— Een uitgave van de Vlaamse Milieumaatschappij - september 2010 - www.vmm.be —
Ivo en Chris meten het grondwaterpeil Help de natuur een handje en regel zelf je waterhuishouden Dossier Europees milieubeleid
Wat verwacht Europa van ons? Een gesprek met Vlaams minister Joke Schauvliege
VL AAMSE MILIEUMAATSCHAPPI J
4 Verrekijker wordt gepubliceerd door de Vlaamse Milieumaatschappij Coördinatie en eindredactie VMM
9
Vissen nemen de trap
dossier: europees milieubeleid
Vistrappen in de velpe
Wat verwacht europa van ons?
Algemene informatie VMM-Infoloket A. Van de Maelestraat 96 9320 Erembodegem info@vmm.be www.vmm.be Tel. 053 72 64 45 - Fax 053 71 10 78
“Dé uitdaging voor het komende decennium is de omvorming naar een koolstofarme economie”
Redactie & Realisatie Het Salon, www.het-salon.be
Minister Joke Schauvliege p.20
Fotografie Thomas De Boever, Jan Caudron, Yves Adams, Vildaphoto, Shutterstock Drukwerk Artoos Communicatiegroep Verrekijker wordt gedrukt op 100 procent gerecycleerd papier. Verantwoordelijke Uitgever Philippe D’Hondt , VMM D/2010/6871/019 Met dank aan Ted en Katrien Kappetijn, Hans Mathieu, Joke Schauvliege, Wim Van den Eynde
verder 24 Hemelwater Regel zelf je waterhuishouding 28 Drinkwater Zorg voor een goede binnenleiding 32 De milieuwerker Yvo en Chris meten het grondwaterpeil 36 Wedstrijd Kies jouw favoriete natuurfoto
VL AAMSE MILIEUMAATSCHAPPIJ
WIJ zIJn aan zet België is al enkele maanden Europees voorzitter. Maar ook Vlaanderen heeft een belangrijke stem in het bepalen van de agenda en het vastleggen van prioriteiten. Met name op vlak van milieu. Vlaams minister van Milieu Joke Schauvliege zit sinds 1 juli de EU-raad Leefmilieu voor. De grootste uitdaging zal erin bestaan om de 27 lidstaten op één lijn te krijgen. Dat is van essentieel belang op de internationale klimaatconferenties die vallen tijdens het voorzitterschap van België, zoals de VN-klimaatonderhandelingen in het Mexicaanse Cancún van 29 november tot 10 december van dit jaar. In ons dossier over Europees milieubeleid gaan we dieper in op de prioriteiten van de minister tijdens dit voorzitterschap. Verder komt ook uitgebreid aan bod hoe Vlaanderen als regio omgaat met Europese richtlijnen en hoe belangrijk interregionale samenwerking is om de Europese normen en richtlijnen te realiseren. De keuzes van een regio als Vlaanderen hebben impact op het milieu, maar keuzes maken begint al bij elk van ons thuis. Als je bouw- of verbouwplannen hebt, moet je vandaag de dag bijvoorbeeld rekening houden met verplichtingen om je waterhuishouding op de meest milieuefficiënte manier te regelen. Omdat ook architecten dikwijls nog met vragen zitten over de juiste aanpak van waterbeheer in en rond het huis, bracht de VMM een handige en praktische ‘Waterwegwijzer’ uit. Water komt ruim aan bod in dit nummer, want verder bekijken we ook hoe (on)gezond ons kraantjeswater is en gaan we op stap met de twee grondwaterpeilmeters van de VMM. Wat hun werk precies inhoudt, vertellen ze zelf verderop in het magazine. Niet alleen de mens, maar ook vissen hebben belang bij een goed waterbeheer. Om de vispopulatie in onze waterlopen te stimuleren, streeft de VMM uiteraard naar een verbetering van de waterkwaliteit. Maar verder heeft het visbestand ook ruimte nodig om te groeien, en soms beletten watermolens hen de vrije doorgang. Om die reden is de VMM volop bezig met enkele projecten op de Velpe, een zijrivier van de Demer, om de vismigratieknelpunten op te lossen. Dat levert alvast enkele mooie plaatjes op. Genieten maar! Veel leesplezier Frank Van Sevencoten Administrateur-generaal
Vi De Vlaamse Milieumaatschappij (VMM) legt momenteel vistrappen en geulen aan rond vijf molens in de rivier de Velpe om de vismigratie te bevorderen. Er leven momenteel te weinig vissen, omdat ze niet tot bij hun paaiplaatsen geraken. De verwachting is dat de situatie zich zal herstellen dankzij de ingrepen en een verbeterde waterkwaliteit.
Links: Bekkentrap in de woelkom aan de Rotemse molen / Boven: De beschermde Rotemse molen in Halen
Als de molen niet draait, kan de vis er via trapjes passeren. Wordt er gemalen, dan gaan de sluizen voor de molen dicht en is er tijdelijk geen vismigratie.
De Velpe ontspringt in Vlaams-Brabant en mondt uit in de Demer, ter hoogte van het Limburgse Halen. Het is een typische regenrivier met overstromingsgebieden. Uit een onderzoek van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) blijkt dat er veertien verschillende vissoorten leven, waaronder paling, riviergrondel, blankvoorn en bermpjes. Dat zijn geen uiterst zeldzame soorten, al verdient de paling wel extra aandacht. Projectingenieur Werner Mennen van de VMM noemt de soortendiversiteit in de Velpe ‘matig goed’. “Veertien is niet slecht, maar zeker niet het maximum voor dit type van waterlopen. Door de aanwezigheid van vijf watermolens kunnen de vissen niet verder migreren, waardoor ze moeten overleven op een traject van 3 à 4 kilometer lengte. Vaak is zo’n traject te kort om voor een gezonde populatie te zorgen. Door migratie mogelijk te maken, is er meer kans op herstel. Onderzoek van het INBO toont aan dat voor de visfauna de aanpak van vismigratieknelpunten minstens even belangrijk
is als het herstel van de nu nog matige waterkwaliteit.” Om ervoor te zorgen dat verdwenen soorten terugkeren en de aanwezige soorten meer leefgebieden opzoeken, probeert de VMM de vismigratie te herstellen rond de molens. Knelpunten rond deze molens zijn vaak het moeilijkst op te lossen, omdat er meestal tegenstrijdige belangen zijn. Wil het rad draaien dan moet het water opgestuwd worden, maar de vis moet ook kunnen passeren. Daarom moet dus een deel van het water naar de molen stromen en een ander deel voorbehouden blijven voor de vissen.
Specifieke aanpak Om dat mogelijk te maken was er voor elke molen een specifieke aanpak nodig. Niet alleen de situatie ter plaatse speelt daarbij een rol, maar ook of de molen nog in werking is of niet. Aan de niet meer functionerende Zelkermolen in Halen is vorig jaar een hoogteverschil van 1 meter opgevangen door de aanleg van een
Verrekijker - 5
Werner Mennen van de VMM en Ted Kappetijn, eigenaar van de Rotelmolen in Bunsbeek
stenen vishelling over een lengte van 150 meter in de bedding van de Velpe. Dankzij een variatie aan traag- en snelstromende zones kunnen de vissen nu van steen tot steen naar boven zwemmen. De Rotemse molen staat ook in Halen en is een beschermd monument. “De eigenaar wil na restauratie de molen af en toe nog gebruiken. Vandaar dat er hier gekozen is voor een bekkentrap in de woelkom, het bassin achter het rad. Als de molen niet draait, kan de vis er via trapjes passeren. Wordt er gemalen, dan gaan de sluizen voor de molen dicht en is er tijdelijk geen vismigratie. Er zijn afspraken gemaakt met de eigenaar over hoe lang en wanneer er gemalen mag worden”, vertelt Mennen. “De grootste moeilijkheid was hier dat er niet meer ruimte was rond de molen, omdat er een weg langsloopt”, zegt Koen Martens van de VMM, gespecialiseerd in oplossingen voor vismigratieknelpunten. “En continu stuwen zodat je steeds een hoger waterpeil hebt, kon niet vanwege de landbouw.” Van de derde molen, de Rotelmolen in Bunsbeek, is het wel de bedoeling dat die in de toekomst volop draait. De eigenaar wil op die manier energie opwekken. Het hoogteverschil bedraagt er meer dan 2 meter. Daarom is er onlangs een nevengeul met 22 trapjes aangelegd. Op die manier kunnen de vissen rondom de molen stroomopwaarts zwemmen. Nog dit jaar beginnen de werkzaamheden aan de verder
6 - Verrekijker - september 2010
stroomopwaarts gelegen Dalemse molen in Vissenaken. Hier wordt het hoogteverschil opgevangen door gebruik te maken van de Kleine Velpe, een zijwaterloop die honderden meters parallel loopt met de Velpe. Helemaal op het einde wordt er een verbinding gemaakt tussen beide rivieren, die dan uitkomt in de woelkom van de molen.
De VMM probeert de vismigratie te herstellen rond de molens
in functie van de watermolen. De kans is dan ook niet onbestaande dat de Velpe in het verleden op het laagste punt van de vallei liep. Dat is net waar wij hem naar hebben omgeleid.” Wat de resultaten zijn van de ingrepen die al zijn gedaan, heeft de VMM nog niet onderzocht. Dat gebeurt pas als het volledig project af is. Ervaringen met andere rivieren waar de migratie gestimuleerd is, zijn veelbelovend. Zo is in de Zwalm de rivierprik teruggekeerd. De zalm trekt weer op in de Berwijn, een zijrivier van de Maas en door een visdoorgang op de Kleine Nete in Herentals werden maar liefst 650 migrerende vissen gespot op een dag.
informatiebord Rond de vijfde molen, de Arnautsmolen in Kersbeek-Miskom wordt voorlopig nog niet gewerkt. “Voor deze molen is het nog zoeken naar een oplossing die aanvaardbaar is voor alle partijen”, legt Martens uit. “Vandaar dat we besloten hebben eerst de andere vier projecten af te werken. Als die klaar zijn, kunnen we de resultaten ervan aan de bevolking tonen, zodat ze kunnen zien wat de bedoeling is.”
Terugkeer van verdwenen soorten Volgens Martens en Mennen wordt met de projecten eigenlijk een oorspronkelijke structuur hersteld. Dat is niet altijd de natuurlijke situatie van vroeger, maar soms ook wel. “Bij de Dalemse molen is de waterloop waarschijnlijk ooit verlegd om een hoogteverschil te krijgen
De eerste waarnemingen in de Velpe zijn positief. Mennen: “De dag dat de sluizen bij de Rotemse molen opengingen, zaten er binnen het uur vissen stroomopwaarts. Je zag ze de trap opzwemmen. Dat was voor ons het bewijs dat die trappen genomen konden worden. Bij de uitvoering van de werkzaamheden kijken we na of een trap echt op de centimeter gerealiseerd is zoals voorzien. Dat is belangrijk, want een hoogteverschil van 15 centimeter kan al problemen opleveren waardoor de vissen niet kunnen passeren.” De trap van de Rotemse molen ligt naast een fietsroutenetwerk. Mensen stappen af om met eigen ogen te zien dat het functioneert. Een informatiebord zal de werking en het waarom van de bekkentrap nog verduidelijken.
tegenstrijdige belangen verenigen
B
Een van de plaatsen waar de vismigratie een handje geholpen moest worden, is bij de Rotelmolen in Bunsbeek. Daar wordt momenteel een trap aangelegd rond het waterrad. Dat ging aanvankelijk niet zonder slag of stoot. “Grappig genoeg waren hier twee groene objectieven in strijd met elkaar”, zeggen eigenaars Ted Kappetijn en Katrien Beelen. “Zelfs de groene jongens kwamen er niet uit. Maar we hebben het een toch met het ander kunnen verenigen.” T
Het stimuleren van vismigratie in grotere onbevaarbare waterlopen kadert in een beschikking van het Comité van Ministers van de Benelux Economische Unie. Het gaat daarbij vooral om vissen die gedurende hun leven meerdere habitats gebruiken. Door de beschikking zijn België, Nederland en Luxemburg verplicht om vóór 2015 50 procent van alle knelpunten rond vismigratie op te lossen. In 2021 moet 75 procent van de hindernissen zijn weggewerkt en in 2027 alles. “We moeten tegen dan nog veel rivieren doorlichten”, zegt Koen Martens van de VMM. “Daarom hebben we voor Vlaanderen een prioriteitenlijst opgemaakt. Het netwerk waar voorrang aan wordt gegeven is ongeveer 3.200 kilometer lang. In totaal zijn er 166 knelpunten op waterlopen waarvoor de VMM verantwoordelijk is, waarvan 65 watermolens. Daarvan hebben we intussen ruim 20 procent opgelost.”
direct achter de molen en de bypass die daarvoor is aangelegd is kleiner. Stroomopwaarts is er bovendien een drempel in de Velpe en een instroomconstructie voor een nevengeul geplaatst. Die zorgt ervoor dat er altijd een minimumhoeveelheid water door de rivier en door de visdoorgang stroomt. De constructie is zodanig gebouwd dat in periodes dat vismigratie minder belangrijk is, zoals tijdens de winterperiode, meer water voor de molen ter beschikking komt. De Rotelmolen is een zeer oude en unieke molen. In 1365 stond er op die plaats al een molen die eigendom was van het klooster Cabbeek in Tienen. Begin zeventiende eeuw werd er een nieuw exemplaar opgericht. Hij wordt aangedreven door een nog in zeer goede staat verkerend Sagebienrad, waarvan er nog maar twee bestaan in Vlaanderen. “Eind negentiende eeuw was dat de Rolls Royce onder de watermolenraden”, weet Ted. “Het heeft een heel hoog rendement van boven de 90 procent.” De bedoeling is dat de watermolen op het einde van dit jaar ook echt gaat werken en dan voor meerdere gezinnen stroom opwekt. Of werkelijk alle vissen dankzij de vistrap weg zullen blijven van het rad, weet Ted niet. “Het kan altijd een keer gebeuren dat er een vis in belandt. Ik weet eigenlijk niet of zo’n vis daardoor gewond kan raken.”
Verrekijker - 7
R Op tien jaar tijd haalden de Vlaamse rattenbestrijders goede resultaten. Ving men in 2000 nog 40.000 tot 50.000 muskusratten per jaar, dan is dat aantal nu teruggelopen tot hooguit 5.000 muskusratten per jaar. Ook bruine ratten en beverratten worden bestreden door de VMM. Het rapport ‘Ratten op Vlaamse wijze’ evalueert tien jaar rattenbestrijding in Vlaanderen. Voornaamste conclusie is dat de rattenbestrijding efficiënt en effectief wordt aangepakt, maar dat er nog werk aan de winkel is. De muskusratpopulatie, die enorme schade aan dijken en oevers kan veroorzaken, is onder controle. De focus zal in de toekomst liggen op de jacht op de bruine rat en de flink uit de kluiten gewassen beverrat. In het aantrekkelijk vormgegeven rapport vind je alle informatie over de redenen en manieren van bestrijden. De hoofdpersonages in dit gespecialiseerde verhaal komen uiteraard ook uitgebreid aan bod. Zo weet je meteen waarom je beter geen ‘waterkonijn’ eet. http://www.vmm.be/publicaties
WegWIJs met Water Bouwers of verbouwers moeten in Vlaanderen rekening houden met een aantal richtlijnen en verplichtingen over het aanpakken van hun waterhuishouding. Dat gaat van het lozen van huishoudelijk afvalwater, over opvang, buffering en hergebruik van hemelwater. Particulieren die willen weten hoe ze hun waterhuishouding kunnen aanpassen om te beantwoorden aan deze richtlijnen, kloppen meestal bij hun architect of bouwheer aan. Maar ook zij zitten dikwijls nog met praktische vragen. De publicatie ‘Waterwegwijzer bouwen en verbouwen’ wil in de eerste plaats de vragen van de architecten beantwoorden. De gids geeft hen tips over duurzamer en rationeler omspringen met water in de particuliere woning. Maar de concreet uitgewerkte voorbeelden maken de praktische gids ook toegankelijk voor een breed publiek. Op pagina 24 lees je er meer over. De gids bekijken en downloaden kan je op www.vmm.be/water/waterwegwijzerbouwen De informatie op deze website wordt voortdurend geactualiseerd.
Europees Milieubeleid
10 Europa en het nieuwe milieurapport 14 BelgiĂŤ EU-voorzitter. Wat doet de VMM? 16 Projecten met Europese tussenkomst 19 Weiss verbetert waterkwaliteit 20 Interview Minister Joke Schauvliege
Wat vraagt
Europa van ons?
Europa is heel belangrijk in de ontwikkeling van het Vlaamse milieubeleid. Niet zo gek dus dat het nieuwe milieurapport ‘Milieuverkenning 2030’ extra aandacht heeft voor de Europese doelstellingen. Marleen Van Steertegem en Saskia Opdebeeck van het MIRA-team van de VMM lichten toe. “Vlaanderen hoort zorgvuldig om te springen met de beschikbare ruimte en watervoorraden, maar vooral energiegebruik is een heikel punt. Als we ons beleid ongewijzigd verderzetten, groeien we alleen nog verder weg van de Europese doelstellingen. Bij ongewijzigd beleid zal het energiegebruik in Vlaanderen blijven toenemen en halen we de Europese doelstellingen niet” zetten Marleen en Saskia de toon.
“Als we nu jaarlijks 1 à 2 procent van ons wereldwijd bruto binnenlands product aan de klimaatproblematiek besteden, voorkomen we een schade die tot 20 keer zoveel kan kosten.”
Niets doen is duurder dan iets doen
Daarnaast zal de industrie- en vooral de transportsector meer inspanningen moeten leveren als we een duurzame toekomst willen. Die laatste blijft nog steeds meer broeikasgassen uitstoten. De wagens worden wel milieuvriendelijker, maar er komen er meer en meer bij. Willen we de Europese doelstellingen halen, dan moeten we met z’n allen met minder zware, energie-efficiëntere en kleinere wagens gaan rijden. Dat zouden ook steeds meer elektrische wagens moeten worden... die opgeladen zijn met hernieuwbare energie, uiteraard.Marleen besluit: “Zoals het Stern-rapport van de Britse topeconoom zegt: door de klimaatverandering nu aan te pakken, vermijden we grote kosten achteraf. In cijfers: als we nu jaarlijks 1 à 2 procent van ons wereldwijd bruto binnenlands product aan de klimaatproblematiek besteden, voorkomen we een schade die tot 20 keer zoveel kan kosten.”
Europa wil met zijn 20 20 20-doelstellingen van het Energie- en Klimaatpakket het energiegebruik met 20 procent verminderen tegen 2020. Dat houdt een paar sprekende consequenties in. We moeten absoluut inzetten op hernieuwbare energie zoals wind, zon en biomassa. Maar alleen al door daken en gevels te isoleren, te kiezen voor efficiënte verwarmingsketels en hoogrendementsbeglazing zouden we al in staat zijn om het energiegebruik van de huishoudens te halveren. “Een mooi resultaat, want dat zijn op zich geen zware en moeilijke ingrepen”, vindt Marleen Van Steertegem. “De kost om elk dak in Vlaanderen te isoleren zou slechts 10 procent bedragen van de som die naar de bankencrisis ging. Om energiegebruik te beperken kan je met relatief bescheiden maatregelen een groot effect bereiken”, weet Saskia Opdebeeck.
10 - Verrekijker - september 2010
Het totaalplaatje oplossen Hier en daar halen we de Europese milieudoelstellingen voor 2020, maar nog niet overal. Voor ozon bijvoorbeeld moeten we nog grote inspanningen leveren. “We zien dat de piekconcentraties dalen, maar het algemene jaargemiddelde stijgt. Zo halen we de doelstelling om de volksgezondheid te beschermen niet”, vertelt Saskia. Tegelijk hebben de inspanningen om de uitstoot aan te pakken soms een vreemd neveneffect. Marleen: “We vechten tegen luchtverontreiniging, maar nemen daarmee ook een stof weg, stikstofoxide, die helpt om ozon af te breken. Dit zorgt ervoor dat we op vele plaatsen in Vlaanderen momenteel nog een toename van de ozonconcentraties zien.” Het is met andere woorden allemaal niet zo rechtlijnig. Bovendien weten we ondertussen ook dat de toekomstige luchtkwaliteitsverbetering voor bijvoorbeeld ozon en fijn stof gedeeltelijk of volledig teniet kan worden
“Zelfs al zouden we nu ineens helemaal stoppen met uitstoten, de temperatuur zal hoe dan ook stijgen� Saskia Opdebeeck van de VMM
Verrekijker - 11
gedaan wanneer de klimaatverandering zich doorzet. “Je kunt dus niet één probleem aanpakken, maar moet het totaalplaatje zien op te lossen.”
en het noorden zal vernatten. Wij liggen pal in het midden en het is moeilijk om ondubbelzinnig in te schatten hoe de situatie in Vlaanderen zal zijn. Daarom moeten we het beleid zo uitstippelen dat we op beide voorzien zijn.”
Preventie en adaptatie Maar wat dan voor klimaatverandering? “Twee dingen: we blijven preventief de emissies van broeikasgassen verminderen. We kennen de grens van 2°C: als het globaal 2°C opwarmt, komen we in een fase van onomkeerbare veranderingen terecht. Om die grens te vermijden, zegt het laatste rapport van het IPCC (Intergovernmental Panel on Climate Change van de Verenigde Naties), moeten we tegen 2050 de uitstoot van broeikasgassen tussen de 80 en de 90 procent verminderen. Dat is dus nog een flinke stap verder dan de 20 procent die Europa vraagt tegen 2020. We weten ook dat we in het verleden al zoveel uitgestoten hebben dat de CO2-concentratie blijft aangroeien. Zelfs al zouden we nu ineens helemaal stoppen met uitstoten, de temperatuur zal hoe dan ook stijgen. Dat brengt ons bij het tweede spoor: adaptatie.” Aanpassen aan wat komen zal, betekent vaak een flexibel beleid. Saskia neemt water als voorbeeld: “Het kan dat we meer overstromingen krijgen, maar het kan hier net zo goed heel droog worden. Dat heeft te maken met onze geografische ligging. Internationale rapporten over de klimaatopwarming zeggen vaak dat het zuiden van Europa zal verdrogen
12 - Verrekijker - september 2010
Verantwoordelijkheid tegenover de wereld Marleen Van Steertegem wijst ook op onze verantwoordelijkheid: “Weinig mensen zullen het erg vinden dat het bij ons een beetje
Europese ambities te laag ? 20 procent emissievermindering tegen 2020. Als we tegen 2050 aan een reductie van 80 tot 90 procent moeten zitten, zijn we er nog lang niet. 90 procent lijkt ook gigantisch veel. “Maar als je het energieprobleem goed aanpakt, is dat niet onmogelijk”, becijferde het MIRA-team van de VMM. “Wij beschrijven een scenario waarin we naar een duurzame koolstofarme economie gaan, zonder fossiele brandstoffen.” Dat contras-
“Technisch bestaat de mogelijkheid om een maatschappij te bouwen die tot 90 procent minder broeikasgassen uitstoot, maar: waar zetten we onze middelen op in?”
warmer wordt. Wij komen er relatief goed van af. Bepaalde gewassen gaan zelfs beter gedijen op onze grond, we gaan bijvoorbeeld meer druiven kunnen kweken. Maar al schrijft de VMM Vlaamse rapporten, we moeten ook aandacht hebben voor de ontwikkelingslanden in het Zuiden. Daar wordt het zeker veel droger en komen er echte waterproblemen. Wij zijn daar voor een belangrijk deel verantwoordelijk voor: ze hebben het daar moeilijk doordat wij hier zo kwistig met energie zijn omgesprongen – en nog altijd doen.”
teert met de huidige realiteit waarbij bij gelijkblijvend beleid ons energiegebruik tussen 2006 en 2030 met 13 procent zal stijgen en dat we dus alleen maar weg groeien van de Europese 20 20 20-doelstellingen. “Het gaat om politieke keuzes”, geeft Saskia toe. “Technisch bestaat de mogelijkheid om een maatschappij te bouwen die tot 90 procent minder broeikasgassen uitstoot, maar: waar zetten we onze middelen op in?” Europa wil ook voor 30 procent minder broeikasgassen gaan tegen 2020, maar alleen als de andere
Milieuverkenning 2030: “Ontwikkel visies op lange termijn”
continenten – en vooral hun industrielanden – zich ook engageren.
De lange weg naar Utopia? 90 procent vraagt om een echte transitie: anders wonen, anders werken, anders ontspannen. “In onze milieuverkenning beschrijven we het voorbeeld van de levende kernen waar mensen wonen, werken, lokaal voedsel produceren en zelf hun energie maken met zonnepanelen en warmtepompen”, vertelt Marleen. Saskia verwijst naar de Industriële Revolutie aan het einde van de 19e eeuw: “Tot die tijd zat de ganse productieketen op één plek, van grondstof tot eindproduct. Daarna is de keten in specialisaties onderverdeeld. Heel het economische systeem werd daardoor anders georganiseerd. Wij zeggen op het einde van ons boek dat we dat systeem opnieuw moeten herbekijken als we alle doelstellingen willen halen. Dat is een zeer geëngageerde boodschap.” Maar het MIRA-team gaat er ook van uit dat het geen utopie is. “Er lopen proefprojecten en initiatieven rond transitie. Dat we het systeem moeten herdenken, betekent niet dat we onze welvaart moeten opzeggen. Het zal wel veel tijd vragen, zoiets kun je niet op een paar jaar. Maar je moet wel nu beginnen om het tegen 2050 gerealiseerd te hebben.”
De Milieuverkenning 2030 beschrijft in drie scenario’s hoe het milieu in Vlaanderen er kan uitzien binnen vijf, tien, vijftien en twintig jaar. De medewerkers van de dienst Milieurapportering (MIRA) van de VMM, van ingenieurs over biologen en scheikundigen tot economisten en politicologen, namen elk een onderwerp voor hun rekening. Aan de basis van de hoofdstukken van het rapport ligt telkens minstens één lijvig wetenschappelijk werk dat is samengesteld door onderzoekers aan universiteiten of andere wetenschappelijke instellingen. Het MIRA-team coördineert, bepaalt samen met een externe stuurgroep hoe het rapport eruit ziet en vertaalt de wetenschappelijke resultaten in een document dat voor beleidsmakers bruikbaar is. Klimaatverandering, lucht en water zijn de grote thema’s van de Milieuverkenning 2030. In een eerste verhaal, het referentiescenario, staat beschreven hoe het milieu er tegen 2030 kan uitzien als we het bij het huidige beleid houden. Het Europa-scenario bekijkt wat er kan gebeuren als we extra maatregelen nemen, gericht op het halen van de Europese doelstellingen. Tot slot is er het ambitieuze visionaire scenario dat uitgaat van ver doorgedreven maatregelen. Dat laatste verhaal vraagt om transitie: volledig veranderen, anders gaan wonen, anders werken... De scenario’s vertrekken vanuit drie stellingen: de bevolking zal nog toenemen, de energieprijzen blijven stijgen en ook de economie groeit
verder. Zelfs al is het onmogelijk om alles te vatten in wiskundige modellen en blijven onzekerheden onvermijdelijk, het visionaire verhaal lijkt uiteindelijk de enige optie om een duurzame koolstofarme toekomst te verzekeren. De experten confronteren de wetenschap met het beleid. Soms scoort dat beleid goed, soms ronduit slecht en het leeuwendeel is voor verbetering vatbaar. Marleen Van Steertegem: “Wij maken zelf geen keuze, maar geven wel een aantal aanbevelingen. We vragen bijvoorbeeld om visies te ontwikkelen op lange termijn, om vast te leggen waar we tegen 2050 naartoe willen. Dat wij het transitieverhaal zo expliciet opnemen, betekent wel dat we een boodschap willen overbrengen.” Om de vijf jaar komt er een nieuwe Milieuverkenning, als voorbereiding op het milieubeleidsplan. Het is een rapport voor beleidsmakers waar ook verenigingen zoals Bond Beter Leefmilieu of de Boerenbond informatie uit halen. In het najaar wordt door het Europees Milieuagentschap in Kopenhagen het European Environment State and Outlook Report 2010 voorgesteld en dan zal de Milieuverkenning 2030 ook vertaald zijn in het Engels. Dit boek kan een nuttige tool zijn in het Europese beleid.
Benieuwd naar de Milieuverkenning 2030? www.milieurapport.be.
Verrekijker - 13
De VMM krijgt het druk
tijdens het EUvoorzitterschap
Steven Vinckier, coördinator internationale projecten
Sinds 1 juli 2010 is België voorzitter van de Raad van de EU. De VMM bereidt zich daar al twee jaar op voor, onder meer met de organisatie van een evenement rond berekening van de kostprijs van overstromingen, en één over een beter uitgewerkt Europees milieu-informatiesysteem. Binnen de VMM is er een dienst die de internationale projecten opstart en opvolgt, die go-between is tussen het Vlaamse Gewest en België enerzijds en het Europees Milieuagentschap anderzijds, en die vooral een knooppuntfunctie vervult tussen de VMM en Vlaamse en intergewestelijke instanties op het vlak van internationaal en Europees milieubeleid. Bij die laatste opdracht hoort ook een deel prospectie. Coördinator Steven Vinckier: “Mijn voorganger Michiel Van Peteghem en ikzelf zijn al in 2008 gestart met de voorbereidingen van het Europees voorzitterschap. We hebben toen een eerste screening gedaan van wat er op de Europese agenda kon komen. Wat is belangrijk voor de VMM? Is er een dossier dat we op de agenda willen krijgen? Na die interne oefening werden de echte prioriteiten vastgelegd toen we het dossier op een hoger niveau brachten.”
14 - Verrekijker - september 2010
“Soms kan het meer lonen om een woonwijk of industriezone niet te ontwikkelen in overstromingsgebied”
Voorbereiden op Japan en Mexico Tijdens het voorzitterschap zit Joke Schauvliege, onze Vlaamse minister van Leefmilieu, de Leefmilieuraad, de vergadering van alle Europese leefmilieuministers, voor. Het klinkt als een boutade, vindt Steven, maar hij ziet in het voorzitterschap zowel kansen als verplichtingen voor Vlaanderen en de VMM. “Onze grootste kansen lagen in de Informele Raad van Leefmilieu begin juli in Gent. Daar konden we thema’s naar voor schuiven die wij,
als lidstaat, eens ten gronde wilden bespreken. Voor de rest legt Vlaanderen minder ostentatief dossiers op tafel. Spanje heeft dat bijvoorbeeld wel gedaan, zij vroegen extra aandacht voor waterschaarste en droogte. Verder willen we vooral vooruitgang boeken in de lopende zaken en zullen we ook twee belangrijke multilaterale bijeenkomsten heel degelijk voorbereiden, één rond biodiversiteit in het Japanse Nagoya en de klimaatconferentie in Cancún in Mexico.”
Vier evenementen De VMM organiseert vier evenementen, in Antwerpen, Brugge, Brussel en Gent. Twee daarvan zijn verplicht als voorzitter en de inhoud ligt vooraf vast: één rond drinkwater en één rond grondwater. Daarnaast kijken Steven en zijn team uit naar een belangrijk tweedaags evenement rond de economische aspecten van overstromingsrisico’s. “Die risico’s kunnen we voor een deel inschatten, ook economisch. We testen verschillende strategieën om de risico’s in te dijken, wegen kosten en baten van maatregelen af en helpen zo om keuzes te maken. Wij weten bijvoorbeeld dat het soms meer kan lonen om een woonwijk of industriezone niet te ontwikkelen in overstromingsgebied, maar dat het beter is om elders grond te gaan zoeken.” “We zullen het ook hebben over puur technische maatregelen zoals waterlopen die verbreed of verdiept worden. We organiseren dit evenement samen met het departement Mobiliteit en Openbare Werken van minister Hilde Crevits en met de Coördinatiecommissie Integraal Waterbeleid. De Europese Commissie heeft specifiek aan het Vlaams Gewest gevraagd om op dit onderwerp in te gaan, ze weten dat wij ervaring hebben met de materie.”
in 2008, het evenement kan één en ander opnieuw op gang trekken.”
Regionale verschillen maken Dat de VMM zo nauw bij het Europees voorzitterschap betrokken is, heeft natuurlijk alles te maken met de inhoudelijke expertise. “Bovendien hebben wij op onze dienst ook iemand die al jaren voor de VMM dergelijke evenementen organiseert”, vult Steven aan. Het mooie is dat VMM-experts zo in de kijker lopen dat ze nu ook door de EU Commissie gevraagd worden om op internationale congressen te gaan spreken. Zo reist een collega binnenkort naar Washington om het te hebben over overstromingsrisicobeheer. Maar net zo goed hoopt de coördinator Europa erop te kunnen wijzen dat je niet alleen per lidstaat, maar ook regionaal verschillen moet maken: “In het Vlaamse Gewest, en in een stukje van Nederland, Frankrijk en Duitsland is er duidelijk een probleem van luchtkwaliteit. Dat zal ons belangrijkste voorbeeld worden om te pleiten voor een regionaal bruikbaar milieu-informatiesysteem. En als de boodschap goed overkomt, voorziet de volgende Europese financieringsronde daarvoor misschien specifiek een budget.”
Langetermijndenken Milieu-informatiesysteem Het laatste evenement vloeit voort uit een Europese zorg: er is nu wel heel wat wetgeving om tot een goed milieu te komen, maar er zijn te weinig instrumenten om de vooruitgang op te volgen. Omdat die zorg ook een prioriteit is voor de Vlaamse regering, was ook dit een mooi onderwerp om nu aan bod te laten komen. Steven Vinckier: “We bouwen verder op een initiatief van de Commissie rond het Shared Environmental Information System, een gemeenschappelijk milieu-informatiesysteem. Nu zitten de gegevens erg verspreid en zijn ze helemaal niet transparant. We willen een soort koepelstructuur die milieugegevens toegankelijk maakt voor zowel de lidstaten als – wat wij graag willen – voor de regio’s. Het moeilijke aan dat proces is dat het niet alleen zeer technisch is, het vraagt ook een grote mentaliteitswijziging van zowel de lidstaten als de betrokken Europese instellingen. Tijdens een driedaags congres willen wij samen met het Europees Milieuagentschap aantonen wat de noodzaak is van zo’n systeem en meteen ook bekijken hoe we verder kunnen. Er was al mee gestart
In principe gaat het om een triobaan. Het Lissabonverdrag van december 2009 wilde drie opeenvolgende voorzitters anderhalf jaar lang laten samenwerken. België doet dat samen met Spanje en Hongarije, maar het is nog wat zoeken. “Voor ons waterbeleid hebben we vooraf wel samen een Water Sector Road Map opgesteld. Maar eens Spanje het voorzitterschap inging, volgden zij toch eerder hun eigen agenda en zochten ze niet echt afstemming meer met ons. Er zijn afspraken gemaakt over dossiers die op de agenda kunnen komen, maar met een nieuwe Europese Commissie sinds dit voorjaar was het haast onbegonnen werk om binnen anderhalf jaar naar echte mijlpalen toe te werken.” Steven Vinckier is ook niet zo gehaast, een mijlpaal haal je nooit snel in Europese context, weet hij. “Maar weet je wat het grote voordeel van Europa is? Eens je iets verwezenlijkt, zit je voor een hele tijd goed. Dat is het grote verschil met de Belgische of Vlaamse politiek die bijna noodzakelijkerwijs mikken op de korte termijn. Het Europees waterbeleid bijvoorbeeld is gestemd in 2000 en blikt vooruit per 6 jaar tot in 2027.”
E Naar aanleiding van het Europees voorzitterschap heeft België met medewerking van de gewesten een nieuwe site gelanceerd... en de VMM deed hetzelfde. Steven Vinckier: “We wilden online meer ruchtbaarheid geven aan de evenementen die we organiseren, maar de VMM-site zelf was daarvoor niet het juiste instrument. We beperken ons tot een beknopte voorstelling van VMM die we aanvullen met informatie over onze evenementen. Wellicht zal de site vooral bezocht worden door de technische experts die één van onze evenementen bijwonen. Daarom lichten we de evenementen inhoudelijk toe, geven we praktische informatie en linken we toeristische sites van de steden waar ze plaatsvinden. Achteraf komen er ook de presentaties en teksten op. Het is een soort online brochure, beheerd door één van mijn medewerkers.” De website is online sinds 1 juli en zal een jaar lang te raadplegen zijn. http://eu2010.vmm.be
Verrekijker - 15
(Niet) uit de LuCht gegrepeN “In 2013 wordt het Europees milieubeleid herzien, wij hopen dankzij een paar projecten zwaarder te kunnen wegen op de besluitvorming� Edward Roekens
16 - Verrekijker - september 2010
Europese projecten Heel wat investeringen in het milieu zouden niet mogelijk zijn zonder Europese tussenkomst. Ook de VMM kon zo in de loop der jaren al heel wat mooie projecten afronden. En er staat nog meer op til. Samen met Edward Roekens van de VMM bekijken we wat Europa betekent. Als je project goedgekeurd wordt, betekent dat dat Europa 50 procent zal financieren, de rest moeten de deelnemende partnerorganisaties bijleggen. Zij rekenen uit hoeveel werkuren ze zullen investeren, welk budget ze willen uitgeven aan materiaal (bij de VMM zijn dat dan vaak meettoestellen) en bijvoorbeeld ook wat ze willen uitbesteden aan externen. “De voorwaarden zijn streng, maar als je dossier voldoet, dan past Europa de helft bij. Met dat budget kun je bijvoorbeeld een extra kracht aanwerven die voor het project zal werken, of kun je investeren in beter materiaal”, vertelt Edward Roekens.
Zwaarder wegen op besluitvorming De Europese projecten zijn nuttig om een heleboel redenen: “Als je zorgt dat het project in de lijn van je activiteiten ligt, zijn ze ideaal om je middelen te vergroten. Het is ook heel leerrijk: je leert bij van mekaar, overlegt, komt tot nieuwe gezichtspunten... Werk je goed samen, dan kun je gezamenlijke standpunten verdedigen wanneer er aan nieuwe regelgeving gesleuteld wordt. In 2013 wordt het Europees milieubeleid herzien, wij hopen dankzij een paar projecten zwaarder te kunnen wegen op de besluitvorming. Tot slot leer je ook andere culturen kennen. Ik hoor onze Noord-Franse partner nog lachen: ze geraken veel makkelijker aan onze meetgegevens dan aan die van Frankrijk zelf.”
Verrekijker - 17
Tot slot zijn deze projecten de uitgelezen kans om over het muurtje te gaan kijken. “Dat gebeurt anders ook wel”, vindt Edward Roekens. “In Nederland heb je bijvoorbeeld het Overleg Landelijke Meetnetten lucht, waarvoor de VMM ook uitgenodigd wordt. Verder is er onder meer de Interregionale cel voor Leefmilieu waar de drie gewesten samenwerken. VMM-personeelsleden nemen ook deel aan Europese werkgroepen die allerlei meettechnieken of methodologiën ontwikkelen of regelgeving voorbereiden. Ook congressen zijn vaak zeer leerzaam. Maar de ervaring is wel dat we door de rechtstreekse contacten veel meer informatie verzamelen. Zulke projecten zijn veel intensiever: je vergadert samen, werkt samen en leert wie wat op welke manier aanpakt.”
Voorbereiden op nieuwe richtlijnen Eind jaren ’90 was Europa volop nieuwe richtlijnen aan het ontwikkelen en die vroegen om nieuwe technieken voor monsterneming en fijnstofmeting. Edward Roekens: “Wij hebben toen samen met VITO (Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek) en onze Waalse tegenhanger ISSeP een LIFE-project ingediend. Dankzij de Europese subsidies konden we verschillende toestellen voor monsterneming van zware metalen uittesten en we hebben ook een methode voor de meting van fijn stof op punt kunnen stellen. De samenwerking verliep vrij goed. We zaten op dezelfde lijn, hadden alle drie nood aan nieuwe technieken en LIFE maakte meer mogelijk.”
De Europese ambities van Slowakije Rond de millenniumwissel voorzag de Vlaamse regering in een bilateraal samenwerkingsprogramma tussen Vlaanderen en Centraal- en OostEuropa. Het programma maakte subsidies vrij voor projecten in OostEuropese landen die zich voorbereidden op een lidmaatschap bij de Europese Gemeenschap. De VMM en VITO hielpen Slowakije: “Wij hebben hier een opleiding georganiseerd, toelichting gegeven over het meetnet en de Europese regelgeving en we zijn ook een paar keer naar daar gereisd. Bedoeling was om hun systeem van kwaliteitszorg mee op punt te stellen. We hebben samen een aantal metingen in steden uitgevoerd van benzeen, stikstofdioxide en zwaveldioxide en de resultaten ook samen verwerkt. Onze voorgestelde techniek liet toe om op een vrij eenvoudige en kostenefficiënte manier metingen te doen: op verschillende plaatsen in de stad hingen we passieve samplers. De lucht komt daar door diffusie in, de polluent die men wenst te meten, reageert in de sampler. We halen ze na twee weken of een maand weg om in het labo te analyseren. Zo kregen ze in Slowakije een eerste correct beeld van de luchtverontreiniging in een grote stad. Dit internationale project heet voluit Air Quality in the Slovak Republic – monitoring of air pollution and audit of the quality sytem.”
De lucht boven de Noord-Franse grens De inwoners van De Panne maakten zich ongerust. Met de regelmaat van de klok zagen ze een donkere wolk vanuit Duinkerken hun richting uitkomen. Dat was vast heel ongezond! “Ons doel van een eerste Interregproject met partners uit Noord-Frankrijk was de invloed van de luchtverontreiniging van de Duinkerkse industrie op Vlaanderen nagaan. Wij deden
18 - Verrekijker - september 2010
metingen in De Panne, Houtem, Veurne... Aan de andere kant van de grens bouwden ze ondertussen aan een databank met alle meetgegevens van fijn stof in de Euroregio: Noord-Frankrijk, Vlaanderen en ook Brussel en Wallonië. Zij hebben daarbij ook de nadruk gelegd op het gebruik van satellietbeelden, hun specialisatie. Wij konden na afloop de mensen van De Panne geruststellen. De invloed van Duinkerken bleek meetbaar, maar viel relatief mee, wellicht ook omdat het om een afstand van ruim twintig kilometer gaat, waardoor de verontreiniging al flink verdund is als zij neerkomt. De conclusies zijn voorgesteld tijdens een studiedag in De Panne waar opvallend veel volk was.” Aansluitend op het eerste project volgde tussen 2002 en 2004 een vervolgproject rond Rijsel. Opnieuw was er voor Frankrijk dat luik van de databank met gegevens over fijn stof en satellietbeelden. Daarnaast gebeurden er in de omgeving van Rijsel en Menen een reeks metingen rond grensoverschrijdende luchtverontreiniging.
Elk zijn accenten “Dit zijn twee voorbeelden van minder homogene projecten”, vindt Edward Roekens. “Bij ons lag de nadruk op de metingen, de Fransen legden zich meer toe op de databank. Ons takenpakket was nogal verschillend en wij hadden nog weinig tijd over om echt gebruik te kunnen maken van hun inspanningen. De techniek met satellietbeelden voor de evaluatie van de luchtkwaliteit – en zeker voor fijn stof – staat nog in zijn kinderschoenen. Het is vrij gespecialiseerd en wij hebben niet de middelen om daar iemand rond te laten werken. Toekomstgericht is het wel een nuttige methode, maar het kan nog tien of twintig jaar duren voor ze echt bruikbare resultaten oplevert. De beelden worden momenteel wel al gebruikt in voorspellingsmodellen.” De Interregprojecten waren een samenwerking tussen zeven Franse partners, van de Université du Littoral Côte d’Opale over de meetnetten van de verschillende streken tot een privé-bedrijf, en drie Vlaamse: de VMM, de Universiteit Antwerpen en het Vlaams Instituut voor de Zee.
Meer meten in de steden Het Europese subsidieprogramma dat tussen 2007 en 2013 projecten rond het milieu cofinanciert, kreeg de naam LIFE+. Onder die vlag kreeg LIFE+ ATMOSYS vorm, opnieuw een samenwerking met VITO. Edward Roekens: “ATMOSYS wordt een beleidsondersteunend systeem voor luchtvervuiling in hotspots. De VMM gaat in steden extra metingen doen naar elementair koolstof, stikstofoxide en nog een aantal parameters van fijn stof. Daarnaast willen we ook de emissie-inventaris van elementair koolstof verder uitwerken. VITO zal onze resultaten gebruiken om een model te ontwikkelen waarmee ze de luchtkwaliteit in steden beter kunnen evalueren. Daarna is het opnieuw aan ons om het model te valideren. Er was nogal wat vraag naar bijkomende metingen in de steden. Wij konden daar al ten dele op ingaan, maar krijgen via het project middelen om voor nog gedetailleerdere informatie te zorgen. ATMOSYS is dus een duidelijk afgelijnd project dat kan leiden tot praktische toepassingen. Het zal, net zoals de meeste projecten, ongeveer drie jaar lopen.”
P Greet Vos
“In de hoofden van veel mensen zijn ‘de bedrijven’ grote boosdoeners. Maar alle burgers veroorzaken vervuiling”
Onder de Europese LIFE+-vlag vaart ook Weiss, een project dat het makkelijker moet maken om de waterkwaliteit in Vlaanderen – en later in heel Europa – te verbeteren. Belangrijkste wapenfeit wordt een nieuw computerprogramma. Sinds de jaren ’90 is de waterkwaliteit van de Vlaamse waterlopen sterk verbeterd. Maar om overal een goede ecologische toestand van het water te krijgen zoals de Europese kaderrichtlijn Water voorschrijft, moeten er nog heel wat inspanningen gebeuren. Greet
Vos van de VMM: “Om te voldoen aan de Europees vastgelegde normen zijn er maatregelen nodig. Die richt je naar de menselijke activiteiten die voor waterverontreiniging zorgen. Mijn dienst brengt die met de emissie-inventaris in kaart”, vertelt Greet. “Wij onderzoeken emissiebronnen en zetten ze tegenover mekaar: welke zijn de belangrijkste en waar moet je dus je beleid op inzetten? We weten al langer dat de landbouw een belangrijke bron is. In de hoofden van veel mensen zijn ook ‘de bedrijven’ grote boosdoeners. Maar alle burgers veroorzaken vervuiling: uitlaatgassen, slijtage van banden of wegdek, de corrosie van zinken of koperen dakgoten... via de atmosferische depositie en door regenafspoeling komt dat allemaal in het water terecht. Daarnaast kunnen ook de waterzuiveringsinstallaties voor verontreiniging zorgen. Ook de scheepvaart is niet erg watervriendelijk. Er zijn heel veel bronnen, vaak grensoverschrijdend, en wij willen hun impact inschatten.”Voor Weiss werkt de
VMM samen met VITO. “Wij hadden een aangepaste methode nodig om onze inventaris uit te bouwen, VITO werd een enthousiaste partner die in dit vernieuwende project een wetenschappelijke uitdaging zag. De emissieinventaris van lucht bestaat al 20 jaar, die van water kreeg pas echt vorm in 2005. Met Weiss ontwikkelen we een computermodel dat we op alle bronnen en heel gedetailleerd kunnen toepassen. Het zal ons ook helpen om te voldoen aan onze rapporteringsverplichtingen naar Europa.” Het project loopt drie jaar, van begin 2010 tot einde 2012. Op dit moment is de eerste van 12 fases in volle gang: de consultatie van de diverse belanghebbenden. Iedereen die er belang bij kan hebben, wordt uitgenodigd op de overlegmomenten. Sommigen zullen later vooral gebruikmaken van de resultaten, anderen kunnen het prototype van het model kopen en er zelf mee aan de slag gaan. “Dat is wat zo’n LIFE+-project boeiend maakt. We vertrekken vanuit onze behoeften, maar houden meteen ook rekening met die van zusterorganisaties of wetenschappelijke instellingen in andere lidstaten”, klinkt Greet Vos enthousiast.
Meer info: http://weiss.vmm.be
Verrekijker - 19
MInISTEr joke sChauvLiege oVEr hET EuropEES MIlIEubElEID Vlaams minister van Leefmilieu Joke Schauvliege zit sinds 1 juli de EU-raad Leefmilieu voor. De grootste uitdaging zal zijn om alle lidstaten op één lijn te krijgen. Dat is van essentieel belang op de internationale klimaatconferenties die vallen tijdens het voorzitterschap van België, zoals de VNklimaatonderhandelingen in het Mexicaanse Cancún van 29 november tot 10 december van dit jaar. Water en lucht houden geen rekening met lands- of gewestgrenzen, dus het ligt voor de hand dat samenwerking tussen de lidstaten alleen maar goed kan zijn. Minister Schauvliege licht de voordelen van samenwerking toe: “Het gaat om meer dan praktische voordelen als het vrij kunnen reizen, wonen, werken en studeren in Europa. Essentieel is dat er nu al tientallen jaren langdurige vrede en stabiliteit heerst dankzij de Europese Unie. Het wegvallen van de interne grenzen bracht ons een grotere welvaart, waar ook België als handelsland mee van profiteert. We zijn nu samen met de andere lidstaten ook beter in staat om grensoverschrijdende en wereldomvattende problemen het hoofd te bieden. En de uitdagingen voor de Europese Unie zijn talrijk. De zwaarste financieel-economische crisis sinds jaren heeft de werkloosheid en de sociale ongelijkheid doen stijgen. Het financieel systeem heeft ernstige tekortkomingen getoond. Onze overheidsfinanciën zijn hard geraakt en ons concurrentievermogen fel aangetast. De bevolkingsgroei en daarmee gepaard gaande druk op ons leefmilieu dwingen ons tot een reorganisatie van onze economieën en samenlevingen. Bovendien verschijnen nieuwe economische machten op het internationale toneel. Om al die uitdagingen aan te gaan, hebben we een sterkere, coherentere en besluitvaardigere Europese Unie nodig. Dé uitdaging voor het komende decennium is evenwel de omvorming naar een koolstofarme economie die zo efficiënt mogelijk omspringt met de natuurlijke rijkdommen en energiebronnen.”
Internationaal in de kijker “Het Europese voorzitterschap geeft ons land en Vlaanderen de gelegenheid om ons gedurende zes maanden internationaal in de kijker te werken. Als Voorzitter van de Raad Leefmilieu wordt van mij in de eerste plaats verwacht dat ik met mijn collega’s van de 27 lidstaten in samenwerking met de Europese Commissie in een aantal dossiers vooruitgang boek. Internationaal is dat vooral de voorbereiding van twee internationale conferenties, eerst die in het Japanse Nagoya over biodiversiteit
20 - Verrekijker - september 2010
eind oktober en vervolgens die over het klimaatverdrag in Cancún in Mexico eind november. Voorts is er op wetgevend vlak de herziening van twee afval- en productgerelateerde richtlijnen: de WEEE-richtlijn (Waste Electrical and Electronic Equipment) die gericht is op de vermindering van de impact op het milieu van elektrische en elektronische uitrusting gedurende de levenscyclus en bij afdanking (afvalstroom) van het product. De tweede richtlijn is de RoHs-richtlijn (Restriction of Hazardous Substances) over de beperking van gevaarlijke stoffen. In eerste instantie wil ik hiervoor binnen de Raad tot een politiek akkoord komen.”
Andere accenten “Ander werk op de plank is de verordening over de CO2-uitstoot door lichte bedrijfsvoertuigen en de biocideverordening (biociden zijn bestrijdingsmiddelen maar niet voor de landbouw) waarover ik naar een politiek akkoord in de Raad zal streven. Over de mededeling van de Commissie over de genetisch gemodificeerde organismen plan ik een gedachtewisseling.” “Als voorzitter kan je ook eigen inhoudelijke accenten leggen. Zo breng ik voor het eerst het thema duurzaam materialenbeheer onder de aandacht van de milieuministers. Het principe is ruwweg dat we afval als grondstof gaan gebruiken voor nieuwe producten. Duurzaam materialenbeheer was ook het onderwerp van de voorbije Informele Raad Leefmilieu in Gent van 12-13 juli. Mijn collega-ministers reageerden alleszins enthousiast op dit initiatief. Het komt er nu op aan dit thema verder uit te werken. Ten slotte moet een voorzitter ook flexibel en krachtdadig inspelen op de actualiteit. Zo loopt nu binnen de Unie het debat over de olieramp in de Golf van Mexico en of we hier lessen uit kunnen trekken. De Commissie onderzoekt of er op Europees niveau instrumenten moeten worden aangescherpt of eventueel nieuwe maatregelen moeten worden getroffen om dergelijke rampen te voorkomen. Dit kan eventueel op de tafel van de Raad komen.”
“We moeten deze kans met twee handen grijpen� Minister Joke Schauvliege over het EU-voorzitterschap
Verrekijker - 21
Trio met Spanje en Hongarije “De programmavoorbereiding van het triovoorzitterschap met Spanje en Hongarije is onder de vorige legislatuur al gestart. Ik heb daar zelf duurzaam materialenbeheer en betere regelgevende instrumenten voor een beter milieubeheer, thema’s die ook in mijn beleidsnota centraal staan, aan toegevoegd. Klimaatverandering en biodiversiteit zijn de andere ambities van mijn voorzitterschap. Voor klimaat bereiden we de Klimaatconferentie in Cancún voor. Na de uitkomst van de klimaattop in Kopenhagen, is het van het grootste belang dat de EU opnieuw vertrouwen opbouwt en het voortouw neemt. Het Belgisch Voorzitterschap wil komen tot een sterke én flexibele EU-positie. Op de Informele Raad Leefmilieu in Gent hadden we een eerste gedachtewisseling. Alle lidstaten en de Europese Commissie zijn het eens dat een stapsgewijze aanpak nu de meest wijze is.”
20 20 20 “In Cancún moeten we streven naar beslissingen over een evenwichtige set van onderwerpen. Ons aanbod aan de andere landen moet in balans zijn met onze vraag aan hen. Meer bepaald zie ik een evenwicht tussen aan de ene kant ontbossing, adaptatie of technologieoverdracht en aan de andere kant garanties inzake MRV (Monitoring, Verifying, Reporting) en een betere werking van de koolstofmarkt. De EU moet ook haar eigen huiswerk maken. Het 20-20-20-pakket biedt een sterk en stevig kader. De recente mededeling van de Europese Commissie met de ‘analyse van de opties voor een broeikasgasemissiereductie van meer dan 20 procent en beoordeling van het risico van koolstoflekkage’ vormt een nieuw element. De opties van de Commissie moeten nader bekeken worden zodat we ons voorwaardelijk aanbod om naar 30 procent over te stappen, verder kunnen operationaliseren.” “Twee belangrijke referentiepunten kaderen dit debat: de doelstelling voor 2050 die door onze staatshoofden en regeringsleiders is goedgekeurd en de verbintenis in het raam van het Kopenhagenakkoord om Low Emission Development Strategies goed te keuren en uit te voeren. Onder het Spaanse voorzitterschap besliste de vorige Raad Leefmilieu al om hierop tijdens haar volgende zitting in oktober terug te komen. Ik zal daarom het debat binnen de Raad organiseren, om een richting aan te geven, zodat de Europese Commissie de opties verder kan uitwerken en indien gewenst, met concrete voorstellen kan komen. De debatten op de Raad Leefmilieu banen de weg naar de Europese Raad van oktober.”
Actieplan voor biodiversiteit “Wat biodiversiteit betreft weet iedereen intussen dat 2010 het internationale jaar van de biodiversiteit is. Het Belgisch voorzitterschap wil dit aangrijpen om in Nagoya significante stappen vooruit te zetten. Want we moeten erkennen dat de achteruitgang van de biodiversiteit nog niet is gestopt. Streefdoel is een consensus met ambitieuze en realistische doelstellingen voor post-2010, ingebed in een Strategisch Plan. Op de Raad Leefmilieu van oktober zullen we ons standpunt bepalen. Er wordt momenteel ook onderhandeld over het Protocol voor Access and Benefit Sharing. ABS wil komen tot internationale regels over de toegang tot genetische rijkdommen en de eerlijke en billijke verdeling van de voordelen. Het resultaat in Nagoya hangt onder meer af van de doortastendheid van de EU. Dat kan alleen als we met één stem spreken. De Raad Leefmilieu van december zal in het licht van de resultaten van Nagoya bekijken hoe het EU-actieplan voor biodiversiteit vorm kan krijgen.”
22 - Verrekijker - september 2010
“Biodiversiteit en gezonde ecosystemen zijn essentieel voor onze welvaart en onze economie. Ze leveren heel wat ecosysteemdiensten. Tot op vandaag worden deze diensten onderschat. De rapporten van TEEB, The Economics of Ecosystems and Biodiversity, geven meer inzicht in de economische waarde van deze diensten. Dit moet ons helpen om biodiversiteit in andere beleidsdomeinen te integreren, duurzamere beleidskeuzes te maken en de diensten van deze ecosystemen niet in gevaar te brengen.”
Eigen Vlaamse ambities “Als voorzitter kun je de keuze van de thema’s in zekere mate sturen. Voor de effectieve opvolging hangt veel af van de Europese Commissie, die het initiatiefrecht heeft voor wetgeving. Zo zijn de bodemrichtlijn, de bioafvalrichtlijn en de drinkwaterrichtlijn die ook op ons oorspronkelijk verlanglijstje stonden, er om uiteenlopende redenen afgevallen.” “De keuze van klimaatverandering en biodiversiteit lag voor de hand. Met duurzaam materialenbeheer en betere instrumenten voor het milieubeleid hebben we er zelf twee ambities aan toegevoegd. Ons huidig materialengebruik leidt onvermijdelijk tot uitputting van grondstoffen en tot achteruitgang van het milieu. Duurzaam materialenbeheer mikt op een efficiënt en milieuverantwoord gebruik van materialen. Dit zijn zowel grondstoffen, producten als afval en omvat dus de volledige levenscyclus van materialen.”
Duurzaam en toch competitief “We moeten economische groei loskoppelen van het gebruik van materialen, terwijl we tegelijk ons economisch systeem veerkrachtiger en competitiever moeten maken. Daarom moeten we de aangesproken materialen op een duurzame manier in de economische kringloop houden. Daartoe is een geïntegreerde en omvattende aanpak van grondstoffenontginning, design, productie en distributie, consumptie, afvalpreventie en -verwerking nodig. Dé vraag is hoe EU-beleid ertoe kan bijdragen dat materialen zo efficiënt en milieuvriendelijk mogelijk aangewend worden, ongeacht of het gaat om grondstoffen, (half) afgewerkte producten of afvalstoffen. Met andere woorden: hoe kunnen we natuurlijk kapitaal behouden en de milieu-impact reduceren over de hele levenscyclus, van ontginning, over consumptie en productie, tot afvalverwerking?” “Wat het tweede eigen accent betreft, betere instrumenten voor het milieubeleid, willen we eerst zien hoe een betere toepassing van de regels tot een beter milieubeleid kan leiden. We denken aan een betere voorbereiding via beleidsrelevante informatie met een meer gestroomlijnde rapportering, betere regelgeving (bijvoorbeeld de milieueffectbeoordeling), een betere toepassing en handhaving, en een stimulans voor het gebruik van marktconforme instrumenten. Ten tweede wil ik de reflectie starten over het vervolg op het bestaande Europese milieu-actieprogramma dat na 2012 afloopt.”
Pijnpunten “Vlaanderen doet het lang zo slecht niet, maar uiteraard kan alles beter. Het gegeven is bekend: Vlaanderen is een sterk verstedelijkte en dichtbevolkte regio. Dit specifieke karakter vraagt om een heel gerichte aanpak waarbij we op alle terreinen tegelijk moeten inzetten. Of dat nu water, lucht of bodem is. Dit alles is voor mij een aansporing om van ons leefmilieubeleid snel maar grondig en zorgvuldig werk te maken. Als we dan als voorzitter van de EU-Raad Leefmilieu nog de kans krijgen om eigen accenten te leggen, dan moeten we die kans met twee handen grijpen.”
E Vraag de gratis publicatie van de minister aan. Naar aanleiding vaan het Europees voorzitterschap publiceerde Minister Joke Schauvliege de brochure ‘Ervaring door inspiratie - Leefmilieubeleid in Vlaanderen’. Op www.lne.be/publicaties kan je de gratis publicatie downloaden of aanvragen.
K
O
Benieuwd hoe (on)gezond de lucht in jouw buurt is? surf dan snel naar het nieuwe online geoloket voor ‘advisering rup – thema lucht’. dit geoloket is een handig instrument voor initiatiefnemers (meestal steden en gemeenten) van een ruimtelijk uitvoeringsplan (rup) bij het opstellen van een milieueffectenrapport of screening. Zo kunnen ze meteen de eventuele milieueffecten van het rup afwegen tegenover de referentiesituatie die het geoloket aangeeft. Je kan er ook jouw adres ingeven, en dankzij de kleurlegende zie je meteen hoe het met de luchtkwaliteit bij jou gesteld is, gebaseerd op ingelaste metingen van de voorbije 3 jaren van stikstofdioxide (no2) en fijn stof (pM10).
Sinds ’99 is asbest verboden in ons land. Toch is de kans groot dat je thuis in contact komt met één of andere vorm van asbest, want het is in de voorbije decennia in tal van producten verwerkt. In de golfplaten van het dak van de aanbouw bijvoorbeeld, in dak- of gevelleien tot zelfs in bloembakken. De aanwezigheid van asbest in je huis hoeft niet meteen een reden tot paniek te zijn. De brochure ‘Asbest in en om het huis’ geeft alle informatie mee om veilig om te gaan met asbesthoudend materiaal. Van tips hoe je het kunt herkennen, tot hoe je kunt (laten) verwijderen en wie verantwoordelijk is voor de kosten.
http://geoloket.vmm.be/RUP
Je vindt de brochure terug via www.vlaanderen.be/publicaties
http://geoloket.vmm.be/saneringsinfrastructuur
naast de lancering van het nieuwe geoloket lucht, werd het bestaande online geoloket ‘saneringsinfrastructuur water’ uitgebreid. hier kan je voor jouw stad of gemeente onder andere zien welke rioleringswerkzaamheden de komende jaren gepland zijn om het rioleringsnetwerk te verbeteren en te optimaliseren. het gaat om de rioleringsprojecten die opgenomen werden in het subsidiëringsprogramma van de VMM.
Regel zelf je waterhuishouding
“Het gebeurt dat mensen die bouwen zich niet bewust zijn van de overstromingsgevoeligheid van het perceel” Wim Verhaegen van de VMM
De richtlijnen en verplichtingen rond waterbeheer bij particulieren zijn voor heel wat architecten en bouwheren niet altijd even duidelijk. Maar in nieuwbouwwoningen zijn enkele systemen voor het omgaan met hemelwater inmiddels verplicht. Het doel? Zo weinig mogelijk hemelwater lozen in de openbare riolering, het afvalwater beter zuiveren, de grondwatervoorraden aanvullen en besparen op kostbaar drinkwater. Wim Verhaegen van de VMM geeft regelmatig infosessies voor architecten over het nut en de bedoeling van particulier waterbeheer. “Sinds enkele jaren staat het integraal waterbeleid in de kijker waardoor ook de wetgeving en de toegepaste technieken regelmatig veranderen”, vertelt hij. “Daarom is er tijd, werk en ruimte nodig om aan bouwheren bijkomende kennis te verstrekken. Zo lanceerde de VMM recent ‘de Waterwegwijzer bouwen en verbouwen’: een brochure met bijhorende website die de architect moet inlichten, maar die zich ook richt naar particulieren, aannemers en andere personen die betrokken zijn bij de bouw of verbouw van een woning. Nuttige tips en voldoende achtergrondinformatie bewijzen immers alle partijen een dienst.”
Gewestelijke verordening In oktober 2004 keurde de Vlaamse Regering een gewestelijke stedenbouwkundige verordening goed over het gescheiden lozen van afval- en hemelwater, het gebruik van hemelwaterputten en infiltratie- en buffervoorzieningen. Dat besluit kwam er in de eerste plaats om hemelwater zo veel mogelijk te gebruiken en dat zo dicht mogelijk bij de plaats waar het uit de lucht komt vallen. In tweede instantie moet het hemelwater geïnfiltreerd worden. Bufferen en vertraagd afvoeren van hemelwater mag slechts een laatste oplossing zijn. Het besluit is van toepassing in heel Vlaanderen en zorgt voor enkele nog niet zo bekende, maar wel belangrijke verplichtingen bij nieuwbouwwerken. Zo is het plaatsen van een hemelwaterput – een regenput in de volksmond – al sinds enige tijd een kwestie van moeten.
de watertoets Elke nieuwe woning heeft een bepaald effect op de toestand van het water: zo zal het hemelwater op de daken en verhardingen vallen en niet meer op die plaats in de bodem kunnen dringen. Maar ook andere schadelijke effecten op het watersysteem moeten zoveel mogelijk vermeden worden. “Het gebeurt dat mensen die bouwen zich niet bewust zijn van de overstromingsgevoeligheid van het perceel”, legt Wim Verhaegen uit, “of ze hogen niet enkel de woning, maar het hele perceel op. Dat kan echter nefaste gevolgen hebben op andere plaatsen omdat het overstromingswater altijd een uitweg zoekt en vindt.” Onder meer
daarom moet de overheid ruimtelijke plannen en bouw- en milieuvergunningen eerst onderwerpen aan een watertoets. “Dat is een beleidinstrument dat elk schadelijk effect op het oppervlakte- en grondwater bepaalt. Als de watertoets een aanzienlijke schade aantoont, worden alternatieven of compensaties zoals overstromingsvrij bouwen noodzakelijk. Als de impact té groot blijkt, kunnen de plannen op basis van de watertoets zelfs afgekeurd worden.”
De systemen Om hemelwater af te voeren bestaan verschillende systemen, die een bepaalde rangorde volgens graad van belang hanteren. Op de eerste plaats komt de hemelwaterput: die vangt hemelwater op om het te hergebruiken. Het tweede systeem in rang is het infiltreren van hemelwater op het eigen terrein. De derde optie is het hemelwater bufferen en vertraagd afvoeren. Als er nog geen gescheiden riolering ligt in de straat, en geen van de voorgaande afvoerwijzen mogelijk is, mag het hemelwater geloosd worden in de gemengde riolering. De hemelwaterputten worden meestal onder de grond geplaatst, maar ook een reservoir in de kelder of zelfs op zolder is mogelijk. “Het principe is eenvoudig: het hemelwater van het dak wordt opgevangen in de put”, aldus Wim Verhaegen. “Dit water wordt best eerst gefilterd. Een pomp binnenin de put verdeelt het water langs een tweede circuit in huis dat volledig gescheiden moet zijn van het drinkwatercircuit. De put is beveiligd met een noodoverloop, waar het overtollige water naartoe kan in natte periodes. In geval van droogte bestaan er mogelijkheden om tijdelijk bij te vullen met drinkwater.”
Meest natuurlijke manier Het hemelwater laten infiltreren op eigen terrein is de meest natuurlijke manier van afvoer. Het water wordt dicht bij de bron opgevangen, vult de grondwatertafel aan en gaat zo verdroging tegen. Infiltratie kan op verschillende manieren gebeuren: via onverharde oppervlakken, via ondergrondse voorzieningen zoals infiltratieblokken of via halfverharde en verharde oppervlakken.
Verrekijker - 25
WATERAANVOER
NOODOVERLAAT
KNIJPLEIDING
BODEM(INFILTRATIE)
Vijver als bufferbekken
“Op onverharde oppervlakken en mits voldoende ruimte kan je kiezen voor een infiltratiekom of voor een wadi”, verklaart Wim Verhaegen. “Een infiltratiekom is eigenlijk een nat stukje onverhard terrein waar hemelwater kan indringen in de bodem. Ze bestaat uit een humushoudende aardelaag die begroeid is met gras, planten of struiken. Gazon vormt de beste oplossing: het zorgt voor goede infiltratie en buiten het maaien vergt het geen verder onderhoud. Een wadi slaat op de combinatie van een infiltratiekom en een ondergronds filterbed dat dient om extra berging te voorzien of om een minder doorlatende laag in de grond te doorbreken. Als het grondwater minstens één meter diep zit, kan je een ondergrondse voorziening plaatsen, in de vorm van een put of een buis. Er bestaan ook doorlatende infiltratieblokken die nagenoeg volledig hol zijn en uitgevoerd worden in kunststof. Het voordeel van deze systemen is dat ze zowel kunnen dienen voor grote als voor kleinere verharde oppervlakken. Op half- en volledig verharde oppervlakken worden vaak grasbetontegels of grastegels uit kunststof gebruikt. Dat zijn tegels met een honingraatstructuur waar het gras kan tussen groeien en die vaak gebruikt worden voor opritten, parkeerplaatsen en terrassen.” Er zijn ook waterdoorlatende betonstraatstenen op de markt die infiltratie mogelijk maken door hun structuur of de manier waarop ze aangelegd worden.
Bufferen Als infiltratie onmogelijk blijkt omwille van het bodemtype of de grondwaterstand, kan aan buffering met vertraagde afvoer gedacht worden. Dat principe wordt eerder toegepast bij grotere projecten en minder bij de gewone woningbouw omdat verharde oppervlaktes bij het bouwen van een woning beperkter zijn. “Bufferen betekent dat het hemelwater zoveel mogelijk opgehouden wordt en vervolgens vertraagd afgevoerd”, legt Wim Verhaegen uit. “Een hemelwaterput, maar ook een vijver kan dienst doen als bufferbekken (zie schets hoger) op voorwaarde dat er een debietbegrenzer op de afvoerleiding geplaatst wordt. Zo is een knijpleiding – een afvoerleiding met een kleine diameter die het water ophoudt en vertraagd afvoert – een eenvoudig en goedkoop principe dat eerder geschikt is voor grotere oppervlakten. Een wervelventiel kan ook nuttig zijn: het is een roestvrijstalen constructie die het afgevoerde hemelwater doet wervelen en zo dus vertraagd doet afvoeren. Een systeem dat voor zowel grote als kleinere oppervlakken kan dienen is de pomp. Dit verbruikt wel meer energie en ook qua onderhoud vergt het meer inspanningen. De overloop van de buffervoorziening is bij voorkeur aangesloten op een oppervlaktewater.”
26 - Verrekijker - september 2010
Groendaken Een nuttige en tevens mooie oplossing zijn de groendaken: daken bedekt met vegetatie met eronder enkele lagen die hemelwater opslaan en vertraagd weer afgeven. Intensieve groendaken bestaan uit grassen, kruiden, maar ook struiken en zelfs bomen. Zowel qua uitzicht als qua onderhoud kan je ze het best vergelijken met een gewone tuin. Extensieve groendaken hebben een lichtere begroeiing: mossen, vetplantjes en kruiden. Deze vergen dan ook minder onderhoud. “Het grote voordeel aan groendaken is de dubbele invloed op de waterafvoer. Ze verminderen de totale hoeveelheid afgevoerd hemelwater en beperken tegelijkertijd het piekdebiet van stortbuien”, besluit Verhaegen.
“om hemelwater af te voeren bestaan verschillende systemen, die een bepaalde rangorde volgens graad van belang hanteren”
Subsidies Aangezien de overheid een goed waterbeheer bij particulieren wil aanmoedigen, zorgt ze ook voor subsidies. Het reglement kan verschillen van gemeente tot gemeente: niet allemaal bieden ze een subsidie aan. Het subsidiëren van groendaken en hemelwaterputten is in Vlaanderen geen verplichting, wel een vrijwillig engagement. De gemeenten die het engagement aangaan, zijn verplicht om minstens 31 euro per vierkante meter groendak te betalen. Hemelwaterputten en infiltratievoorzieningen worden in heel wat gemeenten gesubsidieerd. Gemeenten die de samenwerkingsovereenkomst afsloten met het Vlaams Gewest krijgen een financieel steuntje van de Vlaamse Overheid en kunnen zo een subsidie tot 500 euro en meer verlenen voor de aanleg van een hemelwaterinstallatie of infiltratievoorziening bij een bestaande woning. www.vmm.be/water/waterwegwijzerbouwen
Wim Van den Eynde en zijn hemelwaterput
E
“Dankzij onze hemelwaterput verbruiken wij tot de helft minder drinkwater dan onze buurman die alleen woont” Wim Van den Eynde kocht vijf jaar geleden samen met zijn vrouw een appartement met in het voortuintje een hemelwaterput. “De put was voordien lang niet meer gebruikt, dus plaatsten we onmiddellijk een nieuwe pomp”, vertelt hij. “Al het opgevangen water gebruiken we om de toiletten door te spoelen, de wasmachine te laten draaien én de tuin te onderhouden.” Het grootste voordeel is volgens Wim de enorme kost die je bespaart door hemelwater op te vangen en te hergebruiken: “Wij wonen hier met twee en onze waterfactuur bedraagt de helft van die van onze buurman, die alleen woont. We sparen dus minstens 50 procent waterkosten uit. Toch wel de moeite.” De financiële kant geeft voor Wim de doorslag, maar ook het positieve milieueffect speelt een rol. “Waterschaarste wordt een alsmaar toenemend probleem, op deze manier ons steentje bijdragen aan de natuur kan dus ook absoluut geen kwaad!”
Hans Mathieu geniet op zijn daktuin
Een groendak biedt heel wat meer voordelen dan een gewone dakbedekking. Zo vangt het gemiddeld 50 liter hemelwater op per vierkante meter, werkt het thermisch én akoestisch isolerend en garandeert het een hogere, mooiere plantengroei op het dak.
“op het groendak kweken we aardbeien en groeien een aantal kruidenplanten: het is méér dan enkel water opvangen” Hans Mathieu liet het platte dak van zijn duplexappartement in Antwerpen in 2004 ombouwen tot een groendak. “De voordelen zijn meervoudig”, legt hij uit. “Het is een duplex en door het groene dak wordt het in de ruimte eronder nooit te warm. Daarnaast wordt er heel wat hemelwater gebufferd en hergebruikt én het beetje groen is op een appartement altijd welkom! We kweken ook aardbeien op het dak en er staan zelfs kruidenplantjes. Echt leuk, elke dag verkiezen we ‘de aardbei van de dag’.” Om een groendak te kunnen plaatsen zijn er wel enkele voorwaarden: “Uiteraard moet je dak plat zijn”, lacht Hans, “maar intensieve groendaken moeten ook het gewicht kunnen dragen, wat niet evident is. Zeker niet in oudere huizen. Ook wij hebben moeten investeren in extra ondersteuning, maar een echt grote kost hield dat niet in. De Stad Antwerpen subsidieerde het initiatief ook.” Het opgevangen water gebruikt Hans voor allerlei zaken. “Het systeem buffert het regenwater. De overschot wordt via irrigatiebuizen naar het tuintje eronder geleid, waar varens en kleine rotsen staan. Wat daarvan rest, loopt naar de hemelwaterput en kan dienen voor de was én de plas”, lacht hij.
Verrekijker - 27
Drinken van de kraan is niet alleen goedkoop, maar ook een kwestie van gezond verstand
Kris Van den Belt van de VMM
“Een gevaarlijke stof die nog te vaak in het drinkwater opduikt, is lood. Dat metaal stapelt zich op in het lichaam en kan nadelige gevolgen hebben voor de gezondheid” Kris Van den Belt van de VMM
Z Wat er thuis uit de kraan komt is niet alleen goedkoop, maar ook van bijzonder hoge kwaliteit. Daar zijn dan ook zeer strenge controles op. Ons leidingwater is zonder meer goed te noemen. Het voldoet voor 99,6 procent aan de norm die de Vlaamse Regering voorschrijft. Die goede score is het resultaat van doorgedreven kwaliteitszorg door de watermaatschappijen. De drinkwaterleveranciers moeten jaarlijks in elk leveringsbied bij een minimum aantal willekeurige particuliere klanten een staal nemen van het water dat uit de keukenkraan komt. Dit aantal hangt af van de hoeveelheid water die jaarlijks in het leveringsgebied wordt geleverd. Voor openbare gebouwen geldt een aparte regeling. Vanwege hun publieke toegankelijkheid krijgen deze extra aandacht.
Milieumaatschappij (VMM). “De kwaliteitseisen zijn dan ook bijzonder streng en worden bovendien nog steeds verder aangescherpt. Drinkwater wordt minstens getest op zo’n 60-tal parameters. Daarbij wordt gebruik gemaakt van twee soorten controles. De ene is de bewaking. Daarbij worden niet alleen een aantal gezondheidsbedreigende stoffen gemeten, maar wordt er ook gekeken naar bijvoorbeeld kleur en geur. De andere is de audit. Daarbij worden alle parameters gemeten.” In 2009 waren er in Vlaanderen 8.192 bewakingen en 1.464 audits. Dat aantal is elk jaar ongeveer gelijk.
“Het drinkwater moet volgens de letter van de wet gezond en schoon zijn”, zegt drinkwaterspecialist Kris Van den Belt van de Vlaamse
Een gevaarlijke stof die nog te vaak in het drinkwater opduikt, is lood. Dat metaal stapelt zich op in het lichaam en kan nadelige gevol-
Loodgehalte moet omlaag
gen hebben voor de gezondheid. De Europese drinkwaterrichtlijn legt daarom een norm op van 10 microgram per liter vanaf eind 2013. Tot die tijd is er een afwijking toegestaan tot 25 microgram per liter. Onder de 10 microgram wordt het water geacht veilig te zijn bij levenslang gebruik. Het loodgehalte in leidingwater wordt echter best zo laag mogelijk gehouden. De resultaten van de uitgevoerde controles in 2009 tonen aan dat in 1 procent van de bemonsterde woningen en openbare gebouwen meer dan 25 microgram lood per liter werd vastgesteld. De VMM – die toeziet op de kwaliteit van het drinkwater – toetste de cijfers van 2009 ook aan de toekomstige norm van 10 microgram per liter. Dan blijkt dat er nog 3,3 procent van de gebouwen met een te hoog loodgehalte in het water zit.
Verrekijker - 29
Het belang van de binnenleiding
“De watermaatschappijen ontsmetten de kranen voordat de stalen worden genomen, maar vaak is het water dat uit de kraan komt al besmet”
Het probleem van een te hoog gehalte aan lood in het drinkwater, wordt bijna altijd veroorzaakt door loden leidingen. Het kan hierbij gaan om een aansluiting op het openbaar waterdistributienetwerk of over binnenleidingen van dit materiaal bij de klant. “Tot zeker in de jaren zeventig werden in veel gebouwen waterleidingen van lood aangelegd”, zegt Van den Belt. “Dat metaal was eenvoudig te plooien en dus gemakkelijk in gebruik.”
Geen kleine klus Drinkwatermaatschappijen zelf hebben een loodvervangingsprogramma. Daarbij halen ze de nog bestaande loden aansluitingen uit het eigen netwerk. Bij de ene maatschappij gaat dat sneller dan bij de andere. Het verwijderen van loden aansluitingen is dan ook geen kleine klus. Vaak moeten er hele straten worden opengelegd, wat voor de nodige hinder kan zorgen. De vastgestelde halvering van het aantal normoverschrijdingen voor lood aan de kraan over de periode 2005-2009 is wellicht mee toe te schrijven aan hun inspanningen. Als de watermaatschappij door controles bij de consument lood in het water aantreft, onderzoekt zij het probleem. Zo gaat ze na of het teveel aan lood afkomstig is van het deel waarvoor zij verantwoordelijk is of van
30 - Verrekijker - september 2010
de binneninstallatie. Dit gebeurt door twee waterstalen te nemen: een aan de watermeter en een aan de kraan. Is er lood aan de kraan en niet aan de watermeter, dan is er een probleem met de binneninstallatie. Wordt er lood aan de watermeter gemeten, dan ligt de oorzaak bij de watermaatschappij. Die vervangt dan de aansluiting. Ligt de oorzaak bij de klant, dan probeert de watermaatschappij de eigenaar van het gebouw aan te sporen om te kijken wat er aan de hand is met de leidingen en om ze te vervangen.
Eigenaar is verplicht “Als er een loodprobleem in een publiek gebouw wordt vastgesteld, meldt de watermaatschappij dit aan ons. De eigenaar van het gebouw is verplicht om de nodige herstellingen te doen. Wij nemen contact op met de eigenaar, leggen uit wat het probleem is en volgen de situatie verder op”, aldus Van den Belt. “Vaak zijn scholen of eigenaars van andere gebouwen zich er niet van bewust dat ze loden leidingen hebben en dat die problemen veroorzaken voor het drinkwater. Bij particulieren is dat net zo. Ze kopen een huis, maar kijken meestal niet of ze de buizen moeten vervangen. Veelal bevinden die zich ook op moeilijk toegankelijke plaatsen, of in muren of vloeren, waardoor je niet kunt zien wat voor leidingen het zijn.”
Lood is niet het enige probleem waarop watermaatschappijen regelmatig stuiten. Soms worden ook afwijkingen van de bacteriologische waterkwaliteit geconstateerd aan de kraan. Deze vormen van vervuiling zijn meestal erg tijdelijk en liggen vaak aan de binnenleiding bij de klant of onvoldoende onderhoud. “Een typisch voorbeeld is de vorming van een biofilm in de kranen. Dat is een laagje bacteriën dat zich vasthecht aan een oppervlak. De watermaatschappijen ontsmetten de kranen voordat de stalen worden genomen, maar vaak is het water dat uit de kraan komt al besmet. In de meeste gevallen worden slechts enkele kiemen gevonden, maar voor de watermaatschappijen is dat voldoende om de situatie verder te onderzoeken”, zegt Van den Belt. Een grondige spoeling en eventuele ontsmetting van de leiding volstaan om het probleem op te lossen en het water weer schoon te maken. Een foutieve aansluiting van een hemelwaterput kan ernstiger overlast veroorzaken. “Dat kan in combinatie met een slecht werkende terugslagklep leiden tot bezoedeling van het openbaar leidingnet waardoor de huizen in de directe nabijheid slecht water ontvangen. Als de eigenaar dan geen maatregelen neemt, is er sprake van onveiligheid van de watervoorziening en is dat een reden om de levering onmiddellijk af te sluiten. Maar dat gebeurt gelukkig niet vaak”, weet Van den Belt.
Niet dramatisch Over het algemeen mogen we niet klagen over hetgeen er bij ons thuis uit de kraan stroomt. “De problemen die kunnen opduiken, zijn niet dramatisch. De kwaliteit van ons drinkwater is goed”, verzekert Van den Belt. “Het is alleen een kwestie dat je de nodige discipline hebt om het goed te gebruiken en te zorgen voor een goede binneninstallatie. Uit metingen die de drinkwatermaatschappijen jaarlijks doen in hun eigen netwerk blijkt dat hetgeen zij leveren aan de verbruiker in zeer belangrijke mate voldoet aan de kwaliteitseisen. Als er een probleem is, ligt dat dus meestal bij de klant.” Wil je weten hoe je jouw waterinstallatie kunt controleren en optimaliseren? Alle informatie hierover kan je terugvinden in de ‘Waterwegwijzer’, te bekijken en te downloaden via www.vmm.be/publicaties www.vmm.be/water/waterwegwijzerbouwen
Ec Op 6 & 7 november en 13 & 14 november organiseert de Bond Beter Leefmilieu (BBL) de Ecobouwers Opendeur. Tientallen bouwheren geven er gratis sessies over hun bouw- en woonervaringen. Je maakt kennis met een gevarieerd aanbod van rijhuizen, appartementen en vrijstaande woningen die elk op hun eigen manier energie besparen. Hoe verloopt het bouwproces, welke zijn de belangrijke aandachtspunten bij het bouwen van een energievriendelijk huis zijn vragen waar je een antwoord op krijgt. Tijdens de opendeur organiseert BBL workshops en thematours en staan lage-energiekantoorgebouwen open voor bezoekers. Op www.ecobouwers.be/open-klimaathuizen vind je meer info. Ben je zelf eigenaar van een energiezuinig huis en wil je het tijdens één of beide campagneweekends openstellen voor bezoekers, dan kan je via de website ook contact opnemen.
Sch Gezinswandeling op de Kalmthoutse heide
O Tot 24 december loopt in het Natuureducatiecentrum De Vroente in Kalmthout de boeiende tentoonstelling ‘Dier en plant als migrant’. Mensen zijn ongetwijfeld de meest verwoede migranten van alle levende wezens op onze planeet, maar in hun kielzog verhuizen dikwijls ook planten en dieren mee. Ook zonder de hulp van de mens weten planten en dieren wel weg met migreren, op zoek naar voedsel of onder invloed van klimaatveranderingen. De interactieve tentoonstelling neemt je mee op een boeiende reis doorheen de tijd en geeft meer inzicht over het verhuizen van planten en dieren. Zo hoef je je niet langer af te vragen of afrikaantjes ook echt uit Afrika komen! Nog tot 24 december dagelijks gratis te bezoeken. Info op www.devroente.be
In het Grenspark in Kalmthout kan je deelnemen aan een gloednieuwe familiewandeling. Onder de vleugels van het Life-project werd er in het Natuureducatiecentrum De Vroente een ‘natuurverzamelleerpad’ ontworpen. Groot en klein kunnen samen tijdens de tocht op zoek naar allerlei natuurschatten. Al die vondsten worden bewaard in doosjes, potjes, buisjes en bokaaltjes die samen met de handleiding veilig opgeborgen zitten in een rugzak. Zes verwoede verzamelaars (waaronder kampioenen als Graai de gaai en Buzzy de bij) helpen jou daarbij. Welke topstukken mogen er niet ontbreken? Dit familiepakket is een echte aanrader voor gezinnen met kinderen die uit zijn op ‘een wandeling met net dat ietsje meer’. Meer info: www.devroente.be NEC De Vroente Putsesteenweg 129 - 2920 Kalmthout Tel.: 03 620 18 30 Fax: 03 620 18 35 devroente@lne.vlaanderen.be
“Binnenzitten zouden we niet meer gewoon worden”
voornaamste bezigheid is het meten van het grondwaterpeil. Ik controleer zo’n 230 peilputten of peilbuizen”, vertelt Chris. “En Yvo net iets meer.” “In totaal gaat het om zo’n 470 peilputten”, vult Yvo aan. Hoeveel ze er per dag doen, kunnen ze moeilijk zeggen. “Dat kunnen er twintig zijn of soms maar tien. Dat is afhankelijk van de afstand, van de diepte, van het weer, het verkeer,…. Je kan vijf minuten doen over vijf kilometer of één uur. Een tractor kan je niet altijd zomaar passeren op een smal binnenbaantje.”
Op verschillende dieptes
In Vlaanderen wordt de evolutie en de kwaliteit van het grondwater op de voet gevolgd. In de Databank Ondergrond Vlaanderen vind je gegevens van zo’n tien meetnetten die de grondwaterkwantiteit en –kwaliteit monitoren. Verrekijker ging een dag op stap met de mensen die deze gegevens verzamelen. De VMM is onder meer verantwoordelijk voor het primair meetnet. Dit meetnet bestaat vooral uit diepere meetputten, gebruikt voor kwaliteitsbeheer, kwalitatieve toestandsmonitoring en operationele monitoring. De gegevens van dit meetnet worden maandelijks aangepast. Twee personen die verantwoordelijk zijn voor het bijhouden van de situatie op het terrein zijn Yvo Blauwens en Chris Walgraeve van de VMM. Zij gaan elke dag de hort op om
in Vlaanderen het grondwaterpeil te meten. De locaties van de peilpunten vinden ze terug op hun stafkaarten. We gingen met hen op stap en maakten kennis met twee mensen met een hart voor hun job.
De hele dag op pad Elke maand controleert Chris de peilputten in West- en Oost-Vlaanderen, Yvo neemt de rest van Vlaanderen voor zijn rekening. “Onze
Chris en Yvo tonen ons in het idyllisch landelijke Herne hoe zo’n grondwaterpeiling nu juist in z’n werk gaat. Als je hen bezig ziet, dan komt het wat bevreemdend over. Put opendoen, het meetlint in de peilbuis laten zakken en stoppen wanneer een geluid- en/of lichtsignaal aangeeft dat het lint het grondwater heeft bereikt. De diepte wordt uitgedrukt ten opzichte van de rand van de peilbuis, in de databank wordt het omgerekend ten opzichte van de zeespiegel. We kijken wat vreemd op als Yvo in dezelfde put een tweede meting doet in de andere peilbuis, op een andere diepte. Grondwater is toch grondwater, heb je dan grondwater op verschillende dieptes, vragen we Yvo. “In de ondergrond heb je verschillende grondlagen met daarin grondwater”, legt Yvo ons geduldig uit. “Die lagen kunnen gescheiden zijn door bijvoorbeeld kleilagen waardoor het grondwater bijna niet kan bewegen. Dat verklaart de aanwezigheid van grondwater op verschillende dieptes”, legt ook Chris uit. “Het waterpeil van de diepe laag kan soms hoger staan dan het waterpeil van de ondiepe laag”, legt Yvo ons verder uit, “want het kan bijvoorbeeld zijn dat er heel veel druk op het water zit, waardoor het naar boven kan spuiten.” Daarom meten Yvo en Chris op sommige locaties niet de diepte, maar de druk van het water met een manometer die permanent op de peilbuis bevestigd is. Dat geeft hen dan voldoende informatie over het peil van het grondwater en vermijdt het risico dat het water er letterlijk uit zou spuiten als ze met hun meetlint zouden meten. “Bij mij vind je die manometers vooral in het noorden van Vlaanderen”, zegt Chris.
Expertise uitwisselen Afhankelijk van de watervoerende lagen zijn de filters op verschillende dieptes aangelegd. Chris en Yvo voeren in elke peilput maandelijks een meting uit, en zij zijn de eersten die het merken als er iets niet normaal is. “Als we merken dat er iets aan de hand is, meten we verschillende keren per maand”, vertelt Yvo. “Dan nemen we contact op met de systeemgeologen die de metingen analyseren en in kaart brengen. We overleggen met hen wat er eventueel aan de hand zou kunnen zijn, en zoeken samen
Verrekijker - 33
Yvo en Chris aan het werk
naar een oplossing.” Yvo’s en Chris’ jarenlange expertise komt hen daarbij van pas. “Ik doe de job al achttien jaar, van begin ‘92”, geeft Chris mee. Ook Yvo draait al zolang mee als peilmeter. Ook bij nieuwe boringen of met vragen over de afwerking van de peilputten, vragen de systeemgeologen dikwijls advies aan de twee grondwaterpeilmeters. Zij kennen het terrein immers op hun duimpje. “De resultaten voeren we in de database in. De analyse van de metingen gebeurt dan door geologen. Op basis van hun analyse kunnen beslissingen genomen worden over vergunningen-, bodem- en waterbeleid. Er moeten immers eerst peilingen gebeuren, voordat er vergunningen afgeleverd worden.” Sommige industriële of landbouwactiviteiten onttrekken veel grondwater aan de bodem. “Dit kan het probleem geven dat het grondwaterpeil te veel zakt”, vult Chris aan, “en dat kan de kwaliteit van het water beïnvloeden”. Bij het aanvragen van vergunningen moeten de bedrijven er dus rekening mee houden dat daar voorwaarden aan verbonden zijn. Voorwaarden zoals het besparen of recupereren van grondwater, om het op peil te houden.” In de praktijk kan dit erop neerkomen dat een bedrijf dat te veel grondwater aan de bodem onttrekt, zijn productie even moet aanpassen om het water opnieuw op peil te laten komen.
Weerbaar tegen ziektes Elke dag, door weer en wind, gaan ze de baan op. “Het is natuurlijk leuker als het mooi weer is dan wanneer het hard vriest zoals vorige winter. Maar ik denk niet dat we het nog zouden gewoon worden om zo de hele dag binnen te zitten”, zegt Chris overtuigd. “Je wordt ook weerbaar tegen ziektes”, weet Yvo. “Ik heb veel minder last van verkoudheden bijvoorbeeld.”
34 - Verrekijker - september 2010
Een van de mooiste zaken van hun job is het contact met de natuur, vinden ze eensgezind. “Je hoort de vogeltjes fluiten, je kunt volop genieten van het landschap en het wisselen van de seizoenen.” “Minder leuk in de winter is ijzel en bevroren deksels. Dan is het lastig werken.” We zitten hier niet in Spanje maar ook Chris en Yvo moeten zich soms ontpoppen als heuse toreadors. “Veel peilputten vind je in weides, waar ook stieren kunnen staan. En die komen soms achter ons aan. Weglopen is dan de boodschap”, lachen ze. Gelukkig zijn ze nog nooit onzacht met een stier in aanvaring gekomen. Yvo en Chris hebben geregeld af te rekenen met sluikstorten aan de bovengrondse kokers. “Zeker als ze op een braakliggend terrein liggen. Dan mag je eerst blikjes en ander afval opruimen voor je kunt beginnen meten”, zegt Yvo hoofdschuddend. Chris had ook al een minder leuke ervaring met dieren. “Het was in de winter en het begon al wat donker te worden in de late namiddag. Daardoor had ik het dode schaap niet zien liggen aan de peilput. Leuk is anders!”
Doe-het-zelvers Chris en Yvo weten niet alleen van wanten met de peilmeter, hun job vereist toch wat handigheid. “Het gebeurt soms dat we kleine herstellingen moeten doen aan de peilputten”, vertelt Chris. Veel peilputten staan in een wei of langs de kant van de weg. “Soms raken ze beschadigd omdat erover gereden wordt, door een tractor bijvoorbeeld. Door zwaar verkeer kunnen ze verzakken, of door ertegen te rijden met een maaimachine waardoor de stang plooit”, vult Yvo aan. Ze hebben dus altijd hun gereedschap bij. “Als de peilput beschadigd is, door wat dan ook, dan bellen we eerst de politie om
een vaststelling te komen doen en klacht in te dienen tegen onbekenden. Dan pas kunnen we de put herstellen.” Afhankelijk van de periode van het jaar, komen beschadigingen meer of minder voor. “In de periode dat gemaaid wordt, gebeurt het dikwijls dat de machines een buis van ons raken. Maar vooral de vakantieperiodes zijn uitgelezen momenten voor ‘vandalisme’. Spelende kinderen die zich vervelen en uit nieuwsgierigheid komen prutsen aan die putten en dan iets beschadigen. Dat gebeurt wel regelmatig”, aldus Yvo, met een knikkende Chris naast hem. Vroeger konden de peilputten niet goed afgesloten worden, waardoor er ook binnenin soms schade was toegebracht. Maar dat behoort nu tot het verleden, als je de stevige hangsloten ziet.
Eenzaam maar niet alleen Ook al liggen de putten dikwijls wat afgelegen of op minder toegankelijke plekken, toch lokt hun werk dikwijls nieuwsgierige kijklustigen. “Dat vind ik wel plezant aan de job, mensen die komen vragen wat we doen of hoe hoog het grondwaterpeil staat”, vertelt Chris lachend. “Sommigen weten zelfs de stand van de vorige maand en zijn soms beter op de hoogte dan wij!”, vult Yvo aan. “Negatieve reacties heb ik nog nooit meegemaakt”, zegt Chris. Chris en Yvo zijn dus wel godganse dagen alleen op de baan, maar eenzaam voelen ze zich zeker niet. “Je komt niet alleen in contact met nieuwsgierige omwoners, maar ook met boswachters, landbouwers, mensen van andere instanties. We werken ook soms samen met Fransen of Nederlanders om gegevens uit te wisselen.” Eenzame momenten weet Yvo wel aan te pakken. “Ik doe dan een praatje met de koeien of de schapen hè”, zegt hij lachend. “Op den duur kennen ze jou ook. Je parkeert de wagen nog maar of ze komen al af”, grinnikt hij.
V
6,3
De meeste Vlaamse gezinnen krijgen bij hun drinkwaterfactuur een bovengemeentelijke saneringsbijdrage aangerekend. Een kleine groep doet nog aan eigen waterwinning, al dan niet in combinatie met leidingwater. Deze gezinnen betalen een heffing op het waterverbruik. Van de 60 000 gezinnen die een heffingsbiljet krijgen, komen sommige groepen in aanmerking voor een vrijstelling of compensatie van de heffing. Er bestaan twee soorten vrijstellingen of compensaties, een sociale en een ecologische. Om in aanmerking te komen voor een sociale vrijstelling moet je aan vier voorwaarden voldoen. Die vind je terug op www.vmm.be/heffingen. Binnen de drie maanden na de verzendingsdatum van het heffingsbiljet kan je met de vereiste attesten een vrijstelling aanvragen. De meeste vrijstellingen en compensaties worden echter automatisch toegekend, in dat geval ontvang je geen heffingsbiljet. Naast de sociale vrijstelling bestaat er ook een ecologische vrijstelling. Gezinnen die zelf hun afvalwater zuiveren met een IBA (Individuele Behandelingsinstallatie voor Afvalwater) kunnen daarvoor in aanmerking komen, mits ze voldoen aan enkele voorwaarden. Ook hier moeten deze gezinnen binnen de drie maanden na verzending van het heffingsbiljet met een attest van de gemeente vrijstelling aanvragen. Let wel: wie een saneringsbijdrage betaalt via de drinkwaterfactuur moet de aanvraag tot vrijstelling of compensatie richten tot zijn drinkwatermaatschappij.
V
Meer info op www.vmm.be/heffingen of op het gratis nummer 0800 97 113.
het nieuwe onderzoeksrapport kan je lezen op www.milieurapport.be
Je kan al langer je persoonlijke ecologische voetafdruk berekenen op de website van ecolife vzw. sinds kort kan je die vergelijken met de ecologische voetafdruk van de gemiddelde Vlaming, voor het jaar 2004. de resultaten zijn niet meteen bemoedigend. de gemiddelde Vlaming had in 2004 een ecologische voetafdruk van 6,3 globale hectare. dat is een pak hoger dan de 1,8 globale hectare Vlaamse biocapaciteit per wereldburger (de beschikbare oppervlakte landbouwgrond, bosgrond en visgrond). We leven dus behoorlijk boven onze stand met een voetafdruk die meer dan drie keer hoger ligt dan het ecologische draagvlak. de onderzoekers analyseerden ook welke producten de grootste voetafdruk hebben. die resultaten kunnen inzicht bieden in de activiteiten die de ecologische voetafdruk beĂŻnvloeden en tonen ons de mogelijke beleidskeuzes die de voetafdruk in Vlaanderen naar beneden kunnen krijgen. aansluitend op dit onderzoek bekijkt het Vito (Vlaamse instelling voor technologisch onderzoek) welke activiteiten de ecologische voetafdruk van economische sectoren en consumptieactiviteiten beĂŻnvloeden. de resultaten hiervan zijn dit najaar bekend.
1.
3.
2.
Kies jouw favoriete natuurfoto 4.
De tiende editie van de internationale ARGUS fotowedstrijd rond natuur en milieu zit in een beslissende fase. Uit de duizenden inzendingen maakte de vakjury in juni een selectie van finalisten. Amateur of beroeps maakte niet zoveel uit, zolang de ingezonden foto’s origineel, tot de verbeelding sprekend en van hoge kwaliteit waren. Op 27 november weten we wie de winnaar is in één van de twaalf categorieën. De VMM reikt twee speciale prijzen uit rond de thema’s ‘Water, een zegen?’ en ‘(G)een vuiltje aan de lucht’. Ook het publiek kan stemmen voor zijn favoriete foto. De fotografen maken zo kans op de publieksprijs en als je stemt, win je misschien wel een leuke compacte camera van Leica ter waarde van 560 euro. Nog tot 16 oktober kan je jouw stem uitbrengen op www.argusfotowedstrijd.be
Laureaten van de editie 2009 1. Carlos Van Hove - Brussels smog 2. Rob van Thienen - Walk of fame 3. Stephane Vitzthum - Larve moustique 4. Mike Testroote - Roerdomp