Skip to main content

Vlaanderen_gepeild_2003_7_optimisme_en_pessimisme.pdf

Page 1

Optimisme en pessimisme in Vlaanderen.

Optimisme en pessimisme in Vlaanderen. O P T I M I S M E

E N

P E S S I M I S M E

I N

V L A A N D E RE N .

Op zoek naar determinanten van algemene O P

ZO E K

N A A R

D E T E R M I N A NT E N

VA N

A L GE M E N E

en persoonlijke toekomstverwachtingen. E N

P E R S O O N L I J KE

T O E KO M S T VE R WA C H T I N GE N .

Dirk Jacobs • Mark Janssens • Marc Swyngedouw K.U.Leuven, IPSO K.U.Brussel, IPSoM

1

| Inleiding

Bij tijd en wijle wordt in bevragingen gepeild naar de algemene toekomstverwachtingen van mensen. In de rapportage van de resultaten wordt dan een soort graadmeter van het collectieve optimisme dan wel pessimisme gepresenteerd. Zo werd bijvoorbeeld eind jaren negentig, in de aanloop naar het nieuwe millennium, in de Eurobarometer-onderzoeken in alle EU-lidstaten gevraagd wat de mensen vonden van de stelling dat het in de 21e eeuw slechter zou gaan ‘dan in deze eeuw’. De grootste percentages pessimisten waren toen te vinden in respectievelijk Luxemburg, Griekenland en België, terwijl de grootste percentages optimisten zich in respectievelijk Spanje, Denemarken en Nederland manifesteerden1. Het is niet ongewoon dat in peilingen gevraagd wordt naar toekomstverwachtingen. Dit kan over de persoonlijke toekomstverwachtingen gaan – wat verwacht men voor zichzelf? – of over de toekomst in het algemeen – wat verwacht men voor het land? Men kan peilen naar de onmiddellijke toekomstverwachtingen – die van het komende jaar bijvoorbeeld -, maar het kan ook over een wat langere termijn gaan. Ook in de APS-survey van 2002 kwamen dergelijke vragen naar de toekomstverwachtingen van de Vlamingen aan bod. Zo werden bijvoorbeeld een aantal vragen gesteld omtrent de toekomstverwachtingen (in het algemeen) van de Vlamingen op het vlak van onder meer werkloosheid, 1.

Van alle ondervraagde Belgen was 49% het eens met de stelling ‘In de 21ste eeuw zal het slechter gaan dan in deze eeuw’. In Luxemburg ging 63% van de ondervraagden akkoord met de stelling en in Griekenland onderschreef 56% de pessimistische uitspraak. In Spanje kon slechts 18% van de respondenten zich in de uitspraak vinden, terwijl in Nederland en Denemarken één op vier van de bevraagden een somber toekomstbeeld voor de 21ste eeuw hadden. Het Europese gemiddelde bedroeg 35% pessimisten (Europese Commissie, 1998).

199


Vlaanderen gepeild ! pensioenen, sociale uitsluiting en levenskwaliteit tegen het jaar 2012. Er werd daarnaast ook gevraagd naar de mate waarin men zich rond bepaalde zaken (geld, gezondheid, gezin, werkloosheid, etc.) op persoonlijk vlak zorgen maakt over de toekomst. Dergelijke vragen leveren interessante weetjes op. Zo leert het APS-onderzoek ons bijvoorbeeld dat meer dan de helft van de ondervraagde Vlamingen in 2002 meent of vreest dat men in 2012 voor het eigen pensioen zal moeten zorgen. Uit dezelfde bevraging blijkt dat ongeveer de helft van de mensen voor wie de vraag van toepassing is, zich op persoonlijk vlak enige of veel zorgen maakt over mogelijke werkloosheid van zichzelf of de partner. In de APS-survey wordt in één van de items ook gepeild in welke mate men over zijn of haar persoonlijke toekomst in het algemeen piekert. De meeste Vlamingen maken zich zorgen over de persoonlijke toekomst, een vijfde van de Vlamingen zegt zich zelfs véél zorgen te maken over de persoonlijke toekomst. ‘Slechts’ één op drie van de Vlamingen maakt zich daarover geen zorgen. Uit het Eurobarometer-onderzoek van de lente 2002 blijkt dan bijvoorbeeld weer dat 31% van de Belgen meent dat de persoonlijke situatie de komende vijf jaar zal verbeteren, te vergelijken met bijvoorbeeld 57% bij de Spanjaarden (Europese Commissie, 2002b). Maar wat betekent het nu eigenlijk dat bijvoorbeeld 41% van de Europeanen in de herfst van 2002 meenden dat de economische situatie in hun eigen land in het jaar 2003 zou verslechteren, terwijl 16% in een verbetering geloofde en 36% meende dat de situatie stabiel zou blijven (Europese Commissie, 2002c)? Volgens een aantal econometristen gaat het alleszins om meer dan vrijblijvende fait-divers, gezien zij naar aanleiding van de zogenaamde rational expectations hypothesis2 (Muth, 1961; Lucas, 1972; Lucas en Sargent, 1981; Fair, 1993; Frijters, Haisken-Denew & Shields, 2002) veelvuldig in de weer zijn met de vraag in hoeverre toekomstverwachtingen van economische actoren licht kunnen werpen en van invloed zijn op daadwerkelijke economische evoluties. Wat hoe dan ook opvalt bij de weergave van resultaten van peilingen naar toekomstverwachtingen is dat men zich er vaak simpelweg toe beperkt om de univariate of – als groepen vergeleken worden – bivariate resultaten weer te geven. Daarnaast zal men bij terugkerende onderzoeken zoals de Eurobarometers dikwijls ook trends in het verloop van toekomstverwachtingen bespreken – al kan men zich de vraag stellen in hoeverre dit zinvol is bij cross-sectioneel onderzoek. Het is een veel minder courante praktijk om de resultaten van dergelijke bevragingen naar toekomstverwachtingen ook multivariaat te proberen verklaren. Een dergelijke aanpak zou ons nochtans misschien kunnen helpen om de achtergrond van toekomstverwachtingen te doorgronden. In deze bijdrage hebben wij ons precies tot doel gesteld 2. De hypothese van rationele verwachtingen houdt in dat economische subjecten geacht worden bij de vorming van hun verwachtingen optimaal gebruik te maken van alle beschikbare informatie. Nobelprijswinnaar Lucas (1972) beweerde dat consumenten en firma’s in staat zijn om monetair en fiscaal beleid rationeel te anticiperen en dat daardoor enkel verrassende wendingen in het beleid gedrag effectief zullen kunnen beïnvloeden (bron: http://www.mbs.edu/home/jgans/papers/afr95.html).

200


Optimisme en pessimisme in Vlaanderen.

vanuit een sociologische bril exploratief na te gaan of (en hoe) toekomstverwachtingen, bekeken aan de hand van multivariaat onderzoek, te duiden vallen. Gezien we hier – voor zover we konden verifiëren – vrij onbetreden paden inslaan, gaat het in de eerste plaats om een verkennende exercitie met beperkte ambities. Voor alle duidelijkheid: we hebben niet de pretentie hier werkelijk te kunnen doorgronden wat nu precies de verwachtingen van de Vlamingen over de toekomstperspectieven voor respectievelijk henzelf en Vlaanderen in het algemeen stuurt. Tot op zekere hoogte spelen er bij toekomstverwachtingen, die blijk geven van een bepaald optimisme of pessimisme, ongetwijfeld ook psychologische factoren die we hier niet in rekenschap kunnen nemen3. Dit neemt niet weg dat er wellicht ook sociologische factoren een rol zullen spelen en een poging ondernomen kan worden om deze via multivariaat onderzoek in kaart te brengen. Concreet willen we in deze bijdrage nagaan in welke mate toekomstverwachtingen bepaald worden door demografische en sociaal-economische achtergrondvariabelen (zoals onderwijspeil, geslacht, leeftijd, economisch kapitaal, levensbeschouwelijke betrokkenheid), door de mate van sociaal kapitaal (strong en weak ties), door media-gebruik en ten slotte door een reeks subjectieve ervaringen en attitudes (zoals etnocentrisme, politieke machteloosheid, gevoelens van discriminatie). Dit zal nagegaan worden in een stapsgewijze causale analyse die louter exploratief is en hoogstens kan dienen als een aanzet voor sociologische theorievorming.

2

| Algemene toekomstverwachtingen van de Vlamingen

“De Vlaamse regering is ambitieus. Daarom wil ze niet alleen een goed dagelijks bestuur voeren, maar ook vooruitzien en inspelen op de grote maatschappelijke problemen, mogelijkheden en evoluties van morgen” (Vlaamse Regering, 2000). Zo luidt de eerste zin van de Kleurennota van de Vlaamse regering. Even verder luidt het dat het niet verwonderlijk is dat deze Vlaamse regering met een dergelijk project naar buiten komt: “Zowat alle ministers zijn veertigers en bevinden zich op een scharnierpunt in het leven. De meesten onder hen hebben het geluk dat ze nog ouders hebben en willen dan ook een zorgzaam Vlaanderen waarin ouderen op een aangename manier

3.

We weten uit de literatuur dat het actuele welbevinden van individuen alleszins sterk bepaald wordt door psychologische kenmerken. Zo menen Ferrer en Frijters (2002: 6) dat ongeveer 15% van het welbevinden verklaard kan worden door demografische en socio-economische variabelen, terwijl dit tot 80% zou bedragen voor psychologische kenmerken. Welbevinden is duidelijk iets anders dan toekomstverwachtingen, maar er wordt empirisch vaak een belangrijke samenhang geconstateerd tussen welbevinden enerzijds en toekomstverwachtingen anderzijds. Zo vinden we ook in de VRIND 1999 dat minder zorgen correspondeert met een hogere tevredenheid met het leven (Vlaamse Gemeenschap, 1999). Dit kan als argument dienen voor het maken van een voorzichtige analogie.

201


Vlaanderen gepeild ! kunnen genieten van hun pensioen. De meesten hebben ook kinderen en willen daarom een welvarend Vlaanderen waarin jongeren kunnen opgroeien tot open en verantwoordelijke medeburgers. Ze willen een Vlaanderen waarin het aangenaam wonen, werken en genieten is, en waar de burgers trots zijn te behoren tot een van de boeiendste en sterkst presterende regio’s van Europa” (Vlaamse Regering, 2000). Met enig optimisme en een flinke dosis zelfzekerheid worden vervolgens in de Kleurennota een aantal bakens voor het Vlaanderen ‘van binnen pakweg twintig jaar’ neergezet. Vanuit hetzelfde elan onderschrijft de Vlaamse Regering eind november 2001 samen met de Vlaamse sociale partners het zogenaamde Pact van Vilvoorde. Daarin worden een aantal concrete doelstellingen vastgelegd die men al tegen het jaar 2010 zou willen realiseren. Via het project Kleurrijk Vlaanderen (http:// www.kleurrijkvlaanderen.be) hoopt men hierover verder het publieke debat te kunnen stimuleren. Aan de kant van de Vlaamse Regering is er aan voluntarisme om iets van het komende decennium te maken duidelijk geen gebrek. Op sociaal-economisch vlak zijn de ambities van het Pact van Vilvoorde ook niet gering. Zo streeft men ernaar dat tegen 2010 elke persoon op actieve leeftijd de gelegenheid zal hebben om een volwaardige job uit te oefenen, de oververtegenwoordiging van vrouwen en kansengroepen (allochtonen, arbeidsgehandicapten, laaggeschoolden) in de werkloosheid verdwenen is en Vlaanderen tot de vijf top-regio’s behoort op het vlak van armoedebestrijding en sociale cohesie (Vlaamse Regering, 2001). Vlaams minister-president Dewael riep overheden, middenveld en burgers op om mee te denken en te discussiëren over manieren waarop de doelstellingen van de Kleurennota verwezenlijkt kunnen worden: “Zo helpen we de mensen in Vlaanderen met meer zekerheid en vertrouwen naar zichzelf, naar de gemeenschap en naar de toekomst te kijken” (Dewael, 2001). Hoe is het nu precies gesteld met de mate waarin de mensen in Vlaanderen met vertrouwen naar de toekomst kijken? Wat denkt de Vlaming vandaag over Vlaanderen anno 2012? De jaarlijkse APS-survey, gebaseerd op een representatieve steekproef van de bevolking van 18 tot 85 jaar in het Vlaamse Gewest en van de Nederlandstalige bevolking in het Brussels Gewest, stelt zich ondermeer tot doel dergelijke vragen te kunnen beantwoorden met een schets van “het sociaal-culturele omgevingsklimaat waarbinnen de overheid dient te werken” (Vlaamse Gemeenschap, 2000). In de APS-survey van 2002 werd opnieuw expliciet gepeild naar de visie van de Vlamingen op de mogelijke toekomstige ontwikkelingen in Vlaanderen. Dit gebeurde aan de hand van onderstaande vraagstelling.

202


Optimisme en pessimisme in Vlaanderen.

FIGUUR 1

Vraagstelling naar toekomstverwachtingen uit APS-survey 2002 De uitspraken die nu volgen gaan over mogelijke toekomstige ontwikkelingen in Vlaanderen zelf. Denkt u dat deze uitspraken fout of juist zijn? Denk u dat het juist of fout is wanneer men zegt dat over 10 jaar‌ (antwoordcategorieÍn om aan te duiden: volledig fout, fout, niet juist en niet fout, juist , volledig juist, weet niet). 1) er in Vlaanderen meer werklozen zullen zijn dan nu 2) de Vlaming voor zijn eigen pensioen zal moeten zorgen 3) het aantal sociaal uitgeslotenen in Vlaanderen groter zal zijn dan nu 4) de volgende generatie een stap terug zal moeten zetten met z’n inkomen 5) het verschil tussen de hoge en de lage inkomens van de werkende Vlaming groter zal zijn dan nu 6) de kwaliteit van het leefmilieu beter zal zijn 7) de voeding gezonder zal zijn dan nu 8) meer mensen een hoger beschikbaar inkomen zullen hebben dan nu

In tabel 1 staan de antwoordresultaten voor de verschillende items weergewe eerst even een vluchtige blik werpen op het gehele resultaat. Over het algemeen blijken de Vlamingen eerder terughoudend in hun optimisme te zijn. Zo goed als niemand meent met grote stelligheid te kunnen beweren dat Vlaanderen er over tien jaar op alle gebieden beter zal uitzien.

geven4 . Laten

4. Het gaat om resultaten gewogen naar leeftijd en opleiding.

203


Vlaanderen gepeild ! TABEL 1

) Toekomstverwachtingen Vlamingen (APS, 2002) N=1477 (gewogen resultaten)

1. over tien jaar meer werklozen 2. eigen pensioen moeten zorgen 3. meer sociaal uitgeslotenen 4. volg. Generatie inkomen stap terug 5. verschil hoge en lage lonen groter 6. leefmilieu beter 7. voedsel gezonder 8. meer mensen hoger inkomen

Fout

Niet juist niet fout

1,1%

19,7%

1,2%

Volledig fout

juist

Volledig juist

Weet niet

Geen antwoord

22,7%

42,4%

5,1%

8,7%

0,4%

18,9%

21,3%

47,3%

5,3%

5,6%

0,3%

0,5%

15,4%

27,2%

45,7%

4,3%

6,3%

0,6%

0,8%

15,2%

22,3%

48,9%

6,9%

5,3%

0,5%

0,4% 5,1% 8%

12,9% 38,2% 42,3%

23,9% 28,1% 26,9%

49% 23,4% 18,3%

6,6% 0,9% 0,7%

6,8% 3,8% 3,4%

0,6% 0,7% 0,5%

2,3%

31,8%

36,5%

20,9%

0,9%

7%

0,7%

Bron: APS-survey 2002

Doorgaans meent zowat een vijfde tot een kwart van de respondenten dat het met Vlaanderen nog alle kanten op kan. Zo ongeveer een zesde tot een vijfde van de ondervraagden ziet Vlaanderen in de goede richting evolueren. Rond de vijf procent mensen ziet het toekomstplaatje van Vlaanderen bijzonder somber in, terwijl veertig tot soms vijftig procent van de respondenten akkoord gaat met een pessimistische toekomstvoorspelling. Het vertrouwen van de Vlamingen in een rooskleurige toekomst is dus feitelijk niet zo bijzonder groot. Als we onze aandacht even toespitsen op de resultaten voor de concrete items, dan constateren we dat zo’n 47% van de Vlamingen denkt dat er over 10 jaar meer werklozen dan vandaag zullen zijn, meent bijna 53% van de Vlamingen dat men over 10 jaar voor het eigen pensioen zal moeten zorgen, voorspelt 50% van de Vlamingen dat er straks meer sociaal uitgeslotenen zullen zijn, vreest 56% dat de volgende generatie op het vlak van inkomen een stap achteruit zal moeten zetten en meent bijna 56% dat de inkomenskloof tussen kleine verdieners en grootverdieners onder de werkenden alleen maar zal toenemen. Zowat 43% van de Vlamingen meent dat het leefmilieu er over tien jaar niet beter aan toe zal zijn en 50% rekent er niet op dat het voedsel over een decennium gezonder zal zijn. Slechts een kleine 22% van de Vlamingen meent dat er over tien jaar meer mensen met een hoger beschikbaar inkomen zullen zijn.

204


Optimisme en pessimisme in Vlaanderen.

TABEL 2

Toekomstverwachtingen van de Vlamingen, percentage per leeftijdsgroep dat het ‘helemaal eens’ is of ‘eens’ is met de uitspraken (APS 2002) 18-24 25-34 35-44 45-54 55-64 65+ (n=160) (n=255) (n=297) (n=263) (n=207) (n=297) 1. over tien jaar meer werklozen 2. eigen pensioen moeten zorgen 3. meer sociaal uitgeslotenen 4. volg. generatie inkomen stap terug 5. verschil hoge en lage lonen groter

46%

44%

41%

49%

48%

56%

40% 40%

62% 47%

58% 53%

56% 54%

46% 53%

49% 49%

33%

41%

54%

65%

69%

65%

45%

57%

58%

58%

59%

52%

Bron: APS-survey 2002.

In tabel 2 wordt de bivariate verdeling weergegeven van de eerste vijf items aangaande algemene toekomstverwachtingen naargelang leeftijdsgroepen. Hieruit blijkt dat de jongste groep (van 18 tot 24 jaar) optimistischer is ingesteld over de toekomst dan de oudere leeftijdscategorieën. Opvallend is verder dat met name binnen de groep tussen 25 en 34 jaar oud – een groep die de eerste stappen op de arbeidsmarkt achter de rug heeft – gedacht wordt dat er een wijziging van het pensioenstelsel op komst is (vgl. Dominitz, Manski & Heinz, 2001). Tabel 3 geeft de bivariate verdeling weer van de eerste vijf items aangaande algemene toekomstverwachtingen, al naargelang het opleidingsniveau. Hier is de opvallende tendens dat hoger geschoolden eerder optimistisch zijn over de toekomstperspectieven dan lager geschoolden. Enkel aangaande de toekomstige ontwikkeling van het pensioenstelsel, tekent er zich een ander patroon af. Op dit punt zijn de universitair geschoolden zelfs het meest bevreesd – of is het vooruitziend ? – dat men in de toekomst voor het eigen pensioen zal moeten zorgen.

205


Vlaanderen gepeild ! TABEL 3

Toekomstverwachtingen van de Vlamingen, percentage per scholingsniveau dat het ‘helemaal eens’ is of ‘eens’ is met de uitspraken (APS 2002)

1. over tien jaar meer werklozen 2. eigen pensioen moeten zorgen 3. meer sociaal uitgeslotenen 4. volg. generatie inkomen stap terug 5. verschil hoge en lage lonen groter

Geen/LO (n=369)

Lager secundair (n=300)

Hoger secundair (n=473)

hobu (n=235)

unief (n=96)

59%

51%

46%

35%

28%

55% 53%

49% 50%

54% 53%

53% 44%

58% 36%

67%

55%

54%

47%

38%

57%

56%

59%

53%

37%

Bron: APS-survey 2002.

Tabel 4, deels overgenomen uit VRIND 2000, geeft de evolutie van de instemmende antwoorden op deze vragen weer tussen 1996 en 2000 enerzijds, te vergelijken met de antwoordpatronen voor 2002 anderzijds5. Ook al gaat het hier niet om een panelonderzoek maar om cross-sectionele data en moeten we dus voorzichtig zijn in uitspraken over verschuivingen in de tijd, lijken de toekomstverwachtingen van de Vlamingen in 2002 weer somberder te worden. Waar de Vlamingen het meest pessimistisch waren in 1997 – wellicht niet toevallig de peiling volgend op de onthullingen rond Dutroux – viel in de drie daarop volgende jaren een positieve trend te ontwaren (Vlaamse Gemeenschap, 2000). Opmerkelijk was met name dat er veel minder mensen overtuigd waren dat er over tien jaar meer werklozen zouden zijn. In 2000 was nog maar een kwart van de Vlamingen het met die stelling akkoord. Volgens de resultaten van de APS-survey van 2002, volgend op de gebeurtenissen van elf september en het failliet van Sabena, is dat optimisme ondertussen echter flink bekoeld.

5.

In de APS-bevraging van 2001 kwamen de desbetreffende items niet voor.

206


Optimisme en pessimisme in Vlaanderen.

