Skip to main content

Jaarverslag 2021 Geschillencommissie Groeipakket.pdf

Page 1

JAARVERSLAG GESCHILLENCOMMISSIE GROEIPAKKET 2021


Beste lezer, Het voorliggende jaarverslag1 is het derde van de Geschillencommissie die op 1 januari 2019 bij Kind en Gezin2 werd ingericht om juridische klachten van burgers over het Groeipakket3 te behandelen. In dit jaarverslag worden de doelstellingen, de bevoegdheid en de werking van de Geschillencommissie Groeipakket zoals deze conform de toepasselijke regelgeving verder vorm heeft gekregen tijdens het afgelopen jaar, toegelicht. De lezer kan in dit verslag ook diverse nuttige statistische gegevens raadplegen over het aantal ingediende verzoeken en de wijze waarop deze behandeld werden. Op inhoudelijk vlak geeft dit jaarverslag een overzicht van de beslissingen van de Geschillencommissie in 2021 en geeft het een kijk op de wijze waarop zij zich gekweten heeft van de haar door de decreetgever toebedeelde taak van rechtsbescherming van de burger inzake de Vlaamse gezinstoelagen. Zoals voorzien bij decreet, bevat dit verslag ook een aantal adviezen en aanbevelingen om de toepassing van het Groeipakketdecreet te verbeteren of om vastgestelde anomalieën op te lossen. Ik wens u alvast veel leesplezier met dit jaaroverzicht van het derde werkingsjaar van de Geschillencommissie Groeipakket.

Herman Verlinden, voorzitter van de Geschillencommissie Groeipakket 25 februari 2022 Hallepoortlaan 27, 1060 Brussel www.opgroeien.be www.groeipakket.be/geschillencommissie

Overeenkomstig artikel 114, eerste lid van het Decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid, BS 31 juli 2018 (hierna ‘Groeipakketdecreet’) brengt de voorzitter van de Geschillencommissie jaarlijks, uiterlijk op 1 maart, aan de minister die het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin onder zijn bevoegdheden heeft, verslag uit over de werkzaamheden die in het voorafgaande jaar zijn uitgevoerd. 1

Sinds 18 april 2019 is “Opgroeien Regie” de nieuwe benaming van het agentschap “Kind en Gezin” (cf. artikel 5 van het decreet van 1 maart 2019 tot ontbinding van het Fonds Jongerenwelzijn en tot wijziging van het decreet van 30 april 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Kind en Gezin en het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp). 2

Het Groeipakket is de volledig vernieuwde Vlaamse kinderbijslag die op 1 januari 2019 werd ingevoerd voor kinderen die hun woonplaats hebben in het Nederlandse taalgebied. 3

pagina 2 van 84


DEEL I. OPDRACHT, BEVOEGDHEID EN KENMERKEN

1.

Opdracht

Bij de invoering van het Groeipakket4 op 1 januari 2019 werd er beleidsmatig voor gekozen om conflicten tussen de burgers en de uitbetalingsactoren5 over de gezinstoelagen, op te lossen zonder dat meteen een klassieke gerechtelijke procedure moet worden opgestart.6 Meer bepaald kan de burger zijn geschil met de uitbetalingsactor voorleggen aan een Geschillencommissie7 die bevoegd is om het geschil te onderzoeken en te beslechten door een beslissing te nemen die bindend is voor de partijen.8

2. Bevoegdheid De Geschillencommissie is bevoegd voor beroepen ingesteld tegen een beslissing van een uitbetalingsactor over de toelagen in het kader van het gezinsbeleid of tegen het uitblijven ervan na afloop van de termijn waarin de uitbetalingsactor een beslissing moet nemen.9

Sinds de zesde staatshervorming is de Vlaamse Gemeenschap bevoegd inzake gezinsbijslagen (artikel 6, IV, Bijzondere Wet van 6 januari 2014 inzake de 6de Staatshervorming, BS 31.1.2014). Sinds 1 januari 2019 is de nieuwe Vlaamse kinderbijslag, het Groeipakket, in werking getreden (cf. Groeipakketdecreet). 4

Cf. Sinds 1 januari 2019 zijn er in Vlaanderen vijf uitbetalingsactoren actief voor het beheer en de betaling van de gezinsbijslag, namelijk 1 publieke uitbetalingsactor FONS (voorheen FAMIFED) en 4 private uitbetalingsactoren: Infino (voorheen Acerta en Securex), Kidslife Vlaanderen (voorheen ADMB, Group S, Horizon Het Gezin), MyFamily (voorheen Xerius) en Parentia Vlaanderen (voorheen Partena, Attentia, Future Generations/Mensura). 5

Memorie van toelichting van 17 januari 2018 bij het voorontwerp van decreet tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid, nr. 1450 (2017-2018), nr. 1, p. 8 (hierna ‘MvT’). 6

Artikelen 104 tot 115 Groeipakketdecreet; Besluit van 29 juni 2018 van de Vlaamse Regering betreffende de oprichting van een commissie van beroep tegen de beslissing van de uitbetalingsactor over de toelagen in het kader van het gezinsbeleid of tegen het uitblijven ervan, BS 12 oktober 2018 (hierna ‘BVR Geschillencommissie’); ministerieel besluit van 16 juli 2019 houdende goedkeuring van het huishoudelijk reglement van de commissie van beroep tegen de beslissing van de uitbetalingsactor over de toelagen in het kader van het gezinsbeleid of tegen het uitblijven ervan, BS 23 augustus 2019 (hierna ‘huishoudelijk reglement’). 7

Naast een beroepsprocedure bij de Geschillencommissie, kan de burger er ook steeds voor kiezen om zich te richten tot de Klachten- en bemiddelingsdienst (Agentschap Uitbetaling Groeipakket) die bevoegd is om klachten over de werking en activiteiten van de uitbetalingsactoren te behandelen, alsook te bemiddelen tussen een uitbetalingsactor en een begunstigde bij een geschil over een recht op toelagen of over de uitbetaling van toelagen in het kader van het gezinsbeleid (MvT, p. 4). 8

9

Artikel 104, tweede lid Groeipakketdecreet.

pagina 3 van 84


Het verzoek dient te zijn ingediend binnen de voorziene beroepstermijn, namelijk uiterlijk 3 maanden na de kennisgeving van de beslissing van de uitbetalingsactor of na het uitblijven ervan.10 De Geschillencommissie is niet bevoegd voor geschillen over de aanwijzing van de begunstigde11 en evenmin voor geschillen over de kwalificatie van de ernst van de ondersteuningsbehoefte inzake de zorgtoeslag.12 De Geschillencommissie is enkel bevoegd voor beroepen tegen beslissingen van de uitbetalingsactoren genomen sinds de inwerkingtreding van het Groeipakket op 1 januari 2019 en voor periodes vanaf 1 januari 2019.13 3. Kenmerken 3.1.

Laagdrempelig

De beroepsprocedure voor de Geschillencommissie wordt bewust laagdrempelig14 gehouden: via een eenvoudig verzoek (via e-mail, brief of afgifte) kan de burger die het niet eens is met de beslissing van de uitbetalingsactor over de gezinstoelagen, een beroepsprocedure opstarten. De burger hoeft dan ook geen advocaat aan te duiden om een verzoek in te dienen of om voor hem of haar op te treden tijdens de procedure. Voorts is de beroepsprocedure voor de Geschillencommissie kosteloos. Enkel indien de Commissie zou oordelen dat het beroep tergend en roekeloos is ingesteld, is de verzoeker ertoe gehouden de kosten te betalen.15 Beslist de verzoeker om toch een advocaat aan te duiden, dan draagt hij uiteraard wel zelf de advocatenkosten. 3.2.

Onafhankelijk en onpartijdig

De Geschillencommissie biedt de burger een georganiseerd bestuurlijk beroep bij een onafhankelijk orgaan.16

10

Artikel 11, §§ 3, 4 en 5 BVR Geschillencommissie.

Geschillen over de aanwijzing van de begunstigde behoren tot de bevoegdheid van de familierechtbank (artikel 104, derde lid Groeipakketdecreet). 11

Geschillen over de zorgtoeslag behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank (artikel 104, vierde lid Groeipakketdecreet). 12

Voor geschillen over kinderbijslag inzake periodes vóór 1 januari 2019 is de arbeidsrechtbank of de familierechtbank bevoegd (cf. tot 31 december 2018 was de Algemene Kinderbijslagwet (AKBW) van toepassing.). 13

14

MvT, p. 8.

15

Artikel 15 BVR Geschillencommissie.

16

Mvt, p. 97.

pagina 4 van 84


De voorzitter en de leden van de Geschillencommissie werden benoemd voor een bepaalde termijn van vier jaar, die hernieuwbaar is.17 Opdat de voorzitter en de leden hun rol in maximale onafhankelijkheid kunnen uitoefenen, zijn er diverse onverenigbaarheden vastgelegd, waardoor een aantal functies niet mogen worden uitgeoefend tijdens de duur van de benoeming.18 De Geschillencommissie bestaat uit de voorzitter en twee assessoren: één assessor op voordracht van het agentschap Opgroeien regie en één assessor op voordracht van de uitbetalingsactoren.19 Deze laatste assessor zetelt bij beurtrol, waarbij de onpartijdigheid verzekerd wordt doordat dit lid nooit kan zetelen voor klachten van een burger tegen de uitbetalingsactor die de assessor heeft aangeduid.20 Tevens werden een plaatsvervangende voorzitter en plaatsvervangende leden aangeduid om de continuïteit en de rechtsgeldige samenstelling van de Commissie te verzekeren. De Geschillencommissie wordt bij al haar verrichtingen in het kader van de behandeling van het beroep bijgestaan door de secretaris.21 Verder wordt de Geschillencommissie op administratief en juridisch vlak bijgestaan door een secretariaat, bestaande uit medewerkers van het agentschap Opgroeien regie.22 De voorzitter, de leden en het personeel van het secretariaat van de Commissie zijn gehouden tot de discretieplicht in verband met de feiten, daden en inlichtingen waarvan ze kennis genomen hebben tijdens de werkzaamheden van de Commissie.23 Wanneer een bij de Geschillencommissie ingediend verzoek ontvankelijk wordt verklaard, wordt de verzoeker geïnformeerd over de samenstelling van de Commissie om een eventuele wraking mogelijk te maken indien de burger zou menen dat het aangeduide lid niet onpartijdig zou kunnen oordelen.24 In de loop van 2021 hebben er geen wrakingen plaatsgevonden, evenmin heeft een lid zich op eigen initiatief aan een zaak moeten onttrekken.

Ministerieel besluit van 31 januari 2019 tot benoeming van de leden van de commissie van beroep tegen de beslissing van de uitbetalingsactor over de toelagen in het kader van het gezinsbeleid of tegen het uitblijven ervan en tot vaststelling van het presentiegeld (BS 18 juni 2019), zoals gewijzigd bij MB van 9 april 2019 (BS 18 juni 2019) en bij MB van 5 december 2019 (BS 20 december 2019). 17

18

Artikel 2 BVR Geschillencommissie.

19

Artikel 105, §2 Groeipakketdecreet.

20

Artikel 105, §6 Groeipakketdecreet.

21

Artikelen 105, §5 en 106 Groeipakketdecreet.

22

Artikel 105, §5 Groeipakketdecreet.

23

Artikel 32 van het huishoudelijk reglement.

24

Artikel 16 BVR Geschillencommissie.

pagina 5 van 84


Terwijl de Geschillencommissie in 2019 10 keer diende samen te komen voor het behandelen van de geagendeerde verzoeken, en in 2020 ingevolge de toename van het aantal verzoeken (118 in 2019 tegenover 167 in 2020) 14 keer samenkwam, kwam de Geschillencommissie in 2021 door de verdere stijging van het aantal ingediende verzoeken (353 nieuwe verzoeken in 2021), 18 keer samen. De Geschillencommissie heeft zich sinds 2020 flexibel aangepast door digitale bijeenkomsten te organiseren om rekening te houden met de geldende maatregelen ter bestrijding van COVID-19 alsook door tijdens hoorzittingen alle veiligheidsmaatregelen nauwlettend te respecteren. Deze flexibiliteit en voorzorgsmaatregelen werden ook verder nageleefd in 2021.

Samenstelling Geschillencommissie op 31.12.2021

Lid via beurtrol

Voorzitter

Vast lid

Herman Verlinden

Ignace Lambert

plv. Edwig Steppé

plv. Kristien Roete

UA FONS Anja Hellemans (plv. Jurgen Poels) UA Infino Vlaanderen Rita Louwagie (plv. Ann Himschoot) UA Kidslife Vlaanderen Maarten Vankeersbilck (plv. Pol Pirard) UA MyFamily Peter Keustermans (plv. Nele De Blauwe) UA Parentia Vlaanderen May-li Marchand (plv. Renata Sterken)

pagina 6 van 84


3.3.

Snelle toegang tot geschillenbeslechting

De Geschillencommissie beoogt een snelle toegang tot geschillenbeslechting te verzekeren.25 Wanneer een verzoek wordt ingediend bij de Geschillencommissie, wordt zonder verwijl een dossier samengesteld bestaande uit alle feitelijke, administratieve en juridische elementen zodat de burger op vrij korte termijn na de zitting van de Commissie een beslissing ontvangt aangaande het ingediende verzoek. De Geschillencommissie streeft er steeds naar de ingediende verzoeken zo snel mogelijk te behandelen, uiteraard ook rekening houdende met de minimaal vereiste duur om de vaak complexe dossiers samen te stellen. Ten gevolge van de sterke stijging van het aantal nieuwe klachten in 2021 stelt de Geschillencommissie vast dat de gemiddelde doorlooptijd tussen de beslissing over de ontvankelijkheid van het verzoek en de finale beslissing over de gegrondheid van het verzoek toegenomen is. In 2019 was de doorlooptijd nog 8 weken, maar dit liep reeds in 2020 op door de impact van de coronacrisis/lockdownperiode op de beschikbaarheid van de medewerkers van het secretariaat van de Geschillencommissie in de voorbereiding van de dossiers voor de Commissie. In 2021 is de doorlooptijd opgelopen doordat er veel meer klachten werden ingediend in 2021 (353) in vergelijking met 2019 (118) en 2020 (167) terwijl de beschikbare personeelsinzet niet toenam: - voor 70% van de in 2021 ingediende verzoeken werd in 2021 na 10 weken een beslissing uitgesproken door de Geschillencommissie; - voor 30% van de in 2021 ingediende verzoeken kon in 2021 na 22 weken een beslissing uitgesproken worden door de Geschillencommissie. 3.4.

Jurisprudentie voor de sector

Door een bestuurlijk beroep mogelijk te maken bij één Geschillencommissie, wordt de nodige samenhang in de beslissingen van de uitbetalingsactoren gegarandeerd. Het bestuurlijk beroep moet worden uitgeput alvorens desgevallend een jurisdictioneel beroep in te stellen bij de arbeidsrechtbank.26 Door de specifieke samenstelling van de Commissie wordt ervoor gezorgd dat binnen de sector een vorm van jurisprudentie wordt opgebouwd. Dit geeft als meerwaarde dat na verloop van tijd duidelijk wordt hoe een interpretatie over een bepaalde problematiek vorm krijgt, waardoor de uitbetalingsactoren hun dienstverlening daarop kunnen afstellen.27 Tevens draagt het ook bij tot de afbouw van een overmatige juridisering van geschillen.28

25

MvT, p. 20.

26

MvT, p. 97.

27

MvT, p. 9.

28

MvT, p. 9.

pagina 7 van 84


DEEL II. WERKING VAN DE GESCHILLENCOMMISSIE 1.

Indienen van een verzoek

Een burger die een beroepsprocedure bij de Geschillencommissie wenst op te starten, kan zijn verzoek naar keuze indienen via e-mail, brief of persoonlijke afgifte. Contactgegevens:  via e-mail aan geschillencommissie@opgroeien.be  per brief aan: Opgroeien Regie (Kind en Gezin) Geschillencommissie Hallepoortlaan 27 1060 Brussel  afgifte aan het onthaal op voormeld adres Deze contactgegevens en de informatie over de beroepsprocedure worden verspreid via verschillende kanalen, met name via de briefwisseling van de uitbetalingsactoren alsook via de informatieve website over het Groeipakket.29 Wanneer niet alle vereiste gegevens vermeld zijn in het verzoek, worden de ontbrekende gegevens actief opgevraagd bij de verzoeker, met het oog op een maximale behandeling van de ingediende verzoeken. 2. Onderzoek van het verzoek

2.1. Aantal ingediende verzoeken Terwijl de Geschillencommissie in 2019 118 verzoeken ontving en in 2020 167 verzoeken behandelde, werden in 2021 in totaal 353 verzoeken ontvangen. De Geschillencommissie vermoedt dat de duidelijkere vermelding van de beroepsmogelijkheden op de briefwisseling van de uitbetalingsactoren een factor is die ertoe bijgedragen heeft dat een groter aantal gezinnen de weg vond naar de Geschillencommissie voor hun klacht over een beslissing van hun uitbetalingsactor.

2.2. Behandeling van de verzoeken In 2021 werden de ingediende verzoeken na onderzoek als volgt behandeld.

29

www.groeipakket.be/geschillencommissie.

pagina 8 van 84


2.2.1.

Afgesloten verzoeken

Er werden 55 verzoeken beslecht via een beslissing van de Geschillencommissie ter zitting (tegenover 25 beslissingen in 2020).30 Voor 63 andere verzoeken had de verzoeker geen belang meer om de beroepsprocedure verder te zetten omdat het Groeipakketdossier mede door de tussenkomst van de Geschillencommissie kon geregulariseerd worden door de uitbetalingsactor of de betrokkene nadere, afdoende toelichting kreeg bij zijn dossier, zodat het verzoek niet meer ter zitting diende te worden behandeld. Zo kwam het secretariaat van de Geschillencommissie bijvoorbeeld tussen voor klachten van burgers waarbij bleek dat een technisch probleem de uitbetaling verhinderde, of waarbij er nog bepaalde gegevens ontbraken bij de uitbetalingsactor om het Groeipakketdossier te kunnen afronden of regulariseren. In deze gevallen kon de klacht van de betrokkenen derhalve in der minne worden geregeld en kwam het niet tot een behandeling van de klacht ter zitting van de Geschillencommissie. Soms ging het ook om complexe dossiers, met een complexe leefsituatie of een complex verloop van het kinderbijslagdossier in combinatie met de regelgeving inzake het Groeipakket waarbij het voor de betrokkenen soms niet duidelijk was of hun dossier correct beheerd werd of niet, en het gezin/de vertegenwoordiger hier geen duidelijk zicht op leken te hebben. Ook in die gevallen kwam het secretariaat van de Geschillencommissie tussen bij de contactpersoon bij de uitbetalingsactor en kon de nodige verduidelijking geboden worden aan het betrokken gezin, de betalingen hervat worden of meegedeeld worden welke informatie nog ontbrak om hun rechten te kunnen doen gelden.

2.2.2.

Lopende verzoeken

Van de verzoeken die in 2021 werden ingediend, zijn 37 verzoeken ingepland voor behandeling ter zitting van de Geschillencommissie in 2022. Daarnaast werden 22 verzoeken on hold gezet in afwachting van een uitspraak door de arbeidsrechtbank voor de betwiste periode voorafgaand aan 1 januari 2019. Wanneer de Geschillencommissie vaststelt dat de betwiste periode van vermeende samenwoonst zich voor en na 1 januari 2019 situeert en de verzoeker voor de periode voorafgaand aan 1 januari 2019 een beroepsprocedure inleidde bij de arbeidsrechtbank31, behandelt de Geschillencommissie het verzoek nog niet ten gronde, zulks in afwachting van een uitspraak ten gronde door de arbeidsrechtbank. Zodoende kan de Geschillencommissie bij haar behandeling van het verzoek naderhand de uitspraak van de arbeidsrechtbank in aanmerking nemen. Die werkwijze is ingegeven door een aantal beweegredenen. Vooreerst dient in overweging te worden genomen dat het beginpunt van de vermeende domiciliefraude het belangrijkste beoordelingspunt is en temporeel onder de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank valt. Tijdens de procedure voor de arbeidsrechtbank hebben de partijen overigens ruim de mogelijkheid om alle elementen en bewijsstukken

De beslissingen betroffen verzoeken ingediend in 2021 of verzoeken die dateerden van eind 2020 met agendering ter zitting in 2021. 30

Cf. Verzoeken die betrekking hebben op een periode voorafgaand aan 1 januari 2019, d.w.z. vóór de inwerkingtreding van het Groeipakketdecreet, behelzen de toepassing van de vroegere kinderbijslagwetgeving (Algemene Kinderbijslagwet – AKBW) en behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank. 31

pagina 9 van 84


betreffende de feitelijke situatie ter griffie neer te leggen en de argumentatie daaromtrent via conclusies uit te wisselen. Met al deze elementen kan dan na afloop van de procedure voor de arbeidsrechtbank ook rekening worden gehouden door de Geschillencommissie bij de beoordeling van het verzoek betreffende de periode met ingang van 1 januari 2019 zonder dat er zich een mogelijk probleem betreffende de privacy of het geheim van een eventueel lopend strafonderzoek zou voordoen (bvb. processen-verbaal van politiediensten). Tot slot kan de beoordeling van de vermeende domiciliefraude betreffende de periode voorafgaand aan 1 januari 2019 door de arbeidsrechtbank implicaties hebben voor de periode met ingang van 1 januari 2019, zoals een mogelijke regularisatie, die een verdere behandeling door de Geschillencommissie overbodig zou maken. In het geval de rechtbank daarentegen het verzoek ongegrond verklaart, kan de Geschillencommissie nog steeds toetsen of er al dan niet andere of nieuwe elementen voorhanden zijn, specifiek voor de periode vanaf 1 januari 2019, die voor deze periode tot een andere conclusie zouden (kunnen) leiden. Wordt er daarentegen geen gerechtelijk geschil aanhangig gemaakt voor de periode voorafgaand aan 1 januari 2019, dan vraagt de Geschillencommissie ingeval van vermeende domiciliefraude toestemming aan het arbeidsauditoraat om eventuele politiestukken die voorhanden zijn en waaruit de domiciliefraude zou blijken, te mogen gebruiken in het kader van de procedure voor de Geschillencommissie zodat een volledig dossier kan samengesteld worden.

2.2.3.

Geheroriënteerde verzoeken

In een aantal gevallen diende de Geschillencommissie zich onbevoegd te verklaren om het verzoek verder te behandelen: -

hetzij omdat het ging om een geschil over de zorgtoeslag (9 verzoeken): voor deze verzoeken werd de betrokkene geïnformeerd over de beroepsmogelijkheden bij de arbeidsrechtbank ofwel werd de klacht geheroriënteerd naar de bevoegde administratieve dienst binnen het Agentschap Opgroeien;

-

hetzij omdat het ging om een geschil over de aanwijzing van de begunstigde waarvoor de Geschillencommissie niet bevoegd is (8 verzoeken): voor deze verzoeken werd de betrokkene geïnformeerd over de beroepsmogelijkheden bij de familierechtbank;

-

hetzij omdat het geschil ging over een periode vóór 1 januari 2019 (10 verzoeken): in deze gevallen werd de verzoeker erover geïnformeerd dat niet de Geschillencommissie maar wel de arbeidsrechtbank/familierechtbank bevoegd is voor geschillen betreffende de Algemene Kinderbijslagwet die tot 31 december 2018 van toepassing was;

-

hetzij omdat het ging om een klacht over een beslissing van een uitbetalingsactor inzake de gezinsbijslag in een andere deelentiteit dan Vlaanderen (2 verzoeken): dergelijke klachten behoren uiteraard niet tot de bevoegdheid van de Geschillencommissie die enkel oordeelt over geschillen betreffende het Vlaamse Groeipakket. De verzoekers werden hierover geïnformeerd en het verzoek werd doorverwezen naar de bevoegde dienst.

-

hetzij omdat de verzoeker stukken bezorgde aan de Geschillencommissie (27 verzoeken) naar aanleiding van een vraag of onderzoek van de uitbetalingsactor en het aangewezen bleek dat

pagina 10 van 84


deze verzoeken werden geheroriënteerd naar de bevoegde uitbetalingsactor zodat deze een eindbeslissing kon nemen (waarna alsnog beroep bij de Geschillencommissie openstaat); -

2.2.4.

hetzij laattijdig ingediend, d.w.z. buiten de beroepstermijn die voor een beroep tegen een beslissing van een uitbetalingsactor openstaat bij de Geschillencommissie: 6 verzoeken (maar die waar mogelijk wel werden geheroriënteerd naar de Klachten- en bemiddelingsdienst (Agentschap Uitbetaling Groeipakket) om daar nog te laten onderzoeken).

Bemiddeling

Indachtig de beleidskeuze in het Groeipakketdecreet om bij de geschillenbeslechting de nodige ruimte te laten voor een bemiddelingspoging32, werden 123 verzoeken die tegelijk gericht waren aan de Geschillencommissie en aan de Klachten- en bemiddelingsdienst (Agentschap Uitbetaling Groeipakket) in eerste instantie in behandeling genomen door deze laatste dienst. Indien de verzoeker zich niet kan vinden in een (voor hem ongunstig) advies van deze dienst, dan kan het verzoek bij de Geschillencommissie opnieuw geactiveerd worden met het oog op een bindende uitspraak.33 Er waren tevens een aantal verzoekers die zich aanvankelijk enkel tot de Klachten- en bemiddelingsdienst gewend hadden maar zich nadien wendden tot de Geschillencommissie om hun klacht alsnog door de Commissie te laten behandelen. De Geschillencommissie werd verzocht om een klacht in heronderzoek te nemen in 14 gevallen (d.w.z. voor klachten die eerst al behandeld waren door de Klachten- en bemiddelingsdienst). Voor 4 klachten besliste de Geschillencommissie de vordering van de verzoeker alsnog ontvankelijk en gegrond te verklaren. Voor 2 klachten week de Geschillencommissie niet af van de beslissing van de Klachten- en bemiddelingsdienst. 8 klachten zijn nog in onderzoek bij de Geschillencommissie en werden ingepland op zittingen van de Geschillencommissie in 2022.

2.3. Samenstelling bezwaardossier - Onderzoeksmiddelen Ter voorbereiding van de zitting zorgt het secretariaat van de Geschillencommissie voor een volledige dossiersamenstelling met alle nuttige administratieve en juridische elementen zodat de Geschillencommissie beschikt over alle relevante informatie om met kennis van zaken te kunnen oordelen over de ontvankelijkheid en de gegrondheid van het verzoek.

32

MvT, p. 8.

De beroepstermijn voor het indienen van een verzoek bij de Geschillencommissie wordt gestuit door het instellen van een klacht bij de Klachten- en bemiddelingsdienst (Agentschap Uitbetaling Groeipakket). 33

pagina 11 van 84


Zo zal het secretariaat de verzoekende partij vragen om alle nuttige elementen, stukken, … te bezorgen. Ook de uitbetalingsactor wordt gevraagd om de betwiste beslissing uitvoerig te motiveren. De Geschillencommissie kan tijdens het onderzoek ook deskundigen uitnodigen om te worden gehoord.34 In 2021 werd een beroep gedaan op een deskundige in het kader van de problematiek inzake het kadastraal inkomen vreemd gebruik. De Geschillencommissie kan tevens een controle door de sociale inspectie- en begeleidingsdienst van het Agentschap Uitbetaling Groeipakket gelasten.35 In 2021 werd 1 controle door een gezinsinspecteur gevorderd.36 3. Verloop van de hoorzitting 3.1. Aanwezigheid van de partijen De zittingen van de Commissie vinden in beginsel één keer om de twee weken plaats. De burger die de klacht indiende alsook de uitbetalingsactor tegen wie de klacht gericht is, ontvangen beiden een uitnodiging voor de hoorzitting.37 Het is niet vereist om aanwezig te zijn op de zitting maar het kan nuttig zijn wanneer een partij bijkomende toelichting wenst te geven (vb. recente nieuwe elementen). De afwezigheid van één van de partijen kan in elk geval niet in diens nadeel spelen. In 2021 maakte de verzoekende partij in 13 klachtendossiers gebruik van de mogelijkheid om de zitting van de Geschillencommissie bij te wonen: in 9 gevallen was de burger zelf aanwezig; in 2 gevallen de advocaat van de verzoeker; in 2 gevallen de burger met advocaat. De Geschillencommissie stelde meermaals vast dat gezinnen effectief gebruik maakten van de mogelijkheid om aan de zitting deel te nemen en zij liet hen daarbij de kans om hun grieven persoonlijk uiteen te zetten; daarbij werd de nodige tijd gelaten aan de betrokken burger om een vaak zeer persoonlijke toelichting te geven betreffende complexe gezinssituaties, noodzakelijke gezinsorganisatie, medische redenen, … waarbij het gezin soms aangaf voordien niet echt gehoord te zijn geweest of niet echt de kans te hebben gehad om de grieven te hebben kunnen toelichten. De Geschillencommissie streeft er daarbij steeds naar het dossier volledig samen te stellen en vervolgens te toetsen aan de regelgeving, wat resulteert in een eindbeslissing waarin alle elementen, argumenten en motivering van de beslissing uitgebreid aan bod komen met het oog op de nodige transparantie voor de burger.

34

Artikel 110, eerste lid Groeipakketdecreet.

35

Artikel 110, tweede lid Groeipakketdecreet.

36

Beslissing nr. 2021/022 d.d. 30 april 2021 van de Geschillencommissie Groeipakket.

37

Artikel 111, tweede lid Groeipakketdecreet.

pagina 12 van 84


In 2021 was de uitbetalingsactor als verwerende partij in geen enkele zaak aanwezig op de zitting, en bleef het verweer dus beperkt tot een schriftelijke verdediging van de beslissing die de uitbetalingsactor nam in het Groeipakketdossier. 3.2. Besluitvorming De Geschillencommissie kan alleen geldig beraadslagen en stemmen als de voorzitter en de twee bijkomende leden of hun plaatsvervangers aanwezig zijn.38 Alleen de voorzitter en de leden van de Commissie of hun plaatsvervangers zijn stemgerechtigd. Ze hebben elk een stem.39 De Commissie beslist bij meerderheid van stemmen. De voorzitter en de leden waken over het geheim karakter van de beraadslaging. In 2021 werden alle beslissingen van de Geschillencommissie unaniem genomen. 3.3. Beslissing van de Geschillencommissie Wanneer de behandeling van het bezwaar tijdens de hoorzitting is afgerond, sluit de voorzitter de debatten waarna, uiterlijk binnen vier weken na de hoorzitting, de beslissing aan de betrokken partijen wordt meegedeeld.40 De beslissing wordt schriftelijk genomen en bevat: - een omschrijving van het voorwerp van het beroep, - de overwegingen in feite en in rechte waarop de beslissing is gebaseerd, - de namen van de leden die de beslissing hebben genomen, - en de namen van de deskundigen die naar aanleiding van de beslissing werkzaamheden hebben verricht.41 In 2021 vonden er 18 zittingen van de Geschillencommissie plaats, tijdens dewelke 55 beslissingen werden genomen:  In 14 gevallen besliste de Geschillencommissie dat het verzoek van de burger gegrond was;  In 21 gevallen besliste de Geschillencommissie dat het verzoek van de burger ongegrond was;

38

Artikel 8, derde lid BVR Geschillencommissie.

39

Artikel 8, tweede lid BVR Geschillencommissie.

40

Artikel 112, §1, eerste lid Groeipakketdecreet.

41

Artikel 112, §1, tweede lid Groeipakketdecreet.

pagina 13 van 84


In 2021 vonden 15 zittingen van de Geschillencommissie fysiek in Brussel plaats; ten gevolge van de maatregelen ter bestrijding van het Covid-19-virus die de Commissie diende te respecteren vonden de overige 3 zittingen via digitaal overleg plaats. 4. Uitvoering van de beslissing De beslissing van de Geschillencommissie is bindend en uitvoerbaar.42 Dat betekent dat de uitbetalingsactor de beslissing van de Geschillencommissie zal uitvoeren. 5. Jurisdictioneel beroep bij de arbeidsrechtbank Een partij bij een geschil waarover de Geschillencommissie heeft geoordeeld, kan, op straffe van verval, binnen drie maanden na de kennisgeving van de beslissing van de Geschillencommissie beroep instellen bij de bevoegde arbeidsrechtbank.43 In 2021 waren er 7 beroepsprocedures tegen een beslissing van de Geschillencommissie lopende bij de arbeidsrechtbank of het arbeidshof. In die zin impliceert het beperkt aantal gerechtelijke procedures bij de arbeidsgerechten dat de beleidskeuze om het contentieux inzake het Groeipakket te hebben toevertrouwd aan een Geschillencommissie – voorafgaandelijk aan een eventuele procedure bij de arbeidsrechtbank - eveneens een reëel kostenbesparend effect voor de overheid. 6. Publicatie van de beslissingen De beslissingen van de Geschillencommissie worden in geanonimiseerde vorm bekendgemaakt op de website GPedia (kennisportaal Groeipakket). De beslissingen kunnen geraadpleegd worden via deze URL: https://gpedia.groeipakket.be/nl/reglementering/rechtspraktijk/beslissingen-geschillencommissie

42

Artikel 112, §2, eerste lid Groeipakketdecreet.

