Skip to main content

Document_C 16223.pdf

Page 1

Vlaanderen is milieu

UITSTOOT EN LUCHTKWALITEIT IN VLAANDEREN EVALUATIE 2020 - SAMENVATTING VLAAMSE MILIEUMAATSCHAPPIJ EVALUATIE 2020

www.vmm.be 1


INHOUD 1

INLEIDING

5

2

EMISSIE-INVENTARIS WIJST BRONNEN AAN

9

2.1

EMISSIES IN 2018

10

2.2

TREND UITSTOOT LUCHTVERONTREINIGENDE STOFFEN

12

2.3

TREND UITSTOOT DOOR SECTOREN

13

METINGEN VAN DE LUCHTKWALITEIT

17

3.1

LUCHTKWALITEIT IN 2019

19

3.2

TREND LUCHTKWALITEIT

21

3

4

5

6

FOCUS OP FIJN STOF, STIKSTOFOXIDEN EN OZON 23 4.1

FIJN STOF

23

4.2

STIKSTOFOXIDEN

27

4.3

OZON

30

EFFECTEN VAN LUCHTVERVUILING IN 2019 OP DE GEZONDHEID

35

5.1

VROEGTIJDIGE STERFTE

35

5.2

BLOOTSTELLING BEVOLKING AAN BELANGRIJKSTE VERONTREINIGENDE STOFFEN

37

5.3

KANKERRISICO

43

EFFECTEN VAN LUCHTVERVUILING IN 2019 OP DE ECOSYSTEMEN

45

6.1

VERZURING EN VERMESTING

45

6.2

VEGETATIESCHADE DOOR OZON

49


Het is de opdracht van de VMM om voor de huidige en toekomstige generaties in Vlaanderen: — — — —

de toestand van het milieu te beschrijven; proper, aantrekkelijk en voldoende water te waarborgen; gezonde lucht te bewerkstelligen; de klimaatadaptatie mee te sturen.

De VMM is een oplossingsgerichte partner voor een klimaatbestendige omgeving. In dit syntheserapport geven we de belangrijkste conclusies van de luchtkwaliteitsmetingen in Vlaanderen in 2019 en de emissies tot en met 2018. Met modelkaarten schatten we de luchtkwaliteit in op plaatsen zonder metingen. Bovendien bespreken we welke impact de luchtvervuiling op de gezondheid en op de ecosystemen heeft.

ONTDEK MEER OP VMM.BE —

3 achtergrondrapporten die dieper ingaan op: > Emissies van luchtverontreinigende stoffen in de periode 2000-2018 ingedeeld op sectorniveau. > Luchtverontreinigende stoffen: per polluent tonen we de emissies voor de periode 2000-2018 en koppelen deze aan de concentraties in de omgevingslucht in 2019. > Effecten van luchtvervuiling op de gezondheid en ecosystemen. — infografeken voor de belangrijkste stoffen en thema’s ; — interactieve jaarkaarten die tonen hoe de luchtkwaliteit in jouw straat in 2019 was; — gevalideerde datasets van emissies en luchtconcentraties. www.vmm.be/publicaties/lucht-2020

EVALUATIE 2020

3


CONCLUSIE Vlaamse uitstoot neemt af

Luchtkwaliteit verbetert

Uitstoot industrie- en energiesector daalt

Huidige luchtvervuiling heeft negatieve effecten op de gezondheid

Voor heel wat stoffen zien we een dalende trend. Zo daalde de uitstoot van fijn stof met meer dan een derde ten opzichte van 2000 en voor stikstofoxiden ging het bijna om een halvering. De uitstoot van zwaveldioxide bedroeg in 2018 nog een kwart ten opzichte van 2000. Vlaanderen haalt alle Europese emissiedoelstellingen1.

Door saneringsmaatregelen zoals het plaatsen van filters en door het gebruik van zwavelarme brandstoffen stoten deze sectoren steeds minder vervuilende stoffen uit. We zien een duidelijke daling van de emissies van zwaveldioxide, vluchtige organische stoffen en elementair koolstof. Fijn stof daalde minder sterk, net als stikstofoxiden, polycyclische aromatische koolwaterstoffen en dioxines. Momenteel is de industrie de belangrijkste bron van: — koolstofmonoxide, — zwaveldioxide, — de meeste zware metalen.

Aandeel uitstoot door huishoudens neemt toe

Momenteel zijn huishoudens de belangrijkste bron van: — fijn stof, — dioxines, — polycyclische aromatische koolwaterstoffen.

De luchtkwaliteit in 2019 was beter dan een tiental jaar geleden. We zien een duidelijke daling van fijn stof, zwaveldioxide en zware metalen. Ook voor stikstofdioxide zien we een daling, maar toch haalt Vlaanderen nog steeds niet overal de Europese jaargrenswaarde. Ook zijn er overschrijdingen van de Europese doelstellingen voor ozon, arseen en cadmium2.

Vlaanderen haalt nog steeds niet alle advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie (WGO). Voor ozon woont niemand in een regio met voldoende lage concentraties, voor fijn stof woont niemand in een regio die alle WGO-advieswaarden haalt.

Ook de vegetatie lijdt onder luchtvervuiling

De te hoge ozondosis vermindert de opbrengst van landbouwgewassen en de groei van bossen. De vegetatie ondervindt ook schade door verzuring maar vooral door vermesting. In 2019 was de stikstofdepositie te hoog op 80 % van de oppervlakte natuur. De uitstoot van stikstof gebeurt vooral door land- en tuinbouw, maar ook verkeer is een belangrijke bron. Om de biodiversiteit in stand te houden en de vegetatie voldoende te beschermen is een verdere verbetering van de luchtkwaliteit nodig.

Wegverkeer en gebouwenverwarming zijn belangrijke bronnen: — Heel wat Vlamingen rijden nog steeds met dieselwagens én we rijden elk jaar meer kilometers; — We stoken hout waardoor er fijn stof en kankerverwekkende stoffen in de lucht terecht komen. Positief is wel dat het verbruik van fossiele brandstoffen zoals stookolie en steenkool daalt waardoor de emissies afnemen.

4

UITSTOOT EN LUCHTKWALITEIT IN VLAANDEREN


1

INLEIDING Luchtvervuiling is een thema dat maatschappelijk sterk leeft

Dit volgt uit de Eurobarometer3 die onderzocht hoe Europeanen kijken naar het milieu. De grootste bezorgdheid gaat uit naar de klimaatverandering. Op de tweede plaats komt luchtvervuiling. De bevolking verwacht bovendien dat de overheden maatregelen nemen om de luchtvervuiling aan te pakken. Luchtvervuiling is de belangrijkste milieugerelateerde oorzaak van vroegtijdige sterfte4. Het aantal vroegtijdige overlijdens door stikstofdioxide is een factor 5 hoger dan het aantal verkeersdoden in 20195. De WGO catalogeert luchtvervuiling en dieselroet als kankerverwekkend.

Luchtvervuiling schaadt de gezondheid

De omgevingslucht die we inademen bevat vervuilende stoffen, zowel gassen als deeltjes. Via inademing kunnen deze stoffen diep in ons lichaam doordringen en heel wat gezondheidsschade aanrichten, niet enkel in de longen. Er zijn meer en meer indicaties dat ook diabetes, obesitas, alzheimer en dementie gelinkt zijn aan luchtvervuiling6,7. De effecten op de mens verschillen per polluent, maar ze kunnen wel allemaal aanleiding geven tot een lagere levenskwaliteit en vaak ook een kortere levensduur.

EVALUATIE 2020

Luchtvervuiling heeft negatieve impact op vegetatie

Biodiversiteit is essentieel voor alle leven op aarde. De verscheidenheid aan ecosystemen, soorten en genen is niet alleen belangrijk op zich. Ze voorziet de samenleving ook van ecosysteemdiensten die essentieel zijn voor onze economie en welzijn, zoals zoet water, gewasbestuiving en bescherming tegen overstromingen. Verzurende stoffen en een overmaat aan stikstof kunnen leiden tot een vermindering van de biodiversiteit. Bovendien verhogen deze stoffen de gevoeligheid voor stressfactoren zoals aantastingen door ziektes of droogte. Ozon kan schade berokkenen aan gewassen en leiden tot opbrengstverlies.

Luchtvervuiling beĂŻnvloedt klimaat

Dit kan in 2 richtingen: zwarte koolstof en ozon op lage hoogte dragen direct bij aan de opwarming van de aarde; organische koolstof en verzurende stofdeeltjes hebben een afkoelend effect doordat ze de refectie-eigenschappen van wolken beĂŻnvloeden. Ook polluenten die betrokken zijn bij de vorming van ozon dragen bij aan de klimaatopwarming. Hierbij denken we aan stikstofoxiden, vluchtige organische stoffen, koolstofmonoxide en methaan. Verder kan de klimaatverandering het weerpatroon veranderen wat op zijn beurt een invloed heeft op het transport, verspreiding, depositie en vorming van luchtpolluenten in de atmosfeer. Beide milieuproblemen zijn dus met elkaar verstrengeld.

5


Bestrijding luchtvervuiling levert geld op

De winst is groot. De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) becijferde de impact van luchtvervuiling op de economische activiteit in Europa8. Ze kwamen tot de conclusie dat een daling van de jaargemiddelde PM2,5-concentratie met 1 µg/m3 gepaard gaat met een stijging van het Europees Bruto Nationaal Product van 0,8 %, wat overeenkomt met een bedrag van 200 EURO per persoon per jaar. Uit de studie volgde verder dat als België zijn reductiedoelstelling voor de Gemiddelde Blootstellingsindex voor PM2,5 in 2020 haalt, haar BNP groeit met 1,5 %.

6

IMPACT VAN BRON IS NIET ALTIJD EVEN GROOT Om dit te begrijpen, lichten we 3 begrippen toe: > Emissie: hoeveel vervuiling een bron uitstoot; > Concentratie: hoeveel vervuiling op een plaats in de lucht zit. De stoffen uitgestoten door bronnen, verspreiden en verplaatsen zich in de atmosfeer. De concentratie die we meten op een plaats, hangt onder meer af van de afstand en richting tot de bron. Hierop heeft de meteo een invloed maar ook de hoogte van de emissiebron. Zo stoten auto’s stoffen uit op leefniveau terwijl de uitstoot door fabrieken veelal op grote hoogte gebeurt. Een bron kan dus een hoge emissie hebben maar op leefniveau kan de concentratie laag zijn; > Blootstelling: houdt rekening met de aanwezigheid van mensen en de concentratie op die plaats. Een sterk vervuild gebied waar nooit iemand komt, heeft een veel lager effect op de gezondheid dan een sterk vervuild gebied waar heel veel mensen aanwezig zijn. Daarom is de blootstelling vaak groter in stedelijk gebied dan in een industriegebied met weinig bewoning.

UITSTOOT EN LUCHTKWALITEIT IN VLAANDEREN


Green Deal vraagt blijvende inspanning

In 2019 publiceerde de Europese Commissie de Green Deal9 met als ambitie te komen tot een gifvrij milieu. Momenteel werkt de Europese Commissie aan een actieplan dat streeft naar een nulvervuiling van lucht, water en bodem. Hierin zal de Commissie voorstellen de luchtkwaliteitsnormen te herzien om deze beter af te stemmen op de aanbevelingen van de Wereldgezondheidsorganisatie. Deze zijn veelal strenger, wat betekent dat blijvende inspanningen nodig zijn om de luchtkwaliteit in Vlaanderen verder te verbeteren. De publicatie van dit actieplan is voorzien voor 2021.

Europees en Vlaams beleid willen gezondheid en vegetatie beschermen

De Europese Commissie streeft naar een goede en gezonde lucht in haar lidstaten. De aanpak van bronnen is een belangrijke pijler in haar beleid: met emissieplafonds begrenst ze de uitstoot op nationaal niveau. Luchtkwaliteitsdoelstellingen bepalen dan weer de maximale concentratie van een hele resem polluenten in de omgevingslucht. Hierin staat gezondheid voorop, maar Europa houdt ook rekening met economische en technische motieven. Ook voor de bescherming van de natuur formuleerde Europa heel wat doelstellingen. Een belangrijke taak van de VMM is toetsen of de emissies en de luchtkwaliteit voldoen aan de Europese doelstellingen. De emissie-inventaris en de luchtmeetnetten zijn hiervoor de geschikte instrumenten. De Vlaamse Regering keurde op 25 oktober 2019 het Luchtbeleidsplan 203010 goed. Dit Plan bevat maatregelen om de Europese doelstellingen te halen en op lange termijn ook de advieswaarden die de Wereldgezondheidsorganisatie vooropstelt.