TABEL 4

Toekomstverwachtingen van de Vlamingen, percentage dat het ‘helemaal eens’ is of ‘eens’ is met de uitspraken (APS, 1996-2000, 2002)

1. over tien jaar meer werklozen 2. eigen pensioen moeten zorgen 3. meer sociaal uitgeslotenen 4. volg. generatie inkomen stap terug 5. verschil hoge en lage lonen groter

1996

1997

1998

1999

2000

2002

57%

61,2%

51,6%

39,3%

24,7%

47,5%

57,8%

66,9%

55,9%

46,6%

46,8%

52,6%

65%

69,4%

61,4%

57,2%

49,2%

50%

71,4%

75,1%

63%

55,3%

48%

55,8%

59,8%

72,6%

67,9%

65,6%

61,4%

55,6%

Bron: VRIND 2000, APS-survey 2002.

3

| Algemene socio-economische verwachtingen

Op basis van bovenstaande items werd nagegaan of gesproken kan worden van één (of meerdere dimensies van een) onderliggend algemeen toekomstbeeld. Hiertoe werd eerst gecontroleerd en gecorrigeerd voor de ontbrekende data in de itemset6. Vervolgens werd een factoranalyse uitgevoerd om achterliggende factoren te extraheren. In tabel 5 worden de geroteerde factorscores (varimax-rotatie) gepresenteerd. TABEL 5

Geroteerde factorscores (varimax-rotatie) voor toekomstverwachtingen (APS, 2002)

Item 1 Item 2 Item 3 Item 4

Meer werklozen Ieder voor eigen pensioen zorgen Meer sociaal uitgeslotenen Volgende generatie qua inkomen een stap terug

Factor1 0.68676 0.62973 0.72141 0.70382

Factor2 0.09499 0.05008 0.15816 0.03384

6. Bij de controle op missing data in de itemset, bleek door 1197 van de 1477 respondenten (of 81%) op alle items een antwoord gegeven te zijn. Bij de 280 andere cases kon 63% procent gerecupereerd worden door een imputatie bij 1 of 2 missing values. In dergelijke gevallen werd telkens de gemiddelde score van deze respondent aan de ontbrekende waarde(n) toegekend. Wanneer een respondent evenwel meer dan twee missings heeft in de itemset, werd hij niet weerhouden voor analyse.

207


Vlaanderen gepeild ! Item 5 Item 6 Item 7 Item 8

Grotere verschillen lage en hoge inkomens Betere kwaliteit leefmilieu Gezondere voeding Meer mensen met hoger inkomen

Factor1 0.62803 0.02523 0.05125 0.18859

Factor2 0.10130 0.86579 0.86379 0.52992

Er lijken op basis van de factoranalyse twee factoren te onderscheiden kunnen worden7. Items 1 tot 5 lijken enerzijds samen te hangen, terwijl anderzijds items 6 en 7 veel met elkaar gemeen hebben. Ook inhoudelijk houdt dit steek, omdat factor één geïnterpreteerd kan worden als de te verwachten sociaal-economische evolutie (welvaart) en factor twee geïnterpreteerd kan worden als de te verwachten evolutie van de levenskwaliteit. Er stelt zich evenwel een probleem met het laatste item, dat vanuit een inhoudelijk oogpunt aansluit bij de eerste factor, maar in de verzamelde data evenwel eerder aanleunt bij de tweede factor. We menen dat hier wellicht sprake is van een methodologisch artefact. Omdat we vermoeden dat het antwoordpatroon op de twee voorafgaande items als het ware verlengd werd tot het laatste item (response set), beslissen we om dit item nergens te weerhouden. Op basis van de resultaten van bovenstaande factoranalyse, beslissen we om op basis van de items twee variabelen te construeren. Enerzijds een variabele die peilt naar de sociaal-economische toekomstverwachtingen via een sommatie van de eerste vijf items, anderzijds een variabele die peilt naar de verwachtingen rond levenskwaliteit via een sommatie van de scores van het zesde en zevende item. Voor de variabele toekomstverwachtingen kunnen scores bereikt worden van 0 tot 20, waarbij 0 staat voor de de meest pessimistische visie en 20 voor de meest optimistische visie over de sociaal-economische ontwikkelingen in Vlaanderen. Bij de geconstrueerde variabele levenskwaliteit loopt de score volgens eenzelfde logica van 0 tot 8. De algemene frequentieverdeling op deze gesommeerde variabelen zijn terug te vinden in onderstaande figuren 2 en 3. We merken op dat de Vlamingen over het algemeen wat optimistischer zijn op het vlak van de ontwikkeling van de levenskwaliteit (gezond voedsel en beter leefmilieu) en eerder wat pessimistischer zijn als hen gevraagd wordt naar de toekomstverwachtingen voor Vlaanderen op sociaal-economisch vlak. Mogelijk is dit evenwel een effect van de vraagverwoording omdat in het eerste geval gevraagd wordt of men al dan niet akkoord gaat met een negatieve stelling, terwijl in het tweede geval gevraagd wordt of men al dan niet akkoord gaat met een positief geformuleerde stelling.

7.

Zowel de mineigen-criteria en de scree-plot suggereren dat er binnen de acht items twee factoren te onderscheiden vallen.

208


Optimisme en pessimisme in Vlaanderen.

FIGUREN 2 EN 3

Frekwentie

Frekwentie

Frequentieverdeling van schalen omtrent sociaal-economische toekomstverwachtingen en verwachte levenskwaliteit in de APS-survey 2002

Verwachte levenskwaliteit

Verwachte sociaal-economische evolutie

In onze poging om de determinanten op te sporen van algemene toekomstverwachtingen zullen we ons enkel concentreren op de eerste samengestelde variabele die peilt naar de toekomstverwachtingen op socio-economisch gebied8. Deze schaal voor sociaal-economische toekomstverwachtingen kent een Cronbach’s alpha van 0,71, wat aanvaardbaar is als maat voor interne consistentie9.

4

| Zorgen van de Vlamingen

Niet alleen de algemene toekomstverwachtingen van de Vlamingen werden bevraagd, maar ook hun persoonlijke zorgen. Het omgekeerde van deze zorgenschaal beschouwen we als een persoonlijk toekomstbeeld: wie zich persoonlijk weinig of geen zorgen maakt houdt er een positiever toekomstscenario op na voor zichzelf dan wie zich veel zorgen maakt. De APS-vraag die peilt naar de zorgen van de Vlaming bestaat uit volgende 8 uitspraken:

8. We zullen geen analyse verrichten met de schaal voor de toekomstverwachtingen op het gebied van levenskwaliteit (milieu en gezondheid) als afhankelijke variabele. We namen die beslissing omdat de schaal enerzijds slechts uit twee items bestaat en omdat anderzijds een exploratieve analyse aan de hand van een neuraal netwerk weinig hoop gaf omtrent de ordegrootte van de maximale verklaringskracht. 9. Het is evenwel ook geen schitterend resultaat, doorgaans wordt als (enigszins arbitraire) vuistregel 0.75 als streefcijfer gehanteerd.

209


Vlaanderen gepeild ! FIGUUR 4

Vraagstelling naar toekomstverwachtingen uit APS-survey 2002 Maakt u zich geen zorgen, enige zorgen of veel zorgen over volgende zaken? (antwoordcategorieĂŤn om aan te duiden: geen zorgen, enige zorgen, veel zorgen, geen mening, niet van toepassing) 1) geldzaken 2) de politiek 3) uw eigen gezondheid 4) uw gezin 5) uw toekomst 6) uw veiligheid 7) de mogelijke werkloosheid van uzelf of uw partner

De zorgenstructuur van de Vlamingen in de steekproef leveren onderstaand beeld op (tabel 6). In algemene termen kunnen we stellen dat het aandeel Vlamingen dat zich enige zorgen maakt het grootst is, en de groep die zich veel zorgen maakt het kleinst is. De Vlamingen die zich geen zorgen maken zijn in aantal de middengroep. Uitzonderingen hierop zijn in de eerste plaats de politiek, waarover zes op tien Vlamingen zich helemaal geen zorgen maakt, en, in de tweede plaats, de werkloosheid van zichzelf of van zijn/haar partner. Bij deze beide items is de groep die zich geen zorgen maakt het grootst, en de groep die zich veel zorgen maakt het kleinst. De werkloosheidsvraag werd evenwel alleen gesteld aan Vlamingen die betaalde arbeid verrichten, met andere woorden niet aan werklozen of aan huismannen/vrouwen, die bijna 29% van de steekproef uitmaakten (28,8% 'niet van toepassing')10. Als we ons concentreren op de personen op wie de vraag van toepassing was, merken we dat 48,2% zich geen zorgen maakt, 37,3% zich enige zorgen maakt en 13,7% zich veel zorgen maakt11. De Vlaming maakt zich dus enige zorgen maar piekert zich niet suf, en kijkt het minst met zorgen naar de politiek.

10. Het percentage respondenten dat wel een antwoord geeft is dus ca. 70%. Het percentage werkende Vlamingen in de steekproef is slechts bijna 60%, maar de vraag peilt ook naar de werkloosheid van de partner, wat het aantal respondenten voor wie de vraag relevant is, opkrikt. 11. De resterende 0,8% voor wie de vraag wel relevant was, gaf geen antwoord.

210


Optimisme en pessimisme in Vlaanderen.

TABEL 6

Zorgen Vlamingen (APS, 2002) N=1477 (gewogen resultaten)

1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

geldzaken de politiek gezondheid gezin toekomst veiligheid werkloosheid

Geen zorgen 40,9% 57,1% 30,0% 24,0% 32,1% 28,1% 34,2%

Enige zorgen 47,1% 31,3% 41,4% 35,0% 45,2% 43,8% 26,5%

Veel zorgen 11,5% 10,5% 28,5% 34,9% 22,2% 27,7% 9,7%

Geen mening 0,1% 0,8% 0% 0,1% 0,3% 0,2% 0,5%

Niet van toepassing 0,1% 0% 0% 5,8% 0% 0,2% 28,8%

geen antwoord 0,2% 0,2% 0,1% 0,3% 0,1% 0,1% 0,2%

Bron: APS-survey 2002

Meer in detail bekeken leert tabel 6 ons dat Vlamingen zich het meest zorgen maken om hun gezin. Voor desbetreffend item is het percentage 'veel zorgen' bijna identiek aan het percentage 'enige zorgen' (34,9% versus 35,0%). Na gezin zijn het de thema's gezondheid en veiligheid die de Vlamingen het meeste zorgen baart. Eigen werkloosheid, de politiek en geldzaken zijn het minst zorgwekkend. De persoonlijke toekomst, last but not least, bekleedt duidelijk een middenpositie. 45% maakt zich enige zorgen over zijn toekomst, één derde kijkt zijn toekomst onbezorgd tegemoet, en minder dan een kwart maakt zich hier veel zorgen over. Dus terwijl Vlamingen voor de sociaal-economische toekomstverwachting van Vlaanderen eerder pessimistisch gestemd zijn, zijn zij – relatief gezien en in de mate dat de schalen onderling vergelijkbaar zijn – eerder positief voor wat betreft hun eigen toekomstperspectief. In Nederland is overigens eveneens gebleken dat mensen vaak pessimistischer zijn over de toekomst in het algemeen dan over hun eigen toekomst (Ester, Vinken & Diepstraten, 2000). Ook merkwaardig is dat werkgelegenheid en geldzaken niet de belangrijkste bronnen van zorgen vormen, materies die nochtans verband houden met de sociaal-economische evolutie. Uit de APS-survey van 2000 bleek dat er een verband is tussen zorgen van de Vlamingen en het opleidingsniveau: Universitair geschoolden maken zich in het algemeen minder zorgen dan lager, secundair en hobu-geschoolden, behalve over politiek (VRIND, 2000: 20). We gingen ook voor de APS-survey van 2002 na in welke mate mensen van verschillende scholingsniveaus zich zorgen maken. De percentages van mensen die zich véél zorgen maken worden voor de verschillende opleidingsniveaus weergegeven in tabel 7. We zien ook in de data van 2002 bevestigd dat er, in vergelijking met de andere opleidingsniveaus, procentueel minder universitairen zijn die zich veel zorgen maken. Alleen maken zij zich dan inderdaad weer méér dan de andere groepen zorgen over de politiek.

211


Vlaanderen gepeild ! TABEL 7

Zorgen van de Vlamingen, percentage dat zich véél zorgen maakt over de aangegeven aspecten naargelang opleidingsniveau (APS 2002)

Geldzaken Politiek Gezondheid Gezin Toekomst Veiligheid Werkloosheid

Lager Hoger Geen / LO secundair secundair 15% 15% 10% 9% 9% 11% 40% 33% 25% 38% 41% 33% 30% 26% 19% 33% 30% 27% 10% 12% 11%

HOBU 7% 12% 18% 30% 14% 21% 6%

Unief 3% 13% 13% 27% 11% 13% 5%

Bron: APS-survey 2002.

Tabel 8, opnieuw deels overgenomen uit VRIND 2000, geeft de evolutie van de zorgen van de Vlamingen weer in de jaren 1997, 1998, 2000 en 2002. Weerom geldt hier dezelfde opmerking dat het hier niet om een panelonderzoek gaat, maar om cross-sectionele data en we dus voorzichtig moeten zijn in uitspraken over verschuivingen in de tijd. In 2000 maakten opmerkelijk meer Vlamingen zich zorgen over diverse levensaspecten dan twee of drie jaar voordien. Enkel op het vlak van vrees voor (eigen) werkloosheid, was er een afname te constateren. Voor het jaar 2002 vinden we min of meer dezelfde patronen terug als in 2000 – zij het dat het percentage dat zich zorgen maakt op bijna alle indicatoren gedaald is. Enkel over werkloosheid van zichzelf of de partner lijkt de Vlaming zich mogelijk12 weer wat meer zorgen te maken. Overigens is op dit punt het (mogelijke) verschil met 2000 wel veel minder spectaculair; de Vlaming maakt zich blijkbaar relatief minder zorgen over de eigen mogelijke werkloosheid (of die van de partner) dan dat hij of zij pessimistisch denkt over de evolutie van de werkloosheidstoestand in het algemeen. Opvallend is dat de Vlamingen zich over de jaren heen in grote getale zorgen blijken te maken over hun veiligheid en gezondheid.

12. Het verschil is evenwel zo klein dat het wellicht niet significant is. We hebben dit evenwel niet kunnen verifiëren.

212


Optimisme en pessimisme in Vlaanderen.

TABEL 8

Zorgen van de Vlamingen, percentage dat zich ‘veel zorgen’ of ‘enige zorgen’ maakt over de aangegeven aspecten (APS, 1997, 1998, 2000, 2002)

Eigen gezondheid Uw veiligheid Uw gezin Uw toekomst Uw geldzaken Politiek Werkloosheid zelf/partner

1997 67% 76,9% 62,3% 73,6% 63% 47,7% 45,8%

1998 62,3% 64,4% 62,6% 60,4% 56,5% 42,7% 38,5%

2000 76,9% 76,1% 74,7% 71,6% 67,1% 42,4% 35,5%

2002 69,9% 71,5% 69,9% 67,4% 58,6% 41,8% 36,2%a

a. Berekenen we het percentage evenwel enkel op wie de vraag van toepassing is (wie zelf werkt en/of van wie de partner werkt) dan is het resultaat 57% van de mensen maakt zich zorgen. Bron: VRIND 2000, APS-survey 2002.

Vermits we op basis van deze items een schaal wensen te construeren, analoog aan de schaal met betrekking tot de algemene toekomstverwachtingen, doen we ook hier een factoranalyse en berekenen we een maat voor de interne consistentie (Cronbach's alpha) van de totstandgekomen schaal. Een allereerste factoranalyse duidt op één of twee factoren, en maakt duidelijk dat alle items eenzelfde dimensie meten, behalve het item dat peilt naar de persoonlijke zorgen omtrent politiek13. Wanneer we het item rond politiek negeren, komt duidelijk één factor naar voren, die meteen de helft van de variantie in de itemset verklaart. De interne consistentie is dan groot, met een waarde van 0,80 voor Cronbach's alpha. Blijkbaar is voor de gemiddelde Vlaming de zorg om politiek van een andere – wellicht verder verwijderde – dimensie dan zijn overige zorgen. In dit artikel gaan we verder aan de slag met de consistente schaal zonder het politieke item.

5

| Wat bepaalt de toekomstverwachtingen van de Vlamingen? Enkele hypothesen.

In de rest van dit artikel stellen wij ons tot doel exploratief, vanuit een sociologische bril bekeken, na te gaan of (en hoe) algemene toekomstverwachtingen op socio-economisch vlak enerzijds, en persoonlijke toekomstverwachtingen anderzijds, te duiden vallen. Gezien we hier – voor zover we konden verifiëren – vrij onbetreden paden inslaan, zullen we in de eerste plaats een beroep moeten doen op onze ver-

13. De scree plot suggereert één factor, het mineigen-criterium suggereert twee factoren, aangezien de tweede factor net groter is dan 1 (1.07).

213


Vlaanderen gepeild ! beeldingskracht en analogieën eerder dan op meteen relevante theoretische inzichten. Zoals reeds eerder gesteld werd, vermoeden we dat de toekomstverwachtingen, zowel in het algemeen als wat betreft het persoonlijk vlak, bepaald worden door demografische en sociaal-economische achtergrondvariabelen (zoals onderwijspeil, geslacht, leeftijd, economisch kapitaal, levensbeschouwelijke betrokkenheid), door de mate van sociaal kapitaal (strong en weak ties) en media-gebruik en door een reeks attitudes (individualisme, politieke machteloosheid, gevoelens van discriminatie). We zullen dit nagaan in een stapsgewijze causale analyse (vgl. Jacobs, Abts, Phalet & Swyngedouw, 2001). Met deze procedure wensen we telkens na te gaan wat het totale effect is van een bepaalde variabele op de afhankelijke variabele, zijnde toekomstverwachtingen op socio-economisch vlak. Zo bestuderen we (stapsgewijs) de totale effecten van een reeks invloedrijke variabelen, uitgezuiverd voor het effect van logisch voorafgaande variabelen. Nog anders gesteld, willen we ons niet enkel blind staren op de directe effecten van alle variabelen (gecontroleerd voor elkaar, zonder theoretisch onderscheid). In navolging van King, Keohane & Verba (1994), doen we dit door verschillende opeenvolgende modellen te toetsen, waarbij steeds gecontroleerd wordt voor de variabelen uit de voorafgaande stap van de analyse. Hierbij geven we aan dat we er theoretisch van uitgaan dat de variabelen uit de voorafgaande stappen ook effectief causaal voorafgaand zijn aan deze van de volgende stappen. De variabelen die in latere stappen worden toegevoegd, worden dan gezien als consequenties van de variabelen in de voorgaande stappen. De specifieke samenhang tussen de te verklaren variabele en de verklarende variabele wordt uitgezuiverd van het effect van voorafgaande onafhankelijke variabelen, zo is hierbij de redenering. De plaats van de opgenomen variabelen in het model zullen we inhoudelijk pogen te rechtvaardigen, hoewel de beslissingen onvermijdelijk voor een stuk datagestuurd blijven omdat we ons – zoals gezegd – (wellicht) op onbetreden paden begeven. Uiteindelijk willen we met onze analyse verkennen in hoeverre objectieve omstandigheden en in hoeverre subjectieve beleving van de leefwereld van invloed zijn op de toekomstverwachtingen van individuen voor Vlaanderen en voor zichzelf. Het door ons voorgestelde en getoetste padmodel bestaat uit groepen van variabelen, zes groepen in totaal, waarvan de variabelen telkens op inhoudelijke gronden bij elkaar horen. Een eerste groep van variabelen kunnen we objectieve achtergrondvariabelen noemen. Zij zijn niet gekozen of zijn voor volwassenen gegeven als het resultaat van hun voorgaande levenservaringen. Het betreft hier geslacht, leeftijd en opleiding. De spreekwoordelijke wijsheid over ‘de goede oude tijd’ in het achterhoofd houdend, zou men als hypothese kunnen stellen dat een oudere leeftijd tot minder optimistische toekomstverwachtingen leidt. Uit Nederlands onderzoek (Diepstraten, Ester & Vinken, 1999) is alleszins gebleken dat jongeren een optimistischer kijk hebben op socio-economische ontwikkelingen dan ouderen. Dat blijkt overigens ook uit vroegere Vlaamse APS-data, waarover gerapporteerd wordt in VRIND

214


Optimisme en pessimisme in Vlaanderen.

(Vlaamse Gemeenschap, 1999: 18). Tegelijk blijkt evenwel dat maar liefst 80% van de ouderen (55+) wel van oordeel is dat we het vandaag ‘veel beter hebben dan vroeger’ (Ibid.: 17)14. In de eerder gepresenteerde bivariate verdelingen van algemene toekomstverwachtingen naar leeftijd van de APS-data van 2002 merken we dat jongeren optimitischer zijn dan ouderen, maar lijkt er bij een aantal items eveneens sprake van een curvilineair verband. Wat er ook van zij, leeftijd lijkt ons een belangrijke onafhankelijke variabele voor toekomstverwachtingen te zijn en we verwachten een negatief verband. Het opleidingsniveau lijkt ons evenzeer van belang in de mate dat we vermoeden dat laaggeschoolden door de band een somberder (algemeen) toekomstbeeld zullen hebben dan hoger geschoolden. Net zoals uit onze eerdere bivariate tabellen over 2002, bleek uit eerdere APS-data dat naarmate het opleidingsniveau toeneemt, ook het optimisme over de toekomst in het algemeen stijgt (Vlaamse Gemeenschap, 1999: 18). Paradoxaal genoeg klagen hoger geschoolden wel meer als naar hun actuele tevredenheid gevraagd wordt (Ibid.: 17). We willen tenslotte niet uitsluiten dat gender een rol kan spelen voor de toekomstverwachtingen. Hoewel dit niet meer dan de status van een speculatieve hypothese heeft, kan vermoed worden dat vrouwen minder rooskleurig zullen denken over de persoonlijke toekomstperspectieven omdat zij, bij ontsteltenis aan grote voorraden “nieuwe” mannen, meer lasten zullen dragen door hun groter aandeel in huishoudelijke taken en zorgtaken. Bovendien bevinden zij zich over het algemeen vaker in een minder machtige positie dan mannen, wat mogelijk aanleiding kan geven tot een verhoogde kans op pathologieën als depressiviteit (Bracke, 2000). Wellicht kan naar analogie voorondersteld worden dat het ook de kans op pessimistischer toekomstverwachtingen, zowel voor zichzelf, als voor de omgeving in het algemeen, bij vrouwen vergroot. We verwachten evenwel een sterker effect op het persoonlijk vlak dan wat betreft algemene toekomstverwachtingen. In de tweede groep achtergrondkenmerken, nemen we het inkomen in rekenschap als verklarende variabele. Deze variabele plaatsen we in de tweede stap omdat het inkomen afhankelijk kan zijn van geslacht, leeftijd en opleiding. We vermoeden dat mensen met een lager inkomen een pessimistischer toekomstbeeld zullen hebben dan mensen met een hoger inkomen. Indien er evenwel een parallel getrokken zou mogen worden tussen toekomstverwachtingen en actueel welbevinden, dan zou de impact van inkomen wel eens complexer kunnen zijn. Zo signaleert men in de psychologisch-economische literatuur dat effecten van inkomen op welbevinden variëren van significant negatief, over neutraal, tot significant positief. Om

14. Overigens rapporteren Ferrer & Frijters (2002: 9) dat er volgens resultaten van de world value surveys een licht positief effect van leeftijd op welbevinden bestaat. De in de vakliteratuur naar voren geschoven verklaringen hiervoor, gaan luidens Ferrer & Frijters in twee richtingen: ouderen hebben geringere aspiraties (m.a.w. ze leggen de evalutielat lager) wat uitmondt in een iets positievere perceptie (Cambell, Converse en Rogers, aangehaald in Ferrer & Frijters, 2002: 9) of het zijn precies diegenen met het hoogste welbevinden en de beste toekomstverwachtingen die overleven (Argyle, aangehaald in Ferrer & Frijters, 2002).

215


Vlaanderen gepeild ! het contra-intuïtieve negatieve effect te verklaren, spreken Brickman en Cambell volgens Ferrer en Frijters (2002: 21) in dit verband over een 'hedonic treadmill', waarbij objectieven ons niet meer positief stemmen eens ze zijn bereikt. Wij verwachten als sociologen evenwel een positief verband tussen inkomen en toekomstverwachtingen gezien een hoger economisch kapitaal ook meer handelingsmogelijkheden impliceert. Op dezelfde hoogte in ons padmodel situeren we de werkstatus van elke respondent. Zes klassen zijn zinvol onderscheidbaar zowel qua betekenis als qua streekproefaantal: werkend, werkloos, gepensioneerd, actief als huisman/vrouw, studerend, en een restklasse 'andere'. We verwachten in een eerste reflex dat werkenden positiever tegen de algemene toekomst aankijken dan werklozen, de redenering volgend dat zij hun persoonlijke lot zullen doortrekken naar een algemenere verwachting. Op het vlak van persoonlijke toekomstverwachtingen lijkt de link ons evident (zie ook Winkelmann & Winkelmann, 1998), hoewel we niet mogen vergeten dat de toestand werkloos te zijn door verschillende sociale groepen anders beleefd wordt en niet alle werklozen tot pessimisme gedreven worden (Schnapper, 1981). Van studerenden – uiteraard meestal jongeren – wordt een positievere kijk verwacht dan van gepensioneerden, al hangen deze twee categorieën nauw samen met leeftijd, hetgeen reeds in het model vervat zit. Met andere woorden, het toegevoegde of netto effect wordt hierdoor misschien niet helemaal geneutraliseerd, maar wellicht wel afgevlakt. In deze tweede stap nemen we ook de variabele levensbeschouwelijke betrokkenheid op. In navolging van Waege & Billiet (1998: 29-30) wordt levensbeschouwelijke betrokkenheid geoperationaliseerd aan de hand van levensbeschouwelijke oriëntatie en kerkpraktijk. De geconstrueerde variabele bevat zes categorieën: geen levensbeschouwing, vrijzinnig, anders kerkelijk (protestant, moslim, jood,…), randkerkelijk (katholiek maar nooit of zelden praktiserend), kerkelijk (geregeld, bvb. maandelijks, maar niet wekelijks naar de kerk) en kerks (meermaals per maand, wekelijks, tot meer dan wekelijks naar de kerk). We theoretiseren dat levensbeschouwelijke betrokkenheid (gedeeltelijk) een functie is van de in de voorgaande stap genoemde variabelen. We vermoeden dat mensen met een grotere levensbeschouwelijke betrokkenheid een positiever toekomstbeeld zullen hebben. Ten slotte introduceren we op dit punt ook het al dan niet hebben van kinderen als mogelijke verklarende variabele – een variabele die afhankelijk kan zijn van leeftijd. We menen dat wie kinderen heeft, zich eerder zorgen zal maken over de toekomst dan wie geen kinderen heeft. Kinderen verhogen in elk geval de 'stress levels' van een individu (Ferrer & Frijters 2002: 9). We vermoeden dat het effect eerder zal spelen op het persoonlijke niveau dan op het vlak van algemene toekomstverwachtingen. De derde groep van variabelen omvat enkele indicatoren van sociaal kapitaal en van media-gebruik. Het mediagebruik wordt bekeken aan de hand van hoe frequent men het nieuws volgt via respectievelijk krant, radio of tv. We durven ons er

216


Optimisme en pessimisme in Vlaanderen.

niet over uitspreken of nieuwsconsumptie nu eerder tot een optimistisch of een pessimistisch toekomstbeeld zal leiden. We menen dat een effect op toekomstverwachtingen alleszins niet uit te sluiten valt en nemen deze variabelen daarom op in het model. Het lijkt ons evenwel belangrijker als onafhankelijke variabele voor wat betreft algemene toekomstverwachtingen dan wat persoonlijke zorgen betreft. Op het gebied van sociaal kapitaal hanteren we vier verschillende indicatoren. Ten eerste of men al dan niet lid is van een vakbond, daarnaast of men al dan niet lid is van een vereniging, verder de mate waarin men zich verbonden voelt met buren, collega’s en studiegenoten (weak ties) en tenslotte de mate waarin men zich verbonden voelt met familie en vrienden (strong ties). Verder bouwend op het werk van Putnam (1993) zou men kunnen veronderstellen dat precies de mensen met veel weak en strong ties ook een hogere verwachting van abstracte wederkerigheid bij, en vertrouwen in, onbekenden zullen hebben en dat dit samenspel op zijn beurt een resem positieve effecten heeft (zoals een optimistischer toekomstbeeld). Naar analogie van het courante gebruik van de sociaal kapitaal these waarin de nadruk gelegd wordt op de structurele component (cfr. Stolle, 1999; Hooghe, 1999) zou men kunnen vooronderstellen dat mensen met brede sociale contacten (weak ties), familiebanden en vriendschappen (strong ties), met een (grote) deelname aan het verenigingsleven en met een goede inbedding in verschillende sociale netwerken, uiteindelijk tot een positiever toekomstbeeld komen. Variabelen als gevoelens van discriminatie, gevoelens van in de steek gelaten te worden door overheid, utilitair individualisme en het vertrouwen in de instellingen, nemen we op in het vierde blok van ons model. Maatschappelijke discriminatie wordt opgevat als perceptie van feitelijke of vermeende differentiële groepsbehandeling. De discriminatieschaal wordt geconstrueerd aan de hand van vier items die een benadeling van de eigen groep ten aanzien van ‘andere’ groepen in verband met politiecontroles (politie), behandeling door overheid (overheid) en bedrijfsstrategieën in situaties van economische crisis (bedrijf) uitdrukken (de Rycke, Swyngedouw & Phalet, 1999). De schaal doorstaat de check op interne consistentie met een Cronbach’s alpha van 0,72. Het lijkt ons dat gevoelens van discriminatie zullen leiden tot meer persoonlijke zorgen maar eveneens tot een somberder algemeen toekomstbeeld. Dezelfde redenering lijkt ons op te gaan voor gevoelens in de steek gelaten te worden door de overheid. De vraag naar het zich in de steek gelaten voelen door de overheid bestond uit slechts één item: "Sommige mensen voelen zich wel eens in de steek gelaten door de overheid. Komt dit gevoel nooit, zelden, soms regelmatig of vaak bij u voor?". Voor utilitair individualisme (Elchardus & Heyvaert, 1990), een schaal die we eveneens hier in ons model wensen te betrekken, lijkt de situatie ons complexer te liggen. We vermoeden dat het algemeen toekomstbeeld negatief beïnvloed zal worden door een individualistisch wereldbeeld, terwijl men de eigen situatie rooskleurig zal inschatten. Ten slotte, betrekken we ook het vertrouwen in de instellingen (Cronbach's alpha = 0,89) in deze stap in ons model. We menen dat een hoger vertrouwen in de instellingen zowel op persoonlijk als algemeen vlak voor een positiever toe-

217


Vlaanderen gepeild ! komstbeeld zorgt. Laten we in herinnering brengen dat we er met ons padmodel vanuit gaan dat deze variabelen logisch gezien afhankelijk zijn van de variabelen uit de voorliggende stappen. In dezelfde logica veronderstellen we dat de variabelen uit de vierde stap, de variabelen uit groep vijf schragen: onveiligheidsgevoelens, gevoelens van politieke machteloosheid en etnocentrische -attitudes. De Cronbach’s alpha’s bedragen respectievelijk 0,83, 0,81 en 0,88, hetgeen wijst op betrouwbare schalen. We willen toetsen of onveiligheidsgevoelens, gevoelens van machteloosheid en etnocentrisme van invloed zijn op de toekomstverwachtingen, gecontroleerd voor alle voorliggende variabelen.

6

| Padmodel voor sociaal-economische toekomstverwachtingen

Aangezien de te verklaren variabelen ‘sociaal-economische toekomstverwachtingen’ en ‘persoonlijke zorgen/toekomstverwachtingen’ quasi-metrisch zijn, kan een meervoudige regressie-analyse toegepast worden. Metrische schalen werden herschaald zodat het gemiddelde nul werd. Hierdoor wordt de betekenis van het intercept simpelweg de gemiddelde toekomstverwachting, dat wil zeggen gemiddeld over alle respondenten. Categorische kenmerken worden gecodeerd vooraleer ze het regressiemodel ingaan. Dummy- en effectcodering zijn vaste praktijk, de gepresenteerde regressies hanteerden allen effectcodering. Ten eerste omdat vanuit de theorie geen duidelijk vaststaande referentiecategorieën bestaan – de analyse is eerder verkennend dan confirmatorisch – en ten tweede omdat het intercept in het regressiemodel dan de gemiddelde toekomstverwachting blijft vertegenwoordigen, ook nadat categorische kenmerken in het regressiemodel zijn opgenomen. Naar de significantie van dichotome kenmerken toe maakt het geen verschil uit of men kiest voor dummydan wel effectcodering. Naar de significantie van polytome kenmerken toe, kan er wel een verschil zijn, maar bij zowel dummy- als effectcodering kan dit dan afhangen van de referentie15 (McClendon, 1994: 218). De onderlinge sterkte van de modeleffecten kunnen worden afgeleid van de gestandaardiseerde regressiecoëfficienten. Deze drukken uit met hoeveel eenheden standaardafwijking Y verandert wanneer (1) Xmetrisch één standaardafwijking toeneemt, of (2) wanneer Xcategorisch opschuift van het gemiddelde over alle categorieën naar de categorie waarop de regressieparameter betrekking heeft. De tabellen bevatten de gestandaardiseerde regressiecoëfficiënten (b’s) m.b.t. de verklarende variabelen. De b’s hebben het voordeel dat ze onderling ver-

15. De referentie is een vrij te kiezen categorie bij dummy-codering, en het ongewogen gemiddelde over alle categorieën van de polytome variabele in kwestie bij effectcodering. Deze vrijheid lijkt een voordeel, maar bij dummy-codering kan men de referentiecategorie strategisch of opportunistisch kiezen, terwijl effectcodering in deze neutraal blijft.

218


Optimisme en pessimisme in Vlaanderen.

geleken kunnen worden, waardoor een oordeel over het belang van de effecten mogelijk is. In deze paragraaf concentreren we ons eerst op het padmodel voor de algemene socio-economische toekomstverwachtingen (over 10 jaar). Daarin betrekken we als allerlaatste stap in het model overigens ook de persoonlijke (korte termijn) zorgen als allerlaatste onafhankelijke variabele, omdat we kunnen veronderstellen dat deze kunnen interfereren op de algemene toekomstverwachtingen. Uit de resultaten van de eerste stap in het padmodel blijkt dat mannen duidelijk een grotere kans op een optimistisch socio-economische toekomstbeeld hebben dan vrouwen. Klaarblijkelijk uit de relatieve machtsongelijkheid van vrouwen tegenover mannen zich hier inderdaad ook in een pessimistischer algemeen sociaaleconomisch toekomstbeeld. We hadden dit grotere pessimisme bij vrouwen evenwel eerder verwacht bij de persoonlijke zorgen dan bij de algemene socio-economische toekomstverwachtingen. Zoals verwacht werd, blijkt opleiding eveneens van belang bij de toekomstverwachtingen. Wie lager opgeleid is, heeft de kans eerder pessimistisch te zijn over de toekomst op socio-economisch vlak, terwijl wie hoger opgeleid is eerder een optimistische kijk zal hebben. Dit lijkt ons sociologisch verklaarbaar omdat in een context van gestage ontmanteling van de verzorgingsstaat, toenemende flexibilisering en deregularisering, erosie van het systeem van vastheid van betrekking en een standvastige structurele werkloosheid bij laaggeschoolden, sociaal-economische marginalisering en (ervaren) bestaansonzekerheid (Bauman, 1998) met name bij laaggeschoolden zal kiemen. Voor hooggeschoolden liggen de kaarten rooskleuriger. Zij behoren in een context van globalisering dan ook eerder tot wat de Zwitserse socioloog Hans-Peter Kriesi (2001) het kamp van de ‘winnaars’ genoemd heeft.

219


Vlaanderen gepeild ! TABEL 9

Gestandaardiseerde regressiecoëfficiënten (b’s) met ‘sociaal-economische toekomstverwachtingen’ als afhankelijke variabele – padmodel 1. Man (ref. vrouw) Leeftijd Opleidingsniveau Laag inkomen (ref. hoog) Werkend Werkloos Pensioen Huisvrouw/huisman Studerend (ref. andere status) Geen kinderen (ref. kinderen) Kerks Kerkelijk Randkerkelijk Andersgelovig Vrijzinnig (ref. geen levensb.) Lid vakbond (ref. geen lid) Lidmaatschappen vereniging Weak ties (buren, collega’s) Strong ties (vrienden, familie) Nieuws via krant Nieuws via radio Nieuws via TV Gevoelens discriminatie In de steek door overheid Vertrouwen instellingen Individualisme Politieke machteloosheid Onveiligheidsgevoel Etnocentrisme

,12*** ns ,18***

,12*** ns ,19*** ns ns ns ns ns ,08* ns ns ns ns ns ns

,12*** ns ,18*** ns ns ns ns ns ,08* ns ns ns ns ns ns ns ns ns ns ns ns ns

,13*** -,09* ,12*** ns ns ns ns ns ns ns ns ns ns ns ns ns ns ns ns ns ns ns -,13*** -,09*** ,15*** -,09***

,10*** ns ,08*** ns ns ns ,09* ns ns ns ns ns ns ns ns ns ns ns ns ns ns ns ns -,07** ,09*** ns -,13*** -,23*** -,07*

ns

Zorgen over pers. toekomst Adjusted R2 R2

,10*** ns ,08*** ns ns ns ,09* ns ns ns ns ns ns ns ns ns ns ns ns ns ns ns ns -,07** ,09*** ns -,13*** -,22*** -,07*

0,05 0,05

0,05 0,06

0,05 0,07

0,13 0,15

0,20 0,22

0,20 0,22

significanties: * p < 0,05, ** p <0,01, *** p< 0,001

Tegen onze verwachtingen in is er geen significant effect van leeftijd op socio-economische toekomstverwachtingen. Ook al is er wel een effect van geslacht

220


Optimisme en pessimisme in Vlaanderen.

en opleidingsniveau, de verklarende kracht van de socio-demografische variabelen uit deze eerste stap is al bij al eerder klein te noemen. Als we de tweede groep achtergrondkenmerken inbrengen, merken we dat het inkomensniveau helemaal geen significante rol speelt. Evenmin heeft de levensbeschouwelijke betrokkenheid een significant effect op de socio-economische toekomstverwachtingen. Ook de werkstatus of het al dan niet hebben van kinderen maakt geen verschil voor het algemeen toekomstbeeld op socio-economisch vlak. Dit lijken ons toch vrij opmerkelijke resultaten. Gecontroleerd voor opleidingsniveau, blijkt inkomen van geen tel te zijn op de socio-economische toekomstverwachtingen. In weerwil van wat men intuïtief zou aannemen, maakt het hebben van kinderen ook absoluut geen verschil in de toekomstvisie. Ook het al dan niet aanhangen van een bepaald geloof en de mate waarin men praktiseert, blijkt van geen tel te zijn voor het optimisme dan wel pessimisme aangaande de socio-economische toekomst. Ook de werkstatus blijkt van geen tel te zijn, behalve dat studerenden klaarblijkelijk wat meer kans hebben op een positief sociaal-economisch toekomstbeeld. De directe effecten van geslacht en opleidingsniveau blijven na het toevoegen van de variabelen uit de tweede stap overeind. Ook als we de derde groep aan variabelen, die indicatoren van sociaal kapitaal en van media-gebruik bevat, in ons model invoeren, merken we – gecontroleerd voor de voorafgaande variabelen – opmerkelijk genoeg geen enkel significant effect op toekomstverwachtingen op socio-economisch gebied. Of men nu vaak of niet het nieuws volgt via radio, tv of krant, dit heeft hoegenaamd geen effect op het toekomstbeeld van Vlaanderen op socio-economisch vlak. Ook het feit of men al dan niet lid is van een vakbond of vereniging, noch de mate waarin men zich verbonden voelt met buren, collega’s en studiegenoten (weak ties) of dat mate dat men zich verbonden voelt met familie en vrienden (strong ties), heeft enig effect. De inbedding in sociale netwerken maakt een persoon noch optimistischer noch pessimistischer over toekomstige ontwikkelingen op socio-economische gebied. De eerdere effecten blijven overeind. Pas als we in de vierde blok een reeks ervaringen en attitudes binnenbrengt in het model, vinden we opnieuw significante effecten. Wie zich in de steek gelaten voelt door de overheid, zal een grotere kans op een somberder toekomstbeeld hebben. Ook wie een utilitair individualistisch denkkader hanteert, zal kans maken op een pessimistisch algemeen toekomstbeeld op socio-economisch vlak. Wie gebukt gaat onder gevoelens van discriminatie, zal een nog grotere kans op een pessimistische visie hebben over de socio-economische ontwikkeling van Vlaanderen. Vertrouwen in de instellingen werkt dan weer als een krachtig antidotum en verhoogt de kans op een positieve inschatting van de sociale ontwikkelingen in Vlaanderen. Geslacht blijft een even sterk significant direct effect behouden, terwijl ook opleiding een direct effect behoudt maar dit in sterkte wat afgezwakt wordt. Dit komt omdat de variabelen die in dit vierde blok werden ingevoerd, afhankelijk zijn van het onderwijsniveau. Opmerkelijk is dan weer dat leeftijd plots een zwak direct negatief effect

221


Vlaanderen gepeild ! krijgt op algemene toekomstverwachtingen. Al bij al verhoogt onze verklaarde variantie met het inbrengen van de variabelen van deze vierde stap in belangrijke mate. Met het inbrengen van onze variabelen van de vijfde stap, stijgt de verklaarde variantie opnieuw gevoelig. Zo leidt een toename van politieke machteloosheid duidelijk tot een grotere kans op een pessimistischer toekomstbeeld op sociaaleconomisch vlak. Verder verhoogt een etnocentrische attitude de kans op pessimisme. Het sterkste effect komt evenwel van het onveiligheidsgevoel dat duidelijk nefast is voor het optimisme op sociaal-economisch gebied. Het eerder gevonden significant direct effect van leeftijd is ondertussen alweer verdwenen, wat vermoedelijk op de toevalligheid van het gevonden zwak effect wijst. Eveneens blijken ook het utilitair individualisme en de ervaren gevoelens van discriminatie niet langer significante directe effecten te vertonen, weerom omdat zij van invloed zijn op politieke machteloosheid, het onveiligheidsgevoel en het etnocentrisme. Ook het directe positieve effect van het vertrouwen in de instellingen boet hierdoor aan belang in maar blijft evenwel significant. Het direct effect van het opleidingsniveau vermindert eveneens in sterkte, opnieuw omdat het aan de basis ligt van de hier ingevoerde variabelen (politieke machteloosheid, onveiligheidsgevoel en etnocentrisme). We bekomen een verklaarde variantie van 0.20 met deze stap van het model. De allerlaatste stap, waarbij het zich zorgen maken over de persoonlijke toekomst in het model wordt toegevoegd, maakt helemaal geen verschil uit.

