Skip to main content

dossier 2022-142.pdf

Page 1

Uitspraak beroepsinstantie OVB/2022/142

Vlaamse overheid Beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie Afdeling openbaarheid van bestuur Havenlaan 88, bus 20 1000 BRUSSEL T : 02 553 57 25 Mail: openbaarheid@vlaanderen.be Dossiernummer: OVB/2022/142

DE BEROEPSINSTANTIE - Afdeling openbaarheid van bestuur

Bevoegdheid beroepsinstantie Bestuursdecreet van 7 december 2018, titel II, hoofdstuk 3, afdeling 6. Besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2007 tot oprichting van de beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie. Voorafgaande procedure Op 10 februari 2022 diende xxx een verzoek in bij de stad Gent om een afschrift te verlenen van het collegebesluit 2019_CVBP_00499 d.d. 6 juni 2019 i.v.m. resultaat onderzoek klacht ICT-integriteitsschending bij Stedelijk Onderwijs Gent. Op 24 maart 2022 heeft de stad Gent het openbaarheidsverzoek van xxx afgewezen. Per brief van 21 april 2022 diende xxx (verder verzoeker) beroep in bij de beroepsinstantie beroep in tegen deze weigeringsbeslissing van de stad Gent. Dit beroep werd geregistreerd bij de beroepsinstantie op 26 april 2022. Ontvankelijkheid van het beroep Het oorspronkelijke verzoek dateert van 10 februari 2022. De in beroep aangevochten beslissing van de stad Gent van 24 maart 2022 maakt geen melding van de beroepstermijn en -modaliteiten, zoals voorgeschreven in artikel II.43, §1, derde lid van het Bestuursdecreet, zodat de beroepstermijn pas aanvangt vier maanden na kennisgeving van de beslissing.

www.vlaanderen.be


De stad Gent wees het openbaarheidsverzoek op 24 maart 2022 af, onder meer omwille van het feit dat het betreffende collegebesluit een behandeling van een klacht betreft in het kader van een tuchtprocedure. Volgens de stad Gent bevat het besluit informatie m.b.t. de feiten en beschrijft en beoordeelt het het gedrag van de betrokkenen. De stad Gent stelt: “Deze informatie van persoonlijke aard wordt beschermd door middel van de uitzonderingsgrond opgenomen in artikel II.40 §3 Bestuursdecreet. De aanvrager dient hiervoor een belang aan te geven. Gezien de aanvrager in dit onderzoek enkel gehoord werd als getuige, geen indiener van de klacht is, noch werd genoemd als beklaagd[e], beschikt deze niet over het noodzakelijke belang.” Op haar vraag verkreeg de beroepsinstantie op 4 mei 2022 het betreffende collegebesluit van de stad Gent. De stad Gent lichtte daarbij toe: “Aanvullend aan de motivering in de weigeringsbeslissing, wensen we nogmaals te benadrukken dat het opgevraagd collegebesluit heel wat informatie van persoonlijke aard bevat, zijnde informatie die betrekking heeft op een beoordeling of een waardeoordeel, of die de beschrijving van een gedrag bevat van meerdere bij naam genoemde of gemakkelijk identificeerbare natuurlijke personen. Ook al wordt xxx in het opgevraagde document eveneens bij naam genoemd, is dit voornamelijk als getuige en niet als indiener van de klacht/beklaagde. Hij werd dan ook per brief dd. 11/06/2019 in kennis gesteld van de uiteindelijke beslissing in dit onderzoek (zie stuk 6 van het beroepschrift). Het opgevraagd document houdt verder geen verband met de beslissing tot overplaatsing van xxx naar een andere school (stuk 7 en 8 van het beroepschrift). De aanvrager toont volgens ons geenszins cfr. artikel II.40 § 3 van het Bestuursdecreet afdoende aan dat hij rechtstreeks en persoonlijk in zijn rechtssituatie wordt geraakt.” Artikel II.40 §3 Bestuursdecreet bepaalt dat onder informatie van persoonlijke aard wordt verstaan: informatie die betrekking heeft op een beoordeling of een waardeoordeel, of die de beschrijving van een gedrag bevat van een bij name genoemd of een gemakkelijk identificeerbare natuurlijke persoon. De aanvrager hoeft geen belang aan te tonen. Voor de openbaarmaking van informatie van persoonlijke aard moet de aanvrager evenwel aantonen dat hij rechtstreeks en persoonlijk in zijn rechtssituatie kan worden geraakt door ofwel: 1° de informatie; 2° de beslissing waarop de informatie betrekking heeft; 3° de beslissing ter voorbereiding waarvan het document dat de informatie bevat, is opgesteld. De beroepsinstantie stelt vast dat in het collegebesluit van 6 juni 2019 inderdaad heel wat informatie van persoonlijke aard wordt vermeld, die geen betrekking heeft op verzoeker zelf. Dit is het geval voor wat betreft de meeste delen van het luik ‘Motivering’ van het besluit. Verzoeker betwist dat er in casu geen persoonlijk belang kan worden aangetoond om de openbaarmaking van de informatie van persoonlijke aard te verkrijgen. Hij stelt in het beroep:

“Op 19 februari 2018 kreeg verzoeker van een collega een outprint te zien van een privé-WhatsAppconversatie waarin hijzelf betrokken was. Volgens die collega had hij deze outprint tijdens de krokusvakantie van de ICT-coördinator van de school gekregen. In reactie hierop ging verzoeker op 20 februari 2018 een gesprek aan met de ICT-coördinator in aanwezigheid van twee getuigen. De ICT-coördinator ontkende tijdens dit gesprek elke betrokkenheid, al kon uit zijn houding en bewoordingen worden afgeleid dat hij wel degelijk op de hoogte was van de feiten. […] Verzoeker wenste de situatie evenwel niet te laten escaleren en plaatste het gemeenschappelijk belang van de school voorop. Om die reden diende hij geen formele klacht in wegens de schending van zijn privacy en hield hij zich eerder low profile.

https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur

uitspraak beroepsinstantie OVB/2022/142

pagina 2 van 10


[…] Aangaande de vermeende ICT-integriteitsschending werd verzoeker op 28 februari 2019 door de coördinerend directeur secundair onderwijs xxx per aangetekend schrijven uitgenodigd voor een gesprek (stuk 3). Bij deze uitnodiging was een ‘feitenverslag’ gevoegd, opgesteld door xxx departementshoofd van het departement onderwijs, opvoeding en jeugd (stuk 4). Verzoeker was samen met zijn raadsman op 22 maart 2019 aanwezig tijdens de bevraging in het kader van het onderzoek naar de schending van de ICT-integriteit. Van deze bevraging werd een schriftelijk verslag opgesteld (stuk 5). Op 11 juni 2019 werd verzoeker in kennis gesteld van het gegeven dat het college van burgemeester en schepenen in zitting van 6 juni 2019 oordeelde, “op basis van het ad[e]ministratief vooronderzoek, dat de feiten niet van aard zijn om een tuchtonderzoek op te starten en een tuchtonderzoeker aan te stellen” (stuk 6). […] Verzoeker vroeg op 10 februari 2022 toelating tot inzage en afschrift van het collegebesluit van 9 juni 2019 (stuk 1): “Op 06/06/'19 werd de uitkomst van een zgn. ICT-onderzoek, geleid door xxx voorgelegd aan het CBS. Het onderzoek vond plaats op basis van een klacht, ingediend door derden. De officiële conclusie bij dat onderzoek is enkel meegedeeld aan de betrokkenen die de klacht in hadden gediend en aan de personen die het voorwerp waren van de klacht. Bij dat onderzoek ben ik gehoord als getuige. Uit goede bron heb ik vernomen dat mijn naam meermaals vermeld wordt in de officiële conclusie. Op basis van de regelgeving m.b.t. bescherming van de privacy, wens ik daarom inzage in de officiële conclusie. Te meer omdat ik op geen enkele manier van die schending van mijn privacy op de hoogte ben gebracht.” Verzoeker kreeg bij schrijven dd. 11 juni 2019 enkel een kennisgeving dat er geen officieel tuchtonderzoek zou worden opgestart (stuk 6). Een kopij van de beslissing zelf werd hem nooit medegedeeld. Uit de voorgelegde stukken blijkt nochtans dat verzoeker niet alleen het voorwerp uitmaakte van de ICTintegriteitsschending (de ICT-integriteitsschending had immers betrekking op de openbaarmaking van een privé WhatsApp-conversatie die werd gevoerd tussen hemzelf en een voormalige collega, xxx), maar tevens zijn medewerking verleende aan het vooronderzoek (verzoeker verwijst naar het gesprek daaromtrent dat plaatsvond op 22 maart 2019; stuk 5). […] In de bestreden beslissing wordt gesteld dat verzoeker niet over ‘het noodzakelijke belang’ beschikt omdat hij in het onderzoek “enkel werd gehoord als getuige, geen indiener van de klacht is, noch werd genoemd als beklaagde”. Het belang van verzoeker is nochtans klaar en duidelijk, aangezien het onderzoek naar een mogelijke ICTintegriteitsschending specifiek tot voorwerp had om na te gaan of de privacy was geschonden van diegenen wier privé WhatsApp-conversatie werd verspreid. Het gaat dan concreet om de privé WhatsApp-conversatie die werd gevoerd tussen enerzijds xxx en anderzijds verzoeker zélf. Verzoeker mag dan wel geen formele klacht hebben ingediend wegens een schending van zijn privacy, het staat wel buiten kijf dat het zíjn privacy was die werd geschonden. Dat hij zich niet officieel als ‘klager’ of ‘slachtoffer’ heeft gemanifesteerd, is een persoonlijke keuze van verzoeker geweest die geenszins kan impliceren dat hij thans geen belang meer zou hebben bij het verkrijgen van inzage in de betreffende collegebeslissing.

https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur

uitspraak beroepsinstantie OVB/2022/142

pagina 3 van 10


[…] De directe betrokkenheid van verzoeker – en a fortiori zijn ‘belang’ – blijkt genoegzaam uit hetgeen hierna wordt uiteengezet. Vooreerst merkt verzoeker op dat zijn betrokkenheid in wezen niet verschilt van deze van de persoon die zich tekortgedaan voelde door het gebruik van een privé WhatsApp-conversatie. Aangezien verzoeker – naast xxx – de andere persoon was in de WhatsApp-conversatie, is zijn hoedanigheid in se dezelfde als deze van xxx. Verzoeker werd evenwel enkel gehoord als getuige en trof dus geen schuld. Dat maakt de initiële niet-inzage des te ongerijmder. Het is niet omdat verzoeker als getuige werd gehoord, dat hij in de bevraging zelf – waarbij dus ook verscheidene andere betrokkenen zijn gehoord – niet telkens rechtstreeks werd geïmpliceerd. Anders zou het gegeven gewoon niet bespreekbaar zijn geweest, zie het zogenaamde feitenverslag van xxx (stuk 4). Derhalve heeft verzoeker sowieso het noodzakelijk belang bij de inzage van de gevraagde inzage. Het is immers zo, dat een conclusie van het ICT-onderzoek onmogelijk abstractie heeft kunnen maken van personele gegevens van verzoeker. Ook zijn privacy is dus noodzakelijkerwijs geïmpliceerd. Er zou hem dus het recht op inzage worden ontzegd, ofschoon het duidelijk is dat zijn persoonsgegevens zijn verwerkt. Enerzijds is er de informatie die verzoeker heeft verstrekt in het kader van de bevraging (stuk 5). Anderzijds heeft die informatie niet geleid tot zelfs maar een minimale follow-up, niettegenstaande de evidente relevantie van de aangebrachte elementen. Verzoeker werd compleet in het ongewisse gelaten. Gezien de specifieke aard van de informatie die voorlag, kan bezwaarlijk worden ontkend dat dit een schending inhoudt van artikel 22 van de Grondwet. Daarnaast verwijst verzoeker naar het zogenaamde feitenverslag (stuk 4). Verzoeker wijst erop dat er bij bepaalde aspecten in het zgn. feitenverslag hoe dan ook niet uit werd gegaan van een neutrale stellingname. Ook dat gegeven is ten minste compromitterend voor het recht op privacy van verzoeker. Gezien de procedure bij de Raad van State die op dat moment liep, was het alleen al in functie daarvan, aan het departementshoofd van het SOG, xxx, om neutraal te refereren aan hetgeen voorafgaat. xxx, departementshoofd, kiest in de eerste alinea van het zgn. feitenverslag voor een verwoording die onzorgvuldig is en bezwaarlijk feitelijk kan worden genoemd. Bovendien wordt er verwezen naar een ‘bijkomend onderzoek’ zonder dat er melding wordt gemaakt van het desbetreffende CBS-besluit, hetgeen wel een feitelijk gegeven ware geweest. De eerste alinea van het zgn. feitenverslag stelt onder meer: “Deze klachten maakten eerder enerzijds onderzoek (sic) uit van een tuchtonderzoek en gaven anderzijds aanleiding tot het nemen van zowel een ordemaatregel (…) alsook in het schooljaar 2018-2019 de start van een extern ondersteund hersteltraject (…)” Waarna de eerste alinea van het feitenverslag vervolgt met: ‘Op basis van het bijkomend onderzoek (…) werd het eerdere tuchtonderzoek niet omgezet in een verdere tuchtprocedure.’ Voorgaande verwoording gaat voorbij aan basale feitelijkheid, gezien er op het moment van het feitenverslag al het CBS-besluit was dat enkel gewag maakt van een bijkomend onderzoek (administratief vooronderzoek) en niet van een tuchtonderzoek, noch een tuchtprocedure. Ervan uitgaand dat ditzelfde ‘feitenverslag’ net zo goed voor is gelegd aan de andere personen bevraagd tijdens de aangekondigde ‘formele behandeling van de vaststelling van ICT-integriteitsschending’, ware het een uiting van goed bestuur, mocht er met enige terughoudendheid zijn gerefereerd aan de ordemaatregel. In plaats daarvan, is er de verwoording in het ‘feitenverslag’ die eigenlijk het stilzwijgend vertrouwen schendt tussen verzoeker en de opsteller van het verslag.

https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur

uitspraak beroepsinstantie OVB/2022/142

pagina 4 van 10


Verzoeker merkt in dit verband ook op dat het zgn. feitenverslag enkel werd ondertekend door xxx en er niets werd voorzien om hierbij ook maar enige kanttekening op te willen tekenen. Zelfs de minimale formele mogelijkheid van dit voorgelegd te krijgen ‘ter lezing’ behoorde niet tot de vooropgestelde ‘formele behandeling’. Voorts maakt het feitenverslag gewag van een vertrouwelijk gesprek met twee leerkrachten en hun vakbondsafgevaardigde. Er wordt daarbij gerefereerd aan de verondersteld getoonde extracten van een privé-WhatsApp-conversatie tijdens een functioneringsgesprek. Terwijl het de opsteller van het ‘feitenverslag’ blijkbaar al vrij stond om bij de inleidende alinea van het verslag vrijelijk om te gaan met de feitelijke term ‘feiten’, is de zgn. formele behandeling van de vaststelling van ICT-integriteitsschending gebaseerd op: ‘men heeft het vermoeden (…)’; ‘het gevoel van (…) en: ‘een dispuut over woord en wederwoord (het functioneringsgesprek waaraan wordt gerefereerd, is nooit geformaliseerd geraakt). Het is naar dat ontbrekende verslag van een functioneringsgesprek dat verzoeker ook verwijst bij zijn ICTbevraging (als getuige). Die vraag bleef evenwel onbeantwoord. Waardoor men enkel kan besluiten dat een functioneringsgesprek zonder verslag, de facto eigenlijk niet bestaat. Te meer daar er in het zgn. feitenverslag zelf, opgesteld door het departementshoofd, op het einde wordt vermeld: ‘Momenteel beschik [ik] in deze niet over formele stukken of bewijsmateriaal.’ Gezien die laatste zin, is het (tonen van) WhatsApp-materiaal en het onderzoeken ervan dus gebaseerd op een gevoel. Ook dat is een overweging die terug zal komen tijdens de ICT-bevraging met verzoeker, in zijn hoedanigheid van getuige. Dezelfde overweging van niet-neutraliteit geldt dus ook voor de bevraging van verzoeker in het kader van zgn. ICT-onderzoek (stuk 5). Uit de toelichting hierna, mag blijken dat ook bepaalde vragen, opgenomen in de vraagstelling, niet uitgaan van een neutrale stellingname. Het gaat daarbij om vragen die veeleer een gestuurd karakter vertonen. Uit de verwoording ervan blijkt dat ze vooral een ‘klaargezette’ conclusie voor ogen hebben. De relevante elementen m.b.t. tot de onderzochte ICT-schending, aangebracht door verzoeker bij de bevraging, kregen immers geen enkele follow-up. Dat verzoeker wel degelijk een belang heeft bij de openbaarmaking van het betreffende collegebesluit van 6 juni 2019, blijkt afdoende uit volgende stukken: a) Stuk 9 verzoeker: E-mailcorrespondentie tussen verzoeker enerzijds en xxx, toenmalig hoofd IVA, xxx, departementshoofd en xxx, toenmalig psychosociaal adviseur. Er wordt in deze e-mails onder meer gewezen op: Het feit dat verzoeker rechtstreeks word geïmpliceerd door de ICT-verantwoordelijke [mail 28 maart]; Het feit dat de toenmalig psychosociaal adviseur erkent dat de privacy van verzoeker werd geschonden [mail 22 april 2018]; Diezelfde mail refereert aan een gesprek dd. 26 februari 2018 met de psychosociaal adviseur, nl. de mail: (zoals je eerder vertrouwelijk bij mij als vertrouwenspersoon hebt gemeld). b)

Stuk 4 verzoeker: Feitenverslag dd. 21/01/2019 van xxx, departementshoofd.

Het ‘feitenverslag’ van xxx vermeldt: “Tijdens dit gesprek vertelt xxx dat hij tijdens de groepssessie met het schoolteam in dat midden getuigde over een feit waarbij xxx in 2017 door de toenmalige schooldirecteur (xxx) tijdens een functioneringsgesprek, is geconfronteerd met een document dat duidelijk het extract

https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur

uitspraak beroepsinstantie OVB/2022/142

pagina 5 van 10


bevatte van een privé-WhatsApp-conversatie tussen haar (xxx – xxx getuigde tijdens een groepssessie over voormeld functioneringsgesprek) en een andere leerkracht (xxx).” Het ‘belang’ van verzoeker kan niet duidelijker zijn. c) Stuk 5 verzoeker: bevraging in het kader van het onderzoek naar de schending van de ICT-integriteit op het Atheneum Wispelberg. De bevraging van verzoeker had specifiek tot doel na te gaan hoe verzoeker aankeek tegen een eventuele schending van zijn privacy ten gevolge van de verspreiding van de privé-WhatsApp-conversatie. Ook hieruit blijkt het belang van verzoeker. d)

Stuk 6 verzoeker: Melding betreffende mogelijke ICT-integriteitsschending, dd.11 juni 2019.

Dit bericht, ontvangen door verzoeker op 11 juni 2019, maakt melding van: ‘een mogelijke ICTintegriteitsschending op het Atheneum Wispelberg zoals opgenomen in het feitenverslag dd. 21 januari 2019, waarvan u reeds een afschrift ontving.’ Gezien het feitenverslag duidelijk stelt dat het ging om een WhatsApp-conversatie tussen xxx en verzoeker – een omstandigheid die in dit bericht trouwens weg is gelaten – kan men bezwaarlijk twee maten en twee gewichten hanteren. Verzoeker wordt expliciet genoemd in het zgn. feitenverslag, wat het geheel onwaarschijnlijk maakt dat er nadien niet zou zijn gerefereerd aan zijn persoon tijdens de bevragingen van andere betrokken personen (ICT-bevraging), terwijl hem niettemin inzage wordt ontzegd tot de conclusie zoals voorgelegd aan en goedgekeurd door het CBS, die het onderzoek beslecht. e) Stuk 7 verzoeker: Verslag van het gesprek naar aanleiding van de genomen ordemaatregel d. 18/06/2018 Ook uit dit gesprek blijkt genoegzaam dat verzoeker een persoonlijk belang heeft bij de (openbaarmaking van) conclusies van de mogelijke ICT-integriteitsschending. Ter illustratie verwijst verzoeker naar de eerste paragraaf van dit gesprek: “Het verspreiden binnen de school van een persoonlijk (privé) whatsapp-bericht en wat dit binnen de school voor gevolgen had, heeft xxx doen beslissen contact op te nemen met xxx als vertrouwenspersoon.” Gelet op het bovenstaande, beschikt verzoeker wel degelijk over het ‘noodzakelijk belang’ om inzage te krijgen in het betreffende collegebesluit van 6 juni 2019. Verzoeker kan immers nauwelijks méér betrokken zijn bij het onderzoek dat uiteindelijk tot het betreffende collegebesluit heeft geleid. De mogelijke schending van zijn eigen privacy vormt immers het voorwerp van het onderzoek dat uiteindelijk tot het collegebesluit heeft geleid.” Beoordeling door de beroepsinstantie Een tuchtprocedure is een procedure van interne orde waarbij wordt onderzocht of een werknemer van de betreffende overheidsinstantie dient gesanctioneerd te worden omwille van het overtreden van een regel, code, richtlijn,… Indien het gaat om strafrechtelijk vervolgbare feiten zoals in casu het geval (schending van de privacy), heeft het tuchtsprekend orgaan daarbij allerminst de bevoegdheid om zich uit te spreken over de grond van de zaak. Die bevoegdheid komt enkel toe aan de strafrechtbank. Het tuchtorgaan kan alleen

https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur

uitspraak beroepsinstantie OVB/2022/142

pagina 6 van 10


vaststellen of er sprake is van een deontologische inbreuk en het betreffende personeelslid desgevallend een maatregel van tucht opleggen. Het tuchtorgaan mist echter de bevoegdheid om enige uitspraak te doen over de vaststelling of, in casu, de privacy van verzoeker al dan niet werd geschonden. Het tuchtorgaan dient zich bijgevolg te beperken tot de beoordeling of een tuchtmaatregel aan de orde is en kan geen uitspraken doen over een eventuele privacy-schending an sich. Om toegang te kunnen verkrijgen tot informatie van persoonlijke aard (die betrekking heeft op een derde), dient verzoeker aan te tonen dat zijn cliënt door de informatie in het collegebesluit en/of door de beslissing zelf rechtstreeks en persoonlijk in zijn rechtssituatie kan worden geraakt. De beroepsinstantie oordeelt dat dit niet het geval is. Het tuchtorgaan beschikt enkel over de bevoegdheid om personeelsleden al dan niet te sanctioneren naar aanleiding van een vermeende deontologische inbreuk. Of, in casu, de betrokkenen al dan niet een maatregel van tucht wordt opgelegd, beïnvloedt op zich de rechtssituatie van verzoekers cliënt op geen enkele wijze. Anders zou het zijn mocht het betreffende orgaan zich (eveneens) ten gronde kunnen uitspreken over de vermeende privacy-schending zelf. In dat geval zouden effectief de rechten van de cliënt van verzoeker in het geding komen en zou deze mogelijk wel het vereiste belang kunnen aantonen om de openbaarmaking te verkrijgen van de informatie van persoonlijke aard van de andere betrokkenen. Zoals reeds vermeld komt de bevoegdheid om ten gronde te oordelen in casu echter enkel toe aan de strafrechter. Het betreffende collegebesluit spreekt zich dan ook niet uit over de grond van de zaak (privacy-schending). De beroepsinstantie ziet bijgevolg niet in hoe de rechtssituatie van de cliënt van verzoeker in casu kan worden beïnvloed door een oordeel omtrent het opleggen van een eventuele tuchtmaatregel aan derden. De beroepsinstantie besluit dat niet wordt aangetoond dat verzoekers cliënt rechtsreeks en persoonlijk in zijn rechtssituatie wordt geraakt. Het beroepsonderdeel is bijgevolg onontvankelijk voor wat betreft de informatie van persoonlijke aard in het betreffende collegebesluit, die betrekking heeft op de andere betrokkenen dan de cliënt van verzoeker zelf en waarvan hij nog niet in kennis werd gesteld (door middel van het hem bezorgde feitenverslag), meer concreet voor wat betreft de volgende paragrafen waarin de vaststellingen van het onderzoek worden weergegeven: -

Eerste vaststelling (“Wat het tonen van…”): volledig Tweede vaststelling (“Wat de verzachtende omstandigheid…”): volledig Derde vaststelling (“Wat de relatie…”): volledig Zesde vaststelling (“Zijn er verzachtende omstandigheden…”): volledig De conclusie: alinea’s 1, 2, 3 en 4

De beroepsinstantie stelt verder vast dat het collegebesluit van 6 juni 2019 verwijst naar een aantal bijlagen, met name het feitenverslag dat al aan verzoekers cliënt werd bezorgd en de verslagen van de bevragingen van de betrokkenen. In zijn oorspronkelijke verzoek vroeg de cliënt van verzoeker dit collegebesluit op omdat hij vernomen had dat zijn naam meermaals werd vermeld in de conclusies van het onderzoek (en dus in het collegebesluit zelf). Hij wou dus inzage in het besluit ‘op basis van de regelgeving mbt bescherming van de privacy’. De beroepsinstantie oordeelt bijgevolg dat de bijlagen bij dit collegebesluit niet het voorwerp uitmaken van het oorspronkelijke verzoek, aangezien verzoekers cliënt enkel het collegebesluit wenste te verkrijgen om de conclusies van het vooronderzoek (in het collegebesluit zelf) te kennen en zo te kunnen nagaan of zijn naam daarin wordt vermeld. Voor wat betreft de bijlagen bij het collegebesluit van 6 juni 2019 wordt het beroep bijgevolg als onontvankelijk beschouwd Voor het overige is het beroep ontvankelijk.

https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur

uitspraak beroepsinstantie OVB/2022/142

pagina 7 van 10


Gegrondheid van het beroep Overeenkomstig artikel II.31, eerste lid Bestuursdecreet heeft het recht op passieve openbaarheid betrekking op bestuursdocumenten. Op grond van deze bepaling is elke instantie in principe verplicht aan eenieder die erom verzoekt inzage te geven in, uitleg te verschaffen over of een afschrift te bezorgen van de gewenste bestuursdocumenten. De openbaarmaking kan slechts geweigerd worden mits toepassing wordt gemaakt van één of meerdere uitzonderingen, zoals gestipuleerd in de artikelen II.33 tot en met II.39 van voormeld decreet.

1.

Bestreden beslissing

In haar beslissing van 24 maart 2022 weigerde de stad Gent om aan verzoeker een afschrift te verlenen van de gevraagde collegebeslissing d.d. 6 juni 2019 en verwees hiervoor enerzijds naar de bescherming van de informatie van persoonlijke aard die erin is opgenomen, in toepassing van artikel II.40 §3 Bestuursdecreet. Supra oordeelde de beroepsinstantie al dat de stad Gent hierin deels kan worden gevolgd en dat het beroepschrift omwille daarvan als gedeeltelijk onontvankelijk dient te worden beschouwd. Anderzijds heeft de stad Gent het openbaarheidsverzoek afgewezen omdat het collegebesluit heel wat persoonlijke informatie (te onderscheiden van informatie van persoonlijke aard) bevat over de betrokken personen. Door de openbaarmaking van dit document zou volgens de stad Gent de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen worden geschonden. De stad Gent verwijst in dat verband naar artikel II.34 2° Bestuursdecreet.

2. Inhoud van het beroepschrift Verzoeker dient beroep in tegen deze beslissing van de stad Gent. Supra werd het beroepsonderdeel betreffende de informatie van persoonlijke aard uiteengezet. Verzoeker stelt ook beroep in tegen de door de stad Gent ingeroepen uitzonderingsgrond betreffende de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Hij stelt:

“Een dergelijke motivering is bijzonder ironisch te noemen, aangezien het onderzoek naar een mogelijke ICT-integriteitsschending specifiek aan het licht heeft gebracht dat het precies de privacy van verzoeker zélf was die werd geschonden. De beslissing tot weigering van de openbaarmaking heeft voor gevolg dat diegene wiens privacy werd geschonden (in casu: verzoekers privacy), het recht wordt ontzegd om inzage te krijgen in een collegebeslissing die daaromtrent uitspraak doet, specifiek om te vermijden dat de privacy van anderen (waaronder de mogelijke verantwoordelijke(n)) zou worden geschonden. Dit is de wereld op zijn kop. Aangezien het betreffende collegebesluit van 6 juni 2019 waarvan verzoeker de openbaarmaking vraagt, expliciet uitspraak doet over de gevolgen die worden verleend aan een vooronderzoek dat specifiek een mogelijke schending van o.m. de privacy van verzoeker tot voorwerp heeft, is verzoeker zonder meer gerechtigd daarvan inzage en/of afschrift te bekomen.” 3. Toelichting door de stad Gent

https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur

uitspraak beroepsinstantie OVB/2022/142

pagina 8 van 10


Om voldoende geïnformeerd te kunnen oordelen, heeft de beroepsinstantie de stad Gent om een reactie gevraagd. Supra werd de reactie van de stad Gent reeds uiteengezet betreffende de informatie van persoonlijke aard. De stad Gent voegt hier nog aan toe dat de openbaarmaking van het opgevraagde collegebesluit de persoonlijke levenssfeer zou kunnen schenden (cfr. artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet) van de personen waarvan informatie van persoonlijke aard wordt beschreven.

4. Beoordeling door de beroepsinstantie De beroepsinstantie oordeelde supra al dat het voorliggende beroep als gedeeltelijk onontvankelijk dient te worden beschouwd, omwille van het gebrek aan het vereiste belang om inzage te verkrijgen in de informatie van persoonlijke aard. Voor zover het beroep als ontvankelijk wordt beschouwd, stelt de beroepsinstantie vast dat in het betreffende collegebesluit verschillende persoonsgegevens (namen en functies) van diverse personen worden vermeld. De beroepsinstantie is van oordeel dat het inderdaad informatie betreft die betrekking heeft op de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen. De beroepsinstantie stelt echter vast dat het hier gaat om dezelfde personen die worden vermeld in het feitenverslag dat werd opgemaakt op 21 januari 2019 (ter voorbereiding van een mogelijke tuchtprocedure), dat ook aan de cliënt van verzoeker werd bezorgd. Het zijn diezelfde personen die worden vermeld in het collegebesluit van 6 juni 2019 – waarin delen van dit feitenverslag, inclusief de namen en functies van de betreffende personen, letterlijk werden overgenomen – en die dan ook al door verzoekers cliënt gekend zijn. De beroepsinstantie ziet bijgevolg niet in hoe in casu de persoonlijke levenssfeer van deze personen kan worden geschonden, nu verzoeker er al van op de hoogte is over welke personen het hier gaat. Dit beroepsonderdeel wordt bijgevolg als gegrond beschouwd. Na beraadslaging,

BESLUIT: Het beroepschrift van xxx d.d. 21 april 2022 tegen de weigeringsbeslissing van de stad Gent wordt als deels onontvankelijk en deels ontvankelijk en deels gegrond beschouwd. Bijgevolg dient de stad Gent aan verzoeker een afschrift te bezorgen van het collegebesluit 2019_CVBP_00499 d.d. 6 juni 2019 i.v.m. resultaat onderzoek klacht ICT-integriteitsschending bij Stedelijk Onderwijs Gent, met weglating van de bijgevoegde bijlagen en van de volgende delen van het luik ‘Motivering’ van het besluit, meer concreet de paragrafen waarin de vaststellingen van het onderzoek worden weergegeven: -

Eerste vaststelling (“Wat het tonen van…”): volledig Tweede vaststelling (“Wat de verzachtende omstandigheid…”): volledig Derde vaststelling (“Wat de relatie…”): volledig Zesde vaststelling (“Zijn er verzachtende omstandigheden…”): volledig De conclusie: alinea’s 1, 2, 3 en 4

Geen toestemming tot hergebruik van bestuursdocumenten In zoverre dit beroep geheel of gedeeltelijk gegrond werd verklaard, geldt dat deze inwilliging van de aanvraag tot openbaarmaking GEEN toestemming inhoudt om het/de gevraagde bestuursdocument(en) te hergebruiken, als vermeld in titel II, hoofdstuk 4 van het Bestuursdecreet van 7 december 2018.

https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur

uitspraak beroepsinstantie OVB/2022/142

pagina 9 van 10


Brussel, 11 mei 2022 Voor de beroepsinstantie, afdeling openbaarheid van bestuur, Bruno ASSCHERICKX Voorzitter

https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur

uitspraak beroepsinstantie OVB/2022/142

pagina 10 van 10


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
dossier 2022-142.pdf by Vlaanderen-be - Issuu