Skip to main content

Jaarverslag_VRWB_2008.pdf

Page 1

Jaar verslag interview |

vlaamse raad voor wetenschapsbeleid

resoluut inzetten op wetenschap en innovatie durven keuzes maken krachten bundelen voor een duurzame groei

2008


Vandaag zijn beleidsmakers, sociale partners en alle betrokken actoren het er roerend over eens dat wetenschap en innovatie absolute voorrang moeten krijgen om de welvaart en het welzijn van Vlaanderen in de toekomst veilig te stellen en Vlaanderen mee uit de huidige crisis te helpen.

Jaar verslag 2008 | interview

2

‘08


Inhoud 4-5

edito

danielle raspoet, secretaris karel vinck, voorzitter

4-19 INTERVIEWS

4-15

Memorandum 2009-2014: 'Duurzame welvaart en welzijn door wetenschap en innovatie'

16-19

VRWB is katalysator in ambitieus speerpuntenprogramma

20-21 VRWB in de media

22-23 COLLOQUIUM

Colloquium 2008: 'Bouwen aan duurzame welvaart en welzijn in Vlaanderen. Hoe brengt het innovatiebeleid ons aan de wereldtop?'

24-27 studiereeksen

24-25

Studiereeks 20 'De uitbouw van het translationeel onderzoek in Vlaanderen'

26-27

Studiereeks 21 'Onderwijs: kiem voor onderzoek en innovatie'

30-45 bijlagen

30-31 Historiek 32 Samenstelling Raad 33-36 Samenstelling Commissies 37-38 Samenstelling Werkgroepen 39 samenstelling VRWB-staf 40-41 overzicht adviezen, aanbevelingen ... 42-43 Decreet tot oprichting van VRWB 44-46 Huishoudelijk reglement

3


Jaar verslag

2008 | edito

President Barack Obama begrijpt dit als geen ander. In zijn economische herstelplan gaat hij resoluut voor investeringen in wetenschap, technologie en innovatie. Hij maakte in zijn indrukwekkende maidenspeech voor de National Academy of Sciences bekend dat om de volgende innovatiegolf te ondersteunen het aantal beursstudenten in de Verenigde Staten moet verdrievoudigen. De National Science Foundation ziet zijn middelen de volgende zeven jaar verdubbelen… Europa kan niet achterblijven, zoniet wordt de kloof met de VS nog groter. Want, een jaar voor 2010 is de ambitieuze 3%-doelstelling voor O&O nog ver weg. Ook in Vlaanderen. Willen we in 2020 tot de top van de Europese kennisregio’s behoren, dan moet Vlaanderen nú de handschoen opnemen. Hiervoor zijn aanzienlijk meer middelen nodig, aanzienlijk meer menselijk kapitaal, en aanzienlijk meer samenwerking met partners binnen en buiten Vlaanderen. We moeten deze uitdaging nú aangaan.

edito

We beleven uitzonderlijke tijden. Een wereldwijde financiële crisis bracht ons in een diepe economische recessie. De wereld zal er na de crisis totaal anders uitzien, met nieuwe spelers. Willen we onze welvaart en ons welzijn ook in de toekomst verzekerd zien, dan moeten we, nu meer dan ooit, versneld inzetten op wetenschap en innovatie.

4

Dát is de belangrijke boodschap aan de nieuwe Vlaamse regering, die de Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid formuleert in zijn Memorandum 2009-2014. Al op 13 oktober 2008 pakte de VRWB tijdens zijn jaarlijks colloquium uit met dit Memorandum, en had daarmee een primeur. Op dat ogenblik had niemand durven voorspellen dat de pas uitgebroken crisis zo hard zou toeslaan. Dit maakt de VRWBboodschap actueler dan ooit. En mét resultaat. Want vandaag zijn beleidsmakers, sociale partners en alle betrokken actoren het er roerend over eens dat wetenschap en innovatie absolute voorrang moeten krijgen om de welvaart en het welzijn van Vlaanderen in de toekomst veilig te stellen en Vlaanderen mee uit de huidige crisis te helpen. Uit een snelle lectuur van de verkiezingsprogramma’s van alle Vlaamse democratische partijen, blijkt dat de tekst van dit memorandum heel erg au sérieux wordt genomen. Terecht. In dit jaarverslag geven de leden van het Dagelijks Bestuur tekst en uitleg bij de belangrijkste actielijnen uit het Memorandum. Eén van die actielijnen is dat we moeten durven keuzes maken. Er is nood aan zichtbare speerpunten waarmee Vlaanderen zich kan onderscheiden en wereldspeler worden. Het voorbije jaar is er veel energie gestopt in het verder uitdiepen van de zes strategische clusters. Samen met VOKA, de sectorfederaties, en de kennisinstellingen werden tien speerpuntinitiatieven gedefinieerd, die het potentieel hebben om doorbraken te realiseren in hun respectieve domein. Twee van deze speerpunten hebben recent geleid tot de oprichting van twee Strategische Onderzoekscentra: het Strat-


edito |

egisch Initiatief Materialen en het Centrum voor Translationeel Onderzoek en Innovatieve Geneeskunde. Bij het opstellen van het businessplan voor dit laatste werd maximaal rekening gehouden met een grondig VRWB-advies en internationale benchmark ter zake. De lat voor deze speerpunten ligt hoog: ze moeten een excellent wetenschappelijk niveau halen, economisch potentieel inhouden en een duidelijke internationale component hebben. Een opmerkelijk resultaat van het vaak moeizame overleg is het groeiende vertrouwen tussen universiteiten, bedrijven, intermediairen en overheid. Die pluim mag op de hoed van de VRWB worden gestoken. De Raad zal ook in de toekomst zijn rol van katalysator ten volle blijven spelen. De Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid bracht in 2008 ook in totaal veertien adviezen en aanbevelingen uit. In de bijlage bij dit jaarverslag vindt u een gedetailleerd overzicht. Voor de volledige tekst van de adviezen kan u terecht op onze website www.vrwb.be. Een rode draad in de visie van de VRWB, is de aandacht voor de loopbaan van de onderzoeker. Het Baekelandprogramma werd door de VRWB dan ook positief onthaald. Deze hoogopgeleide onderzoekers zullen een betere kans hebben om na het doctoraat een loopbaan te ontwikkelen in het bedrijfsleven. Anderzijds kreeg het jarenlange pleidooi van de VRWB voor een ‘onderzoeksmiddenkader’ aan de universiteiten vorig jaar gevolg onder de vorm van het tenure track systeem. Daarmee is weliswaar een belangrijke nood gelenigd, maar dit maakt het probleem van de chronische onderomkadering van het ZAP-kader nog acuter. De spanning tussen de geldstromen is onhoudbaar geworden. Er is absoluut nood aan een inhaalplan voor de eerste geldstroom van universiteiten en hogescholen, waarbij de Europese doelstelling van 2% van BBP Vlaanderen wordt nagestreefd. Die doelstelling is complementair aan de 1%-norm voor O&O- overheidsuitgaven. Beide inspanningen mogen niet ten koste gaan van elkaar. Een ambitieus Vlaanderen moet beide normen nastreven. Meer geld is één ding, maar niet het enige. Tegelijk moet de nodige absorptiecapaciteit worden ontwikkeld voor de totstandkoming van de kenniseconomie. Dit kan niet zonder het nodige menselijk potentieel en talent. En daar wringt het schoentje. Omdat zowel de VRWB als de VLOR overtuigd zijn van het belang van excellent hoger onderwijs hiervoor, sloegen ze de handen in elkaar en brachten een gezamenlijk advies uit. 2009 wordt een boeiend jaar, waarin de Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid de fakkel zal doorgeven aan de nieuwe strategische adviesraad Vlaamse Raad voor Wetenschap en Innovatie. De VRWB wenst maximale continuïteit te verzekeren en engageert zich alvast om bij te dragen aan zowel het regeerakkoord van de nieuwe Vlaamse Regering als de beleidsnota van de nieuwe minister bevoegd voor wetenschap en innovatie.

danielle raspoet

karel vinck

Secretaris

Voorzitter

5


Jaar verslag

2008 | memorandum interview 2009-2014 6

DUURZAME WELVAART EN WELZIJN DOOR WETENSCHAP EN INNOVATIE

MEMORANDUM 2009-2014

6


memorandum 2009-2014 |

Op 13 oktober 2008 stelde de VRWB tijdens zijn jaarlijkse colloquium het Memorandum 2009-2014 voor met als titel “Duurzame welvaart en welzijn door wetenschap en innovatie�. Memoranda zijn inmiddels een traditie geworden bij de VRWB. Telkens een nieuwe Vlaamse Regering aantreedt en een nieuw Vlaams Parlement moet gekozen worden, vindt de VRWB het zijn taak om in een Memorandum aandachtspunten te formuleren voor het toekomstige wetenschaps-, technologie- en innovatiebeleid. Deze editie is de vijfde in rij.

7


Jaar verslag

2008 | memorandum 2009-2014

Roger Bouillon: “Om op gelijke hoogte te komen met andere Europese universiteiten zou het ZAP-kader van de Vlaamse universiteiten met 1 tot 1,5 procent per jaar moeten kunnen groeien�.

8


memorandum 2009-2014 |

Deze traditie heeft inmiddels haar vruchten afgeworpen. Want meer dan ooit zijn alle sociale partners, de beleidsmakers en alle betrokken actoren het er roerend over eens dat wetenschap en innovatie absolute voorrang moeten krijgen om de welvaart en het welzijn van Vlaanderen in de toekomst veilig te stellen en Vlaanderen mee uit de huidige crisis te helpen. Er heerst dan ook grote bereidheid om de tekst van dit Memorandum en de prioriteiten die erin vervat liggen heel erg au sérieux te nemen en de uitvoering ervan alle kansen op slagen te geven. Wie is er beter geplaatst om bij het Memorandum 2009-2014 toelichting te geven dan de leden van het Dagelijks Bestuur: voorzitter Karel Vinck, Gilbert Declerck (IMEC), Sandra Rosvelds (ACW), Andreas De Leenheer (UGent) en Roger Bouillon (KULeuven). Een samenvatting. Met zijn Memorandum 2009-2014 schuift de VRWB volgens voorzitter Karel Vinck een gedurfde, maar tegelijk gefundeerde beleidsvisie naar voren met zes concrete actielijnen: resoluut inzetten op wetenschap en innovatie – bundeling van krachten – sterke actoren – menselijk kapitaal – internationalisering – een gunstig omgevingsklimaat. Die actielijnen moeten het mogelijk maken om Vlaanderen in 2020 tot de top vijf van de Europese kennisregio’s te doen behoren en zo de welvaart en het welzijn van de Vlaamse bevolking te vrijwaren. Vinck erkent volmondig dat de VRWB met dit Memorandum de lat zeer hoog legt. Maar hij vindt dat de sociaal-economische en ook de maatschappelijke uitdagingen, waaronder vergrijzing, mobiliteit, energie en milieu, van die aard zijn dat iedereen samen, de bedrijven, de kennisinstellingen, de overheden en de sociale partners hun nek moeten durven uitsteken en ervoor moeten gaan.

Vinck: “Samen moeten we een gepast antwoord zoeken op de ingrijpende sociaal-economische en maatschappelijke uitdagingen in de geglobaliseerde wereld van vandaag. En dat antwoord is te vinden in een versterking en vernieuwing van de economische basis én in de verankering van het belangrijkste kapitaal in Vlaanderen, met name het menselijk kapitaal. Mits de nodige creativiteit en innovatie, moeten we dat kunnen op basis van een duurzame groei en een verantwoorde ecologische aanpak”.

Inzetten op wetenschap en innovatie “Wil de Vlaamse regering tegen 2014 de 1% doelstelling bereiken, dan moet ze vanaf 2010 structureel en elk jaar opnieuw 230 miljoen euro bijkomende middelen voor Onderzoek en Ontwikkeling (O&O) reserveren. Dit groeipad moet ze verankeren in een budgettair meerjarenprogramma, én deze extra middelen moet ze strategisch, gecoördineerd en selectief inzetten”. Voluit gaan voor wetenschap en innovatie is niet evident. Bovendien zijn het Memorandum en de berekende prognoses gebaseerd op een groeiverwachting van 2%. En dat was voor de financiële crisis losbarstte. “Toch kunnen we er niet onderuit. Meer middelen voor O&O zijn een pure noodzaak”, stelt Sandra Rosvelds. “In het kader van de Lissabonstrategie was de afspraak dat 3% van het BBP zou besteed worden aan onderzoek en ontwikkeling. Eén procent voor rekening van de overheid en twee procent voor de bedrijven. De huidige en de vorige Vlaamse Regering hebben zich gehouden aan hun engagement in het Innovatiepact om jaarlijks 60 miljoen euro extra uit te trekken voor O&O. Maar ondanks deze inspanningen haalt de overheid de 1% -norm niet. In 2009 zal ze stranden op 0,7 procent. Wil de volgende Vlaamse Regering deze doelstelling tegen 2014 alsnog halen, dan moet ze jaarlijks een structurele extra inbreng leveren van 230 miljoen euro, berekende de VRWB. Stel dat ze die inspanning effectief levert, dan bereiken we tegen 2014 een totaal cumulatief overheidsbudget van 2,2 miljard euro voor onderzoek en ontwikkeling. Dat is een verdubbeling van het huidige budget van 1,1 miljard. Een bijzonder ambitieuse doelstelling en een van de twintig doelstellingen in het Pact 2020, het nieuwe toekomstpact voor Vlaanderen. Gelet op de huidige groeiprognoses zal dit cijfer hoogstwaarschijnlijk naar beneden moeten bijgesteld worden”. Toch is de VRWB ervan overtuigd dat net nu versnelde investeringen in kennis en innovatie broodnodig zijn om de crisis op lange termijn het hoofd te bieden. Maar niet alleen de overheid, ook de bedrijven moeten hun verantwoordelijkheid opnemen. Daarom doet de VRWB een dringende oproep aan de bedrijven om hun onderzoeksinspanningen op te drijven om de Europese twee-procentnorm te halen. “Bedrijven die nu besparen op innovatie zijn fout bezig”, zegt Rosvelds met klem. “Innovatie is immers dé sleutel om op lange termijn hun continuïteit te garanderen”. De 3%-norm halen is uiteraard heel belangrijk als we de kenniseconomie gestalte willen geven. Alleen mogen we niet uit het oog verliezen dat de 3% norm een pure inputnorm is, die enkel bepaalt hoeveel middelen we in onderzoek en ontwikkeling (moeten) investeren, maar niets zegt over de opbrengst die we uit die middelen mogen verwachten. Dus hamert de VRWB op de noodzaak om die extra middelen op een strategische, gecoördineerde en selectieve manier in te zetten. Hoe kunnen we dan te weten komen wat de maatschappelijke en economische return on investment is? Rosvelds:” Effectmeting om de uiteindelijke opbrengst te bepalen zal in de komende periode een belangrijke plaats innemen. Er is daarom nood aan een goede selectie en een consistente opvolging van degelijk onderbouwde outcome-indicatoren. Daarbij kan gedacht worden aan additionaliteitsstudies, onderzoek naar tewerkstellingseffecten, innovatietraject-analyses, analyses van de octrooiportefeuilles van de kennisinstellingen, enz.”..

9


Jaar verslag

2008 | memorandum 2009-2014

Een ander belangrijk verbeterpunt betreft het stroomlijnen en harmoniseren van het bestaande innovatie-instrumentarium. Dat instrumentarium is zeer uitgebreid en werkt in op alle schakels van de innovatieketen, gaande van onderzoek en ontwikkeling tot en met ondernemen: O&O&O. Maar dit vergroot de kans op overlapping van verschillende instrumenten en versnippering van inspanningen. “Elke schakel in de innovatieketen is belangrijk en moet, in evenwicht met alle andere schakels, adequaat uitgebouwd en ondersteund worden” onderstreept Vinck. “In commissies en werkgroepen, zoals de expertgroep Soete, is grondig onderzocht hoe de ingezette instrumenten voor investering in onderzoek en innovatie functioneren en hoe hun effectiviteit kan gecontroleerd/bevorderd worden. Ook de VRWB pleit er bij de volgende regering voor om werk te maken van een verregaande stroomlijning en harmonisering van de talrijke instrumenten die vandaag bestaan”. Volgens Vinck moet die harmonisering gezien worden binnen een globaal meerjarenplan voor wetenschap en innovatie, gekoppeld aan een meerjarenbegroting: “Dat plan moet het ruimere kader vormen voor gefundeerde afwegingen, enerzijds voor de ondersteuning en de gerechtvaardigde versterking van de bestaande, zeer gediversifieerde kanalen, en anderzijds voor het gericht inzetten op strategische domeinen. Dit moet uiteindelijk leiden tot doorbraken die economisch en maatschappelijk een substantiële meerwaarde voor Vlaanderen kunnen opleveren”. Aan de vraag voor meer harmonisering heeft de huidige Vlaamse Regering alvast een begin van gevolg gegeven door de programma’s gericht op de kmo’s van zeven terug te brengen tot drie. Bovendien loopt bij de VRWB momenteel een studie rond de omvang en de impact van fiscale stimuli zoals de innovatiepremie, kortingen en lastenverlagingen. “Hoewel dat deels federale materie is, wil de VRWB via deze studie een zicht krijgen op het effect van dergelijke maatregelen op investeringen in O&O in Vlaanderen”, aldus nog Rosvelds.

Sterke actoren “Het is absoluut primordiaal aan de universitaire draagkracht te remediëren, die op dit ogenblik zorgen baart. Een inhaalbeweging is aan de orde, met een substantieel groeipad voor het vaste kader van de universiteiten. Dit moet een essentieel onderdeel zijn van een ruimer inhaalplan dat vergelijkaar met, maar losstaand van en complementair aan, de 3%-norm voor O&O, ook voor de bestedingen in het hoger onderwijs de Europese doelstelling van 2% nastreeft”. Om tot een Europese topregio in wetenschap en innovatie uit te groeien, is volgens Roger Bouillon de ondersteuning nodig van de volledige kennisketen; vanaf de creatie van kennis tot en met de vertaling ervan in innovatie en het valoriseren via ondernemerschap. Volgens hem zijn de actoren die in heel dit proces betrokken zijn niet altijd even sterk en zijn ze toe aan een versterking van mogelijkheden, ondersteuning en performantie. Bouillon: “Het aantal jonge onderzoekers en postdoctorale onderzoekers is de laatste jaren toegenomen dankzij een stijging van de overheidsfinanciering. Het vaste ZAP-kader aan de universiteiten daarentegen stagneert al tien tot vijftien jaar, wat leidt tot een chronische onderomkadering. Er moet dus dringend werk gemaakt worden van een verbetering van de draagkracht van de Vlaamse universiteiten. Om op gelijke hoogte te komen met andere Europese universiteiten zou Vlaanderen een groei van 1 tot 1,5% van het korps per jaar moeten kunnen realiseren”. Een stap in de goede richting is volgens Bouillon alvast de beslissing van de Vlaamse Regering voor het invoeren van een tenure track systeem. Door de te lage basisfinanciering is de spanning tussen de geldstromen onhoudbaar geworden. Er is algemeen dus dringend nood aan een meerjarenplan om de eerste geldstroom van universiteiten te verhogen. Algemeen pleit de VRWB voor een inhaalplan dat voor de bestedingen (privé en overheid) in het hoger onderwijs de Europese doelstelling van 2% nastreeft.

10

Een tweede zwak punt is volgens Bouillon het stagnerend budget voor projectfinanciering: “De vraag naar meer middelen voor projectfinanciering is heel groot”, zegt hij. “Ondanks acties zoals Odysseus, Methusalem en Hercules en meer middelen via het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen (FWO), is de slaagkans voor projectfinanciering afgenomen van meer dan 30 naar amper 20%. Daardoor kunnen heel wat interessante projecten niet van start gaan”. De VRWB pleit dan ook voor een groeiplan op langere termijn om de vrije, niet-geoormerkte middelen aan te zwengelen en zo de slaagpercentages voor zowel de mandaten als de projecten op een aanvaardbaar niveau (35%) te brengen/houden. En ook de bedrijven hebben ondersteuning nodig. Volgens Bouillon moet de overheid haar innovatiestimuli in de bedrijfswereld afstemmen op de noden van de verschillende bedrijventypes. Kleinschalige, laagdrempelige projecten voor kleine ondernemingen. Gerichte acties om het innovatiepotentieel van middelgrote ondernemingen te verbeteren. En middelen voor steun aan creatieve en innovatieve of hoog risicovolle projecten voor de grote ondernemingen. Ook daar zijn een specifiek innovatiebeleid en -strategie op lange termijn nodig. “Maar daarnaast” vult Gilbert Declerck het pleidooi van Roger Bouillon aan ”is samenwerking cruciaal, wil men komen tot een stevig raakvlak tussen kleine, middelgrote en grote ondernemingen en kennisinstellingen.” Daarom moet er volgens hem, naast het versterken van de actoren, ook aandacht gaan naar de versterking van de samenwerking. Declerck: “Het Industrieel Onderzoeksfonds (IOF) is daarin heel belangrijk. Vlaanderen is een kmo-land en het is verstandig om O&O-projecten op die bedrijvenstructuur te stoelen. 75% van de 300 bedrijven waarmee IMEC samenwerkt, zijn kmo’s. En dat geldt evenzeer voor de andere SOC’s, competentiepolen en universiteiten. En wat het kennispotentieel specifiek voor de kleine ondernemingen betreft, daar vormt de samenwerking met de hogescholen, in het kader van de associaties, een belangrijke hefboom”.

Menselijk kapitaal “Werken aan ‘duurzame welvaart en welzijn door wetenschap en innovatie’ heeft maar kans op slagen, als we optimaal inzetten op menselijk kapitaal. Want een dynamisch wetenschaps- en innovatiebeleid steunt op mensen. We hebben in de toekomst niet alleen méér hoger opgeleiden nodig, maar ze moeten ook over de geschikte competenties beschikken om adequaat op de uitdagingen te kunnen inspelen”. Verankering van het belangrijkste kapitaal, het menselijk kapitaal, is een van de grote uitdagingen waar Vlaanderen voor staat om tegen 2020 de top vijf van Europese O&Olanden binnen te dringen. Meer kenniswerkers dus. Om die ambitie waar te maken stippelde de VRWB een vijfsporenbeleid uit. Verhoging van de instroom in het hoger onderwijs is het eerste spoor. Daartoe is een actief differentiërend beleid nodig, dat de heel goede studenten uitdaagt, maar ook diplomamogelijkheden biedt voor diegenen met iets minder aanleg. Andreas De Leenheer: “Vooral prangend is een groot tekort aan jonge mensen die opteren voor positief wetenschappelijke richtingen zoals informatica, wiskunde, natuurkunde. Zachte sectoren daarentegen kennen een overschot. Hoewel de communicatie over wetenschap, technologie en innovatie in de media de laatste jaren vruchten heeft afgeworpen, blijft het nodig om de beeldvorming over de loopbaanmogelijkheden in wetenschap en technologie bij te stellen. Maar ook de status van de leraar wetenschappen en technologische vorming in het secundair onderwijs, als motor voor de belangstelling voor wetenschappen en technologie, is aan opwaardering toe. Een eigen Vlaamse portaalsite rond wetenschapscommunicatie zou in dat verband een goede ondersteuning betekenen”.


memorandum 2009-2014 |

Het tweede spoor wil de loopbaan van de onderzoeker in de kijker zetten. De Leenheer stelt ronduit dat onderzoek een ‘roeping’ is. “Met de beslissing van de Vlaamse Regering voor de creatie van een ‘onderzoeksmiddenkader’ op basis van een tenure track systeem, krijgen jonge onderzoekers een perspectief op een aantrekkelijke academische loopbaan. Een goede zaak”. Daarnaast vindt De Leenheer ook dat doctorale en postdoctorale onderzoekers meer kansen moeten krijgen om door te groeien tot de hoogste universitaire mandaatniveaus. “Dat kan door maatregelen te treffen om het aantal mandaten en aanvragen rechtevenredig te laten stijgen met de middelen”, stelt hij. Wat het ZAP-kader betreft, vindt De Leenheer het voorstel van de VRWB om dit door een inhaalbeweging te laten toenemen volkomen verantwoord. Efficiënte inzet van menselijk potentieel voor innovatie. Dat is het derde spoor dat de VRWB in zijn Memorandum voorstelt. “Doorstroming van gepromoveerde onderzoekers naar functies buiten de academische wereld is meer en meer een noodzaak”, zegt De Leenheer. “Met name in de topkaders van bedrijven en overheden. Ook daarvoor moeten de nodige incentives uitgewerkt worden. Het recent gestarte Baekelandprogramma, dat doctorale onderzoekers een betere kans biedt op een latere loopbaan in het bedrijfsleven, is alvast een stap in de goede richting”. Als vierde spoor op het vlak van menselijk kapitaal ziet de VRWB vooral het creëren van een klimaat waarbij, naast het bestaande, grotendeels op kennis gebaseerde onderwijs, grotere aandacht gaat naar het ontwikkelen van specifieke competenties. Toekomstige afgestudeerden moeten bv. in staat zijn om op een kritische manier nieuwe informatie te verwerven en te integreren, en over sociale vaardigheden en ondernemerszin beschikken. Vooral in de curricula van de ingenieurs- en de wetenschappelijke opleidingen zouden innovatie en ondernemerschap een vaste plaats moeten krijgen. Het laatste spoor mikt op het aantrekken van buitenlands talent. De VRWB pleit resoluut voor internationale mobilisering binnen de Europese ruimte en daarbuiten van zowel studenten als kenniswerkers. Versoepeling van de taalwetgeving in de masteropleidingen is daartoe een noodzakelijke voorwaarde. “Nogal wat academici vrezen dat zo’n versoepeling een aanslag inhoudt op de eigen cultuur”, stelt De Leenheer. “Dat is niet zo. Maar het is wel de bedoeling om onder meer het Engels, de lingua franca in heel wat wetenschapsdomeinen, geleidelijk aan aanvaardbaar te maken in de hogere jaren. Niet elke cursus moet van meet af aan in het Engels gegeven worden. De universiteit verengelsen is geen optie. Daarom vind ik wat decretaal voorzien is te stroef. Ik ben ervan overtuigd dat de Vlaamse jeugd juist meer kansen krijgt als ze geleidelijk aan in het zo’n systeem ingeleid wordt. Het belangrijkste is dat de Vlaamse student optimale kansen aangeboden krijgt. Studenten in hogere opleidingen moeten hun horizon kunnen verbreden. Geen enkele onderzoeker wil in zijn carrière immers terechtkomen in een werkomgeving die zich niet op de frontlijn heeft kunnen manifesteren”.

Internationalisering “Vlaanderen heeft dringend nood aan een visionair beleid rond de internationalisering van zijn onderzoek. Vlaanderen moet dit op vele fronten aanpakken. Zo moeten de Vlaamse instrumenten nog meer dan vroeger internationale samenwerking stimuleren. Ook een doorgedreven internationalisering van het hoger onderwijs is van ontegensprekelijk belang”. Een sterk Vlaanderen heeft alleen maar baat bij een internationale voortrekkersrol, stelt de VRWB in zijn Memorandum. Beleidsmatig zijn daarbij drie niveaus belangrijk: (1) proactief inspelen op (r)evoluties binnen de internationale onderzoeks- en innovatiewereld, (2) het bestaande internationale instrumentarium optimaal gebruiken en (3) verbeteringen durven doorvoeren aan het Vlaamse internationaal gerichte instrumentarium.

11


Jaar verslag

2008 | memorandum 2009-2014

Gilbert Declerck vindt het hoog tijd om af te stappen van het historisch gegroeide gesloten en regionaal gerichte innovatiebeleid. Het innovatiebeleid in Europa is geëvolueerd naar een meer open en internationaal gericht beleid, waarbij gestreefd wordt naar een evenwicht tussen competitie en samenwerking.

De krachten bundelen

Declerck vindt een optimale afstemming van de Europese en Vlaamse instrumenten dan ook broodnodig en is voorstander van een systeem van wederkerige cross border funding. “Wanneer een Vlaamse universiteit in het kader van een Europees programma samenwerkt met een Frans bedrijf, dan blijkt financiering vanuit Frankrijk niet mogelijk. Maar als een Vlaams bedrijf samenwerkt met bijvoorbeeld een Nederlandse universiteit, dan is financiering via het IWT wel mogelijk. Dat is niet logisch. Het is belangrijk dat de Europese middelen niet meer gekoppeld worden aan de financiële draagkracht van de lidstaten, wat vandaag nog steeds het geval is”, aldus Declerck.

Bundeling van de krachten en de complementaire vaardigheden van alle actoren die betrokken zijn bij wetenschappelijk onderzoek en innovatie is een van de belangrijkste krachtlijnen om de ultieme doelstelling - ‘Duurzame welvaart en welzijn door wetenschap en innovatie’ - waar te maken. “Krachtenbundeling veronderstelt in de eerste plaats dat de instrumenten voor een zinvolle samenwerking tussen de onderzoeks- en de innovatieactoren sterk genoeg zijn”, onderstreept Vinck. “Die samenwerking mag echter niet enkel begrepen worden in de zin van contractonderzoek en een manier om bijkomende onderzoeksmiddelen aan te trekken. Dat is slechts één aspect ervan. Samenwerking is evenmin een doel op zich, maar wel een middel om schaalgrootte en kritische massa te realiseren. Samenwerking gaat vooral om het ontwikkelen van een visie waarbij kennisinstellingen en bedrijven met elkaar echt in interactie treden. Netwerken worden de kern van waaruit nieuwe dingen tot stand kunnen komen. Als je elkaar weet te vinden via een gezamenlijke agenda, dan kun je daar een enorme vooruitgang mee boeken. De grootste vooruitgang ontstaat immers waar verschillende disciplines elkaar ontmoeten. Dit moet gebeuren in een open geest van samenwerking, een cruciale factor waardoor het geheel meer wordt dan de som van de onderdelen”.

Daarom wil de VRWB een lans breken voor cross border funding met de grote Europese lidstaten om te voorkomen dat kleine landen of regio’s interessante projecten, bij gebrek aan financiering, aan hun neus moeten laten voorbijgaan. Onophoudelijk de vinger aan de Europese pols houden is dus de boodschap, zeker in het vooruitzicht van het European Institute of Technology (EIT) en andere voor Vlaanderen belangrijke Europese initiatieven (bijv.: ESFRI, het Gemeenschapsoctrooi, de Europese budgetbespreking, het EU-partnerschap voor de onderzoeker). Dat soort initiatieven moet proactief en strategisch worden opgevolgd met het oog op een vroege betrokkenheid van de Vlaamse onderzoekswereld. “Als kleine regio moeten we een vinnig en wendbaar schip worden in de Europese onderzoeksvloot. Eentje dat duidelijk mee de koers uitzet”, aldus nog Declerck. Over Vlaams onderzoek en innovatie in Europese en internationale context werkt de VRWB momenteel aan een visietekst die de overheid een basis moet aanreiken voor de ontwikkeling van een duidelijk en consequent beleid terzake.

12

“Door de kennisexplosie en de stijgende complexiteit van innovatietrajecten hebben individuele spelers niet langer de nodige competenties in huis. Daarom zijn dié instrumenten die ‘zinvolle samenwerking’ bevorderen tussen kennisinstellingen en bedrijfsleven prioritair. Samenwerkingsinitiatieven die kaderen binnen de zes VRWB-clusters en aan alle excellentievereisten voldoen verdienen alle steun”.

De bundeling van complementaire vaardigheden speelt ook in het voordeel van alle betrokken spelers. Vinck: “Bedrijven kunnen gebruik maken van de kennis en de expertise van de universitaire onderzoekspartner. En omgekeerd, universitaire onderzoekers leren de noden van het betrokken bedrijf kennen en kunnen nagaan in welke mate hun onderzoeksbenadering hiertoe een bijdrage kan leveren”. Maar krachtenbundeling betekent ook dat dat de actoren moeten durven over muurtjes heen te kijken. “Het wordt tijd dat de tussenschotten afgebroken worden en de territoriumdiscussies stoppen. Interdisciplinariteit, intersectorale mobiliteit, innovatie in de dienstensector en het zogenaamde ‘innovatiebeleid van de derde generatie’, waarbij overheidsinitiatieven ook aangestuurd worden vanuit andere beleidsdomeinen zoals Werk, Gezondheidszorg en Milieu, worden alsmaar belangrijker”; aldus nog Vinck. Daarom vraagt de VRWB prioritaire aandacht voor de versterking, zowel budgettair als inhoudelijk, van alle instrumenten die zo’n zinvolle benadering tussen kennisinstellingen en bedrijven bevorderen, zoals Strategisch Basisonderzoek (SBO), het Industrieel Onderzoeksfonds (IOF) en de interfacediensten, het financieringsprogramma voor de bevordering van technologietransfer (TeTra), de Baekelandbeurzen en natuurlijk ook de clusters met hun speerpunten. Last but not least veronderstelt krachtenbundeling ook keuzes maken. De VRWB stak het voorbije jaar veel energie in het uitdiepen van de zes strategische clusters. Samen met VOKA, de kennisinstellingen en de sectorfederaties werden daaruit tien speerpunten gedistilleerd die het potentieel hebben om doorbraken te realiseren in hun respectievelijke domeinen. De manier waarop Vlaanderen de clusters benadert, heeft in ieder geval grote belangstelling gewekt in Nederland. Maar uit een Europese vergelijking blijkt dat het Vlaamse clusterbeleid voor 80 tot 90 procent overlapt met dat van de buurlanden. Om tot de wereldtop te behoren moet je dus beter doen en de krachten ook bundelen voor nog genuanceerdere keuzes en nog specifiekere niches. Vinck: “De eerste concrete resultaten van het vervolgtraject worden zichtbaar. De Vlaamse Regering heeft tijdens haar laatste vergaderingen de opstart en financiering goedgekeurd van het Strategisch Initiatief Materialen en van het Centrum voor Translational Research and Innovative Medicine (TRIM).


| Sandra Rosvelds: “Bedrijven die nu besparen op innovatie interview zijn fout bezig. Innovatie is immers dé sleutel om op lange termijn hun continuïteit te garanderen”.

13


Jaar verslag

2008 | memorandum 2009-2014

Andreas De Leenheer: “Nogal wat academici vrezen dat een versoepeling van de taalwetgeving in de masteropleidingen een aanslag inhoudt op de eigen cultuur. Dat is niet zo. Het belangrijkste is dat de Vlaamse student optimale kansen aangeboden krijgt�.

14


memorandum 2009-2014 |

Gilbert Declerck: “Tussen kleine, middelgrote en grote ondernemingen en kennisinstellingen, is samenwerking cruciaal. Daarom moet er naast het versterken van de actoren ook aandacht gaan naar de versterking van de samenwerking. Vlaanderen is een kmo-land en het is verstandig om O&O-projecten ook op die bedrijvenstructuur te stoelen". Verder lopen er momenteel nog twee haalbaarheidsstudies met IWT-steun rond duurzame chemie en rond intelligente energienetwerken. En er zijn haalbaarheidsstudies in voorbereiding over interoperabiliteit van ICT-systemen en telemonitoring. De speerpunten moeten een breed draagvlak hebben, open staan voor mogelijke andere geïnteresseerde partners, een excellent niveau halen, economisch potentieel en een duidelijke internationale component hebben. Continuïteit en flexibiliteit spelen daarbij een essentiële rol. Ondanks het enthousiasme en de brede consensus over het voorgestelde clusterbeleid viel er toch een kritische noot te horen, met name vanuit het Vlaamse middenveld. Waarom werden naast de kennisinstellingen en de bedrijven ook niet andere maatschappelijke actoren van het begin af bij het ontwikkelingsproces van de clusters betrokken? Zijn sociale vernieuwingen niet even noodzakelijk als technologische innovatie? “Die kritiek is terecht”, erkent Sandra Rosvelds. “De clusterstudie is in de eerste plaats een technologische verkenning; een zoektocht naar die niches waarin Vlaanderen zich in een geglobaliseerde economie zou kunnen profileren en innovatief zijn. Academici en ondernemers hebben de hoofden bij elkaar gestoken om na te gaan in welke wetenschappelijke domeinen Vlaanderen ver genoeg staat om dat concreet economisch en maatschappelijk te vertalen. Maar de VRWB wil in ieder geval positief antwoorden op de vraag naar een maatschappelijke verkenningsoefening. Uitdagingen als de vergrijzing, het klimaat, energie en solidariteit komen dan meer in het vizier te liggen. Het zou natuurlijk kunnen dat zo’n maatschappelijke verkenning gelijkaardige conclusies oplevert als de clusterstudie. Maar het stellen van prioriteiten heeft zijn voor- en nadelen en er kan altijd bijgestuurd worden via meer onderzoek ”. (Over het clusterbeleid: zie het afzonderlijke interview met Karel Vinck op pagina 16 van dit jaarverslag)

Een gunstig omgevingsklimaat “Technologische innovaties alleen volstaan niet om Vlaanderen in de spits te brengen van het Europese innovatiepeleton. Naast product- en procesinnovatie spelen structurele en sociale vernieuwingen een cruciale rol in de ondersteuning van een gunstig klimaat voor O&O”. Als zesde en laatste actielijn vestigt het VRWB-Memorandum de aandacht op het scheppen van een gunstig omgevingsklimaat op basis van een aantal cruciale hefbomen. Een eerste hefboom heeft betrekking op structurele en sociale vernieuwingen. In die context onderscheidt het Memorandum drie verschillende types van innovatie. In de eerste plaats de klassieke innovatie in producten en diensten. Die moeten zeer gediversifieerd en toekomstgericht zijn. Ten tweede is er de innovatie in productieprocessen, zowel voor producten als voor diensten. Het concurrentievermogen van de Vlaamse ondernemingen kan nog aanzienlijk verhoogd worden door de introductie van nieuwe technologieën, betere kwaliteit, het verbeteren van productiviteit en innovatie. En tot slot is er de structurele innovatie. Om kennis, creativiteit en technologische vooruitgang optimaal te laten gedijen is een gunstige institutionele omgeving nodig. Dat kan alleen als een aantal factoren zoals investeringen in infrastructuur, onderwijs, opleiding, sociaal overleg, O&O, gezondheidszorg en zelfs cultuur gedragen worden door goed draaiende en efficiënte overheidsdiensten. “Die drie types van innovatie moeten harmonieus en gelijktijdig verlopen”, zegt Vinck en hij verwijst naar de Scandinavische landen waar het succes van die aanpak duidelijk aangetoond is. “Daar schuilt voor Vlaanderen een grote verantwoordelijkheid”.

Een tweede hefboom voor een gunstig omgevingsklimaat is de noodzaak van een goed evenwicht tussen fiscaliteit en subsidies. Meer risicovolle projecten worden bij voorkeur gefinancierd via subsidies, terwijl een gunstig fiscaal klimaat de bedrijven de mogelijkheid moet bieden om minder risicovolle projecten gemakkelijker te financieren. Als derde hefboom pleit Vinck ervoor om het bestaande risicokapitaalinstrumentarium van de overheid resoluut te gebruiken om waardevolle risicovolle projecten marktrijp te maken die anders geen kans zouden krijgen omdat de klassieke kapitaalmarkt daar niet in geïnteresseerd is. Vinck: “Het opstarten van nieuwe initiatieven is veel moeilijker geworden vanwege de problemen met de kredietverstrekking. In die zin moeten we aandacht besteden aan de complementariteit van de middelen die de overheid ter beschikking stelt onder de vorm van risicokapitaal en moeten we ook goed kijken naar wat de bancaire sector kan doen.”. En als laatste hefboom vindt de VRWB dat er dringend werk moet gemaakt worden van een transparante, wetenschappelijk gefundeerde en afdwingbare regelgeving met een realistische implementatietermijn, die afgestemd is op de verschillende bevoegdheidsniveaus en overlegfora. Karel Vinck rondt deze gedachtewisseling over het Memorandum 2009-2014 af met een citaat van de Nederlandse winnaar van de Spinozaprijs Johan van Benthem: “Informatie is onze enige grondstof die groeit in het gebruik. Vlaanderen kan niet anders dan investeren in wetenschap en innovatie om tot de top van Europa te behoren. Als we op deze weg verder gaan, dan ben ik ervan overtuigd dat voor Vlaanderen nog een mooie toekomst is weggelegd”.

15


Jaar verslag

2008 | clusterbeleid

VRWB

is katalysator in ambitieus speerpuntenprogramma Interview met Karel Vinck over het clusterbeleid

Tegen 2020 wil Vlaanderen één van Europa’s topregio’s zijn op het vlak van wetenschap en innovatie. Zo staat het in het Pact 2020. Een ambitieuze doelstelling. Maar de uitdaging is minstens even ambitieus: het welzijn en de welvaart van Vlaanderen voor de toekomst veilig stellen. Inzetten op wetenschap en innovatie en bundeling van krachten zijn daarbij sleutelbegrippen. Maar zonder concrete stappen blijft alles dode letter. Karel Vinck over de noodgedwongen slaagkansen van het clusterbeleid. “Ik kan het niet genoeg onderstrepen”, zegt Karel Vinck aan het begin van dit gesprek, “We zitten in een zeer diepe crisis. Het zal veel tijd en energie vergen om ze te boven te komen. De sociaal-economische uitdagingen die op ons afkomen zijn enorm. Maar precies daarom moeten we doorgaan met verregaande investeringen in onderzoek en innovatie. Het richtsnoer is en blijft de drie-procentnorm die in Lissabon/Barcelona is afgesproken. Precies daar ligt de oplossing voor de problemen”. In die langetermijnvisie naar 2020 is het clusterbeleid een cruciale schakel. In 2008 is veel energie gestoken in het uitdiepen van zes clustergebieden die de VRWB in 2006 kon afbakenen op basis van grondige verkenningsstudies. Ze leggen de sterkten en zwakten van Vlaanderen bloot, maar geven tegelijk de domeinen aan waarin Vlaanderen kan uitblinken als een Europese koploper. Vinck: “Samen met VOKA, de sectorfederaties en de kennisinstellingen hebben we binnen die clusters tien speerpuntinitiatieven kunnen definiëren waarvan we overtuigd zijn dat ze voor doorbraken kunnen zorgen in specifieke domeinen. Deze speerpuntinitiatieven zijn ten eerste het resultaat van een zeer grondige selectie en ten tweede moeten ze leiden tot zeer concrete projecten. Een derde belangrijk gegeven is dat de realisatie van die speerpuntinitiatieven aanzienlijke financiële middelen vereist. De VRWB vraagt wel uitdrukkelijk dat dit niet ten koste mag gaan van de gerechtvaardigde groei van de reguliere O&O-steunkanalen. Dit is in lijn met het VRWB-Memorandum 2009-2014, waarin aanzienlijke extra middelen worden gevraagd om de 1%-norm te halen. We zijn er ons van bewust dat de globale budgetruimte beperkt is, maar versnelde en intensieve investeringen in kennis en innovatie zijn broodnodig om de crisis op lange termijn het hoofd te bieden. Algemeen pleit de VRWB ervoor dat de volgende Vlaamse regering een globaal meerjarenplan voor wetenschap en innovatie opstelt, gekoppeld aan een meerjarenbegroting. Dit globaal meerjarenplan moet het ruimer kader vormen waarbinnen gefundeerde afwegingen kunnen worden gemaakt voor enerzijds de ondersteuning van de zeer gediversifieerde bestaande kanalen en anderzijds de nood aan middelen voor het gericht inzetten op strategische domeinen (speerpunten) die moeten leiden tot doorbraken die ook economisch en maatschappelijk een substantiële meerwaarde kunnen leveren. Hierbij is het uitgangspunt niet het scheppen van nieuwe onderzoekscentra. Enkel daar waar na grondige afweging de noden en opportuniteiten groot en realistisch zijn, kan het nodig zijn om een nieuw centrum uit te bouwen. In veel speerpuntdomeinen heeft Vlaanderen al strategische onderzoekscentra, competentiepolen en/of andere platformen. Ook het bundelen van krachten en middelen of het meer focus brengen in het onderzoek, het beter stroomlijnen ervan kan helpen Vlaanderen de internationale top binnen te loodsen. Tot dusver hebben de tien geselecteerde speerpuntinitiatieven geleid tot de oprichting van twee Strategische Onderzoekscentra (SOC’s): het SIM (Strategisch Initiatief Nieuwe Materialen) en het TRIM (Centre for Translational Research and Innovative Medicine). Verder lopen er twee haalbaarheidsstudies: één rond duurzame chemie en één rond smart grids. Het speerpunt rond heterogene systemen wordt door IMEC getrokken. Voor het speerpunt ‘eHealth, ICT en Gezondheidszorg’ zijn de voorbereidingen voor een haalbaarheidsstudie bezig. Binnen het speerpunt logistiek is er consensus rond

16


clusterbeleid |

17


Jaar verslag

2008 | clusterbeleid

de visie en wordt er nu overleg gepleegd over de vertaling daarvan in concrete acties. De werkzaamheden rond de speerpunten ICT en socio-economische innovatie zullen heropgestart worden samen met de aangekondigde maatschappelijke verkenningen. En de activiteiten rond de maakindustrie en de voeding zijn nog maar net van start gegaan.

Niet vrijblijvend De uiteindelijke bedoeling van speerpuntinitiatieven is een activiteit ontplooien die op zijn beurt, via spin-offs, een netwerk van weer andere initiatieven creëert die niet alleen op technologisch vlak aantrekkelijk en veelbelovend zijn, maar ook op sociaal vlak, met name door het scheppen van werkgelegenheid “poneert Vinck. “Door een verregaande differentiëring moeten we erin slagen om ons te positioneren in de Europese top. Want grote clusters vindt je omzeggens in alle landen en er bestaat een grote mate van overlap. De nieuwe speerpuntinitiatieven zullen we dan ook internationaal moeten positioneren Iedereen weet dat de lat bij IMEC of VIB heel hoog ligt. Dat zal ook zo zijn voor de nieuwe SOC’s en alle nieuwe initiatieven. Zij moeten beantwoorden aan de performantieindicatoren die in de beheersovereenkomsten met de Vlaamse regering opgenomen zijn. Daar zullen ze op afgerekend worden. Het starten van een nieuw speerpuntinitiatief is dus echt niet vrijblijvend. Als de bijdrage van een speerpuntinitiatief op sociaal en economisch vlak niet voldoet aan de performantieindicatoren en te marginaal is, dan hebben we niets bereikt. Dan halen we nooit de doelstellingen voor 2020. Dan zou dat wetenschappelijke Spielerei zijn”.

De VRWB als katalysator Een opmerkelijk resultaat van het vaak moeizame overleg in het kader van de clustervorming en de definiëring van speerpuntinitiatieven, is het groeiende vertrouwen tussen universiteiten, bedrijven, federaties en de overheid. Vooral de universiteiten hebben blijkbaar een knop omgedraaid. Door de verschillende actoren actief te betrekken in dat overleg is er heel wat wederzijds wantrouwen verdwenen. Die pluim mag op de hoed van de VRWB gestoken worden. “Net zoals je voor een scheikundige reactie een katalysator nodig hebt om ze op gang te brengen, is de VRWB de katalysator geweest in het bewustwordingsproces en de mentaliteitsverandering rond het clusterbeleid”, aldus Vinck. “De VRWB zal die rol in de toekomst blijven spelen. Het heeft veel tijd en energie gekost om dat draagvlak te creëren en voldoende solide te maken. Dat draagvlak is er nu. De concrete resultaten moeten we nog afwachten, maar alle betrokken actoren, inclusief de Vlaamse regering, staan achter het clusterbeleid”. Maar hier en daar sputtert de motor nog wat en zou er, mits een betere afstelling, meer kunnen bereikt worden. Als je er na hard werken en veel overleg in geslaagd bent een speerpuntinitiatief grondig uit te werken dat bovendien geschraagd wordt door een substantiële overheidsfinanciering, dan verwacht je ook een concrete inbreng van de betrokken spelers zelf, met name de bedrijven. En precies daar knijpt het schoentje. “Een concrete investering doen in middelen of personeel zonder te weten wat die zal opleveren, ligt voor veel bedrijven erg moeilijk”, stelt Vinck. “Ze vinden het clusterbeleid goed en staan erachter, maar als het op engagement aankomt, dan willen ze eerst weten welke voordelen het hen zal opleveren. Ze zijn er wel zijdelings bij betrokken via hun federaties of hun belangengroepen, maar echte ‘commitment’ blijft vaak achterwege. Waarom? Ze vrezen dat ze, door in zo’n initiatief te stappen, hun concurrentiële voordeel zullen verliezen.”.

Drempelvrees overwinnen Drempelvrees is volgens Vinck vaak de oorzaak dat kmo’s aarzelen om mee in zo’n speerpuntinitiatieven te stappen. “Bij veel kmo’s leeft de idee dat zo’n initiatieven ‘mammoetprojecten’ zijn waar veel geld in gestopt wordt door de overheid en de grote

18


clusterbeleid |

bedrijven, terwijl zij zelf oordelen dat ze geen geld of geen geschikt personeel beschikbaar hebben om mee te investeren. Die drempelvrees is ongegrond. De associaties kunnen daar een belangrijke rol in spelen. Door het nauwe contact tussen de hogescholen en de kmo’s kan die drempelvrees overwonnen worden. Eén van de voorwaarden voor het starten van nieuwe speerpuntinitiatieven of het uitbouwen van SOC’s zit trouwens in het voldoende betrekken van de KMO’s. Het IWT houdt dat zeer nauwlettend in het oog. De samenwerking en de medewerking die nodig zijn voor de concrete uitbouw van het clusterbeleid kan en moet dus beter. Daar moeten we een nieuwe dynamiek in brengen. Anders halen we de doelstellingen voor 2020 niet. Ook daar zal de VRWB zijn rol van katalysator verder blijven spelen”.

Werkgroepen Een andere cruciale piste om kmo’s over de streep te halen zijn de werkgroepen die de VRWB en VOKA gezamenlijk oprichten in het kader van de concrete speerpuntinitiatieven. Deze werkgroepen zijn vraaggedreven. Er zitten vooral bedrijven in. Een voorbeeld. Momenteel loopt er een haalbaarheidsstudie rond duurzame chemie. Sectorfederatie Essenscia Vlaanderen trekt het hele proces, organiseert workshops en nodigt kmo’s uit om actief deel te nemen. Vinck: “Eens een werkgroep opgericht en een voorzitter benoemd, begint het echte werk. Samen met zijn team moet de voorzitter immers een eigen methodologie ontwikkelen om de kmo’s optimaal bij het initiatief te betrekken. De benadering is totaal anders dan bij grote bedrijven waar je veel gemakkelijker specialisten kunt samenbrengen rond een bepaald project. Bij kmo’s is dat niet zo. En ook de sector speelt een rol. De materiaalsector functioneert anders dan de sector van het biomedisch onderzoek. Een uniforme aanpak bestaat niet. Het is aan de actoren zelf om de meest geschikte methodologie uit te werken om geïnteresseerde kmo’s warm te maken voor het initiatief. De rol van de VRWB in dit hele sensibiliseringsproces bestaat erin om toe te zien dat het project kadert in wat er voor de betrokken cluster is afgesproken. De VRWB waakt er ook over dat het proces selectief gebeurt en er geen versnippering van middelen en mensen optreedt. En tot slot volgt de Raad ook op of de planning van een project gerespecteerd wordt”.

Maatschappelijke verkenningen 230 miljoen euro extra voor O&O per jaar tot in 2014. Dat is de enveloppe die de VRWB aan de komende Vlaamse Regering vraagt om het wetenschaps- en innovatiebeleid op het juiste spoor te krijgen naar de Europese drie-procentnorm. Of dat zo zal uitdraaien is zeer de vraag. De huidige crisis noopt tot een bijstelling naar beneden. Legt dat geen hypotheek op de uitvoering van het Innovatiepact? “Het belangrijkste is dat de inspanningen die moeten gebeuren ook effectief gebeuren en voortgezet worden”, stelt Vinck met klem. “Willen we de crisis op lange termijn te boven komen, dan moeten we innoveren. Daarover is iedereen het eens. Indien de komende regering zou beslissen om de beschikbare middelen prioritair te investeren in delicate sectoren waar de maatschappelijke noden hoog zijn, dan zou dat fout zijn. Want dan is men niet meer bezig met het voorbereiden van het welzijn en de welvaart van Vlaanderen voor de toekomst”. Koppeling van economie, wetenschap en technologie als basis voor maatschappelijke vernieuwing? Vinck: “Inderdaad. Er zijn zeer zware maatschappelijke problemen die mogelijk te maken. Als je de economische inspanningen niet levert om de economie terug op peil te brengen waardoor je je zo’n inspanningen kan permitteren, waar sta je dan? Je moet dus zowel de economie van de nodige zuurstof voorzien als maatschappelijke investeringen doen”.

Eerder heeft de VRWB al aangekondigd te willen starten met maatschappelijke verkenningen. De VRWB vertrekt gelukkig niet van een wit blad,. Want er bestaat al heel wat. Aan de verschillende Vlaamse universiteiten zijn er steunpunten voor beleidsondersteunend onderzoek. Bijvoorbeeld rond werk, loopbaan, onderwijs, gezondheidszorg, armoede en sociale uitsluiting. Vinck: “We moeten eerst een inventaris opmaken van wat er allemaal bestaat. Welke studies zijn er al gebeurd? Wat doet men in het buitenland in elk van die gebieden? Voor die maatschappelijke verkenningen willen we dezelfde methodologie gebruiken als voor de wetenschapsen technologieverkenningen, die uiteindelijk de basis vormden voor de huidige speerpuntinitiatieven. Op basis daarvan kunnen we dan voorstellen doen voor de innovatie die er nodig is”. Gemakkelijk zal het zeker niet worden. Er zijn immers veel meer stakeholders bij betrokken en er is ook een groot probleem van verdeling van bevoegdheden op federaal en regionaal vlak. Vooral het gebied van de gezondheidszorg is bijzonder complex. Vinck: “Om een stevig draagvlak te creëren is het aantal te betrekken actoren veel groter dan bij de innovatieclusters. Het zal een hele opdracht zijn om alle experten rond specifieke topics samen te brengen in panels en een koers uit te stippelen. Maar, net zoals voor het clusterbeleid, neemt de VRWB deze uitdaging zeer ernstig en zal hij ook de nodige inspanningen leveren om ook voor dit maatschappelijke project de rol van katalysator op zich te nemen en het hele proces op gang te trekken”.

19


Jaar verslag

2008 | VRWB in de media

VRWB in de media

20


interview |

21


Colloquium 2008 Bouwen aan duurzame welvaart en

Jaar verslag

2008 | interview

Hoe brengt een doelgericht innovatiebeleid ons aan de wereldtop?

22


Colloquium 2008 |

welzijn in Vlaanderen Tijdens het jaarlijks colloquium op 13 oktober stelde de Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid zijn Memorandum 2009-2014 ‘Duurzame welvaart en welzijn door Wetenschap en Innovatie’ voor aan beleidsmakers en vertegenwoordigers uit kennisinstellingen, bedrijfswereld en maatschappelijk middenveld.

10.15 uur

Danielle Raspoet, secretaris VRWB verwelkomt zo’n 200 aanwezigen in zaal De Schelp van het Vlaams Parlement.

10.30 uur

Prof. Alexander Rinnooy Kan, voorzitter van de Nederlandse SER en trekker van de Kennisinvesteringsagenda, trekt de parallel Vlaanderen-Nederland en ziet pistes voor meer samenwerking.

‘Wat er uiteindelijk toe doet in een economie, is het vermogen om zich snel aan te passen aan nieuwe omstandigheden en daar eigen elementen van vernieuwing en verbetering aan toe te voegen. Een goed inno vatiebeleid streeft ernaar om die capaciteit op het gewenste niveau te krijgen en te houden. Dat is essentieel en precies daar kunnen Nederland en Vlaanderen elkaar vinden en van elkaar leren.’

11.00 uur

Wetenschap en innovatie zijn niet zo populair bij het grote publiek. De link met welvaart en welzijn wordt niet vanzelf gelegd. We moeten er absoluut voor zorgen dat ook de burger zich aangesproken voelt door het belang van wetenschap en innovatie in de verf te zetten. Prof. Wim Moesen, K.U.Leuven, vertelt in zijn videoboodschap wat het voor de burger kan betekenen om tot de top van Europa te behoren.

11.15 uur

Prof. Koenraad Debackere, VIA-expert van het atelier Innovatie, verduidelijkt één van de voorstellen uit zijn ‘positionpaper’: Niet-gericht onderzoek inbedden: relevantie als criterium?

11.35 uur

Voorzitter Karel Vinck stelt de zes actielijnen voor van het Memorandum 2009-2014 ‘Duurzame welvaart en welzijn door Wetenschap en Innovatie’.

12.00 uur

Onder leiding van Marc Van de Looverbosch volgt een geanimeerd debat met minister-president Kris Peeters, viceminister-president Frank Vandenbroucke en minister van Economie, Ondernemen, Wetenschap, Innovatie en Buitenlandse Handel Patricia Ceysens. De drie ministers zijn het volmondig eens over het belang van bijkomende investeringen in wetenschap en innovatie en een groeipad voor het behalen van de 3% Barcelona-norm. Tegenover deze financiële input moet wel een economische en maatschappelijke return on investment staan om onze welvaart en welzijn in Vlaanderen te verzekeren.

13.00 uur Conclusies door voorzitter Karel Vinck 23


Jaar verslag

2008 | studiereeksen

Studiereeks 20

De uitbouw van het translationeel onderzoek in Vlaanderen

Translationeel biomedisch onderzoek is onderzoek dat focust op de vertaling van nieuwe inzichten of hypotheses (verworven uit hetzij klinische waarnemingen hetzij uit fundamenteel of strategisch basisonderzoek) in nieuwe of betere preventie, diagnostische of therapeutische toepassingen. Dit soort onderzoek vormt dus de brug tussen het fundamenteel en strategisch basisonderzoek enerzijds en toepassingsgedreven biomedisch klinisch onderzoek anderzijds. Hierbij is de uitwisseling van bevindingen in de twee richtingen cruciaal: overdracht van kennis van het onderzoekslaboratorium naar de patiënt (‘from bench to bedside’), en omgekeerd een terugkoppeling van de patiënt naar het klinisch onderzoek (‘from bedside to bench’). De patiënt is direct betrokken/staat centraal bij dit onderzoek, dat kan worden aangevuld met relevant preklinisch onderzoek. Het translationeel onderzoek heeft altijd een maatschappelijke en/ of economische finaliteit in de (mogelijke) verbetering van preventieve of curatieve geneeskundige praktijk. Vlaanderen staat in een zeer sterke positie om hier, mits de nodige investeringen, een voorsprong te nemen. Door onder andere de samenwerking tussen de verschillende actoren te bewerkstelligen en bestaande lacunes in te vullen, kan de efficiëntie van de huidige ontwikkeling van geneesmiddelen/medische hulpmiddelen een flinke stap verhoogd worden. Het belang en het potentieel van translationeel biomedisch onderzoek bleek al uit het Witboek Life Sciences (gepubliceerd door vertegenwoordigers van de life sciences industrie in 2006) en de bijhorende 'Round Table Life Sciences', en werd nogmaals bevestigd in de verkenningsoefening van de VRWB ‘Technologie en Innovatie in Vlaanderen: prioriteiten’ van 2006. Op verzoek van Vlaams minister van Wetenschap en Innovatie Patricia Ceysens onderzocht de Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid de mogelijke scenario's voor de uitbouw van het translationeel onderzoek in Vlaanderen voortgaand op de huidige situatie in Vlaanderen en van Europese en internationale ontwikkelingen op korte en middellange termijn. Gezien de specificiteit van het thema en de vragen die dienden te worden beantwoord, besliste de VRWB hiervoor een ad-hocwerkgroep van deskundigen op te richten, waarbij er over werd gewaakt dat alle relevante expertise, actoren en invalshoeken aanwezig zijn. In advies 120 stelt de VRWB een globaal meerjarenplan voor translationeel onderzoek in Vlaanderen voor dat, via een geïntegreerde benadering, alle betrokken actoren versterkt en tevens zorgt voor overleg en harmonisatie van alle expertise in één nieuw centrum voor translationeel onderzoek. Binnen het meerjarenplan worden concreet volgende vier essentiële actiepunten voorgesteld:

1. verhogen van het aantal goed opgeleide onderzoekers en arts-onderzoekers met voldoende carrièremogelijkheden; 2. financiering van zowel projecten als programma’s, al dan niet in samenwerk- ing met industrie; 3. structurele financiering en organisatie van een beperkt aantal volwaardige Clinical Research Centers (inclusief biobanking en datamanagement); 4. concertatie, harmonisering en integratie van expertise door de oprichting van één centrum voor translationeel onderzoek.

24

Nummer 20 uit de VRWB-studiereeks neemt in deel I het advies 120 op; in deel II worden de resultaten van de vergelijkende analyse weergegeven over de wijze waarop translationeel onderzoek in acht referentielanden wordt gefinancierd.


studiereeksen |

25


Jaar verslag

2008 | studiereeksen

26


studiereeksen |

Studiereeks 21

Onderwijs: kiem voor onderzoek en innovatie

“Als Vlaanderen tot een kwalitatief hoogstaande kennisregio wil uitgroeien, vraagt dit niet alleen bijzondere aandacht voor de onderzoekscomponent, maar ook voor de onderwijscomponent.” Dat is de kerngedachte van deze studiereeks. Eén van de kritische succesfactoren van een goed draaiend wetenschaps- en innovatiebestel is immers de beschikbaarheid van menselijk potentieel. Zowel de aanwezigheid van voldoende menselijk potentieel, als de kwaliteit van deze mensen zijn hierin sleutelbegrippen. Binnen de moderne kennismaatschappij is het benutten van het beschikbare (wetenschappelijke) talent van cruciaal belang. Het innovatievermogen van een regio hangt in de eerste plaats af van de aanwezigheid van onderzoekers. Zij staan aan de wieg van doorbraken in de wetenschap, zetten innovatie in gang en vormen zo de ruggengraat van onze kenniseconomie. Maar er is evenveel nood aan wetenschappelijk/technologisch geschoolde managers die innovatie in hun bedrijf kunnen introduceren, en aan een ruim aantal hoger opgeleide en technisch geschoolde medewerkers die deze kennis in de praktijk kunnen brengen. Het gaat hierbij dus niet alleen over gedoctoreerden, maar ook over masters en bachelors. De beschikbaarheid van hooggekwalificeerd talent en de groei van het aantal onderzoekers is een belangrijk element van de Lissabon-agenda. Tegen 2010 zouden er in Europa naar schatting 700.000 extra onderzoekers nodig zijn om de 3%-doelstelling voor O&O te verwezenlijken. Ook Vlaanderen zal in de loop van de volgende jaren aanzienlijk meer onderzoekers nodig hebben - zo’n 15.000 volgens de beleidsbrief Wetenschap en Innovatie 2006.

We hebben in de toekomst niet alleen méér hoger opgeleiden nodig, maar ze moeten ook over de geschikte competenties beschikken om adequaat op de uitdagingen te kunnen inspelen. Dit houdt uiteraard ook bepaalde eisen aan het hele palet van hoger onderwijs in, zowel op het bama-niveau als voor de doctoraatsopleiding. Het rekruteren en het begeleiden van jongeren die een loopbaan ambiëren in onderzoek en opleiding is dus bepalend voor zowel de verdere ontwikkeling van onze wetenschap als voor de kwaliteit van de opleidingen. Om deze reden, namen de Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid en de Vlaamse Onderwijsraad (Vlor) het initiatief om het belang van onderwijs voor innovatie te beargumenteren in een advies dat werd onderbouwd met een grondige analyse. Voor de opvolging en begeleiding stonden beide adviesraden in. Een VRWB-redactiecomité, onder voorzitterschap van prof. Harry Martens, bereidde de teksten voor. In de Vlor werd de tekst besproken door de werkgroep ‘Onderwijs in innovatie’, eveneens voorgezeten door prof. Harry Martens. Studiereeks nummer 20 beslaat deze analyse en de aanbevelingen die eruit voortvloeiden.

27


Jaar verslag

2008 | interview

28

28


interview |

Bijlagen


Jaar verslag

historiek

Mijlpalen in de geschiedenis van de VRWB

17 juli: Oprichting bij besluit van de Vlaamse Executieve van de Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid 18 februari: Plechtige installatie van de VRWB door minister Gaston Geens, voorzitter van de Vlaamse Executieve

met analyserapport 15 december: VRWB krijgt decretale basis.

1994

22 maart: Plechtige installatie van de VRWB

28 mei: Advies inzake de D.I.R.V.-commissies, waarin wordt aanbevolen om de D.I.R.V.-commissies te integreren in de activiteiten van de Raad

Juni: Het VRWB-secretariaat gaat aan de slag

Secretaris: Elisabeth Monard

Voorzitter: André Oosterlinck

1988 December: Publicatie: ‘Wetenschap als cultuur’ 30 mei: Boodschap 1: Boodschap aan de Vlaamse Regering 1995 Voorzitter: Roger Dillemans

4 oktober: Advies betreffende een ‘Vlaams Actieprogramma Biotechnologie’ 15 juni: Advies betreffende de nieuwe universitaire expansie

21 september: Advies betreffende het beleid en de beleidsstructuur inzake het industrieel onderzoek in Vlaanderen Project: ‘Een Vlaams Wetenschapsbeleid op weg naar het jaar 2000’

1986

Voorzitter: Theo Peeters

1985 22 1993 april: Aanbeveling betreffende de Vlaamse deelname aan ruimtevaartonderzoek in het kader van ESA,

Voorzitter: Jef Roos

1996

12 september: Publicatie: ‘Syntheserapport: De internationale onderzoeksorganisaties’ 22 oktober: Colloquium: ‘Wetenschap als cultuur’ 12 december: Publicatie: ‘Rapport m.b.t. de loopbaan mogelijkheden van de Vlaamse onderzoeker’

1990 de Aanbeveling bij het Groenboek over innovatie van 1997 Januari: EU-commissie: kritische prioriteiten voor de Vlaamse regering 23 januari: Advies betreffende de problematiek rond rekrutering van wetenschappers in het algemeen en ingenieurs in het bijzonder

1998

28 januari: ‘Universitair Onderzoek in Beweging’ VRWB krijgt nieuwe huisstijl en communicatiestrategie

22 april: ‘Colloquium en publicatie: ‘Onderzoek naar de Vlaamse deelname in de Europese onderzoeksprogramma’s’ 21 december: Memorandum 1 aan de vernieuwde Vlaamse Raad

30

18 februari: Hoorzitting i.v.m. het wetenschapsbeleid in Vlaanderen in de commissie Onderwijs, Vorming en Wetenschapsbeleid van de Vlaamse Raad

1991 1999 20 oktober: Colloquium en publicatie: ‘Vlaanderen koploper Juni: VRWB-boodschap voor het Vlaamse wetenschaps- en technologiebeleid in de nieuwe legislatuur

in wetenschap en technologie? Beleidsvisie voor de toekomst’

November: Eerste VRWB-nieuwsbrief ‘nota bene’ 2000 1992 Studiereeks 1: ‘Het ontwikkelen van een deflator 2001 April:O&O-uitgaven’ voor


historiek |

Januari: Studiereeks 2: ‘Wetenschappelijk onderzoek: Tussen sturen en stuwen’ Acta van het colloquium

Mei: Colloquium: ‘Wetenschappers: Luxe of noodzaak?’ Rondetafel en ontmoeting met koning Albert II

Juli: Studiereeks 5: ‘Biotechnologische uitvindingen, octrooien en informed consent’ Studiereeks 6: ‘Perspectieven uitgestroomde wetenschappers op de arbeidsmarkt’ Studiereeks 7: ‘Doctoraatsopleidingen aan de Vlaamse universiteiten’

December: Studiereeks 8: ‘Het ‘grote’ begrotingsadvies wetenschaps- en technologisch innovatiebeleid 2002’

Juni: Studiereeks 3: ‘O&O-bestedingen van de Vlaamse universiteiten. Analyse’ Studiereeks 4: ‘Wetenschappelijk onderzoek en de genderproblematiek’

Februari: Studiereeks 9: ‘Wetenschappers: Luxe of noodzaak?’ Acta van het colloquium April: Studiereeks 10: Samenwerking tussen kennisinstellingen en bedrijven inzake onderzoek(resultaten): intellectuele eigendomsrechten, conflicten en interfaces 10 december: Workshop: ‘Bibliometrie als prestatiemaat voor cultuur- en gedragswetenschappen’

2002 2006 Secretaris: Danielle Raspoet

Juni: Studiereeks 15: ‘Doctoreren aan Vlaamse universiteiten (1991-2002)’ Oktober: Studiereeks 16: ‘Samenwerking universiteiten, hogescholen, onderzoeksinstellingen, intermediairen en bedrijven’ Studiereeks 17: ‘De Vlaamse deelname aan ruimte- en ruimtevaartonderzoek’

2003

November: Studiereeks 18a: ‘Technologie en Innovatie in Vlaanderen: Prioriteiten. Synthesenota en aanbevelingen’ Studiereeks 18b: ‘Technologie en Innovatie in Vlaanderen: Prioriteiten. Proces van prioriteitsstelling en resultaten 21 november: Colloquium: ‘Innovatieparadox: Wat doet Vlaanderen? Wat doet Europa?

2007

Juni: Studiereeks 19: De Vlaamse deelname aan grote internationale onderzoeksinfrastructuur’ Juli: Advies 114: De verdere uitbouw van het Vlaamse wetenschaps- en innovatiebestel, met aandacht voor budgettaire evenwichten’

Voorzitter: Karel Vinck

27 november: Colloquium: ‘Innovatie in gezondheids- en welzijnszorg – Opent technologie nieuwe deuren?

2008

Oktober: Advies 124: Organiek decreet Wetenschap en Innovatie Memorandum 3: Duurzame welvaart en welzijn door wetenschap en innovatie 2009-2014

Maart: Studiereeks 11: ‘De chemische industrie in Vlaanderen’ Studiereeks 12: ‘De voedingsindustrie in Vlaanderen’

2004

April: Memorandum 2: Wetenschap en Technologische Innovatie 2004-2010 – 21 aandachtspunten in 5 thema’s September: Studiereeks 13: Wetenschap en innovatie in Vlaanderen 2004-2010, voorstellen voor een strategisch beleid

13 oktober: Colloquium: ‘Bouwen aan duurzame welvaart en welzijn in Vlaanderen’ November: Studiereeks 20: ‘De uitbouw van translationeel onderzoek in Vlaanderen Studiereeks 21: ‘Onderwijs als kiem voor innovatie’

21 oktober: Colloquium: ‘Knappe koppen die meespelen – Talent als motor voor innovatie’

April: Studiereeks 14: Vlaams wetenschappelijk onderzoek en Sciences sharing

2005

17 november: Colloquium: ‘Kennis als kracht: een hefboom naar meer jobs?’ November: VRWB neemt afscheid van Elisabeth Monard als secretaris

31


Jaar verslag

2008 | samenstelling Raad

Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid1-2 Voorzitter Karel Vinck3 , voorzitter BAM n.v. Zes leden voorgedragen door de VLIR - Roger Bouillon3, gewoon hoogleraar afdeling Experimentele Geneeskunde - Endocrinologie, K.U.Leuven - Andreas De Leenheer3, prorector, Universiteit Gent - Paul Janssen, voorzitter Onderzoeksraad, Universiteit Hasselt - AndrĂŠ Oosterlinck, ererector, K.U.Leuven - Dirk Van Dyck, vicerector Onderzoek, Universiteit Antwerpen - Lode Wyns, vicerector Onderzoek, Vrije Universiteit Brussel (vanaf 3 december 2008 in opvolging van Jan Cornelis) Drie leden voorgedragen door de werkgeversorganisaties vertegenwoordigd in de SERV - Viviane Camphyn, secretaris-generaal, Nelectra - An Van de Vel, manager Scientific Relations, Umicore Research - Peter Verboven, adviseur, kenniscentrum VOKA Drie leden voorgedragen door de werknemersorganisaties vertegenwoordigd in de SERV - Jeroen Roskams, adviseur, studiedienst ACV - Sandra Rosvelds3, diensthoofd Studie en Ontwikkeling, ACW - Maureen Verhue, adviseur, studiedienst Vlaams ABVV Vier leden rechtstreeks benoemd door de Vlaamse regering - Gilbert Declerck3, algemeen directeur, IMEC - Ann De Clercq, octrooigemachtigde, De Clercq, Brants & Partners - Carine Smolders, hoogleraar, Hogeschool Gent - Ludo Verhoeven, CEO en president, Agfa-Gevaert Groep Leden die ambtshalve lid zijn met raadgevende stem - Veerle Lories, wnd. secretaris-generaal, departement Economie, Wetenschap en Innovatie - Elisabeth Monard, secretaris-generaal, FWO - NoĂŤl Vercruysse, afdelingshoofd universiteiten, departement Onderwijs en Vorming - Paul Zeeuwts, directievoorzitter, IWT

Beslissing van de Vlaamse regering van 14 februari 2003 Toestand op 12 maart 2009 3 Lid van het Dagelijks Bestuur van de VRWB 1 2

32


samenstelling commissies |

Commissie wetenschapsbeleid2 Commissievoorzitter Roger Bouillon, gewoon hoogleraar afdeling Experimentele Geneeskunde – Endocrinologie, K.U.Leuven - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

Rik Ampe, onderzoeksdirecteur Meten en Evalueren, VITO Staf Borghs, IMEC Herwig Bruneel, vakgroep Telecommunicatie en Informatieverwerking, Universiteit Gent Yvan Bruynseraede, departement Natuurkunde, K.U.Leuven – Koninklijke Vlaamse Academie van België voor Wetenschappen en Kunsten Christine Buelens, gedelegeerd bestuurder, Metalogic Jo Bury, algemeen directeur, VIB Jan Danckaert, vakgroep Toegepaste Natuurkunde en Fotonica, Vrije Universiteit Brussel Paul De Boeck, coördinator Onderzoeksbeleid, K.U.Leuven René Dekeyzer, manager external R&D-materials, Agfa-Gevaert Patrick Develtere, directeur, HIVA Marleen Easton, departement Handelswetenschappen en Bestuurskunde, Hogeschool Gent Mieke Gijsemans, onderzoekscoördinator R&D-departement, Vrije Universiteit Brussel Danielle Gilliot, stafmedewerker Onderzoeksbeleid, VLIR Stef Heylen, chief medical officer, afdeling Discovery and early development, Johnson & Johnson (vanaf 3 december 2008, in opvolging van Stefan Gijssels) Benno Hinnekint, directeur, FWO Ignace Lemahieu, directeur Onderzoeksaangelegenheden, Universiteit Gent Christelle Maeyaert, stafmedewerker dienst Onderzoekscoördinatie, K.U.Leuven Dirk Packet, R&D-manager, Oleon An Peters, directeur Onderzoekscoördinatie, Universiteit Hasselt (vanaf 25 september 2008, in opvolging van Marc Smeyers) Sandra Rosvelds, diensthoofd Studie en Ontwikkeling, ACW Maarten Sileghem, directeur Strategisch en Europees Onderzoek, IWT Dirk Snyders, ondervoorzitter Onderzoeksraad, Universiteit Antwerpen Jan Steyaert, vakgroep Toegepaste Biologische Wetenschappen, Vrije Universiteit Brussel Jean-Pierre Timmermans, voorzitter Onderzoeksraad, Universiteit Antwerpen (vanaf 25 september 2008, in opvolging van Eric Spruyt) Jeroen Vanden Berghe, directie Onderzoeksaangelegenheden, Universiteit Gent (vanaf 22 januari 2009, in opvolging van Marc De Mey) Gilles Vandorpe, economisch adviseur studiedienst, UNIZO Noël Vercruysse, afdelingshoofd Hoger Onderwijsbeleid, departement Onderwijs en Vorming Pierre Verdoodt, afdelingshoofd Studiedienst en Prospectief Beleid, departement Economie, Wetenschap en Innovatie

33


Jaar verslag

2008 | samenstelling commissies

Commissie Technologiebeleid2 Commissievoorzitter Gilbert Declerck, algemeen directeur, IMEC - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

34

Ann Aerts, departement Onderzoek, Universiteit Antwerpen Paul Berckmans, directeur, STV-Innovatie & Arbeid André Convents, section head New Technologies/Enzymes, Procter & Gamble Eurocor Jan Cornelis, voorzitter KITT, Vrije Universiteit Brussel (vanaf 3 december 2008, in opvolging van Sonja Haesen) Freek Couttenier, stafmedewerker Economische Aangelegenheden en Industrieel Beleid, Agoria-Vlaanderen Koenraad Debackere, algemeen beheerder, K.U.Leuven Rudy Dekeyser, vice-algemeen directeur, VIB René Dekeyzer, manager external R&D-materials, Agfa-Gevaert Gilbert Devos, senior vicepresident, Proviron Luc De Vuyst, vakgroep Toegepaste Biologische Wetenschappen, Vrije Universiteit Brussel Luc Kupers, Genzyme Flanders Paul Lagasse, vakgroep Informatietechnologie, Universiteit Gent Erwin Lamot, algemeen directeur, Flanders’Food Jan Laperre, directeur-generaal, Centexbel Egbert Lox, vicepresident, Group R&D Umicore Harry Martens, directeur IMO-IMOMEC, Universiteit Hasselt Pascale Redig, dienst Interface, Universiteit Antwerpen Jeroen Roskams, adviseur studiedienst, ACV Jan Sijnave, External Relations Manager Technology, Bekaert Peter Spyns, navorser, departement Economie, Wetenschap en Innovatie Jean-Marie Stassart, coördinator Wetenschappelijk Onderzoek en Dienstverlening, Provinciale Hogeschool Limburg Hendrik Van Brussel, afdeling PMA, K.U.Leuven Leo Van de Loock, directeur Evaluatie en Opvolging, IWT Carl Van der Auwera, senior advisor Productveiligheid, Milieu en Innovatie, Essenscia Vlaanderen (vanaf 27 mei 2008, in opvolging van Erwin Annys) Herman Van der Auweraer, RTD-manager, LMS International Joos Vandewalle, afdeling ESAT - SCD, K.U.Leuven Gilles Vandorpe, economisch adviseur studiedienst, UNIZO (vanaf 3 december 2008, in opvolging van Ian De Ruyver) Johan Van Helleputte, directeur Strategische Ontwikkeling, IMEC Frank Van Riet, engineering manager, Clayton of Belgium Jos Van Sas, R&D external affairs manager, Alcatel Lucent Peter Verboven, adviseur kenniscentrum Voka Peter Vercaemst, unit manager Transitie, Energie en Milieu, VITO (vanaf 3 december 2008, in opvolging van Roger Leysen) Maureen Verhue, adviseur regionaal-economisch beleid, Vlaams ABVV Stijn Verleyen, beleidsadviseur, FWO (vanaf 3 december 2008, in opvolging van Jan De Beule) Bart Wallaeys, IDC manager, Recticel Michel Waroquier, vakgroep Subatomaire en Stralingsfysica, Universiteit Gent


samenstelling commissies |

Commissie federale en internationale samenwerking2 Commissievoorzitter Andreas De Leenheer, prorector, Universiteit Gent - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

Anne Adams, stafmedewerker Onderzoek en Interface, Universiteit Antwerpen Claire Bosch, algemeen afgevaardigde, Fevia Vlaanderen Jan Buysse, adviseur studiedienst, VOKA Gerard Cielen, stafmedewerker dienst Onderzoekscoördinatie, K.U.Leuven Cathérine De Clercq, vakgroep Natuurkunde, Vrije Universiteit Brussel Alain Deleener, coördinator Europese en Internationale programma's, IWT Marc De Mey, KVAB (vanaf 22 januari 2009, in opvolging van Jozef Van Landuyt) Kristin De Meyer, strategische coördinatie Doctoraatsonderzoek, IMEC Herman Derache, directeur, Sirris Vlaanderen Patrick Develtere, directeur, HIVA Martine Follet, coördinator Europese Onderzoeksinitiatieven, R&D-departement, Vrije Universiteit Brussel Ludo Froyen, departement Metaalkunde en Toegepaste Materiaalkunde, K.U.Leuven Danielle Gilliot, stafmedewerker Onderzoeksbeleid, VLIR Peter Paul Knops-Gerrits, liason officer, Vleva (vanaf 25 september 2008) Bart Laethem, navorser, departement Economie, Wetenschap en Innovatie Jan Laperre, directeur-generaal, Centexbel Godelieve Laureys, vakgroep Scandinavistiek en Noord-Europakunde, Universiteit Gent Jozef Maes, senior vicepresident Marketing and Sales, Asco Industries Guy Marin, vakgroep Chemische Proceskunde en Technische Chemie, Universiteit Gent Ivan Nijs, departement Biologie, Universiteit Antwerpen Nele Nivelle, stafmedewerker Onderzoekscoördinatie, Universiteit Hasselt (vanaf 25 september 2008, in opvolging van Ann Peters) Lieve Ongena, VIB Sandra Rosvelds, diensthoofd Studie en Ontwikkeling, ACW Francis Vanderhaeghen, directeur Business en marktstrategie, VITO Gilles Vandorpe, economisch adviseur studiedienst, UNIZO Cynthia Van Hulle, departement Toegepaste Economische Wetenschappen, K.U.Leuven Chris Van Keer, adjunct-departementshoofd Industrieel Ingenieur, KAHO Sint Lieven Noël Vercruysse, afdelingshoofd Universiteiten, departement Onderwijs en Vorming Hans Willems, beleidsmedewerker, FWO

35


Jaar verslag

2008 | samenstelling commissies

Commissie begroting en financiën2 Commissievoorzitter Sandra Rosvelds, diensthoofd Studie en Ontwikkeling, ACW - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

36

Geert Bouckaert, Instituut voor de Overheid, K.U.Leuven Donald Carchon, adviseur Monitoring en Analyse, IWT Karl Collaerts, adviseur studiedienst, VOKA Freek Couttenier, stafmedewerker Economische Aangelegenheden en Industrieel Beleid, Agoria-Vlaanderen Ina Dambre, stafmedewerker Personeel en Financiën, VLIR Linda De Kock, adjunct van de directeur, departement Onderwijs en Vorming Alain De Waele, directeur Financiën, Artesis Hogeschool Antwerpen Josée Houben, dienst Onderzoeksbeleid, K.U.Leuven Danny Huysmans, directeur Intern Beleid, FWO Marc Jegers, vakgroep Micro-economie voor profit en non-profitsector, Vrije Universiteit Brussel Ignace Lemahieu, directeur Onderzoeksaangelegenheden, Universiteit Gent Etienne Poelvoorde, SERV Jeroen Roskams, adviseur studiedienst, ACV Serge Simon, beheerder, Universiteit Antwerpen Marc Smeyers, juridisch adviseur, Universiteit Hasselt Barbara Tan, onderzoeksmanager academisering, Universiteit Antwerpen Nic Van Craen, financieel beheerder, Vrije Universiteit Brussel Carl Van der Auwera, senior advisor Productveiligheid, Milieu en Innovatie, Essenscia Vlaanderen (vanaf 27 mei 2008, in opvolging van Erwin Annys) Marie Claire Van de Velde, directeur Valorisatie and Business Development, IBBT Gilles Vandorpe, economisch adviseur studiedienst, UNIZO Peter Verboven, adviseur kenniscentrum, VOKA Maureen Verhue, adviseur studiedienst, Vlaams ABVV Willy Verstraete, vakgroepvoorzitter Biochemie & Microbiële Technologie, Universiteit Gent Reinhilde Veugelers, departement Toegepaste Economische Wetenschappen, K.U.Leuven André Vinck, directeur Budget en Financiën, IMEC Koen Waeyaert, navorser, departement Economie, Wetenschap en Innovatie


samenstelling werkgroepen |

Werkgroep Onderwijs Werkgroepvoorzitter Harry Martens, directeur IMO-IMOMEC, Universiteit Hasselt - - - - - - - - - -

Isabelle De Ridder, VLOR Joris Dirckx, departement Fysica, Universiteit Antwerpen Stefan Gijssels, VP Public Affairs, Johnson & Johnson Karen Haegemans, navorser, d epartement Economie, Wetenschap en Innovatie Gaston Moens, Vrije Universiteit Brussel Herman Van der Auweraer, RTD-manager, LMS International Joos Vandewalle, afdeling ESAT-SCD, K.U.Leuven Peter Verboven, adviseur kenniscentrum, VOKA NoĂŤl Vercruysse, afdelingshoofd Hoger Onderwijsbeleid, departement Onderwijs en Vorming Ann Verreth, secretaris-generaal, VLHORA

Werkgroep Translationeel Onderzoek Werkgroepvoorzitter Roger Bouillon, gewoon hoogleraar afdeling Experimentele Geneeskunde Endocrinologie, K.U.Leuven - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

Gil Beyen, gedelegeerd bestuurder, Tigenix Julien Brabants, executive director Public Affairs & Pricing, GlaxoSmithKline Jo Bury, algemeen directeur, VIB Michiel Callens, voorzitter, Stichting Kankerregister Luc Desimpelaere, manager New Technologies, Barco Kathleen D'hondt, navorser, departement Economie, Wetenschap en Innovatie Stefan Gijssels, VP Public Affairs, Johnson & Johnson Arnold Herman, departement Farmaceutische Wetenschappen, Universiteit Antwerpen Xavier Hormaechea, sociate director Public Affairs, UCB Philippe Jorens, voorzitter Medische Raad, Universiteit Antwerpen - UZ Antwerpen Bart Lambrecht, vakgroep Inwendige Ziekten, Universiteit Gent UZ Gent Bart Loeys, vakgroep Pediatrie en Genetica, UZ Gent Didier Malherbe, afgevaardigd bestuurder, UCB Belgium Marc Noppen, gedelegeerd bestuurder, UZ Brussel Danny Pipeleers, director Diabetes Research Center, Vrije Universiteit Brussel - UZ Brussel Piet Schutyser, bestuurder, vice-president, AstraZeneca Maarten Sileghem, directeur Strategisch en Europees Onderzoek, IWT Thomas Steckler, senior Research Fellow, Johnson & Johnson Pharmaceutical Research Development Piet Stinissen, directeur Biomedisch Onderzoeksinstituut, UHasselt Wim Van Criekinge, VP Biomarker and Pharmacogenomics Research, Oncomethylome Sciences Greet Van den Berghe, afdeling Intensieve Geneeskunde, K.U.Leuven Staf Van Reet, voorzitter, Movetis Catherine Verfaillie, directeur Interdepartementaal Stamcelinstituut, K.U.Leuven Kris Westelinck, senior director Corporate Affairs, Pfizer Hans Willems, beleidsmedewerker, FWO

37


Jaar verslag

2008 | samenstelling stuurgroep

Stuurgroep Project Impactanalyse Fiscale O&O Stimuli Stuurgroepvoorzitter Danielle Raspoet, secretaris, VRWB - - - - - - - - - - - - -

38

Paul De Boeck, coördinator Onderzoeksbeleid, K.U.Leuven Michel Dumont, Federaal planbureau Jeroen Fiers, wetenschappelijk adviseur Monitoring & Analyse, IWT Benno Hinnekint, directeur, FWO Koen Meesters, adviseur studiedienst, ACV Pierre Moortgat, uitvoerend secretaris, FRWB Michèle Oleo, raadgever Wetenschap en Innovatie, Kabinet Economie, Wetenschap, Innovatie en Buitenlandse Handel Carine Smolders, hoogleraar, Hogeschool Gent - departement Handelswetenschappen & Bestuurskunde Peter Teirlinck, POD Wetenschapsbeleid Tom Tournicourt, teamleider Valorisatie en Industrieel beleid, departement Economie, Wetenschap en Innovatie Peter Verboven, adviseur kenniscentrum, VOKA André Vinck, directeur Budget en Financiën, IMEC Ward Ziarko, diensthoofd Productie en Analyse van O & O-indicatoren, POD Wetenschapsbeleid


VRWB-stafdienst |

VRWB-staf

van links naar rechts > Elie Ratinckx, Carine Brackenier, Kristien Vercoutere, Danielle Raspoet, Jan Adriaenssens, Eva Van Maele, Vincent Thoen en Nicole Bogaerts

Secretaris dr. Danielle Raspoet Navorsers - dr. Jan Adriaenssens (vanaf 1 mei 2008 ter vervanging van dr. Elke Smits) - dr. Elie Ratinckx - dr. Vincent Thoen - dr. Kristien Vercoutere Communicatie - Eva Van Maele Administratieve ondersteuning - Nicole Bogaerts - Carine Brackenier

39


Jaar verslag

2008 | adviezen

ADVIEZEN Advies 127 Beleidsbrief 2009 'Economie, ondernemen, wetenschap, innovatie en buitenlandse handel' (3 december 2008) Advies 126 Voorbereiding van het Belgisch EU-voorzitterschap in 2010 (3 december 2008) Advies 125 Het Europees partnerschap voor onderzoekers (3 december 2008) Advies 124 Organiek decreet Wetenschap en Innovatie (6 oktober 2008)

Advies 123 Wijzing van het BOF-besluit (25 september 2008) Advies 122 'Dual use' onderzoek (3 juli 2008) Advies 121 Wijziging van de Vlaamse reglementaire besluiten met betrekking tot de steunverlening van het IWT om deze in overeenstemming te brengen met de Europese kaderregeling (10 april 2008) Advies 120 De uitbouw van het translationeel onderzoek in Vlaanderen (10 april 2008)

Advies 119 Onderwijs: kiem voor onderzoek en innovatie (27 mei 2008)

Advies 118 Doctoraatsbeurzen en postdoctorale mandaten (17 april 2008)

Advies 117 Taalregelgeving in het Hoger Onderwijs (14 maart 2008)

Advies 116 Begroting Wetenschap en Innovatie 2008 (14 maart 2008)

Advies 115 Beleidsbrief 2008 'Economie, Onderwijs, Wetenschap, Innovatie en Buitenlandse Handel' (24 januari 2008)

40


aanbevelingen, memorandum, studiereeksen, brochure, colloquium en onderzoeksprojecten |

Aanbevelingen Aanbeveling 33 Portaalsite voor communicatie over Wetenschap, Technologie en Innovatie (19 maart 2008)

Memorandum Memorandum 3 ‘Duurzame welvaart en welzijn door wetenschap en innovatie'. (oktober 2008)

Studiereeksen Studiereeks 20: 'De uitbouw van het translationeel onderzoek in Vlaanderen' (november 2008) Studiereeks 21: 'Onderwijs: kiem voor onderzoek en innovatie' (november 2008)

Brochure

Zes clusters en hun speerpunten (november 2008)

Colloquium Bouwen aan duurzame welvaart welzijn in Vlaanderen’ (13 oktober 2008)

Onderzoeksprojecten Impactanalyse fiscale O&O-stimuli promotor: Joseph Plasmans onderzoeker: Ruslan Lukach, Wim Meeusen, Peter Vanlerberghe en Dirk Van Stappen

41


Jaar verslag

2008 | decreet

DECREET TOT OPRICHTING VAN DE VLAAMSE RAAD VOOR WETENSCHAPSBELEID 15 december 1993 (B.S., 26 maart 1994)

GEWIJZIGD BIJ: Decreet van 18 mei 1999 houdende wijziging van sommige decreten betreffende de raadpleging van adviesorganen door het Vlaams Parlement (B.S., 15 juli 1999). Wijzigt artikel 3.

HOOFDSTUK I Algemeen Artikel 1 Dit decreet regelt aangelegenheden als bedoeld in artikel 59bis en artikel 107quater van de Grondwet. (Lees: de artikelen 39 en 127 van de gecoördineerde Grondwet)

HOOFDSTUK II Oprichting van de Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid Artikel 2 Voor de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest wordt een Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid opgericht, hierna te noemen de Raad.

HOOFDSTUK III Bevoegdheid van de Raad Artikel 3 § 1. De Raad is bevoegd om inzake elke aangelegenheid betreffende het wetenschapsbeleid, met inbegrip van het technologiebeleid, op eigen initiatief aanbevelingen te formuleren en studies te verrichten en om, op verzoek van de Vlaamse regering en de in § 5 vermelde overheden, over die aangelegenheden advies te verstrekken. § 2. Meer in het bijzonder kan de Raad advies verstrekken, aanbevelingen formuleren en studies verrichten in verband met: • de globale beleidslijnen en prioriteiten van het wetenschapsbeleid; • de vorming van het onderzoekspersoneel; • de grote trends in het wetenschapsbeleid en acties op federaal en internationaal vlak; • het toetsen van de doelmatigheid van de organisatie van het wetenschapsbeleid; • het toetsen van het wetenschapsbeleid aan de ontwikkelingen op sociaal, economisch, technologisch en cultureel vlak en het formuleren van behoeften die daaruit voortvloeien. § 3. Vóór 30 september van elk jaar brengt de Raad een met redenen omkleed advies uit over het gevoerde en het te voeren begrotingsbeleid inzake het wetenschapsbeleid. Het advies wordt toegezonden aan de Vlaamse regering. § 4. De Vlaamse regering is verplicht vooraf het advies van de Raad in te winnen over: • alle voorontwerpen van decreet en ontwerpen van reglementaire besluiten van de Vlaamse regering inzake wetenschapsbeleid die algemene aan- gelegenheden regelen waarvoor de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest bevoegd zijn, met uitzondering van de voorontwerpen van decreet die de begroting betreffen; • alle voorontwerpen van decreet of besluiten houdende de oprichting, afschaffing of verandering van bevoegdheden van instellingen die instaan voor materies inzake wetenschapsbeleid waarvoor de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest bevoegd zijn; • alle belangrijke niet-gereglementeerde acties en initiatieven inzake wetenschapsbeleid, met inbegrip van acties van de Vlaamse regering op federaal en internationaal vlak.

42

§ 5. Het advies van de Raad kan gevraagd worden door: • het Vlaams Parlement; • de Vlaamse minister, bevoegd voor het wetenschapsbeleid of, bij ontstentenis van de expliciete toewijzing van deze bevoegdheid, de minister-president van de Vlaamse regering; • elke Vlaamse minister voor wat zijn bevoegdheden betreft. § 6. De adviezen, bedoeld in § 4 en § 5, dienen te worden verstrekt binnen een termijn van twee maanden, te rekenen vanaf de aanvraag. In geval van spoed kan de Vlaamse minister bevoegd voor het wetenschapsbeleid, of bij ontstentenis van de expliciete toewijzing van deze bevoegdheid, de minister-president van de Vlaamse regering, de termijn inkorten met dien verstande dat die niet minder dan tien werkdagen mag bedragen. [Het Vlaams Parlement kan een andere termijn bepalen, die niet korter mag zijn dan dertig dagen (ingevolge het decreet van 18 mei 1999, art.11)] Het in vorig lid bedoeld advies wordt geacht te zijn gegeven indien het niet binnen bovengenoemde termijn is verstrekt. § 7. De Raad treedt op als Vlaamse gesprekspartner en kan als vertegenwoordiger van Vlaanderen worden betrokken bij gelijkaardige federale en internationale adviesorganen.

HOOFDSTUK IV Informatiedoorstroming en verslaggeving Artikel 4 § 1. De Vlaamse regering stelt de Raad de noodzakelijke informatie ter beschikking om hem in staat te stellen zijn opdrachten naar behoren te vervullen. § 2. De adviezen, aanbevelingen en studies van de Raad zijn openbaar, tien werkdagen nadat ze medegedeeld zijn aan de Vlaamse regering. Artikel 5 § 1. De Raad legt jaarlijks aan de Vlaamse regering een verslag voor van zijn werkzaamheden. De Vlaamse regering overhandigt dit verslag aan het Vlaams Parlement. § 2. De Raad kan steeds bijzondere verslagen opstellen over bepaalde vraagstukken inzake wetenschapsbeleid.

HOOFDSTUK V Samenstelling van de Raad Artikel 6 § 1. De Raad is samengesteld uit een voorzitter en zestien leden, allen benoemd om hun deskundigheid op grond van en hun betrokkenheid bij het wetenschapsbeleid in de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest. Ten minste acht leden van de Raad, alsook de voorzitter, zijn personen die ervaring hebben met of hoofdzakelijk actief zijn in het wetenschappelijk onderzoek.


decreet |

De Raad dient evenwichtig samengesteld te zijn uit deskundigen op het gebied van de cultuur- en de gedragswetenschappen, de toegepaste, de exacte en de biomedische wetenschappen. § 2. Zes leden zijn actief in of hebben ervaring met het universitair onderwijs of het wetenschappelijk onderzoek. Zij worden voorgedragen door de Vlaamse Interuniversitaire Raad (VLIR). § 3. Zes leden worden voorgedragen door de werkgevers- en werknemersorganisaties die vertegenwoordigd zijn in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen (SERV). § 4. De voorzitter en vier leden worden voorgedragen door de Vlaamse minister bevoegd voor het wetenschapsbeleid of, bij ontstentenis van de expliciete toewijzing van deze bevoegdheid, de minister-president van de Vlaamse regering. § 5. De voorzitter en de leden van de Raad worden benoemd door de Vlaamse regering. § 6. De duur van het mandaat van de voorzitter en van de leden bedraagt vier jaar. Het mandaat is éénmaal hernieuwbaar. Indien een lid zijn mandaat niet beëindigt, wordt een nieuw lid benoemd conform de bovengenoemde bepalingen. Dit lid zal het desbetreffende mandaat voltooien en kan slechts één nieuw mandaat innemen. Artikel 7 § 1. Aan de Raad nemen met raadgevende stem deel: • de secretaris-generaal van het departement Onderwijs; • de secretaris-generaal van het departement Economie, Werkgelegenheid, Binnenlandse Aangelegenheden en Landbouw • de eerste opdrachthouder van de administratie voor de Programmatie van het Wetenschapsbeleid bij het departement Coördinatie; (nu: Administratie Wetenschap en Innovatie, departement Wetenschap, Innovatie en Media) • de directeur-generaal van het Instituut voor de bevordering van het Wetenschappelijk-Technologisch onderzoek in de industrie (IWT); • de secretaris-generaal van de Vlaamse raad van bestuur van het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek (NFWO). (nu: FWO-Vlaanderen).

Artikel 10 De Vlaamse regering stelt aan de Raad een permanent secretariaat ter beschikking, dat naast personeel met een administratieve opleiding eveneens personeel met een wetenschappelijke opleiding omvat, en bepaalt het aantal, de loopbaan en de bezoldigingsregeling in overeenstemming met de aard van de functie en de gevraagde kwalificaties. De Vlaamse regering kan voor het voormelde secretariaat van de Raad onder meer een beroep doen op gespecialiseerd personeel, statutair of contractueel, in dienst genomen in overeenstemming met de bepalingen van de artikelen 88, 89 en 90 van het decreet van 12 december 1990 betreffende het bestuurlijk beleid. Het secretariaat wordt onder het gezag van de voorzitter van de Raad geleid door een secretaris. Artikel 11 Het departement Coördinatie (nu: departement Wetenschap, Innovatie en Media) van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap stelt lokalen ter beschikking voor de huisvesting van het secretariaat van de Raad en verleent het alle logistieke steun. Artikel 12 Voor de leden van de Raad en van het secretariaat van de Raad en voor alle personen die aan de Raad hun medewerking verlenen, gelden de bepalingen van Titel I, Hoofdstuk II, artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 november 1991 tot bepaling van de algemene principes van het administratief en geldelijk statuut van de rijksambtenaren die van toepassing zijn op het personeel van de regeringen en van de publiekrechtelijke rechtspersonen die ervan afhangen. Artikel 13 De Raad beschikt voor het uitvoeren van zijn opdrachten over een dotatie die jaarlijks ingeschreven wordt in de begroting van de Vlaamse Gemeenschap.

HOOFDSTUK VII Het statuut van de Voorzitter, van de leden en van de personen die aan de Raad hun medewerking verlenen

§ 2. De Raad kan in zijn huishoudelijk reglement zelf bepalen of hij voor de in § l van dit artikel genoemde ambtenaren plaatsvervangers kan toelaten, alsook of hij, in bepaalde omstandigheden en onder bepaalde voorwaarden, andere personen met raadgevende stem wenst te laten deelnemen aan de vergaderingen.

Artikel 14 Inzake protocollaire en administratieve aangelegenheden wordt de voorzitter gelijkgesteld met een ambtenaar van rang 17 en worden de leden van de Raad gelijkgesteld met ambtenaren van rang 16.

HOOFDSTUK VI

De leden van commissies of werkgroepen die door de Raad worden opgericht, worden gelijkgesteld met een ambtenaar van rang 15.

De werking van de Raad Artikel 8 De Raad kan, binnen de mogelijkheden van zijn dotatie, voor het onderzoek van bijzondere vraagstukken of voor het uitvoeren van studieopdrachten, een beroep doen op permanente commissies of ad-hocwerkgroepen, bestaande uit leden benoemd door de Raad, of op externe deskundigen, onder de voorwaarden bepaald in het huishoudelijk reglement. Artikel 9 De Raad stelt, binnen een termijn van drie maanden na de inwerkingtreding van dit decreet, een huishoudelijk reglement op, dat minstens regelt: • de bevoegdheden van de voorzitter; • de samenstelling en de bevoegdheden van het eventuele dagelijks bestuur van de Raad; • de wijze van bijeenroeping en beraadslaging; • de frequentie van vergaderen; • de bekendmaking van de handelingen; • de voorwaarden waaronder de Raad een beroep kan doen op externe deskundigen, permanente commissies of ad-hocwerkgroepen, overeenkomstig artikel 8; • de voorwaarden waaronder de Raad een beroep kan doen op personen, zoals vermeld in artikel 7, § 2. Dit reglement is onderworpen aan de goedkeuring van de Vlaamse regering.

De ambtenaren die met raadgevende stem deelnemen aan de Raad of aan de commissies of werkgroepen, behouden de rang die zij bekleden in hun administratie. Artikel 15 § 1. De Vlaamse regering bepaalt het presentiegeld en de geldelijke vergoedingen die aan de voorzitter en de leden van de Raad kunnen worden toegekend. § 2. De Raad bepaalt, binnen de perken van zijn werkingsmiddelen, de geldelijke vergoedingen van de voorzitters en de leden van de permanente commissies en ad-hocwerkgroepen en van de externe deskundigen.

Slotbepaling Artikel 16 (niet opgenomen) (Het besluit van de Vlaamse regering van 17 juli 1985 houdende oprichting van een Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid, wordt opgeheven)

43


Jaar verslag

2008 | huishoudelijk reglement

HUISHOUDELIJK REGLEMENT

van de Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid

Ter uitvoering van artikel 9 van het decreet van 15 december 1993 tot oprichting van de Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid. Gecoördineerde versie (goedgekeurd bij besluit van 29 juni 1994 en besluit van 29 maart 1995 van de Vlaamse regering).

HOOFDSTUK I Definities Voor de toepassing van dit huishoudelijk reglement wordt verstaan onder: - - - - -

Decreet: decreet van 15 december 1993 tot oprichting van de Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid (B.S. van 26 maart 1994) Raad: de Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid Voorzitter: de voorzitter van de Raad Leden: leden die krachtens artikel 6 van het decreet benoemd zijn tot lid van de Raad Raadgevende leden: de ambtenaren die uit hoofde van hun functie en krachtens art. 7 van het decreet met raadgevende stem deel nemen aan de Raad.

HOOFDSTUK II Vergaderingen en bijeenroepingen Artikel 1 De Raad vergadert ten minste vijfmaal per jaar in de lokalen van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap in Brussel.

Artikel 6 Voor de andere organen van de Raad stelt de voorzitter van het betrokken orgaan de agenda van de vergaderingen vast, hetzij ter uitvoering van beslissingen van de Raad, hetzij ter uitvoering van beslissingen genomen tijdens een vroegere vergadering van het betrokken orgaan, hetzij op aanvraag van een van de leden van het betrokken orgaan, hetzij op eigen initiatief. Artikel 7 De agenda wordt gevoegd bij de uitnodiging bepaald in art. 3. Artikel 8 In geval van spoed kan de agenda tot bij de opening van de vergadering worden gewijzigd of aangevuld. Eens de vergadering geopend, kan de agenda nog slechts worden gewijzigd of aangevuld krachtens een beslissing van de Raad of van het betrokken orgaan. Artikel 9 De bescheiden betreffende de kwesties die op de agenda van een vergadering van de Raad of van een van zijn organen voorkomen, worden aan de leden van de Raad of van het betrokken orgaan bezorgd bij de uitnodiging bepaald in art. 3.

De voorzitter roept de Raad bijeen, hetzij op eigen initiatief, hetzij op schriftelijke aanvraag van ten minste drie leden van de Raad.

In geval van spoed kan de voorzitter deze termijn verkorten.

Artikel 2 De organen die door de Raad zijn opgericht en die in zijn schoot werken, vergaderen eveneens in de lokalen van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Ze worden bijeengeroepen door hun voorzitter, hetzij ter uitvoering van een beslissing van de Raad, hetzij op verzoek van de voorzitter van de Raad, hetzij op eigen initiatief, hetzij op schriftelijke aanvraag van ten minste twee leden van de Raad.

HOOFDSTUK IV

Artikel 3 De uitnodigingen voor de vergaderingen van de Raad worden ten minste veertien dagen vóór de vergadering verstuurd. In geval van spoed, zoals vermeld in § 6 van art. 3 van het decreet, kan deze termijn tot vier dagen teruggebracht worden. Artikel 4 § 1. De vergaderingen van de Raad of van zijn organen zijn niet openbaar. § 2. De secretaris van de Raad woont de vergaderingen van de Raad bij.

HOOFDSTUK III Agenda Artikel 5 De voorzitter stelt de agenda van de vergaderingen van de Raad vast, hetzij ter uitvoering van beslissingen genomen tijdens een vorige vergadering, hetzij op eigen initiatief, hetzij op aanvraag van één van de organen van de Raad, of van een lid van de Raad. In dit laatste geval dienen ten minste twee andere leden de bespreking van dit punt mee te ondersteunen bij het begin van de vergadering.

44

Beraadslagingen Artikel 10 De Raad kan slechts geldig beraadslagen, als de meerderheid van de leden aanwezig is. Wanneer het quorum niet bereikt is om geldig over bepaalde punten van de agenda te beraadslagen, kan de voorzitter deze punten tot de volgende vergadering verdagen. Deze vergadering kan hierover dan geldig beraadslagen ongeacht het aantal aanwezigen op deze vergadering. Dit zal op de uitnodiging uitdrukkelijk worden vermeld. Artikel 11 De beslissingen, adviezen, aanbevelingen, verslagen en notulen van de Raad of van zijn organen worden vastgesteld bij meerderheid van de aanwezige leden, behoudens strijdige bepaling van dit reglement. De voorzitter neemt normaal niet deel aan de stemming, maar bij staking van stemmen is zijn stem beslissend. Bij afwezigheid van de voorzitter neemt de plaatsvervangend voorzitter wel deel aan de normale stemming. Bij staking van stemmen wordt dan het voorstel tot een volgende vergadering verdaagd. Artikel 12 De stemmingen geschieden bij handopsteken. Op verzoek van een lid kan tot de naamafroeping worden overgegaan. Indien er wordt gestemd over persoonskwesties, waar de betrokkene geen rechten kan doen gelden, is de stemming evenwel geheim. Elk lid dat zich op een zitting bij een stemming onthoudt, kan na de stemming zijn onthouding verklaren. Als een uitgebracht advies of aanbeveling niet


huishoudelijk reglement |

unaniem goedgekeurd is, kan een minderheidsnota worden bijgevoegd, als deze door ten minste drie leden ondertekend is.

HOOFDSTUK V Notulen Artikel 13 Elke vergadering van de Raad of van een van zijn organen wordt vastgesteld in de notulen. De Raad kan voor sommige organen een afwijking toestaan. Artikel 14 Als het om een vergadering van de Raad gaat, wordt de tekst van de notulen meegedeeld aan de leden en de raadgevende leden van de Raad. Als het een vergadering van een orgaan van de Raad betreft, wordt de tekst van de notulen meegedeeld aan de leden van het betrokken orgaan en aan de voorzitter van de Raad. Artikel 15 De notulen worden pas definitief na goedkeuring.

HOOFDSTUK VI Handtekeningen Artikel 16 De voorzitter en de secretaris van de Raad ondertekenen de beslissingen, adviezen, aanbevelingen, verslagen en notulen van de Raad.

HOOFDSTUK VII Voorzitterschap Artikel 17 De voorzitter zit de vergaderingen van de Raad voor, neemt deel aan de beraadslagingen, ziet toe op de naleving van de organieke besluiten en van de reglementen van de Raad. Hij vertegenwoordigt de Raad bij de Vlaamse regering en bij elke andere openbare en private instelling. Het secretariaat van de Raad, dat geleid wordt door de secretaris, staat onder het gezag van de voorzitter. De voorzitter brengt bij de Raad verslag uit over zijn activiteiten.

HOOFDSTUK VIII Organen van de Raad Artikel 18 Om de werkzaamheden van de Raad voor te bereiden en om bijzondere vraagstukken te onderzoeken worden permanente commissies ingesteld. Artikel 19 De Raad kan ad-hocwerkgroepen oprichten, wanneer hij dit nodig acht.

Artikel 21 De voorzitters van de permanente commissies zijn leden van de Raad. In principe maken twee leden van de Raad altijd deel uit van de commissies en ad-hocwerkgroepen. De leden en de raadgevende leden van de Raad kunnen steeds deelnemen aan de vergaderingen van de commissies en ad-hocwerkgroepen. Artikel 22 Op voorstel van een lid of de voorzitter van een commissie dan wel een ad-hocwerkgroep, kan de Raad te allen tijde zowel leden van de betreffende commissie of ad-hocwerkgroep schrappen, als bijkomende leden coรถpteren. Artikel 23 De commissies en de ad-hocwerkgroepen voeren hun werkzaamheden uit onder het toezicht en de controle van de Raad. De Raad bepaalt hun opdrachten en bevoegdheden. Artikel 24 De Raadsleden, de commissies en ad-hocwerkgroepen treden niet naar buiten met adviezen, aanbevelingen, verslagen of publicaties.

HOOFDSTUK IX Dagelijks bestuur Artikel 25 De Raad stelt een dagelijks bestuur samen waarin de voorzitter van de Raad en de voorzitters van de permanente commissies zitting hebben. De secretaris van de Raad staat het dagelijks bestuur bij. Artikel 26 Onder leiding van de voorzitter bereidt het dagelijks bestuur de onderwerpen voor die aan de Raad worden voorgelegd en het ziet toe op de uitvoering van de beslissingen van de Raad. De Raad kan andere bevoegdheden aan het dagelijks bestuur overdragen. Artikel 27 Het dagelijks bestuur treedt niet zelf naar buiten met adviezen, aanbevelingen, verslagen of publicaties.

HOOFDSTUK X Bekendmaking Artikel 28 De Raad kan zijn beslissingen, adviezen en aanbevelingen openbaar maken tien dagen nadat ze meegedeeld zijn aan de Vlaamse regering.

Artikel 20 De Raad bepaalt voor elke commissie en ad-hocwerkgroep de wijze van samenstelling en stelt de leden en de voorzitter aan.

45


Jaar verslag

2008 | huishoudelijk reglement

HOOFDSTUK XI Plaatsvervanging Artikel 29 De leden en de raadgevende leden van de Raad kunnen zich niet laten vervangen voor de vergaderingen van de Raad. Artikel 30 Bij afwezigheid of onbeschikbaarheid van de voorzitter wordt hij vervangen door het oudste beschikbare lid van het dagelijks bestuur. In deze hoedanigheid neemt dit lid alle bevoegdheden van de voorzitter over. Artikel 31 § 1. De leden van de commissies en ad-hocwerkgroepen kunnen zich laten vervangen. § 2. Deze plaatsvervangingen dienen evenwel vooraf te worden meegedeeld aan de voorzitter van het betreffende orgaan. De voorzitter van het betrokken orgaan kan in overleg met de voorzitter van de Raad een plaatsvervanger wraken. § 3. Bij afwezigheid of onbeschikbaarheid van de voorzitter van een commissie of ad-hocwerkgroep, wijst de voorzitter van de Raad een plaatsvervanger aan.

Artikel 35 bis § 1. Binnen de perken van de dotatie toegekend aan de Raad ter uitvoering van het decreet, inzonderheid van artikel 13 van het decreet, mag de voorzitter in overleg met het dagelijks bestuur contracten afsluiten en financiële verbintenissen aangaan namens en voor de Raad voor alle prestaties die nodig zijn voor het uitvoeren en het ondersteunen van de werkzaamheden van de Raad. § 2. De secretaris kan contractuele en financiële verplichtingen aangaan voor zover het om bedragen gaat niet hoger dan vier procent (4%) van het totale bedrag van de jaarlijkse dotatie. § 3. De secretaris wordt aangeduid als ordonnateur van de rekening, waarop de dotatie wordt gestort en zal in overleg met de voorzitter, een administratief personeelslid van het VRWB-secretariaat aanduiden als rekenplichtige.

HOOFDSTUK XIV Vergoedingen Artikel 36 De Raad bepaalt jaarlijks, binnen de perken van zijn werkingsmiddelen, de vergoedingen voor de voorzitters en de leden van de commissies en ad-hocwerkgroepen.

HOOFDSTUK XII

HOOFDSTUK XV

Raadpleging experts

Bijzondere bepalingen

Artikel 32 De Raad kan op voorstel van de voorzitter of van ten minste twee leden, deskundigen ad hoc uitnodigen om met raadgevende stem aan de Raad deel te nemen.

Artikel 37 De Raad kan bij de Vlaamse regering en de Vlaamse Raad een delegatie onder leiding van de voorzitter afvaardigen voor contact omtrent bepaalde thema's. De samenstelling hangt af van het te bespreken onderwerp.

Artikel 33 De commissies en ad-hocwerkgroepen kunnen op verzoek van de Raad of op eigen initiatief en na goedkeuring door de Raad, deskundigen ad hoc uitnodigen om met raadgevende stem aan de werkzaamheden deel te nemen.

HOOFDSTUK XIII Begroting Artikel 34 § 1. De Raad keurt, na vaststelling van de jaarlijkse dotatie van de Vlaamse Raad, de begroting goed voor zijn werking in het betrokken jaar. § 2. Het dagelijks bestuur bereidt het begrotingsvoorstel voor. Artikel 35 § 1. Het dagelijks bestuur stelt de jaarrekening op. § 2. De jaarrekening wordt ter goedkeuring aan de Raad voorgelegd.

46

HOOFDSTUK XVI Wijzigingen van het huishoudelijk reglement Artikel 38 De Raad kan het huishoudelijk reglement wijzigen. De Raad kan niet beraadslagen over een voorstel tot wijziging van het huishoudelijk reglement, zo het niet op de agenda werd ingeschreven krachtens een beslissing van de Raad in een vroegere vergadering. De wijziging van het huishoudelijk reglement is slechts mogelijk bij goedkeuring door twee derden van de uitgebrachte stemmen en onder voorbehoud van goedkeuring door de Vlaamse regering.


Colofon Uitgave van de Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid (VRWB) Karel Vinck, voorzitter Danielle Raspoet, secretaris Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid KoloniĂŤnstraat 56 B-1000 Brussel Tel: +32 (0)2 212 94 10 Fax: +32 (0)2 212 94 11 E-mail: vrwb@vlaanderen.be Website: www.vrwb.be Creatie: vmconsulting valĂŠrie@vmconsulting.biz Teksten: Jan Van Pelt Fotografie: Koen Deprez Depotnummer: D/2009/3241/245

47


Jaar verslag

2008 | interview

vlaamse raad voor wetenschapsbeleid

2008

‘Een strategische adviesraad brengt advies uit over strategische beleidsvraagstukken en de hoofdlijnen van het beleid. Hij draagt op die wijze bij tot het vormen van de beleidsvisie en een interpretatie van maatschappelijke ontwikkelingen. Hij gaat zowel beleidsgericht en reactief te werk, als proactief en anticiperend. Bovendien kan de strategische adviesraad dienen als klankbord voor de politieke verantwoordelijken, voor de toetsing van onuitgewerkte ideeën.’

Koloniënstraat 56 - B-1000 Brussel - T + 32(0)2 212 94 10 - F+ 32(0)2 212 94 11 - -vrwb@vlaanderen.be - www.vrwb.be


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Jaarverslag_VRWB_2008.pdf by Vlaanderen-be - Issuu