43

Artikel 115, §1, eerste lid Groeipakketdecreet.

pagina 14 van 84


DEEL III. THEMATISCH OVERZICHT EN SYNTHESE VAN DE BESLISSINGEN VAN DE GESCHILLENCOMMISSIE In dit deel wordt een thematisch overzicht gegeven van de beslissingen die de Geschillencommissie nam in 2021. Bij het behandelen van de door de gezinnen ingediende verzoeken heeft de Geschillencommissie steeds de haar toebedeelde opdracht in acht genomen, namelijk jurisprudentie scheppen voor de sector van de Vlaamse gezinstoelagen en op onafhankelijke en onpartijdige wijze juridisch gefundeerde beslissingen nemen waarbij de door de decreetgever beoogde finaliteit van het Groeipakketdecreet wordt afgetoetst. Mede gelet op de beleidskeuze dat het bestuurlijk beroep bij de Geschillencommissie moet worden uitgeput alvorens een jurisdictioneel beroep in te stellen bij de bevoegde arbeidsrechtbank, heeft de Geschillencommissie steeds betracht geen louter formele tussenetappe te vormen, maar wel degelijk een reële meerwaarde te bieden door het aftoetsen van geschillen naar de letter en de geest van het Groeipakketdecreet, steeds binnen de contouren van de haar toebedeelde bevoegdheid.44 Hierna wordt enkel een synthese weergegeven van de beslissingen van de Geschillencommissie. De originele beslissingen met de volledige juridische argumentatie zijn terug te vinden via deze URL: https://gpedia.groeipakket.be/nl/rechtspraktijk/beslissingen/geschillencommissie-1 Enkel de beslissingen die op inhoudelijk vlak een belangrijke juridische meerwaarde hebben, worden hierna beknopt weergegeven.

1.

Groepering en rangbetaling – domiciliewijziging bij kinderen geboren vóór 1 januari 2019

In 2019 en 2020 deed de Geschillencommissie reeds een aantal keren uitspraak over klachten van gezinnen waarbij een kind van de ene ouder naar de andere verhuisde in de periode november-december 2018, d.w.z. net voor de inwerkingtreding van het nieuwe Groeipakketdecreet, en de gezinnen via hun uitbetalingsactor vernamen dat de domiciliewijziging te laat was gebeurd en dat er dus geen financieel voordeligere groepering (volgens de tot 31.12.2018 toepasselijke kinderbijslagreglementering) meer mogelijk was. Voor kinderen geboren vóór de inwerkingtreding van het Vlaamse Groeipakketdecreet, d.i. 1 januari 2019, is er namelijk een specifieke overgangsregeling vastgelegd in het Groeipakketdecreet waardoor deze kinderen vanaf 1 januari 2019 het bedrag behouden waarop ze recht hadden op 31 december 2018 (d.w.z. aan de vooravond van de inwerkingtreding van het Groeipakketdecreet) en dit volgens de rang van het kind binnen de groepering rond de bijslagtrekkende.45

44

Cf. artikel 29 van het huishoudelijk reglement.

Artikel 210, §1, tweede lid en artikel 210, §2, eerste lid Groeipakketdecreet. De zogenaamde rangregeling houdt in dat het bedrag van de kinderbijslag wordt bepaald door de plaats die het kind inneemt in het gezin volgens de volgorde van de geboorte van de kinderen. Dit betekent dat de kinderen gerangschikt worden van oud naar jong, waarbij het oudste kind een eerste rang wordt toegekend, het tweede kind een tweede rang, en het derde en elk volgend kind een derde rang. De bedragen zijn oplopend van de eerste rang, over de tweede rang en tot de derde rang. Bij het bepalen van de rangregeling worden de rechtgevende kinderen gegroepeerd rond de bijslagtrekkende, dit is degene die het kind opvoedt en aan wie de kinderbijslag wordt betaald. 45

pagina 15 van 84


Voor de meeste van de ingestelde beroepen kon de Geschillencommissie op basis van een uitgebreide juridische argumentatie toen oordelen dat het beroep gegrond was waardoor er dus wel nog een voor het gezin gunstige groepering kon vastgesteld worden op 31 december 2018, overgangsdatum naar het nieuwe Groeipakket. Zo oordeelde de Geschillencommissie dat er toch nog een groepering en bijgevolg rangbetaling mogelijk was in december 2018, wanneer zich een domiciliewijziging voordeed in november of december 2018 met latere intern-administratieve uitwerkingsdatum voor de kinderbijslag.46 Ook in 2021 ontving de Geschillencommissie nog twee soortgelijke klachten over het vastklikken van de rangen waarbij de ouders hoopten het voordeel van de groepering op 31 december 2018 alsnog te verkrijgen. Voor de beide gevallen diende de Geschillencommissie echter vast te stellen dat de vonnissen van de familierechtbank die de gezinnen voorlegden slechts werden uitgesproken na de inwerkingtreding van het Groeipakket en zonder terugwerkende kracht. De Geschillencommissie oordeelde dat de situatie in casu verschilde van de situaties met domiciliewijziging eind 2018 of ingeval van een vonnis van de familierechtbank uitgesproken vóór 31 december 2018 of ingeval van retroactieve aanduiding van de bijslagtrekkende tot vóór 31 december 2018.47 Wat betreft een andere klacht waarbij de moeder aangaf dat de gerechtelijke procedure lang heeft aangesleept doordat de vader opgenomen was, meende de Geschillencommissie dat zij onmogelijk kan oordelen dat de verzoekster op 31.12.2018 als bijslagtrekkende beschouwd dient te worden aangezien de familierechtbank zelf evenmin uitspraak heeft gedaan over de toekenning van de kinderbijslag voor het verleden.48

2.

Wezentoeslag – overlijden van een ouder na de invoering van het Groeipakket

In 2019 signaleerde de Geschillencommissie reeds in haar jaarverslag dat in welbepaalde gezinssituaties, een gezin dat na het overlijden van een ouder van het kind vanaf 1 januari 2019 de wezentoeslag uit het Groeipakket ontvangt, toch minder ontvangt ten opzichte van de vastgeklikte bedragen op 31 december 2018.49 Het Groeipakketdecreet voorziet namelijk dat bij het overlijden van een ouder van een kind, het kind wordt ingekanteld in het Groeipakket en zo aanspraak maakt op het basisbedrag Groeipakket vermeerderd met een wezentoeslag.50 Dat betekent derhalve dat het vastgeklikte bedrag waarop het kind, geboren vóór 1 januari 2019, recht had bij de overgang naar het Groeipakket op 1 januari 2019,

Beslissingen nrs. 2019/004 d.d. 14 juni 2019, 2019/007 d.d. 28 juni 2019, 2019/009 d.d. 28 juni 2019, 2019/010 d.d. 6 september 2019, 2020/001 d.d. 7 februari 2020 en 2020/013 d.d. 11 september 2020 van de Geschillencommissie Groeipakket. 46

47

Beslissing nr. 2021/038 d.d. 8 oktober 2021 van de Geschillencommissie Groeipakket.

48

Beslissing nr. 2021/048 d.d. 3 december 2021 van de Geschillencommissie Groeipakket.

49

Beslissing nr. 2019/012 d.d. 4 oktober 2019 van de Geschillencommissie Groeipakket.

50

Artikel 216 Groeipakketdecreet en artikel 15 Groeipakketdecreet.

pagina 16 van 84


volledig vervalt en wordt vervangen door het basisbedrag Groeipakket, vermeerderd met een (halve of volledige) wezentoeslag. In 2021 ontving de Geschillencommissie twee nieuwe klachten over dezelfde problematiek. Uit een eerste klacht bleek dat door het overlijden van de biologische moeder van het kind dat in een pleeggezin was geplaatst, er een inkanteling in het Groeipakket gebeurde. Dit resulteerde in een vermindering van het bedrag dat maandelijks voor het kind werd uitgekeerd. Tot 31 december 2018 werd er voor het kind 259,49 euro (basisbedrag derde kind) plus 24,92 euro (leeftijdsbijslag) uitbetaald, en na de inkanteling in het Groeipakket werd er 163 euro (basisbedrag Groeipakket) plus 81,60 euro (halve wezentoeslag) uitbetaald. Hierdoor daalde het maandelijkse bedrag van 284,41 euro naar 244,60 euro. De Geschillencommissie stelde vooreerst vast dat het pleeggezin aan de uitbetalingsactor had gevraagd, onder verwijzing naar de eerdere uitspraak van de Geschillencommissie d.d. 4 oktober 2019 (nr. 2019/12) of deze uitspraak in hun situatie naar analogie kon toegepast worden (zodat het gezin in kwestie niet minder zou ontvangen). De uitbetalingsactor zou daarop geantwoord hebben dat men niet dezelfde werkwijze wenste toe te passen in andere dossiers; ook de Klachten- en bemiddelingsdienst van het Agentschap Uitbetaling Groeipakket zou het gezin doorverwezen hebben naar de Geschillencommissie om een nieuwe uitspraak te doen. Na onderzoek van de klacht besliste de Geschillencommissie dat het ging om een soortgelijke situatie als bij haar uitspraak in 2019 waarbij voor een kind geboren vóór 1 januari 2019 op wie de Algemene Kinderbijslagwet van toepassing was met de rangregeling en dat ten gevolge van het overlijden van een ouder na 1 januari 2019 ingekanteld wordt in het Groeipakket, waarbij er op gezinsniveau een verlies wordt geleden ten opzichte van de bedragen die vóór het overlijden uitgekeerd werden. De Geschillencommissie besliste in 2019 om de vordering gegrond te verklaren, stellende: “gelet op de voormelde Conceptnota / Memorie van Toelichting betreffende het Groeipakketdecreet en in

deze specifieke gezinssituatie, waarbij door het overlijden van de biologische vader van het kind, en terwijl alle indicatoren van het gezin onveranderd blijven, wordt vastgesteld dat het gezin hierdoor minder gezinstoelagen ontvangt, terwijl rekening houdende met de duidelijke wil van de decreetgever, om bij het overlijden van een ouder van het kind, een wezentoeslag te willen toekennen bovenop het basisbedrag, ter financiële compensatie van het verlies van het inkomen van de overleden ouder, de toepassing van artikel 216 Groeipakketdecreet, niet tot gevolg kan hebben dat in het voorliggende geval, het totaal bedrag aan gezinstoelagen verminderd wordt ten opzichte van de uitbetaalde bedragen in december 2018.”. De Geschillencommissie noteert daarbij tevens het volgende in het rapport betreffende de evaluatie van het Groeipakket51:

“Wat de verhoogde wezenbijslag betreft, is hierboven al toegelicht dat er geen sprake is van verworven rechten. Een vergelijking maken tussen de bedragen van de verhoogde wezenbijslag (die afhankelijk is van voorwaarden) en de halfwezentoeslag (die onvoorwaardelijk is) heeft dan op zich geen zin. Op zich verliezen gezinnen niet, want er moet vergeleken worden met het bedrag dat het gezin kreeg voor het overlijden van de ouder.

“Evaluatie Groeipakket”, rapport van het Agentschap Opgroeien, publicatiedatum februari 2021, https://www.vlaanderen.be/publicaties/evaluatie-groeipakket. 51

pagina 17 van 84


Echter, in zeer uitzonderlijke gezinssamenstellingen kan er toch een verlies zijn in ondersteuning ten opzichte van de maand voor het overlijden van de ouder. De Geschillencommissie heeft een dossier ontvangen van een nieuw samengesteld gezin met drie kinderen, waarbij de vader van het oudste kind, die niet in het samengesteld gezin aanwezig was, gestorven is. Dit oudste kind is overgegaan van het rangbedrag van 259,49 euro (door omkering van de rangen, zie hoofdstuk 13 ‘Overgangsmaatregelen’) en gehalveerde leeftijdsbijslag naar het nieuwe basisbedrag en halfwezentoeslag (samen 244,8 euro), terwijl de twee jongere kinderen de oude rangbedragen behouden. Indien alle kinderen in het nieuw samengesteld gezin naar het wezenbedrag waren overgegaan had het verlies zich op gezinsniveau niet voorgedaan, maar door de zeer specifieke situatie in dit nieuw samengesteld gezin trad er dus wel degelijk een verlies op, op gezinsniveau. De Geschillencommissie heeft in dit dossier beslist om het oude rangbedrag te blijven toekennen totdat er zich een wijziging voordoet in het gezin. Mocht de oude wezenbijslag, en dus de AKBW, nog van toepassing zijn geweest, dan was er ook gewoon recht geweest op de gewone wezenbijslag. Om deze zeer specifieke situaties in de toekomst te vermijden wordt voorgesteld om een decretale bepaling op te nemen zodat gezinnen die een lager bedrag aan gezinsbijslagen ontvangen na het overlijden van een ouder in vergelijking met de maand voor het overlijden, gecompenseerd worden, en minstens het bedrag behouden van voor het overlijden, totdat er zich een wijziging voordoet in het gezin.”. Ook noteert de Geschillencommissie dat de minister in het kader van het beleidsproject betreffende de evaluatie van het Groeipakket vermeldde: “In het kader van de wezentoeslag compenseren we die

gezinnen die in uitzonderlijke omstandigheden in vergelijking met de maand voor overlijden een lager bedrag aan gezinsbijslagen ontvangen hebben na het overlijden van een ouder.”.

Aldus stelt de Geschillencommissie vast dat de vooropgestelde regelgevende bepaling in de lijn ligt van de uitspraak van de Geschillencommissie van 4 oktober 2019. De Geschillencommissie besliste de voormelde vordering van de moeder gegrond te verklaren52 met verwijzing naar haar standpunt ingenomen op 4 oktober 2019.

In een tweede klacht die de Geschillencommissie ontving, verwoordde de moeder haar grieven als volgt:

“(…) Op moment dat de nieuwe wetgeving werd opgezet kregen wij het bericht dat voor de bestaande dossiers er niets veranderde. Nu komt de papa van mijn dochter te overlijden in november vorig jaar. We ontvangen een brief om te zeggen dat we voortaan recht hebben op een halfwezen toeslag van +/- 80 €. Maar in realiteit blijkt dan dat je ongevraagd in de nieuwe wetgeving terecht komt en de uitkomst zelfs nadelig is!

52

Beslissing nr. 2021/012 d.d. 12 maart 2021 van de Geschillencommissie Groeipakket.

pagina 18 van 84


Ik begrijp dan ook niet dat wanneer een kind 1 van zijn ouders verliest, en er minder financiële draagkracht is om te voorzien in de noden van het kind, dat het gerechtvaardigd is de bijdrage te verlagen. (…)”

Ook voor de tweede klacht besliste de Geschillencommissie na beraadslaging dat - niettegenstaande de uitbetalingsactor de toepasselijke regelgeving correct gevolgd heeft - de vordering van de moeder gegrond is in die zin dat er ook na het overlijden van de vader van het kind recht is op hetzelfde bedrag aan gezinsbijslagen die de moeder ontving voor diens overlijden en dit tot op het ogenblik dat er zich een wijziging zou voordoen binnen het gezin.53

3.

Gezinsnotie in het Groeipakket (financiële draagkracht) – feitelijke gezinsvorming

Voor de toekenning van het recht op een schooltoeslag of een sociale toeslag wordt er in het Groeipakketdecreet rekening gehouden met de financiële draagkracht van het gezin waarin het kind zich bevindt. De Geschillencommissie ontving diverse klachten van ouders die betwisten dat zij een feitelijk gezin zouden vormen en die meenden dat er bijgevolg geen rekening zou mogen gehouden worden met de gezamenlijke inkomsten voor het bepalen van het recht op een sociale toeslag of een schooltoeslag. Bij het behandelen van deze verzoeken hield de Geschillencommissie telkens rekening met de argumenten aangebracht door enerzijds de betrokkenen en anderzijds de uitbetalingsactor alsook met de beschikbare elementen (vb. door gezinsinspecteur uitgevoerde controle, strafdossier wegens onderzoek naar domiciliefraude, …) en ten slotte relevante rechtspraak. Aangezien er doorgaans tal van elementen spelen in het aftoetsen of er al dan niet sprake is van feitelijke gezinsvorming, wordt hier verwezen naar de website GPedia waar de beslissingen in extenso te raadplegen zijn. In dit jaaroverzicht wordt enkel beknopt verwezen naar een aantal aspecten die in de beslissingen aan bod kwamen.

3.1. (Partiële) samenvoeging van de inkomsten van de partners Zo ontving de Geschillencommissie een klacht van een moeder omdat de uitbetalingsactor op grond van het controleverslag van een gezinsinspecteur van het Agentschap Uitbetaling Groeipakket had besloten dat er sprake was van feitelijke gezinsvorming.

53

Beslissing nr. 2021/033 d.d. 10 september 2021 van de Geschillencommissie Groeipakket.

pagina 19 van 84


De Geschillencommissie oordeelde als volgt54:

“(…) Overeenkomstig de toepasselijke reglementering wordt er standaard uitgegaan van de domiciliegegevens in het Rijksregister (in casu zijn verzoekster en haar partner apart gedomicilieerd) tenzij dit weerlegd wordt door o.m. een controle door een gezinsinspecteur. In casu is dit het geval: het controleverslag d.d. 5.12.2019 besluit tot samenwoonst (met fraude) vanaf 2012. De Geschillencommissie meent dat het controleverslag gebaseerd is op een geheel van beschikbare bewijskrachtige elementen (verklaringen betrokkenen, onderzoek door politie, …) waaruit tevens een bepaalde consistentie en duurzaamheid blijkt gegeven het feit dat verzoekster en de heer ……………….. reeds langere tijd (ca. 8 jaar) een partnerrelatie hebben, de betrokkenen zelf verklaren regelmatig bij elkaar te verblijven en te overnachten (wat ook blijkt uit pv politie), het controleverslag van de gezinsinspecteur die na onderzoek besloot tot feitelijke gezinsvorming, … waardoor de uitbetalingsactor kon besluiten tot samenwoning (en dus vermoeden van feitelijke gezinsvorming). Het argument van de verzoekster dat er geen volledige samenvoeging van de financiën is volgt logischerwijze uit het feit dat zij en haar partner elk instaan voor de kosten verbonden aan hun eigen woonst maar doet niet af aan het controleverslag dat besloot tot samenwoning, zij het mogelijks partieel maar met een reëel (financieel) schaalvoordeel. Tevens stelt de Geschillencommissie vast dat het controleverslag van de gezinsinspecteur niet weerlegd wordt op één van de wijzen bedoeld in voormeld artikel 3, §2, 9e lid BVR Selectieve Participatietoeslagen of artikel 3, §4 BVR Sociale Toeslagen. (…)” 3.2. Betwisting samenwoonst ingevolge controle door een gezinsinspecteur De Geschillencommissie onderzocht de klacht van een vader die de vaststellingen van de gezinsinspecteur inzake de feitelijke gezinsvorming met de moeder van zijn kind betwistte. Na onderzoek oordeelde de Geschillencommissie dat de verzoeker geen eigenlijke elementen aanleverde om zijn beweringen dat de vaststellingen van de gezinsinspecteur inzake feitelijke gezinsvorming, onjuist zouden zijn, op sluitende wijze te onderbouwen. De Geschillencommissie oordeelde als volgt55:

“(…) Daarentegen is er een controleverslag van de gezinsinspecteur waaruit een regelmatig (dagelijks) verblijf van de verzoeker bij zijn partner, moeder van hun kind, blijkt waarover de verzoeker sinds de geboorte de zorg als vader wil opnemen (“…… slaapt elke dag bij mij. Ik verklaar dat zijn kleren hier terug te vinden zijn in de woning. Hij blijft eigenlijk niet meer slapen in …………. Sinds de geboorte van …… blijft hij dagelijks bij ons, hij wil een betrokken vader zijn voor zijn dochter.”). Uit het controleverslag blijkt dat verzoeker overigens de woning van mevrouw …… verliet en haar goeiendag kuste op het moment dat de gezinsinspecteur het onaangekondigde bezoek aanvatte. Voorts verklaarde mevrouw ….. dat – ondanks de bevestiging van haar relatie met verzoeker en dagelijks feitelijk verblijf van de verzoeker in de woonst van mevrouw ….. – zij hun samenwoonst niet wensen te formaliseren (“Voorlopig is hij dagelijks hier maar we gaan onze adressen niet samen zetten.”)

Beslissing nr. 2021/010 d.d. 26 februari 2021 van de Geschillencommissie Groeipakket; er is een beroepsprocedure lopende bij de arbeidsrechtbank. 54

55

Beslissing nr. 2021/052 d.d. 3 december 2021 van de Geschillencommissie Groeipakket.

pagina 20 van 84


Voor de toepassing van de kinderbijslagregelgeving, en in casu de sociale toeslag voor minder vermogende gezinnen, wordt de feitelijke leefeenheid (feitelijk gezin) in aanmerking genomen waarbij er standaard wordt uitgegaan van de domiciliegegevens in het Rijksregister tenzij dit weerlegd wordt door o.m. een controle door een gezinsinspecteur. In casu is dit het geval. De Geschillencommissie meent dan ook dat de conclusie van de gezinsinspecteur niet zomaar mag opzijgeschoven worden (cf. artikel 3, §3 BVR Sociale toeslagen). De Geschillencommissie meent dat de verzoeker de samenwoonst betwist maar geen concrete elementen aanlevert noch stavingsstukken neerlegt die de vaststellingen van de gezinsinspecteur of de eigen verklaringen van mevrouw ……………… weerleggen. (…)”

3.3. Betwisting samenwoonst – Strafonderzoek De Geschillencommissie onderzocht de klacht van een moeder die argumenteerde dat er geen sprake is van samenwoonst en dat het strafonderzoek naar domiciliefraude geseponeerd werd. De Geschillencommissie oordeelde na grondig onderzoek van de beschikbare elementen inzake de vermeende feitelijke gezinsvorming dat er geen stukken voorliggen die erop wijzen dat de vaststellingen van de politie niet met de reële feitelijke situatie zouden stroken56:

“(…) Uit de stukkenbundel die het arbeidsauditoraat aan de verwerende partij bezorgde, blijkt dat de politiezone ….. en die van ….. een omvangrijk en grondig onderzoek uitvoerden zoals blijkt uit de aanvullende Pv’s, nl.: - de observaties (de auto van de heer …… bevindt zich op de diverse verschillende tijdstippen van controle steeds aan het huis van verzoekster; op camera’s wordt de wagen ook regelmatig in ….. gedetecteerd; - de buurtbevragingen, (in de ……..: “man en vrouw wonen daar al altijd samen”- in ……: “de man komt daar slechts af en toe op bezoek”); - de huiszoekingen met toestemming (cf. de aanwezigheid van voorwerpen die op mannelijke aanwezigheid wijzen en op een gezamenlijk huishouden, en de afgenomen verhoren, zowel in …… als in ….. van zowel verzoekster als de heer ........................... waarin zij getuigenis aflegden over hun relatie en de aanwezigheidsfrequentie in de ……). Verzoekster en de heer ........................... verklaarden zich ten overstaan van de inspecteur ook bereid tot vrijwillige inschrijving van de heer ........................... bij verzoekster, hoewel verzoekster hieraan de nodige financiële bijdrage van de heer ........................... koppelde. Toen de domiciliëring niet gebeurde, ging de politie over tot de procedure van ambtshalve inschrijving in het bevolkingsregister. Na onderzoek van alle beschikbare elementen meent de Geschillencommissie dat de vaststellingen door de politiediensten blijkens de door het Arbeidsauditoraat bezorgde processen-verbaal, een vaststelling van

56

Beslissing nr. 2021/044 d.d. 22 oktober 2021 van de Geschillencommissie Groeipakket.

pagina 21 van 84


een overheidsdienst betreffen in de zin van de bepalingen van artikel 3, §2, 2° BVR Sociale toeslagen, die de samenwoonst van de verzoekster en de heer ........................... bewijst tijdens de betwiste periode ………... Zo blijkt dat de heer ........................... sinds de relatieproblemen met de verzoekster en de domiciliëring van de heer ........................... bij zijn ouders, steeds meer opnieuw bij de verzoekster langskwam (wanneer zijn beroep als internationaal vrachtwagenchauffeur het toeliet) om zich te bekommeren om hun twee gezamenlijke kinderen, en hij ook regelmatig bleef overnachten. Zelfs indien zoals de heer ........................... aanhaalt, hij dan op de zetel bleef slapen, doet dit op zich niet af aan de aanwezigheid van een zeker samenlevingsverband waarbij betrokkene deelneemt aan het gezinsleven en ten huize van de verzoekster tijdens zijn bezoek mee voor de kinderen blijkt in te staan. De intensiteit van de amoureuze relatie en het samen slapen is daarbij geen vereiste; evenmin is vereist dat er sprake is van dagelijkse samenwoning, zo oordeelde de Geschillencommissie in haar beslissing nr. 2021/034 d.d. 10.9.2021 (…). In casu meent de Geschillencommissie dat er wel degelijk sprake is van samenwoning op duurzame en regelmatige basis waarbij de wetgeving geenszins vereist dat de samenwoning volledig of dagelijks is. Hierbij dient tevens te worden opgemerkt dat ingevolge het beroep als internationaal chauffeur, de heer ........................... vaak van huis weg is, waardoor een dagelijkse samenwoning ook niet zou kunnen vastgesteld worden. Het beroep van de heer ........................... kan echter geen reden zijn om de feitelijke gezinsvorming uit te sluiten maar moet net in het geheel van de context van de gezins- en beroepssituatie van de betrokkenen beoordeeld worden. Zelfs indien de heer ........................... ook een mogelijkheid tot overnachting heeft bij zijn ouders en hiervan ook gebruikt maakt, neemt dit niet weg dat er toch feitelijke gezinsvorming mogelijk is met verzoekster. Voorts blijkt ook dat de heer ........................... hulp biedt aan de verzoekster voor het welzijn van de kinderen wanneer verzoekster hem hiertoe verzoekt, zoals voor de aanschaf van een auto zodat de verzoekster de kinderen naar school kan brengen en waarbij de heer ........................... hiervoor ook financieel instond alsook voor het onderhoud van de wagen. Er is overigens geen volledige samenvoeging van financiën of het voorhanden zijn van een gezamenlijke rekening vereist om te kunnen spreken over feitelijke gezinsvorming. Aldus heeft het Hof van Cassatie in een arrest van 18 februari 2008 geoordeeld dat tot het bestaan van een feitelijk gezin kan besloten worden, indien de gezinskwesties in onderling akkoord en volledig of ten minste hoofdzakelijk geregeld worden door het samenvoegen, al is het maar gedeeltelijk, van hun respectieve financiële en andere middelen. De heer ........................... geeft ook aan dat hij soms zijn was doet ten huize van verzoekster wat ook mede blijkt uit de aanwezige kledij voor een mannelijke volwassene ten huize van verzoekster alsook persoonlijke spullen. Hieruit blijkt ook dat er sprake is van een zeker samenlevingsverband, meer dan dat de heer ........................... enkel even zou langskomen om zijn kinderen te zien. Voor de volledigheid kan nog opgemerkt worden dat de seponering door het Arbeidsauditoraat een beoordeling is inzake het hoofdzakelijk verblijf van een persoon, maar dat dat niet noodzakelijk betekent dat er geen sprake zou kunnen zijn van feitelijke gezinsvorming in het kader van de kinderbijslagreglementering. De Geschillencommissie meent verder dat er geen reden is om de vaststellingen van de politie in twijfel te trekken gezien de uitgebreide onderzoeken en verhoren van alle betrokkenen. Er liggen ook geen stukken voor die erop zouden wijzen dat de vaststellingen van de politie niet met de reële feitelijke situatie zouden stroken, andere dan de verklaring van de verzoekster zelf dat zij de beweerde domiciliefraude betwist.

pagina 22 van 84


Gelet op deze vaststelling van de samenwoonst in toepassing van de bepalingen van artikel 3, §2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 september 2018 tot vaststelling van de nadere regels voor het toekennen van een sociale toeslag, kan het vormen van een feitelijk gezin niet meer weerlegd worden in toepassing van de bepalingen van artikel 3, §5, 1° van hetzelfde besluit vermits verzoekster en de heer ........................... gemeenschappelijke kinderen hebben. De Geschillencommissie meent bijgevolgt dat het inkomen van de heer ........................... dient te worden meegeteld bij de berekening van de toeslagen o.g.v. de regels inzake gezins-en inkomensbegrip van toepassing voor het bepalen van de sociale toeslagen (zie het hiervoor vermelde artikel 18, eerste lid van het Groeipakketdecreet juncto artikel 2, §1 en artikel 3,§2, 2° van het voormelde besluit van de Vlaamse Regering van 21 september). (…)”

3.4. Geboorte van een nieuw kind in een eenoudergezin

3.4.1. Scheiding van tafel en bed De Geschillencommissie diende zich uit te spreken over een klacht van een moeder die aangaf geen feitelijk gezin te vormen met de vader van het kind; zij gaf aan dat zij gescheiden zijn van tafel en bed en dat de vader regelmatig verblijft in zijn huis in het buitenland (Hongarije). Na onderzoek besliste de Geschillencommissie57 dat er voor de toekenning van de sociale toeslag en de schooltoeslag moet worden uitgegaan van feitelijke gezinsvorming, als volgt: “(…) De bepalingen uit het vonnis van 2018 worden echter tegengesproken door de geboorte van het

derde kind (op …… 2019) en de controleprocedure, het verslag van de gezinsinspecteur (op 2.4.2019) en het politieverhoor (op 23.12.2019): al deze gebeurtenissen situeren zich daarna en spreken het vonnis tegen. Met andere woorden: de feitelijke situatie zoals vastgesteld door de bevoegde diensten bevestigen niet het vonnis i.v.m. scheiding van tafel en bed uit 2018.(…)”

3.4.2. Schijnhuwelijk Na een sociale controle naar aanleiding van de geboorte van een nieuw kind in een eenoudergezin, waarbij de verzoekster argumenteerde dat het ging om een schijnhuwelijk en haar echtgenoot illegaal in België verbleef en geen inkomsten genoot, oordeelde de Geschillencommissie – na grondige afweging van alle beschikbare elementen dat het controleverslag kon in aanmerking genomen worden als bewijsmiddel van de feitelijke gezinsvorming met alle gevolgen van dien voor de betwiste toeslagen.58

Beslissing nr. 2021/021 d.d. 2 april 2021 van de Geschillencommissie Groeipakket; er is een beroepsprocedure lopende voor de arbeidsrechtbank. 57

Beslissing nr. 2021/035 d.d. 10 september 2021 van de Geschillencommissie Groeipakket; er is een beroepsprocedure lopende bij de arbeidsrechtbank. 58

pagina 23 van 84


3.4.3. Eenoudergezin – Vader komt zijn kinderen regelmatig bezoeken De Geschillencommissie sprak zich uit over een klacht van een moeder die aangaf dat zij een eenoudergezin vormt, maar dat de vader van haar kinderen af en toe langskwam om de kinderen te bezoeken. De Geschillencommissie diende te onderzoeken in welke mate er al dan niet sprake was van samenwoonst op basis van de beschikbare elementen en de argumenten van enerzijds de moeder en anderzijds de uitbetalingsactor. De Geschillencommissie oordeelde als volgt59:

“Uit de huiszoeking met toestemming uitgevoerd door de lokale politie ...... op 13 juni 2019 kon geen enkel spoor worden aangetroffen waaruit zou blijken dat de heer ...... op zijn toenmalig officiële adres bij zijn vader verbleef. De vader van de heer ...... reageerde eerst ontkennend dat er nog iemand anders behalve hemzelf op zijn adres zou wonen, om slechts nadien bevestigend te antwoorden wanneer expliciet werd gevraagd of de heer ...... er eveneens verbleef. Bij de gelijktijdige huiszoeking in de woning van verzoekster, bleek daarentegen wel dat de heer ...... er verbleef. Verzoekster bleek de aanwezigheid van kledij van de heer ...... te wijten aan zijn nonchalance waarbij ze te verstaan gaf dat hij af en toe bleef overnachten, maar daarbij niet vermeldde dat de heer ...... er al de maand ervoor zou zijn ingetrokken. Beiden verklaren pas bij hun verhoren op 21 oktober 2019 dat zij in de loop van mei 2019 zijn gaan samenwonen. De heer ...... heeft zich daags na de huiszoekingen, derhalve op 14 juni 2019, laten inschrijven op het adres van de woning van verzoekster. Uit het buurtonderzoek bleek evenwel dat verzoekster en de heer ...... steeds hebben samengewoond. De lokale politie ...... heeft reeds in diverse andere onderzoeken in de loop van verschillende jaren vastgesteld dat de heer ...... ...... in werkelijkheid bij zijn ex-echtgenote, verzoekster, verbleef. Ook de observaties van de lokale politie ...... van de wagens geparkeerd op het officiële adres van de heer ...... bevestigen dit, daar er ook vóór mei 2019 nagenoeg nooit een van zijn wagens kon worden gesignaleerd, ondanks zeer regelmatige controles over een lange periode en op variërende tijdstippen. De Geschillencommissie meent dan ook dat de vaststellingen van de lokale politie ...... blijkens de door het Arbeidsauditoraat te …………, afdeling ……… bezorgde processen-verbaal, een vaststelling van een overheidsdienst in de zin van de bepalingen van artikel 3, § 2, 2° BVR Sociale toeslagen betreft, die de samenwoonst van verzoekster en de heer ...... tijdens de periode van 1 januari 2019 tot en met 30 juni 2019 bewijst. Zo blijkt dat de heer ...... – ondanks de huwelijksproblemen die volgens verzoekster hebben geleid tot hun scheiding – sinds de scheiding nog verder zeer regelmatig bij verzoekster bleef overnachten en hij daar beschikte over de nodige spullen terwijl zijn officiële domicilie op het adres van zijn vader pro forma was aangezien hij er niet effectief verbleef. Ook heeft hij zich sinds de huiszoekingen door de politiediensten bij zijn ex-echtgenote gedomicilieerd.

59

Beslissing nr. 2021/025 d.d. 28 mei 2021 van de Geschillencommissie Groeipakket.

pagina 24 van 84


Er is dan ook geen reden om de vaststellingen van de politiediensten in twijfel te trekken gezien de uitgebreide onderzoeken en verhoren van alle betrokkenen. Er liggen ook geen stukken voor die erop zouden wijzen dat de vaststellingen van de lokale politie ...... niet met de reële feitelijke situatie zouden stroken, andere dan de verklaring van verzoekster en de heer ...... zelf. Meester …… geeft in het verzoekschrift aan dat er geen sprake is van feitelijk samenwonen van verzoekster en de heer ......, en dat de vader enkel zou langskomen voor de kinderen wat toch normaal is, maar uit de vaststellingen van de politie (cf. pv d.d. oktober 2018) blijkt inzake het adres van ….. ......, de vader van ...... ......: “Er staan sinds juli 2018 3 personen gedomicilieerd op dit adres, waarvan we weten dat er maar 1 persoon verblijft en dat is ...... …….” Uit de huiszoeking op 13 juni 2019 bij ….. ...... blijken geen persoonlijke spullen, … van de heer ...... ...... te worden aangetroffen. Daarentegen werd er wel kledij, schoenen, tandenborstel, …. van de heer ...... ...... aangetroffen tijdens de huiszoeking bij zijn exechtgenote (verzoekster) - aldus de vaststellingen van de politie – wat er duidelijk op wijst dat er sprake is van meer dan enkel langskomen om de kinderen te zien, zeker aangezien dit zich nagenoeg 10 jaar na de echtscheiding van verzoekster en de heer ...... situeert zodat de betwisting door de verzoekster weinig geloofwaardig overkomt. De Geschillencommissie meent tevens dat het feit dat de heer ...... zich daags na de huiszoeking, domicilieerde op het adres van zijn ex-echtgenote er mede op wijst dat hij zich zo in regel heeft willen stellen conform de reeds aanwezige feitelijke situatie van samenwoonst. Gelet op deze vaststelling van de samenwoonst in toepassing van de bepalingen van artikel 3, § 2 BVR Sociale toeslagen, kan het vormen van een feitelijk gezin niet meer weerlegd worden in toepassing van de bepalingen van artikel 3, § 5, 1° van hetzelfde besluit vermits verzoekster en de heer ...... gemeenschappelijke kinderen hebben. De Geschillencommissie meent dat dan ook kan worden vastgesteld dat verwerende partij wat betreft de periode van 1 januari 2019 tot en met 30 juni 2019 bij de betwiste beslissing van 4 mei 2020 in toepassing van de bepalingen van artikel 2, § 1, 2e lid BVR sociale toeslagen correct rekening heeft gehouden met de inkomsten van zowel verzoekster als de heer ...... en derhalve terecht is overgegaan tot de terugvordering van de sociale toeslag betreffende deze periode. (…)” 3.4.4. Feitelijke scheiding – Bijstand door (huwelijks)partner wegens gezondheidsproblemen Inzake de klacht van een moeder wiens echtgenoot na hun feitelijke scheiding haar op regelmatige basis bijstond wegens medische problemen, oordeelde de Geschillencommissie finaal na afweging van alle beschikbare elementen dat er toch sprake was van feitelijke gezinsvorming in de zin van de kinderbijslagregelgeving: de Geschillencommissie oordeelde onder meer dat het niet gaat over de intensiteit van de amoureuze relatie of de mate waarin de betrokkenen zichzelf beschouwen als een koppel; evenmin is vereist dat de samenwoning volledig of dagelijks is, noch is een volledige samenvoeging van financiën vereist. De Geschillencommissie oordeelde als volgt60:

Beslissing nr. 2021/034 d.d. 10 september 2021 van de Geschillencommissie Groeipakket; er is een beroepsprocedure bij de arbeidsrechtbank lopende. 60

pagina 25 van 84


“(…) Op basis van de diverse beschikbare elementen zoals supra ook door de verwerende partij aangehaald en welke onder meer blijken uit de verhoren van de betrokkenen door de politie, meent de Geschillencommissie te kunnen vaststellen dat er wel degelijk sprake is van feitelijke gezinsvorming in de zin van de kinderbijslagregelgeving. Hoewel betrokkenen allebei benadrukken dat de heer …………. niet continu bij verzoekster verblijft, maar dat dit slechts 3 à 4 dagen per week zou zijn, gaat het in het kader van de Groeipakketreglementering om de begrippen ‘feitelijk gezin’, ‘leefeenheid’, ‘het vormen van een huishouden’. Het gaat niet over de intensiteit van de amoureuze relatie of de mate waarin zij zichzelf beschouwen als een koppel, waarop de verzoekster alludeert in haar verzoekschrift. Er lijkt in casu wel degelijk sprake te zijn van samenwoning op duurzame en regelmatige basis waarbij de wetgeving geenszins vereist dat de samenwoning volledig of dagelijks is. Beiden geven overigens ook aan dat de heer ……………meer bij verzoekster is dan op zijn officiële domicilieadres (bij zijn vader). Het feit dat er ook spullen van de heer …………. bij zijn vader zouden liggen, neemt niet weg dat er toch feitelijke gezinsvorming mogelijk is met verzoekster. Indien de betrokkenen regelmatig bij elkaar verblijven (ook ’s nachts) en elkaar bijstaan wanneer nodig, verplaatsingen samen regelen, … zullen zij logischerwijze ook samen maaltijden bereiden, de kosten van boodschappen delen, afwassen, de keuken opruimen, verzoekster doet de was en de strijk van de heer …………., … wat wijst op een gemeenschappelijk huishouden regelen en (minstens beperkte) gezamenlijke financiën. Er is hiertoe geen volledige samenvoeging van financiën of het voorhanden zijn van een gezamenlijke rekening vereist. Daarbij kan verwezen worden naar de volgende (weliswaar daterend van voor de invoering van het Groeipakketdecreet, maar nog steeds) relevante rechtspraak, waaruit blijkt dat ook een bijdrage op een andere manier dan louter financieel kan leiden tot het bestaan van een feitelijk gezin. Het Hof van Cassatie heeft destijds, in een arrest van 18 februari 200861, geoordeeld dat tot het bestaan van een feitelijk gezin kan besloten worden, indien de gezinskwesties in onderling akkoord en volledig of ten minste hoofdzakelijk geregeld worden door het samenvoegen, al is het maar gedeeltelijk, van hun respectieve financiële en andere middelen. Dat een van de samenwonenden geen inkomsten heeft, sluit het bestaan van een feitelijk gezin niet uit. In zijn latere rechtspraak preciseert het Hof in zijn arrest van 9 oktober 201762 dat vereist is, maar niet volstaat, dat twee of meer personen een economisch-financieel voordeel behalen door een woning te delen. Daarvoor is namelijk ook vereist dat zij taken, activiteiten en andere huishoudelijke aangelegenheden verrichten en daarvoor eventueel financiële middelen inbrengen. Voorbeelden van huishoudelijke aangelegenheden zijn het onderhoud van de woonst, de inrichting ervan, de was, de boodschappen, of het bereiden en nuttigen van de maaltijden. Het voormelde cassatiearrest van 9 oktober 2017 legde dus de nadruk op de hoofzakelijkheid van het gemeenschappelijke huishouden. Het Hof vermeldt daarvoor veel feitelijke elementen die bij de beoordeling meespelen. Concreet veronderstelt de hoofdzakelijkheid van het gemeenschappelijke huishouden het samen vervullen van bepaalde huishoudelijke taken. Er moet niet enkel met dergelijke financiële aangelegenheden rekening worden gehouden, want écht samenwonen betekent ook dat verschillende huishoudelijke taken, onderhoud van de ruimtes, de was, het bereiden van maaltijden, enz. gezamenlijk worden uitgevoerd.

61

Cass. 18 februari 2008, AR nr. S.07.0041.F.

62

Cass. 9 oktober 2017, AR nr. 16.0084.N.

pagina 26 van 84


Het Hof heeft deze zienswijze nadien nog eens bekrachtigd in twee latere arresten van 22 januari 201863. Daarnaast blijkt ook dat de heer …… de kinderen regelmatig van school gaat halen en hen naar de hobby’s brengt en geven beiden aan dat de heer …. verzoekster bijstaat en bijspringt in het huishouden wanneer dat voor haar moeilijk is, gelet op haar medische toestand. Er is dus in elk geval sprake van het regelen van een huishouden op een ondersteunende manier. Ten slotte dient te worden opgemerkt dat betrokkenen nog steeds gehuwd zijn. Hoewel het nog niet duidelijk is wat de toekomst hen zal brengen, kan daaruit ook wel een zekere hulpplicht tussen beiden worden vermoed, wat overigens uitdrukkelijk bevestigd wordt in de verhoren van beiden. (…)”

3.4.5. Eenoudergezin – Vermeend verblijf van de moeder bij haar partner in Nederland Ook voor een andere klacht die de Geschillencommissie ontving, ging de discussie erover of een moeder en haar kinderen al dan niet op hun domicilieadres in België dan wel op het adres van de partner van de moeder in Nederland verbleven. De uitbetalingsactor had volgens de standaardprocedure een gezinsinspecteur langsgestuurd naar aanleiding van de geboorte van een nieuw kind in het eenoudergezin van de moeder. De raadsman argumenteerde onder meer als volgt namens de moeder:

“Uit de gevoegde stukken dien ik vast te stellen dat cliënte in België als inwoner is ingeschreven en wonende is, in België werkt, in België met haar gezin ingeschreven is en de kinderen naar Belgische scholen gaan, en cliënte in België belastingen mag betalen, … Feit dat haar partner circa 12 km van ……………… (Nederland), woont, doet hier geen afbreuk aan. Slechts uitzonderlijk, gelet op COVID-19 en de hierbij horende overheidsmaatregelen, heeft mijn cliënte omwille van een sluiting van de landsgrenzen tijdelijk en beperkt in Nederland bij haar partner verbleven. Dit uit noodzaak en in belang van haar gezin, gezien door de nakende sluiting van de landsgrenzen destijds enig contact tussen vader (Nederlandse nationaliteit) en kinderen anders niet mogelijk was. Cliënte kon namelijk omwille van haar werk wel nog via toelating de landsgrens oversteken. Desalniettemin betekent dit niet dat cliënte formeel noch informeel plots op duurzame wijze samenwoonde met haar partner.” De Geschillencommissie diende de diverse elementen en argumenten van de moeder enerzijds en de uitbetalingsactor anderzijds te onderzoeken, met een analyse van de uitgevoerde controle ter plaatse evenals de toepasselijke Covid-19-maatregelen ten tijde van de betwiste feitelijke gezinsvorming, en dit te toetsen aan de toepasselijke reglementering. De Geschillencommissie besloot finaal als volgt64:

“(…) Er wordt standaard uitgegaan van de domiciliegegevens in het Rijksregister (…) tenzij dit weerlegd wordt door o.m. een controle door een gezinsinspecteur.

63

Cass. 22 januari 2018, nr. S.17.0039.F; Cass. 22 januari 2018, nr. S.17.0024.F.

64

Beslissing nr. 2021/046 d.d. 19 november 2021 van de Geschillencommissie Groeipakket.

pagina 27 van 84


In casu is dit het geval: eerste verwerende partij vermeldt in haar standpunt: “Op 21 juni 2021 ontvingen wij een email van …………. waarin zij ons het resultaat meedelen van hun controle aanvraag naar aanleiding van een nieuwe geboorte in een eenoudergezin. Uit dit verslag bleek dat betrokkene sedert 11 maart 2020 niet meer in België verbleef, maar in Nederland bij de vader van haar kinderen.” De Geschillencommissie stelt dan ook dat de conclusie van de gezinsinspecteur niet zomaar mag opzijgeschoven worden. De vriendin die aanwezig was in de woning van verzoekster op het ogenblik van de onaangekondigde controle gaf ten aanzien van de gezinsinspecteur aan dat verzoekster sinds de geboorte van hun eerste kind (zijnde dus het kind ……….. op …………...2018) hoofdzakelijk in Nederland verblijft bij de vader van de kinderen. Verzoekster heeft overigens ook zelf in haar e-mail aan de gezinsinspecteur aangegeven dat zij voornamelijk bij haar vriend te Nederland verblijft en dat zij erover aan het nadenken zijn om te gaan samenwonen in Nederland, maar dat zij momenteel nog niet samenwonen om fiscale redenen (“belastingtechnisch niet voordelig”) Overigens is verzoekster sinds …… 2021 wel effectief gedomicilieerd te ……………. De raadsman van verzoekster betwist de duurzame samenwoonst, maar levert geen concrete elementen aan, noch legt hij stavingsstukken neer die de vaststellingen van de gezinsinspecteur of de eerdere eigen verklaringen van verzoekster weerleggen. Integendeel, bij bevestigt eigenlijk dat verzoekster gedurende een bepaalde periode omwille van de COVID-19-maatregelen wel degelijk bij de heer ………………. in Nederland verbleef: “Mevrouw heeft slechts uitzonderlijk, gelet op de COVID-19 en de hierbij horende overheidsmaatregelen, omwille van een sluiting van de landsgrenzen tijdelijk en beperkt in Nederland bij haar partner heeft verbleven. Dit uit noodzaak en in belang van haar gezin, gezien door de nakende sluiting van de landsgrenzen destijds enig contact tussen vader (Nederlandse nationaliteit) en kinderen anders niet mogelijk was. Cliënte kon namelijk omwille van haar werk wel nog via toelating de landsgrens oversteken”. Ook al zou dit om reden van de COVID-19-maatregelen geweest zijn, doet dit niet af aan het vormen van een feitelijke leefeenheid zoals bedoeld in de regelgeving tijdens de betwiste periode. Overigens zou er zelfs mogelijks sprake zijn van samenwoning sinds de geboorte van het eerste kind van verzoekster. De Geschillencommissie merkt daarbij op dat de landsgrenzen tussen België en Nederland in 2021 slechts gesloten waren in de periode van 27 januari 2021 tot en met 18 april 2021: het verblijf van verzoekster in Nederland in de periode na 18 april 2021 kan dus niet verklaard worden door de sluiting van de landsgrenzen omwille van de coronamaatregelen. Daarbij dient tevens te worden opgemerkt dat reizen omwille van dwingende gezinsredenen (bezoeken aan een echtgenoot of partner of in het kader van coouderschap), steeds als essentieel werden beschouwd en dus wel degelijk mogelijk waren in die periode (Ministerieel besluit d.d. 26 januari 2021 houdende wijziging van het ministerieel besluit van 28 oktober 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken, B.S. 26 januari 2021). Ook dat kan dus niet weerhouden worden als argument waarom verzoekster samen met de kinderen gedurende die periode bij de heer ……………….. zou dienen verbleven te hebben. (…) Na beraadslaging en om al de voormelde elementen, oordeelt de Geschillencommissie dat de vordering van de verzoekster ontvankelijk en ongegrond is in die zin dat er voor de periode van 11 maart 2020 tot en met de afschrijving naar Nederland op 24 september 2021 van verzoekster en de kinderen ………………… voldoende elementen zijn om te besluiten dat zij vanaf maart 2020 hoofdzakelijk in Nederland wonen en dus niet voldaan is aan de voorwaarden bepaald in artikel 8, §1, 1e lid en artikel 8, §3 Groeipakketdecreet. (…)”

pagina 28 van 84


4.

Terugvordering van onverschuldigd betaalde gezinstoelagen – fout van de uitbetalingsactor

De Geschillencommissie nam kennis van twee klachten waarbij de betrokkene het er niet mee eens was een onverschuldigd bedrag aan kinderbijslag terug te moeten betalen en meende dat de uitbetalingsactor een fout had gemaakt. De bepalingen van artikel 92, § 1, 1e en 2e lid Groeipakketdecreet vormen namelijk een uitzondering op het algemene principe van de terugvordering van onverschuldigd betaalde toelagen (artikel 1376 BW en artikel 103, §1, eerste lid Groeipakketdecreet) door te voorzien dat de betrokkene niet de gevolgen moet dragen van een fout van de uitbetalingsactor. Het moet echter gaan om een fout waar de begunstigde zich normaal geen rekenschap kan van geven. Zodoende diende de Geschillencommissie de klachten die zij ontving, te beoordelen op basis van de regelgeving, het referentiekader inzake rechtspraak en de beschikbare feitelijke en juridische elementen om zo te bepalen of de uitbetalingsactor het bedrag al dan niet mocht terugvorderen. Zo nam de Geschillencommissie kennis van de klacht van een jongere die was beginnen werken na zijn studies en stelde dit verschillende malen te hebben gesignaleerd aan de uitbetalingsactor, terwijl het Groeipakket toch zou doorbetaald zijn en nadien teruggevorderd werd.65 De Geschillencommissie toetste daarbij de begrippen ‘fout van de uitbetalingsactor’ en ‘normaal rekenschap geven’ om uit te maken of de onverschuldigd betaalde gezinsbijslag al dan niet terecht teruggevorderd werd. De Geschillencommissie diende dit begrippenkader tevens te beoordelen in een situatie waarbij het Groeipakket was betaald aan een niet-begeleide minderjarige vreemdeling (NBMV) terwijl naderhand bleek dat de jongere geplaatst was en derhalve 2/3 van de kinderbijslag overeenkomstig de toepasselijke wettelijke bepalingen en administratieve onderrichtingen diende toe te komen aan Jeugdhulp. Daarom had de uitbetalingsactor het 2/3 teruggevorderd van de jongere.66

5.

Schooltoeslag: Verhuis van het kind naar de grootouders na de provisionele betaling van de schooltoeslag

De Geschillencommissie werd geconfronteerd met klachten waarbij de schooltoeslag provisioneel werd uitbetaald, maar nadien werd teruggevorderd omdat het kind op de ijkdatum niet meer bij de betrokkene gedomicilieerd was. Zo nam de Geschillencommissie kennis van een klacht van een moeder wiens kind na de provisionele betaling van de schooltoeslag aan de moeder, was verhuisd naar de grootmoeder (volgens de moeder via een list van de grootmoeder). Aangezien het kind op de referentiedatum niet meer bij de moeder

65

Beslissing nr. 2021/049 d.d. 3 december 2021 van de Geschillencommissie Groeipakket.

66

Beslissing nr. 2021/009 d.d. 12 februari 2021 van de Geschillencommissie Groeipakket.

pagina 29 van 84


woonde, zag de uitbetalingsactor zich verplicht om de schooltoeslag terug te vorderen. De moeder gaf evenwel aan te hebben ingestaan voor de schoolkosten en ging dus niet akkoord met de volledige terugbetaling van de schooltoeslag. De Geschillencommissie oordeelde als volgt67:

“(…) Bij toepassing van het algemeen principe wat betreft de selectieve participatietoeslagen, zoals bepaald in artikel 69, §1 van het Groeipakketdecreet, zullen - als er een recht op gezinsbijslagen bestaat voor de betrokken kinderen - de selectieve participatietoeslagen deze zelfde begunstigden toekomen. Artikel 59, §1, van het Groeipakketdecreet bepaalt het principe dat wanneer de werkelijke opvoeder(s) van een rechtgevend kind niet de ouder(s) is/zijn maar een andere persoon of personen, bijvoorbeeld de grootouders, de werkelijke opvoeders(s) de begunstigde is (zijn) voor de gezinsbijslagen. Indien het kind zijn of haar woonplaats heeft bij een andere persoon of personen dan de ouders, worden deze vermoed de werkelijke opvoeder(s) te zijn. Dit vermoeden kan weerlegd worden met alle middelen van recht en desgevallend ook na een proces-verbaal van de gezinsinspectie. (…) In casu heeft verweerster onderzocht of mevr. …. al of niet instaat voor de opvoeding van …. Mevrouw …. bevestigde …. op te voeden. Daar over dit feitenonderzoek geen stuk te vinden was in de bijlagen gevoegd bij het standpunt van verweerster, werd door het secretariaat van de Geschillencommissie bij e-mail van 7 juli 2021 hierover bij verweerster bijkomende informatie opgevraagd, die antwoord verstrekte op 12 juli 2021 en het desbetreffende stuk bijvoegde. Verweerster oordeelde dat de bezwaren van verzoekster niet van dien aard waren om haar standpunt te doen herzien. De klachten over gedwongen verblijf bij de grootmoeder (zie proces-verbaal van het verhoor van …. d.d. 3 februari 2020) werden door de rechtbank geseponeerd op 4 maart 2020 wegens onvoldoende bewijzen. (…) We stellen vast dat de uitbetalingsactor, daarin bevestigd door de Klachten- en bemiddelingsdienst, toepassing gemaakt heeft van de administratieve richtlijnen vervat in Toelichtingsnota 13-2019-2020 d.d. 03/12/19: “7.5. Wijziging van bijslagtrekkende/begunstigden na provisionele betaling schooltoeslag in september/oktober 2019 en 31 december 2019 – Gevolgen • De juiste bijslagtrekkende/begunstigde is de bijslagtrekkende/begunstigde(n) op 31 december 2019.

67

Beslissing nr. 2021/040 d.d. 8 oktober 2021 van de Geschillencommissie Groeipakket.

pagina 30 van 84


• Indien er ook recht is op gezinsbijslag in Vlaanderen is dat de bijslagtrekkende/begunstigde die de gezinsbijslag voor december 2019 ontvangt. Dit geldt ook bij verandering van bijslagtrekkende/begunstigde in de loop van december 2019 (zie artikel 61 decreet). Bij wijziging van bijslagtrekkende/begunstigden tussen de provisionele betaling van de schooltoeslag in september/oktober en 31 december 2019 wordt de provisioneel betaalde schooltoeslag volledig teruggevorderd bij de bijslagtrekkende/begunstigde die er op basis van de correcte situatie op 31 december 2019 geen recht op heeft en volledig opnieuw uitbetaald aan de bijslagtrekkende/begunstigde die er op basis van de correcte situatie op 31 december 2019 wel recht op heeft. Er is hierbij geen toepassing van het principe van de betaling te goeder trouw. “ Zoals hiervoor vermeld, werd na de vaststelling van de domiciliewijziging van …., het onderzoek gevoerd door verweerster of mevrouw …. terecht als begunstigde mocht worden aangewezen in de hoedanigheid van werkelijke opvoeder, zodat nadien de procedure in verband met de selectieve participatietoeslagen conform de regelgeving en de toepasselijke administratieve richtlijnen gevolgd werd. (…) Na beraadslaging en om al de voormelde elementen, oordeelt de Geschillencommissie dat de vordering van de verzoekende partij ongegrond is in die zin dat verweerster de selectieve participatietoeslagen terecht teruggevorderd heeft bij verzoekster na de controle van de gezinssituatie op het wettelijk voorziene ijkpunt en de uitbetaling en terugvordering correct verricht heeft conform de regelgeving, nl. de artikelen 25, 69 en 103 van het Groeipakketdecreet en volgens de toepasselijke administratieve richtlijnen.”

6.

Internationaalrechtelijke aspecten

6.1. Startbedrag voor het kind van een Nederlandse erkende zeevisser onder Belgische vlag De Geschillencommissie ontving een klacht van een vader die in Nederland woont en als erkende zeevisser onder Belgische vlag vaart voor een Belgische werkgever. Hij ging er niet mee akkoord dat hij geen startbedrag geboorte had ontvangen voor zijn dochter. Het startbedrag geboorte is een eenmalige toelage die op basis van het Groeipakketdecreet uitbetaald wordt naar aanleiding van de geboorte van een rechtgevend kind. Het verzoek luidde als volgt: “(…) Om het startbedrag te kunnen toekennen, werd verzocht om een bewijs dat de echtgenoot van

verzoekster aan de Belgische Sociale Zekerheid onderworpen is. Er werd bewijs gevraagd van tewerkstelling op 25.08.2019 of uitkering van werkloosheid op 25.08.2019.

25.08.2019 was een zondag. ……………… was op de geboortedag van zijn dochter niet aan het werk, noch ontving hij die zondag werkloosheidsuitkeringen. …………………. is van oordeel dat ……………. op de geboortedag van zijn dochter niet de hoedanigheid van werknemer had en bijgevolg het startbedrag niet kan toegekend worden.

pagina 31 van 84


(…) Verweerster weigert het startbedrag toe te kennen omdat de dochter geboren is op een zondag en de vader voor die dag niet als werknemer kan beschouwd worden, quod non. Het is duidelijk dat de heer ………………………………. in de maand augustus onder de Belgische sociale zekerheid viel. Op basis van zijn tewerkstelling voor zijn werkgever in ……………… en op basis van zijn statuut van zeevisser onder de Belgische vlag, wordt een groeipakket toegekend voor zijn dochter. Het is discriminerend om geen startbedrag toe te kennen, louter en alleen omdat de dochter op een zondag geboren is.

De Geschillencommissie oordeelde als volgt68:

“De Geschillencommissie stelt vast dat de Verordening 492/2011 voorziet in de export van kraamgeld (cf. het Vlaamse startbedrag) voor een migrerende werknemer waarbij de ratio legis erin bestaat dat men in het kader van het vrij verkeer van werknemers bepaalde sociale voordelen die bestaan voor de nationale werknemers ook wil toekennen aan de migrerende werknemer. In het voorliggende dossier blijkt dat de heer ………… in Nederland woont, maar als erkende zeevisser onder Belgische vlag vaart en werkt voor een Belgische werkgever. Daarbij blijkt het eigen te zijn aan het statuut van zeevisser dat er kortlopende arbeidscontracten worden afgesloten voor de duur van het voorziene aantal vaartdagen. Zo blijkt dat de heer ……………. in de werkweek voor en na de geboorte van zijn dochter (op zondag 25/8/2019) verbonden was door een arbeidscontract met eenzelfde Belgische werkgever. Zondag 25/8/2019 valt tussen twee arbeidscontracten in; volgens de werkloosheidsreglementering wordt er blijkens de verklaring van het ACV voor een zondag geen werkloosheidsuitkering betaald. De Geschillencommissie meent dat dit betrekking heeft op artikel 100, eerste lid van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, als volgt: “De voltijdse werknemer kan in geval van volledige werkloosheid uitkeringen genieten voor alle dagen van de week, behalve de zondagen.” Wat betreft het arrest Meints waarnaar verwezen wordt in de administratieve richtlijnen voor de kinderbijslaginstellingen, stelt de Geschillencommissie vast dat het hier ging om een geschil tussen H. Meints en de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, ter zake van de weigering van de minister, Meints een uitkering toe te kennen uit hoofde van de vergoedingsregeling voor werknemers die werkloos zijn geworden als gevolg van maatregelen tot het uit de productie nemen van bouwland van hun voormalige werkgever. In tegenstelling tot het voorliggende dossier derhalve waarbij er een stabiele arbeidsverhouding lijkt te bestaan tussen de heer …………. en zijn werkgever, en waarbij er op weekdagen voor het voorzien aantal vaartdagen telkens voor de zeereis opnieuw een arbeidscontract wordt afgesloten, ging het in het arrest Meints om een voormalige werknemer waarbij er geen arbeidsverhouding met de werkgever meer bestond.

68

Beslissing nr. 2021/032 d.d. 25 juni 2021 van de Geschillencommissie Groeipakket.

pagina 32 van 84


Strikt genomen valt de heer …………… tussen twee arbeidscontracten in terug op volledige werkloosheid, maar dit neemt niet weg dat de arbeidsverhouding met zijn werkgever slechts enkel voor het weekend ophoudt te bestaan, om op maandag weer uit te monden in een nieuw arbeidscontract. In die zin lijkt dit volgens de Geschillencommissie vooral te wijten te zijn aan de kortlopende arbeidscontracten die typerend blijken te zijn voor een zeevisser, telkens voor de duur van de zeereis. De werkgever van de heer …………. kon hem geen doorlopend arbeidscontract geven waarin de geboortedag van de dochter zou inbegrepen zijn. De heer ……….. heeft niettemin een stabiele arbeidsverhouding met zijn werkgever en staat onder (diverse) arbeidscontracten tijdens de volledige maand augustus. Finaal heeft de heer ………………. voor de maand augustus 16 werkdagen (vaartdagen) wat in wezen niet verschilt van de circa 20 werkdagen per maand die een arbeider of bediende standaard presteert. Hierbij nog rekening houdende dat het gaat om een zeereis waarbij betrokkene bijvoorbeeld vier dagen op rij van huis weg is tijdens de zeereis. De Geschillencommissie stelt verder vast dat er geen definitie van het begrip werknemer is in de Verordening 492/2011 en men dus dient terug te vallen op de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie. Behoudens het arrest Meints (waarbij echter zoals supra vermeld sprake was van een definitieve beëindiging van de arbeidsverhouding met de werkgever) heeft de Geschillencommissie geen weet van specifieke rechtspraak over het statuut van zeevisserij zodat dit niet kan bevestigen noch ontkrachten dat de heer ……………… kan beschouwd worden als een werknemer gelet op de vaartdagen die hij presteerde tijdens de geboortemaand van zijn dochter. De administratieve richtlijnen die destijds werden uitgewerkt sluiten volgens de Geschillencommissie evenmin werkelijk uit dat de heer ………….. zou kunnen beschouwd worden als werknemer. De Commissie wijst er hierbij ook op dat de richtlijnen slechts een administratieve interpretatie vormen om handvaten te bieden aan de dossierbeheerders en in eerste instantie de tekst van de Europese Verordening en de ratio legis zoals blijkt uit de overwegingen in de Verordening dient te primeren. Bovendien bespreekt de administratieve richtlijn CO nr. 949, bijlage 67, situaties waarbij er sprake is van ontslag e.d. wat niet het geval is in het voorliggende dossier. In acht genomen het opzet van de Europese Verordening om het vrij verkeer van migrerende werknemers en hun recht op sociale voordelen van nationale werknemers niet te benadelen, lijkt het de Geschillencommissie moeilijk verdedigbaar dat restricties die volgen uit het specifieke Belgische statuut als zeevisser het realiseren van de ratio legis van de Europese Verordening zouden onmogelijk maken. In die zin meent de Geschillencommissie dat de heer ……… gelet op zijn opeenvolgende arbeidscontracten in de maand augustus kan beschouwd worden als een werknemer in die zin dat hij normaal aan het werk was voor zijn werkgever in een stabiele arbeidsverhouding, zij het in het kader van elkaar opvolgende arbeidscontracten. Ten slotte meent de Geschillencommissie uit de Verordening niet te kunnen afleiden dat er op de specifieke geboortedag van het kind (per definitie een gebeurtenis waarvan het exacte tijdstip van nature onvoorzienbaar is) sprake moet zijn van een arbeidscontract. De Verordening spreekt in het algemeen over werknemers en in het kader van het Europees recht moet vermeden worden hieraan een te specifieke invulling te geven volgens het intern Belgisch recht, of met het oog op de praktische toepassing ervan door de uitbetalingsactoren. Immers aldus bepaalt de Verordening:

pagina 33 van 84


“1. Een werknemer die onderdaan is van een lidstaat mag op het grondgebied van andere lidstaten niet op grond van zijn nationaliteit anders worden behandeld dan de nationale werknemers, wat betreft alle voorwaarden voor tewerkstelling en arbeid, met name op het gebied van beloning, ontslag, en, indien hij werkloos is geworden, wederinschakeling in het beroep of wedertewerkstelling. 2. Hij geniet er dezelfde sociale en fiscale voordelen als de nationale werknemers.”

Ten slotte merkt de Geschillencommissie nog op dat de heer ………… op de geboortedag van zijn dochter niet in de mogelijkheid was om onder arbeidscontract te zijn aangezien de Belgische wetgeving voor zeevissers geen doorlopende arbeidscontracten voorziet. Was zijn dochter tijdens de week geboren op een vaartdag, dan was er geen probleem geweest volgens de (beperkende) administratieve interpretatie van de verordening in de administratieve richtlijnen voor de uitbetalingsactoren. Finaal concludeert de Geschillencommissie ook dat betrokkene op de geboortedag van zijn dochter geen vaartdag had (de vaartdagen lijken zich steeds op weekdagen te situeren), ook geen verlofdag (compensatiedag) had (cf. een zondag), en geen vergoede werkloosheidsdag had (cf. op zondag kunnen er geen werkloosheidsuitkeringen betaald worden). In feite was de betrokkene dus in de onmogelijkheid om een statuut als werknemer voor te leggen voor die bewuste zondag, hoewel hij werkzaam is in een stabiele arbeidsverhouding. Door te vereisen dat de betrokkene een statuut als werknemer bewijst op de geboortedag lijkt verkeerdelijk een directe link te worden gelegd met de geboortedag zelf, terwijl de betrokkene op basis van de Europese Verordening wel als werknemer moet kunnen worden beschouwd. (…) Na beraadslaging en om al de voormelde elementen, oordeelt de Geschillencommissie dat de vordering van de verzoekende partij ontvankelijk en gegrond is in die zin dat er recht is op het startbedrag voor …………… In haar verzoek vordert de verzoekster het startbedrag voor haar dochter, ‘meer de wettelijke interesten vanaf de datum van opeisbaarheid’. De Geschillencommissie meent dat de verwerende partij bij toepassing van de artikelen 100 en 102 Groeipakketdecreet, artikel 11 Besluit van 13 juli 2018 van de Vlaamse Regering tot vaststelling van de nadere regels over de rechten en plichten van begunstigden in hun contacten met uitbetalingsactoren en tot vaststelling van de regels voor de ambtshalve en gedwongen herziening van een beslissing tot toekenning van toelagen in het kader van het gezinsbeleid, en de Toelichtingsnota nr. 18 van 28 januari 2021 van het Agentschap Uitbetaling Groeipakket (cf. CO 1349 d.d. 9 juli 2004), dient over te gaan tot de berekening van de verschuldigde interesten. (…)”.

6.2. Verblijf in het buitenland op het moment van de overschakeling naar het Groeipakket De Geschillencommissie signaleert dat er in 2021 opnieuw een klacht binnenkwam van een gezin over de inkanteling van de kinderen in de nieuwe bedragen van het Groeipakket na een verblijf van de kinderen in het buitenland, in dit geval na studies van de kinderen in Israël.

pagina 34 van 84


De Geschillencommissie oordeelde in de lijn van haar vorige beslissingen69 als volgt70:

“(…) Uit de voormelde regelgeving71 en de Memorie van toelichting72 is gebleken dat voor kinderen geboren vóór 1 januari 2019, de overgangsregeling van het Groeipakketdecreet enkel kan toegepast worden wanneer het kind op de decretaal bepaalde scharnierdatum van 31 december 2018, een recht opende op kinderbijslag, d.i. dat op 31 december 2018 de toekenningsvoorwaarden van de kinderbijslagreglementering vervuld waren. De verwerende partij liet weten dat er op datum van 31 december 2018 geen recht op kinderbijslag was voor de kinderen van de verzoekster. Hoewel de Geschillencommissie enkel bevoegd is voor de periode vanaf 1 januari 2019, is zij wel bevoegd voor de toepassing van de overgangsregeling die vastgelegd is in het Groeipakketdecreet, waarbij het in het voorliggende dossier van groot belang is om met absolute zekerheid te kunnen uitmaken of er al dan niet op 31 december 2018 een recht op kinderbijslag bestond. Dit bepaalt namelijk of de kinderen vanaf 1.1.2019 verder recht kunnen hebben op de oude bedragen van de Algemene Kinderbijslagwet dan wel ingekanteld worden in de nieuwe bedragen van het Groeipakket, en uiteraard steeds in de mate dat voldaan is aan de overige toekenningsvoorwaarden om recht te hebben op gezinstoelagen op grond van het Groeipakketdecreet. Gelet op het territorialiteitsbeginsel in de AKBW waardoor principieel geen kinderbijslag verschuldigd is voor de kinderen ……….. en …………. aangezien zij in Israël studeerden tijdens het schooljaar 2018-2019, dient te worden onderzocht of er voor hen toepassing kan gemaakt worden van een algemene of ministeriële afwijking. In de Algemene Kinderbijslagwet (AKBW) die van toepassing was tot 31 december 2018, konden dergelijke afwijkingen immers toegestaan worden door de bevoegde minister of de daartoe aangestelde ambtenaar van de FOD Sociale Zekerheid wanneer niet voldaan was aan bepaalde toepassingsvoorwaarden van de AKBW. De Geschillencommissie stelt vast dat een aanvraag om individuele ministeriële afwijking werd ingediend omdat niet zal voldaan geweest zijn aan één van de voormelde algemene afwijkingen. Inderdaad stelt de Geschillencommissie op grond van de beschikbare gegevens inzake de studies van de kinderen in Israël (schooljaren 2016-2017 en 2018-2019) vast dat:  

bij de keuzemogelijkheid: hoger onderwijs volgen of ander onderwijs (‘other’) volgen, het vakje ‘other’ werd aangekruist; verder werd bij de keuzevakjes over reeds behaalde diploma’s (waarbij het formulier vermeldt dat meer dan een situatie kan aangekruist worden) de optie ‘Hij/zij heeft in België of in een ander land nog geen einddiploma hoger onderwijs behaald’ aangekruist. De opties ‘Hij/zij heeft in

Beslissing nr. 2020/008 d.d. 3 april 2020 van de Geschillencommissie Groeipakket; beslissing nr. 2020/007 d.d. 25 september 2020 van de Geschillencommissie Groeipakket. 69

70

Beslissing nr. 2021/024 d.d. 30 april 2021 van de Geschillencommissie Groeipakket.

71

Artikel 209, §2, artikel 210, §§ 1 en 2, artikel 211 en artikel 228 Groeipakketdecreet.

72

p. 135, 142 en 156.

pagina 35 van 84


België al een einddiploma secundair onderwijs behaald’ en de optie ‘Hij/zij heeft in België of in een ander land al een einddiploma hoger onderwijs behaald’ werden niet aangekruist. Indien deze gegevens getoetst worden aan de voormelde algemene afwijkingen meent de Geschillencommissie dat inderdaad geen van die algemene afwijkingen kon toegepast worden. De raadsman van verzoekster meent dat “Evenwel kan dergelijke vrijstelling wèl gevonden worden in artikel 2.2 van de Ministeriële omzendbrief, MO nr. 599 van 16 juli 2007, waarin gestipuleerd wordt dat er een algemene vrijstelling wordt verleend voor kinderen die lessen volgen in het buitenland en die noch in België noch in het buitenland een einddiploma hoger onderwijs verworven hebben en die hoger onderwijs volgen in een land buiten de Europese Economische Ruimte. Israël is effectief een land buiten de EER. (…)”. Inzake de individuele ministeriële afwijking merkt de Geschillencommissie op dat het hier gaat om een discretionaire beoordelingsbevoegdheid van de minister waartegen beroep openstaat bij de arbeidsrechtbank (marginale toetsing). Uit de stukken blijkt echter niet dat het gezin in beroep ging tegen de ongunstige beslissing inzake de aanvraag om individuele afwijking zodat bijgevolg volgens de Geschillencommissie de verwerende partij terecht vaststelde dat er op 31.12.2018 geen recht op kinderbijslag bestond binnen de Algemene Kinderbijslagwet. Overigens is uitsluitend de arbeidsrechtbank bevoegd voor betwistingen over kinderbijslag tot 31.12.2018 zodat de Geschillencommissie zich hierover ook niet verder kan uitspreken. Bijgevolg meent de Geschillencommissie dat overeenkomstig de voormelde overgangsregeling er voor de kinderen geen aanspraak kan gemaakt worden op de bedragen van de AKBW wanneer zij vanaf 1.1.2019 wel zouden voldoen aan de toekenningsvoorwaarden van het Groeipakketdecreet om recht te hebben op gezinstoelagen. In de mate dat er derhalve onder het Groeipakketdecreet gezinstoelagen kunnen toegekend worden, is dit volgens de Geschillencommissie met toepassing van de nieuwe bedragen van het Groeipakket.”.

6.3. Vermoeden van verblijf van de kinderen in het buitenland: kinderen gaan naar school in Nederland De Geschillencommissie onderzocht een klacht van een gezin waarvoor de uitbetaling van het Groeipakket was geschorst omdat de uitbetalingsactor vermoedde dat de kinderen in Nederland verbleven en niet in België zoals het gezin beweerde. Doordat de kinderen namelijk naar school gingen in Nederland meende de uitbetalingsactor dat de afstand tussen de scholen in Nederland en de woonplaats in België te groot was om dagelijks te overbruggen. Bij gebrek aan voldoende elementen om te kunnen beslissen over de gegrondheid van de terugvorderingsbeslissing van de uitbetalingsactor, besliste de Geschillencommissie een controle door de sociale inspectie-en begeleidingsdienst (Agentschap Uitbetaling Groeipakket) te vorderen bij wijze van tussenbeslissing.73

73

Beslissing nr. 2021/001 d.d. 15 januari 2021 van de Geschillencommissie Groeipakket.

pagina 36 van 84


De Geschillencommissie oordeelde finaal als volgt74:

“(…) Wat betreft de betwiste periode vanaf de schorsing van het Groeipakket door de uitbetalingsactor vanaf 1 januari 2020 tot en met de ambtshalve afschrijving van de moeder en de kinderen op 13 november 2020, komt de Geschillencommissie tot de volgende bevindingen. Volgens het reglementaire stramien van het Groeipakketdecreet wordt standaard uitgegaan van de domiciliegegevens in het Rijksregister (cf. verzoekers waren in de periode van 1 januari 2020 tot en met 13 november 2020 gedomicilieerd op het adres …………………) tenzij dit weerlegd wordt door o.m. een controle door een gezinsinspecteur. In casu is er een controleverslag d.d. 26.06.2020 dat besluit dat het gezin minstens vanaf 1 januari 2020 niet meer woont op het adres te ……………... Dit standpunt wordt nadien bevestigd door het controleverslag d.d. 27.01 2021. De vraag is derhalve of die controleverslagen kunnen geacht worden voldoende stand te houden in het licht van de diverse andere, meer recente, beschikbare elementen die de verzoeker toelichtte, alsook de positieve controle die blijkt uit het verslag van de politie en de ambtshalve afschrijving van de moeder en de kinderen die pas in de loop van de maand november 2020 ingaat. De Geschillencommissie meent te kunnen vaststellen dat het verhaal van verzoekers, bevestigd door het relaas van verzoeker op de hoorzitting van 15 januari 2021, wel aannemelijk lijkt en wordt gestaafd door de vele stukken die door verzoekers worden bijgebracht, evenals door de vaststellingen die werden gedaan door de wijkagent (verslag d.d. d.d. 17 oktober 2020) die besluit tot een positieve woonstcontrole van alle gezinsleden (en dus het controleverslag van de gezinsinspecteur d.d. 26 juni 2020 weerlegt). (…)“. 6.4. Betwisting vertrekdatum gezin naar het buitenland (Iran) – Vaststellingen politie – Nieuwe stavingsstukken Inzake de precieze datum van vertrek van een gezin naar het buitenland (Iran) toetste de Geschillencommissie de beschikbare elementen en (nieuwe) stavingsstukken sinds de vaststellingen door de politie om de datum van stopzetting van het Groeipakket te bepalen. Het gezin stelde pas naar het buitenland te zijn vertrokken in de loop van oktober terwijl de uitbetalingsactor op basis van de bevindingen van de politie en de conclusie van het arbeidsauditoraat meende dat het gezin reeds vanaf september in het buitenland verbleef. De Geschillencommissie oordeelde na beraadslaging als volgt75:

“In zijn verzoekschrift haalt verzoeker aan dat hij pas op 5 oktober 2020 met het ganse gezin vertrokken is naar Iran. Hij staaft zijn vertrek met vliegtuigtickets op naam van alle leden van het gezin, m.n. de ouders en vijf kinderen, met vertrekdatum op 5 oktober 2020. Deze tickets zijn deels in het Arabisch opgesteld zodat het niet evident is om de waarachtigheid ervan te beoordelen. Verder legt hij ook de facturen van de PCRtesten voor, die het gezin (ouders en vier oudste kinderen) moest laten afnemen 72u voor vertrek, om aan

74

Beslissing nr. 2021/022 d.d. 30 april 2021 van de Geschillencommissie Groeipakket.

75

Beslissing nr. 2021/047 d.d. 19 november 2021 van de Geschillencommissie Groeipakket.

pagina 37 van 84


te tonen dat ze niet besmet waren met het coronavirus. Tenslotte legt hij de betaling voor van de autosnelweg naar de luchthaven in Parijs op 5 oktober 2020. Verwerende partij aanvaardt deze stukken in elk geval niet als bewijs van verblijf tot die datum in België. Zij meent immers op basis van de bevindingen van de politie en de conclusie van het arbeidsauditoraat dat bewezen is dat betrokkenen niet in België waren voor de kwestieuze periode, de maanden september en oktober 2020. (…) De Geschillencommissie stelt vast dat het gezin tot op heden zijn domicilie heeft in Vlaanderen en dus voldoet aan de voorwaarden van artikel 8, §1, eerste lid, Groeipakketdecreet. Aangezien de kinderen niet van een vrijstelling kunnen genieten, kunnen er dus geen gezinstoelagen worden toegekend voor de periode dat de kinderen in het buitenland lessen volgen of opgevoed worden (artikel 8, § 3 Groeipakketdecreet). Deze periode dient derhalve te worden afgebakend. De Geschillencommissie meent, na het in acht nemen van alle stukken, dat het als geloofwaardig kan aanzien worden dat het gezin toch pas op 5 oktober 2020 vertrokken is, gezien alle stukken die de verzoeker voorlegt, met name de vliegtuigtickets (weliswaar in het Arabisch, maar waarop een vertrekdatum op 5 oktober 2020 kan worden afgelezen), de PCR-testen en betaling van de autosnelweg naar Parijs. Er werd door de Geschillencommissie verder nog bewijs opgevraagd van de stempel in de internationale paspoorten als bewijs van de vertrekdatum in Parijs, maar de verzoeker liet weten dat hij geen stempels kan voorleggen, en dat de documenten enkel gevalideerd werden (“Malheureusement à Paris, ils n’ont pas mis de cachet dans le passeport. Ils vérifient la validité des documents.”). Ook werd gevraagd of het gezin door de coronacrisis in 2020 later dan normaal vertrokken is naar Iran, aangezien ze de vorige jaren het land vroeger verlieten. De verzoeker bevestigde dat het vertrek van het gezin naar Iran inderdaad normaal gezien voorzien was op 24 september 2020. Hij bezorgde ook nog bewijs van de ingevolge coronamaatregelen geannuleerde vlucht op 24 september 2020 vanuit Amsterdam naar Teheran: “Effectivement, nous avions un départ à partir d’Amsterdam durant le mois de septembre 2020 qui a été annulé à cause de la crise sanitaire.”. Ook brengt de verzoeker nog bewijs bij van de uitnodiging d.d. 15 september 2020 die hij ontving van de ambassade van Iran in België om de visa te gaan ophalen, derhalve na 15 september 2020. Hieruit blijkt bijgevolg dat het gezin op dat moment nog in België aanwezig was (wat derhalve niet correspondeert met de conclusie van het auditoraat op basis van de vaststellingen van de politie dat het gezin sinds 1 september 2020 niet meer aanwezig was in België). Tenslotte brengt de verzoeker nog bewijs bij van een bloedafname van zijn dochter … in het … ziekenhuis in … op 1 september 2020, wat tegelijk de afwezigheid verklaart op het moment van de woonstcontrole die dag en de aanwezigheid in België aantoont. Bovendien blijkt uit het proces-verbaal dat er in september 2020 maar twee woonstcontroles uitgevoerd werden, en dit op dezelfde dag, nl. (dinsdag) 1 september 2020, om 10u30 en 14u20, waarbij niemand thuis aanwezig was. In tegenstelling tot de andere vaststellingen vanaf 22 oktober 2020 waren de rolluiken tijdens de controle op 1 september 2020 nog niet naar beneden. Op basis van al de voorgaande elementen acht de Geschillencommissie het wel geloofwaardig dat het gezin nog niet definitief vertrokken was voor het nieuwe schooljaar in Iran.

pagina 38 van 84


De Geschillencommissie ziet niet goed in hoe men deze stukken aan de kant kan schuiven, tenzij men oordeelt dat deze vervalst zijn, maar meent ook dat het auditoraat daar nooit kennis van heeft kunnen nemen en deze nu pas voor de eerste keer voorgelegd worden in het kader van de procedure voor de Geschillencommissie. Indien het auditoraat daar kennis van had, had dit mogelijkerwijze tot een ander oordeel geleid. Op datum van 20 mei 2021, bij het indienen van het verzoekschrift, werden deze nieuwe stukken wél gelijktijdig ook naar verwerende partij verstuurd. De Geschillencommissie stelt evenwel vast dat verwerende partij er niet naar verwezen heeft in haar standpunt en niet is overgegaan tot een heroverweging van haar standpunt. Verwerende partij verwijst in haar standpunt wél naar de e-mail van 26 oktober 2020 van verzoeker aan verwerende partij waarin hij stelt vertrokken te zijn op 5 oktober 2020 voor het schooljaar in Iran tot juni 2021. Verwerende partij zegt daarover : … is van mening over voldoende bewijslast te beschikken om aan te nemen dat Dhr. … en zijn gezin niet in België aanwezig waren in de maanden 01.09.2020 – 01.12.2020 en dus eerder naar het buitenland zijn vertrokken dan 05.10.2020, zoals Dhr. …. zelf meedeelde in zijn e-mail van 26.10.2020.’ De Geschillencomissie begrijpt evenwel uit die e-mail dat verzoeker signaleert dat hij met zijn gezin op 5 oktober 2020 vertrokken is uit België (‘Cet émail pour déclarer que nous sommes partis à l’ étranger pour la rentrée scolaire de nos 4 enfants le 5/10/2020. Les enfants seront scolarisés jusqu’en juin 2021 à l’ étranger.(…)’) (…) Na beraadslaging en om al de voormelde elementen beoordeelt de Geschillencommissie de vordering als zijnde ontvankelijk doch deels gegrond, zeggende dat het voldoende bewezen is dat het gezin van verzoeker op 5 oktober 2020 uit België vertrokken is, maar in de maand september 2020 wel nog aanwezig was in België, en bijgevolg verwerende partij het bedrag van de terugvordering dient te herleiden tot het bedrag dat ten onrechte werd betaald voor de maand oktober 2020. “.

pagina 39 van 84


DEEL IV. ADVIEZEN EN AANBEVELINGEN In het Groeipakketdecreet werd de Geschillencommissie de taak toebedeeld om in het jaarverslag adviezen te formuleren om de toepassing van het Groeipakketdecreet te verbeteren of om vastgestelde anomalieën op te lossen. In dit verband wordt ook gewezen op het beleidsproject ‘Borging’ van het Agentschap Opgroeien (in samenspraak met het Agentschap Uitbetaling Groeipakket) teneinde anomalieën in de regelgeving Groeipakket te traceren en operationele of structurele problemen aan te pakken en waar nodig het Groeipakket regelgevend bij te sturen.76 Hierbij worden signalen vanuit verschillende bronnen gecapteerd, waaronder de Geschillencommissie. Zodoende leverde de Geschillencommissie ook in de loop van 2021 opnieuw aan de werkgroep ‘Borging’ reeds een aantal elementen aan die op technisch-juridisch vlak de aandacht verdienen met het oog op de coherentie van de regelgeving inzake het Groeipakket. Daarnaast wenst de Geschillencommissie in dit jaarverslag ook de aandacht te vestigen op een aantal problematieken die op inhoudelijk vlak aan bod kwamen tijdens het juridisch onderzoek van de klachten van de gezinnen. Ten slotte formuleert de Geschillencommissie een aantal aanbevelingen waarvan zij meent dat het de rechtsbescherming van de burger in het kader van de gezinstoelagen in ruime zin ten goede kan komen.

1.

Inhoudelijke aandachtspunten

1.1. Schooltoeslag – Pedagogische voorwaarden De Geschillencommissie ontving in 2021 opnieuw diverse klachten over de pedagogische voorwaarden om de selectieve participatietoeslag (ook schooltoeslag genoemd) te kunnen ontvangen. De schooltoeslag kan sinds het schooljaar 2019-2020 toegekend worden op basis van het Groeipakketdecreet. De toeslag beoogt een bijdrage te leveren aan de democratisering van het onderwijs en wordt toegekend aan de leerling ter ondersteuning van zijn deelname aan het onderwijs of aan de student bovenop de studietoelage ter ondersteuning van zijn deelname aan hoger onderwijs.77 Ook in 2019 en 2020 diende de Geschillencommissie reeds de specifieke omstandigheden waarin een gezin of leerling verkeerde, te toetsen aan de conceptualisering van de schooltoeslag als een incentive in het licht van de democratisering van het onderwijs en om spijbelgedrag tegen te gaan en waarbij de vraag rijst of het regelgevend kader, de administratieve richtlijnen en de betalingsapplicatie voldoende overeenstemmen met de ratio legis van de schooltoeslag. De Geschillencommissie wenst daarom in dit jaarverslag de klachten van de gezinnen onder de aandacht te brengen omdat zij de problematiek illustreren aan de hand van praktijksituaties.

76

Zie ook Regeerakkoord Vlaamse Regering 2019-2024, p. 71.

77

Artikel 3, §1, 38° Groeipakketdecreet.

pagina 40 van 84


Naar aanleiding van het onderzoek van de klachten die de Geschillencommissie ontving, rijst bij de Commissie de vraag in welke mate het kan aangewezen zijn om het regelgevend kader te verfijnen. Zoals hierna wordt geïllustreerd, kunnen er zich in de loop van het schooljaar immers talrijke gebeurtenissen voordoen (vb. verhuis naar het buitenland, medische redenen zoals een aanslepende ziekte zonder aanvankelijke diagnose, overstap naar thuisonderwijs tijdens het schooljaar ingevolge een leerstoornis, laattijdige herinschrijving door verhuis vanuit asielzoekerscentrum, …) terwijl de schooltoeslag bij het begin van het schooljaar werd ontvangen en reeds werd besteed aan de schoolkosten. Volgens het huidig regelgevend kader wordt evenwel de volledige schooltoeslag teruggevorderd indien op het einde van het schooljaar niet aan alle strikte voorwaarden blijkt te zijn voldaan. De Geschillencommissie begrijpt uit de klachten van de betrokken gezinnen dat – zeker gelet op de fragiele financiële draagkracht van deze doelgroep – het niet evident lijkt om (provisioneel) het voordeel van de schooltoeslag te genieten maar deze later volledig te moeten terugstorten ingevolge vaak onverwachte gebeurtenissen tijdens het schooljaar, en dit terwijl het geld van de schooltoeslag reeds werd besteed: de schoolkosten situeren zich immers hoofdzakelijk aan het begin van het schooljaar ongeacht of het schooljaar nadien volledig wordt uitgedaan. De Geschillencommissie verwijst in haar beslissingen naar dit alles-of-niets karakter van de schooltoeslag en oppert de vraag in welke mate een proportionele toekenning van de schooltoeslag een betere afstemming met de praktijk van een schooljaar kan bieden, zeker gelet op de fragiele financiële draagkracht van de gezinnen die uitgerekend de doelgroep vormen van de schooltoeslag. Daarnaast kan ook een afstemming met de onderwijssector een aandachtspunt zijn om te vermijden dat ingevolge een gebrek aan informatie een gezin de schooltoeslag zou mislopen. Ook dit aspect blijkt toch wel uit de klachten waarbij de betrokken instanties niet steeds goed de impact van bepaalde beslissingen inzake een schoolinschrijving op de gezinstoelagen en de schooltoeslag kunnen inschatten en bijgevolg mogelijks niet de juiste of volledige informatie kunnen verstrekken.

1.1.1. Leerling in OKAN-traject - Verhuis van korte duur vanuit asielzoekerscentrum - Uitschrijving (december) en (laattijdige) herinschrijving (na de kerstvakantie) op dezelfde school Zo diende de Geschillencommissie zich uit te spreken over een situatie waarbij een leerling in OKANtraject ten gevolge van de korte verhuis van het gezin vanuit een asielzoekerscentrum werd uitgeschreven in december en opnieuw werd ingeschreven na de kerstvakantie op dezelfde school. De Geschillencommissie stelde daarbij vast dat de (laattijdige) herinschrijvingstermijn werd geduid door tal van factoren en er geenszins sprake bleek van spijbelgedrag. Uit de grieven die de vertegenwoordiger uitte namens het gezin, kwam o.m. het volgende naar voor:

“…………………. kwam langs met de vraag waarom dit bedrag teruggevorderd wordt. Wat wij kunnen afleiden uit het, door u verstuurde document, is dat ……………………… van 01/02/20191-06/01/2020 niet ingeschreven was in een middelbare school. Het gezin is op 01/12/2019 verhuisd van ……………. naar …………… en op 06/01/2020 naar ……………... Tijdens deze periode werd ……………. niet ingeschreven in school, omdat er geen plaats was. …………… zou deze boodschap gekregen hebben. Nu is mijn vraag of we deze terugvordering kunnen aanvechten door een bewijs op te vragen bij de school?”

pagina 41 van 84


(…) Ik heb contact opgenomen met het OCMW waar het gezin destijds verbleef in het LOI voor korte tijd. Zij hadden samen besproken met de school dat het niet nuttig was om ……………… naar school te sturen voor de korte termijn. Deze info kan u hieronder terugvinden: Na enig opzoekingswerk, vond ik de email in bijlage omtrent de school van …………….. Zij kwamen aan in ons LOI op 02/12/2019 en zijn terug vertrokken op 16/01/2020. Gezien ……………. toen OKAN onderwijs volgde in …………….. en, dit niet meteen overgenomen kon worden in ……………….. ging ………….. niet naar school in die periode. In de OKAN klassen te ……………… organiseerde men – in tegenstelling tot de school in ………. – wel examens in de school. ………………… zou dus meteen examens moeten afleggen in de school die haar onbekend is, de week daaropvolgend zou men enkel nog activiteiten doen. In overleg met alle partijen, werd besloten om …………. niet in …………….. in te schrijven. (…) Verhuis van korte duur van ………………….(asielzoekerscentrum, schoolgaand te ………….) naar ……………….. (LOI) 02/12/19-16/01/20. Examens december in OKAN-klas te ………………. Kerstvakantie Ook kan u bijgevoegd het mailverkeer terugvinden tussen de partijen. Ook hebben zij contact opgenomen of er problemen zouden komen met de studietoelage en het kindergeld. Hopelijk levert dit voldoende informatie op, om de terugvordering in te trekken.” . De Geschillencommissie oordeelde als volgt78:

“(…) De Geschillencommissie meent dat de volledige terugvordering van de schooltoeslag die diende om de kosten van het schooljaar te dragen voor de specifieke doelgroep van de schooltoeslag (nl. gezinnen met een laag inkomen) dan een vrij zware financiële sanctionering is voor het gezin dat louter het advies van een schoolinstelling en de betrokken hulpverleners van de ondersteunende diensten heeft gevolgd, waarbij hen niet werd gewezen op de mogelijke negatieve gevolgen daarvan (waarover zelfs de uitbetalingsactor op dat moment geen uitsluitsel kon geven). Het gezin zal de schooltoeslag reeds besteed hebben aan de schoolbenodigdheden en schoolboeken, d.w.z. kosten die hoe dan ook gemaakt zijn, ook al was het kind gedurende een korte periode (waarvan 2 weken kerstvakantie) niet ingeschreven en waarbij het bovendien onmiddellijk na de kerstvakantie opnieuw in dezelfde school werd ingeschreven. De vraag is dan ook in welke mate de strikte pedagogische vereisten in het kader van het doel van de schooltoeslag om in te zetten op de democratisering van het onderwijs voor minder begoede gezinnen, in casu hun doel niet dreigen voorbij te schieten. De Geschillencommissie meent immers dat het hier ook niet lijkt te gaan om spijbelgedrag; de uitschrijving is louter het gevolg van de overgang van het gezin van een asielzoekerscentrum over een LOI naar een eigen woning, waarbij ook uit de teneur van de stavingsstukken blijkt dat de ondersteunende diensten ook steeds voor ogen hadden dat het kind niet te lang school zou missen en hierbij de diverse belangen hebben afgewogen (cf. “Zij werd inderdaad uitgeschreven aangezien we niet wisten of ze zeker zou terugkomen.” en “Aldaar adviseerde ze mij dat, gelet op de zeer korte periode, niet zinvol is om de inschrijving te voltooien.” alsook “Ik heb me inderdaad ook al afgevraagd of het nut heeft haar in een andere school in te schrijven als ze zeker in januari zouden verhuizen. Anderzijds is elke week school die er gemist wordt, wel een kans minder om Nederlands te leren. Wanneer kunnen zij er terecht in januari.”).

78

Beslissing nr. 2021/036 d.d. 24 september 2021 van de Geschillencommissie Groeipakket.

pagina 42 van 84


Bij dit alles lijkt het ook niet zo evident of in het belang van het kind om een …………. meisje uit een vluchtelingengezin dat pas sinds november 2018 in België verblijft, voor enkele weken in te schrijven op een nieuwe school wanneer de bedoeling eerder lijkt te zijn om haar terug in te schrijven op dezelfde school zodra het gezin verhuisd was. Het lijkt eerder een logische beslissing te zijn geweest van de betrokken diensten. Naast het feit dat verwerende partij op het moment van de bevraging geen uitsluitsel kon geven en vaag bleef over de mogelijke impact, wijst de Geschillencommissie er ook op dat in de brief tot toekenning van de schooltoeslag er wel wordt gewezen op de vereiste dat het kind voldoende aanwezig moet zijn op school, maar er geen melding wordt gemaakt van de maximale termijn van 15 dagen tussen een uitschrijving en een nieuwe inschrijving. De vermelding dat het kind voldoende aanwezig moet zijn, slaat overigens eerder op het maximumaantal (ongewettigde) afwezigheidsdagen, zo blijkt ook uit de administratieve onderrichtingen in de voormelde toelichtingsnota nr. 13. De Geschillencommissie meent dat de maximumtermijn van 15 dagen tussen een uitschrijving en een nieuwe inschrijving een standaardnorm is vanuit de ratio legis om de leerlingen op de schoolbanken te houden zoals blijkt uit de Memorie van toelichting. Hierbij is de wetgever er wellicht van uitgegaan dat de administratieve formaliteiten in normale omstandigheden een dergelijke periode in beslag kunnen nemen. In dit dossier beschikt de Geschillencommissie evenwel over heel wat elementen die de (vrij beperkte) overschrijding van de herinschrijvingstermijn duiden. De verblijfssituatie van het gezin blijkt daarbij zeker niet die van een standaardgezin. Gelet op de appreciatiebevoegdheid van de Geschillencommissie (“…conform de conceptualisering van de Geschillencommissie in het kader van het Groeipakketdecreet stelt dit de Geschillencommissie in staat om het Groeipakketdecreet ook te toetsen aan de geest van de wet, zodanig dat ongewenste of niet beoogde effecten van het Decreet Groeipakket kunnen worden opgespoord en er hieraan desgevallend kan worden geremedieerd met het oog op het verzekeren van de coherente toepassing van het Groeipakketdecreet.” – cf. supra) beslist de Geschillencommissie het verzoek van verzoekers ontvankelijk en gegrond te verklaren waarbij voor recht wordt gezegd dat er voor het kind …………… een schooltoeslag kan worden toegekend voor het schooljaar 2019-2020 en de terugvordering bij beslissing van verwerende partij d.d. 15 maart 2021 dient te worden geannuleerd. “. 1.1.2. Afwezigheden op school wegens precaire gezondheidstoestand De Geschillencommissie diende tevens te oordelen over het verzoek van een moeder betreffende de terugvordering van de schooltoeslag voor haar zoon die ingevolge de ziekte van Lyme en aanhoudende buitensporige vermoeidheid niet normaal op regelmatige wijze aan het schoolleven kon deelnemen. De Geschillencommissie oordeelde als volgt79:

“De Geschillencommissie stelt vast dat ………. -

79

in het schooljaar 2018-2019 33 halve dagen afwezig was; in het schooljaar 2019-2020 32 halve dagen afwezig was.

Beslissing nr. 2021/030 d.d. 25 juni 2021 van de Geschillencommissie Groeipakket.

pagina 43 van 84


Overeenkomstig artikel 34 van het Groeipakketdecreet mag een leerling maximaal 30 halve dagen afwezig zijn tijdens het betrokken schooljaar en eveneens 30 halve dagen tijdens het voorgaande schooljaar. De voormelde ratio legis om de jongeren op de schoolbanken te houden met de schooltoeslag als financiële incentive, komt tot uitdrukking in strikt bepaalde ijkpunten, namelijk een inschrijving in het begin van het schooljaar, voldoende aanwezigheid, en nog steeds ingeschreven zijn op 30 juni van het schooljaar. Verzoekster verwijst naar de medische situatie van … om de ongewettigde afwezigheden in beide schooljaren te verklaren. (…) Verzoekster geeft in haar verzoekschrift een overzicht van de ziekte van haar zoon …… naar aanleiding van een tekenbeet in juli 2016 en opnieuw in juli 2017. Ze geeft aan dat haar zoon sinds oktober 2017 extreem vermoeid en onhandelbaar werd. Een bloedtest op de ziekte van Lyme was – aldus de toenmalige huisdokter – vals positief. Vanaf januari 2018 ging ….. maar sporadisch naar school. Door zijn grote afwezigheid in het vijfde middelbaar in het schooljaar 20172018 heeft hij zijn jaar moeten overdoen. In september 2018 was de situatie een beetje beter, zodat ….. terug naar school kon gaan, maar de situatie herhaalde zich, met als gevolg dat hij opnieuw (vaak onwettig) afwezig was op school. In februari 2019 was de gezondheid van ….. nog steeds heel slecht en namen de ouders contact op met ….. de praktijk van professor …. die (onder andere) gespecialiseerd is in de ziekte van Lyme. Een gericht onderzoek in april 2019 wees op de ziekte van Lyme. Om daarover zekerheid te krijgen, dienden er allerlei testen te gebeuren, waarvan een groot aantal in gespecialiseerde laboratoria in het buitenland. Onder andere daardoor waren er in het schooljaar 2018-2019 (het 2e jaar dat …. het vijfde jaar volgde) opnieuw heel wat (ongewettigde) afwezigheden. Uit de testen bleek dat …. een speciale baxterkuur nodig had (een dagelijkse baxterkuur van 3 uren, van maandag tot en met vrijdag en dit gedurende 6 weken). Deze kuur werd opgestart op 8 juli 2019. In september 2019 startte ….. voor de 3e keer zijn vijfde middelbaar. Wegens gebrek aan begrip bij de school, veranderde …. in november 2019 van school en werd hij ook ingeschreven in het internaat (in de hoop om op die manier te kunnen zorgen voor een beter dag- en nachtritme). In januari 2020 moesten er nieuwe testen gebeuren en is …. met een tweede baxterkuur begonnen. Door de veelvuldige (gewettigde en ongewettigde) afwezigheden op school tijdens het schooljaar 20192020, is …. in het schooljaar 2020-2021 voor de 4de keer aan zijn vijfde middelbaar begonnen. Door de COVID-19 pandemie, dienen er veel lessen online gevolgd te worden, wat beter gaat voor ….. omdat daardoor veel vermoeiende factoren voor hem wegvallen. De door verzoekster weergegeven versie van de feiten strookt met de medische stukken die door haar worden bijgebracht.

pagina 44 van 84


(…) Hoewel de uitbetalingsactor strikt genomen een correcte beslissing heeft genomen door de schooltoeslag terug te vorderen aangezien het toegelaten aantal onwettige afwezigheden was overschreden, meent de Geschillencommissie dat de vraag kan gesteld worden in welke mate die beslissing coherent is met de ratio legis van de pedagogische voorwaarden inzake de schooltoeslag. De Geschillencommissie meent namelijk dat de ratio legis van het beperkt aantal toegelaten onwettige afwezigheden er volgens de Memorie van toelichting in gelegen is om ‘de jongeren op de schoolbanken te houden’ met de schooltoeslag als een financiële incentive om dit maximaal te verwezenlijken. Hiertoe werd een criterium van 30 halve schooldagen tijdens het schooljaar in kwestie en het voorafgaande schooljaar vastgesteld. In het voorliggende dossier heeft ….. die norm – ondanks zijn aanhoudende gezondheidsproblemen met grote vermoeidheid als zeer kenmerkend symptoom van de ziekte van Lyme – slechts zeer miniem overschreden, namelijk een overschrijding met 3 halve dagen in het schooljaar 2018-2019 en een overschrijding met 2 halve dagen in het schooljaar 2019-2020. Hoewel de vastgestelde standaardnorm dus wel degelijk blijkt te zijn overschreden – zij het minimaal – lijkt de oorzaak voor die overschrijding duidelijk in de medische aandoening van ….. te liggen, namelijk een zeer precaire gezondheidstoestand waarvan de symptomen en de behandeling van langdurige aard zijn. Spijbelgedrag lijkt hier echter helemaal niet aan de orde te zijn: uit de details in het verzoekschrift en de bijgevoegde stukken blijkt dat de ouders er alles aan doen om hun zoon zo veel mogelijk naar school te laten gaan opdat hij toch nog een deel van de lessen zou kunnen volgen en dat zij ook herhaaldelijk naar oplossingen hebben gezocht (bvb. het opstarten van Bednet, … naar een internaat laten gaan, ….). Verzoekster geeft hierbij ook als motivering voor de ongewettigde afwezigheden aan dat het niet altijd evident was om voor losse dagen waarop …. te vermoeid was om naar school te gaan, telkens bij de dokter langs te gaan voor een medisch attest. Er wordt wel een doktersattest d.d. 21 maart 2021 bijgebracht, waarin de dokter attesteert dat …. omwille van gezondheidsredenen niet in staat was om alle lessen bij te wonen in de periode van 2018 tot 2020. Dat toont ook aan dat de problematiek van …. bij de huisdokter gekend is en dat de oorzaak van de afwezigheden wel degelijk het gevolg is van zijn medische situatie. De Geschillencommissie meent dat de medische situatie van het kind …. beschouwd kan worden als overmacht in die zin dat de specifieke gezondheidssituatie van …. gekenmerkt door aanhoudende buitensporige vermoeidheid, van die aard was dat ze buiten de wil van het kind (en de ouders) om ertoe heeft geleid dat …. niet normaal op regelmatige wijze aan het schoolleven kon deelnemen en dat het wettigen van de punctuele afwezigheidsdagen in het schooljaar 2018-2019 en het schooljaar 2019-2020 via een doktersattest ook niet evident was gelet op de aard van de symptomen van de ziekte van Lyme, en de jongere zodoende door zijn uitzonderlijke medische situatie niet heeft kunnen voldoen aan de standaardnorm voor ongewettigde afwezigheden, waarbij evenwel zeker geen sprake is van spijbelgedrag maar daarentegen de nodige inspanningen werden geleverd om de jongere net wel zo veel als mogelijk naar school te laten gaan.” Na beraadslaging en nauwkeurige afweging van de diverse elementen oordeelde de Geschillencommissie dat de vordering van de moeder gegrond is in die zin dat er recht is op de selectieve participatietoeslag voor het kind voor het schooljaar 2019-2020.

pagina 45 van 84


1.1.3. Uitschrijving tijdens het schooljaar en overstap naar individueel thuisonderwijs – Leerstoornis De Geschillencommissie ontving tevens een klacht van een moeder die in de loop van het schooljaar de keuze maakte om voor haar dochter die kampt met een leerstoornis thuisonderwijs aan te bieden. In haar verzoek heeft de moeder haar grieven als volgt verwoord:

“(…) Het nieuws over de inhouding van mijn kinderbijslag heeft er diep in gehakt. Vorig schooljaar had ik geen andere keuze dan mijn dochter thuisonderwijs te geven, wou ik haar toekomst veilig stellen. Op verschillende scholen werd haar gezegd dat ze haar getuigschrift niet zou kunnen halen en naar het beroepsonderwijs zou moeten gaan. Geen enkele school voorzag in een gepaste begeleiding. Ik vertelde de zorgcoördinators en leraren nochtans dat ………….. een psychologische blokkade had ontwikkeld tegen leren, omwille van haar problemen met wiskunde veroorzaakt door dyslateralisatie. In hun onwetende betweterigheid hadden ze er op school geen oren naar. Hoewel ik ernstig ziek ben, heb ik toch beslist om mijn dochter te helpen. Dankzij mijn intensieve begeleiding en de hulp van een logopedist heeft ze haar leerachterstand ingehaald. In september 2020 heb ik haar opnieuw ingeschreven in een school en bij het oudercontact in december zei de klasjuf me dat ze noch een leerachterstand, noch een leerprobleem vaststelden en dat ……… zonder probleem haar getuigschrift zou kunnen halen. ………………. had een uitstekend rapport behaald en heeft terug zelfvertrouwen. Ze had alleen iemand nodig die in haar geloofde. Ik vind het al erg genoeg dat ik het werk heb moeten doen dat de scholen normaal gezien moeten doen en ik daardoor niet de rust heb gehad die ik nodig had om te kunnen genezen van een ernstige ziekte. Laat staan dat ik nog eens alleen moet opdraaien voor alle kosten. Ik heb alle kosten van leermateriaal en logopedie zelf moeten betalen, bovenop mijn extreem hoge medische kosten en als alleenstaande moeder. Het nieuws van de inhouding van de kinderbijslag is er voor mij echt te veel aan. Ik hoop dat jullie de beslissing kunnen terugdraaien, zodat mijn dochter en ik de nodige financiële ondersteuning hebben om verder te gaan. …………… werd vandaag na een auditie toegelaten in de professionele dansopleiding van …………………….. Dit is waar we zo hard voor gewerkt hebben. Omdat ………… een enorm getalenteerd en creatief meisje is, die het verdient de opleiding te doen die bij haar past. Met mijn steun en hopelijk ook met jullie steun kan zij verder haar schoolcarrière op een succesvolle manier uitbouwen. (…)”

pagina 46 van 84


De Geschillencommissie oordeelde als volgt80:

“(…) De Geschillencommissie stelt vast dat ……. na haar uitschrijving op 04.11.2019 in het lager onderwijs in het schooljaar 2019-2020 niet meer opnieuw werd ingeschreven in een Vlaamse onderwijsinstelling tijdens dat schooljaar zodat op de referentiedatum van 30.6.2020 niet voldaan was aan de pedagogische voorwaarden opdat de schooltoeslag definitief zou verworven zijn. De moeder van ………………… geeft in haar verzoekschrift aan dat zij thuisonderwijs verstrekte aan haar dochter. Uit de beschikbare gegevens blijkt dat ……………. opnieuw op school werd ingeschreven bij het begin van het volgende schooljaar 20202021. De voormelde ratio legis om de jongeren op de schoolbanken te houden met de schooltoeslag als financiële incentive, komt tot uitdrukking in strikt bepaalde ijkpunten, namelijk een inschrijving in het begin van het schooljaar, voldoende aanwezigheid, en uiterlijk vijftien kalenderdagen na de datum van uitschrijving opnieuw zijn ingeschreven. In het specifieke voorliggende geval is de Geschillencommissie ertoe gehouden om binnen het kader van haar appreciatiebevoegdheid, de omstandigheden die de verzoekster inroept te toetsen, in het bijzonder in het kader van het juridisch begrip overmacht. De verzoekster geeft aan dat …………….. door een psychologische blokkade tegen leren niet meer verder kon functioneren in het reguliere onderwijs; doordat er volgens de verzoekster op school geen gepaste ondersteuning kon gevonden worden, heeft zij haar dochter thuis onderwezen ook al was dat in die periode zeer moeilijk doordat zij op dat moment zelf herstellende was van een zware ziekte. Op basis van de beschikbare informatie is de Geschillencommissie van oordeel dat de verzoekster zich in een bijzondere situatie bevond waarin ze een persoonlijke keuze heeft gemaakt om voor haar dochter thuisonderwijs aan te bieden. Daarenboven stelt de Commissie vast dat thuisonderwijs geen aanleiding kan geven tot het uitkeren van de schooltoeslag. Dit is gebaseerd op het feit dat er volgens het Groeipakketdecreet een inschrijving in een door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling vereist is. (…)”

1.1.4. Uitschrijving op school in februari en verhuis naar het buitenland De Geschillencommissie onderzocht de klacht van een moeder wiens zoon werd uitgeschreven in de loop van het schooljaar (februari) en daarna verhuisde naar Nederland. De moeder verwoordde haar grieven als volgt:

“(…) Het gaat over het groeipakket die wij gekregen hebben toen ………………….. nog hier was (hij is namelijk sinds zomer terug gegaan naar Nederland).

80

Beslissing nr. 2021/031 d.d. 25 juni 2021 van de Geschillencommissie Groeipakket.

pagina 47 van 84


Ik ben niet mee eens met jullie beslissing over het terug betalen van wat ……….. aan kinderbijslag hier heeft gekregen. Jullie hebben het over school, maar niemand had dit tegen mij verteld dat het zo was. Ik ben meerdere keren op school geweest om samen met de directie naar de mogelijkheden te kijken hoe …….……… kunnen helpen in zijn situatie. Niemand had dit tegen mij verteld dat wanneer ………….. zo ziek was geworden , geen recht had op kinderbijslag, dit wist ik helemaal niet. ……………… is pas afgelopen zomer naar Nederland gegaan omdat het niet ging hier en ook door zijn gezondheid problemen. En nu krijg ik 2 brieven met bijna 3000 euro die ik aan jullie moet betalen !! Waar halen ik die geld vandaan ? De kinderbijslag was voor hem toen hij nog hier was. Ik ben altijd eerlijk geweest met school en alle bewijzen van zijn gezondheid problemen bespreekbaar gemaakt heb op school. ik begrijp helemaal niets van jullie beslissing, want niemand had tegen mij gezegd dat ……… geen recht had op kinderbijslag hier. ik ben een alleenstaande vrouw en probeer mijn leven in orde te houden aub. Ik hoop dat jullie mij begrijpen en ondersteunen hierin. sinds dat ik hier ben , heb ik nooit een uitkering of ondersteuning geld gekregen van sociaal of gemeente. ik heb altijd gewerkt voor mijn brood.” De Geschillencommissie oordeelde als volgt81:

“(…) De Geschillencommissie stelt vast dat …………. na zijn uitschrijving op 03.02.2021 in het secundair onderwijs in het schooljaar 2019-2020 niet meer opnieuw werd ingeschreven in een Vlaamse onderwijsinstelling tijdens dat schooljaar zodat er op 30.6.2020 geen inschrijving meer was zoals wettelijk vereist opdat de schooltoeslag definitief zou verworven zijn. Uit de beschikbare gegevens blijkt dat de jongere verhuisde naar Nederland in de zomerperiode 2020; de Geschillencommissie stelt ook vast dat hij in augustus 2020 18 jaar geworden is. De voormelde ratio legis om de jongeren op de schoolbanken te houden met de schooltoeslag als financiële incentive, komt tot uitdrukking in strikt bepaalde ijkpunten, namelijk een inschrijving in het begin van het schooljaar, voldoende aanwezigheid, en nog steeds ingeschreven zijn op 30 juni van het schooljaar. In haar bijkomende toelichting per e-mail d.d. 25.05.2021 op vraag van het secretariaat van de Geschillencommissie, licht de verzoekster toe dat er gezondheidsproblemen inclusief leerproblemen waren; alle medische attesten werden bezorgd aan de school; de school zou ………… verwezen hebben naar de examencommissie maar ten gevolge van de coronapandemie zou de examencommissie gevraagd hebben om ‘pas na de Corona opnieuw contact op te nemen’.

81

Beslissing nr. 2021/026 d.d. 28 mei 2021 van de Geschillencommissie Groeipakket.

pagina 48 van 84


De Geschillencommissie meent dat de verzoekster hier wellicht verwijst naar gewettigde afwezigheden maar wijst ook op de voormelde ongewettigde afwezigheden die wellicht aanleiding hebben gegeven tot de uitschrijving als tuchtsanctie (cf. supra). De verzoekster maakt geen melding dat het ging om een tuchtsanctie en verwijst naar de gezondheids- en leerproblemen van haar zoon. Wellicht gingen de twee hand in hand en was de situatie onhoudbaar geworden/te grote leerachterstand zodat werd uitgekeken naar andere oplossingen zoals de examencommissie. De Geschillencommissie meent evenwel dat het grote aantal ongewettigde afwezigheden een feit blijft; het blijft ook een feit dat de jongere niet meer ingeschreven was op 30 juni zoals wettelijk vereist en er voor de periode tussen de uitschrijving in februari 2020 en 30 juni 2020, geen rechtvaardiging blijkt te kunnen worden gevonden. Tevens dient te worden opgemerkt dat zelfs indien de jongere zijn studies zou voortgezet hebben via de examencommissie, er niet zou voldaan geweest zijn aan de voorwaarde van inschrijving in een Vlaamse onderwijsinstelling, absolute vereiste om de schooltoeslag te kunnen toekennen. Rekening houdende met de uitschrijving als tuchtsanctie, lijkt er evenmin sprake te kunnen zijn van overmacht aangezien toch lijkt te moeten aangenomen worden dat de tuchtsanctie het gevolg was van het eigen gedrag van de jongere, en dus niet volledig onafhankelijk van zijn wil. Daarnaast dient tevens te worden vastgesteld dat …….. volgens de beschikbare gegevens in 2018 44 problematische afwezigheden telde en in 2019 39, zodat niet voldaan is aan de voorwaarde bepaald in artikel 34, §2 Groeipakketdecreet betreffende voldoende aanwezigheid tijdens het schooljaar en tijdens het voorbije schooljaar (nl. niet meer dan 30 halve schooldagen ongewettigde afwezigheid tijdens het huidige schooljaar, en niet meer dan 30 halve schooldagen ongewettigde afwezigheid tijdens het voorbije schooljaar). (…).” Na beraadslaging en nauwkeurige afweging van de diverse elementen oordeelde de Geschillencommissie dat de vordering van de moeder ongegrond was en de selectieve participatietoeslag terecht werd teruggevorderd door de uitbetalingsactor.

1.2. Schooltoeslag: toets van de financiële draagkracht van het gezin Het Groeipakketdecreet voorziet met de selectieve participatietoeslag een vorm van financiële en sociale bijstand ten gunste van kinderen rekening houdend met de financiële draagkracht van het gezin waarin het kind opgroeit. De selectieve participatietoeslag, als maatregel van gezinsbeleid, ondersteunt op die manier de democratisering van het onderwijs en beoogt personen die het financieel minder gemakkelijk hebben, te ondersteunen en op die manier, voor de betrokken rechthebbende leerling, maximale kwalificatiekansen en ontplooiingsmogelijkheden in het onderwijs te creëren.82 Met die ratio legis inzake de toets van de financiële draagkracht van het gezin in gedachten, onderzocht de Geschillencommissie een klacht waarbij meer bepaald deze financiële voorwaarde aanleiding gaf tot discussie.

Artikel 37, eerste lid Groeipakketdecreet juncto artikel 3 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 17 mei 2019 betreffende de selectieve participatietoeslagen leerling, BS 15.7.2019, hierna afgekort ‘BVR Selectieve Participatietoeslagen’; cf. p. 56 en p. 61-62 Mvt. 82

pagina 49 van 84


Zo nam de Geschillencommissie kennis van een klacht van een voogd die aanklaagde dat zijn inkomsten als voogd in rekening werden gebracht en de schooltoeslag werd geweigerd voor een minderjarig meisje dat sinds het overlijden van haar mama onder voogdij stond. De voogd argumenteerde zijn standpunt als volgt:

“(…)- Hij werd aangesteld bij beschikking van de vrederechter tot voogd over de persoon en de goederen van …………………., na het overlijden van haar (alleenstaande) mama, als vriend van de familie; hij kwijt zich onbezoldigd van deze taak; - Als 16-jarige wees is ……… een middelbare scholier zonder beroepsinkomsten (ze was 13 jaar toen haar moeder overleed); ze betaalt zelf de school- en opvoedingskosten met de gelden uit de erfenis van haar overleden moeder; - De inkomsten van de voogd en die van ………………… blijven gescheiden; - Jaarlijks maakt verzoeker als voogd een afrekening voor de vrederechter van de inkomsten en uitgaven die gedaan werden voor rekening van …………….; ieder jaar overtreffen de uitgaven de inkomsten en krijgt hij machtiging van de vrederechter om het verschil af te nemen van het spaargeld van ………………; - Verzoeker kaart dan ook de onrechtvaardigheid aan dat zijn inkomen wordt in rekening gebracht voor het onderzoek van het recht op de schooltoeslag voor ……………………… ; - …………………. staat weliswaar op zijn domicilie ingeschreven (cf. zij zit op internaat tijdens de week), maar is geen familie van hem en staat niet ten laste aangeduid op zijn belastingaangifte; (…)” De Geschillencommissie oordeelde als volgt83:

“(…) Op basis van de voorgaande passages uit de Conceptnota en de Memorie van toelichting stelt de Geschillencommissie vast dat de schooltoeslag opgevat is als een financiële tussenkomst waarbij zeer sterk blijkt dat de Vlaamse decreetgever heeft willen inzetten op de democratisering van het onderwijs en wil vermijden dat een financiële drempel het de gezinnen zou bemoeilijken om hun kinderen naar school te laten gaan, omwille van de schoolkosten (aankoop boeken, …) zeker in het secundair onderwijs. De Geschillencommissie meent dat die argumenten a fortiori gelden in de situatie van het voorliggende verzoekschrift: met name betreft het een minderjarige wees waarbij het meisje tijdens de week op internaat zit en in het weekend verblijft bij haar voogd die conform de aanstelling door de rechtbank de inkomsten van de minderjarige (in casu de erfenis van haar overleden moeder) aanwendt voor de kosten van haar onderhoud en opvoeding, waarbij het vermogen van de voogd en het weeskind strikt gescheiden blijven. Het gaat volgens de Geschillencommissie dan ook om een uiterst precaire situatie waarbij de toekenning van de schooltoeslag financieel zou bijdragen aan het behartigen van de kansen van het meisje om haar deelname aan het onderwijs veilig te stellen.

83

Beslissing nr. 2021/028 d.d. 11 juni 2021 van de Geschillencommissie Groeipakket.

pagina 50 van 84


Dit neemt niet weg dat de verwerende partij correct de toepasselijke wetgeving heeft toegepast door vast te stellen dat artikel 37, tweede lid Groeipakketdecreet beperkt is tot pleegkinderen. Zoals de verwerende partij terecht stelt, gaat het op juridisch vlak inderdaad om twee verschillende statuten, namelijk pleegzorg en voogdijschap. Los daarvan is de Geschillencommissie echter eerder de mening toegedaan dat de ratio legis van het Groeipakket erin gelegen is om rekening te houden met de financiële draagkracht van het gezin waarin het kind opgroeit voor de toekenning van de schooltoeslag, daarbij dus rekening houdende met de beschikbare financiële middelen van het gezin waarin het kind opgroeit. In casu is het echter duidelijk dat de eigen inkomsten van de voogd niet ter beschikking zijn van het meisje alhoewel ze op hetzelfde adres gedomicilieerd zijn. De financiële draagkracht ten behoeve van het meisje strekt zich dan ook niet uit tot de financiële middelen van de voogd maar is beperkt tot haar eigen middelen (of m.a.w. de erfenis van haar overleden moeder en de kinderbijslag). Bijkomend meent de Geschillencommissie ook te kunnen argumenteren dat in het licht van artikel 3 BVR Selectieve participatietoeslagen, kan gesteld worden dat de beschikking d.d. 24.10.2017 van het vredegerecht tot aanstelling van de verzoeker tot voogd, kan beschouwd worden als een officieel document in de zin van artikel 3, §2, zesde lid, 3°, BVR Selectieve Participatieslagen dat op juridisch vlak het samenlevingsverband motiveert en het beperkt tot een voogdijschap met strikt afgescheiden financiële middelen. (…)” Aldus besliste de Geschillencommissie om de vordering van de voogd gegrond te verklaren, zeggende dat er recht is op de schooltoeslag rekening houdende met de aangehaalde ratio legis van het Groeipakketdecreet om via een selectieve financiële ondersteuning de participatie aan het onderwijs aan te moedigen en op basis van de financiële draagkracht van het gezin waarin het kind opgroeit; de Geschillencommissie stelde hierbij vast dat de eigen financiële middelen van de voogd niet ter beschikking zijn van het weesmeisje gelet op de splitsing van de inkomsten van de voogd en de pupil op basis van artikel 405 BW e.v. De Geschillencommissie stelde vast dat het beginsel van de gescheiden inkomsten als dusdanig blijkt uit de beschikking d.d. 24.10.2017 van het vredegerecht tot aanstelling van de verzoeker als voogd waarbij deze beschikking op juridisch vlak het samenlevingsverband motiveert en het beperkt tot een voogdijschap met strikt afgescheiden financiële middelen (cf. artikel 3, §2, zesde lid, 3° BVR Selectieve Participatieslagen). In dit jaarverslag wil de Geschillencommissie toch aandacht vragen voor dergelijke situaties waarbij er voor de gezinstoelagen een impact is vanuit het voogdijschap in het burgerlijk recht en het kan aangewezen zijn dat de uitbetalingsactor hierover passende administratieve onderrichtingen ontvangt.

1.3. Schooltoeslag – Provisionele betaling – Zorg in hoofde van de zus van het kind De Geschillencommissie nam in het kader van een klacht kennis van een bijzondere gezinssituatie waarbij de zus van een zorgbehoevend kind heel wat inspanningen had geleverd, maar de schooltoeslag bij toepassing van de wettelijke bepalingen toch diende toe te komen aan de moeder van het zorgbehoevend meisje. Niettegenstaande de Geschillencommissie begrip kan opbrengen voor de inspanningen die geleverd zijn door de zus van het zorgbehoevende kind, dient de Commissie vast te stellen dat dit criterium niet gehanteerd wordt door de regelgever.

pagina 51 van 84


Op de zitting van de Geschillencommissie verduidelijkte de verzoekster dat zijzelf instond voor haar zorg en haar vader voor de financiële zorg waardoor zij hebben bijgedragen tot haar opvoeding terwijl de moeder, aldus verzoekster en haar vader, hier niet voor heeft ingestaan omwille van haar opname in een zorgcentrum. De Geschillencommissie oordeelde als volgt84: “ (…) In casu kan het volgende worden vastgesteld:

………… was tot 22 oktober 2018 gedomicilieerd bij haar moeder, ………………….., die tot 30 september 2018 bijslagtrekkende was voor ……….. Vanaf 22 oktober 2018 is …………….. gedomicilieerd op het adres van haar zus, huidige verzoekster, en dit tot 30 juli 2020. Er wordt eveneens een pleegplaatsing (perspectiefzoekend) opgestart van …….. bij verzoekster en dit van 21 september 2018 tot (oorspronkelijk) 21 maart 2019. Om die reden wordt verzoekster bijslagtrekkende voor ………. vanaf oktober 2018. De pleegplaatsing bij verzoekster eindigde uiteindelijk op vrijdag 21 juni 2019. Vanaf maandag 24 juni 2019 verblijft …….. in MFC …………… en dit tot 18 oktober 2020, datum waarop ……….. in een ander pleeggezin wordt geplaatst. De overschakeling van de pleegplaatsing bij verzoekster naar de plaatsing in MFC ………….. in juni 2019, dient beschouwd te worden als een wijziging in de opvoedingssituatie, waardoor het dossier van een bijslagtrekkendedossier (van verzoekster) overgaat naar een begunstigdendossier. Verwerende partij stelt dat beide ouders begunstigden werden en dat er aan moeder werd betaald als sommendelegant, aangezien zij de bijslagtrekkende vóór de plaatsing was. Verwerende partij stelt immers dat verzoekster niet meer als werkelijke opvoeder beschouwd kon worden aangezien ………… vanaf 24 juni 2019 in MFC ………………. verbleef. Het vermoeden van hoofdzakelijke opvoeding waar het kind zijn woonplaats heeft, zou immers weerlegd zijn door het plaatsingsbericht. De Geschillencommissie stelt dat rekening dient te worden gehouden met de P3 van de instelling, evenals met de e-mail d.d. 14 november 2019 van MFC ………… dat het 1/3 van de gezinsbijslag betaald dient te worden aan de moeder en dit met toestemming van het OCJ en dat deze documenten doorslaggevend zijn om te bepalen aan wie het 1/3de van de gezinsbijslag betaald dient te worden, wat bepalend is voor de betaling van de schooltoeslag (die de betaling van de gezinsbijslag volgt). Het komt niet toe aan de Geschillencommissie om te stellen dat de instelling hier foutief gehandeld heeft: de Geschillencommissie dient dan ook de beslissing van de instelling hierover te respecteren. In die zin heeft de uitbetalingsactor dan ook correct gehandeld door gevolg te geven aan de berichtgeving die zij verkreeg van de instelling. Verder merkt de Geschillencommissie op dat verwerende partij op 21 september 2019 een brief aan verzoekster heeft verstuurd met betrekking tot de voorlopige toekenning van de schooltoeslag voor ……….. voor het schooljaar 2019-2020. In die brief wordt uitdrukkelijk gemeld dat dit een voorlopige berekening betreft, die nog kan wijzigen wanneer de gezinssituatie nog zou veranderen voor 31 december 2019. De Geschillencommissie meent bijgevolg dat de uitbetalingsactor het 1/3de van de gezinsbijslagen overeenkomstig de instructies van de instelling correct heeft uitbetaald aan de moeder, ……………….. Aangezien de uitbetaling van de selectieve participatietoeslag gebeurt op dezelfde wijze als de uitbetaling Beslissing nr. 2021/043 d.d. 22 oktober 2021 van de Geschillencommissie Groeipakket; er is een beroepsprocedure lopende bij de arbeidsrechtbank. 84

pagina 52 van 84


van de gezinsbijslagen, diende ook deze toeslag uitbetaald te worden aan ……………….. Aldus dient op grond van artikel 69, §1 van het Groeipakketdecreet, als er een recht op gezinsbijslagen bestaat voor de betrokken kinderen, de selectieve participatietoeslagen deze zelfde begunstigden toe te komen. (…) Voorts heeft verwerende partij toepassing gemaakt van de administratieve richtlijnen vervat in Toelichtingsnota 13-2019-2020 d.d. december 2019: “7.5. Wijziging van bijslagtrekkende/begunstigden na provisionele betaling schooltoeslag in september/oktober 2019 en 31 december 2019 – Gevolgen • De juiste bijslagtrekkende/begunstigde is de bijslagtrekkende/begunstigde(n) op 31 december 2019. • Indien er ook recht is op gezinsbijslag in Vlaanderen is dat de bijslagtrekkende/begunstigde die de gezinsbijslag voor december 2019 ontvangt. Dit geldt ook bij verandering van bijslagtrekkende/begunstigde in de loop van december 2019 (zie artikel 61 decreet). • Bij wijziging van bijslagtrekkende/begunstigden tussen de provisionele betaling van de schooltoeslag in september/oktober en 31 december 2019 wordt de provisioneel betaalde schooltoeslag volledig teruggevorderd bij de bijslagtrekkende/begunstigde die er op basis van de correcte situatie op 31 december 2019 geen recht op heeft en volledig opnieuw uitbetaald aan de bijslagtrekkende/begunstigde die er op basis van de correcte situatie op 31 december 2019 wel recht op heeft. Er is hierbij geen toepassing van het principe van de betaling te goeder trouw. “

De Geschillencommissie meent finaal dat verwerende partij correct gehandeld heeft en dat de selectieve participatietoeslag ten onrechte werd uitbetaald aan verzoekster; verwerende partij heeft deze toeslag terecht teruggevorderd van verzoekster. Niettegenstaande de Geschillencommissie begrip kan opbrengen voor de inspanningen die geleverd zijn door verzoekster, diende de Commissie vast te stellen dat dit criterium niet gehanteerd wordt door de regelgever.

1.4. Sociale toeslag en schooltoeslag 1.4.1.

KI vreemd gebruik - landbouwersgezinnen

De Geschillencommissie signaleert, net zoals in 2020, diverse klachten te hebben ontvangen van gezinnen die in een discussie verwikkeld waren geraakt met hun uitbetalingsactor over de notie ‘Kadastraal inkomen vreemd gebruik’.

pagina 53 van 84


Via de zogenaamde ‘KI-test’ wordt bij de toekenning van de sociale toeslag en de schooltoeslag in het kader van het Groeipakketdecreet namelijk rekening gehouden met het kadastraal inkomen van bepaalde onroerende goederen.85 De klachten kwamen meer bepaald van landbouwersgezinnen die te kennen gaven hun onroerende goederen volledig voor beroepsdoeleinden aan te wenden terwijl volgens de berekening in het kader van het Groeipakket op basis van de elektronische gegevensflux86 er toch rekening werd gehouden met een bepaald KI vreemd gebruik waardoor er geen recht was op een sociale toeslag of schooltoeslag. De gezinnen (of hun boekhouder/accountant) verwoordden hun grieven als volgt:

“(…) Is het dan zo dat jullie de bedrijfsgebouwen meetellen als vreemd gebruik. Wij hebben een boerderij met dus een aantal hangaars nodig voor het beoefenen van onze zelfstandige activiteit. (…)” “(…°) Graag nog wat meer uitleg over de berekening. Dan zal eigenlijk praktisch geen enkele landbouwer nog studietoelage kunnen krijgen niettegenstaande ons laag inkomen.(…)” “(…) Wij kregen onderstaande info omtrent de toekenning van de toeslag. Deze wordt geweigerd op basis van het criteria KI vreemd gebruik terwijl er in het geval van onze cliënt geen vreemd gebruik is. (alles is voor beroepsdoeleinden) (…)” Aangezien de Geschillencommissie bij de diverse klachten vaststelde dat er telkens een te hoog kadastraal inkomen vreemd gebruik bleek om recht te kunnen hebben op de schooltoeslag of sociale toeslag, hoewel er enkel een onroerend goed is dat bewoond wordt door het gezin en onroerende goederen die gebruikt worden voor beroepsdoeleinden87, meende de Geschillencommissie dat de problematiek mogelijks een algemene draagwijdte had en achtte zij het in eerste instantie aangewezen om een deskundige schooltoeslag van het Agentschap Uitbetaling Groeipakket aan te duiden om een advies uit te brengen.88 De Geschillencommissie stelde vervolgens vast dat uit het advies niet meteen een specifieke oplossing voor de landbouwersgezinnen bleek. De Geschillencommissie verwijst naar de website GPedia waarop de uitgebreide juridische analyse en onderzoek van de beschikbare boekhoudkundige gegevens dat zij voerde, terug te vinden is.

Cf. artikel 18 Groeipakketdecreet; Besluit van de Vlaamse Regering van 21 september 2018 (hierna BVR Sociale Toeslagen). 85

Dit zijn gegevens afkomstig van een authentieke bron: de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie van de Federale Overheidsdienst Financiën. 86

Cf. binnen de regelgeving van het Groeipakket wordt het kadastraal inkomen ‘vreemd gebruik’ met name omschreven als het kadastraal inkomen van alle onroerende goederen behalve deze die als eigen hoofdverblijfplaats (waar men dus volgens het Rijksregister is gedomicilieerd) of voor eigen beroepsdoeleinden worden gebruikt (Cf. artikel 4 juncto artikel 1 BVR Sociale toeslagen). 87

Cf. tussenbeslissingen nrs. 2021/004, 2021/005, 2021/006, 2021/007 d.d. 29 januari 2021 van de Geschillencommissie Groeipakket. 88

pagina 54 van 84


Finaal oordeelde de Commissie als volgt89:

“(…) In casu heeft verzoeker een landbouwbedrijf en is verzoekster meewerkende echtgenote in hetzelfde bedrijf. (…) Uit de door de gemachtigde bezorgde informatie blijkt dat er in het gezin geen kadastraal inkomen vreemd gebruik is: alle onroerende goederen van het gezin worden gebruikt voor beroepsdoeleinden. Uit de aangifte van de personenbelasting blijkt dat er bij verzoeker een kadastraal inkomen voor eigen beroepsdoeleinden van € 3.805,00 is aangegeven. Bijgevolg bedraagt in toepassing van artikel 1, 5° BVR Selectieve participatietoeslagen het kadastraal inkomen voor eigen beroepsdoeleinden van het gezin € 3.805,00. Uit de door verwerende partij bezorgde berekening van het kadastraal inkomen vreemd gebruik blijkt dat er bij hun berekening: - voor verzoeker een totaal proportioneel KI van € 2.158,50 wordt weerhouden. Daarvan wordt dan het KI beroepsdoeleinden van € 3.805,00 euro afgetrokken, waardoor er een KI vreemd gebruik van € 0 overblijft; - voor verzoekster een totaal proportioneel KI van € 1.037,50 in aanmerking wordt genomen als KI vreemd gebruik vermits het negatieve resultaat van de berekening bij verzoeker (€ 2.158,50- € 3.805,00) niet wordt meegenomen, maar naar 0 wordt herleid. Logischerwijs heeft het kadastraal inkomen van verzoekster nochtans minstens voor een deel betrekking op de eigen woning van het gezin en/of een deel van de onroerende goederen die door het gezin worden gebruikt voor beroepsdoeleinden. De Geschillencommissie meent echter dat -gelet op de definities van de bepalingen van artikel 1, 4° en 5° BVR Selectieve participatietoeslagen- dit deel van het kadastraal inkomen niet meer in aanmerking kan worden genomen om als kadastraal inkomen vreemd gebruik te worden beschouwd. Er dient bijgevolg te worden vastgesteld dat het gezin niet in het bezit is van een onroerend goed waarvan het kadastraal inkomen voldoet aan de definitie van kadastraal inkomen vreemd gebruik als bepaald in artikel 1, 4° BVR Selectieve participatietoeslagen. Er kan bijgevolg worden besloten dat het Ki vreemd gebruik in casu € 0 dient te bedragen. Immers, als de berekening wordt gemaakt op gezinsniveau, stelt de Geschillencommissie vast dat het totaal kadastraal inkomen € 3.805,00 bedraagt, waarbij dan het kadastraal inkomen beroepsdoeleinden ten bedrage van €3.805,00 wordt afgetrokken, zodat er voor het gezin een kadastraal inkomen vreemd gebruik van € 0 is. Als het geïndexeerde kadastraal inkomen vreemd gebruik niet hoger is dan 1.250 € dient er in toepassing van de bepalingen van artikel 10, 2e lid BVR Selectieve participatietoeslagen geen KI-test te worden uitgevoerd. I.c. had er dus geen KI-test uitgevoerd dienen te worden. Bijgevolg dient er te worden besloten dat er wel degelijk is voldaan aan de financiële voorwaarden opdat er selectieve participatietoeslagen voor het schooljaar 2019-2020 zouden kunnen worden toegekend. (…)”

Beslissing nr. 2021/016 d.d. 26 maart 2021 van de Geschillencommissie Groeipakket (zie ook de beslissingen nrs. 2021/018, 2021/019 en 2021/020 d.d. 26 maart 2021 van de Geschillencommissie Groeipakket). 89

pagina 55 van 84


De Geschillencommissie signaleerde de problematiek reeds per e-mail d.d. 22 april 2021 aan de gedelegeerd bestuurder van het Agentschap Uitbetaling Groeipakket met de vraag of het kan aangewezen zijn om passende richtlijnen uit te vaardigen voor de uitbetalingsactoren. Dit leek de Geschillencommissie nuttig aangezien de getroffen gezinnen zelf de vraag stelden tijdens de procedure voor de Geschillencommissie of zij voor de jaarlijkse toekenning van de schooltoeslag volgend jaar dezelfde betwisting zullen moeten voeren. Dezelfde vraag stelt zich voor de toekenning van de sociale toeslag die per toekenningsjaar wordt onderzocht.

1.4.2.

KI-test – fiscale gegevens

De Geschillencommissie ontving een aantal klachten van gezinnen die niet langer recht hadden op de sociale toeslag of de schooltoeslag en waarbij onduidelijkheid ontstaan was met welke fiscale gegevens er voor de kinderbijslag precies rekening werd gehouden en of de aangewende gegevens afkomstig van de FOD Financiën wel correct waren. De hierna vermelde klachten die de Geschillencommissie onderzocht, illustreren dat het nuttig kan zijn om – zoals de Commissie ook reeds signaleerde in het jaarverslag 2020 - de gezinnen in de briefwisseling of op de websites te wijzen op een aantal fiscale noties en hen er bijvoorbeeld op te wijzen waar ze zich kunnen informeren of bevragen indien zij het niet eens zijn met de gebruikte gegevens of indien zij menen dat er een rechtzetting moet gebeuren. In elk geval zou daarbij kunnen verduidelijkt worden dat de uitbetalingsactor werkt met de gegevens die doorgegeven worden vanuit de FOD Financiën en dat de uitbetalingsactor daar niet rechtstreeks kan op ingrijpen. Er zou duidelijkheid kunnen verschaft worden aan de gezinnen voor welke kwesties ze bij de uitbetalingsactor dan wel bij de FOD Financiën terecht kunnen. Dit zou kunnen bijdragen tot een grotere transparantie en tot een efficiëntere behandeling van klachten van de gezinnen.

1.4.3.

Onroerend goed verworven via erfenis

De Geschillencommissie onderzocht de klacht van een vader die in het referentiejaar voor de sociale toeslag via een erfenis enkele bescheiden appartementen geërfd had. Hoewel hij zelf slechts zeer beperkte inkomsten geniet, stelde de Geschillencommissie vast dat er geen recht is op de schooltoeslag doordat het kadastraal inkomen vreemd gebruik te hoog was ingevolge die erfenis. Gelet op het lage inkomen van de vader, is het totale KI vreemd gebruik namelijk hoger dan 20% van het referentie-inkomen, waardoor de KI-test niet geslaagd is. Na verder onderzoek door de Geschillencommissie bleek wel dat - alhoewel de vader één van de appartementen zelf bewoont - al het onroerend goed fiscaal wordt aanzien als vreemd gebruik, aangezien dat zo blijkt uit de gegevensflux van de FOD Financiën. De Geschillencommissie kon niet anders dan rekening te houden met de authentieke gegevens die ontvangen worden van de FOD Financiën. De Geschillencommissie gaf wel mee aan de vader dat – indien hij zou menen dat de aangewende gegevens uit fiscale bron niet correct zouden zijn – hij dit steeds kan signaleren bij de uitbetalingsactor en hij

pagina 56 van 84


hierover de FOD Financiën kan contacteren indien bepaalde gegevens om een aanpassing of rechtzetting zouden vragen.90

1.4.4.

Kadastraal inkomen vreemd gebruik (woonhuis / bedrijfsgebouwen)

Ook in het kader van een andere klacht stelde de Geschillencommissie vast dat er op basis van de door het gezin en de uitbetalingsactor voorgelegde berekeningen en stukken, gerede twijfel bestaat rond de bepaling van het kadastraal inkomen vreemd gebruik (woonhuis / bedrijfsgebouwen), waaromtrent enkel afdoende uitsluitsel zou kunnen worden verkregen in zoverre de FOD Financiën kan oordelen of de gegevens rond het onroerend goed dat als eigen woning wordt gebruikt, al dan niet in het Kadaster kunnen of dienen te worden gecorrigeerd. Na beraadslaging oordeelde de Geschillencommissie dat de uitbetalingsactor op basis van de officiële gegevens waarover zij beschikt, terecht de sociale toeslag en de schooltoeslag heeft geweigerd met dien verstande dat dit recht opnieuw dient te worden onderzocht voor zover deze officiële gegevens zouden kunnen worden gecorrigeerd door de daartoe bevoegde instantie.91

1.4.5.

Verhuis in het referentiejaar

De Geschillencommissie oordeelde in dezelfde zin voor een gezin dat in het referentiejaar verhuisd was: na onderzoek door de Commissie bleek de woning die het gezin nog betrok van januari tot september, voor het volledige jaar als vreemd gebruik te worden beschouwd op basis van de gegevens van het kadaster en dus niet als eigen woning bleek te worden beschouwd voor de periode januari – september (en bijgevolg vrijgesteld dient te worden als KI vreemd gebruik). De Geschillencommissie diende vast te stellen dat de uitbetalingsactor zich correct baseerde op de beschikbare gegevens om de berekening te maken, waarbij betrokkene boven het grensbedrag uitkwam om recht te hebben op een sociale toeslag. De Geschillencommissie oordeelde dat de gegevens die worden aangereikt via de Centrale Groeipakketapplicatie, gebaseerd op de gegevens van de FOD Financiën, dienen te worden gevolgd en dat het gezin zich tot het kadaster dient te wenden teneinde een correctie door te voeren. De uitbetalingsactor zou dan een nieuw onderzoek kunnen uitvoeren op basis van de gecorrigeerde gegevens. De Geschillencommissie gaf de verzoeker ook duidelijk de mogelijkheden mee om alsnog desgevallend het recht op de sociale toeslag te kunnen verkrijgen92, namelijk:

Cf. beslissing nr. 2021/011 d.d. 26 februari 2021 van de Geschillencommissie Groeipakket; bij vonnis d.d. 24 juni 2021 verklaarde de Nederlandstalige arbeidsrechtbank te Brussel het beroep dat de betrokkene aantekende tegen de beslissing van de Geschillencommissie ongegrond; betrokkene ging in beroep tegen deze beslissing: de procedure voor het Arbeidshof is lopende. 90

91

Beslissing nr. 2021/037 d.d. 8 oktober 2021 van de Geschillencommissie Groeipakket.

92

Beslissing nr. 2021/050 d.d. 3 december 2021 van de Geschillencommissie Groeipakket.

pagina 57 van 84


“1. Indien de verzoeker meent dat de gegevens in het Kadaster waarop verwerende partij zich baseert, niet correct zijn, dient hij zich tot het Kadaster te wenden met het verzoek de gegevens aan te passen. Nadien kan verwerende partij een onderzoek doen op basis van de gecorrigeerde gegevens. 2. De Geschillencommissie wijst er op dat er mogelijks recht kan zijn op de sociale toeslag en bijgevolg ook op de eenmalige COVID-19-toeslag op basis van de manuele alarmbelprocedure . Dit kan echter niet onderzocht worden door verwerende partij zolang verzoeker de gevraagde recente inkomensgegevens niet aan verwerende partij bezorgt. Verzoeker kan hiervoor indien hij dit wenst zelf contact opnemen met zijn uitbetalingsactor om deze procedure te starten. 3. Indien de verzoeker geen beroep wenst te doen op de voorgaande mogelijkheden, wijst de Geschillencommissie er op dat er in 2022 een automatische herziening zal gebeuren van zijn inkomsten in 2020; indien blijkt dat die inkomsten zouden voldoen kan er nog met terugwerkende kracht sociale toeslag toegekend worden, en eventueel de COVID-19-toeslag.”

1.4.6.

Ernstige psychiatrische gezondheidsproblemen - Leegstand

De Geschillencommissie nam kennis van een schrijnende situatie waarbij een moeder die lijdt aan een bipolaire stoornis een (tweede) woning aankocht (bekostigd door haar ouders) waardoor de KI-test niet geslaagd was en zij niet langer recht had op een sociale toeslag voor haar kinderen. De vader van de kinderen formuleerde de grieven namens zijn ex-echtgenote als volgt:

“ (…) Mevrouw … kampt echter reeds geruime tijd met ernstige psychische gezondheidsproblemen, die de laatste jaren geëscaleerd zijn. In die mate dat zij niet meer in staat was het echtelijke huis te …. te verkopen. Dit blijkt uit de bijgevoegde verklaring van Dr. ….. uit …. en uit de gedwongen opname in ………. te ….. Het vonnis van deze collocatie gaat in bijlage 3. De gedwongen opname werd ook verlengd (vonnis vindt u in bijlage 4). Mevrouw …. werd ook onder bewindvoering geplaatst. Ze is wegens haar gezondheidstoestand onbekwaam om haar goederen te beheren en haar financiën waar te nemen. Omwille van haar langdurig aanslepende gezondheidsproblemen (Mevrouw … werd in ……. ook gecolloceerd) was zij niet in staat om het voormalig echtelijk huis in … te verkopen. Er werden op dit huis in de periode 2018-2020 echter ook geen inkomsten gewonnen. Dit blijkt uit het feit dat de woning op de lijst van de leegstand is terechtgekomen, en er een leegstandtaks werd geheven (zie bijlage 6 en 7). Gelukkig genoeg bleek in deze reglementering een uitzondering te bestaan voor eigenaren opgenomen in de psychiatrie, zoals dit ondertussen voor mevrouw … het geval was en is. De vrijstelling van heffing van leegstandbelastingen geldt voor twee jaar wegens opname in een instelling. Zij is, zoals reeds vermeld, sinds … onder bewindvoering geplaatst waardoor een verkoop van de tweede woning niet eenvoudig is geworden. De procedure tot verkoop van de woning in … is ondertussen wel opgestart. Voor de kinderen werd dus de schooltoeslag 2020-2021 en de sociale toeslag vanaf ………. niet meer toegekend. Dit betekent een aanzienlijke financiële inspanning van mezelf, om onze kinderen niets tekort te doen in hun opgroeien. Ik vraag dan ook de beslissing van …. te laten herzien, rekening houdende met het feit dat de 2° woning niet kon verkocht worden de voorbije twee jaren omwille van de vele gezondheidsproblemen van mevrouw …., en rekening houdende met het feit dat deze woning geen inkomsten heeft gegenereerd.”

pagina 58 van 84


De Geschillencommissie diende echter vast te stellen dat in de regelgeving van het Groeipakket een dergelijke precaire situatie met ernstige psychiatrische gezondheidsproblemen niet voorzien is, en er evenmin rekening wordt gehouden met leegstand, waardoor het verworven onroerend goed niet kon vrijgesteld worden van de KI-test.93 De Geschillencommissie wil in dit jaarverslag een dergelijke situatie toch onder de aandacht brengen met het oog op een eventuele verdere verfijning van het regelgevend kader alsook inzake eventueel onderzoek naar coherentie met andere wetgevingen op het vlak van leegstand.

1.5. Niet-begeleide minderjarige vreemdelingen (NBMV) jonger dan 12 jaar – Attest van immatriculatie De Geschillencommissie ontving een klacht in het kader van de niet-toekenning van het Groeipakket aan niet-begeleide minderjarige vreemdelingen (NBMV) jonger dan 12 jaar. De klacht luidde als volgt:

(…) Volgens de consulent van ….. zijn de kinderen niet in het bezit van een attest van immatriculatie en dienen ze daardoor te worden uitgesloten van het recht op het groeipakket. Evenwel zitten de vier kinderen momenteel wél in een procedure om een verblijfstitel te bekomen en ontvangen ze daarbij geen attest van immatriculatie, doch wel een KIDS-ID. Attesten van Immatriculatie worden immers niet uitgereikt aan kinderen jonger dan 12 jaar. … baseert zich bij deze beslissing op artikel 2, 2 van het Ministerieel besluit houdende de nadere regels over de diverse hoedanigheden van het rechtgevende kind en betreffende de vrijstellingen van de toekenningsvoorwaarden voor de gezinsbijslagen, de startbedragen geboorte en adoptie en de universele participatietoeslagen dd. 13/03/2019: (…) Middels het Decreet en haar uitvoeringsbesluiten wordt aldus een verschillende situatie gecreëerd voor minderjarige vreemdelingen in asiel-/verblijfsprocedures, ouder of jonger dan 12 jaar. Voor oudere kinderen volstaat het dat zij beschikken over een attest van immatriculatie. Voor kinderen jonger dan 12 jaar volstaat dit niet aangezien deze attesten simpelweg niet worden uitgereikt aan kinderen jonger dan 12 jaar. Zij moeten aan een extra voorwaarde voldoen zoals hierboven beschreven. (…)”

93

Beslissing nr. 2021/013 d.d. 12 maart 2021 van de Geschillencommissie Groeipakket.

pagina 59 van 84


In het kader van het onderzoek van deze klacht stelde de Geschillencommissie vast dat voor een kind dat niet de Belgische nationaliteit heeft, het voor het recht op Groeipakket vereist is dat de kinderen toegelaten of gemachtigd zijn om in België te verblijven of er zich te vestigen overeenkomstig de Vreemdelingenwet.94 Een niet-begeleide minderjarige vreemdeling die op het grondgebied verblijft door middel van een attest van immatriculatie wordt evenwel geacht te voldoen aan de voorwaarde van toegelaten of gemachtigd verblijf.95 Na onderzoek diende de Geschillencommissie vast te stellen dat de bij artikel 2 van het Ministerieel Besluit van 13 maart 2019 toegestane uitzondering voor niet-begeleide minderjarige vreemdelingen, uitdrukkelijk verwijst naar een verblijfsdocument (attest van immatriculatie) en niet naar de inschrijving van het kind in enig register (al dan niet het wachtregister) noch naar enige procedure met het oog op het verkrijgen van een toelating of machtiging om in België te verblijven of er zich te vestigen, noch naar de stand van dergelijke procedure. Vermits een uitbetalingsactor zich aangaande de afgifte of verlenging van een attest van immatriculatie niet in de plaats kan stellen van de daartoe bevoegde administratieve instanties, diende de Geschillencommissie vervolgens te concluderen dat de bij voormeld ministerieel besluit toegekende vrijstelling enkel kan worden verleend indien het verblijf van het kind voor de desbetreffende periode effectief door een attest van immatriculatie is gedekt.96 De Geschillencommissie stelde ten slotte vast dat er op heden nog geen regelgevende wijziging werd doorgevoerd zodat zij gehouden is de huidige toepasselijke regelgeving toe te passen. De Commissie noteert evenwel dat het proces voor een aanpassing van de regelgeving lopende is. Ter illustratie van de problematiek verwijst de Geschillencommissie nog naar een andere klacht die zij in dezelfde zin behandelde aangaande een jongere voor wie niet voldaan was aan de nationaliteitsvoorwaarden voor de schooltoeslag maar waarbij de voogd erop wees dat er de facto geen wijziging was op het vlak van de aanwezigheid van de jongere in België en de asielaanvraag niet onderbroken was.97 De klacht luidde als volgt:

“…… …… ontving voor het schooljaar 20/21 geen schooltoelage omdat hij op 31 augustus 2020 niet voldeed aan de nationaliteitsvoorwaarden (bijlage 3) De reden hiervoor is vermoedelijk dat …… …… zijn immatriculatiekaart niet tijdig had verlengd en/of dat hij ze in die periode kwijt was. Het verlies heeft hij laattijdig aangegeven bij de politie (zie bijlage 1).

94

Artikel 8 §1, 1e lid, 1° Groeipakketdecreet.

Artikel 2 MB d.d. 13 maart 2019 houdende de nadere regels over de diverse hoedanigheden van het rechtgevende kind en betreffende de vrijstellingen van de toekenningsvoorwaarden voor de gezinsbijslagen, de startbedragen geboorte en adoptie en de universele participatietoeslagen (hierna ‘MB Rechtgevend Kind'); artikel 2, vierde lid van het besluit van 5 oktober 2018 tot vaststelling van de diverse hoedanigheden van het rechtgevend kind en betreffende de vrijstellingen van de toekenningsvoorwaarden voor de gezinsbijslagen, de startbedragen geboorte en adoptie en de universele participatietoeslagen (hierna ‘BVR Rechtgevend kind’). 95

96

Beslissing nr. 2021/041 d.d. 22 oktober 2021 van de Geschillencommissie Groeipakket.

97

Beslissing nr. 2021/042 d.d. 22 oktober 2021 van de Geschillencommissie Groeipakket.

pagina 60 van 84


Er is o.i. geen enkele reden om aan te nemen dat ….. ….. zijn asielaanvraag had onderbroken en hij verbleef ondertussen ononderbroken in het opvangcentrum van het Rode Kruis (…… te …..) (zie bijlage 2). Is het mogelijk om op basis van hogervermelde de schooltoelage 20/21 te regulariseren ? of kunt u me melden op welke manier dit vooralsnog mogelijk is?”

1.6. Minderjarige uitwisselingsstudenten De Geschillencommissie nam in 2021 kennis van twee klachten van ouders die niet langer Groeipakket ontvingen voor hun (minderjarig) kind dat in het buitenland studeert in het kader van een uitwisselingsproject. De Geschillencommissie signaleert naar aanleiding van deze klachten dat er in de actuele regelgeving geen mogelijkheid lijkt te zijn voorzien op grond waarvan een jongere die reeds op jonge leeftijd ervoor kiest om zijn horizonten te verruimen als uitwisselingsstudent toch verder van het Vlaamse Groeipakket kan genieten. De Geschillencommissie herhaalt tevens haar aanbeveling uit het jaarverslag 2020 in het kader van geschillen over het Groeipakket voor studenten in het buitenland aangezien het van groot belang kan zijn – gelet op de woonplaatsvereiste in het Vlaamse Groeipakketdecreet – dat gezinnen met een student in het buitenland correct worden geïnformeerd over het recht op kinderbijslag naargelang de studies plaatsvinden binnen of buiten de EER, of in een land waarmee een bilaterale overeenkomst werd afgesloten, alsook betreffende de mogelijkheid tot registratie van een tijdelijke afwezigheid in het Rijksregister. De Geschillencommissie suggereert dat er hierover duidelijke en uniforme informatie wordt verstrekt aan de betrokken administratieve diensten, in eerste instantie de uitbetalingsactoren maar ook de consulaire diensten, zodat deze de ouders en de studenten correct en preventief kunnen inlichten. Daarbij dient ook te worden benadrukt dat het zogenaamde ‘onvoorwaardelijk recht op kinderbijslag’ tot 18 jaar moet samengelezen worden met de territorialiteitsvoorwaarde in de kinderbijslagregelgeving waardoor er principieel geen gezinstoelagen kunnen betaald worden voor kinderen die lessen volgen in het buitenland (behoudens de toepassing van de Europese verordeningen, een bilaterale overeenkomst, of een algemene vrijstelling). Uit één van de klachten die de Geschillencommissie ontving, kwam ook sterk het ongenoegen naar voor van de ouders over het feit dat er voor hun minderjarige dochter-uitwisselingsstudente geen Groeipakket kon worden betaald terwijl er voor meerderjarige studenten in het buitenland wel meer mogelijkheden zijn om verder Groeipakket te ontvangen. Zo werd voor een 16-jarig meisje dat in Costa Rica studeert onder de vleugels van het UWC (United World College) geen Groeipakket betaald omdat er geen toepassing mogelijk is van de Europese Verordeningen of een bilaterale overeenkomst en er evenmin een algemene vrijstelling van de territorialiteitsvoorwaarde inzake kinderbijslag toepasselijk was. Voor de schooltoeslag was er geen toepassing mogelijk van de uitzondering inzake de meeneembaarheid van de schooltoeslag. De ouders verwoordden hun grieven als volgt:

“ (…) ……… was reeds op zeer jonge leeftijd als hoogbegaafd getypeerd, en heeft dientengevolge reeds gedurende het kleuteronderwijs een jaar overgeslagen. Zij was ook in het vooruitgeschoven jaar een topstudente, die dus een jaar vooropzat in het regulier onderwijs op haar leeftijdsgenoten.

pagina 61 van 84


……………… zocht ook uitdagingen buiten het traditionele onderwijsaanbod. Zij vond deze terug mede op basis van de onderwijskiezer van de Vlaamse overheid (https://www.onderwijskiezer.be/v2/secundair/sec_buitenland.php) In 2019 kreeg zij de kans om mee te doen aan selectieproeven voor de toegang tot ……………... Zie ook ……………... Deze onderwijsbeweging is mondiaal erkend, en dus ook door de Vlaamse Overheid. De beweging telt 18 colleges op 4 continenten. Maar geen college in Vlaanderen. Overigens is het zo dat de studenten die geselecteerd worden zelf geen vat hebben op de keuze van het college waar zij worden uitgestuurd als vertegenwoordiger van hun land en regio. De organisatie bepaalt -onder meer- aan de hand van diversiteitscriteria en -spreiding welk college wordt weerhouden voor welke geselecteerde student(e). ………….. werd weerhouden als laureate, en werd door het selectiecomité van ………………. uitgezonden naar …………… (…………….. Costa Rica) De ………….. beweging bestaat sedert de jaren ’60, telt ondertussen duizenden alumni, en is hoog aangeprezen in nagenoeg alle landen en instellingen van hoger onderwijs. Studenten die aldaar afstuderen, worden zeer frequent toegelaten tot de meest prestigieuze universiteiten ter wereld. De missie en visie van ………………. is uniek te noemen. Er is geen Vlaamse equivalent. Het Internationaal Baccalaureaat is het diploma dat resulteert uit de tweejarige ervaring. (…) De ervaring bestaat onder meer in het samenleven op een campus, waarbij een kamer gedeeld wordt met drie andere nationaliteiten. Het academisch programma zelf maakt slechts een deel van de ervaring uit. Studenten met bewust verschillende achtergronden worden samengezet op basis van: “their shared humanity, to engage with the possibility of social change through courageous action, personal example and selfless leadership. To achieve this, ….. schools and colleges all over the world deliver a challenging and transformational educational experience to a deliberately diverse group of young people, inspiring them to become agents of positive change in line with …..’s core values: (…) … werd na diverse vergelijkende toelatingsproeven als laureate gekozen om ons land en onze gemeenschap te vertegenwoordigen. Dat deze vertegenwoordiging zou moeten leiden tot verlies van de rechten in het kader van de gezinsbijslag, zou zéér jammerlijk zijn, en komt voor als zéér onbillijk. Deze studie mondt uit in het Internationaal Baccalaureaat, die al decennialang erkend is door nagenoeg alle landen en instellingen van hoger onderwijs. (…)

pagina 62 van 84


Ik neem graag kennis van het advies van NARIC-Vlaanderen over …………………… en het Internationaal Baccalaureaat. (…)”

De Geschillencommissie oordeelde na grondig onderzoek als volgt98:

“ (…) Artikel 33 van het Groeipakketdecreet stelt uitdrukkelijk dat de schooltoeslag voor het secundair onderwijs meeneembaar is voor de leerling die secundair onderwijs volgt in het buitenland op voorwaarde dat er voor de opleiding geen equivalente opleiding bestaat in een onderwijsinstelling of een centrum als vermeld in artikel 32 (cf. artikel 32 vermeldt: ‘… die is ingeschreven in een door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor secundair onderwijs …’). Om te bepalen of er een equivalente opleiding bestaat, dient de uitbetalingsactor zich te baseren op het bindende advies van NARIC-Vlaanderen. Het advies van NARIC-Vlaanderen stelt dat de opleiding van het internationaal baccalaureaat equivalent is aan de opleiding die leidt tot het diploma secundair onderwijs. De Geschillencommissie meent dat er ondanks de uniciteit van de gevolgde opleiding in Costa Rica en de uitzonderlijke ervaring die dit ongetwijfeld zal betekenen voor de leerling in kwestie- geen sprake kan zijn van de meeneembaarheid van de schooltoeslag voor het kind ……………., gelet op het feit dat aan de voorwaarde van artikel 33 van het Groeipakketdecreet niet voldaan is, aangezien er een equivalente opleiding in Vlaanderen bestaat. De Geschillencommissie meent zich te moeten houden aan het advies van NARIC-Vlaanderen met betrekking tot het bestaan van een equivalente opleiding, die daartoe decretaal werd aangeduid om daarover te oordelen. De Geschillencommissie kan dit advies dus niet zonder meer aan de kant schuiven, noch heeft zij zelf enige appreciatiebevoegdheid op dat vlak. De Geschillencommissie wijst hierbij overigens ook nog op de bijzondere door het Groeipakketdecreet vereiste band tussen de leerling en een door de Vlaamse Gemeenschap erkende onderwijsinstelling, als pedagogische voorwaarde voor de toekenning van de selectieve participatietoeslag, zo blijkt uit de Memorie van toelichting en de toelichtingsnota 13 van het VUTG: (…) De Geschillencommissie meent dat verwerende partij terecht de beslissing tot weigering van betaling van de schooltoeslag voor het kind ………………. voor het schooljaar 2020-2021 nam. (…) ………….. is gedomicilieerd in Vlaanderen: zij voldoet bijgevolg aan de voorwaarden die gesteld worden in artikel 8, §1 Groeipakketdecreet. Artikel 8, §3 Groeipakketdecreet bepaalt echter dat de gezinsbijslagen niet verschuldigd zijn voor de kinderen die worden opgevoed of lessen volgen buiten België, wat i.c. het geval is, gelet op de studie in Costa Rica gedurende twee jaren, zoals blijkt uit het schoolattest door ………….. afgeleverd voor de periode augustus 2019-mei 2021.

Beslissing nr. 2021/023 d.d. 30 april 2021 van de Geschillencommissie Groeipakket; er is een beroepsprocedure lopende voor de arbeidsrechtbank. 98

pagina 63 van 84


Er dient bijgevolg gekeken te worden naar de vrijstellingen die werden opgenomen in de artikelen 47, 48 (detachering werknemer) en 49 (detachering ambtenaar) BVR Rechtgevend kind. (…) De Geschillencommissie merkt op dat er voor niet-hoger onderwijs enkel een vrijstelling is voorzien voor één schooljaar voor kinderen die in België al een einddiploma secundair onderwijs hebben verworven (art. 47 §1, 1° BVR Rechtgevend kind). Er lijken geen andere vrijstellingen te zijn die op de situatie van de dochter van verzoekers van toepassing kunnen zijn. De Geschillencommissie stelt bijgevolg dat er niet voldaan is aan de voorwaarde van artikel 8, § 3 Groeipakketdecreet en dat er geen vrijstelling is op basis waarvan er voor …………… recht is op gezinsbijslagen vanaf het ogenblik dat zij in Costa Rica studeert. (…)”

Ook voor een klacht van ouders wiens minderjarig kind studeert in het buitenland (VSA) via de uitwisselingsorganisatie WEP (World Education Program) diende de Geschillencommissie vast te stellen dat er op grond van het territorialiteitsbeginsel geen Groeipakket kan worden uitbetaald, behoudens de toepassing van de algemene vrijstellingen maar waarbij echter in het actuele regelgevende kader voor een minderjarige studente in het buitenland geen vrijstelling voorzien is. De ouders formuleerden hun grieven als volgt:

“(…) Onze dochter gaat voor 10 maanden op uitwisseling naar de VS via de organisatie WEP. Zij is minderjarig (16 jaar oud) en heeft nog geen diploma secundair onderwijs. Het is de bedoeling dat ze haar vijfde middelbaar in de VS doet en nadien opnieuw inpikt in het zesde middelbaar hier. De school hier is daar principieel mee akkoord. Onze dochter blijft haar officieel adres hebben bij ons, in België. Na contacteren van ons kinderbijslagfonds, lieten zij ons weten dat wij geen recht meer hebben op de uitbetaling van het groeipakket/kindergeld. Hier zijn wij heel erg van geschrokken, het lijkt ons niet logisch dat een minderjarige daar geen recht meer op zou hebben en er werd ons tot hiertoe steeds gezegd dat dit geen probleem kon vormen. Bovendien moeten wij in haar onderhoud voorzien gedurende deze 10 maanden. (…)”.

Ter zitting wees de vader ook nog op de discriminatie tussen minderjarige en meerderjarige studenten in het buitenland voor wie er wel recht op Groeipakket kan bestaan; tevens acht hij het onrechtvaardig dat andere minderjarige studenten in het buitenland volgens het WEP geen problemen ervaren met de uitbetaling van het Groeipakket; die willekeur zou er niet mogen zijn. Hij lichtte ook toe dat wanneer een minderjarige secundair onderwijs volgt in het buitenland, er uiteindelijk geen extra jaar kinderbijslag moet worden uitbetaald vanuit Vlaanderen. De Geschillencommissie oordeelde als volgt99:

99

Beslissing nr. 2021/051 d.d. 3 december 2021 van de Geschillencommissie Groeipakket.

pagina 64 van 84


“(…) De dochter van verzoekers is gedomicilieerd in Vlaanderen: zij voldoet bijgevolg aan de voorwaarde die gesteld wordt in artikel 8, §1 Groeipakketdecreet. Artikel 8, §3 Groeipakketdecreet bepaalt echter dat de gezinsbijslagen niet verschuldigd zijn voor de kinderen die worden opgevoed of lessen volgen buiten België, wat i.c. het geval is, gelet op de studies van ......... in de VSA via het WEP gedurende het schooljaar 2021-2022, zoals blijkt uit het ingediende verzoekschrift. Zoals supra vastgesteld is er geen toepassing van de Europese Verordeningen mogelijk, noch is er een bilaterale overeenkomst over gezinsbijslag voorhanden met de VSA. Bijgevolg dient te worden onderzocht of één van de algemene vrijstellingen bepaald in de artikelen 47, 48 (detachering werknemer) en 49 (detachering ambtenaar) BVR Rechtgevend kind van toepassing zijn. Gezien het in casu niet lijkt te gaan om een detachering, maar enkel de dochter van verzoekers in het buitenland verblijft, kan van de in artikel 47, §1 opgesomde vrijstellingen enkel de toepassing van de volgende vrijstellingen onderzocht worden: -

artikel 47,§1, 3° (cf. vrijwilligerswerk, opleiding of stage buiten België, op voorlegging van een officieel attest):

"3° kinderen die tijdens de twaalf maanden, vermeld in artikel 40 van dit besluit, vrijwilligerswerk verrichten of een opleiding of stage volgen buiten België, op voorwaarde dat ze een attest, waarvan de minister het model bepaalt, kunnen voorleggen, respectievelijk van de betrokken vrijwilligersorganisatie, de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening of de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding;” Aangezien volgens de informatie op de website van het WEP blijkt dat de organisatie bemiddelend werkt voor diverse types ervaringen in het buitenland (cf. studies, taalreizen, vrijwilligerswerk, stage, au pair, …) is het immers niet uitgesloten dat het verblijf van de dochter van de verzoekers als dusdanig kan gekwalificeerd worden, mits het nodige attest wordt voorgelegd. De Geschillencommissie stelt evenwel vast dat in artikel 47, §1, 3° verwezen wordt naar de schoolverlater bedoeld in artikel 40 BVR Rechtgevend kind (“De gezinsbijslagen worden toegekend aan de schoolverlater voor een periode van in totaal twaalf maanden nadat het kind niet meer voldoet aan de voorwaarden, behalve deze inzake schoolverlaters, vermeld in artikel 8, §2, eerste lid, van het decreet van 27 april 2018”). Aangezien de situatie van de dochter van verzoekers als min-18jarige evenwel valt onder artikel 8, §2, eerste lid, 1° Groeipakketdecreet, kan de voormelde algemene vrijstelling geen toepassing vinden.

-

artikel 47,§1, 9° (cf. studietoelage om lessen buiten België te volgen): 9° kinderen die een studietoelage ontvangen om lessen buiten België te volgen. Een binnenlandse of buitenlandse instelling kan die studietoelage toekennen. Het Departement Onderwijs en Vorming, vermeld in artikel 22, §1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie, deelt de toekenning van die studietoelage door een instelling binnen het Nederlandse taalgebied mee. Als een instelling

pagina 65 van 84


van een andere deelentiteit of een buitenlandse instelling die studietoelage toekent, wordt dat bewezen met een officieel attest; De Geschillencommissie meent dat uit de beschikbare stukken niet expliciet blijkt of de mogelijke toepassing van deze algemene vrijstelling100 werd onderzocht. Het lijkt de Geschillencommissie aangewezen dat de verwerende partij hiertoe alsnog het nodige onderzoek zou voeren indien de verzoeker hier nuttige stukken zou toe overleggen. Voor het overige lijkt geen van de andere algemene vrijstellingen op de situatie van de dochter van verzoekers van toepassing te kunnen zijn. De Geschillencommissie is bijgevolg van mening dat er niet voldaan is aan de voorwaarde van artikel 8, § 3 Groeipakketdecreet en dat er – behoudens het te voeren onderzoek - geen vrijstelling is op basis waarvan er voor ......... recht is op gezinsbijslagen tijdens de periode van haar verblijf in de VSA. (…)”

1.7. Samenloop Belgische en Nederlandse kinderbijslag - Verschilbetaling De Geschillencommissie signaleert dat zij – zoals in 2019 en 2020 – ook in 2021 opnieuw een klacht ontving van een gezin dat meende recht te hebben op aanvullende Belgische kinderbijslag bovenop de Nederlandse kinderbijslag die het gezin ontvangt. In casu was er voor het gezin dat de klacht indiende een samenloop van rechten doordat er een tewerkstelling is in België, maar ook een tewerkstelling in Nederland, terwijl de woonplaats van het gezin zich in Nederland bevindt. De Geschillencommissie stelde vast dat volgens de Europese prioriteitsregels in dat geval Nederland bij voorrang bevoegd is om de gezinsbijslag te betalen aangezien de woonplaats van de kinderen in Nederland is.101 Inzake de vraag of de uitkeringen waarop door de samenloop recht is in beide lidstaten, volledig, dan wel per verschil kunnen betaald worden, oordeelde de Geschillencommissie in navolging van haar beslissingen nrs. 2019/021 d.d. 20 december 2019 en 2020/022 d.d. 20 november 2020 dat - rekening houdende met de Europese samenloopregels waarbij uitkeringen van dezelfde aard van elkaar in mindering worden gebracht en gelet op de kwalificatie van de Nederlandse kinderopvangtoeslag door Nederland als gezinsbijslag in de zin van de Verordening (EG) nr. 883/2004 - de uitbetalingsactor correct de verschilbetaling heeft toegepast bij samenloop tussen de Belgische kinderbijslag en de Nederlandse kinderbijslag met inbegrip van de Nederlandse kinderopvangtoeslag (KOT).

Deze algemene vrijstelling lijkt te zijn gebaseerd op de ministeriële vrijstelling onder de Algemene Kinderbijslagwet (cf. Ministeriële omzendbrief MO nr. 190 d.d. 6 maart 1963 en Ministeriële omzendbrief MO nr. 599 d.d. 16 juli 2007). 100

101

Cf. artikel 68 VO 883/2004.

pagina 66 van 84


Meer bepaald oordeelde de Geschillencommissie als volgt102: “(…) Of de uitkeringen waarop door de samenloop recht is in beide lidstaten, volledig, dan wel per

verschil kunnen betaald worden, wordt bepaald in artikel 68, 2):

‘2. Bij samenloop van rechten worden de gezinsuitkeringen toegekend overeenkomstig de wetgeving die volgens lid 1 als prioritair is aangemerkt. De rechten op gezinsuitkeringen die verschuldigd zijn op grond van de andere betrokken wetgeving of wetgevingen, worden geschorst ter hoogte van het bedrag dat bij de wetgeving van de eerste lidstaat is vastgesteld en, zo nodig, wordt het deel dat dit bedrag overschrijdt uitbetaald in de vorm van een aanvullende toeslag. (…)’ Hieruit blijkt dat uitkeringen van dezelfde aard in mindering mogen gebracht worden van elkaar. De classificatie van de ‘verschillende’ gezinsbijslagen in functie van de aard van de tegemoetkoming is dus van belang in geval van samenloop. Dat verstrekkingen en uitkeringen van dezelfde aard van elkaar in mindering worden gebracht, werd reeds gesteld in het arrest Wiering van 8 mei 2014 (het Hof oordeelde hier dat het Duitse Elterngeld en de het Luxemburgse kindergeld niet van dezelfde aard zijn in de zin van de artikelen 10 en 68 van Verordening (EG) 883/2004, zodat het Duitse Elterngeld niet in mindering mag worden gebracht op het Luxemburgse kindergeld.) De aandacht wordt gevestigd op de kwalificatie van de Nederlandse kinderopvangtoeslag door Nederland als gezinsbijslag in de zin van de Verordening (EG) nr. 883/20042, reden waarom, bij toepassing van het arrest Wiering, de verschilbetaling kan toegepast worden.103 Verzoeker meent dan ook verkeerdelijk dat de Belgische kinderbijslag en de Nederlandse kinderopvangtoeslag geen uitkeringen van dezelfde aard zijn in de zin van artikel 10 van de VO (EG) 883/2004. (…) Na beraadslaging en om al de voormelde elementen, oordeelt de Geschillencommissie dat de vordering op basis van alle voormelde elementen ontvankelijk doch ongegrond is, in die mate dat verweerder terecht de verschilbetaling toegepast heeft, rekening houdende met de reeds in Nederland toegekende kinderbijslag met inbegrip van de kinderopvangtoeslag. Dit betekende voor de periode januari-juni 2020 dat er geen aanvullend recht was vanuit België en voor de periode juli-december 2020 wel een aanvullend recht kon betaald worden vanuit België. Er kan namelijk enkel per verschil betaald worden indien de bedragen van de Nederlandse kinderbijslag plus de kinderopvangtoeslag lager liggen dan de bedragen van het Groeipakket (cf. het basisbedrag in het Belgische Groeipakket bedroeg tijdens de betwiste periode 163,20 EUR). (…)”

102

Beslissing nr. 2021/008 van 12 februari 2021 van de Geschillencommissie Groeipakket.

Dat de Nederlandse Kinderopvangtoeslag (KOT) als gezinsbijslag dient aangemerkt te worden in toepassing van de Europese Verordening, is een beslissing van de Europese Commissie die als zodanig door de Nederlandse Minister van Sociale Zaken is aanvaard en geïmplementeerd (cf. Omzendbrief CO 949 bijlage 71/2 van 14 januari 2010 – Kinderopvangtoeslag (KOT), Kindertoeslag (KIT) en Kindgebonden budget (KGB): Nederlandse uitkeringen gelijkgesteld met gezinsbijslag. Invloed op de verschilbetaling van de Belgische kinderbijslag. Inhoudingen op nog verschuldigde Nederlandse bijslag), zie https://gpedia.groeipakket.be/nl/regulations/european-regulations/institutionalcirculars/CO_0949_071_002. 103

pagina 67 van 84


De Geschillencommissie wenst er in dit jaarverslag de aandacht op te vestigen dat de gezinnen die hierover reeds klachten indienden keer op keer aangeven dat zij over deze kwestie geen duidelijke transparante informatie lijken te ontvangen van de bevoegde diensten in België en Nederland. De Commissie meent dat het een aandachtspunt kan zijn in de informatieverstrekking voor gezinnen die zowel in België als in Nederland rechten op gezinsbijslag kunnen laten gelden zodat voor de betrokken gezinnen een (onnodige) klachtenprocedure kan vermeden worden.

1.8. Vlaamse ambtenaar woont en werkt in Marokko – Criterium vereiste woonplaats in Vlaanderen De Geschillencommissie nam kennis van de klacht van een moeder die als Belgisch ambtenaar tewerkgesteld is te Marokko. Sinds de opstart van het Vlaamse Groeipakket op 1 januari 2019 werd er aanvankelijk nog kinderbijslag betaald, maar dit werd plots gestaakt omdat bleek dat de kinderen geen Vlaams domicilie hebben. De moeder uitte haar grieven als volgt: “(…) Mijn situatie is als volgt :

ik ben ………………………………………………………………………………………………….. te ………. sinds 1 juni 2020, op basis van een Belgisch arbeidscontract (sociale zekerheid en fiscaliteit in België zoals de dubbelbelastingverdragen en de overeenkomsten sociale zekerheid met Marokko voorzien). Voorheen was ik tewerkgesteld in het Consulaat-Generaal te ………………… en betaald door Buitenlandse Zaken op basis van een zelfde contract en mijn bedragen kinderbijslag (…….€) werden steeds correct uitbetaald op een Belgische rekening (waarop ook mijn Belgisch loon gestort wordt). Gezien ik koos voor het Belgische sociale zekerheidssysteem worden hiervoor ook bijdragen van mijn Belgisch loon ingehouden, maar nu blijkt dat ik geen recht heb om van die bijdragen te genieten. Inschrijven in de consulaire registers van een ambassade in het buitenland is trouwens geen verplichting, maar wordt door Buitenlandse zaken aangeraden. Indien we dit dan als een brave burger toepassen, worden we gestraft : mijn minderjarige kinderen (waren ze allebei op het moment toen ik mijn brief kreeg) kunnen immers niet ingeschreven worden op een adres in België zonder dat één van de ouders zich daar ook domicilieert. Mijn man en ik werken hier allebei en onze hoofdverblijfplaats is ………………, Marokko. Daarom verzoek ik u om bemiddeling in dit geschil met ……………………. opdat zij terugkomen op hun besluit omtrent de niet-uitbetaling van kinderbijslag. Bij de ondertekening van mijn contract bij de federale politie heb ik immers gekozen voor de Belgische sociale zekerheid en wil hiervan dan ook gebruik maken.” De Geschillencommissie wil hierbij toch signaleren dat het van groot belang is dat Vlaamse gezinnen in het buitenland goed geïnformeerd worden over de vereisten om het Groeipakket te kunnen ontvangen; zo kan een referentieadres in Vlaanderen een oplossing bieden zoals ook wordt aangehaald in de Memorie van toelichting bij het Groeipakketdecreet.

pagina 68 van 84


De Geschillencommissie oordeelde na beraadslaging als volgt104:

“ (…) Na beraadslaging en om al de voormelde elementen, beslist de Geschillencommissie om dit geschil ontvankelijk, doch gegrond te verklaren in die zin dat de verwerende partij onvoldoende de raadgevingsplicht (cf. artikel 80 Groeipakketdecreet) heeft nagekomen, door het feit dat de brief d.d. 06.10.2020 zich ertoe beperkt te stellen dat er geen recht op Groeipakket meer is bij gebreke aan een Vlaams domicilie van de kinderen, echter zonder te verwijzen naar de mogelijke oplossing via het nemen van een referentieadres (cf. Memorie van toelichting betreffende het Groeipakketdecreet). De verzoekster werd hierdoor niet in de mogelijkheid gesteld om zich desgevallend tijdig in regel te stellen om een onderbreking of stopzetting van het Groeipakket te voorkomen. Op grond hiervan is de Commissie van oordeel dat er recht is op kinderbijslag voor de periode vanaf de stopzetting van de betaling van de kinderbijslag tot aan de notificatie van de beslissing van de Geschillencommissie. Voor de toekomst behoort het aan verzoekster om zich desgevallend in regel te stellen door het nemen van een referentieadres. (…)” 1.9. Doctoraatsbursaal De Geschillencommissie onderzocht een klacht over het recht op Groeipakket voor een doctoraatsbursaal en oordeelde na beraadslaging dat de ratio legis van de kinderbijslagregelgeving erin bestaat niet langer kinderbijslag toe te kennen wanneer een student een tewerkstelling van meer dan 80 uren per maand heeft, zoals in casu voltijds wetenschappelijk onderzoek en dit los van het specifieke statuut waarin de doctoraatsbursaal werkt. De Geschillencommissie oordeelde als volgt105:

“(…) Uit de argumentatie die verwerende partij verstrekte, blijkt dat het Groeipakket volgens verwerende partij diende te worden teruggevorderd omdat de heer ................. ................. in zijn hoedanigheid van student in het kader van het Groeipakketdecreet tijdens de betwiste periode volgens de DmfA-gegevens meer dan 80 uren per maand zou gewerkt hebben. De Geschillencommissie begrijpt uit de toepasselijke regelgevende bepalingen dat de ratio legis erin bestaat dat de wetgever na de periode van het onvoorwaardelijk recht tot 18 jaar, nog gedurende een welbepaalde periode vanaf 18 jaar tot maximum 25 jaar, kinderbijslag laat ten goede komen aan jongeren met de hoedanigheid van student en een beperkte tewerkstelling, namelijk hetzij met een specifieke overeenkomst voor tewerkstelling van studenten (studentenjob) tewerkgesteld zijn, hetzij via een ander type overeenkomst maximum 80 uren per maand tewerkgesteld zijn. Vanuit die beleidskeuze hebben de meeste jongeren geen recht meer op kinderbijslag zodra ze beginnen te werken in een voltijdse job. Zo blijkt ook uit de bisnota betreffende het BVR Rechtgevend kind, als volgt: “Er wordt evenwel geen onbeperkte arbeid toegelaten naast deze jobstudentenarbeid, scholieren en studenten moeten immers

Beslissing nr. 2021/029 d.d. 11 juni 2021 van de Geschillencommissie Groeipakket; er is een beroepsprocedure lopende bij de arbeidsrechtbank. 104

105

Beslissing nr. 2021/045 d.d. 19 november 2021 van de Geschillencommissie Groeipakket.

pagina 69 van 84


voldoende tijd aan hun studie kunnen besteden. De huidige 240-uurnorm per kwartaal, wordt hervormd tot een 80-uur norm per maand.”. De tewerkstelling waarnaar de regelgeving inzake het Groeipakket verwijst, wordt op uniforme wijze gecontroleerd via de tewerkstellingsgegevens aan de hand van de DmfA, d.w.z. de multifunctionele kwartaalaangifte door de werkgever. Op basis van de beschikbare DmfA-gegevens voor de heer ................. heeft de verwerende partij vastgesteld dat de maximumgrens van 80 uren per maand werd overschreden, hetgeen overigens ook strookt met de door de verzoekster bijgebrachte ‘Overeenkomst n.a.v. de toekenning van een doctoraatsbeurs’ afgesloten tussen ................. ................. en de ................. (‘(…) verbindt zich ertoe om zich voltijds te wijden aan onderzoek in het kader van de voorbereiding van een doctoraal proefschrift’). De verzoekster roept in dat het begrip ‘tewerkstelling’ in het BVR Rechtgevend kind volgens haar slaat op ‘arbeidsuren gepresteerd als werknemer in het kader van een arbeidsrechtelijke relatie’ en dat volgens de toelichtingsnota het moet gaan om ‘effectieve prestaties’. De verzoekster laat gelden dat de heer ................. geen inkomen uit arbeid ontvangt, maar uit een beurs waarbij er geen sprake kan of mag zijn van arbeid gepresteerd als werknemer. De heer ................. zou ook geen ‘prestaties’ verrichten aangezien de studiebeurs volgens de fiscale onderrichtingen geen belastbare bezoldiging is voor prestaties verricht in opdracht van de universiteit. Verzoekster geeft wel toe dat een doctoraatsbursaal wel valt onder de verplichte sociale verzekering. Het specifieke statuut van een doctoraatsbursaal waarbij de rechtsverhouding waarin de bursaal wetenschappelijk onderzoek verricht aan de universiteit, zoals in casu, niet het voorwerp blijkt uit te maken van een arbeidsovereenkomst maar van een specifieke ‘Overeenkomst n.a.v. de toekenning van een doctoraatsbeurs’ en er met het oog op een fiscale vrijstelling van de doctoraatsbeurs geen sprake mag zijn van een arbeidsovereenkomst, neemt echter niet weg dat het voltijds verrichte wetenschappelijk onderzoek wel degelijk onderworpen is aan de Belgische socialezekerheidsregeling. In die zin heeft de ................. ook aangifte gedaan in de multifunctionele aangifte voor werkgevers (DmfA) en kreeg de uitbetalingsactor daarvan melding via het netwerk van de sociale zekerheid. Zoals blijkt uit de website van de RSZ is de DmfA de onlinedienst waar werkgevers gegevens over prestaties en verloning van hun werknemers aangeven. Zo kunnen we de bijdragen en bijdrageverminderingen berekenen. Deze gegevens delen we nadien in de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid, zodat partnerinstellingen sociale rechten kunnen toekennen.’ Anders dan verzoekster voorhoudt wordt in de kinderbijslagregelgeving niet gesteld dat het om een arbeidsovereenkomst dient te gaan; volgens de kinderbijslagregelgeving wordt elke tewerkstelling andere dan via een overeenkomst van tewerkstelling van studenten beoogd, ongeacht het type overeenkomst waarin de rechtsverhouding werd geformaliseerd. De Geschillencommissie stelt verder vast dat de fiscale vrijstelling (onder bepaalde voorwaarden) van een doctoraatsbeurs verleend door een universiteit een maatregel is van de regering ter bevordering van de tewerkstelling van wetenschappelijke onderzoekers. In die zin wordt door de fiscale onderrichtingen vereist dat de beurs geen belastbare bezoldiging uitmaakt voor prestaties verricht in opdracht van de universiteit. Indien dit niet het geval zou zijn, zou de beurs inderdaad in principe belastbaar zijn als beroepsinkomen, aldus de circulaire. Om die reden werd de rechtsverhouding tussen de heer ................. en de ................. (personeelsdienst) geformaliseerd onder de vorm van een ‘Overeenkomst n.a.v. de toekenning van een doctoraatsbeurs’. Het voorwerp van deze overeenkomst is de toekenning van een voltijdse doctoraatsbeurs om de heer ................. in staat te stellen wetenschappelijk onderzoek te verrichten met het oog op het behalen van een doctoraat waarbij de betrokkene zich ertoe verbindt zich voltijds te wijden aan onderzoek in het kader van de voorbereiding van een doctoraal proefschrift. Dat de rechtsverhouding niet het voorwerp uitmaakt van een arbeidsovereenkomst vormt echter geen beletsel om er voor de toepassing van de kinderbijslagregelgeving rekening mee te houden. In de

pagina 70 van 84


kinderbijslagregelgeving is niet vereist dat het gaat om een tewerkstelling op basis van een arbeidsovereenkomst; de ratio legis bestaat erin niet langer kinderbijslag toe te kennen wanneer een student een tewerkstelling van meer dan 80 uren per maand doet, zoals in casu voltijds wetenschappelijk onderzoek. Ten slotte merkt de Geschillencommissie nog op dat de onderworpenheid aan de socialezekerheidsregeling ook blijkt uit bepaling nr. 11 van de bijgebrachte overeenkomst waarin bepaald is dat de bursaal aanspraak kan maken op kraamgeld en kinderbijslag, d.w.z. voor de eigen kinderen van de bursaal; het betreft hier dus niet het recht op gezinsbijslagen voor zichzelf. (…) Na beraadslaging en om al de voormelde elementen, oordeelt de Geschillencommissie dat de vordering van de verzoekster ontvankelijk maar ongegrond is in die zin dat verwerende partij correct heeft gehandeld door op basis van de DmfA-gegevens vast te stellen dat de maximumgrens van 80 uren per maand werken door de heer ................. ................. werd overschreden tijdens de betwiste periode en er derhalve geen recht op Groeipakket was. (…)”

1.10. Lessen volgen in een (erkende) onderwijsinstelling De Geschillencommissie signaleert in het kader van het onderzoek van een klacht over de weigering van het Groeipakket aan een leerling van de school Bais Rachel te Antwerpen, te hebben vastgesteld dat er een gebrek aan definiëring en duiding is in (de Memorie van toelichting bij) het Groeipakketdecreet, waardoor rekening houdende met de tekst van de toepasselijke wettelijke en reglementaire bepalingen, er recht is op het Groeipakket in de mate dat een kind ingeschreven is in een onderwijsinstelling zoals vereist in artikel 8, §2, eerste lid, 3° Groeipakketdecreet juncto artikel 16 BVR Rechtgevend kind: “De

gezinsbijslagen worden verleend voor het kind dat in een of meer onderwijsinstellingen lessen volgt, (…)” In die zin diende de Geschillencommissie vast te stellen dat noch uit de toepasselijke regelgevende bepalingen noch uit de parlementaire voorbereiding en de Memorie van toelichting blijkt dat de school zou moeten erkend zijn. Na beraadslaging oordeelde de Geschillencommissie dat de vordering van de verzoekster ontvankelijk en gegrond is in die zin dat het feit dat de betrokken onderwijsinstelling niet erkend is door de Vlaamse overheid, op zich geen reden is om het Groeipakket niet toe te kennen. De Geschillencommissie noteert dat een decreetswijziging zou lopende zijn. De Geschillencommissie oordeelde als volgt106: “(…) In het kader van de vraag in welke mate de inschrijving van het kind …................ in de school vzw Bais

Rachel te Antwerpen recht geeft op het Groeipakket rekening houdende met de reglementaire voorwaarde dat “De gezinsbijslagen worden verleend voor het kind dat in een of meer onderwijsinstellingen lessen volgt, (…)” meent de Geschillencommissie dat de volgende elementen beschikbaar zijn.

Beslissing nr. 2021/039 d.d. 8 oktober 2021 van de Geschillencommissie Groeipakket; er is een beroepsprocedure lopende voor de arbeidsrechtbank. 106

pagina 71 van 84


(…) Uit de historiek van de schoolinschrijvingen blijkt dat er voor het kind geen gegevens voorhanden zijn. Uit de toelichting door de verwerende partij blijkt dat: “in de authentieke bronnen was er geen enkele inschrijving in een onderwijsinstelling te vinden. (…) Gepaard gaande met het gebrek aan schoolhistoriek in KRING, stelt de Geschillencommissie vast dat de school Bais Rachel niet voorkomt in de databank met authentieke gegevens waarop de verwerende partij zich baseert. (…) De website van de Vlaamse overheid betreffende het onderwijsaanbod in Vlaanderen https://dataonderwijs.vlaanderen.be/onderwijsaanbod vermeldt als volgt: “Op deze website vind je alleen erkende onderwijsinstellingen. Alleen die instellingen kunnen door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming erkende studiebewijzen uitreiken (diploma’s, getuigschriften, certificaten, attesten, …). Het ministerie is niet bevoegd voor privéscholen of -opleidingen. Van de meeste scholen vind je ook een doorlichtingsverslag van de onderwijsinspectie. (…)” Via de voormelde website is enkel de Vrije Kleuterschool Bais Rachel, Lamorinièrestraat 26 te 2018 Antwerpen terug te vinden als erkende onderwijsinstelling. (…) De Geschillencommissie stelt vast dat uit de zinssnede “De gezinsbijslagen worden verleend voor het kind dat in een of meer onderwijsinstellingen lessen volgt, (…)” niet zomaar lijkt te kunnen worden afgeleid dat het enkel gaat om erkende onderwijsinstellingen (cf. artikel 8, §2, eerste lid, 3° Groeipakketdecreet juncto artikel 16 BVR Rechtgevend kind). Dit blijkt ook geenszins uit de Memorie van toelichting betreffende het Groeipakketdecreet noch uit de bisnota betreffende het BVR Rechtgevend kind (supra). Er is evenmin een definiëring beschikbaar in artikel 1 van het BVR Rechtgevend kind dat weliswaar een aantal definities bevat. (…) Daarentegen stelt de Geschillencommissie vast dat in de pedagogische toekenningsvoorwaarden voor de schooltoeslag (selectieve participatietoeslag) wel zeer duidelijk wordt gesproken in de wettelijke en reglementaire bepalingen over “(…) is ingeschreven in een door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor gewoon of buitengewoon onderwijs (…)”. (cf. artikel 26 e.v. Groeipakketdecreet). (…)

pagina 72 van 84


Daarentegen volgt onrechtstreeks wel de nodige duiding in het kader van het recente Besluit van 29 januari 2021 van de Vlaamse Regering over het recht op gezinsbijslag voor een categorie van kinderen die ingeschreven waren in een door Famifed erkende privé-onderwijsinrichting (BS 03.03.2021). (…) De gemachtigde verschaft in dit verband de volgende toelichting: “Er bestond geen expliciete basis onder het KB van 10/08/2005 op basis waarvan de federale administratie instellingen kon aanduiden als onderwijsinstelling. Een en ander was het gevolg van een loutere administratieve praktijk, die niet regelgevend is verankerd. Het klopt dat de terminologie in de beide besluiten redelijk gelijklopend is. Het was niet de bedoeling van de regelgever in Vlaanderen om een brede interpretatie te voeren die de federale administratie wel voerde. Het is nooit de bedoeling geweest van de Vlaamse regelgever om instellingen mee te nemen die niet onderwijsinstellingen zijn met op zijn minst een erkenning van de overheden die onderwijs kunnen inrichten. De administratieve praktijk was de Vlaamse regelgever op het ogenblik van het opstellen van het BVR van 05/10/2018 niet bekend en werd met dit besluit zeker niet geregulariseerd. Deze intentie mag ook duidelijk blijken uit het voorliggende ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering. In gevolge het advies van de Raad van State kan de formulering van het BVR van 05/10/2018 worden aangepast om dit nog verder te verduidelijken. (…) Uit de hoger vermelde toelichting van de gemachtigde en uit de nota aan de Vlaamse Regering kan wel worden afgeleid dat de Vlaamse Regering van mening is dat “privé-onderwijsinrichtingen” die niet erkend zijn door de Vlaamse overheid of andere Belgische overheden (in de woorden van de gemachtigde: “een erkenning van de overheden die onderwijs kunnen inrichten”) geen recht geven op de toepassing van artikel 8, § 2, eerste lid, 3°, van het decreet. Er moet evenwel worden vastgesteld dat noch artikel 8, § 2, eerste lid, 3°, noch artikel 16 van het besluit van 5 oktober 2018 de voorwaarde vermelden dat de onderwijsinstelling waar de leerling of student school loopt op een of andere wijze erkend moet zijn. Evenmin is in de parlementaire voorbereiding bij het decreet of in de nota aan de Vlaamse Regering bij deze teksten een spoor te vinden van deze voorwaarde. Dit is des te opmerkelijker aangezien het decreet in bepaalde gevallen wel uitdrukkelijk de voorwaarde van erkenning van de onderwijsinstelling als voorwaarde inschrijft. Zo is bij het bepalen van het rechthebbende kind in het kader van de selectieve participatietoeslagen telkens vereist dat de leerling of student is ingeschreven “in een door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling” (artikelen 26, 29, 32 van het decreet) resp. “in een door de Vlaamse Regering erkend centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen” (artikel 32 van het decreet). Ten slotte valt niet zonder meer in te zien dat het in overeenstemming zou zijn met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel om de hoedanigheid van op gezinsbijslagen rechtgevende leerling of student, ouder dan achttien (of eenentwintig) jaar, voor te behouden aan leerlingen of studenten die zijn ingeschreven in een door de Vlaamse Gemeenschap erkende onderwijsinstelling. De gezinsbijslagen zijn immers “een financiële tegemoetkoming om mee de kosten in de opvoeding van kinderen te ondersteunen”, terwijl de selectieve participatietoeslagen als finaliteit de bevordering van de deelname aan het onderwijs hebben. Weliswaar kan de regelgever het toekennen van de hoedanigheid van rechtgevend kind koppelen aan de voorwaarde van inschrijving in een onderwijsinstelling die aan bepaalde vereisten voldoet. Dergelijke bijkomende vereisten moeten evenwel uitdrukkelijk in de regelgeving zijn opgenomen (zodat in voorkomende geval de pertinentie ervan getoetst kan worden). (…)”.

pagina 73 van 84


1.11. Toewijzing van de sociale toeslag voor meerderjarige kinderen De Geschillencommissie nam kennis van de klacht van een vader die het er zeer moeilijk mee had dat voor zijn meerderjarige kinderen er werd uitgegaan van gelijkmatig verdeelde huisvesting terwijl dit volgens de vader niet het geval was. Hij kon hier echter geen vonnis over voorleggen omdat de wettelijke samenwoning met de moeder van de kinderen in der minne beëindigd werd; toen de vader alsnog op vraag van de uitbetalingsactor naar een vonnis een gerechtelijke procedure opstartte, bleek dat de rechtbank geen uitspraak kon doen over de al dan niet gelijkmatig verdeelde huisvesting omdat de kinderen reeds meerderjarig waren. De vader verwoordde zijn klacht als volgt: “ (…) Jullie nemen in dat schrijven aan dat de kinderen afwisselend en even lang bij beide ouders

verblijven. Dit is echter niet correct, …… woont steeds bij mij.

….. en ik woonden voorheen wettelijk samen en deze wettelijke samenwoning is gewoon op het stadshuis beëindigd. Er is geen rechter aan te pas gekomen en er is bijgevolg ook geen vonnis. Het zou heel jammer zijn dat mensen die in goede verstandhouding afspraken kunnen maken naar de rechter zouden moeten stappen enkel en alleen voor een vonnis dat zou moeten dienen voor de kinderbijslag. (…)” “(…) Wij als ouders kwamen perfect overeen over de regeling. Nochtans moest …. per se een vonnis van een rechter hebben. Hier hebben wij dan voor gezorgd. Dit heeft behoorlijk wat moeite, tijd en geld gekost! We hebben snel proberen te werken, helaas is het gerecht wat trager. Uiteindelijk is het vonnis er en nu weigert …. de uitspraak te volgen! Dit is ongehoord!!! Het vonnis spreekt duidelijk over terugwerkende kracht, dit gaat over ongeveer een half jaar. De klassieke kinderbijslag kan ik met terugwerkende kracht vragen aan mijn ex-partner. Zij heeft echter niet de andere helft van de sociale toeslag gekregen, dus kan zij me die niet geven. (…)” “(…) Omdat mijn jongste dochter 19 is, MAG de rechter zich niet uitspreken over het zwaartepunt van het

verblijf.

Mag ik u eens vragen, hoe kan men dan 100% sociale toeslag krijgen voor een kind dat ouder is dan 18??? Legt u me dat eens uit. Mijn jongste dochter is permanent bij mij en ik zou geen recht hebben op de volledige sociale toeslag? Dat slaat toch nergens op? Dit is toch helemaal tegen de geest van het groeipakket! (…)”

pagina 74 van 84


De Geschillencommissie oordeelde na beraadslaging als volgt107:

“(…) Er dient op te worden gewezen dat in artikel 58 Groeipakketdecreet duidelijk wordt bepaald aan wie de sociale toeslag dient toe te komen naargelang er sprake is van gelijkmatig verdeelde huisvesting (onderzoek van de sociale toeslag bij helften) of ongelijkmatig verdeelde huisvesting (onderzoek van de sociale toeslag in hoofde van de ouder bij wie het zwaartepunt van het verblijf van het kind ligt). Uit het vonnis van de Familierechtbank blijkt het volgende inzake het verblijf van de kinderen van de verzoeker: (…) Stelt vast dat niet meer gestatueerd dient te worden over het verblijf van …….. en …….. ingevolge hun tussengekomen meerderjarigheid, doch noteert dat partijen onderling geen betwisting voeren dat de kinderen volledig en voltijds bij hun vader verblijven op het adres te ”

Zodoende blijkt volgens de Geschillencommissie dat inzake het criterium dat de kinderbijslagregelgeving erop nahoudt om de sociale toeslag te onderzoeken in hoofde van de ouder bij wie het zwaartepunt van het verblijf van het kind ligt, dat het zwaartepunt van de verblijfsregeling van de kinderen van de verzoeker duidelijk bij verzoeker ligt. Dit blijkt uit de bewoordingen van rechtbank ‘volledig en voltijds’ en stemt tevens overeen met de gegevens van het Rijksregister volgens welke de verzoeker alleen gedomicilieerd is met de kinderen sinds 01.02.2021. 6.3.6. De verwerende partij werpt op dat uit artikel 16 BVR Begunstigden blijkt dat gerechtelijke uitspraken enkel uitwerking kunnen hebben voor de toekomst. Bij beslissing nr. 2020/015 van 11 september 2020 stelde de Geschillencommissie het volgende vast inzake artikel 16 BVR Begunstigden: “Deze bepaling is ingegeven door de bekommernis om het administratief dossierbeheer vlot te laten verlopen, en rechtzettingen voor het verleden te vermijden; een volstrekt terechte bekommernis overigens wanneer een uitbetalingsactor, onwetende van een tussengekomen vonnis, intussen te goeder trouw de kinderbijslag uitbetaalde.” 6.3.7. De bijzonderheid in het voorliggende dossier ligt in het feit dat - zoals de verzoeker aangeeft - de wettelijke samenwoning in goede verstandhouding tussen de beide ouders werd beëindigd en er geen vonnis van de Familierechtbank nodig bleek om hun onderlinge belangen te regelen. De verzoeker geeft daarbij aan dat hij vanaf 01.02.2021 alleen gedomicilieerd was met de kinderen. Het vonnis van de Familierechtbank statueert dat de kinderen volledig en voltijds bij verzoeker verblijven. De Geschillencommissie stelt vast dat de rechtbank aangeeft geen verblijfsregeling te kunnen uitspreken voor de kinderen aangezien beide kinderen op het moment van de uitspraak van het vonnis, de vordering van verzoeker, en de vraag van de verwerende partij om een vonnis, reeds meerderjarig waren. Ook de verwerende partij bevestigt dat de rechtbank geen uitspraak kan doen over de verblijfsregeling van de kinderen, gelet op het feit dat ze meerderjarig zijn. Voor het onderzoek van de sociale toeslag wordt met het oog op het maximaliseren van de automatische rechtentoekenning, ingeval van de afwezigheid van een vonnis, uitgegaan van een vermoeden van gelijkmatig verdeelde huisvesting (cf. artikel 18, vijfde lid Groeipakketdecreet: “Als de al dan niet gelijkmatig verdeelde huisvesting van het rechtgevende kind niet is bepaald of bekrachtigd door de 107

Beslissing nr. 2021/054 d.d. 17 december 2021 van de Geschillencommissie Groeipakket.

pagina 75 van 84


bevoegde rechtbank, wordt ervan uitgegaan dat de huisvesting van het rechtgevende kind gelijk is verdeeld tussen de ouders en wordt het bedrag van de toeslag gehalveerd toegekend in elk rechtgevend gezin.”). Zo ook bleek supra uit de Memorie van toelichting: “In geval er geen uitspraak is van de rechtbank (bv. omdat de partners niet getrouwd waren), dan wordt ervan uitgegaan dat de huisvesting van het rechtgevend kind gelijk is verdeeld tussen de ouders en wordt het kind voor de berekening van de toeslag en de gezinsgrootte, in beide gezinnen voor de helft meegeteld.” De Geschillencommissie meent dat gelijkmatig verdeelde huisvesting sinds een aantal jaren het algemene principe is bij echtscheidingsvonnissen, en wordt er dus vanuit gegaan dat in de meeste kinderbijslagdossiers de sociale toeslag inderdaad bij helften moet worden onderzocht. 6.3.8. Echter - overeenkomstig de administratieve richtlijnen voor een maximaal geautomatiseerd dossierbeheer – is de verwerende partij uitgegaan van gelijkmatig verdeelde huisvesting (en dus onderzoek bij helften), in het gezin van verzoeker en in het gezin van mevrouw omdat er geen vonnis beschikbaar was in het kinderbijslagdossier. Naderhand is gebleken dat dit een verkeerd uitgangspunt was dat geleid heeft tot een derving van de helft van de sociale toeslag in hoofde van de verzoeker aangezien de moeder niet voldeed aan de toekenningsvoorwaarden om er recht op te kunnen hebben. Zoals de verzoeker aangeeft: “De klassieke kinderbijslag kan ik met terugwerkende kracht vragen aan mijn ex-partner. Zij heeft echter niet de andere helft van de sociale toeslag gekregen, dus kan zij me die niet geven.”. Aangezien de rechtbank ingevolge de vordering van verzoeker d.d. 19.03.2021 statueert dat de kinderen volledig en voltijds bij de vader verblijven, en tevens bepaalt dat de verzoeker recht heeft op het Groeipakket en de gebeurlijke sociale toeslag met ingang van 01.02.2021, lijkt het de Geschillencommissie zeer tegenstrijdig om hieruit af te leiden dat de verzoeker recht heeft op de uitbetaling van het Groeipakket, maar het onderzoek van de sociale toeslag toch nog zou moeten gebeuren in het gezin van de moeder voor 50%. Volgens de Geschillencommissie moet uit de woordkeuze ‘statueert’ van de familierechter begrepen worden dat de rechtbank onderschrijft dat de kinderen tijdens de volledige duur van de gerechtelijke procedure en sinds het einde van de wettelijke samenwoning van de ouders, volledig en voltijds bij de verzoeker verbleven. In die zin meent de Geschillencommissie dat bijgevolg de bepaling van artikel 18, vierde lid Groeipakketdecreet van toepassing is vanaf 01.02.2021, als volgt: “Als de huisvesting van het rechtgevende kind niet gelijk is verdeeld tussen beide ouders, zoals bepaald of bekrachtigd door de bevoegde rechtbank, wordt het kind voor de toepassing van het tweede lid alleen meegeteld in het gezin waar het kind meer dan de helft van de tijd verblijft.” De Geschillencommissie meent bijgevolg dat het vonnis van de rechtbank een voldoende rechtsgrond vormt op basis waarvan de verwerende partij het recht op een sociale toeslag enkel in het gezin van de verzoeker dient te onderzoeken met ingang van 01.02.2021. 6.3.9. Wat betreft het argument van de verwerende partij dat het vonnis van de Familierechtbank niet met terugwerkende kracht kan toegepast worden, dient het volgende te worden vastgesteld. Het is evident dat verzoeker – geconfronteerd met de vraag van de verwerende partij naar een vonnis – onderhevig was aan de noodzakelijke termijn van een gerechtelijke procedure om dit vonnis te bekomen. Uit geen enkel element blijkt overigens enige nalatigheid van verzoeker. Hij lijkt integendeel telkens te hebben geprobeerd onmiddellijk het nodige doen om zijn dossier in orde te brengen, in eerste instantie door een verklaring op eer te bezorgen zoals naderhand werd gevraagd door de verwerende partij (maar

pagina 76 van 84


nadien toch afgewezen), en in tweede instantie door specifiek voor de kinderbijslag op zeer korte termijn na de negatieve beslissing van de verwerende partij (11.02.2021) een procedure op te starten voor de Familierechtbank (19.03.2021). Indien de rechtbank dan finaal in haar vonnis het volledig en voltijds verblijf van de kinderen bij verzoeker statueert en hem aanwijst als ontvanger met terugwerkende kracht, kan volgens de Geschillencommissie moeilijk worden aangehouden dat de algemene regel om in het kader van een vlot dossierbeheer vonnissen niet retroactief toe te passen, kan standhouden indien de wil van de rechtbank om de gezinssituatie van verzoeker en zijn recht op het Groeipakket retroactief te onderschrijven afdoende blijkt uit het vonnis, geen uitwerking zou kunnen krijgen en de verzoeker aldus definitief de helft van de sociale toeslag zou moeten derven. Zoals supra uiteengezet zijn de bepalingen inzake de temporele uitwerking van een vonnis ingegeven door de zorg om een efficiënt administratief dossierbeheer. In combinatie met de beleidskeuze voor een maximaal geautomatiseerd dossierbeheer waardoor de verwerende partij volgens de standaardprocedure uitging van een gelijkmatig verdeelde huisvesting, resulteerde dit er in casu in dat de sociale toeslag niet terecht komt in het gezin waar het zwaartepunt van het verblijf van het kind ligt, namelijk bij de verzoeker, waar overigens ook geen discussie over bestaat. Hierbij lijkt toch de wil van de decreetgever enerzijds (toekenning van de sociale toeslag in het gezin waar het zwaartepunt van het verblijf van het kind ligt) en de wil van de rechtbank (bij vonnis d.d. 25.06.2021) te moeten primeren op de aanpak in het administratief dossierbeheer. Immers, in concreto dient te worden vastgesteld dat de verzoeker in de kou blijft staan nadat eerst in het kader van het geautomatiseerd dossierbeheer er wordt uitgegaan van gelijkmatig verdeelde huisvesting terwijl verzoeker aangeeft dat dit niet strookt met de feitelijke situatie, en dan naderhand, nadat betrokkene een vonnis bekomt en overmaakt aan de verwerende partij, er wordt gesteld dat er geen retroactieve herberekening van de gederfde 50% van de sociale toeslag mogelijk is. Immers de rechtbank onderschrijft net dat het zwaartepunt van het verblijf van de kinderen al die tijd in het gezin van verzoeker lag, zodat overeenkomstig het Groeipakketdecreet de sociale toeslag volledig in het gezin van de verzoeker dient te worden onderzocht. In die context heeft de regel van het vermoeden van gelijkmatig verdeelde huisvesting als uiting van het streven naar een automatische rechtentoekenning, verhinderd dat het tweede doel dat met de bepalingen van artikel 18 en van artikel 58 Groeipakketdecreet werd beoogd, nl. het doen toekomen van de sociale toeslag in het gezin waarin het kind wordt opgevoed, afdoende kon worden gerespecteerd. (…) De Geschillencommissie meent dat de stellingname van de verwerende partij om – bij gebreke aan een verblijfsregeling in het vonnis van de Familierechtbank aangezien de rechtbank geen dergelijke regeling kan uitspreken voor meerderjarige kinderen – bijgevolg terug te vallen op het vermoeden van gelijkmatig verdeelde huisvesting, niet kan kloppen aangezien: 1) er vanaf de meerderjarigheid van het kind geen sprake meer kan zijn van gelijkmatig verdeelde huisvesting aangezien het ouderlijk gezag ophoudt vanaf 18 jaar en het kind vanaf dan principieel zelf kiest waar het verblijft (cf. Toelichtingsnota nr. 7 bijlage 2); 2) er bovendien uit het vonnis blijkt dat de rechtbank net statueert dat de kinderen volledig en voltijds bij de vader verblijven, wat derhalve alleszins niet coherent is met het aannemen van een gelijkmatig verdeelde huisvesting.

pagina 77 van 84


De Geschillencommissie meent dat de toelichtingsnota via de figuur van het vermoeden van gelijkmatig verdeelde huisvesting een antwoord zoekt te bieden voor het administratief dossierbeheer in situaties waarbij er geen wijziging is van de gezinssituatie voor minderjarige kinderen op het moment dat ze meerderjarig worden. De Geschillencommissie meent dat in casu het vonnis van de Familierechtbank duidelijk aangeeft dat het feitelijk verblijf van de kinderen volledig en voltijds bij de vader is, en dus een tegenindicatie vormt om nog te kunnen aannemen dat er gelijkmatig verdeelde huisvesting zou zijn voor de kinderen. Er anders over oordelen zou inhouden dat er in gezinnen in gelijkaardige situaties nooit een oplossing kan komen die aangepast is aan de feitelijke situatie en waarbij zij in feite met geen enkel middel dat vermoeden zouden kunnen weerleggen. In die zin meent de Geschillencommissie dat het vonnis van de Familierechtbank een voldoende rechtsgrond vormt om het recht op een sociale toeslag ten belope van 100% te onderzoeken in het gezin van verzoeker waar de kinderen volledig en voltijds wonen. (…) Na beraadslaging en om al de voormelde elementen, oordeelt de Geschillencommissie dat de vordering van de verzoeker ontvankelijk en gegrond is in die zin de verwerende partij met ingang van 01.02.2021 dient over te gaan tot het onderzoek van het recht op de sociale toeslag ten belope van 100% in het gezin van de verzoeker (+ recht op interesten). (…)”

2. Onderzoeksmiddelen van de Geschillencommissie De Geschillencommissie heeft de bevoegdheid om een controle door de sociale inspectie- en begeleidingsdienst van het Agentschap Uitbetaling Groeipakket te gelasten.108 Echter was de Geschillencommissie van mening dat de controle die op haar vraag werd uitgevoerd in het kader van een onderzoek naar het verblijf van een gezin in België dan wel in Nederland, weinig elementen had opgeleverd om de werkelijke vraag naar de verblijfplaats van het gezin uit te klaren. In die zin oordeelde de Geschillencommissie dat het verslag van de gezinsinspecteur weinig aan duidelijkheid had bijgebracht.109 In die zin hoopt de Geschillencommissie voor toekomstige controles te mogen rekenen op een grotere toegevoegde waarde inzake de controles die zij aanvraagt.

3. Rechtsbescherming

3.1. Jurisprudentie van de Geschillencommissie Bij het behandelen van bepaalde verzoeken stelde de Geschillencommissie vast dat de uitbetalingsactor de bepalingen van het Groeipakketdecreet weliswaar strikt genomen correct had toegepast, maar er toch juridisch gefundeerde argumenten waren die de Geschillencommissie ertoe noopten om bij het aftoetsen

108

Artikel 110, tweede lid Groeipakketdecreet.

109

Beslissing nr. 2021/022 d.d. 30 april 2021 van de Geschillencommissie Groeipakket.

pagina 78 van 84


van de letter en de geest van het Groeipakketdecreet en om ongewenste of niet beoogde effecten van het decreet te vermijden, de vordering van de verzoeker alsnog gegrond te verklaren. De Geschillencommissie wenst te benadrukken dat het hierbij geenszins de bedoeling is om een steen te werpen naar de betrokken uitbetalingsactor die immers correct gehandeld heeft in toepassing van de geldende administratieve richtlijnen die de uitvoering van het Groeipakketdecreet voor de sector concretiseren. Indachtig de opdracht van de Geschillencommissie om jurisprudentie voor de kinderbijslagsector te bewerkstelligen, lijkt het de Geschillencommissie wel belangrijk dat de beslissingen van de Commissie verder actief worden opgevolgd door het Agentschap Uitbetaling Groeipakket, zodat de uitbetalingsactoren hetzij geactualiseerde richtlijnen ontvangen hetzij de nodige handvaten aangereikt krijgen om met de beslissingen van de Geschillencommissie om te gaan ten aanzien van kinderbijslagdossiers waarbij zich een gelijkaardige problematiek voordoet die reeds beslecht werd door de Geschillencommissie. Volgens de Memorie van toelichting bij het Groeipakketdecreet is het immers steeds de bedoeling geweest om voor de sector jurisprudentie te creëren en eenheid in de toepassing van het decreet. Het lijkt dus een pertinente vraag om de uitbetalingsactoren handvaten te bieden in het omgaan met de beslissingen van de Geschillencommissie. Zeker met het oog op een optimale rechtsbescherming van de burger is het van groot belang om te vermijden dat een burger naar de Geschillencommissie dient te stappen voor een problematiek die reeds eerder beslecht werd door de Geschillencommissie. Ook om de vlotte werking en de doorlooptijd van de Geschillencommissie niet te hypothekeren is het belangrijk om een administratieve toevloed van gelijkaardige verzoeken te vermijden. Ter illustratie verwijst de Geschillencommissie hier naar de problematiek van het kadastraal inkomen vreemd gebruik bij landbouwersgezinnen. Indien wil vermeden worden dat de gezinnen voor de schooltoeslag voor het volgende schooljaar opnieuw een procedure voor de Geschillencommissie dienen op te starten, dient te worden bekeken met het Agentschap Uitbetaling Groeipakket in welke mate de uitbetalingsactoren de beslissingen van de Geschillencommissie kunnen toepassen voor het volgende schooljaar alsook in het kader van gelijke behandeling voor andere gezinnen die geen procedure voor de Geschillencommissie opstartten. Hetzelfde geldt voor de problematiek inzake de verschilbetaling bij samenloop van Belgische en Nederlandse kinderbijslag waarvan de Geschillencommissie reeds meermaals kennis nam en steeds in dezelfde zin oordeelde. Daarnaast meent de Geschillencommissie dat tevens met het Agentschap Uitbetaling Groeipakket dient te worden bekeken in welke mate een beslissing over bijvoorbeeld het KI vreemd gebruik met betrekking tot de schooltoeslag, naar analogie de uitbetalingsactor er toe kan nopen om ook voor de sociale toeslag een onderzoek te initiëren in functie van de beslissing van de Geschillencommissie. Gelet op de beleidskeuze om de betwistingen inzake het Vlaamse Groeipakket laagdrempelig te houden door de Geschillencommissie te laten functioneren zonder dat de burger zich meteen tot de Arbeidsrechtbank dient te wenden, kan niet verwacht worden van een burger dat hij zijn eis voor de Commissie weet uit te breiden door bijvoorbeeld niet enkel beroep aan te tekenen tegen de geweigerde schooltoeslag, maar ook om een onderzoek van de sociale toeslag te verzoeken. De burger zal immers vaak onwetend zijn dat het inkomensonderzoek voor de schooltoeslag ook consequenties kan hebben voor de sociale toeslag. Het lijkt de Geschillencommissie daarom van belang dat de uitbetalingsactoren zouden kunnen optreden in de geest van artikel 84 Groeipakketdecreet volgens welk de toelagen in het kader van het gezinsbeleid toegekend, hetzij ambtshalve als dat materieel mogelijk is, hetzij op schriftelijk verzoek. In de geest van dat artikel zou een uitbetalingsactor in deze dossiers het onderzoek naar de sociale toeslag ambtshalve kunnen voeren en desgevallend achterstallige bedragen uitbetalen zonder dat betrokkenen hiertoe een

pagina 79 van 84


verzoek moeten indienen. Op die manier wordt er immers onnodige administratieve rompslomp vermeden en wordt aan de gezinnen tijdig het correcte Groeipakket toegekend. Het sociale doel wordt zodoende bereikt.

3.2. Motivering van de beslissingen van de uitbetalingsactoren

3.2.1.

Inhoudelijke motivering van de beslissing

Naast de formele vermelding van de beroepsmogelijkheden in de beslissingen van de uitbetalingsactoren dient een beslissing ook inhoudelijk voldoende te zijn gemotiveerd opdat het gezin inzicht zou hebben in de inhoudelijke grondslag van een weigeringsbeslissing of een beslissing tot toekenning van een verminderde toeslag.110 De Geschillencommissie stelde in 2021 tijdens het onderzoek van een aantal verzoeken vast dat de inhoudelijke motivering vaak zeer beknopt was. De Geschillencommissie verwijst ter illustratie naar een verzoek gericht tegen een weigeringsbeslissing inzake de schooltoeslag. Daarbij werd aan de betrokkene meegedeeld dat er geen schooltoeslag kon betaald worden omdat het kind niet is ingeschreven in een school. De moeder spande daarop een beroepsprocedure bij de Geschillencommissie aan waarbij zij aangaf dat haar kind wel was ingeschreven in een school. Na onderzoek bleek het te gaan om een school in Nederland. Indien de brief aan de moeder preciezer gemotiveerd zou zijn geweest, dan had zij wellicht begrepen waarom er geen schooltoeslag kon betaald worden aangezien het kind weliswaar op school was ingeschreven maar niet in een door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gesubsidieerde of gefinancierde school, zoals vereist door de regelgeving. De Geschillencommissie is van mening dat voor dergelijke geschillen er geen werkelijke juridische betwisting is en er dan ook moet vermeden worden om de gezinnen voor dergelijke gevallen een klachtenprocedure voor de Geschillencommissie te laten doorlopen. In die optiek tracht de Geschillencommissie dan ook om in dergelijke gevallen de uitbetalingsactor opnieuw te laten tussenkomen om het gezin afdoende te informeren zodat het geschil snel en in der minne kan worden opgelost en om de zittingsrol van de Geschillencommissie vrij te houden voor andere, juridisch complexe geschillen. Ook bij beslissingen van de uitbetalingsactoren over de vaststelling van samenwoning en feitelijke gezinsvorming die leiden tot de weigering of terugvordering van een sociale toeslag of schooltoeslag, stelde de Geschillencommissie vast dat de beslissingen doorgaans karig gemotiveerd zijn. Zo wordt bijvoorbeeld weinig of geen duiding gegeven bij de oorsprong van de vaststelling van de frauduleuze samenwoonst die wordt weerhouden door de uitbetalingsactor. Uit de verzoeken die de Geschillencommissie ontving, bleek vaak dat de betrokkene moeilijk kan omgaan met een summiere brief waarin domiciliefraude wordt vastgesteld zonder enige verdere uitleg. Zeker gelet op de omvang van de bedragen die soms teruggevorderd worden, is het begrijpelijk dat de betrokken gezinnen zich vragen

110

Zie de artikelen 88, 89 en 90 Groeipakketdecreet.

pagina 80 van 84


stellen over de toedracht van de domiciliefraude en waarbij de beslissing van de uitbetalingsactor in feite en in rechte dient te worden gemotiveerd.111 Het kan hierbij niet de bedoeling zijn dat de Geschillencommissie het onderzoek van de uitbetalingsactor overdoet en in haar beslissing motiveert waarom de uitbetalingsactor kon besluiten tot samenwoning.

3.2.2.

Specifieke vermelding: alarmbelprocedure

Zoals de voorgaande jaren wees de Geschillencommissie in de beslissingen over de schooltoeslag en de sociale toeslag waarbij de vordering van de verzoeker niet gegrond kon verklaard worden, steevast op de zogenaamde manuele alarmbelprocedure, waarbij een gezin de actuele inkomenssituatie kan inroepen aan de hand van bewijsstukken van minstens zes maanden die aantonen dat de gezinsinkomsten in het kalenderjaar waarin het schooljaar is gestart, onder de toegelaten inkomensgrenzen liggen.112 Het gezin kan hiertoe een verzoek tot toekenning of herziening richten aan de uitbetalingsactor, vergezeld van bewijsstukken van minstens zes maanden die aantonen dat het gezinsinkomen in het kalenderjaar waarin het schooljaar is gestart, onder de vastgestelde inkomensgrenzen ligt. De Geschillencommissie heeft daarmee de verzoekers hierop willen attent maken, om hen aldus volledig te informeren over hun rechten in functie van hun actuele inkomenssituatie. De Geschillencommissie oppert daarbij dat het kan aangewezen zijn – teneinde de burger volledig in te lichten over zijn rechten – dat de uitbetalingsactoren in de briefwisseling systematisch verwijzen naar de mogelijkheid om beroep te doen op de alarmbelprocedure. 3.2.3.

Specifieke vermelding: afzien van terugvordering

De Geschillencommissie signaleert dat het in de brieven van de uitbetalingsactoren voor terugvorderingsbeslissingen wettelijk verplicht is om in de brief de mogelijkheid te vermelden voor de betrokkene om een aanvraag in te dienen om af te zien van terugvordering.113 Weliswaar noteerde de Geschillencommissie ook dat hierover afspraken werden gemaakt binnen de sector en hieraan intussen zou tegemoet gekomen worden. De Commissie noteert dit als pijnpunt in een aantal klachten.114 Tevens geven de gezinnen daarbij vaak aan dat het voor hen financieel niet evident is om de onverschuldigde gezinstoelagen terug te betalen, maar dient de Geschillencommissie hiervoor steeds te verwijzen naar de uitbetalingsactor aangezien het onderzoek om af te zien van terugvordering toekomt aan de uitbetalingsactor en niet tot de bevoegdheid van de Geschillencommissie behoort.

111

Cf. beslissing nr. 2020/016 d.d. 25 september 2020 van de Geschillencommissie Groeipakket.

112

Artikel 15 BVR Selectieve participatietoeslagen.

113

Artikel 90, eerste lid, 5° Groeipakketdecreet.

114

Beslissing nr. 2021/045 d.d. 19 november 2021 van de Geschillencommissie Groeipakket.

pagina 81 van 84


Zo stelde de Geschillencommissie in het kader van een onderzoek van een concrete klacht vast dat de raadsman van de moeder sterk benadrukte dat er in de terugvorderingsbeslissing niet was vermeld dat de moeder kon vragen om af te zien van de terugvordering. Ter illustratie verwijst de Geschillencommissie hierbij ook nog naar het volgende uittreksel uit haar beslissing. In het kader van het onderzoek van de klacht was gebleken dat de moeder niet op de hoogte was van de mogelijkheid van een procedure betreffende het afzien van terugvordering. De Geschillencommissie informeerde de moeder over die mogelijkheid en mocht nadien van de uitbetalingsactor vernemen dat het onderzoek gunstig kon worden afgesloten, als volgt:

“(…) Ingevolge de kennisgeving van uw beslissing d.d. 08/10/21 in de zaak ……….. t./………… (GC/21/A0008) werd op uw verzoek een onderzoek opgestart om af te zien van de terugvordering. Uit dit onderzoek blijkt dat op basis van de bestaansmiddelen van het gezin kan afgezien worden van 80% van het schuldbedrag. De schuld bedroeg 943,30 euro. Vermits het schuldbedrag van 943,30 euro reeds volledig vereffend werd door inhoudingen, betalen wij op 04.01.2022 alzo 80% van het schuldbedrag heruit aan mevrouw nl. 754,64 euro. Op 04.01.2022 betalen wij 754,64 euro uit op rekeningnummer van mevrouw …………. en wordt dit bedrag van 754,64 euro financieel afgeboekt wegens insolvabiliteit van betrokkene. (…).” De Geschillencommissie had wat betreft de motivering van de terugvorderingsbeslissing het volgende vastgesteld115:

“ (…) ………………. en …………… hebben nagelaten verzoekster tijdige en adequate informatie te verlenen. 18. Zoals gezegd heeft verzoekster de beslissing tot terugvordering herhaaldelijk betwist. Hierbij werd de betwisting steeds uitvoerig gemotiveerd en werden de nodige stavingstukken gevoegd (stukken 10 tot en met 14, stuk 17). Verzoekster mocht daarentegen nooit een onderbouwd antwoord ontvangen van ……. Het enige wat zij als antwoord ontving was de melding dat wat ..….. deed conform de wet was. Hierbij dient herhaald te worden dat …….. conform het toepasselijke Decreet de mogelijkheid heeft om van de terugvordering af te zien, doch hier werd met geen woord over gerept. Toen verzoekster voorts het …….. meermaals aanschreef, ontving zij evenmin een inhoudelijke reactie (zie stukken 11 en 12, 14 tot en met 18). Slechts op 21.04.2021 en na herhaaldelijke aanmaningen mocht zij uiteindelijk een negatief antwoord ontvangen, waar verzoekster geenszins mee kan instemmen (cf. derde middel infra). 19. Meer specifiek heeft ….. de bepalingen van artikel 89 en 90 Decreet Groeipakket niet gevolgd. In voornoemde artikelen wordt een opsomming gegeven van informatie die verplicht moet worden meegedeeld bij een beslissing die in rechten raakt: "De individuele beslissingen die in rechten raken, moeten de volgende vermeldingen bevatten: 1° de mogelijkheid om inlichtingen te krijgen over de beslissing bij de uitbetalingsactor;

115

Beslissing nr. 2021/040 d.d. 8 oktober 2021 van de Geschillencommissie Groeipakket.

pagina 82 van 84


2° de mogelijkheid om klacht in te dienen bij de Vlaamse Ombudsdienst, de uitbetalingsactor of bij de klachten- en bemiddelingsdienst die opgericht is binnen het Vlaams Agentschap voor de Uitbetaling van Toelagen in het kader van het Gezinsbeleid; 3° de mogelijkheid om beroep in te stellen bij de geschillencommissie; 4° de mogelijkheid om bij de bevoegde rechtbank beroep in te stellen, na uitputting van het beroep bij de geschillencommissie; 5° het adres van de geschillencommissie en de bevoegde rechtbank; 6° de termijn om bij' de geschillencommissie en bij de bevoegde rechtbank beroep in te stellen, en de wijze waarop dat moet gebeuren; 7° de inhoud van artikel 728 en 1017 van het Gerechtelijk Wetboek; 8° de refertes van het dossier, van de betrokken dienst en van de dossierbeheerder."

"De beslissingen tot terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen moeten, naast de vermeldingen, vermeld in artikel 89, de volgende aanduidingen bevatten: 1° de vaststelling dat er onverschuldigde bedragen zijn betaald; 2° het totale onverschuldigde bedrag dat is betaald, en de berekeningswijze ervan; 3° de inhoud en de refertes van de bepalingen in strijd waarmee de betalingen zijn gedaan; 4° de verjaringstermijn die van toepassing is; 5° in voorkomend geval, de mogelijkheid voor de uitbetalingsactor om van de terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen af te zien en de procedure die daarvoor moet worden gevolgd; 6° de mogelijkheid om een met redenen omkleed voorstel tot terugbetaling in schijven voor te leggen."

Zie in dit opzicht ook de Toelichting Decreet Toelagen Gezinsbeleid, met betrekking tot de voornoemde artikelen: "Deze motiveringsverplichting geldt voor elke individuele beslissing die in rechten raakt. Deze motivering dient bij de kennisgeving van de beslissing te gebeuren. Deze motivering moet gebeuren in een begrijpelijke taal. Dit is een inspanningsverbintenis. Een loutere opsomming van het van toepassing zijnde decreet of andere bepalingen is onvoldoende." (Voorontwerp van decreet tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid, memorie van toelichting, pagina 92).

pagina 83 van 84


De initiële mededeling van ……… bevatte echter het gros van deze vermeldingen niet (stuk 9). Vooral de vermelding dat …….. kon afzien van de terugvordering was in de gegeven omstandigheden cruciale informatie. Het moge dus duidelijk zijn dat …….. haar inspanningsverbintenis niet is nagekomen. 20. Hieruit volgt ten eerste dat de termijn om beroep in te dienen bij de Geschillencommissie slechts vier maanden later is beginnen lopen, met name op 26.10.2020. Dit wordt voorgeschreven in artikel 89 in fine Decreet Groeipakket. Daarnaast toont dit aan dat .…………. wettelijke bepalingen heeft overtreden en hiervan de gevolgen moet dragen. Tenslotte maakt dit een extra element uit waarom in deze zaak moet besloten worden dat ………. van de terugvordering had moeten afzien. 21. Meer in het algemeen is het zo dat …….. en later het ……… nagelaten hebben verzoekster tijdig en adequaat informatie te verschaffen, waardoor zij kostbare tijd heeft verloren om de beslissing van …… aan te vechten. Indien verzoekster hierdoor enige schade zou ondervinden, zal zij hiervoor evident ook de nodige stappen ondernemen. (…)”.

3.3. Keuze van de burger tussen de beschikbare beroepsmogelijkheden Aangezien er in het Groeipakketdecreet beleidsmatig voor gekozen werd om naast een bestuurlijk beroep via de Geschillencommissie, ook ruimte in te passen voor bemiddeling via de Klachten- en bemiddelingsdienst (Agentschap Uitbetaling Groeipakket), kan een burger zijn klacht naar keuze richten aan één van beide instanties. Aan de hand van de ingediende verzoeken stelt de Geschillencommissie vast dat de betrokken gezinnen hun klacht soms aan één en soms (tegelijk of achtereenvolgens) aan de beide instanties richten en hierbij tevens blijkt dat de burger zich afvraagt tot welke instantie hij zich het beste richt. Zoals de voorgaande jaren acht de Geschillencommissie het nuttig om het overleg tussen beide instanties actief verder te laten verlopen zodanig dat naargelang het type klacht, de klacht in het belang van de burger en om onnodig tijdsverloop te vermijden, wordt behandeld door de best geplaatste instantie.

____________

pagina 84 van 84


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook