Skip to main content

Bouwstenen_deel_2_analyse.pdf

Page 1

Bouwstenen voor een dynamisch en efficiĂŤnt subregionaal beleid in Vlaanderen Deel 2: Analyse van de subregionale dynamiek in Vlaanderen.

December 2001

Een onderzoek in opdracht van de Vlaamse minister van Werkgelegenheid en Toerisme, in het kader van het VIONA-onderzoeksprogramma Met ondersteuning van de administratie Werkgelegenheid en het ESF ESF: de Europese bijdrage tot de ontwikkeling van de werkgelegenheid door inzetbaarheid, ondernemerschap, aanpasbaarheid en gelijke kansen te bevorderen en door te investeren in menselijke hulpbronnen.

Idea Consult nv Congresstraat 37-41, bus 3 B – 1000 Brussel

Tel: +32 (0)2 282 17 10 Fax: +32 (0)2 282 17 15


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

WOORD VOORAF Dit onderzoek, uitgevoerd door IDEA Consult met als promotor Dr. F. De Rynck, kadert in het Viona-programma 2000 voor arbeidsmarktonderzoek in Vlaanderen. In dit onderzoek wordt aandacht besteed aan het thema van de organisatie van het subregionaal beleid met focus op het arbeidsmarktgebeuren. Dit Viona-project werd gefinancierd enerzijds met Vlaamse en anderzijds met Europese middelen (ESF). We zijn het ESF en het Vionaprogramma, en in het bijzonder minister van Werkgelegenheid en Toerisme R. Landuyt, dankbaar voor deze opdracht. Verder een woord van dank aan de inbreng van de Visiegroep onder leiding van Marion Vrijens (Administratie Werkgelegenheid), en met als leden: Dirk Geldof (Administratie Werkgelegenheid), Machteld De Dobbeleer, Bart Candaele (Administratie Economie), Peter Van Herck (Administratie Binnenlandse Aangelegenheden), Karin Van Mossevelde, Tanja Mattheus (Kabinet Vlaamse minister van Werkgelegenheid), Lieve Heene (kabinet Vlaamse minister van Welzijn), prof. Jan Bundervoet (K.U.Leuven), Geert Vandenbroucke (Steunpunt WAV) en Peter Cabus (SERV). We zijn tot slot een bijzonder woord van dank verschuldigd aan de vele contactpersonen uit de drie onderzochte regio’s binnen Vlaanderen en uit de vier buurlanden; hun namen zijn opgesomd in bijlage van Deel II en van Deel III van het eindrapport. Het rapport omvat 4 delen: Deel 1: Decentralisering van beleid. Institutionele analyse van het subregionaal sociaaleconomisch beleid in Vlaanderen Dit eerste deel gaat eerst in op het doel en de aanpak van het onderzoek. Vervolgens wordt ingegaan op de recente theoretische inzichten rond decentralisering, de opbouw van de netweken op subregionaal niveau en een analyse van het huidig subregionaal sociaaleconomisch beleid in Vlaanderen. Deel 2: Analyse van de subregionale dynamiek in Vlaanderen Deze analyse omvat de perceptiepeiling voor Vlaanderen in de regio’s: Gent, Kortrijk en Turnhout. Deel 3: Buitenlandse vergelijking Deel 3 omvat de beschrijving van het subregionaal arbeidsmarktgericht veld voor Nederland, Frankrijk, de UK en Duitsland. Deel 4: Samenvatting en aanbevelingen Deel 4 geeft een synthese en overzicht van het subregionaal beleid in Vlaanderen en in het buitenland en de beleidsaanbevelingen rond 7 topics.

februari 2003

Deel 2

p. 2


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

Inhoud

1.

2.

DOEL EN AANPAK VAN HET PROJECT

5

1.1.

Doel van het onderzoek..........................................................................................5

1.2.

Methode..................................................................................................................5

1.3.

Aanpak ...................................................................................................................6

THEORETISCHE ONDERBOUWING VOOR DE BEVRAGING VAN DE SUBREGIONALE ACTOREN 8 2.1.

Analytisch kader in verband met marktordeningen .............................................8

2.2.

Typologie van netwerken .......................................................................................9

2.3.

Motieven van deelname en vormen van interactie..............................................12

3.

CONCEPT VAN ANALYSEROOSTER

14

4.

CONCEPT EN INHOUD VAN DE VRAGENLIJSTEN

16

4.1.

Vooraf...................................................................................................................16

4.2.

Het strategisch perspectief: visievorming, doelstellingen en acties ...................16

4.3.

4.4.

5.

4.2.1.

visievorming ........................................................................................................16

4.2.2.

doelstellingen, prioritaire thema’s en actieprogramma’s ...................................17

4.2.3.

interactie en coherentie .......................................................................................17

Het institutioneel perspectief: werking en processen: actoren, regelgeving en interactie...............................................................................................................17 4.3.1.

actoren.................................................................................................................17

4.3.2.

graad van formalisering ......................................................................................18

4.3.3.

motieven deelname ..............................................................................................18

4.3.4.

interactievormen..................................................................................................18

Het instrumenteel perspectief: sturing en financiering......................................18 4.4.1.

sturing: wie stuurt aan.........................................................................................18

4.4.2.

Sturingsinstrumenten (dominantie en evolutie) ...................................................19

4.4.3.

financieringsinstrumenten. ..................................................................................19

GLOBALE RESULTATEN VAN DE 3 VLAAMSE GEVALSTUDIES

20

5.1.

Inleiding ...............................................................................................................20

5.2.

Resultaten van de perceptiepeiling en beleidstopics ...........................................21

februari 2003

5.2.1.

Strategisch perspectief.........................................................................................21

5.2.2.

Institutioneel perspectief .....................................................................................23

5.2.3.

Instrumenteel perspectief.....................................................................................27

Deel 2

p. 3


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen 5.2.4.

6.

BESPREKING VAN DE DRIE REGIO’S

32

6.1.

Inleiding ...............................................................................................................32

6.2.

GENT ...................................................................................................................34

6.3.

6.4.

7.

Externe ontwikkelingen .......................................................................................30

6.2.1.

Geo-economische positionering ..........................................................................34

6.2.2.

Subregionale arena .............................................................................................35

6.2.3.

Bespreking van de interviews ..............................................................................37

6.2.4.

Succesfactoren en verklaring van de subregionale werking in Gent...................41

Kortrijk .................................................................................................................44 6.3.1.

Geo-economische positionering ..........................................................................44

6.3.2.

Subregionale arena .............................................................................................45

6.3.3.

Bespreking van de interviews ..............................................................................46

6.3.4.

Succesfactoren en verklaring van de subregionale werking in Kortrijk..............53

TURNHOUT ........................................................................................................55 6.4.1.

Geo-economische positionering ..........................................................................55

6.4.2.

Subregionale arena .............................................................................................56

6.4.3.

Bespreking van de interviews ..............................................................................58

6.4.4.

Succesfactoren en verklaring van de subregionale werking in Turnhout............62

BIJLAGEN

65

BIJLAGE 2: analysekader voor procesmanagement van netwerken...........................66 BIJLAGE 1: Lijst van bevraagde personen ..................................................................65 BIJLAGE 3: Perceptiepeiling........................................................................................66 BIJLAGE 4: Netwerken en projecten in KORTRIJK...................................................75 BIJLAGE 5: Netwerken en projecten in GENT ...........................................................83 BIJLAGE 6: Netwerken en projecten in TURNHOUT ...............................................89 BIJLAGE 7: Wederzijdse vertegenwoordiging .............................................................95

februari 2003

Deel 2

p. 4


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

1. DOEL EN AANPAK VAN HET PROJECT 1.1.

Doel van het onderzoek

De opzet van het subregionaal beleid is volop voorwerp van debat. Het eerste deel van het onderzoek heeft tot doel een algemeen beeld te geven van de beleidsnetwerken in Vlaanderen, om het globale kader van het onderzoek duidelijk te definiëren en de context te beschrijven waarbinnen de ontwikkelingen op vlak van beleidsnetwerken plaatsgrijpen. Dit gebeurt aan de hand van een aantal topics.De belangrijkste functionele subregionale actoren, platformen en netwerken zijn voor iedereen geldig. De hamvraag is nu, hoe het komt dat er zo’n grote verschillen optreden in netwerking en netwerkvorming in de verschillende subregio’s in Vlaanderen, terwijl ze allen dezelfde institutionele structuur kennen? In een overzichtelijke rapportage worden in dit deel de onderzoeksresultaten voor de versterking van de subregionale dynamiek op streekniveau geïdentificeerd aan de hand van veldonderzoek in drie subregio’s. Deze analyse samen met het algemeen beeld van de beleidsnetwerken uit het vorige interimrapport, zal ons in staat stellen de succes- en faalfactoren van het subregionaal sociaaleconomisch beleid in Vlaanderen te beoordelen, en aandachtspunten voor verbetering af te lijnen.

1.2.

Methode

Om een gedifferentieerd ‘bottom-up’ beeld van de subregionale dynamiek voor verschillende types van streken te verkrijgen, hebben we voorgesteld om in dit luik drie subregio’s in de analyse te betrekken, met name een grootstad, een centrumstad en een meer landelijke regio. Volgende drie subregio’s werden weerhouden: -

Gent als grootstad, omwille van de lokale dynamiek in het kader van het programma ‘GsiW’ (Gent, stad in werking), en het relatief sterk spanningsveld met de omliggende regio;

-

Kortrijk als centrumstad. Kortrijk is een groeipool met een sterk subregionale werking en voortrekker inzake subregionale strategische planning;

-

Turnhout en de Kempen als landelijke regio, omdat ook in de Kempen de subregionale werking ingeburgerd is, het Strategisch Plan voor de Kempen nog steeds actief is en er een sterke wisselwerking is met de EU-programma’s.

Voor de analyse van de subregionale dynamiek in deze streken werd afgesproken persoonlijke diepte-interviews uit te voeren met de belangrijkste ‘stakeholders’. Er worden drie lagen van bevoorrechte getuigen voorgesteld. 1. De ‘helikopters’: personen die wegens hun betrokkenheid met het subregionaal beleid een algemeen overzicht hebben over de werking van instellingen binnen de streek en die daarom de werking van die instellingen interregionaal (tegen elkaar) kunnen positioneren. 2. De ‘streekgenerieken’: personen die wegens hun (huidige of vroegere) werkzaamheden een goed algemeen zicht hebben op de werking van de netwerken (functioneel, relationeel, projectmatig) binnen hun regio en over de projecten voor de streek als geheel. februari 2003

Deel 2

p. 5


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

3. De ‘projectwerkers’: personen die, wegens hun nauwe betrokkenheid, hun duwersrol binnen een bepaald netwerk of omdat ze een mandaat hebben in verschillende overlegfora, een goed zicht hebben niet alleen op de werking van hun eigen netwerk en project maar ook op de relatie van hun netwerk en project met de andere in de regio opererende netwerken en projecten. De lijst van deze bevraagde personen is opgenomen in bijlage 1.

1.3.

Aanpak

Na de bespreking van het doel en de aanpak van het project in dit deel, starten we in een tweede deel met een theoretische nota met betrekking tot samenwerkingsvormen en beleidsnetwerken. Deze benadering dient als onderbouwing van de bevraging van de subregionale actoren in Vlaanderen. De nota bevat dan ook het concept en de inhoud van de vragenlijsten. Daarna begint de eigenlijke analyse met een overzicht van de globale beleidstopics. Zij vormen het resultaat van de perceptie uitgevoerd bij bevoorrechte getuigen uit de drie geselecteerde regio’s waarbij een vergelijkingskader tussen de 3 regio’s wordt geschetst. Na de bespreking van de globale beleidstopics met de beknopte vergelijking tussen de 3 cases, volgt de uiteindelijke bespreking van de 3 regio’s afzonderlijk. Voor elke regio wordt ter herinnering kort de geo-economische positionering geschetst, gevolgd door de schets van de bovenlokale en subregionale netwerken in de beschouwde streek. Dit schema is geoperationaliseerd via de uitgevoerde diepte-interviews in de perceptiepeiling. De perceptiepeiling zelf is opgenomen in bijlage 3. In deze analyse ligt de nadruk op de beschrijving van de streekeigen netwerking. Doel is enerzijds het aftoetsen en het aanvullen van de beschreven subregionale arena en anderzijds het aflijnen van de kritische succesfactoren van de subregionale dynamiek in elke regio. Bij de analyse van de kritische succesfactoren worden vier thema’s1 (zie ook Figuur 1) centraal gesteld: (1) de strategische visievorming, (2) de institutionele kwaliteit van het netwerk, (3) de vernieuwingsdynamiek in het netwerk mede via het instrumenteel perspectief en, (4) de openheid voor nieuwe beleidsontwikkelingen (de externe factoren). Strategisch perspectief (het ontwikkelingsperspectief): ontstaan en de ontwikkeling van een streekvisie; met daarbij strategie, doelstellingen en prioriteiten. Aldus wordt de effectiviteit en toegevoegde waarde van de streekwerking geëvalueerd. Institutioneel (organisatorisch) perspectief: de analyse van de actoren op zich, de graad van formalisering inzake besluitvorming, de motieven van de instituties om deel te nemen aan de netwerking en de interactievormen tussen de actoren. In dit perspectief wordt de kwaliteit en de dynamiek van de processen geëvalueerd. Instrumenteel perspectief: meet de vernieuwingsdynamiek (zowel extern vanuit de Vlaamse regering als de eigen sturing voor interne en externe relaties): de toepassing van de nieuwere sturingstechnieken en -instrumenten en toetsing van nieuwere bestuurlijke verhoudingen enerzijds en de financiering van (de werking) van de instellingen anderzijds.

1

Deze thema’s zijn gebaseerd op het analysekader voor beleidsnetwerken ontworpen door IDEA Consult (zie Bijlage 2).

februari 2003

Deel 2

p. 6


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiĂŤnt subregionaal beleid in Vlaanderen

ƒ Externe factoren: impact van wijzigingen in het institutioneel, sociaal-economisch en maatschappelijk landschap. Hier wordt de openheid voor nieuwe beleidsontwikkelingen geĂŤvalueerd. Figuur 1: Basisschema voor analyse van subregionale dynamiek

externe factoren y y y y

institutioneel sociaal-economisch maatschappelijk ...

strategische visievorming

subregionale dynamiek

institutionele kwaliteit

vernieuwingsdynamiek

Na de bespreking van de perceptiepeiling per regio volgens deze vier bouwstenen, volgt een overzicht van de succes- en faalfactoren per regio om zo te komen tot een aftoetsing van de subregionale dynamiek in elke regio. Tot slot volgen de bijlagen met het analysekader voor beleidsnetwerken (bijlage 1), de lijst van bevraagde personen (zie bijlage 2), de perceptiepeiling (zie bijlage 3) en tenslotte een overzicht van de instituties en netwerken per streek zoals in het vorige interim-rapport (zie bijlage 4 tot en met bijlage 6) met daarbij een overzicht van de wederzijdse vertegenwoordiging in de verschillende subregionale organen (zie bijlage 7).

februari 2003

Deel 2

p. 7


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

2. THEORETISCHE ONDERBOUWING VOOR BEVRAGING VAN DE SUBREGIONALE ACTOREN

DE

In wat volgt worden enkele theoretische inzichten met betrekking tot samenwerkingsvormen en netwerken besproken, relevant in het kader van dit onderzoek en meer specifiek voor het opstellen van een analyserooster voor het uitvoeren van de case-studies. Achtereenvolgens wordt aandacht besteed aan een basiskader voor de analyse economische ordeningen, de gangbare theorie in verband met de typologie samenwerkingsvormen en de onderscheiden interactiemodellen. De integratie van deze luiken zal in het volgend deel de bouwstenen vormen voor de uitwerking van analyserooster.

2.1.

van van drie het

Analytisch kader in verband met marktordeningen2

In de klassieke benadering van economische organisaties wordt uitgegaan van een driedeling, waarbij elke economische ordening wordt gekenmerkt door drie elementen, met name: -

de objectieven,

-

de actoren,

-

de ordeningsfactoren;

•

Objectieven

Bij de problematiek van de objectieven wordt bepaald wat de organisatie wenst te bereiken. Daarbij kan niet worden voorbij gegaan aan volgende vragen: -

welke prioriteiten worden er vooropgesteld en,

-

hoe worden ze bijgesteld

-

hoe worden de prioriteiten afgelijnd en,

-

wat is het draagvlak van de keuzen en tenslotte

-

hoe worden conflicterende doelstellingen opgevangen.

Toegepast op het subregionaal veld zullen de objectieven gevat worden onder het strategisch perspectief. Er zal worden nagegaan wat de streekvisie is, met daarbij bijzondere aandacht voor, de doelstellingen en prioritaire thema’s van het betrokken beleidsveld in de streek. Daarbij wordt nagegaan wat de dynamiek en het draagvlak is voor deze visievorming.

2

Clémer Guy: Economie van de publieke sector, Lessius hogeschool Antwerpen, 2000.

februari 2003

Deel 2

p. 8


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

•

Actoren

Bij de analyse van economische ordeningen wordt vervolgens nagegaan wie de actoren zijn. Hier wordt nagegaan: -

welke rol de actoren vervullen, of in welke hoedanigheid ze optreden

-

de wijze waarop ze de arena mogen betreden en hoe de onderlinge machts- en, of eigendomsverhoudingen worden geregeld;

-

wat de motieven zijn van deelname en, de plaats (de markt) waar ze met elkaar kunnen interageren

Toegepast op het subregionaal veld zal in het institutioneel perspectief worden nagegaan wie de actoren zijn, hoe ze worden aangeduid, welke kenmerken ze vertonen, wat de motieven zijn van deelname en wat de verhouding is tussen de denk- en doerol van de actoren binnen het weerhouden beleidsveld. •

Ordeningsfactoren

Bij de studie van economische stelsels, organisatie en instellingen wordt tenslotte nagegaan wat de ordeningsfactoren zijn. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen interne ordeningsfactoren en externe ordeningsfactoren. De externe ordeningsfactoren of de metasturing bepalen de rol van de overheid bij het bepalen van: -

het (spel)kader, het geheel van reglementen (verbodsbepalingen) waarbinnen de actoren hun activiteiten kunnen en moeten ontplooien,

-

het oriënterend kader, het geheel van subsidies, ontlastingen en belastingen met als doel het gedrag van de actoren te beïnvloeden, en tenslotte

-

het geheel van gebodsbepalingen die worden opgelegd aan de deelnemers.

De interne ordeningsfactoren bepalen dan op hun beurt de interactie tussen de betrokken actoren binnen het spelkader bepaald door de voogdijoverheid. Toegepast op het subregionaal veld wordt dit het instrumenteel perspectief genoemd, met specifieke aandacht voor sturing- en financieringinstrumenten. Door elementen in de macroomgeving te wijzigen (bvb de regelgeving) en/of door kaders voor interactie te creëren of te wijzigen op het meso-niveau kan de sturing een of andere bedding krijgen. Bij de interne sturing (binnen het netwerk tussen de actoren) wordt aandacht besteed aan de -

de organisatie van de communicatie en afstemming

-

de inzet van sturingsinstrumenten in het proces (afspraken, convenanten tussen deelnemers, controle en evaluatie, wijze van besluitvorming)

-

de balans tussen zachte of meer dwingende, of tussen meer vraaggericht of meer aanbodsgerichte sturing

2.2.

Typologie van netwerken

Bij de bevraging moet dan worden nagegaan of de interactie tussen actoren binnen de beleidsvelden aanleiding geeft tot netwerking. Volgens de literatuur3 spreken we van netwerking als tussen actoren betrokken in de beschouwde organisatiekaders en/of als gevolg van deze kaders een meerwaarde ontstaat voor de dynamiek en efficiëntie van subregionale 3

Filip Derynck, Streekontwikkeling in Vlaanderen: bestuurskundig bekeken, augustus 1994

februari 2003

Deel 2

p. 9


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

processen gericht op de versterking van economie en arbeidsmarktstructuur en –processen. Daarbij treedt afhankelijkheid op als centraal gegeven: het zien van afhankelijkheid creëert meerwaarde voor het gebied, er komt iets tot stand dat door afzonderlijke of autonoom functionerende actoren niet zou kunnen gerealiseerd worden. Uitgangspunt is dat instituties (bvb STC’s, streekplatformen, Edufora) opgericht door de Vlaamse Regering in het sociaal-economisch beleidsveld op zich geen netwerken zijn. Bij de beoordeling of bepaalde institutionele verbanden aanleiding geven tot netwerking wordt uitgegaan van de typologie ontwikkeld door Warren en overgenomen door Viboso4. Deze typologie moet ons in staat stellen die elementen te detecteren die ons via bevraging mogelijk maken na te gaan of de werking tussen actoren binnen een bepaald beleidsveld aanleiding geeft tot netwerking. In wat volgt wordt daartoe eerst een inzicht verschaft in de gangbare typologie van samenwerkingsverbanden en netwerken. Dit luik wordt afgesloten met een overzicht van enkele misverstanden ivm de bepaling van netwerken, zoals in de literatuur aangegeven. •

Typologie samenwerkingsverbanden

Er worden door Warren (1969) vier, of door VIBOSO (1999) vijf samenwerkingsvormen onderscheiden, van lage tot hoge mate van samenwerking. -

De marktstructuur: interactie zonder formeel geregelde arbeidsdeling, geen gemeenschappelijke belangen/ doeleinden, geen geformaliseerde toewijzing van hulpmiddelen aan een gemeenschappelijke entiteit, en zonder gemeenschappelijke besluitvorming, engagement is er enkel tegenover de eigen organisatie;

-

De coalitiestructuur: actoren laten individuele belangen primeren, ad hoc samenwerking rond belangen en afstemming van programma’s, geen gemeenschappelijk beslissingspunt, afspraken rond gemeenschappelijk gebruik van hulpbronnen hebben geen weerslag op eigen werking;

-

De federatieve structuur (de netwerken): de leden van dit samenwerkingsverband hebben zowel individuele als gemeenschappelijke (belangen/) doeleinden; de besluitvorming aangaande gemeenschappelijke doelen vindt plaats in een apart orgaan dat deel uitmaakt van de overkoepelende organisatie die speciaal voor de realisatie van de gemeenschappelijke doelen is opgezet. Hulpbronnen worden niet enkel gedeeld maar worden voorwerp van gemeenschappelijke besluitvorming, belangrijke besluiten moeten wel in elk van de organisaties worden bekrachtigd.

-

De eenheidsstructuur: formeel gecentraliseerde besluitvorming en gemeenschappelijkheid van doelen en hulpbronnen, maar actoren behouden eigen identiteit.

-

De fusie is een vijfde samenwerkingsvorm zoals door VIBOSO afgelijnd. Deze samenwerkingsvorm is gelijk aan de eenheidsstructuur maar met dit verschil dat de actoren hun eigen identiteit verliezen.

•

Typologie van netwerken

Een netwerk is een specifieke vorm van samenwerking tussen meerdere organisaties of sleutelfiguren. We spreken van netwerk als:

4

Viboso, Netwerken: de dans der partners, 1999

februari 2003

Deel 2

p. 10


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

-

de deelnemende actoren op basis van hun onderlinge afhankelijkheid (tegenover elkaars hulp- en machtsbronnen),

-

tav een bepaalde issue (gelijkaardige belangen, beleidsdoelen, zelfde territorium en/of doelgroep),

-

op vrijwillige (soms wel extern gemotiveerde) basis,

-

gemeenschappelijk beslissen om over te gaan tot gezamenlijke activiteiten,

-

om bepaalde voordelen te bereiken of bepaalde nadelen te vermijden voor de eigen organisatie of voor het geheel.

De gemeenschappelijke activiteiten hebben betrekking op de centrale aspecten van de eigen werking. Deelname aan netwerken wordt gevoed door het eigen organisatiebelang, nl de toevoer van hulpmiddelen die voor het voortbestaan van de organisatie van het grootste belang zijn. Of deze samenwerking tijdelijk dan wel een duurzaam karakter zal krijgen is afhankelijk van de duurtijd van de wederzijdse afhankelijkheid t.a.v. het issue en is afhankelijk van de kosten/baten die de samenwerking oplevert voor de deelnemende actoren afzonderlijk of als geheel. Uit deze definitie van netwerken blijkt dat netwerken kunnen gekarakteriseerd worden aan de hand van zes kenmerken: -

kenmerk 1: de betrokkenheid of gemeenschappelijk belang, waarbij de deelnemende actoren eigen doelstellingen hanteren maar op min of meer formele en gestructureerde basis samenwerken aan gemeenschappelijke belangen;

-

kenmerken 2 en 3: de formele en feitelijke besluitvorming, waar gesteld wordt dat netwerken een ‘gemeenschappelijk beslissingspunt’ hebben waarbinnen feitelijke beslissingen worden genomen, maar waar formeel de beslissingen moeten bevestigd worden door de verschillende actoren, maar waar na verloop van tijd ‘kernactoren’ opduiken;

-

kenmerk 4: de mate van structurele gemeenschappelijkheid van hulpbronnen, waar VIBOSO stelt dat actoren binnen het netwerk autonoom gestructureerd blijven, maar afspraken over het gemeenschappelijk gebruik van hulp- en machtsmiddelen een weerslag hebben op de eigen structuur van de actoren

-

kenmerk 5: het gematigd coördinatie.

-

kenmerk 6: de vrij gematigde collectieve oriëntatie op het gemeenschappelijk geheel (niet de structuur maar vooral de processen zijn essentieel).

engagement ten aanzien van een gemeenschappelijke

Aan de hand van bovenstaande definities en kenmerken van netwerken is het mogelijk om beleidsvelden te positioneren binnen 6 continua: -

Gemeenschappelijke belangen of doelstellingen: van geen tot ‘inclusive goals’

-

Feitelijke besluitvorming over gemeenschappelijke issue: van volledige autonomie tot gemeenschappelijk

-

Formele besluitvorming tav het centrale issue: van volledige autonomie tot gemeenschappelijk

-

Mate van arbeidsverdeling, maw de mate van delen van hulp- en machtsbronnen in relatie tot het issue dat centraal staat in de samenwerking

februari 2003

Deel 2

p. 11


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

-

Mate van engagement tav een gemeenschappelijk coördinatieniveau: van een engagement t.a.v. eigen bestaande organisatie tot hoog engagement t.o.v. de nieuwe samenwerking/organisatie

-

Mate van collectieve oriëntatie op het geheel: van weinig tot veel

•

Enkele misverstanden

Om het concept netwerk te verduidelijken wordt nu ingegaan op samenwerkingsverbanden die geen netwerk zijn en op het waarom5. Zo is een coalitiestructuur geen netwerk, omdat: -

De samenwerking ten overstaan van gemeenschappelijke belangen (beter woord dan doelen) verloopt informeel en op een ‘ad hoc’ basis.

-

Er is geen gemeenschappelijk beslissingspunt (feitelijke beslissing) en de beslissing blijft exclusief bij de actoren.

-

De afspraken over gemeenschappelijk gebruik hulpmiddelen gebeuren op een ad-hoc basis en zonder weerslag op eigen werking.

-

Er is minimale collectieve oriëntatie en geen engagement tav gemeenschappelijk coördinatieniveau; samenwerking heeft geen gevolgen voor de eigen missie, doelen en structuur van de organisatie

-

Enkele voorbeelden:

formele

- hefboomprojecten te selecteren door streekplatforms, zonder eigen inbreng - oprichting van een lokale werkwinkel op zich - afstemming tussen aanbod van opleidingen is geen netwerk, want het maakt geen voorwerp uit van gemeenschappelijke beslissingen;. Zo is ook een marktstructuur, eigen aan vele adviesraden en overleg organen geen netwerk, omdat: -

De actoren geen gemeenschappelijk belang hebben.

-

De feitelijke en formele besluitvorming exclusief bij de verschillende actoren ligt.

-

Er geen geformaliseerde toewijzing is van hulpbronnen aan de gemeenschappelijke entiteit.

-

Er geen of minimaal gezamenlijk engagement t.o.v. gemeenschappelijk coördinatieniveau en collectieve oriëntatie bestaat.

2.3.

Motieven van deelname en vormen van interactie

Bij de beoordeling van de samenwerkingsverbanden wordt veelal gepeild naar de motieven van deelnemende actoren en naar de aard en de graad van interactie(patronen) tussen de actoren. •

Motieven

Bij het peilen naar de motieven van deelname aan samenwerkingsverbanden wordt uitgegaan van de motieven vanuit de organisatie bezien en vanuit het samenwerken zelf. De eerste vraag gaat in op het waarom een organisatie op zoek gaat naar externe relatie, zoektocht die 5

Viboso, o.c.

februari 2003

Deel 2

p. 12


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

overigens expliciet gepland kan zijn, min of meer vanzelf gaat of gedwongen kan zijn. (bronnen: Viboso, Andriessen Benson en Scharpf). De tweede vraag gaat in op de mate van overeenstemming en op het aanvullend karakter van de samenwerkende organisaties (met onder meer: Maerett, Gillespie, Mileti, Metcalfe en Hall). •

Interactie: intensiteit en aard

Er worden in de literatuur een aantal standaardbenaderingen vooropgesteld. Zo wordt eerst nagegaan of men te maken heeft met een ruilrelatie, een samenwerkingsrelatie of een competitieve relatie. Op basis van enkele factoren (interdependentie en doeleinden) kunnen een aantal relatievormen worden afgelijnd, gaande van coöperatie tot conflict en monopolie. Godfroij onderscheidt bij samenwerkingsverbanden de volgende interactiekenmerken: -

de algemene dimensies van interactie: - communicatie (uitwisseling informatie) - besluitvorming - onderhandeling - ruil

-

de vormen van interactie (speltypes): - coöperatie - coalitievorming - competitiebeperking - vermijding - competitie - strijd - fusie

februari 2003

Deel 2

p. 13


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

3. CONCEPT VAN ANALYSEROOSTER Bij het uittekenen van een operationeel toepasbaar analysekader is het nuttig om eerst enkele krijtlijnen voor het onderzoek te bepalen. Dit zal zowel het resultaat als de beleidsrelevantie van de uitvoering van de casestudies bevorderen. We onderscheiden volgende krijtlijnen: -

de centrale insteek is het arbeidsmarktgebeuren, arbeidsmarktinstituties centraal gesteld worden, samenwerkingsverbanden geanalyseerd worden vanuit arbeidsmarktactoren;

dit impliceert dat de en dat eventuele het oogpunt van deze

-

de analyse gebeurt op streekniveau; en dus niet op het niveau van individuele netwerken of samenwerkingverbanden;.

-

de analyse probeert de effecten van de meest recente institutionele veranderingen (STC’s, LWW, FLW) mee te betrekken in de bevraging;.

-

er wordt doorheen de bevraging rekening gehouden zowel met de statische aspecten, de situatie zoals ze vandaag is, als met de dynamische aspecten, die al dan niet door institutionele veranderingen worden geïnduceerd, zoals ze door de betrokken actoren worden gepercipieerd.

Bovenstaande vier krijtlijnen, samen met de theoretische inzichten van bovenstaand deel resulteren in de bouwstenen van het analyserooster, dat bestaat uit drie interactieniveaus en drie perspectieven. -

De drie interactieniveaus zijn: de interacties tussen de arbeidsmarktactoren onderling (de AI’s: STC, LWW en FLW; de arbeidsmarktinstellingen met subregionale werking: het subregionaal tewerkstellingscomité, de lokale werkwinkel en het forum lokale werkgelegenheid), de interacties van de arbeidsmarktactoren met de meer economische gerichte actoren werkzaam op het subregionaal veld (de economische instellingen met subregionale werking, de EI’s: GOM, de intercommunale, het streekplatform) en, de interacties van de arbeidsmarktactoren, de economische actoren met bottom-up opgerichte lokale samenwerkingsverbanden (de SV’s: GsiW voor Gent, het SSPK voor Turnhout, en voor Kortrijk het Charter ’99 of nu het Charter ZW-Vlaanderen genoemd).

-

De drie perspectieven zijn: het strategisch perspectief (het ontwikkelingsperspectief): ontstaan en de ontwikkeling van een streekvisie; met daarbij strategie, doelstellingen en prioriteiten. Aldus wordt de effectiviteit en toegevoegde waarde van de streekwerking geëvalueerd; het institutioneel (organisatorisch) perspectief: de analyse van de actoren op zich, de graad van formalisering inzake besluitvorming, de motieven van deelname aan werking van de instituties en de interactievormen tussen de actoren. In dit perspectief wordt de kwaliteit en de dynamiek van de processen geëvalueerd;

februari 2003

Deel 2

p. 14


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

het instrumentele perspectief (zowel extern vanuit de VR als de eigen sturing voor interne en externe relaties): de toepassing van de nieuwere sturingstechnieken en instrumenten en toetsing van nieuwere bestuurlijke verhoudingen enerzijds en de financiering van (de werking) van de instellingen anderzijds. De analyse van de input of de middelen versus de output laat toe na te gaan in welke mate de subregionale werking efficiënt verloopt. De combinatie van de drie interactieniveaus en de drie perspectieven resulteert in volgend analyserooster (zie onderstaande figuur). Elk van de drie perspectieven wordt in elk van de drie streken toegepast op de drie interactieniveaus. Op die manier krijgen we een duidelijk beeld op het soort subregionale werking in de streek, de verschillen tussen de streken en de achterliggende verklaringsgronden. Tabel 1: ANALYSEROOSTER per subregio Perspectief Interactieniveaus

Strategische visievorming

Institutioneel (actoren, Instrumenteel (sturing, formalisering, motieven werking en deelname, …) financiering)

De AI’s als geheel De AI’s tegenover de EI’s, als geheel

Statisch en dynamisch

De AI’s tegenover het geselecteerde SV

februari 2003

Deel 2

p. 15


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

4. CONCEPT EN INHOUD VAN DE VRAGENLIJSTEN Op basis van het analyserooster werden een aantal clusters van vraagstellingen uitgewerkt, opgebouwd rond de drie perspectieven De omvattendheid van de bevraging vergt in de praktijk een selectie op basis van een aantal criteria die vooral gericht is om de verschillen in streekwerking naar voor te laten komen, waarbij het hoe, het wanneer, waar en het wie steeds weerkerende invalshoeken zijn. Deze praktische vertaling is gebeurd door onderstaande analysetopics om te zetten in een perceptiepeiling, die in bijlage is opgenomen.

4.1.

Vooraf

De vragenlijst is VERTICAAL opgebouwd rond de drie perspectieven: het strategisch, het institutioneel en het instrumenteel perspectief, met daarbinnen een aantal clusters van themavragen. De bevraging gebeurt HORIZONTAAL op volgende wijze. Eerst wordt de vragenlijst toegepast binnen het arbeidsmarktgebeuren als geheel. Daarna gebeurt de aftoetsing van het veld van de arbeidsmarktinstellingen (de AI’s) als geheel met het veld van de eerder economisch gerichte instellingen (de EI’s) en met het voor de regio weerhouden samenwerkingsverband (het SV) om de mogelijke verschillen en relaties tussen de drie interactieniveaus te detecteren. De bevraging wordt zowel STATISCH als DYNAMISCH opgevat en houdt tevens rekening met de meest recente institutionele hervormingen, die zich momenteel vooral in het arbeidsmarktgebeuren situeren. Steeds zal worden gepeild naar de sterke en zwakke punten, en de daarbij horende suggesties die tot een betere werking kunnen leiden. Bedoeling is na te gaan wat de verschillen zijn in subregionale werking tussen de subregio’s.

4.2.

Het strategisch perspectief: visievorming, doelstellingen en acties

Hier wordt eerst nagegaan of er een strategische visie is ontwikkeld. Daarna wordt nagegaan of deze visie is omgezet in doelstellingen en prioritaire thema’s en actieprogramma’s. Bijzondere aandacht gaat uit naar de interne (binnen het AI-veld) en externe (AI- tegenover het EI- en SV-veld) coherentie van de strategie.

4.2.1. visievorming -

bestaat er een strategische visie in de streek

-

is deze uitgeschreven en bekrachtigd

-

wordt deze strategische visie vertaald in doelstellingen en prioritaire acties

-

wordt deze regelmatig geëvalueerd en bijgestuurd

-

bestaat er een gelijklopende visie omtrent de te volgen strategie tussen de actoren in betrokken veld

-

wat is het draagvlak van de visie

-

wat is de (mogelijke) impact van de recente institutionele hervormingen op de visievorming

februari 2003

Deel 2

p. 16


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

-

wat zijn de lacunes die worden vastgesteld bij de visievorming, welke zijn voor verbetering vatbaar en hoe

4.2.2. doelstellingen, prioritaire thema’s en actieprogramma’s -

wordt deze strategische visie vertaald in operationele doelstellingen

-

worden er prioritaire thema’s en prioritaire actievelden afgelijnd

-

wordt deze regelmatig geëvalueerd en bijgestuurd

-

bestaat er een gelijklopende visie omtrent de te volgen strategie tussen de actoren in betrokken veld

-

wat is het draagvlak van deze prioritering

-

wat is de (mogelijke) impact van de recente institutionele hervormingen op de prioritering

-

wat zijn de sterkten en de lacunes die hier worden vastgesteld, wat is voor verbetering vatbaar

4.2.3. interactie en coherentie -

is de strategie (van visie tot prioritaire thema’s en actievelden) intern (tussen de AI’s onderling) coherent

-

is de strategie (van visie tot prioritaire acties) extern ( in vgl met deze ontwikkeld bij de EI’s en de SV’s) gelijklopend of conflicterend?

-

Hoe werken strategische opties binnen elk veld in op deze van de andere velden?

-

Wat is de impact van de strategiebepaling binnen het institutioneel veld op de eigen organisatie

-

Wat wordt beschouwd als de meest waardevolle bijdrage van de ontwikkeling van de streekeigen visie, wat is voor verbetering vatbaar

4.3.

Het institutioneel perspectief: regelgeving en interactie

werking

en

processen:

actoren,

Om de netwerking of de samenwerkingsverbanden te analyseren wordt in eerste instantie gebruik gemaakt van de beschrijving van de status van de actuele partners van de instellingen en de toetredingsproblematiek. Daarna volgt een analyse van de besluitvormingsprocessen, de motieven voor deelname en de onderlinge interactievormen.

4.3.1. actoren -

hoe worden ze gekozen of aangeduid,

-

wie was de initiërende of de volgende actor,

-

wie is zijn de passieve versus de actieve actoren

-

wat zijn de onderlinge verhoudingen,

-

wie wordt beschouwd als sleutelactor.

-

openheid naar nieuwe partners

Hierbij wordt tevens nagegaan: februari 2003

Deel 2

p. 17


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

-

of evoluties zijn waar te nemen

-

er verschillen zijn: - binnen het veld: tussen algemene en projectwerking - tussen de velden onderling.

4.3.2. graad van formalisering -

zijn er overlegfora: met beslissingsbevoegdheid, uitvoeringsbevoegdheid

-

betrokkenheid lokale besturen

-

graad van engagement tov eigen organisatie voor actoren binnen de instituties: van tamelijk vrijblijvend tot grote impact op werking deelnemende of medebeherende actor

-

relatie tussen doe- en denkorganen binnen een veld

4.3.3. motieven deelname -

deelname aan instellingen en projecten gevraagd of niet, en door wie

-

dominantie van externe (VR, toegang subsidies..) of interne motieven

-

toegevoegde waarde van deelname van de actoren voor de regio

-

toegevoegde waarde van deelname van de actoren voor de eigen organisatie van de deelnemers

-

zijn er verschillen merkbaar in de tijd

-

zijn er verschillen merkbaar binnen het arbeidsmarktveld tussen de drie velden

4.3.4. interactievormen -

partnerschappen: publiek-private, publiek-publieke;

-

kwalificeren van de aard van de interacties op basis van interactietypologieën (4) -

gedrag van actoren wordt bestempeld (op basis speltypes) als eerder : coöperatief, conflictueel… competitiebeperkend;

-

graad (sterk tot zwak) van afhankelijkheden: tegenover de middelen en de doelen

-

graad van interactie: sterk of zwak, centraal of perifeer enz;

-

aard interactie: communicatie, gezamenlijke besluitvorming…

4.4.

Het instrumenteel perspectief: sturing en financiering

4.4.1. sturing: wie stuurt aan Centraal staat hier de vraag naar externe sturing: wie stuurt aan? -

binnen het arbeidsmarktgebeuren

-

onderling tussen de drie interactieniveaus

-

vanuit de VR (opdracht, actoren, geografische afbakening)

-

vanuit de lokale besturen

februari 2003

Deel 2

p. 18


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiĂŤnt subregionaal beleid in Vlaanderen

-

wat met de intentie van de VR om het subregionaal veld te stroomlijnen

-

vanuit het middenveld

4.4.2. Sturingsinstrumenten (dominantie en evolutie) Met focus op de reglementaire sturing en met een onderscheid tussen algemene werking en projectwerking; -

bottom up of top down benaderingen

-

nadruk op structuur of projectwerking

-

vraaggestuurde of aanbodgedreven productie en dienstverlening

-

interne en externe evaluatie zowel: hoe, wanneer, waar en eventuele sancties? Alsook de vraag naar:

-

input- of outputmonitoring

4.4.3. financieringsinstrumenten. In het algemeen de vraag naar de kanalen en de vormen van financiĂŤle sturing : wie, wat, hoe? -

co-financiering ?

-

gebonden niet gebonden

-

bijdragende partijen

-

omvang budgetten

-

project/organisatiefinanciering

-

input of outputfinanciering

-

vraag (de cursisten‌) of aanbodfinanciering (de lesgevers)

februari 2003

Deel 2

p. 19


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

5. GLOBALE RESULTATEN GEVALSTUDIES 5.1.

VAN

DE

3

VLAAMSE

Inleiding

Dit deel geeft een beknopt overzicht van de resultaten betreffende de bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen op basis van het onderzoek van de drie cases Gent, Kortrijk en Turnhout. De resultaten worden besproken volgens het uitgevoerde analyseconcept van de subregionale dynamiek. Zo worden de kritische succes- en faalfactoren getoetst in de vier behandelde thema’s; (1) de strategische visievorming, (2) de institutionele kwaliteit van het netwerk, (3) de vernieuwingsdynamiek in het netwerk mede via het instrumenteel perspectief en, (4) de openheid voor nieuwe beleidsontwikkelingen (de externe factoren). Elk van deze thema’s wordt als volgt ingevuld.

Strategische visievorming - Is er een expliciete strategische visie geformuleerd? - Wat is draagvlak voor doelstellingen? - Wat is de belangrijkste insteek voor deze strategie? - Vloeit de strategie door in concrete acties en projecten? - Waarop ligt het zwaartepunt in de streekontwikkeling?

Institutionele kwaliteit van het netwerk - Wie zijn drijvende krachten? - Welke rol spelen de lokale besturen? - Hoe verloopt de samenwerking tussen de arbeidsmarktactoren en de andere streekactoren? - Wat zijn de meest dominante redenen bij de actoren voor deelname aan de streekwerking? - Wat zijn de belangrijkste hinderpalen voor meer intense samenwerking en netwerking tussen de streekactoren?

Instrumenteel perspectief - Wat zijn de drijvende krachten voor vernieuwing (omgeving, actoren, openheid van netwerk, draagvlak)? - De bijdrage van middelen (personeel, financieel, informatie) en instrumenten (contracten, overeenkomsten, convenanten,…) tot de vernieuwingsdynamiek? - Wordt de streekwerking geëvalueerd en bijgestuurd? - Wie zijn de belangrijkste financierende partijen voor streekprojecten? - Is er een evolutie in financiële sturing van de subregionale netwerking?

Externe beleidsontwikkelingen, zoals:

februari 2003

Deel 2

p. 20


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

- nauwere samenwerking/integratie van STC’s en streekplatformen tot een ‘strategisch sociaal-economisch streekoverleg’; - oprichting van streekhuizen; - omvorming PLOT’s tot LWW’s en oprichting van FLW; - grotere rol voor provincies en gemeenten De beleidstopics zijn de samenvattende conclusies die naar voor komen bij de uitgevoerde perceptiepeilingen waarbij een aantal van deze conclusies geïllustreerd worden met overzichtstabellen van de verschillende regio’s. De resultaten uit deze overzichtstabellen zijn de percepties die in grote mate gemeenschappelijk gedragen worden door de bevraagde actoren per regio en waarbij de verschillen tussen de drie regio’s in de verf worden gezet. De weergave van de antwoorden in de overzichtstabellen bevat dus enkel die topics die door de meerderheid van de bevraagden per regio werden aangeduid of juist niet werden aangeduid. De beleidstopics en de overzichtstabellen worden weergegeven per thema.

5.2.

Resultaten van de perceptiepeiling en beleidstopics

5.2.1. Strategisch perspectief Hier wordt gepeild naar de mate van een gemeenschappelijke strategie voor de ontwikkeling van de streek en het draagvlak ervan. Verder wordt nagegaan wat de invalshoek is en wat de zwaartepunten zijn in de streekontwikkeling. •

Uit de drie cases volgt dat er in de verschillende regio’s een strategieformulering aanwezig is, waarbij de bevraagden aangeven dat deze strategie algemeen breed wordt gedragen door de streekactoren. Toch geeft elk van de drie bevraagde regio’s een andere invulling aan het concept “strategie voor de streekontwikkeling”. - In Gent is de strategie geografisch beperkt tot de stad Gent en de haven met daarbij de bijna totale afwezigheid van de randgemeenten in deze strategie. Op vlak van streekontwikkeling kan men in Gent spreken van een sterk gedragen visie die echter geografisch beperkt is. - In Kortrijk wordt de strategie vooral sterk gedragen door de economische instituties waarbij de arbeidsmarktactoren een meer volgende houding aannemen. - In Turnhout wordt de strategie bepaald door de twee kernactoren, die elkaar gevonden hebben in het streekplatform. Daarbij bestaat de indruk dat de gedragen visie rond streekontwikkeling zich focust rond een aantal concrete dossiers: het nucleaire dossier, de milieutechnologievallei, het grafisch project en de infrastructurele ontsluiting van de streek.

•

6

Uit de perceptiepeiling blijkt dat de insteek van de strategie en de projectwerking op streekniveau ruim ‘sociaal-economisch’ zijn ingevuld, d.w.z. dat zowel economische als arbeidsmarktaspecten zijn meegenomen en zelfs culturele en milieu-aspecten6. De focus kan wel verschillen per streek. In Kortrijk is ‘het economisch beleid’ dominant, terwijl in Gent ‘het werkgelegenheidsperspectief’ sterker is.

Er zijn zowel hefboomprojecten met een economische finaliteit evenals hefboomprojecten rond werk, cultuur, welzijn en milieu.

februari 2003

Deel 2

p. 21


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

•

Het zwaartepunt in de streekontwikkeling ligt op visievorming en eigen projectwerking die breed worden ingevuld over de verschillende beleidsdomeinen heen en waarbij naast de sociaal-economische (arbeidsmarkt- en economische actoren) ook niet-economische actoren zoals cultuur- en milieu-organisaties, aan de streekwerking deelnemen. Daartegenover staat dat (al dan niet decretaal geregelde) advisering op vraag7 van de Vlaamse regering en de uitvoering van projecten op vraag van derden8 niet als zwaartepunt van de streekwerking worden gepercipieerd.

•

Tegenover een brede invulling van de strategieopmaak en de ruime deelname van de actoren aan de projectwerking is er de vaststelling dat er institutioneel aparte organen zijn op economisch (streekplatform, intercommunale, GOM, …) en arbeidsmarktvlak (STC, VDAB, Lokale Werkwinkels (=LWW’s), Fora voor Lokale Werkgelegenheid (=FLW). Hier kan dus gesproken worden van ‘een blijvende institutionele verkokering’.

Tabel 2: Strategisch perspectief in de drie regio’s Gent

Kortrijk

Turnhout

aantal strategieën

meerdere gelijklopende strategieën voor de stad en zijn havengebied

één strategie

meerdere gelijklopende strategieën

draagvlak voor de strategie

• gedragen door de stadsactoren

• gedragen door het streekplatform REBAK en de intercommunale Leiedal

• zuidelijk en oostelijk gelegen gemeenten in het Gewest Gent spelen niet mee

breed gedragen door bijna alle streekactoren

• de arbeidsmarktactoren volgen in de strategie van de economische instituties

insteek voor de strategie

sterk arbeidsmarktgericht

sterk economisch beleidsgericht

evenwicht tussen arbeidsmarkt en economisch beleidsgericht

resultaat van de strategie(en)

de strategieën resulteren in concrete streekprojecten:

de strategie resulteert in concrete streekprojecten:

de strategieën resulteren in concrete streekprojecten:

Bvb. Beroepenhuis, het ROM-project, Trefil Arbed (vzw De Punt)

Bvb. LAR II, Evenementenhalle HoogKortrijk

Bvb. PLATO-actie, welzijnsconsortium Kempen, KIKO, SAM

• gedefinieerd door de stad Gent en het spontane samenwerkingsverband GsiW

• gedefinieerd door het streekplatform REBAK met het streekcharter

• gedefinieerd door alle betrokken streekactoren

zwaartepunt in de streekontwikkeling

• verzwakkende visievorming en sterke eigen projectwerking • advisering op vraag en uitvoering van projecten in opdracht van derden is

• sterke visievorming en sterke eigen projectwerking • advisering op vraag is minder belangrijk • uitvoering van projecten in opdracht van derden is niet

• verzwakte visievorming en sterke eigen projectwerking • advisering op vraag en uitvoering van projecten in opdracht van derden is minder belangrijk

7

Advisering op vraag: de werking van de instellingen op streekniveau behelst een deel advisering van de Vlaamse overheid (bijvoorbeeld door het STC en de GOM’s) en de plaatselijke besturen (bijvoorbeeld de intercommunale en de FLW); deze adviesfunctie wordt vaak decretaal geregeld. 8 Uitvoering van projecten op vraag van derden behelst de opdrachten die -in contrast met de projecten uitgevoerd op eigen initiatief van de organisatie (bvb. KIKO bij het SPK)- worden uitgevoerd in opdracht van derden (bvb. studie naar de economische haalbaarheid van een ondergrondse parking in Turnhout door het SPK, de vraag voor advies aan REBAK bij het provinciaal structuurplan West-Vlaanderen). Onder derden kunnen hier onder meer de Vlaamse overheid en de gemeenten worden verstaan. februari 2003

Deel 2

p. 22


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen minder belangrijk

belangrijk

5.2.2. Institutioneel perspectief Bij het institutioneel perspectief wordt gepeild naar de meest actieve actoren alsmede naar de evolutie en de nieuwe spelers in de subregionale arena. Ook wordt nagegaan in welke mate en op welke terreinen de samenwerking binnen en tussen de arbeidsmarktinstituties, de economische instellingen en de spontane samenwerkingsverbanden verloopt. Tenslotte wordt nagegaan wat de hinderpalen zijn voor meer intense samenwerking inzake subregionale werking. •

Er is een duidelijk verband tussen de insteek van de strategie en de aard van de meest actieve actoren. Zo zijn de economische instituties in Kortrijk de meest actieve actoren in de streekwerking die tevens sterk economisch gericht is. In Gent zijn de stad met het programma ‘GsiW’ en de werknemersorganisaties het meest actief in een streekbeleid dat eerder arbeidsmarktgericht is. Deze meest actieve actoren hebben zich ook sterker in de werking gemanifesteerd dan 5 à 10 jaar geleden.

•

Het streekbeleid is een dynamisch gegeven, niet alleen door een actievere opstelling van bepaalde actoren maar ook door een wijzigende rolverdeling tussen de actoren. Enkele voorbeelden van positieverschuivingen tussen actoren: - het streekplatform in Turnhout vormde het cement tussen de twee kernactoren het SPK en het IOK, met als gevolg dat het SPK meer evolueert naar een “Doe-Maatschappij” en de visievorming overlaat aan het streekplatform; - het streekplatform REBAK in Kortrijk maakt de toegevoegde waarde van het ‘Charter ’99’ kleiner; - het effect van de STC-vzw op de flexibiliteit van de STC-werking en op de grotere autonomie tegenover de werking van de VDAB; - de oprichting van de LWW’s en de FLW verdringt de positie van bestaande PLOT’s (plaatselijke loketten van tewerkstelling).

•

De subregionale werking is een zeer dynamisch en gedifferentieerd gegeven. Men dient dus voldoende ruimte te hebben om zich te kunnen aanpassen aan nieuwe uitdagingen. Zo kan men niet voorbij gaan aan de ‘geografische’ problematiek van de optimale gebiedsafbakening: - met verschillen in aanpak tussen stad en streek. In Gent bijvoorbeeld speelt duidelijk de ‘stad versus de rand-problematiek’, terwijl in Kortrijk en zeker in Turnhout een groter homogeen subregionaal werkingsgebied wordt waargenomen; - die niet statisch (mag) zijn. Bijvoorbeeld in West-Vlaanderen werd vanaf eind de jaren ’80 het gebied Kortrijk-Roeselare-Tielt als één politiek district beschouwd. Momenteel is er echter een terugkeer naar de oorspronkelijke configuratie van de arrondissementen waarbij Roeselare-Tielt beschikt over een eigen streekplatform (naast het streekplatform REBAK met het arrondissement Kortrijk als werkingsgebied). Ook ziet men in bepaalde regio’s een verschuiving van de intergemeentelijke samenwerking van het breed arrondissementeel niveau (werkingsgebied van de intercommunale) naar een beperkter intergemeentelijk niveau. Zo wordt in Turnhout de positie van het IOK (vooral op gebied van afvalbeleid) aangetast door het ontstaan van het regionaal stedelijk gebied Turnhout dat 4 aangrenzende gemeentes omvat.

februari 2003

Deel 2

p. 23


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

Dit dynamisch gegeven van de subregionale werking maakt dat er geen confectiepak voor alle streken kan gefabriceerd worden maar duidt op de behoefte aan een kader voor eigen invulling door de lokale actoren. •

Het subregionaal veld in Vlaanderen is druk bezet met meerdere actoren per beleidsdomein zowel in economische als arbeidsmarktmateries. De laatste 5 à 10 jaar werd ook de intrede van derdenorganisaties, vooral op vlak van milieu en cultuur, vastgesteld. Arbeidsmarktinstituties worden niet vermeld in de top 3 van de nieuwe actoren omdat zij onder één of andere vorm reeds actief waren in het streekbeleid (de STC-vzw’s worden gezien als een aanvulling van de bestaande STC’s) of omdat de vernieuwing van bepaalde arbeidsmarktactoren nog te recent is om reeds een plaats te hebben verworven in het subregionaal landschap (LWW’s, FLW).

•

Ondanks de optie van decentralisering in het Vlaams beleid, is er op het subregionaal terrein nog geen perceptie van decentralisering. -

Gemeenten en steden zien zich nog sterk aangestuurd vanuit Vlaams niveau en voelen zichzelf nog eerder een ‘lagere overheid’ dan een ‘mede-overheid’.

-

De decentrale aanpak wordt vooral zwak gepercipieerd in het subregionaal arbeidsmarktbeleid; twee voorbeelden: (1) de STC’s zijn sterk centraal aangestuurd vanuit de Vlaamse regering. Ze worden enkel beheerd door de sociale partners (met de derden en de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (=VVSG) enkel als waarnemer) en worden sterk beïnvloed door de werking van de VDAB. Hun belangrijkste taak bestaat uit advisering over projecten en concrete dossiers; (2) de LWW’s vallen onder de regie van de VDAB voor wat de universele basisdienstverlening voor alle werkzoekenden betreft, en onder de regie van de VVSG voor wat de uitbouw van de diensteneconmie aangaat. Er is weinig ruimte voor lokale differentiatie.

•

De samenwerking tussen de arbeidsmarktactoren onderling en de arbeidsmarkt- en economische actoren onderling is erg verschillend. - Het subregionaal economisch beleid legt het accent op strategievorming en projectwerking met een sterke decentrale werking waarbij geen globaal en uniform referentiekader aanwezig is op Vlaams niveau. - Bij het subregionaal arbeidsmarktbeleid primeert advisering op vraag en uitvoering van projecten in opdracht van derden, aangestuurd vanuit het centraal Vlaams niveau en binnen een uniform model. - Wat betreft de wederzijdse vertegenwoordiging moet opgemerkt worden dat het STC steeds aanwezig is in het economische streekplatform maar niet omgekeerd. De samenwerking tussen de betrokken actoren is zeker voor verbetering vatbaar. Dit geldt zeker voor de meer decentraal gerichte economische actoren en de meer centraal aangestuurde arbeidsmarktinstituties op vlak van afstemming van de strategische visie en doelstellingen in Kortrijk, wederzijdse vertegenwoordiging in Gent en samenwerking rond projecten in Turnhout.

•

De meest belangrijke hinderpalen voor intense samenwerking zijn: het behartigen van de eigen werking, de historiek van organisaties en het bestaan van concurrerende platformen. Vooral de verkokering van organisaties is een hinderpaal voor samenwerking. Verhindert teveel institutionaliseren een dynamisch subregionaal beleid? Uit de perceptiepeiling blijkt

februari 2003

Deel 2

p. 24


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

dat de minst dynamisch beschouwde actoren de arbeidsmarktinstituties zijn. De arbeidsmarktinstituties worden het meest besloten beheerd (Bvb. het STC wordt enkel beheerd door sociale partners, met één vertegenwoordiger van de Vlaamse Vereniging van Steden en Gemeenten en één van de derden als waarnemers) en worden sterk centraal aangestuurd (het STC wordt gestuurd door een centrale stuurgroep). De meest dynamische platformen, waaronder economische streekplatformen en spontane samenwerkingsverbanden, zoals het SPK en ‘GsiW’, hebben een breed werkveld (economie, arbeid met uitlopers naar milieu en cultuur), een meer open beheersstructuur en, of een projectwerking die openstaat voor anderen. Zo wordt het programma ‘Gsiw’ beheerd door een ruim veld van lokale actoren (gaande van de stad, bedrijven, … tot scholen) en een open lidmaatschap. Ook het SPK, ondanks zijn meer besloten beheersstructuur, bestrijkt een breed maatschappelijk actiedomein en staat zeer open voor partnerschappen bij zijn projectwerking. In bijlage 6 vindt men de wederzijdse vertegenwoordiging en de daarbij horende analyse.

februari 2003

Deel 2

p. 25


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

Tabel 3: Institutioneel perspectief in de drie regio’s Gent

Kortrijk

Turnhout

meest actieve actoren

• stad Gent en de werknemersorganisaties zijn het meest actief

• streekplatform REBAK en intercommunale Leiedal zijn het meest actief

• intercommunale IOK, de GOM en het spontane samenwerkingsverband SPK zijn het meest actief

evolutie van de werking van de actoren gedurende de voorbije 5 à 10 jaar

• stad Gent, de werknemersorganisaties en de arbeidsmarktinstituties zijn actiever geworden

• intercommunale Leiedal en arbeidsmarktinstituties zijn actiever geworden

• vooral gemeentebesturen en provinciebesturen zijn actiever geworden

• de werking van geen enkele actor wordt globaal als passiever gepercipieerd

• de werking van geen enkele actor wordt globaal als passiever gepercipieerd

• opvallend dat de werking van het SPK, de bezielende figuren en de Vlaamse overheid passiever gepercipieerd wordt

nieuwe actoren gedurende de voorbije 5 à 10 jaar

• streekplatform

• streekplatform

• streekplatform

samenwerking tussen de arbeidsmarktactoren onderling9

samenwerking tussen de arbeidsmarkten economische actoren10

• GsiW

• samenwerkingsverband regionaal stedelijk gebied Turnhout

• derdenorganisaties

• derdenorganisaties

• derdenorganisaties

• samenwerking rond projecten en uitwisselen van informatie

• samenwerking rond projecten, wederzijdse vertegenwoordiging en uitwisselen van informatie

• samenwerking rond projecten, uitwisselen van informatie, wederzijdse vertegenwoordiging en gezamenlijke lobbying

• weinig gezamenlijke lobbying

• geen afstemming van strategische visie en doelstellingen

• gebrek aan afstemmen van strategische visie en doelstellingen

• samenwerking rond projecten

• wederzijdse vertegenwoordiging en uitwisselen van informatie

• afstemming van strategische visie en doelstellingen, uitwisselen van informatie, wederzijdse vertegenwoordiging en gezamenlijke lobbying

• gebrek aan wederzijdse vertegenwoordiging

• geen afstemming van strategische visie en doelstellingen

• gebrek aan samenwerking rond projecten

9

De bevraagde terreinen van samenwerking zijn: afstemmen van strategische visie en doelstellingen, uitwisselen van informatie, wederzijdse vertegenwoordiging, samenwerking rond projecten en gezamenlijke lobbying. In de tabellen staan enkel die terreinen vermeld die door de ruime meerderheid van de bevraagden werden aangeduid of juist niet werden aangeduid. 10 zie vorige voetnoot februari 2003

Deel 2

p. 26


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

samenwerking tussen de arbeidsmarktactoren en spontane samenwerkingsverbanden11

• samenwerking rond projecten, uitwisselen van informatie, afstemmen van strategische visie en doelstellingen

• samenwerking rond projecten en uitwisselen van informatie

• samenwerking op alle terreinen

• gebrek aan wederzijdse vertegenwoordiging

• geen afstemming van strategische visie en doelstellingen en geen gezamenlijke lobbying

meest dominante redenen voor deelname aan de streekwerking (in volgorde van belang)

1) toegang tot overheidsmiddelen

1) eigen doelstellingen realiseren

1) toegang tot overheidsmiddelen

2) eigen doelstellingen realiseren

2) toegang tot overheidsmiddelen

2) maatschappelijk engagement van de eigen organisatie

hinderpalen voor intense samenwerking (in volgorde van belang)

1) behartigen van de eigen werking

1) bestaan van concurrerende platformen

1) historiek van organisaties

2) historiek van organisaties

2) persoonlijke relaties

2) behartigen van de eigen werking

3) bestaan van concurrerende platformen

3) verschillen in inhoudelijke invalshoek

3) andere : incapaciteit van gezamenlijke lobbying

5.2.3. Instrumenteel perspectief Bij het instrumenteel perspectief wordt nagegaan wat het belang is van het gebruik van de instrumenten ter sturing van het subregionaal beleid. Verder wordt nagegaan wat het spanningsveld is tussen de meest gebruikte12 en de meest effectieve instrumenten. Vervolgens wordt nagegaan wie optreedt als belangrijkste financier van de streekwerking en wat de huidige evolutie is op vlak van de financiële sturing. •

Als het meest gebruikte sturingselement in het subregioanaal beleid zien de streekactoren in de drie regio’s vooral regelgeving (zoals decreten, besluiten en omzendbrieven) en, dit sturingselement kent volgens hen nog altijd een stijgend belang.

