IMENTHN, LANDSCHAPPEN 4. AHCHEüLl^Jr 2 9 / 4 •AUrJU5rU5 20 10
rWEEiVIA;>'NüELJJ]$5
N.V. VAN LOY & CIE ALGEMENE RESTAURATIEWERKEN Aarschotsesteenweg 4 2230 Herselt Tel. (014)54 43 97 Fax (014)54 72 72 bouw.vanloy@skynet.be
Restauratie Onze-Lieve-Vrouwkathedraal Antwerpen, exterieur, fase 5, kooromgang. Architecten: R. Steenmeyer & H. Baksteen
RESTAURATIE • RENOVATIE EN VERBOUWING • DAK- EN GEVELWERKEN
Tweemaandelijks tijdschrift van het agentschap Ruimte en Erfgoed
ISSN 0770-4948 29 jaargang Nr. 4 juli-augustus 2010
M Ü I M U M h N I E N , LAlNlUSLHAPPb, N EN A R C H E O L O G I E
^
Redactie Ruimte en Erfgoed Phoenix-gebouw Koning Albert ll-laan 19 (bus 3) 1210 BRUSSEL Tel. 02-553 16 13 - Fax 02-553 16 05 E-mail: luc.tack@rwo.vlaanderen.be Voorzitter: Luc Tack Redactiesecretaris: Mieke Lauwaert Eindredactie: Marjan Buyle, Marcel M. Celis en Peter Van de Hove Fotografie: Oswald Pauwels Secretariaat: Diane Torbeyns
/
Cover: Kaart van de heerlijkheid van Voorhaule uil 1674 (?}. Rijksarchief Gent, Kaarten en Plans nr. 2731 bis Ifoto 0. Pauwels) Internet
Website: www.onroerenderfgoed.be
Abonnementsv o o r w a a r d e n 2010
Redactiecomité*
België: 40 € (ook losse nummers verkrijgbaar voor 7 € ) . CJP'ers betalen: 28 € Buitenland: 65 €
Ere-voorzitter: Edgard Goedleven Ere-leden: Jo De Schepper, Hedwig Van Den Bossche, Suzanne Van Aerschot
Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving op rek. nr. 091-2206040-95 van Monumenten & Landschappen, Phoenix-gebouw, Koning Albert ll-laan 19 (bus 3), 1210 Brussel met vermelding "M&L-jaarabonnement 2010". U ontvangt dan alle nummers van het lopende jaar. E-mail: diane.torbeYns@rwo.vlaanderen.be Zonder schriftelijke opzegging vóór het einde van elk kalenderjaar, wordt een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang. Tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd
Voorzitter: Luc Tack Kernredactie: Marjan Buyle, Marcel M. Celis, Luc Tack, Herman Van den Bossche, Peter Van den Hove Redactie: Anna Bergmans, Jo Bracken, Marc De Borgher, Rudy De Graef, Piet Geleyns, Jos Gijselinck, Catheline Metdepenninghen, Dieter Nuytten, Oswald Pauwels, Greet Plomteux, Paul Van den Bremt, Christine Vanthillo, Linda Wylleman
* Het redactiecomité is samengesteld uit erfgoedconsulenten van het agentschap Ruimte en Erfgoed, en van het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed
n h o h si 1 2 Een oude knar op k r u k k e n : de restauratie van een beschermde lindeboom in Avekapelle G e e r t Van der Linden
21 De Stroopers in het vizier! Paul Van den Bremt en Regi De M e i r s m a n
64 Summary
Advertentiewerving J. Casier Maalsesteenweg 73, 8310 Sint-Kruis Tel.: 050-34 86 27 - Gsm: 0496 90 60 19 Tel.: 050-36 25 89 - Fax: 050-37 33 64 E-mail: jancasier.brugge@telenet.be
Druk Die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge Tel.: 050-47 12 72 - Fax: 050-34 37 68
Verantwoordelijke uitgever Ruimte en Erfgoed Luc Tack Phoenix-gebouw Koning Albert ll-laan 19 (bus 3) 1210 BRUSSEL Tel.: 02-553 16 13 - Fax: 02-553 16 05 De verantwoordelijkheid voor de gepubliceerde artikels berust uitsluitend bij de auteurs. Alle rechten voor het reproduceren, vertalen of herwerken zijn voorbehouden.
Wij hebben allemaal bescherming nodig, maar niet allemaal dezelfde!
Restauratie en Monumentenzorg
Duivenmest is door id(n agressieve chemische bestanddelen één van de belangrijkste oorzaken van onomkeerbare beschadigingen aan gebouwen en monumenten. Maar er is meer! De duif, maar vooral de duivenmest, brengt naast het aütourpatrimonium ook onze gezondheid in gevaar door overbrenging van ziekten zoals omithose, salmonella, psittacosis, e.a
Nu is er echter BIRDEX (een gamma diervriendelijke afschrikkingsmiddelen dat de duiven voorgoed weg houdt van monumenten en gebouwen. Will u er meer over weten, neem dan vrijblijvend contact met ons op.
P.E.C. International n.v. Kleine Breedstraat 37, B-9100 St.-Niklaas Tel.: 03-776 84 39 - Fax: 03-777 35 09
de producent van kaarten, databanken en luchtfoto's voor ruimtelijke ordening en stadsrenovatie historische kaarten: archief en reproducties
NATUURLIJKE KLEUREN MAKEN HET V E R S C H I L
•••••••^••1
hydraulische kalkmortels, kallei en tadelaktbepleistering UNIL buitengevelisolatiesystemen LIMETICS kalkverven CORICAL silicaatverven CORISILK en KEIM marmerafwerkingen MARMOLUX, CORISTIL en DECORLUX stucco venetiano PLASTELUX en VENESTUK
vu Dio-ecologische b o u w p a r t n e r
Arte g«gg'j
Arte Constructo bvt Molenberglei 18 - B-2627 Schelle - Belglui Tel. +32 (0)3 880.73.73 - Fax +32 (0)3 880.73.7 www.arteconstructo.be - info@arteconstructo.b
LOCCUFIER
Restauratie - renovatie BVBA
ALGEMENE BOUWONDERNEMING
Metsel-, timmer- en schrijnwerk Bevloering, pleister- en schilderwerk
Industriestraat 7B, 8211 Aartrijke Tel. 050/21 32 03 - Fax 050/21 32 04 - GSM 0475/84 55 90 rony.loccufier.bouwonderneming@skynet.be www.loccufierrony.be
Reg. Nr. Aannemer 05.11.1.1 Cat. 1 0 - 1 1 - U - 1 5 - 1 7 - 1 8 - 1 9 - 2 0 - 2 2 Erkenning Klasse 1, Ondercategorieën D 1 0 - D11 - D13- D21 Erkenning Klasse 2, Categorieën E - G - Ondercategorie 05 Erkenning Klasse 5, Categorie 0 - Ondercategorieën 01 - 024
f i i i f. de neef Impulstraat 7 • 2220 Heist-OD^en-Berq»Belgium • Tel. +3215 24 51 75 • Fax +32 15 24 51 76 «Email
Micropalen | Waterdichtingsinjecties Thermische gevelbepleistemTqw Polymeerchemische restauratie Consolidatie injecties van beton en metselwerk Uitwendige verkleving met koolstofvezel, aramideveze
L
BODIMA
NV
NUVERHEiDSWEG 1 - 2240 ZANDHOVEN TEL. (03)475 13 00 - FAX (03)485 74 47 Venecolaan 30 - 9880 AALTER TEL. (09)375 12 66 - FAX (09)375 22 88 E-MAIL: info@boclima.be Herentalsestraat, Turnhout
Grote Markt, Mechelen
^outrestauratie • Ontmossen van dafcen
x e x\^
,\aVe e^ Gevelreiniging • Betonherstelling •
^ ^
^eV,\e^
.09'^
^
AMO,<&
B.V.B.A.
Reg. nr.: 042801 Erkenning: D23 klasse 2
VENNOOTSCHAP VOOR DE CONSERVATIE EN DE RESTAURATIE VAN KUNSTWERKEN - Restauratie van moderne en oude schilderijen (namelijk grote formaten)
>eiaaraen Torenuurw^ — Klokkeninstallatie
- Restauratie van gemaroufleerde doeken - Restauratie van gepolychromeerde altaren
-ZJl/clockomatic A m b a c h t e l i j k e Zoï"" 'He Tel. 016/ 44 01 23 clock-o-niatic@
/ 44 66 40 .be • w w w . c l ü c k - o - m a t i t . b e
BUILDING
N.V.
Algemene Bouwonderneming Welvaartstraat 22, 2200 Herentals tel:014/861700-fax:014/861701
35 JAAR AKTIEF IN SAMENWERKING MET DE OFFICIËLE INSTANTIES DIEPESTRAAT 18 - 3061 BERTEM (Leefdaal) TEL. & FAX 02-767 97 80 E-mail: salvartes@pandora.be
/
/—
CL LU 31O O CCZ
I RRENOTEC I
Glas-in-loodrestauratie
RENOVATING FOR THE FUTURE
K mimvm mM:m tmmmH u vu, uwmeÊkvmH 1
»-'-
.1 . i . , » { • • ( •
ftt^^-iij
i
i ll.lilR*;f!i..W.liH
lJ{^•'•," "'T*/' iti
IH
ifl
' i
m> Jsi irfrii?''?; IKL
Interieurrestauratie
il IMP II ik^mil IIW 't s
mm. 'mm mm mtjsm^ikct^
-/ > z® f »
/V>V St.-Gummaruskerk Lier
Restauratie & Renovatie
Sinf Martinuskerk Beveren
Koor O.L.Vrouw Laken
Acaciastraat lB-2440 Geel
tel: 014/86.60.21 fax: 014/86.16.60
AURATIE • DAK-, KOPER- & ZINKWERKEN • RENOVATIE & VERBOUWING» RENOVATIE INTERIEURRESTAURATIE • GLAS-IN-LOODRESTAURATIE
rn@renotec.be www.renotec.be
IMPERPLEXI Onzichtbare bescherming van VLOEREN & MUREN Protection invisible
ANTI-GRAFFITI 0475.731215 www.imperplex.com
P. Nils www.pnijs. be E3-LAAN 49 - 9800 Deinze
TEL 09 386 07 63 - FAX 09 380 35 71
p.nijs.nv@pandora.be
£$€istöris che Q^Couten
floeren
restauratie en conservatie van historische houten vloeren ambachtelijke fabricage van paneelvloeren in 17de en 18de eeuws eikenhout plaatsing van 17de en 18de eeuwse paneel- plankenvloeren plaatsing van massief, hedendaagse en artisanaal parket Referenties : Diverse kastelen in privé-bezit / Museum-M Leuven / Den Wolsack, Vlaams Erfgoedhuis Antwerpen / Historisch Centrum Het Markiezenhof Bergen Op Zoom (NL) / DPC Pastoraal Diocesaan Centrum Mechelen / Egmontpaleis Brussel / Koninklijk Museum voor Kunst en Geschiedenisjubelpark Brussel / Koninklijk Paleis Brussel / en vele privéprojecten in binnen- en buitenland... Winnaar Persprijs voor restauratie 2005 - Winnaar Schrijnwerk-Awards Restauratie 2006
ylfe/yerPASSÉ PARTOUT bvba Galerij: Sint-Katelijnestraat 41 - 2800 Mechelen www.HistorischeHoutenVloeren.be info@HistorischeHoutenVloeren.be mobiel 0478-564954 O P E N : zaterdag 10-12/14-17uur
DENV5
RESTORATION WORKS
*È fê
• 'S,
II
B
'
f'^
-JL
•SSr
%
\
I k
•è* ^H -
^ B - ^ - - - i ••••
JR
.
i^^M-* -. '. ~
www.denvs.com
WÊB
Generiek
Geert
Van der
Linden
EEN OUDE KNAR OP KRUKKEN DE RESTAURATIE VAN EEN BESCHERMDE LINDEBOOM IN AVEKAPELLE De linde van Avekapelle (foto 0. Pauwcis)
Een van de oudste lindebomen
in
op het kerkhof
naast de Sint-
Michielskerk,
van Avekapelle werd in 2008
Vlaanderen,
verzorgd
en ge-
stut. Van deze boom weten we dat hij in werd geplant.
De linde heeft nu een
van 415 jaar. In 2007 een stamomtrek zijn hoge leeftijd
werd op 1,5 m
gemeten
van 627 cm.
werd een
hoogte Cezien
gespecialiseerde
verzorging
voor bomen in de
toegepast.
Men zou het kunnen
als een soort van ouderenzorg
1595
leeftijd
'aftakelingsfase' omschrijven bij
bomen.
In de Inventaris Houtige Beplantingen met Erfgoedwaarde, die opgemaakt wordt door het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE), zijn op het kerkhof van Avekapelle de oude linde en de gekandelaarde bomenrij met linden opgenomen. De oude linde heeft verschillende erfgoedwaarden. Zo is er eerst de wetenschappelijke dendrologische waarde. Want de linde in kwestie is een zomerlinde {Tilia plattyphyllos), een zuivere vertegenwoordiger van één bepaalde soort, wat belangrijk is voor het genenreservoir. Het is bovendien de oudste en dikste zomerlinde uit de regio. Maar de linde heeft ook een cultuurhistorische waarde: ooit
HET GFNFNRESERVQIR
•*
Inventaris Houtige
In Vlaanderen komen van oudsher de volgende linden voor: zomerlinde {Tilia platyphyllos), winterlinde {Tilia cordatd) en Hollandse linde {Tilia x europaea), een hybride van zomer- en winterlinde.
Gewassen mét Erfgoedwaarde: Gls-laag met aanduiding ïan de geïnventariseerde beplantingen op het kerkhof van
Uit archeobotanisch onderzoek uitgevoerd voor onze regio, blijkt dat de linde zich bij ons heeft gevestigd tijdens het Atlanticum, ongeveer 7000 voor Christus. De linde was toen zeer algemeen en waarschijnlijk op bepaalde momenten zelfs dominant aanwezig. Het linde-oerbos in Vlaanderen kwam van nature voor op vruchtbare plaatsen met rijke leembodems (loss) die bij uitstek geschikt waren voor de landbouw. Alleen op de arme zandgronden en veenbodems kwam hij niet voor. Vanaf de nieuwe steentijd en met de komst van de eerste boeren zowat 5000 jaar vóór Christus werden de lindebossen systematisch omgehakt en ontgonnen als akkerland. De natuurlijke biotopen waar linden oorspronkelijk voorkwamen zijn in Vlaanderen zo
Avekapelle met de linde naast de kerk en de leilmden rond het kerkhof
Vrachtjes van de
maakte hij deel uit van een historische eenheid met een religieus bouwkundig element, een al lang verdwenen kapel. Als oorspronkelijke kapelboom staat hij samen met de omgevende bomen eveneens model voor een beheersvorm uit het verleden waarbij beplantingen werden geknot, geleid of gekandelaard. Bovendien hebben de lindeboom en de gekandelaarde bomenrij ook een esthetische waarde: ze zijn beeldbepalend voor het kerkhof van Avekapelle.
linde: van links naar rechts de winterlinde, de zomerlinde en de Hollandse linde (foto H. Denis)
De belangrijkste kenmerken van de linden — •
•
soort
winterlinde
zomerlinde
Hollandse linde
blad
onderzijde blauwgroen, kaal met roodbruine haartoefjes in de nerfoksels, de kleine nerven van de derde orde onduidelijk, bladlengte 3 tot 6 centimeter
onderzijde lichtgroen, behaard, althans op de nerven aan de onderzijde, haartoefjes wit, de kleinere nerven van de derde orde opvallend, bladlengte 7 tot 10 centimeter
onderzijde kaal of licht behaard aan de onderzijde, haartoefjes wit of licht bruin, de kleinere nerven van de derde orde vrij duidelijk, bladlengte 5 tot 8 centimeter
vrucht
kleine zachte vruchtjes zonder ribben
grote harde vruchten, meestal met opvallende ribben
middelgrote, vrij harde vruchten met duidelijke ribben
bloem
crèmekleurig, 5-12 bloemen, enigszins opgerichte bloeiwijze
geelachtig, 2-5 bloemen, hangende bloeiwijze
crèmekleurig tot geelachtig, 2-9 bloemen, bloeiwijze hangend tot afstaand
twijg
kaal
behaard
kaal of iets behaard
knop
2 knopschubben
3 knopschubben
2 of 3 knopschubben
Schema samengesteld door Bert Maes
M&L
goed als verdwenen, precies omdat ze voor de landbouw ontgonnen werden (1). O m de restpopulaties te ontdekken van houtsoorten, die zich eeuwenlang hebben aangepast aan de lokale groeiomstandigheden, werd voor Vlaanderen een gebiedsdekkende inventarisatie uitgevoerd in opdracht van het Agentschap Natuur en Bos (2). Deze speurtocht naar autochtone bomen en struiken heeft echter voor de linden weinig locaties opgeleverd. Onze oudste erfgoedlinden zijn dikwijls nog de enige referentie uit de periode waarbij men ofwel zijn plantmateriaal haalde uit het nog aanwezige natuurlijke aanbod of waarbij het plantsoen kwam uit een boomkwekerijtraditie gebaseerd op dat aanbod.
hoogstwaarschijnlijk op die wijze blijven voortbestaan. Tegenwoordig is het aanbod in de boomkwekerijen niet altijd plantmateriaal waarvan de oorsprong te achterhalen is. Bij restauratie en herstel van erfgoedsites levert dit wel eens problemen op. Onze kennis om in erfgoedcontexten verantwoord plantadvies te verstrekken, is vaak ontoereikend. Zo dienen er zich problemen aan van taxonomische aard over de aard van de soort, hybride, kloon of variëteit. Andere moeilijkheden zijn dan weer van praktische aard: in de handel zijn de oude klonen en variëteiten meestal niet voorradig. Vervanging van erfgoedbomen gebeurt momenteel te dikwijls met cultuurhistorisch onaangepast materiaal (4). O m hiervoor een oplossing te bieden is er een samenwerking opgestart tussen het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) en het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE) met als doel hierover meer kennis te verwerven. Tijdens het inventariseren van houtige beplantingen met erfgoedwaarde door het V I O E worden systematisch alle erfgoedlinden bemonsterd in functie van het genetisch onderzoek dat op het I N B O wordt uitgevoerd. In totaal zijn er zo al 397 bladmonsters van erfgoedlinden afgegeven. De resultaten hiervan worden nog volop verwerkt.Ook de oude zomerlinde van Avekapelle is intussen bemonsterd en opgenomen in de genenbank van het I N B O .
Van nature kunnen linden zich niet alleen door zaden vermeerderen, maar ook door de vorming van natuurlijke afleggers. Deze natuurlijke eigenschap waarbij de linde zich laat vermeerderen door afleggers werd al snel door de mens benut. Het is gekend dat er vanaf de 17 ' eeuw en wellicht zelfs al vroeger, Vlaamse boomkwekers op die manier linden teelden. Onderzoek in Engeland, Nederland en Zweden heeft bovendien aangetoond dat Nederland en Vlaanderen in het verleden een grote rol speelden in de verspreiding van linden in Europa (3). Prachtige lanen van gekweekte bomen van Nederlandse of Vlaamse oorsprong kan je nog bewonderen in Zuid-Zweden, Engeland, NoordDuitsland en Rusland. In Vlaanderen zijn uiteraard ook restanten van oude lindeaanplantingen terug te vinden in ons cultuurlandschap, in parken en in dorpen en steden. Ze hebben dan ook een belangrijke landschappelijke en cultuurhistorische waarde. Er zijn sterke aanwijzingen dat bepaalde lindevarieteiten een specifieke toepassing en beheer kenden. Al eeuwen worden dreven en lijnaanplantingen geplant met welbepaalde cultuurvariëteiten die voor een specifieke toepassing als laanboom, solitaire parkboom, leiboom waren geselecteerd. Het zijn genetisch identieke linden die via bepaalde veredelingstechnieken zoals stekken, enten en afleggen of marcotteren zijn ontstaan. Deze werkmethoden noemt men al eens het 'kloneren' en de hierdoor ontstane cultuurvariëteiten 'klonen'.
Het genetisch materiaal van onze oude erfgoedlinden stamt hoogstwaarschijnlijk af van de cultusbomen die aanbeden werden in de voorchristelijke periode. Deze heidense praktijk werd tijdens de kerstening oorspronkelijk hardnekkig bestreden. In eerste instantie beoogde men bij de christelijke missionering zelfs de totale vernietiging van de boomverering (5), maar de rituele heidense gebruiken waren moeilijk uit te roeien. Vele gebruiken werden dan maar handig gerecycleerd (6). Dit kunnen we nog tot de dag van vandaag opmerken, want er worden nog steeds boomkapellen in linden opgehangen of er worden lindes bij kapellen geplant.
Beplantingen uit de 17 e en 18 e eeuw hebben nu een hoge leeftijd en worden uiterst zeldzaam. De traditie om te planten met de traditionele lindeklonen is vermoedelijk blijven bestaan tot in de 19 c eeuw. Het oorspronkelijke genetisch materiaal is
Niet alleen in de religie speelde de linde een grote rol, ook in het dagdagelijkse burgerlijke leven had hij een belangrijke betekenis. In het Kruidboek van Dodoens uit 1644 wordt hiervan melding gemaakt: "Desen boom schijnt hier te lande altijdt in groote
KAPELBQQM
De Sint-Michielskerk van Avekapelle met de beschermde linde (foto 0. Pauwels)
achtinghe geweest te zijn I misschien om sijn behaeghelijke groente ende fraeyen standt: soo datmen in alle vrijheden I stedekens en dorpen van Nederlandt I in sonderheyt van Vlaenderen I alle koopen I tsamenverdragingen ende verbonden onder de Linden plagh te doen. En de heeren van den Lande pleghen altijdt een van alle de Linden te behouden: onder de welcke sy hunne proclamatien Ipublicatien oft geboden uyt deden roepen ende verkondighen: al was die niet alleen bladeloos I maar bijna tackeloos gheworden. "
De linde traditioneel beheerd als knotboom (foto 0. Pauwels)
Lindebomen waren polyvalent en multifunctioneel. O o k de oude linde in Avekapelle refereert aan een traditioneel gebruik dat ontstaan is in een ver verleden. Hij is vermoedelijk als kapellinde geplant en dit naar aanleiding van de aanstelling van een pastoor in 1595 (7). Aan beide kanten van die kapel werden toen lindebomen geplant. De kapel werd verscheidene malen vergroot tot de huidige kerk en één van de bomen werd op het einde 17 eeuw voor de uitbreiding van de middenbeuk omgehakt (8). De linde is bijgevolg ouder dan de kerk. De kerk werd bovendien tijdens de Eerste Wereldoorlog zwaar beschadigd (9). De lindeboom heeft echter de Grooten oorlog overleefd!
M&L
zoo zwaar geworden dat men ze bij middel van een ketting voor het breken moet behoeden. Het is een der merkwaardigste boomen die wij bezitten (12) (13). Wat mogelijk ook wijst op een traditioneel kapbeheer is het verhaal dat de boom gebruikt werd als leverancier van takken, waarmee hulde werd gebracht aan de Koning Leopold I. In 1831 bracht de eerste koning van België een bezoek aan de Vlaamse steden Veutne en Brugge en tijdens zijn doortocht in Avekapelle werd het Koninklijke traject met het lover versierd. De toeschouwers wuifden er ook hun koning mee toe (14).
• foto uit 1944 met naast de kerk de knotboom die toen nog acht zware takken telde. Blijkbaar waren er toen al voor de stabiliteit twee zware takken ïerwi|derd (foto KIKIRPA)
PARASOL, PARAVFNT, PARAPI U Ook nu nog worden periodieke, jaarlijkse tot tweejaarlijkse, snoeibeurten uitgevoerd op de oude linde. Deze snoei gebeurt ook op de dubbele rij gekandelaarde linden langs het gangpad van het kerkhof. Indien deze lijnbeplantingen in 1831 ook al aanwezig was op het kerkhof dan kan zij ook leverancier geweest zijn van het loof waarmee de vorst werd geëerd.
KNDTRQQM QF SCHIETSCHIJF? De huidige boom heeft een heel specifieke vorm. Is die vorm nu het resultaat van een eeuwenlang volgehouden traditioneel knotbeheer of is die het gevolg van de beschietingen van de kerk tijdens de Eerste Wereldoorlog? (10) in zijn huidige verschijningsvorm op het kerkhof van Avekapelle heeft hij alle kenmerken van een authentieke oude knotboom (11). In een publicatie van de Koninklijke Vereniging voor Natuur- en Stedenschoon uit 1928 schrijft De Lattin trouwens over de linde van Avekapelle: "Deze laatste boom werd in zijn jeugd op 3 meters hoogte afgehakt en is tot een bollaartgegroeid die ongeveer tien stammen draagt. Deze stammen zijn
• De takken van de lijnaanplantingen op het kerkhof werden In 1944 geleid. Het sierlijke, zonnewerende en besloten karakter van de leibomennjen is nu herleid tot banaal knotbeheer (foto's KIKIRPA en G. ïan der Linden)
Lindebomen werden in het verleden enorm gewaardeerd om hun beschermende eigenschappen tegen zon, wind en regen. Tijdens de zomermaanden werd de lommerrijke omgeving van de lindeboom opgezocht om er te verpozen of om er zijn ingespannen dieren in de schaduw te 'parkeren'. Stal of woonst werden in vroegere tijden vaak tegen regen, zon en wind beschermd met lindes. Het is dus niet zo verwonderlijk dat ook de kerkomgeving van linden werd voorzien, want ooit waren kerk en kerkhof voor de vele gelovigen de place to be. Bij het ter kerke gaan werd dus voor de parochianen een aangenaam verblijf gecreëerd onder de lindebomen. Ook de doden en de trouwe kerkhofbezoekers werden met dezelfde zorg omringd, een feno-
meen dat in de Westhoek nog op veel kerkhoven is blijven voortbestaan.
•QUDELINDEZQRG' In 2007 had de monumentale linde een stamomtrek van 627 cm, gemeten op 1,5 m boven het maaiveld en een knothoogte van circa 3,2 m. Bij het inventariseren van bomen wordt steeds de stamomtrek gemeten. Door periodieke metingen kan men op deze wijze de diktegroei en bijgevolg op een indirecte manier ook de vitaliteit van de boom opvolgen. Maar de stamomtrek zegt uiteraard ook iets over de leeftijd van de boom. Er zijn heel wat gegevens beschikbaar van lindes met gekende leeftijden en bijbehorende stamomtrekken. De linde uit vermoedelijk 1595 in Avekapelle is toegevoegd aan een lijst van lindebomen in Nederland en Vlaanderen waarvan de leeftijd bij benadering is gekend. Het verzamelen van deze data laat toe om een vrij goede regressielijn op te stellen om de leeftijd van solitaire lindes te schatten, aan de hand van de stamomtrek (15). Dat de boom na 415 jaar nog steeds in leven is, heeft in grote mate te maken met de erfgoedzorg die in het verleden aan de boom werd gespendeerd. Of de werkmethoden van vroeger nu nog te verant-
woorden zijn, is dan weer een andere vraag. Wat te denken van de volgende boomverzorgende maatregel die in 1959 door Dendooven L. (16) werd beschreven: " Teneinde verdere verrotting tegen te gaan wordt de stam opgevuld met een mengsel van Kongolees stro en ciment">. Het opvullen van stamholten is een behandeling waarvan nu geweten is dat dit niet bevorderlijk is voor de gezondheid van de boom. Er is namelijk geen controle meer mogelijk op het ontstaan en de groei van houtschimmels achter de vulling. Thans verkeert de linde duidelijk in een verzwakte conditie die kenmerkend is voor oudere bomen op hun retour: het betreft hier een boom in de 'aftakelingsfase'. Theoretisch gezien is dit het stadium waarin het afstervingsproces van de boom de bijgroei overtreft. O p het ogenblik van de inventarisatie in 2007 werd in de boomstam een enorme holte vastgesteld, bovendien was er een ernstig probleem met de stamstabiliteit die, zonder bijkomende maatregelen, fataal dreigde af te lopen. O m het verlies van de boom te voorkomen werd de boom in een plastiekfolie gewikkeld, een soort steunverband als voorlopige maatregel. Na deze dringende instandhoudingwerken werd een boomverzorger aangesteld om de boom te beoordelen en om een restauratiedossier op te maken. De boom vertoonde echter een hoge vitaliteit die tot uiting kwam door een optimale bladbezetting en een goed ont-
Ten gevolge van de enorme stamholte was er een ernstig probleem van stabiliteit ontstaan: zonder boomvcriorgende maatregelen dreigde het bestaan van de oude lindeboom fataal af te lopen (foto 0. Pauwels)
dembedekker beplant. De holle boom werd ook gesaneerd en ontdaan van het aanwezige houtrot.
Dit steunende staketsel en het periodiek knotten van de oude lindenboom zal er voor zorgen dat de lindeboom nog een lange tijd kan bii|ven bestaan (foto 0. Pauwels)
wikkelde scheutlengte. Het komt er dus op aan om in de toekomst de conditie van de boom op te volgen en te waken over de vitaliteit die niet mag afnemen. Er mogen bijgevolg ook geen haperingen voorkomen in de diktegroei en hij moet bovendien gevrijwaard blijven van ziektes en parasieten. Conclusie: mits een goede verzorging heeft hij nog een lang leven tegoed. Er werd voorzien in een staketsel dat de boom steun geeft en de boomspiegel werd met een bo-
De gedegenereerde Overpeltse kerklmde (einde 16de eeuw) is vanuit het nog aanwezige wortelstel en stamresten aan een tweede leven begonnen (foto 0. Pauwels)
Het opgaande karakter heeft deze knotboom al lang verloren. De zware takken die op de bollaard groeiden, werden om uitscheuren van de boomkroon te voorkomen, al geruime tijd geleden teruggeplaatst. Juist omwille van het stabiliteitsprobleem is de boom in ieder geval gedoemd om op periodieke tijdstippen te worden geknot. Het in 2008 aangebracht staketsel beschermt nu ook de boom tegen het uitscheuren van verzwakte en minder stabiele delen. Het staketsel waarmee de linde hier gestut wordt, kan men eigenlijk vergelijken met een looprek dat gebruikt wordt door oude, minder mobiele mensen. Maar die vergelijking gaat niet volledig op, want ons oudje staat al meer dan 400 jaar op de zelfde plaats en als het van ons afhangt proberen we dat ook zo te houden. Geen nood echter! Het regenererend vermogen van lindebomen is bijzonder hoog. Het is zelfs mogelijk dat er uit de oude boomresten een nieuwe linde ontstaat. Zo groeit bijvoorbeeld uit de gedegenereerde resten van de Overpeltse Kerkelinde, een Hollandse linde (Tilia x europaed) met een in 2008 gemeten stamomtrek van 888cm, opnieuw een volwaardig opgaand boomvolume (17).
Precies om reden van het regenerend vermogen van lindes is men nu geneigd om niet te snel de beslissing te nemen om oude bomen te verwijderen. Als het om boomtechnische en veiligheidsredenen mogelijk is, wordt behoud in situ meer en meer overwogen. Dit gebeurt bovendien niet alleen omwille van de schoonheidswaarde van oude lindebomen, maar ook — en steeds meer — omwille van het behoud als genenreservoir en de waardering als historische erfgoedplanten.
Geert Van der Linden is erfgoedonderzoeker bij het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE) en daar o.a. verantwoordelijk voor de Inventarisatie Houtige Beplantingen mét Erfgoedwaarde
M&L
EINDNOTEN
is een aflevering van een hele reeks artikels, doch Van Buggen-
(1) MAES B. (red.) , Inheemse bomen en struiken in Nederland en
geschiedenis van Avekapelle,'m Bachten de Kupe, 20, 1978, p. 129-
hout vermeldt niet eens de linde; AMEEUW J., Bijdrage tot de Vlaanderen. Herkenning, verspreiding, geschiedenis en gebruik,
139. Hietin is die datum van 1595 te vinden, met de vermelding
Utrecht, 2006, p. 376.
dat dit gebeurde naar aanleiding van de aanstelling van pastoor Franciscus Legrijn alias Grineus. Hier is vermeld dat er oorspron-
(2) Meer hierover op de website van Instituut voot Natuur- en bosonderzoeken (INBO) en het Agentschap Natuur en Bos
kelijk twee linden waren, waarvan één sneuvelde einde 17 eeuw
(ANB): http://www.inbo.be/content/page.asp?pid=DUU_BOS_
door het verlengen van de middenbeuk van de kerk. De auteur
BTM_autochtonebs
vermeldt als algemene bronnen: de parochierekeningen, het Li-
http://www.natuurenbos.be/nl-be/thema/bos/bosbeleid/
ber memorialis van de kerk en andere. Eén en ander lijkt behoor-
autochtone_bomen_en_struiken.aspx
lijk geloofwaardig: zie ook de citaten uit stukken van de kosters, die hij letterlijk citeert; DELEPIERE A-M., LION M. en HUYS
(3) Baanbrekend werk over de linde in Nederland is gepubliceerd door: MAES N., VAN VUURE T, De Linde in Nederland,
M., Bouwen door de eeuwen heen, dl. 8 n. Gent, 1982, p. 541:
Utrecht/Wageningen, 1989, p. 166; MAES B., De lindesoorten
hier wotdt als jaattal 1595 geciteerd, waarschijnlijk gebaseerd op
van Nederland, in Gorteria, 16, 1990, p. 61-81.
de publicatie van Ameeuw; In 1989 verschijnt dan DECUYPESIC
In Engeland kwam men in de jaren negentig van de 20
RE Y. (red.). Merkwaardige bomen in Vlaanderen, Brussel, 1989,
eeuw
waarin p. 95-97 die linde vermeld wordt met als plantdatum
tot de bevinding dat er klonen van de Hollandse linde vanuit
24.12.1634, zondet echter enige bronvermelding!; Vermits de
Nederland en Vlaanderen werd ingevoerd. PIGOTT CD., The clones of common lime (Ttlia x vulgaris Hayne) planted in England during the seventeenth and eighteenth cen-
24.12.1634 als 1595, al lijkt zijn volgorde en formulering toch
Ook in Zweden kwam men tot de conclusie dat er Hollandse
duidelijk een vootkeur voor de eerste te suggereren. In zijn bi-
linde werd geïmporteerd vanuit Nederland en Vlaanderen.
bliografie vermeldt hij Bouwen door de eeuwen heen, het arrikel
BENGTSSON, R., Variations in common lime (Tilia x europaea
van Ameeuw en het boek Merkwaardige bomen. Waarom hij de
L.) in Swedish gardens of the 17 and 1$ centuries (doctoraal
voorkeur lijkt te geven aan 1634, is geheel onduidelijk, tenzij hij
proefschrift van de Dept. of Landscape Management and Horti-
et van uitging dat een bomenpublicatie meer betrouwbaar is voor
cultural Technology SLU), in Acta Universitatis agnculturae Sue-
deze boom. Opvallend is dat zowel Ameeuw als Cotnilly het heb-
ciae, vol. 64, 2005, p. 42.
ben over de aanleiding: de aanstelling van een nieuwe pastoor.
(4) VANDER MIJNSBRUGGE K. en DE HAECK A., Cultuurhistorisch onderzoek van oude lindebomen in Vlaanderen met behulp van moleculaire merkertechnologie (niet gepubliceetd onderzoek), (5) De Kerk trad krachtig op tegen het heidense natuurgeloof: ze verbood bijvoorbeeld in 452 het branden van lichten bij bomen, rotsen, kruiswegen en bronnen. De concilies van Tours (567) en Nantes (568) spraken zich ook in die zin uit. Over de kerstening van het heidense natuurgeloof, zie: DE CLEENE M. en LEJEUNE M.C., Compendium van Rituele Planten in Europa, Stichting Mens en Kuituur, Gent, 1999, p. 16.
Monumentaal West-Vlaanderen, dl. 3, Brugge, 2005, p. 253. Deze auteur houdt zich wat op de vlakte en vermeldt zowel de datum
turies, in Newphytologist, 121, 1992, p. 487-493.
INBO, 2004.
linde beschermd is, wordt ze ook vetmeld in CORNILLY J.,
Nu beschikken we wel over kopieën van de kerkregisters. Die vatten aan in 1595, wat oveteen kan komen met de aanstelling van een nieuwe pastoor (die Legtijn/Gtineus), maar de pastoot ondertekent de akten jammer genoeg niet. In 1634 zijn de akten wel ondettekend. Tot in (niet nader gedateerd) november 1634 tekent ene D. Salperwick; op 26.11.1634 is er dan blijkbaar een plaatsvervanger, en op 03.12.1634 tekende Arnoldus Bauweten (?) als pastoot af, en die bleef in functie daarna. Dus er is in 1634 inderdaad een nieuwe pastoor gekomen, maar als die boom geplant is op 24.12, dan is het toch enkele weken na zijn aanstelling en dit is dan toch wel zeer verbazend.
(6) Een nieuwe missioneringmethode werd in 601 ingeluid door paus Gregorius I de Grore (590-604). Er werd een aanpassings-
Kortom: zonder het kerkarchief zelf geraadpleegd te hebben, ge-
beleid gevoerd waarbij de kerk de natuurgodsdiensten van onze
ven wij toch de voorkeur aan de versie van Ameeuw. Ameeuw is
voorouders niet onmiddellijk heeft uitgetoeid maar in een chris-
vermoedelijk de enige auteur die de moeite gedaan heeft het ker-
telijk kleedje heeft vetpakt. Zie: DE CLEENE M. en LEJEUNE M.C., op.cit., p. 16. (7) Et is nogal wat verwarring omtrent de juiste plantdatum (1595
karchief zelf te bekijken. (8) AMEEUW A., Bijdrage tot de geschiedenis van Avekapelle, in Bachten de Kupe, 20, 1978, p. 129-139.
en 1634). Een juiste datering is van belang voor het opstellen van
(9) De parochiekerk werd zwaar beschadigd tijdens de Eetste
een regressielijn om de leeftijd van solitaire lindes re schatten (zie
Wereldoorlog en rond 1920 hersteld naar oorspronkelijk uitzicht
ook noot 16). Jan Van Acker, erfgoedconsulent in Veurne, heeft
onder leiding van architect J. Viétin uit Brugge. DELEPIERE
in de periode dat de restauratie van de linde in de belangstelling
A-M., LION M. en HUYS M., op.cit., 1982, p. 541; CORNIL-
kwam een onderzoek ingesteld naar de plantdatum.
LY J., Monumentaal West-Vlaanderen, dl. 3, Brugge, 2005,
Over Avekapelle en zijn geschiedenis bestaat er eigenlijk weinig
p. 253. http://inventaris.vioe.be/dibe/relict/16916
recente literatuur: VAN BUGGENHOUT J., Geschiedenis van
(10) Het ontbreekt ons echter aan informatie (postkaarten, oude foonze parochies. Avekapelle, in Bachten de Kupe, 33, 1991, p. 2-7, to's, ed.) om de toestand van de boom tijdens en na de Eerste
Wereldoorlog op beschadigingen te beoordelen. Tot nu toe zijn
Merkwaardige bomen in België. 100 bomen en verhalen om te koes-
enkel foto's gevonden uit de periode van de Tweede Wereldoorlog
teren. Tielt, 2005; GEERTS P., De linde, monument in de tuin.
(1944). Online fototheek van het Koninklijk Instituut voor het
Een schilderachtige boom met een rijke geschiedenis, in De tuinen van Eden, nr. 22, 2005, p. 84-94.
Kunstpatrimonium. http://www.kikirpa.be/NI./45/30/Online+fototheek.htm
(15) Deze lijst en de toegepaste formule om het vetband tussen stamomtrek en leeftijd te bepalen vind je in: ZWAENEPOEL A.,
(11) Knotboom: boom waarvan de stam op een bepaalde hoogte
Inventaris van traditionele, solitaire bomen en struiken als leidraad
wordt afgezet en die hierop opnieuw uitloopt. Door periodiek afzetten ontstaat een knot. Het knotten van de knotboom wordt
voor natuur- en landschapsbehoud en -herstel in West- Vlaanderen,
uitgevoerd in kapcyclussen. De knothoogte wordt bepaald tij-
2006, p. 294.
dens de eerste knotbeurt. VAN DER LINDEN G., Typologie voor
(16) DENDOOVEN L, Dit is West-Vlaanderen. Steden - Gemeenten
Houtige Beplantingen ontwikkeld in functie van de Inventaris Hou-
-Bevolking, 3 dln., Sint-Andries Brugge, deel 1: p. 1-696, deel 2:
tige Beplantingen mét Erfgoedwaarde (niet gepubliceetd ond.),
p. 697- 1470, deel 3, 1959, 1960, 1962, p. 1471-2286.
VIOE, 2006. (12) DE LATTIN A., De Boomen, Vereeniging Natuur- en Stedenschoon, Antwerpen, 1928, p. 95. (13) Bollaard'is de West-Vlaamse streekbenaming voor knotboom (zie ook noot 11)
(17) http://inventaris.vioe.be/dibe/relict/80374 Oude zogenaamde kerklinde op het kerkplein voor de Sint-Martinuskerk. Volgens een legende van het einde van de 16" eeuw werd deze geplant door de overlevenden van een pestepidemie. Volgens andere bronnen is dit de tweede of derde opvolger van
(14) Vergelijkbare verhalen kan men in om het even welk boek
een door de vroegere bewoners aanbeden boom. Men neemt aan
over 'merkwaardige bomen' vinden. We verwijzen hier naar:
dat er in de middeleeuwen onder deze boom recht werd gespro-
BESTUUR WATERS EN BOSSEN, Merkwaardige bomen van
ken. Vandaag herleid tot een sttonk met takken. Aan zijn voet lag
België. Brussel, 1978; DECUYPERE Y. (red.). Merkwaardige bo-
vroeger een steen, volgens sommigen een dtuïdensteen.
men in Vlaanderen, Brussel, 1989; DE BEULE Y. en GEERTS R,
Paul Van den Bremt en Regi De Meirsman
DE STROOPERS 1M HET VIZIER!
De Stroopers: een koninklijk bos? (foto R. De Meirsman)
Over landschappen
doen soms
merkwaardige
verhalen de ronde. Neem nu dit de Stroopers. Met een oppervlakte 500 ha, op het grondgebied
studiegebied, van meer dan
van de gemeenten
Stekene (Kemzeke) en Sint-Cillis-Waas, aan de noordzijde
leunt het
aan tegen Nederland
en
De Stroopers zouden toen een deel geweest zijn van het Koningsforeest, een jachtgebied graven van Vlaanderen
in het Land van Waas.
Maar bovendien: vanaf de 7 9''' eeuw tot de dag van vandaag is er in en rond de Stroopers ook sprake van een jachtpartij
van totaal
wordt het in het zuidwesten nog net doorsneden
aard. Want tal van heemkundigen,
door de expresweg Antwerpen
taalwetenschappers
meeste topografische van wat raadselachtig
Knokke
Op de
kaarten staat een deel eraangeduid
als
'Koninklijk
jacht, ze specialiseerden indrukwekkende
andere
historici en
gingen er op hun beurt op er zich in een bij wijlen
vossenjacht. Ze volgden er de
Bos'. In diverse studies verwijst men voor de her-
sporen van een icoon van de
komst van deze ietwat pronkerige
literatuur.
koninklijke
van de
Middelnederlandse
Van den Vos Reynaerde. Hun voor-
naam naar een ver verleden, toen het graaf-
beeld werkte zo inspirerend dat wij eveneens op
schap Vlaanderen
jacht trokken, geleid door weer andere sporen
nog machtige graven
die in deze contreien de plak
zwaaiden.
telde
van ...de
Stroopers.
Bij deze jacht maken wij gebruik van archief- en terreinonderzoek. zoektocht
literatuur-,
Wij starten de
onntreeks het einde van de laatste
ijstijd en laten hem in deze eerste
bijdrage
eindigen in de donkere jaren van de godsdienstoorlogen van de 16de eeuw. Zijn de sporen aan het begin van onze queeste nog eerder vaag en abstract,
dan worden ze gaandeweg
steeds dui-
Centraal in het onderzoeksgebied gaat de dekzandrug over in een zwakke, brede en natte depressie, die nu doorsneden wordt door de Linie. Ze bestaat uit een relatief vlak gebied met een hoogte van 3 tot 4 meter, maar kent toch nog behoorlijk wat microreliëf. Deze depressie wordt breder naar het oosten toe en gaat daar ter hoogte van de Klingedijk over in de Scheldepolders. In natte perioden komt het grondwater er nog op een aantal plaatsen tot aan de oppervlakte.
delijker en meer concreet. Maar raadsels zijn
Het gebied de Stroopers bestaat uit drie geomorfologische en landschappelijke eenheden (1).
Ten zuiden van deze depressie, grosso modo aan beide zijden van de expresweg Antwerpen-Knokke (E 34), gaat de Stroopers over in de zogenaamde, eveneens zuidwest-noordoostelijk verlopende, dekzandrug Maldegem-Stekene die hier plaatselijk tot 5 meter hoog opklimt. Door de vorming van deze rug tijdens de laatste ijstijd werd de Schelde, die voorheen noordwaarts stroomde, gedwongen zich een weg te zoeken in oostelijke richting (2). Deze rug is lemiger, iets natter en dus vruchtbaarder dan de noordelijke zandrug.
In het noorden bevindt zich een langgerekte zandrug (ca. 5 meter +TAW) met lokaal stuifzandpakketten en een kenmerkende zuidwest-noordoostelijke oriëntatie. De bodem bestaat er uit humusarm, grofkorrelig zand en is er droog tot zeer droog. Dergelijke kalkloze zandgronden zijn van nature onvruchtbaar.
De Stroopers vormt de overgang tussen het dekzandgebied en de Scheldepolders die zich net ten noordoosten ervan uitstrekken. Bodemkundig behoort het gebied tot Zandig Vlaanderen. Ter hoogte van de weg Kemzeke-Hulst, aan de westrand van de Stroopers, ligt ongeveer de waterscheiding tussen Schelde en Durme.
nooit ver weg!
DE METAMORFOSE VAN EEN LANDSCHAP Een ligging met toekomst
.,, - , V i
S
IS
••.•';
il-^L.-.
.j^*",f*iV»
STROOPERSPOLDER CENTf(ALE PEPRESSfe-
Oud Fort Sint-Jan Het Kalf
Maet of Mate Tromp :!k' ZUIDELIJKE DEKZANOHU Kasteel Voorhout(e)
••.JU Klilize(n)hof
't Hol
Legende
v
":
• U M
MERCATORDHHSMFILL
Value
0 1
Alvinusberg , -1.000 Meters
250 500 '
|
'
I
'
i
i
l
..-*
Slnt-Gillis'-\)^fi|&l^•Ë*l ,
1
Van prehistorische jager-verzamelaars tot sedentaire boeren
f
Chronozone
Jaren geleden
Archeologische periode Bron VIOE (CAI)
Tot en met het neolithicum kunnen we, wat de landschappelijke kenmetken en de vegetatie van de Stroopers betreft, slechts beroep doen op grove, algemene theoretische landschapsmodellen. Het landschapsbeeld dat we hierna geven is bijgevolg noodgedwongen gebaseerd op klassieke referentiebeelden, want gedetailleerd paleo-ecologisch onderzoek uit de Stroopers zelf is er tot nog toe niet gebeurd, zeker wat de steentijden betreft. O p tal van plaatsen hebben archeologen verspreid over het hele gebied sporen van jager-verzamelaars uit de steentijd aangetroffen. De oudste vondst is een TjongeKpits, die kenmerkend is voor het finaal paleolithicum, meer dan 12.000 jaar geleden (3). De vondst wijst op de aanwezigheid van jager-verzamelaars in de laatste warme fase van de laatste ijstijd, de zogenaamde Allerod periode. Deze wordt gekenmerkt door een eerder taiga-achtige vegetatie, waarbij een groot deel van het landschap bestond uit een steeds meer gesloten, gemengd dennenberkenbos. De Tjongersp'its werd ontdekt tijdens archeologisch noodonderzoek bij de aanleg van het verkeersknooppunt langs de expresweg te Kemzeke, dus in het zuidwesten van het gebied. De andere steentijdvondsten dateren uit het mesolithicum (12.000-7300 jaar geleden) en het neolithicum (7300-4000 jaar geleden) (4). Gedurende het mesolithicum arriveerden de eerste wat meer warmteminnende boomsoorten zoals hazelaar en eik en werden den en berk snel teruggedrongen. O p het einde van deze periode, zowat 7.000 jaar geleden, was het klimaat zodanig geëvolueerd dat de vegetatie voornamelijk bestond uit de meer warmteminnende soorten (5). O p de hogere zandgronden ontstond er een gemengd loofbos met onder meer eik, linde, iep en ook nog berk, in de beekdalen en andere lagere delen van het landschap werd de vegetatie gedomineerd door vochtige elzenbossen. Bij de aanvang van het neolithicum was de grondwaterspiegel onder invloed van zeespiegelrijzing en snellere afvloei sterk gestegen. Deze vernatting had tot gevolg dat in de lagere delen van het landschap op grote schaal veenvorming kon optreden. Het landschap onderging een metamorfose, de vegetatie werd steeds dichter. De jager-verzamelaars moesten zich dus noodgedwongen aanpassen, want ook de fauna veranderde. Ze ontwikkelden er langzamerhand andere voedselpatronen; vruchtenpluk en jacht op kleinwild zoals gevogelte stonden samen met visvangst centraal. Tijdens het neolithicum ging de mens steeds meer over van een rondtrek-
WToderne lïïd Lale Middeleeuwen Vroege Middeleeuwen Romeinse liid
Subatlanticum Ijzertijd
Bfons'ijd
Subboreaal
Atlanticum
Boreaal Preboreaal
Laatglaciaal
Pleniglaclaal
Tijdstabel
kend bestaan van jager-verzamelaar naar een sedentair boerenbestaan. Door de introductie van de landbouw, waarbij bosdegradatie plaatsvond en/of bomen werden gekapt, ontstonden op de drogere zandgronden gaandeweg open terreinen met grassen en kruidachtigen. De leefomgeving van de mens geraakte dus geleidelijk aan gemodelleerd op mensenmaat. Terwijl in de meer vruchtbare leemstreek al omstreeks 7000 jaar geleden, echte boerengemeenschappen geïntroduceerd werden (de zogenaamde Bandkeramiek), werd de leefwijze in zandig Vlaanderen en de Kempen nog lange tijd gedurende het neolithicum gekenmerkt door een overwegend jager-verzamelaarsbestaan. Voor de metaaltijden (bronstijd en ijzertijd) beschikken we wel al over enkele, zij het nog vrij schaarse en gefragmenteerde paleo-ecologische gegevens (6). Stuifmeelonderzoek ter hoogte van de bronstijdgrafheuvels aan de verkeerswisselaar toonde aan dat het landschap in de late bronstijd (ca. 3100-2800 jaar geleden) er vrij bebost en heideachtig uitzag (7). De bosvegetatie bestond er vooral uit hazelaar, els, eik en linde (8). Granen ontbraken in het pollenbeeld wat erop kan wijzen dat de grafheuvel op enige afstand van bewoning en akkers lag. Net ten zuidoosten van de Stroopers op de archeologische site van de Kluizemolen bieden enkele wa-
1VI&L
terputten (eiken planken/vlechtwerk van els) uit de late bronstijd en de vroege ijzertijd (2750-2475 jaar geleden) ons eveneens een tijdvenster op het toenmalige landschap (9). Via stuifmeelanalyse van materiaal uit de waterputten (76 bodemmonsters) kunnen we het landschap uit de onmiddellijke omgeving in grote lijnen schetsen. Pollen (stuifmeel) van gecultiveerde graansoorten is in vrijwel elke waterput aanwezig. In de late bronstijd was het landschap er vrij open: er was akkerland en grasland en in beperkte mate heide aanwezig. O p de natste gronden gingen graslanden en elzenbroekbos in elkaar over; op de drogere gronden stond er onder meer in het eerder open bos hazelaar en eik naast berk, beuk, linde en olm. In de vroege ijzertijd wordt het landschap hier meer gesloten en bosrijker, maar met nog steeds heide, akker- en grasland in de buurt. Opvallend is dat in één van de waterputten zeer hoge waarden van hulst aangetoond worden. Hulst wordt door insecten bestoven en produceert weinig stuifmeel: ofwel zijn er dus hulsttakken in de waterput terechtgekomen ofwel was hulst in de omgeving van de put massaal aanwezig (10). Eén waterput uit het begin van de late ijzertijd (ca. 2400 jaar geleden) geeft ons een landschapsbeeld dat weinig afwijkt van dat van 400 jaar eerder: elzenbroek op de nattere gronden en op de drogere gronden een sterke aanwezigheid van hazelaar. De hoge presentie van hazelaar in het stuifmeel ten koste van eik, beuk, berk, linde en olm duidt ongetwijfeld op een open boslandschap want alleen in dergelijke omstandigheden produceert
deze boomsoort massaal stuifmeel. In de nabijheid van de waterput ligt er nat grasland. Heide neemt gestaag af, relatief hoge concentraties van graanpollen vallen op. Buiten de zones van de Kluizemolen werden nog enkele ijzertijdsites opgegraven aan de zuidrand van de Stroopers, aan de verkeerswisselaar, en aan de wijken 't Holen het Kalf.
DF ROMEINSE VEROVERAARS FN HUN INVLOED OP HET LANDSCHAP Schaarse paleo-ecologische terreingegevens Slechts op enkele locaties is in het onderzoeksgebied materiaal gevonden dat ondubbelzinnig aan de Romeinse tijd (dus ruim 2000 tot ca. 1600 jaar geleden) kan worden gekoppeld. Ter hoogte van de verkeerswisselaar van Kemzeke, dus in de buurt van het latere kasteel van Voorhout en helemaal in het zuidwesten van ons gebied, werd door archeologen bewoning aangetroffen uit de Gallo-Romeinse periode (11). In het zuidoosten leverde de archeologische opgraving van de site bij de Kluizemolen eveneens Romeins materiaal op. Iets hoger gelegen, maar ten noorden van de huidige expresweg, ligt een vooral bij amateurarcheologen goed gekende vindplaats van onder meer Romeins materiaal (aardewerk, fibulae) op de kop van een dekzandrug aansluitend op de wijk het Kalf. Van de bewoningssite Sint-Gillis-Waas / Kluizemolen beschikken we over de resultaten van archeobotanisch onderzoek van een mogelijke 'Romeinse potstal' (2 l c -3 c eeuw) en van zadenonderzoek van een archeologische waterput (12). Hierdoor krijgen we toch enig zicht op het landschap, zij het indirect en eerder vaag. Die vaagheid houdt onder meer verband met de precieze identiteit van de potstal. Zuiver morfologisch mag het dan wel om een potstal of een verdiept aangelegde stal gaan, maar of dit ook functioneel zo was, is zeer de vraag. Bij een functionele potstal wordt de mest van de op stal gezette dieren telkens weer bedekt werd met een verse laag strooisel van (heide)plaggen, dus van afgestoken zoden. Die zoden konden zowel van dichtbij als van een eind ver komen evenals de pollen- en zadeninhoud (13). Hoe dan ook, het diepste deel van de onderzochte 'potstal' wordt gedomineerd door niet-boompollen (grassen, heide, granen en spurrie naast o.m. zeggen, buisbloemigen, lintbloemigen en kruisbloemigen), het boven-
ste gedeelte door boompollen (bomen en struiken). Bij de bomen zijn de belangrijkste soorten els, hazelaar en eik, en in mindere mate linde, iep en den. Verder komen ook nog berk, beuk, es, hulst en wilg voor. Ook het voorkomen van één pollenkorrel van vlas is het vermelden waard. Uit zadenonderzoek weten we dan weer dat gerst, emmer of spelt, pluimgierst en eventueel ook gewone spurrie als cultuurgewas werden geteeld (14). De interpretatie van het stalmateriaal is echter nog om andere redenen problematisch. Want pollen kan zowel via de lucht op de stalbodem terechtkomen (atmosferische pollenneerslag) als via strooisel waarop de dieren gestald worden. Met andere woorden: het enige wat wij met zekerheid weten over het landschap uit de al dan niet nabije omgeving is de aanwezigheid van bos (nat en droog), van heide, van grasland en van akkers! Het zadenonderzoek van een Romeinse waterput bij dezelfde nederzetting nuanceert enigszins de gegevens van de potstal. Bij de cultuurplanten die hier evenwel in zeer kleine aantallen voorkomen, vinden we opnieuw vlas, gerst en pluimgierst maar daarenboven koolsoorten en koriander. Er zijn tevens aanwijzingen voor het gebruik van wilde planten als aanvulling op het menu: hazelnoot, sleedoorn {Prunus spinosa), zoete kers [Prunus avium), braam (Rubus fruticosus s.\.), framboos [Rubus idaeus) en vlier {Sambucus nigra). Door het klein aantal gevonden resten van cultuurplanten is het echter onmogelijk om een reconstructie te maken van de economische en sociale omstandigheden van de nederzetting. Uit het volledige soortenspectrum van de in de waterput gevonden planten kan men dan weer afleiden dat de nabije omgeving vooral bestond uit een pioniervegetatie, kenmerkend voor akkers en moestuinen. Daarnaast waren er zeker bos, struweel en mogelijk ook houtkanten aanwezig. In mindere mate waren er graslanden en ruigten in de onmiddellijke omgeving.
Van de site Sint-Gillis-Waas / 't Holttn zuiden van het onderzoeksgebied komen we uiterst weinig te weten over het uitzicht rond het bewoningslandschap (15). Een waterput, bestaande uit twaalf verticale aangepunte paaltjes uit els werd gevlochten met hazelaar. De vlechtwerkwaterput dateert uit de tweede eeuw van onze tijdrekening en geraakte in onbruik tijdens de derde eeuw. Zeer boeiend is dat direct aansluitend bij de Romeinse site, iets meer oostwaarts, ook talrijke nederzettingssporen werden aangetroffen over een oppervlakte van 2000 m van een 'Romeins-Germaanse nederzetting'. Mogelijk dateren ze van de vierde of de vijfde eeuw.
Een andere invalshoek: hoe waarheidsgetrouw is het reisverslag van een veroveraar? Julius Caesar (100-44 v. Chr.) heeft tijdens zijn veroveringstocht van Gallië in de vijftigerjaren voor het begin van onze tijdrekening onze streken eerder oppervlakkig beschreven. O p het einde van de zomer van 56 v. Chr. had Caesar heel Gallië onderworpen met uitzondering van de Morinen en de Menapiërs die het noordwesten van Gallië bewoonden. In zijn derde boek van De Bello Gallico vernemen we in hoofdstukken 28 en 29 dat die volkeren tussen uitgestrekte moerassen en bossen woonden. Met al hun bezittingen trokken ze zich daarin terug wanneer de Romeinse veroveraars binnen vielen en ze wachtten daar de strijd af. Volgens zijn oorlogsverslag kunnen we er dus vanuit gaan dat deze globale beschrijving van het landschap ook op het Waasland betrekking had, dat door Menapiërs werd bewoond. Blijkbaar leverden de Menapiërs dus een soort guerrillastrijd vanuit hun schuilplaatsen (met veel slachtoffers langs hun kant) tegen de Romeinse troepen. Maar we vernemen ook dat Caesar om de strijd te winnen het bos begon te kappen en met een ongelooflijke snelheid op een paar dagen tijd grote afstanden aflegde. Omdat de Menapiërs zich steeds dieper in het bos terugtrokken en de weersomstandigheden de Romeinen flink tegenzaten, trok Caesar zijn leger terug. Dit deed hij pas nadat hij eerst het kleinvee had buitgemaakt, alle akkers verwoest en dorpen en hoeven in brand gestoken. In 53 v. Chr. ondernam Caesar een nieuwe aanval en overwon hij de Menapiërs die zich alweer in hun bossen en moerassen hadden verschanst (16). Globaal wijst de landschapsbeschrijving van Caesar op een behoorlijk onherbergzame streek die tengevolge hiervan ook eerder dun bevolkt was (17).
Ook door de Griekse geograaf Strabo (64 v. Chr. 19 n. Chr.), overigens een absolute bewonderaar van de Romeinse beschaving en van de 'goddelijke' Caesar, wordt gemeld dat er in het noorden van het huidige Vlaanderen een Menapiërsbos zou geweest zijn (18). In zijn beschrijving is dat bos niet hoog, maar dicht en doornig, afgewisseld met moerassige gebieden (19). Dat het bos dicht en doornig was zou er kunnen op wijzen dat er nogal wat hakhout in stond. Voor de beschrijving van onze streken beroept Strabo zich op een ooggetuigenverslag. Beide landschapsbeschrijvingen in deze klassieke teksten hebben dus de duidelijke aanwezigheid van bos en moeras met elkaar gemeen. Maar in hoe-
verre mogen we de auteurs geloven en/of hoe moeten we hun teksten interpreteren? "Les Gaulois, peuple des forêts? Pour Ie naturaliste ce stéréotype nest pas encore démontré." (Munaut, 1989) Ruim twintig jaar geleden stelde wijlen André-Valentin Munaut (t2004), een vooraanstaand Belgisch palynoloog (pollenonderzoeker), dat naar zijn mening het bos in het noorden van België reeds van vóór de inval van de Romeinse veroveraars op tal van plaatsen gevoelig aangetast en versnipperd was (20). O f we zijn zienswijze ook mogen extrapoleren naar het Waasland, is niet zo duidelijk, omdat er buiten het Wase poldergebied bij Kallo van geen enkele andere Wase site in zijn overzichtsartikel gegevens werden opgenomen (21). Toch lijkt het er op, op basis van de weliswaar nog vrij schaarse paleo-ecologische gegevens hierboven, dat het Menapiërsbos ook in ons onderzoeksgebied al aangetast was, zeker op de meest vruchtbare zuidelijke zandrug in ons gebied. Hierop was er immers bewoning. Vermoedelijk bestond dat bos daar trouwens al niet zo massaal meer uit opgaande bomen, maar wel uit hakhout en meer open bos. De opvallende aanwezigheid van hazelaar in de boomlaag, duidt immers eerder op een open bostype. Hazelaar is bovendien een soort die behoorlijk resistent is tegen begrazing, net zoals els overigens. Heide duidt dan weer op bosdegradatie, bijvoorbeeld ten gevolge van begrazing, door overdreven kapping, door afbranding van bos of door het uitsteken van zoden.
De globale beschrijvingen van het Menapiërsbos door Caesar en Strabo vullen elkaar op enkele punten aan. Bovendien weten we dat Caesar enige overdrijvingen van zijn militaire prestaties niet schuwde. Zijn overigens boeiend verslag maakte hij vooral om zijn eigen rol bij de veroveringen van Gallië dik in de verf te zetten. Het feit dat hij met zijn leger in een paar dagen grote afstanden aflegde, wijst erop dat het Menapiërsbos toch niet zo ontoegankelijk was. Indien het zou gaan om een ononderbroken en ondoordringbaar bosgebied zou zijn leger heel wat minder snel zijn opgeschoten. Vermoedelijk lagen de meest ondoordringbare plekken in de moeras- en veengebieden en langs de benedenlopen van rivieren zoals de Schelde en niet op plekken zoals de hoger gelegen dekzandruggen. In zijn overzichtspublicatie over de impact van de Romeinse overheersing op de noordelijke grenszo-
nes van Gallic wijst Nico Roymans er op dat de Gallische landbouw in de klei-, veen- en zandstreek oorspronkelijk stoelde op een pastoraal systeem (22). Anders gezegd, vee speelde een hoofdrol in het landbouwsysteem. De Gallische bevolking was ook, volgens zijn zeggen, eerder een volk van strijders dan van boeren. Het houden van vee verleende de eigenaar bovendien een zekere status. Ook al omwille van de geringere vruchtbaarheid van de zand- en veenbodems zouden akkerteelten er een minder belangrijke rol in de landbouw hebben gespeeld dan op de meer vruchtbare leembodems (23). Door het gebrek aan paleozoölogische vondsten in ons onderzoeksgebied kunnen we uiteraard de stelling van Roymans hier niet echt hard maken. Maar het is niet onmogelijk dat zijn stelling ook geldt voor de Stroopers. Veeteelt (extensieve) was immers een goed alternatief om weinig productieve landschappen optimaal te benutten. Het gevolg hiervan was dan wel bosdegradatie met open bos en heide als resultaat en dat kunnen we toch enigszins uit het pollenbeeld aflezen... Na de Romeinse verovering moet de degradatie van het bos zich versneld hebben doorgezet, want in de Gallo-Romeinse maatschappij werd de status van de landbouwer an sich hoog geschat en de landbouw werd er verder geïntensifieerd. Het landschapsbeeld moet dus steeds opener zijn geworden.
(1117, Kemesica) of Camasiaco wordt geacht van Gallo-Romeinse oorsprong te zijn: "toebehorend aan Camasios" o f - wat minder waarschijnlijk is afstammend van het woord camisia (hemd) (26). Hoe dan ook, om de hypothese van bewoningscontinuïteit verder te kunnen onderbouwen, is bijkomend archeologisch onderzoek zeker noodzakelijk. In afwachting daarvan nemen we aan dat tijdens de vroege middeleeuwen, dus van de 5 ^ tot de 9 e eeuw, het Gallo-Romeinse landschap vervaagde en dat de natuur de bovenhand kreeg op de mens met als gevolg een dichter boslandschap.
DE NEVELEN BOVEN EEN MIDDELEEUWS FQREEST De aanleiding: een prettige maar gedenkwaardige zomerwandeling O p zondag 18 juli 1954 werd het Stropersbos bezocht door heemkundigen uit het Waasland onder leiding van Broeder Alois (Jaak Vandervee), Marcellijn de Wulf en Louis Laevaert (27). In hun syllabus roemden ze het gebied als "een overblijfsel (...) van het Koningswoud {...) dat zelf behoorde tot het z.g. Woud zonder Genade". Met andere woorden het gebied zou meer dan duizend jaar aaneen bebost gebleven zijn. Maar klopt hun vermoeden?
Het einde van een tijdperk? Algemeen neemt men aan dat door de voortdurende invallen van de Germanen vanaf de 3 e tot de 5 e eeuw de Gallo-Romeinse maatschappij in onze streken als een kaartenhuisje is ineengestort. Maar de vondsten te Sint-Gillis-Waas nabij 't //ö/van de hoger vermelde Romeins-Germaanse nederzetting van minstens de late 4 c eeuw nopen ons tot enige voorzichtigheid, althans wat ons onderzoeksgebied betreft. De archeologen Yann Hollevoet en JeanPierre Van Roeyen vragen zich zelfs af of er geen bewoningscontinuïteit was op de stuifzandrug van Kemzeke (24). Bovendien zijn er op het grondgebiedvan Sint-Gillis-Waas nabij het Kalf, op de rand van ons gebied, enkele vroeg-middeleeuwse vondsten gedaan door de amateurarcheologen De Bock en De Meireleir: scherven die volgens hen dateren uit de 5 of 6 c eeuw en een fragment van een biconische pot, typisch voor de Merovingische tijd (550-700) (25). En dan is er ten slotte ook nog de toponymie of plaatsnaamkunde. O p basis daarvan wordt verondersteld dat de kern van Kemzeke continu bewoond is gebleven. De plaatsnaam Kemzeke
T Enkele heemkundi-
broeder Alois. Hij
gen bij een
wordt links geflan-
Reynacrtbank aan
keerd door pastoor
de rand van de
De Wilde en rechts
Stroopers (Rode
door Marcellijn De
Moerpolder), de
Wulf
geestelijke die ons
(foto Beeldbank
frontaal aankijkt is
Bibliotheca Wasiana)
M&L
Het gevolg: een kleine filosofie over mythische wouden en wazige woorden, bekroond met een eerste raadsel Het mythische Woud zonder Genade zou een groot boscomplex geweest zijn dat de zandstreek in het noordwesten van Vlaanderen omvatte. Het zou zich uitgestrekt hebben van bij de Belgisch-Franse grens met een uitloper over Oost-Vlaanderen tot in het Land van Waas. De naam Woud zonder Genade gaat terug op diverse Middelnederlandse teksten: onder meer de 7 ^eeuwse Heilige Amandus zou door " 't felle Wout-Sonder-Ghenade" zijn getrokken toen hij het christelijke geloof in Vlaanderen op een hartstochtelijke maar, naar hedendaagse normen, eerder onverbiddelijke manier propageerde (28). Ook de zogenaamde Vlaamse forestiers, die de voorouders zouden zijn geweest van de Vlaamse graven, zouden het onder hun hoede gehad hebben. Maar alleen al de omvang van dit bosgebied is zonder meer fictie: in werkelijkheid was het bos in deze streken én rond deze tijd al uiteen gevallen in minstens een drietal kleinere eenheden (29).
Herman Heyse, hier applaudisserend bij de uitreiking van de Reynaertprijs aan Rik Van Daele, was een gedreven heemkundige, die bijzonder goed op de hoogte was van de streekgeschiedems van het Land van Waas. Bovendien was hi| een groot Reynaerdofiel (foto Beeldbank Bibhotheca Wasiana)
M&L
Het ietwat wazige Koningswoud, waarover de heemkundigen tijdens hun wandeling mijmerden, berustte wel op enige realiteit. Meer dan de helft van het huidige Land van Waas werd nog tot in de 12 e en de 13 e eeuw door het Koningsforeesthedóa, zo ook ons studiegebied (30). O p grond van het Middelnederlandse woord foreest (vgl. het Franse forêt, het Engelse yêröf, het Duitse Forst) denkt men onwillekeurig aan bos, woud. Maar het V/OOT<\ fore{e) st betekende aanvankelijk iets anders dan alleen maar bos. Het is afgeleid van de middeleeuws-Latijnse woorden forestislforesta en het is in feite een juridisch begrip dat opduikt ten tijde van de Merovingers vanaf de (6 dc )-7 dL eeuw en dat vooral gedu-
rende de Karolingische periode (8 ste -9 ': eeuw) zijn volle betekenis krijgt binnen een context van jacht en visvangst. Het begrip slaat op een strikt door en voor de ^o«/«^"gereserveerd gebied voor de jacht en/ of visvangst. Tot een dergelijk jachtgebied konden niet alleen bossen behoren, maar ook door bosdegradatie (onder meer onder invloed van begrazing) ontstane terreinen met wildernissen zoals wastines en heiden, al dan niet op venige bodems. Meer verbazend misschien is dat een foreest ook waterpartijen, cultuurland en zelfs hele nederzettingen kon omvatten (31). Maar reeds tijdens de volle middeleeuwen (10 c -12 c eeuw) werd het begrip foreest verengd tot bos [silva) zoals onder meer blijkt uit de schenkingsbrief van 1136 van de graaf van Vlaanderen, Diederik van de Elzas, aan de abdij van Drongen in verband met de oudste vermelding van het Koningsforeest. Er staat letterlijk: "... silvam quae dicitur Conegesfurst ..." of het bos dat men Koningsforeest noemt (32). Omvatte het oorspronkelijke Koningsforeest dan een nog grotere oppervlakte dan die hiervoor aangehaald? Dit lijkt ons niet onmogelijk. Volgens Herman Heyse (1937-1992) had het Land van Waas in de middeleeuwen een veel engere begrenzing dan tegenwoordig. Het omvatte "de streek boven de Moere" (de Moervaart) 'V« de Durme vanaf Lokeren langs Belsele noordwaarts over Sint-Pauwels, Sint-Gillis en de poldergemeenten (33). De benaming Land van Waas of preciezer de termen Wasia, in pago UUasi, in pago UUase duiken al op in 9 c - en 10 <: eeuwse teksten. De naam Waas zelf is meer dan waarschijnlijk afgeleid van het Middelnederlandse waze (vgl. het Franse vase) dat modder, slijk, drassig land betekent (34). Vóór de inpolderingen en grootschalige ontginningen moet het voorkomen van dergelijke wazen zeker een in het oog springend kenmerk geweest zijn van het middeleeuwse Land van Waas, zelfs nog enige tijd later. Denken we maar aan de slikken en schorren langs de Schelde en aan het slijkerige geulensysteem gebonden aan de in de middeleeuwen ontstane Westerschelde, aan de moerasgronden en aan de broekbossen. Zo werd in I 567 het Wase dorp Doel vóór de inpoldering nog een waze genoemd (35). Dergelijke wazen, afgewisseld met de hoger gelegen zandgronden, moeten een paradijs gevormd hebben voor de koninklijke jagers en/of de andere daartoe door hen tot jagen gemachtigde hoogwaardigheidbekleders. Het valt dus niet uit te sluiten dat het juridische begrip^refj?aanvankelijk betrekking had op een nog grotere oppervlakte van het oorspronkelijke Land van Waas, maar dit is moeilijk te bewijzen.
Het enigmatische forestum Wasda, synoniem van het Koningsforeest of van het Land van Waas? Er bestaan verschillende, op een aantal punten van elkaar afwijkende en deels verhaspelde (minstens wat schenker en jaartal betreft), 14 c en 15'^eeuwse kopieën van één verloren gegane, maar wel zeer mysterieuze schenkingsoorkonde uit 969 die handelt over een forestum Wasda (36). De Franse koning Lotharius (941-986) schonk in dat jaar het forestum Wasda aan graaf Dirk van Holland (ca. 925-988) die toen bepaalde rechten had in het Waasland (37). Het foreest wordt tamelijk precies beschreven als "forestum Wasda (...), cum pratis et aquis terrisque aratoriis..." of als een foreest met weiden en wateren en bouwland. Lotharius was een Karolingische koning en het foreest was dus van het echte Karolingische type zoals hiervoor geschetst! "... donatWasdam, (Miraeus, 1624)
id est, Wasiam."
De forestiers van Voorhoute a
De forestis, ut forestarii bene illas defendant, simul et custodiant bestias etpisces" {Capitulare aquisgra« é w , 801-813 n.Chr.)
In verschillende capitularia (schriftelijke verordeningen) van de Karolingische vorsten is er sprake over forestiers. Zo blijkt bijvoorbeeld uit het bovenvermelde citaat uit het Capitulare aquisgranense van Karel de Grote (ca. 748-814) dat forestiers de foreesten moesten beschermen en er zowel over de wildstand als over het visbestand moesten waken (39). Forestiers waren ambtenaren die instonden voor de naleving van de wetten en verordeningen in verband met het beheer van het foreest. Net zoals oorspronkelijk de foreesten door de koning werden aangeduid, werden ook de forestiers door hem uitgekozen en benoemd. Later werden deze ambtenaren benoemd door de lagere machthebbers zoals de machtig geworden graven van Vlaanderen. De
Kaart met kasteel Voorhaute (1674?: detail). Rijksarchief Gent (RAG), Kaarten en plans nr. 273Ibis (foto 0. Pauwels)
•J/urrnt fi)lrn\
Vroegere geschiedschrijvers zoals de Antwerpse kanunnik Aubert Ie Mire (Aubertus Miraeus: 15731640) en de befaamde historiograph e du roi van de Franse koning Lodewijk XIV, Adrien (de) Valois (Hadrianus Valesius: 1607-1692), gingen er van uit dat dit forestum Wasda het Land van Waas betrof. Zo schrijft de Fransman Valesius al even duidelijk als Miraeus: "... Wasa & Wasda inpriscis tabulis appellatus, vulgo Wasia, Waës aut Ie pays de Waes." Vrij vertaald komt dit er op neer dat het Waasland ook volgens Valesius in oude oorkonden en geschriften Wasa en Wasda werd genoemd. Harde bewijzen voor deze stelling worden door beide heren echter niet geleverd. De stelling werd niettemin door velen gevolgd, maar anderen leken eerder geneigd te geloven dat een foreest met die naam in Nederland lag. Daar passeerden door de tijden heen tal van plaatsen de revue, gelegen in Zeeland tot Zuid- en Noord-Holland. De befaamde Nederlandse archivaris en mediëvist Anton Koch (19231990) poneerde dan weer dat Wasda een corrupte schrijfwijze van een onzorgvuldige kopiist is voor Waselau. Een foreest met die naam lag op het grondgebied van het huidige Wattelot (Aire-sur-laLys) in het noorden van Frankrijk. Hoe dan ook, de ligging van hez forestum Wasda blijft nog altijd onbeslist, al is het maar omdat het alleen al op taalkundige gronden moeilijk te situeren valt (38).
1VI&L
de aanleg van de verkeerswisselaar rond 1990 werd het grootste deel van het neerhof verwoest.
Kasteel Voorhoute (huidige toestand) (foto K. Vandevorst)
forestiers zelf echter waren ook belangrijke lieden: we zien ze herhaaldelijk opduiken in de 12 e eeuw als getuigen en medeondertekenaars van grafelijke schenkingen. Bij die invloedrijke forestiers waren er enkelen die vermoedelijk een band hadden met ons gebied. In 1172 vinden we immers bij de ondertekenaars van een schenkingsoorkonde van het klooster Gw/ör^Sint-Gillis-Waas: nabij Kluizemolen) ene Boidinus, forestarius de Vorouth. Ook in enkele 13 c -eeuwse Wase schenkingsoorkonden is er nog sprake van forestarü met meer dan waarschijnlijk dezelfde familiale achtergrond: Vorolch I Vorhout{40). De plaatsnaam Voorhoute treffen we nog steeds in ons studiegebied aan in de omgeving van het huidige verkeersknooppunt van Kemzeke. De oudste vermelding van dit toponiem vinden we terug in de stichtingsoorkonde van de parochie Kemzeke uit 1117, waar er onder meer sprake is van een gehucht {villuld) Forolta. Aan dit gehucht was een heerlijkheid verbonden. De zetel ervan was het Hof te Voorhoute, dat door het geslacht van Voorhoute in leen gehouden werd van de graaf van Vlaanderen. Dat Hof te Voorhoute had, als we de I6 de (?) en 17 -eeuwse kaarten mogen geloven, het uitzicht van een versterkt kasteel (41). De ligging van dit kasteel is enigszins vergelijkbaar met die van het kasteel van Beveren, nu de Singelberg, gelegen aan de rand van de polders vóór het eigenlijke hoogland van het Waasland.
Vermoedelijk gaat de oorsprong van het kasteel Voorhoute terug tot de 11 c eeuw of zelfs eerder, een precieze bouwdatum is niet bekend. Het moet vrij belangrijk geweest zijn, het had een dubbele omwalling. Van dit voormalige kasteel in Voorhoute blijft echter nu nauwelijks iets over. De Wilde verrichte hier in 1939 een kleine opgraving en trof enkele resten van keldermuren en vloeren aan. Bij
M&L
De naam Forolta/Voorhout is van Germaanse oorsprong, het is een typisch bostoponiem. Er zijn echter verschillende verklaringen voor dit toponiem mogelijk. Een groot taalkundige zoals Maurits Gysseling (1919-1997) houdt het bij de verklaring p i j n b o o m ^ r / ^ - b o s ^ w / t ó ) , dus dennenbos. Dit lijkt ons op deze plek althans weinig waarschijnlijk. Het heeft er alle schijn van dat den in ons gebied in de middeleeuwen niet of nauwelijks voorkwam (42). Het toponiem Voorhout(e) kan ook betrekking hebben op een mantelvegetatie van een bos, met andere woorden op de houtige bosrand of de bostoegang. O f het kan slaan op een kleiner bos, gelegen vlak voor een groter boscomplex, maar ervan gescheiden door een open ruimte. Een van die betekenissen lijkt ons hier meer waarschijnlijk. Wij concluderen hieruit dat het kasteel Voorhoute bij zijn ontstaan dus ofwel aan een bosrand lag ofwel in een kleiner bos niet ver van een groter bos. Onze stelling sluit bovendien aan bij de gangbare interpretatie die de Nederlandse toponymisten geven aan het toponiem Voorhout in Den
Haag (43). We mogen er dus van uitgaan dat de forestiers van Voorhoute oorspronkelijk de taak hadden het foreest te bewaken en de wildstand op een zorgvuldige wijze te beheren. Maar de landsheer kon voor het beheer van het foreest niet alleen beroep doen op forestiers. Daarnaast stelde hij ook nog jagers {venatores) en valkeniers [falconarii] aan. Karel de Grote vermeldt bijvoorbeeld deze functies al in zijn Capitulare de villis en het wordt hierdoor duidelijk dat het toen belangrijke hoffunctionarissen betrof. "... venatores nostri et falconarii vel reliqui ministeriales, qui nobis in palatio assidue deserviunt ..." {Capitulare de villis ca. 800 n.Chr.) (44) Later wordt ook het aanstellen van jagers en valkeniers net zoals van forestiers een taak van de lagere machthebbers zoals de Vlaamse graven. Jagers en valkeniers van naam en faam behoorden meermaals tot de lagere adel (45). De jagers van het Koningsfor m ? moeten van de graven van Vlaanderen een leen hebben gehouden in Lijkvelde {Likevelde), oorspronkelijk een gehucht {villuld) van de zelfstandige parochie Kemzeke in 1117, op de grens van de huidige fusiegemeenten Stekene (deelgemeenten Kemzeke en Stekene), Sint-Pauwels (Sint-GillisWaas) en Belsele (Sint-Niklaas). Net zoals de fores-
Valkenjacht op reigers. Uit: Joannes Siradanus, Venotiones. ca. 1578 (ed. Galle, Antwerpen). Het dank aan het PlantljnHoretusmuseum (foto 0. Pauwels)
•*
Valkenjacht op patrijs. Uit: tototionis, Piscatora's etAucup» Typi van jan Bol, IS82 (ed. Galle. Antwerpen). Met dank aan het PlantynMoretusmuseum (foto 0. Pauwels)
2*
Sic capiiur tcrrf in fulas cerea(&us om(
tiers van Voorhoute tekenden de venatoresvan Lijkvelde in de 12 c eeuw schenkingsoorkonden van de graven van Vlaanderen als getuigen. Dit betekent dat zij en de forestiers belangrijke gravenmannen waren. Maar er werd ook nog met de valk gejaagd in het Koningsforeest, waarschijnlijk vooral op reigerachtigen, kraanvogels, veldhoenders (patrijzen) en later mogelijk ook op fazanten (46). Dit kunnen we afleiden uit de aanwezigheid van een valchuus (1393) in het Hof van Voorhoute en uit een vermoedelijk 15 -eeuwse ordonnantie die onder meer handelt over de valkenjacht in Ulsterloo. En op basis van
Cumfoholir paruf l
deze plaatsnaam weten we ook meteen waar er met de valk gejaagd werd. Want Hulsterloo was een uitloper van het Koningsforeest in Nederland (Hulst). Dit gebied was in 1136 door de Vlaamse graaf Diederik Van den Elzas (ca. 1110-1168) aan de abdij van Drongen geschonken: "... Hulsterlo cum silvis et mor et pratis et pascuis" of Hulsterloo met bossen, moeren, hooilanden en weiden. In deze schenking slaat de naam Hulsterlo terzelfder tijd op een eertijds vermaard bedevaartsoord voor Onze-LieveVrouw, gelegen in het huidige Nieuw-Namen (Hulst) net ten noorden van Kieldrecht (Beveren). Dit bedevaartsoord moet ongetwijfeld oorspronke-
M&L
De Arte venandi aim ovibus is een werk uit ca. 1240 dat handelt over de vall<en|acht. Het werd geschreven door Fredenk II von
lijk in of aan de rand van het jachtgebied met dezelfde naam hebben gelegen (47).
Hohenstaufen. Het originele manuscript bevindt zich in de bibliotheek van het Vaticaan
De trompe is een lachthoorn. BIJ de jacht was dit mstru ment het communicatiemiddel bij uitstek. Hier zien we de jagers op edelhert jagen.
Over het eigenlijke beheer van het Koningsforeest'm de middeleeuwen en over de precieze taak van de forestiers van Voorhoute in die periode beschikken wij tot hiertoe jammer genoeg nauwelijks over informatie. Maar dat de jacht eertijds in dit foreest en dus ook in ons gebied een belangrijke activiteit moet zijn geweest, laat zich alleen al aflezen uit de concentratie van de grafelijke ambtenaren, bevoegd voor bossen, jacht en visvangst in en om de Stroopers. Er is alvast één plaatsnaam, de Tromp(e), die mogelijk teruggaat op het vroegere jachtgebeuren in het
middeleeuwse foreest. Een trompe of tromp is een Middelnederlands woord, afgeleid uit het Frans. Een trompe is een blaasinstrument zoals bijv. een jachthoorn. In een foreest was de jacht aan de landheer, zijn helpers en zijn genodigden voorbehouden: het communicatiemiddel bij uitstek, vooral in een beboste omgeving, was de jachthoorn (48). De wijk die nu de Tromp(e) wordt genoemd ligt net ten noordwesten van het vroegere kasteel van Voorhoute, het verblijf van de middeleeuwse forestiers. Het is meer dan waarschijnlijk dat de jachtstoet bij het verblijf van de forestier werd gevormd en dat men bij het vertrek ervan op de tromp blies, een jachtgebruik dat men tot de dag van vandaag nog kent. Alvast nog tot het einde van de 14 eeuw had Voorhoute immers een "hondehuus met eenen camerkine deran of een kennel voor jachthonden met een bijbehorende kamer voor de hondenverzorger (49). De straat, westelijk van het kasteel heeft trouwens als toponiem op een 17 '-eeuwse landmeterskaart schravemtmete en die 's gravenstraat leidt naar de TrompesN\\V. Zowel een huis en later een herberg werden vanaf de 16 e tot de 18 c eeuw in die wijk ook al met die naam benoemd. O p diezelfde 17 tL eeuwse landmeterskaart zien we bovendien dat de naam ook gebruikt wordt voor een waterloopje in dezelfde omgeving, de Trompeloop of een afwateringsgracht die in verbinding stond met de Parmavaart (vetert van Parmè) (50). Er is echter, naar ons weten, geen enkel oudere vermelding voor het toponiem Trompe dan de 16' c eeuw. Sommige reynaerdofielen en taalwetenschappers menen echter
Uit: The hunting book of Goston Pbebus. Pans. 2002 (fotoscan H. Denis
De Reynaertbank in
Trompe
de Stroopers met
((oto P. Van den
vermelding van de
Brernt)
Nr. 162 Bijlage bij MftL 29/4 juli-aug. 2010
Universitaire bewaarbibliotheek onder druk, pentekening Ingekleurd met aquarel (uit DE REU M. en VAN ELDERE D, Universitaire Bewaarbibliotheken onder druk, In Bibliotheek- en archielgids.VVBAD, 2005/6, p. 42, prent S. Binst)
B I N N E N K R A N T
KCML
A N D R I E S V A N DEN ABEELE. F R F V n O R Z I T T F R V A N DE KONINKMIKF COMMISSIE VOOR M O N U M E N T E N FN L A N D S C H A P P E N V A N HET V L A A M S E G E W E S T Bij besluit van 2 april 2010 (Belgisch Staatsblad van 19 april 2010) heeft minister Geert Bourgeois aan Andries Van den Abeele, Wollestraat 13/1 te 8000 Brugge, met ingang van 13 april 2010 (de dag volgend op zijn 75ste verjaardag) eervol ontslag verleend als voorzitter van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen van het Vlaamse Gewest. Volgens hetzelfde besluit wordt hij gemachtigd tot het voeren van de titel "Erevoorzitter van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen van het Vlaamse Gewesf. Andries Van den Abeele (01935) was van kindsbeen geïnteresseerd in de geschiedenis en de monumenten in zijn geboortestad. Toen hij begin jaren '60 in het beroepsleven stapte, was het de tijd dat in Brugge heel wat belangrijke monumenten verdwenen en dat vooral ook het kleine monument als het ware 'vogelvrij' was. Dit leidde er toe dat hij in 1965, samen met enkele vrienden, de vzw Marcus Gerards oprichtte, die zich inzette voor de bescherming van het bouwkundig erfgoed, met speciale aandacht voor het bescheiden erfgoed en voor de bewoonbaarheid en leefbaarheid ervan. Op tientallen vergaderingen ging hij pleiten voor een zorgvuldiger omgaan met het erfgoed. De vereniging behoorde tot de eerste die slopingen ging aanvechten tot bij de Raad van State (ook al was hiervoor toen nog geen wettelijke basis ten gunste van verenigingen). In 1972 kreeg hij de gelegenheid om in de fusiegemeente Brugge, als sche-
pen voor financies en stadsvernieuwing, zijn betrachtingen op grotere schaal na te streven. Het was de tijd van de oprichting van een gemeentelijke dienst voor monumentenzorg, van het structuurplan en de deelplannen, van de aankoop en restauratie van honderden woningen, van de toename van het aantal beschermde gebouwen, van hedendaagse nieuwbouw in de binnenstad, enz. Het was ook de tijd van de aanloop naar het Europees jaar van het Bouwkundig erfgoed (1975). Brugge werd door de Raad van Europa als 'pilootprojekt' aanvaard. Van den Abeele organiseerde in 1975 'monumentendagen' voor het groot publiek, een internationaal congres voor gemeentemandatarissen, een tentoonstelling met deelname van een honderdtal historische steden, enz. Hij voerde het woord over verschillende thema's op het congres in Brugge, op het ICOMOS-congres in Rothenburg en op het slotcongres van het Monumentenjaar in Amsterdam. In 1976 zat hij in Straatsburg het evaluatiecongres voor over het monumentenjaar. Tijdens de jaren '70 werd hij voorzitter van ICOMOS-België en van het internationaal ICOMOS-comité voor historische steden. Met de schepenen Marcel Save (Mons) en Bob Cools(Antwerpen) stichtte hij de Vereniging van historische steden in België. In 1976 was hij, samen met
professor Raymond Lemaire en rector Lukazewsky de stichter van het postuniversitair centrum voor restauratie en conservatie in de schoot van het Europacollege (thans Centrum R. Lemaire in Leuven, waar hij voorzitter van was, en nu erevoorzitter). In de jaren '70 en '80 was hij voorzitter van de vzw Centrum voor architectuur, stedenbouw en design, uitgever van het tijdschrift A+ en is er nadien, als erevoorzitter, bij betrokken gebleven. In 1979 werd hij ondervoorzitter van de Provinciale Commissie voor Monumenten en Landschappen, in 1980 ondervoorzitter van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen en in 2000 voorzitter. In deze functies heeft hij meegewerkt aan de evolutie en groei van de monumentenzorg in Vlaanderen. Circa 2005 moest hij, met de commissieleden, stevige actie voeren om de verdwijning van de KCML te verhinderen. In 1986-'88 was hij voorzitter van het Belgisch comité voor het Europees jaar voor het Leefmilieu. Vervolgens was hij voorzitter van de Stuurgroep monumentenzorg en milieu binnen de Koning Boudewijnstichting (1988-1990) in de periode waarin de Monumentendagen en VCM (thans Forum voor Erfgoedverenigingen) tot stand kwamen. Hij zat binnen de CVP de werkgroep voor die het nationaal congres Economie en Ecologie voorbereidde, met als secretaris de jonge Yves Leterme. In 1990 richtte hij mee de vzw Het Orgel in Vlaanderen op en was er een tiental jaren voorzitter van. In 1991 publiceerde hij een brochure onder de titel Brugge marten richtte hij met de voorzitters van de verenigingen Brugge die Scone en Willemsfonds Brugge de feitelijke vereniging S.O.S. voor een Leefbaar Brugge op, die aanzienlijke acties ondernam tegen alweer een periode van nalatigheid en sloping inzake monumentenzorg. De impact hiervan op de Brugse bevolking werd nationaal nieuws.
B I N N E N K R A N T
Hij behoorde, onder de leiding van ereburgemeester Michel Van Maele tot de initiatiefnemers voor de redding en de restauratie van de IS^-eeuwse gebouwen van het Sint-Janshospitaal in Brugge. Zijn mandaat als adviseur van de minister, als ondervoorzitter en voorzitter van de KCML, belette niet dat hij zich op militante wijze verder inzette voor het erfgoed dat in gevaar kwam, zowel in Brugge als daarbuiten. Wanneer na tien jaar erkenning van de historische binnenstad als Werelderfgoed, een aantal zaken volgens hem en zijn medestanders niet in de goede richting gingen, aarzelde hij niet in 2009 de UNESCO hiervan in kennis te stellen en om tussenkomst te vragen. Hij is sedert 1977 lid van de raad van bestuur van de Koninklijke Vereniging van Historische Woonsteden en Tuinen en sedert 1978 ondervoorzitter van de Vereniging voor de bescherming van het onroerend cultureel erfgoed. Tijdens de voorbije halve eeuw heeft hij zijn ideeën en zienswijzen over het bouwkundig erfgoed en de monumentenzorg uiteengezet tijdens honderden voordrachten, tientallen artikels, opiniebijdragen in kranten, interviews, brochures, persoonlijke tussenkomsten en brieven. Daarnaast leefde hij een professioneel leven in de voedingssector en een ander leven als historicus, dat zich weerspiegelt in de boeken en de talrijke artikels in historische tijdschriften die hij heeft gepubliceerd.
Edgard
Goedteven
ANNF MIE DRAYE. VOORZITTER VAN DE KONINKLIJKE COMMISSIE VOOR MONUMENTEN FN lANDSCHAPPFN VAN HET VLAAMSE GEWEST Bij besluit van 2 april 2010 (Belgisch Staatsblad van 19 april 2010) heeft minister Geert Bourgeois professor Anne Mie Draye, met ingang van 13 april 2010 aangeduid als voorzitter van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen van het Vlaamse Gewest, waarvan ze voorheen al lid was. De Koninklijke Commissie is een gezagsvolle adviescommissie die bestaat uit een vijftigtal experts uit de erfgoedsector. Sinds 1835 adviseert ze de minister bevoegd voor het onroerend erfgoed, in het bijzonder over de beschermingsdossiers. Anne Mie Draye heeft niet alleen een zeer ruime academische kennis van de monumentenen landschapszorg en de archeologie, maar ze beschikt tevens over een grote praktijkervaring. Anne Mie Draye werd licentiaat in de rechten in 1978, geaggregeerde voor het hoger onderwijs in 1979 en doctor in de rechten in 1992. Van 1979 tot 1987 vervulde zij de functie van Attaché bij de Koning Boudewijnstichting en was er onder andere verantwoordelijk voor het programma Monumentenzorg. Van 1987 tot 1993 was ze assistent aan de Katholieke Universiteit Leuven. Gedurende het academiejaar 1992-1993 was ze plaatsvervanger voor een leeropdracht monumentenzorg en ruimtelijke ordening. Ze werd docent van 1993 tot 1994, en is thans hoofddocent in Leuven. Zij was opeenvolgend docent (1994) en hoofddocent aan de Universiteit Hasselt waar ze sinds 2007 voltijds gewoon hoogleraar en vicedecaan is met leeropdrachten voor bestuursrecht en milieurecht. Sinds 2009 is zij er ook opleidingsdirecteur van de faculteit Rechten. Aan het Raymond Lemaire International Centre for Conservation is zij docent voor de colleges Euro-
pean and comparative law in the field of conservation. Zij is gastprofessor aan de Academia Istropolltana Nova in Bratislava met leeropdracht Legal Protection of Immovable Heritage. Ze is vicepresidentvan het International Committee on Legal, Administrative and Financial Issues (ICLAFI) van Icomos (International Council on Monuments and Sites). Ze is bestuurder van de Vereniging voor het Behoud van het Onroerend Cultureel Erfgoed van België en van de vereniging Argus vzw. Met ingang van 1 september 2009 is ze plaatsvervangend bestuursrechter bij het Milieuhandhavingscollege en tevens actief als zelfstandig juridisch adviseur op het gebied van ruimtelijke ordening, monumentenzorg en wegenrecht. Professor Anne Mie Draye publiceerde talrijke artikels en een aantal boeken over juridische aangelegenheden. Volgende boeken betreffen het onroerend erfgoed zoals: Gemeentelijke monumentenzorg in Vlaanderen, Brussel, Koning Boudewijnstichting, 1989. Monumenten en landschappen in België. Juridische aspecten. Herwerkte en geactualiseerde uitgave van het doctoraal proefschrift in boekvorm, MAKLU, Antwerpen, 1993 (bekroond met de Vijfjaarlijkse Milieuprijs van hetTurnhouts Notariaat). Répertoire notarial: La protection du patrimoine immobilier/ De bescherming van het onroerend erfgoed, Larcier, Brussel, 1997. Erfgoed en verzekeringen. Koning Boudewijnstichting, Brussel, 1997. Milieu en Stedenbouw, Compendium Onroerend Goed, Kluwer, Antwerpen, 1997. La protection du patrimoine immobilier/De bescherming van het onroerend erfgoed, in Répertoire notarial, Larcier, Brussel, 2003 (volledig herwerkte versie). The protection of archaeological heritage: a comparative analysis (ed.), Icomos, Brussel, 2006. Handboek roerend en onroerend erfgoed. Wet-, decreet en regelgeving van kracht binnen het Vlaams Gewest/de Vlaamse Gemeenschap, Larcier, Brussel, 2007.
1VI&L
B 1 N N E N K R A N T
Patrick van
Waterschoot
lAARLIJKSF UITREIKINfi VAN WAPFNRRIFVFN IN HFT HOTFI FRRFRA Op 2 juli 2010 was de imposante ambtswoning van de Vlaamse Minister-president andermaal het decor voor deze jaarlijkse plechtigheid. Voor de negende maal al vond deze uitreiking van de officiële wapendiploma's plaats. Acht families en drie verenigingen of instellingen, allen behorend tot de Vlaamse Gemeenschap, mochten er hun wapenbrief in ontvangst nemen uit handen van de heer Geert Bourgeois, Viceminister-president van de Vlaamse regering en Vlaams minister van bestuurszaken, binnenlands bestuur, inburgering, toerisme en Vlaamse rand. Sinds het bestaan van het decreet van 3 februari 1998 is het voor privépersonen en instellingen mogelijk om officieel een wapen toegekend te krijgen. De Vlaamse regering verleent dit recht op advies van de Vlaamse Heraldische Raad (de 5de afdeling van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen). Tot hiertoe maakten meer dan 150 privépersonen, verenigingen of instellingen hiervan gebruik. Voorzitter André Vandewalle benadrukte in zijn toespraak dat het
uitsluitend om burgerlijke- en niet om adellijke wapens gaat. Burgerlijke wapens en wapens van instellingen hebben een eeuwenoud bestaansrecht. Het erkennen of toekennen van een wapen is een volstrekt vrijwillige actie die ingaat op de wens van personen, instellingen en verenigingen om, los van enige snoeverij of elitarisme, een identiteit uit te drukken, een bewustzijn te behoren tot een groep, een gemeenschap of een familie. Dat dit gebeurt met een traditionele vormentaal en met eeuwenoude kleuren en symbolen, onderstreept de gehechtheid van de Vlamingen aan hun roots en aan de waarden die de vorige generaties ons hebben doorgegeven. Heraldiek is een stuk immaterieel erfgoed dat eeuwenlang in Vlaanderen leefde en nu heropleeft. Door het voeren van een wapen benadrukt de drager op een symbolische wijze zijn identiteit, maar ook zijn verbondenheid met familie en leefwereld. Minister Bourgeois nam hierop het woord. Hij dankte de voorzitter en de leden van de Vlaamse Heraldische Raad voor hun onafhankelijke en kritische benadering van de aanvragen voor privéwapens. De minister feliciteerde alle aanvragers met hun wapenbrief en ging over tot de uitreiking, terwijl Raadslid J. Dauwe, in de kledij van 'Vlaams wapenheraut' lezing gaf van de blazoenering (of heraldische beschrijving) van elk wapen.
Als eerste kwam mevrouw Lieve Viaene-Awouters. Zij is erevoorzitter van de Vlaamse Heraldische Raad en heeft gedurende meer dan 20 jaar met grote inzet haar deskundigheid ten dienste gesteld van de Raad. Als blijk van erkentelijkheid ontving zij dit prachtige wapen van de Vlaamse regering. De beschrijving van het wapen van mevrouw Viaene-Awouters luidt: In keel een herautstaf van goud, bezaaid met leeuwen van sabel, geklauwd en getongd van keel, en getopt met een vuurslag van goud, over alles heen een hoekige dwarsbalk gepaald van goud en van zilver van acht stukken. Het ovaalvormig schild geplaatst op twee schuingekruiste herautstaven en omhangen met het email van de Vlaamse Heraldische Raad, omgeven rechts met een eiken tak en links met een hazelaarstak, beide van natuurlijke kleur. Wapenspreuk: FIDENTI ANIMO in letters van keel op een lint van goud. Daarnaast ging ook speciale aandacht naar het wapen van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen van het Vlaamse Gewest. De 'Koninklijke Commissie voor Monumenten' viert dit jaar haar 1755te verjaardag. De Vlaamse regering wou een openbare blijk van erkentelijkheid geven voor 175 jaar onafgebroken zorg voor het Vlaamse erfgoed en nam de gelegenheid te baat om deze indrukwekkende verjaardag extra cachet te geven door de Vlaamse vleugel van de KCML een wapen aan te bieden. Schuingevierendeeld van lazuur en van zilver, een schildje van goud, beladen met een leeuw van sabel, geklauwd en getongd van keel, geplaatst in het eerste kwartier. Het schild getopt met een muurkroon van goud en gehouden rechts door een leeuw van sabel, geklauwd en getongd van keel, en links door een griffioen van sabel, gebekt en gepoot van goud, genageld en getongd van keel. Het geheel geplaatst op een grasgrond omheind met een palissade met hek van natuurlijke kleur. Elkeen herkent in het schild natuurlijk het kenteken dat op onze beschermde monumenten prijkt met daarop de
B 1 N 1 \ E N K R A N T
Beschermingen
Peter Van den Hove
DRIE B E S C H E R M I N G E N ARCHEOLOGIE
Vlaamse leeuw. Boven het schild is een muurkroon of stedenkroon geplaatst als uitdrukkelijke verwijzing naar het gebouwenpatrimonium. Het schild wordt vastgehouden door twee schilddragers: aan de ene zijde een leeuw, aan de andere zijde een griffioen, een fabeldier half adelaar (met paardenoren) en half leeuw. Schilddragers komen in de regel niet voor in burgerlijke wapens, maar voor de Koninklijke Commissie kon een uitzondering gemaakt worden. Het schild staat tenslotte op een grasgrond met omheining als verwijzing naar het landschappelijk patrimonium. De families Bruno Van Clemen, Guy Van de Vijver, Erik Wallecan, Dirk Raes, Mare Goyvaerts, Jan Declerck, Eng Hian Lo en het bestuur van de Middenkustpolder uit Gistel en de Gemene- en Loweiden met zetel te Brugge voeren voortaan een door de Vlaamse regering erkend wapen. Na het poseren voor de groepsfoto werd een receptie aangeboden in de spiegelzaal van het hotel Errera.
Wapen mevrouw Viaene-Awouters
Recent ondertekende minister Geert Bourgeois de besluiten waarmee drie archeologische sites in Vlaanderen definitief de status krijgen van beschermde archeologische zone. Het gaat om de middenneolithische site van Ottenburg (Huldenberg), de Basiliek Onze-Lieve-Vrouw- Geboorte en omgeving in Tongeren en de burchtzone te Antwerpen. De prehistorische site te Ottenburg is één van de drie met zekerheid gekende middenneolithische enc/osure sites in Vlaanderen. Tijdens het middenneolithicum wordt het nederzettingssysteem in de leemstreek gedomineerd door grote sites veelal gelegen op dominante posities in het landschap. Ze zijn voornamelijk gekend dankzij de enorme hoeveelheid vuurstenen artefacten die er worden aangetroffen, verspreid over een oppervlakte van vaak meerdere hectaren. Een aantal van de onderzochte locaties - waaronder ook de site in Ottenburg - leverden bewijs op van zogenaamde aardwerken of enclosures: enkele hectaren grote oppervlaktes die werden omgeven door grachten en wallen, al dan niet vergezeld van een palissade. Over de functie van deze sites bestaat een levendig debat. Interpretaties gaan van defensieve structuren rondom nederzettingen of vluchtburgen, over plaatsen waar het vee werd bijeen gehouden, tot verzamelplaatsen met al dan niet ritueel karakter. Mede door het beperkte en steeds kleinschalige onderzoek in de zones binnen en buiten deze structuren, is erg weinig informatie over de precieze functie voorhanden. In de recent beschermde zone bevindt zich ook de 'Tomme' - een heuvellichaam van zowat 140 m lang en 3,5 tot 4 m hoog - dat wordt beschouwd
als het meest imposante gekende prehistorische monument van Vlaanderen.
B
De ondergrond onder en rond de Onze-Lieve-Vrouwbasiliek van Tongeren herbergt naast sporen van een luxueuze Romeinse stadswoning (daterend uit de 2de en 3de eeuw na Chr.) met zekerheid één van de oudste bisschopskerken van West-Europa (daterend uit de 4de eeuw na Chr.). De ganse zone is zonder twijfel één van de belangrijkste archeologische sites in Europa voor wat betreft onze kennis over de ontwikkeling en de verdere evolutie van het eerste christendom in Europa. Het is een periode waarover bijzonder weinig is gekend en ook de materiële resten erg schaars zijn. De chronologische continuïteit in de stratigrafie van restanten van kerkgebouwen in het opgegraven areaal bewijst dat de ganse zone sinds de 4<le eeuw onafgebroken als cultusplaats fungeerde en zo een unieke en uitstekend bewaarde getuigenis is van de continue overgang van de Romeinse naar de middeleeuwse periode.
De Antwerpse burcht vormt de kern van waaruit de huidige stad zich ontwikkeld heeft en is een zone van zowel lokaal tot internationaal wetenschappelijk belang. Er bevindt zich een zéér goed bewaarde en complexe stratigrafie die informatie bevat over de Romeinse periode, de vroege middeleeuwen, de 9 de - en 10de-eeuwse
Zicht op de apsis van een vroegchristelijke bisschopskerk, blootgelegd tijdens opgravingen in de O.L.V.-Basiliek van Tongeren
M&L
B I N N E M K R A ^ T
handelsstad, de aanleg van de eerste versterking rond deze stad, de vorming van de eigenlijke burchtzone én de verdere materiële evolutie van deze plaats tot op heden. De drie beschermde sites zijn belangrijke archeologische zones en worden beschermd om ze te behouden als een getuige enerzijds en met het oog op toekomstig onderzoek anderzijds.
Mieke
Lauwaert
B E S C H E R M D ALS V A R E N D ERFGOED: HFT R E B A K E N I N H S C H I P
QQEL Het bebakeningschip DOEL is een uniek en representatief voorbeeld van een historisch werkschip dat voor haar specifieke taak werd ontworpen en in 1952 gebouwd op de Oostendse werf MWaré Et Crighton ft Co. Het werd door de overheid hoofdzakelijk ingezet voor het onderhoud van de bebakening op de Zeeschelde. Haar gaafheid, beperkt schadebeeld en volledigheid van haar vaar- en werkuitrusting, alsook de mogelijkheid tot herbestemming, bieden een unieke kans om het schip een nieuwe varende toekomst te geven. De term bebakening wordt gehanteerd voor allerhande vaste (bakens) en drijvende (boeien of tonnen) merktekens waarmee een vaarwater wordt afgebakend of gevaren voor de scheepvaart worden aangeduid in functie van de veiligheid van de scheepvaart. Voor wat Vlaanderen betreft zijn er langs de kust op de Vlaamse banken momenteel zo'n 150 boeien geplaatst en op de Westerschelde tot aan Antwerpen zo'n 280. In functie daarvan werden door de overheid schepen ingezet om de bebakening te kunnen onderhouden. De toenemende omvang en aantal van de boeien en het steeds intenser wordend onderhoud leidde tot de beslissing om hiervoor specifieke werkschepen te laten bouwen.
IVI&L
Het bebakeningschip DOEL werd gebouwd in opdracht van de Belgische staat om voornamelijk te worden ingezet op het onderhoud van de bebakening op de Zeeschelde. De boot werd dan ook specifiek ontworpen, gebouwd en uitgerust in functie van het uitzetten en ophalen van de boeien met hun anker en ankerketting. Naarmate de boeien groter en hun ankers zwaarder werden werd het schip D O f l t e klein om de klus te klaren en werden door de Vlaamse Gemeenschap, dat ondertussen bevoegd werd voor het maritiem verkeer, nieuwe bebakeningschepen in gebruik genomen. DOEL werd dan ook eind 1980 uit bedrijf genomen en tot de overname (eerste bruikleenovereenkomst) door vzw DOEL in 2001 enkel als reserveschip gebruikt.
Als werkschip werd DOEL gebouwd met een duidelijke opdracht voor ogen. Het schip moest in staat zijn om zware boeien uit het water te heffen en terug te plaatsen, aan boord te nemen en eventueel ter plaatse in het werkruim te herstellen. Ook de zware ankers en ankerkettingen moesten aan boord genomen worden voor onderhoud, herstel of vervanging. Hiervoor werd op de boot een mast met giek aangebracht waarmee de boei kon gelicht worden. Vooraan op de boeg werd een zware kettingrol voorzien waarop de ankerketting kon opgehaald worden via een ver naar achteren geplaatste
lier waardoor een groot deel van het eigengewicht van de boot als tegengewicht kon werken. Ankers zijn doorgaans sterk ingegraven waardoor zware trekkracht op de ketting moet kunnen uitgeoefend worden. Het schip werd dan ook ontworpen in functie van de specifieke en sterke krachten die eigen zijn aan de activiteit van het ophalen van de zware boeien en ankers. De romp werd uiterst stevig geconstrueerd. De romp werd doorgaans met een plaatdikte van 7 mm uitgevoerd doch aan de zijkanten (zandplaten tegen het middenzaathout) krijgt het een dikte van 12 mm, en aan de boeg 9 mm. De rompstructuur is extra verstevigd: in de dwarsrichting door keerspanten om de vier basis spanten, en in de langsrichting door twee extra zijzaathouten en bijkomende langsstringers. Hierdoor krijgt het schip zowel in de langs- als in de dwarsrichting extra sterkte. Deze sterke uitvoering is dan ook een dankbare troef voor de verdere overleving en nieuw gebruik van het schip. Typerend voor de bouwperiode kort na WO II is de overgang van het klinknagelen naar het lassen. Het lassen kent tijdens WO II een doorbraak omwille van een snellere uitvoering van staalconstructies doch deze technologie kende nog vele kinderziektes Deze twijfel over de te verwachten sterkte leidde er toe dat nog veel scheepswer-
•,'•
mp:^ ^aw
Mk
DOEL
B I N N E N K R A N T
ven de twee technieken naast elkaar gebruikten. Bebakeningschip DOEL is een voorbeeld van deze gemengde toepassing: in de verticale richting werden de rompplaten aan de spanten geklonken en een aantal onderlinge verbindingen in de langsrichting werden gelast maar nu wel dubbelzijdig. Voor de aandrijving werd een hoofdmotor van de befaamde Gentse fabrikant ABC (Anglo Beige Corporation). Op zich een bijzonder feit dat tot op vandaag deze motor van bij de bouw van het schip nog goed functioneert. Het betreft hier een zes cilinder moter met een kracht van 250 Pk bij 450 tr/min.
Restauraties
Redactie
HOISBEEK (SINT-PIFTERSRODF). KASTFFI VAN HORST De eerste fase van de restauratie van het kasteel van Horst in Holsbeek (Sint-Pieters-Rode) werd goedgekeurd. Het kasteel van Horst is herkenbaar door zijn donjon en aanpalende gebouwen in baksteen met speklagen in natuursteen. Het dateert grotendeels uit de 15de eeuw met een oudere kern. In de 17de eeuw kreeg het kasteel zijn huidige vorm: de binnenplaats werd
volledig door gebouwen omsloten. In het interieur werden de prachtige stucplafonds aangebracht door Hansche. Het kasteel en zijn omgeving ondergingen na de 17de eeuw nagenoeg geen wijzigingen. Het kasteel werd beschermd als monument bij koninklijk besluit van 27 mei 1971. Erfgoed Vlaanderen heeft het kasteel in erfpacht, en zal het kasteel ontsluiten.
Literatuur
Voorafgaand aan de restauratiewerken werd bouwhistorisch, archeologisch, bouwfysisch en stabiliteitsonderzoek verricht. Deze onderzoeken wezen uit dat de donjon en het eraan palende gebouw een voor Vlaanderen uniek vroeg kasteelcomplex vormen. Deze configuratie van toren, aula of zaal en camera of kleine zaal is rond 1430 gebouwd en vormt het oudste deel van het kasteel.
DRIE NIEUWF V i n F -
De eerste fase omvat de restauratie van het gebouw palend aan de donjon. Er werd gekozen voor een zachte restauratie met maximaal behoud van de historisch waardevolle elementen, en het verwijderen van recente ondeskundige ingrepen. De grote zaal zal in zijn oorspronkelijk volume hersteld worden. De stabiliteit van het dakspant en de buitenmuren zal hersteld worden. De restauratie omvat voorts structureel herstel van het metselwerk, behandeling van het dakspant tegen houtrot en houtborende insekten, en verwijdering van de begroeiing op de buitenmuren.
Marnix
Pieten
PUBLICATIES Exchanging Medieval Material Culture. Studies on archaeology and history presented to F. Verhaeghe
Met dit liber amicorum, verschenen als Relicta Monografie 4, brengen 25 Belgische, Britse, Nederlandse, Franse en Deense collega's onder redactie van Koen De Groote, Dries Tys en Marnix Pieters, drie promovendi van de gevierde, hulde aan prof. Dr. Em. Frans Verhaeghe. Het boek bevat 22 artikels over materiële cultuur verdeeld in drie secties: materiële cultuur, landschap en nederzetting en theorie. Daarnaast bevat het boek ook een uitgebreide bibliografie en een inleidend hoofdstuk over de rijke loopbaan van Frans Verhaeghe. Het boek werd plechtig voorgesteld en overhandigd in het stadhuis te Brugge op donderdag 29 april in aanwezigheid van een groot aantal buitenlandse gasten.
1VI&L
B I N N E N K R A N T
Relicta. Archeologie, Monumenten- en Landschapsonderzoek in Vlaanderen
Relicta is het wetenschappelijke tijdschrift van het VIOE. Het bevat artikels over het archeologische, bouwkundige en landschappelijke erfgoed in Vlaanderen. In Relicta publiceren zowel de onderzoekers van het VIOE als externe onderzoekers. Op 2 juni 2010 werd te Raversijde reeds het 6de volume uit deze reeks voorgesteld. Drie maritieme bijdragen vormden de aanleiding om het boek voor te stellen aan de kust in de context van een maritiem museum en in aanwezigheid van heel wat maritiem geïnteresseerden, waaronder een groot aantal sportduikers met belangstelling voor erfgoed. Behalve de maritieme bijdragen worden in deze aflevering ook de volgende onderwerpen uitgebreid behandeld: een Gallo-Romeinsgrafveld in Grobbendonk, de voorlopers van de Hemelvaartkerk te Hofstade bij Aalst, een nieuwe interpretatie van de romaanse Sint-Hilariuskerk van Bierbeek, een bijzondere 14de-eeuwse afvalcontext, enkele jaren geleden opgegraven te Puurs, en een uitgebreid overzicht van de hopast in Vlaanderen.
Vioe-Handleidingen 2: Omgaan met oorlogserfgoed Deze handleiding, gerealiseerd door Nathalie Vernimme, richt zich in het
IVI&L
algemeen tot alle mensen die bekommerd zijn om het behoud en beheer van oorlogserfgoed in Vlaanderen en in het bijzonder tot gemeentebesturen en ambtenaren die een belangrijke rol kunnen spelen bij de instandhouding van en kennisverspreiding over oorlogserfgoed. De aandacht gaat in hoofdzaak uit naar het oorlogserfgoed uit de 20ste eeuw, met de nadruk op het erfgoed dat in relatie staat tot WO I. In 2014 is het immers 100 jaar geleden dat deze oorlog begon en naar aanleiding hiervan zijn de laatste tijd heel wat onderzoeks- en ontsluitingsinitiatieven genomen. De tips in de handleiding gelden meestal ook voor het oorlogserfgoed van andere oorlogen uit andere perioden. In een 1 ste deel wordt ingegaan op het belang van de verschillende soorten oorlogserfgoed, de manieren om kennis erover te verwerven en instandhouding te stimuleren, het belang van regelmatig onderhoud en beheer van dit erfgoed en de redenen en modaliteiten om tot conservatie-restauratie over te gaan. Het 2dc deel handelt specifiek over het behoud en de ontsluiting van bunkers en schuilplaatsen als belangrijke en tastbare oorlogsgetuigen. Het 3de deel leert ons meer over het statuut en mogelijkheden tot behoud van barakken en andere tijdelijke oorlogsconstructies. Het laatste deel belicht oorlogsbegraafplaatsen en het onderhoud van oorlogsgraven in Vlaanderen. De bijlage bevat contactadressen, verwijzingen naar wetgeving en premies, onderzoeksin-
VIOE-HANDLEIDIN<iEN O l
Omgaan met oorlogserfgoed
stanties, literatuur en websites met meer gedetailleerde informatie.
Exchanging Medieval Material Culture. Studies on archaeology and history presented to F. Verhaeghe, Relicta Monografieën 4, 384 p. Te bekomen aan 50 € (exclusief verzendingskosten) ISSN 2030-9910 ISBN 978 90 7523 0291 Relicta. Archeologie, Monumenten- en Landschapsonderzoek in Vlaanderen, deel 6, 327 p. Te bekomen aan 40 € (exclusief verzendingskosten) ISSN 1783-6425 Vioe-Handleidingen 2: Omgaan met oorlogserfgoed, 120 p. Te bekomen aan 10 € (inclusief verzendingskosten). ISSN 2032-1570 Meer informatie omtrent deze en andere publicaties van het VIOE is te vinden op de website van het instituut www.vioe.be. Van een groot aantal van de publicaties van het VIOE kan kosteloos een digitale versie opgehaald worden, eveneens op de website van het instituut.
Werner
Wouters
EXCHANGING MFDIFVAI MATFRIAI mi TURF. STUDIES ON ARCHAEOLOGY AND HISTORY PRFSFNTFD TO FRANS VERHAEGHE Zeldzaam zijn de boeken waar de titel de inhoud volledig dekt. Dit verzamelwerk is er een sprekend voorbeeld van. En toch. Om volledig recht te doen aan de carrière die Frans Verhaeghe tot nu toe heeft opgebouwd was Exchanging Knowledge on Medieval Culture misschien een betere titel geweest. Dat blijkt niet alleen uit het overzicht van zijn wetenschappelijk werk en zijn uitgebreid netwerk waar in het boek
B I N ^ E N K R A M T
vaak op gealludeerd wordt, maar ook uit het internationaal karaktervan de verzamelde bijdragen. Het festschrift bestaat uit drie delen, waarvan het 1 5te handelt over materiële cultuur, het 2de over nederzettingen en landschap, en het 3de over (archeologische) theorie. Merkwaardig is het toch, hoe de omvang van elk onderdeel de interessesfeer van het Vlaamse archeologische landschap weerspiegelt. Zoals het altijd is met feestbundels, zijn enerzijds de kwaliteit van de bijdragen ongelijk of de onderwerpen bij wijlen triviaal, anderzijds zijn er artikels bij die heel veel beloften inhouden, maar inhoudelijk nog niet uitgerijptzijn. Natuurlijk zijn er uitzonderingen op deze regel, en ook binnen deze bundel kan hiervan geproefd worden. Recensent heeft in dat verband -vanuit zijn persoonlijke interesse voor de Karolingische en Ottoonse periode- genoten van de bijdragen Ename and the Ottoman west border policy in the middle Scheldt region en vooral van The contribution of archaeological sources to the research in the formation of towns. The example of Aalst, a border town in the county of Flanders. Een pluim bovendien voor de kwaliteit van deze verzorgde, ruim geïllustreerde uitgave. Een kleine opmerking tot slot: zoals een beetje verdoken in dit volume wordt meegegeven, heeft Frans Verhaeghe een grote verdienste gehad in de voorbereiding van het nog steeds in voege zijnde Decreet houdende bescherming van het archeologisch patrimonium van 1993. Jammer dat hier geen apart artikel aan gewijd is. Misschien kan de jubilaris zelf deze lacune opvullen? Ruimte en Erfgoed en de redactie van MEtL in het bijzonder wensen Frans Verhaeghe zelf uitgebreid te feliciteren voor zijn verdiensten aan de Vlaamse en internationale archeologie.
DE GROOTE Koen, TYS Dries, PIETERS Marnix (eds.). Exchanging Medieval Material Culture. Studies on archaeology and history presented to Frans Verhaeghe, Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed, Relicta Monografieën 4, Brussel, 2010, ISBN 2030-9910, www.vioe.be
Colloquia Marjan Buy Ie
HFT ONZICHTRARF
RESTAUREREN CALL FOR PAPERS Het 6 ^ tweejaarlijkse BRK-APROA/VIOE internationaal colloquium gaat door op 17 en 18 november 2011 in Brussel. Het thema is: Het onzichtbare restaureren /Restaurer l'invisible. Dit op het eerste gezicht vrij cryptisch thema vraagt om enige verduidelijking. Conservatie-restauratie van kunstwerken en historische interieurs is in de perceptie van het grote publiek nog hoofdzakelijk een oogverblindend beroep, liefst met flitsende foto's met een zo groot mogelijk verschil in opnames vóór en na de restauratie. Je moet vooral goed kunnen zien dat het 'gerestaureerd' is. Restauratie blijkt voor veel mensen vooral het retoucheerwerk te zijn, de finishing touch, het zogezegde 'artistieke' onderdeel. Maar conservatie-restauratie is echter en vooral veel meer: het opnieuw gezond maken van een kunstwerk, met methodes en technieken en ook resultaten die voor de leek niet zichtbaar zijn. Deze behandelingen en onderzoeksmethodes zijn zo mogelijk veel belangrijker en daar willen we met dit congres even de aandacht op vestigen: onzichtbare onderdelen van de kunstwerken, onzichtbare werken voor het publiek, behandelingen die niet zichtbaar zijn, analysetechnieken die het onzichtbare zichtbaar maken en nog veel meer. Hieronder een niet limitatieve opsomming van mogelijke thema's of denkpistes voor lezingen; - analysetechnieken die het onzichtbare zichtbaar maken: overzicht van de huidig bestaande methodes, hun mogelijkheden en beperkingen - restauratie van de onzichtbare gedeeltes van kunstwerken of ensembles: behandeling van de dragers van paneelschilderingen, sculpturen, interne verstevigingen, muren als drager van beschildering,... - restauratie van prehistorische grotschilderingen, die om conservatori-
sche redenen niet kunnen opengesteld worden voor publiek restauratie van kunstwerken die niet gemaakt zijn om gezien te worden, zoals grafschilderingen restauratie van niet verplaatsbare kunstwerken die gevonden worden op 'onmogelijke' plaatsen zoals muurschilderingen achter baroklambriseringen, altaarschilderijen, textilia in graven digitale en virtuele methodes om gerestaureerde, niet zichtbare kunstwerken toch te tonen aan het publiek restauratie van zeer kostbare kunstwerken, die niet of bijna nooit kunnen tentoongesteld worden zoals manuscripten, zeldzame textielen, fragiele tekeningen restauratie van onzichtbare waardes van kunstwerken, hun cultuswaarde, hun vroegere waardes en functies, het bewaren van het 'geheugen' van het kunstwerk behoud en onderzoek van ondergronden, ingekraste positionneringsmerken, ondertekeningen, onderliggende lagen onderzoeksmethodes en preventieve conservatie van archeologische sites onderzoek en/of restauratie van archeologische vondsten, bijvoorbeeld metalen objecten die zichtbaar worden met analysemethodes behoud van onzichtbare muurschilderingen, muren waarvan geweten is dat er onderliggende muurschilderingen bewaard zijn en waar blootleggen geen prioriteit is; maatregelen tot behoud en vrijwaring van deze bouwonderdelen het onderzoek en het onzichtbaar bewaren van vondsten van bijvoorbeeld vooronderzoeken, proefvensters, fragmentaire beschilderingen: opties, methodes en technieken restauratie van 'gelaagde' kunstwerken, zoals houtsculpturen met opeenvolgende polychromielagen, onderzoeksmethodologie, mogelijke restauratieopties en evolutie in de restauratiedeontologie en praktijk: van systematisch teruggaan naar de 'originele' laag tot respectvol behoud van latere historische lagen restauratie van de klank van muziekinstrumenten
1VI&L
B 1 N M E N K R A N T
restauratie van meubilair met onzichtbare binnendelen, geheime schuiven, binnenarchitecturen, mechanismen, sloten perceptie van kleuren: wat wij zien is niet altijd de kleur die er is, verkleuringen van pigmenten, chemische veranderingsprocessen restauratie van hedendaagse kunst: herstel van mechanismen, klanken, beweging
Voorstellen voor lezingen worden verwacht tegen 30 september 2010: een titel en een halve A4 met tekst volstaan. Congrestalen zijn Nederlands, Frans en Engels (met simultaanvertalingen naar de beide landstalen). Contactpersoon: Marjan Buyle, VIOE (Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed / Institut Flamand du Patrimoine / Flemish Heritage Institute), Koning Albert ll-laan 19 bus 5, B-1210 Brussels. Mail: marieanne.buyle@rwo.vlaanderen.be
Tentoonstellingen
Marjan
In 1940 werd de noodnaam Meester van Elsloo gebruikt voor de bijzonder kwaliteitsvolle Sint-Anna-ten-drieën in de kerk van Elsloo. Nu, 60 jaar later, zijn er ondertussen meer dan 200 beelden aan deze meester of zijn atelier of invloedsfeer gelinkt. Deze toeschrijvingen gebeurden louter op stilistische gronden en het is vreemd dat er nooit een diepgaander systematisch onderzoek naar deze meester werd uitgevoerd. De tentoonstelling van 1974 in Horst (Nld.) bracht een aantal van deze werken samen. Ook in deze catalogus worden alleen kunsthistorische stijlargumenten naar voren gebracht.
archivalisch en een materieeltechnisch luik. De vraagstelling, die door Peter te Poel van het Bonnefantenmuseum werd toegelicht, gaat als volgt: hoe meer te weten komen over deze anonieme meester? was het één groot atelier met veel beeldsnijders of waren het meerdere ateliers? waar was dat atelier gevestigd? wat kan vernieuwd archivalisch onderzoek opleveren? wat is de inbreng van het materiaaltechnisch onderzoek naar houtdeterminatie, kapdatum, werkbanksporen, identificatie van materialen, polychromie?
Om uit deze impasse te geraken werd dit grootschalig onderzoek opgezet in een samenwerkingsverband tussen het Bonnefantenmuseum in Maastricht, de Stichting Restauratie Atelier (SRAL) aldaar en het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium in Brussel, in samenwerking met andere instellingen uit Nederland, België en Duitsland. Het onderzoek behelst zowel een kunsthistorisch als een
Van de 200 beelden van de Meester van Elsloo bevinden er zich een 70-tal in Belgische kerken, nog meestal in situ op de plaats waarvoor ze gemaakt werden. Veldwerkcampagnes onderzoeken de beelden eerst ter plaatse. Ze worden uitvoerig gefotografeerd en gedocumenteerd, zowel de houten drager als de eventueel nog aanwezig polychromie, al dan niet onder overschilderingen verborgen. Vele beelden werden spijtig genoeg in later tijden gedecapeerd, zoals de hele reeks prachtige beelden van de kerk van Neeroeteren. Daar blijft alleen de superieure kwaliteit van het beeldsnijwerk intact. Om dit onderzoek mogelijk te maken zijn de plaatselijke kerkfabrieken van zeer groot belang. Naast diverse sponsors is ook de provincie Limburg een belangrijke partner in het project.
Sint-Anna-ten-drieën in deSint-Augustinus-
Detail van het gelaat van Sint-Antonius abt in
kerk in Elsloo (® Stichting Restauratie Atelier
de Sint-Lambertuskerk van Neeroeteren
Limburg, foto A. Truyen)
F KIK Brussel)
Buyle
I I M B U R G S F BEELDENSCHAT M F F S T F R V A N Fl SI 0 0 Q N D F R DF I OEP Op 6 juli werd op het KIK een persconferentie georganiseerd om het omstandige onderzoek rond deze mysterieuze beeldsnijder voor te stellen. Van juli 2010 tot oktober 2011 is een grote tentoonstelling gepland in het Maastrichtse Bonnefantenmuseum, met een vijftigtal beelden die aan deze meester toegeschreven zijn. Daarna volgt nog een wetenschappelijk colloguium, waarin de confrontatie van de werken en de resultaten van het onderzoek aan elkaar zullen getoetst worden.
M&L
Het grondgebied verspreid over Nederlands en Belgisch Limburg, het aangrenzende Duitse gebied en het prinsbisdom Luik vormden in de 16de eeuw een eenheid, in elk geval vanuit cultureel standpunt. Sindsdien is er in die streek herhaaldelijk met landsgrenzen geschoven.
B1N^ENKRA1\T
Met het huidig interdisciplinair onderzoek, dat een primeur is door zijn omvang en door de gevolgde methodiek, wordt gezocht naar antwoorden op de vragen rond de identiteit van de Meester van Elsloo en rond zijn persoonlijk aandeel in deze beeldenproductie en dat van zijn atelier en aanverwante ateliers, die in dezelfde stijl werkten.
Marjan Buy Ie
BLIK OP RELIGIE OP BLIK Een heel bijzondere tentoonstelling loopt nog tot 18 september in het Kadoc van Leuven. Blikken dozen zijn ons allen bekend en zijn ook populaire verzamelobjecten geworden. Ze bevatten eertijds bonbons, koekjes, sigaren ... of waren leeg en wachtten geduldig op vrijgevige mannen en vrouwen. Ze hebben geleefd en dat laat zijn sporen na. Sommige zijn bescheiden, andere dan weer exuberant. Hun afbeeldingen spreken tot de verbeelding en brengen andere werelden dichterbij. Bijna alle dragen ze fier hun merknaam. Ze waren in eerste instantie verpakking. Pas later nam de nostalgie de plaats in van de zoetigheden en de rookwaren. Ze werden verzamelobjecten. De blikken dozen op deze tentoonstelling zijn het resultaat van de passie
van Yvette Dardenne. Zij bouwde een collectie uit van ongeveer dertigduizend stuks en stelde met deze uitgebreide verzameling al verschillende andere thematentoonstellingen samen, zoals een tentoonstelling over de Koninklijke familie. De tentoonstelling toont dus slechts een fractie. 'Religie' is de toets waaraan de dozen een voor een zijn onderworpen. De volledige collectie is ondergebracht in de 17de-eeuwse graanwatermolen van Grand-Hallet. Deze zogenaamde Neufmoulin is een heropbouw van de in de 15de eeuw vernielde oudere molen. Dit monument is te bezichtigen op de Journées du patrimoine van Wallonië of na telefonische afspraak met de eigenaar (Joseph Dardenne 019/633618). De volledige verzameling is ondergracht in een annex van de molen en is eveneens te bezoeken na afspraak (Yvette Dardenne 019/634392).
De tentoonstelling Blik op religie op blik is nog te bezoeken tot en met 18 september in het KADOC aan de Vlamingenstraat 39 in Leuven. De toegang is gratis. Open van maandag tot vrijdag 9u-l 7u en op zaterdag 9u-12.30u. Opgelet; gesloten op 6, 10 en 11 september.
VIOE Patrick Roose DF ORGFI I N V E N T A R I S ONLINE ONTSIOTFN
Kerk'mblik uit de verzameling van Yvette Dardenne f® Kadoc Leuven)
In 1971 verscheen het allereerste deel (in boekvorm) van de inventaris van het bouwkundig erfgoed, in de reeks Bouwen door de eeuwen heen. Drie jaar later verscheen aansluitend het eerste deel van de afzonderlijke thematische inventarissen, i.e. de orgelinventaris met reeksbenaming Hef Historisch Orgel in Vlaanderen. Toen in de vroege jaren '90 de informatisering op gang kwam bij de
(toenmalige) Afdeling Monumenten Et Landschappen, werd ook meteen gestart met het digitaal verwerken van data die met de orgelinventarisering verband hielden. Het digitaal ontsluiten van dergelijke omvangrijke databanken is echter een klus waarbij niet over één nacht ijs kan gegaan worden. Dat wordt geïllustreerd door de (té) vroegtijdige online-plaatsing - in 2005 - van een deel der orgelinventarissen op http://paola.erfaoed. net/orgel.htm: deze website was nog niet erg gebruiksvriendelijk, telde vele lacunes, en was (behalve voor de orgels in de Westhoek) nog helemaal gebaseerd op de gedrukte uitgave van de orgelinventarissen (ergo op soms fel verouderde gegevens). Hoewel de site voor enkele schaarse orgelfreaks toch bruikbaar was - de gedrukte boekdelen zijn immers op één na alle uitverkocht - hebben de sitebeheerders het in 2009 verkieslijker gevonden hem op non-actief te stellen: er was namelijk beterschap in het vooruitzicht.
Na jaren intens labeur is immers in 2007 een groot deel van de inventaris van het bouwkundig erfgoed online geplaatst op de inmiddels drukbezochte site http://inventaris.vioe.be En weerom driejaar later - l'histoire se répète- is het nu de beurt aan de orgelinventaris, nu niet meer als afzonderlijke orgeldatabank, maar in alle opzichten geïntegreerd in de algemene erfgoed-databank. Deze integratie biedt manifeste voordelen: er wordt vooreerst gebruik gemaakt van de bestaande - en inmiddels goed uitgeteste - web-infrastructuur van de erfgoed-databank met al haar nevenaspecten (bijv. de zeer performante zoekfuncties). Ooit heeft het Monumentenjaar als slogan meegekregen Een Monument staat niet alleen: dit adagium geldt de facto voor orgels die nagenoeg steeds in een (kerk)gebouw met erfgoedwaarde staan.
In het nieuwe inventaris-luik van de algemene erfgoeddatabank zullen orgels uiteraard als afzonderlijk object kunnen opgezocht worden (net zoals relicten, personen, WO I-getuigen e.a.), maar voor vele gebruikers zal
1VI&L
B I N N E N K R A N T
wellicht het opzoeken van het kerkgebouw de meest logische en praktische ingang zijn: bij de uitgebreide informatie aangaande het kerkgebouw wordt dan een rechtstreekse link gelegd naar de orgel-pagina. Ook de 'orgel-fiches' zelf zijn multifuntioneel: naast een korte orgelhistoriek zijn er koppelingen naar personen (i.e. orgelbouwers, wiens werklijsten men op die manier kan opmaken), naar tijdperken en naar het gebouw waarin het orgel zich bevindt. En om het belangrijkste niet te vergeten: in elke orgel-pagina is een downloadable pdf-document gevoegd waarin het integrale inventarisrapport, afbeeldingen incluis, te vinden is, in dezelfde vorm en lay-out zoals destijds in de gedrukte boekdelen. De gebruiker kan dus desgewenst zijn eigen 'boek' samenstellen. In september 2010 wordt een persvoorstelling voorzien waarop de orgelcomponent van de erfgoeddatabank wordt voorgesteld en in gebruik genomen. De orgel-rapporten van de arrondissementen Diksmuide, leper en Veurne zullen dan voor het eerst consulteerbaar zijn, en tegen eind 2010 zal ook het arrondissement Roeselare vervolledigd zijn. Vanaf dan zullen geleidelijkaan alle overige regio's toegevoegd worden. Parallel hiermee zullen de 'oude' rapporten (gepubliceerd tussen 1974 en 1986) grondig herwerkt en geactualiseerd worden om vervolgens ook online geplaatst te worden.
Buitenkrant
Rudy De Graef
STFF RiNST ( i 9 f i n - ? n n q ) . PRENTEN Iets meer dan een jaar geleden, op 11 juli 2009, overleed Stef Binst op 49-jarige leeftijd. Zijn naam doet wellicht bij vele lezers een belletje rinkelen: hoewel nog jong, was hij immers een bekende naam in de Vlaamse monumentenwereld. Het curriculum van Stef Binst leest dan ook als de ideale voorbereiding op een carrière in de wereld van het onroerend erfgoed. Toen hij in 1983 afstudeerde als burgerlijk ingenieur-architect aan de K.U. Leuven (Departement voor Architectuur, Stedenbouw en Planning), schreef hij zich in bij het Raymond Lemaire International Centre for Conservation. Nadat Stef Binst deze studie in 1984 succesvol afrondde, werkte hij een tijdje als assistent bij datzelfde RLICC. In 1991 ging hij aan de slag bij de pas opgerichte Monumentenwacht, waar hij pionierswerk kon verrichten als projectcoördinator. Vanaf 1998 wachtte hem een nieuwe uitdaging bij het Vlaams Centrum voor Ambacht en Restauratie (VCAR)(1). Toen het VCAR in 2000 opgedoekt werd, verhuisde Stef Binst naar de dienst Werken en Infrastructuur van de provincie Antwerpen (2), waar hij
opnieuw een wegbereider zou zijn. Op zijn eentje vernieuwde hij er de wijze van werken door zijn opgedane ervaringen op het vlak van preventieve conservatie, monitoring en onderhoud van monumenten in de praktijk toe te passen. Voor een groot deel van het beschermde patrimonium dat beheerd wordt door de provincie Antwerpen, bewerkstelligde Stef Binst de aanstelling van architecten en aannemers en verzorgde hij de opvolging van de lopende restauratiedossiers. Zo kenden bijvoorbeeld de restauratiewerken aan de kathedralen van Mechelen en Antwerpen geen geheimen voor hem. Daarnaast begeleidde hij honderden dossiers in het kader van de zogenaamde koppelsubsidie. Stef Binst, die in zijn professionele carrière vaak blijk gaf van een fundamentele kritische houding en die het talent had om afstand van de dingen te kunnen nemen om er zo opnieuw helder naar te kunnen kijken, bleek die gave ook in een andere discipline toe te passen. Met tekenwerk had hij immers een passie ontdekt die hem wegvoerde van de praktische beslommeringen van zijn dagtaak. Vaak combineerde hij die vrijetijdsbesteding met zijn vaste baan. Zo tekende Stef Binst heel wat illustraties die met monumentenzorg te maken hadden, zoals onder andere het ingekleurde vogelperspectief in de publicatie Monumenten be-leven. Omtrent de Sint-Trudo-Abdij in SintTruiden (3) en de 'verhuiskaart' van 'erfgoed Vlaanderen' in 1991. Wat eerst een aangenaam tijdverdrijf was, werd in 1997 iets ernstiger.
Potloodschets voor de verhuiskaart uit 1991 van Erfgoed Vlaanderen (archief Erfgoed Vlaanderen, prent S. Binst)
M&L
B 1 N N E N K R A 1 M T
Naast andere illustratieopdrachten begon hij als vaste illustrator voor Bibliotheek- Et archiefgids, het tijdschrift van de Vlaamse Vereniging voor Bibliotheek, Archief en Documentatie vzw (WBAD), een heus oeuvre uit te bouwen. Dit leidde uiteindelijk tot een enorme productie van meer dan 400 afgewerkte prenten. De meeste illustraties behandelen thema's rond bibliotheken en archieven. Daarbij schakelde Stef Binst uiteraard zijn kennis van de architectuur en de erfgoedzorg in. Eén van de mooiste voorbeelden hiervan is de tekening Universitaire bewaarbibliotheek onderdruk (4) uit 2005. De prent toont met een volgestouwde en uitpuilende Gentse boekentoren aan dat één van de belangrijke functies van bewaarbibliotheken, namelijk het beheren van waardevolle stukken, niet evident is. Maar de prent zegt veel meer dan dat... Naast de invloed van de monumentenzorg blijkt uit de tekeningen ook een grote interesse voor de l s t e helft van de 205te eeuw: Vele prenten lijken wel sf/7/s uit een film noir, figuren schijnen bevroren in een architecturale scène. Het verbaast dan ook niet dat de tekeningen vaak gelardeerd zijn met architecturale en mobiele pareltjes uit die periode. Schematische gestaltes worden vaak in urbane decors gelast, Edward Hopper en Ever Meulen zijn nooit ver weg. Door dit vormelijk werkproces krijgen personages en acties een zekere beladenheid, ze worden aangedikt, ze krijgen een verbeeldende kwaliteit. Al verraadt zijn met aquarel opgehoogde sarcastische heldere lijn ook invloeden van grootmeesters als Hergé en Tardi, evengoed tonen zijn tekeningen aan dat hij een goed waarnemer van onze tijd was.
Net zoals alles waar hij mee bezig was, streefde Stef Binst met zijn tekenkunst een nauwgezet perfectionisme na. Zijn tijdrovende werkwijze deed hem daarom in 2008 besluiten om deeltijds te gaan werken; zo kon hij de tentoonstelling van zijn prenten in de Permeke Bibliotheek te Antwer-
De archivistieke drievuldigheid geprofileerd, pentekening ingekleurd met aquarel (uit DE KEYSER B., L'archiviste archiefgids,
en profil: beroepsprofielen
voor de archiefsector.
Een voorstelling,
in Bibliotheek-
en
W B A D , 2007/4, p. 22, prent S. Binst
pen voorbereiden en nog hoogstaander werk afleveren. Die prentenexpositie was één van de projecten waar hij al lang van droomde. Enerzijds hoopte hij er nieuwe opdrachtgevers mee te vinden, anderzijds was het een ideale manier om eens terug te blikken op wat hij tot dan toe realiseerde, een soort status quaestionis, om van daar dan verder te gaan. De eerste afspraken voor de tentoonstelling werden in 2009 gemaakt en Stef Binst had al een gedeeltelijke selectie van zijn werk gemaakt; ook de basisideeën voor de lay-out van de expositie lagen vast toen zijn plotse overlijden deze plannen leek te verijdelen. Daarom besloten enkele vrienden en familieleden, op initiatief van zijn vrouw Beatrice Knops en onder leiding van de WBAD, om de tentoonstelling verder af te werken. Op 4 februari 2010 werd de expositie
dan ook plechtig geopend en ze bleek een groot succes te zijn: na Antwerpen volgden de openbare bibliotheken van Mechelen en Kortrijk en ondertussen reist de tentoonstelling Vlaanderen rond tot in 2011. Meer informatie over de juiste locaties en data vindt u op de website van WBAD (5).
(1) VERROEST L, In Memoriam of Stef Binst, in RLICC Newsletter, issue 4, July 2009. Leuven, 2009. p 40. (2) De huidige 'Dienst Infrastructuur' van de provincie Antwerpen. (3) VLAEMINCK S., Monumenten be-leven. Omtrent de Sint-Trudo-Abdij in Sint-Truiden, Brussel, 1990, p. 43. (4) DE REU M. en VAN ELDERE D., Universitaire Bewaarbibliotheken onder druk, in Bibliotheeken archiefgids, WBAD, 2005/6, blz 39-43. (5) www.vvbad.be/StefBinstPrenten
1VI&L
B 1 N N E N K R A N T
Redactie
DF K R A A N V O G F I IN HET V I Z I E R ? Het vorige nummer van MEtL was volledig gewijd aan de 'Gentse' kraanvogel. Op woensdagavond 30 juni werd in de Sint-Pietersabdij van Gent dit 173ste nummer aan de pers voorgesteld. Meteen ook een mooie aanloop naar de volgende jaargang toe, want in 2011 viert het tijdschrift MÜL zijn 305,e verjaardag!
Het leven zit vol verrassingen. Ik was als ministervan Onroerend Erfgoed enigszins verrast toen ik de vraag kreeg aanwezig te zijn op een persconferentie over een middeleeuwse steen met een ingekraste vogelfiguur. Maar ik had beter moeten weten: onroerend erfgoed is een heel breed domein waarbinnen heel uiteenlopende benaderingen versmelten. Dat maakt dit beleidsdomein trouwens net zo boeiend. Het gaat om ons Vlaams verleden, ongeacht in welke vorm zich dat aandient: landschappen, bouwkundig erfgoed of archeologische resten. En daarbinnen is werkelijk alles als studieobject interessant: oude bomen, verdwenen natuur, menselijke constructies bewaard boven of onder de grond, historische sporen van het benutten van het landschap, en de resten van al dan niet verdwenen dieren. Zoals die van de kraanvogel. Die is als broedvogel verdwenen in Vlaanderen. Gelukkig nog wel in Noord Europa, Afrika en Azië. Naast die diversiteit belicht het onderzoek van de stenen vogel een ander aspect van ons onroerend erfgoed: elk onderwerp, hoe nauw gedefinieerd ook, heeft raakvlakken met heel wat interesses aanwezig in onze samenleving, en daarmee bedoel ik zeker niet alleen de culturele of historische invalshoeken.
> Toespraak van minister Geert Bourgeois, viceministerpresident van de Vlaamse Regering en Vlaams minister van Bestuurszaken, Binnenlands Bestuur, Inburgering, Toerisme en Vlaamse Rand Mijnheer de schepen, Mijnheer en Mevrouw de administrateur-generaal. Dames en heren van de pers. Geachte aanwezigen,
IVI&L
Het is toch wonderbaarlijk dat de archeologische vondst van een bewerkte steen ons aan het denken zet over religie, natuurbehoud, de middeleeuwse visie op de verhouding tussen mens en dier, heidense mystiek of de culinaire knepen nodig om een grote vogel gaar te maken. Tegelijk betekent dit dat we met dit stukje erfgoed mensen kunnen bereiken die niet onmiddellijk in het verleden geïnteresseerd zijn, of die er door omstandigheden nog nooit nauw mee in contact kwamen. Met een oude kraanvogel kan je de vogelkijker, de kookfanaat, de verzamelaar van wapenschilden of de A/ew/lge-spiritualist naar het erfgoed krijgen.
Maar uiteraard ook de cultuurliefhebber en de toerist. Want erfgoed en toerisme zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Vlamingen en buitenlandse toeristen zijn geïnteresseerd in eikaars verleden. Onze geschiedenis bepaalt wie we vandaag zijn. Daarom is het belangrijk dat we onze geschiedenis ontsluiten. Onderzoek van ons erfgoed heeft weinig impact op de samenleving als we de verhalen uit het verleden niet naar het publiek brengen. Dan ervaren de mensen enkel de ingrepen die voortvloeien uit het beheer en de bescherming van landschappen, bouwkundig erfgoed en archeologische resten, maar leren ze niet waarom we dit als beleidvoerders doen en kunnen verantwoorden. Daarom waardeer ik ten zeerste alle inspanningen in het domein van het onroerend erfgoed om een steeds groeiend publiek te bereiken. Dat ook een wetenschappelijke instelling als het VIOE (Vlaams Instituut voor Onroerend Efgoed) en het Agentschap Ruimte en Erfgoed daar tijd voor vrijmaken, juich ik van harte toe. Ik weet heel goed dat ik veel van hen vraag, inzake beheer of beleidsondersteunend onderzoek, maar dat maakt initiatieven als de MEtL- publicatie die vandaag wordt voorgesteld net nog iets meer bijzonder. Het is natuurlijk de taak van de onderzoekers van het VIOE om met hun bevindingen naar buiten te komen en daar hoort ook publiekswerking bij, iets wat voor een wetenschappelijke instelling niet altijd een evidentie is. Maar eigenlijk is het niet nodig om in Gent publiekswerking rond onroerend erfgoed te verdedigen. De stad, met haar archeologische dienst, historici, monumentenzorgers en kunstencentra, weet al decennia lang de brug te slaan tussen het verleden, de zorg voor de restanten daarvan, en het hedendaagse publiek. Gent is dat trouwens een beetje aan zichzelf verplicht - noblesse oblige. Al sinds Jacob van Artevelde gebruiken Gentenaars hun trotse verleden om een ruim publiek te bereiken.
B 1 W N E N K R A N T
Dat de stad Gent en mijn administratie bij het kraanvogelverhaal samenwerkten, versterkt alleen maar de impact ervan. Ik zie die groeiende samenwerking in de Vlaamse erfgoedwereld trouwens als de richting die we moeten volgen. Om het publiek efficiënt te bereiken, moet er zo weinig mogelijk versnippering zijn en een maximum aan integratie. Mijn recent initiatief om in Vlaanderen een organisatie op te zetten vergelijkbaar met de Engelse National Trust, komt voort uit deze bekommernis. In elk geval zullen kleine belangenverschillen, een lichte onderlinge competitie en variaties in aanpak tussen verenigingen en bestuurlijke niveaus moeten wijken voor één, krachtig erfgoedverhaal. Het moet iets worden als de vlucht van de kraanvogels: een harmonieuze orde, hoog in de lucht, ver weg van alle aardse beslommeringen. Maar tegelijk moet de boodschap toch bereikbaar zijn voor een breed publiek. Dat laatste zullen we enkel kunnen bereiken door voor onze erfgoedkraanvogels op de begane grond pleisterplaatsen te creëren. De Gentse Sint-Pietersabdij, met haar historische betekenis en plannen rond publiekswerking, is er daar alvast één van. Dames en heren, vandaag moeten we het historisch moment vieren dat de kraanvogel opnieuw in Vlaanderen is geland. Het is een teken dat ons erfgoed herleeft, en dat mogen we ons publiek zeker niet onthouden. En laat dit een afsluitende boodschap zijn: Vlaanderen heeft er een nieuw symbool bij, de kraanvogel.
> Toespraak van Gilbert Kolacny, administrateurgeneraal van het agentschap Ruimte en Erfgoed Mijnheer de Minister, Mijnheer de Schepen, Mevrouw de administrateur-generaal, Dames en heren van de pers. Geachte aanwezigen, In november 1981 rolde het eerste nummer van het tijdschrift M£tL (Monumenten en Landschappen) van de drukpers. De Vlaamse overheid en de toenmalige Rijksdienst voor Monumenten- en Landschapszorg stonden met de oprichting van dit tweemaandelijks tijdschrift voor een grote uitdaging. De uitbouw van een periodiek tijdschrift rond erfgoedzorg is immers geen sinecure. Getuige hiervan zijn de talrijke gelijkaardige initiatieven in Vlaanderen én in Europa die van korte duur waren. Het verheugt mij dat ik samen met u vandaag kan vaststellen dat het 173ste nummer van het tijdschrift MEtL een feit is. Daarenboven viert het tijdschrift MEtL volgend jaar zijn 30 jarig bestaan. Sporen van de Wereldoorlogen, de opgraving van een koggeschip, betonnen vliegtuigloodsen, historische eendenkooien, getuigen van de Expo 58, stemmige begraafplaatsen, geslaagde restauraties en herbestemmingen, adembenemende landschappen, parken en tuinen om in weg te dromen... In drie decennia hebben meer dan 480 auteurs meegewerkt aan 700 wetenschappelijk verantwoorde bijdragen die de lezer laten kennis maken met de ongekende variëteit van de wereld van monumenten, landschappen en archeologie in Vlaanderen.
Ik dank u. In die 30 jaar heeft de Vlaamse overheid met dit tijdschrift een erg trouw lezerspubliek opgebouwd. MEtL ontpopte zich bovendien tot een toonaangevend publicatie in de erfgoedsector. De kracht van het tijdschrift ligt wellicht in het feit dat het - op een eigenzinnige manier - altijd zichzelf is gebleven, maar daarbij ook
nooit de trein naar belangrijke veranderingen en evoluties heeft gemist. Zo werd in 2004 het archeologiebeheer in Vlaanderen een bevoegdheid van de toenmalige afdeling Monumenten en Landschappen, nu het agentschap Ruimte en Erfgoed. Het tijdschrift MEtL speelde daar meteen op in: de redactieraad werd uitgebreid met archeologen en het tijdschrift draagt sindsdien de ondertitel Monumenten, Landschappen Et Archeologie. En, dames en heren, archeologie is ook de link naar het verhaal van vandaag. In de historische kern van Gent zijn archeologen voortdurend druk in de weer. Zo brachten opgravingen op het Sint-Pietersplein een grote stenen plaat met een gegraveerde kraanvogel aan het licht: een bijzondere vondst die meteen heel wat vragen opriep. Het zoeken naar antwoorden op die vragen werd een uitermate boeiende zoektocht over vakgebieden heen en bracht de kraanvogel - als deel van ons erfgoed - terug naar Vlaanderen. Het resultaat van dit onderzoek kan u vanaf nu ook lezen in het mei-juni nummer van het tijdschrift. Ik wil graag van de gelegenheid gebruik maken om de Gentse onderzoekers, in het bijzonder mevrouw Marie-Christine Laleman, en ook de heer Anton Ervynck van het VIOE, van harte te danken voor de keuze die zij maakten om hun verhaal te brengen in het tijdschrift MEtL Ik denk dat het resultaat meer dan geslaagd is. Samen met u hoop ik dat de archeologische vondst, die aanleiding vormde voor dit alles, op termijn een even mooi onderkomen krijgt als het boeiende wetenschappelijk onderzoek uit Gent dat we vandaag, via het tijdschrift MEtL, mogen ontsluiten.
MÜL
citaat
"Gij allen hebt wel eens een gebouw zien restaureeren. Deed het u niet weemoedig aan, als gij het gebouw met zijn door eeuwen gebruinde bakstenen, soms met mos begroeid, achter steigers zaagt verdwijnen? Als er dan genoeg gehakt en gebikt was, werden de steigers weer weggenomen, en kwam het gebouw weer voorden dag. Nieuw en net, maar tegelijkertijd akelig koud zag het er nu uit. Waar bleef de patina der eeuwen? Zij is voorgoed verdwenen."
Uit WEISMANN A.W., Moderne Antiquiteiten, 1886. Geciteerd door VAN LEEUWEN W., "Het voorrecht der restauratie": stand van zaken van het onderzoek in Nederland, in DE MAEYERJ. (ed.), Negentiende-eeuwse restauratiepraktijk en actuele monumentenzorg, Leuven, 1999.
van wel. Want in het Dyckse handschrift van Van den Vos Reynaerde uit ca. 1375 is er sprake van een tromp boem die Criecpit heet. Volgens één der grootste Reynaertautoriteiten, de Nederlandse filoloog Jacob Wijbrand Muller (1858-1945) zou het woord mogelijk als Trompbome moeten worden gelezen, dus trompbronnetje, trompbeekje (51). Muller verwijst vervolgens naar de plaatsnamen trompe en trompbrugge in ons gebied en suggereert een mogelijke band met deze toponiemen. Zoals de meeste 'vossenjagers' houdt hij rekening met de mogelijkheid dat de streek rond Hulst en het Waasland figureert in het verhaal van de Reynaert. Hij wordt daarin gevolgd door de geleerde Vlaamse jezuïet, pater Desiderius Stracke (1875-1970). Volgens deze laatste betekent tromp vermoedelijk een "soort watervlief of een " modderachtig vlietwater" (52). Wij vinden deze verklaring van trompe eerder bizar en we delen de mening van dr. Rik Van Daele dat men omzichtig moet omspringen met mogelijk corrupte woordvormen die verwijzen naar een toponiem dat tot hiertoe in geen enkel niet-literair document van de 13 e eeuw geattesteerd kon worden (53). Andere plaatsnamen die waarschijnlijk verband houden met jacht en wild zijn de verschillende warandetoponiemen waarop wij hierna nog gedetailleerd terug komen.
DE ONTGINNING VAN HET WASF FORFFST Een schuchtere aanzet tot kolonisatie De ontginning van bos en wildernis (wastine) in Vlaanderen is in verschillende fasen verlopen (54). Aangenomen wordt dat plaatsen met -haim (nu -geni) -salt (nu sele, zelè) en hof als achtervoegsel getuigen van vroegmiddeleeuwse ontginningen. Omstreeks de 7 c eeuw ontstonden Germaanse (Frankische) nederzettingen met het achtervoegsel -gem (= woning, verblijfplaats, woonplaats) voornamelijk in de Leemstreek (55). In de Zandstreek waartoe ook het Waasland behoort, ontstonden omstreeks de 9 e eeuw bewoningskernen met het Germaanse -sele (= hut, schuur, gebouw, woning, nederzetting) als achtervoegsel (56). De verschillende plaatsen in het Waasland met dit toponymisch achtervoegsel liggen hoofdzakelijk aan de rand van het KoningsforeestwAs het hierboven omschreven werd. Dit houdt echter niet in dat er geen oudere bewoningskernen binnen de omschrijving van het Koningsforeest kunnen aanwezig geweest
zijn: zoals hiervoor vermeld kan Kemzeke een bewoningscontinuïteit gekend hebben van de GalloRomeinse periode tot de middeleeuwen (57). O p andere plaatsen kan ook de naam van een oudere nederzetting vervangen zijn door een nieuwe naam. Toekomstig archeologisch onderzoek kan hierover meer details aan het licht brengen. We mogen er echter wel van uitgaan dat (jacht)bos en wildernis gedurende de vroege middeleeuwen het Wase landschap domineerden. Over de graad van openheid of geslotenheid van het Wase landschap durven wij ons echter niet uitspreken op basis van de huidige kennis.
Een versnelling hoger: de grote middeleeuwse ontginningen Tussen de 10 ': en de 13 c eeuw veranderde in Vlaanderen de samenleving ingrijpend. Tijdens de natijd van de Karolingische periode verzwakte het koninklijke gezag alsmaar meer om vervolgens totaal in te storten. Onder meer de graven van Vlaanderen profiteerden van het ontstane machtsvacuüm door onder meer usurpatie van de koninklijke gronden. In dezelfde periode groeide de bevolking sterk aan en er ontwikkelden zich steden en handelscentra. Ten gevolge hiervan explodeerde de landhonger. Er werden steeds meer gronden ontgonnen, maar die ontginningen veroorzaakten op hun beurt bevolkingsgroei. Voor ons onderzoeksgebied was vooral de stedelijke ontwikkeling van Gent van belang. De stadsontwikkeling van Gent met de eraan gekoppelde bevolkingsexplosie lag aan de basis van de stelselmatige ontginning van het Waasland en zijn Koningsforeest. Grosso modo kan men in die periode in Vlaanderen drie soorten van ontginningen onderscheiden, maar zijn die ook zichtbaar in ons gebied?
Lokale ontginningen Dorpsgemeenschappen en vrije boeren hebben elders in Vlaanderen het voortouw genomen om nieuw land te ontginnen. Binnen de Stroopers hebben we daarvan echter tot nu toe geen concrete aanwijzingen gevonden. Maar de kans dat er lokale initiatieven werden genomen is ook in deze toen nochtans dun bewoonde streek, zelfs met een statuut van foreest, niet denkbeeldig.
Grafelijke en andere adellijke o n t g i n n i n g e n Zeker vanaf de 12 c eeuw namen de Vlaamse graven zelf het initiatief, eventueel in samenwerking met de lokale adel of de al bestaande abdijen. Nog
tot in de 13 e eeuw werden in en om de Stroopers individuele of groepen kolonisten door de Vlaamse graven aangetrokken om het ontginningswerk op te knappen. Dit kunnen we afleiden uit het woordgebruik in de archiefstukken die handelen over de betrokken gebieden. Wanneer we de woorden hospites comitis, de genodigden van de graaf, in deze teksten lezen, gaat het om kolonisten die met allerhande voordelen naar de te ontginnen streek gelokt werden (58).
vanuit een belangrijker nederzetting. Vermoedelijk was deze meer belangrijke nederzetting Kemzeke zelf. Klapdorp had bovendien een tegenhanger op Stekene, Kipdorp (60).
Het ontstaan van de parochie Kemzeke In 1117 wordt de parochie Kemzeke gesticht als afsplitsing van de parochie Waasmunster. In de stichtingsoorkonde van de parochie Kemzeke in 1117 worden vier bewoningskernen of gehuchten {villulae) genoemd: Kemzeke (Kemseca), Lijkvelde {Likevelda), Voorhoute (Forolta) en Klapdorp {Clapidorpa) (59). De nederzettingskernen Kemzeke en Lijkvelde liggen ten zuiden van ons studiegebied. Met Voorhoute in het zuidwesten van ons gebied hebben we hiervoor al kennis gemaakt, alleen het gehucht Klapdorp moeten we nog een plaats geven.
Heyse bewijst op een overtuigende manier dat Klapdorp niet in Sint-Pauwels ligt zoals men tot dan toe aannam. Volgens hem ligt Klapdorp grotendeels ten noorden van Voorhoute, dus in het noorden van de fusiegemeente Kemzeke met een uitloper op de naburige fusiegemeente Stekene, "als een pan ingesloten door de 5-meterhoogtelijnen (61). Aan de noordrand ervan, bijna tegen de Nederlandse grens aan, lag ooit het Haften Hede, dat hierna nog ter sprake komt, naar de grens met Stekene toe. Heyse situeert dit hof daarentegen aan de grens met Sint-Gillis-Waas. Zeker is echter dat in 1257 ene Johannes van de Hede in de omgeving van Klapdorp woonde. Dat er in het begin van de 12 e eeuw een gehucht Klapdorp bestond binnen het Koningsforeest dmilt erop dat mogelijk kort ervoor een ontginning was gestart op de grafelijke bezittingen.
Klapdorp Het toponymische element 'dorp' in de plaatsnaam Klapdorp duidt in het Nederlands oorspronkelijk op een dochternederzetting. Met andere woorden, Klapdorp refereert aan een satellietdorp, gesticht
Maar hoe zag op dat moment het landschap er precies uit binnen het gehucht Klapdorp? Bestond het uit een mengeling van bos, wastine, heide en grasland en hoe zat het met de aanwezigheid van veen in de ondergrond? O p grond van de huidige land-
Kaart met topomemen
| • Kapellebmg VAART van Stekene naar Hulst
IE l§
STROOPERSPOLDER HOFtfpiHeDE
Wi]kCLAPDORP
Oud Fort Sint-Jan
Het Kalf
Maet of Mate Tromp
>f
Expresweg
Kasteel Voorhout(e)
KlLlize(n)hof
Wijk VODRHC HOUTE
Alvinusbetg 0 250 500 , -t 000 Meters 1 II I I I I I I I „*??%
T
MERCATOR.DHM5MFIH, J V.ilue
schapsecologische omstandigheden hebben wij meer dan een vermoeden dat er bij de ingebruikname van de gronden niet alleen hout werd geoogst; ook turfwinning behoorde tot de mogelijkheden. Enkele moer-toponiemen zoals de Moerkens op Kemzeke en het aanpalende Rabsmoer op SintGillis-Waas duiden hierop. Last but not least is er een pachtcontract uit 1514 van "tgoet te Voorhaute" waarin pachter Anthonis van Cruninghen de gronden in Kemzeke pacht "zonder den moer . Waarschijnlijk worden in dit pachtcontract de gronden van Voorhoute in de Maet bedoeld en de Maet maakt deel uit van Klapdorp (62). Hoe dan ook, de ontginning zal in ieder geval gebeurd zijn in opdracht van de graaf en bijna zeker onder toezicht van de forestier van Voorhoute. Waar de nederzettingskern van Clapidorpa die bij het gehucht hoorde exact lag, weten wij niet. Waarschijnlijk was dit net ten oosten van het gehucht Voorhoute, bij Colsboeck en de huidige Koestraat. Iets ten zuiden van Voorhoute en de Koestraat lag al in de 13 e eeuw (1250-1275) een pottenbakkerscentrum: dit duidt erop dat er plaatselijk afzetmogelijkheden waren (63). Lijkt het niet waarschijnlijk dat Klapdorp in het noorden van Kemzeke en een groot deel van ons studiegebied bestrijkend, een ontginningscentrum was naar analogie van Dorpe (= De Klinge)?
j.,»t
250 500
1 OOG fc
•
\
I I I I I I I
A Kaart waarop de Gravenstraten wer-
's Gravenstraat Voor ons onderzoeksgebied is er ook nog een meer concrete aanwijzing dat de graven van Vlaanderen zelf een ontginningsinitiatief hebben genomen. In en om de Stroopers komen immers de plaatsnaam 's Gravenstra^, en de oude schrijfvarianten ts Gravenstraete, Schravenstraete voor, op het grondgebied van de deelgemeenten Kemzeke, Sint-Gillis-Waas, De Klinge {Sgraven strate up het Waessche) en het Nederlandse Clinge (Hulst). Vermoedelijk slaan de toponiemen op fragmenten van één en dezelfde weg. Die weg werd al dan niet in ophoging geteali-
den ingetekend: In volle lijn de Gravenstraten die terug te vinden zijn op historisch kaartmateriaal: In stippellijn: de hypothetische vervolgtracés
Zicht op de Gravenstraat (Sint-Glllls-Waas) (foto K. Vandevorst)
M&L
seerd, vertrekkend van de hoger gelegen gronden ter hoogte van de Colshoeck, een ietsje ten zuiden van het kasteel Voorhoute (64). Hij liep langs de rand van de huidige Rode Moerpolder en verder naar Clinge. Niettegenstaande de door ons vroegst gekende melding van deze plaatsnaam niet ouder is dan 1528, lijkt het toch om een veel ouder toponiem te gaan. De precieze ligging van de vermelde toponiemen kennen wij van enkele 16 e en 17 t c eeuwse kaarten, maar op het Nederlandse Clinge betreft het nog een bestaande straat met een lengte van 2,5 km (65).
j
Twijfels over de juiste aard van het ontginningslandschap... Indien onze hypothese van een ontginningsweg juist is, dan is de kans groot dat de Vlaamse graven met de aanleg van deze weg in eerste instantie zelf de ontginning in goede banen probeerden te leiden, liever dan het slachtoffer te worden van ongeordende, illegale ontginningsinitiatieven. Door de landhonger van de exploderende bevolking waren de bossen in het Vlaamse land immers schaars geworden. De jachtgebieden van de graven kwamen bijgevolg ook onder druk te staan, maar terzelfder tijd werd hout als brandstof voor de gewone man onbetaalbaar. Veengronden, waaruit turf als brandstof kon gewonnen worden, vormden een alternatief. En aan veengronden, al dan niet onder bos gelegen, was er binnen het grafelijk jacht- en wildernisregaal geen gebrek. Hebben de ondernemende Vlaamse graven en vooral die van het illustere adellijke geslacht van de Elzas, die dankzij de steun van de steden aan de macht gekomen waren tijdens
Veenmosgroenn de Jg 12 Slroopers (foto K.ïandevorst)
M&L
eeuw, dan zelf geprobeerd hier de eerste
veenderijen op te starten? Dit blijft vooralsnog koffiedik kijken! In theorie althans is het mogelijk en volgens ons zelfs waarschijnlijk dat er ook binnen de contouren van ons studiegebied veen is ontgonnen en dat die veenderij al opstartte net vóór de grootschalige ontginningsprojecten die vanaf het eind van de 12 c eeuw werden opgezet door diverse abdijen op gronden palend aan de Stroopers. Zoals in de inleiding gesteld werd, ligt er centraal in het door ons onderzochte gebied immers een zwakke, brede en natte depressie, met een hoogte van 3 tot 4 meter, maar met wisselend microreliëf. O p de lager gelegen plaatsen is de theoretische kans op veen groter dan op de hoger gelegen plekken. Toch bestaat er over het eventuele voorkomen van exploiteerbaar veen boven de 2 meter-lijn een grote onenigheid tussen diverse landschapsonderzoekers (66). Nochtans, ook vandaag zijn er nog indicaties voor een vroegere veenontwikkeling. Zo wijst de soms uitbundige veenmosgroei op de rabatten en langs de drainagesloten van het huidige Stroopersbos op die mogelijkheid (67). Een sleutelrol bij de ontrafeling van de veenproblematiek speelt mogelijk het toponiem Maet dat in deze depressie, die net ten noorden van het vroegere kasteel van Voorhoute begint, voorkomt. Echter, Maet kan zowel wijzen op hooilandgebruik als op veenwinning. In het eerste geval zou Maeteen synoniem zijn van het Middelnederlandse 'made' en dus hooiland, meers of beemd betekenen: dit is trouwens de betekenis die de taalkundigen gewoonlijk aan dit woord geven. Maar Maet kan volgens historisch-geografen in veen- of moergebieden ook wijzen op een veenlandschap dat in 'maten' of mensurae is ingedeeld en vervolgens werd uitgeveend (68). Veenbodems geven bovendien geen goed hooigras! Volgens de taalkundige-toponymist Luc Van Durme moet in dergelijke gevallen maet echter oorspronkelijk teruggaan op ma(e)tc. alleen in dat geval is er sprake van een maat of ontginningseenheid van veen. O p merkelijk in die context is ook dat archiefstukken van Sint-Gillis-Waas uit de 17 c eeuw wijzen op het bestaan van de polder van de Maete naast de geleidelijk aan meer in zwang zijnde benaming Stroopenpolder {G9). Van Durme formuleert bovendien nog een derde hypothese: na een veenontginning ontstaat op de afgegraven 'vlakte' geleidelijk aan een grazige vegetatie met bomen en struiken, een wastine, die beweid kan worden. Dit kan volgens hem ook de Maet zijn (70). Later, nadat het restveen werd ingeploegd en degrond hierdoor 'luchtiger' is geworden, wordt de M / t ó o n t g o n n e n tot akker (71). O o k de plaatsnaam het Kalf, een gehucht van Sint-Gillis-Waas, dat in het oosten aan de rand
van ons gebied ligt, refereert misschien aan veen. Het gehucht het KalfWgi op een zandige opduiking en het is vrij verleidelijk de naam verband in verband te brengen met een kale, niet begroeide, zandige opduiking. Hij zou dan afgeleid zijn van. het Latijnse calvus (kaal), maar in het Middelnederlands is dit woord in een verbogen vorm geëvolueerd tot caluwe zodat een dergelijke taalkundige verklaring weinig voor de hand ligt. Maar kalf betekent in de veenderijterminologie ook scheur in het veen (72). Hebben we hier te maken met een in de huidige taal verloren betekenis: iets in de trant van zandige opduiking in het veen, en dus een scheur in het veen? Indien de plaatsnamen MaetlMaete en nog meer hypothetisch het Kalflnev inderdaad op veenderij en de aanwezigheid van veen zouden wijzen, dan kan dit betekenen dat we hier te maken hebben met zeer oude sporen van een middeleeuwse vervening in het Waasland! Klapdorp-Hede: hulp van de Gentse burggraven naar het einde van de 12 e eeuw? Kreeg de graaf hulp bij de ontginning van het Koningsforeest in het noorden van Kemzeke? Een landboek met wijkkaarten van de parochie
Kemzeke van 1664 opgemaakt door Gillis Speelman, geeft hierover waarschijnlijk een aanwijzing (73). We vinden daarop een vierkante walgracht ingetekend in de wijk Strooperspolder. Deze site ligt in het noordwesten van ons studiegebied, dichtbij de grens met Nederland. Uit het prijzijboek van 1664 blijkt dat daar het 'oude' Hof ten Hedelag (74). Ten noorden ervan ligt op dat ogenblik het nieuwe hof. Bestond deze site al in de 1213 e eeuw? De naam zelf duidt er op dat het hof ontstaan is in een omgeving die wijst op heide (in Vlaanderen ook vaak heed, heet of hede genoemd) of op wastine, maar in dit laatste geval dan wel een heide-achtige wastine (75). Sommige onderzoekers beweren nochtans dat de plaatsnaam Hof ten Hede verband houdt met de aanwezigheid van een haventje, gelegen aan een natuurlijke geul, volgens hen een synoniem van —kine [kene) (76). Dit lijkt ons echter op deze plaats weinig waarschijnlijk, want momenteel vindt men in deze omgeving plaatselijk nog steeds hede of heidevegetaties, gekenmerkt door struikhei {Calluna vulgaris) die zo typisch is voor droge heide. Maar naast droge heidevegetaties kwamen hier vrijwel zeker ook natte heidevegetaties voor. Natte heidevegetaties worden gekenmerkt door een dominantie van een andere
Struikhei komt nog steeds voor in en nabij Hede (foto R.ïandevorst)
heidesoort, dophei {Erica tetralix). Gezien de plaatselijke topografie en de aanwezigheid van kwel in dit deel van de Stroopers behoort het historische voorkomen van dergelijke vegetaties hier zeker tot de mogelijkheden. Hoe dan ook, het staat vast dat in de nabijheid van het historische boften Hede al omstreeks 1283 en zeker nog tot 1632 inderdaad een waterloopje lag dat eerst hedekine werd genoemd en later als een waterganck werd omschreven (77). Wij vermoeden echter dat de hedekine oorspronkelijk ook geen natuurlijk waterloopje was maar een gegraven ontwateringsloot, om de 'natte heide' (dus met dophei in plaats van struikhei) droog te leggen en het kwel- en regenwater af te voeren. Nog tot in de late jaren '70 van de 20''cc eeuw zag één van ons er trouwens in deze omgeving - hoewel mondjesmaat — ook nog dophei staan, maar die verdween er ten gevolge van verregaande ontwatering en vermesting (78). Het ' hof ten Heede figureert in een oorkonde van 1402 als oriëntatiepunt voor een grondverkoop door de graaf aan de abdij van Boudelo (79). Maar volgens de gereputeerde Strooperskenner, broeder Alois, wordt in 1480 het goed omschreven als een bosdomein van ca. 80 ha. Maar jammer genoeg staaft de broeder deze boude bewering niet met enige bronverwijzing (80). Maar stel dat zijn bewering juist is, dan heeft het er alle schijn van dat het domein bebost werd na eerdere ontginning. In de algemene Vlaamse context van toen zou dit geen uitzondering zijn (81). In 1571 wordt echter het volledige domein als één geheel verpacht. Het bestaat dan uitsluitend uit landbouwgrond en is in het bezit van de baron van Sint-Jansteen (82). Hiermee komen we meteen op het spoor van een andere belangrijke initiatiefnemer van de middeleeuwse ontginning van de Stroopers. Want een voorvader van de toenmalige baron van Sint-Jansteen was Zeger II van Viggezele, burggraaf van Gent. Deze Zeger is de eerste eigenaar van de heerlijkheid van Sint-Jansteen geworden. Als burggraaf van Gent genoot Zeger, krachtens de keure van de Vier Ambachten uitgevaardigd in 1170, een derde van de baten, voortvloeiende uit de justitierechten van de gehele streek, dus ook van Hulst. Door afstand te doen van de baten uit Hulst, ten behoeve van de graaf, verkreeg hij de heerlijke rechten van de landerijen, ten zuiden van Hulst gelegen (83). Rond 1200 schonk de graaf van Vlaanderen aan Zeger III van Gent, zoon van Zeger II, gronden ten zuiden van Hulst. Tot deze gronden moet ongetwijfeld //iM^ behoord hebben. Het is dus niet uitgesloten dat het Hof ten Hede dienst deed als ontginningscentrum van het noordwestelijke deel van
het Koningsforeest op het huidige grondgebied van Stekene-Kemzeke. De fundamenten van dit historische hof ten Hede liggen in het noordwesten van ons gebied vlakbij of onder de weg Sint-Niklaas Hulst: ze werden tot hiertoe nog niet archeologisch onderzocht (84).
Abdijontginningen: het voorbeeld van SintPieters (Gent) Vrijwel gelijktijdig met de ontginningen door de graaf zelf, werden er nieuwe collectieve ontginningen op het getouw gezet, ditmaal geleid door abdijen en kloosters. Want de graaf en met hem andere vooraanstaande adellijke lieden, hebben geleidelijk aan delen van hun eigendommen in het Waasland weggeschonken en/of verkocht aan de abdijen van Sint-Pieters, Boudelo, Cambron en Drongen. Hiermee zijn we beland in een beslissende fase van de grote ontginningen. Omdat de gronden van de ontginningskernen van de abdijen van Cambron en Drongen net buiten of aan de randen van ons gebied liggen, laten we ze hier verder buiten beschouwing De abdijen van Sint-Pieters en Boudelo verwerven daarentegen gronden binnen ons gebied en waren er bovendien tiendheffers. Als voorbeeld bespreken we hier de grondverwerving van de abdij van SintPieters. Maar eigenlijk start ons verhaal bij een kluizenaar, een zekere Gerwin, de zalige Gerwin. Hij was benedictijn en tweede abt van de abdij van Oudenburg. Tien jaar na zijn aanstelling in O u denburg nam hij ontslag en zocht de eenzaamheid op. O f we die eenzaamheid letterlijk moeten nemen, is echter zeer de vraag (85). Waarschijnlijk moeten we zijn kluizenaarschap eerder opvatten als een soort terugtrekking in spirituele eenzaamheid tot stichtend voorbeeld van een schare eerder goddeloze ontginners-kolonisten in dienst van de adel en de rijke burgerij. Want de ontginners-kolonisten van Klapdorp en Voorhoute waren letterlijk niet ver weg van zijn uitverkoren vestigingsplaats. Hij trok zich omstreeks 1105 immers terug in het bos bij Cosforde-Coesfelt, een deel van het Koningsforeest op het grondgebied van het huidige SintGillis-Waas net ten zuiden van de huidige expresweg Antwerpen-Knokke, aan de zuidoostrand van ons gebied en dus zowat in het gezichtsveld van de ontginners! Hij richtte er een kapel op, leefde er in een geur van heiligheid en stierf er op 17 april 1117 (volgens anderen 1107) (86). Gerwin kreeg nog tijdens zijn leven volgelingen en met zijn gezellen-kluizenaars leefde hij er eerst zonder regel bij zijn kapel van Cosforde. Toeval of niet: met de stichting van de parochie Kemzeke onder
het patronaat van de abdij van Sint-Pieters van Gent werd niet ver van deze kapel een nieuwe kerk opgericht. O p bevel van de graaf van Vlaanderen moesten de eremieten van Cosforde zich kort na de dood van Gerwin aansluiten bij diezelfde abdij. Want in 1123 schenkt de bisschop van Doornik de kapel aan de Sint-Pietersabdij (87). In 1156 is de kapel ondertussen een 'altaar' geworden met de rechten van een parochiekerk. Te Cosforde ontstaat er dan een gemeenschap met een eigen naam die aan de kluizenaar Gerwin herinnert, Clusa (Kluize) toegewijd aan Onze Lieve Vrouw, en met aan het hoofd een prior (88). Ten westen van de kapel ontwikkelt zich het Hof ter Cluyzen tot ontginningskern van het omliggende gebied. Uit verschillende oorkonden en archiefstukken blijkt dat na de overdracht aan de Gentse abdij van Sint-Pieters de priorij steeds meer grafelijke schenkingen krijgt en dat er gestart wordt met de ontginning van bos- en veengronden van het foreest (89). Bij de getuigen van de schenking bemerken we trouwens steeds de namen van jagers en forestiers, hoogstwaarschijnlijk personen die bevoegdheid hadden binnen het Koningsforeest. De grenzen van de geschonken gron-
Boudewijn Van
Handschriften
Boekei, kluizenaar
nr. 48l:V/tflB(iWuira
en 'boomhelllge'
de Boclo, fo. 56r en
(Universiteits-
57r)
bibliotheek Gent.
(foto 0. Pauwels)
Abdij van BOUDELO BARON ST.-JANSTEEN
•K
Abdij van Sint-Pieters MERCAroMOHHSMFIU
A De voornaamste
den vallen deels binnen ons studiegebied in het uiterste zuidoosten: daar lagen ooit dicht bij de plaats die nu Kluizemolen wordt genoemd, plekken met als toponiemen: Lancdam, Cosfelt, Clusegavere, Onlent tn W(u)lfsputte (90). Die plaatsnamen en nog enkele andere worden genoemd in de eerder vermelde schenkingsoorkonden: het feit dat er toen al zoveel plaatsen een naam droegen, duidt er op dat de ontginning van het Koningsforeest daar al een feit was. De abdij van Sint-Pieters begon dus op het huidige grondgebied van Sint-Gillis-Waas het zuidoostelijke deel van ons studiegebied systematisch te ontginnen, wat spoedig daarna resulteerde in een totaal ontgonnen landschap op deze plek. Elders binnen ons gebied, op verspreide plaatsen was ook de abdij van Boudelo actief, maar het overgrote deel van haar bezittingen bevindt zich net ten westen van ons studiegebied. Haar stichting verloopt opvallend parallel met die van Cosforde, maar dan wel zowat een eeuw later. De kluizenaar van dienst was nu Boudewijn van Boekei, een benedictijner monnik van de Gentse Sint-Pietersabdij, die omstreeks 1197-98 in het grensgebied van Moerbeke, Stekene en Sinaai op een plaats, Boudelo genaamd de eenzaamheid opzocht. Maar ook zijn eenzaamheid was relatief, weliswaar binnen de wildernis van het Koningsforeest, maar niet ver van bestaande verbindingswegen op een vrij gunstige locatie. In 1200 stichtte hij er met volgelingen een klooster dat enkele jaren later, na Boudewijns dood in 1205, de abdij van Boudelo werd die zich in 1215 aansloot bij de cisterciënzerorde (91). Boudelo was een abdij die van bij haar ontstaan rijk begiftigd werd en ook veel gronden aankocht. Ze verwierf naam door grote delen van het Waasland op een indrukwekkende systematische wijze te ontginnen, onder meer ook gronden binnen ons studiegebied.
ontginningen tijdens de middeleeuwse ontginningsbeweging
1VI&L
Slinkende grafelijke bezittingen met een al even slinkende houtvoorraad? Niet alleen gronden worden door de adel weggeschonken, ook het hout uit het Koningsforeestkomz af en toe in giften ter sprake. Zo verleent in 1150 Lauretta, de weduwe van de graaf van Aalst en tevens dochter van de graaf van Vlaanderen Diederik van de Elzas, samen met haar zoon Dirk aan de Sint-Michielsabdij van Antwerpen het eeuwigdurende recht om jaarlijks tien elzenbomen uit te zoeken en te kappen in het Conines forest. Het hout ervan zou kunnen gebruikt worden ten behoeve van de visactiviteiten van die abdij (92). De SintMichielsabdij was immers zeer bedrijvig in de visserij en bezat tal van visgronden. De elzen werden vrijwel zeker gebruikt voor het maken van stalen (= staken) om de netten en fuiken van de vissers aan te hangen (al dan niet in stromend water), voor staketsels of voor de visfuiken zelf: elzenhout is immers vrij duurzaam voor constructies onder water. Maar het hout kon ook gebruikt worden voor het roken van vis. Het heeft er alle schijn van dat de bomen werden gehaald op de bezittingen van de graven van Aalst in Melsele, niet ver van de Schelde dus, want de Sint-Michielsabdij had visrechten in die omgeving. Een van de getuigen van de schenking was immers een grafelijke ambtenaar uit Melsele, waarschijnlijk de meier, ene Balduinus, tribunus de Melcele. In 1179 bevestigt een bul van paus Alexander III nogmaals dit recht (93). O p dat m o ment zijn de bezittingen van de graven van Aalst al enige tijd in handen van de graven van Vlaanderen. Maar met de jaarlijkse schenking van tien elzenbomen is er mogelijk wat misgelopen. Want van rond 1220 bestaat er een andere oorkonde voor dezelfde
abdij waarin deze keer het bos van Waas ("[*»] bosco de Wasia") wordt genoemd. Het gaat om een eenmalig geschenk van de Vlaamse gravin Johanna van Constantinopel (ca. 1192-1244, gravin sinds 1205) die veertig van de beste eiken uit haar bos van Waas afstaat. Hoewel het hier gaat om een vergoeding voor een niet langer meer uit te oefenen recht om jaarlijks een aantal bomen te ontvangen, is het niet zonder meer duidelijk of deze oorkonde wel verband houdt met die van 1150. Het Koningsforeest wordt hier immers niet meer bij naam genoemd (94). Aangezien er in dit charter sprake is van de eerder droogteminnende eiken in plaats van de waterminnende elzen, moeten we die bomen trouwens vooral zoeken op de wat hoger gelegen zandige terreinen van het foreest. We vinden die zowel in Melsele zelf, maar ook bij de Eekberg in het noordwesten van Sint-Gillis-Waas, met andere woorden bij de rand van ons onderzoeksgebied (95). In 1231 maken graaf Ferrand (1188-1233) en gravin Johanna een eind aan de belofte uit 11 50. Geschenken in natura worden in deze oorkonde omgezet in geldgiften. De jaarlijkse gift in elzen wordt gewijzigd in een eeuwigdurende rente in de munt van Artesië (96). In dit document wordt opnieuw het Conines forest yztmAè.. Vermoedelijk betrof de oorkonde uit 1220 dus ook bomen uit het Koningsforeest. Omzetting van giften in natura in geldgiften is in deze periode echter een algemeen voorkomende praktijk, omdat de begunstigden de giften in natura niet meer nodig hadden of gewoon aandrongen op baar geld. Maar toch is hier, althans binnen dit deel van het Koningsforeest, volgens ons meer aan de hand. In dit specifieke geval is het zelfs niet
Elzen werden vrijwel zeker gebruikt voor het maken van 'stalen' ( = staken) om de netten en fuiken van de vissers aan te hangen (al dan met in stromend water), voor staketsels of voor de visfuiken zelf. Vgl. zalmvangst uit:
M
Venotioras, Piscationis elAuaJpl/Typf van Jan Bol , 1582 (ed. Galle. Antwerpen).
W
Sic aattataranUes atfjammar ffumimr orar
psi|plÈStm Safmoiwjolers
mediis plfcator <*b -vncUf.
Met dank aan het PlantijnMoretusmuseum (foto 0 . Pauwels)
O»
r
.
Y
onmogelijk dat de graaf niet meer kon garanderen dat de Sint-Michielsabdij jaarlijks de luttele hoeveelheid van 10 elzenbomen kon krijgen. De houtvoorraad uit zijn foreest moet al in de 13 ': eeuw nauwelijks volstaan hebben om de Sint-Michielsabdij te begiftigen, want het gros van de grafelijke gronden waren in het noordoosten van zijn foreest toen al weggeschonken of in ontginning gegeven na verkoop. Hout en zeker opgaand hout werden er steeds schaarser...
De laatste stilaan boomloze resten van het grafelijke wildernisregaal: dorre heide De gronden van de graven veranderden dus stelselmatig van eigenaar ten gevolge van schenkingen en verkopen. Tot in de 15 c eeuw bezit de graaf weliswaar nog zelf gronden in ons gebied. In de periode 1306-1325 gebeurt er een leenverheffing: het leen van Clapedorp wordt door de graaf aan Heinric van Clapedorp beleend. Het was een bescheiden leen van 6 bunder dat gelegen was aan de Koestraat ten oosten van het hof van Voorhoute (97). In 1402 lagen er nog in het noorden van ons gebied grafelijke bezittingen, naast die van Boudelo (98). Nog geruime tijd later, in 1472/73 wordt nog in de parochie Hulst door de graaf een perceel verkocht: "maigre terre comme bruyire... entre Notre Dame de l'Eek et\ boften eede (99). In het zuiden, dus in ons gebied, grensde het verkochte perceel aan andere heidegronden van de graaf, het boomloze restant van het Koningsforeest
ENKFLE SCHAARSF GFfiFVFNS QVFR ONTGINNINnSVAARTFN EN -KANALEN Ook waterlopen getuigen van het verleden. Maar door eeuwen veranderend grondgebruik is het vaak moeilijk hun oorsprong en ontstaansgeschiedenis te achterhalen. In de vorming van de Stroopers speelde de Schelde uiteraard een grote rol, maar een verhaal over die rivier zou ons te ver weg voeren van ons eigenlijke onderwerp. In oorsprong veronderstellen we dat het water van de dekzandruggen en de moeren of veengebieden werd afgevoerd door wat we eenvoudigweg een stelsel van al dan niet tijdelijke (veen)loopjes en (veen)riviertjes kunnen noemen. Ten noorden van het KalfïA het water dan doorheen de latere Rode Moerpolder afgevoerd zijn (100). Door ontginning en/of vervening van ons gebied zijn er door de
mens waterlopen en grachten gegraven of bestaande natuurlijke waterlopen aangepast. De voornaamste benoemde waterlopen in ons gebied zijn de Luysbeek, de Maatbeek en de Linie. Vanuit het noorden voert de Luysbeek momenteel het water af doorheen de rabattenstructuur van de bossen in de omgeving van het vroegere domein van het Hof ten Hede en komt dan in de Linie terecht. De naam Luysbeek is vermoedelijk ontleend aan het Middelnederlandse luus{ch), een woord dat slaat op moerasplanten zoals lis, riet en rietgras (101). De naam refereert dus zowel aan de vroegere als aan de huidige terreingesteldheid. Vanuit het zuiden vervoert de Maatbeek het oppervlaktewater doorheen de zones met weekendhuisjes, vervolgens langsheen het verlengde van de Koestraat en de beek komt nadien in de Linie terecht. De Linie brengt dan het overtollige water onder de Klingedijk door in de Rode Moerpolder. Over de betekenis van maat hebben we het hiervoor al gehad. De naam 'de Linie' gaat dan weer terug op de Bedmarlinie. De waterloop getuigt van de strijd om de heerschappij in de Lage Landen tussen de Fransen en de 'Staatse Nederlanders'. De Fransen begonnen in 1701 met de aanleg van de nieuwe oost-west verdedigingslinie net ten zuiden van de rijksgrens (102). Over de voorgeschiedenis van deze, voor ons gebied belangrijke waterloop, kunnen we weinig vertellen. We komen er hierna nog op terug wanneer we het hebben over de Parmavaart. Over het ontstaan van de Luysbeek en de Maatbeek kunnen we weinig of niets vertellen. In de door ons bezochte archieven zijn er wel rapporten van beekschouwingen ter beschikking. Een minutieus onderzoek van deze bescheiden, samen met de ligging van de percelen die palen aan deze waterlopen, kan de plaats en de toenmalige vorm van deze waterlopen op het einde van de 18 e eeuw mogelijk achterhalen. De relevantie hiervan leek ons echter te beperkt binnen het kader van ons onderzoek. De afvoer van het water in de Stroopers was niet altijd zo evident. De overheid interfereerde immers al zeer vroeg in de waterafvoer van ons gebied door het graven van kanalen zoals de Stekense vaart.
De vaart van Stekene naar Hulst Het verlengde van de Stekense Vaart, de vaart van Stekene naar Hulst ligt aan de westelijke rand van ons gebied. Met de aanleg van de vaart werd al be-
Het verlengde van de Stekense Vaart, de vaart van Stekene naar Hulst ligt aan de westelijke rand van ons gebied (foto K. Vandevorst)
1VI&L
gonnen in 1314. De stad Hulst kteeg daatdoot een rechtstreekse verbinding met Gent via de Meervaart enerzijds en via de D u r m e en Rupelmonde anderzijds. De Stekense vaart, ook Gentse vaart genoemd, was in oorsprong een turfvaart. Er ontstond bij de aanleg van deze waterloop enige commotie in het Land van Waas omdat men de kosten ervan te hoog vond. De Vlaamse graaf. Robrecht van Béthune, moest in 1315 ingrijpen om tot een rechtvaardige kostenverdeling te komen (103). Nog tot in de 17 e eeuw blijft de vaart nog een belangrijke transportroute, waarover naast turf, ten tijde van de exploitatie van de Zeeuws-Vlaamse veengebieden, ook onder meer bakstenen en tichels (daktegels) vanuit Stekene worden vervoerd. In 1626/1628 wordt het deel tussen Stekenebrug en de wallen van Hulst heraangelegd (104). Na de verovering van Hulst door de Noord-Nederlanders of Staatsen in 1645 en het daaropvolgende vredesverdrag van Munster van 1648 wordt het in de eerste plaats een afwateringsgracht maar waarop ook wel
nog tijdelijk enig transport gebeurde. Uit de resolutieboeken van Kemzeke en Stekene blijkt bovendien duidelijk dat deze vaart in de waterafvoer van de hoger gelegen gronden op Kemzeke en Stekene moest voorzien. Bij hoge debieten liep de vaart immers over en het water verspreidde zich in de lager gelegen gebieden zoals de Stroopers. Dit betekent dat men afhankelijk was van de goede wil van de Zeeuwen. Ze waren niet altijd bereid dit water te aanvaarden. In de 18 c eeuw hebben ze zelfs een verlaet, een constructie om water op te houden, gebouwd net over de Nederlandse grens om voldoende controle te hebben over het toestromende water (105). Vice versa werd door de Kemzekenaren aan de grens met Nederland de vaart afgedamd om te verhinderen dat het zout water van de ondergelopen polders in hun deel van de vaart zou lopen. Tezelfdertijd werd trouwens ook de sluis onder de Klingedijk afgesloten, ook al om te verhinderen dat langs deze weg zout water in de Stroopers zou lopen.
A Hel beleg van
BARRE TIJDEN IN DE 1fi DE EEUW Het trieste verhaal van de godsdienstoorlogen en de aanleg van de Parmavaart Oorlogen laten vaak sporen na in het landschap. Ook in de Stroopers zijn er sporen van krijgsverrichtingen te vinden, maar ze zijn niet altijd even goed waarneembaar omdat de latere landschapsontwikkeling ze deels onleesbaar heeft gemaakt of letterlijk heeft ze marginaliseerd. Vanaf de jaren '20 van de 16 c eeuw begon het protestantisme ook in onze Vlaamse steden de kop op te steken, in een eerste fase was dit vooral het eerder gezagsgetrouwe lutheranisme. Vanaf de jaren '30 van dezelfde eeuw kwam een nieuwe vorm van protestantisme in het noorden op, een meer populistisch-revolutionaire reformatorische beweging, het anabaptisme of de wederdoperij. Een belangrijk centrum was het toen in een economische crisis
verkerende westen van het graafschap Vlaanderen (Frans-Vlaanderen en de Westhoek). De repressie die daar, nog tijdens het bewind van Karel V (15151555), op volgde deed velen uitwijken naar Antwerpen, toen de belangrijkste stad van de Nederlanden. Steden zoals Antwerpen werden als eerder tolerant ervaren, maar dit was deels schijn. De Antwerpse tolerantie was immers grotendeels ingegeven door economisch eigenbelang. Rond 15301550 waren de anabaptisten of aanhangers van de volwassendoop de voornaamste reformatorische strekking met belangrijke kernen in Antwerpen, maar ook in Gent en nog andere steden. De strenge edicten die Karel V uitvaardigde om de ontwikkeling van het lutheranisme in de kiem te smoren en later om het anabaptisme te keren, deden velen er toe besluiten om een veilig onderkomen te zoeken buiten de Nederlanden. Maar toen kreeg ook het calvinisme stilaan voet aan de grond in onze streken. En deze strekking sprak alle sociale klassen aan en vormde om die reden een grotere bedreiging
Antwerpen door de hertog van Parma in 1584-85. Collectie Koninklijke Oudheidkundige Kring van het Land van Waas (foto K.Vandevoru)
1VI&L
T Gezicht op de gracht rond het voormalige fort
voor het katholicisme. Het spreekt dus vanzelf dat ook deze geloofsovertuiging niet naar de zin was van de heersende vorst (106). De Spaanse Koning Filips II, die de heerschappij over de Lage Landen van zijn vader keizer Karel V had geërfd, zag het al helemaal niet zitten dat hij in de Nederlanden naast de katholieke godsdienst ook de protestantse godsdienst zou moeten dulden. Hij stelde verschillende landvoogden aan om daar iets aan te doen. Zijn repressief beleid vormde de aanleiding voor de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) die de stichting van de Republiek der Nederlanden voor gevolg had. Een van die landvoogden was Alexander Farnese (1545-1592), de latere hertog van Parma. Hij bond zoals zijn voorgangers, waartoe ook de beruchte Alva behoorde, de strijd aan met de protestanten en boekte meerdere overwinningen. In 1 585 werd ook de opstandige stad Antwerpen onderworpen. Een grote rol in de overwinning speelde de roemruchte 800 meter lange vlotbrug (eigenlijk eerder een brug opgebouwd uit boten) ten noorden van Antwerpen, die de bevoorrading van 't Stad via de Schelde vanuit het noorden wou verhinderen. Bij de bouw ervan werd heel wat hout gebruikt. Lange boomstammen kwamen zelfs uit Scandinavië (107), ander hout werd uit het Gentse en uit het Waasland (108) geleverd. Maar het bomenbestand binnen de contouren van het vroegere Koningsforeestwas al aardig uitgedund, zeker in de Stroopers. Dit kunnen we hard maken aan de hand van een volledige perceelsinventaris uit de penningcohieren die de periode tot 1 579 be-
strijken. Zowel op Kemzeke als op Sint-Gillis-Waas bestaat dan het merendeel van de percelen uit akkers met hier en daar een zeer beperkte oppervlakte heide en bos (bijv. bij Voorhoute) (109). De ontginning van het foreest had dus een bijna volledig agrarisch landschap teweeggebracht. Dit betekent niet noodzakelijk dat er binnen het onderzoeksgebied weinig opgaande bomen aanwezig waren. Maar ze stonden zeker niet in bosverband, mogelijk wel langs perceels- en wegranden. O m te beletten dat Farnese zich vanuit het binnenland zou meester maken van de Scheldeoevers, hadden de Staatse legers van Willem van Oranje (1533-1584) nog in 1583 de grote dijk bij Saeftinghe doorgestoken. Grote delen van de Scheldepolders van Linkeroever liepen bijgevolg onder water. Van Hulst tot Beveren stond praktisch alles blank. Maar Farnese liet zich niet afschrikken. O m de aanval op Antwerpen mogelijk te maken maakte hij voor zijn schepen een bevoorradingslijn doorheen het Waasland. Hij kon dit niet via de Schelde en de Borgerweertpolder omdat hij zijn bevoorradingsschepen niet voorbij Antwerpen kon laten varen, zoals hij oorspronkelijk van plan was (110). Via de Westerschelde was dit ook al onmogelijk omdat ze in handen was van de tegenstanders. Daarom besloot hij een kanaal aan te leggen. Dit kanaal, de zogenoemde Parmavaart, vertrok vanuit Stekene, dat met Gent verbonden was via de Moervaart. Ter hoogte van het (latere) fort Sint-Jan (gebouwd tussen 1585 en 1590), stroomde de Parma-
Sint-Jan (Foto R. De Meirsman)
1VI&L
• Kaart van Gillis
Stekene
Speelman uit 1674.
(fotoscan E. Hofman
De Parmavaart is
Met dank aan
op deze kaart in
J. Thiron en
het uiterste zuiden
E. Hofman: heem-
te zien. Eigendom
kundige kring
Gemeentebestuur
d'Euzie)
' Situering van het
i»
.-•
.•
relict van de
DeKImge
Parmavaart
IJ Kapellebrug
•
flJHH
i
,
1
§
-'"mmm '
. .
, • • • ' '
;
. •
STROOPERSPOLDER
c co
\V-«i
^>VPARMAVAART
1 Oud Fort Sint-Jan Het Kalf
Maet of Mate Tromp
Alvinusberg 1 000 Meters
L I I I I I I I l
* T
. ' •
250 500
'"
Kluize(n)hof
)
0
-.J- - V j
Expresweg
Kasteel Voorhout(e)
J Legende
f ;
!
" i
, T-r — ' T -
niet meer over dan een in de zomer
High 3F
,
roemrijke Parmavaart blijft
MERCATOR.OHMS MFILL Value
Sint-Gillis-Waas
Van de eens zo
1
bijna onzichtbare perceelsgracht! (foto R. Oe Heirsman)
vaart ons gebied binnen en liep dan door via de overstroomde polders tot nabij het kasteel van Beveren, en vandaar weer via de Meikader naar de Schelde. Enkele figuratieve kaarten uit de 17 c eeuw geven een algemeen beeld van deze vaarweg (111). Mogelijk heeft men bij het graven van de Parmavaart gebruik gemaakt van een bestaande waterloop die dwars doorheen de Stroopers liep. Het historische tracé van de Parmavaart mag men niet verwarren met dat van de huidige waterloop die men de Linie noemt. Dat de Parmavaart door ons gebied loopt, kunnen we ook afleiden uit verschillende archiefstukken tot in de 19 c eeuw. Een voorbeeld hiervan vinden we in het prijzijboek van 1664 van de parochie Kemzeke. De percelen in het bezit van de baron van Sint-Jansteen, de gronden van het Hof ten Hede, worden er in het zuiden afgebakend met behulp van de vaart van Parma (112). Nog tot in de 19 eeuw zullen landmeters in hun opmetingen refereren aan de Parmavaart zoals landmeter J. Van Raemdonck in opdracht van de polder van de Rode Moer (113). Nu blijft van de ooit zo strategisch belangrijke Parmavaart nog slechts een relict over in de marge van een bosperceel, een perceelsgracht en dan nog maar over een vrij korte lengte.
M&L
HET JACHTWILD VAN HET FOREEST De aard van de beestjes Foreesten stonden oorspronkelijk ten dienste van de jacht. Over het wild dat in het Koningsforeesthzsloten zat, hebben we tot hiertoe slechts fragmentarische gegevens gevonden. Zo vermeldt Johan Geilleit in zijn Kroniek van Sint-Gillis-Waas dat er bij Koevoorde [Cosfordé) jacht werd gemaakt op waterwild en dat er in de dichtere bossen aan Eekberg (bij het Kalf} op groot wild (everzwijnen en bevers) gejaagd werd (114). Waar deze auteur zijn informatie vandaan heeft, weten we echter niet. Maar uit de aanwezigheid van een hondehuus en een valchuus in Voorhoute op het einde van de 14 ': eeuw, kunnen we inderdaad afleiden dat er op groot wild en op waterwild werd gejaagd, meer echter niet. Voor groot wild kan men dit eveneens afleiden uit de voorgheboden van het land van Waas uit 1553, toen het foreest in zijn middeleeuwse vorm echter al lang opgehouden had te bestaan. Hierin stelt men duidelijk " . . . dat elck hem verdraeghe tejaghene oft volghene op two oft tzwarte (...) sonder last ofte consent vanden opperjaghere van Vlaendren, die stelt zyn lyf ende goet inavontueren ende in genaden van onsen gheduchten heere oft vanden opperjaghere ..."
Jacht op everzwijn (zwartwild). Uit: Joonnes Stradanus, Venotiones, ca. 1578
(ed. Galle, Antwerpen). Met dank aan het Planti|n-HoreUismuseum (foto 0. Pauwels)
(115). In begrijpelijker Nederlands omgezet, houdt dit in dat niemand mag jagen {hem verdraeghen: zich onthouden van) op specifieke wildsoorten zonder mandaat of toestemming van de opperjager van Vlaanderen. Anders zou hij zijn leven en zijn bezittingen op het spel zetten {inavontueren: op het spel zetten). Wat waren dan die specifieke wildsoorten? Onder troo moet roodwild worden verstaan, met andere woorden herten (edelhert, damhert, ree), maar of alle drie deze dieren ooit binnen het Koningsforeest voorkwamen, weten we niet. Onder tzwarte verstaat men zwartwild, dit is everzwijn. Het is dus vrijwel een uitgemaakte zaak dat er naast op hertachtigen ook op everzwijnen in het Koningsforeest gejaagd werd. Ook over het voorkomen van wolven binnen het foreest bestaan getuigenissen, zij het dat deze dieren gedurende de middeleeuwen bijna uitsluitend opduiken in verhalen over heiligen en kluizenaars. Zo vernemen we uit de Vita Balduini de Bocla dat Boudewijn van Boekei in Boudelo tussen de wolven leefde. Meer nog, op zekere nacht, sukkelde hij op de weg naar Stekene in "eenen diepen puf (116). Het was één van dat soort putten dat gemaakt wordt als wolvenval: een wolvenkuil of wolfsput!
goed uit je doppen, want je kunt er lelijk vallen! Komt daarbij nog dat het laat 12 e -eeuwe toponiem strategisch perfect ligt, op de grens van wildernis en cultuurland, niet ver van de kleine nederzetting het Kalf met haar graasgronden. Hongerige wolven zullen op een dergelijke plaats meer dan eens langs gekomen zijn. Maar bovendien, ook later in de 16 e eeuw zullen ze in het Waasland nog meerdere malen paniek zaaien.
Wolvenvangst met wolfskuil of wolfsput. Uit: The hunting book of Goston Phébus, Paris, 2002. (fotoscan H. Dems)
Ook al uit de reeds aangehaalde voorgheboden van het land van Waas weten we dat in het Waasland in 1 553 gejaagd en gestroopt werd op hazen, conijnen, partricen (patrijzen), lamoingien (hier in de betekenis van fazantenhennen) en faisanten (fazantenhanen) en ook op zwanen, reyghers en putoirs (roerdompen) (118). Moeten we een dergelijk soort verhaal echter ernstig nemen? Wij denken hier alvast van wel omdat er ook in de toponymie van ons onderzoeksgebied gerefereerd wordt aan de wolf: W{\i) Ifsputte (117). Dit is niet zo vreemd: het graven van wolfsputten of wolvenkuilen was een wijd verspreide jachttechniek om zich te ontdoen van deze voor de mens en zijn huisvee lastige dieren. Dat een plaatsnaam dan wolfsput genoemd wordt, lijkt niet meer dan logisch. Het betekent zoveel als: kijk op die plaats
Ten slotte geeft ook het al eerder aangehaalde pachtcontract uit 1514 ons een onrechtstreekse aanwijzing omtrent vogelvangst in de omgeving van Voorhoute met een op het eerste zicht raadselachtige en onverklaarbare zin: "Item de voorn, pachtre en mach ooc gheen beesten ouden gaende in den bosch daer de I vesten up staen van ghevoghelthe de (sic)." (119). De Gentse scribent van dit pachtcontract moet onvoldoende vertrouwd geweest zijn
Er bestonden verschillende typen van vogelherden. Hier is een vogelhaan met slagnetten (vinkenvangst) te zien zonder walletjes of dijken Uit: Joannes Stradanus, torationes, ca IW8 (ed. Galle, Antwerpen). Het dank aan het Plantijn-Moretusmuseum (foto 0 . Pauwels)
met de terminologie van jagers en vogelvangers. Want uit de context van het pachtcontract waarin eerder al sprake is over " voghelrien I vischerijen, waran de (sic) ende conijnerije" kan men afleiden dat met de woorden "ghevoghelthe de" een vogelherde bedoeld wordt, dit is een vangplaats voor vogels (120). Het voorkomen van vesten op vogel vangstplaatsen, hier ongetwijfeld in de betekenis van aarden wallichamen, is ons bekend uit de Duitse archeologische literatuur over de middeleeuwse vogelvangst. Dit type van vogelherden kon bestaan uit een vogelvangstplaats die al dan niet in ophoging aangelegd was. De vogelvangstplaats, ook vogelhaan genoemd, was in ons geval met aarden walletjes of dijken omringd. Het doel van dergelijke walletjes of dijken bestond er onder meer in dat de vangstplaats uit de wind gezet werd. Zulke walletjes konden met bomen beplant zijn (121). De vangstplaats zelf bestond uit een vlak en zorgvuldig geëffende vogelhaan die bezaaid werd met zaden en ander vogelvoedsel, afhankelijk van de te vangen soort. In het Wase dialect wordt een dergelijke ingerichte plek of vogelhaan nu dein oï den genoemd (122). O p het plateau werden de vogels met slagnetten gevangen via een vogelvanger die verdekt stond opgesteld achter een omheining of in een vogelvangershut. De vorm en de grootte van de vogelherde hingen samen met de te bejagen vogelsoort (123). Ook de vangtechnieken konden verschillen (lokvogels, vanggarens, lijmstokken . . . ) . De gevangen vogels werden ofwel als kooivogels gehouden (zoals zanglijsters, vinken, nachtegalen ...) ofwel als voedsel geconsumeerd (zoals kramsvogels, grote lijsters, leeuweriken, eenden, snippen). Maar nog andere zoals de kraaien werden gewoon verdelgd: zo bracht ene Gillis de Brabander, 'kastelein' (hier in de betekenis van vertegenwoordiger van de heer, zetbaas, huisoppasser) van het hof te Voorhoute, op 2 december 1539 zo maar even 916 kraaienbekken tegen een financiële vergoeding binnen bij de schepenen van Kemzeke, aldus baron Andreas Johannes Ludovicus van den Bogaerde (1787-1855), ouddistrictscommissaris van Sint-Niklaas in zijn belangrijke publicatie over het Land van Waas (124). Ten zuiden en ten westen van de site van kasteel Voorhoute verwijzen de 17 c -eeuwse plaatsnamen de Crayenbosch en de Crayenboschbylck trouwens naar kraaiachtigen. H u n aanwezigheid nabij Voorhoute is niet zo vreemd want de vogels nestelen vaak in hoge bomen in de buurt van menselijke bewoning. Ten tijde van het hiervoor vermelde pachtcontract werd de vogelvangst waarschijnlijk nog vrij courant
door de adel of in opdracht van de adel beoefend. Zo was bijvoorbeeld Maximilaan van Oostenrijk (de latere keizer Maximiliaan I, regeerperiode: 1493-1519), de echtgenoot van Maria van Bourgondië en dus de grootvader van keizer Karel, graag zelf aanwezig bij de vogelvangst. Dit was een traditie die in het Heilige Roomse Rijk al terugging tot de Oost-Frankische koning Hendrik I (regeerperiode: 919-936), bijgenaamd de Vogelaar. Vooral vanaf de 17 e eeuw werd de vangjacht van vogels meer en meer een zaak van het gewone volk, al dan niet in opdracht van de adel. Hiermee is onze jachtlijst al flink wat aangedikt, maar uiteraard verre van volledig. Dieren zoals vossen, otters en kleine marterachtigen ontbreken bijvoorbeeld op onze lijst evenals tal van watervogels zoals eenden en snippen (125). We zijn ervan overtuigd dat o.a. ook deze dieren in werkelijkheid niet zullen ontbroken hebben in het foreest.
Lievelingsvoer voor edelen, monniken en stropers van allerlei slag: kolonisten met een pels! Slechts één dier heeft duidelijke sporen in het landschap nagelaten, en dan nog een immigrant uit het zuiden van Europa, het konijn. Niettegenstaande het wilde konijn één van onze meest bekende zoogdieren is, beseffen velen maar nauwelijks dat het een immigrant is. Tijdens de laatste ijstijd trokken de dieren zich tot diep in het zuidwesten van Europa terug, tot in Spanje. Dit land heeft trouwens zijn naam te danken aan het konijn, want toen de Feniciërs als eersten de Middellandse zee verkenden, gaven ze het Iberische schiereiland dat krioelde van de konijnen de naam i-schepan-im of klipdassenland. Want de uit het Midden-Oosten afkomstige Feniciërs kenden geen konijnen en ze dachten dat het een soort klipdassen waren, dieren die ze goed uit hun eigen land kenden en die enigszins op het konijn lijken. I-schepan-im werd door de Romeinse kolonisatoren die de Feniciërs opvolgden, verbasterd tot Hispania, een land dat wij nu Spanje noemen (126). Het waren de Romeinen die de konijnen populair maakten. Zij namen de dieren mee uit Spanje om er in Italië mee te fokken. De beesten vielen zodanig in de smaak dat welgestelde Romeinen konijn op hun menu zetten. Maar het heeft nog lang geduurd eer de dieren ook in onze streken bekend geraakten. Want aan het begin van de middeleeuwen strekte het verspreidingsgebied van het konijn zich nog maar uit van Zuid-Spanje tot aan de Loire.
De oudste zekere vermeldingen van konijnen in onze gewesten dateren pas van ongeveer het midden van de 13 e eeuw; in 1255 leverde de baljuw van Veurne enkele tientallen konijnen aan het grafelijk hof in Rijsel (127). Monniken en adel hielden de dieren toen in warandes. Het woord warande betekende oorspronkelijk eigenlijk ongeveer hetzelfde als foreest, met andere woorden een voor de jacht gereserveerd gebied. Het woord foreest werd trouwens vanaf de late middeleeuwen steeds meer vervangen door warande, omdat foreest zelf steeds meer de betekenis kreeg van bos van enige omvang (128). Maar warandes van dat type, dus met een foreestbetekenis, worden vrije warandes genoemd. Daarnaast kende men nog de gesloten warandes of privéwarandes. Ze omvatten terreinen die gewoonlijk van kleinere omvang waren en kunstmatig omheind waren: de omheiningen bestonden uit muren, houten palissades met vlechtwerk, brede grachten of een combinatie ervan. Konijnen werden vaak in dergelijke warandes gehouden, vandaar de Franse benaming lapin de garenne (garenne = warande). Mooie beschrijvingen van dit type konijnenwarandes treffen we aan in enkele beroemde Franse XG'- en 17 e -eeuwse werken over landbouw en buitenplaatsen: L'Agriculture et Maison rustique (1564) van Charles Estienne (1504-1564) en Le Thécitre d'Agriculture et Mesnage des Champs (1600) van Olivier de Serres
(1539-1619) (129). Maar ook later, zo tot ongeveer het einde van het ancien régime, bleven de gesloten warandes bestaan: daarvan getuigen dan weer de diverse uitgaven uit de 18 e eeuw en zelfs het begin van de 19 e eeuw van La nouvelle maison rustique ou économie générale de tous les biens de campagne van de Franse landbouwkundige Louis Liger (16581717) (130). De warandes riepen echter steeds meer weerstand op bij de boerenbevolking omdat de konijnen uitbraken en de landbouwopbrengsten in negatieve zin konden beïnvloeden. De konijnenwarandes van het gesloten type kenden ook in onze streken een ruime verspreiding, zodat een aantal ervan tot de dag van vandaag sporen heeft nagelaten in de toponymie van onze streken. Want bijna elke middeleeuwse heerlijkheid maar ook vele abdijen bezaten een konijnenwarande. In en om de Stroopers treffen we de plaatsnaam warande op diverse plaatsen aan. Zo wordt het toponiem vermeld op de al eerder aangehaalde 17 eeuwse kaarten, iets ten zuidwesten van het kasteel van Voorhoute. Het toponiem slaat op een door grachten omsloten perceel van zowat 2 ha groot dat deels met bomen, althans naar de randen toe en waarschijnlijk in hakhoutvorm, was beplant. Wij verwezen ook al hiervoor naar het pachtcontract van Voorhoute uit 1514 waarin onder meer al spra-
Kaart met de
<
WAFTANDE van HULS^ERU
• ' ' f' i.,. . • ,*ipellebmg WARANDt^livBOtlbEL
STROOPERSPOLDER
WARANDE
,
Oud Fort Sint-Jan Het Kalf
Maet of Mate
Tromp v Kasteel Voorhout(e)
Expresweg Kluize(n)hof
Legende
0
WARANDE van VOORHOUTE Alvinusbetg • 1 000 Meters
250 500
MERCATOR.DHMSMFILl. Value
nt-Gillis-V Sint
warandes in en om de Stroopers
• Warande van
omsloten perceel
beplant. Detail kaart
Voorhoute: Iets ten
van zowat 2 ha
uit 1674 (?),
zuidwesten van het
groot dat deels met
Rijksarchief Gent
kasteel van
bomen, althans naar
(RAG), Kaarten en
Voorhoute. Het to-
de randen toe en
plans nr. 273Ibis
ponlem slaat op
waarschijnlijk in
(foto 0. Pauwels)
een door grachten
hakhoutvorm, was
ke was van vuaran de (sic), zodat het waarschijnlijk lijkt dat de term hier verwijst naar dit welbepaalde perceel met dat specifieke landgebruik. Maar daarnaast komt het toponiem warande nog voor aan de noordrand van de Strooperspolder (131). Het kan
• Warande van Boudelo (nu deels bebost, deels reservaatspercelen de lange Vaog), op stuifzandgronden aan de noordgrens van de Strooperspolder in Sint-GilhsWaas (foto K. Vandevorst)
1VI&L
gekoppeld worden aan enkele percelen van de abdij van Boudelo op het grondgebied van Sint-GillisWaas nabij de grens met De Klinge (vermelding vanaf 1764 op stuifzandgronden). In De Klinge zelf, net ten oosten van ons studiegebied, komt er nog een warandetoponiem voor op een 18 -eeuwse kaart. Die warande lag ten noorden van de polder van de Rode Moer nabij de Blauwe Hoeve, eertijds een jachthuis met lusthof. Die bebouwde site zelf gaat terug op het Roongoed, een landgoed dat al vermeld wordt in een oorkonde uit 1392 (132). Slaan al deze warandetoponiemen echter op wildwarandes, laat staan konijnenwarandes? Dit is goed mogelijk, maar toch niet helemaal zeker. Want vanaf de 17 !: eeuw wordt het begrip warande ook nog gebruikt voor een lusthof bij een kasteel of een buitenplaats. In het geval van de warande van Voorhoute, lijkt het echter weinig waarschijnlijk dat het warandetoponiem betrekking heeft op een lusthof: het perceel met die plaatsnaam ligt immers los van een kasteel of hoeve. In het geval van De Klinge is dit niet zo. Ook ander wild dan konijnen, bijvoorbeeld damherten en patrijzen, kan binnen gesloten warandes zijn gehouden, maar dit lijkt ons weinig waarschijnlijk gezien de grootte en de aard (bodemsoort, hoogteligging en plaats in het landschap) van de percelen. Maar er is meer. Boudelo bezat zeker een konijnenwarande in het Koningsforeest. Er wordt immers naar verwezen in een pachtcontract uit 1 599: "Pie-
ter Cornelissen fs. Franchoys heeft ghepacht de warande van den cloostere voor zes jaeren deerste vallende kerss. XVc neghenentneghentich gheeft tsjaers vijf coppelen conijnen (133). Bovendien kennen we binnen de contouren van het voormalige Koningsforeestook nog de warande van Hulsterio, toebehorend aan de abdij van Drongen. Die was al van in 1444 onmiskenbaar een konijnenwarande, want we vernemen dit uit een kroniek van de abdij van Drongen (134). Deze warande leverde elk jaar tientallen koppels konijnen op. De beesten werden geleverd aan prelaten van de abdij maar ook aan andere gegadigden. De konijnen werden echter niet alleen gekweekt omwille van hun smakelijke vlees, dat met enige regelmaat op de goed voorziene tafels belandde van de adel en de (hogere) clerus. Konijnen leverden ook bont op dat in de middeleeuwen en ook nog eeuwen later tot in de 20 stc eeuw veelvuldig gebruikt werd voor het vervaardigen van lange bontmantels, van bedspreien, maar vooral van vilten hoeden (vgl. de talrijke 'vellenkoten' of bedrijfjes die de konijnvellen looiden en verfden in Gent en vooral de ooit omvangrijke viltnijverheid in Lokeren) (135). De handel in konijnenbont was eertijds zeer belangrijk, zo werd er al van in de 15 e eeuw massaal konijnenbont in de Antwerpse haven ingevoerd (136). De beesten werden op de Britse eilanden toen op grote schaal gekweekt voor de export. Het konijnenbont uit Engeland en uit de Lage Landen was trouwens van betere kwaliteit dan
dat uit de Zuiderse landen, want in een kouder klimaat krijgen de dieren een dikkere vacht. Konijnen waren dus dieren met een aanzienlijke marktwaarde, iets wat ook stropers in die tijd niet zal ontgaan zijn, zij het dat deze laatste groep van liefhebbers voor illegale vangst zwaar konden beboet worden. Twee van de hiervoor besproken warandes dateren minstens van de late middeleeuwen. Van de twee andere kennen we pas het warandetoponiem vanaf de 17-18 e eeuw, maar mogelijk is het toponiem ook hier een stuk ouder. Bovendien liggen alle vermelde percelen met een warandetoponiem op hoger gelegen zandgronden en zijn ze met hun langste zijde naar het zuiden gericht wat een warmteminnende konijnenpopulatie ongetwijfeld zal ten goede gekomen zijn.
OVER EEN ZONDERLING VERBAND TUSSEN ELFEN EN KONIJNEN Bil EEN ERG STEKELIG ONDERWERP: DE RAADSFI ACHTIGE ALVINUSBERG "Het spookt in de periferie van de cultuur, dat wil zeggen in de marges van de beschaafde wereld'. (Rooijakkers, 1999) (137). Ten zuidwesten van het kasteel van Voorhoute, pal op de grens van de fusiegemeenten Kemzeke en
De Alvlnusberg op de grens van de vroegere deelgemeenten Stekene en Kemzeke (foto R-Vandevorst)
Maar wat kan dan de precieze oorsprong wel zijn van deze mysterieuze grondophoging?
Een Romeinse tumulus? Dr. Jan Van Raemdonck (1817-1899) verrichtte er in 1864 een opgraving. Hij vond er een aantal scherven die hij als " manifestement Romaines" herkende. Die scherven waren echter in het heuvellichaam aanwezig, en dus afkomstig van aangevoerde grond. Ze kwamen vermoedelijk van het graven van de omringende gracht. De archeologen zijn het erover eens dat het geen heuvel is uit de Romeinse periode. Het gaat hier niet om een tumulus (139).
• ^ÉM f
Een molenberg?
f* • Halfhmnenberch. Detail kaart uit 1674 (?), Rijksarchief Gent (RAG), Kaarten en plans nr. 273Ibis (foto 0. Pauwels)
• Alfhinnenbergh. Detail kaart uit 1777. Rijksarchief Gent (RAG), Kaarten
Stekene ligt een motte, een klein rond heuvellichaam door een cirkelvormige gracht omringd. De heuvel is nu nog bijna cirkelrond, zowat 2 meter hoog, heeft een diameter van om en bij de 30 meter en is omringd door grachten van ca. 3 meter breedte en 1,5 meter diepte. De motte is ter plekke gekend als de Alvinusberg of Alvinnenberg. Een dergelijke plaatsnaam duidt op een geheimzinnige oorsprong, gehuld in de nevelen der tijden. De spookachtige alvinnen (elfen), elders in Nederland en Vlaanderen ook witten, witvrouwen of witte wieven genoemd, hebben wij er alvast niet opgemerkt (138). O f hebben we deze ontmoeting uit ons geheugen gewist?
In een grensscheidingsakte uit 1551 wordt de Alvinusberg Molenberg genoemd. Maar een molenberg met een omwalling is onuitgegeven en ook de omvang van de motte is te groot voor een molenberg. Wij zijn het met Dewulf eens dat de benaming Molenberg uit 1551 bewijst dat de oorsprong van de motte toen al niet meer bekend was. Bovendien is het vreemd dat men in 1551 de naam Alvinnenberg niet gebruikt, maar misschien vond men deze naam in een periode van godsdienstige troebelen toch wat te heidens klinkend om hem op te nemen in een officieel document!
Een wachttoren?
en plans nr. 2731 (foto 0. Pauwels)
Dit is de hypothese van Marcellijn Dewulf (18981980). Hij vermoedt dat er na het graven van de 'Gentse vaart' (ook Stekense vaart of vaart naar Hulst genoemd) nood was aan beveiliging en bewaking. Hij suggereert dat op de Alvinusberg een wachttoren zou zijn opgericht tussen 1315 en 1365. Indien de wachttoren een hoogte had van 15 meter en de motte 5 meter hoog was, aldus Dewulf, zou de toren het landschap beheerst hebben. M e n kon dus van daaruit het eventuele vijandige verkeer op de Gentse vaart observeren en de vijand al van in Stekenedorp zien aankomen. Hierdoor zou de toren een strategische ligging gehad hebben zodat bij eventueel gevaar de bewoners van het kasteel Voorhoute konden gealarmeerd worden (140). Gezien de afstand van de toren tot de vaart enerzijds (ruim 650 m) en tot Voorhoute anderzijds (800 m), lijkt ons dit weinig waarschijnlijk.
M&L
Een burcht Stekelburgh genaamd? "Op den feestdagh van den h. Michiel heeft den Grave Philips van Elsatien een kasken vol kostelycke reliquien van de kercke van Kemseke, het welke in de maendt augusti op O.L. V. Hemelvaert in syn kasteel van Stekelburg was gebracht om sekere troebelen van daer seer plichtelyck laten vervoeren naar de vernoemde kercke van Kemseke; ..." "Het kasteel van Stekelburg, waarvan hier vooren is gesproken is in den volghenden tydt door ouderdom, oorlog of andersints vervallen, overblijvende alleen een motte en was gelegen ontrent Voorhoute in den Burgtackerwyck op de paelen van Kemseke en Stekene" (kroniek van Fran^ois-Joseph de Castro: 16881766) (141) De eminente historica Beatrijs Augustyn onderschrijft de uittreksels uit de bovenvermelde kroniek van de Castro en argumenteert op een, althans bij eerste lezing, overtuigende manier dat Stekelburgh en de Alvinusberg één en dezelfde site zijn. De Alvinusberg ligt immers in de net geciteerde Burgtackerwyck. Hij ligt bovendien op de paelen van Kemseke en Stekene, dus juist op de grens van de dorpen Kemzeke en Stekene. Voor haar argumentatie baseert zij zich op het feit dat in de archieven van de Boudelo-abdij in een schenkingsakte van 1248, uitgaande van gravin Margareta van Constantinopel (1244-1251) sprake is van Stekelburg. In dat charter staat inderdaad dat de gravin aan Boudelo een motte schenkt: "... motam n(ost)ram iacentem apudStekelt I in Wasia libere in perpetuum possidendam cum fossatis I aquis et cingula ...". In het cijnsboek uit 1261-1263 van de Boudelo-abdij vinden we dezelfde motte nog enkele keren terug. We vernemen dat de motte apud (hier in de betekenis van te) StekeneWgt. De gebruiker is ene Siger ex Boscho en hij houdt het perceel in helftwinning, met andere woorden de gebruiker moet de helft van de opbrengst afstaan aan de bezitter (142). Het is dus volgens haar duidelijk dat het perceel toen geen woonfunctie of militaire functie (meer) had. We vinden dit een erg mooie hypothese. Net zoals Augustyn zijn we er immers van overtuigd dat Stekelburgh en Stekelt synoniem zijn. Interessant hierbij is de plaatsnaam Stekelt. een dergelijke plaatsnaam met ^-suffix verbergt vaak een plantennaam. Dergelijke aan planten ontleende toponiemen zijn dan verzamelwoorden die een verzameling van planten van een bepaalde soort of van een bepaalde kwaliteit aanduiden zoals eist, varent (vgl. den Varent Bosch bij Voorhoute), hulst, bremt.
biest {V^L. biestackerte Stekene), /ww/? (hazelaars), dorent {verzameling vzn doornstruiken)... (143) Stekelt was met water omringd, met andere woorden de plek van de burcht lag in een overgangsmilieu van nat naar droog. De naamgeving suggereert echter dat de plaats waar de burcht van de graaf stond ooit gekenmerkt was door een verzameling van stekelige planten. Die konden er aangeplant zijn ter bescherming van de burchtsite, maar ze konden er even goed van nature voorkomen. Aaneengesloten stekelige vegetaties ontstaan immers vaak door overbegrazing van bos, en uit de oorkonden van de 12 e en de 13 e eeuw weten we dat grote delen van het Waasland in de omgeving van Stekene uit overbegraasde bossen bestonden. Die worden doorgaans in de oorkonden wastines genoemd (144). Veel van die wastines kunnen stekelige planten bevat hebben zoals verschillende soorten distels maar ook stekelige dwergstruiken zoals bijv. stekelbrem, in het Middelnederlands ook stekende brem genoemd (Genista anglica), want de meeste grazende dieren houden niet van stekelige planten en laten ze bijgevolg staan (145). De woorden stekel en steken zijn bovendien taalkundig aan elkaar verwant. Mogelijk is er dus zelfs een verband tussen de plaatsnaam Stekelt en Stekene want Stekela (1223) is de oudste vermelding voor Stekene.
Toch stellen wij ons vragen over de exacte situering van de burchtsite. Want volgens de cijnsboeken van Boudelo lag de motte in Stekene en precies daar wringt al een eerste keer het schoentje. Want al ligt de motte nu deels op Stekene, het grootste deel ervan ligt echter op Kemzeke en elders in de cijnsboeken wordt ook Kemzeke bij naam genoemd, maar niet voor het perceel met de motte. Je zou echter met recht en reden kunnen zeggen: een kniesoor die zich daar aan stoort, want gemeentegrenzen kunnen in de loop der tijden verschuiven! Maar er is meer dan dat. O p basis van een denombrement van 1365 weten we dat Hector van Voorhoute op dat ogenblik een leen van de graven van Vlaanderen houdt "/'« de prochie van Kemsheecke (...) dat men heet borchackef (146). Dat leen was " VI bundre groot lettel min of meer , in moderne oppervlaktemaat omgezet vertegenwoordigt dit ca. 8 ha. Uit een al eerder geciteerd document van de schepenbank van Gedele van Gent weten we bovendien dat de in 1393 overleden Hector van Voorhoute "in den Borchackef ook nog twee bunders grond in eigen bezit had (= allodiale grond) naast de voormelde 6 bunders (147). Slotsom: iets minder dan 10,7 ha was leen en/of eigendom van het hof te Voorhoute. O p de 17 c -eeuwse kaarten van
het Rijksarchief Gent worden de bezittingen van de toenmalige eigenaars van Voorhoute weergegeven (inbegrepen de halfhinnenbergop Kemzeke en Stekene) en op basis hiervan weten we dat de eigendomsopperviakte in de 17 e eeuw in dezelfde wijk nagenoeg dezelfde was, om het in Middelnederlands uit te drukken "lettel min of meer'. Slechts later gaat de eigenaar van Voorhoute nog wat meer grond in de wijk, die nu Burchtakker genoemd wordt, verwerven. Met andere woorden: minstens vanaf 1393 tot het einde van het ancien régime vizs de abdij van Boudelo geen eigenaar van deze percelen! Volgens Herman Heyse, die vurig de stelling Alvinusberg = Stekelburg verdedigde, wordt slechts in 1507 voor de eerste keer een eigendom van de Boudelo-abdij gesitueerd in de Burchackere (148). Heyse geeft echter geen precieze bronvermelding zodat we dit niet konden natrekken. Hij laat bovendien in het midden of het over het perceel met de motte gaat. Hij identificeert ook Borchacker met een ander perceel: Ter pennincsacker {1374). Beide zouden, in zijn visie, het perceel met de motte betreffen, maar hier heeft hij het niet bij het rechte eind. Integendeel, het perceel met de motte en de Ter pennincsacker betreffen wel degelijk verschillende percelen (149). Dat Boudelo eigendommen liggen had binnen de wijk Burchtakker wordt door ons niet betwist. Beaurain lokaliseert ze in zijn scriptie over het Klooster van Boudelo (1700-1800) (150). In de 18 c eeuw had de abdij enkele percelen van samen nog geen 1,2 ha liggen in het uiterste zuidoosten van de Burchtakkerwijk dicht bij het huidige kruispunt Drieschouwen/Voorhout op het grondgebied van Stekene, dus ruim verwijderd van de Alvinusberg. Welke conclusies kunnen we hieruit trekken? Heeft de kroniek van de achtenswaardige de Castro, eertijds hoofdschepen van het Land van Waas, de onderzoekers op een verkeerd spoor gezet? Wij denken van wel. Want in het geval dat het perceel van Boudelo met de grafelijke motte erop zou overeenkomen met de motte van de Alvinusberg zou de abdij dit eigendom moeten verkocht hebben tussen 1261-63 (cijnsboek Boudelo) en 1393 aan de heren van Voorhoute. Dit kan natuurlijk niet totaal uitgesloten worden, maar het is wel erg vreemd dat men een toch wel eerder prestigieuze schenking zo snel doorverkoopr. Gravin Margareta stond het ten eeuwigen dage af. In een denombrement van 1306 houdt Roeger van Voorhoute een naamloos leen van weliswaar VII bunren dat mogelijk overeenkomt met het latere leen van borchacker (151). Het enige wat wij als argument zouden kunnen beden-
ken voor een verkoop aan de van Voorhoutes is de zogenaamde armoede van de abdij Boudelo tijdens de 13 e eeuw: die had echter meer te maken met een zichzelf opgelegd (!) tekort aan werkkrachten dan met werkelijke armoede (152).
Een burcht voor konijnen: een konijnenberg of conijnerije? " Conninière: lieu peuplé de lapins, terrier. La conninière est une structure archéologique tenant lieu de terrier. A ne pas confondre avec une garenne qui est Ie lieu peuplé de lapins a la fin du Moyen Age, ou avec Ie droit de garenne qui represente la forme juridique de l'exercice de la chasse. Son équivalent medieval en Anjou est "la motte a conils". Le terme usuel contemporain est celui de garennière." (Duceppe-Lamarre, 2006) (153) Toen we ondertussen al een kleine 10 jaar geleden kennis namen van "De geschiedenis van de gemeente Kemzeke" van De Potter & Broeckaert intrigeerde ons het begrip conijnerije dat de auteurs citeren bij de bespreking van de heerlijkheid van Voorhoute (154). We dachten meteen aan een konijnenberg zoals die van Ename (Oudenaarde): een ovale structuur met een lengte van ongeveer 30 meter, een breedte van ongeveer 25 meter en een hoogte van ongeveer 1,40 meter (155). Tot onze niet geringe verbazing bleken de afmetingen van de heuvel van de Alvinusberg tamelijk goed hiermee overeen te stemmen, zij het dat de Alvinusberg bijna ringvormig is en dat de hoogte ervan ruim 2 meter bedraagt (waarschijnlijk vroeger zelfs meer). O p vallende verschillen met de Enaamse konijnenberg zijn evenwel de brede ringvormige gracht en de meer geleidelijk oplopende hellingen. Zou het dan kunnen dat de Alvinusberg een konijnenberg is? In de nog steeds vrij beperkte literatuur over konijnenbergen uit de ons omringende landen, vonden we mooi vergelijkingsmateriaal terug voor GrootBrittannië en vooral Frankrijk. De konijnenbergen konden bestaan uit langwerpige, hoekige maar ook afgeronde heuveltjes waarin gangen en holen door de mens werden aangebracht. De gangen of holen waren een soort kunstmatige broedkamers die vaak met platte stenen waren afgezet en bepaalde types konijnenbergen werden met grachten omringd. Uit Frankrijk (Anjou, Flandre, Artois, Picardie, Hainaut ...) zijn vanaf ca. 1980 tal van dergelijke archeologische structuren beschreven, die voordien niet als dusdanig herkend werden (1 56). Een aantal ervan lag nabij water of was eveneens met wal-
grachten omringd. De Alvinusberg beantwoordt mooi aan het type met walgrachten en de zacht oplopende helling van de heuvel maakt hem precies bijzonder geschikt als konijnenberg. Want konijnenbergen werden niet alleen aangelegd met het oog op de voortplanting van het dier, maar ook om de vangst te vergemakkelijken. In de regel gebeurde de jacht met fretten: in één pijp werd een fret gelaten terwijl de resterende ontsnappingswegen met netten werden afgesloten. Als de Alvinusberg een konijnenberg is, dan diende de brede en diepe ringvormige gracht om het ontsnappen van de konijnen te bemoeilijken, want konijnen houden niet van zwemmen. Wanneer ze het toch deden, dan moest ervoor gezorgd dat de oever aan de overzijde van de heuvel steil genoeg was om te beletten dat de beesten aan land geraakten. Bovendien kon er aan die buitenoever nog een rechtopstaande wand staan uit steen, vlechtwerk of levend materiaal (goed onderhouden haag). Die buitenwand was er niet alleen om de konijnen binnen te houden maar ook om de natuurlijke vijanden van de konijnen zoals marterachtigen en vossen buiten te houden. Men kan zich dan wel afvragen waarom deze konijnenberg op zowat 800 meter van Voorhoute werd aangelegd. Dit kan gezorgd hebben voor de nodige rust, want we mogen niet vergeten dat er bij Voorhoute een hondenkennel en een valkenhuis lag. Maar wat dan te denken over de oude plaatsnaam borchackeri Deze plaatsnaam duikt pas halverwege de 14 c eeuw op en toeval of niet: dit is precies de periode bij uitstek voor de konijnenbergenmode. In Artois duiken ze op naar het einde van de 13 c eeuw toe, maar in de miniatuurkunst zijn ze bekend uit de 14 c eeuw. De nestplaatsen van konijnen noemt men nu nog altijd burchten en dat dit vroeger ook zo was kan men afleiden uit ... familienamen: er zijn nog steeds in de Nederlandse taairegio personen die Van Konijnenburg en Van Konij-
nenberg heten. Mogelijk waren hun voorouders betrokken bij het onderhoud en het beheer van de konijnenburch(t)en! Maar de plaatsnaam borchacker kan uiteraard ook verband houden met een echte burchtsite. Het is echter ook bekend dat konijnenbergen soms aangelegd werden op oudere archeologische structuren. Is onze uitleg te vergezocht, zelfs wishful thinking? Ten slotte geven we hier nog enkele bedenkingen. Tussen de twee wereldoorlogen werd een deel van de motte van de Alvinusberg blijkbaar clandestien afgegraven voor zand, volgens sommigen 1,5 tot 2 meter. De heuvel moet dus oorspronkelijk hoger geweest zijn dan nu, niemand kan echter vertellen hoe hoog hij precies was, mogelijk was het 5 meter (157). In 1954 deden enkele amateurarcheologen er opgravingen: ze vonden er enkele brokstenen van grote bakstenen (moppen) enkele scherven en sporen van mortel die niet zouden wijzen op een stenen gebouw.
Stemmen uit een andere wereld? En dan is er nog een wonderlijk document. Uit een akte van het Gentse stadsarchief d.d. 10 februari 1350, "ghemaect (...) bij ghemeenen maghen ende vrienden , vernemen we dat de zus van Wouter van Voorhoute, de toenmalige eigenaar van de kasteelsite, "jonkfr. janen getrouwd was met ene Olivier van Aelwine (158). Uit de genealogische literatuur vernemen we dat diezelfde Wouter bovendien de
• Op een randmlnia-
konijnenberg laat.
Queen Mor/'s
tuur uit het begin
Een konijn probeert
Psolter, Engeland,
van de 14de eeuw
te vluchten, maar
begin 14de eeuw
zien we hoe een
wordt opgewacht
(London, British
adellijke dame
door een andere
Library, Royal MS
rechts een fret in
dame van stand
2.6.VII, folio I55v)
een pijp van een
met net.
genoemd zijn naar een belangrijke eigenaar met de naam 'de Strooper' of naar de initiatiefnemer voor de heraanleg van de dijken van deze binnenpolder? Dat dit zo zou zijn is weinig waarschijnlijk, want iemand van die naam is ons binnen het onderzoeksgebied, althans vóór 1677, niet bekend (162). Mogelijk verwijst de plaatsnaam dus naar illegale jagers die daar in het verleden actief waren of naar 'legale' stropers. Want men kon ook legaal stropen: stropen kan immers ook villen betekenen. Met villen kon men zeker in dit gebied ooit zijn inkomen aanvullen omdat er met bont van dieren (konijnen, marters, ...) hier ooit wel wat te verdienen viel. Maar misschien is nog de meest voor de hand liggende verklaring voor het toponiem die van stropende (rovende) soldaten ten tijde van de godsdienstperikelen. Het leed van de godsdienstoorlogen lag zeker nog vers in het geheugen!
Het spookt wel degeli|k in de periferie van de cultuur... (foto P.Van den Bremt)
echtgenoot zou zijn geweest van een Van Hal(l) ewijn, waatschijnlijk zelfs de zus van Olivier (elders wordt deze familie ook Haluin, Haleuwin en Hal(l) ewin genoemd) (159). Liet Wouter van Voorhoute een konijnenberg voor zijn vrouw aanleggen? In theorie zou dit kunnen want het fretteren van konijnen was vooral een vrouwenzaak, mannen vonden deze vorm van jacht maar minnetjes! Noemde men de heuvel vetvolgens Aelwines berg en werd dit later volksetymologisch verbasterd tot Halfhinnenberg, Alfhinnenbergh (1777) en nog later Alvinnen- en Alvinusberg(X*)é£, eeuw)? Maar genoeg erover! Misschien hebben we dit verhaal wel ergens onbewust opgepikt van elfen die huisden op Alvinclarvord {\222), volgens sommigen de voorde aan het laar van de alvinnen (160). Deze plaatsnaam uit de omgeving van Stekene kan niemand met zekerheid plaatsen omdat er gerefereerd wordt aan Sandberg en dit toponiem meermaals in het Waasland en nabij Hulst voorkomt. Wie weet? Als aandachtige lezer hebt u het hierboven waarschijnlijk al opgemerkt: het spookt wel degelijk in de periferie van de cultuur ...
Paul Van den Bremt is als bioloog en erfgoedonderzoeker landschap verbonden aan het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed. Regi De Meirsman is als landbouwingenieur en erfgoedconsulent verbonden aan het Agentschap voor Ruimte en Erfgoed.
EINDNOTEN (1) Op gevaar af iemand te vergeten, wensen wij de volgende personen te bedanken voor het geven van kritische commentaren: Dr. Luc Van Durme, Thomas Van Driessche (VlOE), Jan Bastiaens (VIOE), Guido Tack (Ruimte & Erfgoed), Dr. Anton Ervynck (VIOE), Erwin Meylemans (VIOE), Koen Smets (VIOE), Roger Deneef, André Verstraeten (KCML), Jackie Thiron (Heemkundige Kring d'Euzie), John Buyse (Heemkundige Kring d'Euzie), Alfred Van der Gucht (KOKW), Wilfried Maes (KOKW). De naam de Stroopers slaat eigenlijk in de strikte betekenis alleen op het huidige 'natuurgebied' Stropersbos.dat de kern vormt van ons onderzoeksgebied. Wij gebruiken de naam voor het volledige onderzoeksgebied. SANDERS ]., SYS C. en VANDENHOUT H., Bodmkaart van België, kaarthladen Stekene 26E en Sint-Gillis-Waas 27 W, Digitale uitgave OC-GIS, 1989, Brussel; DE DECKER S., Natuunnrichtingsproject De Stropers. Archeologische heleidsadvieskaart,
P.S. Oeps! Kleinigheid vergeten: de Stroopers, natuurlijk!
RAAP-rapport 688, Amsterdam, 2001, p. 7-9. Voor de archeologische vondsten baseren wij ons op de volgende overzichtsrapporten: MEYLEMANS E., Ruilverkaveling Stekene, archeologische
De plaatsnaam de Stroopers duikt — voor zover wij konden achterhalen — pas in de 17 e eeuw op. O p 23 maart 1610 werd er een binnenpolder op het grondgebied van Sint-Gillis-Waas en Kemzeke Strooperspolder genoemd (161). Zou deze polder
M&L
inventaris en waardering, Asse-Zellik, 1999; DE DECKER S., op. cit. (2) De laatste ijstijd is het Weichsel, ca. 120.000-10.000 jaar geleden. Kenmerkend voor het late Weichsel was het periglaciaal toendralandschap.
(3)
7;o«^frepitsen zijn kenmerkend voor de de zgn. Federmesser-
de vorming van de zogenaamde plaggenbodems die onder meer
groepen: het zijn vuurstenen steil-geretoucheerde spitsen, vgl.
in het Waasland en de Kempen aan de basis liggen van vrucht-
LOUWE KOOIJMANS L.E, VAN DEN BROEKE P.W., FOK-
bare akkerlanden.
KENS H. en VAN GIJN A. (red.), Nederland tn de prehistorie,
(14) Spurrie is een oorspronkelijk inheemse soort die mogelijk als cul-
Amsterdam, 2005, p. 144-145. Voor de vondst in Kemzeke,
tuurplant al vanaf de ijzertijd werd geteeld, maar die ook als on-
ANON., ADWjaarverslag 1991, p. 23-39.
kruid tussen cultuurgewassen kan voorkomen, VAN HAASTER
(4) Van een groot aantal vondsten kan op gtond van het vondsten-
W., De introductie van cultuurgewassen in de Nederlanden tijdens
spectrum niet worden bepaald in welke periode van de steentijd
de Middeleeuwen, in ZEVEN A.C. (red.), de introductie van onze
(5) (6)
deze locaties zijn gebruikt.
cultuurplanten en hun begeleiders, van het Neolithicum tot 1500
Dit is: tijdens het Atlanticum (8000 - 5000 jaat geleden)
^ A Wageningen, 1997, p. 71.
Bronstijd: 4000 - 2800 jaar geleden; ijzerrijd: 2800 - 2067 jaar geleden. Bron/ Centraal Archeologische Inventaris (CAI), VIOE.
(7)
deren II, 1992, 209-221; HOLLEVOET Y. en VAN ROEYEN
ren uit de bronstijd in zandig Binnen- Vlaanderen, \n Lunula-
J.-E, Archeologisch onderzoek te Sint-Gillis-'t Hol (O.-VI.). Een
Ar-
chaeologia protohistonca III, 1995, p. 9-11; BOURGEOIS J.,
Gallo-Romeinse veldindeling en een "Romeins-Germaanse" neder-
MEGANCK M., SEMEY J. en VERLAECKT K., Cirkels in het
zetting, in Annalen van de koninklijke oudheidkundige kring van
land. Een inventaris van cirkelvormige structuren in de provincies
het Land van Waas, jg. 98, 1995, p. 419-444.
ren, Buitengewone reeksG, 1999, p. 106, Gent; DE DECKER S., op.cit., p. 11.
(9)
Sint-Gillis- Waas? (Prov. of East-Flanders), in Archeologie in Vlaan-
BOURGEOIS I., Palynologisch onderzoek van grafheuvelstructu-
Oost- en West- Vlaanderen UI, in Archeologische inventaris Vlaande-
(8)
(15) HOLLEVOET Y. en VAN ROEYEN J.-P., Germanic Settlers at
(16) HUNINK V, Gaius Julius Caesar: Oorlog in Gallië, Amsterdam, 2004, p. 100-101 en p. 178-179. (17) De Menapiërs konden maar 9000 man mobiliseren, de Morinen
Het stuifmeel van hazelaar en gagel kan moeilijk van elkaar on-
bijv. 25.000, de Nerviërs 50.000. Wellicht bewoonden 25.000 a
derscheiden worden. Dit geeft uiteraard problemen bij de inrer-
30.000 mensen het Menapische gebied, vgl. DE C L E R Q W en
pretatie van de stuifmeeispectra.
VAN DIERENDONCK R., Extrema Galliarum: Zeeland en
GELORINI V, Protohistonsche waterputten palynologisch beke-
Noordwest-Vlaanderen in het Imperium Romanum, in Zeeuws
ken: site Sint-Gillis-Waas I Kluizemolen, in VOBOV-info 53, 2001, p. 2-12. (10) Hulst kan als loofvoeder voor vee (schapen en koeien) worden gebruikt, dit is onder meer bekend uit Ierland, vgl. HALL J.,
Tijdschrift, jg. 58 nrs. 3-4, 2008, p. 13. (18) Strabo is een Griekse geograaf geboren te Amasia in Pontus aan de Zwarte Zee. (19) STRABO, Geographica, IV, 3 par.4 ;"lesMénapes,
quihabitent...
Tour through Ireland; particularly the interior & least known parts,
parmi des marais' (ÉXTI) "et des hou (8pD|a,ot)s), '«« pour mieux
vol. 1, 1813, p. 229; uit Engeland, vgl. SPRAY M , Holly as a
dire, vu Ie peu d'élévatwn des arhres, parmi des halliers toujjus"
fodder in England, in The agricultural history review 1981, jg. 29,
(mJKirqs OX^qs) "et épineux" (oiKoaiöcosov;). Vgl. http://Hodoi.
nr. 2, p. 97-110 en uit Ftankrijk (Morbihan); vgl. PIERRE I., De Temploi, comme fourrage vert, des jeunes pousses de houx, in Annales
flti.ucl.ac.be/concordances/strabon_geographica,
d.d. 31.08.2009.
(20) MUNAUT A.-V, La forêtgauloise dans Ie Nordde la Gaule Belgi-
de chimie et de physique, troisième série, LIX, 1860, p. 380-385.
que: enquête palynologique préliminaire, in Revue du Nord 70
De aanwezigheid van hulst op de zandruggen kan ook in latere
N 0 2 7 6 , 1988, p. 5-21.
tijden geattesteerd worden via de plaatsnaamkunde: vgl. de toponiemen Hulst en Hulstetlo.
(21) JANSSENS W. en FERGUSON D.K., The palaeoecology of the Holocene sediments at Kallo, Northern Belgium, in Review of Pa-
(11) VERMEULEN E, HAGEMAN B., VAN ROEYEN J.-P en
leobotany and Palynology, jg. 46, 1985, p. 81-95. Een groot deel
PETERS M , Romeinse rurale nederzettingsstructuren in Sint-Gil-
van het Schelde-estuarium was gedurende de ijzertijd bedekt met
lis-Waas, in Romeinendag, 4' editie, Brussel, 1998. p. 10-12; DE
bossen en moetassen.
DECKERS., 0/i.rtt, p. 21-22. (12) MEERSSCHAERT L., Landschappelijk en archeobotanisch onderzoek van de Romeinse site te Sint-Gillis-Waas - Kluizenmolen, in:
(22) ROYMANS N., The sword or the plough. Regional dynamics in the romanisation of Belgic Gaul and the Rhineland area, in ROYMANS N. (ed.). From the Sword to the Plough: three studies on the
De aardrijkskunde, 2000, jg. 24, nrs. 1-2, p. 95-104; DEEORCE
earliest romanisation of Northern Gaul, Amsterdam,
K. en BASTIAENS J., Archeobotanisch onderzoek van een Ro-
p. 9-126. Zie vooral p. 51-58. Voor de leemstreek klopt zijn stel-
meinse potstal van de site Sint-Gillis-Waas I Kluizenmolen, in VOBOV-Info 56, 2002, p. 4-11. Uit de resultaten van het ondetzoek leiden de auteurs af dat het om een Romeinse stal gaat, maar of het stalgedeelte effectief als potstal heeft gefunctioneerd is echtet niet aantoonbaar. (13) Een functionele potstal is dus gelaagd en de staldieren komen
1996,
ling niet. (23) Vgl. DE CLERQ W en VAN DIERENDONCK R., op.cit., p.ll. (24) HOLLEVOET Y. en VAN ROEYEN J.-P, op.cit., 1995, p. 217218. (25) DE DECKER S., op.cit., p. 22.
steeds hoger re staan. Eenmaal de stalinhoud een bepaalde hoog-
(26) GYSSEL1NG M , Inleiding tot de toponymie, vooral van Oost-
te bereikr, wordt het mengsel van plaggen en mest over het ak-
Vlaanderen. in Naamkunde. 10, 1-2, 1978, p. 10. Voor camisia
kerlandareaal uitgespreid en ingewerkr. Dit geeft aanleiding tot
vgl. het Franse woord chemise.
(27) VANDERVEEJ. (BROEDER ALOÏS), DE WULF M. en LAE-
Waas in de Middeleeuwen: behoorde dit gebied tot Frankrijk of tot
VAERT L., Syllabus van een heemkundige uitstap naar het vroegere
het Duitse rijk?, in Annalen van de oudheidkundige kring van het
Koningswoud. zondag 18 juli 1954, Sint-Niklaas, 1954, 27 p.
Landvan Waas, jg. 101, 1998, p. 233-247.
(28) BLOMMAERT PH. (ed.), Leven van Sinte Amand, patroon der (38) Het raadsel Wasdavtzs en is nog steeds een kluif voor vele onderNederlanden, diehtstuk derXIVe eeuw. Gent, 1842. Dit wetk be-
zoekers. Wij vermelden er slechts enkelen onder de velen: vgl.
vat een uitgave van het strofische gedicht van Gillis De Wevel
voor de situering in het Waasland onder meer de oude opgaven
(afgewerkt in 1366) en het beslaat 12.467 verzen. De oorspron-
van MiRAEUS A., Codex donationum piarum, Bruxellis, 1624,
kelijke Vita Sancti Amandi is een 8ste eeuwse tekst.
p. 107-108; VALESIUS H., Notitia Galliarum, Parisiis, 1675, p. 220-221. Voor Nederland: zie bvb. KORTJ.C, Inventaris van
(29) HIGOUNET C , Lesforêts de l'Europe Occidentale du V au Xf siècle, in Setttmane di studio del centra Italiano di studi suil' Alto
het archief van de graven van Holland, 1189-1581 (ca. 1650),
Medioevo XIII, Agricoltura e mondo rurale in Occidente nell'Alto
Den Haag, 1981, p. 16-18. Zie verder KOCH, A.EC, Festschrift
Medioevo (22-28 aprile 1965), Spoleto, 1966, p. 398: carte an-
AdolfBach, 2. Grenzverhdltnisse an der Niederschelde, vornehmlich
nexe; VERHULST A. en BLOK D.P., Het natuurlandschap, in
im W.Jahrhundert, in Rheinische Vierteljahrsblatter, jg. 21, 1956,
Algemene geschiedenis der Nederlanden, deel 1: Middeleeuwen,
p. 203-205 en ook KOCH A.F.C, (ed.), Oorkondenboek van Hol-
Bussum, 1981, p. 124.
landen Zeeland tot 1299, Den Haag, 1970,1 nr. 40.
(30) GYSSELING M., Toponymisch Woordenboek van België, Neder-(39) BORETWJS A., Monumenta Germaniae Historica: LI(1). Capituland, Noord-Frankrijk en West-Duitsland (voor 1226), Tongeren,
laria regum Francorum, Hannoverae, 1883, p. 172. Vgl. NIER-
1960, p. 571: Conegesfurst (\\%),
MEYER J.F., VAN DE KIEFT C. en LAKE-SCHOONEBEEK
Comncsforest {1150); VER-
HULST A., Landschap en landbouw in Middeleeuws Vlaanderen,
G.S.M.M., Mediae Latinitatis Lexicon minus, 1, Leiden, 1976,
Brussel, 1995, p. 117.
p. 443: Aquisgranum betekent Aken.
(31) Zie onder meer bij SMIT J.P.W., Het Brabantschejachtrecht, Am- (40) DE WILDE ]., Enkele beschouwingen over het "Hof te Voorhout" sterdam, 1911, p. 8-9; PROU M., La forêt en Angleterre et en
(Kemzeke), Annalen van de oudheidkundige kring van het Land
France, \n Journal des savants. Nouvelle Série 13, 1915, p. 241-
van Waas, jg. 51, nr. 2, 1939, p. 117-132.
253; p. 310-320; p. 345-354; BECHMANN R., Des arbres et des (41) Rijksarchief Gent (RAG), Kaarten en plans nr. 2731bis hommes. Paris, 1984, p. 25-26; HARRISON R.P., Forests: the sha- (42) Van de inheemse dennensoort Pinus sylvestris (grove den) werd dow of civilization, Chicago, 1992, p. 69-75; RACKHAM O.,
slechts in beperkte mate stuifmeel aangetroffen in de Ijzertijd.
Ancient woodland: its history, uses and vegetation in England, Col- Het is waarschijnlijk dat de soort hier lokaal ontbrak of alleszins vend, 2003, p. 175-177.
zeer beperkt voorkwam. Waarschijnlijk was dit ook zo in de mid-
(32) GYSSELING, 1960, op.cit.
deleeuwen. Stuifmeelkorrels van grove den kunnen echter na-
(33) Geciteerd in: VAN DAELE R., Ruimte en naamgeving in Van den
tuurlijk verspreid worden over honderden kilometers en bij beperkte pollenconcentraties ervan neemt men aan dat ze afkomstig
vos Reynaerde, Gent, 1994, p. 135-136.
zijn van ver afgelegen populaties.
(34) Zie o.m. GYSSELING M, Etymologie van het Land van Waas, in
Annalen van de oudheidkundige kring van het Land van Waas, jg.(43) DEUTSCHES WÖRTERBUCH VON JACOB GRIMM 54, 1943, p.95-100. De andere, nu meestal door taaispecialisten
UND WILHELM GRIMM, Band 26, 1971, http://germazope.
verlaten, etymologische verklaring, waas = wastine, lijkt ons wei-
uni-trier.de/Projects/WBB/woerterbuecher/dwb/wbgui?lemid=
nig waarschijnlijk. Waas, waze kan ook bundel rijshout (dijkwer-
GV09332&mode=hitlist&lemlistid=GV09332&onlist=&textsi
ken) betekenen, maar misschien is dit een afgeleide betekenis,
ze= 150&query_start=0&totalhits=0&textword=&locpattern=&
want het Hollandse rijshout bij uitstek is wilg en wilgenrijshout
textpattern=Vorholz d.d. 13.10.2009. Vgl. GYSSELING, 1960,
groeit van nature vaak op slijkerige bodems.
op.cit., p. 1024; HEKKET B.J., Schaagen heg en hun verwanten,
Vgl. http://gtb.inl.nl./iWDB/search?actie=article_content&wdb
in Mededeling van de vereniging van naamkunde te Leuven en de
=WNT&id=M083406&lemmodern=waas d.d. 31.08.2009
commissie voor naamkunde te Amsterdam jg. 37, nrs. 3-4, 1961,
(35) DE WILDE J., Het ontstaan der Waassche Parochtën, in Annalen 1939, p. 104.
p.147. Vgl. VERA F. Metaforen voor de Wildernis. Eik, hazelaar, rund en paard, 's-Gravenhage, 1997, p. 100-101.
van de oudheidkundige kring van het Land van Waas, jg. 50 nr. 2,
(44) BORETIUS, op.cit., p.87 nr. 47.
(36) Zie bvb. HALPHEN L. en LOT E, Recueildesactes de Lothaire et (45) CUMMINS J., The art of medieval hunting. The hound and the de Louis V, rots de France (954-987), Paris, 1908, p. 78-79;
/W«* Edison, 2003, p. 172-173.
PETIT-DUTAILLIS C , De la signification du mot "Forêt" a (46) GOTTSCHALK M.K.E., De Vier Ambachten en bet Land van l'époque franque. Examen critique dune position allemande sur la
Saaftinghe in de Middeleeuwen, Assen, 1984: zie voor het topo-
transition de la propriété collective'ala propriété privée. in Biblio-
niem craneweide in de omgeving van Hulsterlo de bijbehorende
thèque de l'école des chartes, ]g. 76, m. 1, 1915, p. 136; vgl. GYS-
topografische kaart.
SELING, 1943, op.cit., p. 99-100.
(47) Stadsarchief Gent (SAG), Reeks 330, nr.9, 1392-93, f. 52v.
(37) DHONDT J., Het Land van Waas in het Graafschap Vlaanderen
(= f. 313v. van het hele register: staat van goed van Hector van
(Xle - Xlle eeuw), in Annalen van de oudheidkundige kring van het
Voorhoute voorgelegd aan de schepenbank van Gedele te Gent
Landvan Waas, jg. 54, 1943, p. 51-52; STUY RW, HetLandvan
op 26 juni 1393. Vgl. VAN DUYSE P., Droits du maim faucon-
mer de Flandre, in Annates de la société royale des heaux-arts et de
sen verwijzen naar kolenbranders, en die activiteit veronderstelt
littérature de Gand 4, 1851-1852, p. 353; AUGUSTIJN B., De
uiteraard de aanwezigheid van bos. Vgl. VAN GOETHEM L.,
veenontginning(12de-lo'eeuw),
Beveren, 1999, p.33.
(48) Vgl. BORD L.-J. en MUGG J.-E, La chasse au Moyen Age, s.l., 2008^.214-218. (49) SAG, Reeks 330, nr.9, 1392-93, f. 52v.
Toponymie van Stekene (vervolg), in Annalen van de oudheidkundige kring van het Land van Waas, jg. 68, 1965, p. 8-9 en HEYSE H., Toponymie van Stekene II, in d' Euzie, jg. 7, nr. 4, 1988, p. 54-56 voor het toponiem Koolput in Stekene. Houtskoolmei-
(50) RAG: Kaarten en Plans nr. 2731bis.
Iers konden zowel bovengronds als in putten worden opgebouwd
(51) MULLER J.W., Een nieuw handsehrifi van den Reynaert, in Ver-
voor het branden van houtskool, vgl. GROENEWOUDT B.,
slagen en mededeelingen der Koninklijke Vlaamsche Academie voor
Charcoal Burning and Landscape Dynamics in the Early Medieval
Taal- en Letterkunde, 1908, p.142-143.
Netherlands, Arts and Crafts in Medieval Rural Environment, in
(52) Vgl. STRACKE D.A., Krieke putte in het Hulster Loe, in Tijd-
Ruralia VI, Szentendre Dobogökö, 22th-29 th september 2005,
schrift voor taaien letteren, jg. 12, 1924, p. 30-31. Zie ook KER-
p. 327-337. Archaeologische sporen van houtskoolbranden
CKHAERTN., Oostvlaamsehuisnamen 5, Gtnt, 1991, p. 151.
(11 c eeuw) kwamen aan het licht bij de opgraving in Sint-Gillis-
(53) VAN DAELE R., op.cit., p. 135.
Waas ter hoogte van de Reepstraat, vgl. HOLLEVOET Y. en
(54) TACK G., VAN DEN BREMT E en HERMY, M., Bossen van
VAN ROEYEN J.-R, op.cit., 1992, p. 210-211.
Vlaanderen: een historische ecologie, Leuven, 1993, p. 19-20. (55) Uitzonderingen bevestigen de regel: ook in de nabijheid van ons
(65) Oudste attestatie: DE SCHOUTHEETE DETERVARENT A , Livre de feudataires des Comtes de Flandre au Pays de Waes, aux
studiegebied vinden we een -^VHtoponiem: te Zaleghem (Salig-
XlVe, XVe et XVIe si'ecles, in Publications extraordinaires du eerde
hem) op Meerdonk was er toen ook al een bewoningskern!
archéologique du Pays de Waes, jg. 9, Sint-Niklaas, 1872, p.559:
(56) ROELANDTS K., $ele und Hetm, in Namenforschung (Fest-
sGraven stratev/ordt vermeld voor het jaar 1528. Kaarten: kaart
schrift für Adolf Bach zum 75.Geburtstag), Heidelberg, 1965,
van 1651 opgemaakt door landmeter Jan Bale, RAG, Fonds
273-299; GYSSEL1NG M. en VERHULST A , Nederzettingsna-
Kaarten en Plannen nr. 467. De laatste vermelding ervan is terug
men en nederzettingsgeschiedenis in de Nederlanden, Noord-Frank-
te vinden in een landboekvan 1783 van de parochie Sint-Gillis-
rijk en Noord-West-Dmtsland, in Taalgrens en kolonisatie IV, Leu-
Waas, RABeveren, Fonds Oud Archief Vrasene - Sint-Gillis-
ven, 1969, 5-52.
Waas nr. 443 f. 283v. perceel nr. 26. De straat is dan verdeeld in
(57) Ook Temse, op de rand van het Waasland kende vermoedelijk bewoningscontinuïteit in dezelfde periode.
percelen. Het relict ervan ligt op het grondgebied van Sint-GillisWaas tussen de Stropersstraat en de verlaten spoorweg Mechelen-
(58) RAG, fonds Boudelo-abdij, nr. 552, f. 2r: hospites comitis of ko-
Terneuzen.; RAG, Kaarten en Plans nr. 273Ibis: set van drie
lonisten op het grondgebied van Stekene in 1248. In dezelfde
kaarten uit de 16 e (?) en 17 " eeuw van Voorhoute op het grond-
tekst is er trouwens sprake van nieuw aangelegde wegen: iux(ta)
gebied van Kemzeke; Voor De Klinge: Kaartenarchief koninklij-
nova(m) st(ra)tam.
ke oudheidkundige kring van het Land van Waas: Kaartboek
(59) VOSSEN K., Ontstaan der Parochies in het Land van Waas, in
Sint-Gillis-Waas 1772.
Annalen van de oudheidkundige kring van het Land van Waas,
(66) Representatief voor deze discussie zijn onder meer VERBRUG-
jg. 5 3 , 1 9 4 2 , ^ 52-53; VAN DRIESSCHET, De stichting van de
GEN C., Venen en moeren, in DE KRAKER A.J.M., VAN ROY-
parochie Kemzeke door afsplitsing van Waasmunster in 1117, in
EN H. en DE SMET M.E.E (red.). Over den Vier Ambachten,
Heemkring 'het Sireentje', jg. 19, 1994-1995, p. 260-280.
Kloosterzande, 1993, p. 61-65; LEENDERS K.A.H.W, Venen
(60) Vgl. GYSSEL1NG M., Oude toponiemen in de Vier Ambachten, in
en moeren. Een histonsch-geograftsche benadering, in DE KRA-
DE KRAKER A.M.J., VAN ROYEN H. en DE SMET M.E.E.,
KER A.J.M., VAN ROYEN H. en DE SMET M.E.E (red.).
Over den Vier Ambachten, Kloosterzande, 1993, p. 173. Merk-
Over den Vier Ambachten, Kloosterzande, 1993, p. 65-70 en meer
waardig is dat men dezelfde naamgeving terugvindt op het
recent VERHOEVE A. en VERBRUGGEN C , Het Meetjesland.
grondgebied van de stad Antwerpen. Tot hiertoe ontbreekt een
Bodem en landschap in historisch perspectief, in Belgeo 2006, nr. 3,
sluitende toponymische verklaring voor het eerste gedeelte van
205-218; DEFORCE K , BAST1AENS J. en AMEELS, V. Peat
beide toponiemen. (61) HEYSE H., Klapdorp, een "misplaatst" toponiem. Een brede bena-
re-excavated at the Abbey of Ename (Belgium): archaeobotanical evidence for peat extraction and long distance transport in Flanders
dering van een toponymisch probleem, in Annalen van de oudheid-
around 1200 AD„ in Environmental AxchatcAogf, jg. 12, nr. 1,
kundige kring van het Land van Waas, jg. 88, 1985, p. 185-187.
2007, 87-94.Vgl. ook: AUGUSTIJN, 1999, op.cit.
(62) SAG, reeks 301, 73, 1513-1514, f. 129v. (19 mei 1514)
(67) Bosbouwterm: langwerpige ophogingen gelegen tussen greppels.
(63) VAN ROEYEN J.-E, Een middeleeuwse pottenbakkerij aan de ver-
(68) AUGUSTIJN B. en T H O E N E., Van veen tot bos. Krachtlijnen
keerswisselaar te Kemzeke, in dEuzie, jg. 19, nr. 1, 2000, p. 9-10.
van de landschapsevolutie van het Noordvlaamse Meetjesland van de
(64) Het toponiem Colshoeck of ook Coolshouck houdt waarschijnlijk verband met bosexploitatie. Het eerste lid kan afkomstig van het Oudnederlandse woord kol, Middelnederlands kole, en kan
12 tot de 19 eeuw, in Historisch-geografisch tijdschrift, jg. 5, nr. 3, 1987, zie vooral p. 97-102 en vgl. verspreidingskaart maat/meettopniemen op p. 98.
wijzen op houtskool. Het kan ook verband houden met het ver-
(69) RABeveren, fonds polders Land van Waas PI8, inventaris van het
dwenen Germaans woordje kiln (oven). Beide woordbetekenis-
archief van de verenigde polders van Sint-Gillis-Waas, oud be-
stand 1678-1974 nr. 49 peiling van de waterlopen door landtne-
suppression. Tome I, 1868, p. 126 nr. 201:"... qui locus tamquam
ter J. van Raemdonck in de polders van Sint-Gillis-broek, Turf-
heremitalis et solitarius est...". Vgl. AUGUSTYN B., op.cit., 1977, p. 43; WICKHAM C , European forests in the Early Middle
banken, Rode moer en Stroperspolder 1829. (70) Persoonlijke mededeling
Ages: landscape and land clearance, in Settimane di studio del centro
(71) Vergelijk het protogermaanse woord mat. eten.
Italiano di studi suli Alto Medioevo XXXVII, L'ambiente vegetale
(72) PHILIPPA M., DEBRABANDERE E en QUAK A.(red.), Ety-
nell' Alto Medioevo (30 marzo-5 aprile 1989), Spoleto, 1990,
mologisch Woordenboek van het Nederlands, F-Ka, Amsterdam, 2005, 593: vgl. het ptotogetmaans 'kalwa-; CROMPVOETS
p. 483-484.
(86) VAN DEN BROUCKE A., Een Zalige in het Land van Waas in
H., Veenderijterminologie in Nederland en Nederlandstalig België,
het begin der Xll eeuw, de Zalige Gerwinus, Abt, in Annalen van de
Amsterdam, 1981, p. 309. Met dank aan Luc Van Durme voor
oudheidkundige kring van het Land van Waas, jg. 47, 1935, p. 87-
de informatie rond caluwe.
91; DE WILDE J., Prteuré De Klmze a Saint-Gilles-Waas, in Monasticon Beige, tome Vil, Province de la Flandre Oriëntale, 2,
(73) Dit landboek wordt bewaard door het gemeentebestuur van Ste-
üège, 1977, p. 145-156.
kene (74) RABeveren, GOA 19, Fonds Oud Archief Kemzeke - Sint-Pau-
(87) VAN LOKEREN A., op.cit, p. 126 nr. 201.
wels, prijzijboek 1664 nr. 62. Prijzij: hier in de betekenis van
(88) VAN LOKEREN A., op.cit, p. 160 nr. 278; p. 188-189 nr. 243.
schatting of taxatie.
(89) VAN LOKEREN A., op.cit, p. 180 nr. 320, p. 188-189 nr. 243 en 208 nr. 384.
(75) GYSSELING M., Overzicht van de toponymie van Waasland, in
(90) PREVENIER W., De oorkonden der graven van Vlaanderen Mededelingen van de vereniging voor naamkunde en de commissie (1191-aanvang 1206), II. Uitgave, Brussel, 1964, p. 387-389 nr.
voor naamkunde te Amsterdam, jg. 32, 1956, p. 98.
182; AUGUSTYN B., op.cit, 1977, p. 43-45.
(76) Vgl. AUGUSTYN B., Bijdrage tot het ontstaan en de vroegste ge-
(91) ASAERT G., Abbaye de Baudelo a Sinaai-Waes puis a Gand, in schiedenis van de Wase polders, in Annalen van de oudheidkundige kring van het Land van Waas, jg. 80, 1977, p. 29; HEYSE, op.cit,
Monasticon Beige, tome Vil, Province de la Flandre Oriëntale, 3,
1985, p. 167-169. Volgens Van Durme (schriftelijke medede-
Liège, 1980, p. 250.; DEPLOIGE J., Eremitische helden, verdron-
ling) heeft echtet niet hede maar hide de betekenis van haven!
gen vaderfiguren, in Trajecta, jg. 16, 2007, 289-310.
(77) DE WILDE J., Watertoponiemen uit Noord-Waasland in DRAYE (92) GOETSCHALCKX P.J., Oorkondenboek der Witherenahdij van H. (ed.). FeestbundelH.J. Van de Wijer, Instituut voor Vlaamsche
St. Michiels te Antwerpen, Ekeren-Donk, 1909, p. 21-22: ...de-
toponymie, Leuven, 1944, p. 465. Het Middelnederlandse kene
cem arbores alneos in silva Conines forest dicitur, quales ibidem ele-
berekenr reet, spleet, barst en vandaar ook smal waterloopje.
gerint ad opus piscationis sue habiles esse perspexerint... We gebrui-
Hedekine is volgens Van Durme (persoonlijke mededeling) hier
ken voor de vertaling hier het neuttale woord visactiviteiten,
echtet de verbogen vorm van hedekin of'klein heed, heide dus!
want het in dit chatter gebruikte Latijnse woord piscatio kan zo-
(78) De eerste Nederlandseflorakarreringuir de 20>K eeuw vermeldt
wel slaan op visgronden (viswaters) als op visserij en visrecht! Vgl. BAKHUIZEN VAN DEN BRINK R.C., Piscatio. pêcherie,
voor het huidige Nederlandse deel van dit gebied ook nog dop-
visscherij, 's Gravenhage, 1858.
hei. Sindsdien is er echter op Nederlands grondgebied een waterwinningsgebied gevestigd waardoor het gebied droger is gewor-
(93) GOETSCHALCKX, op.cit, p. 47-48: ...in silva que Conmenso-
den (brief A.B.B.L.O. d.d. 10.02.1979 aan de Belgische Natuut- en Vogelteservaten). (79) VLEESHOUWERS C , Het archief van de abdij van Boudelo te
rfrf(sic) dicitur... (94) GOETSCHALCKX, op.cit, p. 84-85. (95) In de 16 c eeuw groeiden hier nog eiken die bij het beleg van
Sinaai-Waas en te Gent, deel 2, Regesten der oorkonden, Brussel,
Antwerpen in 1584-85 door Farnese werden gebruikt: BUYS E,
1983, p. 604.
Registre oft Slapere waermnen dat gheregistreert syn alle de goeden vanden heiltghen Gheest der proche van Melcelel...! int jaer ons
(80) VANDERVEE J. et al. , op.cit, p. 11: zonder bronvermelding. Hierdoor is er geen verificatie mogelijk, tenzij alle bronarchieven
heeren duysent ende ses honden, onuitgegeven document, 1999:
doorgenomen worden.
zie de, slapers van 1600, 1679, 1714, 1718.
(81) TACKrta/., o/>.a>., p. 40.
(96) GOETSCHALCKX, op.cit, p. 101-103.
(82) SAG, Penningcohier 1571 van Sint-Jansteen f. 11.
(97) HEYSE, »/>.«>., 1985, p. 154.
(83) VANDERKINDERE L, La chromque de Gislebert de Mons, (98) VLEESHOUWERS, op.cit, 1983, p. 604. 1904, Bruxelles, p. 266-267; ADRIAANSE J. en EVERAARD
(99) GOTTSCHALK, op.cit, 1984, p. 486: Notre Dame de lEek =
J.A., De heerlijkheid van Sint-jan ten Steene en Inghelosenberghe,
O.L. Vrouw ter Eecken (St. Jansteen), gelegen in Kapellebrugmn
in overdruk/iMr/w/É' De Vier Ambachten, Sint Jansteen, 1936,
de oostzijde van de huidige weg Hulst-Sint-Niklaas.
p. 1-66. Vgl. DU CHESNE A. , Histoiregénéalogitjue des maisons (100) RABeveren Oud Archief Vrasene - Sint-Gillis-Waas nr. 2282 f. de Guines, dArdres, de Gand et de Coucy, Paris, 1631, p. 307. (84) Deze weg wordr officieel 'De Stropersstraat' genoemd en ligt op Kemzeke. (85) VAN LOKEREN A., Chartes et documents de l'abbaye de Saint-
269 e.v. 22.06.1697 "Item compileert dit sterfhuys noch een eynde dyckx groot ontrent de 2 gemeten gelegen binnen de prochie van Sinte Gillis aen de sluyse van de stroopers doorloop tusschen het calf ende waerande dus in pachte aen ..."
Pierre au mont blandin a Gand. Depuis sa fondatwn jusqua sa (101) MOLEMANS J., De naamgeving in relatie tot de bodemge-
steldheid, het reliëf en de begroeiing, Naamkunde, jg. 3,
hier wel eens nier-permanent grasland toe behoord hebben.
nrs. 1-4, 1971, p. 182; vgi. VAN GOETHEM L , Toponymie
(IIO)DEWULFM., 1 9 7 7 , / M
van Stekene (vervolg), in Annalen van de oudheidkundige kring
(111) COOLS, H., Tussen Reus en Geus. Het land van Beveren en het
van het Land van Waas, jg. 68, 1965, p. 11.
Beleg van Antwerpen, Beveren, 1985, p. 18-19. Vgl. STRADA
(102) De Linie werd gebruikt tijdens de Spaanse Successieoorlog
E, Het Tweede Deel der Nederlandtsche Oorlogen, Het Seste boeck,
(1702-1713), waarbij de Zuidelijke Nederlanden onder Frans
Rottetdam, 1655, p. 399-400. Voor het fort van Sint-Jan, zie
regime kwamen.
o.m. bij VAN HEMELRIJCK M , De Vlaamse krijgsbouwkunde,
(103) WOLTERS M.J., Recueil de lois, arrêtes, réglements, etc., concernant l'administration des eaux et poldres de la Flandre Oriëntale,
Tielt, 1950, p. 150. (112) De kroniekschrijver van het Waasland uit de 18^ eeuw de Gas-
première partie, Gand, 1842, n 0 4 p. 7-9; GOTTSCHALK,
tro geeft ook de ligging aan van de Parmavaart, maar hij laat
op.cit., p. 227 vermeldt uitdrukkelijk als startdatum 1314 ! Dit
hem een andere weg volgen; op het grondgebied van Moerbeke
sluit aan bij DE POTTER F. en BROECKAERT J., Geschiede-
vanaf Terwest naar het noorden tot aan het Fort Francipanie en
nis van de gemeenten der provincie Oost-Vlaanderen, derde reeks,
verder naar het noorden, waarna de vaart ergens door Zeeuws-
arrondissement St. Nicolaas, deel 4, Stekene, Gent, 1878, p. 5-15
Vlaanderen aangelegd zou zijn tot Hulst. Er is inderdaad nog
waarin vermeld wordt op p. 6 dat Pieter Masiere, de watergraaf,
steeds een waterloop of vaart van Terwest naar Francipanie en
al gesrart was met de werken; ... waterganc qil avoit commenchiet
verder die Parmavaart genoemd wordr. Deze vaart wordt echter
a faire.
ten onrechte Parmavaart genoemd. Hij werd pas aangelegd in
(104) RABeveren, GOA Stekene nr. 7; in dit archiefstuk is er sprake van een nieuwe vaart. Zie verder; RABeveren GOA Stekene
1645. Vgl. HESTERS P., Moerbeke-Waas, een evolutie van eeuwen, deel 1, Moerbeke-Waas, 2009, p. 172-173.
nr. 378; uit dit document blijkt dan weer dar her deels gaar om
(113) RABeveren, Fonds polders land van waas PI8; inventaris van
een vernieuwing van de oude vaart en deels om een nieuwe
het archief van de verenigde polders van Sint-Gillis-Waas, oud
vaart. Wij vermoeden echter dat de nieuwe vaart een vroegere in
bestand 1678-1974 nr. 49 peiling van de waterlopen door land-
de loop der eeuwen verdwenen bedding van de Stekense vaart
meter J. van Raemdonck in de polders van Sint-Gillis-broek,
volgde (als alternatief kon men vanuit Hulst immets de Honte
Turfbanken, Rode moer en Stroperspolder 1829.
of Westerschelde gebruiken om Rupelmonde te bereiken). In de
(114) GEILLEIT J., Uit ons verleden. Kroniek van Sint-Gillis-Waas,
archieftekst staat; verdiepen van de oude vaert ... beghinnende
Lokeren, 1984, p. 21. Dat er bij Eekberg bevers werden gejaagd
aende steenen brug te stekene tot voorbij de herberg ghenaempt de
lijkt ons ietwat vreemd, tenzij ze bij de doorbraakgeulen of in de
trompe ende deselve voorts te vervolgen ende maecken door den rauwe lande tot by de buytengrachten vande contrescherpen aende ghendtsche poorte der stede van hulst.
nabijgelegen moerasbossen werden bejaagd! (115) GEERTSJ. (ed.), RegisterANr. 125. Vernieuwinge van voorgeboden der Keuren van het Land van Waas, Beveten, Dendet-
(105) RABeveren GOA 19, Kemzeke - Sint-Pauwels, nr. 5, f. 174 v.,
monde enz. (Waasche handvesten van het Staatsarchief te
actum 03.03.1715; RABeveren GOA 19, Kemzeke - Sint-Pau-
Gent), in Annalen van de oudheidkundige kring van het Land
wels,
van Waas, jg. 9, 1883, p. 144. Tijdens de regeerperiode van
nr
6,
niet
gefolieerd,
actum
17.10.1742;
actum
24.11.1745; actum 19.11.1753, actum 21.11.1753. (106) Vgl. ASAERTG., 1585. De val van Antwerpen en de uittocht van Vlamingen en Brabanders, Tielt, 2004, p. 33-42.
Filips de Schone (1494-1506) verleent deze aan de abdij van Boudelo een privilege omrrent de jacht. Het wordt vermeld in de volgende archiefbron; RAG, Abdij van Boudelo, nr. 516
(107) VAN DER ESSEN, Alexandre Farnese, prince de Parme, gouver-
(pacht- en tiendenboek, 1599), p. 228; "Eerst tclooster vermach
neur general des Pays-Bas (1545-1592), tome IV: le siege d'Anvers
jaerlicx te jaghen int Lant van Waes twee roode ende vier zwarte
(1584-1585), Bruxelles, 1935, p. 15. Deze aureur meldt dat
beesten volghende den privilegie den cloostere ghegheven bij her-
voor de vlotbrug 10.000 bomen nodig waren; er werden ook
toghe Phlips (sic) ƒ . Maximiliani."
scheepsmasten gebruikt die werden aangevoerd vanuit de Scandinavische landen. (108) DE WULF M., De verdedigingswerken uit de Spaanse tijd in en om het Waasland in Annalen van de oudheidkundige kring van het Land van Waas, ]g. &0, 1977, p. 106. De Wulf is ervan over-
(116) VYNCKE PR, Geschiedkundige schets der Abdij van Baudeloo, Gent, 1921, p. 13; GROSJEAN P., Vie de Baudouin de Boude, in Analecta Bollandiana, jg. 70, nrs. 1-2, 1952, p. XW: fovea profunda; DE PLOIGEJ., op.cit., p. 299. (117) Vgl. onder meer SCHRIJNEMAKERS A., De verklaring van
tuigd dat het hout voor de vlotbrug uit het Koningsforeest komt.
Wolftoponiemen, in Naamkunde, jg. 18, nrs. 1-4, 1986, vooral
Op enkele bossen te Stekene en Klein Sinaai na, die mogelijk
p. 95-102.
relicten waren van dit foreest, was er nog weinig bos in her noor-
(118) GEERTS, op.cit., p. 136, 144. Het v/oord faisanten troffen we
den van het Waasland aanwezig. Vgl. BUYS R, op.cit.: deze au-
voor het eersr aan in Brugge, TACK et al, op.cit., p. 17. De
teur vermeldt dat er te Melsele een perceeltje van ca. 75 roeden
vermelding in het Waasland is dus vrij vroeg. Voordien gebruik-
lag, dat ten tijde van Farnese beplant was met eiken. Deze bo-
te men voor deze dieren de woorden lymoges, lijmoedgen of vari-
men werden geveld voor gebruik in de vlotbrug.
anten hiervan.
(109) Het begrip land du in de context van de penningkohieren gebruikt wordt, interpreteren we als akker; een zeldzame keer kan
(119) SAG, reeks 301,73,1513-1514, f, 129v. (19 mei 1514) (120) K1LIAAN C , Etymologicum Teutonicae Linguae sive Dictionari-
um Teutomcum-Latinum, Antverpiac, 1599, p. 633.
(128) DE GISLAIN G., L'évolution du droit de garenne au Moyen Age,
Vgl. http://gtb.inl.nl./iWDB/search?actie=articlecontent &wdb
in La Chasse au Moyen age: actes du Colloque de Nice, 22-24 juin
= W N T & i d = M08 1366. re. 99 &lemma = vogel herde d.d. 08.01.2010, Zie ook MATTHEY I., Vtncken moeten vinc-
W/i», Paris, 1980, p. 44-45. (129) ESTIENNE C , LAgriculture et Matson rustique. Paris, 1564,
ken locken, Hollandse studiën 39, Hilversum, 2002, p. 101-106.
p. 121-123; DE SERRES O., Le Thécltre dAgriculture et Mesnage des Champs, Aries, (Réédition avec une inttoduction de
(121) In Nederland noemt men een permanente vangplaats door aar-
Pierre Lieutaghi), 1996 (1600), p. 643-660.
den walletjes omgeven een druipbaan. Duidt het 17 '-eeuwse toponiem de Wallekens in de omgeving van de Alvinusberg mis-
(130) Zie bijv. LIGER L., La nouvelle maison rustique ou économie gé-
schien op de aanwezigheid van een permanente vogelvangplaats
nérale de tous les biens de campagne (troisième edition), tome
nabij de Alvinusberg?
premier. Paris, 1721, p. 662-664. De eerste uitgave dateert van 1700, de laatste van 1804.
(122) Schriftelijke mededeling van André Verstraeten. Den of dein betekent ook dorsvloer. Vgl. onder meer WE1JNEN A.A., Ety-
(131) RABeveren GOA Vrasene - Sint-Gillis-Waas, nr. 2280 f. 228 en
mologisch dialectwoordenhoek, 1995, Assen, p. 32; DE BRA-
volgende d.d. 27.01.1694, Staat van Goed: hierin wordt de
BANDERE E, Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch
warande van Boudelo vernoemd; RABeveren, GOA 44/1 Oud
woordenboek, Amsterdam/Antwerpen, 2005, p. 88.
archief van Vrasene - Sint-Gillis-Waas nr. 443, kohier van de grootte van de landen en hofsteden, molens en jaarlijkse pacht
(123) Vgl. KERSCHER H. en KOCH H., Ausgrabung eines Vogelherdes bei Berggrub (Stadt Landshut, Niederbayern), in Das archdologische Jahr in Bayern, 2003. 154-158. Voor oudere literatuur
van tienden begonnen in 1783 2e deel.
(132) Tot in 1794 was De Klinge een wijk van Sint-Gillis-Waas. Kaar-
over vogelvangst en vogelherde, vgl. NAUMANN J.A., Der Vo-
tenarchief Koninklijke Oudheidkundige Kring van het Land
geliteller oder die Kunst allerley Arten van Vogeln sowohl ohne als
van Waas: Kaartboek Sint-Gillis-Waas 1772. Vgl. voor de Blau-
auch aufdem Vogelheerd bequem und in Menge zu fangen, Leip-
we Hoeve: VAN DEN BOGAERDE, op.cit., deel 3, St. Niko-
zig, 1789, p. 6-48; HEPPE I.C., Der Vogelfang nach seinen ver-
laas, 1825, p. 149; DE POTTER F. en BROECKAERT J.,
scheidenen Arte, ErsteTheil, Nürnberg, 1798, p. 31-79.
Geschiedenis van de gemeenten der provincie Oost- Vlaanderen, derde reeks, arrondissement St. Nicolaas, deel 2, De Klinge, Gent,
(124) VAN DEN BOGAERDE A.J.L, Het distrikt St. Nikolaas, voor-
1878, p. 5.
heen Land van Waes, deel 1, St. Nikolaas, 1825, p. 169. Voor de betekenis van het woord kastelein, vgl. onder meer DEBRA-
(133) RAG, Abdij van Boudelo, nr. 516 (pacht- en tiendenboek,
BANDERE F. , Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst
1599), p. 228. Het is niet zeker of met deze warande die van
van de Zeeuwse woorden, Amsterdam/Antwerpen, 2007, p. 158-
Sint-Gillis-Waas bedoeld wordt. Boudelo kan meerdere waran-
159. Wat de inlevering van kraaienbekken betreft: VAN NAE-
des bezeten hebben.
MEN, op.cit., 1883, p. 148. Van den Bogaerde haalde zijn infor-
(134) DE SMET ].-]., Recueil des Chroniques de Flandre, tome Ier,
matie uit de kroniek van de Castro. (125) Er bestonden eendenkooien, dus vangplaatsen voor eenden in Moerbeke, binnen de contouren van her historische foreest.
Bruxelles, Commission Royale d'Histoire, 1837, p. 629. (135)DREESrtrf/., »/).«>., p. 24. (136) ASAERT G., Documenten voor de geschiedenis van de Antwerpse
(126) DREES M , GODDIJN H., BROEKHUIZEN S., DEKKERJ. en KLEES D., Wilde konijnen, KNNV/VZZ, 2007, 11-13. (127) RENTENAAR R., De vroegste geschiedenis van het konijn in Hol-
scheepvaart voornamelijk de Engelandvaart (1404-1485), Brussel, in Collecteana Mantma II, 1985: zie o.m. bij pelles cuniculorum p. 34, 38, 46, 50, 64, 105, 179 etc.
land en Zeeland, in Hollands Regionaal-historisch tijdschrift,(137) ROOIJAKKERS G., Mythisch landschap: verhalen en rituelen als jg. 10, nr. 1, 1978, p. 13. In Duitsland en Engeland zijn er al
culturele biografie van een regio, in KOLEN J. en LEMAIRE T.
meldingen vanaf de 12 e eeuw. Het kan niet helemaal uitgeslo-
(red.). Landschap in meervoud. Perspectieven op het Nederlandse
ten worden dat ze ook toen al in Vlaanderen voorkwamen. Vgl.
landschap in de 20"121'" eeuw, Utrecht, 1999, p. 313. Vgl.
onder meer ERVYNCK A. en VAN DAMME D., Archeologisch
LEMAIRET, Filosofie van het landschap, Baarn, p. 172-185.
onderzoek op het kasteel van Laarne; hoezo?, Castellum, jg. 5,(138) KILIAAN C , op.cit., 1599, p. 17: alvinne. vulgo elva. nr. 1,1988, p. 10-17; VAN DAMME D, en ERVYNCK A, Me-
(139) DEWULF M., Het raadsel van de Alvinusberg (Alvinnenberg) te dieval ferrets and rabbits in the castle of Laarne {East-Flanders, Kemzeke, in Annalen van de oudheidkundige kring van het Land Belgium), a contribution to the history of the predator and its prey,
van Waas, jg. 77, nrs. 1-2, 1974, p. 87-88; MEYLEMANS,
Helinium, jg. 28, nr. 2,1988, p. 278-284; VAN DAMME D. en
op.cit., p. 27. In 1864 werden opgravingen uitgevoerd in Kem-
ERVYNCK A., Het konijn, een verhaal van vergane glorie. Zoog-
zeke door de Oudheidkundige Kring van het Land van Waas,
dier, jg. 4, nr. 2, 1993, p. 20-27; VAN DAM P., De rol van de
o.l.v. ridder A. de Schoutheete de Tervarent. Hij onderzocht
warande. Geschiedenis van de inburgering van het konijn, jaar-
zowel de Alvinusberg als het hof te Voorhoute. Op 4 december boek voor ecologische geschiedenis (Vreemdelingen in de natuur), 1864 bracht hij verslag uit aan de raad van bestuur: M. le Che2000, p. 59-84. valier de Schoutheete informe la commission que les fouilles qu'on De oudste geschreven bron van konijn in Vlaanderen uit 1255 avait décidé de faire a Kemseke y ont été commencées le 19 octobre wordt bevestigd door diverse archeozoölogische bronnen uir de
dernier et continuées sans interruption jusqu 'au 12 de ce mois (sic).
13 e en de 14 c eeuw (Ename, Koksijde, Laarne, Leuven).
Le résultat na pas répondu d l'attente en ce qui regarde celles effec-
tuées a l'Alvinusberg. Plus heureux a été celui des recherches faites
tot het behalen van de graad van licentiaat in de geschiedenis.
sur l'emplacement du vieux chateau de Voorhout oü elles ont mts au
Universiteit Gent, Academiejaar 1999-2000, zie onder hoofd-
jour les fondations présumées ie landen pavilion de plaisance de Thierry d'Alsace, comte de Flandre.
stuk 2.2.2. (151) VANDERVEE etal, op.cit., p. 12-13.
(140)DEWULF, ibid., 1974, p. 98-100. Dewulf baseert zijn hypo-
(152) HENDRIX G. , Acht eeuwen Boudelo, in Annalen van de oud-
these op de vernietiging van Voothoute in 1542 door de opstan-
heidkundige kring van het Land van Waas, jg. 100, 1997, p. 182-
dige Gentenaars! (141) RABeveren, Kerkarchief van Kemzeke, KF Kemzeke nr. 36: in
183. (153) DUCEPPE-LAMARRE E, Chasse et paturage dans lesforêts du
dit document uit 1548 dat een kopie is van een oorkonde van
nord de la Trance. Pour une archéologie du paysage sylvestre (XI-
Filips van de Elzas uit 1187, komt tweemaal de naam Stekel-
XVlesiècles). Paris, 2006, p. 235.
burgh voor. Citaat uit VAN NAEMEN F. (ed.)., Chrontque de
(154) DE POTTER F. en BROECKAERT J., Geschiedenis van de ge-
Franfois-Joseph de Castro, in Annalen van de oudheidkundige
meenten der provincie Oost- Vlaanderen, derde reeks, arrondisse-
kring van het Land van Waas, 9, 1882-1884, p. 273-274. (142) AUGUSTYN B., Nota betreffende de vroegmiddeleeuwse burchten in Noord- Waasland in Annalen van de oudheidkundige kring van het Land van Waas, jg. 82, 1979, p. 7-10; RAG, fonds Boudeioabdij nr. 8 (Cartularium), f. 277r.-v.; RAG., fonds Boudeloabdij, nr. 552, f. 2r., llr. en 18r. (143) Zie bijv. HELSEN J., Plaatsnamen der Antwerpse Kempen, in Toponymica VI, Leuven/Brussel, 1938, p. 18-19; DE VOS M ,
ment St. Nicolaas, deel 2, Kemzeke, Gent 1878, p. 12. (155)TACK et al, op.cit., p. 168-169. Een vermoedelijke konijnenberg in Parikebos (Brakel: Parike) vertoont ook spoten van een ringgrachr. (156) Zie o.m. ZADORRA-RIO E., Pares agibier etgarennes a lapins: contribution a une étude archéologique des temtoires de chasse dans Ie paysage medieval, in Hommes et terres du Nord 1986, nrs. 2-3, p. 133-139: afmetingen, zie p. 137; DUCEPPE-LAMARRE,
Microtoponiemen en agrarische geschiedenis, in Naamkunde, jg.
op.cit., p. 166-169. In Groot-Btittannië wotden dergelijke ar-
32, nrs. 1-2, 2000, p. 76-77.
cheologische structuren afhankelijk van het type moat and pale
(144) De term wastine kan in meerdere betekenissen worden gebruikt:
en pillow mound genoemd. De vorm en de omvang van deze
1. door beweiding gedegradeerde bossen, gekenmerkt door gras-
structuren kan sterk variëren, vgl. onder meer voor pillow
land met ijle (dwerg)struikformaties en verspreide houropslag,
mö««(i WILLIAMSON T , The archaeology of rabbit warrens, in
2. uitgeveende gronden waarop zich na vervening vegetaties ontwikkelden bestaande uit een menging van gtasland, ijle struikformaties en verspreide houtopslag. ( 1 4 5 ) D 0 D 0 E N S R., Cnjdeboeck, Antwerpen, 1554, p. 724-25.
Shire Archaeology series N" 88, Malta,2006, p. 14-37. (157) DE DECKER S., Over elfenheuvels en kabouterbergen. Een overzicht van de bewaarde mottekastelen in de provincie Oost-Vlaanderra, Gent, 2002, p. 48-51.
Voor de huidige verspreiding en de milieucondities, vgl. DE
(158) SAG, Reeks 330, nr. 1, 1349-1350, f.19. Op het bestaan van dit
BLUST G., Genista anglica (Stekelbrem), in VAN LANDUYT
document werd onze aandacht gevestigd door onze collega Tho-
W., HOSTE I., VANHECKE L , VAN DEN BREMT P.. VER-
mas Van Driessche (erfgoedonderzoeker VIOE). Hij suggereer-
CRUYSSE W. en DE BEER D., Atlas van de Flora van Vlaanderen en het Brussels Gewest, Brussel-Meise, 2006, p. 429. Forma-
de een eventueel verband met de naam Alvinusberg. (159)ANON., Geslacht Voorhout ofVoorholt, in De Navorscher 14
ties van stekelige planten zoals meidoorn (ook hagedoorn
(Nieuwe Reeks, 4C jaargang), 1864, p. 59. Zie verder DE
genoemd) en sleedoorn worden meestal (/orrar genoemd.
L'ESPINOY, Recherche des Antiquitez et Noblesse de Flandres,
(146) VANDERVEE et al., op.cit., p. 13.
contenant Thistoire généalogique des comtes de Flandres, Dovay
(147) De schepenen van Gedele (verdeling) van Gent behandelden de
(sic), 1631, p. 91 en vooral 485 en 654; LE CARPENTIER J.,
erfenissen en waren voogd van alle minderjarige wezen. Ook
Histoirede Cambrayetdu Cambresis, troisième partie, II volume,
traden ze op als vrcdemakers bij twisten en veten tussen burgers.
Leide (sic), 1664, p. 640-41. Van Durme (schriftelijke medede-
De schepenbank fungeerde dan als een soort vredegerechr. (148) HEYSE H., Toponymie van Stekene, in d' Euzie, jg. 7, nr. 1, 1988, p. 90-91; HEYSE, op.cit, 1985, p. 147-148. (149) HEYSE, op.cit., 1985, p. 148.RAG, fonds Boudelo-abdij, nr. 552: Herman Heyse vergist zich volkomen als hij schrijft dat de Ter Pennincsacker door Boudelo verpachr werd aan de heren van Voorhoute. Het register nr. 1077 waarnaar hij verwijst, be-
ling) stelt dat Halewijn met w niet zo vlug evolueert naar een vorm met y(inne). (160) Vermeld in De Wulf 1974, op.cit., p. 96. Van Durme (schriftelijke mededeling) beschouwt Alvinclarvord als een -;«pmaam afgeleid van een persoonsnaam. (161)ANON., Tableau des polders, watertngues et broeken existant dans la Flandre oriëntale, 1891, p. 8-9.
staat uit een reeks rekeningen i.v.m. de inning van tienden. De
(162) Huwelijkstafels van Kemzeke: drie vermeldingen van Destroo-
rekeningen hebben betrekking op 1374 en de volgende jaren.
pere. De Staten van Goed van de Vierschaar van Kemseke - Sint-
De beren van Voorhoute worden niet vermeld bij de Ter Pen-
Pauwels vermelden bovendien De Strooper josijntien twee maal
nincsacker. Deze akker lag trouwens op het grondgebied van
in 1694, De Sttooper Josijne in 1700, Stroopers Josijne in 1700,
Stekene. Een 'domina de Vorhoute wordt wel vermeld bij De
De Strooper Gillis in 1726 en 1727 en Van Strooper Marie The-
Maet, Ofacker en Zvaghensacker, alle drie gelegen in Kemzeke.
rese in 1790. Met dank aan John Buyse voot het dootspelen van
(150) BEAURA1N Y, Het klooster van Boudelo 1700-1800, Scriptie
deze informatie.
SUMMARY An old geezer with crutches The restoration on the Avekapelle graveyard of a common lime tree listed for protection With 415 years, one of the eldest lime trees in Flanders is located on the Avekapelle cemetery. T h e tree is listed in the Inventory of woody Plants with heritage value which is being kept by the Flemish Institute for Immovable heritage (VIOE). Given its old age, the tree is crucial as a gene bank. T h e trees' original natural biotope has practically disappeared. That is why our oldest heritage lime trees are the only reference left from a period when plant material was taken from the natural stock or whereby shrubberies came from tree nurseries based on that stock. It appears from the archives that the tree was planted next to a chapel. T h e planting of a lime tree next to a chapel is a very ancient custom, dating from the pre-Christian period, when nature in general and the tree in particular were being worshiped. W h e n these parts were being Christianized they soon realized this cultus could not be easily eradicated and the objects of worship were recycled by adding crosses and chapels. T h e specific shape of the lime tree is the result of traditional pollarding sustained over many centuries. However, it is not entirely clear whether the shape was affected by the shelling of the church during W W I. T h e tree as reminiscence from the past was endangered failing proper treatment. T h e branches on the trunk weakened by rot were periodically cut back while the trunk itself was consolidated by a supporting construction.
Sighting the poachers*! (* "Stroopers") In this first article on the "Stroopers" we will be treating the history of this landscape from the last Ice Age until the end of the 16th century. The Stroopers territory stretches out over 500 ha on the territory of Stekene (Kemzeke) and Sint-Gillis-Waas, next to the Dutch border. For a large number of experts in local history, regular historians and linguistic academics it is here that the story of 'Van den Vos Reynaerde'(Reynard the Fox) is set, an icon of Mediaeval Flemish literature. Based on the geomorphology and typical landscape features, three different parts can be distinguished. T h e Northern part is bordered by a long stretch of sand ridges with patches of drifting sands, the centre consists of a faint, wide and wet depression, the Southern limit is a somewhat loamy wind-borne sand deposit. The 'Stroopers" is the transition between the area with wind-borne sands called Zandig-Vlaanderen (sandy Flanders) and the Scheldt polder landscape to the north-east.
T h e area has been researched quite profoundly by archaeologists. Especially the southern part provided a number of interesting sites. There are discoveries from the late Paleolithic, Mesolithic and Neolithic. No detailed paleoecological research has yet been done concerning the Stone Ages. From the Metal Ages we do not only dispose of archaeological data (burial mounds, wells, ...) but also of a few fragmentary paleo-ecological (pollen) data. A number of sites on the southern sand ridges can unambiguously be linked to the Roman age. O n e of these sites has been investigated by natural scientists for seeds and pollen (Roman deep litter house). Equally interesting are traces of a Roman-Germanic settlement. During the Middle Ages the Stroopers were part of the Koningsforeest (Kings forest), hunting grounds from the Counts of Flanders, consisting of forests, wilderness, watery areas and possibly also cultured land. Surveillance of these hunting grounds was among others done by the Voorhoute forester, from the seigniory of the same name around the castle Hof te Voorhoute in the southern part of this area. There is hardly anything left of this former castle. Archival research has indicated that for hunting purposes there was a falconry and a dog kennel linked to the Hofte Voorhoute. The Koningsforeest was exploited as of the full Middle Ages. T h e exploitation was initiated by the Flemish counts and probably with the help of the descendants from the Ghent viscounts (Lords of SintJanssteen). Also a number of abbeys contributed to the exploitation like the Ghent Saint Peter's abbey and the abbey of Boudelo. We are not quite certain yet about the exact nature of the exploitation, but apart from the exploitation of forests and wilderness, it may have included peat-cutting. However, by the end of the 16th century the concerned grounds consisted nearly exclusively of cultured land. Within the borders of the Stroopers we can still find traces of exploitation canals and waterways like the canal between Stekene and Hulst. Furthermore we can find some military relics going back to the sectarian wars from the late 16th century: remains of the Sint-Jan fortress and a fragmentary section of the renowned Parma canal which played a part in the siege of Antwerp in 1584-1585. An overview is given of the game on the Flemish counts' former hunting grounds by means of archival records and some ancient legal regulations. Some research was only done regarding bird-catching, as archives linked to the Hofte Voorhoute mentioned the existence of a birdcatching place. Finally a lot of attention is paid to the history of the rabbit in our parts. Within the research area there are indeed different game reserve toponyms of which a few could definitely be linked to the breeding of rabbits. Furthermore, from a record regarding Voorhoute it appears that not only a game reserve was part of this domain, but also a rabbit warren. There are strong indications that this rabbit warren is now known as the "Alvinusberg", a still existing hillock on the border of the former municipalities of Stekene and Kemzeke of which the origins had not yet been determined until now.
STERK IN DETAILS, SOLIDE OVER DE GANSE LIJN bouwafdichting en -onderhoud gevelrenovatie en -bescherming binnenwandafwerkingen betonreparatie en -conservering vloersystemen dakbeschermingsproducten kitten, schuimen, chemische verankering houtbescherming
remmers FTB-Remmers Bouwelven 19 B-2280 Grobbendo Tel +32 14 84 80 80 Fax +32 14 84 80 81 info@ftbremmers.com www.ftbremmers.com
Restauratie en algemene bouwwerken Steenhouwerij en marmerbewerking Schrijnwerkerij, glas-in-lood, decoratief stuc- en staffwerk en restauratieschildertechnieken Speciale restauratietechnieken Steigers, stut- en schoringwerken Archeologisch onderzoek
Group Monument Oostrozebekestraat 54 8770 Ingelmunster T. 051/31 60 80 F. 051/30 22 37 info@monument.be www.monument.be
ro •a OJ
E (0