EVALUATIE 2020

7


UITSTOOT EN LUCHTKWALITEIT IN VLAANDEREN


2

EMISSIE-INVENTARIS WIJST BRONNEN AAN Om de luchtkwaliteit te verbeteren moet je de bronnen kennen die luchtvervuiling veroorzaken. De emissieinventaris lucht geeft een beeld van de primaire uitstoot van luchtverontreinigende stoffen afkomstig van een aantal maatschappelijke en industriële activiteiten in Vlaanderen. Dit betekent dat secundaire, natuurlijke en bronnen uit andere regio’s/buitenland niet in de cijfers opgenomen worden.

Emissiebronnen leveren verschillende bijdrage aan de luchtvervuiling De grootte van de uitstoot is belangrijk maar ook de verspreidingskarakteristieken en de topografe. Zo kunnen de emissies afkomstig van bronnen op lage hoogte zoals verkeer en gebouwenverwarming een grotere impact hebben op de luchtkwaliteit en de gezondheid van mensen dan industriële schoorsteenemissies.

Sectoren in de emissie-inventaris > > > > > >

Industrie Energie Gebouwenverwarming Verkeer Offroad Land- en tuinbouw

Emissies worden opgedeeld in sectoren

De emissie-inventaris probeert een zo volledig mogelijk beeld te krijgen van alle emissiebronnen in Vlaanderen. Niet alleen de industrie, elektriciteitscentrales of rafnaderijen stoten luchtverontreinigende stoffen uit, maar ook de landbouw, het verkeer, de gezinnen, …

De emissie-inventaris wordt voortdurend geactualiseerd en geoptimaliseerd

De Vlaamse Milieumaatschappij voert zelf geen emissiemetingen uit. De uitstoot wordt verkregen uit emissiejaarverslagen gerapporteerd door bedrijven (Integrale Milieujaarverslagen), berekend en ingeschat op basis van statistische gegevens en emissiefactoren uit de wetenschappelijke literatuur en/of door modellen te gebruiken. Bij de opmaak van de emissie-inventaris is het belangrijk om niet alleen de grootte, de ligging en de aard van elke emissiebron te kennen, maar ook de juiste oorzaak van de emissies.

EVALUATIE 2020

9


2.1

EMISSIES IN 2018

België haalt Europese emissiedoelstellingen in 2018

De NEC-richtlijn (National Emission Ceilings Directive) van de Europese Commissie defnieert emissieplafonds voor een aantal stoffen. Alle stoffen vallen in 2018 onder de opgelegde emissieplafonds. Het emissieplafond voor PM2,5 geldt pas vanaf 2020. Op basis van de huidig gerapporteerde cijfers lijkt dit haalbaar. > Tabel 1 Emissieplafonds NEC-richtlijn NEC-RICHTLIJN

EMISSIES 2018

Zwaveldioxide

Stikstofoxiden

Niet-methaan vluchtige organische stoffen

Ammoniak

Fijn stof – PM2,5-fractie*

* pas vanaf 2020 van kracht

10

Verkeer maar ook huishoudens en industrie stoten heel wat stoffen uit

Er zijn verschillende bronnen die polluenten uitstoten. Om te weten welk aandeel die bronnen hebben, zetten we voor 2018 per polluent het procentueel aandeel van de Vlaamse sectoremissies uit. Sectoren die een bijdrage van minder dan 5 % leveren, zitten in de restgroep ‘andere’. We doen volgende vaststellingen: — Verkeer levert een grote bijdrage aan elementair koolstof (EC) en stikstofoxiden (NOx). Ook voor nikkel (Ni) en fjn stof (PM) is verkeer nog steeds een belangrijke bron. — Huishoudens zijn door de uitstoot van houtverbranding de voornaamste bron van fjn stof, polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s) en dioxines (PCDD/F). — Land- en tuinbouw is de primaire bron van ammoniak (NH3) en methaan (CH4). Ze levert ook een belangrijke bijdrage aan primair fjn stof, nietmethaan vluchtige organische stoffen (NMVOS) en PAK’s. — De industrie is nog steeds de belangrijkste bron voor zwaveldioxide (SO2), CO en heel wat zware metalen (lood (Pb), arseen (As), cadmium (Cd) en kwik (Hg)). Deze sector stoot ook nog veel NMVOS en dioxines uit. — De energiesector draagt nog steeds veel bij aan de SO2-uitstoot. Daarnaast leverde deze sector vooral in eerste helft van de jaren 2000 een substantiële bijdrage aan de emissie van nikkel en kwik.

UITSTOOT EN LUCHTKWALITEIT IN VLAANDEREN


> Figuur 1 Procentueel aandeel van de sectoren in uitstoot Vlaamse emissies 2018 3% PM10

21%

PM2,5

23%

37%

22%

18% 3%

54%

16%

5% 3%

45%

EC

40% 61%

NOx

7%

17%

5%

8%

6%

8%

5% SO2

5%

9%

50%

31%

4%

95%

NH3 7%

NMVOS

16%

24%

5%

26%

20%

7% 3%

15%

CO

16%

60%

6% 1%

CH4

6%

Pb

6% 17%

As

75% 8%

11% 70%

13%

6%

58%

22%

7% 2%

Cd

7%

28%

45%

Ni Hg

7%

73%

12%

15%

6%

77%

6% 8%

6% 9% 1%

PAK4

12%

PCDD/F

6%

0%

EVALUATIE 2020

69%

11%

57%

10%

20%

30%

31%

40%

50%

60%

70%

80%

6% 6%

90%

Verkeer

Huishoudens

Industrie

Energie

Land- en tuinbouw

Handel en diensten

Offroad

Natuur

Andere

100%

11


2.2 TREND UITSTOOT LUCHTVERONTREINIGENDE STOFFEN Emissies van de meeste polluenten dalen ten opzichte van 2000

Bij de gasvormige polluenten zien we dat bijna alle stoffen een dalende trend vertonen. De lagere uitstoot is onder meer te danken aan: — de omschakeling naar aardgas en de daling van het steenkoolverbruik; — het gebruik van fossiele brandstoffen met een lager zwavelgehalte; — de verhoging van de energie-efciëntie; — schommelingen in productiecapaciteit; — de invoering van reductiemaatregelen. SO2 kent de sterkste daling. De emissies van de dioxines zijn ook sterk gedaald door onder meer een afname van de emissies veroorzaakt door de huishoudens (verbod op verbranding in open vuren en tonnen). Voor de meerderheid van de luchtverontreinigende stoffen nam het relatieve aandeel van de huishoudens en het verkeer toe. Er werden maatregelen genomen om de uitstoot te verminderen, maar deze wegen niet altijd op tegen de toenemende activiteit in deze sectoren. > Figuur 2 Evolutie emissies gasvormige polluenten

Zo dalen de PAK-emissies tussen 2000 en 2018, weliswaar met grote schommelingen. Het aandeel van de huishoudens in de totale PAK-emissie stijgt. Het stoken van hout door de huishoudens veroorzaakt immers hoge PAK-emissies. De schommelingen hangen samen met de strengheid van de winters en dus de hoeveelheid hout die verstookt werd.

Emissies van deeltjesvormige polluenten nemen af

Deze emissies vertonen een lichte daling ten opzichte van 2000. De emissie van elementair koolstof is iets sterker gedaald doordat deze vooral toe te schrijven is aan de uitlaatemissie van het wegverkeer. De invoering van milieuvriendelijke voertuigen leidde echter niet alleen tot een afname van elementair koolstof maar ook van de andere stoffracties. Gebouwenverwarming speelt dan weer een belangrijke rol in de emissies van totaal stof, PM10 en PM2,5. Vooral de huishoudens leveren een signifcante bijdrage door de verbranding van hout voor het verwarmen van de woningen.

> Figuur 3 Evolutie emissies deeltjesvormige polluenten 140 % TEN OPZICHTE VAN EMISSIES IN 2000

% TEN OPZICHTE VAN EMISSIES IN 2000

140 120 100 80 60 40 20 0

100 80 60 40 20 0

2000

12

120

2005

2010

2015

2018

2000

2005

2010

2015

SO2

NMVOS

TSP

PM25

NOx

CH4

PM10

EC

NH3

PAK’s

CO

dioxines

2018

UITSTOOT EN LUCHTKWALITEIT IN VLAANDEREN


Emissies zware metalen vertonen een dalende trend

Ondanks een stijging van enkele zware metalen tot 2004 komen de emissies van alle zware metalen in 2018 onder het niveau van 2000. Dit is vooral dankzij ingrijpende maatregelen in de industrie- en de energiesector. De totale koperemissie daalt het minst. Dit komt omdat het aandeel van verkeer, meer bepaald de emissie van remmen en bovenleidingen, in alle jaren overheersend is. Door het stijgend aantal personenwagens en gereden kilometers nemen de koperemissies van deze sector toe terwijl de totale koperemissies licht dalen. > Figuur 4 Evolutie emissies zware metalen

% TEN OPZICHTE VAN EMISSIES IN 2000

140 120 100 80 60 40 20 0 2000

2005

2010

2015

Pb

As

Cr

Cu

Cd

Mn

Zn

Ni

Hg

EVALUATIE 2020

2018

2.3 TREND UITSTOOT DOOR SECTOREN In deze paragraaf leggen we de focus op enkele belangrijke sectoren. De grafeken tonen de trend van de emissies ten opzichte van 2000. Enkel de polluenten waarvoor de sector een aandeel van minstens 5 % heeft in de totale emissies zijn opgenomen in de grafeken.

Emissies door industrie en energiesector dalen

Bij de industrie gaat het om een sterke of lichte daling, afhankelijk van de verontreinigende stof: — Sterke daling met reductie van om en bij 50 % ten opzichte van 2000: SO2, NMVOS, elementair koolstof en dioxines. De reductie van SO2-emissies is een succesverhaal, en is vooral te danken aan saneringsmaatregelen en het gebruik van zwavelarmere brandstoffen. — Matige daling: NOx, CO en fjnstoffracties PM10 en PM2,5. De emissie van elementair koolstof daalt sterker dan de grotere stoffracties PM10 en PM2,5. Dit komt omdat de ferro-industrie een belangrijke bron is van elementair koolstof. Ook bij de energiesector zien we een dalende trend, vooral door de omschakeling naar andere brandstoffen met minder vaste en vloeibare brandstoffen en meer aardgasverbruik en door het nemen van technische maatregelen: — sterke daling: SO2 en NOx; — matige daling: CH4. Dit is grotendeels te danken aan enerzijds een aanzienlijke daling van de emissies bij de elektriciteitscentrales en anderzijds aan een daling van de emissies van SO2 en in mindere mate van NOx bij de rafnaderijen. Die daling bij de rafnaderijen zien we voornamelijk vanaf 2010 door het opleggen van belangrijke restricties binnen de Europese wetgeving. Zware investeringen in bijkomende apparatuur voor zuivering van de rookgassen leidden tot het halen van deze reductiedoelstellingen.

13


> Figuur 5 Trend uitstoot sectoren Industrie

180

Energie % TEN OPZICHTE VAN EMISSIES IN 2000

120

% TEN OPZICHTE VAN EMISSIES IN 2000

160 140 120 100 80 60

100 80 60 40 20 0 2000

40

2005

SO2

20

2010

NOX(NO2)

2015

2018

2015

2018

CH4

0 2005

2010

2015

PM10

SO2

PCDD/F

PM2,5

NOX(NO2)

NMVOS

EC

CO

2018

Huishoudens 180 160 % TEN OPZICHTE VAN EMISSIES IN 2000

Land- en tuinbouw 140 % TEN OPZICHTE VAN EMISSIES IN 2000

2000

140 120

120 100 80 60 40 20 0

100

2000

80 60 40

2005

PM10

PAK4

PM2,5

NMVOS

NOX(NO2)

NH3

CH4

Verkeer

20 120 2000

2005

2010

2015

PM10

CO

NMVOS

EC

PAK4

CH4

SO2

PCDD/F

2018

% TEN OPZICHTE VAN EMISSIES IN 2000

0

100 80 60 40 20 0 2000

14

2010

2005

2010

2015

PM10

SO2

PAK4

PM2,5

NOX

PCDD/F

EC

CO

NMVOS

2018

UITSTOOT EN LUCHTKWALITEIT IN VLAANDEREN


Gebouwenverwarming is een belangrijke bron bij huishoudens

Vooral houtstook is verantwoordelijk voor de emissie van heel wat stoffen. Het aantal huishoudens met hout als hoofd- of bijverwarming is toegenomen, wat een negatieve impact op de emissies heeft. De emissietrend kan je opdelen in 3 categorieën: — sterke daling: SO2 en dioxines. Voor SO2 ligt de verklaring in een andere brandstof voor verwarming: meer mensen verwarmen hun woning met aardgas. Het gebruik van steenkool en stookolie neemt af, met een gunstig effect op de emissies. Aardgas stoot minder luchtverontreinigende stoffen uit dan steenkool of stookolie. Het verbod op het verbranden van afval in open vuren en tonnetjes zorgde voor een gevoelige daling van dioxines. — minder sterke daling: PAK’s en CH4. Houtstook vormt nog altijd een belangrijke bron. — geen daling tot zelfs stijging: fjn stof (PM10, PM2,5, EC), CO en NMVOS. Fijn stof, NMVOS en CO zijn vooral gerelateerd met hout als verwarmingsbron. Daarnaast komen NMVOS ook vrij door het gebruik van huishoudelijke producten. Niet alleen het stijgend aantal inwoners maar ook het toenemend gebruik van detergenten en cosmeticaproducten op solventbasis staan een daling in de weg.