•

Er is een duidelijk verschil waarneembaar tussen de meest gebruikte en de door de streekactoren als meest efficiënt beschouwde instrumenten. Er is echter een grote vraag naar nieuw instrumentarium zoals grotere ruimte voor decentralisering naar lokaal niveau, evaluatie-instrumenten, convenanten, cofinanciering van strategische projecten en Publiek Private Samenwerking (=PPS). Er is dus een duidelijk verschil tussen de meest gebruikte instrumenten en de instrumenten die de streekactoren als meest effectief beschouwen. Een aanpassing in het gebruik van instrumenten naar meer interactieve instrumenten zoals convenanten- en contractbeleid i.p.v. een hiërarchische aanpak via regelgeving, kan een bottom-up werking stimuleren.

•

Als belangrijkste financiers van het subregionaal beleid worden vooral de Vlaamse overheid en de hogere overheid op Europees niveau vermeld en, deze overheidsmiddelen blijken voor de actoren tevens één van de belangrijkste redenen voor deelname aan de streekwerking te zijn. Naast de instrumentele sturing via regelgeving (decreten, besluiten

11 12

zie vorige voetnoot meest als dominant aangevoelde instrument op vlak van netwerking

februari 2003

Deel 2

p. 27


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

en omzendbrieven) is er ook een sterke financiële sturing vanuit de Vlaamse overheid waarbij een evolutie in financiële sturing wordt opgemerkt van structurele naar tijdelijke, van niet gebonden naar gebonden en van organisatie- naar projectfinanciering en naar cofinanciering met meerdere partijen. •

In de samenwerking tussen het subregionaal en het Vlaams niveau is de valorisatie van de subregionale werking door de Vlaamse overheid een belangrijk aandachtspunt. Vooral het probleem van projectvalorisatie wordt aangehaald. Zo is een beperkt aantal hefboomprojecten van de streekplatformen in uitvoering gesteld. Enerzijds is het de taak van het streekplatform om uit de disparate mengeling van projecten deze te selecteren die van strategisch belang zijn voor de streek. Anderzijds wordt van de Vlaamse overheid verwacht dat de voorgedragen strategische hefboomprojecten voldoende financieel worden ondersteund. Toch worden voorgedragen strategische hefboomprojecten vanuit de subregionale werking regelmatig verworpen. Dit ondermijnt op termijn de werking en het draagvlak van het subregionaal beleid.

•

Het subregionaal beleid heeft geen eigen budget voor projectfinanciering. Dit impliceert dat voor deze projectfinanciering een beroep moet gedaan worden op de budgetten van de verschillende functionele departementen. Dit wordt evenwel belemmerd door: - een gebrek aan horizontale werking van de Vlaamse administratie. Indien de projecten niet passen in het programma van de verticale administraties, heeft het project weinig slaagkans. - het ontbreken van een horizontaal of interdepartementeel begrotingsfonds voor de financiering van strategische streekprojecten.

februari 2003

Deel 2

p. 28


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

Tabel 4: Instrumenteel perspectief in de drie regio’s Gent

Kortrijk

Turnhout

• het meest gebruikte instrument is regelgeving (decreten, besluiten en omzendbrieven)

• het meest gebruikte instrument is regelgeving

• het meest gebruikte instrument is regelgeving samen met financiering van projecten

• planningsinstrumenten, decentralisering naar lokaal niveau en financiering van projecten worden regelmatig gebruikt

• planningsinstrumenten, centraal aangestuurde instrumenten, financiering van projecten, aanbodfinanciering van organisaties en convenanten worden regelmatig gebruikt

• planningsinstrumenten, centraal aangestuurde instrumenten en aanbodfinanciering van organisaties worden regelmatig gebruikt

• vooral regelgeving, planningsinstrumenten, nieuwsoortige elementen met nadruk op convenanten en financiële instrumenten kennen een stijgend belang

• vooral regelgeving, planningsinstrumenten en financiële instrumenten kennen een stijgend belang

• vooral nieuwsoortige instrumenten kennen een stijgend belang

• toenemende ruimte voor decentralisering wordt matig gepercipieerd

• toenemende ruimte voor decentralisering wordt nauwelijks gepercipieerd

• toenemende ruimte voor decentralisering wordt matig gepercipieerd

• evaluatie-instrumenten kennen geen toenemend gebruik

• evaluatie-instrumenten kennen een toenemend gebruik

• evaluatie-instrumenten kennen geen toenemend gebruik

meest effectieve instrumenten volgens de bevraagden

Bottom-up en verder evaluatie-instrumenten, convenanten en projectfinanciering worden als meest effectieve instrumenten beschouwd

Bottom-up en verder evaluatie-instrumenten, planningsinstrumenten en projectfinanciering worden als meest effectieve instrumenten beschouwd

Bottom-up en verder evaluatie-instrumenten, PPS-constructies, planningsinstrumenten en projectfinanciering worden als meest effectieve instrumenten beschouwd

evaluatie en bijsturing van streekwerking

weinig tot geen evaluatie en bijsturing

regelmatige evaluatie op eigen initiatief

weinig evaluatie en bijsturing

belangrijkste financierende partijen (in volgorde van belang)

1) Vlaamse overheid

1) Vlaamse overheid

1) Europese middelen

2) Lokale besturen

2) Lokale socioeconomische organisaties en Europese middelen

2) Vlaamse overheid

3) Europese middelen

3) Lokale instituties

gebruik van sturingsinstrumenten13

evolutie in gebruik van instrumenten14

13 14

De weergegeven sturingselementen per regio zijn geselecteerd op basis van het aantal vermeldingen zie vorige voetnoot

februari 2003

Deel 2

p. 29


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

huidige evolutie in financiële sturing

• van overheids- naar cofinanciering met meerdere partijen

• van structurele naar tijdelijke financiering

• van niet gebonden naar gebonden financiering

• van organisatie- naar projectfinanciering

• van overheids- naar cofinanciering met meerdere partijen

• van structurele naar tijdelijke financiering

• van niet gebonden naar gebonden financiering

• van organisatie- naar projectfinanciering

• van overheids- naar cofinanciering met meerdere partijen

5.2.4. Externe ontwikkelingen Hier wordt nagegaan of de meest recente hervormingen hebben bijgedragen tot de subregionale dynamiek. Ook worden enkele nieuwe reeds geformuleerde voorstellen rond het subregionaal beleid bevraagd. •

De werking van het streekplatform wordt als een belangrijke ontwikkeling beschouwd. De streekplatformen hebben door de ‘levende krachten’ in een regio samen te brengen, een aantal vernieuwende processen in gang gezet, bijvoorbeeld door de dialoog tussen lokale partners te bevorderen, door het strategisch denken op streekniveau te bevorderen en door een consensus rond hefboomprojecten te bereiken. Anderzijds is bij de streekactoren niet de overtuiging aanwezig dat de uitbreiding van de STC tot vzw-STC15 en de oprichting van de Lokale Werkwinkels (=LWW’s) een belangrijke ontwikkeling was voor de subregionale dynamiek behalve dan bij de streekactoren in Gent. Dit laatste kan verklaard worden doordat het subregionaal beleid in Gent sterk arbeidsmarktgericht is met het programma GsiW. Ook zijn de LWW’s spontaan ontstaan in Gent, terwijl in Kortrijk en Turnhout dit orgaan kunstmatig werd geïmplementeerd.

•

Uit de bevraging volgt dat er synergieën mogelijk zijn tussen de STC’s en de streekplatformen en dit vooral via meer intensieve samenwerking (op vlak van strategievorming, projectformulering en beleidsvoorbereidende taken). Deze synergie tussen STC en streekplatform kan via wederzijdse vertegenwoordiging, die momenteel niet langs beide kanten aanwezig is (zie bijlage 6), worden bevorderd. Bij een integratieoptie moet men dan wel rekening houden met de verschillen in gebiedsafbakening van de instellingen en de verschillende werkterreinen en sturing van de actoren.

•

Het voorstel tot oprichting van de “Huizen van de Streek” wordt positief beschouwd omdat men gelooft in een meer intensieve samenwerking indien de verschillende streekactoren ook daadwerkelijk fysisch samenzitten.

•

De rol van de provincie als regisseur van het subregionaal beleid zal pas werken als er een inhoudelijke toegevoegde waarde wordt aangeleverd en er niet gewerkt wordt vanuit een top-down aanpak. De provincie als regisseur van het subregionaal beleid kan een toegevoegde waarde leveren wanneer zij een ondersteunende rol vervult vanuit een bottom-up benadering en als de provincie beschikt over de nodige kennis in alle domeinen van het subregionaal beleid.

•

Toch wordt algemeen aangegeven door de streekactoren dat steden en gemeenten eerder als de basis worden beschouwd van een bottom-up aangestuurd subregionaal beleid. Er

15

Het belang van de bijdrage van de STC-vzw tot de werking van het STC wordt wel gepercipieerd maar niet zozeer tot de aanzwengeling van de subregionale dynamiek.

februari 2003

Deel 2

p. 30


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

wordt dan ook algemeen gepleit voor meer verantwoordelijkheid voor de lokale besturen. In dit kader wordt een stijgende betrokkenheid van steden en gemeenten in het subregionaal beleid (bvb. intercommunales, streekplatform, LWW, …) gepercipieerd. Maar men moet voldoende oog hebben voor: - de nodige opbouw van domeinkennis, bvb. kennis van het arbeidsmarktbeleid bij de gemeenten; - het gevaar van overbevraging naar de gemeenten toe. Dit is de reden dat in Gent meer verantwoordelijkheid voor lokale besturen negatief gepercipieerd wordt. De stad Gent voert acties op zoveel beleidsdomeinen dat de coördinatie van haar huidige werking problematisch wordt; - het gevaar van te zware procedure bij democratische legitimering op meerdere niveau’s. Bijvoorbeeld de aanpassing van de streekvisie in de streekplatformen vergt de beslissing van de Vlaamse regering. Een bijkomende beslissingsronde bij gemeenten en provincies verzwaart de procedure. Tabel 5: Externe ontwikkelingen Gent

Kortrijk

Turnhout

huidige streekwerking t.o.v. 5 à 10 jaar geleden

actiever

actiever

gelijk

bijdrage van aanpassing STC

belangrijk

niet belangrijk

geen uitgesproken consensus

bijdrage oprichting LWW

belangrijk

geen uitgesproken consensus

geen uitgesproken consensus

bijdrage oprichting FLW

geen uitgesproken consensus

geen uitgesproken consensus

niet belangrijk

bijdrage werking streekplatform

geen uitgesproken consensus

belangrijk

belangrijk

mogelijke integratie STC-streekplatform

geen uitgesproken consensus

geen uitgesproken consensus

positief

mogelijke oprichting ‘Huis van de Streek’

positief

positief

positief

grotere rol voor provincies als regisseur

geen uitgesproken consensus

negatief

geen uitgesproken consensus

meer verantwoordelijkheid voor lokale besturen

negatief

positief

positief

februari 2003

Deel 2

p. 31


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

6. BESPREKING VAN DE DRIE REGIO’S 6.1.

Inleiding

De behandeling van de drie streken wordt in wat volgt op éénzelfde leest geschoeid. 1) In eerste instantie volgt een korte ‘geo-economische’ positionering van het betrokken gebied, met enkele geografische en demografische kenmerken en enkele economische kerncijfers over (de toestand en de evolutie van) het BRP en de werkgelegenheid. 2) Vervolgens wordt in dezelfde inleiding verder ingegaan op de bovenlokale en subregionale netwerken in de beschouwde regio. Daarbij zal invulling gegeven worden aan de bovenlokale en subregionale arena zoals getypeerd in onderstaande Figuur 2. De centrale insteek blijft de sociaal-economische cluster, met bijzondere aandacht voor de effecten op de arbeidsmarkt. Figuur 2: Typering van beleidsnetwerken in Vlaanderen institutioneel

publieke

maatschappelijk

private

territoriale

functionele

middenveld

markt

centraal

centraal

centraal

decentraal

decentraal

decentraal

sociaaleconomisch

Subregionale arena

Bron: IDEA Consult

Met bovenlokaal en subregionaal wordt hier, zoals gedefinieerd in vorig interim-rapport, bedoeld de instellingen, instanties en organen die het gemeentelijk niveau overstijgen en een kleinere dimensie hebben dan de provincies. Ze omvatten hier zowel de meer functionele en territoriale netwerken als de meer relationele en projectgebonden netwerken. 3) Daarna volgt de uiteindelijke bespreking van de interviews. In deze analyse ligt de nadruk op de beschrijving van de streekeigen netwerking. Doel is enerzijds het aftoetsen en het aanvullen van de beschreven subregionale arena en anderzijds het aflijnen van de kritische succesfactoren van de subregionale dynamiek. Bij de analyse van de kritische succesfactoren worden steeds de vier thema’s centraal gesteld: (1) de strategische visievorming, (2) de institutionele kwaliteit van het netwerk, (3) de

februari 2003

Deel 2

p. 32


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

vernieuwingsdynamiek in het netwerk mede via het instrumenteel perspectief en tot slot (4) de openheid voor nieuwe beleidsontwikkelingen (de externe factoren). Op basis van deze vier thema’s worden waar relevant drie interactieniveaus beschouwd. De drie interactieniveaus zijn: de wisselwerking tussen de arbeidsmarktactoren onderling (de arbeidsmarktinstellingen met subregionale werking, de AI’s: STC, LWW en FLW, of het subregionaal tewerkstellingscomité, de lokale werkwinkel en het forum voor lokale werkgelegenheid), de interacties van de arbeidsmarktactoren met de meer economisch gerichte actoren werkzaam op het subregionaal veld (de economische instellingen met subregionale werking, de EI’s: GOM, de intercommunale, het streekplatform) en, de interacties van de arbeidsmarktactoren met bottom-up opgerichte lokale samenwerkingsverbanden (de LSV’s: GsiW voor Gent, het SSPK voor Turnhout, en voor Kortrijk het Charter ’99 of nu het Charter ZW-Vlaanderen genoemd). 4) De geformuleerde besluiten leiden vervolgens tot een overzicht van de bijzondere aandachtspunten en de kritische succesfactoren van elke beschouwde regio. In bijlage 4 tot en met bijlage 6 wordt per regio een meer exhaustieve beschrijving van de overleg- en projectnetwerken in de diverse regio’s weergegeven.

februari 2003

Deel 2

p. 33


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiĂŤnt subregionaal beleid in Vlaanderen

6.2.

GENT

6.2.1. Geo-economische positionering De aflijning van subregio’s in de provincie Oost-Vlaanderen is geen sinecure. Economische clusters van gemeenten en centrumfuncties vallen niet altijd samen met politieke grenzen. Zo behoort Nevele tot het arrondissement Gent, maar leunt sociaal-economisch aan bij het Meetjesland16. In het kader van dit onderzoek richten we onze aandacht vooral naar de Stad Gent. Maar aan de hinterlandproblematiek (de stad versus de rand binnen het Gewest Gent) en de relatie met het Meetjesland (behorend tot STC werkgebied Gent-Eeklo) kan niet worden voorbij gegaan zonder een belangrijk deel van de subregionale problematiek te negeren. Het arrondissement (het Gewest) Gent telt 495.400 inwoners. De stad Gent zelf met ongeveer 224.200 inwoners neemt bijna de helft van de bevolking op zich. Het Gewest Gent telt een 16-tal gemeenten17. Box 1: Cijfers gewest Gent-Eeklo BRP Het BRP per inwoner van het gewest Gent nam in de periode 1985-1997 toe met 21.4%, beduidend minder dan het Vlaams gemiddelde (+30.7%) en ook minder dan het cijfer voor de provincie Oost-Vlaanderen (+25.3%). Het BRP per inwoner bedraagt index 111.1 (1997) bij index 100 voor Vlaanderen. Bij inclusie van het Meetjesland om te komen tot het STC-gebied Gent-Eeklo daalt het BRP per inwoner dan tot index 106.02, wat duidt op een minder welvarend Meetjesland (index 74,35) in vergelijking met Gent (index 111,13) zelf. Werkloosheidsgraad De Regio Gent-Eeklo wordt gekenmerkt door hoge werkloosheid. De werkloosheidsgraad (niet werkende werkzoekenden/ beroepsbevolking) bedraagt in 1999 8,5% tegenover 7,3% voor het Vlaams Gewest. Vooral de mannelijke werkloosheidsgraad (met 6,8%) ligt beduidend boven het Vlaams niveau (5,2%). Werkgelegenheid De werkzaamheidgraad (aantal werkenden/bevolking op beroepsactieve leeftijd) in het Gentse (Gent-Eeklo) ligt met 66,8% iets hoger dan het cijfer van 65.4% geldig voor Vlaanderen. De werkgelegenheidsgraad (aantal arbeidsplaatsen/bevolking op beroepsactieve leeftijd) bedraagt 68,4%, dit is 5,6 procentpunt meer dan in Vlaanderen (62.8%) als geheel. Een werkgelegenheidsgraad hoger dan de werkzaamheidgraad duidt op een ingaande pendelbeweging en op de rol van de regio Gent-Eeklo als werkgelegenheidskern. Bron: INR voor BRP en Steunpunt WAV voor arbeidsmarkt: met cijfers voor 1999 tenzij anders vermeld.

16

Meetjesland met een elftal gemeenten zoals bvb. Eeklo, Nevele en Aalter; met tezamen 129.000 inwoners.

17

Gewest Gent: De Pinte, Deinze, Destelbergen, Evergem, Gavere, Gent, Lochistri, Melle, Merelbeke, Moerbeke, Nazareth, Oosterzele, Sint-Martens-Latem, Wachtebeke, Zelzate en Zulte. Nevele behoort tot het Gewest Gent doch sluit aan bij het streekplatform Meetjesland.

februari 2003

Deel 2

p. 34


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

6.2.2. Subregionale arena In de Gentse regio zijn een groot aantal organisaties actief op het vlak van streekontwikkeling: de lokale besturen en hogere besturen, socio-economische instanties, maatschappelijke belangengroepen en instellingen die samen instaan voor een geïntegreerd regionaal beleid.

Voorbeelden van belangrijke netwerken in het kader van een geïntegreerd regionaal beleid voor het stadsgewest Gent zijn: de VZW ‘Strategisch Plan Gewest Gent’ (het streekplatform voor Gent), het STC Gent-Eeklo met zijn vzw STIRK en de minder algemeen omvattende intercommunale VENECO² als voorbeelden van functionele netwerken. Daarentegen neemt in Gent de Actie van de stad Gent: ‘Gent Stad in Werking’ een dominante plaats in. Het houdt het midden tussen een relationeel en een projectgebonden netwerk. De werking blijft geografisch beperkt tot de Stad Gent. Het is moeilijk het Gewest Gent als een homogeen gebied te beschouwen. Ook was het niet altijd even duidelijk of de geïnterviewden het hadden over de Stad Gent, de haven en de kanaalzone, het Gewest Gent of de zone Gent-Eeklo. Daarom volgt onder de titel: ‘Gent, of de problematiek van een grootstad en zijn rand’ enige verduidelijking rond de spelers op het subregionaal veld in het Gentse.

februari 2003

Deel 2

p. 35


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

Gent, of de problematiek van een grootstad en zijn rand De Stad Gent wordt gedomineerd door twee actieplannen. - Enerzijds is er voor Gent Stad het programma ‘Gent Stad in Werking’ (het programma ‘GsiW’). Het kwam tot stand in 1998 op initiatief van de Stad Gent en zijn diensten DEWER en het LWB), met een strategisch werkgelegenheidsplan, waarbij een actie wordt opgezet rond werkgelegenheid, economie, vorming en doelgroepenbeleid. - Anderzijds is er de haven en de kanaalzone met zijn (door de provinciegouverneur gedragen) ROM-project, een geïntegreerd gebiedsgericht beleid waarbij op een geïntegreerde wijze door publieke en private actoren een economisch, milieu- en ruimtelijk ordeningsbeleid wordt gevoerd. Het werkingsgebied is de kanaalzone van Gent en de noordelijke gemeenten (Evergem, Zelzate en Wachtebeke) en waarbij de ambitie heerst om grensoverschrijdend (naar Terneuzen toe) te werken. Ook het havendecreet met zijn voorziene overlegplatformen zal bijdragen tot een visie rond havenontwikkeling. Naast deze twee sterke spelers voor de STAD GENT heeft men het streekplatform voor het GEWEST GENT (met uitzondering van Nevele dat bij het Meetjesland aansluit). Het streekplatform slaagt er onvoldoende in om tot integratie te komen tussen de werking van het programma ‘GsiW’, het ROM-project en de ontwikkeling van de meer zuidelijke en oostelijke gemeenten rond Gent. Het strategisch plan 2000 van het streekplatform wordt algemeen beschouwd als een ‘plan van de Kamer van Handel en Nijverheid’. Het streekplatform faalt in zijn overkoepelende rol, mede door de reorganisatie van de Kamer - de fusie tot de Kamer van Oost-Vlaanderen - en een minder dynamisch ACV. Het STC en de VZW STIRK heeft als werkgebied GENT-EEKLO, maar focust zich vooral op het Meetjesland want het ondervindt in de Stad Gent sterke concurrentie van het programma ‘GsiW’ en het LWB. Het LWB (lokaal werkgelegenheidsbureau) is in Gent uitgegroeid tot een sterke dienst (met +/-100 mensen in dienst) die in concurrentie staat met de instrumenten van het Vlaams Arbeidsmarktbeleid. Ook Netwerk Gent wint aan belang. Dit netwerk is een samenwerkingsverband tussen het LWB, het OCMW, de derden en de VDAB en fungeert als denktank, motor en katalysator met focus op tewerkstelling en opleiding. De intercommunale VENECO² met een beperkte werking (bedrijventerreinen en huisvesting) wordt niet beschouwd als een sterke speler. Het omvat (met ontdubbelde bestuursorganen) het Gewest Gent en het Meetjesland. In het Meetjesland daarentegen is er een homogene streekwerking met een sterk streekplatform en een grote mate van integratie van diverse overlegplatformen. Typisch voor de regio Gent-Eeklo is dus zijn dubbele tweepoligheid. -

Men heeft ten eerste het spanningsveld tussen de gewesten: enerzijds het Gewest Gent met daarbinnen de dominantie van de Stad Gent met zijn programma ‘GsiW’ en anderzijds het Meetjesland met een meer homogene streekwerking en een grote mate van samenwerking tussen de diverse overlegplatformen.

-

Ten tweede is er het spanningsveld binnen het Gewest Gent, met de Stad en zijn programma ‘GsiW’ en een ‘kleine’ betrokkenheid van de gemeenten rond de kanaalzone via het ROM-project en werkgroep “grote aanwervingen” binnen GsiW en de ‘grote’ leegte inzake subregionale werking in de andere randgemeenten rond Gent.

februari 2003

Deel 2

p. 36


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

6.2.3. Bespreking van de interviews 6.2.3.1. •

Strategisch perspectief

Een gemeenschappelijke strategie voor de streekontwikkeling?

De meerderheid van de bevraagden geeft aan dat er meerdere strategieën zijn voor de streekontwikkeling, deels conflicterend maar vooral gelijklopend en naar elkaar toegroeiend. Daarbij wordt dan vooral verwezen naar het programma ‘GsiW’ voor de Stad Gent en het ‘ROM’-project voor de haven en de kanaalzone. Deze strategieën worden gedragen door de meerderheid van de streekactoren die actief zijn in het stadsgebeuren. Naast deze twee actieprogramma’s voor de Stad en zijn havengebied heeft men het strategisch plan voor het Gewest Gent dat minder dominant is en er minder in slaagt de gemeenten rond de stad Gent en de Stad zelf gezamenlijk te mobiliseren rond een geïntegreerd streekproject voor het Gewest Gent. Alhoewel de bevraagden van de Stad Gent en de provincie opteren voor een evenwicht tussen economie en werkgelegenheid als centrale insteek voor de strategie rond streekontwikkeling, wordt door de rest van de bevraagden de centrale insteek gepercipieerd als zijnde sterk arbeidsmarktgericht. •

Zwaartepunten in de streekwerking

Het zwaartepunt in de strategie rond streekontwikkeling in Gent ligt vooral op (een iets verzwakkende) visievorming, direct gevolgd door eigen projectwerking (veel werkgroepen en actielijnen, breed gedragen). Het is volgens de bevraagden soms gemakkelijker een draagvlak te vinden voor het uitvoeren van concrete projecten dan voor het definiëren van een gezamenlijke visie en strategie. Advisering op vraag en uitvoering van projecten in opdracht van derden worden in de streekwerking als minder dominant ervaren. De strategie rond subregionale ontwikkeling mondt dus uit in concrete projectwerking. Zo resulteerde het actieprogramma ‘GsiW’ in een tiental actiegroepen en verder in een aantal zeer concrete projecten [zie bijlage 4]. Het ROM-project heeft reeds geleid tot 3 wijzigingen in de gewestplannen waarbij enkele miljarden franken aan subsidies naar GENT zijn gevloeid. Het streekplatform heeft een achttal hefboomprojecten gedefinieerd [zie bijlage 4]. Toch vindt men nogal veel dezelfde projecten terug op de lijst van projecten van diverse platformen. Bijvoorbeeld: actie rond biotechnologie, beroepenhuis en sociale economie vindt men terug als een project bij ‘GsiW’ en als hefboomproject. •

Impact van de streekwerking op eigen werking van actoren in het subregionaal veld

Op de vraag in welke mate de gemeenschappelijke strategie op subregionaal vlak invloed heeft op de eigen werking van de streekactoren wordt een genuanceerd beeld gegeven. De streekwerking heeft vooral een grote invloed op de werking van de Stad Gent en zijn programma ‘GsiW’ maar niet op de werking van de randgemeenten. Men vindt ook dat de gemeenschappelijke strategie op subregionaal vlak vooral te weinig impact heeft op de economische instellingen (de Gom wordt hier als te volgend beschouwd, Veneco² is een te zwakke intercommunale) maar ook weinig impact heeft op de daadwerkelijke subregionale werking van de Vlaamse overheid (tenzij voor het ROM-project en het overnemen van het voor een grootstad goedwerkend- concept van de LWW voor Vlaanderen als geheel). Ook wordt gesteld dat de gemeenschappelijke strategie op subregionaal vlak (nog te) weinig impact heeft op de interne werking van de sociale partners en op deze van de

februari 2003

Deel 2

p. 37


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

derdenorganisaties. Sociale partners voeren vooral een aanwezigheidspolitiek en derdenorganisaties krijgen wel een grotere rol toebedeeld en dus een grotere impact op de projectwerking van de STC-vzw. 6.2.3.2. •

Institutioneel perspectief

Algemene evaluatie streekwerking: vandaag tegenover vroeger

De streekwerking wordt nu door iedereen als actiever beschouwd tegenover vroeger. De reden tot meer streekwerking is vooral het besef dat de complexiteit van de problemen meer samenwerking vereist tussen actoren onderling, ook over de gemeenten en streken heen en tevens een meer multidisciplinaire aanpak vereist. Als meest actieve (en ook als meest sturende) actor in de subregionale streekwerking treedt momenteel ontegensprekelijk (met ruime voorsprong) de Stad Gent op de voorgrond met de actie ‘GsiW’. Vervolgens worden ook de sociale partners en dan vooral de werknemersorganisaties momenteel als zeer actief beschouwd. Daarbij wordt dan ook het stijgend gewicht (zowel decretaal als in de feiten) van de sociale partners op de besluitvorming inzake subregionaal beleid benadrukt. Ook wordt regelmatig –alhoewel nu minder dan vroeger- de trekkersrol van bezielende figuren, zoals de provinciegouverneur Balthazar (voor het ROM-project) en de havenschepen Termont (voor de haven) aangehaald. De provincie en de economische instituties (het streekplatform, de GOM, de intercommunale Veneco²) worden het minst vermeld als zijnde actief inzake subregionale werking. Ook betreffende de evolutie gedurende de laatste 5 tot 10 jaar in de opstelling van de verschillende actoren in de subregionale werking, wordt de Stad en zijn programma ‘GsiW’ eensgezind als actiever naar voor geschoven. Naast de Stad worden vooral de werkgeversorganisaties als meer actief dan vroeger gepercipieerd. Ook de arbeidsmarktinstituties (vooral door de oprichting van LWW, FLW en STC-vzw) en de Vlaamse overheid (met onder meer door de oprichting van de LWW, de omvorming van het STC, de oprichting van de streekplatformen en via het ROM-project) worden momenteel als actiever dan vroeger gepercipieerd. Voor enkele bevraagden hebben de provincies en de werknemersorganisaties (vooral ACV) zich in het recente verleden minder actief opgesteld. Toch wordt geen enkele actor globaal als passiever gepercipieerd. Buiten de Stad als meest dominante en globale actor, wordt ook veel verwezen naar actoren die alleen op bepaalde domeinen of in bepaalde geografische gebieden zeer actief zijn. Bijvoorbeeld: de provincie die vooral actief is op milieugebied; de werknemersorganisaties die binnen de werking van het STC vooral geïnteresseerd zijn in het verdedigen van de eigen projecten; een streekplatform dat zeer actief is in het Meetjesland, maar niet in Gent; het STC dat actief is in het Meetjesland, terwijl de Stad Gent het STC niet echt nodig heeft, wat drukt op de algehele werking van het STC Gent-Eeklo. Als nieuwe actoren op het subregionaal veld in de voorbije 5 à 10 jaar worden naast de klassiekers (STC-vzw, streekplatform) vooral de derdenorganisaties aangeduid (zoals DUET, de kringloopcentra en de Werkgaard). Ze zijn allemaal actief op het vlak van arbeidsmarktbeleid naar kansengroepen toe. De LWW wordt niet vermeld als nieuwe actor, want dit orgaan bestond reeds als dienstverlening van het LWB van de stad Gent.

februari 2003

Deel 2

p. 38


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

•

Mate en domeinen van samenwerking in streekwerking

De samenwerking loopt vlot (in afnemende rang) tussen de arbeidsmarktinstituties onderling en tussen de arbeidsmarktinstituties en de economische instituties en tussen de arbeidsmarktinstituties en de spontane samenwerkingsverbanden indien het gaat om samenwerking rond projecten; in dit verband is het opvallend dat dezelfde projecten terug te vinden zijn op de activiteitenlijst van de diverse instanties, hetzij als eigen project (Gsiw en streekplatform), hetzij als actieve deelnemer (vooral bij STC). Daarna volgt de uitwisseling van informatie als belangrijkste terrein van samenwerking. Afstemming van de strategische visies en gezamenlijk lobbyen scoren laag. Wederzijdse vertegenwoordiging wordt als minst belangrijk naar voor geschoven. •

Redenen tot deelname aan streekwerking en hinderpalen tot betere samenwerking

Als meest dominante redenen tot deelname aan de streekwerking wordt vooreerst de toegang tot overheidsmiddelen vermeld, op ruime afstand gevolgd door de betere verwezenlijking van eigen doelstellingen. Het creëren van goodwill tegenover de omgeving wordt in Gent als onbelangrijk afgedaan. Door het ter beschikking stellen van overheidsmiddelen wordt voor sommigen het subregionaal beleid (te zeer) top-down gestuurd en volgen de projecten de financiële stromen, zonder dat ze werkelijk tegemoet komen aan de prioritaire behoeften van de regio. Daartegenover wordt vooral de behartiging van de eigen werking niet alleen gezien als belangrijkste reden tot deelname maar ook als belangrijkste hinderpaal voor meer intense samenwerking. Vervolgens worden als belangrijkste hinderpalen voor meer intense samenwerking en netwerking tussen de streekactoren vermeld: de historiek van organisaties en het bestaan van concurrerende platformen. De decretale bepalingen op zich –alhoewel veel gebruikt en als weinig efficiënt beschouwd- worden door alle bevraagde actoren als weinig belemmerend voor intense samenwerking en netwerking tussen de streekactoren gezien. 6.2.3.3. •

Instrumenteel perspectief

Sturingsinstrumenten: gebruik versus effectiviteit

Bij de vraag naar de top 3 van de momenteel meest gebruikte instrumenten wordt eerst en vooral de regelgeving (zoals decreten, reglementen en richtlijnen) voorop gesteld, met een grote voorsprong op een cluster van drie instrumenten: het gebruik van planningsinstrumenten, de grotere ruimte voor decentralisering naar het lokaal niveau en de financiering van projecten. In derde orde volgen aanbodfinanciering van organisaties en convenanten. PPS-constructies, evaluatie-instrumenten en de centraal aangestuurde instrumenten (topdown) kregen geen vermelding als meest gebruikt. Bij de evaluatie van de ruimte voor (echte) decentralisering naar het lokaal niveau worden vooral vanuit de bevraagden van de lokale overheden kritische bedenkingen geformuleerd. Men heeft geen perceptie van een bottom-up beleid. Bij de inschatting van de evolutie in het gebruik van de instrumenten ter sturing van de subregionale werking valt ook hier –naast het niveau- vooral het stijgend belang van regelgeving en van planningsinstrumenten op. Toenemende ruimte voor decentralisering en het toenemend gebruik van financiële instrumenten worden slechts matig gepercipieerd. Daarentegen is er een afnemend belang merkbaar in het gebruik van evaluatie-instrumenten. Er heerst dan ook het gevoel dat de streekwerking niet regelmatig wordt geëvalueerd en bijgestuurd. Ook staat men kritisch tegenover de huidige evaluatie van de projecten, waar een februari 2003

Deel 2

p. 39


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

gebrek aan kritische benadering wordt vastgesteld. Er wordt geen harde evaluatie doorgevoerd, op basis van de effectiviteit (de output) en/of de efficiëntie (kostenbatenanalyse). Men beperkt zich veelal tot een evaluatie van de input (bijvoorbeeld: aantal vergaderingen, aantal deelnemers aan workshops en/of ingezette middelen). Bovenstaande vaststellingen inzake gebruik staan soms in contrast met de perceptie van de effectiviteit van de sturingsinstrumenten. Daarbij worden (alhoewel veel en in toenemende mate gebruikt) regelgeving en top-down benaderingen beschouwd als minst effectief voor een goede streekwerking. Als meest effectief wordt de bottom-up approach vermeld, gevolgd door de evaluatie-instrumenten, de convenanten en de financiering van projecten. •

Financiële sturing

De Vlaamse overheid wordt in Gent beschouwd als de belangrijkste financier van streekprojecten, op ruime afstand gevolgd door de lokale besturen en Europa (EQUAL, ESF). De ondernemingen, de sociale partners en de lokale sociaal-economische organisaties worden hier niet als belangrijke financiers beschouwd. Bij de beoordeling van de evolutie in de financiële sturing wordt er een duidelijke tendens waargenomen van loutere overheidsfinanciering naar cofinanciering met meerdere partijen. Ook wordt er een evolutie vastgesteld van organisatie- naar projectfinanciering en van nietgebonden naar gebonden financiering. Echter, een teveel aan gebonden en tijdelijke financiering wordt door bevraagden niet altijd als positief ervaren: het beknot de vrije bestedingsmogelijkheden, bezwaart de continuïteit van acties en belemmert de opbouw van het benodigde personeelskader. 6.2.3.4.

Externe ontwikkelingen

De streekwerking wordt beschouwd als actiever dan vroeger. De hervorming van de STC’s tot STC-vzw met projectontwikkelaars levert een belangrijke bijdrage tot de dynamiek van de streekwerking, die in Gent sterk arbeidsmarktgericht is. Bij de gunstige beoordeling van de oprichting van de LWW moet worden opgemerkt dat dit orgaan al bestond in Gent: de LWW als dienstverlening vanuit het LWB van de stad. Ook het FLW bestond al als actiegroep (het overleg rond integrale dienstverlening naar de werkzoekende toe) binnen het programma ‘GsiW’. Het model van het overleg binnen de dienstverlening van de Stad GENT is nu van toepassing gesteld voor heel Vlaanderen. De institutionalisering van beide initiatieven wordt door GENT ervaren als een erkenning. Maar hier moet de vraag gesteld worden of een concept dat werkbaar is in een grootstad, zomaar kan worden toegepast in alle gemeenten, ongeacht hun dimensie, hun omvang van de doelgroep en hun uitgestrektheid. Over de werking van de streekplatformen bestaat geen uitgesproken consensus, omdat het streekplatform er niet in slaagt de gemeenten ten zuiden en ten oosten van de stad Gent te mobiliseren. Ook de hefboomprojecten borduren teveel voort op reeds bestaande initiatieven. Daartegenover leveren de Mercuriusprojecten en de doelstelling 2-projecten een wezenlijke bijdrage tot de streekontwikkeling. Bij de nieuwe voorstellen van de Vlaamse regering wordt het meest verwacht van het ‘Huis van de Streek’, al was het maar omdat het de actoren zal aanzetten tot meer samenwerking. Meer verantwoordelijkheid voor de lokale besturen wordt –omwille van de vrees dat gemeenten onvoldoende uitgerust zijn om nieuwe taken op te nemen- overwegend als negatief gepercipieerd. Daarnaast wordt veel verwacht van het subregionaal overlegorgaan voor de haven van Gent, zoals voorzien in het Havendecreet. februari 2003

Deel 2

p. 40


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

Vooral de bevraagden van de Stad en de provincie pleiten voor meer democratische legitimering. Anderen stellen dat een grotere rol van de provincies maar positief zou zijn als er voldoende deskundigheid aanwezig is. Toch overheerst ook hier soms het gevoel dat de Vlaamse regering niet goed meer weet wat met het subregionaal beleid te beginnen en het dan maar doorschuift naar de provincies. In Gent wordt de integratie van het zwak gepercipieerd streekplatform in het STC door sommigen als positief beschouwd, al was het maar om het aantal dubbele mandaten te verminderen.

6.2.4. Succesfactoren en verklaring van de subregionale werking in Gent •

het dubbel bipolair karakter van de regio Gent_Eeklo

De regio Gent-Eeklo (werkingsgebied voor het STC en de intercommunale Veneco²) is geen homogene regio en wordt gekenmerkt door een dubbel spanningsveld. Enerzijds is er de tegenstelling tussen de twee Gewesten (arrondissementen): het heterogeen gebied van het Gewest Gent versus het homogeen Meetjesland. Anderzijds binnen het Gewest Gent is er de spanning tussen de Stad Gent met een uitloper naar de gemeenten in de kanaalzone en in de Havenzone versus de zuidelijke en de oostelijke gemeenten rond Gent. De gemeenten in de kanaalzone en in de havenzone worden betrokken bij de werking van de stad via het ROM-project en het streekoverleg voorzien in het havendecreet. De zuidelijke en de oostelijke gemeenten rond Gent worden niet of nauwelijks bediend door de streekwerking van Gent. De randgemeenten hebben schrik van de dominante positie van de Stad Gent en weigeren te participeren in een geïntegreerd beleid met de stad Gent, wat een homogene streekwerking niet vergemakkelijkt. •

Sterke focus op het arbeidsmarktgebeuren

Sterke focus in Gent op het arbeidsmarktgebeuren binnen het programma ‘GsiW’. De economische instituties in Gent komen inzake streekontwikkeling zwak over. Getuigen daarvan de kleine en verdeelde intercommunale en een zwak presterend streekplatform met gebrek aan een globale streekvisie. Het streekplatform faalt als overkoepelend orgaan, dat volgens sommigen- er niet in slaagt ook de meer zuidelijke en oostelijke gemeenten te integreren in het samenwerkingsgebied van de twee spelers, de stad en de kanaalzone18. •

Dominantie van de stad

Sterke dominantie van de Stad GENT en zijn diensten: DEWER, LWB (twee niet verzelfstandigde maar wel zelfstandig werkende stadsdiensten) en het programma ‘GsiW’. De Stad Gent heeft het STC en het streekplatform niet echt nodig. De LWW en het FLW waren reeds van toepassing in Gent, als stadsinitiatief. •

De provincie als regisseur?

Een grotere rol voor de provincies (als democratisch verkozen besturen en) als regisseur van de streekwerking is aanvaardbaar vanuit democratische overwegingen en is enkel ook efficiënt indien ze daarvoor de nodige competentie in huis (zouden) hebben. De rol van gemeenten als regisseur voor het subregionaal arbeidsmarktbeleid wordt in tegenspraak ervaren met het begrip subregionaal, dat per definitie bovenlokaal is. De rol van gemeenten

18

Men hoort hier duidelijk de stem van de Stad Gent die stelt dat de rest maar moet geïntegreerd worden in de werking van de stad en zijn haven.

februari 2003

Deel 2

p. 41


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

als regisseur voor het lokaal arbeidsmarktbeleid stoot op de vraag naar de capaciteit van kleinere gemeenten om hier een kwaliteitsvolle rol te spelen. •

Impact bottom-up approach op het niveau van Vlaanderen

Er is duidelijk nood aan horizontale aanspreekpunten bij de Vlaamse overheid. Bij de evaluatie vanuit de streek van de rol van de Vlaamse overheid heerst trouwens een dubbel gevoel: er is wel veel lippendienst rond de bottom-up benadering en de grotere rol van het lokaal veld, doch zelfs voor kleinere projecten is de zegen van Brussel nodig. De financieringsstromen (dus de stad Gent en de Vlaamse overheid) bepalen in grote mate de subregionale (samen-)werking. Er is geen goede afstemming tussen wat Gent nodig heeft en wat de Vlaamse overheid financiert. De Vlaamse regering durft geen risico’s te nemen en laat weinig ruimte voor experimentele projecten. De Vlaamse regering heeft weinig oog voor maatwerk en werkt liever met algemene schema’s die voor iedereen gelden. •

Efficiëntie van de projectwerking

Er is ogenschijnlijk een grote projectwerking, maar éénzelfde project wordt op diverse platformen besproken en daar dan ook als het zijne verkocht. Toch zijn het veelal dezelfde mensen in de diverse bestuursorganen. Er wordt daarenboven geen harde evaluatie doorgevoerd. De criteria die worden gehanteerd zijn onder meer het aantal vergaderingen, het aantal deelnemers, veel minder het kwalitatief resultaat. Zo is het programma ‘GsiW’ nooit geëvalueerd geworden door het aantal gerealiseerde arbeidsplaatsen te relateren tot de ingezette middelen of door het aantal ingezette vergaderuren te relateren tot de creatie van duurzame werkgelegenheid. Er is dan ook een chronisch gebrek aan outputevaluatie (bvb. TREFIL ARBED voor laaggeschoolden opgevuld met een call-center). •

Lijst van kritische succesfactoren:

Historische analyse -

De dominantie van de Stad en zijn programma ‘GsiW’ bemoeilijkt de homogene streekwerking niet alleen voor het gebied Gent-Eeklo, maar ook voor het Gewest Gent als geheel. De vraag of er in een vernieuwd regionaal beleid niet meer rekening moet worden gehouden met het spanningsveld tussen de stad en zijn rand is hierdoor duidelijk gesteld.

-

Sterke focus binnen Gent op het arbeidsmarktgebeuren met enige uitlopers naar de problematiek van ruimtelijke ordening binnen de haven en de kanaalzone.

-

Kenmerkend is ook het geringe beroep van Gent op de diensten van de Vlaamse overheid. De LWW en het FLW is een Gents concept: de LWW bestond reeds als dienstverlening binnen het LWB van de Stad en het FLW was reeds actief als actiegroep binnen ‘GsiW’. Het STC werkt vooral voor het Meetjesland.

-

De economische actoren worden zwak gepercipieerd. Het streekplatform met zijn vooral op de haven en zijn logistieke functie en op het wetenschappelijk potentieel van de UG gerichte hefboomprojecten, weet de zuidelijke en de oostelijke rand van Gent niet te mobiliseren. De intercommunale voor streekontwikkeling voor het gebied Gent-Eeklo heeft weinig uitstraling en heeft nog altijd een dubbele besluitvormingsstructuur: één voor het Gewest Gent en één voor het Meetjesland.

-

Het Meetjesland met zijn dynamisch streekplatform weet de diverse instituties die instaan voor de streekontwikkeling, in een homogene en coherente streekwerking te integreren.

februari 2003

Deel 2

p. 42


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

-

De samenwerking tussen de arbeidsmarktinstituties en de economische instituties en het programma ‘GsiW’ loopt enkel vlot inzake projectwerking en wederzijdse uitwisseling van informatie. Wederzijdse vertegenwoordiging scoort zwak.

-

De sturing van de streekontwikkeling vanuit de Vlaamse overheid gebeurt naast regelgeving voornamelijk via financiële instrumenten. Dit wordt duidelijk door de streek aangevoeld als gesteld wordt dat de keuze van de projecten vooral wordt bepaald door de financieringsstromen.

-

Na jaren werking klinkt de roep naar harde evaluatie van de projecten steeds luider. Niet de input maar de output (effectiviteittoets) en de verhouding ingezette middelen versus output (efficiëntietoets) moet worden geëvalueerd.

-

De streek(samen)werking is naast de eigen initiatieven van de Stad en deze van de Vlaamse overheid vooral bevorderd geworden door het groeiend besef dat een meer horizontale en integrale benadering een betere oplossing biedt aan steeds meer complexe en interdependente problemen.

Vlaamse voorstellen -

Bij de nieuwe gekende voorstellen van de Vlaamse regering wordt het meest verwacht van het ‘Huis van de streek’. Het zal de actoren aanzetten tot meer samenwerking.

-

Daarnaast wordt ook veel verwacht van het subregionaal overlegorgaan voor de haven van Gent, zoals voorzien in het Havendecreet.

-

Meer verantwoordelijkheid voor de lokale besturen wordt –omwille van de vrees dat gemeenten onvoldoende uitgerust zijn om nieuwe taken op te nemen- overwegend als negatief gepercipieerd.

-

Vooral de bevraagden van de Stad en de provincie pleiten voor meer democratische legitimering. Anderen stellen dat een grotere rol van de provincies maar positief zou zijn als er voldoende deskundigheid aanwezig is.

-

In Gent wordt de integratie van het zwak gepercipieerd streekplatform in het STC door sommigen als positief beschouwd, al was het maar om dubbele mandaten te verminderen. Wederzijdse vertegenwoordiging (nu heeft het STC zitting in het streekplatform en niet omgekeerd) kan een bijdrage leveren tot meer afstemming van visie en projectwerking; trouwens in Gent zit het streekplatform binnen hetzelfde gebouw van het STC.

februari 2003

Deel 2

p. 43


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

6.3.

Kortrijk

6.3.1. Geo-economische positionering Opvallend is dat West-Vlaanderen niet gedomineerd wordt door één centrum. Men kan stellen dat de regionale steden Brugge, Kortrijk, Oostende en Roeselare samen deze taak op zich nemen. De regio Kortrijk is een arrondissement met 278.300 inwoners. De stad Kortrijk zelf (met ongeveer 74.800 inwoners) neemt hier een dominante positie in. Het Kortrijkse beslaat de hele zuidoostelijke kant van de provincie en maakt deel uit van het grensoverschrijdend stedelijk netwerk Kortrijk-Rijsel-Roubaix-Tourcoin-Moeskroen. Box 2: Cijfers voor Kortrijk en Roeselare BRP Het BRP per inwoner van de regio Kortrijk nam in de periode 1985-1997 toe met 29.9%, net iets minder dan het Vlaams gemiddelde (+30.7%) en iets meer dan het cijfer voor de provincie (+29.6%) West-Vlaanderen. Het BRP per inwoner bedraagt index 95.04 (1997) bij index 100 voor het Gewest Vlaanderen. Het BRP voor de regio Kortrijk-Roeselare (het werkingsgebied van het STC) bedraagt index 97,8 tegenover 95,04 voor Kortrijk alleen (met Vlaanderen = 100), wat duidt op een relatief grotere welstand van de regio Roeselare in vergelijking met deze van Kortrijk. Werkloosheidsgraad De werkloosheidsgraad voor het STC-gebied Kortrijk-Roeselare bedraagt momenteel (1999) minder dan 5% (nl. 4,9%) , tegenover 7.25% voor Vlaanderen als geheel. De vrouwelijke werkloosheidsgraad bedraagt 7,3% tegenover 3,1% bij de mannen. In Vlaanderen is dit respectievelijk 9,9% en 5,2%, of ongeveer voor beide groepen 2 procentpunt meer. Werkgelegenheid De werkzaamheidsgraad (aantal werkenden/bevolking op beroepsactieve leeftijd) in het Kortrijkse bedraagt 69.3% tegenover 65.4% in Vlaanderen. Ook de activiteitsgraad (beroepsbevolking/bevolking op beroepsactieve leeftijd) ligt met 72,9% beduidend boven het Vlaams cijfer van 70,5%. De werkgelegenheidsgraad (aantal arbeidsplaatsen/bevolking op beroepsactieve leeftijd) bedraagt 73.0%, dit is meer dan 10 procentpunt meer dan het cijfer voor Vlaanderen (62.8%) als geheel. Een werkgelegenheidsgraad hoger dan de werkzaamheidsgraad duidt op een ingaande pendelbeweging en op de groeipool die Kortrijk is voor de omliggende regio. Bron: INR voor BRP en Steunpunt WAV voor arbeidsmarkt, 1999

februari 2003

Deel 2

p. 44


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

6.3.2. Subregionale arena In de regio Kortrijk zijn een groot aantal organisaties actief op vlak van streekontwikkeling: de lokale besturen en hogere besturen, socio-economische instanties, maatschappelijke belangengroepen en instellingen. Een volledig overzicht van de institutionele en vooral de projectgebonden netwerking wordt weergegeven in bijlage 3. Een aantal voorbeelden worden gegeven die tevens streekspecifiek zijn: -

de veelomspannende werking van de intercommunale voor streekontwikkeling,‘Leiedal’, het streekplatform Kortrijk, de VZW ‘Rebak’, en het STC Kortrijk-Roeselare als voorbeelden van functionele netwerken;

-

de meer relationele netwerken, zoals de overlegplatformen van parlementairen, en van de burgemeesters en een hele reeks meer projectgebonden netwerken, zoals in eerste instantie het Charter Zuid-West-Vlaanderen (vroeger Charter ’99) dat niet als functioneel netwerk kan beschouwd worden, maar enkel gedragen wordt door de private bedrijfssector en zich vooral richt op projectwerking).

De meeste platformen, zoals de intercommunale ‘Leiedal’ en het streekplatform REBAK vallen geografisch samen met het arrondissement Kortrijk. Het voor Kortrijk streekrelevante STC en EDUFORUM vallen samen met de arrondissementen Kortrijk en Roeselare-Tielt wat hun werkingsgebied betreft.

februari 2003

Deel 2

p. 45


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

6.3.3. Bespreking van de interviews 6.3.3.1. •

Strategisch perspectief

Een gemeenschappelijke strategie voor de streekontwikkeling?

De meerderheid van de bevraagden geeft aan dat er momenteel één strategie is voor de streek die breed gedragen wordt door bijna alle streekactoren. Deze éénduidige streekvisie wordt verklaard door drie factoren. -

Er heerste in Kortrijk al vroeg de idee om een gestructureerd overleg tot stand te brengen tussen de sociaal-economische beleidsverantwoordelijken en de politieke mandatarissen. Zo zag het streekplatform REBAK reeds in 1990 het levenslicht als regionale overlegstructuur vóór het in 1994 officieel geïnstitutionaliseerd werd als vzw REBAK. In het streekoverleg van REBAK zetelen onder andere politieke mandatarissen, de sociale partners, de Intercommunale Leiedal, het Charter ‘99, het STC en de GOM.

-

Op basis van een grondige studie in 1997 over een toekomstgerichte streekvisie die steunt op een ruime gedachtenwisseling in de Algemene Vergadering van REBAK, werd een sterk gestructureerd ontwerp van het Streekcharter naar voren geschoven met een eerste aanzet tot het bepalen van de hefboomprojecten. Dit Streekcharter omvat enkel die projecten met een link met de uitgetekende streekstrategie.

-

De aanwezigheid van enkele bezielende figuren in verschillende subregionale overlegorganen die eenzelfde basisconsensus hanteren, versterkt de consistente uitwerking van de éénduidige strategie.

•

Zwaartepunten in de streekwerking

Deze éénduidige strategie inzake streekontwikkeling is in belangrijke mate economisch ingekleurd. Hefboomprojecten zoals “Zonevreemde gebouwen”, “LAR II” ter ondersteuning van de transport-logistieke roeping van de regio en het project “Researchpark” als vestigingsmogelijkheid voor R&D-gerichte bedrijven in nauwe relatie met de aanwezige hogescholen in Zuid-West-Vlaanderen, getuigen van het economische beleidsklimaat. De uitgestippelde strategie beoogt vooral de groei van de aanwezige klassieke industrie namelijk de bouwnijverheid, de textiel-, de hout- en de metaalindustrie. Momenteel is het stimuleren van de telecommunicatie en informatietechnologie in het kader van de nieuwe economie eerder wat bekoeld in het Kortrijkse. Dit maakt dat de positie van de arbeidsmarktactoren in Kortrijk eerder volgend is op strategisch vlak. Arbeidsmarktactoren worden niet beschouwd als een belangrijke partner in de subregionale werking mede aangezien Kortrijk geen hoge werkloosheidscijfers kent. Toch komt er op dit vlak meer en meer verandering aangezien sommige bedrijven geconfronteerd worden met knelpuntberoepen. Hierdoor onstaat er een dynamische impuls vanuit de economische instituties en de werkgeversorganisaties naar de concrete werking van de arbeidsmarktactoren. Bijvoorbeeld het project ter optimalisering van een netwerk van technische opleidingsinitiatieven werd in nauw overleg uitgevoerd met het STC en de VDAB en ontstond vanuit de behoeften van het bedrijfsleven. Zo ook is Kanaal 127, een adviescentrum voor sociaal-innoverend ondernemen, ontstaan vanuit REBAK in overleg met de bedrijven en de bedrijfsorganisaties. De mentaliteit in Kortrijk is sterk resultaatsgericht. De bestaande éénduidige strategie resulteert dan ook meestal in concrete streekprojecten. Zo wil het stadsbestuur Kortrijk de economische uitstraling van de regio versterken via een sterkere profilering van Kortrijk als

februari 2003

Deel 2

p. 46


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

centrumstad met een verzorgingsfunctie naar de brede omgeving. Dit resulteerde in bijvoorbeeld het project “Evenementenhalle Hoog-Kortrijk” waarbij een gewestplanwijziging werd aangevraagd en een verkeerstechnische studie werd uitgevoerd van het betreffende gebied. Elke organisatie wordt in het streekbeleid afgewogen op basis van haar realisaties. De vzw “Open Net” bestond lange tijd zonder enige realisaties. Daarom betrokken de lokale actoren waaronder Leiedal dit orgaan in hun werking om deze vzw terug dynamiek in te blazen. Bovenstaande perceptie is consistent met het antwoord op de vraag waarop het zwaartepunt ligt in de streekontwikkeling. Visievorming en eigen projectwerking kwamen duidelijk naar voren als de twee belangrijkste accenten in de streekontwikkeling waarbij de nadruk ligt op visievorming gevolgd door de eigen projectwerking. Advisering op vraag is ook belangrijk in de streekontwikkeling maar in mindere mate. Zo werd het Streekplatform door de Vlaamse overheid bevraagd voor advies bij het Provinciaal Structuurplan West-Vlaanderen. Betreft de realisatie van hefboomprojecten werd door de bevraagden gewezen op de te geringe valorisatie op Vlaams niveau. •

Impact van de streekwerking op de werking van de streekactoren

De gemeenschappelijke strategie heeft vooral de spontane samenwerkingsverbanden, de lokale besturen en de economische instituties beïnvloed. De spontane samenwerkingsverbanden zijn de kristalisatie van het hele streeknetwerk van ondernemingen dat ondersteund wordt door de bezielende figuren met een éénduidige visie. Via het Streekplatform worden lokale besturen meer betrokken bij het streekbeleid en dan vooral op vlak van wegeninfrastructuur. Tussen de Intercommunale Leiedal en de gemeenten is er een nauwe samenwerking. Leiedal profileert zich als partner van de gemeenten op vlak van advisering en technische ondersteuning met onder andere de implementatie van het GISsysteem. Ook de sociale partners en de Vlaamse overheid hebben volgens de bevraagden een redelijke invloed ondergaan. Bij de Vlaamse overheid is het Streekcharter omwille van de gefundeerde structuur naar streekontwikkeling toe, zeer gekend. De sociale partners richten zich sterk naar de gemaakte afspraken in het Streekcharter. Toch vormen de sociale partners meer een partij die invloed uitoefent dan dat ze invloed ondergaat. De sociale partners zijn een belangrijke lokale actor aangezien arbeid in de regio Kortrijk zeer streekgebonden is. In de aanwezige klassieke industrieën belichamen geschoolde arbeiders een belangrijke vorm van human capital en spelen zij een strategische rol bij de concurrentiepositie van bedrijven omdat het vaak om ambachtelijke en technische vaardigheden gaat die alleen via ervaring en oefening geleerd kunnen worden. De invloed van de gemeenschappelijke strategie op de arbeidsmarktinstituties wordt eerder als onvoldoende ervaren. Naast het feit dat enerzijds de gemeenschappelijke strategie eerder economisch gericht is, ligt anderzijds een deel van de verklaring ook in de institutionele werking van de VDAB en het STC. STC en VDAB zijn streekactoren die vooral centraal worden aangestuurd en enkel door sociale partners wordt beheerd in tegenstelling tot de economische instituties. De economische actoren in Kortrijk zien hun strategie en projectwerking vooral vanuit een bottom-up perspectief terwijl STC en VDAB zeer top-down gestuurd worden. Deze verschillen belemmeren de samenwerking tussen beide groepen van actoren.

februari 2003

Deel 2

p. 47


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

6.3.3.2. •

Institutioneel perspectief

Algemene evaluatie van de streekwerking: vandaag tegenover vroeger

De huidige streekwerking wordt actiever beschouwd dan de werking van 5 à 10 jaar geleden. De verklarende factoren zijn de toenemende professionalisering van de streekactoren in het subregionaal beleid ondersteund door een strategisch Streekcharter en de toenemende wil tot consensus van de verschillende streekactoren. De perceptie vanuit de economische instituties gaf aan dat zelfs deze wil tot consensus momenteel zodanig aanwezig is dat ze het eigenbelang van de organisaties overstijgt. Ook groeit het bewustzijn dat de schaal van de gemeenten vaak onvoldoende groot is voor de inrichting van een lokaal netwerk waardoor de rol van intergemeentelijke organen stijgt. Door de integratie van derdenorganisaties in de projectwerking overkoepelt het streekbeleid tevens een breder spectrum dan vroeger met toenemende aandacht voor nieuwe sociale thema’s waaronder cultuur. De meest actieve actoren in de subregionale werking zijn in de eerste plaats de economische instituties, waaronder vooral de Intercommunale Leiedal en het Streekplatform REBAK, gedragen door bezielende figuren. Op de tweede plaats komen de sociale partners. -

Kortrijk heeft steeds een breed engagement van bezielende figuren gekend bij de bepaling en de uitwerking van de strategie. De diversiteit in vertegenwoordiging van alle streekactoren laat echter niet meer toe dat het beleid alleen nog afhangt van enkelingen. Deze persoonlijke netwerken moeten immers meer en meer samengaan met de nodige professionalisering van de lokale netwerking. Toch zijn deze figuren zich meer gaan richten op hun netwerkopbouw naar Brussel toe. Dit resulteert in professionalisering op vlak van gezamenlijk lobbywerk.

-

De economische instituties zijn de laatste jaren een veel actievere rol gaan spelen in de subregionale werking. Zo heeft de Intercommunale Leiedal zich sterk uitgebouwd tot adviseur en coördinator van de gemeenten en dit orgaan wordt actief betrokken bij de coördinatie van hefboomprojecten.

-

Bij het Streekplatform REBAK wordt ook een meer actieve werking gepercipieerd door een toenemende professionalisering in het streekoverleg via het Streekcharter wat resulteert in succesvolle uitvoering van hefboomprojecten. Hier wordt onder meer verwezen naar het project “Stadsrandbos en leefomgeving” waarbij professioneel overleg plaatsvond tussen de gemeentebesturen, de administratie Land en Tuinbouw en de Vlaamse Bosbouwvereniging. REBAK heeft geen operationele werking maar initieert projecten die dan worden uitgevoerd door andere streekactoren waaronder Leiedal.

-

De sociale partners en dan vooral de Kamer voor Handel en Nijverheid langs werkgeverskant en het ACV langs werknemerskant zijn een actieve gesprekspartner bij de bespreking van hefboomprojecten in het Streekplatform.

-

Algemeen kan gesteld worden dat de meeste actoren zich actiever hebben opgesteld gedurende de voorbije 5 à 10 jaar aangezien het streekoverleg in grotere samenspraak verloopt met alle betrokken partijen. Zo ook kennen de arbeidsmarktinstituties samen met andere sociaal-economische organisaties een actievere werking dan 5 à 10 jaar geleden. Arbeidsmarktinstituties zijn meer en meer partner en adviseur bij de uitvoering van projecten. STC kent met de oprichting van de STC-vzw een personeelsuitbreiding ten opzichte van 2 jaar geleden en kan rekenen op meer structurele middelen wat resulteert in een toename van projectwerking naar doelgroepen toe. Samen met de VDAB is het STC

februari 2003

Deel 2

p. 48


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

betrokken bij het project betreffende de optimalisatie van een netwerk van technische opleidingsinitiatieven en bij het forum Kanaal 127. Toch blijft hun rol eerder deelnemend in projecten en leveren ze geen bijdrage tot visievorming. •

Mate en domeinen van samenwerking in de streekwerking

De samenwerking tussen arbeidsmarktactoren onderling en in spontane samenwerkingsverbanden worden eerder als “kan beter” tot “goed” gepercipieerd waarbij de nadruk ligt op het uitwisselen van informatie, wederzijdse vertegenwoordiging en samenwerking rond projecten. Toch is er bij de arbeidsmarktactoren onderling geen strategische visie of gedeelde doelstelling wat soms leidt tot gebrekkige wederzijdse ondersteuning vooral dan op vlak van de coördinatie van het opleidingsaanbod. Er is echter “geen” tot “weinig” samenwerking tussen arbeidsmarkt- en economische actoren. Wel wordt tussen beide actorgroepen meestal informatie uitgewisseld en is er intentie tot wederzijdse vertegenwoordiging. Gezamenlijke projectwerking mist nog een structurele aanpak en het afstemmen van de strategische visie en doelstellingen tussen beide groepen van actoren wordt wel “in een startfase” gepercipieerd. •

Redenen tot deelname aan streekwerking en hinderpalen tot betere samenwerking

De belangrijkste redenen voor deelname aan de streekwerking zijn de betere verwezenlijking van eigen doelstellingen, toegang tot overheidsmiddelen en maatschappelijk engagement van de eigen organisatie. Toegang tot overheidsmiddelen als reden voor deelname aan de streekwerking houdt soms het gevaar in dat lokale besturen zich eerder laten leiden door de beloofde middelen waardoor projecten worden uitgevoerd die dikwijls minder efficiënt zijn in functie van de beoogde strategie. Decretale verplichtingen en goodwill creëren ten opzichte van de omgeving zijn geen belangrijke beweegredenen tot streekwerking. Als belangrijkste hinderpaal voor intense samenwerking tussen de streekactoren komt het bestaan van concurrerende platformen naar voor, waarvan enkele voorbeelden ter illustratie. -

Vaak bezetten dezelfde mensen verschillende platformen zoals het STC, de Fora voor Lokale Werkgelegenheid, het Streekplatform en de buurtdiensten. Dit leidt tot “oververgadering”.

-

PLOT’s (plaatselijke loketten van tewerkstelling) vervulden gedeeltelijk de taak van een lokale werkwinkel (=LWW) waarbij de nadruk ligt op een ruime dienstverlening naar de lokale bevolking toe met grote betrokkenheid van de gemeentebesturen. De eerste voorstellen voor de implementatie van de lokale werkwinkels spraken van 1 LWW die 3 PLOT’s zou vervangen. Dit gaf aanleiding tot heel wat discussie omdat deze regeling eerder als “een verarming” van de lokale dienstverlening werd gepercipieerd. Momenteel heerst er in de regio nog onduidelijkheid over het verdere bestaan van de PLOT’s en het aantal LWW’s.

-

De andere streekactoren percipiëren soms geen duidelijk beleid tussen de overheid, de provincie, de gemeente en de intercommunale. Enerzijds is er regelmatig een overlapping in de werking van de GOM met de werking van de lokale actoren die actief zijn op dezelfde werkterreinen. Zo heeft de GOM in zijn laatste strategisch plan 2010 verklaard meer ruimte te laten aan het Streekplatform voor eigen streekgebonden hefboomprojecten en bijgevolg het aantal hefboomprojecten vanuit de GOM te verminderen. Ook bestuurt anderzijds de provincie het Interreggebeuren terwijl gemeenten niet altijd op de hoogte worden gebracht welke dossiers zijn goedgekeurd. Daarom wordt geijverd dat de

februari 2003

Deel 2

p. 49


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

provincie een faciliterende rol zou voeren in goede consensus met de betrokken actoren maar momenteel wordt de bevoegdheid van de provincie gepercipieerd als een top-down beleid met beperkte strategische meerwaarde. Persoonlijke relaties, het behartigen van de eigen werking en verschillen in inhoudelijke invalshoek vormen soms een hinderpaal voor een meer intensieve samenwerking. Het behartigen van de eigen werking en verschillen in inhoudelijke invalshoek zijn echter afgenomen doorheen de ervaring in subregionale netwerkvorming. Er wordt verwacht dat belemmeringen in de streekwerking door persoonlijke relaties op korte termijn nog zullen afnemen door de vernieuwing van een aantal sleutelfiguren. Zo is er in Kortrijk een nieuwe burgemeester, een nieuwe rector, een nieuwe voorzitter van de Kamer, een nieuwe directeur van de GOM en een nieuwe directeur van de Intercommunale. Deze nieuwe impuls wordt beschouwd als een momentum voor een hernieuwde dynamiek in het streekbeleid. Onder de categorie “andere hinderpalen” wordt vanuit de lokale besturen gesignaleerd dat strategie niet altijd aanleiding geeft tot een hefboomproject. Als er een consensus bereikt is in het Streekplatform betreffende de uit te voeren projecten, verwerpt de Vlaamse overheid soms voorgestelde dossiers opdat er geen gewestplanwijziging zou moeten doorgevoerd worden of omdat de overheid niet voldoende investeringsmiddelen biedt. Er wordt dan ook gepleit dat de overheid meer zou participeren in de financiering van strategische projectwerking. Wat betreft de verschillen in geografisch werkingsgebied zijn er geen hinderpalen gesignaleerd ondanks het feit dat REBAK en Leiedal een verschillend geografisch werkingsgebied hebben dan dat van het STC en de VDAB. Zo is het STC samen met de VDAB één van de weinige streekactoren die naast het arrondissement Kortrijk ook het arrondissement Roeselare-Tielt in hun werkingsgebied hebben. Toch zijn er opmerkelijke verschillen aangehaald in de subregionale werking van deze arrondissementen. In Kortrijk begonnen de streekactoren met visievorming en daarna werd de projectwerking uigevoerd. In Roeselare voerde men eerste projecten uit en beginnen de streekactoren nu maar pas langzaam aan visie-ontwikkeling te denken. Toch zou het geografisch werkingsgebied wel een belangrijke oorzaak zijn van het verlies van de strategische impact van het Charter ’99. De toegevoegde waarde van dit Charter in het Streekplatform wordt momenteel als beperkt ingeschat. Eind de jaren 80 werd het gebied Kortrijk-Tielt-Roeselare, het werkingsgebied van het Charter, als één homogeen district beschouwd. Nu heeft elk arrondissement zijn eigen streekplatform en vormen deze drie gebieden geen coherent geheel meer. Toch heeft het Charter zich niet aangepast aan het veranderde landschap, namelijk een terugkeer naar de eigenheid van de arrondissementen, waardoor haar werking wordt bemoeilijkt. Het Charter ’99 profileert zich nu vooral als een organisatie met betrokkenheid van werkgevers en vertegenwoordigers in het Streekplatform en haar belangrijkste taak is het promoten van het technisch onderwijs. Decretale bepalingen vormen geen hinderpaal voor de economische actoren maar de arbeidsmarktactoren die meer centraal bestuurd worden, vinden de inhoudelijke bepalingen van deze decreten niet altijd efficiënt met betrekking tot een goed streekbeleid. Decretale bepalingen zijn belangrijk voor de invulling van de actoren in de lokale werkwinkel en het STC: -

Een efficiënte werking van de lokale werkwinkel (=LWW) wordt vaak bemoeilijkt door het eigen beleid van de verschillende actoren die volgens de decreten zetelen in dit orgaan zoals ATB en OCMW. Ook zijn de decretale bepalingen voor de zetelende actoren in de LWW vaak niet in overeenstemming met de wettelijke bepalingen op federaal niveau.

februari 2003

Deel 2

p. 50


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

-

Volgens de decreten zijn geen lokale besturen aanwezig binnen het STC waardoor er een minder efficiënte werking is van de lokale dynamiek. Hier wordt vanuit de streek gepleit dat de overheid de regio meer zou moeten vrijlaten om de eigen platforms te bezetten waarbij rekening wordt gehouden met lokale factoren. Daarbij zouden de arbeidsmarktactoren meer ruimte moeten krijgen voor plaatselijke initiatieven.

6.3.3.3. •

Instrumenteel perspectief

Sturingsinstrumenten: gebruik versus effectiviteit

Regelgeving (zoals decreten, reglementen en richtlijnen) wordt het meest gebruikt in de streekwerking en kent nog steeds een stijgend belang. Financiering van projecten en grotere ruimte voor decentralisering naar lokaal niveau worden als meest effectieve instrumenten beschouwd. Financiering van projecten neemt toe terwijl grotere ruimte voor decentralisering gepercipieerd wordt als een theorie maar niet als een werkelijkheid. Economische instituties hebben wat ruimte verworven voor een decentraal beleid maar voelen nog duidelijk een topdown beleid vanuit de overheid en de provincie. Arbeidsmarktactoren waaronder het STC beschikken helemaal niet over ruimte voor decentralisering en moeten hun werking baseren op centraal aangestuurde elementen. Planningsinstrumenten worden in de regio frequent toegepast en beschouwd als een noodzaak voor de onderbouwing van de gemeenschappelijke visie. Ook planningsinstrumenten winnen aan belang. Verder zijn er grote verwachtingen omtrent het gebruik van PPS. Toch wordt door bijna alle streekactoren op dit instrumenteel veld niets waargenomen en dus ook geen stijgende evolutie vastgesteld in het gebruik van PPS. Convenanten worden wel gebruikt maar dan vooral op gemeentelijk niveau. De streekwerking wordt soms geëvalueerd en bijgestuurd op eigen initiatief. Zoals reeds vermeld is de mentaliteit in Kortrijk resultaatsgericht en worden de actoren onderling geëvalueerd op hun prestaties. Vandaar de bijsturing van de werking van “Open Net” (zie supra). Toch is er nog nood aan bijkomende evaluatie. Hierbij wordt verwezen naar de efficiëntie van Kanaal 127. Zo heeft Kanaal 127 na een looptijd van drie jaar amper een dertigtal arbeidsplaatsen gecreëerd. •

Financiële sturing

De Vlaamse overheid is de belangrijkste financier voor streekprojecten. Europese middelen voor Interreg-projecten en middelen van lokale economische organisaties zoals Leiedal ondersteunen ook in belangrijke mate de streekwerking. De drie meest waargenomen evoluties op vlak van financiële sturing zijn: van organisatie naar projectfinanciering, van structurele naar tijdelijke financiering en van louter overheids- naar cofinanciering met meerdere partijen. -

Projectfinanciering kent naast outputfinanciering een stijgend gebruik via onder andere de toekenning van ESF-middelen. Op dit vlak voelt de regio zich benadeeld omdat de financiering op basis van het aantal werklozen nadelig uitvalt voor Kortrijk.

-

Tijdelijke financiering wordt meer positief ervaren dan structurele financiering omdat een tijdelijke financieringsvorm eerder aanleiding geeft tot evaluatie en bijsturing van gefinancierde projecten.

-

Vooral het Streekplatform REBAK maakt gebruik van cofinanciering met meerdere partijen. Zo zijn in Kortrijk enkele ondernemingen aanwezig zoals Bekaert en Barco die zich vaak opstellen als partners in financiering. Hierdoor lijkt het streekplatform REBAK

februari 2003

Deel 2

p. 51


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

financieel minder afhankelijk van de overheid dan het STC en de VDAB. Dit geeft naast het strategische imago van het Streekcharter een mogelijke verklaring voor het feit waarom het Streekplatform gemakkelijker zijn projecten lijkt te kunnen financieren dan het STC. 6.3.3.4.

Externe ontwikkelingen

Door de sterke focus van de subregionale werking op het economisch beleid wordt de oprichting van de STC-vzw als minder belangrijk ervaren in tegenstelling tot de werking van het streekplatform. Toch wordt erop gewezen dat de vzw van het STC heeft bijgedragen tot het toekennen van meer middelen aan het STC met als gevolg dat dit orgaan nu een meer onafhankelijke werking heeft ten opzichte van de VDAB. De oprichting van de lokale werkwinkels en de Fora voor Lokale Werkgelegenheid is nog te recent voor evaluatie maar kan een belangrijke bijdrage leveren tot de dynamiek van de streekwerking. Zoals reeds vermeld moet in Kortrijk bij de inrichting van de LWW’s rekening gehouden worden met het bestaan van de PLOT’s. Ook wordt opgemerkt dat de LWW’s vooral functioneren door de sturing vanuit de VDAB en minder vanuit de gemeenten. De sturing van de Fora voor Lokale Werkgelegenheid (=FLW) verloopt momenteel niet op een efficiënte wijze. Gemeenten moeten nog ervaring opdoen in de arbeidsmarktmaterie waarbij de vraag gesteld wordt of de gemeenten wel beschikken over de nodige personeelsomkadering op dit domein en of het OCMW deze sturing niet zou kunnen versterken. Er wordt vanuit de streek eerder gepleit om de sturing van deze FLW op STCniveau uit te voeren. Een geïntegreerde samenwerking tussen de STC’s en het streekplatform en de oprichting van het Huis van de Streek wordt positief beschouwd als dit een bevordering van het overleg en een beter gestructureerde samenwerking tussen de economische en de arbeidsmarktactoren inhoudt. Wel zal steeds rekening moeten gehouden worden met het verschil in bevoegdheden van het STC en het Streekplatform waarbij de focus op specifieke doelgroepen niet verloren mag gaan. Tevens moet een oplossing gezocht worden voor het verschil op institutioneel niveau, met name de centrale sturing van het STC naast het meer decentraal beleid van het Streekplatform. De oprichting van het Huis van de Streek wordt positief bekeken omdat men gelooft in een toename van informatie-uitwisseling wanneer alle krachten op subregionaal vlak fysiek met elkaar verbonden worden. Een grotere rol voor provincies wordt positief gepercipieerd als dit niet leidt tot een toename van het top-down beleid maar als de provincie zich inschakelt in de regionale netwerking en rekening houdt met de lokale actoren. Toch wordt de provincie door de huidige streekactoren niet beschouwd als een relevante partner in het subregionaal beleid. Gemeenten daarentegen lijken een meer aangewezen partner ter bevordering van een bottom-up beleid omdat zij uiteindelijk het subregionale netwerk dragen. Er schuilt echter een gevaar van overbevraging naar de gemeentelijke werking toe omdat de toewijzing van de verschillende verantwoordelijkheden in een decentraal beleid te weinig gespecifieerd worden. Algemeen wordt dan ook gepleit voor meer verantwoordelijkheid voor de lokale besturen op die domeinen waarin de lokale actoren daadwerkelijk actief zijn.

februari 2003

Deel 2

p. 52


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

6.3.4. Succesfactoren en verklaring van de subregionale werking in Kortrijk •

Sterke focus op het economisch gebeuren

Er is een sterke focus in Kortrijk op het economisch beleid via het streekplatform met het streekcharter. De intercommunale Leiedal stelt zich hierbij op als een sterke ondersteunende actor en adviseur naar de gemeenten toe ter bevordering van intergemeentelijke netwerkvorming. Speciale aandacht gaat uit naar het STC in Kortrijk. Er is gebrek aan een gestructureerde samenwerking met de economische instituties. Er wordt gepleit vanuit de regio dat de Vlaamse overheid deze samenwerking zou stimuleren door het STC meer de mogelijkheid te geven van een flexibele werking met ruimte voor initiatief. Zo zou het STC als een soort van incubatiecentrum zich beter kunnen integreren in de eigen werking van de economische instituties in Kortrijk. •

Effectiviteit van de projectwerking

Dit de perceptiepeiling bleek dat het streekplatform REBAK dat spontaan ontstaan is in Kortrijk daadwerkelijk succesvol functioneert in die regio. Het streekplatform is de motor van het subregionaal beleid. REBAK met het streekcharter vormt immers de basis van een sterk strategisch streekbeleid dat zich vertaald naar passende concrete projectwerking toe. Een gemeenschappelijk gedragen basisconsensus in persoonlijke netwerken ondersteund door een professioneel lokaal netwerk is hierbij de sleutel tot succes. •

Efficiëntie van het streekbeleid

Op elk niveau van het subregionaal beleid moet voldoende aandacht geschonken worden aan regelmatige evaluatie ter ondersteuning van de efficiente werking van lokale organisaties en projecten. Zo zou het project Kanaal 127 in aanmerking komen voor een evaluatie. Dit zou kunnen leiden tot een eventuele herstructurering van het Charter waardoor het zijn strategische impact zou vernieuwen. •

De provincie als regisseur ?

De bevraagden geven aan dat de rol en meer bepaald de meerwaarde van de provincie WestVlaanderen erin zou kunnen bestaan om een gemeenschappelijke ondersteuning en coördinatie te realiseren tussen de verschillende arrondissementen. Zo zou er een leereffect kunnen overgedragen worden vanuit het sterke REBAK naar het Streekplatform Roeselare – Tielt dat zich momenteel nog maar in een startfase van de streekwerking bevindt en nog sterk moet groeien in visievorming. •

Lijst van kritische succesfactoren

-

Homogene streek (alle dominante streekactoren hebben hetzelfde geografisch werkgebied) en historisch gegroeide streekvisie, reeds ontwikkeld in REBAK voor het als streekplatform werd opgericht.

-

Grote aandacht voor het economisch gebeuren. Zwakke perceptie van de werking van het STC. Geen samenspel tussen de arbeidsmarktactoren en de economiche instellingen inzake projectwerking.

-

Geen strategische rol meer voor het Charter ’99.

-

Vernieuwing van bestuurspersoneel zal streekdynamiek nieuwe impulsen geven.

februari 2003

Deel 2

p. 53


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiĂŤnt subregionaal beleid in Vlaanderen

-

Gebrek aan financiering van hefboomprojecten legt claim op de verdere streekwerking. Het subregionaal beleid zou volgens de bevraagden een nieuwe dynamische werking kunnen ondergaan door een toenemend gebruik van PPSfinanciering.

-

Deelname van bedrijven aan financiering van streekprojecten en geringe Europese middelen versterken onafhankelijksgevoel tegenover Brussel.

-

Sociale partners hebben een grote lokale betrokkenheid.

-

Problemen bij implementatie van de LWW en de FLW in vervanging van goeddraaiende PLOT’s. Bij de eerder kunstmatige implementatie van een institutie blijken de verwachtingen omtrent een geslaagde werking niet altijd vervuld. Vandaar de nodige aandacht voor de lokale factoren.

-

Intergemeentelijke netwerkvorming wordt niet alleen als belangrijk gepercipieerd voor de oplossing van economische problemen zoals bijvoorbeeld het welslagen van infrastructuurprojecten. Tevens wordt door de actoren eraan gedacht om bepaalde lokale arbeidsmarktactoren zoals het OCMW en de Fora voor Lokale Werkgelegenheid af te stemmen op intergemeentelijk niveau in nauw overleg met de intercommunale.

februari 2003

Deel 2

p. 54


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

6.4.

TURNHOUT

6.4.1. Geo-economische positionering Het arrondissement Turnhout is een landelijk weinig bevolkt en weinig verstedelijkt gebied. De stad Turnhout zelf (met ongeveer 38.600 inwoners) ligt in het centrum van een omvangrijk “buitengebied”, zoals beschreven in de terminologie van het RSV (Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen). Het arrondissement Turnhout telt 27 gemeenten met in totaal ongeveer 406.000 inwoners. Het beslaat de hele oostelijke helft van de provincie en heeft een bevolkingsdichtheid die lager ligt dan het Belgisch gemiddelde (298 inwoners per km² tegenover 335 inwoners per km² voor België). Het heeft een sterk agrarisch en industrieel karakter terwijl de dienstensector er relatief minder ontwikkeld is dan gemiddeld in Vlaanderen. Box 3: Cijfers voor Turnhout BRP Het BRP per inwoner van het arrondissement Turnhout nam in de periode 1985-1997 toe met 39.0%, veel meer dan het Vlaams gemiddelde (+30.7%) en nog meer beduidend dan het cijfer voor de provincie Antwerpen (+27.3%). Per hoofd van de bevolking bedraagt het BRP van Turnhout index 99,87 (1997) bij Vlaanderen = 100. Werkloosheid: Het arrondissement Turnhout kent een hoge werkloosheidsgraad: 8,1% voor Turnhout tegenover 7,3% voor het Vlaams Gewest. Uit de gegevens blijkt dat het vooral vrouwen zijn. De werkloosheidsgraad bedraagt hiervoor 12,8% tegenover amper 9,9% in Vlaanderen, terwijl de mannelijke werkloosheid met amper 4,8% beter scoort dan het Vlaams gemiddelde (5,2%). Vaak zijn de vrouwelijke werklozen langdurig werkloos en laaggeschoold, wat het probleem zeker niet eenvoudiger maakt. Werkgelegenheid De werkzaamheidsgraad (aantal werkenden/bevolking op beroepsactieve leeftijd) in het Turnhoutse bedraagt 63,9% tegenover 65.4% in Vlaanderen. Ook de activiteitsgraad (beroepsbevolking/bevolking op beroepsactieve leeftijd) in Turnhout ligt met 69,6% bijna een vol procentpunt onder het Vlaams gemiddelde van 70,5%. De werkgelegenheidsgraad (aantal arbeidsplaatsen/bevolking op beroepsactieve leeftijd) bedraagt 59,5%, dit is meer dan 3 procentpunt minder dan voor Vlaanderen (62.8%) als geheel. Een werkgelegenheidsgraad lager dan de werkzaamheidsgraad, zoals in Turnhout, duidt op een uitgaande pendelbeweging en een tekort aan arbeidsplaatsen in de eigen streek. Bron: INR en Steunpunt WAV, 1999

februari 2003

Deel 2

p. 55


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

6.4.2. Subregionale arena De regio Turnhout wordt gekenmerkt door een sterke bovenlokale en subregionale werking en netwerkvorming. Op een aantal punten is die wel erg verschillend van de twee andere door ons bestudeerde regio’s Gent en Kortrijk.

Een volledig overzicht van de institutionele en vooral de projectgebonden netwerking wordt weergegeven in bijlage 5. Een aantal voorbeelden worden gegeven die tevens streekspecifiek zijn: -

het ‘IOK’, de door velen als dynamisch ervaren intercommunale voor streekontwikkeling, met een sterke dienstverlening naar gemeenten toe, het (in vergelijking met het ‘endogeen’ strategisch plan: het SPK) minder gekende ‘streekplatform Kempen’ en, verder het Eduforum Turnhout en de KMO-preventiecel, beiden met het SSPK als begunstigde streekorganisatie en tenslotte het STC-Turnhout met zijn VZW als voorbeelden van eerder functionele en institutionele netwerken;

-

het prestigieus zeer projectmatig strategisch samenwerkingsverband, met name het Samenwerkingsverband ‘Strategisch Plan Kempen’, (het ‘SPK’) en de daaruit ontstane projectnetwerken, bvb. Steunpunt Arbeid en Milieu (SAM), het initiatief kinderopvang door lagergeschoolden (de vzw KIKO). Het SPK kan beschouwd worden als een voorloper van een prototype voor de nieuwe subregionale organisatievormen binnen het vernieuwd regionaal beleid in Vlaanderen met zijn streekplatforms en streekcharters. Niet alleen het strategisch samenwerkingsverband op zich maar ook de veelvuldige van daaruit ontstane project-vzw’s leveren een bijdrage tot netwerkvorming in de regio.

februari 2003

Deel 2

p. 56


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

Turnhout een homogeen gebied, met een sterke autonome streekwerking en twee kernactoren De regio Turnhout kan ‘geopolitiek’ gekenmerkt worden als een homogeen gebied. Het werkingsgebied van het STC en het streekplatform vallen samen. Ook het werkingsgebied van het IOK en van het Strategisch Plan voor de Kempen (SPK) sluit nauw aan met deze van de door de Vlaamse overheid geïnitieerde platformen. Historisch is een sterk streekgevoel ontwikkeld. Toch wordt de streek (nog steeds) gedomineerd door twee kernactoren, enerzijds het door de private sector geïnitieerd SPK en anderzijds de sterke maar nogal gesloten en stugge intercommunale voor de ontwikkeling van de Kempen, het IOK. In 1988 ontstond het Strategisch Plan voor de Kempen (SPK). Het SPK werd geïnitieerd door een toonaangevend bedrijf in de regio, een aantal invloedrijke parlementairen en sleutelfiguren uit de sociale organisaties. Het is uitgegroeid tot een performant overlegorgaan tussen werkgevers, werknemers en provinciale politici. Toch functioneerde het SPK niet optimaal omdat het IOK niet deelnam aan de werking van het SPK. Het IOK –met een nogal besloten werking– dat vooral actief is op werkvelden zoals grondbeleid en bedrijventerreinen, milieu en afvalverwerking en begeleiding Europese programma’s voor de regio, trad regelmatig in conflict met de werking van het SPK, omdat iedereen zijn eigen weg bewandelde. Ongeveer 10 jaar later lanceerde de Vlaamse overheid –naar voorbeeld van het SPK- de streekplatformen. Grote verdienste was dat in Turnhout de twee kernactoren, het IOK en het SPK, elkaar vonden en tot een gezamenlijke visie rond streekontwikkeling kwamen. Er is wel duidelijk een streekvisie aanwezig, maar volgens sommigen ontbreekt het de streek aan een gemeenschappelijke actiegerichte strategie qua algemene streekontwikkeling. Het streekplatform kent wel een hoog gemeenschappelijk karakter door het wisselend secretariaat. Toch kan men zich niet van de indruk ontdoen dat de twee kernactoren elk hun eigen weg blijven gaan. De oprichting van het streekplatform heeft in elk geval ertoe bijgedragen dat men beter van elkaar weet wat ieder op zijn domein doet. Tevens komt men tot een impliciete taakverdeling. Het SPK heeft de visievorming overgelaten aan het streekplatform en ontwikkelt zich tot een echte projectontwikkelaar, in samenspraak met de andere actoren, zoals bijvoorbeeld het STC in Turnhout. -

Het STC-Turnhout wordt algemeen beschouwd als zeer actief en weet zich perfect te integreren in de streekwerking. Naast de advies- en overlegfunctie en de eigen werking naar kansengroepen toe via de STC-vzw speelt het STC-Turnhout mee in de realisatie van projecten binnen het SPK. Het SPK weet projecten te initiëren die breed maatschappelijk van aard zijn en als dusdanig door iedereen aanvaard worden.

-

Na een daverende start wordt er momenteel een beetje getwijfeld aan het dynamisme van het streekplatform. Het streekplatform bevindt zich momenteel in een consolidatiefase: de visie is geformuleerd, de bestaande hefboomprojecten worden opgevolgd, maar ze ontwikkelen te weinig nieuwe activiteiten.

februari 2003

Deel 2

p. 57


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

6.4.3. Bespreking van de interviews 6.4.3.1. •

Strategisch perspectief

Een gemeenschappelijke strategie voor de streekontwikkeling?

Bij de bevraging of er in de Kempen echt sprake is van een gemeenschappelijke strategie voor de streekontwikkeling krijgt men een eerder genuanceerd beeld. Er is duidelijk een historisch in de jaren ’80 gemeenschappelijk gegroeid streekgevoel met als doel de regio te laten ontwikkelen tot een toonaangevende regio binnen Vlaanderen. Na een zeer actieve periode lijkt de streekwerking zijn tweede adem te zoeken. Na bevraging kan men besluiten dat er momenteel meerdere maar dan zeer gelijklopende gemeenschappelijke strategieën worden gepercipieerd voor de streekontwikkeling. Deze strategieën worden dan wel breed maatschappelijk gedragen door alle streekactoren. De streekwerking wordt wel vergemakkelijkt door het feit dat het werkingsgebied van het SPK, het streekplatform, het IOK en van het STC samenvallen. Toch kent de streek (nog altijd) twee sterke actoren: het SPK en het IOK. De oprichting van het streekplatform heeft als grote verdienste (gehad) dat de twee sterke spelers elkaar gevonden hebben en meer dan vroeger zijn gaan samenwerken. Toch vindt men de eigen invalshoek van beide actoren terug in de lijst van hefboomprojecten binnen het streekcharter voor de Kempen. De selectie van hefboomprojecten getuigt eerder van een optelsom van belangen dan van een geïntegreerde visie. Toch focust de streekwerking zich momenteel op een aantal voor de streek zeer strategische dossiers rond het nucleaire, de milieuproblematiek, de grafische sector en de infrastructurele ontsluiting van Turnhout. De centrale insteek van de gemeenschappelijke strategie rond streekontwikkeling blijkt zowel economisch als arbeidsmarktgericht van aard te zijn. Dit komt vooral omdat het actiedomein van het SPK breed maatschappelijk van opzet is en economie integreert met werkgelegenheid en milieu. •

Zwaartepunten in de streekwerking

Het zwaartepunt in Turnhout inzake streekontwikkeling ligt momenteel nog altijd -alhoewel minder dan vroeger- vooral op visievorming. Daarnaast –en steeds meer en meer- ligt het accent op eigen projectwerking. De projectwerking heeft een brede maatschappelijke basis en treedt vaak als voorbeeld op voor andere streekprojecten in Vlaanderen. Meest in het oog springend is hier natuurlijk het Plato-project. Toch worden ook in Turnhout kritische vragen gesteld over de toekomstige evolutie en de rol van de diverse actoren. Het SPK evolueert van een strategisch plan meer en meer tot een echte ij (en efficiënte) DOE-M , met steeds minder visievorming en steeds meer goede projectwerking. De activiteiten van het streekplatform hebben in het verleden geleid tot een gezamenlijke visievorming, maar de werkzaamheden van het streekplatform beperken zich momenteel tot het opvolgen van de hefboomprojecten. Het IOK blijft bij zijn eigen specifieke werking en kan zich ook niet opwerpen als de trekker van de streekwerking. De Kempen–zoals reeds gesteld- vindt zich ‘als streek’ vooral rond een aantal concrete vooral economisch getinte maar zeer strategische dossiers voor de streek: het nucleaire dossier, milieu (met de milieutechnologie vallei), de grafische sector (met een uniek opleidingscentrum bij de VDAB-Turnhout) en de infrastructurele ontsluiting (bedrijventerreinen, mobiliteit) van Turnhout. Toch wordt geklaagd over het gebrek aan

februari 2003

Deel 2

p. 58


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

slagkracht van het lobbyen van de streekdossiers naar Brussel toe. Vooral de geringe respons van Brussel op het nucleaire dossier wekt wrevel op. •

Impact van de streekwerking op eigen werking van actoren in het subregionaal veld

Op de vraag in welke mate de gemeenschappelijke strategie op subregionaal vlak invloed heeft op de eigen werking van de streekactoren wordt een genuanceerd beeld gegeven. De gemeenschappelijke strategie op subregionaal vlak heeft vooral een grote invloed op de werking van de spontane samenwerkingsverbanden (het SPK), maar ook op de werking van de sociale partners (vooral op de Kamer en het VKW, minder op UNIZO), die niet alleen vanuit hun vertegenwoordigingsopdracht maar ook vanuit hun historische betrokkenheid, veel (en meer dan vroeger) aandacht besteden aan het subregionaal beleid. De bevraagden vinden dat de gemeenschappelijke strategie op subregionaal vlak weinig impact heeft op de werking van de Vlaamse overheid. Aan de Vlaamse overheid wordt vooral het gebrek aan doorstroming van de subregionale werking in het Vlaams beleid en het gebrek aan continuïteit van het beleid verweten. De impact van het subregionale op de werking van de lokale besturen wordt verwacht toe te nemen, vooral door de oprichting van de LWW en het FLW. 6.4.3.2. •

Institutioneel perspectief

Algemene evaluatie streekwerking: vandaag tegenover vroeger

De streekwerking wordt door de meerderheid van de bevraagden als even actief ten opzichte van vroeger beschouwd. Men staat hier nu duidelijk voor een consolidatiefase. Als uiterst positief wordt het samengaan van de twee kernactoren, het IOK en het SPK, in het streekplatform ervaren. Ook de decreten (STC, streekplatforms) hebben een bijdrage geleverd tot een meer actieve streekwerking (zie ook later). Als kritische noten worden bijvoorbeeld aangehaald: het niet verder actualiseren van de streekvisie, het ongeduld in de streek tegenover de houding van de centrale overheden in een aantal streekdossiers en het op zijn lauweren gaan rusten van de economische actoren waar men vooral denkt aan consolidatie. Er wordt vanuit de streek een duidelijk gebrek aan continuïteit inzake regionaal beleid bij de Vlaamse regering aangevoeld. Ook het tekort aan echte trekkers in de streek en de hoeveelheid aan platformen en fora worden als hinderend ervaren voor een meer dynamische streekwerking. Bij de peiling naar de momenteel meest actieve actoren in de streekwerking worden de economische instituties - en dan vooral intercommunale IOK maar ook de GOM via zijn Europacel en het Bureau voor projectassistentie - als meest actief naar voor geschoven. Daarna volgt het spontane samenwerkingsverband, in casu het SPK. De intercommunale is vooral zeer sterk in domeinen die momenteel aan belang winnen (bedrijventerreinen, afvalproblematiek). De ‘Europacel’ en het ‘Bureau voor projectassistentie’ van het ESA, met een focus op sociale economie en op herwaardering van het toenmalig militair domein ‘Kamp C’ te Westerlo, wordt zeer gewaardeerd in de streek. Dit bureau werkt nauw samen met het STC voor wat de interfacefunctie betreft. Het SPK beheert projecten die een groot maatschappelijk nut hebben (PLATO het peterschapsproject, nu ook voor de social profit; KIKO, het project rond kinderopvang; SAM, het project rond milieuzorg en tewerkstelling van laaggeschoolden). Bij de bevraging naar de evolutie in de opstelling van de verschillende actoren gedurende de laatste 5 à 10 jaar worden vooral de gemeentebesturen en de provincie als actiever februari 2003

Deel 2

p. 59


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

gepercipieerd dan vroeger. Ook de opstelling van de werkgeversorganisaties (KvK en VKW, niet UNIZO) wordt (mede onder druk van de arbeidsmarktkrapte) als meer actief dan vroeger naar voor geschoven. Daarentegen wordt de opstelling van de Vlaamse overheid (die blijkbaar niet goed meer weet waar naartoe met het subregionaal beleid), de bezielende figuren en de spontane samenwerkingsverbanden (in volle consolidatiefase) als meer passief ervaren. Als nieuwe actor in de voorbije 5 à 10 jaar wordt vooral het streekplatform vermeld. Het streekplatform dat eigenlijk reeds bestond als SPK maar dan zonder het IOK erbij. Daarnaast worden ook vermeld: (1) de VZW van het STC en de VZW WEB, die de laatste 10 jaar een serieuze opgang heeft gekend maar zich vooral richt op Turnhout en minder op de streek als geheel en -in vergelijking met ‘Vitamine W’ in Antwerpen- minder efficiënt is uitgebouwd; (2) de oprichting van het samenwerkingsverband ‘regionaal stedelijk gebied Turnhout’, een samenwerking van 4 gemeenten (Vosselaar, Beerse, Turnhout en Oud-Turnhout) rond mobiliteit, afval en ruimtelijke ordening. De werking van het IOK –alhoewel deze domeinen behoren tot de kerntaken van het IOK- wordt hier als te globaal en te traag werkend ervaren; (3) het ‘LSN’, de vereniging van derdenorganisaties binnen de regio. •

Mate en domeinen van samenwerking in de streekwerking

De samenwerking tussen de arbeidsmarktinstituties onderling, de samenwerking van de arbeidsmarktinstellingen met de economische instituties enerzijds en met de spontane samenwerkingsverbanden anderzijds, loopt vlot en situeert zich op diverse vlakken, gaande van afstemmen van strategische visies en doelstellingen, uitwisseling van informatie, wederzijdse vertegenwoordiging, samenwerking rond projecten en gemeenschappelijke lobbying. Bij het gezamenlijk lobbywerk waren wel de meest kritische geluiden te horen. Er worden vooral rond het nucleair dossier- vragen gesteld rond het onvoldoende gezamenlijk optreden van de streek en rond het daadwerkelijk wegen van de streek op de (Vlaamse en federale) besluitvorming in Brussel. De minst goede samenwerking binnen het arbeidsmarktgebeuren situeert zich op het vlak van afstemming van strategische visie en doelstellingen. Bij de samenwerking tussen de arbeidsmarktinstellingen en de economische instituties valt vooral het gebrek aan samenwerking rond projecten op. Bij de samenwerking tussen de arbeidsmarktinstellingen en de spontane samenwerkingsverbanden worden geen zwakke punten van samenwerking aangeduid. De samenwerking verloopt vlot op alle vlakken, wat nogmaals aantoont dat het SPK naast de economische invalshoek voldoende aandacht besteedt aan het arbeidsmarktgebeuren en goed samenwerkt met het STC. Alhoewel het SPK wordt beheerd door de lokale provinciale poltici en de lokale sociale partners, valt het brede maatschappelijk actieveld op en ook de grote openheid tot samenwerking met andere instellingen. •

Redenen tot deelname aan streekwerking en hinderpalen tot betere samenwerking

Als reden tot deelname bij de actoren aan de streekwerking domineert ook hier vooral de toegang tot overheidsmiddelen maar verder ook het maatschappelijk engagement van de actoren en de betere verwezenlijking van de eigen doelen. Decretale verplichtingen worden het minst vermeld. Ze worden dan ook niet als een hinderpaal voor meer intense samenwerking ervaren. Als hinderpaal voor meer intense samenwerking en netwerking tussen februari 2003

Deel 2

p. 60


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

de streekactoren worden vooral de historiek van de organisaties (rivaliteit tussen het IOK en het SPK blijft latent) en (in mindere mate) de behartiging van eigen werking vermeld. Door sommigen wordt het bestaan van verschillende overlegfora, met steeds dezelfde mensen en met overlappende agendapunten, als hinderend voor een goede streekwerking ervaren. 6.4.3.3. •

Instrumenteel perspectief

Sturingsinstrumenten: gebruik versus effectiviteit

Bij de evaluatie van de instrumenten voor sturing van de subregionale werking werden drie topics bevraagd: de evolutie in het gebruik van de instrumenten, de meest gebruikte en ook de meest effectieve instrumenten ter sturing van de streekwerking. Momenteel worden vooral regelgeving en projectfinanciering ervaren als de meest gebruikte sturingsinstrumenten. In tweede orde volgen dan de planninginstrumenten (strategische plannen en programma’s), de centraal aangestuurde instrumenten en de aanbodfinanciering van organisaties. Als minst gebruikte instrumenten worden de grotere ruimte voor decentralisering naar het lokaal niveau en de PPS-constructies vermeld. Alhoewel in onvoldoende mate gebruikt, stelt men een stijgend belang vast in het gebruik van nieuwsoortige instrumenten (PPS en convenanten) en van de iets grotere ruimte voor decentralisering naar het lokaal niveau (de ‘bottom-up’- benadering). Ook opvallend is dat de minst gebruikte instrumenten vaak als meest effectief worden bestempeld. Zo verwacht men in Turnhout heel veel van PPS, planningsinstrumenten en van een ‘echte’ bottom-up approach. •

Financiële sturing

Vooral Europa en in iets mindere mate de Vlaamse overheid worden beschouwd als de belangrijkste financiers van streekprojecten. In mindere mate worden ook de ondernemingen en de lokale sociaal-economische organisaties vermeld. Er zijn duidelijke tendensen waarneembaar in de financiële sturing van de subregionale werking, met -op gelijke hoogte- de evolutie van loutere overheidsfinanciering naar cofinanciering met meerdere partijen, van niet-gebonden naar gebonden financiering en van structurele naar tijdelijke financiering. Er is ook -maar in mindere mate- een evolutie merkbaar van input- naar outputfinanciering en van organisatie naar projectfinanciering. 6.4.3.4.

Externe ontwikkelingen

Vooral de oprichting van het streekplatform leverde volgens de bevraagden van de streek een belangrijke bijdrage tot de dynamiek in de streekwerking, niet in het minst omdat de twee kernactoren, het IOK en het SPK, elkaar vonden rond een aantal hefboomprojecten (lijst zie bijlage 5). Toch wordt momenteel aan de slagkracht van het streekplatform getwijfeld: men zoekt duidelijk zijn tweede adem. Ook het Europees doelstelling2-programma heeft de streekwerking grondig beïnvloed. Er wordt met gemengde gevoelens gereageerd op de aanpassing van de STC’s, en (alhoewel door velen gesteld nog te recent om op zich te evalueren) op de oprichting van de LWW. De omvorming van het STC tot STC-vzw verhoogt de slagkracht en het dynamisme van deze instelling. De LWW en het FLW zijn een goed initiatief, doch zijn de gemeenten wel in staat om aan de verwachting te voldoen? En verder, wie doet nu wat? In de lokale werkwinkel zijn twee regisseurs en verscheidene actoren met diverse bevoogdende overheden actief. De vraag wordt gesteld of het lokaal niveau wel de optimale schaal is voor de werking van dit bij

februari 2003

Deel 2

p. 61


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

uitstek subregionaal arbeidsmarktbeleid. De LWW en de FLW vormen in elk geval een uitdaging voor de gemeenten om de onderlinge samenwerking te verhogen. Bij de nieuwe voorstellen van de Vlaamse regering wordt veel verwacht van meer ‘echte’ verantwoordelijkheid voor de lokale besturen en van de oprichting van het ‘Huis van de Streek’. Ook –alhoewel met iets meer omzichtigheid- wordt de integratie van het STC en het streekplatform als positief onthaald. Hier overheerst het positief gevoel dat elke integratie in deze materie leidt tot een vermindering van het aantal organisaties en dus tot een sterkere profilering van de bestaande actoren. Het ‘Huis van de Streek’ zal maar een positieve bijdrage leveren tot een meer doorzichtige streekwerking indien het niet leidt tot een zoveelste vorm van coördinatie en bevoogding. Meer verantwoordelijkheid voor de provincies als regisseur van het streekbeleid wordt eerder voorwaardelijk gepercipieerd. Hier is men vooral bang voor een te grote top-down benadering. Meer lokale verantwoordelijkheid kan maar lukken indien de gemeenten kunnen optreden als een echte gesprekspartner en niet langer worden betutteld.

6.4.4. Succesfactoren en verklaring van de subregionale werking in Turnhout •

Turnhout nog steeds met twee sterke spelers

De streekwerking in Turnhout is historisch gegroeid uit de gemeenschappelijke bekommernis om het arrondissement Turnhout te laten ontwikkelen tot een dominante regio binnen Vlaanderen. Het SPK van de Kempen was breed gedragen door het provinciaal politiek veld en de lokale sociale partners en combineerde visie met projectwerking. Het was economisch gericht met een brede maatschappelijke bewogenheid naar arbeidsmarkt en milieu toe. Enig minpunt was dat het IOK niet als dusdanig was (/kon worden) opgenomen in het samenwerkingsverband SPK en dat de intercommunale zijn eigen weg bleef gaan. Het arrondissement Turnhout is momenteel een homogeen gebied, maar nog steeds met twee sterke spelers: het IOK en het SPK. De twee kernactoren hebben elkaar deels gevonden in de werking van het streekplatform, in de gezamenlijke opmaak van het streekcharter en in de selectie van hefboomprojecten. De hefboomprojecten zijn echter veeleer een som van diverse belangen dan een echt geïntegreerd actieplan. Toch mobiliseert de ‘strategische’ streekwerking zich rond een aantal dossiers: het nucleaire dossier, het milieudossier met de milieutechnologievallei als diversificatie van het SCK, de uitbouw en de ondersteuning van de grafische sector (met een vernieuwd VDAB-opleidingscentrum) en de infrastructurele ontsluiting van de regio. Er is momenteel nog wel een echt streekgevoel maar met momenteel een tanende gezamenlijke visie-ontwikkeling. Het SPK heeft de visievorming overgelaten aan het streekplatform en wordt nu een echte DOE-Mij (trekker van projecten en oprichter van tal van afzonderlijke VZW’s). Het STC Turnhout wordt algemeen beschouwd als zeer actief en weet naast eigen projectwerking mede projecten gestalte te geven binnen het SPK. Het IOK blijft dominant omdat de domeinen (zoals grondbeleid en milieuproblematiek) waarin ze gespecialiseerd is, aan belang winnen zonder dat de intercommunale zich als de kernactor voor de streekontwikkeling kan opwerpen. De monopoliepositie van het IOK inzake milieu en ruimtelijke ordening wordt doorbroken door bijvoorbeeld de oprichting van kleinere subregionale platformen (het stedelijk regionaal gebied met 4 gemeenten rond Turnhout, de nucleaire cluster,…). Het streekplatform is na een daverende start verzwakt. De visie is geformuleerd en de hefboomprojecten worden opgevolgd. Ook het feit dat de hefboomprojecten op uitvoering wachten, legt een hypotheek op de verdere dynamiek van het streekplatform en de algehele streekwerking.

februari 2003

Deel 2

p. 62


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

De algehele streekwerking die in het verleden zo succesvol is geweest, is duidelijk aan herbronning toe. •

Effectiviteit van de projectwerking

Het doel van het Strategisch plan voor de Kempen om de werkloosheid in Turnhout naar het niveau van het Vlaams gemiddelde te brengen, wordt in 2001 bereikt. In september 2001 daalde de werkloosheidsgraad in Turnhout tot de gemiddelde werkloosheidsgraad in Vlaanderen. Toch blijft de vrouwelijke werkloosheid een probleem in Turnhout. Van deze groep blijft de werkloosheidsgraad momenteel nog boven het Vlaams gemiddelde uitsteken. •

Toekomst van het subregionaal beleid in Vlaanderen?

Er heerst in de streek een nogal kritische houding tegenover de Vlaamse regering. Aan de Vlaamse regering wordt verweten dat ze geen streekprojecten kan of wil financieren. Er is duidelijk nood aan een cofinancieringfonds, aan de opname van hefboomprojecten in de planning van overheidsinvesteringen (men moet durven prioriteiten stellen) en aan een grotere horizontale coördinatie tussen de departementen binnen de Vlaamse administratie, om te komen tot een echt geïntegreerd beleid. Ook wordt in de streek de Vlaamse regering een gebrek aan continuïteit toebedacht en wordt vaak gewezen op het feit dat ze niet langer schijnt te weten hoe het streekbeleid verder gestalte te geven. Streekwerking zonder politieke dekking en zonder projectwerking is ten zeerste problematisch. Ook wordt volgens de streek te weinig rekening gehouden met subregionale aspiraties en worden de strategische dossiers (met vooral het nucleaire) volgens de streek niet met adequate spoed behandeld. •

Gemeenten niet overbevragen

Gemeenten moeten een grotere rol krijgen, maar worden momenteel sterk overbevraagd. Het concept van de LWW en het FLW is een grootstadmodel dat moeilijker te implementeren is in landelijke gebieden. De gemeenten moeten leren te streven naar intergemeentelijke samenwerking voor problemen die een bovenlokale oplossing vergen. •

STC in kortsluiting ?

Rond de werking van het STC worden vanuit de streek enkele kritische bedenkingen geformuleerd. Er is kortsluiting tussen de lokale werking en de centrale sturing. Kortsluiting tussen de stuurgroep op Vlaams niveau en het dagelijks lokaal beheer van een STC en kortsluiting tussen lokale sociale partners en sociale partners in Brussel. Vanuit het STC wordt verder gepleit voor meer enveloppefinanciering (met evaluatie), meer horizontale lijnen tussen de domeinen werkgelegenheid, economie en onderwijs en een samenwerking binnen het ‘Huis van de Streek’, met aanwezigheid van alle actoren maar waarbij ieder platform zijn eigenheid kan bewaren om te komen tot een meer efficiënte gezamenlijke inzet van middelen. •

Lijst van kritische succesfactoren:

Historische analyse -

Homogene streek en historisch gegroeid streekgevoel; alle dominante streekactoren hebben hetzelfde geografisch werkgebied.

-

Grote aandacht voor visievorming en projectwerking.

-

Evenwicht binnen het SPK tussen economie, werkgelegenheid en milieu.

februari 2003

Deel 2

p. 63


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

-

Sterke kernactoren, die elkaar vonden in het streekplatform en in redelijke verstandhouding naast elkaar werken binnen een gedragen streekvisie.

-

Goed samenspel tussen de arbeidsmarktactoren en het SPK inzake projectwerking.

-

Sociale partners met een grote lokale betrokkenheid.

-

De LWW en de FLW zijn een grootstadconcept en zouden in landelijke gebieden moeten kunnen worden opgevangen door intergemeentelijke samenwerking.

-

Integratie in goede verstandhouding van de projectwerking van het STC in de werking van het SPK.

Vlaamse voorstellen -

Het ‘Huis van de Streek’ wordt met enige reserves goed onthaald. Het ‘Huis van de Streek’ zal maar een positieve bijdrage leveren tot een meer doorzichtige streekwerking indien het niet leidt tot een zoveelste vorm van coördinatie en bevoogding.

-

Ook –alhoewel met iets meer omzichtigheid- wordt de integratie van de platformen (STC en streekplatform) positief onthaald. Hier overheerst het positief gevoel dat elke integratie in deze materie leidt tot een vermindering van het aantal organisaties en dus tot een sterkere profilering en een meer efficiënte inzet van de bestaande actoren.

-

Meer verantwoordelijkheid voor de provincies als regisseur van het streekbeleid wordt eerder voorwaardelijk gepercipieerd. Hier is men vooral bang voor een te grote top-down benadering.

-

Meer lokale verantwoordelijkheid kan maar lukken indien de gemeenten kunnen optreden als een echte gesprekspartner en niet langer betutteld worden.

februari 2003

Deel 2

p. 64


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

7. BIJLAGEN BIJLAGE 1: Lijst van bevraagde personen Overzicht van bevraagde actoren 1 de helikopters Vlaamse

arbeidsmarkt

economie

Marion Vrijens

Koen Vermoesen

administratie 2 de streekgenerieken GENT

KORTRIJK

Paul Teerlinck

TURNHOUT Staf Lauweryssen

Frank De Mulder

Chris Lecluyse

I. Van Vaerenberg

~GsiW

~Leiedal

~STC

~STC

~STC

~VDAB

~LWW

~VDAB

3 de projectwerkers

~OCMW Bevraagde actoren in Gent -

P. Teerlinck:

Directeur generaal stad Gent, departement economie, milieu, volksgezondheid en werkgelegenheid - F. De Mulder: Directeur leefmilieu, provincie Oost-Vlaanderen - D Meulemans: Steekmanager Strategisch Plan Gent - K. Neerinckx: coördinator STC Gent - L. Defrancq : Coördinator lokale werkwinkels Gent Bevraagde actoren in Kortrijk -

Ch. Lecluyse: Ph. Meuris: I. Chanterie:

-

S. Lauwerysen: I. Van Vaerenbergh: G. De Ceuster: L. Goossens:

Stad Kortrijk, medewerker van Stefaan De Clerck Intercommunale Leiedal Coördinator STC, samen met A. Depreux: secretaris van streekplatform REBAK - T. Vermeulen: Lokale netwerkmanager VDAB - R. Desmet: Coördinator OCMW Bevraagde actoren in Turnhout

februari 2003

Stadssecretaris Turnhout Bestuurder VMH (vroeger KvHN) Coördinator STC Turnhout Directeur VDAB Turnhout

Deel 2

p. 65


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiĂŤnt subregionaal beleid in Vlaanderen

BIJLAGE 2: Analysekader voor procesmanagement van netwerken Voor de inhoudelijke analyse zullen we vertrekken van een kader dat reeds verschillende malen is toegepast voor de analyse van beleidsnetwerken. Onderstaande box beschrijft summier de krachtlijnen van dit analysekader dat ontworpen werd om beleidsprocessen in een bepaalde regio in kaart te brengen. Dit kader dient evenwel geoperationaliseerd en toegesneden te worden op het voorliggend project. Hierbij wensen we voor dit onderzoeksluik te vertrekken van volgende twee uitgangspunten: - in plaats van een brede algemene analyse van elk van de netwerken te maken, stellen we voor om de analyse van de subregionale dynamiek zo maximaal mogelijk toe te spitsen op beleidsrelevante topics. - de centrale insteek van de analyse is het arbeidsmarktbeleid, evenwel met zijn linken naar het regionaal-economisch beleid Box 4: ANALYSEKADER voor procesmanagement van netwerken Het analysekader is opgesteld aan de hand van de drie hoekstenen van processen in beleidsnetwerken. De drie hoekstenen zien er als volgt uit: ontwikkelingsperspectief

werking

organisatiestructuur

Elk (subregionaal sociaal-economisch) netwerk kan volgens de hoekstenen, zijnde ontwikkelingsperspectief, organisatiestructuur en werking, geanalyseerd worden. De bestuurskundige analyse legt met name het accent op ten eerste de formulering van het ontwikkelingsperspectief. Het ontwikkelingsperspectief omhelst zowel het verleden of de ontstaansredenen van het netwerk als de toekomst of de doelstellingen en bestaansredenen van het netwerk. Beleidsprocessen proberen niet alleen tot een strategie en doelstellingen uit te tekenen, maar leiden ook tot structuren waarbinnen de strategie uitgevoerd wordt. Bijgevolg ontleden we ten tweede de organisatiestructuur waarbij zowel de actoren in de subregio als de manier van samenwerking tussen de actoren aan bod komen. Ten derde gaan we na hoe het subregionale veld functioneert onder andere door geboekte resultaten in kaart te brengen. Dit impliceert een analyse van de werking van het netwerk Voor de beoordeling van het beleidsproces in een subregio dienen de interrrelaties tussen de verschillende hoekstenen geĂŤvalueerd te worden. Per hoeksteen worden verschillende bepalende factoren onderscheiden: Ten eerste ligt aan elke hoeksteen een inhoudelijke oriĂŤntatie aan de grondslag. Voor het ontwikkelingsperspectief zijn er bijvoorbeeld de ontstaansredenen van het netwerk, van waaruit doelstellingen groeiden die tevens het ontstaan van het netwerk verantwoorden. Bij het opbouwen van de organisatiestructuur zijn bijvoorbeeld de doelgroepen of doeldomeinen waarop het netwerk zich richt (ruimtelijke ordening, openbaar vervoer, cultuur, et cetera) inhoudelijk bepalend. Bij de werking gaat het om het opbouwen van de legitimiteit van het netwerk. Dat wordt onder andere bereikt via de concreet uitgevoerde projecten. De resultaten van het netwerk zijn belangrijk voor het draagvlak van het netwerk. Ten tweede wordt nagegaan welke actoren zich inzetten bij elke hoeksteen en hoe hun respectievelijk betrokkenheid verschilt per hoeksteen.

februari 2003

Deel 2

p. 66


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiĂŤnt subregionaal beleid in Vlaanderen Tenslotte zijn, naast het bepalen van inhoud en actoren, de instrumenten essentieel om uiteindelijk concrete projecten te verwezenlijken. Bij instrumenten horen o.a. de regulerende instrumenten (bijvoorbeeld overeenkomsten en vormen van formele regelgeving bij het ontwikkelingsperspectief en de organisatiestructuur) en de financiĂŤle instrumenten (bijvoorbeeld voor de werking). Onderstaande tabel geeft schematisch het standaard-analyserooster weer.

Tabel 6: Analyserooster Inhoud Ontwikkelingsperspectief

Strategie doelstellingen

Organisatiestructuur Werking

Actoren en

Instrumenten

Initiatiefnemers

Samenwerkingsakkoorden

Doeldomeinen

Sturende actoren

Overleg

Legitimiteit

Uitvoerende actoren

Individuele bevoegdheden Financiering

Bron: IDEA Consult

We stellen voor om vier thema’s (zie ook figuur) in deze analyse centraal te stellen, namelijk: de strategische visievorming, de institutionele kwaliteit van het netwerk, de vernieuwingsdynamiek in het netwerk en de openheid voor nieuwe beleidsontwikkelingen (de externe factoren).

februari 2003

Deel 2

p. 67


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

BIJLAGE 3: Perceptiepeiling EXTERNE ONTWIKKELINGEN Is er een gemeenschappelijke strategie voor streekontwikkeling voor de streek? Ja, één strategie voor de streek Ja, meerdere gelijklopende strategieën Ja, meerdere deels conflicterende strategieën Neen, er is geen strategie

Wat is het draagvlak voor deze strategie in de streek? Breed gedragen door (bijna) alle streekactoren Gedragen door de meerderheid van de streekactoren Gedragen door een minderheid van de streekactoren (In geval van meerdere strategieën) elk steunt zijn strategie

Wat is de belangrijkste insteek voor deze strategie? Eerder economisch beleidsgericht Eerder arbeidsmarktgericht Evenwicht tussen economisch en arbeidsmarktgericht

Vloeit de strategie door in concrete actieprogramma’s en projecten? Ja, de strategie resulteert in concrete streekprojecten Ja, de strategie resulteert gedeeltelijk in projectwerking Neen, de strategie resulteert niet in projectwerking

Waarop ligt het zwaartepunt in de streekontwikkeling in uw streek? Zeer belangrijk

Belangrijk

Minder belangrijk

Visievorming

Advisering op vraag

Uitvoering projecten, in opdracht van derden

Eigen projectwerking

In

geval

er

meer

dan

1

strategie

is,

zijn

er

verschillen

in

zwaartepunt?

______________________________________________________________________ __________________________________________________________

februari 2003

Deel 2

p. 68


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen In welke mate heeft de gemeenschappelijke strategie op subregionaal vlak de eigen werking van de actoren beïnvloed? Veel

Weinig

Geen

Lokale besturen

Vlaamse overheid

Sociale partners

Andere sociaal-economische organisaties

Arbeidsmarktinstituties

Economische instituties

Spontane samenwerkingsverbanden

februari 2003

Deel 2

p. 69


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

INSTITUTIONEEL PERSPECTIEF Wie zijn meest actieve actoren in subregionale werking in uw streek? (Duid er 3 aan, van 1 tot 3) Gemeentebesturen Provinciebesturen werknemersorganisaties werkgeversorganisaties Andere sociaal-economische organisaties (niet-gouvernementele organisaties) Arbeidsmarktinstituties (STC, LWW, FLW, VDAB) Economische instituties (GOM, streekplatform, intercommunale, …) Spontane samenwerkingsverbanden Bezielende figuren Vlaamse overheid

Welke evoluties stelt u vast in de opstelling van de verschillende actoren gedurende de voorbije 5 à 10 jaar? Actiever

Gelijk

Passiever

gemeentebesturen

provinciebesturen

werknemersorganisaties

werkgeversorganisaties

Ander sociaal-economische organisaties

Arbeidsmarktinstituties (STC, LWW, FLW, VDAB)

Economische instituties (GOM, streekplatformen, intercommunale, …)

Spontane samenwerkingsverbanden

Bezielende figuren

Vlaamse overheid

Hebben zich de voorbije 5 à 10 jaar nieuwe actoren in de streekwerking gemanifesteerd? Ja Neen Zo ja, welke? _____________________________________________________

februari 2003

Deel 2

p. 70


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen Hoe verloopt volgens u de samenwerking tussen de verschillende actoren? Arbeidsmarkt actoren onderling

Arbeidsmarkteconomische actoren

Arbeidsmarkt actorenspontane samenwerking s- verbanden

Zeer goed

Goed

Kan beter

Geen samenwerking

Afstemmen strategische visie en doelstellingen

Uitwisselen van informatie

Wederzijdse vertegenwoordiging

Samenwerking rond projecten

Gezamenlijke lobbying

In welke mate?

Op welke terreinen?

Wat zijn volgens u de meest dominante redenen bij de actoren voor deelname aan de streekwerking? Zeer belangrijk

Belangrijk

Minder belangrijk

Toegang tot overheidsmiddelen

Goodwill creëren t.o.v. de omgeving

Decretale verplichting

Betere verwezenlijking van eigen doelstellingen

Maatschappelijk engagement van eigen organisatie

Welke zijn belangrijkste hinderpalen voor meer intense samenwerking en netwerking tussen de streekactoren? Zeer belangrijk

Belangrijk

Minder belangrijk

Decretale bepalingen

Historiek van organisaties

Behartigen van eigen werking

Verschillen in inhoudelijke invalshoek

Verschillen in geografisch werkingsgebied

Bestaan van concurrerende platformen

Verschillen in bevoegdheden

Persoonlijke relaties

Andere, …

Er zijn geen hinderpalen

februari 2003

Deel 2

p. 71


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

INSTRUMENTEEL PERSPECTIEF Welke partij ervaar je als dominant sturende actor voor de streekwerking? Gemeentebesturen Provinciebesturen Vlaamse regering Lokale sociaal-economische organisaties Bezielende lokale figuren Lokale instituties Andere, zoals __________________________________________________

Is de sturing door volgende actoren de laatste 5 à 10 jaar gewijzigd? Belangrijker

Gelijk

Minder belangrijk

gemeentebesturen

provinciebesturen

Vlaamse regering

Lokale sociaal-economische organisaties

Bezielende lokale figuren

Lokale instituties

Andere, zoals ________________________

Stelt u een evolutie vast in het gebruik van instrumenten ter sturing van de subregionale werking? Stijgend belang

Afnemend belang

Regelgevende instrumenten (decreten, besluiten,…)

Financiële instrumenten (financiering van organisaties en projecten)

Nieuwsoortige instrumenten (convenanten, PPS-constructies,…)

Planningsinstrumenten (strategische planning, programma’s)

Evaluatie-instrumenten (output, resultaat/ ex ante, on going, ex post)

Grotere ruimte voor decentralisering naar lokaal niveau (bottom-up)

Andere, zoals ______________________________________

februari 2003

Deel 2

p. 72


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen Welke zijn volgens u de drie meest gebruikte en ook meest effectieve instrumenten? Meest gebruikt

Meest effectief

Regelgevende instrumenten (decreten, besluiten,…)

Aanbodfinanciering van organisaties

Financiering van projecten

Convenanten

PPS-constructies

Planningsinstrumenten (strategische planning, programmering)

Evaluatie-instrumenten (output en resultaatevaluatie/ ex ante, on going, ex post)

Centraal aangestuurde instrumenten (top-down)

Grotere ruimte voor decentralisering naar lokaal niveau (bottom-up)

Andere, zoals ______________________________________

Wordt de streekwerking (strategie, output, resultaat) geëvalueerd en bijgestuurd? Ja, regelmatig op eigen initiatief Ja, regelmatig omdat het verplicht is Neen

Wie zijn de belangrijkste financierende partijen voor streekprojecten? Zeer belangrijk

Belangrijk

Minder belangrijk

Vlaamse overheid

Lokale besturen

Lokale instituties

Lokale sociaal-economische organisaties

Sociale partners

Ondernemingen

Europese middelen

Andere, zoals ________________________

Welke evolutie stelt u vast op vlak van financiële sturing van de subregionale werking? Ja

Neen

Van input- naar outputfinanciering

Van organisatie- naar projectfinanciering

Van niet-gebonden naar gebonden financiering

Van structurele naar tijdelijke financiering

Van loutere overheids- naar cofinanciering met meerdere partijen

februari 2003

Deel 2

p. 73


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

EXTERNE ONTWIKKELINGEN Kunt u de streekwerking anno 2001 vergelijken met die van 5 à 10 jaar geleden? Vroeger actiever dan nu Nu actiever dan vroeger Geen wijziging

Welke zijn de belangrijkste verklarende factoren voor deze evolutie? 1.

____________________________________________________________

2.

____________________________________________________________

3.

____________________________________________________________

Hoe evalueert u de bijdrage van recente hervormingen tot de dynamiek in de streekwerking? Belangrijk

weinig belangrijk

Aanpassing STC’s (VZW’s)

Oprichting Lokale werkwinkels

Oprichting Fora voor Lokale Werkgelegenheid

Werking streekplatformen

Andere: __________________________________________

Hoe percipieert u eventuele nieuwe initiatieven op vlak van subregionaal beleid? Positief

Negatief

Integratie STC’s-Streekplatformen

Oprichting Huis van de Streek

Grotere rol voor provincies als regisseur van streekbeleid

Meer verantwoordelijkheid voor lokale besturen

Andere:_________________________________________

februari 2003

Deel 2

p. 74


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

BIJLAGE 4: Netwerken en projecten in KORTRIJK •

Charter Zuid-West_Vlaanderen cvba

Het Charter Zuid-West-Vlaanderen cvba, het vroegere “Charter ’99”, kwam er op initiatief van de KvK van Kortrijk en van Roeselare in 1989 en op initiatief van de Zuid-West-Vlaamse bedrijven. Charter ‘99 kon worden beschouwd als een van de voorlopers van de streekplatformen en streekcharters in het kader van het vernieuwd regionaal economisch beleid van de Vlaamse Regering. Het positioneert zich minder als overlegplatform maar eerder als een facilitator van projectnetwerking. Doel van dit Charter is het versterken van de concurrentiekracht van de regio Zuid-WestVlaanderen door het nemen van initiatieven om de economische ontwikkeling van de regio te stimuleren. In tegenstelling met het SSPK is het Charter Zuid-West-Vlaanderen een volledig privaat initiatief met private financiering van de werkingskosten en projectgebonden financiering. Binnen het overlegplatform operen een aantal adviesraden rond probleemvelden, zoals: de werkgroep omgeving (infrastructuur, mobiliteit, wonen werken en ontspanning, en milieu), de euroregio, familiale opvolging, innovatie en de werkgroep (met KHN en VKW) onderwijs en vorming technici. Het Charter ‘99 evolueerde na formulering van een strategische visie verder naar de ondersteuning van een aantal projecten (een DOE-Maatschappijen met DOE-acties). BOX: projecten Charter Zuid West Vlaanderen, enkele voorbeelden: -

het ‘West-Vlaams Milieucharter’, een initiatief van Charter Zuid-West-Vlaanderen, de GOM- West Vlaanderen en ‘Eurosym’. Het brengt bedrijven samen die vrijwillig enkele milieubeleidprincipes onderschrijven en bereid zijn daarvoor 10 milieuthema’s in concrete doelstellingen te vertalen. Met jaarlijkse evaluatie en toekenning van een jaarcertificaat van het West-Vlaams Milieucharter;

-

het ‘centrum voor productontwikkeling (CEPRO vzw)’ in de sector woning en interieur;

-

de ‘cel voor innovatiestimulering (CIS)’- PIH Kortrijk, een initiatief van de hogeschool West-Vlaanderen departement provinciale industriële hogeschool (PIH), het charter ZuidWest-Vlaanderen en het Vlaams Gewest om via een lokaal aanspreekpunt de technologische verankering te bewerkstelligen;

-

opleiden tot het toepassen van de (attitude)techniek van ‘automanagement’ in het TSO;

-

samenwerking op gebied van technische vorming in het onderwijs, een convenant met als partners: het charter, het VKW en de Kamer voor Handel en Nijverheid. Een adviesraad samen met onderwijs en een werkgroep ‘imago-ondersteuning ‘TSO’. Verder wordt hier aandacht besteed aan project ‘automanagement’ en ‘stageplaatsen in ondernemingen’.

Het werkingsgebied van het charter is Kortrijk- Roeselare- Tielt. Leden zijn bedrijven. De GOM en de intercommunale Leiedal hebben een waarnemer in de Raad van Bestuur. Het Charter Zuid-West-Vlaanderen heeft waarnemers in het Streekplatform.

februari 2003

Deel 2

p. 75


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

•

Streekplatform REBAK

In het kader van het regionale economisch beleid van de Vlaamse overheid vormt het regionaal beleidscomité voor het arrondissement Kortrijk, de vzw REBAK sinds 1995 een platform voor een actief streekbeleid in de Kortrijkse regio. Op 8 juni 1999 ondertekende de Vlaamse regering het streekcharter voor de regio Kortrijk. De leden van de Raad van Bestuur zijn vier vertegenwoordigers namens de politieke mandatarissen (volksvertegenwoordigers en bestendig afgevaardigde), vier vertegenwoordigers namens de werkgeversorganisaties, vier vertegenwoordigers namens de werknemersorganisaties en zeven vertegenwoordigers namens de ‘andere’ organisaties zijnde: de conferentie van burgemeesters, de intercommunale Leiedal, het STC, de GOM WestVlaanderen , het Charter ’99, en de commissaris Vlaamse Regering. Daarnaast heeft men nog drie waarnemers die deelnemen aan de werkzaamheden: een ambtenaar van de cel REB administratie economie, de voorzitter van het streekplatform Roeselare Tielt, en een extra volksvertegenwoordiger. Rebak is zelf geen uitvoerende organisatie, maar verzamelt alle levende krachten van de regio en werkt mobiliserend, coördinerend en ondersteunend. Rebak beoogt prioritair de realisatie van een aantal hefboomprojecten binnen het streekcharter. Rond de hefboomprojecten werden een even groot aantal werkgroepen opgericht BOX: de 14 HEFBOOMPROJECTEN van REBAK 1 Zonevreemde bedrijven: opvolgen problematiek. 2

Project reconversie grenspost Rekkem-Ferrain onthaalcentrum voor toeristen en reizigers.

2

LAR II- transport-logistiek knooppunt: ontwikkelen en optimaliseren van een uitbreiding zone.

3

Evenementenhalle Hoog-Kortrijk: een nieuwe evenementenhalle.

4

Researchpark, binnen de universitaire campus Hoog-Kortrijk.

5

Activiteitenterreinen Deltapark en Beneluxlaan: ombouwen tot hoogwaardige terreinen.

6

Kanaal 127: centrum voor sociaal -innoverend ondernemen. Doel: het verder ontwikkelen van dit adviescentrum voor sociaal -innoverend ondernemen tot een forum voor alle betrokkenen binnen het domein van de sociale economie in de regio Kortrijk. Kanaal 127 wil een katalysatorfunctie vervullen in de ontwikkeling van nieuwe ondernemingsprojecten met duurzame jobcreatie voor laaggeschoolden en langdurig werklozen via de ontwikkeling van 'low tech' en arbeidsintensieve activiteiten met een hoog tewerkstellingspotentieel voor de allerzwaksten op de arbeidsmarkt;

7

Vlaams Centrum voor productontwikkeling (CePrO): opvolgen dossier en definitieve erkenning als cluster.

8

Optimaliseren netwerk van technische opleidingsinitiatieven zowel in het hoger als in het secundair onderwijs.

9

Project anno 02 voor het arrondissement Kortrijk- Roeselare-Tielt, waarbij de gemeenten zich geëngageerd hebben tot een breedomschreven culturele impuls in de streek met aansluiting op het evenement RIJSEL 04.

februari 2003

Deel 2

:tot

grensoverschrijdend

p. 76


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

10

Vliegveld Kortrijk-Wevelgem: uitbouw vliegveld tot volwaardige poort.

11

Stadsrandbos en leefomgeving: realisatie van een stadsrandbos.

12

Samenwerking medische inrichtingen en de oprichting nieuw regionaal ziekenhuis: samenwerking tussen 3 private en 1 OCMW ziekenhuis om te komen tot nieuw regionaal ziekenhuis.

13

Afwerking verkeers- en omgevingsinfrastructuren (wegen, spoor…).

•

de GPCI (-COPIT)

De grensoverschrijdende permanente conferentie van intercommunales –kortweg GPCIis een samenwerkingsverband van vijf intercommunale structuren aan weerszijde van de (taalen Rijks-)grens. Het werd in 1991 opgericht met als drieledig doel de gecoördineerde aanpak van gemeenschappelijke problemen op gebied van ruimtelijke ordening, het uitwerken van samenwerkingsprojecten, en ten slotte lobbyen naar alle instanties, van lokaal tot Europees. Dit initiatief moet beschouwd worden als een middel om het Frans-Belgisch metropoolgebied Lille in het ‘Europa der Regio’s’ vorm te geven door middel van grensoverschrijdende samenwerkingprojecten. De partners van het GPCI zijn de 5 intercommunales: Leiedal voor de regio Kortrijk, de West-Vlaamse intercommunale voor streekontwikkeling (WIER) voor de regio Roeselare Tielt, de intercommunale d’étude et de gestion (IEG) voor de regio Moucron, de intercommunale de développement économique et d’aménagement du territoire (IDETA)) voor de regio Tournai en ten slotte de Communauté Urbaine de Lille (CUDL) voor Lille. Krachtlijnen voor de toekomst zijn: -

toetreden tot het netwerk van grensoverschrijdende stedennetwerken

-

uitwerken gezamenlijk programma in kader Interreg III

-

uitwerken van een experimentele grensoverschrijdende economische zone, met een oefening van (benodigde) integratie in sociale en fiscale wetgeving.

Er zijn twee concrete belangrijke projecten: 1 het project ‘Rekkem-Ferrain’: site van de grenspost die wordt omgebouwd tot een goed uitgerust en kwalitatief hoogstaand onthaalcentrum (zie ook hefboomproject, N°2) 2 het project Grootstad: geïntegreerde strategie van de 5 intercommunales voor metropoolvorming. Samen met de ‘Agence d’Urbanisme’ uit Lille wordt gewerkt aan een ontwikkelingsschema voor de grensoverschrijdende metropool. •

Europa en ICT

Onder deze hoofding worden een aantal projecten besproken met een grote subregionale werking, die kaderen in een internationale samenwerking rond de informaticatechnologie, een technologie die als het speerpunt wordt voorop gesteld in de toekomstige ontwikkeling van Kortrijk.

februari 2003

Deel 2

p. 77


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

Binnen dit kader kunnen een aantal initiatieven worden gesitueerd, zoals bvb. de vzw OPEN NET, het CRISM-project ‘infonet’ voor bedrijven, het CRISM-project ‘Digitale Regio Kortrijk’, het ‘integrated regional development support system’ (IRDSS) en het internationaal project ‘information society impact assessment for sustainability’ (ISIAS). BOX: EUROPA EN ICT 1

de vzw OPEN NET

De vzw open net is ontstaan uit Leiedal en als vzw opgericht in 1988 met als doel een kwalitatieve en kwantitatieve meerwaarde voor de regio te realiseren via telecommunicatieen informatietechnologie. De vzw bestaat als een vereniging van 20 organisaties in ZuidWest Vlaanderen die de lokale (subregionale) overheden, de opleidings-, bussiness-, socioeconomische instituten en de instellingen voor regionale ontwikkeling vertegenwoordigen. Momenteel wordt een groenboek voorbereid met de ICT-prioriteiten voor de regio 2

Het CRISM-project: infonet voor bedrijven

De website INFONET werd ontwikkeld door de KHN van Kortrijk-Oostende-Roeselare-Tielt in het kader het europees project CRISM en dit in samenwerking met Leiedal en enkele internationale partners. Het project is een ‘interregionaal’ telematicasysteem waarbij de ondernemingen toegang krijgen tot de diensten van organisaties en instellingen die handel en nijverheid ondersteunen, maar ook tot regionale overheden en waarbij linken zijn gelegd met partners uit Zeeland, Aalborg, Donegal, Derry, Wirral en Galway, zijnde de ERNACT-partners. 3

Het CRISM Digitale regio Kortrijk

Kwaliteitsvolle en veelomvattende ‘website’ met alle beleidsrelevante informatie binnen de regio KORTRIJK in het kader van het Europees project CRISM en dit in samenwerking met Leiedal. 4

Het integrated regional develpment support system (IRDSS)

Project gekoppeld aan de verkenning van het gebruik van het GIS -informatiesysteem, voor lokaal beleid rond ruimtelijke planning en bedrijven, met als thema’s: ruimtelijke planning, bedrijven en economie, toerisme, sociaal economisch profiel en milieu. 5

Het information society impact assessment for sustainability (ISIAS)

Dit project onderzoekt (met het regionaal simulatiemodel CRIMP -cross impact analyse- als hulpmiddel) het verband tussen duurzame ontwikkeling (sustainable development: SD), de informatiemaatschappij (information society: IS) en de invoering van ICT. Ruimte voor leven en werken wordt benaderd in een ruime socio-economische context, waarbij de nood aan industrieterreinen, de verkeersproblematiek en de problematiek van zonevreemde bedrijven worden benaderd. •

STC Kortrijk Roeselare

Naast de algemene en veeleer statutaire opdrachten van het STC, zoals de coördinatie van het arbeidsmarkt- en werkgelegenheidsbeleid binnen de regio, de organisatie van het overleg tussen (werkgevers en werknemers, onderwijs- en opleidingsinstanties, lokale besturen en andere relevante actoren op de subregionale arbeidsmarkt en het functioneren als adviescomité inzake arbeidsmarktaangelegenheden ten behoeve van de minister, het februari 2003

Deel 2

p. 78


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

beheerscomité van de VDAB, of de STC -stuurgroep kunnen een aantal algemene en meer specifieke acties worden onderscheiden. Enkele voorbeelden van adviezen en (algemene) statutaire opdrachten: -

afwijking stages;

-

gesubsidieerde contractuele in het kader van de weerwerkactie (kinderopvang, WEP+: de werkervaringsplaatsen bij socio-culturele instellingen en de overheid en de sociale werkplaatsen);

-

projecten ESF;

-

DAC-type-aanvragen, invoegbedrijven … .

De rol van de coördinator van de STC-vzw De taken die sedert 1 juli 1999 door de coördinator van de vzw Regionale tewerkstelling Kortrijk-Roeselare heeft uitgevoerd in opdracht van de stuurgroep, STC en PWR situeren zich vooral op het vlak van: informatie, voorbereiden vergaderingen, opmaak memorandum, uitwerken projectdefinitie ESF en andere. Specifieke acties en projecten Naast de adviezen rond de statutaire opdrachten en de werking van de permanente werkgroep risicogroepen (de PWR) en de stuurgroep van de STC-vzw kunnen concreet een aantal projecten worden aangeduid die linken hebben met de werking van het STC KortrijkRoeselare-Tielt. De rol van het STC is vooral deelnemend en faciliterend, minder initiërend. Dit blijkt uit onderstaande lijst van activiteiten die verband houden met de STC-werking. BOX: voorbeeldlijst van niet statutaire activiteiten STC-Kortrijk 1 Technische stuurgroep textiel, met vertegenwoordigers uit de textielsector, met zowel overkoepelende werkgevers- en werknemersorganisaties, individuele bedrijven als opleidingscentra (COBOT, VDAB); doel is afstemming behoeften aan en aanbod van opleidingen binnen de textielsector en zorgen voor de financiering. Ook voor andere sectoren (zoals bvb. bouw, social profit en metaal) bestaan dergelijke netwerken. 2 Rond taalopleiding Nederlands voor anderstaligen bestaat ook een overlegplatform waar de verschillende opleidingsverstrekkers deel van uitmaken, en dit onder coördinatie van het Eduforum 3 Regionaal overleg derden: het betreft hier het overleg tussen particuliere opleidings- en tewerkstellingsinitiatieven voor kansengroepen op de arbeidsmarkt. 4

Kanaal 127 dat een netwerk heeft rond ondersteuning invoegbedrijven en –afdelingen.

5 Werkgroep ‘sociale economie/buurteconomie’ binnen REBAK, waarbinnen partners die betrokken zijn met deze thematiek op streekniveau proberen tot afstemming te komen. 6 Ondersteuning van de werking PWA-diensten en van de uitbouw van de werkwinkels (Kortrijk Roeselare Tielt; in 2001: Izegem, Harelbeke, Kuurne en later: Menen Zwevegem). 7 Overlegplatform ‘migranten’: initiëren van samenwerking tussen verschillende organisaties werkzaam ronde de problematiek van de migranten, met als doel te komen tot een

februari 2003

Deel 2

p. 79


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

‘integraal beleid’: gaande van onthaalbeleid, inburgeringbeleid tot trajectbegeleiding naar werkgelegenheid. 8 Deelname aan de actie “pet af voor het technisch onderwijs” met als doel het technisch onderwijs te herwaarderen. Dit samenwerkingsverband werd recent uitgebreid tot de gehele provincie. Partners zijn: het VKW, de KHN, het Charter Z-W-Vlaanderen, alle nijverheidstechnische scholen over de netten heen, de STC’s, de beroepsfederaties en de sectorfondsen en individuele ondernemingen; bedoeling is uit te breiden naar UNIZO en de streekplatformen om tegen 2002 te komen tot een onafhankelijk orgaan •

de GOM West Vlaanderen

De GOM West-Vlaanderen is zoals elke GOM eerder provinciaal gericht. Bij de realisatie van bepaalde acties en vooral projecten kan men als afgeleide wel spreken van een duidelijke subregionale werking, zoals bvb de acties ten gunste van het bedrijfsleven in het kader van de problematiek van industriegronden en zonevreemde bedrijven, door inspanningen te leveren tot wijziging van de gewestplannen. Ook het doorgangscentrum (‘bedrijvencentrum) Wevelgem kan als een bijdrage worden beschouwd tot de versterking van het weefsel en dus de netwerkvorming tussen startende bedrijven in de regio Kortrijk. En verder, is er de inspanning van de GOM- West-Vlaanderen tot oprichting van het Vlaams centrum voor Kunststofverwerking (VCK) en het door de GOM met de met de private sector opgericht Innovatie- en Incubatiecentrum Kortrijk (IICK). •

Intercommunale LEIEDAL

Basisdoelstelling van de intercommunale Leiedal is de sociaal-economische en ruimtelijke ontwikkeling van het arrondissement Kortrijk en van de aangesloten gemeenten te bevorderen. Dit concretiseert zich rond vier activiteitsvelden: dienstverlening aan gemeenten, intergemeentelijke en regionale beleidsondersteuning en overleg, ontwikkelen en opvolgen streekprojecten en realiseren van grondgebonden projecten (waaronder beheer en ontwikkelen van bedrijventerreinen). De ontwikkeling en de opvolging van streekgebonden projecten situeren zich rond vier clusters: -ruimtelijke planning mobiliteit en infrastructuur (bvb zonevreemde bedrijven, LAR), -regionaal-economische ontwikkeling en arbeidsmarkt (bvb Vlaams centrum kwaliteitszorg; Kanaal 127), -milieu en natuur (bvb Leievallei, grensoverschrijdende waterzuivering) en, -informatie en communicatietechnologie (CRISM met digitale regio Kortrijk en met infonet tov bedrijven; ISIAS: een ‘cross-impact-model’ voor duurzame regionale ontwikkeling te plannen en te sturen). De aandeelhouders zijn vooral de gemeenten (47.53%), de provincie West-Vlaanderen (40.37%), WVEM Brugge (3.47%) en de private vennoten (8.63%). Deze laatste groep bestaat uit: private bedrijven, en middenveldorganisaties uit de sfeer van werknemersorganisaties en werkgeversorganisaties. De actie van de intercommunale bevat een belangrijk deel dienstverlening aan gemeenten, en intergemeentelijke beleidsondersteuning en overleg. Een aantal van deze acties vindt men in volgend punt.

februari 2003

Deel 2

p. 80


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

BOX: De acties van LEIEDAL

conferentie burgemeesters en overlegplatform van parlementairen

Het overlegplatform van parlementairen groepeert alle parlementairen en bestendig afgevaardigden uit de kieskring Kortrijk-Roeselare-Tielt. Bedoeling van dit informele overleg bestaat erin om informatie uit te wisselen en rond beleidsproblemen de beleidsvisies te coördineren. De conferentie van de burgemeesters is een informeel overlegforum tussen de twaalf burgemeesters van het arrondissement Kortrijk met als doel informatie uit te wisselen en gezamenlijke standpuntbepaling. Het is geen operationele organisatie die dossier ten gronde behandeld en projecten opzet.

intergemeentelijke werkgroepen: geo-informatie (IGGI), milieu, ruimtelijke ordening, digitale regio Kortrijk

Rond een aantal domeinen: milieu, cultuur, digitale regio Kortrijk en toerisme worden een aantal overlegfora binnen Leiedal gecreëerd met ambtenaren en schepenen als actoren. De intergemeentelijke werkgroep geo-informatie (IGGI) brengt gemeenten samen om ervaringen uit te wisselen en informatie te verstrekken rond de recente GIS-evoluties vanuit het OC-GIS-Vlaanderen.toeristische samenwerkingsverbanden De toeristische ontwikkeling van de Leievallei zal worden opgezet in een vzw-structuur waarin de twee provincies en de 16 betrokken gemeenten samenwerken om de Leievallei als één toeristisch product te promoten en verder uit te bouwen. De ontwikkeling van de Scheldevallei wordt waargenomen door de VVV West-Vlaamse Scheldestreek (5 gemeenten). •

Lokale werkwinkels

Kortrijk was de eerste stad met een lokale werkwinkel. Doel is een ‘enig loket’ voor de werkzoekende. Middel is de samenwerking tussen VDAB en de lokale partners rond arbeidsmarktbeleid om de diensten rond het ‘zoeken naar werk’ en de ontwikkeling van de ‘lokale diensteneconomie’ te plaatsen in één lokaal. De VVSG werd aangesteld om het proces te begeleiden. De regie ligt in handen van de VDAB voor de universele dienstverlening en bij de VVSG voor de opbouw van de diensteneconomie. Partijen zijn onder meer: de VDAB, de RVA, de OCMW’s, de PWA’s, de derden (particuliere opleidings- en tewerkstellingsinitiatieven voor risicogroepen). FICHE de LWW en FLW in het kort LWW (vroeger PLOT’s, plaatselijke loketten van tewerkstelling) Doel geïntegreerde basisdienstverlening voor alle werkzoekende (onder regie VDAB) en uitbouw diensteneconomie (onder regie gemeenten). Financiering. Fondsen voor opstartfase (computers) + op recurrente basis fondsen voor werkingskosten en toeleidingsacties door de Vlaamse regering; er worden geen middelen voorzien voor derdenorganisaties. Advies. Het forum (FLW) adviseert de werking van het lokaal werkgelegenheidsbeleid. Samenstelling. Het FLW bestaat MINSTENS uit de lokale overheid (2: 1 gemeenten voor de diensteneconomie en 1 OCMW voor trajectbegeleiding), 1 VDAB (voor februari 2003

Deel 2

p. 81


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiĂŤnt subregionaal beleid in Vlaanderen

basisdienstverlening), 1 RVA en 1 PWA, 1 vertegenwoordiging Sociale partners (SERV), en 1 vertegenwoordiger lokale derdenorganisaties. Stuurgroep LWW, op niveau Vlaanderen met vertegenwoordigers van de werkgelegenheid, VVSG, VDAB, Administratie werkgelegenheid en de evaluator.

minister

Binnen de werking van de werkwinkel in Kortrijk bestaat het ‘consortium Arbeidstrajectbegeleiding’ (ATB), een forum waarin de organisaties die rond de problematiek werken van toeleiding naar en integratie van personen met een handicap op de arbeidsmarkt regelmatig overleg plegen, afstemming nastreven.

februari 2003

Deel 2

p. 82


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

BIJLAGE 5: Netwerken en projecten in GENT •

GENT een stadsgewest

Specifiek voor het Gentse –en ook het Meetjesland- zijn volgende vaststellingen (1) Vooreerst is er het ontbreken van intercommunales specifiek gericht op ruime streekontwikkeling. (2) In Gent wordt het ‘sociaal-economisch’ veld dominant ingenomen door de stadsdiensten met bvb DEWER (de dienst economie, werkgelegenheid en externe relaties, een verzelfstandigde instelling van de STAD GENT, met initiatieven op vlak van advies, stadsontwikkeling, ruimtelijke planning, netwerking, Europese projecten), het LWB (lokaal werkgelegenheidbureau STAD GENT: selectie personeel, opleiding) en de Werkgaard vzw / begeleid werken vzw (selectie, opleiding, trajectbegeleiding lager geschoolden en bijzondere groepen) en het project ‘Gent Stad in Werking’. (3) Naast de vaststelling van (en misschien ook ten dele het gevolg van) de dominante positie van de stad volgt de vaststelling dat de permanente mobilisatie van de levende krachten in het Gentse minder gebeurt door het streekplatform (Strategisch Plan Gent) en/of de intercommunale. In dezelfde context is het even relevant op te merken dat het STC GentEeklo met de STC-vzw ‘STIRK’ en het Eduforum Gent-Eeklo meer dominant aanwezig en werkzaam zijn buiten de grenzen van de stad en van het gewest GENT en dichter aanleunen met de werking van het Meetjesland. Conclusie is dat het gewest Gent de subregionale arena leidt maar tevens lijdt aan de typische relatieproblemen eigen aan elke relatie tussen centrumstad randgemeenten. (4) Het homogeen Meetjesland. In contrast met het Gewest Gent wordt in het Meetjesland het ontbreken van een goeddraaiende intercommunale voor streekontwikkeling opgevangen door het zeer dynamisch streekplatform Meetjesland en een grote mate van samenwerking tussen een achttal overlegfora. Het meer homogene Meetjesland kenmerkt zich tevens door een dynamische netwerkvorming met samenwerking en complementariteit tussen alle overlegfora, wat zich bvb ‘visualiseert’ in een driemaandelijkse nieuwsbrief waar alle [gaande van het streekplatform Meetjesland, het regionaal welzijnsoverleg, meetjesland (RWOM), het regionaal landschap Meetjesland (RLM), het LOGO Meetjesland, steunpunt opbouwwerk Meetjesland (SOM) en STCGent-Eeklo en Toerisme Meetjesland een samenwerking tussen 13 gemeenten van het Meetjesland tot het EDUFORUM Gent-Eeklo] overlegfora zich bekendmaken. •

het SPGG: het strategisch plan gewest Gent

In het kader van het regionale economisch beleid van de Vlaamse overheid is de vzw Strategisch Plan Gewest Gent het steekplatform voor de Gentse regio. De Raad van Bestuur telt 19 leden en 4 deskundigen. De leden zijn vier politieke mandatarissen, drie vertegenwoordigers namens de werkgeversorganisaties, vier vertegenwoordigers namens de werknemersorganisaties en acht vertegenwoordigers namens de andere organisaties met name: de Vlaamse administratie Economie (cel REB), de GOMOV, het STC, de SSRP/UG, de stad Gent, de stad Deinze, de provincie en e intercommunale Veneco²; de vier andere deskundigen zijn er namens de VDAB, de Gentse Havengemeenschap, de Vereniging ter Bevordering van de Havengebonden Investeringen en het VKW. Het streekplatform is zelf geen uitvoerende organisatie, maar verzamelt alle levende krachten van de regio en werkt mobiliserend, coördinerend en ondersteunend. Het beoogt prioritair de februari 2003

Deel 2

p. 83


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

realisatie van een aantal hefboomprojecten binnen het streekcharter. hefboomprojecten werden een even groot aantal werkgroepen opgericht.

Rond

de

BOX: de 8 HEFBOOMPROJECTEN van het streekplatform Gent 1

de uitbouw van een kenniszone, met instapklare bedrijfsruimten voor onderzoeksgroepen en kennisgeoriënteerde bedrijven (~Gent en Biotechnologie);

2

de betere ontsluiting van de haven als bijdrage tot de uitbouw van de regio als distributieknooppunt, met bouw nieuwe zeesluis, de verdieping van het kanaal tot 18 m. en een snelle oost-westverbinding met de Rodenhuizetunnel ter ontlasting zuidelijk havengebied;

3

betere commercialiatie- en distributiekanalen voor de sierteeltsector, met drie deelprojecten, waaronder een elektronisch vraag- en aanbodplatform gekoppeld aan een prijsvormingsysteem, een financiële dienst en een fysisch distributiecentrum;

4

een cluster rond distributie en logistiek, opzetten van een samenwerkingverband tussen belanghebbende private en publieke actoren;

5

een overlegstructuur toerisme en recreatie, samenwerking en bundeling van middelen en krachten;

6

naar een lokaal werkgelegenheidsbeleid, met de creatie van een arbeidsmarktobservatorium en een werkbaar model voor het opzetten van gemeentelijke of intergemeentelijke werkgelegenheidsbureaus en buurtdiensten binnen de gemeenten, vooral gericht op risicogroepen;

7

een structurele ondersteuning sociale economie, dmv. de uitbouw sociale-economie bedrijvencentrum, het ontwikkelen van aangepaste financieringsmechanismen, het ter beschikking stellen van consulenten, e.a.;

8

betere aansluiting vorming - bedrijfsleven, met oprichting van het beroepenhuis, trainingen en de uitbouw binnen het Eduforum van een orgaan dat werkgevers en werkzoekende begeleidt en adviseert bij het kiezen van de juistere opleiding.

•

het project GSiW

De actie Gent Stad in WERKING: ‘GsiW’ is een proces opgestart door de stad Gent, waarbij alle betrokken partijen samenwerken (onder de vorm van open partnerschappen) om een toekomstgericht, strategisch, innovatief en inclusief werkgelegenheidsplan uit te werken en (door 8 actiegroepen voorbereide) projecten te realiseren die daartoe bijdragen. De partners situeren zich op het niveau van de sociale partners, de stad, de scholen en universiteiten, individuele bedrijven, en socio-culturele en maatschappelijke instellingen en groepen. Het project ‘GsiW’ is opgebouwd rond 8 thema’s (en daarbij horende actiegroepen) en een aantal daaraan gekoppelde concrete projecten.

februari 2003

Deel 2

p. 84


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

BOX:

DE 8 ACTIEGROEPEN van GSiW

1. Sociaal-economisch bedrijvencentrum: uitbouw van een financieel en economisch haalbaar sociaal-economisch bedrijvencentrum op de oude industriële site ‘Trefil Arbed’. 2. Oprichting en werking onderwijsmiddens.

beroepenhuis,

rekening

houdende

met

verwachtingen

3. Dienstverlening aan werkzoekende, met bijzondere aandacht voor een laagdrempelige en gecoördineerde dienstverlening aan werkzoekenden. 4. HRM-dienstverlening op maat van bedrijven, met aandacht aan betere coördinatie en grotere professionalisering. 5. Etnisch-culturele minderheden en werkgelegenheid, werkt een praktijkgericht plan uit in functie van een intercultureel werkgelegenheidsbeleid. 6. Biotechnologie, beoogt een wetenschappelijke en economisch-commerciële verankering van deze toefsector en haar spin-offs. 7. Nieuwe economische initiatieven, schetst een operationeel plan om een ondersteuningsstructuur te installeren inzake innovatieve projectontwikkeling en begeleiding. Deze werkgroep werd vervangen door twee nieuwe actiegroepen de actiegroep ‘bedrijfsincubator’ en de actiegroep ‘omvangrijke bedrijfsuitbreidingen en personeelsaanvragen’. 8. Buurtdiensten, engageert zich tot de actieve ontwikkeling van buurtdiensten, rekening houdend met de financieel-economische haalbaarheid, de maatschappelijke noden en laagdrempelige tewerkstelling De actie ‘GsiW’ heeft een aantal concrete projecten gerealiseerd: zie bijgaande box. BOX: projecten bij GsiW 1. De oprichting van het sociaal-economisch bedrijvencentrum: vzw De Punt (21 maart 2000) op site ‘Trefil Arbed’ (een verlaten bedrijfspand). Partners: de cvba Progesa (de projectvennootschap Gentse Saneringswerken met 3 partners: de stad Gent VMH en NV Soils), en de stad Gent (DEWER….). Er wordt gedacht aan een inbedding van het beroepenhuis op deze site met als partners: bedrijfsleven, onderwijs, vorming en opleiding, sociale partners, sectoriele opleidingsfondsen. 2. De oprichting van de vzw Beroepenhuis (daardoor houdt actiegroep 2 op te bestaan) en de werkgelegenheidsconvenant (tussen de stad, de RVA/PWA, de VDAB en de andere betrokkenen) met daarbij het oprichten van een lokaal werkgelegenheidforum en het operationaliseren van een mobiel klantenloket: de Jobbus. 3. De actiegroep Dienstverlening aan werkzoekende, werkte 4 initiatieven uit: (1) opleiding gericht op de tewerkstellingsdienstverleners, (2) opstellen vademecum tewerkstellingsmaatregelen, (3) ondersteuning van de oprichting van het sociaal uitzendkantoor (Instant A) gericht op de doegroep 15 tot 30-jarigen, en (4) advisering rond oprichting werkwinkels binnen Gent. 4. De HRM-dienstverlening op maat van bedrijven ontwikkelde volgende aanpak: (1) jobserver (partners: VKW, NCMV, de Kamer van koophandel Gent-Eeklo, de LWB-stad Gent, Dewer- stad Gent en Vernieuwende Werkvormen e.s.v) ontwikkelt zich verder als

februari 2003

Deel 2

p. 85


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

‘het’ aanspreekpunt voor alle dienstverlening rond risicogroepen, (2) met het oog op grotere aanwerving werd tevens een toeleidingsprotocol voor risicogoepen opgesteld met daarin de doelgroepdefiniëring en de verantwoordelijkheden van de partners, en (3) er wordt een poging gedaan om te komen tot een blijvende inventarisering van de dienstverlening. 5. De actiegroep Etnisch-culturele minderheden en werkgelegenheid, met een actie NT2 (Nederlands 2° taal) voor werknemers van allochtone origine. 6. De actiegroep biotechnologie zoekt naar een geschikte vestigingsplaats voor een twaalftal biotechbedrijven, geclusterd in één, maximaal 2 groepen. 7. De actiegroep 7 houdt op te bestaan. De werking wordt geïntegreerd in de andere werkzaamheden en zal vervangen worden door twee nieuwe actiegroepen. >7bis ‘bedrijfsincubator’ (op vraag streekplatform); een groep bedrijfsadviseurs biedt starters een integrale trajectbegeleiding aan, vanaf het idee tot op moment dat dit idee is omgezet in een leefbare en goedgeleide onderneming en de actiegroep de actiegroep omvangrijke bedrijfsuitbreidingen en personeelsaanvragen (zie verder 7ter). >7ter de actiegroep omvangrijke bedrijfsuitbreidingen en personeelsaanvragen probeert de belangrijke te verwachten uitbreiding van het personeel door ‘VOLVO Gent ‘(gespreid over 3 jaar +2.000 bij VOLVO en + 3.200 bij toeleveranciers). 8. De oprichting binnen het LWB (lokaal werkgelegenheidbureau) van een ‘steunpunt dienstenwerkgelegenheid ’ •

STC GENT EEKLO

Het STC is een subregionaal overlegorgaan tussen een groot aantal partners die actief zijn in het werkgelegenheidsbeleid, met name werkgevers- en werknemersorganisaties, de VDAB, een vertegenwoordiging van de lokale besturen en van de opleidings- en tewerkstellingsinitiatieven en de Vlaamse Administratie werkgelegenheid. Het werkingsgebied is het gewest Gent en het Meetjesland. Op basis van het besluit van 1998 kunnen de opdrachten van het STC als volgt worden omschreven: de coördinatie en stimuleren van het arbeidsmarkt- en werkgelegenheidsbeleid het bevorderen van de samenwerking en het overleg tussen werkgevers en werknemers, onderwijs- en opleidingsinstanties, lokale besturen en andere relevante actoren op de subregionale arbeidsmarkt en een adviesfunctie (soms met beslissingsbevoegdheid) inzake arbeidsmarktaangelegenheden (zie ook STC Kortrijk Roeselare). Naast de werking van de PWR (de VDAB, de werkgevers en werknemersdelegatie en met grote inbreng van de andere partners, zoals de lokale besturen, de sector gehandicapten, de derden- met de vzw WEB) kunnen concreet een aantal projecten van het STC Gent-Eeklo worden vooropgesteld. Nochtans zegt ook hier het STC zich niet als projectbeheerder te willen opwerpen. Daar waar de nood wordt aangevoeld treedt het STC dan op als katalysator en wordt het beheer van de projecten toevertrouwd aan derden of in een afzonderlijke vzw gestopt. De projectwerking van het STC Gent-Eeklo kan worden samengebald rond de vijf prioriteiten.

februari 2003

Deel 2

p. 86


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

BOX: prioriteiten van het STC GENT-EEKLO 1° prioriteit: specifieke acties voor de doelgroepen Een concreet initiatief was het uitbouwen en het integreren van twee doelgroep-projecten in het subregionaal arbeidsmarktbeleid, met name: het experiment interface en de begeleidingscel werkgelegenheid migranten. Het experiment Interface staat voor het ontwikkelen van opleidingsprojecten en van innoverende projecten in het bedrijf ten behoeve de inschakeling van de risicogroepen op de arbeidsmarkt in het normaal economisch circuit, met bijzondere aandacht voor de ontwikkeling van leereilanden, jobrotatie en taaksplitsing in bedrijven. Interface richt zich ook op het ontwikkelen van innovatieve projecten, en daarbinnen naar mogelijkheden van jobrotatie binnen KMO’s en HR-beleid gericht op risicogroepen; dit in samenwerking met de VDAB en lokale derden (in de voeding en textiel). De begeleidingscel migranten zoekt binnen een regionaal actieprogramma naar een 75-tal ondernemingen die een positieve actie willen opstarten. De projecten hier zijn: het ontwikkelen coachingsmodel voor allochtone vrouwen, de individuele trajectbegeleiding jongeren deeltijds onderwijs, het colloquium: ‘diversiteit is ondernemend’ en de WIS-mobiel (provinciale samenwerking gebruik multimedia voor info over opleiding en tewerkstelling). 2° prioriteit: samenwerking De afstemming van de samenwerkingsverbanden op de subregionale arbeidsmarkt is de tweede prioriteit. Met: -

het verder ontwikkelen van de acties Samen Werkt in samenwerking met bestaande lokale besturen, zoals bvb streekplatform Meetjesland (sic!);

-

de samenwerking organiseren met het Eduforum;

-

de mogelijkheden onderzoeken van de oprichting van een ‘streekhuis’, met prioriteiit van gezamenlijke huisvesting van de STC-vzw STIRK en het Strategisch plan Gent.

3° en 4°prioriteit afstemmen vraag en aanbod in regio Met onderzoek naar mogelijkheden van een arbeidsmarktobservatorium (bvb sectorfoto van zowel arbeidsmarkt als onderwijs) in de regio en het opnemen van de toeleidingsproblematiek. En, het inventariseren van (+ knelpunten in) de federale en Vlaamse werkgelegenheidsmaatregelen. Uitvoeren van het project ‘zeker werk in voeding’ een uniek samenwerkingsverband tussen de bedrijven uit de sector, de sectororganisatie IPV, het streekplatform Meetjesland (sic!), VDAB, en het STC. Probleem is hier de nood aan arbeidskrachten met een goede attitude en met vorming rond voeding. 5°prioriteit stimuleren van het lokale tewerkstellingsbeleid 1 Stimuleren van lokale experimenten buurtdiensten (actie en steunpunt ‘diensteneconomie’ samen met ‘Gsiw’ en KB-stichting), de uitbouw van de werkwinkel. 2 De vzw beroepenhuis, een initiatief van een actiegroep binnen het project ‘GsiW’, met als doel de leerlingen op een interactieve manier kennis te laten nemen met technische beroepen en de daarbij horende mogelijke studierichtingen. 3 Het stimuleren en afstemmen van lokale overlegfora ter voorbereiding van de oprichting van lokale werkwinkels. •

de GOM OOST Vlaanderen

februari 2003

Deel 2

p. 87


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

De GOM Oost-Vlaanderen heeft een matig geprofileerde subregionale werking. De GOMOV kan dan ook eerder als begeleidend en volgend worden beschouwd. Toch wordt in de werking aandacht besteed (bron: jaarverslag 1999) aan het VREB (het vernieuwd regionaaleconomisch beleid) van de Vlaamse Regering en de streekplatforms in de provincie, waarbij de GOM betrokken is door deelname in de raden van beheer van deze vzw’s, de medewerking aan de opmaak van het charter en een coördinerende en signalerende functie via het integreren van projecten over de grenzen van de platformen heen. Meer actief is de rol van de GOMOV bij het voorbereiden en opvolgen van Europese programma’s. BOX: opvolgen Europse projecten GOMOV Æ Toezicht op projecten binnen het Meetjesland als doelstelling 5b-gebied (nu in phasing out faze). Æ Medewerking aan het interprovinciaal [met de provincies Oost-Vlaanderen, WestVlaanderen, en Zeeland] programma Intereg II voor de Euregio Scheldemond, via deelname aan concrete projecten en stuurgroepen. Æ Voorbereiding doelstelling 2 (met een deel van de stad Gent als stedelijk ontwikkelingsgebied) en gebiedsgreichte communautaire initiatieven (Interreg III, Leader, Urban). Tenslotte kan men ook bij de realisatie van bepaalde acties en projecten ‘als afgeleide’ spreken van subregionale en streekeigen projecten, zoals de acties in het voordeel van het bedrijfsleven in het kader van de problematiek van industriegronden en zonevreemde bedrijven, door inspanningen te leveren tot wijziging van de gewestplannen. Ook het bedrijvencentrum Gent is een bijdrage tot de versterking van het weefsel en dus de netwerkvorming tussen startende bedrijven in de regio Gent. •

ROM-project

Grensoverschrijdend Europees project rond Ruimtelijke Ordening en Milieu voor de Kanaalzone Gent-Terneuzen. •

Intercommunale VENECO²

Basisdoelstelling van de intercommunale Veneco² is voor bedrijfsdoeleinden terreinen te bestemmen, aan te leggen, uit te rusten en hierop industriële of ambachtelijke gebouwen op te trekken. De vereniging heeft verder tot doel de bevordering van alle initiatieven die verband houden met de economische, agrarische, toeristische, culturele en sociale ontwikkeling van de streek. Ondanks de ruime doelstelling blijven de activiteiten beperkt tot bedrijventerreinen en huisvesting. De aandeelhouders zijn vooral de gemeenten (68.29%), de provincie Oost-Vlaanderen (26.49%) en de private vennoten (5.22%). Deze laatste groep bestaat uit: private bedrijven, en middenveldorganisaties uit de sfeer van werknemersorganisaties en werkgeversorganisaties. Zelfs binnen de werking van de intercommunale komt het gebrek aan homogeniteit tot uiting. Binnen Veneco² zijn twee comités werkzaam het gewestelijk comité Gent en het gewestelijk comité Meetjesland. •

Lokale werkwinkels

zie Kortrijk

februari 2003

Deel 2

p. 88


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

BIJLAGE 6: Netwerken en projecten in TURNHOUT •

het SSPK

Het Samenwerkingsverband Strategisch Plan Kempen is een streekontwikkelingsorganisatie actief sinds 1988 in het arrondissement Turnhout. Het samenwerkingsverband is geïnitieerd door een dominant bedrijf, een aantal invloedrijke parlementairen en sleutelfiguren uit de sociale organisaties19. Het samenwerkingsverband neemt de vorm aan van een vzw en wordt beheerd door een tripartitestructuur (politiek, werkgevers, werknemers) met 7 streekrelevante actoren (de politiek: het provinciebestuur Antwerpen; de vakorganisaties: het ACV/ACW, het ABVV; en de werkgevers: het VKW, de Kempische Kamer, het NCMV en de BB). Het SSPK kan rekenen op de financiële steun van de Europese Commissie, de Vlaamse Regering, de federale regering, het provinciebestuur Antwerpen, lokale overheden en het Kempisch bedrijfsleven. Het SPPK is actief rond een aantal actiedomeinen: (1) ondernemen, (2) omgeving, (3) ‘social profit’, (4) tewerkstelling, (5) telecommunicatie en tenslotte (6) toerisme. Daarbinnen worden een aantal concrete projecten geïnitieerd of uitgevoerd (op initiatief van andere organisaties, bvb het STC). BOX De domeinen en enkele projecten van het SSPK 1

Binnen de actie ‘ondernemen’ is er de PLATO-actie (waarbij grote ondernemingen uit de regio KMO’s uit de regio begeleiden in alle aspecten van het bedrijfsmanagement volgens het peterschapsprincipe), de KMO-preventiecel (waarbij 4 fazen kunnen worden doorlopen: van een doorlichting, een overlevingsactie, het opstellen van een businessplan, tot de implementatie), de werkgroep opvolging en tenslotte studies.

2

Binnen de actie ‘omgeving’ treedt het Steunpunt Arbeid en Milieu (SAM) op als makelaar die, natuur- en landschapszorg enerzijds, en begeleiding en tewerkstelling van laaggeschoold, langdurig werkzoekende anderzijds, combineert. Partners zijn hier onder meer het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap (AMINAL), de provincie, de natuurverenigingen, de vzw WEB; SAM stelt een 60-tal mensen tewerk in twee eigen natuurteams (13 mensen) en in zes intergemeentelijke natuurteams (48 mensen), waarbij er een formele samenwerking is met 13 gemeenten in het arrondissement Turnhout

3

Om gericht initiatieven op te zetten in het actiedomein van de ‘social-profit-sector’ is in 1997 een Social-profitplatform opgericht, een forum waar (een 15-tal) organisaties initiatieven en ideeën uitwerken. Dit platform tekent een beeld uit van de sector en formuleert concrete actiepunten om deze sector verder uit te bouwen volgens de behoeften in de samenleving. Concrete projecten zijn naast de analyse, de professionalisering (de PAPA-actie) door het onder meer opzetten van het project ‘PLATOTM Social Profit’.

4

Binnen de actie ‘tewerkstelling’ werd in 1990 het Strategisch Plan Laaggeschoolden en Langdurige werkloosheid opgericht. Concreet werden 38 projecten, verdeeld over 5 actiedomeinen gedefinieerd. Vermeldenswaard zijn: TEKO (transeuropean knowledge organisation, 1992), de oprichting van het Instituut voor Management (IVM, 1994), het reeds vermelde Steunpunt Arbeid en Milieu (SAM, 1997), de oprichting en coördinatie van de regionale werkgroep opleiding/vorming telecommunicatie (1995) en de vzw

19

bron: FDR-doctoraat, blz. 118

februari 2003

Deel 2

p. 89


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

WEB (1992). De vzw WEB biedt aan werkgevers en werknemers marktgerichte leerwerktrajecten, omvattende: opleiding, training, werkervaring en begeleiding. Een protocolovereenkomst tussen het SSPK en het STC-Turnhout (1993) voorzag in de tewerkstelling van laaggeschoolden en langdurig werklozen in projecten van buitenschoolse en andere kinderopvang: het project en de vzw KIKO (1992). 5

Het strategisch plan telecommunicatie (1995) bevat een dertigtal projecten op het vlak van ICT, ondersteund door het Kempisch Telecom-platform. Belangrijk project is hier CYBERSKILLSTM, een internationaal initiatief dat zoveel mogelijk mensen de kans wil geven om kennis en ervaring op te doen met de nieuwe technologische toepassingen; het richt zich naar de werkzoekenden en kan rekenen, op de steun van lokale vormingsinstituten, de Vlaamse overheid, het ESF en het EFRO

6

Het TPA-toerisme (gelegen in het Steentje in Turnhout) opgericht in 1989 als initiatief van Toerisme Provincie Antwerpen (TPA) en het SPK is verantwoordelijk voor de uitbouw van de toeristische infrastructuur, de animatie, de promotie, en de vorming van de toeristische medewerkers in de regio Antwerpse Kempen.

7

De stelling dat het SSPK dominant aanwezig is wordt ook ondersteund door de vasttelling dat het Eduforum Turnhout ingebed is in het SSPK.

•

het Streekplatform KEMPEN

In het kader van het regionale economisch beleid van de Vlaamse overheid vormt de vzw Streekplatform Kempen sinds 24.10.1996 een platform voor een actief streekbeleid binnen het Vlaams Vernieuwd Regionaal Beleid, in de regio Turnhout. Op 8 juni 1999 onderschreef de Vlaamse regering de streekvisie en ondertekende het streekcharter voor de regio Turnhout. De samenstelling van de RvB is vier vertegenwoordigers namens de politieke mandatarissen, vier vertegenwoordigers namens de werkgeversorganisaties, vier uit de werknemersorganisaties en een aantal vertegenwoordigers namens de andere organisaties, met name de GOM, het IOK, de NBB, het SSPK, het STC en de commissaris Vlaamse Regering. Het streekplatform is zelf geen uitvoerende organisatie, maar verzamelt alle levende krachten van de regio en werkt mobiliserend, coördinerend en ondersteunend. De streekvisie werd gedurende anderhalf jaar voorbereid door zeven werkgroepen, waarvoor 150 mensen konden worden gemobiliseerd: zie bijlagen steekplatform Het streekplatform Kempen beoogt prioritair de realisatie van een aantal hefboomprojecten binnen het streekcharter. BOX:

DE 10 HEFBOOMPROJECTEN streekcharter Kempen

1. Realisatie van bijkomende bedrijventerreinen door wijzing gewestplan Herentals-Mol, Turnhout). 2. Realisatie van een betere mobiliteit, als basis voor verdere economische expansie (verbeteren wegeninfrastructuur, spoorwegverbinding…). 3. Ondersteuning bedrijfsleven (rond thema’s milieu, technologie, export…). 4. Ondersteunen en realiseren van vnl. laaggeschoolde tewerkstelling in socialeeconomieprojecten (met het opzetten van een uitgerust (bedrijven)centrum voor ondersteuning van het opzetten en runnen van sociale-economieprojecten). 5. Land- en tuinbouwsector (met aandacht voor mestproblematiek) in de regio.

februari 2003

Deel 2

p. 90


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

6. Oplossen van de belangrijkste milieuproblemen en sensibiliseren van bedrijven in de richting van integraal milieubeheer. Met, begeleiden individuele bedrijven, toekennen van een logo, opzetten van een milieucommunicatiecel in de kanaalzone en reactivering Netebekkencomité. 7. Ontwikkelen van de sector toerisme en vrije tijdsbesteding (versterking werking ‘Toerisme Kempen’; versterking aanbod: cultureel, watergebonden toerisme…). 8. Duidelijke toekomstperspectieven voor de nucleaire sector in de Kempen. 9. Realiseren gedurende de volgende 10 jaar van jaarlijks 400 woningen en 150 sociale kavels in de sociale huisvesting. 10. Welzijnssector (oprichting regionaal overlegplatform; bijkomende investeringen; begeleidingsinitiatieven voor professioneel management in de welzijnssector). •

STC TURNHOUT

Op basis van het besluit van 1998 worden de opdrachten van het STC- Turnhout als volgt omschreven: “de coördinatie van het arbeidsmarkt- en werkgelegenheidsbeleid binnen de regio, met bijzondere aandacht voor de kansengroepen, het bevorderen van het overleg tussen werkgevers en werknemers, onderwijs- en opleidingsinstanties, lokale besturen en andere relevante actoren op de subregionale arbeidsmarkt en het functioneren als adviescomité inzake arbeidsmarkt- aangelegenheden ten behoeve van de minister, het beheerscomité van de VDAB, of de STC-stuurgroep”. Het STC Turnhout ziet zijn opdracht als volgt: specifiek naar de subregio Turnhout worden blinden vlekken gedetecteerd in het continuüm tussen vraag en aanbod, met bijzondere aandacht voor intermediairen en risico/kansengroepen. In een oplossingsgerichte strategie worden antwoorden gezocht die afhankelijk van de thematiek in meerdere of mindere mate een operationeel dan wel een strategisch of structureel karakter hebben en door het STC worden geïnitieerd en/of gecoördineerd. De uitvoering wordt in het merendeel van de gevallen uitbesteed aan derden. De financiering en dossierbeheer blijven soms in handen van het STC. De resultaten ressorterend uit de acties en projecten fungeren als stoffering van de visie en het beleid dat STC wil voeren in de subregio”. Het STC werpt zich niet op als projectbeheerder. Daar waar de nood wordt aangevoeld treedt het STC dan wel op als katalysator en wordt het beheer van de projecten toevertrouwd aan derden of in een afzonderlijke vzw gestopt (bvb kinderopvangproject KIKO ingebed bij het bij het SPK als aparte vzw). Ook neemt het STC deel aan werkgroepen, stuurgroepen en aan andere overlegfora in zoverre ze bijdragen tot de algemene doelstelling van het STC. Ter illustratie volgen enkele projecten, zoals de interfacefunctie, het consortium Kempen en het aanbieden van job-info. BOX: Enkele projecten van het STCTurnhout 9 Eerst heeft men een aantal interfaceprojecten (vb bouw en voeding), waarbij private actoren (bedrijven federaties), opleidingsinstellingen en het STC hun krachten bundelen om kansarme jongeren via contactdagen stages in bedrijven, opleiding en individuele begeleiding. 9 Het consortium Kempen heeft de ambitie om de opleidingscentra en ‘toeleidingsorganisaties’ te verenigen in een structureel overleg met als doel vooral voor de risicowerklozen het aanbod van opleiding (VDAB en private) beter afstemmen op de noden van de regio en ook het opsporen van blinde vlekken en overlap.. De leden van het

februari 2003

Deel 2

p. 91


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

consortium zijn 10 leden van de PWR en 25 vertegenwoordigers van derden (sociale partners, en welzijns- en opleidingsorganisaties…). 9 Het aanbieden van jobinfo: in het WEB-circuit (ADCOTEL, atelierwerking en SIBEKEM) en de het Wep-circuit (bvb de vzw Thuishulp: klusjesdienst en poetsdienst en het OCMW Herentals dienst plantsoenen voor groenonderhoud en klusjesdienst). •

de GOM ANTWERPEN

De gewestelijke ontwikkelingsmaatschappij voor de provincie Antwerpen, de ‘GOMA’ (inclusief de voor Antwerpen niet onbelangrijk werking van het ESA) heeft een breder werkveld dan het arrondissement Turnhout maar vertoont binnen zijn werking een duidelijke subregionale invalshoek. De werking van de GOMA en ESA is overwegend coöperatief te noemen. Het ‘subregionaal’ ontwikkelings- en reconversiebeleid van de GOM Antwerpen (bron: jaarverslag 1999) ontwikkelt zich rond vier assen:

a. Infrastructureel met de bedrijventerreinen (al dan niet in eigen beheer), de bedrijvencentra (met het Kempens bedrijvencentrum met vestigingen te Geel en te Turnhout), de research & wetenschapsparken (niet in Turnhout) en de subregionale mobiliteitsproblematiek (tracé Noord-Zuid-verbinding Kempen).

b. Regionale ontwikkelingsprogramma's voor het betrokken arrondissement. Met name, begeleiden van EUROPESE programma’s [met voor Turnhout: het reconversieprogramma doelstelling 2 en het INTERREG II programma voor het Benelux middengebied met een 13-tal goedgekeurde projecten] en deelname aan bepaalde hefboomprojecten in het kader het streekcharter (goedgekeurd op 8.06.1999).

c. Kmo-acties: met een GOM-vertegenwoordiger bij de preventiecel bij het SSPK d. Ruimtelijke ordening voor de afbakening van het regionaal stedelijk gebied Turnhout zit de GOM in de stuurgroep. Binnen ESA, het Economisch Studiebureau Antwerpen -een vooral door de provincie gestuurde instelling met bijna dezelfde opdrachten als de GOM- voorziet men wel meer mankracht voor het opvolgen de subregionale problematiek. Deze werking houdt het volgende in: -

Het opvolgen en begeleiding streekplatformen

-

De afhandeling impulsdossiers

-

Het reconversieplan Kempen

-

De INTERREG-programma’s

-

De ‘Europacel’ (met organisatie studiedagen) en het ‘Bureau voor projectassistentie’ (het BPA, met een focus op sociale economie en op opwaardering van het toenmalig militair domein ‘Kamp C’ te Westerlo). Dit bureau werkt nauw samen met het STC voor wat de interface functie betreft.

•

Intercommunale ontwikkelingsmaatschappij voor de kempen: het IOK

Basisdoelstelling van de Intercommunale Ontwikkelingsmaatsdchappij voor de Kempen is de sociaal-economische en ruimtelijke ontwikkeling van het arrondissement Turnhout en van zijn aangesloten gemeenten te bevorderen. Dit concretiseert zich binnen 10 diensten en rond zes activiteitsvelden.

februari 2003

Deel 2

p. 92


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

De 10 diensten: de dienst grondverwerving, de dienst industrie, de studiedienst, de sociaalculturele dienst, de gemeenschappelijke dienst voor preventie en bescherming op het werk, de intercommunale milieudienst, de ophaaldienst, de exploitatie afvalverwerkingseenheden, de technische dienst en tenslotte de dienst boekhouding en administratie. BOX: De 6 Activiteitsvelden van het IOK 1 Industrieel beleid: industrieterreinen (aankoop grond, uitrusting, verkoop…) 2 Sociaal grondbeleid 3 Afvalbeleid (preventie, recyclage……) 4 Sociaal-cultureel beleid (PVK: pedagogisch vormingsinstituut Kempen); 5prim studie en begeleiding: Europese structuurfondsen, conferentie burgemeesters, RSPVlaanderen, woonbehoeftenstudie, de Noord-Zuidverbindingsproblematiek; 5bis: voorzitterschap en secretariaat streekplatform Kempen 6 Dienstverlening aan gemeenten De aandeelhouders van het IOK zijn vooral de gemeenten (78.8%), de provincie Antwerpen (19.5%), en de private vennoten (1.7%). Deze laatste groep bestaat uit: private bedrijven, en middenveldorganisaties uit de sfeer van werknemersorganisaties en werkgeversorganisaties. Tot besluit kan gesteld worden dat het IOK naast de klassieke functies van een intercommunale (infrastructuur, sociaal grondbeleid en dienstverlening aan de gemeenten) ook een aantal andere ondersteunende taken waarneemt in de sfeer van milieu, sociaal beleid en de begeleidingvan programma’s en projecten in het kader van de Europese Programma’s. •

de conferentie burgemeesters

Deze vergadering tussen de burgemeesters behorende tot de Antwerpse Kempen, waarvan het secretariaat wordt waargenomen door het IOK, wil op een gestructureerde wijze overleg en informatie-uitwisseling mogelijk maken over gemeenschappelijke problemen. Bvb: het aanbod van de LIJN mbt gratis openbaar vervoer, mogelijkheden inzake een gemeentelijk alcohol en drugbeleid, en eerste concept RSP-Antwerpen. •

Welzijnszorg KEMPEN

Aangelegenheden in de welzijnssector worden behartigd door WELZIJNSZORG KEMPEN, een vereniging van de 27 OCMW’s uit het arrondissement Turnhout. Het IOK is hier geen initiatiefnemer maar het verleent wel logistieke ondersteuning. Welzijnszorg Kempen is onder meer betrokken bij Beschut Wonen Kempen, de Centra voor Geestelijke Gezondheidszorg, Kind in Nood, de sociale verhuurkantoren Zuiderkempen en Noorderkempen, de LOGO’S, het samenwerkingsinitiatief Thuisverzorging (SIT) voor het Arrondissement Turnhout, de sociaal tewerkstellingsprojecten voor laaggeschoolden in het kader van de Sprong, de bouw van een instelling voor demente bejaarden en de problematiek van drugverslaafden. Naast de aangelegenheden en initiatieven, die uitsluitend de OCMW’s aanbelangen, wordt in het arrondissement Turnhout gestreefd naar een nauwe samenwerking met regionaal gestructureerde privé-organisaties om problemen aan te pakken die de lokale dimensie overstijgen. Meestal neemt deze samenwerking de vorm aan van een vzw.

februari 2003

Deel 2

p. 93


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

BOX: INITIATIEVEN WELZIJNSZORG KEMPEN: Æ de 3 vzw’s geestelijke gezondheid: Kempen, Noorderkempen en Zuiderkempen Æ de 2 vzw’s lokaal gezondheidsnetwerken (LOGO’s), voor de Noorderkempen en de Zuiderkempen.. Æ de vzw samenwerkingsinitiatief thuisverzorging Arrondissement Turnhout (SIT).

•

lokale werkwinkels

zie Kortrijk

februari 2003

Deel 2

p. 94


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

BIJLAGE 7: Wederzijdse vertegenwoordiging Op basis van de analyse van de wederzijdse vertegenwoordiging en de werking kunnen een aantal conclusies worden afgelijnd inzake openheid van het (beleids)netwerk en de dominante actoren bij sturing. 1. De arbeidsmarktinstituties zijn zeer besloten met een zeer beperkt aantal soorten leden. Zo het omvat STC enkel de sociale partners als stemgerechtigde leden. De gemeenten (via VVSG) en de derden (SLN; de vertegenwoordiging van opleiding- en vormingsorganisaties) hebben sinds 1998 elk recht op 1 niet stemgerechtigde adviseur, met een statuut van waarnemer. Daarenboven wordt de subregionale werking van het STC sterk top-down gestuurd (door een centrale stuurgroep20, met latente en open spanningen tussen lokale en centrale sociale partners). Ook de lokale werking van de LWW wordt sterk gestuurd door het Forum Lokale Werkgelegenheid dat naast de lokale actoren ook de sterke centrale actoren bevat, zoals de VDAB en de RVA, (de PWA); de regie van de LWW wordt waargenomen door de VDAB (universele dienstverlening) en de overkoepelende VVSG (voor de uitbouw diensteneconomie). 2. De economische streekplatformen hebben een ruime vertegenwoordiging niet alleen van de lokale sociale partners, maar ook van de politici en derdenorganisaties, bedrijven, de spontane samenwerkingsverbanden, de GOM en de intercommunale. Ook het STC is steeds aanwezig. 3. De spontane samenwerkingsverbanden met een breed draagvlak (GsiW en het SPK) hebben: - ofwel een zeer ruime vertegenwoordiging in de sturingsorganen van bijna alle (arbeidsmarkt-, economische, onderwijs en andere socio-culturele) actoren in de streek, zoals bij het programma ‘GsiW’, - ofwel een projectwerking die een ruim maatschappelijk veld bestrijkt en waaraan projectmatig wordt meegewerkt door de diverse instanties en instellingen werkzaam in de streek, zoals bij het SPK, nochtans met enkel provinciale politici en lokale sociale partners als bestuurders. 4. De subregionale arbeidsmarktinstituties worden wel nauw betrokken bij de economische instituties (de ‘EI’s’) en de spontane samenwerkingsverbanden (GsiW, SPK), maar niet omgekeerd. Het STC zit in de streekplatformen en ook in het programma ‘GsiW’ en wordt nauw betrokken bij de werking van het SPK. 5. De projectwerking vertoont hetzelfde beeld: de arbeidsmarktinstituties (de AI’s) met een projectwerking enkel gefocust op het arbeidsmarktgebeuren en dan nog vooral naar kansengroepen toe versus de EI’s en de Spontane samenwerkingsverbanden (GsiW, ROM, SPK) met aandacht voor het breed veld van het sociaal economisch gebeuren met uitlopers naar ruimtelijke ordening en milieu.

20

Stuurgroep STC (32 leden): 6 vertegenwoordigers van de Vlaamse regering (2 mimister werkgelegenheid + 4 Vesoc-ministers), 6 vertegenwoordigers van de sociale partners, 2 van de administratie werkgelegenheid (wv 1 coördinator STC), 2 vertegenwoordigers van de VDAB, 13 voorzitters STC’s, 1 vertegenwoordigers van de derden (SLN), 1 vertegenwoordigers van de gemeenten (VVSG), 1 vertegenwoordigers van de SERV.

februari 2003

Deel 2

p. 95


Bouwstenen voor een dynamisch en efficiënt subregionaal beleid in Vlaanderen

Conclusie De als minst dynamisch gepercipieerde actoren in het streekgebeuren, de AI’s (STC en ook LWW) worden het meest besloten beheerd, het meest centraal gestuurd, hebben een relatief beperkt projectwerkveld (kansengroepen en werkzoekenden) en moeten hun werking vooral baseren op centraal aangestuurde elementen. De meest dynamische platformen hebben een open beheersstructuur (GsiW) en, of een open partnerschap bij hun projectwerking (de SSV: SPK en GsiW). Ook de EI’s hebben een meer open beheersstructuur en hebben een ruimer socio-economisch werkveld dan de AI’s. De AI’s met het STC zitten in het streekplatform en worden betrokken bij de werking van de SSV’s, maar niet omgekeerd.

februari 2003

Deel 2

p. 96


februari 2003

Deel 2 eindrapport.doc

Bouwstenen voor een dynamisch en efficiĂŤnt subregionaal beleid in Vlaanderen

p. 97


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Bouwstenen_deel_2_analyse.pdf by Vlaanderen-be - Issuu