdf H

ECEGO Expertisecentrum voor Ervaringsgericht Onderwijs

http://www.cego.be H

H

10.5.3.7. LOP's, lokale overlegplatforms & Commissie inzake leerlingenrechten

LOP's, lokale overlegplatforms werden opgericht om het gelijkeonderwijskansenbeleid op het lokale vlak mee te implementeren. Hierin zetelen onderwijsverstrekkers en lokale actoren zoals vertegenwoordigers van allochtone en (kans)arme autochtone gemeenschappen, van de integratiesector, van socio-economische partners, etc.. (zie ook 2.3.1.2.); http://www.lop.be H

Het LOP Brussel Basisonderwijs dient een consensus te vinden over het principe van de gelijktijdige voorrang voor kinderen met thuistaal Nederlands en voor GOK-leerlingen. In 2006 heeft het de 30% voorrang voor thuistaal Nederlands opgetrokken tot 45% en de 20% voorrang voor GOK-leerlingen opgetrokken tot 30%. De percentages en de andere afspraken rond het inschrijvingsbeleid zijn in principe van toepassing voor 4 jaar, maar worden na 2 jaar tussentijds grondig geëvalueerd. Als centrale beroepsinstantie bij betwistingen over de toepassing van het recht op inschrijving in een school van eigen keuze werd in 2003 de Commissie inzake leerlingenrechten opgericht (zie ook 2.3.1.2.); http://www.ond.vlaanderen.be/leerlingenrechtencommissie H

10.6. Buitengewoon onderwijs (BuO) Hier behandelen we het buitengewoon onderwijs in Vlaanderen. Het betreft hier het onderwijs voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften, in aparte scholen zowel op niveau van basis- als secundair onderwijs. In Vlaanderen worden ongeveer 46.000 leerlingen opgevangen in het buitengewoon onderwijs, tegenover 1,1 miljoen in het gewoon basis- en secundair onderwijs. Het aantal in het BuO ligt 40% hoger dan 15 jaar geleden. Het procentuele aandeel van het BuO op de totale schoolbevolking van kleuter-, lager en secundair onderwijs steeg in dezelfde periode van 2,9% in 90-91 naar 4% in 2004-2005. Zie verder ook: ● ●

● ●

De structuur van het BuO i.f.v. de verschillende doelgroepen, zie 10.3. Het onderwijsvoorrangsbeleid (OVB) voor migrantenleerlingen in het buitengewoon onderwijs, zie 10.7.1. Het gelijkeonderwijskansenbeleid, dat ook van toepassing is op het buitengewoon onderwijs, zie 10.5.3. Het geïntegreerd onderwijs voor de opvang van gehandicapte leerlingen in het gewoon onderwijs, zie 10.5.1. Het inclusief onderwijs voor de opvang van type 2 leerlingen in het gewoon onderwijs, zie 10.5.2.

10.6.1. Wettelijk kader De volgende onderwijswetgeving regelt het buitengewoon onderwijs in Vlaanderen: ●

Wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving. www.eurydice.org

344


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) ● ●

● ● ● ●

● ● ● ● ● ●

Wet van 6 juli 1970 op het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs (enkel van toepassing op het buitengewoon secundair onderwijs). Koninklijk Besluit van 28 juni 1978 houdende omschrijving van de types en de organisatie van het buitengewoon onderwijs en vaststellende de toelatings- en behoudsvoorwaarden in de diverse niveaus van het buitengewoon onderwijs (enkel van toepassing op het buitengewoon secundair onderwijs). Koninklijk Besluit nr. 439 van 11 augustus 1986 houdende rationalisatie en programmatie van het buitengewoon onderwijs. Decreet Basisonderwijs van 25 februari 1997. Besluit van de Vlaamse regering van 24 juni 1997 over de bevoegdheid, de samenstelling en de werking van de commissies van advies voor het buitengewoon onderwijs. Decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs. Besluit van de Vlaamse regering van 1 maart 2002 betreffende het experimenteel secundair onderwijs volgens een modulair stelstel. Besluit van de Vlaamse regering van 6 december 2002 betreffende de organisatie van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3. Besluit van de Vlaamse regering van 24 januari 2003 tot vaststelling en indeling van de ambten in het buitengewoon onderwijs. Besluit van de Vlaamse regering van 14 maart 2003 betreffende de concordantie van de specialiteiten in opleidingsvorm 3 van het buitengewoon secundair onderwijs. Besluit van de Vlaamse regering van 14 maart 2003 betreffende de vastlegging van de prestaties van een ambt in het buitengewoon secundair onderwijs. Omzendbrief BaO/2006/05, Controle van de leerlingen in het buitengewoon basisonderwijs

ontwikkelingsdoelenDecreet van 2 maart 1999 tot bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse regering van 1 december 1998 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type 2. ● Decreet van 18 januari 2002 houdende bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse regering van 27 april 2001 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type 8. ● Decreet van 22 maart 2002 tot bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse regering van 23 november 2001 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type 1. ● Decreet van 19 juli 2002 tot bekrachtiging van de ontwikkelingsdoelen algemene en sociale vorming in het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 (bekrachtigt BVR 19/04/02). ● Decreet van 23 mei 2003 tot bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse regering van 31 januari 2003 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type 7. Permanent onderwijs aan huis (POAH) ● ● ●

Besluit van de Vlaamse regering van 17 juni 1997. Besluit van de Vlaamse regering van 27 juli 1999. Besluit van de Vlaamse regering van 13 januari 2005.

Voor de wetgeving inzake het onderwijsvoorrangsbeleid in het buitengewoon onderwijs, zie 10.7.1.1.. Voor het wettelijk kader van het gelijkeonderwijskansenbeleid verwijzen we naar 10.5.1..

www.eurydice.org

345


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

10.6.2. Algemene doelstellingen Zowel in de Wet op het buitengewoon onderwijs van 6 juli 1970 als in het Decreet Basisonderwijs van 25 februari 1997 wordt het buitengewoon onderwijs gedefinieerd in termen van de mate waarin het gewoon onderwijs in staat is de totale persoonlijkheidsontwikkeling van de leerlingen te verzekeren. In het Decreet Basisonderwijs luidt dit: ''het is het onderwijs dat op grond van een pedagogisch project aangepast onderwijs, opvoeding, verzorging en therapie verstrekt aan leerlingen waarvan de totale persoonlijkheidsontwikkeling tijdelijk of permanent, niet of onvoldoende door het gewoon onderwijs kan verzekerd worden'' (Decreet van 25 februari 1997). Deze definitie is gebaseerd op het echte concept van speciale noden. Het decreet refereert in eerste instantie naar de moeilijkheden en de onbekwaamheid van het gewoon onderwijs om voor een optimale en persoonlijke en sociale ontwikkeling te zorgen van alle kinderen, eerder dan naar de handicaps van het kind.

10.6.3. Geografische toegankelijkheid Uit de cijfergegevens en op basis van de kaarten met het aanbod aan buitengewoon onderwijs per type, blijkt dat dit niet evenwichtig gespreid is. Deze vaststelling gaat zowel op voor de types als voor de opleidingsvormen. Duidelijke voorbeelden daarvan zijn type 3, 6 en 7 in het basisonderwijs BaO. Op secundair niveau zijn er ook in deze types onevenwichten, en vooral in opleidingsvorm 4 en opleidingsvorm 1. Gevolg is dat leerlingen vaak lang op de bus moeten zitten om op school en terug thuis te geraken. Daarom moeten ouders soms voor een internaatsopvang 'kiezen'. Het onevenwichtige aanbod leidt er ook toe dat een leerling wordt georiënteerd volgens het aanbod dat lokaal beschikbaar is. In een aantal gevallen zal dat niet het onderwijsaanbod zijn dat het best bij zijn opvoedings- en onderwijsbehoefte past. Over het algemeen wordt het buitengewoon onderwijs georganiseerd in scholen die los staan van de gewone scholen; ze zijn wel soms verbonden met andere sociale en opvoedkundige instellingen voor gehandicapten.

10.6.4. Toelatingsvoorwaarden en schoolkeuze

Leeftijdsvoorwaarde Voor buitengewoon kleuteronderwijs moet de kleuter ten minste 2,5 jaar en 6 maanden zijn. De 5 instapdata die gelden voor het gewoon kleuteronderwijs (zie 3.6.) gelden niet voor het buitengewoon kleuteronderwijs (Omzendbrief BaO/97/14). Kinderen kunnen in het buitengewoon kleuteronderwijs ingeschreven worden tot 6 jaar, of uitzonderlijk tot de leeftijd van 7 indien dit als beter voor het kind wordt beoordeeld. Voor het lager onderwijs is aanvangsleeftijd normaal 6 jaar. Vanaf 1 september 2001 kunnen leerlingen die vóór 1 januari van het lopende schooljaar 5 jaar worden ook in het buitengewoon lager onderwijs worden ingeschreven. Dit zal echter slechts in een beperkt aantal gevallen gebeuren. In het buitengewoon secundair onderwijs is de aanvangsleeftijd 13 jaar, de maximum leeftijd 21 jaar.

Toelatingsprocedure De Wet van 6 juli 1970 en het KB van 28 juni 1978 - overgenomen in het Decreet van 25 februari 1997 - regelen gedetailleerd de toelatingsvoorwaarden voor het buitengewoon onderwijs. Terwijl de www.eurydice.org

346


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) toelatingsprocedure min of meer dezelfde is als voor het gewoon onderwijs qua leeftijdsvoorwaarden, vraagt een inschrijving in een instelling voor buitengewoon onderwijs ook steeds om een inschrijvingsverslag. Het inschrijvingsverslag bestaat uit twee delen: ● ●

een attest met informatie over het onderwijstype en/of de opleidingsvorm en het onderwijsniveau dat het kind volgt; een verantwoordingsprotocol waarin verslag wordt gedaan van een multidisciplinair onderzoek en waarin het afgeleverde attest wordt verantwoord.

Dit verslag wordt opgesteld door een centrum voor leerlingenbegeleiding (CLB) of door een instelling die inzake studie- of beroepskeuze dezelfde waarborgen biedt. De Vlaamse minister bevoegd voor Onderwijs maakt jaarlijks een lijst op van de inrichtingen die deze attesten mogen afleveren (Omzendbrief CLB/2005/02). Het attest wordt aan de ouders uitgereikt, wat hen toelaat om het kind in een school van hun keuze in te schrijven die het specifieke type en/of de opleidingsvorm van buitengewoon onderwijs organiseert waar hun kind behoefte aan heeft. Het attest wordt hen teruggegeven wanneer het kind de school verlaat (Broekaert, e.a., 1993). In bepaalde gevallen is een bijkomend advies vereist alvorens een leerling wordt toegelaten tot een buitengewone school. Hiertoe is in elke provincie een Commissie van Advies voor het Buitengewoon Onderwijs (CABO) opgericht door het besluit van de Vlaamse regering van 24 juni 1997. Deze commissies zijn bevoegd om: ● ●

een gemotiveerde beslissing te nemen over een tijdelijke of permanente vrijstelling van de leerplicht voor een jongere of de opheffing van deze vrijstelling;· advies te geven over:

○ het toekennen van de voordelen van de wet op het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs buiten de leeftijdsgrenzen;

○ een overplaatsing van een leerling ingeschreven in een gewone school naar een buitengewone school;

○ een overplaatsing van een leerling ingeschreven in het buitengewoon onderwijs naar het gewoon onderwijs;

○ een overplaatsing van een leerling naar een andere buitengewone school waar een geschikter niveau, type of opleidingsvorm van buitengewoon onderwijs wordt georganiseerd;

○ het recht op permanent onderwijs aan huis. Naast de ouders en de meerderjarige persoon met een handicap of zijn wettelijk vertegenwoordiger, kan ook een lid van de inspectie, een directeur of een arts van het Centrum voor Leerlingenbegeleiding (CLB) om advies vragen. Indien de ouders of de meerderjarige met een handicap weigeren samen te werken of helemaal niet akkoord gaan met de beslissing van het CABO is er een beroepsprocedure mogelijk. Na de bekendmaking van de resultaten uit een Vlaams onderzoek omtrent de overgang van het gewoon naar het buitengewoon basisonderwijs (OBPWO 98.09), besloot de minister een ad-hoc werkgroep op te starten om alternatieven uit te werken voor de knelpunten inzake de bestaande procedure om leerlingen naar het buitengewoon onderwijs te oriënteren. Deze ad-hoc werkgroep heeft inmiddels een kader ontwikkeld waarbinnen het begeleidingtraject en de overstap van leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften naar het buitengewoon onderwijs een andere invulling krijgen. Leerkrachten, schoolteam, centra voor leerlingbegeleiding (CLB's), ouders en leerlingen worden daarbij als volwaardige partners beschouwd. Het project loopt over twee schooljaren. De experimentele fase loopt af op het einde van schooljaar 2005-2006. Een evaluatie van het project zal bepalend zijn voor het verdere verloop. www.eurydice.org

347


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

Gelijke onderwijskansen Als gevolg van de regelgeving betreffende gelijke onderwijskansen (zie 10.5.) wordt niet langer toegestaan dat scholen leerlingen met een valabel attest voor het type en de opleidingsvorm die aangeboden worden, toch weigeren bij de inschrijving omdat de school zich richt op een specifieke doelgroep binnen dat type en die opleidingsvorm. De inschrijvingen van de leerlingen dienen chronologisch genoteerd te worden. De ouders dienen in te stemmen met het pedagogisch project en het schoolreglement. Die inschrijvingen gaan verder tot de school/vestigingsplaats/het type (basisonderwijs)/de opleidingsvorm (secundair onderwijs)/de administratieve groep/de leerlingengroep (secundair onderwijs)/de pedagogische eenheid eventueel vol is en er omwille van materiële omstandigheden kan geweigerd worden. De school moet via het register, waarin alle inschrijvingen chronologisch worden genoteerd, kunnen aantonen dat na de weigering geen nieuwe leerlingen werden ingeschreven. Indien ouders menen onterecht geweigerd te zijn, kunnen zij klacht indienen bij de commissie voor leerlingenrechten. (Omzendbrieven BaO/2005/13 en SO/2005/07).

Permanent onderwijs aan huis (POAH) Voor een kind dat niet naar school kan gaan, zijn er twee mogelijkheden: ● ●

ofwel vrijstelling van leerplicht (in het basisonderwijs en het secundair onderwijs) en dus geen onderwijs; ofwel permanent onderwijs aan huis. In het kader van wat 'Permanent Onderwijs Aan Huis' (POAH) wordt genoemd, krijgt een kind dat ingevolge van een handicap niet naar de school kan 4 lestijden per week onderwijs aan huis vanuit de dichtstbijzijnde school (zie ook 4.17.).

10.6.5. Leeftijdsniveaus en leeftijdsgroepen Het buitengewoon onderwijs wordt georganiseerd voor de niveaus kleuter-, lager en secundair onderwijs. Op het niveau van de lagere school zijn er acht types van buitengewoon onderwijs gedefinieerd, met de bedoeling om zo goed mogelijk aan de algemene en individuele noden van de kinderen en jongeren te beantwoorden (zie 10.3.). Type 1 en type 8 bestaan niet in het buitengewoon kleuteronderwijs. Op het niveau van het secundair onderwijs worden bijkomend vier opleidingsvormen georganiseerd die leerlingen van verschillende types - zoals op het niveau van het basisonderwijs is gedefinieerd kunnen samenbrengen, overeenkomstig de aard en graad van hun handicap (zie 10.3.). Voor jongeren uit type 8 is er geen BuSO voorzien. Op basis van een verantwoordingsprotocol plaatst de klassenraad de leerling in de meest geschikte klassengroep. Het schoolbestuur beslist dus over de indeling van de leerlingen in pedagogische eenheden binnen de onderwijstypes en opleidingsvormen. De leerling verlaat normaal het lager onderwijs op de leeftijd van 13 jaar, of eventueel op de leeftijd van 14 of 15 jaar. Secundair onderwijs kan worden gevolgd tot de leeftijd van 21 jaar (Wet van 28 juni 1983). Afwijkingen op de leeftijdsgrens van 21 jaar kunnen worden toegestaan op advies van de Commissie voor Advies voor het Buitengewoon Onderwijs (CABO).

www.eurydice.org

348


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

10.6.6. Organisatie van het schooljaar De organisatie van het schooljaar, de schoolweek en -dag is vergelijkbaar met deze van de overeenstemmende onderwijsniveaus, zoals beschreven in hoofdstukken 3, 4 en 5, ofschoon de dagactiviteiten meer op de individuele noden van de leerlingen zijn georiënteerd.

In het secundair onderwijs is de organisatie verschillend naargelang de opleidingsvorm. ● ● ●

Opleidingsvorm 1 : één enkel deel van minstens vier studiejaren. Opleidingsvorm 2 : twee delen die elk minimum twee studiejaren omvatten. Opleidingsvorm 3 : drie fasen plus een facultatieve integratiefase:

○ 1° de observatiefase: omvat het eerste leerjaar en is beperkt tot één volledig schooljaar;

○ 2° de opleidingsfase: omvat ten minste twee schooljaren; ○ 3° de kwalificatiefase: omvat ten minste twee schooljaren; ○ 4° de facultatieve integratiefase. Deze fase omvat één volledig schooljaar in de vorm ●

van een alternerende beroepsopleiding (Besluit van de Vlaamse regering van 6 december 2002). Opleidingsvorm 4: hier zijn de lesroosters exact dezelfde als die van de corresponderende gewone scholen, daar deze opleidingsvorm verplicht is een structuur te hebben identiek aan die van het secundair onderwijs (Broekaert, e.a., 1993).

10.6.7. Curriculum en vakken Het buitengewoon onderwijs laat de leerlingen geen gemeenschappelijk leerprogramma doorlopen, maar zorgt voor een geïndividualiseerd curriculum dat aangepast is aan de noden en de mogelijkheden van elke leerling. Daarom selecteert het schoolteam de ontwikkelingsdoelen die het voor een bepaalde leerling of leerlingengroep wil nastreven. Deze selectie wordt vastgelegd in de handelingsplanning. Schoolteams kunnen ontwikkelingsdoelen selecteren uit: ● ● ●

de ontwikkelingsdoelen die voor een bepaald onderwijstype of een bepaalde opleidingsvorm zijn vastgelegd; de eindtermen of ontwikkelingsdoelen van het gewoon basisonderwijs of het gewoon secundair onderwijs; de ontwikkelingsdoelen die voor andere onderwijstypes zijn vastgelegd.

Buitengewoon basisonderwijs Op dit moment zijn er reeds ontwikkelingsdoelen gedefinieerd voor het buitengewoon basisonderwijs van: ● ● ● ●

type 1 (Besluit van de Vlaamse regering van 23 november 2001, bekrachtigd bij Decreet van 22 maart 2002), type 2 (Besluit van de Vlaamse regering van 1 december 1998, bekrachtigd bij Decreet van 2 maart 1999), type 7 (Besluit van de Vlaamse regering van 31 januari 2003, bekrachtigd bij Decreet van 23 mei 2003), type 8 (Besluit van de Vlaamse regering van 27 april 2001, bekrachtigd bij Decreet van 18 januari 2002); www.eurydice.org 349


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) De ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs zijn geordend in leergebieden. Deze leergebieden zij grotendeels dezelfde als deze van het gewoon basisonderwijs BaO. Om te kunnen inspelen op de specificiteit van de doelgroep, zijn bepaalde leergebieden meer of anders uitgewerkt. Voor sommige onderwijstypes zijn voor bepaalde leergebieden de eindtermen van het gewoon basisonderwijs overgenomen als ontwikkelingsdoelen.

Buitengewoon secundair onderwijs Voor het buitengewoon secundair onderwijs zijn ontwikkelingsdoelen gedefinieerd voor: ● ●

opleidingsvorm 3 - algemene en sociale vorming (Besluit van de Vlaamse regering van 19 april 2002, bekrachtigd bij Decreet van 19 juli 2002); opleidingsvorm 4, hier gelden de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen van het overeenstemmende niveau van het gewoon secundair onderwijs;

Voor het beroepsgericht gedeelte van de opleidingsvorm 3 van het buitengewoon secundair onderwijs zijn de opleidingsprofielen richtinggevend voor de invullen van het curriculum. In deze opleidingsprofielen zijn de competenties vastgelegd die leerlingen moeten verwerven om het getuigschrift te halen van een opleiding of een getuigschrift van een afgerond geheel van een opleiding dat leidt tot inzetbaarheid op de arbeidsmarkt. (Besluit van de Vlaamse regering betreffende de organisatie van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 van 6 december 2002). Binnen de opleidingsvorm 3 (opleidings- en kwalificatiefase) en opleidingsvorm 4 (tweede en derde graad) van het buitengewoon secundair onderwijs wordt vanaf 1 september 2001 geëxperimenteerd met modulair onderwijs (Besluit van 1 maart 2002).

Handelingsplanning Handelingsplanning is het cyclisch proces van het orthopedagogisch en orthodidactisch handelen met als doel onderwijs op maat van elke leerling te bieden. Vertrekkend van de beginsituatie van de leerling of de leerlingengroep worden door handelingsplanning de ontwikkelingsdoelen, het tempo, de methoden en de evaluatie vastgelegd.

Het product van het proces van handelingsplanning is de schriftelijke neerslag: het handelingsplan. In een handelingsplan worden de verschillende elementen van het pedagogisch-didactisch handelen weergegeven, o.a. de beginsituatie aan de hand van een diagnose, leerdoelen, leerinhouden, methodes, evaluatie, rapportering en bijsturing (VLOR, 1996).

www.eurydice.org

350


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) Schematisch kunnen we handelingplanning op de volgende manier voorstellen

Beginsituatie bepalen

Beginsituatie bepalen

Evaluatiefase

Uitvoeringsfase

1

Doelen selecteren

Voorbereidingsfase

Evaluatiefase

Uitvoeringsfase

Beginsituatie bepalen

Doelen selecteren

Voorbereidingsfase

Evaluatiefase

Uitvoerings -fase

Doelen selecteren

Voorbereidingsfase

2

Beginsituatie bepalen In deze fase worden de specifieke onderwijs- en opvoedingsbehoeften van de leerling duidelijk geformuleerd. Deze onderwijs- en opvoedingsbehoeften zijn de basis voor het verdere verloop van de handelingsplanning. Doelen selecteren In de doelenfase worden per leerling voor een bepaalde periode ontwikkelingsdoelen en/of eindtermen geselecteerd met het oog op een optimale en harmonische persoonlijkheidsontwikkeling en maatschappelijke integratie. De selectie gebeurt in teamverband en indien mogelijk in overleg met de ouders.

3

Voorbereidingsfase

Tijdens de voorbereidingsfase wordt bepaald op welke wijze de geselecteerde ontwikkelingsdoelen gerealiseerd zullen worden op organisatorisch en methodologisch vlak en wordt de evaluatie reeds gepland. 4

Uitvoeringsfase

In de uitvoeringsfase worden de geselecteerde ontwikkelingsdoelen nagestreefd volgens de geplande strategie met ingebouwde tussentijdse evaluatiemomenten. 5

Evaluatiefase

De evaluatie vindt regelmatig plaats tijdens het doorlopen van de verschillende fasen van de handelingsplanning en is dan gericht op het tijdig bijsturen van het proces. Dit is de betekenis van de dubbele pijlen tussen twee opeenvolgende fasen. Naast de procesevaluatie wordt ook een evaluatie van de leerlingenvorderingen gedaan om na te gaan of de nagestreefde ontwikkelingsdoelen al dan niet bereikt werden. Deze evaluatie is het vertrekpunt voor een nieuwe beginsituatie voor een nieuwe planningsperiode. Dit is de betekenis van de gestipte pijl die vertrekt bij de evaluatiefase van de ene cyclus, naar de beginsituatie van een volgende planningscyclus.

Het eigene aan het proces van handelingsplanning is dat elke fase bewust uitgewerkt wordt, met een constante terugkoppeling naar de andere fasen, gericht op het volgen van het afgesproken spoor. Dat is de betekenis van de dubbele pijlen in het schema. In de dagelijkse onderwijspraktijk is het moeilijk om de verschillende fasen te scheiden. Het is trouwens niet aangewezen de fasen kunstmatig op te splitsen. Verschillende fasen kunnen immers tegelijkertijd aan bod komen. Het handelingsplan vermeldt ook hoe het multidisciplinair teamwerk wordt gepland en hoe de sociale, psychologische, orthopedagogische, medische en paramedische hulpverlening in het opvoedings- en onderwijsaanbod wordt geïntegreerd. Het handelingsplan wordt opgemaakt door de klassenraad, in samenspraak met het CLB en indien mogelijk met de ouders. H

H

www.eurydice.org

351


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

10.6.8. Onderwijsmethoden en didactisch materiaal De onderwijsmethoden zijn sterk geïndividualiseerd in het buitengewoon onderwijs. Voor elk kind moet een handelingsplan worden uitgewerkt (zie 10.6.7.). De beslissingen omtrent onderwijsmethoden en didactisch materiaal ressorteren onder de vrijheid van de inrichtende machten.

10.6.9. Voortgang van leerlingen De evaluatie en begeleiding van leerlingen zijn sterk met elkaar verweven. In het buitengewoon onderwijs heeft de beoordeling hoofdzakelijk een vormend karakter. De klassenraad die wordt bijgestaan door de centra voor leerlingenbegeleiding (CLB) neemt beslissingen m.b.t. de samenstelling van de klassen, of een bepaalde leerling in een bepaalde leerlingengroep moet blijven, en omtrent de overgang van leerlingen naar andere klassen of naar een bepaald onderwijstype of vorm.

10.6.10. Begeleiding en band met verdere studies/arbeidsmarkt Naast de directie en het onderwijzend personeel bestaat de personeelsformatie in het buitengewoon onderwijs ook uit paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel. Deze personeelscategorieën staan onder meer in voor de begeleiding van de leerlingen in het buitengewoon onderwijs. Daarnaast richten ook de centra voor leerlingenbegeleiding (CLB's) zich op de begeleiding van leerlingen in het buitengewoon onderwijs (Decreet van 1 december 1998). Het centrum voor leerlingenbegeleiding begeleidt het buitengewoon onderwijs o.m. bij ontwikkelingsmoeilijkheden en de vermindering van risicogedrag, de adequate en kwaliteitsvolle verwijzing van de leerlingen van het gewoon onderwijs naar het buitengewoon onderwijs en omgekeerd, en het veilig school lopen (in het bijzonder de veiligheid en hygiëne en de impact op de gezondheid van de praktijkvakken) (Decreet van 1 december 1998). In opleidingsvorm 3 van het buitengewoon secundair onderwijs wordt de leerling gedurende de integratiefase expliciet begeleid door een begeleidingsteam. Het begeleidingsteam bestaat uit leden die behoren tot de onderwijsinstelling enerzijds, en externen van de bedrijfswereld, van sociale organisaties of andere deskundigen die de leerling zinvol kunnen begeleiden anderzijds (Besluit van 6 december 2002). Een van de maatregelen om het onderwijs nauwer te doen aansluiten op de beroepswereld is de sociaal-maatschappelijke training en de stage. ●

Opleidingsvorm 1: voor leerlingen die 18 jaar zijn of in de loop van het schooljaar worden, kan een sociaal-maatschappelijke training georganiseerd worden van maximaal 21 kalenderdagen of 28 kalenderdagen gedurende het schooljaar waarin zij vermoedelijk voor het laatst buitengewoon onderwijs volgen. De doelstellingen zijn vergelijkbaar met deze van een stage. De sociaal-maatschappelijke training kan alleen plaatsvinden in instellingen die erkend zijn (of zich in de erkenningsfase bevinden) voor de opname van volwassen gehandicapte personen die er geen op productie gerichte arbeid verrichten (bv. een dagcentrum, een bezigheidshome, ...) (Omzendbrief SO/2002/11). www.eurydice.org

352


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) ●

Opleidingsvorm 2

○ Fase 1: stage is verboden ○ Fase 2: stage is mogelijk. Alle leerlingen moeten hier toegang toe krijgen (zie hierna ●

bij kwalificatiefase 3 van opleidingsvorm 3. Opleidingsvorm 3

○ Observatiefase 1 en opleidingsfase 2: stage is verboden ○ Kwalificatiefase 3: stage is verplicht. Alle leerlingen moeten zonder onderscheid tot de

●

stage kunnen worden toegelaten. Zelfs personen die niet beschikken over een verblijfstitel van meer dan drie maanden kunnen vanaf het schooljaar 2003-2004 onder vorm van een leerlingenstage in België worden tewerkgesteld (Koninklijk Besluit van 6 januari 2003). Opleidingsvorm 4: hier is geen speciale regeling voorzien. De stage verloopt identiek als in het gewoon secundair onderwijs. De leerlingen komen net zoals alle anderen op de arbeidsmarkt terecht. Grotere bedrijven zijn bij wet verplicht om minstens enkele personen met een handicap in dienst te nemen (afhankelijk van het aantal werknemers in het bedrijf). Zo vinden bijvoorbeeld personen met een visuele handicap werk als telefonist(e).

Binnen de opleidingsvorm 3 werd in 2004 een (éénjarige) alternerende beroepsopleiding georganiseerd. Zie omzendbrief SO/2004/07 (BuSO). De DBO, Dienst Beroepsleiding coördineert tal van projecten op dit vlak (o.m. voor het Europees sociaal Fonds): zie http://www.ond.vlaanderen.be/dbo/projecten²/projecten.htm. Zie ook 7.15.. H

H

10.6.11. Studiebewijzen Wat studiebewijzen in het buitengewoon basisonderwijs betreft, kunnen leerlingen in bepaalde gevallen ook een getuigschrift bekomen. Dit getuigschrift heeft dan dezelfde waarde als een getuigschrift dat behaald is in het gewoon basisonderwijs. Studiegetuigschriften en attesten BuSO ● ● ●

OV1: attest BuSO tot sociale aanpassing OV2: attest BuSO tot sociale aanpassing en arbeidsgeschiktmaking OV3 (oude structuur):

○ Voor geslaagde leerlingen: kwalificatiegetuigschrift ○ Voor leerlingen die daar niet voor in aanmerking komen: het attest buitengewoon ●

secundair beroepsonderwijs OV3 (nieuwe structuur):

○ Voor leerlingen geslaagd in een opleiding of een deel van een opleiding:

▪ ▪

Getuigschrift Getuigschrift van verworven competenties voor een afgerond geheel

○ Indien de leerling niet in aanmerking komt voor een getuigschrift:

▪ ▪

Attest van verworven bekwaamheden Attest van beroepsonderwijs

○ Indien leerlingen de integratiefase hebben gevolgd:

▪ ▪

●

Met vrucht: getuigschrift alternerende beroepsopleiding

Niet met vrucht of bij vroegtijdige beëindiging: attest alternerende beroepsopleiding OV4: getuigschriften en diploma's zoals in het gewoon SO www.eurydice.org

353


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

10.6.12. Privé-onderwijs Zie 4.16.

10.7. Specifieke maatregelen voor leerlingen van migranten en etnische minderheden We behandelen hier: ● ● ●

OVB, het onderwijsvoorrangsbeleid in het buitengewoon onderwijs 10.7.1. OKAN, het onthaalonderwijs in het gewoon onderwijs 10.7.2. De ondersteunende maatregelen voor Brusselserand- en taalgrensgemeenten en de daaraan grenzende gemeenten 10.7.3.

Het GOK, gelijkeonderwijskansenbeleid in het gewoon onderwijs dat ook van belang is voor migrantenleerlingen en kinderen van etnisch-culturele minderheden behandelen we in 10.5.3.. Binnen de projecten gericht op een betere aansluiting onderwijs - arbeidsmarkt wordt eveneens aandacht besteed aan de problematiek van allochtone, laaggeschoolde en kansarme jongeren; dat behandelen we in 5.18.. Een korte historiek. Sinds 1991-1992 werd in basis- en secundair onderwijs een onderwijsvoorrangsbeleid gevoerd om de integratie van kansarme migrantenleerlingen te bevorderen. Voor leerbedreigde en kansarme autochtone leerlingen startte in 1993-1994 een project zorgverbreding in het basisonderwijs BaO. Scholen met een bepaald percentage doelgroepleerlingen kregen extra lestijden, die aangewend moesten worden op een aantal actieterreinen. De scholen moesten daartoe ook een aanwendingsplan voorleggen. In 1993 ondertekenden de Vlaamse onderwijsminister en de koepelorganen van de inrichtende machten een non-discriminatieverklaring. Als gevolg daarvan werden netoverschrijdende overeenkomsten afgesloten om segregatie en concentratiescholen tegen te gaan. Dit resulteerde eerder in een spreidingsbeleid dan een toelatingsbeleid. Rekening houdende met de Europese richtlijn inzake gelijke kansen werden deze maatregelen herbekeken en vanaf 2002 geïntegreerd in een GOK, gelijkeonderwijskansenbeleid zie 10.5.3.. Het project onderwijsvoorrangsbeleid blijft wel doorlopen in het buitengewoon onderwijs, zie hierna 10.7.1..

10.7.1. Het onderwijsvoorrangsbeleid (OVB) in het buitengewoon onderwijs Het onderwijsvoorrangsbeleid richt zich op migrantenkinderen in het buitengewoon basis- en secundair onderwijs. De maatregelen van het onderwijsvoorrangsbeleid in het gewoon onderwijs werden geïntegreerd in het GOK-beleid, zie 10.5.3..

10.7.1.1. Wettelijk kader

● ●

Decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, art. 168-172. Decreet betreffende gelijke onderwijskansen I van 28 juni 2002, art. X1 § 1. www.eurydice.org

354


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) ● ● ● ●

Onderwijsdecreet XV. Besluit van de Vlaamse regering van 14 juli 1998 betreffende het tijdelijk project onderwijsvoorrang in het basisonderwijs. Omzendbrief BaO/2005/06. Omzendbrief SO/2005/03.

10.7.1.2. Doelgroep

Het OVB richt zich op migrantenkinderen in het buitengewoon basis- en secundair onderwijs, die omwille van hun etnische herkomst en omwille van sociale, culturele en economische omstandigheden leer- en ontwikkelingsmoeilijkheden ervaren of risico lopen in een achterstandpositie te raken. Daarenboven moeten ze gelijktijdig aan de twee voorwaarden van de definitie van 'leerling onderwijsvoorrang' voldoen, nl. ● ●

de grootmoeder langs moederszijde is niet in België geboren en bezit evenmin door geboorte de Belgische of Nederlandse nationaliteit; de moeder heeft ten hoogste tot het einde van het schooljaar waarin zij 18 jaar werd, onderwijs genoten.

10.7.1.3. Specifieke ondersteunende maatregelen

De scholen kunnen daarvoor extra lestijden of lesuren bekomen. Ze moeten daartoe wel in het bezit zijn van : ●

een aanwendingsplan dat ter controle van de inspectie wordt bewaard in de school; daarin moeten volgende verbintenissen worden aangegaan:

○ een contract met een erkende welzijns- of sociaal-culturele vereniging of met een erkend lokaal of regionaal integratiecentrum voor migranten ter vergroting van de betrokkenheid van de ouders;

○ samenwerking met het Centrum voor Leerlingenbegeleiding (CLB); ○ deelname van leerkrachten aan (na)vormingsinitiatieven inzake onderwijsvoorrangsbeleid;

○ begeleiding door de pedagogische begeleidingsdienst van het net; ●

een positief inspectieverslag van de werking van het voorbije schooljaar.

10.7.1.4. Actieterreinen

Deze extra lestijden kunnen worden gebruikt voor volgende actieterreinen: ●

● ● ●

intercultureel onderwijs (ICO); dit beoogt de ontwikkeling van vaardigheden en houdingen om op een positieve en efficiënte manier om te gaan met mensen die een andere etnische en/of culturele achtergrond hebben; taalvaardigheid Nederlands; preventie en remediëring van leer- en ontwikkelingsproblemen specifiek in functie van de doelgroep; betrokkenheid van ouders.

www.eurydice.org

355


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

10.7.1.5. Looptijd

In het buitengewoon onderwijs werden hiervoor vanaf het schooljaar 1999-2000 tot en met 2004-2005 extra lesuren toegekend. De lesuren van 2004-2005 werden voor de betrokken scholen nu verlengd voor nog eens 3 schooljaren tot en met 2007-2008.

10.7.2. Het onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers (OKAN) in het gewoon onderwijs De onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers (OKAN) in het gewoon basis- en secundair onderwijs is opgestart in 1991. Het onthaalonderwijs wil de nieuwkomers zo snel mogelijk Nederlands leren en hen integreren in de bij hun individuele capaciteiten aansluitende onderwijsvorm en studierichting. Vanaf 1 september 2006 wordt het onthaalonderwijs aanzienlijk uitgebreid en aangepast. Tevens zullen de leerkrachten uit het regulier onderwijs gecoacht worden door de onthaalklas. ● ●

●

Nationaliteit, als voorwaarde, wordt vervangen door thuis- en/of moedertaal en het feit nieuwkomer te zijn. Na het eerste onthaaljaar kan de nieuwkomer in het basisonderwijs overstappen naar een tweede vervolgjaar. In het secundair onderwijs kan deze overstappen naar het regulier onderwijs, met extra ondersteuning vanuit de onthaalklas. Het aantal nieuwkomers kan in het basisonderwijs voortaan per school of per scholengemeenschap worden geteld, zoals in het secundair.

Per schooljaar wordt hiervoor ruim € 5 miljoen per schooljaar uitgetrokken. In het schooljaar 2005-2006 volgden 1.450 nieuwkomers onthaalonderwijs in 133 basisscholen; 1.749 jongeren volgden onthaalonderwijs in 38 secundaire scholen. Zie http://www.ond.vlaanderen.be/onthaalonderwijs H

10.7.2.1. Wettelijk kader

● ● ●

● ● ●

Decreet basisonderwijs van 25 februari 1997. Besluit van de Vlaamse regering van 17 juni 1997 betreffende de personeelsformatie in het gewoon basisonderwijs. Besluit van de Vlaamse regering van 22 september 1998, zoals gewijzigd door het besluit van de Vlaamse regering van 8 februari 2002 betreffende de toelage van anderstalige nieuwkomers. Omzendbrief BaO/2006/03 Onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers (30 juni 2006) Omzendbrief SO 75 (30 juni 2006 ). Vanaf maart 2003 tot en met 2005 zat de regelgeving voor het onthaalonderwijs in het DBSO vervat in het Besluit van de Vlaamse Regering van 4 juli 2003 betreffende het experimenteel onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers in het DBSO. Vanaf het schooljaar 20052006 zit ze vervat in het Proeftuinendecreet.

www.eurydice.org

356


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

10.7.2.2. Doelgroep

Anderstalige nieuwkomers zijn leerlingen die op de datum van hun inschrijving gelijktijdig aan al de volgende voorwaarden voldoen (waarbij het departement Onderwijs en Vorming sommige afwijkingen kan toestaan): ● ● ● ● ● ●

niet het Nederlands als moedertaal hebben; onvoldoende de onderwijstaal beheersen om met goed gevolg de lessen te kunnen volgen; niet het Nederlands als thuistaal of moedertaal hebben; nog geen volledig schooljaar onderwijs hebben gevolgd in een school met Nederlands als onderwijstaal; een nieuwkomer zijn, d.w.z. maximaal één jaar ononderbroken in België verblijven; de leeftijd van 5 jaar of ouder hebben voor het basisonderwijs BaO, van 12 (tot 18) jaar voor het secundair onderwijs.

10.7.2.3. Specifieke ondersteunende maatregelen

Voor de opvang van anderstalige nieuwkomers kunnen de scholen extra lesuren en een extra werkingstoelage per anderstalige nieuwkomer krijgen. ●

●

In het basisonderwijs: 2 aanvullende lestijden per school, 1,5 aanvullende lestijd per anderstalige nieuwkomer. In het kleuteronderwijs vanaf de leeftijd van 5 jaar. Voor het vervolgjaar 1 aanvullende lestijd per gewezen anderstalige nieuwkomer. In het secundair onderwijs: 2,5 uren-leraar per anderstalige nieuwkomer in het onthaaljaar; in het deeltijds beroepssecundair onderwijs 3,4 u. Elke contactschool krijgt 22 uren-leraar om in ondersteuning van gewezen anderstalige nieuwkomers te voorzien tijdens en na de overstap naar het regulier onderwijs op voorwaarde dat in de betrokken school of scholengemeenschap het schooljaar voordien een onthaaljaar werd ingericht. Indien de school of scholengemeenschap stopt met het inrichten van een onthaaljaar kan ze toch nog gedurende 3 schooljaren rekenen op die 22 uren-leraar ondersteuning.

De toelage bedraagt 12,5 euro per volledige maand per anderstalige nieuwkomer in het onthaaljaar. Voor het vervolgjaar is geen extra toelage voorzien. Voorwaarden

●

●

●

In het basisonderwijs dienen daarvoor al naargelang het type school minimum 4-6 anderstalige nieuwkomers als regelmatige leerling ingeschreven te zijn, of 12 per schoolgemeenschap (of een aangroei van 4 boven de vorige vaststelling). Voor het vervolgjaar geldt geen minimumaantal. In het secundair onderwijs zijn tenminste 25 nieuwkomers per scholengemeenschap vereist. In het DBSO kan in één centrum DBSO per net onthaalonderwijs worden georganiseerd. Per centrum worden maximum 60 anderstalige nieuwkomers in aanmerking genomen. De scholen dienen tevens een gestructureerd en systematisch overleg te organiseren met het oog op de pedagogisch-didactische en organisatorische afstemming; samen te werken met het CLB en de leerkrachten toe te laten aan specifieke navormingen deel te nemen.

Begeleiding van de leerlingen

In de basisschool dient voor elke anderstalige nieuwkomer een individueel werkplan opgesteld. In het secundair onderwijs

www.eurydice.org

357


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) ● ●

●

●

●

De school dient een specifiek 'raamplan' op te stellen dat aansluit bij de doelstellingen van het onthaaljaar. In het onthaaljaar wordt naast het vak godsdienst en/of niet-confessionele zedenleer en de optie van 4 wekelijkse uren-leraar per anderstalige nieuwkomer vanaf het schooljaar 20062007 het nieuwe vak Nederlands voor nieuwkomers gegeven. Het wekelijkse lessenrooster van het onthaaljaar beslaat minstens 28-urenleraar en ten hoogste 32. Maximaal 4 wekelijkse uren-leraar kunnen door de school anders worden ingevuld dan voor het aanleren van Nederlands. Binnen het raamplan dient de school voor elke anderstalige nieuwkomer een leertraject uit te werken, in samenwerking met het betrokken CLB. Daaruit moet duidelijk de opvolging van de leerling blijken. Ook de wijze van evalueren dient daarin opgenomen. Alle informatie dient bij overstap naar het reguliere onderwijs te worden overgemaakt. Ook na die overstap dient de leerling opgevolgd en begeleid te worden. De begeleiding kan gebeuren binnen de scholengemeenschap of in samenspraak met één of meerdere scholen van een andere scholengemeenschap. Het verbeteren van het begrip en de expertise van reguliere leerkrachten in de onthaalschool en daarbuiten door middel van coaching door leerkrachten van het onthaalonderwijs, de aanwezigheid van een vervolgschoolcoach, een goede doorstroming van leerlingeninformatie en het onderhouden van contacten met de exonthaalleerlingen hebben een belangrijke weerslag op de schoolresultaten van de exonthaalleerlingen.

Ondersteuning

Voor het secundair onderwijs heeft het steunpunt NT2 van de KU Leuven een 'referentiekader voor het onthaalonderwijs' ontwikkeld met een overzicht van 15 algemene ontwikkelingsdoelen voor anderstalige nieuwkomers, vertrekkende van taalvaardigheidsdoelen die vakoverschrijdend kunnen worden ingezet. De ontwikkelingsdoelen worden ondergebracht in 4 contexten waarin de leerlingen Nederlands nodig hebben: participeren in klas en school, lesinhouden begrijpen en verwerken, informele contacten leggen en participeren in de maatschappij. De opvolger van het steunpunt, het CTO, Centrum voor Taal en Onderwijs, biedt ondersteuning aan het OKAN door het ontwikkelen van materiaal, het aanbieden van vorming en informatie en het uitvoeren van onderzoek; http://www.ond.vlaanderen.be/onthaalonderwijs/inhoud/Centrum/ H

Door de "Afdeling beleidsuitvoering secundaire scholen" werd de laatste twee schooljaren een 'Rapport onthaalonderwijs' gemaakt, met cijfermateriaal over leerlingen, scholen en leerkrachten.

10.7.2.4. Bekrachtiging van de studie

Op het einde van het schooljaar krijgt elke anderstalige nieuwkomer die als regelmatige leerling het onthaaljaar gevolgd heeft, een attest met de vermelding dat de leerling in kwestie het onthaaljaar gevolgd heeft.

10.7.3. Het onderwijs voor Brussel, de rand- en taalgrensgemeenten (en daaraan grenzende gemeenten) De huidige minister van onderwijs en vorming is binnen de Vlaamse regering ook verantwoordelijk voor de Vlaamse Rand rond Brussel (zie [2.6.2.1. en de beleidsnota "samenwerken voor een goed Vlaams bestuur in de Vlaamse rand"). www.eurydice.org

358


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) In Brussel werd de controle op het schoolverzuim gehandicapt omdat het Vlaamse en het Franstalige onderwijs aparte inschrijvingslijsten hanteren. Begin 2007 werd door de Vlaamse en Franstalige minister van onderwijs een akkoord gesloten om tot een gemeenschappelijke lijst te komen.

10.7.3.1. De ondersteunende maatregelen voor Nederlandstalige basisscholen in de rand- en taalgrensgemeenten en daaraan grenzende gemeenten

In het Vlaams regeerakkoord is het versterken van het Nederlandstalig onderwijs én de integratie van de vele anderstalige kinderen in de Vlaamse rand een belangrijk aandachtspunt. De uitvoering gebeurt in fasen (zie BaO/2006/02). 1

De Nederlandstalige basisscholen in de zes randgemeenten rond Brussel evenals de Nederlandstalige basisscholen in de taalgrensgemeenten krijgen sinds 1 september 2005 structureel aanvullende lestijden toegekend voor de aanpak van de vele anderstalige leerlingen die er school lopen. Deze lestijden zijn berekend op het totale aantal leerlingen van de school. Sinds 9 januari 2006 krijgen ook de basisscholen uit de 13 gemeenten van de brede Vlaamse rand rond Brussel bijkomende middelen. De scholen gelegen in de gemeenten die grenzen aan Brussel of aan één van de zes randgemeenten hebben immers te kampen met gelijkaardige problemen als de Nederlandstalige scholen in de zes Brusselse randgemeenten en de taalgrensgemeenten. De basisscholen uit de doelgroep krijgen extra lestijden op basis van een tijdelijk project dat loopt tot het einde van het schooljaar 2005-2006. Vanaf het schooljaar 2006-2007 wordt er een organiek stelsel ingevoerd dat van toepassing is zowel op de Nederlandstalige basisscholen in de rand- en taalgrensgemeenten als op de basisscholen in de brede Rand rond Brussel. De ondersteuning wordt structureel en er worden aanvullende lestijden toegekend voor de integratie van anderstalige leerlingen, voor de schooljaren 2006-2007 en 2007-2008.

2

3

Het aantal aanvullende lestijden hangt af van het % leerlingen van wie de thuistaal niet het Nederlands is (leerlingen TNN). Het minimumaantal is 10%. % TNN-leerlingen (van wie de thuistaal niet het Nederlands is )

Aantal aanvullende lestijden

10 % of meer & niet meer dan 25 %

6

Meer dan 25 % en minder dan 40 %

6 + (het aantal lln. boven de 25% x 0,315)

40 % of meer

6 + (het aantal lln. boven de 25% x 0,4)

Regelgeving ● ●

●

Omzendbrief BaO/2006/02 Aanvullende lestijden voor de integratie van anderstaligen in de Nederlandse scholen in de rand- en taalgrensgemeenten. Besluit van de Vlaamse Regering van 17 maart 2006 betreffende het tijdelijke project voor de toekenning van extra lestijden aan de scholen van het basisonderwijs in de gemeenten die grenzen aan de Brusselse randgemeenten en in de gemeenten die grenzen aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest Besluit van de Vlaamse regering van 1 september 2006 betreffende de toekenning van aanvullende lestijden voor de integratie van anderstaligen. H

10.7.3.2. Brusselvarianten in het secundair onderwijs 1e graad

De instroom van leerlingen in het Brussels secundair onderwijs is zeer heterogeen qua taalkennis: veel anderstaligen, leerlingen uit Brusselse basisscholen met een ruimere voorkennis Frans, www.eurydice.org

359


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) leerlingen van buiten Brussel met een beperkt pakket tweede taal. Om daar beter mee rekening te kunnen houden is vanaf het schooljaar 2004-2005 een 3-jarig experiment gestart met het zgn. Brussels Curriculum voor de 1e graad secundair onderwijs. Brusselse scholen kunnen hierdoor naast het gewone programma één of twee alternatieve curricula organiseren. ● ● ●

In de eerste variant wordt de 1e graad gespreid over 3 jaar. De tweede behoudt de 2-jarige structuur van de 1e graad, maar met minder uren basisvorming (24 u). In beide varianten kan er bovendien gebruik worden gemaakt van een 'project meertaligheid', voor maximaal 8 u, en ook van het PAL-systeem (Periodiek Asynchroon Lesgeven), waarin niet alle leerlingen op hetzelfde moment hetzelfde vak dienen te volgen, bepaalde vakken kunnen geclusterd worden in een periode van een achttal weken. Dat biedt mogelijkheden voor projectonderwijs, extra-murosactiviteiten, intensievere taaltraining enzovoort.

Het Besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2004 zorgde voor een wettelijke basis, evenwel zonder extra lestijden of -middelen. http://www.ond.vlaanderen.be/secundair/brusselscurriculum/default.htm H

10.8. Statistieken 10.8.1. Aantal leerlingen in het buitengewoon kleuteronderwijs

Schooljaar 2005-2006 T2

T3

T4

T6

T7

Totaal

Gemeenschapsonderwijs

372

38

126

1

0

537

Gesubsidieerd vrij onderwijs

607

139

1119

39

232

1.136

61

11

9

6

14

101

0

0

0

5

42

47

1.040

188

254

51

288

1.821

Gemeentelijk onderwijs Vlaamse Gemeenschapscommissie Totaal

Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2005-2006

www.eurydice.org

360


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

10.8.2. Aantal leerlingen buitengewoon lager onderwijs

Schooljaar 2005-2006 T1

T2

T3

T4

T6

T7

Gemeenschapsonderwijs

2.269

1.065

359

403

13

0

Gesubsidieerd vrij onderwijs

6.122

2.203

1.251

492

103

567

348

0

0

0

0

0

316

664

1.643

160

106

26

8

49

1.554

3.546

0

0

0

0

8

60

0

68

10.382

3.428

1.716

921

132

676

Provinciaal onderwijs Gemeentelijk onderwijs Vlaamse Gemeenschapscommissie Totaal

T8 Totaal 1.801

5.910

5.827 16.565

9.498 26.753

Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2005-2006

10.8.3. Evolutie van het aantal leerlingen buitengewoon kleuteronderwijs

www.eurydice.org

361


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

10.8.4. Evolutie van het aantal leerlingen buitengewoon lager onderwijs

10.8.5. Evolutie van het aantal leerlingen buitengewoon secundair onderwijs

10.8.6. Aantal leerlingen in het buitengewoon secundair onderwijs 20052006

www.eurydice.org

362


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

Aard stoornissen

Type 1

Type 2

Type 3

Type 4

Type 6

Type 7

Licht Mentale

Matig en/of ernstig mentale

Karakteriël e

Fysieke

Visuele

Auditieve

Algemeen totaal

J

M

J

M

J

M

J

M

J

M

J

M

J

M

T

GO!

-

-

290

190

8

-

146

81

2

-

5

2

451

273

724

Privaatrechtelijk

-

-

829

624

8

1

238

148

78

55

117

43

1.270

871

2.141

Gemeente

-

-

66

36

-

-

14

17

-

-

-

-

80

53

133

Intercommunale

-

-

31

12

-

-

1

1

1

-

-

-

33

13

46

Totaal

-

-

1.216

862

16

1

399

247

81

55

122

45

1.834

1.210

3.044

GO!

-

-

442

327

17

1

67

31

4

1

1

2

531

362

893

Privaatrechtelijk

-

-

783

573

39

9

81

75

10

17

37

10

950

684

1.634

Gemeente

-

-

94

50

1

-

1

-

-

1

-

-

96

51

147

Intercommunale

-

-

28

29

-

-

-

-

1

-

-

-

29

29

58

VGC

-

-

-

-

-

-

-

-

1

4

4

3

5

7

12

Totaal

-

-

1.347

979

57

10

149

106

16

23

42

15

1.611

1.133

2.744

GO!.

1.184

872

-

-

165

53

45

16

-

-

2

-

1.396

941

2.337

Privaatrechtelijk

3.705

2.492

-

-

743 165

12

9

13

8

170

45

4.643

2.719

7.362

Provincie

137

63

-

-

19

1

-

-

-

-

-

-

156

64

220

Gemeente

855

442

-

-

66

10

2

1

-

-

5

1

928

454

1.382

Intercommunale

77

35

-

-

32

5

3

-

-

-

-

-

112

40

152

VGC

42

18

-

-

1

-

2

-

3

-

16

9

64

27

91

Totaal

6.000

3.922

-

-

1.026 234

64

26

16

8

193

55

7.299

4.245

11.544

GO!.

-

-

-

-

29

5

-

-

-

-

-

-

29

5

34

Privaatrechtelijk

-

-

-

-

53

-

94

52

18

8

112

17

277

77

354

Provincie

-

-

-

-

79

2

-

-

-

-

-

-

79

2

81

Totaal

-

-

-

-

161

7

94

52

18

8

112

17

385

84

469

GO!

1.184

872

732

517

219

59

258

128

6

1

8

4

2.407

1.581

3.988

Privaatrechtelijk

3.705

2.492

1.612

1.197

843 175

425

284

119

88

436

115

7.140

4.351

11.491

Provincie

137

63

-

-

98

3

-

-

-

-

-

-

235

66

301

Gemeente

855

442

160

86

67

10

17

18

-

1

5

1

1.104

558

1.662

Intercommunale

77

35

59

41

32

5

4

1

2

-

-

-

174

82

256

VGC

42

18

-

-

1

-

2

-

4

4

20

12

69

34

103

Algemeen totaal

6.000

3.922

2.563

1.841

1.260 252

706

431

131

94

469

132

11.129

6.672

17.801

Opleidingsvorm 1

Opleidingsvorm 2

Opleidingsvorm 3

Opleidingsvorm 4

ALGEMEEN TOTAAL

www.eurydice.org

363


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) Om dubbeltellingen te vermijden werden de leerlingen van het type 5 niet opgenomen in deze tabel (zie toelichting). Op 1 februari 2006 werden er 240 leerlingen geteld in het buitengewoon secundair onderwijs van het type 5: Het gemeenschapsonderwijs telde 120 leerlingen, het privaatrechtelijk onderwijs telde 40 leerlingen en het gemeentelijk onderwijs telde 80 leerlingen. De gemiddelde aanwezigheid op jaarbasis bedroeg 116,85 voor het gemeenschapsonderwijs, 37,09 voor het privaatrechtelijk onderwijs en 59,22 voor het gemeentelijk onderwijs . VGC = Vlaams Gemeenschapscommissie (Nederlandstalig onderwijs Brussels Hoofdstedelijk Gewest)

Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2005-2006

www.eurydice.org

364


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

10.8.7. Aantal leerlingen in het geïntegreerd onderwijs kleuteronderwijs Type

type 2

Lager onderwijs

Aantal

Aard

Aard

Aantal

Aard

Aard

leerlingen

handicap

integratie

leerlingen

handicap

integratie

7

==

7 VP 9

1 matig of ernstig mentaal

1 VP

8 normaal begaafd

8 VP

421 ernstig lichamelijk

420 VP + 1 GP

390 matig lichamelijk

390 VP

120 ernstig visueel

120 VP

35 matig visueel

35 VP

847 ernstig auditief

846 VP + 1 GP

839 matig auditief

839 VP

==

196 VP

type 3

type 4 type 6 type 7

523 95 420

178 ernstig lichamelijk

178 VP

345 matig lichamelijk

345 VP

67 ernstig visueel

67 VP

28 matig visueel

28 VP

176 ernstig auditief

175 VP + 1 GP

244 matig auditief

244 VP

type 8 Totaal

811 155 1.686 196

1.044 VP + 1 GP

1.045

2.855 VP + 2 GP

2.857

Secundair onderwijs Type

Hoger onderwijs

Aantal

Aard

Aard

Aantal

Aard

Aard

leerlingen

handicap

integratie

leerlingen

handicap

integratie

type 3

103

103 normaal begaafd

103 VP

type 4

436

279 ernstig lichamelijk

279 VP

24

18 ernstig lichamelijk

18 VP

157 matig lichamelijk

157 VP

6 matig lichamelijk

6 VP

145 ernstig visueel

145 VP

22 ernstig visueel

22 VP

17 matig visueel

16 VP + 1 VT

3 matig visueel

3 VP

548 ernstig auditief

548 VP

28 ernstig auditief

28 VP

617 matig auditief

608 VP + 9 VT

26 matig auditief

26 VP

type 6

type 7

Totaal

162

1.165

1.866

1.856 VP + 10 VT

25

54

103

103 VP

VP: volledige integratie, permanent. VT : volledige integratie, tijdelijk. GP: gedeeltelijke integratie, permanent. GT: gedeeltelijke integratie, tijdelijk. Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2005-2006

www.eurydice.org

365


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

10.8.8. Evolutie van het aantal GON-leerlingen begeleid vanuit het buitengewoon basisonderwijs

Schooljaar

GO! onderwijs

Vrij Onderwijs

Gesubisidieerd Officieel Ond.

Totaal

1991-1992

66

393

115

574

1992-1993

54

376

120

550

1993-1994

79

438

130

647

1994-1995

97

491

156

744

1995-1996

105

552

147

804

1996-1997

83

540

167

790

1997-1998

101

611

179

891

1998-1999

118

737

176

1031

1999-2000

148

793

179

1.120

2000-2001

170

909

210

1.289

2001-2002

216

1.053

247

1.516

2002-2003

291

1.266

317

1.874

2003-2004

430

1.630

344

2.404

2004-2005

734

2.189

439

3.362

2005-2006

1.025

2.769

537

4.331

Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2005-2006

www.eurydice.org

366


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

10.8.9. Evolutie van het aantal GON-leerlingen begeleid vanuit het buitengewoon secundair onderwijs

GemeenschapsSchooljaar

Gesubsidieerd

Totaal

onderwijs

Vrij Ond. (VGO)

Officieel Ond. (OGO)

1991-1992

33

146

16

195

1992-1993

40

201

19

260

1993-1994

43

224

19

286

1994-1995

44

245

24

313

1995-1996

38

233

33

304

1996-1997

42

200

21

263

1997-1998

41

246

24

311

1998-1999

43

272

29

344

1999-2000

66

337

32

435

2000-2001

56

377

33

466

2001-2002

53

412

26

491

2002-2003

76

495

27

598

2003-2004

84

658

30

772

2004-2005

123

920

45

1.088

2005-2006

190

1.250

100

1.540

Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2005-2006

www.eurydice.org

367


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

10.8.10. GOK

telling 1/2/2002

telling 1/2/2005

1.808

1.899

Aantal GOK-leerlingen

119.935

128.270

Aantal leerlingen die scoren op minstens één GOK-indicator

137.104

158.487

37.825

40.478

467.000

527.716

376

400

Aantal GOK-leerlingen

25.255

26.145

Aantal leerlingen die scoren op minstens één GOK-indicator

28.111

30.672

5.503

6.580

120

109

14.696

14.149

2.582

2.704

GOK-gegevens basisonderwijs Aantal scholen met GOK-lestijden

Aantal toegekende GOK-lestijden Aantal leerlingen in scholen met een GOK-aanvraag e

GOK-gegevens secundair onderwijs 1 graad Aantal scholen met extra uren-leraar GOK

Aantal extra uren-leraar GOK e

GOK-gegevens secundair onderwijs 2e en 3 graad Aantal scholen met extra uren-leraar GOK Aantal GOK-leerlingen Aantal extra uren-leraar GOK

Aantal GOK-leerlingen zijn de leerlingen die GOK-lestijden/lesuren genereren, enkel geteld in de scholen die GOK-lestijden/lesuren gekregen hebben. GOK-leerlingen in scholen die - om welke reden dan ook - geen GOK-lestijden/lesuren gekregen hebben, zijn niet meegeteld. De leerlingen die op minstens één GOK-indicator scoren zijn dezelfde als de vorige categorie (GOKleerlingen) + de leerlingen die enkel op de indicator "thuistaal niet Nederlands" scoren. Deze laatste zijn immers geen GOK-leerlingen. Ook hier worden enkel de leerlingen geteld in de scholen die GOKlestijden/lesuren gekregen hebben. Het aantal GOK-lestijden/lesuren 1/2/2002 zijn het aantal lestijden/lesuren die toegekend zijn op basis van de telling van 1/2/2002, maar pas vanaf het schooljaar 2003-2004 ingingen, omdat in het schooljaar 2002-2003 voor GOK een overgangsregeling van kracht was. De tabel bevat het aantal toegekende GOK-lestijden/lesuren voor 2005-2006. 8 basis scholen kregen een negatief inspectieverslag en daarom slechts de helft van de uren toegekend. In het secundair van de 1e graad kregen 7 scholen een negatief inspectieverslag en kregen bijgevolg slechts de helft van de uren toegekend. Hiermee werd geen rekening gehouden in de tabel. De provincie Antwerpen telt ongeveer een derde van de GOK-leerlingen. Bron: Statistisch Jaarboek 2005-2006

www.eurydice.org

368


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

10.8.11. Aantal leerlingen/studenten van vreemde nationaliteit, per onderwijsniveau

www.eurydice.org

369


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

11. DE EUROPESE EN INTERNATIONALE DIMENSIE IN HET ONDERWIJS 11.1. Historisch overzicht In de periode na Wereldoorlog II sloot België culturele akkoorden af met diverse landen om de mobiliteit en de uitwisselingen tussen de verschillende partners te stimuleren. Door de herziening van de Belgische staatsstructuur gebeurt de invulling ervan sinds 1982 door de gemeenschappen. In 1993 kreeg Vlaanderen de bevoegdheid om zelf internationale verdragen te sluiten, waardoor er verdragen zijn afgesloten die alle domeinen bevatten die tot zijn bevoegdheid behoren. Deze verdragen maken het mogelijk werkprogramma's uit te werken die breder zijn dan de domeinen onderwijs en cultuur, die verschillende financieringsvormen mogelijk maken en voor projectmatige samenwerking openstaan. Deze akkoorden zijn bilaterale akkoorden, waarvan de betekenis voor sommige landen gewijzigd wordt naarmate het supranationale gegeven gewijzigd wordt. Wanneer bv. de Europese programma's zoals LPP belangrijker worden, wordt de impact van de bilaterale uitwisselingen kleiner; ook omdat het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming zich bij voorkeur wenst te integreren in de programma's van de EU. Belangrijke bilaterale verdragen of samenwerkingsakkoorden op het vlak van onderwijs die nu nog lopen maar al vóór 1993 tot stand kwamen zijn deze gesloten met Nederland (1990) en de Russische Federatie (1991). Nadien werd het Gemeenschapsakkoord met Zuid-Afrika afgesloten (1996) en werd het onderwijsakkoord met Marokko gesloten (2001-2004). Meer details over deze verdragen en akkoorden zijn te vinden in de volgende hoofdstukken. Het Europees onderwijsbeleid werd in de jaren '60-'80 vooral gekenmerkt door intergouvernementele samenwerking. Eind jaren '80 komen daar Europese programma's bij waar Vlaanderen van bij de opstart heel actief aan participeert. Tijdens het Belgisch voorzitterschap werden de bouwstenen voor het Europees Doelstellingenproces verder ontwikkeld en Vlaanderen werkt actief mee aan de verschillende werkgroepen. Ook bij de totstandkoming van het Kopenhagenproces (oorspronkelijk Bruggeproces) heeft Vlaanderen een initiërende rol gespeeld. Onder punt 11.2. worden deze werkingen verder besproken. Bij de samenwerking in multilateraal verband (de Unesco, Raad van Europa en de OESO) wordt vaak gekeken naar de opportuniteiten die deze structuren bieden aan het Ministerie van Onderwijs en Vorming. De deelname aan de werking van deze instanties gebeurt hoofdzakelijk op projectbasis, waardoor de partners vaak wisselen. Vlaanderen kiest vooral voor die projecten die aansluiten bij het Vlaamse onderwijsbeleid of voor die ondersteuningsprojecten waaraan van Vlaamse zijde een structurele bijdrage kan worden geleverd.

11.2. Actuele discussies en toekomstige ontwikkelingen We behandelen eerst de huidige Europese invloeden op het Vlaams onderwijssysteem, daarna de Europese samenwerkingen.

www.eurydice.org

370


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

11.2.1. Huidige Europese invloeden op het Vlaams onderwijssysteem Sinds 1998 namen Vlaamse scholen deel aan EU pilootprojecten over kwaliteitsgarantie en zelfevaluatie op lager en secundair niveau. Sinds 2003 worden gelijkaardige EU-initiatieven genomen in de volwasseneneducatie. De Nederlands-Vlaamse samenwerking op het niveau van de inspectie kreeg concreet gestalte in een intensieve uitwisseling van outputmetingen bij schooldoorlichtingen. Enkele markante Europese invloeden op het Vlaams hoger onderwijssysteem zijn de volgende: De hervorming van het Vlaamse hoger onderwijs in de jaren '90 beoogde o.a. een verbetering van de participatie van de instellingen voor hoger onderwijs in internationale programma's. Elke instelling voor hoger onderwijs heeft een dienst opgericht om de uitbouw van internationale contacten en relaties administratief te ondersteunen. Door het decreet van 4 april 2003 werd de nieuwe internationale structuur bachelor – master, conform het Bolognaproces, ingevoerd. De instellingen voor hoger onderwijs kunnen opleidingsonderdelen laten doceren door anderstalige gastprofessoren en studenten anderstalige opleidingsonderdelen laten volgen aan een buitenlandse instelling voor hoger onderwijs. Vlaamse studenten uit de (taal)lerarenopleiding gaan lesgeven of een stage doen in buitenlandse scholen. Dit heeft een positieve invloed op o.a. hun CLIL-vaardigheden. Het instellingsbestuur kan opleidingen volledig in een andere taal aanbieden indien het gaat om opleidingen specifiek bedoeld voor buitenlandse studenten of om opleidingen in het kader van Europese en internationale programma's. Datzelfde decreet bevestigt ook het verplichte gebruik van het diplomasupplement conform de UNESCO richtlijnen, dat in 1991 werd ingevoerd voor alle Vlaamse universitaire diploma's en in 1994 voor alle Vlaamse hogescholendiploma's. Het Vlaamse diplomasupplement stond model voor het internationale Diploma Supplement gezamenlijk ontwikkeld door de Europese Commissie, de Raad van Europa en UNESCO. De introductie in de jaren '90 van een Vlaams studiepuntensysteem, volledig gebaseerd op het Europese ECTS-systeem (European Credit Transfer System), bevordert de onderlinge uitwisseling van studenten van instellingen voor hoger onderwijs in andere Europese landen. Dankzij het decreet van 30 april 2004 betreffende de flexibilisering van het hoger onderwijs in Vlaanderen kan de student opteren voor een modeltraject van ongeveer 60 studiepunten per academiejaar of voor een individuele combinatie van opleidingsonderdelen. De keuze wordt vastgelegd in een studiecontract tussen de student en de instelling. De student ontvangt een diploma na het behalen van creditbewijzen voor alle opleidingsonderdelen die erin vervat zijn of wanneer de examencommissie van oordeel is dat de globale doelstellingen van het opleidingsprogramma voldoende verwezenlijkt zijn. De Vlaamse instellingen voor hoger onderwijs zijn zeer actief en succesvol in het organiseren van 'Joint Degrees' en masteropleidingen in het kader van het Erasmus Mundus-programma.

11.2.2. Europese samenwerkingen Hier gaan we kort in op het Bolognaproces, het Europees Doelstellingenproces en het Brugge/Kopenhagenproces. Sinds 2004 hebben de activiteiten binnen deze processen plaats onder de noemer "Onderwijs en opleiding 2010".

www.eurydice.org

371


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

11.2.2.1. Het Bolognaproces

In 1999 ondertekenden de onderwijsministers van 29 Europese landen de Bolognaverklaring als opvolging van de Sorbonneverklaring van 1998. Het Bolognaproces beoogt tegen 2010 de creatie van een Europese Hogeronderwijsruimte om in Europa meer eenheid te brengen op hogeronderwijsvlak. In 2005 hebben de ondertussen 45 deelnemende landen op de bijeenkomst in Bergen (Noorwegen) de krachtlijnen van het Bolognaproces aangevuld. Zie 6.1.3.. Meer informatie op: ● ● ●

http://www.bologna-bergen2005.no/ http://www.ond.vlaanderen.be/bolognaproces/vlaanderen/documentatie.htm http://www.ond.vlaanderen.be/bolognaproces/europa/doc/pdf/bolognaverklaring.pdf H

H

11.2.2.2. Het Europees Doelstellingenproces

In aansluiting op de beleidsprioriteit 'een antwoord bieden op uitdagingen van de toekomst', hebben de Vlaamse regering en de vertegenwoordigers van het Vlaamse middenveld op 22 november 2001 een zogenaamd Pact van Vilvoorde ondertekend. Het werd in 2005 geactualiseerd. Hierin worden 21 concrete lange-termijndoelstellingen (te verwezenlijken tegen 2010) voor de 21ste eeuw vooropgesteld. Drie van die doelstellingen hebben specifiek betrekking op het onderwijs en komen ook terug in het Europees Doelstellingenrapport. ● ● ●

Tegen 2010 neemt minstens 12,5 procent van de Vlaamse inwoners, tussen 25 en 65, deel aan permanente vorming. Het aantal jongeren dat de school verlaat zonder voldoende startkwalificaties is tegen 2010 minstens gehalveerd. Elke jongere uit Vlaanderen krijgt de kans om een ervaring op te doen in het buitenland, onder meer in het kader van ontwikkelingssamenwerking, culturele vorming of onderwijs.

De Europese ministers van onderwijs en de Europese Commissie hebben de opdracht van de 'Top van Lissabon' om de meest dynamische en competitieve, op kennis gebaseerde economie van de wereld te worden, ter harte genomen. De doelstellingen die de ministers hebben goedgekeurd zijn ambitieus en hebben gevolgen voor het Vlaamse onderwijs. Via de open methode van coördinatie wil de Europese Unie de vooruitgang in de realisatie van de 3 strategische doelstellingen opvolgen. ●

● ●

Verbetering van de kwaliteit en de effectiviteit van de onderwijs- en opleidingsstelsels in de EU via onder meer verbetering van het onderwijs en de opleiding van leerkrachten en opleiders, optimale inzet van financiële middelen, toegang tot ICT voor iedereen, enz. Betere toegankelijkheid van de onderwijs- en opleidingsstelsels voor iedereen, door het leren aantrekkelijker te maken, actieve participatie van burgers in de maatschappij, enz. De onderwijs- en opleidingsstelsels breed open gooien voor de buitenwereld via het stimuleren van het ondernemerschap, verbetering van vreemde talenonderwijs, versterking van mobiliteit en uitwisseling, enz.

Vlaanderen werkt actief mee aan de diverse opgerichte expertenwerkgroepen (o.m. over Active Citizenship en over Adult Competences). Vlaanderen heeft daarnaast werk gemaakt van de communicatie-acties om het rapport bekend te maken in het departement en het onderwijsveld. Zie http://www.ond.vlaanderen.be/internationaal/doelstellingenrapport.htm

www.eurydice.org

372


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

11.2.2.3. Het Kopenhagenproces

Een gezamenlijk Europees beleid inzake beroepsonderwijs en -opleiding werd geïnitieerd in Brugge in 2001 tijdens een vergadering van de directeurs-generaal van de Beroepsopleiding. Het werd verankerd door de Verklaring van Kopenhagen tijdens de intergouvernementele conferentie van de Europese Ministers bevoegd voor beroepsonderwijs en -opvoeding in 2002. Het gaf gevolg aan de oproep van de Europese Regeringsleiders op de Europese Raad van Barcelona in 2002 om, analoog aan het Bolognaproces voor hoger onderwijs, een initiatief op te zetten voor het beroepsonderwijs en opleiding. Er lopen acties voor volgende vier deelaspecten van Europese samenwerking op het gebied van beroepsonderwijs en -opleiding. ● ● ● ●

Europese dimensie Erkenning van bekwaamheden en kwalificaties Transparantie, informatie en studiebegeleiding Kwaliteitsbewaking

In dit kader wordt momenteel gewerkt aan een Europees kwalificatieraamwerk (EQF) en aan een Europees creditsysteem (ECVET). De ruimere maatschappelijke en internationale context van beroepsopleiding en –onderwijs maakt dat overleg met sociale partners en linken met de Werkgelegenheidsstrategie dient verzekerd te worden, en dit vanaf 2005 binnen de nieuwe Lissabonstrategie "Groei en werk"

11.3. Vlaamse beleidslijnen en wettelijk kader Voor uitgebreide informatie en documenten over het Vlaams buitenlands beleid verwijzen we naar verschillende websites van de Vlaamse overheid. We geven hier enkel de websites die direct relevant zijn voor onderwijs. Vlaanderen Internationaal Voor het beleidskader, beleidsnota's, Vlaams regeerakkoord (luik buitenlands beleid en internationale samenwerking) Internationalisering in het onderwijs Vlaanderen en de Europese Unie de Lissabonstrategie Vlaamse multilaterale samenwerking OESO Raad van Europa Unesco

http://docs.vlaanderen.be/buitenland/index.htm http://docs.vlaanderen.be/buitenland/overheidsdiensten/beleidskader.htm

http://www.ond.vlaanderen.be/internationaal http://docs.vlaanderen.be/buitenland/europeseunie.htm H

H

http://docs.vlaanderen.be/buitenland/europeseunie/lissabonstrategie.htm http://docs.vlaanderen.be/channels/hoofdmenu/vlaanderenint/multilaterales amenwerking.jsp http://docs.vlaanderen.be/channels/hoofdmenu/vlaanderenint/multilateraal/ oeso.jsp http://docs.vlaanderen.be/channels/hoofdmenu/vlaanderenint/multilateraal/ raad.jsp http://docs.vlaanderen.be/channels/hoofdmenu/vlaanderenint/multilateraal/ vn_organisaties_unesco.jsp

www.eurydice.org

373


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) NADIA, Netwerk Archivering van Documenten m.b.t. Intergouvernementele en Internationale Akten Vlaamse Overheid. Databank van de afdeling Beleid van het departement Internationaal Vlaanderen. De opgenomen intergouvernementele akten zijn de binnenlandse samenwerkingsakkoorden die gesloten werden door de Vlaamse Regering met de federale regering en/of de regeringen van de andere Gemeenschappen en/of Gewesten. De internationale akten zijn internationale verbintenissen van de Vlaamse overheid.Binnen het departement onderwijs en vorming staat het Project Internationale Projecten Onderwijs en Vorming in voor de opvolging en leiding van internationale projecten m.b.t. het beleidsdomein Onderwijs en Vorming. Met de afdeling Internationale Relaties wordt samengewerkt aan de ontwikkeling en uitvoering van multilaterale, Europese en bilaterale onderwijsprogramma's.

11.4. Vlaamse programma's en initiatieven We behandelen afzonderlijk: ● ●

bilaterale programma's, zie 11.4.1. multilaterale programma's, zie 11.4.2.

11.4.1. Bilaterale programma's en initiatieven De bilaterale samenwerking is gebaseerd op: ● ● ● ●

culturele akkoorden, zie 11.4.1.1. Vlaamse verdragen, zie 11.4.1.2. onderwijsakkoorden, zie 11.4.1.3. omzendbrieven betreffende grensoverschrijdende samenwerkingen, zie 11.4.1.4.

11.4.1.1. Culturele akkoorden en samenwerkingsprogramma's

Een vorm van bilaterale samenwerking is mogelijk in het kader van culturele akkoorden en samenwerkingsakkoorden. Sommige akkoorden werden nog door België afgesloten, maar worden door de regio's ingevuld. Andere akkoorden (exclusieve verdragen) zijn door Vlaanderen afgesloten, nadat Vlaanderen sinds 1993 de bevoegdheid heeft verkregen om verdragen af te sluiten. Met een 30-tal landen heeft Vlaanderen samenwerkingsprogramma’s lopen. Een dergelijke samenwerking heeft betrekking op alle onderwijsniveaus, maar het meest intens op het vlak van hoger onderwijs. Het omvat specialisatie- en onderzoeksbeurzen voor studenten uit een post-academische opleiding in het hoger onderwijs, de uitwisseling van hoogleraren en docenten, de organisatie van de zomercursussen Nederlandse taal en cultuur. Ter uitvoering van het Vlaams beleid t.o.v. Centraal- en Oost-Europa heeft Vlaanderen, naast de exclusieve verdragen, ook samenwerkingsprogramma’s lopen met Centraal- en Oost-Europa met de bedoeling bij te dragen aan de verdere uitbouw van een democratische samenleving, bij de opbouw van een vrije markteconomie en een evenwichtig sociaal model.

www.eurydice.org

374


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

11.4.1.2. Vlaamse verdragen

In 2000 werd het samenwerkingsverdrag tussen Vlaanderen en Zuid-Afrika – dat bestond sinds 1996 – vernieuwd en uitgebreid tot alle beleidsdomeinen waarvoor Vlaanderen bevoegd is. De drie provincies Vrijstaat, KwaZulu-Natal en Limpopo werden als geografisch prioritaire gebieden aangeduid. Het departement Internationaal Vlaanderen volgt voor de ontwikkelingssamenwerking nog steeds deze geografische prioriteiten en ook vanuit het departement Onderwijs en Vorming tracht men hier zoveel mogelijk rekening mee te houden. In mei 2005 keurde de vaste gemengde commissie Vlaanderen- Zuid-Afrika het werkprogramma voor de jaren 2005-2006 goed. In het kader van dit werkprogramma lopen momenteel de volgende projecten: ●

●

Early Childhood Development in the Free State. Dit is een project van ontwikkelingssamenwerking met een (inhoudelijke en budgettaire) input van het Departement Onderwijs en Vorming. De algemene doelstelling is ‘het verbeteren van het basisonderwijs en de gezondheidsvoorzieningen voor jonge leerlingen in de Vrijstaat’. ‘A Whole School Development Strategy for Values in Education’: een project dat wordt uitgevoerd door het nationale onderwijsdepartement. Dit project vormt de implementatiefase van het pilootproject uit 2003- 2004.

In december 2006 gingen twee nieuwe projecten in Zuid-Afrika van start. In KwaZulu-Natal is dat het project ‘Support for Educator Development Programmes in Language, Mathematics and Science in the Othukela District’. In de Vrijstaat gaat het om ‘Support for Free State Foundation Phase Educators to manage the First Additional Language and the Language of Learning and Teaching effectively’. Deze projecten worden uitgevoerd door de NGO ‘Culture of Learning Association’ en zullen worden opgenomen in het nieuwe werkprogramma 2007-2008.

11.4.1.3. Onderwijsakkoorden

We behandelen hier de bilaterale samenwerking van het departement Onderwijs en Vorming met partnerlanden gebaseerd op onderwijsakkoorden, meer specifiek: ● ● ●

de samenwerking met Nederland het akkoord met Rusland de samenwerking met Marokko

11.4.1.3.1. Samenwerking met Nederland

Deze samenwerking berust op verschillende verdragen en akkoorden. Er lopen verschillende samenwerkingsverbanden. Het Cultureel Verdrag tussen Vlaanderen en Nederland

Dit verdrag over nauwe samenwerking op vlak van cultuur, onderwijs, wetenschappen en welzijn werd in 1995 ondertekend. Voor de ambtelijke samenwerking tussen Vlaanderen en Nederland op het gebied van onderwijs wordt uitvoering gegeven aan dit verdrag via de GENT-akkoorden (zie volgende §). ● ●

zie http://www.cvn.be/cult/index.htm http://cvn.be/samen/index.htm H

www.eurydice.org

375


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

Het Taalunieverdrag creëerde de Nederlandse Taalunie

Om een aantal aangelegenheden betreffende de Nederlandse taal, waaronder taalvorming en onderwijs gezamenlijk aan te pakken, hebben Nederland en de Vlaamse Gemeenschap de Nederlandse Taalunie opgericht. Dit supranationaal orgaan geeft de mogelijkheid om op internationaal niveau als één taalgemeenschap te handelen Op het gebied van onderwijs Nederlands binnen Nederland en Vlaanderen ontwikkelt de Taalunie diverse initiatieven, waaronder: ● ● ● ● ● ● ●

de Taalunie Onderwijsprijs; een scriptieprijs voor studenten Neerlandistiek. ondersteuning van Nederlands-Vlaamse veldorganisaties; kaderteksten voor visieontwikkeling spellingsaanpassing ontwikkeling van instrumenten voor taalinfrastructuur de website Taalunieversum, met een aantal voorzieningen voor leraren:

○ een elektronische attenderingslijst met samenvattingen van artikelen over het onderwijs Nederlands uit Nederlandse en Vlaamse vakbladen; H

H

○ een verklarende woordenlijst van Nederlandse, Surinaamse en Vlaamse H

H

onderwijstermen en/of afkortingen

○ een digitaal dossier NT2 met artikels over het volwassenenonderwijs NT2 in H

H

Nederlands-Vlaamse context

○ een vraagbaak over het onderwijs Nederlands/NT2. ○ zie http://taalunieversum.org/ H

H

H

GENT-akkoorden

Deze onderwijssamenwerking tussen Vlaanderen en Nederland loopt sinds 1990. GENT staat voor 'Gehele Europese Nederlandse Taalgebied'. ●

Het Gent-5 akkoord liep van 2000-2003 en omvatte o.m.:

○ samenwerking inzake de oprichting van de transnationale Universiteit Limburg; ○ overleg en samenwerking rond ICT, hetgeen de programmamatrix opleverde, d.i. een elektronische databank van educatieve software (voor Vlaanderen op niveau van het basisonderwijs) die online kan worden geraadpleegd → http://www.programmamatrix.be/ H

○ samenwerking tussen Vlaamse academies van DKO en de Nederlandse centra voor de Kunsten;

○ participatieve stages : uitwisselingen tussen Vlaamse en Nederlandse basisscholen,

●

waarbij jaarlijks leerkrachten van 16 Vlaamse scholen een week gaan observeren in een Nederlandse school en omgekeerd. Per cyclus van 3 jaar staat een vooraf bepaald thema centraal. In 2003 werd het GENT-6 akkoord getekend die de samenwerking voor 4 jaar verlengt.