Personenwagens hebben groot aandeel in emissies door het verkeer

De sector transport is de verzamelnaam voor wegverkeer, spoorverkeer, binnenvaart, zeescheepvaart en luchtvaart. Het stijgend aantal voertuigkilometers bij personenwagens heft het voordeel van een groter aantal milieuvriendelijke voertuigen op: — sterke daling met reductie van minstens 50 % ten opzichte van 2000: SO2, fjn stof (fracties PM10, PM2,5 en elementair koolstof), CO, NMVOS en PCDD/F. SO2 nam sterk af doordat het zwavelgehalte van brandstoffen voor zeevaart aan banden werd gelegd. Ook de verkoop van loodvrije benzine en laagzwavelige diesel zorgde voor een daling van de SO2-uitstoot door het wegverkeer. Fijn stof: uitlaatemissies dalen. De verbranding van diesel verloopt efciënter in de nieuwe generatie wagens, wat zorgt voor een afname van de uitlaatemissie van fjn stof. Anderzijds stijgen de niet-uitlaatemissies doordat het aantal personenwagens en de gereden kilometers blijft stijgen. De niet-uitlaatemissies van fjn stof staan in voor bijna driekwart van de fjnstofemissies door wegverkeer. Dit omvat de slijtage van het wegdek, de banden en de remmen.

EVALUATIE 2020

—

matige daling: NOx. Vooral voor stikstofoxiden levert het verkeer een belangrijke bijdrage (61 % van de totale emissie in 2018, waarvan 32 % door wegverkeer). De lichte daling komt grotendeels door het gebruik van driewegkatalysatoren in benzinewagens en de toepassing van uitlaatgasrecirculatie en selectieve katalytische reductie bij vrachtwagens. Dieselvoertuigen stoten echter veel NOx uit. Alhoewel het aantal diesels de laatste jaren licht daalt, blijft hun aandeel in het wagenpark nog steeds groot.

Emissies door land- en tuinbouw kennen daling, gevolgd door stagnatie of lichte stijging

Bij andere sectoren zien we sterke dalers, bij de land- en tuinbouw is dit minder het geval: — geleidelijke daling: NH3. De land- en tuinbouw stoot een kwart minder ammoniak uit dan in 2000. Dit was vooral te danken aan een emissiedaling in de veeteelt in de periode 2000-2007 door de afbouw van de veestapel, de verhoogde voederefciëntie, de invoering van emissiearme stallen en de emissiearme aanwending van dierlijke mest. Nadien zien we eerder een stagnatie. — lichte daling gevolgd door stijging: NOx, NMVOS, fjn stof, methaan. De niet-energetische uitstoot van stikstofdioxide nam af tot 2011, daarna zien we een lichte stijging. Voor NMVOS is er een daling tot 2007 gevolgd door een geleidelijke stijging. Verder zorgt het brandstofverbruik voor het verwarmen van serres en stallen voor een aanzienlijke uitstoot. Vooral de glastuinbouw draagt zo bij aan de luchtverontreiniging. We stellen vast dat het aandeel van serres daalt door de omschakeling naar minder vervuilende brandstoffen.

15


16

UITSTOOT EN LUCHTKWALITEIT IN VLAANDEREN


3

METINGEN VAN DE LUCHTKWALITEIT De VMM waakt over de luchtkwaliteit

Op meer dan 150 locaties meet de VMM de concentratie van één of meerdere polluenten in de omgevingslucht. De meetnetten genereren jaarlijks meer dan 5.000.000 meetwaarden. In de omgevingslucht meten we stoffen afkomstig van verschillende bronnen: — Vlaamse bronnen: emissies worden gerapporteerd in de emissie-inventaris; — niet-Vlaamse bronnen uit andere regio’s of buitenland: zit mee vervat in luchtkwaliteitsmodellen; — natuurlijke bronnen.

— Automatische metingen registreren continu de luchtkwaliteit. Monsterneming en analyse gebeurt door hetzelfde toestel. De meetwaarden zijn onmiddellijk beschikbaar en worden in realtime verspreid via de VMM-website. De aankoopprijs van een gemiddeld automatisch meetstation bedraagt 150.000 EUR. — Semiautomatische metingen leveren pas resultaten na analyse van het staal in het labo en zijn dus niet onmiddellijk beschikbaar. De staalname bedraagt meestal een dag, een week of een maand. > Figuur 6 Meetapparatuur VMM

Luchtvervuiling is het resultaat van primaire en secundaire emissies De primaire emissies zijn stoffen die rechtstreeks worden uitgestoten. Door chemische of fysische reacties kunnen vervuilende stoffen die eerder in de atmosfeer terechtkwamen, tot nieuwe vervuiling leiden. We noemen dit secundaire verontreiniging. Deze fractie zit net als natuurlijke en buitenlandse bronnen niet vervat in de emissie-inventaris maar wordt wel gemeten in de omgevingslucht.

De VMM meet volgens Europese referentiemethoden

Die zijn vastgelegd in de Europese richtlijn11. Deze richtlijn omvat ook gegevenskwaliteitsdoelstellingen zoals minimale gegevens-vastlegging en maximale onzekerheid. De metingen in de vaste meetstations gebeuren volgens de referentiemethode of volgens methoden die voldoen aan de kwaliteitsdoelstellingen voor vaste metingen. Je kan deze opsplitsen in automatische en semiautomatische metingen:

EVALUATIE 2020

17


Monitoren versus passieve samplers

De richtlijn legt ook - minder strenge - doelstellingen op voor indicatieve metingen. Hieronder vallen de NO2-metingen met passieve samplers. De VMM kalibreert de resultaten ten opzichte van de Europese referentiemethode. Passieve samplers laten toe om metingen uit te voeren op plaatsen waar er geen ruimte is voor een vaste meetplaats, zoals in street canyons. De resultaten van de passieve samplers worden ook gebruikt om de modelresultaten te valideren en te verbeteren. De VMM gebruikt ook passieve samplers voor het meten van SO2, NH3 en VOS.

18

De VMM modelleert luchtkwaliteit

In gebieden zonder metingen gebruikt de VMM modellen die de luchtkwaliteit inschatten. Deze laten ook toe korte-termijn-prognoses te maken voor fjn stof en ozon die als basis dienen voor waarschuwingsberichten. Toch zijn er een aantal beperkingen. Modelresultaten hebben doorgaans een grotere onzekerheid dan metingen en kunnen dus een over- of onderschatting geven en leveren daarom een benaderend beeld van de concentraties op plaatsen zonder metingen. Bovendien bepaalt de kwaliteit van de modelinvoer in sterke mate de betrouwbaarheid van de modelresultaten.

UITSTOOT EN LUCHTKWALITEIT IN VLAANDEREN


3.1

LUCHTKWALITEIT IN 2019

Europese doelstellingen voor luchtkwaliteit gehaald op meeste meetplaatsen in 2019

Voor een aantal stoffen is dit nog niet het geval: — De stikstofdioxiden overschreden de Europese jaargrenswaarde in de steden waar de VMM met passieve samplers meet: 1 meetplaats in Gent, 2 in Houthalen-Helchteren en 5 in Antwerpen. Modellen geven aan dat dit ook op andere Vlaamse locaties met veel verkeer het geval is. — Heel wat ozondoelstellingen werden overschreden. — Arseen en cadmium waren te hoog nabij 1 metaalverwerkend bedrijf.

Die Europese grens- of streefwaarden houden niet alleen rekening met de gezondheidseffecten maar ook met de economische en technische haalbaarheid van de opgelegde concentratieniveaus.

> Tabel 2 Toetsing Vlaamse luchtkwaliteit in 2019 aan de Europese regelgeving EUROPESE REGELGEVING (2008/50/EG — 2004/107/EG) POLLUENT

Toetsing aan doelstelling

Aantal meetplaatsen die doelstelling halen

Fijn stof – PM10-fractie

 GW dag + jaar

36/36

Fijn stof – PM2,5-fractie

 GW jaar

38/38

Stikstofdioxide

 GW uur, alarmdrempel uur

49/49

 GW jaar – meting met monitoren

49/49

 GW jaar – meting met passieve samplers

32/40

 GW uur + dag

17/17

 alarmdrempel uur

17/17

Koolstofmonoxide

 GW 8-uur

4/4

Lood

 GW jaar

12/12

Benzeen

 GW jaar

12/12

Ozon – gezondheid

 SW 8-uur uitgemiddeld over 3 jaar

14/17

 langetermijndoelstelling - jaar

0/18

 informatiedrempel - uur

1/18

 alarmdrempel - uur

17/18

 SW – uitgemiddeld over 5 jaar

17/17

 langetermijndoelstelling - jaar

1/17

Arseen

 SW jaar

9/12

Cadmium

 SW jaar

11/12

Nikkel

 SW jaar

12/12

Benzo(a)pyreen

 SW jaar

8/8

Zwaveldioxide

Ozon – vegetatie

GW: grenswaarde – SW: streefwaarde – met vermelding van de tijdsspanne waarvoor de doelstelling geldt

EVALUATIE 2020

19


Advieswaarden Wereldgezondheidsorganisatie nog niet binnen bereik op meeste meetplaatsen

Als we de luchtkwaliteit in 2019 toetsen aan de advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie (WGO) zien we dat vooral fjn stof en ozon maar ook stikstofdioxide en zwaveldioxide een probleem vormen. Vergeleken met de advieswaarden: — is ozon op alle meetplaatsen te hoog en fjn stof op bijna alle. Het betreft dus een algemeen probleem in Vlaanderen; — is zwaveldioxide te hoog op de helft van de meetplaatsen. Deze staan in functie van een industriële bron en dit is dus eerder een lokaal probleem; — is stikstofdioxide te hoog op enkele locaties die gerelateerd zijn met verkeer.

Deze advieswaarden zijn niet opgenomen in de wetgeving. Ze hebben als doel de gezondheid van de mens te beschermen en houden dus geen rekening met de economische gevolgen of technische haalbaarheid. Daarom zijn de WGO-advieswaarden vaak strenger dan de Europese normen en overschrijden heel wat meetresultaten die advieswaarden, alhoewel ze ruimschoots aan de Europese wetgeving voldoen.

> Tabel 3 Toetsing Vlaamse luchtkwaliteit in 2019 aan de advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie WGO-ADVIESWAARDE Aantal meetplaatsen die advieswaarde halen

POLLUENT Fijn stof – PM10-fractie

 (dag + jaar)

5/36 – 10/36

Fijn stof – PM2,5-fractie

 (dag + jaar)

0/38 – 1/38

Stikstofdioxide

 (uur + jaar - monitoren)

49/49

 (jaar - samplers)

32/40

Zwaveldioxide

 (dag)

9/17

Ozon

 (8-uur)

0/18

Koolstofmonoxide

 (8-uur)

4/4

Tolueen

 (half uur - week)

4/4

Lood

 (jaar)

12/12

Cadmium

 (jaar)

11/12

Kwik

 (jaar)

2/2

Mangaan

 (jaar)

12/12

tussen haakjes staat de tijdsspanne waarvoor de advieswaarde geldt

20

UITSTOOT EN LUCHTKWALITEIT IN VLAANDEREN


3.2 TREND LUCHTKWALITEIT Om de trend van de luchtkwaliteit over de laatste decennia af te leiden, berekenden we de procentuele daling van de jaargemiddelden ten opzichte van het startjaar van de metingen. Uit deze fguren blijkt dat de Vlaamse luchtkwaliteit de voorbije decennia stelselmatig verbetert. Dit is in overeenstemming met de daling van de uitstoot door de Vlaamse bronnen.

Deeltjesvormige polluenten nemen af in de omgevingslucht

Voor de deeltjesvormige polluenten zien we een daling sinds het startjaar van de metingen. Vooral voor zwarte koolstof is er een uitgesproken daling over de volledige periode. Voor PM2,5 zien we de laatste jaren een schommelend verloop. De daling van de PM10concentratie en benzo(a)pyreen is minder uitgesproken. Na een stagnatie tekent zich in 2019 een nieuwe daling af. Benzo(a)pyreen behoort tot de groep van polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s).

