Skip to main content

SERV_20210120_Vlaamse_Fiches_ADV_Jambon.pdf

Page 1

Advies Vlaamse fiches Plan voor Herstel en Veerkracht Brussel, 20 januari 2021

SERV_20210120_Vlaamse_Fiches_ADV_Jambon.docx Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen  Wetstraat 34-36, 1040 Brussel  T +32 2 209 01 11 info@serv.be  www.serv.be


Vlaamse fiches Plan voor Herstel en Veerkracht

Decretale opdracht: SERV-decreet 7 mei 2004 art. 11 (overlegfunctie) Goedkeuring raad: 25 januari 2021

Contactpersonen: Tim Buyse – tbuyse@serv.be Peter Van Humbeeck – pvhumbeeck@serv.be

2


De heer Jan JAMBON Minister-president van de Vlaamse Regering en Vlaams minister van Buitenlandse Zaken, Cultuur, ICT en Facilitair Management Martelaarsplein 19 1000 Brussel

contactpersoon Tim Buyse tbuyse@serv.be

ons kenmerk SERV_20210120_Vlaamse_fiches_PHV_BR

Brussel 20 januari 2021

Vlaamse fiches Plan voor Herstel en Veerkracht Mijnheer de minister-president De sociale partners in de SERV hebben de fiches die door de Vlaamse Regering naar voor worden geschoven voor het Belgische Plan voor Herstel en Veerkracht (PHV) onder de loep genomen. In het bijgevoegde advies formuleert de SERV zowel algemene als specifieke bemerkingen bij deze fiches. De SERV vraagt vooral: een betere afstemming van het Vlaamse luik van het PHV op de EU-prioriteiten en op de coronacrisis om zo de kansen op Europese financiering en op een hoge toegevoegde waarde voor Vlaanderen te verhogen; een versterking van de additionaliteit van de Europese middelen ten opzichte van het reguliere reeds geplande beleid om zo het ambitieniveau van het Vlaamse deel van het PHV te verhogen; een duidelijkere en weloverwogen prioritering om zo met een beperkter aantal speerpuntprojecten maar met een veel substantiëlere financiering, en met een betere kadering binnen structurele hervormingen en flankerend beleid, een maximaal rendement te halen uit de Europese middelen. een goede afstemming binnen België om zo een coherent mogelijk Belgisch PHV te kunnen voorleggen aan de Europese Commissie. Verder worden in het advies specifieke bemerkingen geformuleerd bij de recent door de Vlaamse Regering geselecteerde 19 fiches. De sociale partners hebben evenwel ook bemerkingen voorbereid bij de overige fiches van de initiële lijst van 34. Ze kunnen, wanneer nuttig geacht, eveneens doorgegeven worden.

3


De Vlaamse sociale partners appreciëren de eerder getoonde bereidheid van de Vlaamse Regering om met de sociale partners in dialoog te treden over het Vlaamse deel van het PHV. Ze hopen dat dit overleg op korte termijn kan plaatsvinden via een Informeel VESOC. Ter voorbereiding daarvan zou er alvast een bespreking kunnen worden gepland van de opmerkingen van de sociale partners op de VESOC-werkgroep van 29 januari 2021. De sociale partners gaan ook graag in op uw eventuele uitnodiging tot bilateraal overleg. Hopend op een positieve reactie, Hoogachtend

Pieter Kerremans

Ann Vermorgen

administrateur-generaal

voorzitter

4


Inhoud Advies ................................................................................................................................ 6 1

Inleiding................................................................................................................ 6

2

Algemene bemerkingen bij het Vlaamse PHV ................................................... 7

Afstemming op de EU-prioriteiten en de coronacrisis .......................................................... 7 Het budgettaire aspect en de link met additionaliteit en structureel beleid ........................... 9 Prioritering n.a.v. een nieuw ontwerpplan .......................................................................... 10 Coherentie binnen het Belgische PHV............................................................................... 11 3

Bemerkingen bij de fiches ................................................................................ 12

As 1: Klimaat, duurzaamheid en innovatie .................................................................... 13 Fiche 1 ‘Increasing renovation activity of the building stock’ .............................................. 13 Fiche 6 ‘Blue Deal’ ............................................................................................................ 14 Fiche 11 ‘Hydrogen transition’ ........................................................................................... 14 Fiche 17 ‘Improving spatial planning’ ................................................................................. 15 Fiche 25 ‘Circular Economy’ .............................................................................................. 15 Fiche 26 ‘Investments in renewable heat networks’ ........................................................... 16 As 2: Digitale transformatie ............................................................................................ 16 Fiche 3 ‘Accelerating the digital transformation of the Flemish compulsory education’ ...... 16 Fiche 13 ‘Digitization: local and for all’ ............................................................................... 17 Fiche 14 ‘Digitalisation of the Flemish Government’ .......................................................... 18 Fiche 27 ‘Digibanks’ .......................................................................................................... 18 Fiche 28 ‘Digital Skills’ ....................................................................................................... 19 Fiche 29 ‘Digital transformation of media and (socio)cultural sector’.................................. 19 As 3: Mobiliteit ................................................................................................................. 19 Fiche 2 ‘Cycling Infrastructure’ .......................................................................................... 19 Fiche 12 ‘Greening road infrastructure’.............................................................................. 19 Fiche 18 ‘Greening the bus fleet (De Lijn)’ ......................................................................... 20 As 4: Mens- en samenleving........................................................................................... 21 Fiche 4 ‘Learning and career offensive’ ............................................................................. 21 Fiche 21 ‘Higher Education Advancement Fund’ ............................................................... 21 As 5: Productiviteit .......................................................................................................... 22 Fiche 5 ‘Strengthening R&D’ ............................................................................................. 22 Fiche 10 ‘Spending reviews’ .............................................................................................. 23

5


Advies 1

Inleiding

Op de Vlaamse Regering van 18 december 2020 werden 34 Vlaamse fiches voor het Belgische Plan voor Herstel en Veerkracht (PHV) inhoudelijk gevalideerd. Er werden door de verschillende Belgische gewesten en gemeenschappen alsook door het federale niveau projecten en fiches voorgesteld voor een totaal van +/- € 25 mld. Daarvan waren de middelen die vanuit Vlaanderen ‘gevraagd’ worden (het totaal van alle 34 fiches) € 4,3 mld. Dit komt overeen met het volledige budget voorzien binnen Vlaamse Veerkracht. Ondertussen werd, onder coördinatie van federaal Staatssecretaris Dermine, en op basis van besprekingen in werkgroepen, en overleg met alle entiteiten van het land, een ‘Ontwerp van plan voor Herstel en Veerkracht – Strategische Krachtlijnen’ opgesteld. In die nota worden de strategische oriëntaties van het Belgische PHV uiteengezet zoals voorzien op 18 december 2020. Het bepaalt de strategische assen en componenten ervan die in dit stadium van het proces worden overwogen. België kon volgens de oorspronkelijke berekeningen rekenen op € 5,15 mld. vanuit het Europese fonds. Maar omdat dat bedrag uitgedrukt was in prijzen van 2018, zal er uiteindelijk een bedrag van ongeveer € 5,9 mld. (lopende prijzen 2020) naar België vloeien. Op 11 januari 2020 werd een consensus bereikt tussen de entiteiten in België over de financiële verdeelsleutel. Vlaanderen krijgt € 2,25 mld. (federaal € 1,25 mld., Wallonië € 1,48 mld., de Franse Gemeenschap € 495 mln., het Brussels Hoofdstedelijk Gewest € 395 mln. en de Duitstalige Gemeenschap € 50 mln.). De Vlaamse Regering heeft intussen een verdere selectie doorgevoerd waardoor er 19 fiches overblijven van de initiële 34. Sommige van die fiches zijn ook inhoudelijk bijgestuurd. Hierna formuleert de SERV eerst een aantal algemene bemerkingen bij het geheel van de Vlaamse fiches, en zoomt hij vervolgens dieper in op de inhoud van de 19 geselecteerde fiches.

6


2

Algemene bemerkingen bij het Vlaamse PHV

De sociale partners formulieren hierna hun bemerkingen en suggesties bij het geheel van de Vlaamse fiches voor het PHV en uiten de hoop dat er in de verdere fases van opmaak van het herstelplan nog de nodige ruimte is voor verfijning en concretisering van de in de fiches opgenomen beleidsmaatregelen, zodat een sterk en gedragen plan aan Europa kan worden voorgelegd. De kernvragen van de SERV betreffen: 1. een betere afstemming van het Vlaamse luik van het PHV op de EU-prioriteiten en op de coronacrisis om zo de kansen op Europese financiering en op een hoge toegevoegde waarde voor Vlaanderen te verhogen; 2. een versterking van de additionaliteit van de Europese middelen ten opzichte van het reguliere reeds geplande beleid om zo het ambitieniveau van het Vlaamse deel van het PHV te verhogen; 3. een duidelijkere en weloverwogen prioritering om zo met een beperkter aantal speerpuntprojecten maar met een veel substantiëlere financiering, en met een betere kadering binnen structurele hervormingen en flankerend beleid, een maximaal rendement te halen uit de Europese middelen. 4. een goede afstemming binnen België om zo een coherent mogelijk Belgisch PHV te kunnen voorleggen aan de Europese Commissie.

Afstemming op de EU-prioriteiten en de coronacrisis De Vlaamse fiches zijn afgeleid uit het regeerakkoord en het relanceplan Vlaamse Veerkracht. Zowel het economische als het sociale komen aan bod. Vaak lijken de juiste thematische keuzes gemaakt te zijn. Echter, een sterkere afstemming van de fiches en projecten op de specifieke prioriteiten en doelstellingen van het EU-herstelplan lijkt nodig om maximaal aanspraak te kunnen maken op Europese financiering en om de meerwaarde van het PHV voor de relance te maximaliseren. In die zin lijkt het wenselijk/nodig om: (1) de fiches te bundelen tot enkele grote, prioritaire investeringen en hervormingen die een coherent geheel vormen. Het ontwerpplan dat vanuit het kabinet Dermine werd gecoördineerd gaat uit van vijf prioritaire assen die bepaald en goedgekeurd werden door het Overlegcomité en die betrekking hebben op de belangrijkste uitdagingen en prioriteiten van België, m.n. (1) Klimaat, duurzaamheid en innovatie, (2) Digitale transformatie, (3) Mobiliteit, (4) Mens- en samenleving, en (5) Productiviteit. Daarbinnen werden 27 componenten gedefinieerd die elkaar te versterken en bijdragen aan het aangaan van deze uitdagingen. Die assen en componenten moeten het mogelijk maken om bepaalde fiches samen te voegen en in onder te brengen. Dat zal het ook makkelijker maken om de afstemming met de EUprioriteiten meer in de verf te zetten en de visie en samenhang tussen de projecten te verduidelijken. Om het ‘ad hoc’ karakter van sommige fiches te vermijden of te verminderen, is een betere situering nodig binnen een globale beleidsvisie op de belangrijkste economische en maatschappelijke transities en een betere, meer expliciete koppeling aan het lopende en geplande ‘reguliere’ beleid of ‘flankerend beleid’. In de verschillende individuele fiches ontbreekt de link met die achterliggende visie nog en werd bovendien nog weinig verbinding gelegd tussen de verschillende fiches onderling (zie 7


ook vraag ‘X.1.4 Link met andere investeringen van hervormingsprojecten’ in de fiches: die is nog vaak blanco of ‘nee’, terwijl er vaak wel duidelijke relaties gelegd kunnen worden én terwijl het leggen van die linken erg belangrijk is om te verzekeren dat de middelen efficiënt worden besteed, geen dubbel werk, geen dubbele financiering …). Ook de verbinding tussen Vlaamse fiches en federale fiches moet verduidelijkt worden. (2) de additionaliteit en link met de uitdagingen van de coronacrisis in Vlaanderen sterker uit te werken. Heel wat fiches lijken vooral gericht op het binnenhalen van Europese middelen voor reeds eerder gepland beleid. Een voorlopige analyse leert dat meer dan de helft van alle projectmiddelen in essentie gelijkaardig zijn aan bestaande investeringsprojecten. Het is echter aangewezen om ook en vooral te kijken waar er extra impulsen noodzakelijk zijn in het licht van de coronacrisis. In dat perspectief zal voor verschillende projecten gespecifieerd moeten worden welke extra versnelling, ambitie of vernieuwing ze precies beogen ten opzichte van het lopend beleid. Daarbij moet bekeken worden van welke projecten of fiches de grootste impact kan worden verwacht. Dit sluit aan bij de vraag van de SERV in zijn relanceadviezen om de relancemiddelen prioritair in te zetten worden waar ze de grootste multiplicatoreffecten realiseren (incl. hun bijdrage aan maatschappelijke opportuniteiten en doelen), en specifiek naar strategische investeringen die het heropstarten van de economie en de gehele samenleving maximaal ondersteunen en naar investeringen in toekomstgerichte infrastructuur waarvoor een draagvlak bestaat en die passen binnen het door de Europese Unie voorgestelde doelstellingenkader, waarbij ook wordt bekeken welke investeringsnoden door de coronacrisis veranderen, urgenter worden of juist minder urgent of zelfs overbodig. (3) ook de afstemming met de Europese prioriteiten en Europese beoordelingscriteria beter uit te werken. De projecten zouden moeten bijdragen aan één of meerdere algemene doelstellingen van het Europees Plan voor herstel en veerkracht1, ze moeten inspelen op de uitdagingen, transities en de prioriteiten die zijn opgenomen in de aanbevelingen voor België in het kader van het Europees Semester2 en bij voorkeur betrekking hebben op gebieden voor ‘vlaggenschipprojecten’ die de Commissie selecteerde3. Vaak wordt bv. een bijdrage aan de groene of digitale transitie gerapporteerd waar op dit moment nog vragen bij gesteld kunnen worden. Gezien het ‘do no harm’ principe van toepassing is op het herstelfonds, zou ook de bijdrage aan de SDG’s duidelijker aan bod kunnen komen. (4) de fiches concreter in te vullen. Volgens de Europese vereisten moet het PHV de investeringsprojecten waarvoor om een financiële steun wordt gevraagd, in detail beschrijven, incl. SMART-geformuleerde doelstellingen en mijlpalen gelinkt aan een duidelijk tijdschema.

1

Minstens 37% van de enveloppe van het plan moet gaan naar de groene transitie. Minstens 20% van de enveloppe van het plan moet gaan naar de digitale transitie.

2

De aanbevelingen voor België hebben betrekking op overheidsfinanciën (overheidsuitgaven, uitgaventoetsingen, openbare investeringen …), arbeidsmarktbeleid (actief arbeidsmarktbeleid inclusiviteit onderwijs- en opleidingssystemen, vaardighedenmismatches aanpakken), economisch investeringsbeleid gericht op betere mobiliteit, duurzame energie, digitale transformatie en O&O, betere regelgeving voor versterkt ondernemerschap, aanpak van de pandemie en verzachten van de impact van de crisis, versterken van het ondernemingsklimaat en investeringen gericht op betere mobiliteit, duurzame energie, digitale infrastructuur en O&O.

3

Toekomstbestendige schone technologieën en hernieuwbare energie; energie-efficiëntie gebouwen, duurzame mobiliteit en de uitbreiding openbaar vervoer, snelle breedbanddiensten (glasvezelnetwerken en 5Gnetwerken), digitalisering van de overheid (incl. justitie en gezondheidszorg), industriële datacloud en processoren, digitale vaardigheden, onderwijs en beroepsopleiding voor alle leeftijden.

8


Meerdere fiches zijn nog erg vaag en onvolledig (al is dat in deze fase te begrijpen): budgettair, maar ook naar fasering, mijlpalen, verwachte financiering vanuit het RRF … Ook het ambitieniveau is niet steeds duidelijk en verschilt tussen de verschillende fiches. In elk geval moeten voldoende aandacht besteed worden aan het invullen van de beoogde milestones en targets, aangezien het toekennen van de financiering doorheen de looptijd van het Europees Herstelfonds afhankelijk wordt gemaakt van het bereiken hiervan. Daarnaast meent de SERV dat de maatschappelijke meerwaarde en de inhoudelijke motivering van de fiches versterkt kunnen worden door telkens waar mogelijk expliciet te verwijzen naar de aanbevelingen van de SERV in zijn relanceadviezen en van het economische en maatschappelijke relancecomité. Wat de concretisering van de fiches betreft, wijst de SERV erop dat de door de Europese Commissie gepubliceerde ‘Examples of component of reforms and investments’ een goede indicatie geven van de verwachtingen van de Commissie4. Verschillende van deze voorbeelden zijn sterk uitgewerkt, bevatten voor Vlaanderen relevante internationale ‘beste praktijken’ en hebben rechtstreekse linken met Vlaamse fiches. Ze zouden dan ook sterker gebruikt kunnen worden bij de onderbouwing van de Vlaamse fiches. (5) een duidelijker onderscheid te maken tussen strategische investeringen en structurele hervormingen, gelinkt aan de uitdagingen benoemd in het kader van het Europees Semester (cf. supra). Met enige voorzichtigheid, en rekening houdend met de Europese definities, kan ongeveer één vierde van de in de fiches voorziene middelen als ‘hervorming’ worden bestempeld. Voor de SERV is het onderscheid tussen investeringen en hervormingen echter onduidelijk en is de focus op hervormingen nog te weinig uitgewerkt. (6) een duidelijker beeld te krijgen van de mate waarin en wijze waarop de Europese middelen doorstromen en wie de finale begunstigden zijn. Belangrijk in de verdere discussie is de verhouding tussen grote publieke investeringsprojecten, investeringen in het overheidsapparaat en middelen die rechtstreeks beschikbaar komen voor ondernemingen en burgers aangezien ook daar grote noden liggen en zij een erg belangrijke rol spelen in de relance.

Het budgettaire aspect en de link met additionaliteit en structureel beleid Een tweede reeks opmerkingen heeft te maken met de budgetten. De verdeelsleutel per lidstaat voor de 70 % van de subsidie-enveloppe voorziet in een maximumbedrag van om en bij € 3,9 mld. toegekend voor België. De overige 30 % zal worden toegekend volgens een methodologie die gebaseerd is op de gegevens die in juni 2022 geüpdatet worden. Het maximumbedrag dat aan België wordt toegekend voor deze 30 % is dus nog niet gekend, maar zou ongeveer € 2,0 mld. moeten bedragen5. Het totaalbedrag dat België te beurt valt in subsidies is dus € 5,925 mld. Bovendien zal België ook gebruik kunnen maken van de FHV-leningen voor een maximumbedrag dat gelijk is aan 6,8% van zijn bruto nationaal inkomen (2019). (1) De Vlaamse Regering liet eerder verstaan dat het haar bedoeling is om alle projecten binnen Vlaamse Veerkracht uit te voeren, onafhankelijk of daar Europese middelen tegenover staan. 4

https://ec.europa.eu/info/publications/example-component-reforms-and-investments_en

5

Deze bedragen werden door het SERV-secretariaat geschat op basis van de (i) de door de Europese Commissie gepubliceerde verdeling per lidstaat van de voorziene steun in prijzen van 2018 en (ii) de verhouding prijzen 2018 en lopende prijzen zoals kan worden afgeleid uit de nieuwe informatie over het totaalbedrag dat naar België zou vloeien.

9


De sociale partners zijn uiteraard tevreden dat het eventueel uitblijven van Europese middelen geen weerslag zal hebben op de engagementen van de Vlaamse Regering. Echter doet bovenstaande wel vragen rijzen bij de additionaliteit van de Europese middelen. Het zou volgens de sociale partners een sterker signaal vormen mocht de Vlaamse Regering de Europese middelen net aangrijpen om het ambitieniveau van haar plan te verhogen of zou aangeven welk deel van het ambitieniveau of het project Vlaams dan wel Europees gefinancierd zou worden zodat de Europese financiering een aantoonbaar, bijkomend positief maatschappelijk en economische impact kan teweegbrengen. Het feit dat de Europese middelen voor België hoger liggen dan oorspronkelijk voorzien (cf. prijzen 2020 t.o.v. prijzen 2018) is een reden te meer om de additionaliteit van de Europese middelen sterker te benadrukken. (2) Het is op basis van de huidige bundeling moeilijk te identificeren hoe realistisch en evenwichtig de budgettaire verdeling overheen de projecten en uitdagingen is. De 34 fiches bestreken het volledige ‘Vlaamse Veerkracht’ plan en vertegenwoordigden om en bij de € 4,3 mld. Rekening houdend met de afgesproken interfederale verdeelsleutel, werden recent 19 fiches geselecteerd. Daarbij moet ook rekening gehouden worden met de prioriteiten (cf. infra), de (budgettaire) noden in de diverse domeinen en de afstanden tot de bindende doelstellingen die op Vlaanderen rusten. (3) De vraag kan gesteld worden waarom hetzelfde beleid deels gefinancierd moet worden vanuit de reguliere begroting en deels vanuit een provisie die buiten de begrotingsconsolidatie zou moeten blijven (bv. investeringen in fietsinfrastructuur). (4) Niet alle soorten uitgaven worden gedekt door de Faciliteit voor herstel en veerkracht. De lidstaten zouden zich moeten concentreren op de dekking van niet-recurrente kosten. Een aanzienlijk deel van de fiches lijkt overigens betrekking te hebben op recurrent beleid. Met het oog op een gunstige EU-beoordeling en lokale meerwaardecreatie, vragen de sociale partners om deze fiches om te vormen naar projecten die een bijzondere investeringsimpuls inhouden met een aantoonbare meerwaarde ten opzichte van het lopende beleid (cf. supra). (5) De Vlaamse Regering kondigde haar plan ‘Vlaamse Veerkracht’ aan als een ‘éénmalige impuls’. In dat verband is er ook de vraag hoe de Vlaamse Regering de beleidscontinuïteit na afloop van de EU-steun zal waarborgen. De sociale partners merken op dat in verschillende fiches gewerkt wordt met calls waarbij initiatiefnemers projecten kunnen indienen voor cofinanciering. Deze aanpak (projectmatige calls) heeft zeker voordelen (impulsinvestering, competitie die moet zorgen voor de financiering van de beste projecten …) maar kan ook leiden tot onzekerheid over de ondersteuning en is minder geschikt voor de structurelere aanpak die in een aantal gevallen nodig is.

Prioritering n.a.v. een nieuw ontwerpplan Zoals aangehaald staan alle overheden in België voor de opdracht om hun uitgebreide wenslijsten te prioriteren en terug te brengen naar een geheel dat past binnen het aan hen toegewezen budget. Voor Vlaanderen moest voor iets meer dan € 2 mld. van het aanvankelijk gevraagde budget voor de 34 fiches sneuvelen. Volgens de SERV kan het vooropstellen van een aantal criteria helpen om die afbakening te maken en prioriteiten te leggen. Sommige daarvan werden reeds eerder aangestipt (cf. supra). Prioritaire financiering vanuit de extra Europese middelen moet volgens de SERV voorbehouden worden voor uitgaven die:

10


de grootste economische en maatschappelijke multiplicatoreffecten voor Vlaanderen realiseren, niet enkel direct en op korte termijn, maar ook op lange termijn, bv. omdat ze kunnen opgeschaald worden, inspirerende voorbeelden kunnen opleveren, bijdragen tot productiviteit, vernieuwing, exportkansen …; het best scoren op de Europese criteria (i) versterken van de economische en sociale veerkracht, (ii) het verzachten van de sociaaleconomische impact van de coronacrisis, (iii) bijdragen aan een sterkere economische, sociale en territoriale cohesie, en (iv) de groene en digitale transformatie van de economie ondersteunen; consistent zijn met en het duidelijkst kunnen gekoppeld worden aan de landspecifieke aanbevelingen die in het kader van het Europees Semester (2019, 2020) zijn gedaan; voldoende concreet en afgebakend zijn, kunnen gemonitord en opgevolgd worden; meerdere dimensies integreren en beleidsdomeinoverschrijdend werken om uitdagingen en opportuniteiten in samenhang aan te pakken en synergieën te benutten. Dit leidt onvermijdelijk tot de vraag of het wel aangewezen is om op niveau van de 19 fiches te blijven werken en de selectie te maken tussen en/of binnen deze fiches, dan wel of niet beter kan worden toegewerkt naar een beperkter aantal speerpuntprojecten, maar met een veel substantiëlere financiering, waarmee een maximaal rendement wordt gehaald uit de Europese middelen (cf. supra de vraag om de Europese middelen aan te grijpen om de ambities te verhogen). Fiches die op verschillende van bovenstaande criteria eerder zwak scoren zullen hoogstwaarschijnlijk niet in aanmerking komen voor Europese financiering. Intussen heeft de Vlaamse Regering een verdere selectie doorgevoerd waardoor er 19 fiches overblijven van de initiële 34 (zie volgend deel). Een eerste analyse leert dat daardoor inderdaad de fiches die [zoals ze waren uitgewerkt6] minder beantwoorden aan de criteria zijn geschrapt voor het Vlaamse luik van het Belgische Plan voor Herstel en Veerkracht. De sociale partners merken bovendien op dat bepaalde investeringen (o.a. in schoolinfrastructuur, nieuwe sociale woningen en ventilatie), waarvoor de SERV reeds eerder expliciet vroeg om ze op te nemen in de relancestrategie7, ontbreken in het ontwerpplan, terwijl zij zeker ook voldoen aan bovengenoemde selectiecriteria.

Coherentie binnen het Belgische PHV De sociale partners wijzen op het grote belang van samenwerking en samenhang binnen België om te komen tot een coherent plan, dubbele maatregelen te vermijden en synergieën te benutten. Voor heel wat uitdagingen en opportuniteiten liggen de hefbomen immers op Vlaams én op federaal niveau. Voorbeelden zijn de digitale transformatie, de klimaatuitdaging, mobiliteit en infrastructuur, arbeidsmarkt, welzijn en gezondheid, enz. De coherentie van het PHV is trouwens een van de criteria die de Europese Commissie gebruikt in haar beoordeling van de nationale plannen (‘een motivering van de samenhang van het plan voor herstel en veerkracht’; ‘overheidsinvesteringen die coherente acties vormen’). Om die reden heeft de SERV alvast het initiatief genomen om de CRB en de regionale sociaaleconomische raden te contacteren zodat dit langs de kant van de sociale partners gestroomlijnd

6

Dit is geen uitspraak over de inhoudelijke belang of de maatschappelijke meerwaarde van een bepaald thema.

7

SERV, Vlaamse relancebeleid – bijzondere tijden vragen een bijzondere aanpak

11


kan gebeuren. Met de CRB is er bv. een gezamenlijke insteek rond renovatie van gebouwen in voorbereiding.

3

Bemerkingen bij de fiches

Naast bovenstaande algemene bemerkingen formuleren de sociale partners hierna hun bemerkingen per fiche. De SERV gebruikt daarbij geen indeling per minister, maar wel een thematische indeling, gebaseerd op het ontwerp van Belgisch Plan voor Herstel en Veerkracht, ook omdat het daardoor beter mogelijk is om de bredere visie achter bepaalde fiches mee te nemen te en/of fiches beter op elkaar af te stemmen. Deze thema’s of ‘componenten’ zijn gebaseerd op het interfederaal coördinatieproces binnen vijf thematische werkgroepen dat tijdens de maanden van november en december heeft plaatsgevonden. Deze assen en componenten zullen waarschijnlijk nog evolueren op basis van de weerhouden prioriteiten en de adviezen van de Europese Commissie en adviesorganen: Intussen heeft de Vlaamse Regering, zoals reeds vermeld, een verdere selectie gemaakt. 19 prioritaire fiches werden weerhouden (zie tabel). Sommige van die fiches werden ook inhoudelijk bijgestuurd (fiche 4, 13 en 17). Weerhouden fiches

Geschrapte fiches

1. Increasing renovation activity of the building stock:

7. Investments for safe roads

energetic + asbestos removal

8. Modal Shift Water

2. Cycling Infrastructure

9. Strengthening and making the hospital infrastructure

3. Accelerating the digital transformation of the Flemish

more sustainable

compulsory education

15. Cultural Infrastructure

4. Learning and career offensive

16. Investing in our patrimonium

5. Strengthening R&D

19. Brexit Action Plan

6. Blue Deal

20. Investing in a future proof and flourishing travel

10. Spending reviews

destination Flanders

11. An industrial value chain for hydrogen transition

22. Digital Health and Wellbeing

12. Greening road infrastructure

23. Empowering people with disabilities

13. Digitization: local and for all

24. Investments in supralocal sport infrastructure

14. Digitalisation of the Flemish Government

30. Poverty reduction and neighborhood improvement

17. Improving spatial planning

31. Enhance mental wellbeing

18. Greening the bus fleet (De Lijn)

32. Investing in the audiovisual sector

21. Higher Education Advancement Fund

33. Youth Infrastructure

25. Circular Economy

34. Vlaams Brusselfonds

26. Investments in renewable heat networks 27. Digibanks 28. Digital skills 29. digital transformation of media and (socio)cultural sector

Hierna worden enkel bemerkingen gegeven bij de 19 weerhouden fiches. De sociale partners hebben evenwel ook bemerkingen voorbereid bij de andere fiches, die wanneer nuttig kunnen doorgegeven worden.

12


As 1: Klimaat, duurzaamheid en innovatie Een belangrijke algemene opmerking bij de onderstaande fiches is dat een duiding van het bredere beleidskader ontbreekt waarbinnen deze projecten passen. Daarnaast merken de sociale partners op dat bepaalde investeringen (o.a. in schoolinfrastructuur, nieuwe sociale woningen en ventilatie), waarvoor de SERV reeds eerder expliciet vroeg om ze op te nemen in de relancestrategie8 ontbreken terwijl zij zeker voldoen aan bovengenoemde selectiecriteria en bijgevolg een plaats verdienen in deze fiches.

Fiche 1 ‘Increasing renovation activity of the building stock’ Deze fiche focust terecht op ‘renovatie’ maar het ambitieniveau terzake is niet in verhouding tot de uitdagingen. De voorziene middelen van ongeveer € 200 mln. per jaar zijn ruimschoots onvoldoende en de voorziene instrumenten en mechanismen zijn onvoldoende aangepast om woningrenovatie echt substantieel te versnellen en om voldoende renovaties bij kwetsbare groepen te realiseren9. Overigens lijkt de fiche nauwelijks additioneel t.o.v. eerder aangekondigd beleid, noch voor energetische renovatie, noch voor de uitfasering van asbest. De SERV herhaalt dan ook in het kader van de relance de vraag om werk te maken van een ambitieuzere renovatieaanpak evenals een passend mechanisme voor de problematiek van woningrenovatie bij kwetsbare gezinnen, huurwoningen … Dit vormt immers de centrale uitdaging in een ‘no regret’aanpak in het energie- en klimaatbeleid, gezien de baten hiervan voor de lokale economie, de woonkwaliteit, de armoedebestrijding, het stedenbeleid, etc. Ook investeringen in de renovatie en bouw van sociale woningen en schoolgebouwen moeten in dat perspectief veel meer aandacht en middelen krijgen, net als de zorg- en welzijnsinfrastructuur. Meer nadruk is tevens nodig op collectieve aanpakken die renovatie-activiteiten opschalen en renovatiekosten kunnen beperken10 en wijkprojecten die tegelijkertijd ook andere baten kunnen realiseren zoals o.a. inzake mobiliteit, lokale economie, natuur, e.d. Aansluitend zijn ook bijkomende arbeidsmarktinitiatieven nodig om te zorgen dat de bouwsector voldoende arbeidskrachten heeft om de benodigde werken effectief te kunnen realiseren. Er is dus ook een grote nood aan flankerend beleid om de renovatiegolf verder te zetten. Verder ontbreekt in deze fiche de aandacht voor ventilatie. In een recente ventilatie-oproep11 vroeg de SERV om voldoende ventilatie-investeringen, prioritair ‘voor scholen, woonzorgcentra en sportcentra, maar ook voor de werkomgeving, de horeca, de woonomgeving, het openbaar vervoer, opvangcentra, etc.’ die toelaten om voldoende ventilatie en thermisch en akoestisch comfort samen te realiseren. Evenmin is er aandacht voor waterbesparende ingrepen. In het kader van een proactief beleid inzake waterschaarste hebben de sociale partners opgeroepen12 om waterbesparende ingrepen te koppelen aan energiezuinig maken van woningen (“meesurfen” op de renovatiegolf van het energiezuinig maken van woonpatrimonium). De fiche bevat geen mijlpalen.

8

SERV, Vlaamse relancebeleid – bijzondere tijden vragen een bijzondere aanpak

9

SERV, Advies Beleidsnota’s Energie en Klimaat. Het blinkend parcours naar Parijs

10

SERV, Elementen voor een gesublimeerd klimaat- en energiebeleid 2019-2024

11

SERV, Oproep. Open deuren vragen open ramen. Oproep om ventilatie nu ter harte te nemen

12

SERV, Advies Waterschaarste en droogte. Aanbevelingen voor slim en circulair watergebruik

13


Fiche 6 ‘Blue Deal’ Deze fiche beschrijft in grote lijnen de zes clusters van de Blue Deal, een 70-puntenplan van de Vlaamse Regering om Vlaanderen te beschermen tegen waterschaarste en droogte. Eén van die clusters is “circulair watergebruik als nieuwe standaard”. Deze cluster volgt in belangrijke mate de aanbevelingen die de sociale partners formuleerden in hun advies over waterschaarste en droogte13. Waterhergebruik is essentieel in het kader van een slim en efficiënt watergebruik. De realisatie van de Blue Deal impliceert heel wat investeringen in infrastructuur en kan op die manier bijdragen aan de post-COVID relance (toenemende jobs in de bouwsector, studiebureaus enz.). Er is een duidelijke link met digitalisering via de focus op de inzameling van digitale gegevens via sensoren en het gebruik AI, open data, machine learning bij interpretatie en gebruik van deze data. Ook het vlak van afvalwaterbeheer wordt vandaag al ingezet op digitalisering via uitbouw van een sensorennetwerk. De SERV wijst op het belang om via een fijnmaziger monitoringnetwerk voor afvalwater ook in te zetten op de monitoring van COVID gerelateerde parameters dit in het kader van test en tracing strategie. De fiche geeft aan dat de bijdrage uit de RRF zou kunnen zorgen voor een verlenging van het project na 2022 en dat is uiteraard waardevol. Zou het, met het oog op het relance-effect, echter niet mogelijk zijn om ook een versnelling door te voeren zodat er ook reeds in 2021 en 2022 bijkomend geïnvesteerd wordt? Er wordt voor het beleidsdomein omgeving verwezen naar een budget van € 258 mln., wat overeenkomt met het budget dat voorgesteld werd in Vlaamse Veerkracht. Welke bijdrage wordt er verwacht vanuit RRF? De sociale partners merken op dat één van de doelstellingen (‘Fight against leakage losses in the drinking water system’) moeilijk kan meegenomen worden voor EU-financiering omdat dit tot de normale taken behoort van de watermaatschappijen. Verder ontbreekt in deze fiches ook een focus op zorg- en welzijnsinstellingen, aangezien zij een belangrijke gebruiker van water zijn.

Fiche 11 ‘Hydrogen transition’ Deze fiche heeft een duidelijke link met de groene transitie, en met de landspecifieke aanbevelingen uit het Europees Semester. Er rijzen wel vragen over welke specifieke projecten onder deze fiche zouden ressorteren en de verhouding ten opzichte van de financiering via andere EU-kanalen (€ 125 mln.) van de hieraan gerelateerde IPCEI, en de steun die Vlaanderen hiervoor (nog) zou voorzien. De beoogde impact is in de fiche niet omschreven. Er moet bekeken worden in welke mate dit project door herformulering en specificering (bv. deelproject) meer kans maakt om de EU-toets te doorstaan. De huidige financieringsaanvraag lijkt namelijk (deels) betrekking te hebben op een IPCEI-project dat reeds rond is (qua aanpak en financiering). De additionaliteit is voorlopig onduidelijk en kan best verduidelijkt worden in de projectaanvraag (bv. door te verduidelijken welk deel van de financiering nog niet rond is en/of welke bijkomende initiatieven gefinancierd zouden worden dankzij RRF-middelen).

13

SERV, Advies Waterschaarste en droogte. Aanbevelingen voor slim en circulair watergebruik

14


De SERV mist in deze fiche een ketenbenadering en het bredere beleidskader waarbinnen dit project past.

Fiche 17 ‘Improving spatial planning’ De fiche beoogt stadsvernieuwingsprojecten, vernieuwing van commerciële centra en bedrijventerreinen waarbij sterk wordt ingezet op de groene, maar ook digitale transitie. De link met COVID-19 wordt eveneens gelegd. Het framework ondersteunt lokale autoriteiten en stimuleert infrastructuurinvesteringen. Maar de fiche gaat eigenlijk dieper in op een specifiek aspect van het ruimtelijk beleid/‘spatial planning’. Het focust namelijk op de herontwikkeling van stadscentra en bedrijventerreinen (*) en niet op het bredere ruimtelijk beleid. Een gewijzigde titel (bv. ‘Redevelopment of commercial activities in urban centres and business parks’) dekt de lading beter. Daarbij is het wel essentieel, zoals in de coronacrisis opnieuw werd onderstreept, dat de inspanningen niet beperkt blijven tot stadscentra en bedrijventerreinen maar breder betrekking hebben op behoud van diensten en handel in kernen (zgn. ‘bedrijvige kernen’). Anderzijds kan de bredere focus behouden blijven als er duidelijke linken gelegd worden met projecten uit andere fiches: • Link leggen met Fiche 25 ‘Circular Economy’ (circular hub / rol haventerreinen / circulair gebruik van ruimte …) • Link leggen met waterbeleid Fiche 6 ‘Blue Deal’ (overstromingsgebieden, aanbouw buffercapaciteit, hydromorfologische ingrepen met oog op verbetering waterkwaliteit enz... daarvoor is ruimte nodig). • Link met fiches inzake mobiliteit

Fiche 25 ‘Circular Economy’ Deze fiche is grondig uitgewerkt. Ze bevat een uitvoerige omgevingsanalyse, duidelijke mijlpalen (met bijhorende budgetten) en er is aandacht voor additionaliteit van het voorgestelde project. Het project zelf bevat drie verschillende accenten: recycling hub, circular manufacturing en circular construction. Er zijn linken met digitalisering, renovatie (afvalstromen o.a. asbest / materialen), aandacht voor verschillende strategieën (niet enkel recyclage, ook levensduurverlenging, circulair design), klimaat (impact op CO2 emissies) enz. Ook wordt gewezen op de extra afvalstromen door de COVID-pandemie (mondmaskers, handschoenen …). Er moet gewezen worden op de nood aan ‘skills’ voor de transitie naar een circulaire economie (o.a. circulair bouwen, circulaire maakindustrie) en dus kan een link gelegd worden met de fiches over vorming en onderwijs, digital skills. Voor de verdere specifieke invulling van de fiche kan verwezen worden naar het deel “arbeidsmarkt klaarstomen” in de Beleidsagenda Circulaire Economie. Bovendien lijkt de fiche voorbij te gaan aan de noodzakelijke ketenbenadering van circulaire economie. Daarnaast is ook hier meer aandacht nodig voor de rol van sociale economie ondernemingen.

15


Fiche 26 ‘Investments in renewable heat networks’ Gezien het aandeel van warmte in de Vlaamse energiebalans heeft het nuttig gebruik van restwarmte en van hernieuwbare warmte, direct of via warmtenetten een belangrijke rol te spelen in de groene transitie. Er gaat dus terecht aandacht naar deze technologieën en investeringen. In deze fiche worden de calls vermeld waarin initiatiefnemers projecten kunnen indienen voor cofinanciering. Deze aanpak (project call) vertoont een aantal voordelen, zoals een zekere competitie die moet zorgen voor de financiering van de beste projecten. Een aanpak met calls kan echter ook leiden tot onzekerheid met betrekking tot de ondersteuning. Meer middelen voor deze calls verhogen de kans van projectontwikkelaars dat hun projecten weerhouden worden, hetgeen onzekerheid hieromtrent en bijhorende kosten kan verminderen. De selectie van projecten op basis van kostenefficiëntie vormt in ieder geval een goed uitgangspunt. De fiche bevat nog geen mijlpalen en het is dus nog niet duidelijk op welke periode de calls betrekking zouden hebben, noch is het duidelijk welke omvang de individuele calls ongeveer zouden hebben (en hoeveel bijkomend ondersteund zou kunnen worden). Meer algemeen is het onduidelijk welke bijkomende middelen de Vlaamse Regering ter beschikking zou stellen en welke bijkomende budgetten afhankelijk zijn van Europese financiering. De sociale partners vragen om in deze fiche explicieter rekening te houden met de zorg- en welzijnsinstellingen.

As 2: Digitale transformatie Een belangrijke algemene opmerking bij de onderstaande fiches is dat er nood is aan onderlinge afstemming en afstemming met het federale niveau. Ook federaal zijn er heel wat initiatieven rond digitale transformatie waardoor de nood aan een samenhangend en mekaar versterkend pakket aan initiatieven evident is. Daarnaast is ook hier een duiding van het bredere beleidskader wenselijk zodat het duidelijker is waarbinnen deze projecten passen. Daarbij kan ook worden verwezen naar de digitale agenda die de sociale partners hebben vooropgesteld14.

Fiche 3 ‘Accelerating the digital transformation of the Flemish compulsory education’ Veel van de zaken die de SERV in zijn digitaliseringsagenda en in de oproep met de Vlor om werk te maken van digitalisering van en in het onderwijs naar voor schoof als cruciaal, worden in deze fiche aangepakt. Er wordt alleszins een begin gemaakt met de digitale transformatie via investeringen in IT, in opleiding van leraren en schoolteams, in digitale leeromgevingen … De acties en het budget zijn in de fiche echter niet in detail uitgewerkt. Een te weinig verfijnde uitwerking zou kunnen leiden tot een inefficiënte besteding van de middelen (bv. aan doelgroepen die reeds beschikken over IT-uitrusting). Deze fiche bevat ook enkel acties voor het leerplichtonderwijs. De vraag van de SERV naar meer IT-opleidingen in het hoger onderwijs bv. wordt met deze fiche dan ook niet ondervangen. Fiche 21 ‘Higher Education Advancement Fund’ biedt daarvoor wel aanknopingspunten.

14

https://www.serv.be/serv/pagina/digitalisering

16


De SERV merkt op dat er in de Vlaamse fiches geen focus is op investeringen in schoolinfrastructuur. De focus ligt daarentegen voornamelijk op hardware en platforms, waarvoor een link met de Green Deal-doelstellingen terzake ontbreekt. De fiche is gebaseerd op de visienota ‘Digisprong. Van Achterstand naar Voorsprong. ICT-plan voor een kwalitatief digitaal onderwijs’ (in uitvoering van het relanceplan “Vlaamse veerkracht”) waarover de SERV wellicht nog een advies op eigen initiatief zal uitbrengen.

Fiche 13 ‘Digitization: local and for all’ Deze fiche speelt in op één van de belangrijkste uitdagingen van de Vlaamse economie: de digitale transitie. De SERV gaf in het verleden verschillende adviezen hieromtrent. De humancentered approach was daarbij cruciaal en komt ook naar voor in de fiche. Het doel is om project calls te lanceren binnen een smart cities context. De fiche sluit nauw aan bij de doelstellingen van het Europese herstelfonds. Wel moet worden opgelet dat het werken met calls (vraaggestuurd, gericht op het selecteren van de beste projecten) er niet toe leidt dat het steeds dezelfde lokale besturen zijn (die al vooroplopen) die de beste projecten indienen en de middelen naar zich toehalen. Het is immers cruciaal dat er ook een structurelere aanpak is15, waarbij ook de geleerde lessen en ervaringen bij koplopers sterker worden gedeeld, meer synergie worden gezocht met andere projecten (zie opmerking verder) en – vooral – ervoor wordt gezorgd dat de (digitale) dienstverlening in alle lokale besturen ‘op niveau’ komt. Vanuit SERV-adviezen kan ook aangestipt worden dat er aandacht nodig is voor de digitale vaardigheden van het eigen personeel van de lokale overheden (en de regionale overheid) en het slim ontwerp van de eigen (digitale) dienstverlening, informatiekanalen en website (zie ook Fiche 4 ‘Learning and career offensive’). Bijzondere aandacht mag ook gaan naar ‘smart health’ waarin ook lokale besturen een belangrijke rol hebben. Ook hier worden er (net zoals in veel andere fiches) geen onderlinge linken gelegd met andere fiches (zie paragraaf 13.1.4: is blanco of nee), terwijl die er wel zijn, én terwijl het leggen van die linken erg belangrijk is om te verzekeren dat de middelen efficiënt worden besteed (geen dubbel werk, geen dubbele financiering …). Voorbeelden voor deze fiche zijn: “Development of digital skills: local authorities receive financial support to develop training and education programmes for citizens with local partners.” (link met Fiche 4 ‘Learning and career offensive en Fiche 28 ‘Digital Skills’) “Mobilisation of the commitment of digital literate population to strengthen those who have fewer digital skills.” (link met Fiche 27 ‘Digibanks’) “Accelerated digitization of the processes and services of local authorities” (link met Fiche 14 ‘Digitalisation of the Flemish Government’).

15

Ook in het licht van bepaalde doelstellingen van deze fiche lijkt het werken met calls misschien niet de beste weg (cf. de doelstelling “Providing access to the internet for the whole Flemish population. In particular local authorities will be financially supported provide access to computers and the internet for vulnerable people and people living in poverty.”; Development of digital skills: local authorities receive financial support to develop training and education programmes for citizens with local partners; Accelerated digitization of the processes and services of local authorities …)

17


Fiche 14 ‘Digitalisation of the Flemish Government’ De fiche is nog erg vaag (‘digitalisation projects’, ‘The project is split up in different focused projects’) over wat precies zal gebeuren en waarvoor het geld zal dienen. Ook hier kan worden aanbevolen om meer in te spelen op de voorbeeldfiches ‘A public administration fit for the future’ die de Europese Commissie maakte (cf. supra), en zo tegelijk de Europese financieringskansen te vergroten én de meerwaarde voor de Vlaamse beleidspraktijk te verbreden. Verder kan worden verwezen naar verschillende SERV-adviezen. Enkele punten die hier zeker meer in de verf kunnen gezet worden zijn: De samenhang met de Europese datastrategie is onduidelijk en zou sterker moeten worden uitgewerkt. De rol van de private sector komt weinig aan bod, maar is ook hier een belangrijke actor (zie ook discussie datanutsbedrijf). Thematic data spaces worden vermeld maar niet gespecifieerd: aan welke sectoren denkt men? Slim ontwerp van de eigen (digitale) dienstverlening met een e-inclusieve front-office. Daarbij mag digitale dienstverlening niet louter de gewone dienstverlening vervangen, maar moet het deel uitmaken van een mix aan dienstverleningskanalen. Digitalisering is geen doel op zich. Een e-inclusieve dienstverlening werkt als slimme mix van kanalen volgens het ‘click-callface-home’-principe om te garanderen dat alle burgers toegang hebben tot de nodige dienstverlening. Door het aanhouden van meerdere kanalen kan een ‘blended’ dienstverlening op maat van de burgers uitgezet worden. Er kan ook een combinatie gemaakt worden met gegevensdeling en proactieve attendering of toekenning van rechten om de dienstverlening naar de burgers toe te verbeteren en om verder digitaal te ontzorgen. Betrokkenheid van gebruikers is belangrijk bij het ontwerp van toegankelijke digi-diensten. Daarbij is niet enkel het principe belangrijk, maar ook de manier waarop de betrokkenheid wordt georganiseerd. Detail: er staat: “The government must be able to easily work together with private initiatives, research institutions and citizens to co-create digital-enabled solutions to some of today’s most pressing policy problems (e-health, environment, mobility).” Misschien ook ‘productivity’ toevoegen?

Fiche 27 ‘Digibanks’ De digibanken zijn gericht op het verdelen van hardware aan kwetsbare groepen op lokaal niveau. Wie die kwetsbare groepen zijn, wordt echter niet verder gespecifieerd. Het is belangrijk om aandacht te geven aan het bestendigen van de initiatieven (kunnen ze over lange tijd blijven functioneren) en de nood aan omkadering om met het materiaal te werken. In het kader van de taskforce kwetsbare groepen werd er ook gewezen op het belang om duidelijkheid te bieden over de status van het materiaal (leen/huur/eigendom) en de aansprakelijkheden. De digibanken zijn onderdeel van ‘Speerpunt 11: we pakken de digitale kloof op de arbeidsmarkt aan en trekken de kaart van e-inclusie en digitale geletterdheid’ in het VESOC-akkoord Alle Hens aan Dek.

18


Fiche 28 ‘Digital Skills’ De leerrekening, digitaal opleidingsplatform (Speerpunt 8) en de digitalisering van de VDABdienstverlening (speerpunt 9), inclusief digitale jobbeurzen zitten ook mee in het VESOC-akkoord ‘Alle Hens aan Dek’. Deze fiche handelt hoofdzakelijk over de initiatieven van VDAB en de infrastructuur van platforms, eerder dan over ‘skills’. Er is tevens geen hervormingscomponent opgenomen binnen deze fiche. Ook hier is aandacht nodig voor de grote verschillen tussen de digitale vaardigheden van de mensen die beroep doen op de VDAB. Ook hier geldt dus e-inclusieve front-office, belang van digitaal ontzorgen (zie Fiche 14 ‘Digitalisation of the Flemish Government’). Bijkomend ook de aandacht voor de digitale vaardigheden van het eigen personeel.

Fiche 29 ‘Digital transformation of media and (socio)cultural sector’ De sociale partners merken op dat de scope van deze fiche zou uitgebreid kunnen worden richting digitalisering van de Vlaamse regionale televisiezenders.

As 3: Mobiliteit Fiche 2 ‘Cycling Infrastructure’ In het Mobiliteitsverslag 2020 van de Mobiliteitsraad werd gepleit om de ketenaanpak te stimuleren en hiervoor de bestaande decretale instrumenten af te stemmen. “Concreet verwijst de Raad hiervoor o.m. naar het Fietsfonds. Het Fietsfonds subsidieert nu gemeenten die fietsinfrastructuur willen aanleggen of verbeteren op gemeentewegen die opgenomen zijn in het BFF. In het licht van de ketenaanpak pleit de MORA ervoor om het Fietsfonds decretaal te herzien opdat ook subsidies kunnen toegekend worden voor de ontsluiting van het BFF, dus ook op andere gemeentewegen dan deze die op het BFF liggen.” De Mobiliteitsraad stelde wel vast dat er een toenemende discrepantie is tussen de voorziene budgettaire middelen en de effectieve toewijzing aan concrete projecten of realisaties op het terrein. De SERV vraagt om de middelen voor infrastructuur zo snel mogelijk beleidsmatig te verankeren en ze versneld om te zetten in concrete projecten. Wanneer de minister wil dat de verhoogde investeringsinspanningen ook op het terrein snel zichtbaar worden moet hiermee nu een aanvang worden genomen en moet de kloof tussen de voorziene middelen en de effectief aangewende middelen zo snel mogelijk worden gedicht. Verder wijst de SERV erop dat een performant planningsinstrument voor infrastructuurinvesteringen over de modi heen noodzakelijk is. Tot slot benadrukt de SERV dat naast fietsinfrastructuur in de omgeving van scholen, ook de omgeving van zorg- en welzijnsorganisaties niet mag vergeten worden.

Fiche 12 ‘Greening road infrastructure’ Het project focust op de ondersteuning van de uitrol van laadinfrastructuur voor de verschillende categorieën (elektrische) voertuigen en stelt als doel om tegen 2025 30.000 extra laadpunten te voorzien. De maatregel wordt gekaderd binnen het transitiepad naar een zero-emissie voor alle modi. Voorts zal werk worden gemaakt van de omschakeling van de bestaande wegenverlichting naar Ledverlichting.

19


Daarnaast wordt gewezen op het belang van een potentieelanalyse en de ondersteuning van zero-emissie oplossingen voor de scheepvaart en de binnenvaart alsook van het gebruik van walstroom. De sociale partners beklemtonen het belang van een evolutie naar een duurzamer en groener voertuigenpark in Vlaanderen. Met betrekking tot de uitrol van laadinfrastructuur wordt in het advies over de conceptnota Clean Power For Transport van 2015 (gezamenlijk advies MORA-SERV) voorgesteld om het opladen van elektrische voertuigen a priori mogelijk te maken op strategische locaties waar men slim en snel kan laden, gekoppeld aan de uitbouw van slimme elektriciteitsnetten. De focus van de vergroening van het voertuigpark mag echter niet uitsluitend worden gelegd op het personenvervoer. In hetzelfde gezamenlijk advies MORA-SERV werd benadrukt dat het Vlaamse beleid ook voldoende aandacht moet geven aan de vergroeningsmogelijkheden op vlak van binnenvaart en wegvervoer van goederen. LEZ’S komen in dit project niet aan bod. Bij het verder uitwerken van beleid met emissiebeperkende maatregelen zoals LEZ’s is een zo groot mogelijke uniformiteit binnen België cruciaal. Het is niet duidelijk op welke manier de verdeling van de middelen over Ledverlichting (€ 90 mln. voor een relatief kleine behoefte, lage dringendheid en geen bijdrage aan Vlaamse niet-ETS klimaatdoelstelling) en laadinfrastructuur (€ 30 mln. voor een relatief grote behoefte, hoge dringendheid en wel bijdrage aan Vlaamse niet-ETS klimaatdoelstelling) bepaald werd. Het is ook niet duidelijk hoe de verdeling van de middelen tussen deze fiche en Fiche 18 ‘Greening the bus fleet (De Lijn)’, waar de noden nog hoger zijn, bepaald werd.

Fiche 18 ‘Greening the bus fleet (De Lijn)’ De ambitie van de Vlaamse Regering bestaat eruit om tegen 2025 in alle stedelijke kernen en tegen 2035 in heel Vlaanderen emissievrije bussen te laten rijden. Deze ambitie wordt niet in de fiche opgenomen. Voor de bestelling van de 60 E-bussen heeft de Vlaamse Regering € 93 mln. vrijgemaakt via het relanceplan, wat niet vermeld wordt in 18.1.4 Link met andere investeringen van hervormingsprojecten. De fiche maakt ook melding van de bestelling van hybride bussen. Omdat het ‘future proof’ gehalte van hybride bussen ter discussie staat, bestaat de kans dat Europa deze investering niet zal aanvaarden. Bovendien geeft de fiche aan dat dit project 100% bijdraagt aan een groene transmissie wat gezien deze aankoop niet het geval is. Rekening houdend met de levensduur van een bus, zal de aankoop van hybride bussen impliceren dat er na 2035 nog niet-emissievrije bussen in het voertuigpark aanwezig zullen zijn. 50% van de kilometers van de openbare dienstkilometers wordt door private bedrijven uitgevoerd, dus 45% vergroening betekent eigenlijk maar 22.5% vergroening. Het lijkt daarom nuttig om ook de privé-exploitanten bij dit project betrokken (zoals ook gevraagd door de minister in het Vlaams Parlement).

20


As 4: Mens- en samenleving Fiche 4 ‘Learning and career offensive’ In het luik analyse worden vijf ‘uitdagingen’ geformuleerd: activering, levenslang leren, kwetsbare leerlingen, schoolomgeving (IT, leraren en aansturing) en mentaal welbevinden van studenten. Het tweede luik, de doelen, gaat heel erg breed. Bij activering, die duurzamere loopbanen ambieert, gaat het over duaal leren, opleidingsaanbod en eigenaarschap (transitiepunten en jobmobiliteit). Bij levenslang leren gaat het over digitale competenties, een opleidingsaanbod dat meer inspeelt op de arbeidsmarkt en een publiciteitscampagne. De ondersteuning van kwetsbare leerlingen omvat de zomerscholen, vermijden van zittenblijven, versterken van basiszorg en van het beroepsgericht onderwijs. Bij schoolomgeving voorziet de fiche school leadership programma’s en pilootprojecten om de lerarenopleiding te versterken. Rond mentaal welbevinden komt er een opleidingstraject waar ook de CLB’s de vruchten van zullen plukken. Deze opsomming is lang niet alles wat in de fiche is opgenomen. Bedenkingen hierbij: -

-

-

-

-

-

De titel van de fiche dekt de lading niet voldoende; er is een onevenwicht in de acties met veel aandacht voor het (initieel) onderwijs. Dat is op zich zeker niet slecht maar het thema ‘loopbanen’ komt in verhouding (te) weinig aan bod. Er zijn zeer veel acties en veel belangrijke doelen maar sommige zijn erg breed, bv. het versterken van het BSO, of niet concreet gemaakt bv. ‘we opt for a comprehensive investment- and reform approach to tackle the multitude of challenges facing vulnerable pupils and students’. De fiche bevat actuele, belangrijke ‘werven’ en enkele veelbelovende initiatieven. Heel wat is lopend beleid. Vraag is onder andere waar de € 290 mln. zal voor ingezet worden, gezien de veelheid en de omvang van de doelen en in welke mate alles overlegd is met alle betrokkenen. De maatschappelijke relevantie is groot maar niet alles heeft een direct link met relance. De sociale partners vragen dat in deze fiche bijkomend aandacht wordt gegeven aan het ondernemerschap als loopbaanmogelijkheid, en verwijst daarbij naar zijn recent advies over dit thema.16 Deze fiche biedt (nog) geen concreet antwoord op de vertaling en concretisering van de ‘competenties van de toekomst’ en hoe competentieprognoses kunnen worden omgezet in concrete opleidingstrajecten. Daarnaast zou de fiche verder uitgewerkt kunnen worden omtrent opleiding richting concrete transities (digitaal, klimaat, circulair …) en/of sectoren die door corona onder druk komen (bv. bouwsector). De mijlpalen en KPI’s zouden concreter moeten. Er zou bv. ook gefocust moeten worden op hoeveel jobs gecreëerd kunnen worden. Detail: de zin ‘Children with a lower socio-economic background often need more time and instruction to achieve good results.’ anders formuleren omwille van generaliserend karakter.

Fiche 21 ‘Higher Education Advancement Fund’ Met deze fiche wordt een fonds voorzien van € 60 mln. dat drie doelstellingen heeft: (1) blended learning ingang doen vinden, (2) het onderwijsaanbod hoger onderwijs ‘future proof’ maken, flexibeler en meer afgestemd op de arbeidsmarkt en (3) het voorzien van een herscholings- en bijscholingsaanbod voor werkenden (reskilling and upskilling). Het eerste project blended leren 16

SERV, Vonken voor ondernemerschap post COVID-19

21


omvat ondersteuning van onderwijsinstellingen in de realisatie ervan, in andere evaluatievormen, in digitale didactiek en via een lerend netwerk. Het tweede wil o.a. meer aandacht voor 21ste eeuwse vaardigheden, ondernemerschapsvaardigheden en duurzaamheid, nieuwe STEMprogramma’s, co-creatie, brede bachelor programma’s en studentgeoriënteerde pakketten. Met luik drie moet het hoger onderwijs zich meer richten op zowel generatiestudenten en ‘levenslang lerenden’ via o.a. postgraduaten, microcredentials, duaal leren, innovatieve leerwegen, aangepaste programma’s voor nieuwkomers. Het fonds zal werken met projectoproepen, Vlaanderen-brede initiatieven en onderbouwd worden door wetenschappelijke monitoring en onderzoek. Nieuwe programma’s zullen rekening houden met en inspelen op de groene én de digitale transformatie. Acties zullen complementair zijn aan de acties in Fiche 4 ‘Learning and career offensive’. De doelstellingen zijn erg relevant en in lijn met diverse SERV-adviezen. De uitspraak ‘papier is gewillig’ lijkt echter wel op zijn plaats. De doelen zijn breed en er worden veel acties opgesomd. Deze zullen volgens de fiche gerealiseerd moeten worden via het projectfonds van € 60 mln. Er is niet uitgemaakt naar welke acties hoeveel middelen zullen gaan. Een vraag is ook hierin hoeverre de voorstellen allemaal gedragen zijn door alle betrokkenen. Een andere vraag is bv. in welke mate de universiteiten zich moeten wenden tot de ‘kwetsbare doelgroepen’ waarvan sprake. Het aanbod is best complementair aan het aanbod op andere onderwijsniveaus, future proof en meer arbeidsmarktgericht (o.a. ook meer opleidingen in ICT of AI). € 60 mln. kan volgens de SERV een aanzet zijn voor enkele pilootprojecten. Het zou goed zijn dat ook arbeidsmarktpartners bij de selectie ervan betrokken zijn, gezien de doelstelling van afstemming op en co-creatie met de arbeidsmarkt. Deze fiche heeft een duidelijk link met levenslang leren. De sociale partners stellen voor om bij de verdere uitwerking (i) ondernemerschap als mogelijke loopbaanoptie expliciet mee te nemen, (ii) de focus op inclusie niet te vergeten en (iii) ook na te gaan hoe drempels naar om- en bijscholing verder verlaagd kunnen worden (cf. modulaire pakketten).

As 5: Productiviteit Fiche 5 ‘Strengthening R&D’ De ambitie in deze fiche ligt in lijn met wat in Vlaanderen al jaren beoogd wordt (3%/BBP O&Ouitgaven) en qua thema kan deze fiche vlot ondergebracht worden in het opzet en de doelstellingen omschreven in het RRF. De SERV mist in deze fiche wel de specifieke prioritering in lijn met de nieuwe uitdagingen gesteld door COVID-19. Binnen het in te dienen Europese plan moet het voor de sociale partners gaan om gerichte innovatiesteun die naar deze geformuleerde prioriteiten leidt, en die maatschappelijk relevant zijn en een groot economisch multiplicatoreffect hebben. Vanwege het opzet, is het trouwens net deze fiche die belangrijke linken heeft met projecten in andere fiches (blue deal, hydrogen, digitale transformatie, circulaire economie …) en die dus zouden verduidelijkt kunnen worden in de fiche. De SERV gaf in zijn relancenota aan dat naast de kwantitatieve realisatie ook de kwalitatieve invulling van de 1%-norm voor publieke O&O (en dus bij uitbreiding de 3% op vlak van totale O&O-bestedingen) waarbij innovatiesteunmaatregelen regelmatig worden geëvalueerd op hun impact, bredere return en effectiviteit. Dit kan, binnen de gegeven budgettaire context, tevens het 22


inzicht van de overheid verrijken over welke instrumenten welke doelgroep op de meest optimale wijze ondersteunen. Het is voor de SERV bovendien niet alleen van belang om de uitgaven voor O&O op peil te houden, het onderzoek zelf moet vooruitstrevend zijn en inspelen op de snelle economische en maatschappelijke transformaties. Innovatiesteunmaatregelen moeten dan ook regelmatig worden geëvalueerd op hun impact, bredere return en hun maatschappelijk draagvlak. Terwijl voor circulaire economie de fiche duidelijk een vertaalslag maakt naar de operationalisering, ontbreekt deze nog voor bio-economie. Daarnaast ontbreken voor de SERV (i) de link met zorginnovatie (o.a. Flanders Care) en (ii) de noodzaak om, naast productiviteitsverhoging, ook in te zetten op eco-efficiëntie. De doelgroep van deze fiche blijkt nu beperkt tot kmo’s, grote ondernemingen en kenniscentra: worden sociale ondernemingen hier uitgesloten?

Fiche 10 ‘Spending reviews’ Dit is een bijzonder nuttig initiatief dat kadert in zowel een gezond begrotingsbeleid als in het streven naar beter beleid. Het is echter de vraag of dergelijke fiche gefinancierd kan worden via het RRF. Het relanceaspect van de spending reviews lijkt eerder vergezocht. Er wordt bovendien een budget gevraagd van € 10 mln., wat (te?) significant is voor dergelijke oefening, maar aan de lage kant is in deze context (€ 10 mln. is de ondergrens om in aanmerking te komen voor RRF). Er kan aanbevolen worden om de thematiek open te trekken, om zo tegelijk de Europese financieringskansen te vergroten én de meerwaarde voor de Vlaamse beleidspraktijk te versterken. Concreet kunnen aan deze fiche diverse zaken worden gekoppeld en toegevoegd rond ‘better policymaking and implementation’, geïnspireerd op de (uitstekende) voorbeeldfiche ‘A public administration fit for the future’ die de Europese Commissie opmaakte17. Het zou ook toelaten om meerdere zaken uit het deel ‘Investeren, maar ook hervormen’ uit het ‘Vlaamse Veerkracht’ mee te nemen. Concreet bevat die voorbeeldfiche heel wat concrete suggesties op basis van internationale ‘beste praktijken’ die sterk overeenkomen met aanbevelingen uit eerdere SERV-adviezen18 en waar Vlaanderen internationaal vaak achteroploopt. Het gaat dan onder andere over betere regelgeving (impact assessment, regelgevingsagenda, administratieve lasten, oversightfunctie …) betere beleidsprocessen (databeschikbaarheid, consultatiebeleid, transitiemanagement, beleidscoherentie …), innovatie-stimulering (public procurement, skills …) en digitale overheid (link met Fiche 14 ‘Digitalisation of the Flemish Government’

17

https://ec.europa.eu/info/files/example-component-reforms-and-investments-public-administration_en

18

Onder andere https://www.serv.be/serv/publicatie/adviezen-betere-regelgeving; https://www.serv.be/serv/publicatie/advies-groenboek-bestuur; https://www.serv.be/serv/publicatie/adviesbestuurlijke-beleidsnotas-2019-2024; https://www.serv.be/serv/publicatie/vlaams-relancebeleid-bijzonderetijden-vragen-bijzondere-aanpak; https://www.serv.be/serv/publicatie/advies-betere-data-corona-beleid;

23


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
SERV_20210120_Vlaamse_Fiches_ADV_Jambon.pdf by Vlaanderen-be - Issuu