7

| Padmodel voor persoonlijke zorgen / toekomstverwachtingen

In dit onderdeel concentreren we ons op het padmodel voor de persoonlijke zorgen. We beschouwen deze als een proxy voor de persoonlijke toekomstverwachtingen (op korte termijn). Om vergelijkbaarheid met het model voor de algemene toekomstverwachtingen toe te laten is de geconstrueerde schaal geĂŻnverteerd zodat tekens dezelfde betekenis hebben. Naar analogie van ons eerste padmodel, betrekken we in de allerlaatste stap in het model ook de algemene (lange termijn) toekomstverwachtingen als allerlaatste onafhankelijke variabele. Uit de resultaten van de eerste stap in het padmodel blijkt dat mannen een grotere kans op een optimistisch persoonlijk toekomstbeeld hebben dan vrouwen. In tegenstelling tot onze verwachtingen is het effect evenwel veel minder uitgesproken dan bij de algemene socio-economische toekomstverwachtingen. We hebben hiervoor niet meteen een verklaring. Opvallend is overigens dat het direct effect van geslacht vervalt, eens het onveiligheidsgevoel, politieke machteloosheid en etnocentrisme in stap vijf ingevoerd worden. Wie dus enkel naar de directe effecten zou kijken voor het gehele model zou het belang van gender op persoonlijke toekomstverwachtingen derhalve over het hoofd kunnen zien.

222


Optimisme en pessimisme in Vlaanderen.

Zoals verwacht werd, blijkt opleiding eveneens van belang bij de toekomstverwachtingen. Wie lager opgeleid is, heeft meer kans zich persoonlijk zorgen te maken dan wie hoger opgeleid is. Dit valt opnieuw te duiden vanuit de fragielere positie die laaggeschoolden in onze laatmoderne samenleving innemen. Opnieuw neemt het effect in sterkte af eens gevoelens van discriminatie, het gevoel in de steek gelaten te worden door de overheid, het individualisme en het vertrouwen in de instellingen in het model gebracht worden (in stap 4). Weerom is dit omdat opleidingsniveau precies van invloed is op deze net genoemde variabelen. Anders dan bij de socio-economische toekomstverwachtingen is er dit keer wel een effect van leeftijd op persoonlijke toekomstverwachtingen. Het totale effect van leeftijd op het persoonlijke toekomstbeeld is negatief: wie ouder is, heeft minder kans op een optimistisch persoonlijk toekomstbeeld. Eens bijkomende variabelen in het model ingebracht worden, wordt dit effect gemaskeerd omdat het precies indirect verloopt. Opvallend is evenwel dat er opnieuw een significant direct effect optreedt en ditmaal zelfs in de andere richting, eens politieke machteloosheid, etnocentrisme en politieke machteloosheid (in stap vijf) ingebracht worden. Dit betekent dat, mits het onveiligheidsgevoel constant gehouden wordt, ouderen hun persoonlijke toekomst optimistischer zien dan jongeren. Dit zou echter tot de foutieve conclusie kunnen leiden dat leeftijd een positief effect op persoonlijke toekomstverwachtingen heeft, als men enkel naar het directe effect (onder controle van de andere variabelen) zou kijken en het totale effect niet in ogenschouw zou nemen. De statistische bokkensprong houdt verband met het feit dat met name ouderen te kampen hebben met onveiligheidsgevoelens.

223


Vlaanderen gepeild ! TABEL 10

Gestandaardiseerde regressiecoëfficiënten (b’s) met ‘persoonlijke toekomstverwachtingen’ als afhankelijke variabele Man (ref. vrouw) Leeftijd Opleidingsniveau Laag inkomen (ref. hoog) Werkend Werkloos Pensioen Huisvrouw/huisman Studerend (ref. andere status) Geen kinderen (ref. kinderen) Kerks Kerkelijk Randkerkelijk Andersgelovig Vrijzinnig (ref. geen levensb.) Lid vakbond (ref. geen lid) Lidmaatschappen vereniging Weak ties (buren, collega’s) Strong ties (vrienden, familie) Nieuws via krant Nieuws via radio Nieuws via TV Gevoelens discriminatie In de steek door overheid Vertrouwen instellingen Individualisme Politieke machteloosheid Onveiligheidsgevoel Etnocentrisme Zorgen over pers. toekomst Adjusted R2 R2

,07** -,08** ,16***

,06* ns ,15*** ns ,12** ns ns ns ns ,07* ns ns ,10** -,13* ns

,07* ns ,13*** ns ,12** ns ns ns ns ,08** ns ns ,10** -,12* ns ns ns ns ns ns ns -,06*

,08** ns ,07** ns ,10** ns ns ns ns ,07* ns ns ,10** -,14** ns ns ns ns ns ns ns -,05* -,14*** -,13*** ns -,09***

,ns ,08* ,06* ns ,10** ns ns ns ns ,07* ns ns ,09** -,15** ns ns ns ns ns ns ns ns -,10*** -,12*** ns -,07* ns -,20*** ns

ns ,08* ,06* ns ,13** ns ns ns ns ,07* ns ns ,10** -,15** ns ns ns ns ns ns ns ns -,10*** -,12*** ns -,07* ns -,20*** ns ns

0,04 0,05

0,06 0,07

0,06 0,08

0,12 0,13

0,14 0,16

0,14 0,16

significanties: * p < 0,05, ** p <0,01, *** p < 0,001

Als we ons even terug op de tweede groep van achtergrondkenmerken concentreren, merken we dat het inkomensniveau andermaal helemaal geen significante rol speelt. Anders dan bij het model voor algemene toekomstverwachtingen

224


Optimisme en pessimisme in Vlaanderen.

speelt de werkstatus, gecontroleerd voor onderwijsniveau, geslacht en leeftijd (en de andere in stap twee ingebrachte variabelen), wel een rol bij persoonlijke toekomstverwachtingen: werkenden kunnen optimistischer in het leven staan. Het hebben van kinderen blijkt inderdaad een bron van zorgen te zijn, wat kinderloze mensen hebben een grote kans om met minder besognes door het leven te stappen. Anders dan bij de algemene toekomstverwachtingen op socio-economisch vlak, heeft levensbeschouwelijke betrokkenheid op persoonlijk vlak wel een belang. Randkerkelijken ervaren een optimistischer persoonlijk perspectief, terwijl andersgelovigen net meer kans op zorgen hebben. Het is verleidelijk om te speculeren dat met name de moslims uit de laatste groep een grotere kans op zorgen hebben, maar de groep is bij nader inzien te divers samengesteld – en indien opgesplitst te klein – om hierover uitspraken te kunnen doen. Als we de derde groep aan variabelen, die indicatoren van sociaal kapitaal en van media-gebruik bevat, in ons model invoeren, merken we – gecontroleerd voor de voorafgaande variabelen – opnieuw nauwelijks een verklarend belang voor persoonlijke besognes. Of men nu vaak of niet het nieuws volgt via radio of krant, dit heeft hoegenaamd geen effect op het persoonlijk vlak. Het volgen van het nieuws op TV heeft evenwel een licht negatief effect op persoonlijk optimisme. Dit kleine effect vervalt eens het onveiligheidsgevoel ingevoerd wordt in het model, volgens ons wellicht omdat de TV-kijkers precies vatbaarder zijn voor het onveiligheidsgevoel. Paradoxaal genoeg misschien, suggereert de vergelijking met het model voor algemene toekomstverwachtingen, dat TV-kijkers de beelden waarmee ze geconfronteerd worden eerder op zichzelf betrekken dan op de samenleving in het algemeen. Verder is het overduidelijk dat het feit of men al dan niet lid is van een vakbond of vereniging, noch de mate waarin men zich verbonden voelt met buren, collega’s en studiegenoten (weak ties) of dat mate dat men zich verbonden voelt met familie en vrienden (strong ties), enig effect op het persoonlijk optimisme. Alle in het vierde blok ingebrachte variabelen, een reeks ervaringen en attitudes, hebben significante effecten op het persoonlijk toekomstbeeld, behalve dan het vertrouwen in de instellingen. Anders dan bij het algemeen toekomstbeeld, kan dit vertrouwen in de instellingen niet als buffer of stimulans voor persoonlijk optimisme of een afname van persoonlijke zorgen dienen. Voor de andere variabelen zijn de patronen parallel aan die bij het algemeen toekomstbeeld, zij het dat het zich persoonlijk in de steek gelaten voelen door de overheid bijna even zwaar weegt als meer diffuse groepsgerelateerde gevoelens van discriminatie. Dit lijkt niet onlogisch. Naarmate men meer individualistisch is, blijkt men ook meer kans te hebben op persoonlijke zorgen, zo blijkt. We hadden evenwel een ander patroon verwacht. Na inbreng van al deze variabelen, blijft opleiding, zoals reeds gezegd, haar direct effect behouden maar wordt de sterkte afgezwakt. Met het inbrengen van onze variabelen van de vijfde stap, stijgt de verklaarde variantie alweer, zij het op niet zo’n spectaculaire wijze. Anders dan bij het algemeen toekomstperspectief, zijn politieke machteloosheid en etnocentrisme –

225


Vlaanderen gepeild ! gecontroleerd voor alle voorafgaande variabelen – van geen invloed op persoonlijke besognes. Onveiligheidsgevoel speelt daarentegen wel een rol. De allerlaatste stap, waarbij het zich zorgen maken over de socio-economische toekomst in het algemeen in het model wordt toegevoegd, maakt helemaal geen verschil uit voor de verklaarde variantie.

