MONUMENTEN
EN
LANDSCHAPPEN
Monumenten en Landschappen, Graaf de Ferraris-gebouw Emile Jacqmainlaan 156 - bus 7 1000 BRUSSEL Tel. (02)553 82 34 - Fax (02)553 82 05 E-mail: Luc.Tack@lin.vlaanderen.be Vormgeving en productie: Luc Tack Zetwerk en secretariaat: Diane Torbeyns
Intei Coi'er: Wandscbildering met voorsielling run het kasteel van Wannegem-Lede
Website Monumenten en Landschappen: www.monument.vlaanderen.be
Druk
Abonnementsvoorwaarden 2000
R
Die Keure Oude Gentweg 108, 8000 Brugge Tel.: (050)47 12 72 - Fax: (050)34 37 68
Voorzitter: E. Goedleven.
België: 1300 fr. (ook losse nummers verkrijgbaar voor 250 fr.). CJP'ers betalen: l l O O f r . Buitenland: 2000 fr. Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving op rek. nr.091-2206040-95 van Monumenten £t Landschappen, Graaf de Ferraris-gebouw, Emile Jacqmainlaan 156 bus 7, 1000 Brussel met vermelding "MEtL-jaarabonnement 1999". U ontvangt dan alle nummers van het lopende jaar.
Leden: A. Bergmans, J. Braeken, M. Buyle, M. De Borgher, J. De Schepper, M. Fierlafijn, J. Gyselinck, A. Malliet, V. Meul, G. Plomteux, L Tack, S. Van Aerschot, Hedwig Van den Bossche, Herman Van den Bossche, P. Van den Bremt, Ch. Vanthillo, L Wylleman.
Advertentiewerving De Ganzerik, J. Casier Maalsesteenweg 73, 8310 Sint-Kruis Tel.: (050)36 25 89 - Fax: (050)37 33 64
Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Departement Leefmilieu en Infrastructuur Administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen Luc Tack Afdeling Monumenten en Landschappen, Graaf de Ferraris-gebouw Emile Jacqmainlaan 156 - bus 7 1000 BRUSSEL Tel.: (02)553 82 36 - Fax: (02)553 82 05 E-mail: Luc.Tack@lin.vlaanderen.be De verantwoordelijkheid voor de gepubiiceerde artikels berust uitsluitend bij de auteurs. Alle rechten voor het reproduceren, vertalen of herwerken zijn voorbehouden
Zonder schriftelijke opzegging voor het einde van elk kalenderjaar wordt een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang. Tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd
De p o o r t d o n j Ter Hulst te"
Verantwoordelijke uitgever
het hof
jr^rsV!
Dirk Van Eenhooge
21
Baron Ba ut de R asm on en de ' J a r d i n P i t t o r e s q u e ' van W a n n e g e m - L e d e Kacrien Hebbelinck
56
Summary
Wij hebben allemaal bescherming nodig, maar niet allemaal dezelfde! Duivenmest is door zijn agressieve chemische bestanddelen één van de belangrijkste oorzaken van onomkeerbare beschadigingen aan gebouwen en monumenten. Maar er is meer! De duif, maar vooral de duivenmest, brengt naast het cultuurpatrimonium ook onze gezondheid in gevaar door overbrenging van ziekten zoals ornithose, salmonella, psittacosis, e.a.,...
Nu is er echter B1RDKX (een gamma diervriendelijke afschrikkingsmiddelen dat de duiven voorgoed weg houdt van monumenten en gebouwen. Wilt u er meer over welen, neem dan vrijblijvend contact met ons op.
P.E.C. International n.v. Verbindingsstraat 2, B-9100 St.-Niklaas Tel.: (03)776 84 39 - Fax: (03)777 35 09
C/w patnntottiunt,.. , ome zorg Reeds meer dan 20 jaar restaureren, renoveren en beschermen wij gebouwen en waardevolle monumenten. Reiniging, restauratie en renovatie van gevels Restauratie en conservatie van steen Traditionele zuivere kalkpleisters en kaleilagen Mineraalverven en silicaatpleisters Cement- en kunststofgebonden gevelpleisters Warmte-isolerende pleistersystemen Betonherstelling en -bescherming Duivenwering Houtworm- en zwambestrijding Polyhneerchemische houtrestauratie en -versteviging Brandremming op hout, beton en metaal Injectiewerken Vochtwering en waterdichting Renovatie- en verbouwingswerken Referenties op aanvraag
Onze vaklui worden begeleid door gespecialiseerde ingenieurs en kunsthistorici
Solar
Kunstatelier
Gerard Thienpont
bvba
Konservatie en Restauratie van Kunstwerken H o u t - Steen - Stucwerk • Schilderijen
Beeldhouwwerken • hout en steen
Decoratieve schilderwerken
Polycromeerwerken • Bladgoud
Kerkmeubilair
Onderzoek en behandeling
Tel.: 0 3 - 7 6 6 . 1 1 . 6 6 - Fax: 0 3 - 7 7 7 . 3 5 . 0 9 Kleine Breedstraat 33 - B-9100 SINT NIKLAAS
Rozenstraat 6 - 9 8 1 0 N A Z A R E T H (Eke)
Erkend aannemer cat D k i l , o cat D l kl 3, D21 kl 3. D24 kl 4
Tel. (09)385 54 32 - Fax (09)385 45 52
E v e n w i c h t t u s s e n w e t e n s c h a p en v a k m a n s c h a p
WÊom
Kalk voor renovatie, restauratie en decoratie van ons patrimonium !
CORIDECOR kalkverven binnen- en buitendecoratie
natuurlijke hydraulische kalk mortels voor binnen en buiten
"Miniere /i San ^medio BEAL Pare Industriel de Noville-Les-Bois 8, rue de Tronquoy B-5380 Fernelmont Tél.: 081/83.57.57 Fax: 081/83.57.67
Arte A ^„x^
Arte Construeto bvba Molenberglei 18 B- 2627 Schelle (België) Tel.: O0.32.3/88O.73.73 Fax: 00.32.3/880.73.70
Dirk Van Eenhooge
DE POORTDONJON VAN HET HOF TER HULST TE MOORTSEEE
De erfgevel van het Hof ter Hulst in 1996
De boerderij
Hof ter Hulst in Moortsele
werd op 18 juli 1996 beschermd als Aan deze bescherming historisch
onderzoek
monument.
ging een uitgebreid
bouw-
vooraf dat werd gestart
door
Toen het onderzoek mantelings-
gang, zodat een - weliswaar bouwsporen
met deze bijdrage
het Provinciebestuur
dat
de belangrijke
door de Afdeling
werd
Monumenten
van de Vlaamse Gemeenschap
maar
overgenomen
en (I).
Landschappen
monumenten verbouwing gaan.
waren
ont-
reeds aan de
klein - deel van de
verloren is gegaan.
van
Oost-Vlaanderen,
werd aangevat,
en renovatiewerken
Luc Bauters van de Dienst Monumentenzorg
reeds in een vroeg stadium
M&L
(Oosterzele)
Toch hopen we
een goed beeld te schetsen van
hoeveelheid informatie
die in veel
verscholen ligt, maar die bij elke of restauratie
gedeeltelijk
verloren
kan
(21 Het Hof ter Hulst ligt op ongeveer 800 meter van de dorpskerk van Moortsele, op de noordwestelijke helling van de Betsbetg, tet hoogte van het bronniveau. Het maakt deel uit van een meer dan 1 hectare groot erf, onregelmatig van vorm, dat vroeger volledig omgracht was. Aan de noord- en de oostzijde waren deze grachten oorspronkelijk 12 meter breed, de overige grachten waren aanzienlijk smaller. Geologisch is de Betsberg een getuigenheuvel; bovenaan de helling dagzomen geologische lagen waarin Lediaanse kalkzandsteen (de zogenaamde Balegemse steen) wordt aangetroffen; iets lager op de helling, waar het Hof ter Hulst gesitueerd is, dagzomen de Paniseliaanlagen die in de regio het geologisch substraat vormen, en die glauconiethoudende veldsteen bevatten. Beide soorten natuursteen werden verwerkt in het eerste stenen gebouw dat op de site werd opgetrokken.
DE OUDSTE STEENBQUW De resten van deze constructie zijn opgenomen in de bestaande boerenwoning, die parallel aan de straat ligt, en die met de achtergevel direct aan de vroegere walgracht paalt. De voorgevel is nu naar het erf gericht. De woning is een hoog gebouw van vijf traveeën onder een zadeldak. Het oudste gedeelte is te situeren in de nu onderkelderde drie zuidoostelijke traveeën, en is opgetrokken uit grijsgroene veldsteen, aangevuld met Lediaanse kalkzandsteen voor de boekblokken, de afwerking van de plint, de boogblokken van de poorten, en de omlijsting van vensters en lichtspleten. Buitenwerks meet het gebouw 9,10 bij 6,20 meter en het bleef bewaard tot een maximale hoogte van 8,20 meter. De muur is nergens dikker dan 75 a 80 cm.
constructie, waarvan de functie niet met zekerheid kan worden vastgesteld (nr. 8). Uitbraaksporen aan weerszijden van de poort, 3,2 meter hoog en 45 cm breed, (nrs. 6-7) wijzen bovendien op verdwenen steunberen of op een bijkomend bouwvolume in de gracht ter verdediging van de eigenlijke ingang. We interpreteren deze bouwsporen voorlopig als een soort voorbouw (3) waarvan het oorspronkelijke uitzicht niet meer te achterhalen is. Veel minder waarschijnlijk is de hypothese van een bruggenhoofd: in de klassieke opstelling bevindt het bruggenhoofd zich aan de overzijde van de gracht, en ligt er tussen de ingang en het bruggenhoofd een houten ophaalbrug. De breedte van de gracht aan de straatzijde kan gereconstrueerd worden op 12 meter; de bodem was vlak en bevond zich 2,70 meter lager dan de plint. Beide zijgevels van het gebouw waren op dit niveau volledig blind; in de zuidwestelijke (erf)gevel bevond zich, voor zover nog kon worden nagegaan, enkel een rondboogpoort die waarschijnlijk niet kon worden afgesloten (nr. 17). Van een eventuele secundaire ingangsdeur werd geen enkel spoor aangetroffen. Het gelijkvloerse niveau was afgedekt met een enkelvoudige balklaag, zoals blijkt uit de resten en uitbraaksporen van zes consoles in Doornikse kalksteen in de voor- en de achtermuur (nrs. 11 en 18). Enkel in de zuidoostelijke zijgevel werden verder twee consoles aangetroffen die de strijkbalk ondersteunden. De hoogte van het gelijkvloerse niveau kan gereconstrueerd worden op 4,20 meter. De erfgevel van het Hof ter Hulst tijdens de verbouwingen in 1996 {foto auteur)
De gelijkvloerse verdieping onderscheidt zich vooral door twee grote poortopeningen onder een rondboog. De opening in de noordoostelijke (straatgevel is 2,95 meter breed, maar is binnenin iets breder en hoger, en is afgedekt met een gedrongen segmentboog; hierin paste duidelijk de naar binnen draaiende houten toegangspoort (nr. 5). Aan weerszijden van de poort bevinden zich kleine lichtspleten (nrs. 9-10). Bij het terug uitgraven van de gracht vóór het gebouw werden de funderingsresten aangetroffen van een 5,7 meter brede en 5,5 meter lange stenen
M&L
m
.2>.
<ï^
MOOUlSKIii: -Hof ti'iHulsl
l>Iins(! A
Straat- en zijgevel van de 13de eeuwse poortdonjon (tek. auteur)
M&L
Dat het hier niet louter om een poortgebouw gaat, kan afgeleid worden uit de sporen op de eerste verdieping. Voor- en achtergevel bleven weliswaar slechts bewaard tot een hoogte van ongeveer 1 meter, maar in de zijgevels zijn sporen bewaard die duidelijk op een woonfunctie wijzen. Centraal in de zuidoostelijke gevel staat een venster dat aan de buitenzijde met een ezelsruglatei was afgedekt (nr. 2). In de andere zijgevel bemerken we centraal de resten van een nisvormige haard, met uitbraaksporen van vooruitstekende stijlen (nr. 14), rechts daarvan een onvolledig bewaard venster (nr. 13) en links een kleine, bijna vierkante nis (4), uitgevoerd in baksteen van een groot formaat (28x13x6 cm); het is niet duidelijk of dit nisje tot de oorspronkelijke aanleg behoort. Over de oorspronkelijke hoogte van deze verdieping tasten we evenzeer in het duister. Opvallend is dat er op deze verdieping
geen enkele aanwijzing is dat er ooit een toegangsdeur is geweest of een doorgang naar een latrine. Hieruit kunnen we afleiden dat de toegang naar de eerste verdieping gebeurde via een steektrap vanuit de poortruimte, en dat de latrine — zoals meest gebruikelijk (5) — op de nu verdwenen tweede verdieping lag.
Zoals vermeld bewijzen de residentiële elementen op de eerste verdieping dat het hier niet enkel een poortgebouw betreft, maar dat de goed uitgebouwde woonfunctie een essentieel onderdeel van het gebouw uitmaakt. Ondanks de relatief geringe muurdikte menen we dan ook dit gebouw als een weliswaar bescheiden poortdonjon te mogen interpreteren.
-4 Erf- en zijgevel de I3de eeuwse poortdonjon (tek. auteur)
SWwaü exterior NW wall
MOOKTSELl] - Hof lor Hulst
IMiase A
Of deze woontoren al of niet versterkt was, met andere woorden, of het hier gaat om een maisonforte dan wel om een platte maison, valt niet meer te achterhalen; daarvoor is de toren te onvolledig bewaard. Bovendien blijken er ook meng- of tussenvormen te hebben bestaan, en lijkt ook in de Middeleeuwen de scheidslijn tussen beide niet altijd even duidelijk te zijn getrokken (6). Vast staat in ieder geval dat het niet de enige woning was op het meer dan 1 hectare grote domein. Zowel de locatie van de toren aan de rand van de site, als de afwezigheid van sporen die kunnen suggeren dat het domein ooit een opdeling in opper- en neerhof heeft gekend, zijn betekenisvolle elementen bij de interpretatie van de site. De heer die de toren liet optrekken was hoogstwaarschijnlijk niet de bezitter van de centrale
o
Liui
1
l_
dorpsheerlijkheid, maar eerder van een mineure heerlijkheid. Hierop wijst de ligging van de toren ten overstaan van de dorpskerk: de oudste donjons uit de 11de en de 12de eeuw liggen vlakbij de parochiekerk, en bevinden zich op het opperhof van de oude burcht, terwijl de castrale kapel (die in veel gevallen tot parochiekerk evolueerde) meestal op het neerhof gesitueerd is (7). De zetels van later ontstane mineure heerlijkheden (tweede helft 13de eeuw) liggen doorgaans op een grotere afstand van de parochiekerk (hier in Moortsele op 800 meter), en zijn voornamelijk vlakteburchten gelegen in de rivierdalen of - zoals in Moortsele - op de valleiflanken (8). Het Hof ter Hulst valt aldus gemakkelijk te situeren in de evolutie van de landelijke versterkte
woning (9). In de 10de tot de 12de eeuwwotden de zetels van heerlijkheden voornamelijk gevormd door castrale mottes, kunstmatig opgeworpen heuvels waarop meestal een woontoren werd opgericht, en die door een brede gracht werden verdedigd. Bij de motte hoorde een veel groter vlak areaal, waarop andere gebouwen stonden (waaronder de castrale kapel) en dat eveneens door een gracht was omringd (het motte-and-bailey type). Vanaf de vroege 13de eeuw worden dergelijke mottes echter niet meer opgeworpen, en verschijnt er een ander type: de site met walgracht. Dergelijke sites bestaan uit een klein (750 m") tot zeer groot (2,5 ha) woonareaal van meestal vierkante of rechthoekige vorm, dat door een 9 tot 15 meter brede gracht omgeven is. In westelijk kust-Vlaanderen, het enige gebied van enige omvang dat tot nu systematisch is onderzocht, vertoonde slechts ongeveer 7 % van de voorbeelden een tweeledige vorm die nog aan het vroegere motte-and-bailey tytpe herinnert (10). Deze nederzettingsvorm is zeer algemeen in laatmiddeleeuws noordwestelijk Europa, dateert daar voornamelijk uit het einde van de 12de en de 13de
In tegenstelling tot de rest van Europa zijn de sites met walgracht in Vlaanderen veel talrijker, terwijl zij ook een andere chronologie vertonen. In de periode 1200-1250 zijn zij nog zeldzaam, maar vanaf het einde van de 13de eeuw en vooral in de 14de eeuw worden er talloze dergelijke sites ingericht (12). In het gebied dat E Verhaeghe onderzocht (135 km ) werden 350 sites opgetekend, wat een gemiddelde oplevert van 1 site per 35 ha (13). Deze grote aantallen tonen overduidelijk aan dat niet enkel sociaal hoog gesitueerden dergelijke woningen oprichtten, maar dat vele van deze nederzettingen als gewone hoeven moeten worden geïnterpreteerd. Een en ander heeft natuurlijk te maken met de steeds groeiende vraag naar landbouwproducten in de 13de en het begin van de 14de eeuw, als een rechtstreeks gevolg van de groei van de stedelijke bevolking, waardoor ontginning van zelfs relatief ongunstige bodems toch nog rendabel bleek. Een tweede, hieraan verbonden factor, is dat de oudste sites eigendom waren van de lagere adel en van kerkelijke instellingen; die gaan echter geleidelijk over van directe naar indirecte exploitatie van hun eigendommen, verlaten en verhuren hun woonsites, en verhuren ook andere delen van hun gronden, waarop de nieuwe pachter dan zijn eigen site met walgracht kan oprichten. In westelijk kustVlaanderen lijkt het oprichten van sites met een walgracht te hebben doorgegaan tot omstreeks 1500. Later komen nieuwe nederzettingen van dit type enkel nog sporadisch voor.
dve
eeuw, en lijkt in de meeste gevallen verbonden te zijn geweest met eigenaars met een hoge status. Een Engelse studie (11) suggereert dat moated sites zanvankelijk een modefenomeen waren in aristocratische middens, maar geleidelijk ook bij lagere klassen ingang vonden, waarbij deze neerwaartse sociale verspreiding echter gevoelig beperkt werd door de hoge kosten, die als het ware een sociale drempel vormden.
De site van het Hof ter Hulst valt echter duidelijk te situeren in de eerste fase van de geschetste ontwikkeling: waarschijnlijk heeft een lid van de lokale lagere adel haar opgericht als een mineure heerlijkheid, die voornamelijk aan de landbouw was gewijd. Voor deze site en de onmiddellijke omgeving treffen we overigens het toponiem Bautveld aan; het tr/«/-toponiem betekent meestal dat het zo genoemde gebied tussen de 11de en de 13de eeuw werd ontgonnen, terwijl ook vast staat dat vrij veel land van de hoge Betsberg waarop de site ligt, al in de 13de eeuw ontgonnen was voor akkerland. Wat de vroegste bebouwing op het domein betreft, moeten we dus niet alleen allerlei nutsgebouwen zoals schuren en stallingen veronderstellen, maar eveneens een in hout of steen opgetrokken herenboerderij waarin in normale tijden werd geleefd en gewerkt. De poortdonjon was evenwel niet alleen bedoeld om de toegang tot het erf re bewaken en te verdedigen, maar ook als toevluchtsoord in tijden van onrust en oorlog. Een permanente bewoning in
• De poortdonjon na de ISde-eeuwse verbouwing (tek. auteur)
IVI&L
de toren lijkt, gezien het zeer geringe comfort, erg onwaarschijnlijk. De sites die F. Verhaeghe in westelijk kustVlaanderen heeft onderzocht, hadden bijna alle een toegang via een dam of een brug, die soms aangevuld was met ofwel een eenvoudige poort tussen pijlers, ofwel een muur met één of twee poorten, ofwel een klein gebouw met een zolder boven de poortingang. De auteur veronderstelt waarschijnlijk terecht dat deze elementen geen echte defensieve functie hadden, maar eerder symbolisch van aard waren, en vooral het belang van de site en zijn eigenaar moesten benadrukken (14). De Heer van het Hof ter Hulst is echter duidelijk een stapje verder gegaan en heeft aan een prestige-object ook een nuttige functie gekoppeld.
Het toponiem van de site, en vooral de locatie van de toren ten overstaan van de dorpskern hebben reeds een eerste aanduiding gegeven voor een datering: de periode van de 11de tot de 13de eeuw kon reeds verengd worden tot de tweede helft van de 13de eeuw. Ook bouwhistorisch belanden we in hetzelfde kader. Niet alleen het samengaan van veldsteen, Lediaanse en Doornikse steen wijst in dezelfde richting, ook het venstertype is te situeren tussen het einde van de 12de eeuw en 1300. Dit venstertype valt niet alleen op door de grotere boekblokken in een parement van kleine breuksteen, maar vooral door de ezelsrug- of mijterbooglatei aan de buitenzijde, die vooral in de Maaslandse woonarchitectuur een vrij klassiek gegeven is in deze periode. De meeste voorbeelden uit
1
TI
•\
j-n
It-' ' t
•••.:
'
•
•
•
r^^^^É ms*mum
hv'l
m^ti^sm^'^^jÊm
f
il
bésl^s^HH^sl- «BBi^3« '^-^
1
'^^^S'
^
:
^
^
^
-•i
A
^J0^^,^^^L
^^É^^
^ Detail van de Imker zijgevel met nu gedicht venster met
erior prior
de op nieuw ontgonnen akkerlanden, en er een ezelsruglatei groot woonhuis en nutsgebouwen oprichtte, alle (foto aut(:ur) wellicht van hout. Het grote erf werd door grachten en wallen omringd en de enige toegang werd gedomineerd en verdedigd door een met bescheiden middelen gebouwde stenen toren, die op het gelijkvloerse niveau de poortdoorgang bevatte, en op de eerste en (wellicht ook aanwezige) tweede verdieping een woon- en een slaapvertrek dat in tijden van nood toevlucht bood voor de heer en zijn gezin.
1 [
-.
M
H
mmm ^ 'HE m=f^^Êsm H
Sm^^^^^É^^j^
• H u f i l l k ^ - - ^ - ' i^sHic: /^^asaS^pA^
F" "y^o^^i
's
• ^ii=r>1 • ^ ^ 3 /i I
^ ^ * H
^m^^ "*?? ]
•' • ' S l ^^glgjgggf-^^-jj*
F
^
p—[-*1 n
X XN
N
f^
-
+1
V
v V
1 i
pm 'M^wMM.l ]
rt^
A
0
A
1
3
i
1
5m dve
1
Limburg en Brabant hebben zoals te Moortsele geen bijkomende ontlastingsboog: Batsheers (eind 13de eeuw) (15), Rutten (ca. 1200) (16) en NilSaint-Vincent (ca. 1270) (17). Eén voorbeeld uit Limburg en alle voorbeelden uit de meer zuidelijk gelegen provincies zijn wel voorzien van een ontlastingsboog: Millen (13de eeuw) (18), Fontaine (ca. 1200) (19), Voroux (1175-1180) (20), Warsage (ca. 1215) (21), Amay (12de-13de eeuw) (22), Jemeppe-surMeuse (1298) (23) en Corroy-le-Chateau (13de eeuw) (24).
De datering in de tweede helft van de 13de eeuw betekent dat de poortdonjon van Moortsele, voor zover bekend, één van de vroegste van zijn soort is in Vlaanderen. Enkel de poortdonjon van de Castrumhoeve te Haren is in dezelfde periode te situeren (25). In tegenstelling tot de toren in Moortsele is de benedenverdieping daar veel zwaarder uitgebouwd en was de toren duidelijk wel versterkt. De vraag kan dus gesteld worden of de toren te Moortsele wel als een poondonjon kan worden beschouwd. Of de toren ooit versterkt was is onduidelijk, maar op de relatief geringe muurdikte na, voldoet hij, voor zover nog kan worden nagegaan, grotendeels aan de normen zoals die door F. Doperé en W. Ubregts opgesteld zijn bij hun onderzoek van de Vlaamse donjons (26). Uiteindelijk is het probleem er een van louter terminologie en geven we uiteindelijk toch de voorkeur aan het etiket donjon, teneinde de bewoonbaarheid van het gebouw en het onderscheid met een eenvoudiger poortgebouw te benadrukken.
Samenvattend kunnen we het beeld schetsen van een in de tweede helft van de 13de eeuw gesticht domein van een kleine lokale heer, die zich vestig-
1VI&L
VAN POORT TOT WOQNHtJIS In de I4cie-15de eeuw was er blijkbaar een herschikking van de organisatie van het domein, want de oorspronkelijke toegang via de poortdonjon werd naar een andere plaats verlegd, en de oude toren werd verbouwd en uitgebreid tot een woning. Wat er met de bovenverdiepingen van de toren is gebeurd, is onduidelijk: latere verbouwingen hebben hier alle sporen uitgewist. In ieder geval bleef de eerste verdieping behouden. Nochtans waren de verbouwingen in deze fase heel ingrijpend. De poortopening aan de straatzijde werd volledig gedicht met veldsteen, terwijl de poortopening in de erfgevel vervangen werd door een kleine deuropening, die op haar beurt later
NW wall
exterior
SW wall
interior
MOOltTSIüMi:
Hol' Ier Hiilsl
exterior interior
Phase (;
werd verbouwd; aan de binnenzijde wordt deze deuropening geflankeerd door een ondiepe nis (nr. 21). In dezelfde erfgevel werd een venster ingebracht, met zandstenen boekblokken en een kruismoneel (nr. 20). Het woonniveau werd van de eerste naar de gelijkvloerse verdieping verplaatst: op de eerste verdieping werd de oude haard vervangen door het schouwlichaam van een nieuwe haard (nr. 22) op de benedenverdieping. Deze haard is volledig uitgevoerd in baksteen (formaat 25x12,5x5 cm); uit het verloop van het schouwlichaam is duidelijk dat in deze bouwfase de balklaag op zijn oude niveau bewaard bleef. In dezelfde fase werd het gebouw aan de noordwestelijke zijde uitgebreid met een aanbouw van twee
traveeën, opgetrokken in veldsteen, die is aangevuld met baksteen van dezelfde kwaliteit en afmetingen als in de nieuwe haard in het oude gebouw. De uitbreiding telde waarschijnlijk van meet af aan drie bouwlagen, waarvan enkel de onderste verdieping nagenoeg intact bewaard is. Zoals in het verbouwde gebouw, was de straatgevel volledig blind, wat erop kan wijzen dat veiligheidsoverwegingen nog steeds een rol speelden. Tot deze bouwfase horen verder nog: het onderste gedeelte van het venster met zandstenen boekblokken en een kruismoneel in de erfgevel (nr. 24), de later verbouwde deur in dezelfde gevel en de in baksteen opgetrokken haard tegen de nieuwe zijgevel (nr. 25).
DE 18DE-EEUWSE VERBQUWINGFN In de loop van de 18de eeuw hadden in twee fasen ingrijpende verbouwingen plaats, die op enkele details na, het huidige uitzicht van de boerderij hebben bepaald. In een eerste fase, te dateren vóór 1750, werd het hoofdgebouw grondig herschikt. Onder de vroegere poortruimte kwam er een driebeukige kelder; de binnenmuren zijn opgebouwd uit veldsteen en bovenaan uit baksteen, de drie lage tongewelven zijn volledig in baksteen uitgevoerd (27). De drie beuken van de kelder worden verlicht door drie keldervenstertjes in de erfgevel; het middelste venster is excentrisch opgesteld wegens de aanwezigheid
Straat- en zijgsvel van het Hof ter Hulst na de vroegI8de-eeuwse verbouwing (tek. auteur)
exterior
SE w a l l "
MOOKTSKLIü - Hof fei- Hiils(
exterior NE wall
interior
Phase C
o i
1 i
5m
van een klein buitentrapje naar de gelijkvloerse verdieping. Door de inbreng van de keldergewelven verdween immers het oorspronkelijk vloerniveau van de gelijkvloerse verdieping, en werd de nieuwe vloer ongeveer 30 centimeter hoger aangelegd. O p deze verdieping kunnen we nog een aantal nieuwe elementen aanduiden: in de erfgevel werd de bestaande deuropening aangepast aan het nieuwe niveau, en kreeg ze de vorm van een met zandstenen omlijsting voorziene deur met segmentboog (nr. 31); binnenin werd de nis die de deuropening flankeerde dichtgemetseld, op een kleine vierkante nis op ooghoogte na (nr. 36); voorts verscheen er in dezelfde gevel een tweede venster (nr. 30) met zandstenen boekblokken en een bakstenen segmentboog. Binnenin verdween de oude enkelvoudige balklaag, en werd ze, op een lager niveau, vervangen door moer- en kinderbalken. Tegen de zuidwestelijke zijmuur kwam een bijkomende haard te staan (nr. 37) die duidelijk samengaat met de nieuwe balklaag. O f deze bouwlaag toen reeds in twee vertrekken werd ingedeeld is niet duidelijk: de bakstenen muur die tussen de twee stond opgesteld behoort tot een volgende bouwfase, maar kan dan een houten wand hebben vervangen.
Ook de eerste verdieping werd grondig aangepakt: opnieuw werd een nieuwe balklaag op een lager niveau aangebracht, waarbij duidelijk gebruikgemaakt werd van gerecupereerde moerbalken. In de erfgevel markeren twee nieuwe vensters met bakstenen dagkanten (nrs. 33 en 34) deze verbouwing, die ook tot gevolg had dat een nieuwe dakkap moest worden gebouwd. Deze dakkap, die bewaard bleef, bestond uit twee eenvoudige gebinten met dwarsbalk (nr. 42); de flieringen die op de dwarsbalken liggen, werden verder verstevigd met schoren; op de gebinten werden geen telmerken waargenomen. Opvallend is de zeer lichte opbouw van de dakkap, zodat we veronderstellen dat de dakbekleding vroeger lichter was dan het huidige pannendak, en bijvoorbeeld met stro was bedekt. De beide zijgevels werden op dit niveau bijna volledig heropgebouwd uit baksteen. De zuidoostelijke geveltop was ten tijde van het onderzoek reeds hersteld, maar behield waarschijnlijk grotendeels zijn oude uitzicht met twee kleine oculi (nr. 45); van een bijkomend rechthoekig venster (nr. 46) is niet duidelijk of het al dan niet recenter werd aangebracht. In de heropgebouwde geveltop waren geen sporen van vlechtwerk meer te herkennen, wat wel het geval was in de noordwestelijke geveltop die tijdens de herstellingswerken weliswaar gedeeltelijk werd gesloopt, maar nog resten van het oorspronkelijke vlechtwerk vertoonde (nr. 44); dit vlechtwerk markeert overigens niet alleen de verbouwing, maar toont ook aan dat in deze bouwfase de geveltop nog vrijstond, en de aanbouw dus nog steeds lager was. In deze aanbouw dateert waarschijnlijk enkel de deuropening in de erfgevel (nr. 35) uit deze periode. De bakstenen die in deze fase gebruikt werden, zijn iets kleiner dan in de voorgaande (22/23x11x5 cm) en onderscheiden zich eveneens door een donkere kleur en een harde bakking. Het aflezen van de bouwgeschiedenis van dit monument was vrij complex, en de verschillen in formaat en kwaliteit van de bakstenen waren dikwijls doorslaggevend bij de beoordeling. Omstreeks 1750 werd ook de noordwestelijke aanbouw aangepakt. De bovenverdieping, die vroeger waarschijnlijk zolderverdieping was, werd in baksteen tot een volwaardige eerste verdieping uitgebouwd. In beide langsgevels kwam op dit niveau een centraal venster. In de straatgevel (nr. 52) is er een eenvoudig bakstenen venster, in de erfgevel zien we een kruiskozijn (nr. 60) met in het onder-
MOOHTSULli -HUIIITHIIISI
Phase I)
1., 1 , ,
}
.
^ dve
Het Hof ter Hulst na de verbouwing van omstreeks 1750 (tek. auteur)
ste gedeelte zandstenen hoekblokken, terwijl het bovenlicht in baksteen is uitgevoetd. O p de gelijkvloerse verdieping is er in de erfgevel een in baksteen hersteld of toegevoegd bovenlicht (nr. 61) van het bestaande venster, in de straatgevel een eenvoudig in het breuksteenmetselwerk uitgehakt rechthoekig venster (nr. 51); dit venster en een deuropening in de zijgevel kunnen echter ook later aangebracht zijn, naar aanleiding van de oprichting van een kleinere aanbouw met lessenaarsdak (nr. 53). De balklaag van deze verdieping vertoont enkele merkwaardige versierde balksleutels; één van de moerbalken draagt de inscripties '1750' en de naam 'G.M.D.I.SCHELLART'; het is opmerkelijk dat de straat Hoek Ter Hulst, waaraan het Hof ter Hulst paalt, ten zuiden uitloopt in de Schellartweg.
Detail van de 18de eeuwse dakconstructie die oorspronkelijk waarschijnlijk met stro was bedekt (foto auteur)
O p het zolderniveau van de aanbouw werd een nieuwe dakkap opgetrokken, aangepast aan de bestaande kap op het hoofdgebouw. Hiertoe werd de geveltop van de noordwestelijke gevel afgebroken tot onder het dakniveau. Het dakgebinte van de aanbouw (nr. 58) is van hetzelfde type als de oudere kap, maar de lasnaden in de flieringen en de nokbalk zijn duidelijke getuigen van een latere toe-
M&L
zzzz
Level -1
Level O
MOOHTSELlü H«f lor Hulst Plans
0 l
1 I .
I
i
3 I
I
5m I
dve
voeging. Bovendien zijn de twee gebinten hier wél voorzien van telmerken.
M&L
In het hoofdgebouw werd in deze fase, of iets later, de gelijkvloerse verdieping door een bakstenen muur (nr. 49) verdeeld in twee vertrekken; tegelijkertijd werd in de straatgevel een nieuwe, eenvou-
dige deuropening aangebracht (nr. 48). Uit de bouwstijl en het materiaalgebruik kan opgemaakt worden dat de verbouwingen van het hoofdgebouw en de aanbouw kort op elkaar volgden en niet vroeger dan de 18de eeuw dateren, zodat we de datum 1750 die we op de moerbalk van de aanbouw aantroffen, inderdaad kunnen
Bouwgeschiedenis van het Hof ter
ivel +1
Hulst: grondplannen van alle verdiepin-
J///l—\/Si'//
gen per bouwperiode
A
(tek. auteur)
zzzziZ^Eg sccz z
'1
gebouw dan ook hoofdzakelijk opnieuw uitgezuiverd, en werden de structuren waarvan de stabiliteit door vroegere, ondoordachte ingrepen in gevaar was gebracht, geconsolideerd.
zy^^nrx
1'
IOI
^ 3 ^
11-1 7Z:'C€I TITJC?^
Cs
beschouwen als die van de laatste grote verbouwing in het huis. Latere, kleine verbouwingen en aanpassingen betekenden hoofdzakelijk een verdere aantasting en degradatie van het oorspronkelijke gebouw. Bij de recent uitgevoerde renovatie werd het
In tegenstelling tot de meeste onderzoeken die de Afdeling Monumenten en Landschappen in historische gebouwen uitvoert, werd hier wegens tijdsgebrek geen archeologisch bodemonderzoek doorgevoerd. Overigens was de noodzaak van een dergelijk onderzoek niet zo evident. Nochtans bestaan er tussen een bouwhistorisch en een archeologisch onderzoek opvallend veel gelijkenissen en raakvlakken. In de eerste plaats kunnen archeologische sonderingen een belangrijk element vormen, niet alleen in de vorm van dateerbare bodemvondsten die de verschillende bouwfasen kunnen helpen dateren, maar eveneens door het inzicht die zij kunnen verschaffen in de opeenvolgende vloerniveaus. Deze vloerniveaus kunnen op hun beurt meestal gekoppeld worden aan een grondige analyse van het gebouw zelf; vooral het verband tussen vloerniveaus en de afwerkingslagen op de muren kan veel relevante informatie bevatten. Dit alles betekent dat er in elk gebouw dat een aantal verbouwingen heeft ondergaan, een stratigrafie aanwezig is, en dat precies in deze stratigrafie de bouwgeschiedenis van het monument vastgelegd is. In archeologisch bodemonderzoek wordt bijzonder veel aandacht besteed aan de onderlinge relaties tussen de verschillende bodemlagen; zij worden bestudeerd en beschreven als een logische sequentie, waarin de principes van de stratigrafie fundamenteel zijn en zeer strikt worden toegepast. Dezelfde principes kunnen worden toegepast in bouwhistorisch onderzoek, waar de problematiek echter dikwijls complexer is door de veel sterkere invloed van de derde dimensie: in een opgraving zijn soms slechts minieme resten van opeenvolgen-
de gebouwen aanwezig, en is de reconstructie van de chronologie meestal relatief eenvoudig. In hoofdzaak gaat het hier om opeenvolgende grondplannen. In nog bestaande gebouwen echter is de hoeveelheid bewaarde informatie aanzienlijk groter en zijn hun relaties complexer. De ervaring leert dan ook dat een van de grootste problemen bij bouwhistorisch onderzoek er juist in bestaat om de massa informatie op een behoorlijke manier te ordenen en te interpreteren, en bovenal, om ze op een bevattelijke manier te presenteren aan bijvoorbeeld de opdrachtgever of de ontwerper van het restauratiedossier. In de archeologie, die ook van oudsher met eenzelfde probleem wordt geconfronteerd, werd reeds meer dan twintig jaar geleden een zeer efficiënt en krachtig instrument geïntroduceerd door E.C. Harris (28). Eigenaardig genoeg heeft de matrix {oi het getallenschema) die Harris voor deze aanpak heeft voorgesteld, nooit echt ingang gevonden, hoewel de voordelen van het systeem evident zijn voor al wie het zich eigen wil maken. De voordelen liggen op het vlak van zowel de analyse van de gegevens, als de presentatie van de onderzoeksresultaten. O o k in bouwhistorisch onderzoek waar - zoals vermeld — de onderlinge relaties nog complexer en moeilijker te interpreteren zijn, kan de Harrismatrix grote diensten bewijzen. O m een dergelijk schema te kunnen opstellen moeten tijdens het onderzoek alle bouwelementen en bouwsporen afzonderlijk beschreven en genummerd worden. Dit geldt onder meer voor: de verschillende muurvlakken, deur- en vensteropeningen of resten ervan, vloerniveaus, samenhorende onderdelen van een dakkap, verbouwingen in een dakkap, afwerkingslagen... Vervolgens wordt een schema opgesteld waarin elk element in de juiste bouwperiode wordt gesitueerd. In een matrix die de weerspiegeling is van de stratigrafie in een archeologische opgraving, gaat het voornamelijk om elementen die onmiddellijk boven elkaar gelegen zijn, zodat het schema een voornamelijk verticaal karakter zal krijgen (29). Als de matrix echter de bouwgeschiedenis van een monument zoals het Hof ter Hulst moet voorstellen, zal het veel meer elementen bevatten die uit dezelfde periode dateren, zodat het schema een meer horizontaal uitzicht krijgt. Nochtans liggen aan beide hetzelfde principe en organisatieschema ten grondslag: het doel van de matrix is alle beschik-
bare informatie te presenteren in een chronologische volgorde (die van beneden naar boven verloopt), zodat elk element in de juiste bouwperiode gesitueerd is en (door een verbindingslijn) gekoppeld is aan elk ander element waarmee het direct in verbinding staat. De oefening is niet eenvoudig en tijdrovend maar is uiteindelijk zeer behulpzaam bij "... het denkproces omtrent het begrijpen van (het gebouw). De verplichting om elk gekend element een plaats te geven in het schema ... zorgt ervoor dat geen enkel gegeven over het hoofd wordt gezien, en dat eveneens schijnbaar onbelangrijke of vervelende, moeilijk in te passen gegevens worden weggelaten" (30). Als het onderzoek met de nodige nauwgezetheid is gebeurd, is het inderdaad onvermijdelijk dat bepaalde gegevens moeilijk in te passen zijn, of op het eerste gezicht onbelangrijk; de verplichting om ze toch hun juiste plaats in het schema te bezorgen, kan soms de sleutel zijn om moeilijke daterings- of interpretatieproblemen op te lossen. Het aflezen van een dergelijke matrix is gelukkig eenvoudiger: elk nummer verwijst naar een element dat voorkomt op de bijbehorende grondplannen en/of doorsneden die van het gebouw werden gemaakt. Deze tekeningen kunnen ofwel alle informatie in één samenvattend plan en/of doorsneden bevatten, of bestaan uit meerdere plannen die zoals voor het Hof ter Hulst per bouwperiode zijn opgemaakt. Een eenvoudig voorbeeld kan het gebruik verduidelijken: de rechthoekige deuropening in de straatgevel van het hoofdgebouw (nr. 48) werd in de vierde bouwfase (ca. 1750) aangebracht in de opvulling in breuksteen (nr. 28), die zelf in de tweede bouwperiode (15de eeuw) werd ingebracht in de oorspronkelijke poortopening (nr. 5) in de straatgevel (nr. 4). Het schema toont overigens ook aan dat bij dezelfde muur de voorbouw in de gracht (nrs. 6-8), de lichtspleten (nrs. 9-10) en de consoles voor de balklaag (nr. 11) tot de oorspronkelijke aanleg behoren. Wat bij een eerste kennismaking een zeer abstract en zelfs verwarrend object lijkt, kan na enkele oefeningen een uitstekende gids worden doorheen de soms chaotische en overweldigende massa informatie die het resultaat is van doorgedreven bouwhistorisch onderzoek.
MOUHTSELK Imildimj 111
iMiitri\ / Itnililillij history
- Hof ter Hiilsl
Imilcliiicj I I
liilililiiui l'haa» l>
-®
@y-
® -
&
^
~&
®-
•»
ii
till
XVIIIA
t> -
I'liaso it XV ,'f
listt
iiHj)
l'li;isi' A Mil
fli
'h
II
(p (») (?) (j) (?) ^)
«
®-
-€>
-®
Bouwgeschiedenis van het Hof ter Hulst in de vorm van een matrix (tek. auteur)
M&L
EINDNO;
(20) Ibid., fig. 18.
(1) VANEENHOOGED., 1996, Een XHIe eeuwse poortdonjon te
(22) GEN1COT L., 1973, La "vieille tour"dAmay, in Bulletin de la
(21) Ibid., fig. 21, 23. Moortsele, Archaeologia Medtaevalis 19, p. 93-94. BAUTERS L. & VAN EENHOOGE D., 1997, Van donjon tot hetenboerde-
Commission Royale des Monuments et Sites, T. 3, p. 58-85. (23) UBREGTS W., 1973, Un habitat noble de la fin du 13e siècle: la
tij: het Hof tet Hulst, Monumentenzorg en Cultuurpatrimonium,
Tour Antoine a Jemeppe-sur-Meuse, in Bulletin de la Commission
Jaarverslag van de Provincie Oost-Vlaanderen 1996, Gent, p. 168-172. (2)
(3)
(4)
(5)
(6)
Voor deze informatie maakten we dankbaar gebruik van het
forteresse du XUle siècle, in Bulletin de la Commission Royale des
beschermingsdossier opgemaakt door de collega s van ROHM -
Monuments et Sites, T. 2, p. 49-128.
Oost-Vlaanderen.
(25) DOPERE & UBREGTS, 1991a, p. 177.
Niet te verwatten met de forebuilding, die hoofdzakelijk tot doel
(26) ibid., p. 93.
had de op de eetstc verdieping gelegen ingang van de klassieke
(27) Er zijn enkele aanwijzingen dat de kelder mogelijk reeds in de
donjons te vetgemakkelijken ofte controleren.
vorige bouwfase werd ingebracht, en de bakstenen gewelven een
In dergelijke nissen lijkt men het natte zout te hebben gedroogd
toevoeging uit de 18de eeuw zijn; de situatie kon echtet niet vol-
: DOPERE F. & UBREGTS W., 1991a, De donjon in
ledig worden onderzocht, en is allerminst duidelijk. In ieder geval
Vlaanderen. Architectuur en wooncultuur, Leuven, p. 72.
dateett de keldet niet uit de oprichtingsfase van het gebouw.
DOPERE & UBREGTS (1991a, p. 78) signaleren dat "bij de
(28) HARRIS E.G., 1975, The Stratigraphic Sequence: a question of
torens waar slechts 1 latrine aanwezig is, er 13 zijn waar ze op
time, in World Archaeology, 7/1, p. 117-139.
niveau 2 is aangebracht en 6 op niveau 1."
Voor een verdere bespreking, en ook verfijning van het insttu-
DOPERE F. & UBREGTS W., 1991b, De woontoren van
ment zie BARKER P., 1977, Techniques of archaeological
Aynchon de Hognoul te Rutten op het einde van de 13de eeuw,
excavation, New York, p. 196-200.
in Monumenten en Landschappen, 10/4, p. 39. (7)
Royale des Monuments et Sites, T. 3, p. 137-155. (24) CORTEMBOST., 1972, Corroy-le-Chdteau. Organisation dune
(29) Enkele voorbeelden: BITTER P. e.a., 1997, Wonen op niveau.
DE BOUARD M., 1967, La Motte, in L'archéologie du village
Archeologie, bouwhistorie en historie van twee percelen aan de
medieval {Centre beige d'histoire rurale, publication 5), p. 37.
Langestraat. Alkmaar, p. 243; VAN EENHOOGE D., 1990, De
(8)
DOPERE & UBREGTS, 1991a, p. 93.
middeleeuwse burcht van Zottegem, in Monumenten en Land-
(9)
Voor de problematiek die ons hier aanbelangt zie: VERHAEGHE
schappenW, p. 51; VAN EENHOOGE D., 1995, Archeologisch
F., 1981, Moated sites in Flanders: features and significance, in
onderzoek in de Sint-Salvatorskathedraal te Brugge (1992-1994),
HOEKSTRA T.J. (ed.), Liber Castellorum, Zutphen, p. 98-121.
in Handelingen van het Genootschap voor Geschiedenis, 132/1-2,
De in de tekst vermelde gegevens over sites met walgracht komen
p. 134.
hoofdzakelijk uit dit attikel.
(30) BARKER, o.c, p. 198 (vert. DVE).
(10) VERHAEGHE, 1981, p. 104. (11) LE PATOUREL H.E.J. & ROBERTS B.K., 1978, The significance of moated sites, in ABERG F.A. (ed.), Medieval moated sites (Council for British Archaeology, Research Report n0 17), London, p. 48. (12) Voor een onvolledige maar toch illustratieve vetspreidingskaart zie: TREFOIS CV., 1950, Ontwikkelingsgeschiedenis van onze landelijke architectuur, Antwerpen,fig.145. (13) VERHAEGHE, 1981, p. 109. (14) Ibid., p. 102. (15) DOPERE & UBREGTS, 1991a, p. 131. (16) Ibid., p. 225. (17) Ibid., p. 30. (18) Ibid., p. 202. (19) UBREGTS W., 1974, Les Tours de Fontaine et de Voroux, le Donjon de Warsage, in Bulletin de la Commission Royale des Monuments et Sites, T. 4, fig. 2.
Dirk Van Eenhooge is archeoloog, bij de Afdeling Monumenten en Landschappen verantwoordelijk voor dit vakgebied.
Katrien
Hebbelinck
BARON BAUT DE RASMON EN DE 'JARDIIM P1TTORESQUE' VAN WANNEGEM-LEDE • Noordgevel van het kasteel vanaf de Huisepontweg (copyright H. Van den Bossche, 1983)
Aan bekendheid ontbreekt het het kasteeldomein van Wannegem bij Kruishoutem allerminst. Wie het één keer zag, zal de aanblik van deze site niet gauw vergeten. Dit imposante kasteel werd al snel het 'Petit Trianon van Vlaanderen' genoemd. Het geldt als een schoolvoorbeeld van een laat-18de-eeuws maison de plaisance in Lodewijk XVI-stijl, toegeschreven aan Barnabé Cuimard. Daarom genoot het gebouw in eerste
Dankzij de Voyage pittoresque dans Ie royaume des Pays-Bas van De Cloet (1825) en de Choix des monumens, edifices et maisons les plus remarquables du royaume des Pays-Bas van Goetghebuer (1827) weten we dat de bouw van het kasteel in 1785 is aangevat (2). Van dat jaar af veranderde de hofkouter tussen Wannegem en Lede in een bouwterrein, waar jonkheer Alphonse Pierre Antoine Baut de Rasmon de nalatenschap van zijn vader, heer van Rasmon, Heuverhuys en Wannegem-Lede, investeerde in de bouw van een maison de plaisance.
instantie alle aandacht (1). Dat het park van Wannegem-Lede al even opmerkelijk is als voorbeeld van de Engelse landschapsstijl in Vlaanderen is minder bekend. En wie Alphonse Baut de Rasmon was, raakte al helemaal in de vergetelheid.
DE RASMON ( I T S f i - I H ^ l De familie Baut was sinds de vroege 17de eeuw aanwezig in Gent en bleek er actief te zijn geweest in het schepencollege en betrokken bij de handels-
M&L
Noordgevel van het kasteel, geflankeerd door Gewone beuk (foto Afdeling voor Monumenten en Landschappen, ca. 1975)
activiteiten van de Oostendse Compagnie. Een huwelijk binnen de familie reserveerde het familiefortuin voor Francois Jean Baptiste Baut, vader van onze bouwheer. Dit kapitaal werd belegd in obligaties en vastgoed, waarvan een indrukwekkend deel in het Gentse stadscentrum lag. Naast de heerlijkheid van Rasmon bij Kooigem in West-Vlaanderen kocht F r a n c i s Baut in 1765 ook de heerlijkheden van Heuverhuys en Wannegem-Lede. Bij zijn overlijden in 1783 liet de verkaveling van dit sterfhuis maar liefst drie jaar op zich wachten. Alle eigendommen in Wannegem en Lede gingen naar zijn zoon Alphonse Baut, die nog voor de afhandeling ^ van deze erfenis het gloednieuwe kasteel van Alphonse Pierre Wannegem-Lede in gebruik nam (3). Antome Baut de Rasmon (1756-
1833) A l p h o n s e B a u t was d o o r zijn huwelijk v e r b o n d e n (privé-verameiing) m e t Jg a l e v e n gefortuneerde familie Papeians de Morckhoven en werd zo al op jonge leeftijd rentenier. Voorts was hij politiek actief als burgemeester van Wannegem-Lede, als lid van de Tweede Kamer van de Staten-Generaal en als ridder in de Orde van de Belgische Leeuw. Bauts ware passie lag echter in de schone kunsten, de literatuur en de natuurkunde en bovenal in de botanica. Uit zijn kunstcollectie spreekt een voorliefde voor Hollandse genretaferelen en landschappen. Zijn bibliotheek bevatte klassiekers als Winckelmann, Camus de Mézieres, Vignola en Liger maar ook een opvallend aandeel kostbare, botanische werken (4). O o k stond zowat alles wat op het vlak van landschaps- en tuinarchitectuur gepubliceerd werd sinds het midden van de 18de eeuw op zijn boekenplank. Poëtische zangen
van Abbé Delille, werk van Watelet, Girardin, Walpole en vooral Hirschfeld wijzen op zijn voorkeur voor de Engelse landschapsstijl en de zogeheten pittoreske tuin. Dat blijkt tevens uit Bauts enige, eigen pennenvrucht. Na het lezen van Le verger van de Fontanes, fervent aanhanger van de oude Franse stijl in de tuinarchitectuur, beschouwde Baut het als zijn taak om de verdediging op te nemen van de Engelse tuin. Bauts aantekeningen laten weinig twijfel bestaan over zijn persoonlijke
•••1B
Noordgevel en door-
monumens, edifices
snede van het
et maisons les plus
kasteel van
remarquables du
Wanncgem-Lede,
royaume des Pays-
uit: Goetghebuer.
Bas, Gent, 1827.
P.J., Choix des
Wannegem, maar dit eenvoudige buitengoed werd al snel te klein bevonden. Als ligging voor zijn nieuw te bouwen maison de plaisance koos hij een heuvelkam tussen Wannegem en Lede. Vanaf de Belgische kust was dat de eerste noemenswaardige heuvel aan de rand van de Vlaamse vlakte en de Vlaamse Ardennen. Van hieruit kwamen zowel de Schelde- als de Leievallei in zicht. Lager gelegen gebieden waren als grasland in gebruik en vingen het water op in talrijke vijvers. Bossen waren in dit agrarische gebied vrij schaars. Hoeven en molens lagen verspreid over de open kouters. Aan de voet van de heuvel doorsneed een openbare weg het domein. Voorbij deze weg bevond zich reeds een oudere site met een walgracht en enkele vijvers (6).
Het gezin Baut de
Rasmon in het park betrokkenheid bij het ontwerp van zijn park, dat van Wannegem-Lede
(privé-verzamelmg)
,
r^
bij het verschijnen van zijn Notes et Contrenotes in aanleg was (5).
1; Bij het overlijden van zijn vader betrok Alphonse Baut een klein kasteeltje in de dorpskern van
• Kabmetskaart van de Oostenrijkse Nederlanden, opgenomen op initiatief
• *" Jk $&
van graaf de Ferraris, nr. 37 Gavre, blad I en 3
•/"j/
M&L
i
J,*'\tlfl.rïlf''':'7r*rrrr4
De keuze voor deze plek zou van doorslaggevend belang blijken voor zowel het kasteel als het park. Voor één keer werd deze rijke landbouwgrond de bodem voor een landschapspark in de ware betekenis van het woord. Wannegem is vandaag een unieke momentopname waar in een volledig nieuw ontwerp de classicistische architectuur met de nieuwe tuinarchitectuur werd verzoend. Hierdoor benadert Wannegem, sterker dan welk ander voorbeeld ook, het oorspronkelijke concept van de Engelse landschapsstijl en reikt de impact van dit domein, tot en
met vandaag, tot ver buiten de grenzen van het park.
RARNARF GUIMARD FN WANNFOFM-IFDF Zowel De Cloet als Goetghebuer schrijven het ontwerp van het kasteel toe aan Barnabé Guimard (1731-1805), die op dat ogenblik de laatste hand legde aan de plannen voor het Koningsplein en het Warandepark te Brussel. Volgens Barbara Issaverdens bevestigen de typologie en de stijlanalyse de inbreng van Guimard in Wannegem (7), in die mate zelfs dat ook het ontwerp en het iconografisch programma voor het interieur van hem zouden zijn. Tot vandaag zijn er geen argumenten of bronnen die deze stelling weerleggen. Het lijkt interessanter om na te gaan of Guimards ontwerp beperkt is gebleven tot het kasteel. Met uitzondering van het Park van Brussel, is de inbreng van Guimard in enkele parken uit deze periode minder onderzocht en gekend. Zo ontwierp hij omstreeks 1780 onder meer het kasteel, de oranjerie en het park van Middelheim te Antwerpen, alsook het park de Mick in Brasschaat. Vooral dit laatste voorbeeld werd reeds in de 19de eeuw gewijzigd volgens plannen van de Oostenrijkse architect Petersen, waardoor reminiscenties aan Guimard nog ver te zoeken zijn. Het Warandepark te Brussel kan echter met zekerheid aan Guimard worden toegeschreven (8). Brussel en Wannegem vertonen, althans in hun hoofdstructuur, zekere gelijkenissen. WannegemLede reduceren tot een eenvoudige herneming, louter en alleen op naam van Barnabé Guimard, zou echter zowel de architect als de eigenaar onrecht aandoen. Ook al ligt eenzelfde patroon aan de basis van het park van Wannegem, toch is uit de specifieke bestemming, de invulling en niet het minst de bijzondere beplanting een heel ander geheel ontstaan. De ruggengraat van het parkontwerp van WannegemLede is één centrale as, die over een aaneenschakeling van pleinen naar de noordzijde van het kasteel toe loopt, het vervolgens doorsnijdt en daar voor een bijzondere belichting zorgt, en tenslotte de helling afdaalt tot bij de lager gelegen vijver. Het concept voor de noordzijde van het kasteeldomein is onlosmakelijk verbonden met het compacte bouwvolume van het kasteel. Bij het koetshuis in het
7*00
westelijk deel ligt een eerste ommuurde zone met een fruithof en een volière. Naast de hovenierswoning in het oostelijk deel wordt een zelfde volume ingenomen door een moestuin met oranjerie en serre. Tussen beide paviljoenen in komt het kasteel over zijn volledige gevelbreedte in zicht. Circulatie, functionele ruimten, bijgebouwen en beplanting worden in relatie tot het kasteel symmetrisch gedoseerd. Dit geheel toont duidelijk de invloed van Guimards leermeesters Blondel en Palladio (9). Door de toegang te verplaatsen buiten de as van het kasteel en door het niveauverschil tussen de openbare weg en het noordperron, geniet het kasteel bovendien van een onbelemmerd gezicht op de noordkouter naar Huysse, dat bij helder weer ook reikt tot de torens van Gent. In de parkzone, op de zuidflank van het domein, wordt dit perspectief gesplitst in een ganzenvoet of putte d'oie. Vanaf het zuidperron van het kasteel, dat als hoofdrolspeler in het concept fungeert, kwamen oorspronkelijk drie vistas in beeld: naar het oosten de kerktoren van Lede en Oudenaarde op de achtergrond, centraal de vijver bij het neerhof en de achterliggende kouters van Ooike en WortegemPetegem, en tenslotte naar het westen de molen en de dorpskern van Wannegem. Waar in het park van Brussel dreven liggen, afgebakend door hoogstammen, leivormen en hekken, zijn er hier ingenieuze openingen in grotere beplantingsmassieven. De beplanting en de volumewerking zouden Guimards stedenbouwkundig concept in WannegemLede een heel andere uitstraling geven. De strenge symmetrie bij het voorplein is hier vervangen door een evenwichtige, maar gevarieerde dosering van open en gesloten ruimtes, van hoogten ten opzichte van lager gelegen delen, van concave of convexe bewegingen of van het contrast tussen sterk belichte zones en schaduwrijke partijen. Solitaire bomen en kleinere boomgroepen in het centrale gazon versterken de dieptewerking van dit zicht en begeleiden de blik tot aan de horizon. De hogere beplantingsvolumes aan de oost- en de westkant ondersteunen dit perspectief en zijn opgevat als beschaduwde
De hovenierswoning aan de oostkant van het voorplein bij het kasteel (copyright Luc Polfliet, ca. 1990)
IVI&L
wandelzones, waar kronkelende paden verborgen zichtpunten en tuinornamenten aandoen. Aan het einde van een bochtige wandeling lijkt het domein bovendien veel groter dan het in werkelijkheid is.
EEN TWFFDF I FZING Ondanks Wannegems faam bleef het onderzoek over dit domein vrij beperkt. Plannen voor de bouw van het kasteel of voor de aanleg van het park ontbreken. Nadere informatie moest daarom worden gezocht in mogelijke fondsen van de respectieve eigenaarsfamilies Baut de Rasmon, Vanden Hecke Baut en de Ghellinck d'Elseghem. Aan de waarde van dit kasteeldomein is zelden of nooit getwijfeld. Integendeel zelfs, ook zonder noemenswaardig bronnenmateriaal lag een roemrijk beeld van Wannegem-Lede reeds vast, in die mate zelfs dat van verder onderzoek aanvankelijk weinig nieuws werd verwacht. Toch bracht een tweede lezing van de schaarse archiefstukken nieuwe gegevens aan het licht. Ze dateren alle uit de vroege 19de eeuw, zodat vooral op de bouwheer Alphonse Pierre Antoine Baut de Rasmon en op de eerste aanleg van dit domein een nieuw licht werd geworpen. De informatie over de meer recente geschiedenis van dit geheel, tot 1996 in eigendom van de
familie de Ghellinck d'Elseghem, is paradoxaal veel schaarser en is inmiddels ook verspreid geraakt. Uit Alphonse Bauts testament en de inventarisatie van zijn goederen bij zijn overlijden in 1833 blijkt alvast dat Wannegem meer en anders was dan wat het plaatje vandaag laat vermoeden (10).
EEN HQVENIERSWQNING ZONDER HOVFNIFR O m het zicht op de noordgevel van het kasteel te vrijwaren ligt de toegang tot het domein, vanaf de Huisepontweg, buiten de as van het kasteel. Een houten, boogvormig 'hecken tegen denpubliken weg brengt bezoekers eerst bij de hovenierswoning. Een tweede soortgelijk hek bij deze woning verleent dan indirect toegang tot het eigenlijke voorplein van het kasteel. Als pendant van dit bijgebouw ligt aan de oostkant het koetshuis met aangebouwde stallen. Beide paviljoenen hebben dezelfde vormgeving en opbouw; 'gebouwen met pilasters en arcaden met spacieuzen kelder, boven kamers, staende op eene oppervlaekte grond van 207 meters en ter hoogte van 7 dito hebbende een verdiep en zolderinge, gedekt met schallien kloek en sterk gebouwen. Naast als koetshuis of remise deed het westelijke paviljoen ook
dienst als zadelmakerij en tuighuis en vonden enkele personeelsleden, waaronder de koetsier, onderdak in de kamers op de bovenverdieping. Het oostelijke paviljoen gold als 'hoveniershuys'met 'timmermanswynkel'. Toch laat de boedelbeschrijving van deze woning veronderstellen dat ze veeleer tijdelijk onderdak gaf aan één of twee tuiniers die tijdens het seizoen in dienst waren. Twee bedsteden, enkele koffers, een houten bad en een kippenhok, twee paar laarzen, een barometer, enkele pistolen en een jachtgeweer kunnen bezwaarlijk doorgaan voor de permanente huisvesting van een inwonend hovenier in vast dienstverband. Bovendien wordt in de nalatenschap van Alphonse Baut, waar naar aloude traditie alle personeelsleden een milde schenking kregen, evenmin melding gemaakt van een tuinman. Al mag een Engelse landschapstuin kostenbesparend en minder arbeidsintensief zijn dan zijn Franse voorganger, een park met de rijkdom en de omvang van Wannegem-Lede moet meer mankracht en kennis gevraagd hebben dan wat enkele tijdelijke tuiniers konden bieden.
Vandaag liggen er verscheidene sokkels verspreid over het domein. Het merendeel is los, omgerold of verplaatst zodat hun oorspronkelijke standplaats niet altijd even duidelijk is. Uit de beschrijving van Goetghebuer weten we dat er zeker twee beelden aanwezig waren, een Amor, en een Flora van de Gentse beeldhouwer Charles Van Poucke (17401809). Het meer dan levensgrote beeld van Ceres, opgesteld in een nis van het salon in het kasteel, is trouwens ook van zijn hand. Uit deze tekst en uit de werken die Goetghebuer vermeldt van Charles Van Poucke, begrijpen we dat het Amor beeld niet van dezelfde auteur is. Ook de inventaris van het meubilair bij het sterfhuis van Baut de Rasmon vermeldt 'in de hovingen op den bijvang slechts 'twee hof figuren met hunnen piëdestallen', wellicht een verwijzing naar dezelfde Amor en Flora. Naar verluidt zouden beide stukken in het oorlogsgewoel vernield zijn. Enkel voor de Flora, godin van de bloemen en de lente, kunnen we de originele standplaats terugvinden. Een lithografie in De Cloet toont namelijk een zicht op de zuidoostzijde van het kasteel. O p de voorgrond wandelen twee dames voorbij een meer dan levensgroot beeld dat opgesteld staat tussen de beplanting langs het pad. De resten van een groot
• Zuidgevel van het kasteel te Wannegem-Lede met het beeld van Flora. door de Gentse beeldhouwer Charles Van Poucke. uit:
De Cloet, J.J., Voyage pittoresque dans Ie royaume des Pays-Bas. dédié A.S.A.I. & R. Madame la pnncesse d'Orange, 2 dln, Brussel. 1825.
• Zichtas naar de zuidgevel van het kasteel vanaf de oostgrens (foto Afdeling voor Monumenten en Landschappen. 1986)
1VI&L
Nr. 101 Bijlage bij M&L 18/6 novemberdecember 1999
Hongaarse avant-garde 1515-1525
B 1 N 1 \ E N K R A N T
Colloquia Madeleine
historische als op technische aspecten ruim aan bod kwamen.
Manderyck
••^RD INTERNATIONAI FORUM ON THE rONSFRVATION AND T F r H N O I Q f i Y O F HISTORIC STAINFD AND PAINTFD
GLASS. IFADWORK. FERRAMFNTA ANH FIXINfi M A T E R I A L FOR HISTORIC STAINFD AND PAINTFD GLASS: CONSERVATION. TECHNOLOGY AND HISTORY Eribourg, Zwitserland ? 4 - ? f i juni 1 9 9 9 Sinds 1994 organiseert het International Committee for Conservation and Technological Research van het Corpus Vitrearum, parallel met de historische congressen tevens een forum voor overleg omtrent de conservatie en restauratie van historisch glas. Het forum 1994 te Erfurt was gewijd aan het 19de-eeuwse glasraam, het forum 1996 te Luik ging over de conservatieproblematiek van glasverven. Het forum te Fribourg had als thema de metalen structuren van het historisch glas-in-lood, met name de loodzettingen en de metalen draagstructuren van het glas. Het forum werd georganiseerd door het Centre suisse de recherche et d'information sur Ie vitrail te Romont (Zwitserland) onder de leiding van Stefan Trümpler. Daar is ook de zetel gevestigd van het International Committee for Conservation and Technological Research en wordt de Newslettervan het Corpus Vitrearum uitgegeven. De acten van het forum 1999 te Fribourg zullen worden gepubliceerd in Newsletter47. De laatste jaren groeide internationaal de belangstelling voor de metalen structuren van het historisch glas-inlood. Op het forum werden de bevindingen voorgesteld, waarbij zowel de
M&L
Het Franse Laboratoire de Recherche des Monuments Historiques stelde zijn vergelijkend onderzoek voor naar de samenstelling en het gedrag van de verschillende loodlegeringen: zuiver lood heeft weinig hardheid, terwijl door het rekken verhoogt de hardheid. Zoals vaak vastgesteld is oud lood echter weinig zuiver. Het onderzoek is nog lopende en zal zich ook richten naar het fenomeen loodmoeheid, de soudures en de resistentie tegen corrosie van restauratielood. De Engelsman Keith Barley, glazenier in het atelier van York, belichtte enkele bevindingen omtrent middeleeuwse bevestigingswijzen van glasramen. Hij kon vaststellen dat er dikwijls houten raamwerken gebruikt werden, de vele ijzeren raamconstructies in kerken bracht hij in verband met de noodzaak voor beveiliging tegen diefstal. Hij betreurde dat er vandaag nog oorspronkelijke metalen draagstructuren vervangen worden (veelal brons of roestvrij staal), terwijl een herstelling meestal wel mogelijk is. Hij stelde een systeem voor waarbij, kort gezegd, de uiteinden van raambruggen verlengd worden met koperen hulzen, die met lood worden opgegoten. Hij vroeg ook aandacht voorde karakteristieke 19de-eeuwse gietijzeren raamwerken. Ondanks zeer vernieuwende restauratiecampagnes in de 19de eeuw en in de 70-ger jaren (doubleren van ramen) werden aan de Dom te Keulen belangrijke vondsten gedaan. Ulrike Brinckmann van de Dombauhütte stelde dat drie koorramen in situ - gedeeltelijk - het oorspronkelijke loodnet bewaren uit het einde van de 13de eeuw. Er kon vastgesteld worden dat drie loodnetten zeer verzorgd uitgevoerd werden met verschillende loodbreedten en dubbellood voor hoofdcontouren en een puntige afwerking om de tekening te ondersteunen; delen van het loodnet waren oorspronkelijk vertind, terwijl een nummering in Romeinse cijfers de plaatsing vergemakkelijkte. Dit bracht
aanvullende gegevens voor het bouwhistorisch onderzoek; zij legde de nadruk op de grote samenhang tussen het bouwen en het verglazen, waarbij metselaars, smeden en glazeniers intens samenwerkten volgens een vooraf vastgelegd plan. Het kunsthistorisch onderzoek wordt nog verdergezet. Sebastian Strobl lichtte de conservatie toe van het 12de-eeuws raam in het noordtransept van de kathedraal te Canterbury. Het vroeggotisch glasraam werd na een brand geplaatst in 1118; in die periode gebruikte men geen stenen traceerwerk zodat het roosvenster volledig gevat werd in een ijzeren structuur met een ingewikkelde klaverbladvorm. Die zeer merkwaardige oude draagstructuur was in uitzonderlijk goede bewaringstoestand. Een nieuw ijzeren raamwerk met beschermende beglazing werd - zonder het oude te demonteren aan de buitenzijde geplaatst op een omkeerbare wijze. Het beschermglas werd uitgevoerd volgens het "Canterburysystem", met een vereenvoudigd loodnetpatroon. De Spaanse kunsthistoricus Fernando Cortes Pizano, restaurateur opgeleid in Antwerpen en werkzaam te Paderborn, toonde twee vroeg-14deeeuwse loodnetwerken bewaard in Altenberg (Duitsland) en Pedralbes (Spanje). Opvallend was het hoog tingehalte van het lood (Altenberg), mogelijk toe te schrijven aan hergebruik van oud lood, terwijl in Pedralbes de solderingen nog oorspronkelijk en er merken op het lood aanwezig zijn. Laurence Cuzange maakt voor de Laboratoire de Recherche des Monuments Historiques als student een studie over de fabricage en de samenstelling van het lood bij historische glasramen. Zij stelde haar onderzoek methodologisch voor. Het doel is via metallografisch onderzoek datering van lood mogelijk te maken. Een loodstalencollectie wordt opgezet (70 stukken zijn reeds aanwezig). Zij deed een oproep om gedocumenteerde oude loodnetten. Interessant
B I I M N E N K R A N T
was de vondst van stenen mallen uit de 13de eeuw om lood in te gieten (Saint-Denis te Parijs en Saint-Rémy te Reims). Ivo Rauch stelde een uitzonderlijk ensemble van 13 glazen en 11 randen voor uit het tweede kwart van de 13de eeuw tot 1992 bewaard op de zolder van het Cisterciënzerklooster Mariënstatt. De stukken hebben nog hun oorspronkelijke loodzetting en zijn afkomstig uit de bovenvensters in het hoogkoor, waar ze bij de bouw van de kerk rond 1227 geplaatst werden en in 1880-1885 uitgenomen werden. Het betrof groenkleurig potasglas met vrij zuiver lood; de randen waren voorzien van een dubbellood met houten stokjes. De panelen werden geconserveerd bij de firma Oidtmann (Linnich). David Mason, glasrestaurateur bij English Heritage, sprak over het onderzoek dat de vereniging doet naar
de beste samenstelling van mastieken voor het glas. Het was nog te vroeg voor conclusies, maar de spreker haalde de problematiek aan van het mastieken in geval van buitenbeglazing. Alain Vinum van het Atelier de Vitrail te Troyes lichtte de restauratie toe van de 13de-eeuwse koorvensters van de basiliek Saint-Urbain te Troyes (1994-1998). De oorspronkelijke houten monelen van acht meter hoog werden hersteld, nieuwe roestvrijstalen raambruggen dragen de buitenbeglazing met herneming van de loodnettekening. In de voormalige DDR werden talrijke buitenbeglazingen geplaatst. Daarbij doen zich voornamelijk problemen voor van corrosie van het nieuwe ijzer en van verluchting. Bernd Konrad van de Arbeitsstelle für Glasmalereiforschung des CMVMA te Potsdam werkte in de praktijk betere systemen uit in roestvrijstaal. Hij stel-
•4 "C'est unc reonde veriere de Ie glize de Lozane" Villard de Honnecourt, 1220-1230, Paris, Bibliothèque nationale
de ook een systeem voor om oude raambruggen niet meer te doorboren, maar te omklemmen voor het bevestigen van buitenbeglazing. Heel concreet was de tweede bijdrage van Annick Texier over de corrosie en de bescherming tegen corrosie van ijzeren raamwerk. Zij stelde een overzichtelijk schema van behandeling voor. Buitenbeglazing beschermt tegen de agressiviteit van het milieu, verf beschermt rechtstreeks het metaal. Er werd uitgebreid ingegaan op het decaperen van oude verflagen (noodzaak, manier, graad) zonder schade, op het schilderen en verzinken van metaal. Het Laboratoire de Recherche des Monuments Historiques doet eveneens vergelijkend onderzoek naar de samenstelling en het geschikt zijn voor restauratiedoeleinden van het ijzer dat momenteel geproduceerd wordt. Alternatieve metalen worden nog onderzocht: gietijzer, staal, roestvrij staal, aluminium, titanium. Het veel gebruikte messing heeft volgens haar niet zo een goede mechanische eigenschappen, terwijl het corrosiegevoelig is. Roestvrij staal vraagt dan weer een specifieke verwerkingstechniek (snijranden moeten behandeld worden), wat meestal niet gebeurt. Lutz Garlich (Domglas Naumburg) werkt al 21 jaar aan de restauratie van een zeer bijzondere glasramencollectie in het Gotisches Haus te Wörlitz (Duitsland), een neogotisch kasteel (1773-1810) waar 300 jaar glasraamgeschiedenis verwerkt is in de ramen. De bouwheer, vorst Franz von AnhaltDessau, verzamelde ze in de jaren 1780 wanneer in Zwitserland omwille van puriteins rationalisme vele glasramen uit kerken en burgerlijke gebouwen verwijderd werden. Later kocht ook Goethe oude glasramen, maar pas in 1802 ontstond er ruimere interesse voor deze kunsttak door de eerste tentoonstelling met middeleeuwse glasramen in Londen. De oude glazen waren geplaatst in ijzeren ramen, deze werden behouden en aan de buitenzijde werden nieuwe beschermende ramen van messing
B I M M E N K R A I M T
geplaatst met dezelfde indeling als de ijzeren ramen. Ook de typische witte, oranje en blauwe ruitvormige glaasjes uit het begin van de 19de eeuw bleven bewaard ook al waren ze gebarsten. Het oude lood is grotendeels blijven zitten. Art Femenella (USA) behandelde de techniek en de restauratie van typisch Amerikaans Tiffanyglas, waarbij verschillende lagen glas boven elkaar geplaatst zijn met ingewikkelde loodzettingen en inwendige versterkingen. Het stelde de restauratie voor van het indrukwekkende roosvenster van Philadelphia. Tot slot bracht Camillo Tarozzi verslag uit over een bijzondere 13de-eeuwse houten raamconstructie van het roosvenster in de dom van Siena (Italië) met een glasraam van Duccio di Boninsegna. Er werd beschermend glas geplaatst en het houten raamwerk kon behouden en gerestaureerd worden. Drie excursies naar Königsfelden, Lausanne en Romont, gaven de congresgangers de gelegenheid kennis te maken met enkele van de meest fascinerende middeleeuwse glasramenensembles in Zwitserland. Königsfelden bij Brugg is een koninklijke stichting met een Franciscaner en een Clarissenklooster ter nagedachtenis van de moord op Koning Albert. De kerk werd gebouwd in 1310-1330 als een driebeukige basilica en uitgerust met een uitzonderlijke reeks van glasramen met het leven van Christus, apostelen en heiligenfiguren, mogelijk toe te schrijven aan de Baselse ateliers. Een grondige restauratie van de glasramen werd uitgevoerd in 1896-1900 door Richard Nüscheler; daarbij werden een aantal glaskalibers vernieuwd terwijl de authentieke stukken hergebruikt werden in kerkramen in de omgeving. De huidige restauratie, gestart in 1983-1986 met de reiniging en plaatsing van buitenbeglazing aan de koorramen, gebeurde na een uitgebreid vooronderzoek gevolgd door een internationaal colloguium. Er werd vastgesteld dat het oude lood 4 mm breed was en in de 19de eeuw ver-
IVI&L
breed werd. Besloten werd de glasramen enkel te reinigen en de loodschade te herstellen. Enkele storende 19de-eeuwse aanpassingen van Nüscheler werden wel verwijderd om de authentieke glasfragmenten terug in te brengen (De Kruisiging en De Geseling). De reconstructie gebeurde op basis van iconografische modellen. De Nüschelerglaskalibers werden in een nieuw "schervenraam" samengebracht. De oude restauraties werden op sommige plaatsen geretoucheerd. Voor de restauratie werd er ter plaatse een atelier ingericht met twee restaurateurs en een documentaliste. Brigitte Kurmann-Schwarz bereidt een deel van het Corpus Vitrearum voor over dit glasramenensemble. Er werd een bezoek gebracht aan de kathedraal van Lausanne waar naar aanleiding van het einde van de restauratie van het beroemde roosvenster (1991-1998) een tentoonstelling was opgezet waarbij een aantal pas gerestaureerde panelen van dichtbij konden bekeken worden in afwachting dat ze teruggeplaatst worden in het roosvenster. Het Centre suisse de recherche et d'information sur Ie vitrail was verantwoordelijk voor de restauratie. Het ging om 105 panelen uit de 13de eeuw, waarvan een 30-tal in de 19de eeuw volledig vernieuwd werden. Aan de restauratie ging een uitgebreid vooronderzoek vooraf, waarna geopteerd werd voor een minimuminterventie mogelijk door het plaatsen van beschermende beglazing (extra blank floatglas). Er werd gekozen voor het permanent opvolgen met kleine ingrepen in plaats van een grondige "definitieve" aanpak. Een atelier in situ werd ingericht in het noordtransept. Er werd een team van glasrestaurateurs samengesteld aangevuld met twee restaurateurs polychromie voor het fixeren (met paraloïd B72) van de grisaille, die belangrijke schade vertoonde vooral op niet gecorrodeerde glasstukken (bakfout?). De reiniging werd slechts beperkt uitgevoerd omwille van de integratie van de 19de-eeuwse restauratie. Wel werden corroderende producten mechanisch weggenomen onder binoculair. Gebroken glasdeeltjes werden zelfs
niet gelijmd maar eenvoudigweg in het oude loodnet bewaard. Enkele loodnetten dateren nog uit het begin van de 13de eeuw, zij zijn 2 a 3 mm breed; er werden 9 nummeringen op aangetroffen. Het bestaande loodnet, grotendeels 19de-eeuws, was in goede staat. De conserveringswerken werden volledig kunsthistorisch en materieeltechnisch gedocumenteerd. Een buitengewoon interessante publicatie is hiervan de neerslag. Aanbevolen lectuur! La rose de la cathédrale de Lausanne. Histoire et conservatin récente, Lausanne, 1999. 214 p., 79 CHE.
Het forum werd besloten te Romont met een bezoek aan de Musée suisse du Vitrail, gevestigd in het feodaal kasteel aldaar en recent uitgebreid met een glasatelier, tevens de zetel van Centre suisse de recherche et d'information sur Ie vitrail. Au chateau. Case postale 225, CH-1680 Romont, tel. 41 26 652 18 34, fax 00 41 26 652 49 17, waar de vermelde publicaties kunnen besteld worden.
i—i
t-fli
B 1 N N E 1 M K R A N T
Restauraties
Karel
Robijns
HFT BEGIJNHOF VAN AARSCHOT. FFN VFRHAAI VAN VERVAI FN UITIFMF RFDDING Het begijnhof van Aarschot dateert van 1259, het jaar waarin Hendrik III van Brabant en Aleydis van Boergondië het terrein ervoor schonken. Pas in de 17de eeuw werd het grotendeels herbouwd na een zware brand in 1543 (1). Toen de Stationsstraat in 1860 werd doorgetrokken, werd het begijnhof in twee gesplitst, en werd het meteen opgezadeld met een steeds drukker wordende verkeersader dwars erdoorheen. Hiervoor moest overigens de begijnhofkapel verdwijnen. Bij Koninklijk Besluit van 31 juli 1936 werden de nog resterende delen van het begijnhof beschermd als monument.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het begijnhof grotendeels verwoest. Een vleugel werd volledig heropgebouwd in de jaren vijftig en herbergt sindsdien een ouderlingentehuis. Een andere vleugel werd verder gesloopt om veiligheidsredenen, niettegenstaande de bescherming. Op deze plaats werd halfweg de jaren negentig een massief sociaal bouwproject opgetrokken, met proporties die totaal ongepast zijn in deze stedenbouwkundig gevoelige omgeving. Alleen het gedeelte Begijnhofstraat 15-19 was nog vrij intact bewaard, en kwam in de jaren zestig geleidelijk leeg te staan (2). Sindsdien werden met ruime tussenpozen verschillende projecten uitgewerkt om deze laatste originele vleugel te hergebruiken. Er werden schetsen voorgesteld voor een administratief centrum voor het OCMW, voor een politiekantoor, voor sociale huisvesting,... Telkens werden de projecten als de laatste redding van het begijnhof beschouwd (3). Nooit echter werd er tot een vergelijk gekomen waarbij de monumentale waarden van het complex verzoend werden
Aarschot, Begijnhof (foto AHl, 1991)
met de zware eisenprogramma's voor dergelijke functies, die meestal vrij ingrijpende werken noodzaakten. Door dit jarenlange getreuzel verloren het OCMW en de stad Aarschot sinds 1995 ook hun rechten op oorlogsschade. Door deze jarenlange leegstand en verwaarlozing verkommerde het monument steeds meer. Het hoekgebouw met de Stationsstraat stond reeds jaren gestut uit vrees voor vallende stenen. Ook de andere gebouwen werden met nadarhekkens afgeschermd wegens hun desastreuze toestand. In de interieurs werd ontzettend veel schade aangericht door vandalisme en diefstal: schouwmantels werden gestolen, de natuursteenomlijsting rond twee buitendeuren werd zelfs uitgebroken en ontvreemd... Op vraag van de Afdeling Monumenten en Landschappen werd er een studentenproject uitgevoerd rond dit laatste restant van het begijnhof. Vijf studenten van het eerste jaar postgraduaat Monumenten- en Landschapszorg te Antwerpen (4) hebben zich hier in het academiejaar 1996-1997 op toegelegd. Dergelijke studiewerken helpen vaak om eigenaars tot actie aan te zetten en ze te wijzen op de kwaliteiten van hun pand. Ondertussen kon de Afdeling Monumenten en Landschappen begin 1997 het OCMW van Aarschot overtuigen om dit monument te verkopen. Gezien de specifieke eigenheid werd wel gevraagd om de vijf huizen samen te verkopen, zodat er een gemeenschappelijk restauratieproject uitgewerkt kon worden. Voor de kandidaat-kopers werd in mei 1997 een lijst met randvoorwaarden opgesteld. Die hadden betrekking op het behoud van het concept - vijf individuele gebouwen die geschikt zijn voor bewoning; van het interieur- behoud van de structuur, de dwarsgang, schouwen, het stucwerk, troggewelfjes, spiltrappen, opkamers,...; van de voorgevel- volledig te behouden en te kaleien volgens de 18de-eeuwse toestand; en van het gesloten karaktervan de achterzijde.
1VI&L
B I ^ N E N K R A N T
j»^.
•«• . , ^ - » \ i
J
f4m!ï^£-$&pff'f - WMÊ^^
^'S
mmé
•' p l ^ " a.
, w
u^ • ^A Liilf-
É^ L^W
.^rfi
MS? ****& W
S!^Si m
"laM^^^ar^jP sV
••"Wo.
..*,
\..
m
.
- '<*" M
l^y^Uö^j!-..--'
''-Wt^***
^ mi&i^ fÏ F-^T^ m.- :l$**. :
*
r r
ifc^
/ /
/
i^%^t y *^ . ^ 5: •
^ <
^ f e f c ^ f c ^ LASVJL!^'"^
.... 'V.
^
'
L: ^
n
*
/
*
ï
-
vooral op de verdieping. In overleg
waterinfiltratie was dit spant namelijk
1998. Tevens was dit één van de eerste
met het OCMW kon verkregen worden
ingerot en kon de spanttrekker zijn
dossiers dat kon genieten van de aan-
dat er een kleine zone van 7,5 meter
functie niet meer vervullen. Dit viel
'/ullende onderhoudspremie van de
van de achterliggende OCMW-parking
onder meer op doordat de muur volle-
Drovincie Vlaams-Brabant (6).
mee werd verkocht om de huizen
dig naar buiten geduwd was. In ijl-
kleine tuintjes te bezorgen.
tempo werd hiervoor een restaura-
Na een oproep tot kandidaten op 18
Er werd gekozen om zacht te restau-
tiedossier opgesteld en ingediend.
•eren en om zo min mogelijk natuur-
Op 23 oktober 1997 werd de restaura-
;steen te vervangen. De verdwenen
april 1997 bleek er nog slechts één
tiepremie toegekend voor het herstel
over te blijven, de firma Jamadra,
van de daken van de huizen
>/ernieuwd worden op basis van icono-
gerund door de gebroeders Draulans.
Begijnhofstraat 15 tot 18. Deze wer-
(grafische gegevens. Door de nadien
Zij hadden in Leuven reeds eerder een
ken duurden tot oktober 1998.
monument gerestaureerd (5), zonder
san te brengen kaleilaag - die reeds n de 18de eeuw aanwezig was - kon
daarvoor een premie te krijgen, omdat
Dankzij regelmatig overleg tussen de
de beschermingsprocedure toen nog
firma Jamadra en de Afdeling
niet rond was.
Monumenten en Landschappen tijdens de werken werden de verdere
Nog voor de notariële akte verleden was in augustus 1997, hadden zij hun
Dmlijstingen en dakkapel moesten wel
(;en uniform karakter verkregen wor-
kn. ^ /oor een groot gedeelte van de wer-
restauratieopties voor de kunsthisto-
(en werd echter geen premie aange-
risch belangrijke elementen aan het
i/raagd omdat de nieuwe eigenaar hier
bereidheid tot handelen getoond door
exterieur en het interieur verder
liet op wou blijven wachten.
direct het verslag van de Monumen-
verfijnd.
Hij wenste echter met eigen personeel
tenwacht Vlaams-Brabant aan te vragen. Architect Depoorter uit Linden werd als restauratie-adviseur ingeschakeld. Prioritaire aandacht ging naar het herstel van de daken, de noordelijke tipgevel en het meest
Ook werden er eind 1997 onderhoudspremies aangevraagd voor het herstel en het kaleien van de gevels, en voor het dak van Begijnhofstraat 19.
noordelijke spant. Door jarenlange
Gemeenschap toegekend op 4 maart
Deze premies werden door de Vlaamse
;en groot deel van de werken zelf te (Joen, naarmate deze mensen beschikt )aar waren. Nadat de daken hersteld \ varen en het buitenschrijnwerk >/ernieuwd was, leek een geleidelijke <ifwerking binnen geen probleem te ; ijr .
B 1 N N E N K R A N T
Begin 1999 waren de huizen klaar voor bewoning. De lokale belangstelling voor dit uniek wonen in een stedelijk kader was groot en de panden waren snel verhuurd. Enkel voor het hoekpand Begijnhofstraat 19 loopt de herbestemming moeizamer. Het was tot 1968 in gebruik als een winkel; de winkelpui is er nog een restant van. Door de hoekligging met de Stationsstraat, en omdat er geen tuin is, leek een herbestemming als appartement, met een restaurant op het gelijkvloers, zeer goed aanvaardbaar vanuit het oogpunt van de dienst Monumenten en Landschappen. Door het verdienstelijk karakter en het geslaagde huwelijk tussen profit en monumentenzorg heeft de Provinciale Commissie voor Monumenten en Landschappen het project begin 1999 genomineerd voor de provinciale Monumentenprijs van de provincie Vlaams-Brabant. Op zaterdag 11 september 1999 beloonde gouverneur Lodewijk De Witte de aanpak van het Begijnhof van Aarschot door er een provinciale aanmoedigingspremie 1999 aan toe te kennen, die wordt gedeeld met het project voor de aanpak en de ontsluiting van de Wijnmuur en de Wijngaardberg te Rotselaar (Wezemaal). Hopelijk mag deze eerder symbolische prijs een erkenning betekenen van wat de initiatiefnemers voor dit monument - en voor andere monumenten hebben gedaan en een aansporing om verder te timmeren aan de lange restauratieweg. Wordt hoogstwaarschijnlijk vervolgd... (1) Bouwen door de Eeuwen heen. Inventaris van het Cultuurbezit in Vlaanderen. Architectuur deel 1. Provincie Brabant. Arrondissement Leuven Luik, 1971, p. 18 (2) Volgens "Het begijnhof van Aarschot" (In de reeks Bijdragen tot de geschiedenis van het Land van Aarschot, 1976, uitgave van de Aarschotse Kring voor Heemkunde) werd de hoeve de infirmerie in 1670 omgebouwd (en verhoogd) tot drie woningen (nu Begijnhofstraat 15 tot 17), het houthuys met de poort naar het Infirmerieplein werd omgebouwd in 1681 (nu Begijn hofstraat 18).
De verhoging van deze hoeve is ook te merken aan de extra rij muurvlechtingen, te zien op de binnenmuren van de zolders. (3) Zoals ook in diverse briefwisselingen en krantenknipsels terug is te vinden. Bijvoorbeeld: "de K.0.0. (= OCMW) bestempelt deze gebouwen thans als krotwoningen", krantenknipsel van 15-8-1964. (4) Hogere Opleiding voor Stedenbouw, Monumentenzorg, Technologie en Economie van het Gemeenschapsonderswijs Deume 2 - Postgraduaat Monumenten- en landschapszorg. (5) Leuven: Mechelsestraat 145-147 Het Walshlant. Gerestaureerd in 19961997. Beschermd als monument op 5 mei 1997. (6) De provincie Vlaams-Brabant verleent sinds 2 september 1997 een aanvullende onderhoudspremie met een kwart van de onderhoudspremie van de Vlaamse Gemeenschap voor privé-eigenaars, en de helft voor openbare besturen, mits zij een verslag van de Monumentenwacht hebben. Zie ook het tijdschrift Monumenten en Landschappen nummer 17/1, januarifebruari 1998, binnenkrant p. 2
VIAAMSF MONUMENTENPRIJS 1 9 9 9 : DF KASTFELSITF TF RFKFM (IANAKFN) Op zaterdag 11 september 1999 reikte Vlaams minister Johan Sauwens, ter gelegenheid van de openingsplechtigheid van de Open Monumentendag in de Diestse begijnhofkerk, de monumentenprijs 1999 uit aan de heer Leon Hermans voor de renovatie van de kasteelsite d'Aspremont-Lynden te Rekem (Lanaken). De Vlaamse Regering koos de winnaar uit een lijst van vijf genomineerden, voorgedragen door de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen. De prijs werd hem toegekend als erkenning voor zijn uitzonderlijke verdienste op het vlak van de Vlaamse monumentenzorg. De vruchtbare Maasvallei heeft in de loop der tijden - onder meer in de provincie Limburg - het ontstaan bewerkstelligd van talrijke nederzettingen, waarvan enkele uitgegroeid zijn tot stedelijke kernen, zoals Maaseik, Stokkem en Rekem. Het grondgebied van Rekem heeft sinds de Late Steentijd een nagenoeg ononderbroken bewoning gekend.
M&L
B I N N E N K R A N T
Bij archeologisch onderzoek werden nederzettingen en grafvelden ontdekt uit de prehistorische, de Romeinse en de Frankische periode. De vroege Middeleeuwen blijven vooralsnog in het duister gehuld. In archivalia wordt pas in 1140 voor het eerst melding gemaakt van een bewoningskern 'Radekeim'. In de 12de eeuw bevond zich op de plaats van het huidige kasteel een ovaalvormige burcht van het 'shellkeeptype', waarbij de gebouwen die binnen de burcht lagen, tegen de walmuur aan waren gebouwd. Dat is trouwens ook het geval voor de burcht van Pietersheim te Lanaken, enkele kilometers verderopgelegen. Buiten de burchtsite van Rekem bevond zich een kapel die vermoedelijk reeds in de 10de eeuw in gebruik was (opgegraven in 1997). Deze burcht was een vooruitgeschoven grensversterking van het Heilig Roomse Rijk tegen machtige buren als de graaf van Loon en de hertog van Brabant. De lokale heer was houder van een vrij
keizerlijk leen en moest zich enkel verantwoorden tegenover de keizer die zijn directe leenheer was. Deze burcht moet in de loop van de 13de en de vroege 14de eeuw te lijden gehad hebben van verval en /of vernieling, want in een overeenkomst van 1317 tussen de heer van Rekem en de graaf van Loon wordt vastgelegd dat hij heropgebouwd moest worden. De walmuur werd verstevigd en er kwam een nieuw poortcomplex in de tweede helft van de 14de eeuw. De nabijheid van het strategisch knooppunt Maastricht eiste ook zijn tol van Rekem, dat in 1356 tot rijksbaronie was verheven. Tussen 1567 en 1579 werd Maastricht herhaaldelijk belegerd en geplunderd door Spaanse troepen. Hetzelfde lot was beschoren aan Rekem, waar de burcht grotendeels werd vernield. In 1590 kwamen Rekem en de onderhorige dorpen onder het gezag van Herman Van Lynden, legeraanvoerder in dienst van de prins-bisschop van
Luik. De familie d'Aspremont-Lynden zou er verblijven tot aan de Franse revolutie. Herman d'AspremontLynden liet de burcht afbreken en bouwde een waterkasteel in Maaslandse renaissancestijl. Hijzelf en zijn zoon Ernest versterkten de stad met een systeem van grachten, gestut door aarden wallen met palissaden; de oude stadsmuren werden uitgebreid en van nieuwe stadspoorten voorzien. In 1623 werd de baronie Rekem verheven tot vrij graafschap van het Heilig Roomse Rijk. In 1778 verliet de laatste graaf het kasteel. Tijdens de Franse Revolutie werd er in het kasteel een militair hospitaal ondergebracht. Rekem werd ingelijfd bij het Departement van de Nedermaas en fungeerde een half jaar als hoofdplaats van een kanton. Ingevolge een decreet van Napoleon werd in 1809 in het kasteel een bedelaarsgesticht ingericht dat in werking trad op 1 januari 1811. Het gesticht werkte als een volledig autonome gemeenschap. In 1890 werd het opge-
B 1 N N E N K R A 1 M T
heven en vervangen door een heropvoedingsgesticht voor jongens van 10 tot 21 jaar. In 1904 verhuisde deze weldadigheidsschool naar leper. Kort daarna nam de Belgische staat het initiatief om het kasteeldomein om te vormen tot Rijkspsychiatrie. Dat vergde een grondige inwendige transformatie van het kasteel. Het volledige interieur werd 'leeggeroofd'. De oorspronkelijke indeling werd uitgebroken. De houten binnenstructuren - dakconstructie, vloeren, wanden werden vervangen door ijzeren en bakstenen. Het poortgebouw uit de 17de eeuw werd afgebroken en vervangen door het huidige. De boerderij en een aantal andere gebouwen ondergingen hetzelfde lot. In 1921 ging het gesticht van start en dat zou zo blijven tot 1980, toen de psychiatrie verhuisde naar Daelwezeth. Het domein verloor zijn functie en de langzame aftakeling kon beginnen... Dit had meteen negatieve gevolgen voor de bevolking en de bedrijvigheid in oud-Rekem: de werkgelegenheid nam af, de plaatselijke handel ging achteruit, de jonge bevolking week uit, er kwam leegstand en verkrotting. De gemeente probeerde Rekem nieuw leven in te blazen via renovatieplannen, de herwerking van het bijzonder plan van aanleg en restauratie- en herbestemmingsplannen van de 18deeeuwse Sint-Pieterskerk tot museumen concertruimte. Het Provinciebestuur kocht in 1982 het kasteel en de directeurswoning en huurde het poortgebouw om er een natuurcentrum te vestigen. In 1987 werd dit opzet verlaten en het Provinciebestuur trok zich terug uit Rekem. Een ingrijpende wijziging kwam er pas toen op 9 januari 1993 en op 15juni 1993 respectievelijk het kasteel en het domein gekocht werden door de NV Domein Reckheim, die Leon Hermans als beheersmaatschappij had opgericht. Het vooropstelde doel was dat het kasteeldomein de motor moest worden van economische bedrijvigheid en van sociaal-culturele ontwikkeling van oud-Rekem. Vanuit het domein zouden bedrijfsactiviteiten
ontwikkeld worden die met de locatie en met de vooropgestelde randvoorwaarden in overeenstemming moesten zijn. Bovendien zou de winst die via de verschillende bedrijfsmatige projecten nagestreefd moest worden, volledig in functie komen te staan van de financiering van de niet-commerciële projectonderdelen. Tenslotte zouden de nieuw op te richten bedrijven kleinschalig, milieuvriendelijk, innovatief en van een unieke kwaliteit zijn, met uitstraling voor het domein en de omgeving. Onmiddellijk werd gestart met de restauratiewerken aan het inmiddels totaal onderkomen en leeggeroofde kasteel. Het hele dak werd vernieuwd, de gevels werden volledig gerestaureerd en alle ramen en deuren werden vernieuwd en/of hersteld. De grond onder de centrale binnenplaats werd weggegraven en onder het hele kasteel werd één massale kelder ingebracht die als 'archeologische ruimte' zal worden ingericht. Hier bevinden zich trouwens de muurresten van de oorspronkelijke ovale burcht die het Provinciebestuur in de jaren tachtig had opgegraven. De hele omgeving onderging een gedaanteverwisseling door het herstel van de grachten en de aanleg van tuinen en prachtige bloemenweiden. Waardevolle bomen bleven gespaard en werden verzorgd en de wegenstructuur werd heraangelegd. De voormalige directeurswoning werd gerenoveerd als woning en het volledige poortgebouw werd gerevitaliseerd en herbestemd deels als kantoor en onthaal, deels voor de horeca. In de gebouwen die over het domein verspreid liggen en die dateren uit de begin- en de bloeifase van de rijkspsychiatrie, werden verscheidene bedrijfjes ondergebracht. Zo kwamen tot stand: de NV Fermex, een fabriek van zeer hoogwaardige componenten voor op lasertechnologie gebaseerde kantoormachines; de NV Salto, een drukkerij/uitgeverij annex gravure die ambieert op wereldschaal marktniches te bedienen waar absolute en unieke topkwaliteit doorslaggevend zijn voor succes. Er werd een overeenkomst gesloten met een gekende producent
4
' H van tv-programma's voor de bouw van een opnamestudio, de verstrekking van durfkapitaal en de oprichting van een productiefonds voor tv-producties en speelfilms (NV Reckheim Producties). Allerlei andere initiatieven staan nog op stapel. Met het oog op de uitvoering van bouwkundige en onderhoudswerken in het domein, werd het aannemingsbedrijf De Linde NV opgericht. Dit bedrijf is inmiddels uitgebreid met een schrijnwerkerij waar een vijftiental mensen tewerkgesteld zijn. Ze hebben een eigen werkplaats met de meest moderne machines voor conventionele en ambachtelijke hout- en metaalbewerking. Deze commerciële activiteiten worden aangevuld met twee vzw's. De vzw Kasteel Reckheim werd opgericht met het oog op het bewaren van het cultureel erfgoed van het Maasland in het algemeen en specifiek het herstel, de herwaardering en het onderhoud van het kasteel d'Aspremont-Lynden. De vzw Maasland is actief op het vlak van oudheidkundig en historisch onderzoek; ze organiseert rondleidingen en bevordert de belangstelling voor oud-Rekem met allerlei initiatieven. Van bij de aanvang gaf de heer Leon Hermans opdracht aan prof. Jo Coenen uit Maastricht om hem te adviseren bij de planning van gebouwen binnen het kasteeldomein, maar ook daarbuiten, in de oude stadskern van Rekem. Het waren uiteenlopende opdrachten gegroepeerd rond een aantal thema's: themapark, wonen bij het Minderbroederklooster, de afwerking met wonen bij de Groenplaats, herindeling rond het kasteel, een voetgangersbrug over het kanaal... Rond al deze thema's werd er één jaar lang met een groep studenten van de 'Lehrstuhl für Gebaudelehre und Entwerfen' van de Universiteit te Karlsruhe gestudeerd en ontworpen, wat uitmondde in een schitterend werkdocument dat gepubliceerd werd in 1994-1995. Verschillende binnenen buitenlandse architecten voerden en voeren nog studieopdrachten uit die telkens worden besproken met de
B 1 N N E N K R A N T
stuurgroep die werd opgericht op verzoek van de Afdeling Monumenten en Landschappen in het kader van het beschermde stadsgezicht. Van deze stuurgroep maken behalve Monumentenzorg, ook het Gemeentebestuur en Ruimtelijke Ordening deel uit. Al het voorgaande maakt dit project vrij uniek in de monumentenzorg. Het gaat immers niet meer om de restauratie en de herbestemming van het kasteel alleen, maar van een domein van circa tien hectare met talrijke gebouwen. Het kasteeldomein waarrond Rekem ooit groeide, fungeert opnieuw als motor voor de heropleving en de herwaardering van dit voormalige keizerlijke graafschap.
Tentoonstellingen Marjan
Buyle
HONfiAARSE AVANT-fiARDE 191fi-1925 In het kader van Europalia Hongarije organiseert de BBL een tentoonstelling rond de Hongaarse avant-garde. De moderne artistieke stroming ontwikkelde zich in en rond het kunsttijdschrift Mo (Vandaag). De stijl van deze kunstenaars vertoont affiniteiten met De stijl, het Bauhaus, het Italiaanse futurisme en het Russische
constructivisme. De contacten verliepen hoofdzakelijk via een netwerk van kunsttijdschriften, waaronder het Belgische tijdschrift Het Overzicht, waar we Jozef Peeters terugvinden. In de tentoonstelling wordt trouwens de link gelegd tussen de Hongaarse kunstenaars en het werk van Victor Servranckx en Jozef Peeters. Van beide kunstenaars werden werken gepubliceerd in Ma. De meest bekende artiest, die mee aan de basis van Ma stond, was Laszló Moholy-Nagy, die een ware duizendpoot was. Even veelzijdig als de mensen in het Bauhaus, legde hij zich toe op diverse kunstactiviteiten: schilderen beeldhouwkunst, fotografie, film en design, decor- en kostuumontwerpen voor theaterstukken. Helemaal anders is het werk van Sandor Bortnyik, die in zijn schilderijen een hallucinante wereld oproept, een beetje onwezenlijk zoals De Chirico, maar met een mooi kleurengevoel. Na zijn opleiding in het Bauhaus stichtte hij in Boedapest een gelijkaardige kunstschool, de Mühely (Atelier). Zeer interessant werk is er van Vilmos Huszar, die praktisch zijn hele actieve leven doorbracht in Nederland. Een maquette van een interieurontwerp uit 1924, met strakke interieurinrichting en gekleurde vlakken op de muren, is zeer verwant met het iets latere ontwerp van Jozef Peeters voor zijn eigen woning. De tentoonstelling, die schilderijen, tekeningen, gravures en tijdschriften
M&L
B l l M ^ E N K R A N T
Literatuur Tom
Lenaerts
BFFCHAM DUGOUT PA^PHFNDAFIF 1914-191» Militaire relicten uit de 205tc eeuw konden in Vlaanderen tot nu toe op weinig belangstelling rekenen van de monumentenzorg en de archeologie. Langzamerhand komt daar echter verandering in. Sinds enkele jaren wordt ook die militaire bouwkunst opgewaardeerd en worden de bouwwerken op wetenschappelijke wijze onderzocht, de militaire omstandigheden zorgvuldig nagetrokken en in hun breder historisch kader gesitueerd. Net op tijd, want stilaan verdwijnen de laatste mondelinge overleveringen over die eerste grote oorlog. De historische waarde van bepaalde objecten is van die aard dat ze beschermd en gerestaureerd dienen te worden. Zij zijn een belangrijk deel van ons erfgoed. Andere kunstwerken van de Tunneling Companies zoals de betonnen dugouts in Zonnebeke werden reeds beschermd. bijeenbrengt, biedt een unieke kans om deze voor Hongarije werkelijk modernistische periode te ontdekken. De catalogus is uitgegroeid tot een standaardwerk over deze kunstrichting, waarbij vooral een inleidiend artikel over de Hongaarse avant-garde en haar relatie met België en Nederland zeer lezenswaard is. Het boek is uitvoerig en prachtig geïllustreerd.
De tentoonstelling loopt nog tot 16 januari 2000; elke dag open van 10 tot 18u (Kerstdag en Nieuwjaarsdag uitgezonderd). Gratis toegang. BBL-gebouwen, Marnixlaan 24 (toegang Troonstraat 1), Brussel. De catalogus kost 1200,-bfr. Inlichtingen 02/547 22 92.
Een nieuwe generatie historici vond de weg naar de militaire geschiedenis van deze eeuw en ging ook op zoek naar de relicten ervan. Eén van hen is Franky Bostyn, die als jongeling reeds gefascineerd werd door de oorlog die overal in zijn geboortestreek diepe sporen had nagelaten. Toen in het voorjaar van 1999, op een boogscheut van Tyne Cot Cemetery, een vrouw de ramen van haar hoeve aan het lappen was, viel ze plots enkele meter dieper en kwam terecht in een relict uit de eerste wereldoorlog. Voor de Association for Battlefield Archaeology in Flanders en Franky Bostyn een unieke kans om op een grondige manier een houten dugout, hier een ondergrondse schuilplaats, te ontdekken, te onderzoeken en te beschrijven.
beurtenissen in Passendale, een plaats langs de spoorwegberm van de lijn leper - Roeselare. De krijgsgeschiedenis wordt in een eerste deel haarfijn en vrij gedetailleerd weergegeven, en schetst de context van de gevonden dugout. Het tweede deel handelt over de archeologische benadering. In overleg met de betrokken instanties, waaronder het Instituut voor het Archeologisch Patrimonium en de Dienst Rampenschade voert de ABAF een indrukwekkend en intrigerend onderzoek uit. Voor de ogen van de onderzoekers opent zich een houten militaire constructie, sinds tachtig jaar onaangeroerd maar gezien de aard van het bouwmateriaal, vrij onstabiel. Het T-vormig complex (22 en 24 m) bevatte naast britsen waar de soldaten konden rusten, ook dienstruimten, berging voor materiaal en een officierskamer. Een gedeelte van het complex dat zich onder de hoeve bevond werd nauwkeurig opgemeten en nadien vanwege het instortingsgevaar opgevuld. Het deel onder de weide werd ontgraven en ontmanteld met de bedoeling na behandeling van het gerecupereerde hout een reconstructie te kunnen maken. Het boek verdient zowel zijn plaats in de militaire geschiedschrijving als in de monumentenzorg en de archeologie. Onderzoek en publicatie over een schuilplaats in organisch en dus snel vergankelijk materiaal zijn een waardevolle bijdrage voor alle betrokken disciplines.
Auteur: Franky Bostyn Association for Battlefield Archaeology in Flanders Studies 1 Aantal pagina's: 128 prijs: 740,- Bef Uitgever: Association for Battlefield Archaeology in Flanders Tel. 057/466.235 - Fax 057/467.523
De publicatie is een boeiend en rijkelijk geïllustreerd verhaal over de ge-
M&L
B 1 N N E M K R A N T
De keuze van MQL ]o
Braeken
Emil Steffann (1899-1968) Werk, Theorie, Wirkung Conrad Lienhardt (red.) Regensburg, Schnell EtSteiner, 1999, 144 p., ISBN 3-7954-1227-7 Monografie over de Duitse architect Emil Steffann (1899-1968), die zoals Rudolf Schwarz in de naoorlogse wederopbouw een vernieuwende impuls gaf aan de kerkenbouw, vanuit het motto 'Pauvreté etslmplicité Rien non plus'. Becommentarieerd overzicht van leven, werk, betekenis en invloed, en keuze van theoretische geschriften.
Your Private Sky R. Buckminster Fuller, The Art of Design Science Joachim Krausse en Claude Lichtenstein Baden, Lars Muller Pubishers, 1999, 524 P., ISBN3-907044-88-6 Monografie bij een tentoonstelling gewijd aan het veelzijdige universum van R. Buckminster Fuller (18951983), ingenieur en dichter, designer en filosoof, onderzoeker en kunste-
naar, schepper op 'Spaceship Earth' van futuristische creaties als het Dymaxion House en de Geodesie Dome 'to make the world work', die mede opnieuw tot leven worden gewekt door verbluffend beeldmateriaal in een bijzonder fraaie lay-out.
Van Beaupré tot Zwijveke Cisterciënzers in Oost-Vlaanderen (1200-1999) Martine Pieteraerens, Luc Robijns en Geert Van Bockstaele Gent, Provincie Oost-Vlaanderen, 1999, 144 p. Studie over de aanwezigheid van de cisterciënzers in het huidige OostVlaanderen naar aanleiding van het 900-jarig bestaan van de orde. Het wel en wee, de spirituele en maatschappelijke betekenis van de ordekloosters, gevolgd door een overzicht van het materiële erfgoed van de elf Oost-Vlaamse cisterciënzerabdijen vanaf hun oorsprong tot hun opheffing.
The Chicago School of Architecture A History of Commercial and Public Building in the Chicago Area 1875-
1925 Carl W. Condit Chicago, The University of Chicago Press, 1998,238 p., ISBN 0-226-11455-4
Reprint van de klassieke studie over de Chicago school of architecture uit 1952. Historische context en ontwikkeling, vanaf het ontstaan met de functionele innovaties van William Le Baron Jenney tot de bloeitijd onder Louis Sullivan en Frank Lloyd Wright, als hoogtepunt in de ijzer- en betonconstructie en als pionier van de moderne architectuur.
Instandhouding Jaarboek Monumentenzorg 1999 E.J. Nusselder (red.) Zwolle, Waanders Uitgevers, 1999, 248 p., ISBN 90-400-9411-X Jaarboek van de Nederlandse Rijksdienst voor de Monumentenzorg, gewijd aan de instandhouding - in zijn ruimste betekenis - van het gebouwde erfgoed. Bijdragen over fysiek monumentenbehoud, over innovatieve methoden van onderzoek en consolidatie van interieurdelen en bouwmaterialen, over regelgeving, herbestemming en beheer, over grootschalige stedelijke en landschappelijke ensembles.
Scale Models Houses of the 20th Century Friedrich Kurrent Basel, Birkhauser, 1999, 436 p., ISBN 3-7643-6102-6 Catalogus van zowat 200 schaalmodellen met begeleidend commen-
M&L
B 1 N N E N K R A N T
taar, een antalogie van in hoofdzaak 205tc-eeuwse huizen ontworpen door beroemde architecten als Aalto, Asplund, Frank, Gray, Le Corbusier, Melnikov, Mies, Ple_nik, Schindler, Wagner en Wright. Schaalmodellen (1:33 1/3) van bestaande en nooit gebouwde ontwerpen, de laatste 20 jaar als didactisch materiaal vervaardigd door architectuurstudenten van de Technische Universiteit München.
Modern Movement Heritage Allan Cunningham Londen, E ft FN Spon, 1998, 180 p., ISBN 0-419-23230-3 Bundel met negentien opstellen door auteurs uit elf landen, als introductie op het erfgoed van het modernisme waarvoor de beweging D0C0M0M0 sinds 1990 een internationaal platform biedt. Inleidende essays gericht op een 'modus operandi' en een status-quo van de politiek van registratie en evaluatie, gevolgd door een reeks casestudies die de rijke heterogeniteit maar ook de enorme diversiteit qua problematiek, die het behoud van dit kwetsbare erfgoed stelt, demonstreert.
Reverentia und Magnificentia Historizitat in derArchitektur Süddeutschlands, Österreichs und Böhmens vom 14. Bis 17.Jahrhundert Michael Schmidt Regensburg, Schnell EtSteiner, 1999, 432 p., ISBN 3-7954-1238-2
Studie over het stijleclecticisme in de architectuur van Zuid-Duitsland, Oostenrijk en Bohemen uit de 14de tot de 17dc eeuw. Het teruggrijpen naar de Romaanse bouwkunst in de laatgotiek of naar de Romaanse en gotische bouwkunst in de barok om een genealogische, politieke of theologische oorsprong te legitimeren of toe te eigenen, als bewijs van historisch bewustzijn of als louter curiosum, zowel in de kerkelijke als de profane architectuur.
Das Deutsche Denkmal Eine Geschichte in Bronze und Stein vom Hochmittelalter bis zum Barock Thomas H. von der Dunk Keulen, Böhlau Verlag, 1999, 828 p., ISBN 3-412-12898-8 Lijvige studie gewijd aan de personificatie van het Heilig Roomse Rijk en zijn keizersdynastieën in de architectuur en de monumentale kunst vanaf de middeleeuwen tot het midden van de 18de eeuw. De rol van het 'monument' als middel tot propaganda en representatie van de geestelijke en wereldse machtsaanspraken van de Habsburgse keizers, die zich met kerken, mausolea en pestzuilen de denkbeeldige hegemonie over het Avondland trachtten toe te eigenen.
The Flowering of the Landscape Garden English Pleasure Grounds 1720-1800 Mark Laird Philadelphia, University of Pennsylvania Press, 1999, 446 p., ISBN 0-8122-3457-X Monumentale, fraai uitgegeven studie over de toepassing van bloemen en bloeiende heesters als bepalend onderdeel van de landschapstuin in 'Georgian' Engeland. Historische reconstructie van de formele en horticulturele eigenschappen van bloembedden en scenische heesterformaties via iconografische, literaire en archivalische bronnen, die de 18de-eeuwse 'lusthof opnieuw tot leven wekken. Alle boeken, een greep uit de recente aanwinsten, liggen ter inzage in de Bibliotheek Monumenten en Landschappen Graaf de Ferrarisgebouw Koning Albert ll-laan 20 - bus 7 1000 Brussel (tijdens de kantoruren) tel: 02/553.82.27 - fax: 02/553.82.05 E mail: Jozef.Braeken@lin.vlaanderen.be
Buitenkrant
Thomas H. von der Dunk
PRQJECTENWEDSTRIJD
Das Deutsche Denkmal
Eine Geschichte In Bronze und Stetn Hochmittelalter bis zum Barock
•ONDERWIIS FN INDUSTRIEEL FRFGOED' In het kader van de vorig schooljaar gestarte campagne 'industrieel erfgoed en onderwijs' lanceert de Vlaamse Vereniging voor Industriële Archeologie, andermaal een projetenwedstrijd waarbij door jongeren in onderwijsverband gerealiseerde projecten gehonoreerd worden. Deze projecten kunnen uitgewerkt worden in school- of klasverband, of tijdens naschoolse activiteiten, op eigen
1V1&L
B I N N E N K R A N T
initiatief van de leerlingen, of op initiatief van een leerkracht. De leerlingen werken in de loop van 1999-2000 projecten uit, die op één of andere wijze bijdragen tot de kennis, het behoud of de ontsluiting van industrieel erfgoed in Vlaanderen en Brussel. Het kunnen derhalve projecten zijn die betrekking hebben op de studie van het industrieel verleden (bijvoorbeeld intervieuws met oude arbeiders van een bedrijf, het samenstellen van een fotodocumentatie over een vroegere nijverheid, het schrijven van de arbeidsgeschiedenis van hun grootouders, ...), op het behoud en de restauratie van het erfgoed (bijvoorbeeld het voeren van een campagne voor het bewaren van een plaatselijk stukje industrieel en technisch verleden, het meehelpen aan de conservatie of restauratie van een toestel in het plaatselijk museum of van de molen van hun gemeente, het redden van een bedrijfsarchief of van de oude toestellen die zich nog in hun school bevinden,...) of op het bekendmaken en ontsluiten van dit erfgoed (het organiseren van een industrieelarcheologisch wandelparcours, een brochure, een website, een bewustmakings-campagne voor de eigen bevolking,...). Deze voorbeelden zijn zeker niet limitatief bedoeld. Er zal vooral gekeken worden naar: - de inzet en het angagement van de jongeren - de wijze waarop zij hun resultatenaan de buitenwereld voorstellen - de orginaliteit of het vernieuwende van de projecten - de praktische resultaten De leerlingen dienen over hun project en de bekomen resultaten een rapport in moet samengesteld worden volgens een voorgeschreven draaiboek, en moet duidelijk maken welke de eigen inbreng van de jongeren in het project was. De projecten zullen gejureerd worden door een onafhankelijke jury, waarin géén van de beheerders of effectieve leden van de Vlaamse Vereniging voor
M&L
Industrieële Archeologie zitting heeft. De V.V.I.A. vzw vervult enkel de rol van secretariaat. In totaal kan steun verleend worden tot een maximaal bedrag van 100.000,-frank, te verdelen over meerder prijzen naargelang kwaliteit en noden van de projecten. De prijzen zullen verdeeld worden over de verschillende onderwijsniveaus en opleidingsfinaliteiten. De externe jury kan beslissen om, wanneer er géén of onvoldoende inzendingen, of geen kwalitatieve inzendingen zijn in één van de categorieën, de prijs van deze categorie aan een andere categorie of buiten categorie toe te wijzen. De jury kan eveneens beslissen om de prijs binnen een categorie op te splitsen over twee of meer inzenders, afhankelijk van de noden van de voorgestelde projecten. De bekroonde en geselecteerde projecten zullen eveneens in een publicatie opgenomen worden en in een tentoonstelling die gedurende één jaar doorheen Vlaanderen en Nederland zal reizen. Tevens zullen de bekroonde projecten uigebreid voorgesteld worden op de website van de WIA. De inzendingsformulieren en de rapporten over de projecten moeten ingediend worden tegen uiterlijk 31 maart 2000. Het volledige reglement en de deelnemingsformulieren kunnen bij de Vlaamse Vereniging voor Industriële Archeologie aangevraagd worden. De gegevens en de deelnemingsformulieren zijn eveneens te vinden op de website van de w i a : http//www.conservare.be/vvia/
Voor meer informatie kan men zich wenden tot de Vlaamse Vereniging voor Industriële Archeologie vzw Postbus 30 Gent XII te 9000 Gent-12 Tel. 0495-377791 - fax 056/25.51.73 e-mail: vvia@conservare.be website: http//www.conservare.be/vvia/
VIAANDEREN HFFFT FFN CULTUREEL rONTACTPUNT Het verdrag van Maastricht (1992) tot oprichting van de Europese Unie gaf aan de Europese Gemeenschap een wettelijke basis voor het opzetten van acties en programma's met betrekking tot cultuur. Sinds de ondertekening van dit verdrag heeft de Europese Commissie een aantal initiatieven genomen met de bedoeling de culturele dimensie te integreren in alle beslissingen die rechtstreeks of onrechtstreeks gevolgen hebben voor Cultuur. Bovendien lanceerde ze drie culturele programma's ter bevordering van de samenwerking betreffende culturele evenementen en kunsten [Caleidoscoop], literatuur (Ariané) en het roerend en onroerend erfgoed (Raphael). /?op/ioë/eindigt op 31 december van dit jaar, de twee andere werden verlengd tot diezelfde datum. De E.C. evalueerde inmiddels deze programma's. Vanaf 1 januari 2000 zou er een nieuw 5-jarenprogramma moeten starten, nl. Cultuur2000. Hoewel de definitieve goedkeuring hiervan pas wordt verwacht kort vóór de jaarwisseling, toch is nu reeds duidelijk in welke richting de Commissie denkt. In tegenstelling tot de bestaande culturele programma's zou Cultuur 2000 de scheiding tussen de verschillende segmenten van de culturele sector overstijgen, m.a.w. het zou zowel van toepassing zijn op bvb. de Beeldende Kunsten als op de Volksontwikkeling. De Europese Commissie geeft eveneens de voorkeur aan langer lopende contracten (2 a 3 jaar) in meer lidstaten (bvb. 7). Om een en ander in goede banen te leiden besliste de DG10 van de Europese Commissie vorig jaar om in elk land van de Europese Unie een Cultureel Contactpunt (CCP) op te richten. In eerste instantie wilde de DG10 hiermee zichzelf enigszins ontlasten van de vele vragen voor informatie die kwamen uit het culturele veld in Europa. Maar de hoofdbedoeling is en blijft natuurlijk het stimule-
B 1 N 1 \ E N K R A M T
ren van samenwerking en overleg binnen de Europese culturele sector. In die zin kan worden gesteld dat de communicatielijnen van een CCP een horizontale en een verticale dimensie vertonen. De verticale dimensie verbindt de Europese Commissie met het brede culturele veld van het desbetreffende CCP, de horizontale verwijst naar de //n*r tussen de bestaande CCP's. Het is duidelijk dat geregelde formele en informele contacten, zowel horizontaal als verticaal, onontbeerlijk zullen zijn voor het welslagen van gemeenschappelijke acties en projecten. Om het belang van de CCP's te onderstrepen voorziet de E.C. een structurele (en dus recurrente) financiële bijdrage in de werkingskosten van deze contactpunten, nl. 30.000 of 80.000 Euro al naargelang de grootte van de lidstaat. Gezien evenwel het feit dat in België het cultuurbeleid ressorteert onder de bevoegdheid van de Gemeenschappen is het niet mogelijk om één CCP op federaal niveau op te richten. Op dit moment functioneren er reeds twee CCP's, nl. in Vlaanderen en Wallonië. De situatie in de Duitstalige Gemeenschap is nog onduidelijk. De drie Gemeenschappen van ons land dienen hierover nog een politiek akkoord te sluiten. Pas nadien kunnen de in België bestaande CCP's officieel worden erkend door de Europese Commissie. De Vlaamse overheid besliste het CCPVLAANDEREN onder te brengen bij het Vlaams Centrum voor Volksontwikkeling (VCVO), maar nauw te laten samenwerken met de Administratie Cultuur. Het College van Afdelingshoofden (COVA) van laatstgenoemde Administratie sloot dientengevolge een beheersovereenkomst af met het VCVO in dewelke de opdrachten van het CCP-VLAANDEREN worden opgesomd. De actieradius van het CCP is verspreid over meerdere afdelingen van twee departementen van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, nl. : - 3 afdelingen die ressorteren onder de Administratie Cultuur van het departement WVC zijnde :
- de afdeling Beeldende Kunsten en Musea (BKM, = roerend cultureel patrimonium), - de afdeling Muziek, Letteren en Podiumkunsten (MLP), - de afdeling Volksontwikkeling en Bibliotheken, - de afdeling Monumenten en Landschappen die ressorteert onder de Administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen van het departement Leefmilieu en Infrastructuur (=onroerend cultureel erfgoed). Het CCP-Vlaanderen richt zich niet tot het jeugdwerk, vermits dit laatste reeds een tiental jaren beschikt over een coördinatie-orgaan voor internationale jongerenwerking, nl. hetJINT. Tot vandaag functioneerde de Administratie Kunsten als intermediaire schakel tussen de Europese Commissie en de culturele sector in Vlaanderen. Het CCP-VLAANDEREN wordt voortaan -in nauw overleg met de bevoegde Administratie van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap- het aanspreekpunt voor de culturele sector inzake de desbetreffende subsidieprogramma's van de Europese Unie, zoals gezegd met uitzondering voor het jeugdwerk waar het JINT die taak op zich neemt. Het is evenwel belangrijk dat beide agentschappen goede wederzijdse contacten onderhouden. Het CCP-VLAANDEREN maakte een werkplan op voor de komende maanden dat inmiddels werd besproken met en goedgekeurd door het COVA. Daarin wordt veel aandacht besteed aan de bekendmaking van het CCPVLAANDEREN in binnen- en buitenland. Het speerpunt van deze public re/of/ons-campagne wordt de ontwikkeling van een website met elementaire informatie over het CCP, de subsidieprogramma's van de Europese Commissie en met links naar de sector, de andere reeds bestaande CCP's in de diverse lidstaten en de DG 10. Verder zal een databestand worden opgesteld en wordt het overleg op nationaal en internationaal niveau voorbereid.
De bedoeling van dit alles is dat het CCP startklaar in de steigers staat als de Europese Commissie het programma Cu/fuur 2000 lanceert. Ook uw organisatie kan zich intussen voorbereiden. De ervaring leert ons dat de periode voor het indienen van projecten bij de Europese Unie relatief kort is. Bovendien moeten we er rekening mee houden dat de DG 10 opteert om het aantal landen die moeten samenwerken in het kader van een project te verhogen. We weten nog niet precies welke de criteria zullen zijn voor Cultuur 2000, maar de DG 10 heeft met de lancering van de pilootprojecten en Connect in de zomer van dit jaar reeds aangegeven in welke richting de nieuwe criteria zullen evolueren. Het kan in elk geval nu al nuttig zijn voorbereidende contacten te leggen met gelijkgezinde organisaties in andere EU-lidstaten, en na te gaan in welke mate er kan worden samengewerkt in het kader van een toekomstig project. De teksten van de p//ootprojectenen Connect kunnen hierbij inspirerend werken.
Voor bijkomende informatie (bvb. de adressen van de andere CCP's van de E.U., de integrale tekst of samenvatting van de recente programma's ) kan U terecht bij : Theo Van Malderen CCP-VLAANDEREN p.a. VCVO. Gallaitstraat 86 B-1030 BRUSSEL Tel. : 02/215.27.08 Fax. : 02/215.80.75 e-mail : theo.van.malderen@vcvo.be
1VI&L
bakstenen fundament van een sokkel, tetuggevonden op deze hoogte ten opzichte van het kasteel, kunnen dit bevestigen. Een vergelijking met de prent in De Cloet leert dat een gewijzigde circulatie, maar ook het dichtgroeien van de oorspronkelijke beplanting, de aanblik van deze plek grondig veranderd hebben. Voor de Amor zijn er, met uitzondering van de voorvermelde informatie, geen nadere gegevens bekend. Vandaag staat er naast de tempel in het westelijk deel van het park, aan de voet van een kleine heuvel, nog een sokkel in blauwe hardsteen, die qua vormgeving en profilering uit deze eerste periode van de tuin kan dateren. De hele sokkel is echter losgewrikt en verplaatst. Dus blijven we voorlopig in het ongewisse over het uitzicht van dit beeld en zijn oorspronkelijke situering.
De wandeling in het oostelijk deel van het park daalt af naar een grafmonument met een aanliggende vijver, dat Baut de Rasmon heeft opgedragen aan de Duitse auteur Chretien Cajus Laurent Hirschfeld (1742-1792). Een zandstenen sarcofaag, bekroond door vier acroterieën of ornamenten op de gevelhoeken, draagt gespreid over de vier zijden, het opschrift: 'Aux mdnes paissible d'Hirschfeld Il aima la nature et scut la faire aimer. Er liehte die Natur undfurhte irrende zurück aufihre Spur, L'ami des jardins a son cher Maitre MDCCXCVI' Met de woorden van Hirschfeld, die zijn lezers toesprak als 'les amis des jardins', richtte Baut de Rasmon een monument op ter nagedachtenis van zijn inspirator en leermeester. De Duitse zin in dit opschrift, vrij vertaald als 'hij hield van de natuur en bracht afgedwaalden terug in haar spoor', zou volgens Barbara Issaverdens teruggaan op een zinsnede van Goethe; alleen blijft onduidelijk uit welk werk. Omdat het vermelde jaartal geen verwijzing is naar het sterfjaar van Hirschfeld, moet deze datering verband houden met de aanleg van het park. Mogelijk was in 1796, zowat tien jaar na de ingebruikname van het kasteel, het park althans in eerste aanleg voltooid. Een andere inspiratiebron voor dit monument vond Baut de Rasmon wellicht in zijn eigen bibliotheek. O p het titelblad van een boek, uitgegeven door W.B. Becker in 1795 als postuum eerbetoon aan de Taschenbüch für Gartenfreundew-in Hirschfeld,
staat een gravure afgebeeld waarop, toeval of niet, een zeer gelijkaardige sarcofaag aan diezelfde auteur wordt opgedragen (11). Een dergelijk eerbetoon was in die tijd niet vreemd en werd in de literatuur zelfs aangeprezen. Het bekendste en opnieuw zeer gelijkaardige voorbeeld hiervan is uiteraard de tombe van Jean Jacques Rousseau op het populiereneiland in de tuin van Ermenonville, eigendom van markies de Girardin. Toch moest Alphonse Baut de Rasmon in zijn Notes et Contrenoteshi] Le vergervan de Fontanes, bekennen dat hij, althans in 1791, het park van Ermenonville nog niet gezien had. Hirschfelds naam blijft vooral verbonden aan het vijfdelig werk Theorie der Gartenkunst, dat uitgebreid de nieuwe, Engelse tuinarchitectuur beschrijft en mede door een gelijktijdige Franse vertaling van groot belang was voor de introductie van deze stijl op het vasteland (12). De taak van de tuinkunst ligt volgens Hirschfeld in de imitatie van de natuur. Als einddoel moet de nieuwe tuinarchitectuur gevoelens oproepen, gaande van vreugdevol en verrassend tot droef en melancholisch. Stijlkenmerken van de natuur - en van toen af ook van de tuinkunst - worden variatie en verrassing, gebed in een 'natuurlijk' bochtenwerk. O p basis van deze pijlers onderscheidt Hirschfeld uiteenlopende karakters, die op verschillende schaalniveaus kunnen worden opgeroepen, gaande van een landschap over een canton tot kleinere deelgebieden. De uitstraling van een 'jardin agréable', een 'jardin d'une douce melancholie', een 'jardin romanesque' of een 'jardin majestueux'wordt dan bepaald door de situatie en de vorm van de site, de variatie in de beplanting of de vorm en de omvang van water op het terrein. Architectuur en beeldhouwkunst staan hier in dienst van de tuinkunst en moeten het karakter van elke site en de daaraan verbonden gevoelens verduidelijken. Hele passages uit het werk van Hirschfeld lijken in Wannegem een perfecte vertaling te hebben gevonden. Na tot twee maal toe het hele werk van Hirschfeld gelezen te hebben, bleek Baut de Rasmon meer dan geïnspireerd in zijn keuze voor deze site en de situering van het kasteel, het verplaatsen van de toegang buiten de zichtlijn en de selectie van enkele toepasselijke tuinornamenten. De vormgeving, de invulling en de beplanting van Wannegem leunen het dichtst aan bij wat Hirschfeld als een 'jardin agréable' omschrijft; de site bij de Hirschfeld-cenotaaf volgt Hirschfelds eigen beschrijving van een ietwat afgezonderde, melancholische plek vrijwel op de voet.
mtm r.i
im^
r-,
n-, / '
.A De Hirschfeld-cenotaaf met aanliggende vijver (cop/right Luc Polfliet, ca.1990)
M&L
Door het uitgraven van de vijver en het ophogen van het terrein rond dit watervlak, is een aparte, gesloten ruimte ontstaan. In deze kleine vallei is het omliggende park grotendeels aan het zicht onttrokken. Een hoger gelegen pad, dat achter het monument doorloopt, ontsluit de zuidkant van de vijver. Het opgehoogde terrein vormt hier tevens de grens van het domein met de openbare weg. Wandelaars die van het kasteel of de oranjerie kwamen, konden de vijver en het monument overschouwen vanaf een brug aan de noordzijde van de vijver. Deze eikenhouten brug, vermeld in de beschrijving van het domein en bekend van enkele oudere foto's, is tijdens de Tweede Wereldoorlog verdwenen, samen met Amor en Flora. De brug hing tussen twee bakstenen bruggehoofden en bood enerzijds zicht op de vijver en de Hirschfeld-cenotaaf; anderzijds genoten bezoekers hier van een terugblik op de zuidgevel van het kasteel.
DF V A I I F I VAN WANNFGFM Bij het afdalen van deze brug of via het vijverpad bereikten wandelaars de oostgrens van het centrale gazon. Alvast één dwarspad over dit gazon bracht de bezoekers midden in het centrale perspectief van het park. Tussen de zonovergoten tuingevel van het kasteel en de lager gelegen vallei met het neerhof en de vijver, doorsnijdt de openbare weg echter het domein. Deze weg, die reeds aanwezig was vóór de bouw van het kasteel en de aanleg van het park, moest beweging brengen in dit nieuwe tableau. Daarom bleef het zicht vanaf het zuidperron gevrijwaard van hagen of hekken. Als ook een bezoek aan het neerhof en de vijver in de lager gelegen vallei tot de wandeling heeft behoord, moesten wandelaars deze weg op de een of andere manier oversteken. O p het terrein zijn, met uitzondering van een meer recent diensthek aan de zuidwestelijke grens van het park, echter
geen sporen terug te vinden van een poort, een doorgang of een oversteekplaats. Een aandachtige lezer verneemt bij Goetghebuer wel dat Baut de Rasmon in 1827 nog het plan had opgevat om via een grot onder de openbare weg beide partijen van zijn domein te verbinden. Wellicht vond hij zijn inspiratie in de tuin van Alexander Pope in Twickenham, uitvoerig beschreven door Popes tuinier en Hirschfeld, waar als toegang tot de tuin een italianiserende grot onder de openbare weg was gebouwd (13). Alles wijst er echter op dat het neerhof, de vijver en het bos ontoegankelijk zijn gebleven en dat de wandeling, net als vandaag, beperkt bleef tot de zone ten noorden van de openbare weg; zonder daarom afbreuk te doen aan het belang van deze zichtas voor de totale aanblik van het park. De Ferrariskaart toont reeds bebouwing wanneer Baut de Rasmon dit domein in handen kreeg. Het
• Het eiland met de open tholos In de vijver van de luidvallei (copyright K. Hebbelmck, 1997)
neerhof met de watermolen en de tweede hoeve nabij de vijver werden samen met aanliggende percelen verpacht. Opvallend is wel dat Baut de Rasmon de vijver en de gronden in de zichtlijn van het kasteel in eigen beheer hield om aldus het zicht vanaf het kasteel te bewaren. Het Kadasterarchief maakt dan ook geen melding van bebouwing of verbouwing op deze plaats. Wel werden voor de aanleg van de vijver bestaande waterpartijen samengevoegd. In één van deze plassen bevond zich reeds een eiland. Kennelijk geïnspireerd door dit gegeven en door de literatuur, liet Baut de Rasmon er nog twee toevoegen. Goetghebuers opsomming bevestigt de aanwezigheid van drie eilanden en blijkt opnieuw de enige aanwijzing te bevatten voor een tweede eikenhouten brug, vermeld in de inventaris van 1833.
Diezelfde inventaris beschrijft ook een 'open tempel (vyver) zijnde een zeskant zonder dak deure of venster met arcaden', op het eiland dat het dichtst de zichtas van het kasteel benadert. Het gaat hier om een bakstenen open tholos of Griekse tempel, op een cirkelvormig grondplan en voorzien van zes rondboogopeningen. Inderdaad zonder dak, deur of venster, maar oorspronkelijk wel voorzien van een kroonlijst, en volledig bepleisterd en geschilderd.
FFN TFMPFI IN HFT PARKBOS Voorbij het centrale gazon doet de wandeling de westzijde van het park aan. Dit deel was oorspronkelijk vermoedelijk opgevat als een parkbos, met hoofdzakelijk exploitatiehout en hier en daar een waardevolle boom als blikvanger. Vandaag is het evenwel uitgegroeid tot een in hoofdbestand beukenbos, waar een onderbeplanting of een struiklaag bij gebrek aan licht nauwelijks overlevingskansen heeft. Niettemin ervaart de wandelaar hier een opmerkelijk andere sfeer, die in het bijzonder bepaald wordt door een opvallende structuur van de paden die als heuse sculpturen gemodelleerd en ingegraven zijn. Een hiërarchie van dergelijke paden ontsluit een gevarieerde wandeling. Hier ervaart de bezoeker het sterkst hoe de vele bochten en de afwisseling van hoogten en laagten, open en gesloten plekken op een betrekkelijk kleine oppervlakte de indruk kunnen wekken van een omvangrijk bos. Als vanzelf wordt hij letterlijk en figuurlijk om de tuin geleid en begeleid naar een nieuw zichtpunt. Zo brengt een ommetje hem naar de zuidwesthoek van het domein waar een uitkijk op de kerk en de molen van Wannegem verborgen ligt. O p de terugtocht naar het kasteel verschijnt 'den tempel met vier colonne in het order dorique staende in den engelschen hof, 2 arduyne trappen, een frontispice den dom in schallien gedekt in den ronden muer dry arcaden, gevloerd met sosynsteen'. Vandaag is de afwerkingslaag van het metselwerk verwijderd.
Tempel in het westelijk bosschage van het park. nabij het kasteel (copyright Luc Polfliet, ca. 1990)
M&L
• Zichtas naar de westzijde van het
waardoor zichtbaar is hoe de zuilen van deze tempel opgebouwd zijn uit kleine zwarte baksteen en oorspronkelijk bepleisterd en wit geschilderd waren. Achter het fronton gaat een houten koepelconstructie schuil. Deze tempel, als een rustplaats en een belvédère op een kunstmatige heuvel gelegen, biedt op zijn beurt een fraai zicht op de kouters en de molen van Wannegem, het kasteel en de oostzijde van het park. Van hieruit wandelde Goetghebuer door een uitgebreide aanplanting van naaldhout naar het hek van de ommuurde boomgaard aan de westzijde. Zowel naaldhout als doorgang verdwenen echter voor de aanleg van een tennisveld in de zichtas van het kasteel.
kasteel vanaf de Huisepontweg (copyright Luc Polfliet, ca. 1990)
EEN LODEWiJK XVi-VOUERE Binnen de ommuurde zone bij het koetshuis ten westen van het kasteel bevindt zich een boomgaard of fruithof 'omringt in mueren welkers omtrek bevat hij de 266 meters op 4 dito hoogte met de fondamenten afgesloten met twee haute heckens'. Hierin staat 'een gebouw dienende voor volliere lank 18 ellen op 4 dito breed en 3 - hoog boven den grond gebouwen met
M&L
•4A De ommuurde boomgaard met volière in het westelijk deel van het domein (copyright K. Hebbelinck. 1997)
pilasters en separatien waer van de tussche ruymte is hekleed met raemen gevlogte in yzer en koperdraet'. Deze opmerkelijke, kleine laagbouw van acht smalle traveeën onder een pannen zadeldak, met een benadrukt middenrisaliet en bossagewerk incluis, is een adellijke volière. Dit betekent evenwel dat hier vrijwel zeker een voorbouw in traliewerk voorzien was, waarvan de omvang en de vormgeving helaas onbekend zijn.
FFN PARK ZONDER GRENZEN Met uitzondering van de vistas op het omringende landschap, wordt het hele domein door boommassieven omsloten. Meidoorn en hulsthagen, opgenomen in de dichte begroeiing, verhinderen betreding maar laten door hun geringe hoogte een blik buiten het domein toe. Waar open zichten gevrijwaard moesten worden, werd gebruikgemaakt van haha's of verzonken en dus onzichtbare omheiningen. Aan de oost- en de westzijde hebben zij de vorm van een opgehoogd talud gevolgd door een droge gracht; aan de zuidgrens bij de openbare weg of aan de noordzijde worden ze omschreven als den muur in de diepte' tussen het koetshuis en de hovenierswoning, opnieuw in combinatie met een droge gracht.
Door dit eenvoudige snufje uit de Engelse landschapstuin worden de grenzen van het terrein aan het zicht onttrokken en lijkt het persoonlijke bezit groter door de integratie van het omringende landschap. Het eigen park vormt slechts het voorplan van een weids landschap op de achtergrond, waarin zowel natuurlijke als persoonlijk rijkdom in beeld worden gebracht. Zo stopte Baut de Rasmons eigendom allerminst bij de grenzen van het park. De fraaie zichten op het landschap brachten terzelfder tijd ook het belang en de omvang van zijn bezit in beeld. Aan de hand van kadasteronderzoek en de inventaris bij het sterfhuis kan het volledige bezit van Baut in deze streek in kaart gebracht worden. Naast eigendommen in de dorpskom van Wannegem, waaronder het voormalige kleine kasteel, besloeg Bauts eigendom een omvangrijk gebied vanaf de grens met Huysse in het noorden tot over de Leedsebeek, in het dorp Ooike, ten zuiden van WannegemLede. O p de noordkouter bezat Baut naast de akkergronden ook enkele hoeven. Ook de grote molen en de molendam blijken zijn bezit te zijn geweest. Toch waren er hier nog grote open gebieden in handen van andere eigenaars. Het open zicht vanaf het
noordperron van het kasteel werd pas goed verzekerd in latere aankopen door Bauts dochter en schoonzoon. Het zicht naar de molen van Wannegem lag evenmin vast in eigendommen. Zo blijkt het gebied tussen de westgrens van het kasteeldomein tot bij de molen in andere handen te zijn geweest. Met uitzondering van enkele percelen geldt een gelijkaardige vaststelling ook voor de oostzijde richting Lede, waar Baut overigens geen eigendommen bezat. De enige garanties om de zichten vanaf het domein te vrijwaren, waren de hoogteligging van het kasteel, de toepassing van haha's en de bodemgesteldheid van deze streek, die deze kouters eerst en vooral als vruchtbare akkers bestemde.
Kasteelbeek bij het neerhof tot de huidige Cieskensstraat en de Leedsebeek verderop. Dit lager gelegen gebied werd hoofdzakelijk gevormd door weiden en grasland. Na 700 meter onbelemmerd zicht vanaf het zuidterras, valt de aanblik van het achterliggende landschap echter buiten Bauts invloed. Met een maison de plaisance in Wannegem ligt het in de lijn van de verwachtingen dat Baut als permanente verblijfplaats ook een hotel in de stad bezat. Hoewel het kasteel te Wannegem naast ontvangst- en verblijfsruimte, ook over uitgebreide en goed uitgebouwde functionele ruimten beschikte
Met inbegrip van het kasteeldomein, reikte het bezit aan de zuidzijde enigszins verder. Zo bezat Baut vrijwel de volledige zuidelijke vallei, over de De haha of verzonken omheining tusScherpe Hulsthagen
sen de hoveniers-
in de Wannegem-
woning en het
Ledestraat
koetshuis in het
(voormalig foto-
noordelijk deel van
archief familie De
het domein
Ghellinck
(copyright
d'Elseghem,
K. Hebbelinck,
ca. 1900)
1997)
1V1&L
Overaclitsplan met alle eigendommen van Alphonse Baut de Rasmon en douairlére Adelaide Vanden Hecke Baut te Wannegem-Lede (copyright K. Hebbelmck. 1997)
122 Plan Wannegem Lede primitieve legger, sctiaal 1 100OO eigendommen Alphonse Baut aankopen Vanden Hecke Baut
als een keuken, dienstruimten en een bergplaats, kan dit, bij gebrek aan verwarming, moeilijk een hoofdresidentie geweest zijn. Tenzij men de branders oi siovtn, opgegeven in de boedelbeschrijving van het kasteel, en de warmere ruimten aan de zuidzijde van het kasteel daartoe voldoende acht. Als burgemeester van Wannegem was Alphonse Baut hier evenwel gedomicilieerd. Bauts goederen in Gent, afkomstig uit de nalatenschap van zijn vader, waren evenwel verhuurd of blijken opbrengsteigendommen te zijn geweest, zoals de afspanning de Drie Koningen op de Koornmarkt. Pas na het huwelijk van hun dochter Adelaide in 1809, konden Alphonse Baut en zijn echtgenote gebruikmaken van een appartement in het hotel van hun schoonzoon Charles Vanden Hecke op de Kouter nr. 22, naast Hotel Falligan (14). Waar en hoe Baut de Rasmon voor deze tijd met zijn gezin de winter doorbracht, is niet gekend.
EEN •JARDIN PITTORESQüE'
M&L
In het park van Wannegem liggen aldus de typische kenmerken van een Engelse landschapstuin vervat.
Zo omschreef Alexander Pope de essentie van een landschapstuin als het samengaan van drie basisprincipes: het samenbrengen van alle mogelijke contrasten in de natuur, het uitlokken van verrassingseffecten door variatie en afwisseling en tenslotte het verbergen van de grenzen van het domein (15). O m d a t symmetrie vreemd schijnt in de natuur, herkennen Hogart en Burke de hoogste schoonheid in een golvende belijning (16). O p elk punt uniek, stimuleert deze serpentine de verbeeldingskracht van de beschouwer. Daarom wordt de tuin voortaan ontworpen voor de opmerkzame wandelaar, die na iedere bocht en in elk nieuw standpunt de rijkdom van de natuur ontdekt. Als bovendien elke omheining wegvalt wordt 'all nature as a garden en gaat het hele begrip 'tuin' aan het wankelen. Aldus menen we in de 'Engelse' landschapstuin van Wannegem de 'ware natuur' te ontdekken, als ideaal kader voor de classicistische architectuur van het kasteel. En terecht! Waar anders dan in Stowe toont de natuur zich als een centrale vista, over een grasvlakte afdalend tot bij een lager gelegen meer en ondersteund door bossages en ter zijde geplaatste follies of tempelarchitectuur. Precies datzelfde
De oran|erie in de ommuurde moestuin in het oostelijk deel van het park (copyright Luc Polfliet, ca. 1990)
beeld maakt het park van Schoonenberg of het Koninklijk Domein te Laken tot het toonaangevende voorbeeld van de Engelse landschapsstijl bij ons. Maar als Alphonse Baut zijn eigen tuin omschrijft als 'jardin pittoresque, vulgairement appelé jardin anglais', dan moet deze interpretatie enigszins bijgeschaafd worden. De sleutel tot dit raadsel moet in Bauts uitzonderlijke plantenkennis worden gezocht.
In diezelfde moestuin in het oosten van het domein bevindt zich tevens een oranjerie of 'groenhuys staende in gemeen met de serre dit gebouwd 16 meters lank 6 meters hoog 7 dito breed de facade verdeelt in 6 kasseynen en een deur gedekt met blauwe panne is een sterk en deftig gebouw waer aen al agter is mede gaende eenen aftrek of loge op gemetselde pinanten'. Hier blijken dat latere verbouwingen opgevat werden als uitbreidingen en aanbouwen waarin de kern van de oudste constructie bewaard bleef.
ORANJERIF EN SFRRF
Als gedreven plantenkenner was Baut meer dan actief in het Gentse tuinbouwmilieu. Zo was hij mede-oprichter van de Gentse plantentuin, bij de voormalige Baudeloabdij. Schenkingen uit zijn persoonlijke collectie kregen hierin een plaats. In 1801 werd Baut, samen met Van de Woestyne en Dierickx, bovendien mededirecteur van diezelfde plantentuin. Sinds 1809 behoorde hij tot de stichtende leden van de 'Amis de Flore et de la Botanique', vandaag beter bekend als de Koninklijke Maatschappij voor Landbouw en Plantkunde. Hier nam hij deel aan de jaarlijkse zomer- en wintersalons, die later zouden uitgroeien tot de befaamde Gentse Floraliën. Meer dan eens viel hij hierbij in de prijzen (17).
In 'den tweeden moeshof den omtrek mueren 300 meters op 4 hoog met de fondamenten' owzivi'mte.tAe Wannegems grootste schat. Vooreerst bevond zich hier 'de serre (...) bestaende in eene lengte van 9 meters 40 centimeters op 8 meters breed met mueren, boute raemen, en glas alles na den besten zin hier aen medegerekent verscheyde broedbakken alles in goeden staed'. Kadasterarchief toont aan hoe deze serre echter meermaals verbouwd en, losstaand van de oranjerie, verplaatst werd, zodat hieromtrent enkel de opgegeven maten en beschrijving bekend zijn. Het testament van Baut de Rasmon maakt evenwel uitdrukkelijk melding van een 'serre chaude'.
M&L
In dit laatste opzicht is Alphonse Baut zeker geen uitzondering. Gegoede eigenaars verzamelden toen in de oranjerie van hun kasteeldomein een hoogst persoonlijke collectie van zeldzame en kostbare gewassen. Onderlinge wedijver om de mooiste cultuur of nieuwe exoten was hun niet vreemd. Toch zijn de inhoud en de waarde van deze privé-collecties zelden bekend (18). Het sterfhuis van Baut de Rasmon is wat dit betreft wel uitzonderlijk te noemen. Hoe indrukwekkend het kasteel van Wannegem ook mag zijn, driekwart van Bauts testament behandelt de overdracht van zijn uitzonderlijke plantencollectie, die hij als onroerend door bestemming beschouwde en dus onlosmakelijk met zijn domein verbonden achtte. Ironisch genoeg bewijst het park van Wannegem dat planten helaas niet voor de eeuwigheid bestemd zijn. De neerslag van Bauts plantenkennis voor de aanblik van zijn park is vandaag alleen nog in te schatten aan de hand van een inventaris. O m de reële waarde van deze collectie te becijferen deden Bauts erfgenamen namelijk een beroep op twee specialisten terzake: de kwekers Petrus Verleeuwen en Joannes Van Geert. Het kostte hun liefst vijf dagen om het park, de oranjerie, de serre en alle fruitbomen te inventariseren. Het eindresultaat is dan ook op zijn minst verbluffend. Want wat ooit landbouwgrond was, herbergde een botanische collectie van een zeldzame rijkdom. De slotsom van
Voorploiii bij het kasteel met oranjeneplanten (voormalig fotoarchief familie De Ghellinck d'Elseghem,
M&L
deze inventaris van 22726 francs oversteeg zowel de totale waarde van het meubilair (16439 francs) als alle zilverwerk en juwelen (21689 francs). Samengeteld met de 11688 francs voor de inheemse bomen, hagen en heesters op het domein, evenaarde dit kapitaal de eindbalans van de volledige bibliotheek (31 550 francs). Naast laurieren, oranjebomen, limoenen, granaten en oleanders van variërende grootte herbergden de serre en de oranjerie ook exotische boomsoorten in kuipen als Beverboom {Magnolia spec). Gewone koraalboom {Erythrina crista-galli} en Japanse honingboom (Sophora japonica). Kleinere struiken in pot werden aangevuld met aparte collecties pelargoniums, cacteeën en orchideeën. De opvallende aanwezigheid van Begonia, Azalea en Camellia staaft het vermoeden dat deze verzameling mee aan de basis lag van drie van de belangrijkste Gentse sierteelten in de 19de eeuw. Voorts waren er ook rotsplanten en klimplanten. Voor de aanblik van het kasteeldomein zelfwas de omvang van deze verzameling in elk geval groot genoeg om de hele moestuin, het voorplein en de toegang tot het domein alsook het park zelf te verfraaien met kuip- en potplanten van verschillende hoogte en in een wisselende opstelling. Een zo goed als foutloze nomenclatuur doet vermoeden dat beide kwekers hulp vonden in zorgvul-
dig aangebrachte naamplaatjes. Naar herkomst doet deze collectie alle continenten aan tot in de meest afgelegen hoeken. Hoe haal je bijvoorbeeld planten uit Japan in een periode waarin dit land voor handel gesloten bleek? Moeten we Alphonse Baut louter als een rentenier beschouwen zonder een andere beroepsactiviteit? Waar haalde hij dan de kanalen en de connecties om een plantenrijkdom te verzamelen, omvangrijk genoeg om twee collecties te vullen? Want merkwaardig genoeg kwam het overgrote deel van de planten die hij tentoonstelde op het salon niet uit de oranjerie van Wannegem. Hoe Baut de Rasmon planten uit dermate verspreide en verafgelegen gebieden wist samen te brengen, blijft vooralsnog een raadsel.
PARKINVFNTARiS In het huidige bomenbestand van het park zijn in grote lijnen drie leeftijden te onderscheiden. Onder de oudste en meest omvangrijke exemplaren vinden we vooral Gewone en Bruine beuk, Tamme kastanje, Zomereik, Grootbladige en Hollandse linde. Deze inheemse soorten hadden als eerste functie de grote beplantingsvolumes te vormen. Hierdoor is vooral in het westelijk deel de indruk ontstaan van een donker en dichtbegroeid bos, waar, als enige wintergroene variatie, de paden begeleid werden door Gewone taxus, Buxus en Scherpe hulst. De oostzijde vertoonde daarentegen meer afwisseling, met bijzonder waardevolle boomsoorten. Onder de oudste exemplaren vermelden we vooral de Tulpenboom [Liriodendron tulipiferuni) en de Moerascypres (Taxodium distichuni) bij het Hirschfeld-monument, twee Japanse notenbomen {Ginkgo bilobd] en de treurvormen van Zomereik aan de rand van het gazon. Alleen aan deze zijde vinden we nog resten van de naaldhoutsoorten als Zilverspar, Hemlock, Europese lork en Libanon ceder die Goetghebuer opnoemt. Een eerste globale waardering in het sterfhuis van Baut de Rasmon maakte niet zonder reden een opsplitsing tussen de inheemse soorten als 'opgaende hoornen, tronken en haegen te bevinden op den selven grond' tn 'alle andere gewassen te aenzien voor planten van versiering. Gezien de omvang en de rijkdom van deze laatste groep besteedde het sterfhuis van Baut de Rasmon een apart kapittel aan de waardevolle exoten als 'tulipboomen'en 'cederboomen'óic zich talrijk in het domein bevonden.
De inventaris voor het park laat de inheemse bomen en heesters zelfs buiten beschouwing. Uit de verschillende nomenclatuur en schrijfwijze blijkt dat beide kwekers, voor de inventarisatie van 'de planten hun bevindende in den volle grond en arbusten' elk een deel voor hun rekening namen. Het hele park werd perk per perk genummerd en enkel gewaardeerd op de zeldzame en vreemde gewassen. Toch bleven vele perken onbenoemd en vermeld als samengesteld uit 'differente arbusten'. Hier en daar vinden we een plaatsaanduiding: 'aen den uytgang van den potage', 'aen den ingang van het kasteel', 'bij het buys van den hovenier' of 'uyt den engelschen hof'. Maar gezien de omvang van deze collectie en de huidige toestand van het park, waarvoor een grondige inventarisatie tot dusver ontbreekt, kan deze wandeling vooralsnog niet op de voet gevolgd worden. Toch menen we op het domein een traject in wijzerzin te herkennen. Komende van de oranjerie, die eerst geïnventariseerd werd, start men voor de parkbeplanting bij de uitgang van de moestuin. Vervolgens komen de toegang tot het domein en de omgeving van het kasteel aan bod. Vermoedelijk volgt dan de oostzijde van het park, waarin we onder meer de beplanting bij het Hirschfeld-monument menen te herkennen. Zo staan in het 46ste perk onder meer twee Moerascypressen {Taxodium distichuni), samen met twee Dwergcypressen {Chamaecyparis thyoïdes) en twee treurwilgen. De opsomming eindigt met de planten van de 'pleynen' als een grote naaldhoutaanplanting waarvan we dankzij Goetghebuer weten dat zij zich achter de westelijke boomgaard bevond. Deze inventaris valt op te splitsen in drie groepen: bomen, heesters en klimplanten. Het opgenomen bomenbestand bestaat voor een aanzienlijk deel uit naaldhout, meer nog dan wat de opmerkingen van Goetghebuer en de huidige toestand van het park laten vermoeden. Dit betekent vooral dat, samengeteld met de vele wintergroene struiken als hulst en 'wilde laurier', het park ook in de winter een variatie van groenen garandeerde. Uit het geheel spreekt vooral een beeld dat rijker was aan bloei en kleur. Zo zorgden de vele bontbladige gewassen voor de nodige variatie. Waar onze inheemse bomen veelal een gele herfstverkleuring vertoonden, blijkt uit deze collectie een bijzondere voorkeur voor bomen en heesters met een opvallende roodkleuring. De grote collectie magnolia's, rododendrons, een rijke struiklaag van onder meer seringen, zuurbes of chinese roos en bloeiende klimplanten als clematis zijn volledig verdwenen. Opmerkelijk
Voormalig hek bij de hovemerswoning met oran|erieplanten (voormalig fotoarchief familie De Ghellmck d'Elseghem, ca. 1900)
is ook hoe in de verschillende perken geografische groepen te duiden zijn. Zo groepeert het perk bij het Hirschfeld-monument een typische beplanting voor zompige gebieden. Vandaag zijn de resten van deze collectie eerder terug te vinden in het oostelijk deel van het park. Nochtans blijkt uit de inventaris op het eerste gezicht geen onderscheid of minwaarde tussen beide parkonderdelen. Dit laat vermoeden dat de westzijde van het park in latere fasen ingrijpend gewijzigd werd, waardoor de rijkdom erop achteruitgegaan is. Deze zijde was veeleer opgevat als een parkbos en hier stond dan wellicht ook meer exploitatiehout, naast opmerkelijke waardevolle of zeldzame exemplaren. Bovendien is hier een ouder bosbestand ontstaan waardoor een struiklaag als onderbeplanting minder overlevingskansen had. De verschillende waarderingen voor niettemin identieke gewassen, laat vermoeden dat reeds in 1833 in de omvang van deze bomen en heesters verschillende leeftijdsgroepen te onderscheiden waren. De waardevolle stukken behelzen vrijwel uitsluitend boomsoorten. Dit Iaat veronderstellen dat het park in een eerste aanlegfase vooral beplant was met inheemse boomsoorten, bedoeld om de basisvolumes te vormen. Toch waren er toen reeds Ceders, Tulpenbomen en Japanse notenbomen als vreemde eenden in de bijt. Onder de minder om-
vangrijke en dus jongere gewassen stijgt het aandeel van naaldhout, bloeiende heesters en exoten. Deze tendens weerspiegelt enigszins de ontwikkeling van de Engelse landschapsstijl. Aanvankelijk geïnspireerd door de grootse zichten van Lancelot 'Capability' Brown, bestond de beplanting in een eerste fase tot 1800 hoofdzakelijk uit boomsoorten, als solitairs of boomgroepen geëtaleerd. Pas bij de begin van de 19de eeuw kwamen met de 'gardenesque style' van Humphrey Repton een grotere variatie en hang naar bijzondere exoten naar voor, waardoor bloeiende heesters en klimplanten meer betekenis kregen. Niet toevallig is dit net de periode waarin Baut de Rasmon opvallend actief blijkt te zijn geweest in het Gentse tuinbouwmilieu. De belangrijkste conclusie uit deze inventaris moet zijn dat ons huidig beeld van het park van Wannegem wel eens ver van de oorspronkelijke werkelijkheid verwijderd kan zijn. Zo zijn we geneigd om hier de 'ware natuur' te zien, herleid tot haar meest essentiële kenmerken. Een zuivere, golvende belijning, de samenvatting van vlakken en volumes, open en gesloten delen, uitgezet in uniforme boomgroepen en monotone groenen. Misschien wordt precies daarom deze landschapsstijl graag verbonden met de sobere eenvoud van de classicistische architectuur. Toch spreekt uit dit geheel een verregaande detaillering, met een opval-
*ï
lende hang naar botanische merkwaardigheden, gegeerde exoten en bontgekleurde variatie die veeleer aanleunt bij de verzamelwoede en de rariteitenkabinetten van deze periode en de opmars van de tuinbouwcultuur in de vroege 19de eeuw. Hoewel iconografische bronnen vaak gekleurd zijn door enige overdrijving in de omvang van de weergegeven beplanting, moeten we het meeste geloof hechten aan de Flora van De Cloet. Als vandaag de verfijning in deze prent wat vreemd aandoet, dan is dit, naast de enigszins verschraalde toestand van het park vandaag, eerder te wijten aan een verkeerde en onvolledige beeldvorming. Achteraf beschouwd is dit een meer dan terechte voorstelling van de toenmalige sfeer van het park.
Les regies du bon gout et du
Colette Guislaine Baut (1787-1859) als twee enige erfgenamen over. Aanvankelijk gingen alle eigendommen in Wannegem-Lede, met inbegrip van het kasteel, naar de zoon Alphonse. Deze jonge baron, die zwakzinnig geboren was, werd perpétuellement juvénil verklaard. Daarom duidde Alphonse Baut senior bij testamentaire beschikking notaris Ruysschaert aan als voogd van zijn zoon. Tot de taken van de voogd hoorde onder meer het beheer van het kasteeldomein tot de dood van Alphonse junior in 1836 (19). Pas toen kwam het hele bezit toe aan Adelaide Marie barones Baut de Rasmon. Niettemin konden zij en haar echtgenoot, Charles Jacques Vanden Hecke, onder welbepaalde voorwaarden, reeds eerder gebruikmaken van het kasteeldomein. Tot de dood van douairière Vanden Hecke in 1859 bleef Wannegem in het bezit van de laatste Baut.
pittoresque
Uit het huwelijk van Alphonse Baut de Rasmon en Marie Jeanne Papeians de Morckhoven ( 0 1753) kwamen vier kinderen. Nadat de jongste zoon, Valentin, op jonge leeftijd overleden was, verloor Baut zijn echtgenote in 1818. Toen in 1831 ook de jongste dochter Rosalie Marie (°1789) overleden was, bleven bij de dood van Alphonse Baut zijn oudste zoon Alphonse Marie Jean Baptiste Ghislain ( 0 1784) en zijn jongste dochter Adelaide Marie
De voormalige siertuin en brug bij de Hirschfeld-cenolaaf in het oostelijk deel van het park (voormalig fotoarchief familie De Ghellmck d'Elseghem, ca. 1900)
HFT KASTEEL VAN
Bij de aanvang van de 19de eeuw werd de 18deeeuwse patriciërswoning van de familie Boulez verbouwd door Godefroid Boulez (1749-1829), linnenhandelaar en toenmalig burgemeester van Waregem. In deze laatste functie moet Alphonse Baut de Rasmon, als burgemeester van het naburige Wannegem-Lede, hem vast hebben gekend. Toch was de aankleding van dit salon bestemd als praktijk en kantoor van zijn inwonende schoonzoon, notaris Ferdinand Storme (1780-1860). Welke connecties deze notaris en tevens opvolgend burgemeester van Waregem met Wannegem en Baut de Rasmon verbinden, blijft echter onduidelijk. Zo is ook de vraag wie de maker of de initiatiefnemer was van de wandschilderingen en waarom Wannegem hier als thema werd gekozen, vooralsnog onbeantwoord. Sinds de afbraak van deze woning in 1991, berusten de ontmantelde schilderingen bij de Koning Boudewijnstichting, waar ze op een verdere behandeling en mogelijke herbestemming wachten. Mee op basis van materiaal-technisch onderzoek, worden deze schilderingen in het eerste kwart van de 19de eeuw gedateerd. Daarom ook wordt één van de figuren voorgesteld op het voorplein bij het kasteel geïdentificeerd als Alphonse Baut de Rasmon. Ook al wachten deze schilderingen op verder onderzoek en vertekent het gebrekkige perspectief enigszins het beeld, toch behoren ze tot de weinige eigentijdse bronnen voor het kasteel en het park van Wannegem-Lede (21).
Onder de voorwaarden van het testament van Alphonse Baut waren de nieuwe eigenaars verplicht om het dagelijkse onderhoud van het domein op zich te nemen, zonder aan de zichten op het domein te raken. Wijzigingen, snoeien, kappen of rooien van beplanting konden pas na rijp beraad en volgens de 'régies du bon gout et du pittoresque'. Dit testament laat weinig twijfel bestaan over de waarde die Alphonse Baut hechtte aan zijn tuin. Alles wijst erop dat Adelaide Baut deze wijze raad heeft opgevolgd. Daartoe beschikte zij over 9 werklieden, onder leiding van hovenier Petrus Franciscus de Waegenaere. Ook de oranjerie en de serre hebben het overleefd, want sindsdien trok Charles Vanden Hecke met de opbrengst naar de tentoonstellingen van de Koninklijke Maatschappij voor Landbouw en Plantkunde in Gent. Uit de gegevens op het kadaster blijken de bezittingen in de omgeving van het kasteeldomein nauwelijks te zijn veranderd. Integendeel zelfs, door enkele bijkomende aankopen op de noordkouter en rond de zuidelijke vallei werd het geheel nog uitgebreid. Zo lijkt de aanblik van het park weinig te zijn veranderd en werd het oorspronkelijk bezit van Alphonse Baut de Rasmon, met inbegrip van zijn kunstcollectie en zijn bibliotheek, in eer gehouden. Toen enkele jaren later ook Adelaide overleed zonder kinderen of rechtstreekse erfgenamen na te laten, stond de toekomst van het kasteeldomein pas echt op het spel (20). Opvallend is wel dat, na de dood van Adelaide Baut, twee eigenaars in het bezit van gronden in de zichtlijnen van het kasteeldomein, voor een laatste maal een schadevergoeding kregen voor het niet beplanten van deze percelen. Misschien ging deze regeling zelfs terug op oudere afspraken die gemaakt wetden door Alphonse Baut.
HET LOT VAN WANNEGEM Het testament van douairière Vanden Hecke Baut stipuleerde, naast gebruikelijke schenkingen aan kerkfabriek en personeelsleden, zes erfgenamen voor de verdeling van haar bezit. Voor de drie partijen van moederszijde en de drie van vaderszijde werd echter niet bepaald wie wat zou krijgen. De opvolging en de verdeling van deze nalatenschap waren dus afhankelijk van de vindingrijkheid van de comparanten en hun respectieve notarissen. Deze situatie zal dan ook niet zonder problemen verlopen zijn. Een eerste plan maakte zelfs gewag van de verkoop van het hele domein. Uiteindelijk
werden alle onroerende goederen verdeeld over zes loten van gelijke waarde. Het eerste lot omvatte naast het kasteel ook de twee hoeven bij de vijver in de vallei. O p deze wijze hoopte men een volwaardig geheel, in samenhang met het kasteel, te vormen en de zichten vanaf het domein te vrijwaren. De verdeling van de 6 loten bleef echter niet zonder gevolgen voor het oorspronkelijke domein. Zo gingen het merendeel van de percelen op de noordkouter en de molen in andere handen over. Alleen twee percelen voor de toegang tot het domein werden behouden. De zuidelijke grens van het domein bleef vrijwel dezelfde, op enkele percelen over de Leedsebeek na. Alle goederen in Wannegem-Lede, vervat in de overige loten, verdwenen echter voorgoed uit het oorspronkelijke bezit. Ook obligaties, contant geld, zilverwerk en linnen werden over de zes loten verdeeld. Het meubilair werd tegen een meerwaarde van 1 5 % van de geschatte waarde van het kasteel, bij het eerste lot gevoegd en is daarmee zowat het enige wat bij deze verdeling gered werd. Wat dan nog restte van de inboedel op het domein ging onder de hamer. Bij een eerste openbare verkoop, op 2 april 1860, gingen de koetsen, de paarden en het paardentuig van de hand. Vervolgens werden bij Ferdinand Verhulst in Gent op 1,2 en 4 mei 1860 de collectie gravures van Woollet, enkele schilderijen en de volledige bibliotheekvan Baut de Rasmon verkocht. Tenslotte moest ook de oranjerie mét inboedel eraan geloven. Door een lottrekking werd het kasteeldomein toegewezen aan een nicht van de douairière, van vaderszijde, Reine Marie Josephe Ghislaine de Potter. Zij was de echtgenote van ridder Charles de Ghellinck d'Elseghem, en zo kwam het kasteeldomein voor 136 jaar in handen van de familie de Ghellinck d'Elseghem. Wijzigingen in de aanblik van het park bleven echter beperkt tot enkele sierelementen zoals een corbeille op het voorplein van het kasteel en een siertuin aan de oostzijde van het park. De belangrijkste architecturale uitbreidingen waren de bouw van het jachtwachtershuis bij de toegang van het domein en Lepavilion, een klein kasteeltje achter de oostelijke moestuin. In 1901 werden zowel de serre als de oranjerie verbouwd voor de toevoeging van twee druivenserres. Naast de heraanleg van de moestuin werd in het park van Wannegem ook een tennisveld aangelegd, dat later ongelukkig verplaatst werd in de zichtlijn naar Wannegemdorp en de houten staakmolen.
BESCHERMD MONUMENT BESCHERMD LANDSCHAP Een Koninklijk Besluit van 1971 beschermde het kasteel als monument. Een gedeelte van het park met de bijgebouwen is een beschermd landschap. Zo beperkt deze bescherming zich tot de parkzone bij het kasteel, ten noorden van de openbare weg. De vallei met de vijver en de tholos en de zichten op het landschap bleven buiten beschouwing. Ook aan de noordelijke grens van het domein stopt het beschermde landschap bij het toegangshek. Dit landschap lijkt met besloten ogen betekend. Inmiddels zijn er in dit gebied bijkomende beschermingen van toepassing. Reeds in 1944 werd de oude staakmolen van Wannegem als monument beschermd. Nadat de houten Westmolen een eerste keer verplaatst werd vanuit De Haan naar Zuienkerke, werd hij in 1984 nogmaals ontmanteld en naar Wannegem overgebracht. O p de noordkouter werd in 1981 de hoeve 't Klein Goed beschermd als monument, de onmiddellijk aanpalende gronden als dorpsgezicht. De hele dorpskom van Wannegem-Lede geniet hetzelfde statuut. Tenslotte werd de bescherming als landschap van de Huisepontweg uit 1990, in 1995 vervangen door een bescherming als monument voor zowel deze kasseiweg als Wannegem-dorp en een gedeelte van de Wannegem-Ledestraat. Ironisch genoeg lijkt hiermee zowat alles, behalve het meest dringende beschermd te zijn. Bovendien raken zowel het kasteel als het park langzamerhand in verval, ondanks hun bescherming. Het centrale gazon wordt verpacht als weide. O m het onderhoud van het park te verminderen wordt deze weide stelselmatig uitgebreid. Oude treinrails en betonpaaltjes brengen een omheining in prikkeldraad tot over de paden in de bosmassieven. Het oude wandeltracé vervaagt. Open plekken in het bos of zichten op de omgeving groeien dicht. Onder de hoge bomen kwijnt de struiklaag weg bij gebrek aan licht. Een zware storm ontwortelde hele boomgroepen en berokkende schade aan de tempel. Zowel de boomgaard als de moestuin raken in verval. De oranjerie wordt als buitenverblijf verhuurd en krijgt daarom wel nog een opknapbeurt. Vijvers verlanden en eilanden groeien naar elkaar toe. In de vijver bij het Hirschfeld-monument staat nog amper water. De weinige jongere aanplantingen sluiten oude zichten veelal af. Zo komen in de haha's meidoornhagen, of vernauwen sparren en populieren het zicht op de molen van Wannegem.
Luchtfoto van het kasteeldomein, I9S9 (Nationaal Geografisch Instituut)
Bij de verkoop van het geheel in 1996 lag het park er verschraald en verwaarloosd bij. De laatste decennia is het noodzakelijke onderhoud vrijwel volledig stilgevallen, waardoor spontane opslag en wildgroei het domein overwoekeren. Ondanks Bauts vrome wens is de bijzondere verfijning van dit park verdwenen. Als niettemin de hoofdstructuur van dit park met de belangrijkste zichten vanaf het domein bewaard zijn gebleven en het omringende landschap vooralsnog niet verkaveld werd, is dat in hoofdzaak te danken aan de omvang van het bezit en aan het langdurige bewind van de familie de Ghellinck d'Elseghem.
TABLEAU LM oi.i in imrvMQi:
COT, F. ECTJÓN,'-' iiüissr ALÏ, I
• :
% I.RS.
WBStXm limvmiiH N n l m ITK p*. M n i s r o v i A i M S , „.ur..„.
„,.„„.
tyCX*,,
,U.
^
v i-Ad/, 1 ••> 1 MI
O m zijn historische, esthetische en socio-culturele waarden verdient dit geheel een grondige bescherming. Als een in hoofdzaak cultuurrijk gegeven waarin de basisstructuur van het ontwerp en de architecturale elementen van doorslaggevend belang zijn, verdient de bescherming als monument uitbreiding tot de hele parkzone en de vijver met tempel bij het neerhof. Naast de architecturale waarde van dit laat-18de-eeuwse maison deplaisance is Wannegem-Lede een uniek voorbeeld van de Engelse parkaanleg en de pittoreske trant aan het einde van diezelfde eeuw. Zo schetst Wannegem ook de natuurbeleving in die periode. Het concept achter dit geheel wordt net gekenmerkt door een sterke visuele band met de omliggende dorpen en het landschap. Een nieuwe en uitgebreide bescherming als landschap kan de oudste kern en het eigendom van Alphonse Baut en douairière Vanden Hecke Baut, die mee bepalend waren voor de historische structuur, bebouwing en bestemming van dit landschap opnemen. Aldus kunnen de historische parkstructuur, met inbegrip van alle constructies en tuinornamenten, alsook de beeldbepalende zichten in het landschap, het kasteeldomein van Wannegem-Lede tot een samenhangend geheel herstellen.
^
-.1.1
r«„*™~..
.r,/ "*'
T R AI
• • .
17. t
K?l
• '
ALPHABETIQUE
D E S
ARBRESRÊSINEUX
COMPERES, E X T R A I T E T TR A D U t T DS VAS^LOIS D£Mll.l.t.K. Avtc dei wet , obfeirwom it
WJjutóS
C A T A L O G U E D E S ET •*""•
A R B R E S ARBRISSEAUX,
!: i:i-l.-, • |
, , .,,
'f' -*
M E T Z,
ém jifr**"* *• rmUf, J. ««,
Vijf titelpagina's uit de rijke
MANUEL L'A R li O R I S T E E T D U
FORESTIER BELG1QUES; Pm M. LH IJAWHC D I : r o r n i i i i . i : , AHOC;^ fcmgH 'Ir I.. S.. j.ir Ituy.l* Mlrfl «J.U,U Ar fefe
bibliotheek van Alphonse Baut de Rasmon (Bibliotheek van de Nationale Plantentuin, Meise)
1
Lijslmam Acacia Acacia glutinosa Acacia inermis Acacia inermis Acer disecrum Acer F. argentea Acer f. aurea Acer fol. var. Acer legonda Acer plaranoides Amorpha fruricosa Amygdaiis fl.pl. Andromeda arborea Andromeda dabascia Andromede Arabel fol. var. Aralia spinosa arbre de judee Arisrolochia sipho aster plaranoides azalea pontica berberis Bignonia catalpa Bignonia radicans Bois de Bin Bon due de canada Boner de pretre boule de neige Calmia latifolia Calycanrhus florida Calycanthus praecox Ceder de liban Ceder oxylum Ceder rouge Cercis rubra Cercis saliquestrum chamaebuxus chineetse paeonia Cliionanthus virginica citissus Citissus fl. lutens Clethra alnifolia colutea Colutea glauca Colurea lutea Cornicera corn us Cornus florida Crataegus fl. rubro Crataegus laurifolia Crataegus plaranoides Crataegus pleno Crataegus robro Craraegus rubra Cypressus disticha Cypressus thuoides cytissus trifoliata Dapbne laureola differenre chrysanthemums differente hortense Dirca palustris
Wetemchappdtjke benaming
Nederlandse benaming
Herkomst
Robinia viscosa Robinia pseudoacacia 'Inermis'
Kleverige Acacia Gewone Robinia
N.VSA Frankrijk
Acer palmatum 'Dissectum' Acer saccharinum
Ziiveresdoorn
N.VSA
Gewone Esdoorn Vederesdoorn Noorse Esdoorn
België M.VSA Europa N.VSA N. Afrika O.VSA W. Europa
Acer pseudoplatanus 'Leopoldii' (?) Acer negundo Acer plaranoides Amorpha fruricosa Prunus dulcis Oxydendrum arboreum Daboecia cantabrica (?) Andromeda spec. Acer plaranoides 'Albovariegatum' Aralia spinosa Cercis siliquasrrum Arisrolochia macrophylla Acer plaranoides Rhododendron ponticum Berberis spec. Catalpa bignonioides Campsis radicans
Amandel
Auteur
Datum van invoering 1791 1800
Thunberg
1784
Vervaene
1806 1688 1724
Poederlé 1747 1794
Noorse Esdoorn
Hill.
1822 1688 1600 1763
Hill.
1726 1640
André
1748
Judasboom Moffenpijp Noorse Esdoorn
O.VSA Z. Europa O.VSA Europa
Zuurbes Catalpa Trompetklimmer
Z.VSA ZO. VSA
Doodsbeenderenboom Gewone Kardinaalsmuts Gewone Sneeuwbal
VSA Europa Nederland
Specerijsrruik Sneeuwvlokkenboom übanonceder
Judasboom Vleugeltjesbloem Boompioen Sneeuwvlokkenboom
ZO. VSA China Libanon Can. Eilanden VSA Californië Z. Europa C. Europa China O.VSA
Brem Schijnels Blazensrruik Blazenstruik Blazenstruik
Spanje O.VSA Frankrijk Kaukasus Z. Europa
Kornoelje Tweesrijlige Meidoorn Hanendoorn
C & NO. VSA
1731
O.VSA
1691
Crataegus laevigata 'Plena' Craraegus laevigara 'Rubra Plena' (?) Craraegus laevigara 'Rubra Plena' (?) Taxodium disrichum Chamaecyparis rhyoides Laburnum anagyroides Daphne laureola
Tweesrijlige Meidoorn Tweesrijlige Meidoorn Tweesrijlige Meidoorn Moerascypres
Frankrijk Engeland Engeland Z.VSA Z.VSA Kashmir Z. Europa
1700 1832! 1832! 1640 1736
Hydrangea macrophylla Dirca palusrris
Hortensia
Gymnocladus dioecus Euonymus europeus Viburnum opulus 'Roseum' Kalmia latifolia Calycanthus floridus Chimonanrhus praecox Cedrus libani Juniperus oxycedrus (?) Juniperus virginiana Cercis canadensis Cercis siliquasrrum Polygala chamaebuxus Paeonia lactiflora Chionanthus virginicus Cytissus spec. Cytissus grandiflorus (?) Clethra alnifolia Colurea x media (?) Colurea orientalis Colutea arborescens Cornaceae (?) Cornus spec. Cornus florida Crataegus laevigata 'Rubra Plena' (?) Crataegus crus-galli
Jeneverbes
Goudenregen
Japan, China,... VSA
1594
Andre
1726 1766
den Ouden 1664 1641 1600 1658 RHS 1732
Hill.
1816 1731 1623 1710 1568
Poederlé 1561 1788 1750
Lijstnaam
Elegia tetraptera Erabcl jaspee Erica envacumum Etragene indica Etragene indica pleno evonimus evonimus latifoÜa Fagus nigra Forthcrgiilaalnifolia Fraxinus f. var. Fraxinus florida Fraxinus folio juglans Fraxinus inermis Fraxinus myrtifolia Fraxinus plumosa Fraxinus salidtolia Fraxinus semperHorens Fraxinus sempervirens
Wetenschappelijke benaming
Nederlandse benaming
Herkomst
Auteur
Halesia tetraptera
S nee uwklo kj esboo m
N.VSA N O . VSA
André
Acer pensvlvanicum Clematis spec (?) Clematis spec. (?) Euonymus spec. Eonymus latifolius Fagus sylvatica •Atropunicea" (?)
americana var. juglandifolia triacanthos f. inermis (?) rotundifolia (?) ornus
Z O . VSA Engeland
1765 1770
Valse Christusdoorn
Engeland Oostenrijk
PI ui mes
Engeland Z O . Europa
1724 1798 1768 1710
1804 - Joseph Pitton
gebaseerd op de
plantengeslachten
Tableau de l'Ecole
de Tournefort
structuur van de
op. Het maakte
(Bibliotheek van de
de Botanique de
(1616-1708)
bloem en stelde
hem tot belangrijkste
Nationale Planten-
Muséum d'Histoire
ontwikkelde een
een consequente
voorganger van
tuin, Meise)
naturelle, Parijs,
plantensysteem
beschrijving van
Linnaeus' planten-
Gaultheria procumbens Rosa banksiae lurea 'Yellow Banksia' Ilex spec.
Gleditschia inermis Gleditschia triacanthus
Ginkgo biloba Gledirsia sinensis of japonica Gleditsia triacanthos f. inermis Gleditsia triacanthos
Glycine apios Herculus macrostachia Hvbiscus syriacus Ilex laurifolia Ilex myrtifolia
Apios americana Zanthoxylum clava-herculis (americana) Hvbiscus syriacus Ilex aquifolium •Laurifolia' Ilex aquifolium 'Myrtifolia'
1755
1730
A uit: Desfontaines,
Gaultheria procumbens geele dobbel roose gepanacheerde hulsten gepanacheerde hyften Gingobiloba Gleditschia horrida
1756
KI. Azië
Kardinaalsmuts Bruine Beuk
Fothergilla gardenii Fraxinus excelsior 'Aureovariegata' (?) Fraxinus Cleditsia Fraxinus Fraxinus
Datum van invoering
systematiek
O.VSA China
1762 Beales
1825
Bonte Hulst Japanse Notenboom
China China
Valse Christusdoom
VSA VSA VSA VSA
Valse Christusdoorn
Altheastruik Scherpe Hulst Scherpe Hulsr
China, Indië
1727 1800 1700 1700 RHS RHS
1740
Lijstnaam
Wetenschappelijke benaming
Nederlandse benaming
Herkomst
Auteur
Datum van invoering
Juglans alba Juglans nigra juniper
Carya ovata Juglans nigra Juniperus spec. Itea virginica Cydonia oblonga Lindera benzoin (?) Prunus lusitanica Sassafras albidum Ledum groentandicum Liquidambar styraciflua Liriodendron tulipifera Lonicera japonica Magnolia acuminata Magnolia frascri Magnolia cordata Magnolia glauca Magnolia liliiflora Magnolia tripetala
Hickorynoot Zwarte Walnoot
0 . VSA
RHS
O.VSA
1629 1656
O.VSA
1744
Knittea virginica Kweepeiren Laurus benjamin Laurus portugal Laurus sassefras Ledum latifolium Lequidembar styraciflora Liriodendron tulipifera Lonicera japonica Magnolia acuminata Magnolia auriculata Magnolia cordata Magnolia glauca Magnolia purpurea Magnolia tripetala
Magnolia uylang Mallus tattarica Mespilus canadens s Mirica zeriphera Moras paparifera Ocuba japonica officinalis Paeonia arborea papavcracea Pavea lutea Pavea rubra Pinus apios Pinus argentea
Kweepeer Benjaminstruik Portugese Laurierkers Sassafras
C. & N O . VSA Spanje, Portugal O.VSA
André
Gtoenland Amberboom Tulpenboom Beverboom Beverboom Beverboom Beverboom Beverboom Beverboom
Z O . VSA O.VSA Japan, China,... O.VSA ZO. VSA O.VSA
RHS
O.VSA China, Japan ZW. VSA
uil Desfontams,
1804 - Antoine-
van het 'natuurlijk
tastte de over-
De naamgeving van
(Bibliotheek van de
Tableau de l'Ecole
Laurent de Jussieu
systeem' in de plan-
heersende positie
de families van de
Nationale Planten-
de Botanique de
(1748-1836) legde
tensystematiek.
van Linnaeus'
hogere planten is
tuin. Meise)
Muséum d'Histoire
in 1789 de grond-
Zijn methodische en
plantensystematiek
gebaseerd op zijn
naturelle, Parijs,
slag voor het succes
precieze aanpak
ernstig aan.
werk
Magno ia denudata Morus alba 'Tatarica' (?) Amelanchier canadensis Mvrica pensylvanica Broussonetia papyrifera Aucuba )aponica Paeonia suffiuticosa Rhomneya coulteri (?) Aesculus flava Aesculus pavia Picea al ies(?) Abies alba
1683 1648 1630 1763 1681 1663 1806 1736 1786 1801 1688 1790 1752
Beverboom Witte Moerbei Krentenboompje
0 . & Z. China Engeland O.VSA
1789 1784
Papierberk Aucuba
N O . VSA Japan, China,. Taiwan, Korea
1725 1750
China Californië
1623
1783
Boompioen Boompapaver Gele Pavia Rode Pavia Gewone Fijnspar
VSA
1787 1874 1764
Z.VSA
1711
Gewone Zilverspar
Europa, VSA
1603
Lijsmaam
Wetenschappelijke benaming
Nederlandse benaming
Herkomst
Pinus balsami Pinus canadensis nigra Pinus cembra Pinus nigra Pinus weymoetsii Piracanthos sempervirens Salix pleureur Polssche sperre Populus canadensis Prunus vagus Pyrus alba Pyrus japonica Pyrus spectabilis Quercus edulis Quercus prunus Quercus sempervirens Rhamnus argentea Rhododendron camschatium Rhododendron dauricum Rhododendron hirsucum Rhododendron nerifolia Rhodora canadensis Rhus corinus Rhus Java Rhus samac Robinia glatinosa Robinia sablangia Robinia saiicifolia Robinia acacia Salix inermis Salix laurifolia sambuxus Sambuxus fol. var. sapinetre argentée sapinette blanche sapinerte strobus sapinette taxifolia Semphoria raceraosa Soipleureur
Abies balsamea Tsuga canadensis Pinus cembra Pinus nigra Pinus strobus Pyracantha coccinea (?) Salix alba 'Tristis' Larix decidua Populus x canadensis Prunus padus (?) Pyrus saiicifolia (?) Chaenomeles japonica Malus spectabilis (?) Quercus robur (?) Quercus prinus Quercus x turneri 'Pseudoturneri' Rhamnus alaternus 'Argenteovariegatus' Rhododendron camschaticum Rhododendron dauricum Rhododendron hirsutum Rhododendron neriiflorum Rhododendron canadense Cotinus coggygria Rhus chinensis Rhus typhina Robinia viscosa
Balsem Zilverspar Hemlock Alpenden Zwarte Den Wevmouthden Vuurdoorn Gele Treurwilg Europese Lork Canadapopulier Vogelkers
N.VSA O.VSA Europa Europa 0 . VSA Z. Europa Frankrijk Carpaten Frankrijk
Robinia pseudoacacia Robinia pseudoacacia 'lnermis'(?) Salix pentandra Sambucus spec. Sambucus nigra 'Luteovariegata' (?) Abies Abies alba Pinus strobus Pseudotsuga menziesii Symphoricarpus albus var. laevigatus Salix alba 'Tristis'
Gewone Robinia
Japanse Kwee
Auteur
Datum van invoering
RHS
1696 1736 1746 1759 1550 1594 1815 1629 1750
Poederl
Kaukasus Japan China
1780 1869! 1750
N.VSA Frankrijk Middellandse zee Alaska Korea Alpen Yunnan NO.VS Z. Europa China, Japan O.VSA N.VSA
1688 1800 1700 1799 1780 1656 1906! 1767 1656 1784 1629 1791
Japan, VSA Frankrijk Europa
1635 1800
Frankrijk
1770
Zomereik
Vuilboom
Blauwe Azalea Pruikenboom Fluweelboom Kleverige Acacia
Laurierwilg Vlier Gewone Vlier Zilverspar Gewone Zilverspar Wevmouthden Douglas Sneeuwbcs Treurwilg
Europa. VSA VSA W. & Z. VSA VSA Franktijk
den Ouden RHS
1603 1550 1827 1817 1815
JT W
i • iéÊÊÊ^'
/»
M&L
Lijstnaam
Wetenschappelijke benaming
Sophora japonica spaensche sperre staphilodendron Staphelia trifoliara Syringa Telia argentea Thleia americana Thua occidentalis tuas Tulipee Ulex simplex Vaccinium Viburnum quadrifolia wilde laurier Acacia rosa Staffilodendron Laurus f. var. Lilacs buxus gepanaceerde olm
Sophora japonica Abies pinsapo Staphylca pinnata Staphylea trifolia Syringa x persica (?] Tilia tomentosa Tilia americana Thuja occidentalis Thuja spec. Liriodendron tulipiferum Ulex europeus (?) Vaccinium spec.
Nederlandse benaming Japanse Honingboom Spaanse Zilverspar Pimpernoot Pimpernoot Sering Zilverlinde Amerikaanse Linde Westerse Levensboom Levensboom Tulpenboom Gaspeldoorn
Viburnum dnus Robinia hispida Staphylea pinnata Prunus laurocerasus 'Aureovariegata' (? Syringa vulgaris Buxus spec. Ulmus carpinifolia Variegata'
Ruwe Acacia Pimpernoot Laurierkers Sering Palm Bonte Veldiep
Herkomst Frankrijk VSA Z. Europa 0 . VSA Azië ZO. Europa O.VSA N.VSA
Z. Europa ZO. VSA Z. Europa
de Muséum d'Histoire naturelle, Parijs, 1804 • Carolus Linnaeus (1707-
Engeland
uit: Tsudi, baron de, Traite des arbres résineux. conifères, extrait et traduit de l'anglois de Miller, avec des notes,
1778) ordende het planten-
observations & experiences.
rijk op eenvoudige wi|ze
Metz, 1768 - afbeelding 4
door zich te baseren op
- CYPRES met onder links
de voortplantingsorganen,
bij K een twijgje van de
vin. de meeldraden en de vmchtbeginsels (Bibliotheek van de Nationale Plantentuin, Meise)
Datum van invoering 1750 1837! 1569 1640 1640 1767 1752 1534 1663
Poederlé Poederlé
1550 1758 1569
Poederlé
André, E., Pares et Jardins, Paris, 1879 Boom, B.K., Nederlandse dendrologie, tiende druk, Wageningen, 1978 Brickell, C, The Encyclopedia of Garden Plants, London, 1989 Hart, S., Plantenvinder voor de Lage Landen, Zutphen, 1995 Hillier's Manual of trees & shrubs, London, 1984 Huxley, A., The New Horticultural Society Dictionary of Gardening, delen 1-4, London & Basingstoke, 1992 Krussmann, G., Handbuch der Laubgehölze, Band ITU, Berlin & Hamburg, 1978 Kriissmann, G., Handbuch der Nadelgehölze, Berlin & Hamburg, 1972 Ouden, den. P., & Boom, B.K., Manuel of cultivated Conifers, derde editie, Den Haag, 1982 Poederlee, de, Manuel de l'Arboriste et du Forestier Belgiques, Brussel, 1772 Walters, S.M., et al., The European Garden Flora, Vol. 1, Cambridge, 1998 Walters, S.M., et al.. The European Garden Flora, Vol. 11, Cambridge, 1988 Walters, S.M., et al.. The European Garden Flora, Vol. Ill, Cambridge, 1988
uit: Desfontames, Tableau
den Ouden Poederlé
O.VSA Europa
RIRIIOGRAFIF
de l'Ecole de Botanique
Auteur
Moerascypres (Bibliotheek van de Nationale Plantentuin, Meise)
1772
datum
Lijstnaam
Wetenschappelijke benaming
Herkomst
datum van invoering
Rhododendron ponticum
Rhododendron ponticum
Pontische rododendron
Spanje, Portugal, Kl,-Azic
Rhododendron ponticum, var.
Rhododendron ponticum
Pontische rododendron
Spanje, Portugal, Kl,-Azië
1753
Rhododendron maximum
Rhododendron maximum
OVSA
1736
Azalea coccinea
Rhododendron 'Coccinea Speciosa' (?) Gentse Harde azalea
id. carnea
Rhododendron luteum
Azalea
id. tardiva, flor. PI.
Rhododendron spec.
Azalea
Sénéclaude 0 Eutopa, Kaukasus
1753
voor 1846 1793
id. coccinea
Rhododendron 'Coccinea Speciosa' (?) Gentse Harde azalea
id. mixta
Rhododendron mixtum
Rustica-soort!
Camellia japonica
Camellia japonica
Camellia
Korea. China, Japan
1732
id. paeoniflora
Camellia japonica 'Paeoniflora'
Camellia
Korea. China. Japan
1732
id. maidenblush
Camellia sasanque 'Maiden's Blush'
Camellia
Korea. China, Japan
1732
Epacris pungens
Epacris pungens
id. attenuata
Agave attenuata (?)
Agave
Mexico
Amygdalus persica, fl. pi.
Pyrus x amygdalo-persica (?)
Amandel
Zwitserland
Amaryllis vitata
Hippeastrum vitatum
Amaryllis
Peruviaanse Andes
Sollya heterophylla
Sollya heterophylla
Australische boshyacint
W Australië
Petunia integrifolia
Petunia integrifolia
Violetkleurige petunia
Argentinië
Alonzoa elegans
Alonsoa warscewiczii
Maskerbloem
Peru
Fuchsia globosa
Fuchsia magellanica var. globosa
Fuchsia
Chili, Argentinië
Calampelis scabra
Deurzia scabra (?)
Deutzia
Japan, China
Sénéclaude
voor 1846
Decaisne 1862 voor 1623
1830
1823 1822
Cactus
Cactus alatus
1840
Nederlandse naam
Pelargonium dnctum
Pelargonium spec.
Pelargonium
id. nubilum
Pelargonium spec.
Pelargonium
id. incarnatum
Pelargonium spec.
Pelargonium
Plumbago Zeylanica
Plumbago zeylandica
Gloxinia speciosa
Sinningia speciosa
Alstroemeria pillosa
Alstroemeria haemantha (?)
ZO Azië, Australië Gloxinia Chili
Citrus aurantium
Citrus auranrium
Bittetsinaasappel
Maleisië, 0 Afrika
1595
Azalea nudiflora
Rhododendron nudiflorum
Azalea
Engeland
1734
id. pontica
Rhododendron luteum
Pontische azalea
0 Europa. Kaukasus
1793
id. indica alba
Rhododendron simsii 'Alba'
Indische azalea
Engeland
1808
Rhododendron ponticum
Rhododendron ponticum
Pontische rododendron
Spanje, Portugal, Kl,-Azië
1753
Camellia maidenblush
Camellia japonica 'Maiden's Blush'
Camellia
id. Knighti
Camellia japonica 'Knightii'
Camellia
Engeland
Ledum latifolium
Ledum groenlandicum
Labradorthee
Groenland, N Amerika
Schizanthus pinnatus
Schizanthus pinnatus
Catmichaelia austtalis
Catmichaelia australis
Dianella coerulea
Dianella coerulea
Vlaslelie
Pimelea decussata
Pimelea arenaria
Tijmachtigen
Nieuw Zeeland
Sollya hetetphylla
Sollya heterophylla
Australische boshyacint
w Australië
1830
Fuchsia globosa
Fuchsia magellanica var. globosa
Fuchsia
Chili, Peru
1832
Pelargonium yetmanianum
Pelargonium spec.
Pelargonium
id. Anna Bolyn
Pelargonium 'Anna Bolyn'
Pelargonium
Chili, Zuid eilanden Nieuw Z Wales 1817-1824
Rhododendron ponticum
Rhododendron ponticum
Pontische rododendron
Spanje, Portugal, Kl,-Azië
1753
Camellia striata Rosa bengaiensis, flavescens Lechenaultia Formosa
Camellia japonica 'Striata'
Camellia Bengaalse roos
Counor & Slater
1792
Rosa chinensis var. semperflorens Lechenaultiafloribunda(?)
1789
datum
Nederlandse naam
Herkomst
datum van invoering
Lijstrmm
Wetenschappelijke benaming
Citrus Aurantium
Citrus aurantium
Bittersinaasappel
Maleisië. 0 Afrika
1595
Correa alba
Correa alba
Witte correa
Tasmanië
1793
Eccremocarpus scabra
Eccremocarpus scaber
Gloriebloem
Chili
Prostanthera iasianthos
Prostanthera Iasianthos
Vicroria kerststruik
ZO Ausrralië. Tasmanië
Sollya heterophylla
Sollya heterophylla
Australische boshyacint
W Australië
Aloë
Z Afrika. Madagascar
Lobelia arguta
Mexico
Oxalis Deppii
Oxalis tetraphylla
Aloë hybrida
xGastroleaWalther.(?)
Galardia aristata
Gaillarda aristata
Kokardebloem
NW VSA. Rocky Mountains
Lilium longiflorum
Lilium longiflorum
Paaslelie
Taiwan, Z Japan
Azalea pondca
Rhododendron luteum
Pontische azalea
0 Eutopa. Kaukasus
id. carnea
Rhododendron luteum
Pontische azalea
0 Europa, Kaukasus
1793
id. indica. phoenicea
Rhododendron simsii var. (?)
Indische azalea
Engeland
1808 1753 1734
Rhododendron ponticum
Rhododendron ponticum
Pontische roos
Spanje, Portugal, Kl,-Azië
Kalmia latifolia
Kalmia latifolia
Lepelboom
NO VSA
id. alba
Kalmia latifolia 'Alba'
Lepelboom
Fuchsia grandiflora
Fuchsia spec.
Fuchsia
id. mutabilis
Fuchsia spec.
Fuchsia
Pimelea dccussata
Pimelea arenaria
Tijmachtigen
Nieuw Zeeland
Burchellia parviflora
Bruchellia bubalina
Hardhout
Z Afrika
Polygala latifolia
Polygala latifolia
Vleugeltjesbloem
Lechenaultia Formosa
Lechenaultiafloribunda(?)
1793
1840
Cineraria amelloides Gnaphalium congestum Lobelia arguta
Ardisia crenulata
Ardisia crenata
Koraalbes
Japan, N Indië
Jasminum grandiflorum
jasminum officinale f. grandiflorum
Jasmijn
Subtrop. Himalaya
Amygdalus fl. pleno.
Pyrus dulcis 'Alba Plena'
Amandelboom
Syrië, N Afrika Sénëclaude
Azalea coccinea
Rhododendron 'Coccinea Speciosa' (?) Gentse Harde azalea
Hyacinthus orientalis
Hyacinthus orientalis
Gewone hyacint
Tulipa suaveolens,florepleno.
Tulipa spec.
Tulp
Pimelea decussata
Pimelea arenaria
Tijmachtigen
Nieuw Zeeland
Amaryllis vitata
Hippeastrum vitatum
Amaryllis
Peruviaanse Andes Z Amerka
Verbena tweediana
Verbena phlogiflora
Ijzerhard
Pelargonium olympicum
Pelargonium spec.
Pelargonium
1817-1824
1629 voor 1846
Turkije. Libanon 1817-1824
Sttobloem
Helichrysum spectabile Fuchsia mutabilis
Fuchsia spec.
Lilium eximium
Lilium spec.
Fuchsia Lelie Pantoffelplant
Calceolaria fulva Camellia striata
Camellia japonica 'Striata'
Camellia
Azalea sinensis
Azalea sinensis
Decaisne
Counor & Slater
1792 1793
id. pont. Tricolor. Wolf.
Rhododendron luteum
Pontische azalea
0 Europa, Kaukasus
Aloé plicatilis
Aloë plicatilis
Waaier Aloë
Kaap
1799
Rhododendron ponticum
Rhododendron ponricum
Pontische rododendron
Spanje, Portugal, Kl.-Azië
ra 1793
Azalea pontica carnea
Rhododendron luteum
Ponrischc azalea
0 Europa, Kaukasus
Hyacinthus orientalis
Hyacinthus orientalis
Gewone hyacint
Turkije, Libanon
Nierembergia calicina
Nierembergia calicina
Uruguay, Argentinia
datum
Lijstnaam
Wetenschappelijke benaming
Verbena Ariana
Nederlandse naam
Herkomst
datum van invoering
Ijzerhard
id. Tweediana
Verbena phlogiflora
Ijzerhard
Pimelea decussata
Pimelea arenaria
Tijmachtigen
Lantana Selloii
Lantana montevidensis
Fuchsia grandiflora
Fuchsia spec.
Fuchsia
Boom, B.K., Nederlandse dendrologie, tiende druk. Wageningen, 1978 Decaisne, J., Manuel de ['amateur des Jardins. Tome III, Paris, sine dato Hart, S., Plantenvinder voor de Lage Landen. Zutphen, 1995 Hillier's Manual of trees & shrubs, London, 1984 Huxley, A., The New Horricultural Society Dictionary of Gardening, delen 1-4, London & Basingstoke, 1992 Kriissmann, G., Handbuch der Nadelgehölze, Berlin & Hamburg, 1972 Michiels, K., Pelargoniums. Catalogus, Koningshooikt, 1998 Nijssen, P. Sierlijke zomerbloeiers. Bollen- & Knollencatalogus, Heemstede, 1994 Nijssen, P. Sieruien of sierlijke uien. Bollencatalogus, Heemstede, 1993 Ouden, den. P., & Boom, B.K., Manuel of cultivated Conifers, derde editie, Den Haag, 1982 Poederlee, de, Manuel de l'Arboriste et du Forestier Belgiques, Brussel, 1772 Vernon Geranium Nursery, Mail Order Catalogue, Sutton, Surrey, 1997 Wakers, S.M., et al, The European Garden Flora, Vol. I, Cambridge, 1998 Wakers, S.M., et al.. The European Garden Flora, Vol. Il, Cambridge, 1988 Wakers, S.M., et al., The European Garden Flora, Vol. Ill, Cambridge, 1988
Nieuw Zeeland Z Amerika
Brickell, C, The Encyclopedia of Garden Plants, London, 1989
Kriissmann, G., Handbuch der Laubgehölze, Band 1-111, Berlin & Hamburg, 1978
Z Amerka 1817-1824
EINDNOTEN
(14) RAG, Notariaat, Depot De Wilde I, nr. 48, Testament Marie Jeanne Papeians de Morchoven Vander Strepen, dd. 11 decem-
(1)
DEVOS, P., Het Kasteel van Wannegem-Lede of de natuur als stijlfiguur, Gent, 1992; ISSAVERDENS, B., Contributions a
(15) POPE, A., Epistle to Burlington, 1731
Bruxelles, 1982, onuitgegeven licentiaarsthesis; ISSAVERDENS,
(16) BURKE, E., A philosophical enquiry into the origin of our ideas
B., Wannegem-Lede, het park en zijn schepper, in: De woonste-
of the sublime and the beautiful, 1756; HOGARTH, W., The
de door de eeuwen heen, 1983, nr. 59, p. 46-63; ISSAVER-
analysis of beauty, 1753 (17) MICHIELS, V., Geschiedenis van de Gentse Plantentuin van
heen, 1984, nr. 62, p. 24-53
1797 tot 1903, Rijksuniversiteit Gent, 1994-1995, onuitgege-
DE CLOET, J.J., Voyage pittoresque dans Ie rovaume des Pays-
ven licentiaatsthesis; MUSSCHE, J.H., Hortus Gandavensis ou
Bas, dédié A.S.A.I. & R. Madame la princesse d'Orange, 2 dln,
tableau general de routes les plantes exotiques et indigenes, cul-
Brussel, 1825, deel II, plaat 178 Chateau de Wanneghem; en DE
tivées dans le jardin botanique de la ville de Gand, Gent, 1817;
CLOET, J.J., Chateaux et monumens des Pays-Bas faisant suite
Catalogues des Expositions de la Société Royale d'Agriculture et
au voyage pittoresque, dédié A.S.A.R. la princesse d Orange, 2
de la Botanique, Gent, delen 1 tot 8, 1809-1856
dln, Brussel, s.d., deel I, plaat 77 Chateau de Wanneghem;
(3)
partage Charles Vanden Hecke, dd. 12 oktober 1852, z.fol.
l'étude du chateau de Wanneghem-Lede, Université Libre de
DENS, B., Wannegem-Lede, in: De woonstede door de eeuwen (2)
ber 1817, z.fol.; RAG, Notariaat, Depot Neve II, nr. 72, Acte de
(18) BA1LLIEUL, B. en OERS, W., De oranjerie, startsein van de
GOETGHEBUER, P.J., Choix des monumens, edifices et mais-
wereldbefaamde Gentse Floraliën, in: De Woonstede door de
on les plus remarquables du royaume des Pays-Bas, Gent, 1827,
eeuwen heen, 1990, nr. 85, p. 59-65; BAILLIEUL, B. en OERS,
tekst p.18-21, platen 27-29
W., Oranjeculturen buiten Gents muren, in: De Woonsrede
RAG, Oud Notariaat, nr. 383, Contract van uytlegh ende vercaevelinghe tusschen d erfgenaemen van Francis Jean Baptiste Baut, dd. 5 januari 1786, z.fol.
(4)
RAG, Notariaat, Depot Neve II, nr. 32, tweede semester 1833,
(5)
de FONTANES, Le Verger, Poème avec Notes er Contrenotes
Inventaris, z.fol. du Baron B(aut)T de R(asmo)N, Gand, 1791
door de eeuwen heen, 1990, nr. 87, p. 44-53 (19) RAG, Notariaat, Depor Neve II, nr. 39, eerste kwartaal 1836, Index minuten (20) RAG, Familiearchief de Ghellinck Vaernewijck, portefeuille XCIV Succession Mme la douairière Vanden Hecke, née baronne Baut, 1859-1860 (21) DELMOTTE, M., Het huis Jules Storme is niet meer. Van patriciërswoning en notariaar tot Storme shopping center; en
(6)
Kabinetskaart van de Oostenrijkse Nederlanden, opgenomen op initiatief van graaf de Ferraris, nr. 37, Gavre, blad 1 en 3
DE GROOTE, Ch.. Recuperarie van de wandschilderingen: een
(7)
ISSAVERDENS, B., Contributions a l'étude du chateau de
moeilijke opdracht; overdruk van een bijdrage uitgegeven door
Wanneghem-Lede, Université Libre de Bruxelles, 1982, onuit-
de heemkundige Kring De Gaverstreke, s.d.
gegeven licentiaatsthesis (8)
DUQUENNE, X., Le Pare de Bruxelles, Brussel, 1993
(9)
PALLADIO,A., Iquattrolibridellarchitettura, 1570;BLONDEL, J.F., De la distribution des maisons de plaisance, 1737-1738; BLONDEL, J.F., Cours d'architecture, 1771
(10) RAG, Notariaat, Depot Neve II, nr. 36, vierde kwartaal 1833, Sterfhuis Baut de Rasmon, z.fol; RAG, Notariaat, Depot Neve II, nr. 32, tweede semester 1833. Inventaris, z.fol. (11) BECKER, W.G., Taschenbuch für Gartenfreunde, Leipzig, 1795, verwijzend naar HIRSCHFELD, C.C.L., Taschenbuch für Gartenfreunde, Humburg. 1782-1786 (12) HIRSCHFELD, C.C.L., Theorie de Tart des jardins, Leipzig, 1779-1785 (13) A plan of Mr. Pope's gardens as it was left at his death, with a
Katrien Hebbelinck
is als licentiaat in de
en Landschapszorg
als docent Tuin- en
werkzaam
plan and perspective view of the Grorto, all taken by J. SERLE,
Bouwkunstgeschiedenis
aan de
his gardener, Londen, 1745; HIRSCHFELD, C.C.L., Theorie
Brussel, departement
Horteco.
de l'art des jardins, Leipzig, 1779-1785, deel IV, p. 7
Kunst-
geschiedenis en gediplomeerde
Monumenten-
Erasmushogeschool
SUMMARY The building archaeology of Hof ter Hulst is rather complex, and revealed numerous important data. A powerful tool in organising data is the use of a matrix or graph of feature numbers, and was first introduced in archaeology by E.G. Harris in 1975, who designed it in order to aid in recognising stratigraphic relationships. As the principle of stratigraphy applies to both archaeological excavations and building archaeology, a slightly modified model of such a matrix is used here for documenting the building history of Hof ter Hulst.
The Castle o I Wanneqem Lede % N
njnn of Hof ter
n Mooftsele
Hof ter Hukt in Moortsele (East-Flanders) stands on the slope of a hill which commands the latget suttoundings. It is now essentially an 18th centuty farmhouse, built on the edge of a large, formerly moated site. Renovations by the new owner in 1996 led to an investigation of the building by the Monuments and Sites Administration. The building history ot this remarquable construction can be subdivided into four periods.
¥
y The original building is a rectangular tower-like structure, built in roughly-coursed rubblework of green siliceous sandstone, and yellow sandstone for corner-stones, the plinth, and dressings at windows and doors. In the middle of both the front and the rear wall stands a large round-arched gateway; this building storey was covered by a single joisting of beams, supported by consoles. Of the storey above, substantial remains of only the side walls are preserved; here we find remains of windows, niches and a fireplace. It is not known whether additional building layers have existed; the thin stone walls suggest that, if they have existed, they could have been erected in wood. The building can be safely dated in the second half of the 13th century. It stood at the entrance of a large moated site and was built by the local gentry. The tower was probably meant more to stress the prestige of the owner, than to offer reliable safety in times of war. It is also not known whether other stone buildings have existed on the original site; very probably the actual fatmhouse, and other buildings such as stables, barns and servant quarters, were erected in wood.
M&L
In the 15th century, the site got a different organisation, and the original entrance tower was converted into a dwelling-place; in the 18th century two phases of furthet rebuilding and renovation led to what is essentially the present outlook of the house.
The castle of Wannegem-Lede or the Petit trianon of Flanders is a perfect example of a late 18th century maison de plaisance. The design by Barnabé in Louis XVI-style, dates from 1786. The name of Alphonse Pierre Baut de Rasmon, the man who commissioned this castle and its exceptional park, is far less known. Already as a young man, Alphonse Pierre Baut de Rasmon could live off his interest through the heritage of his father, Francois Baut, and his marital bonds with the Papeians de Morckhoven family. He takes a great intetest in physics, botany and the new landscape and garden architecture of the late 18th century. The combination of Guimards architectural concept and Baut's remarkable botanical knowledge made the vast gatden between Wnnegem and Lede a landscape garden in the true sense. The English landscape style combines vistas on the surrounding farmland with the classicistic architecture of the castle and follies. As a jardin pittoresque, this park also contains a botanical collection of an extraordinary value. Thus Wannegem represents the late 18th century feeling for nature and collector's passion, as well as the upcoming of the horticultural trend at the beginning of the 19th century. The testament and the estate of Alphonse Baut leave little doubt about the value he attached to his botanical collection, which he considered as one and inextricably bound up with the estate, also after his death. Despite Bauts pious hopes, the sophisticated refinement of the park has disappeared. Nevertheless, the basic structure of the park and the main vistas from the estate have been pteserved. The surrounding landscape hai until now not been allotted. New data and a different approach of the castle domain of WannegemLede and its surroundings prove the necessity of a more sound protection o the whole.
Vernieuw uw
RESTAURATIE & MONUMENTENZORG Oostveldkouter 26 • 9920 Lovendegem
M&L-abonnement
2000
Meubilair (wel en niet gepolychromeerd) Sculptuur (steen en hout) • Leder Bodemvondsten (hout en leder) Schilderijen (paneel en doek)
vóór 31 december 1999
ONDERZOEK & BEHANDELING Lauwers M. Van Der Biest L. Vandenborre H. FAX
Industriepark 2 0 2220 HE1ST-OP-DEN-BERG
09/372 63 03 09/372 63 03
/ j T Remmers
Uw partner voor totale bouwbescherming • Gevelrenovatie • Natuursteen- en restauratiemortels • Injectie tegen opstijgend vocht • Epoxy- en PUR-injecties • Houtbescherming en polymeerchemische balkkoprestauratie
09/372 63 03 03/771 44 66
Bouwchemie B.Y.B.A.
• Kunststofvloeren epoxy/polyurethaan • Betonreparatie mineraal/epoxy/PCC/ECC • Keiderafdichting binnen-Zbuitenzijde • Hulpstoffen voor beton en mortel • Restauratie- en Sierpleisters PAREX
Documentatie of gratis op aanvraag !
advies
tel. 015/24 19 68 fax 015/24 28 60