Beleidsdomein Landbouw en Visserij
COLOFON Redactie Landbouwrapport 2005: Jonathan Platteau (red), Leen Bas, Els Bernaerts, Veerle Campens, Koen Carels, Els Demuynck, Maarten Hens, Stijn Overloop, Vincent Samborski, Dirk Smets, Dirk Van Gijseghem, Marina Vriesacker, Hilde Wustenberghs. Brussel 2006, eerste druk 240 blz. Depotnummer: Landbouwbeleidsrapport 2005 D/2006/3241/155 Vormgeving en druk: Drukkerij PEN Administratie: Departement Landbouw en Visserij Afdeling Monitoring en Studie Leuvenseplein 4 1000 Brussel
Colofon
Tel : 02/553.63.46 Fax : 02/553.63.50 E-mail : ams@vlaanderen.be Verantwoordelijke uitgever: Jules Van Liefferinge
© Vlaamse overheid, Departement Landbouw en Visserij Alle rechten voorbehouden. Overname van gedeelten van de tekst in publicaties met een educatief of wetenschappelijk doel is toegestaan mits bronvermelding.
Het Landbouwrapport is beschikbaar op www2.vlaanderen.be/ned/sites/landbouw/
Woord vooraf Voor U ligt het Landbouwrapport 2005 (LARA), het eerste rapport dat een totale beschrijving geeft van toestand van de Vlaamse land- en tuinbouw. Hiermee sluit het Beleidsdomein Landbouw en Visserij aan bij een vroegere (federale) traditie van jaarlijkse rapportering. De doelstelling van het Landbouwrapport is op Vlaams niveau informatie over de toestand van de landbouw en het beleid terzake te verzamelen, te integreren, te verwerken en beschikbaar te stellen. Op deze wijze geeft het LARA een onderbouwing van het gevoerde en te voeren landbouwbeleid. Tegelijk is het de bedoeling informatie over de Vlaamse land- en tuinbouw te verstrekken aan de burgers, waardoor het respect en het maatschappelijk draagvlak voor de land- en tuinbouw versterkt. Voor de inhoud van het LARA hebben we gekozen voor een sectorale beschrijving van de voornaamste land- en tuinbouwsectoren, aangevuld met een algemeen hoofdstuk waarin ook de voedingssector aan bod komt. Het hoofdstuk over het Vlaamse landbouwbeleid geeft een inzicht in de verschillende instrumenten die voorhanden zijn om het specifieke Vlaamse landbouwbeleid uit te werken en te implementeren, zowel in het kader van inkomensondersteunend beleid als het plattelandsbeleid. Aangezien landbouw als maatschappelijke activiteit, net als alle andere sectoren, een druk uitoefent op het leefmilieu werd hierover een specifiek hoofdstuk geschreven. Dit laat ons tegelijk toe een link te leggen naar de Milieurapportering (MIRA).
De kwaliteit van het LARA werd gewaarborgd door een groep van meer dan 20 experten en lectoren die het LARA-team bijstonden. Wij bedanken hen van harte voor hun bijdrage. Het LARA staat niet alleen, maar maakt deel uit van een geheel van producten die door de afdeling Monitoring en Studie van het Beleidsdomein ter beschikking worden gesteld. Zo zijn er het Landbouwzakboekje, waarin een beknopt overzicht wordt gegeven van de voornaamste landbouwindicatoren, de gespecialiseerde rendabiliteitsrapporten en de website.
Jules Van Liefferinge Secretaris-generaal Departement Landbouw en Visserij
Woord vooraf
Wat de gegevens betreft hebben we gebruik gemaakt van de meest recente beschikbare cijfers van zowel beleidsinterne als -externe dataleveranciers, waarvoor dank. De meest recente gegevens die in het LARA gebruikt worden, hebben betrekking op het jaar 2005.
5
6
Woord vooraf
5
Inhoudstafel
7
1. Inleiding
13
2. Landbouwbeleid 1 Het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid en de Mid Term Review 1.1 Geschiedenis van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid 1.1.1 Oorspronkelijke doelstellingen landbouwbeleid 1.1.2 Hervormingen onder internationale externe druk: de Mac Sharry hervorming (1992) 1.1.3 Hervorming onder interne druk: een veranderende maatschappij (1999) 1.1.4 Verdere hervormingen 1.2 De MTR 1.2.1 Algemeen 1.2.2 Invulling van de MTR door Vlaanderen 1.2.3 Invulling van de MTR door collega lidstaten 1.3 De melk- en suikerhervorming 1.4 Toeslagrechten 1.4.1 Soorten toeslagrechte 1.4.2 Verhandeling van toeslagrechten 1.4.3 Huidige verdeling van de toeslagrechten in Vlaanderen 2 Uitvoering van het Europees landbouwbeleid: Vlaams Programma voor Plattelandsontwikkeling 2.1 Doelstelling van het Vlaams Programma voor Plattelandsontwikkeling 2000-2006 2.2 Financiële middelen 2.3 Onderdelen van het programma 2.3.1 Investeringen 2.3.2 Milieu en natuur 2.3.3 Ondersteunende maatregelen 2.4 Duurzaamheid van het PDPO 2.5 Evaluatie van het PDPO 2.6 Volgende programmeringsperiode
17 17 17 17
3. Algemene beschrijving van de Vlaamse land- en tuinbouwsector 1 Structurele en economische beschrijving 1.1 Productiefactoren 1.1.1 Arbeid 1.1.2 Areaal 1.1.3 Veestapel 1.2 Productie-eenheden 1.3 Economische beschrijving 1.3.1 Eindproductiewaarde 1.3.2 Intermediair verbruik 1.3.3 Toegevoegde waarde
43 43 43 43 45 46 47 49 49 54 55
18 18 18 19 19 20 21 23 24 24 25 26
Inhoudstabel
26 26 28 30 30 37 39 41 42 42
7
Inhoudstabel
2 Sociale aspecten 2.1 Leeftijd van de bedrijfsleider 2.2 Opvolging 2.3 Landbouwopleiding 2.4 Socio-economische status van de landbouwer 3 Voedingsindustrie 3.1 Definitie 3.2 Omzet 3.3 Toegevoegde waarde 3.4 Buitenlandse handel 3.5 Werkgevers 3.6 Tewerkstelling 3.7 Besteding gezinsbudget aan voedingsproducten 4 Vlaamse landbouw in Europese context
8
57 57 58 59 60 64 64 64 65 66 68 68 69 70
4. De akkerbouwsector 1 Structuur 1.1 Areaal 1.2 Productie-eenheden 1.2.1 Aantal bedrijven 1.2.2 Bedrijfsgrootte 1.3 Economisch belang voor de gemeenten 2 Productie 2.1 Productievolume 2.2 Productiewaarde 3 Aanwending van de productie 3.1 Consumptie 3.2 Zelfvoorzieningsgraad 3.3 Buitenlandse handel 4 Rendabiliteit 4.1 Prijsevolutie 4.2 Financiële resultaten 5 Specifiek beleid
73 73 73 78 78 79 80 81 81 83 84 84 84 85 86 86 89 91
5. De tuinbouwsector 1 Structuur 1.1 Areaal 1.2 Productie-eenheden 1.2.1 Aantal bedrijven 1.2.2 Bedrijfsgrootte 1.3 Economisch belang voor de gemeenten 2 Productie 2.1 Productievolume 2.2 Productiewaarde
95 95 95 102 102 102 106 109 109 110
111 111 113 114 117 117 120 124 124 125
6. De rundveesector 1 Structuur van de rundveesector 1.1 Veestapel 1.2 Productie-eenheden 1.2.1 Aantal bedrijven 1.2.2 Bedrijfsgrootte 2 Melkproductie 2.1 Productie 2.1.1 Productievolume 2.1.2 Productiewaarde 2.2 Aanwending van de productie 2.2.1 Consumptie 2.2.2 Zelfvoorzieningsgraad 2.2.3 Buitenlandse handel 2.3 Rendabiliteit 2.3.1 Prijsevolutie 2.3.2 Financiële resultaten 2.4 Specifiek beleid 2.4.1 Melkquotumsysteem 2.4.2 Interventieregeling 3 Rundvleesproductie 3.1 Productie 3.1.1 Productievolume 3.1.2 Productiewaarde 3.2 Aanwending van de productie 3.2.1 Consumptie 3.2.2 Zelfvoorzieningsgraad 3.2.3 Buitenlandse handel 3.3 Rendabiliteit 3.3.1 Prijsevolutie 3.3.2 Financiële resultaten
127 127 127 128 128 129 130 131 131 133 134 134 134 135 136 136 137 139 139 142 143 144 144 144 145 145 146 146 147 147 148
Inhoudstabel
3 Aanwending van de productie 3.1 Consumptie 3.2 Zelfvoorzieningsgraad 3.3 Buitenlandse handel 4 Rendabiliteit 4.1 Prijsevolutie 4.2 Financiële resultaten 5 Specifiek beleid 5.1 GMO groenten en fruit 5.2 Actieplan glastuinbouw
9
Inhoudstabel
3.4 Specifiek beleid 3.4.1 Inkomenssteun 3.4.2 Afbouw van de veestapel 3.4.3 Markt- en prijsbeleid 4 Voedergewassen
10
150 150 150 151 152
7. De varkenssector 1 Structuur 1.1 Veestapel 1.2 Productie-eenheden 1.2.1 Aantal bedrijven 1.2.2 Bedrijfsgrootte 1.3 Economisch belang voor de gemeenten 2 Productie 2.1 Productievolume 2.2 Productiewaarde 3 Aanwending van de productie 3.1 Consumptie 3.2 Zelfvoorzieningsgraad 3.3 Buitenlandse handel 4 Rendabiliteit 4.1 Prijsevolutie 4.2 Financiële resultaten 5 Specifiek beleid
155 155 155 156 156 158 158 160 160 161 162 162 162 163 164 164 165 167
8. De pluimveesector 1 Structuur 1.1 Veestapel 1.2 Productie-eenheden 1.2.1 Aantal bedrijven 1.2.2 Bedrijfsgrootte 1.3 Economisch belang voor de gemeenten 2 Productie 2.1 Productievolume 2.2 Productiewaarde 3 Aanwending van de productie 3.1 Consumptie 3.2 Zelfvoorzieningsgraad 3.3 Buitenlandse handel 4 Rendabiliteit 4.1 Prijsevolutie 4.2 Financiële resultaten 5 Specifiek beleid
169 169 169 171 171 173 175 176 176 177 178 178 178 179 180 180 181 182
183 183 183 185 186 187 187 187 188 188 190 191 191 191 192 192 194
10. Landbouw en milieu 1 Inleiding 2 Landbouw en eco-efficiëntie 3 Milieuprofiel van de landbouw 4 Vermesting en verzuring 4.1 Bodembalans van de landbouw: inzicht in de drijvende krachten 4.2 Waterkwaliteit in landbouwgebied als toetssteen 5 Energiegebruik en klimaatverandering 5.1 Energiegebruik 5.2 Broeikasgassen uit de landbouw 5.3 Klimaatverandering 6 Gewasbescherming 7 Bodem: het fundament van de grondgebonden landbouw 7.1 Bodemerosie 7.2 Organische stof in de bodem 8 Biodiversiteit in landbouwgebied 8.1 Broedvogels 8.2 Akker- en graslandflora 8.3 Bescherming van biodiversiteit in een moderne bedrijfsvoering
195 195 196 198 199 199 202 204 204 206 207 207 210 210 212 214 214 217 218
Afkortingenlijst
221
Definities en methodologische toelichtingen
225
Referentielijst
233
Inhoudstabel
9. De biologische landbouw 1 Structuur 1.1 Areaal 1.2 Veestapel 1.3 Productie-eenheden 2 Productie 2.1 Productievolume 2.2 Productiewaarde 3 Aanwending van de productie 3.1 Consumptie 3.2 Buitenlandse Handel 4 Rendabiliteit 4.1 Prijsvorming en prijzen 4.2 Kostenstructuur 5 Beleid 5.1 Vlaams beleid 5.2 Europees beleid
11
12
Inleiding Voor het realiseren van een goed landbouwbeleid is het noodzakelijk te beschikken over betrouwbare, op cijfers en onderzoek gebaseerde ondersteuning. De afdeling Monitoring en Studie van het Beleidsdomein Landbouw en Visserij kreeg als specifieke opdrachten: 1. de verzameling van representatieve gegevens over de Vlaamse land- en tuinbouw door middel van het Vlaams Landbouwmonitoringsnetwerk (LMN); 2. de regie van de gegevensverzameling en -integratie voor het beleidsdomein; 3. de rapportering over de situatie en de trends in de land- en tuinbouw in Vlaanderen; 4. beleidsvoorbereidende analyses en evaluaties; 5. optimaliseren van de wetenschappelijke kennisbenutting voor het beleidsdomein. In het Landbouwrapport komen de eerste drie opdrachten samen in één eindproduct. Op dit moment is er nog geen decretale verankering voor het Landbouwrapport. In het Vlaams regeerakkoord “Vertrouwen geven, verantwoordelijkheid nemen” van 2004 werd voorzien in een pariteitsonderzoek, wat in de beleidsnota 2004-2009 “Landbouw, Visserij en Plattelandsbeleid” verder als volgt werd geëxpliciteerd: “Een correct inzicht in de toestand en de verwachte ontwikkelingen van de Vlaamse land- en tuinbouw zijn noodzakelijk voor een goede onderbouwing van het te voeren beleid. Daarom zal vanaf 2005 een Vlaams Landbouwrapport (LARA) worden opgesteld. De Vlaamse overheid beschikt immers over een volwaardig landbouwmonitoringnetwerk dat in staat is economische, sociale en milieukundige gegevens op bedrijfsniveau te verzamelen. Op basis van deze gegevens kan de evolutie van de rendabiliteit van de land- en tuinbouwproductie worden opgevolgd als ook van het landbouwinkomen en de pariteit. De impact van de landbouwhervormingen en de maatregelen in het kader van het plattelandsbeleid zullen eveneens worden onderzocht. Al deze gegevens zullen opgenomen worden in het Landbouwrapport. Een decretale verankering, gelinkt met de beleidscyclus, wordt uitgewerkt.”
Inleiding
Op dit moment wordt op administratief niveau de laatste hand gelegd aan een voorontwerp van decreet die deze decretale verankening van het Landbouwrapport moet mogelijk maken.
13
1. Structuur van het LARA Om de landbouw in al haar facetten op een gestructureerde wijze te beschrijven werd gekozen voor een sectoriële aanpak. In de hoofdstukken 3 tot en met 8 worden telkens volgende aspecten besproken: • de structurele beschrijving van de sector biedt een antwoord op volgende vragen: hoe groot is die sector (areaal, aantal dieren, aantal bedrijven,…)?, hoe zien de bedrijven eruit?, hoe belangrijk is deze sector? en hoe zijn al deze elementen geëvolueerd doorheen de loop der jaren?; • in het tweede deel wordt de productie van de sector besproken aan de hand van de geproduceerde hoeveelheden en de totale productiewaarde; • hoe en waarvoor deze productie wordt aangewend, wordt daaropvolgend besproken. Dit gebeurt op basis van o.a. consumptiegegevens en handelsgegevens; • het voorlaatste deel geeft een overzicht van de prijzen die de landbouwer ontvangt voor zijn producten en de rendabiliteit van zijn bedrijf, gebaseerd op de beschikbare gegevens uit het landbouwmonitoringsnetwerk; • tenslotte wordt ook aandacht geschonken aan het gevoerde beleid, specifiek voor deze sector. Deze aanpak is gebruikt voor de beschrijving van de ganse landbouw, als één sector beschouwd in hoofdstuk 3, en voor volgende landbouwsectoren: • de akkerbouwsector: hoofdstuk 4; • de tuinbouwsector: hoofdstuk 5; • de rundveesector: hoofdstuk 6; • de varkenssector: hoofdstuk 7; • de pluimveesector: hoofdstuk 8. Daar niet alle facetten van de landbouw aan specifieke sectoren kunnen worden toegeschreven en eerder sectoroverschrijdend zijn, zijn deze opgenomen in aparte hoofdstukken. Het gaat hierbij om: • het overkoepelend landbouwbeleid: hoofdstuk 2; • de biologische landbouw: hoofdstuk 9; • de relatie tussen landbouw en milieu: hoofdstuk 10.
Landbouw en milieu (10) Biologische landbouw (9) Landbouw en Beleid (2) LANDBOUW (3) Pluimvee (8)
Varkens (7)
Rundvee (6)
Tuinbouw (5)
14
Figuur 1.1: Structuur van het Landbouwrapport 2005
Akkerbouw (4)
Inleiding
Figuur 1.1 geeft een visueel overzicht van de hoofdstukken.
2. Bronnen van het LARA Het voorliggend rapport berust op een verwerking en analyse van beschikbaar en al dan niet gepubliceerd cijfermateriaal, afkomstig van diverse databanken, zowel beleidsinterne (verschillende afdelingen van het Beleidsdomein Landbouw en Visserij, APS, ILVO, INBO, VMM,…) als –externe (Eurostat, FOD Economie - Algemene directie Statistiek en Economische informatie,…). Een volledige lijst van de referenties, ingedeeld per hoofdstuk, wordt weergegeven in de ‘Referentielijst’. De referenties die hoofdstukoverschrijdend zijn, werden vooraan opgenomen onder ‘Algemeen’. Inzake de opgestelde statistieken, dienen volgende algemene beschouwingen in acht te worden genomen: • de cijfers hebben betrekking op Vlaanderen, tenzij anders vermeld; • de meest recente beschikbare gegevens worden opgenomen, wat niet voor alle indicatoren hetzelfde jaar is; • voor de evoluties van de indicatoren worden, indien mogelijk, consistente reeksen opgesteld vanaf 1995; • achteraan de publicatie wordt een hoofdstuk opgenomen met de gebruikte definities en methodologische toelichtingen.
3. De totstandkoming van het LARA Deze publicatie kwam tot stand door de samenwerking van heel wat verschillende diensten en personen. Hieronder volgt per hoofdstuk een overzicht van de auteurs en van de experten die de hoofdstukken kritisch hebben nagelezen en bijkomende informatie hebben geleverd. Landbouwbeleid Auteurs: Leen Bas, Koen Carels, Dirk Van Gijseghem Lectoren: Patricia De Clercq, Johan Heyman, Dirk Van Guyze
De akkerbouwsector Auteurs: Els Bernaerts, Els Demuynck, Jonathan Platteau Lectoren: Gudrun Beerlandt, Philip De Nolf, Loes Lysens, Inge Piessens De tuinbouwsector Auteur: Els Demuynck, Jonathan Platteau Lectoren: Veerle Campens, Koen Holmstock, Frédéric Rosseneu, Inge Van Oost
Inleiding
Algemene beschrijving van de Vlaamse land- en tuinbouw Auteurs: Els Bernaerts, Els Demuynck, Jonathan Platteau, Dirk Smets Lectoren: José Gavilan y Alvares
15
De rundveesector Auteurs: Els Bernaerts, Els Demuynck Lectoren: José Gavilan y Alvares, Koen Jespers, Pieter Van Ommeslaeghe De varkenssector Auteurs: Els Bernaerts, Els Demuynck, Jonathan Platteau Lectoren: Martine Vandendriessche, Norbert Vettenburg De pluimveesector Auteurs: Els Demuynck, Jonathan Platteau, Vincent Samborski Lectoren: Pieter Gabriëls, Martine Vandendriessche De biologische landbouw Auteurs: Jonathan Platteau, Vincent Samborski Lectoren: Lieve De Cock, Ann Theunissen
Inleiding
Landbouw en milieu Auteurs: Maarten Hens (INBO), Stijn Overloop (VMM), Hilde Wustenberghs (ILVO)
16
Landbouwbeleid 1 Het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid en de Mid Term Review
1.1 Geschiedenis van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid De landbouwpolitiek heeft vele decennia een belangrijke rol gespeeld bij de Europese integratie in de periode van de wederopbouw na de tweede wereldoorlog. Landbouwpolitiek was een van de beleidsterreinen waar lidstaten hun soevereiniteit opgaven ten gunste van de Gemeenschap zodat uniforme, of in elk geval geharmoniseerde, regels van toepassing waren. 1.1.1 Oorspronkelijke doelstellingen landbouwbeleid
Het instrument bij uitstek waren de marktordeningen voor de belangrijkste landbouwproducten. Door deze marktordeningen kregen de producenten een gegarandeerde prijs voor hun producten, die hoger was dan de prijs op de wereldmarkt. Om de producenten tegen de invoer van goedkope concurrerende producten te beschermen, werden invoerheffingen ingesteld. Indien de prijzen in de Gemeenschap beneden een bepaald niveau daalden, kenden de marktordeningen verschillende instrumenten om in te grijpen in de markt en het marktevenwicht te herstellen. Het GLB heeft tegen de achtergrond van deze doelstellingen snel resultaat opgeleverd. Het succes was zelfs zo groot, dat het beleid al snel moest worden aangepast om de productie in een aantal sectoren in de hand te houden. Het werd in de jaren '70 en '80 pijnlijk duidelijk dat het beleid niet was afgestemd op een situatie waarin de toenmalige EEG netto-exporteur werd voor een aantal producten. De beroemde boter-, graan- en rundvleesbergen, evenals stijgende budgetuitgaven en conflicten met handelspartners (met dezelfde problemen en overschotten) waren daarvan het gevolg. In eerste instantie heeft de Europese Commissie kwantitatieve beperkingen ingesteld om het aanbod te beperken. Dit heeft bijvoorbeeld in de zuivelsector met succes gewerkt door de invoering van het melkquotumsysteem in 1984.
Landbouwbeleid
Bij het totstandkomen van het Gemeenschappelijke Landbouwbeleid (GLB), werden een aantal doelstellingen geformuleerd. Een grote politieke zorg was hoe de bevolking van voldoende voedsel kon worden voorzien. De belangrijkste doelstelling was dan ook het vergroten van de productiviteit van de landbouw. Hiervan werden een aantal andere doelstellingen afgeleid zoals: • het verzekeren van een redelijke levensstandaard voor de landbouwbevolking; • het stabiliseren van de markten; • het veiligstellen van de voedselvoorziening en het verzekeren van redelijke prijzen voor de verbruikers.
17
1.1.2 Hervormingen onder internationale externe druk: de Mac Sharry hervorming (1992) Vanwege de oplopende handelsconflicten werd de internationale druk om het GLB verder te hervormen steeds groter. Het was dan ook niet verwonderlijk dat, mede onder druk van de GATT-onderhandelingen in de Uruguay-ronde, het GLB begin jaren '90 een ingrijpende hervorming onderging. De naam van de Ierse landbouwcommissaris Mac Sharry is er blijvend aan verbonden. In het kader van de GATT werd afgesproken dat het gebruik van exportrestituties en interne steun moest worden verminderd en dat de invoertarieven zouden worden verlaagd. Met de hervorming van 1992 werd gekozen voor een nieuwe aanpak van het GLB om te kunnen voldoen aan de gemaakte afspraken. Deze aanpak was gebaseerd op twee elementen, namelijk het verlagen van de garantieprijzen en compensatie voor deze prijsverlagingen in de vorm van directe inkomenssteun. Het belangrijkste doel was de interne EU-prijzen geleidelijk richting het niveau van de wereldmarkt te brengen. De rechtstreekse steun werd per hectare betaald en in de veeteeltsector per dier. Tevens werden de eerste landbouwmilieumaatregelen in die periode van kracht.
Landbouwbeleid
1.1.3 Hervorming onder interne druk: een veranderende maatschappij (1999)
18
Een nieuwe belangrijke stap in dit proces is de beslissing van de Europese Raad in Berlijn over Agenda 2000. Agenda 2000 had onder andere tot doel het GLB voor te bereiden op de uitbreiding van de EU en het herformuleren en uitbreiden van de doelstellingen van het GLB. Deze vernieuwde doelstellingen waren: • zorgen voor een stabilisatie van de inkomens in de landbouw; • het vergroten van de marktgerichtheid en het concurrentievermogen van de Europese landbouw; • het verbeteren van de veiligheid en kwaliteit van levensmiddelen; • integratie van bescherming van milieu en natuur in het landbouwbeleid; • ontwikkeling van de levensvatbaarheid van de plattelandsgebieden; • een vereenvoudiging van het beleid en versterking van de decentralisatie naar de lidstaten. Door Agenda 2000 werd de hervorming van het marktbeleid verder verdiept en uitgebreid. Tegelijk werd het plattelandsbeleid als tweede pijler van het landbouwbeleid verder uitgebouwd. Dit plattelandsbeleid moest door de lidstaten aan de hand van Plattelandsontwikkelingsprogramma’s worden ingevuld en omvatte maatregelen op het vlak van investeringen op landbouwbedrijven, opleidingen, beheerovereenkomsten en promotie. 1.1.4 Verdere hervormingen In Agenda 2000 was besloten tot het opmaken van een tussenbalans van het GLB. Het doel hiervan was te bekijken in hoeverre de ingezette hervormingen geleid hadden tot een realisatie van de doelstellingen en hoe de uitbreiding van de EU kon worden gefinancierd.
Uit verschillende analyses bleek dat nog niet kon worden voldaan aan de verwachtingen van de Europese bevolking in verband met voedselveiligheid, voedselkwaliteit, milieu en dierenwelzijn. De crisissen van de afgelopen jaren maakten dat nog eens duidelijk.
1.2 De MTR 1.2.1 Algemeen De Raad van landbouwministers van de Europese Unie bereikte in juni 2003 een akkoord over een ingrijpende hervorming van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid. De nieuwe maatregelen werden gefaseerd ingevoerd vanaf 2004. Het GLB werd nog meer in overeenstemming gebracht met de wensen van consumenten en belastingbetalers en tegelijk gaf het de landbouwers in de EU de vrijheid om te produceren wat de markt vraagt.
Het nieuwe GLB ziet er in hoofdlijnen als volgt uit: steunverlening die marktgerichter, eenvoudiger en minder handelsverstorend is: • voor de landbouwers wordt er één enkele bedrijfstoeslag ingevoerd die losstaat van de productie. Beperkte gekoppelde elementen mogen worden gehandhaafd om te voorkomen dat productie wordt opgegeven; • om die bedrijfstoeslag en de andere rechtstreekse steun te ontvangen moeten normen op het gebied van het milieu, de voedselveiligheid, de gezondheid van dieren en planten en het dierenwelzijn worden nageleefd en moet alle landbouwgrond uit landbouw- en milieuoogpunt in goede staat worden gehouden (“cross compliance”). een krachtiger plattelandsbeleid: • een krachtiger beleid voor plattelandsontwikkeling met nieuwe maatregelen om milieuzorg, kwaliteit en het dierenwelzijn te bevorderen en om de landbouwers te helpen aan EU-normen op productiegebied te voldoen; • een verlaging van de uit te keren rechtstreekse betalingen ('modulatie') aan grotere landbouwbedrijven die meer dan 5.000 euro rechtstreekse betalingen ontvangen om het nieuwe beleid voor plattelandsontwikkeling mee te kunnen financieren.
Landbouwbeleid
Door deze hervorming wordt het overgrote deel van de subsidies losgekoppeld van de omvang en keuze van de productie. Om te voorkomen dat productie in bepaalde gebieden verdwijnt, kunnen lidstaten ervoor kiezen om een productiepremie te handhaven. De lossere band tussen productie en premies maakt dat de landbouwers in de EU meer kunnen concurreren en marktgerichter handelen. Tegelijk draagt het verder bij tot een zekere inkomensstabiliteit.
19
herziening van de marktondersteuning in het kader van GLB: • een mechanisme voor financiële discipline om ervoor te zorgen dat vanaf het begrotingsjaar 2007 tot 2013 de vastgestelde landbouwbegroting niet wordt overschreden. Indien dat toch gebeurt, wordt er een lineaire vermindering toegepast; • herziening van het GLB-marktbeleid in bepaalde sectoren: o asymmetrische prijsverlagingen in de zuivelsector; o de maandelijkse verhogingen in de sector granen worden gehalveerd en de huidige interventieprijs wordt gehandhaafd; o er zijn gerelateerde hervormingen in de sectoren rijst, durumtarwe, noten, hop, zetmeelaardappelen en gedroogde voedergewassen. De verschillende elementen van de hervorming werden in 2004 en 2005 van kracht. De bedrijfstoeslag werd ingevoerd in 2005. Lidstaten die door specifieke landbouwomstandigheden een overgangsperiode nodig hebben, kunnen de invoering uitstellen tot ten laatste 2007.
Landbouwbeleid
1.2.2 Invulling van de MTR door Vlaanderen
20
De landbouwhervorming biedt de lidstaten en de regio’s een aantal mogelijkheden om een eigen beleid uit te stippelen. Zo heeft de Vlaamse regering, in overleg met de landbouworganisaties en met Wallonië, gekozen voor onderstaande toepassingsmodaliteiten. De ontkoppeling • de ontkoppelde steun wordt opgenomen in een unieke bedrijfstoeslag die aan de landbouwers wordt toegekend op basis van de gemiddelde steun die de individuele landbouwer ontvangen heeft in de referentieperiode 2000-2002; • de hectarepremies in de akkerbouwsector worden volledig ontkoppeld, wat betekent dat de areaalbetalingen voor maïs, granen, oliehoudende zaden, vlas, eiwithoudende gewassen en braaklegging worden opgenomen in de unieke bedrijfstoeslag; • in de zaaigoedsector blijft de premie voor lijnzaad en speltzaad gekoppeld aan de productie; • in de dierlijke sector blijven de premies voor zoogkoeien en de slachtpremie voor kalveren gekoppeld. De andere premies worden opgenomen in de unieke bedrijfstoeslag; • in de melksector wordt de aanvullende melkpremie ter compensatie van de melkprijsdaling geïntegreerd in de unieke bedrijfstoeslag met ingang van 2006. Vlaanderen heeft hiermee gekozen voor een grote mate van ontkoppeling. Het behoud van enkele gekoppelde premies houdt verband met de concurrentiële positie voor slachtkalveren ten opzichte van Nederland en voor lijnzaad, waar Vlaanderen deel uitmaakt van een vlasgebied van Noord-Frankrijk tot Nederland. Nederland en Frankrijk houden hun lijnzaadproductie ook gekoppeld.
Het lineaire afhoudingspercentage dat wordt toegepast op de toeslagrechten om de nationale reserve te vullen, werd door Vlaanderen in samenspraak met Wallonië op 1,65% gebracht. Vlaanderen heeft verder beslist om geen percentage af te houden op de verhandeling van toeslagrechten die vanaf 2006 van start gaat. De randvoorwaarden Vanaf 2005 moet de landbouwer voldoen aan een aantal specifieke premievoorwaarden om rechtstreekse Europese steun te verkrijgen. Dit zijn de randvoorwaarden die enerzijds bestaan uit de beheereisen die voortvloeien uit 19 Europese richtlijnen en verordeningen en anderzijds uit de vereisten om de landbouwgrond in goede landbouw- en milieuconditie te houden. Dit laatste betekent eveneens dat de totale oppervlakte blijvend grasland in Vlaanderen moet behouden blijven en niet meer dan 10% mag dalen onder het aandeel blijvend grasland van 2003. Voor 2005 is dit alvast geen probleem: in 2005 is de verhouding blijvend grasland op totale landbouwgrond in Vlaanderen met slechts 0,29% gedaald ten opzichte van 2003.
Het opleggen van dergelijke randvoorwaarden was voor de Commissie een noodzaak om een voldoend maatschappelijk draagvlak te behouden voor een sterk financieel ondersteund landbouwbeleid. De implementatie van deze controles was niet eenvoudig omwille van de bevoegdheidsopdeling binnen en tussen de regio’s. Uit een evaluatie van de controles uitgevoerd in 2005 blijkt dat de meeste vaststellingen gedaan werden bij de “identificatie en registratie van dieren” vooral dan bij schapen, geiten en varkens en bij de “verplichte bepaling van het koolstofgehalte en zuurtegraad voor een bepaald aantal percelen”. 1.2.3 Invulling van de MTR door collega lidstaten In de implementatie van de ontkoppeling werd er redelijk wat vrijheid gelaten aan de lidstaten zowel op vlak van timing als op de graad van ontkoppeling. Tabel 2.1 geeft een overzicht van de implementatie in onze naburige landen en gewesten.
Landbouwbeleid
Het naleven van randvoorwaarden betekent niet noodzakelijk dat de landbouwer aan nieuwe en/of strengere verplichtingen moet voldoen. De Europese regelgeving laat op dit punt ruimte aan de lidstaten. Strengere verplichtingen zijn mogelijk indien hierover een brede maatschappelijke consensus bestaat, of er een duidelijk toegevoegde waarde is op het vlak van voedselveiligheid of volksgezondheid, of voor het opbouwen van een technologische voorsprong.
21
22
2006 historische referentie
2005 dynamisch hybride naar
Frankrijk
Duitsland
2005 dynamisch hybride systeem
2005 historische referentie
2005 historische referentie
Engeland *
Ierland
B - Wallonië
*: zonder Wales, Noord-Ierland en Schotland Bron: Beleidsdomein Landbouw en Visserij
B - Vlaanderen 2005 historische referentie
2005 historische referentie
Oostenrijk
regionale flat-rate systeem
2006 historische referentie
Nederland
referentie
start
lidstaten
❏ hop 75%.
kalveren (volledig gekoppeld) en slachtpremie
❏ melkpremie in 2006; ❏ tabak.
❏ akkerbouw: 100% behalve spelt en lijnzaad; ❏ veeteelt: 100% behalve zoogkoeien en slachtpremie kalveren.
❏ melkpremie in 2006; ❏ tabak.
❏ akkerbouw: 100% behalve spelt en lijnzaad; ❏ veeteelt: 100% behalve zoogkoeien.
❏ volledige ontkoppeling.
❏ volledige ontkoppeling.
runderen (deels gekoppeld).
❏ melkpremie in 2007; ❏ tabak;
❏ akkerbouw: 100%;
❏ hop 25%.
❏ tabak 40%;
❏ veeteelt: 100% behalve zoogkoeien en
tabak (deels gekoppeld).
❏ volledige ontkoppeling behalve hop en
❏ uitzondering voor afgelegen gebieden.
(deels gekoppeld); ❏ melkpremie in 2005;
❏ olijfolie 100%.
slachtpremie kalveren en ooienpremie
❏ tabak 40%;
❏ veeteelt: 100% behalve zoogkoeien en slachtpremie kalveren (volledig gekoppeld),
❏ akkerbouw: 100% behalve granen en lijnzaad;
en slachtpremie kalveren (volledig gekoppeld). ❏ melkpremie in 2006;
❏ melkpremie in 2007.
❏ akkerbouw: 100% behalve spelt en lijnzaad; ❏ veeteelt: 100% behalve slachtpremie runderen
verdere ontkoppeling
ontkoppeling
Landbouwbeleid
van toeslagrechten
geen afhouding bij verhandeling
van toeslagrechten
geen afhouding bij verhandeling
van toeslagrechten
geen afhouding bij verhandeling
toeslagrechten zonder grond
afhouding bij verhandeling van
verhandeling van toeslagrechten
geen afhouding bij
verhandeling toeslagrechten
Tabel 2.1: Overzicht van de invoering van toeslagrechten in onze naburige lidstaten.
1.3 De melk- en suikerhervorming Na de beslissing over de MTR in 2003 werden vervolgens stapsgewijs ook andere sectoren hervormd. Hieronder de voornaamste hervormingen voor de melk- en suikersector. De melkhervorming De hoofdlijnen van het compromis bereikt voor de melkhervorming zijn: • geen bijkomende quotaverhoging bovenop die van Agenda 2000; • daling van interventieprijzen voor boter (-25% over 4 jaar) en magere melkpoeder (-15% in 3 jaar); • ontkoppeling en integratie van de directe betalingen in de bedrijfspremie; • afschaffing van de richtprijs; • limitering van de interventieaankopen van boter. De melkpremie en extra betalingen voor Vlaanderen worden vanaf 2006 ontkoppeld en mee opgenomen in de bedrijfstoeslagregeling. Dit betekent dat de melkpremie en extra betalingen niet meer afzonderlijk worden betaald, maar als referentiebedrag worden verdeeld over de toeslagrechten die een landbouwer heeft.
De doelstelling van de hervorming is om een sanering van de Europese suikersector door te voeren via een drastische suikerprijsdaling van 36%, weliswaar gefaseerd over 4 jaar. Een fonds voor herstructurering wordt in het leven geroepen, voor diezelfde 4 jaar. Dit fonds wordt gespijsd door heffingen die de ondernemingen van de sector dienen te betalen. De ondernemingen die dit wensen kunnen hun quotum aan dit herstructureringsfonds verkopen en hun suikeractiviteit stopzetten. Verwacht wordt dat ondernemingen in de minder efficiënte lidstaten hiervan gebruik zullen maken. De Europese Commissie beoogt een vermindering van het Europese quotum met 5 à 6 miljoen ton (ongeveer 30%) na 4 jaar. De suikerproductie boven het quotum, die haar afzet niet vindt via overdracht, via industriële toepassingen, via gebruik door ultraperifere gebieden of via beperkte uitvoer binnen WTO-limieten, zal beboet worden met een ‘surplus heffing’. Een productieheffing op de toegekende quota, die voor de helft op de bietplanters verhaald kan worden, vormt een nieuw element. Ook de mogelijkheid van particuliere opslag en van onttrekking van suiker van de markt op korte of lange termijn zijn nieuwe marktmechanismen in de nieuwe marktordening voor suiker. De inkomensdaling waarmee de bietplanter geconfronteerd zal worden, zal voor 60% gecompenseerd worden door een ontkoppelde betaling, die geïntegreerd zal worden in de bedrijfstoeslagregeling.
Landbouwbeleid
De suikerhervormingen In juni 2005 werd een beslissing genomen over de hervorming van de suikersector. Deze hervorming kan opgesplitst worden in drie luiken, namelijk: de oprichting van een tijdelijk herstructureringsfonds, een nieuwe gemeenschappelijke marktordening (GMO) voor suiker en compensaties voor de biet- en cichoreiplanters.
23
1.4 Toeslagrechten De totale bedrijfstoeslag die de landbouwers ontvangen is gebaseerd op een referentiebedrag dat de betrokken betalingen aan hen in de referentieperiode 2000 tot en met 2002 omvat. Door het referentiebedrag te delen door het referentieareaal, wordt de waarde van elk toeslagrecht, toegekend aan één landbouwbedrijf, berekend. Per hectare referentieareaal wordt één toeslagrecht toegekend. 1.4.1 Soorten toeslagrechten
Landbouwbeleid
Er zijn drie verschillende soorten toeslagrechten (TR): • Gewone toeslagrechten (GTR) Dit zijn toeslagrechten gebaseerd op de referentieoppervlakte akkerbouw- en voedergewassen en op de referentieaantallen runderen en schapen. Deze toeslagrechten zijn verbonden aan een oppervlakte subsidiabele grond. De rechten worden uitgedrukt in een bedrag per hectare dat geactiveerd kan worden door de subsidiabele hectaren in gebruik te nemen. Bij de initiële verdeling van de toeslagrechten, hebben alle TR voor een bepaalde eigenaar eenzelfde waarde, tenzij hem rechten via de nationale reserve zijn toegekend of rechten werden overgenomen tijdens aankoop of lange termijn huur van grond. Later, bij verhandeling vanaf 2006, kunnen per bedrijf de waarden van de toeslagrechten verschillen.
24
• Speciale toeslagrechten (STR) Wanneer er geen grond is of als het referentieareaal kleiner is dan het referentiebedrag gedeeld door 5.000 (d.i. de maximale waarde van een speciaal toeslagrecht), is er niet voldoende grond om het toeslagrecht aan te verbinden waardoor dit een speciaal toeslagrecht wordt. Het bijzondere aan speciale toeslagrechten is dat deze benut kunnen worden zonder daarvoor subsidiabele grond in gebruik te hebben. Een voorwaarde voor het gebruik is dat de landbouwer tenminste de helft van het gemiddelde aantal grootvee-eenheden (GVE) moet aanhouden van het aantal dat hij in de referentieperiode had. Speciale toeslagrechten kunnen ook worden omgezet in gewone toeslagrechten wanneer ze geactiveerd worden met subsidiabele grond. Vanaf dat moment blijven ze steeds gewone toeslagrechten. Worden een aantal speciale toeslagrechten met een overeenkomstig aantal hectaren aangegeven, dan wordt het aantal GVE opnieuw berekend naar evenredigheid van de overgebleven toeslagrechten waarvoor de landbouwer om toepassing van de speciale voorwaarden verzoekt. • Braakleggingstoeslagrechten (BTR) De hectaren die in de referentieperiode verplicht braak lagen in het kader van de EU-braakverplichting, komen in aanmerking voor het verkrijgen van braakleggingstoeslagrechten (geen vrijwillige braak, omdat die wordt opgenomen in de berekening van de gewone toeslagrechten). Deze toeslagrechten zijn verbonden aan een oppervlakte subsidiabele grond en worden uitgedrukt in een bedrag per hectare dat geactiveerd kan worden door de subsidiabele hectaren braak te leggen. De bedrijfstoeslag is de optelsom van de geactiveerde toeslagrechten (GTR, STR, BTR) van een bedrijf. Dit bedrag is dus gebaseerd op de premies ontvangen in de referentieperiode en afhankelijk van de jaarlijkse aanvraag. Daarbij is de bedrijfstoeslag onderhevig aan kortingen als gevolg van het nationale plafond, lineaire afhoudingspercentages voor de nationale reserve, de modulatie, en eventueel de financiële discipline omwille van een dreigende overschrijding van het EU-budget.
1.4.2 Verhandeling van toeslagrechten Verkoop Vanaf 2006 kunnen toeslagrechten met of zonder grond binnen de lidstaat verkocht worden. Voorwaarde voor de verkoop van toeslagrechten zonder grond is dat de landbouwer minstens 80% van die toeslagrechten gedurende minstens één kalenderjaar geactiveerd heeft. Heeft de landbouwer geen 80% geactiveerd dan kan hij nog verkopen indien hij de toeslagrechten die hij gedurende het eerste jaar van toepassing niet heeft gebruikt, eerst vrijwillig aan de nationale reserve afstaat. Het overblijvende deel mag dan verkocht worden. Als het om braakleggingstoeslagrechten gaat, wordt de braakverplichting ook mee verkocht. Verhuur Toeslagrechten kunnen binnen eenzelfde gewest ook verhuurd worden. Voorwaarde is dan wel dat de overeenkomstige hectaren mee verhuurd worden. Dit zou grondeigenaars die ook de toeslagrechten bezitten, kunnen aanzetten tot het verpachten van hun grond samen met hun rechten op het moment dat ze zelf niet meer willen boeren.
Verkrijgen van toeslagrechten uit de nationale reserve Landbouwers die aan bepaalde voorwaarden voldoen en/of die momenteel nog geen toeslagrechten bezitten, kunnen beroep doen op de nationale reserve om zo toeslagrechten te verkrijgen. De reserve is bedoeld voor landbouwers die zich in een bijzondere situatie bevinden: die gestart zijn na 31 december 2002 dan wel in 2002 zonder in dat jaar rechtstreekse betalingen te ontvangen of voor landbouwers in gebieden met herstructurering of ontwikkelingsprogramma’s. Daarnaast kunnen de lidstaten jaarlijks voorwaarden bepalen waaraan voldaan moet worden. Voor België zijn deze voorwaarden voor 2005 de volgende: • landbouwers die tijdens of na de referentieperiode hebben geïnvesteerd in gebouwen bestemd voor de rundvee- en/of schapenhouderij (285 aanvragen in Vlaanderen); • landbouwers die tijdens of na de referentieperiode landbouwgronden hebben geërfd, gekregen, gekocht of voor tenminste 6 jaar hebben gepacht (446 aanvragen in Vlaanderen); • landbouwers die minder hectaren dan toeslagrechten hebben omwille van specifieke nadelen: de landbouwer heeft sinds de referentieperiode ongewild hectaren verloren (bijvoorbeeld door een onteigening voor algemeen nut of ten gevolge van een ruilverkaveling) waardoor hij nu onvoldoende heeft om al zijn toeslagrechten te activeren (96 aanvragen in Vlaanderen).
Landbouwbeleid
Vererving of overdracht Binnen de familie kunnen toeslagrechten gewoon overgedragen worden en bij geval van overlijden volgen ze de gewone erfenisrechten.
25
1.4.3 Huidige verdeling van de toeslagrechten in Vlaanderen Volgens de definitief toegekende toeslagrechten blijkt dat er in totaal 462.637 toeslagrechten in Vlaanderen zijn, waarvan bijna 99% gewone toeslagrechten. De totale waarde bedraagt bijna 148 miljoen euro. Er zijn 26.499 Vlaamse landbouwers die toeslagrechten ontvangen. Dit komt overeen met 77% van alle Vlaamse landbouwbedrijven. Gemiddeld bedraagt een gewoon toeslagrecht 318 euro per ha, een braakleggingstoeslagrecht 375 euro per ha en een speciaal toeslagrecht 2.032 euro (tabel 2.2). Tabel 2.2: Definitieve toeslagrechten toegekend aan Vlaamse landbouwers, situatie op 13 december 2005
aantal landbouwers met toeslagrechten totaal aantal toeslagrechten totale waarde in toeslagrechten
Landbouwbeleid
gemiddelde waarde per toeslagrecht gemiddeld aantal toeslagrechten per landbouwer
26
gewone toeslagrechten
braakleggingstoeslagrechten
speciale toeslagrechten
totaal toeslagrechten
26.101 456.201
2.029 5.875
426 652
26.499 462.637
144.512.826
2.200.579
1.134.676
147.848.082
318
375
2.032
320
17
3
1
17
Bron: Beleidsdomein Landbouw en Visserij
2 Uitvoering van het Europese landbouwbeleid: Vlaams Programma voor Plattelandsontwikkeling
2.1 Doelstelling van het Vlaams Programma voor Plattelandsontwikkeling 2000-2006 Aan een plattelandsbeleid in Vlaanderen werd tot nu toe voornamelijk vorm gegeven via het Programmeringsdocument voor Plattelandsontwikkeling (PDPO). Het programma, dat van start ging in 2000, loopt nog tot en met 2006. Het voeren van een landbouwbeleid dat kadert in geïntegreerde plattelandsontwikkelingsprogramma’s was vrij nieuw in de EU en het werd tegelijkertijd en verplicht voor alle lidstaten ingevoerd. Hoewel de meeste maatregelen in deze programma’s een voortzetting zijn van het voorgaande beleid - weliswaar hier en daar aangepast werden ook nieuwe accenten gelegd. Een van die nieuwe accenten zijn de agro-milieumaatregelen die een verplicht onderdeel van de programma’s uitmaken. Met deze maatregelen worden landbouwers aangezet om door middel van een beheerovereenkomst bepaalde natuur- en milieudoelstellingen na te streven die verder gaan dan wat ze bij normale landbouwpraktijken doen. Voor deze extra inspanning is er een vergoeding. Verder is de
bedoeling van het programma een sterke land- en tuinbouwsector tot stand brengen, het concurrentievermogen van het platteland verbeteren en het landelijk erfgoed in stand houden. Een overzicht van de belangrijkste maatregelen in het programma wordt gegeven in tabel 2.3. Tabel 2.3: Overzicht van de belangrijkste maatregelen uit het PDPO 2000-2006
Bron: Beleidsdomein Landbouw en Visserij
Elke maatregel speelt in op één of meerdere doelstellingen. Het goed omkaderen en uitvoeren van deze maatregelen op gewestelijk niveau gebeurt niet alleen door de landbouwadministraties zelf, maar ook door diensten binnen de administraties van leefmilieu en ruimtelijke ordening. Op lokaal niveau worden de gemeenten en provincies en uiteraard de begunstigden zelf nauw betrokken. Voor heel wat maatregelen wordt er trouwens gewerkt met partiële financiering, wat betekent dat niet alle kosten door de overheid (Vlaamse en EU) gedragen worden, maar dat de begunstigde (landbouwer, gemeente, bosbouwer,…) zelf een deel van de kosten dient te dragen.
Landbouwbeleid
investeringen in de landbouw, waarbij de nadruk ligt op milieuvriendelijke investeringen en diversificatie van de activiteiten op het landbouwbedrijf installatie in de landbouw, voornamelijk bedoeld om jonge starters aan te moedigen opleiding: ❏ vorming (bijvoorbeeld cursussen, stages over ICT toepassingen of milieuvriendelijke productietechnieken); ❏ omschakelingsplannen en begeleiding in de biologische landbouw. milieumaatregelen in de landbouw: ❏ groenbedekking; ❏ mechanische onkruidbestrijding; ❏ vermindering van gewasbeschermingsmiddelen en meststoffen; ❏ instandhouding van de genetische diversiteit van bedreigde lokale rassen en variëteiten; ❏ weidevogelbeheer; ❏ perceelsrandenbeheer; ❏ herstel, ontwikkeling en onderhoud van kleine landschapselementen; ❏ botanisch beheer; ❏ verminderde bemesting ten opzichte van de bemestingsnorm "kwetsbaar gebied water"; ❏ steun voor reconversie van de varkenshouderij naar de biologische productiewijze; ❏ omschakeling naar biologische landbouw; ❏ geïntegreerde productie van pitfruit. verbetering van de verwerking en afzet van land- en tuinbouwproducten (investeringen gericht op kwaliteit, milieu, hygiëne) bosbouw (onder andere bebossing van landbouwgrond) aanpassing en de ontwikkeling van het platteland: ❏ op weg naar een geïntegreerd plattelandsbeleid in Vlaanderen (met behulp van de provinciale plannen); ❏ afzet van kwaliteitsproducten (hoeveproducten, biologische producten); ❏ basiszorg voor plattelandseconomie en -bevolking (bedrijfsbeheer).
27
2.2 Financiële middelen Voor de ganse programmaperiode 2000-2006 worden de totale overheidsbestedingen (Vlaamse en EU) geraamd op 484 miljoen euro. Tabel 2.4 geeft de verdeling van de beschikbare financiële middelen. Deze verdeling is samengesteld uit de som van de reeds uitgegeven middelen (tot en met 2005) en de nog uit te geven middelen voor 2006.
Landbouwbeleid
Het aandeel van de voornamelijk economisch gerichte maatregelen bedraagt 67%. Zoals uit tabel 2.4 blijkt, gaat 58% van het budget naar de steunmaatregelen in uitvoering bij het VLIF (Vlaams Landbouwinvesteringsfonds): 21% naar de overgangsmaatregelen, 30% naar investeringssteun en 7% naar vestigingssteun. De uitgaven voor overgangsmaatregelen komen van vastleggingen van voor de start van het PDPO. Immers, het PDPO is deels een voortzetting van een bestaand beleid, waaronder dus het vroegere beleid rond investeringen. Bij investeringsbeleid wordt de toegekende steun over meerdere jaren gespreid. Dit is ook nog het geval in het nieuwe investeringsbeleid maar met één verschil: het nieuwe beleid treedt meer sturend op en voorziet in investeringssteun volgens vier categorieën: 10%, 20%, 30% en 40%. Er wordt ook steun gegeven voor de afzet en verwerking van landbouwproducten, voor een totaal van 9% van het totaalbudget. Het betreft voornamelijk steun aan de agrovoedingsindustrie, alsook steun voor hoeveproducten (korte keten, kwaliteitsproducten).
28
Ruim 16% van het budget gaat naar milieumaatregelen. Onder deze maatregelen valt een ganse waaier aan instrumenten om enerzijds een milieu- en natuurvriendelijkere landbouw te stimuleren en anderzijds de landbouwer te vergoeden voor bepaalde geleverde ‘groene diensten’ aan de samenleving. Hierbij zijn er instrumenten gericht op de landbouw zelf, maar ook op de interactie tussen de landbouw en zijn natuurlijke omgeving. Bosbouw ontvangt 1,6% van het totale budget. De overige 15% van de middelen gaat naar ondersteunende maatregelen. Naast opleiding (5%) betreft dit ruim 9% steun voor de aanpassing en ontwikkeling van het platteland: steun aan bedrijfsbeheer en ondersteuning in het kader van het geïntegreerde plattelandsbeleid in Vlaanderen (door middel van provinciale plattelandsontwikkelingsplannen).
Tabel 2.4: Verdeling van de financiële middelen uit het PDPO, 2000-2006
maatregel
totale overheidsuitgaven
waarvan EU-steun
(miljoen euro)
%
(miljoen euro)
overgangsmaatregelen VLIF
101,72
21,01
33,44
investeringssteun
145,25
29,99
36,63
vestigingssteun
33,05
6,82
16,79
opleiding totaal
26,51
5,47
9,87
probleemgebieden
3,12
0,64
1,63
milieumaatregelen
79,73
16,46
41,86
verwerking en afzet landbouwproducten
44,32
9,15
33,71
bosbouw
7,80
1,61
4,15
afzet van kwaliteitslandbouwproducten
1,59
0,33
0,97
diversificatie platteland
1,30
0,27
0,43
dienstverlening platteland
1,60
3,15
11,24
2,32
5,41
milieubehoud platteland
20,81
4,30
6,00
484,26
100
194,02
totaal (EU + Vlaams) Bron: Beleidsdomein Landbouw en Visserij
Figuur 2.1 geeft de verdeling van de uitgaven per boekhoudjaar en per maatregel. De totaaluitgaven zijn reeds gekend tot en met 2005. Voor 2006 betreft het een raming, rekening houdend met de recentste programmabijsturingen. De totaaluitgaven per jaar zijn niet gelijkmatig verdeeld over de ganse periode. Dit is te wijten aan de moeilijke start van het PDPO in de eerste jaren. Vanaf 2002 kwam de uitvoering van het PDPO goed op gang. In 2003 werd door de regionalisatie van landbouw bovendien het Vlaamse deel van het federale plattelandsontwikkelingsprogramma toegevoegd aan het PDPO. Dat verhoogde het totale budget voor de periode 2003-2006 met bijna 20 miljoen euro. Uit de figuur blijkt dat betalingen voor de overgangsmaatregelen van het VLIF geleidelijk aan verminderen maar dat de uitbetalingen voor investeringssteun (nieuwe regime) alsmaar toenemen. Ook de uitgaven voor agro-milieumaatregelen nemen toe naar het einde van de programmeringsperiode. De maatregelen in het kader van het geïntegreerde plattelandsbeleid (bovenste vier blokjes) komen vanaf 2004 ook op snelheid.
Landbouwbeleid
7,76
dorpsvernieuwing platteland
29
Figuur 2.1: Totale uitgaven per boekhoudjaar voor diverse maatregelen uit het PDPO, miljoen euro, 2000-2006 110 100 90 80 70 60 50 40 30 20 10 0
Landbouwbeleid
2000
30
2001
2002
2003
overgangsmaatregelen VLIF vestigingssteun VLIF probleemgebieden milieumaatregelen oud regime bosbouw nieuw regime afzet van kwalitatieve landbouwproducten dienstverlenende instanties voor basiszorg milieubehoud
2004
2005
2006*
investeringssteun VLIF opleiding totaal milieumaatregelen nieuw regime afzet landbouwproducten bosbouw oud regime diversificatie hoeve&plattelandstoerisme dorpsvernieuwing
*: raming Bron: Beleidsdomein Landbouw en Visserij
2.3 Onderdelen van het programma Het PDPO bestaat uit 9 hoofdstukken waarbij elk hoofdstuk op een of meerdere specifieke thema’s inspeelt. Vanuit financieel opzicht zijn de maatregelen rond investeringen en die rond milieu het belangrijkst. Vandaar dat aan elk van deze twee thema’s een afzonderlijke paragraaf besteed wordt. In de derde paragraaf worden de overige, meer ondersteunende maatregelen toegelicht. 2.3.1 Investeringen Investeringssteun De steun voor investeringen in landbouwbedrijven heeft als doel bij te dragen tot de verbetering van de landbouwinkomens en van de levens-, arbeids- en productieomstandigheden. Het totale steunbedrag, uitgedrukt in procenten van het in aanmerking komende investeringsvolume (= subsidiabele kosten), bedraagt maximaal 40%. Eén van de voorwaarden om in aanmerking te komen voor investeringssteun is het voldoen aan minimumnormen op het gebied van milieu, hygiëne en dierenwelzijn. Het PDPO kent
vier verschillende steunpercentages voor wat betreft investeringssteun: 10, 20, 30 en 40%. Algemeen kan gesteld worden dat hoe milieuvriendelijker de investering is, hoe groter het steunpercentage. De nieuwe benadering heeft voornamelijk tot doel af te stappen van de bedrijfseconomische benadering en de investeringen zelf centraal te plaatsen. Dit is weergegeven in tabel 2.5. Tabel 2.5: Differentiatie van de steun voor investeringen in vier groepen
type steunmaatregel
steun als % van het investeringsvolume
verbrede, duurzame of biolandbouw
40%
reconversie van de activiteiten
30%
verbetering structuur bedrijf
20%
machines en uitrusting
10%
Bron: Beleidsdomein Landbouw en Visserij
Een overzicht per jaar van het aantal goedgekeurde aanvragen, het totale investeringsvolume, de subsidiabele kosten en de toegekende overheidsbijdrage voor VLIF-dossiers in het kader van het PDPO wordt gegeven in tabel 2.6.
2001 aantal goedgekeurde aanvragen
2002
2003
2004
3.058
3.841
3.359
3.648
totale subsidiabele kosten (1.000 euro)
194.043
209.457
177.334
183.419
totale overheidsuitgaven (1.000 euro)
42.567
45.972
38.694
36.538
totale investeringskosten (1.000 euro)
248.953
249.525
138.640
146.880
Bron: Beleidsdomein Landbouw en Visserij
Belangrijk in de tabel is het feit dat het gaat over goedgekeurde investeringen per jaar. De bedragen hierbij slaan op de totale kosten van een dossier dat hoort bij dat bepaalde jaar. Het gaat hier dus met andere woorden niet om uitgaven maar om vastleggingen. Uitbetalingen voor een bepaald dossier kunnen immers gespreid worden over meerdere jaren (wat hier niet wordt weergeven). Dit gebeurde wel in de beschrijving van het financieel luik van het PDPO (figuur 2.1) waar met boekhoudjaren en dus reële uitgaven gewerkt werd. De subsidiabele kosten hoeven niet gelijk te zijn aan het totale investeringsvolume. “Subsidiabel” betekent ‘voor subsidie in aanmerking komend in het kader van de Plattelandsverordening’. Van het bedrag dat voor subsidie in aanmerking komt, wordt dan maximum 40% door de overheid betaald, minimum 60% is dus voor rekening van de begunstigde. Het bedrag van ‘totale overheidsuitgaven’ is dan op zijn beurt samengesteld uit een Vlaams deel en een EU deel. Dit laatste aandeel is slechts 25% van de totale overheidsbijdrage, Vlaanderen staat voor de resterende 75% in.
Landbouwbeleid
Tabel 2.6: Aantal goedkeurde aanvragen en bijhorende financiële gegevens voor investeringssteun, 2001-2004
31
Zoals uit de tabel blijkt, vormt de overheidsbijdrage voor 2004 slechts zo’n 24% van de subsidiabele investeringskost. Met het subsidiabele bedrag wordt een groot deel van het totale investeringsvolume gedekt. Verwacht wordt dat er gedurende de periode 2000-2006 1,6 miljard euro geïnvesteerd zal worden in de Vlaamse land- en tuinbouw. De overheidsbijdrage hiertoe zal ongeveer 270 miljoen euro bedragen en er zullen bij benadering 20.000 landbouwbedrijven mee bereikt worden. Figuur 2.2 geeft aan hoe de totale overheidssteun in de periode 2000-2004 toegekend werd over de verschillende types investeringen. Het grootste deel ging naar investeringen in serres (28%). Daarna komen de machines (23%) en de bedrijfsgebouwen voor de landbouw (19%).
Landbouwbeleid
De investeringen in diversificatie (installaties om boerenproducten op het bedrijf te vervaardigen en rechtstreeks te verkopen en installaties voor de diversificatie van de activiteiten op het bedrijf) zijn belangrijker dan dat hun aandeel in de uitgaven (3,6%) laat vermoeden: het geringe percentage is immers te verklaren door de geringere investeringskost die met dergelijke projecten gepaard gaat. Op basis van het aantal aanvragen voor VLIF-steun blijkt immers dat er in de periode 2000-2004 bijna 500 investeringen uitgevoerd werden met betrekking tot diversificatie (figuur 2.3). Dat is zo’n 2,5% van het totaal aantal investeringen.
32
Figuur 2.2: Verdeling van het budget voor investeringen over de verschillende types investeringen, 2000-2004
Bron: Beleidsdomein Landbouw en Visserij
Figuur 2.3 geeft de verdeling van het aantal aanvragen over de verschillende types investeringen. Van deze investeringen wordt per type ook het aandeel ‘milieuvriendelijke investeringen’ en de steunintensiteit gegeven. Beide worden uitgedrukt als percentage van de totale subsidiabele kosten. Met ‘milieuvriendelijke investeringen’ worden investeringen bedoeld met als hoofddoelstelling de bescherming en verbetering van het milieu, de hygiëne in de veehouderij en het welzijn van dieren (Europese Commissie, 2002). Zoals uit de figuur blijkt is de gemiddelde steunintensiteit het hoogst bij de investeringen in diversificatie (40%). Verder blijkt dat 82% van de investeringen in varkensstallen onder de noemer ‘milieuvriendelijk’ vallen en dat het grootste aantal investeringen met VLIF-steun in machines en verplaatsbare installaties gebeurt. Figuur 2.3: Aantal investeringen en aandeel van milieuvriendelijke investeringen en van overheidssteun in het geheel van de subsidiabele kosten per type investering, 2000-2004
aantal goedgekeurde aanvragen
10.000 9.000 8.000 7.000 6.000 5.000 4.000 3.000 2.000 1.000 0
% van totale subsidiabele kosten besteed aan milieuvriendelijke investeringen gemiddelde steunintensiteit in % van subsidiabele kosten aantal goedgekeurde aanvragen
Bron: Beleidsdomein Landbouw en Visserij
Landbouwbeleid
100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0%
33
Figuur 2.4 geeft de verdeling van de goedgekeurde investeringsaanvragen van 2000 tot en met 2004 over de verschillende bedrijfstypes. Het grootste deel van de steunaanvragen komt van tuinbouwbedrijven en van gemengde bedrijven. Ook voor melkveebedrijven werden in die periode heel wat aanvragen goedgekeurd. Voor de sectoren akkerbouw, fruit en tuinbouw blijft het aantal aanvragen toenemen. Bij de melkveebedrijven is er jaarlijks een lichte afname. Figuur 2.4: Aantal goedgekeurde aanvragen voor investeringssteun volgens bedrijfstype, 2000-2004 1.400 1.200 1.00 800 600
Landbouwbeleid
400
34
200 0
akkerbouw
tuinbouw
fruit- gemengde melkvee jong- en varkens pluimvee andere overige veeteelt mestvee teelt bedrijven 2001
2002
2003
2004
Bron: Beleidsdomein Landbouw en Visserij
Eenzelfde beeld wordt verkregen in figuur 2.5, waar de totale overheidssteun toegekend voor de periode 2000-2004 verdeeld wordt over de verschillende bedrijfstypes. Tuinbouwbedrijven en gemengde bedrijven krijgen samen 61,6% van de investeringssteun. De derde belangrijkste groep zijn de melkveebedrijven met 17,8%. Alle andere bedrijfstypes vertegenwoordigen minder dan 10%.
Figuur 2.5: Verdeling van de totale toegekende overheidssteun per bedrijfstype, 2000-2004
andere veeteelt 6,28% overige pluimvee 0,32% varkens 0,60% akkerbouw 2,04% 1,64 % jong- en mestvee 3,69% tuinbouw 29,69 % melkvee 17,76%
fruitteelt 6,04% gemengde bedrijven 31,95%
Bron: Beleidsdomein Landbouw en Visserij
Onder met de vestiging gepaard gaande kosten wordt verstaan: alle uitgaven voor de overname van de bekleding van een bedrijf, de overname van aandelen als toekomstig bedrijfsleider en het vervolledigen van de bedrijfsbekleding bij het heropstarten van de productie op bedrijven die door omstandigheden niet in productie waren op het tijdstip van de vestiging (aankoop dieren, materieel, uitrusting, teeltkosten,…). De uitgaven mogen geen betrekking hebben op het verwerven van productierechten en allerlei andere rechten. Eén van de voorwaarden is ook dat de landbouwer jonger dan 40 jaar is. Door de wijzigingen aan de VLIF-reglementering werden in 2000 in het kader van het PDPO geen dossiers voor vestingssteun goedgekeurd. Vanaf 2001 kwam de steunregeling echter goed op gang. In de periode 2000-2004 werden er in totaal 764 dossiers goedgekeurd. De gemiddelde toegekende overheidssteun per bedrijf bedroeg 35.130 euro. Tabel 2.7 geeft een overzicht van het aantal goedgekeurde aanvragen, de totale toegekende overheidssteun en het gemiddelde steunbedrag per sector.
Landbouwbeleid
Vestigingssteun De doelstelling van de vestigingssteun is zoveel mogelijk potentiële vestigingen in de sector omzetten tot reële vestigingen. In totaal kan er maximum 75.000 euro steun per bedrijf verkregen worden. Deze bestaat uit maximaal 25.000 euro rentesubsidie, maximaal 25.000 euro kapitaalsubsidie en een Vlaamse top-up op de rentesubsidie van nog eens maximaal 25.000 euro. Verder kan er ook nog een aanvullende gewestwaarborg (zuivere staatssteun) toegekend worden voor leningen ter dekking van de met vestiging gepaard gaande kosten.
35
Tabel 2.7: Kengetallen voor steun aan vestiging, 2000-2004
bedrijfstype
aantal goedgekeurde aanvragen 8
348
43.500
tuinbouw
90
2.915
32.389
fruitteelt
34
1426
41.941
gemengde bedrijven
341
14.344
42.065
melkvee
136
5.811
42.728
jong- en mestvee
29
1.248
43.034
varkens
58
2.524
43.517
andere veeteelt
5
103
20.600
61
2.501
41.000
2
61
30.500
764
31.281
40.944
overige totaal
Landbouwbeleid
gemiddeld steunbedrag (euro)
akkerbouw
pluimvee
36
totaal overheidsuitgaven (x 1.000 euro)
Bron: Beleidsdomein Landbouw en Visserij
Zoals ook uit figuur 2.6 blijkt gaat een groot deel van de vestigingssteun naar gemengde bedrijven en melkveebedrijven. Ook varkensbedrijven en tuinbouwbedrijven ontvingen een niet onaanzienlijk deel van de steun. Figuur 2.6: Procentuele verdeling van de vastgelegde overheidsuitgaven voor vestiging, 2000-2004
andere veeteelt 8,00 % pluimvee 0,33% varkens 8,07% jong- en mestvee 3,99%
melkvee 18,58%
Bron: Beleidsdomein Landbouw en Visserij
overige 0,20 % akkerbouw 1,11% tuinbouw 9,32% fruitteelt 4,56%
gemengde bedrijven 45,86%
Steun voor verwerking en afzet In het PDPO wordt er op projectmatige basis steun verleend aan de verbetering van de verwerking en afzet van land- en tuinbouwproducten en aan de afzet van kwaliteitslandbouwproducten. De eerste beleidsmaatregel focust daarbij op de agro-voedingsindustrie met het landbouwbedrijf als indirecte begunstigde. De tweede beleidsmaatregel richt zich rechtstreeks tot het landbouwbedrijf zelf en ondersteunt zo bijvoorbeeld de afzet van hoeveproducten. In 2002 werden in het kader van het PDPO een 80-tal projecten goedgekeurd met betrekking tot het verlenen van steun voor investeringen die de verwerking en afzet van land- en tuinbouwproducten in de agro-voedingsindustrie ten goede komen. In 2005, het tweede en tevens laatste jaar waarin een oproep gelanceerd werd, werden 89 projecten goedgekeurd, voornamelijk met betrekking tot de verbetering en bewaking van kwaliteit. 2.3.2 Milieu en natuur
In Nederland worden alle agro-milieumaatregelen gegroepeerd onder de noemer ‘groene diensten’. In Vlaanderen kunnen deze diensten in het kader van het PDPO ingedeeld worden in drie groepen: • beheerovereenkomsten voor weidevogelbeheer, kleine landschapselementen, perceelsrandenbeheer, botanisch beheer en verminderde bemesting ten opzichte van de bemestingsnorm kwetsbaar gebied water; • beheerovereenkomsten voor groenbedekking, mechanische onkruidbestrijding, instandhouding van genetische diversiteit van bedreigde en lokale rassen en vermindering van gewasbeschermingsmiddelen en meststoffen in de sierteelt; • hectaresteun voor biologische productiemethoden, hectaresteun voor geïntegreerde pitfruitteelt en reconversie varkenshouderij naar biologische productie. Het Vlaamse beleid rond de agro-milieumaatregelen werd tot nu toe continu bijgestuurd. Eén van de redenen is dat dergelijk beleid voor Vlaanderen redelijk nieuw is en dat dus nog niet alles op punt stond bij de aanvang van het PDPO. Zo werden omwille van de regionalisering van de landbouwbevoegdheden de hectaresteun biologische landbouw en de hectaresteun geïntegreerde pitfruitteelt in 2003 in het PDPO geïntegreerd. Recentelijk werden nog nieuwe maatregelen in het PDPO ingevoegd: steun voor erosiebestrijding, steun voor omzetten van akkerland naar grasklaverteelt of luzerneteelt en maatregelen voor hamsterbescherming. Niettegenstaande de vele maatregelen en de bijsturingen blijven de globale doelstellingen van de milieumaatregelen uit het PDPO als volgt geformuleerd: • de reductie van het gebruik van meststoffen en bestrijdingsmiddelen, en van het verlies naar de milieucompartimenten bodem, oppervlaktewater, grondwater en lucht;
Landbouwbeleid
De milieumaatregelen ondersteunen landbouwproductiemethoden die zijn ontworpen met het oog op milieubescherming en natuurbeheer. De steun voor agro-milieumaatregelen is niet nieuw in het EUlandbouwbeleid maar werd met de introductie van de 2e pijler van het GLB voor de verschillende lidstaten en regio’s wel voor het eerst verplicht om op te nemen in de respectievelijke programma’s. Bovendien werd de steun aan agro-milieu uitgebreid en werden ook de vergoedingen voor de diensten waartoe de landbouwers zich contractueel verplichten, verhoogd.
37
• • • • • •
het versterken van de natuurwaarden van halfnatuurlijke en soortenrijke graslanden; het tegengaan van erosie op daarvoor gevoelige gronden en in holle wegen; het instandhouden van de met uitsterven bedreigde rassen en variëteiten; het verhogen van het broed- en opgroeisucces bij weidevogels; het verbeteren van de ecologische kwaliteit van perceelsranden; het verbeteren van het ecologisch functioneren van kleine landschapselementen en een toename ervan; • het verminderen van de milieudruk vanuit landbouwpercelen op aanpalende natuurgebieden; • het bevorderen van de botanische waarde van akkerland en grasland.
Landbouwbeleid
In figuur 2.7 wordt een overzicht gegeven van het areaal onder agro-milieumaatregelen in Vlaanderen in het kader van het PDPO. In 2004 waren er 120.000 ha contracten afgesloten (contractarealen), waarvan de twee grootste (in oppervlakte) de steun aan groenbedekking en de steun aan de beheerovereenkomsten water zijn, met een areaal van respectievelijk 68.000 ha en 27.000 ha. Andere beheerovereenkomsten zoals weergegeven op de figuur zijn de steun voor mechanische onkruidbestrijding, verminderd gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de sierteelt, genetische diversiteit, weidevogelbeheer, perceelsrandenbeheer en kleine landschapselementen. Op een totaal landbouwareaal in Vlaanderen van ruim 630.000 ha valt naar schatting 15% onder een of meerdere agro-milieuovereenkomsten uit het PDPO, wat toch een relatief succes kan genoemd worden. Uit de Mid Term Evaluatie blijkt dat van deze maatregelen een gematigd positief effect kan verwacht worden op het milieu. Figuur 2.7: Verdeling van contractarealen met betrekking tot agro-milieumaatregelen, ha, 2000-2004 hectaresteun geïntegreerd pitfruit hectaresteun biolandbouw biovarkens subsidie hoogstammige fruitbomen beheerovereenkomst water beheerovereenkomst natuur botanisch beheer kleine landschapselementen perceelsrandenbeheer weidevogelbeheer sierteelt mechanische onkruidbestrijding groenbedekking 0
2000 Bron: Beleidsdomein Landbouw en Visserij
38
10.000
20.000 2001
30.000 2002
40.000
50.000 2003
60.000 2004
70.000
De andere groene component uit het PDPO is de steun voor bebossing. De steun is opgebouwd uit drie deelmaatregelen: bebossen van landbouwgronden, instellen van bosgroepen en investeren in multifunctionele bossen. Doelstellingen hierbij zijn: • uitbreiden en structureel verbeteren van het bestaande bosareaal; • creëren van een financieel en organisatorisch draagvlak voor onrendabele bosbeheerwerken; • stimuleren van het voeren van een gezamenlijk bosbeheer; • steun verlenen aan een actief natuurbehoudprogramma door onder andere gerichte stimulering van beplanting met inheemse, standplaatseigen boomsoorten. In 2004 kwam 212 ha in aanmerking voor de premie ‘bebossing van landbouwgronden’ (onderhoudskosten en inkomensderving). Ten opzichte van 2002 is dit een verdubbeling, maar het blijft weliswaar een zeer geringe oppervlakte. 2.3.3 Ondersteunende maatregelen
- organiseren van cursussen B-cursussen houden een specifieke vorming in, voornamelijk bestemd voor de personen die zich willen vestigen als landbouwer. Binnen de B-cursussen zijn er verschillende types complementaire opleidingen: • vestigingscursus (B1): bestemd als voorbereiding op een landbouwbedrijfsovername of eerste installatie; • stages (B2): praktische opleidingen van minimum 2 weken op een vreemd bedrijf; • specialisatiecursussen (B3): als aanvulling op de vestigingscursus voor een bepaalde specialisatie zoals een ondernemerscursus voor akkerbouw of tuinbouw of een cursus paardenhouderij; • installatieproeven (B4): door het slagen op deze proeven, die men kan afleggen na het volgen van de B1, B2 en B3 cursussen, bekomt men een installatieattest, wat toegang geeft tot de subsidies van het VLIF. C-cursussen zijn vormingscursussen gewijd aan een of meerdere bedrijfstakken, specialisaties, technische of bedrijfseconomische problemen die verband houden met de landbouw, zoals een cursus inzake de nieuwste ontwikkelingen binnen de melkveehouderij.
Landbouwbeleid
Opleiding Het aanbieden van vorming aan landbouwers en de stimulans hiervoor die vanuit het landbouwbeleid uitgaat, bestond al vóór de start van het PDPO. Gezien het belang van (permanente) vorming, werd dit dan ook als een afzonderlijk deel in het programma opgenomen. Vorming aan landbouwers wordt aangeboden via de door de Vlaamse overheid erkende centra. Slechts in bepaalde gevallen richt de overheid zelf de vormingsactiviteiten in. Naast land- en tuinbouwers met onvoldoende landbouwopleiding via naschoolse vorming voorbereiden om een bedrijf over te nemen, is een tweede doelstelling van deze maatregel het verstrekken van permanente vorming. Er wordt onder meer aandacht geschonken aan de veranderingen in het GLB, de nieuwe eisen of normen inzake kwaliteit, het leefmilieu, dierenwelzijn, hygiëne en nieuwe technologieën. De vormingsactiviteiten uit het PDPO kunnen als volgt worden ingedeeld:
39
- korte vormingen Korte vormingen bestaan uit studievergaderingen, panelgesprekken en geleide bezoeken die gehouden worden rond één bepaald sociaal, juridisch, technisch of economisch thema. Zij hebben een gemiddelde duur van 3 uur. - demonstratieprojecten Demonstratieprojecten zijn een ingeburgerde vorm van opleiding in de landbouw. Daarom werden ze ook opgenomen in het kader van het PDPO. Er worden drie soorten projecten geïdentificeerd: • demonstratieprojecten via oproepen op de website; • voorbeeldbedrijven; • projecten m.b.t. duurzame bemesting.
Landbouwbeleid
- bedrijfsbegeleiding in de biologische landbouw Eén van de actiepunten opgenomen in het actieplan biologische landbouw is het toekennen van subsidies voor omschakelingsplannen en bedrijfsbegeleiding in de biologische landbouw. De maatregel ging van start in 2001. In de periode 2001-2004 werden 51 bedrijfsomschakelingsplannen en 111 bedrijfsbegeleidingen gerealiseerd. Dit is vrij veel aangezien er in 2005 slechts 236 biologische bedrijven waren.
40
Bedrijfsbeheer De bedrijfsleidingdiensten verstrekken adviezen aan individuele landbouwbedrijven. De steun wordt toegekend aan landbouwers die gebruik maken van deze diensten. Er zijn 15 erkende bedrijfsleidingdiensten. Vanaf 2007 is het de bedoeling dat er overgegaan wordt naar een nieuw systeem: de bedrijfsadviesdiensten. Dit systeem zal een combinatie maken van advies met betrekking tot de randvoorwaarden en advies over de bedrijfsboekhouding. Tabel 2.8 geeft de evolutie weer van het aantal bedrijven met steun die zich voor het eerst aansloten bij deze bedrijfsleidingdiensten. Tabel 2.8: Aantal goedgekeurde aanvragen en bijhorende financiële gegevens voor bedrijfsbeheer, 2000-2004
2000
2001
2002
2003
2004
aantal goedgekeurde aanvragen
325
469
301
461
474
totale overheidsuitgaven (1.000 euro)
577
905
602
922
948
Bron: Beleidsdomein Landbouw en Visserij
Projecten in het kader van een geïntegreerd plattelandsbeleid Voor de ganse periode 2000-2006 werden er in totaal ruim 50 miljoen euro overheidsuitgaven voorzien. Dat is ongeveer 10% van het totale PDPO budget. Omdat de maatregelen voor het geïntegreerde plattelandsbeleid slechts laat op gang kwamen, liggen de bestedingen naar het einde van het PDPO zelfs wat hoger. Zo wordt er voor 2006 bijna 14% van het budget geraamd voor de besteding aan provinciale plattelandsprojecten en projecten met betrekking tot ruilverkaveling, land- en natuurinrichting en regionale landschappen.
2.4 Duurzaamheid van het PDPO Het PDPO tracht in te spelen op zowel de economische, sociale als milieuproblematiek waarmee (voornamelijk) de landbouwsector te maken heeft op het platteland. De meeste instrumenten hiertoe spelen enkel in op 1 van deze drie pijlers. Toch worden ook met ‘economische’ instrumenten milieudoelstellingen nagestreefd. Dit gebeurt bijvoorbeeld bij de investeringssteun waar een getrapte steunregeling meer ondersteuning biedt indien een investering ‘milieuvriendelijker’ is. Ingedeeld volgens hoofddoelstelling gaat bijna 60% van de PDPO bestedingen naar economische doeleinden, ruim 33% naar milieudoeleinden en de overige 7% naar ondersteunende maatregelen. Heel wat maatregelen hebben evenwel nog een nevendoelstelling (figuur 2.8). Zo blijkt dat er in feite 33% van het totale budget milieu als hoofd- of nevendoelstelling heeft. Figuur 2.8: PDPO bestedingen verdeeld over de verschillende maatregelen en de economisch, sociale en milieucomponenten ervan, miljoen euro, 2000-2006
Landbouwbeleid
Bron: Beleidsdomein Landbouw en Visserij
41
2.5 Evaluatie van het PDPO Een tussentijdse evaluatie, een Europese verplichting, werd in 2003 uitgevoerd door een consortium van onafhankelijke experten onder leiding van Idea Consult. Naar aanpak en methodologie diende voor een groot deel gewerkt te worden volgens EU-richtsnoeren, maar ook eigen Vlaamse accenten werden aan de opdracht toegevoegd.
Landbouwbeleid
In de conclusies van de tussentijdse evaluatie geven de evaluatoren aan dat de economische positie van de landbouw en de kwaliteit van het leefmilieu op het platteland onder druk staan in Vlaanderen. In dit opzicht is de benadering van het huidige programma, waar het grote accent voornamelijk ligt op economische steun aan de landbouw en op milieumaatregelen binnen de landbouw, dan ook gerechtvaardigd. Een kernprobleem van het Vlaamse platteland, namelijk de verstedelijkingsdruk, komt in dit programma echter niet aan bod. De globale beoordeling van de evaluatoren van het Vlaams programma voor plattelandsontwikkeling is tweeledig. Enerzijds scoren de maatregelen op zich vrij goed ten opzichte van hun eigen doelstellingen, anderzijds scoort het programma vrij zwak inzake een coherent beleid en een duidelijke visie voor de ontwikkeling van de Vlaamse landbouw en het Vlaamse platteland, door het ontbreken van het dynamisch ontwikkelingsaspect.
42
Voor het evaluatieteam bestaat de belangrijkste uitdaging erin om van deze tweeledigheid over te schakelen naar een echt geïntegreerd plattelandsbeleid over de verschillende beleidsdomeinen en programma’s heen.
2.6 Volgende programmeringsperiode Reeds in 2005 werd er gestart met de voorbereiding van de volgende programmeringsperiode voor plattelandsontwikkeling 2007-2013. Zo werd er aan de adviesraden in Vlaanderen (SERV, MINA-raad, VLTR, VVP, VVSG) toelichting gegeven bij indicatoren (monitoring) en evaluatieresultaten van het huidige PDPO met het oog op input voor de opstart van een volgende programmeringsperiode. Deze input werd mede gebruikt in het proces van opmaak van een strategie voor het PDPO 2007-2013, een proces dat in 2005 werd opgestart. In de loop van 2006 zal de strategie en het daaraan gekoppelde programma voor Vlaanderen worden afgerond. Feit is alvast dat in de volgende programmeringsperiode met heel wat randvoorwaarden dient rekening gehouden te worden: in lijn liggen met de EU-strategieën, de EU-plattelandsstrategie maar ook die van Göteborg en Lissabon, inspelen op de nieuwe noden en verwachtingen van de maatschappij, omgaan met de toenemende verstedelijking, de land- en tuinbouw economisch stimuleren (niet in het minst de jonge landbouwers) en dit alles met een sterk verminderd EU-budget.
Algemene beschrijving van de Vlaamse land- en tuinbouwsector Een duurzame landbouw steunt op 3 pijlers: een economische, een sociale en een ecologische. Dit hoofdstuk omvat een analyse van de sociale en economische pijler. Daar de agrarische sector niet losgezien kan worden van het agro-voedingscomplex, komt ook de voedingsindustrie in dit hoofdstuk aan bod. Tenslotte wordt de Vlaamse landbouw gesitueerd in zijn Europese context.
1.1 Productiefactoren 1.1.1 Arbeid Volgens de meitelling 2005 zijn er 66.950 personen regelmatig tewerkgesteld op de bedrijven met landbouwproductie. In navolging van de dalende tendens bij het aantal bedrijven is ook het aantal regelmatig tewerkgestelde personen gedaald (figuur 3.1). Figuur 3.1: Evolutie van het aantal regelmatig tewerkgestelde personen, 1995-2005
100.000 80.000 60.000 40.000 20.000 0
1995
1996
1997
1998
1999
2000
Vlaanderen
2001
2002
2003
2004
2005
Wallonië
Bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
Omgerekend naar voltijdse arbeidskrachten (minstens 38 uren per week of 20 dagen per maand) en rekening houdend met de niet regelmatig tewerkgestelden betekent dit 49.717 voltijdse arbeidskrachten of gemiddeld 1,4 per bedrijf. Ongeveer 34% van de arbeidskrachten is tewerkgesteld op de gespecialiseerde tuinbouwbedrijven (figuur 3.2).
Algemene beschrijving
1 Structurele en economische beschrijving
43
Figuur 3.2: Indeling van de voltijdse arbeidskrachten volgens productierichting, 2004
gemengde bedrijven 20%
akkerbouw 9%
Algemene beschrijving
hokdieren (varkens, pluimvee) 8% andere graasdieren (schapen,...) 3% gemengd rundvee 4% rundvleesproductie 8%
melkproductie 14%
Bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie, Beleidsdomein Landbouw en Visserij
De Vlaamse landbouwsector stelt ongeveer 2% van de totale Vlaamse actieve bevolking tewerk en vertegenwoordigt iets meer dan 70% van de nationale tewerkstelling in deze sector. Van het totaal aantal tewerkgestelden is in Vlaanderen iets meer dan de helft voltijds (tabel 3.1). Dit percentage is ten opzichte van 1995 gevoelig afgenomen. In vergelijking met Wallonië is het aandeel deeltijdse groter in Vlaanderen. De arbeidsbezetting is overwegend familiaal, maar het aandeel familiale arbeidskrachten is beduidend afgenomen. De mannen vertegenwoordigen in 2005 65% van alle regelmatig tewerkgestelden. Tabel 3.1: Tewerkstelling in de landbouwsector, 1995 en 2005
Vlaanderen aantal regelmatig tewerkgestelde personen aantal regelmatig tewerkgestelde personen per bedrijf aantal regelmatig tewerkgestelde personen: familiaal niet- familiaal aantal regelmatig tewerkgestelde personen voltijds deeltijds
Wallonië
1995
2005
1995
2005
82.796
66.950
37.532
28.007
1,7
2,0
1,5
1,6
100%
100%
100%
100%
91%
84%
96%
89%
9%
16%
4%
11%
100%
100%
100%
100%
63%
51%
66%
56%
37%
49%
34%
44%
100%
100%
100%
100%
man
67%
65%
68%
69%
vrouw
33%
35%
32%
31%
aantal regelmatig tewerkgestelde personen
Bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
44
tuinbouw 34%
1.1.2 Areaal In 2005 bedraagt de totale oppervlakte cultuurgrond 629.684 ha. Hiervan nemen de voedergewassen het grootste aandeel voor hun rekening (figuur 3.3). Het grote areaal voedergewassen illustreert het belang van de rundveehouderij: 53% van de bedrijven houdt runderen. De afgelopen 10 jaar noteert men een lichte stijging van de oppervlakte tot 1999 om nadien te stabiliseren. Het aandeel voedergewassen is sinds 2001 licht gedaald vooral ten voordele van de akkerbouwgewassen.
700.000 600.000 500.000 400.000 300.000 200.000 100.000 0 1995
1996
1997
1998
voedergewassen
1999
2000
akkerbouw
2001
2002
tuinbouw
2003
2004
2005
andere
Bron: eigen berekening, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
De Vlaamse landbouwsector neemt 45% van de nationale oppervlakte cultuurgrond in en 47% van de totale oppervlakte van het Vlaams gewest. 34% van de oppervlakte wordt in eigendom uitgebaat. Dat in Vlaanderen de grond een schaarse productiefactor is, weerspiegelt zich in de grondprijzen. Deze zijn gevoelig gestegen (figuur 3.4). De prijzen variëren van provincie tot provincie tussen 1,8 euro per m2 in Vlaams-Brabant en 2,6 euro in Antwerpen.
Algemene beschrijving
Figuur 3.3: Bestemming van de oppervlakte cultuurgrond, ha, 1995-2005
45
Figuur 3.4: Evolutie van de verkoopprijzen van teeltgronden en weiden, euro/m2, 1995-2004
2,5 2,0 1,5
Algemene beschrijving
1,0
46
0,5 0,0
1995
1996
1997
1998
1999
2000
Vlaanderen
2001
2002
2003
2004
Wallonië
Bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
1.1.3 Veestapel Sinds 1995 is het aantal runderen continu gedaald (figuur 3.5). Wat de intensieve veehouderij betreft, noteerde men na een uitbreiding van de stapel eind jaren negentig, een continue afslanking. Het lage cijfer van de pluimveestapel in 2003 is te wijten aan de vogelpestcrisis in het voorjaar 2003, waardoor een aantal dieren werden vernietigd. Hierdoor was er meer leegstand op het moment van de telling. Figuur 3.5: Evolutie van de veestapel, index: 1995 = 100%, 1995-2005
150% 125% 100% 75% 50%
1995
1996
1997
1998
1999
runderen
2000
2001
varkens
Bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
2002 pluimvee
2003
2004
2005
1.2 Productie-eenheden Het aantal landbouwbedrijven in Vlaanderen is ten opzichte van 1995 teruggelopen met ongeveer 28% tot 34.410 eenheden in 2005, dit is een daling van gemiddeld 3,3% per jaar (figuur 3.6). Van het totaal aantal bedrijven in België is 66,8% in Vlaanderen gesitueerd. Figuur 3.6: Evolutie van het aantal bedrijven in de landbouwsector, 1995-2005
60.000
40.000 30.000 20.000 10.000 0 1995
1996
1997
1998
1999
2000
2001
Vlaanderen
2002
2003
2004
2005
Wallonië
Bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
Wat het juridisch statuut betreft, worden steeds meer vennootschappen opgericht (figuur 3.7). In 2005 zijn er 2.434 bedrijven of 7% van alle landbouwbedrijven, waarvan het bedrijfshoofd een rechtspersoon is. Dit betekent een verdubbeling in aantal t.o.v. 1995. Figuur 3.7: Evolutie van het aantal landbouwbedrijven volgens juridisch statuut, 1995-2005
50.000 40.000 30.000 20.000 10.000 0 1995
1996
1997
1998
1999
2000
rechtspersonen
Bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
2001
2002
2003
natuurlijke personen
2004
2005
Algemene beschrijving
50.000
47
Bijna 80% van de bedrijven zijn gespecialiseerde bedrijven in een bepaalde productierichting, met rundveehouderij als veruit de belangrijkste specialisatie (32%), gevolgd door de tuinbouw en de akkerbouw (figuur 3.8). Ook in Wallonië is het aandeel van de rundveebedrijven het grootst. In vergelijking met Vlaanderen zijn het grotere aandeel van de gespecialiseerde rundveebedrijven en het kleinere aandeel van tuinbouw en intensieve veehouderij (hokdieren) het meest opvallend.
Algemene beschrijving
Figuur 3.8: Indeling van de bedrijven volgens productierichting, 2004
48
1. Vlaanderen
gemengde bedrijven 20%
akkerbouw 15%
hokdieren (varkens, pluimvee,...) 8%
tuinbouwgewassen 18%
andere graasdieren (schapen,...) 7% gemengd rundvee 4%
melkproductie 14% rundvleesproductie 14%
2. Wallonië
gemengde bedrijven 17% hokdieren (varkens, pluimvee,...) 1% andere graasdieren (schapen,...) 9%
akkerbouw 19% tuinbouwgewassen 3%
melkproductie 14%
gemengd rundvee 13% rundvleesproductie 24% Bron: Beleidsdomein Landbouw en Visserij, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
Er treedt een voortdurende schaalvergroting op. De gemiddelde oppervlakte cultuurgrond per bedrijf is gevoelig gestegen (van 12,9 ha in 1995 naar 18,3 ha in 2005). In Wallonië is dit kengetal groter (44,2 ha). De sterkere ontwikkeling van de tuinbouw en de intensieve veehouderij in Vlaanderen is hier zeker niet vreemd aan.
1.3 Economische beschrijving 1.3.1 Eindproductiewaarde
De eindproductiewaarde varieert van jaar tot jaar, wat vooral toe te schrijven is aan de evoluties in de veeteeltsector en dan meer specifiek in de varkenssector (figuur 3.9). In de beschouwde periode wordt de hoogste waarde genoteerd in 1997 (een jaar met goede varkensprijzen) en de laagste waarde in 1999 (jaar van de dioxinecrisis). Figuur 3.9: Evolutie van de eindproductiewaarde, miljoen euro, 1995-2004
6.000 5.000 4.000 3.000 2.000 1.000 0
1995
1996
1997
1998
akkerbouw
1999 tuinbouw
2000
2001 veeteelt
2002
2003
2004
totaal
Bron: Beleidsdomein Landbouw en Visserij
De veeteelt is veruit de belangrijkste sector qua omzet. Uit tabel 3.2 blijkt dat in de afgelopen 10 jaar het aandeel van de veeteelt licht gedaald is ten voordele van de tuinbouw.
Algemene beschrijving
De globale waarde van de verkoopsactieve land- en tuinbouwsector bedraagt in 2004 bijna 4.470 miljoen euro (voorlopig cijfer). Er dient wel opgemerkt te worden dat de compenserende bedragen in het kader van de hervormingen van het GLB (o.a. voor granen, rundvlees en melk) niet opgenomen zijn in de productiewaarden.
49
Tabel 3.2: Aandeel van de diverse subsectoren in de totale Vlaamse eindproductiewaarde, %, 1995-2004
gemiddelde 1995-1999
gemiddelde 2000-2004
akkerbouw
9,2
9,4
tuinbouw
28,9
30,2
veeteelt
61,9
60,4
totaal
100
100
Algemene beschrijving
Bron: Beleidsdomein Landbouw en Visserij
50
Binnen de veeteelt neemt de varkenssector het grootste deel voor zijn rekening (48,4% van de gemiddelde omzet 2000-2004 gerealiseerd in de veeteelt). Zij wordt gevolgd door de zuivelproducten (20,4%) en het rundvlees (16,7%). De tuinbouw is samen goed voor 30% van de gerealiseerde omzet. De verdeling binnen deze sector is als volgt: groenten 48,6%, niet-eetbare 30,1% en fruit 21,3%. Binnen de akkerbouw zijn de voornaamste producten aardappelen (48,2%), suikerbieten (26,1%) en granen (14,4%). Wat het aandeel van de individuele producten per subsector betreft (figuur 3.10), zijn de opvallendste evoluties: • in de veeteeltsector: het afgenomen aandeel van rundveevlees en de sterke schommelingen voor varkensvlees; • in de tuinbouwsector: een sterk wisselend aandeel voor de groenten en een lichte stijging van de niet-eetbare tuinbouwproducten (NET); • in de akkerbouwsector: een sterk variërend aandeel voor de aardappelen. Figuur 3.10: Aandeel van de diverse producten in de eindproductiewaarde van de diverse subsectoren, miljoen euro, 1995-2004
1. Veeteelt
3.500 2.800 2.100 1.400 700 0
1995
1996 runderen
1997 varkens
1998
1999
gevogelte
2000
2001
melk en -derivaten
2002 eieren
2003
2004
overige
2. Tuinbouw
1.600 1.200 800 400
1995
1996
1997
1998
1999
groenten
2000
fruit
2001
2002
2003
2004
niet-eetbare
3. Akkerbouw
500 400 300 200 100 0
1995
1996
1997 granen
1998
1999
suikerbieten
2000
2001
aardappelen
2002
2003
2004
overige
Bron: Beleidsdomein Landbouw en Visserij
Vlaanderen heeft een aandeel van ongeveer 75% in de nationale eindproductiewaarde van de land- en tuinbouwsector (tabel 3.3). Met uitzondering van een aantal akkerbouwproducten, neemt Vlaanderen voor alle belangrijke producten duidelijk meer dan de helft voor zijn rekening. Voor varkens, groenten en fruit is het aandeel zelfs meer dan 90%.
Algemene beschrijving
0
51
Tabel 3.3: Aandeel van Vlaanderen in de nationale eindproductiewaarde, %, 2004
akkerbouw
50
granen
36
aardappelen
78
suikerbieten
36
Algemene beschrijving
tuinbouw
52
90
groenten
91
fruit
92
niet-eetbare
87
veeteelt
75
runderen
56
varkens
94
gevogelte
85
zuivel
60
eieren
88
eindproductiewaarde
75
Bron: Beleidsdomein Landbouw en Visserij, DGA
De Waalse productiewaarde is beduidend lager (1.490 miljoen euro in 2004). Een vergelijking tussen de structuur van de Vlaamse en Waalse eindproductiewaarde leert dat globaal beschouwd het aandeel van de veeteelt in de totale eindproductiewaarde van de desbetreffende regio ongeveer dezelfde is (figuur 3.11). In Vlaanderen is echter het aandeel van tuinbouw en van akkerbouw respectievelijk groter en kleiner dan in Wallonië. Binnen de veeteelt zijn in Wallonië echter het aandeel van rundvlees en zuivel het grootst, terwijl in Vlaanderen de varkensproductie domineert.
Figuur 3.11: Structuur van de Vlaamse en Waalse eindproductiewaarde, %, 2004
1. Subsectoren
100
80 60,5
60,5
40 10,3 29,8
veeteelt tuinbouw akkerbouw
20 29,2 9,7 0 Vlaanderen
Wallonië
2. Producten
100
andere eieren
80
zuivel gevogelte varkens
60
runderen NET
40
fruit groenten
20
suikerbieten aardappelen
0
granen Vlaanderen
Bron: Beleidsdomein Landbouw en Visserij, DGA
Wallonië
Algemene beschrijving
60
53
De 3 producten die in Vlaanderen in 2004 het meest bijdragen tot de omzet in de landbouw zijn: varkensvlees, groenten en zuivel. In Wallonië wordt de top 3 gevormd door rundvlees, zuivel en suikerbieten. 1.3.2 Intermediair verbruik Het totaal intermediair verbruik bedraagt in 2004 2.914 miljoen euro (voorlopig cijfer) en blijft redelijk stabiel (figuur 3.12).
Algemene beschrijving
Figuur 3.12: Evolutie van het intermediair verbruik, miljoen euro, 1995-2004 3.500 3.000 2.500 2.000 1.500 1.000 500 0 1995
1996
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
Bron: Beleidsdomein Landbouw en Visserij
De verdeling over de diverse posten toont aan dat de veevoeders veruit het belangrijkste aandeel voor zich nemen (figuur 3.13). Figuur 3.13: Structuur van het intermediair verbruik, 2003
overige goederen en diensten 24%
veevoeders 49%
phytosanitaire producten 4% meststoffen 4% zaai- en pootgoed 8%
Bron: Beleidsdomein Landbouw en Visserij
54
1997
energie 11%
1.3.3 Toegevoegde waarde Volgens cijfers van de nationale bank heeft de Vlaamse landbouwsector (inclusief jacht, bosbouw en diensten in verband met deze activiteiten) een aandeel van 1,3% in de totale Vlaamse bruto toegevoegde waarde van 2004. Figuur 3.14 geeft de evolutie van de netto toegevoegde waarde weer. Deze bedraagt in 2004 1.330 miljoen euro (voorlopig cijfer). Dit kengetal schommelt van jaar tot jaar. Het gemiddelde van de periode van 1995 tot 1999 (1.404 miljoen euro) is lager gesitueerd dan het gemiddelde van de laatste 5 jaar (1.452 miljoen euro).
1.800 1.600 1.400 1.200 1.000 800 600 400 200 0
1995
1996
1997
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
Bron: Beleidsdomein Landbouw en Visserij
Het aantal arbeidseenheden, uitgedrukt in aantal personen van 20 tot 65 jaar die voltijds op een landbouwbedrijf werkzaam zijn, is echter sterk gedaald (figuur 3.15).
Algemene beschrijving
Figuur 3.14: Evolutie van de netto toegevoegde waarde, miljoen euro, 1995-2004
55
Figuur 3.15: Evolutie van het aantal arbeidseenheden, 1995-2004
60.000 58.000 56.000 54.000
Algemene beschrijving
52.000
56
50.000 48.000 46.000 44.000 1995
1996
1997
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
Bron: Beleidsdomein Landbouw en Visserij
Indien men de netto toegevoegde waarde uitdrukt per arbeidseenheid resulteert dit in een stijgende tendens (figuur 3.16). Figuur 3.16: Evolutie van de netto toegevoegde waarde per arbeidseenheid, euro, 1995-2004
35.000 30.000 25.000 20.000 15.000 10.000 5.000 0
1995
1996
Bron: Beleidsdomein Landbouw en Visserij
1997
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2 Sociale aspecten
2.1 Leeftijd van de bedrijfsleider De gemiddelde leeftijd van de bedrijfsleiders van de beroepslandbouwbedrijven bedraagt in 2004 47,8 jaar en is de afgelopen 10 jaar duidelijk gestegen (figuur 3.17). De gemiddelde leeftijd in Wallonië is iets hoger gesitueerd. Figuur 3.17: Evolutie van de gemiddelde leeftijd van de bedrijfsleiders van beroepslandbouwbedrijven, 1995-2004
49 48 47 46 45 44
1995
1996
1997
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
Bron: eigen berekeningen, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
Uit de leeftijdspiramide (figuur 3.18) blijkt dat de basis zeer klein is. Slechts 3% van de bedrijven heeft een bedrijfsleider jonger dan 30 jaar, terwijl 7% ouder is dan 65. De meeste bedrijfsleiders hebben een leeftijd tussen 40 en 45 jaar.
Algemene beschrijving
50
57
Figuur 3.18: Leeftijdpiramide van bedrijfsleiders van beroepslandbouwbedrijven, volgens geslacht, 2004
65 en ouder van 60 tot 65
vrouw man
van 55 tot 60 van 50 tot 55 van 45 tot 50
Algemene beschrijving
van 40 tot 45
58
7%
93%
van 35 tot 40 van 30 tot 35 van 25 tot 30 jonger dan 25 1000 500
0
500 1000 1500 2000 2500 3000 3500 4000 4500 5000 5500
Bron: eigen berekeningen, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
2.2 Opvolging Slechts 13,7% van alle bedrijven waarvan het bedrijfshoofd ouder is dan 50 jaar heeft een vermoedelijke opvolger. De opvolging stelt vooral problemen bij kleinere bedrijven (figuur 3.19). Figuur 3.19: Aandeel bedrijfshoofden ouder dan 50 met vermoedelijke opvolger volgens bedrijfsgrootte, %, 2004
60 50 40 30 gemiddelde Vlaanderen
20 10 0
minder dan 0,5 SGE
van 05 tot 4 SGE
van 4 tot 8 SGE
van 8 tot 12 SGE
van 12 tot 15 SGE
van 15 tot 20 SGE
van 20 tot 25 SGE
van 25 tot 30 SGE
van 30 tot 40 SGE
Bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie, Beleidsdomein Landbouw en Visserij
40 SGE of meer
Verder is de opvolging het meest gegarandeerd voor de bedrijven die gespecialiseerd zijn in gemengd rundvee (figuur 3.20). Figuur 3.20: Aandeel bedrijfshoofden ouder dan 50 met vermoedelijke opvolger volgens productierichting, %, 2004
2.3 Landbouwopleiding Qua landbouwopleiding is de verdeling van de bedrijfsleiders als volgt: 58% enkel praktische ervaring, 21% basis landbouwopleiding en 21% volledige landbouwopleiding (aan universiteit of hoger instituut). Uit figuur 3.21 valt af te leiden dat kleinere bedrijven vooral geleid worden door bedrijfsleiders met enkel praktische ervaring, hoe groter de bedrijven, hoe meer de bedrijfsleiders een hogere opleiding genoten hebben.
Algemene beschrijving
Bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie, Beleidsdomein Landbouw en Visserij
59
Algemene beschrijving
Figuur 3.21: Landbouwopleiding bedrijfsleider volgens bedrijfsgrootte, %, 2003
60
100 90 80 70 60 50 40 30 20 10 0
Bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie, Beleidsdomein Landbouw en Visserij
Van de starters die VLIF-steun (Vlaams Landbouwinvesteringsfonds) aangevraagd en verkregen hebben, heeft het merendeel een diploma van hoger secundair onderwijs landbouw (34%).
2.4 Socio-economische status van de landbouwer De administratie Planning en Statistiek (APS) maakte in 2004 een statistische analyse over het profiel van de landbouwer aan de hand van een 10% steekproef uit de socio-economische enquête van 2001 (FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie). De bedoeling was enkele stereotiepe beelden van deze beroepsgroep te toetsen aan de werkelijkheid. 6 op 10 landbouwers wonen in het buitengebied (definitie volgens ruimtelijk structuurplan Vlaanderen (RSV)), slechts een klein percentage landbouwers bevindt zich in het grootstedelijk gebied rond Brussel, Antwerpen en Gent (5,4%), waarvan 30% reeds ouder is dan 51 jaar (figuur 3.22). De leeftijdsstructuur van de landbouwers in het buitengebied is jonger waaruit kan worden afgeleid dat de continuïteit in het stedelijk gebied minder verzekerd is.
Figuur 3.22: Verdeling van landbouwers en niet-landbouwers volgens het RSV, %, 2001
niet-landbouwers
landbouwers
0
10
20
30
40
50
60
80
90
100
kleinstedelijk gebied op provinciaal niveau regionaal stedelijk gebied Vlaamse rand rond Brussel
Bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie, APS
Landbouwers zijn zeker geen verstokte vrijgezellen. Landbouwers huwen veel meer dan in de andere beroepsgroepen, ze huwen daarenboven vrij jong (figuur 3.23). Finaal blijft slechts 15% vrijgezel tegenover 26,6% bij de andere groepen. Een landbouwhuishouden bestaat gemiddeld uit 3,6 personen, bij de andere groepen is dit 2,8. Figuur 3.23: Verdeling van landbouwers en niet-landbouwers naar burgerlijke staat, %, 2001
niet-landbouwers
landbouwers
0
20 vrijgezel
60
40 getrouwd
weduwschap
80
100
gescheiden
Bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie, APS
Landbouwers zijn doorgaans lager geschoold dan andere groepen: 4 op 10 boeren behaalden enkel een diploma van hoger onderwijs of lager middelbaar, tegen 3 op 10 bij de andere groepen (figuur 3.24). Bij de jongere boeren heeft al ruim 7 op 10 een diploma van secundair onderwijs gehaald. De jongere generatie treedt dus steeds vaker pas in het vak nadat ze een volwaardige beroepsopleiding hebben genoten.
Algemene beschrijving
buitengebied structuurondersteunend kleinstedelijk gebied grootstedelijk gebied
70
61
Algemene beschrijving
Figuur 3.24: Verdeling van landbouwers en niet-landbouwers volgens leeftijd en hoogst behaalde onderwijsniveau, %, 2001
Bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie, APS
Bij driekwart van de landbouwhuishoudens is slechts één van beide partners landbouwer. Als de man voltijds landbouwer is, heeft 37,3% van de vrouwelijke partners elders een voltijdse baan, vooral als bediende in de privésector of in de openbare sector. De mannelijke boeren werken 61,6 uur per week, terwijl een mannelijke werknemer in loonverband doorgaans 40,8 uur werkt (figuur 3.25). Een boer werkt zelfs 7u. langer dan een andere (voltijdse) zelfstandige. Ook boerinnen (voltijds werkend op het bedrijf) zijn naast hun huishoudelijke taken nog 54,7 uren per week actief in het landbouwbedrijf. Figuur 3.25: Gemiddeld aantal werkuren per week van landbouwers en niet-landbouwers, %, 2001
Bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie, APS
62
Op gebied van huisvesting stellen de landbouwers het goed. 8 op 10 landbouwers is eigenaar van zijn woning, zowel in het stedelijk als buitengebied. Dit is beduidend meer dan bij andere groepen. Ze wonen vaker dan andere groepen in ééngezinswoningen. Hun woning is doorgaans ruimer, wat maar ten dele verklaard wordt door de gezinsgrootte. Ze wonen wel vaker (meer dan 3 op 10) in oudere woningen (gebouwd vóór 1945) (figuur 3.26). Deze zijn daarom niet van slechtere kwaliteit: 13% heeft sinds 1991 belangrijke verbouwingen uitgevoerd aan de woning, bij jonge landbouwgezinnen zelfs nog iets meer, wat kan wijzen op de wens naar meer comfort bij deze jonge huishoudens. Figuur 3.26: Verdeling van de woningen volgens bouwjaar, %, 2001
90 80 70 60 50 40 30 20 10 0
Bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie, APS
Het sanitair wooncomfort in de boerderijen is weliswaar minder luxueus dan bij andere huishoudens, hoewel dit niet overdreven mag worden. Bij jonge landbouwgezinnen in het buitengebied heeft slechts 0,6% geen badkamer, wat zelfs beter is dan bij andere jonge gezinnen. Landbouwers verwarmen hun woning in mindere mate met centrale verwarming (6 op 10 t.o.v. 7 op 10 bij niet-landbouwers). Ze zijn opmerkelijk minder aangesloten op aardgas, ook niet in stedelijke gebieden (enkel 13,7% van de landbouwhuishoudens) wat kan verklaard worden door het feit dat het bedrijf toch wat meer afgelegen ligt. Voor de verschillende kenmerken is er een stijgende kwaliteit van alleenstaanden naar koppels met kinderen.
Algemene beschrijving
100
63
Algemene beschrijving
De landbouwgezinnen zijn doorgaans meer tevreden dan andere groepen over het uitzicht van de gebouwen, de netheid, de kwaliteit van de lucht en de rust. De ligging van hun boerderij in de open ruimten, ook in stedelijke zones, zal hier niet vreemd aan zijn. Opmerkelijk is dat quasi alle landbouwgezinnen over een wagen beschikken. Dit is ook het geval m.b.t. het bezit van een vaste telefoon. Het gsm-bezit is bij de landbouwers iets lager. Het hebben van een gsm en internetaansluiting thuis is duidelijk verbonden met het hebben van kinderen. 75% van de landbouwkoppels met kinderen hebben een computer. Dit heeft zeker niet enkel te maken met administratief werk.
64
Er is iets meer ontevredenheid m.b.t. de nabijheid van de winkels (3 op 10) in het buitengebied en het openbaar vervoer (4 op 10 ontevreden zowel in buitengebied als stedelijk gebied). Over de gezondheidsvoorzieningen is iedereen het meest tevreden, ongeacht de beroepsgroep of de ligging. In het buitengebied is 18,1% van de landbouwkoppels met kinderen ontevreden over kinderopvang, doch ook 15,9% van andere koppels in het stedelijk gebied gaven te kennen dat hun buurt op dat vlak slecht voorzien is.
3 Voedingsindustrie
3.1 Definitie De voedingsindustrie kan omschreven worden als de keten van bedrijven die grondstoffen, hoofdzakelijk afkomstig van land –en tuinbouw, transformeert in voedingsproducten voor mens en dier.
3.2 Omzet De omzet van de Belgische voedingsindustrie bedroeg 31.013 miljoen euro in 2004, wat neerkomt op een stijging van 1,9% in vergelijking met 2003. De voornaamste subsectoren in de voedingsindustrie zijn vlees, dranken, zuivelnijverheid en chocolade- en suikerwerk met een bijdrage van respectievelijk 18%, 13%, 11% en 10% (figuur 3.27). Ongeveer 75% van de totale Belgische omzet in de voedingsindustrie is voor rekening van Vlaanderen.
Figuur 3.27: Verdeling van de totale omzet in de voedingsindustrie volgens subsectoren, 2004
Bron: CRB
De omzet van 2004 moet toch worden genuanceerd. In 2004 zijn namelijk twee takken van de voedingsindustrie sterk achteruitgegaan. In de suikerindustrie is de omzet 14% gedaald en voor de “overige voedingsmiddelen” bedroeg de omzetdaling 15,2% in vergelijking met 2003. Bovendien is de omzet van de sector plantaardige en dierlijke oliën en vetten opnieuw 6,1% teruggelopen. Als met deze drie takken geen rekening wordt gehouden, zou de gemiddelde omzetstijging voor alle andere sectoren van de voedingsindustrie uitgekomen zijn op + 3,9%. Met een aandeel van 15,5% in de totale omzet van de verwerkende industrieën blijft de voedingsindustrie de derde grootste industriële sector, na de metaalverwerkende en de scheikundige industrie.
3.3 Toegevoegde waarde Volgens cijfers van de NBB bedroeg in 2004 de bruto toegevoegde waarde van de voedingsnijverheid in België 5.759,6 miljoen euro, waarvan 70% of 4.059 miljoen euro voor rekening is van Vlaanderen. Ten opzichte van 1995 is de toegevoegde waarde in Vlaanderen gestegen met 2,1%.
Algemene beschrijving
nationale omzet 2004 = 31.013 miljoen euro
65
3.4 Buitenlandse handel De totale Belgische handel in landbouwproducten (producten die verband houden met landbouw, tuinbouw en visserij) vertoont in 2004 een positieve balans van 2.304 miljoen euro. Vooral de dierlijke producten dragen bij tot dit positieve saldo (tabel 3.4). Hiermee vertegenwoordigen de landbouwproducten respectievelijk 9,4% en 9,7 % van de import en export van de totale Belgische handel. Op het vlak van het totale handelssaldo is de sector zelfs verantwoordelijk voor 13,5%.
Algemene beschrijving
Tabel 3.4: Buitenlandse handel in landbouwproducten per productcategorie, België, miljoen euro, 2004
66
invoer
uitvoer
saldo
akkerbouwproducten
7.260
7.930
670
dierlijke producten
4.332
5.873
1.542
tuinbouwproducten
4.434
4.602
167
andere producten en derivaten
3.859
3.188
-671
agro-industriële producten *
1.657
2.254
597
totale handel landbouwproducten** algemene Belgische handel
21.542
23.846
2.304
229.617
246.697
17.080
*: Andere producten: vis en andere zeeproducten, oliën, vetten, veevoeders en dranken. **: Agro-industriële producten: meststoffen, bestrijdingsmiddelen en landbouwmaterieel. Bron: eigen berekeningen, Eurostat
Bijna driekwart van de totale import van landbouwproducten komt uit landen van de Europese Unie. Figuur 3.28 toont aan dat onze belangrijkste Europese handelspartners Frankrijk, Nederland en Duitsland zijn, die samen bijna 60% van de totale Belgische import van landbouwproducten voor hun rekening nemen. Bijna 87% van de Belgische uitvoer van landbouwproducten gaat naar landen binnen de EU. De belangrijkste partnerlanden wat betreft de uitvoer van landbouwproducten zijn Frankrijk, Nederland, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk. Samen zijn deze 4 landen goed voor ruim 69% van de totale Belgische uitvoer van landbouwproducten.
Figuur 3.28: Buitenlandse handel in landbouwproducten met de voornaamste Europese handelspartners, België, miljoen euro, 2004
1. Invoer 6 5 4 3
1 0
akkerbouw
dierlijke
tuinbouw
andere producten
agro-industriële producten
akkerbouw
dierlijke
tuinbouw
andere producten
agro-industriële producten
2. Uitvoer
6 5 4 3 2 1 0
Bron: eigen berekeningen, Eurostat
Algemene beschrijving
2
67
3.5 Werkgevers In 2005 telde de Belgische voedingsindustrie 5.604 werkgevers, waarvan 4.276 minder dan 10 werknemers in dienst hadden en minder dan één vijfde van de totale werkgelegenheid van de bedrijfstak vertegenwoordigden (tabel 3.5). De middelgrote werkgevers, d.w.z. die met 10 tot 49 werknemers, en die met 50 tot 99 werknemers waren met respectievelijk 1.048 en 128. Tenslotte telde 2005 ook 152 grote werkgevers (met meer dan 100 werknemers). Het gemiddeld aantal werknemers per werkgever bedroeg 15,9.
Algemene beschrijving
Tabel 3.5: Werkgevers in de voedingsindustrie en de omvang van hun ondernemingen, België, 2002-2005
68
2002 < 10
2003
2004
2005
aandeel in 2005
4.569
4.502
4.345
4.276
76%
10 - 49
974
1.011
1.063
1.048
19%
50 - 99
124
136
127
128
2%
> 100
151
148
148
152
3%
totaal
5.818
5.797
5.683
5.604
100%
Bron: RSZ
3.6 Tewerkstelling Volgens werkgelegenheidsgegevens van het RSZ, telde de Belgische voedingsindustrie in 2005 89.095 werknemers, tegenover 89.711 in 2004. Hiermee heeft de voedingsindustrie nu 15,4% van de totale werkgelegenheid in de industrie. Binnen de verwerkende industrie bevindt de voedingsindustrie zich op de tweede plaats wat betreft de werkgelegenheid, na de sector metallurgie en metaalproducten (17,6%). De grootste subsectoren binnen de voedingsindustrie zijn de bakkerijen, de vleessector en de drankenindustrie, samen goed voor meer dan de helft van de werkgelegenheid. Volgens de hoofdverblijfplaats van de werknemer, neemt Vlaanderen 69% van de tewerkstelling in de voedingsindustrie voor zijn rekening wat overeenkomt met 61.373 werknemers (figuur 3.29). Hiervan zijn bijna twee derde arbeiders en ruim één derde bedienden. Wat betreft het geslacht is dezelfde verhouding terug te vinden: bijna twee derde van de werknemers in de voedingsindustrie zijn mannen, terwijl ruim één derde vrouwen zijn. De laatste tien jaar ziet men het aandeel van de vrouwen in de totale werkgelegenheid van de Belgische voedingsindustrie voortdurend toenemen.
Figuur 3.29: Verdeling van de tewerkstelling in de voedingsindustrie volgens provincies, 2005
3.7 Besteding gezinsbudget aan voedingsproducten In 2004 besteedde elk gezin gemiddeld 4.695 euro aan voeding en drank (figuur 3.30). Dit komt overeen met 14,7% van het gezinsbudget. Binnen de voeding en drank gaat 21,3% van de uitgaven naar vlees, terwijl 17,4 % aan drank wordt besteed en 15,2% aan graanproducten. Figuur 3.30: Verdeling van het gezinsbudget, 2004
cultuur, ontspanning, onderwijs 9%
andere goederen en diensten 20%
vervoer en communicatie 16%
zuivel en eieren 11,2%
groenten en aardappelen 7,6% dranken fruit 17,4% 6,4% andere 16,2%
voeding en drank 15%
gezondheid 4% meubelen en huishoudtoestellen 6%
woonadres of tweede woning 25%
kleding en schoeisel 5%
Bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
vis 4,7%
vlees 21,3%
graanproducten 15,2%
Algemene beschrijving
Bron: RSZ
69
4 Vlaamse landbouw in Europese context Met een aandeel van minder dan 1% in de Europese cultuuroppervlakte en het aantal bedrijven is de Vlaamse landbouw relatief bescheiden te noemen (tabel 3.6). De waarden voor de veestapel situeren zich duidelijk op een hoger niveau, zeker voor de varkensstapel. Dit onderstreept het belang van de Vlaamse veehouderij.
Algemene beschrijving
Ook het Vlaamse aandeel in de eindproductiewaarde van de EU is groter dan 1%, wat wijst op een vrij intensieve Vlaamse landbouw. Omdat grond relatief schaars en duur is in het dichtbevolkte Vlaanderen, ligt de productie per eenheid van oppervlakte hoger.
70
Tabel 3.6: Aandeel van Vlaanderen en de lidstaten in de Europese landbouw, 2003
oppervlakte cultuurgrond
aantal bedrijven
rundveestapel varkensstapel pluimveestapel
productiewaarde *
Vlaanderen
0,4
0,4
1,6
4,1
1,8
1,7
België
0,9
0,6
3,1
4,3
2,1
2,3
Nederland
1,3
0,9
4,3
7,4
5,4
6,5
Frankrijk
17,8
6,2
21,7
10,0
19,5
18,8
Duitsland
10,9
4,2
15,5
17,3
8,3
12,8
Luxemburg
0,1
0,0
0,2
0,1
0,0
0,1
Verenigd Koninkrijk
10,3
2,8
11,9
3,2
11,6
7,1
EU-15
80,8
63,2
88,3
80,3
79,5
90,3
EU-25
100
100
100
100
100
100
*: raming Bron: eigen berekeningen, Eurostat, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
In figuur 3.31 wordt een vergelijking van de structuur van de eindproductiewaarde weergegeven per product. Hieruit blijkt dat de Vlaamse landbouw met een aantal specialisaties afwijkt van het gemiddelde Europese productiepatroon. Vooral het aandeel van varkens en in mindere mate van groenten, NET en rundvlees zijn hoger gesitueerd. Voor granen en in mindere mate voor melk, is het aandeel beduidend lager.
Figuur 3.31: Aandeel van enkele belangrijke producten in de totale eindproductiewaarde (totale eindproductiewaarde van Vlaanderen en EU-25 = 100%), 2004
35 30 25 20 15 10
0 granen
suiker- aard- groenten fruit bieten appelen Vlaamse eindproductiewaarde
NET
runderen varkens pluimvee melk
eieren
eindproductiewaarde van EU-25
Bron: eigen berekeningen, Eurostat
Ondanks de talrijke tuinbouwbedrijven en de intensieve veeteeltbedrijven, bedraagt de gemiddelde oppervlakte nog 17,4 ha in 2003. Hiermee ligt Vlaanderen net iets boven het Europees gemiddelde van de 25 lidstaten, maar onder dat van de 15 lidstaten (tabel 3.7). Wat het aantal dieren per bedrijf betreft, ligt Vlaanderen duidelijk ver boven het Europees gemiddelde. Tabel 3.7: Gemiddelde bedrijfsgrootte in Vlaanderen en enkele EU-lidstaten, 2003
Vlaanderen
oppervlakte cultuurgrond per bedrijf (ha) 17,4
runderen per bedrijf
varkens per bedrijf
70,5
829,8
België
25,4
82,7
756,3
Nederland
52,3
92,4
284,2
Frankrijk
41,2
68,9
254,7
Duitsland
45,3
78,4
327,5
Luxemburg
23,5
95,9
1.040,9
Verenigd Koninkrijk
57,4
95,5
445,3
EU-15
20,2
57,8
189,4
EU-25
15,8
33,8
70,2
Bron: Eurostat, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
Figuur 3.32 geeft het aandeel biologisch areaal weer ten opzichte van de oppervlakte cultuurgrond. Met 1,7% situeert België zich in 2004 ver achter het Europese gemiddelde van 3,9%. Vlaanderen, waar het aandeel biologisch areaal slechts 0,5% bedraagt, doet het nog slechter.
Algemene beschrijving
5
71
Figuur 3.32: Aandeel van biologische landbouw in totale oppervlakte cultuurgrond voor Vlaanderen en voor enkele EUlidstaten, %, 1995-2004 5 4 3
Algemene beschrijving
2
72
1 0 Vlaanderen
België
Frankrijk
1995
Luxemburg
Duitsland
2000
2001
2002
Nederland
2003
Verenigd Koninkrijk
EU-25
2004
Bron: Beleidsdomein Landbouw en Visserij, Eisfom
De Belgische agrarische sector is sterk internationaal gericht. In tegenstelling tot enkele andere lidstaten, die netto importeur zijn van agro-voedingswaren, sluit de handelsbalans voor België duidelijk af met een positief saldo. De agro-voedingsproducten vertegenwoordigen een relatief belangrijk aandeel in de totale handel (tabel 3.8). Tabel 3.8: Handelssaldo van de agro-voedingswaren en het aandeel van deze producten in de totale handel van de desbetreffende regio, 2004
+2.304
aandeel van agro- voedingswaren in totale import 9,4%
aandeel van agro- voedingswaren in totale export 9,7%
handelssaldo (miljoen euro) België Luxemburg
-931
10,0%
5,2%
Duitsland
-8.054
8,5%
5,6%
Frankrijk
+6.527
9,5%
11,6%
Nederland
+18.351
10,1%
15,4%
Verenigd Koninkrijk
-19.041
10,0%
6,7%
EU-25
-12.790
9,6%
9,0%
Bron: eigen berekeningen, Eurostat
De akkerbouwsector De akkerbouw omvat een brede waaier van gewassen: granen, nijverheidsgewassen (suikerbieten, vlas, koolzaad,…), aardappelen en droog geoogste peulvruchten. De analyse in dit hoofdstuk wordt toegespitst op de 3 belangrijkste teelten: granen, aardappelen (exclusief pootaardappelen) en suikerbieten. De voedergewassen (voedermaïs, weiden,…), die vooral verband houden met de rundveehouderij, werden niet als akkerbouwteelt beschouwd, maar werden opgenomen in het hoofdstuk ‘De rundveesector’.
1 Structuur
Van de totale Vlaamse oppervlakte cultuurgrond is bijna één derde bestemd voor akkerbouwgewassen (202.700 ha in 2005). De graanteelt vertegenwoordigt het grootste aandeel in het akkerbouwareaal. Aardappelen en suikerbieten komen op de tweede en derde plaats (figuur 4.1). Figuur 4.1: Bestemming van de oppervlakte cultuurgrond, 2005
tuinbouw 7,8% andere 1,3% aardappelen 19,2% suikerbieten 16,2%
akkerbouw 32,2% granen 57,2% voedergewassen 58,7%
vlas 3,3% cichorei 1,4% andere 0,9% zaai- en pootgoed 1,8%
totale oppervlakte cultuurgrond 2005 = 629.684 ha Bron: eigen berekeningen, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
Het akkerbouwareaal is sinds 2001 licht toegenomen, wat vooral toe te schrijven is aan de lichte uitbreiding van het areaal granen (figuur 4.2).
De akkerbouwsector
1.1 Areaal
73
De akkerbouwsector
Figuur 4.2: Evolutie van het akkerbouwareaal, ha, 1995-2005
74
Bron: eigen berekeningen, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
Vlaanderen neemt minder dan de helft van het nationale akkerbouwareaal voor haar rekening. Per provincie beschouwd, beschikt West-Vlaanderen over de grootste oppervlakte akkerbouw (figuur 4.3). Figuur 4.3: Verdeling van het akkerbouwareaal over de gewesten en provincies, 2005
Wallonië en Brussel 288.786 ha (58,8%)
Vlaanderen 202.700 ha (41,2%)
Antwerpen 10.245 ha (5,0%) Limburg 28.167 ha (13,9%) Oost-Vlaanderen 42.293 ha (20,9%) Vlaams-Brabant 43.910 ha (21,7%) West-Vlaanderen 78.085 ha (38,5%)
Bron: eigen berekeningen, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
Granen De graanteelt beslaat een oppervlakte van 116.032 ha. Tarwe vormt het grootste aandeel, gevolgd door korrelmaïs (figuur 4.4).
Figuur 4.4: Verdeling van het graanareaal over de diverse graangewassen, 2005
korrelmaïs 21%
andere 2%
triticale 5% tarwe 62%
gerst 10%
Bron: eigen berekeningen, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
De oppervlakte korrelmaïs is in de afgelopen 10 jaar meer dan verviervoudigd, terwijl deze van gerst een dalende tendens vertoont (figuur 4.5). De uitbreiding van de oppervlakte korrelmaïs doet zich zowel voor op veebedrijven als op niet-veebedrijven, maar op de veebedrijven kent de korrelmaïsteelt de sterkste uitbreiding. Veel veebedrijven hebben een ruwvoeroverschot, wat ruimte schept voor deze teelt. Figuur 4.5: Evolutie van het graanareaal, ha, 1995-2005
Bron: eigen berekeningen, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
De akkerbouwsector
totaal graanareaal 2005= 116.032 ha
75
De graanteelt is vooral verspreid over de provincies West-Vlaanderen en in mindere mate VlaamsBrabant (figuur 4.6). Figuur 4.6: Verdeling van het graanareaal over de gewesten en provincies, 2005
Antwerpen 6.544 ha (5,6%) Limburg 17.346 ha (15,0%)
De akkerbouwsector
Wallonië en Brussel 177.736 ha (60,5%)
76
Vlaanderen 116.032 ha
Oost-Vlaanderen 24.192 ha (20,8%) Vlaams-Brabant 30.366 ha (26,2%) West-Vlaanderen 37.585 ha (32,4%)
Bron: eigen berekeningen, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
Aardappelen Het aardappelareaal (38.960 ha in 2005) schommelt van jaar tot jaar (figuur 4.7). Volgens het oogsttijdstip wordt de teelt ingedeeld in vroege aardappelen en in bewaaraardappelen. De vroege aardappelen vertegenwoordigen 24% van het aardappelareaal. Hoewel Bintje aan belang inboet, blijft dit aardappelras met een aandeel van 73% in het areaal bewaaraardappelen, de meest geteelde variëteit. Figuur 4.7: Evolutie van het aardappelareaal, ha, 1995-2005
vroege aardappelen bintje totaal aardappelen Bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
totaal bewaaraardappelen andere bewaaraardappelen
De aardappel is het enige belangrijke akkerbouwproduct dat in Vlaanderen een groter areaal inneemt dan in Wallonië. Vooral voor de vroege aardappelen domineert Vlaanderen. West-Vlaanderen is de Vlaamse provincie waar de meeste aardappelen worden geteeld (figuur 4.8). Figuur 4.8: Verdeling van het aardappelareaal over de gewesten en provincies, 2005
1. Vroege aardappelen
Vlaanderen 9.410 ha (85,7%)
2. Bewaaraardappelen
Antwerpen 1.997 ha (6,8%) Wallonië en Brussel 21.966 ha (42,6%)
Limburg 1.895 ha (6,4%) Vlaanderen 29.549 ha (57,4%)
Oost-Vlaanderen 7.834 ha (26,5%) Vlaams-Brabant 4.000 ha (13,5%) West-Vlaanderen 13.824 ha (46,8%)
Bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
De akkerbouwsector
Wallonië en Brussel 1,574 ha (14,3%)
Antwerpen 424 ha (4,5%) Limburg 197 ha (2,1%) Oost-Vlaanderen 1.889 ha (20,1%) Vlaams-Brabant 408 ha (4,3%) West-Vlaanderen 6.492 ha (69,0%)
77
Suikerbieten Het areaal suikerbieten (32.747 ha) blijft, als gevolg van het quotumsysteem, redelijk stabiel. De Vlaamse provincie met het grootste areaal suikerbieten is West-Vlaanderen (figuur 4.9). Figuur 4.9: Verdeling van het areaal suikerbieten over de gewesten en provincies, 2005
De akkerbouwsector
Wallonië en Brussel 52.780 ha (61,7%)
Antwerpen 825 ha (2,5%) Limburg 5.756 ha (17,6%) Oost-Vlaanderen 5.900 ha (18,0%) Vlaams-Brabant 7.270 ha (22,2%) West-Vlaanderen 12.995 ha (39,7%)
Vlaanderen 32,747 ha (38,3%)
Bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
1.2 Productie-eenheden 1.2.1 Aantal bedrijven Ongeveer 15% van de Vlaamse landbouwexploitaties (of 5.189 bedrijven in 2005) zijn gespecialiseerde akkerbouwbedrijven. Het aantal bedrijven met akkerbouwgewassen is echter veel groter. Zo telde men in mei 2005 18.428 bedrijven met akkerbouwgewassen of 54% van de Vlaamse bedrijven. Dit percentage varieert van 25% in Antwerpen tot 70% in Vlaams-Brabant (figuur 4.10). Figuur 4.10: Aandeel bedrijven met akkerbouwgewassen in het totaal aantal landbouwbedrijven per provincie, %, 2005 80
60
gemiddelde voor Vlaanderen
40
20
0 Antwerpen
Limburg
OostVlaanderen
VlaamsBrabant
Bron: eigen berekeningen, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
78
WestVlaanderen
Het aantal exploitaties met akkerbouw vertoont een duidelijk dalende trend (- 26% t.o.v. 1995) (figuur 4.11). De meeste exploitaties zijn gesitueerd in West-Vlaanderen (38%). 1.2.2 Bedrijfsgrootte De combinatie van een lichte toename van het totaal akkerbouwareaal en een daling van het aantal akkerbouwbedrijven, wijst op een schaalvergroting. De gemiddelde oppervlakte met akkerbouwgewassen per bedrijf stijgt in de beschouwde periode met 44% en bereikt in 2005 11 ha (figuur 4.11). In Wallonië is dit kengetal veel groter (29 ha).
12
25.000
10
20.000
8
15.000
6
10.000
4
5.000
2
0
1995
1996
1997
1998
aantal bedrijven
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
gemiddelde oppervlakte (ha)
30.000
0
gemiddelde oppervlakte per bedrijf
Bron: eigen berekeningen, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
Een indeling per grootteklasse leert dat de helft van het akkerbouwareaal geëxploiteerd wordt door 15% van de bedrijven (tabel 4.1). De meeste bedrijven hebben minder dan 5 ha akkerbouw, maar vertegenwoordigen slechts 9% van het akkerbouwareaal en zijn meestal geen gespecialiseerde akkerbouwbedrijven.
De akkerbouwsector
aantal bedrijven
Figuur 4.11: Evolutie van het aantal bedrijven met akkerbouwgewassen en de gemiddelde oppervlakte akkerbouwgewassen per bedrijf, 1995-2005
79
Tabel 4.1: Indeling van de bedrijven met akkerbouwgewassen per grootteklasse, %, 2005
De akkerbouwsector
aantal ha akkerbouw per bedrijf <5
80
aandeel van de bedrijven
aandeel van het akkerbouwareaal
44,5
9,1
5 tot 10
21,3
13,7
10 tot 20
18,7
24,0
20 tot 30
7,8
17,2
30 tot 40
3,5
11,0
40 tot 50
1,6
6,4
> 50≥
2,6
18,6
geheel van de bedrijven
100
100
Bron: eigen berekeningen, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
1.3 Economisch belang voor de gemeenten In het merendeel van de gemeenten worden akkerbouwgewassen geteeld, maar het belang ervan varieert sterk (figuur 4.12). De gemeenten waar de akkerbouw een belangrijke plaats inneemt, zijn gesitueerd ten oosten van Brussel en in mindere mate in de Polders en in de streek rond Oudenaarde. Figuur 4.12: Belang van de akkerbouwsector per gemeente, 2004
Bron: eigen berekeningen op basis van BSS
2 Productie
2.1 Productievolume Granen De graanproductie in 2005 bedraagt 1.025.967 ton, wat 42% uitmaakt van de nationale productie. De productie is de laatste jaren toegenomen, wat toe te schrijven is aan de uitbreiding van de korrelmaïsteelt (figuur 4.13). Tarwe is het belangrijkste graangewas, gevolgd door korrelmaïs. Figuur 4.13: Evolutie van het productievolume van de granen, 1.000 ton, 1995-2005
tarwe korrelmaïs
gerst
Bron: eigen berekeningen, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
Aardappelen De aardappelproductie (1.677.556 ton in 2005) vertegenwoordigt 62% van de nationale aardappelproductie (87% voor de vroege en 57% voor de bewaaraardappelen) en is tussen 1995 en 2005 licht toegenomen (figuur 4.14).
De akkerbouwsector
totaal granen triticale
81
Figuur 4.14: Evolutie van het productievolume van de aardappelen, 1 000 ton, 1995-2005
2.500
2.000
1.500
De akkerbouwsector
1.000
82
500
0
1995
1996
1997
1998
1999
2000
2001
2002
2003
vroege aardappelen
totaal aardappelen
2004
2005
bewaaraardappelen
Bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
Suikerbieten De suikerbietenproductie blijft redelijk stabiel en bedraagt 2.229.421 ton in 2005 of 37% van de nationale productie (figuur 4.15). Figuur 4.15: Evolutie van het productievolume van suikerbieten, 1 000 ton, 1995-2005
4.000
3.000
2.000
1.000
0
1995
1996
1997
1998
1999
2000
Bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
2001
2002
2003
2004
2005
2.2 Productiewaarde Met een eindproductiewaarde van 434 miljoen euro (voorlopig cijfer) is de akkerbouw goed voor 10% van de waarde van de Vlaamse land- en tuinbouwproductie in 2004. Het aandeel van de akkerbouwsector is hiermee beduidend lager dan deze van de veeteelt (± 60%) en de tuinbouw (± 30%) (figuur 4.16). Wat de individuele gewassen betreft, is de aardappel het belangrijkste akkerbouwproduct. De aardappelen realiseren in 2004 43% van de omzet in de akkerbouwsector, de suikerbieten (26%) en de granen (15%). Deze aandelen fluctueren over de jaren heen. De aardappelen vertonen hierbij de grootste variaties.
Figuur 4.16: Structuur van de eindproductiewaarde, 2004
tuinbouw 29,8%
suikerbieten 26,4%
akkerbouw 9,7%
aardappelen 43,3%
veeteelt 60,5%
totale eindproductiewaarde 2004 = 4.470 miljoen euro Bron: Beleidsdomein Landbouw en Visserij
andere 15,0%
granen 15,3%
De akkerbouwsector
Vlaanderen heeft een aandeel van 50% in de nationaal gerealiseerde waarde voor de akkerbouw. Enkel voor aardappelen neemt Vlaanderen meer dan de helft voor zijn rekening.
83
3 Aanwending van de productie
3.1 Consumptie In tabel 4.2 worden de aankoopcijfers van de voornaamste voedingsartikelen op basis van akkerbouwproducten door de gezinnen weergegeven. Door een gewijzigd consumptiepatroon (meer substitutieproducten, bereide gerechten (kant en klaar), meer eten buitenshuis,…) neemt de aankoop van deze artikelen af in volume. Met uitzondering van de verse aardappelen, is deze afname ook in geldwaarde merkbaar.
De akkerbouwsector
Tabel 4.2: Evolutie van de aankoop van producten op basis van akkerbouwproducten, 2000-2005
84
kg per inwoner 2000 verse aardappelen verwerkte aardappelen in diepvries brood (in eenheden) bloem
euro per inwoner
2005
2000
2005
43,3
38,3
12,95
17,93
5,1
4,9
5,78
5,58
106,8
87,4
134,66
127,01
10,1
7,0
5,85
4,58
Bron: GfK Panel Services Benelux, VLAM
3.2 Zelfvoorzieningsgraad De suiker- en aardappelsector hebben een zelfvoorzieningsgraad groter dan 100, wat wil zeggen dat de nationale productie groter is dan de nationale behoefte. Deze sectoren zijn sterk exportgericht. België is niet zelfvoorzienend wat de granen betreft (tabel 4.3). Tabel 4.3: Zelfvoorzieningsgraad van enkele belangrijke akkerbouwproducten, 2003/2004
zelfvoorzieningsgraad (%) granen
47
aardappelen
172
witte suiker
207
Bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
3.3 Buitenlandse handel In geldwaarde uitgedrukt, vertoont de buitenlandse handel voor het geheel van de akkerbouwproducten in 2004 een positief saldo van 670 miljoen euro. De handelsbalans voor enkele belangrijke akkerbouwproducten wordt weergegeven in tabel 4.4. Vooral de graanproducten en de aardappelen dragen bij tot dit positief saldo. Tabel 4.4: Buitenlandse handel in akkerbouwproducten per productcategorie, België, miljoen euro, 2004
invoer granen graanproducten
uitvoer
saldo
888,9
328,8
-560,2
2.214,0
867,7
255,7
767,1
511,4
suiker
627,3
746,9
119,5
oliehoudende zaden en producten
1.671,2
981,9
-689,2
overige gewassen en derivaten
2.470,8
2.891,5
420,7
totaal akkerbouwproducten
7.260,2
7.930,1
669,9
waarvan: intra-EU-25
5.527,9
6.610,0
1.082,1
Bron: eigen berekeningen, Eurostat
Qua import- en exportwaarde vertegenwoordigt de akkerbouw respectievelijk 34% en 33% van de totale invoer- en uitvoerwaarde van de landbouwproducten. Figuur 4.17 toont aan dat onze belangrijkste handelspartners Frankrijk, Nederland en Duitsland zijn. Er wordt echter ook veel handel gevoerd met landen buiten de EU-25: 24% voor de invoer en 17% voor de uitvoer. Figuur 4.17: Buitenlandse handel in akkerbouwproducten volgens handelspartner, België, 2004
1. Invoer
andere 33%
Verenigd Koninkrijk 3% Duitsland 11%
Nederland 24%
Frankrijk 29%
De akkerbouwsector
1.346,3
aardappelen
85
2. Uitvoer
Nederland 21%
andere 33%
Frankrijk 23% Verenigd Koninkrijk 9%
De akkerbouwsector
Duitsland 14%
86
Bron: eigen berekeningen, Eurostat
4 Rendabiliteit
4.1 Prijsevolutie Granen De graanprijs wordt beïnvloed door het gemeenschappelijke marktprijsbeleid in de graansector (zie verder). Door de geleidelijke afbouw van de prijsondersteuning van granen en de invoering van een hectaresteun, is de prijs aan de producent gedaald en heeft het marktmechanisme meer invloed op de prijsvorming (figuur 4.18). De hoge prijs in 2003/04 is te wijten aan lagere oogstresultaten in Europa als gevolg van een langdurige droogte. In 2004/05 is de Europese graanvoorraad opnieuw ruimer door een recordoogst met lagere prijzen als gevolg. Ook in het begin van het verkoopseizoen 2005/06 blijft er een prijsdruk bestaan door een ruim aanbod.
Figuur 4.18: Evolutie van de prijs aan producent voor broodtarwe en voedertarwe, België, euro per 100 kg, 1995/962004/2005
16 12 8 4 0
1995/96 1996/97 1997/98 1998/99 1999/00 2000/01 2001/02 2002/03 2003/04 2004/05 voedertarwe
Bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
Aardappelen De gemiddelde seizoenprijs voor aardappelen vertoont op de vrije markt een sterk fluctuerend verloop (figuur 4.19). De marktprijs is vooral afhankelijk van de totale oogstomvang en de kwaliteit. De consumptieaardappelteelt is immers niet onderworpen aan een gemeenschappelijke marktprijsordening. Verder is de vraag vrij inelastisch, zodat een relatief kleine variatie in de productiehoeveelheid een grote prijsverandering veroorzaakt. De hoogste prijzen worden genoteerd in het seizoen 1998/99 en 2003/04. Het seizoen 1998/99 kende een beperkt aanbod door de slechte najaarsomstandigheden in 1998, terwijl het oogstjaar 2003/04 gekenmerkt wordt door een kleiner areaal en lagere opbrengsten door de droogte. In 2004/05 dalen de prijzen als gevolg van de enorme Europese aardappelvoorraden. De oogst 2005 is veel kleiner, wat resulteert in hogere prijzen tijdens het verkoopseizoen 2005/06. Om de schommelingen op de vrije markt op te vangen, worden er contracten afgesloten. Ongeveer 40% van de aardappelen wordt in Vlaanderen onder contract geteeld. Figuur 4.19: Evolutie van de aardappelprijs aan producent op de vrije markt, België, euro per 100 kg, 1995/96-2004/2005
20 16 12 8 4 0
1995/96 1996/97 1997/98 1998/99 1999/00 2000/01 2001/02 2002/03 2003/04 2004/05
De akkerbouwsector
broodtarwe
Bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
87
Verder wordt ook een belangrijk gedeelte van de consumptieaardappelen rechtstreeks verkocht aan de consument. Uit cijfers van GfK blijkt dat ongeveer 17% van de aangekochte aardappelen door de Vlaamse gezinnen rechtstreeks bij de producent gekocht wordt. Suikerbieten De suikerprijs wordt sterk beïnvloed door het gemeenschappelijke marktbeleid (zie verder). In figuur 4.20 wordt de prijsevolutie van de suikerbieten weergegeven. De prijzen voor de bieten geleverd binnen quotum A+B bleven in de beschouwde periode redelijk stabiel. Deze prijzen zullen echter met de MTR vanaf 2006/07 gevoelig dalen.
De akkerbouwsector
De prijs van de C-bieten (verkocht op de wereldmarkt) en de gewogen prijs op basis van de hoeveelheden A, B en C-suiker vertonen een fluctuerend verloop.
88
In de campagne 2005/06 is de wereldmarktprijs zeer gunstig. De markt reageert op de hervormingen van het Europees suikerbeleid, dat een productiedaling voorziet, en de te verwachten stijgende vraag naar bio-ethanol in Brazilië, die het aanbod op de wereldmarkt doet dalen. Figuur 4.20: Evolutie van de prijs aan producent voor suikerbieten (16%), België, euro per 100 kg, 1995/96-2004/2005
1995/96 1996/97 1997/98 1998/99 1999/00 2000/01 2001/02 2002/03 2003/04 2004/05 A+B-suikerbieten
C-suikerbieten
gewogen prijs
Bron: eigen berekeningen, CBB
De uiteindelijk betaalde prijs aan producent wordt eveneens beïnvloed door het suikergehalte. Dit stijgt de laatste jaren, met een uitzonderlijk jaar in 2003/04 door zeer goede weersomstandigheden (figuur 4.21).
Figuur 4.21: Evolutie van het suikergehalte (%) van de bieten, België, 1995/96-2004/2005
18,5 18,0 17,5 17,0 16,5 16,0 15,5 15,0 1995/96 1996/97 1997/98 1998/99 1999/00 2000/01 2001/02 2002/03 2003/04 2004/05 Bron: CBB
In tabel 4.5 wordt het arbeidsinkomen weergegeven van de gespecialiseerde akkerbouwbedrijven (productierichting 1 en 6) die bij het AMS-boekhoudnet aangesloten zijn. Het arbeidsinkomen per volwaardige arbeidskracht (VAK) bedraagt gemiddeld voor de periode 2001 tot 2003 25.835 euro of 80% van het vergelijkbaar inkomen. Het jaar 2003 was een goed jaar voor de akkerbouwbedrijven. Tabel 4.5: Arbeidsinkomen van de gespecialiseerde akkerbouwbedrijven, 2001-2003
2001 arbeidsinkomen (euro per ha cultuurgrond) arbeidsinkomen (euro per volwaardige arbeidskracht)
2002
2003
959
772
1.130
26.705
19.529
31.272
Bron: Beleidsdomein Landbouw en Visserij
Veel gespecialiseerde akkerbouwbedrijven hebben naast de akkerbouwteelten ook nog andere activiteiten, wat blijkt uit de structuur van de opbrengsten (figuur 4.22). De opbrengsten uit marktbare gewassen maken ongeveer 64% van de totale opbrengsten uit. De compensatiebedragen per ha voor deze gewassen zijn echter in de post overige opbrengsten geklasseerd.
De akkerbouwsector
4.2 Financiële resultaten
89
Figuur 4.22: Structuur van de opbrengsten per ha voor de gespecialiseerde akkerbouwbedrijven, 2003
overige opbrengsten 10,4%
pluimvee 17,4%
marktbare gewassen 63,6%
varkens 3,0%
De akkerbouwsector
rundvee en voedergewassen 5,6%
90
Bron: Beleidsdomein Landbouw en Visserij
Figuur 4.23 geeft een verdeling weer van de totale kosten per ha beteelde oppervlakte. De toegerekende lonen van de familiale arbeidskrachten maken 31% uit van de totale kosten. Ook hier zijn een niet onbelangrijk deel van de kosten toe te wijzen aan andere activiteiten op het bedrijf. Figuur 4.23: Structuur van de kosten per ha voor de gespecialiseerde akkerbouwbedrijven, 2003
grond- en gebouwenkapitaal 12,2% bestrijdingsmiddelen 5,7% zaai- en pootgoed 5,9% aangekochte meststoffen 3,9% veevoeder eigen bedrijf aangekocht 0,7% veevoeder 15,0%
overige kosten 6,8% berekende lonen 30,9%
betaalde lonen 2,3% werk door derden 5,6% werktuigkosten 11,0%
Bron: Beleidsdomein Landbouw en Visserij
Voor de voornaamste marktbare akkerbouwgewassen is het bruto saldo gestegen in 2003, wat toe te schrijven is aan de stijging van de gemiddelde opbrengst per ha en de goede prijsvorming (tabel 4.6).
Tabel 4.6: Gemiddelde resultaten van de akkerbouwproducten, 2001-2003
2001
2002
2003
wintertarwe rendement in kg per ha
7.781
7.921
8.652
opbrengst in euro per 100 kg
11,65
10,41
13,40
636
530
841
57.057
65.166
69.266
bruto saldo in euro per ha suikerbieten rendement in kg per ha opbrengst in euro per 100 kg bruto saldo in euro per ha
4,24
4,26
1.838
1.968
37.559
45.771
41.925
9,47
5,72
11,72
2.222
1.112
3.467
aardappelen rendement in kg per ha opbrengst in euro per 100 kg bruto saldo in euro per ha Bron: Beleidsdomein Landbouw en Visserij
5 Specifiek beleid Het beleid in de akkerbouwsector is de laatste jaren grondig gewijzigd en wordt vooral Europees gestuurd. Voor veel akkerbouwproducten (granen, suiker en nijverheidsteelten) bestaat er een specifieke gemeenschappelijke marktordening, die aangevuld werd met maatregelen genomen in het kader van de MTR. In het hoofdstuk Landbouwbeleid werd reeds uitvoerig de algemene invulling van de MTR in Vlaanderen beschreven. In dit hoofdstuk wordt enkel het specifieke prijsondersteuningsmechanisme toegelicht voor de graan- en suikermarkt. Voor de consumptie-aardappelen bestaat er geen Europese marktordening. Granen De Europese marktordening in de graansector omvat een regeling voor de interne markt en een regeling voor het handelsverkeer met derde landen. De belangrijkste beleidsinstrumenten voor de interne markt zijn de interventieprijs met bijhorende interventieregeling en de steun voor akkerbouwgewassen. Bepaalde granen kunnen tijdens de interventieperiode ter interventie aangeboden worden onder welbepaalde voorwaarden van kwaliteit en kwantiteit. Voor deze granen wordt een interventieprijs vastgesteld (101,3 euro per ton sinds 2001/02), die betrekking heeft op het groothandelsstadium. Bovenop deze basisinterventieprijs zijn er nog stockagevergoedingen voorzien.
De akkerbouwsector
4,70 1.706
91
De akkerbouwsector
De interventieprijs voor granen is sinds de Mc. Sharryhervorming in fasen gedaald. Om het verlies aan inkomen voor de producenten te compenseren, worden sinds de campagne 1993/94 directe inkomenstoeslagen gegeven voor alle graangewassen, inclusief maïs. Deze premies zijn vaste bedragen per hectare, afhankelijk van de landbouwstreek en worden berekend door de gemiddelde historische graanrendementen van de landbouwstreken (referentierendement) te vermenigvuldigen met het compensatiebedrag in euro per ton graan. Naarmate de interventieprijs verder daalde is het compensatiebedrag groter geworden. In 2004 bedroeg dit 63 euro per ton. Tot 2005 was deze rechtstreekse steun een areaalsteun. Vanaf 2005 is de rechtstreekse steun voor de granen vervat in een unieke, ontkoppelde bedrijfstoeslag (zie hoofdstuk Landbouwbeleid).
92
Door de gemeenschappelijke markt voor granen binnen de Unie, ontstaat de noodzaak van een regeling voor het handelsverkeer aan de buitengrenzen. De regeling voor het handelsverkeer met derde landen is een complex systeem van invoerrechten en vaste douanetarieven, aangevuld met invoercontingenten met tariefkortingen op basis van akkoorden met bepaalde landen, en uitvoersubsidies (restituties) om het prijsverschil tussen de wereldmarkt en de interne markt op te vangen. Suikerbieten Het suikerbeleid dat momenteel van toepassing is, wordt geregeld door een systeem bestaande uit gegarandeerde prijzen en productiequota, invoerrechten en uitvoerrestituties. Net zoals in de graansector bestaat in de suikersector de mogelijkheid tot aankoop van suiker door interventiebureaus. De interventieprijs wordt vastgesteld voor suiker van een welbepaalde kwaliteit, voor de gebieden zonder tekort. Voor witte suiker bedraagt de interventieprijs 63,19 euro per 100 kg (prijs geldig vanaf seizoen 2001/02 tot 20005/06). Voor de andere productiegebieden stelt de Europese Commissie afgeleide interventieprijzen vast, rekening houdend met de kosten van vervoer van suiker van gebieden met een overschot naar gebieden met een tekort. Uit de interventieprijzen worden basisprijzen voor suikerbieten van standaardkwaliteit afgeleid die de suikerfabrikanten in acht moeten nemen bij de aankoop van suikerbieten binnen het quotum. De huidige basisprijs is 47,67 euro per ton suikerbieten van standaardkwaliteit (prijs geldig vanaf seizoen 2001/02 tot 2005/06). Deze prijsgarantie aan de producenten is beperkt en gereglementeerd door een quotumsysteem. Elke lidstaat heeft een bepaald suikerquotum toegekend gekregen. Het toegekend quotum bestaat uit 2 delen, namelijk een basisquotum (A-quotum) en een bijkomend quotum dat dient om het maximumquotum te bereiken (B-quotum). België heeft een quotum van 819.811,6 ton witte suiker (674.905,5 ton A-suiker en 144.906,1 ton B-suiker) of 4,7% van het suikerquotum van de EU-25. Dit suikerquotum wordt door de suikerfabrikanten verdeeld over de bietenplanters onder vorm van leveringsrechten. Om het door de prijsgarantie ontstane prijsverschil tussen de interne markt en de wereldmarkt op te vangen, is er aanvullend een regeling voor het handelsverkeer met derde landen. Het gaat om een systeem van invoerheffingen en toekenning van restituties bij uitvoer van suiker. Met een aantal suikerproducerende landen heeft de EU preferentiële akkoorden voor de invoer van suiker afgesloten.
Deze landen krijgen voor een bepaalde hoeveelheid suiker toegang tot de Europese markt en dit tegen gegarandeerde prijzen. Hetgeen boven de quotumsuiker wordt geproduceerd, kan beperkt overgedragen worden naar het volgende verkoopseizoen om in dat seizoen als quotumsuiker verkocht te worden of is C-suiker, die buiten de Europese Gemeenschap wordt uitgevoerd aan wereldmarktprijs, zonder restitutie. Figuur 4.24 geeft een schematisch overzicht van de te valoriseren hoeveelheden in 2004/05. Figuur 4.24: Suikerbalans, België, 2004/05
Bij uitvoer van suiker, deel uitmakend van het quotum, voorziet de suikerreglementering medeverantwoordelijkheid van de planters en suikerondernemingen, in verband met de kosten die het gevolg zijn van exportsteun. De bietenplanters en suikerondernemingen moeten een aandeel van respectievelijk 60% en 40% bijdragen in de gemaakte kosten. Daarom worden er reglementair reeds een aantal afhoudingen op de basisprijs voor bieten voorzien. Deze afhouding bedraagt 2% op de A- en Bbieten. Op de B-bieten wordt een bijkomende afhouding van maximaal 37,5% toegepast. Voor het seizoen 2004/05 bedraagt deze heffing 37,5%. Dit geeft een minimumprijs voor A-bieten van 46,72 euro per ton en 28,84 euro per ton voor B-bieten. Rekening houdend met de hoeveelheden A en B in België resulteert dit voor het seizoen 2004/05 in een gewogen minimumprijs van 43,6 euro per ton.
De akkerbouwsector
Bron: CBB
93
Wanneer blijkt dat de ingehouden sommen niet volstaan om de werkelijke kosten in een bepaald jaar te financieren, wordt een bijkomende heffing opgelegd. De aanvullende heffing wordt berekend door een coëfficiënt toe te passen op de productieheffing. Deze coëfficiënt bedraagt voor het verkoopseizoen 2004/05 voor België 15,94%.
De akkerbouwsector
Het suikerregime laat verder toe om de gesubsidieerde uitvoerhoeveelheden onder controle te houden door eventueel de quota te beperken via een systeem van declassering van quotumsuiker naar C-suiker voor een bepaalde campagne. Voor het verkoopseizoen 2004/05 was er geen declassering, maar voor 2005/06 is er een declassering voor België van -11,39%.
94
De MTR-hervorming voorziet een aanzienlijke verlaging van de prijsondersteuning (tabel 4.7). De gegarandeerde prijs voor witte suiker wordt over 4 jaar met 36% verlaagd. De landbouwers worden deels gecompenseerd door middel van ontkoppelde steun, die wordt opgenomen in de bedrijfstoeslag (zie hoofdstuk Landbouwbeleid). De interventieprijs wordt vervangen door een referentieprijs. De heffingen op A- en B-bieten worden vervangen door een productieheffing van 12 euro per ton suikerquotum. Deze taksen kunnen voor maximaal 50% verhaald worden op de producenten. Wat de quota betreft, worden de A- en B-quota samengevoegd tot één enkel productiequotum. Voor de landen waar momenteel C-suiker wordt geproduceerd, zal een extra quotum beschikbaar zijn. Het suikerquotum kan terug tijdelijk verminderd worden via onttrekking aan de markt. Europese suikerfabrikanten kunnen op vrijwillige basis een beroep doen op een tijdelijk herstructureringsfonds. Het betreft steun voor de sluiting van fabrieken en het afstand doen van de betrokken quota. Daarom moeten de fabrikanten tijdens de looptijd van dit fonds een herstructureringsheffing betalen. Tabel 4.7: Suikerhervorming: evolutie van de prijzen en compensatiesteun, euro per ton
2001/02 tot 2005/06
2006/07
2007/08
2008/09
vanaf 2009/10
institutionele prijs/referentieprijs voor suiker
631,9
631,9
631,9
541,5
404,4
institutionele prijs/referentieprijs voor suiker na aftrek van herstructureringsheffing
631,9
505,5
458,1
428,2
404,4
minimumprijs bieten
43,60
32,86
29,78
27,83
26,29
0
6,49
8,33
10,18
11,16
compensatiesteun Bron: CBB
De suiker die in een verkoopseizoen boven quotum wordt geproduceerd, is hetzij industriële suiker (bestemd voor de chemische of farmaceutische industrie, voor de productie van alcohol, inclusief bioethanol, gist, …) of wordt overgedragen naar de quotumproductie van het volgende verkoopseizoen. Suiker buiten quotum kan ook gebruikt worden voor de specifieke voorzieningsregeling ten behoeve van de ultraperifere gebieden. Op de overige hoeveelheden (overtollige suiker) wordt een overschotheffing gelegd.
De tuinbouwsector 1 Structuur De tuinbouwsector neemt slechts 8% van de totale landbouwoppervlakte in, maar is verantwoordelijk voor bijna één derde van de productiewaarde van de Vlaamse land- en tuinbouwproductie. Binnen de tuinbouwsector kunnen duidelijk drie deelsectoren worden onderscheiden, namelijk de groenteteelt, de fruitteelt en de sierteelt. In dit hoofdstuk worden de analyses vaak opgesplitst in deze deelsectoren.
1.1 Areaal Van de totale oppervlakte cultuurgrond wordt bijna 8% gebruikt voor tuinbouwteelten (49.072 ha in 2005). De groenteteelt vertegenwoordigt het grootste aandeel (55%) in het tuinbouwareaal terwijl fruitteelt één derde inneemt. De resterende oppervlakte wordt gebruikt voor sierteelten (figuur 5.1).
akkerbouw 32,2%
fruit 32,7% andere 1,3% tuinbouw 7,8%
voedergewassen 58,7%
sierteelt 11,7% andere 0,7% groenten 54,9%
totale oppervlakte cultuurgrond 2005 = 629.684 ha Bron: eigen berekeningen, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
Het tuinbouwareaal kent een stijgende trend tot en met 2003. De laatste twee jaren is er echter een lichte daling in het tuinbouwareaal, telkens met ongeveer 3%. Deze daling is bijna volledig toe te schrijven aan de daling van het areaal groenten (figuur 5.2). Het aandeel van de tuinbouwteelt onder glas schommelt sinds 2001 steeds rond 4,3% van het tuinbouwareaal. In 2005 bedraagt het areaal serres 2.169 ha.
De tuinbouwsector
Figuur 5.1: Bestemming van de cultuurgrond, 2005
95
Figuur 5.2: Evolutie van het tuinbouwareaal, ha, 1995-2005
60.000 50.000 40.000 30.000 20.000 10.000 0
fruit
groenten
totaal tuinbouw
sierteelt
De tuinbouwsector
Bron: eigen berekeningen, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
96
Groenteteelt Ruim 95% van het areaal voor groenteteelt, 25.791 ha, wordt gebruikt voor vollegrondsgroenten (= openluchtteelt). De voornaamste teelten zijn groene erwten, groene bonen, wortelen, spinazie, spruitkool, bloemkool, witloofwortelen en prei, samen goed voor 81% van het areaal voor vollegrondsgroenten (figuur 5.3). De daling in het areaal groenteteelt in 2005 is volledig toe te schrijven aan het areaal vollegrondsgroenten, waarvan schorseneren (-21%), spruiten (-11%), uien (-11%), wortelen (-8%) en groene erwten (-6%) de voornaamste dalers zijn. Slechts 5% van het areaal voor groenten is bestemd voor glasgroenten. De belangrijkste glasgroenten zijn tomaten en kropsla, met respectievelijk 46% en 23% van het areaal glasgroenten dat 1.120 ha bedraagt. Figuur 5.3: Verdeling van het groenteareaal in openlucht en onder glas over de diverse gewassen, 2005
1. Openlucht andere 18%
groene bonen 16%
spinazie 7%
prei 12%
tuinwortelen 8%
groene erwten 12%
spruitkool 8% witloofwortelen 9%
bloemkool 10%
totaal groenteareaal openlucht = 25.791 ha
2. Onder glas andere 13% komkommers 4% veldsla 5%
tomaten 46%
paprika 9%
kropsla 23% totaal groenteareaal onder glas = 1.120 ha
Vlaanderen neemt ruim 68% van het nationale groenteareaal in openlucht voor haar rekening. In Vlaanderen heeft West-Vlaanderen duidelijk het grootste groenteareaal met bijna 64% (figuur 5.4). Opvallend hierbij is dat Vlaanderen over ruim 99% beschikt van het groenteareaal onder glas. Meer dan de helft hiervan is terug te vinden in de provincie Antwerpen. Figuur 5.4: Verdeling van het groenteareaal over de gewesten en provincies, 2005
1. Openlucht
Antwerpen 1.965 ha (7,6%) Limburg 2.296 ha (8,9%) Wallonië en Brussel 11.979 ha (31,7%)
Vlaanderen 25.791 ha (68,3%)
Oost-Vlaanderen 2.698 ha (10,5%) Vlaams-Brabant 2.400 ha (9,3%) West-Vlaanderen 16.432 ha (63,7%)
De tuinbouwsector
Bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
97
2. Onder glas
Antwerpen 642 ha (57,3%)
Wallonië en Brussel 6 ha (0,6%)
Vlaanderen 1.120 ha (99,4%)
Limburg 10 ha (0,9%) Oost-Vlaanderen 126 ha (11,2%) Vlaams-Brabant 35 ha (3,1%) West-Vlaanderen 308 ha (27,5%)
De tuinbouwsector
Bron: eigen berekeningen, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
98
Fruitteelt Het totale areaal fruitteelt blijft sinds 1998 nagenoeg constant. In 2005 is er een lichte daling merkbaar van 2,3%, tot 16.060 ha, die volledig toe te schrijven is aan de daling van het areaal boomgaarden. Ruim 98%, ofwel 15.794 ha, van het areaal voor fruitteelt is openluchtteelt. De voornaamste fruitteelten in openlucht zijn appelen en peren met een oppervlakte van respectievelijk 7.138 en 6.323 ha, goed voor 45% en 40% van de totale fruitoppervlakte in openlucht (figuur 5.5). Sinds 1999 neemt het areaal appelen geleidelijk af met gemiddeld 3% per jaar. Deze daling wordt voor een groot deel gecompenseerd door de toename van het perenareaal. Het areaal aardbeien in openlucht kent de laatste twee jaren opnieuw een lichte stijging, nadat deze sinds 1999 telkens een lichte daling heeft gekend. In 2005 is er ruim 930 ha aardbeienteelt in openlucht. Het areaal klein fruit (bessen, frambozen en wijnstokken), 191 ha, vertegenwoordigt slechts 1,2% van het totale areaal fruitteelt, maar is met bijna 12% toegenomen in vergelijking met 2004. Het areaal fruitteelt onder glas bedraagt 267 ha en is goed voor bijna 2% van het totale areaal fruitteelt. Sinds 1995 is dit areaal met bijna de helft toegenomen. Deze toename is volledig toe te schrijven aan de toename van het areaal aardbeien onder glas, dat in 2005 230 ha bedraagt.
Figuur 5.5: Verdeling van het fruitareaal in openlucht en onder glas over de diverse teelten, 2005
1. Openlucht
klein fruit 1% aardbeien 6%
andere 8%
appelen 45%
peren 40%
2. Onder glas
bessen 6%
andere 3%
druiven 5%
aardbeien 86%
totaal fruitareaal onder glas = 267 ha Bron: eigen berekeningen, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
De tuinbouwsector
totaal fruitareaal in openlucht = 15.794 ha
99
Met ruim 90% van het nationale areaal is fruitteelt duidelijk een Vlaamse aangelegenheid. De fruitteelt is vooral terug te vinden in de provincie Limburg en in mindere mate in Vlaams-Brabant (figuur 5.6). Figuur 5.6: Verdeling van het fruitareaal over de gewesten en provincies, 2005
Antwerpen 643 ha (4,0%)
De tuinbouwsector
Wallonië en Brussel 1,643 ha (9,3%)
100
Limburg 9.627 ha (59,9%)
Vlaanderen 16.060 ha (90,7%)
Oost-Vlaanderen 1.442 ha (9,0%) Vlaams-Brabant 3.839 ha (23,9%) West-Vlaanderen 509 ha (3,2%)
Bron: eigen berekeningen, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
Sierteelt De sierteelt is met 5.749 ha verantwoordelijk voor bijna 12% van de tuinbouwoppervlakte. Bijna 88% van de sierteeltoppervlakte, 5.035 ha, is openluchtareaal. Ruim 2.850 ha hiervan wordt ingenomen door sierplanten van de boomkwekerij (rozen, heesters, struiken,…). Bosplanten (voornamelijk loofboomplanten) en fruitplanten zijn verantwoordelijk voor respectievelijk 627 en 556 ha (figuur 5.7). Slechts 12% van het sierteeltareaal, 714 ha, bevindt zich onder glas. Twee derde hiervan wordt ingenomen door azalea’s, potplanten en perk- en balkonplanten. Figuur 5.7: Verdeling van het sierteeltareaal in openlucht en onder glas over de diverse teelten, 2005
1. Openlucht
andere azaleas bloembollen 3% 5% en knollen 4% potchrysanten 8% bosplanten 12% sierplanten van de boomkwekerij 57%
fruitplanten 11%
totaal sierteeltareaal in openlucht = 5.035 ha
2. Onder glas
andere 10% azaleas 28%
boomkwekerijplanten 12%
perk- en balkonplanten 21%
snijbloemen 11% potplanten 18%
Bron: eigen berekeningen, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
Net als bij fruitteelt is Vlaanderen verantwoordelijk voor ongeveer 90% van het totale Belgische areaal sierteelt. De sierteelt is vooral verspreid over de provincies Oost-Vlaanderen en in mindere mate Antwerpen en West-Vlaanderen (figuur 5.8). Figuur 5.8: Verdeling van het sierteeltareaal over de gewesten en provincies, 2005
Wallonië en Brussel 683 ha (10,6%)
Vlaanderen 5.749 ha (89,4%)
Bron: eigen berekeningen, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
Antwerpen 1.315 ha (22,9%) Limburg 642 ha (11,2%) Oost-Vlaanderen 2.550 ha (44,3%) Vlaams-Brabant 346 ha (6,0%) West-Vlaanderen 896 ha (15,6%)
De tuinbouwsector
totaal sierteeltareaal onder glas = 714 ha
101
1.2 Productie-eenheden Voor volgende analyses wordt de tuinbouw beschouwd als de groenteteelt, de fruitteelt en de sierteelt, en wordt de categorie “andere” (figuur 5.1) niet opgenomen als tuinbouwteelt. 1.2.1 Aantal bedrijven In 2004 zijn ongeveer 18% van de Vlaamse landbouwexploitaties gespecialiseerde tuinbouwbedrijven, wat overeenkomt met 6.351 bedrijven. Het aantal bedrijven dat tuinbouwgewassen teelt ligt echter hoger en bedraagt 9.977 in 2005. Dit komt overeen met 29% van alle Vlaamse landbouwbedrijven. Hiervan telen 5.766 bedrijven groenten, 2.915 bedrijven telen fruit, en 2.095 bedrijven doen aan sierteelt (figuur 5.9). Figuur 5.9: Aandeel bedrijven met tuinbouwgewassen in het totaal aantal landbouwbedrijven van de provincie, %, 2005
De tuinbouwsector
40
102
35 30 25 20 15 10 5 0 Vlaanderen
Antwerpen groenten
fruit
Limburg sierteelt
OostVlaanderen
VlaamsBrabant
WestVlaanderen
totaal tuinbouwgewassen
Bron: eigen berekeningen, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
1.2.2 Bedrijfsgrootte De combinatie van een lichte afname van het totaal tuinbouwareaal en een relatief grotere daling van het aantal tuinbouwbedrijven, wijst op een schaalvergroting. De gemiddelde oppervlakte tuinbouwgewassen per bedrijf stijgt in de beschouwde periode met 10% en bereikt in 2005 4,9 ha (figuur 5.10). In Wallonië ligt dit kengetal veel hoger (8,6 ha in 2005), wat voornamelijk te wijten is aan het feit dat de bedrijven met groenten in Wallonië gemiddeld veel groter zijn. Het gemiddelde areaal tuinbouw in openlucht bedraagt 5,48 hectare, en dat van tuinbouw onder glas bedraagt 0,60 hectare.
14.000
6
13.000
5
12.000
4
11.000
3
10.000
2
9.000
ha per bedrijf
aantal bedrijven
Figuur 5.10: Evolutie van het aantal bedrijven met tuinbouwgewassen en de gemiddelde oppervlakte tuinbouwgewassen per bedrijf, 1995-2005
1 1995
1996
1997
1998
1999
2000
2001
aantal bedrijven met tuinbouwgewassen
2002
2003
2004
2005
gemiddelde oppervlakte bedrijf
Een indeling per grootteklasse leert dat 34% van de bedrijven met tuinbouw in openlucht meer dan 5 ha tuinbouwgewassen in openlucht telen (tabel 5.1). Deze bedrijven vertegenwoordigen bijna 81% van het tuinbouwareaal in openlucht. 19% van de bedrijven met tuinbouwgewassen onder glas heeft meer dan 1 ha tuinbouwgewassen onder glas. Samen zijn deze bedrijven goed voor 54% van de totale oppervlakte tuinbouwgewassen onder glas. Tabel 5.1: Indeling per grootteklasse van de bedrijven die tuinbouwgewassen telen, 2005
openlucht
onder glas
aantal ha tuinbouw per bedrijf % bedrijven % areaal
aantal ha tuinbouw per bedrijf % bedrijven % areaal
<1
28,8%
2,0%
< 0,5
56,3%
17,8%
1 tot 2
13,8%
3,5%
0,5 tot 1
24,6%
28,2%
2 tot 5
23,4%
13,8%
1 tot 1,5
10,4%
19,8%
5 tot 10
18,7%
24,0%
1,5 tot 2
3,8%
10,7%
10 tot 15
7,1%
15,7%
2 tot 2,5
2,4%
8,5%
>15
8,2%
41,0%
2,5 tot 3
1,2%
5,3%
geheel van de bedrijven
100%
100%
>3
Bron: eigen berekeningen, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
1,3%
9,7%
100%
100%
De tuinbouwsector
Bron: eigen berekeningen, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
103
Groenteteelt Voor de bedrijven met groenteteelt bedraagt in 2005 het gemiddelde areaal groenten 4,67 hectare. Het gemiddeld areaal groenten in openlucht bedraagt 5,36 hectare, en dat van groenten onder glas bedraagt 0,76 hectare. Uit tabel 5.2 blijkt dat bijna 37% van de bedrijven met groenten in openlucht, meer dan 5 hectare hiervan telen. Deze bedrijven vertegenwoordigen 77% van het areaal groenten in openlucht. 27% van de bedrijven telen meer dan 1 hectare groenten onder glas. Samen zijn deze bedrijven goed voor 61% van de totale oppervlakte groenten onder glas.
De tuinbouwsector
Tabel 5.2: Indeling per grootteklasse van de bedrijven die groenten telen, 2005
104
openlucht
onder glas
aantal ha groenten per bedrijf % bedrijven % areaal
aantal ha groenten per bedrijf % bedrijven % areaal
<1
20,0%
1,5%
< 0,5
42,1%
10,8%
1 tot 2
13,8%
3,6%
0,5 tot 1
30,9%
28,2%
2 tot 5
29,6%
18,1%
1 tot 1,5
14,5%
21,9%
5 tot 10
23,0%
29,8%
1,5 tot 2
5,6%
12,5%
10 tot 15
7,2%
16,2%
2 tot 2,5
3,1%
8,9%
>15
6,4%
30,8%
2,5 tot 3
1,8%
6,4%
2,0%
11,3%
geheel van de bedrijven
100%
100%
100%
100%
>3
Bron: eigen, berekeningen, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
Fruitteelt In 2005 is het gemiddeld areaal fruit voor bedrijven met fruitteelt 5,51 hectare. De gemiddelde oppervlakte fruit in openlucht bedraagt 6,11 hectare, terwijl dat van fruit in serres 0,33 hectare bedraagt. Tabel 5.3 toont aan dat 35% van de bedrijven met fruitteelt in openlucht meer dan 5 hectare fruitteelt in openlucht hebben. Samen vertegenwoordigen deze bedrijven bijna 89% van het totale areaal fruitteelt in openlucht. Bijna 13% van de bedrijven heeft echter een oppervlakte fruitteelt in openlucht groter dan 15 hectare, samen goed voor ruim 55% van de totale fruitteelt in openlucht. Bijna 7% van de bedrijven met fruitteelt onder glas heeft meer dan 1 hectare fruitteelt onder glas, samen goed voor ruim 31% van de oppervlakte fruitteelt onder glas.
Tabel 5.3: Indeling per grootteklasse van de bedrijven die fruit telen, 2005
openlucht aantal ha fruit per bedrijf
onder glas
% bedrijven % areaal
aantal ha fruit per bedrijf
% bedrijven % areaal
<1
42,1%
2,1%
< 0,5
77,7%
35,5%
1 tot 2
10,2%
2,3%
0,5 tot 1
15,7%
33,0%
2 tot 5
12,7%
6,7%
1 tot 1,5
4,2%
14,6%
5 tot 10
14,4%
17,3%
1,5 tot 2
0,8%
4,6%
10 tot 15
8,0%
16,1%
2 tot 2,5
1,1%
7,2%
12,6%
55,5%
2,5 tot 3
0,4%
2,9%
>3
0,1%
2,2%
100%
100%
>15 geheel van de bedrijven
100%
100%
Bron: eigen berekeningen, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
Tabel 5.4: Indeling per grootteklasse van de bedrijven met sierteelt, 2005
openlucht
onder glas
aantal ha sierteelt per bedrijf % bedrijven % areaal
aantal ha sierteelt per bedrijf % bedrijven % areaal
<1
51,9%
6,7%
< 0,5
65,9%
24,6%
1 tot 2
18,6%
8,3%
0,5 tot 1
19,5%
25,7%
2 tot 5
16,1%
16,4%
1 tot 1,5
7,7%
17,3%
5 tot 10
7,2%
16,5%
1,5 tot 2
3,1%
10,1%
10 tot 15
2,6%
10,5%
2 tot 2,5
2,0%
8,2%
>15
3,6%
41,6%
2,5 tot 3
0,8%
4,0%
>3
0,1%
10,1%
100%
100%
geheel van de bedrijven
100%
100%
Bron: eigen berekeningen, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
De tuinbouwsector
Sierteelt Voor bedrijven met sierteelt is de gemiddelde oppervlakte sierteeltgewassen gelijk aan 2,74 hectare. Het gemiddeld areaal sierteelt in openlucht is 3,02 hectare en voor sierteelt onder glas 0,52 hectare. Meer dan 13% van de bedrijven die aan sierteelt in openlucht doen, heeft een oppervlakte sierteelt die groter is dan 5 hectare. Samen vertegenwoordigen deze bedrijven bijna 69% van de totale sierteeltoppervlakte in openlucht. Van de bedrijven met sierteelt in openlucht heeft bijna 4% een oppervlakte sierteelt in openlucht die groter is dan 15 ha, samen goed voor 42% van de totale oppervlakte sierteelt in openlucht (tabel 5.4). Bijna 15% van de bedrijven met sierteelt onder glas, heeft meer dan 1 hectare sierteelt onder glas, samen goed voor de helft van de totale oppervlakte sierteelt onder glas.
105
1.3 Economisch belang voor de gemeenten Onderstaande figuren geven het belang van de verschillende sectoren weer voor elke gemeente. Groenteteelt Zoals uit figuur 5.11 blijkt, is de groenteteelt vooral van groot belang voor de streek rond Sint-KatelijneWaver en in mindere mate voor de streek rond Roeselare. Voor 15 Vlaamse gemeenten heeft de groenteteelt een aandeel van hoger dan 50% van de waarde van de totale landbouw van die gemeente.
De tuinbouwsector
Figuur 5.11: Economisch belang van de groentesector per gemeente, 2004
106
Bron: eigen berekeningen op basis van BSS
Fruitteelt Voor 10 Vlaamse gemeenten draagt de fruitteelt voor meer dan de helft bij tot de totale waarde van hun landbouw. De fruitteelt is vooral van groot belang voor de streek rond Sint-Truiden (figuur 5.12). Figuur 5.12: Economisch belang van de fruitsector per gemeente, 2004
De tuinbouwsector
Bron: eigen berekeningen op basis van BSS
107
Sierteelt De sierteelt is vooral belangrijk voor de streek rond Lochristie, en in mindere mate voor enkele gemeenten in de Kempen en de Zandstreek rond Antwerpen (figuur 5.13). Voor 17 Vlaamse gemeenten vertegenwoordigt de sierteelt meer dan de helft van de totale waarde van hun landbouw.
De tuinbouwsector
Figuur 5.13: Economisch belang van de sierteeltsector per gemeente, 2004
108
Bron: eigen berekeningen op basis van BSS
2 Productie
2.1 Productievolume Groenteteelt De Vlaamse productie van groenten in 2004 bedraagt 1.414.383 ton, wat overeenkomt met 86% van de nationale groenteproductie. De laatste jaren is de productie van groenten telkens met enkele procenten toegenomen, wat volledig toegeschreven kan worden aan de vollegrondsteelt (figuur 5.14). Figuur 5.14: Evolutie van het productievolume van de groenten, 1.000 ton, 2001-2005î 1.800 1.600 1.400
1.000 800 600 400 200 0 2001
2002 groenten in openlucht groenten beschutte teelt
2003
2004 groenteteelt nationaal groenteteelt Vlaanderen
Bron: Beleidsdomein Landbouw en Visserij
In 2004 gebeurt 70% van de totale productie van groenten in openlucht, wat overeenkomt met 995.697 ton. De voornaamste teelten zijn wortelen, prei, bloemkool en bonen, met respectievelijk 19%, 17% 8% en 8% van de totale groenteproductie in openlucht. De groenteteelt onder glas is samen met de champignonteelt goed voor 30% van de totale productie van groenten. De tomaten zijn, met bijna 59% van totale productie van de beschutte groenteteelt, duidelijk het belangrijkste gewas dat onder glas wordt geteeld. De diverse slasoorten en de champignons zijn verantwoordelijk voor respectievelijk 18% en 9%. Fruitteelt De Vlaamse productie van fruit bedroeg in 2004 586.008 ton en vertegenwoordigt hiermee 91% van de Belgische productie van fruit. De belangrijkste fruitsoort is appelen, met 56% van de totale fruitproductie. Peren en aardbeien vertegenwoordigen respectievelijk 36% en 7% van de totale Vlaamse fruitproductie (figuur 5.15).
De tuinbouwsector
1.200
109
Figuur 5.15: Evolutie van het productievolume van het fruit, 1.000 ton, 2001-2005
700 600 500 400 300 200 100 0 2001
De tuinbouwsector
appelen
110
2002 peren
aardbeien
2003 fruitteelt Vlaanderen
2004 fruitteelt nationaal
Bron: Beleidsdomein Landbouw en Visserij
Sierteeltsector Voor de sierteeltsector zijn geen gegevens over het productievolume voorhanden.
2.2 Productiewaarde De tuinbouw is in 2004, met een eindproductiewaarde van 1.331 miljoen euro, goed voor ruim 30% van de waarde van de Vlaamse land- en tuinbouwproductie. Het aandeel van de tuinbouwsector schommelt van jaar tot jaar, maar blijft steeds rond 30% (figuur 5.16). Groenteteelt Het aandeel van de groenteteelt in de totale waarde van de Vlaamse tuinbouwproductie bedraagt met 570 miljoen euro 43%. Binnen de groenteteelt is ruim 46% van waarde afkomstig van de vollegrondsteelten (openlucht). De voornaamste vollegrondsteelten zijn prei, witloof en bloemkool, met respectievelijk 19%, 21% en 9% van de waarde van de vollegrondsteelten. De groenteteelt onder glas is verantwoordelijk voor ruim 54% van de productiewaarde van de totale groenteteelt. Tomaten en sla, zijn met respectievelijk 49% en 15% van de productiewaarde van de groenteteelt onder glas de voornaamste groenteteelten onder glas. Fruitteelt Met 303 miljoen euro bedraagt het aandeel van de fruitteelt in de totale waarde van de Vlaamse tuinbouwproductie 23%. Het aandeel van de drie belangrijkste teelten voor de productiewaarde van de fruitteelt, appelen, peren en aardbeien, bedraagt respectievelijk 29%, 34% en 30%.
Sierteelt Hoewel de sierteelt slechts 12% van het tuinbouwareaal inneemt, is de sierteeltsector verantwoordelijk voor 457 miljoen euro, ofwel 34% van de totale waarde van de Vlaamse tuinbouwproductie. Binnen de sierteeltsector zijn de bloemen en sierplanten goed voor 52% van de productiewaarde, terwijl de kwekerijplanten verantwoordelijk zijn voor de resterende 48%. Figuur 5.16: Structuur van de eindproductiewaarde, 2004
fruit 22,8% veeteelt 60,5% sierteelt 34,4%
tuinbouw 29,8%
groenten 42,8%
Bron: Beleidsdomein Landbouw en Visserij
3 Aanwending van de productie
3.1 Consumptie In figuur 5.17 wordt de consumptie weergegeven van de voornaamste groenten. In 2005 is de aankoop van verse groenten met 2% afgenomen en bedroeg ruim 62 kg per persoon per jaar. De daling van de consumptie is grotendeels te wijten aan de daling van kolen en sla. De voornaamste groenten zijn tomaten, wortelen, kolen en witloof, die verantwoordelijk zijn voor respectievelijk 16%, 15%, 12% en 10% van de totale consumptie van verse groenten. In 2005 spendeerde elke Vlaming gemiddeld 114 euro aan verse groenten. Dit is ruim 5% meer dan het jaar voordien.
De tuinbouwsector
akkerbouw 9,7%
111
Figuur 5.17: Evolutie van de consumptie van de voornaamste groenten, index: 2000 = 100%, 2000-2005 125% 120% 115%
kolen sla tomaten witloof wortelen andere groenten totaal verse groenten
110% 105% 100% 95% 90% 85% 80%
2000
2001
2002
2003
2004
2005
De tuinbouwsector
Bron: GfK Panel Services Benelux, VLAM
112
In het jaar 2005 werd er ruim 85 kg vers fruit geconsumeerd per persoon, een daling van 1,6% ten opzichte van 2004. Deze daling is volledig toe te schrijven aan de citrusvruchten, die samen met de pitvruchten het grootste deel van de fruitconsumptie voor hun rekening nemen, met respectievelijk 32% en 30%. De consumptie van steenvruchten is verantwoordelijk voor 7% (figuur 5.18). Uitgedrukt in besteding, spendeerde elke Vlaming gemiddeld 152 euro aan fruit, wat 1,7% minder is dan het jaar voordien. Figuur 5.18: Evolutie van het thuisverbruik van de voornaamste fruitteeltproducten, index: 2000 = 100%, 2000-2005
Bron: GfK Panel Services Benelux, VLAM
Voor wat de sierteelt betreft, wordt de consumptie uitgedrukt in bestedingen (euro per capita). In 2005 spendeerde elke Vlaming gemiddeld 45 euro aan sierteeltproducten. In vergelijking met het jaar voordien is dit een daling van 13%, die grotendeels toe te schrijven is aan de daling van de bestedingen aan balkon- en perkplanten en bomen en tuinplanten. Het grootste deel van de bestedingen aan sierteeltproducten ging naar snijbloemen, en in mindere mate naar balkon- en perkplanten en bloemstukken en plantencomposities (tabel 5.5). Tabel 5.5: Besteding aan sierteeltproducten, euro per capita, 2004-2005
2004 snijbloemen
2005 15,53
15,01
kamerplanten
5,83
6,33
bloemstukken en plantencomposities
8,38
8,24
12,12
9,21
bomen en tuinplanten
8,51
5,39
bloembollen
1,20
0,75
51,57
44,94
totaal sierteelt Bron: GfK Panel Services Benelux, VLAM
3.2 Zelfvoorzieningsgraad De groentesector heeft een zelfvoorzieningsgraad groter dan 100, maar België heeft een tekort aan fruit (tabel 5.6). Tabel 5.6: Zelfvoorzieningsgraad van groenten en fruit, België, %, campagne 2004/2005
zelfvoorzieningsgraad groenten fruit exclusief citrusvruchten
151 68 92
Bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
De tuinbouwsector
balkon- en perkplanten
113
3.3 Buitenlandse handel In 2004 bedraagt de totale uitvoer van tuinbouwproducten voor België 4.602 miljoen euro en overschrijdt daarmee de import met 167 miljoen euro (tabel 5.7). De groentesector heeft een duidelijk positief handelssaldo. Enkel voor fruit is het handelssaldo negatief, wat betekent dat er meer fruit wordt ingevoerd dan uitgevoerd. Tabel 5.7 Overzicht van de Belgische handel in tuinbouwproducten, miljoen euro, 2004
invoer
uitvoer
saldo
groenten
1.085
1.494
409
fruit
2.979
2.616
-363
370
492
121
4.434
4.602
167
sierteelt totaal
De tuinbouwsector
Bron: eigen berekeningen, Eurostat
114
Bijna de helft van de totale import van tuinbouwproducten komt uit landen van de EU-25. Hiervan zijn Nederland, Frankrijk en Spanje de grootste leveranciers. Ruim 94% van de uitvoer van de Belgische tuinbouwproducten gaat naar de landen van de EU-25. De voornaamste exportpartners zijn Duitsland, Frankrijk en Nederland (figuur 5.19). Figuur 5.19: Verdeling van de Belgische handel in tuinbouwproducten volgens handelspartner, 2004
1. Invoer
Frankrijk 11%
Nederland 18%
andere 54% Duitsland 5% Italië 4% Spanje 8%
2. Uitvoer
Luxemburg 3%
Zweden 2%
andere 13% Duitsland 28%
Spanje 3% Italië 3% U.K 9% Frankrijk 23%
Nederland 16% Bron: eigen berekeningen, Eurostat
Tabel 5.8: Overzicht van de Belgische handel in groenten, miljoen euro, 2004
invoer verse groenten
uitvoer
saldo
438
528
90
32
18
-15
bevroren groenten
180
659
479
geconserveerde groenten
203
172
-31
15
14
-2
aromatische planten
groentesappen olijfolie en bijproducten andere bereidingen totaal groenten en aromatische planten aandeel in totale tuinbouw Bron: eigen berekeningen, Eurostat
52
13
-39
164
91
-73
1.085
1.494
409
24%
32%
De tuinbouwsector
Groenteteelt Dankzij een export van groenten die de import ruim overschrijdt, heeft de groentesector in 2004 een positieve handelsbalans van 409 miljoen euro. Dit is vooral te danken aan de sterke uitvoer van bevroren groenten en in minder mate aan de uitvoer van verse groenten. Binnen de verse groenten zijn de voornaamste exportproducten tomaten, kropsla en prei, met respectievelijk 33%, 9% en 8% van de uitvoer. Tomaten, uien, en wortelen en rapen zijn dan weer de voornaamste verse groenten die ingevoerd worden, met respectievelijk 16%, 11% en 8% van de invoer (tabel 5.8).
115
Fruitteelt De fruitteelt kent een duidelijk negatieve handelsbalans van -363 miljoen euro, wat vooral te wijten is aan de grote import van vers fruit. Binnen het vers fruit valt op dat drie kwart van de invoer toe te schrijven is aan zuidvruchten (bananen, citrusvruchten,…), terwijl van het ingevoerde vers fruit 9% appelen zijn en 6% druiven. De voornaamste verse fruitsoorten die uitgevoerd worden, zijn zuidvruchten, appelen, peren, aardbeien en druiven met respectievelijk 61%, 12%, 10%, 6% en 6% van de export. De negatieve handelsbalans van vers fruit is grotendeels toe te schrijven aan de handel in zuidvruchten (tabel 5.9). Tabel 5.9: Overzicht van de Belgische handel in fruit, miljoen euro, 2004
invoer vers fruit
De tuinbouwsector
saldo
1.713
-363
159
73
-86
bevroren vruchten
70
89
18
conserven van vruchten
94
66
-29
jam - gelei
34
87
53
fruitsappen
450
535
85
95
54
-41
2.979
2.616
-363
67%
57%
noten
116
uitvoer
2.076
andere bereidingen totaal fruit aandeel in totale tuinbouw Bron: eigen berekeningen, Eurostat
Sierteelt Het saldo van de Belgische handel voor 2004 in niet-eetbare tuinbouwproducten is positief, namelijk 121 miljoen euro. De voornaamste producten die bijdragen tot deze positieve balans zijn de rododendrons, de kamerplanten en de bomen. Snijbloemen worden echter vooral ingevoerd (tabel 5.10).
Tabel 5.10: Overzicht van de Belgische handel in sierteeltproducten, miljoen euro, 2004
invoer sierplanten bollen en knollen
uitvoer 270
saldo 329
59
17
17
1
andere planten
124
231
107
rododendrons
1
42
42
kamerplanten snijbloemen rozen andere sierplanten
91
143
52
96
51
-45
21
14
-7
29
-4
101
163
62
zaaigoed en planten
45
35
-10
stekken
20
39
19
boomkwekerij
36
89
52
totaal niet-eetbare tuinbouwproducten
370
492
121
aandeel in totale tuinbouw
9%
11%
Bron: eigen berekeningen, Eurostat
4 Rendabiliteit
4.1 Prijsevolutie Groenteteelt Openluchtgroenten De witloofmarkt is een weinig voorspelbare markt. Het aanbod van witloof nam in 2004 licht af t.o.v. 2003, terwijl de prijs met een gemiddelde van 0,94 euro per kg ruim 14% hoger lag. In 2005 nam het aanbod terug toe, waardoor de prijs licht daalde tot 0,92 euro per kg (figuur 5.20). De groentesector kreeg zware klappen in 2004, ook de preiteelt ontsnapte hier niet aan. De totale omzet lag op het laagste niveau sinds 10 jaar. De aanwezigheid van een grote hoeveelheid prei in onze buurlanden zorgde voor een lagere exportactiviteit, hetgeen op zijn beurt een weerslag had op de binnenlandse prijsvorming. Met 0,26 euro per kg, lag de gemiddelde prijs van prei in 2004 ruim 55% onder deze van 2003. In 2005 kende de prijs van prei een licht herstel en bedroeg gemiddeld 0,34 euro per kg. De aanvoer van verse bloemkool lag in 2004 10% lager dan het jaar voordien. De prijs bleef echter stabiel omwille van een overaanbod in de andere Europese landen. De gemiddelde prijs per bloemkool bedroeg 0,50 euro. In 2005 daalde het aanbod van bloemkool verder met 14%. Als gevolg hiervan steeg de prijs met 18% tot 0,59 euro per stuk.
De tuinbouwsector
33
andere tuinbouwproducten
117
Figuur 5.20: Evolutie van de prijs aan producent voor de voornaamste openluchtgroenten, euro, 1995-2005 1,2 1,0 0,8 0,6 0,4 0,2 0,0 1995
1996
1997
1998
1999
bloemkool (per stuk)
2000
2001
prei (per kg)
2002
2003
2004
2005
witloof (per kg)
De tuinbouwsector
Bron: tot 2002: VMV en REO; vanaf 2003: VBT
118
Beschutte groenteteelt De beschutte groenteteelt bestaat uit de glasgroenten en de champignons. Het ideale teeltweer in de Zuiderse landen, de verminderde export van tomaten naar de Verenigde Staten door de zwakke dollar en de toenemende invoer van Marokkaanse tomaten in Europa, zorgden ervoor dat 2004 een crisisjaar werd voor de tomatensector in Vlaanderen. De prijzen voor de tomaten lagen 36% lager dan het jaar voordien, terwijl de productie vergelijkbaar was. Met een stijging van 28% tot 0,75 euro per kg herstelde de prijs voor tomaten zich gedeeltelijk in 2005 (figuur 5.21). Ook de slateelt bleef in 2004 niet gespaard. Een verruiming van alternatieve producten en slechte verkoopprijzen lagen aan de basis voor een financieel slecht jaar voor de slatelers. Hoewel het aanbod met 7% daalde, daalde de gemiddelde prijs voor kropsla in 2004 met bijna 28% tot 0,26 euro. In 2005 steeg de prijs terug naar het niveau van 2003 en bedroeg gemiddeld 0,37 euro. In 2004 leidde een stijging van de productie van paprika met 21% tot een daling van de gemiddelde prijs voor één kilogram paprika met 16% tot 1,30 euro. Een verdere stijging van 9% in het aanbod van paprika in 2005 heeft ervoor gezorgd dat de prijs voor één kilogram paprika verder daalde met 26% tot 0,96 euro. De sterke toename in het aanbod van champignons in 2004 en 2005 met respectievelijk 29% en 36% in vergelijking met het jaar voordien, heeft de prijzen voor de champignons onder zware druk gezet. Met 1,29 euro per kg lag de gemiddelde prijs in 2004 10% lager dan het jaar voordien. In 2005 daalde de prijs verder tot 1,20 euro per kg, een daling van 7% in vergelijking met 2004.
Figuur 5.21: Evolutie van de prijs aan producent voor de voornaamste glasgroenten en champignons, euro, 2000-2004 1,8 1,6 1,4 1,2 1,0 0,8 0,6 0,4 0,2 0,0 1995
1996
1997
1998
champignons (per kg) kropsla (per stuk)
1999
2000
2001
2002
komkommers (per stuk) tomaten (per kg)
2003
2004
2005
paprika (per kg)
Fruitteelt Het aanbod appelen noteerde in 2004 een stijging van 16% in vergelijking met 2003. Doordat ook in de Europese landen opmerkelijk hogere oogsten waren, nam de druk op de prijs voor appelen toe. De gemiddelde appelprijs haalde in 2004 0,31 euro per kg. Dit is slechts 84% van het gemiddelde van het jaar voordien. In 2005 daalde de gemiddelde prijs verder met 10% tot 0,28 euro per kg (figuur 5.22). Het perenaanbod kende een spectaculaire stijging van bijna 24% in 2004, als gevolg van de uitbreiding van het areaal en een gunstige vruchtzetting. Ook in de andere Noord-Europese landen waren er sterke stijgingen. Ondanks de sterke stijging van het aanbod aan peren, daalde de prijs voor één kilogram peren in 2004 slechts met 13% tot 0,504 euro. In 2005 steeg het aanbod opnieuw met 4%. De prijs voor peren kwam hierdoor echter niet onder druk te staan en steeg met 10% tot 0,554 euro per kg. Omwille van de weersomstandigheden betekende 2004, voor de meeste aardbeitelers, een goed maar wisselvallig jaar met sterke schommelingen in de prijzen. Het totale aanbod lag ruim 17% hoger dan in 2003. De gemiddelde prijs voor aardbeien bedroeg 2,26 euro, wat overeenkomt met een daling van 23% in vergelijking met 2003. In 2005 daalde het aanbod van aardbeien met bijna 7%. Hierdoor stegen de prijzen met 5% tot 2,37 euro per kg.
De tuinbouwsector
Bron: tot 2002: VMV en REO; vanaf 2003: VBT
119
Figuur 5.22: Evolutie van de prijs aan producent voor de voornaamste fruitteelten, euro per kg, 1998-2004 3,5 3,0 2,5 2,0 1,5 1,0 0,5 0,0 1998
1999
2000
2001
De tuinbouwsector
aardbeien
120
2002 appelen
2003
2004
2005
peren
Bron: VBT
Sierteelt De Vlaamse sierteeltsector kende in 2005 een moeilijke economische periode. De globale omzet daalde lichtjes, terwijl de bedrijven net zoals de groentebedrijven, geconfronteerd werden met steeds hoger wordende energiefacturen. Zo werden in de sector van de snijbloemen zelfs bedrijfssluitingen vastgesteld. Enkel de chrysantensector heeft een beter verkoopsjaar achter de rug. Zowel voor azalea’s, boomkwekerijproducten als voor snijbloemen daalden de prijzen.
4.2 Financiële resultaten In vergelijking met 2002 nam het arbeidsinkomen per VAK in 2003 met 7,4% toe. Het gemiddelde voor de periode 2001 tot 2003 bedraagt 27.465 euro of 85% van het vergelijkbaar inkomen (tabel 5.11).
Tabel 5.11: Gemiddelde financiële resultaten van de gespecialiseerde tuinbouwbedrijven, 2001-2003
arbeidsinkomen per VAK (euro)
arbeidsaantal VAK oppervlakte inkomen per per bedrijf per VAK (ha) are (euro) 2003 2003 2003
2001
2002
2003
25.675
26.749
32.094
champignonbedrijven
28.489
24.598
23.382
5,41
0,03
1.075
aardbeibedrijven
19.482
25.168
29.419
3,11
0,91
323
gespecialiseerde glasgroentebedrijven
27.809
28.165
41.952
3,24
0,35
1.202
overige glasgroentebedrijven
21.625
22.363
26.276
2,95
0,97
272
bedrijven met overwegend groenten in open grond
27.041
27.809
19.692
2,37
5,53
36
25.916
27.853
25.773
kasplantenbedrijven
31.837
34.078
35.105
2,56
0,33
1.076
azaleabedrijven
30.787
32.334
24.892
2,66
0,73
341
begoniabedrijven
13.005
13.409
12.354
1,76
1,12
110
snijbloemenbedrijven
16.002
19.782
17.350
1,99
0,32
545
overige bloemenbedrijven
26.432
30.628
23.930
2,78
0,48
494
boomkwekerijen
23.592
21.100
26.110
2,42
1,41
154
fruitteeltbedrijven
23.304
28.799
29.131
2,90
4,66
62
totaal tuinbouw
25.285
27.537
29.572
2,82
1,96
148
groenteteelt
sierteelt
209
336
Groenteteelt Het gewogen gemiddelde arbeidsinkomen per arbeidseenheid op de groentebedrijven nam in 2003 met 20% toe ten opzichte van 2002. Het arbeidsinkomen per VAK bedroeg gemiddeld in de periode 2001 tot 2003 28.173 euro. Figuur 5.23 geeft een verdeling weer van de totale kosten per ha beteelde oppervlakte. In 2003 maakten de toegerekende lonen van de familiale arbeidskrachten 25% uit van de totale kosten. Een niet onbelangrijk deel van de kosten zijn toe te wijzen aan het betaald personeel, de brandstoffen en het grond- en gebouwenkapitaal.
De tuinbouwsector
Bron: CLE
121
Figuur 5.23: Structuur van de kosten per ha voor de groentebedrijven, 2003
directe kosten teelten algemene onkosten 3% 4% arbeid bedrijfsleider en verkoopkosten gezinsleden 4% 25% kosten van gronden gebouwenkapitaal 14% betaald personeel overige 13% materialen 2% zaai- en plantgoed 9%
De tuinbouwsector
brandstoffen 11%
122
werk door derden 2% werktuigkosten 6% meststoffen bestrijdingsmiddelen 2% 5%
Bron: CLE
Fruitteelt De rendabiliteit van de fruitbedrijven in 2003 is vergelijkbaar met deze die in 2002 werd behaald. De prijs van de appelen en peren was hoger dan in 2002, maar de kilogramopbrengsten waren lager waardoor de toename van de geldopbrengsten beperkt bleef. Het arbeidsinkomen per VAK bedroeg gemiddeld in de periode 2001 tot 2003 27.078 euro. De toegerekende lonen van de familiale arbeidskrachten maakten 27% uit van de totale kosten (figuur 2.24). Ook hier zijn een niet onbelangrijk deel van de kosten toe te wijzen aan het betaald personeel en het grond- en gebouwenkapitaal.
Figuur 5.24: Structuur van de kosten per ha voor de gespecialiseerde fruitbedrijven, 2003
algemene directe kosten onkosten 4% teelten 2% verkoopkosten 7%
arbeid bedrijfsleider en gezinsleden 27%
kosten van grond- en gebouwenkapitaal 23% overige materialen 0% zaai- en plantgoed 0% meststoffen 1%
betaald personeel 19% werk door derden 2%
Bron: CLE
Sierteelt De rendabiliteit van de sierteeltbedrijven was in 2003 minder goed dan deze behaald in 2002. Het arbeidsinkomen per VAK bedroeg gemiddeld in de periode 2001 tot 2003 26.514 euro. De toegerekende lonen van de familiale arbeidskrachten maakten 25% uit van de totale kosten (figuur 2.25). Een groot deel van de kosten zijn toe te wijzen aan het betaald personeel, het grond- en gebouwenkapitaal en het zaai- en plantgoed. Figuur 5.25: Structuur van de kosten per ha voor de gespecialiseerde sierteeltbedrijven, 2003 algemene directe kosten onkosten teelten 4% verkoopkosten 4% 4%
arbeid bedrijfsleider en gezinsleden 25%
kosten van grond- en gebouwenkapitaal 14% overige materialen 8%
betaald personeel 10% werk door derden 2%
zaai- en plantgoed 13%
werktuigkosten 7% brandstoffen bestrijdingsmiddelen 7% meststoffen 1% 1%
De tuinbouwsector
werktuigkosten bestrijdingsmiddelen 9% 6%
Bron: CLE
123
5 Specifiek beleid
5.1 GMO groenten en fruit Sinds 1997 zorgt de Gemeenschappelijke Marktordening (GMO) voor nieuwe impulsen in de tuinbouwsector. De financiële steun voor de operationele programma’s van de erkende telersverenigingen geeft de sector de mogelijkheid om beter in te spelen op de uitdagingen van een meer open en concurrentiegerichte markt. Concentratie van het aanbod, kwaliteitsproductie en dienstverlening aan de telers zijn enkele van de sleutelwoorden voor de betrokkenen.
De tuinbouwsector
In het kader van de operationele programma’s werd voor het jaar 2005 een globaal bedrag van 81 miljoen euro goedgekeurd, waarvan 9 miljoen euro voor buitenlandse telersverenigingen. Hiervan wordt 50% betoelaagd met communautaire middelen, het overige deel is ten laste van de telers. In figuur 5.26 is de verdeling van het budget in 2005 weergegeven.
124
Figuur 5.26: Verdeling van het GMO-budget, 2005
milieuvriendelijke teelten en technieken 23%
algemene interventie kosten 0% 2% programmering productie 9% commerciële structuur 24%
telersbegeleiding 6% promotie 5% onderzoek 8%
kwaliteit 23%
Bron: Beleidsdomein Landbouw en Visserij
Vlaanderen telt op dit ogenblik 14 erkende telersverenigingen en 3 erkende groeperingen van telersverenigingen, waaronder één transnationale in samenwerking met Nederland en Duitsland. In 2005 waren er 2 initiatieven van de groenteverwerkende sector: de oprichting van VEGRAS, een transnationale telersvereniging met leden in België, Frankrijk en Nederland en de voorlopige erkenning van de telersvereniging INGRO. Deze kwam tot stand onder impuls van de landbouworganisaties samen met enkele producenten en met de steun van de administratie.
5.2 Actieplan glastuinbouw De concurrentiekracht van de glastuinbouw versterken, de veroudering van het glasareaal tegengaan en tegelijk de sector stimuleren om duurzaam te produceren en zo zijn eigen toekomst te verzekeren is de inhoud van het actieplan “Naar een duurzamere glastuinbouw in Vlaanderen”. Om het actieplan uit te werken werden werkgroepen opgericht voor de thematieken vestiging, energie en middelengebruik. Hierin zijn de diverse Vlaamse administraties en de sector vertegenwoordigd. Volgende maatregelen zijn opgenomen in het actieplan glastuinbouw:
• verbeteren van de toegang tot aardgasvoorzieningen voor glastuinbouwbedrijven en energieproblematiek: Om de aansluitingsproblematiek in te schatten wordt getracht de ligging van het aardgasnet en de ligging van de glastuinbouwbedrijven met elkaar te combineren. Op dit moment is er echter een gebrek aan gegevens om dit te kunnen doen. Wat betreft stimulering van warmtekrachtkoppeling werd in 2005 een rendabiliteitsevaluatie van glastuinbouw-WKK’s uitgevoerd. Erop aansluitend volgde een studie om de extra energiebesparing door CO2-recuperatie, die kan verrekend worden via bijkomende WKK-certificaten, in te schatten. • registratie en vermindering van het gewasbeschermingsmiddelen- en nutriënten- en energiegebruik en het beperken van afval in de glastuinbouwsector: Door VITO werd in 2005 een BBT-studie opgemaakt over de glastuinbouw, waarin haalbare en betaalbare technieken die milieuschade voorkomen of beperken werden onderzocht. Er werden een aantal demonstratieprojecten opgezet, die resulteerden in de brochure “Recirculatie in de glastuinbouw” over watergebruik in gesloten teeltsystemen en bijhorende ontsmettingsmethoden, bestemd voor tuinders.
De tuinbouwsector
• effectieve realisatie van ruimtelijke vestigingsmogelijkheden voor zowel nieuwe glastuinbouwbedrijven als voor uitbreiding van glastuinbouwbedrijven en het opzetten per concentratiegebied van een pilootproject glastuinbouwbedrijvenzone: Er werden een aantal objectieve criteria opgesteld als beoordelingskader voor het verlenen van vergunningen. Op basis van dit toetsingskader werd een zoekmethodiek voor vestiging van de glastuinbouw uitgewerkt. Deze locatiestudies in de 5 concentratiegebieden glastuinbouw, namelijk rond Sint-Katelijne-Waver, Roeselare, het Gentse, Beveren-Hamme en Hoogstraten, werden in 2005 afgewerkt onder de vorm van kaarten met de meest geschikte gebieden voor glastuinbouw in de verschillende provincies. Deze gebieden zijn dan ook het meest aangewezen om pilootprojecten voor glastuinbouwbedrijvenzones op te zetten. Het kaartmateriaal helpt de provincies en de gemeenten bij het aanduiden van macrozones – dit zijn voldoende grote gebieden waar glastuinbouw meer kan gestimuleerd worden - of gebieden waar provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen voor glastuinbouw worden opgemaakt.
125