8

| Besluit

In deze bijdrage hebben wij gepoogd om vanuit een sociologische bril exploratief na te gaan of (en hoe) toekomstverwachtingen, bekeken aan de hand van multivariaat onderzoek, te duiden vallen. We deden dit zowel voor algemene toekomstverwachtingen op socio-economisch vlak, als voor persoonlijke besognes. Omdat we hier – naar alle waarschijnlijkheid – vrij onbetreden paden insloegen, ging het om een verkennende exercitie met beperkte ambities. Concreet wilden we in deze bijdrage, bij wijze van exploratie, uitzoeken in welke mate toekomstverwachtingen bepaald worden door demografische en sociaal-economische achtergrondvariabelen (zoals onderwijspeil, geslacht, leeftijd, economisch kapitaal, levensbeschouwelijke betrokkenheid), door de mate van sociaal kapitaal (strong en weak ties), door mediagebruik en ten slotte door een reeks subjectieve ervaringen en attitudes (zoals etnocentrisme, politieke machteloosheid, gevoelens van discriminatie). Als strategie opteerden we voor een stapsgewijze causale analyse, waarbij rekening gehouden werd met hypothesen over de (causale) volgorde van de ingebrachte onafhankelijke variabelen. Wat betreft algemene toekomstverwachtingen op socio-economisch gebied, moeten we al onze hypothesen over mogelijke effecten van inkomen, werkstatus, kinderen, levensbeschouwelijke betrokkenheid, media-gebruik en sociaal kapitaal stuk voor stuk laten varen. We vinden geen noemenswaardige effecten. Gender en opleidingsniveau hebben wel belang, leeftijd speelt dan weer een onduidelijke rol en heeft over het algemeen geen significant effect. Gevoelens van discriminatie, gevoelens van in de steek gelaten te zijn door de overheid en individualisme hebben in de lijn van onze verwachtingen een negatieve invloed op de algemene toekomstverwachtingen, terwijl vertrouwen in de instellingen als een belangrijke positieve stimulans geldt. Etnocentrisme, politieke machteloosheid en met name het onveiligheidsgevoel vergroten dan weer de kans op een pessimistische toekomstverwachting voor Vlaanderen op socio-economisch gebied. Op het vlak van persoonlijke besognes liggen de kaarten enigszins anders omdat politieke machteloosheid en etnocentrisme, evenmin als vertrouwen in de instellingen, daar een rol spelen. Naar aanleiding van de resultaten van de zogenaamde “CentERdata Millenium Enquête”, waarin gepeild werd naar gevoelens over het nieuwe millennium, kwamen de Tilburgse sociologen Ester, Vinken en Diepenstraten tot de conclusie dat de toekomstverwachtingen van Nederlanders heel erg sterk beïnvloed zijn door hic et

226


Optimisme en pessimisme in Vlaanderen.

nunc analyses die vervolgens getransponeerd worden naar de toekomst: “It seems as if Dutch people’s future expectations are highly determined by their positive or negative evaluation of current developments in Dutch society and appraisals of their present personal life: present-day evaluations of societal and personal trends are being transposed to the future. Future outlooks are deeply rooted in one’s assessment of the present” (Ester, Vinken & Diepstraten, 2000). Bovenstaande resultaten suggereren grotendeels dat hetzelfde fenomeen op de Vlamingen van toepassing is. Een actuele persoonlijke malaise die zich in verschillende negatieve attitudes en ervaringen uit, vertaalt zich in een sombere toekomstverwachting voor Vlaanderen in het algemeen. Pessimisme over de toekomstige sociaal-economische ontwikkeling van Vlaanderen lijkt sterk bepaald te worden door gevoelens van discriminatie, politieke machteloosheid, wantrouwen van de instellingen en onveiligheidsgevoel. Opmerkelijk genoeg bijvoorbeeld niet door het inkomen of de werkstatus, factoren waarvan men nochtans wel een effect op toekomstbeelden op sociaal-economisch vlak zou verwachten. Als men het toekomstbeeld van de Vlamingen wil bijschaven, zal men dus deze lastige cluster aan negatieve attitudes moeten aanpakken. Het belang van houdingen in de verklaring van het toekomstbeeld toont misschien verder aan dat individuele determinanten in deze significanter zouden kunnen zijn dan structurele en er ook een zeer belangrijke psychologische dimensie aan de toekomstverwachtingen kleeft. Misschien zijn in verband met toekomstbeelden, maatschappelijke, maar zeker persoonlijke, de psychologische verklaringen belangrijker dan de sociologische. De algemene toekomstverwachtingen van de Vlamingen kunnen best niet zomaar als graadmeters van instemming met of afkeuring van het socio-economisch beleid, noch als ‘rationele verwachtingen’, gezien worden. Het middenveld zal niet bij machte zijn om de toekomstverwachtingen van de Vlamingen bij te schaven en aan te zwengelen, want het verenigingsleven blijkt geen rol te spelen in het beïnvloeden van optimisme of pessimisme. Het opleidingsniveau blijkt daarentegen, ook kijkend naar de bivariate verdelingen, een belangrijke rol te spelen. De grote uitdaging bestaat er derhalve in de laaggeschoolden opnieuw vooruitzichten op sociaal-economisch vlak te bieden nu zij zichzelf in toenemende mate als potentiële ‘verliezers’ van de globalisering beschouwen.

227


Vlaanderen gepeild ! BIBLIOGRAFIE

Bauman, Z. (1991) Modernity and ambivalence. Cambridge: Polity Press. Bracke, P. (2000) ‘Over macht en depressiviteit: een sociaal-relationele visie’, Tijdschrift voor Sociologie, 21 (1): 5-32. de Rycke, L., Swyngedouw, M., Phalet, K. (1999) De subjectieve ervaring van discriminatie : een comparatieve studie bij Turken, Marokkanen en laagopgeleide Belgen in Brussel, pp. 109 – 148 in Swyngedouw, M. Phalet, K., Deschouwer, K. Minderheden in Brussel. Sociopolitieke houdingen en gedragingen. Brussel:VUBPress. Dewael, P. (2001) Vooruitzien. Ideeën over een kleurrijk Vlaanderen. Brussel. Diepstraten, I, Ester, P. & Vinken, H. (1999). Een vooruitziende blik. Verwachtingen van Nederlanders voor de éénentwintigste eeuw en hun herinneringen aan de twintigste eeuw. De CentERdata Millenium Enquête. Tilburg: Globus/KUB. Dominitz, J., Manski, C. & Heinz, J. (2001) Social Security Expectations and Retirement Savings Decisions, NBER Working Paper 8718. Elchardus, M. & Heyvaert, P. (1990) Soepel, Flexibel en Ongebonden. Een vergelijking van twee laat-moderne generaties. Brussel: VUBPress. Europese Commissie (1998) Europese Commissie. Eurobarometer report number 49. Brussel: EC (DG 10). Europese Commissie (2000) Europese Commissie. Eurobarometer report number 53. Brussel: EC (DG 10). Europese Commissie (2002a) Europese Commissie. Eurobarometer report number 56. Brussel: EC (DG 10). Europese Commissie (2002b) Europese Commissie. Eurobarometer report number 57. EU15 Report. Brussel: EC (DG 10). Europese Commissie (2002c) Europese Commissie. Highlights Eurobarometer 58. Brussel: EC (DG 10). Ester, P., Vinken, H. & Diepstraten, I. (2000) Collective memories, personal biographies, and the new Millenium, Historical and personal correlates of Dutch people’s ideals and anxieties for the 21st century’. Paper presented at the 23rd Annual Scientific Meeting of the International Society for Political Psychology (ISPP), Seattle, WA July 1-4, 2000. Fair, R. (1993) ‘Testing the Rational Expectations Hypothesis in Macroeconometric Models’, Oxford Economic Papers: 169-190. Ferrer-i-Carbonell, A. & Frijters, P. (2002) How important is methodology for the estimates of the determinants of happiness? Working paper [http://staff.feweb.vu.nl/pfrijters/adapaulfebr.PDF]. Frijters, P., Haisken-Denew, J. & Schields, M. (2002) ‘Testing for individual rationality and learning: welfare expectations and realisations in East Germany Following Reunification’, IZA Discussion Papers 498, Institute for the Study of Labor (IZA).

228


Optimisme en pessimisme in Vlaanderen.

Hooghe, M. (1999) ‘Cumulatieve participatiepatronen en de democratiserende functie van het verenigingsleven. Het socialisatie- en betrokkenheidseffect van participatie aan vrijwillige verenigingen’, Sociale Wetenschappen, 42 (3): 24-48. Hooghe, M. (1999) ‘Cumulatieve participatiepatronen en de democratiserende functie van het verenigingsleven. Het socialisatie- en betrokkenheidseffect van participatie aan vrijwillige verenigingen’, Sociale Wetenschappen, 42 (3): 24-48. Jacobs, D., Abts, K., Phalet, K. & Swyngedouw, M. (2001) 'Verklaringen voor etnocentrisme. De rol van sociaal kapitaal, sociaal economische onzekerheid, sociale integratie en gevoelens van discriminatie. Een verkenning' , pp. 99-132 in Vlaanderen gepeild! De Vlaamse overheid en burgeronderzoek 2001, Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. King, G., Keohane, R., Sidney, V. (1994) Designing Social Inquiry. Scientific Inference in Qualitative Research. Princeton: Princeton University Press. Kriesi, H.-P. (2001) 'The transformation of the national political space in a globalising world', IPSoM-lezing KUBrussel, 28/2/2001. Lucas, R. (1972), "Expectations and the Neutrality of Money", Journal of Economic Theory, 4: 103124. Lucas, R. & Sargent, T. (1981), Rational Expectations and Econometric Practice, London: Allen & Unwin. McClendon, McKee J. (1994) Multiple regression and causal analysis. Ithaca: Peacock Publishers Inc. Muth, J. (1961). ‘Rational Expectations and the Theory of Price Movements’, Econometrica, 29 : 315-35. Putnam, R. (1993) Making democracy work: civic traditions in modern Italy. Princeton: Princeton University Press. Schnapper, D. (1981) L’épreuve du chômage. Paris : Gallimard. Stolle, D. (1999) ‘Onderzoek naar sociaal kapitaal. Naar een attitudinale benadering’, Tijdschrift voor Sociologie, 20 (3-4): 247-281. Vlaamse Gemeenschap (1999) VRIND 1999. Vlaamse Regionale Indicatoren. APS: Brussel. Vlaamse Gemeenschap (2000) VRIND 2000. Vlaamse Regionale Indicatoren. APS: Brussel. Vlaamse Regering (2000) Kleurennota Vlaamse Regering. Brussel: Vlaamse Regering. Vlaamse Regering (2001) 21 doelstellingen voor de 21st eeuw. (Pact van Vilvoorde). Waege, H. & J. Billiet (1998) Individualisme: een kwestie bij de eeuwwende? in Bral, L. (red.) Vlaanderen gepeild! Brussel: ministerie van de Vlaamse gemeenschap. Winkelmann, L. & Winkelmann, R. (1998) “Why are the Unemployed so Unhappy? Evidence from Panel Data”, Economica, 65: 1-15.

229


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Vlaanderen_gepeild_2003_7_optimisme_en_pessimisme.pdf by Vlaanderen-be - Issuu