Gasconcentraties dalen algemeen, maar achtergrondconcentratie ozon stijgt

De concentratie van stikstof(di)oxide daalt en voor zwaveldioxide is de daling heel sterk. De ozonpieken variĂŤren sterk met de meteorologie van de zomer, maar vertonen een licht dalende trend. Lokale en Europese maatregelen voor de reductie van ozonprecursoren lijken dus hun vruchten af te werpen. De stijgende uitstoot in het noordelijk halfrond zorgt er echter voor dat de achtergrondconcentraties, en dus de jaargemiddelden, van ozon stijgen (donkergroene lijn). Globale en duurzame emissiereductiemaatregelen dringen zich dus op. > Figuur 7 Evolutie van deeltjesvormige polluenten in de omgevingslucht

Doorgedreven saneringsoperaties resulteerden in een gevoelige daling van de loodconcentraties in de omgeving van een non-ferrobedrijf. Het loodgehalte in de omgevingslucht was in 2019 minder dan 5 % van het niveau in 1978. We geven wel mee dat vanaf 2002 lood gemeten wordt in de PM10-fractie, ervoor was dit in totaal stof. Ondanks de dalingen zorgt de uitstoot van lood in de onmiddellijke omgeving nog voor de ongewenste aanwezigheid van lood in het bloed van de omwonende kinderen. > Figuur 9 Evolutie loodconcentratie in de omgevingslucht nabij een non-ferrobedrijf in Hoboken 140 120 100 80 60 40 20 0 1978

1985

1990

1995

2000

2005

2010

2015 2019

Pb (hot spot)

> Figuur 8 Evolutie van gasvormige polluenten in de omgevingslucht 140 % TEN OPZICHTE VAN LUCHTCONCENTRATIES IN STARTJAAR

140 % TEN OPZICHTE VAN LUCHTCONCENTRATIES IN STARTJAAR

Loodconcentraties dalen sterk nabij non-ferrobedrijf in Hoboken

% TEN OPZICHTE VAN LUCHTCONCENTRATIES IN STARTJAAR

Concentraties van meeste luchtpolluenten dalen

120 100 80 60 40 20

120 100 80 60 40 20 0

0 1996

2000

2005

2010

2015

2019

1981

1985

1990

1995

2000

2005

2010

2015 2019

PM10

Zwarte koolstof

NO

SO2

Ozon jaargemiddelde

PM2,5

B(a)P

NO2

CO

Ozon P99,9 Benzeen

EVALUATIE 2020

21


22

UITSTOOT EN LUCHTKWALITEIT IN VLAANDEREN


4

FOCUS OP FIJN STOF, STIKSTOFOXIDEN EN OZON 4.1

FIJN STOF

Fracties stof

Fijn stof is een mengsel van vloeibare of vaste deeltjes die rondzweven in de lucht. Fijn stof heeft een uiteenlopende samenstelling en wordt ingedeeld volgens de grootte van de deeltjes. Enkel aan deeltjes kleiner dan 10 µm kent men gezondheidsrisico's toe. Naargelang hun oorsprong maakt men onderscheid tussen primaire en secundaire deeltjes (zie box). De emissie-inventaris lijst enkel de primaire emissies op.

> > > > >

TSP: totaal stof: enkel emissiegegevens PM10: fractie kleiner dan 10 µm PM2,5: fractie kleiner dan 2,5 µm UFP: ultrafjn stof: fractie kleiner dan 0,1 µm EC: zwarte koolstof: maat voor roetconcentratie

Oorsprong fjn stof > primair: rechtstreeks uitgestoten in atmosfeer of ontstaat door mechanische verkleining van grover materiaal. > secundair: ontstaat in de atmosfeer door chemische of fysische reacties uit gasvormige componenten zoals ammoniak, zwaveldioxide, stikstofoxiden of organische verbindingen. Wanneer bijvoorbeeld stoffen uit de landbouwbemesting in contact komen met stoffen uit het verkeer, krijg je een chemische reactie en zorgt dit voor secundaire stofdeeltjes.

FIJN STOF ZAND

HAAR

PM10

PM2,5

diameter: 90 µm (microns)

diameter: 50 - 70 µm

stof, pollen, schimmel diameter: < 10 µm

verbrandingsdeeltjes, organische verbindingen, metalen, … diameter: < 2,5 µm

PM10

EVALUATIE 2020

PM2.5

23


BELANGRIJKSTE BRONNEN VAN PRIMAIR FIJN STOF (PM2,5-FRACTIE)

4.1.1 Bronnen

54%

Volgende conclusies kunnen we trekken: — Verkeer neemt een vrij groot aandeel in, vooral van elementair koolstof (EC). Wegverkeer is voor EC de belangrijkste bron. — Huishoudens hebben een groot aandeel in alle fracties van fjn stof, maar het meest uitgesproken bij PM2,5. Dit komt vooral door de verbranding van hout in kachels en open haarden. — Industrie heeft een groter aandeel bij de grovere fracties. — Land- en tuinbouw is belangrijker voor de grotere deeltjesfracties TSP en PM10. Deze emissies zijn afkomstig van voederen en ligstro van de dieren en het bewerken van landbouwgronden bij de productie van gewassen. Daarnaast stoot deze sector ook veel ammoniak uit dat leidt tot de vorming van secundair fjn stof. De emissie-inventaris brengt secundair stof niet in kaart. Landbouw, verkeer en industrie spelen hierin een belangrijke rol door hun uitstoot van respectievelijk NH3, NO2 en SO2. > Figuur 10 Emissies fjn stof per sector 17%

TSP

PM10

21%

PM2,5

23%

23%

26%

29%

37%

22%

16%

45% 0%

10%

18%

54%

EC

20%

40% 30%

40%

50%

4%

60%

70%

3%

5% 3%

7% 5% 3% 80%

90%

23%

HUISHOUDENS

VERKEER

16%

INDUSTRIE

De totale primaire emissie van fjn stof daalt. Dit is voor alle fracties zo en illustreren we met PM2,5. We zien echter verschillen bij de sectoren: — sterke dalers: uitlaatemissies verkeer door introductie milieuvriendelijke en efciëntere voertuigen, energie door minder kolengebruik; — blijft vrij stabiel: industrie; — wisselend verloop: huishoudens afhankelijk van verbruik brandhout gekoppeld aan strengheid winters. > Figuur 11 Totale primaire PM2,5-emissie per sector

100%

Verkeer

Huishoudens

Industrie

Land- en tuinbouw

Offroad

Andere

In heel wat studies focust men op PM2,5. Deze fractie heeft een belangrijke impact op onze gezondheid. Voor PM2,5 is 44 % van de primaire emissie afkomstig van stoken met hout.

TOTALE PM2,5-EMISSIE PER SECTOR (TON)

12.000

9.000

6.000

3.000

0 2000

2005

2010

2015

Verkeer

Huishoudens

Industrie

Energie

2018

Andere

24

UITSTOOT EN LUCHTKWALITEIT IN VLAANDEREN


4.1.2. Luchtkwaliteit Vlaanderen importeert fjn stof maar exporteert er nog meer

Europese regelgeving gerespecteerd

Hierboven geven we de Vlaamse emissiecijfers. De stoffen die Vlaanderen uitstoot, waaien ook naar andere regio’s. Uit berekeningen volgt dat Vlaanderen ongeveer 1,5 keer zoveel fjn stof naar het buitenland exporteert dan het importeert vanuit het buitenland. Dit komt omdat Vlaanderen een regio is die veel primair fjn stof uitstoot maar ook precursoren van secundair fjn stof12.

Alle meetplaatsen respecteerden de Europese doelstellingen voor de stoffracties PM10 en PM2,5. Alhoewel de WGO-advieswaarden nog ver buiten bereik zijn, zien we toch een verbetering voor PM10: in 2019 haalden 10 meetplaatsen de jaaradvieswaarde en 5 de dagadvieswaarde. In 2018 was dit respectievelijk 1 en 0 meetplaatsen. Voor PM2,5 is er weinig verbetering: in 2019 respecteerde 1 meetplaats de jaaradvieswaarde, in 2018 was dit geen enkele.

JAARGEMIDDELDE PM10

JAARGEMIDDELDE PM2,5

Mag volgens de EU 40 µg/m bedragen. De Wereldgezondheidsorganisatie hanteert een strengere advieswaarde, nl. 20 µg/m3. 3

24 µg/m 25 µg/m

3

3

19 µg/m

Mag volgens de EU 25 µg/m3 bedragen. De Wereldgezondheidsorganisatie hanteert een strengere advieswaarde, nl. 10 µg/m3.

12 µg/m

3

13 µg/m 14 µg/m

3

3

3

LANDELIJK

STEDELIJK

WEGVERKEER

AANTAL PIEKDAGEN PM2,5

LANDELIJK

STEDELIJK

WEGVERKEER

Volgens de Wereldgezondheidsorganisatie zouden er maar 3 piekdagen (meer dan 25 µg/m3) per jaar mogen zijn.

38 dagen 40 dagen

AANTAL PIEKDAGEN PM10

Volgens de EU zouden er per jaar maar 35 piekdagen (meer dan 50 µg/m3) mogen zijn, volgens de Wereldgezondheidsorganisatie 3.

3 dagen LANDELIJK

EVALUATIE 2020

11 dagen

STEDELIJK

30 dagen

16 dagen

WEGVERKEER

LANDELIJK

STEDELIJK

WEGVERKEER

25


Dalende trend, laatste jaren licht schommelend

Ultrafjn stof is gerelateerd aan verkeer

In de periode 1996-2015 daalden de PM10-concentraties. Na een stagnatie in 2016-2017 zagen we in 2018 een lichte stijging van de jaargemiddelden op alle meetplaatsen. 2018 was een zeer droog jaar, wat allicht voor minder uitwassing van het stof en voor meer resuspensie (heropwaaien) heeft gezorgd. In 2019 zien we op alle meetplaatsen terug een daling, uitgezonderd op de verkeersgerichte meetplaats waar er een stagnatie is. Dit is een gevolg van een verhoogd jaargemiddelde op 1 verkeersgerichte locatie ten gevolge van wegenwerken. De PM10-jaargemiddelden zijn het laagst op de landelijke meetplaatsen. De concentraties op de stedelijke, industriële en verkeersmeetplaatsen liggen in dezelfde grootteorde. Landelijke gebieden scoren ook het laagst voor PM2,5 en zwarte koolstof. Op locaties met veel verkeer meten we zoals verwacht veel meer zwarte koolstof. Hetzelfde zien we voor NO2 en NO. Dit komt omdat deze stoffen vooral afkomstig zijn van dieselvoertuigen. > Figuur 12 Trend PM10-jaargemiddelden voor virtuele meetplaatsen, 1996-2019

PM10 IN OMGEVINGSLUCHT ( G/M³)

60 50 EU-GRENSWAARDE VANAF 2005

40 30 20

WGO-ADVIESWAARDE

10 0 1996

2000

2005

2010

Industrieel

Stedelijk

Voorstedelijk

Landelijk

2015

De samenstelling van fjn stof verschilt. Op de stedelijke locaties meten we meer elementair koolstof en organische massa. Dit heeft te maken met de lokale bijdragen door verkeer, gebouwenverwarming en mogelijk ook deeltjes die vrijkomen bij het koken van eten. We stellen ook vast dat bijna de helft secundair stof is. Dat is dus stof dat ontstaat in de atmosfeer uit gasvormige componenten zoals ammoniak, zwaveldioxide, stikstofoxiden of organische verbindingen.

26

Wintersmog PM10: informatiebericht voor fjn stof

De 3 gewesten in België hanteren een drempel van 50 µg/m3 PM10 en sinds 2019 ook een drempel van 35 µg/m3 voor PM2,5 voor het informeren van de bevolking. Wanneer de gemiddelde concentratie van de laatste 24 uur in één van de gewesten deze drempel overschrijdt en voorspeld wordt dat de overschrijding de volgende 24 uur aanhoudt, wordt een informatiebericht uitgestuurd. Mensen die gevoelig zijn voor luchtvervuiling (bejaarden, kinderen, astmapatiënten, …), wordt afgeraden om ongewone lichamelijke inspanningen te doen. In 2019 werd de informatiefase 2 keer afgekondigd: van 28 februari tot 1 maart 2019 en van 8 tot 10 april 2019. Bijkomend geeft de VMM een stookadvies wanneer deze informatiedrempel in Vlaanderen wordt overschreden en er geen verbetering van de luchtkwaliteit wordt verwacht binnen de 24 uur. De VMM adviseert de bevolking dan om geen hout te stoken als bijverwarming of voor sfeerdoeleinden. Houtverbranding heeft een grote invloed op de concentraties van fjn stof en PAK’s in de omgevingslucht. Het stookadvies werd in 2019 niet verspreid.

2019

Verkeer

Meer elementair koolstof en organische massa in de steden

In een stedelijke omgeving is wegverkeer de belangrijkste bron. Deze fractie meten we op 1 locatie. In 2019 was de concentratie lager dan in 2013-2018. We zien opnieuw lagere concentraties in het weekend. Op weekdagen is er meer ultrafjn stof tijdens de ochtend- en avondspits, in het weekend alleen ’s avonds. Naast het wegverkeer kan ook de uitstoot van vliegtuigen een impact hebben op de UFP-concentraties in de omgevingslucht.

90 SMOG

In 2019 waren er geen twee opeenvolgende dagen waarop de voorspelde gemiddelde PM10-concentraties hoger waren dan 70 µg/m3. Er werd dus geen maatregel tot snelheidsbeperking ingevoerd.

PM10-smogepisoden komen vooral voor in de winterperiode bij lage windsnelheden en bij een temperatuurinversie. Hierdoor wordt de lokale luchtverontreiniging weinig verdund en stapelt ze op in de omgevingslucht. Ook in het voorjaar kunnen hoge PM10-concentraties voorkomen. Naast ongunstige verdunningsomstandigheden speelt in deze periode van het jaar de uitstoot van ammoniak door de landbouw bij de bemesting van akkers een belangrijke rol. Dit ammoniak reageert met de aanwezige stikstofoxides en zwaveldioxide tot ammoniumzouten, die een belangrijk onderdeel vormen van het secundair gevormd fjn stof. De ideale omstandigheden voor de vorming van dit secundair stof zijn weinig wind en hoge (relatieve) vochtigheid. UITSTOOT EN LUCHTKWALITEIT IN VLAANDEREN


4.2

STIKSTOFOXIDEN

Stikstofoxiden (NOX) bestaan uit een mengsel van stikstofdioxide (NO2) en stikstofmonoxide (NO). Bij verbrandingsprocessen op hoge temperaturen, zoals in de motor van een auto, ontstaat in eerste instantie vooral NO. NO is op zich niet zo schadelijk in de atmosfeer, maar wordt door contact met zuurstof en ozon omgezet tot NO2 dat wel schadelijk is voor mens en milieu. Zo zou een kwart van de jaarlijkse astmagevallen bij kinderen te wijten zijn aan NO2. Zowel korte episodes van hoge concentraties, als langdurige blootstelling aan lage concentraties zijn schadelijk voor de gezondheid.

BELANGRIJKSTE BRONNEN VAN NOX(NO2)

61%

NOx draagt bij aan de vorming van andere polluenten, zoals fjn stof. Verder speelt NOx een belangrijke rol in de depositie van verzurende stoffen en stikstof en in de fotochemische smogvorming. NOx kan over grote afstanden getransporteerd worden en dus effecten veroorzaken in ver gelegen gebieden. Het gebruik van fossiele brandstoffen (steenkool, petroleumproducten en gas) is de belangrijkste bron van emissies van NOx(NO2).

17%

8%

4.2.1 Bronnen VERKEER

Volgende conclusies kunnen we trekken: — Verkeer levert de grootste bijdrage nl. 61 %. Hiervan is de helft afkomstig van wegverkeer en een kwart van internationale zeescheepvaart. — Industrie komt op de tweede plaats met 17 %. — Land- en tuinbouw volgt met 8 %.

INDUSTRIE

LAND- EN TUINBOUW

Wegverkeer is een belangrijke emissiebron. Bovendien is de impact op de bevolking groter dan bij andere bronnen zoals industrie: — Er is meer wegverkeer in stedelijke gebieden waar de bevolkingsdichtheid groter is. — De uitstoot gebeurt laag bij de grond, op ademhoogte. > Figuur 13 Bronnen emissies NOx(NO2)

32%

NOX(NO2) 0%

10%

20%

17% 30%

40%

12% 50%

1%

17%

60%

70%

8% 80%

6% 90%

Wegverkeer

Scheepvaart

Luchtvaart

Spoorverkeer

Industrie

Land- en tuinbouw

Energie

Andere

EVALUATIE 2020

8% 100%

27


4.2.2 Luchtkwaliteit De totale emissie van stikstofoxiden daalt: — Sterke dalers: verkeer door katalysator en vernieuwing wagenpark. Energie door saneringen van elektriciteitscentrales en overschakeling op aardgas. — Blijft vrij stabiel: industrie en land- en tuinbouw. > Figuur 14 Totale NOx(NO2)-emissie per sector

TOTALE NOX(NO2)-EMISSIE PER SECTOR (TON)

125.000

100.000

75.000

Europese normen overschreden

Alle metingen met automatische monitoren lagen onder de Europese jaargrenswaarde. Dit was niet het geval op een aantal verkeersdrukke locaties waar de VMM met passieve samplers meet. Op 5 meetplaatsen in Antwerpen, op 1 in Gent en op de 2 meetplaatsen in Houthalen-Helchteren was er een overschrijding van de jaargrenswaarde. Hierbij ging het telkens om plaatsen in street canyons en/of met veel verkeer. Ook modelberekeningen geven aan dat er in Vlaanderen nog locaties zijn waar de jaargrenswaarde overschreden wordt, zoals getoond op de modelkaart in paragraaf 5.2.2.

JAARGEMIDDELDE Mag max. 40 µg/m3 bedragen, zowel volgens de EU als de Wereldgezondheidsorganisatie (WGO).

50.000

25.000

34 µg/m

3

27 µg/m

3

0 2000

2005

2010

2015

2018

14 µg/m

3

Verkeer

Industrie

Energie

Land- en tuinbouw

Andere

Vlaanderen importeert stikstofoxiden maar exporteert er nog meer

Hierboven geven we de Vlaamse emissiecijfers. De stoffen die Vlaanderen uitstoot, waaien ook naar andere regio’s. Uit berekeningen volgt dat Vlaanderen ongeveer 2,9 keer zoveel stikstofoxiden exporteert dan het importeert vanuit andere regio’s/buitenland. We zien wel een daling: in 2002 exporteerde Vlaanderen nog 3,9 keer zoveel NOx dan dat het importeerde.

LANDELIJK

STEDELIJK

VERKEER

OVERSCHRIJDINGEN IN 2019 UURGRENSWAARDE:

0 MEETPLAATSEN Zowel volgens de Wereldgezondheidsorganisatie als volgens de EU mag er maximaal 200 µg/m3 per uur aanwezig zijn in de lucht. De EU laat 18 uur per jaar overschrijding toe.

JAARGRENSWAARDE:

8 MEETPLAATSEN + verkeersdrukke locaties

28

UITSTOOT EN LUCHTKWALITEIT IN VLAANDEREN


> Figuur 15 NO2-metingen met passieve samplers in Antwerpen (A) en Gent (B)

Passieve sampler metingen NO2 in Antwerpen 2019

Passieve sampler metingen NO2 in Gent 2019 EU-grenswaarde

0 - 10 11 - 15 16 - 20 21 - 25 26 - 30 31 - 35 36 - 40

41 - 45 46 - 50 > 50

EU-grenswaarde 0 - 10 11 - 15 16 - 20 21 - 25 26 - 30 31 - 35 36 - 40

41 - 45 46 - 50 > 50

Getal in bol = jaargemiddelde NO2-concentratie

Getal in bol = jaargemiddelde NO2-concentratie

Luchtvervuiling niet enkel een probleem van de grote steden

NO2-concentraties gemeten met passieve samplers dalen met 5 % ten opzichte van 2018

Indicatieve metingen met passieve samplers tonen aan dat op meerdere verkeersintensieve stedelijke locaties en ook in street canyons overschrijdingen van de jaargrenswaarde van NO2 voorkomen. Uit het onderzoek CurieuzeNeuzen Vlaanderen13 bleek dat in 2018 een kwart van de kleine steden en gemeenten in Vlaanderen minstens 1 meetlocatie had die de Europese grenswaarde indicatief overschrijdt. Niet alleen het verkeersvolume maar ook de doorstroming speelt een belangrijke rol in de luchtkwaliteit: drukker verkeer, aaneengesloten bebouwing, maar ook ‘stop-and-go’verkeer aan kruispunten en verkeerslichten resulteren in verhoogde NO2-concentraties.

EVALUATIE 2020

Gemiddeld daalden de metingen met passieve samplers in Antwerpen en Gent met 2 µg/m3 of 5 % ten opzichte van 2018. Gunstigere meteo-omstandigheden in 2019 en een globaal dalende trend van de NO2-concentraties spelen hierin mee.

29


Ook op de meetplaatsen met automatische monitoren zien we in 2019 een verdere daling

We zien een uitgesproken verschil tussen de typelocaties. Dit verschil is gerelateerd aan de intensiteit van het verkeer: — verkeersgericht: hoogste concentratie met uitgesproken daling; — landelijk: laagste concentratie met gestage daling. > Figuur 16 Trend van de NO2-jaargemiddelden voor de verschillende virtuele meetplaatsen, 1981-2019

Ozon (O3) is een gas dat nuttig is in de ozonlaag omdat het ons beschermt tegen ultraviolette (UV) straling. Maar in de onderste luchtlagen is ozon irriterend. Het kan onder meer een vermindering van de longfunctie, hoofdpijn en astma-aanvallen veroorzaken.

4.3.1 Bronnen Ozon wordt niet rechtstreeks uitgestoten. Het ontstaat op warme zomerdagen uit een reactie van luchtverontreiniging onder invloed van zonlicht. De ozonvoorlopers of ozonprecursoren zijn NOx, VOS en CO. NOx(NO2) levert tijdens de hele periode de belangrijkste bijdrage. Kijken we naar de sectoren dan is verkeer de belangrijkste bron, gevolgd door industrie en land- en tuinbouw. Ook de huishoudens hebben een vrij groot aandeel (9 %).

70 60 NO2 in omgevingslucht ( g/m³)

4.3 OZON

50 40 30 20 10 0 1981

1985

1990

1995

2000

2005

2010

2015

Industrie

Landelijk

Stedelijk

Verkeer

2019

BELANGRIJKSTE BRONNEN VAN UITSTOOT OZON

38%

Voorstedelijk

23% 14%

VERKEER

30

INDUSTRIE

LAND- EN TUINBOUW

UITSTOOT EN LUCHTKWALITEIT IN VLAANDEREN


> Figuur 17 Bronnen emissies ozon

38%

OZON 0%

10%

20%

9% 30%

40%

50%

60%

Verkeer

Huishoudens

Industrie

Land- en tuinbouw

Natuur

Andere

De totale emissie van potentieel troposferische ozonemissie daalt: — gelijkmatige daling: verkeer, industrie en energie; — stabiel: huishoudens, land- en tuinbouw en natuur. > Figuur 18 Totale potentieel troposferische ozonemissie TOTALE POTENTIEEL TROPOSFERISCHE OZONEMISSIE (KTON)

23%

200

150

100

14% 70%

80%

7% 90%

9% 100%

4.3.2 Luchtkwaliteit 2019 was warm, ozonconcentraties waren hoog

In de zomer van 2019 waren er 3 hittegolven. Een indicator voor de mogelijke ozonverontreiniging is het aantal uren en het aantal graden dat de temperatuur boven 25°C uitstijgt. 2019 telde het op drie na hoogste aantal uurgraden boven 25°C sinds de jaren 1970. Jaren met minder dan 200 uurgraden zijn sinds 1990 eerder zeldzaam, terwijl dat in de periode 1970-1990 frequent voorkwam. Dit is het gevolg van de klimaatverandering. Meer info over de klimaatverandering vind je op het klimaatportaal14 en in het rapport dat de VMM hierover publiceerde15. De warme zomer had een impact op de ozonconcentraties: 2019 was een slecht ozonjaar. De alarmdrempel werd op 1 meetplaats gedurende 1 uur overschreden, de Europese informatiedrempel op 8 dagen op minstens 1 meetplaats in Vlaanderen. Op deze dagen licht men de bevolking in en wijst men op een aantal voorzorgsmaatregelen die de effecten van ozonepisodes kunnen beperken. Men raadt af om tussen 12 en 22 uur zware inspanningen buitenshuis te leveren en indien mogelijk binnen te blijven. Ozonconcentraties zijn binnenshuis gemiddeld de helft lager dan in de buitenlucht.

8

50

0 2000

2005

2010

2015

Verkeer

Huishoudens

Industrie

Energie

Land- en tuinbouw

Andere

2018

Natuur

EVALUATIE 2020

31


De Europese streefwaarde voor gezondheid werd overschreden op 3 meetplaatsen. De Europese langetermijndoelstelling en de WGO-advieswaarde werd op geen enkele meetplaats gehaald. De provincie WestVlaanderen telde het laagste aantal overschrijdingsdagen, de provincie Limburg kende de grootste ozonoverlast. Kijken we naar de doelstellingen voor vegetatie, dan zien we dat de Europese streefwaarde overal gehaald werd, de langetermijndoelstelling op slechts 1 meetplaats. Net als voor de gezondheidsoverlast scoorde West-Vlaanderen ook voor de vegetatieoverlast het best en Limburg het slechtst.

Ozon is lager in stedelijk gebied

Op plaatsen met veel verkeer zijn de ozonconcentraties lager. Dit komt omdat ozon het evenwichtsresultaat is tussen ozonvorming en ozonafbraak: NO2 draagt bij tot de vorming van ozon, NO breekt ozon af. NO is een verkeerspolluent die in de atmosfeer snel omgezet wordt tot NO2 dat een langere levensduur in de atmosfeer heeft. Hierdoor zijn de ozonconcentraties meestal lager in de binnenstad en op plaatsen met veel verkeer. In landelijke gebieden zijn de concentraties hoger. Daar wonen minder mensen waardoor de blootstelling relatief lager is maar de impact op vegetatie groot is.

Geen duidelijke trend

De ozonconcentratie hangt samen met de kwaliteit van de zomer. Warme zomers zijn meestal ongunstige ozonjaren. Dit zie je duidelijk in de grafek waarbij er in het warme 2018 meer dagen zijn die de Europese langetermijndoelstelling overschrijden. Ook hier zie je dat stedelijke vervuiling leidt tot lagere ozonconcentraties. > Figuur 19 Trend aantal dagen met maximaal 8-uurgemiddelde ozon hoger dan 120 µg/m3 35 30 25 AANTAL DAGEN

Europese streefwaarde overschreden, langetermijndoelstelling en WGOadvieswaarde ver buiten bereik

20 15 10 5 0 2009

2011

Stedelijk

2013

2015

2017

2019

Landelijk

HOOGSTE 8-UURGEMIDDELDE PER DAG IN 2019 Mag van de EU 120 µg/m3 bedragen en over 3 jaar tijd gemiddeld 25 keer per jaar overschreden worden.

Mag van de Wereldgezondheidsorganisatie (WGO) 100 µg/m3 bedragen en nooit overschreden worden.

44 dagen

6 dagen 15 dagen 14 dagen

STEDELIJK LANDELIJK STEDELIJK LANDELIJK

32

UITSTOOT EN LUCHTKWALITEIT IN VLAANDEREN


De achtergrondconcentraties (blauw) stijgen van 1990 tot 2000 met daarna een eerder constant verloop. Vanaf 2010 zien we opnieuw een lichte stijging. Dit komt door de exponentiële economische expansie van groeilanden zoals China. De ozonvormende verontreiniging nam er toe, wat een impact heeft op de ozonconcentraties in onze regio. Om de Europese langetermijndoelstellingen te bereiken, zijn globale en duurzame emissiereductiemaatregelen nodig. Enkel een verdere daling van de emissies van NOx en VOS, niet alleen in Europa, maar op het ganse noordelijk halfrond, kan zorgen voor een daling van de ozonachtergrond.

EVALUATIE 2020

60

360

50

300

40

240

30

180

20

120

10

60 0

0 1990

1995

2000

Gemiddelde

2005

2010

2015

2019

P99,9

33

OZON 99,9DE PERCENTIEL ( G/M³) PIEKCONCENTRATIES

De piekconcentraties (rood) tonen een licht dalende trend sinds 1990. Dit komt door de maatregelen die Europa nam om de uitstoot van ozonprecursoren te reduceren.

> Figuur 20 Evolutie van de ozonachtergrondconcentratie in Vlaanderen

OZON JAARGEMIDDELDE ( G/M³) ACHTERGRONDCONCENTRATIES

Achtergrondconcentraties stijgen, ozonpieken dalen


34

UITSTOOT EN LUCHTKWALITEIT IN VLAANDEREN


5

EFFECTEN VAN LUCHTVERVUILING IN 2019 OP DE GEZONDHEID In Europa heeft een aantal polluenten een groot effect op de gezondheid: — fjn stof (PM2,5, fractie kleiner dan 2,5 µm), — stikstofdioxide (NO2), — ozon. In deze paragraaf focussen we op deze polluenten.

5.1

VROEGTIJDIGE STERFTE

Luchtvervuiling zorgt voor vroegtijdige sterftes

De vroegtijdige sterftes vormen de top van de piramide van de gezondheidsimpact van luchtvervuiling. Op economisch vlak wegen die echter het zwaarst door. Een vroegtijdige sterfte is het overlijden van een persoon voor de verwachte leeftijd. De piramide geeft aan dat

een heel aantal mensen ‘minder ernstige’ klachten van luchtvervuiling ondervinden en dat luchtvervuiling impact heeft op een groot deel van de bevolking. Ook de economische impact is groot: medische kosten lopen op en de productiviteit daalt door werkverlet. De Europese Commissie berekende de kost van luchtvervuiling voor België16. De externe gezondheidskosten werden geraamd op meer dan 8 miljard euro per jaar. In dit bedrag hield men rekening met de intrinsieke waarde van een gezond leven én met de directe kosten voor de economie. Deze directe economische kosten houden verband met: — 2,5 miljoen verloren werkdagen per jaar als gevolg van ziekten gerelateerd aan luchtvervuiling; — de daaraan verbonden kosten voor werkgevers (401 miljoen euro/jaar); — de kosten voor gezondheidszorg (meer dan 32 miljoen euro/jaar).

> Figuur 21 Piramide van gezondheidseffecten door luchtvervuiling (Kunzli et al)17

ERNST VAN DE GEZONDHEIDSEFFECTEN

VROEGTIJDIGE STERFTE ZIEKENHUISOPNAMES SPOEDOPNAMES DOKTERSBEZOEKEN VERLAAGDE UITHOUDING MEDICATIEGEBRUIK ASTMA EN ALLERGIEËN ONOPGEMERKTE FYSISCHE VERANDERINGEN DEEL VAN DE BENADEELDE BEVOLKING

EVALUATIE 2020

35


Vroegtijdige sterftes door PM2,5, NO2 en ozon

Om het aantal vroegtijdige sterftes te berekenen, gebruikten we de meest recent beschikbare sterftecijfers van 2018. Het aantal vroegtijdige overlijdens in 2018 in Vlaanderen door PM2,5 wordt geschat op zoâ&#x20AC;&#x2122;n 4.800 en deze door ozon op een 200-tal. Het aantal vroegtijdige sterftes door NO2 in 2018 in Vlaanderen bedroeg, afhankelijk van de manier van berekenen, 1.500 tot 1.800 personen.

3000

Op deze modelberekeningen zit een onzekerheid. Ook kan je vroegtijdige sterftes door NO2 en fjn stof moeilijk van elkaar onderscheiden waardoor je deze sterftecijfers niet mag optellen. Door een verbetering van de luchtkwaliteit, met dus lagere concentraties van PM2,5, NO2 of ozon, kunnen deze vroegtijdige sterftes verminderd worden.

4000

5000

6000

7000

FIJN STOF (PM2,5)

4.800

gemiddeld vroegtijdige overlijdens

0

1000

2000

3000

STIKSTOFDIOXIDE (NO2)

1.500

gemiddeld vroegtijdige overlijdens

0

100

200

300

400

OZON

200

gemiddeld vroegtijdige overlijdens

36

UITSTOOT EN LUCHTKWALITEIT IN VLAANDEREN


5.2 BLOOTSTELLING BEVOLKING AAN BELANGRIJKSTE VERONTREINIGENDE STOFFEN Modellen schatten in hoeveel mensen blootgesteld werden aan de luchtvervuiling in 2019

We beoordelen welk percentage van de bevolking in een regio woont waarvan de luchtkwaliteit volgens de Europese Commissie of de WGO niet voldoet aan grensof advieswaarden.

Uit de tabel volgt dat vooral ozon volgens de Europese doelstellingen slecht scoort. De advieswaarden van de WGO geven een ander beeld: niet enkel ozon is te hoog, de meeste mensen wonen ook in een regio met te veel fjn stof.

> Tabel 4 Inschatting bevolking blootgesteld aan luchtvervuilende stoffen in 2019 VLAANDEREN – INSCHATTING OVERSCHRIJDING VIA MODELLERING tijdvenster

Europese doelstelling % bevolking in overschrijding

Advies Wereldgezondheidsorganisatie % bevolking in overschrijding

Stikstofdioxide

jaar

0,9 %

0,9 %

Fijn stof – PM10-fractie

jaar

0%

50,7 %

dag

0%

78,4 %

Fijn stof – PM2,5-fractie jaar

0%

92,6 %

dag

n.v.t.

100 %

3 jaar

4,6 %

n.v.t.

jaar (LTD)

100 %

100 %

Ozon

<5%

EVALUATIE 2020

5 - 50 %

50 - 75 %

> 75 %

37


5.2.1 Fijn stof Bevolking te vaak blootgesteld aan hoge concentratie fjn stof

De WGO beschouwt PM2,5 als de belangrijkste polluent om het effect van luchtverontreiniging op de gezondheid in kaart te brengen. PM2,5 zijn deeltjes kleiner dan 2,5 µm en dringen dieper in de longen door dan het grotere PM10. Europa hanteert enkel een jaargrenswaarde van 25 µg/m3, waar ruim aan voldaan werd: niemand woonde in een overschrijdingszone. Als we de strengere WGOjaaradvieswaarde van 10 µg/m3 als maatstaf nemen, dan stijgt het percentage tot meer dan 90 %. Bekijken we dit geografsch, dan zien we dat het merendeel van Vlaanderen oranje of rood kleurt en dus de WGO-jaaradvieswaarde overschrijdt. Enkel in bepaalde gebieden in de provincie Limburg en ten zuiden van Brussel schat het model dat de PM2,5-jaaradvieswaarde gerespecteerd wordt.

Uit de modelkaart blijkt verder dat er niet zo’n groot verschil zit tussen de concentratieniveaus: in enkele regio’s zijn de concentraties iets hoger maar in de tussenliggende regio’s is er weinig variatie. Dit komt omdat fjn stof voor een groot deel bestaat uit secundair stof. Dit stof ontstaat na enkele uren of dagen uit reacties van uitgestoten gassen zoals ammoniak, zwaveldioxide, stikstofoxiden en organische verbindingen. Hierdoor komt secundair stof niet specifek rond bepaalde bronnen voor. De beperkte lokale verschillen op de kaart zijn dus eerder te wijten aan verschillen in uitstoot van primair fjn stof. Dit stof wordt wel rechtstreeks uitgestoten en zorgt voor verhoogde concentraties dicht bij de bronnen. Hoewel primair stof in aandeel relatief beperkt is, bevat het zeer schadelijke deeltjes zoals dieselroet of houtrook.

> Figuur 22 Gemodelleerde PM2,5- jaargemiddelden in 2019 getoetst aan de WGO-jaaradvieswaarde en aandeel bevolking blootgesteld aan verschillende PM2,5-jaargemiddelden

PM2,5-jaargemiddelde 2019 berekend met ATMO-Street (µg/m3) 100

metingen automatisch meetnet (kleur = gemeten waarde) metingen gravimetrisch meetnet (kleur = gemeten waarde) onvoldoende data (< 90 % meetgegevens)

90

De gemodelleerde waarden kunnen afwijken van de werkelijkheid door onzekerheden in de RIOinterpolatietechniek en emissies en door de kwaliteit van de lokale verkeersstatistieken. Het effect van street canyons werd in rekening gebracht, tijdelijke verkeerssituaties of het herhaaldelijk opwaaien van stof door verkeer niet.18

% VAN DE BEVOLKING

80 70 60 50 40 30 20 10 0 2010

2005

2015

2019

WGO-advieswaarde (µg/m3) 0-4

38

5-7

8 - 10

11 - 13

14 - 16

17 - 19

20 - 22

23 - 25

> 25

UITSTOOT EN LUCHTKWALITEIT IN VLAANDEREN


5.2.2 Stikstofdioxide Over de jaren heen dalen de PM2,5-concentraties. In 2007 komen er nog jaarconcentraties voor tussen 23 en 25 µg/m3. In 2019 liggen de hoogste modelwaarden tussen 14 en 16 µg/m3. Slechts 6 % van de Vlamingen woont in deze klasse, wat het beste resultaat ooit is. Het model schat dat sinds 2014 een klein percentage van de bevolking woont in een gebied dat voldoet aan de WGOjaaradvieswaarde van 10 µg/m3. In 2019 is dit minder dan 10 % van de bevolking. De Europese grenswaarde van 25 µg/m3 is veel minder streng en wordt sinds 2005 gehaald. De WGO defnieert bovendien een dagadvieswaarde, in tegenstelling tot de Europese wetgeving. In 2019 werd de WGO-dagadvieswaarde voor PM2,5 nergens gehaald: de volledige Vlaamse bevolking werd blootgesteld aan minstens 3 dagen met concentraties hoger dan 25 µg/m3. Sinds 2014 zien we gebieden waar er minder dan 35 dagen met concentraties hoger dan 25 µg/m3 zijn. In 2019 zien we dat er steeds meer mensen wonen in gebieden met minder piekdagen. Toch toont de grafek dat we nog steeds ver verwijderd zijn van het maximum van 3 dagen dat de WGO adviseert. Volledigheidshalve geven we mee dat er volgens de WGO voor fjn stof geen veilige drempelwaarde bestaat waaronder geen nadelige effecten voorkomen. > Figuur 23 Aandeel bevolking blootgesteld aan dagen met een PM2,5-jaargemiddelde > 25 µg/m3 100 90

% VAN DE BEVOLKING

80 70 60 50 40 30

Concentraties te hoog op verkeersdrukke plaatsen

We schatten dat zo’n 0,9 % van de bevolking in 2019 in een gebied met te hoge NO2-concentraties woonde. De toetsing aan de WGO-advieswaarde geeft eenzelfde cijfer als deze voor de Europese doelstelling. Dit komt omdat de Europese Commissie de WGO-advieswaarde heeft overgenomen (40 µg/m3). In het Luchtbeleidsplan 2030 van de Vlaamse Overheid hanteert men een streefdoel van 20 µg/m3. In 2019 woont ruim een kwart van de Vlaamse bevolking in een regio met NO2-concentraties hoger dan 20 µg/m3. De inschatting gebeurde met ATMO-Street. Dit koppelt 3 modellen en brengt de impact van street canyons op de luchtconcentraties in rekening. Als we de NO2-concentraties voor Vlaanderen evalueren aan de hand van een modelkaart, dan zien we de hoogste waarden in de Antwerpse agglomeratie en haven. Ook de snelwegen, de Gentse Kanaalzone, de Gentse agglomeratie en de overige centrumsteden zijn duidelijk zichtbaar in fguur 24. De laagste concentraties werden berekend en gemeten in de meer landelijke regio’s. Dit komt omdat het wegverkeer een belangrijke bron is. De uitlaatgassen worden uitgestoten op leefniveau en hebben zo een grotere impact op de bevolking dan bij een industriële bron waar de uitstoot veelal op grote hoogte gebeurt. Tussen 1990 en 2003 schommelde het aandeel van de bevolking dat blootgesteld werd aan NO2-concentraties boven de WGO-advieswaarde, maar de trend was globaal wel dalend. Sinds 2004 ligt dit aandeel rond een kleine 2 % en sinds 2014 is dit aandeel nog verder gedaald. Over de jaren heen wonen steeds meer mensen in een regio met een concentratie lager dan 20 µg/m3. In 1990 was dit slechts 2 %. Voor de cijfers in deze grafek gebruikten we RIO. Dit model houdt geen rekening met de impact van street canyons. Hierdoor is de onzekerheid groter.

20 10 0 2005

2010

2015

2019

WGO-advieswaarde (dagen) 0

1-3

4-7

8 - 10

11 - 15

16 - 20

21 - 25

26 - 30

31 - 35

> 35 dagen

EVALUATIE 2020

39


> Figuur 24 Gemodelleerde NO2-jaargemiddelden in 2019 en aandeel bevolking blootgesteld aan verschillende NO2-jaargemiddelden

NO2-jaargemiddelde 2019 berekend met ATMO-Street (Âľg/m3) metingen automatisch meetnet (kleur = gemeten waarde) metingen gravimetrisch meetnet (kleur = gemeten waarde) onvoldoende data (< 90 % meetgegevens)

De gemodelleerde waarden kunnen afwijken van de werkelijkheid door onzekerheden in de RIO-interpolatietechniek en emissies en door de kwaliteit van de lokale verkeersstatistieken. Het effect van street canyons werd in rekening gebracht, tijdelijke verkeerssituaties of het herhaaldelijk opwaaien van stof door verkeer niet.19 100 90

% VAN DE BEVOLKING

80 70 60 50 40 30 20 10 0 1995

1990

2000

2005

2010

0 - 10

11 - 15

16 - 20

21 - 25

36 - 40

41 - 45

46 - 50

> 50

2015

26 - 30

2019

31 - 35

WGO-advieswaarde (Âľg/m3)

40

UITSTOOT EN LUCHTKWALITEIT IN VLAANDEREN


5.2.3 Ozon Concentraties overal te hoog volgens Europa en WGO

Modelberekeningen geven aan dat 4,6 % van de bevolking woonde in een gebied dat de Europese streefwaarde voor ozon overschreed. De langetermijndoelstelling geldt op jaarbasis en is veel lager. In 2019 waren er dagen waarop de volledige Vlaamse bevolking blootgesteld was aan te hoge ozonconcentraties. De WGO-advieswaarde is nog strenger, dus ook hier schat het model dat 100 % van de bevolking woonde in een gebied met teveel ozon. Dat zien we duidelijk in de modelkaart.

Het laagste aantal overschrijdingsdagen zien we in West-Vlaanderen en de grootsteden Gent en Antwerpen, het hoogste aantal in Limburg. Op plaatsen nabij NOx-bronnen zoals verkeersassen zijn er minder overschrijdingsdagen.

> Figuur 25 Ruimtelijke spreiding van de overschrijdingen van de WGO-advieswaarde en aandeel bevolking blootgesteld aan dagen met hoogste 8-uursgemiddelde voor ozon > 100 Âľg/m3

Aantal dagen boven WGO-advieswaarde in 2019 berekend met RIO-IFDM meetplaats (kleur = gemeten waarde) onvoldoende gegevens

De gemodelleerde waarden kunnen afwijken van de werkelijkheid door onzekerheden in de RIO-interpolatietechniek en emissies en door de kwaliteit van de lokale verkeersstatistieken.20 100 90

% VAN DE BEVOLKING

80 70 60 50 40 30 20 10 0 1990

1995

0 dagen

1 - 5 dagen

26 - 30 dagen

31 - 35 dagen

EVALUATIE 2020

2000

6 - 10 dagen 36 - 40 dagen

2005

11 - 15 dagen

2010

2015

16 - 20 dagen

2019

21 - 25 dagen

> 40 dagen

41


5.2.4 Zware metalen In Vlaanderen woonde er tot nog toe niemand in een regio die de advieswaarde voor ozon haalt. Ook in 2019 zijn we ver van die doelstelling verwijderd. Opvallend is dat het aandeel van de bevolking blootgesteld aan hogere ozonconcentraties sterk varieert van jaar tot jaar. We zien geen dalende trend. Uit de grafek volgt verder dat 2019 geen goed ozonjaar was.

42

Arseen en cadmium te hoog in Hoboken

Voor arseen en cadmium werden in Hoboken de Europese streefwaarden overschreden. Voor cadmium gaat het om een kleine zone met een 30-tal inwoners in de onmiddellijke omgeving van een non-ferrobedrijf. Voor arseen is de zone groter en zijn er circa 2.600 inwoners blootgesteld aan een te hoog jaargemiddelde. Nikkel lag wel overal onder de Europese streefwaarde.

UITSTOOT EN LUCHTKWALITEIT IN VLAANDEREN


5.3 KANKERRISICO De WGO drukt de schadelijkheid van bepaalde stoffen ook uit als het aantal extra kankergevallen indien de concentratie van deze polluenten constant zou blijven in de tijd. Dit laat ons toe om de gezondheidsrisico’s voor deze polluenten te bepalen bij lokale blootstellingen. De VMM toetst de huidige concentraties aan deze waarden en gebruikt een toetsingskader van het Agentschap Zorg en Gezondheid om te oordelen of deze waarden al dan niet gezondheidskundig verwaarloosbaar zijn.

Kankerrisico arseen en nikkel niet-verwaarloosbaar in specifeke gebieden

De WGO defnieerde een kankerrisico voor arseen en nikkel. Als de concentratie van arseen stabiel blijft in Hoboken dan leidt dit bij een levenslange blootstelling tot 1 extra kankergeval per 31.000 tot 87.000 mensen, afhankelijk van de woonplaats. In Beerse schommelt het risico tussen 1 op 170.000 en 1 op 520.000 inwoners. Dit gaat dus om een gezondheidskundig niet verwaarloosbaar risico. Het risico in de rest van Vlaanderen schommelt tussen 1 op 690.000 en 1 op 1.420.000.

Kankerrisico benzeen is niet verwaarloosbaar

De huidige benzeenconcentraties geven bij een levenslange blootstelling aanleiding tot 1 extra kankergeval op 156.000 tot 587.000 inwoners, afhankelijk van de woonplaats. In de Antwerpse haven loopt dit cijfer op tot 1 op 65.000 inwoners. Dit is een industriële zone met weinig bewoning. Samenvattend kunnen we stellen dat er vanuit gezondheidskundig oogpunt verdere acties nodig zijn om de concentraties van een aantal stoffen te verlagen, zelfs voor stoffen die ruim voldoen aan de Europese regelgeving.

Voor nikkel in Genk lag het risico bij de huidige concentraties tussen 1 op 180.000 en 1 op 410.000 inwoners, wat gezondheidskundig niet verwaarloosbaar is. Zakken de concentraties in de loop van de tijd, dan neemt het kankerrisico af. Het risico in de rest van Vlaanderen schommelt tussen 1 op 310.000 en 1 op 1.850.000.

Gebouwenverwarming door houtverbranding zorgt voor verhoogd kankerrisico voor benzo(a)pyreen

Benzo(a)pyreen behoort tot de groep van polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s). Als de huidige concentratie van benzo(a)pyreen constant zou blijven in de tijd, bedraagt het extra kankerrisico over alle meetplaatsen tussen 1 op 50.000 en 1 op 210.000 inwoners, met een meetnetgemiddelde van 1 op 90.000 inwoners. Dit is gezondheidskundig niet verwaarloosbaar. De PAK’s in de omgevingslucht zijn in Vlaanderen bijna volledig toe te schrijven aan huishoudelijke gebouwenverwarming door houtverbranding. Het betreft een regionaal probleem dat niet aan een bepaald gebied gelinkt is.

EVALUATIE 2020

43


44

UITSTOOT EN LUCHTKWALITEIT IN VLAANDEREN


6

EFFECTEN VAN LUCHTVERVUILING IN 2019 OP DE ECOSYSTEMEN 6.1

VERZURING EN VERMESTING

Verzuring heeft negatieve invloed op bodem- en waterkwaliteit

Verzuring is de toename van de zuurconcentratie in bodem en water. Hierdoor daalt de buffercapaciteit van de bodem en worden op termijn giftige metalen zoals aluminium vrijgesteld. Dit bemoeilijkt de opname door plantenwortels van essentiĂŤle voedingsstoffen zoals kalium, calcium en magnesium. Verzuring leidt ook tot waterverontreiniging door het uitspoelen van nitraat en metalen naar het oppervlakte- en grondwater.

BELANGRIJKSTE BRONNEN VAN STIKSTOFUITSTOOT

49% la,d- en tuinbouw

50 LAND- EN

TUINBOUW

Vermesting verstoort ecologische processen

Vermesting ontstaat door een overmaat aan voedingsstoffen. De stikstof die niet door de planten wordt opgenomen, komt in het bodem-, oppervlakteen grondwater terecht waar het natuurlijke kringlopen en ecologische processen verstoort. De belangrijkste voedingsstoffen betrokken bij vermesting zijn stikstof, fosfor en kalium. Deze elementen zijn van nature beperkt aanwezig in de omgeving, maar menselijke activiteiten zoals het gebruik van meststoffen, afvalwaterlozingen, verbrandingsÂŹprocessen en het storten van huishoudelijk afval en waterzuiveringsslib veroorzaken een grote, bijkomende toevoer. In de omgevingslucht zijn de concentraties van fosfor en kalium verwaarloosbaar en is enkel stikstof relevant.

Land- en tuinbouw is de voornaamste bron van stikstofemissie in 2018

Voor stikstofemissie is dat 50 %. Daarna komt verkeer met 32 %. De stikstofemissie gebeurde voor 52 % onder de vorm van NOx en voor 48 % als NH3. De uitstoot van verzurende stoffen gebeurde in 2018 voornamelijk door land- en tuinbouw (43 %) en verkeer (28 %). Vooral NOx (44 %) en NH3 (41 %) waren verantwoordelijk voor de verzurende emissie, SO2 veel minder (15 %).

EVALUATIE 2020

32 VERKEER

34 % verkeer

18 ANDERE

17 % andere soorten

SECTOREN

45


> Figuur 26 Bronnen emissies verzuring en vermesting

50%

vermesting

32%

43%

verzuring 0%

10%

20%

28% 30%

Land- en tuinbouw

40%

Verkeer

50% Industrie

60%

10%

16% 70%

80%

8%

13% 90%

Andere

De emissies van verzurende stoffen en stikstof namen sterk af. Zo halveerde de totale verzurende emissie tussen 2000 en 2018 door een daling van de emissies van SO2 en in mindere mate van NOx. Voor de emissie van stikstof ging het om een daling van meer dan een derde. De stikstofemissie daalde vooral sterk tussen 2000 en 2007 door maatregelen bij land- en tuinbouw. Nadien zien we een stagnatie.

Vlaamse meetplaatsen respecteren Europese normen voor SO2 en NOx voor de bescherming van de vegetatie

> Figuur 27 : Trend van NOx, NH3 en SO2 in de potentieel verzurende emissie tussen 2000 en 2018

Vlaamse meetplaatsen halen slechts gedeeltelijk de doelstellingen voor ammoniak

POTENTIEEL VERZURENDE EMISSIE (106 POT. ZEQ/JAAR)

Europa defnieert kritieke niveaus voor SO2 en NOx voor de bescherming van ecosystemen. Vlaanderen haalde deze doelstellingen. De toetsing is indicatief omdat er strikt genomen geen gebieden in het dichtbevolkte Vlaanderen zijn die volledig voldoen aan de voorwaarden van de richtlijn voor inplanting van de meetplaatsen.

In 2019 voldeden 6 van de 23 meetplaatsen voor NH3 aan het kritieke niveau voor de bescherming van hogere plantensoorten. Geen enkele meetplaats voldeed aan het kritieke niveau voor de bescherming van lagere plantensoorten. De hoogste gemeten en gemodelleerde NH3-concentraties vinden we in regioâ&#x20AC;&#x2122;s met intensieve veeteelt. De kritieke niveaus zijn bepaald in het kader van het verdrag over grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand. Dit zijn aanbevelingen en geen wettelijke normen.

5.000

4.000

3.000

2.000

Verzurende depositie en stikstofdepositie blijft hoog 1.000

0 2000

2005

SO2

46

100%

2010

NOx

2015

2018

Om de depositie in te schatten op plaatsen waar we niet meten, voerden we modelberekeningen uit. Hieruit volgt dat in 2019 de hoogste depositie voorkwam in het centrum van de provincie West-Vlaanderen, het noorden van Antwerpen en het noordoosten van Limburg.

NH3

UITSTOOT EN LUCHTKWALITEIT IN VLAANDEREN


> Figuur 28 Gemodelleerde verzurende depositie en stikstofdepositie

Totale verzurende depositie 2019 berekend met VLOPS (Zeq/(ha.jaar)) < 1.500

1.501 - 2.000

2.001 - 2.500

4.001 - 4.500

4.501 - 5.000

> 5.000

2.501 - 3.000

3.001 - 3.500

3.501 - 4.000

25.01 - 30

30.01 - 35

35.01 - 40

Meetplaats verzurende en vermestende depositie

Totale stikstofdepositie 2019 berekend met VLOPS (kg N/(ha.jaar)) < 15

15.01 - 20

20.01 - 25

40.01 - 45

45.01 - 50

> 50

Meetplaats verzurende en vermestende depositie

Ten opzichte van 2000 zien we een daling in de depositie van verzurende stoffen en stikstof: in 2019 was de gemiddelde verzurende depositie in Vlaanderen 46 % lager, de stikstofdepositie 34 % lager.

EVALUATIE 2020

47


Vegetatie ondervindt nog steeds schade door verzuring en vooral vermesting In 2019 werd de kritische last nog op heel wat gebieden overschreden.

OPPERVLAKTE NATUUR WAAR DE STIKSTOFDEPOSITIE TE HOOG IS VOOR HET ECOSYSTEEM. kritische last verzuring

kritische last vermesting

18 %

4%

18 %

GRASLAND

HEIDE

BOS

100 % 100 % 30 % GRASLAND

De oppervlakte natuur waar de verzurende depositie hoger ligt dan de kritische last, daalde sterk tussen 2000 (81 %) en 2019 (17 %). De oppervlakte natuur met overschrijding van de kritische last voor vermesting is veel minder gedaald (van 97 % naar 80 %). Voor heide en bos was de vermestende depositie overal hoger dan de kritische last, voor soortenrijk grasland ging het om 30 % van de oppervlakte.

HEIDE

BOS

De kritische last is de maximaal toelaatbare depositie per eenheid van oppervlakte voor een bepaald ecosysteem zonder dat er – volgens de huidige kennis – verandering in de biodiversiteit optreedt op lange termijn. Een verdere afname in de uitstoot van stikstof is dus nodig voor het behoud en herstel van de ecosystemen en de biodiversiteit. In Vlaanderen werden kritische lasten bepaald voor de vegetatietypes bos, heide en soortenrijk grasland.

A

100 90 80 70 60 50 40 30 20 10 0 2000

48

OPPERVLAKTE MET OVERSCHRIJDING KRITISCHE LAST VERMESTING (%)

OPPERVLAKTE MET OVERSCHRIJDING KRITISCHE LAST VERZURING (%)

> Figuur 29 Oppervlakte natuur met overschrijding van de kritische last voor (A) verzuring en (B) vermesting (%)

2005

2010

2015

2019

B

100 90 80 70 60 50 40 30 20 10 0 2000

2005

2010

2015

Alle natuur

Bos

Alle natuur

Bos

Heide

Soortenrijk grasland

Heide

Soortenrijk grasland

2019

UITSTOOT EN LUCHTKWALITEIT IN VLAANDEREN


6.2 VEGETATIESCHADE DOOR OZON Ozonconcentraties respecteerden Europese streefwaarde voor vegetatie maar niet de langetermijn-doelstelling

Blootstelling aan hoge ozonconcentraties leidt tot acute zichtbare schade, maar ook langdurige blootstelling aan lagere ozonconcentraties berokkenen schade aan de vegetatie met opbrengstverlies tot gevolg. De resultaten van 2019 toonden hoge ozonconcentraties, maar door uitmiddeling over 5 jaar, werd de Europese streefwaarde voor de vegetatie overal in Vlaanderen gehaald. Echter, slechts 1 van de 17 meetplaatsen respecteerde de Europese langetermijndoelstelling die op jaarbasis geldt.

percentage oppervlakte met gewassen en loofbossen dat het kritiek niveau voor de ozondosis overschrijdt

97%

100%

Ozondosis geeft beter zicht op vegetatieschade door ozonconcentraties: grote negatieve impact op akkergewassen en bossen

De streefwaarde en de langetermijndoelstelling uit de Europese wetgeving zijn enkel gebaseerd op de aanwezige ozonconcentraties en zijn onvoldoende om de nadelige invloed van ozon op de vegetatie in te schatten. De ozondosis is een betere indicator omdat die rekening houdt met de hoeveelheid ozon die de plant effectief opneemt via de huidmondjes en zo schade berokkent binnen de plant zelf. Zowel de landbouwgewassen als de bossen ondervonden in 2019 negatieve effecten van ozon. Voor gewassen werd het kritieke niveau voor de ozondosis bijna overal in Vlaanderen overschreden, voor loofbossen overal. Het oosten van Vlaanderen kende de grootste ozondosissen. In verstedelijkt gebied zijn de ozondosissen lager door de lagere ozonconcentraties.

GEWASSEN

LOOFBOS

Samenvattend kunnen we stellen dat er ook voor de vegetatie verdere acties nodig zijn om de concentraties van een aantal stoffen te verlagen, zelfs voor stoffen die ruim voldoen aan de Europese regelgeving.

EVALUATIE 2020

49


> Figuur 30 Ozondosis voor het generieke vegetatietype gewas en voor het generieke vegetatietype loofbos in 2019

POD3 gewas berekend met BEDOSE (mmol/m2 bladoppervlak) kritiek niveau 0-2

2,01 - 4

4,01 - 6

6,01 - 7,9

7,91 - 10

10,01 - 12

12,01 - 14

14,01 - 16

16,01 - 18

> 18

22,01 - 24

24,01 - 26

26,01 -28

28,01 - 30

> 30

POD1 loofbos berekend met BEDOSE (mmol/m2 bladoppervlak) kritiek niveau 0 - 5,7

50

5,71 - 10

10,01 - 15

15,01 - 20

20,01 - 22

UITSTOOT EN LUCHTKWALITEIT IN VLAANDEREN


EINDNOTEN 1

NEC-richtlijn – National Emission Ceilings Directive van de Europese Commissie, 2001/81/EC – plafonds voor NOx, SO2, NH3 en NMVOS geldig tot 2019. Herziene NEC-richtlijn 2016/2284/EC includeert daar bovenop ook PM2,5, doelstellingen zijn geldig vanaf 2020.

2

Europese Richtlijnen 2008/50/EG en 2004/107/EG

3

European Commission, 2020, Attitudes of European citizens towards the Environment – https://ec.europa.eu/ commfrontofce/publicopinion/index.cfm/Survey/getSurveyDetail/instruments/SPECIAL/surveyKy/2257

4

Lim, S. S., et al., 2012, A comparative risk assessment of burden of disease and injury attributable to 67 risk factors and risk factor clusters in 21 regions, 1990-2010: a systematic analysis for the Global Burden of Disease Study 2010, The Lancet 380 (9859), pp. 2224-2260. WHO, 2014, Burden of disease from ambient air pollution for 2012 — summary of results, World Health Organization – http://www.who.int/phe/health_topics/outdoorair/databases/AAP_BoD_results_March2014.pdf, accessed 1 July 2019. WHO, 2016a, Ambient air pollution: A global assessment of exposure and burden of disease, World Health Organization (http://apps.who.int/iris/bitstream/handle/10665/250141/9789241511353-eng.pdf?sequence=1), accessed 1 July 2019. HEI, 2018, State of global air 2018, Special Report, Health Effects Institute, Boston, MA – http://www.stateofglobalair.org/sites/default/fles/soga-2018-report.pdf, accessed July 2018. Statbel : Algemene Directie Statistiek - Statistics Belgium https://statbel.fgov.be/nl/themas/mobiliteit/verkeer/verkeersongevallen

5 6

RCP, 2016, Every breath we take: the lifelong impact of air pollution, Working Party Report, Royal College of Physicians, London, United Kingdom – https://www.rcplondon.ac.uk/projects/outputs/every-breath-wetakelifelongimpact-air-pollution, accessed 17 July 2018.

7

WHO, 2016b, WHO expert consultation: available evidence for the future update of the WHO Global air quality guidelines (AQGs), World Health Organization Regional Ofce for Europe, Copenhagen – http://www.euro. who.int/__data/assets/pdf_fle/0013/301720/Evidence-future-update-AQGs-mtg-report-Bonn-sept-oct-15.pdf, accessed 1 July 2019.

8

OECD, 2019, The Economic Cost of Air Pollution: Evidence from Europe, http://www.oecd.org/ officialdocuments/publicdisplaydocumentpdf/?cote=ECO/WKP(2019)54&docLanguage=En

9

European Commission, 2019d, ‘The European Green Deal’ (COM(2019) 6430 fnal) – https://ec.europa.eu/info/sites/info/fles/european-green-deal-communication_en.pdf accessed 24 June 2020

10

https://omgeving.vlaanderen.be/luchtverontreiniging-actieplannen#luchtbeleidsplan

11

Europese Richtlijnen 2008/50/EG en 2004/107/EG

12

Referentietaak Lokale leefkwaliteit in beeld - Deeltaak Import/export balans, VITO

13

Meer informatie over dit project en de kaart met alle resultaten zijn terug te vinden op http://www.standaard.be/curieuzeneuzen en https://static.standaard.be/Assets/Images_Upload/2018/09/28/ CurieuzeNeuzen-Vlaanderen-rapport.pdf

14

https://klimaat.vmm.be/

15

https://www.vmm.be/publicaties/klimaatportaal-vlaanderen

16

Künzli N, Perez L & Rapp R (2010) Air quality and health, Lausanne: European Respiratory Society, 66. ISBN 978-1-84984-008-8

17

Europese Commissie. (2013). A clean air Programme for Europe – http://ec.europa.eu/environment/archives/ air/pdf/Impact_assessment_en.pdf

18

https://www.vmm.be/lucht/fjn-stof/fjn-stof-en-je-gezondheid

19

https://www.vmm.be/lucht/stikstofoxiden/stikstofoxiden-en-je-gezondheid

20 https://www.vmm.be/lucht/ozon/ozon-en-je-gezondheid 52

UITSTOOT EN LUCHTKWALITEIT IN VLAANDEREN


COLOFON Verantwoordelijke uitgever Bernard De Potter, Administrateur-generaal VMM Samenstellers VMM, Afdeling Lucht, Milieu en Communicatie Depotnummer D/2020/6871/026 Foto's VMM-archief, Jordy Vercauteren, Pieter Gurdebeke, Kenny Bellekens

EVALUATIE 2020

53


VLAAMSE MILIEUMAATSCHAPPIJ Dokter De Moorstraat 24-26 9300 Aalst WWW.VMM.BE


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Document_C 16223.pdf by Vlaanderen-be - Issuu