Pluimvee
De pluimveesector kan ingedeeld worden in drie activiteiten: vermeerdering, productie van consumptie-eieren en vleesproductie. In de vermeerdering produceren lichte moederdieren (voor leghennen) en zware moederdieren (voor vleeskippen) broedeieren die vervolgens naar de broeierijen gaan. De kuikens van lichte moederdieren gaan van de broeierij naar een opfokbedrijf vanwaar ze als legrijpe poeljen naar de leghennenbedrijven gaan. De kuikens van zware moederdieren gaan rechtstreeks naar de vleeskippenbedrijven. Actuele thema’s in de pluimveesector hebben te maken met milieu, dierenwelzijn en de sanitaire toestand. De introductie van MAP III in 2007 zorgt voor nieuwe uitbreidingskansen voor pluimveebedrijven (uitbreiding bij mestverwerking). Op vlak van dierenwelzijn blijft bij legkippen de discussie lopen rond alternatieve huisvestingssystemen voor batterijen die tegen 2012 verboden worden (verrijkte kooi versus niet-kooisystemen). In het geval van vleeskippen gaat het niet zozeer om de huisvestingssystemen dan wel om de nieuwe bezettingsdichtheid die uiterlijk in 2010 van toepassing is. In 2007 is in België een officieel bestrijdingsprogramma voor salmonella opgelegd met een verplichte vaccinatie voor leghennen. De aanvankelijk vrijwillige vaccinatie en de recent verplichte vaccinatie leiden tot een daling van het aantal besmettingen. Bij vleeskippen blijft salmonella een belangrijk probleem. Volgens een Europese doelstelling moeten tegen 2012 de lidstaten nagenoeg vrij zijn van salmonella. Indien de besmetting boven de 1 % ligt, mag het pluimveevlees niet meer als vers product vermarkt worden. In 2007 zijn de kosten voor voeder sterk gestegen, net zoals de energiekosten. Het terugdringen en/of opvangen van de kosten blijft een belangrijk aandachtspunt. Doordat de prijzen voor eieren en vleeskippen gunstig waren, komt, anders dan bij de varkenshouderij, de rentabiliteit in 2007 minder onder druk te staan. 140
1 Structuur 1.1 Veestapel In mei 2007 zijn er volgens de meitelling in totaal 27,5 miljoen stuks pluimvee in Vlaanderen, waarvan 10,3 miljoen leghennen (inclusief poeljen) en 16,6 miljoen vleeskippen. Zowat 6,5 miljoen leghennen produceren consumptie-eieren. Ruim een miljoen leghennen staan in voor de productie van broedeieren (tabel 6.1). Tabel 6.1: Verdeling van de pluimveestapel, 1.000 stuks, 2007
2007
leghennen (incl. poeljen)
10.304
leghennen van consumptie-eieren
6.457
leghennen van broedeieren (moederdieren)
1.068
poeljen
2.779
vleeskippen
16.593
ander pluimvee
632
totaal
27.529 Bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
De pluimveestapel vertoont, na een stabilisatie eind jaren negentig, een sterk dalende tendens (figuur 6.1). In 2007 is het totale aantal teruggevallen tot zowat 77 % van het aantal in 1997. Dit is het gevolg van een sterke daling bij zowel leg- als vleeskippen. De uitzonderlijke lage waarde in 2003 is te wijten aan de extra leegstand door de maatregelen tegen de vogelgriep. Figuur 6.1: Evolutie van de pluimveestapel in Vlaanderen, index: 1997 = 100 %, 1997-2007
Bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
141
De pluimveesector is vooral een Vlaamse aangelegenheid, met West-Vlaanderen en Antwerpen als koplopers (figuur 6.2). Vlaanderen vertegenwoordigt 82 % van de vleeskippen waarvan 35 % in West-Vlaanderen en 29 % in Antwerpen. Het aandeel van de hennen en poeljen in Vlaanderen is met bijna 87 % nog groter dan dat van de vleeskippen. Binnen Vlaanderen bevindt zich 41 % in West-Vlaanderen en 33 % in Antwerpen. De hennen omvatten zowel de hennen voor consumptie-eieren als die voor broedeieren. Opvallend is dat binnen het totaal van hennen en poeljen Antwerpen 56 % van de leghennen van broedeieren vertegenwoordigt en West-Vlaanderen 51 % van de poeljen (niet weergegeven in de figuur). Figuur 6.2: Verdeling van de pluimveestapel over de gewesten en provincies, 2007 1. vleeskippen
2. hennen en poeljen
Bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
142
1.2 Productie-eenheden 1.2.1 Aantal bedrijven Slechts 0,94 % van de landbouwbedrijven, namelijk 299, is gespecialiseerd in pluimvee. Het aantal pluimveehouders is echter veel groter. Veel bedrijven huisvesten slechts een paar stuks pluimvee. Daarom worden voor de statistieken aangaande het aantal en de grootte, enkel de ondernemingen met minstens 20 leghennen of vleeskippen in aanmerking genomen. De pluimveesector in Vlaanderen telt in 2007 ongeveer 684 bedrijven met minimum 20 leghennen en poeljen, en 613 bedrijven met minimum 20 vleeskippen. Dit is respectievelijk 2,14 % en 1,92 % van het totale aantal landbouwbedrijven. Dit percentage is het hoogst in Antwerpen en in West-Vlaanderen (figuur 6.3). Figuur 6.3: Aandeel pluimveehouders in het totale aantal landbouwbedrijven per provincie, %, 2007 1. bedrijven met leghennen
2. bedrijven met vleeskippen
Bron: Departement Landbouw en Visserij op basis van FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
143
1.2.2 Bedrijfsgrootte Het aantal bedrijven met meer dan 20 leghennen (inclusief poeljen) en vleeskippen is over de periode 1997-2007 met respectievelijk 43 % en 38 % gedaald (figuur 6.4). Als gevolg van de grote afslanking van het aantal bedrijven, neemt het gemiddelde aantal dieren per bedrijf toe in de beschouwde periode tot 15.053 leghennen en 27.068 vleeskippen per bedrijf. Figuur 6.4: Evolutie van het aantal pluimveebedrijven en het gemiddelde aantal dieren per bedrijf, 1997-2007 1. leghennen
2. vleeskippen
Bron: Departement Landbouw en Visserij op basis van FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
144
Uit de indeling van de bedrijven per grootteklasse (tabel 6.2) blijkt dat er nog veel bedrijven zijn met weinig pluimvee: bijna 34 % van de bedrijven (met minimum 20 leghennen) heeft minder dan 100 leghennen en 22,4 % van de bedrijven (met minimum 20 vleeskippen) heeft minder dan 100 vleeskippen. De meeste dieren bevinden zich echter op de grotere bedrijven: 8,4 % van de bedrijven met meer dan 50.000 leghennen vertegenwoordigt 40,6 % van het totale aantal leghennen, en 13 % van de bedrijven met meer dan 50.000 vleeskippen vertegenwoordigt 35 % van het totale aantal vleeskippen. Tabel 6.2: Indeling van de pluimveebedrijven per grootteklasse, %, 2007 1. leghennen aantal leghennen per bedrijf
bedrijven
hennen
20 tot 99
33,9
0,1
100 tot 9.999
25,2
7,7
10.000 tot 29.999
22,8
26,7
30.000 tot 49.999
9,7
24,9
50.000 tot 69.999
6,1
22,9
70.000 en meer
2,3
17,7
100
100
geheel van de bedrijven met leghennen
2. vleeskippen aantal vleeskippen per bedrijf
bedrijven
20 tot 99
vleeskippen
7,2
0,01
100 tot 9.999
15,2
2,4
10.000 tot 29.999
40,6
28,5
30.000 tot 49.999
24,0
34,1
50.000 tot 69.999
8,5
17,7
70.000 en meer
4,5
17,3
100
100
geheel van de bedrijven met vleeskippen
Bron: Departement Landbouw en Visserij op basis van FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
145
1.3 Economisch belang op gemeenteniveau Het aandeel van pluimvee in de totale waarde van de land- en tuinbouw van de gemeenten is eerder beperkt. De gemeentes in de hoogste klassen zijn beperkt in aantal en gelegen in Antwerpen, Limburg en in mindere mate in West-Vlaanderen (figuur 6.5). Figuur 6.5: Belang van de pluimveesector per gemeente, 2007 Legende geen pluimvee <1% 1-2% 2-4% > 4 % (max. 23%)
N W
O
0
25
50 Km
Z
Bron: Departement Landbouw en Visserij op basis van de BSS
2 Productie 2.1 Productievolume De productie van eieren kent een wisselvallig verloop met vanaf 2004 een daling (figuur 6.6). In 2005 was er ten opzichte van 2004 een daling met 13 %. In 2007 bedraagt de productie 2,75 miljard eieren, 10 % minder dan in 2006. In 2005 (laatst beschikbaar cijfer) bedroeg de bruto Belgische kippenvleesproductie 275.631 ton karkasgewicht.
146
Figuur 6.6: Evolutie van de nationale productie van eieren, miljoen stuks, 2000-2007
Bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
2.2 Productiewaarde In 2007 bedraagt de eindproductiewaarde in Vlaanderen voor pluimvee 248 miljoen euro (voorlopig cijfer), wat overeenkomt met 5 % van de eindproductiewaarde van de totale Vlaamse land- en tuinbouwsector in dat jaar. De eiersector is in 2007 goed voor 145 miljoen euro (voorlopig cijfer) of 2,9 % van de totale productiewaarde van land- en tuinbouw. Door de goede prijzen is de eindproductiewaarde in 2007 gestegen ten opzichte van 2006 (figuur 6.7). Figuur 6.7: Evolutie van de Vlaamse eindproductiewaarde van gevogelte en eieren, miljoen euro, 1997-2007
Bron: Beleidsdomein Landbouw en Visserij
147
3 Aanwending van de productie 3.1 Consumptie Figuur 6.8 toont een evolutie van het thuisverbruik van kippenvlees en eieren. Uit de gegevens betreffende gezinsaankoop van kippenvlees en eieren blijkt dat een Vlaming in 2007 gemiddeld 10,4 kg vers kippenvlees en 86,6 eieren per persoon consumeert. Dit stemt overeen met respectievelijk 72 en 13,1 euro per capita. Figuur 6.8: Thuisverbruik van kippenvlees (in kg per capita) en eieren (in eenheden per capita), 2000-2007
Bron: GfK Panel Services Benelux, VLAM
Het verbruik van kippenvlees kent een schommelend patroon. De stijging in 2005 is volledig te verklaren door een herdefiniëring. Van dan af omvat kippenvlees naast vers eveneens diepgevroren kippenvlees. In de praktijk was er volgens de oude definitie zelfs een lichte daling met 0,1 kg. De daling in 2003 en 2006 is te wijten aan de vogelgriep. De consumptie van eieren toont een dalende trend tot 2004. Daarna volgt een stijging in 2005 en 2006 met opnieuw een lichte terugval in 2007.
3.2 Zelfvoorzieningsgraad De Belgische zelfvoorzieningsgraad voor eieren in 2007 bedraagt 107. Dit betekent dat de nationale productie groter is dan de nationale behoefte. Ten opzichte van 2004 is er wel een daling van de zelfvoorzieningsgraad voor eieren. Voor kippenvlees bedraagt de Belgische zelfvoorzieningsgraad in 2005 (laatst beschikbaar cijfer) 135.
3.3 Buitenlandse handel De buitenlandse handel voor enkele belangrijke pluimveeproducten wordt weergegeven in tabel 6.3. De handelsbalans voor levende dieren en met name voor slacht- en gebruiksdieren is negatief. Dit wordt echter ruimschoots gecompenseerd door het positieve saldo voor vers vlees en bereidingen. Binnen de productcategorie eieren is het saldo positief voor verbruiks148
eieren en broedeieren, maar negatief voor eiproducten. De totale uitvoer bedraagt 876,9 miljoen euro en de totale invoer 549,5 miljoen euro. Dit levert een positief saldo op van 327,4 miljoen euro in 2007. Het aandeel van de invoer binnen de EU bedraagt bijna 98 %. Voor de uitvoer is dat ongeveer 95 %. Tabel 6.3: Buitenlandse handel per productcategorie, miljoen euro, België, 2007
invoer
levend pluimvee (kippen)
uitvoer
saldo
200,1
43,6
-156,5
6,8
20,5
13,7
193,3
23,1
-170,3
vers vlees van kippen
126,8
501,3
374,5
gevogeltebereidingen
138,5
241,8
103,2
84,0
90,2
6,2
broedeieren
11,5
13,3
1,8
verbruikseieren
38,7
56,2
17,5
eiproducten
33,9
20,8
-13,1
549,5
876,9
327,4
536,7
830,3
293,7
fokdieren slacht- en gebruiksdieren
eieren
totaal waarvan intra-EU-25
Bron: Departement Landbouw en Visserij op basis van Eurostat
Figuur 6.9 toont de in- en uitvoer van de belangrijkste productcategorieën per handelspartner. In zijn totaliteit is de invoer vooral afkomstig uit Nederland (52 %) gevolgd door Frankrijk (31 %) en Duitsland (10 %). Die landen vertegenwoordigen 93 % van het totaal. Enkel voor gevogeltebereidingen en in mindere mate voor vers vlees van kippen is een belangrijk deel van de invoer afkomstig uit Duitsland en “andere landen”. De uitvoer (totaal) is vooral bestemd voor de Nederlandse (37 %) en de Franse (23 %) markt, gevolgd door het Verenigd Koninkrijk (16 %) en Duitsland (9 %). Levend pluimvee wordt vooral geëxporteerd naar Nederland. Daarnaast gaat ten opzichte van het totaal een relatief groter deel van de eieren naar Duitsland, en is een relatief groter deel van de gevogeltebereidingen en eiproducten bestemd voor het Verenigd Koninkrijk.
149
Figuur 6.9: Aandeel buitenlandse handel per productcategorie en per handelspartner, België, 2007 1. invoer
Dierenwelzijn De welzijnstoestand van het dier wordt ingevuld aan de hand van fysieke en psychische componenten. Allerlei factoren kunnen deze toestand beïnvloeden: de omgevingsomstandigheden, de genetische opmaak van het dier en natuurlijk ook de menselijke handelingen waaraan de dieren onderworpen worden. De maatschappij eist, zoals ze ook voor bv. gezelschapsdieren of proefdieren doet, dat het welzijn van landbouwhuisdieren gegarandeerd is. Deze eisen hebben niet enkel betrekking op het landbouwbedrijf, maar gelden vanaf hun geboorte tot hun dood (kweken, transport en uiteindelijk slachten). Ook het welzijn van vissen in de visserij of aquacultuur vraagt aandacht. De wetgever probeert in de dierenwelzijnsregelgeving een evenwicht te vinden tussen de economische belangen van de landbouwsector, de wensen van de consument en het garanderen van het welzijn van de betrokken dieren. In deze thematiek wordt de regelgeving op Europees niveau vastgelegd, hoewel individuele lidstaten de mogelijkheid hebben om pro-actief verdergaande initiatieven uit te werken. De dierenwelzijnsregelgeving is in België federale materie, maar het akkoord van de gewestregeringen is vereist voor de federale maatregelen inzake dierenwelzijn die een weerslag hebben op het landbouwbeleid. De Europese wetgeving over de bescherming van varkens in varkenshouderijen werd in 2003 omgezet. Hiermee werd groepshuisvesting bij zeugen verplicht, vanaf vier weken na de inseminatie tot een week voor het werpen. Dit geldt voor alle nieuwe bedrijven of verbouwingen of nieuwbouw vanaf 2003. Alle andere bedrijven moeten er ten laatste in 2013 aan voldoen. Het aanbinden van zeugen en gelten werd vanaf 2006 verboden, waarbij ook het bouwen of installeren van aanbindsystemen verboden werd. Een onderzoek van het ILVO toont aan dat in 2005 nog maar slechts een kleine minderheid van de Vlaamse varkenshouders overgeschakeld is op de groepshuisvesting van zeugen (Tuyttens et al., 2007). Eind 2008 start een driejarig onderzoek om verschillende alternatieven voor onverdoofde castratie van biggen op praktijkniveau te testen op effectiviteit, economische rentabiliteit en werkbaarheid voor de varkenshouders. Door een Europese Richtlijn die in 2005 werd omgezet, zal de huidige legbatterij vanaf 1 januari 2012 definitief uit de Europese kippenstallen verdwijnen. Dan moeten alle legkippen in verrijkte 150
2. uitvoer
Bron: Departement Landbouw en Visserij op basis van Eurostat
kooien of in niet-kooisystemen, zoals volièresystemen of grondhuisvesting worden gehouden. De verruimde of verrijkte kooien moeten dan een oppervlakte bieden van 750 cm2 per kip. In de Europese Richtlijn 2007/43/EG worden minimumvoorschriften voor de bescherming van vleeskuikens vastgesteld. De bezettingsnormen worden in kg/m2 uitgedrukt, en niet in aantal dieren, aangezien het gewicht van de slachtkuikens de laatste decennia enorm toegenomen is. De maximale bezettingsdichtheid wordt gelegd op 33 kg per m2. Dit kan echter in specifieke gevallen nog uitgebreid worden tot 39 kg/m2 of tot 42 kg/m2. Het slachtgewicht van een vleeskip ligt nu op ongeveer 2 kg of meer. Een bezettingsdichtheid van 33 kg per m2 komt dan overeen met 13 tot 16 kippen per m2, een bezettingsdichtheid van 42 kg per m2 komt overeen met 17 tot 21 kippen per vierkante meter. De Europese Richtlijn moet uiterlijk in 2010 in werking treden in de lidstaten. Het Koninklijk Besluit van 1998 betreffende de bescherming van kalveren in kalverhouderijen legt minimumnormen ter bescherming van kalveren vast en is de omzetting van een Europese Richtlijn uit 1991. Hiermee werd de individuele huisvesting van kalveren van ouder dan acht weken verboden vanaf 1998 voor alle nieuwbouw of verbouwingen en vanaf 2007 voor alle bedrijven. De kalveren mogen niet aangebonden staan (tenzij onder specifieke omstandigheden) en moeten volgens hun fysiologische behoeften worden gevoederd. Hiermee kwam een einde aan het fel bekritiseerde systeem van de kistkalveren. Ook voor het transport en het slachten van landbouwdieren zijn Europese regels van toepassing die minimumvereisten omtrent hun welzijn vastleggen. Er moeten in de sector nog inspanningen geleverd worden om de Europese deadline betreffende groepshuisvesting van zeugen, afschaffing van legbatterij en bezettingsdichtheid van vleeskuikens te halen. Daarnaast zijn er nog specifieke problemen in diverse sectoren waar de maatschappelijke druk omtrent dierenwelzijn in de toekomst een aanpassing van de sector eist. Zo is er bv. het doden van mannelijke eendagskuikens, die in de leghennenindustrie als overtollig surplus beschouwd worden of het onverdoofd castreren van biggen. Ook in die sectoren die traditioneel minder publieke belangstelling genieten is aandacht voor dierenwelzijn noodzakelijk, bv. betreffende het welzijn van vissen, paarden, konijnen en dieren die gekweekt worden voor hun pels. 151
4 Rentabiliteit 4.1 Prijsevolutie De prijzen voor bruine eieren worden wekelijks bepaald door de eierprijzencommissie te Kruishoutem. In 2007 bedraagt de gemiddelde prijs voor 10.000 eieren 505,69 euro. Wekelijks bepaalt de nationale prijzencommissie voor het levend pluimvee in Deinze de kippenprijs. Voor 2007 ontvangt de producent gemiddeld 856 euro per ton vleeskippen. De prijzen voor vleeskippen in 2007 zijn het hoogst van de laatste tien jaar, die voor eieren het op één na hoogst (figuur 6.10). De dioxinecrisis zorgde in 1999 voor zeer lage prijzen voor zowel vleeskippen als eieren. In augustus 2004 bereikte de eierprijs een historisch dieptepunt. De reden voor die prijsval was de overproductie in Europa en vooral de druk vanuit Spanje. Een groot deel van de gespecialiseerde pluimveebedrijven werkt met prijsgarantiecontracten. Figuur 6.10: Evolutie van de prijs aan producent voor de vleeskippen (euro per ton) en bruine eieren (euro per 10.000 eieren), 1997-2007
Bron: Nationale prijzencommissie voor het levend pluimvee Deinze, eierprijzencommissie Kruishoutem
De goede marktprijzen voor vleeskippen en eieren zorgen er voor dat de stijging van de voederkosten en de energiekosten de rentabiliteit minder sterk onder druk zet. De voederprijs voor legkippen en vleeskippen is ten opzichte van 2006 in 2007 toegenomen met respectievelijk 12 % en 10 % (figuur 6.11). Uit de maandelijkse voederprijzen blijkt dat vooral in de tweede helft van 2007 de voederprijzen sterk toenemen en er eveneens in 2008 nog een lichte stijging is (in juli 2008 ten opzichte van januari 2006 respectievelijk +36 % en +32 %).
152
Figuur 6.11: Evolutie van de voederprijs voor legkippen en vleeskippen per jaar, euro per ton, 1998-2007
Bron: BEMEFA
4.2 Technische en financiële resultaten De resultaten zijn afkomstig van VEPEK (Vereniging voor Eieren, Pluimvee en Konijnen), die reeds enkele jaren bedrijfsresultaten verzamelt, en zijn eveneens verschenen in het tijdschrift Pluimvee (nr. 3, maart 2008: vleeskippen en nr. 4, april 2008: legkippen).
4.2.1 Legkippen Tabel 6.4 geeft de bedrijfsresultaten weer van legkippen voor 2005 en 2006. Het arbeidsinkomen in 2006 bedraagt 5,98 euro per 1.000 eieren. Dit is een sterke stijging ten opzichte van 2005 toen het arbeidsinkomen zelfs negatief was. Dit is een gevolg van de hogere prijs per ei (4,66 euro per 100 stuks in 2006 tegenover 3,30 euro per 100 stuks in 2005). Tabel 6.4 bevat eveneens enkele technische kenmerken. De legperiode duurt 425 dagen. Per hen worden 333 eieren geproduceerd aan een gewicht van 62,56 gram per ei. De voederconversie bedraagt ongeveer 140 gram voeder per ei en er is 10,78 % uitval. Tabel 6.4: Bedrijfsresultaten legkippen, 2005-2006 arbeidsinkomen (euro per 1.000 eieren)
2005
2006
-0,65
5,98
2,97
3,00
297,40
333,35
62,62
62,56
prijs ei (euro per 100 stuks)
3,30
4,66
prijs voeder (euro per kg)
0,18
0,16
139,74
140,42
14,19
10,78
394
425
prijs aanvangspoelje (euro per hen) eieren per aanvangshen (stuks per hen) ei gewicht (gram per ei)
voederconversie (gram per ei) uitval (%) legperiode (aantal dagen)
Bron: VEPEK
153
4.2.2 Vleeskippen Tabel 6.5 toont de bedrijfsresultaten van vleeskippen. Het arbeidsinkomen bedraagt 0,34 euro per vleeskip in 2006. Dit is iets hoger dan in 2005. Het hogere arbeidsinkomen per vleeskip is een gevolg van een zwaarder aflevergewicht (2,38 kg per kip in 2006 tegenover 2,31 kg per kip in 2005) en vooral een betere voederconversie (1,72 kg veevoeder voor 1 kg kippenvlees in 2006 tegenover 1,78 kg in 2005). De prijs per kg vleeskip is volgens de gegevens dezelfde als in 2005 (0,75 euro per kg). Nochtans volgt uit figuur 6.10 een daling van de prijs aan producent voor vleeskippen in 2006. De duur van een ronde bedraagt 54 dagen. Daarbij is er een uitval van 2,43 %. Tabel 6.5: Bedrijfsresultaten vleeskippen, 2005-2006
2005
2006
arbeidsinkomen (euro per kip)
0,29
0,34
prijs kuiken (euro per kuiken)
0,26
0,26
gewicht vleeskip (kg per kip)
2,31
2,38
prijs vleeskip (euro per kg)
0,75
0,75
prijs voeder (euro per kg)
0,24
0,25
voederconversie (kg per kg)
1,78
1,72
uitval (%)
3,24
2,43
54
54
duur ronde (aantal dagen)
Bron: VEPEK
154