Het accreditatieverdrag

Op 3 september 2003 werd met Nederland een verdrag afgesloten betreffende de samenwerking inzake de accreditatie van opleidingen in het hoger onderwijs in het kader van de invoering van de bachelor-masterstructuur ten gevolge van de Bologna-afspraken. Het verdrag heeft ook de gezamenlijke Nederlands-Vlaamse Accrediteringsorganisatie (NVAO) in het leven geroepen. Het verdrag vormt samen met het structuurdecreet van 4 april 2003 de decretale basis voor de invoering van de accreditatie in Vlaanderen. www.eurydice.org

376


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) Het accreditatiekader, ontworpen door het NVAO, bepaalt dat ten behoeve van de accreditatie een opleiding wordt beoordeeld aan de hand van zes onderwerpen: doelstellingen van de opleiding, programma, inzet van personeel, voorzieningen, interne kwaliteitszorg en resultaten. ● ●

Zie http://nvao.net Zie ook 9.4.3. De accreditatie van opleidingen in het hoger onderwijs. H

Visitatie

Reeds in 1992 sloten de Vereniging van Samenwerkende Nederlandse universiteiten (VSNU) en de Vlaamse Interuniversitaire Raad (VLIR) een overeenkomst over samenwerking inzake onderwijsvisitaties. Visitatiescommissies met Nederlandse en Vlaamse leden controleren de kwaliteit van de opleidingen. In het kader van de invoering van accreditatie in het Vlaamse hoger onderwijs hebben de Vlaamse Interuniversitaire Raad (VLIR) en de Vlaamse Hogescholenraad (VLHORA) gezamenlijk een grondig vernieuwd visitatieprotocol uitgewerkt. Dit protocol kan gebruikt worden voor de externe visitaties van alle professioneel gerichte en academisch gerichte opleidingen van Vlaamse universiteiten, hogescholen en andere ambtshalve geregistreerde instellingen van hoger onderwijs, ter voorbereiding van een accreditatie-aanvraag bij de NVAO. Het protocol is zowel een handleiding voor de opleidingen (ter voorbereiding van de zelfevaluatie) als voor de visitatiecommissies (ter instructie van hun bezoek en de rapportering erover).

Het verdrag voor de Transnationale Universiteit Limburg (TUL)

In 1991 beslisten de Universiteit Maastricht en het Limburgs Universitair Centrum in Diepenbeek om gezamenlijk de studierichting kennistechnologie in richten. In 2001 werd het verdrag inzake de TUL ondertekend. Stapsgewijs worden opleidingen ondergebracht in deze TUL : kennistechnologie, biomedische wetenschappen, informatie- en communicatietechnologie, onderwijswetenschappen. Zie http://www.tul.edu/

Samenwerking tussen universiteiten en hogescholen

Er bestaan ook talrijke vormen van samenwerking tussen universiteiten en hogescholen in Nederland en Vlaanderen. De IWETO-databank van de Vlaamse Gemeenschap bevat meer dan 1000 wetenschappelijke samenwerkingsverbanden tussen Vlaamse universiteiten (geen hogescholen of wetenschappelijke instellingen) en Nederlandse instellingen. Die samenwerking is soms nog ruimer. Zo werken de universiteiten van Aken, Luik, Maastricht en Diepenbeek (de Euregio Maas-Rijn) samen onder de noemer ALMA en de hogescholen onder de noemer HORA EST. Verder hebben jaarlijks Nederlands-Vlaamse ontmoetingsdagen hoger onderwijs plaats.

Open universiteit

In 1984 ging de Nederlandse Open Universiteit van start. De Open Universiteit (OU) biedt mensen de kans om buiten de normale dagopleidingen aan de universiteit en in eigen tempo een universitaire opleiding te volgen. Sinds 1981 zijn er contacten tussen Vlaanderen en Nederland om samen te werken op het gebied van OU. De Vlaamse Interuniversitaire Raad (VLIR) sloot met de Nederlandse OU een samenwerkingsakkoord, waardoor er vier Vlaamse centra van de OU gecreëerd werden bij Vlaamse universiteiten, zie www.ou.nl/

GROS (grensoverschrijdende samenwerking) en Buurlandenprogramma

In 1995 is het GROS-project met Nederland van start gegaan op het niveau van het basis en secundair onderwijs. De initiatieven voor het basisonderwijs BaO werden in 1999 overgenomen door www.eurydice.org

377


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) het buurlandenproject, zie 11.6.1.1. (uitwisseling leerlingen) en 11.6.2.1. (uitwisseling onderwijzend personeel). Vanaf het schooljaar 2004-2005 werd dit programma opengesteld naar de onmiddellijke buurlanden van België: Nederland, Luxemburg, Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk, zie 11.6.1.1..

Stichting Scolarta

De stichting Scolarta biedt scholen secundair onderwijs in Nederlands en Belgisch Limburg elk jaar de kans hun prestaties op het gebied van muziek, voordracht en beeldende kunst te laten zien. Zie http://www.cvn.be/samen/inh_090500_varia.asp

11.4.1.3.2. Akkoord met Rusland

Sinds 1991 werden diverse samenwerkingsakkoorden en –protocollen gesloten tussen de Vlaamse en Russische ministers van onderwijs. In uitvoering hiervan zijn tientallen projecten opgezet. De terreinen waarop wordt samengewerkt zijn o.a. onderwijs aan kinderen met speciale noden, leerlingenbegeleiding, het beroepsonderwijs. In 2005 werd een nieuw akkoord ondertekend. In uitvoering daarvan lopen er tot eind 2007 4 projecten, 2 rond leerlingenbegeleiding en 2 rond kinderen en jongeren met bijzondere noden.

11.4.1.3.3. Samenwerking met Marokko

De belangrijke aanwezigheid van Marokkaanse kinderen in de Vlaamse scholen was één van de redenen om in 2001 een samenwerkingsakkoord te sluiten met Marokko. Het samenwerkingsakkoord liep af in 2004, maar sindsdien werden 'twinningprojecten' opgestart, een uitwisseling tussen Vlaamse en Marokkaanse scholen, op basis van vakoverschrijdend werken, waarbij de identiteit- en verdraagzaamheidontwikkeling centraal staat. Zie http://www.ond.vlaanderen.be/twinning/

11.4.1.4. Samenwerking met buurlanden

Er lopen verschillende programma's, waarvan we enkele uitgebreider behandelen bij de uitwisselingsprogramma's. Sedert 1995 maakt het GROS-programma (Grensoverschrijdende samenwerking) het voor Vlaamse en Nederlandse secundaire scholen mogelijk klassen uit te wisselen. Vanaf het schooljaar 2004-2005 werd dit programma opengesteld naar de onmiddellijke buurlanden van België: Nederland, Luxemburg, Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. Het GROS-programma betreft samenwerkingsprojecten met de buurlanden op niveau van het secundair onderwijs, zie 11.6.1.1.. Het Buurlanden-programma betreft samenwerking met buurlanden op niveau basisonderwijs BaO, zie 11.6.1.1. (uitwisseling leerlingen) en 11.6.2.1. uitwisseling onderwijzend personeel. Zomercursussen Frans worden georganiseerd door de afdeling Internationale Relaties i.s.m. de Franse ambassade ●

nascholingscursus (taalbad) Frans voor leerkrachten die in de klas Frans geven, directeurs, leerkrachten die in de nabije toekomst Frans zullen onderwijzen, en leerkrachten die taalinitiatie Frans geven of zullen geven (10 dagen); www.eurydice.org

378


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) ●

opleiding tot nascholer Frans (formation des formateurs), voor degenen die de nascholingscursus hebben gevolgd en hun kennis willen doorgeven (14 dagen). Gesubsidieerd via Comenius.

Formacom II is een samenwerking met Frankrijk inzake vorming van nascholers voor het vak Frans ● ●

Voor leerkrachten Frans in het secundair onderwijs en het volwassenenonderwijs (OSP). De leerkrachten volgen eerst een opleidingsseminarie in Frankrijk. Daarna worden opvolgdagen georganiseerd in Vlaanderen en starten de nascholers met workshops voor hun collega-leerkrachten Frans. Programma georganiseerd door het departement Onderwijs en Vorming i.s.m. de Franse ambassade, Vlaamse universiteiten en Vlaamse onderwijskoepels, in het kader van het cultureel akkoord Vlaanderen-Frankrijk. Het programma wordt gefinancierd door het departement Onderwijs en Vorming, de Franse overheid en Comenius 22C-beurzen. De scholen(gemeenschappen) van de deelnemers betalen een bescheiden bijdrage ter financiering van de opvolgdagen in Vlaanderen. Zie http://www.form-a-com.org http://ond.vlaanderen.be/internationaliseringSO/formacom.htm

●

●

●

H

H

H

In samenwerking met de Duitse autoriteiten zijn er in principe jaarlijks uitwisselings- en nascholingsactiviteiten: een nascholingscursus voor Vlaamse leerkrachten Duits in Duitsland; en een nascholingscursus voor Duitse leerkrachten Frans in Vlaanderen. Zie ook 11.6.2.2.

11.4.2. Multilaterale programma's en initiatieven We behandelen hier de samenwerking in het kader van: ● ● ● ●

de Raad van Europa, zie 11.4.2.1. de OESO, zie 11.4.2.2. de UNESCO, zie 11.4.2.3. de EU-programma's, zie 11.4.2.4.

11.4.2.1. Samenwerking in het kader van de Raad van Europa

De Raad van Europa is opgericht in 1949 en bestaat heden uit 46 lidstaten. Op de derde top van regeringsleiders in Warschau op 16 en 17 mei 2005 werden als belangrijkste taken voor de Raad van Europa in de volgende jaren volgende doelstellingen geformuleerd: ● ● ●

het bevorderen van de gemeenschappelijke waarden inzake mensenrechten, rechtszekerheid en democratie; het versterken van de veiligheid van Europese burgers, bestrijding van terrorisme, georganiseerde misdaad en mensenhandel; het bevorderen van samenwerking met andere internationale en Europese organisaties.

Het onderwijsprogramma wordt bepaald door het Onderwijscomité (CDED), samengesteld uit vertegenwoordigers van de onderwijsministers van de lidstaten. Het Programma hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek wordt gestuurd door het Comité voor Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek. Het Departement Onderwijs en Vorming participeert in de activiteiten van beide comités.

www.eurydice.org

379


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) De Raad van Europa lanceerde verschillende onderwijsprojecten. ●

●

Het in 1997 gelanceerde project Democratische Burgerschapseducatie (Education for Democratic Citizenship, EDC) richt zich op de betekenis van participatieve democratie en de waarden en vaardigheden nodig voor burgerschapsvorming. De Raad riep 2005 uit tot het 'European Year of Citizenship through Education', waaraan ook Vlaanderen participeerde. De Raad heeft ook een 'Charter for democratic schools without violence' opgesteld en een 'European day of languages' uitgeroepen om het leren van talen te bevorderen. Hoger onderwijs en research. Prioriteiten hier zijn:

○ bijdragen tot het scheppen van een Europese hogeronderwijsruimte (Bolognaproces);

○ ○ ○ ○

●

erkenning van kwalificaties in de Europese regio; hervorming van het hoger onderwijs in Zuid-Oost Europa; bevorderen van de toegang tot het HO;

bewaren van de autonomie en het erfgoed van de Europese universiteiten. Het project "talen, diversiteit, burgerschap" wil bijdragen tot een gediversifieerde aanpak van taalonderwijs binnen de context van democratische burgerschapsvorming in Europa. 26 september is uitgeroepen tot Europese dag van de talen. Zie http://www.ond.vlaanderen.be/edt Het project "leren en onderwijzen over de geschiedenis van Europa in de 20e eeuw" heeft leermateriaal voor het secundair onderwijs (waaronder een handboek) opgeleverd, dat moet bijdragen tot het hervormen van de leerkrachtenopleiding. H

●

Raad van Europa

http://www.coe.int/t/nl/com/about_coe/default.asp

Europees jaar van het burgerschap 2005 Doelstellingen, praktisch materiaal en praktijkervaringen in Vlaanderen inzake 'Citizenship through education'

http://www.coe.int/T/E/Com/Files/Themes/ECD/ H

H

http://www.ond.vlaanderen.be/burgerschap/ H

H

11.4.2.2. Samenwerking in het kader van de OESO (OECD)

Het 'Directorate for education' van de OESO heeft 6 strategische objectieven: ● ● ● ● ● ●

het bevorderen van levenslang leren en het verbeteren van de banden met het sociaaleconomische beleid; evaluatie en verbetering van onderwijsresultaten; kwalitatief hoogstaand onderwijs bevorderen; tertiair onderwijs herdenken binnen een globale economie, sociale samenhang verbeteren door onderwijs; toekomstgericht onderwijs uitbouwen.

Er zijn 7 werkterreinen: ● ● ● ● ● ● ●

Onderwijs- en opleidingsbeleid (Education and training policy, ETP) Centre for Educational Research and Innovation (CERI) Onderwijsindicatoren (Indicators of educational systems, INES) Internationaal onderzoek naar leerlingenresultaten in het secundair onderwijs (Programme for international student assessment, PISA) Institutioneel management in hoger onderwijs (Institutional management in higher education, IMHE) Onderwijsinfrastructuur (Programme on educational building, PEB) Samenwerking met niet-leden landen (Unit for co-operation with non-member economies, NME) www.eurydice.org 380


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) De Vlaamse Gemeenschap financiert verschillende OESO activiteiten en neemt deel aan verschillende comités en werkgroepen via het departement Internationaal Vlaanderen, zie http://docs.vlaanderen.be/channels/hoofdmenu/vlaanderenint/multilateraal/oeso.jsp H

Kind en Gezin (zie 3.) trekt nu een internationaal OESO-netwerk rond Early Childhood Education and Care. Het departement Onderwijs en Vorming neemt op structurele wijze deel aan activiteiten van INES (het verzamelen van indicatoren betreffende onderwijs en opleiding) en PISA (Programme for International Student Assessment, zie 9.5.3.). Daarnaast participeert het aan diverse andere programma's: ● ● ● ● ● ● ● ●

PIAAC (Programme for International Assessment of Adult Competencies) (in voorbereiding) TALIS (Teaching and Learning International Survey) OECD project on the development of value-added models in education systems Thematic review of tertiary education Monitoring internationalisation and trade in education CERI's Youth Empowerment Partnership Programme (waaraan het buitengewoon onderwijs van de Stad Antwerpen participeert) Schooling for Tomorrow Economic review of Belgium (2004 secundair & tertiair onderwijs, 2006 tertiair onderwijs)

Voor een overzicht van de OESO-publicaties inzake onderwijs, waarin België aan bod komt: zie http://www.oecd.org > country Belgium > topic education H

H

In 2006 werden landenprofielen over de Vlaamse Gemeenschap uitgebracht inzake kinderopvang en voorschools onderwijs en inzake hoger onderwijs. ● ●

Thematic review of Tertiary Education - Country Background Report - Flemish Community of Belgium Country Profiles: An Overview of Early Childhood Education and Care Systems in Participating Countries - Belgian Flemish Community

11.4.2.3. Samenwerking in het kader van de UNESCO

''Het internationaal Bureau of Education'', een gespecialiseerde Unesco-instelling, organiseert elke 3 jaar een internationale onderwijsconferentie waar ministers van onderwijs en andere betrokkenen elkaar ontmoeten. De 47ste zitting vond plaats in september 2004 in Genève en had als hoofdthema: 'Kwaliteitsonderwijs voor alle jongeren: uitdagingen, tendensen en prioriteiten'. Ambtenaren van het departement Onderwijs en Vorming nemen op regelmatige basis deel aan de algemene conferentie van Unesco (die dus niet alleen over onderwijs handelt) en aan specifieke bijeenkomsten (zoals over hoger onderwijs). De basis van de samenwerking tussen Vlaanderen en de UNESCO ligt besloten in een samenwerkingsovereenkomst die werd afgesloten op 6 maart 1998. Het is een van de zeldzame overeenkomsten van de UNESCO met substatelijke entiteiten (ook met het Baskenland werd een akkoord gesloten) en vooralsnog de enige met een Belgische deelstaat. Trustfonds voor wetenschappen: in september 1999 werd een overeenkomst gesloten die het mogelijk maakte om wetenschappelijke projecten te financieren via een trustfonds. Algemeen trustfonds: om de samenwerking met de UNESCO ook op andere terreinen uit te breiden, keurde de Vlaamse regering in december 2001 een overeenkomst goed ter oprichting van een algemeen Vlaams UNESCO Trustfonds. Deze overeenkomst werd op 7 februari 2002 gesloten voor een termijn van vijf jaar. Het principe was dat de Vlaamse regering jaarlijks een bedrag van maximaal 750.000 euro in het trustfonds stortte. Deze bijdrage ging bij voorkeur naar projecten omtrent onderwijs voor allen, hiv/aids-preventie, het bevorderen van de culturele diversiteit en het beschermen www.eurydice.org

381


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) en in stand houden van cultureel erfgoed. Momenteel wordt de Trustfondsovereenkomst samen met UNESCO herzien. In 2004 richtte de Vlaamse Regering de Vlaamse Unesco Commissie op. Hierin zetelen zowel vertegenwoordigers van de overheid als van de civiele maatschappij. Ook het Departement Onderwijs en Vorming participeert in de Vlaamse Unesco Commissie. International Bureau of Education (IBE) Vlaamse Unesco Commissie

http://www.ibe.unesco.org/ http://www.unesco-vlaanderen.be H

H

H

H

11.4.2.4. EU-programma's en initiatieven

De Europese Unie heeft een aantal onderwijs- en opleidingsprogramma's in gang gezet met het oog op het promoten van de Europese dimensie en het verbeteren van de onderwijskwaliteit door middel van samenwerking tussen de landen. In 2007 startte het 'Levenslang Leren Programma 2007-2013 (LLP, Lifelong Learning Programme)" met als deelprogramma's: Comenius (BaO, SO), Erasmus (HO), Leonardo Da Vinci (beroepsonderwijs en -opleiding), Grundtvig (volwasseneneducatie), het transversaal programma (beleidsontwikkeling, talen, ICT, verspreiding van goede praktijken) en het Jean Monnet programma (Jean Monnet Actie, Europese instellingen, Europese associaties). Voor de implementatie in Vlaanderen zorgt de vzw EPOS, opvolger van het Vlaams Leonardo Da Vinci Agentschap en het Vlaams Socrates Agentschap. Voor cijfermateriaal over de deelname vanuit Vlaanderen : zie 11.7.1. (Socrates/Erasmus), 11.7.2. (Comenius/Grundtvig), 11.7.3. (Leonardo). We geven hier een overzicht van de relevante Vlaamse websites. Internationale projecten onderwijs

http://www.ond.vlaanderen.be/internationaal/

Internationalisering BaO

http://www.ond.vlaanderen.be/basisonderwijs/personeel/

Internationalisering SO

http://www.ond.vlaanderen.be/internationaliseringSO/

Internationalisering HO

http://www.ond.vlaanderen.be/hogeronderwijs/interna/default.htm

Comeniusprojecten in scholen http://www.comeniusvlaanderen.be/ basis- en secundair onderwijs (overzicht van projecten en scholen) Socrates II

http://www.ond.vlaanderen.be/socrates/

Erasmus Belgica (*)

http://www.ond.vlaanderen.be/hogeronderwijs/interna/erasmusbelgica .htm

Grundtvig (overzicht van projecten en scholen)

http://www.grundtvigvlaanderen.be/

Leonardo Da Vinciprogramma

http://vl-leonardo.be

NARIC-Vlaanderen

http://www.ond.vlaanderen.be/hogeronderwijs/interna/Naric/default.ht m

ENTEP (lerarenopleiding)

http://www.ond.vlaanderen.be/hogeronderwijs/leraar/entep.htm

ESF-Vlaanderen

http://www.esf-agentschap.be/

ECTS

http://www.ects-helpline.be/

ENIS Vlaanderen (**) (overzicht van projecten en

http://www.enis.be/ www.eurydice.org

382


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) scholen) e-Twinning (***) e-learning Europe

http://www.etwinning.be/ & http://www.klascement.net/index.php?menu=etwinning H

H

http://www.elearningeuropa.info/

(*) Erasmus Belgica is een samenwerkingsproject tussen de Vlaamse Gemeenschap, Franstalige Gemeenschap en de Duitstalige Gemeenschap om de mobiliteit van de studenten hoger onderwijs tussen de Gemeenschappen van België te bevorderen.

(**) ENIS, Europees netwerk van innovatieve scholen is ontstaan binnen het European Schoolnet opgericht in 1989 door landen van de Europese Unie, om het gebruik van ICT in het onderwijs te stimuleren. (***) e-Twinning : een laagdrempelig initiatief tot verbroedering met andere Europese scholen via het web - in het LLP-onderdeel van Comenius

11.5. Europese en internationale dimensie in het Vlaamse curriculum In de eindtermen en ontwikkelingsdoelen wordt aandacht besteed aan rechten van de mens, de mondiale problematiek, de werking van internationale organisaties, de landen van de Europese Unie, de ongelijke verdeling van welvaart en het bestaan van verschillende levenswijzen. In het secundair onderwijs is 'opvoeden tot burgerzin' één van de vakoverschrijdende thema's. Ook in de vakken levensbeschouwelijke vorming, wereldoriëntatie, maatschappelijke vorming, geschiedenis en aardrijkskunde komt de Europese en internationale dimensie en burgerschapsvorming uitdrukkelijk aan bod. In 2005 participeerde Vlaanderen aan het Europees jaar van burgerschapsvorming (zie Raad van Europa 11.4.2.1.), zie http://www.ond.vlaanderen.be/burgerschap/ Inzake Europese vorming en internationalisering in scholen werkt het departement Onderwijs en Vorming samen met : ● ●

Stichting Ryckevelde, zie http://www.ryckevelde.be/ Landcommanderij Alden-Biesen, zie http://www.alden-biesen.be H

H

Beiden geven o.a. informatie voor het organiseren van grensoverschrijdende projecten.

11.6. Mobiliteit en uitwisseling ● ● ● ● ●

Mobiliteits- en uitwisselingsacties in het kader van bilaterale onderwijsakkoorden en samenwerking met buurlanden werden reeds vermeld in 11.4.1.3. en 11.4.1.4.. Voor Europese uitwisselingsprogramma's verwijzen we naar de linken opgenomen in 11.4.2.4.. Meer gedetailleerde informatie over programma's voor mobiliteit en uitwisseling van leerlingen en studenten brengen we in 11.6.1.. Programma's inzake mobiliteit en uitwisseling van leerkrachten komen aan bod in 11.6.2.. Hier gaan we nader in op Europass en op de erkenning en validering van buitenlandse diploma's en kwalificaties.

www.eurydice.org

383


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) Erkenning en validering van buitenlandse diploma's en kwalificaties

De procedures die gelden voor de verschillende onderwijsniveaus zijn gevat in verschillende besluiten. Deze zijn te vinden op de website van het departement (http://www.ond.vlaanderen.be/edulex). De afhandeling van de procedures is over de onderwijsniveaus heen grotendeels gelijklopend. De procedure bevat telkens vier stappen: het indienen van een aanvraag, het administratief onderzoek op de volledigheid van het dossier, de adviezen van experts en het besluit tot het al of niet verlenen van de gelijkwaardigheidserkenning. Het samenstellen van een aanvraagdossier komt neer op het vervullen van drie aspecten: het verschaffen van informatie over de gevolgde opleiding, het voorleggen van studiebewijzen, het beëdigd laten vertalen van documenten die niet in het Nederlands, Frans, Duits of Engels zijn opgesteld. Bij elke procedure zijn oplossingen en/of alternatieven voorzien voor aanvragers die géén studiebewijzen kunnen voorleggen. De erkenning van hoger onderwijsdiploma's gebeurt door NARIC-Vlaanderen, de Vlaamse afdeling van het NARIC-Netwerk en het ENIC-Netwerk. NARIC staat voor 'National Academic Recognition and Information Centres' en het NARIC-Netwerk is een initiatief van de Europese Commissie opgestart in 1984, dat de erkenning van diploma's en studieperioden in de lidstaten van de Europese Economische Ruimte wil bevorderen. ENIC staat voor 'European National Information Centres' en het ENIC Netwerk is een initiatief van de Raad van Europa en UNESCO. Beide netwerken werken heel nauw samen door onder andere jaarlijks samen te vergaderen over erkenningperikelen en oplossingen. Het internationale model van het Diploma Supplement is een voorbeeld van de intense samenwerking. Het decreet van 4 april 2003 bevestigt dat de erkenning van buitenlandse diploma's hoger onderwijs in Vlaanderen verloopt volgens de principes van de ''Lisbon Recognition Convention'' van 1997 van de Raad van Europa en UNESCO. Europass

Europass is een verzamelmap waarin 5 documenten kunnen gebundeld worden ter vergemakkelijking van het solliciteren of aanvangen van nieuwe studies in het buitenland; een zelf in te vullen CV en taalpaspoort, een diploma- en certificaatssupplement en een mobiliteitsoverzicht ter bewijs van de Europese leerervaringen. Zie http://www.europass-vlaanderen.be . H

H

11.6.1. Mobiliteit en uitwisseling van leerlingen en studenten We behandelen afzonderlijk de programma's voor het basisonderwijs BaO, het secundair onderwijs en het hoger onderwijs.

11.6.1.1. Programma's voor het basisonderwijs

Zie Omzendbrief BaO/2005/01

Buurlanden

●

Het programma "Buurlanden" staat open voor directie, onderwijzend personeel, beleids- en ondersteunend personeel en paramedici én leerlingen uit het gewoon en buitengewoon basisonderwijs. www.eurydice.org 384


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) ●

●

● ● ●

Het wil gemeenschappelijke onderwijsprojecten stimuleren met één of meerdere basisscholen uit de onmiddellijke buurlanden van België: Nederland, Luxemburg, Duitsland, Frankrijk, Verenigd-Koninkrijk. De klasuitwisseling (in principe minimum één volledige klas) moet voortvloeien uit een gemeenschappelijk onderwijsproject tussen scholen, dat ingebed is in het normale curriculum van de leerlingen. Bij het bezoek aan de partnerschool moeten de leerlingen minimum 2 dagen en 1 nacht ter plaatse zijn, exclusief reistijd. Logies bij voorkeur in een gastgezin. Het aantal projecten dat voor financiering in aanmerking komt is afhankelijk van het beschikbare totaalbudget Er is ook een uitwisselingsluik voor onderwijzend e.a. personeel, zie 11.6.2.1.

Klavertje Drie

● ●

● ● ●

●

Dit programma is sinds 2005-2006 gericht op leerlingen 5e en 6e leerjaar basisonderwijs. Het is gericht op klasuitwisselingen tussen de 3 Belgische Gemeenschappen. Een klas uit een bepaalde gemeenschap ontvangt één (bilateraal) of twee (trilateraal) klassen uit één of twee andere gemeenschappen. De leerlingen moeten minstens 2 nachten en 3 volle dagen ter plaatse zijn. Logies bij voorkeur in een gastgezin. Wederkerigheid kan maar is niet noodzakelijk. Het programma werd opgestart in 1994 door de Koning Boudewijnstichting en nu voortgezet door het Prins Filipfonds dat – samen met de departementen onderwijs van de drie gemeenschappen – subsidieert. http://www.prins-filipfonds.org

11.6.1.2. Programma's voor het secundair onderwijs

Zie http:www.ond.vlaanderen.be/internationaliseringSO/

GROS (Grensoverschrijdende secundair onderwijs)

● ● ●

● ●

samenwerking

met

de

buurlanden

in

het

Dit programma staat open voor alle leerlingen van het secundair onderwijs. De klasuitwisseling kan met scholen uit de onmiddellijke buurlanden van België: Nederland, Luxemburg, Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. De klasuitwisseling (in principe minimum één volledige klas) moet voortvloeien uit een gemeenschappelijk onderwijsproject tussen scholen, dat ingebed is in het normale curriculum van de leerlingen. Bij het bezoek aan de partnerschool moeten de leerlingen minimum 3 dagen en 3 nachten ter plaatse zijn, exclusief reistijd (2 voor BuSO). Het aantal projecten dat voor financiering in aanmerking komt, is afhankelijk van het beschikbare totaalbudget en is beperkt tot één project per school/per schooljaar.

Zie Omzendbrief SO/2004/04

Tritec (Samenwerking met de andere gemeenschappen specifiek voor technisch en beroepsonderwijs)

● ●

van

België,

Dit programma staat open voor groepen leerlingen uit de 2e en 3e graad technisch en (deeltijds) beroepsonderwijs van de 3 Belgische gemeenschappen. Het wil scholen aanmoedigen om (gebaseerd op hun schoolcurriculum) projecten tussen de 3 Belgische gemeenschappen uit te werken en in de periode januari-juni samen te werken. www.eurydice.org

385


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) ● ●

Het programma wordt gepatroneerd en gesubsidieerd door het Prins Filipfonds. http://www.prins-filipfonds.org/tritecgoal.html

Euroklassen (Europese klasuitwisseling)

● ● ●

● ●

Dit programma staat open voor leerlingen vanaf het 4de jaar van het secundair onderwijs; De klasuitwisseling kan met scholen uit de landen die deelnemen aan het Socratesprogramma van de Europese Unie; De klasuitwisseling (in principe minimum één volledige klas) moet voortvloeien uit een gemeenschappelijk onderwijsproject tussen scholen, dat ingebed is in het normale curriculum van de leerlingen. Bij het bezoek aan de partnerschool moeten de leerlingen minimum 6 dagen en 6 nachten ter plaatse zijn, exclusief reistijd (4 voor BuSO). Het aantal projecten dat voor financiering in aanmerking komt, is afhankelijk van het beschikbare totaalbudget en is beperkt tot één project per school/per schooljaar.

Zie Omzendbrief SO/2004/05

11.6.1.3. Programma's voor het hoger onderwijs

Erasmus Belgica

Dit is een samenwerkingsproject tussen de drie Gemeenschappen van België om de mobiliteit van de studenten hoger onderwijs tussen deze Gemeenschappen te bevorderen. Het moet hen de mogelijkheid geven om een gedeelte van hun opleiding aan een universiteit of een hogeschool in een andere Gemeenschap door te brengen. Het programma loopt volgens dezelfde principes als het Europese Erasmus programma. Het project werd gelanceerd in februari 2004 en de eerste uitwisselingen gebeurden in het academiejaar 2004-2005. zie http://www.ond.vlaanderen.be/hogeronderwijs/interna/erasmusbelgica.htm

Trialoog

● ● ● ● ● ●

Dit is een programma gericht op uitwisseling tussen hogeschoolstudenten uit de 3 Belgische gemeenschappen. Een uitwisseling dient minstens 5 opeenvolgende dagen te duren. Aan een project dienen per hogeschool minstens 5 studenten deel te nemen. Wederkerigheid kan, maar is niet noodzakelijk. Het programma wordt gepatroneerd en gesubsidieerd door het Prins Filipfonds. http://www.prins-filipfonds.org/tria.html

11.6.2. Mobiliteit en uitwisseling van leerkrachten en academisch personeel We behandelen afzonderlijk de programma's voor het basisonderwijs en voor het secundair onderwijs.

11.6.2.1. Basisonderwijs

Buurlanden-programma

www.eurydice.org

386


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) ● ● ● ● ●

Het programma "Buurlanden" staat open voor directie, onderwijzend personeel, beleids- en ondersteunend personeel en paramedici uit het gewoon en buitengewoon basisonderwijs. Het wil contacten stimuleren met basisscholen uit de onmiddellijke buurlanden van België: Nederland, Luxemburg, Duitsland, Frankrijk, Verenigd-Koninkrijk. De personeelsleden kunnen voor minstens een volledige dag op bezoek gaan bij een basisschool uit een buurland. Ze kunnen ook een subsidie ontvangen voor nascholingscursussen in één van de buurlanden. Er is ook een uitwisselingsluik voor leerlingen, zie 11.6.1.1.

11.6.2.2. Secundair onderwijs

In samenwerking met de Duitse autoriteiten is er in principe jaarlijks1 nascholingscursus voor Vlaamse leerkrachten Duits in Duitsland; en 1 nascholingscursus voor Duitse leerkrachten Frans in Vlaanderen.

11.7. Statistieken 11.7.1. Evolutie van deelname van studenten aan het Socrates/Erasmusprogramma vanaf schooljaar 1990-1991

academiejaar

mannen vrouwen (hogescholen (hogescholen hogescholen universiteiten (mannen + (mannen + + + vrouwen) universiteiten) universiteiten) vrouwen)

totaal

1990-1991

383

445

252

576

828

1991-1992

503

637

291

849

1.140

1992-1993

590

837

462

965

1.427

1993-1994

883

1.051

595

1.339

1.934

1994-1995

1.133

1.017

834

1.316

2.150

1995-1996

1.069

1.301

976

1.394

2.370

1996-1997

1.006

1.382

1.004

1.384

2.388

1997-1998

1.085

1.422

1.166

1.341

2.507

1998-1999

1.124

1.570

1.304

1.390

2.694

1999-2000

1.086

1.614

1.355

1.345

2.700

2000-2001

1.016

1.559

1.245

1.330

2.575

2001-2002

1.048

1.680

1.400

1.328

2.728

2002-2003

1.047

1.615

1.406

1.256

2.662

2003-2004

1.055

1.620

1.482

1.193

2.675

2004-2005

1.087

1.641

1.481

1.247

2.728

eindtotaal

11.973

16.130

15.253

18.253

33.506

totaal studenten* 2002-2003

71.507

84.993

99.661

56.839

156.500

www.eurydice.org

387


Eurybase â&#x20AC;&#x201C; BelgiĂŤ â&#x20AC;&#x201C; Vlaamse gemeenschap (2006/07) % socrates/erasmus in totaal aantal studenten

1,5

1,9

1,4

2,2

1,7

mannen vrouwen (hogescholen (hogescholen hogescholen universiteiten + + (mannen + (mannen + vrouwen) universiteiten) universiteiten) vrouwen) totaal studenten* 2003-2004

71.363

85.654

100.178

56.839

157.017

1,5

1,9

1,5

2,1

1,7

71.612

86.578

101.185

57.005

158.190

1,5

1,9

1,5

2,2

1,7

% socrates/erasmus in totaal aantal studenten totaal studenten* 2004-2005

totaal

% socrates/erasmus in totaal aantal studenten

* Studenten aan hogescholen en universiteiten van de Vlaamse Gemeenschap, al dan niet met de Belgische nationaliteit, enkel hoofdinschrijvingen in basisopleidingen. Bron: http://aps.vlaanderen.be Deelname van studenten aan het Erasmusprogramma, 1990-1991 tot en met 2004-2005

1.800

1.600

1.400

1.000

800

600

400

200

2004-2005

2003-2004

2002-2003

2001-2002

2000-2001

1999-2000

1998-1999

1997-1998

1996-1997

1995-1996

1994-1995

1993-1994

1992-1993

1991-1992

0 1990-1991

aantal studenten

1.200

academiejaar mannen (hogescholen + universiteiten)

vrouwen (hogescholen + universiteiten)

hogescholen (mannen + vrouwen)

www.eurydice.org

universiteiten (mannen + vrouwen)

388


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

11.7.2. Socrates 2 - goedgekeurde projecten basis- en secundair onderwijs en volwassenenonderwijs

Comenius

Voorbereidende bezoeken

Gecentraliseerd

Nascholingsbeurzen

Voorbereidende bezoeken (*)

Grundtvig 2

Leerpartnerschappen

Taalprojecten

Schoolontwikkelingsprojecten

Secundair onderwijs

Schoolprojecten

Schoolprojecten

Schoolontwikkelingsprojecten

Basisonderwijs

Grundtvig

2002

74

7

90

8

16

13

10

25

2003

67

10

66

9

25

19

18

25

2004

58

16

73

13

28

19

26

42

2005

63

13

94

7

36

27

6

36

2006

61

20

94

7

36

33

19

36

(2002-2004)

42

(2004-2006)

Bron : http://www.ond.vlaanderen.be/socrates/socrates/goedgekeurde_projecten.htm (*) de voorbereidende bezoeken voor de gecentraliseerde acties betreffen alle onderwijsniveaus (basis, secundair, hoger en volwassenenonderwijs

www.eurydice.org

389


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

11.7.3. Evolutie van deelname aan het Leonardo-programma

2005 2004 2003 2002 2001 2000 1999 1998 type deelnemer leerlingen secundair onderwijs

409

261

234

197

161

264

205

168

studenten hogescholen en universiteiten, jonge werkenden, pas afgestudeerden

338

281

270

250

280

240

248

176

totaal

747

542

504

447

441

504

453

344

aantal deelnemers en projecten in het kader van Leonardo aantal projecten secundaire aantal deelnemers scholen/leerlingen gemiddeld aantal deelnemers per project hogescholen, universiteiten, werkenden en werkzoekenden

aantal projecten

27

21

19

15

20

17

13

409

261

234

197

161

264

205

168

14,1

9,7 11,1 10,4 10,7 13,2 12,1 12,9

18

17

19

16

17

18

15

11

aantal deelnemers

338

281

270

250

280

240

248

176

gemiddeld aantal deelnemers per project

18,8 16,5 14,2 15,6 16,5 13,3 16,5

16

aantal projecten totaal

29

47

44

40

35

32

38

32

24

aantal deelnemers

747

542

504

447

441

504

453

344

gemiddeld aantal deelnemers per project

15,9 12,3 12,6 12,8 13,8 13,3 14,2 14,3

Schattingen voor 2005: het gaat om de projecten die geselecteerd zijn in 2005, die een looptijd kunnen hebben van 1 juni 2005 tot 31 mei 2007. Mutatis mutandis voor 2004. Definitieve cijfers voor 1998-2003. Bron: http://aps.vlaanderen.be Vlaamse Leonardo Da Vinci projecten 1995 - 2005: zie http://www.vl-leonardo.be/Ftweedefase.html

www.eurydice.org

390


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

11.7.4. Evolutie van deelname van Vlaamse docenten aan het Socrates/Erasmusprogramma, naar bestemming

2004-2005

2003-2004

2002-2003

2001-2002

2000-2001

Zweden

80

71

23

21

23

Spanje

78

80

84

67

60

Nederland

59

58

50

51

49

Portugal

38

33

34

39

36

Frankrijk

36

41

36

41

49

Polen

31

30

31

36

16

Roemenië

31

25

27

22

20

Duitsland

30

15

30

29

38

Finland

26

19

62

47

68

Italië

24

32

30

42

39

Griekenland

23

16

18

26

26

Oostenrijk

23

17

25

11

19

Tsjechië

21

24

20

21

12

Hongarije

17

19

17

18

12

Verenigd Koninkrijk

16

27

34

46

57

Turkije

16

0

0

0

0

Ierland

15

17

11

17

8

Andere landen

75

115

78

53

51

639

639

610

587

583

Totaal Bron: http://aps.vlaanderen.be

www.eurydice.org

391


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

Sectie 1.01 GLOSSARIUM ASO (Algemeen Secundair Onderwijs) : Een der 4 vertikale indelingsvormen in de 2e & 3e graad van het secundair onderwijs. Nadruk ligt hier meer op theorie en doorstroming naar hoger onderwijs. Zie 5.13.3.2.2. BaO (Basisonderwijs) : Deze term refereert in Vlaanderen naar het kleuter- én het lager onderwijs. Zie 4. Niet te verwarren met basiseducatie, dat deel uitmaakt van het volwassenenonderwijs. Basiseducatie : "Basiseducatie" organiseert opleidingen voor laaggekwalificeerde volwassenen: algemene taal- en rekenvaardigheden, sociale vaardigheden, burgerschap en voorbereiding tot andere studies of werk. Basiseducatie mag niet verward worden met 'basisonderwijs' dat refereert naar het gewone of het buitengewone kleuter- en lager onderwijs. Zie 7.x.3. BSO (Beroepssecundair Onderwijs) : Een der 4 vertikale indelingen in de 2e en 3e graad van het secundair onderwijs, gericht op specifieke arbeidsmarkt gerichte vaardigheden. Er bestaat ook een 4e graad en een deeltijdse vorm (DBSO). Zie 5.13.3.2.5. Buitengewoon kleuteronderwijs : Een type van onderwijs dat op basis van een educatief project, voorziet in onderwijs, zorg en therapie aangepast aan de capaciteiten van de leerlingen waarvan de ontwikkeling van hun algemene persoonlijkheid niet of onvoldoende verzekerd wordt door het gewone kleuteronderwijs, tijdelijk of permanent. Zie 10.6. Buitengewoon Lager Onderwijs (BLO) : een type van onderwijs dat op basis van een educatief project, voorziet in onderwijs, zorg en therapie aangepast aan de capaciteiten van de leerlingen waarvan de ontwikkeling van hun algemene persoonlijkheid niet of onvoldoende verzekerd wordt door het gewone lager onderwijs, tijdelijk of permanent. Zie 10.6. BuSO (Buitengewoon Secundair Onderwijs) : Een type van onderwijs dat op basis van een educatief project, voorziet in onderwijs, zorg en therapie aangepast aan de capaciteiten van de leerlingen waarvan de ontwikkeling van hun algemene persoonlijkheid niet of onvoldoende verzekerd wordt door het gewone secundair onderwijs, tijdelijk of permanent. Zie 10.6. CLB (Centrum voor Leerlingenbegeleiding,Centra voor Leerlingenbegeleiding,CLB's) : Deze centra organiseren begeleidingsactiviteiten op vlak van het leren en studeren, de onderwijsloopbaan, de preventieve gezondheidszorg en het psychisch en sociaal functioneren van leerlingen uit het leerplichtonderwijs. Zie 4.15.2. DBSO (Deeltijds Beroepssecundair Onderwijs) : "Deeltijds Beroepssecundair Onderwijs" kan vanaf de leeftijd van 15 of 16 jaar ook bijgewoond worden op een deeltijdse basis. Deze onderwijsvorm kreeg een wettelijke status in het decreet van 31 juli 1990, dat de bestaande experimentele structuur bevestigde als zijnde deeltijds beroepssecundair onderwijs. Zie 5.13.3.2.6. DKO (Deeltijds Kunstonderwijs) : Deeltijds artistiek onderwijs, buiten de leerplicht, voor jongeren en volwassenen op avonden, woensdagnamiddagen, weekends, aangeboden in 66 academies voor beeldende kunst en 101 voor muziek, woord en dans. Zie 7.x.4. Eindtermen : Eindtermen (lager onderwijs, secundair onderwijs, volwassenenonderwijs) zijn minimumdoelen die decretaal worden bekrachtigd. Ze vormen het minimum aan kennis, inzicht en vaardigheden die alle leerlingen van de leerlingengroep moeten verwerven tijdens het leerproces en het minimum aan attitudes die de school moet nastreven bij de leerlingen. De eindtermen dienen opgenomen te worden in leerplannen en leerboeken. De toepassing ervan wordt gecontroleerd door de onderwijsinspectie. Daarnaast worden ook ontwikkelingsdoelen en basiscompetenties gehanteerd. Zie o.a. 2.3.5. & 4.10. Gesubsidieerd officieel onderwijs : De onderwijsfaciliteiten die georganiseerd worden door de gemeenten en provincies. Zie 2.3.2. Gesubsidieerd vrij onderwijs : De onderwijsfaciliteiten die georganiseerd worden door vrije verenigingen en non-profit organisaties. Zie 2.3.2. www.eurydice.org

392


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

GO! (onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap,) : De onderwijsvoorzieningen georganiseerd door de representatieve organen van de Gemeenschap; de scholengroepen en de Raad van Het onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap. (Voorheen het gemeenschapsonderwijs en voor de federalisering het rijksonderwijs). Nu georganiseerd door 28 schoolgroepen en een centrale Raad. Zie 2.3.2. Inrichtende macht (inrichtende machten) : De "inrichtende macht" van een onderwijsinstelling is de initiatiefnemer voor het organiseren van onderwijsvoorzieningen en het beslissende gezag over de instelling. In de wetgeving betreffende het basisonderwijs wordt hiervoor de term "schoolbestuur" gebruikt". Zie 2.3.2. KSO (Kunstsecundair Onderwijs) : Een der 4 vertikale indelingen in de 2e en 3e graad van het secundair onderwijs, gericht op artistieke vorming en voorbereidend op hoger onderwijs, artistiek of ander. Zie 5.13.3.2.4. Levensbeschouwelijke vorming : Cursussen levensbeschouwelijke vorming dienen verplicht georganiseerd in alle leerjaren van het lager en secundair onderwijs. Confessionele scholen bieden een cursus aan op relegieuze basis (katholieke, protestantse, joodse godsdienst). Officiële scholen dienen de keuze aan te bieden tussen een cursus van een erkende religie (inclusief islamitische godsdienst) en een cursus niet-confessionele zedenleer. De enkele niet-confessionele vrije scholen bieden enkel een cursus niet—confessionele zedenleer aan. Zie 2.3.1. & 2.3.2. Niet-confessionele zedenleer : Cursussen niet-confessionele zedenleer dienen in officiële scholen in alle leerjaren aangeboden te worden. De vrije keuze voor een cursus niet-confessionele zedenleer wordt gegarandeerd door het schoolpact en de grondwet. Zie 2.3.1 & 2.3.2. Onderwijsnet (onderwijsnetten) : Scholen, die georganiseerd kunnen worden door verschillende inrichtende machten, worden op basis van hun wettelijke status gegroepeerd in onderwijsnetten. Op grond van de grondwettelijke vrijheid van onderwijs, kan een onderwijsnet georganiseerd worden door publieke autoriteiten zoals de gemeenschappen en de gemeenten, en door private personen (privépersonen, vrije verenigingen of non-profit organisaties). Zie 2.3.2. Onderwijstype (onderwijstypes,Type 1,Type 2,Type 3,Type 4,Type 5,Type 6,Type 7,Type 8,types) : SEN-indeling binnen buitengewoon lager onderwijs, volgens de aard van der beperking: T1 licht mentaal, T2 middelmatig of zwaar mentaal, T3 zwaar emotionele en/of gedragsproblemen, T4 fysiek, T5 ziekte, T6 visueel, T7 auditief, T8 leerproblemen. In het bijzonder secundair onderwijs zijn er 4 opleidingsvormen. Ontwikkelingsdoelen : "Ontwikkelingsdoelen" vormen een belangrijk element binnen het uitgebalanceerd overheidsbeleid van kwaliteitsbewaking. Het zijn minimumdoelen op het vlak van kennis, vaardigheden en attitudes die de overheid wenselijk acht en die de school bij haar leerlingen moet nastreven. Ze worden toegepast in het gewoon kleuteronderwijs, het gewoon secundair onderwijs B-stroom, het buitengewoon lager en secundair onderwijs en de basiseducatie. Scholen dienen de doelen te integreren in hun lessen en cursussen. Zie o.a. 2.3.5. & 4.10. Opleidingsvorm (opleidingsvormen) : Indeling in het bijzonder secundair onderwijs volgens aard en graad van handicap: OV1 niet zelfredzaam, OV2 sociaal zelfredzaam binnen beschermde omgeving, OV3 beroepsopleiding en -uitoefening mogelijk, OV4 geïntegreerd onderwijs mogelijk. Zie 10.3. & 10.6.6. Pedagogisch project : Het "pedagogisch project" is het geheel van onderwijskundige en opvoedkundige uitgangspunten die vanuit een mens- en wereldbeeld door het schoolbestuur worden vastgelegd. Zie 2.3.1. & 2.6.4.1.2 Scholengemeenschappen (scholengemeenschap) : Vrijwillige samenwerkingsverbanden tussen scholen van eenzelfde onderwijsniveau binnen een der 44 geografische zones, met het oog op schaalvergroting. Ze bestaan sinds 1998 in het secundair onderwijs, sinds 2003 in het basisonderwijs. Zie 2.6.4.4.

www.eurydice.org

393


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) Scholengroep (scholengroepen) : Binnen het GO!, onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap, een samenwerkingsverband tussen basis- en secundaire scholen (en eventueel een centrum voor leerlingenbegeleiding) binnen een der 28 schoolzones. Scholengroepen zijn samen met de centrale Raad de inrichtende machten van het GO!. Zie 2.6.2.1.2. Niet te verwarren met scholengemeenschappen. Schoolpact (Schoolpactwet) : Het "schoolpact" betekende in essentie dat onderwijs dat niet georganiseerd werd door de staat, dus hoofdzakelijk vrij onderwijs, een vorm van staatscontrole zou accepteren in ruil voor gedeeltelijke subsidiëring, maar dat elke inrichtende macht het recht zou hebben om volledig autonoom te genieten van wat bekend werd als de 'pedagogische vrijheid'. Zie 2.1. & 2.3.2 Schoolwerkplan : Het "schoolwerplan" is een plan dat door de school wordt opgesteld en dat tenminste volgende elementen bevat: - de omschrijving van het pedagogisch project, zijnde het geheel van fundamentele uitgangspunten dat door het schoolbestuur voor de school wordt vastgesteld; - de organisatie van de school en voornamelijk de indeling in leerlingengroepen; - de wijze waarop het leerproces van de leerlingen wordt beoordeeld en hoe daarover wordt gerapporteerd; - de voorzieningen in het gewoon onderwijs voor leerlingen met een handicap of die leerbedreigd zijn, inclusief de samenwerkingsvormen met andere scholen van gewoon en/of buitengewoon onderwijs. (Zie 2.6.4.3.3.) TSO (Technisch Secundair Onderwijs) : Een der 4 vertikale indelingsvormen in de 2e en 3e graad van het secundair onderwijs, gericht op algemene en technisch-theoretische vorming. In eerste instantie voorbereidend op hoger technisch onderwijs of het beroepsleven. Zie 5.13.3.2.3. Volwassenenonderwijs : Omvat vanaf 2007 het vroegere onderwijs voor sociale promotie, inclusief het tweede kans onderwijs en de basiseducatie. Het wordt georganiseerd in CVO's (centra voor volwassenenonderwijs); de basiseducatie blijft apart georganiseerd in CBE's (centra voor basiseducatie). Volwassenenvorming en vooral permanente vorming worden gebruikt om alle stelsels van onderwijs aan volwassenen aan te duiden. Zie 7.

www.eurydice.org

394


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

WET- EN REGELGEVING Afwezigheden en in- en uitschrijvingen in het buitengewoon secundair onderwijs (Circular Letter) : 15/08/2002, SO/2002/05/buso

Afwezigheden en in- en uitschrijvingen in het voltijds gewoon secundair onderwijs en het deeltijds secundair onderwijs (Circular Letter) : 8/07/2005, SO/2005/04

Beginmeting en peiling in de B-stroom van de eerste graad van het secundair onderwijs (Omzendbrief) : 25/08/2006, SO/2006/04, http://

Bekwaamheidsbewijzen deeltijds kunstonderwijs: wijzigingen vanaf 1 september 2002 (Circular Letter) : 10/07/2002, PV/2002/7

Besluit betreffende de Commissie inzake leerlingenrechten (Decision of the Flemish Government) : 27.09.02, B.S. 31/10/2002

Besluit betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs en gewijzigd bij het Besluit van de Vlaamse regering van 07.02.03 : 19.07.02, B.S. 04/12/2002

Besluit betreffende het geïntegreerd ondersteuningsaanbod in het gewoon basisonderwijs (Decision of the Flemish Government) : 19.07.02, B.S. 04/12/2002

Besluit betreffende het geïntegreerd ondersteuningsaanbod in het gewoon secundair onderwijs (Decision of the Flemish Government) : 06/09/02, B.S. 07/11/2002

Besluit inzake de organisatie van onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers in het gewoon voltijds secundair onderwijs (Decision of the Flemish Government) : 24.05.02, B.S. 11/09/2002

Besluit tot vaststelling van de ontwikkelingsdoelen algemene en sociale vorming in het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 (Decision of the Flemish Government) : 19.04.02, B.S. 26/07/2002

Besluit van de Minister betreffende de erkenning van de instanties van de erkende godsdiensten en van de vereniging van de niet-confessionele gemeenschap (Ministerial Decision) : 1/03/2004, B.S. 15/03/2004

Besluit van de Minister tot vaststelling van de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs (Ministerial Decision) : 28/05/2004, B.S. 22/06/2004

Bijzonder Decreet betreffende de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs (Flemish Special Decree) : 19.12.88, B.S. 29/12/1988. Flemish Decree organising a new autonomous body as "Inrichtende macht" (organising body) for official schools (former state schools). This decree stipulates that from the 1st January 1989 (federalisation of education), the language Community, represented by the Minister, will no longer act as the "Inrichtende Macht" (organising body) of Community education (formerly State education). www.eurydice.org

395


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) Bijzonder decreet betreffende de participatie in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen, de coördinatie van de hogeronderwijsregelgeving en de modernisering van de regelgeving op de Vlaamse autonome hogescholen (Flemish Decree) : 19/03/2004, B.S. 30/04/2004

Bijzonder Decreet betreffende het Gemeenschapsonderwijs (Flemish Special Decree) : 14.07.98, B.S. 30/09/1998. Flemish Special Decree concerning the reformation of community education. Bijzonder Decreet houdende de deelname van gemeenschapsinstellingen aan de associaties in het hoger onderwijs (Flemish special decree) : 04.04.03, B.S. 06/07/2003

Bijzondere maatregelen voor de contractuele personeelsleden tewerkgesteld in CODOprojecten in de verschillende onderwijsniveaus en de centraliserende (Circular Letter) : 18/07/2003, PERS/2003/06

Bijzondere Wet betreffende de financiering van Gemeenschappen en Gewesten (Belgian Special Law) : 16.01.89, B.S. 17/01/1989 Belgian Special Law on the financing of the Communities and Regions. Brief van de administratie van 27 januari 2003: toegang tot de voortgezette lerarenopleiding zorgverbreding en remediërend leren (Letter) : 27/01/2003

Buitengewoon secundair onderwijs - Onderwijsbeleid voor migranten - Maatregelen vanaf het schooljaar 2005-2006 (Circular Letter) : 30/06/2005, SO/2005/03.

BVR betreffende de basiscompetenties van de leraren (Decision of the Flemish Government) : 29.09.1998, B.S. 16/02/1999

BVR betreffende de beroepsprofielen van de leraren (Decision of the Flemish Government) : 29.09.1998, B.S. 16/09/1998

BVR betreffende de concordantie en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 1 december 2000 houdende de vaststelling van de vakken en de indeling van de vakken in algemene vakken, technische vakken en praktische vakken in het secundair onderwijs voor sociale promotie (Decision of the Flemish Government) : 10/01/2003, B.S. 20/03/2003

BVR betreffende de concordantie van de specialiteiten in opleidingsvorm 3 van het buitengewoon secundair onderwijs (Decision of the Flemish Government) : 14/01/2003, B.S. 09/07/03

BVR betreffende de controle op de inschrijvingen van leerlingen in het secundair onderwijs (Decision of the Flemish Government) : 16.09.1997, B.S. 31/10/1997

BVR betreffende de Huizen van het Nederlands (Decision of the Flemish Government) : 22/07/2005, B.S. 16/09/2005

BVR betreffende de Leertijd, bedoeld bij het Decreet van 23 januari 1991 betreffende de vorming en de begeleiding van de zelfstandigen en de kleine en middelgrote ondernemingen, gewijzigd bij Besluit van de Vlaamse Regering van 10/2/1998 en 3/5/2002 (Decision of the Flemish Government) : 24.07.1996, B.S. 30/8/1996 en 25/03/1998 en 05/07/2002 www.eurydice.org

396


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

BVR betreffende de lokale overlegplatforms inzake Gelijke Onderwijskansen (Decision of the Flemish Government) : 28.06.02, B.S. 24/09/2002

BVR betreffende de modulaire structuur van het OSP (een hele reeks verschillende besluiten) (Decision of the Flemish Government) : 18/11/2005

BVR betreffende de omvorming van de lerarenopleiding van de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap (Decision of the Flemish Government) : 15.07.97, B.S. 02/09/1997

BVR betreffende de omvorming van sommige afdelingen van het HO voor sociale promotie naar de bachelor-masterstructuur van het hoger onderwijs in Vlaanderen (Decision of the Flemish Government) : 17/09/2004, B.S. 10/12/2004

BVR betreffende de ondernemersopleiding, bedoeld in het decreet van 23 januari 1991 betreffende de vorming en begeleiding (Decision of the Flemish Government) : 23.02.99, B.S. 06/05/1999 Decision of the Flemish Government concerning the entrepreneur training as stipulated in the Flemish Decree of 23 January 1991 concerning the training and guidance of the self-employed persons and the small and medium-sized firms. BVR betreffende de opleidigs- en begeleidingscheques voor werknemers (Decision of the Flemish government) : 18.07.03, B.S. 25/08/2003

BVR betreffende de organisatie van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 (Decision of the Flemish Government) : 06.12.02, B.S. 06/02/2003

BVR betreffende de programmatie in het secundair volwassenenonderwijs voor het schooljaar 2003-2004 (Decision of the Flemish government) : 18.07.03, B.S. 27/08/2003

BVR betreffende de puntenenveloppe voor scholengemeenschappen basisonderwijs (Decision of the Flemish government) : 15/03/2004, B.S. 11/06/2004

BVR betreffende de steunpunten voor beleidsrelevant onderzoek (Besluit van de Vlaamse Regering) : 15/9/2006, B.S. 04/12/2006, http://

BVR betreffende de structuur van het secundair onderwijs voor sociale promotie (Decision of the Flemish Government) : 21/10/2005, B.S. 22/11/2005

BVR betreffende de studiefinanciering en studentenvoorzieningen in het hoger onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap (Decision of the Flemish Government) : 28/05/2004, B.S. 28/07/2004

BVR betreffende de toekenning van aanvullende lestijden voor de integratie van anderstaligen (Besluit van de Vlaamse Regering) : 1/9/2006, B.S. 24/11/2006, http://

BVR betreffende de toekenning van subsidies aan time-outprojecten voor welzijn en onderwijs (Besluit van de Vlaamse Regering) : 5/05/2006, B.S. 17/07/2006, http://

BVR betreffende de toekenning van subsidies voor naschoolse opleidingsinitiatieven in de landbouwsector. (Decision of the Flemish Government) : 4/06/2004, B.S. 16/11/2004 www.eurydice.org

397


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

BVR betreffende de toelage voor anderstalige nieuwkomers in het basisonderwijs (Decision of the Flemish Government) : 22.09.1998, B.S. 06/03/1999

BVR betreffende de uitreiking van premies aan leerlingen in studierichtingen van het secundair onderwijs die leiden naar de invulling van knelpuntberoepen (Besluit van de Vlaamse Regering) : 10/02/2006, B.S. 24/03/2006, http://

BVR betreffende de vastlegging van de prestaties van een ambt in het buitengewoon secundair onderwijs (Decision of the Flemish government) : 14.03.03, B.S. 09/07/2003

BVR betreffende de voortgezette vorming, bedoeld in artikel 11 van het decreet van 23 januari 1991 betreffende de vorming (Decision of the Flemish government) : 04.04.03, B.S. 30/05/2003

BVR betreffende de wijze waarop er uitvoering moet worden gegeven aan de 2e fase van het Europees actieprogramma op onderwijsgebied Socrates (Decision of the Flemish government) : 28.05.2004, B.S. 25/10/2004 Decision of the Flemish Government to determine the way of executing the SOCRATES- decision for the Flemish Community. BVR betreffende de wijze waarop sommige bevoegdheden van de onderwijsinspectie van de Vlaamse Gemeenschap worden uitgevoerd (Decision of the Flemish Government) : 02.02.99, B.S. 01/04/1999 Decision of the Flemish Government concerning the way in which some of the authorities of the Inspectorate of the Flemish community are executed. BVR betreffende het experimenteel secundair onderwijs volgens een modulair stelsel (Decision of the Flemish Government) : 01/03/02, B.S. 19/06/2002

BVR betreffende het secundair onderwijs aan huis voor zieke jongeren en tot wijziging van het BVR van 17 juni 1997 betreffende het onderwijs aan huis (Decision of the Flemish Government) : 13/01/2006, B.S. 14/03/2006

BVR betreffende het tijdelijk project onderwijsvoorrang in het basisonderwijs (Decision of the Flemish Government) : 14.07.98, B.S. 20/10/1998

BVR betreffende het tijdelijke project voor de toekenning van extra lestijden aan de scholen van het basisonderwijs in de gemeenten die grenzen aan de Brusselse randgemeenten en in de gemeenten die grenzen aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (Besluit van de Vlaamse Regering) : 17/03/2006, B.S. 20/04/2006, http://

BVR betreffende structuurwijzigingen in het hoger onderwijs voor sociale promotie (Decision of the Flemish Government) : 30/04/2004, B.S. 08/11/2004

BVR betreffende tijdelijke projecten inzake kunstinitiatie voor kansarme en/of allochtone minderjarigen (Besluit van de Vlaamse Regering) : 31/03/2006, B.S. 16/06/2006, http://

BVR houdende bekrachtiging van de werkingscodes van de pedagogische begeleidingsdiensten in het onderwijs (Decision of the Flemish Government) : 9/07/1986, B.S. 12/09/1996

www.eurydice.org

398


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) BVR houdende de machtiging tot uitvoering en de bekrachtiging van sommige regelingen van de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (Decision of the Flemish Government) : 16/09/2005, B.S. 22/11/2005

BVR houdende de oprichting en samenstelling van de afdeling deeltijds kunstonderwijs van de Vlaamse Onderwijsraad (Decision of the Flemish Government) : 15.10.96, B.S. 21/11/1996

BVR houdende de organisatie van de arbeidsbemiddeling en de beroepsopleiding (Decision of the Flemish Government) : 21/12/1988, B.S. 14/01/1989

BVR houdende de organisatie van het schooljaar in het secundair onderwijs. (Decision of the Flemish Government) : 31.08.01, B.S. 24/10/2001 Decision of the Flemish government concerning the organisation of the school year in secondary education. BVR houdende de organisatie, de normering en de financiering van deeltijdse vormingen die voor de vervulling van de deeltijdse leerplicht in aanmerking komen (Decision of the Flemish Government) : 8/07/2005, B.S. 09/09/2005

BVR houdende de vaststelling van de modellen van de studiebewijzen in het OSP en de modaliteiten voor uitreiking van de studiebewijzen door de centra voor volwassenenonderwijs (Decision of the Flemish Government) : 16/04/2004, B.S. 19/11/2004

BVR houdende inrichting van het deeltijds beroepssecundair onderwijs (Decision of the Flemish Government) : 31.07.90, B.S. 26/09/1990

BVR houdende inwerkingtreding van het decreet van 7 mei 2004 betreffende de Huizen van het Nederlands (Decision of the Flemish Government) : 24/06/2004, B.S. 20/07/2005

BVR houdende organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichting "Beeldende kunst". (Decision of the Flemish Government) : 31.07.1990, B.S. 29/03/1991

BVR houdende organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichtingen "Muziek", "Woordkunst" en "Dans". (Decision of the Flemish Government) : 31.07.1990, B.S. 29/03/1991

BVR houdende uitvoering van het decreet van 4 april 2003 betreffende het sociaalultureel volwassenenwerk (Decision of the Flemish Government) : 13/06/2003, B.S. 23/07/2003

BVR met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie (Decision of the Flemish Government) : 3/06/2005, B.S. 22/09/2005

BVR over de bevoegdheid, de samenstelling en de werking van de commissies van advies voor het buitengewoon onderwijs (Decision of the Flemish Govenment) : 24.06.97, B.S. 17/09/1997. Decision of the Flemish Government concerning the tasks, composition and the functioning of the consultative commissions for special education. BVR ter uitvoering van het decreet houdende de regeling van de basiseducatie voor laaggeschoolde volwassenen (Decision of the Flemish Government) : 18.07.90, B.S. 04/10/1990

BVR tot bepaling van de beroepen waarvoor een titel van beroepsbekwaamheid kan worden uitgereikt (Decision of the Flemish Government) : 25/11/2005, B.S. 29/12/2005 www.eurydice.org

399


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

BVR tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen en de eindtermen van het gewoon basisonderwijs (Decision of the Flemish Government) : 27.05.97, B.S. 28/08/1997. Decision of the Flemish Government adopting the final and developmental objectives for ordinary basic education. BVR tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type 2. (Decision of the Flemish Government) : 01.12.98, B.S. 18/05/1999 Decision of the Flemish Government to stipulate the “ontwikkelingsdoelen” (developmental objectives) for special primary education “type 2”. BVR tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type 8 (Decision of the Flemish Government) : 27.04.01, B.S. 18/09/2001

BVR tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type I (Decision of the Flemish Government) : 23.11.01, B.S. 10/04/2002

BVR tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon onderwijs basisonderwijs type 7 (Decision of the Flemish government) : 31.01.03, B.S. 01/04/2003

BVR tot invoering van een tijdelijk project betreffende vervangingen van korte afwezigheden, bedrijfsstages en mentorschap (Besluit van de Vlaamse Regering) : 27/01/2006, B.S. 19/04/2006, http://

BVR tot ontvankelijkheid en gelijkwaardigheid van een aanvraag tot afwijking op de decretale specifieke eindtermen voor het algemeen secundair onderwijs (Decision of the Flemish Government) : 16/09/2005, B.S. 05/12/2005

BVR tot operationalisering van het beleidsdomein Onderwijs en Vorming (Besluit van de Vlaamse Regering) : 31/03/2006, B.S. 30/06/2006, http://

BVR tot oprichting en samenstelling van de lokale comités voor de personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs (Besluit van de Vlaamse Regering) : 28/08/2000, B.S. 26/10/2000, http://

BVR tot oprichting en samenstelling van een Vlaams onderhandelingscomité voor het hoger onderwijs (Decision of the Flemish Government) : 21/01/2005, B.S. 18/02/2005

BVR tot organisatie van het schooljaar in het basisonderwijs, in het deeltijds onderwijs en in het onderwijs voor sociale (Decision of the Flemish Government) : 17.04.91, B.S. 11/07/1991

BVR tot regeling van een aantal aangelegenheden van het Begeleid Individueel Studeren (Decision of the Flemish Government) : 08.11.02, B.S. 24/12/2002

BVR tot uitvoering van artikelen 3, 5, 6 en 6bis, van het decreet houdende de regeling van basiseducatie voor laaggeschoolde volwassenen (Decision of the Flemish Government) : 15/07/2005, B.S. 10/11/2005

BVR tot uitvoering van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken (Decision of the Flemish government) : 15/12/1993, B.S. 08/02/1994 www.eurydice.org

400


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

BVR tot uitvoering van het decreet van 17 juli 1991 betreffende inspectie, dienst voor onderwijsontwikkeling en pedagogische begeleidingsdiensten (Decision of the Flemish government) : 17/07/1991, B.S. 31/08/1991

BVR tot uitvoering van het decreet van 30 april 2004 betreffende het verwerven van een titel van beroepsbekwaamheid (Decision of the Flemish Government) : 23/09/2005, B.S. 30/11/2005

BVR tot vaststelling en indeling van de ambten in de instellingen van het gewoon basisonderwijs (Decision of the Flemish Government) : 25/06/2004, B.S. 18/11/2004

BVR tot vaststelling en indeling van de ambten in het buitengewoon onderwijs (Decision of the Flemish government) : 24.01.03, B.S. 11/04/2003

BVR tot vaststelling van de bekwaamheidsbewijzen en de salarisschalen van de personeelsleden van de centra voor leerlingen (BVR) : 12/12/2003, B.S. 01/06/2004

BVR tot vaststelling van de bij decreet te bekrachtigen decretale specifieke eindtermen "topsport" Algemeen en technisch secundair onderwijs (Besluit van de Vlaamse Regering) : 10/03/2006, B.S. 20/04/2006, http://

BVR tot vaststelling van de bij decreet te bekrachtigen decretale specifieke eindtermen voor het algemeen secundair onderwijs (Decision of the Flemish Government) : 17/10/2003, B.S. 13/01/2004

BVR tot vaststelling van de eindtermen van de tweede en de derde graad gewoon secundair onderwijs. (Decision of the Flemish Government) : 23.06.00, B.S. 29/11/2000 Decision of the Flemish Government on the settlement of the “eindtermen” (attainment targets) of the second and third stage of ordinary secondary education. BVR tot vaststelling van de eindtermen van het derde leerjaar van de derde graad van het gewoon beroepssecundair onderwijs (Decision of the Flemish Government) : 20/09/2002, B.S. 28/11/2002

BVR tot vaststelling van de nadere regels over de werking van het college van algemeen directeurs van de hogescholen (Besluit van de Vlaamse Regering) : 29/09/2006, B.S. 05/12/2006, http://

BVR tot vaststelling van de salarisschalen van de leden van het onderwijzend personeel van de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap (Decision of the Flemish Government) : 03.05.95, B.S. 29/08/1995

BVR tot wijziging van het BVR 27 juli 2004 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse regering (Decision of the Flemish Government) : 23/12/2005, B.S. 21/01/2006

BVR tot wijziging van het BVR van 4 april 2003 ter ondersteuning van brugprojecten tussen economie en onderwijs (Decision of the Flemish Government) : 4/06/2004, B.S. 23/09/2004

BVR van 12 december 2003 betreffende de integratie van leerlingen met een matige of ernstige verstandelijke handicap in het gewoon lager en secundair onderwijs (Decision of the Flemish Government) : 12/12/2003, B.S. 02/03/2004 www.eurydice.org

401


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

Controle van de leerlingen in het buitengewoon basisonderwijs (Omzendbrief) : 9/10/2006, BaO/2006/05, http://

Controle van de leerlingen in het gewoon basisonderwijs (Omzendbrief) : 9/10/2006, BaO/2006/04, http://

De Grondwet (Constitution) : 17.02.94 Official Dutch version of the Belgian Constitution including all changes from 1831 on. The Belgian Constitution is also voted by the Parliament in a French and German version. De leerplicht (Circular Letter) : 1/03/2000, SO 68

De modulaire structuur van het secundair onderwijs voor sociale promotie (Circular Letter) : 1/07/2005, PV/2005/04 (OSP)

Decreet basisonderwijs (Flemish Decree) : 25.02.97, B.S. 17/04/1997. Decree on basic education, that renewes and reorganises the existent legislation on basic education. Decreet betreffende de afwijkingsprocedure voor de ontwikkelingsdoelen en eindtermen (Flemish Decree) : 15.07.97, B.S. 29/08/1997. Decree concerning the procedure of deviation for the development objectives and final objectives. Decreet betreffende de Centra voor Leerlingenbegeleiding (Flemish Decree) : 01.12.98, B.S. 10/04/1999. Decree regulating the integration of the ''Psycho-Medisch-Sociale Centra'' (PMS Centres) and the Centres for ''Medisch Schooltoezicht'' (Health Supervision in Schools) into integrated ''Centra voor Leerlingenbegeleiding'' (Centres for Educational Guidance) (CLB''s). Decreet betreffende de de inhaalbeweging voor schoolinfrastructuur (Decreet) : 7/07/2006, B.S. 15/09/2006, http://

Decreet betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs (1) (Flemish Decree) : 18.01.02, B.S. 08/02/2002 Decree concerning the attainment targets, the developmental objectives and the specific attainment targets in full-time ordinary and special secondary education. Decreet betreffende de flexibilisering van het hoger onderwijs en houdende dringende hogeronderwijsaangelegenheden (flexibiliseringsdecreet), gewijzigd bij decreet van 20 mei 2005 (Flemish Decree) : 30/04/2004, B.S. 12/10/2004

Decreet betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen (Flemish decree) : 04.04.03, B.S. 14/08/2003

Decreet betreffende de herziening van de financiering van de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap en begeleidende bepalingen. (Flemish Decree) : 07.12.01, B.S. 12/02/2002 Decree concerning the revision of the financing of universities in the Flemish community and accompanying measures. Decreet betreffende de Huizen van het Nederlands (Flemish Decree) : 7/05/2004, B.S. 19/11/2004

www.eurydice.org

402


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) Decreet betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken (Flemish Decree) : 01.12.93, B.S. 08/02/1994. Flemish Decree organising the Community inspectorate and the school related support services for courses based on a philosophy of life (including religion). This Flemish Decree organises nevertheless a framework for inspection and educational support in these subjects at the basic and secondary education level and teacher training (outside the university) Decreet betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs (Flemish Decree) : 27.03.91, B.S. 25/05/1991. Flemish Decree on the conditions of employment of certain staff members in the official schools. Decreet betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde PMS-centra (Flemish Decree) : 27.03.91, B.S. 25/05/1991. Flemish Decree on working conditions of certain staff members in grant-aided (official and free) schools and grant-aided "Psycho-Medisch-Sociale centra" (guidance centres) (PMS). Decreet betreffende de rechtspositieregeling van de student, de participatie in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen (Flemish Decree) : 19/03/2004, B.S. 10/06/2004

Decreet betreffende de regionale technologische centra en houdende noodzakelijke en dringende onderwijsbepalingen (Flemish Decree) : 7/05/2004, B.S. 31/08/2004

Decreet betreffende de studiefinanciering en studentenvoorzieningen in het hoger onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap (Flemish Decree) : 30/04/2004, B.S. 28/07/2004

Decreet betreffende de subsidiëring van ouderkoepelverenigingen (Flemish Decree) : 20.06.96, B.S. 09/08/1996. Flemish Decree on supporting parents associations at the school level including other recognised social organisations organising training for parents of pupils. Decreet betreffende gelijke onderwijskansen I (Flemish Decree) : 28.06.02, B.S. 14/09/2002

Decreet betreffende het landschap basisonderwijs (Flemish decree) : 10.07.03, B.S. 24/10/2003

Decreet betreffende het onderwijs II (Flemish Decree) : 31.07.90, B.S. 18/08/1990. Flemish Decree including various parts of legislation a.o. concerning the organisation of secondary education. Decreet betreffende het onderwijs IX (Flemish Decree) : 14.07.98, B.S. 29/08/1998. Flemish Decree including various parts of legislation a.o. concerning the organisation of several levels of education. Decreet betreffende het onderwijs VIII (Flemish Decree) : 15.07.97, B.S. 21/08/1997. Flemish Decree including various parts of legislation a.o. concerning integrated education at secondary and higher level. Decreet betreffende het onderwijs XI (Flemish Decree) : 18.05.99, B.S. 31/08/1999. Flemish Decree including various small parts of legislation concerning the staff of community education, secondary education, participation councils and other matters. Decreet betreffende het onderwijs XII-Ensor. (Flemish Decree) : 20.10.00, B.S. 16/12/2000 Flemish Decree concerning education XII Ensor. Decreet betreffende het Onderwijs XIII-Mozaïek (Flemish Decree) : 13.07.01, B.S. 27/11/2001 Decree concerning Education XIII- Mosaic. www.eurydice.org

403


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) Decreet betreffende het onderwijs XIV (Flemish Decree) : 14.02.03, B.S. 01/07/2003

Decreet betreffende het onderwijs XVI (Decreet) : 7/07/2006, B.S. 31/08/2006, http://

Decreet betreffende het onderwijs-XV (Decision of the Flemish Government) : 15/07/2005, B.S. 16/09/2005

Decreet betreffende het sociaal-cultureel volwassenenwerk (Flemish decree) : 04.04.03, B.S. 28/05/2003

Decreet betreffende inspectie en pedagogische begeleidingsdiensten (Flemish Decree) : 17.07.91, B.S. 31/08/1991 Flemish Decree organising a community based inspectorate and school-related external support services, including some principles of school system monitoring and quality control. This decree, modified in 1996, organises the structure and functioning of the inspectorate for all education levels, excluding the universities and 2-cycle higher education Decreet betreffende participatie op school en de Vlaamse Onderwijsraad (Flemish Decree) : 2/04/2004, B.S. 06/08/2004

Decreet betreffende tijdelijke projecten in het onderwijs (Decreet) : 09/12/2005, B.S. 02/02/2006, http://

Decreet houdende bekrachtiging van het BVR van 27 april 2001 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type 8 (Flemish Decree) : 18.01.02, B.S. 16/02/2002 Decree ratifying the Decision of the Flemish government of 27 April 2001 stipulating the developmental objectives for special basic education type 8. Decreet houdende de Middelenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2007 (Decreet) : 22/12/2006, B.S. 29/12/2006, http://

Decreet houdende de regeling van basiseducatie voor laaggeschoolde volwassenen (Flemish Decree) : 12.07.90, B.S. 04/10/1990. Flemish Decree adopting a structure for training programs focused on adults with little education. This Flemish Decree established twenty-eight local centres and one support centre for adult education Decreet houdende de subsidiëring van studenten- en leerlingenkoepelverenigingen. (Flemishe Decree) : 30.03.99, B.S. 15/09/1999. Decree concerning the subsidizing of student umbrella organisations (for secondary schools and higher education). Decreet houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs (Flemish Decree) : 14.07.98, B.S. 29/08/1998. Flemish Decree determining varied measures concerning the secondary education and modifying the Decree of 25 December 1997 on the "basisonderwijs" (basic education). Decreet houdende dringende maatregelen betreffende het lerarenambt. (Flemish Decree) : 08.06.00, B.S. 25/08/2000 Flemish Decree concerning urgent measures concerning the teaching profession. Decreet houdende goedkeuring en uitvoering van het verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Vlaamse Gemeenschap van België inzake de accreditatie van opleidingen binnen het Nederlandse en het Vlaamse hoger onderwijs (Flemish Decree) : 2/04/2004, B.S. 18/05/2004 www.eurydice.org

404


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

Decreet houdende goedkeuring van het verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Vlaamse Gemeenschap van België inzake de transnationale Universieit Limburg (Flemish Decree) : 13.07.01, B.S. 08/08/2001 Decree ratifying the agreement between the Netherlands and the Flemish Community of Belgium concerning the trans-national university. Decreet houdende wijziging van het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap (Flemish Decree) : 24.07.96, B.S. 19/09/1996. Flemish Decree introducing entrance exams for university level studies in the medical disciplines (medicin and dentistry). Decreet met betrekking tot de lerarenopleiding en nascholing (Flemish Decree) : 16.04.96, B.S. 12/06/1996 Decree on Teacher Training and In-service Training. Decreet tot bekrachtiging van de decretale specifieke eindtermen "topsport" algemeen en technisch secundair onderwijs (Decreet) : 2/06/2006, B.S. 13/07/2006, http://

Decreet tot bekrachtiging van de decretale specifieke eindtermen voor het algemeen secundair onderwijs (Flemish Decree) : 7/05/2004, B.S. 08/11/2004

Decreet tot bekrachtiging van de eindtermen en de ontwikkelingsdoelen van de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs (Flemish Decree) : 24.07.96, B.S. 14/08/1996. Flemish Decree adopting the final and developmental objectives for the first stage of ordinary secondary education. Decreet tot bekrachtiging van de eindtermen van het derde leerjaar van de derde graad van het gewoon beroepssecundair onderwijs (Flemish decree) : 20.12.02

Decreet tot bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 december 1998 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen van het buitengewoon onderwijs type 2 (Decreet) : 02/03/1999, B.S. 26/05/1999, http://

Decreet tot bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 september 2005 tot ontvankelijkheid en gelijkwaardigheid van een aanvraag tot (Flemish Decree) : 27/01/2006, B.S. 21/02/2006

Decreet tot bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juni 2006 betreffende de organisatie van tijdelijke projecten in het basis- en secundair onderwijs (Decreet) : 14/07/2006, B.S. 08/11/2006, http://

Decreet tot bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse regering van 23 november 2001 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon b (Flemish Decree) : 22.03.02, B.S. 27/04/2002

Decreet tot bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse regering van 29 september 1998 betreffende de beroepsprofielen van de leraren (Flemish Decree) : 15.12.98, Parlementaire Handelingen Flemish Decree on ratification of the desicion of the Flemish Government of 29 September 1998 concerning the professional profile of teachers. Decreet tot bekrachtiging van het BVR van 1 december 1998 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type 2 (Flemish Decree) : 02.03.99, B.S. 26/05/1999 www.eurydice.org

405


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) Flemish Decree of ratification of the Decision of the Flemish Government of 1 December 1998 defining the “ontwikkelingsdoelen” (developmental objectives) for special primary education type 2. Decreet tot bekrachtiging van het BVR van 23 november 2001 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type 1 (Flemish Decree) : 22/03/2002, B.S. 27/04/2002

Decreet tot bekrachtiging van het BVR van 31 januari 2003 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type 7 (Flemish decree) : 23.05.03, B.S. 16/07/2003

Decreet tot bekrachtiging van het reglement van de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie tot bepaling van de bestuursbeginselen die van toepassing zijn bij de besluitvorming inzake accreditatie en toets nieuwe opleiding ten aanzien van hoger onderwijs (Flemish Decree) : 27/01/2006, B.S. 21/03/2006

Decreet tot bekrachting van de ontwikkelingsdoelen algemene en sociale vorming in het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 (Flemish decree) : 19.07.02, B.S. 10/09/2002

Decreet tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid "Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs" (Flemish Decree) : 7/05/2004, B.S. 07/06/2004

Decreet tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap " Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen ". (Flemish Decree) : 7/05/2004, B.S. 09/06/2004

Decreet tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap " Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding" (Flemish Decree) : 7/05/2004, B.S. 07/06/2004

Decreet tot oprichting van onderhandelingscomités in het vrij gesubsidieerd onderwijs (Flemish Decree) : 05.04.95, B.S. 08/06/1995. Flemish decree organising consultation procedures at the school level between staff (incl. teachers) and the "Inrichtende Machten" (Organising Bodies) within subsidized free schools Decreet tot regeling van een aantal aangelegenheden van het volwassenenonderwijs (Flemish Decree) : 02.03.99, B.S. 21/08/1999. Flemish Decree organising a number of matters concerning adult education. Decreet tot wijziging van de decreten betreffende de inspectie en begeleidingsdiensten. (Flemish Decree) : 13.04.99, B.S. 05/05/1999 Decree to modify the Decrees concerning the inspectorate and educational guidance services. Decreet van 15 juli 2005 houdende wijziging van het decreet van 28 juni 2002 betreffende gelijke onderwijskansen-I (Flemish Decree) : 15/07/05, B.S. 30/8/2005

Decreet van 20 april 2001 houdende een aanpassing van de regelgeving betreffende het tertiair onderwijs (Flemish Decree) : 20/04/2001, B.S. 13/07/2001

Decreet van 30 april 2004 betreffende het verwerven van een titel van beroepsbekwaamheid (Decision of the Flemish Government) : 30/04/2004, B.S. 26/11/2004

www.eurydice.org

406


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) Decreet van 6 juli 2001 houdende ondersteuning van de federatie van erkende organisaties voor volksontwikkelingswerk (FOV) en houdende ondersteuning van de Vereniging van Vlaamse Cultuurcentra (Flemish Decree) : 6/07/2001, B.S. 17/08/2001

Deeltijdse vormingen die in aanmerking komen voor de vervulling van de deeltijdse leerplicht (Circular Letter) : 10/11/2005, SO/2005/09

Doventolken in het voltijds gewoon onderwijs (Omzendbrief) : 9/05/2006, NO/2006/01, http://

EUROKLASSEN: Europese samenwerking in het secundair onderwijs (Circular Letter) : 3/04/2004, SO/2004/05

Geïntegreerd onderwijs (Circular Letter) : 11/09/2003, GD/2003/05

GROS: Grensoverschrijdende Samenwerking met de buurlanden in het secundair onderwijs (Circular Letter) : 2/04/2004, SO/2004/04

Het Besluit van de Vlaamse regering van 15 juli 2002, bepaalt het aanwendingspercentage van het aantal uren-leraar (Decision of the Flemish Government) : 15/07/2002, B.S. 10/09/2002

Het gelijke onderwijskansenbeleid voor het basisonderwijs vanaf het schooljaar 2006-2007 (Circular Letter) : 20/07/05, BaO/2005/13

Het gelijke onderwijskansenbeleid voor het secundair onderwijs vanaf het schooljaar 20062007 (Circular Letter) : 15/08/2005, SO/2005/07

Het gelijkeonderwijskansenbeleid voor het basisonderwijs (Omzendbrief) : 13/06/2006, BaO/2006/01, http://

Het gelijkeonderwijskansenbeleid voor het secundair onderwijs (Circular Letter) : 30/04/2004, SO/2003/01

Het ministrieel besluit van 16 mei 1999 bepaalt de voorwaarden voor de aanvraag van een programmatie in het deeltijds kunstonderwijs en de behandeling ervan, de voorwaarden voor de melding van een structuurwijziging in het bestaande studieaanbod in het deeltijds kunstonderwijs (Ministerial decision) : 16/05/1999, B.S. 11/08/1999

Instellingen die attesten voor inschrijving in het BuO mogen afleveren. Schooljaar 2005-2006 (Circular Letter) : 6/09/2005, CLB/2005/02

Kaderdecreet Bestuurlijk Beleid van 18 juli 2003; : 18/07/2003, B.S. 22/08/2003

Koninklijk Besluit houdende omschrijving van de types en de organisatie van het buitengewoon onderwijs en vaststellende de toelatings- en behoudsvoorwaarden in de diverse niveaus van het buitengewoon onderwijs (Belgian Royal Decree) : 28.06.78, B.S. 29/08/1978. Belgian Royal Decree defining types and organisation of special education including admission requirements

www.eurydice.org

407


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) Koninklijk Besluit inzake gebruik rijksregisternummer door het Departement Onderwijs als uniek leerlingennummer (Belgian Royal Decree) : 07.07.02, B.S. 17/09/2002

Koninklijk Besluit tot vaststelling van de bevoegdheden van de beheerders, opvoedershuismeesters en directiesecretarissen in de rijksinrichtingen voo (Belgian Royal Decree) : 15.07.69, B.S. 25/07/1969. Royal Decree concerning the establishment of the tasks of the administrators, educators-caretakers and executive secretaries in the educational institutions of the basic, special, secondary and technical education, and in the teacher training schools. Lokale participatieregeling in het basis- en secundair onderwijs (Circular Letter) : 13/07/2004, GD/2004/03

Ministerieel besluit tot uitvoering van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 april 2003 ter ondersteuning van brugprojecten tussen economie en onderwijs (Ministerieel Besluit) : 12/05/2006, B.S. 17/07/2006, http://

Ministerieel besluit van 12 juli 2004 betreffende de toekenning van subsidies voor naschoolse opleidingsinitiatieven in de landbouwsector (Ministerial Decision) : 12/07/2004, B.S. 16/11/2004

Omzendbrief "Nieuwe structuur van opleidingsvorm 3" (Circular Letter) : 15/60/02, SO/2002/08

Omzendbrief "Overzicht subsidies en toelagen aan gewoon en/of buitengewoon gefinancierd en/of gesubsidieerd onderwijs" (Circular letter) : 26/02/02, BaO/2002/04

Omzendbrief (10.08.01) (Circular Letter) : 10.08.01, BaO/2001/1 Admission requirements for pupils in ordinary basic education. Omzendbrief (12.06.01) (Circular Letter) : 12.06.01, SO74 Circular letter concerning the organisation of the school year in secondary education. Omzendbrief (26.07.01) (Circular Letter) : 26.07.01, SO76 Circular Letter about experimental secondary education in a modular system. Omzendbrief betreffende GON en ASS (Omzendbrief) : 21/06/2006, CLB/2006/01, http://

Omzendbrief betreffende onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers in het gewoon voltijds secundair onderwijs (Circular Letter) : 23.07.01, SO 75

Omzendbrief Leerlingenstages en sociaal-maatschappelijke training in het buitengewoon secundair onderwijs (Circular Letter) : 16.09.02, SO/2002/11

Omzendbrief Leerlingenstages in het voltijds secundair onderwijs (Circular Letter) : 16.09.02, SO/2002/09

Omzendbrief Organisatie van het Deeltijds Beroepssecundair onderwijs (Circular Letter) : 30.06.99, SO 66

Omzendbrief Structuur en organisatie van het voltijds secundair onderwijs (Circular Letter) : 25.06.99, SO 64

www.eurydice.org

408


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) Onderwijs aan huis (Omzendbrief) : 17.06.97, BaO/97/5, http://

Onderwijs voor zieke jongeren (Circular Letter) : 22/07/2005, SO/2005/05

Onderwijs voor zieke jongeren (Circular Letter) : 22/07/2005, SO/2005/06 (BuSO)

Onderwijsbeleid voor migranten. Maatregelen voor de schooljaren 2005-2006 tot en met 20072008 (Circular Letter) : 10/06/2005, BaO/2005/06

Onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers (Omzendbrief) : 30/06/2006, BaO/2006/03, http://

Organisatie van het onderwijs in de centra voor basiseducatie (Circular Letter) : 1/07/2005, PV/2005/03 (BE)

Organisatie van het onderwijs voor sociale promotie (Circular Letter) : 2/07/2004, PV/2004/03

Peiling eindtermen biologie in de a-stroom van de eerste graad van het secundair onderwijs (Omzendbrief) : 7/03/2006, SO/2006/02, http://

Personeelsaangelegenheden in het onderwijs voor sociale promotie (Circular Letter) : 16/08/2005, PV/2005/5 (OSP)

Procedure voor de erkenning van de specifieke vorming inzake leidinggeven (art. 48 van het DCLB) (Circular Letter) : 12/12/2005, CLB/2005/04

Puntenenveloppen voor scholen en scholengemeenschappen basisonderwijs: personeelsformatie en personeelsaspecten (Circular letter) : 30/06/2005, BaO/2005/12

Scholengemeenschappen basisonderwijs (Circular Letter) : 30/06/2005, BaO/2005/11

Scholengemeenschappen secundair onderwijs (Circular letter) : 30.04.1999, SO 62

Structuur van de lineaire en modulaire taalopleidingen in het volwassenenonderwijs (Circular Letter) : 10/06/2004, PV/2004/04

Vakantieregeling in de centra voor leerlingenbegeleiding (Circular Letter) : 30/05/2005, CLB/2005/01

Vreemdetalenonderwijs in het gewoon basisonderwijs (Circular Letter) : 11/06/2004, BaO/2004/02

Wet betreffende de leerplicht (Belgian Law) : 29.06.83, B.S. 07/07/1983 Belgian Law on compulsory education. This law prescribes that minors, Belgians and foreigners alike, shall be subject to compulsory education attendance for a period of 12 years, starting in the school year during which the child reaches the age of six and ending at the end of the school year during which he reaches the age of 18. www.eurydice.org

409


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) Wet houdende organisatie van het bedrijfsleven (Belgian Law) : 20.09.48, B.S. 27/09/1996 Belgian Law organising Works Councils in all firms (in 1975 extended to the non-profit, non-public sector). Wet op het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs (Belgian Law) : 06.07.70, B.S. 25/08/1970. Belgian Law on special and integrated education This Law specifies the different types of special education in relation to the nature and degree of the main disability affecting a particular group and specifies the criteria and the conditions of admission to the various types Wet ter bevordering van de werkgelegenheid (Wet) : 24/12/1999, B.S. 27/01/2000, http://

Wet tot bepaling van de criteria bedoeld in artikel 39, §2, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten (Belgian Law) : 23.05.00, B.S. 30/05/2000 Belgian Law stipulating the criteria of article 39, §2 of the Belgian Special Law of 16 January 1989 concerning the financing of the communities and regions. Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel (Belgian Law) : 19.12.74, B.S. 24/12/1974

Wet tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving (Belgian Law) : 29.05.59, B.S. 19/06/1959. Belgian Law known as the "Schoolpactwet" (Schoolpact Law) modifying some provisions of the education legislation. Wetgeving houdende taalregeling in het onderwijs (Belgian Law) : 30.07.63, B.S. 22/08/1963. Belgian Law confirming the use of the regional language (Dutch, French, German) in the three languages zones in Belgium. Brussels and a limited number of smaller communities around the capital and along the linguistic border got a special status. Wijziging van de besluiten van de vlaamse regering van 31 juli 1990 houdende de organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichting “beeldend (Circular Letter) : 9/07/2001, OND/13EA/SBT 20

www.eurydice.org

410


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

INSTELLINGEN ACOD, Algemene Centrale der Openbare Diensten - Sector Onderwijs Fontainasplein 9-11 B-1000 Brussel Tel: +32.2.508.58.80 E-mail: onderwijs@acod.be Website: http://www.acod.be (18/07/2007) Administratie der pensioenen Victor Hortaplein 40 B-1060 Brussel Tel: +32.2.558.60.00 Agentschap Sociaal-Cultureel Werk voor Jeugd en Volwassenen - Afdeling Lokaal Cultuurbeleid en Sociaal-Cultureel Volwassenenwerk Arenbergstraat 9 B-1000 Brussel Tel: +32.2.553.42.45 E-mail: sociaalcultureelwerk@cjsm.vlaanderen.be Website: http://www.vlaanderen.be/sociaalcultureelwerk (18/07/2007) AGIOn, Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs (voorheen DIGO) Koningsstraat 94 B-1000 Brussel Tel: +32.2.221.05.11 E-mail: info@agion.be Website: http://www.agion.be (18/07/2007) AgODI, Agentschap voor Onderwijsdiensten H. Consciencegebouw Koning Albert II-laan 15 1210 Brussel Tel: +32.2.553.93.76 E-mail: agodi@vlaanderen.be Website: http://www.agodi.be (18/07/2007) Alden Biesen - Europaklassen Landcommanderij Alden Biesen Kasteelstraat 6 B-3740 Bilzen Tel: +32.89.51.93.59 E-mail: annemarie.vandeweyer@cjsm.vlaanderen.be Website: http://www.alden-biesen.be/paginas/eurowerking/index.php? (18/07/2007) AOC, Agentschap voor Onderwijscommunicatie Hendrik Consciencegebouw Koning Albert II-laan 15 1210 Brussel Tel: 32.2.553.96.52 E-mail: onderwijscommunicatie@vlaanderen.be Website: http://www.ond.vlaanderen.be/wegwijs/com/ BIS, Begeleid Individueel Studeren Consciencegebouw Koning Albert II-Laan 15 1210 Brussel Tel: +32.553.96.15 E-mail: info@bisonline.be Website: http://www.bis.vlaanderen.be (18/07/2007) www.eurydice.org

411


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

CCIB, Centraal Israëlitisch Consistorie voor België Joseph Dupontstraat 2 1000 Brussel Tel: +32.2.512.21.90 E-mail: ccib@amyisrael.co.il Website: http://www.amyisrael.co.il/europe/belgium/ (18/07/2007) CEGO, Centrum voor Ervaringsgericht Onderwijs Schapenstraat 34 B-3000 Leuven Tel: +32.16.32.57.40 E-mail: cego@ped.kuleuven.be Website: http://www.cego.be/ (18/07/2007) COC, Christelijke Onderwijscentrale Trierstraat 33 1040 Brussel Tel: +32.2.285 04 40 E-mail: coc.brussel@acv-csc.be Website: http://www.coc.be (18/07/2007) Commissie inzake Leerlingenrechten H. Consciencegebouw Koning Albert II-laan 1210 Brussel Tel: 32.2.553.93.82 Website: http://www.ond.vlaanderen.be/leerlingenrechtencommissie/ (18/07/2007) Commissie Zorgvuldig Bestuur Departement Onderwijs Secretariaat-generaal t.a.v. Willy Van Belleghem Koning Albert II-laan 15 B-1210 Brussel Tel: +32.2.553.95.55 E-mail: zorgvuldigbestuur.onderwijs@vlaanderen.be Website: http://www.ond.vlaanderen.be/zorgvuldigbestuur/ (18/07/2007) COV, Christen Onderwijzersverbond Koningsstraat 203 B-1210 Brussel Tel: +32.2.227.41.11 E-mail: cov@acv-csc.be Website: http://www.cov.be (18/07/2007) DBO, Dienst Beroepsopleiding (Departement Onderwijs en Vorming) Hendrik Consciencegebouw Koning Albert II-laan 15 1210 Brussel Tel: +32.2.553.87.00 Website: http://www.ond.vlaanderen.be/DBO/ (18/07/2007) Departement Cultuur, Jeugd, Sport en Media Arenberggebouw Arenbergstraat 9 B-1000 Brussel Tel: +32.2.553.69.77 E-mail: cultuur@vlaanderen.be Website: http://www.vlaanderen.be/cultuur/ (18/07/2007)

www.eurydice.org

412


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) Departement landbouw & visserij, Afdeling Duurzame Landbouwontwikkeling Ellipsgebouw (6e verdieping) Koning Albert II-laan 35 bus 40 B-1030 Brussel Tel: +32.2.552.78.92 Fax: +32.2.552.78.71 Website: http://www2.vlaanderen.be/ned/sites/landbouw/vorming/index.html Departement Onderwijs Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming Hendrik Consciencegebouw Koning Albert II-Laan 15 B-1210 Brussel Tel: +32.2.552.68.00 Website: http://www.ond.vlaanderen.be/wegwijs/departement/ (18/07/2007) DIVA, Dienst Informatie Vorming en Afstemming Hendrik Consciencegebouw Koning Albert II-laan 15 1210 Brussel Tel: +32.2.553.96.29 E-mail: info@diva-vlaanderen.be Website: http://diva.vlaanderen.be (18/07/2007) DPF, Federale Politie, LAgemene Directie van de Ondersteuning en het Beheer, Directie van de Opleiding Luchtmachtlaan 10 B-1040 Etterbeek Tel: +32.2.642.69.05 E-mail: dpf@police.ac.be Website: http://www.police.ac.be (18/07/2007) EduBROn, Begeleiding, Research, Onderwijs, Universiteit Antwerpen Universiteit Antwerpen Campus Drie Eiken Universiteitsplein 1 - Gebouw A B-2610 Antwerpen E-mail: edubron@ua.ac.be Website: http://www.edubron.be (18/07/2007) Entiteit Curriculum (ex-DVO) Consciencegebouw Koning Albert II-Laan 15 B-1210 Brussel Tel: +32.2.553.88.37 E-mail: jean.vanholder@ond.vlaanderen.be Website: http://www.ond.vlaanderen.be/dvo/ (18/07/2007) EPOS, Leonardo Da Vinci Koning Albert II-laan 15/C7 B-1210 Brussel Website: http://www.vl-leonardo.be ESF-Agentschap (Europees Sociaal Fonds - Vlaanderen) Gasthuisstraat 35 1000 Brussel Tel: +32.2.546.22.11 E-mail: info@esf-agentschap.be Website: http://www.esf-agentschap.be/ (18/07/2007)

www.eurydice.org

413


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) Examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap voor het voltijds secundair onderwijs Hendrik Consciencegebouw Koning Albert II-Laan 15 B-1210 Brussel Tel: +32.2.528.09.40 Website: http://www.ond.vlaanderen.be/examencommissieso/ (18/07/2007) Federatie Centra Basiseducatie St. Elooisdreef 56A B-8500 Kortrijk Tel: +32.473.17.09.53 Website: http://www.basiseducatie.be/ (18/07/2007) Federatie Steinerscholen Vlaanderen Nachtegaalstraat 8 B-2060 Antwerpen Tel: +32.3.213.23.33 E-mail: steinerscholen@telenet.be Website: http://www.steinerscholen.be (18/07/2007) FOD Defensie - Algemene Directie Vorming (DG FMN) Kwartier Commandant Panquin Warande 3 B-3080 Tervuren Website: http://www.mil.be/fmn (18/07/2007) FOD Financiën, Administratie der Thesaurie, Centrale dienst der vaste uitgaven - pensioenen Kunstlaan 30 B-1040 Brussel Tel: +32.2.257.257.11 E-mail: cdvupensioenen.thesaurie@minfin.fed.be Website: http://www.cdvupensioenen.fgov.be (18/07/2007) FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, Algemene Directie Werkgelegenheid en Arbeidsmarkt Directie van het betaald educatief verlof Ernest Blerotstraat B-1070 Brussel Tel: +32.2.233.41.11 E-mail: wea@werk.belgie.be Website: http://www.werk.belgie.be (18/07/2007) FOPEM, Federatie van Onafhankelijke Pluralistische Emancipatorische Methodenscholen Kartuizerlaan 20 B-9000 Gent Tel: +32.9.233.94.90 E-mail: fopem@skynet.be Website: http://www.fopem.be (18/07/2007) FOV, Federatie van Organisaties voor Volksontwikkelingswerk Gallaitstraat 86 bus 12 B-1030 Brussel Tel: +32.2.244.93.39 E-mail: info@fov.be Website: http://www.fov.be/ (18/07/2007) Freinetbeweging Vlaanderen E-mail: info@freinetbewegingvlaanderen.be Website: http://www.freinetbewegingvlaanderen.be/ (18/07/2007)

www.eurydice.org

414


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) FWO, Fonds voor wetenschappelijk onderzoek - Vlaanderen Egmontstraat 5 B-1000 Brussel Tel: +32.2.512.91.10 E-mail: post@fwo.be Website: http://www.fwo.be GO! onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap Emile Jacqmainlaan 20 1000 Brussel Tel: +32.2.790.92.00 E-mail: info@g-o.be. Website: http://www.g-o.be/ (18/07/2007) HIVA, Hoger Instituut voor de Arbeid - Onderwijs en Arbeidsmarkt Parkstraat 47 B-3000 Leuven Tel: +32.16.32.33.70 E-mail: hiva@kuleuven.be Website: http://www.hiva.be (18/07/2007) Huizen van het Nederlands Website: http://www.huizenvanhetnederlands.be (18/07/2007) ICOR, Interuniversitair Centrum voor Onderwijsrecht Arthur Goemaerelei 52 B-2018 Antwerpen Tel: +32.3.238.44.23 E-mail: info@Onderwijsrecht.be Website: http://www.onderwijsrecht.be/ (18/07/2007) IPCO, Raad van inrichtende machten van het Protestants-Christelijk Onderwijs Lakenmakersstraat 271 2800 Mechelen Tel: +32.15.55.61.52 E-mail: info@ipco.be Website: http://www.ipco.be/ (15/07/2007) K.U. Leuven, Centrum voor Onderwijsbeleid en -vernieuwing Vesaliusstraat 2 B-3000 Leuven Tel: +32.16.32.62.89 Website: http://www.kuleuven.be Kind & Gezin Hallepoortlaan 27 1060 Brussel Tel: +32.2.533.12.11 E-mail: info@kindengezin.be Website: http://www.kindengezin.be/KG/ Kinderrechtencommissariaat Hertogstraat 67 1000 Brussel Tel: 02/ 552.98.00 Fax: 02/ 555.98.01 Website: http://www.kinderrechtencommissariaat.be

www.eurydice.org

415


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) Koning Boudewijnstichting Brederodestraat 21 B-1000 Brussel Tel: +32.2.511.18.40 E-mail: info@kbs-frb.be Website: http://www.koningboudewijnstichting.be/ KOOGO, Koepel van Ouderverenigingen van het Officieel Gesubsidieerd Onderwijs Ravensteingalerij 27 bus 8 B-1000 Brussel Tel: +32.2.512.88.74 Website: http://www.sip.be/bo/gbs/oudervereniging/koogo.html NARIC-Vlaanderen Administratie Hoger Onderwijs Hendrik Consciencegebouw Koning Albert II-laan 15 B-1210 Brussel E-mail: Naric@vlaanderen.be Website: http://www.ond.vlaanderen.be/hogeronderwijs/interna/Naric/ Nederlandse Taalunie Lange Voorhout 19 2514 EB Den Haag Nederland Tel: + 31.70.346.95.48 E-mail: info@taalunie.org Website: http://taalunieversum.org/taalunie/ NVAO, Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie Parkstraat 28 NL-2514 JK Den Haag Nederland Tel: +31.70.312.23.00 E-mail: info@nvao.net Website: http://nvao.net/ OKO, Overlegplatform Kleine Onderwijsverstrekkers Kasteellaan 54 9000 Gent Tel: 9-233.04.06 Fax: 9-233.04.06 Kamiel Van Herp OVSG, Onderwijssecretariaat van de Steden en Gemeenten van de Vlaamse Gemeenschap Ravesteingalerij 3 bus 7 B-1000 Brussel Tel: +32.2.506.41.50 E-mail: info@ovsg.be Website: http://www.ovsg.be/ POV, Provinciaal Onderwijs Vlaanderen Koloniënstraat 18-24 B5 B-1000 Brussel Tel: +32.2.514.19.00 E-mail: provinciaal.onderwijs@pov.be Website: http://www.pov.be/ Prins Filipsfonds c/o koning Boudewijnstichting Brederodestraat 21 B-1000 Brussel Tel: +32.2.549.61.91 E-mail: info@prins-filipfonds.org Website: http://www.prins-filipfonds.org www.eurydice.org

416


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

Provincie Antwerpen, Dienst Onderwijs Koningin Elisabethlei 22 B-2018 Antwerpen Tel: +32.3.240.50.11 Website: http://www.provant.be/ Provincie Limburg, 1° Directie onderwijs en onderwijsinspectie Universiteitslaan 1 3500 Hasselt Tel: +32.11.24.73.11 E-mail: onderwijs@limburg.be Website: http://www.limburg.be/onderwijs/ Provincie Oost-Vlaanderen, 7e directie onderwijs Provinciehuis Gouvernementstraat 1 B-9000 Gent Tel: +32.9.267.80.00 E-mail: info@oost-vlaanderen.be Website: http://www.oost-vlaanderen.be Provincie Vlaams-Brabant, Dienst Onderwijs Provinciehuis Provincieplein 1 B-3010 Leuven Tel: +32.16.26.76.40 E-mail: onderwijs@vlaamsbrabant.be Website: http://www.vlaamsbrabant.be Provincie West-Vlaanderen Provinciehuis Boeverbos Koning Leopold III-laan 41 B-8200 Brugge Tel: +32.50.40.31.11 E-mail: provincie@west-vlaanderen.be Website: http://www.west-vlaanderen.be Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers E-mail: info@rkw.fgov.be Website: http://www.rkw.be/ ROGO, Raad voor Ouders van het Gemeenschapsonderwijs Schoonmeersstraat 26 B-9000 Gent Tel: +32.9.242.01.95 E-mail: info@rogovzw.be Website: http://www.rogovzw.be RSVZ, Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen Jan Jacobsplein 6 B-1000 Brussel Tel: +32.2.546.42.11 E-mail: info@rsvz-inasti.fgov.be Website: http://www.rsvz-inasti.fgov.be/

www.eurydice.org

417


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) SENECA, Forum voor Onderwijsrecht Universiteit Gent Vakgroep Publiekrecht en Belastingrecht Universiteitstraat 4 B-9000 Gent Tel: +32.9.264.69.09 E-mail: senecabe@seneca.be Website: http://www.seneca.be SERV, Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen Wetstraat 34-36 1040 Brussel Tel: +32.2.20.90.111 Website: http://www.serv.be Socius, Steunpunt voor Sociaalcultureel Volwassenenwerk Gallaitstraat 86 bus 4 B-1030 Brussel Tel: +32.2.215.27.08 E-mail: info@socius.be Website: http://www.socius.be St.A.M.-Vlaanderen, Studiegroep Authentieke Middenscholen Kasteelstraat 12 B-8580 Avelgem Tel: +32.56.64.42.12 E-mail: info@stam-vlaanderen.be Website: http://www.stam-vlaanderen.be/ Stad Antwerpen, Lerende Stad Lange Gasthuisstraat 15 B-2000 Antwerpen Tel: +32.800.23.019 Website: http://onderwijs.antwerpen.be/mida/ Stad Brussel, Openbaar onderwijs Anspachlaan 6 B-1000 Brussel Tel: +32.2.279.38.23 Website: http://www.brunette.brucity.be/ Stad Gent, Departement Onderwijs en Opvoeding Nederpolder 2 B-9000 Gent Tel: +32.9.269.70.00 E-mail: onderwijs@gent.be Website: http://www.gent.be/gent/onderwijs/onderwijs/index.html Steunpunt Diversiteit & Leren (voorheen Steunpunt intercultureel onderwijs) Sint- Pietersnieuwstraat 49 B-9000 Gent Tel: +32.9.264.70.38 E-mail: info@diversiteitenleren.be Website: http://www.steunpuntdiversiteitenleren.be/ (18/07/2007) Steunpunt GOK, Gelijke Onderwijskansen Blijde-Inkomststraat 7 3000 Leuven Tel: +32.16.32.53.64 E-mail: info@steunpuntgok.be Website: http://www.steunpuntgok.be (18/07/2007)

www.eurydice.org

418


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) Steunpunt Nederlands Tweede Taal (NT2) Blijde Inkomststraat 7 3000 Leuven Tel: 016/32.53.67 Steunpunt Studie- en Schoolloopbanen (voorheen Steunpunt LOA) Parkstraat 47 B-3000 Leuven Website: http://www.steunpuntloopbanen.be/ (18/07/2007) Steunpunt WAV, Interuniversitair samenwerkingsverband Werkgelegenheid, Arbeid en Vorming E. Van Evenstraat 2 bloc C B-3000 Leuven Tel: +32.16.32.32.39 E-mail: steunpunt@wav.kuleuven.be Website: http://www.steunpuntwse.be Stichting Ryckevelde Ryckevelde 6-10 B-8340 Damme Tel: +32.50.35.27.20 E-mail: info@ryckevelde.be Website: http://www.ryckevelde.be/ SYNTRA-Vlaanderen Kanselarijstraat 19 B-1000 Brussel Tel: +32.2.227.63.93 Website: http://www.syntra.be/ Universiteit Gent - Vakgroep Onderwijskunde H. Dunantlaan 2 B-9000 Gent Tel: +32.9.264.86.64 E-mail: Monique.Verstraete@UGent.be Website: http://www.onderwijskunde.ugent.be/ VCLB, Vrije-CLB-Koepel Anatole Francestraat 119 bus 1 B-1030 Brussel Tel: +32.2.240.07.50 Website: http://www.vclb-koepel.be/ VCOV, Vlaamse Confederatie van Ouders en Ouderverenigingen Interleuvenlaan 15A B-3001 Leuven Tel: +32.16.38.81.00 E-mail: info@vcov.be Website: http://www.vcov.be VDAB, Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding Keizerslaan 11 B-1000 Brussel Tel: +32.2.506.15.11 E-mail: info@vdab.be Website: http://www.VDAB.be VFO, Vlaams Forum voor Onderwijsonderzoek Vesaliusstraat 2 B-3000 Leuven E-mail: vfo@kuleuven.be Website: http://www.vfo.be www.eurydice.org

419


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

VGC, Vlaamse Gemeenschapscommissie - Directie Onderwijs Technologiestraat 1 B-1082 Sint-Agatha-Berchem Tel: +32.2.482.05.16 E-mail: onderwijs@vgc.be Website: http://www.vgc.be/administratie/dir_onderwijs/ Vlaams minister van Werk, Onderwijs en Vorming Hendrik Consciencegebouw Koning Albert II-Laan 15 B-1210 Brussel Tel: +32.2.552.68.00 E-mail: kabinet.vandenbroucke@vlaanderen.be Website: http://www.ministerfrankvandenbroucke.be/ Frank Vandenbroucke Vlaamse Unesco Commissie Farasijnstraat 32 B-8670 Koksijde Tel: +32.58.51.44.79 E-mail: info@unesco-vlaanderen.be Website: http://www.unesco-vlaanderen.be VLHORA, Vlaamse Hogescholenraad Wolvengracht 38/2 B-1000 Brussel Tel: +32.2.211.41.90 Website: http://www.vlhora.be/ VLIR, Vlaamse Interuniversitaire Raad Egmontstraat 5 B-1050 Brussel Tel: +32.2.550.15.94 Website: http://www.vlir.be/ VLOR, Vlaamse Onderwijsraad Leuvenseplein 4 B-1000 Brussel Tel: +32.2.219.42.99 E-mail: info@vlor.be Website: http://www.vlor.be/ VOCB, Vlaams Ondersteuningscentrum voor Basiseducatie Kardinaal Mercierplein 1 B-2800 Mechelen Tel: +32.15.44.65.00 E-mail: info@vocb.be Website: http://www.vocb.be VOOP, Vlaams Onderwijs OverlegPlatform Koninklijkelaan 9 B-2600 Berchem Tel: +32.3.230.03.84 Website: http://www.voop.be/ VSK, Vlaamse Scholierenkoepel Paleizenstraat 90 B-1030 Brussel Tel: +32.2.215.32.29 E-mail: info@vsknet.be Website: http://vsknet.be/ www.eurydice.org

420


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) VSKO, Vlaams Secretariaat van het Katholiek Onderwijs Guimardstraat 1 B-1040 Brussel Tel: +32.2.507.06.11 E-mail: secretariaat@vsko.be Website: http://ond.vsko.be VSOA-onderwijs, Vrij Syndicaat voor Openbare Ambten - Groep Onderwijs Poincarélaan 72-74 B-1070 Brussel Tel: +32.2.529.81.30 E-mail: info@vsoa-onderwijs.be Website: http://www.vsoa-onderwijs.be/ VUB, Vrije Universiteit Brussel - Vakgroep Onderwijskunde Pleinlaan 2 1050 Brussel Tel: +32.2.629.13.10 Website: http://www.vub.ac.be/ONKU/ VVS, Vlaamse Vereniging van Studenten Zavelput 20 1000 Brussel Tel: +32.2.502.01.22 E-mail: vvs@vvs.ac Website: http://www.vvs.ac./

www.eurydice.org

421


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

BIBLIOGRAFIE Aantrekken, ontwikkelen en behouden van leerkrachten: achtergrondrapport Vlaanderen / Geert Devos, Karlien Vanderheyden . - Brussel : Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement onderwijs , 2004 . Aanwerving van leraren technische en praktijkvakken / Jef Verhoeven, Koen Stassen . - Gent : Academia , 2006 . Academische opleidingen in Vlaanderen 2004-2005; masteropleidingen vanaf 2007-2008 . Brussel : VLIR , 2004 . Accent op talent - historiek van het project (2000 - 2004) / Koning Boudewijnstichting . : Koning Boudewijnstichting , 2006 . http://www.kbs-frb.be/code/page.cfm?id_page=125&ID=182&lang=NL Accent op talent. Competenties in balans. Zoeken naar afstemming tussen competentieontwikkeling in school en bedrijf / Koning Boudewijnstichting . - Brussel : Koning Boudewijnstichting , 2006 . Accent op talent. Een agenda voor vernieuwing / Koning Boudewijnstichting . - Brussel / Antwerpen : Koning Boudewijnstichting / Garant , 2004 . Accent op talent. Een geïntegreerde visie op leren en werken. Eindrapport van de commissie 'een nieuw perspectief voor technische en technologische beroepen en opleidingen' aan de Koning Boudewijnstichting / Koning Boudewijnstichting . - Brussel, Antwerpen : Koning Boudewijnstichting / Garant , 2002 . Accent op talent. Leren van elkaar. Samenwerking tussen scholen en bedrijven / Koning Boudewijnstichting . - Brussel / Antwerpen : Koning Boudewijnstichting / Garant , 2006 . Accent op talent. Meer techniek in algemene vorming / Koning Boudewijnstichting . - Brussel : Koning Boudewijnstichting , 2006 . Accent op talent. Onderwijsinnovatie in Europa. Voorbeelden van goede praktijk uit 10 Europese landen / Koning Boudewijnstichting . - Brussel : Koning Boudewijnstichting , 2004 . Cd-rom. Accent op talent. Stages, een win-win activiteit voor leerlingen, scholen en bedrijven / Koning Boudewijnstichting . - Brussel : Koning Boudewijnstichting , 2006 . ADIOV (onderwijsliteratuurdatabank) / Departement onderwijs . http://www.ond.vlaanderen.be/adiov Alles over basiseducatie / Centra voor basiseducatie . 2004 . http://www.basiseducatie.be Beleidsbrief Onderwijs en Vorming 2005 - 2006 / Frank Vandenbroucke . : Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement onderwijs en vorming , 2005 . http://www.ond.vlaanderen.be/beleid/brief/beleidsbrief2005-2006-full.htm Beleidsbrief Onderwijs en Vorming 2006-2007 / Vandenbroucke, Frank . : Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement onderwijs en vorming , 2006 . http://ond.vlaanderen.be/beleid/brief/beleidsbrief2006-2007-full.htm Beleidsnota onderwijs en vorming 2004-2009. Vandaag kampioen in wiskunde, morgen ook in gelijke kansen. Beleidsnota 2004-2009 / Frank Vandenbroucke . - Brussel : Departement onderwijs , 2004 .

www.eurydice.org

422


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) Beleidsvoerend vermogen van scholen ontwikkelen: een verkenning / VLOR . - Antwerpen : Garant / VLOR , 2005 . Belgielex, kruispuntbank van de wetgeving (databank) . - Brussel , . http://www.belgielex.be. http://www.belgielex.be Belgisch Staatsblad (databank) . - Brussel , . http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/welcome.pl. http://staatsblad.be Belgische statistieken portaal (databank) . : FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie , . http://statbel.fgov.be Belgostat (databank) . : Nationale Bank , . http://www.nbb.be/DOC/DQ/N/dq3/BelgoHome.htm. http://www.nbb.be/belgostat/startSDW.do Bevorderen en bewaken van de kwaliteit van het onderwijs, de opleiding en de vorming / B. Maes . : Brussel: DVO , 1998 . Bevordering van deelnamekansen inzake arbeidsmarktgerichte permanente vorming (DIAP) / Herman Baert, Mia Douterlungne, Dirk Van Damme e.a ; K.U. Leuven, Hiva, Universiteit Gent . Leuven , 2000 . BOP, Brussels Onderwijspunt (databank) / Vlaamse Gemeenschapscommissie (VGC) . http://www.bop.vgc.be Caleidoscoop (tijdschrift van de vrije CLB's) . - Brussel : VCLB , . http://www.caleidoscoop.be. CLB-werking vandaag: een introductie . - Brussel : VCLB , 2005 . Comenius 1 in Vlaanderen: een sociologisch onderzoek naar het functioneren van een internationaal onderwijsproject (Socrates) / Jef Verhoeven, Leen Dom, Greet Indesteege . Leuven : K.U. Leuven, Centrum voor Onderwijssociologie , 2004 . Competentiematrix bachelor in onderwijs: lager onderwijs / Kristien Carnel en Jos Vanwigh . Leuven : Acco , 2005 . Concept volwassenenonderwijs - 8 mei 2005 / Frank Vandenbroucke . : Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement onderwijs en vorming , 2005 . http://www.ond.vlaanderen.be/beleid/nota/conceptVO.htm De arbeidsmarkt in Vlaanderen. Jaarboek / Steunpunt WAV . - Leuven : Steunpunt WAV , . De flexibilisering van het secundair onderwijs in Vlaanderen. Een organisatie-sociologische studie van macht en institutionalisering / Devos, G . - Leuven-Amersfoort : Acco , 1995 . De grondwetsherziening van 1988 en het onderwijs. De schoolvrede en zijn toepassing / Jan De Groof . - Gent : Story Scientia , 1989 . De profielengids / VLOR . - Brussel : VLOR , 2005 . cd-rom met beroepsopleidingsprofielen SO en HO. http://www.vlor.be De Regionale Technologische Centra: een uitgebreide kennismaking / Ruben Plees . - Mechelen : Kluwer , 2005 . School en samenleving (besturen en participeren > regionale technologische centra > Algemeen 1). De rol van de schoolbesturen in het schoolmanagement / Devos, G.; Verhoeven, J.C.; Beuselinck, I.; Van den Broeck, H. & Vandenberghe, R . - Antwerpen : Garant , 1999 . www.eurydice.org

423


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

De school als ontwerpopgave. Schoolarchitectuur in Vlaanderen 1995-2005” met katern “Aanbevelingen bij de inhaaloperatie in de scholenbouw (2006-2010) / Verschaffel, Bart ; e.a . : A&S/books & De Vlaamse Gemeenschap/ Team Vlaams Bouwmeester , 2006 . http De Schoolpactwet. Coördinatie en annotatie / J. De Groof . - Brussel : E. Story Scientia , 1996 . De transitie van het initieel beroepsonderwijs naar de arbeidsmarkt met speciale aandacht voor de onderwijsverlaters / Hilde Creten, Veerle Van de Velde, Jan Van Damme, met medewerking van Dieter Verhaest . - Leuven : HIVA , 2004 . De universitaire regelgeving. Coördinatie en annotatie / Yvette Janssens, Jan De Groof . Nijmegen (Nederland) : Wolf Legal Publishers , 2005 . De verlenging van de leerplicht. Veertig jaar Belgische onderwijspolitiek / Dirk De Ceulaer . Leuven : Universitaire pers Leuven , 1990 . Delta: tijdschrift voor hoger onderwijs (voortzetting van Universiteit en beleid) / VLIR, VLHORA, Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid . - Brugge : Die Keure , . Ecodata (databank) . : FOD economie, kmo, middenstand & energie , 2006 . http://ecodata.mineco.fgov.be. http://mineco.fgov.be/barometers/ecodata/home_nl.htm Education in Flanders: the Flemish educational landscape in a nutshell . - Brussels : Ministry of Flanders, department of education , 2005 . Educational Effectiveness. An introduction to international and Flemish research on schools, teachers and classes / Jan Van Damme, M.-C. Opdenakker, G. Van Landeghem, B. De Fraine, H. Pustjens & E. Van de gaer ; K.U. Leuven, Centre for Educational Effectiveness and Evaluation . Leuven : Acco , 2006 . Edulex, de Vlaamse onderwijswetgeving en omzendbrieven (databank) . - Brussel : Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement onderwijs , . http://www.ond.vlaanderen.be/edulex. http://www.ond.vlaanderen.be/edulex Effectiviteit van TSO- en BSO-scholen in Vlaanderen / Sven De Maeyer, Rita Rymenans, Frans Daems, Peter Van Petegem, H. Van den Bergh . - Leuven : Acco , 2003 . Elektronisch ondersteund leren in het volwassenenonderwijs: een verkenning / VLOR . Brussel : Garant / VLOR , 2006 . Europass-Vlaanderen / Nationaal Europass Centrum (NEC Vlaanderen) . 2006 . http://www.europass-vlaanderen.be Evaluatie van het experiment modularisering in het secundair onderwijs / Koen Pelleriaux, Katleen De Rick, Helena Op den Kamp e.a . - Leuven : HIVA , 2005 . Financiering van onderwijs: een verkenning / VLOR . - Antwerpen : Garant / VLOR , 2006 . Flemish education in images 2004-2005 . : Ministry of the Flemish Community, Department of Education , 2005 . Flexibilisering van het volwassenenonderwijs in Vlaanderen: wens of werkelijkheid na het decreet van 1999? De positie en knelpunten van het volwassenenonderwijs in de context van levenslang leren / Katrien Van Valckenborgh & Mia Douterlunge . - Leuven : HIVA , 2004 . Forum (tijdschrift van het VSKO) . : Licap , . http://ond.vsko.be.

www.eurydice.org

424


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) Gemeentelijk onderwijs organiseren / OVSG, Onderwijssecretariaat van steden en gemeenten van de Vlaamse Gemeenschap ; Smets, Filip; Bal, Jurgen; Bataille, Didier . : Politeia , . http Geschiedenis van het onderwijs en het onderwijsbeleid in België / Mark D'hoker . - Leuven : K.U. Leuven, Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen. K.U.L , 1997 . GOK-evaluatie: inspiratietekst basisonderwijs / VLOR, Vlaamse onderwijsraad . : VLOR , 2006 . http GOK-zelfevaluatie: inspiratietekst secundair onderwijs / VLOR, Vlaamse onderwijsraad . : VLOR , 2006 . http Handboek gemeentelijk basisonderwijs / OVSG, Onderwijssecretariaat van steden en gemeenten van de Vlaamse Gemeenschap . : Politeia , . losbladig. http Handboek zelfevaluatie in het secundair onderwijs / G. Devos, J. Verhoeven, W. Opbrouck, B. Verbeeck . - Mechelen : Kluwer , 2000 . ISBN 9055836354 Het decreet basisonderwijs, geen revolutie, wel een grondige vernieuwing / S. Van Craeymeersch . : Kluwer Rechtswetenschappen , 1997 . Journal: Tijdschrift voor Onderwijsrecht en Onderwijsbeleid, Vol. 1996-1997, Nr. 4, pp. 211-222. Het deeltijds kunstonderwjs - Ontmoeting tussen cultuur- en onderwijsbeleid / S. Peeters, A. Blondeel, M Scheck . - Antwerpen : Kluwer Rechtswetenschappen , 1994 . Journal: Tijdschrift voor Onderwijsrecht en Onderwijsbeleid, Vol. 1993-1994, Nr. 4, pp. 54-63. ISSN 0778-0443 Het hoger secundair onderwijs in Vlaanderen geschetst. resultaten van de International Survey of Upper Secondary Schools (IUSS) / Peter Van Petegem, Alexia Deneire . - Mechelen : Wolters Plantyn , 2003 . Het hogeronderwijsregister (databank - opleidingen hoger onderwijs) / NVAO . http://www.hogeronderwijsregister.be Het Kunstsecundair onderwijs / Vlaamse Onderwijsraad . - Antwerpen : Garant , 2000 . Het reglementair kader van lokaal onderwijsbeleid / G. Devos, P. Vandenberghe, P. Vandingenen, J. Verhoeven . - Leuven : Acco , 1987 . ISBN 9033416506 Het schoolpact van 1958 / Le pacte scolaire de 1958. Ontstaan, grondlijnen en toepassing van een Belgisch compromis / Origines, principes et application d'un compromis belge / Els Witte, Jan De Groof, Jeffrey Tyssens (red.) . - Brussel, Antwerpen : VUB press, Garant , 1999 . Het Vlaams onderwijs in beeld 2005-2006 . : Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement onderwijs , 2006 . Historiek van het technisch- en beroepsonderwijs 1830-1990 / Robert Smet, André Vannecke, Etienne Baeten . - Antwerpen : Garant , 2002 . Ik zie, ik zie wat jij niet ziet: collegiale visitatie als hefboom voor schoolontwikkeling / Cautreels, Paul ; Van Petegem, Peter . : Wolters Plantijn , 2006 . http Impuls voor onderwijsbegeleiding (tijdschrift) . - Leuven : Acco , . In het lang en in het breed. Levenslang leren in Vlaanderen en Europa / Annick Van Woensel . : Steunpunt WAV , 2006 . www.eurydice.org

425


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) http://www.steunpuntwav.be/steunpuntwav/view/nl Inspiratieboek Zelfgestuurd leren / Vlaamse Onderwijsraad . - Antwerpen : Garant , 2003 . Internationalization and commercialization of higher education in an era of globalization / Jef Verhoeven, Geert Kelchtermans & Kristien Michielsen . - Leuven : K.U. Leuven, Centre for sociology of education , 2004 . Invoering modulair onderwijs in BSO / n.a . 2000 . Jaarlijkse verslaggeving van de Vlaamse regering aan het Vlaams Parlement en de Kinderrechtercommissaris omtrent de implementatie van het VN-verdrag van 20 november 1989 inzake de rechten van het kind / Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap . : Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap , 2001 . URL: http://www.wvc.vlaanderen.be/kinderrechten/index.htm (29.09.2001). Juridat (portaalsite van de rechterlijke macht van België) (databank) . - Brussel , . http://www.juridat.be Klasse voor leerkrachten (tijdschrift) . : Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement onderwijs , . http://www.klasse.be. Leergids / DIVA (Dienst Informatie Vorming en Afstemming) . http://www.leergids.be Leerkrachtenparticipatie in het schoolmanagement. Een Vlaamse beleidsstudie / Peter De Cuyper & Guy Van Gyes . - Leuven : HIVA , 2003 . Lerarendirect (elektronische nieuwsbrief voor leraren) / Departement onderwijs . - Brussel : Departement onderwijs , . http://www.lerarendirect.be Lerarenpocket secundair onderwijs. Info voor klas en loopbaan 2006-2007 . : Politeia , 2006 . http Levenslang en levensbreed leren in Vlaanderen en Europa / Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement Onderwijs . : Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap , 2000 . Levenslang en levensbreed leren in Vlaanderen. Gegevens, ontwikkelingen en beleidsmaatregelen / Joost Bollens & Ingrid Vanhoren (redactie) . - Leuven : HIVA , 2003 . McOnderwijs in Vlaanderen. Internationalisering en commercialisering van het hoger onderwijs / Jef Verhoeven, Geert Kelchtermans, Kristien Michielsen . - Mechelen : Wolters Plantyn , 2005 . Meer talen in de basisschool? Een verkenning / VLOR . - Antwerpen : Garant / VLOR , 2004 . Naar een brede school in Vlaanderen? / Frank Pirard, Lieve Ruelens, Ides Nicaise . - Leuven : HIVA , 2004 . Naar een nieuw decreet voor het volwassenenonderwijs / Penneman, Hilde . In: TORB, Tijdschrift voor onderwijsrecht en onderwijsbeleid . : Die Keure , 2006 . http Nieuw decreet voor de ARGO: van twee naar drie sporen / ARGO . 2004 . http://www.argo.be Nieuwe organisatievormen voor leerlingen met specifieke noden: een verkenning / VLOR, met medewerking van Pol Ghesquière, Gracienne Lauwers, Bea Maes e.a . - Antwerpen : Garant / VLOR , 2005 . Notebook Nederlandse en Vlaamse Onderwijstermen in het Engels / Broekhof, Kees; Stoops, Luc; Morris, Teresa . : Sardes , 1999 . www.eurydice.org

426


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) http Onderwijs in de Septemberverklaring 2005, Vlaamse regering / Frank Vandenbroucke . : Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement onderwijs , 2005 . http://www.ond.vlaanderen.be/beleid/VR/septemberverklaring2005.htm Onderwijs in het nieuwe regeerakkoord / Frank Vandenbroucke . : Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departemnt onderwijs en vorming , 2004 . http://www.ond.vlaanderen.be/nieuws/2004/0803-regeerakkoord2004.htm Onderwijs in Vlaanderen. Een brede kijk op het Vlaamse onderwijslandschap / Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs . - Brussel : Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs , 2004 . Onderwijs in Vlaanderen: het Vlaamse onderwijslandschap in een notendop . - Brussel : Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement onderwijs , 2005 . Onderwijs. Een decennium Vlaamse autonomie / J. Verhoeven & M. Elchardus . - Kapellen : Pelckmans , 2000 . ISBN 9028928162 Onderwijskansen voor jongeren met gedrags- en emotionele problemen: een verkenning / VLOR . - Antwerpen : Garant / VLOR , 2005 . Onderwijsspiegel - Kwaliteit van het onderwijs / Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs, Onderwijsinspectie . - Brussel : Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs , . Onderwijszakboekje / Johan Heyvaert & Guy Janssens . - Mechelen : Wolters Plantyn , 2006 . Jaarboek. Onderzoek inclusief onderwijs / G. Van Hove, K. Mortier, E. De Schauwer . 2005 . Op weg naar een Europees kwalificatiekader en een Vlaamse kwalificatiestructuur / Wilfried Boomgaert . - Mechelen : Kluwer , 2005 . School en samenleving (Internationalisering > Europa > Onderwijsbeleid 2). Opleidingskaarten DBSO / VLOR . - Brussel : VLOR , 2003 . http://www.vlor.be Organisatie en processen op school / Jef Verhoeven, Leen Dom . - Leuven : K.U. Leuven, Centrum voor Onderwijssociologie , 2005 . Ouders over scholen / Jef Verhoeven, Geert Devos, Koen Stassen . - Antwerpen : Garant , 2003 . Overheidscommunicatie over onderwijsbeleid naar het onderwijsveld / Geert Devos, Jef Verhoeven, A. Kuhk . - Antwerpen : Garant , 2002 . Pei/ijlen naar succesvol schoolbeleid: praktijkboek voor de beleidseffectieve school / Jan Vanhoof, Peter Van Petegem . - Mechelen : Wolters Plantyn , 2006 . Personeelsbeleid in Vlaamse scholen / Geert Devos, Jef Verhoeven, Koen Stassen, Véronique Warmoes . - Mechelen : Wolters Plantyn , 2004 . Politiek zakboekje (jaarlijks) / Clair Ysebaert . - Mechelen : Kluwer , 2006 . Prettig geleerd (databank - socioculturele activiteiten) / Socius . 2006 . http://www.prettiggeleerd.be Res Publica : tijdschrift voor politieke wetenschappen . - Leuven : Acco , . Ruimte voor personeelsbeleid in Vlaamse scholen / Geert Devos, Jef Verhoeven, Koen Stassen . Mechelen : Wolters Plantyn , 2005 . www.eurydice.org

427


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07)

Samenvatting van de resultaten van fase 2 van de loonstudie / Hay Group . : Departement Onderwijs - Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap , 2003 . http://www.ond.vlaanderen.be/schooldirect/Bijlagen/loonstudie.htm School en samenleving (losbladige uitgave) / Paul Mahieu (hoofdredactie) . - Mechelen : Wolters Plantyn , . Schoolbeleid en stadsbeleid: aanzetten tot een geopedagogiek / Paul Mahieu e.a . - Mechelen : Wolters Plantyn , 2005 . Schooldirect (elektronische nieuwsbrief voor schooldirecteurs) . - Brussel : Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement onderwijs , . http://www.ond.vlaanderen.be/schooldirect/default.htm. http://www.ond.vlaanderen.be/schooldirect/default.htm Schoolleadership and equity: the case of Antwerp: a report on good practice in three primary schools / Noël Clycq, Paul Mahieu, Ina Lodewijckx, steunpunt gelijkekansenbeleid . : UA, LUC, Steunpunt gelijkekansenbeleid , 2004 . Socrates (EU) in Vlaanderen: een evaluatie / Jef Verhoeven en W. Rommel . - Leuven : K.U. Leuven Centrum voor Onderwijssociologie , 2004 . Special education / Jan De Groof and Gracienne Lauwers (eds.) . - Dordrecht (Nederland) : KLuwer Academic Publishers , 2003 . Statistisch Jaarboek van het Vlaams Onderwijs / Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement Onderwijs . - Brussel : Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement Onderwijs , 2006 . Statuut personeel gemeenschapsonderwijs . - Brussel : Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement onderwijs , 2003 . Structuur van de bevolking / Nationaal Instituut voor de Statistiek . - Brussel : Nationaal Instituut voor de Statistiek , 2004 . http://www.statbel.fgov.be Studiekosten in het basisonderwijs: wat het aan ouders kost om schoolgaande kinderen te hebben / J. Bollens, H. De Vos & I. Vleugels . - Leuven : K.U.Leuven, Hoger Instituut voor de Arbeid , 2000 . ISBN 9055502456 Studiekosten in het hoger onderwijs: wat het kost om deel te nemen aan het hogeschool- en universitair onderwijs / J. Bollens, S. Groenez en I. Vleugels . - Leuven : K.U.Leuven, Hoger Instituut voor de Arbeid , 2000 . ISBN 905502448 Studiekosten in het secundair onderwijs. Wat het aan ouders kost om schoolgaande kinderen te hebben / Bollens, J. & Fripont, I ; Hoger Instituut voor de Arbeid . - Leuven : Hoger Instituut voor de Arbeid , 2001 . Studieloopbanen in het kunstgericht onderwijs: in-, door- en uitstroom in het secundair en hoger onderwijs / Peter Van Petegem, Willem Elias, Sven De Maeyer, Ann Van Leeuw . - Mechelen : Wolters Plantyn , 2005 . Studietoelagen / Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs . - Brussel : Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs , . http://www.ond.vlaanderen.be/studietoelagen Technologische vorming (basisonderwijs) in de praktijk / VLOR . - Brussel : VLOR , 2002 . http://www.vlor.be

www.eurydice.org

428


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) TORB, tijdschrift voor onderwijsrecht en onderwijsbeleid / ICOR, interuniversitair centrum voor onderwijsrecht . - Brugge : Die Keure , . http://www.onderwijsrecht.be. Trajectbegeleiding in DBSO / VLOR . - Brussel : VLOR , 2005 . http://www.vlor.be Trajectbenadering voor laaggeletterden in Vlaanderen / Ingrid Vanhoren, Judith Kerkhof, Kurt Demeester & Nick Matheus . - Leuven / Gent : HIVA / Vakgroep onderwijskunde Universiteit Gent , 2004 . Vergelijken van onderwijssystemen / Roger Standaert . - Leuven : Acco , 2003 . Visietekst ICT in het onderwijs / Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs . - Brussel : Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs , 2002 . Visietekst: de pedagogische begeleiding / VSKO . - Brussel , 2004 . http://www.vsko.be Vlaams onderwijs in cijfers, 2005-2006 . - Brussel : Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement onderwijs , 2006 . Vlaamse Codex, gecoördineerde wetgeving vanaf 1/1/1976 (databank) . 2006 . http://212.123.19.141. Vlaamse Onderwijsindicatoren in internationaal perspectief / Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Departement Onderwijs . - Brussel : Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap , . jaarboek. Vlaamse onderwijsstatistieken (databank) . http://www.ond.vlaanderen.be/onderwijsstatistieken. http://www.ond.vlaanderen.be/onderwijsstatistieken Vlaamse statistieken, strategisch management en surveyonderzoek (databank) . : APS, administratie planning en statistiek (Vlaamse Gemeenschap) , . http://aps.vlaanderen.be/index.htm. Vlaanderen in TIMSS 2003 / Universiteit Gent, Vakgroep onderwijskunde; K.U. Leuven, Centrum voor onderwijseffectiviteit en -evaluatie . - Brussel : Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement onderwijs , 2004 . Vlaanderen leert, cijfers en beleidsontwikkelingen . - Brussel : Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement onderwijs , 2005 . Volwaardig evenwaardig: het formeel erkennen van eerder verworven competenties: een empirisch onderbouwd EVC-model voor verkorte opleidingstrajecten initiële lerarenopleiding lager onderwijs / Kristien Carnel, Björn Callewaert, Pieter Tratsaert, Mariet Vaesen . - Leuven : Acco , 2005 . Voortgezette academische opleidingen en master-na-masteropleidingen aan de Vlaamse universiteiten in het academiejaar 2004-2005 / VLIR . - Brussel : VLIR , 2004 . Voortrajecten: opstap naar de arbeidsmarkt voor deeltijds lerenden. Een conceptnota / Lieve Ruelens, Katleen De Rick & Mia Douterlunge . - Leuven : HIVA , 2004 . Vormgeven aan schoolbeleid: effectieve scholenonderzoek als inspiratiebron voor de zelfevaluatie van scholen / Peter Van Petegem . - 2 - Leuven : Acco , 2005 . VRIND Vlaamse Regionale Indicatoren / Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement Algemene Zaken ; Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap . URL: http://aps.vlaanderen.be/statistiek.

www.eurydice.org

429


Eurybase – België – Vlaamse gemeenschap (2006/07) Waar staat de leraar in onze samenleving? Een onderzoek naar opvattingen over maatschappelijke waardering van leerkrachten / Antonia Aelterman, Jef Verhoeven, Isabel Rots . Gent : Academia , 2002 . Wegwijs in het Vlaams onderwijs / Peter Van Petegem, Ingrid Imbrecht . - Mechelen : Wolters Plantyn , 2006 . Werken aan leren. Over de kwaliteit van leerprojecten (stages) / Lieve Ruelens, Tine Baert, Herman Baert, Mia Douterlunge & René Bouwen . - Leuven : HIVA , 2003 . Wetwijs, webgids voor de schooladministratie (databank) . - Brussel : Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement onderwijs , . http://www.ond.vlaanderen.be/wetwijs/default.htm. http://www.onderwijs.vlaanderen.be/wetwijs Word wat je wil (databank cursussen en opleidingen) / DIVA . : DIVA , . http://www.wordwatjewil.be Zelfevaluatie en beleidseffectiviteit in Vlaamse scholen: het gelijkeonderwijskansenbeleid als casus / Peter Van Petegem, Jef Verhoeven, Ina Buvens, Jan Vanhoof . - Gent : Academia , 2005 . Zelfevaluatie versus externe evaluatie: zinvolle beleidsaspiraties? / Michielsens, P ; Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs . 2002 . http://www.ond.vlaanderen.be/schooldirect/bijlagen0201/ZE/michielsens.htm Zittenblijven, schoolse vertraging en slaagcijfers in het Vlaams onderwijs. Een kwantitatieve analyse (2003-2004). Themanummer 6 / Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement onderwijs . : De Vlaamse Gemeenschap , 2006 . http://www.ond.vlaanderen.be/publicaties/default.asp?nr=260 Zorgverbreding in relatie tot het buitengewoon onderwijs / I. Van Heddegem, Mia Douterlunge, Paul Ghesquière . - Leuven : K.U. Leuven, HIVA , 2001 .

www.eurydice.org

430


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook