Skip to main content

Maes_etal_2021_IUCNRodeLijstVanDeDagvlindersInVlaanderen2021.pdf

Page 1

IUCN Rode Lijst van de dagvlinders in Vlaanderen 2021 Dirk Maes, Marc Herremans, Pieter Vantieghem, Wim Veraghtert, Ilf Jacobs, Maxime Fajgenblat & Hans Van Dyck


Auteurs: Dirk Maes (INBO) Marc Herremans, Ilf Jacobs & Wim Veragthert (Natuurpunt Studie) Pieter Vantieghem (Vlinderwerkgroep Natuurpunt) Maxime Fajgenblat (KULeuven) Hans Van Dyck (UCLouvain) Reviewers: Filiep T’jollyn Het INBO is het onafhankelijk onderzoeksinstituut van de Vlaamse overheid dat via toegepast wetenschappelijk onderzoek, data- en kennisontsluiting het biodiversiteitsbeleid en -beheer onderbouwt en evalueert. Vestiging: Herman Teirlinckgebouw INBO Brussel Havenlaan 88 bus 73, 1000 Brussel www.inbo.be e-mail: dirk.maes@inbo.be Wijze van citeren: Maes D, Herremans M, Vantieghem P, Veraghtert W, Jacobs I, Fajgenblat M & Van Dyck H (2021) IUCN Rode Lijst van de dagvlinders in Vlaanderen 2021 Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2021 (10). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. https://doi.org/doi.org/10.21436/inbor.34052968. D/2021/3241/077 Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2021 (10) ISSN: 1782-9054 Verantwoordelijke uitgever: Maurice Hoffmann Foto cover: Kleine vos - Vilda / Jeroen Mentens

© 2021, Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek


IUCN RODE LIJST VAN DE DAGVLINDERS IN VLAANDEREN 2021 Dirk Maes, Marc Herremans, Pieter Vantieghem, Wim Veraghtert, Ilf Jacobs, Maxime Fajgenblat & Hans Van Dyck

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


Dankwoord Dit rapport kon niet tot stand komen zonder de volgehouden inspanningen van vele duizenden vrijwilligers die dagvlinderwaarnemingen hebben verzameld. Dit ging zowel om losse waarnemingen als om monitoringsgegevens en alles samen gaat het om meer dan 2,5 miljoen gegevens. Hans Van Calster was zeer behulpzaam bij het berekenen van de trends en Damiano Oldoni stond altijd klaar om tips te geven om R-scripts te verbeteren, waarvoor dank. Als beheerders van de (vlinder)databanken bedanken we Frederic Piesschaert en Karin Gielen die de nodige gegevens netjes aanleverden, respectievelijk voor het INBO en Natuurpunt. De foto’s zijn van de hand van de auteurs of werden welwillend ter beschikking gesteld door de volgende INBO-collega’s: Ward Vercruysse, Daan Van Eenaeme, Remar Erens, Andy Van Kerckvoorde, Jan Van Uytvanck, Koen Thibau, Wouter Van Landuyt en Vincent Smeekens. Valérie Goethals leverde bijna de helft van alle foto’s en verdient daarom een welgemeende dankuwel. Tenslotte bedanken we Filiep T’jollyn voor het meticuleus nalezen van het rapport.

Voorwoord Rode Lijsten zijn zowel op internationaal, nationaal al s regionaal niveau belangrijke instrumenten voor het natuurbeleid. Rode Lijsten geven een inschatting van de uitsterfkans van een soort in een bepaalde regio door ze te toetsen aan bedreigingscriteria. Die criteria zijn bij voorkeur zoveel mogelijk gebaseerd op kwantitatieve gegevens over populatietrends en – grootte en de verspreiding van een soort. De criteria die gebruikt worden voor het opstellen van Rode Lijsten zijn internationaal vastgelegd door de International Union for the Conservation of Nature (IUCN Standards and Petitions Committee 2019) en worden ook in Vlaanderen gehanteerd (Maes et al. 2011a). De IUCN schrijft voor dat Rode Lijsten bij voorkeur om de tien jaar worden herzien. De vorige Rode Lijst dagvlinders dateert van 2011 en daarom toetsen we de huidige status van de dagvlinders in Vlaanderen af aan de Rode Lijstcriteria voor een update van de Rode Lijst. Door herhaalde Rode Lijsten met elkaar te vergelijken, krijgen we inzicht in de trends van de soorten en kunnen we meer algemene patronen achterhalen. Hiermee kan het beleid gerichter maatregelen nemen voor soorten die blijven achteruitgaan of net bestaande maatregelen afbouwen voor soorten die het inmiddels veel beter doen.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 2 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


Samenvatting De Rode Lijstcriteria van de International Union for the Conservation of Nature (IUCN) schrijven voor dat Rode Lijsten bij voorkeur om de tien jaar herzien moeten worden. De vorige Rode Lijst dateerde uit 2011 en daarom toetsen we de actuele toestand van de dagvlinders in Vlaanderen opnieuw aan de internationale IUCN Rode Lijstcriteria. Hiervoor gebruikten we vier van de vijf mogelijke IUCN-criteria, nl. veranderingen in verspreiding (IUCN criterium A), de areaalgrootte (IUCN criterium B) en de geschatte populatiegrootte (ICUN criteria C en D). In totaal werden 75 soorten dagvlinders afgetoetst aan deze criteria en vervolgens ingedeeld in de overeenkomstige IUCN Rode Lijstcategorie. Enkele nieuwe soorten planten zich sinds kort in Vlaanderen voort (Braamparelmoervlinder, Kleine weerschijnvlinder, Scheefbloemwitje en Staartblauwtje) en worden door hun sterke recente toename meteen tot de standvlinders gerekend. Ook regelmatige trekvlinders zoals de Distelvlinder en de Oranje luzernevlinder werden dit keer geëvalueerd. In totaal zijn: 

20

soorten

Regionaal

Uitgestorven

in

Vlaanderen

(Bosparelmoervlinder,

Bosrandparelmoervlinder, Bretons spikkeldikkopje, Duinparelmoervlinder, Groot geaderd witje, Grote ijsvogelvlinder, Grote parelmoervlinder, Kalkgraslanddikkopje, Kleine heivlinder, Moerasparelmoervlinder, Pimpernelblauwtje, Resedawitje, Rouwmantel,

Spiegeldikkopje,

Vals

heideblauwtje,

Veenhooibeestje,

Woudparelmoervlinder, Zilveren maan, Zilverstreephooibeestje en Zilvervlek ) 

Drie soorten Ernstig Bedreigd (Argusvlinder, Bruine vuurvlinder en Gentiaanblauwtje), zeven soorten zijn Bedreigd (Aardbeivlinder, Bruine eikenpage, Groentje, Heideblauwtje, Heivlinder, Kleine vos en Kommavlinder) en negen soorten zijn Kwetsbaar (Bont dikkopje, Boswitje, Bruin dikkopje, Dambordje, Dwergblauwtje, Geelsprietdikkopje, Gele luzernevlinder, Klaverblauwtje en Zwartsprietdikkopje)

Twee soorten Bijna in Gevaar (Grote vos en Veldparelmoervlinder)

de overige 34 soorten zijn Momenteel niet in Gevaar

We bespreken per soort de gebruikte IUCN-criteria en vergelijken de nieuwe Rode Lijst met de vorige Rode Lijsten door middel van de zogenaamde Rode Lijst Index.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 3 van 159


Alle soorten samen beschouwd gaat het iets beter met de dagvlinders in Vlaanderen dan in de vorige decennia, maar dat is vooral te danken aan enkele nieuwe soorten en de bossoorten die het opvallend beter doen dan vroeger en aan een aantal soorten waarvoor de huidige mate van klimaatopwarming gunstig blijkt te zijn. Heidesoorten en soorten van schrale biotopen blijven het echter slecht doen en verdienen bijzondere aandacht in het natuurbeleid. In vergelijking met andere taxonomische groepen in Vlaanderen doen dagvlinders het daarmee bijzonder slecht en ook in vergelijking met de buurregio’s heeft Vlaanderen het grootste aandeel Regionaal Uitgestorven soorten.

English abstract The Red List criteria of the International Union for Conservation of Nature (IUCN) prescribe that Red Lists should preferably be revised every ten years. The previous Red List dated from 2011 and, therefore, the current state of butterflies in Flanders was again tested against the international IUCN Red List criteria. For this, we used four of the five possible IUCN-criteria, namely changes in distribution (IUCN criterion A), the area size (IUCN criterion B) and the estimated population size (ICUN criteria C and D). In total, 75 species were tested against these criteria and then assigned to the corresponding IUCN Red List category. Some new species have recently colonised Flanders (Marbled Fritillary, Lesser Purple Emperor, Southern Small White and Short-tailed Blue) and are, due to their rapid expansion classified as resident butterflies. Regular migrant butterflies such as Painted lady and Clouded yellow were also assessed. A total of: 

20 species are Regionally Extinct (Bath White, Black-veined White, Camberwell Beauty, Dark Green Fritillary, False Heath Fritillary, Heath Fritillary, High Brown Fritillary, Idas Blue, Large Chequered Skipper, Large Heath, Marsh Fritillary, Niobe Fritillary, Oberthür's Grizzled Skipper, Pearl-bordered Fritillary, Poplar Admiral, Red Underwing Skipper, Scarce Heath, Scarce Large Blue, Small Pearl-bordered Fritillary and Tree Grayling) in Flanders

Three species are Critically Endangered (Alcon Blue, Sooty Copper and Wall Brown), seven species are Endangered (Grayling, Green Hairstreak, Grizzled Skipper, Ilex Hairstreak, Silver-spotted Skipper, Silver-studded Blue and Small Tortoiseshell) and nine species are Vulnerable (Chequered Skipper, Dingy Skipper, Essex Skipper, Marbled

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 4 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


White, Mazarine Blue, Pale Clouded Yellow, Small Blue, Small Skipper and Wood White). 

Two species are Near Threatened (Glanville Fritillary and Large Tortoiseshell)

The remaining 34 species are of Least Concern

We discuss the IUCN-criteria used per species and compare the new Red List with the previous Red Lists by means of the so-called Red List Index. All species considered together, butterflies in Flanders are doing slightly better than in previous decades, but that is mainly due to some new species and to forest species that are doing markedly better than in the past and to some species that benefit from climate warming. However, heathland species and species from nutrient-poor biotopes continue to perform poorly and deserve special attention in nature policy. Compared to other taxonomic groups in Flanders, butterflies are doing particularly poorly and compared to neighbouring regions, Flanders has the largest share of Regionally Extinct species.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 5 van 159


Inhoudstafel 1

Inleiding .......................................................................................................................8

2

Materiaal en methode...................................................................................................9 2.1

IUCN Rode Lijstcategorieën en ‐criteria...................................................................9

2.1.1

De IUCN Rode Lijstcategorieën ........................................................................9

2.1.2

De IUCN‐criteria ........................................................................................... 10

2.1.3

Richtlijnen voor de regionale toepassing van IUCN-criteria ............................. 12

2.2

De gegevens........................................................................................................ 12

2.2.1

INBO databank............................................................................................. 13

2.2.2

Waarnemingen.be........................................................................................ 13

2.2.3

Monitoringsgegevens ................................................................................... 13

2.2.4

Datacontrole ................................................................................................ 15

2.2.5

Zijn er genoeg gegevens?.............................................................................. 16

2.3

De soorten .......................................................................................................... 17

2.3.1

Standvlinders ............................................................................................... 17

2.3.2

Trekvlinders ................................................................................................. 20

2.3.3

Zwervers...................................................................................................... 21

2.3.4

Dwaalgasten ................................................................................................ 22

2.3.5

Adventieven................................................................................................. 23

2.4

Analyse ............................................................................................................... 24

2.4.1

Trendbepaling (IUCN-criterium A) ................................................................. 25

2.4.2

Areaalgrootte (Extent of Occurrence) en oppervlakte (Area of Occupancy, IUCN-

criterium B) ................................................................................................................ 26

3

2.4.3

Populatiegrootte en recente trend ................................................................ 27

2.4.4

Kwantitatieve analyse................................................................................... 28

2.4.5

Downgrading ............................................................................................... 29

Resultaten .................................................................................................................. 30

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 6 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


3.1 3.1.1 3.2 3.2.1

Trend in verspreiding (A2c) ........................................................................... 30 IUCN criterium B.................................................................................................. 31 Areaalgrootte (Extent of Occurrence) en oppervlakte (Area of Occupancy) ...... 31

3.3

Kleine populatie (IUCN criterium C) ...................................................................... 32

3.4

Zeer kleine populatiegrootte of zeer beperkte oppervlakte (criterium D) ................ 33

3.5

De Rode Lijst ....................................................................................................... 34

3.6

Soortbesprekingen .............................................................................................. 35

3.6.1

Regionaal uitgestorven soorten (RE) .............................................................. 36

3.6.2

Ernstig bedreigde soorten (CR) ...................................................................... 48

3.6.3

Bedreigde soorten (EN)................................................................................. 55

3.6.4

Kwetsbare soorten (VU)................................................................................ 73

3.6.5

Bijna in Gevaar soorten (NT) ......................................................................... 94

3.6.6

Momenteel niet in Gevaar soorten (LC) ....................................................... 100

3.7

4

IUCN criterium A.................................................................................................. 30

Algemene bespreking ........................................................................................ 134

3.7.1

Aantal soorten in de verschillende Rode Lijstcategorieën.............................. 134

3.7.2

Vergelijking met vorige Rode Lijsten ............................................................ 135

3.7.3

Bijna Bijna in Gevaar soorten ...................................................................... 136

3.7.4

Vergelijking met de buurlanden .................................................................. 137

3.7.5

Vergelijking met andere soortgroepen......................................................... 138

3.7.6

Waar liggen de gebieden met de hoogste Rode Lijstwaarde? ........................ 139

Discussie................................................................................................................... 141 4.1

Criteria.............................................................................................................. 141

4.2

Vergelijking met dagvlindermonitoring ............................................................... 141

4.3

De toestand is ernstig maar niet hopeloos .......................................................... 142

5

Referenties ............................................................................................................... 143

6

Bijlagen .................................................................................................................... 157

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 7 van 159


1

INLEIDING

Rode Lijsten geven aan hoe groot de kans is dat een soort in een bepaalde regio zal uitsterven. Hiervoor worden internationaal aanvaarde criteria gebruikt die opgesteld werden door de International Union for the Conservation of Nature (IUCN; IUCN Standards and Petitions Committee 2019). Met ondertussen bijna 40 Rode Lijsten kan Vlaanderen terecht claimen dat het een lange traditie heeft in het opstellen van Rode Lijsten ( Maes et al. 2019a). Voor dagvlinders werd de eerste Rode Lijst al opgesteld in 1996 ( Maes & Van Dyck 1996). Daarop volgden nog twee Rode Lijsten in respectievelijk 2001 (Maes & Van Dyck 2001) en 2011 (Maes et al. 2011b; Maes et al. 2012). Doordat de verschillende Rode Lijsten niet steeds met dezelfde criteria werden opgesteld, is het moeilijk om ze met elkaar te vergelijken. Met behulp van een zogenaamde Rode Lijst Index, die opeenvolgende Rode Lijsten met elkaar vergelijkt (Bubb et al. 2009) proberen we af te leiden of het nu beter of slechter gaat met de dagvlinders in Vlaanderen.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 8 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


2

MATERIAAL EN METHODE

De criteria en werkwijze voor de opmaak van regionale Rode Lijsten worden uitvoerig beschreven door de IUCN (2003). De vertaling ervan voor hun toepassing in Vlaanderen is terug te vinden in Maes et al. (2011a). De belangrijkste bepalingen worden hieronder weergegeven. Daarnaast bespreken we hier ook de herkomst van de gegevens en de manier waarop we de analyses gedaan hebben om te komen tot een eenduidige interpretatie van de IUCN‐criteria.

2.1 IUCN RODE LIJSTCATEGORIEËN EN ‐CRITERIA 2.1.1

De IUCN Rode Lijstcategorieën

De IUCN onderscheidt 11 categorieën voor het onderbrengen van soorten in regionale Rode Lijsten, zoals weergegeven in Figuur 1 (IUCN Standards and Petitions Committee 2019). Drie categorieën hebben betrekking op uitgestorven soorten: Uitgestorven (EX – wereldwijd uitgestorven soorten), Uitgestorven in het Wild (EXW – soorten die alleen nog in gevangenschap overleven of als een geïntroduceerde populatie buiten het natuurlijke areaal) en Regionaal Uitgestorven (RE – soorten die regionaal zijn uitgestorven). Daarnaast worden er vijf categorieën gebruikt om soorten onder te brengen in categorieën met een verschillende kans op uitsterven: Ernstig Bedreigd (Critically Endangered – CR), Bedreigd (Endangered – EN), Kwetsbaar (Vulnerable – VU), Bijna in Gevaar (Near Threatened – NT) en Momenteel niet in Gevaar (Least Concern – LC). De drie overige categorieën zijn Onvoldoende Data (Data Deficient – DD; soorten met onvoldoende informatie om de kans op uitsterven goed te bepalen), Niet van Toepassing (Not assessed – NA; soorten waarvoor de Rode Lijst criteria niet gelden, bv. geïntroduceerde soorten) en Niet Geëvalueerd (Not evaluated – NE; soorten waarvoor de criteria (nog) niet werden toegepast). Voor een inhoudelijke beschrijving van alle categorieën verwijzen we naar Maes et al. (2011a).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 9 van 159


Figuur 1

2.1.2

Indeling in IUCN Rode Lijstcategorieën voor gebruik op Vlaamse schaal, met vermelding van de Engelse benaming en afkorting. De categorieën in het rood zijn de Rode Lijstcategorieën sensu stricto.

De IUCN‐criteria

De IUCN gebruikt vijf basiscriteria gecombineerd met een of meerdere subcriteria om de uitsterfkans van een soort te bepalen en onder te brengen in de Rode Lijstcategorieën Ernstig Bedreigd, Bedreigd of Kwetsbaar: A. Een dalende populatietrend in verspreiding of in aantal individuen; B. De grootte van het verspreidingsgebied, samen met versnippering, ach teruitgang en/of schommelingen; C.

Een kleine populatie, samen met versnippering, achteruitgang en/of populatieschommelingen;

D. Een zeer kleine populatie of voorkomend op een zeer beperkte oppervlakte; E. Een gemodelleerde inschatting van de kans op uitsterven. De (kwantitatieve) criteria die gebruikt worden om soorten onder te verdelen in Rode Lijstcategorieën worden weergegeven in Tabel 1. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 10 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


Tabel 1

Samenvatting van de vijf criteria (A-E) die gebruikt worden om te toetsen of een soort tot de Rode Lijstcategorieën Ernstig Bedreigd, Bedreigd of Kwetsbaar behoort.

Criteria A. Populatietrend

Ernstig Bedreigd

Rode Lijst-categorie Bedreigd

Kwetsbaar

Achteruitgang gemeten over de laatste 10 jaar of 3 generaties

A1 ≥90% ≥70% ≥50% A2, A3 & A4 ≥80% ≥50% ≥30% A1. Waargenomen, geschatte, afgeleide of vermoedelijke populatieverandering in het verleden waarbij de oorzaken van de achteruitgang duidelijk omkeerbaar EN begrepen EN gestopt zijn, gebaseerd op één van de volgende subcriteria: (a) directe waarneming, (b) een trendindex, (c) een afname in oppervlakte (Area of Occupancy- AoO), areaalgrootte (Extent of Occurrence - EoO) en/of kwaliteit van de habitat, (d) actuele of potentiële exploitatie van individuen, (e) negatief effect van geïntroduceerde soorten, hybridisatie, ziektekiemen, vervuilende stoffen, competitie of parasieten. A2. Waargenomen, geschatte, afgeleide of vermoedelijke populatieverandering in het verleden, waarbij de oorzaken van de achteruitgang niet omkeerbaar zouden kunnen zijn OF onbegrepen OF niet gestopt zouden kunnen zijn, gebaseerd op subcriteria (a)-(e) onder A1. A3. Geprojecteerde of verwachte populatieverandering in de toekomst (maximum 100 jaar) gebaseerd op subcriteria (b)-(e) onder A1. A4. Waargenomen, geschatte, afgeleide, geprojecteerde of vermoedelijke populatieverandering (maximum 100 jaar) waarbij de tijdsperiode zowel het verleden als de toekomst bevat, waarbij de oorzaken van de achteruitgang niet onomkeerbaar zouden kunnen zijn OF onbegrepen OF niet gestopt zouden kunnen zijn, gebaseerd op subcriteria (a)-(e) onder A1. B. Verspreidingsgebied in de vorm van B1 en/of B2 B1. Areaalgrootte (EoO) <100 km² <5000 km² <20.000 km² B2. Oppervlakte (AoO) <10 km² <500 km² <2000 km² EN minstens 2 van de volgende: (a) (i) Sterk versnipperd, OF (ii) Aantal vindplaatsen 1 ≤5 ≤ 10 (b) Voortdurende afname in (i) areaalgrootte, (ii) oppervlakte, (iii) oppervlakte, areaalgrootte en/of kwaliteit van de habitat, (iv) aantal vindplaatsen of subpopulaties, (v) aantal zich voortplantende individuen. (c) Extreme schommelingen in (i) areaalgrootte, (ii) oppervlakte, (iii) aantal vindplaatsen of subpopulaties, (iv) aantal zich voortplantende individuen. C. Kleine populaties in combinatie met versnippering, achteruitgang of schommelingen Aantal zich voortplantende individuen EN C1 of C2: C1. Geschatte achteruitgang van minstens

<250

<2500

<10.000

25% in 3 jaar of 1 generatie

20% in 5 jaar of 2 generaties

10% in 10 jaar of 3 generaties (max. 100 jaar)

C2. Een achteruitgang EN (a) en/of (b): (a) (i) Aantal zich voortplantende individuen in elke subpopulatie <50 <250 en/of (ii) %individuen in 1 subpopulatie 90–100% 95–100% (b) Extreme schommelingen in het aantal zich voortplantende individuen

<1000 100%

D. Zeer kleine populatiegrootte of zeer beperkte oppervlakte D1. Aantal zich voortplantende individuen

<50 EN/OF D2. Kleine oppervlakte of aantal populaties met een mogelijke bedreiging in de toekomst waardoor de soort in CR of RE zou kunnen belanden.

<250

<1000 AoO<20 km² of aantal vindplaatsen ≤ 5

E. Kwantitatieve analyse van de kans op uitsterven ≥50% in 10 jaar of 3 generaties

≥20% in 20 jaar of 5 generaties (maximum 100 jaar)

≥10% in 100 jaar

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 11 van 159


2.1.3

Richtlijnen voor de regionale toepassing van IUCN-criteria

De opmaak van een regionale Rode Lijst gebeurt in drie stappen. In stap 1 wordt bepaald welke soorten geëvalueerd moeten worden. In een tweede stap wordt elke soort getoetst aan de geldende IUCN-criteria (IUCN 2012) en toegewezen aan een van de Rode Lijstcategorieën. Een derde stap bij de toepassing van de IUCN-criteria op regionale schaal voorziet in de mogelijkheid om de Rode Lijstcategorie van een soort te verhogen of te verlagen naarmate bepaalde factoren leiden tot respectievelijk een verhoogd of verlaagd risico voor uitsterven. Hoe deze procedure kan toegepast worden op de Vlaamse situatie wordt beschreven in Maes et al. (2011a). Indien de recente trend voorafgegaan werd door een sterke historische achteruitgang kan overwogen worden om de soort in een hogere Rode Lijstcategorie te plaatsen (upgraden). Daarnaast dient er ook een beoordeling te gebeuren van de kans dat regionale populaties ‘gered’ kunnen worden door uitwisseling met populaties in naburige regio’s. Indien die kans hoog wordt geacht, dan kan de Rode Lijstcategorie worden verlaagd (downgraden).

2.2 DE GEGEVENS Voor het opstellen van deze Rode Lijst werden vier gegevensbronnen geraadpleegd: de INBO databank, waarnemingen.be, gegevens van de algemene dagvlindermonitoring en de gegevens verzameld in de soortenmeetnetten. In totaal zijn deze gegevensbronnen goed voor 2.668.791 gegevens (Tabel 2). Hieronder geven we een korte beschrijving van de verschillende gegevensbronnen.

Tabel 2

Aantal gegevens in de verschi llende gegevensbronnen in Vlaanderen.

Gegevensbron

# gegevens

INBO databank Waarnemingen.be Monitoringsgegevens Algemene vlindermonitoring Routes waarnemingen.be Meetnetten.be

658.859 1.781.854

Totaal

2.668.791

138.828 69.044 22.206

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 12 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


2.2.1

INBO databank

De INBO databank bevat 10.325 museum- en 4589 literatuurgegevens en ook 641.945 waarnemingen van het eerste dagvlinderproject dat destijds door de Jeugd voor Natuur en Milieu (JNM) werd opgestart (Daniëls 1991; Daniëls et al. 1992; Maes & Daniëls 1993). In totaal bevat deze databank 656.859 gegevens uit de periode 1830-2014. Meer dan 1600 mensen werkten mee aan het verzamelen van de gegevens in de INBO databank. Zo goed als al deze gegevens zijn op atlashokniveau (5 x 5 km) beschikbaar op de Global Biodiversity Information Facility (GBIF; Maes et al. 2016). Een groot deel van deze gegevens werd gebruikt in de eerste Vlaamse vlinderatlas uit 1999 (Maes & Van Dyck 1999).

2.2.2

Waarnemingen.be

In het voorjaar van 2008 lanceerde Natuurpunt waarnemingen.be, het dataportaal voor natuurwaarnemingen waarin zowel verspreidingsgegevens als gestructureerde tellingen worden verzameld. In totaal bevat de databank 36 miljoen gegevens van 25.000 soorten. Sinds zijn ontstaan werden hierin al 1.850.898 dagvlindergegevens verzameld. Het aantal waarnemers is sinds 2008 exponentieel gestegen en in totaal hebben al 11.964 mensen minstens één of meerdere vlinderwaarnemingen gemeld. Een deel van de gegevens uit waarnemingen.be werd gebruikt in de tweede dagvlinderatlas van Vlaanderen (Maes et al. 2013).

2.2.3

Monitoringsgegevens

In Vlaanderen zijn er drie types dagvlindermonitoring: i) de algemene vlindermonitoring die sinds 1991 in Vlaanderen gebeurt (in totaal gaat het om een 100-tal vlinderroutes waarvan er momenteel nog een 15-tal actief worden opgevolgd), de ii) specifieke soortenmonitoring in meetnetten.be die sinds 2016 actief is en iii) de random routemonitoring via waarnemingen.be sinds 2017. Alle monitoringsgegevens, zowel van de algemene vlindermonitoring als van de soortenmeetnetten werden gepubliceerd als datasets op GBIF.

2.2.3.1

Algemene vlindermonitoring

Dagvlindermonitoring ontstond al in 1976 in Groot-Brittannië en had als doel om op een wetenschappelijke manier trends in het aantal dagvlinders op te volgen ( Pollard et al. 1975).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 13 van 159


Nederland en Vlaanderen volgden pas 15 jaar later (1991), maar behoren daarmee toch tot de oudste vlindermonitoringnetwerken van Europa (van Swaay et al. 1997). Anders dan in GrootBrittannië en Nederland bleef het aantal vlinderroutes in Vlaanderen erg bescheiden, mede door het ontbreken van de mogelijkheden om vrijwilligers professioneel te begeleiden. De gegevens van alle dagvlindermonitoringprojecten over heel Europa worden onder de vlag van Butterfly Conservation Europe samengebracht in een grote databank (eBMS – European Butterfly Monitoring Scheme; https://butterfly-monitoring.net/), waarmee allerlei beleids- en beheerrelevante analyses gedaan kunnen worden. Ook voor fundamenteel ecologisch onderzoek zijn de gegevens erg nuttig (bv. onderzoek naar veranderingen in vliegperioden). Dagvlindermonitoring gebeurt door middel van gestandaardiseerde tellingen langs een vlinderroute. Een uitvoerige handleiding voor het uitvoeren van dagvlindermonitoring is te vinden in van Swaay et al. (2018). In Vlaanderen werden de resultaten van bijna 30 jaar vlindermonitoring recent gebundeld in een rapport (Maes et al. 2020b) en een vulgariserend artikel (Maes et al. 2020a). In totaal werden door middel van algemene dagvlindermonitoring 138.828 gegevens verzameld door 136 vrijwilligers (Maes et al. 2021).

2.2.3.2

Meetnetten.be

Op basis van hun Rode Lijstcategorie in zowel Vlaanderen als Europa en hun Europese verspreiding, werden 12 soorten dagvlinders aangeduid als Vlaams prioritaire soorten in het natuurbeleid (Westra et al. 2016): Aardbeivlinder, Argusvlinder, Bruin dikkopje, Bruine eikenpage, Gentiaanblauwtje, Grote weerschijnvlinder, Heivlinder, Klaverblauwtje, Kommavlinder, Moerasparelmoervlinder, Oranje zandoogje en Veldparelmoervlinder. Voor deze soorten werd een monitoringsmeetnet (meetnetten.be) opgemaakt dat in 2016 van start ging. Er zijn drie methodes om deze soorten op te volgen: vlinderroutes, gebiedstellingen en eitellingen (Maes et al. 2019c). Bij soortgerichte monitoring worden de vlinderroutes enkel gewandeld tijdens de piek van de vliegperiode en op gekende en vooraf gekozen locaties van de betreffende soort. In totaal werden in meetnetten.be 22.206 dagvlindergegevens verzameld (Piesschaert et al. 2020a; Piesschaert et al. 2020b; Piesschaert et al. 2020c) door 112 medewerkers. Wie deze soorten mee wil opvolgen, kan zich registreren en aanmelden via meetnetten.be. Op deze website staat voor elk meetnet een uitgebreide handleiding en bijkomende praktische informatie.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 14 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


2.2.3.3

Routes in waarnemingen.be

Iedereen kent waarnemingen.be als het portaal voor het registreren van losse waarnemingen, die bv. nuttig zijn voor het bepalen van de verspreiding. Sinds het invoeren in het veld via mobiele applicaties op smartphones aan populariteit won, is het sinds begin 2017 mogelijk om in ObsMapp en (nadien) ook in iObs een gelopen route in detail registreren en alle ingevoerde waarnemingen aan die route koppelen (Herremans et al. 2017; Herremans et al. 2018). Aan het eind van de route wordt gevraagd of alle soorten en alle individuen geteld werden of niet. Routes waar alle soorten en alle individuen werden gemeld, vormen een dataset van monitoringsroutes die kan opgesplitst worden in vergelijkbare eenheden op basis van tijd of bezochte habitattypes. Ondertussen zijn er op deze manier 69.044 vlinderwaarnemingen verzameld en opgeslagen in waarnemingen.be verdeeld over 4.866 routes met een totale lengte van 12.219 km en een totale tijdsinspanning van 5.954 uur. Routes waarbij enkel een volledige soortenlijst, zonder het aantal individuen werd geregistreerd, kunnen ook gebruikt worden om kwantitatieve criteria af te leiden, zoals de meldingsfrequentie (proportie van de routes waarin een soort werd gemeld) of de tijd die gemiddeld nodig is om een soort voor het eerst tegen te komen.

2.2.4

Datacontrole

De gegevens in de verschillende databanken werden nagekeken door vlind erexperten waaronder professionele entomologen (Vanreusel et al. 2018). Dit gebeurde aan de hand van verzamelde specimens, een inschatting van de soortenkennis van de waarnemer, toegevoegde foto’s en gekende soortenlijsten van de locatie waar de waarnemingen gebeurden . De validatieprocedure op waarnemingen.be is interactief waarbij de validatoren (“admins”) een validatiestatus kunnen toekennen aan de waarnemingen (“Goedgekeurd op basis van bewijsmateriaal”, “Goedgekeurd op basis van expertoordeel”, “Goedgekeurd op basis van kennisregels”, “Niet te beoordelen” of “Onbehandeld”). Waar nodig kan waarnemers gevraagd worden naar bijkomende informatie. Waarnemingen die niet manueel worden gevalideerd, worden bijkomend automatisch gecontroleerd op basis van de datum (valt de waarneming binnen de gekende vliegtijd van de soort) en de locatie (is de soort recent gekend van de locatie) van de waarneming (Maes et al. 2016). Afhankelijk van het type analyse, kan een onderzoeker beslissen om gevalideerde waarnemingen uit de analyse te houden omdat ze, bijvoorbeeld, niet slaan op een populatie maar enkel betrekking hebben op zwervende exemplaren (bv. Kleine parelmoervlinder). ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 15 van 159


2.2.5

Zijn er genoeg gegevens?

Eenmaal de gegevens gecontroleerd zijn, worden ze voor verdere analyse gecondenseerd tot unieke soort-jaar-atlashok combinaties. In totaal resulteerde dit in 222.838 gecondenseerde gegevens. Het aantal gecondenseerde gegevens per jaar vertoont een duidelijke piek in het begin van de jaren 1990 (het eerste vlinderproject van de JNM) en blijft sinds 2003 gestaag toenemen (Figuur 2).

Figuur 2

Aantal gecondenseerde gegevens (soort, jaar, atlashok) per jaar in de periode 1901 -2020.

Om te evalueren of er voldoende gegevens zijn zowel in ruimte als in tijd, gaan we na hoeveel atlashokken (5 x 5 km) er in twee perioden (hier 1951-2000 versus 2011-2020) geïnventariseerd werden. In elk van de atlashokken tellen we vervolgens in beide perioden het aantal waargenomen soorten. Met deze gegevens kunnen we nagaan welke atlashokken in beide perioden voldoende geïnventariseerd werden. Om na te gaan of deze hokken ook ruimtelijk goed gespreid liggen over Vlaanderen, berekenen we voor elk ecodistrict het percentage van de atlashokken dat voldoende geïnventariseerd werd in beide perioden. Indien er in elk, of in de meerderheid van de ecodistricten voldaan wordt aan deze minimumwaarden, nemen we aan dat er voldoende gegevens zijn om een kwantitatieve Rode Lijst op te stellen. Voor dagvlinders gebruikten we 10 soorten als maat voor een voldoende geïnventariseerd atlashok en 20% als aandeel van elk ecodistrict dat voldoende goed ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 16 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


geïnventariseerd moet zijn in beide perioden. In Vlaanderen wordt in elk ecodistrict aan deze voorwaarden voldaan (Maes et al. 2015).

2.3 DE SOORTEN Om te bepalen welke soorten aan de Rode Lijstcriteria worden getoetst, bekijken we eerst welke status een soort in Vlaanderen heeft. De naamgeving van de soorten volgt de meest recente lijst van Wiemers et al. (2018). We onderscheiden vijf verschillende statussen: standvlinders, trekvlinders, zwervers, dwaalgasten en adventieven.

2.3.1

Standvlinders

Standvlinders zijn soorten die hier van nature aanwezig zijn en zich minstens een aantal opeenvolgende jaren in Vlaanderen hebben voortgeplant (73 soorten; Tabel 3). In vergelijking met de vorige Rode Lijst (Maes et al. 2011b) is het Resedawitje sensu lato (Pontia daplidice/edusa) toegevoegd aan de lijst van standvlinders. Na grondig onderzoek blijkt dat het Resedawitje in de periode 1934-1950 op enkele plaatsen minstens 10 jaar lang een populatie had in Vlaanderen (Antwerpen, ZO-Limburg, de omgeving van Leuven). In 2020 werden langs de Maas in Lanaken meerdere exemplaren en ook paringen waargenomen wat op een tijdelijke voortplanting wijst. Het is in Vlaanderen onduidelijk over welke soort het hier precies gaat omdat het onderscheid tussen het Resedawitje ( Pontia daplidice) en het Oostelijk resedawitje (Pontia edusa) enkel op basis van genetisch onderzoek te maken valt. Op basis van de huidige verspreiding van beide soorten (Leraut 2016), is het waarschijnlijker dat de waarneming in 2020 op het Oostelijk resedawitje slaat wat zou betekenen dat dit een nieuwe soort voor Vlaanderen zou kunnen worden (cf. Fokker et al. 2019). Momenteel beschouwen we de verzamelsoort echter nog als Regionaal Uitgestorven op basis van de vroegere populatie in de jaren 1930-1940. De Gele luzernevlinder heeft sinds het begin van de jaren 2010 populaties in de Demervallei, aan de Grensmaas en in de Voerstreek, die jaarlijks aangevuld worden met immigranten uit Centraal- Europa. Vier soorten planten zich sinds enkele jaren voort in Vlaanderen en breiden zich zodanig snel uit dat we ze nu al opnemen in deze Rode Lijst:

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 17 van 159


Staartblauwtje (Cupido argiades): in 2012 werd een eileggend wijfje waargenomen op de Tiendeberg in Limburg (Maes et al. 2013); sinds 2016 worden vooral in het oosten van Vlaanderen (en ook in Nederland en Wallonië) steeds vaker waarnemingen gedaan (https://www.natuurpunt.be/nieuws/staartblauwtje-vindt-weg-terug-naarvlaanderen-20160816); recent werden ook de provincies Oost- en West-Vlaanderen bereikt (exacte gegevens zijn verborgen en worden daarom niet op de kaart getoond.

Scheefbloemwitje (Pieris mannii): sinds 2005 breidt deze soort zich uit vanuit Mediterraan Europa. In 2015 werd de eerste waarneming gedaan van deze soort in Nederlands Limburg en in 2016 volgde de eerste waarneming in Vlaanderen (Vantieghem 2018); sindsdien breidde het Scheefbloemwitje zich zeer snel uit vanuit het oosten van Vlaanderen en zijn er ondertussen waarnemingen uit alle provincies. In de oostelijke helft van Vlaanderen kan de soort intussen vrij algemeen zijn in tuinen.

Braamparelmoervlinder (Brenthis daphne): sinds 2015 worden er jaarlijks exemplaren waargenomen in het Walenbos (Tielt-Winge) wat vermoedelijk wijst op lokale voortplanting

(https://www.natuurpunt.be/nieuws/ongewoon-weer-brengt-

ongewone-vlinders-op-de-been-20150731). Ook in enkele andere bosgebieden in Vlaanderen worden, vooral sinds 2018, geregeld Braamparelmoervlinders waargenomen

(Grote

Netewoud

–

Balen

(https://www.natuurpunt.be/nieuws/tropisch-weer-brengt-zeldzamebraamparelmoervlinder-naar-het-grote-netewoud-20170621), Weelde Statie – Ravels, Meerdaalwoud – Oud-Heverlee, Moerbekebos- Geraardsbergen). De soort breidt zich niet zo snel uit als de vorige twee soorten (vermoedelijk omdat ze maar een generatie per jaar heeft en gebonden is aan een specifiek habitat dat beperkter aanwezig is) en de nabije toekomst zal moeten uitwijzen of het een blijver is of niet (Cuvelier & Spruytte 2011). Van oorsprong is de Braamparelmoervlinder een zuidelijke soort die tot de jaren 1960 niet in de noordelijke helft van Frankrijk voorkwam ( Lafranchis et al. 2015). 

Kleine weerschijnvlinder (Apatura ilia): sinds 2017 worden er in verschillende bosgebieden in Vlaanderen jaarlijks waarnemingen gedaan van deze soort (bv. Bos ’t Ename – Oudenaarde, Liedekerkebos – Liedekerke, Zoniënwoud – Tervuren, de Palingbeek – Ieper). Verdere opvolging zal moeten uitwijzen of de soort ook in de komende jaren standhoudt en/of verder uitbreidt. De soort komt vaak samen voor

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 18 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


met de Grote weerschijnvlinder en daarom moet er goed uitgekeken worden om welke soort weerschijnvlinder het bij een waarneming gaat.

Tabel 3 Standvlinders in Vlaanderen. T: de soort is ook gedeeltelijk trekvlinder, Z: de soort komt momenteel enkel nog als zwerver voor. De volgorde is volgens Wiemers et al. (2018). Grote pages (1) Koninginnenpage Papilio machaon LINNAEUS, 1758 Dikkopjes (11) Spiegeldikkopje Heteropterus morpheus (PALLAS, 1771) Bont dikkopje Carterocephalus palaemon (PALLAS, 1771) Groot dikkopje Ochlodes sylvanus (ESPER, 1777) Kommavlinder Hesperia comma (LINNAEUS, 1758) Geelsprietdikkopje Thymelicus sylvestris (PODA, 1761) Zwartsprietdikkopje Thymelicus lineola (O CHSENHEIMER, 1808) Kalkgraslanddikkopje Spialia sertorius (HOFFMANSEGG, 1804) Kaasjeskruiddikkopje Carcharodus alceae (ESPER, 1780) Bruin dikkopje Erynnis tages (LINNAEUS, 1758) Aardbeivlinder Pyrgus malvae (LINNAEUS, 1758) Bretons spikkeldikkopje Pyrgus armoricanus (O BERTHÜR, 1910) Witjes (10) Boswitje Leptidea sinapis (LINNAEUS, 1758) Citroenvlinder Gonepteryx rhamni (LINNAEUS, 1758) T Gele luzernevlinder Colias hyale (LINNAEUS, 1758) Z Groot geaderd witje Aporia crataegi (LINNAEUS, 1758) Resedawitje sensu lato Pontia daplidice (LINNAEUS, 1758)/edusa (FABRICIUS, 1777) Groot koolwitje Pieris brassicae (LINNAEUS, 1758) Klein koolwitje Pieris rapae (LINNAEUS, 1758) Scheefbloemwitje Pieris mannii (Mayer, 1851) Klein geaderd witje Pieris napi (LINNAEUS, 1758) Oranjetipje Anthocharis cardamines (LINNAEUS, 1758) Blauwtjes en kleine pages (17) Kleine vuurvlinder Lycaena phlaeas (LINNAEUS, 1760) Bruine vuurvlinder Lycaena tityrus (PODA, 1761) Sleedoornpage Thecla betulae (LINNAEUS, 1758) Eikenpage Favonius quercus (LINNAEUS, 1758) Groentje Callophrys rubi (LINNAEUS, 1758) Bruine eikenpage Satyrium ilicis (ESPER, 1779) Iepenpage Satyrium w-album (KNOCH, 1782) Boomblauwtje Celastrina argiolus (LINNAEUS, 1758) Gentiaanblauwtje Phengaris alcon ([DENIS & SCHIFFERMÜLLER], 1775) Pimpernelblauwtje Phengaris teleius (BERGSTRÄSSER, 1779) Staartblauwtje Cupido argiades (Pallas, 1771) Dwergblauwtje Cupido minimus (FUESSLY, 1775) Heideblauwtje Plebejus argus (LINNAEUS, 1758) Vals heideblauwtje Plebejus idas (LINNAEUS, 1760) Klaverblauwtje Cyaniris semiargus (ROTTEMBURG, 1775) Bruin blauwtje Aricia agestis ([DENIS & SCHIFFERMÜLLER], 1775) Icarusblauwtje Polyommatus icarus (ROTTEMBURG, 1775)

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 19 van 159


Aurelia’s (23) Grote ijsvogelvlinder Limenitis populi (LINNAEUS, 1758) Kleine ijsvogelvlinder Limenitis camilla (LINNAEUS, 1764) Kleine parelmoervlinder Issoria lathonia (LINNAEUS, 1758) Braamparelmoervlinder Brenthis daphne (Bergsträsser, 1780) Keizersmantel Argynnis paphia (LINNAEUS, 1758) Grote parelmoervlinder Speyeria aglaja (LINNAEUS, 1758) Duinparelmoervlinder Fabriciana niobe (LINNAEUS, 1758) Bosrandparelmoervlinder Fabriciana adippe ([DENIS & SCHIFFERMÜLLER], 1775) Zilveren maan Boloria selene ([DENIS & SCHIFFERMÜLLER], 1775) Zilvervlek Boloria euphrosyne (LINNAEUS, 1758) Grote weerschijnvlinder Apatura iris (LINNAEUS, 1758) Kleine weerschijnvlinder Apatura ilia ([Denis & Schiffermüller], 1775) Landkaartje Araschnia levana (LINNAEUS, 1758) T Atalanta Vanessa atalanta (LINNAEUS, 1758) Dagpauwoog Aglais io (LINNAEUS, 1758) Kleine vos Aglais urticae (LINNAEUS, 1758) Gehakkelde aurelia Polygonia c-album (LINNAEUS, 1758) Grote vos Nymphalis polychloros (LINNAEUS, 1758) Z Rouwmantel Nymphalis antiopa (LINNAEUS, 1758) Moerasparelmoervlinder Euphydryas aurinia (ROTTEMBURG, 1775) Veldparelmoervlinder Melitaea cinxia (LINNAEUS, 1758) Woudparelmoervlinder Melitaea diamina (LANG, 1789) Bosparelmoervlinder Melitaea athalia (ROTTEMBURG, 1775) Zandoogjes (11) Hooibeestje Coenonympha pamphilus (LINNAEUS, 1758) Veenhooibeestje Coenonympha tullia (MÜLLER, 1764) Zilverstreephooibeestje Coenonympha hero (LINNAEUS, 1760) Bont zandoogje Pararge aegeria (LINNAEUS, 1758) Argusvlinder Lasiommata megera (LINNAEUS, 1767) Dambordje Melanargia galathea (LINNAEUS, 1758) Kleine heivlinder Hipparchia statilinus (HUFNAGEL , 1766) Heivlinder Hipparchia semele (LINNAEUS, 1758) Koevinkje Aphantopus hyperantus (LINNAEUS, 1758) Oranje zandoogje Pyronia tithonus (LINNAEUS, 1771) Bruin zandoogje Maniola jurtina (LINNAEUS, 1758)

2.3.2

Trekvlinders

Trekvlinders zijn soorten die op eigen kracht Vlaanderen kunnen bereiken en zich hier kunnen voortplanten, maar hier (nog) niet overwinteren (Talavera et al. 2018). De aantallen van deze soorten kunnen zeer sterk variëren van jaar tot jaar met soms hele grote aantallen in zogenaamde invasiejaren (bv. Distelvlinder in 2009 – Stefanescu et al. 2013). In Vlaanderen beschouwen we twee soorten als strikte trekvlinders:  

Oranje luzernevlinder Colias crocea (GEOFFROY, 1785) Distelvlinder Vanessa cardui (LINNAEUS, 1758)

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 20 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


De populatie van hier overwinterende Atalanta’s wordt jaarlijks aangevuld met migrerende individuen uit het zuiden van Europa, maar aangezien de Atalanta al een tijdje ook in Vlaanderen overwintert, beschouwen we de soort ondertussen als standvlinder en niet als strikte trekvlinder. De aantallen van succesvolle overwinteraars die in het vroege voorjaar worden waargenomen, liggen echter veel lager dan de influx van migranten die daarop volgt. De trekvlinders worden op dezelfde manier geëvalueerd als de standvlinders voor de Rode Lijst. Naast de strikte trekvlinders zijn er af en toe ook grote trekbewegingen van soorten zoals het Groot Koolwitje, de Kleine vos en de Dagpauwoog, die de lokale aantallen en dus de trendberekeningen kunnen beïnvloeden.

2.3.3

Zwervers

Zwervers zijn soorten die zich niet jaarlijks in Vlaanderen voortplanten en hier minstens 10 maal werden waargenomen. In Vlaanderen beschouwen we drie soorten als zwerver: 

Tijgerblauwtje Lampides boeticus (LINNAEUS , 1767) o

Leuven (19de eeuw, 2015), Brugge (1937, 1939, 2020), Ingelmunster (1945 en 2003), Beersel (1953, 1959, 1967, 2013, 2015), Sint-Genesius-Rode (1967), Ninove (1985), Ronse (1991), Kortrijk (1996, 2000, 2013), Heuvelland (2006, 2015), De Panne (2006, 2015), Lovendegem (2006), Koksijde (2006), Gooik (2010), Heist-op-den-Berg (2010 en 2013), Zingem (2013, 2015), Melle (2013), Ieper (2013), Sint-Amands (2013), Ronse (2013), Diest (2013), Ieper (2015, 2017), Berlaar (2015), Moerbeke (2015), Bekkevoort (2015), Gent (2015, 2020), Zoersel (2015), Herne (2015), Antwerpen (2015), Knokke -Heist (2015), Ravels (2015), Halen (2015), Keerbergen (2015), Tienen (2015, 2019), Stabroek (2015), Oostende (2015), Bornem (2015), Mortsel (2015), Poperinge (2015), Genk (2017, 2018, 2020), Geraardsbergen (2017), De Haan (2019), Liedekerke (2020), Destelbergen (2020), Lint (2020), Hasselt (2020), Beerse (2020), Blankenberge (2020), Dendermonde (2020), Beveren (2020), Zedelgem (2020), Retie (2020);

Op sommige plaatsen werden eitjes en rupsen gevonden en/of werden meerdere exemplaren samen gezien en plant de soort zich vermoedelijk tijdelijk voort (Mortsel, Sint-Amands, Genk, Dendermonde, Gent, Melle, Lint, Leuven, De Panne en Knokke-Heist). Aangezien de soort recent zo goed als jaarlijks wordt gezien, zou ze binnenkort eerder als trekvlinder dan als zwerver gecatalogeerd kunnen worden. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 21 van 159


© Pieter Vantieghem

© Remar Erens

Bleek blauwtje Lysandra coridon (PODA, 1761) o 77 waarnemingen verspreid over Vlaanderen (zo goed als allemaal mannetjes).

© Pieter Vantieghem

© Valérie Goethals

Purperstreepparelmoervlinder Brenthis ino (ROTTEMBURG , 1775) o

18 waarnemingen: Niel (2001), Kortenaken (2009), Turnhout (2012), Bilzen (2012), Bocholt (2012), Riemst (2012 en 2014), Holsbeek (2013 en 2019), Halle/Pepingen (2017), Huldenberg (2018, 2019 en 2020), Hoegaarden (2019), Lubbeek (2019), Oud-Heverlee (2019 en 2020) en Wichelen (2020);

In de Doode Bemde (Huldenberg en Oud-Heverlee) worden er sinds 2018 jaarlijks meerdere individuen gezien en zou het kunnen gaan om een recent gevestigde populatie.

2.3.4

Dwaalgasten

Dwaalgasten zijn soorten die zich niet jaarlijks in Vlaanderen voortplanten en hier minder dan 10 maal werden waargenomen. In het volgende overzicht geven we enkel waarnemingen sinds 1830 die gevalideerd werden door museum- of fotomateriaal. In Vlaanderen beschouwen we 15 soorten als dwaalgasten: 

Koningspage Iphiclides podalirius (LINNAEUS , 1758)

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 22 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


Vijf waarnemingen: Holsbeek (19de eeuw), Gent (1911), Hoeselt (1992), Puurs (2004) en Zingem (2013) Zuidelijke luzernevlinder Colias alfacariensis RIBBE, 1905 o Twee waarnemingen: Sint-Lambrechts-Woluwe (1944) en Genk (1945) Rode vuurvlinder Lycaena hippothoe (LINNAEUS , 1760) o Een waarneming: Genk (1967) Morgenrood Lycaena virgaureae (LINNAEUS , 1758) o Drie waarnemingen: Hoeilaart (1893), Kortijk-Dutsel (1971), Kalmthout (2010) Paarse parelmoervlinder Boloria dia (LINNAEUS , 1767) o Een waarneming: Meerdaalwoud (1941) Oostelijke vos Nymphalis xanthomelas (ESPER , 1781) o Vijf waarnemingen: Arendonk (2014), Turnhout (2014), Gent (2014), Ekeren (2014), Knokke-Heist (2018; Manil & Cuvelier 2015). Steppeparelmoervlinder Melitaea aurelia NICKERL, 1850 o Drie waarnemingen: Herne (19de eeuw), Maaseik (1959) en Westerlo (2019). Monarchvlinder Danaus plexippus (LINNAEUS , 1758) o Vijf waarnemingen: Middelkerke (jaren 1970), Lebbeke (1992), Raversijde (1995), Groot-Bijgaarden (2013), Mechelen (2016) Tweekleurig hooibeestje Coenonympha arcania (LINNAEUS , 1760) o Twee waarnemingen: Zutendaal (1935) en Ekeren (1968) Rotsvlinder Lasiommata maera (LINNAEUS , 1758) o Twee waarnemingen: Kampenhout (1916) en Wevelgem (1970); de waarneming in Muizen in 2009 betrof een exemplaar dat vermoedelijk met bouwmateriaal was meegekomen uit Wallonië. Boserebia Erebia ligea (LINNAEUS , 1758) o Een waarneming: Halle (1925) Voorjaarserebia Erebia medusa ([DENIS & SCHIFFERMÜLLER ], 1775) o Vier waarnemingen: Tongeren (1900), Oostende (1902), Melden (1939) en Halle (1996) Zomererebia Erebia aethiops (ESPER , 1777) o Een waarneming: Herentals (1984) o

    

 

 

 

2.3.5

Adventieven

Adventieven zijn soorten die Vlaanderen niet op eigen kracht hebben bereikt, maar zich hier eventueel wel kunnen voortplanten. In Vlaanderen beschouwen we twee soorten als adventief: 

Geraniumblauwtje Cacyreus marshalli BUTLER , 1898 o Eind jaren ’80 ingevoerd met Pelargoniums in de Balearen (Eitschberger & Stamer 1990), van oorsprong uit Zuid-Afrika.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 23 van 159


o o

o

Intussen wijd verspreid in het Mediterrane gebied en soms als plaagsoort aanzien in Pelargoniumteelt (Quacchia et al. 2008; Paradiso et al. 2019). In Frankrijk breidt de soort nog steeds uit naar het noorden waardoor er in Vlaanderen in de (nabije) toekomst misschien zwervers verwacht kunnen worden Zes waarnemingen: Wervik (2008), Hove (2009), Ninove (2009), Kontich (2009), Beerse (2019), As (2020).

© Pieter Vantieghem

Witstreepblauwtje Polyommatus damon ([DENIS & SCHIFFERMÜLLER ], 1775) o Ingevoerd met Esparcette dat destijds als wintervoeder voor de schapenteelt werd gebruikt; o Waarnemingen in en rond Turnhout van ongeveer 1850 tot 1944.

© Valérie Goethals

2.4 ANALYSE Alle waarnemingen in de verschillende gegevensbronnen werden, indien mogelijk, toegewezen aan kilometerhokken (1 x 1 km²; n = 14.304 in Vlaanderen) en atlashokken (5 x 5 km²; n = 647 in Vlaanderen) van de Universal Transverse Mercator (UTM) projectie . Bij heel oude waarnemingen waarbij vaak enkel de naam van een gemeente of streek werd gegeven, werd de waarneming toegekend aan het atlashok met de kerk van de gemeente. Enkel goedgekeurde waarnemingen in waarnemingen.be worden gebruikt in de verdere analyse (Maes et al. 2016). Voor alle goedgekeurde waarnemingen van zeldzamere soorten werd, waar ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 24 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


mogelijk, ingeschat of ze betrekking hebben op een populatie en indien niet, werd de waarneming niet gebruikt in de verdere analyse.

2.4.1

Trendbepaling (IUCN-criterium A)

Om na te gaan hoe de verspreiding van de dagvlinders in Vlaanderen veranderd is tussen de periode 2011-2020 en de referentieperiode 1951-2000, werd het aantal atlashokken van 5 x 5 km geteld waarin een soort werd waargenomen in beide perioden. Vervolgens bepalen we een relatieve verspreiding door het aantal atlashokken te delen door de som van het aantal atlashokken van alle soorten in elke periode (cf. Maes et al. 2012). Met deze relatieve verspreiding berekenen we vervolgens een procentuele verandering van de soort in de periode 2011-2020 ten opzichte van de referentieperiode 1951-2000 (Buckland et al. 2011). Met behulp van de gecondenseerde dataset, berekenen we een verandering in verspreiding tussen de referentieperiode 1951-2000 en de periode 2011-2020. Om te corrigeren voor de verschillende inventarisatie-intensiteiten tussen beide perioden, bereken we eerst een relatieve verspreiding pip door het aantal atlashokken van een soort i in elke periode p te delen door de som van de atlashokken in elke periode, i.e. 12.022 in de referentieperiode 1951-2000 en 16.013 in de periode 2011-2020 (cf. Maes et al. 2012). Met deze relatieve verspreidingen per periode berekenen we vervolgens de verandering in verspreiding (CIi, change index) tussen beide periodes (Buckland et al. 2011 – formule 1).

(1)

Waarbij pi2 de relatieve verspreiding van soort i is in de periode 2011-2020 en pi1 de relatieve verspreiding in de referentieperiode 1951-2000. Door dit te vermenigvuldigen met 100 bekomen we percentage en kunnen we de trend omzetten naar een relatieve verandering in verspreiding ten opzichte van de periode 1951-2000 (formule 2). (

)

(2)

Voor soorten die in beide periodes al in zo goed als heel Vlaanderen voorkwamen (meer dan 80% van de onderzochte hokken), berekent deze methode echter een artificiële achteruitgang en daarom berekenen we voor deze soorten geen trend tussen beide periodes.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 25 van 159


Naast een trend in verspreiding ten opzichte van de referentieperiode 1951-2000 op basis van atlashokken, berekenen we ook een verschil in verspreiding ten opzichte van het jaar 2011 op basis van kilometerhokken en op basis van daghokbezoeken (zie 2.4.3.2). Enkel wanneer de trend een voortdurende daling vertoont, wordt dit criterium gebruikt. Wanneer deze trend schommelingen vertoont of enkel een daling gedurende een korte periode, brengen we dit criterium niet in rekening omdat het om natuurlijke schommelingen kan gaan ( Akçakaya et al. 2021).

2.4.2

Areaalgrootte (Extent of Occurrence) en oppervlakte (Area of Occupancy, IUCN-criterium B)

Het bepalen van de omvang van de verspreiding van een soort kan op twee schalen gebeuren: de areaalgrootte enerzijds (Extent of Occurrence) en de gebruikte oppervlakte anderzijds (Area of Occupancy).

2.4.2.1

Areaalgrootte (Extent of Occurrence – EoO)

De areaalgrootte berekenen we door de waarnemingen van de soorten toe te kennen aan zogenaamde ecodistricten in Vlaanderen (Couvreur et al. 2004). De gesommeerde oppervlakte van de ecodistricten waarin de soort werd waargenomen in de periode 2011-2020 gebruiken we hier als areaalgrootte (EoO).

2.4.2.2

Oppervlakte (Area of Occupancy – AoO)

De door een soort gebruikte oppervlakte bepalen we door het aantal kilometerhokken met een populatie te tellen in de periode 2011-2020. Aangezien deze hokken 1 km² groot zijn, kunnen we het aantal kilometerhokken gebruiken als oppervlakte (AoO).

2.4.2.3

Aantal vindplaatsen

Vindplaatsen van sommige soorten kunnen zich uitstrekken over verschillende kilometerhokken (bv. lange kanaalbermen of locaties aan de rand van 2 kilometerhokken). Door simpelweg het aantal kilometerhokken te tellen, zou er een overschatting van het aantal vindplaatsen kunnen gebeuren en daarom werd voor de zeldzamere soorten nagegaan op hoeveel locaties een soort voorkomt. Als hulpmiddel tekenden we hiervoor een b uffer van 1 km rond de puntlocaties uit waarnemingen.be om na te gaan waar er clusters van

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 26 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


waarnemingen voorkomen. Het aantal bekomen clusters wordt als een indicatie van het aantal vindplaatsen gebruikt.

2.4.2.4

Achteruitgang

Wanneer er een afnemende trend van ≥ 30% is gedurende de laatste 10 jaar (zie 2.4.3), wordt dit beschouwd als een voortdurende achteruitgang in oppervlakte (b(ii)).

2.4.3

Populatiegrootte en recente trend

2.4.3.1

Populatiegrootte

Om een inschatting te maken van de populatiegrootte van de verschillende soorten in Vlaanderen, baseren we ons op het maximum aantal gemelde volwassen vlinders in een jaar per kilometerhok. Het aantal volwassen vlinders in Vlaanderen tussen 2016 en 2020 is geschat door voor ieder kilometerhok het hoogste aantal waargenomen vlinders op een datum t e nemen en dit te vermenigvuldigen met drie. Door vervolgens per soort de som te maken van deze aantallen krijgen we een voorzichtige inschatting van de minimale populatiegrootte in Vlaanderen in de periode 2016-2020. Deze methode werd eerder toegepast in Nederland (van Swaay 2019) en is gebaseerd op onderzoek naar het Heideblauwtje in Engeland (Lewis et al. 1997). De formule werd getoetst aan merk-hervangstonderzoek, maar lijkt ons op basis van eigen merk-hervangstonderzoek (Maes et al. 2004; Maes et al. 2006) een onderschatting van de populatiegrootte. Voor sedentaire soorten vermenigvuldigen we daarom het maximale aantal niet met drie maar met vijf. Voor soorten die mobiel zijn geeft deze methode echter een overschatting van het aantal individuen en daarom corrigeren we hiervoor door de som met twee te vermenigvuldigen in plaats van met drie.

2.4.3.2

Recente trendbepaling

De trend gedurende de laatste 10 jaar wordt op twee manieren berekend: op kilometerhokniveau en op basis van het aantal daghokbezoeken ( Herremans & Gielen 2013).

2.4.3.2.1

Kilometerhokniveau

Voor de trend in de laatste 10 jaar maken we gebruik van de kilometerhokken waarin een soort in de periode 2011-2020 werd waargenomen. Hiermee doen we een regressie op het relatieve aantal kilometerhokken (d.i. het aantal kilometerhokken van de soort gedeeld door

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 27 van 159


de som van het aantal kilometerhokken) per jaar (cf. Akçakaya et al. 2021). Met de regressielijn berekenen we de trend in de periode 2011-2020 (10 jaar).

2.4.3.2.2

Daghokbezoeken

Voor de recentste periode (2011-2020) wordt op basis van de gegevens uit waarnemingen.be ook gekeken naar veranderingen in aantallen en fijnmazige verspreiding (op hectareniveau). Hiervoor selecteren we uit waarnemingen.be de gegevens van regelmatige vlinderwaarnemers (>50 waarnemingen per jaar van >10 soorten): dat levert 1040 waarnemers op die de afgelopen 12 jaar 1.348.157 vlinderwaarnemingen registreerden. Uit al hun waarnemingen (van alle soorten) leiden we af dat dit gelinkt was aan een totale zoekinspanning van 4,8 miljoen daghokbezoeken (op hectare schaal). Voor de veranderingen in aantallen corrigeren we de gemelde aantallen naar een gelijke zoekinspanning per jaar. Als er een afname is van ≥ 25%, dan kwalificeert de soort voor criterium C1 (Tabel 1). Omdat vlinderpopulaties soms heel sterk in aantallen kunnen veranderen van jaar tot jaar beschouwen we enkel veranderingen gedurende de laatste 10 jaar en waarbij uit recente schommelingen in het verleden niet valt te verwachten dat de soort in staat is om zich snel te herstellen (zie bv. bij Boomblauwtje). Zo maken we het onderscheid tussen events – die bij insecten een weliswaar een belangrijke tijdelijke impact kunnen hebben op populaties – en een aanhoudende trend. Deze methode wordt enkel toegepast op algemene soorten met een grote verspreiding, omdat anders gerichte zoekinspanning in een beperkte verspreiding de cijfers sterk kan beïnvloeden. Voor recente veranderingen in fijnmazige verspreiding drukken we het aantal hectare -hokken waarin de soort werd gevonden per jaar uit ten opzichte van het aantal kilometerhokken waarin gezocht werd binnen de vliegperiode.

2.4.4

Kwantitatieve analyse

Dit criterium wordt niet gebruikt omwille van de onzekerheid van de modellen om dit mee te bepalen (Settele et al. 2008). In Vlaanderen werd voor acht soorten berekend dat het klimaat minder geschikt zou worden in 2050 (Bont dikkopje, Gele luzernevlinder, Aardbeivlinder, Groentje, Grote weerschijnvlinder, Kleine vos, Koevinkje en Oranjetipje – Maes et al. 2010; Maes et al. 2013). Omwille van het voorzorgsprincipe zouden we deze soorten, zoals in de Rode Lijst van 2011 (Maes et al. 2012), in de categorie Bijna in Gevaar kunnen onderbrengen.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 28 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


Dit verandert echter niets aan de Rode Lijstcategorie waarin deze soorten uiteindelijk terechtkomen.

2.4.5

Downgrading

Voor soorten die recent zeer sterk toenemen of soorten die in Vlaanderen aan de rand van hun areaal zitten (Tabel 4) raadt de IUCN aan om de bekomen Rode Lijstcategorie met twee categorieën te verlagen (IUCN 2012). Voor recent sterk uitbreidende soorten, passen we de verlaging met twee Rode Lijstcategorieën toe, maar voor areaalrandsoorten beperken we ons tot het verlagen met slechts een Rode Lijstcategorie. De IUCN-criteria voorzien echter ook in het verlagen van de bekomen Rode Lijstcategorie voor een bepaalde regio, wanneer er een reddingseffect (rescue effect) vanuit de buurregio’s mogelijk is (IUCN 2012). Dit betekent dus dat de verspreiding in een van de buurregio’s in de eerste plaats moet aansluiten op die in Vlaanderen. Wanneer de soort in een van de buurregio’s niet achteruitgaat en voldoende mobiel is, kan ze een reddingseffect hebben voor Vlaanderen en wordt de bekomen Rode Lijstcategorie verlaagd met een categorie. In alle andere gevallen wordt de Rode Lijstcategorie niet verlaagd (Tabel 4). Tabel 4

Dagvlinders die aan de rand van hun areaal voorkomen in Vlaanderen en soorten die omwille van het niet aansluiten van hun verspreiding op Vlaanderen , het bedreigd zijn in een van de buurregio’s of het onvoldoende mobiel zijn niet van Rode Lijstcategorie worden verlaagd worden.

Soorten die recent zeer sterk toegenomen zijn in Vlaanderen (- twee Rode Lijstcategorieën) Braamparelmoervlinder Kaasjeskruiddikkopje

Kleine weerschijnvlinder Scheefbloemwitje

Staartblauwtje

Soorten aan de rand van hun areaal in Vlaanderen (- één Rode Lijstcategorie) Boswitje Bruin dikkopje

Dambordje Dwergblauwtje

Gele luzernevlinder Klaverblauwtje

Soorten waarvoor geen reddingseffect wordt verwacht (geen verlaging van Rode Lijstcategorie) Aardbeivlinder Argusvlinder Bont dikkopje Bruine eikenpage Bruine vuurvlinder

Geelsprietdikkopje Gentiaanblauwtje Groentje Heideblauwtje Heivlinder

Kommavlinder Veldparelmoervlinder Zwartsprietdikkopje

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 29 van 159


3

RESULTATEN

Als eerste oefening werd nagegaan welke soorten uitgestorven zijn in Vlaanderen. Deze soorten worden niet verder afgetoetst aan de IUCN-criteria. Het gaat om 20 soorten (Tabel 5). Bij de soortbesprekingen geven we meer informatie over deze soorten.

Tabel 5

Soorten die als Regionaal Uitgestorven worden beschouwd in Vlaanderen.

Bosparelmoervlinder Kalkgraslanddikkopje Vals heideblauwtje Bosrandparelmoervlinder Kleine heivlinder Veenhooibeestje Bretons spikkeldikkopje Moerasparelmoervlinder* Woudparelmoervlinder Duinparelmoervlinder Pimpernelblauwtje Zilveren maan Groot geaderd witje Resedawitje sensu lato Zilverstreephooibeestje Grote ijsvogelvlinder Rouwmantel Zilvervlek Grote parelmoervlinder Spiegeldikkopje * de soort werd in 2016 illegaal uitgezet in een natuurgebied in Vlaams -Brabant en is daar nog steeds aanwezig

3.1 IUCN CRITERIUM A 3.1.1

Trend in verspreiding (A2c)

Elf soorten gaan met minstens 20% achteruit ten opzichte van de referentieperiode 1951-2000 en voldoen aan criterium A2c (Tabel 6). Drie soorten komen op basis van dit criterium in de categorie Ernstig bedreigd terecht, twee soorten in de categorie Bedreigd, vijf soorten in de categorie Kwetsbaar en een soort in de categorie Bijna in Gevaar. Op basis van de trend gedurende de laatste 10 jaar, zouden enkele soorten in een hogere Rode Lijstcategorie terecht kunnen komen. Enkel bij het Bont zandoogje, het Groentje, de Heivlinder, de Kleine vos en het Zwartsprietdikkopje gaat om een voortdurende afname sinds 2011 (zie figuren bij de soortbesprekingen) en daarom wordt de Rode Lijstcategorie op basis van de trend gedurende de laatste 10 jaar gebruikt voor criterium A in plaats van de trend in de verspreiding tussen 1951-2000 en 2011-2020.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 30 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


Tabel 6

Aantal atlashokken in de perioden 1951-2000 en 2011-2020 en de berekende trend in verspreiding (procentuele verandering ten opzichte van de periode 1951-2000). t10 = verschil in het relatieve aantal kilometerhokken in 2020 ten opzichte van het jaar 2011 .

Soort

#1951-2000 #2011-2020 trend (%) RLC_A2

t10

RLC_A10

RLC_A

Argusvlinder 409 68 -88 CR -47 VU CR Bruine vuurvlinder 54 9 -87 CR +11 LC CR Gentiaanblauwtje 36 10 -80 CR -32 VU CR Kleine vos 574 620 LC -99 CR CR Aardbeivlinder 16 7 -65 EN -45 VU EN Bruine eikenpage 77 28 -73 EN -49 VU EN Heivlinder 103 74 -47 VU -59 EN EN Kommavlinder 27 21 -42 VU -72 EN VU Bruin dikkopje 10 7 -46 VU +28 LC VU VU Geelsprietdikkopje 224 89 -71 EN -9 LC VU Groentje 83 97 -15 LC -32 VU VU Heideblauwtje 73 68 -32 VU -27 NT VU Zwartsprietdikkopje 443 524 -14 LC -44 VU VU Bont zandoogje 549 623 LC -28 NT NT Klaverblauwtje 21 23 -20 NT +443 LC NT Bont dikkopje 84 108 -6 LC -61 EN LC Dagpauwoog 577 632 LC -26 NT LC Koevinkje 293 388 -4 LC -49 VU LC Landkaartje 486 598 LC -41 VU LC VU EN Rode-Lijstcategorie werd met een categorie verlaagd omwille van de vermoedelijke overschatting van het aantal atlashokken in de eerste periode.

3.2 IUCN CRITERIUM B 3.2.1

Areaalgrootte (Extent of Occurrence) en oppervlakte (Area of Occupancy)

Zevenentwintig soorten voldoen aan criterium B. Vijftien soorten komen volgens dit criterium in de Rode Lijstcategorie Bedreigd terecht, een soort in de categorie Kwetsbaar (Kleine vos) en 11 soorten in de categorie Bijna in Gevaar (Tabel 7).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 31 van 159


Tabel 7

Areaalgrootte (EoO = Extend of Occurrence, km²) en oppervlakte (AoO = Area of Occupancy, km²) van de soorten die voldoen aan een van de voorwaarden voor IUCN criterium A in de periode 2011-2020. a(i) = versnipperde verspreiding, a(ii) = aantal locaties, b(ii) = voortdurende afname in oppervlakte, b(iii) = afname in oppervlakte, areaalgrootte en/of kwaliteit van de habitat, b(iv) = afname aantal vindplaatsen of subpopulaties , c(iv) = extreme schommelingen in het aantal zich voortplantende individuen.

Soort

EoO

AoO

a(i)

a(ii)

b(ii)

b(iii)

b(iv)

c(iv) RLC_B

Aardbeivlinder Argusvlinder Boswitje Bruin dikkopje Bruine eikenpage Bruine vuurvlinder Dambordje Dwergblauwtje Gele luzernevlinder Gentiaanblauwtje Groentje Heideblauwtje Heivlinder Klaverblauwtje Kommavlinder

3989 3045 5502 3300 3976 4690 2398 737 8438 3283 5301 4006 4285 3529 3087

20 410 97 30 85 27 12 18 195 36 310 211 397 56 93

a(i) a(i) a(i) a(i) a(i) a(i) a(i) a(i) a(i) a(i) a(i)

4 20 20 4 5 5 4 5-10 4 16 10

b(ii) b(ii) b(ii) b(ii) b(ii) b(ii) b(ii) b(ii)

b(iii) b(iii) b(iii) b(iii) b(iii) b(iii) b(iii) b(iii) b(iii) b(iii) b(iii) b(iii) b(iii) b(iii)

b(iv) b(iv) b(iv) b(iv) b(iv)

c(iv) -

EN EN EN EN EN EN EN EN EN EN EN EN EN EN EN

Kleine vos

13.749

5982

-

-

b(ii)

-

b(iv)

c(iv)

VU

Bont dikkopje Dagpauwoog Geelsprietdikkopje Grote vos Koevinkje Landkaartje Veldparelmoervlinder Zwartsprietdikkopje

4826 13.749 8336 13.604 13.526 13.749 3997 13.749

502 9070 265 675 2197 5231 150 2031

-

-

b(ii) b(ii) b(ii) b(ii) b(ii)

b(iii) b(iii) -

-

c(iv) -

NT NT NT NT NT NT NT NT

3.3 KLEINE POPULATIE (IUCN CRITERIUM C) Tien soorten voldoen aan criterium C. Zes soorten komen op basis van dit criterium terecht in de Rode Lijstcategorie Bedreigd, drie in de categorie Kwetsbaar en een in de categorie Bijna in Gevaar (Tabel 8).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 32 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


Tabel 8

Geschatte populatiegrootte (nInd) en bijkomende subcriteria bij criterium C. C1: trend in verspreiding in de laatste 10 jaar, C2: + = achteruitgang van minstens 20% in de laatste 10 jaar, C2a(i) = geschat aantal individuen per subpopulatie.

Soort Aardbeivlinder Boswitje Bruine eikenpage Gentiaanblauwtje Kommavlinder Argusvlinder Bont dikkopje Groentje Kleine vos Zwartsprietdikkopje Heivlinder

nInd

C1

C2

C2a(i)

RLC_C

<600 <1200 <1500 <300 <1200 <2100 <3600 <4100 <7300 <14.000 <15.000

-45 -40 -49 -32 -73 -47 -61 -37 -99 -44 -59

+ + + + + + + + + + +

<250 <250 <250 <250 <250 <1000 <1000 <1000 <250 <1000 <1000

EN EN EN EN EN EN VU VU VU NT NT

3.4 ZEER KLEINE POPULATIEGROOTTE OF ZEER BEPERKTE OPPERVLAKTE (CRITERIUM D) Negen soorten voldoen aan criterium D. Twee soorten zouden volgens dit criterium in de Rode Lijstcategorie Bedreigd terechtkomen en zeven in de categorie Kwetsbaar (Tabel 9). Tabel 9

Geschatte populatiegrootte (D1) en aantal locaties waarop de soort voorkomt (D2).

Soort Dambordje Grote vos Bruine vuurvlinder Gentiaanblauwtje Klaverblauwtje Aardbeivlinder Dwergblauwtje Bruin dikkopje Gele luzernevlinder Kommavlinder

D1

D2

RLC_D

<250 <250? <300 <300 <300 <600 <700 -

5 5 4 4 4 4 5-10 10

EN EN VU VU VU VU VU VU NT NT

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 33 van 159


3.5 DE RODE LIJST Op basis van elk van de IUCN-criteria (A-D) wordt de soort toegewezen aan de hoogste Rode Lijstcategorie. De toepassing van de regionale IUCN-criteria kan echter leiden tot het verlagen van de bekomen Rode Lijstcategorie. Achttien soorten voldoen aan een van de IUCN-criteria (A-D; Tabel 10). Na het eventueel verlagen van de Rode Lijstcategorie bekomen we voor elke soort de finale Rode Lijstcategorie in Vlaanderen.

Tabel 10

Rode Lijstcategorie volgens de verschillende criteria. RLCz = Rode Lijst zonder downgrade, RLC = finale Rode Lijstcategorie. dg = Downgrade (- = nee, + = ja).

Soort

RLC_A

RLC_B

RLC_C

RLC_D

RLCz

dg

RLC

Argusvlinder Bruine vuurvlinder Gentiaanblauwtje

CR CR CR

EN EN EN

EN EN

VU VU

CR CR CR

-

CR CR CR

Aardbeivlinder Bruine eikenpage Groentje Heideblauwtje Heivlinder Kommavlinder

EN EN VU c EN VU

EN EN EN EN EN EN

EN EN VU NT EN

VU NT NT

EN EN EN EN EN EN

-

EN EN EN EN EN EN

Bont dikkopje Boswitje Bruin dikkopje Dambordje Dwergblauwtje Geelsprietdikkopje Gele luzernevlinder Klaverblauwtje Kleine vos Zwartsprietdikkopje

VU VU NT c CR c VU

NT EN EN EN EN NT EN EN VU NT

VU EN VU NT

VU VU VU NT VU NT

VU VU EN EN EN VU EN EN CR VU

a + a + a + a + a + a + -

VU VU VU VU VU VU VU VU EN VU

-

NT NT

-

VU

VU NT

+ -

r

NT NT

Grote vos Veldparelmoervlinder

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 34 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


3.6 SOORTBESPREKINGEN Hier bespreken we de verschillende soorten die geëvalueerd werden voor de Rode Lijst. We geven van elke soort de verspreiding in de periodes 1951-2000 en 2011-2020. Voor soorten die voor 1950 uitstierven in Vlaanderen tonen we de verspreiding in de periode 1901-2000. Voor soorten in de Rode Lijstcategorie Regionaal Uitgestorven worden de locatie en het jaar van de laatste waarneming gegeven. Voor soorten die in aanmerking voor een Rode Lijstcategorie bespreken we de toetsing aan de verschillende IUCN-criteria. Per soort geven we in tabelvorm het resultaat van de toetsing aan de verschillende IUCN-criteria (A-D). Wanneer een soort bij criterium A aan een Rode Lijstcategorie toegewezen wordt op basis van de trend gedurende de laatste 10 jaar en niet op basis van veranderingen in het aantal atlashokken ten opzichte van de referentieperiode 1951-2000 dan wordt dat aangegeven met het superscript c (bv. CRc, ENc of VUc). We geven ook de Rode Lijstcategorie in de Vlaamse Rode Lijst uit 2001 (RLC2001; Maes & Van Dyck 2001) en 2011 (RLC2011; Maes et al. 2011b) en die in Nederland (NL, met tussen haakjes de Rode Lijstcategorie volgens de IUCN-criteria; van Swaay 2019), Wallonië (Wal; Fichefet et al. 2008), Nord – Pas-de-Calais (N-PdC; Hubert & Haubreux 2014) en GrootBrittannië (UK; Fox et al. 2011). In Wallonië wordt er momenteel gewerkt aan een nieuwe Rode Lijst en de status is daar dus verouderd. Voor de Europese status van een soort werd gebruik gemaakt van van Swaay et al. (2010) en van Swaay et al. (2011). Een soort is een Species of European Conservation Concern (SPEC) wanneer de soort in heel Europa of de Europese Unie bedreigd is (Rode Lijstcategorieën Ernstig Bedreigd, Bedreigd of Kwetsbaar volgens van Swaay et al. 2011 – SPEC1), wanneer de soort Bijna in Gevaar is in Europa of de Europese Unie (SPEC2), wanneer een soort Momenteel niet in Gevaar is in Europa of de Europese Unie, maar meer dan 10% achteruitgaat in minstens een derde van alle Europese landen (SPEC3), of met minder dan 10% achteruitgaat in minstens een derde van alle Europese landen (SPEC4). We geven ook aan of de soort van Rode Lijstcategorie verlaagd wordt (dg) omwille van het feit dat de soort aan de rand van haar areaal voorkomt in Vlaanderen (+ a) of omwille van een mogelijk reddingseffect vanuit de buurlanden (+r). Voor de soorten die op de Rode Lijst terechtkomen, bespreken we kort enkele bedreigingen en mogelijke (beheer)maatregelen (Maes et al. 2013; van Swaay 2019). Voor de recente achteruitgang (criterium C1) gebruiken we enkel de trend gedurende de laatste 10 jaar. In Bijlage 1 geven we een overzicht van de gebruikte criteria voor alle soorten.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 35 van 159


3.6.1

Regionaal uitgestorven soorten (RE)

3.6.1.1

Bosparelmoervlinder Melitaea athalia

Regionaal Uitgestorven (RE)

De Bosparelmoervlinder is uitgestorven in Vlaanderen. De laatste populatie bevond zich in Schilde (1968). In 2011 werd een exemplaar van de Bosparelmoervlinder waargenomen in de Bospolder in Ekeren, maar dit ging om een zwerver of om een exemplaar dat via de Antwerpse haven werd ingevoerd. © Va l éri e Goetha l s

RLC2021 RE

3.6.1.2

RLC2011 RE

RLC2001 RE

NL CR (EN)

Wal VU

N-PdC NE

Bosrandparelmoervlinder Fabriciana adippe

UK EN

Eur LC

Regionaal Uitgestorven (RE)

De Bosrandparelmoervlinder is uitgestorven in Vlaanderen. De laatste populatie bevond zich in het Zoniënwoud in Sint-Genesius-Rode (1947). In 1986 en in 2013 werd de soort waargenomen in respectievelijk Oudsbergen en Genk, maar dit ging telkens om zwervers.

© Va l éri e Goetha l s

RLC2021 RE

RLC2011 RE

RLC2001 RE

NL -

Wal VU

N-PdC RE

UK CR

Eur LC

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 36 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


3.6.1.3

Bretons spikkeldikkopje Pyrgus armoricanus

Regionaal Uitgestorven (RE)

Het Bretons spikkeldikkopje is uitgestorven in Vlaanderen. De laatste populatie bevond zich in Koksijde (1952). De soort breidt momenteel sterk uit in Duitsland (Kettermann et al. 2020) en in NO-Frankrijk. Ook in Wallonië wordt de soort sinds kort terug geregeld gezien (Parmentier et al. 2014). Het Bretons spikkeldikkopje is een Species of European Conservation Concern (SPEC3).

RLC2021 RE

3.6.1.4

RLC2011 RE

RLC2001 RE

NL -

© Va l érie Goethals

Wal RE

Duinparelmoervlinder Fabriciana niobe

N-PdC NA

UK -

Eur SPEC3 LC

Regionaal Uitgestorven (RE)

De Duinparelmoervlinder is uitgestorven in Vlaanderen. De laatste populatie bevond zich vermoedelijk in de Westhoek in De Panne (1977). De Duinparelmoervlinder is een Species of European Conservation Concern (SPEC2).

© Va l érie Goethals

RLC2021 RE

RLC2011 RE

RLC2001 RE

NL EN (LC)

Wal RE

N-PdC NE

UK -

Eur SPEC2 LC

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 37 van 159


3.6.1.5

Groot geaderd witje Aporia crataegi

Regionaal Uitgestorven (RE)

Het Groot geaderd witje is uitgestorven in Vlaanderen. De laatste populatie bevond zich in Beersel (1965). De soort wordt nog af en toe als zwerver waargenomen in Vlaanderen.

© Ma rc Herremans

RLC2021 RE

3.6.1.6

RLC2011 RE

RLC2001 RE

NL RE (RE)

Wal LC

Grote ijsvogelvlinder Limenitis populi

N-PdC RE

UK RE

Eur LC

Regionaal Uitgestorven (RE)

De Grote ijsvogelvlinder is uitgestorven in Vlaanderen. De laatste populatie bevond zich in het Lembeekbos/Hallerbos in Halle (1957). De Grote ijsvogelvlinder is een Species of European Conservation Concern (SPEC2).

© Di rk Ma es

RLC2021 RE

RLC2011 RE

RLC2001 RE

NL RE (RE)

Wal CR

N-PdC RE

UK -

Eur SPEC2 LC

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 38 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


3.6.1.7

Grote parelmoervlinder Speyeria aglaja

Regionaal Uitgestorven (RE)

De Grote parelmoervlinder is uitgestorven in Vlaanderen. De laatste populaties bevonden zich in het Zoniënwoud in Sint-Genesius-Rode en in het Hallerbos in Halle (1971). Af en toe worden er nog zwervende individuen waargenomen in Vlaanderen. De Grote parelmoervlinder is een Species of European Conservation Concern (SPEC4). © Va l érie Goethals

RLC2021 RE

3.6.1.8

RLC2011 RE

RLC2001 RE

NL CR (EN)

Wal EN

Kalkgraslanddikkopje Spialia sertorius

N-PdC EN

UK LC

Eur SPEC4 LC

Regionaal Uitgestorven (RE)

Het Kalkgraslanddikkopje is uitgestorven in Vlaanderen. De laatste populatie bevond zich in Kinrooi (1945).

© Va l érie Goethals

RLC2021 RE

RLC2011 RE

RLC2001 RE

NL RE (RE)

Wal LC

N-PdC VU

UK -

Eur LC

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 39 van 159


3.6.1.9

Kleine heivlinder Hipparchia statilinus

Regionaal Uitgestorven (RE)

De Kleine heivlinder is uitgestorven in Vlaanderen. De laatste populaties bevonden zich in de omgeving van Diest en Zutendaal (1930). De Kleine heivlinder is een Species of European Conservation Concern (SPEC2).

© Va l érie Goethals

RLC2021 RE

RLC2011 RE

RLC2001 RE

NL CR (CR)

Wal -

N-PdC -

UK -

Eur SPEC2 LC

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 40 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


3.6.1.10 Moerasparelmoervlinder Euphydryas aurinia

Regionaal Uitgestorven (RE)

De Moerasparelmoervlinder is uitgestorven in Vlaanderen. De laatste populatie bevond zich in het Walenbos in Tielt-Winge (1959). In 2016 werden Moerasparelmoervlinders (illegaal) uitgezet in een natuurgebied in Vlaams-Brabant. Sindsdien doet de populatie het elk jaar beter en worden er af en toe zelfs zwervers rond de uitgezette populatie waargenomen. Als de populatie standhoudt

© Di rk Ma es

mogen we de soort binnenkort terug tot de standvlinders rekenen. Dit zou dan de enige Habitatrichtlijnsoort in Vlaanderen zijn. De Moerasparelmoervlinder is een Species of European Conservation Concern (SPEC4).

RLC2021 RE

RLC2011 RE

RLC2001 RE

NL RE (RE)

Wal CR

N-PdC CR

UK VU

Eur SPEC4 LC

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 41 van 159


3.6.1.11 Pimpernelblauwtje Phengaris teleius

Regionaal Uitgestorven (RE)

Het Pimpernelblauwtje is uitgestorven in Vlaanderen. De laatste populatie bevond zich in Zemst (1980). Het Pimpernelblauwtje is een Species of European Conservation Concern (SPEC1).

© Ma rc Herremans

RLC2021 RE

RLC2011 RE

RLC2001 RE

NL CR (CR)

Wal -

N-PdC -

UK -

Eur SPEC1 VU

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 42 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


3.6.1.12 Resedawitje Pontia daplidice/edusa

Regionaal Uitgestorven (RE)

Het Resedawitje sensu lato is uitgestorven in Vlaanderen. De laatste populatie bevond zich in de omgeving van Antwerpen (1950). In 2020 werden langs de Maas in Lanaken meerdere exemplaren en ook paringen waargenomen wat op een tijdelijke voortplanting wijst. Resedawitjes worden pas sinds de jaren ’80 als twee aparte soorten erkend, het Resedawitje (Pontia daplidice) en © Va l érie Goethals

het Oostelijk resedawitje (Pontia edusa), waarbij het onderscheid enkel op basis van DNA te maken valt (Geiger & Scholl 1982; Geiger et al. 1988). Het is daarom onduidelijk over welke soort het in Vlaanderen precies gaat. Op basis van de huidige verspreiding van beide soorten, is het waarschijnlijker dat het bij de recente waarnemingen om het Oostelijk resedawitje gaat (Fokker et al. 2019) wat zou betekenen dat dit een nieuwe soort voor Vlaanderen zou kunnen worden.

RLC2021 RE

RLC2011 NE

RLC2001 NE

NL NE (NE)

Wal NE

N-PdC NA

UK -

Eur LC

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 43 van 159


3.6.1.13 Rouwmantel Nymphalis antiopa De

Rouwmantel

is

uitgestorven

Regionaal Uitgestorven (RE) in

Vlaanderen. Omwille van de aanwezigheid van zwervers is het moeilijk te bepalen waar de laatste populatie van deze soort zich bevond en ook wanneer de soort zich voor het laatst heeft voortgeplant in Vlaanderen. Soms zijn er invasiejaren (1995 en 2006) waarna in de daaropvolgende jaren wat meer waarnemingen gedaan worden, maar langdurige populaties zijn zo goed als zeker niet meer aanwezig in Vlaanderen.

RLC2021 RE

RLC2011 CR

RLC2001 RE

NL RE (RE)

© Ja n Va n Uytva nck

Wal EN

3.6.1.14 Spiegeldikkopje Heteropterus morpheus

N-PdC NA

UK -

Eur LC

Regionaal Uitgestorven (RE)

Het Spiegeldikkopje is uitgestorven in Vlaanderen. De laatste populatie bevond zich in het Stamprooierbroek in Kinrooi (1995). De soort kom net over de grens in het Nederlandse Weert voor.

© Va l érie Goethals

RLC2021 RE

RLC2011 RE

RLC2001 NT

NL VU (VU)

Wal -

N-PdC -

UK -

Eur LC

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 44 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


3.6.1.15 Vals heideblauwtje Plebejus idas

Regionaal Uitgestorven (RE)

Het Vals heideblauwtje is uitgestorven in Vlaanderen. De laatste populatie bevond zich in de Mechelse Heide in Maasmechelen (1984).

© Va l érie Goethals

RLC2021 RE

RLC2011 RE

RLC2001 RE

NL RE (RE)

Wal RE

3.6.1.16 Veenhooibeestje Coenonympha tullia

N-PdC -

UK -

Eur LC

Regionaal Uitgestorven (RE)

Het Veenhooibeestje is uitgestorven in Vlaanderen. De laatste populatie bevond zich in Oudsbergen (1994). Het Veenhooibeestje is een Species of European Conservation Concern (SPEC1).

© Ma rc Herremans

RLC2021 RE

RLC2011 RE

RLC2001 CR

NL CR (EN)

Wal RE CR

N-PdC -

UK VU

Eur SPEC1 VU

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 45 van 159


3.6.1.17 Woudparelmoervlinder Melitaea diamina

Regionaal Uitgestorven (RE)

De Woudparelmoervlinder is uitgestorven in Vlaanderen. De laatste populatie bevond zich in Malle (1954).

© Wa rd Vercruysse

RLC2021 RE

RLC2011 RE

RLC2001 RE

NL RE (RE)

Wal LC

3.6.1.18 Zilveren maan Boloria selene De

Zilveren

maan

UK -

Eur LC

Regionaal Uitgestorven (RE)

is uitgestorven in

Vlaanderen. De laatste kleine en mogelijks tijdelijke populatie bevond zich in Pelt (20152016). De Zilveren maan is een Species of European Conservation Concern (SPEC4).

© Ma rc Herremans

RLC2021 RE

RLC2011 RE

RLC2001 CR

NL EN (EN)

Wal NT

N-PdC NT

UK NT

Eur SPEC4 LC

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 46 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


3.6.1.19 Zilverstreephooibeestje Coenonympha hero

Regionaal Uitgestorven (RE)

Het Zilverstreephooibeestje is uitgestorven in Vlaanderen. De laatste populatie bevond zich in het Zoniënwoud in Sint-Genesius-Rode (1912). Het Zilverstreephooibeestje is een Species of European Conservation Concern (SPEC1).

© Va l érie Goethals

RLC2021 RE

RLC2011 RE

RLC2001 RE

NL RE (RE)

Wal RE

3.6.1.20 Zilvervlek Boloria euphrosyne

N-PdC NE

UK -

Eur SPEC1 VU

Regionaal Uitgestorven (RE)

De Zilvervlek is uitgestorven in Vlaanderen. De laatste populatie bevond zich in Haacht (1949). De Zilvervlek is een Species of European Conservation Concern (SPEC4).

© Ma rc Herremans

RLC2021 RE

RLC2011 RE

RLC2001 RE

NL RE (RE)

Wal VU

N-PdC EN

UK EN

Eur SPEC4 LC

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 47 van 159


3.6.2

Ernstig bedreigde soorten (CR)

3.6.2.1

Argusvlinder Lasiommata megera

Ernstig Bedreigd (CR)

© Valérie Goethals

© Va l érie Goethals

Op basis van een sterk afnemende trend in verspreiding (A2c) is de Argusvlinder Ernstig Bedreigd. Aangezien er geen reddingseffect uit de buurregio’s mag worden verwacht, blijft de categorie Ernstig Bedreigd behouden. In de vorige Rode Lijst stond de soort in de categorie Bedreigd. In Nederland is de Argusvlinder volgens de IUCN-criteria Bedreigd en in Nord – Pasde-Calais en Groot-Brittannië is de soort Bijna in Gevaar. A2c -88% CR

B1 (EoO) 3045 km² EN

RLC2021 CR

3.6.2.1.1

B2 (AoO) nLoc Ba Bb 410 km² 20 i ii,iii,iv EN

RLC2011 EN

RLC2001 LC

NL LC (EN)

Bc -

C <2100 EN

Wal LC

C1 C2 a(i) -47% + <1000

N-PdC NT

UK NT

D1 -

D2 -

dg -

Eur LC

Populatietrend (A2c)

Ernstig Bedreigd omwille van een afname in verspreiding van 88% ten opzichte van de periode 1951-2000 (Figuur 3).

Figuur 3

3.6.2.1.2

Verspreiding van de Argusvlinder op atlashokniveau in Vlaanderen in de periode 1951-2000 (links) en 2011-2020 (rechts).

Verspreiding (B)

Bedreigd omwille van een beperkte areaalgrootte (B1 (EoO): 3045 km²), een beperkte oppervlakte (B2 (AoO): 410 km²; Figuur 4) , een sterk versnipperde verspreiding (Ba(i)), een ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 48 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


voortdurende afname in oppervlakte (Bb(ii)), in de kwaliteit van de habitat (Bb(iii)) en in het aantal vindplaatsen (Bb(iv)).

Figuur 4

3.6.2.1.3

Verspreiding van de Argusvlinder in de periode 2011-2020 in Vlaanderen met in het rood de clusters van waarnemingen en in het grijs de ecodistricten waarin de soort voorkomt.

Kleine populatie in combinatie met versnippering of achteruitgang (C)

Bedreigd omwille van een geschatte populatiegrootte van <2100 individuen (C), een geschatte achteruitgang in verspreiding van 47% in de laatste 10 jaar (C1; Figuur 5) en minder dan 1000 individuen per subpopulatie (C2a(i)).

Figuur 5

3.6.2.1.4

Trend van de verspreiding van de Argusvlinder op kilometerhokniveau gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen.

Zeer kleine populatie of zeer beperkte oppervlakte (D)

Momenteel niet in Gevaar omwille van een geschatte populatiegrootte van >1000 individuen.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 49 van 159


3.6.2.1.5

Bedreigingen en mogelijke maatregelen

De Argusvlinder is in vergelijking met de jaren 1990 teruggedrongen naar de polderregio (kust en omgeving van Antwerpen) en de kalkgraslanden. Klimaatverandering (Van Dyck et al. 2015) is, samen met stikstofdepositie (Klop et al. 2015) een van de mogelijke oorzaken voor deze sterke achteruitgang. Ook de afname van het nectaraanbod kan mede de achteruitgang veroorzaakt hebben. Geschikte maatregelen voor de Argusvlinder zijn het creëren van bloemrijke graslanden en het behoud van houtige of stenige structuren waarlangs wijfjes graag eitjes afzetten. Dit kan bereikt worden door een gefaseerd maaibeheer en door extensieve begrazing (Segers et al. 2014b; Stip et al. 2014).

3.6.2.2

Bruine vuurvlinder Lycaena tityrus

Ernstig Bedreigd (CR)

© Valérie Goethals

© Va l érie Goethals

Op basis van een sterke afname in verspreiding ten opzichte van de periode 1951-2000 (A2c) is de Bruine vuurvlinder Ernstig Bedreigd. Aangezien er geen reddingseffect uit de buurregio’s verwacht mag worden, blijft de categorie Ernstig Bedreigd behouden. In de vorige Rode Lijsten stond de soort in de categorie Kwetsbaar (2011) en Ernstig Bedreigd (2001). In Nederland is de Bruine vuurvlinder Kwetsbaar en in Nord – Pas-de-Calais is de soort Bijna in Gevaar. A2c -87% CR

B1 (EoO) 4690 km² EN

RLC2021 CR

3.6.2.2.1

B2 (AoO) nLoc Ba 27 km² 5 ii EN

RLC2011 VU

RLC2001 CR

Bb iii

NL VU (VU)

Bc -

C <300 -

Wal LC

C1 C2 a(i) D1 +11% - <250 <300 VU

N-PdC NT

UK -

D2 + VU

dg -

Eur LC

Populatietrend (A2c)

Ernstig Bedreigd omwille van een afname in verspreiding van 87% ten opzichte van de periode 1951-2000 (Figuur 6).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 50 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


Figuur 6

3.6.2.2.2

Verspreiding van de Bruine vuurvlinder in de periode 1951-2000 (links) en 2011-2020 (rechts).

Verspreiding (B)

Bedreigd omwille van een beperkte areaalgrootte (B1 (EoO): 4690 km²), een beperkte oppervlakte (B2 (AoO): 27 km²; Figuur 7), een beperkte aantal vindplaatsen (Ba(ii): 5) en een voortdurende afname in de kwaliteit van de habitat (Bb(iii)).

Figuur 7

3.6.2.2.3

Verspreiding van de Bruine vuurvlinder op kilometerhokniveau in de periode 2011-2020 in Vlaanderen met in het rood de clusters van waarnemingen en in het grijs de ecodistricten waarin de soort voorkomt.

Kleine populatie in combinatie met versnippering of achteruitgang (C)

Momenteel niet in Gevaar omwille van een geschatte populatiegrootte van <300 individuen (C), maar een stabiele verspreiding in de laatste 10 jaar (C1; Figuur 8).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 51 van 159


Figuur 8

3.6.2.2.4

Trend van de verspreiding van de Bruine vuurvlinder op kilometerhokniveau gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen.

Zeer kleine populatie of zeer beperkte oppervlakte (D)

Kwetsbaar omwille van een geschatte populatiegrootte van <300 individuen (D1) en een beperkt aantal vindplaatsen (D2).

3.6.2.2.5

Bedreigingen en mogelijke maatregelen

De Bruine vuurvlinder was vroeger een vrij verspreide soort in het oosten van Vlaanderen. Momenteel is de verspreiding beperkt tot de wijde omgeving van Aarschot. Een mogelijke oorzaak voor de sterke achteruitgang in vergelijking met de referentieperiode is vermesting en stikstofdepositie waardoor de waardplanten (Zuringsoorten) minder geschikt zijn geworden (Fischer & Fiedler 2000; Kurze et al. 2018). Voor het behoud van de soort is het uitbreiden van het aantal populaties de grootste prioriteit. Een gefaseerd maaibeheer en/of extensieve begrazing die zorgen voor een ruim nectaraanbod tijdens de vliegperiode zijn goede maatregelen.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 52 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


3.6.2.3

Gentiaanblauwtje Phengaris alcon

Ernstig Bedreigd (CR)

© Pieter Vantieghem

© Di rk Ma es

Op basis van een zeer sterke afname in verspreiding (A2c) ten opzichte van de periode 19512000 is het Gentiaanblauwtje Ernstig Bedreigd. Aangezien er geen reddingseffect uit de buurregio’s verwacht mag worden, blijft de categorie Ernstig Bedreigd behouden. In de vorige Rode Lijsten stond de soort in de categorie Ernstig Bedreigd (2011) en Bedreigd (2001). In Nederland is het Gentiaanblauwtje Bedreigd en in Europa is het een Species of Conservation Concern (SPEC2). A2c -80% CR

B1 (EoO) 3283 km² EN

RLC2021 CR

3.6.2.3.1

B2 (AoO) nLoc Ba 36 km² 4 i,ii EN

RLC2011 CR

RLC2001 EN

Bb ii,iii,iv

NL EN (EN)

Bc -

C <300 EN

Wal RE

C1 C2 a(i) D1 -32% + <200 <300 VU

N-PdC -

UK -

D2 + VU

dg -

Eur SPEC2 LC

Populatietrend (A2c)

Ernstig Bedreigd omwille van een afname in verspreiding van 80% ten opzichte van de periode 1951-2000 (Figuur 9).

Figuur 9

Verspreiding van het Gentiaanblauwtje op atlashokniveau in de periode 1951-2000 (links) en 2011-2020 (rechts).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 53 van 159


3.6.2.3.2

Verspreiding (B)

Bedreigd omwille van een beperkte areaalgrootte (B1 (EoO): 3283 km²), een beperkte oppervlakte (B2 (AoO): 36 km²; Figuur 10) , een sterk versnipperde verspreiding (Ba(i)), een beperkt aantal vindplaatsen (Ba(ii): 4), een voortdurende afname in oppervlakte (Bb(ii)), in de kwaliteit van de habitat (Bb(iii)) en in het aantal vindplaatsen (Bb(iv)).

Figuur 10

3.6.2.3.3

Verspreiding van het Gentiaanblauwtje op kilometerhokniveau in de periode 2011-2020 in Vlaanderen met in het rood de clusters van waarnemingen en in het grijs de ecodistricten waarin de soort voorkomt.

Kleine populatie in combinatie met versnippering of achteruitgang (C)

Bedreigd omwille van een geschatte populatiegrootte van <300 individuen (C), een geschatte achteruitgang van 32% in de laatste 10 jaar (C1; Figuur 11), een achteruitgang (C2) en minder dan 250 individuen per subpopulatie (C2a(i)).

Figuur 11

Trend van de verspreiding van het Gentiaanblauwtje op kilometerhokniveau gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 54 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


3.6.2.3.4

Zeer kleine populatie of zeer beperkte oppervlakte (D)

Kwetsbaar omwille van een geschatte populatiegrootte van <300 individuen (D1) en een beperkt aantal vindplaatsen (D2).

3.6.2.3.5

Bedreigingen en mogelijke maatregelen

Door zijn complexe levenswijze is het Gentiaanblauwtje geen eenvoudige soort om door middel van beheermaatregelen te behouden. De voortdurende stikstofdepositie hebben vele heidegebieden doen vergrassen waardoor Klokjesgentiaan (de enige waardplant) verdrongen werd. Ook de recente lange droogteperioden zorgen voor minder geschikte omstandigheden voor de plant en de waardmieren. Genetisch onderzoek wees bovendien uit dat heel wat populaties ondertussen erg klein geworden zijn om duurzaam te kunnen overleven (Vanden Broeck et al. 2017). Een geschikt natuurbeheer voor het Gentiaanblauwtje bestaat uit kleinschalig plaggen om kiemplekken te creëren voor de Klokjesgentiaan. Daarnaast is het (geleidelijk) vernatten of vochtig houden van het leefgebied eveneens belangri jk voor het behoud van de waardmieren (Vanreusel et al. 2000; WallisDeVries 2003; Maes et al. 2004; WallisDeVries 2004).

3.6.3

Bedreigde soorten (EN)

3.6.3.1

Aardbeivlinder Pyrgus malvae

© Ma rc Herremans

Bedreigd (EN)

© Ma rc Herremans

Op basis van een achteruitgang in verspreiding van 65% ten opzichte van de periode 19512000 (A2c), een beperkte areaalgrootte (B1) en oppervlakte (B2), een sterk versnipperde verspreiding (Ba(i)), een voortdurende afname in de oppervlakte (Bb(ii)) en in de kwaliteit van de habitat (Bb(iii)), een geschatte populatiegrootte van <600 individuen (C), een geschatte ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 55 van 159


achteruitgang van 43% in de laatste 10 jaar (C1) en minder dan 250 individuen per subpopulatie (C2a(i)) is de Aardbeivlinder Bedreigd. Aangezien er geen reddingseffect uit de buurregio’s verwacht mag worden, blijft de categorie Bedreigd behouden. In de vorige Rode Lijsten stond de soort in de categorie Ernstig Bedreigd (2011) en Bedreigd (2001). In Nederland is de Aardbeivlinder Bedreigd en in Wallonië en Groot-Brittannië is de soort Kwetsbaar. In Europa is het een Species of Conservation Concern (SPEC4). A2c -65% EN

B1 (EoO) 3989 km² EN

RLC2021 EN

3.6.3.1.1

B2 (AoO) nLoc Ba 20 km² 4 i,ii EN

RLC2011 CR

RLC2001 EN

Bb ii,iii

Bc -

NL EN (VU)

C <600 EN

Wal VU

C1 C2 a(i) D1 -45% + <250 <600 VU

N-PdC LC

UK VU

D2 + VU

dg -

Eur SPEC4 LC

Populatietrend (A2c)

Bedreigd omwille van een afname in verspreiding van 65% ten opzichte van de periode 19512000 (Figuur 12).

Figuur 12

3.6.3.1.2

Verspreiding van de Aardbeivlinder op atlashokniveau in de periode 1951-2000 (links) en 2011-2020 (rechts).

Verspreiding (B)

Bedreigd omwille van een beperkte areaalgrootte (B1 (EoO): 3989km², een beperkte oppervlakte (B2 (AoO): 20 km²; Figuur 13), een sterk versnipperde verspreiding (Ba(i)), de verspreiding is beperkt tot 4 vindplaatsen (Ba(ii)), een voortdurende afname in oppervlakte (Bb(ii)) en in de kwaliteit van de habitat (Bb(iii)).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 56 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


Figuur 13

3.6.3.1.3

Verspreiding van de Aardbeivlinder in de periode 2011-2020 in Vlaanderen met in het rood de clusters van waarnemingen en in het grijs de ecodistricten waarin de soort voorkomt.

Kleine populatie in combinatie met versnippering of achteruitgang (C)

Bedreigd omwille van een geschatte populatiegrootte van <600 individuen (C), een geschatte achteruitgang van 45% in de laatste 10 jaar (C1; Figuur 14), een voortdurende achteruitgang (C2) en minder dan 250 individuen per subpopulatie (C2a(i)).

Figuur 14

3.6.3.1.4

Trend van de verspreiding van de Aardbeivlinder op kilometerhokniveau (links) en op basis van daghokbezoeken (rechts) gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen.

Zeer kleine populatie of zeer beperkte oppervlakte (D)

Kwetsbaar omwille van een geschatte populatiegrootte van <600 individuen (D1), een oppervlakte van ≤20 km² en het voorkomen op 4 vindplaatsen (D2).

3.6.3.1.5

Bedreigingen en mogelijke maatregelen

De Aardbeivlinder kwam vroeger op de zandgronden verspreid over Vlaanderen voor. Door de intensivering van de landbouw en het voedselrijker worden van vele graslanden, is de verspreiding van de soort momenteel beperkt tot vier natuurgebieden. Doordat alle populaties ver van elkaar verwijderd liggen, is het belangrijk om de lokale situatie te verbeteren (tegengaan van verzuring, verruiging en vermesting) en de oppervlakte leefgebied uit te breiden. Verruiging kan worden tegengegaan door een gefaseerd maaibeheer of extensieve ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 57 van 159


begrazing. In een recente publicatie werd vermeld dat een binnen de perken gehouden aantal Everzwijnen (op de Veluwe) een belangrijke rol kunnen spelen door het omwoelen van de aarde, waarbij kiemgelegenheden voor de waardplanten worden gecreëerd (De Schaetzen et al., 2018).

3.6.3.2

Bruine eikenpage Satyrium ilicis

Bedreigd (EN)

© Wa rd Vercruyssse

© Ma rc Herremans

Op basis van een sterke afname van de verspreiding ten opzichte van de periode 1951-2000 (A2c), een beperkte areaalgrootte (B1) en oppervlakte (B2), een versnipperde verspreiding (Ba(i)), een voortdurende achteruitgang in oppervlakte (Bb(ii)), in de kwaliteit van de habitat (Bb(iii) en in het aantal vindplaatsen (Bb(iv)), een geschatte populatiegrootte van <1500 individuen (C), een geschatte achteruitgang van 47% in de laatste 10 jaar (C1) en minder dan 250 individuen per subpopulatie (C2a(i)) is de Bruine eikenpage Bedreigd. Aangezien er geen reddingseffect uit de buurregio’s verwacht mag worden, blijft de categorie Bedreigd behouden. In de vorige Rode Lijsten stond de soort in de categorie Ernstig Bedreigd (2011) en Kwetsbaar (2001). In Nederland en in Nord – Pas-de-Calais is de Bruine eikenpage Bedreigd en in Wallonië Ernstig Bedreigd. In Europa is het een Species of Conservation Concern (SPEC3). A2c -73% EN

B1 (EoO) 3976 km² EN

RLC2021 EN

3.6.3.2.1

B2 (AoO) nLoc Ba 85 km² 25 i EN

RLC2011 CR

RLC2001 VU

Bb ii,iii,iv

NL EN (EN)

Bc -

C <1500 EN

Wal CR

C1 C2 a(i) -49% + <250

N-PdC EN

UK -

D1 -

D2 -

dg -

Eur SPEC3 LC

Populatietrend (A2c)

Bedreigd omwille van een sterke afname in verspreiding van 73% ten opzichte van de periode 1951-2000 (Figuur 15). ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 58 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


Figuur 15

3.6.3.2.2

Verspreiding van de Bruine eikenpage op atlashokniveau in de periode 1951-2000 (links) en 2011-2020 (rechts).

Verspreiding (B)

Bedreigd omwille van een beperkte areaalgrootte (B1 (EoO): 3976 km²), een beperkte oppervlakte (B2 (AoO): 85 km²; Figuur 16) , een sterk versnipperde verspreiding (Ba(i)), een voortdurende afname in oppervlakte (Bb(ii)), in de kwaliteit van de habitat (Bb(iii)) en in het aantal vindplaatsen (Bb(iv)).

Figuur 16

3.6.3.2.3

Verspreiding van de Bruine eikenpage in de periode 2011-2020 in Vlaanderen met in het rood de clusters van waarnemingen en in het grijs de ecodistricten waarin de soort voorkomt.

Kleine populatie in combinatie met versnippering of achteruitgang (C)

Bedreigd omwille van een geschatte populatiegrootte van <1500 individuen (C), een geschatte achteruitgang van 49% in de laatste 10 jaar (C1; Figuur 17) en minder dan 250 individuen per subpopulatie (C2a(i)).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 59 van 159


Figuur 17

3.6.3.2.4

Trend van de verspreiding van de Bruine eikenpage op kilometerhokniveau gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen.

Zeer kleine populatie of zeer beperkte oppervlakte (D)

Momenteel niet in Gevaar omwille van een geschatte populatiegrootte van >1000 individuen.

3.6.3.2.5

Bedreigingen en mogelijke maatregelen

De Bruine eikenpage kwam vroeger verspreid voor in de Kempen, maar ook in enkele heidegebieden in West- en Oost-Vlaanderen. De soort maakt gebruik van kleine, wegkwijnende eikjes voor de ei-afzet, maar door grootschaliger bosbeheer enerzijds en het dichtgroeien van open plekken in en aan de randen van bossen is de soort de laatste decennia sterk achteruitgegaan. Nectar is belangrijk en vooral Sporkehout en Braam kunnen hierin voorzien. Geschikte maatregelen voor de Bruine eikenpage zijn een kleinschaliger bosbeheer waardoor een juiste afwisseling ontstaat met grote eiken (als bruidsboom), kleine eikjes en nectarbronnen. Hakhoutbeheer aan bosranden of op open plekken zorgt constant voor jonge geschikte eikjes voor de ei-afzet (Jacobs et al. 2014; Jacobs et al. 2015; Maes et al. 2014).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 60 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


3.6.3.3

Groentje Callophrys rubi

Bedreigd (EN)

© Daan Va n Eenaeme

© Va l érie Goethals

Op basis van een beperkte oppervlakte (B2), een versnipperde verspreiding (Ba(i)), een voortdurende afname in oppervlakte (Bb(ii)) en in de kwaliteit van de habitat (Bb(iii)), een geschatte populatiegrootte van <4100 individuen (C), een achteruitgang van 35% in de laatste 10 jaar (C1) en minder dan 250 individuen per subpopulatie (C2a(i)) is het Groentje Bedreigd. Aangezien er geen reddingseffect uit de buurregio’s verwacht mag worden, blijft de categorie Bedreigd behouden. In de vorige Rode Lijsten stond de soort in de categorie Kwetsbaar. In Wallonië is het Groentje Bijna in Gevaar. A2c -15% c VU

B1 (EoO) 5301 km² VU

RLC2021 EN

3.6.3.3.1

B2 (AoO) nLoc Ba 310 km² 73 i EN

RLC2011 VU

RLC2001 VU

Bb ii,iii

NL LC (LC)

Bc -

C <4100 VU

Wal NT

C1 C2 a(i) -32% + <250

N-PdC LC

UK LC

D1 -

D2 -

dg -

Eur LC

Populatietrend (A2c)

Momenteel niet in Gevaar omwille van een beperkte afname in verspreiding van 15% ten opzichte van de periode 1951-2000 (Figuur 18). Op basis van een gestage afname met 32% gedurende de laatste 10 jaar, wordt het Groentje als Kwetsbaar beschouwd.

Figuur 18

Verspreiding van het Groentje op atlashokniveau in de periode 1951-2000 (links) en 20112020 (rechts).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 61 van 159


3.6.3.3.2

Verspreiding (B)

Kwetsbaar omwille van een beperkte areaalgrootte (B1 (EoO): 5301 km²), een beperkte oppervlakte (B2 (AoO): 310 km²; Figuur 19), een sterk versnipperde verspreiding (Ba(i)), een voortdurende afname in oppervlakte (Bb(ii)) en in de kwaliteit van de habitat (Bb(iii)) .

Figuur 19

3.6.3.3.3

Verspreiding van het Groentje in de periode 2011-2020 in Vlaanderen met in het rood de clusters van waarnemingen en in het grijs de ecodistricten waarin de soort voorkomt.

Kleine populatie in combinatie met versnippering of achteruitgang (C)

Kwetsbaar omwille van een geschatte populatiegrootte van <4100 individuen (C), een achteruitgang van 32% in de laatste 10 jaar (C1; Figuur 20) en minder dan 250 individuen per subpopulatie (C2a(i)).

Figuur 20

3.6.3.3.4

Trend van de verspreiding van het Groentje op kilometerhokniveau (links) en op basis van daghokbezoeken (rechts) gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen.

Zeer kleine populatie of zeer beperkte oppervlakte (D)

Momenteel niet in Gevaar omwille van een geschatte populatiegrootte van >1000 individuen.

3.6.3.3.5

Bedreigingen en mogelijke maatregelen

Aangezien het Groentje gebruik maakt van boompjes en struiken om een territorium te verdedigen is het wenselijk om heide en kapvlakten niet helemaal te ontdoen van deze structuurelementen. Anderzijds mag de successie niet te ver gaan en moeten er voldoende

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 62 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


open en warme plekken beschikbaar blijven bijvoorbeeld aan beschutte bosranden waar een mantel-zoomvegetatie ontwikkeld kan worden.

3.6.3.4

Heideblauwtje Plebejus argus

Bedreigd (EN)

© Valérie Goethals

© Va l érie Goethals

Op basis van een beperkte areaalgrootte (B1) en oppervlakte (B2), een versnipperde verspreiding (Ba(i)), een voortdurende afname in de kwaliteit van de habitat (Bb(iii)) is het Heideblauwtje Bedreigd. Aangezien er geen reddingseffect uit de buurregio’s verwacht mag worden, blijft de categorie Bedreigd behouden. In de vorige Rode Lijsten stond de soort in de categorie Bedreigd (2011) en Kwetsbaar (2001). In Nederland, Wallonië en Groot-Brittannië is het Heideblauwtje Kwetsbaar en in Nord – Pas-de-Calais is de soort Bedreigd. A2c -32% VU

B1 (EoO) 4006 km² EN

RLC2021 EN

3.6.3.4.1

B2 (AoO) nLoc Ba 211 km² 42 i EN

RLC2011 EN

RLC2001 VU

Bb ii,iii

NL VU (LC)

Bc C C1 C2 a(i) - >20.000 -27% + -

Wal VU

N-PdC EN

D1 -

UK VU

D2 -

dg -

Eur LC

Populatietrend (A2c)

Kwetsbaar omwille van een afname in verspreiding van 32% ten opzichte van de periode 19512000 (Figuur 21).

Figuur 21

Verspreiding van het Heideblauwtje op atlashokniveau in de periode 1951-2000 (links) en 2011-2020 (rechts).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 63 van 159


3.6.3.4.2

Verspreiding (B)

Bedreigd omwille van een beperkte areaalgrootte (B1 (EoO): 4006 km²), een beperkte oppervlakte (B2 (AoO): 211 km²; Figuur 22), een versnipperde verspreiding (Ba(i)) en een voortdurende afname in de kwaliteit van de habitat (Bb(iii)).

Figuur 22

3.6.3.4.3

Verspreiding van het Heideblauwtje in de periode 2011-2020 in Vlaanderen met in het rood de clusters van waarnemingen en in het grijs de ecodistricten waarin de soort voorkomt.

Kleine populatie in combinatie met versnippering of achteruitgang (C)

Momenteel niet in Gevaar omwille van een geschatte populatiegrootte van >20.000 individuen. Het Heideblauwtje vertoont een afname in verspreiding van 27% gedurende de laatste 10 jaar (Figuur 23).

Figuur 23

3.6.3.4.4

Trend van de verspreiding van het Heideblauwtje op kilometerhokniveau (links) en op basis van daghokbezoeken (rechts) gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen.

Zeer kleine populatie of zeer beperkte oppervlakte (D)

Momenteel niet in Gevaar omwille van een geschatte populatiegrootte van >1000 individuen.

3.6.3.4.5

Bedreigingen en mogelijke maatregelen

Het Heideblauwtje is een soort die vaak voorkomt in gemengde heide met zowel natte als droge delen. De soort is gevoelig voor verdroging en vermesting waardoor de biotoop over groeid geraakt met Pijpenstrootje en de vegetatiestructuur verloren gaat. Geschikte beheermaatregelen zijn het voldoende

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 64 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


vochtig houden van natte heide en het behouden of creëren van jonge Struikheide of Gewone dopheide waarop eitjes afgezet worden. Dit kan gebeuren door kleinschalig te plaggen waardoor kale bodem ontstaat waarop heide kan kiemen of door extensieve begrazing waardoor er meer structuur in de vegetatie komt. Het Heideblauwtje is mobieler dan aanvankelijk gedacht: zo werd er een exemplaar gevonden in het natuurgebied Averbode Bos & Hei dat op 22 kilometer ligt van de dichtstbijzijnde gekende populatie (Maes 2019).

3.6.3.5

Heivlinder Hipparchia semele

Bedreigd (EN)

© Daan Va n Eenaeme

© Di rk Ma es

Op basis van een beperkte areaalgrootte (B1) en oppervlakte (B2), een versnipperde verspreiding (Bba(i)), een voortdurende afname in oppervlakte (Bb(ii)), in de kwaliteit van de habitat (Bb(iii)) en in het aantal vindplaatsen (Bb(iv)) is de Heivlinder Bedreigd. Aangezien er geen reddingseffect uit de buurregio’s verwacht mag worden, blijft de categorie Bedreigd behouden. In de vorige Rode Lijsten stond de soort in de categorie Bedreigd (2011) en Kwetsbaar (2001). In Nederland en Groot-Brittannië is de Heivlinder Kwetsbaar, in Wallonië is de soort Ernstig Bedreigd en in Nord – Pas-de-Calais is ze Bijna in Gevaar. In Europa is het een Species of Conservation Concern (SPEC3). A2c -47% c EN

B1 (EoO) 4285 km² EN

RLC2021 EN

B2 (AoO) nLoc Ba 397 km² 30 i EN

RLC2011 EN

RLC2001 VU

Bb ii,iii,iv

NL VU (VU)

Bc C C1 C2 a(i) - <15.000 -59% + NT

Wal CR

N-PdC NT

D1 -

UK VU

D2 -

dg -

Eur SPEC3 LC

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 65 van 159


3.6.3.5.1

Populatietrend (A2c)

Kwetsbaar omwille van een afname in verspreiding van 47% ten opzichte van de periode 19512000 (Figuur 24). Op basis van een gestage afname met 59% gedurende de laatste 10 jaar, wordt de Heivlinder als Bedreigd beschouwd.

Figuur 24

3.6.3.5.2

Verspreiding van de Heivlinder op atla shokniveau in de periode 1951-2000 (links) en 20112020 (rechts).

Verspreiding (B)

Bedreigd omwille van een beperkte areaalgrootte (B1 (EoO): 4285 km²), een beperkte oppervlakte (B2 (AoO): 397 km²; Figuur 25), een versnipperde verspreiding (Bba(i)), een voortdurende afname in oppervlakte (Bb(ii)), in de kwaliteit van de habitat (Bb(iii)) en in het aantal vindplaatsen (Bb(iv)).

Figuur 25

3.6.3.5.3

Verspreiding van de Heivlinder in de periode 2011-2020 in Vlaanderen met in het rood de clusters van waarnemingen en in het grijs de ecodistricten waarin de soort voorkomt.

Kleine populatie in combinatie met versnippering of achteruitgang (C)

Bijna in Gevaar omwille van een geschatte populatiegrootte van <15.000 individuen en een afname in verspreiding van 59% gedurende de laatste 10 jaar (C1; Figuur 26).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 66 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


Figuur 26

3.6.3.5.4

Trend van de verspreiding van de Heivlinder op kilometerhokniveau gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen.

Zeer kleine populatie of zeer beperkte oppervlakte (D)

Momenteel niet in Gevaar omwille van een geschatte populatiegrootte van >1000 individuen.

3.6.3.5.5

Bedreigingen en mogelijke maatregelen

De Heivlinder komt in Vlaanderen in twee verschillende regio’s voor: de kust en de Kempen. Aan de kust komt de soort vooral voor aan de Westkust en aan het Zwin, waar de duinengordels voldoende breed zijn. Af en toe worden er ook exemplaren waargenomen in de smallere duinengordel ter hoogte van Oostende en Bredene. In de Kempen gaat de Heivlinder sterk achteruit en is zelfs al verdwenen uit vroegere grote populaties (Klein en Groot Schietveld, Vliegveld van Malle). Elders in de Kempen maakt de Heivlinder steeds vaker gebruik van antropogene milieus zoals mijnterrils (Winterslag, Heusden-Zolder, Klaverberg, Teutelberg), industrieterreinen (Balimgronden, NIRAS) of zandgroeven (Molse zandputten, Mechelse Heide; cf. Tropek et al. 2017). Een gebrek aan voldoende nectarbronnen en waardplanten in de juiste conditie zouden een oorzaak kunnen zijn van de achteruitgang van de Heivlinder. Voor het behoud van de Heivlinder is het wenselijk dat grote heidegebieden met een mozaïek van kale zandplekken voor het verdedigen van een territorium en verspreide graspollen voor de ei-afzet behouden blijven. Daarnaast zijn alleenstaande bomen en/of een bosrand van primordiaal belang voor het behoud van de soort in heidegebieden. Bomen worden immers niet alleen gebruikt om een territorium te verdedigen, maar ook en vooral om af te koelen bij hoge temperaturen. Extensieve begrazing is in grote heide- en duingebieden een geschikte beheervorm (WallisDeVries & Ramaekers 2001; Maes & Bonte 2006; Maes et al. 2006; Bonte & Maes 2008; Segers et al. 2014a; De Ro et al. submitted).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 67 van 159


3.6.3.6

Kleine vos Aglais urticae

Bedreigd (EN)

© Valérie Goethals

© Va l érie Goethals

Op basis van een areaalgrootte <20.000 km² (B1), een voortdurende afname in oppervlakte (Bb(ii)), sterke schommelingen in het aantal individuen (Bb(iv)), een geschatte populatiegrootte van <7300 individuen, een achteruitgang van 99% in de laatste 10 jaar (C1) en minder dan 1000 individuen per subpopulatie (C2a(ii)) is de Kleine vos Ernstig Bedreigd. Omwille van de grote mobiliteit, kan er een reddingseffect worden verwacht al gaat de soort in de buurregio’s sterk achteruit (Kühn et al. 2020; van Swaay et al. 2021). Daarom wordt de Rode Lijstcategorie Ernstig Bedreigd verlaagd naar Bedreigd. In de vorige Rode Lijsten stond de soort in de categorieën Bijna in Gevaar (2011) en Momenteel niet in Gevaar (2001). A2c c CR

B1 (EoO) B2 (AoO) nLoc Ba Bb Bc 13.749 km² 5982 km² >10 - ii,iv iv VU -

RLC2021 VU

3.6.3.6.1

RLC2011 NT

RLC2001 LC

NL LC (LC)

C <7300 VU Wal LC

C1 C2 a(i) -99% + <1000

N-PdC LC

UK LC

D1 -

D2 -

dg r +

Eur LC

Populatietrend (A2c)

Momenteel niet in Gevaar omwille van een ruime verspreiding in beide perioden ( Figuur 27). Op basis van de voortdurende sterke afname in de laatste 10 jaar met 99% wordt de Kleine vos als Ernstig Bedreigd beschouwd.

Figuur 27

Verspreiding van de Kleine vos op atlashokniveau in de periode 1951-2000 (links) en 20112020 (rechts).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 68 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


3.6.3.6.2

Verspreiding (B)

Kwetsbaar omwille van een areaalgrootte <20.000 km² (B1 (EoO): 13.749 km²; Figuur 28), een voortdurende afname in oppervlakte (Bb(ii)) en in het aantal vindplaatsen (Bb(iv)) en extreme schommelingen in het aantal zich voortplantende individuen (Bc(iv)).

Figuur 28

3.6.3.6.3

Verspreiding van de Kleine vos in de periode 2011-2020 in Vlaanderen met in het rood de clusters van waarnemingen en in het grijs de ecodistricten waarin de soort voorkomt.

Kleine populatie in combinatie met versnippering of achteruitgang (C)

Kwetsbaar omwille van een populatiegrootte van <7300 individuen (C) en een geschatte achteruitgang van 99% in de laatste 10 jaar (C1; Figuur 29), minder dan 1000 individuen per subpopulatie (C2a(i) en extreme schommelingen in het aantal zich voortplantende individuen (C2b).

Figuur 29

3.6.3.6.4

Trend van de verspreiding van de Kleine vos op kilometerhokniveau (links) en op basis van daghokbezoeken (rechts) gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen.

Zeer kleine populatie of zeer beperkte oppervlakte (D)

Momenteel niet in Gevaar omwille van een populatiegrootte van >1000 individuen.

3.6.3.6.5

Bedreigingen en mogelijke maatregelen

De Kleine vos wordt vooral bedreigd door klimaatopwarming. In Nederland is de Kleine vos een van de sterkst achteruitgaande soorten op de vlinderroutes ( van Swaay et al. 2021). In Duitsland gaat de Kleine vos zeer sterk achteruit in het laagland, maar blijft stabiel en talrijk in ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 69 van 159


hoger gelegen en koelere gebieden (Kühn et al. 2020). Ook klimaatextremen zoals de extreme droogtes van de laatste jaren zorgen voor een bijzonder lage kwaliteit van brandnetel. Daarnaast spelen vermoedelijk ook parasitoïden een rol spelen in de sterke schommelingen van de aantallen bij de Kleine vos (Audusseau et al. 2021).

3.6.3.7

Kommavlinder Hesperia comma

Bedreigd (EN)

© Di rk Maes

© Ma rc Herremans

Op basis van een beperkte areaalgrootte (B1) en oppervlakte (B2), een versnipperde verspreiding (Bba(i)), een beperkt aantal vindplaatsen (Ba(ii), een voortdurende afname in oppervlakte (Bb(ii)), in de kwaliteit van de habitat (Bb(iii)) en in het aantal vindplaatsen (Bb(iv)), een geschatte populatiegrootte van <1200 individuen (C), een geschatte achteruitgang van 72% in de laatste 10 jaar (C1) en minder dan 250 individuen per subpopulatie (C2a(i)) is de Kommavlinder Bedreigd. Aangezien er geen reddingseffect uit de buurregio’s verwacht mag worden, blijft de categorie Bedreigd behouden. In de vorige Rode Lijsten stond de soort in de categorie Bedreigd. In Nederland is de Kommavlinder Bedreigd, in Wallonië en in Nord – Pasde-Calais is de soort Ernstig Bedreigd en in Groot-Brittannië is ze Bijna in Gevaar. In Europa is het een Species of Conservation Concern (SPEC3). A2c -42% VU

B1 (EoO) 3087 km² EN

RLC2021 EN

3.6.3.7.1

B2 (AoO) nLoc Ba 93 km² 10 i,ii EN

RLC2011 EN

RLC2001 EN

Bb ii,iii,iv

NL EN (EN)

Bc -

C <1200 EN

Wal CR

C1 C2 a(i) -72% + <250

N-PdC CR

UK NT

D1 -

D2 10 NT

dg -

Eur SPEC3 LC

Populatietrend (A2c)

Kwetsbaar omwille van een afname in verspreiding van 42% ten opzichte van de periode 19512000 (Figuur 30).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 70 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


Figuur 30

3.6.3.7.2

Verspreiding van de Kommavlinder op atlashokniveau in de periode 1951-2000 (links) en 2011-2020 (rechts).

Verspreiding (B)

Bedreigd omwille van beperkte areaalgrootte (B1 (EoO): 3087 km²), een beperkte oppervlakte (B2 (AoO): 93 km²; Figuur 31), een versnipperde verspreiding (Bba(i)), een beperkt aantal vindplaatsen (Ba(ii), een voortdurende afname in oppervlakte (Bb(ii)), in de kwaliteit van de habitat (Bb(iii)) en in het aantal vindplaatsen (Bb(iv)).

Figuur 31

3.6.3.7.3

Verspreiding van de Kommavlinder in de periode 2011-2020 in Vlaanderen met in het rood de clusters van waarnemingen en in het grijs de ecodistricten waarin de soort voorkomt.

Kleine populatie in combinatie met versnippering of achteruitgang (C)

Bedreigd omwille van een geschatte populatiegrootte van <1200 individuen (C), een geschatte afname in verspreiding van 72% in de laatste 10 jaar (C1; Figuur 32) en minder dan 250 individuen in elke subpopulatie (C2a(i)).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 71 van 159


Figuur 32

3.6.3.7.4

Trend van de verspreiding van de Kommavlinder op kilometerhokniveau gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen.

Zeer kleine populatie of zeer beperkte oppervlakte (D)

Momenteel niet in Gevaar omwille van een geschatte populatiegrootte van >1000 individuen (D1).

3.6.3.7.5

Bedreigingen en mogelijke maatregelen

De Kommavlinder is een soort van zeer voedselarme heiden en graslanden. De belangrijkste oorzaak van de sterke achteruitgang is dan ook de vermesting en verruiging van dit soort biotopen. Aangezien de ei-afzet vooral gebeurt op waardplanten die op open grond staan, is het openhouden en/of het creëren van open plekken belangrijk. Een mogelijke tweede oorzaak van de achteruitgang is een tekort aan nectar in juli en augustus. Door de steeds langere droogteperioden de laatste jaren is het nectaraanbod in de vliegperiode vaak laag en verdrogen ook de waardplanten. Vaak zijn de vlinders dan te vinden op verstoorde plekken in of aan de rand van het leefgebied waar ze foerageren op distels, Koninginnenkruid, Jacobskruiskruid of vlinderstruiken.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 72 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


3.6.4

Kwetsbare soorten (VU)

3.6.4.1

Bont dikkopje Carterocephalus palaemon

Kwetsbaar (VU)

© Di rk Maes

© Ma rc Herrema ns

Op basis van een geschatte populatiegrootte van <3600 individuen (C), een geschatte achteruitgang van 59% in de laatste 10 jaar (C1) en minder dan 250 individuen per subpopulatie (C2a(i)) is het Bont dikkopje Kwetsbaar. Aangezien er geen reddingseffect uit de buurregio’s verwacht mag worden, blijft de categorie Kwetsbaar behouden. In de vorige Rode Lijsten stond de soort in de categorieën Bijna in Gevaar (2011) en Kwetsbaar (2001). In Nederland en Wallonië is het Bont dikkopje Momenteel niet in Gevaar, maar met de IUCNcriteria zou de soort in Nederland in de categorie Kwetsbaar terechtkomen. In Nord – Pas-deCalais is de soort Bijna in Gevaar en in Groot-Brittannië is het Bont dikkopje Bedreigd. A2c -6% -

B1 (EoO) 4826 km² NT

RLC2021 VU

3.6.4.1.1

B2 (AoO) nLoc Ba 502 km² 69 NT

RLC2011 NT

RLC2001 VU

Bb ii

NL LC (VU)

Bc -

C <3600 VU

Wal LC

C1 C2 a(i) -61% + <250

N-PdC NT

UK EN

D1 -

D2 -

dg -

Eur LC

Populatietrend (A2c)

Momenteel niet in Gevaar omwille van een beperkte afname in verspreiding 6% ten opzichte van de periode 1951-2000 (Figuur 33).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 73 van 159


Figuur 33

3.6.4.1.2

Verspreiding van het Bont dikkopje op atlashokniveau in de periode 1951-2000 (links) en 2011-2020 (rechts).

Verspreiding (B)

Bijna in Gevaar omwille van een beperkte areaalgrootte (B1 (EoO): 4826 km²) en een beperkte oppervlakte (B2 (AoO): 502 km²; Figuur 34) en een voortdurende achteruitgang in oppervlakte (Bb(ii)).

Figuur 34

3.6.4.1.3

Verspreiding van het Bont dikkopje in de periode 2011-2020 in Vlaanderen met in het rood de clusters van waarnemingen en in het grijs de ecodistricten waarin de soort voorkomt.

Kleine populatie in combinatie met versnippering of achteruitgang (C)

Kwetsbaar omwille van een geschatte populatiegrootte van <3600 individuen (C) en een achteruitgang van 61% in de laatste 10 jaar (C1; Figuur 35) en minder dan 250 individuen per subpopulatie (C2a(i)).

Figuur 35

Trend van de verspreiding van het Bont dikkopje op kilometerhokniveau (links) en op basis van daghokbezoeken (rechts) gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 74 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


3.6.4.1.4

Zeer kleine populatie of zeer beperkte oppervlakte (D)

Momenteel niet in Gevaar omwille van een geschatte populatiegrootte van >1000 individuen.

3.6.4.1.5

Bedreigingen en mogelijke maatregelen

De grootste bedreiging voor het Bont dikkopje zijn verdroging en het dichtgroeien van open bospaden of -plekken. De soort is de grootste tijd van het jaar in het rupsstadium en heeft heel die tijd kwaliteitsvol gras nodig (Ravenscroft 1994), iets wat door verdroging in gevaar komt. Daarnaast is het belangrijk om open paden of plekken in het bos voldoende open te houden, waardoor er zonnige en nectarrijke bosranden kunnen ontstaan. Aangezien de rupsen zeer lang en vrij hoog in de vegetatie aanwezig zijn, is het aan te bevelen om gefaseerd te maaien op plekken met een populatie van het Bont dikkopje . In 2019 werd de soort met Belgische exemplaren uit de Famenne-regio succesvol geherintroduceerd in Engeland (Maes et al. 2019b; Bourn et al. in press). Het Bont dikkopje plant zich nu al twee generaties voort op de plaats van herintroductie.

3.6.4.2

Boswitje Leptidea sinapis

© Valérie Goethals

Kwetsbaar (VU)

© Ma rc Herremans

Op basis van een beperkte areaalgrootte (B1) en oppervlakte (B2), een versnipperde verspreiding (Ba(i)), een voortdurende afname in oppervlakte (Bb(ii)) en in de kwaliteit van de habitat (Bb(iii)), een geschatte populatiegrootte van <1200 individuen (C), een geschatte achteruitgang van 37% in de laatste 10 jaar (C1) en minder dan 250 individuen per subpopulatie (C2a(i)) is het Boswitje Bedreigd. Aangezien de soort in Vlaanderen aan de rand van haar areaal voorkomt, wordt de Rode Lijstcategorie verlaagd van Bedreigd naar Kwetsbaar. In de vorige Rode Lijsten stond de soort in de categorieën Bijna in Gevaar (2011) en Ernstig Bedreigd (2001). In Nederland is het Boswitje Bedreigd, maar met de IUCN-criteria

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 75 van 159


zou de soort in Nederland in de categorie Bijna in Gevaar terechtkomen. In Groot-Brittannië is het Boswitje Bedreigd. A2c +452% -

B1 (EoO) 5502 km² EN

RLC2021 VU

3.6.4.2.1

B2 (AoO) nLoc Ba 97 km² 20 i EN

RLC2011 NT

RLC2001 CR

Bb ii,iii

NL EN (NT)

Bc -

C <1200 EN

Wal LC

C1 C2 a(i) -40% + <250

N-PdC LC

D1 -

D2 -

UK EN

dg a +

Eur LC

Populatietrend (A2c)

Momenteel niet in Gevaar omwille van een toename in verspreiding van 452% ten opzichte van de periode 1951-2000 (Figuur 36).

Figuur 36

3.6.4.2.2

Verspreiding van het Boswitje op atlashokniveau in de periode 1951-2000 (links) en 20112020 (rechts).

Verspreiding (B)

Bedreigd omwille van een beperkte areaalgrootte (B1 (EoO): 5502km²) en een beperkte oppervlakte (B2 (AoO): 97 km²; Figuur 37), een sterk versnipperde verspreiding (Ba(i)), een voortdurende afname oppervlakte (Bb(ii)) en in de kwaliteit van de habitat (Bb(iii)).

Figuur 37

Verspreiding van het Boswitje in de periode 2011-2020 in Vlaanderen met in het rood de clusters van waarnemingen en in het grijs de ecodistricten waarin de soort voorkomt.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 76 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


3.6.4.2.3

Kleine populatie in combinatie met versnippering of achteruitgang (C)

Bedreigd omwille van een geschatte populatiegrootte van <1200 individuen, een achteruitgang van 40% in de laatste 10 jaar (C1; Figuur 38) en minder dan 250 individuen per subpopulatie (C2a(i)). Vooral in 2019 en 2020 waren de aantallen bijzonder laag.

Figuur 38

3.6.4.2.4

Trend van de verspreiding van het Boswitje op kilometerhokniveau (links) en op basis van daghokbezoeken (rechts) gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen.

Zeer kleine populatie of zeer beperkte oppervlakte (D)

Momenteel niet in Gevaar omwille van een geschatte populatiegrootte van >1000 individuen.

3.6.4.2.5

Bedreigingen en mogelijke maatregelen

Het Boswitje werd vroeger (en ook nu nog) regelmatig waargenomen als zwerver verspreid over Vlaanderen. Populaties waren vermoedelijk voornamelijk aanwezig in het oostelijke deel van Vlaanderen. Ook de huidige verspreiding is vooral gelegen in Limburg en V laams-Brabant, waar de soort recent enkele locaties heeft gekoloniseerd. Een geschikt beheer voor deze soort is het maken van mantel-zoomvegetaties aan zonnig gelegen bosranden en het creëren van geschikte schrale graslanden met voldoende waardplanten in de buurt van bossen. De vlinders zijn mobiel en kunnen geschikt gemaakte gebieden gemakkelijk op eigen kracht bereiken.

3.6.4.3

Bruin dikkopje Erynnis tages

© Wa rd Vercruysse

Kwetsbaar (VU)

© Koen Thibau

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 77 van 159


Op basis van een beperkte areaalgrootte (B1) en oppervlakte (B2), een beperkt aantal vindplaatsen (Ba(ii)), een voortdurende afname in de kwaliteit van de habitat (Bb(iii)) is het Bruin dikkopje Bedreigd. Aangezien de soort in Vlaanderen aan de rand van haar areaal voorkomt, wordt de Rode Lijstcategorie verlaagd van Bedreigd naar Kwetsbaar. In de vorige Rode Lijsten stond de soort in de categorieën Kwetsbaar (2011) en Regionaal Uitgestorven (2001). In Nederland is het Bruin dikkopje Ernstig Bedreigd, maar met de IUCN-criteria zou de soort in Nederland in de categorie Kwetsbaar terechtkomen. In Wallonië is het Bruin dikkopje Bijna in Gevaar en in Groot-Brittannië is de soort Kwetsbaar. Het Bruin dikkopje is een Species of European Conservation Concern (SPEC4). A2c -46% VU

B1 (EoO) 3300 km² EN

RLC2021 VU

3.6.4.3.1

B2 (AoO) nLoc Ba 30 km² 4 ii EN

RLC2011 VU

RLC2001 RE

Bb iii

NL CR (VU)

Bc -

C <1100 -

Wal NT

C1 C2 a(i) D1 +28% - <250 <1100 -

N-PdC LC

UK VU

D2 + VU

dg a +

Eur SPEC4 LC

Populatietrend (A2c)

Kwetsbaar omwille van een afname in verspreiding van 46% ten opzichte van de periode 19512000 (Figuur 39).

Figuur 39

3.6.4.3.2

Verspreiding van het Bruin dikkopje op atlashokniveau in de periode 1951-2000 (links) en 2011-2020 (rechts).

Verspreiding (B)

Bedreigd omwille van een beperkte areaalgrootte (B1 (EoO): 3300 km²) en oppervlakte (B2 (AoO): 30 km²; Figuur 40), een beperkt aantal vindplaatsen (Ba(ii)) en een voortdurende afname in de kwaliteit van de habitat (Bb(iii)).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 78 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


Figuur 40

3.6.4.3.3

Verspreiding van het Bruin dikkopje in de periode 2011-2020 in Vlaanderen met in het rood de clusters van waarnemingen en in het grijs de ecodistricten waarin de soort voorkomt.

Kleine populatie in combinatie met versnippering of achteruitgang (C)

Momenteel niet in gevaar omwille van een geschatte populatiegrootte van <1100 individuen, maar een vooruitgang van 34% gedurende de laatste 10 jaar (C1; Figuur 41).

Figuur 41

3.6.4.3.4

Trend van de verspreiding van het Bruin dikkopje op kilometerhokniveau gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen.

Zeer kleine populatie of zeer beperkte oppervlakte (D)

Kwetsbaar omwille van een beperkt aantal vindplaatsen (D2).

3.6.4.3.5

Bedreigingen en mogelijke maatregelen

Het Bruin dikkopje kwam vroeger, net als de Aardbeivlinder, verspreid voor op de zandgronden van (oostelijk) Vlaanderen. Door de intensivering van de landbouw en het verruigen van schrale graslanden, verdween de soort echter zo goed als volledig uit ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 79 van 159


Vlaanderen. Momenteel komt het Bruin dikkopje enkel voor op de schrale (kalk)graslanden in het zuidoosten van Limburg. Een gefaseerd maaibeheer of extensieve begrazing zijn gunstige maatregelen voor het Bruin dikkopje.

3.6.4.4

Dambordje Melanargia galathea

Kwetsbaar (VU)

© Valérie Goethals

© Va l érie Goethals

Op basis van een beperkte areaalgrootte (B1) en oppervlakte (B2), een beperkt aantal vindplaatsen (Ba(ii)), een voortdurende afname in de kwaliteit van de habitat (Bb(iii)), een geschatte populatiegrootte van <250 individuen (C), een geschatte achteruitgang van 23% in de laatste 10 jaar (C1) en minder dan 250 individuen per subpopulatie (C2a(i)) is het Dambordje Bedreigd. Aangezien de soort in Vlaanderen aan de rand van haar areaal voorkomt, wordt de Rode Lijstcategorie verlaagd van Bedreigd naar Kwetsbaar. In de vorige Rode Lijsten stond de soort in de categorieën Regionaal Uitgestorven (2011) en Bijna in Gevaar (2001). A2c +10% -

B1 (EoO) 2398 km² EN

RLC2021 RE

3.6.4.4.1

B2 (AoO) nLoc Ba 12 km² 5 ii EN

RLC2011 RE

RLC2001 NT

Bb iii

NL NE

Bc -

C <250 -

Wal LC

C1 C2 a(i) D1 +2% - <250 <250 EN

N-PdC LC

UK LC

D2 + VU

dg a +

Eur LC

Populatietrend (A2c)

Momenteel niet in Gevaar omwille van een toename in verspreiding van 10% ten opzichte van de periode 1951-2000 (Figuur 42).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 80 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


Figuur 42

3.6.4.4.2

Verspreiding van het Dambordje op atlashokniveau in de periode 1951 -2000 (links) en 2011-2020 (rechts).

Verspreiding (B)

Bedreigd omwille van een beperkte areaalgrootte (B1 (EoO): 2398 km²), een beperkte oppervlakte (B2 (AoO): 12km²; Figuur 43), een beperkt aantal locaties (Ba(ii)) en een voortdurende afname in de kwaliteit van de habitat (Bb(iii)).

Figuur 43

3.6.4.4.3

Verspreiding van het Dambordje in de periode 2011-2020 in Vlaanderen met in het rood de clusters van waarnemingen en in het grijs de ecodistricten waarin de soort voorkomt.

Kleine populatie in combinatie met versnippering of achteruitgang (C)

Momenteel niet in Gevaar omwille van een geschatte populatiegrootte van <250 individuen (C), maar geen recente achteruitgang in oppervlakte (C1; Figuur 44).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 81 van 159


Figuur 44

3.6.4.4.4

Trend van de verspreiding van het Dambordje op kilometerhokniveau gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen.

Zeer kleine populatie of zeer beperkte oppervlakte (D)

Bedreigd omwille van een geschatte populatiegrootte van <250 individuen (D1) en Kwetsbaar omwille van een beperkt aantal vindplaatsen (D2).

3.6.4.4.5

Bedreigingen en mogelijke maatregelen

Mogelijke bedreigingen voor het Dambordje zijn vermesting en een te intensief maaibeheer. Het Dambordje is gebaat bij extensief hooilandbeheer of extensieve begrazing op kalk- of andere schrale graslanden.

3.6.4.5

Dwergblauwtje Cupido minimus

© Ma rc Herremans

Kwetsbaar (VU)

© Rema r Erens

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 82 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


Op basis van een beperkte areaalgrootte (B1) en oppervlakte (B2), een versnipperde verspreiding (Ba(i)), een beperkt aantal vindplaatsen (Ba(ii)), een voortdurende afname in de kwaliteit van de habitat (Bb(iii)) is het Dwergblauwtje Bedreigd. Aangezien de soort in Vlaanderen aan de rand van haar areaal voorkomt, wordt de Rode Lijstcategorie verlaagd van Bedreigd naar Kwetsbaar. In de vorige Rode Lijsten stond de soort in de categorie Bijna in Gevaar. In Nederland is het Dwergblauwtje Regionaal Uitgestorven (Bedreigd volgens de IUCNcriteria) en in Wallonië, in Nord – Pas-de-Calais en in Groot-Brittannië is de soort Bijna in Gevaar. A2c +29% -

B1 (EoO) 737 km² EN

RLC2021 VU

3.6.4.5.1

B2 (AoO) nLoc Ba 18 km² 4 i,ii EN

RLC2011 NT

RLC2001 NT

Bb iii

NL RE (EN)

Bc -

C <700 -

Wal NT

C1 C2 a(i) D1 +83% - <250 <700 VU

N-PdC NT

UK NT

D2 + VU

dg a +

Eur LC

Populatietrend (A2c)

Momenteel niet in Gevaar omwille van een toename in verspreiding van 29% ten opzichte van de periode 1951-2000 (Figuur 45).

Figuur 45

3.6.4.5.2

Verspreiding van het Dwergblauwtje op atlashokniveau in de periode 1951 -2000 (links) en 2011-2020 (rechts).

Verspreiding (B)

Bedreigd omwille van een beperkte areaalgrootte (B1 (EoO): 737 km²) en oppervlakte (B2 (AoO): 18 km²; Figuur 46), een versnipperde verspreiding (Ba(i)), een beperkt aantal vindplaatsen (Ba(ii)) en een voortdurende afname in de kwaliteit van de habitat (Bb(iii)).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 83 van 159


Figuur 46

3.6.4.5.3

Verspreiding van het Dwergblauwtje in de periode 2011-2020 in Vlaanderen met in het rood de clusters van waarnemingen en in het grijs de ecodistricten waarin de soort voorkomt.

Kleine populatie in combinatie met versnippering of achteruitgang (C)

Momenteel niet in Gevaar omwille van een geschatte populatiegrootte van <700 individuen (C), maar een toename in de verspreiding van 89% gedurende de laatste 10 jaar (C1; Figuur 47).

Figuur 47

3.6.4.5.4

Trend van de verspreiding van het Dwergblauwtje op kilometerhokniveau gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen.

Zeer kleine populatie of zeer beperkte oppervlakte (D)

Kwetsbaar omwille van een geschatte populatiegrootte van <700 individuen (D1), een beperkte oppervlakte (18 km²) en een beperkt aantal vindplaatsen (D2).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 84 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


3.6.4.5.5

Bedreigingen en mogelijke maatregelen

Het Dwergblauwtje is in Vlaanderen, op enkele historische populaties rond Brussel na (<1950), altijd beperkt geweest tot de kalkgraslanden in het zui doosten van Limburg. Recent kon de soort ook enkele schrale graslanden in het zuidoosten van Vlaams-Brabant koloniseren. In NWFrankrijk breidt de soort ook uit naar het noorden en heeft ze ondertussen al populaties in Bray-Dunes vlakbij de Belgische grens. In buurgemeente De Panne zijn geschikte locaties met de waardplant (Wondklaver) waardoor de soort ook daar te verwachten is. Een geschikt beheer voor de soort moet zorgen voor voldoende Wondklaver, de enige waardplant van het Dwergblauwtje. Gefaseerd maaien en/of een extensieve schapenbegrazing zouden hiervoor kunnen zorgen.

3.6.4.6

Geelsprietdikkopje Thymelicus sylvestris

Kwetsbaar (VU)

© Pieter Vantieghem

© Ma rc Herremans

Op basis van een afname in verspreiding (A2c), een voortdurende afname in de kwaliteit van de habitat (Bb(iii)) is het Geelsprietdikkopje Kwetsbaar. Aangezien er geen reddingseffect uit de buurregio’s verwacht mag worden, blijft de categorie Kwetsbaar behouden. In de vorige Rode Lijsten stond de soort in de categorieën Kwetsbaar (2011) en Momenteel niet in Gevaar (2001). In Nederland is het Geelsprietdikkopje Bedreigd (Kwetsbaar volgens de IUCN-criteria) en in Nord – Pas-de-Calais is de soort Bijna in Gevaar. A2c B1 (EoO) B2 (AoO) nLoc Ba Bb Bc C C1 C2 a(i) D1 D2 dg -71% 8336 km² 265 km² 73 iii - <2800 -9% * VU NT NT * verlaagd van EN naar VU wegens een vermoedelijke overschatting van de verspreiding in de periode 1951-2000. RLC2021 VU

RLC2011 VU

RLC2001 LC

NL EN (VU)

Wal LC

N-PdC NT

UK LC

Eur LC

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 85 van 159


3.6.4.6.1

Populatietrend (A2c)

Bedreigd omwille van een afname in verspreiding van 71% ten opzichte van de periode 19512000 (Figuur 48). Vermoedelijk zijn er bij de historische gegevens verkeerde determinaties gebeurd omdat de soort moeilijk te onderscheiden is van het destijds algemenere Zwartsprietdikkopje (Vantieghem et al. 2017). Waarschijnlijk is de trend hierdoor een overschatting en daarom wordt de Rode Lijstcategorie gebaseerd op criterium A verlaagd van Bedreigd naar Kwetsbaar.

Figuur 48

3.6.4.6.2

Verspreiding van het Geelsprietdikkopje op atlashokniveau in de periode 1951-2000 (links) en 2011-2020 (rechts).

Verspreiding (B)

Bijna in Gevaar omwille van een areaalgrootte (EoO) van 8336 km² (B1), een oppervlakte (AoO) 265 km² (B2; Figuur 49) en een voortdurende afname in de kwaliteit van de habitat (Bb(iii)).

Figuur 49

3.6.4.6.3

Verspreiding van het Geelsprietdikkopje in de periode 2011-2020 in Vlaanderen met in het rood de clusters van waarnemingen en in het grijs de ecodistricten waarin de soort voorkomt.

Kleine populatie in combinatie met versnippering of achteruitgang (C)

Momenteel niet in Gevaar omwille van een geschatte populatiegrootte van <2800 individuen (C), maar geen achteruitgang gedurende de laatste 10 jaar (C1; Figuur 50).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 86 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


Figuur 50

3.6.4.6.4

Trend van de verspreiding van het Geelsprietdikkopje op kilometerhokniveau (links) en op basis van daghokbezoeken (rechts) gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen.

Zeer kleine populatie of zeer beperkte oppervlakte (D)

Momenteel niet in Gevaar omwille van een geschatte populatiegrootte van >1000 individuen.

3.6.4.6.5

Bedreigingen en mogelijke maatregelen

Het Geelsprietdikkopje kwam vroeger vermoedelijk verspreid voor op iets ruigere graslanden in heel Vlaanderen. Het is echter moeilijk om een goed beeld te krijgen van de historische (en ook de actuele) verspreiding van de soort omwille van de grote gelijkenis met het Zwartsprietdikkopje (Vantieghem et al. 2017). Een goede foto van de antennen (frontaal) of van de bovenkant van de vleugels van de mannetjes is daarom wenselijk voor bevestiging van de identificatie bij waarnemingen van deze dikkopjes. Het is echter niet duidelijk waarom de soort zo sterk achteruitgegaan is. Het zou kunnen dat de graslanden niet te ruig mogen worden om nog geschikt te zijn voor het Geelsprietdikkopje ( Vantieghem et al. 2017). Een gefaseerd maaibeheer en/of extensieve begrazing zijn goede maatregelen voor de soort.

3.6.4.7

Gele luzernevlinder Colias hyale

© Pieter Vantieghem

Kwetsbaar (VU)

© Va l érie Goethals

Op basis van een afname beperkte areaalgrootte (B1) en oppervlakte (B2), een beperkt aantal vindplaatsen (Ba(ii)), een voortdurende afname in de kwaliteit van de habitat (Bb(iii)), sterke ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 87 van 159


schommelingen in het aantal individuen (Bc(iv)) is de Gele luzernevlinder Bedreigd. Aangezien de soort in Vlaanderen de rand van haar areaal bereikt en bijzonder mobiel is, wordt de Rode Lijstcategorie verlaagd van Bedreigd naar Kwetsbaar. In de vorige Rode Lijst stond de soort in de categorieën Momenteel niet in Gevaar (2001). In Nederland is de Gele luzernevlinder Bedreigd (Bijna in Gevaar volgens de IUCN-criteria). A2c B1 (EoO) B2 (AoO) nLoc Ba Bb Bc * 8438 km² 195 km² 89 ii iv EN EN * het aantal zich voortplantende populaties is veel lager RLC2021 VU

3.6.4.7.1

RLC2011 -

RLC2001 LC

NL EN (NT)

C <1300 -

C1 -

C2 a(i) - <250

Wal -

N-PdC NA

UK -

D1 -

D2 5-10 NT

dg a +

Eur LC

Populatietrend (A2c)

Moeilijk in te schatten omwille van groot aantal immigranten dat vanuit het oosten Vlaanderen bereikt (Figuur 51).

Figuur 51

3.6.4.7.2

Verspreiding van de Gele luzernevlinder op atlashokniveau in de periode 1951-2000 (links) en 2011-2020 (rechts).

Verspreiding (B)

Bedreigd omwille van een beperkte areaalgrootte (EoO) van 8438 km² (B1), een oppervlakte (AoO) van 195 km² (B2; Figuur 52), een beperkt aantal vindplaatsen (Ba(ii)) en sterke schommelingen in het aantal zich voortplantende individuen (Bc(iv)).

Figuur 52

Verspreiding van de Gele luzernevlinder in de periode 2011-2020 in Vlaanderen met in het rood de clusters van waarnemingen en in het grijs de ecodistricten waarin de soort voorkomt.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 88 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


3.6.4.7.3

Kleine populatie in combinatie met versnippering of achterui tgang (C)

Momenteel niet in Gevaar omwille van een geschatte populatiegrootte van <1300 individuen (C), maar geen achteruitgang gedurende de laatste 10 jaar (C1; Figuur 53). 2018 was een invasiejaar waardoor het schatten van een trend en de populatiegrootte moeilijk is voor deze soort.

Figuur 53

3.6.4.7.4

Trend van de verspreiding van de Gele luzernevlinder op kilometerhokniveau gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen.

Zeer kleine populatie of zeer beperkte oppervlakte (D)

Momenteel niet in Gevaar omwille van een geschatte populatiegrootte van >1000 individuen. Door de invasie in 2018 en de mogelijke verwarring met lichte vormen van de Oranje luzernevlinder is dat vermoedelijk een overschatting van de populatiegrootte in Vlaanderen.

3.6.4.7.5

Bedreigingen en mogelijke maatregelen

De Gele luzernevlinder heeft sinds meer dan 10 jaar populaties in Vlaanderen (de Grensmaas en de Voerstreek sinds 2006, de Demervallei en het oosten van Vlaams Brabant sinds 2018), die aangevuld worden met trekkende individuen uit Centraal - en Zuidoost-Europa (Bos et al. 2006). Een klein deel van de overwinterende rupsen van de Gele luzernevlinder kan vermoedelijk zachte winters in Vlaanderen overleven (Lempke 1972) iets wat met de mildere winters in de toekomst wel vaker mogelijk zou kunnen zijn. Geschikte beheermaatregelen die zorgen voor het behoud van schrale graslanden, uiterwaarden, ruigtes met voldoende nectarplanten en waardplanten (Reinhardt et al. 2020).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 89 van 159


3.6.4.8

Klaverblauwtje Cyaniris semiargus

Kwetsbaar (VU)

© Ma rc Herremans

© Va l érie Goethals

Op basis van een beperkte areaalgrootte (B1) en oppervlakte (B2), een versnipperde verspreiding (Ba(i)), een voortdurende afname in de kwaliteit van de habitat (Bb(iii)) is het Klaverblauwtje Bedreigd. Aangezien het Klaverblauwtje aan de rand van het verspreidingsareaal ligt in Vlaanderen wordt de Rode Lijstcategorie verlaagd naar Kwetsbaar. In de vorige Rode Lijsten stond de soort in de categorieën Kwetsbaar (2011) en Ernstig Bedreigd (2001). In Nederland is het Klaverblauwtje Ernstig Bedreigd (Kwetsbaar volgens de IUCN-criteria), in Wallonië is ze Bijna in Gevaar en in Groot-Brittannië is ze Regionaal Uitgestorven. Het Klaverblauwtje is een Species of European Conservation Concern (SPEC4). A2c -20% NT

B1 (EoO) 3529 km² EN

RLC2021 VU

B2 (AoO) nLoc Ba 56 km² 16 i EN

RLC2011 VU

RLC2001 CR

Bb iii

NL CR (VU)

Bc -

C <300 Wal NT

C1 C2 a(i) D1 +443% - <250 <300 VU N-PdC LC

UK RE

D2 -

dg a +

Eur SPEC4 LC

3.6.4.8.1.1 Populatietrend (A2c) Bijna in Gevaar omwille een afname in verspreiding van 20% ten opzichte van de periode 1951-2000 (Figuur 54).

Figuur 54

Verspreiding van het Klaverblauwtje op atlashokniveau in de periode 1951-2000 (links) en 2011-2020 (rechts).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 90 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


3.6.4.8.1.2 Verspreiding (B) Bedreigd omwille van een beperkte areaalgrootte (EoO) van 3529 km² (B1), een oppervlakte (AoO) van 56 km² (B2; Figuur 55), een versnipperde verspreiding (Ba(i)) en een voortdurende afname in de kwaliteit van de habitat (Bb(iii)).

Figuur 55

Verspreiding van het Klaverblauwtje in de periode 2011-2020 in Vlaanderen met in het rood de clusters van waarnemingen en in het grijs de ecodistricten waarin de soort voorkomt.

3.6.4.8.1.3 Kleine populatie in combinatie met versnippering of achteruitgang (C) Momenteel niet in Gevaar omwille van een geschatte populatiegrootte van <300 individuen (C), maar geen achteruitgang gedurende de laatste 10 jaar (C1; Figuur 56).

Figuur 56

Trend van de verspreiding van het Klaverblauwtje op kilometerhokniveau gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen.

3.6.4.8.1.4 Zeer kleine populatie of zeer beperkte oppervlakte (D) Kwetsbaar omwille van een geschatte populatiegrootte van <300 individuen (D1).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 91 van 159


3.6.4.8.2

Bedreigingen en mogelijke maatregelen

Het Klaverblauwtje kwam vroeger vrij verspreid voor in het oostelijke deel van Vlaanderen (Hageland, Zuiderkempen, het zuidoosten van Limburg). De oorzaak van de sterke achteruitgang van de soort is vermoedelijk de vermesting van kruidenrijke (kalk)graslanden. Een gefaseerd maaien of extensieve begrazing met schapen kan ervoor zorgen dat graslanden het hele seizoen nectar kunnen bieden en dat Rode klaver (de waardplant) voldoende aanwezig blijft. In de regio die in 2013 als geschikt maar onbereikbaar werd bestempeld, heeft het Klaverblauwtje recent enkele locaties gekoloniseerd, mogelijks mede dankzij een warmer klimaat.

3.6.4.9

Zwartsprietdikkopje Thymelicus lineola

Kwetsbaar (VU)

© Valérie Goethals

© Va l érie Goethals

Op basis van een beperkte areaalgrootte (B1), een voortdurende afname in oppervlakte (Bb(ii)), een geschatte populatiegrootte van <14.000 individuen en een achteruitgang van 41% gedurende de laatste 10 jaar is het Zwartsprietdikkopje Bijna in Gevaar. Aangezien er geen reddingseffect verwacht mag worden blijft de Rode Lijstcategorie Bijna in Gevaar behouden. In de vorige Rode Lijsten stond de soort in de categorieën Kwetsbaar (2011) en Momenteel niet in Gevaar (2001). In Nederland is het Zwartsprietdikkopje Momenteel niet in Gevaar (Kwetsbaar volgens de IUCN-criteria) en in Wallonië is de soort Bijna in Gevaar. A2c -14% c VU

B1 (EoO) B2 (AoO) nLoc Ba 13.749 km² 2031 km² 494 NT -

RLC2021 NT

RLC2011 VU

RLC2001 LC

Bb ii

NL LC (VU)

Bc C C1 C2 a(i) - <14.000 -44% + NT

Wal NT

N-PdC LC

D1 -

UK LC

D2 -

dg -

Eur LC

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 92 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


3.6.4.9.1

Populatietrend (A2c)

Momenteel niet in Gevaar omwille van een beperkte afname in verspreiding van 14% ten opzichte van de periode 1951-2000 (Figuur 57). Op basis van de voortdurende afname in de laatste 10 jaar met 44% wordt het Zwartsprietdikkopje als Kwetsbaar beschouwd.

Figuur 57

3.6.4.9.2

Verspreiding van het Zwartsprietdikkopje op atlashokniveau in de periode 1951 -2000 (links) en 2011-2020 (rechts).

Verspreiding (B)

Bijna in Gevaar omwille van een beperkte areaalgrootte (B1 (EoO): 13.749 km²; Figuur 58) en een voortdurende afname in oppervlakte (Bb(ii)).

Figuur 58

3.6.4.9.3

Verspreiding van het Zwartsprietdikkopje in de periode 2011-2020 in Vlaanderen.

Kleine populatie in combinatie met versnippering of achteruitgang (C)

Bijna in Gevaar omwille van een geschatte populatiegrootte van <14.000 individuen (C) en een achteruitgang in verspreiding van 41% gedurende de laatste 10 jaar (C1; Figuur 59).

Figuur 59

Trend van de verspreiding van het Zwartsprietdikkopje op kilometerhokniveau (links) en op basis van daghokbezoeken (rechts) gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 93 van 159


3.6.4.9.4

Zeer kleine populatie of zeer beperkte oppervlakte (D)

Momenteel niet in Gevaar omwille van een geschatte populatiegrootte van >1000 individuen.

3.6.4.9.5

Bedreigingen en mogelijke maatregelen

De grootste bedreiging voor het Zwartsprietdikkopje zijn een te intensief beheer en een gebrek aan nectar tijdens de vliegtijd. Aangezien het Zwartsprietdikkopje overwintert als ei en de rupsen voornamelijk in de wat hogere vegetatie te vinden zijn, is het aan te bevelen om graslanden waarin de soort voorkomt niet integraal te maaien (vooral in brede wegbermen) . Extensieve begrazing of een gefaseerd maaibeheer kunnen hiervoor zorgen. Dit zorgt meteen ook voor een voldoende groot nectaraanbod.

3.6.5

Bijna in Gevaar soorten (NT)

3.6.5.1

Grote vos Nymphalis polychloros

Bijna in Gevaar (NT)

© Valérie Goethals

© Di rk Ma es

Op basis van criterium D1 wordt de Grote vos beoordeeld als Kwetsbaar. Omwille van de grote mobiliteit kan er een reddingseffect vanuit de omliggende regio’s worden verwachten en wordt de Rode Lijstcategorie verlaagd van Kwetsbaar naar Bijna in Gevaar. In de vorige Rode Lijsten stond de soort in de categorieën Ernstig Bedreigd (2011) en Bedreigd (2001). In Nederland staat de Grote vos in de categorie Kwetsbaar (Bijna in Gevaar volgens de IUCNcriteria) en in Groot-Brittannië is de soort Regionaal Uitgestorven. A2c -

B1 (EoO) B2 (AoO) nLoc Ba 13.604 km² 675 km² ? NT NT

RLC2021 VU

RLC2011 CR

RLC2001 EN

Bb -

NL VU (NT)

Bc iv

C <1000 -

C1 -

C2 a(i) D1 - <250 <1000 VU

Wal LC

N-PdC LC

UK RE

D2 -

dg r +

Eur LC

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 94 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


3.6.5.1.1.1 Populatietrend (A2c) Omwille van het grote aantal zwervende exemplaren is het moeilijk om een trend voor de Grote vos te berekenen (Figuur 60).

Figuur 60

Verspreiding van de Grote vos op atlashokniveau in de periode 1951-2000 (links) en 20112020 (rechts).

3.6.5.1.1.2 Verspreiding (B) De verspreiding van de Grote vos is moeilijk in te schatten omwille van het grote aantal zwervende exemplaren (Figuur 61) en het aantal populaties waar de soort zich voortplant verschilt vermoedelijk sterk tussen jaren. Het aantal individuen vertoont extreme schommelingen (Bc(iv)).

Figuur 61

Waarnemingen van de Grote vos in de periode 2011-2020 in Vlaanderen.

3.6.5.1.1.3 Kleine populatie in combinatie met versnippering of achteruitgang (C) Momenteel niet in Gevaar omwille van een geschatte populatiegrootte van <900 individuen (C), maar geen achteruitgang gedurende de laatste 10 jaar (C1; Figuur 62).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 95 van 159


Figuur 62

Trend van de verspreiding van de Grote vos op kilometerhokniveau gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen.

3.6.5.1.1.4 Zeer kleine populatie of zeer beperkte oppervlakte (D) Kwetsbaar omwille van een geschatte populatiegrootte van <900 individuen (D1).

3.6.5.1.2

Bedreigingen en mogelijke maatregelen

De toestand van de Grote vos in Vlaanderen is moeilijk in te schatten omdat een groot deel van de waarnemingen vermoedelijk op zwervende exemplaren slaat waarvan niet geweten is of en waar ze zich regionaal voortplanten. Bovendien zitten de rupsen vrij hoog in de bomen en zijn daarom ook moeilijk waar te nemen. Een warmer wordend microklimaat in de steeds ouder en gevarieerder wordende bossen, zou gunstig kunnen zijn voor de soort. Een bosbeheer dat zorgt voor open plekken en structuurrijke mantel -zoomvegetaties kan geschikte plekken creëren voor de Grote vos. Ook in oude boomgaarden zijn er mogelijkheden indien die vlindervriendelijk beheerd worden. Het gestage herstel van iepen waar ook de Iepenpage van profiteert, kan eveneens bijdragen aan een uitbreiding van de soort. Het aantal waarnemingen neemt recent vooral in het voorjaar toe, wat de kansen op vestiging vergroot.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 96 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


3.6.5.2

Veldparelmoervlinder Melitaea cinxia

Bijna in Gevaar (NT)

© Valérie Goethals

© Ma rc Herrema ns

Op basis van een beperkte areaalgrootte (B1) en oppervlakte (B2) en een voortdurende afname in de kwaliteit van de habitat (Bb(iii)) is de Veldparelmoervlinder Bijna in Gevaar. Aangezien er geen reddingseffect vanuit de omliggende regio’s mag worden verwacht, wordt de Rode Lijstcategorie Bijna in Gevaar behouden. In de vorige Rode Lijsten stond de soort in de categorie Ernstig Bedreigd. In Nederland is de Veldparelmoervlinder Ernstig Bedreigd (Kwetsbaar volgens de IUCN-criteria) en in Groot-Brittannië is de soort Bedreigd. In Europa is het een Species of Conservation Concern (SPEC3). A2c +1% -

B1 (EoO) 3997 km² NT

RLC2021 NT

3.6.5.2.1

B2 (AoO) nLoc Ba 150 km² 32 NT

RLC2011 CR

RLC2001 CR

Bb iii

Bc C - <14.000 -

NL CR (VU)

Wal LC

C1 -

C2 a(i) -

N-PdC LC

D1 -

UK EN

D2 -

dg -

Eur SPEC3 LC

Populatietrend (A2c)

Momenteel niet in gevaar omwille van een toename in verspreiding van 1% ten opzichte van de periode 1951-2000 (Figuur 63).

Figuur 63

Verspreiding van de Veldparelmoervlinder op atlashokniveau in de periode 1951 -2000 (links) en 2011-2020 (rechts).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 97 van 159


3.6.5.2.2

Verspreiding (B)

Bijna in Gevaar omwille van een beperkte areaalgrootte (B1 (EoO): 3997 km²) en oppervlakte (B2 (AoO): 150 km²; Figuur 64) en een voortdurende afname in de kwaliteit van de habitat (Bb(iii)).

Figuur 64

3.6.5.2.3

Verspreiding van de Veldparelmoervlinder in de periode 2011 -2020 in Vlaanderen met in het rood de clusters van waarnemingen en in het grijs de ecodistricten waarin de soort voorkomt.

Kleine populatie in combinatie met versnippering of achteruitgang (C)

Momenteel niet in Gevaar omwille van een geschatte populatiegrootte van <14.000 individuen, maar geen achteruitgang gedurende de laatste 10 jaar (Figuur 65).

Figuur 65

Trend van de verspreiding van de Veldparelmoervlinder op kilometerhokniveau gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 98 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


3.6.5.2.4

Zeer kleine populatie of zeer beperkte oppervlakte (D)

Momenteel niet in Gevaar omwille van een geschatte populatiegrootte van >1000 individuen.

3.6.5.2.5

Bedreigingen en mogelijke maatregelen

De Veldparelmoervlinder kwam vroeger vrij verspreid voor in de Kempen. De voornaamste reden voor de achteruitgang was de intensivering van de landbouw en de daarmee gepaard gaande stikstofdepositie. Hierdoor gaan de bladeren van de waardplant Smalle weegbree niet als een rozet op de grond groeien waardoor het te koel wordt voor de eitjes en rupsen om te kunnen ontwikkelen. Door de klimaatopwarming staan er vermoedelijk meer planten in een geschikt microklimaat en heeft de soort zich recent kunnen uitbreiden. Een geschikt beheer bestaat uit het gefaseerd maaien van graslanden zodat er een gevarieerde vegetatiestructuur met hier en daar hogere vegetatie voor de overwinterende rupsennesten ontstaat en er ook in het voorjaar nectar aanwezig is voor de soort. Ook extensieve begrazing kan op kalkgraslanden een geschikte maatregelen zijn (WallisDeVries 2001a; WallisDeVries 2001b).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 99 van 159


3.6.6

Momenteel niet in Gevaar soorten (LC)

3.6.6.1

Atalanta Vanessa atalanta

Momenteel niet in Gevaar (LC)

© Valérie Goethals

© Di rk Ma es

De Atalanta voldoet aan geen enkel IUCN-criterium (Figuur 66; Figuur 67) en is daarom Momenteel niet in Gevaar. Ook in de ons omringende regio’s is de Atalanta Momenteel niet in Gevaar. A2c -

B1 (EoO) B2 (AoO) nLoc Ba 13.749km² 9382km² >10 -

RLC2021 LC

RLC2011 NE

RLC2001 LC

Bb -

Bc C - >20.000 -

NL LC (LC)

Wal NE

C1 -

C2 a(i) -

N-PdC NA

D1 UK LC

D2 -

dg r +

Eur LC

Figuur 66

Verspreiding van de Atalanta op atlashokniveau in de periode 1951 -2000 (links) en 20112020 (rechts).

Figuur 67

Trend van de verspreiding van de Atalanta op kilometerhokniveau (links) en op basis van daghokbezoeken (rechts) gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 100 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


3.6.6.2

Bont zandoogje Pararge aegeria

Momenteel niet in Gevaar (LC)

© Di rk Maes

© Va l érie Goethals

Op basis van een areaalgrootte van <20.000 km² (B1) en een voortdurende achteruitgang in oppervlakte (Bb(ii)) zou het Bont zandoogje in de Rode Lijstcategorie Bijna in Gevaar terechtkomen (Figuur 68; Figuur 69). Omwille van de grote mobiliteit kan er een reddingseffect worden verwacht en verlagen we de Rode Lijstcategorie naar Momenteel niet in Gevaar. In de ons omringende regio’s is het Bont zandoogje Momenteel niet in Gevaar. A2c c NT

B1 (EoO) B2 (AoO) nLoc Ba 13.749km² 8012km² >10 NT -

RLC2021 LC

RLC2011 LC

RLC2001 LC

Bb ii

NL LC (LC)

Bc C C1 C2 a(i) - >20.000 -28% Wal LC

N-PdC LC

D1 UK LC

D2 -

dg r +

Eur LC

Figuur 68

Verspreiding van het Bont zandoogje op atlashokniveau in de periode 1951 -2000 (links) en 2011-2020 (rechts).

Figuur 69

Trend van de verspreiding van het Bont zandoogje op kilometerhokniveau (links) en op basis van daghokbezoeken (rechts) gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 101 van 159


3.6.6.3

Boomblauwtje Celastrina argiolus

Momenteel niet in Gevaar (LC)

© Valérie Goethals

© Di rk Ma es

Het Boomblauwtje voldoet aan geen enkel IUCN-criterium (Figuur 70; Figuur 71) en is daarom Momenteel niet in Gevaar. Ook in de ons omringende regio’s is het Boomblauwtje Momenteel niet in Gevaar. A2c +0% -

B1 (EoO) B2 (AoO) nLoc Ba 13.749km² 6397km² >10 -

RLC2021 LC

RLC2011 LC

RLC2001 LC

Bb -

Bc C - >20.000 -

NL LC (LC)

Wal LC

C1 -

C2 a(i) -

N-PdC LC

D1 UK LC

D2 -

dg r +

Eur LC

Figuur 70

Verspreiding van het Boomblauwtje op atlashokniveau in de periode 1951 -2000 (links) en 2011-2020 (rechts).

Figuur 71

Trend van de verspreiding van het Boomblauwtje op kilometerhokniveau (links) en op basis van daghokbezoeken (rechts) gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 102 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


3.6.6.4

Braamparelmoervlinder Brenthis daphne

Momenteel niet in Gevaar (LC)

© Valérie Goethals

© Va l érie Goethals

De Braamparelmoervlinder voldoet aan IUCN-criterium D met een geschatte populatiegrootte in Vlaanderen van minder dan 500 individuen (Figuur 72). Omwille van de zeer sterk toenemende trend (Figuur 73) verlagen we de Rode Lijstcategorie echter naar Momenteel niet in Gevaar. In de ons omringende regio’s werd de Braamparelmoervlinder nog niet geëvalueerd. A2c +1594% -

B1 (EoO) 6713km² -

RLC2021 LC

Figuur 72

B2 (AoO) nLoc Ba 28km² >10 -

RLC2011 NE

RLC2001 NE

Bb -

NL NE

Bc -

C <500 Wal NE

C1 -

C2 a(i) -

N-PdC LC

D1 UK -

D2 <500 VU

dg r ++

Eur LC

Verspreiding van de Braamparelmoervlinder op atlashokniveau in de periode 1951-2000 (links) en 2011-2020 (rechts). Figuur 73

Trend van de verspreiding van de Braamparelmoervlinder op kilometerhokniveau gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 103 van 159


3.6.6.5

Bruin blauwtje Aricia agestis

Momenteel niet in Gevaar (LC)

© Valérie Goethals

© Di rk Ma es

Het Bruin blauwtje voldoet aan geen enkel IUCN-criterium (Figuur 74; Figuur 75) en is daarom Momenteel niet in Gevaar. In 2001 stond de soort nog in de categorie Kwetsbaar. Ondertussen koloniseerde de soort heel Vlaanderen (Figuur 74), ondanks een tijdelijke afname van de aantallen 2012-2014. In Nederland staat het Bruin blauwtje in de Rode Lijstcategorie Bijna in Gevaar. A2c +274% -

B1 (EoO) B2 (AoO) nLoc Ba 13.749km² 3683km² >10 -

RLC2021 LC

RLC2011 LC

RLC2001 VU

Bb -

Bc -

NL NT (VU)

C >20.000 Wal LC

C1 -

C2 -

N-PdC LC

a(i) -

D1 UK LC

D2 -

dg r +

Eur LC

Figuur 74

Verspreiding van het Bruin blauwtje op atlashokniveau in de periode 1951-2000 (links) en 2011-2020 (rechts).

Figuur 75

Trend van de verspreiding van het Bruin blauwtje op kilometerhokniveau gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 104 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


3.6.6.6

Bruin zandoogje Maniola jurtina

Momenteel niet in Gevaar (LC)

© Pieter Vantieghem

© Di rk Ma es

Het Bruin zandoogje voldoet aan geen enkel IUCN-criterium (Figuur 76; Figuur 77) en is daarom Momenteel niet in Gevaar. Ook in de ons omringende regio’s is het Bruin zandoogje Momenteel niet in Gevaar. A2c -

B1 (EoO) B2 (AoO) nLoc Ba 13.749km² 7166km² >10 -

RLC2021 LC

RLC2011 LC

RLC2001 LC

Bb -

Bc C - >20.000 -

NL LC (LC)

Wal LC

C1 -

C2 a(i) -

N-PdC LC

D1 UK LC

D2 -

dg r +

Eur LC

Figuur 76

Verspreiding van het Bruin zandoogje op atlashokniveau in de periode 1951-2000 (links) en 2011-2020 (rechts).

Figuur 77

Trend van de verspreiding van het Bruin zandoogje op kilometerhokniveau (links) en op basis van daghokbezoeken (rechts) gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 105 van 159


3.6.6.7

Citroenvlinder Gonepteryx rhamni

Momenteel niet in Gevaar (LC)

© Valérie Goethals

© Va l érie Goethals

De Citroenvlinder voldoet aan geen enkel IUCN-criterium (Figuur 78; Figuur 79) en is daarom Momenteel niet in Gevaar. In de vorige Rode Lijst stond de soort na een tijdelijke afname nog in de categorie Bijna in Gevaar, maar de soort nam de afgelopen 10 jaar weer zeer sterk toe (Figuur 79). In de ons omringende regio’s is de Citroenvlinder Momenteel niet in Gevaar. A2c -

B1 (EoO) B2 (AoO) nLoc Ba 13.749km² 7804km² >10 -

RLC2021 LC

RLC2011 NT

RLC2001 LC

Bb -

Bc C - >20.000 -

NL LC (LC)

Wal LC

C1 -

C2 a(i) -

N-PdC LC

D1 -

UK LC

D2 -

dg r +

Eur LC

Figuur 78

Verspreiding van de Citroenvlinder op atlashokniveau in de periode 1951 -2000 (links) en 2011-2020 (rechts).

Figuur 79

Trend van de verspreiding van de Citroenvlinder op kilometerhokniveau (links) en op basis van daghokbezoeken (rechts) gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 106 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


3.6.6.8

Dagpauwoog Aglais io

Momenteel niet in Gevaar (LC)

© Pieter Vantieghem

© Di rk Ma es

Op basis van een areaalgrootte <20.000 km² (B1) en een voortdurende achteruitgang in oppervlakte (Bb(ii)) zou de Dagpauwoog in de Rode Lijstcategorie Bijna in Gevaar terechtkomen (Figuur 80; Figuur 81). Omwille van de grote mobiliteit kan er een reddingseffect worden verwacht en verlagen we de Rode Lijstcategorie naar Momenteel niet in Gevaar. In de ons omringende regio’s is de Dagpauwoog Momenteel niet in Gevaar. A2c c NT

B1 (EoO) B2 (AoO) nLoc Ba 13.749km² 9070km² >10 NT -

RLC2021 LC

RLC2011 LC

RLC2001 LC

Bb ii

NL LC (LC)

Bc C C1 C2 a(i) - >20.000 -26% Wal LC

N-PdC LC

D1 UK LC

D2 -

dg r +

Eur LC

Figuur 80

Verspreiding van de Dagpauwoog op atlashokniveau in de periode 1951 -2000 (links) en 2011-2020 (rechts).

Figuur 81

Trend van de verspreiding van de Dagpauwoog op kilometerhokniveau (links) en op basis van daghokbezoeken (rechts) gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 107 van 159


3.6.6.9

Distelvlinder Vanessa cardui

Momenteel niet in Gevaar (LC)

© Wa rd Vercruysse

© Va l érie Goethals

De Distelvlinder voldoet aan geen enkel IUCN-criterium (Figuur 82; Figuur 83) en is daarom Momenteel niet in Gevaar. In de ons omringende regio’s is de Distelvlinder Momenteel niet in Gevaar. A2c -

B1 (EoO) B2 (AoO) nLoc Ba 13.749km² 6210km² >10 -

RLC2021 LC

RLC2011 LC

RLC2001 -

Bb -

Bc C - >20.000 -

NL LC (LC)

Wal NE

C1 -

C2 a(i) -

N-PdC NA

D1 UK LC

D2 -

dg r +

Eur LC

Figuur 82

Verspreiding van de Distelvlinder op atlashokniveau in de periode 1951 -2000 (links) en 2011-2020 (rechts).

Figuur 83

Trend van de verspreiding van de Distelvlinder op kilometerhokniveau (links) en op basis van daghokbezoeken (rechts) gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 108 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


3.6.6.10 Eikenpage Favonius quercus

Momenteel niet in Gevaar (LC)

© Pieter Vantieghem

© Va l érie Goethals

De Eikenpage voldoet aan geen enkel IUCN-criterium (Figuur 84; Figuur 85) en is daarom Momenteel niet in Gevaar. In Wallonië staat de Eikenpage in de Rode Lijstcategorie Bijna in Gevaar. A2c +87% -

B1 (EoO) B2 (AoO) nLoc Ba 13.749km² 1837km² >10 -

RLC2021 LC

RLC2011 LC

RLC2001 LC

Bb -

Bc C - >20.000 -

NL LC (LC)

Wal NT

C1 -

C2 a(i) -

N-PdC LC

D1 UK LC

D2 -

dg r +

Eur LC

Figuur 84

Verspreiding van de Eikenpage op atlashokniveau in de periode 1951 -2000 (links) en 20112020 (rechts).

Figuur 85

Trend van de verspreiding van de Eikenpage op kilometerhokniveau (links) en op basis van daghokbezoeken (rechts) gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 109 van 159


3.6.6.11 Gehakkelde aurelia Polygonia c-album

Momenteel niet in Gevaar (LC)

© Valérie Goethals

© Wa rd Vercruysse

De Gehakkelde aurelia voldoet aan geen enkel IUCN-criterium (Figuur 86; Figuur 87) en is daarom Momenteel niet in Gevaar. In de ons omringende regio’s is de Gehakkelde aurelia Momenteel niet in Gevaar. A2c -

B1 (EoO) B2 (AoO) nLoc Ba 13.553km² 6937km² >10 -

RLC2021 LC

RLC2011 LC

RLC2001 LC

Bb -

Bc C - >20.000 -

NL LC (LC)

Wal LC

C1 -

C2 a(i) -

N-PdC LC

D1 UK LC

D2 -

dg r +

Eur LC

Figuur 86

Verspreiding van de Gehakkelde aurelia op atlashokniveau in de periode 1951 -2000 (links) en 2011-2020 (rechts).

Figuur 87

Trend van de verspreiding van de Gehakkelde aurelia op kilometerhokniveau (links) en op basis van daghokbezoeken (rechts) gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 110 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


3.6.6.12 Groot dikkopje Ochlodes sylvanus

Momenteel niet in Gevaar (LC)

© Valérie Goethals

© Va l érie Goethals

Het Groot dikkopje voldoet aan geen enkel IUCN-criterium (Figuur 88; Figuur 89) en is daarom Momenteel niet in Gevaar. Ook in de ons omringende regio’s is het Groot dikkopje Momenteel niet in Gevaar. In Nederland zou de soort volgens de IUCN-criteria in de Rode Lijstcategorie Kwetsbaar terechtkomen. A2c +12% -

B1 (EoO) B2 (AoO) nLoc Ba 13.749 km² 5091 km² >10 -

RLC2021 LC

RLC2011 LC

RLC2001 LC

Bb -

Bc -

NL LC (VU)

C >20.000 -

Wal LC

C1 -

C2 -

N-PdC LC

a(i) -

D1 -

UK LC

D2 -

dg r +

Eur LC

Figuur 88

Verspreiding van het Groot dikkopje op atlashokniveau in de periode 1951 -2000 (links) en 2011-2020 (rechts).

Figuur 89

Trend van de verspreiding van het Groot dikkopje op kilometerhokniveau (links) en op basis van daghokbezoeken (rechts) gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 111 van 159


3.6.6.13 Groot koolwitje Pieris brassicae

Momenteel niet in Gevaar (LC)

© Valérie Goethals

© Va l érie Goethals

Het Groot koolwitje voldoet aan geen enkel IUCN-criterium (Figuur 90; Figuur 91) en is daarom Momenteel niet in Gevaar. Ook in de ons omringende regio’s is het Groot koolwitje Momenteel niet in Gevaar. A2c - -

B1 (EoO) B2 (AoO) nLoc Ba 13.749km² 6267km² >10 -

RLC2021 LC

RLC2011 LC

RLC2001 LC

Bb -

Bc C - >20.000 -

NL LC (LC)

Wal LC

C1 -

C2 a(i) -

N-PdC LC

D1 UK LC

D2 -

dg r +

Eur LC

Figuur 90

Verspreiding van het Groot koolwitje op atlashokniveau in de periode 1951 -2000 (links) en 2011-2020 (rechts).

Figuur 91

Trend van de verspreiding van het Groot koolwitje op kilometerhokniveau (links) en op basis van daghokbezoeken (rechts) gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 112 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


3.6.6.14 Grote weerschijnvlinder Apatura iris

Momenteel niet in Gevaar (LC)

© Daan Va n Eenaeme

© Wa rd Vercruysse

De Grote weerschijnvlinder voldoet aan geen enkel IUCN-criterium (Figuur 92; Figuur 93) en is daarom Momenteel niet in Gevaar. In de vorige Rode Lijst stond de soort nog in de categorie Bedreigd, maar kende sindsdien een hele sterke uitbreiding (Figuur 92). In Groot-Brittannië is de Grote weerschijnvlinder Bijna in Gevaar. A2c +769% -

B1 (EoO) B2 (AoO) nLoc Ba 12.554km² 555km² >10 -

RLC2021 LC

Figuur 92

RLC2011 EN

RLC2001 EN

Bb -

NL LC (LC)

Bc -

C <2400 -

C1 -

C2 a(i) -

Wal LC

N-PdC LC

D1 -

UK NT

D2 -

dg r +

Eur LC

Verspreiding van de Grote weerschijnvlinder op atlashokniveau in de periode 1951 -2000 (links) en 2011-2020 (rechts). Figuur 93

Trend van de verspreiding van de Grote weerschijnvlinder op kilometerhokniveau gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 113 van 159


3.6.6.15 Hooibeestje Coenonympha pamphilus

Momenteel niet in Gevaar (LC)

© Valérie Goethals

© Ma rc Herremans

Het Hooibeestje voldoet aan geen enkel IUCN-criterium (Figuur 94; Figuur 95) en is daarom Momenteel niet in Gevaar. In Groot-Brittannië is het Hooibeestje Bijna in Gevaar. A2c -17% -

B1 (EoO) B2 (AoO) nLoc Ba 13.457km² 2876km² >10 -

RLC2021 LC

RLC2011 LC

RLC2001 LC

Bb -

Bc C - >20.000 -

NL LC (LC)

Wal LC

C1 -

C2 a(i) -

N-PdC LC

D1 -

UK NT

D2 -

dg r +

Eur LC

Figuur 94

Verspreiding van het Hooibeestje op atlashokniveau in de periode 1951 -2000 (links) en 2011-2020 (rechts).

Figuur 95

Trend van de verspreiding van het Hooibeestje op kilometerhokniveau (links) en op basis van daghokbezoeken (rechts) gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 114 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


3.6.6.16 Icarusblauwtje Polyommatus icarus

Momenteel niet in Gevaar (LC)

© Valérie Goethals

© Di rk Ma es

Het Icarusblauwtje voldoet aan geen enkel IUCN-criterium (Figuur 96; Figuur 97) en is daarom Momenteel niet in Gevaar. In de ons omringende regio’s is het Icarusblauwtje Momenteel niet in Gevaar. A2c - -

B1 (EoO) B2 (AoO) nLoc Ba 13.749km² 5691km² >10 -

RLC2021 LC

RLC2011 LC

RLC2001 LC

Bb -

Bc C - >20.000 -

NL LC (LC)

Wal LC

C1 -

C2 a(i) -

N-PdC LC

D1 -

UK LC

D2 -

dg r +

Eur LC

Figuur 96

Verspreiding van het Icarusblauwtje op atlashokniveau in de periode 1951 -2000 (links) en 2011-2020 (rechts).

Figuur 97

Trend van de verspreiding van het Icarusblauwtje op kilometerhokniveau (links) en op basis van daghokbezoeken (rechts) gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 115 van 159


3.6.6.17 Iepenpage Satyrium w-album

Momenteel niet in Gevaar (LC)

© Daan Va n Eenaeme

© Va l érie Goethals

De Iepenpage voldoet aan geen enkel IUCN-criterium (Figuur 98; Figuur 99) en is daarom Momenteel niet in Gevaar. In de vorige Rode Lijst stond de soort nog in de categorie Kwetsbaar. Deze verandering in status is deels te danken aan verbeterde kennis door gerichte inventarisaties, maar ook aan een uitbreiding van het aantal vindplaatsen door het herstel van het iepenbestand na de iepenziekte. In Groot-Brittannië is de Iepenpage Bedreigd. A2c +706% -

B1 (EoO) B2 (AoO) nLoc Ba 13.553km² 1474km² >10 -

RLC2021 LC

Figuur 98

RLC2011 VU

RLC2001 DD

Bb -

NL LC (LC)

Bc -

C <3000 -

C1 -

C2 a(i) -

Wal LC

N-PdC DD

D1 -

UK EN

D2 -

dg r +

Eur LC

Verspreiding van de Iepenpage op atlashokniveau in de periode 1951 -2000 (links) en 20112020 (rechts). Figuur 99

Trend van de verspreiding van de Iepenpage op kilometerhokniveau gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 116 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


3.6.6.18 Kaasjeskruiddikkopje Carcharodus alceae

Momenteel niet in Gevaar (LC)

© Wa rd Vercruysse

© Di rk Ma es

Het Kaasjeskruiddikkopje voldoet aan geen enkel IUCN-criterium (Figuur 100; Figuur 101) en is daarom Momenteel niet in Gevaar. Sinds 2008 heeft deze zuidelijke soort Vlaanderen veroverd (Guelinckx & Abts 2009). Het heeft zich hierbij ook kunnen aanpassen aan een stedelijk habitat, iets wat ook elders in Europa werd vastgesteld ( Albrecht 2012). In Nederland is de soort nog minder verspreid dan in Vlaanderen en wordt het Kaasjeskruiddikkopje nog beschouwd als Bijna in Gevaar. A2c B1 (EoO) B2 (AoO) nLoc Ba +29.217% 13.553km² 1474km² >10 -

RLC2021 LC

RLC2011 LC

RLC2001 -

Bb -

NL NT (NT)

Bc -

C <6000 -

C1 -

C2 a(i) -

Wal LC

N-PdC LC

D1 -

UK -

D2 -

dg r +

Eur LC

Figuur 100 Verspreiding van het Kaasjeskruiddikkopje op atlashokniveau in de periode 1951 -2000 (links) en 2011-2020 (rechts).

Figuur 101 Trend van de verspreiding van het Kaasjeskruiddikkopje op kilometerhoknivea u (links) en op basis van daghokbezoeken (rechts) gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 117 van 159


3.6.6.19 Keizersmantel Argynnis paphia

Momenteel niet in Gevaar (LC)

© Valérie Goethals

© Va l érie Goethals

De Keizersmantel voldoet aan geen enkel IUCN-criterium (Figuur 102; Figuur 103) en is daarom Momenteel niet in Gevaar. In 2001 stond de soort nog in de categorie Ernstig Bedreigd, maar kende sindsdien een sterke uitbreiding (Figuur 102). In de ons omringende regio’s is de Keizersmantel Momenteel niet in Gevaar. A2c +592% -

B1 (EoO) B2 (AoO) nLoc Ba 13.749km² 1154km² >10 -

RLC2021 LC

RLC2011 LC

RLC2001 CR

Bb -

NL LC (LC)

Bc -

C <6000 -

C1 -

C2 a(i) -

Wal LC

N-PdC LC

D1 -

UK LC

D2 -

dg r +

Eur LC

Figuur 102 Verspreiding van de Keizersmantel op atlashokniveau in de periode 1951 -2000 (links) en 2011-2020 (rechts).

Figuur 103 Trend van de verspreiding van de Keizersmantel op kilometerhokniveau (links) en op basis van daghokbezoeken (rechts) gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 118 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


3.6.6.20 Kleine ijsvogelvlinder Limenitis camilla

Momenteel niet in Gevaar (LC)

© Ma rc Herremans

© Ma rc Herremans

De Kleine ijsvogelvlinder voldoet aan geen enkel IUCN-criterium (Figuur 104; Figuur 105) en is daarom Momenteel niet in Gevaar. In de vorige Rode Lijsten stond de soort nog in de categorie Bijna in Gevaar (2011) en Kwetsbaar (2001). In Nederland en Groot-Brittannië is de Kleine ijsvogelvlinder Kwetsbaar. A2c +58% -

B1 (EoO) B2 (AoO) nLoc Ba 13.513km² 633km² >10 -

RLC2021 LC

RLC2011 NT

RLC2001 VU

Bb -

NL VU (VU)

Bc -

C <4400 -

C1 -

C2 a(i) -

Wal LC

N-PdC LC

D1 -

UK VU

D2 -

dg r +

Eur LC

Figuur 104 Verspreiding van de Kleine ijsvogelvlinder op atlashokniveau in de periode 1951 -2000 (links) en 2011-2020 (rechts).

Figuur 105 Trend van de verspreiding van de Kleine ijsvogelvlinder op kilometerhokniveau (links) en op basis van daghokbezoeken (rechts) gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 119 van 159


3.6.6.21 Kleine parelmoervlinder Issoria lathonia

Momenteel niet in Gevaar (LC)

© Pieter Vantieghem

© Va l érie Goethals

De Kleine parelmoervlinder voldoet aan geen enkel IUCN-criterium (Figuur 106; Figuur 107) en is daarom Momenteel niet in Gevaar. In de vorige Rode Lijsten was de soort nog Bijna in Gevaar (2011) en Ernstig Bedreigd (2001), ), maar kende recent een zeer sterke uitbreiding. In Nederland is de Kleine parelmoervlinder Kwetsbaar. A2c +370% -

B1 (EoO) B2 (AoO) nLoc Ba 13.693 km² 1700 km² >10 -

RLC2021 LC

RLC2011 NT

RLC2001 CR

Bb -

Bc C - >20.000 -

NL VU (VU)

Wal LC

C1 -

C2 a(i) -

N-PdC LC

D1 -

UK -

D2 -

dg r +

Eur LC

Figuur 106 Verspreiding van de Kleine parelmoervlinder op atlashokniveau in de periode 1951 -2000 (links) en 2011-2020 (rechts).

Figuur 107 Trend van de verspreiding van de Kleine parelmoervlinder op kilometerhokniveau (links) en op basis van daghokbezoeken (rechts) gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 120 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


3.6.6.22 Kleine vuurvlinder Lycaena phlaeas

Momenteel niet in Gevaar (LC)

© Valérie Goethals

© Va l érie Goethals

De Kleine vuurvlinder voldoet aan geen enkel IUCN-criterium (Figuur 108; Figuur 109) en is daarom Momenteel niet in Gevaar. In de ons omringende regio’s is de Kleine vuurvlinder Momenteel niet in Gevaar. A2c -8% -

B1 (EoO) B2 (AoO) nLoc Ba 13.553km² 5244km² >10 -

RLC2021 LC

RLC2011 LC

RLC2001 LC

Bb -

Bc C - >20.000 -

NL LC (LC)

Wal LC

C1 -

C2 a(i) -

N-PdC LC

D1 -

UK LC

D2 -

dg r +

Eur LC

Figuur 108 Verspreiding van de Kleine vuurvlinder op atlashokniveau in de periode 1951 -2000 (links) en 2011-2020 (rechts).

Figuur 109 Trend van de verspreiding van de Kleine vuurvlinder op kilometerhokniveau (links) en op basis van daghokbezoeken (rechts) gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 121 van 159


3.6.6.23 Kleine weerschijnvlinder Apatura ilia

Momenteel niet in Gevaar (LC)

© Pieter Vantieghem

© Va l érie Goethals

De Kleine weerschijnvlinder voldoet aan IUCN-criterium D met een geschatte populatiegrootte in Vlaanderen van minder dan 250 individuen. Omwille van de zeer sterk toenemende trend (Figuur 110; Figuur 111) verlagen we de Rode Lijstcategorie echter naar Momenteel niet in Gevaar. In de ons omringende regio’s werd de soort niet geëvalueerd. A2c +1847% -

B1 (EoO) 5859km² -

RLC2021 LC

B2 (AoO) nLoc Ba 31km² >10 -

RLC2011 NE

RLC2001 NE

Bb -

NL NE

Bc -

C <250 -

Wal NE

C1 -

C2 a(i) -

N-PdC LC

D1 -

UK -

D2 <250 VU

dg r ++

Eur LC

Figuur 110 Verspreiding van de Kleine weerschijnvlinder op atlashokniveau in de periode 1951 -2000 (links) en 2011-2020 (rechts). Figuur 111 Trend van de verspreiding van de Kleine weerschijnvlinder op kilometerhokniveau gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 122 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


3.6.6.24 Klein geaderd witje Pieris napi

Momenteel niet in Gevaar (LC)

© Valérie Goethals

© Ma rc Herremans

Het Klein geaderd witje voldoet aan geen enkel IUCN-criterium (Figuur 112; Figuur 113) en is daarom Momenteel niet in Gevaar. In de ons omringende regio’s is het Klein geaderd witje Momenteel niet in Gevaar. A2c -

B1 (EoO) B2 (AoO) nLoc Ba 13.749km² 6124 km² >10 -

RLC2021 LC

RLC2011 LC

RLC2001 LC

Bb -

Bc C - >20.000 -

NL LC (LC)

Wal LC

C1 -

C2 a(i) -

N-PdC LC

D1 -

UK LC

D2 -

dg r +

Eur LC

Figuur 112 Verspreiding van het Klein geaderd witje op atlashokniveau in de periode 1951-2000 (links) en 2011-2020 (rechts).

Figuur 113 Trend van de verspreiding van het Klein geaderd witje op kilometerhokniveau (links) en op basis van daghokbezoeken (rechts) gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 123 van 159


3.6.6.25 Klein koolwitje Pieris rapae

Momenteel niet in Gevaar (LC)

© Valérie Goethals

© Di rk Ma es

Het Klein koolwitje voldoet aan geen enkel IUCN-criterium (Figuur 114; Figuur 115) en is daarom Momenteel niet in Gevaar. In de ons omringende regio’s is het Klein koolwitje Momenteel niet in Gevaar. A2c -

B1 (EoO) B2 (AoO) nLoc Ba 13.749km² 9127km² >10 -

RLC2021 LC

RLC2011 LC

RLC2001 LC

Bb -

Bc C - >20.000 -

NL LC (LC)

Wal LC

C1 -

C2 a(i) -

N-PdC LC

D1 -

UK LC

D2 -

dg r +

Eur LC

Figuur 114 Verspreiding van het Klein koolwitje op atlashokniveau in de periode 1951 -2000 (links) en 2011-2020 (rechts).

Figuur 115 Trend van de verspreiding van het Klein koolwitje op kilometerhokniveau (links) en op basis van daghokbezoeken (rechts) gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 124 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


3.6.6.26 Koevinkje Aphantopus hyperantus

Momenteel niet in Gevaar (LC)

© Di rk Maes

© Va l érie Goethals

Op basis van een areaalgrootte <20.000 km² (B1; Figuur 116) en een voortdurende achteruitgang in oppervlakte (Bb(ii)) (Figuur 117) is het Koevinkje Bijna in Gevaar. De aantallen van het Koevinkje vielen in de recente droge zomers 2019-2020 met de helft terug, maar schommelingen in het verleden laten vermoeden dat deze soort hiervan kan herstellen op vrij korte termijn. Aangezien er een reddingseffect vanuit de omliggende regio’s mag worden verwacht, wordt de Rode Lijstcategorie Bijna in Gevaar verlaagd naar Momenteel niet in Gevaar. In de vorige Rode Lijsten stond de soort in de categorie Momenteel niet in Gevaar. A2c -4% -

B1 (EoO) B2 (AoO) nLoc Ba 13.526km² 2197km² 224 NT -

RLC2021 LC

RLC2011 LC

RLC2001 LC

Bb ii

NL LC (LC)

Bc C C1 C2 a(i) - >20.000 -49% -

Wal LC

N-PdC LC

D1 -

UK LC

D2 -

dg r +

Eur LC

Figuur 116 Verspreiding van het Koevinkje op atlashokniveau in de periode 1951-2000 (links) en 20112020 (rechts).

Figuur 117 Trend van de verspreiding van het Koevinkje op kilometerhokniveau (links) en op basis van daghokbezoeken (rechts) gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 125 van 159


3.6.6.27 Koninginnenpage Papilio machaon

Momenteel niet in Gevaar (LC)

© Pieter Vantieghem

© Di rk Ma es

De soort voldoet aan geen enkel IUCN-criterium (Figuur 118; Figuur 119) en is daarom Momenteel niet in Gevaar. De Koninginnenpage nam van 2011-2016 sterk af, maar herstelde bijzonder goed in de recente warme, droge zomers. In Groot-Brittannië is de Koninginnenpage Bijna in Gevaar omdat ze daar als aparte ondersoort slechts voorkomt in een beperkt aantal moerasgebieden. A2c +10%

B1 (EoO) B2 (AoO) nLoc Ba 13.749km² 5491km² >10 -

RLC2021 LC

RLC2011 LC

RLC2001 LC

Bb -

Bc C - >20.000

NL LC (LC)

Wal LC

C1 -

C2 a(i) -

N-PdC LC

D1 -

UK NT

D2 -

dg r + -

Eur LC

Figuur 118 Verspreiding van de Koninginnenpage op atlashokniveau in de periode 1951-2000 (links) en 2011-2020 (rechts).

Figuur 119 Trend van de verspreiding van de Koninginnenpage op kilometerhokniveau (links) en op basis van daghokbezoeken (rechts) gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 126 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


3.6.6.28 Landkaartje Araschnia levana

Momenteel niet in Gevaar LC)

© Vi ncent Smeekens

© Wa rd Vercruysse

Op basis van een areaalgrootte <20.000 km² (B1; Figuur 120), een voortdurende achteruitgang in oppervlakte (Bb(ii)) is het Landkaartje Bijna in Gevaar. Omwille van de vrij grote mobiliteit mag er vanuit de omliggende regio’s een reddingseffect worden verwacht en wordt de Rode Lijstcategorie verlaagd naar Momenteel niet in Gevaar. In de vorige Rode Lijsten stond de soort in de categorie Momenteel niet in Gevaar. Het Landkaartje vertoonde de laatste twee jaar een sterke afname (Figuur 121). In Nederland is ze volgens de IUCN-criteria Kwetsbaar. A2c -

B1 (EoO) B2 (AoO) nLoc Ba 13.553km² 5231km² 223 NT -

RLC2021 LC

RLC2011 LC

RLC2001 LC

Bb ii

NL LC (VU)

Bc C C1 C2 a(i) - >20.000 -41% -

Wal LC

N-PdC LC

D1 -

UK LC

D2 -

dg r +

Eur LC

Figuur 120 Verspreiding van het Landkaartje op atlashokniveau in de periode 1951 -2000 (links) en 2011-2020 (rechts).

Figuur 121 Trend van de verspreiding van het Landkaartje op kilometerhokniveau (links) en op basis van daghokbezoeken (rechts) gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 127 van 159


3.6.6.29 Oranje luzernevlinder Colias crocea

Momenteel niet in Gevaar (LC)

© Valérie Goethals

© Ma rc Herremans

De Oranje luzernevlinder voldoet aan geen enkel IUCN-criterium (Figuur 122; Figuur 123) en is daarom Momenteel niet in Gevaar. In de ons omringende regio’s is de Oranje luzernevlinder Momenteel niet in Gevaar. A2c +112% -

B1 (EoO) B2 (AoO) nLoc Ba 13.749km² 4274km² >10 -

RLC2021 LC

RLC2011 LC

RLC2001 LC

Bb -

Bc C - >20.000 -

NL LC (LC)

Wal LC

C1 -

C2 a(i) -

N-PdC NA

D1 -

UK LC

D2 -

dg r +

Eur LC

Figuur 122 Verspreiding van de Oranje luzernevlinder op atlashokniveau in de periode 1951 -2000 (links) en 2011-2020 (rechts).

Figuur 123 Trend van de verspreiding van de Oranje luzernevlinder op ki lometerhokniveau (links) en op basis van daghokbezoeken (rechts) gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 128 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


3.6.6.30 Oranjetipje Anthocharis cardamines

Momenteel niet in Gevaar (LC)

© Ma rc Herremans

© Wouter Va n Landuyt

Het Oranjetipje voldoet aan geen enkel IUCN-criterium (Figuur 124; Figuur 125) en is daarom Momenteel niet in Gevaar. In Nederland is het Oranjetipje volgens de IUCN-criteria Bijna in Gevaar. A2c -2% -

B1 (EoO) B2 (AoO) nLoc Ba 13.749km² 5735km² >10 -

RLC2021 LC

RLC2011 LC

RLC2001 LC

Bb -

Bc C - >20.000 -

NL LC (NT)

Wal LC

C1 -

C2 a(i) -

N-PdC LC

D1 -

UK LC

D2 -

dg r +

Eur LC

Figuur 124 Verspreiding van Het Oranjetipje op atlashokniveau in de periode 1951 -2000 (links) en 2011-2020 (rechts).

Figuur 125 Trend van de verspreiding van het Oranjetipje op kilometerhokniveau (links) en op basis van daghokbezoeken (rechts) gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 129 van 159


3.6.6.31 Oranje zandoogje Pyronia tithonus

Momenteel niet in Gevaar (LC)

© Valérie Goethals

© Va l érie Goethals

Het Oranje zandoogje voldoet aan geen enkel IUCN-criterium (Figuur 126; Figuur 127) en is daarom Momenteel niet in Gevaar. In Nederland is het Oranje zandoogje Bijna in Gevaar. In Europa is het een Species of Conservation Concern (SPEC3) omdat de soort in vele OostEuropese landen op de Rode Lijst staat. A2c +2% -

B1 (EoO) B2 (AoO) nLoc Ba 13.736km² 5874km² >10 -

RLC2021 LC

RLC2011 LC

RLC2001 LC

Bb -

Bc C - >20.000 -

NL NT (LC)

Wal LC

C1 -

C2 a(i) -

N-PdC LC

D1 -

UK LC

D2 -

dg r +

Eur SPEC3 LC

Figuur 126 Verspreiding van het Oranje zandoogje op atlashokniveau in de periode 1951 -2000 (links) en 2011-2020 (rechts).

Figuur 127 Trend van de verspreiding van het Oranje zandoogje op kilometerhokniveau (links) en op basis van daghokbezoeken (rechts) gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 130 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


3.6.6.32 Scheefbloemwitje Pieris mannii

Momenteel niet in Gevaar (LC)

© Pieter Vantieghem

© Di rk Ma es

Het Scheefbloemwitje voldoet aan geen enkel IUCN-criterium (Figuur 128; Figuur 129) en is daarom Momenteel niet in Gevaar. In de ons omringende regio’s werd het Scheefbloemwitje , omwille van de recente snelle uitbreiding nog niet geëvalueerd. A2c B1 (EoO) B2 (AoO) nLoc Ba +15.074% 11.372km² 377km² >10 -

RLC2021 LC

RLC2011 NE

RLC2001 NE

Bb -

NL NE

Bc -

C <2500 -

C1 -

C2 a(i) -

Wal NE

N-PdC -

D1 -

UK NE

D2 -

dg r +

Eur LC

Figuur 128 Verspreiding van het Scheefbloemwitje op atlashokniveau in de periode 1951-2000 (links) en 2011-2020 (rechts).

Figuur 129

Trend van de verspreiding van het Scheefbloemwitje op kilometerhokniveau (links) en op basis van daghokbezoeken (rechts) gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 131 van 159


3.6.6.33 Sleedoornpage Thecla betulae

Momenteel niet in Gevaar (LC)

© Andy Van Kerckvoorde

© Wa rd Vercruysse

De Sleedoornpage voldoet aan geen enkel IUCN-criterium (Figuur 130; Figuur 131) en is daarom Momenteel niet in Gevaar. In de Rode Lijst van 2001 stond de soort nog in de categorie Bedreigd, maar ze nam recent sterk toe. In Nederland is de Sleedoornpage Bedreigd (Kwetsbaar volgens de IUCN-criteria) en in Groot-Brittannië Kwetsbaar. A2c +168% -

B1 (EoO) B2 (AoO) nLoc Ba 10.474km² 734km² >10 -

RLC2021 LC

RLC2011 LC

RLC2001 EN

Bb -

NL EN (VU)

Bc -

C <1300 -

C1 -

C2 a(i) -

Wal LC

N-PdC LC

D1 -

UK VU

D2 -

dg r +

Eur LC

Figuur 130 Verspreiding van de Sleedoornpage op atlashokniveau in de periode 1951 -2000 (links) en 2011-2020 (rechts). Figuur 131

Trend van de verspreiding van de Sleedoornpage op kilometerhokniveau gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 132 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


3.6.6.34 Staartblauwtje Cupido argiades

Momenteel niet in Gevaar (LC)

© Valérie Goethals

© Rema r Erens

Het Staartblauwtje voldoet aan geen enkel IUCN-criterium (Figuur 132; Figuur 133) en is daarom Momenteel niet in Gevaar. In de ons omringende regio’s werd het Staartblauwtje nog niet geëvalueerd. De status Regionaal Uitgestorven is achterhaald in Wallonië. A2c +7782% -

B1 (EoO) 8985km² -

RLC2021 LC

B2 (AoO) nLoc Ba 244km² >10 -

RLC2011 NE

RLC2001 NE

Bb -

NL NE

Bc -

C <1300 -

C1 -

C2 a(i) -

Wal RE

N-PdC -

D1 -

UK NE

D2 -

dg r +

Eur LC

Figuur 132 Verspreiding van het Staartblauwtje op atlashokniveau in de periode 1951-2000 (links) en 2011-2020 (rechts). Figuur 133 Trend van de verspreiding van het Staartblauwtje op kilometerhokniveau gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 133 van 159


3.7 ALGEMENE BESPREKING 3.7.1

Aantal soorten in de verschillende Rode Lijstcategorieën

In totaal werden 75 soorten beoordeeld op de IUCN-criteria. Hiervan worden 20 soorten als Regionaal Uitgestorven beschouwd, drie als Ernstig Bedreigd, zeven als Bedreigd, negen als Kwetsbaar, twee als Bijna in Gevaar en 34 als Momenteel niet in Gevaar (Tabel 11). Tabel 11

Overzicht van de soorten in de verschillende Rode Lijstcategorieën.

Regionaal Uitgestorven (20) Bosparelmoervlinder Bosrandparelmoervlinder Bretons spikkeldikkopje Duinparelmoervlinder Groot geaderd witje Grote ijsvogelvlinder Grote parelmoervlinder

Kalkgraslanddikkopje Kleine heivlinder Moerasparelmoervlinder Pimpernelblauwtje Resedawitje sensu lato Rouwmantel Spiegeldikkopje

Vals heideblauwtje Veenhooibeestje Woudparelmoervlinder Zilveren maan Zilverstreephooibeestje Zilvervlek

Ernstig Bedreigd (3) Argusvlinder

Bruine vuurvlinder

Gentiaanblauwtje

Bedreigd (7) Aardbeivlinder Bruine eikenpage Groentje

Heideblauwtje Heivlinder Kleine vos

Kommavlinder

Kwetsbaar (9) Bont dikkopje Boswitje Bruin dikkopje

Dambordje Dwergblauwtje Geelsprietdikkopje

Gele luzernevlinder Klaverblauwtje Zwartsprietdikkopje

Bijna in Gevaar (2) Grote vos

Veldparelmoervlinder

Momenteel niet in Gevaar (34) Atalanta Bont zandoogje Boomblauwtje Braamparelmoervlinder Bruin blauwtje Bruin zandoogje Citroenvlinder Dagpauwoog Distelvlinder Eikenpage Gehakkelde aurelia Groot dikkopje

Groot koolwitje Grote weerschijnvlinder Hooibeestje Icarusblauwtje Iepenpage Kaasjeskruiddikkopje Keizersmantel Klein geaderd witje Klein koolwitje Kleine ijsvogelvlinder Kleine parelmoervlinder Kleine vuurvlinder

Kleine weerschijnvlinder Koevinkje Koninginnenpage Landkaartje Oranje luzernevlinder Oranje zandoogje Oranjetipje Scheefbloemwitje Sleedoornpage Staartblauwtje

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 134 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


3.7.2

Vergelijking met vorige Rode Lijsten

Aangezien er verschillende methoden werden gebruikt bij het opstellen van de verschillende Rode Lijsten in het verleden, is het moeilijk om de huidige lijst te vergelijken met de vorige lijsten. Met behulp van een zogenaamde Rode Lijst Index (RLI; Butchart et al. 2006; Butchart et al. 2007; Bubb et al. 2009) kunnen we nagaan hoe het over alle soorten heen gesteld is met de dagvlinders in Vlaanderen op basis van de vorige Rode Lijsten. Een waarde van 0 betekent dat alle soorten Regionaal Uitgestorven zouden zijn, een waarde van 1 betekent dat alle soorten in de Rode Lijstcategorie Momenteel niet in Gevaar staan. Tussen 2001 en 2011 veranderde er niet veel aan de Rode Lijst Index (0.544 naar 0.546), maar tussen 2011 en de huidige Rode Lijst is er een “verbetering” met 9% waar te nemen (van 0.546 naar 0.589; Figuur 134). Deze verbetering is zo goed als volledig toe te schrijven aan de nieuwe soorten die Vlaanderen in snel tempo gekoloniseerd hebben (Braamparelmoervlinder, Kaasjeskruiddikkopje, Scheefbloemwitje en Staartblauwtje). De gunstige trend van de meeste bosvlinders (Grote weerschijnvlinder,

Iepenpage,

Keizersmantel,

Kleine

ijsvogelvlinder

en

Kleine

weerschijnvlinder) draagt eveneens bij aan een gemiddeld verbeterde situatie. Klimaatverandering, tenslotte, heeft voor sommige soorten negatieve gevolgen (Argusvlinder en de meeste heidesoorten), terwijl andere soorten er net van profiteren (bossoorten en graslandsoorten zoals Bruin blauwtje, Kleine parelmoervlinder en Veldparelmoervlinder).

Figuur 134 Rode Lijst Index van de dagvlinders in Vl aanderen op basis van Rode Lijststatussen in 2001, 2011 en 2021 (links) en de Rode Lijst Index per biotoopvoorkeur (rechts).

Wanneer we de Rode Lijst Index opsplitsen per biotooptype dan zien we dat vooral de typische bossoorten en enkele graslandspecialisten (Kleine parelmoervlinder en Veldparelmoervlinder) het beter doen. Heidesoorten daarentegen zijn na een daling tussen 2001 en 2011 stabiel gebleven op een laag niveau tussen 2011 en de huidige Rode Lijst (Figuur 134).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 135 van 159


3.7.2.1

Soorten die in een lagere Rode Lijstcategorie terechtkomen

In vergelijking met de eerdere Rode Lijsten (Maes & Van Dyck 2001; Maes et al. 2011b) zijn er enkele opvallende verschuivingen tussen Rode Lijstcategorieën. Verschillende typische bossoorten zijn verlaagd van Rode Lijstcategorie en zijn nu zelfs Momenteel niet in Gevaar (Grote weerschijnvlinder, Iepenpage, Keizersmantel, Kleine ijsvogelvlinder en Sleedoornpage). Daarnaast zijn er ook meerdere typische graslandsoorten die het merkelijk beter doen dan in de vorige Rode Lijsten (Bruin blauwtje, Bruin dikkopje, Kaasjeskruiddikkopje, Klaverblauwtje, Kleine parelmoervlinder en Veldparelmoervlinder).

3.7.2.2

Soorten die in een hogere Rode Lijstcategorie terechtkomen

Sinds de eerste Rode Lijst in 2001 zijn drie soorten dagvlinders uitgestorven in Vlaanderen (Spiegeldikkopje, Veenhooibeestje en Zilveren maan). Vier heidesoorten (Gentiaanblauwtje, Groentje, Heideblauwtje en Heivlinder) en drie typische graslandsoorten (Argusvlinder , Dwergblauwtje en Geelsprietdikkopje) zijn in een hogere Rode Lijstcategorie terechtgekomen sinds 2001. De Kleine vos tenslotte kent een opvallende achteruitgang sinds 2001 en wordt nu nog maar af en toe en in lage aantallen waargenomen in Vlaanderen.

3.7.2.3

Soorten die geen eenduidig patroon vertonen tussen Rode Lijsten

Enkele soorten verschuiven van Rode Lijstcategorie tussen de verschillende Rode Lijsten, zonder dat daar meteen een verklaring voor te geven is (Aardbeivlinder, Bont dikkopje, Boswitje, Bruine eikenpage, Bruine vuurvlinder, Citroenvlinder, Dambordje, Grote vos en Zwartsprietdikkopje). Vaak zijn deze veranderingen eerder te wijten aan de verschillende methodes die gebruikt werden bij de verschillende lijsten dan aan ecologische factoren.

3.7.3

Bijna Bijna in Gevaar soorten

Enkele soorten komen na een eerste evaluatie in een Rode Lijstcategorie terecht, maar worden verlaagd naar de categorie Momenteel niet in Gevaar: Bont zandoogje, Dagpauwoog, Koevinkje en Landkaartje. Bij Bont zandoogje en Koevinkje is er een duidelijke achteruitgang in de laatste 10 jaar van respectievelijk 25% en 47%. Bij het Bont zandoogje is dat een gestage achteruitgang terwijl er bij het Koevinkje voorlopig enkel een sterke terugval is tijdens de laatste twee jaren (door de extreme droogte). Het Koevinkje heeft een vochtig microklimaat nodig en is daardoor erg gevoelig voor droogte (Oliver et al. 2015). Uit een Britse studie bleek

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 136 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


dat drie jaar na een extreme droogte (1995) 66% van de populaties van het Koevinkje nog niet hersteld waren (Oliver et al. 2013). Ook in Nederland is het aantal individuen van het Koevinkje op de vlinderroutes de laatste jaren sterk achteruitgegaan met als oorzaak de extreme droogtes van de laatste jaren (van Swaay et al. 2021). Ook bij het Bont zandoogje lijkt de droogte van de laatste zomers te zorgen voor een daling. De combinatie met versnippering maakt dat locaties waar populaties lokaal verdwenen zijn moeilijk geherkonoliseerd worden. Dit zou een van de oorzaken kunnen zijn van de achteruitgang van het Koevinkje in het sterk versnipperde Zuidwest-Vlaanderen. Dagpauwoog en Landkaartje gaan gedurende laatste 10 jaar gemiddeld met respectievelijk 23% en 38% achteruit. De Dagpauwoog vertoont, net als de Kleine vos, grote schommelingen die mogelijks worden veroorzaakt door parasitoïden. Bij het Landkaartje is de sterke achteruitgang vooral te wijten aan de twee laatste jaren met extreem droge zomers. Hierdoor is kwaliteit van de waardplant (Grote brandnetel) te laag en kunnen de rupsen onvoldoende kwaliteitsvol voedsel vinden (Oliver et al. 2015). Ook in Nederland is het Landkaartje sterk achteruitgegaan door de extreme droogte van de laatste jaren ( van Swaay et al. 2021). Naast klimaatopwarming hebben sommige soorten vooral te lijden onder extremere klimaatomstandigheden (lange droogte, langere hittegolven, langdurige en hevige regenval; Filazzola et al. 2021) waardoor hun waardplanten minder voedingsstoffen bevatten (bv. brandnetel- en grasetende soorten) enerzijds en hun biotoop op korte termijn tijdelijk kan overstromen anderzijds (bv. mierennesten van Gentiaanblauwtje)

3.7.4

Vergelijking met de buurlanden

In NW Europa, heeft Vlaanderen het grootste aandeel uitgestorven soorten (Figuur 135). Het grootste aandeel bedreigde soorten (Ernstig Bedreigd, Bedreigd en Kwetsbaar) is momenteel echter voor Nederland (van Swaay 2019). Groot-Brittannië (Fox et al. 2011), het Franse departement Nord – Pas-de-Calais (Hubert & Haubreux 2014) en Duitsland (Reinhardt et al. 2020) hebben opvallend weinig uitgestorven soorten.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 137 van 159


Figuur 135 Vergelijking met vorige Rode Lijsten in Vlaanderen en met de buurlanden.

3.7.5

Vergelijking met andere soortgroepen

In vergelijking met andere soortgroepen hebben de dagvlinders het hoogste aandeel uitgestorven soorten (Figuur 136). Van alle insectengroepen waarvoor een Rode Lijst werd samengesteld hebben enkel houtafbrekende kevers (Thomaes et al. 2015) een groter aandeel uitgestorven en bedreigde soorten dan dagvlinders, libellen (De Knijf 2006), loopkevers (Desender et al. 2008), lieveheersbeestjes (Adriaens et al. 2015), waterwantsen (Lock et al. 2013) en sprinkhanen (Maes et al. 2017).

Figuur 136 Het aandeel soorten in de verschillende Rode Lijstcategori eën in andere taxonomische groepen.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 138 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


Wanneer we de trends bij de dagvlinders vergelijken met die van andere insecten zijn er enkele opvallende parallellen met nachtvlinders. De opmars van de bossoorten zoals Grote weerschijnvlinder, Keizersmantel en Kleine ijsvogelvlinder is ook bij enkele nachtvlinders opvallend: verschillende soorten Weeskinderen (Catocala spec.), Geelbruine houtuil (Lithophane socia), Lichtgrijze uil (Lithophane ornitopus), Eikenuiltje (Dryobotodes eremita) en in iets mindere mate Witringuil (Cerastis leucographa). Bij die drie eerste is er ook een sterke areaaluitbreiding naar Oost- en West-Vlaanderen (Sierens & Van de Kerckhove 2014). Ook de Grote spikkelspanner (Hypomecis roboraria), een soort van iets oudere eikenbossen, is daar recent duidelijk toegenomen. Het zijn vlinders die de Middelste bonte specht achterna lijken te gaan. Ook in Groot-Brittannië gaan typische nachtvlinders van bossen sterk vooruit (Fox et al. 2021). Nachtvlinders die kleine, zonbeschenen eikjes in heideachtige biotopen gebruiken (een gelijkaardig biotoop als de bedreigde Bruine eikenpage) zijn dan weer sterk bedreigd (Sierens & Gorissen 2017): Eikenoogspanner (Cyclophora porata), Grijs weeskind (Minucia lunaris) en Vroege eikenuil (Xanthia ruticilla).

3.7.6

Waar liggen de gebieden met de hoogste Rode Lijstwaarde?

Om gebieden af te bakenen met een groot aandeel bedreigde soorten gebruiken we een methode die ook op Europese schaal werd toegepast (Maes et al. 2019d). Hierbij wordt aan elke Rode Lijstcategorie een numerieke waarden toegekend (Ernstig Bedreigd = 80, Bedreigd = 50, Kwetsbaar = 30, Bijna in Gevaar = 20 en Momenteel niet in Gevaar = 1). Voor elk kilometerhok maken we vervolgens de som van deze numerieke Rode Lijstwaarden in de periode 2011-2020 om zo de gebieden te achterhalen waar veel bedreigde soorten samen voorkomen (Figuur 137).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 139 van 159


Figuur 137 Heatmap op basis van de gesommeerde Rode Lijstwaarde per kilometerhok. Hoe donkerder, hoe hoger de Rode Lijstwaarde. De afgebakende gebieden zijn de Natura2000gebieden in Vlaanderen (Habitat- en Vogelrichtlijngebieden).

Uit deze kaart kunnen we afleiden waar de belangrijkste gebieden voor dagvlinders in Vlaanderen liggen (hotspots - Prendergast et al. 1993):      

Kustduinen (vooral Westkust); Heidegebieden met Aardbeivlinder en/of Groentje in West- en Oost-Vlaanderen; Poldergraslanden met Argusvlinder; Heide- en schrale graslandgebieden in de Kempen; Graslanden met Bruine vuurvlinder; Kalkgraslanden in het zuidoosten van Limburg en de Voerstreek.

Op de poldergraslanden (Argusvlinders), enkele gebieden met de Bruine vuurvlinder rond Aarschot en enkele mijnterrils (Winterslag, Klaverberg, Teutelberg, Lindeman) en de Balimgronden in Limburg na, liggen al deze gebieden in Natura2000-gebieden. De Limburgse gebieden die buiten deze Natura2000-gebieden vallen, herbergen grote populaties van bedreigde soorten waaronder Heivlinder en Kommavlinder.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 140 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


4

DISCUSSIE

4.1 CRITERIA Zoals de IUCN-richtlijnen het aangeven, gebruiken we een vrij lange (historische) referentieperiode voor het bepalen van een trend voor criterium A en dit omwille van twee redenen: 

We gaan ervan uit dat de oorzaken van de achteruitgang ten opzichte van deze referentieperiode nog omkeerbaar zijn;

Wanneer er een korte periode gebruikt wordt als referentie, houden we geen rekening met de historische aanwezigheid van soorten die potentieel nog kunnen terugkeren (shifting baseline - Papworth et al. 2009).

Ook bij criterium C wordt er een trend ingeschat, maar die slaat op veranderingen tijdens een meer recente periode van maximum 10 jaar. Omwille van de vaak grote schommelingen in de aantallen bij insecten (inclusief dagvlinders) zijn deze korte -termijntrends niet altijd even informatief bij het bepalen van een Rode Lijstcategorie. Ze kunnen uiteraard wel helpen om soorten te detecteren die best goed in de gaten gehouden worden op langere termijn. Naast trends worden voor criterium C en D ook populatiegroottes ingeschat en ook dit is geen gemakkelijke oefening bij ongewervelden (Lewis et al. 1997; Cardoso et al. 2012). In Lewis et al. (1997) wordt een factor drie gebruikt om van het maximaal waargenomen individuen op een bepaalde datum een populatiegrootte in te schatten, maar volgens eigen vangsthervangstonderzoek is dat een onderschatting van de populatiegrootte ( Maes et al. 2004; Maes et al. 2006). Daarom gebruiken wij hier een factor vijf in plaats van drie (en zelfs dat is nog een conservatieve schatting).

4.2 VERGELIJKING MET DAGVLINDERMONITORING Aangezien er in Vlaanderen ook aan dagvlindermonitoring gedaan wordt, kunnen we de trends in de aantallen (Maes et al. 2020a) voor enkele soorten vergelijken met die in de verspreiding. Dit kan enkel voor de algemene soorten omdat er op de monitoringsroutes weinig tot geen zeldzame of bedreigde soorten voorkomen. Hieruit blijkt dat sommige soorten in vergelijking met de referentieperiode hun verspreiding uitgebreid hebben of stabiel gebleven zijn, maar op

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 141 van 159


de vlinderroutes in aantallen achteruitgaan (Bruin zandoogje, het Groot dikkopje en het Oranje zandoogje; cf. Van Dyck et al. 2009).

4.3 DE TOESTAND IS ERNSTIG MAAR NIET HOPELOOS Gaat het nu beter of slechter met de dagvlinders in Vlaanderen? Zoals wel vaker is het antwoord op deze vraag genuanceerd: er zijn soorten die het duidelijk beter doen, waaronder typische bossoorten (Grote weerschijnvlinder, Keizersmantel, Kleine ijsvogelvlinder en enkele nieuwkomers zoals Braamparelmoervlinder en Klei ne weerschijnvlinder) en enkele graslandspecialisten waaronder Kleine parelmoervlinder en Veldparelmoervlinder. De uitbreiding van de bossoorten is voornamelijk te danken aan het ouder en structuurrijker worden van de bossen in Vlaanderen (Govaere 2020), maar vermoedelijk ook dankzij een warmer microklimaat in het bos (Zellweger et al. 2020) waardoor meer rupsen kunnen overleven en de populaties groter worden. Ook bij de graslandspecialisten is klimaatopwarming een mogelijke oorzaak van hun uitbreiding: zowel de Kleine parelmoervlinder als de Veldparelmoervlinder profiteren vermoedelijk van meer geschikte waardplanten door een warmer microklimaat (Akkerviooltjes op braakliggende akkers enerzijds en Smalle weegbree in rozetvorm op zandige bodems anderzijds). Daarnaast droegen ook lokale beschermingsmaatregelen en een kleinschalig intensive -care beheer bij tot het behoud van de Veldparelmoervlinder in de Kempen. Soorten van kalkgraslanden in het zuidoosten van Vlaanderen (Boswitje, Bruin dikkopje, Dambordje, Dw ergblauwtje en Klaverblauwtje - Verschraegen et al. 2003) lijken hun verspreidingsgebied ook uit te breiden, mogelijks eveneens door klimaatopwarming. Sterk uitbreidende soorten zoals het Kaasjeskruiddikkopje en het Scheefbloemwitje hebben zich zeer snel aangepast aan een geürbaniseerd

landschap.

Andere

graslandsoorten

zoals

de

Argusvlinder,

het

Geelsprietdikkopje, het Koevinkje en het Zwartsprietdikkopje doen het dan weer slecht. Voor het Geelsprietdikkopje lijkt eutrofiëring van de habitat door stikstofdepositie de achteruitgang te kunnen verklaren. Klimaatverandering zorgt ervoor dat de Argusvlinder een derde generatie ontwikkelt laat in het najaar die weinig kansen op overleving heeft (Van Dyck et al. 2015). Bij het Koevinkje, dat een vochtig microklimaat nodig heeft, is het vooral de droogte van de laatste zomers die voor een recente achteruitgang gezorgd heeft ( Oliver et al. 2013). Heidesoorten blijven het slecht doen en vertonen geen teken van een verbetering in hun situatie. De combinatie van voortschrijdende versnippering, hoge stikstofdepositie en extreme

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 142 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


droogte maken het voor vele heidesoorten moeilijk om te overleven (WallisDeVries et al. 2018). Door de droogte maken bloemen minder nectar aan (Kuppler & Kotowska 2021) en gaan heidevlinders vaak nectar zoeken in naburige tuinen of ruigten aan de rand van heidegebieden.

5

REFERENTIES

Adriaens T, San Martin y Gomez G, Bogaert J, Crevecoeur L, Beuckx J-P & Maes D (2015) Testing the applicability of regional IUCN Red List criteria on ladybirds (Coleoptera, Coccinellidae) in Flanders (north Belgium): opportunities for conservation. Insect Conservation and Diversity 8 (5): 404-417. https://doi.org/10.1111/icad.12124 Akçakaya HR, Hochkirch A, Bried JT, van Grunsven RHA, Simaika JP, De Knijf G & Henriques S (2021) Calculating population reductions of invertebrate species for IUCN Red List assessments. Journal of Insect Conservation in press. https://doi.org/10.1007/s10841-021-00303-0 Albrecht M (2012) Das Siedlungsgebi et bei Bern als Lebensraum des Malven-Dickkopffalters Carcharodus alceae (Esper, 1780) (Lepidoptera: Hesperiidae). ENTOMO HELVETICA 5: 147 -156. Audusseau H, Ryrholm N, Stefanescu C, Tharel S, Jansson C, Champeaux L, Shaw MR, Raper C, Lewis OT, Janz N & Schmucki R (2021) Rewiring of interactions in a changing environment: nettle-feeding butterflies and their parasitoids. Oikos in press. https://doi.org/10.1111/oik.07953 Bonte D & Maes D (2008) Trampling affects the distribution of specialised coastal dune arthropods. Basic and Applied Ecology 9 (6): 726-734. https://doi.org/10.1016/j.baae.2007.09.008 Bos F, Bosveld M, Groenendijk D, van Swaay CAM, Wynhoff I & De Vlinderstichting (2006) De dagvlinders van Nederland. Verspreiding en bescherming (Lepidoptera: Hesperioidea, Papilionoidea). Nederlandse Fauna 7. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis; KNNV Uitgeverij; European Invertebrate Survey, Leiden. Bourn NAD, O’Riordan S, Shadbolt T, Maes D, Goffart P, Sainsbury AW, Bulman C, Hoare D, Field R, Curson J, Wildman J, Jaffe J, Donald H & Ellis S (in press) Re-introduction of the Chequered Skipper, Carterocephalus palaemon into Rockingham Forest, Engl and. Natural England (editor)Natural England, Bubb PJ, Butchart SHM, Collen B, Dublin H, Kapos V, Pollock C, Stuart SN & Vié J-C (2009) IUCN Red List Index - Guidance for National and Regional Use. IUCN, Gland, Switzerland. Buckland ST, Studeny AC, Magurran AE, Illian JB & Newson SE (2011) The geometric mean of relative abundance indices: a biodiversity measure with a difference. Ecosphere 2 (9): 100. https://doi.org/10.1890/ES11-00186.1 Butchart SHM, Akçakaya HR, Chanson J, Baillie JEM, Collen B, Quader S, Turner WR, Amin R, Stuart SN & Hilton-Taylor C (2007) Improvements to the Red List Index. Plos One 2 (1): e140. https://doi.org/10.1371/journal.pone.0000140 Butchart SHM, Akçakaya HR, Kennedy E & Hilton-Taylor C (2006) Biodiversity Indicators Based on Trends in Conservation Status: Strengths of the IUCN Red List Index. Conservation Biology 20 (2): 579 -581. https://doi.org/10.1111/j.1523-1739.2006.00410.x Cardoso P, Borges PAV, Triantis KA, Ferrández MA & Martín JL (2012) The underrepresentation and misinterpretation of invertebrates in the IUCN Red List. Biological Conservation 149: 147-148. https://doi.org/10.1016/j.biocon.2012.02.011 Couvreur M, Menschaert J, Sevenant M, Ronse A, Van Landuyt W, De Blust G, Antrop M & Hermy H (2004) Ecodistricten en ecoregio's als instrument voor natuurstudie en milieubeleid. Natuur.focus 3 (2): 51-58. Cuvelier S & Spruytte S (2011) De huidige status van Brenthis daphne (Lepidoptera: Nymphalidae, Heliconiinae) in België en aangrenzende gebieden. Update en notities betreffende een onverwachte vondst. Phegea 39 (3): 115-119. Daniëls L (1991) JNM-Dagvlinderprojekt. Euglena 10 (1): 26-27.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 143 van 159


Daniëls L, De Tré E, Wittoeck J, Vromant C & Maes D (1992) JNM-Dagvlinderinventarisatie: eerste gedeeltelijke resultaten. Jeugdbond voor Natuurstudie en Milieubescherming, Gent. De Knijf G (2006) De Rode Lijst van de libellen in Vlaanderen. In: De libellen (Odonata) van België: verspreiding - evolutie - habitats. De Knijf G, Anselin A, Goffart P & Tailly M (editors)Libellenwerkgroep Gomphus ism Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. p. 241257. De Ro A, Vanden Broeck A, Verschaeve L, Van Dyck H, Jacobs I, T'jollyn F & Maes D (submitted) Occasional long distance dispersal does not prevent inbreeding in a threatened butterfly. Biological Conservation submitted 22/04/2021. Desender K, Dekoninck W & Maes D (2008) An updated Red List of the ground and tiger beetles (Coleoptera, Carabidae) in Flanders (Belgium). Bulletin van het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen, Entomologie 78: 113-131. Eitschberger U & Stamer P (1990) Cacyreus marshalli Butler, 1898, eine neue Tagfalterart für die europäischen Fauna? (Lepidoptera: Lycaenidae). Atalanta 21: 101 -108. Fichefet V, Barbier Y, Baugnée JY, Dufrêne M, Goffart P, Maes D & Van Dyck H (2008) Papillons de jour de Wallonie (1985-2007). Faune-Flore-Habitats. Groupe de Travail Lépidoptères Lycaena , Département de l'Etude du Milieu Naturel et Agricole (SPW/DGARNE), Gembloux. Filazzola A, Matter SF & MacIvor JS (2021) The direct and indirect effects of extreme climate events on insects. Science of the Total Environment 769: 145161. https://doi.org/10.1016/j.scitotenv.2021.145161 Fischer K & Fiedler K (2000) Response of the copper butterfly Lycaena tityrus to increased leaf nitrogen in natural food plants: evidence against the nitrogen limitation hypothesis. Oecologia 124 (2): 235241. https://doi.org/10.1007/s004420000365 Fokker C, Vossen P, de Knijff P, Wiemers M & van Swaay CAM (2019) (Oostelijke) resedawitjes in Nederland. Vlinders 34 (2): 12-14. Fox R, Dennis EB, Harrower CA, Blumgart D, Bell JR, Cook P, Davis AM, Evans -Hill LJ, Haynes F, Hill D, Isaac NJB, Parsons MS, Pocock MJO, Prescott T, Randle Z, Shortall CR, Tordoff GM, Tuson D & Bourn NAD (2021) The State of Britain’s Larger Moths 2021. Butterfly Conservation, Rothamsted Research and UK Centre for Ecology & Hydrology, Wareham, Dorset, UK. Fox R, Warren MS, Brereton TM, Roy DB & Robinson A (2011) A new Red List of British butterflies. Insect Conservation and Diversity 4: 159-172. https://doi.org/10.1111/j.1752-4598.2010.00117.x Geiger H, Descimon H & Scholl A (1988) Evidence for speciation within nominal Pontia daplidice in Southern Europe. Nota Lepidopterologica 11 (1): 7-20. Geiger H & Scholl A (1982) Pontia daplidice (Lepidoptera, Pieridae) in Südeuropa: eine Gruppe von zwei Arten. Mitteilungen der Schweizerischen Entomologischen Gesellschaft 55 (1 -2): 107-114. Govaere L (2020) Een blik op de kenmerken van bos in Vlaanderen – eerste resultaten van twee opeenvolgende Vlaamse bosinventarisaties. Bosrevue 83 (a): 1-14. Guelinckx R & Abts P (2009) Kaasjeskruiddikkopje vestigt zich in Vlaanderen. Natuur.focus 8 (3): 108 109. Herremans M & Gielen K (2013) Was 2013 een super vlinderjaar? Cijfers uit losse waarnemingen 2009 2013. Natuur.focus 12 (4): 154-162. Herremans M, Swinnen K, Vanreusel W, Vercayie D, Veraghtert W & Vanormelingen P (2018) www.waarnemingen.be. Een veelzijdig portaal voor natuurgegevens. Natuur.focus 17 (4): 153 -166. Herremans M, Vercayie D & Kwak A (2017) Mobiel de route vastleggen en waarnemingen automatisch koppelen. Natuur.oriolus 83 (1): 16-19. Hubert B & Haubreux D (2014) Liste rouge des espèces menacées du Nord – Pas-de-Calais – Papillons de jour (Lépidoptères Papilionoidea). Tableau synthétique. CEN5962. Groupe ornithologique et naturaliste du Nord - Pas-de-Calais - GON, Lille. IUCN (2003) Guidelines for Application of IUCN Red List Criteria at Regional Levels: Version 3.0. IUCN Species Survival Commission, IUCN, Gland, Switzerland and Cambridge, UK. IUCN (2012) Guidelines for Application of IUCN Red List Criteria at Regional and National Levels: Version 4.0. IUCN, Gland, Switzerland and Cambridge, UK. IUCN Standards and Petitions Committee (2019) Guidelines for Using the IUCN Red List Categories and Criteria. Version 14. Gland, Switzerland.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 144 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


Jacobs I, Segers N, Vanreusel W, Laurijssens G, Van Dyck H & Maes D (2015) Nieuwe kennis over de Bruine eikenpage in Vlaanderen. Een ecologische hulpbronnenaanpak voor een bedreigde bosrandsoort. Natuur.focus 14 (2): 52-57. Jacobs I, Segers N, Vanreusel W, Van Dyck H & Maes D (2014) Wetenschappelijk basisrapport voor het Soortbeschermingsprogramma Bruine eikenpage (Satyrium ilicis). Rapport van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek INBO.R.2014.1494759. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Kettermann M, Münsch T, Stuhldreher G & Fartmann T (2020) Manche mögen’s heiß – aktuelle Ausbreitung von Pyrgus armoricanus (Oberthür, 1910) im Diemeltal (Ostwestfalen/Nordhessen) und in Deutschland als Folge von Hitzesommern. Nachrichten des Entomologischen Vereins Apollo, Neue Folge 40 (3/4): 209-214. Klop E, Omon B & WallisDeVries MF (2015) Impact of nitrogen deposition on larval habitats: the case of the Wall Brown butterfly Lasiommata megera. Journal of Insect Conservation 19 (2): 393-402. https://doi.org/10.1007/s10841-014-9748-z Kühn E, Musche M, Harpke A, Feldmann R, Wiemers M & Settele J (2020) Tagfalter -Monitoring Deutschland: Jahresauswertung 2019. Oedippus 36: 6-40. Kuppler J & Kotowska MM (2021) A meta -analysis of responses in floral traits and flower-visitor interactions to water deficit. Global Change Biology in press. https://doi.org/10.1111/gcb.15621 Kurze S, Heinken T & Fartmann T (2018) Nitrogen enrichment in host plants increases the mortality of common Lepidoptera species. Oecologia 188 (4): 1227-1237. https://doi.org/10.1007/s00442-0184266-4 Lafranchis T, Jutzeler D, Guillosson J-Y, Kan P & Kan B (2015) La vie des papillons. Ecologie, Biologie et Comportement des Rhopalocères de France. Diatheo, Montpellier. Lempke BJ (1972) De Nederlandse trekvlinders. Zutphen. Leraut P (2016) Butterflies of Europe and neighbouring regions. N. A. P. Editions, Verrières -le-Buisson. Lewis OT, Thomas CD, Hill JK, Brookes MI, Crane TPR, Graneau YA, Mallet JLB & Rose OC (1997) Three ways of assessing metapopulation structure in the butterfly Plebejus argus. Ecological Entomology 22 (3): 283-293. https://doi.org/10.1046/j.1365-2311.1997.00074.x Lock K, Stoffelen E, Vercauteren T, Bosmans R & Adriaens T (2013) Updated Red List of the water bugs of Flanders (Belgium) (Hemiptera : Gerromorpha & Nepomorpha). Bulletin de la Société royale belge d’Entomologie/Bulletin van de Koninklijke Belgische Vereniging voor Entomologie 149: 57 -63. Maes D. (2019). De genetische populatiestructuur van het Heideblauwtje in Vlaanderen. Deel 1. Overzicht van het veldwerk. Bruss el: Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek. 108 p. https://doi.org/10.21436/inbor.17038160 Maes D, Adriaens T, Decleer K, Foquet B, Foquet R, Lambrechts J, Lock K & Piesschaert F (2017) IUCN Rode Lijst van de sprinkhanen en krekels in Vlaanderen. Rapporten van het Instituut voor Natuur - en Bosonderzoek 2017 (29). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. https://doi.org/10.21436/inbor.12800242. Maes D & Bonte D (2006) Using distribution patterns of five threatened invertebrates in a highly fragmented dune landscape to develop a multispecies conservation approach. Biological Conservation 133: 490-499. https://doi.org/10.1016/j.biocon.2006.08.001 Maes D, Brosens D, T’jollyn F, Van Hoey S, Piesschaert F, Adriaens T, Dekoninck W, Devos K, Lock K, Onkelinx T, Packet J, Speybroeck J, Thomaes A, Van Den Berge K, Van Landuyt W & Verreycken H (2019a) A database of threat statuses and life-history traits of Red List species in Flanders (northern Belgium). Biodiversity Data Journal 7: e34089. https://doi.org/10.3897/BDJ.7.e34089 Maes D & Daniëls L (1993) Voorlopige atlas van de Vlaamse dagvlinders. Euglena 12 (3): 1 -65. Maes D, Decleer K, De Bruyn L & Hoffmann M (2011a) Nieuwe Rode-Lijstcategorieën en -criteria voor Vlaanderen. Een aanpassing aan de internationale IUCN standaarden. Natuur.foc us 10 (2): 54-61. Maes D, Ellis S, Goffart P, Cruickshanks KL, van Swaay CAM, Cors R, Herremans M, Swinnen KRR, Wils C, Verhulst S, De Bruyn L, Matthysen E, O’Riordan S, Hoare DJ & Bourn NAD (2019b) The potential of species distribution modelling for reintroduction projects: the case study of the Chequered Skipper in England. Journal of Insect Conservation 23 (2): 419-431. https://doi.org/10.1007/s10841-01900154-w Maes D, Ghesquiere A, Logie M & Bonte D (2006) Habitat use and mobility of two threatened coastal dune insects: implications for conservation. Journal of Insect Conservation 10 (2): 105 -115. https://doi.org/10.1007/s10841-006-6287-2 ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 145 van 159


Maes D, Isaac NJB, Harrower CA, Collen B, van Strien AJ & Roy DB (2015) The use of opportunistic data for IUCN Red List assessments. Biological Journal of the Linnean Society 115 (3): 690 -706. https://doi.org/10.1111/bij.12530 Maes D, Jacobs I, Segers N, Vanreusel W, Van Daele T, Laurijssens G & Van Dyck H (2014) A resourcebased conservation approach for an endangered ecotone species: the Ilex Hairstreak ( Satyrium ilicis) in Flanders (north Belgium). Journal of Insect Conservation 18 (5): 939-950. https://doi.org/10.1007/s10841-014-9702-0 Maes D, Ledegen H, Van de Poel S & Westra T (2019c) Monitoringsprotocol dagvlinders. Versie 2.0. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (56). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek,, Brussel. http://doi.org/10.21436/inbor.16744530. Maes D, Piesschaert F, Brosens D & Desmet P (2021) Butterfly monitoring scheme in Flanders, Belgium. version 1.4. Research Institute for Nature and Forest (INBO), Brussels. https://doi.org/10.15468/wwrgcd Maes D, Piesschaert F, T'jollyn F & Van Dyck H (2020a) Dagvlindermonitoring in Vlaanderen. 1991 -2019. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2020 (25). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. https://doi.org/10.21436/inbor.1834447. Maes D, Piesschaert F, T’jollyn F & Van Dyck H (2020b) Dagvlindermonitoring in Vlaanderen. Wat leren we van 29 jaren vlinders tellen? Natuur.focus 19 (2): 52-63. Maes D, Titeux N, Hortal J, Anselin A, Decleer K, De Knijf G, Fichefet V & Luoto M (2010) Predicted insect diversity declines under climate change in an already impoverished region. Journal of Insect Conservation 14 (5): 485-498. https://doi.org/10.1007/s10841-010-9277-3 Maes D & Van Dyck H (1996) Een gedocumenteerde Rode lijst van de dagvlinders van Vlaanderen. Mededelingen van het Instituut voor Natuurbehoud. Instituut voor Natuurbehoud, Brussel. Maes D & Van Dyck H (1999) Dagvlinders in Vlaanderen - Ecologie, verspreiding en behoud. Stichting Leefmilieu i.s.m. Instituut voor Natuurbehoud en Vlaamse Vlinderwerkgroep, Antwerpen/Brussel. Maes D & Van Dyck H (2001) Butterfly diversity loss in Flanders (north Belgium): Europe's worst case scenario? Biological Conservation 99 (3): 263-276. https://doi.org/10.1016/S0006-3207(00)00182-8 Maes D, Vanreusel W, Herremans M, Vantieghem P, Brosens D, Gielen K, Beck O, Van Dyck H, Desmet P & Vlinderwerkgroep Natuurpunt (2016) A database on the distribution of butterflies (Lepidoptera) in northern Belgium (Flanders and the Brussels Capital Region). ZooKeys 585: 143-156. https://doi.org/10.3897/zookeys.585.8019 Maes D, Vanreusel W, Jacobs I, Berwaerts K & Van Dyck H (2011b) Een nieuwe Rode Lijst dagvlinders. De IUCN-criteria toegepast in Vlaanderen. Natuur.focus 10 (2): 62-71. Maes D, Vanreusel W, Jacobs I, Berwaerts K & Van Dyck H (2012) Applying IUCN Red List criteria at a small regional level: A test case with butterflies in Flanders (north Belgium). Biological Conservation 145 (1): 258-266. https://doi.org/10.1016/j.biocon.2011.11.021 Maes D, Vanreusel W, Talloen W & Van Dyck H (2004) Functional conservation units for the endangered Alcon Blue butterfly Maculinea alcon in Belgium (Lepidoptera: Lycaenidae). Biological Conservation 120 (2): 229-241. https://doi.org/10.1016/j.biocon.2004.02.018 Maes D, Vanreusel W & Van Dyck H (2013) Dagvlinders in Vlaanderen: nieuwe kennis voor betere actie. Uitgeverij Lannoo nv, Tielt. Maes D, Verovnik R, Wiemers M, Brosens D, Beshkov S, Bonelli S, Buszko J, Cantú-Salazar L, Cassar L-F, Collins S, Dincă V, Djuric M, Dušej G, Elven H, Franeta F, Garcia -Pereira P, Geryak Y, Goffart P, Gór Á, Hiermann U, Höttinger H, Huemer P, Jakšid P, John E, Kalivoda H, Kati V, Kirkland P, Komac B, Kőrösi Á, Kulak A, Kuussaari M, L’Hoste L, Lelo S, Mestdagh X, Micevski N, Mihoci I, Mihut S, MonasterioLeón Y, Morgun DV, Munguira ML, Murray T, Nielsen PS, Ólafsson E, Õunap E, Pamperis LN, Pavlíčko A, Pettersson LB, Popov S, Popovid M, Pöyry J, Prentice M, Reyserhove L, Ryrholm N, Ša šid M, Savenkov N, Settele J, Sielezniew M, Sinev S, Stefanescu C, Švitra G, Tammaru T, Tiitsaar A, Tzirkalli E, Tzortzakaki O, van Swaay CAM, Viborg AL, Wynhoff I, Zografou K & Warren MS (2019d) Integrating national Red Lists for prioritising conservation actions for European butterflies. Journal of Insect Conservation 23 (2): 301-330. https://doi.org/10.1007/s10841-019-00127-z Manil L & Cuvelier S (2015) Nymphalis xanthomelas (Esper, 1781) Plutôt migration ponctuelle qu’expansion durable ? Premier bilan un an après ! (Lepidoptera : Nymphalidae). Lépidoptères Revue des Lépidoptéristes de France 24 (61): 69-70.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 146 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


Oliver TH, Brereton T & Roy DB (2013) Population resilience to an extreme drought is in fluenced by habitat area and fragmentation in the local landscape. Ecography 36 (5): 579 -586. https://doi.org/10.1111/j.1600-0587.2012.07665.x Oliver TH, Marshall HH, Morecroft MD, Brereton T, Prudhomme C & Huntingford C (2015) Interacting effects of climate change and habitat fragmentation on drought-sensitive butterflies. Nature Climate Change 5 (10): 941-945. https://doi.org/10.1038/Nclimate2746 Papworth SK, Rist J, Coad L & Milner-Gulland EJ (2009) Evidence for shifting baseline syndrome in conservation. Conservation Letters 2 (2): 93-100. https://doi.org/10.1111/j.1755-263X.2009.00049.x Paradiso F, Martelli F, Cerrato C, Ghidotti S, Viterbi R, Canterino S, Ferracini C & Bonelli S (2019) From Africa to the Alps: risk assessment on an invasion by Cacyreus marshalli (Butler, 1898). Journal of Insect Conservation 23 (2): 279-288. https://doi.org/10.1007/s10841-018-00124-8 Parmentier L, Couckuyt J & Cuvelier S (2014) Het ‘uitgestorven’ Bretons Spikkeldikkopje na 60 jaar terug in België: recente waarnemingen van Pyrgus armoricanus (Lepidoptera: Hesperiidae) in de Gaume. Phegea 42 (1): 7-11. Piesschaert F, Brosens D, Westra T, Maes D, Desmet P, Ledegen H, Veraghtert W, Van de Poel S & Pollet M (2020a) Meetnetten.be - Egg counts for butterflies in Flanders, Belgium. Version 1.7. Research Institute for Nature and Forest (INBO), Brussels. https://doi.org/10.15468/hsfq2u Piesschaert F, Brosens D, Westra T, Maes D, Desmet P, Ledegen H, Veraghtert W, Van de Poel S & Pollet M (2020b) Meetnetten.be - Site counts for butterflies in Flanders, Belgium. Version 1.9. Research Institute for Nature and Forest (INBO), Brussels. https://doi.org/10.15468/hvgkh4 Piesschaert F, Maes D, Brosens D, Westra T, Desmet P, Ledegen H, Veraghtert W, Van de Poel S & Pollet M (2020c) Meetnetten.be - Transects for butterflies in Flanders, Belgium. 1.20. Research Institute for Nature and Forest (INBO), Brussels. https://doi.org/10.15468/kfhvy4 Pollard E, Ellias D, Skelton M & Thomas JA (1975) A method of assessing the abundance of butterflies in Monks Wood national nature reserve in 1973. Entomologist's Gazette 26: 79 -88. Prendergast JR, Wood SN, Lawton JH & Eversham BC (1993) Correcting for variation in recording effort in analyses of diversity hotspots. Biodiversity Letters 1: 39-53. https://doi.org/10.2307/2999649 Quacchia A, Ferracini C, Bonelli S, Balletto E & Alma A (2008) Can the Geranium Bronze, Cacyreus marshalli, become a threat for European biodiversity? Biodiversity and Conservation 17 (6): 1429 1437. https://doi.org/10.1007/s10531-008-9350-3 Ravenscroft NOM (1994) The ecology and conservation of the Chequered skipper butterfly Pallas in Scotland. II: Foodplant quality and population range. Journal of Applied Ecology 31: 623 -630. https://doi.org/10.2307/2404153 Reinhardt R, Harpke A, Caspari S, Dolek M, Kühn E, Musche M, Trusch R, Wiemers M & Settele J (2020) Verbreitungsatlas der Tagfalter und Widderchen Deutschlands. Eugen Ulmer KG, Stuttgart. Segers N, Jacobs I, Vanreusel W, Van Dyck H & Maes D (2014a) Wetenschappelijk basisrapport voor het Soortbeschermingsprogramma Heivlinder (Hipparchia semele). Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek INBO.R.2014.1494593. Instituut voor Natuur - en Bosonderzoek, Brussel. Segers N, Van Dyck H, Jacobs I, Vanreusel W & Maes D (2014b) Wetenschappelijk basisrapport voor het Soortbeschermingsprogramma Argusvlinder (Lasiommata megera). Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek INBO.R.2014.1494695. Instituut voor Natuur - en Bosonderzoek, Brussel. Settele J, Kudrna O, Harpke A, Kühn I, van Swaay CAM, Verovnik R, Warren MS, Wiemers M, Hansp ach J, Hickler T, Kühn E, van Halder I, Veling K, Vliegenthart A, Wynhoff I & Schweiger O (2008) Climatic risk atlas of European butterflies. BioRisk 1: 1-710. https://doi.org/10.3897/biorisk.1 Sierens T & Gorissen J (2017) De macro-nachtvlinderfauna (Lepidoptera) van het Nationaal Park De Hoge Kempen. Phegea 45 (4): 107-119. Sierens T & Van de Kerckhove O (2014) 33 jaar nachtvlinderinventarisaties tussen Brugge en Gent. Trends en aanbevelingen voor het beheer en behoud. Natuur.focus 13 (2): 66-71. Stefanescu C, Páramo F, Åkesson S, Alarcón M, Ávila A, Brereton T, Carnicer J, Cassar LF, Fox R, Heliölä J, Hill JK, Hirneisen N, Kjellén N, Kühn E, Kuussaari M, Leskinen M, Liechti F, Musche M, Regan EC, Reynolds DR, Roy DB, Ryrholm N, Schmaljohann H, Settele J, Thomas CD, van Swaay C & Chapman JW (2013) Multi-generational long-distance migration of insects: studying the painted lady butterfly in the Western Palaearctic. Ecography 36 (4): 474-486. https://doi.org/10.1111/j.16000587.2012.07738.x

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 147 van 159


Stip A, WallisDeVries MF & Omon B (2014) Beschermingsplan argusvlinder. Rapport VS 2014.026. De Vlinderstichting, Wageningen. Talavera G, Bataille C, Benyamini D, Gascoigne-Pees M & Vila R (2018) Round-trip across the Sahara: Afrotropical Painted Lady butterflies recolonize the Mediterranean in early spring. Biology Letters 14 (20180274): 20180274. https://doi.org/10.1098/rsbl.2018.0274 Thomaes A, Drumont A, Crevecoeur L & Maes D (2015) Rode lijst van de saproxyle bladsprietkevers (Lucanidae, Cetoniidae en Dynastidae) in Vlaanderen. Rapporten van het Instituut voor Natuur - en Bosonderzoek INBO.R.2015.7843021. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Tropek R, Cizek O, Kadlec T & Klecka J (2017) Habitat use of Hipparchia semele (Lepidoptera) in its artificial stronghold: necessity of the resource-based habitat view in restoration of disturbed sites. Polish Journal of Ecology 65 (3): 385-399, 315. https://doi.org/10.3161/15052249PJE2017.65.3.006 Van Dyck H, Puls R, Bonte D, Gotthard K & Maes D (2015) The lost generation hypothesis: could climate change drive ectotherms into a developmental trap? Oikos 124 (1): 54 -61. https://doi.org/10.1111/oik.02066 Van Dyck H, van Strien AJ, Maes D & van Swaay CAM (2009) Declines in common, widespread bu tterflies in a landscape under intense human use. Conservation Biology 23 (4): 957-965. https://doi.org/10.1111/j.1523-1739.2009.01175.x van Swaay CAM (2019) Basisrapport Rode Lijst Dagvlinders 2019 volgens Nederlandse en IUCN-criteria. Rapport VS 2019.001. De Vlinderstichting, Wageningen. van Swaay CAM, Bos-Groenendijk GI, van Deijk JR, van Grunsven RHA, Kok JM, Huskens K & Poot M (2018) Handleiding landelijke meetnetten vlinders, libellen en nachtvlinders. Rapport VS 2018.011. De Vlinderstichting, Wageningen. van Swaay CAM, Bos-Groenendijk GI, Van Grunsven R, Van Deijk JR, Stip A, De Vries HH, Kok JM, Huskens K, Veling K, Van ’t Bosch J & Poot MJM (2021) Vlinders, libellen en hommels geteld . Jaarverslag 2020. Rapport VS 2021.002. De Vlinderstichting, Wageningen. van Swaay CAM, Cuttelod A, Collins S, Maes D, Munguira ML, Šašid M, Settele J, Verovnik R, Verstrael T, Warren MS, Wiemers M & Wynhoff I (2010) European Red List of butterflies. Publications Office of the European Union, Luxembourg. van Swaay CAM, Maes D, Collins S, Munguira ML, Šašid M, Settele J, Verovnik R, Warren MS, Wiemers M, Wynhoff I & Cuttelod A (2011) Applying IUCN criteria to invertebrates: How red is the Red List of European butterflies? Biological Conservation 144 (1): 470 -478. https://doi.org/10.1016/j.biocon.2010.09.034 van Swaay CAM, Maes D & Plate C (1997) Monitoring butterflies in The Netherlands and Flanders: the first results. Journal of Insect Conservation 1 (1): 81-88. https://doi.org/10.1023/A:1018491228082 Vanden Broeck A, Maes D, Kelager A, Wynhoff I, WallisDeVries MF, Nash DR, Oostermeijer JGB, Van Dyck H & Mergeay J (2017) Gene flow and effective population sizes of the butterfly Maculinea alcon in a highly fragmented, anthropogenic landscape. Biological Conservation 209: 89-97. https://doi.org/10.1016/j.biocon.2017.02.001 Vanreusel W, Maes D & Van Dyck H (2000) Soortbeschermingsplan gentiaanblauwtje. Universiteit Antwerpen (UIA-UA) - in opdracht van afdeling Natuur van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Wilrijk. Vanreusel W, Swinnen K & Herremans M (2018) Waarnemingen.be, mesthoop of schatkist? Natuur.focus 17 (4). Vantieghem P (2018) First sightings of the southern small white Pieris mannii (Lepidoptera: Pieridae) in the Low Countries. Phegea 43 (1): 2-7. Vantieghem P, Maes D, Kaiser A & Merckx T (2017) Quality of citizen science data and its consequences for the conservation of skipper butterflies (Hesperiidae) in Flanders (northern Belgium). Journal of Insect Conservation 21 (3): 451-463. https://doi.org/10.1007/s10841-016-9924-4 Verschraegen T, Vanreusel W, Lambrechts J & Maes D (2003) Klavertje vier. Het bruin dikkopje, het boswitje, het dwergblauwtje en het klaverblauwtje in Vlaanderen. Vlinders 18 (4): 4 -6. WallisDeVries MF (2001a) Beschermingsplan veldparelmoervlinder 2001 -2005. Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, 's -Gravenhage. WallisDeVries MF (2001b) Soortbeschermingsplan voor de Veldparelmoervlinder in het Grote Netegebied. Rapport VS. De Vlinderstichting (i.o.v. de Vlaamse Landmaatschappij), Wageningen. WallisDeVries MF (2003) Beschermingsplan Gentiaanblauwtje 2003 -2007. Expertisecentrum LNV, Ede. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 148 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


WallisDeVries MF (2004) A quantitative conservation approach for the endangered butterfly Maculinea alcon. Conservation Biology 18 (2): 489-499. https://www.jstor.org/stable/3589227 WallisDeVries MF, Noordijk J, Smit J, Lambrikx N, van Rijsewijk A & Zollinger R (2018) Naar een klimaatbestendige heidefauna in Noord-Brabant: Rapportage Fase 2. Rapport VS 2018.021. De Vlinderstichting / Stichting RAVON / EIS-Kenniscentrum Insecten, Wageningen. WallisDeVries MF & Ramaekers I (2001) Does extensive grazing benefit butterflies in coastal dunes? Restoration Ecology 9 (2): 179-188. https://doi.org/10.1046/j.1526-100x.2001.009002179.x Westra T, De Knijf G, Ledegen H, De Bruyn L, Maes D, Onkelinx T, Piesschaert F, Vanreusel W, Van Elegem B, Pollet M & Quataert P (2016) Monitoring van prioritaire dier - en plantensoorten in Vlaanderen. Opstart van nieuwe meetnetten. Natuur.focus 15 (4): 156 -165. Wiemers M, Balletto E, Dincă V, Fric ZF, Lamas G, Lukhtanov VA, Munguira ML, van Swaay CAM, Vila R, Vliegenhart A, Wahlberg N & Verovnik R (2018) An updated checklist of the European Butterflies (Lepidoptera: Papilionoidea). ZooKeys 811: 9-45. https://doi.org/10.3897/zookeys.811.28712 Zellweger F, De Frenne P, Lenoir J, Vangansbeke P, Verheyen K, Bernhardt-Römermann M, Baeten L, Hédl R, Berki I, Brunet J, Van Calster H, Chudomelová M, Decocq G, Dirnböck T, Durak T, Heinken T, Jaroszewicz B, Kopecký M, Máliš F, Macek M, Malicki M, Naaf T, Nagel TA, Ortmann-Ajkai A, Petřík P, Pielech R, Reczyoska K, Schmidt W, Standovár T, Świerkosz K, Teleki B, Vild O, Wulf M & Coomes D (2020) Forest microclimate dynamics drive plant responses to warming. Science 368 (6492): 772-775. https://doi.org/10.1126/science.aba6880

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 149 van 159


Lijst van figuren Figuur 1

Figuur 2 Figuur 3 Figuur 4

Figuur 5 Figuur 6 Figuur 7

Figuur 8 Figuur 9 Figuur 10

Figuur 11 Figuur 12 Figuur 13

Figuur 14

Figuur 15 Figuur 16

Figuur 17 Figuur 18 Figuur 19

Figuur 20

Figuur 21

Indeling in IUCN Rode Lijstcategorieën voor gebruik op Vlaamse schaal, met vermelding van de Engelse benaming en afkorting. De categorieën in het rood zijn de Rode Lijstcategorieën sen su stricto......................................................................... 10 Aantal gecondenseerde gegevens (soort, jaar, atlashok) per jaar in de periode 1901-2020. .......................................................................................................................... 16 Verspreiding van de Argusvlinder op atlashokniveau in Vlaanderen in de periode 1951-2000 (links) en 2011-2020 (rechts). ..................................................................... 48 Verspreiding van de Argusvlinder in de periode 2011-2020 in Vlaanderen met in het rood de clusters van waarnemingen en in het grijs de ecodistricten waarin de soort voorkomt. ..................................................................................... 49 Trend van de verspreiding van de Argusvlinder op kilometerhokniveau gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen................................................................................ 49 Verspreiding van de Bruine vuurvlinder in de periode 1951 -2000 (links) en 2011-2020 (rechts). .......................................................................................................................... 51 Verspreiding van de Bruine vuurvlinder op kilometerhokniveau in de periode 2011-2020 in Vlaanderen met in het rood de clusters van waarnemingen en in het grijs de ecodistricten waarin de soort voorkomt. ............................................................ 51 Trend van de verspreiding van de Bruine vuurvlinder op kilometerhokniveau gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen................................................................................ 52 Verspreiding van het Gentiaanblauwtje op atlashokniveau in de periode 1951-2000 (links) en 2011-2020 (rechts). .................................................................................... 53 Verspreiding van het Gentiaanblauwtje op kilometerhokniveau in de periode 2011-2020 in Vlaanderen met in het rood de clusters van waarnemingen en in het grijs de ecodistricten waarin de soort voorkomt. ............................................................ 54 Trend van de verspreiding van het Gentiaanblauwtje op kilometerhokniveau gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen................................................................................ 54 Verspreiding van de Aardbeivlinder op atlashokniveau in de periode 1951 2000 (links) en 2011-2020 (rechts)................................................................................................ 56 Verspreiding van de Aardbeivlinder in de periode 2011 -2020 in Vlaanderen met in het rood de clusters van waarnemingen en in het grijs de ecodistricten waarin de soort voorkomt. ..................................................................................... 57 Trend van de verspreiding van de Aardbeivlinder op kilometerhokniveau (links) en op basis van daghokbezoeken (rechts) gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen............................................................................................................................. 57 Verspreiding van de Bruine eikenpage op atlashokniveau in de periode 1951-2000 (links) en 2011-2020 (rechts). .................................................................................... 59 Verspreiding van de Bruine eikenpage in de periode 2011 -2020 in Vlaanderen met in het rood de clusters van waarnemingen en in het grijs de ecodistricten waarin de soort voorkomt. ..................................................................................... 59 Trend van de verspreiding van de Bruine eikenpage op kilometerhokniveau gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen................................................................................ 60 Verspreiding van het Groentje op atlashokniveau in de periode 1951-2000 (links) en 2011-2020 (rechts).......................................................................................................... 61 Verspreiding van het Groentje in de periode 2011-2020 in Vlaanderen met in het rood de clusters van waarnemingen en in het grijs de ecodistricten waarin de soort voorkomt............................................................................................................... 62 Trend van de verspreiding van het Groentje op kilometerhokniveau (links) en op basis van daghokbezoeken (rechts) gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen......................................................................................................................................... 62 Verspreiding van het Heideblauwtje op atlashokniveau in de periode 1951 2000 (links) en 2011-2020 (rechts)................................................................................................ 63

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 150 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


Figuur 22

Figuur 23

Figuur 24 Figuur 25

Figuur 26 Figuur 27 Figuur 28

Figuur 29

Figuur 30 Figuur 31

Figuur 32 Figuur 33 Figuur 34

Figuur 35

Figuur 36 Figuur 37

Figuur 38

Figuur 39 Figuur 40

Figuur 41 Figuur 42

Verspreiding van het Heideblauwtje in de periode 2011-2020 in Vlaanderen met in het rood de clusters van waarnemingen en in het grijs de ecodistricten waarin de soort voorkomt. ..................................................................................... 64 Trend van de verspreiding van het Heideblauwtje op kilometerhokniveau (links) en op basis van daghokbezoeken (rechts) gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen............................................................................................................................. 64 Verspreiding van de Heivlinder op atlashokniveau in de periode 1951 -2000 (links) en 2011-2020 (rechts).......................................................................................................... 66 Verspreiding van de Heivlinder in de periode 2011-2020 in Vlaanderen met in het rood de clusters van waarnemingen en in het grijs de ecodistricten waarin de soort voorkomt............................................................................................................... 66 Trend van de verspreiding van de Heivlinder op kilometerhokniveau gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen................................................................................ 67 Verspreiding van de Kleine vos op atlashokniveau in de periode 1951 -2000 (links) en 2011-2020 (rechts).......................................................................................................... 68 Verspreiding van de Kleine vos in de periode 2011-2020 in Vlaanderen met in het rood de clusters van waarnemingen en in het grijs de ecodistricten waarin de soort voorkomt............................................................................................................... 69 Trend van de verspreiding van de Kleine vos op kilometerhokniveau (links) en op basis van daghokbezoeken (rechts) gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen......................................................................................................................................... 69 Verspreiding van de Kommavlinder op atlashokniveau in de periode 1951 2000 (links) en 2011-2020 (rechts)................................................................................................ 71 Verspreiding van de Kommavlinder in de periode 2011-2020 in Vlaanderen met in het rood de clusters van waarnemingen en in het grijs de ecodistricten waarin de soort voorkomt. ..................................................................................... 71 Trend van de verspreiding van de Kommavlinder op kilometerhokniveau gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen................................................................................ 72 Verspreiding van het Bont dikkopje op atlashokniveau in de periode 1951 2000 (links) en 2011-2020 (rechts)................................................................................................ 74 Verspreiding van het Bont dikkopje in de periode 2011 -2020 in Vlaanderen met in het rood de clusters van waarnemingen en in het grijs de ecodistricten waarin de soort voorkomt. ..................................................................................... 74 Trend van de verspreiding van het Bont dikkopje op kilometerhokniveau (links) en op basis van daghokbezoeken (rechts) gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen............................................................................................................................. 74 Verspreiding van het Boswitje op atlashokniveau in de periode 1951 -2000 (links) en 2011-2020 (rechts).......................................................................................................... 76 Verspreiding van het Boswitje in de periode 2011-2020 in Vlaanderen met in het rood de clusters van waarnemingen en in het grijs de ecodistricten waarin de soort voorkomt............................................................................................................... 76 Trend van de verspreiding van het Boswitje op kilometerhokniveau (links) en op basis van daghokbezoeken (rechts) gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen......................................................................................................................................... 77 Verspreiding van het Bruin dikkopje op atl ashokniveau in de periode 19512000 (links) en 2011-2020 (rechts)................................................................................................ 78 Verspreiding van het Bruin dikkopje in de periode 2011-2020 in Vlaanderen met in het rood de clusters van waarnemingen en in het grijs de ecodistricten waarin de soort voorkomt. ..................................................................................... 79 Trend van de verspreiding van het Bruin dikkopje op kilometerhokniveau gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen................................................................................ 79 Verspreiding van het Dambordje op atlashokniveau in de periode 1951 -2000 (links) en 2011-2020 (rechts).......................................................................................................... 81

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 151 van 159


Figuur 43

Figuur 44 Figuur 45 Figuur 46

Figuur 47 Figuur 48 Figuur 49

Figuur 50

Figuur 51 Figuur 52

Figuur 53 Figuur 54 Figuur 55

Figuur 56 Figuur 57 Figuur 58 Figuur 59

Figuur 60 Figuur 61 Figuur 62 Figuur 63 Figuur 64

Figuur 65 Figuur 66

Verspreiding van het Dambordje in de periode 2011-2020 in Vlaanderen met in het rood de clusters van waarnemingen en in het grijs de ecodistricten waarin de soort voorkomt............................................................................................................... 81 Trend van de verspreiding van het Dambordje op kilometerhokniveau gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen................................................................................ 82 Verspreiding van het Dwergblauwtje op atlashokniveau in de periode 1951 2000 (links) en 2011-2020 (rechts)................................................................................................ 83 Verspreiding van het Dwergblauwtje in de periode 2011-2020 in Vlaanderen met in het rood de clusters van waarnemingen en in het grijs de ecodistricten waarin de soort voorkomt. ..................................................................................... 84 Trend van de verspreiding van het Dwergblauwtje op kilometerhokniveau gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen................................................................................ 84 Verspreiding van het Geelsprietdikkopje op atlashokniveau in de periode 1951-2000 (links) en 2011-2020 (rechts). .................................................................................... 86 Verspreiding van het Geelsprietdikkopje in de periode 2011 -2020 in Vlaanderen met in het rood de clusters van waarnemingen en in het grijs de ecodistricten waarin de soort voorkomt. ..................................................................................... 86 Trend van de verspreiding van het Geelsprietdikkopje op kilometerhokniveau (links) en op basis van daghokbezoeken (rechts) gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen................................................................................ 87 Verspreiding van de Gele luzernevlinder op atlashokniveau in de periode 1951-2000 (links) en 2011-2020 (rechts). .................................................................................... 88 Verspreiding van de Gele luzernevlinder in de periode 2011 -2020 in Vlaanderen met in het rood de clusters van waarnemingen en in het grijs de ecodistricten waarin de soort voorkomt. ..................................................................................... 88 Trend van de verspreiding van de Gele luzernevlinder op kilometerhokniveau gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen. ......................................... 89 Verspreiding van het Klaverblauwtje op atlashokniveau in de periode 1951 2000 (links) en 2011-2020 (rechts)................................................................................................ 90 Verspreiding van het Klaverblauwtje in de periode 2011-2020 in Vlaanderen met in het rood de clusters van waarnemingen en in het grijs de ecodistricten waarin de soort voorkomt. ..................................................................................... 91 Trend van de verspreiding van het Klaverblauwtje op kilometerhokniveau gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen................................................................................ 91 Verspreiding van het Zwartsprietdikkopje op atlashokniveau in de periode 1951-2000 (links) en 2011-2020 (rechts). .................................................................................... 93 Verspreiding van het Zwartsprietdikkopje in de periode 2011 -2020 in Vlaanderen......................................................................................................................................... 93 Trend van de verspreiding van het Zwartsprietdikkopje op kilometerhokniveau (links) en op basis van daghokbezoeken (rechts) gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen................................................................................ 93 Verspreiding van de Grote vos op atlashokniveau in de periode 1951 -2000 (links) en 2011-2020 (rechts).......................................................................................................... 95 Waarnemingen van de Grote vos in de periode 2011-2020 in Vlaanderen........................... 95 Trend van de verspreiding van de Grote vos op kilometerhokniveau gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen................................................................................ 96 Verspreiding van de Veldparelmoervlinder op atlashokniveau in de periode 1951-2000 (links) en 2011-2020 (rechts). .................................................................................... 97 Verspreiding van de Veldparelmoervlinder in de periode 2011-2020 in Vlaanderen met in het rood de clusters van waarnemingen en in het grijs de ecodistricten waarin de soort voorkomt. ..................................................................................... 98 Trend van de verspreiding van de Veldparelmoervlinder op kilometerhokniveau gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen. ......................................... 98 Verspreiding van de Atalanta op atlashokniveau in de periode 1951 -2000 (links) en 2011-2020 (rechts)........................................................................................................ 100

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 152 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


Figuur 67

Figuur 68 Figuur 69

Figuur 70 Figuur 71

Figuur 72 Figuur 73 Figuur 74 Figuur 75 Figuur 76 Figuur 77

Figuur 78 Figuur 79

Figuur 80 Figuur 81

Figuur 82 Figuur 83

Figuur 84 Figuur 85

Figuur 86 Figuur 87

Figuur 88

Trend van de verspreiding van de Atalanta op kilometerhokniveau (links) en op basis van daghokbezoeken (rechts) gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen....................................................................................................................................... 100 Verspreiding van het Bont zandoogje op atlashokniveau in de periode 1951 2000 (links) en 2011-2020 (rechts).............................................................................................. 101 Trend van de verspreiding van het Bont zandoogje op kilometerhokniveau (links) en op basis van daghokbezoeken (rechts) gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen........................................................................................................................... 101 Verspreiding van het Boomblauwtje op atlashokniveau in de periode 1951 2000 (links) en 2011-2020 (rechts).............................................................................................. 102 Trend van de verspreiding van het Boomblauwtje op kilometerhokniveau (links) en op basis van daghokbezoeken (rechts) gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen........................................................................................................................... 102 Verspreiding van de Braamparelmoervlinder op atlashokniveau in de periode 1951-2000 (links) en 2011-2020 (rechts). ................................................................... 103 Trend van de verspreiding van de Braamparelmoervlinder op kilometerhokniveau gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen. ....................................... 103 Verspreiding van het Bruin blauwtje op atlashokniveau in de periode 1951 2000 (links) en 2011-2020 (rechts).............................................................................................. 104 Trend van de verspreiding van het Bruin blauwtje op kilometerhokniveau gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen.............................................................................. 104 Verspreiding van het Bruin zandoogje op atlashokniveau in de periode 1951 2000 (links) en 2011-2020 (rechts).............................................................................................. 105 Trend van de verspreiding van het Bruin zandoogje op kilometerhokniveau (links) en op basis van daghokbezoeken (rechts) gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen........................................................................................................................... 105 Verspreiding van de Citroenvlinder op atlashokniveau in de periode 1951 2000 (links) en 2011-2020 (rechts).............................................................................................. 106 Trend van de verspreiding van de Citroenvlinder op kilometerhokniveau (links) en op basis van daghokbezoeken (rechts) gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen........................................................................................................................... 106 Verspreiding van de Dagpauwoog op atlashokniveau in de periode 19512000 (links) en 2011-2020 (rechts).............................................................................................. 107 Trend van de verspreiding van de Dagpauwoog op kilometerhokniveau (links) en op basis van daghokbezoeken (rechts) gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen........................................................................................................................... 107 Verspreiding van de Distelvlinder op atlashokniveau in de periode 19512000 (links) en 2011-2020 (rechts).............................................................................................. 108 Trend van de verspreiding van de Distelvlinder op kilometerhokniveau (links) en op basis van daghokbezoeken (rechts) gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen....................................................................................................................................... 108 Verspreiding van de Eikenpage op atlashokniveau in de periode 1951 -2000 (links) en 2011-2020 (rechts)........................................................................................................ 109 Trend van de verspreiding van de Eikenpage op kilometerhokniveau (links) en op basis van daghokbezoeken (rechts) gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen....................................................................................................................................... 109 Verspreiding van de Gehakkelde aurelia op atlashokniveau in de periode 1951-2000 (links) en 2011-2020 (rechts). .................................................................................. 110 Trend van de verspreiding van de Gehakkelde aurelia op kilometerhokniveau (links) en op basis van daghokbezoeken (rechts) gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen.............................................................................. 110 Verspreiding van het Groot dikkopje op atlashokniveau in de periode 1951 2000 (links) en 2011-2020 (rechts).............................................................................................. 111

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 153 van 159


Figuur 89

Figuur 90 Figuur 91

Figuur 92 Figuur 93 Figuur 94 Figuur 95

Figuur 96 Figuur 97

Figuur 98 Figuur 99 Figuur 100 Figuur 101

Figuur 102 Figuur 103

Figuur 104 Figuur 105

Figuur 106 Figuur 107

Figuur 108 Figuur 109

Figuur 110 Figuur 111

Trend van de verspreiding van het Groot dikkopje op kilometerhokniveau (links) en op basis van daghokbezoeken (rechts) gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen........................................................................................................................... 111 Verspreiding van het Groot koolwitje op atlashokniveau in de periode 1951 2000 (links) en 2011-2020 (rechts).............................................................................................. 112 Trend van de verspreiding van het Groot koolwitje op kilometerhokniveau (links) en op basis van daghokbezoeken (rechts) gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen........................................................................................................................... 112 Verspreiding van de Grote weerschijnvlinder op atlashokniveau in de periode 1951-2000 (links) en 2011-2020 (rechts). ................................................................... 113 Trend van de verspreiding van de Grote weerschijnvlinder op kilometerhokniveau gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen. ....................................... 113 Verspreiding van het Hooibeestje op atlashokniveau in de periode 1951 2000 (links) en 2011-2020 (rechts).............................................................................................. 114 Trend van de verspreiding van het Hooibeestje op kilometerhokniveau (links) en op basis van daghokbezoeken (rechts) gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen........................................................................................................................... 114 Verspreiding van het Icarusblauwtje op atlashokniveau in de periode 1951 2000 (links) en 2011-2020 (rechts).............................................................................................. 115 Trend van de verspreiding van het Icarusblauwtje op kilometerhokniveau (links) en op basis van daghokbezoeken (rechts) gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen........................................................................................................................... 115 Verspreiding van de Iepenpage op atlashokniveau in de periode 1951-2000 (links) en 2011-2020 (rechts)........................................................................................................ 116 Trend van de verspreiding van de Iepenpage op kilometerhokniveau gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen.............................................................................. 116 Verspreiding van het Kaasjeskruiddikkopje op atlashokniveau in de periode 1951-2000 (links) en 2011-2020 (rechts). .................................................................................. 117 Trend van de verspreiding van het Kaasjeskruiddikkopje op kilometerhokniveau (links) en op basis van daghokbezoeken (rechts) gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen.............................................................................. 117 Verspreiding van de Keizersmantel op atlashokniveau in de periode 1951 2000 (links) en 2011-2020 (rechts).............................................................................................. 118 Trend van de verspreiding van de Keizersmantel op kilometerhokniveau (links) en op basis van daghokbezoeken (rechts) gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen........................................................................................................................... 118 Verspreiding van de Kleine ijsvogelvlinder op atlashokniveau in de periode 1951-2000 (links) en 2011-2020 (rechts). .................................................................................. 119 Trend van de verspreiding van de Kleine ijsvogelvlinder op kilometerhokniveau (links) en op basis van daghokbezoeken (rechts) gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen.............................................................................. 119 Verspreiding van de Kleine parelmoervlinder op atlashokniveau in de periode 1951-2000 (links) en 2011-2020 (rechts). .................................................................................. 120 Trend van de verspreiding van de Kleine parelmoervlinder op kilometerhokniveau (links) en op basis van daghokbezoeken (rechts) gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen.............................................................................. 120 Verspreiding van de Kleine vuurvlinder op atlashokniveau in de periode 1951-2000 (links) en 2011-2020 (rechts). .................................................................................. 121 Trend van de verspreiding van de Kleine vuurvlinder op kilometerhokniveau (links) en op basis van daghokbezoeken (rechts) gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen........................................................................................................................... 121 Verspreiding van de Kleine weerschijnvlinder op a tlashokniveau in de periode 1951-2000 (links) en 2011-2020 (rechts). ................................................................... 122 Trend van de verspreiding van de Kleine weerschij nvlinder op kilometerhokniveau gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen. ....................................... 122

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 154 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


Figuur 112 Figuur 113

Figuur 114 Figuur 115

Figuur 116 Figuur 117

Figuur 118 Figuur 119

Figuur 120 Figuur 121

Figuur 122 Figuur 123

Figuur 124 Figuur 125

Figuur 126 Figuur 127

Figuur 128 Figuur 129

Figuur 130 Figuur 131 Figuur 132 Figuur 133

Verspreiding van het Klein geaderd witje op atlashokniveau in de periode 1951-2000 (links) en 2011-2020 (rechts). .................................................................................. 123 Trend van de verspreiding van het Klein geaderd witje op kilometerhokniveau (links) en op basis van daghokbezoeken (rechts) gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen.............................................................................. 123 Verspreiding van het Klein koolwitje op atlashokniveau in de periode 1951 2000 (links) en 2011-2020 (rechts).............................................................................................. 124 Trend van de verspreiding van het Klein koolwitje op kilometerhokniveau (links) en op basis van daghokbezoeken (rechts) gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen........................................................................................................................... 124 Verspreiding van het Koevinkje op atlashokniveau in de periode 1951 -2000 (links) en 2011-2020 (rechts)........................................................................................................ 125 Trend van de verspreiding van het Koevinkje op kilometerhokniveau (links) en op basis van daghokbezoeken (rechts) gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen....................................................................................................................................... 125 Verspreiding van de Koninginnenpage op atlashokniveau in de periode 1951 2000 (links) en 2011-2020 (rechts).............................................................................................. 126 Trend van de verspreiding van de Koninginnenpage op kilometerhokniveau (links) en op basis van daghokbezoeken (rechts) gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen........................................................................................................................... 126 Verspreiding van het Landkaartje op atlashokniveau in de periode 1951 -2000 (links) en 2011-2020 (rechts)........................................................................................................ 127 Trend van de verspreiding van het Landkaartje op kilometerhokniveau (links) en op basis van daghokbezoeken (rechts) gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen....................................................................................................................................... 127 Verspreiding van de Oranje luzernevlinder op atlashokniveau in de periode 1951-2000 (links) en 2011-2020 (rechts). .................................................................................. 128 Trend van de verspreiding van de Oranje luzernevlinder op kilometerhokniveau (links) en op basis van daghokbezoeken (rechts) gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen.............................................................................. 128 Verspreiding van Het Oranjetipje op atlashokniveau in de periode 1951-2000 (links) en 2011-2020 (rechts)........................................................................................................ 129 Trend van de verspreiding van het Oranjetipje op kilometerhokniveau (links) en op basis van daghokbezoeken (rechts) gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen....................................................................................................................................... 129 Verspreiding van het Oranje zandoogje op atlashokniveau in de periode 1951-2000 (links) en 2011-2020 (rechts). .................................................................................. 130 Trend van de verspreiding van het Oranje zandoogje op kilometerhokniveau (links) en op basis van daghokbezoeken (rechts) gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen........................................................................................................................... 130 Verspreiding van het Scheefbloemwitje op atlashokniveau in de periode 1951-2000 (links) en 2011-2020 (rechts). .................................................................................. 131 Trend van de verspreiding van het Scheefbloemwitje op kilometerhokniveau (links) en op basis van daghokbezoeken (rechts) gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen........................................................................................................................... 131 Verspreiding van de Sleedoornpage op atlashokniveau in de periode 1951 2000 (links) en 2011-2020 (rechts).............................................................................................. 132 Trend van de verspreiding van de Sleedoornpage op kilometerhokniveau gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen.............................................................................. 132 Verspreiding van het Staartblauwtje op atlashokniveau in de periode 1951 2000 (links) en 2011-2020 (rechts).............................................................................................. 133 Trend van de verspreiding van het Staartblauwtje op kilometerhokniveau gedurende de laatste 10 jaar in Vlaanderen.............................................................................. 133

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 155 van 159


Figuur 134

Figuur 135 Figuur 136 Figuur 137

Rode Lijst Index van de dagvlinders in Vlaanderen op basis van Rode Lijststatussen in 2001, 2011 en 2021 (links) en de Rode Lijst Index per biotoopvoorkeur (rechts). ............................................................................................................. 135 Vergelijking met vorige Rode Lijsten in Vlaanderen en met de buurlanden. ....................... 138 Het aandeel soorten in de verschillende Rode Lijstcategorieën in andere taxonomische groepen. ................................................................................................................. 138 Heatmap op basis van de gesommeerde Rode Lijstwaarde per kilometerhok. Hoe donkerder, hoe hoger de Rode Lijstwaarde. De afgebakende gebieden zijn de Natura2000-gebieden in Vlaanderen (Habitaten Vogelrichtlijngebieden).................................................................................................................. 140

Lijst van tabellen Tabel 1

Tabel 2 Tabel 3

Tabel 4

Tabel 5 Tabel 6

Tabel 7

Tabel 8

Tabel 9 Tabel 10

Tabel 11

Samenvatting van de vijf criteria (A-E) die gebruikt worden om te toetsen of een soort tot de Rode Lijstcategorieën Ernstig Bedreigd, Bedreigd of Kwetsbaar behoor t........................................................................................................................... 11 Aantal gegevens in de verschillende gegevensbronnen in Vlaanderen.................................. 12 T Z Standvlinders in Vlaanderen. : de soort is ook gedeeltelijk trekvlinder, : de soort komt momenteel enkel nog als zwerver voor. De volgorde is volgens Wiemers et al. (2018)....................................................................................................................... 19 Dagvlinders die aan de rand van hun areaal voorkomen in Vlaanderen en soorten die omwille van het niet aansluiten van hun verspreiding op Vlaanderen , het bedreigd zijn in een van de buurregio’s of het onvoldoende mobiel zijn niet van Rode Lijstcategorie worden verlaagd worden. ....................................... 29 Soorten die als Regionaal Uitgesto rven worden beschouwd in Vlaanderen......................... 30 Aantal atlashokken in de perioden 1951-2000 en 2011-2020 en de berekende trend in verspreiding (procentuele verandering ten opzichte van de periode 1951-2000). t10 = verschil in het relatieve aantal kilometerhokken in 2020 ten opzichte van het jaar 2011......................................................... 31 Areaalgrootte (EoO = Extend of Occurrence, km²) en oppervlakte (AoO = Area of Occupancy, km²) van de soorten die voldoen aan een van de voorwaarden voor IUCN criterium A in de periode 2011 -2020. a(i) = versnipperde verspreiding, a(ii) = aantal locaties, b(ii) = voortdurende afname in oppervlakte, b(iii) = afname in oppervlakte, areaalgrootte en/of kwaliteit van de habitat, b(iv) = afname aantal vindplaatsen of subpopulaties, c(iv) = extreme schommelingen in het aantal zich voortplantende individuen. ............................................................................................................ 32 Geschatte populatiegrootte (nInd) en bijkomende subcriteria bij criterium C. C1: trend in verspreiding in de laatste 10 jaar, C2: + = achteruitgang van minstens 20% in de laatste 10 jaar, C2a(i) = geschat aantal individuen per subpopulatie. ..................................................................................................................................... 33 Geschatte populatiegrootte (D1) en aantal locaties waarop de soort voorkomt (D2). .................................................................................................................................. 33 Rode Lijstcategorie volgens de verschillende criteria. RLCz = Rode Lijst zonder downgrade, RLC = finale Rode Lijstcategorie. dg = Downgrade (- = nee, + = ja).......................................................................................................................................... 34 Overzicht van de soorten in de verschillende Rode Lijstcategorieën.................................... 134

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 156 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


6

BIJLAGEN

Bijlage 1

Overzichtstabel van alle Rode Lijstcriteria die gebruikt werden om soorten in de te delen in IUCN Rode Lijstcategorieën. #p1, #p2: aantal atlashokken (5 x 5 km²) in periode 1 (1951-2000) en periode 2 (2011-2020);Trend: relatieve trend tussen de perioden 1951-2000 en 2011-2020; RLC_A: Rode Lijstcategorie op basis van IUCNcriterium A; EoO: areaalgrootte (Extent of Occurrence); AoO: oppervlakte (Area of Occupancy); Ba(i): vernsipperde verspreiding; Ba(ii): aantal locaties; Bb(ii): voortdurende afname in oppervlakte; Bb(iii): voortdurende afnamen in oppervlakte, areaalgrootte en/of kwaliteit van de habita t; Bb(iv): voortdurende afnamen in het aantal vindplaatsen; Bc(iv): extreme schommelingen in het aantal zich voortplantende individuen; RLC_B: Rode Lijstcategorie op basis van criterium B; C: geschat aantal zich voortplantende individuen; C1: geschatte achteruitgang in de laatste 10 jaar; C2: achteruitgang; C2a(i): aantal zich voortplantende individuen per subpopulatie; RLC_C: Rode Lijstcategorie op basis van criterium C; D1: geschat aantal zich voortplantende individuen; D2: kleine oppervlakte of beperkt aantal a r locaties (≤ 5); RLC_D: Rode Lijstcategorie op basis van criterium D; RLC1: hoogste Rode Lijstcategorie volgens criterium A-D; Dg = downgrade (+ : areaalrandsoort; + : r mogelijk reddingseffect uit de buurregio’s waardoor de soort met een Rode Lijstcategorie wordt verlaagd, ++ : sterke recente toename waardoor de soort met twee Rode Lijstcategorieën wordt verlaagd); RLC: finale Rode Lijstcategorie na een eventuele downgrading.

Regionaal Uitgestorven (RE) Bosparelmoervlinder Groot geaderd witje Kleine heivlinder Bosrandparelmoervlinder Grote ijsvogelvlinder Moerasparelmoervlinder* Bretons spikkeldikkopje Grote parelmoervlinder Pimpernelblauwtje Duinparelmoervlinder Kalkgraslanddikkopje Resedawitje senus lato * De soort werd in 2016 illegaal uitgezet in een natuurgebied in Vlaams-Brabant en is daar momenteel nog aanwezig. Ernstig Bedreigd (CR)

#p1

#p2

Trend RLC_A

Argusvlinder Bruine vuurvlinder Gentiaanblauwtje

409 54 36

68 9 10

-88 -87 -80

16 77 83 73 103 574 27

7 28 97 68 74 620 21

-65 -73 -15 -32 -47 -42

EoO

AoO

Ba(i) Ba(ii) Bb(ii) Bb(iii) Bb(iv) Bc(iv)

CR CR CR

3045 4690 3283

410 27 36

Ba(i) Ba(i)

20 Bb(ii) Bb(iii) Bb(iv) 5 - Bb(iii) 4 Bb(ii) Bb(iii) Bb(iv)

EN EN VU ENc CRc VU

3989 3976 5301 4006 4285 13.749 3087

20 85 310 211 397 5982 93

Ba(i) Ba(i) Ba(i) Ba(i) Ba(i) Ba(i)

4 10

-

Rouwmantel Spiegeldikkopje Vals heideblauwtje Veenhooibeestje

Woudparelmoervlinder Zilveren maan Zilverstreephooibeestje Zilvervlek

RLC_B

C

C1

C2

C2a(i)

RLC_C

D1

D2

RLC_D

RLC1

Dg

RLC

EN EN EN

<2100 <300 <300

-47 -32

C2 C2

<1000 <250 <250

EN EN

<300 <300

5 4

VU VU

CR CR CR

-

CR CR CR

EN EN EN EN EN VU EN

<600 <1500 <4100 >20.000 <15.000 <7300 <1200

-43 -49 -32 -27 -59 -99 -72

C2 C2 C2 C2 C2 C2 C2

<250 <250 <250 <1000 <250

EN EN VU NT VU EN

<600 -

4 10

VU NT

EN EN EN EN EN CR EN

+r -

EN EN EN EN EN EN EN

Bedreigd (EN) Aardbeivlinder Bruine eikenpage Groentje Heideblauwtje Heivlinder Kleine vos Kommavlinder

Bb(ii) Bb(iii) Bb(ii) Bb(iii) Bb(iv) Bb(ii) Bb(iii) Bb(ii) Bb(iii) Bb(ii) Bb(iii) Bb(iv) Bb(ii) - Bb(iv) Bc(iv) Bb(ii) Bb(iii) Bb(iv) -

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 157 van 159


Kwetsbaar (VU)

#p1

#p2

Trend RLC_A

EoO

AoO

Ba(i) Ba(ii) Bb(ii) Bb(iii) Bb(iv) Bc(iv)

Bont dikkopje Boswitje Bruin dikkopje Dambordje Dwergblauwtje Geelsprietdikkopje Gele luzernevlinder Klaverblauwtje Zwartsprietdikkopje

84 3 10 5 3 224 108 21 443

106 29 7 8 6 89 90 23 524

-6 +452 -46 +10 +29 -71 -20 -14

VU VU* NT VUc

4826 5502 3300 2398 737 8336 8438 3529 13.749

502 97 30 12 18 265 195 56 2031

Ba(i) 20 4 5 Ba(i) 4 5-10 Ba(i) 16 - Bb(ii)

86 34

320 47

+1

-

13.604 3997

675 150

-

? -

632 623 611 22 574 623 608 632 623 422 620 594 620 240 445 612 187 404 419 609 628 203 331

0 +1594 +274 +87 +12 +738 -17 +706 +29.221 +568 +58 +370

NTc -

13.749 13.749 13.749 6713 13.749 13.749 13.749 13.749 13.749 13.749 13.749 13.749 13.749 12.554 13.457 13.749 11.406 13.553 13.749 13.749 13.749 13.513 13.693

9382 8102 6397 28 3683 7166 7804 9070 6210 1837 6937 5091 6267 555 2876 5691 426 1474 1154 6124 9127 633 1700

-

-

RLC_B

C

C1

C2

C2a(i)

RLC_C

D1

D2

RLC_D

RLC1

Dg RLC_Final

Bb(iii) Bb(iii) Bb(iii) Bb(iii) Bb(iii) Bb(iii) -

-

Bc(iv) -

EN EN EN EN NT EN EN NT

<3600 <1200 <1100 <250 <700 <2800 <1300 <300 <14.000

-61 -40 -44

C2 C2 C2

<1000 <250 <250 <250 <250 <250 <250 -

VU EN NT

<250 <700 <300 -

4 5 4 5-10 -

VU EN VU NT VU -

VU EN EN EN EN VU EN EN VU

+a +a +a +a +a +a -

VU VU VU VU VU VU VU VU VU

-

Bb(iii)

-

Bc(iv) -

NT NT

<1000 <14.000

-

-

-

-

<900 -

-

VU -

VU NT

+r -

NT NT

Bb(ii) Bb(ii) -

-

-

-

NT NT -

<500 <2400 <3000 <6000 <6000 <4400 -

-28 -26 -

-

-

-

<500 -

-

-

LC NT LC VU LC LC LC NT LC LC LC LC LC LC LC LC LC LC LC LC LC LC LC

+r +r +r ++r +r +r +r +r +r +r +r +r +r +r +r +r +r +r +r +r +r +r +r

LC LC LC LC LC LC LC LC LC LC LC LC LC LC LC LC LC LC LC LC LC LC LC

Bijna in Gevaar (NT) Grote vos Veldparelmoervlinder

Momenteel niet in Gevaar (LC) Atalanta Bont zandoogje Boomblauwtje Braamparelmoervlinder Bruin blauwtje Bruin zandoogje Citroenvlinder Dagpauwoog Distelvlinder Eikenpage Gehakkelde aurelia Groot dikkopje Groot koolwitje Grote weerschijnvlinder Hooibeestje Icarusblauwtje Iepenpage Kaasjeskruiddikkopje Keizersmantel Klein geaderd witje Klein koolwitje Kleine ijsvogelvlinder Kleine parelmoervlinder

580 549 446 0 111 488 494 577 535 171 493 384 548 20 391 482 16 0 45 574 588 93 51

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 158 van 159

doi.org/10.21436/inbor.34052968

www.vlaanderen.be/inbo


Kleine vuurvlinder Kleine weerschijnvlinder Koevinkje Koninginnenpage Landkaartje Oranje luzernevlinder Oranje zandoogje Oranjetipje Scheefbloemwitje Sleedoornpage Staartblauwtje

467 0 293 393 486 204 420 444 0 44 0

590 27 388 595 598 600 591 596 206 167 106

-8 +1847 -4 +10 +112 +2 -2 +15.076 +168 +7782

-

13.749 5859 13.526 13.749 13.749 13.749 13.736 13.749 11.372 10.474 8985

5244 31 2197 5491 5231 4274 5874 5735 377 734 224

-

-

-

-

-

-

-

<250 >20.000 >20.000 <2500 <1300 <1300

-49 -41 -

C2 C2 -

-

-

<250 -

-

-

LC VU LC LC LC LC LC LC LC LC LC

+r ++r +r +r +r +r +r +r +r +r +r

LC LC LC LC LC LC LC LC LC LC LC

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.34052968

Pagina 159 van 159


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Maes_etal_2021_IUCNRodeLijstVanDeDagvlindersInVlaanderen2021.pdf by Vlaanderen-be - Issuu