Skip to main content

M&L_23_3.pdf

Page 1

WT

'

& -

C

=•

s

Z7

/

•

X.

•«vil

'

u

m

.y

jlJJ^myl^^y

***

"


Kalk voor de restauratie, renovatie en decoratie van ons patrimonium! CORIDECOR UNILIT • CORICAL: een minerale verf op basis van vette luchthardende kalk, marmerpoeder en natuurlijke kleurstoffen

• Bindmiddelen op basis van natuurlijke hydraulische kalk om te metselen, voegen en pleisteren

• Marmerafwerkingen MARMOLUX, CORISTIL, DECORLUX, VENESTUK

• Kant en klare mortels op basis van natuurlijke hydraulische kalk

±

ttb

|fl^ Ü n y j ^ |:mï3aEg^|;. • Hecht-, grond- en afwerkmortels • Saneringsmortels tegen optrekkend vocht & vochtige muren • Thermische & akoestische isolatiemortels

HD SYSTEM

• Injectiemortels voor stabilisatie en statische verankering

GRUPPO TASSULLO spa

"Miniere

<fi Chris VOET Tel.: 052 46 02 43 Fax : 052 46 35 77 GSM : 0475 26 72 89 E-mail : chris.voet'i/'compaqnet.be

Maud BONNEVIE Tel./Fax:081 58 35 99 GSM : 0475 26 73 25 K-mail : borlbn^/ltiscalinct.be

San (Rimedio

Arte Arte Constructo bvba Molcnberglei 18 B-2627 Schelle Tel.: 00 32 3 880 73 73 Fax : 00 32 3 880 73 70 E-mail : infb®;arteconstructo.be Web : www.arteconstructo.be


Monumenten en Landschappen, Phoenix-gebouw Albert ll-laan 19 (bus 3) 1210 BRUSSEL Tel. 02-553 16 13 - Fax 02-553 16 12 E-mail: Luc.Tack@lin.vlaanderen.be Voorzitter: Luc Tack Eindredactie: Marjan Buyle en Marcel Cells Redactiesecretaris: Veerle De Houwer E-mail: veerle.dehouwer@lin.vlaanderen.be Fotografie: Oswald Pauwels Vormgeving en productie: Luc Tack Zetwerk en secretariaat: Diane Torbeyns

Cover: Ontwerptekening

voor de glasramen

Internet

Druk

Website Monumenten en Landschappen: www.monument.vlaanderer.be

Die Keure Oude Gentweg 108, 8000 Brugge Tel.: 050-47 12 72 - Fax: 050-34 37 68

van de kerk van Zonnebeke, Huib Hoste (K.U.Leuven

Universiteitsarchief}

Abonnementsvoorwaarden 2004

Redactiecomité

België: 32 € (ook losse nummers verkrijgbaar voor 6 € ) . CJP'ers betalen: 27 € Buitenland: 49,50 € Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving op rek. nr.091-2206040-95 van Monumenten Et Landschappen, Phoenix-gebouw, Albert ll-laan 19 (bus 3), 1210 Brussel met vermelding "M£tL-jaarabonnement 2004". U ontvangt dan alle nummers van het lopende jaar. E-mail: DianeP.torbeyns@lin.vlaanderen.be Zonder schriftelijke opzegging vóór het einde van elk kalenderjaar, wordt een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang. Tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd.

Ere-voorzitter: E. Goedleven Voorzitter: L Tack Kernredactie: M. Buyle, M. Cells, V. De Houwer, Herman Van den Bossche Redactie: A. Bergmans, J. Braeken, M. De Borgher, J. De Schepper, M. Ficrlafijn, J. Gijselinck, E. Hofkens, C. Metdepenninghen, M. Michiels, G. Plomteux, S. Van Aerschot, Hedwig Van den Bossche, P. Van den Bremt, Ch. Varthillo, L Wylleman

Advertentiewerving J. Casler Maalsesteenweg 73, 8310 Sint-Kruis Tel.: 050-36 25 89 - Fax: 050-37 33 64 E-mail: casier.jan@tiscali.be www.jancasier.be

Verantwoordelijke uitgever Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Departement Leefmilieu en Infrastructuur Administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschapper Joris Scheers Afdeling Monumenten en Landschappen, Phoenix-gebouw Albert ll-laan 19 (bus 3) 1210 BRUSSEL Tel.: 02-553 16 13 - Fax: 02-553 16 12

De verantwoordelijkheid voor de gepubliceerde artikels berust uitsluitend bij de auteurs Alle rechten voor het reproduceren, vertalen of herwerken zijn voorbehouden.

n h o Li si 4

Een halve eeuw ten dienste van de Belgische waterwegen en dijken: Ulrich Kümmer (1792-1862), ingenieur van bruggen en wegen Bruno Indekeu

31

Cultuurlandschap rond Kuttekoven: stille getuige van landelijke idylle Bart Geyskens

6 3 Summary


ClEPR,O

'CEPRO", DE NIEUWE NAAM VOOR EEN HISTORISCHE TRADITIE.

BSBBLI ''^Ê^"

Loofde Heer.,, De vloerverrijzenis

Gebruiksklare pleistermortels op basis van zuivere, natuurlijk hydraulische kalk.

bestaat.

Een oude natuursteen- of terracottavloer en een versleten parket zijn niet verloren. Solar nv renoveert vloeren en parket zonder breken. Het resultaat is vaak beter dan nieuw en toch blijven de kosten be-

Kasteel te Wannegem - Lede

perkt tot een fractie hiervan.

Traditionele kaleimortel "Cepromiir op basis van zuivere, natuurlijk hydraulische kalk.

Solar nv beschikt over het gespecialiseerde vakmanschap en hoogstaande technologie om uw vloer opnieuw in haar oorspronkelijke staat te brengen of te reanimeren met behoud van

Verrebeekmolen te Brakel

het historisch aspect.

I Kalkverf "Fresco"op basis van geselecteerde vette luchtkalk en inerte pigmenten.

Natuursteen-, terracotta- en parketvloeren... mat geworden, beschadigd, loopsporen,... Wij brengen het verleden m e t g l a n s terug !! BEL nu 03-766.11.66

Bijgebouwen, Klein Seminarie te Sint-Niklaas

Voeg- en metselmortets, basispleisters, afiverkpleisters, zouthestendige, vochtregulerende en isolerende pleistersystemen. Traditionele afwerkingen: Marmorino, Arriccio, Silicato, Silicaat verf, ...

Kleine Breedstraat 33 - B-9100 Smt-Niklaas

P.E.C. INTERNATIONALr Voor informatie over onze Cepro producten of proiectadvies. neem vrnbliivend contact op:

T 1 . C\r\l~7~7L QA 'XO lel.. U O / / / U.O**.0 7

slijpen - schuren - herpolijsten - kristalliseren - restaureren van natuursteen-, terracotta- en parketvloeren - wanden - trappen

Nïjs

Restauratie

E3-Laan 49 - 9800 Deinze - Tel 09/386 07 63 www.pnijs.be - p.nijs.nv@pandora.be

Specialiteit: Beschermde monumenten


23/3

Generiek Avec de Veau on a de Vherbe ... In het zog van de Franse troepen bij hun verovering van de Oostenrijkse Nederlanden, belandde boreling Ulrich Nicolas Kümmer met zijn vader sergeant-majoor vanuit Maubeuge in de buurt van Oostende. Schoolverlater op 14-jarige leeftijd en al vlug als conducfeurnonembr/godé tewerkgesteld bij Bruggen en Wegen, wist hij de strategische behoeften tijdens de Frans-Engelse oorlog en het gunstig politiek klimaat van het onafhankelijke België handig aan te wenden om zijn ingenieurstalenten als kanalenbouwer erkend te zien. Voortaan de evenknie van een Masui of Vifquain, zou hij zijn groots wateringenplan en de kolonisatie van de Kempen nochtans met lede ogen een roemloze dood zien sterven. Behalve eerherstel, brengt Bruno Indekeu hiermee een door een eeuwwende, oude regimes en nieuwe denkbeelden gemarkeerd levensverhaal.

De leesbaarheid van landelijk

Limburg

Diep verscholen in het voormalige "territorium" van Borgloon, ligt het pittoreske dorpje Kuttekoven. Het hedendaagse landschap en de bebouwing vormen nog steeds een gaaf, leesbaar en samenhangend geheel dat refereert aan een traditionele agrarische samenleving. Zal dit archetypische beeld van de Haspengouwse fruitstreek de dynamiek van de prille 21ste eeuw blijvend kunnen weerstaan? Bart Geyskens probeert het alvast voor ons te verankeren ...


Bruno

Indekeu

EEN HALVE EEUW TEN DIENSTE VAN DE BELGISCHE WATERWEGEN EN DIJKEN: ULR1CH KLIMMER ( 1 7 9 2 - 1 8 6 2 ) , INGENIEUR VAN BRUGGEN EN WEGEN • Sluis I op het kanaal Lommei / Herentals (foto 0. Pauwels)

Ulrich Nicolas Kiimmer 19 januari

werd geboren

1792 in het

Maubeuge,

Noord-Franse

als zoon van Hans

sergeant-majoor

in het

en Anne Catherine In 1794-95 Oostenrijkse

geboren

dorpje

in

Lagnau,

frankrijk

Nederlanden

en

de garnizoenstad

gekazerneerd

1802)

Oostende

van zijn overlijden

vermoedelijk

trok vader Kümmer met die troepen

mee op.

(29

november

in Oostende verbleef en in zijn over-

lijdensakte

C a p i t a i n e A d j u d a n t d e la Place

geen 57 jaar

de

in

is onzeker. Feit is wel dat hij op het

d ' O s t e n d e genoemd

Staibly.

veroverde

nadien

tijdstip

garnizoen

1745 in het Zwitserse

Of hij (en zijn gezin) dadelijk

werd(en)

Ulrich,

d e Reinach Suisse te Maubeuge, februari

op

werd. Hij was toen nog

oud, zijn zoon nog geen

11.

Ulrich Nicolas Kümmer had een zus Sophia en woonde in 1816

(samen met zijn moeder?)

in


Bredene op het gehucht de Slykens. Op 5 juni

JEUGDJAREN ( 1 7 9 ? - 1 R 1 0 )

1816 huwde hij te Oostende met Theresia Joanna Rodriguez, dochter van Leonard Joseph Rodriguez (Brugge 1757-Oostende 1795), in de jaren 1784-87 chirurgijn te Oostende. Uit dit huwelijk werd een dochter Valerie geboren in Oostende op S april 1817, en een zoon Ulricas Carolus Desiderius in Brugge op 26 mei 1819, die echter reeds op 14 maart 1820 zou overlijden. Kümmer zelf overleed in Antwerpen op 5 juli 1862.

Ulrich Nicolas Kümmer maakte carrière bij de dienst Bruggen en Wegen van 1811 tot 1860. O p diverse plaatsen in het land zou hij zijn sporen verdienen bij de aanleg van kanalen, de kanalisatie van rivieren en dijkwerken. Een gezaghebbend auteur noemt hem in 1987 in één adem met Vifquain en Masui, de bekendste kanaalontwerpers uit die tijd. Vooral in de provincies Limburg, Antwerpen en Luik zou hij bekendheid krijgen door de aanleg van kanalen en de daaruit voortvloeiende aanleg van wateringen of vloeiweiden. Op die manier drukte hij een onuitwisbare stempel op het Kempisch landschap. Een semi-officiële publicatie, uitgegeven naar aanleiding van 50 jaar Albertkanaal, zegt over Kümmer: weinig mensen hebben zich voor de ontwikkeling van de Kempen verdienstelijker gemaakt als hij.

Over Ulrich Kümmers jeugd (te Oostende?) is weinig bekend. Hij studeerde wiskunde aan het lyceum in Douai (Frankrijk), waar hij zijn studies in de mathématiques beëindigde in maart 1806. Dat hij zijn studies reeds op 14-jarige leeftijd stopte, heeft wellicht te maken met het vroegtijdige overlijden van zijn vader en dat zijn moeder verdere studies moeilijk kon bekostigen. Reeds in april 1806 vinden we Ulrich Kümmer als landmeter in dienst bij het kadaster van West-Vlaanderen, waar hij tot in 1810 bleef en een vijftal gemeenten (onder andere Hooglede en Oedelem) in kadastrale kaart bracht.

KANAAL BRUGGE-SLUIS (1R19-1R14) EN WERKZAAM TE OOSTENDE (1R1S-1R17) In 1811 stapte hij over van het Kadaster naar de dienst Bruggen en Wegen. Hij werkte er als tekenaar onder leiding van de Behr, en behoorde blijkbaar niet tot een bepaalde brigade {conducteur non emhrigade). Eind 1812-begin 1813 en dit tot begin 1814 werd hij employé bij het graven van het kanaal Brugge-Sluis. De Napoleontische oorlogen maakten van de Vlaamse kuststrook een strategisch belangrijk gebied, zowel als militaire uitvalsbasis tegen Engeland als bij Britse invallen. Daarom besloot de Franse regering in 1804 om de binnenvaartverbin-

Kanaal Brugge-Sluis. Opname vanaf de voormalige draaibrug in Damme (foto 0. Pauwels) Archieffoto van de

Brugge-Sluis,

onlangs gesloopte

modo Damsevaart,

draaibrug over

in Damme

het kanaal


ding van Duinkerken met Antwerpen te verbeteren. De aanleg van het Kanaal Brugge-Sluis was een onderdeel van dit project. In september 1813 werd Kümmer voorgesteld tot aspirant-conducteur (van Bruggen en Wegen), maar pas na het vertrek van de Fransen werd hij door baron de Vincent, gouverneur de la Belgique, aangesteld tot conducteur (10 juni 1814) voor het arrondissement Brugge. In juli 1815 werd hij benoemd tot conducteur l stc klasse en kreeg hij de leiding over de werken in het arrondissement Oostende. Tot 1817 oefende hij er - zonder het effectief te zijn - de functie van ingenieur van Bruggen en Wegen uit. Hij bouwde er o.a. de Nassau-brug en liet werken uitvoeren langsheen de kust te Blankenberge. Vermoedelijk was hij ook

Brugge. Draaibug van khipsdaele (foto 0. Pauwcis)

betrokken bij de werken in de Oostendse haven, die de toegang tot het kanaal naar Brugge moesten vergemakkelijken. Daar werd hij lid van de (toen nog niet antiklerikale) vrijmetselaarsloge Les trots Niveaux, waar hij in 1819 als afwezig genoteerd stond.

FNKELE JAREN IN BRUGGE (1R17-1R22) Bij ministerieel besluit van 26 september 1817 werd Kümmer bevestigd als conducteur l stc klasse van Waterstaat en opnieuw in Brugge gestationeerd. Hij werd er met vrouw en dochter ingeschreven in de bevolkingsregisters op 1 november 1817 op Steen-


de verdere werken aan het kanaal Brugge-Sluis, werken begonnen tijdens het Franse bewind. Kümmer had hieraan reeds gewerkt van 1812 tot 1814, toen het project werd stilgelegd.

/

Handgetekend plan van de stad Charleroi opgemaakt in 1840 waarop de gekanaliseerde Samber

MFDEWERKING AAN ONTWERP EN UITVOERING VAN KANALISATIE VAN DE SAMBER (1823-1830)

duidelijk is te zien. (UitWATELETM., De beginjaren van het Ministerie van Openbare Werken. Cartografie en Poli-

•

•"•

f" "

A -

iiniu.KHo/

•ia

\

straat 3 1 . In Brugge vond Kümmer zijn zus Sophia terug. Zij was op 5 augustus 1811 gehuwd met Petrus Goddyn (later Goddin), zakenman en lid van een invloedrijke familie in deze stad. Haar twee zonen Louis ( 0 1815) en Adolphe (O1820) zouden later ook in dienst treden bij Bruggen en Wegen. Wellicht via de familie Goddyn werd Kümmer in Brugge omstreeks 1820 niet alleen lid van de schuttersgilde van St.-Sebastiaan en de Société Littéraire, maar ook van de vrijmetselaarsloge La reunion des Amis du Nord (waarvan ook een Auguste Frederic Kümmer (een broer?) lid was) .In 1817 was Kümmer werkzaam aan diverse bruggen in Brugge, o.a. aan de draaibrug van Schipsdaele. Vanaf 1818 leidde hij

In april 1823 verliet Kümmer Brugge voor Charleroi. Hij vestigde zich aan Petit Coin nr. 4. Achtereenvolgens o.l.v. de ingenieurs de Behr en de Thomize werkte hij aan de studie voor de kanalisatie van de Samber, en nadien werkte hij ook onder leiding van ingenieur Ferrand aan de uitvoering ervan. We vermoeden dat hij maar kort in Charleroi woonde en dat hij daarna naar Bergen (Mons) verhuisde, vanwaar hij op 16 januari 1824 een brief naar zijn oversten schreef. De Hollandse tijd (1815-1830) was voor Kümmer, die uit was op promotie, de meest teleurstellende periode uit zijn carrière. O p 30 juni 1822 nam hij zelfs een tijdje ontslag, ontevreden over de overheveling van diverse bevoegdheden van nationaal naar provinciaal niveau. Toch maakte hij vanaf 23 april 1823 weer deel uit van de dienst, maar pogingen in 1826 en 1830 om promotie te maken mislukten. Na 1816 kon een ambachtelijk geschoolde zelden of nooit opklimmen tot ingenieur. Conducteur 1 ste klas was het hoogst haalbare na een geslaagd examen in geodesie of bouwkunde. Kümmer wou niet deelnemen aan een examen. In 1826 schreef hij over zichzelf dat hij het werk van een ingenieur deed. Hij zat er duidelijk mee verveeld

Oude prentkaarten

begin van de

van de gekanali-

twintigste eeuw.

seerde Samber in

(Verzameling

Charleroi uit het

postkaarten Dexia)

tiek in het België van de I 9 d ' eeuw, Amsterdam, 1995, p. 153)

TVI&L


7/


•4

Sfeerbeeld van Charleroi toen de fabrieken aan de Samber nog op volle toeren draaiden (Verzameling postkaarten Dexia)

dat hij geen theoretische studies gedaan had, en hij zag de oorzaak daarvan in de drukke activiteit bij de werken aan de Samber.

WFRK7AAM BIJ HERSTFI VAN DF SCHELDEDIJKFN OP DF ANTWERPSE LINKEROEVER (1».?1-1R^S) Bij de Belgische onafhankelijkheid (september 1830) trokken de Hollandse troepen zich terug in de forten ten noorden van Antwerpen. Uit militaire overwegingen lieten ze een aantal polders overstromen Daardoor geraakten 90 huizen en 30 hoeven vernield. O p 3 augustus 1831 ontscheepten ze in Kallo tussen de forten De Perel en St.-Marie. Ze zetten - opnieuw uit militaire overwegingen - een reeks polders rondom de Antwerpse forten onder water: Kallopolder, St.-Anna-Ketenis, Borgerweert, Melselepolder en Kleine Doelpolder, alles samen een oppervlakte van 3.280 ha. De Blokkersdijk, die de polders van Melsele en Borgerweert scheidt, was op diverse plaatsen doorboord. Van Belgische zijde bleef men niet bij de pakken zitten en reeds in oktober 1831 werd aannemer Willems het contract gegund om de dijken te herstellen. Door tegenwerking van de Hollandse troepen kon enkel de polder van Melsele hersteld worden. Ook aan de Blokkersdijk

konden herstellingen worden uitgevoerd. Op 28 december 1831 werden deze werken onder toezicht van Kümmer afgesloten. 723 arbeiders en 95 boten waren ervoor ingezet. De dijk was volgens Kümmer echter niet hoog genoeg. Hij overstroomde inderdaad met het springtij van 13/14 november 1831, waarna op 24 november 1831 beslist werd tot verhoging. In 1832 werd er vooral bestendigd en gecontroleerd. O p de Blokkersdijk werden een weg aangelegd om het militair mogelijk te maken de Hollandse troepen uit de streek te verjagen. In de maanden november-december van dat jaar was Kümmer - die in die jaren in Lillo woonde - daarbij rechtstreeks de Franse troepen behulpzaam, die onder leiding van generaal Tiburce Sebastiani het jonge België in haar verdediging tegen Nederland te hulp waren gesneld. In de periode april-juni 1833 kon verder gewerkt worden aan het herstel van de Blokkersdijk. Het herstel van de polderdijken (1831) en de aan het Franse leger geboden hulp bij de verdrijving van de Hollandse troepen uit de forten rondom Antwerpen (1832), zouden hét keerpunt vormen in de carrière van Kümmer. Zowel de Belgische als de Franse staat beloonden hem voor zijn prestaties: in 1831 werd hij onderscheiden in de Leopoldsorde i •• i^ r> -i i i •• i • en bij K.B. van 8 april 1833 volgde zijn benoeming tot onderingenieur van Bruggen en Wegen. Vanaf

Kanaal Brugge-Sluis. 0p amc in '' ^ nchting van 8ru„e (foto 0. Pauwels)

1VI&L


Evolutie van de toestand van de polder te Borgerweert tussen 1831 en 1837; het in kaart brengen met overslagsysteem illustreert de opeenvolgende situaties na de dijkbreuken van 1833. 1835 en 1837. (Uit:WATELET H , De beginjaren van het Ministerie van Openbare Werken. Cartografie en Politiek in het België van de I9 d ' eeuw, Amsterdam. 1995. p. 184-185)

1 juni 1835 promoveerde hij tot ingenieur. O p 8 januari 1841 verhief de Franse regering hem tot chevalier de la légion d'honneur met ingang van 4 augustus 1840. Het jonge België was Kümmer dus heel wat gunstiger gezind dan de Hollandse overheid. Tussen 1815 en 1830 was hij - ondanks

de nodige moeite — niet hoger dan de graad van conducteur opgeklommen. O m hem tot onderingenieur te kunnen promoveren had de Belgische regering een speciale afwijking moeten voorzien op het organiek reglement van het korps ingenieurs Bruggen en Wegen. Nadien zou Kümmer een grote loyali-


•4

'^"^

Detail van de ^

ESSAI

^(B

handgetekende kaart Dénvotion de

ff-.». loAtee comprise entre Atetrdit et Crévecoeur

\ \ U \ DE FASCINAGES

- modo Zuid•>Ufyi>

ET u cihsmiaii)\ iits iiii.i i:s.

Willemsvaart door Kümmer, Hasselt, 10 mei

BMiBiPTini ei ftmuetEinT DÏS roinia

m m

WMI

uihi.

184!

MeH rnc m a iiiiMidE u i et; MLIEI"

(UitWAIEliT M., De bejinjoren van bet Mmisterie von Openbare Werken. Cortogra/ie en

T.iME l-Htmif

Politiek in bet België von de 19* eeuw, Amsterdam, 1995, p.191)

!ii;i\niiv . I. V I lURtlHIE POLI II

IIMi.i

• In 1849 wijdde

atlas aan de

Kümmer een

dijkwerken in de

uitgebreide studie

polders van de

vergezeld van een

beneden-Schelde

teit tegenover het jonge België betonen, en zou hij niet nalaten om — waar hij kon - mee te werken aan maatregelen die Nederland benadeelden (zo bijvoorbeeld te Hocht; zie verder). Jaren later, in 1849, zou Kümmer een publicatie wijden aan dijkwerken. O p het boek staat tome 1 vermeld, maar een tweede deel is er voor zover bekend nooit gekomen. Toch rees er een halve eeuw later - Kümmer was toen reeds lang overleden — opnieuw interesse voor want het boek het werd toen gedeeltelijk, d.w.z. zonder de historische inleiding, heruitgegeven, eerst in afleveringen in een tijdschrift en vervolgens in boekvorm.

TUSSENTIJDSE OPDRACHTEN IN ARDENNEN, LIMBURG EN AAN DE KLEINE NETE ( 1 8 3 5 - 3 7 EN 1839) Tussen twee campagnes in de polders boven Antwerpen werd Kümmer hier en daar in het land aan het werk gezet. In 1835 en ook in februari-maart 1837 verving hij in Wolferdange (thans Groothertogdom Luxemburg, toen België) de zieke ingenieur De Broek. Hij werkte er een tijdje aan het

Witit,%

Moezelkanaal, dat bedoeld was om door de Ardennen een verbinding tussen Maas en Rijn te realiseren. Het project geraakte echter nooit voltooid. In 1836 kreeg hij van de overheid de opdracht om een studie te maken voor de kanalisatie van de Kleine Nete tussen Grobbendonk en Lier. Hij maakte hiervoor een plan (14 oktober 1836) maar vroeg op 10 mei 1837 om van dit project ontlast te worden, zodat hij zich aan zijn opdracht in de polders kon wijden. Een andere ingenieur (De Dobbeleer) zou het werk van hem overnemen (1837-1839). Een andere opdracht betrof de Zuid-Willemsvaart. Dit kanaal van Maastricht naar 's-Hertogenbosch was gegraven tussen 1822 en 1826, en liep voor een groot deel over (later) Belgisch Limburgs gebied. Door de onafhan-

1VI&L


Tekening van de watervang In

i Mou.L-CD^ | | . - J^x^J»..:^

Lanakcn-Hocht

t. J

aangelegd tussen Haas en ZuidWillemsvaart. Kermoedelijk heeft Kümmcr in het Pavilion gewoond dat naast het

b. i\.,„.x. . i ^

kunstwerk werd opgericht. (Stadsarchief Turnhout)

•'<a; "

'•mèr—^-^m^-^i^='

.//. ^lu.,... ..tt.,».,,. ....„.„ITJL.J......... f......... Xl'-^ll,..).„. f.L„..r x m -. .v.... , ,, „„. ,. ),\.>„..., 3L. Xw„ L ..>..-.'. C ^u,.,.. >.. ,1 ..c.., HOk.,x.«.. (PC,..

, <i,....) /,.).V,„.. r t\

v

— ... .i:.. 7 ...... ttuJ *•'

. •

/ i - . * , . .-t^.. /* '.-/

Oude prentkaart

schippers zich

van de Zuid-

konden bevoor-

Wilicmsvaart ter

raden Au meilleur

hoogte van sluis

morché

18 in Bocholt

(Verzameling

waar de binnen-

postkaarten Dexia)


kelijkheid verloor het kanaal tot 1839 zijn toevoerbron en zijn uitweg naar Nederland. België, wel meester van het kanaal in de provincie Limburg, was dus de watervang in Maastricht kwijtgeraakt. Plaatselijke militaire schermutselingen maakten Maastricht ontoegankelijk en belemmerden de scheepvaart op het zijkanaal. O m een oplossing te vinden liet de Belgische regering een watervang bouwen in Lanaken-Hocht (1836). In 1837 liet Kümmer daar op vernuftige wijze een "overlaat" aanbrengen die zowel water uit de Maas als uit de Zuid-Willemsvaart kon aftappen, waardoor België later het Kempense kanalenstelsel kon gaan beheersen en dehors du bon plaisir des Hollandais. Door het verdrag met Nederland van 19 april 1839 verloor België de bovenloop van de Zuid-Willemsvaart maar behield 44,6 km van Smeermaas tot 2,7 km van de sluis te Lozen. Van augustus tot oktober 1839 voerde de Belgische regering dringend op dezelfde plaats buitengewone werken uit om te voldoen aan artikel 10 van het verdrag. Deze zaak werd in de zitting van 3 februari 1840 behandeld in de Kamer van Volksvertegenwoordigers. Minister van Openbare Werken Nothomb voegde bij zijn memorie van toelichting het verslag van 21 november 1839 van ingenieur Kümmer, die belast was met de werken uitgevoerd in 1839.

TERUG IN DE POLDERS - LILLQ EN BQRGERWFERT (1«.?7-1R39) Terwijl de werken voor het herstel van de dijken in de Antwerpse polders in de jaren 1831-36 zonder overleg met Nederland gebeurden, was dat in de jaren 1836-1839 wel het geval. Minder dan een maand nadat Nothomb de portefeuille van Openbare Werken had gekregen, diende hij op 6 februari 1837 zijn historisch verslag omtrent de problemen in de Polders van Lillo in bij de Kamer van Volksvertegenwoordigers. Dit verslag sloot aan bij een overeenkomst die op 19 januari 1837 was gesloten in het kader van het Belgisch-Nederlands overleg dat op 13 juni 1836 was gestart. Met de wet van 25 mei 1837 werd toestemming verleend tot de bouw van een binnendijk, waaraan werd begonnen op 8 maart 1838 onder leiding van Kümmer. O p 31 oktober was de dijk klaar. Niet dat dit probleemloos verliep (er was zelfs op zeker ogenblik een opstand onder de arbeiders) maar sous l'activité, Ie zèle et les conaissances de Monsieur U. Kümmer had men het werk tot een goed einde gebracht.

NAAR LIMBURG VOOR DE KANALISATIE VAN DE KEMPEN (1839-1R4R) In 1805 besliste Napoleon tot de aanleg van het zogeheten Canal du Nord dat Antwerpen met Luik zou verbinden. De politieke en militaire gebeurtenissen maakten evenwel een eind aan de werken. Hoewel de plannen nooit definitief werden opgeborgen, werd hieraan tijdens de Hollandse periode niet verder gewerkt, omdat het kanaal van Maastricht naar Den Bosch (Zuid-Willemsvaart) voorrang kreeg. In 1829 werd het plan voor het Canal du Nord toch nog even van onder het stof gehaald, en kreeg Kümmer de opdracht om het dossier te bestuderen. Door de Belgische onafhankelijkheid kwam hiervan weer niets terecht. Tijdens de jaren 18301840 werden verdere studies ondernomen in verband met de aanleg van kanalen door de Kempen, waarbij agrarische factoren (met name de bevloeiing en de aanvoer van meststoffen via de kanalen) bijzonder belangrijk werden geacht. Het was de bedoeling om een kanaalsysteem uit te bouwen dat een volledig agrarische benutting ervan moest mogelijk maken, zo bijvoorbeeld in het bekende TeichmannMasui-project uit 1835. De definitieve plannen kregen vorm in de tweede helft van de jaren 1830. Bij Ministerieel Besluit van 24 oktober 1838 werd Kümmer belast met de coördinatie van alle ontwer-

• Detail uit de Corte

Moestriclit, Ax-lo-

kanalen werd met

fénérale des contrées

Oiopelle, Cologne,

een rode lijn

tiek in het België

situées entre les

door A. Oandelin,

aangeduid

van de I9 d 'eeuw,

bouclies de lïscout,

Hasselt 4 april

(UicWATELET t l ,

Amsterdam, 1995,

deloMeuse.duR/im

1840. Het volledige

De beginjaren van

p. 175)

et des villes de Gond,

tracé van de in de het Ministerie van

Bruxelles,

Kempen geplande

r

Openbare Werken.

Cartografie en Poli-


• Bij de aanleg van het kanalennet speelden agrarische factoren, zoals bevloeiing en aanvoer van meststoffen, een zeer belangrijke rol. De coloteur of afwateringsgreppel die het grondgebied van Arendonk, Retie en Dessel doorkruiste, is nog grotendeels bewaard (Stadsarchief Turnhout)

• Voor het vervoer van mest tussen schip en ontginningsgebied werden speciale spoorwagonnetjes ingezet. (Stadsarchief Turnhout)

Aanvoer van ertsen

hand. De radium-

en kolen werkte

fabriek te Olen is

de vestiging van

en één van.

fabrieken langs de

(Verzameling

kanalen in de

postkaarten Dcxia)

• Lichters op het kanaal te Neerpelt. Prentkaart van circa 1935 (Verzameling postkaarten Dexia)

Kanaal Bocholt / Lozen-Lommel / Blauwe Kei nabij de aftakking van de Zuid-Willemsvaart

M&L


Lommei / Blauwe Kei. Kanaal naar Beverio-leopoldsburg richting Stevensvennen (foto 0. Pauwels)

pen die betrekking hadden op de kanalisatie van de Kempen. O p 15 februari 1839 werd hij aangesteld tot dienstdoend hoofdingenieur van Bruggen en Wegen voor de provincie Limburg tout en conservant comme attributions spéciales les Polders et les études des projets de canalisation de la Campine. Een M.B. van 31 maart 1839 beperkte zijn bevoegdheden voor de polders tot deze van Borgerweert en Lillo, waar

Kümmer de grote herbedijkingswerken had geleid. In de loop van datzelfde jaar 1839 (M.B. 31 januari en 5 september) stelde de Minister van Openbare Werken aan Kümmer een aantal medewerkers ter beschikking voor de bestudering van het kanalisatieproject. In januari 1840 bracht hij verslag uit over de kanaalontwerpen aan de Minister en de tekst hiervan werd gepubliceerd. Rond diezelfde tijd


Lommei / Blauwe Kei. Verbreding van het kanaal bij de aansluiting met het kanaal naar Bcverlo-Leopoldsburg

Lommei / Blauwe Kei. Sluis I op het kanaal LommelHerentals, een tweetrapse schutsluis van baksteen en blauwe hardsteen van 18441845 (foto 0. Pauwels)

M&L


Lommei / Blauwe Kei. Opgeklampte houten bovendeur van sluis I op het kanaal lommelHerentals (foto 0. Pauwels)

1VI&L


Lommei / Blauwe

i

Kei. Bij dezelfde sluis, dienstwoning en douaneloods met jaarlalankers 1845 (foto 0. Pauwels)

maakte hij er ook een topografische kaart van. Zijn plan voorzag in de aanleg van de volgende kanalen: 1. van Bocholt/Lozen (aansluiting op Zuid-Willemsvaart) tot Mol (l s t e sectie); 2. van Mol tot Herentals, waar de verbinding met de Kleine Nete zou worden gerealiseerd (2 e sectie); 3. een aftakking van Dessel naar Hasselt, met aansluiting op de Demer; 4. een aftakking van Dessel naar Turnhout en Antwerpen. Jarenlang heeft Kümmer deelgenomen aan de werkzaamheden voor de geplande kanaalaanleg en verschillende plannen getekend. Daarbij moet hij bij de regering enigszins in de kijker zijn gelopen, want in juli 1842 maakte hij promotie van ingenieur tot hoofdingenieur, waarbij zelfs een tussenstap werd overgeslagen. In 1842 was de studiefase achter de rug en werd aan uitvoering gedacht. Bij M.B. van 18 september van dat jaar werd Kümmer belast met de directie van de

kanalisatiewerken in de Kempen. Hij moest voorstellen formuleren omtrent de uitvoering van de sectie Bocholt-Blauwe Kei {VK sectie), moest erop toezien dat het budget van 1.750.000 fr. niet zou worden overschreden, en moest ten slotte onderzoeken welke percelen zouden onteigend worden en hoe men best de aanpalende eigenaars zou doen meebetalen voor de aanlegkosten. Vanaf dat ogenblik draaide de machine op volle toeren. Kümmer kreeg eind 1842 en begin 1843 een hele staf rond zich (M.B. van 5 december 1842, 9 januari en 15 februari 1843). Deze Services Spéciaux onder zijn leiding waren opgedeeld in drie eenheden, bemand als volgt: Canalisation de la Campine. 1 ingenieur (Houbotte), 1 adjunct-ingenieur, 1 onderingenieur, 4 conducteurs, 3 surveillants; Service du Canal Maestricht-Bois Ie Duc{= Zuid-Willemsvaart); 1 conducteur (Wybauw), 1 conducteur, en 1 surveillant (Goddyn Adolphe, neef van Kümmer); Service de la


iV

Meuse dans Ie Limbourg. 1 conducteur (J. Keelhoff die vanaf 1842 Scheepers verving). In 1843-44 werd het Maas-Scheldekanaal o.l.v. Kümmer aangelegd tussen Bocholt (Lozen) en Lommei (Blauwe Kei) ( r t e sectie). De werken waren aanbesteed op 20 januari 1843; deze sectie van het kanaal werd opengesteld op 22 augustus 1844. In de periode 1844-1846 volgde — eveneens onder zijn leiding — het traject Lommel-Herentals (2 c sectie). Kümmer zag behoudens het agrarisch nut van dit kanaal, ook voordelen voor scheepvaart en handel. Voortdurend hamerde hij er bij de overheid op dat de kanalen breder moesten zijn en de sluizen groter. Ten gevolge daarvan werd reeds in de winter van 1845-46 begonnen met de verbreding van de lscc en 2 e sectie. In 1846 kwam de aftakking van Dessel naar Turnhout klaar en bij M.B. van 6 december 1848 werd Kümmer belast met de opstelling van een definitief ontwerp van het kanaal dat Hasselt met het Kempisch kanaal moest verbinden. O p 21 juli 1845 werd Kümmer ridder, en op 13 december 1846 officier in de Leopoldsorde. Als motivatie hiervoor werd opgegeven: zijn inspanningen bij de irrigatie van de Kempen, bij het herindijken van de overstroomde Scheldepolders, bij de aanleg van het Maas-Schelde-kanaal en bij de werken voor het lateraal kanaal van de Maas. Lommei / Blauwe

KANAAL LUIK-MAASTRICHT (1R4B-1850) Laatstgenoemd kanaal was reeds van bij het begin van de 19de eeuw aangekaart door de Luikse industrie. De vraag ernaar was vooral ingegeven doordat de Maas stroomafwaarts van Luik zeer onregelmatige waterstanden kende. De scheepvaart had dus alle belang bij een waterweg met constante diepgang richting Nederland. In juli/augustus 1842 gaf de Minister van Openbare Werken aan Kümmer de opdracht een studie te maken om de Maas, doorheen Luik tot Maastricht, te kanaliseren. Kümmer werkte hiervoor samen met ingenieur Houbotte. Later werd de idee om de Maas te kanaliseren vervangen door het project om een nieuw kanaal te graven evenwijdig aan de Maas. De voorbereidende studie van Kümmer hiervoor werd in 1844 opgenomen in de Annates Parlementaires. In 1845 reisde hij verschillende malen naar Den Haag om met de Nederlandse administratie de voorwaarden te bespreken, op basis waarvan op 12 juli 1845 tussen beide landen een verdrag werd gesloten dat de aanleg van dit kanaal voorzag. De werken begonnen op 25 november 1845 en waren klaar op 21 oktober 1850. Het werd een parallel kanaal op de linkeroe-

het kanaal naar

Kei. Brugwachter-

Beverlo-Leopolds-

liuis opklimmend

burg

tot ca. I860 aan

ver met een totale lengte van 25,56 km waarvan 20,45 km in België. Speciaal voor de aanleg van dit kanaal was vanaf 1842 een nieuwe dienst opgericht. Daardoor had Kümmer in de jaren 1847-48 volgende drie diensten onder zich: Service de la Campine te Geel: 1 ingenieur (Pierard) en 3 conducteurs; Service du canal lateral cl la Meuse te Luik: 1 ingenieur (Houbotte) en 7 conducteurs; Services de la Meuse Limbourgeoise et du canal de Maestricht vers Bois-Le-Duc te Rekem: 1 conducteur (Simonis).

STUDIE OVER RFCHTTRFKKING EN KANALISATIE VAN DE MAAS TE LUIK (184S-1».Rn) Luik werd van oudsher ook geplaagd door overstromingen. O m dit op te lossen gaf de Minister van Openbare Werken in juli/augustus 1842 aan Kümmer de opdracht om een studie te maken van de kanalisatie van de Maas doorheen Luik tot in Maastricht in samenwerking met ingenieur Houbotte. Hij was hiermee klaar op 10 oktober

M&L


• Door de rechttrekkmg van de

""..v M

Maas kwam er een

ii,.,,tii„.

einde aan de vele overstromingen die

\9

Luik regelmatig teisterden. (Uit:WATELET M , De beginjaren van het Ministerie van Openbare Werken. Cartografie en Politiek in het België van de I9 d ' eeuw, Amsterdam, 1995, p.225) // . ,/, (hmmptu/

->•

t li I

IVI&L

HAT 1 VA


•4

< Oude prcntkaartcn van de boulevard Frère Orban te Luik, aangelegd langs het nieuwe Maastracé (Veriamellng postkaarten Dexia)

1VI&L


1842, doch enkel voor het deel van de Maas binnen de stad Luik. O p 4 september 1845 vroeg de minisvan Klimmer: ter aan Kümmer om hierover een nieuwe studie te Défncfiement des bnifèrts de la maken en op 16 oktober van dat jaar zond hij hem Campine. op studiereis naar Frankrijk om er samen met Mémoire..,, 1845. Houbotte de dammen op de Seine, de Yonne en de (Stadsarchief Cher te bezoeken. O p 31 augustus 1846 leverde Turnhout) Kümmer een nieuwe studie af, en een tweede op 1 februari 1848, die gepubliceerd werd. In 1849 botsten Kümmer's voorstellen op kritiek van Hypolite Guillery, hoofdingenieur van Bruggen en Wegen te Luik, in de Annales des Travaux Publics. Nieuwe overstromingen van de Maas te Luik in 1850 speelden echter in de kaart van Kümmer die zich in hetzelfde tijdschrift in 1851 verweerde, en vlot kon aantonen dat de werken die Guillery reeds had laten uitvoeren, geen soelaas hadden gebracht. O p 20 december 1851 keurde de overheid de plannen van Kümmer goed. De door Kümmer gebruikte methodes om de rivier te bedwingen, Echappements Kümmer genoemd, werden in 1903 nog geprezen door F.B. de Mas in zijn cursus Rivieres Canalisées, die hij doceerde aan de Ecole Nationale des Ponts et Chaussées te Parijs. De werken startten in 1853 en duurden tot 1863. De omvang van de rechttrekkingswerken was indrukwekkend. Een hele boog van de rivier (ter hoogte van de huidige Avenue Blonden en de Boulevards d'Avroy en Piercot) werd afgesneden. Luik zal haar "reddende engel" trouwens in herinnering houden door een zaal voor beurzen en recepties gelegen onder de Place St.Lambert Espace Kümmer te. noemen.

Enkele publicaties

VLQEIWEIDEN IN KEMPEN EN MAASLAND (1R4fi-1RB0): EENJ1NVERDEELD SUCCES

OfiFlUCHEMENÏ

I

BRUYERES DE LA CAMPINE.

Stil l,'IMKIHE\TI0\ PROKTtl lil COIUKM.WVl.

/£*

imi YÈIIES DE LA CAMPm RAPPORT

De ontginning van de Kempen zou het project worden waarvan Kümmer zijn paradepaardje maakte, maar dat hem tegelijk in diskrediet zou brengen. Het Teichmann-Masui-project (1835) was de aanleiding geweest van een lange discussie over de kanalisatie van de Kempen. Hierdoor was, zowel in gemeente- en provincieraden, in het parlement, als tenslotte ook in de publieke opinie, de aandacht op de Kempen gericht en op het ontginningsvraagstuk in het algemeen. In augustus 1843 stelde J.B. Nothomb de vraag over de ontginning van de Defridiemem des Kempen ook uitdrukkelijk aan de ontwerper van de bruyeres de (o Kempische kanalen, Kümmer. O p 13 december

A M. LE KUflSTKE DE L I N T E R I E U R . -i tl (•- i\J>ni\r-. imiFM-i i LA SUITE DE I tHmVBHIKffl Dl i r n t rum i \ uu u i o \ m PIIVKUKS iiuiii,\ni,i:s o,\\s i \ cvMmi PENDANT

m umftRs na \ WM ncLunramBti Urn U. tiuimiifr.

l^fe?

ir j! BRUXELLES, rKmonan HBL DEVHOYE KT onp MM

pme. 1844 stuurde deze zijn antwoord aan de minister in Rapport..., 1850. e e n r a o r t : v a n , /-, i i i •• i T^ • (Stadsarchief PP 143 bladzijden. De zienswijze van Turnhout) de ingenieur was ten opzichte van zijn vorig rapport


CREATION

' V< \

PRAIRIES IRRIGARLES *

El Ï I l l . i i -

DIME COLOHIE ffllCOLE DMS U CMPIIIE

RAPPORT A a. IX «nNISTUE DE L'tHTERIETO. \ I \ M 1Tb [it: 1 DnRRVMTI •• [« ! i I .1

Par U. tuimmrr.

flrujclks, uiPBiMEiuE BF.V.

oznan

van 1840 over de kanalisatie, behoorlijk gewijzigd, naar zijn zeggen, omdat hijzelf sindsdien in de Kempen woonde. Hij was hoofdingenieur van Bruggen en Wegen in Limburg geworden en had er de leiding over de Service spéciale de la Campine. Het voorstel aan de minister kwam erop neer dat de staat zoveel mogelijk vloeiweiden moest aanleggen. De aanleg daarvan zou het aangewezen middel zijn om ter plaatse veevoeder en dus ook de nodige mest te produceren, want... avec de l'eau on a de l'herhe... Kümmer's project werd goed onthaald. Tijdens de debatten in de Kamer over het aftakkingskanaal naar Turnhout in maart 1845, kondigde minister van Openbare Werken Deschamps aan dat het project te Overpelt-Neerpelt bij wijze van proef nog hetzelfde jaar zou worden gestart. Enkele maanden later bestonden er al plannen voor soortgelijke irrigatiezones in Mol-Balen-Dessel (225 ha) en te Elen (50 ha). Kümmer zelfwees op het sociale nut van zijn vloeiweidenproject. In een rapport van 1 november 1846 schreef hij dat in de Kempen zeker 100.000 ha heide irrigeerbaar waren. Gesteld dat slechts 25.000 ha werkelijk zou omgezet worden in vloeiweiden, dan leverde dit aan de "behoeftige klasse" 13,25 miljoen fr. aan loon op. Eind 1848 had de Staat al 1248 ha

heide voor irrigatie voorbereid en in de loop van 1849 werd hieraan nog 80 ha in de Achelse Buitenhei toegevoegd. Bovendien mocht Kümmer zich op heel wat buitenlandse belangstelling verheugen. Diplomaten, agronomen en ingenieurs kwamen naar de Kempische vloeiweiden kijken en schreven er verslagen over waaruit Kümmer maar al te graag citeerde. De overtalrijke pluimen op eigen hoed dienden echter ook om een donkere keerzijde te camoufleren. Eind 1846 had Kümmer de verwachting gewekt dat met de voltooiing van het Kempische kanalennet 25.000 ha in vloeiweiden konden herschapen worden. In 1848 beperkte hij die oppervlakte eerst tot 7000 ha: zoveel vloeiweiden konden er langs de reeds bestaande kanalen worden aangelegd (Bocholt-Herentals, Blauwe Kei-Turnhout en Zuid-Willemsvaart), vervolgens stelde hij voor daarvan voorlopig maar iets meer dan de helft aan te leggen, namelijk 3600 ha. In werkelijkheid zijn er in het kader van het project Kümmer nooit meer dan 2257 ha vloeiweiden aangelegd. Helaas was er nog een veel groter probleem: het werd immers duidelijk dat er volstrekt onvoldoende water was voor al die vloeiweiden. Op het ogenblik waarop slechts 281 ha effectief waren aangelegd (1849), was Kümmer al aan het uitkijken naar middelen om de waterhoeveelheid te verhogen! Eind 1850-begin 1851, toen de effectief aangelegde oppervlakte 696 ha besloeg en een aangroei tot 3672 ha was aangekondigd, stelde Kümmer voor het project geen verdere uitbreiding te geven.

Creation de prairies n et établissement d'une colonie ogncole dans la Campine. Rapport..., 1851. (Stadsarchief Turnhout)

Naast de tegenslagen bij het Kempisch irrigatieproject had Kümmer enkele jaren eerder al de gramschap van enkele parlementairen moeten incasseren. Een K.B. van 24 maart 1847 gaf toestemming tot de oprichting van een n.v. Société de Défrichement de la Campine, die in de eerste plaats werd opgericht ter exploitatie van het enorme domein van Postel (circa 4500 ha), dat door de oprichters was ingebracht. O m en bij de 3000 ha van dit domein waren woeste gronden. Kümmer zetelde in de beheerraad van deze vennootschap. O p 17 april 1847 had in de Kamer van Volksvertegenwoordigers een pijnlijk incident plaats. De liberaal Charles Rogier (1800-1885), die zowel minister was geweest van Binnenlandse Zaken (1832-34) als van Openbare Werken (1840-41), vond het ongeoorloofd dat een overheidsambtenaar (Kümmer) als beheerder in een privé-vennootschap zetelde, en vroeg of de minister van Openbare Werken hiervoor toestemming had gegeven. Enigszins verveeld gaf minister van Binnenlandse Zaken Barthelemy deTheux de Meylandt (1794-1874) toe dat hij Kümmer gevraagd had om in die beheerraad

M&L


te zetelen, maar uitsluitend in het belang van de ontwikkeling van de landbouw en om in de Kempen een model op te zetten. Reeds twee dagen later las de Theux in het parlement een brief van Klimmer voor, waarin deze laatste zijn ontslag gaf als bestuurder.

FFN LANDBOUWKOLONIE TE LOMMEL ( 1 8 4 7 - 1 8 ^ 0 ) : FIASCO IN PLAATS VAN KROON OP HET WERK Minister van Binnenlandse Zaken van maart 1846 tot augustus 1847 de Theux, stond echter negatief tegenover de kolonisatie-idee. De Staat moest volgens hem enkel instaan voor de oprichting van kapellen, priesterwoningen en schoolgebouwen daar waar er zich, tengevolge van ontginningen, spontaan

(JU x i e i ,„ i

j 1

m

AA Lommei,

gerenoveerde maar

Koloniestraat

nog duidelijk

nrs. 79 en 108:

herkenbare hoeven

aangepaste of

Lommei. Voorgevel, plattegrond en doorsneden van een staatshoeve in de landbouwkolonie (Stadsarchief Turnhout)

1VI&L

Lommei. Plan van

sloot, aan weers-

en aan de west-

1849 voor de

zijden twintig

zijde de fameuze

oprichting van een

identieke percelen

vloeiweiden.

landbouwkolonie.

met boerderij, aan

(Stadsarchief

Bemerk de

de oostzijde een

Turnhout)

centrale weg met

plein met kerk,

in het midden een

school en pastorie

nieuwe woonkernen zouden vormen. Conform aan dit standpunt kreeg Kümmer de opdracht uit te kijken naar plaatsen waar zulke overheidstussenkomst mogelijk en wenselijk was. O p 20 juli 1847 wees Kümmer drie mogelijke interventiepunten aan te Lommei. De katholieke regering de Theux was ontslagnemend op het moment dat Kümmer zijn rapport afleverde en ze werd op 12 augustus 1847 opgevolgd door het homogeen liberale kabinet van Rogier. Rogier had voordien al in de Kamer een grotere sympathie voor de kolonisatie-idee laten blijken. Daar waar de Theux Kümmer's nieuwe opdracht uitsluitend ontginningsgericht geïnterpreteerd had, nam Rogier een ander uitgangspunt aan, met name de penibele sociale toestand in Vlaanderen. Hij liet de ingenieur op 20 november 1847 weten dat het project naast ontginningen eveneens een verplaatsing van een deel van de overvloedige bevolking van heide Vlaanderen moest bewerkstelligen. Het volstond dus niet meer


Lommei. Gezichten

bevloeiing van de

op de grote fosse,

weiden

het geheel van

(foto 0 . Pauwels)

sloten voor de

om enkele kerkjes en scholen te bouwen. In plaats daarvan werd nu gedacht aan de oprichting van een drietal heuse kolonies: te Lommei, Arendonk en Mol. De kolonie te Lommei zou gevestigd worden op het kruispunt van het kanaal en de steenweg Hasselt-Eindhoven. Daar zouden aan weerszijden van het kanaal in totaal 30 boerderijen worden gebouwd, een kapel, een priesterwoning en een school met onderwijzerswoning. Elke boerderij zou beschikken over 5 ha, waarvan 1 ha vloeiweiden die speciaal daarvoor zouden worden aangelegd door de staat. De vloeiweiden waren volgens Kümmer cruciaal in het welslagen van de onderneming. Hij beschouwde het gebrek aan mest immers als één van de belangrijkste oorzaken van het mislukken van kolonies in het verleden. In een rapport van 26 december 1849 drukte hij er op dat het enige doel dat wij willen bereiken bestaat uit de ontginning, uit de verbetering van de landbouw in de Kempen. Misschien was het daarom dat men zich beperkte tot de

oprichting van slechts één kolonie: het privé-initiatief zou immers moeten zorgen voor de rest. De slechte afloop van het experiment Lommei Kolonie is gekend. Geen enkele van de kolonisten slaagde erin zich overeind te houden. O p 15 oktober 1860 werd de kolonie integraal verkocht aan J. Keelhoff, een naaste medewerker van Kümmer, die de onderneming van nabij gevolgd had. Op die manier eindigde de laatste kolonisatiepoging in België in mineur. Zijn laatste opdracht in verband met irrigaties was een studiereis in Duits gebied. O p 30 augustus 1850 gaf de minister van Openbare Werken hem opdracht om de irrigaties en de wetgeving hierover te onderzoeken in Pruisen en Westfalen en Pommern. De reis ging door in september-oktober 1850. Kümmer schreef er een omstandig verslag over, gedateerd op 10 december 1851, dat echter ongepubliceerd bleef. Het moet achterafin privé-handen zijn geraakt. Het werd geveild in juli 1882 en belandde zo in de Antwerpse Stadsbibliotheek.

M&L


NAAR ANTWERPEN VOOR VERDERE REALISATIE VAN MAASSCHELDEKANAAL (18S0-1RS9) De rampzalige afloop van het ontginningsproject in de Kempen zal wel meegespeeld hebben in Kümmer's vertrek uit Limburg naar Antwerpen. O p 2 april 1850 werd hij in Lanaken (Hocht) uitgeschreven en verhuisde hij naar Antwerpen om er Ingénieur en chef, directeur des Ponts et Chaussées de la province d'Anvers te worden. Wat als een promotie kon doorgaan, was waarschijnlijk eerder een "wegpromoveren". Bij K.B. van 15 mei 1851 werd hij — officieel op eigen verzoek - ontslagen als directeur van de Service des défrichements de la Campine, en vervan-

IVI&L

gen door Herman Joseph Magis. Tot begin 1852 bleef Kümmer hoofdingenieur in gewone Üimsx voor de provincie Antwerpen, terwijl hij sinds 1840 altijd in buitengewone dienst {Services Spéciaux), d.w.z. voor specifieke projecten was aangesteld geweest. In februari 1852 werd hij in de gewone dienst opgevolgd door ingenieur Guioth en kreeg hij weerom een aantal speciale opdrachten: 1. werken aan de Maas te Luik i.s.m. ing. Houbotte; 2. de aanleg van de 3de sectie van het Maas-Scheldekanaal (van Herentals tot Antwerpen) in samenwerking met ingenieur Lebens. Kümmer kwam op die manier weer aan het hoofd van de Service Spécial de la Meuse, die in 1854 bemand was door 3 ingenieurs, 1 onderingenieur, 5 conducteurs, gestationeerd in Antwer-


Detail van het niet gedateerde Pion de lo ótaöek du nord denvers met daarop het sluitstuk van de 3* sectie van het Maas-Scheldekanaal: de monding van het Conol de la Campm in het nog onvoltooide Kattendijkdok (1859-1869) (UicWATELET M., De bejinjoren von het Wirasterie von Openbore Werken. Cartografie en Politiek in het België von de 19* eeuw, Amsterdam, 1995, p. 179)

pen, Herentals, Turnhout en Luik. De werken te Luik, die hoger al ter sprake kwamen, zouden tussen 1853 en 1863 vooral onder impuls van Houbotte uitgevoerd worden. Kümmer heeft zich blijkbaar meer toegelegd op de aanleg van de 3 c sectie van het Maas-Scheldekanaal. Die werken waren gestemd in december 1851. Deze sectie werd geopend op 13 oktober 1856, maar was pas op 1 oktober 1859 echt operationeel door de indienstneming van de Kattendijkzeesluis op de Schelde. Voordien moest, om de Schelde te bereiken, worden omgevaren via de Nete en de Rupel. Met verbetenheid had Kümmer geijverd voor zeer grote sluizen (50 m lang en 7 m breed) op dit traject en die ook verkregen. Zo konden grote schepen het kanaal bevaren, wat in die tijd voor België en zelfs voor Europa bijna een unicum was. Ter bestudering van dergelijke zeesluizen was Kümmer op studiereis geweest in de havens van Bremen (oktober 1852 samen met Lebens) en Le Havre. Over beide bezoeken zou hij publiceren in de Annates des Travaux Publics. Pas in 1862 was het hele parcours van Bocholt naar Antwerpen (86 km) bevaarbaar voor schepen tot 300 ton.

In Exposé de la situation administrative de la province d'Anvers (1856) publiceerde Kümmer nog een tekst over de geschiedenis van de kanalen in de Kempen, en ten slotte had hij ook de leiding over het graven van een aantal zijkanalen: Dessel-Hasselt, met aansluiting op de Demer (1854-1858) en Lommei (Blauwe-Kei)-Leopoldsburg (1854-1857). In datzelfde jaar 1856 blies Kümmer zijn laatste brug met de Kempen op. Het landhuis Le Pavilion dat hij in 1848-49 te Lommei had laten bouwen op een domein van meer dan 20 ha (in de jaren 1843-1847 van de gemeente gekocht), waarbij hij een park had laten aanleggen, werd van de hand gedaan. Het lag in de onmiddellijke omgeving van twee van zijn realisaties: het Kempisch kanaal en de landbouwkolonie. Wellicht was het voor zijn oude dag bedoeld, maar wonen bij een tot mislukking gedoemd zelfontworpen project, was ongetwijfeld geen aangenaam idee.


LAATSTF LEVENSJAREN ( I R f i O - I R f i ? ) , WAARNA .•. OP NAAR DE VERGEETHQEK

in: Annales Parlementaires de la Chamhre des Représentants de Belgique, 1844-45, zitting van 10 december 1845, annexe XVII, p, 119-135; - Défrichement des bruyères de la Campine. Mémoire sur ['intervention projetée du Gouvernement. Rapport de M. Kümmer au Ministre

In het Belgisch Staatsblad van 3 april 1860 (p. 1437) verscheen het besluit van 20 december 1859 waardoor Kümmer per 1 januari 1860 op rust gesteld werd. In dit besluit werd zijn carrièreverloop als volgt geschetst: tekenaar 1811-12, employé 181314, conducteur 1814-33, onderingenieur 1833-35, ingenieur 1835-42, hoofdingenieur 1842-59. In zijn laatste levensjaren legde Kümmer zich vooral toe op de publicatie van een aantal Scheldekaarten, zoals o.m. de in 1859 bij de cartografische uitgeverij Vandermaelen te Brussel gepubliceerde Carte de la situation du Ut de l'Escaut, depuis Ie fort de Bath jusqu'a la citadelle d'Anven, constatée de 1830 a 1858. Op die manier sloot Kümmer terug aan bij de activiteiten van bij het begin van zijn carrière. Hij werkte aanvankelijk immers als kaarttekenaar bij het kadaster. Ulrich Nicolas Kümmer overleed te Antwerpen op 5 juli 1862. Hij was toen weduwnaar en zijn beide kinderen waren vooroverleden. In het Antwerpse dagblad Le Précurseur van 8 en 9 juli 1862 troffen we enkele details aan over zijn begrafenis in de St.-Laurentiuskerk aan de Markgravelei op 8 juli: Au depart de la maison mortuaire (Mechelsesteenweg 111) un bataillon du d'""1 de Ligne, musique en tête, a rendu les honneurs militaires. Hierbij waren aanwezig: un grand nombre de fonctionnaires civils et militaires, ingenieurs et architectes, employés des ponts et chaussées, officiers du génie, une foule d'amis. Een lijkrede werd gehouden door De Jaer, hoofdingenieur van Bruggen en Wegen voor de provincie Antwerpen. Eigenaardig genoeg is hij daarna vrij vlug in de vergetelheid geraakt, slechts even onderbroken in 1899, toen zijn publicatie over de polders werd heruitgegeven.

des travaux publics du 13 décembre 1844, Brussel, 1845, 143 p.; - Rapport sur les résultats obtenus et sur ceux qu'on obtiendra encore par la suite de ['intervention du gouvernement....; Défrichement des bruyères, in: Annales Parlementaires de la Chamhre des Représentants de Belgique, 1845-1846, zitting 11 nov. 1846, doe. nr. 13, Annexe A en B, 142-146, en 168-172; - Reprise de la Petite-Nèthe canalisée, in: Documents Parlementaires de la Chamhre des Représentants de la Belgique, zitting van 24 maart 1846, nr. 193; - Rapport de M. ['ingénieur en chef Kümmer, a l'apptii du projet destine a preserver Liège des désastres de l'inondation et a améliorer la navigation de la Meuse (p. 1-99), in: Projet d'amelioration du régime de la Meuse deputs Temhouchure du canal de junction de la Meuse a l'Escaut jusqu'a Chokier, suivi du plan d'assemhlage des travaux a exécuter dam la traverse de Liège et du plan general de la panic du cours.... Rapports, Brussel, 1848, 120 p. +kaart; - Essai sur les travaux de fascinages et la construction des digues, ou Description du reendiguement des polders du Bas-Escaut beige, precede d une notice historique sur ces polders, tome I, Brussel, 1849, VIII-250 p. + 1 atlas in fol.; - Défrichement des bruyères de la Campine. Rapport adressé a Monsieur le Ministre de l'Intérieur, sur les résultats obtenus a la suite de l'intervention de l'état pour la creation de ptairies irrigables dans la Campine, pendant les annéés 1847 a 1849 inclusivement, Brussel, 1850, 98 p. (overdruk uit: Documents Parlementaires, 1849-1850, IV, nr. 185,97-191); - Creation de prairies irrigables et établissement d'une colonic agricole dans la Campine. Rapport adressé a M. le ministre de l'intérieur sur les résultats obtenus, pendant Fannée 1850 inclusivement, a la suite de l'intervention de l'Etat, Brussel, 1851, 122 p.; - Notice sur la legislation en general et la pratique des irrigations dans le Royaume de la Prusse au 1" novembre 1850, [1851], 287 f, (onuitgeg. hs.. Stadsbibliotheek Antwerpen, code SBA-B 78674); - Projet d'amélioration du régime de la Meuse. Réponse au mémoire de feu Monsieur l'ingénieur en chef Guillery du 15 janvier 1849, Brussel, 1851 (overdruk uit: Annales des Travaux Puhlics, 10, 1851-52, 159-

PUBLICATIES VAN KÜMMER

1X2; - (samen met Th. Lebens), Notice sur les porrs de Brême, de

— Rapport (du 18 janvier 1840) a Monsieur le Ministre des travaux

Brcmershaven et de Hambourg, suivie de quelques considerations sur

publics sur ie degré d'avancement et ia coordination du projet de

le port d'Anvers, in; Annales des Travaux Puhlics, 12, 1853-54, 221-

canalisation, d'irrigation et de défrichement des bruyères de la

254;

Campine, Brussel, 1840, XVI1-111 p. (met kaart); — Défrichement des bruyères de la Campine. Premier rapport adressé a Monsieur le Ministre des travaux publics, Projets de canalisation, 1840; — Polders du Bas-Escaut, en Belgique, in; Annales des Travaux Publics, 2, 1844,5-69;

-Notice sur le port du Havre, in: Annales des Travaux puhlics, 13, 1854-55,303-356; - (samen met Th. Lebens), Historiques des canaux projetés et executes dans la Campine, in; Exposé de la situation administrative de la province d'Anven, 1856, 20-46; - Essai sur les travaux de fascinages et la construction des digues, ou

— Projet du canal lateral a la Meuse, compris entre les villes de Liège et

Description du reendiguement des polders du Bas-Escaut beige,

de Maestricht et mis en communication avec le canal actuel, condui-

Brussel, 1899, 124 p. (overdruk uit; Annales des Travaux Puhlics,

sant de cette demière ville a Bois-le-Duc (Hocht, 25 novembre 1844),

1899, 21-83 en 163-224.


rARTOGRAFISCH WERK VAN KÜMMER

BIBLIOGRAFIE

1. Kanalisatie van de Kempen:

- FILARSKI R., Kanalen van de koning-koopman. Goederenvervoer, bin-

Algemeen:

Province de Lmhourg: Zuid-Willems-vaart ou canal lateral a Li Meuse. Plan des ahoré de l'écluse n° 19 a Hocht, 1/2000, Etabl.... Vandermaelen, Brussel, 1840 (get. Hasselt, 21 nov. 1839), in: Documents Parlementaire!. 1839-1840, II, n° 60, annexe;

van de negentiende eeuw, Amsterdam, 1995. - WATELET M , De beginjaren van het Ministerie van Openbare Werken. Cartografie en Politiek in het België van de IT

- Carte générale pour servir a l'intelligence de l'étude des projets de canalisation de la Campine, Etabl

nenscheepvaart en kanaalbouw in Nederland en België in de eerste helft

Vandermaelen. Brussel, 1840;

- Carte dressée pour servir a l'intelligence des projets de canaux décrétés &

eeuw, Brussel, 1987.

- V A N DER HERTEN B., De Belgische binnenscheepvaart 1830-1913: een verkeerstechnische analyse, in Tijdschrift van het Gemeentekrediet. jg. 50, nr. 197, 19963, p. 51-720

a décréter dans la Campine. Imp. par I. Vanhecke, 1843; - Carte générale de la 2e Section du Canal de Jonction de la Meuse a l'Es-

Over Brugge en Oostende, en over werken aan kanaal

caut, comprise entre la Pierre Bleue et la 6e écluse de la N'ethe, dont

Brugge-Sluis:

inauguration en 1839, 1/4.000, Hocht 30 okt. 1844 (Manuscript,

- MERTENS J., DECLERCQ G. en SANDERS D., De Damse Vaart,

Rijksarchief Antwerpen, Fonds Provinciaal Archief, kaart nr. 646). 2. Maas te Luik en Kanaal Luik-Maastricht: Carte dressé pour servir a l'intelligence des projets de canaux décrétés dans

in WES (Westvlaams Ekonomisch Studiebureau), jg. 21, 1979, p. 173181; - COPPEJANS-DE SMEDT H., De verbinding van Breskens met

la Campine (WOÓA 25/10/1844);

Brugge en Gent in de Franse tijd, in Bijdragen voor de Geschiedenis der

-Revue pour étre annexée a notre rapport du 26 déc. 1849), in:

Nederlanden, jg. 11, 1956, p. 69-76.

Documents Parlementaires, 1849-1850, IV, n° 185; - Projet du canal lateral a la Meuse compris entre les villes de Liège & Maastricht (Woon 1 nov. 1844), in: Documents Parlementaires, 18441845, II, annexe; -Plan general du cours de la Meuse, comprise entre les villages de Chokier

Over de Samber: - PIERARD C , La Sambre. Chromque dune normalisation. Namen, 1997, p. 41-66. - CHIEF E., La canalisation de la Sambre de 1825 et les exploitations

et Herstal, dressé pour servir a l'intelligence du projet destine: 1 ° a preser-

houilliëres de Charleroi. La Sambre avant la canalisation, in Documents

ver Liege de l'invasion des eaux de la Meuse et a prévenir les désastres

et Rapports de la Société Royale d'Archéologie et de Paleontologie de

auxquels cette ville est exposéepar les crues; 2° a améliorer la navigation

Charleroi, dl. LXI, 1989-1992, p. 99-114.

de cette riviére, a partir de l'emhouchure du canal lateral, en aval de la fondene de canons, jusqua l'extrémité du bassin houiller en amont du

Over de Antwerpse Polders

village de Chokier i^wV en Hocht, 17/18 oktober 1847), 1/20.000,

- VAN GERVEN R., De scheldepolders van de linkeroever (Land van

samen met Houbotte, lithografie van J-B. Blasseau; - Plan d'assemblage des travaux a exécuter dans la traverse de Liège (Luik en Hocht, 17/18 oktober 1847), 1/4.000, lithografie van J-B.

Waas en Land van Beveren), s.L, 1977, p. 581. - SNACKEN G., Bijdragen tot de geschiedenis der gemeente Lillo, s.L, 1931, p. 47-51 en 132-136.

Blasseau; - Nouveau plan de la Ville de Liège. Lndiquant l'amélwratwn du régime de la Meuse...., 1852. 3. Polders- en Scheldekaarten:

Over de werken in Hocht: -VERHAGEN C , De geschiedenis van de Zuid-Willemsvaart.

Het

kanaal van eenheid en scheiding. Someren, 2000, p. 156-157.

Planches bij: Essai sur les travaux defascinages et la construction des digues ou description du réendiguement des Polders du Bas Escaut beige, dessiné

Over de Kempische kanalen:

par L.C. Vergauwen, conducteur des Ponts et Chaussées; grave par

Het is voorlopig nog wachten op het werk dat M. W1LLOCX (Geel)

Annedouche. Parijs, 1849;

voorbereidt over het Maas-Scheldekanaal. Voor de zij kanalen is wel

- Plan des localités au Nord dAnvers, Bruxelles, 1856;

reeds beschikbaar:

- Situation du lit de l'Escaut dans la partie de son cours, comprise entre

- WILLOCX M , Vertakking naer Turnhout van het vereenigingskanael

la citadelle d'Anvers et Ie fort de Lillo. Btussel, 1858-59; - Situation du lit de l'Escaut dans la partie de son cours, comprise entre Ie fort Lillo, Ie fort de Bath, et Ie banc de Valkenisse ces deux derniers situés sur Ie territoire néerlandais, Brussel, 1858-59; - Carte du confluent, dans Ie bassin de Gand, des rivières la Lys et l'Escaut supérieur, Brussel, [1861]; - Carte d'ensemble du territoire situé au Nord des villes de Bruges, Gand et Anvers, Brussel, [1861].

der Maes naer de Schelde, in Taxandria, Nieuwe reeks LXXI. 1999, p. 215-264. - JORIS R., Het kanaal van Beverlo, in DE BAERE G., BECKERS C. en JORIS R., Van Weselo tot Wezel. Wezel en zijn geschiedenis. Mol, 1998, p. 221-227.


Over de werken in Luik:

Over Kümmers cartografisch werk en over zijn publicaties:

- J O U R D A N G. en T H O N O N J.P., Le destin des hattes..., in La Vie

- F I N C O E U R M.B. en SILVESTRE M., Inventatre raisonné des collections cartographiques Vandermaelen conservées a la Bihliothèque

Z,%o«f, 1979, n r l . p . 4-19; - RENSON A., Liège : la Meuse en hord de...Meuse: quandla direction des Voies hydraulicjues (dite Meuse li'egoise, voire Meuse) regapie en hord de... Meuse, son hóteldes Ponts et Chaussées, Luik, 1997, p. 11-33. - KRINS V., Derivation, in Vers la modernité. Le XLXe siècle au Pays de Liège, luik, 2001,

Royale de Belgtque, dl. Hl, Villes et communes de Belgique (hors Bruxelles). Brussel, 1999, p. 135-148. - Een zeer onvolledige bibliografie van de publicaties Kümmer in; DE KONINCK A. e.a., Bihlwgraphie Nationale. Dictionnaire des Ecrivains Belges et Catalogue de leurs publications 1830-1880, dl. II,

pA\6.

- Op internet Liège au fil des ponts, te vinden op www.met.be/metpuh/

Brussel, 1892, blz. 387.

src/actulO/p09.htmL

Over wateringen in de Kempen - Limburgse Kempen zonder Lommei; MAES M , Bijdrage tot de studie van de privatisering en de ontginning van de woeste gemeentegronden tijdens het midden van de negentiende eeuw. Het vloeiweidenproject en het kanton Achel, 1840-1870, (onuitg. lic. verh.) KULeuven, 1985-86 DELACROIX M.S.C., Défrichement des terrains incultes dans la Campine Beige, Rapport a son exc. Le Mtnistre..., Parijs, 1860. - Lommei; MAES M., De vloeiweiden langsheen het Kempisch kanaalen de Kolonie te Lommei. Ontstaan en de eerste jaren (1848 tot 1870). in INDEKEU B. (ed.), Lommei-Barrier en -Kolonie in de vorige eeuw. Twee door de overheid gestimuleerde landbouwontginningen. Lommei,

Bruno Indekeu,

1997, p. 85-130. -Antwerpse Kempen; LEFEVERE A., De Wateringen, in Van Grote Heide tot Rauw

1889-1989,

Tessenderlo,

1989, p. 225-257.

voorzitter

en redactiesecretaris

VANDERWAEREN R., Het vloeiweidenproject, een op commerciële

uitgegeven

hasis gefundeerde poging tot de algehele ontginning van de Kempische

Het Oude Land van

heidegronden (1835-1865), (onuitg. lic. verb.), VUB, 1980-81.

van de Federatie

Geschied- en Oudheidkundige tijdschrift

Kringen

van het door die "LimburgLoon".

van

Limburg Federatie


Bart Geyskens

CULTUURLANDSCHAP ROND KUTTEKOVEN: STILLE GETUIGE VAN LANDELIJKE IDYLLE De Kuttekovenitraal snijdt langs de hellingen naar beneden (foto 0. Pauwels)

Het pittoreske omgeving

dorpje Kuttekoven

zijn zonder meer landelijk

noemen en getuigen bouwtraditie.

van een rijke

van Borgloon. noordwesten

te land-

Met zijn 209 ha is Kutte-

koven één van de kieinere

Het dorp is gelegen

door het

van Borgloon,

westen het gehucht

De rivier Herk vormt daar de grens tussen Borgloon

en Berlingen

Ten noorden

(gemeente

grenst Kuttekoven

Wellense deelgemeente

Wellen).

aan de

Herten.

deelgemeenten

van de stad en wordt

drie zijden omgord territorium

en zijn

ten

voormalige

dat geheel

Ruilingen

Mede door een minder gunstige

aan

omvat.

ten

technische ligging afgelopen

bleef Kuttekoven

eeuwen grotendeels

van moderne gangswegen

verkeers-

veranderingen. zijn de Kleestraat

de

gespaard De enige en de

toe-


• Ten zuidoosten weerspiegelen de hoogtelljnen de

Kuttekovenstraat. spoorlijn

De invloed

van de oude

Tongeren - Sint- Truiden van een

Borgloon. Bronnen geven er ontstaan aan de bovenlopen van de Rullmgenbeek (topografische

dwarsdoorsnede Borgloon - Alken

station *50-

beperkt.

Het is echter niet denkbeeldig

de recente

westelijke

rond het uitdijende tische ontplooiing verandering

dat

omleidingsweg Borgloon

en de

van de regio

kunnen

s 1 BORGLOOlv

100•

door de afwezigheid

stelle randhellmgen van de heuvel van

mm.** •

bleef

ALKEN

yry ^^rrr*^:^ WEL'-EN

:

>

^

:

„ ^ — ^

: : : : . ^ . Pinken P (1997) Geog ids Wellen Geofelo Kortessom .

N754 toeris-

hierin

brengen.

kaarten bladen 33/3-4-7-8, NGI en OC-GIS, 1978-1993)

Een landschapsbescherming reikt de instrumenten aan voor het realiseren van een breedgedragen betrokkenheid en een voortdurende zorg. O p 14 november 2003 werd dan ook een gebied van circa 190 hectaren voorlopig beschermd als Cultuurlandschap rond Kuttekoven. Voordien reeds werden een aantal gebouwen en hun onmiddellijke omgeving als dorpsgezicht beschermd (Kuttekovenstraat, omgeving De Klee en Ruilingen). Het geheel sluit aaneen tot een ankerplaats: een landschappelijk complex van gevarieerde erfgoedelementen die een genetische samenhang vertonen, uitzonderlijk van gaafheid en met een uitgesproken identiteit(l). Vanuit die holistische visie worden in dit artikel de inhoudelijke elementen beschreven, die aan de bescherming ten grondslag liggen. Zij vormen voor de aandachtige lezer een leidraad bij het waarnemen - en vice versa ! — van het landschap.

T Het landschap

hoeve De Klee).

beschermd

omsluit de bescher-

Ten westen grenst

(topografische kaarten bladen

mmg als dorps-

het aan het domein

gezicht (Kuttekoven-

Ruilingen, ook als

33/3-4-7-8, NGI en

straat en omgeving

dorpsgezicht

OC-GIS, 1991-2001)

GEQ(MQRFQ)IQGIE FN HYDROGRAFIE Tussen plateaus en valleien Het landschap rond Kuttekoven is sterk heuvelend. Gemiddeld varieert de hoogte van ongeveer 100 meter in het zuidoosten tot 50 meter aan de Herk in het noordwesten. De grote reliëfintensiteit met vrij diepe dalen en steile hellingen is het gevolg van verschillende factoren. Enerzijds is Kuttekoven gesitueerd aan de noordrand van het Haspengouws plateau, dat sterk is ingesneden door regressieve erosie van de Herk en zijn zijbeken. Zij delen het landschap op in interfluvia, die het karakter hebben van betrekkelijk kleine, golvende deelplateaus. De Herk heeft hier een ruim 200 meter breed vlakdal uitgeschuurd met asymmetrisch oplopende valleihellingen. Kuttekoven is gelegen in het smalle valleitje van de Rullingenbeek dat noordwestelijk uitmondt in de Herk. De beekvallei vormt de scheiding tussen twee relatief hoger gelegen plateaus, die uitkijkpunten vormen op de omge-

1V1&L


Mr. 127 Bijlage bij MftL 23/3 mei-juni 2004

H <

ÜJ

Pü


B 1 N N E N K R A N T

Literatuur

Max Taut Dos Gesamtwerk Annette Menting München, Deutsche Verlags-Anstalt, 2003, 376 p., ISBN3-421-03440-0

woelige eerste helft van de 205te eeuw, achtereenvolgens in Duitsland, Engeland, Palestina en de Verenigde Staten.

Ernö Goldfinger The life of an architect Nigel Warburton Londen, Routledge, 2004, 198 p., ISBN 0-415-25853-7

DE KFI17F V A N MFfL

Thomas Jeckyll Architect and Designer, 1827-1881 Susan Weber Soros en Catherine Arbuthnott New Haven, Yale University Press, 2003, 300 p., ISBN 0-300-09922-3

Fraaie monografie over Thomas Jeckyll (1827-1881), architect en veelzijdig ontwerper maar desalniettemin één van de meest tragische figuren van de 'Aesthetic Movement', wiens boeiende oeuvre als geen ander werd miskend en ei zo na vergeten. Naast de bouw van talrijke 'cottages' en de restauratie van plattelandskerken voor de 'Anglican revival', toonde hij zich in zijn ontwerpen voor meubels, interieurs en ijzerwerk een inventief voorloper van het Japonisme, met de overbekende, door James Mc Neil Whistler herwerkte 'Peacock Room' als een onovertroffen hoogtepunt.

Lijvige monografie met oeuvrecatalogus over de Duitse architect Max Taut (1884-1967), als pionier van de skeletbouw één van de belangrijkste vertegenwoordigers van de Nieuwe Zakelijkheid, wiens zestigjarige architectuurloopbaan desondanks nooit aan de schaduw van oudere broer Bruno Taut ontkwam. Tot zijn belangrijkste werken horen het bekende grafmonument Wissinger, een exponent van het expressionisme, en enkele vakverenigingsgebouwen in Frankfurt en Berlijn die de sociale beweging radicaal met het modernisme identificeerden.

Luise und Erich Mendelsohn Eine Partnerschaft für die Kunst Ita Heinze-Greenberg en Regina Stephan (red.) Ostfildern-Ruit, Hatje Cantz Verlag, 2004, 176 p., ISBN 3-7757-1414-6 Biografie van de Joods Duitse architect Erich Mendelsohn (1887-1953), één van de protagonisten van de internationale avant-garde, en zijn echtgenote, de celliste Luise Maas (1819-1980), samengesteld op basis van autobiografische nota's, brieven en persoonlijke herinneringen van vrienden en verwanten. Intiem portret van een buitengewoon echtpaar en een leven in de diaspora tijdens de

Boeiende biografie van de Londense architect Ernö Goldfinger (19021987), geboren in Boedapest en gevormd bij Gustave Perret in het Parijs van de jaren 1920, waar hij Max Ernst en Man Ray tot zijn vrienden mocht rekenen. Na zijn huwelijk met Ursula Blackwell en de bouw van eigen woning in het artistieke Hamstead, het door de National Trust beheerde "2 Willow Road", manifesteerde hij zich een radicaal voorvechter van het modernisme in Engeland. Zijn destijds controversiële hoogbouwcomplexen als het Alexander Fleming House, de Balfron en Trellick Tower, verwierven inmiddels de status van monument en designicoon.

José LuisSert 1901-1983 Josep M. Rovira Milaan, Electa Architecture, 2003, 402 p., ISBN 1-904313-21-3 Rijk gedocumenteerde monografie over de Spaanse architect en stedenbouwkundige José Luis Sert (19011983), één van de voortrekkers van het internationale modernisme, dat hij in het republikeinse Barcelona introduceerde. Een eerste deel belicht de jaren waarin hij zich als radicaal exponent van de ClAM-ideologie manifesteert, een tweede deel het naoorlogse brutalisme van zijn mediterraanse oeuvre bekend van de Fondation Maeght, het derde deel zijn Amerikaanse loopbaan waar hij Walter Gropius vanaf 1953 opvolgt aan het hoofd van de prestigieuze architectuuropleiding van Harvard.


B l ^ l S J E N K R A N T

aura van traditionalisme, wordt selectief gefocust op de participatie aan het modernisme, zonder de controverse uit de weg te gaan. Achtereenvolgens komen het organisatorisch kader, het vernieuwde kunstpedagogisch project en de rol in naoorlogse kerkenbouw aan bod, met leraar en later directeur br. Urbain (1927/19481974) in de hoofdrol. Studieprojecten en het latere werk van de afgestudeerden worden uitvoerig in woord en beeld toegelicht.

Richard Neutra's Miller House Stephen Leet New York, Princeton Architectural Press, 2004, 192 p., ISBN 1-56898-274-7

architecten als Cuypers, Oud, Berlage, Van de Broek en Bakema, Geuze en Koolhaas, met projecten als de Vondelstraat, Amsterdam-Zuid, Pendrecht en Almere, de alledaagse omgeving hebben vorm gegeven Portret van een bijzondere woning, een bevlogen opdrachtgeefster en een inventief architect; het Miller House in Palm Springs, Californië, een modernistisch meesterwerk uit 19361937, ontworpen als buitenverblijf voor de Mensendieck-turnpedagoge Grace Lewis Miller, door de Oostenrijks-Amerikaanse architect Richard Neutra. Op basis van de bewaarde correspondentie wordt het project van concept tot realisatie ontleed als een complex samenspel tussen klant en ontwerper, plaats en programma, het woestijnlandschap en de nieuwe gezondheids- en lichaamscultus.

Op de grens van twee werelden Beeld van het architectuuronderwijs aan het Sint-Lucasinstituut te Gent in de periode 1919-1965/1974 Dirk Van de Perre Gent, Provinciebestuur Oost-Vlaanderen, 2003, 192 p.JSBN 90-74311-423

Verzorgde publicatie die aan de hand van een uitgelezen en gevarieerde iconografie een beeld wil oproepen van de eigen woning van Gaston Eysselinck (1907-1953) in Gent. Deze merkwaardige 'machine a habiter' die in 1930-1931 tot stand kwam op een wat ongelukkig hoekperceel in het 'Miljoenenkwartier', getuigt van de bravoure waarmee de jonge architect Le Corbusier's 'vijf punten van een nieuwe architectuur' naar zijn hand wist te zetten. Ook het eigen buismeubilair krijgt de nodige visuele aandacht.

Constantin Brodzki architecte Pierre Loze, Gertjan Hoste en Albert Bontridder Sprimont, Mardaga, 2004, 144 p., ISBN 2-87009-858-8

GeWoon Architectuur Wonen in Nederland 1850-2004 Jean-Paul Baeten en JaapJan Berg (red.) Rotterdam, NAi Uitgevers, 2004, 240 p., ISBN 90-5662-385-0 Begeleidend boek bij de nieuwe permanente tentoonstelling van het Nederlands Architectuurinstituut, waarbij aan de hand van vijftien 'woonlandschappen' de geschiedenis van twee eeuwen wonen en volkshuisvesting in Nederland wordt toegelicht. Maquettes, foto's, schetsen en tekeningen laten zien hoe gedreven

Gaston Eyssellnck Woning Gent 1930-931 Marc Dubois Gent, Stichting Kunstboek, 2003, 48 p., ISBN 90-5856-123-2

Opmerkelijke, grondig uitgewerkte studie over het architectuuronderwijs aan het Gentse Sint-Lucasinstituut tijdens het interbellum en de naoorlogse periode tot omstreeks 1970. Als correctie op het al te eenzijdige

Monografie over de Belgische modernist Constantin Brodzki (1924), afgestudeerd aan La Cambre, wiens uitgekiende oeuvre wordt gekenmerkt door constructieve inventiviteit en heldere planopbouw. Tot zijn bekendste werken behoren het paviljoen van de Congolese Fauna en Flora op Expo 58, het gallo-romeins museum van Buzenol, en de uit betonnen gevelelementen opgebouwde kantoorgebouwen van CBR in Watermaal-Bosvoorde en SWIF in La Hulpe. Analyse en ruim geïllustreerd overzicht van zijn oeuvre.

IVI&L


•

B I N N E N K R A ^ T

aangevuld met een interview, het geheel becommentarieerd door Albert Bontridder.

Tuinsteden Tussen utopie en realiteit Harm Jan Korthals Altes Bussum, Uitgeverij Thoth, 2004, 240 p., ISBN 90-6868-356-X

Tuinsteden T U S S E N U T O P I E EN

REALIMII

Studie naar de ware betekenis van de 'tuinstad' vanuit sociaal-wetenschappelijk en architecturaal-stedenbouwkundig standpunt, waarbij de samenhang tussen de verschijningsvorm en de beoogde maatschappelijke orde centraal staat. Vertrekkend van het coöperatief ideaal van Ebenezer Howard wordt de evolutie geschetst in de Angelsaksische en de Duitstalige wereld. Hierop volgt een analyse van het tuinstadmodel dat aan de hand van een 15-tal Nederlandse voorbeelden wordt getoetst, en tot slot een peiling van de huidige en toekomstige beleving.

Domestic Interiors The British Tradition 1500-1850 James Ayres New Haven, Yale University Press, 2003, 260 p., ISBN 0-300-08445-5 Rijk gedocumenteerde studie over het interieur van alledag, de eenvoud en complexiteit van de vernaculaire traditie in het Britse woonhuis van de middenklasse, vanaf de middeleeuwen tot aan de industriële revolutie, en dit

1VI&L

op basis van uiteenlopend bronnenmateriaal en jarenlang onderzoek in situ. In een brede mozaïek worden de diverse componenten van de woning hierbij in hun historische context geplaatst, van verlichting en verwarming, muren, deuren en vensters, vloeren, zolderingen en trappen, verf en beschildering, tot het meubilair.

meester en de toenmalige autoriteiten.

Fabrique d'art La Compagnie des Bronzes de Bruxelles Pierre-Paul Dupont (red.) Brussel, La Fonderie, 2003, ISSN 0775-2202

Studie over de tuinkunst in de Nederlanden tijdens de periode van het Humanisme, waarbij via bronnenonderzoek uit de literatuur en de filosofie het ethische fundament wordt blootgelegd en de natuurbeleving geanalyseerd. Met name op basis van het stoïcisme van Justus Lipsius, wordt de 'humanistentuin' beschreven als een oord van bezinning, een medium tot wereldbeschouwing en zelfonderzoek in dialoog met de natuur en de Schepper, en bovenal een aan de muzen en gratiën gewijd oord van de rede en lust.

Tentoonstellingscatalogus gewijd aan de Compagnie des Bronzes (18541979), één van de belangrijkste bronsgieterijen van ons land, waarvan het gebouwencomplex vandaag ruimte biedt aan La Fonderie, het Brussels museum voor industrieel erfgoed. Een 30-tal ruim geïllustreerde artikels behandelen de bedrijfsgeschiedenis, de werkomstandigheden, de nationale en internationale productie met bekende realisaties als de Antwerpse Brabofontein, de beeldjes van de Kleine Zavel en het inkomhek van de New Yorkse Zoo, en de giettechnieken.

Het neogotische geheel van Onze-Lieve-Vrouwkerk, raadhuis en pastorie te Onze-Lieve-VrouwWaver Mario Baeck

Garten der Musen und Grazien Mensch und Natur lm niederlandischen Humanistengarten 1522-1655 Christiane Lauterbach München, Deutscher Kunstverlag, 2004, 328 p., ISBN 3-422-06406-0

Alle boeken, een greep uit de recente aanwinsten, liggen ter inzage in de Bibliotheek Monumenten en Landschappen Phoenixgebouw Koning Albert ll-laan 19 - bus 3 1210 Brussel (tijdens de kantooruren) Tel. 02/553.16.93 - fax. 02/553.16.05 E mail: Jozef.Braeken@lin.vlaanderen.be

Onze-Lieve-Vrouw-Waver, Jozef van Rompay-Davidsfonds-Genootschap (Molenstraat 42C 2861 Onze-LieveVrouw-Waver), 2003, 114 p. Anna Grondige studie over het beeldbepalende en onlangs beschermde ensemble van parochiekerk, pastorie en raadhuis van Onze-Lieve-VrouwWaver, een neogotische schepping van provinciaal architect Eduard Careels (1857-1933) ontworpen in 1907-09, gebouwd in 1910-12, kort daarop door oorlogsgeweld vernield in 1914 en beginjaren 1920 wederopgebouwd. Naast een gedetailleerde reconstructie van de historische feiten gaat bijzondere aandacht naar de visie op monumentenzorg van de bouw-

Bergmans

G F N T S F R I I D R A G F N TOT DE I N T E R I E U R G E S C H I F D F N I S VQI. V De Universiteit Gent heeft steeds een lange traditie op het onderzoeksdomein van de kunstnijverheid. De Gentse Bijdragen tot de Kunstgeschiedenis (en Oudheidkunde), het tijdschrift van het Hoger Instituut voor Kunstgeschiedenis en Oudheidkunde dat onder het voorzitterschap


B l ^ N E l ^ K R A N T

van prof. Henry van de Velde werd opgestart, illustreerde van 1934 tot 1996 in 31 delen de veelzijdige wetenschappelijke belangstelling van de professoren en de studenten. Met een korte onderbreking met het oog op een heroriëntering, wordt nu terug aangeknoopt bij deze traditie onder de bezielende leiding van collegaredactielid prof. Dr. Anna Bergmans, titularis van het vakgebied Historisch Interieur en Kunstnijverheid. Onder de nieuwe naam, Gentse Bijdragen tot de Interieurgeschiedenis, wordt het klassieke onderzoeksveld van de kunstnijverheid verruimd tot het historisch interieur in al zijn facetten, religieus en profaan. Een belangrijke impuls voor de uitbouw van het vakgebied vormt de jaarlijkse Studiedag Historisch Interieur, die sinds het academiejaar 1999-2000 wordt georganiseerd. Nieuwe theoretische studies en onderzoek gegenereerd in de praktijk van de monumentenzorg vinden hier een forum, dat telkens op grote belangstelling van studenten en vakspecialisten kan rekenen. Aan de steeds weerkerende vraag naar publicatie van de lezingen wordt nu voldaan met vol. 32 van de Gentse Bijdragen tot de Interieurgeschiedenis, de eerste jaargang van dit tijdschrift nieuwe stijl. Gentse Bijdragen tot de Interieurgeschiedenis vol. 32 omvat zeven uiteenlopende bijdragen, is verzorgd uitgegeven en ruim voorzien van

illustraties in kleur en zwart-wit. De eerste twee bijdragen handelen over de restauratie van een zeldzame 16de-eeuwse, Antwerpse majolicavloer, met de wapens van markgraaf Jan van Immerseel en zijn echtgenote Maria de Lannoy, in de kapel van het Hof van Rameyen in Gestel. Claire Dumortier, conservator van de verzameling Ceramiek in de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, schetst het historisch en iconografisch kader. Tegeldeskundige Frans Caignie gaat dieper in op het onderzoek van deze tegelvloer, die tijdens de recente restauratie van het kasteel werd ontmanteld, grondig geanalyseerd en op basis hiervan gerestaureerd en herplaatst. Krista De Jonge, burgerlijk ingenieur architect en gewoon hoogleraar architectuurgeschiedenis aan de Katholieke Universiteit Leuven, brengt een beeld van de interieurafwerking in de residenties van de hoge adel in de Zuidelijke Nederlanden tijdens de 16de eeuw, aan de hand van twee casestudy's, de nog bestaande residentie van de Croys, vandaag beter bekend als het Arenbergkasteel in Heverlee, en de lang verdwenen residentie van Maria van Hongarije in Binche. Twee koninklijke ameublementen in 'tapisserie de Beauvais' uit het Koninklijk Paleis te Brussel, het ene een huwelijksgift van Louis-Philippe aan zijn dochter, het andere een persoonlijke bestelling van Louise-Marie, worden in detail beschreven en gesitueerd in de Franse keizerlijke traditie door licentiaat in de kunstwetenschappen Wim Mertens, die een proefschrift voorbereidt over meubeltapisserieën. Kunsthistoricus, bouwhistorisch onderzoeker en restaurateur Lode De Cercq zoemt in op een zelden behandeld aspect van de interieuruitrusting: de verwarmingstechnologie, van de kachel tot de heteluchtverwarming, de warmwaterverwarming en de stoomverwarming, waarvan de 19de-eeuwse ontwikkeling in België in internationale context wordt geplaatst. De mise-en-scène van het 19de-eeuwse kunstenaarsatelier komt aan bod in de bijdrage van Linda Van Santvoort, die op dit onderwerp promoveerde en

die geschiedenis van de bouwkunst en monumentenzorg doceert aan de Universiteit Gent. Een blik in atelier of leefruimte van Hendrik Leys, Nicaise de Keyser, Willem Geets, Emile Wauters, Antoine Van Hammée en Jean-Baptist Robie, reveleert dit fenomeen in al zijn exuberantie, zeker in confrontatie met de kunstwerken die er ontstonden. Het Gioconda-ensemble, een volledige eetkamerinrichting met gedekte tafel door Philippe Wolfers, één van de pronkstukken van het Belgisch Paviljoen op de Internationale Tentoonstelling voor Moderne Decoratieve en Industriële Kunsten van Parijs In 1925, vormt het onderwerp van de laatste bijdrage, van de hand van kunsthistoricus Werner Adriaenssens, conservator Decoratieve Kunsten en Kunstnijverheden van de 20ste eeuw in de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis te Brussel, die hierover een proefschrift voorbereidt.

Gentse Bijdragen tot de Interieurgeschiedenis vol. 32 Anna Bergmans (red.) Leuven, uitgeverij Peeters (peeters@peeters-leuven.be), 2004, 176 p., ISSN 0772-7151 Prijs: 45 €

Restauratie

Madeleine

Manderyck

HFT K O N I N K L I J K PALEIS OP DE M F I R IN A N T W F R P F N Het voormalig Koninklijk Paleis op de Meir in Antwerpen is na jaren van intensief gebruik dringend aan restauratie toe. In de afgelopen 3 jaar werden reeds een aantal noodzakelijke ingrepen aan de daken en het buitenschrijnwerk uitgevoerd, en binnenkort zal de restauratie van het interieur worden aangevat. Momenteel is men bezig aan de restauratie van de voor-

M&L


B 1 N 1 M E N K R A N T

gevel die na het bouwverlof opnieuw stralend wit, zoals Jan-Peter Van Baurscheit de jonge het ontwierp, uit de stellingen naar voor zal komen. Aansluitend zal dan de interieurrenovatie aangevat worden .

Uitgangspunt hierbij is dat het bovenal een open monument moet zijn dat toegankelijk blijft voor het

De Vlaamse Gemeenschap engageert zich als eigenaar van het gebouw, samen met de administratie Overheidsopdrachten, Gebouwen en Gesubsidieerde Infrastructuur (in het bijzonder de afdeling Gebouwen) voor de volledige restauratie en inrichting van dit gebouw - zowel voorbereiding en opvolging van de werken als financiering. De afdeling Monumenten en Landschappen zal deze werken mee opvolgen en waken over de kwaliteit ervan.

Het Paleis op de Meir met zijn statige klassieke gevel en zwierige rococointerieurs geldt in de architectuurgeschiedenis als het belangrijkste werk van de Antwerpse architect Jan-Pieter Van Baurscheit (1699-1768).

Gezien het eigenlijk beheer van een dergelijk monument geen kerntaak is van de Vlaamse Gemeenschap, werd aan Erfgoed Vlaanderen (Stichting Vlaams Erfgoed vzw) gevraagd deze taak op te nemen. Het was precies met dit doel dat de Vlaamse overheid Erfgoed Vlaanderen oprichtte in 1994. Haar opdracht is dubbel : zorgen voor een kwaliteitsvol en toekomsgericht beheer, èn het publiek laten kennismaken met ons rijk onroerend erfgoed. In de praktijk ontfermt Erfgoed Vlaanderen zich vooral over probleemmonumenten. Ze restaureert ze indien nodig, en geeft ze een gepaste bestemming. Zo kunnen deze monumenten hun plaats in de samenleving heroveren. In samenwerking met verschillende partners stelt Erfgoed Vlaanderen de monumenten terug open voor het publiek, zorgt voor geleide of individuele bezoeken, publicaties, activiteiten en eigentijdse projecten rond de monumenten. Op deze manier geeft Erfgoed Vlaanderen bezoekers de kans om de monumenten echt te beleven. Ook voor het Koninklijk Paleis zal Erfgoed Vlaanderen op deze manier te werk gaan. Het toekomstig beheer van het Paleis zal maximaal rekening houden met de mogelijkheden, de historische waarde en de draagkracht van dit prestigieuze monument.

publiek. Een "vorstelijck" stadspaleis in de 18de eeuw

Opdrachtgever was Joan-Alexander van Susteren, een van de talrijke Antwerpse negotianten, ondernemers die fortuinen verdienden met beleggingen in risicovolle ondernemingen als de Oostendse Compagnie. De familie was afkomstig uit een katholieke brouwersfamilie van 's Hertogenbosch, maar was in het begin van de 18de eeuw naar Antwerpen uitgeweken. Van Susteren wenste een echt stadspaleis, een monument voor het geslacht van Susteren-Roose, dat door de aankoop van de heerlijkheid 's Gravenwezel er in geslaagd was een adellijke status te verwerven. Hij gaf de opdracht aan de meest gerenommeerde Antwerpse Architect-Ingenieur hn-P\eter Van Baurscheit, wiens vadereen succesvol beeldhouwatelier runde in Antwerpen. Samen realiseerden ze het schitterende nieuwe interieur van de Sint-Carolus Borromeuskerk, nadat de kerk in 1718 geteisterd was brand.

Daar waar andere beeldhouwateliers in Antwerpen architectuur als nevenactiviteit beoefenden (denken we maar aan de ateliers Verbrugghen en Kerrickx) was Van Baurscheit een van de eerste beeldhouwers die zich vanaf de jaren 1740 vrijwel uitsluitend toelegden op de bouwkunst. Door zijn ervaring in het beeldhouwatelier stond de jonge Van Baurscheit als architect dicht bij de uitvoerende ambachtslieden. Zijn bedrijf dat instond zowel voor het ontwerp als voor de uitvoering, stond dan ook bekend voor de kwaliteit en de schoonheid van het werk. De kundigheid in het profileren en de beheersing van het ornament, harmonisch opge-

nomen in een klassieke architectuur waren zijn handelsmerk. De boekhouding en de correspondentie van zijn bedrijf bleven grotendeels bewaard in het Antwerps stadsarchief, waardoor de bouw van dit paleis op de Meir goed gedocumenteerd is.

Van Baurscheit werkte vanaf 1728 voor de familie van Susteren, met name aan de verfraaiing van hun kasteel te 's Gravenwezel, dat toen een heel nieuwe gevel kreeg en een modern interieur. In Antwerpen bezat de familie aan de Meir tegen de Wapper enkele oudere huizen die Joan-Alexander liet afbreken en vanaf 1745 verving door dit prestigieus stadspaleis, opgetrokken volgens de allernieuwste Franse mode. Vanaf 1741 was Van Baurscheit ook directeur en docent architectuur aan de Antwerpse Academie, die hij losmaakte van de aloude Sint-Lucasgilde. Hij was goed bekend zowel met de klassieke Romeise architectuurtheorie van Vignola en Scamozzi als met de eigentijdse Franse architectuurtraktaten vooral van d' Aviler en Blondel. Franse, Weense en Noord-Nederlandse voorbeelden lagen aan de basis van het nieuwe stadspaleis op de Meir. De imposante pilastergevel in kolossale orde met Corinthische kapitelen - Van Baurscheit vond deze klassieke orde het beste passen bij het karakter van zijn opdrachtgever - werd volledig opgetrokken in verschillende soorten van Duitse natuursteen. Van Baurscheit beheerste als geen ander de regels van Ie bon gout en van la belle decoration, canons van de decoratieve vormentaal van de 18de eeuw. Het symmetrisch gevelschema gaf hij een opvallend middenrisaliet waar hij de hoofdinkom situeerde, bekroond met een bijna nog barok kuifstuk vol


B 1 N N E N K R A N T

beeldhouwwerk, de gepaste omkadering voor het centraal opgestelde wapenschild van de familie van Susteren. De fraaie bewerking van de natuursteen, de strak getrokken profielen van de vensters, de sluitsteen in de vorm van een vrouwenhoofd waren een toonbeeld van goede smaak. De beeldhouwwerken met het familiewapen benadrukten de status van de opdrachtgever. Voor de organisatie van het interieur liet Van Baurscheit zich inspireren door de Franse stadspaleizen van d' Aviler: het gelijkvloers was representatief, op de verdieping kwamen de "appartements de commodité", de verblijfsvertrekken voor d bewoner. Uit de bewaarde bouwrekeningen blijkt dat Van Baurscheit voor alle vaste interieurelementen ontwerpen maakte gaande van de stucplafonds tot de trap en de lambriseringen. Heel wat marmeren schouwen, spiegels en vast meubilair werden door zijn bedrijf geleverd. Elk vertrek werd helder geproportioneerd met een centrale schouw als blikvanger. Het effect op de bezoeker moet groots geweest zijn, en dat was ook de bedoeling. Voor Van Baurscheit was dit paleis, waar hij de kans kreeg zijn kunst te tonen, een proeve van meesterschap. Jacobus Van der Sanden, de Antwerpse croniqueur schreef rond 1770 dat hem voor dit stadspaleis de prijs der bouwkunst toekwam.

Het "Quartier Imperial d' Anvers" onder Napoleon In 1811-1812 werd het mooie hotel, inclusief het meubilair, aangekocht voor Napoleon. Antwerpen was immers een van de belangrijkste militaire havens in het Franse Keizerrijk en Napoleon wenste er regelmatig te verblijven. Onmiddellijk maakte de keizerlijke architect Pierre Fontaine (1762-1853), schepper van de Empirestijl, plannen voor de inrichting van het Quartier Imperial d'Anvers. Het exterieur veranderde nauwelijks, het interieur werd aangepast, vooral op de eerste verdieping. Hier werd een suite van ontvangstsalons ingericht met aan de tuinkant de keizerlijke appartementen.

De Parijse decorateur en keizerlijk hofleverancier Darrac leverde de interieuraankleding gaande van wandbekledingen, gordijnen en behangpapier tot spiegels en meubilair. De inventaris opgesteld in 1814 geeft een duidelijk beeld van de rijkdom van dit empire-interieur en zijn meubilair, meestal van Parijse makelij: stoelen, tafels, hemelbedden, kasten en commodes in acajou, pendules in verguld brons, kristallen luchters en wandlichten. Een belangrijk deel daarvan is bewaard gebleven en bevinden zich in het Koninklijk Museum voor Kunst en Geschiedenis te Brussel en in het Koninklijk Paleis.

Foto: Zoo/ derXVII Provinciën ®IRPA-KIK Brussel vooruitzicht van de 75-jarige onafhankelijkheid van België (1905) liet koning Leopold II grondige verbouwingswerken uitvoeren om de allure van het paleis nog te vergroten. De oude salons op de eerste verdieping aan de kant van de Wapper werden weggebroken voor de huidige grote spiegelzaal en er werd een verbindingsgalerij gebouwd tussen de zijvleugels aan de tuinkant.

Foto; de keizerlijke slaapkamer ®IRPA-KIK Brussel De oude IBde-eeuwse salons op het gelijkvloers kregen toen een opfrisbeurt: «Ces pieces d' un gout ancien ont été restaurées avecsoin..., elles offrent beaucoup de richesses». Een "Koninklijk Paleis" onder het Hollands en Belgisch bewind Napoleon zou echter nooit in zijn Antwerpse residentie verblijven want in 1815 kwam het land onder Hollands Bewind. Het gebouw met zijn keizerlijk meubilair werd als paleis ter beschikking gesteld van koning Willem I, die er evenals zijn zoon, de Prins van Oranje, herhaaldelijk verbleef. De prachtige en volledig bewaarde Zaal der XVII Provinciën op de eerste verdieping naar een ontwerp van de directeur van de Academie, Mathieu Van Bree, herinnert vandaag nog aan de Hollandse tijd. Tijdens de overgang naar het Belgisch bewind was het Koninklijk Paleis een speelbal in de machtswisselingen. In oktober 1830 werd het gedurende een maand de zetel van de bijzondere

Foto; Spiegelzaal - © IRPA-KIK Brussel

Het "Internationaal Cultureel Centrum", ICC vanaf 1970 Koning Albert I verbleef in het paleis bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914, maar Koning Boudewijn maakte er haast geen gebruik meer van, zeker nadat het gebouw in de jaren '50 door het protocol ongeschikt werd bevonden voor koninklijke overnachtingen. In 1968-69 werden belangrijke herstellingswerken uitgevoerd door het Ministerie van Openbare Werken. Samen met het toekennen van culturele autonomie aan Vlaanderen en met de uitbouw van de culturele centra door Frans Van Mechelen, minister van Nederlandse Cultuur groeide het besef dat de functie als koninklijk paleis niet langer houdbaar was. Koning Boudewijn werd bereid bevon-


B11SJNENKRANT

den het gebouw ten dienste te stellen

ven, in 1995 gevolgd door meubilair

Bibliografie

van de bevolking. Op 19 december

dat in het museum was onderge-

- H. tEEMANS, het koninklijk paleis, bouwer ft

1969 vond de plechtige overdracht

bracht. Reeds in 1970 was de minder

plaats en werd er een bestuurscom-

waardevolle inboedel (fornuizen,

missie geïnstalleerd met vertegen-

kolenschoppen, bedden, bidets) over-

woordigers van het ministerie, de stad

gemaakt aan de Oudheidkundige

Antwerpen en de provincie.

Musea van de Stad Antwerpen (ondergebracht achtereenvolgens in

1970). - F. BAUDOUIN, Jan Peter van Baurscheit de jonge, architct, 1699-1767, in Lira Elegans, 4,1994, p. 205-237. - M. DE BRUYN, onuitgegeven studie Bouwhistori-

De oorspronkelijke bemeubeling

het Hessenhuis, het Godefriduspakhuis

sche studie van het voormalig Koninklijk paleis

Al die tijd waren de mooie interieurs

en thans in de kazerne Luchtbal).

te Antwerpen, Meir 50, Antwerpen, 2000.

met hun waardevol meubilair, hoofd-

De gordijnen met toebehoren werden

zakelijk in empirestijl, ter plaatse

samen met een reeks interieurelemen-

Materiaal-technisch onderzoek, Antwerpen,

gebleven. In een brief van 22 decem-

ten als zetels, een kamerscherm,

2000-2001.

ber 1969 liet koning Boudewijn bij

kandelaars e.d. op de zolders van het

monde van zijn hofmaarschalk aan

paleis opgeborgen. Bij de herstellings-

Minister De Saegher van Openbare

werken aan het dak werden ze naar

1768] en de architectuur in het tweede kwart

Werken weten 'dat het de wens van de

een veilige plaats in de kelder overge-

van de 18de eeuw. Onuitgegeven doctoraal

koning is dat het koninklijk karakter

bracht. Een aantal meubelen, waaron-

proefschrift, Utrecht, 2003.

van het paleis zou behouden blijven.

der toch een originele 18de-eeuwse

Het meubilair en de kunstvoorwerpen

consoletafel, vonden een plaats in de

zullen om die reden ter plaatse gelaten

conciërgewoning.

worden.' En in een brief van 23 december 1969

De recente bestemming

aan de Minister van de Nederlandse

In de jaren 1990 had de werking van

Cultuur, Frans Van Mechelen, dat

het ICC aan dynamiek ingeboet en ter

'mochten om een of andere reden deze

gelegenheid van de manifestatie

- L DE CLERCQ, eerste versie onuitgegeven studie

- I. BREEDVELDT-BOER, Tekenen en vasseren. Het bedrijf van Jan-Peter van Baurscheit (1699-

Buitenkrant

meubelen en kunstvoorwerpen geen

"Antwerpen 1993, culturele hoofdstad

bestemming meer vinden in het Paleis

van Europa" kreeg het Centrum voor

in Antwerpen, dan zullen zij terug ter

Beeldcultuur er zijn zetel. Een modern

beschikking gesteld worden van de

uitgerust filmzaaltje werd daarvoor

I R O F O P E N MONIIMFNTFNDAn

Koning'.

ingericht op het gelijkvloers; de

Vaste waarde en vernieuwing

In 1970, nadat in januari het Konink-

straatkant deden dienst als foyer met

prachtige 18de eeuwse salons aan de

12 SEPTEMBFR 7004- -

lijk Paleis - Internationaal Cultureel

bar. Het Filmmuseum is ondertussen

Op zondag 12 september vindt voor

Centrum was opgericht, werden de

verhuisd naar een nieuwe locatie in

de 16de keer de Open Monumenten-

deuren van het paleis geopend voor

het Fotografiemuseum.

dag plaats. Dit jaar nemen meer dan 240 steden en gemeenten deel aan

het grote publiek. Een eerste tentoonstelling kreeg als titel 'ICC. Koninklijk

In het koetshuis, dat voor het ICC in

het jaarlijkse monumentenfeest, het

Paleis. Bouwer Et bewoners'. De inte-

1985 gerenoveerd werd met tentoon-

hoogste aantal ooit. De aantrekkings-

ressante catalogus en de uitgebreide

stellings- en bureelruimten, vond de

kracht van het evenement blijft dus

fotoreeks die het Koninklijk Instituut

vzw Antwerpen Open sinds '98 een

groot. Ook het doel bleef sinds de

voor het Kunstpatrimonium toen

voorlopig onderkomen. Deze vzw is

eerste OMD in 1989 onveranderd:

maakte, tonen zeer overtuigend de

thans de enige gebruiker van het

het grote publiek en de diverse over-

unieke waarde van deze fraaie inte-

gebouw. Daarnaast woont er ook nog

heden wijzen op het belang van ons

rieurs met hun bemeubeling.

een conciërge van het ministerie van

rijk onroerend erfgoed om zo de

de Vlaamse Gemeenschap.

solidariteit rond monumentenzorg te

Wegens de specifieke werking van het ICC gericht op actuele kunst werd er in 1976-1977 door directeur Flor Bex besloten om een gedeelte van het meubilair aan de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis in bruikleen te geven. Een gedeelte werd (en is daar nog steeds) tentoongesteld, een gedeelte werd gebruikt om het Bellevuemuseum in te richten. Het grootste gedeelte werd echter in 1980 aan het Hof in bruikleen gege-

1VI&L

bewoners, tentoonstellingscat, (Antwerpen,

versterken. In functie van de restauratie werd in 2000-2001 het bouwhistorisch onderzoek uitgevoerd voor de totaliteit van het gebouw: het historisch (Mimi De Bruyn) en het materieel-technisch (Lode De Clercq) onderzoek vormen de basis van een omvattende restauratie die thans in uitvoering is.

Maar deze vaste waarde vindt ook elk jaar zichzelf opnieuw uit... Een nieuw thema, nieuwe partners: 'Van nature... een monument' Het jaarlijks wisselende thema speelt een belangrijke rol. Dit jaar is dat 'Van nature... een monument'. In één zin samengevat: het gaat in 2004 over de talrijke relaties en verbanden tussen het bouwkundig erfgoed, cultuurland-


B 1 1 M N E N K R A N T

OPEN MONUMENTFNDAG 2004-9008 SAMENWERKINGSOVERFFNKOMST

van nature een monument OPEN M O N U M E N T E N D A G V L A A N D E R E N

schappen, natuur en archeologische sites. Naar aanleiding van het thema hebben twee nieuwe partners zich bij de organisatie aangesloten: Natuurpunt en de Regionale Landschappen. Ook in het beleid van de Afdeling Monumenten en Landschappen zelf nemen onze landschappen de jongste jaren een steeds belangrijker plaats in. Nog 'opener' monumentendag De Open Monumentendag is het feest van de opengestelde monumenten. Daarom gaat er veel aandacht naar de toegankelijkheid van de gebouwen en sites: de fysieke toegankelijkheid voor wie zich moeilijk kan verplaatsen, de mentale toegankelijkheid voor al wie daar nood aan heeft. Voor het eerst werken we hiervoor nauw samen met de Steunpunten voor Toegankelijkheid, adviesbureaus en Toerisme Vlaanderen. Zo worden op dit ogenblik 25 monumenten en sites uitgebreid gescreend op hun toegankelijkheid en de OMD-website biedt uitgebreide informatie over toegankelijkheid. Monumentenmaandag of de 'kleine' OMD op maandag 13 september OMD denkt aan de monumenten-

zorgers van morgen: de kinderen. Monumentenmaandag, de Open Monumentendag voor scholen op de dag na OMD is sinds enkele jaren ook een vaste waarde geworden. Dit jaar zijn er 27 initiatieven in 25 steden en gemeenten. Toekomst verzekerd Op de drie niveaus hebben de overheden die deel uitmaken van de werkgroep recent hun engagement voor Open Monumentendag voor vijf jaar vernieuwd: de afdeling Monumenten ft Landschappen van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, de Vereniging van Vlaamse Provincies en de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten.

Dankzij een kaderovereenkomst tussen het Vlaams gewest, de provincies en de gemeenten werd de toekomst van 'Open Monumentendag ' tot in 2008 verzekerd. De drie overheidspartners zien OMD als één van de instrumenten om een brede maatschappelijke stroming als draagvlak voor het behoud van de cultuurhistorische erfgoedwaarden te activeren. OMD richt zich specifiek op het onroerend cultureel erfgoed en roerend en immaterieel erfgoed dat er integraal deel van uitmaakt. Naast het jaarlijks gratis openstellen van bouwkundig, landschappelijk of archeologisch waardevolle sites en het ontsluiten van hun erfgoedwaarde werkt OMD ook samen met Erfgoeddag voor een geïntegreerde en integrale erfgoedbeleving doorheen het jaar. Het Vlaams Gewest zorgt voor het Coördinatiecentrum Open Monumentendag binnen Erfgoed Vlaanderen, terwijl de vijf Vlaamse provincies zorgen voor de cofinanciering ervan en de ondersteuning door de provinciale coördinatoren. De Vereniging van de Vlaamse Steden en Gemeenten sensibiliseert haar leden om via de lokale comités Open Monumentendag te realiseren.

Meer info www.monument.vlaanderen.be Coördinatiecentrum Open Monumentendag, Agnes Wené, Erfgoedhuis Den Wolsack, Oude Beurs 27, 2000 Antwerpen, T 03/212 29 58, E awene.omd@sve.be.

M&L


B 1 N N E M K R A N T

Marcel M. Celts

DF V i A A M S E MONUMENTFNPRIIS ?nn4 De Vlaamse Monumentenprijs bekroont een persoon, een privé- of een openbare instelling, een project of een realisatie met belangrijke verdiensten in de monumentenzorg. Behalve naar de intrinsieke waarde van een monument gaat de aandacht daarbij ook naar de betekenis en de waarde van de huidige omgang met het bouwwerk. De Vlaamse regering kiest, na een voorselectie door de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen van het Vlaamse Gewest, uit een lijst van genomineerden de laureaten voor de Vlaamse Monumentenprijs Antwerpen, Limburg, Oost-Vlaanderen, Vlaams-Brabant en WestVlaanderen. De laureaten krijgen elk een bedrag van 2.500 euro. Vervolgens worden onder deze vijf laureaten een winnaar van de Vlaamse Monumentenprijs aangeduid. Deze wint een bedrag van 121.500 euro. In haar vergadering van 1 april 2004 werden door de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen van het Vlaamse Gewest alvast volgende realisaties genomineerd (in alfabetische rangorde): Provincie Antwerpen Borgerhout, Cinema Roma Geel, het natuurreservaat De Zegge Hoogstraten, de 16de-eeuwse glasramen van de Sint-Catharinakerk Lier, Begijnhof, de lantaarn van de Sint-Margarethakerk Provincie Limburg Borgloon, het klooster van Kolen Lanaken (Rekem), het onderzoek van de steentijdkampplaats Lommei, de vloeiweiden of Watering te Lommei-Kolonie Provincie Oost-Vlaanderen Eeklo, de kapel Onze-Lieve-Vrouw ten Doorn Lede (Oordegem), het Hof van Robijns

1VI&L

Provincie Vlaams-Brabant Halle, de Sint-Martinusbasiliek Roosdaal (Onze-Lieve-Vrouw Lombeek), de Tragische Molen Provincie West-Vlaanderen Kortrijk (Marke), het kasteeldomein van Marke Oostkamp (Moerbrugge), het landgoed Blauw Kasteel De nominaties BORGERHOUT, Cinema Roma Cinema Roma werd in 1928 gebouwd als een "schouwspelzaal met appartement-verdiepingen" naar ontwerp van architect Alfons Pauwels; met zijn bijna 2000 zetels, was het lange tijd de grootste cinema van Antwerpen. Cinema Roma is in Antwerpen de enige goed bewaarde grote bioscoop en vormt een representatief voorbeeld voor de overgang van een 19deeeuwse schouwspelzaal naar echte bioscooparchitectuur. In september 2002 werd de Roma beschermd als monument. Sinds 1982 stond deze oude en roemrijke cinemazaal leeg. Momenteel is ze eigendom van een privé-investeerder, maar het was uiteindelijk Rataplan die zorgde voor het opknappen en opfrissen van de Roma. Rataplan is een buurttheater in Oud-Borgerhout dat een gevarieerd en uitgebreid cultureel programma aanbiedt met film, muziek en theater voor kinderen, jongeren en volwassenen. Rataplan streeft met de oude cinemazaal een dubbel doel na: naast de ingebruikname als ruimte voor culturele activiteiten wil Rataplan een gefaseerd proces van opruimen, opkuisen, herstellen en vernieuwen van de zaal opzetten. Beide doelen wil men realiseren vanuit een buurtgerichte visie op cultuur, met vrijwillig helpende handen van buurtbewoners en verenigingen als onderdeel van het herstel van het sociaal weefsel. Het opknapwerk is een echte publieksactiviteit. Buurtbewoners en anderen werken mee aan de groot-

schalige poetsbeurten en andere karweien. Meer dan 160 vrijwilligers komen regelmatig meewerken. Op die manier wordt de betrokkenheid van publiek en 'Borgerhout' op de zaal en het gebeuren rond de zaal zeer groot.

GEEL, beheer van het als landschap beschermde natuurreservaat De Zegge De Zegge is reeds meer dan 50 jaar eigendom van de Koninklijke Maatschappij voor Dierkunde van Antwerpen. De Zegge is als landschap beschermd bij ministerieel besluit van 26 november 1986 om reden van zijn wetenschappelijke en esthetische waarde. Bij die bescherming is tegelijkertijd het beheersplan voor het natuurreservaat bekrachtigd als een gepast beheersplan voor het beschermd landschap (met latere uitbreidingen). De ook als natuurreservaat erkende


B 1 N M E N K R A N T

Zegge is een relict van de vroegere Kempen, dat temidden van ontgonnen gebied gelegen is. Het is een laagveenmoeras in de Netevallei, waarin een mozaïek van turfkuilen, trilvenen, rietvelden, schraalgraslanden, elzenbroekbossen en eiken-berkenbossen voorkomt. Dit geheel is ontstaan door een eeuwenlange antropogene invloed die steeds erg kleinschalig is geweest (beweiden, maaien, hooien, plaggen, kappen, turfsteken, ijzersteenwinning). Het voortzetten van die gebruiken vergt nu een zeer intensief en gespecialiseerd of aangepast beheer. Dit laatste is in De Zegge ook alom bekend als een voorbeeld van een natuurbeheer dat respect en aandacht heeft voor de landschappelijke en cultuurhistorische waarde van het landschap. Het continue beheer heeft voor de aanwezigheid van in de Kempen zeldzaam geworden planten- en dierengemeenschappen gezorgd. Het zeldzame, voedselarme milieu staat onder een voortdurende druk van zijn omgeving. Dit behoud vormt een strijd op zich, waarvoor bij tal van instanties en aangelanden voor de juiste oplossingen moet gepleit worden. De beheerders zorgen tevens voor een grondige wetenschappelijke begeleiding met de bijhorende rapportages en voor een goede neerslag van de ondernomen acties en de resultaten, weergegeven in zeer verzorgde en uitgebreide jaarverslagen. Het educatieve aspect van het reservaat wordt op een gepaste manier, door middel van beperkte geleide wandelingen, ingevuld.

HOOGSTRATEN, Sint-Catharinakerk, restauratie van drie 16de-eeuwse glasramen De drie glasramen die in 2002-2003 gerestaureerd werden behoren tot een reeks van zes die in 1528-1533 vervaardigd werden voor de nieuwe SintCatharinakerk, in opdracht van Antoon de Lalaing en zijn echtgenote Elisabeth Van Culemborg gebouwd vanaf 1525. De aankleding van de kerk verliep parallel met de bouwacti-

viteit en verschillende kunstwerken uit die periode getuigen nog steeds van de prestigieuze mecenaatspolitiek van de opdrachtgevers. De kerk was bedoeld als grafkerk van de familie de Lalaing - vandaar het centraal opgestelde praalgraf - en wat kon er beter de roem van de heren van Hoogstraten in het licht stellen dan glasramen? In de zes ramen van het hoogkoor, boven het koorgestoelte, staan dan ook de voorouders en belangrijke familieleden de Lalaing-van Culemborg afgebeeld, geknield en begeleid door hun naamheilige; de wapenschilden van de betrokkenen zijn telkens onderaan voorgesteld. Blijkens de bouwrekeningen zijn de gebrandschilderde glasramen toe te schrijven aan Claes Mathysen, glasschilder in Hoogstraten in 1529-1533.

De toren werd tijdens de Tweede Wereldoorlog gedynamiteerd. Gelukkig waren op dat moment de glasramen -dank zij de tussenkomst van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen- uitgehaald en veilig opgeborgen. De kerk werd na de oorlog wederopgebouwd. De aanwezigheid van een schitterende reeks renaissanceglasramen was hier zeker niet vreemd aan.

LIER, Begijnhof, restauratie van de lantaarn van de Sint-Margarethakerk De voorgevel van de Sint-Margarethakerk op het Lierse Begijnhof kwam in twee fasen tot stand. Het onderste gedeelte werd opgebouwd in de jaren '60 van de 17de eeuw. Het bovenste gedeelte van de gevel, waaronder waarschijnlijk de klokkentoren, werd pas toegevoegd in 1767 naar ontwerp van architect Engelbrecht Baets. Tijdens de uitvoering van de tweede fase van de restauratie van de SintMargarethakerk werden de sporen van een vroegere schildering vastgesteld op de koperen dakbedekking van deze klokkentoren. Bij nader onderzoek eind 2002 bleek dat met de schildering de illusie gewekt werd van een met leien beklede toren. Ook werd de schildering van enkele natuurstenen decoratieve elementen - zoals medaillons - teruggevonden. Gezien het uitzonderlijke karaktervan deze vondst en de fasering van de werken werd de geplande restauratiewijze van de lantaarn aangepast en als bijwerk uitgevoerd. Specifiek onderzoek werd uitgevoerd om de juiste restauratietechniek te

Bijna 50 jaar na de herplaatsing was het gebrandschilderd glas vervuild, waren er breuken en - erger - was er glascorrosie zichtbaar. Aangezien het samen 11 monumentale glasramen betreft werd er voor gekozen om de conservering van de glasramen te starten met de drie sterk vervuilde noordramen van het hoogkoor. De werken gingen van start in september 2002. De glaspanelen werden gedemonteerd en er werd een beschermende buitenbeglazing aangebracht. De reiniging en conservering van de glaspanelen werd in handen gegeven van de restauratoren van Glaswerken Mortelmans. De conservatie bood ook de gelegenheid voor verder kunsthistorisch onderzoek (zal gepubliceerd worden in het jaarboek van de Oudheidkundige Kring van Hoogstraten), terwijl het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium alle panelen fotografeerde.

M&L


B l l M N E ^ K R A N T

kunnen bepalen. Na een gedetailleerde optekening van de bestaande toestand werd het oppervlaktevuil voorzichtig verwijderd en werden bestaande restanten gefixeerd. Vervolgens werd de schildering opnieuw aangebracht. Deze beschildering fungeert tevens als afwerkingsen beschermingslaag. Verder werd natuurlijk ook de rest van de lantaarn gerestaureerd; zo werd onder meer het smeedwerk terug verguld.

BORGLOON, het klooster van Kolen Het klooster van Kolen, Mariënhof genoemd, wordt bewoond door een communauteit van Cisterciënzerinnen. Het klooster ligt op een valleirand nabij Borgloon in het heuvelende Haspengouw met uitzicht op boomgaarden en velden. Het klooster werd in 1431 gesticht door de Kruisheren van Hoei met de financiële steun van Maria van Kolen, die zich als weduwe in het begijnhof van Sint-Truiden had teruggetrokken. Na de Franse Revolutie werd het klooster opgeheven en door de Kruisheren verlaten. In 1822 werd het ver-

M&L

kocht aan de Cisterciënzerinnen van Wauthier-Braine, die er tijdelijk een meisjeskostschool in onderbrachten. Het complex bestaat uit een vierkant kloosterpand, omringd door de kerk en drie woonvleugels, en een neerhof omsloten door hoevegebouwen. Het kloosterpand en het neerhof dateren in kern uit de 16de eeuw met wijzigingen in de 18de eeuw. De gebouwen zijn in baksteen opgetrokken en wit gekalkt. Men betreedt het klooster via een poortgebouw dat toegang geeft tot het erf waarrond de boerderijgebouwen en het woongedeelte geordend zijn zoals gebruikelijk bij de Haspengouwse vierkanthoeven. De huidige toestand verschilt weinig van degene die op de Ferrariskaart is weergegeven en het geheel vormt een unieke combinatie van kloostergebouw en boerderij. De kloosterkerk dateert in oorsprong uit 1505 maar werd na een brand in 1750 heropgebouwd. Het interieur werd in de tweede helft van de 18de eeuw door de Kruisheren rijkelijk versierd met rococo-stucwerk en houtsnijwerk. Het eikenhouten koorgestoelte en de lambrisering is van een bijzondere kwaliteit en is versierd met veertien taferelen over het leven van Odilia, geschilderd door de Luikse kunstenaar Martin Aubeé. In de

sacristie, ingericht met rococo-meubilair, wordt het beroemde Odilia-schrijn bewaard, een houten reliekschrijn beschilderd met gebeurtenissen uit de legende van Odilia en haar gezellinnen. Vervaardigd in 1292 in opdracht van de Kruisheren, is dit schrijn één van de oudste beschilderde panelen in ons land. De muren zijn afgewerkt met een wandbespanning met schilderijen van het Laatste Avondmaal en de Passie van Christus. Het bureel van de priorin, de spreekkamers, de ontvangstzaal en de refter van de zusters zijn in hun originele toestand bewaard met de eikenhouten vloeren en vloeren in blauwe kalksteen, het rococostucwerk, de marmeren schouwen, het rijke houtsnijwerk, de schilderijen en de wandbespanning. Het kloostercomplex wordt momenteel bewoond door tien zusters, waarvan de meesten op hoge leeftijd. Zij beheren de site met de grootste zorg en respect en trachten de authenticiteit van de gebouwen en de landschappelijke omgeving optimaal te bewaren. In het verleden hebben zij vaak de kerk en de gebouwen met eigen middelen in stand gehouden. Het complex is wettelijk beschermd sinds 12 mei 1947. Dit Cisterciënzerinnenklooster is geen gesloten gemeenschap. Integendeel,


B 1 N 1 M E N K R A N T

bezoekers worden er steeds gastvrij ontvangen. De zondagsmis is voor iedereen toegankelijk. Toeristen worden er deskundig rondgeleid in de kerk en de sacristie met het reliekschrijn. Tot in de zomer van 2004 hebben de zusters op kleinschalige en bescheiden wijze aan de bezoekers een koffietafel aangeboden. Nooit hebben zij zich laten verleiden tot commercialisering van de site, ondanks de druk van de bezoekers. De inkomsten werden besteed aan het onderhoud van de gebouwen. Wegens de hoge leeftijd van de zusters hebben zij deze activiteit helaas moeten stopzetten. Nog steeds bestaat de mogelijkheid voor de individuele bezoeker om in het klooster te logeren op voorwaarde dat de regels van het kloosterleven worden gerespecteerd. Klooster Kolen neemt ook elk jaar deel aan de Haspengouwdag en de Open Monumentendag. In de kerk worden geregeld kooroptredens en concerten in het kader van het Festival van Vlaanderen georganiseerd.

Opgravingen - bij de Vlaamse Gemeenschap opgevolgd door het Instituut voor het Archeologisch Patrimonium. Verdere studie en de publicatie van het opgegraven materiaal gebeurde door Mare De Bie (I.A.P.), in samenwerking met Jean-Paul Caspar (K.U.Leuven). In totaal werden in Rekem op een oppervlakte van 1,7 ha een 16-tal vindplaatsen geregistreerd. De tienduizenden vondsten, hoofdzakelijk resten van steenbewerking, werden nauwkeurig geregistreerd en ingezameld.

De federmesser-kampplaats van Rekem (Lanaken) is tot hiertoe de grootste vindplaats uit de oude steentijd die in Vlaanderen werd opgegraven. Omvangrijke ontgrindingen die het archeologisch rijke gebied op de vruchtbare rand van een oude Maasbedding bedreigden, vormden de aanleiding voor deze interventie. Door de stratigrafisch diepe ligging van de artefacten, een kleine meter onder het huidige oppervlak, bleef de site grotendeels gespaard van moderne verstoringen, een uitzonderlijk gunstige situatie.

Dit uitzonderlijk archeologisch archief werd vervolgens aan een doorgedreven studie onderworpen. Door de afgeslagen stenen weer in elkaar te puzzelen, kreeg men nieuwe inzichten in de werkwijze van de steentijdkappers. Een uitgebreid microscopisch gebruikssporenonderzoek bracht de functie van de werktuigen aan het licht. Door deze informatie te combineren en in kaart te brengen, kregen de archeologen een dynamisch beeld van de activiteiten die zich in de kampplaats hebben afgespeeld. De nederzetting kwam zo als het ware opnieuw tot leven. Het gaat om een vrij uitgebreide kampplaats, met aan de ene kant behoorlijk uitgestrekte leefplaatsen onder tenten of in open lucht, waar de bewoners een hele reeks verwerking- en onderhoudsactiviteiten uitvoerden, en aan de andere kant enkele geïsoleerde kapplaatsen, die vaak werden voorbehouden voor het vervaardigen van pijlbewapening. Hoewel deze ruimtelijke organisatie grotendeels vanuit functionele overwegingen kan worden verklaard, moeten bij deze structurering zeker ook sociale factoren als ouderdom, status of geslacht van de bewoners hebben meegespeeld, net als rituele gebruiken en taboes.

De site bevindt zich op de rand van de Maasvallei, op de grens van het grondgebied van Neerharen en Rekem. In de jaren '80 werd de nederzetting tijdens grootschalig noodonderzoek opgegraven onder leiding van Robert Lauwers, in een samenwerking tussen het Laboratorium voor Prehistorie van de Katholieke Universiteit Leuven en de voormalige Nationale Dienst voor

Samengevat heeft het onderzoek van Rekem aangetoond dat de jager-verzamelaargroepen die zowat 13.500 jaar geleden onze regio bevolkten, grotere en duidelijker georganiseerde woonkampen aanlegden dan voorheen werd aangenomen. Op methodologisch vlak bewezen de resultaten van dit onderzoek dat een paleolithische

LANAKEN (Rekem). het onderzoek van de steentijdkampplaats

site, die zich aan de archeoloog presenteert als een gigantische puzzel, zelfs bij gebrek aan organisch materiaal in verrassend grote mate kan worden ontcijferd met een aangepaste geïntegreerde benadering. De 'statische steentjes' kunnen daardoor worden teruggeplaatst in de dynamische context van het prehistorisch verleden. Het opgraven van een archeologische site is per definitie een gecontroleerde vernietiging van het archeologisch monument of de archeologische zone in kwestie. Het bodemarchief wordt hierbij omgezet in een opgravingsarchief dat wetenschappelijk bestudeerd kan worden. De verdere ontsluiting van deze wetenschappelijke onderzoeksresultaten maken het archeologisch monument ook toegankelijk voor een groot publiek. Het onderzoek werd reeds voorgesteld op talrijke internationale congressen en in belangrijke wetenschappelijke tijdschriften. In 2000 verscheen de volledige studie in de omvangrijke 2-delige monografie Rekem, a Federmesser camp on the Meuse River Bank. De opgraving en de publicatie worden in het binnen- en buitenland geroemd voor de kwaliteit en het vernieuwend karakter. Het geleverde onderzoek is dan ook een mijlpaal in de studie van het Laat-Paleoliticum en wordt als een blauwdruk voor toekomstige onderzoeken, analyses en publicaties gezien. Ook moet de manier geloofd worden waarop het geheel aan onderzoeksresultaten werd gebruikt voor een tentoonstelling die intussen onder de naam FlintEtStones niet alleen op talrijke plaatsen in Vlaanderen maar ook in grote musea in Nederland veel belangstelling en appreciatie geniet.

LUMMEL, de vloeiweiden of Watering te Lommel-Kolonie Omstreeks het midden van de 19de eeuw ontwierpen enkele ingenieurs, geïnspireerd door reeds bestaande irrigatietechnieken in Noord-ltalië,


B l N N E l ^ K U A N T

een bevloeiingssysteem om de vrijwel vlakke, voedselarme, zure en onvruchtbare heidegebleden in de Limburgse en Antwerpse Kempen landbouwkundig te valoriseren. De realisaties werden mogelijk dankzij de sedert 1825 in gebruik genomen Zuid-Willemsvaart en het Kempens kanaal van Bocholt tot Herentals, gegraven tussen 1843 en 1855. De verspreiding van de wateringen bleef beperkt tot de onmiddellijke omgeving van deze waterwegen op het Kempens plateau en in de vlakte van Bocholt. Zij kunnen dus als uniek op Europees vlak beschouwd worden. Een aantal bevloeiingssystemen zijn tot op heden min of meer intact bewaard gebleven. Zij genieten een internationale erkenning als cultuurlandschap met een specifieke topografie, flora en fauna. De watering te Lommel-Kolonie, met een uitzonderlijk grote oppervlakte van 230 ha, is vrijwel de enige watering in Noord-Limburg waarin de twee bevloeiingssystemen, namelijk het oorspronkelijke totale bevloeiingssysteem via een dicht netwerk van boven- en onderzoeven en het latere vereenvoudigde bevloeiingssysteem door infiltratie, samen aangetroffen en in stand gehouden worden dank zij een intensief onderhoud

De Noordlimburgse Wielewaal-afdeling startte in december 1977 met het beheer van 2 ha vloeiweiden in blok II op de oorspronkelijke wijze, mede dank zij de kennis en de kunde van het wateringpersoneel. Momenteel beheert deze natuurvereniging, ondertussen gefusioneerd met Natuurpunt, meerdere hectaren vloeiweiden op de oorspronkelijke, zeer arbeidsintensieve, wijze. Het oude wateringhuis op blok III werd ingericht als bezoekerscentrum. Dit cultuurlandschap is een getuige van de erbarmelijke levensomstandigheden in Vlaanderen omstreeks het midden van de 19de eeuw. Nooit voordien had de mens zo fundamenteel doch niet destructief ingegrepen in het Kempense landschap. Dank zij de jarenlange bevloeiing met kalkrijk en matig voedselrijk

M&L

Maaswater vestigden en handhaafden zich in de watering een aantal zeldzame kalkminnende planten die anders nooit in de arme Kempense zandgronden tot ontwikkeling zouden komen. De wisselwerking tussen de oorspronkelijke zure Kempense zandbodem en de bevloeiing met het kalkrijke Maaswater resulteert in een grote diversiteit aan plantensoorten. Een 200-tal van de hier aanwezige planten komen in België niet algemeen meer voor. Meerdere zijn vrij zeldzaam. De vegetatie van de vloeiweiden is zelfs uniek voor geheel West-Europa. In de watering komen voor het Kempens fytogeografisch district zeer zeldzame plantensoorten voor, relicten van het inzaaien met Midden-Europese grassoorten, afkomstig uit de alpenweiden, tijdens de aanleg van de vloeiweiden. Eveneens typisch is de aanwezigheid van planten die kenmerkend zijn voor de Maasvallei, Haspengouw en de Ardennen en die meegevoerd werden via het Maaswater. De esthetische waarde van het landschap wordt bepaald door het contrast met de omgeving waarin vooral uitgestrekte compartimenten heide, bos, bewoning en industrie voorkomen. De vloeiweiden werden beschermd als landschap en aangeduid als ankerplaats.

EEKLO, Zuidmoerstraat 125, kapel OnzeLieve-Vrouw ten Doorn Op de plaats van het vroegere klooster van de Grauwe Zusters werden kort na 1664, datum van aankoop van het terrein, het klooster en de kapel van de Minderbroeders opgericht. De opbouw van de kapel werd gestart in 1664, de sacristie werd opgericht in 1665, het schip in 1666 en het koor in 1666-1667, doch pas in september 1706 werden de kapel en het hoofdaltaar ingezegend. Het doksaal dateert van 1717 en werd bekostigd door de familie Veltganck; aan het koor zou nog verbouwd zijn in 1718. Tijdens het eerste kwart van de 19de eeuw werd het klooster ondermeer als militair

hospitaal en als kazerne gebruikt. In 1820 werd het verkocht aan kanunnik Triest, stichter van de congregatie van de Zusters van Liefde van Jezus en Maria. De zusters legden zich toe op onderwijs; in 1832 werd de kapel grondig hersteld en in 1833 opnieuw ingezegend en geopend voor de gelovigen. Rond 1923 werd de toegang tot de kapel en tot het klooster gewijzigd. De restauratie van de kapel werd opgesplitst in zes fasen. De dakwerken werden gestart in maart 1999. Bij de restauratie van de glas-in-loodramen in het voorjaar 1999 werden zowel de twee koorramen van de Brugse glazenier J. Dobbelaere, daterend van 1900 alsook de ramen van het schip voorzien van een beschermende buitenbeglazing. De aanpak van de glas-inloodramen kon zich beperken tot een conserverende behandeling. Fase 4 (februari 2001) omvatte de buitenrestauratie met herstel en deels vernieuwing van het baksteenmetselwerk en de natuursteen, en gevelschilderwerk. Onderzoek wees uit dat de 17de-eeuwse kapel voorzien was van rood kaleiwerk. Op het parement van het koor werden ook voegimitaties aangetroffen en de natuurstenen vensteromlijstingen en de steunberen waren oorspronkelijk voorzien van een grijze schildering. Deze schildering


B 1 1VJ N

werd gereconstrueerd. De fasen 5 en 6, namelijk de volledige binnenrestauratie, beveiliging en restauratie van schilderijen en beelden, werden gestart in oktober 2003 en zouden nu voltooid moeten zijn. De binnendecoratie van de kapel zoals paneelwerk, pilasters en beelden dateert van 1832-'33. De huidige altaren dateren van ca. 1900, de schilderijen van Ernest Wante van ca. 1900 en ca. 1924. Zij werden opgehangen in nissen waarin in de 19de eeuw grissailleschilderingen waren aangebracht. Tot ca. 1900 was de kapel monochroom geschilderd. Toen werd ze voorzien van een fijne decoratieve schildering met friezen, medaillons en gewelfschilderingen. Om geen historisch materiaal verloren te laten gaan en ook omwille van het feit dat de inrichting van de kapel meermaals werd gewijzigd, werd geopteerd om de huidige beschildering te hernemen en de inrichting te respecteren. De schilderijen alsook de kruisweg en een aantal muurschilderingen en heiligenbeelden werden in het kader van de gehele aanpak van het interieur gereinigd en hersteld.

De restauratie van de kapel OnzeLieve-Vrouw ten Doorn te Eeklo is een voorbeeld van een degelijk voorbereide campagne met respect voor de bouwgeschiedenis van het monument waardoor de afleesbaarheid optimaal behouden werd.

LEDE (Oordegem), Oordegemkouter 46, Hof van Robijns Het voormalig Hof van Robijns is genoemd naar Joseph Robijns (1835) en de oudst bekende familie die er resideerde. De hoeve bestaat uit vier losstaande elementen: het erf wordt afgesloten door het woonhuis in het noordwesten, stallingen in het noordoosten, de schuur in het zuidoosten en een bakstenen muur in het zuidwesten. Achter het woonhuis is de bakoven gelegen. Alle delen zijn zichtbaar op de Ferrariskaart van 1777. Het witgekalkte woonhuis uit de 18de eeuw telt zeven traveeën en één

bouwlaag onder een zadeldak. De opdeling van het huis bleef goed afleesbaar. Een gang leidde van voornaar achterdeur. Rechts en links ervan situeren zich twee kamers achter elkaar. De twee uiterst linkse traveeën bevatten eveneens twee kamers en een gang met trap naar de zolderverdieping. Verbouwingen zijn met respect voor de oorspronkelijke stuctuur gebeurd en beperken zich tot de achterzijde van het woonhuis. Het interieur is sober. Verlaagde plafonds verbergen de balkenconstructies. De 18de- en 19de-eeuwse schouwen bleven bewaard, evenals het binnenschrijnwerk (deuren, trappen, hang- en sluitwerk). Opvallend is de 'beste kamer' met stucwerk en een fraaie schouw, rechts van de gang aan de erfzijde.

De straatvleugel werd op de puntgevel met muurankers gedateerd 1762. De aanwezigheid van een voormalige buitenmuur met raam in de schuur wijst op een verbouwing of uitbreiding waarvan de datum tot 1762 moet teruggebracht worden. Langs de straat is er één dubbele houten poort, sporen van een gedichte dubbele poort en een voetgangersdeurtje met rechts ervan een zeer laag gesitueerd raam. De schuur heeft twee grote poorten langs de erfzijde, correspon-

derend met de poorten langs de straatzijde. In de oksel van beide schuren was de knechtenwoning gesitueerd. Getuige daarvan is de grote schouw in de eerste ruimte van de tweekamerwoning. Langs de straat lagen de schuren, terwijl de dwarsvleugel de dierenverblijven bevatte. Niet minder dan negen segmentboogvormige deurtjes verleenden langs de erfzijde toegang tot de verschillende dierenverblijven en het toilet. De buitenzijde wordt doorbroken door een reeks segmentboogvormige raamopeningen waarvan enkele later gedicht zijn. De constructies van beide schuren bleef in originele staat bewaard. Alle houten schutsels, voederbakken, vloertjes, balkenlagen e.a. bleven intact bewaard en tonen aan dat er zeker varkens, runderen en paarden aanwezig waren. Achter het woonhuis staat een groot bakhuis. Het is opgetrokken uit baksteen, gekalkt en telt één bouwlaag onder een zadeldak. De puntgevels zijn voorzien van muurvlechtingen. Zowel het volume als de oven en de balklagen bleven bewaard in hun authentieke toestand. De eigenaars leven niet enkel in het monument maar ook ermee. Door onderhoud verkeert het complex in

M&L


B 1 N 1 M E N K R A N T

bijzonder goede toestand. De onderhoudswerken worden met het nodige respect voor het gebouw, zijn context en belevingswaarde uitgevoerd. Het Hof van Robijns is bijgevolg niet enkel een bijzonder mooie site met een rijke geschiedenis voor Lede en Oordegem. Het is een prachtvoorbeeld van hoe liefde voor een huis, respect en gepast onderhoud met oude technieken een huis eeuwen kan laten overleven en nog steeds functioneel kan laten zijn anno 2004.

MALLE, Sint-Martinusbasiliek Dit project wordt voorgedragen als een globale aanpak die een voorbeeldfunctie vervult voor tal van gelijkaardige dossiers. De gefaseerde restauratie is inhoudelijk, kunsthistorisch en materiaaltechnisch perfect onderbouwd. Hiertoe zijn reeds diverse

vooronderzoeken uitgevoerd. Meerdere onderzoekers (zowel beroeps als gedreven vorsers buiten hun uren) zijn nog steeds bezig aan het verder bestuderen en doorgronden van de bouwgeschiedenis van de kerk. Regelmatig verschijnen diverse nieuwe publicaties die telkens een nieuw licht brengen op het voortschrijdende onderzoek. Om de (lokale) bevolking ruim te betrekken bij de restauratie van de basiliek worden regelmatig diverse acties ondernomen. Dit resulteerde onder andere in de symbolische verkoop van genummerde straatstenen, de verkoop van te sterk verweerde hogels (buiten degene die museaal tentoongesteld gaan worden), de massale sponsoringactie via fiscaal aftrekbare giften, of directe sponsoring van ettelijke bedrijven. Dit brengt extra financiën aan om de restauratie te ondersteunen. Hierdoor kunnen zelfs geregeld pilootprojecten opgestart worden zonder enige betoelaging, doch zonder aan deskundigheid hierbij in te boeten. Diverse acties dienen om de bevolking nog nader bij het project te betrekken: de reusachtige werfzeilen, de infopanelen tijdens de restauratie, de regelmatige rondleidingen, de feestelijkheden bij het afsluiten van een deelfaze e.a. dienen de mensen te informeren over de lopende werken en de betrokkenheid te verhogen. Gelet op de grondige voorbereiding van het dossier kon dit project dan ook als eerste restauratie-enveloppe van Vlaanderen toegekend worden in 2001. Het gaat hier duidelijk om een gezamenlijk project gedragen door stadsbestuur, kerkfabriek, vrienden van de basiliek, de ontwerper, de afdeling Monumenten en Landschappen waar ieder zijn steentje toe bij draagt. Bij deze globale aanpak van de restauratie van de Sint-Martinusbasiliek in Halle, moet specifiek de nadruk gelegd worden op enerzijds de correcte uitvoering, maar anderzijds de globale beweging die lokaal hierrond leeft, waarbij de hele bevolking mee betrokken wordt bij de restauratie.

1VI&L

ROOSDAAL (Onze-Lieve-Vrou w-Lombeek), restauratie van de Tragische Molen De molen dateert minstens uit de 18e eeuw (met oudere herbruikstukken) en is bekend geraakt als de Zepposmolen via het tv-programma Kapitein Zeppos. Reeds rond 1350 werd er melding gemaakt van een molen. De molen werd gekocht door een begeesterde eigenaar die het geheel op een perfecte manier liet restaureren tot een terug maalvaardige molen met maximaal behoud van alle goede stukken. Om de bevolking ruim te betrekken met het project werd een internetsite aangemaakt (www.windmolen.be) waarop de situatie continu kon gevolgd worden. Via 4 web-cams kan men op elk moment kijken naar de molen. Tijdens de restauratie leverde dit ontzettend veel internetbelangstelling op voor de restauratiewerken. Via internet kan men ook steeds kijken of de molen draait als men op bezoek wil gaan. Via dit internetmedium werd een nieuw medium ingeschakeld om zoveel mogelijke informatie mede te delen naar de burger. Technische informatie, historische informatie, bezoekbaarheid, foto's van alle mogelijke manifestaties zijn consulteerbaar. En het gastenboek levert veel reacties op. Er wordt tevens in 13 talen informatie beschikbaar gesteld. Met behulp van een groep vrijwillige molenaars slaagt men erin om deze molen vrij veel te laten malen en zeer veel bezoekbaar te maken (veel meer dan wettelijk noodzakelijk is vanwege de premietoekenning). Via diverse manifestaties (een reusachtig openingsfeest, regelmatige hoevefeesten) wordt de betrokkenheid levendig gehouden. Dit alles levert duidelijk een meerwaarde ten opzichte van een zuivere restauratie zonder meer. Als volgende fase wordt de restauratie voorbereid van de naastliggende hoeve (nu in beschermingsprocedure) tot museum en onthaalcentrum. Als erkentelijkheid voor de uitzonderlijke inspanningen werd dit project beloond met de provinciale monumentenprijs Vlaams-Brabant 2003.


B 1 N N E N K R A N T

Dat het landhuis als zomerverblijf is ontworpen blijkt uit de oriëntatie van de verblijfplaatsen. De salons bevinden zich in het noorden en noordoosten, de eetkamer in het noordwesten om met de ondergaande zon te kunnen tafelen. De belangrijkste slaapkamers daarentegen zijn naar het oosten gericht om te genieten van de opgaande zon. Door de vierkante plattegrond zijn alle kamers in rechtstreeks contact met het omgevende park. Het centrale gedeelte vanaf de eerste verdieping ontvangt licht via het belvédère.

Prijzenswaardig zijn de perfecte restauratie door een particulier, de openstelling, nu (elke zondag het hele jaar door en extra tijdens de zomer), het frequent draaien van de molen, de inschakeling van talrijke molenaars, de betrokkenheid van het publiek en het gebruik van internet als nieuw medium hierrond om de betrokkenheid nog te vergroten

KORTRIJK (Marke), de instandhouding en bestendiging van het kasteeldomein van Marke Het kasteel van Marke is door ca 60 ha omringd: vijf generaties en niet minder dan 130 jaren waren nodig om deze te verwerven. Rond 1800 waren er nog 40 eigenaars; slechts in 1930 werden de laatste percelen aangekocht. De grote eigendomsversnippering in de streek is te verklaren door de belangrijke economische rol die de Leiemeersen vervulden in verband met de vlasbewerking, tot in 1935 het kunstmatig roten werd ingevoerd. Uit de trage verwerving van het domein kan afgeleid worden dat, in tegenstelling tot de naburige streken zoals het leperse, het Houtlandse, het Brugse en het Henegouwse, ZuidwestVlaanderen en meer bepaald de Leie-

streek geen grote domeinen gekend heeft na de middeleeuwen. Het domein van Marke is thans 6 generaties ononderbroken eigendom van dezelfde familie de Béthune. Op vraag van de toenmalige bewoner werden het kasteel, met annex het buitengoed de Patersmote (verworven in 1930) het park en de omliggende gronden beschermd bij kopninklijk besluit van 15 april 1965. Op het gewestplan is het domein gevrijwaard als park en natuurgebied. Het kasteel van Marke werd gebouwd tussen 1802 en 1807 als zomerverblijf door de architecten J-B Pisson (Gent, 1763-1818) en B. Dewarlez (Rijsel 1767-1819). Het ontwerp van de interieurs en van het park staan op naam van deze laatste. Het landhuis is één der zeldzame woningen in de streek ontworpen in sobere Directoirestijl, beïnvloed door Palladio, wat het kasteel zijn Italiaans karakter verleent door de vierkante opbouw die benadrukt wordt door het belvedère. Het gebouw is ondanks zijn grote hoogte (vier bouwlagen) en de eerder kleine oppervlakte harmonieus van verhoudingen dankzij de doordachte horizontale en verticale accenten en door het verbergen van de kelderverdieping achter struikgewas.

In tegenstelling tot het strenge, rechtlijnige karaktervan de buitengevels is het interieur speelser. De decoratie kondigt reeds de Empirestijl aan met versieringen geïnspireerd op Egyptische motieven. Het meubilair en de aankleding zijn volledig uit deze periode en grotendeels oorspronkelijk. Het opvallend kleurgebruik voor de wanden werd enige jaren geleden in ere hersteld. Gebouw, aankleding en meubilair vormen samen een zeldzaam gaaf en authentiek ensemble van directoire/ empirestijl. Merkwaardig is wel dat één der markantste eigenaars/ bewoners van het kasteel, Jean de Béthune, promotor van de neogotiek in België, aan het kasteel weinig veranderde. Als aanhanger van de neogotiek heeft hij wel bepaalde onderdelen van de antiek geïnspireerde decoratie verwijderd (maar bewaard, zodat zij recent konden worden teruggeplaatst) aangezien afbeeldingen van Griekse en Romeinse goden niet strookten met zijn katholieke principes. Het park is door Dewarlez ontworpen in Engelse stijl, waarbij gestreefd werd naar een natuurlijk en idyllisch landschap en schilderachtige plekjes gecombineerd worden met verre gezichten. Over de twee vijvers werden kleine op China geïnspireerde brugjes aangelegd. Zij moeten tot de vroegste ijzeren bruggen in ons land worden gerekend. Er is ook een kunstmatige grot aanwezig, gebouwd kort na 1872. Niettegenstaande de zware beschadiging tijdens beide wereldoorlogen bewaart het park van Marke nog enkele bomen uit zijn beginperio-

1VI&L


B 1 N N E N K R A N T

*

?*

-

•

Wm*P^m^

r

i

l ffi mMm g ^ H

de. Het geheel werd sinds 1802 niet gewijzigd. Het park is tevens beschermd als vogelreservaat. De moestuin is omgeven door en ovale muur, wat een zeldzaamheid is en voor België zelfs uniek mag genoemd worden. Deze originele opvatting, door Dewarlez voorzien, "vermijdt aldus beschaduwde hoeken en maakt een progressief blootstellen aan het zonlicht mogelijk". De moestuin is nog steeds in gebruik. Zoals in de meeste tuinen uit het begin van de 19de eeuw werd te Marke een ijskelder gebouwd (1834) die fungeert om ijs uit de vijvers te bewaren voor de komende zomer. De bijgebouwen werden in de loop van de 19de eeuw gebouwd. De orangerie met wintertuin, met de typische ramen, dateert van 1810; de paardenstallen en het hoveniershuis rond 1840, de koetshuizen van 1880. In de bijgebouwen werden het omvangrijk familiearchief en de indrukwekkende bibliotheek van de familie ondergebracht. In het bijzonder is het minutieus bewaarde archief van Jean de

M&L

Béthune als onschatbare bron van informatie voor de studie van de neogotiek te vermelden, benevens boeken en tijdschriftenreeksen over de Vlaamse geschiedenis en oudheidkunde, en talrijke bibliofiel waardevolle stukken. De bibliotheek en het archief staan open voor externe onderzoekers. Kasteel en park worden daarenboven regelmatig opengesteld voor het grote publiek. Het geheel van het kasteeldomein van Marke is zeker niet zo indrukwekkend als de meeste kastelen en parken uit ons land. Maar gelegen in een streek waar de economische expansie en de werklust van de bevolking nog maar weinig plaats aan de natuur over laat. mag het een wonder heten dat een dergelijk ensemble meer dan 200 jaar is blijven bestaan zonder noemenswaardige wijzigingen. Kasteel en park hebben hun oorspronkelijk concept en uitzicht in zeer grote mate weten te behouden. Hierdoor is het kasteel van Marke een uniek tijdsdocument dat ons een blik gunt op het leven van een welgestelde familie aan het begin van de 19de eeuw.

Dit is te danken aan de familie die het onafgebroken bewoond heeft en die ingestaan heeft voor het permanent onderhoud en hierdoor tradities heeft weten te bestendigen. Deze eeuwenlange particuliere inspanningen indachtig en ter vrijwaring van het geheel heeft de huidige eigenaar, Emmanuel de Béthune, recent beslist het kasteel met aanhorigheden en park met omgevende gronden, onder te brengen in een stichting waardoor versnippering via vererving onmogelijk wordt gemaakt.

OOSTKAMP (Moerbrugge), de restauratie van het landgoed Blauw kasteel Het landgoed Blauw Kasteel is een site met walgracht en heeft een opper- en neerhof. Het woonhuis presenteert zich op een motte die omwald werd met een indrukwekkende slotgracht. De woning is samengesteld uit een woontoren met externe traptoren, beiden daterend uit de eerste helft van de 16de eeuw. In een latere fase werd de woontoren uitgebreid met een annex en enkele kleinere constructies. Qua materiaalgebruik en architectuurtypologie komen de woon- en traptoren overeen met de stedelijke Brugse architectuur uit de 16de eeuw. Het neerhof wordt gedomineerd door een grote schuur met stallingen uit 1821. De gebouwen hebben in de loop der eeuwen sterk geleden onder menig oorlogsgeweld, verwaarlozing en onaangepast gebruik. De uitgevoerde restauratie betekent dan ook de redding en een herwaardering van dit vergeten landgoed, waarbij de herbestemming teruggrijpt naar de oorspronkelijke residentiële functie. In 2000 startte het uitgebreid vooronderzoek, opgesplitst in een grondige analyse in situ, een omvangrijke archivalische studie en archeologische opgravingen. Na enkele instandhoudingswerken in 2001 werd in 2002 begonnen met de eigenlijke restauratie van het opperhof. De uitvoering van het landschapsontwerp werd opgestart begin 2003; de restauratie


B 1 N N E N K R A N T

van de woning werd beëindigd begin 2004, de restauratie van de schuur en stallingen in hetzelfde jaar voltooit het project. De archeologische opgravingen brachten enkele bijzondere vondsten aan het licht zoals het authentieke profiel van de slotgracht met restanten van een houten brug, diverse bouwmaterialen, restanten van luxueus aardeen glaswerk en scherven uit onder meer de pre-Romeinse en Romeinse periode. Een gedreven groep vrijwilligers realiseerde dit monnikenwerk. Tijdens het vooronderzoek werd in de woontoren een muurschildering a secco ontdekt. Omwille van het uitzonderlijk kunsthistorisch belang werd beslist om de restanten van de muurschildering en de twee geïncorporeerde hoofden in stucwerk integraal te restaureren. De vroegrenaissancistische rankenschildering en de bas-

reliëfs werden harmonieus geïntegreerd in het interieur. Voor de restauratie van het woonhuis werd gestreefd naar een maximaal behoud van de oorspronkelijke materialen, in het bijzonder van het baksteenmetselwerk, de houten balklagen en de kapconstructies. Hierdoor werd een geslaagd resultaat bekomen op gebied van historiciteit en integratie van een hedendaagse architecturale vormgeving.

vooronderzoeken de basis vormden voor het ontwerp van de restauratie van het woonhuis, de schuur met stallingen en de onmiddellijke landschappelijke omgeving. Het restauratieproject van het landgoed Blauw /Casfee/weerspiegelt dan ook de zeldzame, intensieve en geslaagde samenwerking tussen privé-eigenaar, architect, bouwhistoricus en een multidisciplinair onderzoeksteam.

Het concept van de tuin- en landschapsarchitectuur speelt via enkele hedendaagse ingrepen een subtiel spel met de aanwezige historische relicten van het landgoed. De hoogstamboomgaard, het stelsel van haagpatronen, weiden en grachten karakteriseren de specificiteit van de site binnen haar rurale omgeving. Het totaalconcept getuigt van een globale aanpak, waarbij uitgebreide

1VI&L


M&L

citaat

Het Belgische Landschap laten wij het ronduit zeggen: de schoonheid van ons land wordt miskend. Andere, meer uitgesproken, samengesteld uit an tithesen, uit schokkende massa 's, wier gewicht u den adem doet stokken, kunnen teruggebracht worden tot cijfers, tot abstracties, zonder dat zij de eigenschap u te ontroeren, verliezen. Wanneer men u zegt: 'Het hoogste punt van den Mont Blanc is 4.810 meter, de Niagara valt 47 meter loodrecht in de diepte en verplaatst 6.000 kubieke meter water per seconde', is dat genoeg. Een foto, een zwart-witte reproductie geven deze grootte, deze contrasten weer: zulke natuurtaferelen overweldigen u. Dit is niet het geval met België. Zijn bescheiden gratie, weinig opvallend en om zoo te zeggen immaterieel, is wat ik graag zou willen noemen een gratie voor gevoelige, gedistingeerde menschen; een gratie die wil dat men haar ontdekt. Zij verafschuwt het zich op te dringen, zooals die vrouwen van goeden huize, die in de schaduw gesteld worden door opzichtig geschminkte dames, doch wier subtiele charmes des te meer hén boeit, die er gevoelig voor zijn. Uit: Beelden van België, uitgegeven door het Ministerie van Openbaar Onderwijs, Brussel, 1938.


ving. Waar de twee valleien samenkomen, staat aan de tand van de tivietvlakte het kasteel van Ruilingen. Andetzijds wotdt het reliëf hier bepaald door de uitlopers van de getuigenheuvel (2) van Borgloon, die met zijn top van kleiig substraat boven de omgeving uittorent. Ook wel het Massief of nog het Plateau van Borgloon genoemd, vormt hij de waterscheidingskam tussen het bekken van de Herk en het deelbekken van haar belangrijkste zijtak, de Mombeek. In alle richtingen vertoont de heuvel sterke denivellaties en vrij steile randhellingen als gevolg van de intense erosie, zoals hier door de bovenloop van de Rullingenbeek. De twee armen, die de bovenloop vormen, omsluiten één van de zijdelingse uitlopers van de heuvel als een smal interfluvium. Op de noordelijke rand daarvan staat het kerkje van Kuttekoven. De Ferrariskaart (3) echter kent de beek een onwaarschijnlijke klim over het interfluvium ten zuiden toe, terwijl er volgens Vander Maelen (4) zelfs geen waterloop voorkwam. De preciezere bundergeldkaarten van Herkenrode (5) stemmen beter overeen met de recentere topografische plannen, hoewel de oostelijke beekarm toen een heel eind korter was.

Bij afnemende hoogte worden steeds oudere, tertiaire lagen in de ondergrond aangetroffen (6). In de rand omheen de top van de heuvel van Borgloon zijn dat weinig doorlaatbare klei- zowel als zandafzettingen. Het overgrote deel van de omgeving - evenals van de beekvallei — echter wordt ingenomen door beter doorlatende zanden, met wisselende kleigehaltes. Voor een goed begrip van het reliëf moet de weerstand van de verschillende lagen tegen erosie voor ogen gehouden worden. Door de afwisseling van hardere klei- en zachtere zandlagen ontstond immers een reliëf dat vanaf de heuveltop trapvormig daalt. Zo komen in de randzone van de heuvel van Borgloon ook twee minder opvallende toppen voor, die kleiige restanten bevatten. Zij zijn gesitueerd ter hoogte van hoeve De Klee en noordelijk daarvan op het Keelveld. Het toponiem SintJansdelle slaat vermoedelijk op het noordoostgerichte, ondiepe droge dal tussen de twee. Het Pegelveld echter bezit een top op zandige formaties. Kwartaire leemafzettingen bedekken het geheel. Zuidwaarts van Borgloon neemt de tophoogte van de leemplateaus toe en de versnijding door riviererosie geleidelijk af. De noordelijke rand van de getuigenheuvel daarentegen wordt wel eens beschouwd

De beek ter hoogte van Oe Bnel tussen Kuttekoven en Ruilingen: een opmerkelijk tracé in een vlakke dalbodem tussen asymmetrische dalwanden (foto 0. Pauwels)

M&L


als een steilrand die samenvalt met de overgang van Midden- naar Laag-België (7), hoewel die laatste ook verder noordwaarts ter hoogte van de Demervallei kan gesitueerd worden. Het talud vormt niettemin een ruimtelijk landschapskenmerk van bovenlokaal belang en biedt panoramische zichten in verschillende richtingen.

Van bron tot beek De natuurlijke bronnen ontspringen in de randen van de heuvel van Borgloon, veelal op het niveau van de zogenaamde Henis Klei, zodat hier sprake is van een bronhorizont (8). Bovendien bezitten enkele zijvalleien van de Rullingenbeek gronden op kleiig of lemig substraat met een geringe natuurlijke doorlaatbaarheid en als gevolg daarvan een opgehouden watertafel. Waterafvoer gebeurt langs (tijdelijk) natte loopjes, ook wel zouwen genoemd, en grachten. Bronnen en zijdalen vormen zo de verschillende aanzetten van de vertakte bovenlopen van de beek. De bronweiden van de oostelijke arm zijn door de recente aanleg van de omleidingsweg N754 enigszins verstoord, terwijl ook een diepe, grote vijver er de natuurlijke afvloeiing onderbreekt. Een eind stroomafwaarts situeert zich ten oosten van de beek een breed zijdal, doorsneden door de opgehoogde spoorwegberm. De bundergeldkaart duidt het als het Hombroek aan, elders en in ruimere zin wordt het ook wel het dal van de Klee genoemd. O p de zachte helling ten noordwesten ervan voeren grachten het water van enkele bronnen naar de beek. Zij behoren totdesitevanhetvoormaligeHerkenrodehof, waarover hieronder meer. De westelijke beekarm daarentegen ontspringt ten zuiden van de kerk in een steilwandig bronamfitheater. De beekvallei bezit er een vlakke dalbodem, net als ook voorbij de samenvloeiing van de bovenlopen. Daar is op de zuidelijke helling nog een opvallende, smalle nevenvallei ingesneden, ook gedwarst door de spoorwegzate en met dalhoofd op ca. 75 meter in de heuvelrand. De Ferrariskaart laat het zijdal niet zien, in tegenstelling wederom tot de bundergeldkaart en de 19 e eeuwse en latere kaarten, waarop het staat opgetekend als het Weynbroek. Daarnaast komen nog enkele minder opvallende droge dalen voor, die naar Rullingenbeek of Herk voeren. Tenslotte zou het toponiem Sint-Jansdelle, behalve de bovenstaande, geomorfologische verklaring, ook kunnen wijzen op de vroegere aanwezigheid van een bron, in het dalhoofd van de Keelweide richting Herk. Opmerkelijk is het duidelijk asymmetrisch dwarsprofiel van de beekvallei: de dalwanden met een oriëntatie variërend tussen het zuiden en het westen vertonen duidelijk steilere hellingen dan die naar het

noorden en naar het oosten gericht. De asymmetrie kan ook in de kleinere dalen worden teruggevonden en is belangrijker naarmate het dal dieper is ingesneden. De oorzaken hiervan kunnen erg verschillend zijn, maar worden vooral gezocht in een differentiële insolatie (9). Tijdens het door ijstijden gekenmerkte Pleistoceen (1 a 3 miljoen jaar tot 10.000 a 15.000 jaren geleden) had dat een verschil in solifluctieactiviteit (10) tot gevolg, waardoor de westelijke en zuidelijkehellingenwerdenafgevlakt. Asymmetrische lössopvulling kan bovendien de dalasymmetrie nog versterkt hebben. Door hun herkenbaarheid en onverstoord voorkomen getuigen de beekvallei en dalen hier van de periglaciale (11) landschapsgenese.

Holle wegen en taluds Ook cultuurhistorische invloeden hebben bijgedragen tot de vorming van het huidige reliëf. Loodrecht of schuin op de hellingen lopen holle wegen. De Kuttekovenstraat bijvoorbeeld ligt diep ingesneden in het interfluvium tussen de twee armen van de bovenloop van de Rullingenbeek. Met een nagenoeg haakse bocht slingert zij zich rond de kerk. Evenals de Kleestraat, die de beekvallei dwarst, is zij over de gehele breedte verhard en zijn de huidige wegkanten wellicht gedeeltelijk gevormd door wegenwerken. Niettemin bezit zij door haar diepte ten opzichte van de omgeving nog de geborgenheid die holle wegen veelal typeert. Ook de veldwegen richting Herkvallei zijn op delen van hun tracé holle wegen. Voorbeelden daarvan worden besproken onder de titel "Elementen van transport en infrastructuur". Cultuurtaluds of graften zijn veelal parallel aan de hellingen georiënteerd. Zij situeren zich voornamelijk op de valleiranden van de Rullingenbeek en zijn al terug te vinden op de 19 c -eeuwse topografische kaarten. Behalve op fysische processen gaan zij eveneens terug op menselijke factoren. Obstakels, zoals een begroeiing met hagen of heggen, gingen de afspoeling van leem vanuit de aangrenzende akkers tegen en hadden een erosiewerende en veekerende functie. Daarnaast ontstonden de vaak steile taluds mede door de hellingafwaartse grondverplaatsing op de boven- en onderliggende percelen, often gevolge van de insnijding door paadjes of wegen. Soms werden zij zelfs - ook haaks op de hellingen - tot stand gebracht door plaatselijke afgraving van leem, zogenaamde terre-h-briques voor gebruik als bouwmateriaal (12). Dat laatste kan hier het geval zijn ter hoogte van de Kleestraat, waar de taluds opvallend overeenkomen met de grenzen van enkele voorheen met boerderijen bebouwde percelen en de langslig-


•4 Cultuurtaluds of graften tegen de dalflank van de Rullingenbeek (foto 0. Pauwels)

gende tuinen en boomgaarden. Verder richting De Briel zijn langgerekte graften duidelijk zichtbaar als knikken in het reliëf, terwijl een gedeelte van het bovenliggende akkerland werd omgezet in boomgaarden of weilanden. De dalflanken van de bovenlopen van de beek vertonen eveneens dergelijke cultuurtaluds, soms nog gepaard met de restanten van een paadje. O p de valleihelling van de Herk worden ook enkele aan de voet geflankeerd door veldwegen, terwijl in Ruilingen een talud de scheiding vormt tussen de beekvallei en de akkers van het Widdingenveld. Hoewel sommige van de cultuurtaluds hun begroeiing of functie verloren hebben, blijven zij ook als reliëfvorm van betekenis. Onbeschermde akkers echter tonen na hevige regens vaak diepe erosiegeulen. Niveauverschillen kunnen daarnaast ook door ophoging ontstaan. Dat is mogelijk ten dele het geval voor de taluds achter de kerk en voor dat aan de overtuin van hoeve De Klee. Andere voorbeelden zijn de spoorwegberm en, minder fraai, de recente aanvullingen met bouwpuin en/of grond op twee percelen langs de oostelijk bovenloop van de beek.

Door hun ligging langs de spoorwegzate respectievelijk de omleidingsweg, is de visuele verstoring in beide laatste gevallen echter beperkt.

Bodem: droog en nat Tenslotte heeft ook de in-cultuur-name zijn stempel gedrukt op de ontwikkeling en het huidig voorkomen van de bodems. Niet alleen werden zij door het wegnemen van het oorspronkelijke loofbos aan erosie blootgesteld, maar ook de bodemkenmerken werden gewijzigd. Kuttekoven ligt in het noorden van de Leemstreek, nabij de overgang naar de verder noordwaarts en lager gelegen Zandleemstreek (13). De bodemkaart (14) laat bovendien een patroon van slierten en vlekken zien, dat het onderscheid tussen plateau- en hellinggronden en vallei- en depressiegronden weergeeft. Van belang is ook de waterhuishouding van de gronden, vermits die, zoals verder beschreven, in grote mate het landgebruik heeft bepaald. De eerstgenoemde groep, de plateau- en hellinggronden, zijn hier veelal van nature goed gedraineerde, diepe leemgronden met profielontwikkeling. De grondwatertafel bevindt er zich op een grote diepte.

1VI&L


De laatstgenoemde ondervetdeling, de vallei- en deptessiegtonden, zijn opgebouwd uit colluviale of alluviale sedimenten op lemig materiaal, vrij dik (> 80 cm) en zonder profielontwikkeling. Het colluvium is afgezet in droge dalen en langs taluds, wegen of valleihellingen, die aansluiten bij de hoger gelegen leemgronden, en heefteen iets minder goede waterhuishouding. In de valleidepressies daarentegen ligt de grondwatertafel ondiep, wat zich weerspiegelt in de alluviale bodems. De vallei van de Rullingenbeek en het Weynbroek bevatten matig gleyige (15) gronden, terwijl in het dal van de Klee en langs de Herk respectievelijk sterk en zeer sterk gleyige gronden met reductiehorizont voorkomen. De bodemkaart toont bovendien enkele vlekken van klei-, zandleem- of stenige leemgronden, onder andere in de hellingen ten zuiden van hoeve De Klee en van het Pegelveld. Zij gaan terug op ontsluitingen, waar de leemlaag grotendeels is weggespoeld of-gegraven.

BOUWKUNDIG ERFGOED, NEDERZETTINGSGEOGRAFIE EN ARCHFOIOGIF nr.) Van prehistorie ... Rond Borgloon kwam de vroegste nederzettingsgeschiedenis reeds zo'n 7000 jaar geleden op gang. De periode vanaf 2500 jaren geleden was landschappelijk van grotere invloed. Vermoedelijk kwamen rond de landbouwenclaves reeds aanzienlijke ontbossingen voor. Ook in de Gallo-Romeinse tijd kende de omgeving een vrij belangrijke bewoningsactiviteit. Borgloon was gelegen op een kruispunt van heerbanen en op de strategische heuvelsite werden de grondvesten van een castellum romanum teruggevonden. In verschillende deelgemeenten van Borgloon werden getuigen van het Romeinse verleden aangetroffen, zoals de restanten van tumuli en villa's, of worden sporen van de toenmalige landindeling vermoed. De Romeinse aanwezigheid werd in Kuttekoven bevestigd door de vondst van bouwresten aan de kerk en glazen flessen, die aanzien worden als een grafgift. Tevens zou de basis van het percelerings- en wegenpatroon — zuidwest-noordoost gericht - toen gelegd kunnen zijn, of zelfs nog vroeger in de pre-Romeinse periode.

... tot middeleeuwen De oudste vermeldingen van Kuttekoven gaan terug tot de 12 ck '-13 de eeuw (Condechoven 1139, Cutinchoven 1212 en 1213, Cotinchouen 1213, Cotengenen 1298). In het feodale stelsel was het een

Loonse heerlijkheid, in de 1 3 t e eeuw genoemd als residentie van de ridders van Kuttekoven, vazallen van de graaf van Loon. Niettemin kan verondersteld worden dat het als nederzetting reeds in de FrankischMerovingische periode bestond. Etymologisch (17) wordt het immers verklaard als "nederzetting van de onderdanen van Kutto", waarbij de uitgang—hove(n) betrekking heeft op boerderij of hof. Dergelijke namen worden in verband gebracht met de latere vestigingsfase van de Franken in de 7 L eeuw (18). Zij verwijzen naar plaatsen aan de rand van bossen en moerassen, op de oude grote domeinen, van waaruit de ontginning opnieuw ter hand werd genomen. De namen van het naburige Berlingen en Widdingen (woonplaats van de lieden van Berilo, Wido) gaan daarentegen terug op eerdere vestigingsgolven van Franken, mogelijk vanaf de 5de eeuw. Tot dezelfde groep kan ook Ruilingen gerekend worden. In elk van deze gevallen lijkt de nederzetting geleid te hebben tot een middelgroot domein van hooguit 100-200 hectaren, eigendom van een familie uit de krijgsaristocratie, waarop enkele tenures (19) voorkwamen met verplichtingen voor de horige of (half)vrije boer. Bovendien is het mogelijk dat het l ste lid van de dorpsnaam (de stam Kutto-) teruggaat op een oudere, Keltische vestiging (20). De aanwezigheid van water was alleszins bepalend voor de keuze van de woonplaatsen. Terwijl Borgloon strategisch op een heuvel ligt, bezitten de meeste van de omliggende dorpen een dalsite. Voor Kuttekoven is dat het valleitje van de Rullingenbeek. Tegelijk vormde zo'n plek een natuurlijke bescherming tegen de wind.

Parochie en kerk Sint-Jan-de-Doper Aanvankelijk bezat de graaf van Loon ook het begevingsrecht en de tienden van de kerk van Kuttekoven. In de 13de eeuw echter kwamen zowel het tiendenals het patronaatsrecht door achtereenvolgende schenkingen en verkopingen in het bezit van de abdij van Herkenrode. Onder de parochie Kuttekoven ressorteerden aanvankelijk ook de dorpen Gotem (tot 1252) en - gedeeltelijk - Voort. De parochiekerk Sint-Jan-de-Doper staat op het smalle interfluvium tussen de twee bovenlopen van de Rullingenbeek, terwijl de Kuttekovenstraat er in een haakse bocht omheen is ingesneden. Het gedeeltelijk omhaagde kerkhof is vanaf de straat bereikbaar langs een hoge, stenen trap. Een tweede toegang bevindt zich voorbij de bocht hogerop. Enkele stenen grafkruisen uit de 17 dc -18 de eeuw en de sobere aanleg versterken het authentieke karakter van de site. Opmerkelijk zijn een oude buxus en levensbomen. De achterzijde geeft uit op het valleitje van de wes-


•*

De kerk in een archetypisch beeld van de fruitstreek als traditioneel landschap (foto 0. Pauwels)

HHHHH

•f :

:

'

•,

•

HHiHBH

telijke beekarm. De overgang naar het dal verloopt langs een eerste, recht talud en dan, in spiegelbeeld van de kerksite, langs een halfcirkelvormig talud. Die opvallende verschijningsvorm doet op het tussenliggende perceel een vroegere motte of anderszins kunstmatige hoogte vermoeden. Met zijn laatRomaanse westertoren, sinds 1935 beschermd, is het kerkje bepalend voor het dorpsbeeld. Vanuit

beide valleitjes van de Rullingenbeek gezien, priemt het uitnodigend boven de flankerende hellingen. Ook vanuit verschillende hoeken op de omliggende leemplateaus is het reeds van ver zichtbaar en vormt het een baken, waaronder de rest van het dorp zich verschuilt. Zo vormt het een vertrouwd oriëntatiepunt, slechts door de spoorberm op korte afstand aan het oog onttrokken.


Over laathoven en cijnshoeven O p het grondgebied van de gemeente bevonden zich in de middeleeuwen verschillende laathoven. Het laathof van Cuttecoven werd in 1290 eveneens gekocht door de abdij van Herkenrode. Dergelijke aankoop hing samen met het streven naar zelfredzaamheid van de cisterciënzerorde. Grondeigendom en bijhorende inkomsten waren immers noodzakelijk met het oog op economische zelfstandigheid, maar leidden tevens tot een aanzienlijke rijkdom. Sindsdien wordt de hoeve het Hof van Herkenrode genoemd, of zoals in de kadastrale registers van Meysman de winninge van Cuttecoven. O p de bijhorende bundergeldkaart wordt het weergegeven als een omvangrijk gebouwencomplex, dat gedurende meerdere eeuwen werd uitgebaat door de Loonse familie Pauli en haar nazaten. Ook Ferraris toont een zeer grote hoeve. In 1797 werd het geheel geconfisqueerd, nadien verkocht en later afgebroken. Nog in de jaren 1930 stonden de ingangspoort en een aantal muren overeind. De funderingen zijn nog steeds aanwezig en de ingesneden oprijlaan vanuit de Kleestraat is nog zichtbaar. De archeologisch waardevolle site situeert zich halverwege tussen de

rd

M&L

Vergane glorie van

het bunder-

een rijk verleden.

geld-kaartenboek

(uit het kadastraal

van Herkenrode.

register van

1669-85,

kerk en de hoger gelegen hoeve De Klee. De verdwenen abdijwinning wordt wel eens genoemd als of verward met de voorloper van De Klee. Die laatste wordt door Ferraris vermeld als cijnshoeve (Cense den Klein) en zou eveneens bezit van de Herkenrodeabdij geweest zijn. Nochtans wordt zij op de bundergeldkaarten niet als eigendom weergegeven. Zij staat aangeduid als Den verlooren cost, terwijl de overzijde van de Kleestraat als op die Cleij wordt beschreven. Mogelijk is de hoeve dezelfde als één van de voormelde laathoven, hoewel haar centrale ligging in het plateau veeleer kenmerkend is voor een latere vestiging. Ook het soms voorkomende alias Oude Winning, als aanduiding voor het Herkenrodehof, zou in dat verband betekenis kunnen hebben. De abdij van Herkenrode heeft hier in elk geval tot de Franse tijd zeer veel invloed gehad (21). O p het einde van het Ancien Régime was zij met circa 124 hectaren de eigenaar van meer dan de helft van het Kuttekovens grondgebied. De vestigingskeuze van beide hoeves is wellicht mede te verklaren door de plaatselijk kleiige en landbouwkundig minder interessante ondergrond. De bena-


^PT^

PP

::

• ^ 4Ui *:'. .••V»»-

'

^

•

;

,

"T^S

W

nt*.

'T'r*

»

ut»"-

Hoeve De Klee met de in de 19* eeuw

ming De Klee (vroeger De Clee) is trouwens door de aanwezigheid van klei te verklaren, terwijl La Clée en La Clef als loutere verfransingen te beschouwen zijn. De Klee was bovendien een hoog en strategisch gelegen site. Het lag aan een - ooit met een solitaire boom beplant - kruispunt van wegen, in de hoek tussen de Kleestraat en de - nu verdwenen Kleesteeg. Het Hof van Herkenrode daarentegen vond aan de rand van het Hombroek enige beschutting. In die buurt heeft wellicht ook de aanwezigheid van bronnen meegespeeld. Zowel kadastrale (22) gegevens als de latere kaarten van Vander Maelen en het Depot de la Guerre (23) tonen ten zuiden van het Hof nog een grachtenstelsel, dat aansloot op en met één zijde zelfs deel uitmaakte van de beek. O p de bundergeldkaart is bovendien goed te zien hoe het werd gevoed met bronwater, dat hogerop

werd opgevangen in twee poelen en verder afgeleid. Het heeft wellicht tegelijkertijd gefungeerd als de omgrachting van een - althans begin 19 c eeuw formele tuin zowel als ter ontwatering van de drassige omgeving. Door de aanleg van de spoorlijn is de zuidelijke helft ervan verdwenen, terwijl de perceelsvormen ten noorden op de kadasterkaart en - niet zonder enige moeite — slechts gedeeltelijk ook ter plaatse herkenbaar zijn gebleven. De bodemkaart duidt de omgeving van beide goederen overigens aan als vergraven terreinen.

tot Oioteou la Clee verbouwde woning. Op de voorgrond het park van het

latere kasteel (foto 0. Pauwels)

Hoeve en kasteel De Klee O p de meeste kaarten van de 19 c en begin 20 stc eeuw wordt hoeve De Klee als Chateau La Clée aangeduid. De — in kern 17 '-eeuwse — woning was immers uitgegroeid tot een kasteeltje. Bij de verbou-

M&L


Blikvanger in het landschapsbeeld: het pas in 19041907 opgerichte

kasteel Oc Rlce (foto K. Vandervorst)

wingen tot een uiteindelijk gesloten complex met hoeve en kasteel werden elementen van het Hof van Herkenrode herbruikt. Aan de straatkant valt het gebouw op door zijn blinde buitenmuren, de inrijpoort en duiventil. Ertegenover ligt een tuin, op een nog met primitief nummer gekadasteerd perceel. Het inrijhek, de oude bomen en de smeedijzeren restanten van een tuinprieeltje herinneren aan een voormalige functie als herenboerenparkje. Voordien was het volgens kadaster en Ferrariskaart een omhaagde boomgaard. Achteraan vormt een recht talud de overgang naar de ondergelegen akkers. Een moestuin bevond zich oorspronkelijk ten zuiden van de hoeve. Noordelijk staat het pas in 1904-1907 opgerichte, residentieel kasteel De Klee. Rond het centrale, eclectische herenhuis ligt een parkje van ongeveer 2 hectaren in landschappelijke stijl (24). In functie daarvan werd de vroegere Kleesteeg ingenomen en met de aangrenzende percelen samengevoegd. Het park heeft twee toegangen vanaf de straat, waar het wordt afgesloten door hekwerk en waar ook een brede bomenrand als scherm fungeert. Aan de noord-, oost- en zuidzijde heeft het een meer open karakter met begeleide zichten op de omgeving. Het kasteel vormt vanuit die richtingen een goed zichtbare blikvanger, terwijl de hoeve langs die zijden opvalt door zijn volume en imposante schuur-

1V1&L

poorten. In elk geval beheersen de gesloten hoeve en het groen-omkaderde kasteeltje met zijn ingebouwde toren het open landschapsbeeld op het omliggende plateau.

Ruilingen O p de valleiflank van de Herk daarentegen, vlakbij de Rullingenbeek, is het voormalig residentieel-agrarisch kasteeldomein van Ruilingen beeldbepalend. Met de nabijgelegen Nieuwe Molen vormde het een gehucht van Borgloon, maar was steeds sterk gericht op Bedingen. Oorspronkelijk was het een Loons domein. Het kasteel, dat wellicht uit een motteburcht ontstond, is sinds 1978 beschermd als monument, de onmiddellijke omgeving als dorpsgezicht. Het domein van circa 12 hectaren groot werd door de provincie Limburg verworven en voor het publiek toegankelijk gesteld. Naast het gebouwencomplex en grachten omvat het een landschappelijke tuin met parkbos en thans ook een fructuarium. Het park bestaat verder uit graspartijen met enkele alleenstaande beuken, een variatie aan exotische boomsoorten, een vijver en oud hekwerk aan verschillende toegangen. Het domein vormt een duidelijk afgelijnde entiteit, die zich uitstrekt op de grens van de natte valleigronden en de vruchtbare leembodems. De Nieuwe Molen op de Herk was, samen


•4 Hoeve en kasteel De Klee met park, achter het Ruttckovenveld (foto F. Schlusmans)

met de Oude Molen verder stroomafwaarts te Berlingen, de banmolen voor de inwoners van Borgloon en Berlingen. Die laatste werd beschermd in 1993, is maalvaardig maar ontsierd door enorme bedrijfsgebouwen voor intensieve veehouderij.

Dorp en gehuchten, vroeger en nu In de buurt van Kuttekoven liggen nog twee aangrenzende gehuchten. Ten noordwesten, bij de Herk, strekt het oude Widdingen zich thans gedeeltelijk over Berlingen, gedeeltelijk over Kuttekoven uit. Het omvatte de Widdingenmolen en enkele hoeves. O p het grondgebied van Kuttekoven staat, afgelegen in het veld, enkel de Smeetshoeve, zo genoemd naar de familie die er in de 17 e eeuw woonde. In de Atlas van de Buurtwegen (25) staat zij vermeld als hoeve d'Ouwer en recenter is zij beter bekend als de Massonethoeve. Oorspronkelijk nog gesloten is zij na een brand L-vormig heropgebouwd, en thans gerenoveerd en aangepast in functie van een gewijzigde bestemming. Aan de andere kant van het dorp, op de zuidelijke grens met Borgloon, vormde Graeth een gehucht langs de oude verbinding tussen Borgloon en Sint-Truiden. O p de bundergeld- en Ferrariskaart heet het Graeten Dries. De aanleg en structuur ervan zijn sterk gewijzigd door latere verkeerswegen. O p de hoek met de Kuttekovenstraat

bevindt zich de hoeve Pexters, voormalige brouwerij. Het dorp zelf strekt zich aan weerszijden van de beek uit langsheen de Kleestraat en de Kuttekovenstraat. O p het kruispunt van beide wegen staat een bakstenen Onze-Lieve-Vrouwekapel (1907). Ten tijde van Ferraris was het dorpscentrum geconcentreerd aan de Kuttekovenstraat, waar zich ook de kerk en pastorie bevinden. De bewoning langs de Kleestraat was beperkt tot enkele hoeves aan de noordwestzijde en had een losser, meer verspreid voorkomen. Volgens de bundergeldkaarten was dat een eeuw eerder nog het geval voor heel het dorp. Dergelijk patroon, een hoopdorp zonder duidelijk centrum (26), getuigt van een gemeenschap die voornamelijk op akkerbouw steunde. Toch kan de nederzetting, gezien zijn Frankische of mogelijk nog oudere oorsprong, aanvankelijk ontstaan zijn als een losse groepering van hoeves rond een gemeenschappelijke weide. Ter hoogte van de wegsplitsing zou de Rullingenbeek daarbij als drinkplaats kunnen gediend hebben. In de Atlas van de Buurtwegen is het bewoningspatroon van eind 18 e eeuw maar weinig veranderd. Vander Maelen (27) telde medio 19 c eeuw 25 huizen en 124 inwoners. Het merendeel van de wonin-


geigenaars in Kuttekoven stond ingeschreven als dagloners. Zelfs in de verspreide hoeves is slechts sprake van enkele landbouwers, terwijl sommige gebouwen eigendom waren van inwoners uit Borgloon, die ze wellicht verpacht hebben. Een kleine aanbouw tegen de pastorie schijnt als gemeentehuis te hebben gediend. Als nevenactiviteit zijn er kleine siroopstokerijen geweest. Te Graeth worden naast verschillende boeren, waaronder de voormelde hoeve met brouwerij, onder andere dagloners, een herberg en klompenmaker genoemd. Ook in Widdingen, vlakbij de molen, lagen toen een branderij en brouwerij.

Vaklemen huizen komen echter niet meer voor of werden grotendeels verbouwd. Ook de andere gebouwen en aanhorigheden die als bouwkundig erfgoed worden beschouwd, bepalen zoals beschreven het landschapsbeeld. Gezamenlijk zijn zij dan ook te omschrijven als karakteristiek voor het ermee samenhangende landschap. Wat betreft archeologisch interessante sites moeten, behalve het Hof van Herkenrode, ook de domeinen De Klee en Ruilingen aangestipt worden, evenals enkele plekken op de omliggende droge leemplateaus. Onder andere wordt op het Widdingenveld een zone vermoed, die tot nader onderzoek te behouden is.

Eind 19 en de eerste helft van de 20 scc eeuw kende Kuttekoven vooral een uitbreiding langs beide zijden van de Kleestraat, ter hoogte van de spoorberm. Sommige daglonershuizen werden door een grotere woning met hoeve vervangen. Karakteristiek zijn de hoeves met boerenburgerhuis aan de straatzijde (nummers 10 en 11). Sindsdien is nieuwe bebouwing er eerder uitzonderlijk en viel het inwonersaantal met circa 100 mensen terug onder het peil van begin 19 c eeuw. Door zijn beperkte groei en de afwezigheid van enige industrie bezit het dorp nog een uitgesproken landelijk karakter. Het vestigingspatroon is nog grotendeels grondgebonden en in die zin traditioneel. De bebouwing is geconcentreerd op het onderste deel van beide valleihellingen en van het interfluvium tussen de twee bovenlopen. Zij ligt veelal op enige afstand van de beek in de overgangszone tussen de watergevoelige valleibodem en de drogere gronden. O p die manier bleven niet alleen de gebouwen van wateroverlast en vocht gespaard, maar werd ook het grasland in het dal en het akkerland op het plateau als nuttige landbouwgrond behouden. Samengevat kan Kuttekoven thans omschreven worden als een vrij compact, lineair geordend dorpje aan een kruispunt van twee wegen. Buiten enkele horeca-zaken is het voor alle diensten en handel aangewezen op Borgloon.

Vermeldenswaard tenslotte is ook het kasteel van Hulsbergaan deoverzijdevandeSint-Truidersteenweg in Hendrieken. Door zijn hoge ligging vormt het een gekende blikvanger. Ook de kerktoren van Borgloon steekt, vanop verschillende plaatsen gezien, boven de omgeving uit. Ten oosten springt dan weer de schouw van een oude stroopfabriek in het oog en markeert de stationsbuurt van Borgloon de horizon. In tegenstelling tot het landelijk gebleven Kuttekoven bracht het thans verdwenen station daar een aanzienlijke stadsuitbreiding teweeg en maakte het traditionele landschap er plaats voor nieuwe bewoning en industrie.

Karakteristieke gebouwen, blikvangers en archeologische sites Naast de voornoemde beschermde monumenten werden thans ook reeds de volgende gebouwen beschermd als monument, al dan niet met hun omgeving als dorpsgezicht: de kerk met kerkhofsite, de pastorie, de kapel, de hoeve en het kasteel De Klee en de hoeve annex brouwerij Pexters. Die architecturaal-historische selectie weerspiegelt tegelijkertijd de verschillende elementen die in grote mate het leven in de dorpsgemeenschap hebben bepaald en van waaruit het landschap werd geboetseerd.

TRANSPORT EN INFRASTRUCTUUR Spoorwegzate Eén van de meest opvallende landschapsingrepen in de omgeving was de aanleg van de voormalige spoorweg Tongeren - Sint-Truiden in 1878-79(28). Zoals in de vorige hoofdstukken werd aangehaald, gebeurde dat niet zonder invloed op de hydrografie, het reliëf en het dotpsbeeld. O m het hoogteverschil te overbruggen werd het spoor in de vallei van de Rullingenbeek immers in ophoging gebouwd. De lijn doorsneed het dorp van oost naar west, maar bezat er geen station. Door de artificieel opgehoogde spoorberm kreeg de beschutte ligging van het dorp in de beekvallei een sterk gesloten karakter en ging de samenhang althans visueel verloren. In 1957 reed de laatste reizigerstrein voorbij. De sporen werden in 1970-1971 opgebroken. De spoorzate werd door bomen en struikgewas begroeid en slingert zich thans als een groen lint door het dorp. De rondboogbrug over de Kuttekovenstraat versterkt het gesloten en pittoreske karakter van het dorp. De andere brug over de Kleestraat werd afgebroken, maar de resterende, smalle doorgang in de spoorwegberm symboliseert wel enigszins de overgang van


De spoorweg, gepland maar nog mei aangelegd, was hier één van de meest opvallende veranderingen, (topografische kaarten bladen 33/3-4-7-8. Depot de la Guerre, 1878)

T De smalle rondboogbrug over de Kuttekovenstraat (foto 0. Pauwels)

het open plateaulandschap naar de grotere beslotenheid van de beekvallei. Door haar rol in de commercialisering van de fruitteelt, hieronder beschreven, staat de spoorweg daarnaast ook bekend als de "fruitlijn" en bezit zij een sociaal-culturele waarde.

Langs wegen en paden De aanleg van de spoorlijn had vanzelfsprekend ook zijn invloed op het wegenpatroon rond Kuttekoven. Sommige kruisende wegen of paden werden een eind verschoven of geheel onderbroken. Langs de spoorberm ontstonden enkele langswegen, zoals die van het dorp naar het station van Borgloon, nu in gebruik als wandelpad. Sinds de ontmanteling worden korte delen van de spoorzate op hun beurt ook als veldweg of recenter nog als fietspad gebruikt. Voor het overige vertoont het wegenpatroon nog een sterke gelijkenis met dat uit vroegere eeuwen. Zoals ook vastgesteld voor enkele van de hierboven beschreven elementen lijkt de Ferrariskaart in sommige details minder accuraat, maar heeft het geheel reeds op de bundergeldkaarten vorm gekregen. Bovendien leveren de Atlas van de Buurtwegen en ook latere kaarten een getrouw beeld van de wegen en de talrijke voetpaden. Een aantal veldwegen is nog steeds onverhard. Hoewel sommige van de oude wegverbindingen mettertijd in onbruik raakten, zijn zij veelal goed herkenbaar. Meestal rest een smal pad.

M&L


Ê.*^1

Tegenover de voormalige pastorie eidt een wandelpad langs de met struweel begroeide spoorwegberm

,' •

'•

J'.

/.•^

T

,

': -%

•••-

'"'•• •:-'• ' . • ' . "'" •

•

. • / , ' , "

... '-.¥ j&ii'

••„-•-"••i

'

:

• -

-

««

If

Kl*-- ^ i

^

. r i : ^ 1|

'

..,' " v

'y-i

fg

~--wMl ^^^•f, fe

-

^

Kk.t

-^

i

1

(foto 0. Pauwels) %

•

>;.i**:5;:-,?

,. v^'

«Cl •*

p .

Vn 'è

.• •

-

^

•

•

'

•

.

i.,

•;

-•

• • 'If.. l ^ f c .

• -

*

- . - . . .

;

•vyiBfe^*' • -v""

iP^T./.; H--, ';•. Si i »^'' :

1^1

IKS'*'

.

#

••;• #

.

-

^

^

i

'

-

.

•

•

*

-V, Ij

t

•• ; • . . . /

» . _ . '

:

1

.

y •, )JV. •

•

-

•

-

•

• .' • "•

•

.

-••• •• -,-/,'

•

we •'

•

.

.,:,.

-i-k :

''

.i. ;

•

• • , • : .

¥•'

'

•

•':'. '-•

ff

«*

.

- .

-•

een holle sleuf, een begroeide strook, een opvallende berm, talud of perceelscheiding, waaruit hun ligging kan afgeleid worden. Slechts enkele werden ook juridisch afgeschaft en komen op de kadastrale plannen niet meer voor. Hetzelfde geldt voor de vroegere voetpaden, die nagenoeg "in vogelvlucht" over de percelen liepen als kortste verbinding naar de plaats van bestemming. Gezien hun bijdrage in de ontwikkeling en thans de beleving van het landschap bezitten de wegen en paden een historisch en naargelang het geval ook sociaal-cultureel belang. Het recreatief medegebruik uit zich in de vele fiets- en wandelroutes. De belangrijkste oude wegtracés worden daarnaast ook als archeologisch interessant aanzien.

Graeth en geeft uit op de voormalige verbinding van Borgloon naar Sint-Truiden. In 1819-20 werd de zogenoemde Ouwen Truierweg vanaf het kruispunt met de Kuttekovenstraat vervangen door de rechtlijnige, zuidelijker Sint-Truidersteenweg. Na de aanleg van de spoorlijn raakte de oude weg bovendien onderbroken en werd een thans breedverharde veldweg de nieuwe toegang vanaf de Kleestraat naar Ruilingen en Berlingen. Voordien waren zij evenals de Oude en de Nieuwe Molen te bereiken via het vijfarmige wegenknooppunt ten westen. Met Kuttekoven waren ze slechts verbonden door een voetpad. Een aftakking daarvan kwam uit langs de kerk, het andere deel liep naar Graeth.

Nog steeds zijn de toegangswegen naar het dorp de Kleestraat en de Kuttekovenstraat, thans verhard en wellicht breder. Zoals hierboven beschreven zijn beide op delen van hun tracé holle wegen. De Kleestraat dwarst van zuidwest naar noordoost de beekvallei. Vanouds leidt zij richting Gotem en Voort enerzijds en sluit anderzijds aan bij de uitvalsHet kerkje van weg van Borgloon naar Wellen, die recent werd kortKuttekoven.opde gesloten door de nieuwe omleiding N754. De

Het vijfarmige kruispunt op de Ouwen Truierweg had eertijds een bijzondere betekenis. Niet alleen kwamen hier de verbindingen naar de omliggende molens, dorpen en gehuchten samen, maar wellicht werd op deze plek ook recht gesproken of uitgevoerd. Het kadastrale register van Meysman duidt ze immers aan als bij de Justitie, terwijl in de Atlas van de Buurtwegen de hoek ten zuiden het Geregt wordt genoemd.

rand van de heuvel

, . .

i

•

i

•

n

-

van Borgloon Kuttekovenstraat ligt ingesneden in het interrluvium (foto 0. Pauwels) tussen de twee armen van de beek. Zij voert naar


11

-AA.


onderstrepen niettemin het economische en sociale belang van beide vestigingen in hun tijd. De verbindingen ten oosten verloren hun functie stilaan door de aanleg van de spoorweg, het park rond kasteel De Klee en recenter de omleidingsweg N754. Voordien ging bijvoorbeeld het langgerekte talud langs het Puthofveld nog gepaard met een wegeltje. Aan de overzijde van de Kleestraat, bijna in het verlengde van de oprit van het Herkenrodehof, liep de steeg van het Cuttecovenveld - zo genoemd door Meysman - uit op een handvormig vertakt kruispunt, dat tot de jaren 1950 nagenoeg ongewijzigd in gebruik is gebleven. Vandaar vertrokken de voornoemde "Molenweg" en een voetweg naar het vijfarmige knooppunt op de Ouwen Truierweg. De eerste bezat een verlenging richting Herten, terwijl de laatste De Klee met Bedingen verbond, nog herkenbaar aan de diepe sleuf richting beekvallei. Als weg primeert thans enkel nog de rechtdoorgaande aftakking naar de akkers op het plateau. De vroegere Holenweg: door het open akkerland naar Widdingen (foto 0. Pauwels)

De ligging van de wegen op de dalflanken van de Herk vertoont typische kenmerken. De voormalige afkorting tussen de Oude en de Nieuwe Molen, nog steeds als een talud zichtbaar, en de weg naar Ruilingen en Herten verlopen parallel met de Herk. Die langswegen situeren zich analoog met de vestigingsplaatsen ongeveer tussen de beemden en de vruchtbare leemhellingen. Zij worden in de natte valleigrond veelal langs het kortste tracé verbonden door dwarswegen, die uit het dal het plateau oplopen en vaak door erosie tot holle wegen zijn ingesneden. In het zuiden zijn dat de Ouwen Truierweg en zijn vertakkingen. Functieverlies dreigt echter wel eens te leiden tot het opvullen of anderszins geleidelijk verdwijnen van een holle weg. De verbinding tussen Truierweg en Oude Molen, door Meysman de "holstraete" genoemd, is daarvan een schrijnend voorbeeld. Ten noorden ligt de weg van Widdingen naar De Klee, op de bundergeldkaart de Molenweg genoemd. De aftakking naar het Herkenrodehof is nog kadastraal gekend als een voetweg met die naam. Hoeve De Klee en het Hof van Herken rode werden trouwens oorspronkelijk ontsloten door nog verschillende andere wegen en voetpaden. Thans leiden zij veelal een minder opvallend bestaan of worden overschaduwd door andere gebruiksvormen. Zij

M&L

Tot de vroegste verbindingswegen in het gebied worden op basis van verschillende factoren alleszins de Ouwen Truierweg en de weg naar Widdingen gerekend (29). Hun ouderdom is met zekerheid terug te leiden tot de middeleeuwen of vroeger. Zij verlopen volgens een zuidoost-noordwest gerichte oriëntering, gedwarst door de Kleestraat en de weg tussen Ruilingen en Widdingen. Zij zijn bijzonder goed ingepast in het kavelpatroon, terwijl de wegen of paden van jongere oorsprong dikwijls en zelfs meestal de percelen doorsnijden. Hierboven werd reeds gezegd dat de basis van dat patroon mogelijk teruggaat op het Romeinse kadaster. Anderzijds is ook de ruimtelijk-structurerende invloed van de Herkvallei bepalend geweest en kunnen sommige wegen evenzo eerder bestaan hebben of van recentere tijden dateren.

Werken met water De elementen van transport en infrastructuur behelzen ook de waterbouwkundige ingrepen. O p verschillende plaatsen vertoont de Rullingenbeek immers een onnatuurlijk tracé. Daar werd zij vermoedelijk via een gegraven bedding afgeleid of verlegd, of kreeg zij überhaupt op die manier haar ontstaan. Wat betreft fysische structuurkenmerken van een natuurlijke waterloop scoort zij dan ook inderdaad zwak (30). Voor een volledige historische reconstructie ontbreken op korte termijn voldoende gedetailleerde gegevens. Toch laat kaartstudie vermoeden dat verschillende wijzigingen reeds van hoge ouderdom zijn, terwijl de meest drastische, recentere ingrepen zich hebben beperkt tot aanpassingswet-


\

De oostelijke bovenloop van de Rullingenbeek met midden links een

ken en inbuizingen in de dorpskom en aan de wegen. Onder de spoorwegzate kregen beide bovenlopen een overkapping van metselwerk. Een deel van het huidige beektracé en de belendende percelen stemt nog duidelijk overeen met de 17 e eeuwse bundergeldkaarten. Toen reeds was de menselijke invloed op de beek groot. Zo vertoont zij sprongsgewijze verplaatsingen aan enkele perceelsgrenzen en wegen. Ter hoogte van het kasteel van Ruilingen had zij een nagenoeg rechte loop, die echter in de jaren 1920-30 een eind in zuidwestelijke richting werd verlegd en thans deel uitmaakt van de verruimde parkaanleg. Voordien viel de beek er samen met de gemeentegrens. O p de bundergeldkaart valt ook het ontbreken van het tracé ter hoogte van De Briel op. Bovendien was de oostelijke beekarm beperkt tot het Hof van Herkenrode, waar de rechtlijnige loop, zoals hierboven beschreven, gevoed werd door een grachtenstelsel. Vanaf de 19 e eeuw echter worden zowel de rest van de oostelijke bovenloop als het deel in De Briel op de kadastrale plannen aangeduid als Vloedgracht, respectievelijk

Vlootgracht (fossé in de Atlas der Buurtwegen). Dat gegeven lijkt alleszins aan te duiden dat de beek er met het oog op een beter beheersbare waterafvoer een - kunstmatige - bedding heeft gekregen. Tussen het dorp en De Briel werd later bovendien een tweede, parallelle loop aangelegd, die evenals de oorspronkelijke beek met een haakse bocht op de Vlootgracht werd aangesloten en mogelijk teruggaat op reeds eerder bestaande kavelsloten. Dat alles wijst niet enkel op een actieve waterbeheersing maar mogelijk ook op het gebruik van bevloeiingstechnieken in grasland (31). Naast de kaartgegevens werden daarvan echter nog geen andere aanwijzingen gevonden.

nieuw aangelegde poel. Erboven zijn cultuurtaluds zichtbaar als knikken in het relief (foto 0. Pauwels)

Ongetwijfeld is in hetzelfde verband de hoeveelheid bronnen en andere drassige plekken vroeger groter geweest dan die hierboven opgesomd van waaruit de beek thans gevoed wordt. In de loop der eeuwen werden zij ten behoeve van (traditionele) landbouw ontwaterd door zouwen en grachten of recenter door moderner drainagetechnieken. Ook als gevolg van de genoemde infrastructuurwerken werden een aan-

M&L


tal ervan in een keurslijf gedwongen. Hier en daar zou overigens in het microreliëf een drooggevallen bron met een aansluitende greppel kunnen herkend worden, of is een niet meer gebruikte poel langs de beek verland en dichtgegroeid. Niettemin bestaan nog tal van bronzones waarvan het water zich in een laagte of al dan niet uitgediepte poel verzamelt. Evenzo komen langs de beek nieuw aangelegde poelen voor, of werd hier en daar de bedding soms vijvervormig verbreed.

T Het prille boomgaardenlandschap ten tijde van Ferraris. (Kabinetskaart van de Oosiennikse Nederlanden, bladen

O p verschillende tijdstippen werden ook andere grachten gegraven. Zij verander(d)en gemakkelijk van ligging of voorkomen, afhankelijk van eigendomsgrenzen, het ploegen van de landbouwer, of een overbodig bevonden of verwaarloosd onderhoud. De bundergeldkaarten tonen twee later verdwenen vloedgrachten in de Sint-Jansdelle en op de aansluitende valleihelling. Het tracé van die laatste lag langs het voetpad van Herten naar Kuttekoven en was tot de jaren 1950 en mits enige moeite nog herkenbaar aan een resterend talud. Tegenwoordig zouden op onbeschermde akkers, bijvoorbeeld maïsvelden 's winters, in de omgeving wel eens erosiegeulen zichtbaar zijn. Vanaf de 19 t eeuw vermelden kadasterplannen de nog deels bestaande vlootgracht vanaf hoeve De Klee in zuidoostelijke richting, terwijl daar recenter een brede geul centraal achter de hoeve en een gracht ter hoogte van de voormalige Kleesteeg aan toegevoegd werden. Bermgrachten

QI6-OI6, 1771-78,

tenslotte verzekeren de waterafvoer langs de doorgaande wegen naar Bedingen en Widdingen, zelden langs landbouwwegen. Ook kavelsloten zijn eerder schaars. De meeste van deze grachten vallen in de zomer droog.

ELEMFNTEN EN PATRONEN VAN LANDGEBRUIK iW Het gebied rond Borgloon staat bekend om zijn oude cultuurgronden. In 1834 werd in het gelijknamige kanton slechts minder dan één procent van het areaal nog als woeste grond geregistreerd. Het overzichtsbeeld dat Ferraris enkele decennia voordien optekende, toont ook te Kuttekoven een uitgesproken landbouwlandschap. De beemden op de drassige valleigronden werden gebruikt als natuurlijk hooiland. Boomgaarden lagen gegroepeerd rond de bebouwing en op de nabije hellingen. De hogere plateaudelen en valleiflanken werden ingenomen door akkers. Bossen kwamen er niet voor. De vroegste kadastrale gegevens vermelden behalve de aanwezigheid van bouwland (terre), boomgaarden (verger) en beemden (pré) eveneens enkele weiden (pature). Naast o.a. een weide van het armenbestuur betrof ruim de helft ervan de grazige bermen van enkele wegen. Nagenoeg elk stukje grond werd dus op de meest geschikte wijze uitgebaat. Dat laatste hangt uiteraard nauw samen met de bodemgesteldheid en waterhuishouding, in het eerste deel beschreven.

facsimile Pro Civltate, Brussel)

Cultuurzones

V /R

Landbouwkundig manifesteren de belangrijkste verschillen in bodemfactoren zich vooral tussen de natuurlijk gedraineerde en de natte gronden. De diepe, droge leembodems op de plateaus en hellingen hebben immers een zeer hoge landbouwwaarde. Zij zijn bijzonder geschikt voor veeleisende gewassen als tarwe, gerst en suikerbieten, die in opeenvolgende jaren worden afgewisseld. Hetzelfde geldt - zij het in iets mindere mate — voor de aansluitende colluviale gronden op leem. In de moderne landbouw is het verschil tussen beide alleszins niet van die aard dat het bodemgebruik erdoor beïnvloed wordt. Naast de traditionele teelten staat bovendien steeds vaker maïs op de velden. In de valleidepressies daarentegen komen veelal matig tot sterk gleyige bodems op leem of klei voor, die eerder geschikt zijn als grasland. De beter ontwaterde valleigronden lenen zich echter evenzeer voor bijvoorbeeld de fruitteelt (33). Dat tweeledig patroon, akkers en grasland, is op de bundergeldkaarten nog sterk aanwezig. Fruitteelt

M&L


Open-field op de Tien Bunders. Boven de honion steekt de schouw van een oude stroopfabriek in de stationsbuurt van Borgloon uit. (foto 0 . Pauwels)

kwam toen maar relatief beperkt voor. In de abdijbezittingen te Kuttekoven werden alleszins slechts boomgaarden opgetekend bij het Herkenrodehof, op de hellingen tussen de winning en het dorp, aan weerszijden van de beek. De vruchtbare leemplateaus waren vermoedelijk volledig in ontginning gebracht en worden onder andere aangeduid door verschillende veldnamen. Die wijzen op het eerdere, initiële gebruik als extensief areaal (met o.a. graasgronden), de zogenaamde outfields, in tegenstelling tot de oudst ontgonnen en intensief bewerkte akkers korter bij de dorpskern (infields). Enkele ervan zijn nog steeds gangbaar als plaatsaanduiding: Puthofveld en Weynbroekveld. De Tien Bunders en Sint-Jansdelle horen in dezelfde categorie thuis. De hoofdmoot van het abdijbezit aan bebouwde cultuurgrond lag echter in het Kuttekovenveld. Als toponiem heeft het blijkens de latere kadastergegevens echter plaats geruimd voor Widdingenveld, hoewel dat laatste oorspronkelijk de akkers van het lager gelegen gehucht betrof. In de beekvallei staat een bronbosje bij de westelijke bovenloop aan het kerkje opgetekend als den Kerken Bosch. Verder worden De Briel en het benedenstroomse deel te Ruilingen als beem-

den omschreven. Het gedeelte tussen De Briel en het dorp, Biezenbroek genoemd, en de zijvalleien Hombroek en Weynbroek worden bestempeld als gemeentelijke eigendom. Het toenmalig gebruik ervan is niet duidelijk. De herkomst van de naam Weynbroek zou terug te voeren zijn op de wilgen- of wijmenteelt in een nat gebied (34). Ook in het Hombroek spreekt het register van Meysman over een weyn bampten. Tijdens de oorlogen van de 17de eeuw had de gemeente echter zo veel te lijden van invallen en militaire opeisingen, dat zij in 1677 verplicht was om het Hombroek en het Weynbroek te verkopen. O p de Ferrariskaart is het eerste, en volgens de vroegste kadastergegevens ook het tweede, in gebruik als hooiland.

Ontginning en percelering De in-cultuur-name van de gronden wordt vooral in verband gebracht met de eerste ontwikkelingsperiode van de middeleeuwse nederzettingen (6 e9 c eeuw) en de grote ontginningsbeweging (10 c13 e eeuw). Zoals hoger reeds beschreven lijkt de naamgeving van de dorpen en gehuchten samen te hangen met een ontstaan als middelgrote domeinen.


De wijdheid van hel Kuttekovenveld: hoe sterk is de eeniame... (foto 0. Pauwels)

M&L

Latere uitbreidingen van het landbouwareaal vonden bij uitstek plaats op de rijke leembodems in de onmiddellijke omgeving, ten koste van de omliggende bossen. Momenteel ontbreken aanwijzingen om uit te maken of ook de abdij van Herkenrode hierin nog enig aandeel heeft gehad. Tegen de 13 e eeuw immers was in de oostelijke leemstreek van Haspengouw het bos al grotendeels verdwenen. De nederzettingen hadden de omringende gronden stelselmatig in cultuur gebracht tot aan de grenzen van de andere ontginningen. Zij bleven dan ook klein en de eventuele bevolkingsaangroei moest elders worden opgevangen. Ook de afwezigheid, met voorbehoud voor de broeknamen, van toponiemen, die verwijzen naar een mogelijke bosontginning, zou erop kunnen wijzen dat die reeds van vrij vroeg dateert, ten laatste de 11 e -12 e eeuw, en, in dat geval, ruim een eeuw voor de aankoop van het hof van Cuttecoven door de abdij. Bovendien zou het einde van de 13de eeuw een agrarische depressie inluiden en werd de ontginningsbeweging toen reeds

afgebroken. Stellig heeft het Herkenrodehof later wel nog een betekenisvolle rol gespeeld bij de ingebruikname van marginale gronden, zoals bijvoorbeeld de moeilijker te bewerken kleibodems, de gronden met een ongunstige waterhuishouding of die op te steile hellingen. In de 16 e eeuw was de bosoppervlakte, zoals reeds gezegd, beperkt tot nog hooguit enkele dellen en/of valleidelen. Ook die werden tenslotte omgezet in hooilanden of, zoals verder beschreven, boomgaarden. De kavelstructuur hangt eveneens nauw met de vroeg(-middeleeuws)e ontginning samen en is in het bijzonder karakteristiek voor het gecultiveerde bouwland. Enerzijds leidde het collectieve landbouwsysteem tot een open-field, waarin de percelen slechts door een ploegvoor van elkaar gescheiden werden en gegroepeerd lagen volgens drie slagen. Anderzijds gaf het grootgrondbezit aanleiding tot de vorming van domeinen, waarin het hof zich situeerde tussen de eigen, blokvormige akkerland-


percelen. Vaak kwam daarbij ook één reuzeblokperceel voor, zoals het geval was voor het bezit van het Herkenrodehofin het Kuttenkovenveld. Opmerkelijk op de bundergeldkaarten is ook de schaapsdries vlakbij de winning, vanwaaruit de kuddes onder andere op de braakliggende slag werden geweid, wat typerend was voor de traditioneel gemengde uitbating van akkerbouw en veeteelt. Tussen de onregelmatige eigendomsblokken tonen de kaarten kleinere percelen, in privaat bezit of van andere kerkelijke en wereldlijke instellingen. Dat patroon keert in de huidige percelering weer, met repel- en strookpercelen die in grotere, herkenbare blokken samenliggen. De repel- en strookpetcelering, in blokken gegroepeerd, wijst op het toenmalige drieslagstelsel maar ook op versnippering door het erfrecht. Evenzo bezitten tal van de akkers nog een recht van doorgang omdat zij niet uitgeven op de ontsluitingswegen. Tenslotte zijn ook de perceelsvormen van de broeken en valleibeemden al die tijd grotendeels behouden, wat o.a. in het oog springt aan De Briel. Verschillende percelen staan trouwens kadastraal nog bekend onder hun primitief nummer. In de marge kan hier, analoog aan het wegenpatroon, nog het vermoeden van de Romeinse landindeling vermeld worden. Ter hoogte van Ruilingen, in het Kuttekovenveld, de Sint-Jansdelle en het Keelveld worden langgerekte, zuidoost-noordwest gerichte perceleringslijnen waargenomen, die mogelijk restanten zijn van de toenmalige centuratio (35).

Tenslotte rijst hier de vraag naar aanwijzingen over de ouderdom en het voorkomen van de infields als onderdeel van de primaire ontginningskernen. Landschappelijke structuren, steunend op het onderscheid tussen infield en outfield, zouden zeer oud en langdurig overgeërfd kunnen zijn (36).

Grondbezit en fruitweiden in de 19de eeuw Hoewel het grondbezit van Herkenrode en de andere kerkelijke instellingen tijdens de Franse overheersing een einde nam, heeft het ook later nog economische en sociale gevolgen gehad. Zo'n halve eeuw na de verkoop van de domeingoederen blijkt volgens de kadastrale leggers het merendeel van de grondoppervlakte in Kuttekoven nog steeds in vreemde handen. Benevens de bewoners van de toen tot een kasteeltje verbouwde hoeve De Klee waren de grootste grondeigenaren welstellende burgers uit Borgloon, GorsOpleeuw, Luik en Wimmertingen. Bovendien waren een hele trits boeren, handwerkslieden, middenstanders en vrije beroepen uit Borgloon zowel als de omliggende dorpen er "kleinere eigenaar". De boeren

en dagloners uit Kuttekoven zelf moesten het stellen met een moes- of nutstuin, één of meer boomgaarden en in het beste geval nog enkele akkerlandpercelen. O m hun inkomen aan te vullen hebben de meesten van hen ongetwijfeld gronden gepacht of loondienst verricht voor de grootgrondbezitters of de grote boeren in de omgeving. In dezelfde periode kende het aantal hoogstamboomgaarden vooral ten oosten van de Kleestraat een sterke uitbreiding. Rond de bovenlopen van de beek, tussen Graeth en hoeve De Klee, vermelden de kadastrale leggers van 1843 nog slechts enkele akkers, hooi- of weilanden. Het merendeel van de gronden, zelfs in het Hombroek en de Tien Bunders, was in gebruik als boomgaard. Voordien reeds was volgens Ferraris het boomgaardareaal rond de bebouwing vrij uitgebreid en werd Kuttekoven genoemd als boomgaardgemeente. Behalve huisweiden waren ook nabije hellingen, langs het dal van de beek, met fruitbomen beplant. Het fysisch milieu van de omgeving van Borgloon leende zich tot de ontwikkeling van een weidecultuur met fruitaanplantingen. Boerenboomgaarden worden niettemin beschouwd als toen algemeen verspreid a rato van zo'n 5 % van de oppervlakte aan landbouwgrond. Wellicht ging hier bovendien veel invloed uit van het Hof van Herkenrode. Ook op eigendommen van de hoeve, onder andere het Kerken Bosch, werden in de loop van de 17 c -18 c eeuw immers boomgaarden aangelegd. Anno 1843 kwamen daarenboven uitgestrekte en verder afgelegen fruitweiden voor, die door de grootgrondbezitters-eigenaars werden verpacht en waarvan de vruchten een wisselvallig neveninkomen opbrachten. Of die ontwikkeling mede door de opeenvolgende overheden werd gestimuleerd, is niet geweten. Alleszins werd de landbouw en mogelijk de fruitteelt in die tijd nauwgezet gevolgd en kwam ook suikerbietenteelt in de regio geleidelijk op gang.

Commerciële bloeitijd van de hoogstamfruitteelt Vanuit het historisch al vrij omvangrijke boomgaardareaal bleef de huidige fusiegemeente Borgloon zich profileren als kerngebied van de Zuidlimburgse fruitstreek. In de loop van de 19 e en de eerste helft van de 20 sre eeuw kreeg de fruitteelt in de regio een steeds groter commercieel belang, wat zich uitte in een gestage toename en een betere verzorging van de hoogstamboomgaarden. Veelal worden daarvoor verschillende redenen aangevoerd. De opkomende fruithandel en -export kregen een belangrijke impuls bij de openstelling van de spoorlijn Tongeren - Sint-


hoogstamboomgaarden met een ondercultuur nog algemeen verbreid zouden zijn geweest, en dat pas tussen de jaren 1930 en 1950 de landbouwmechanisatie tot een scherpe aflijning tussen akkerland en fruitaanplantingen zou geleid hebben. De grote boomgaard op de Tien Bunders daarentegen had reeds van in de 19 c eeuw terug plaats geruimd voor akkers, terwijl in het Hombroek en langs de bovenlopen van de Rullingenbeek sommige percelen waren geëvolueerd tot populierenplantsoenen of (boomloze) weiden. Ook de beemden in De Briel, te Ruilingen en langs de Herk waren toen grotendeels met populieren beplant. Zowel Ruilingen als in beperktere mate Widdingen bezaten overigens een cluster boomgaarden met voordien ongeveer dezelfde ontwikkeling.

Hoogs tamfruitbomen, restant van een gemengde boomgaard (foto 0. Pauwels)

Laagstam versus hoogstam en akkerbouw

Truiden (1878-1879). Via dezelfde route werden suikerbieten naar de fabrieken gevoerd. Minder geschikte partijen van beide producten gingen naar de kleine en grote siroopstokerijen of de appelazijnhandel. Tijdens de landbouwcrisis die West-Europa vanaf de jaren 1875 teisterde, adviseerden de toen opgerichte boerenorganisaties en overheidsdiensten om bouwland om te werken tot weidegrond (37). Fruitteelt werd aanvankelijk nog steeds als een bijverdienste daarvan beschouwd. Nieuwe kennis en mogelijkheden op vlak van fruitboomkweek, bemesting, snoei en ziektebestrijding maar ook de handelscrisis van de jaren 1920-30 leidden tenslotte tot een evolutie van gemengde naar intensievere, zogenaamde Engelse boomgaarden met tussenteelt van bessen en uiteindelijk naar de eerste vormen van monocultuur met commercieel succesvolle variëteiten. Rond Borgloon, dat met Tongeren als appelstreek bekend stond, is trouwens de overwegende variëteit lange tijd de Keuleman geweest, die uiterst geschikt was voor bewaring en door de handelaars overwinterd werd in kuilen. Daarnaast kwamen ook peren-, kersen- en pruimenbomen voor. Eind jaren 1950 was het boomgaardareaal in Kuttekoven geleidelijk verder uitgebreid in de driehoek tussen Klee- en Sittardstraat ten noordoosten van De Klee, op de hellingen langs De Briel en het Weynbroek en ook her en der verspreid in het akkerland. Wel moet aangestipt worden dat tot die tijd

In de tweede helft van de 20 stc eeuw nam de intensivering van de fruitteelt sterk toe en maakten de laagstamplantages hun opgang, al ging ook dat gepaard met periodes van bloei en crisis. Tegelijkertijd startte de voortdurende afname van het hoogstambestand. In de streek rond Borgloon werd reeds vanaf 1955 het rooien van oude boomgaarden financieel ondersteund. Mede door de Europese landbouwpolitiek kende het hoogstamareaal in het algemeen vooral sinds de jaren 1970 een drastische achteruitgang. Toch hebben in het oude kerngebied nog relatief behoorlijke oppervlakten stand gehouden. Dat wordt gedeeltelijk verklaard door het proportioneel toenemende aandeel van kerselaars en pruimenbomen in de restanten van de hoogstamboomgaarden, terwijl de laagstamteelt zich vooralsnog toespitst op enkele appel- en perenvariëteiten. Zelfs werd in Kuttekoven nog na de jaren 1950 minstens één nieuwe kersenboomgaard aangelegd. Daarnaast hebben ook de groeiende aandacht en inspanningen van verenigingen, particulieren en overheden geleid tot behoud en plaatselijk de vernieuwing van het boomgaardenbestand. Problematisch blijft evenwel dat veel van de "versleten" bomen verdwijnen en er vaak geen heraanplantingen volgen. Afgeleefde boomgaarden krijgen dan uiteindelijk het uitzicht van een weiland met nog maar enkele bomen. Dat betekent niet alleen landschappelijk een verlies maar ook een voortschrijdende vermindering van de nog aanwezige fruitrassen. Omwille van hun cultuurhistorisch en wetenschappelijk belang werden tal van de oude variëteiten de laatste decennia verzameld en o.a. in verschillende fructuaria samengebracht. O p het domein van Ruilingen werd daartoe de vroegere fruirweide in 1982 heraangelegd met voornamelijk


Nieuwe aanplant zorgt voor verjonging van het boomgaardenbestand (foto 0. Pauwels)

De Smeetshoeve, verscholen in een cluster boomgaarden (foto 0. Pauwels)

"ï^^»»^

'1:^0^ M&L


L««i

u- .u-

tA

'f

i


zoete kersen en pruimen, omzoomd door een rij stroopperen en een typische meidoornhaag. Behalve ook rond de Smeetshoeve te Widdingen liggen de boomgaarden thans vooral geconcentreerd aan weerszijden van de dorpskom van Kuttekoven. Ten zuidoosten sieren zij de omgeving van de Kuttekovenstraat met het kerkje en de hellingen langs de twee bovenlopen van de Rullingenbeek. Tegelijk omgorden zij hogerop Graeth. Noordwestelijk accentueren zij de valleiranden tussen beekdal en akkergebied. In het Hombroek, het Weynbroek en ook rond de bovenlopen zette de eerder ingezette trend zich verder, waarbij verdwenen boomgaarden plaats maakten voor weilanden, populierenaanplantingen en thans verruigde struwelen. O p de leemplateaus werden zij terug omgezet in akkers, zoals ten noorden van De Briel, of vervangen door laagstamplantages. Dat laatste is hier hoofdzakelijk het geval achter De Klee en ten zuidwesten van Ruilingen. Ertussen primeert nog grotendeels een open, zacht golvend akkerland (cultuurhistorische en esthetische waarde), in tegenstelling tot de aangrenzende dorpen waar honderden hectaren, onder andere het Pegelveld en Keelveld, met laag-

stam werden beplant. Opvallend is de plotse over- •* gang van open-field naar laagstamplantages ter oomSaar b r f

.

.

.

ouie meidoorn-

hoogte van de noordoostelijke gemeentegrens, die i,™ overeenkomt met de grens van Kuttekoven voor de (foto 0. Pauwels) fusie. In de regio gaan de (voormalige) gemeentegrenzen vaak terug op oude territoriale begrenzingen die, zoals hier, landschappelijk nog zichtbaar zijn (38). Wel is het landgebruik in de randzones van het akkergebied als gemengd te omschrijven (Tien Bunders, Rullingenveld en Widdingen) en komen enkele, verspreide laagstamboomgaarden voor. Daarnaast is de kleinfruitteelt de laatste decennia uitgebreid. De aardbeiencultuur beslaat in de regio reeds meer bouwland dan het hoogstamareaal. In totaliteit maakte tuinbouw (incl. hoogstamteelt) in 1986 de hoofdmoot uit van de ruimtelijke productiestructuur in het kanton Borgloon, gevolgd door akkerbouw als 2 c sector. In 1999 werd dezelfde verhouding bevestigd voor het studiegebied van de ruilverkaveling Wellen(39). De fruitteelt speelt ook toeristisch zijn troeven uit. Vooral de hoogstamboomgaarden worden elk jaar tijdens de bloesemtijd in de kijker gezet.

... en barrier (foto 0. Pauwels)


•dCL ^ • k H O d L É N

JK£#^*

Meidoornhagen als perceelsbegrenzing van weiland in De Bnel (foto 0. Pauwels)

Hagen en barriers, holle wegen en taluds Door de laagstamboomgaarden hebben delen van de regio een gesloten of half open karakter gekregen en zijn de voormelde oriëntatiepunten niet van eender welke plaats zichtbaar. In sommige gevallen wordt immers het blikveld beperkt. Hetzelfde kan gezegd worden over een hoog opgroeiend gewas als maïs, maar in zekere zin ook over de vroegere uitbreiding van hoogstambomen op het akkerland en de huidige restanten daarvan. Rond de bebouwing gaven de hoogstamboomgaarden het landschap traditioneel een besloten en kleinschalig karakter, geaccentueerd door de omheining — voornamelijk als veekering — met hagen. De Ferrariskaart bevestigt dat beeld en ook op het primitieve kadasterplan worden rond de meeste boomgaarden hagen aangeduid. Veelal waren

M&L

het meidoornhagen, waarvan hier nog heel wat fraaie en soms opmerkelijk oude exemplaren voorkomen. Andere daarentegen kregen mettertijd een ijlere structuur, verloren hun functie en werden vervangen door prikkeldraad, of verdwenen door de campagnes ter voorkoming van het perevuur. Met de omhaagde fruitweiden hing ook het voorkomen van poorthekken samen, die de toegang tot de boomgaard afsloten en in de streek barriers genoemd worden. Het konden eenvoudige hekken zijn maar vaak droegen zij door hun monumentale omvang of sierlijke decoraties bij tot het prestige van de eigenaar. Zo waren er barriers met pijlers van metselwerk, natuursteen of gietijzer, terwijl de poort zelf van smeed- of gietijzer was. Voorbeelden van hagen of van resterende barriers situeren zich thans verspreid over de omgeving: onder andere langs de Klee- en Kuttekovenstraat, tegenover de kerk en pastorie, in de buurt van De Briel, De Klee, het Weynbroek, kasteel Ruilingen en te Widdingen. Langs de oostelijke beekarm, aan het Puthofveld, groeiden haagstructuren uit tot bredere heggen of struwelen. Sommige omvatten nog oude hakhoutstoven en knotbomen. Ecologisch worden de oude bomen in een boomgaard daarnaast vaak gekenmerkt door onder andere een rijke epifytenflora (40).

Ook diepe holle wegen en taluds werden traditioneel ingenomen door houtige begroeiingen, waarlangs de beslotenheid van de hoogstamboomgaarden uitdeinde in het akkerland. O p sommige cultuurtaluds echter werden de hagen, ook veelal meidoorn, of houtkanten verwijderd of weerom door prikkeldraad vervangen. Verstoringen van holle wegen zijn evenmin fraai. Naast het gebruik van bestrijdingsmiddelen komt al eens sluikstorting voor. In de dorpskern en het open akkergebied zijn de wegflanken vaak kruidig of zelfs verruigd, terwijl slechts enkele solitaire bomen de enige structurerende elementen vormen of hier en daar struiken opschieten. Niettemin komen op de taluds of wegbermen ook waardevolle houtkanten en struwelen voor. O p het gedeelte van de spoorlijn waar geen veldverkeer mogelijk is, heeft deze zich als een brede houtwal ontwikkeld. Naast ruigtekruiden worden daarin op verschillende plaatsen thermofiele marjoleinvegetaties (41) herkend. Vooral op de spoorbermen groeien ook veel klim- en slingerplanten. Een zeldzame keer wordt langs een holle weg de bijzondere Kruidvlier (42) aangetroffen. O p enkele plaatsen zijn taluds of holle wegen met een bomenrij beplant, al dan niet van populieren. In het algemeen staan langs de wegen ook wel eens oude solitaire bomen of bomengroepen. Soms lijken zij ter oriëntatie in het open


Een open zichtas doorheen de graslanden in de

landschap een kruispunt te markeren. Evenzo kunnen zij gediend hebben om de grenzen van de aanpalende percelen aan te duiden. Straatbeplantingen zijn beperkt en gesitueerd nabij bebouwing. Zo bevinden zich in het park De Klee een bomenrand langs de straat en te Ruilingen de restanten van een beukendreef.

Bossen en weiden Traditioneel zouden bomenrijen hier vooral in de natte valleien als beekbegeleidende beplanting zijn voorgekomen. De populierenrijen langs de Herk te Widdingen worden als dusdanig beschouwd. Daarnaast werden de beemden van weleer, althans volgens de kaart van Ferraris, omgeven door haagstructuren en wat bomen. Zoals reeds gezegd werden zij als gevolg van de landbouwontwikkelingen in de loop van de 20 stc eeuw gedeeltelijk met populieren beplant. Soms hielden de landbouwactiviteiten er op, zodat zij verruigden of evolueerden tot populie-

renbestanden met een houtige ondergroei, struwelen of valleibosjes. De laatste twee zijn qua bodemgebruik enigszins te vergelijken met de resterende (broek) bossen zoals die voorkwamen vooraleer uiteindelijk ook hun ontginning werd ingezet. Tussen Kuttekoven en Ruilingen echter, in het voormalige Biezenbroek en De Briel, en deels ook langs de westelijke bovenloop werden zij bijna volledig omgezet in weilanden. Die vormen een grotendeels open as doorheen de beekvallei, waarin de blik spontaan geleid wordt langs het microreliëf van dalbodem en beekbedding, de oplopende valleiflanken en taluds (cultuurhistorisch en esthetisch belang). De voormalige Langen Bampt te Ruilingen werd weliswaar voor een stuk ingepalmd ten behoeve van de verruimde parkaanleg van het kasteel maar gedeeltelijk ook ingenomen door valleibosjes van elzen, wilgen en nog enkele populieren. Evenzo komt in de Herkvallei hier en daar elzenbroek voor. Oorspronkelijk zijn het vaak hakhoutbosjes, aangeplant in de

beekvallei (foto F. Schlusmans)

M&L


• Opvallend in de populierenbomen zijn de veel voorkomende Maretakken (foto 0. Pauwels)

eerste helft van de 20 st ' ; eeuw, of natte hooilanden, thans nogal eens ongemoeid gelaten als schuilplaats voor uitgezet jachtwild. O p dergelijke plekken gedijen planten als Dotterbloem, Gulden boterbloem, Slanke sleutelbloem. Speenkruid en Echte koekoeksbloem. Zij trekken in het bijzonder als uitbundige voorjaarsbloeiers de aandacht. Zij worden ook nog wel in de populierenplantages gezien, hoewel deze veelal door strooiselruigten gekenmerkt worden. Opvallend in de populierenbomen is de talrijke Maretak, die tevens in de hoogstamboomgaarden, voornamelijk op appel, kan voorkomen. Naast de recentere populierenaanplantingen en valleibosjes is het bosareaal in de omgeving reeds

eeuwen lang zeer beperkt geweest. In de buurt van kasteel De Klee komt een veldbosje voor, dat in het eerste kwart van de vorige eeuw werd aangelegd en thans tot hooghoutbos is uitgegroeid. Het parkbos van Ruilingen dateert uit de 18-19 e eeuw, toen het kasteeldomein een landschappelijke aanleg kreeg. Sinds het gebruik van de verbindingsweg tussen de Kleestraat en Ruilingen werden de voordien kronkelende boswegen vervangen door de huidige, rechte dreef. Ook de min of meer rechtlijnige omtrek, aan de straatzijde afgeboord met hagen, is minder typisch. In de loop der tijd evolueerde het bos tot een soortenrijkdom die typisch is voor oudere, zeldzame bosgebieden in Haspengouw. Evenals de valleibosjes herbergt het onder andere een waardevolle


voorjaarsflora. De kruidlaag wordt dan gekenmerkt door Gevlekte aronskelk, Bosanemoon, Donkersporig bosviooltje, Kleine maagdenpalm, Slanke sleutelbloem en Speenkruid. Zij worden voorafgegaan door het Sneeuwklokje, dat als een stinzenplant bestempeld wordt. Minder opvallend zijn Muskuskruid en Schaduwgras. Vermeldenswaardig zijn ook Bosaardbei, Gewone salomonszegel en Grote keverorchis.

Historisch permanent grasland De graslanden in dit gebied vormen, hetzij open hetzij onder hoogstamfruitbomen of populieren, een waardevol complex van hooi- en weilanden. Het overgrote deel ervan, gesitueerd rond Kuttekoven en tussen het dorp en Ruilingen, bezit een historisch permanent karakter. Niet alleen worden ze gekenmerkt door een langdurig grondgebruik als graasweide, hooiland of wisselweide, met, naargelang het geval, één van de hierboven beschreven cultuurhistorische waarden. Ook bestaan ze uit half-natuurlijke, soortenrijke vegetaties, die zich voornamelijk onderscheiden als glanshavergraslanden en - de begrazingstegenhanger - kamgrasweiden (43). De kamgrasweiden komen meer voor dan de glanshavergraslanden. De laatste zijn bovendien nog zelden goed ontwikkeld. Dat wijst erop dat de graslanden weliswaar veelal beweid worden, maar niet al te intensief. Doordat hooi- en weidebeheer vaak ook afwisselen, is de grens tussen beide wel eens vaag. Daarnaast komen verschillen in de vegetatie voor op betreden of vergraven plaatsen, vochtige of langdurig natte plekken, verruigde delen en langsgelegen zomen. Zo dragen elementen van het fysisch milieu, microreliëf, bronniveaus, grachten, poelen e t c , bij tot bijzondere gradiënten van droog naar nat, die hier en daar zelfs in watergebonden vegetaties overgaan. Volgens de standplaats komen variaties voor met soorten, waarvan Knolsteenbreek, Knolboterbloem, Goudhaver en Kattedoorn als belangrijkste bijzonderheden worden aanzien. In de beek en grachten is plaatselijk onder andere Groot moerasscherm aanwezig, evenals het zeldzamere Watergras, dat vooral in weidesloten en bij zware bemesting gedijt, begeleid door Blaartrekkende boterbloem en vaak ook kroossoorten.

gelijke die landschapsecologische waarde hebben. Rond het dorp strekt zich een min of meer aaneengesloten geheel van overwegend biologisch waardevolle tot zeer waardevolle elementen uit, dat zoals reeds aangegeven onder meer een belangrijke populatie Maretak omvat. De omgeving bezit daarnaast voornamelijk een kenmerkende zoogdierenfauna. Het voorkomen van Das in de streek is bekend. De spoorwegzaten betekenen voor deze soort een veilige migratieweg en een uitbreiding van hun leefgebied. In het kleinschalige cultuurlandschap rond Kuttekoven vindt deze aandachtssoort bovendien een geschikt fourageergebied. Interessant is ook de aanwezigheid van de Eikelmuis.

BfSLUil In de omgeving van Borgloon, rond Kuttekoven, strekt zich een attractief en zeer verscheiden cultuurlandschap uit, waarvan de samenstellende elementen nog bijzonder gaaf en in een harmonieus onderling verband voorkomen. Het is herkenbaar als het archetypische beeld van de fruitstreek als landschapstype en vertolkt imago én zelfbewustzijn van de regio. Z o n landschap verdient een bijzondere interesse en zorg.

Landschapsecologie (44)

Landschappelijk is Kuttekoven gesitueerd in het heuvelend ovetgangsgebied tussen Droog- en Vochtig-Haspengouw, meteen ook de grenszone tussen de Leem- en de Zandleemstreek. Dergelijk gebied is in geografisch opzicht uitzonderlijk. Het vertoont een eigen dynamiek en herkenbaarheid. O p de vruchtbare leemplateaus primeert bovendien nog grotendeels een open, zacht golvend akkerland, in tegenstelling tot de elders vaak overwegende laagstamfruitplantages. Ter hoogte van de noordoostelijke gemeentegrens spreekt een oude begrenzing in de landschappelijk opvallende overgang tussen open-field en laagstamboomgaarden. Gecombineerd met het uitgesproken reliëf, waarin de asymmetrische valleien en ook de (steil) rand van de getuigenheuvel van Borgloon een belangrijke plaats innemen, schept het open akkergebied panoramische zichten op de wijde omgeving. Het landschap biedt hier dan ook een bijzondere belevingswaarde.

In de regio zijn de biologisch waardevolle vegetaties, naast de bossen, vooral in de valleien terug te vinden. Te Kuttekoven liggen zij opvallend geconcentreerd in het complex van boomgaarden, graslanden en populierenaanplanten. Daarnaast zijn het enkele holle wegen en houtkanten, de spoorwegzate en der-

Uit landschap en bebouwing spreekt een rijke en voorname landbouwtraditie, geënt op de natuurlijke kenmerken van het fysische milieu. Hoewel elke veralgemening tekort doet aan de dynamiek en evolutie van de historische werkelijkheid, kunnen thans het


• Landschap: imago én zelfbewustzi|n van een regio (foto 0. Pauwels)

M&L

kerkje van Sinc-Jan-de-Doper, de hoeves met boerenburgerhuis aan de Kleestraat, de site van hoeve en kasteel De Klee, de Smeetshoeve te Widdingen en ook het aangrenzende kasteel Ruilingen bestempeld worden als bouwkundig erfgoed, karakteristiek voor de omgeving. Zij beheersen vanuit onderscheiden invalshoeken het landschapsbeeld en vormen daarin vertrouwde oriëntatiepunten. Het patroon van wegen en paden evenals de kavelstructuren en elementen van waterbeheersing zijn grotendeels herkenbaar en terug te voeren op (cultuur)historische achtergronden. In bewoning en infrastructuur is bovendien de laatste 300 jaar slechts in geringe mate verandering gekomen, zodat maar weinig het landschap verstoort. Twee belangrijke ingrepen deden zich voor: de aanleg van de (ondertussen reeds enkele decennia opgebroken en verlaten) spoorlijn, de zoge-

naamde fruitlijn, en de recentere omleidingsweg rond Borgloon. Voor het overige ontsnapte Kuttekoven grotendeels aan de bouwdruk en behield het zijn landelijke eigenheid. Naast enkele verspreide hoeves bestaat het dan ook uit een klein aantal huizen langs de twee voornaamste verbindingswegen. Het bodemgebruik kan als volgt geresumeerd worden: de akkers liggen op de plateaus, boomgaarden op de hellingen en hooi- en weilanden in de natte valleien. Bosjes zijn daarin naargelang het geval als vlekken verspreid. Ruimtelijk laat dat geheel zich onderscheiden in een geaccidenteerd, half-open tot gesloten en gevarieerd boomgaardenlandschap ten oosten en een overwegend open, golvend akkerbouwgebied in het westen, doorsneden door de beekvallei. De graslanden, hetzij open hetzij onder


hoogstamfruitbomen of populieren, sluiten bovendien aaneen tot een waardevol complex van hooi- en graasweiden met een historisch permanent karakter. In zijn totaliteit vormt dit landschap dan ook een gave, leesbare en samenhangende weerspiegeling van de traditionele agrarische samenleving. In dezelfde verwevenheid en variatie onderscheidt het zich bovendien door een eigen en zeldzaam voorkomen. Open akkers versus laagstamplantages, behoud van hoogstamboomgaarden en niet al te intensief gebruik van het grasland hebben het niet alleen vorm gegeven maar zijn tegelijk de uitgangspunten voor een blijvende, voortdurende landschapszorg.

de Ferraris. Eén exemplaar wordt in de Koninklijke Bibliotheek in Brussel bewaard en is door Pro Civitate in druk uitgegeven op schaal 1/25000. (4)

Philippe Vander Maelen was de stichter van het Etablissement géographique de Bruxelles en de uitgever van de Carte topographique de la Belgique, 1846-54, schaal 1/20000.

(5)

Het kadastraal register van Meysman, ook bundergeldkaarrenboek genoemd, bevat de inventaris en plannen van de eigendommen en tiendrechten van de abdij van Herkenrode, die ook bezirringen had te Kuttekoven. Het werd in vijf boekdelen opgetekend door landmeter Peeter Meysman tussen 1669 en 1685, waarvan het origineel zich bevindt in het archief van het Bisdom Luik. Met dank aan het Provinciaal Cenrrum voor Cultureel Erfgoed, Hasselt.

(6)

Cartegéologique de la Belgique (1902-1903), 1 /40000; Geologische kaart van België - Vlaams Gewest (1997), 1/50000; CLAES S. en

Bart Geyskens is erfgoedconsulent bij de Afdeling Monumenten en Landschappen.

GULLENTOPS F. (2001), Toelichtingen bij de geologische kaart van België - Vlaams Gewest - kaartblad33 Sint-Truiden, Brussel. (7)

DIRIKEN P. en VAN DE GEWACHTE G. (2000), Aanvullende inventaris van de ruimtelijke landschapskenmerken van bovenlokaal belang - landschapskenmerkenkaart Limburg. Georeto - Aeolus, rapport in opdracht van Afdeling Monumenten en Landschappen. Ondersreunend Cenrrum GIS-Vlaanderen en Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, afdeling Monumenten en Landschappen,

WANDELGIDSEN EN -BROCHURES

Landschapskenmerkenkaart, Brussel, 2002, digitale bestanden. (8)

-Anoniem (2000), Landschapswandeling Ruilingen - Kastelen en natuur. Regionaal Landschap Haspengouw, folder

den is, i.e. wanneer in een helling onder een doorlatende laag een ondoorlatende ligt.

- Basteyns D., Jacobs J.P., Motten G. en Wilsels S. (2000), Wandelen te Ruilingen - Kuttekoven - Gotem : kasteelwandeiingen, Heemkundige Kring van Hendrieken-Voort, Borgloon, 36 pp. -Bleus ]., Desteghe P. en Roosen M. (1996), Een wandeling door Kuttekoven, V W & Stadsbestuur, Borgloon, 40 pp.

Bronhorizont: verschijnsel waarbij een reeks bronnen naast elkaar aan een meer of minder horizontaal dagzomende laaggrens gebon-

(9)

PAULISSEN E. en DE VEUSTER ] . , Het openfield landschap van Droog Haspengouw, in De Aardrijkskunde, 1979(3), 265-281; CLAES S. en GULLENTOPS F. (2001), o.c.

(10) Soliflucde: een vorm van bodemverschuiving, het gaan vloeien

- Diriken P. (1991), Geogids Borgloon, Georeto, Kortessem, 121 pp.

van de bovenste grondlaag in hellend terrein als deze met water

- Stevens J. (red.)(1987). Landschapswandeling Ruilingen. Provinciaal

verzadigd is. Hier was dat een gevolg van het ontdooien van het

Natuurcentrum, Rekem, 100 pp. -Stevens J. en Geusens J. (1983), Landschapswandeling Ruilingen, Provinciaal Natuurcentrum, Rekem, 36 pp. - Vanderbeken A. (1994), Langs Vlaamse wegen - Borgloon, Srichting Monumenten- en Landschapszorg, Brussel, 15 pp.

bovenste deel door blootstelling aan de zonnestralen (= insolarie), terwijl de diepere grond bevroren bleef. (11) Periglaciaal: zich voordoend in de omgeving van gebieden met gletsjers of met landijs. (12) DENEEF R. en OSTYN G., Landschappelijke waarden, problemen en mythen in een loessleemgebied: het plateau van Duisburg, Documentatiemap Landschapsonderzoek 15, 1986, 3-63. (13) BAEYENS L., Landschappelijke bodemassociaties van de provincie

EINDNOTEN

Limburg, in GABRIELS J. (rcdj, Atlas van de hroedvogels in LimW£,Genk, 1985, pp. 81-98.

(1)

HOFKENS E. en ROOSENS 1. (red.). Nieuwe impulsen voor de landschapszorg - De lanéchapsatlas, baken voor een verruimd beleid Brussel, 2001. Met bijbehorende digitale bestanden.

(2)

(3)

Getuigenheuvcl: geïsoleerde heuvel, achtergebleven na erosie van

(14) BAEYENS L , Bodemkaart van België - kaartbladen Heers I06W, Borgloon 106E. Alken 92W, Kortessem 92E, Gent, 1958, 1959, 1970, (15) Gleyig: gekenmerkt door de aanwezigheid van roestkleurige en

een schiervlakre.

grijze vlekken (geoxideerde resp, gereduceerde ijzerionen) als gevolg

De Ferrariskaart - voluit Kabinetskaart van de Oostenrijkse Neder-

van tijdelijke waterverzadiging. Bij permanente grondwarerrafel op

landen - was de eerste kaart die het volledige grondgebied van de

geringe diepte komt onder de gegleyifieerde zone een blauwgrijze

Nederlanden én Luik bestreek. De drie originelen zijn handschrifrelijke. ingekleurde kaarten op schaal 1/11520, uitgevoerd tussen 1771-78 onder leiding van generaal graaf Joseph Jean Francois

reductiehorizont voor. (16) DE RYNCK E en CAPENBERGHS ]., Herkenrode. Tijdsbeelden - Hemelen aarde, Brussel, 2000.


DRIESSEN W., PIETERCIL A., PIETERS R. et al., Molens in

(29) MEYLEMANS E., o.c.

Sint- Truiden-Gingelom-Borgloon, Tongeren, 1983.

(30) BERGMANS N. (red.). Ruilverkaveling Wellen: Waterhuishouding,

MEYERS P. EN ROMBOUTS R., Herkenrode 800jaar, Hasselt, 1982. MEYLEMANS E., Ruilverkaveling Wellen: Archeologische inventaris en evaluatie, 1999.

Aquaterra - Econnectton - Gedas, niet-uitgegeven rapport in opdracht van de Vlaamse Landmaatschappij, 1999. (31) BURNYJ., BIJDRAGE T O T DE HISTORISCHE ECOLOGIE VAN DE LIMBURGSE KEMPEN (1910-1950), verschenen als

MOONS ]., De abdij Herkenrode te Kuringen, s.d..

publicatie van het Natuurhistorisch Genootschap in Limburg,

SCHLUSMANS F. en PAUWELS D., Bouwen door de eeuwen heen

XLII(l), 1999.

in Vlaanderen I4n4 - provincie Limburg, arrondissement Tongeren, kanton Borgloon, Turnhout, 1999. (17) GYSSELING M. en ROMMEL E, Toponymisch woordenboek van

BURNYJ., Mondelinge mededeling, Hasselt, 2002. (32) ANTROP M. (1989), Het landschap meervoudig bekeken. Kapellen, 1989.

België, Nederland, Luxemburg, Noord-Frankrijk en West-Duitsland

DENIS J. (red.). Geografie van België, Brussel, 1992.

(voor 1226), Tongeren, 1960.

JACOBS V, o.c.

(18) BLOCKMANS W., Culturele geschiedenis van Vlaanderen: 2 Geschiedenis: prehistorie, oudheid, middeleeuwen, Deurne, 1983. (19) Lenure: hoeve met een omvang van 1 0 t o t l 5 h a a l s onderdeel van een groter domein, voldoende voor één boerengezin, dat erfelijk gebonden was de grond te blijven bewerken en bovendien verplicht tot diverse diensten en leveringen aan de grondeigenaar. (20) VERHOEVE A., Mondelinge mededeling. Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, Brussel, 2002.

KNOPS G. (ed.). De open ruimte in Vlaanderen - een geografischlandschappelijke en biologische verkenning, Wommelgem, 1987, dln.1-7. Royen L. et al., Fruitteelt en hoogstamboomgaarden in Zuid-Lim-

% ; in; M&L 20(1), pp. 30-53. (33) BAEYENS L , o.c.. (34) BERGMANS N., o.c. (35) Centuratio; vierkantennet van het Romeins kadaster, waarvan de

(21) MOONS J., De Herkenrodeabdij en haar domein op het einde van

grenzen (limites) gevormd werden door zijden van ca. 710 m.

het Ancien Régime, in Het Oude Land van Loon, 2000, nr. 79.

(36) ANTROP M. EN VERHOEVE A., Mondelinge mededeling.

(22) De geraadpleegde documenten zijn o.a.: een primitief plan "Plan cadastral parcellaire de la commune de Cuttecoven", opgenomen in 1809 en herzien in 1841; de primitieve legger, 1843; een later "Plan supplementaire - Cuttecoven", s.d. (23) De eerste edities van de Belgische, militaite topografische kaarten of "stafkaarten" wetden uitgegeven door het Dépót de la Guerre. Later werden deze publicaties vetdetgezet door het Militair Cartografisch (resp. Geografisch) Instituut, en momenteel door

Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, Brussel, 2002. (37) VERBEET G.J.B, en JACOBS V, De sociaal-economische ontwikkelingvan beide Lmburgen in de 19de eeuw, Hasselt, 1990. (38) ANTROP M., Mondelinge mededeling. Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, Btussel, 2002. (39) CARCHON J., Ruilverkaveling Wellen: Landbouw-economuche studie, VLM, Diest, niet-uitgegeven rapport, 1999.

het Nationaal Geografisch Instituut. Hier werden de oudste,

(40) Epifyten: planten die boven op andere planten (een enkele keer

geraadpleegde kaarten opgenomen in 1871-72 en uitgegeven

zelfs van dezelfde soort) groeien zonder er voedsel, water en zouten

in 1878.

aan te onttrekken (bijv. korstmossen of mossen). In tegenstelling

(24) DE MAEGD C. en VAN DEN BROECK M., Inventaris histori-

hiermee doen parasieten dat wel. Half- of semi-parasieten (bijv.

sche tuinen en parken -provincie Limburg - deel 4: Alken en Borgloon,

matetak) nemen "slechts" watet en zouten op uit het houtweefsel

niet-gepubliceerd rapport, 2002.

van de waardplant.

(25) De Atlas van de Buurtwegen (1844) is gebaseerd op het primitief kadaster en geeft niet alleen alle toenmalige wegen en voetpaden op, maar ook de belendende percelen en hun eigenaars. (26) Hoopdorp: een compacte en kleine nederzettingsvorm, waarbij de

(41) DUPAE E. en STULENS H., Ruilverkaveling Wellen: ecologische studie - van drogefloratot natte fauna, Vlaamse Landmaatschappij, Diest, niet-uitgegeven rapport, 1999. NATUURRESERVATEN VZW, Aanvraag tot erkenning van het

woningen en andere gebouwen - als in een zwerm - ongeordend

natuurreservaat "Spoorwegzaten Zuid-Limburg", Brussel, niet gepu-

bij elkaar gegroepeerd liggen, zonder een duidelijk centrum of

bliceerd rapport, 1998.

structuur. (27) Behalve van kaarten was Vander Maelen ook uitgever van naslagwerken, zoals de Dictionnaire géographique du Limbourg, heruitgegeven als onderdeel van Maaslandse Monografieën, 1978 (25), Van Gorcum, Assen. (28) JACOBS V, Limburgs-Haspengouw: een jruitstreek met traditie.

(42) DUPAE E. EN STULENS H., o.c. (43) DUPAE E. en STULENS H., o.c; NATUURRESERVATEN VZW, o.c. (44) AMEEUW G., HERTEN B. en PAELINCKX D., Biologische waarderingskaart versie 2 - kaartbladen 33-41, Btussel, 2002, digitale bestanden.

Borgloon, 1997.

DUPAE E. en STULENS H., o.c.

SCHLUSMANS F. en PAUWELS D. (1999), o.c.

NATUURRESERVATEN vzw, o.c.


SUMIVIARY KÜMMER Ulrich Nicolas Engineer of Bridges and Roads, designer of canals Ulrich Nicolas Kiimmer worked with the department of Bridges and Roads from 1811 until 1860. He would gather fame with the digging of different canals, the canalization of rivers and dike construction. In 1987, a notorious author ranked him, along with Vifquain and Masui, among the most famous designers of canals of his time. Especially in the provinces of Limburg, Antwerp and Liège, he would gather fame digging several canals followed by the lay-out of watercourses or sewage farms. H e thus had a permanent influence on the Campines landscape. A work published at the occasion of the Albert's canal 50th birthday quotes: "Very few people have been more deserving for the Campines than him". Immediately following the termination of his studies in 1806, Kiimmer was employed as a land registry surveyor in Occidental Flanders. In 1811 he was transferred to the Bridges and Roads department where after 4 years he was in charge of the works in the Ostend region. He built a.o. the Nassau bridge and was probably also involved in the works for the port of Ostend, which was intended to facilitate access to the canal to Bruges. In 1817, Kiimmer worked on different bridges in the city of Bruges, a.o. the swingbridge of Schipsdaele. T h e repairs of the polder dikes (1831) and the aid to the French army with the expulsion of the Dutch troops from the forts around Antwerp (1832), would be the turning point in Kiimmer s career. The new state of Belgium was a lot more favorably disposed towards Kiimmer than the Dutch authorities. In 1849 Kiimmer published a study on dike building. In 1842 Kiimmer was charged with the management of canalization works in the Campines. He was to draft proposals for the section Bocholt-Blauwe Kei and was assigned a complete staff to support him. These "Services Spéciaux" were divided into three entities: Canalisation de la Campine, Service du Canal Maestricht-Bois le Due and the Service de la Meuse dans le Limbourg. In 1843-44 the Maas-Schelde canal was dug under the management of Kiimmer between Bocholt (Lozen) and Lommei (Blauwe Kei). In 1844-1846 the stretch between Lommel and Herentals followed. Besides he agricultural use, Kiimmer realized there were also advantages for shipping and trade. He continued to stress the importance with the authorities of broader canals and larger locks. In 1846 the branch from Dessel to Turnhout was finished and Kiimmer was assigned with the final design of the canal which would link Hasselt with the Campines canal. The development project of the Campines would become Kiimmer's showpiece.

The cultivated landscape around Kuttekoven: silent witness of rustic pleasures The picturesque village of Kuttekoven and its surrounding area are particularly rural and evidence of a rich agricultural tradition. With only some 209 hectares, Kuttekoven is one of Borgloon's smaller hamlets. T h e village is situated at the Northwest of town and is enclosed at three sides by the former Borgloon territory, which comprises, completely to the West the hamlet of Ruilingen. T h e border between Borgloon and Bedingen (the commune of Wellen) is the river Herk. To the North Kuttekoven borders on another part of Wellen, the hamlet of Herten. Over the past few centuries, Kuttekoven hardly underwent any modern changes, partly because of its less favourable accessibility. T h e only access roads are Klee street and Kuttekoven street. T h e old railway between Tongeren and Sint Truiden has hardly been of any influence, since there was no station. This could nevertheless very well change with the recent western relief route N754 around sprawling Borgloon. T h e protection of the landscape creates the necessary tools for a widespread commitment and continuous care. Therefore, on November 14, 2003 an area of 190 hectares around Kuttekoven has been provisionally protected as a cultivated landscape. A number of buildings with immediate surroundings had already been protected as village view (Kuttekoven street, neighbourhood of De Klee and Ruilingen). All of this fits together as a perfect unity : a landscape composed of various heritage elements which are closely interconnected, exceptionally flawless and each with its particular identity. This holistic vision inspired the description in this article of the different elements at the basis of its protection. They serve the reader as a guiding principle when observing the landscape and vice versa.

M&L


Restauratie en Monumentenzorg


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook