Verstorings- en herstelprocessen
Hoofdstuk Verstorings- en V herstelprocessen 5.1 Inleiding De natuur is onderhevig aan natuurlijke en antropogene processen.Vaak zijn deze laatste negatief en worden ze aangeduid als verstoringsprocessen. De mate waarin ze kunnen beheerst worden, is bepalend voor de natuurkwaliteit in Vlaanderen. Niet alle antropogene invloeden zijn negatief: menselijk handelen kan juist gericht zijn op het behoud, het herstel of de ontwikkeling van natuur. In dat geval spreken we van herstelprocessen. Hoofdstuk 5 vormt de link tussen NARA en MIRA. Het MIRA werkt per verstoringsthema, dat elke keer beschreven wordt volgens het DPSIR-model. Dit model beschrijft een reeks van causale relaties: "Driving forces", "Pressures", "State", "Impacts" en "Responses". De "Driving forces" zijn de activiteiten die aanleiding geven tot milieuproblemen, bijvoorbeeld, het verkeer. De "Pressures" zijn de verstoringen die uit deze activiteiten voortvloeien, bijvoorbeeld, de emissie van verzurende polluenten. Vervolgens beschrijft de "State" de toestand ten gevolge van de verstoringen, bijvoorbeeld, immissies, concentraties en deposities. De "Impacts" zijn de gevolgen voor de mens, de natuur en de economie. Natuur omvat hier zowel biotische als abiotische kenmerken. De "Responses", tenslotte, beschrijven de beleidsinitiatieven om de verstoring tegen te gaan. Die initiatieven kunnen inspelen op alle bovengenoemde niveaus: "Driving forces", "Pressures", "State" en "Impacts". Het Natuurrapport concentreert zich op de "Impacts" op de natuur en op de "Responses" van het beleid, die tot doel hebben de natuur te beschermen tegen de verstoring. Deze fase behelst evenwel ook initiatieven die op de eerste schakels van de keten ingrijpen en reeds in het MIRA aan bod komen, waarnaar we dan ook verwijzen. Het NARA behandelt vooral het beleid dat rechtstreeks ingrijpt op de toestand van de natuur. Dit betreft meestal het natuurbeleid, maar soms ook andere beleidsdomeinen, zoals het ruimtelijk, het milieu- en het waterbeleid. In dit hoofdstuk, komen een reeks van verstorings- en herstelprocessen aan bod die overeenstemmen met de thema's van het MIRA. We behandelen wel alleen de processen waarbij informatie bestaat over de gevolgen voor de natuur. Het is de bedoeling in de toekomst het aantal thema's uit te breiden. In deel 5.2 Exploitatie van de natuur, wordt ingegaan op de jacht, binnenvisserij en import van exoten. Hier grijpt de verstoring rechtstreeks in op de bio-
diversiteit. De volgende verstoringen zijn louter milieuverstoringen: vermesting, verzuring, verdroging en verontreiniging. Versnippering is dan weer een ruimtelijke verstoring. In deel 5.7 Versnippering, wordt dit proces voor de eerste keer in al zijn aspecten met betrekking tot de natuur toegelicht. Het hoofdstuk omvat een serie subprocessen, zoals rustverstoring, ecotoopverlies en barrière-effecten. In de delen 5.8 Verwerving van natuurgebieden en 5.9 Natuurbeheer, natuurontwikkeling en natuurinrichting, komen de herstelprocessen aan bod.
5.2 Exploitatie van de natuur Luc De Bruyn Instituut voor Natuurbehoud
5.2.1 Inleiding Het proces van toenemende exploitatie van de natuur is zo oud als de mensheid zelf. Een van de doelstellingen van het MBP-2, is het duurzaam gebruik bevorderen van de componenten van biologische diversiteit. Twee belangrijke componenten hierbij zijn jacht en visvangst, waarover momenteel twee acties lopen die specifiek op deze problematiek ingaan, namelijk het initiatief 115 "De wildbeheereenheden evalueren en bijsturen" en het initiatief 116 "De ecologische inpasbaarheid van de binnenvisserij bevorderen". Het project rond de wildbeheereenheden is gestart in 1999 en er zijn momenteel reeds 115 in kaart gebracht. De eerste afschot- en inventarisatiecijfers voor de verschillende werkingsgebieden werden beschikbaar gesteld, zodat deze voor de eerste keer gerapporteerd kunnen worden. In het raam van de actie 116, die de ecologische inpasbaarheid van de binnenvisserij moet bevorderen, wordt de relatie van de binnenvisserij met het gebiedsgericht natuurbeleid geĂŻnventariseerd en worden inpassingsmaatregelen uitgewerkt. Over beide acties wordt hieronder gerapporteerd. Een tweede vorm van exploitatie die we hier willen belichten, is de handel in exoten. Meer bepaald willen we nagaan wat de (secundaire) effecten zijn op de Vlaamse diversiteit. Soorten worden namelijk om hun gebruikswaarde geĂŻntroduceerd in de bosbouw, tuinbouw, land-
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
163
Verstorings- en herstelprocessen bouw, tuinen, aquaria en dergelijke. Van daaruit komen ze in de natuur terecht, door ontsnappingen en/of al dan niet doelgerichte vrijlatingen. Door interspecifieke interacties (competitie, predatie, ...) kunnen zij al dan niet effecten hebben op de ecosystemen waarin zij terecht kwamen. Een speciale vorm van exoten waar de laatste tijd veel discussie rond gevoerd wordt, zijn de genetisch gewijzigde biota. Ook deze zullen mee in het deel "exploitatie van biodiversiteit" behandeld worden. Rond de thematiek van exoten loopt de MBP-2 actie 117 "Een afwegingskader opstellen voor de introductie van vreemde en gewijzigde biota".
5.2.2 Jacht Jim Casaer Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer
5.2.2.1 Algemeen De jachtwildsoorten omvatten zowel vogels als zoogdieren (zie decreet 1991). In tegenstelling tot het vorige natuurrapport, waarin nog geen overzicht kon gegeven worden van de jachtdruk in Vlaanderen, kan dit nu wel, zij het nog steeds gedeeltelijk. Jaarlijks leggen de wildbeheereenheden (WBE) de afschot- en inventarisatiecijfers voor hun werkingsgebied voor. Hierdoor kunnen de individuele cijfers van de verschillende jagers eindelijk samengebracht worden, om een totaalbeeld te krijgen van de populatie-evoluties van de jachtwildsoorten en de veranderingen in de afschot. Deze jaarlijkse gegevens vormen een onontbeerlijk instrument in het kader van het Verdrag inzake Biodiversiteit (1992). Vlaanderen is krachtens dit verdrag immers verplicht zowel de bedreigde diersoorten als de soorten met een belangrijk potentieel voor duurzaam gebruik, en het gebruik ervan, te monitoren. Daarnaast zijn deze cijfers voor het beleid momenteel de enige objectieve cijfers over de jacht in Vlaanderen. Aangezien de werking van de WBE's pas officieel door de overheid bekrachtigd werd in het besluit van december 1998, zijn de cijfers van het kalenderjaar 1999 de eerste cijfers. Enkel voor de ree kan verder worden teruggegaan in de tijd om de populatie-evolutie en de afschotcijfers te reconstrueren vanaf de helft van de jaren negentig. Aangezien de eerste WBE's pas erkend werden in september 1999 en er momenteel nog WBE's gevormd worden, is het zinloos absolute cijfers te rapporteren, zonder ze te relateren naar de gerapporteerde oppervlakte. De afschotstatistieken zullen, in dit natuurrapport en ook in toekomstige rapporten, dan ook uitgedrukt worden in aantal geschoten dieren per 100 hectaren. Hierdoor moet
het mogelijk worden de evolutie in het "relatieve" afschot te evalueren. De cijfers vermeld in dit rapport zijn het resultaat van het gerapporteerd afschot, gedeeld door de volledige oppervlakte van de wildbeheereendheid, inclusief bewoning, waterpartijen en niet bejaagde gebieden, omdat voorlopig niet voor alle WBE's de verhouding tussen bejaagde en niet bejaagde oppervlakte binnen de WBE gekend is. In de toekomst zal getracht worden de oppervlakte te corrigeren voor de delen van de WBE die normaal gezien niet als "potentieel wildbiotoop" beschouwd worden, zoals huizen, wegen,... Inventarisatiecijfers komen in dit rapport niet voor. Aan het Instituut van Bosbouw en Wildbeheer loopt momenteel een project dat moet leiden tot meer gestandaardiseerde methoden voor het monitoren van de evoluties van de wildpopulaties in Vlaanderen. In samenwerking met een dertigtal WBE's wordt, op het terrein, een inventarisatiemethode uitgetest voor haas, patrijs en ree. Elk van de gehanteerde methoden is gericht op het verzamelen van indexcijfers om de veranderingen in wildstand te kunnen monitoren (trends), eerder dan op het verzamelen van absolute densiteiten. Dit komt onder meer omwille van het feit dat de oppervlakte van de wildbeheereenheden een "totale" telling voor de meeste wildsoorten zo goed als onmogelijk maakt, en omdat, als basis voor het beleid, meer vereist is dan alleen het monitoren van de aan- of afwezigheid van een bepaalde wildsoort. De combinatie van deze populatietrends en afschotstatistieken per WBE moet het in de toekomst mogelijk maken de impact van de jacht op de in Vlaanderen aanwezige wildsoorten te evalueren, naast andere factoren zoals recreatie, verkeer, versnippering, landbouw, verzuring, verdroging en vernatting. Hierbij is het evenwel onontbeerlijk dat dezelfde monitoringsmethoden voor deze wildsoorten toegepast worden in niet bejaagde gebieden.Tenslotte zijn deze cijfers noodzakelijk voor de evaluatie van de rol die de jacht en het wildbeheer in het kader van faunabeheer in het bijzonder, en het natuurbeheer in het algemeen, kunnen spelen.
5.2.2.2 Wildbeheereenheden Een wildbeheereenheid is een samenwerkingsverband tussen jachtrechthouders binnen een ruimtelijk begrensd gebied dat meerdere jachtterreinen omvat en waarin een planmatig wildbeheer wordt gevoerd, gericht op het handhaven of ontwikkelen van een ecologisch verantwoorde wildstand, als onderdeel van een breder faunabeheer, met inachtneming van de belangen van en met de medewerking van derden in hetzelfde gebied (besluit Vlaamse regering 1 december 1998).
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
164
Verstorings- en herstelprocessen Tabel 5.2.1: Aantal en oppervlakte werkingsgebied van de wildbeheereenheden verdeeld over de verschillende provincies (bron: databank IBW).
In totaal werden van 115 WBE's, al dan niet reeds erkend, de buitengrenzen in kaart gebracht (MBP-2, initiatief 115*). Zoals hoger reeds vermeld, omsluiten deze buitengrenzen ook tal van niet bejaagde gebieden, die binnen het werkingsgebied van de WBE gelegen zijn. Het werkingsgebied van een WBE wordt afgebakend door de grenzen van de uiterste aangesloten jachtterreinen. De individuele jachtterreinen dienen aaneengesloten te zijn, en een totale oppervlakte van minstens 1000 ha te vertegenwoordigen. Tabel 5.2.1 geeft per provincie het aantal in kaart gebrachte WBE's en de som van de werkingsgebieden, zowel absoluut als uitgedrukt in percentage van de
oppervlakte van de respectievelijke provincies.
5.2.2.3 Afschotstatistieken Van 79 WBE's, beschikt het Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer zowel over de afschotstatistieken voor het kalenderjaar 1999, als over de buitengrenzen van het werkingsgebied. Tabel 5.2.2 geeft een overzicht, per provincie, van het aantal WBE's en de som van hun werkingsgebieden, die opgenomen werden voor de verwerking van de afschotstatistieken van 1999. Voor deze wildbeheereenheden was het mogelijk het afschot per 100 hectaren te berekenen. Zoals hoger reeds vermeld, is deze berekening niet gecorrigeerd voor de niet bejaagde oppervlakten. Hierdoor geven de cijfers een slecht beeld van de jachtdruk per oppervlakte-eenheid, maar wel een goed beeld van het afschot, ten opzichte van het volledige werkingsgebied van de WBE. De totaal gerapporteerde oppervlakte bedraagt iets meer dan 516.000 hectaren, of iets meer dan 37% van het Vlaamse grondgebied. Met andere woorden, onderstaande cijfers illustreren het relatief afschot in Vlaanderen, gebaseerd op een steekproef van ongeveer ĂŠĂŠnderde van de totale oppervlakte. Figuur 5.2.1 geeft een overzicht voor alle diersoorten. De gemiddelden zijn die van de gerapporteerde afschotcijfers, uitgedrukt in afschot per 100 hectaren werkingsgebied van de WBE. Voor de berekening van de gemiddelden per provincie, wordt geen rekening gehouden met de grootte van de verschillende WBE's, met andere woorden, aan de hand van het gemiddelde afschot en de gerapporteerde oppervlakte per provincie kan het aantal geschoten dieren voor die provincie niet berekend worden. Deze cijfers zijn tussentijdse resultaten van een nog niet afgerond onderzoek. Een verdere validatie van de cijfers moet nog gebeuren, maar deze geven al een eerste indruk. In dit document proberen wij het belang duidelijk te maken van het verzamelen van dergelijk materiaal.
Tabel 5.2.2: Aantal Wildbeheereenheden opgenomen in de berekeningen en som van hun (volledige) werkgebieden, per provincie (bron: databank IBW).
Figuur 5.2.1: Afschotstatistieken voor de verschillende provincies.
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
165
Verstorings- en herstelprocessen
5.2.3 Binnenvisserij Alain De Vocht LUC, Laboratorium voor Milieubiologie Onder visserij, worden verschillende activiteiten verstaan. Zo omvat de visserij, enerzijds, de activiteiten die betrekking hebben op het beheer van de visstand in de binnenwateren en anderzijds, de handelingen die het vangen van vissen beogen. Voor de riviervisserij, beperkt dit zich tot de openbare wateren binnen de wettelijke bepalingen (b.v. gesloten tijd). Momenteel loopt een project dat de ecologische inpasbaarheid van de binnenvisserij moet bevorderen
(MBP-2, initiatief 116). Hierbij werd een inventaris van de knelpunten uitgewerkt, waarvan hier een afspiegeling wordt gegeven. Aan de hand van de mogelijke knelpunten en de kwetsbaarheid van de aanwezige natuurwaarden voor de bevissingsactiviteiten, worden voorstellen geformuleerd om negatieve effecten van bevissing te voorkomen of te beperken. Door zijn aanwezigheid zorgt de hengelaar, net zoals andere recreanten, voor een zekere verstoring. De mogelijke effecten van de riviervisserij op natuurwaarden, kunnen in twee groepen worden ingedeeld. Enerzijds, zijn er de mogelijke effecten van het visstandbeheer en anderzijds, de mogelijke effecten van de visserijactiviteiten op zich. Een overzicht van de mogelijke effecten is opgesomd in tabel 5.2.3. Niet alle mogelijke effecten zijn relevant voor de
Tabel 5.2.3: Overzicht van visserijactiviteiten, hun impact en mogelijke effecten met onderbouwing in de literatuur (data: Alain De Vocht, LUC).
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
166
Verstorings- en herstelprocessen riviervisserij en vaak zullen zij niet beduidend zijn, zoals bij een zeer beperkte bepotingsdruk. In de literatuur wordt op verschillende wijze aandacht geschonken aan deze potentiële effecten (tabel 5.2.3).Vele van de aangehaalde, mogelijke effecten, worden zelden of zelfs nooit in beschouwing genomen. Andere potentiële effecten worden onderkend, maar missen een onderbouwing in de literatuur. Een aantal effecten zijn dan weer duidelijk onderkend en met verschillende voorbeelden geïllustreerd, meestal uit de Angelsaksische literatuur (11). Mogelijke effecten van de aanwezigheid van hengelaars, zijn te wijten aan de verstoring van broedvogels en foeragerende of rustende (water)vogels. De verstoring van broedvogels door de riviervisserij, blijft beperkt door de periode dat niet mag gevist worden (16 april t.e.m. 31 mei) op openbare wateren. De verstoring van overwinterende vogels, situeert zich meestal op grote afgesloten wateren, zoals vijvers en oude ontginningsputten, of in poldergebieden. Zo is aangetoond dat de verspreiding van de smient, de tafeleend en de wilde eend sterk door de aanwezigheid van hengelaars werd beïnvloed. Een beperkte aanwezigheid van hengelaars had echter een zeer beperkt effect op de aanwezigheid van de kuifeend en de meerkoet (185). Aan de mogelijke impact van andere vormen van water- of natuurrecreatie op natuurwaarden, wordt in Vlaanderen nog geen aandacht besteed. De problematiek van de introductie van exoten in Vlaanderen, kan aan de hand van een aantal vissoorten beschreven worden (voor meer details over de hier gebruikte definitie van exoten, zie deel 5.2.4 Exoten). Op het einde van de 19de en bij het begin van de 20ste eeuw, werden in Vlaanderen verschillende Noord-Amerikaanse vissoorten geïntroduceerd, die hoofdzakelijk een blijvend effect hebben op de samenstelling van de vispopulaties in het Kempens district. De toename van het aantal exoten en het procentuele aandeel (in aantal en gewicht) in onze inheemse visfauna neemt toe. Zo werd op het Schulensmeer vastgesteld dat het gewichtspercentage aan exoten, een onderdeel van de Index voor Biotische Integriteit (111, zie ook deel 4.3.6 Waterlopen), in de periode 1998-1999 is toegenomen van 7,24 naar 21,4 (594). Sporadisch worden een aantal exoten, die echter in Vlaanderen niet tot reproductie komen, aangetroffen. De aanwezigheid van de regenboogforel (b.v. Voerbekken), de graskarper (b.v. Damse Vaart) of de zilverkarper op openbare wateren, is meestal het gevolg van illegale uitzettingen door particulieren. In particuliere (gesloten) wateren, komen deze soorten meer frequent voor. Een hoge densiteit van graskarpers kan door een te hoge begrazingsdruk een vertroebeling van het water of het verdwijnen van de aquatische vegetatie veroorzaken.
Recent zijn enkele vissoorten, zoals de roofblei (Aspius aspius), De blauwbandgrondel (Pseudorasbora parva) en de dikkopelrits (Pimephales promelas), in Vlaamse wateren geïntroduceerd, als gevolg van bepotingen en het gebruik van aasvis. De roofblei leeft in de beneden- en middenlopen van rivieren in het Donaubekken. Uit hengelvangstregistraties blijkt eveneens dat de roofblei gevangen wordt in het Leiebekken van het Kanaal Roeselare-Leie. Tot voor enkele jaren, werd de soort sporadisch opgemerkt in Nederland (sinds 1984). Nu wordt de roofblei frequent waargenomen en is de soort verspreid over Lek,Waal, Rijn, IJsselmeer tot in Friesland. In 1999, werd de roofblei in de Grensmaas waargenomen, tot onder de stuw van Borgharen (Nl) (zowel juveniele individuen als adulten). De oorsprong van de roofblei in het Maasbekken is toe te schrijven aan ontsnapte exemplaren of illegale uitzettingen (import uit Donaugebied) en een migratie uit het Rijnbekken, waar de soort is uitgezet, en door het RijnMain-Donau-kanaal uit het Donaubekken bij ons is terecht gekomen. Wat het effect van deze nieuwe roofvis voor de inheemse visfauna is, is nog onduidelijk. In Duitsland (Main), werd vastgesteld dat de soort selectief op alver aast en dat de alverpopulaties gedecimeerd werden. De waarnemingen van tal van juvenielen - steeds onder de stuw van Borgharen, waar stroomopwaarts nooit exemplaren van de roofblei opgemerkt zijn - wijzen op een natuurlijke rekrutering in het Maasbekken. Oorspronkelijk, kwam de blauwbandgrondel voor in Oost-Aziatische stilstaande en zwakstromende wateren. In de jaren zestig, was deze soort reeds in Roemenië geïntroduceerd door transporten van consumptievis uit China. In 1992, werd de blauwbandgrondel voor het eerst waargenomen in Vlaanderen en Nederland (zie ook deel 5.2.4 Exoten). Sindsdien komt de soort voor in Duitsland, Nederland, België en Frankrijk. In 1997, werd de blauwbandgrondel voor het eerst in Engeland gesignaleerd. Andere soorten, die als aasvis kunnen worden gebruikt, worden soms geïmporteerd en kunnen in onze waterlopen verzeild raken. Zo werd in 1995, in de Munsterbeek en de Zutendaalbeek, de dikkopelrits aangetroffen. Of de dikkopelrits zich in deze beken heeft voortgeplant en er nu nog voorkomt, is op dit ogenblik niet duidelijk. Het effect van koelwaterlozingen en viskwekerijen op vispopulaties, kan geïllustreerd worden door de aanwezigheid en overleving van tropische vissoorten in de Kolenhaven aan het Albertkanaal in Langerlo-Genk (743). Ter hoogte van Inname werden jonge nijlbaarzen (Oreochromis niloticus) aangetroffen. Deze vissen zijn waarschijnlijk afkomstig van de viskwekerij Piscimeuse in Tihange. In deze kwekerij wordt jaarlijks 200 ton nijlbaars gekweekt.
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
167
Verstorings- en herstelprocessen Vissoorten zoals de regenboogforel of de graskarper, worden sporadisch opgemerkt. Zij zijn afkomstig van (illegale) uitzettingen. Deze soorten kunnen zich niet in onze streken voortplanten. Ook het uitzetten van inheemse soorten, kan een potentieel effect hebben op de biodiversiteit van zowel planten, ongewervelden, vissen, amfibieën en vogels. Het uitzetten van vissoorten zoals brasem, die zich voedt door filtering van het zachte bodemmateriaal, kunnen leiden tot een toename van de troebelheid van het water. Hierdoor dringt het licht minder gemakkelijk door in het water en wordt bijgevolg de ontwikkeling van ondergedoken waterplanten geremd. Een hogere bezettingsgraad van planktonetende vissen kan grotere watervlooien (Cladoceren), die het fytoplankton weggrazen, elimineren. Ook hoge visdensiteiten beperken de overlevingskansen van de larven van ongewervelden, zoals de waterjuffers. Door de negatieve impact op de aquatische vegetatie, worden aanwezige populaties van fytofiele vissoorten in hun foerageren of reproductie belemmerd. Ten gevolge van een interspecifieke voedselcompetitie, worden populaties van de blankvoorn, bijvoorbeeld, benadeeld door een hoge karperbezetting. Ook Hoge densiteiten van inheemse vissoorten, kunnen een direct effect hebben op de overleving van overwinterende watervogels of eendenkuikens van bijvoorbeeld de wilde eend en de kuifeend, tengevolge van voedseloverlap (307). Ook de reductie van aquatische vegetatie kan een effect hebben op vogelsoorten die zich rechtstreeks met plantendelen of ongewervelden voeden.
5.2.4 Exoten 5.2.4.1 Inleiding Van oudsher wordt gevreesd voor de schadelijke gevolgen van de introductie van soorten in ecosystemen waar ze van nature niet thuishoren. Dit hangt samen met de opvatting dat ecosystemen groepen van bij elkaar levende soorten zijn, met een functionele werkverdeling. Een geïntroduceerde soort zou deze werkverdeling verstoren en aldus het evenwicht van het systeem verstoren. Ook de algemene beleidsdoelstelling op lange termijn inzake natuurbehoud en biodiversiteit, stelt dat biodiversiteit bevorderd moet worden, uitgaande van de eigenheid van de ruimtelijke en abiotische omgeving (MBP-2). Er bestaat op internationaal vlak nog veel discussie omtrent de definitie van een exoot. Hier volgen we de wetenschappelijke definitie, zoals vooropgesteld door de "Convention on Biological Diversity" (CBD): "Een exoot is een soort die buiten haar normale verspreidingsgebied voorkomt" (zie deel 5.2.5 Beleidsevaluatie).
verwaarloosbaar zijn. In Vlaanderen berusten de rapporten en publicaties eerder op anekdotische waarnemingen en/of zijn meestal beperkt tot inventarisatie van de verspreiding van de soorten. In het buitenland worden de laatste 10 jaar meer en meer kwantitatieve en theoretische studies uitgevoerd die het mogelijk moeten maken om gefundeerde uitspraken en/of voorspellingen te maken over de impact van de exoten. Dit blijkt echter niet zo eenvoudig te zijn. Ondermeer daar over mislukte invasies meestal geen data voorhanden zijn. Hoe kunnen exoten ecosystemen binnendringen? Volgens bepaalde onderzoekers kunnen slechts weinig soorten de concurrentie tussen de verschillende elementen van een gemeenschap aan (534). Wanneer het toch gebeurt wordt het evenwicht verstoord. De indringer doorgaat afwisselend hoge en lage aantallen tot uiteindelijk een nieuw evenwicht wordt bereikt waarbij de indringer een "normaal" onderdeel van het systeem wordt. Als voorbeeld hiervan wordt de Brede waterpest Elodea canadensis genoemd.Volgens andere zouden vooral open systemen geïnvaseerd worden. Exoten zouden zich met name vooral in de door de mens gevormde landschappen vestigen en niet of nauwelijks in natuurlijke gemeenschappen voorkomen (zie ook deel 4.4.5 Het urbaan gebied). Voor een grote verscheidenheid aan dierengroepen en plantengroepen is de 10% regel van toepassing (771). Deze houdt in dat gemiddeld genomen van elke 10 soorten die geïmporteerd worden (doelbewust geïntroduceerd of toevallig) er 1 in het wild voorkomt. Eén op 10 van deze verwilderde soorten zal ook standhouden (lokaal zelfinstandhoudende populaties vormend). Hiervan zal dan verder weer één op 10 soorten uitgroeien tot een (economische) pest. Van elke 1000 ingevoerde soorten zal er dus één kunnen uitgroeien tot een pest, of in andere woorden elke nieuw geïntroduceerde soort heeft 0.001% kans om een pest te worden. Daar die 10% een gemiddelde is kan men aannemen dat deze werkelijke transitie waarschijnlijkheid tussen de verschillende stadia tussen groepen ongeveer zal kunnen variëren tussen 5% en 20%. Het aantal exoten dat opgetekend wordt kan een onderschatting zijn door het voorkomen van cryptogame soorten. Dit zijn soorten waarvoor geen eenduidige bewijzen bestaan die aanduiden of het een geïntroduceerd exoot is of eerder als inheems moet aanzien worden. In de meeste gevallen worden deze soorten geklasseerd als inheems. Het aandeel van cryptogame species kan zeer groot zijn. In de baai van San Francisco bijvoorbeeld waar het fenomeen van invasies reeds lange tijd bestudeerd wordt gaat het om ongeveer 40% van de daar voorkomende soorten (163).
Reeds meer dan een halve eeuw tracht men te verstaan welke factoren bepalen waarom sommige exoten zo desastreus kunnen optreden terwijl andere onsuccesvol of Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
168
Verstorings- en herstelprocessen
5.2.4.2 Vogels Wat de vogels betreft is er, de laatste 30 jaar, een sterke toename van het aantal exoten vastgesteld. Dit is vooral te wijten aan een grotere handel in exoten, meer particuliere collecties (vooral watervogels), ontsnappingen en vrijlatingen. De hier voorgestelde resultaten, zijn gedeeltelijk gebaseerd op de eerste gegevens van de nieuwe broedvogelatlas (81), waarbij ongeveer 1/3 van de vakken geïnventariseerd zijn (tabel 5.2.4). In Vlaanderen zijn er 6 exotensoorten met zelfinstandhoudende populaties (tabel 5.2.4 a). Uit de eerste gegevens blijkt dat de brandgans Branta leucopsis verder oprukt in Vlaanderen. Zij wordt dan ook in de meeste ecoregio's aangetroffen. Er werden tot op heden al 65 broedparen genoteerd. Van de Canadese gans Branta canadensis werd het eerste broedgeval in Vlaanderen genoteerd in 1973 (80). Na een eerste ietwat trage stijging, nam het aantal broedparen exponentieel toe tot meer dan 500 (figuur 5.2.2). Deze gans wordt net als de brandgans in bijna alle ecore-
gio’s gevonden en wordt ook gemeld in meer dan een kwart van alle tot nu toe geïnventariseerde hokken. Er zijn voor Vlaanderen geen gegevens beschikbaar over de impact van deze explosieve toename. In Zweden worden veel meldingen gemaakt van interspecifieke conflicten tussen Canadese ganzen en de "autochtone" grauwe gans Anser anser, maar worden geen negatieve effecten vastgesteld op populatieschaal (290). Er zijn ook meldingen van schade aan riet en wilg in natuurlijke habitats (363), maar ook hier zijn geen kwantitatieve gegevens voorhanden. Tenslotte kan deze soort grote problemen opleveren in de landbouw, door de overbegrazing van landbouwgewassen. De meest verspreide exoot is ongetwijfeld de fazant Phasianus colchicus. In Nederland is hij waarschijnlijk ingevoerd in de jaren 500-800. Voor België blijft onzekerheid bestaan, maar het dier werd wel reeds op een schilderij van 1454 afgebeeld. Waarschijnlijk gebeurde de introductie vroeger. Momenteel komt de fazant voor in meer dan de helft van alle geïnventariseerde hokken en in alle ecoregio's.
Tabel 5.2.4: Voorkomen van enkele exoten in de Vlaamse ecoregio’s. Cijfers = aantal uur gebaseerd op gestandaardiseerde methode, x = aan/afwezig gegevens gebaseerd op losse waarnemingen (vogels: 80; zoogdieren: naar 511).
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
169
Verstorings- en herstelprocessen
Figuur 5.2.2: Aantalsevolutie broedparen Canadese gans (data: project honker) Aan de hand van het atlasproject, werden tot op heden 173 zekere broedgevallen verzameld van de halsbandparkiet Psittacula krameri. Het exacte aantal ligt waarschijnlijk veel hoger. De soort werd gemeld in de ecoregio's Dender-Klein Brabant en Westelijke en Centrale heuvels. Er zijn ook losse waarnemingen van broedgevallen in het noorden van de provincie Antwerpen). Deze soort kan zich schijnbaar alleen vestigen in stedelijke milieus. Dit is mogelijk te wijten (te danken) aan het voedselaanbod en/of de hogere temperaturen (418). Momenteel kan de populatie van de mandarijneend Aix galericulata in Vlaanderen op 30-50 koppels geschat worden.Toch wordt de soort reeds in 7 van de 12 ecoregio's aangetroffen. In Nederland, heeft de Mandarijneend zich gevestigd in een systeem dat voorheen onbezet was en heeft in de Veluwe en de binnenduinen beduidende aantallen bereikt. Door de teloorgang van de populatie in het oorspronkelijke gebied, is het aantal in Nederland van wereldbelang (418). De nijlgans Alopochen aegyptiacus kende net als de Canadese gans een snelle opmars. De kernverspreiding bevindt zich rond het Brusselse, waar de soort oorspronkelijk werd uitgezet, maar ondertussen zijn alle provincies bereikt en worden uit, bijvoorbeeld, de provincie Antwerpen in de winter troepen tot ca. 400 exemplaren gemeld. Uit onderzoek blijkt dat het broedsucces densiteitsafhankelijk is. Naarmate de densiteiten toenemen, neemt het broedsucces af (418). Daarnaast neemt het aantal succesvolle paren ook af onder slechte weersomstandigheden. Dat exoten grensoverschrijdende problemen kunnen veroorzaken op Europese schaal, wordt aangetoond door de rosse stekelstaart Oxyura jamaicensis. Deze soort is vanuit Noord-Amerika in Engeland ingevoerd, waar zij florerende populaties ontwikkelde (524). Het aantal waarnemingen is daarna ook in de omringende landen toegenomen, en in Nederland zijn reeds succesvolle broedgevallen gemeld. In deze landen worden geen negatieve effecten op de lokale fauna gemeld. De problemen zijn begonnen toen
de vogels gingen trekken en in Zuid-Europa en NoordAfrika opdoken. Daar begonnen ze te kruisen (hybridiseren) met de op wereldschaal sterk bedreigde witkopeend Oxyura leucocephala. Hybridisatie tussen soorten resulteert regelmatig in de productie van nakomelingen met een gereduceerde voortplantingscapaciteit, wat ook hier het geval was. De rosse stekelstaart werd dan ook bestreden in Spanje, en met succes! Aangezien een uitbreiding naar Midden-Europa ook de populaties witkopeenden rond de Kaspische Zee zou bedreigen, tracht men nu ook het probleem aan de basis aan te pakken in Engeland.
5.2.4.3 Zoogdieren Wat de zoogdieren betreft, hebben vier uitheemse soorten zich gevestigd (tabel 5.2.4b). Van de andere soorten, de Amerikaanse nerts Mustela vison, de wasbeer Procyon lotor en de wasbeerhond Nyctereutes procyonoides, zijn slechts sporadische meldingen bekend (K. Van Den Berge, persoonlijke mededeling). Van de Aziatische grondeekhoorn Eutamias sibiricus, zijn enkele geïsoleerde reproducerende populaties bekend (De Panne, Westerlo, Zwijnaarde en het Zoniënwoud) (735). De grootste populatie komt voor in het Zoniënwoud en wordt geschat op 18.000 individuen. Daarnaast worden regelmatig nog losse waarnemingen doorgegeven (o.a. in de noordelijke Kempen). In het verleden werd regelmatig gesteld dat de Aziatische grondeekhoorn aan de basis zou liggen van het verdwijnen van grondbroedende bosvogels. Recent onderzoek in het Zoniënwoud heeft echter uitgewezen dat er geen negatieve effecten zijn op de aanwezige vogelfauna (555). De beverrat, Myocaster coypus, die oorspronkelijk van Zuid-Amerikaanse oorsprong is, is waarschijnlijk ons land in de tweede helft van de jaren '70 binnengedrongen vanuit Nederland (715). Sindsdien, vinden we een sterk fluctuerende populatie terug aan de Grensmaas. Dit laatste is waarschijnlijk een gevolg van de slechte aanpassingen aan onze koude wintermaanden.Vooral tijdens strenge winters, is de mortaliteit hoog. In tegenstelling tot de muskusrat, veroorzaakt de beverrat slechts geringe vraatschade en schade aan dijken en infrastructuur. Dit neemt niet weg dat lokaal de oevervegetatie kan worden aangevreten, waardoor kale plekken ontstaan en de vegetatie verandert. Het konijn, Oryctolagus cuniculus, was tot vóór de laatste ijstijd inheems.Tijdens de ijstijd is het dier in Europa uitgestorven, behalve in Spanje en Noordwest-Afrika. Van daaruit werd het terug ingevoerd door de Romeinen. Konijnen kunnen bij boeren en bosbouwers enorme schade aanrichten, vooral door het schillen van (vrucht)bomen, het consumeren van jonge zaailingen en het aanvreten van knolgewassen. Ook op golfbanen, kerkhoven en graveltennisbanen kan de graafschade flink oplopen. Het konijn is algemeen verspreid over alle ecoregio's.
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
170
Verstorings- en herstelprocessen
Verwilderde katten zijn wereldwijd een significante doodsoorzaak voor allerlei wilde dieren, zelfs tot de extinctie van verschillende soorten toe (384). Ook het overdragen van ziekten aan andere inheemse soorten, kan een serieus probleem opleveren. Het effect van katten is het grootst in eilandsituaties. Dit omvat ook onze "natuureilanden" in of nabij urbaan gebied (160). Hoewel muizen het hoofdvoedsel is, bemachtigen ze ook vele andere en soms zeldzame dieren. Ze vormen een regelmatige bedreiging voor onder meer patrijzen, jonge fazanten, zangvogels, weidevogels en jonge hazen (166). In de Nederlandse Floraen Faunawet wordt de verwilderde kat niet meer gerekend tot de wildfauna, maar aangeduid als een exoot, die niet thuishoort in de natuur (te vergelijken met o.a. de wasbeer, de verwilderde nerts, de muskusrat) en er bijgevolg uit moet verdwijnen. In het Vlaamse jachtdecreet van juli 1991, wordt de verwilderde kat gerekend onder het overige wild. In de regel wordt de volgende definitie gebruikt: "onder verwilderde katten wordt verstaan alle katten die zich geheel of regelmatig in de natuur ophouden en zich daar voor een belangrijk deel voeden". Over de verspreiding en impact van verwilderde katten in Vlaanderen, zijn momenteel praktisch geen gegevens beschikbaar (zie ook deel 5.2.2 Jacht).
Tabel 5.2.5: Voorkomen van exoten in de Vlaamse stroombekkens. Cijfers = aantal waarnemingspunten gebaseerd op gestandaardiseerde methode (bron: 722, databank IBW).
5.2.4.4 Reptielen en amfibieën Uit tabel 5.2.4.c blijkt dat slechts één reptielensoort regelmatig in de natuur wordt aangetroffen, namelijk de roodwangschildpad Trachemys scripta elegans. De eerste waarnemingen werden gedaan op het einde van de jaren ‘70. Nu zijn de dieren over het ganse grondgebied verspreid, behalve in de ecoregio's Maasland en Krijt-Leem. Meestal gaat het hier om solitaire individuen of kleine aantallen. De grootste concentraties schildpadden worden aangetroffen rond grote steden (Antwerpen, Gent, Brugge) en de toeristische regio's (kust). De roodwangschildpad komt in de natuur terecht via vrijlatingen en ontsnappingen uit tuinvijvers. Tot op heden is er nog geen voortplanting vastgesteld. Jonge dieren zijn overwegend vleeseters (332). Wanneer de dieren ouder worden, schakelen zij over op een overwegend vegetarisch dieet. In Nederland, waar een gedetailleerde studie naar het voorkomen van de roodwangschildpad werd gevoerd, bleek dat deze soort vooral voorkwam in de grotere wateren zoals kanalen, rivieren en parkvijvers, en dit, net als in België, vooral in het stedelijk milieu (145). Gebaseerd op de dieetvoorkeur en verspreiding, besluiten de onderzoekers dat de roodwangschildpadden geen probleem vormen voor het natuurlijke milieu. Een tweede exoot die nu en dan in de vrije natuur wordt aangetroffen is de brulkikker (soms ook stierkikker genoemd) Rana catesbeiana. Het gaat hier echter om enkele geïsoleerde individuen. De soort vraagt echter wel om aandacht in de toekomst. Er werd immers reeds een succesvolle voortplanting opgetekend in Nederland (619). De Brulkikker is een heuse schrokop, die alles pakt wat voor zijn bek komt en niet te groot is (ook van de eigen soort). In Noord-Amerika is aangetoond dat hij in de mogelijkheid verkeert om andere soorten te verdrijven (492, 328) en wordt hij verdacht wordt van het verdrijven van inheemse soorten in Noord-Italië.
(%)
De Muskusrat Ondatra zibethicus, komt meestal voor langs nietvervuilde waterlopen en leeft vooral van wateren oeverplanten (103). Er zijn evenwel geen gegevens beschikbaar om na te gaan of zij schade aanrichten aan natuurlijke ecosystemen. Deze soort veroorzaakt wel economische schade, door de landbouwgewassen in de buurt van waterlopen aan te tasten. De graafschade is nog ernstiger. Iedere muskusrat vergraaft per jaar ongeveer 1 m3 grond. Komen de muskusratten in dijken te graven, dan komt ook de veiligheid in het gedrang.
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
171
Verstorings- en herstelprocessen
5.2.4.5 Vissen De resultaten voor de vissen zijn gebaseerd op Vandelannoote et al. (722) en gegevens van de visdatabank van het Instituut voor Bos en Wildbeheer (zie ook deel 4.2.5 Vissen). Hieruit blijkt dat zeven soorten regelmatig in onze wateren worden aangetroffen (tabel 5.2.5). Voor de Amerikaanse bruine dwergmeerval Ictalurus nebolosus, de Amerikaanse hondsvis Umbra pygmaea, de zonnebaars Lepomys gibbosus, en de blauwbandgrondel Pseudorasbora parva gaat het om zichzelf in stand houdende populaties. De andere hangen af van uitzettingen (voor de goudvis Carassius auratus auratus is dit nog niet duidelijk). Van vier soorten, de zwarte baars, de forelbaars, de zilverbaars, de steenbaars en de Amerikaanse zwarte dwergmeerval, zijn de introducties mislukt en zijn de dieren terug verdwenen. De roofblei Aspius aspius wordt wel sporadisch gevangen in de Kempense kanalen maar is nog niet doorgedrongen in stromende wateren (zie ook deel 5.2.3 Binnenvisserij). Voor de Amerikaanse bruine dwergmeerval en de Amerikaanse hondsvis die rond de eeuwwisseling zijn ingevoerd, lijkt de grote expansie voorbij. De Amerikaanse hondsvis is zelfs op een aantal plaatsen terug verdwenen. Voor de blauwbandgrondel, die veel recenter werd ingevoerd (begin jaren '90), gaat de expansie nog steeds en snel verder (144; figuur 5.2.3). De explosieve ontwikkeling in het Demerbekken is mogelijk te wijten aan de nog precaire waterkwaliteit en snelle kolonisatie door deze pioniersoort. Aangezien het visje zeer tolerant is voor watervervuiling en zich op verschillende tijdstippen voortplant en reeds na één jaar geslachtsrijp is, is een snelle kolonisatie van minder goede wateren mogelijk. In Duitse vijvers werd vastgesteld dat de populatie vetjes drastisch achteruitgegaan is sinds het voorkomen van de blauwbandgrondel. Uit de schaarse wetenschappelijke studies die voorhanden zijn blijkt dat, hoewel interacties mogelijk zijn, de geïntroduceerde soorten schijnbaar geen invloed hebben op de instandhouding van de inheemse fauna (zonnebaars: 126; blauwbandgrondel: 100; 565).
Figuur 5.2.3: Verspreiding en range-uitbreiding van de blauwbandgrondel (data: visdatabank UIA - dep. biologie, onderzoeksgroep ecosysteembeheer).
Vergelijkende studies van visinvasies over de hele wereld, gaven aan dat deze algemeen voldoen aan een aantal wetmatigheden (493): 1) De succesvolle kolonisators zijn aangepast aan de lokale hydrologische omstandigheden; 2) In aquatische systemen die onderhevig zijn aan belangrijke menselijke verstoring kan een veel grotere range aan soorten invaderen; 3) Alle visgemeenschappen kunnen geïnvaseerd worden, ongeacht de diversiteit van de inheemse soorten; 4) De succesvolle vestiging van aquatische systemen is het meest waarschijnlijk wanneer de lokale fauna verdwenen of verzwakt is.
5.2.4.6 Planten In maart 2000 werd het TWOL-project "Inburgering van vaatplanten in Vlaanderen" (F. Verloove, Vakgroep Plantenmorfologie, U.Gent) opgestart. De bedoeling is op basis van herbariumrevisie, literatuuronderzoek en de Florabank, onder meer een standaardlijst van neofyten in Vlaanderen op te stellen. Het project is nog niet afgelopen, maar toch konden reeds de volgende resultaten opgetekend worden. In totaal werden reeds 1012 soorten als neofiet opgetekend. Daarvan zijn 305 adventief, 187 ingeburgerd en 48 als standhoudend opgetekend. Dit betekent dat er voor 472 soorten nog te veel onduidelijkheden bestaan om nu reeds een uitspraak te doen. Onder de verschillende categorieën wordt verstaan: - Adventief: strikt voorkomend op de plaats van introductie, hoogstens enige tijd standhoudend. - Standhoudend: na introductie permanent aanwezig, evenwel zonder neiging tot verspreiding in de omgeving (ook zich verjongende houtige gewassen en de meeste stinzenplanten worden hiertoe gerekend). Vaak betreffen dit soorten met een zeer beperkt aantal locaties in Vlaanderen. - Ingeburgerd: na introductie permanent aanwezig, zich probleemloos vermenigvuldigend en verspreidend vanuit de initiële invoerlocatie. Gelijkaardig onderzoek in Nederland (663) bracht aan het licht dat, van de ongeveer 7000 soorten die in de 20ste eeuw in Nederland werden ingevoerd, 130 zich hebben ingeburgerd. De meeste daarvan zijn zeldzaam (<20% is algemeen). Van de 75 soorten voedingsgewassen die in Engeland werden ingevoerd, zijn er 71 verwilderd (95% !!). Ongeveer 20% daarvan kunnen zich ook effectief in stand houden in het wild. Er is echter geen enkele soort uitgegroeid tot een pest (771). Vergelijkend wetenschappelijk onderzoek toonde aan dat invasieve soorten algemeen worden gekenmerkt door kleine zaden, een korte juveniele periode, een kort tijdsinterval tussen mastjaren (typische kenmerken van vroeg koloniserende soorten) en bijgevolg een snelle en grootschaliger reproductie en goede dispersiecapaciteiten (551).
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
172
Verstorings- en herstelprocessen Het is dan ook niet verwonderlijk dat de meeste invasies gebeuren in door de mens en/of natuurlijk verstoorde habitats. Uitzonderingen op deze regel zijn, bijvoorbeeld, bomen met grotere zaden die verspreid worden door dieren zoals eekhoorns. Daar waar het bij de vorige behandelde diergroepen steeds over een klein aantal ingevoerde exoten ging, gaat het bij planten over een veel groter aantal. Het is dan ook niet verwonderlijk dat hier het aantal problematische soorten hoger ligt. Hieronder worden enkele voorbeelden behandeld. Een meer gedetailleerde toestand wordt gegeven na de afhandeling van het hoger vermelde TWOL-project. De Amerikaanse vogelkers Prunus serotina werd in 1892 voor het eerst in België bij experimentele bosaanplantingen ingevoerd (657). Sindsdien, is hij ongebreideld verspreid over Vlaanderen door de enorme zaadbron, door aanplantingen en door een gebrek aan concurrerende soorten zoals de lijsterbes en het sporkehout, die niet werden aangeplant. Het open en verstoorde karakter van de eerste generatie dennenbossen, creëerde hierbij de ideale omstandigheden. Momenteel is de vogelkers in meer of mindere mate overheersend aanwezig in ongeveer 50.000 ha bos. Dit geeft problemen voor zowel bosbeheer als natuurbehoud. Het dichte scherm van de exoot belet immers elke vorm van natuurlijke verjonging en verhindert de vestiging van andere soorten en de ontwikkeling van menging en structuurvariatie. De grote waternavel Hydrocotyle ranunculoides (93): geeft de voorkeur aan verstoord, organisch vervuild water. Deze plant werd in 1991 in België ingevoerd voor waterzuivering. Op lange, zonnige dagen treedt een explosieve groei op wanneer door mineralisatie van, bijvoorbeeld, omgewoelde modder of ongezuiverd rioolwater, veel mineralen beschikbaar worden. Sanering van de natuurlijke hydrologie (weghouden van gebiedsvreemd water, optimaliseren van kwelwater), waardoor interne bemesting en bioturbaties afnemen, zal de soort waarschijnlijk terug afnemen, net zoals gedurende strenge winters. Een nog steeds uitbreidende soort, is de Japanse duizendknoop Polygonum cuspidatum (339). Omdat deze soort zich verspreid via de ondergrondse wortelstokken en door het storten van met wortelstokken vermengde grond, kan de lokale vegetatie volledig verdrongen worden. De Pontische rhododendron Rhododendron ponticum levert gelijkaardige problemen. De brede waterpest Elodea canadensis: Na invoering breidde de soort zich zeer snel uit en verstopte lokaal kanalen en meren (339). In Engeland duurde de uitbreidingsfase ongeveer 3-4 jaar (595). De fase met plaagdichtheden duurde 3-10 jaar, waarna een fase van geleidelijke
teruggang overnam die 7-15 jaar duurde. Nu komen nog zelden plaagdichtheden voor, en bovendien alleen nog maar in door de mens verstoorde systemen. Engels slijkgras Spartina anglica is een ander wellicht relevant voorbeeld (312). In het begin van de negentiende eeuw, dook een Amerikaanse slijkgrassoort op in een aantal Europese havens. Waarschijnlijk kwam ze daar terecht via scheepsballast. Die Amerikaanse soort vormde met zijn Europese tegenhanger, het klein slijkgras, een onvruchtbare hybride die zich alleen vegetatief kon voortplanten. Aan het einde van de negentiende eeuw, ontstond in een populatie van deze bastaardsoort, die voorkwam op een slik ter hoogte van Southhampton, een vruchtbare vorm die rijkelijk zaden gaf. Engels slijkgras was ontstaan.Vele slikken- en schorrengebieden hebben door de massale kolonisatie van deze forse soort veel van hun natuurlijke variatie ingeboet. De nieuwe soort wordt dan ook wel eens slikkenpest genoemd. Het Engels slijkgras is in de jaren ’20 ingevoerd uit Engeland, om de landaanwinning te bevorderen.
5.2.4.7 Genetisch gemodificeerde organismen Een genetisch gemodificeerd organisme (GGO) is een organisme waarin door de mens op technische wijze genetisch materiaal is veranderd of waarvan de expressie van genetisch materiaal is gewijzigd (552).Vooraleer een GGO goedgekeurd wordt voor commercieel gebruik (voor het ongereguleerd wordt vrijgegeven in de natuur), moeten eerst een aantal vragen worden beantwoord over hun invasief vermogen. Zo heeft een plantvariëteit of microbe met een aangepaste stressresistentie (zoals koudetolerantie of patogeenresistentie) in theorie genoeg troeven om zich ver buiten de oorspronkelijk bedoelde habitat te kunnen verspreiden. Wanneer de juiste voorzorgsmaatregelen genomen worden, is de kans op verstoring van het natuurlijke milieu gering. De bezorgdheden van natuurbehoudsecologen kan gegroepeerd worden in drie punten. Het eerste punt behelst de vrees van een mogelijk verlies aan biodiversiteit in het landbouwlandschap. De drastische afname van de biodiversiteit in het landbouwlandschap gedurende de laatste 30 à 50 jaar (zie ook deel 4.3.4 Graslanden), viel namelijk samen met de doorgedreven rationalisatie en intensivering van de Europese landbouw gedurende die periode (o.a. toename van meststoffen en pesticiden, verwijderen van akkerranden en houtkanten, inzaaien van winterbestendige teeltvariëteiten). Analoog hiermee, wordt gevreesd dat het massaal aanplanten van GGO-gewassen vergelijkbare, grootschalige veranderingen van het landgebruik zal teweegbrengen. Een voorbeeld is de veldleeuwerik, die zou kunnen verdwijnen door deze gewaswissel, tengevolge van de verdwijning van zijn belangrijkste wintervoedselplant, de melganzevoet (764). De ecologische
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
173
Verstorings- en herstelprocessen impact van GGO's zou ook onrechtstreeks kunnen inwerken op de biodiversiteit, via effecten op niet doelorganismen. Deze zijn andere soorten die getroffen worden, maar niet behoren tot de groep van geviseerde organismen wat het gebruik van insecticiden en/of herbiciden betreft. Dit zou vooral een invloed hebben op soorten die momenteel gebruikt (kunnen) worden bij natuurlijke biologische bestrijding. Een voorbeeld hiervan is de gaasvlieg (347). Een tweede mogelijk probleem is het risico van het binnendringen van GGO-teelten in natuurlijke of halfnatuurlijke ecosystemen en, daarmee verwant, het verlies van natuurlijk areaal. Dankzij zaden of andere verspreidingsmechanismen kunnen planten, die als oogst geteeld worden, in de natuurlijke omgeving binnendringen. Het fenomeen doet zich ook reeds voor bij klassieke teelten en bij veel andere organismen die door toedoen van de mens terechtkwamen in een omgeving waarin ze niet geëvolueerd zijn. Het resistent zijn tegen insectenvraat, virusaantasting en schimmels, kan direct resulteren in een selectief voordeel. Ook biociden, die door een gewas geproduceerd worden, kunnen doeltreffend zijn tegen de soorten die in de natuurlijke omgeving planten aanvreten of parasiteren. Als de GGO-teelt niet kan aangevreten worden, terwijl dit bij de buren wel kan, kan dit een serieus probleem worden in de strijd om licht en ruimte in een natuurlijke begroeiing en kan dit GGO gaan overheersen, ten koste van vele andere soorten. Er is momenteel minstens één geval bekend waarbij een genetisch gemanipuleerde koolzaadvariëteit, Brassica napus, zich ongecontroleerd verspreid heeft vanuit een teelt in het omringende milieu (184). Aangezien de plant resistent geworden is tegen conventionele herbiciden, is hij zeer moeilijk te bestrijden. Bij het uitkruisen van GG-teelten met wilde verwante soorten, bestaat het risico dat de daaruit ontstane hybriden natuurlijke systemen gaan verstoren of overwoekeren. Landbouwgewassen zijn van wilde soorten afgeleid. Ze hebben dus wilde verwanten, waarmee ze eventueel kunnen uitkruisen. Zo meldt ACRE, een afdeling van het Brits departement voor leefmilieu, in een recent rapport dat koolzaad, naast met raapzaad ook nog spontaan kan uitkruisen met de knopherik of de wilde radijs, de herik en de wilde kool. Het door gentechnologie ingebrachte genetisch materiaal, kan op die manier ongewenst in het genoom van in de omgeving voorkomende wilde soorten terechtkomen. Zo ontstaan "secundaire GGO's",die reeds aangepast zijn aan de natuurlijke omgeving en bovendien de bijkomende eigenschap hebben zich beter te handhaven. Hierdoor ontstaat de kans dat ze zich ontwikkelen tot pestsoorten en natuurlijke ecosystemen verstoren. De ingebrachte eigenschap kan via de nakomelingen van die kruisingen verspreid worden.
5.2.5 Beleidsevaluatie De regeling in verband met de controle van niet inheemse soorten valt onder de volgende internationale verdragen: - Biodiversiteitsverdrag, Rio de Janeiro; artikel 8(g) en 8(h) (zie deel 3.6.1.1). - Verdrag inzake het behoud van wilde dieren en planten en hun natuurlijk milieu in Europa (Bern Conventie); artikel 11-2(b) (zie deel 3.6.2.1). - Verdrag inzake de bescherming van trekkende wilde diersoorten (Bonn Conventie); artikel III(4c) (zie deel 3.6.1.5). - Draft African-Eurasian Migratory Waterbirds Agreement; artikel III(2g); Bijlage III. - Europese richtlijn 79/409/EEG inzake het behoud van de vogelstand (Vogelrichtlijn); artikel 11 (deel 3.6.3.2). Deze internationale instanties keuren dus de introductie van exoten ten strengste af, tenzij bij hoge uitzondering en met de grootste omzichtigheid. Wanneer exoten toch voorkomen, dienen deze gecontroleerd en/of verwijderd te worden. Een probleem is dat de wetteksten de term exoot gebruiken zonder een definitie te bieden. Daarom stelt men de volgende definities voor (592): - Een exoot (alien) is een soort die buiten haar normale verspreidingsgebied voorkomt; - Een invasieve exoot (invasive alien) is een exoot die zich kan vestigen in natuurlijke of semi-natuurlijke habitats en die ecosystemen, habitats en/of soorten bedreigt; - Een inheemse soort (native) is een soort die binnen haar (vroeger of huidig) normale verspreidingsgebied en dispersie mogelijkheden voorkomt. Uit deze definities volgt dat een exoot een nieuwe locatie alleen kan/kon bereiken omdat de mens hem al dan niet doelbewust heeft verplaatst over een anders onoverkomelijke biogeografische/ecologische barrière. Daar waar deze definitie van "normale distributie" kan voldoen voor wetenschappelijk gebruik is deze moeilijk bruikbaar als wettelijke definitie daar (1) het meestal niet eenduidig vast te stellen is waar deze normale distributie eindigt en (2) de ecologische grenzen van een verspreidingsgebied niet overeenkomen met de artificiële politieke grenzen tussen landen, provincies, gemeenten, … Ook de term "soort" vergt enige verklaring. Volgens recente IUCN-richtlijnen, moet de term ook subsoorten en andere lagere taxa, alsook elk onderdeel zoals geslachtscellen, zaden, eieren of propagules van soorten opnemen (49). De introductie van, bijvoorbeeld, een uitheemse ondersoort kan immers leiden tot het verlies van aangepaste genen of genetische complexen, of tot "outbreeding
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
174
Verstorings- en herstelprocessen depression", wat op zijn beurt weer kan leiden tot lokale extinctie (630). Volgens het besluit van de Vlaamse regering van 21 april 1993, zijn niet inheemse dieren diersoorten die niet, of sinds minder dan vijftig jaar vóór de datum van inwerkingtreding van dat besluit in het wild voorkomen in België, met uitzondering van de soorten die de laatste vijftig jaar een natuurlijke areaaluitbreiding kenden (artikel 1). Voor andere organismen zoals planten en micro-organismen, is geen specifieke wetgeving voorhanden. Voor de dieren wordt ook alleen gesproken over soorten en niet over lagere taxa, bijvoorbeeld ondersoorten en eieren, zoals vooropgesteld door de CBD. Het arbitrair vaststellen van de periode van 50 jaar, brengt ook mee dat soorten zoals de muskusrat, het konijn, de fazant of de Amerikaanse dwergmeerval wettelijk gezien geen exoten, maar gewone inheemse soorten zijn. Deze periode van 50 jaar is arbitrair en zeer kort, ten aanzien van de wetenschappelijke ecologische grens die gewoonlijk gehanteerd wordt. Voor planten, bijvoorbeeld, gebruikt men het jaar 1500 (vóór en na de grote ontdekkingsreizen). Planten die vóór 1500 ingevoerd werden (archeofyten), worden meestal tot de inheemse flora gerekend. Soorten die na 1500 ingevoerd werden (neofyten), worden tot de exoten gerekend (634). In het buitenland worden voor planten en dieren in wettelijke termen ook meestal "cut-off" datums vastgelegd in de wetteksten. Deze datums verschillen van land tot land en hangen onder meer af van de biogeografische condities en de voorbije ervaringen met biologische invasies (Australië voor 1400; Hongarije meer dan 2000 jaar geleden; 592). Het onderscheid tussen een inheemse soort en een exoot is in de praktijk vooral afhankelijk van het feit of de soort al dan niet schade aanricht aan de inheemse fauna en flora (invasieve exoot). Aangezien het extreem moeilijk, zo niet onmogelijk is, te voorspellen welke exoten kunnen/zullen uitgroeien tot invasieve exoten, beveelt de CBD in verband met nieuwe introducties aan dat het, met het oog op een vereenvoudigde implementatie, beter is een soort per definitie als exoot te bestempelen, behalve wanneer de persoon die de invoering of herintroductie aanvraagt, onomstotelijk kan aantonen dat de desbetreffende soort inheems is. Reeds aanwezige exoten dienen beschouwd te worden als potentieel invasief, behalve wanneer onomstotelijk aangetoond kan worden dat dit niet het geval is. Dit laatste is evenwel nagenoeg onmogelijk, aangezien zelfs kleine veranderingen in het milieu een sluipende exoot invasief kan maken (572).Veel invasieve exoten zijn immers koloniserende soorten, die profiteren van de verlaagde competitie met inheemse soorten na de degradatie van het habitat. Ook "Global change" kan de verspreiding van exoten versnellen (487).
Het omzetten van de wetenschappelijke bevindingen omtrent de problematiek van de exoten naar wettelijke bepalingen, worden sterk bemoeilijkt door een aantal hinderpalen, zoals: - de grote range van menselijke activiteiten die gebruik maken van of afhangen van exoten; - het groot aantal mogelijke introductiewegen; - hiaten in (verspreidings)gegevens van soorten, zodat het moeilijk te bepalen is welke soorten exoten zijn; - problemen bij het voorspellen of een soort al dan niet invasief kan/gaat worden; - problemen bij het definiëren van objecten en activiteiten die geregulariseerd dienen te worden; - het ontbreken van objectieve criteria of methodes voor het inschatten van risico's; - logistieke en wettelijke moeilijkheden bij het behandelen van bestaande invasies, vooral wanneer deze het gevolg zijn van een legale introductie, of wanneer het privé-gebieden betreft; - de waarde die door verschillende actoren aan exoten wordt gehecht; - het lage politieke en/of publieke besef van de problematiek die (invasieve) exoten met zich brengen. In het raam van het MBP-2 - actie 117 "Een afwegingskader opstellen voor introductie van vreemde en gewijzigde biota", wordt momenteel voor Vlaanderen een uitvoeringsbesluit voorbereid dat de juridische regeling omtrent exoten, in functie van het decreet op het natuurbehoud, moet regelen. Hierbij worden instrumenten aangereikt om in de toekomst probleemgevallen van introductie te verhelpen of te voorkomen. Dit moet een aanvulling zijn op de artikels 51§2 en 51§3 van hoofdstuk VI van het Natuurdecreet. In december 1997, werd door de Europese Commissie het besluit genomen aan de roodwangsierschildpad (Trachemys scripta elegans) en de brulkikker (Rana catesbeiana) met onmiddellijke ingang een beschermde status toe te kennen (Council regulation 2551/97 - Bijlage B van Verordening (EG) nr. 338/97). Een algeheel importverbod werd van kracht in de zestien landen van de Europese Unie. Artikel 29 van het jachtdecreet van 24 juli 1991, stelt dat het ten alle tijden en overal verboden is om wild uit te zetten. Het besluit van de Vlaamse regering betreffende de jacht in het Vlaamse gewest voor de periode van 1 juli 1998 tot 30 juni 2003, vermeldt echter onder artikel 10 dat de houder van het jachtrecht of zijn gemachtigde in de periode van 1 februari tot en met 30 juli, onder bepaalde voorwaarden, fazanten mag vrijlaten op zijn jachtveld. De beleidsnota van de minister van Leefmilieu vermeldt "Vermits het uitzetten van fazanten niet verzoenbaar is met
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
175
Verstorings- en herstelprocessen
5.3 Vermesting
de principes van weidelijke jacht en trouwens ook decretaal verboden is, zullen de uitzonderingsbepalingen worden afgebouwd". Er is echter geen tijdsbepaling mee opgenomen.
Myriam Dumortier1, Anik Schneiders1, Dirk Boeye1, An De Schrijver2, Luc De Keersmaeker3, Koen Martens4, Hilde Vervaet5, Jenny Van der Welle1 en Stefan Van Damme6
Het ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde of pathogene organismen, inclusief klinisch onderzoek is onderworpen aan de Europese richtlijnen 90/219/EEG, 94/51/EG en de beslissingen 91/448/EEG en 96/134/EG die eraan gekoppeld zijn. De doelbewuste introductie van GGO's in het leefmilieu en in de handel brengen van GGO's valt onder de richtlijnen 90/220/EEG, 94/15/EEG, 97/35/EEG en de beslissingen 91/596/EEG, 92/146/EEG, 93/584/EG, 94/730/EG. Europese richtlijnen worden omgezet in Belgisch recht in het Koninklijk Besluit van 18 december 1998, op basis van bovenvermelde Wetten van 20 juli 1991 en van 22 februari 1998. Richtlijn 90/220/EEG wordt momenteel herzien op Europees niveau.
Instituut voor Natuurbehoud RUG, Laboratorium voor Bosbouw 3 Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer 4 AMINAL, afdeling Water 5 RUG, Vakgroep Bodembeheer en BodemhygiĂŤne en Vakgroep Toegepaste Analytische en Fysische Chemie 6 UA, Departement Biologie
1
2
5.3.1 Inleiding Met vermesting wordt hier de natuurlijke en antropogene verhoging van de beschikbaarheid van nutriĂŤnten in bodem, water en lucht bedoeld. Vermesting wordt hier in de ruimste betekenis van het woord behandeld omdat de gevolgen van de diverse "vermestings"-processen voor de natuur moeilijk kunnen gescheiden worden. We beperken ons wel tot stikstof, fosfor en kalium, gezien hun doorslaggevende rol bij het sturen van de productiviteit. Veruit de grootste oorzaak van antropogene vermesting is de landbouw, gevolgd door industrie, bevolking en verkeer en vervoer (729).Vermesting is dus niet alleen een gevolg van te veel mest.
Lectoren Anny Anselin - Instituut voor Natuurbehoud (Exoten) Luc De Keersmaeker - Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer Bart Denayer - Provinciale Visserijkomissie Limburg Bob Peeters - Vlaamse Milieumaatschappij, MIRA Mark Van den Meersschaut - AMINAL, afdeling Bos & Groen
stikstofoxiden en gereduceerde stikstofcomponenten LUCHT
deposities
stikstofgas
stikstofgas en lachgas stikstoffixatie
ammoniak
OPPERVLAKTEWATER denitrificatie
afsterven vervluchtiging
opname
overstroming
organisch materiaal mineralisatie
nitraat
immobilisatie nitrificatie ammonium
Figuur 5.3.1: Vereenvoudigd schema van de belangrijkste stikstofstromen door de natuur (voor de verklaring van de termen: zie begrippenlijst).
kwel uitspoeling
BODEM
ad- en desorptie kleimineralen
GRONDWATER
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
176
Verstorings- en herstelprocessen
OPPERVLAKTEWATER afsterven overstroming
opname bodemorganismen
mineralisatie organisch materiaal plantbeschikbaar fosfor
secundaire mineralen BODEM primaire mineralen
GRONDWATER
kwel
Externe vermesting is de aanrijking van bodem, water en lucht met nutriënten van buitenaf. Stikstof komt in de natuur terecht via atmosfeer en oppervlakte- en grondwater (figuur 5.3.1), fosfor wordt voornamelijk aangevoerd door oppervlaktewater (figuur 5.3.2) en kalium door grond- en oppervlaktewater (figuur 5.3.3). In de omgeving van landbouwgronden met fosfaatdoorslag kan fosfor ook aangevoerd worden met het opwellend grondwater. Zowel stikstof, fosfor als kalium kunnen ook aangerijkt worden door het lokaal inwaaien of afspoelen van meststoffen of verhoogd aanwezig zijn als een gevolg van (historische) bemesting. Verhoogde hoeveelheden nutriënten blijven soms nog lang aanwezig in de bodem. Interne vermesting is de verhoging van de beschikbaarheid van nutriënten die reeds aanwezig zijn in de natuur, onder invloed van veranderende abiotische omstandigheden. Bodemfactoren zoals de beschikbaarheid van zuurstof, water en andere nutriënten en de zuurtegraad, sturen de beschikbaarheid van nutriënten voor de vegetatie. Verdroging verbetert de omstandigheden voor mineralisatie en nitrificatie en heeft een belangrijke invloed op de nutriëntenbeschikbaarheid en dus op de interne vermesting. Verzuring kan de fosforbeschikbaarheid verhogen of verlagen, al naar gelang de uitgangssituatie. Beschikbare nutriënten blijven aanwezig in de bodemoplossing, worden opgenomen in levend materiaal, worden gebonden aan de organische (humus) en minerale (klei) colloïden, denitrificeren, vervluchtigen of verplaatsen zich verder door het landschap via grond- en oppervlaktewater en komen uiteindelijk in zee terecht waar zij accumuleren.
Figuur 5.3.2: Vereenvoudigd schema van de belangrijkste fosforstromen door de natuur (voor de verklaring van de termen: zie begrippenlijst). De nutriënteninput in de natuur varieert naargelang de ecoregio en de plaats in het landschap: - De atmosferische stikstofdepositiedruk is overal aanwezig maar is vooral hoog in ecoregio’s met veel intensieve veehouderij, namelijk Vlaamse Zandstreek en de Noordelijke Kempen (729). De atmosferische stikstofdepositiedruk is vermoedelijk geringer in de Duinen gezien de dominante windrichting uit de zee. Bossen, en voornamelijk bosranden, capteren door hun grotere landschappelijke ruwheid en hun groter blad- of naaldoppervlak meer vermestende stoffen dan kruidachtige vegetaties. De atmosferische deposities beïnvloeden via hun verzurend karakter de fosforbeschikbaarheid. - De uitspoeling van nitraat en kalium naar het grondwater is afhankelijk van tal van factoren, waaronder de doorlatendheid en dikte van de onverzadigde zone, de aanwezigheid van reducerende stoffen, zuurstof, temperatuur, zuurtegraad en redoxpotentiaal. In zandgronden die onderhevig zijn aan bemesting of aan atmosferische stikstofdeposities, dus in de Kempen en in Vlaamse Zandstreek, leiden deze factoren naar een frequent uitspoelen van nitraat en in veel mindere mate kalium naar het diepere grondwater. In leem- en kleigronden die onderhevig zijn aan bemesting of aan atmosferische stikstofdeposities is de uitspoeling naar het diepere grondwater beperkter maar zeker niet nihil. Metingen van de Vakgroep Bodembeheer en Bodemhygiëne (RUG) in het Meetjesland toonden in de natte winter 2000-2001 een hoge graad van nitraatuitspoeling aan. Meer en meer landbouwgronden raken bovendien fosfaatverzadigd waardoor de
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
177
Verstorings- en herstelprocessen
OPPERVLAKTEWATER afsterven overstroming
opname bodemorganismen
BODEM
mineralisatie plantbeschikbaar kalium
uitspoeling
kwel
uitwisselbaar kalium
niet-uitwisselbaar kalium
GRONDWATER
primaire mineralen
diffuse verontreiniging door fosfaten op gang komt (812). De fosfaatbinding van de bodem wordt o.a. bepaald door de zuurtegraad, de aanwezigheid van reactieve ijzer- en aluminiumverbindingen en de aanwezigheid van glauconiet (812, 334). De fosfaatuitspoeling is vooral groot bij hoge (grond)waterstanden. Fosfaatdoorslag is vooral een probleem in Vlaamse Zandstreek en in mindere mate in de Noordelijke Kempen (812). De stikstof, fosfor en kaliumdruk op grondwaterafhankelijke natuur is dus het grootst in (of stroomafwaarts van) de Kempen en Vlaamse Zandstreek. - Oppervlakkige inspoeling ("surface" en "subsurface 90 80 plantbeschikbare stikstof/fosfor verhouding
organisch materiaal
70 60 50 40 30 20 10
Bl an ka Le Ha art g ie e M me ven oe er O n se ud eb n e ro Le ek ie ar Zw K m W art ev e e ie D llem Be oo e ek D Sn de ers ak oe B e na ke em n m ng d se ra e M ch Sc eer t Vo hie sen rs tv d el Ki onk d nd bo er s Li nau er w em an
0
Figuur 5.3.4: Verhouding van de beschikbare stikstof (KClextractie) / beschikbare fosfor (extractie met anionenuitwisselingsmembraan) in de bodem van 15 moerasgebieden in Vlaanderen (bron: 273).
Figuur 5.3.3: Vereenvoudigd schema van de belangrijkste kaliumstromen door de natuur (voor de verklaring van de termen: zie begrippenlijst). runoff") is vooral een bron van stikstof, fosfor (en kalium)-toevoer in kleigronden (Kust- en Scheldepolders) en leemgronden (Westelijke en Centrale Heuvels, Hageland-Haspengouw en Krijt-Leem Regio). Overtollige nutriënten van leem- en kleigronden verspreiden zich minder naar het grondwater en meer naar het oppervlaktewater. Pieken vallen samen met langere neerslagperioden waarbij er een verhoogde aanvoer is van bodempartikels van de aangrenzende percelen naar de waterloop (334). - Overstroming met oppervlaktewater zorgt voor een aanrijking van stikstof, fosfor (en kalium) in de Kust- en Scheldepolders en in de valleigebieden in alle andere ecoregio’s behalve in de Duinen. - Historische bemesting is een bron van stikstof, fosfor en kalium in natuur op voormalige landbouwgronden in alle ecoregio’s behalve de Duinen. De hoeveelheden nutriënten die in intensieve landbouwgronden worden vastgelegd in de loop der jaren zijn zeer groot. - Bemesting is een bron van stikstof, fosfor en kalium in natuur die in landbouwgebruik is in alle ecoregio’s behalve de Duinen. Het gaat hierbij meestal om graslanden en zelden om akkers. Laaggelegen gebieden ontvangen uiteindelijk de grootste toevoer van nutriënten, maar dat zijn van nature uit de voedselrijkere gebieden. Atmosferische stikstofconcentraties beïnvloeden rechtstreeks de diversiteit aan mossen en korstmossen, aangezien hier de voedingsstoffen direct uit de lucht opgenomen worden. Een verhoogde nutriëntenbeschikbaarheid in de bodem heeft vooral gevolgen voor de terrestrische
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
178
Verstorings- en herstelprocessen
Figuur 5.3.5: Kwetsbaarheidskaart vermesting (bron: 532). biodiversiteit, verhoogde nutriëntenconcentraties in het grondwater voor de grondwaterafhankelijke terrestrische biodiversiteit en verhoogde nutriëntenconcentraties in het oppervlaktewater voor de aquatische biodiversiteit. Aangezien in vele natuurlijke ecosystemen in Vlaanderen de beschikbare stikstof en/of fosfor limiterend zijn voor de productiviteit (soms kan het evenwel ook de beschikbare kalium zijn of zelfs andere nutriënten), leidt de verhoging van de beschikbaarheid van stikstof en/of fosfor doorgaans tot een verhoging van de productiviteit. Welk nutriënt limiterend is, is zeer variabel. Figuur 5.3.4 illustreert de verhouding van de beschikbare stikstofconcentratie over de beschikbare fosforconcentratie op het einde van de winter (maart 1999). Dit is een ruwe indicator voor de relatieve beschikbaarheid van deze nutriënten in deze gebieden. De gebieden die zich rechts bevinden zijn meestal fosfor-gelimiteerd. De gebieden die zich links bevinden zijn niet fosfor-gelimiteerd. Het gaat meestal om zeer productieve systemen. De verhoogde productiviteit leidt tot de dominantie van enkele productieve soorten ten koste van de overleving van vele dikwijls zeldzaam geworden soorten. De afname van de plantendiversiteit wordt gevolgd door een afname van de aan deze plantendiversiteit gebonden diversiteit op hogere trofische niveaus. De sterk toegenomen nutriëntenbeschikbaarheid is op evolutieve schaal een zeer recent fenomeen, vandaar dat de Vlaamse biodiversiteit vooral aan voedselarmere omstandigheden gebonden is.
De gevoeligheid van de natuur voor vermesting is variabel.Vooral oligo- en mesotrofe ecotopen, waar stikstof en/of fosfor van nature vaak sterk gelimiteerd zijn, zijn gevoelig. De vegetaties van oligotrofe milieus zijn zeldzaam in Vlaanderen en gingen in de loop van de vorige eeuw sterk achteruit, zowel in het aantal locaties als in de ontwikkelingsgraad (688). De vegetaties van de eutrofe milieus daarentegen zijn de algemeenste en gingen in de loop van de vorige eeuw het sterkst vooruit (688). Oligo- en mesotrofe ecotopen bevinden zich vooral in zandige streken. Op de kwetsbaarheidskaart (figuur 5.3.5) (zie deel 3.4 Kwetsbaarheidsconcept) komt tot uiting dat de Kempen, de Duinen, Vlaamse Zandstreek en de Kust- en Scheldepolders de kwetsbaarste ecoregio’s zijn. In de andere ecoregio’s zijn vooral de bossen en de riviervalleien kwetsbaar. Het MIRA beschrijft de volledige effectketen. Het NARA zoemt in op de natuur. De abiotische effecten binnen de natuur worden beschreven in deel 5.4.2 Effectketen. De beschikbare gegevens zijn nog zeer fragmentair. Vervolgens komen deel 5.4.3 Gevolgen voor de biodiversiteit en deel 5.4.4 Beleidsevaluatie aan bod.
5.3.2 Effectketen 5.3.2.1 Atmosferische stikstofdeposities In 1998 werd een gemiddelde depositie van 39 kg stikstof/ha.jaar genoteerd. Tussen 1990 en 1998 was er een
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
179
Verstorings- en herstelprocessen
In het bosbodemmeetnet wordt een vergelijking gemaakt tussen het water dat door het vegetatiedek komt (doorvalwater) plus het water dat langsheen de vegetatie naar beneden stroomt (afvloeiwater of stamafvloeiwater in bossen) enerzijds en het regenwater vooraleer het de vegetatie bereikt anderzijds (regenwater) (figuur 5.3.6) (236). Hieruit blijkt: - dat de deposities via doorval- plus stamafvloeiwater duidelijk hoger zijn dan via regenwater (ondanks de onderschatting ten gevolge van uitwisselingsprocessen, zie hieronder) en dat de vegetatie dus verhoogde hoeveelheden stikstof intercepteert uit de lucht;
40
stikstofdeposities (kg/ha.jaar)
zeer geringe daling van de stikstofdeposities; het aandeel gereduceerde stikstofcomponenten (ammonium en ammoniak) is gestegen (678). Deze gegevens werden gemodelleerd op basis van meteostatistiek en gegevens over receptoren en emmissiebronnen (Operationeel Prioritaire Stoffen Model). Resultaten van het regenmeetnet 1993-2000 (66) tonen evenwel aan dat natte deposities op de drie meetlocaties (Borgerhout, Bokrijk en Brugge) twee tot drie keer hoger liggen dan wat de OPSmodelberekeningen daar voorspellen. Het betreft evenwel locaties met mogelijke verhoogde deposities ten gevolge van landschappelijke ruwheid. Over de droge deposities bestaan nog geen meetresultaten. Het gebruik van modelgegevens moet in elk geval omzichtig gebeuren.Voor meer informatie is het wachten op de resultaten van het depositiemeetnet verzuring dat sinds april 2001 operationeel is. De meetmethode van het depositiemeetnet verzuring voor de natte deposities is conform diverse internationale normen en richtlijnen. Voor de droge deposities is de methode nog in ontwikkeling. Voor het depositiemeetnet verzuring werden 10 locaties geselecteerd met een zo gering mogelijke landschappelijke ruwheid (zie verder) en met zo weinig mogelijk lokale bronnen van luchtverontreiniging in de directe omgeving. Er worden dus achtergronddeposities gemeten, met de bedoeling trends op niveau Vlaanderen af te leiden. De resultaten van het depositiemeetnet verzuring zullen daardoor dikwijls niet geschikt zijn om de toestand in kwetsbare gebieden te evalueren.Vooral gereduceerde stikstofcomponenten worden door de vegetatie verhoogd geïntercepteerd en komen in de nabije omgeving van lokale bronnen neer. Gezien het toenemende aandeel van gereduceerde stikstofcomponenten in de totale deposities zullen de afwijkingen van de achtergrondconcentratie groter worden. Om de reële situatie in kwetsbare gebieden weer te geven, zullen aanvullende metingen en modelleringen vereist zijn. In volgende paragrafen worden resultaten van depositiemetingen via neerslagcollectoren weergegeven (746, 501, 236 en 685). Voor een interpretatie van de totalen is eerst een verificatie met de resultaten uit het depositiemeetnet verzuring nodig. Voorlopig wordt hier alleen ingegaan op de patronen in ruimte en tijd.
ammoniumstikstof nitraatstikstof
35 30 25 20 15 10 5 0
R D S
R D S
R D S
Brasschaat Torhout Ravels beuk corsikaanse den grove den
R D S
R D S
Gontrode eik / beuk
Tervuren beuk
Figuur 5.3.6: Deposities ammoniumstikstof en nitraatstikstof in regenwater (R), doorvalwater (D) en stamafvloeiwater (S) in het Vlaamse bosbodemmeetnet in 1999 (bron: 236). Ravels en Brasschaat zijn beide naaldbossen: hier wordt geen stamafvloeiwater opgemeten, gezien de zeer lage bijdrage tot de water- en nutriëntenflux. - dat ammonium in grotere mate geïntercepteerd wordt door de vegetatie dan nitraat (relatief grotere aanrijking in doorvalwater). De verhoogde interceptie door de vegetatie is een gevolg van de landschappelijke ruwheid die luchtturbulenties veroorzaakt en het grote naald- of bladoppervlak waardoor meer stikstof kan opgevangen worden. Door het vegetatiedek geïntercepteerd ammonium komt niet steeds in afvloeiwater terecht maar kan ook onmiddellijk worden opgenomen via de bladeren of naalden en uitgewisseld worden tegen de basische kationen kalium en in mindere mate calcium en magnesium. Bij neerslag worden deposities en uitgewisselde mineralen van het plantenmateriaal afgespoeld en komen ze in het afvloeiwater terecht. De gemeten deposities van ammonium vormen, ten gevolge van opname door het vegetatiedek, een onderschatting van de reële ammoniumflux van atmosfeer naar ecosysteem. Vooral bij loofbomen kan de opname door de kroon aanzienlijk zijn. De kroonopname van ammonium werd gemodelleerd (635, 662) voor de 5 proefvlakken uit het bosbodemmeetnet. Bij de doorvaldeposities uit de figuur mag een extra input van respectievelijk 8,9, 2,2, 2,8, 12,6 en 5,3 kg ammoniumstikstof/ha.jaar gerekend worden. In de Gulke Putten (Vlaamse Zandstreek) werden de stikstofdeposities gemeten tussen 1998 en 2000 langsheen een transect door grasland (bulkdepositie boven de vegetatie) en bos (doorvalwater) (Vervaet, in voorbereiding). Tabel 5.3.1 vergelijkt ammonium- en nitraatstikstofdeposities in doorval- en regenwater en bevestigt bovenstaande vaststellingen. Figuur 5.3.7 geeft het verloop weer van de maandelijkse ammoniumdepositie langsheen het transect. De ruimtelijke variabiliteit langsheen het transect (X-as)
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
180
Verstorings- en herstelprocessen
grove den (7)
Coriscaanse den (10)
grove den (2)
Cors den (12)
Cors den (8)
loofbos (11)
loofbos (6)
loofbos (5)
heide (9)
loofbos (11)
heide (3)
heide (4)
heide (13)
Figuur 5.3.8 toont de atmosferische input van ammoniumstikstof en nitraatstikstof via het doorvalwater plus de gemodelleerde input via kroonopname onder Corsikaanse den, grove den, loofbos (zomereik en berk) en heide in de vallei van de Zwarte beek (Oostelijke Kempen) (685). Hier blijkt dat de stikstofinput onder naaldbos > onder loofbos > onder heide. Er is geen verschil tussen grove den en
regenwater
illustreert de hogere depositiewaarden onder bos (0 tot 295 m en 395 tot 555 m) en de minder hoge depositiewaarden boven grasland (-375 tot 0 m, 295 tot 395 m en na 555 m). Opvallend hier is dat de bosrand aan de open plek (295m) de hoogste deposities vertoont. Bosranden veroorzaken verhoogde luchtturbulenties en bijgevolg verhoogde ammoniumdeposities. Nitraatdeposities (data niet gegeven) vertonen weinig of geen interactie met de vegetatie. Langs de Y-as kan de temporele variabiliteit bestudeerd worden. Hieruit blijkt dat het depositiepatroon zich herhaalt in de tijd met de hoogste ammoniumdepositie in de periode april – juni en de laagste ammoniumdepositie in de zomerperiode juli - september. Ook voor nitraat herhaalt het patroon zich met min of meer lage depositiewaarden tijdens de zomerperiode. De hogere depositiewaarden in het voorjaar zijn een gevolg van de bemestingsactiviteit op de omgevende landbouwgronden tijdens deze periode. Tijdens de zomer is de bemestingsactiviteit en de ammoniumdepositie geringer. In het najaar neemt vooral de depositie nabij de bosrand aan de open plek toe. De depositieverhogende invloed van luchtturbulenties is dan het grootst.
Figuur 5.3.8: Voorbeeldstudie Zwarte Beek (Oostelijke Kempen): Gemiddelde deposities van nitraat- en ammoniumstikstof in doorvalwater en gemodelleerde opname van ammoniumstikstof door de boomkronen (stikstofinput) versus gemiddelde uitspoeling van nitraat- en ammoniumstikstof onder de wortelzone (stikstofoutput) bij Corsikaanse den, grove den, loofbos (berk en zomereik) en heide en gemiddelde deposities van nitraat- en ammoniumstikstof in het regenwater (gebaseerd op metingen tussen 15-6-2000 en 27-22001) (bron: 685). Het cijfer tussen haakjes geeft het proefvlaknummer weer. Uitspoelingsgegevens zijn niet beschikbaar voor de heideproefvlakken en voor proefvlak 10 met Corsicaanse den.
Tabel 5.3.1: Voorbeeldstudie Gulke Putten (Vlaamse Zandstreek): Gemiddelde stikstofdeposities (kg stikstof/ha.jaar) in doorvalwater en in regenwater gedurende 2 jaren (1998-2000) (Vervaet, in voorbereiding).
Figuur 5.3.7: Voorbeeldstudie Gulke Putten (Vlaamse Zandstreek): Ruimtelijke en temporele variatie in stikstofdeposities (bron: H. Vervaet). Tussen 0 tot 295 m en 395 tot 555 m is de vegetatie bos; tussen -375 tot 0 m, tussen 295 en 395 m en na 555 m is de vegetatie grasland.
Doorvalwater
Regenwater
1998-1999 Ammoniumstikstof Nitraatstikstof Totaal
24 14 38
14 11 25
1999-2000 Ammoniumstikstof Nitraatstikstof Totaal
22 11 33
11.5 7.5 19
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
181
Verstorings- en herstelprocessen Corsicaanse den. Loofbomen hebben op jaarbasis een lagere interceptiecapaciteit dan naaldbomen ten gevolge van een geringer bladoppervlak en een bladloze winterperiode. Heide heeft een lagere interceptiecapaciteit dan naaldbomen omwille van het geringer bladoppervlak. In vergelijking met de gegevens uit figuur 5.3.6 en tabel 5.3.1, die op dezelfde manier opgemeten werden, zijn deze doorvaldeposities laag door de geringe aanwezigheid van intensieve landbouw in de vallei van de Zwarte Beek. In gebieden met hogere deposities zijn de verschillen in captatie tussen naaldbos, loofbos en heide groter (238). De mate waarin de externe toevoer van stikstof kan opgenomen worden in een ecosysteem (retentie) hangt af van de eigenschappen van de vegetatie en van de bodembiologische en bodemchemische kenmerken. De plantensoort bepaalt hoeveel stikstof opgenomen wordt en of dit bij voorkeur gereduceerde of geoxideerde stikstof is. Naargelang de bodemeigenschappen zal nitrificatie sneller of minder snel verlopen. Wanneer de beschikbaarheid van nitraat groter is dan de opname door planten en microbiële immobilisatie treedt verzadiging op en spoelt nitraat uit. De snelle nitrificatie, de opname door de vegetatie en de microbiële immobilisatie van ammonium maakt dat eens voorbij 15 cm diepte vooral nitraat voorkomt in de bodemoplossing. De retentie van ammonium in de strooisellagen ligt in de proefvlakken van het bosbodemmeetnet vrij hoog. Een vegetatietype met soorten die in staat zijn tot opname van nitraat maakt dat minder nitraat uitspoelt naar het grondwater. Figuur 5.3.8 geeft ook een idee van de stikstofoutput door uitspoeling. De uitspoeling onder heide wordt hier niet weergegeven omdat er in deze proefvlakken invloed is van het grondwater. De uitspoeling is laag ten opzichte van de rest van Vlaanderen en benadert de achtergronduitspoeling van 2-3 kg nitraatstikstof/ha.jaar (319). Onder naaldbos is de uitspoeling hoger dan onder loofbos. Wanneer rekening gehouden wordt met ruimtelijke variatie in depositie en in bodemtoestand (proefvlakken 1 en 2 zijn naburig; proefvlakken 5, 6, 7 en 8 zijn naburig; proefvlakken 11 en 12 naburig) komt het verschil er nog duidelijker uit. Hier speelt niet alleen de verschillende captatie van stikstof uit de lucht maar ook de verschillende opname van stikstof door de plantenwortels een rol. Loofbomen nemen meer stikstof op uit de bodem dan naaldbomen
Figuur 5.3.9: Voorbeeldstudie Muizenbos (Centrale Kempen): Totale fosforconcentratie in de bodem en kenmerkende vegetatie in functie van de bosleeftijd (bron: 220). Muizenbos, Centrale Kempen). Al deze nieuwe bossen sluiten aan op oud bos, waardoor de kansen op kolonisatie overal aanwezig zijn (zie ook deel 5.7 Versnippering). De fosforconcentratie is significant hoger in de bodem van jonge bossen. Vooral in bossen die ontstaan zijn na de tweede wereldoorlog werden zeer hoge fosforconcentraties gemeten. In deze bossen zijn oud-bosplanten als bosanemoon, slanke sleutelbloem en éénbes schaars, terwijl grote brandnetel, een goede indicator voor hoge fosforbeschikbaarheid, domineert. In het Muizenbos werden aanwijzingen gevonden dat de concurrentie van grote brandnetel de vestiging van traag migrerende soorten in recente bossen remt (20). Anderzijds zijn de meeste oud-bosplanten behoorlijk schaduwtolerant, terwijl grote brandnetel geen sterke beschaduwing verdraagt. Waarschijnlijk worden dus vooral zeldzame zoom- en ruigtekruiden zoals bosorchis, gulden boterbloem en echte guldenroede, die in directe competitie staan met grote brandnetel, benadeeld door de hoge fosforconcentraties. In de bosranden is er bovendien een verhoogde atmosferische depositie van verzurende en vermestende stoffen, alsook inwaai van andere agro-chemicaliën. De bosrandvegetatie staat dus extra onder druk. Ook stikstof kan een lange nawerking vertonen. In graslanden kan door de accumulatie van nutriëntenrijk organisch materiaal de mineralisatiesnelheid sterk toenemen. Dit effect kan zich nog vele decennia laten voelen.
5.3.2.2 Historische bemesting
5.3.2.3 Hydrologie
Bij natuurontwikkeling op voormalige landbouwgronden stelt zich het probleem van een naijlende invloed van vroegere bemestingen.
Verdroging betekent een versnelling van het stikstofmineralisatieproces waardoor interne vermesting optreedt. Het vochtregime heeft een sterke invloed op de vermesting. Tabel 5.3.2 illustreert hoe in 15 moerasgebieden in Vlaanderen het aandeel ammoniumstikstof in de totale minerale stikstof zakt wanneer de watertafel zakt. Na het zakken van de watertafel treedt een versnelde nitrificatie
Figuur 5.3.9 geeft een overzicht van de totale fosforconcentraties en de kenmerkende soorten in een reeks nieuwe bossen van verschillende leeftijden (bosreservaat
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
182
Verstorings- en herstelprocessen
Gebied Daknamse meersen Oude Leiearm Doode Bemde Wellemeersen Kevie Snoekengracht Moenebroek Kindernauw Liereman Hageven Leiemeersen Schietveld Vorsdonkbos Blankaart Zwarte Beek
Eind maart
Eind april
Half juni
19
13
20
81 62 78 56 80 51 83 85 84 85 79 84 75 82
7 32 66 67 72 28 50 51 67 66 91 86 74 76
7 37 9 67 78 32 45 72 69 83 67 79 67 71
op. In de Daknamse meersen is reeds begin maart vooral nitraatstikstof aanwezig. In de Oude Leiearm en de Doode Bemde zakt het aandeel ammoniumstikstof tegen eind april. In de Wellemeersen gebeurt dat tegen half juni en in de Kevie en de Snoekengracht tegen begin augustus. In de andere gebieden gebeurt de omzetting geleidelijker of niet. In schraalgraslanden zijn lichte fluctuaties van het grondwaterpeil noodzakelijk om de lage fosforbeschikbaarheid en de hoge soortenrijkdom te behouden. In aërobe omstandigheden kan het fosfor neerslaan met het ijzer dat uit het grondwater komt. Een permanent hoge watertafel leidt hier tot de mobilisatie van de ijzerfosfaten, dus tot een verhoging van de fosforbeschikbaarheid en de vestiging van productieve soorten als liesgras. Ook een verminderde kwel leidt tot een verminderde ijzer- en/of calciumtoevoer en dus een verminderde neerslag van fosfor. Ook in het aquatisch milieu kan een dikke anaërobe sliblaag voor de mobilisatie van fosfor zorgen. Zeer laagproductieve natte (moeras) of vochtige (schraalgrasland) ecotopen zijn doorgaans fosforgelimiteerde (136, 195). In deze systemen is weinig fosfor aanwezig, of het wordt in weinig beschikbare vormen vastgelegd. Extra aanvoer van fosfor, bijvoorbeeld via overstromend oppervlaktewater, leidt hier onmiddellijk tot productiviteitsstijgingen. Ook een verstoring van de hydrologie of hydrochemie kan tot veranderingen in de fosforbeschikbaarheid leiden (zie ook deel 5.5 Verdroging). Een beperkte verdroging van schraalgraslanden veroorzaakt een verminderde fosforbeschikbaarheid omdat meer geoxideerd ijzer, dat een belangrijke fosforfixator is, aanwezig is. Anderzijds kan sulfaatrijk water dat in natte systemen terecht komt, door reductie een verbinding vormen met ijzer en zo de ijzerpool voor fosforfixatie beperken. In kalkrijke systemen zou een daling van de grondwatertafel juist een verhoogde beschikbaarheid kunnen veroorzaken, omdat de lichte verzuring die er het gevolg van is, fosfor kan vrijzetten van calciummineralen. De juiste regulering is
Tabel 5.3.2: Verhouding Begin augustus 14 ammoniumstikstof/totale 2 32 6 5 16 18 49 60 91 68 55
minerale stikstof (%) in de loop van het groeiseizoen 1999 in 15 moerasgebieden in Vlaanderen (bron: 273).
dus afhankelijk van de specifieke toestand van elk gebied.
5.3.2.4 Waterlopen Tijdens het voorbije decennium volgden de ammoniak- en de orthofosfaatconcentraties in het oppervlaktewater een dalende trend, alhoewel ze nog steeds ruim boven de basiskwaliteitsnorm uitsteken, terwijl de nitraatconcentraties in het oppervlaktewater geen duidelijke trend vertoonden (438). Zowel voor nitraat, ammoniak als fosfor staat België op de laatste of voorlaatste plaats in de Europese Gemeenschap (64). In waterlopen is de verhoogde stikstof- en fosforbelasting een gevolg van enerzijds diffuse verontreiniging en anderzijds directe lozingen van huishoudelijk en industrieel afvalwater en het in werking treden van overstorten. Het opheffen van lozingspunten gaat gepaard met een verlaging van de gemiddelde fosfaaten stikstofconcentraties in het oppervlaktewater. Het wegwerken van grote vuilvrachten door waterzuiveringsinspanningen maskeert evenwel de toename van diffuse verontreiniging, vooral in landelijk gebied. Een geringe toename in nutriëntgelimiteerde watersystemen kan echter belangrijke effecten hebben op de natuurwaarden. Het vergelijken van gemiddelden op schaal Vlaanderen is dan ook niet altijd relevant voor de toestand van de natuur. Ondanks de saneringsinspanningen is er nog steeds geen verbetering in de nitraatbelasting van het oppervlaktewater. Dit komt enerzijds omdat die saneringen tot verhoogde zuurstofconcentraties leiden. Wanneer het zuurstofgehalte stijgt zal stikstof vooral in de nitraatvorm aanwezig zijn. Hogere zuurstofconcentraties remmen bovendien het denitrificatieproces af dat noodzakelijk is om nitraat af te breken. De input van organische stoffen daalt bij het opheffen van lozingspunten. Een geringere biologische afbraak van organische stoffen gaat gepaard met een verminderd zuurstofverbruik. Anderzijds is nitraat zeer mobiel in de bodem en spoelt het via diffuse verontreiniging gemakkelijk uit naar het oppervlaktewater (334).
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
183
00 20
99 19
98 19
97 19
96 19
95
94
19
19
93 19
92 19
19
91
Verstorings- en herstelprocessen
Figuur 5.3.10: Voorbeeldstudie Netebekken (Kempen): Orthofosfaatfosfor in enkele kleine laaglandbeken in de Kempen (bron: 782) (detectielimiet: 0,01 mg/l orthofosfaatfosfor). Langsheen een aantal bovenlopen begint stilaan fosfaatverzadiging op te treden. Voor de meeste bovenloopstelsels wordt echter aangegeven dat er geen risico voor fosfaatverzadiging bestaat (812). In beekecosystemen met stroomafwaarts zeer hoge natuurwaarden, zoals de Zwarte Beek, vormen de hoge nutriëntenconcentraties in de bovenloop nochtans nu reeds een knelpunt (475). In andere bovenloopstelsels, zoals die van de Kleine Nete, met een zeer goede waterkwaliteit, zien we in de loop van de jaren ‘90 de fosfaatconcentraties geleidelijk aan stijgen (figuur 5.3.10) wat op een uitspoeling en fosfaatverzadiging van de aangrenzende gronden duidt. De concentraties overschrijden regelmatig de 0,1 mg/l orthofosfaat-fosfor wat beschouwd wordt als een concentratie waarbij algenbloei gestimuleerd wordt (812).
5.3.2.5 Estuaria Terwijl fosfor vaak een sleutelrol speelt in het vermestingsproces van waterlopen, is stikstof de hoofdrolspeler in estuaria. Per jaar komt meer dan 200.000 ton organische koolstof in het Schelde-estuarium terecht, waarvan het grootste deel van menselijke oorsprong is. Het verrassende aan het Schelde-estuarium is dat slechts een geringe, nauwelijks afbreekbare fractie van deze enorme koolstofvracht de zee bereikt. Het estuarium laat zich zien als een gigantische bioreactor die het overgrote deel van de koolstofaanvoer binnen de eigen grenzen, vooral bacterieel, afbreekt. Het gevolg is onder andere een belasting van de zuurstofhuishouding, nog versterkt door zuurstofverbruikende stikstofprocessen. Denitrificatie zorgt ervoor dat nitraat uiteindelijk wordt omgezet in stikstofgas dat uit het systeem verdwijnt. De inspanningen om oppervlaktewater te zuiveren
Figuur 5.3.11: Lange termijn trend (jaargemiddelden) van nitraat + nitriet, ammonium, totale minerale stikstof, totale stikstof en opgeloste zuurstof in de Zeeschelde ter hoogte van de Belgisch-Nederlandse grens (Schaar van Ouden Doel) (bron: 647). resulteren in een dalende koolstofvracht en een verbeterde zuurstofhuishouding. Hierdoor krijgt nitrificatie meer kansen en met de jaren wordt steeds meer ammonium omgezet tot nitraat. Nitraatstikstof wordt verder stroomafwaarts getransporteerd dan ammoniumstikstof. De verwachting was dan ook dat er door een stijgend zuurstofgehalte meer stikstof de zee zou bereiken. Het fenomeen staat bekend als de "paradox van het Schelde-estuarium": zuiverder water (meer zuurstof) maar tegelijk een grotere vermesting (meer stikstof). Volledige klaarheid is er echter nog niet. Aan de Belgisch-Nederlandse grens wordt er inderdaad een duidelijke verschuiving van ammonium naar nitraat vastgesteld (figuur 5.3.11). Dit gaat echter niet gepaard met een stijging van totaal stikstof (zijnde alle componenten samen). Dit zou verklaard kunnen worden door een bijkomende verwijdering van stikstof door denitrificatie in een aantal zuurstofarme niches binnen het estuarium zoals vlokken van zwevend stof. Het kan ook zijn dat er door een toename van de tij-invloed meer verdund water ter hoogte van de grens doorgedrongen is. Om het fenomeen van algenbloei te begrijpen moeten we naast nitraat ook rekening houden met factoren als licht en silicium. Het eerste traject, de overgang van de rivier naar het estuarium, wordt vooral gekenmerkt door een toename van de troebelheid van het water, veroorzaakt door de grotere turbulentie van het getijdensysteem. Licht limiteert bijgevolg de fytoplanktonproductie en nutriënten schuiven door naar stroomafwaartse delen van het estuarium. Meer naar de monding neemt licht opnieuw toe en kent fytoplankton een verhoogde ontwikkeling. De ecologisch meest "nuttige" wieren zijn diatomeeën of kiezelwieren. Zij zijn voor hun kiezelskeletjes afhankelijk van silicium, een natuurlijk element dat ten opzichte van de verhoogde nutriëntvracht relatief minder ter beschikking is. De siliciumconcentraties nemen immers niet toe door menselijke beïnvloeding. Kiezelwieren worden gegeten door zoö-
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
184
Verstorings- en herstelprocessen plankton en vis en de productie loopt door naar de hogere trofische niveaus. De hoge nitraatconcentraties stimuleren in eerste instantie de diatomeeënontwikkeling. Wanneer de productie stijgt daalt echter de siliciumconcentratie. Wanneer het silicium uiteindelijk is opgebruikt stopt de bloei van diatomeeën en nemen de "meer schadelijke" algen de fakkel over. Deze algen worden niet opgenomen door de hogere trofische niveaus. Ze sterven gewoon af en gaan naar de bacteriële keten. Zij kunnen doorbloeien naarmate er stikstof beschikbaar is en kunnen aanleiding geven tot schuimvorming en geurhinder. Kenmerkend is de zogenaamde Phaeocystis, een flagellaat die in bolvormige kolonies leeft en die voor het grootste deel bestaat uit schuim (647).
5.3.3 Gevolgen voor de natuur 5.3.3.1 Epifytische natuur Korstmossen, die hun voedingsstoffen rechtstreeks ontvangen van natte en droge atmosferische deposities, zijn bijzonder gevoelig voor veranderingen in de atmosferische chemische samenstelling. Aangezien het aandeel zwaveldioxide daalt en het aandeel gereduceerde stikstofcomponenten stijgt (729), wint vermesting aan invloed ten opzichte van verzuring. Op de boomschors wordt de verzuring onder invloed van zwaveldioxide en stikstofoxiden (zie ook deel 5.4 Verzuring) geneutraliseerd door ammoniak, terwijl de stikstofdeposities blijven. De resultante is hoe dan ook de achteruitgang of het verlies van talrijke ecologisch kieskeurige soorten en de vooruitgang van enkele tolerante soorten met een ruime ecologische amplitude, met andere woorden een ecologische vervlakking van de epifytische korstmossenflora. Lecidella elaeochroma, Xanthoria polycarpa, Candelariella xanthostigma en Xanthoria candelaria zijn soorten die gevoelig zijn voor en bijgevolg indicator zijn voor ammoniak (350).
Figuur 5.3.12: Relatie tussen het plantopneembaar fosforgehalte in de bodem (ammoniumlactaat-extractie) en de plantensoortenrijkdom van graslanden in de BourgoyenOssemeersen, de Dijlevallei en Viersel (bron: 457).
5.3.3.2 Terrestrische natuur De chemische samenstelling van doorval- en bodemwater en van bladeren en naalden van de bomen werd in verband gebracht met kroonconditiegegevens (501). Meer details hierover worden weergegeven in deel 5.4 Verzuring. Terwijl meteorologische variaties de grootste invloed hebben op de toestand van de boomkronen, kon ook een relatie met bepaalde chemische eigenschappen gelegd worden. Het is bijzonder moeilijk de gevolgen van vermesting, verzuring, verdroging en andere verstoringsketens van elkaar te onderscheiden. Ze werken immers tegelijk in op de natuur. Een mogelijkheid is de evolutie van de aanwezigheid of bedekking van een groot aantal plantensoorten te bekijken en daaraan het (gewogen) gemiddelde stikstofgetal van Ellenberg te koppelen. Het gebruik van een groot aantal waarnemingen zorgt voor een uitmiddeling van de onnauwkeurigheden van de methode. Wanneer voor elk uurhok van de floradatabank het mediane stikstofgetal getal vergeleken wordt voor en na 1971, blijkt een zeer significante stijging van het stikstofgetal. Een gelijkaardige oefening werd gemaakt voor de Vorte Bossen (Vlaamse Zandstreek) (410). Hier werd ook de bedekking mee in rekening gebracht. In het alluviale deel van het gebied blijkt het stikstofgetal zeer significant te stijgen, terwijl het vochtgetal significant daalt.Vermesting is er vermoedelijk ook een gevolg van verdroging. Op het plateau en de dalwand werden geen significante verschillen vastgesteld. Uit de verwerking van de floradatabank (zie deel 4.3.1.2 Toestand volgens floradatabank) blijkt dus een algemeen verlies aan voedselarme ecotopen en een algemene vooruitgang van voedselrijke ecotopen. Ook dit is een bewijs van de invloed van vermesting op de vegetatie. De invloed van vermesting op de vegetatie zet zich door op hogere trofische niveaus. De fauna gebonden aan voedselarme vegetaties gaat eveneens achteruit. Bij de meeste vlindersoorten uit de Rode Lijst staat vermesting als één van de oorzaken van de achteruitgang aangegeven (445). De vegetatie wordt te hoog voor het afzetten van eitjes en het voor de vlinders essentiële warmere microklimaat nabij de bodem verdwijnt door toenemende beschaduwing. Naast trendanalyses kunnen ook momentopnamen in een groot aantal locaties een idee geven van de invloed van nutriëntenbeschikbaarheid op de natuur. Uit figuur 5.3.12 blijkt dat de soortenrijkdom in graslanden laag blijft indien het plantopneembaar fosforgehalte hoger is dan 6 mg fosfor/100 g droge grond (< 20 soorten per 9 m2). Als gevolg van een verhoogde fosforbeschikbaarheid behoort ook een verhoogde stikstofbeschikbaarheid tot de mogelijkheden. Extra stikstof kan voorzien worden door leguminosen of kan beschikbaar komen door een grotere activiteit van micro-organismen en een verhoogde mineralisatie.
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
185
Verstorings- en herstelprocessen Uit een analyse van 100 bossen in de vallei van de Velpe bleek dat de fosforbeschikbaarheid een rol speelde bij het verklaren van de soortenrijkdom in alluviale bossen (280). Dit wil zeggen dat een verhoging van de beschikbaarheid van fosfor de soortenrijkdom in deze bossen negatief beïnvloedt. Voor de hoger gelegen bossen kon geen dergelijke relatie gelegd worden. Fosfor is vooral een probleem van de alluviale natuur.
le waterpest. De fosforconcentratie in de planten hangt vooral samen met de totale fosforconcentratie gemeten in het oppervlaktewater in de winterperiode. In de zomer wordt immers het grootste gedeelte uit het water gehaald en wordt het opgenomen door de planten. Enkel in deze schakel zou er mogelijk in enkele beken een limitatie kunnen optreden. Voor stikstof speelt de periode van het jaar geen rol maar zijn zowel de stikstofcomponenten in het water als deze in de waterbodem bepalend (734).
5.3.3.3 Aquatische biodiversiteit
De huidige fosforconcentraties in de zuivere (Kempense) bovenlopen (figuur 5.3.10) laten reeds toe om hoge biomassa’s van planten aangepast aan meer voedselrijke wateren tot ontwikkeling te laten komen. We verwachten bij een toenemende zuiveringsinspanning in Vlaanderen dan ook vooral vegetaties met een groot aantal fonteinkruiden en soorten als sterrekroos, egelskop en pijlkruid. Momenteel zijn dergelijke soorten- en vormenrijke vegetatietypen nog grotendeels beperkt tot de Kempen, de Vlaamse vallei en een gedeelte van de polderwaterlopen (zie deel 4.3.6 Waterlopen en figuur 4.3.42). Soortenarmere vegetatietypen vaak met uitsluitend soorten die zeer tolerant zijn voor eutrofiëring zoals schedefonteinkruid, haarfijn fonteinkruid en smalle waterpest, zijn momenteel nog in heel Vlaanderen verspreid.
Stilstaande wateren In het Turnhoutse Vennengebied werd de achteruitgang van de venvegetaties in de laatste 25 jaar gedemonstreerd door Vanderhaeghe (725) en de bijhorende milieuomstandigheden door Boeye et al. (135) en de Louw et al. (224). Het blijkt dat atmosferische depositie en vooral directe inspoeling van verontreinigd landbouwwater tot vervanging van de typische vegetaties leidt (zie ook deel 4.3.2 Heiden en vennen). Stilstaande wateren zijn bijzonder gevoelig voor vermesting (zie ook deel 4.3.7 Stilstaande wateren). Waterlopen
Stikstof kan in oppervlaktewaters, afhankelijk van de zuurstofconcentratie, in de nitraat- of in de ammoniumvorm aanwezig zijn. Nitraat heeft als vermestende factor vooral effect op de aquatische plantengemeenschap en slechts indirect een effect op de fauna (528). Ammonium is echter toxisch voor vele diersoorten en heeft bijgevolg een direct effect op de aquatische fauna. Figuur 5.3.13 geeft als voorbeeld het verband weer tussen de ammonium- en nitraatconcentratie en de Belgische Biotische Index (BBI), die berekend wordt op basis van het voorkomen van 10 9 ammonium-N 8
nitraat-N conc
7 6
BBI
Rivierstelsels bezitten een natuurlijke gradiënt van (zeer) lage nutriëntenconcentraties bovenstrooms naar hogere nutriëntenconcentraties benedenstrooms. Deze gradiënt is meer uitgesproken voor laaglandbeken dan voor bronbeken (528). Fosfaat is van nature, zeker in de zandstreek, vaak in zo’n lage concentraties aanwezig dat het de productiviteit afremt. Dergelijke watersystemen worden gekenmerkt door specifieke en vaak zeldzame vegetatietypen. Een geringe toename aan fosfaten resulteert al snel in een versnelde groei en een biomassatoename van waterplanten, gevolgd door fauna-elementen. Er treedt een verschuiving van soorten op. In eerste instantie zal de soortenrijkdom toenemen, doch bij een verdere toename zal vooral de algenbloei gestimuleerd worden en de soortenrijkdom opnieuw dalen. Hoe lager de stroomsnelheden, hoe sneller er een verschuiving van de soortensamenstelling optreedt.
5 4
Een studie naar de accumulatie van stikstof en fosfor in water- en moerasplanten in laaglandbeken uit het Netebekken toont aan dat deze accumulaties steeds veel hoger liggen dan de accumulaties gemeten in planten in terrestrische systemen, overstromingsgebieden of stilstaande wateren. Bovendien is er weinig verschil tussen de concentraties gemeten in planten van zuivere bovenlopen (zoals de Desselse en de Zwarte Nete) en die van de voedselrijkere benedenlopen (zoals de Wamp en de Abeek). Enkel bij sterke verontreiniging is er een extra accumulatie van stikstof waargenomen in soorten als smal-
3 2 1 0 0,1
1,0
10,0
concentratie (mg/l)
Figuur 5.3.13: Belgische Biotische Index in relatie tot de nitraat- en ammoniumstikstofconcentratie van het oppervlaktewater. Mediaan; blokje: 25%, 75%; lijn: 5%, 95%. (basiskwaliteitsnorm voor nitraatstikstof = <10mg/l; voor ammoniumstikstof: gemiddeld:<1mg/l, absoluut:<5mg/l) (brongegevens: VMM).
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
186
Verstorings- en herstelprocessen tegen 2002. Dit is een eerste stap om de natuurgerichte streefwaarden voor atmosferische stikstofdepositie (5 tot 20 kg stikstof/ha.jaar) te bereiken. Los daarvan worden in VLAREM II een aantal streefwaarden opgenomen:
10 9
95% 5%
8
75% 25%
7
Median
BBI
6
- 14 kg stikstof/ha.jaar voor loofbossen - 5,6 kg stikstof/ha.jaar voor naaldbossen, heide op zandgrond en vennen
5 4 3 2
De streefwaarden voor atmosferische stikstofdeposities zijn gebaseerd op internationaal aanvaarde kritische lasten voor ecosystemen.
1 0 0,01
0,10
1,00
10,00
concentratie orthofosfaat-P (mg/l)
Figuur 5.3.14: Belgische Biotische Index in relatie tot de orthofosfaatconcentratie in het oppervlaktewater (basiskwaliteitsnorm voor orthofosfaatfosfor in beken: < 0.3 mg/l) (brongegevens: VMM). ongewervelden. De index varieert van 0 (dood water) tot 10 (soortenrijke gemeenschap met kwetsbare soorten) (zie ook deel 3.2.2.3). Een soortenrijke gemeenschap komt enkel voor bij zeer lage ammoniumconcentraties. Bij de lage indexen is stikstof vooral in de ammoniumvorm aanwezig. Bij een stijging verschuift dit duidelijk naar de nitraatvorm. Ook voor fosfaat verwachten we eerder een indirect effect op de fauna. Toch toont figuur 5.3.14 aan dat een soortenrijke gemeenschap van ongewervelden enkel voorkomt bij zeer lage fosfaatconcentraties in het oppervlaktewater. Estuaria Estuaria zijn van nature voedselrijke en productieve ecosystemen. Het visbestand, maar ook het zoöplankton en het benthos van de Zeeschelde, heeft echter nog zwaar te lijden onder de gebrekkige zuurstofbeschikbaarheid, vooral in het zoete deel. Door de verbeterende waterkwaliteit in het estuarium kan migratie van vis weer doorgaan, zij het aarzelend. Kenmerkend is het beperkte wederoptreden van vissoorten zoals de fint, die vroeger massaal voorkwam (448, 449, 450). Naast waterkwaliteit is ook de aanwezigheid van geschikte habitats (b.v. paaiplaatsen) van belang voor het herstel. Inrichting van overstromingsgebieden (ook een maatregel naar veiligheid) kan hier uitkomst bieden.
5.3.4 Beleidsevaluatie 5.3.4.1 Planevaluatie De lange termijn-beleidsdoelstelling van het milieubeleidsplan (MBP-2) is een evenwicht te brengen in de stofstromen van stikstof, fosfor en kalium. De plandoelstelling (MBP-2) wil de gemiddelde atmosferische stikstofdepositie terugbrengen tot 27 kg/ha.jaar
In het MBP-2 wordt er ook naar gestreefd de fysischchemische oppervlaktewaterkwaliteit verder te verbeteren. Hier worden geen streefwaarden voorgesteld. Wel bevinden zich milieukwaliteitsnormen voor oppervlaktewater in VLAREM II. Milieukwaliteitsnormen voor water met specifieke doelstellingen zijn op het gebruik door de mens (drinkwater, zwemwater en viswater) en niet op de natuur gericht. Momenteel geldt voor alle oppervlaktewater de basismilieukwaliteitsnorm. Deze is voor nitraat en nitriet samen 10 mg stikstof/l zonder een onderscheid te maken tussen stilstaand en stromend water. Deze concentratie is veel te hoog voor natuurwaarden. De orthofosfaatnorm voor stromend water ligt op 0,3 mg/l orthofosfaatfosfor, terwijl algemeen wordt aangenomen dat algenbloei optreedt vanaf 0,1 mg/l orthofosfaatfosfor (812). De orthofosfaatnorm voor stilstaand water is 0,05 mg/l orthofosfaatfosfor. Voor kalium bestaan er geen streefwaarden. De milieukwaliteitsnormen voor oppervlaktewater zijn duidelijk veel te hoog voor de meeste natuurwaarden. Wanneer bij een overstroming 10 cm rivierwater (met basismilieukwaliteitsnorm van 10 mg stikstof/l voor nitraat en nitriet samen) op een grasland terechtkomt, betekent dit een aanrijking van 10 kg stikstof/ha.jaar. Er moeten natuurgerichte kwaliteitsnormen voor oppervlaktewater komen die afgestemd zijn op ecosystemen. Het MBP-2 bevat geen concrete doelen naar grondwaterkwaliteit toe. VLAREM II bevat richtwaarden van 25 mg/l nitraat (5,65 mg stikstof/l), 400 mg/l difosforpentoxide (87,32 mg fosfor/l) en 10 mg/l kalium. De stikstoftoevoer via het grondwater (met richtniveau voor nitraat) schommelt bij een lage tot hoge kwel tussen resp. 20 tot 100 kg stikstof/ha.jaar. Er moeten natuurgerichte kwaliteitsnormen voor grondwater komen die rekening houden met de door grondwater beïnvloede ecosystemen. Bij deze normenstelsels moeten verder volgende kanttekeningen gemaakt worden: - De streefwaarden voor atmosferische deposities zouden de streefwaarden voor de gesommeerde nutriëntenaanvoer vanuit atmosfeer, grond- en oppervlaktewater voor stikstof, fosfor en kalium moeten zijn. Dit
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
187
Verstorings- en herstelprocessen vergt niet alleen modellering van nutriëntentransporten via de atmosfeer maar ook via het watersysteem. Dit moet prioritair uitgewerkt worden voor kwetsbare gebieden. - Er zijn niet alleen doelstellingen nodig om de nutriënteninput in de natuur te regelen, maar er moeten ook abiotische grens- en streefwaarden komen die de nutriëntentoestand in de natuur (bodem en water) aangeven. Deze hangen samen met de natuurstreefbeelden (zie deel 5.9 Natuurbeheer, natuurontwikkeling en natuurherstel). Reeds vele decennia worden verhoogde hoeveelheden nutriënten aangevoerd in ecosystemen. Sommige daarvan spoelen uit met de waterbeweging, andere blijven nog zeer lang aanwezig in de ecosystemen. De vergelijkingen van vegetatiegegevens uit de vorige decennia wijzen allen in dezelfde richting: er trad een systematische verschuiving van de vegetatie op in de richting van een beperkt aantal productieve soorten die gebaat zijn bij vermesting en ten koste van een groot aantal kwetsbare soorten. Naast het in evenwicht brengen van de stofstromen van stikstof, fosfor en kalium tot een niveau waarbij er geen onherstelbare schade optreedt aan ecosystemen, zullen dan ook extra maatregelen vereist zijn om de geaccumuleerde hoeveelheden nutriënten uit de natuur te verwijderen. Het in evenwicht brengen van de stofstromen (lange termijn doelstelling) is een randvoorwaarde om met natuurherstel en –ontwikkeling te starten. Het is bijzonder moeilijk in te schatten wat de gewenste situatie is, omdat ongestoorde toestanden niet meer bestaan. Het is niet duidelijk of en hoe snel herstel zal optreden. Een ongekende fractie van de biodiversiteit is hoedanook verloren. Bij de normstelling moet er rekening gehouden worden met de nutriënten die niet aanwezig blijven in ecosystemen, maar verder getransporteerd worden via waterlopen naar estuaria en kustwateren. De Europese kaderrichtlijn betreffende het waterbeleid vormt een belangrijk internationaal kader voor het uitwerken van concrete doelstellingen, normenkaders en maatregelenprogramma’s inzake vermestingtoestand van oppervlaktewaters (54). Deze doelstellingen en normen dienen specifiek voor elk waterlooptype gedefinieerd te worden tegen 2006 en bereikt te worden in alle oppervlaktewaters tegen 2015 (zie ook deel 4.3.6 Waterlopen). In de kaderrichtlijn wordt ook expliciet aandacht gevraagd voor de kwetsbaarheid van estuaria en kustwateren, omdat hun evenwicht in hoge mate onder invloed staat van de kwaliteit van de binnenlandse wateren. - Bij het formuleren van kwaliteitsdoelstellingen voor de waterlopen dient men bijgevolg niet enkel rekening te houden met de levensgemeenschap die men op een bepaalde plaats wil realiseren maar ook met de kwaliteitsdoelstellingen die stroomafwaarts bereikt moeten worden. Om in de toekomst ook voor de grotere rivieren en voor de zee kwaliteitsdoelstellingen ten
aanzien van nutriënten te realiseren dienen er in de bekkenbeheersplannen ook doelstellingen uitgewerkt te worden die de maximaal toelaatbare nutriëntenvrachten aan de monding van de verschillende deelbekkens aangeven. Deze dienen dan verder vertaald te worden naar de gevolgen voor het landgebruik. De eerste modelleringen naar vrachten en transporten binnen een aantal deelbekkens zijn reeds uitgevoerd maar nog niet vertaald naar maatregelenprogramma’s.
5.3.4.2 Procesevaluatie De uitvoering van het vermestingbeleid bestaat uit een gebiedsdekkende en een gebiedsgerichte aanpak. De gebiedsdekkende aanpak is op de algemene milieukwaliteit gericht en streeft naar een reductie van de uitstoot van polluenten waarvoor in VLAREM II, het mestbeleid en het ammoniakreductieplan een aantal regels en normen voorgeschreven staan. Ze betreffen zowel landbouw als niet-landbouwactiviteiten. Gezien het grensoverschrijdend karakter van het vermestingsprobleem wordt via diverse internationale overeenkomsten internationaal samengewerkt rond emissiereductie. De landbouw is de voornaamste bron van vermesting. Het mestbeleid streeft naar een reductie van de nutriëntenuitstoot door de Vlaamse landbouw. In een eerste fase (1991) streefde het mestbeleid ernaar mestoverschotten te spreiden over het gehele Vlaamse landbouwareaal. In MAP 1 (1995) werden gefaseerd verstrengende bemestingsnormen ingevoerd, die tegen 2002 tot de ecologisch verantwoorde onttrekkingsnorm moesten leiden. In kwetsbare gebieden werden strenge normen onmiddellijk van kracht. Uit de ecologische evaluatie van het MAP 1 bleek evenwel dat de bemestingsnormen ruimte lieten voor verdere fosfaat- en nitraataanrijking van het grondwater zowel binnen als buiten de kwetsbare gebieden (638). In MAP 2 (1999) werden de bemestingsnormen gefaseerd tot 2003 aangescherpt. Verder werd ook de nitraatresiduwaarde ingevoerd. De plandoelstelling in MBP-2 is om tegen 2002 tot een ecologisch verantwoorde onttrekkingsnorm (eindbemestingsnorm) te komen (opname van nutriënten door planten plus milieukundig aanvaardbare verliezen). Er is nog steeds geen structurele oplossing voor het mestoverschot. Nochtans bevindt zich hier één van de belangrijkste knelpunten voor de natuur in Vlaanderen. Zolang de gebiedsdekkende vermestingsdruk zo hoog blijft, is het ook moeilijk resultaten te behalen met het gebiedsgericht beleid. De evaluatie van de gebiedsdekkende aanpak komt aan bod in het MIRA. Bij het gebiedsgericht beleid wordt onderscheid gemaakt tussen brongerichte en effectgerichte maatregelen. Het belangrijkste instrument in het brongerichte gebiedsgericht beleid is de bemestingsnormering. Andere instrumenten zijn de afstandsregels ter bescherming van
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
188
Verstorings- en herstelprocessen Tabel 5.3.3: Toestand groenlaag met betrekking tot bemestingsbeperkingen (toestand anno 2000).
waterlopen en de bekkenbeheersplannen (bij het tegengaan van verdroging wordt immers een bron van interne vermesting weggewerkt). Een evaluatie van de bekkenbeheersplannen wordt behandeld in het deel 4.3.6 Waterlopen. Binnen de kwetsbare gebieden water is een beheersovereenkomst mogelijk die betrekking heeft op een verminderd gebruik van stikstof uit dierlijke mest (zie deel 5.9 Natuurbeheer, natuurontwikkeling en natuurinrichting). De bemestingsnormering in kwetsbare gebieden natuur bestaat momenteel uit het perceelsgewijze toepassen van bemestingsbeperkingen in functie van actuele natuurwaarden van bij de Mestbank geregistreerde landbouwpercelen. - De nulbemesting geldt in groene gewestplanbestemmingen (de groenlaag). Dit wil zeggen dat geen enkele vorm van mesttoediening toegestaan is, behalve wat van begrazing met 2 grootvee-eenheden (GVE) per hectare komt. Ontheffingen werden voorzien indien voldaan werd aan drie voorwaarden: (1) de landbouwer had het perceel voor 1994 reeds in landbouwgebruik, (2) de landbouwer is een gezinsveeteeltbedrijf en (3) de betreffende percelen werden op de BWK als akker of intensief grasland gecatalogeerd. Alle landbouwers met percelen in de groenlaag werden op de hoogte gebracht en kregen de mogelijkheid bezwaar in te dienen. Bezwaren tegen de biologische waardering moesten door een verificatiecommissie behandeld worden. De commissie bestond uit afdeling Natuur, de VLM, de ALT en een MER-deskundige. Enkel bij unanieme beslissing werden de bezwaren aanvaard. Het resultaat anno 2000 is 5360 ha (of wanneer de bij de Mestbank aangegeven natuurreservaten daarvan afgetrokken worden 4260 ha) theoretische nulbemesting (2 GVE/ha), 2400 ha intermediaire bemesting (2
GVE/ha plus 100 kg stikstof/ha.jaar) en 17.770 ha ontheffing of algemene bemestingsnorm (450 kg stikstof/ha.jaar) (tabel 5.3.3). In deze cijfers wordt wel geen rekening gehouden met het onderscheid voor niet-gezinsveeteeltbedrijven en met ontheffingen voor huiskavels. Het pijnlijke aan deze procedure is dat net de landbouwers met respect voor de natuur, wiens percelen niet als intensief grasland of akker gecatalogeerd werden, de dupe werden. Bij de toegestane bemesting bij ontheffing kunnen op het perceel zelf alleen een beperkt aantal hoogproductieve grassoorten en in de randen eventueel nog enkele andere plantensoorten overleven. De meer kritische (en daardoor zeldzamere) weidevogels komen op dergelijke graslanden niet aan hun trekken. Gezien de lange na-ijling van de bemesting zal het zeer lang duren vooraleer de natuur in deze graslanden zich zal kunnen herstellen. - Ook voor geelgroene gewestplanbestemmingen, voor integrale vogelrichtlijngebieden en voor habitats van niet-integrale vogelrichtlijngebieden is een gebiedsgerichte verscherping voorzien (intermediaire bemesting in graslanden met bepaalde natuurwaarden en nulbemesting in halfnatuurlijke graslanden), doch deze zijn nog niet operationeel waardoor nog steeds in al deze bestemmingen en gebieden de maximale 450 kg stikstof/ha.jaar toegestaan is. Figuur 5.3.15 illustreert de balans (anno 2000) van het Mestactieplan voor landbouwpercelen in groene bestemmingen in Vlaanderen. De groene bestemmingen zijn op zich al beperkt in oppervlakte en versnipperd. Door de invoering van het grote aantal ontheffingen wordt de versnippering nog groter. Voor de percelen onder nulbemesting heeft dit volgende gevolgen: - Externe vermesting blijft aanwezig door het inwaaien en het afspoelen van meststoffen uit de omgevende
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
189
Verstorings- en herstelprocessen
Figuur 5.3.15: Nulbemesting, intermediaire bemesting en ontheffing (2000) in landbouwpercelen in groene gewestplanbestemmingen in Vlaanderen. percelen en eventueel ook door het opwellen van diep of ondiep vermest grondwater en het overstromen met vermest oppervlaktewater. - Door het uitblijven van herstel van de hydrologische situatie blijft interne vermesting ten gevolge van verdroging bestaan. - Door de afstand tussen de minder vermeste percelen worden kolonisatie of uitwisselingen tussen populaties planten of bodemfauna bemoeilijkt. - Tijdens de bemestingsactiviteiten in de omringende percelen wordt de fauna verstoord. - Landbouwactiviteiten in de omringende percelen veroorzaken ook het inwaaien of afspoelen van andere verontreinigende stoffen. - De controle en handhaving van het mestbeleid is misschien wel duidelijk maar ook zeer moeilijk bij dergelijke perceelswijze aanpak. Dit alles betekent dat de kansen voor natuurherstel in de percelen onder nulbemesting beperkt zijn. Figuur 5.3.16 zoemt in op de Demervallei tussen Werchter en Diest (Centrale Kempen en HagelandHaspengouw) (459, 460). Om een optimale ontwikkeling van de natuur in deze vallei na te streven is, samen met een verhoging van het waterpeil van de Demer, een nulbemesting in grote aaneengesloten zones van de vallei aangewezen.
Zelfs wanneer nutriënten- en waterstromingen weer in evenwicht gebracht zijn, moet rekening gehouden worden met een lang naijlen van de huidige vermeste toestand. Aan de brongerichte maatregelen zullen dan ook dikwijls effectgerichte maatregelen moeten toegevoegd worden om natuurherstel te verwezenlijken. De effectgerichte maatregelen zijn veel beperkter qua invloed. De voornaamste maatregelen zijn (1) natuurbeheer zoals maaien, plaggen en kappen waarbij nutriënten afgevoerd worden, (2) omvorming van naald- naar loofbos, waarbij in de eerste plaats de evolutie naar een meer natuurlijk bostype nagestreefd wordt, maar waardoor meteen ook minder nutriënten gecapteerd worden uit de atmosfeer en meer nutriënten vastgelegd worden in de boomlaag (bij kappen ook gecombineerd met afvoeren), (3) het aanbrengen en beheren van bufferstroken waardoor de doorstroming van nutriënten naar waterrijke gebieden en water verminderd wordt (gecombineerd met voorgaande maatregelen voor het afvoeren van de nutriënten). In graslanden, wegbermen en eventuele andere omstandigheden wordt verschraling bekomen door maaien en afvoeren. In heidegebieden, natuurontwikkelingsprojecten en eventuele andere omstandigheden wordt een meer drastische verschraling bekomen door plaggen. Hierbij worden heel wat meer nutriënten geëxporteerd uit het systeem. Indien na plaggen verdere vermesting optreedt, gaat de zaadbank, die na het plaggen geactiveerd werd, verloren. Deze effectgerichte maatregelen komen aan bod in deel 5.9 Natuurbeheer, natuurontwikkeling en natuurinrichting.
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
190
Verstorings- en herstelprocessen
0
2000 Meter
Figuur 5.3.16: Voorbeeldstudie Demervallei (Centrale Kempen en Hageland-Haspengouw): Nulbemesting, intermediaire bemesting en ontheffing (2000) (bron: 459, 460). Uit de gegevens hierboven (zie 5.3.2.1) bleek de invloed van naaldbos of loofbos op de influx van stikstof uit de lucht en de retentie van stikstof uit de bodem. Omvorming naar loofbos – en bij voorkeur naar het potentieel natuurlijke bostype (zie deel 4.3.5 Bossen) betekent (1) een meer natuurlijk bos (dit is de eerste doelstelling) en meteen (2) minder transfer van polluenten uit de lucht naar natuur, zowel ter plaatse als in het traject dat het water verder door het landschap volgt. Naar vermesting toe is bosomvorming het meest dringend in kwetsbare natuur, in de infiltratiegebieden rond kwetsbare natuur en in gebieden met een grote depositiedruk. Gezien de grote oppervlakten naaldbos in de Kempen en Vlaamse Zandstreek loont de moeite om bosomvorming te stimuleren. Een belangrijke transfer van nutriënten van landbouwgronden naar waterrijke gebieden en naar het oppervlaktewater vindt plaats via het water dat over het bodemoppervlak afstroomt ("surface runoff") en via het ondiepe grondwater dat uitspoelt ("subsurface runoff"). Om vermesting te verminderen zou de hoeveelheid opgeloste nutriënten in deze af- en uitspoeling gereduceerd moeten worden. Een maatregel hiervoor is het toepassen van bufferstroken en oeverzones tussen landbouwperceel en waterrijk gebied of waterloop. De bufferstrook behoort tot het landbouwperceel en de oeverzone tot de waterloop. In geen van beide worden meststoffen gebruikt. De af- en uitspoelende meststoffen van het perceel worden in de bufferstroken en oeverzones opgevangen en verwijderd. Processen die hiervoor zorgen zijn onder andere
sedimentatie van partikelgebonden nutriënten, opname in plantenmateriaal, maaien en afvoeren van plantenresten en denitrificatie. Indien correct aangelegd en onderhouden hebben stroken van 10 m breed de capaciteit om (529, 269, 513): - 45 tot 80% van de aangevoerde stikstof en fosfor uit het water dat over het bodemoppervlak afspoelt te verwijderen - tot 60% of meer van het aangevoerde stikstof dat via het ondiepe grondwater uitspoelt te verwijderen, fosfor wordt hier niet veel aangetroffen vanwege de slechte oplosbaarheid in water. Bufferstroken en oeverzones kunnen een aparte inrichting en vegetatie krijgen. Dit biedt mogelijkheden voor meer natuurlijke oevers en verbetering van het zelfzuiverend vermogen van het watersysteem. Onderzoek in Vlaanderen is lopende naar de capaciteit van bufferstroken en oeverzones tot verwijdering van stikstof uit grondwater en op de mogelijkheden van grasstroken om afspoelend sediment op te vangen zodat het niet in de waterloop terecht komt. Voorlopige eerste resultaten bevestigen de effectiviteit van bufferstroken en oeverzones voor beide aspecten (188 en 579). Een strategisch project van het kabinet onderzoekt momenteel de juridische en praktische mogelijkheden van bufferstroken en oeverzones in Vlaanderen, onder meer door middel van een aantal proefprojecten (671). Binnen het plattelandsontwikkelingsprogramma worden binnenkort beheersovereenkomsten aangeboden om bufferstroken aan te leggen naast waardevol-
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
191
Verstorings- en herstelprocessen le graslanden (zie deel 5.9 Natuurbeheer, natuurontwikkeling en natuurinrichting). Het gebiedsgerichte mestbeleid komt moeilijk op gang. Oorzaken hiervan zijn: - De resultaten van het brongerichte mestbeleid blijven achterwege. De natuur blijft onder een hoge input van nutriënten lijden. Bij een dergelijke input is het gebiedsgericht beleid niets meer dan druppels op een hete plaat. - De omvang van de nutriënteninput in de natuur is onvoldoende gekend. Kritische lasten voor ecosystemen worden alleen met atmosferische achtergronddeposities vergeleken, dus zonder rekening te houden met verhoogde atmosferische deposities als gevolg van lokale bronnen en landschappelijke ruwheden of met nutriëntenaanvoer via water. Door de ongekende omvang van het probleem wordt de urgentie voor het nemen van maatregelen niet beseft. Dit zal pas duidelijk worden wanneer ook metingen en modelleringen verricht worden om de reële atmosferische depositiedruk en de toevoer van nutriënten via het watersysteem in te schatten. - Er is een gebrek aan duidelijkheid over de na te streven situatie aangezien alle natuur in Vlaanderen aan een meer dan natuurlijke nutriëntenaanvoer onderhevig is. Er is dus geen referentiesituatie meer. - Ook over de effectiviteit van effectgerichte maatregelen bestaat onzekerheid. De natuur reageert traag op herstel. Resultaat kan ook uitblijven omdat andere verstoringen blijven bestaan. - Er is te weinig inzicht in de watersystemen en bijgevolg in de stromen van nutriënten door de natuur. Daardoor kan, bij het uitstippelen van een effectief gebiedsgericht beleid, onvoldoende (momenteel zelfs nog geen) rekening gehouden worden met dit sturend systeem.Vooral de bewegingen via het grondwater zijn nog niet gekwantificeerd. De nutriëntenstromingen via het grondwater hangen af van de eigenschappen van de grondlagen waardoor het grondwater zich verplaatst en de snelheid waarmee het zich verplaatst. - De huidige aanpak is te gefragmenteerd. Het gebiedsgerichte mestbeleid moet veel meer geïntegreerd verlopen met het overige gebiedsgericht beleid, in het bijzonder met het integraal waterbeleid. Veel meer inspanningen zijn vereist om het gebiedsgericht beleid gestalte te geven. Gezien het toenemend aandeel gereduceerde stikstof in de deposities, nemen de mogelijkheden van een gebiedsgericht beleid toe. Om meer resultaat te bekomen moet het gebiedsgerichte mestbeleid als volgt heroriënteerd worden:
- Het gebiedsgericht beleid moet zich richten op grote eenheden van nog aanwezige en gedegradeerde kwetsbare natuur. Vooral voedselarme ecosystemen staan onder druk door vermesting. Zij bevinden zich in de Kempen en in Vlaamse Zandstreek, gebieden waar bovendien de depositiedruk groot is door de aanwezigheid van industriële veeteelt. Ook de van nature voedselrijkere polder- en valleigebieden staan onder hoge vermestingsdruk, aangezien hier atmosferische deposities aangevuld worden met aanvoer van stikstof via oppervlaktewater, diepe en ondiepe kwel en oppervlakkige afspoeling. Verdroging speelt hier ook een rol. Hier is niet alleen stikstof, maar ook fosfor een probleem. Epifyten staan rechtstreeks onder invloed van de atmosferische samenstelling. Hun voorkomen houdt geen verband met bodemeigenschappen of watersystemen, alleen met de atmosferische depositiedruk. Ook over het behoud van deze soorten moet gewaakt worden. Het gebiedsgericht beleid moet zich naar de overblijvende waardevolle natuur en naar de te herstellen gedegradeerde natuur richten. Bij voorkeur vormen zij samen grotere eenheden. - Bij het realiseren van een gebiedsgericht beleid moet rekening gehouden worden met boven- en ondergrondse waterbewegingen en zelfs met de voornaamste windrichting. De werking van watersystemen (voedingsgebieden van waardevolle brongebieden, ligging overstromingsgebieden, benedenstroomse effecten,...) zijn tot nu toe niet meegenomen in de aanpak van vermesting. Noch in het Natuurdecreet, noch in het MAP wordt er vertrokken vanuit de ecohydrologische relaties. Deze relaties zijn nochtans bepalend voor de nutriëntenhuishouding op elke schaal. Aangezien opwellend grondwater van belang is voor de natuur in de vallei zou ook een gebiedsgerichte verscherping van de bemestingsnorm moeten overwogen worden in het infiltratiegebied. Een goede kennis van de invloed van vermesting van het infiltratiegebied op het kwelgebied is essentieel om de noodzakelijke bemestingsnormen en afbakeningen te kunnen formuleren. De nood aan bescherming van infiltratiegebieden is sterk afhankelijk van de kwetsbaarheid van de vallei. De lokale hydrologie heeft veel invloed op de beschikbaarheid van de aanwezige nutriënten. Naast het in evenwicht brengen van de nutriëntenstromen moet ook de hydrologische situatie hersteld worden. Dit komt aan bod in deel 5.5 Verdroging. Om het geheel beter te kunnen onderbouwen en evalueren is meer op de natuur gerichte monitoring en modellering nodig.
5.3.4.3 Productevaluatie Een neveneffect van de eerste fase van het mestbeleid was dat percelen die voorheen weinig bemest werden gingen dienen voor de spreiding van overtollige mest. Dit is bijvoorbeeld het geval in de bovenloop van de Zwarte
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
192
Verstorings- en herstelprocessen Beek, waar foeragerende wulpen en watersnippen en broedende kieviten door de intensivering verstoord worden. Cijfers over dit product van het mestbeleid bestaan niet. Een ander neveneffect is dat het invoeren van mestinjectie in het voorjaar negatieve gevolgen heeft voor de weidebroedvogelpopulaties. Ook hierover bestaan geen cijfers. Voor een evaluatie van de resultaten van de bemestingsnormering is het nog te vroeg.
Met medewerking van: Gert Van Hoydonck - RUG, Laboratorium voor Bosbouw Leen Martens, Valérie Goethals, Wouter Van Landuyt, Desiré Paelinckx - Instituut voor Natuurbehoud
Lectoren Carole Ampe, Roger Langohr - RUG, Vakgroep Geologie en Bodemkunde Bart Debussche - Administratie voor Land- en Tuinbouw Stefaan De Neve - RUG, Vakgroep Bodembeheer en Bodemhygiëne Hans De Schryver - AMINAL, afdeling Natuur Johan Neirynck, Peter Roskams - Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer Hendrik Neven - AMINAL, afdeling Land Stijn Overloop - Vlaamse Milieumaatschappij, MIRA Philip Van Avermaet - Vlaamse Milieumaatschappij Luc Van Craen - AMINAL, afdeling Water Dirk Van Gijseghem - Vlaamse Landmaatschappij
5.4 Verzuring Myriam Dumortier1, An De Schrijver2, Dirk Boeye1 en Bram Bauwens2 1 2
Instituut voor Natuurbehoud RUG, Laboratorium voor Bosbouw
5.4.1 Inleiding Bodemverzuring is de verandering van het protonenevenwicht in de bodem in de richting van hogere concentraties waterstofionen (en dus lagere pH-waarden), hetgeen ook gevolgen heeft voor andere chemische evenwichten in de bodem. Eén van de gevolgen van vergaande verzuring is het beschikbaar worden van toxisch aluminium. Bodemverzuring is in ons gematigd klimaat een natuurlijk proces, gezien de percolatie van regenwater en de daarmee gepaard gaande uitloging van basische kationen, doch het proces kan onder invloed van antropogene factoren versneld of vertraagd worden. Niet alleen bodems maar
ook voedselarme wateren op weinig bufferend substraat, zoals vennen op zandig substraat en bovenlopen van laaglandbeken in zandstreken, zijn onderhevig aan verzuring. Externe verzuring is een gevolg van atmosferische zuurdeposities (zwaveldioxide, stikstofoxiden, gereduceerde stikstofcomponenten en hun reactieproducten). Bronnen van deze verzurende bestanddelen zijn landbouw, industrie, energievoorziening, verkeer en vervoer en bevolking (474). Interne verzuring is een gevolg van biologische, chemische en fysische processen in de bodem of in de substraten van oppervlaktewateren.Tot de verzurende processen behoren onder andere de opname van kationen en ammonium door de vegetatie, de mineralisatie van organische fosfor- en zwavelverbindingen, de nitrificatie van ammonium en in gronden met sterk variërend vochtregime de oxidatie van ijzer en mangaan. Tot de ontzurende processen behoren onder andere opname van anionen, mineralisatie van organische stikstofverbindingen, denitrificatie en sulfaatreductie. De verzuringsdruk op de natuur is variabel: - In streken met veel intensieve veehouderij, met name Zandig Vlaanderen en de Noordelijke Kempen, zijn de deposities gereduceerde stikstofcomponenten sterk verhoogd. De zwaveldioxide- en stikstofoxidenemissies die een gevolg zijn van industrie, verkeer en huishoudens worden over veel grotere afstanden getransporteerd alvorens afgezet te worden onder de vorm van verzurende deposities. Zij vormen een probleem op internationaal niveau. - In voormalige landbouwgronden in alle ecoregio’s behalve de Duinen kan nog vele decennia een verhoogde mineralisatie en nitrificatie van nutriëntenrijk organisch materiaal optreden, hetgeen een verzurende werking heeft. - In ecosystemen die door grond- of oppervlaktewater beïnvloed worden is de verzuringsdruk geringer. De percolatie van regenwater is hier geringer en het grond- of oppervlaktewater heeft een bufferende invloed. Het zijn dus vooral hoger gelegen gebieden die te maken hebben met verzuring. De verzurende componenten in de lucht beïnvloeden rechtstreeks de diversiteit aan mossen en korstmossen, aangezien zij hun voedingsstoffen direct uit de lucht opnemen. De zuurdeposities in voedselarme oppervlaktewateren beïnvloeden rechtstreeks de aquatische biodiversiteit. De terrestrische biodiversiteit wordt beïnvloed via de bodem, waar de externe verzuring het interne evenwicht tussen verzurings- en ontzuringsprocessen verstoort. De buffercapaciteit van een bodem is de weerstand van die bodem tegen de effectieve daling van de pH van de
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
193
Verstorings- en herstelprocessen
Figuur 5.4.1: Kwetsbaarheidskaart verzuring (bron: 532). bodemoplossing. Naargelang de pH van de bodem treden verschillende buffermechanismen in werking zoals de binding van protonen bij het in oplossing gaan van calciumcarbonaat, de uitwisseling van protonen uit de bodemoplossing tegen kationen op de organische (humus) en minerale (klei) colloïden en de binding van protonen bij de verwering van silicaten en de dissociatie van aluminium- en ijzerhydroxiden.
Het MIRA beschrijft de volledige effectketen. Het NARA zoemt in op de natuur. De abiotische effecten binnen de natuur worden beschreven in deel 5.4.2 Effectketen. Vervolgens komen deel 5.4.3 Gevolgen voor de biodiversiteit en deel 5.4.4 Beleidsevaluatie aan bod.
Vermesting en verdroging beïnvloeden de interne verzurings- en bufferingsprocessen, onder andere via hun invloed op oxidatie- en reductieprocessen. Ook de oorsprong van het water dat het ecosysteem voedt (regenwater, oppervlaktewater, ondiep kwelwater of diep kwelwater) heeft gevolgen voor verzuring of buffering.Verzuring beïnvloedt vermesting en verontreiniging door de invloed op de beschikbaarheid van nutriënten en toxische stoffen. Het is niet altijd eenvoudig te achterhalen welk proces aan de basis van veranderingen in de toestand van de natuur ligt.
5.4.2.1 Atmosferische zuurdeposities
De gevoeligheid van de natuur voor verzuring is variabel. Vooral voedselarme en weinig of matig gebufferde bodems zijn gevoelig. De voor verzuring kwetsbare natuur bevindt zich vooral in de Noordelijke en Oostelijke Kempen, in de Centrale en Zuidelijke Kempen, in Zandig Vlaanderen en in veel mindere mate in de Duinen. In deze laatste ecoregio zijn de meeste zanden nog kalkhoudend en dus goed gebufferd. In de andere ecoregio’s zijn vooral regenwaterafhankelijke bossen en natuurterreinen kwetsbaar voor verzuring (figuur 5.4.1).
5.4.2 Effectketen
De gemiddelde zuurdepositie in Vlaanderen in 1998 bedroeg 4082 Zeq/ha.jaar.Ten opzichte van 1990 is dit een daling met 40% voor zwaveloxiden, met 9% voor geoxideerde stikstofcomponenten (onder andere stikstofoxiden) en met 10% voor gereduceerde stikstofcomponenten (ammonium en ammoniak). Het relatieve aandeel van gereduceerde stikstofcomponenten stijgt (474). Deze gegevens zijn het resultaat van modelberekeningen. Voorlopige gegevens uit het regenmeetnet (66) laten zien dat de modelresultaten een onderschatting kunnen zijn. Concrete cijfers zijn te verwachten uit het depositiemeetnet verzuring dat sinds april 2001 operationeel is. Het depositiemeetnet verzuring zal achtergronddeposities volgen met de bedoeling trends af te leiden. De resultaten zullen dus niet altijd bruikbaar zijn voor de evaluatie van de toestand in kwetsbare natuur. Extra metingen en modelleringen zullen nodig zijn. Meer details over deze kanttekeningen komen aan bod in deel 5.3 Vermesting. Het staat hoe dan ook vast dat er een verbeterende trend is maar dat de zuurdeposities nog bijzonder hoog zijn.
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
194
Verstorings- en herstelprocessen Depositiemetingen via neerslagcollectoren werden verricht in diverse locaties in Vlaanderen (237, 236, 501, 685). Een vergelijking met de gegevens uit het depositiemeetnet verzuring zal duidelijk maken in welke mate deze gegevens bruikbaar zijn voor de evaluatie van de totale zuurdepositie. De metingen geven alvast waardevolle informatie over patronen en processen die hierna besproken wordt. Figuur 5.4.2 vergelijkt de deposities in zuurequivalenten in het regenwater (vooraleer het de vegetatie bereikt), in het doorvalwater (het regenwater dat door het vegetatiedek komt) en het stamafvloeiwater (het regenwater dat langsheen de vegetatie naar beneden stroomt), in de 5 locaties van het Vlaamse bosbodemmeetnet. Uit de figuur blijken volgende gegevens: - In het regenwater zijn de deposities van ammonium veel hoger in Ravels (Noordelijke Kempen) dan in de overige proefvlakken, hetgeen te maken heeft met de verhoogde deposities ten gevolge van intensieve veehouderij. De deposities van nitraat en sulfaat zijn gelijklopend in de verschillende proefvlakken. - De deposities onder bos, dus het doorvalwater plus het stamafvloeiwater, zijn hoger dan in het regenwater. Dit is het geval op alle plaatsen en voor alle fracties. Bossen veroorzaken door hun grotere landschappelijke ruwheid luchtturbulenties waardoor meer polluenten afgezet worden. Bovendien is hun grote naald- of bladoppervlak in staat grotere hoeveelheden deposities op te vangen. - Vooral ammonium wordt verhoogd geĂŻntercepteerd door de vegetatie. Nochtans is de ammoniumdepositie via doorvalwater en stamafvloei een onderschatting van de ammoniumflux van atmosfeer naar ecosysteem. Een gedeelte van het geĂŻntercepteerde ammonium wordt rechtstreeks opgenomen in het kronendak en uitgewisseld tegen basische kationen. Bij neerslag worden atmosferische deposities en uitgewisdeposities zuurequivalenten (Zeq)
x1000
4
ammonium nitraat sulfaat
3
2
1
Figuur 5.4.3: Voorbeeldstudie Ravels (Noordelijke Kempen): Gemiddelde relatieve ammoniumdeposities (ten opzichte van de laagste depositie) en bodem-pH langs een transect van ZW naar NO door homogeen bos (Corsicaanse den) op gelijke bodems (bron: 237). selde kationen van het plantenmateriaal afgespoeld en komen dan via doorval- en stamafvloeiwater op de bodem terecht. Hierin bevinden zich bijgevolg meer kationen en minder ammonium. Nitraat en sulfaat staan bekend als conservatieve anionen en nemen veel minder deel aan deze uitwisselingsprocessen. De kroonopname van ammonium werd gemodelleerd (635, 662) voor de vijf proefvlakken uit het bosbodemmeetnet. Hieruit blijkt dat bij de atmosferische zuurdeposities uit figuur 5.4.2 nog een extra input van resp. 8900, 2200, 2800, 12600 en 5300 Zeq/ha.jaar mag gerekend worden. Kroonopname gebeurt veel meer door loofbomen dan door naaldbomen. Bomen in de bosrand vangen, ten gevolge van hogere luchtturbulenties, hogere deposities op. De windsnelheid en windrichting spelen hierin een rol. Figuur 5.4.3 illustreert het verloop van de ammoniumdeposities langsheen een transect, evenwijdig met de dominante windrichting van het zuidwesten naar het noordoosten, door het domeinbos van Ravels (Noordelijke Kempen). Het transect doorkruist bestanden van Corsikaanse den van gelijke leeftijd gelegen op gelijke zandbodem. Aan de ZW-zijde van het bos werden over een zone van 180 m significant hogere ammoniumdeposities opgemeten. Deze variatie in ammoniumdeposities werd weerspiegeld in de bodem-pH: pHwater waarden varieerden respectievelijk tussen 3,1 (bosrand) en 3,8 (centrum). Ook aan de NO-zijde van het bos was de bodem-pH lager dan in het midden, alhoewel het verschil in depositie beperkt was, hetgeen kan te maken hebben met de beperkte meetperiode (mei tot november).
0
R D S
R D S
R D S
Ravels Brasschaat Torhout beuk corsikaanse den grove den
R D S
R D S
Gontrode eik / beuk
Tervuren beuk
Figuur 5.4.2: Deposities in zuurequivalenten in regenwater (R), doorvalwater (D) en stamafvloeiwater (S) in het Vlaamse bosbodemmeetnet (bron: 236).
Figuur 5.4.4 toont de gemiddelde deposities in zuurequivalenten in het doorvalwater onder verschillende vegetaties en in regenwater in de vallei van de Zwarte Beek (Oostelijke Kempen). Daarnaast wordt ook de gemodelleerde input via kroonopname weergegeven. De captatie
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
195
Verstorings- en herstelprocessen
zuurinput (Zeq/ha.jaar)
3000 2500 2000 1500 1000 500
he re ide ge (3 nw ) he at id er lo e of (1 bo 3) s he (11 re ide ) ge (4 nw ) he ate r re ide ge (9 C or nw ) si ca loo ate an fbo r se s de (5) lo n ( of 12 C or bo ) si c lo s C aan ofb (6) or o si se s ( ca d 1) an en se (1 d 0) gr ov en ( e gr de 8) ov n e (2 de ) n (7 )
0
doorval sulfaat proefvlakken doorval nitraat ammonium (gemodelleerde kroonopname) doorval ammonium
Figuur 5.4.4: Voorbeeldstudie Zwarte Beek (Oostelijke Kempen): Gemiddelde deposities (Zeq/ha.jaar) in doorvalwater onder Corsikaanse den, grove den, loofbos (berk en zomereik) en heide en in regenwater (op basis van metingen tussen 15/6/00 en 27/2/01) (bron: 685). Het cijfer tussen haakjes geeft het proefvlak nummer weer. van verzurende stoffen uit de lucht door naaldbos > loofbos > heide. Ammonium is verhoogd aanwezig in het doorvalwater onder naaldbomen; het verschil met loofbomen wordt hier enigszins gecompenseerd door de ammoniumopname door de kroon. In gebieden met hogere deposities is manifesteren zich evenwel grotere verschillen tussen loof- en naaldbos (238). Ook nitraat en sulfaat zijn verhoogd aanwezig in het doorvalwater onder naaldbomen. Ammoniumdeposities zijn lager via het doorvalwater onder heide dan via het regenwater, hetgeen een gevolg is van de bovengrondse ammoniumopname door de heideplanten. Uit deze eerste resultaten blijkt heide geen verhoogde hoeveelheden polluenten uit de lucht te capteren. De ammoniumstikstof die op de bodem terechtkomt wordt onder andere opgenomen door planten of microorganismen of omgezet tot nitraat, beide processen die verzurend werken. De nitrificatieprocessen leiden, samen met de nitraatdeposities, tot verhoogde hoeveelheden nitraat in het bodemwater. Dit kan opgenomen worden door planten of micro-organismen of uitspoelen naar het grondwater. Bij de opname van ammonium door planten of bij nitrificatie komen protonen vrij, die naargelang de pH van de bodem worden uitgewisseld tegen basische kationen of gebonden worden bij dissociatie van aluminium- en ijzerhydroxiden. Bij deze processen worden basische kationen en/of aluminium vrijgesteld in het bodemwater welke, indien ze niet worden opgenomen door de vegetatie, eveneens uitspoelen naar het grondwater. In de Hoogmoerheide (Merksplas) werd tijdens de periode tussen augustus 1998 en maart 2000 een uitspoeling van 32,9 kg aluminium/ha onder berk en 69,8 kg aluminium/ha onder Corsikaanse den gemeten (685).
Tussen 1960 en 1985 werd een significante verzuring van Vlaamse bosbodems (en enkele heidebodems) vastgesteld, dit op zand- (en enkele leem-) bodems en op verschillende diepten (564). Dezelfde locaties werden herbemonsterd in 2000. De resultaten geven een verdere verzuring aan (161). Dit is een resultante van natuurlijke en antropogene verzuring. Hoewel de verzurende deposities aan het dalen zijn, zijn ze in de meeste gevallen nog steeds veel hoger dan de kritische lasten en blijven ze een steeds verdere bodemverzuring induceren (474). Een gelijkaardige vergelijking werd gemaakt voor de leem- en zandleembodems van het Meerdaalwoud (Centrale en Westelijke Heuvels) (104). Figuur 5.4.5 geeft de verdeling van 25 proefvlakken over het volledige pHbereik in 1954 en 2000. Ook in het Meerdaalwoud trad een drastische verlaging van de pH op. De pH-water van 4,2 werd als bovengrens van het eerste pH-interval genomen omdat deze waarde de overgang naar het aluminiumbufferbereik markeert. Beneden de pH-water van 4,2 zijn basische kationen schaars en komt toxisch aluminium vrij in de bodem. De helft van de proefvlakken bevindt zich nu onder een pH-water van 4,2. Bij deze pH-metingen hoort telkens een vegetatieopname die reeds besproken werd in deel 4.5.6.2 Terrestrische biodiversiteit. De pH van de Meerdaalwoudbodems in functie van de leeftijd van het bosbestand wordt ook weergegeven in figuur 5.7.16 Hier blijkt dat de pH vooral tijdens de eerste 30 jaren na bebossing drastisch daalt, daarna stabiliseert de toestand zich enigszins. Toch blijft er een beperkte verzuring verdergaan. Deze is bepalend voor het al dan niet in het aluminiumbufferbereik terechtkomen. Hier bevindt zich dus het delicate evenwicht waarin de bossen op matig zure bodems zich bevinden. Ook dit werd reeds besproken in deel 4.5.6.2 Terrestrische biodiversiteit.
Figuur 5.4.5: Voorbeeldstudie Meerdaalwoud (Westelijke en Centrale Heuvels): Verdeling van de metingen van pH-water in de bovenste minerale horizont in 1954 en 2000 (bron: 104).
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
196
Verstorings- en herstelprocessen 7,5
bodem pH (CaCl2)
7
niet alluviale bossen alluviale bossen
6,5 6 5,5 5 4,5 4 3,5 3 0
50
100
150
200
250
bosleeftijd (jaar)
Figuur 5.4.6: Voorbeeldstudie Velpe-vallei (HagelandHaspengouw): Variatie van de gemiddelde bodem-pH in functie van de bosleeftijd in 100 bossen in de vallei van de Velpe (brongegevens: 155). Figuur 5.4.6 illustreert de bodem-pH in 100 bossen van verschillende leeftijd op variĂŤrende bodems. Het valt op dat ook in de rijkere alluviale bossen een systematische bodemverzuring optreedt. Verzuring verloopt hier langzamer dan in de Meerdaalwoudbodems.
5.4.2.2
Hydrologie
Bodemverzuring hangt nauw samen met de hydrologie van de standplaats. In droge standplaatsen, waar enkel percolatie optreedt, speelt slechts de neerslagintensiteit en de depositie van verzurende stoffen een rol. In natte standplaatsen, waar grondwater de wortelzone bereikt, reguleert de hydrologie ook via het grondwater de pH van de bodem. In vochtige standplaatsen, waar in de natte delen van het jaar het grondwater via capillaire opstijging het maaiveld bereikt, kan de bodem opnieuw worden opgeladen met basen. De intensiteit van dit proces is afhankelijk van de basentoestand van het grondwater en van de periodiciteit van hoge waterstanden. Zelfs milde baseninvloeden komen tot uiting in de vegetatie en dragen bij aan de soortenrijkdom van een systeem. Het spreekt voor zich dat ontwatering in deze systemen zal leiden tot een dieper doordringen van de verzuring door uitloging. In nattere standplaatsen, waar grondwater in belangrijke delen van het jaar uitstroomt heeft verzuring via de atmosfeer minder impact: neerslag zal immers oppervlakkig afgevoerd worden, en de basentoestand van de bodem wordt vooral via het grondwater geregeld. Bescherming van de kwelstroom is hier essentieel: een ontwatering met verlies van de kwel zal immers uitloging en verzuring opstarten. Opstuwen van het water lost in deze gevallen niets op, gezien stagnatie van regenwater dan een oppervlakkige verzuring kan bewerkstelligen. Korte periodes van droogvallen kunnen in deze systemen verzuringsperioden inluiden met een sterke uitloging van basen (414, 679). Oxidatieve processen gaan dan immers zuren produceren. De gevoeligheid voor dit proces hangt mede af van het "opladen" van de bodem met deze gereduceerde substan-
ties gedurende de natte perioden.Verhoogde sulfaatgehalten in het grondwater maken gebieden kwetsbaarder voor dit fenomeen (ze worden in natte perioden tot sulfiden gereduceerd). Deze hoge sulfaatgehalten zijn een gevolg van atmosferische depositie, maar kunnen ook samenhangen met de verhoogde redoxpotentiaal van het grondwater ten gevolge van nitraat-verontreiniging. Ook het oppervlaktewater kan via periodieke overstroming een valleigebied terug opladen met basen. De meeste oppervlaktewaters zijn echter verontreinigd, zodat ook vermesting optreedt. Door opstuwing van drainagewaters in de vallei kan toch overstroming, maar dan met neerslag en/of grondwater bekomen worden. Het effect op de verzuring kan dan slechts lokaal bekeken worden.
5.4.2.3 Neveneffect bodemverontreiniging Bij natuurontwikkeling, verbossing of bebossing op voormalige landbouwgronden, vooral van droge zandgronden, gaat het natuurlijke verzuringsproces in, geaccelereerd door verzurende deposities. Zwaar bemeste landbouwgronden bevatten dikwijls vrij grote hoeveelheden zware metalen, afkomstig uit mest en landbouwchemicaliĂŤn. Bij voortschrijdende verzuring gaan zware metalen in oplossing. Ze zijn een bron van vergiftiging wanneer ze opgenomen worden door het plaatselijke ecosysteem of uitspoelen en een bedreiging vormen in het verdere traject van het water door het landschap. De omvang van dit potentiĂŤle probleem in Vlaamse bossen en natuurgebieden is niet gekend.
5.4.3 Gevolgen voor de natuur 5.4.3.1 Epifytische natuur Korstmossen, die hun voedingsstoffen rechtstreeks ontvangen via natte en droge atmosferische deposities, zijn bijzonder gevoelig voor verzuring veroorzaakt door hoge zwaveldioxide- en stikstofoxidenconcentraties in de lucht. De schors van bomen en struiken, waarop epifytische korstmossen groeien, is in de meeste gevallen zelf van nature reeds tamelijk (b.v. es, iep, vlier) tot extreem zuur (naaldbomen, beuk) en is bovendien weinig gebufferd tegen verzuring; daarnaast zijn rechtstreeks toxische effecten beschreven voor de epifytische organismen (verhoogde toxiciteit door onder andere ozon en fluoriden gekatalyseerd door verlaagde pH). Een kartering van de epifytische korstmossen in Oost- en West-Vlaanderen omstreeks 1986-1987 bewees een opvallende overeenkomst tussen de korstmossensoortenrijkdom en het immissiepatroon van zwaveldioxide: hoe meer zwaveldioxide, hoe minder korstmossen (350). Wanneer specifiek zwaveldioxidegevoelige soorten geselecteerd worden is de overeenkomst nog duidelijker. De relatie met ammoniak is minder eenduidig. Ammoniak heeft in eerste instantie een bufferende werking. De verzuring onder invloed van zwavel-
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
197
Verstorings- en herstelprocessen dioxide en stikstofoxiden wordt dus tot op zekere hoogte geneutraliseerd, doch ondertussen treedt er wel nog meer vermesting met stikstof op. De resultante van al deze invloeden is de achteruitgang of het verlies van talrijke ecologisch kieskeurige soorten en de vooruitgang van enkele tolerante soorten met een ruime ecologische amplitude, met andere woorden een ecologische vervlakking van de epifytische korstmossenflora. Uit vergelijkende studies tussen de jaren ‘60 en de jaren ‘80 blijkt een sterke tot zeer sterke achteruitgang van de korstmossendiversiteit, alhoewel er recent enige verbetering vastgesteld werd, vooral in jonge habitats zoals recent ontwikkelde broekbossen (349) en op recent aangeplante laanbomen.
5.4.3.2 Terrestrische natuur Naarmate de bodem-pH daalt, en vooral wanneer het toxische aluminium in oplossing gaat, zal een beperkt aantal tolerante soorten uitbreiden terwijl een groot aantal gevoelige (en dikwijls zeldzame) soorten verdwijnt. Het zijn in eerste instantie de hogere planten en de bodemfauna die op verzuring reageren. Het verminderen van de activiteit van de bodemfauna heeft ook als gevolg dat strooisel minder intensief vermengd wordt met de minerale bodem en dus accumuleert, hetgeen weer gevolgen heeft voor de vestiging van planten. De afname van de diversiteit aan planten en bodemfauna wordt gevolgd door een afname van de diversiteit op hogere trofische niveaus. Zo wordt de afname van regenwormpopulaties gevolgd door de achteruitgang van hun predatoren zoals houtsnip en das. Vooral de soorten die kalk nodig hebben in hun levenscyclus worden bedreigd door verzuring. Voorbeelden zijn de afname van slakkenpopulaties met als gevolg de verzwakking van de eierschalen van koolmezen (311). Op niveau Vlaanderen werd een dalende bodem-pH in vooral zandige bossen aangetoond (564, 161). Eveneens op niveau Vlaanderen werd een achteruitgang van de vegetatie van bossen van matig zure bodems aangetoond (688). Hiertoe behoren de waardevolle oude loofboscomplexen van de Centrale en Westelijke Heuvels. De link tussen de bodemverzuring en de achteruitgang van de vegetatie van deze bossen werd aangetoond in de voorbeeldstudie over het Meerdaalwoud (figuur 5.4.5). Uit tabel 4.3.9 blijkt een sterke vooruitgang van zuurtolerante soorten en een achteruitgang van eerder neutrofiele soorten in de 25 proefvlakken waar bodemverzuring aangetoond werd. Soorten als éénbes, slanke sleutelbloem, bosviooltje, aardbeiganzerik en knopig helmkruid gingen drastisch achteruit. Hierbij kunnen gebrek aan basische kationen, toxiciteit van aluminium en andere zware metalen, een veranderde stikstofbeschikbaarheid (in zure bodems is minder nitraat en meer ammonium beschikbaar) en strooiselaccumulatie een rol spelen. Bij de zuurtolerante soorten gingen alleen de lichtminnende soorten achteruit. Hier domineert de invloed van verdonkering (zie deel 4.3.5 Bossen). Uit buitenlands
onderzoek blijkt dat talrijke bosplantensoorten moeilijk kunnen overleven onder een pH van 3,7 - 4,3 (onder andere 292). Aangezien vele bossen op matig zure bodems zich net in dit pH-bereik bevinden, is hun situatie bijzonder kritisch. Hier is de kwetsbare natuur nog net aanwezig, terwijl die in zuurdere situaties reeds verloren is. Gezien de aanhoudende hoge zuurdeposities, ook al is de trend enigszins dalend, kunnen de bossen op voedselarme en matig zure bodems tot de meest bedreigde natuur in Vlaanderen gerekend worden. Vermoedelijk spelen ook nog andere factoren dan verzuring en verdonkering een rol in de achteruitgang van deze bossen. Bodemverzuring heeft meer invloed op de vegetatie in droge dan in vochtige en natte bossen. Uit een studie van 100 bossen in de vallei van de Velpe (HagelandHaspengouw) blijkt dat in de alluviale bossen pH geen rol speelt in de verklaring van de soortenrijkdom. In de nietalluviale bossen daarentegen heeft de pH mee een significant negatieve invloed op de soortenrijkdom (280). Uit een vergelijking van de zuurgetallen van de vegetatie in de Vorte Bossen kon geen significante verandering vastgesteld worden (410), ondanks de hoge zuurdeposities in de streek (474). Deze bodems zijn beter gebufferd tegen verzuring. De chemische samenstelling van doorval- en bodemwater en van bladeren en naalden werd in verband gebracht met de kroonconditie van de bomen, allen gegevens uit het Vlaamse bosbodemmeetnet (501). De kroonconditie kan in grote mate verklaard worden door meteorologische omstandigheden. In de proefvlakken met beuk werd ook een beperkte bijdrage van een aantal chemische eigenschappen van doorvalwater (concentratie gereduceerde stikstofcomponenten, sulfaatconcentratie en sulfaat/magnesium-verhouding) en bodemwater (nitraat/chloor- en calcium/aluminium-verhouding) in de verklaring van de kroonconditie aangetoond. Ook in de proefvlakken met zomereik en grove den werd een grote invloed van meteorologische omstandigheden en een zeer beperkte bijdrage van chemische omstandigheden aangetoond (resp. magnesiumconcentratie en stikstof/magnesium-verhouding in bladeren en kalium- en ijzerconcentraties in naalden). In de proefvlakken met Corsicaanse den werd de kroonconditie vooral in verband gebracht met Sphaeropsis-aantastingen en niet met de chemische eigenschappen, alhoewel deze hier een indirecte rol kunnen vervullen. De chemische samenstelling van bladeren en naalden en van doorval- en bodemwater werd ook in verband gebracht met jaarringgegevens en dus met de groeisnelheid van bomen. Hier kon evenwel alleen een relatie met meteorologische gegevens en niet met de chemische eigenschappen vastgesteld worden. De relatie tussen de chemische eigenschappen van doorval- en bodemwater en de kroonconditie in de proefvlakken met beuk wijst ook op de invloed van verzurende deposities in deze bossen.
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
198
Verstorings- en herstelprocessen
5.4.3.3 Aquatische natuur Net als in terrestrische systemen zal verzuring vooral een probleem zijn in weinig gebufferde waters. De buffering in water kan afkomstig zijn van eender welke basenbron: het substraat, instromend grondwater of instromend oppervlaktewater.Voedselrijke oppervlaktewaters zijn minder gevoelig voor verzuring. Door hoge producties ontstaat meestal een anaërobe sliblaag, die de pH min of meer neutraal houdt. Verzuring is dus vooral een probleem van voedselarme waters op weinig bufferend substraat: vennen op zandig substraat, bovenlopen van laaglandbeken in zandstreken. Door oxidatieve processen kan die verzuring nog toenemen in periodes van droogte. De Louw et al. (224), voerden een studie uit van de Turnhoutse vennen (Noorderkempen) waaruit blijkt dat geïsoleerde vennen (in de zin van weinig door landbouw beïnvloedt) het meest gevoelig zijn voor verzuring: het betreft immers voedselarme waters met een lage buffercapaciteit: de vegetatie in deze vennen wordt gedomineerd door veenmossen, veensikkelmos en knolrus. Vennen met landbouwinvloed ontvangen bufferende capaciteit maar worden tegelijk ook vermest (zie ook deel 4.3.2 Heiden en vennen).
5.4.4 Beleidsevaluatie 5.4.4.1 Planevaluatie De langetermijndoelstelling van het beleid, is de zuurdepositie terugdringen tot een niveau waarbij geen onherstelbare schade wordt aangericht aan ecosystemen (MBP2), en de kritische lasten bijgevolg niet worden overschreden. De plandoelstelling tegen 2002, is de zuurdepositie reduceren tot 2900 Zeq/ha.jaar (MBP-2) (18).Tegen 2010, wordt een indicatieve doelstelling van 1400 Zeq/ha.jaar vooropgesteld. Ook daarna, zullen bijkomende stappen nodig zijn voor het halen van de langetermijndoelstelling. Los daarvan, worden in VLAREM II een aantal streefwaarden opgenomen: - 1400 Zeq/ha.jaar voor naaldbos en heide - 1800 Zeq/ha.jaar voor loofbos op arme zandgrond - 2400 Zeq/ha.jaar voor loofbos op rijkere zandgrond. Deze cijfers zijn gebaseerd op internationaal aanvaarde kritische lasten voor ecosystemen. In VLAREM II, wordt ook een richtniveau en een maximaal toelaatbare concentratie voor aluminium in het grondwater gegeven: resp. 0,05 en 0,2 mg/l. Naast doelstellingen voor deposities moeten er, bij de beschrijving van natuurstreefbeelden, ook grens- en streefwaarden voor de toestand van de bodem en het water
komen. Het niet meer overschrijden van de kritische lasten, is slechts een randvoorwaarde om met natuurherstel en -ontwikkeling te kunnen starten.
5.4.4.2 Procesevaluatie De uitvoering van het beleid naar verzuring toe bestaat uit een gebiedsdekkende en een gebiedsgerichte aanpak. Het gebiedsdekkende beleid richt zich op de reductie van de uitstoot van polluenten waarvoor in VLAREM II, het mestdecreet en het ammoniakreductieplan een aantal regels en normen voorgeschreven staan. Ze betreffen zowel landbouw als niet-landbouwactiviteiten. Gezien het grensoverschrijdend karakter van het verzuringsprobleem wordt via diverse internationale overeenkomsten internationaal samengewerkt rond emissiereductie. Dit betreft evenwel het algemene milieubeleid en voor een verdere bespreking hiervan wordt naar het MIRA verwezen. Het gebiedsgericht beleid kan zowel bron- als effectgericht zijn. In MBP-2 wordt een afbakening van verzuringsgevoelige gebieden, het in situ opvolgen van de deposities en een strategie om verscherpte maatregelen te treffen in verzuringsgevoelige gebieden voorzien. Naast brongerichte (strengere emissienormen en eventuele bedrijfsverplaatsing of –beëindiging), worden hier ook effectgerichte maatregelen voorzien. Er wordt gesteld dat effectgerichte maatregelen zoals plaggen en omzichtig, selectief en verantwoord bekalken noodzakelijk kan zijn in risicogebieden, maatregelen die dienen te passen in een globaal concept voor natuurbeheer. Naast het terugdringen van de deposities zijn dus effectgerichte maatregelen vereist zijn om de toestand van de natuur te herstellen. Er bestaat evenwel weinig duidelijkheid over de te nemen maatregelen. Meer onderzoekswerk is hier aangewezen. Omvorming van homogene naaldbossen naar gemengde bossen met autochtone boomsoorten dient de doelstellingen van het bosbeleid en betekent een geringere zuurinput in de natuur (217). Naar verzuring toe is bosomvorming het meest dringend in kwetsbare natuur, in de infiltratiegebieden rond kwetsbare natuur en in gebieden met een grote depositiedruk. Daarmee is evenwel het probleem van verzuring van bossen geenszins opgelost. De bossen waar de situatie het meest kritisch is zijn immers de loofbossen op matig zure bodems. Het inbrengen van andere autochtone boomsoorten met een beter afbreekbaar strooisel of het opener maken van de bossen waardoor meer licht op de bodem komt en de strooisellaag sneller afbreekt zijn opties. Bekalking wordt soms toegepast om verzuring tegen te gaan. Met deze maatregelen moet omzichtig omgesprongen worden aangezien de verbeterde voorwaarden voor mineralisatie aanleiding geven tot interne vermesting. In
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
199
Verstorings- en herstelprocessen een bekalkingsexperiment in Ravels (218) werd aangetoond dat de bekalking gevolgd werd door een uitbreiding en toegenomen productiviteit van een nitrofiele kruidachtige vegetatie, doch in het bodemwater werd ondertussen een afname van de nitraatconcentraties vastgesteld in vergelijking met de onbekalkte toestand. In bossen waar de toestand kritisch is kunnen de verhoogde kationenconcentraties, de verminderde toxiciteit van zware metalen en de verhoogde beschikbaarheid van nitraat in plaats van ammonium opwegen tegen het risico op interne vermesting. Zoals in het MBP-2 vermeld moeten dergelijke maatregelen in elk geval passen in een globaal concept voor natuurbeheer. In heiden of bij natuurontwikkeling behoort ook plaggen tot de mogelijkheden. Hierbij wordt de sterk verzuurde bovenlaag verwijderd en kan eventueel de bufferende grondwaterinvloed toenemen. Ook het herstel van de hydrologische situatie (verhoging van de grondwaterinvloed) kan verzuring tegengaan. Wanneer geplagd wordt kan de vroegere vegetatie zich dikwijls herstellen dankzij de aanwezige zaadbank. Hierbij moet wel opgelet worden dat deze vegetatie niet opnieuw verdwijnt onder invloed van de nog aanwezige verstoringsinvloeden. In dit laatste geval kan de zaadvoorraad immers voor goed uitgeput worden. Het gebiedsgericht beleid komt moeilijk op gang. Momenteel is alleen het studiegedeelte van het gebiedsgericht beleid in uitvoering. Het depositiemeetnet verzuring is operationeel sinds april 2001. Kwetsbaarheidskaarten met aanduiding van verzuringsgevoelige gebieden met waardevolle natuur werden opgesteld (532). De strategie voor verscherpte maatregelen in deze gebieden alsook de specifieke actieplannen, die tegen 2002 voor 10% van de aangeduide gebieden hadden moeten uitgevoerd zijn, zijn er nog niet. Oorzaken van de moeilijke realisatie van het gebiedsgericht beleid zijn de volgende: - Het gebrek aan zicht op (of overtuiging over) de omvang van het probleem veroorzaakt onzekerheid bij het nemen van maatregelen. Het depositiemeetnet verzuring zal reeds meer duidelijkheid brengen, maar zal moeten aangevuld worden met extra metingen en modelleringen om de lokale toestand in kwetsbare natuur te kunnen inschatten. Een betere monitoring en eventueel modellering van de toestand van de bodem (incl. het vrijkomen van aluminium en andere zware metalen) in kwetsbare natuur is ook aangewezen. De fragmentaire gegevens in dit natuurrapport geven alvast aan dat vooral de toestand van de loofbossen op matig zure bodems precair is. - Het is bijzonder moeilijk in te schatten wat de gewenste situatie is omdat ongestoorde toestanden niet meer bestaan. Verzuring is een natuurlijk proces, maar acceleratie van die verzuring door antropogene beĂŻnvloeding is reeds lang aan de gang. Een ongekende fractie
van de biodiversiteit is hoedanook reeds verloren. - Tenslotte is er de onzekerheid over de te nemen maatregelen en over de effectiviteit van die maatregelen. Herstel zal wellicht slechts traag op gang komen. Het is zelfs niet zeker of herstel zal optreden. Resultaat kan ook uitblijven omdat andere verstoringen blijven bestaan of zelfs ontstaan. In Vlaanderen werd tot nu toe nog geen onderzoek verricht naar herstelvermogen van ecosystemen. Uit grootschalig Europees onderzoek (EXMAN- en NITREX-experimenten) naar de impact van een daling van verzurende deposities in bossen blijkt de directe respons van nitraat- en sulfaatconcentraties in het bodemwater, alsook van de daaraan gekoppelde concentraties aan basische kationen en aluminium (320, 143). Bodemverzuring werd tot stilstand gebracht en in een aantal proefvlakken verbeterde de buffercapaciteit van de bodem (762). Effecten op boomgroei, vegetatiesamenstelling en bodemleven werden evenwel (nog) niet vastgesteld. Meer inspanningen zijn vereist om het gebiedsgericht beleid gestalte te geven. Gezien het toenemend aandeel van ammoniak in de deposities, nemen zowel de mogelijkheden als de noodzaak van een gebiedsgericht beleid toe: - Het brongericht gebiedsgericht beleid moet zich richten op grote eenheden nog aanwezige en gedegradeerde kwetsbare natuur. - Er moet hierbij rekening gehouden worden met de voornaamste windrichting en met boven- en ondergrondse waterbewegingen. - De actieplannen voor verzuringsgevoelige gebieden met bossen moeten samengaan met de omvorming naar een meer natuurlijk bostype. De omvorming naar het bostype dat bij de standplaats past betekent (1) in de eerste plaats een meer natuurlijk bos en (2) meteen ook minder transfer van verzurende stoffen uit de lucht naar natuur. Dit heeft gevolgen ter plaatse en in het traject dat het water vanuit die plaats volgt (vrijgekomen zware metalen). - De actieplannen voor verzuringsgevoelige gebieden moeten ook het herstel van de hydrologische situatie nastreven. - Er is meer onderzoek nodig naar de te nemen effectgerichte maatregelen, vooral in matig zure loofbossen. - Om het geheel beter te kunnen onderbouwen en evalueren is meer op de natuur gerichte monitoring en modellering nodig.
Met medewerking van: Gert Van Hoydonck, RUG, Laboratorium voor Bosbouw Luc De Keersmaeker, Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer Maurice Hoffmann, Instituut voor Natuurbehoud
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
200
Verstorings- en herstelprocessen
Lectoren Carole Ampe, Roger Langohr - RUG, Vakgroep Geologie en Bodemkunde Johan Brouwers - Vlaamse Milieumaatschappij, MIRA Hans De Schryver - AMINAL, afdeling Natuur Sofie Luyten - AMINAL, afdeling Algemeen Milieu- en Natuurbeleid Johan Neirynck, Peter Roskams - Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer Hendrik Neven - AMINAL, afdeling Land Philip Van Avermaet - Vlaamse Milieumaatschappij
5.5 Verdroging Dirk Boeye, Willy Huybrechts, Piet De Becker, Bart Aubroeck en Johan Peymen Instituut voor Natuurbehoud
5.5.1 Inleiding Verdroging is de verstoring van de waterinhoud en –cyclus van de grondwaterlagen, het waterlopenstel en de bodem door menselijke beïnvloeding, waardoor de beschikbaarheid van water voor natuur en mens afneemt. In alle door het beleid gehanteerde definities worden klimatologisch geïnduceerde veranderingen niet als verdroging bestempeld. Menselijke beïnvloeding van de hydrologische cyclus kan ook tot een lokale toename van waterbeschikbaarheid leiden, bijvoorbeeld door het opstuwen van waterlopen. Dat is vernatting. In essentie wordt verdroging veroorzaakt door een versnelde afvoer uit het hydrologisch systeem, zij het in de vorm van oppervlaktewater (eventueel na oppompen van grondwater), zij het door verdamping. Enigszins arbitrair kunnen in de hydrologische kringloop een aantal compartimenten onderscheiden worden: de atmosfeer, de bodem waarop de neerslag terechtkomt en waarop hij afstroomt, stagneert of infiltreert, de aquifers waarin het bodemwater terechtkomt en de riviervalleien waarin plassen en rivieren grond-, oppervlakte- en neerslagwater opvangen en afvoeren naar zee. In al deze stadia worden door de mens ingrepen uitgevoerd, waardoor het water vaak sneller dan van nature het compartiment verlaat. Deze versnelde afvoer veroorzaakt gemiddeld een verdroging, maar kan lokaal en tijdelijk voor vernatting onder de vorm van overstromingsproblemen zorgen.
Vlaanderen te begrijpen. Verdroging wordt veroorzaakt door het oppervlaktewaterbeheer, door grondwaterwinning en door het veranderd landgebruik: de toename van ondoordringbare oppervlakten en de aanplant van naaldbossen. Enkel de eerste twee worden hier verder in detail behandeld, omdat ze, door hun ruimtelijke nabijheid, vaak rechtsreeks aan de verdroging in natuur bijdragen.
5.5.2 Effectketen Verdroging grijpt dus in op het volledige terrestrische deel van de hydrologisch cyclus. De gevolgen voor de natuur doen zich voor ter hoogte van de standplaats, de zgn. standplaatsverdroging. De relatie tussen standplaatsverdroging en de oorzaken ervan, zoals beekpeilverlaging of stijghoogtedaling in het diepe grondwater, is niet altijd eenvoudig te leggen. Het betreft immers geen éénduidige relatie, standplaatsverdroging integreert vaak verschillende oorzaken, en ze is een functie van complexe hydrogeologische, geomorfologische en ecofysiologische factoren die vaak onvoldoende gekend zijn. Hier volstaat een beschrijving van de effecten van standplaatsverdroging. De oorzaken van het verdrogingsprobleem en de trends daarin worden in de MIRA-T rapporten behandeld. Waterpeilmetingen bieden de meest eenvoudige en ook eenduidige vaststelling van standplaatsverdroging. Wanneer in een lange meetreeks, gecorrigeerd ten opzichte van het klimaat (met inbegrip van lange termijntrends die meerjarige stijghoogtefluctuaties kunnen veroorzaken), een daling van het waterpeil optreedt, is er verdroging aanwezig. Dit is echter niet het enige aspect van verdroging, het is m.a.w. niet zo dat het ontbreken van een peildaling standplaatsverdroging uitsluit. Om standplaatsverdroging volledig te begrijpen moet rekening gehouden worden met het dynamische karakter van de hydrologie op de standplaats. Het waterpeil is de resultante van alle waterbewegingen op een bepaalde plaats. Voor een valleigebied met kwel kan dat als volgt voorgesteld worden: m.dh/dt = P-E+K-D waarbij m de porositeit is, h het grondwaterpeil, t de tijd, P neerslag, E evapotranspiratie, K kwel en D drainage door de grachten en de beek. Gesteld dat door een winning in de buurt de kwel zou verminderen, dan heeft dit niet noodzakelijk een effect op het waterpeil, immers, zolang K+P > E+D,
Door de hoge industriële ontwikkeling, de geïntensiveerde landbouw en de bevolkingstoename is verdroging in Vlaanderen een wijdverspreid milieuprobleem. Het volstaat historische kaarten te bekijken (b.v. Ferraris 1775) om de grote veranderingen die op dit vlak zijn opgetreden in
zal het waterpeil geen daling ondergaan. Pas wanneer deze ongelijkheid omkeert zal een peildaling optreden. Het spreekt voor zich dat peildalingen het eerst zullen optreden gedurende droge zomers en op plaatsen waar de kwel
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
201
Verstorings- en herstelprocessen klein is (bijvoorbeeld door een lage permeabiliteit van de bodem). De lokale natuurbeheerder zal vaak de reflex hebben om de drainagegrachten toe te stoppen of het beekpeil op te stuwen, waardoor de drainage afneemt of zelfs omkeert (irrigatie). Ook dit kan peildalingen tenietdoen. In al deze gevallen is er echter wel sprake van verdroging. Hoewel de waterinhoud van de standplaats niet is afgenomen (of zelfs is toegenomen door opstuwen) werd de hydrologische cyclus wel verstoord, met als belangrijk resultaat dat de hydrochemie van de bodem verandert. Immers bij ieder watertype hoort een bepaalde kwaliteit en een verschuiving in de verhouding van de watertypes heeft daarom onmiddellijk een hydrochemische weerslag. Maar zelfs een vermindering van de kwelintensiteit, zonder verschuiving van watertypes, heeft hydrochemische effecten. De hydrochemie van een standplaats is namelijk niet enkel de resultante van de samenstelling van het water dat naar de standplaats stroomt, maar ook van de stroomsnelheid waarmee dat gebeurt. De hoeveelheid aangevoerde stoffen wordt er door geregeld, maar ook de pH en de redox die belangrijke randvoorwaarden voor kwelvegetaties vormen. Welke zijn nu de belangrijkste effecten van standplaats verdroging? Wanneer verdroging een daling van de watertafel veroorzaakt is dit altijd een belangrijk effect. In extreme gevallen kan het voor waterafhankelijke planten tot watergebrek leiden. Zeker voor aquatische systemen is dit zondermeer het belangrijkste effect. Sommige systemen (bijvoorbeeld vennen) zijn aangepast aan tijdelijk droogvallen, hier zal de frequentie en de periode van droogvallen mogelijke effecten bepalen. Doorgaans zijn de indirecte effecten van peildalingen belangrijker. Door een betere doorluchting van de bodem treedt een verhoogde mineralisatie op en vaak ook een zekere verzuring (de oxidatie van gereduceerde verbindingen leidt tot verzuring). Dit leidt tot een verhoogd succes voor meer productieve soorten, die profiteren van het verhoogde voedselaanbod, en dus doorgaans tot ruigere vegetatietypen. De verruiging van de vegetatie kan leiden tot een dikkere strooisellaag, wat de standplaats nog verder van het grondwater isoleert. In graslanden met een agrarisch gebruik kan een intensivering van de drainage peildalingen veroorzaken waardoor sommige organismen niet meer aan voldoende voedsel geraken. Een indirect effect van peildaling in agrarisch gebied is de toename in de intensiteit van de bewerking. Zoals eerder vermeld gaat verdroging niet noodzakelijk gepaard met een verandering van het waterpeil. Het is mogelijk dat slechts de kwelintensiteit afneemt of dat onder invloed van een verstoring het ene watertype vervangen wordt door het andere. Zo kan opstuwen van drainagesloten in een kwelgebied leiden tot een relatieve toename van de neerslaginvloed. Oppervlakkige drainage van
neerslagwater wordt immers belet.Veenmossen kunnen in zulke situaties sterk vooruitgaan. Anderzijds wordt aanvoer van gebiedsvreemd water (vaak oppervlaktewater) gebruikt als remedie tegen verlaging van het waterpeil. Dikwijls is oppervlaktewater, in vergelijking met neerslag of kwelwater, van inferieure kwaliteit. Door een verhoogd voedselaanbod dreigt ook in dat geval verruiging van de vegetatie. Een specifiek geval van verschuivingen in watertypes treedt op in polders en duinen, waar onder invloed van waterwinning of drainage het belang van zout water kan toenemen (verzilting). Door de aard van de effecten die verdroging veroorzaakt, is er een duidelijke interactie met andere milieuverstoringen. Verdroging kan immers leiden tot verzuring en productieverhoging. Dit wordt echter net zo goed door vermesting en atmosferische depositie van verzurende substanties veroorzaakt.
5.5.3 Gevolgen voor de natuur Op niveau Vlaanderen bestaat geen overzicht van verdrogingseffecten en hun intensiteit, hoewel in toenemende mate lokale onderzoeken beschikbaar komen waarin hydrologische relaties op gebiedsniveau verduidelijkt worden. Effecten op niveau Vlaanderen zijn indirect af te leiden uit de evolutie inzake vegetatie vastgesteld in functie van de biologische waarderingskaart en de floradatabank. Het Instituut voor Natuurbehoud beheert ook een hydrologische databank (WATINA) waarin waterpeilen in natuurgebieden bijgehouden worden. De databank wordt nog verder uitgebouwd, maar voor enkele gebieden zijn reeds lange termijn gegevens beschikbaar. Ook AMINAL, afdeling Water beheert grondwaterdata. Hoewel ze niet rechtstreeks met het oog op standplaatsverdroging zijn geplaatst kunnen zij wel waardevolle informatie opleveren.
5.5.3.1 Kwetsbaarheidskaarten: verdrogingsgevoeligheid en zeldzaamheid op basis van de BWK De kwetsbaarheidskaarten (532) voor verdroging leveren een grootschalig instrument dat toelaat kwetsbaarheden voor verdroging in te schatten op regionale en lokale basis. De kwetsbaarheden zijn gebaseerd op de BWKeenheden en de voornaamste plantensoorten waaruit ze zijn samengesteld. Via expert oordeel zijn gevoeligheden voor verdroging aan de soorten toegekend. In essentie is de kwetsbaarheidskaart een schatting van het vochtminnend karakter van de vegetatie gecombineerd met haar zeldzaamheid. Uit figuur 5.5.1 blijkt dat in alle ecoregio’s een aanzienlijk deel van de natuur kwetsbaar is voor verdroging. De polders en de westelijke en centrale heuvels blijken zeer kwetsbaar voor verdroging. Dit is te wijten aan de doorgaans hoge waterstanden die in deze gebieden
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
202
Verstorings- en herstelprocessen
Figuur 5.5.1: Kwetsbaarheid voor verdroging in Vlaanderen.
5.5.3.2 Floristische vergelijking van de periode 1930-1972 en 1972–1999 Van Landuyt et al. (688) slaagden erin de floristische uurhokgegevens (vnl. streeplijsten) te verwerken in een floradatabank. Dit liet een gefundeerde vergelijking toe van moderne (>1972) met oude (1930-1972) gegevens. Uit de soortencombinaties in de uurhokken konden bovendien ecotopen afgeleid worden en de evolutie daarin. De voornaamste conclusie daaruit is, voor wat verdroging betreft, dat nagenoeg alle ecotoopgroepen bestaande uit kruidachtige vegetaties en uit water- en oeverplanten van voedselarme, natte ecotopen achteruitgaan. Ook bostypes van voedselarme, neutrale, natte bodems en voedselarme, neutrale, vochtige bodems gaan achteruit. De overige bossen en struwelen gaan licht vooruit. Ecotoopgroepen die het sterkst achteruitgaan zijn kruidachtige vegetaties van natte, voedselarme, kalkrijke bodems en kruidachtige vegetaties van vochtige, voedselarme, zure bodems. Twee ecotoopgroepen gaan sterk vooruit: kruidachtige vegetaties op vochtige of op droge en op zeer voedselrijke bodems. Hoewel deze evolutie niet enkel door verdroging veroorzaakt wordt, is het duidelijk dat de hoger geschetste effecten perfect in deze evolutie passen. Voedselarm en nat wordt voedselrijk en vochtig.
5.5.3.3 Waterpeilgegevens Zoals reeds hoger vermeld zijn (grond)waterstanden ter hoogte van de standplaats een goede indicator voor standplaatsverdroging. Waterpeilgegevens waren tot voor kort echter slechts fragmentair en lokaal beschikbaar. Sinds enkele jaren beheert het Instituut voor Natuurbehoud ook een hydrologische databank. Stilaan komen van een aantal terreinen waterpeilgegevens ter beschikking. In figuur 5.5.2 is het aantal terreinen waarvoor gegevens beschikbaar zijn aangeduid.Vele sets zijn echter discontinu. In figuur 5.5.3 zijn de voortschrijdende gemiddelden van de waterstanden in 5 natuurterreinen opgenomen sinds 1992. De evolutie van de waterstanden volgt het 50
45
40
35
aantal gebieden
over grote oppervlakten voorkomen. In de hogergelegen landschappen komen vochtminnende vegetaties vooral voor in beekdalen die, over het hele grondgebied bekeken, een beperktere oppervlakte innemen.
30
25
20
15
10
5
0 1980
1982
1984
1986
1988
1990
1992
1994
1996
1998
2000
jaar
Figuur 5.5.2: Evolutie van het aantal natuurterreinen waarover peilgegevens zijn opgenomen in de hydrologische databank van het IN.
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
203
Verstorings- en herstelprocessen Effecten van verdroging in verschillende typen waterrijke gebieden
Figuur 5.5.3: Jaarlijks voortschrijdend gemiddelde van de waterpeilen in vijf natuurgebieden over het voorbije decennium, DUN=Dunbergbroek, HOR=Horst, LEI=Leiemeersen, VOT= Vorsdonkbos/Turfputten, GUP= Gulke Putten (bron: hydrologische databank IN). patroon van de klimatologische omstandigheden gedurende deze periode. In de periode juli 1995 tot juli 1996, trad het belangrijkste neerslagtekort over een periode van 13 maanden op sinds 1833 (www.meteo.oma.be/IRM-KMI/climate/dry2_nl.htm, raadpleging juni 2001). Dit dieptepunt is zeer duidelijk terug te vinden in de peilgegevens van alle terreinen. Het herstel werd ingezet vanaf augustus 1996 (te Ukkel de natste augustusmaand sinds het begin van de waarnemingen) en loopt door tot op vandaag. Alle watertafels bevonden zich tot einde 2000 in een meerjarige stijgende trend. Daarop is slechts één uitzondering: de peilgegevens in Dunbergbroek (DUN) vertonen sinds het herstel van 1996 een dalende trend. De oorzaak daarvoor is niet bekend, maar kan zowel bij het intern beheer (openmaken van grachten) als een onbekende waterwinning liggen. Het is de bedoeling om het aantal gebieden waarvoor gegevens kunnen worden weergegeven systematisch te verhogen en een meer diepgaande analyse uit te voeren, waardoor een objectief instrument tot beoordeling van de anti-verdrogingsinspanningen van het beleid beschikbaar komt.
Huybrechts et al. (368) voerden een omvangrijk ecohydrologisch onderzoek uit in waterrijke vallei-ecosystemen, vnl. met het doel om prioriteiten voor natuurontwikkeling te schetsen.Toch zijn er uit hun studie ook belangrijke conclusies in verband met (potentiële) verdrogingseffecten af te leiden. Op het niveau van de standplaats blijkt dat er tussen de studiegebieden (Doode Bemde, Vorsdonkbos, Zwarte Beek) een aanzienlijke variatie in de hydrochemische condities van het oppervlakkige grondwater aanwezig is. Deze variatie hangt samen met de kwaliteit van de voedende waters en met de lokale bodemprocessen. Ze vindt haar expressie in de vegetatietypen die in de gebieden aanwezig zijn. Ook intern hangt de vegetatievariatie met gradiënten in deze factoren samen. Daarbij treedt echter een duidelijk onderscheid op tussen de drie gebieden. In de Doode Bemde (oeverwal-komgrondensysteem) is de grondwaterdynamiek doorslaggevend, uiteraard samen met de topografie, in het Vorsdonkbos is de chemie van het ondiepe grondwater bepalend, door overgangen tussen verschillende voedende aquifers, en in de Zwarte Beek zijn het beheer en de bodem de belangrijkste factoren omdat de hydrologie en hydrochemie er vrij homogeen zijn. Hoewel deze conclusie niets zegt over het potentiële belang van verdrogingseffecten in deze gebieden toont ze wel aan dat de eigen aard van ieder gebied in rekening gebracht moet worden. De hydrologie in de Doode Bemde wordt in belangrijke mate bepaald door de topografische situering in het oeverwal/komgrondensysteem. De groeicondities worden er verder sterk bepaald door de overstromingen met Dijlewater, wat tot een eerder voedselrijk systeem leidt. Fijne hydrochemische verschillen komen dan veel minder tot expressie en de productieve vegetaties worden vooral gereguleerd door de grote verschillen in de watertafelschommelingen. In het Vorsdonkbos is de hydrologie stabieler, omdat het een meer kwelgestuurd systeem is. De variatie in de samenstelling van het kwelwater kan er ten volle tot expressie komen. Buffering ten opzichte van verdroging komt vooral van de intensiteit van de kwelstroom. In het studiegebied van de Zwarte beekvallei komt een belangrijk veenlichaam voor dat veel kwel ontvangt. Dit veenlichaam werkt bufferend ten opzichte van beperkte peilvariaties (sponswerking) en leidt er dus toe dat er weinig hydrologische variatie in het gebied aanwezig is. Door zijn werking veroorzaakt het veenlichaam een beperkte buffering tegen variaties in de kwelintensiteit. Deze twee gebieden maken deel uit van valleisystemen met een sterk (Vorsdonkbos) tot matig (Zwarte Beek) reliëf. Daardoor ontvangen zij doorgaans hoge kwelintensiteiten. In de komgronden van de Doode Bemde komt een beperkte kwelintensiteit voor en op deze plaatsen zou een kleine daling van deze intensiteit toch sterk verdrogend kunnen werken. In de Kempen en Zandig Vlaanderen komen veel kwelgebieden voor doordat het
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
204
Verstorings- en herstelprocessen freatische grondwater de topografie snijdt in zeer zachte hellingen (b.v. Buitengoor te Mol, Gulke Putten te Wingene). Deze systemen, die doorgaans een beperkt organisch bodemlaagje op minerale ondergrond hebben zijn veel gevoeliger voor schommelingen in de kwelintensiteit. Van Haesebroeck et al. (679) onderzochten de effecten van grondwaterfluctuaties op de bodemchemie van een kwelgebied (Buitengoor te Mol). In kwelgebieden treden deze enkel op in droge zomers.Tijdens deze perioden wordt de hydrochemie van het bodemwater grondig door elkaar geschud: van een anaeroob wordt het plots een aeroob systeem. Daardoor worden gereduceerde verbindingen plots geoxideerd. Sulfiden worden bijvoorbeeld omgezet naar sulfaat. Deze oxidaties zetten ook protonen vrij, waardoor het zuurbufferend vermogen van de bodem wordt aangesproken en, bij uitputting, verzuring optreedt. Van Genechten et al. (727) stelden eenzelfde verschijnsel vast in bodems van vennen. Door verdroging (afname kwel of toename drainage) zal de frequentie en intensiteit van de watertafeldalingen toenemen. Lichtjes hogergelegen plaatsen in kwelgebieden vertonen hetzelfde verschijnsel: de bodem valt er frequenter en langduriger droog. In de Kempen komt op deze plaatsen vaak een dominante begroeiing van pijpestrootje (Molinia caerulea) voor. El Kahloun et al. (284) toonden aan dat dit samenhangt met een verbeterde fosforhuishouding in deze soort. Blijkbaar is pijpestrootje niet in staat om op de natste plaatsen een interne fosforcyclus op te zetten. De precieze oorzaak van dit fenomeen is nog onvoldoende bekend. Deze studies en verder onderzoek (Van Haesebroeck, pers.med.) hebben onomstotelijk aangetoond dat in deze systemen zeer kleine afnamen in kwelintensiteit zeer belangrijke bodemchemische en vegetatiekundige gevolgen hebben: centimeters spelen een rol in deze systemen.
Demervallei op grindig of zandig substraat de lage peilen van de Demer een effect hebben tot op 700 meter langs de beide zijden van de rivier. Het Turnhouts Vennengebied was vroeger een uitgestrekte vochtige heide met talrijke vennen. Het gebied is grotendeels infiltratiegebied waar het water stagneert op de ondiep aanwezige Klei van de Kempen. De meeste vennen werden ontwaterd en de natte heide werd grotendeels gedraineerd en omgezet in weiland of maĂŻsakker. Uit een ecohydrologische studie (224) blijkt dat de lokale drainagesystemen de meest bepalende factoren zijn voor de verlaging van de waterstanden. De effecten van grondwaterwinningen voor beregening en drinkwater worden gedeeltelijk gebufferd door de aanwezig klei.
5.5.4 Het oppervlaktewaterbeheer als oorzaak van verdroging Het belang van het oppervlaktewaterbeheer als veroorzaker van verdroging staat buiten kijf. In bijna alle natte terreinen is een drainagesysteem aanwezig. Wanneer dit drainagesysteem slechts oppervlakkig is en zich in gebieden bevindt met onverstoorde kwel, hoeft dit niet noodzakelijk nefaste invloeden te hebben op de biologische kwaliteit van waterrijke gebieden. In vele valleisystemen werd echter beekbodemverlaging en verdieping van de drainagegrachten uitgevoerd. In die gevallen is er dikwijls een belangrijk effect op de waterhuishouding van de vallei. In de vallei van de Kleine Nete te Herentals/Kasterlee werd het Geels Gebroekt in de jaren vijftig volledig gedraineerd, slechts de Zegge en het Olens Broek bleven over als niet gedraineerde delen. Swings en Boeye (623) toonden aan dat het lage peil van de Kleine Nete de voornaamste belemmering is voor het herstel van moerasvegetaties in het Olens Broek. Aubroeck et al. (89) toonde aan dat in de
Figuur 5.5.4 a: Stijghoogtedaling onder en boven de Kempense klei in peilputten 49GL0071 en 49GP0071 op de Kalmthoutse Heide ten gevolge van een toename in de waterwinningen in de omgeving (winningen te Ossendrecht (Nl) en Huijbergen (Nl) van Delta en te Essen van PIDPA). b: Nuttige neerslag en totaal pompdebiet voor de drie winningen.
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
205
Verstorings- en herstelprocessen
5.5.5 Grondwaterwinning als oorzaak van verdroging Drinkwaterwinning gebeurt bij voorkeur onder bos of natuur vanwege de bescherming die deze terreinen bieden aan de kwaliteit van het infiltratiewater. Voor oudere winningen was het kwaliteitsaspect minder doorslaggevend bij de lokalisatie. Door de beschermingszone rond de winning werd intensief landgebruik daar beperkt. De winning heeft dan aan de "natuurlijke" toestand bijgedragen. Drinkwaterwinning en natuurbehoud zijn dus enerzijds twee functies die elkaar kunnen versterken, maar anderzijds, juist door hun ruimtelijke associatie, zijn er veel potentiële conflicten. Zo overlappen heel wat habitatrichtlijngebieden met winningszones. Bij grondwaterwinning ontstaat een verlaging van de waterdruk in de aquifer rond de winningspunt(en). Bij een freatische laag zal deze samenhangen met een daling van de watertafel.Wordt er gewonnen vanuit een spanningslaag (een aquifer afgesloten door een slechtdoorlatend pakket), dan hangt de lokale watertafeldaling in de freatische laag af van de weerstand van de slecht doorlatende laag. Deze beïnvloeding zal doorgaans ook goed aantoonbaar zijn aan de hand van modelstudies of reeksen van peilmetingen. Figuren 5.5.4 a en b tonen het effect van een belangrijke toename in de waterwinningen rond 1970 op de stijghoogte en het freatische water in een put op de Kalmthoutse Heide. Het effect op de stijghoogte (onder de Kempische klei) is veel duidelijker (gemiddeld 2,56m) dan het effect op het freatische waterpeil (boven de Kempische klei 0,48m). In beide gevallen is er echter een significant effect (resp. p<0,000001 en p=0,018), terwijl de nuttige neerslag gelijk was voor beide perioden. Waterafhankelijke natuurwaarden die zich binnen de zone van watertafeldaling bevinden zullen zeker beïnvloed worden door de waterwinning. Naast drinkwaterwinning wordt er veel grondwater gewonnen voor irrigatie in de landbouw en voor industriële doeleinden. Het spreekt voor zich dat deze evenzeer van invloed zijn. Het geheel van grondwaterwinningen (diepe en ondiepe) voor een bepaalde regio kan ook een effect hebben onder de vorm van achtergrondverdroging, d.w.z. een algehele diffuse drukverlaging. Dit is zeer moeilijk aantoonbaar omdat het geheel van de winningen slechts langzaam in de tijd werd opgebouwd, waardoor een duidelijk referentiepunt ontbreekt. Bovendien zal de jaarlijkse fluctuatie van de globale winningen een seizoenaal patroon vertonen met een uitgesproken maximum in de zomer (hoogste drinkwaterverbruik en grootse irrigatiebehoefte in de landbouw). Omdat dit volledig samenloopt met de natuurlijke peildalingen, zijn deze effecten zeer moeilijk te scheiden in grondwaterstudies. Nochtans kan vanuit theoretisch oogpunt aangetoond worden dat juist in deze perioden van neerslagtekort de diffuse verdroging maximaal zal zijn (633). Vandaele en Boeye (640) toonden een tijdreeks van het natuurgebied Kastanjebos (Winksele), waarop een duidelijke peildaling te zien was die samenviel met een wijziging van een winning
Figuur 5.5.5: Peilevolutie in twee peilputten in het Kastanjebos (bron: Hydrologische databank IN). in de buurt en met de uitzonderlijk droge periode juli 1995-juli 1996. Het vervolg van de peilmetingen (figuur 5.5.5) toont aan dat het waterpeil zich ondertussen herstelde. Het neerslagtekort heeft dus zeker meegespeeld in de peilvariaties. Een mogelijk effect van de winning kan dus niet uitgemaakt worden na eenvoudige interpretatie van de peildata, het behoeft verdere analyse van de klimatologische gegevens en de pompdebieten.
5.5.6 Beleidsevaluatie 5.5.6.1 Planevaluatie Zowel vanuit het natuurbeleid als vanuit het waterbeleid worden doelstellingen geformuleerd met betrekking tot de waterhuishoudkundige vereisten van natuur. Artikel 1 van de nieuwe EU kaderrichtlijn water stelt onder andere: "Het doel van deze richtlijn is de vaststelling van een kader voor de bescherming van landoppervlaktewater, overgangswater, kustwateren en grondwater, waarmee: a) aquatische ecosystemen en, wat de waterbehoeften ervan betreft, terrestrische ecosystemen en waterrijke gebieden die rechtstreeks afhankelijk zijn van aquatische ecosystemen, voor verdere achteruitgang worden behoed en worden beschermd en verbeterd."
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
206
Verstorings- en herstelprocessen Tegen 2015 dienen de doelstellingen, nl. een "goede" toestand van de wateren en de ervan afhankelijke ecosystemen bereikt te zijn. De habitatrichtlijn stelt in art. 6, 2° "De Lid-Staten treffen passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert en er geen storende factoren optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen voor zover die factoren, gelet op de doelstellingen van deze richtlijn een significant effect zouden kunnen hebben." Het Vlaamse Natuurdecreet vermeldt voor VEN expliciet het terugdringen van risico’s op verdroging en het herstel van verdroogde natuurgebieden (art. 18) en de verplichting om ecologische impactstudies te maken voor plannen, projecten of activiteiten die een hydrologische invloed hebben op gebieden in het VEN (art. 19). In een advies van 1 juni 1995 over de verhouding tussen openbare drinkwaterwinning en de groene hoofdstructuur stelt de MiNa-raad dat indien er een significante verdroging optreedt in natuurkerngebieden die veroorzaakt wordt door verschillende antropogene factoren, de openbare drinkwaterwinning prioritair is. M.a.w. eerst dienen de andere oorzaken aangepakt. In algemene zin kan dus gesteld worden dat nieuwe wetgeving meer plaats inruimt voor de eisen die natuurlijke systemen stellen aan het watersysteem. Ook het MBP2 gaat uit van dezelfde doelstelling: "Het ontwikkelen en instandhouden van evenwichtige waterhuishoudkundige systemen die een verantwoord menselijk gebruik waarborgen en aan de vraag van de gewenste karakteristieke ecosystemen kunnen voldoen". Om deze plannen te concretiseren ontbrak het bij het opstellen van het MBP-2 aan kennis, met name over de werking van de waterhuishoudkundige systemen en aan de eisen die vanuit natuur gesteld worden. Het beleid werd in belangrijke mate georiÍnteerd op het vullen van deze kennishiaten, voor het waterbeheer als geheel (opmaken waterhuishoudingsplannen, vergroten kennis hydrologische systemen, operationaliseren van primair grondwatermeetnet etc.) en voor de relatie waterhuishouding-natuur (ecosysteemvisies voor rivier- en beekvalleien, opmaak specifieke actieplannen voor bijzondere milieukwaliteit, operationaliseren tertiair grondwatermeetnet). De invulling van de, in algemene zin, ambitieuze plannen dient vorm te krijgen via een gebiedsgericht beheer dat aan de algemene principes wordt opgehangen. Het samenbrengen in deze concrete gebieden van uiteenlopende visies, resultaten en belangen zal een kritiek punt worden, maar het is uiteindelijk de ultieme test voor het
slagen van het integraal waterbeheer. De algemene beleidsdoelstellingen zetten vrij strikte randvoorwaarden aan het waterbeheer voor de bescherming van hoogwaardige natuur. Dit is ook nodig wil men conform de doelstellingen een verdere achteruitgang beletten en een herstel inzetten. Het is daarbij van belang te beseffen dat natuur, in relatie tot waterhuishoudkundige parameters, geen uniform begrip is. Verschillende soorten natuur gedijen bij verschillende omstandigheden. Waterrijke gebieden kunnen een functie als overstromingsgebied en zuiveringssysteem combineren met het behoud en zelfs de bevordering van bijvoorbeeld hun avifaunistisch belang. Natuurtypen die meer kritisch zijn voor b.v. de waterkwaliteit, zullen bij dergelijke condities echter niet gedijen. Dit noopt tot expliciete, gebiedsgebonden keuzes, ook vanuit natuurstandpunt, bij de randvoorwaarden die ten aanzien van natuur gesteld worden. In de natuurrichtplannen die voor het VEN dienen opgesteld dienen dus voldoende expliciet de hydrologische randvoorwaarden voor de gewenste ontwikkelingen opgenomen te worden (op zijn minst een omschrijving van de gewenste grondwatersituatie).
5.5.6.2 Procesevaluatie Het beleid met betrekking tot verdroging blijft in belangrijke mate in de studie- en planfase te situeren. Er werden in het MBP-2 ook geen gekwantificeerde doelstellingen vooropgesteld. Het is dan ook niet mogelijk een distance to target weer te geven. De beleidsvoortgang in een aantal domeinen kan wel geschetst worden. Meetnetten met betrekking tot grondwater ontvingen belangrijke aandacht. Er werd een optimalisatiestudie van het primair meetnet uitgevoerd (639), de data zijn nog niet digitaal opvraagbaar. Op het IN worden in de WATINAdatabank de peilmetingen in natuurgebieden bijgehouden. Door de monitoringverplichting van de terreinbeherende verenigingen wordt momenteel aan een sterke uitbreiding gewerkt. Naast de monitoring van de waterpeilen dient er ook aandacht voor monitoring van verdrogingeffecten (standplaatsverdroging) te komen (zie ook hoofdstuk 2, Naar een systematische gegevensverzameling voor de toekomst). Twee ecosysteemvisies in valleigebieden (Demer en Zwarte Beek) zijn momenteel afgewerkt (zie deel 4.4.4, Valleigebieden). Functieplannen voor eveneens twee bekkens (IJzer en Durme) zijn opgesteld (zie eveneens deel 4.4.4, valleigebieden). AMINAL, afdeling Water heeft voor een belangrijk aantal bekkens een bekkenstudie uitgevoerd. Er werden ook talrijke lokale hydrologische studies opgestart, zowel door de afdelingen Natuur als Water om de hydrologische situering van een aantal vochtafhankelijke terreinen vast te leggen of om de impact van verdroging in te schatten. Er is dus een duidelijke tendens om de kennishiaten weg te werken.
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
207
Verstorings- en herstelprocessen De beleidsuitvoering met betrekking tot verdroging is reeds opgestart in het landelijk gebied onder de vorm van maatregelen in landinrichtingsprojecten en in veel beperktere mate ook in enkele ruilverkavelingsprojecten. De natuurinrichting is een nieuw instrument waarin uiteraard de waterhuishoudingseisen van de natuur centraal staan. Een aantal projecten zijn in zeer gevorderde voorbereidingsfase en er zal binnen afzienbare tijd met uitvoering gestart worden (zie deel 5.9, Natuurbeheer, natuurinrichting en natuurontwikkeling). In het kader van MBP-actie 73 werden proefprojecten voorbereid voor het opstarten van actief peilbeheer (antiverdroging). Nuytemans en Heutz (507) geven een overzicht van mogelijke projectgebieden. Momenteel zijn er twee projecten (Demerbroeken en Groot Schietveld) waar in 2001 de werken zullen starten en van 3 gebieden wordt de voorbereidingsfase in 2001 afgerond (Stropersbos, Hannecartbos, Lilse Zegge). De belangrijkste waterbeheerders (AWZ en AMINAL, afdeling Water) schakelen zich in toenemende mate in een integrale beleidsvisie rond waterbeheer en beschouwen het natuurlijk functioneren en de ecologische randvoorwaarden van de valleien als een aandachtspunt naast veiligheid en economische functionaliteit. Reeds één concreet project van valleiherinrichting met een herwaardering van de natuurlijke processen (overstromingen, komberging etc.) is gestart in de Dijlevallei door afdeling Water. Dat deze maatregelen ook naar de vallei toe een beperking van de verdroging kunnen betekenen is duidelijk. Nochtans dient voor de uiteindelijke effecten op natuur de kwaliteit van de bestaande systemen vergeleken te worden met de verwachte waterkwaliteit bij overstromingen. Voor mesotrofe en oligotrofe systemen is overstroming met lage kwaliteitswater immers nefast.
5.5.6.3 Productevaluatie Het antiverdrogingsbeleid staat nog in de kinderschoenen. Er is een gebrek aan goede, objectieve data en de daarop gebaseerde uitvoering op het terrein. Enkele projecten zullen binnenkort aangevat worden.
Lectoren Tom Andries - Natuurreservaten, v.z.w. Jan Bellon - Provinciale en Intercommunale Drinkwatermaatschappij der Provincie Antwerpen Hans De Schryver - AMINAL, afdeling Natuur Paul De Smedt - Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening Hendrik Neven - AMINAL, afdeling Land Bob Peeters - Vlaamse Milieumaatschappij / MIRA Koen Martens - AMINAL, afdeling Water Bart Debussche - Administratie Land- en Tuinbouw
5.6 Verontreiniging Anik Schneiders1, Luc De Bruyn1, Claude Belpaire2, Geert Goemans2, Jean-Pierre Maelfait1, Frederick Hendrickx3 1 2 3
Instituut voor Natuurbehoud Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer RUG, afdeling Ecologie, Zoögeografie en Natuurbehoud
5.6.1 Inleiding Het onderzoek naar milieukwaliteit in relatie tot natuur is vaak geconcentreerd rond effecten van vermesting en verzuring, in aquatische systemen aangevuld met effecten van biologisch afbreekbare organische stoffen die de zuurstofhuishouding verstoren. De effecten van andere verontreinigende stoffen zoals zware metalen, zouten, milieuvreemde organische micropolluenten, asbest en radioactieve stoffen zijn veel minder onderzocht. Nochtans is voor een aantal van deze stoffen bekend dat ze toxisch zijn voor bepaalde planten- en diersoorten en gevolgen hebben op hun diversiteit en op hun groei, reproductie en sterfte of dat ze bioaccumuleren via de voedselketen en bijgevolg het functioneren van heel het ecosysteem beïnvloeden. In dit natuurrapport wordt de aandacht vooral gevestigd op de problematiek van bioaccumulatie van zware metalen. Gezien de beschikbare dataset, gaat er meer aandacht naar aquatische dan naar terrestrische systemen. Waar mogelijk worden ook effecten op de organismen besproken. Hiervoor zijn momenteel uitsluitend resultaten van enkele lokale wetenschappelijke voorbeeldstudies beschikbaar.
5.6.2 Effectketens Het geheel aan effectketens van milieuverontreinigende stoffen is zeer complex. Ook de oorsprong van de verontreiniging is vaak moeilijk te achterhalen. Voor zware metalen en organische micropolluenten gaat het voor een groot deel om historische verontreinigingen of om diffuse verontreinigingsbronnen. In terrestrische systemen zijn er locaties met hoge accumulaties aan verontreinigde stoffen, wat samenhangt met het (lokale) landgebruik of met (oude) industriële activiteiten. De verspreiding naar andere locaties wordt in terrestrische systemen vaak sterk vertraagd via adsorptie aan bodemdeeltjes. Nochtans worden er onder verontreinigde terreinen ook regelmatig verhoogde concentraties in het grondwater aangetroffen (302, 303). Via afspoeling- en uitspoelingprocessen komen deze stoffen in het oppervlaktewater terecht. Oppervlaktewaters worden ook rechtstreeks aangerijkt via puntlozingen. Eens de stoffen in het water of de waterbodem terechtkomen, zorgt het stromend karakter voor een
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
208
Verstorings- en herstelprocessen versnelde en vaak verregaande verspreiding benedenstrooms. Het verontreinigde slib kan dan via ruimings- en baggerwerken en via overstromingen afgezet en verder verspreid worden in valleigebieden. De concentraties gemeten in de waterkolom geven enkel een beeld van de polluentenvracht op een bepaald tijdsstip. De waterbodem is een verzamelplaats voor verontreiniging en de concentraties in de waterbodem geven dan ook een meer geïntegreerd beeld van de vuilvrachten die over langere termijn hebben plaatsgehad (111). De concentraties die in de verschillende milieucompartimenten gemeten worden geven geen eenduidig beeld van mogelijke toxische effecten voor de aanwezige organismen. De biobeschikbaarheid van deze stoffen en de bioaccumulatie binnen de levensgemeenschappen worden, naast de eigenschappen van de stof, ook sterk bepaald door bodemparameters zoals de zuurtegraad en de bindingscapaciteit (voornamelijk bepaald door kleigehalte en hoeveelheid organische stof), door de waterkwaliteit en kwantiteit en door de opbouw van de voedselketen. Biobeschikbaarheid is dan ook ecoregiogebonden. Zo zal globaal gezien de biobeschikbaarheid van metalen zoals cadmium en zink in de Kempen hoger zijn omdat zandgronden gevoeliger zijn voor verzuring wat op zijn beurt de biobeschikbaarheid van deze metalen verhoogt (717). De biobeschikbaarheid van arseen neemt dan weer toe bij een stijgende pH. Effecten van verontreiniging op organismen worden ook bepaald door de combinatie van verschillende stressfactoren. Genetisch verarmde populaties of populaties die reeds andere vormen van stress ondervinden kunnen sneller effecten vertonen dan intacte populaties. Omdat de concentraties in lucht, water en bodem niet op eenduidige wijze kunnen doorgerekend worden naar accumulatie in en effecten op de levensgemeenschappen dienen er voor deze problematiek specifieke monitoringprogramma’s met bio-indicatoren uitgewerkt en opgestart worden. Dergelijke programma’s laten ook toe om gecombineerde of synergetische effecten van verontreinigende stoffen op organismen in te schatten.
Om naast de concentratie aan zware metalen een beeld te krijgen van de verontreinigingsgraad, wordt telkens een vergelijking gemaakt met de laagst gemeten concentraties die als referentieconcentraties worden beschouwd. Een "referentiewaarde" gemeten in een sterk geïndustrialiseerd gebied als Vlaanderen komt echter niet steeds overeen met een niet verontreinigde toestand, maar eerder met een minimale verontreinigingstoestand.Voor elke locatie wordt per metaal een afwijking t.o.v. de referentie (ATR) berekend. Dit maakt een vergelijking tussen verschillende zware metalen en tussen verschillende organismen mogelijk. In dit rapport wordt voor elk organisme telkens het metaal met de grootste afwijking in kaart gebracht. Een ATR geeft een idee van bio-accumulatie in de voedselketen.
5.6.3.1 Gevolgen voor de aquatische natuur Kwaliteit is een relatieve maatstaf. Een kwaliteitsbeoordeling vertrekt dan ook het best vanuit verschillende invalshoeken zoals het meten van concentraties aan verontreinigende stoffen in combinatie met het meten van de effecten op organismen op het terrein en onder gecontroleerde labo-omstandigheden. Het waterbodemonderzoek brengt de concentraties aan zware metalen en een aantal micropolluenten in kaart. De negatieve effecten op de biota worden onderzocht door de samenstelling van de in de bodem levende macro-ongewervelden te bekijken. De soortenrijkdom en de gevoeligheid van de organismegroepen bepalen samen de Biotische Waterbodemindex (BWI), een score die varieert van 0 tot 10. De BWI kan dan ook beschouwd worden als de bodemtegenhanger van de BBI voor waterkwaliteit (deel 4.3.6). In figuur 5.6.1 is telkens het percentage van de punten weergegeven dat een BWI-waarde van meer dan 6 bereikt. Naar analogie met de BBI kunnen we stellen dat waterlopen met een index 7 een basiskwaliteit bereiken voor een ecologisch netwerk, terwijl een index 8 en vooral 9 of 10 trajecten met een hogere natuurwaarde aange50
BWI 10 BWI 9 BWI 8 BWI 7
45
% meetpunten met BWI>6
30 25 20 15 10 5
en
s
er nd aa vl
e
M aa
et N
ne
em er
en -Z D
Bo
D
r
ie
de en
ijle
ns ve
D
e ld ch e
ch ns de ne
Le
de
r
el
ze IJ Be
Br
ug
e
se
Ka
Po
na
ld e
le
n
rs
0
ts
Monitoringgegevens op schaal Vlaanderen zijn momenteel niet beschikbaar. Er is een eerste gebiedsdekkende survey van de kwaliteit van de waterbodems uitgevoerd en deze is aangevuld met een gegevensset over concentraties in spierweefsel van paling. Verder zijn er op een aantal locaties in Vlaanderen, zowel voor terrestrische als voor aquatische systemen, voorbeeldstudies uitgevoerd die de bioaccumulatie van zware metalen in een aantal plantensoorten, ongewervelden, vissen en insectivore zangvogels verder bestuderen en in verband brengen met de heersende milieuverontreiniging.
35
G en
5.6.3 Gevolgen voor de natuur
40
bekken
Figuur 5.6.1: Procentuele verdeling van het aantal meetpunten per bekken dat een BWI (Biotische Waterbodem Index) bereikt groter dan 6.
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
209
Verstorings- en herstelprocessen ven. Naast enkele kleine bronbeken worden de hogere indexen vooral bereikt in het Netebekken, gevolgd door het Maasbekken (zie ook deel 4.3.6 Waterlopen). Om de toxiciteit van de waterbodems uit verschillende locaties objectief te vergelijken werden deze veldgegevens aangevuld met een aantal ecotoxiciteitstesten uitgevoerd onder gecontroleerde omstandigheden in het labo (209, 210). Er werden acute toxiciteitstesten uitgevoerd met een kreeftachtige Thamnocephalus platyurus en met een groenwier Raphidocelis subcapitata. Bij de kreeftachtige is het aantal effecteenheden (EE) een maat voor de toxiciteit waarbij 50% mortaliteit optreedt. Bij het groenwier is het aantal EE een maat voor de groeibeperking. Bij elke test wordt een controle (of een niet verontreinigd) staal bekeken.De resultaten voor T. platyurus zijn per bekken weergegeven in figuur 5.6.2. In alle bekkens zijn er punten met een verhoogde toxiciteit. Het Netebekken heeft een groot aantal punten zonder toxiciteit, gevolgd door de Polders en het bekken van Maas en Benedenschelde. In de Polders zijn bovendien hoge toxiciteitklassen afwezig. Uit de relatie met BWI (figuur 5.6.3) blijkt vooral dat het voorkomen van soortenrijkere ongewerveldengemeenschappen (BWI groter dan 7) sterk afgeremd wordt bij een verhoogd toxiciteiteffect van T. platyurus. Anderzijds kan er toch nog een toxiciteit worden aangetroffen, zelfs in waterbodems die de hoogste BWI-waarde bereiken. De relatie tussen BWI en de groeibeperking van R. subcapitata is minder duidelijk. Dit komt enerzijds omdat er zeer verschillende organismen met elkaar vergeleken worden. Anderzijds is het ook mogelijk, gezien de stijging van EE bij index 9 en 10, dat de groei van het groenwier in beken met een zeer goede waterbodemkwaliteit beperkt wordt door natuurlijke groeibeperkende factoren zoals lage fosfaatconcentraties. Het verschil in resultaat tussen de kreeftachtige en het
Figuur 5.6.2: Procentuele verdeling per bekken van waterbodems die een toxiciteit vertonen: de toxiciteit is uitgedrukt in effecteenheden voor Thamnocephalus platyurus en is een maat 50% mortaliteit.
wier is niet zo verwonderlijk. Vroeger onderzoek heeft immers uitgewezen dat de gevoeligheid voor polluenten sterk kan verschillen tussen verschillende organismegroepen. Een experimentele studie naar de invloed van cadmiumintoxicatie op 12 verschillende aquatische macro-ongewervelden toonde aan dat de mortaliteit van de meest gevoelige soort (een bloedzuiger) ongeveer 10 000 maal hoger lag dan deze van de minst gevoelige (een waterwants) (150). De laatste tijd wordt dan ook geopperd dat toxiciteitstestsystemen gebaseerd op één organisme niet toereikend zijn en dat in de plaats meer-soorten-testsystemen moeten ontwikkeld worden (813). Het waterbodemonderzoek uitgevoerd op schaal Vlaanderen toont aan dat er, globaal genomen, in de waterbodems in alle stroomgebieden talrijke zware metalen en micropolluenten geaccumuleerd worden en dat de verontreiniging op vele plaatsen ook toxisch is voor de aanwezige levensgemeenschap (209, 211). Het aantal punten met
Figuur 5.6.3: Relatie tussen de waterbodemindex BWI en de effecteenheden bij ecotoxiciteitstesten met Thamnocephalus platyurus en Raphidocelis subcapitata.
Figuur 5.6.4: Recente cadmium- en zinkverontreiniging (µg/l) in de Scheppelijke Nete (Bekken Grote Nete) (782) (brongegevens: UIA).
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
210
Verstorings- en herstelprocessen een hoge natuurwaarde is beperkt tot enkele bronbeken en bovenloopstelsels. Enkel in het bekken van de Kleine Nete is er een meer continu verloop van punten met een goede tot zeer goede waterbodemkwaliteit. De goede ecologische kwaliteit van de Grote Nete (zie deel 4.3.6, Waterlopen) wordt daarentegen bedreigd door een recente sterke toename aan cadmium- en zinkconcentraties (zie figuur 5.6.4). Deze verontreiniging hangt vermoedelijk samen met een historische industriĂŤle verontreiniging waarvan de stofstroom recent op gang gekomen is. Ze is op dit ogenblik reeds merkbaar tot in de Benedennete in Lier (781, 782). De verontreiniging van de waterbodems in Vlaanderen weerspiegelt zich ook in hoge concentraties van polluenten die in vissen worden aangetroffen. Paling (Anguilla anguilla) is de enige soort waarvan door het Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer, voor de grotere waterlopen, kanalen en stilstaande wateren, een eerste globaal kwaliteitsbeeld op niveau Vlaanderen is uitgewerkt. Figuur 5.6.5 toont voor elke locatie (op basis van de gemiddelde metaalconcentraties in het spierweefsel van een aantal palingen) het metaal met de grootste afwijking t.o.v. de referentie. Paling wordt, door zijn hoge vetgehalte en door zijn foerageergedrag, beschouwd als een goede bio-indicator om de verontreinigingsgraad binnen de aquatische levensgemeenschap te bepalen. De eerste meetreeks toont dat hoge concentraties aan zware metalen en micropolluenten
in spierweefsel van paling aanwezig zijn in heel Vlaanderen. Voor lood en kwik werd in een aantal locaties gemiddeld in paling meer dan 10 maal de referentieconcentratie aangetroffen, voor cadmium steeg dit zelfs tot 59 maal. Het aantal meetpunten is momenteel te klein om een analyse per stroomgebied uit te voeren. Toch zijn er duidelijke trends waar te nemen. Zo zijn de sterke afwijkingen voor cadmium, overeenkomstig het waterbodemonderzoek, vooral geconcentreerd in de Kempen.Voor loodverontreiniging is het Boudewijnkanaal een groot knelpunt, terwijl voor kwik een hogere graad van verontreiniging wordt waargenomen in het Schelde- en het Dijle-Rupelbekken (706). De verspreiding van micropolluenten is zeer algemeen in Vlaanderen. Toch zijn ook hier enkele patronen te herkennen. Sommige stoffen zoals een aantal organochloorpesticiden zijn zeer algemeen verspreid, terwijl andere stoffen duidelijk een meer streekgebonden verspreiding kennen. Zo zijn de sterk afwijkende concentraties voor de meeste PCB’s vooral in de zandstreek waargenomen, terwijl lindaan eerder problematisch is in het IJzer-, Dijle- en Demerbekken. Deze patronen zijn zeer waarschijnlijk terug te brengen tot landgebruikspatronen of historische verontreinigingsbronnen (107). Noch voor zware metalen, noch voor micropolluenten is er een eenduidig verband tussen de concentraties in paling en de waterbodemconcentraties. Bovendien is de bioaccumulatie in paling duidelijk stofafhankelijk.Volgens de
Figuur 5.6.5: Accumulatie van zware metalen in paling, uitgedrukt als ATR (afwijking t.o.v. de referentiewaarde). Enkel het metaal dat de grootste afwijking vertoont t.o.v. de referentiewaarde is op de kaart weergegeven. Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
211
Verstorings- en herstelprocessen eerste analyseresultaten van de organische micropolluenten vertonen lindaan en PCB’s een hoger risico op bioaccumulatie en biomagnificatie (voortschrijdende accumulatie doorheen de voedselketen). Bij de zware metalen blijkt kwik sneller te accumuleren dan b.v. cadmium of lood (111). Een natuurgerichte normstelling is tot nog toe niet beschikbaar. De huidige normstelling laat enkel toe om plaatsen aan te duiden waar paling niet geschikt is als consumptievis (706). Er is momenteel immers nog geen onderzoek verricht naar de mate waarin de concentraties in het spierweefsel toxisch zijn voor de paling en in welke mate ze effect hebben op hun conditie, ontwikkeling en reproductiecapaciteit. Mason (461) analyseerde organochloorpesticides (Dieldrin, p,p-DDE) en PCB’s in paling van waardevolle natuurgebieden in Engeland. De concentraties werden beschouwd als voldoende hoog om een negatief effect te hebben op topcarnivoren zoals de otter (Lutra lutra). Het wordt algemeen aanvaard dat bioaccumulerende polluenten en meer specifiek dieldrin, PCB’s en kwik de hoofdoorzaak zijn van de snelle achteruitgang van de Europese otterpopulaties (431).Ter bescherming van otterpopulaties mogen de PCB concentraties in vis 26 ng/g versgewicht niet overschrijden. PCB concentraties van 50 ng/g versgewicht in het dieet van otters induceert over langere periode reproductieproblemen. De Vlaamse otterpopulatie verdween in het begin van de jaren 1960 (477). Habitatverlies, menselijke verstoring, slechte waterkwaliteit en onvoldoende voedselbeschikbaarheid zijn wellicht heel belangrijke factoren geweest bij het verdwijnen van de otter. Recent wordt nogal wat aandacht geschonken aan habitatherstel voor de otter in Vlaanderen (182). Uit resultaten van het palingmeetnet blijkt nu dat de gemiddelde PCB concentraties van paling van 75 staalnameplaatsen verspreid over Vlaanderen varieert van 22 tot 8800 ng/g versgewicht (107). Slechts op één van de staalnameplaatsen (Berlare Broek) bleven de PCB concentraties in de paling onder de maximale toelaatbare concentratie voor een leefbare otterpopulatie.Vanzelfsprekend zijn dit belangrijke elementen waarmee rekening gehouden dient te worden bij het plannen van regionale otterherstelprogramma’s (110). De polluenten kunnen dus niet enkel nadelig zijn voor vissen, ze worden ook doorgegeven naar predatoren hoger in de voedselketen die de stoffen nog sterker kunnen accumuleren. Bioaccumulatie in vis kan bijgevolg ook aanwijzingen geven over effecten met betrekking tot andere milieuof natuurbehoudaspecten. De recente concentratieverhogingen aan zware metalen in de Scheppelijke Nete en stroomafwaarts in de Molse en de Grote Nete resulteerden in een voorbeeldonderzoek naar effecten op grondel (Gobio gobio) langsheen een
Figuur 5.6.6: Relatie concentratie in lever (elk metaal uitgedrukt als afwijking t.o.v. de referentie ) en conditie bij de grondel (naar 123). verontreinigingsas. Grondel is een kleinere vissoort die door zijn vrij algemene verspreiding, zijn foerageergedrag en zijn beperkt migratiegedrag als een goede indicatorsoort voor kleinere waterlopen in Vlaanderen kan beschouwd worden. Uit dit onderzoek blijkt dat er in grondel een accumulatie aan zware metalen plaatsvindt. Vooral in de lever, kieuwen en nieren van grondel werden zeer hoge cadmium- en zinkconcentraties gemeten in vergelijking tot literatuurgegevens.Vooral de hoge concentraties in de lever konden in verband gebracht worden met een lage conditie (zie figuur 5.6.6). Grondels met een hoge concentratie aan zware metalen in de lever hadden nl. steeds een laag gewicht t.o.v. hun lengte (123).
5.6.3.2 Gevolgen voor de terrestrische natuur Ook bij terrestrische levensgemeenschappen worden accumulaties van milieugevaarlijke stoffen vastgesteld. Bioaccumulatie is soortgebonden en de relatie tussen bodemconcentraties en organismen is meestal niet eenduidig. Zo worden metalen in de bladeren van maïs veel sterker geaccumuleerd dan in andere grassen. Experimenten in het Antwerpse toonden aan dat grassen die blootgesteld worden aan hogere cadmiumconcentraties, trager groeien en uiteindelijk kleinere bladeren krijgen waarin cadmium sterker geaccumuleerd werd (726). Wanneer de cadmiumconcentraties te hoog worden, sterven de planten af. Bij bomen worden vooral hoge accumulaties vastgesteld in bladeren van populier en wilg en veel minder in bladeren van zomereik, zwarte els, gewone es of boskers (717). Ook genetische verschillen binnen plantensoorten kunnen de gevoeligheid voor pollutie beïnvloeden. Zo heeft de ondersoort zinkboerenkers (Thlaspi caerulescens subsp. Calaminare) een hogere overleving en tolerantie-index op bodems vervuild met zware metalen (zink,
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
212
Verstorings- en herstelprocessen
Figuur 5.6.8: Accumulatie van zware metalen in pissebed en wolfspin. De concentraties worden uitgedrukt als ATR (afwijking t.o.v. de referentiewaarde). Enkel het metaal dat de grootste afwijking vertoont t.o.v. de referentiewaarde is op de kaart weergegeven. lood) dan de ondersoort bosboerenkers (Thlaspi caerulescens subsp. Caerulescens) (466). Tenslotte kunnen ook plantgeassocieerde micro-organismen zoals bacteriën en mycorrhiza, de effecten op planten milderen. Wortelgroei van grove den wordt b.v. sterk geïnhibeerd door kopervervuiling. Wanneer grove den echter groeit in combinatie met een ectomycorrhizaschimmel is deze groei veel beter (707). De schimmel beschermt de den tegen koperintoxicatie. Vermits planten het eerste trofische niveau zijn in de voedselketen, zorgen zij ook voor een belangrijke doorstroming van verontreinigende stoffen die in de bodem zitten naar de hogere trofische niveaus. Dit werd o.a. vastgesteld in de hoger vermelde experimenten met cadmium geïntoxiceerde grassen. Wanneer deze grassen als voedsel
aantal dieren / m2
7000 6000
Entomobryomorpha Poduromorpha Symphypleona
5000 4000 3000 2000 1000 0
Controle
Lood
Figuur 5.6.7: Collembola populatiedensiteiten in een met lood vervuilde en controle plot in een Kempens heidegebied in Wuustwezel.
aangeboden worden aan herbivoren zoals de mineervlieg (Chromatomyia nigra) of de vlinder bont zandoogje (Pararge aegeria) resulteren de verhoogde cadmiumconcentraties in de plant op hun beurt in een verlaagde overleving van de vliegenlarven en rupsen die er zich mee voeden. De overlevers groeiden ook trager en dit resulteerde uiteindelijk in kleinere adulten, wat op zijn beurt weer aanleiding geeft tot een verlaagd reproductief succes. Een aantal van de adulten die blootgesteld waren aan de hogere metaalconcentraties hadden ook problemen bij het uit de pop sluipen en vertoonden morfologische afwijkingen. Effecten op individueel niveau kunnen echter niet steeds doorgetrokken worden naar het populatieniveau. Zo vonden Koricheva en Haukioja (398) duidelijk negatieve effecten op herbivore insecten op berkebladeren blootgesteld aan zwaveldioxide en zware metalen (nikkel en koper). Dit resulteerde echter niet in verlaagde populatiedensiteiten. Effecten op populatieniveau werden ook onderzocht bij springstaarten (Collembola). In een studie naar de bodembewonende fauna in een door lood verontreinigd heidegebied in de Kempen te Wuustwezel werd aangetoond dat voor springstaarten voor de suborde Symphypleona de densiteiten beduidend lager waren in de met lood vervuilde plots.Voor de andere subordes Entomobryomorpha en Poduromorpha was er echter geen duidelijk verschil (zie figuur 5.6.7).Voor Poduromorpha was er zelfs een tendens dat de densiteiten lager waren in de controleplot. Enkele veldstudies werden uitgevoerd op ecosysteemniveau. Zo toonden Dabrowska-Prot (189) en Riemer en Whittaker (556) in een aantal veldstudies aan dat pollutie leidt tot
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
213
Verstorings- en herstelprocessen vereenvoudigde ecologische systemen met een verlaagde soortenrijkdom. Voor ongewervelden zoals spinnen en pissebedden zijn er voor verscheidene plaatsen in Vlaanderen bioaccumulatiegegevens beschikbaar. Op 105 locaties in loofbosfragmenten werden pissebedden verzameld en geanalyseerd op de zware metalen lood, cadmium, koper en zink. Lood en cadmium zijn organismevreemd, terwijl koper en zink essentiĂŤle elementen zijn en bijgevolg in lage concentraties steeds aanwezig moeten zijn. Ook hier zijn voor de onderzochte locaties telkens de afwijkingen t.o.v. de referenties berekend en toont figuur 5.6.8 voor elk punt het metaal met de maximale afwijking. De pissebed (Oniscus asellus) is een zeer algemene soort van dood hout en strooisel van bossen, struiken en rivieroevers. Uit dit onderzoek blijkt dat lood- en koperaccumulaties verspreid over heel Vlaanderen voorkomen, terwijl cadmium- en zinkaccumulaties vooral gelokaliseerd zijn in de Kempen. Dit laatste bevestigt de resultaten van de aquatische systemen. De verhoogde concentraties in de Kempen hangen enerzijds samen met de geschiedenis van een uitgebreide non-ferroindustrie. Anderzijds wordt dit verschijnsel versterkt door het zandige bodemtype dat veel gevoeliger is voor verzuring waardoor op zijn beurt de biobeschikbaarheid sterk verhoogd wordt (Maelfait et al., in prep). Naast pissebedden zijn er ook metaalconcentraties gemeten in de wolfspin (Pirata piraticus). Spinnen blijken door hun carnivore voedingswijze nog sterker metalen te accumuleren dan pissebedden (figuur 5.6.8). In de wolfspin langsheen het Schelde-estuarium werden voor cadmium tot 30 keer hogere concentraties aangetroffen dan in de bodem. Net zoals bij paling en grondel is de relatie bodem/spinconcentratie echter niet eenduidig. Veldgegevens toonden aan dat deze spinnen bij hoge concentraties aan zware metalen kleiner blijven en minder (maar grotere) eieren produceren; een voortplantingsstrategie die voordeliger is in moeilijke groei-omstandigheden. Wolfspinnen met hogere cadmiumconcentraties zijn bovendien genetisch verschillend van hun soortgenoten wat erop zou kunnen wijzen dat ze aan deze verontreinigde milieutoestand aangepast zijn (441, 442, 338, Hendrickx et al, in prep). Beide hoger vernoemde ongewervelden kunnen, net zoals de planten, zware metalen accumuleren en verder doorgeven in de voedselketen. Ook insectivore zangvogels zoals kool- en pimpelmees kunnen, net zoals ongewervelden, beschouwd worden als goede bio-indicatoren. Ze accumuleren zware metalen in pluimen in evenredigheid tot de concentraties in het bloed op het ogenblik dat de veren gevormd worden. De pluimen van levende vogels kunnen verwijderd worden zonder dat deze er hinder van ondervinden. Pimpelmezen en koolmezen zijn bovendien resident en ze staan vrij hoog in de voedselketen waardoor ze in aanmerking komen als indi-
catororganisme voor het aantonen van lokale verontreingingen (377). Een voorbeeldstudie in een aantal park- en bosgebieden in de omgeving van verontreinigde locaties (zoals de omgeving van de metallurgie in Hoboken en de verbrandingsoven in Wilrijk bij Antwerpen) toont aan dat volwassen individuen dichtbij een verontreinigingsbron beduidend hogere concentraties aan zware metalen accumuleren in de pluimen dan hun soortgenoten in een meer natuurlijke omgeving. Pimpelmezen accumuleren, waarschijnlijk door hun hogere metabolische activiteit en hun snellere voedselopname, hogere concentraties dan koolmezen. De gemiddelde lood- en cadmiumconcentraties waargenomen bij de pimpelmees behoren, in vergelijking tot het buitenland, tot de hoogste cijfers die tot hiertoe gepubliceerd werden (283). Ook in eierschalen, pluimen van jongen en in de uitwerpselen in de nesten worden sterk verhoogde concentraties aangetroffen. Ook hier zijn de loodconcentraties opvallend hoog in vergelijking tot literatuurgegevens. Dit toont aan dat ook het voedselaanbod in de omgeving van het nest gecontamineerd is (190, 377). Na drie jaar onderzoek konden reeds duidelijke effecten van zware metalenverontreiniging op de reproductie worden vastgesteld. Koolmezen die het dichtst broeden bij de pollutiebron en die de hoogste concentraties aan zware metalen bevatten, vertonen meer eilegonderbrekingen. Ze hebben ook een lager uitkipsucces (proportie van het aantal eieren dat uitkipt) te wijten aan een hogere sterfte van de embryo’s. De jongen afkomstig van nesten nabij de pollutiebron blijken bovendien ook later uit te vliegen (377, 378, in voorbereiding). Ook bij andere vogelsoorten werden nadelige effecten van verontreiniging aangetoond. Debacker et al. (241) onderzochten 166 zeekoeten (Uria aalge) aangetroffen in de winter langs de Belgische kust van 1993 tot 1998. De dieren verzameld langs de Vlaamse kust hadden een hogere koper- en zinkconcentratie in het lichaam dan dieren die afkomstig waren Noord-Europese gebieden. Een verhoogd zwaar metaalgehalte gaat daarbij gepaard met een verlaagde lichaamsmassa (lever, nieren) en een reduktie van de vliegspieren. Gelijkaardige effecten werden gevonden bij experimenten met kwartels (Coturnic coturnix) die verschillende hoeveelheden voedsel kregen en simultaan blootgesteld werden aan contaminatie met een mengsel van koper, zink en methylkwik van verschillende concentraties (240). Dieren die blootgesteld waren aan een hogere verontreinigingsgraad vertoonden een beduidend slechtere lichaamsconditie.
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
214
Verstorings- en herstelprocessen
5.6.4 Beleidsevaluatie 5.6.4.1 Planevaluatie De aanpak van verspreiding van milieugevaarlijke stoffen in Vlaanderen volgt een tweesporenbeleid. Enerzijds is het gericht op een stofspecifieke benadering met daarin het productbeleid en emissiegericht reductiebeleid, beide met als finaliteit het voorkomen van bijkomende verontreinigingen. Hierin staat de aanpak van PAK’s, dioxines, zware metalen en bestrijdingsmiddelen momenteel centraal.Voor een aantal stoffen zijn reeds zeer concrete reductiedoelstellingen geformuleerd. Anderzijds is er een compartimentgericht benadering met saneringsprogramma’s van bodem en waterbodem. Beide benaderingen moeten toelaten om de doelstellingen van de internationale overeenkomsten binnen de vooropgestelde termijnen na te komen. Tenslotte worden er via het impulsprogramma initiatieven gesteund om de wetenschappelijke kennis inzake modellering, effecten en inventarisatiemethodieken te vergroten (MBP-2 en MJP 2000). Reductiedoelstellingen Met betrekking tot zware metalen zijn er in MIRA-S (vooral voor puntbronnen) concrete termijndoelstellingen geformuleerd om de emissie naar lucht en oppervlaktewater te beperken via brongerichte maatregelen (303). Dat betekent enkel dat bijkomende accumulaties in bodem (en organismen) worden afgeremd. Ook voor PAK’s en dioxines zijn reductiedoelstellingen voorgesteld. Bij luchtverontreiniging steunen deze vooral op een verlaging van gezondheidsrisico’s door dagelijkse inname. Accumulatieeffecten in het milieu werden niet mee in beschouwing genomen. Enkel ten aanzien van het mariene milieu werden op internationaal vlak concrete milieudoelstellingen geformuleerd (213). Voor diffuse verontreiniginsbronnen is het veel moeilijker om tot concrete reductiedoelstellingen te komen. De complexe problematiek van diffuse verontreiniging vraagt vaak een gecombineerde aanpak van o.a. verkeer, bebouwing, landgebruik en productgebruik. Zelfs binnen één sector zoals de landbouw is het moeilijk om concrete milieudoelstellingen te realiseren. Zo is de verspreiding van een aantal micropolluenten gekoppeld aan de teelten van bepaalde land- en tuinbouwgewassen. Verschuivingen in teelten t.g.v. autonome evoluties in de landbouw kunnen dan ook belangrijke verschuivingen in verontreinigingen met zich meebrengen.Voor bestrijdingsmiddelen werden in MIRA-S wel middellange termijndoelstellingen voor reducties geformuleerd maar er werd onmiddellijk bij vermeld dat, juist omwille van te verwachten teeltverschuivingen, deze doelstellingen niet gehaald zullen worden (609). Zolang de relaties tussen het landgebruik, de milieuaccumulatie en de bioaccumulatie onvoldoende gekend zijn is
een efficiënte aanpak van deze problematiek onmogelijk. Voor een betere brongerichte aanpak wordt er wel gewerkt aan doelgroepgerichte prioriteitslijsten en actieprogramma’s. Naast de beleidsdoelstellingen die tot reducties van emissies moeten leiden blijft de problematiek bestaan van historische verontreinigingen die ervoor zorgen dat de nalevering vanuit de bodem nog lang kan naijlen en de effecten van bioaccumulatie nog een hele tijd zullen blijven toenemen. De actuele verontreinigingsgraad wordt o.a. duidelijk aangetoond door de kaarten van de waterbodems in Vlaanderen. De risico’s op een doorstroming vanuit terrestrische systemen met een historische verontreiniging via grondwater naar andere, soms voor natuur zeer waardevolle plaatsen (b.v. problematiek Scheppelijke-Molse-Grote Nete) blijven bestaan. De problematiek moet dan ook gebiedsgericht aangepakt worden en de stofstromen dienen in kaart gebracht te worden. Gezien de hoge tot zeer hoge concentraties die nu op een aantal locaties reeds aanwezig zijn zal de accumulatie in organismen binnen de voedselketen en de daarmee samenhangende ecotoxiciteit waarschijnlijk nog blijven toenemen in de toekomst. Dit dient opgevolgd te worden via monitoring. De effectketens moet verder onderzocht worden en normen moeten vertaald kunnen worden in toxische effecten voor mens en natuur. Normenkaders Er bestaan algemene kwaliteitsnormeringen voor oppervlaktewater, grondwater en bodem in relatie tot basiskwaliteit en een aantal gebruiksfuncties (VLAREM II, VLAREBO en VLAREA voor ruimingspecie). Deze normstelling wordt reeds voor een groot aantal stoffen gestuurd vanuit Europa. Voor milieu bestaat er bijgevolg een algemeen streefbeeld. Dit is echter niet gebiedsgericht. Gezien de grote verschillen in bioaccumulatie die o.a. samenhangen met verschillen in bodemparameters is hier een verfijning gewenst. OVAM heeft reeds een aantal studies laten uitvoeren om de normering van polluenten in Vlaamse bodems beter wetenschappelijk te onderbouwen. Ook de VMM start een studie om de normering voor aquatische systemen beter te onderbouwen. Om specifieke ecosystemen beter te kunnen beschermen moeten er ook lokale verscherpingen mogelijk zijn. Daartoe moet tevens de afhankelijkheid van deze ecosystemen t.o.v. bepaalde grondwaterlichamen onderzocht worden. Vermits de studies in aquatische en terrestrische systemen unaniem aantonen dat het aan de hand van omgevingsgehalten zeer moeilijk blijft om effecten op organismen en op levensgemeenschappen te voorspellen is het essentieel dat het normenkader wordt uitgebreid naar biota. Hiervoor zouden een aantal indicatororganismen geselecteerd kunnen worden. T.a.v. natuur zijn indicator-
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
215
Verstorings- en herstelprocessen soorten bij voorkeur soorten die niet door de mens worden uitgezet, die redelijk resistent zijn tegen verontreiniging, vrij algemeen voorkomen, zich niet over al te grote afstanden verplaatsen, gekend zijn als bioaccumulatoren en gemakkelijk te bemonsteren zijn (123). Het streven naar een betere ecotoxicologisch onderbouwde normstelling gekoppeld aan een geïntegreerde monitoring is en blijft een belangrijke beleidsdoelstelling. Vooral de effecten van combinaties van verontreinigende stoffen zijn vaak onvoldoende gekend. Meer onderzoek op dit vlak is zeker gewenst. Monitoring Gezien de analysen vaak moeilijk zijn en het kostenplaatje snel oploopt, dringt een grondige kosten-baten analyse van heel het monitoringsysteem zich op. De problematiek van verontreiniging is zeer complex en het vasstellen van effecten op levensgemeenschappen en de vertaling in enkele vereenvoudigde monitoringsparameters zal dan ook een moeilijke keuze blijven. Welke meetsystemen geven de meest relevante informatie voor effecten op natuur? Hoeveel bio-indicatoren moeten er minimaal geselecteerd worden? Welke stoffen dienen er minimaal in elk milieucompartiment gemeten te worden? Wat is de afweging tussen de middelen voor analysen in de diverse milieucompartimenten versus de middelen voor analysen in organismen en effecten op organismen? Een aantal programma’s zijn recent opgestart maar vragen nog om de nodige bijsturing. Zo wordt er in een VMM studie binnen een aantal waterlopen, onderzoek uitgevoerd worden naar de verdeling van de polluenten doorheen de verschillende compartimenten. Daarnaast worden het waterbodemmeetnet en het palingmeetnet verder op elkaar afgestemd. In kleinere waterlopen zou dit aangevuld kunnen worden met indicatorsoorten zoals grondel. Verder onderzoek moet aantonen welke methoden het beste de toxiciteitseffecten op de soort en de levensgemeenschap weerspiegelen. De keuze van organismen en monitoringplaatsen dient zoveel mogelijk afgestemd te worden op de monitoring die opgelegd wordt door de Europese kaderrichtlijn water (zie ook deel 4.3.6 Waterlopen). In terrestrische systemen worden er nog geen monitoringprogramma’s opgestart. Ongewervelden en insectivore zangvogels kunnen als mogelijke bio-indicatoren voor locale verontreiniging naar voor geschoven worden. Ook de monitoring van polluenten in vegetaties kan als belangrijke schakel in de voedselketen, heel wat interessante informatie opleveren. De kennis van stofstromen, accumulaties en effecten dient uiteindelijk vertaald te worden in maatregelenprogramma’s die de verdere verspreiding van verontreinigde stoffen verhinderen. Zo kan men b.v. bij de beplanting of het beheer van verontreinigde sites rekening houden met
de grote verschillen in bioaccumulatie bij planten. Zij spelen immers een belangrijke rol als doorgeefluik van polluenten. Of kan men bij de regeling van de waterpeilen rekening houden met de effecten op de stofstromen.Tenslotte zal er altijd aanvullend op een beperkt aantal plaatsen een bodemsanering doorgevoerd moeten worden. Samengevat, kan men stellen dat: - voor een aantal stoffen (en zeker voor combinaties van stoffen) de kennis van de actuele verspreidingspatronen en de effectketens vaak ontoereikend is om voor de natuur concrete doelstellingen inzake normstelling en reductieprogramma's te formuleren. - er nood is aan geïntegreerde monitoringsystemen, met specifieke aandacht voor bio-indicatoren en aangevuld met de uitbouw van meer-soorten-testsystemen. - onvoldoende aandacht gaat naar reeds aanwezige (historische) verontreinigingen en het effect daarvan op de natuur. De huidige verontreinigingstoestand van veel gebieden is onvoldoende gekend of de gegevens hierover zijn enkel verspreid aanwezig en vaak niet beschikbaar. - vooral de problematiek van diffuse verontreiniging zo nauw verbonden is met tal van maatschappelijke activiteiten (vervoer, bebouwing, landgebruik), dat een oplossing de eerste jaren niet verwacht wordt en dat gesteld kan worden dat de effecten op de natuur zullen blijven toenemen. Concrete doelstellingen zijn beleidsmatig moeilijk in te vullen.
5.6.4.2 Proces- en productevaluatie Het gevoerde reductiebeleid zorgt dat voor de meeste zware metalen de emissies dalen. Het aandeel van diffuse verontreiniging naar oppervlaktewater blijft moeilijk om te controleren of in te perken. De cijfers aangegeven voor concentraties in lucht en oppervlaktewater duiden eveneens op een globale daling (302). Dit kan echter niet gezegd worden voor (water)bodem en grondwater. De (vroegere) accumulatie blijft immers aanwezig. En op sommige plaatsen neemt de verspreiding van historische verontreiniging toe. De milieudruk door het gebruik van bestrijdingsmiddelen begint te dalen maar blijft zeer hoog. De stoffen worden ook in een groot aantal punten teruggevonden in het oppervlaktewater (608). De kennis die opgebouwd wordt rond trends in mieudruk en (beperkte) trends in concentraties in diverse milieucompartimenten in de diverse MIRA-rapporten, kan niet doorgerekend worden naar effecten op organismen en levensgemeenschappen. In een aantal sectoren zullen volgens MIRA-S extra maatregelen noodzakelijk zijn om de vooropgestelde reductiedoelstellingen te kunnen halen. Een doorrekening van een wijziging in landgebruik naar wijzigingen in de
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
216
Verstorings- en herstelprocessen
milieudruk door diffuse verontreiniging dringt zich op. In de modellering is het transport en de verspreiding vanuit (historisch) verontreinigde locaties niet opgenomen. Dit resulteert op sommige plaatsen nochtans in zeer hoge concentratietoenamen. Bovendien riskeren een aantal maatregelen dat er zich een verschuiving van het probleem voordoet (b.v. een dalende concentratie in het oppervlaktewater, maar een stijgende concentratie op stortlocaties). Aanvullend op het voorkomingsbeleid worden er ook effectgerichte maatregelen voorzien. Deze maatregelen worden in terrestrische systemen vooral gestuurd door het bodemsaneringsdecreet dat vooral in werking treedt bij overdracht van gronden. De eigenaar van een perceel moet b.v. bij verkoop, verhuur of bebouwing door derden een bodemattest toevoegen. Op die manier wordt de bodemkwaliteit beter in kaart gebracht en worden een aantal verontreinigde gronden verplicht onderworpen aan een bodemsanering. Voor waterbodems dient er bij een slibruiming een procedure gevolgd te worden die eveneens bepaald wordt door de kwaliteit van het slib.. Bodemsanering is echter een zeer dure effectgerichte maatregel die slechts op een kleine schaal kan ingezet worden en die de globale milieuproblematiek op schaal Vlaanderen niet kan oplossen. Bufferstroken zouden als effectgerichte maatregel vooral kunnen bijdragen tot het beperken of het vertragen van de verspreiding van verontreinigde stoffen (zie ook deel 4.3.6 Waterlopen). Ze reduceren enerzijds het transport van verontreinigende stoffen naar het oppervlaktewater en spelen anderzijds een essentiële rol in heel de problematiek van bodemerosie en verhoogd sedimenttransport en bijgevolg ook in de stroomafwaartse verspreiding van verontreinigde stoffen binnen het waterlopennetwerk (165). Bufferstroken langsheen de waterloop zijn een goede maatregel tegen oevererosie doordat de vegetatie permanent is en de oever doorworteld. Mits correct toegepast en onderhouden kunnen bufferstroken langs waterlopen 45 tot 80% van het afspoelende sediment opvangen (269 en 579). Daarnaast vormen de grasgangen in de akker zelf een bijkomende bufferstrook tegen bodemerosie. Het terugdringen van verhoogd sedimenttransport kan de noodzaak tot slibruiming omwille van dwingende redenen voor waterafvoer terugdringen zodat ook minder vaak moet overgegaan worden tot gecontroleerde afvoer en berging. Hierdoor kan de ruimtelijke spreiding van de verontreiniging opnieuw beperkt worden. Er is momenteel een strategisch project gestart dat zowel inhoudelijk als juridisch de mogelijkheden onderzoekt voor de aanleg van bufferstroken (671). Verwerving, beheersovereenkomsten en erfdienstbaarheden zijn beleidsinstrumenten die, vooral voor de bescherming van aquatische
systemen, zullen ingezet worden. Gezien de grensoverschrijdende problematiek is een internationaal reductieprogramma voor milieugevaarlijke stoffen vereist. Instrumenten die gestuurd worden vanuit Europa kunnen hiertoe de aanzet geven. Er bestaan reeds verscheidene internationale afspraken rond gevaarlijke of prioritaire stoffen zoals richtlijn 76/464/EEG of de pesticidenrichtlijn. Een belangrijke leidraad wordt recentelijk gegeven door de Europese kaderrichtlijn Water (KRW). Die geeft de aanzet geeft tot het opmaken van een nieuwe lijst van prioritaire stoffen en die legt de verplichting op om de stoffen te monitoren en te komen tot een progressieve vermindering of stopzetting van deze stoffen. Daarnaast zijn de lidstaten verplicht om gebiedsgerichte maatregelenprogramma’s uit werken om de kwaliteitsdoelstellingen te halen. Op lokaal niveau kunnen deze programma’s verder geconcretiseerd worden in de (deel)bekkenbeheerplannen waarvan de eerste verwacht worden tegen 2003 (zie ook deel 4.3.6 Waterlopen). Aanvullend zouden instrumenten zoals land- en natuurinrichting eveneens gebiedsgerichte doelstellingen en actieplannen kunnen uitwerken.
Lectoren Lieven Bervoets, Marcel Eens – UA, Departement Biologie Michel Boucneau en Ward De Cooman - Vlaamse Milieumaatschappij Christophe Dierckxsens – AMINAL, afdeling Water Bob Peeters - Vlaamse Milieumaatschappij, MIRA Erik Smolders – KULeuven, Laboratorium voor Bodemvruchtbaarheid en -biologie Bart Vandecasteele – Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer Jaco Vangronsveld – LUC, Laboratorium voor Milieubiologie
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
217
Verstorings- en herstelprocessen
5.7 Versnippering Johan Peymen1 , Saar Monden2 , Koen Van Den Berge2, Olivier Honnay3, Luc De Bruyn1 Instituut voor Natuurbehoud Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer 3 KULeuven, Laboratorium voor Bos, Natuur en Landschap 1
2
5.7.1 Inleiding 5.7.1.1 Afbakening van versnippering Versnippering is de verdeling van ruimtelijke gehelen in kleine of minder samenhangende gehelen. Gevolgen hiervan zijn verhoogde laterale effecten, minder functionaliteit en landschappelijke samenhang en een afname van de ecologische leefbaarheid of de maatschappelijke waarde van de fragmenten (318).Versnippering wordt als een "sleutelindicator" binnen de milieuproblematiek beschouwd, omdat het als één van de belangrijkste oorzaken wordt gezien van de achteruitgang van de natuurwaarden in Vlaanderen (402). In dit natuurrapport (en de daaropvolgende), wordt de klemtoon gelegd op de relatie tussen versnippering, enerzijds, en het verlies van biodiversiteit, anderzijds. In figuur 5.7.1 wordt, volgens de DPSIR-benadering, weergegeven welke de bepalende elementen zijn binnen het thema versnippering. Met betrekking tot de natuurrapportage, is het dan ook essentieel om het complexe begrip
versnippering te definiëren en in een ruimere context te beschouwen. Dit schema dient als leidraad voor de interpretatie van de beschreven toestand van de natuur m.b.t. versnippering, voor het huidige en de toekomstige natuurrapporten. De inhoudelijke invulling van het natuurrapport begint ter hoogte van de "State" (figuur 5.7.1). De beschreven effecten ("State") leiden tot gevolgen voor de natuur ("Impact"), die aanleiding geven (of moeten geven) tot een daarop aangepast beleid ("Response"). De actoren ("Pressure") die versnippering veroorzaken, zijn terug te vinden in de MIRA-rapporten. Aan de hand van dit schema, kan ook duidelijk de link aangegeven worden tussen NARA en MIRA. De biodiversiteit van de natuur wordt sterk bedreigd door invloeden die worden samengevat als de "ver"-thema's: vermesting, verzuring, verdroging, verontreiniging (delen 5.3 - 5.6) en versnippering. De eerste 4 hebben vooral een invloed op de kwaliteit van het leefgebied van de plant- en diersoorten. Uiteindelijk, is de kwaliteit doorslaggevend voor de samenstelling van de levensgemeenschap en de omvang van de populaties. Het vijfde thema, versnippering, heeft in eerste instantie effect op de kwantiteit en structuur van het leefgebied: de omvang van de leefgebieden neemt af, evenals de bereikbaarheid. Populaties worden kleiner en dit vermindert de overlevingskans van veel soorten. Hoe kleiner het habitat van een soort, des te kleiner de populatie die daar kan voorkomen. Zo definieert Kalkhoven et al. (386) een kernpopulatie aan de hand van de vuistregel 20/50. Bij grote diersoorten zijn 20 paren nodig voor een kernpopulatie, bij kleine diersoorten 50. Indien een populatie groot genoeg is, gebonden aan één
Figuur 5.7.1: Versnippering als integrerend proces, voorgesteld volgens het DPSIR-model.
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
218
Verstorings- en herstelprocessen grote habitatplek, waarbij isolatie geen effect heeft op het voortbestaan van deze populatie, dan kunnen we spreken van een "Minimum Viable Population" (MVP) (737, 329). Naast deze configuratie kunnen een aantal ruimtelijke varianten onderscheiden worden. Zo kan men een netwerkpopulatie hebben zonder kerngebieden (gebieden met een kernpopulatie), dus bestaande uit kleine habitatplekken die voor een duurzaam voortbestaan op elkaar zijn aangewezen. Wanneer nu zo'n habitatnetwerk groot genoeg is om een duurzame metapopulatie (kernpopulatie) te kunnen onderhouden, dan spreken we van een "Minimum Viable Metapopulation". Uiteindelijk kunnen er dus habitatnetwerken onderscheiden worden met of zonder kernpopulaties. Tengevolge van de dynamiek in (meta)populaties, die kracht kan worden bijgezet door toevallige gebeurtenissen (bijvoorbeeld, weersomstandigheden), heeft een kleine populatie een grote kans om te verdwijnen. Dit "lokaal" uitsterven (extinctie) is een veel voorkomend verschijnsel in de natuur dat in normale omstandigheden gecompenseerd wordt door rekolonisatie van de "lege" gebieden. Rekolonisatie kan alleen optreden als dieren en/of planten vanuit andere gebieden (source) naar de "lege" gebieden (sink) kunnen migreren (dispersie). Deze uitwisseling wordt nu net bemoeilijkt door de toenemende afstand tussen de afzonderlijke gebieden en de aanwezigheid van barrières in het landschap (zie eerder, habitatnetwerken). Door versnippering, kan het evenwicht tussen extinctie en rekolonisatie verstoord worden, waardoor de overlevingskans van de soort afneemt. Dit proces begint lokaal, maar kan uiteindelijk leiden tot het landelijk uitsterven van de soort. Hierdoor stellen we op langere termijn een verarming vast van de biologische en genetische biodiversiteit. Versnippering kan ontstaan, ten gevolge van ruimtelijke en/of functionele processen. Bij ruimtelijke versnippering, wordt geduid op de verandering van de ruimtelijke samenhang. Functionele versnippering wijst op verstoringseffecten van het milieu die versnipperend werken. Deze kunnen het gevolg zijn van ruimtelijke versnippering, zoals vervuiling van waterlopen door verspreide bebouwing, waardoor de migratiefunctie voor vissen afneemt, licht- en lawaaihinder langsheen wegen, waardoor dieren worden afgeschrikt, insijpeling van mineralenrijk grondwater vanuit een landbouwzone in natuurgebieden, door een sterk begrensd bodemgebruik...
verstoort en vervuilt het gebruik en onderhoud van de wegen de omgeving. Daarbij komt het feit dat infrastructuur en verkeer een fysische barrière veroorzaken voor een groot aantal dieren, en door aanrijdingen in het verkeer worden jaarlijks zeer veel dieren gedood (561). Deze verschillende biotische en abiotische factoren veroorzaken niet alleen een nettoverlies aan en isolatie van het leefbiotoop voor dieren, maar splitsen het landschap ook letterlijk op. Naast de directe effecten zijn er ook indirecte effecten die deze gebieden verder isoleren en verkleinen (bijvoorbeeld lintbebouwing t.g.v. nieuwe wegen). Bebouwing Bebouwing in al haar vormen (bewoning, industrie, recreatie,...) wordt naast verkeersinfrastructuur als één van de voornaamste oorzaken van versnippering beschouwd. Groeiende verstedelijking en lintbebouwing zijn op weg om in Vlaanderen belangrijke gedeelten van de nog resterende open ruimte om te vormen tot zones met een randstedelijk karakter. Bebouwing heeft zich in Vlaanderen sterk ontwikkeld langs het wegennetwerk. Dit omvat zowel woningen als bedrijfsgebouwen. Tevens is verspreide bebouwing ook ontstaan door gebrek aan ruimtelijke ordeningsprincipes in het vroegere beleid. Ook de afrastering van tuinen (draad, betonnen wanden, muren) als gevolg van bebouwing kan een barrière vormen voor tal van soorten. Landbouw Enerzijds heeft men de ruimtelijke mozaïek, die in belangrijke mate bepaald is door de "versnippering" van de gewestplanbestemmingen met daaraan verbonden de scherpe fysische begrenzingen. Daarnaast kan ook het grondgebruik "op zich" versnipperend werken: onder meer uitgestrekte akkergronden met weinig of geen kleine landschapselementen beperken voor heel wat diersoorten veelal in belangrijke mate de migratiemogelijkheid. Eén van de meest opvallende aspecten van veranderingen in tal van landschappen in Vlaanderen is het uitdunnen en verdwijnen van de perceelrandbegroeiingen, zoals houtkanten en bomenrijen. Ecologisch verdwijnt hiermee de geleidende alsook habitatfunctie van deze kleine landschapselementen voor heel wat diersoorten.
De 3 grote actoren ("Pressure", zie figuur 5.7.1) die versnippering veroorzaken zijn:
5.7.1.2 Effecten en gevolgen van versnippering
Transportinfrastructuur De fysische aanwezigheid van transportinfrastructuur in het landschap verandert en verstoort enerzijds de natuurlijke processen en habitats, maar anderzijds worden er nieuwe biotopen langs de wegranden gecreëerd.Verder
In functie van de oorzaak van versnippering (transportinfrastructuur, bebouwing, landbouw), zullen deze effecten in meerdere of mindere mate bepalend zijn voor de impact op een systeem. In de volgende paragrafen wordt hier dieper op ingegaan.
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
219
Verstorings- en herstelprocessen Effecten Ruimtebeslag De constructie van wegen, kanalen of spoorlijnen, alsook bebouwing en een verandering in grondgebruik (v.b. ruilverkaveling) veroorzaakt steeds een nettoverlies aan biotoop voor fauna en flora. Waarschijnlijk is, bij de aanleg van transportinfrastructuur, het directe ruimtebeslag het meest duidelijke effect op de natuur. Dit negatief effect (nettoverlies) wordt versterkt door randeffecten, zoals verstoring en isolatie (bijkomende lintbebouwing), die uiteindelijk leiden tot een bijkomend ruimtebeslag (indirect eco(bio)toopverlies). Onvermijdelijk resulteert dit in een gewijzigd voorkomen van diersoorten in het langsliggend landschap. Bij het bouwen van infrastructuren is het van groot belang enerzijds te weten hoeveel natuur er verdwijnt en anderzijds wat de natuurbehoudwaarde is van de natuur die eventueel verdwijnt. Om dit voor Vlaanderen weer te geven werden er de afgelopen jaren kwetsbaarheidkaarten uitgewerkt voor o.a. ecotoopverlies, vermesting (deel 5.3), verzuring (deel 5.4), verdroging (deel 5.5) en barrière (deel 5.7) (531). Het concept voor de opmaak van deze kaarten is toegelicht in deel 3.4.1 Kwetsbaarheidkaarten. Het belang van deze signaalkaarten ligt in het feit dat men voor uitvoering van infrastructuurprojecten kan nagaan hoeveel en van welke kwaliteit het verlies aan natuur is. Op deze manier kan men alternatieven (indien deze bestaan) afwegen, zodanig dat het verlies van waardevolle ecotopen (als
onderdeel van versnippering) minimaal is. In figuur 5.7.2 wordt de kwetsbaarheidkaart voor ecotoopverlies weergegeven. Verstoring Even belangrijk als het directe ruimtebeslag bij het aanleggen van een bepaalde infrastructuur, zijn de hierbij gepaard gaande veranderingen (ook ten gevolge van gebruik) die optreden in de hydrologie en het microklimaat (fysische verstoring), geluidshinder en visuele verstoring. Fysische verstoring Bij de aanleg van transportwegen, wordt de fysische omgeving ervan onvermijdelijk beïnvloed. De werkzaamheden veranderen factoren, zoals de bodemdichtheid, het microreliëf, de hydrologie en het microklimaat en wijzigen dus de eco(bio)toopsamenstelling van het landschap. Zo kunnen nieuwe wegen bestaande waterlopen doorsnijden, waardoor de structuur van waterloop (inclusief oevers), alsook de grondwaterstromingen binnen de beekvallei (kwel - infiltratie) ernstig verstoord worden. Deze "barriere" m.b.t. grondwaterstromingen kan er toe leiden dat kwelgebieden droogvallen en daardoor niet meer geschikt zijn voor de aldaar voorkomende fauna en flora. Geluidshinder Gebieden zonder geluidsverstoring van verkeer, industrie of landbouw zijn schaars geworden (591). Langdurige blootstelling aan geluid kan leiden tot stress of eventueel
Figuur 5.7.2: Kwetsbaarheidkaart voor ecotoopverlies.
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
220
Verstorings- en herstelprocessen tot fysiologisch slecht functioneren bij mensen (380, 605, 421, 94). In hoeverre fauna in dezelfde mate gestresseerd wordt door geluid is vooralsnog onduidelijk (78). Vogels zijn in het bijzonder gevoelig voor verkeersgeluid, aangezien het direct interfereert met hun communicatie (zang) en bijgevolg ook hun territoriumgedrag en reproductie (547). Diverse studies tonen een verminderde densiteit van broedvogels aan in de zones naast een drukke verkeersweg (672, 371, 549). Reijnen et al. (548, 549) nam waar dat in open graslanden de broedvogeldichtheid begint af te nemen eens het geluid 50dBA overschrijdt. Ondanks de sterke correlatie tussen geluidsverstoring en dichtheid van broedparen, varieert de gevoeligheid voor soorten in beboste biotopen zelfs vanaf 40dBA (figuur 5.7.3). Ondanks de sterke correlatie tussen geluidsverstoring en dichtheid van broedparen, varieert de gevoeligheid aan geluidsverstoring sterk naargelang de soort en de biotoop (672, 550, 383). Daarbij komt dat omgevingsfactoren zoals de structuur van de wegkantvegetatie, het soort biotoop en het reliëf de geluidsuitspreiding en de densiteit aan vogels beïnvloeden en bijgevolg ook het geluidseffect op de vogelpopulatie (404, 478). Lichthinder Wegverkeer impliceert ook een visuele verstoring voor fauna, veroorzaakt door wegverlichting (228) of het bewegingseffect van het verkeer. Het licht afkomstig van wegverlichting, kan de groeiregulatie bij planten aantasten (604) en het broed- en foerageergedrag bij vogels verstoren (348). Verlichte wegen trekken ook insecten en bijgevolg ook vleermuizen aan (567, 132), wat een weerslag kan hebben op de bescherming van die soorten vleermuizen of insecten (621). Madsen (437) noteerde dat ganzen die foerageren in de buurt van wegen meer gevoelig waren voor bijkomende verstoring door mensen dan wanneer deze verderaf verwijderd waren. Daarentegen nam Reijnen et al. (549) geen visuele verstoring op broedvogels waar door beweging van voertuigen. Drukke verkeerswegen blijken grotere zoogdieren af te schrikken en doet hen wegen vermijden (465, 432, 504).
Figuur 5.7.3: Afname relatieve broedvogeldichtheid afhankelijk van geluidsverstoring (dBA) en het type biotoop dat doorsneden wordt (548).
Verontreiniging Regenwater afkomstig van het wegdek is dikwijls zwaar verontreinigd met olie- en teerresten en zware metalen zoals lood, kwik,... Gedurende de wintermaanden, wanneer er gestrooid wordt, bevat het afvoerwater bovendien zeer hoge concentraties dooizouten. Deze zijn in de eerste plaats schadelijk voor de vegetatie in de bermen. Het verkeer en het onderhoud van het wegennet dragen in grote mate bij tot de lucht-, bodem- en watervervuiling door de uitstoot van o.a. stof, zout, zware metalen, organische en toxische stoffen in de omgeving. De meeste van deze stoffen accumuleren in de nabijheid van de weg, maar sommige spreiden ook uit over grotere afstanden (verscheidene honderden meter bij meewind komt voor (327). Acute effecten op de plantengroei en de fauna kunnen waargenomen worden tot op honderden meter verwijderd van drukke wegen (574, 116, 545, 295, 79). Barrière-effect Voor het merendeel van de dieren betekenen de transportconstructies een belemmering (naar oversteekbaarheid) in het leefgebied van de soort (barrière-effect). Het kan resulteren in een inkrimping van het areaal van de soort, of het onbereikbaar maken van bepaalde delen in z'n leefgebied en kan op den duur zelfs leiden tot isolatie van hele populaties. Afhankelijk van de oorzaak van barriére kunnen twee types onderscheiden worden: - Barrière veroorzaakt door transportinfrastructuur (531); - Barrière veroorzaakt door veranderd grondgebruik tussen twee habitatplekken. Het betreft hier eigenlijk de gebieden die tussen het transportnetwerk s.l. liggen. De verandering in grondgebruik kan bijvoorbeeld het verdwijnen van "stepping stones" zoals kleine landschapselementen inhouden. Dit heeft voor gevolg dat de connectiviteit in het landschap aangetast wordt (73). Daarnaast moet er nog een onderscheid gemaakt worden tussen barrières in het terrestrisch milieu enerzijds en het aquatisch milieu anderzijds.Wat deze laatste betreft, gaat het over obstakels zoals duikers, sluizen, watermolens,... die de migratie van o.a. vissen sterk kunnen belemmeren. De barrières hoeven niet enkel structureel te zijn, ook waterverontreiniging (deel 5.6) kan de migratie van vissen tussen twee habitatplekken onmogelijk maken. Van grotere diersoorten is geweten dat ze de zones langs wegen, vermoedelijk omwille van menselijke activiteit, vermijden. Hierdoor kunnen soorten dus een zelfde isolatie-effect ondervinden, als soorten waarvoor een bepaalde constructie een niet-oversteekbare hindernis betekent (186, 432).
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
221
Verstorings- en herstelprocessen Dit barrière-effect als gevolg van ontwijking, is gedragsafhankelijk en bijgevolg niet van toepassing voor dieren waarbij een gewenning optreedt aan de nabijheid van wegen (of de menselijke activiteit ervan). Voor de meeste grotere zoogdieren worden wegen slechts een absolute fysische barrière wanneer deze afgerasterd zijn of wanneer de verkeersintensiteit te hoog wordt. Indien de migratiedrang sterker is dan het ontwijken van een barrière, dan leidt dit vaak tot verkeersslachtoffers. Voor kleinere dieren en vooral bij invertebraten betekent een weg en eventueel de wegkanten een aanzienlijk grotere barrière.Veldexperimenten met kevers en spinnen tonen aan dat zelfs kleine grindbaantjes de oversteekactiviteiten aanzienlijk verminderen (434, 436). Ook amfibieën en reptielen ervaren wegen als sterke barrières omdat ze gemakkelijk overreden worden of ten prooi vallen aan roofdieren (291, 87). Fragmentatie Het doorsnijden van gebieden (o.a. door transportinfrastructuur) heeft niet enkel als gevolg dat de totale oppervlakte aan geschikt habitat afneemt. Ook de verhouding tussen de grens (omtrek) en oppervlakte van het betreffende gebied wordt sterk gewijzigd. Dit heeft als gevolg dat er een grotere impact is vanuit de randeffecten. Het effect van de doorsnijding wordt ook sterk bepaald door de plaats waar het betreffende gebied doorsneden wordt. Een doorsnijding van een gebied dat aanleiding geeft tot 2 gebieden met een verdeling van 10/90 heeft in principe een veel lagere impact dan wanneer hetzelfde gebied middendoor wordt gesneden (50/50). Gevolgen Verlies van biodiversiteit Wanneer populaties gedurende een aantal generaties van elkaar (door bijvoorbeeld wegen) gescheiden worden, kunnen er demografisch of genetisch verschillende deelpopulaties ontstaan. In de meeste gevallen is een barrière niet absoluut, maar ook dan kan de infrastructuur de populatie beïnvloeden en kunnen individuen belemmerd zijn in hun bewegingen. De vraag stelt zich in hoeverre een populatie het barrière-effect kan dragen, of hoeveel "connectiviteit" nodig is om de mobiliteit van een individu, lokale populatie, metapopulatie of het genentransport in het algemeen mogelijk te maken. Algemeen kan gesteld worden dat soorten met een groot areaal en soorten die in kleine populaties voorkomen het meest gevoelig zijn voor de gevolgen van het barrière-effect. Grote en mobiele soorten beslaan een groter leefgebied en zullen bijgevolg vaker te maken krijgen met
de barrières. Kleine populaties zijn echter meer gevoelig voor inteelt, of sterven makkelijker uit en hangen dus meer af van immigratie dan grotere populaties (590, 599, 430, 512). Hetzelfde principe geldt voor barrières in de open ruimte. Verkeersslachtoffers Het verkeer maakt verkeersslachtoffers bij veel soorten die dan toch wegen proberen over te steken. Dit aspect kan als een deelfacet van het barrière-effect gezien worden. Het aantal aanrijdingslachtoffers stijgt nog steeds ten gevolge van de verdere uitbreiding van het infrastructuurnetwerk en het stijgende verkeersvolume. Ook de verdeling van het verkeersvolume (dag - nacht) heeft een sterke invloed. Het aantal dieren dat jaarlijks doodgereden wordt is zeer groot, maar het moet gezien worden in relatie met de populatieomvang en de grootte van het gebied. Een groot aantal verkeersslachtoffers duidt niet noodzakelijk op een bedreiging (m.b.t. leeftijd van de verkeersslachtoffers en de populatie-opbouw) voor de soort zelf, maar eerder op een zekere algemeenheid en wijdheid van verbreiding van de soort. Langs de andere kant betekenen de verkeersslachtoffers voor een kleine lokale populatie wel een belangrijk verlies. Er wordt aangenomen dat verkeer de grootste doodsoorzaak vormt voor veel bedreigde diersoorten wereldwijd (331). Zo is bijvoorbeeld verkeer de hoofddoodsoorzaak voor das (Meles meles) in Denemarken (67) en in Groot-Brittannië (168), maar lijkt het de populatie al bij al niet echt te beïnvloeden. In Nederland daarentegen bedraagt de verkeerssterfte 18-20% van de Nederlandse dassenpopulatie en vereist specifieke mitigerende maatregelen (673, 147). Veel amfibieënpopulaties gaan achteruit met als één van de hoofdoorzaken de infrastructuur (133). Amfibieën zijn speciaal kwetsbaar voor wegverkeer aangezien bij de jaarlijkse trek naar de voortplantingswaters vaak wegen moeten overgestoken worden. Ook heeft het opgewarmde en vochtige wegdek een sterke aantrekkingskracht op de dieren (749). Corridors Het is duidelijk dat de uiteindelijke impact op de leefbiotoop voor fauna bij aanleg van infrastructuurconstructies, veel wijder is dan louter het ruimtebeslag s.s.. Bij de aanleg van wegen, kanalen en spoorlijnen worden vaak nieuwe landschapselementen gecreëerd die in beperkte mate dienst kunnen doen als nieuw habitat of als geleidingscorridor voor diersoorten.
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
222
Verstorings- en herstelprocessen Habitatfunctie Er zijn een hele reeks studies die het belang van wegkanten als habitat voor flora en fauna aantonen (435, 667, 91). In landbouwgebieden en verstedelijkte regio's kan dit type habitat een belangrijk of zelfs soms in praktijk de enige habitat voor dieren vormen (667, 425). Hierbij moet toch wel duidelijk gesteld worden dat voor het aanleggen van lineaire landschapselementen (zoals bermen, houtkanten,....) men niet moet vertrekken vanuit de aanleg van een weg. Veel plant- en diersoorten zullen voorkomen in de grasbermen langs autowegen en spoorlijnen (370, 91). Wanneer er minder of niet gemaaid wordt, zullen de wegkanten dichtgroeien met struiken of bomen en eerder een biotoop vormen voor vogels en kleinere zoogdieren (413, 333, 478), of dienst doen als voedselgebied of tot beschutting voor grotere soorten. Ondanks het feit dat wegranden soms geschikt kunnen zijn als potentieel habitat voor een reeks soorten, blijft het onwaarschijnlijk dat de nieuw ontstane biotoop de oorspronkelijke volledig zal vervangen of een gelijkwaardige ecologische waarde zal hebben dan vergelijkbare biotopen op een zekere afstand van de infrastructuurconstructie. Als gevolg van negatieve effecten zoals verstoring en verontreiniging, zal de soortensamenstelling normaal gezien meer neigen naar een hoger percentage aan generalistische- en pionierssoorten (272, 435, 130). Dit alles neemt niet weg dat met een goed bermbeheer de esthetische kwaliteit, de soortenrijkdom en de zeldzaamheidswaarde van de wegbermen aanzienlijk kan worden verbeterd. Migratiefunctie Omdat wegkanten een geschikt biotoop kunnen zijn voor een reeks soorten, kunnen ze ook dienst doen voor migratiebewegingen, actief of passief, van dieren (740, 667, 74) vooral in de richting van de weg. Deze bewegingen kunnen op verschillende manieren gebeuren. Wegkanten kunnen dieren geleiden in hun dispersie of migratiebewegingen, analoog aan de "natuurlijke" corridors in het landschap. Het wegdek van kleine wegen met lage verkeersintensiteit kan door de dieren gebruikt worden als pad (wissel). In open landschappen zonder natuurlijke geleidingscorridors, kunnen soorten soms niet migreren tussen de verschillende kerngebieden. Kleine restanten van geschikt habitat kunnen dienst doen als "stepping stones" tussen de
kerngebieden. Natuurlijke corridors in combinatie met de corridors langs transportwegen, kunnen dieren aantrekken en ze geleiden naar een moeilijk oversteekbare locatie waar ze kans lopen overreden te worden. De verschillende manieren waardoor wegcorridors dieren geleiden en hun verplaatsingen mogelijk maken, kan aanleiding geven om deze corridors als een deel van het ecologische netwerk te zien. Maar er zijn een aantal duidelijke verschillen die wegkanten onderscheiden van de natuurlijke corridors en hun succesvolle integratie in het ecologisch netwerk bemoeilijken (433).
5.7.2 Effectketen Afhankelijk van de beschikbaarheid van data, zal voor eerder vernoemde effecten van versnippering de toestand voor Vlaanderen besproken en ruimtelijk weergegeven worden.
5.7.2.1 Ruimtebeslag De onbebouwde ruimte bedroeg in 1980, volgens de bodembezettingsstatistieken van het Nationaal Instituut voor Statistiek (NIS), 84,4% van de totale oppervlakte van het Vlaamse Gewest (1.375.010 ha). Ze omvat agrarische gronden, bossen en woeste gronden, recreatieterreinen en parken, waters en wegen (tabel 5.7.1). Deze oppervlakte daalde in 1992 tot nog slechts 79,5% van het totale oppervlak, en boerde in 1997 nog verder achteruit. De reden van deze daling is vooral toe te schrijven aan de afname van de agrarische oppervlakte, ten gunste van de bebouwde oppervlakte, die groeide van 9,9% van de totale oppervlakte in 1980 naar 15,5% in 1997. De bodemgebruikcategorieĂŤn van het NIS, geven echter geen duidelijk beeld van de verstedelijking en het aandeel van de open ruimte in het geheel. Zo worden, bijvoorbeeld, de gekadastreerde wegen en recreatieterreinen ondergebracht bij de onbebouwde ruimte. De niet gekadastreerde gronden, die in 1992 6,7% van de totale oppervlakte vertegenwoordigden, zijn niet in de classificatie onbebouwd en bebouwd opgenomen, maar kunnen wel infrastructuren bevatten. Op basis van bovenstaande cijfers, kan men afleiden dat de oppervlakte aan open ruimte daalt. Ook wordt in MIRA-T 1999 aangegeven dat de groeiende verstedelijking en de lintbebouwing belangrijke gedeelten van de nog resterende open ruimte in Vlaanderen omvormen tot zones met een randstedelijk karakter (318).
Tabel 5.7.1: Bodembezetting in Vlaanderen in 1980, 1992, 1997. (bron: NIS-statistieken).
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
223
Verstorings- en herstelprocessen Hoewel men weet dat "natuur" binnen de open ruimte valt, is het moeilijk op basis van deze cijfers een interpretatie te geven van de kwaliteit van de natuur die, net als de hoeveelheid, steeds minder wordt (zie 5.7.1.2).
Het digitale wegenbestand geeft een totale lengte van 20.613 km grotere transportinfrastructuur. Wanneer ook de kleinere wegen meegerekend worden, loopt de totale lengte van het transportwegennet op tot 65.977 km.
Op basis van de Kwetsbaarheidkaarten met betrekking tot ecotoopverlies (figuur 5.7.2) en kaarten die mogelijke alternatieven van nieuwe wegen weergeven, kan de impact van nieuwe infrastructuren worden geĂŤvalueerd. Het is evenwel nuttig te zien wat er momenteel aan natuur is verdwenen, t.g.v. de bestaande transportinfrastructuur (figuur 5.7.4). In de oefening in de volgende paragrafen wordt weergegeven wat er aan "natuur" verdwenen is ten gevolge van transportinfrastructuur.
De oppervlakte aan gebied dat door wegen, kanalen en spoorlijnen wordt ingenomen, is een belangrijk aspect bij het opstellen van MER-rapporten, en wordt vaak gebruikt om compenserende en milderende maatregelen bij infrastructuurprojecten uit te werken (8). Hierbij worden de bijhorende verstorings- en isolatie-effecten, waarvan het effect veel verder reikt dan het loutere ruimtebeslag, vaak onderschat.
De transportsector legt met zijn ruim aantal transportmiddelen en de uitgebreide infrastructuur een aanzienlijk beslag op de beschikbare ruimte. Een autosnelweg met 2 rijstroken in beide rijrichtingen, heeft al gauw een breedte van 50 meter. Bij een dergelijke breedte, neemt de autosnelweg minstens 5 ha per kilometer rijweg in beslag. Een groot deel van deze oppervlakte is verhard en bijgevolg permanent verloren als natuurlijke leefomgeving voor planten en dieren. Figuur 5.7.4 geeft een idee van deze dichtheid en de spreiding van hoofdwegen (exclusief de plaatselijke /landelijke wegen), kanalen en spoorwegen in Vlaanderen, in de 12 ecoregio's.
Door de Kwetsbaarheidkaart voor ecotoopverlies (figuur 5.7.2) te combineren met het Vlaamse hoofdtransportnet (figuur 5.7.4), kan een inschatting gemaakt worden van de hoeveelheid ruimte (ha) en de kwaliteit van het gebied dat hierdoor ingenomen is (tabel 5.7.2). In Vlaanderen, is 3,5% van de ruimte ingenomen door transportinfrastructuur (hoofdwegennetwerk, spoor, kanalen). Als we kijken naar het aandeel landbeslag (m2) ingenomen door transportinfrastructuur per oppervlakte van een gebied (ecoregio), dan kunnen we stellen dat in de "natuurklassen" (kwetsbaar en zeer kwetsbaar) het gemiddelde voor Vlaanderen in de Duinen, Centrale en Zuidelijke Kempen, Kust- en Scheldepolders en de Oostelijke Kempen voor beide kwetsbaarheidklassen overschreden wordt. In de Noordelijke Kempen en de Westelijke en
Figuur 5.7.4: Hoofdwegennetwerk (i.e. wegen, spoorlijnen en kanalen; exclusief kleine lokale wegen) op Vlaams grondgebied per ecoregio (Streetnet, 2000). Verklaring nummering in tabel 5.7.2.
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
224
Verstorings- en herstelprocessen
Tabel 5.7.2: Ruimtebeslag (ha) ingenomen door hoofdtransportnet en met coëfficiënt verhouding opp. infrastructuur (m2) met opp. regio (ha) in Vlaanderen per ecoregio.
Centrale Heuvels, wordt het gemiddelde landbeslag enkel voor de zeer kwetsbare gebieden overschreden. Ondanks een zeer groot landbeslag van de transportinfrastructuur (vergelijkbaar met Centrale en Zuidelijke Kempen) in Zandig Vlaanderen, ligt het landbeslag in "natuur" onder het gemiddelde voor Vlaanderen. Dit kan, onder andere, verklaard worden door het feit dat deze regio zeer laag scoort wat "natuur" betreft (figuur 5.7.2).
5.7.2.2 Barrière Bij de bespreking van de barrière-effecten voor Vlaanderen, wordt vooropgesteld dat barrières op te splitsen zijn in, enerzijds, terrestrische en aquatische barrières en anderzijds, de barrières die door infrastructuur of de inrichting van de ruimte (grondgebruik) ontstaan. Met betrekking tot de beschikbare resultaten, bespreken wij in dit natuurrapport de Kwetsbaarheidkaarten voor barrières die het gevolg zijn van transportinfrastructuur (terrestrisch), en vismigratieknelpunten (aquatisch) voor Vlaanderen.
levendbarende hagedis, heikikker, rugstreeppad, vuursalamander). De volledige resultaten (inclusief habitatfiches, habitatkaarten, concepten) zijn te raadplegen en/of op cdrom te verkrijgen op de internetsite www.nara.be (raadpleging juni 2001). In figuur 5.7.5 wordt een voorbeeld van een habitatkaart weergegeven, waarbij het resultaat werd bekomen op basis van 6 criteria (bodem, afstand t.o.v. bronbeken, opp. geschikt habitat,...). Hierbij werden nadien bestaande verspreidingsgegevens ter controle gebruikt. Aangezien voor de verschillende soorten vaak andere en niet evenveel criteria gebruikt worden en we de scores op een gelijke schaal willen weergeven, werden de scores gestandaardiseerd op basis van een gewogen gemiddelde. Aan hoe meer criteria wordt voldaan, des te geschikter is het gebied voor de beschouwde soort. De kwetsbaarheid voor een barrière is hier positief mee gecorreleerd.
Terrestrisch In deel 3.4.1 Kwetsbaarheidkaarten, wordt het concept voor de opmaak van barrièrekaarten toegelicht. In dit hoofdstuk, wordt dieper ingegaan op de resultaten die bekomen werden op basis van het VLINA-project "Opstellen en beoordelen van ecosysteemkwetsbaarheidkaarten voor ecotoopverlies en barrière-effecten voor Vlaanderen". Voor een aantal soorten, werden habitatfiches en kaarten opgesteld.Voor de selectie van de soorten, werden een aantal criteria vooropgesteld, zoals rodelijstsoorten, relevante soorten m.b.t. barrière, haalbaarheid m.b.t. de aanmaak van een habitatkaart. Uiteindelijk werden in totaal 17 indicatorsoorten geselecteerd (bunzing, boommarter, das, eekhoorn, hamster, otter, ree, waterspitsmuis, bruine kiekendief, nachtzwaluw, tureluur, gladde slang, hazelworm,
Figuur 5.7.5: Detailvoorbeeld habitatkaart voor vuursalamander (Salamandra salamandra).
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
225
Verstorings- en herstelprocessen De opgestelde habitatkaarten op zich kunnen, net zoals de Kwetsbaarheidkaarten voor ecotoopverlies, aangewend worden als signaalkaarten die aangeven waar, ten gevolge van de aanleg van een nieuwe infrastructuur (of door wijziging van grondgebruik), voor fauna belangrijke gebieden negatief beïnvloed worden. Verder dienen de aangemaakte habitatkaarten als basis voor de aanmaak van de eigenlijke barrièrekaarten (figuur 5.7.6). Het doel van deze barrièrekaarten, m.b.t. transportinfrastructuur, is het aanduiden van potentiële knelpunten voor een aantal diersoorten, relatief aan de barrière-effecten. Dit heeft zowel betrekking op de reeds bestaande constructies (a.d.h.v. barrièrekaarten) als de eventueel nog geplande transportinfrastructuur (a.d.h.v. habitatkaarten). Aangezien in Vlaanderen aanrijdings- en verspreidingsgegevens vooralsnog erg gedecentraliseerd en onsystematisch verzameld worden (zie 5.7.3.2), is het erg moeilijk om knelpunten m.b.t. barrière door transportinfrastructuur te lokaliseren. De barrièrekaarten kunnen mogelijk als aanvulling op of ter vervanging van de voornoemde gegevens dienen en zo een eerste indicatie geven over gevoeligheid van een aantal richtsoorten voor barrières. Ter illustratie van de resultaten relatief aan de kwetsbaarheid voor een barrière-effect is, enerzijds, een wijdverspreide en mobiele soort (ree, Capreolus capreolus) gebruikt tegenover, anderzijds, een weinig mobiele soort (vuursalamander, Salamandra salamandra) met specifieke habitatvereisten. Daarnaast verschillen deze soorten ook met betrekking tot de te treffen ontsnipperingsmaatregelen. Wat de ree betreft, denken we vooral aan ecoducten, grote ecotunnels, hoge rasters, terwijl bij de vuursalaman-
der eerder de kleinere ontsnipperingsmaatregelen, zoals kleine ecotunnels, van toepassing zijn(amfibieëntunnels). De totale lengte aan hoofdwegen waar potentiële knelpunten voor barrière-effecten optreden, is in tabel 5.7.3 weergegeven. Enkel die regio's die voor de beschouwde soorten relevant zijn, zijn weergegeven. Zo kan men vaststellen dat potentiële barrières (lees ook habitat) voor de ree in heel Vlaanderen terug te vinden zijn, terwijl slechts enkele ecoregio's voor de vuursalamander in aanmerking komen. Het is duidelijk dat een mobiele soort, zoals de ree, veel meer kans maakt om barrièreknelpunten tegen te komen, zeker ook omdat de actieradius en het minimumareaal voor deze soort groot is. De barrières zijn voor de ree vooral te situeren in de Centrale en Zuidelijke Kempen, de Noordelijke en Oostelijke Kempen. Binnen deze ecoregio's, liggen zowel de absolute als relatieve waarden boven het gemiddelde voor Vlaanderen. Wat de grote barrières betreft, scoren ook de Westelijke en Centrale Heuvels relatief hoog. We denken hierbij vooral aan gebieden als het Zoniënwoud, het Meerdaalwoud en het Hallerbos. Wat de vuursalamander betreft, kunnen de potentiële barrière-effecten beperkt worden tot de ecoregio's Dender-Klein Brabant en de Westelijke en Centrale Heuvels. Als we zowel naar de absolute als naar de relatieve cijfers kijken, dan treden vooral de Westelijke en Centrale Heuvels opvallend naar voor (tabel 5.7.3). Deze regio komt trouwens sterk overeen met de werkelijke verspreiding van de vuursalamander. Op deze manier werd voor elke gekozen richtsoort een signaalkaart relatief aan de barrière uitgewerkt (op cdrom beschikbaar, zie www.nara.be (raadpleging juni 2001)). Om deze kaarten zinvol te kunnen gebruiken, is een integratie van deze resultaten in de wegendatabank noodzakelijk. Deze gegevens moeten als aanzet dienen voor de opmaak van een ruimer ontsnipperingsplan voor de Vlaamse wegen. In dit proces, is het barrière-effect slechts één van de hoofdeffecten die veroorzaakt worden bij de aanleg en het gebruik van transportinfrastructuur. Verder geeft het ook aanleiding tot een reeks van indirecte effecten, zoals bebouwing in de nabijheid van wegen.
Figuur 5.7.6: Signaalkaart voor barrière-effect veroorzaakt door transportinfrastructuur voor de vuursalamander (Salamandra salamandra).
Belangrijk is ook dat het effect van de transportinfrastructuur op de natuur moet gezien worden in een wijdere landschappelijke context. Zo moet het wegwerken van een barrière, veroorzaakt door een autosnelweg, begeleid worden met initiatieven op eventueel parallel lopende wegen in de buurt van deze snelweg. Ook de aard van de
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
226
Verstorings- en herstelprocessen Tabel 5.7.3: Totale lengte aan secties hoofdtransportnet met potentieel barrièreeffect, opgesplitst per ecoregio in Vlaanderen, respectievelijk voor de voorbeeldsoorten ree (Capreolus capreolus) en vuursalamander (Salamandra salamandra).‰ staat i.f.v. de totale lengte aan wegen die potentiële barrière-effecten kunnen veroorzaken.
doorsnijding van een habitat (langs de rand of middendoor) is een belangrijk aspect, waarmee zeker rekening moet gehouden worden. Aquatisch Vismigratieproblematiek en een voorstel tot "plan van aanpak" Waterlopen zijn een belangrijk onderdeel van het ecologisch netwerk. Een aantal beektrajecten en valleigebieden hebben op zich een grote natuurwaarde, maar verbinden ook heel wat natuureenheden. Als lijnvormige elementen zijn het belangrijke migratieroutes, voor organismen die zich zowel in het water als op het land verplaatsen. Specifiek voor (migrerende) vissen is, naast de slechte waterkwaliteit, habitatverlies door rechttrekking, kanalisatie en verstuwing, fragmentatie (versnippering) van rivieren één van de belangrijke oorzaken van de achteruitgang van het soortenaantal en de densiteit. Van de bijna 200 Europese zoetwatervissoorten, worden er op dit ogenblik 67 bedreigd door menselijke ingrepen op de waterlopen. Voor ongeveer de helft hiervan kan dit worden toegeschreven aan problemen die verband houden met een fysische migratiebelemmering. Door de aanwezigheid van migratiebarrières, zoals stuwen, watermolens of bodemvallen, wordt de stroomopwaartse migratie belemmerd. Ook de migratiedrang neemt af door de sterke afname van de stroomsnelheid boven de stuw. Gemalen en turbines belemmeren niet alleen de stroomopwaartse en -afwaartse migratie, maar verwonden of doden vissen in grote getale. Door de fysische barrières,
zijn vissen niet meer in staat om geschikte paaihabitats te vinden, een groter voedselaanbod te zoeken, zich te beschermen tegen predatie, te vluchten bij ongunstige omstandigheden zoals waterverontreiniging, het droogvallen van beekdelen of hoge watertemperaturen etc., met als gevolg dat de vissen hun levenscyclus niet kunnen vervullen en dat de densiteiten afnemen. Hierdoor zijn bepaalde vissoorten verdwenen uit onze riviersystemen (waaronder vooral de grote migratoren) en geraken heel wat populaties (genetisch) geïsoleerd. De Benelux Beschikking dd. 26/4/96 inzake vismigratie stelt dat vismigratie mogelijk moet gemaakt worden tegen 2010, voor alle vissoorten in alle waterlopen in de hydrografische bekkens van de Benelux. Om tegemoet te komen aan de vraag van de waterbeheerders om een "plan van aanpak" in dit verband op te maken, werd een ontwerpprioriteitenkaart opgemaakt. Met het stand still-principe in het achterhoofd, is het aangewezen de meest waardevolle waterlopen eerst aan te pakken. Met behulp van een gestandaardiseerde methodologie (zie deel 3.4.2 Knelpunten voor vismigratie), werden deze waardevolle waterlopen, in combinatie met strategisch belangrijke verbindingswaterlopen, aangeduid en opgenomen in de prioriteitenlijst van de te saneren waterlopen in Vlaanderen (485). Het gaat hier over 2923 km van de in totaal ongeveer 20.000 km waterloop in Vlaanderen (figuur 5.7.7). In een tweede stap werden op deze prioritaire waterlopen de vismigratieknelpunten geïnventariseerd, volgens de methode die beschreven wordt in deel 3.4.2 Knelpunten voor vismigratie. De waterlopen werden van
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
227
Verstorings- en herstelprocessen
Figuur 5.7.7: Prioritaire waterlopen voor vismigratie (485). bron tot monding afgestapt, om de volledigheid van de inventarisatie na te streven. De gegevens werden verwerkt, er werd een lijst opgemaakt met typen knelpunten en aan elk vismigratieknelpunt werd een fasering (graad van hoogdringendheid) toegekend met betrekking tot de sanering ervan (figuur 5.7.8). In de inventarisatie, werden niet alle constructies opgenomen die de waterlopen versnipperen, maar alleen de constructies die een knelpunt kunnen betekenen voor vismigratie. Al deze informatie werd in een databank geplaatst, die inmiddels kan geraadpleegd worden op het internet, op het adres vismigratie.instnat.be (raadpleging juni 2001) (486). Het is de bedoeling dat deze databank de leidraad vormt voor het saneren van vismigratieknelpunten in Vlaanderen. Om de migratieknelpunten te overbruggen, werd een heel gamma van oplossingen bedacht, waaronder vispassages, al dan niet in combinatie met afweersystemen. Het bouwen van vispassages is slechts een effectverzachtende maatregel die opnieuw migratie toelaat, maar geen oplossing biedt voor andere negatieve effecten van verstuwing. Door de bouw van stuwen, wordt het natuurlijk verval van de beek of rivier immers over grote afstanden verkleind. Hierdoor is in Vlaanderen heel wat oppervlakte aan typische paai- en opgroeihabitats voor stroomminnende soorten verloren gegaan. Deze evolutie werd reeds aangevat bij de bouw van de eerste watermolens. Naast een aantal reeds verdwenen migratoren zoals de zalm, de steur, de elft en de houting, zijn op dit ogenblik vissoorten zoals de fint (opnieuw waargenomen in de Schelde), de barbeel, de
kopvoorn, de gestippelde alver, de serpeling, de sneep, de paling, de zeeforel, de bot, de rivierprik en de zeeprik nog steeds zeer sterk bedreigd in Vlaanderen. Daarom wordt voorgesteld om, bij het uitwerken van een geschikte oplossing voor de migratieknelpunten, de volgende prioriteitenlijst te volgen: - Waar mogelijk, de waterloop opnieuw door de natuurlijke bedding laten stromen; - In tweede instantie, knelpunten oplossen en de rivier opnieuw inrichten met een natuurlijk verval; - Indien volledig herstel niet mogelijk is, kan men door milderende maatregelen migratie toch opnieuw stimuleren, door rond de obstakels lange omleidingskanalen aan te leggen die een sterk verval hebben en die als een natuurlijke (meanderende) beek met hoge ruwheid worden ingericht. Dergelijke omleidingen kunnen naast hun functie als visdoorgang, ook dienen als paai-, opgroei- of verblijfsplaats voor stroomminnende soorten; - Alleen wanneer de voorgaande mogelijkheden zijn nagegaan en negatief werden bevonden, kan men de aanleg van eigenlijke bekkentrappen met V-vormige overlaten of hellingen uit stortsteen overwegen.
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
228
Verstorings- en herstelprocessen
Figuur 5.7.8: Prioritaire waterlopen met vismigratieknelpunten aangeduid met een fase om opgelost te worden (485). Versnipperingstoestand op de prioritaire waterlopen voor vismigratie en stand van zaken inzake saneringen In totaal werd in maart 2001, 96% van de prioritaire waterlopen geïnventariseerd. 1078 constructies werden in de inventarisaties opgenomen. Deze constructies worden opgedeeld in mogelijke knelpunten (1026), opgeloste knelpunten (24) en constructies waarvan na onderzoek of bij nader inzien is gebleken dat ze de vismigratie niet belemmeren (28). In figuur 5.7.9 wordt een beeld gecreëerd van het aantal km geïnventariseerde waterloop en prioritaire waterloop per bekken. Hieruit blijkt dat, vooral in het bekken van de IJzer, maar ook in de bekkens van de Boven-Schelde en de Maas, nog geïnventariseerd moet worden. Het Netebekken heeft het grootst aantal km prioritaire waterloop. Hierop volgen het Demer- en Maasbekken. In figuur 5.7.10 worden per bekken het aantal knelpunten, het aantal opgeloste knelpunten en het aantal knelpunten waarvan uit onderzoek of bij nader inzien is gebleken dat ze migratie niet belemmeren, weergegeven. Figuur 5.7.9: Het aantal km geïnventariseerde waterloop en het aantal km prioritaire waterloop per bekken.
Tot nog toe werden, in een aantal bekkens zoals Nete,
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
229
Verstorings- en herstelprocessen Naast het groot aantal stuwen en watermolens, stellen we een groot aantal knelpunten vast veroorzaakt door constructies die verband houden met het wegen- en waternetwerk in Vlaanderen. We denken hierbij aan duikers, sifons en bodemplaten. Onder meer funderingen onder bruggen (bodemplaten) liggen in vele gevallen te hoog t.o.v. de natuurlijke beekbodem stroomafwaarts. Door het dynamisch karakter van de beek en door ruimingen, is de beekbodem stroomafwaarts van de bodemplaat dieper gaan liggen, wat vaak resulteert in een onoverbrugbaar verval en/of een ondiepe waterstand op de bodemplaat. Waar we in bovenlopen (zoals bronbeken) eerder te maken hebben met een groter aantal "minder complexe" knelpunten, hebben grotere rivieren eerder een kleiner aantal knelpunten maar met een grote complexiteit om op te lossen. Turbines komen tot nog toe niet veel voor en dienen zoveel mogelijk vermeden te worden. Figuur 5.7.10: Weergave van het aantal knelpunten, aantal opgeloste knelpunten en het aantal veronderstelde knelpunten per stroombekken. Demer en Boven-Schelde, slechts een klein aantal vismigratieknelpunten gesaneerd. Tabel 5.7.4 is een lijst met constructies en hun aanwezigheid in de prioritaire waterlopen. Het barrière-effect voor vissen, veroorzaakt door duikers, sifons en sluizen, is nog niet duidelijk. Uit onderzoek is gebleken dat duikers en sifons met een lengte tot 70 m geen hinderpaal zijn voor de meeste vissoorten, voor zover over de hele lengte van de duiker/sifon geen vervallen voorkomen, een voldoende waterstand aanwezig is en de stroomsnelheid niet te hoog is (750). Deze laatste voorwaarden werden tijdens de inventarisaties niet onderzocht en dienen nog verder worden nagegaan. Naar de doorgankelijkheid van duikers en sifons met een grotere lengte en sluizen, wordt onderzoek verricht. Tabel 5.7.4: Overzicht van aantal constructies in de prioritaire waterlopen.
Zoals reeds besproken, wordt aan elk knelpunt een fase toegekend, in functie van de hoogdringendheid om opgelost te worden (figuur 5.7.8).Tabel 5.7.5 toont het percentage aan van de constructies, voor de verschillende fasen. 32% van het totaal aantal constructies krijgt een hoge prioriteit om gesaneerd te worden en tot nog toe, werd slechts 2% gesaneerd, door de constructie weg te halen of door een vispassage te voorzien. De sanering van vismigratieknelpunten in Vlaanderen staat dus nog in de kinderschoenen.
5.7.2.3 Verstoring en verontreiniging In dit hoofdstuk, gaat de aandacht uit naar het aspect rustverstoring. Andere elementen, zoals lichthinder, chemische vervuiling, wijziging van de hydrologie,.... worden ofwel indirect behandeld in andere delen (deel 5.6 Verontreiniging, deel 5.5 Verdroging) of komen in de volgende natuurrapporten aan bod. Dit laatste is dan vooral toe te schrijven aan het gebrek aan data voor Vlaanderen. In de MIRA-rapporten, worden deze aspecten beschreven, maar hierbij wordt minder duidelijk ingegaan op de gevolgen voor de natuur. Rustverstoring is te definiĂŤren als: alle menselijke ingre-
Tabel 5.7.5: Constructies per fase (%).
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
230
Verstorings- en herstelprocessen Tabel 5.7.6: Rustverstoring in de bos- en natuurreservaten, op basis van geluidskaart voor continue geluidsbronnen.
pen die de natuurlijke activiteiten van dierenpopulaties verstoren. De belangrijkste verstorende effecten van lawaaihinder, worden waargenomen bij diergroepen en diersoorten die vertrouwen op auditieve signalen voor de onderlinge communicatie (territoriumaanduiding, partnerselectie, alarmsignaal, groepsdynamiek of andere) of bij het foerageren (547). Gericht en systematisch onderzoek naar de mogelijke verstorende effecten van lawaai op faunagroepen, is evenwel schaars en fragmentarisch. Zo werd beperkt onderzoek verricht naar de directe invloed van lawaai op de akoestische verstoring en de daaruit voortvloeiende afwezigheid / aanwezigheid van avifauna (627, 297, 546). In de volgende paragrafen, stellen we een aantal resultaten van rustverstoring voor.
Hierbij wordt de geluidskaart (figuur 5.7.11) geconfronteerd met bos- en natuurreservaten en Vogelrichtlijngebieden. Het is belangrijk aan te geven waar in de reeds voor natuur beschermde gebieden (en dan vooral gericht op fauna) een mogelijke geluidhinder voor de aanwezige fauna bestaat. Het betreft hier een meer algemene beschrijving, waarbij geen rekening wordt gehouden met specifieke soorten. De geluidskaart beperkt zich tot continue bronnen (bewoning, industrie, luchthavens, wegverkeer, spoorverkeer). Piekverstoringen, veroorzaakt door militaire vluchten, niet permanente vliegvelden, crosscircuits, ... zijn vaak niet gekend. Onderzoek door GabriĂŤls (297) leidde eveneens tot de conclusie dat tijdelijk zeer hoge niveaus blijkbaar geen belangrijke blijvende invloed hebben op fauna.
Figuur 5.7.11: Geluidskaart met contouren voor 45 en 55 dBA veroorzaakt door continue geluidsbronnen.
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
231
Verstorings- en herstelprocessen
Tabel 5.7.7: Rustverstoring in de vogelrichtlijngebieden op basis van de geluidskaart voor continue geluidsbronnen.
Bij de confrontatie van deze geluidskaart met bos- en natuurreservaten, kunnen we voor Vlaanderen vaststellen dat 33% (tabel 5.7.6) in een verstoorde zone ligt. Hierbij wordt de contour van 45 dBA aangenomen als verstoringgrens (zie deel 5.7.1.2 Effecten en gevolgen van versnippering). Bij vergelijking van de ecoregio's, op basis van het % verstoord reservaat, liggen 7 ecoregio's boven het Vlaams gemiddelde. Zowel procentueel als m.b.t. de inbeslagname van oppervlakte, liggen de meest "verstoorde" reservaten in de Kust- en Scheldepolders, de regio Dender- en Klein Brabant, de Westelijke en Centrale Heuvels, de Centrale en Zuidelijke Kempen en de Oostelijke Kempen. In deze regio's ligt niet alleen 40 tot 50% van de reservaten in verstoorde zones, maar betreft het ook relatief grote oppervlaktes op niveau Vlaanderen. Dezelfde oefening werd gemaakt voor de Vogelrichtlijngebieden (tabel 5.7.7). Hier stellen we vast dat 29% of 28.562 ha verstoord is. Daarvan is 90% terug te vinden in de Noordelijke Kempen (31%), de Kust- en Scheldepolders (27%), de Krijt- en Leemregio (17,5%), het Maasland (8,5%) en de Oostelijke Kempen (6%). Op basis van deze resultaten, kunnen prioritaire gebieden aangeduid worden die in aanmerking komen om rustverstoring te milderen. Een voorbeeld hiervan is de E314 die Den Teut en Tenhaagdoornheide opsplitst. Er werden reeds een aantal ontsnipperingsmaatregelen getroffen, met betrekking tot barrières (ecotunnel en rasters), maar ook een mildering voor rustverstoring zou aanleiding kunnen geven tot meer gebied dat geschikt is voor de aanwezige fauna.
5.7.2.4 Fragmentatie Zoals uit de inleiding van dit hoofdstuk blijkt, is versnippering een zeer complex gegeven dat tal van deelaspecten behelst. EĂŠn onderdeel daarvan is de eigenlijke fragmentatie van gebieden, ten gevolge van de reeds eerder genoemde impactgroepen. Belangrijke elementen bij de fragmentatie van gebieden zijn de verandering van grootte
en vorm van de gebieden in kwestie, ten gevolge van een doorsnijding door, bijvoorbeeld, transportinfrastructuur. Voor de interpretatie van de versnipperinggraad s.s. binnen een homogeen gebied (b.v. ecoregio), moet met de volgende principes rekening gehouden worden: - hoe groter een gebied is, des te groter de kans is dat het gebied geschikt zal zijn als habitat voor fauna en flora; - hoe groter de verhouding grens/oppervlakte is, des te meer externe factoren een invloed kunnen hebben op de kwaliteit van het gebied; - de hoeveelheid (oppervlakte) van gelijkaardige gebieden of de afstand tussen gelijkaardige gebieden binnen een ruimere landschappelijke context (ecoregio), kan belang hebben bij de evaluatie van de fragmentatie. Rekening houdend met bovenstaande elementen, kan de versnipperinggraad een relatieve maat zijn voor de ruimtelijke kwaliteit van natuur in een gebied (ecoregio). In dit rapport, wordt de versnipperinggraad beschreven aan de hand van 3 parameters, nl. omtrek/oppervlakte verhouding (OOV), de grootte van een homogeen gebied, de oppervlakte ingenomen door natuur (geschikt habitat) per ecoregio. Er zijn allicht nog andere mogelijkheden om een versnipperinggraad te berekenen, maar op basis van de bovengenoemde stellingen, leek het ons opportuun de reeds eerder genoemde parameters te gebruiken. Deze versnipperinggraad werd uitgewerkt op basis van kaarten die een actuele of potentiĂŤle geschiktheid weergeven. Wanneer een bepaalde versnipperinggraad een effect heeft op de kwaliteit van een gebied, is tot nu toe zeer moeilijk te bepalen, gezien de complexiteit van de aspecten die hierbij een rol spelen. Dat laatste blijkt ook uit de vage omschrijvingen van de beleidsdoelstellingen m.b.t. ontsnippering (zie 5.7.4). Versnipperingsgraad van kwetsbare en zeer kwetsbare natuur
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
232
Verstorings- en herstelprocessen Op basis van de kwetsbaarheidkaart voor ecotoopverlies, gebaseerd op de Biologische Waarderingskaart, werd een selectie gemaakt van kwetsbare en zeer kwetsbare gebieden voor ecotoopverlies (meest waardevolle natuur), die 17% van de oppervlakte van Vlaanderen innemen (figuur 5.7.2).Voor deze gebieden werd, per ecoregio, de versnipperingsgraad weergegeven. Bij het bekijken van de afzonderlijke parameters (% natuur per ecoregio (OPPNAT), gemiddelde gebiedsgrootte (GGG), omtrek/oppervlakte verhouding (OOV)) die gebruikt werden om een globale versnipperinggraad weer te geven, kunnen we de volgende analyse maken (figuur 5.7.12). Met betrekking tot het percentage dat door "natuur" (OPPNAT) wordt bezet, worden de hoogste scores gehaald in de Duinen (38%), de Oostelijke Kempen (34%), de Centrale en Zuidelijke Kempen (24%) en de Noordelijke Kempen (22%). De Zandlemige regio heeft de laagste bezettingsgraad, met 4% van de totale oppervlakte. Als we de gemiddelde gebiedsgrootte (GGG) beschouwen, dan zien we dat de Duinen het best scoren (gemiddelde grootte van 31 ha), terwijl de Krijt-Leem regio een opmerkelijk lagere waarde heeft (3 ha). Wat de omtrek/oppervlakte-verhouding (OOV) betreft, vertonen de Oostelijke en Noordelijke Kempen en de Duinen een
Figuur 5.7.12: Versnipperingsgraad van "natuur" per ecoregio (% natuur per ecoregio (OPPNAT), gemiddelde gebieds-grootte (GGG), omtrek/oppervlakte verhouding (OOV)).
opmerkelijk betere verhouding t.o.v. de andere ecoregio's. Versnipperingsgraad van habitat voor fauna (ree als voorbeeld) De selectie van de kwetsbare en zeer kwetsbare gebieden (zie vorige paragraaf), is vooral gebaseerd op vegetatie (Biologische Waarderingskaart). Het is evenwel even nuttig om ook voor het aspect fauna een versnipperinggraad uit te werken. Als voorbeeld om de versnipperinggraad weer te geven, wordt hier de habitatkaart (531) van de ree (Capreolus capreolus) gebruikt. Alles wat als potentieel geschikt gebied wordt aangeduid, wordt opgenomen in de versnipperingsanalyse (figuur 5.7.13). Bij de beschouwing van de bedekkinggraad binnen de ecoregio’s, valt al snel op dat de meest geschikte habitats voor de ree in de Kempen gelegen zijn. Als we dan verder kijken naar de gemiddelde gebiedsgrootte, kunnen we binnen de Kempen een onderscheid maken tussen de Oostelijke/Noordelijke en Centrale/Zuidelijke Kempen. Ook de omtrek/oppervlakte verhouding is voor deze 2 ecoregio's beduidend lager dan in de andere regio's. De onderlinge vergelijkingen van de ecoregio's moeten evenwel relatief bekeken worden. Er kunnen hier geen absolute uitspraken gedaan worden, waarbij men kan stel-
Figuur 5.7.13: Versnipperinggraad van potentieel habitat van de ree per ecoregio (% natuur per ecoregio (OPPNAT), gemiddelde gebiedsgrootte (GGG), omtrek/oppervlakte verhouding (OOV).
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
233
Verstorings- en herstelprocessen len dat een bepaalde versnippingsgraad het een populatie van, bijvoorbeeld, reeĂŤn al dan niet mogelijk maakt voort te bestaan of te ontwikkelen. Naar ontsnippering toe kan men er, bijvoorbeeld, naar streven de gemiddelde gebiedsgrootte (GGG)op te trekken (in vergelijking met Noordelijke Kempen). Versnipperingsgraad van bos- en natuurreservaten In Vlaanderen, wordt ongeveer 1,3% van de oppervlakte ingevuld als bos- of natuurreservaat. Dit percentage ligt beduidend onder het Europees gemiddelde van circa 3,3%. Als we de verdeling evenwel op het niveau van de ecoregio's beschouwen (figuur 5.7.14), dan zijn er toch een aantal regio's die dit gemiddelde evenaren of zelfs overschrijden. Het betreft in dit laatste geval de Duinen, waar 7% van de oppervlakte als reservaat wordt ingevuld. De Noordelijke Kempen, de Oostelijke Kempen en het Maasland liggen rond het Europees gemiddelde. De Zandlemige regio scoort het laagst, met 0,3%. De gemiddelde gebiedsgrootte ligt het hoogst in de Noordelijke Kempen en de Duinen. De kleinere gebieden zijn gesitueerd in de Westelijke en Centrale Heuvels, de Zandlemige regio, Hageland-Haspengouw en de regio Dender-Klein Brabant.
Figuur 5.7.14: Versnipperinggraad van bos- en natuurreservaten per ecoregio (% natuur per ecoregio (OPPNAT), gemiddelde gebiedsgrootte (GGG), omtrek/oppervlakte verhouding (OOV)).
Na beschouwing van alle parameters, komen we tot de conclusie dat de reservaten in de Duinen en Noordelijke Kempen de laagste versnipperinggraad hebben, terwijl de reservaten in de Westelijke en Centrale Heuvels en de Zandlemige regio het sterkst versnipperd zijn. Uit deze bevindingen kunnen we afleiden dat in regio's met een hoge versnipperinggraad, de aankoop van nieuwe reservaten moet toegespitst worden op aangrenzende percelen van reeds bestaande reservaten, terwijl in regio's met een lage versnipperinggraad, de nadruk minder moet gelegd worden op de aangrenzende gebieden.
5.7.3 Gevolgen voor de natuur 5.7.3.1 Verlies van biodiversiteit Gegevens omtrent de effecten van versnippering op de biodiversiteit in Vlaanderen, zijn grotendeels afkomstig van studies over bosfragmentatie (462, 151, 157, 356, 141). Het hierna uiteengezette theoretisch kader, en allicht de meeste conclusies, zijn evenwel ook toepasbaar op soorten in veel andere gefragmenteerde habitats. De gevolgen van bosversnippering voor de boshabitat zijn onder te verdelen in drie componenten: de afname van de fragmentoppervlakte, de toename van de randeffecten en de toename van de fragmentisolatie. Op basis van studies op landschapsschaal, die louter gebaseerd zijn op de aan- of afwezigheid van plantsoorten in bosfragmenten, wijst niets op het feit dat kleine bosfragmenten een verarmde flora zouden bevatten. Integendeel, kleine (enkele ha) bosfragmenten die reeds honderden jaren geleden ontstaan zijn, blijken een prima refugia te zijn voor een hele reeks van waardevolle soorten, waaronder de zogenaamde oud-bosplanten (355). Dit houdt in dat de meeste kleine plantpopulaties in kleine reeds lang gefragmenteerde bosfragmenten, niet of weinig onderhevig zijn aan extinctie door toevallige gebeurtenissen. De basisvoorwaarde voor de overleving van plantpopulaties is dat de habitatkwaliteit in het bosfragment in kwestie optimaal blijft. De gevaren van een slecht beheer, verzuring, vermesting en verdroging, zijn hier voor de aanwezige populaties op het eerste zicht groter dan die veroorzaakt door de inkrimping van de populatiegrootte door versnippering. Een gevalstudie van de stengelloze sleutelbloem Primula vulgaris in kleine landschapelementen in West-Vlaanderen, bevestigt deze bevindingen, aan de hand van de analyse van de demografische structuur van de aanwezige populaties (151, 373). Zo is er op het eerste zicht geen negatieve relatie aan te tonen tussen de populatiegrootte van P. vulgaris en het aantal kiemplanten per bloeiende adult. Kleine populaties blijken dus ongeveer even fertiel te zijn als grote populaties. Dit wordt bevestigd door studiewerk in de USA rond Trillium spp. (382). Wanneer evenwel een aantal "conditiekenmerken" worden beschouwd van populaties
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
234
Verstorings- en herstelprocessen van de aan de P. vulgaris zeer verwante slanke sleutelbloem Primula elatior in bosfragmenten in Vlaams-Brabant, lijkt de toestand op langere termijn toch verontrustend te zijn. Zo zijn het totale zaadgewicht en het aantal zaden per vrucht tot viermaal groter in grote populaties (1000 individuen) dan in kleine populaties (10 individuen) (373). Een vergelijkend onderzoek van enkele bosbewonende gewervelde dieren, suggereert dat de effecten van bosfragmentatie groter zijn op dispersiepatronen en populatiestructuur dan op reproductie en overleving (462). Bij vier van de zes soorten waren de densiteiten lager in kleinere en/of meer geïsoleerde bossen. De wintermot Operopthera brumata was zelfs in sommige jaren afwezig in sommige bossen.Voor de wintermot Operopthera brumata zijn de populatiedensiteiten lager in meer geïsoleerde fragmenten (maar niet alle jaren) terwijl daar ook de adulte vlinders minder zwaar waren (slechtere conditie). Voor de eekhoorn Sciurus vulgaris zijn densiteiten lager in kleinere fragmenten. De reproductie verloopt asynchroon, waarschijnlijk door variatie in tijd waarop verschillende vrouwtjes de optimale condities voor reproductie bereiken en/of terug in oestrus geraken na verlies van een eerste nest. Voor de boomklever Sitta europaea zijn de populatiedensiteiten ook lager. Er zijn tevens indicaties dat dispersie slechter verloopt.Voor de koolmees Parus major en de pimpelmees Parus caeruleus worden geen effecten gevonden op reproductie. Beide soorten vertonen een redelijk hoge dispersie.Waarschijnlijk omdat deze soorten niet echt bosgebonden zijn en ook goed in de omliggende matrix kunnen overleven. Een vergelijking tussen de hedendaagse loopkeverfauna in Vlaamse bossen en de loopkeverfauna van de laat- en post-Romeinse bossen (500 NC), toont aan dat de hedendaagse fauna sterk verarmd is, in het bijzonder voor de habitatspecialisten (259). Naast isolatie en grootte van de fragmenten, speelt ook de historie van het bos een grote rol. Er kan daarbij een onderscheid gemaakt worden tussen natuurlijke en antropogene omgevingsvariabelen.
Figuur 5.7.15: Bedekking van Rubus fruticosus coll. in een aantal Millio-fagetum bosfragmenten in Vlaams-Brabant afhankelijk van de afstand tot de bosrand voor een noordelijk en een zuidelijk georiënteerde bosrand. Luchtvochtigheids-, temperatuurs- en lichtgradiënten in de bosrand, zijn natuurlijk van aard. De bodemfosfaatgradiënt in een bosrand naast een intensief bemest grasland, is dat niet. De meest relevante vraag die in deze context kan gesteld worden, met betrekking tot bosversnippering, is wat de penetratieafstand van competitieve planten (bijvoorbeeld de braam (Rubus fruticosus coll.), de grote brandnetel (Urtica dioica), ...) vanuit het omgevende landschap in het bosfragment is, alsook wat het effect van een mogelijke invasie is op de typische bosplantensoorten in het fragment. Figuur 5.7.15 illustreert de penetratieafstand van R. fruticosus coll. in een noordelijk en zuidelijk georiënteerde bosrand van een Millio-Fagetum bosfragment in de buurt van Leuven. Zuidelijk georiënteerde bosranden zijn veel gevoeliger voor de invasie van competitieve soorten (penetratieafstand 5-10 m) dan noordelijke (nagenoeg geen penetratie). Verhoogde nutriëntenniveaus penetreren in het algemeen niet dieper dan 5 meter en zijn relatief onafhankelijk van de oriëntatie (356).Tabel 5.7.8 vat enkele penetratieafstanden samen. Ter conclusie kan gesteld worden dat de negatieve
Tabel 5.7.8: Maximale penetratieafstanden van randeffecten. De penetratie-afstand is de afstand waarvoor de waarde van het randeffect verschilt van de achtergrondwaarde in de kern van het fragment. De waarde van het randeffect is steeds beduidend hoger in de rand dan in de boskern. De met (*) gemerkte randeffecten zijn alleen of beduidend dieper waar te nemen in zuidelijk georiënteerde bosranden. Data van bosranden in Vlaams-Brabant.
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
235
Verstorings- en herstelprocessen effecten op de bosplantenflora in het algemeen beperkt zijn tot 10 meter voor zuidelijke georiënteerde bosranden en tot 3 meter voor noordelijk georiënteerde randen. De oppervlakte van het kernhabitat van een bosfragment, kan dan eenvoudig berekend worden, op basis van gegevens over de omtrek, de oppervlakte en de penetratieafstand van de randeffecten (412).
Bij de kolonisatie van ruimtelijk geïsoleerde fragmenten, speelt ook de dispersiecapaciteit een grote rol. Op basis van een regressiemodel, kan de kans op de aanwezigheid van een soort in een recent bos (<35 jaar), in relatie tot de afstand tot het oud bos, worden afgeleid. De kolonisatiekans daalt bijzonder snel, naargelang de afstand tot het oude bronbos.
Het laatste aspect van het versnipperingproces, is de toename van de isolatie van de bosfragmenten. Theoretisch, zullen kleine geïsoleerde populaties bosplanten (en andere organismen) meer gevoelig zijn voor toevallige extinctieprocessen, omdat er geen constante instroom van nieuwe individuen is. Dit wil zeggen dat kolonisatie en extinctie niet onafhankelijk zijn van mekaar. De betekenis van dit proces is evenwel bijzonder moeilijk te achterhalen. Het isolatieonderzoek beperkte zich in de eerste plaats tot een evaluatie van de kolonisatiemogelijkheden van recent aangelegde bossen, met bosplantensoorten, vanuit naburige oude bossen (374, 157, 141). Er kan een onderscheid worden gemaakt tussen de kolonisatie van een jong fragment vanuit aanliggende oude bossen (zg. ecotoonstudies) en vanuit ruimtelijk gescheiden oude bosfragmenten. In het eerste geval, wordt de kolonisatiesnelheid vooral bepaald door de habitatkwaliteit van het recente, te koloniseren bos. Kolonisatiesnelheden van bosplanten vanuit aanliggend oud bos, bedragen niet meer dan enkele meter per eeuw (354, 141). De aanvankelijke kolonisatiesnelheid (net na de herbebossing) is lager, omdat de nutriëntenniveaus van de bodem onder de pas aangelegde bossen meestal erg hoog zijn (ten gevolge van historisch landbouwgebruik) en deze hoge nutriëntenniveaus de groei van sterk competitieve soorten stimuleren. Figuur 5.7.16 geeft de evolutie van de bodem-pH na herbebossing.
Met betrekking tot het behoud op korte termijn van plantpopulaties in gefragmenteerde bossen en allicht ook kleine landschapselementen, kan worden besloten dat vooral de habitatkwaliteit de overlevingskans van de populaties zal bepalen. In deze context, dienen bossen een minimale oppervlakte te hebben om een minimum aan geschikt kernhabitat, vrij van verstorende randeffecten, over te houden. Op een grotere tijdsschaal (100 jaar en meer), blijken ook kleine plantpopulaties een deel van hun vitaliteit te verliezen, ook al blijft de habitatkwaliteit perfect. Op langere termijn, is de uitbreiding van het huidige bosareaal dus absoluut noodzakelijk, temeer daar, gezien hun beperkte dispersiemogelijkheden, de noordwaartse migratie van bosplanten, ten gevolge van klimaatswijzigingen in het huidige versnipperde landschap, totaal onmogelijk is en bijgevolg zal resulteren in massale extinctie.
Figuur 5.7.16: Afname van pHKCl van 3 bodemhorizons (gem. diepte: Ah = 0 - 4.9 cm, E = 4.9 - 42.8 cm, Bt = 42.8 - 98.5 cm) als een functie van tijd vanaf de stopzetting van landbouw (jaar). Oud bos heeft een minimale pH-waarde 250 jaar na de stopzetting van landbouw. Data van Meerdaalwoud (Vlaams-Brabant).
Wat de loopkeverfauna betreft, worden gelijkaardige effecten bekomen (259). De fauna in verscheidene kleinere en relatief recentere bosfragmenten, blijkt gemiddeld rijker te zijn dan deze in de grotere, oudere bossen. Dit is echter een gevolg van de frequente aanwezigheid van soorten uit het omringende milieu. De specifieke bosgebonden soorten (meestal gekenmerkt door een sterk gereduceerd dispersievermogen) zijn slechts te vinden in grote oude bossen. Voor de overleving van een populatie, dient voldoende genetische variatie aanwezig te zijn. Deze variatie is nodig, opdat populaties zich kunnen aanpassen aan veranderende levensomstandigheden in het hun omringende milieu. De effectieve genetische populatiegrootte (600) kan daarbij beduidend lager liggen dan het aantal individuen in de populatie, omwille van factoren als ongelijke sexe-verhouding, nauwe verwantschapsrelatie en/of ongunstige leeftijdsstructuur in de populatie (600). De effectieve genetische populatiegrootte zal mee bepalen wat het risico is van inteelt, willekeurig verlies van allelen door sterfte en het toevallig fixeren van ongunstige eigenschappen. Dit risico wordt exponentieel kleiner bij een toenemende populatiegrootte (92). De minimale effectieve populatiegrootte voor het behoud van genetische variatie, wordt geschat op ongeveer 500 exemplaren (of zelfs 5000 tot 10000 voor kwantitatief genetische kenmerken) per lokale populatie (600, 427). Dit houdt dus in dat, bijvoorbeeld, natuurreservaten groot genoeg dienen te zijn (zie deel 4.2 Soorten), of dat reservaten door verbindingselementen dienen verbonden te worden. Door de toenemende isolatie van po-
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
236
Verstorings- en herstelprocessen pulaties, wordt de uitwisseling van genetisch materiaal kleiner (kan zelfs volledig wegvallen), wat bijdraagt tot een verhoogde differentiatie tussen de betrokken populaties. Dit heeft niet alleen belangrijke implicaties voor het voortbestaan van de deelpopulaties, maar kan ook problemen opleveren wanneer getracht wordt, door het aanleggen van corridors of kunstmatige kweekprogramma's, individuen van de betrokken populaties terug samen te brengen (630). Ook natuurlijke hybridisatie, kan tot het verdwijnen van een soort leiden (zie deel 5.2 Exploitatie van de natuur). Het niet in acht nemen van de genetische samenstelling kan ook belangrijke implicaties hebben bij bijvoorbeeld reïntroductie van sterk bedreigde soorten. Reïntroductie door een klein aantal individuen kan aanleiding geven tot een lage genetische differentiatie, zelfs wanneer deze populatie sterk uitgroeit. Indien genetisch sterk verschillende populaties gekruist worden, kunnen nakomelingen ontstaan die bijvoorbeeld een gereduceerde voortplantingscapaciteit bezitten of die slecht zijn aangepast aan de veranderende omgeving van de ouderpopulaties. Zo kent de bever die in de 19de eeuw uitgestorven was in Zweden en daarna met 40 exemplaren uit Noorwegen gereïntroduceerd een veel lagere genetische diversiteit in vergelijking tot soortgenoten in Rusland waar de soort nooit op de rand van uitsterven heeft gestaan (285).
Algemeen genomen, bestond er voor de verschillende soorten een negatief verband relatief aan de genetische differentiatie tussen populaties en de onderlinge afstand tussen deze populaties. De relatie wordt echter sterk mee bepaald door de dispersiecapaciteiten, actieradius (homerange), reproductiewijze, habitatspecificiteit en zeldzaamheid van de betrokken soorten. Zo blijkt bij sterk gespecialiseerde soorten gebonden aan zoutmoerassen, dat de gene flow (uitwisseling van genetisch materiaal) tussen populaties sterk afhangt van de dispersiecapaciteit (260) en de lokale densiteiten (258, 261). De rivierdonderpad Cottus gobio blijkt in Vlaanderen drie historisch gescheiden groepen te behelzen, namelijk de Maas-, Zenne- en Scheldebekkens, waarbij vooral de populatie van het Zennebekken uniek is en bijgevolg speciale aandacht verdient. Voor de meer tolerante driedoornige stekelbaars Gasteroceus aculeatus, is dit niet het geval.Voor drie onderzochte zoogdiersoorten (de ree Capreolus capreolus, de bosmuis Apodemus sylvaticus, de rosse woelmuis Clethrionomys glareolus) en de mezensoorten koolmees Parus major en pimpelmees Parus caeruleus (462), werd geen enkel verband gevonden. Dit is waarschijnlijk toe te schrijven aan de hoge mobiliteit van diersoorten, en mogelijk ook aan de relatief kleine schaal waarop gewerkt werd. Voor de eekhoorn, daarentegen, blijkt de genetische variatie lager te liggen in kleinere fragmenten (765).
5.7.3.2 Verkeersslachtoffers In het raam van het project "Genetisch-ecologisch onderzoek ten behoeve van het natuurbehoud" (90), werd onderzoek verricht naar de genetische variatie in natuurlijke populaties van 65 verschillende soorten, die zowel gewervelden als ongewervelden en planten uit zowel aquatische als terrestrische milieus bevatten.Voor de meeste soorten, wordt een positief verband gevonden tussen genetische diversiteit en de habitatomvang. Zo blijkt dat, bijvoorbeeld, voor de stengelloze sleutelbloem Primula vulgaris wel genetische verarming optreedt onder de vorm van een verminderd aantal allelen.Voor een aantal soorten, was er echter een opvallend hoge diversiteit van relatief kleine habitats. Zo wordt voor watervlooien reeds een hoge diversiteit gevonden in kleine plassen (enkele tientallen m2), zodat praktisch geen verband meer wordt gevonden met de habitatomvang. De aanwezigheid van relatief grote densiteiten zeldzame allelen, maakt dit soort populaties vanuit biodiversiteitsoogpunt zelfs prioritair. Een voorbeeld hiervan is de Molenkreek (ongeveer 0,5 ha) voor een bepaalde loopkever (Pogonus chalceus) en amfipoden (Orchestia gammarellus). Gelijkaardige fenomenen werden ook gevonden bij de rivierdonderpad (Cottus gobio), spinnen en landslakken. Interessant is ook dat voor een aantal soorten, de genetische verarming in Vlaanderen groter was dan in de ons omringende landen (Nederland, Duitsland). Voorbeelden hiervan zijn de rivierdonderpad en de zeldzame carnivore watervlo Polyphemus pediculus.
Met betrekking tot verkeersslachtoffers, zijn weinig gegevens beschikbaar voor heel Vlaanderen. In 1995 - '96 werd een beperkte steekproef uitgevoerd, waarvan de resultaten in het boek "Dieren onder onze wielen" (561) werden beschreven. Sinds begin 2001, werd met een nieuw project gestart (op initiatief van de Vogelbescherming Vlaanderen), waarbij het inventariseren van verkeersslachtoffers van dieren op een consequente en gestructureerde wijze voor heel Vlaanderen gebeurd. Dit alles moet eind 2002 leiden tot een databank met verkeersslachtoffers in Vlaanderen. Voor dit project wordt gerekend op de medewerking van vele vrijwilligers. Binnen de administratie van Wegen en Verkeer (AWV), werd de controle van verkeersslachtoffers op de gewestwegen door de wegenwachters (ongeveer 160) een bijkomende doelstelling voor 2001. Naast dit project worden er door de Vogelbescherming Vlaanderen jaarbalansen, sinds 1989 voor België en sinds 1999 voor Vlaanderen apart, opgemaakt van de slachtoffers die in de opvangcentra worden aangeleverd. Het betreft niet enkel vensterslachtoffers, stookolieslachtoffers, ... maar ook verkeersslachtoffers. Niet enkel vogels, maar ook zoogdieren, reptielen en amfibieën worden hierin opgenomen. De resultaten zijn momenteel nog te beperkt (nog maar 2 jaar in werking voor Vlaanderen) om er in dit natuurrapport dieper op in te gaan.
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
237
Verstorings- en herstelprocessen Resultaten die momenteel beschikbaar zijn en tevens ook een goede steekproef zijn voor Vlaanderen kunnen tot 3 "projecten" herleidt worden, nl.: - Voor de das (Meles meles) worden door de dassenwerkgroep van LIKONA reeds vanaf 1994 de verkeersslachtoffers opgevolgd en geanalyseerd. Het betreft hier vooral de dassenpopulatie van Limburg. Aangezien dit het kerngebied van de das voor Vlaanderen is, kunnen de hieruit bekomen resultaten als een goede steekproef beschouwd worden; - Voor de marterachtigen in Vlaanderen bestaat er sinds een aantal jaren een netwerk voor het verzamelen van dode dieren. Al de bekomen slachtoffers worden bijeengebracht en geanalyseerd in het Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer. Gezien de grote spreiding van het netwerk, kan ook hier gesproken worden van een degelijke steekproef, die een goed beeld kan weergeven van de problematiek in Vlaanderen; - Met betrekking tot de herpetofauna verzamelt de werkgroep Hyla een groot aantal gegevens m.b.t. overzetacties. Deze geven een goede indicatie van knelpunten, waar het aantal overreden amfibieën niet te overzien zou zijn indien er geen overzetacties zouden gebeuren. In het kader van een studie (in opdracht van AMINAL, Cel NTMB) die de efficiëntie van amfibieëntunnels onderzoekt, worden ook deze gegevens overzichtelijk bijeengebracht, op basis van de jaaroverzichten die Hyla publiceert. Das Vanaf de oprichting, heeft de dassenwerkgroep heel wat inspanningen geleverd om (verkeers)slachtoffers op te sporen. Grof geschat, sneuvelt jaarlijks gemiddeld 10 - 15% van de Limburgse dassen, in het verkeer. Dit is een onderschatting, want we vinden zeker niet alle slachtoffers en bij de onbekende doodsoorzaken zitten waarschijnlijk ook nog een aantal verkeersdoden. Het aantal verkeersslachtoffers schommelt echter sterk van jaar tot jaar. Zo sneuvelden in 1998 en in 2000 waarschijnlijk zelfs 20% van de dassen in Haspengouw. De meeste verkeersslachtoffers in Limburg worden gevonden in het verspreidingsgebied van de das (Meles meles). Er worden echter ook regelmatig dassen aangereden ver buiten het verspreidingsgebied. In theorie, kunnen dassen dus elk plekje in Vlaanderen bereiken, op voorwaarde natuurlijk dat ze niet overreden worden. Meestal gaat het om niet reproductieve wijfjes, waarvan precies bekend is (500) dat zij eerder tot verre dispersie geneigd zijn dan mannetjes. Dispersers blijven eerder in de buurt (aan de rand) van het bezette areaal, en proberen aanslui-
ting te vinden bij een reeds gevestigde groep. Raakt zo'n dier uiteindelijk los van het bezette areaal, dan kan het via lange zwerftochten in principe zowat om het even waar in Vlaanderen opduiken, tot het ergens op een autoweg sneuvelt. Daartegenover staat dat grote landschappelijke structuren (valleien, bosrijke zones,...) daarbij wel als geleiding of vestigingslocatie ("sink") kunnen fungeren voor individuele dieren. Een frappant voorbeeld is, onder meer, de E40 nabij Brugge, waar (minstens) in 1967, 1982 én 1995 op eenzelfde traject van de autosnelweg (ongeveer 1 km lang) een das werd doodgereden. Verspreid over de Antwerpse Kempen (Geel, Mol, Zandhoven, Herentals, ...), lijken zich de laatste jaren eveneens een aantal min of meer analoge gevallen te manifesteren. Met het oog op effectieve herkolonisering, is het uiteraard van wezenlijk belang dat individuele vestigingen tijdig versterking krijgen van soortgenoten. In die zin kunnen vindplaatsen van verkeersslachtoffers bevestiging én nuancering leveren van wat, op basis van landschappelijke structuren en habitattypering, als prioritair, te ontsnipperen leefgebied naar voor kan worden geschoven. De meeste dassen sterven op de weg (90%), maar ook op spoorwegen (8%) en in kanalen (2%). Wat de treinen betreft, gaat het voor zover bekend om een erg lokaal probleem. De kans om slachtoffers te vinden in kanalen, is waarschijnlijk bijzonder klein, onder meer omdat dode dassen snel zinken. Bij onderzoek naar de lotgevallen van uitgezette dassen in Nederland, stelde (494) trouwens vast dat veel meer dassen verdrinken dan algemeen wordt aanvaard. Vandaar dat de plaatsing van uitstapplaatsen langs kanalen vermoedelijk ook voor de das van groot belang is. Ondanks het feit dat elke maand van het jaar dassen sneuvelen, vallen twee pieken op, één in de lente en een tweede in de herfst, met een dal in de winterperiode. Voorjaar en herfst zijn belangrijke voortplantingsperioden en mogelijk brengen deze meer verplaatsingen mee. In de winter zijn de dassen veel minder actief. De cruciale vraag die nu moet gesteld worden is of het verkeer een invloed heeft op de dassenpopulatie in Vlaanderen. Ondanks de vele verkeersslachtoffers, nemen de dassenpopulaties toe. Hoe dan ook, we kunnen met de beschikbare gegevens niet aantonen of het verkeer in Limburg al dan niet een negatieve invloed heeft. Volgens Griffiths en Thomas (313), is een jaarlijkse sterfte van 20% zowat de limiet. Een hoger percentage betekent de inkrimping van de populatie. Indien Berendsen (114) gelijk heeft wanneer hij stelt dat het aantal gevonden verkeersslachtoffers slechts 30 - 70% van het werkelijke aantal verkeersdoden omvat, dan is het voordeel van de twijfel beslist de beste instelling.
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
238
Verstorings- en herstelprocessen Zoals reeds gesteld (281), moet het verkeersprobleem op het niveau van het totale landschap, inclusief de kwaliteit van dit landschap, worden benaderd. Dit principe geldt evenwel niet alleen voor de das. Indien de das werkelijk een "contractor" zou zijn, of een beest dat er het liefst een zo klein mogelijk leefgebied op na houdt, dan kan een verbetering van het leefgebied resulteren in minder verkeersdoden. Hoe beter de kwaliteit van het landschap voor dassen, hoe kleiner hun leefgebied en hoe lager de kans te worden overreden. Marterachtigen Marterachtigen zijn, als territoriale zoogdieren met een groot activiteitsgebied, type-slachtoffers van habitatversnippering (verlies van biotopen, barrières, verkeersslachtoffers,...). De bunzing (Mustela putorius), die verspreid is in heel Vlaanderen en als verkeersslachtoffer goed detecteerbaar is, kan hierbij als modelsoort worden beschouwd. Op basis van de bevindingen van het "marternetwerk", schijnt zich precies voor die soort een neerwaarste populatietrend te manifesteren. Het wegvallen van individuele territoriumhoudende dieren, ten gevolge van verkeerssterfte leidt, telkens opnieuw, tot het tijdelijk onbezet raken van relatief grote stukken landschap. Uit de eerste gegevens over het terreingebruik van een met radiozender uitgerust bunzingmannetje (lopend onderzoek IBW), blijken de dagrustplaatsen tot ruim 3 km uit elkaar te liggen. Het dier steekt daarbij regelmatig een drukke weg. Bij de door het marternetwerk ingezamelde bunzingen blijkt een zeer duidelijke aantalspiek (ongeveer één derde van het totaal) op te treden van volwassen mannetjes in de paartijd (maart-april). Gezien het mannetje verder niet bij het opgroeien van de jongen betrokken is, betekent dit op zich geen hypotheek op het nestsucces. Welk effect het verdwijnen van zo'n territoriumhouder heeft op het dispersiegedrag van de jongen is voorlopig onduidelijk. Het is niet ondenkbaar dat de dispersie van een jong mannetje ("zoon") grotendeels wegvalt wanneer het dominante dier ("vader") gedood is, en/of een ander jong de plaats inneemt van een verongelukte buurman. De dieren die hoe dan ook wél wegtrekken (half juli-september), worden sterk gehinderd door allerhande barrières (kanalen, autosnelwegen,...) en biotoopverlies. Tegelijk vallen onder deze groep ook bijzonder veel verkeersslachtoffers (cf. tweede aantalspiek bij verkeersslachtoffers, opnieuw ongeveer één derde). Beide fenomenen,wegvallen van mogelijke dispersiereden én bemoeilijken van dispersiemogelijkheden, kunnen tot een verderschrijdende genetische verarming leiden van de (meta)populaties. Op langere termijn kan dit sluipend en "verborgen" proces leiden tot vitaliteitverlies in popula-
ties waarvoor ogenschijnlijk nauwelijks of geen zichtbare problemen bestaan. Verkeersslachtoffertellingen en -registraties dienen met de nodige voorzichtigheid geïnterpreteerd te worden. Verschillen in aantallen, zowel in de ruimte als in de tijd, drukken vaak eerder de activiteitsgraad en spreiding van de tellers uit dan dat zij een goed beeld geven van de spreiding en vestiging van de dieren. Daarnaast kunnen, zeker in het geval van zeldzame soorten, toevalsfactoren het naar voren tredende "beeld" danig gaan beïnvloeden. Zo werden twee van de in totaal vijf ingezamelde boommarters gevonden op een plaats die geenszins als boommartergebied kan beschouwd worden (omgeving Kortrijk en centrum Brussel). Het ging dan ook concreet niet om gevestigde maarzwervende of disperserende mannetjes. Daartegenover blijkt een set van vindplaatsen van verkeersslachtoffers onder de, volwassen, bunzingen vrij goed voorspelbaar: "kruispunten" van wegen met beekvalleitjes, spoorwegbermen,... Het gaat daarbij vaak slechts over relatief beperkte lengtes, waar klassiek "elk jaar" dieren sneuvelen en die in principe relatief eenvoudig te ontsnipperen zijn (fauna-onderdoorgangen, tunnels en rasters) voor specifiek deze soort(en). Herpetofauna Verkeerssterfte onder amfibieën is een oud probleem. Door de toenemende verkeersdrukte en de uitbreiding van het wegennet, is het probleem alleen maar acuter geworden, zeker in Vlaanderen. De meeste doden vallen tijdens de voorjaarsmigratie naar het voortplantingswater, wat niet betekent dat andere seizoensbewegingen minder slachtoffers eisen. De overlevingskans van een individu dat de weg oversteekt, wordt bepaald door de oversteeksnelheid, de oversteekrichting, de breedte van de weg, de verkeersintensiteit en de verkeerssnelheid (755). Het verkeer heeft een belangrijk effect op het voortplantingssucces van amfibieën (568) en kan lokaal tot het uitsterven van soorten leiden (581, 499), vooral wanneer dit gepaard gaat met veranderingen in de leefomgeving. De populatie is geenszins in gevaar, zolang er deelpopulaties bestaan die de voortplantingsplaats kunnen bereiken, zonder het gevaar te lopen overreden te worden. Echt bedreigend wordt de situatie pas wanneer alle dieren uit een populatie wegen moeten oversteken. Er bestaan weinig wetenschappelijke gegevens omtrent de grenzen waarbinnen de verliezen kunnen worden gecompenseerd. Zeker is dat niet alleen de dood van volwassen dieren, maar evenzeer van jonge, pas gemetamorfoseerde dieren een rol speelt. Volgens Stolz en
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
239
Verstorings- en herstelprocessen Podloucky (612) is de maximale verliesmarge 25%, terwijl voor Heusser (345) het overleven van de populatie in het gedrang komt wanneer meer dan 20-25% van de geslachtsrijpe dieren omkomt. De invloed van verkeerssterfte op de populatieontwikkeling, uit zich het sterkst bij soorten met een lage reproductiecapaciteit en een relatief hoge levensverwachting, zoals salamanders (121, 568), zelfs wanneer de voorjaarsmigratie wordt ondersteund door overzetacties (499). De meeste aanrijdingen vinden plaats bij bewegingen tussen deelhabitats, en in het bijzonder op plaatsen waar deze door een weg worden gescheiden. Er bestaan verschillende migraties: - voorjaarsmigratie van adulte dieren van winterleefgebied naar voortplantingswater; - voorjaarsmigratie van adulte dieren van voortplantingswater naar zomerleefgebied; - dispersie van gemetamorfoseerde dieren van voortplantingswater naar landleefgebied; - herfstmigratie van adulten en juvenielen van zomernaar winterleefgebied; - ongerichte bewegingen binnen het leefgebied; - dispersie naar nieuwe leefgebieden. In Vlaanderen, is tot nog toe hoofdzakelijk aandacht besteed aan de voorjaarsmigratie van adulte dieren van het winterleefgebied naar het voortplantingswater, omdat dit het meest opvallend is. Nochtans is bekend dat ook de dispersie van gemetamorfoseerde dieren, hoofdzakelijk van de gewone pad en de bruine kikker, in de maanden juni en juli, tal van slachtoffers eist. Vanzelfsprekend verhoogt de aanrijdingkans met een toenemende wegendichtheid en verkeersintensiteit, zodat ook soorten met een beperkte actieradius het slachtoffer kunnen worden, wanneer hun leefgebied door een groot aantal drukke wegen doorsneden wordt. In Vlaanderen komen 14 amfibieĂŤnsoorten voor. Daarvan zijn er 5 soorten regelmatig het slachtoffer van het verkeer (de gewone pad (Bufo bufo), de groene kikker (Rana esculenta), de bruine kikker (Rana temporaria), de alpenwatersalamander (Triturus alpestris), de kleine watersalamander (Triturus vulgaris). Allicht is de gewone pad het grootste slachtoffer van het verkeer, vooral omdat de voorjaarstrek van deze soort veelal massaal optreedt. In Vlaanderen zijn plaatsen bekend waar meer dan 4800 padden de weg oversteken (Appeldijkstraat in Bornem-Weert). Er worden ook veel bruine kikkers overreden in Vlaanderen, hoewel het fenomeen meer lokaal is. Er zijn trekbewegingen tot 1650 individuen (Het Wik in Genk) vastgesteld en soms kan ook de groene kikker in groter aantal optreden (Zandstraat in
Diepenbeek, 812 individuen). Grote trekbewegingen van salamanders, daarentegen, zijn uitzonderlijk, niettegenstaande op enkele plaatsen in Vlaanderen grote aantallen van meer dan 1600 dieren (Toekomstlaan in Beerse) zijn gevonden. Zowel van de alpenwatersalamander als de kleine watersalamander en de vinpootsalamander en kamsalamander, is bekend dat ze in grotere aantallen over lange afstanden trekken. Ze vallen echter minder op. Lokaal kan ook de vuursalamander in groter aantal een weg oversteken (Braambrugstraat in Ename; Makkegemstraat in Schelderode) en sporadisch vallen ook slachtoffers bij, onder andere, bijzondere soorten zoals de knoflookpad, de heikikker en de boomkikker (Ballewijer in Zonhoven) of de rugstreeppad (Bergstraat in Oud-Turnhout; Laagsimse in Alken).
5.7.3.3 Corridors In Vlaanderen, hebben alle wegbermen samen een totale oppervlakte van ongeveer 40000 ha, waarvan ongeveer 9000 ha in beheer van de Vlaamse Gemeenschap (autosnelwegen en gewestwegen). Als men bedenkt dat de vooropgestelde totale oppervlakte aan gebieden met natuur als hoofdfunctie (te realiseren tegen 2007) 125000 ha bedraagt, verspreid over heel Vlaanderen, verdient de aanzienlijke oppervlakte aan wegbermgroen wel enige aandacht. Bij de waardering van een berm voor de "natuur", moeten we onder andere naar de aangrenzende omgeving kijken (786). Ligt de berm in een ecologisch waardevolle zone of vormt het een eiland temidden van intensief bewerkt landbouwland of stedelijk gebied? Waar kan de wegberm een extra functie krijgen als verbindingszone (corridor), of juist als buffer om negatieve invloeden van de weg voor het achterland te beperken of waar heeft de berm een functie als stapsteen voor fauna tussen leefgebieden? Aan de hand van planteninventarisaties, kunnen we de botanische waarde van de bermen inschatten. Onder andere door de projectgroep Natuurtechniek binnen de administratie voor Wegen en Verkeer, worden in het kader van het opstellen van bermbeheersplannen (310) voor de gewestwegen planteninventarisaties uitgevoerd. Daaruit blijkt dat, bijvoorbeeld, op de bermen langs de ring R0 rond Brussel, meer dan 320 plantsoorten werden gevonden. Op termijn zullen alle bermen langsheen de gewestwegen geĂŻnventariseerd worden, waardoor we ons een duidelijk beeld kunnen vormen van de berm als habitat (en verspreidingselement) voor planten. In Vlaanderen, groeien ongeveer 800 soorten hogere planten en 100 soorten mossen en korstmossen op de wegbermen. Voor de hogere planten, bedraagt dat ongeveer 62% van de totale flora. Het aantal mossen en korst-
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
240
Verstorings- en herstelprocessen mossen is ongetwijfeld een onderschatting van het reële aantal. Ondanks dat hoge aantal soorten planten op bermen, zijn de meeste soorten eerder algemenere. De wegberm betekent weliswaar vaak een refugium voor zeldzamere soorten, maar het optimum van die soorten moeten we meestal in hooilanden, bossen, heiden of duinen zoeken. Maar al te vaak is de oorspronkelijke biotoop van die soorten vernietigd en wordt de wegberm de enige resterende biotoop. Meer dan 50 soorten vinden we dan ook tegenwoordig nog bijna uitsluitend op bermen. Wat wegbermen nu precies betekenen voor de fauna, is eerder onduidelijk. Er komen in Vlaanderen zo'n 20000 soorten ongewervelden voor en we weten niet hoeveel daarvan op bermen leven, omdat specifiek onderzoek ernaar ontbreekt. Eén van de weinige studies die in Vlaanderen zijn uitgevoerd, is het onderzoeksproject "Fauna-elementen in de wegbermen langsheen de autosnelweg E314" (47), waarbij de aanwezigheid onderzocht werd van enkele specifieke fauna-elementen uit representatieve diergroepen op de bermen langsheen de autosnelweg E314, tussen Zonhoven en Maasmechelen. Met dit onderzoek, werd een antwoord gezocht op twee cruciale vragen: in hoeverre vormen de snelwegbermen een habitat voor de onderzochte diergroepen, en in hoeverre vervullen de E314-bermen een corridor- en migratiefunctie voor diersoorten van heide en heischrale graslanden? Het onderzoek toont aan dat de bermen een onmiskenbare functie hebben als stabiel leefgebied voor gemeenschappen van ongewervelden. De aanwezige gemeenschappen van spinnen en loopkevers zijn immers voldoende ontwikkeld om een eigen ecologische karakteristiek te bezitten. Het zijn dus geen soortenarme varianten die enkel uit algemene soorten met een brede ecologische amplitude bestaan. Wat de gewervelden betreft, komen 2 reptielen (de gladde slang en de levendbarende hagedis) en 2 amfibieën (de heikikker en de rugstreeppad) van de Rode Lijst voor op de bermen. Onder de kleine zoogdieren op de wegbermen, kwam de bosspitsmuis als talrijkste van de 9 vastgestelde soorten naar voor. Uit de relatie tussen de aangetroffen fauna en de bermvegetatie blijkt, dat de corridorfunctie van de E314 tussen de grote Limburgse heidereservaten vooral wordt bepaald door de aanwezigheid van heide en droge, schrale graslanden op de berm. De bedreigde fauna van deze zeldzaam wordende biotoop, maakt nauwelijks gebruik van andere habitattypes. Uit de resultaten van deze studie blijkt, dat een aantal bermen al geschikt zijn om deze corridorfunctie te vervullen. Wegbermen zijn, per definitie, vaak vrij smalle elementen. Het ligt dus in de lijn van de verwachtingen dat de proportie "storingssoorten", of soorten die normaal niet thuishoren in het onderzochte vegetatietype, op bermen vrij groot is. Dit gegeven werd frequent bevestigd in de studie (47).
5.7.4 Beleidsevaluatie 5.7.4.1 Planevaluatie Globaal genomen, kunnen we stellen dat versnippering binnen het beleid algemeen erkend wordt en als dusdanig ook als op te lossen probleem terug te vinden is. In de beleidsbrieven van de Vlaamse ministers bevoegd voor leefmilieu, mobiliteit en ruimtelijke ordening, worden algemene doelstellingen (direct en indirect) geformuleerd, met betrekking tot de aanpak van versnippering. Zo wordt in het leefmilieubeleid de nadruk gelegd op het uitwerken van een ecologisch netwerk, waarvoor een duidelijke planning en inhoudelijke doelstellingen worden omschreven (zie deel 7.2 De totstandkoming van VEN en IVON (procesevaluatie)). Daarnaast, wordt ook een inhaalbeweging vooropgezet (aankoop en uitbreiding), met betrekking tot het aantal gebieden die het statuut als natuurreservaat hebben. Dit alles moet leiden tot grotere en aaneengesloten natuurgebieden met een hogere natuurkwaliteit, waardoor de impact van versnippering op de biodiversiteit teruggedrongen wordt. In de beleidsnota van de Vlaamse minister van mobiliteit en verkeer, kunnen we de oplossing van de versnippering onder één van de vijf strategische doelstellingen terugvinden. Concreet wordt, enerzijds, verwezen naar het gebruik van kwetsbaarheidanalysen voor de inplanting van nieuwe infrastructuur en anderzijds, wordt de nadruk gelegd op de uitvoering van het vademecum voor natuurtechnische milieubouw (169, 379). Daarnaast zijn er een heel aantal indirecte maatregelen die effect hebben op versnippering. Dit laatste geldt als algemene stelling voor elke beleidstak.Vanwege de complexiteit en uitgebreidheid van versnippering, zijn er veel elementen die versnippering kunnen tegen gaan of bewerkstelligen. Als we naar "distance to target" kijken dan is dit binnen het gevoerde mobiliteitsbeleid moeilijk terug te vinden omdat het beleidsdoel zeer algemeen geformuleerd is (geen operationele, meetbare doelstelling). In het beleid van Vlaams minister Van Mechelen, met betrekking tot ruimtelijke ordening, is de visie m.b.t. versnippering terug te vinden in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (26). Eén van de peilers van dit structuurplan is de versterking en het behoud van de open ruimte (buitengebied). Om dit te bestendigen, zijn een aantal taken voor de Vlaamse overheid in de beleidsnota opgenomen, zoals de afbakening en ontwikkelingsperspectieven van een natuurlijke structuur. Zo moet er 10000 ha bos- of bosuitbreidinggebied bijkomen, naast de afbakening van 38000 ha extra reservaat- en natuurgebied. In deze doelstellingen, wordt sterk verwezen naar de beoogde doelstelling in het natuurbeleid (uitwerking ecologisch netwerk).
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
241
Verstorings- en herstelprocessen Gezien de complexiteit van versnippering en daardoor ook de inschatting ervan als probleem, zijn de globale beginselen van het milieubeleid, zoals die terug te vinden zijn in het decreet algemene bepalingen milieubeleid (DABM) en in het MBP-2, van groot belang. Het betreft hier het voorkomingbeginsel, het voorzorgprincipe, de voorkeur voor brongerichte maatregelen, het stand stillprincipe en het beginsel "de vervuiler betaalt". Kort samengevat, moet elk mogelijk effect van het proces versnippering vermeden worden, tot men weet wat de exacte impact op de aanwezige fauna en flora ervan is. Uiteraard is het moeilijk om voor een complexe materie zoals versnippering concrete doelstellingen op te zetten. Dit maakt de evaluatie van het beleid niet eenvoudiger, waarbij het doel en de doeltreffendheid (effectiviteit) van het beleid moeten worden beoordeeld en moet worden aangegeven waar het beleid kan bijgestuurd worden, of waar er nieuwe klemtonen moeten worden gelegd. In dat opzicht, is het misschien belangrijk om in de nabije toekomst hierop te focussen. EĂŠn van de weinige voorbeelden waarbij "distance to target" kan gevolgd worden is het wegwerken van vismigratieknelpunten (zie 5.7.2.2). Naast het saneren van knelpunten is het natuurlijk van belang dat de creatie van nieuwe migratieknelpunten vermeden wordt. Indien nieuwe constructies worden aangelegd moet er rekening worden gehouden met vismigratie. Zo zet het benutten van waterkracht voor elektriciteitsproductie op de manier zoals dit nu gebeurt een jarenlang herstelbeleid rond rivierecosystemen op de helling. Het is vanzelfsprekend dat het gebruik van hernieuwbare energie moet ondersteund worden. Vooraleer dergelijke initiatieven op te starten moet echter een ernstige afweging van de ecologische kosten en baten uitgevoerd worden. De MiNa-raad Vlaanderen stelt in haar advies terzake terecht dat geen initiatieven mogen opgestart worden met een louter symbolische meerwaarde. Anderzijds kan niet toegestaan worden dat natuurwaarden eens te meer verloren gaan omwille van economische motieven. Ditzelfde gegeven geldt ook voor de aanleg van de "missing links" die opgenomen zijn in het mobiliteitsplan, alsook de problematiek van de zonevreemde woningen.
5.7.4.2 Procesevaluatie Vlaams beleid Bij procesevaluatie, denken we in eerste instantie aan welke beleidsorganen en instrumenten er ingezet (of kunnen ingezet) worden voor de aanpak van versnippering, alsook aan de knelpunten die gepaard gaan met de uitvoering van het ontsnipperingsbeleid. Om dit alles op een rijtje te zetten, werd in het kader van de MBP-actie 96 een studie uitgevoerd, met als opzet het uitwerken van een begeleidingsmaatregel voor ingrepen met een groot ver-
snipperend effect. Deze begeleidingsregeling is erop gericht om de problematiek van de versnippering in de kijker te stellen bij de planning, het ontwerp, de uitvoering en de aanpassing van ingrepen met een sterk versnipperend effect. Dit betekent dat maatregelen worden beschreven om de beleidsinstrumenten die op dit moment bestaan of eventueel nog ontwikkeld worden, aan te vullen, aan te passen of anders in te zetten in de verschillende fasen van de ontwikkeling van ingrepen met een sterk versnipperend effect. De begeleidingsregeling beoogt in eerste instantie een stroomlijning van de bestaande beleidsinitiatieven, die bijdragen tot de beperking en voorkoming van het probleem van versnippering, en in tweede instantie aanwijzingen te geven voor toekomstige initiatieven. De volgende instanties en administraties zijn in meerdere of mindere mate betrokken bij de ontwikkeling van het beleid inzake het tegengaan van versnippering en het promoten van ontsnippering (zie bijlage 5.7.1 voor lijst met uitgebreide specificaties): - Instituut voor Natuurbehoud - Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer - Universiteiten - AMINAL, afdelingen Algemeen Milieu- en Natuurbeleid, Natuur, Water, Milieuvergunningen, Land en Bos en Groen - AROHM afdelingen Ruimtelijke Planning, Stedebouwkundige vergunningen, Monumenten en Landschappen, Bouwinspectie - Departement Leefmilieu en Infrastructuur (LIN), Mobiliteitscel - AWV, afdelingen Wegenbeleid en -beheer, Verkeerskunde, Personenvervoer en Luchthavens - AWZ, afdelingen Beleid Havens, Waterwegen en Zeewezen,Vlaams Integraal WateroverlegcomitĂŠ - VLM (Natuurinrichting, Landinrichting, Ruilverkaveling) - VMM - Departement Economie, Werkgelegenheid, Binnenlandse aangelegenheden en Landbouw (EWBL), afdelingen BeleidscoĂśrdinatie, Natuurlijke Rijkdommen en Energie, Europa Economie (inclusief regionale economie) en Economisch ondersteuningsbeleid - NMBS - Provincie, gemeente - Polders en Wateringen - Private bedrijven: Distrigaz, Electrabel, Belgacom, ... De instrumenten, die aangewend kunnen worden bij het ontsnipperingsproces, zijn op te delen in, enerzijds, beleidsonderbouwende instrumenten en anderzijds, beleidsuitvoerende instrumenten. Deze laatste groep van instrumenten, kan op zijn beurt opgesplitst worden in
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
242
Verstorings- en herstelprocessen communicatieve en juridische instrumenten (zie bijlage 5.7.2 voor een uitgebreide lijst).
Ook in het bestaande instrumentarium zijnknelpunten te formuleren:
Als gevolg van de uitgebreide groep van betrokken instanties en instrumenten, kunnen heel wat knelpunten optreden. In het eindrapport van de MBP-actie 96, werden deze uitvoerig besproken.
- problematiek van versnippering wordt te weinig expliciet vermeld in bestaande beleidsinstrumenten zoals bijvoorbeeld in mer-richtlijnenboek; - oude ruimtelijke ordening instrumenten (ruimtelijke principes en plannen) hebben versnippering bestendigd en versterkt; - onvolledige en trage benutting van het beleidsinstrumentarium; - gebrek aan afstemmingplannings- en beheersinstrumenten; - knelpunten in specifieke groepen van beleidsinstrumenten.
In onderstaande paragrafen worden de belangrijkste knelpunten in de huidige beleidspraktijk (+ beleidsinstrumenten) bondig weergegeven (zie bijlage 5.7.3), die ervoor zorgen dat het thema versnippering in de milieubeleidsplanning op het terrein tot op heden niet volledig gerealiseerd is. De knelpunten in beleid delen we op in: knelpunten in beleidsplanning - de beleidscyclus is op zichzelf niet sterk genoeg ontwikkeld en er ontbreekt een verbinding tussen beleidsplanning en beleidsuitvoering; - het thema zit versnipperd over verschillende beleidsvelden en bevoegdheden; - versnippering zit verweven in verschillende beleidsinstrumenten; - versnippering kan niet losgekoppeld worden van thema's zoals verdroging, vermesting, ...; - beperkte politieke doorwerking en beleidsvaststelling van het probleem.
knelpunten in beleidspraktijk, handhaving en doorwerking - gebrek aan toetsingskader voor handhaving, vergunningverlening en monitoring; - vóór de totstandkoming van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen was er gebrek aan een globale ruimtelijke structuurvisie waardoor historisch gegroeide en sterke ruimtelijke versnippering is ontstaan in Vlaanderen; - doorwerking van het beleid naar lagere bestuursniveaus is niet vanzelfsprekend. knelpunten in beleidsorganisatie - beheersing van versnippering hangt samen met gewenste beleidsdoelstelling, bevoegdheidsverdeling, beschouwd schaalniveau, beschikbare middelen en planning. knelpunten in beleid ten opzichte van wetenschappelijke onderzoeksresultaten - onderzoek op wetenschappelijke basis en beleid op maatschappelijke basis gebruiken niet dezelfde dimensies van versnippering; - gebrekkig inzicht in toestand, processen, normen en referentiewaarden van versnippering; - verschil in snelheid tussen wetenschap en beleid.
Aan de hand van bovenstaande lijst, kunnen we stellen dat integratie (zowel horizontale als verticale) een belangrijke sleutelfactor is in het al dan niet bekomen van een efficiënt ontsnipperingsbeleid. Met verticale integratie, wordt de doorwerking bedoeld tussen de verschillende beleidsniveaus (gewest - provincie - gemeente). Hier kunnen we concluderen dat de doorwerking naar provincie en gemeente, meestal beperkt is tot de werking van de milieuconvenanten. De uitgangspunten van het Vlaamse beleid dringen niet systematisch door tot de laagste regionen van beleidsvoering. Daarnaast kan gezegd worden dat de beleidsplanning op ambtelijk niveau in Vlaanderen de versnipperingproblematiek erkent, maar om de ambtelijke beleidsvoorstellen daadwerkelijk uit te werken is er een politiek draagvlak nodig. Momenteel is dit draagvlak nog bescheiden, tengevolge van de vaagheid van de versnippering, waardoor de doorwerking van de ambtelijke inspanningen niet maximaal tot zijn recht komt. Ook op het vlak van de horizontale integratie, zijn nog veel knelpunten weg te werken. We denken hierbij vooral aan het gestructureerd samenwerken tussen verschillende domeinen binnen één beleidsniveau. Aan de hand van een aantal MBP-acties, kan gesteld worden dat er een tendens gecreëerd is tot een beleidsdomeinoverschrijdende samenwerking tussen verschillende instanties. Meer concreet, denken we hierbij aan de oprichting van een werkgroep ontsnippering, die binnen de administratie van Wegen en Verkeer (AWV) is opgezet en waarbij de leden zowel uit AWV (afdeling Wegenbeleid en -beheer, projectgroep natuurtechniek + uitvoeringsafdeling vanuit elke provincie) (beleidsuitvoering), AMINAL (afdeling Bos en Groen, afdeling Algemeen Milieu- en Natuurbeleid, afdeling Natuur) (beleidsonderbouwing), als het Instituut voor Natuurbehoud en Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer (wetenschappelijke onderbouwing) komen. Hierbij kunnen we stellen dat er een goede start is gegeven aan de verbreding van het draagvlak voor de ontsnippering van knel-
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
243
Verstorings- en herstelprocessen punten, m.b.t. de verkeersinfrastructuur. Om na te gaan welke acties er in het huidige beleid worden uitgevoerd en wat de stand van zaken is, kunnen we terugvallen op het achtergronddocument van het jaarprogramma 2001 (MBP). Hierbij kunnen de projecten opgedeeld worden in 4 groepen. In eerste instantie, zijn er projecten die betrekking hebben op inventarisaties, zoals actie 97 "Landschappelijke elementen van Vlaams belang inventariseren en een visie uitwerken voor deze landschappelijke elementen". In tweede instantie, zijn er de beleidsonderbouwende projecten. De reeds eerder vernoemde MBP-actie 96 is hier een voorbeeld van. Ook het aanpassen en opmaken van typebestekken voor de uitvoering van natuurvriendelijke oplossingen langsheen waterlopen en wegen (MBPactie 92), kan in deze categorie worden ondergebracht. Ook de acties 94, 96, 99 en 100 kunnen in deze groep geplaatst worden. Een derde groep, behelst onderzoeksprojecten. Deze groep omvat studies over waar en welke maatregelen er kunnen uitgewerkt worden voor een bepaalde situatie. Een voorbeeld hiervan, zijn de ontsnipperingsstudies die zijn uitgewerkt voor een aantal autosnelwegen. De actie 74 is gericht op het verder ontwikkelen en toepassen van technieken voor natuurtechnische milieubouw bij de inrichting en het beheer van waterlopen. De projecten die betrekking hebben op de daadwerkelijke uitvoering op het terrein, zullen bij de productevaluatie besproken worden. Internationaal beleid
doelstelling van IENE, is een veilig en ecologisch verantwoord pan-Europees transportnetwerk promoten, door maatregelen aan te reiken om de biodiversiteit te behouden en het aantal verkeersongelukken en aanrijdingen van fauna te verminderen. IENE verspreidt hieromtrent onderzoeksresultaten en levert praktische oplossingen om bij de aanleg, het gebruik en het onderhoud van transportwegen de impact op natuur te verminderen (mitigeren). Bij de activiteiten van IENE zijn momenteel vertegenwoordigers uit een 20-tal landen betrokken. De deelnemende landen zijn België, Denemarken, Duitsland, Estland, Finland, Frankrijk, Hongarije, Italië, Nederland, Noorwegen, Oostenrijk, Polen, Portugal, Roemenië, Rusland, Slovenië, Spanje, Tsjechië, Verenigd Koninkrijk, Zweden en Zwitserland. Sedert de oprichting van de organisatie in 1996 werd er jaarlijks een internationale IENE-meeting georganiseerd. Het netwerk wordt gecoördineerd door een coördinatiecenter, een stuurgroep en per deelnemend land een nationale coördinator.Tot 2000 werd het coördinatiecentrum van IENE financieel gesteund door twee overheidsinstanties, namelijk in de periode 1996 tot 1998 door het ministerie van Verkeer en Waterstaat (Nederland) en gedurende 1998 tot 2000 door de Swedish National Road Administration (Zweedse overheid). Sinds augustus 2000, neemt Vlaanderen het IENEvoorzitterschap waar voor de periode 2000-2002. Dit voorzitterschap wordt gefinancierd door het departement Leefmilieu en Infrastructuur. Hieruit kan worden afgeleid dat het internationale "beleid" een zekere doorwerking heeft op zowel wetenschappers als beleidsmensen in Vlaanderen.
Op internationaal vlak, leverde het Instituut voor Natuurbehoud de voorbije jaren zijn bijdrage en Vlaanderen is vertegenwoordigd in het beheerscomité van de Europese netwerken IENE (Infra Eco Network Europe) en COST (Cooperation in the Field of Scientific and Technical Research), met de actie COST341 (Habitat Fragmentation due to Linear Transportation Infrastructure).
Zoals hierboven reeds werd aangehaald, promoot IENE internationaal en multidisciplinair onderzoek, met betrekking tot transportinfrastructuur en natuur. In dit kader was het ook de aanvrager van het COST341-project. COST is een Europees netwerk voor de coördinatie van nationaal gesubsidieerd onderzoek en streeft naar een uitwisseling van informatie op internationale schaal. De actie is aangevraagd in 1997, loopt over 4,5 jaar en streeft naar een samenwerking op Europees niveau, omtrent de volgende 3 specifieke actiepunten:
IENE (Infra Eco Network Europe), opgericht in 1996 op initiatief van de wegenadministratie van de Rijkswaterstaat van Nederland, is een Europees netwerk van instanties en experts in het domein van habitatfragmentatie veroorzaakt door de aanleg en het gebruik van lineaire transportinfrastructuur, met name wegen, spoorlijnen en kanalen. De organisatie bevordert de onderlinge samenwerking en tracht de kennisuitwisseling tussen de sectoren leefmilieu en infrastructuur te promoten, zowel op nationaal als op internationaal niveau. De algemene
- Uitvoeren van een gedetailleerde inventaris over de huidige gang van zaken wat habitatfragmentatie betreft, veroorzaakt door het transportnetwerk in Europa. De informatie van elk deelnemend land wordt dan geïntegreerd in een "European State-of-the-art"rapport;- Opstellen van een "European Handbook", dat fungeert als vademecum bij toekomstige bouwprojecten van transportinfrastructuur; - Opzetten van een "Online Databank", waarin een overzicht gegeven wordt van Europese instellingen en
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
244
Verstorings- en herstelprocessen
Figuur 5.7.17: Knelpunten en structureel permanente ontsnipperingmaatregelen voor amfibieën in Vlaanderen. experts terzake, publicaties, technische terminologie,.... Meer informatie over IENE is te vinden op de webpagina www.iene.org (raadpleging juni 2001) en over COST341 via www.cordis.lu/cost-transport/home.html (raadpleging juni 2001).
5.7.4.3 Productevaluatie Ontsnipperingmaatregelen kunnen van allerlei aard zijn. Zowel punt- als lijnvormige, grote als kleine, bovengrondse of ondergrondse maatregelen, zijn in Vlaanderen terug te vinden. Vooral in de ecoregio's 4, 5, 6, 7, 8, 9 10 en 11, zijn ontsnipperingmaatregelen aanwezig. Dit kan deels verklaard worden door de grotere aanwezigheid van "natuur", zoals gedefinieerd in deel 5.7.1.2 Effecten en gevolgen van versnippering in deze ecoregio's. Dit wil echter niet zeggen dat in de andere ecoregio's geen versnipperingknelpunten aanwezig zijn. Het is duidelijk dat in de toekomst ook hier ontsnipperingmaatregelen moeten getroffen worden. De eekhoornbrug in Antwerpen, ter hoogte van het Middelheimpark, is eerder een experimentele maatregel die momenteel niet wordt opgevolgd, met betrekking tot het gebruik ervan door eekhoorns of andere dieren. Er is momenteel één reeënraster (met een lengte van ongeveer 11 km, langs weerszijden van de weg) en één
ecotunnel in Vlaanderen terug te vinden. Het betreft hier de ontsnippering van de autosnelweg E314, ter hoogte van Ten Haagdoornheide en De Teut. Wat deze laatste gebieden betreft, gaat het om een combinatieraster, waarbij niet enkel reeën, maar ook kleinere zoogdieren en amfibieën worden tegengehouden en geleid naar doorgangen zoals de ecotunnel. Deze ecotunnel zal in de loop van 20012002 opgevolgd worden, met betrekking tot het gebruik. Een andere belangrijke maatregel voor de ree, zijn de uitstapplaatsen in kanalen. Momenteel werden 34 van dergelijke uitstapplaatsen voorzien. Ook andere dieren, zoals de das, kunnen hiervan gebruik maken. Ontsnipperingsmaatregelen voor de das zijn echter vooral terug te vinden in de Krijt-Leem regio (ZuidLimburg en de Voerstreek). Momenteel werden rasters geplaatst over een lengte van meer dan 13 km en zijn er een 6-tal tunnels uitgewerkt. In de rasters zijn ook dassenkleppen voorzien om verloren gelopen dassen, die zich langs de verkeerde zijde van het raster bevinden, een "nooduitgang" te bieden. Ondanks de uitgevoerde maatregelen voor amfibieën, dient gezegd dat, op het gebied van de aanleg van oversteek- (tunnels) en geleidingssystemen (rasters) voor amfibieën, in Vlaanderen nog geen sprake is van een traditie. De eerste permanente voorziening in Vlaanderen is pas in 1993 (Hoogstraat in Sint-Pieters-Leeuw) aangelegd (63). Hierbij dient ook gesteld, dat het aantal gerealiseerde voorzieningen tot nog toe in aantal beperkt is gebleven (25-tal
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
245
Verstorings- en herstelprocessen permanente maatregelen, verspreid over een 15-tal locaties) in vergelijking tot het groot aantal knelpunten (figuur 5.7.17) in ons druk bereden gewest. Hieruit kan men afleiden dat momenteel slechts iets meer dan 10% van de knelpunten is opgelost. Om aanrijdingen van amfibieën te voorkomen, wordt nog steeds hoofdzakelijk met tijdelijke voorzieningen gewerkt, bepaald in het kader van overzetacties. In 1999, werden op 58 plaatsen in Vlaanderen dergelijke overzetacties doorgevoerd (volgens geregistreerde gevallen van Hyla). Met de aanleg van permanente voorzieningen, wordt in bepaalde gemeenten getracht een meer duurzame oplossing te bieden voor het aanrijdingprobleem. Naast de ontsnippering van transportinfrastructuren, zoals hierboven aangegeven, zijn er ook gebiedsgerichte ontsnipperingmaatregelen. Aangezien de uitgebreidheid, wordt hier dan ook verwezen naar de andere delen van dit hoofdstuk, in het bijzonder deel 5.9 Natuurbeheer, natuurontwikkeling en natuurinrichting en deel 7.2 De totstandkoming van VEN en IVON (procesevaluatie). Daarnaast moet gesteld worden dat elke maatregel die uitgewerkt wordt om een verstoringsproces te milderen (of te niet te doen), een directe of indirecte weerslag heeft op de versnippering van de natuur in Vlaanderen.
Lectoren Lisbeth Stalpaert - Vlaamse Milieumaatschappij, MIRA Egbert Asselman – Vlaamse Landmaatschappij Luc Janssens - AMINAL, afdeling Algemeen milieu- en natuurbeleid, Cel NTMB Marleen Moelants - AWV, Projectgroep natuurtechniek Erik Matthysen - Universiteit Antwerpen, Laboratorium voor Dierenecologie Hubert Gulinck – KULeuven, Instituut voor Land- en Waterbeheer Patrik Oosterlynck - Instituut voor Natuurbehoud
5.8 Verwerving van natuurgebieden Kris Decleer en Sophie Vanroose Instituut voor Natuurbehoud
5.8.1 Juridisch kader en doelstellingen van het beleid De aankoop van natuurgebieden vanwege de overheid en erkende terreinbeherende verenigingen - met een deskundig ecologisch beheer! – garandeert ongetwijfeld het best de ontwikkeling, het herstel, de duurzame instandhouding en het functioneren van hoogwaardige natuur in Vlaanderen. Buiten de beschermde natuurgebieden (en de natuurreservaten in het bijzonder), zullen op lange termijn slechts de soorten en levensgemeenschappen die minder hoge eisen stellen aan hun milieu worden gevonden. Terreinverwerving is dus een essentieel instrument voor het behoud van de biodiversiteit, zeker in een regio als Vlaanderen, waar natuur onder grote druk staat. In dit hoofdstuk, wordt dieper ingegaan op het voorbije en geplande aankoopbeleid van de Vlaamse overheid en de verschillende erkende terreinbeherende verenigingen. In deze bijdrage werd ook rekening gehouden met de erkende natuurreservaten die niet beheerd worden door een officieel erkende terreinbeherende vereniging (b.v. Koninklijk Belgisch Verbond voor de Bescherming van de Vogels; Koninklijke Maatschappij voor Dierkunde Antwerpen; Koninklijk Vereniging Voor Natuur- en Stedenschoon). Deze natuurreservaten zijn zeer bescheiden in aantal en oppervlakte. Het aankoopbeleid van provincies en gemeenten komt in deze bijdrage niet aan bod, hoewel deze instanties hier en daar ook een gericht ecologisch beheer voeren in sommige waardevolle natuurgebieden. Ook wordt geen rekening gehouden met zogenaamde "vrije reservaten", waarbij het natuurbeheer berust op mondelinge afspraken met de eigenaar. De terreinen beheerd door het Vlaams Gewest en de erkende terreinbeherende verenigingen, kunnen in categorieën onderverdeeld worden (figuur 5.8.1).
5.8.1.1 Natuurreservaten Een "Vlaams natuurreservaat" is een beschermd natuurgebied dat door de Vlaamse regering, in uitvoering van het Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu van 21/10/97, wordt "aangewezen" op gronden die het Vlaamse Gewest in eigendom of in huur heeft of die daartoe ter beschikking worden gesteld. In de regel, worden deze terreinen beheerd door AMINAL, afde-
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
246
Verstorings- en herstelprocessen
Natuurgebieden in Vlaanderen Gebieden met een officieel, natuurgericht beheer Natuurreservaten (natuur hoofdfuntie)
Natuurdomeinen (natuur nevenfunctie)
- (al dan niet aangewezen) Vlaams natuurreservaat
- Gemeentelijk domein - Provinciaal domein - Militaire domeinen met natuurbeheersprotocol
beheerd door afd. Natuur - Bosreservaat
beheerd door AMINAL afd. Natuur of afd. Bos en Groen
beheerd door afd. Bos en Groen - Privaat (al dan niet erkend) natuurreservaat meestal beheerd door een erkende terrein-beherende vereniging - Natuurreservaat beheerd door gemeente of provincie
Gebieden met officieel geen specifiek natuurgericht beheer, tenzij een bosbeheersplan (in uitvoering van het Bosdecreet) eigendom van een openbaar bestuur
PrivĂŠeigendom
- Domeinbossen en overige natuurdomeinen (openbare viswateren e.a.) beheerd door Vlaams Gewest : AMINAL afd. Bos en Groen
Een (meer) natuurgericht beheer is wenselijk
Uitbouw van 50.000 ha natuurreservaat in Vlaanderen tegen 2007 (Mina-actie 108)
Figuur 5.8.1: Indeling van de natuurgebieden in Vlaanderen volgens beheersverantwoordelijkheid en de prioriteit die de natuurfunctie toegekend krijgt. De doelstellingen voor het gebiedsgericht natuurbeleid zijn met pijlen aangegeven. De typegebieden die in de tekst besproken worden zijn in kleur aangegeven. ling Natuur. De Vlaamse natuurreservaten werden vroeger "staatsnatuurreservaat" genoemd. Niet alle terreinen beheerd door AMINAL, afdeling Natuur, zijn reeds aangewezen als "Vlaams natuurreservaat"; daartoe moet een goedgekeurd beheersplan worden opgesteld. Verschillende terreinbeherende verenigingen hebben een lange traditie van verwerving en beheer van natuurgebieden: de zogenaamde "private natuurreservaten". Vier organisaties worden door de Vlaamse Regering erkend als terreinbeherende vereniging: de Belgische Natuur- en Vogelreservaten v.z.w. (met als Vlaamse dochterorganisatie v.z.w. Natuurreservaten), de v.z.w. Wielewaal, Natuurvereniging, de v.z.w. Stichting Limburgs Landschap en de v.z.w. Durme. De aankoop van natuurgebieden door deze organisaties wordt - volgens criteria gepreciseerd in het Natuurdecreet en het uitvoeringsbesluit van 29 juni 1999 (besluit houdende de vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning van natuurreservaten en van terreinbeherende natuurverenigingen en houdende toekenning van subsidies; zie ook deel 5.9.2 Natuurbeheer en natuurontwikkeling in de natuurreservaten.) - financieel gesubsidieerd door de Vlaamse overheid. Sinds enkele jaren, verlenen ook de provincies, sommige gemeenten en de Europese Unie in bepaalde gevallen financiĂŤle steun. Vele terreinen worden door deze organisaties ook
gehuurd, bijvoorbeeld, van openbare besturen zoals gemeenten, provincies,Vlaamse administraties (o.a. administratie Waterwegen en Zeewezen), militaire overheden, waterwinningsbedrijven, N.M.B.S. en andere. De private natuurreservaten kunnen door de Vlaamse regering als "erkend natuurreservaat" worden aangeduid, op basis van een goedgekeurd beheersplan en het akkoord van eventuele eigenaars. Deze "erkenning" is 27 jaar geldig en houdt een resultaatverbintenis vanwege de vereniging en een aangepaste beheerstoelage door de Vlaamse overheid in. In uitvoering van het Bosdecreet van 13/6/1990 en uitvoeringsbesluiten (o.a. B.V.R. 20/1/1993), kunnen door de Vlaamse regering ook "Bosreservaten" worden aangewezen. Het betreft hier biologisch waardevolle bosgebieden, doorgaans in beheer van AMINAL, afdeling Bos en Groen. Ook bossen van andere openbare besturen en particulieren, kunnen worden erkend als bosreservaat (zogenaamde "erkende bosreservaten"). De eigenaar kan kiezen of hij het beheer zelf in handen neemt of overdraagt aan de afdeling Bos en Groen. Inhoudelijk, worden twee types bosreservaten onderscheiden. "Integrale bosreservaten" zijn bossen waar de groei en de ontwikkeling van de natuur ongemoeid worden gelaten; in "gerichte bosreservaten", wordt door een aangepast beheer gestreeft naar de ontwikkeling/het behoud van specifieke bostypes.
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
247
g
( )
g
p
West-Vlaanderen # 1998 2001 1998 2001 1229 23 46 735 780 18 92 92 1 1 92 92 1 1
opp
Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie 21.2
28.1 14.8 26.1
16.9 29.4 5.1 5.1
gem. opp 1998 2001 32 26.7 43.4 91.6 91.6 91.6 91.6
Natuurreservaten AMINAL Afd. Natuur (aandeel aangewezen als Vlaams Natuurreservaat) Bosreservaten (totaal) (aandeel beheerd door AMINAL Afd. Bos & Groen) (aandeel erkend en beheerd door overige boseigenaars) 692 36 41 15.0 *Belg. Natuur- en Vogelres. / Natuurreservaten v.z.w. 540 (aandeel erkend) 248 382 9 13 46 8 *Wielewaal 35 9 4.4 10 0 (aandeel erkend) 0 2 *Stichting Limburgs Landschap (aandeel erkend) *v.z.w. Durme (aandeel erkend) Kon. Belg. Verbond voor de bescherming van de vogels (aandeel erkend) Koninklijke Maatschappij voor Dierkunde (aandeel erkend) Koninklijke Vereniging voor Natuur- en Stedenschoon (aandeel erkend) Werkgroep Natuurreservaten Linkeroever (aandeel erkend) Orchis vzw (aandeel erkend) totaal Vlaamse overheid 827 1,320 24 47 34.5 totaal terreinbeherende verenigingen 575 738 44 50 13.1 waarvan totaal erkend natuurreservaat 248 392 9 15 27.6 totaal erkend bosreservaat Totale oppervlakte natuurreservaat 1,402 2,059 68 97 20.6 oppervlakte provincie 316,101 316,101 % areaal beschermd als natuurreservaat 0.44% 0.65% opp. biol. (zeer) waardevol op Biol. Waarderingskaart (1) 45,924 45,924 % areaal van de provincie biol. (zeer) waardevol 14.53% 14.53% % areaal beschermd als natuurreservaat 3.05% 4.48% opp. groengebied (s.l.) op de gewestplannen 17,971 17,971 % areaal van de provincie beschermd als groengebied 5.69% 5.69% % areaal beschermd als natuurreservaat 7.80% 11.46% * : door de Vlaamse Regering erkende terreinbeherende verenigingen (1) inclusief de minder waardevolle gebieden met zeer waardevolle elementen (BWK versie 1/03/2001)
g
21 22
22 22
21 113 35
1 1
16 7 5 1
31 13 60 13
1,385 2,107 134 301,755 301,755 0.46% 0.70% 43,791 43,791 14.51% 14.51% 3.16% 4.81% 32,750 32,750 10.85% 10.85% 4.23% 6.43%
629 1478 883
227 175 21 15
184 126 19 5
276 1109 455
726 548 476 124 8
544 203 340 99
gem. opp 1998 2001 11.4 16.6 11.2 23.8 37.0 23.8 37.0
3,115 2849 1515 119 6,083 287,364 2.12% 69,027 24.02% 8.81% 54,367 18.92% 11.19%
1 1
1 1
1 94.4
2.9
50.2 19.7 36.1 39.8 29.0
100.0 100.0
96.1 93.8
2.9
gem. opp 1998 2001 37.68 49.5 117.0 75.0 53.1 61.9 29.2 39.0 39.8 28.2 31.7 53.1 46.5 10.82 11.4 16.6 18.3
49 62 39.94 126 145 16.79 32 42 30.4 1 3 39 176 210 23.36
1 1
96 94
94 94
100 100
1
3
Antwerpen # 2001 1998 2001 2968 47 60 1288 11 266 3 5 146 2 2 119 1 3 1615 39 51 744 10 16 1036 85 91 458 21 25
3
225 186 39 1098 531 920 349
1998 1,771
opp
1,957 2115 974 39 157 10.3 13.4 4,111 287,364 1.43% 69,027 24.02% 5.96% 54,367 18.92% 7.56%
33 13.1 19.1 124 9.8 11.9 53 13.0 16.7
1 21.6 20.6 1 21.6
16 11.5 14.2 11 15.9 6 3.8 3.5 3 5.0
35 17.6 20.7 23 23.8 65 5.7 7.3 15 8.2 1 8.0
Oost-Vlaanderen # 1998 2001 1998 2001 481 18 29 205 78 7 148 3 71 4 71 148 3 4 opp
6,302 242,770 2.60% 76,242 31.41% 8.27% 54,186 22.32% 11.63%
2,951 3,351 1,370
2,177 997 351 77 823 296
30 103 24
43 10 20 3 40 11
8,091 133 242,770 3.33% 76,242 31.41% 10.61% 54,186 22.32% 14.93%
61 2 3,388 4,703 1,893
481
1,121
3,016 1,233 506 177
154 47.38
422 411 11 790 174 123
1998 670
opp
21 27 71 96 10 28 1 2 93 125
Vlaams-Brabant # 2001 1998 2001 1,086 16 22 435 10 6 459 7 441 5 5 18 1 2 1,254 62 81 448 10 28 134 9 15
1,081 1,527 913 1,388 174 467 18 11 52.5 2,005 2,933 211,858 211,858 0.95% 1.38% 46,787 46,787 22.08% 22.08% 4.29% 6.27% 35,259 35,259 16.64% 16.64% 5.69% 8.32%
60.9 2.0 86.9 40.9 65.3
50.6 60.3 99.7 102.7 17.6 22.0 25.7 35.4 20.6 27.3 26.9 40.1
1 1 39 98.37 115 32.5 29 57.1
50 12 23 5 41 12
Limburg # gem. opp 1998 2001 1998 2001 1998 2001 2,774 19 28 123 99.1 2,337 1,934 14 138.2 614 11 11 55.8 55.8 614 614 614 11 11 55.8 55.8 opp
51.5 12.9 17.4 11.0 21.6
56.5 14.5 16.7 9.2 23.5
gem. opp 1998 2001 41.9 49.4 43.5 70.3 65.6 82.2 88.1 11.0 9.2 12.7 15.5 17.4 16.0 13.7 8.9
Tabel 5.8.1: Samenvattende tabel met aantallen en oppervlakte (ha) van de natuur- en bosreservaten in Vlaanderen (toestand 1/1/98 en 1/1/2001). Bedekkingsgraad van het areaal reservaat per provincie, op de Biologische Waarderingskaart en de groengebieden (s.l.) van het gewestplan.
7,042 8,063 3,221 50 15,155 1,359,848 1.11% 281,771 20.72% 5.38% 194,533 14.31% 7.79%
1,374 1,324 50 5,150 2,153 1,845 525 823 296 184 126 22 5 94 94 22 22
1998 5,718
VLAANDEREN # 2001 1998 2001 8,538 123 185 4,516 60 1,578 24 28 1,440 22 23 138 2 5 7,302 211 258 3,354 52 92 2,197 187 203 769 37 47 1,129 40 42 481 11 12 227 16 16 175 7 11 24 6 7 15 1 3 96 1 1 94 1 1 21 1 1 22 1 1 100 1 100 1 61 1 2 1 9,978 145 208 11,156 457 530 5,149 110 167 138 2 5 21,273 604 743 1,359,848 1.56% 281,771 20.72% 7.55% 194,533 14.31% 10.94% opp
gem. opp 1998 2001 44.4 46.2 75.3 57.2 56.4 60.2 62.6 25.0 27.5 24.4 28.3 41.4 36.5 9.9 10.8 14.2 16.4 20.6 26.9 26.9 40.1 11.5 14.2 18.0 15.9 3.6 3.4 5.0 5.0 94.4 96.1 94.0 93.8 21.6 20.6 22.0 21.6 100.0 100.0 60.9 2.0 48.6 48.0 17.6 21.0 29.3 30.8 25.0 27.5 25.1 28.6
Verstorings- en herstelprocessen
Instituut voor Natuurbehoud
248
Verstorings- en herstelprocessen
5.8.1.2 Natuurdomeinen
zogenaamde "stadsbossen".
Verschillende Vlaamse openbare besturen leveren inspanningen voor terreinverwerving, met een verweving van verschillende functies voor ogen. De gebieden worden multifunctioneel beheerd. Recreatie is doorgaans een belangrijk motief voor de aankoop. Natuurbehoud is meestal een neven- of ondergeschikte functie, maar kan niet (gebiedsdekkend) de hoofdfunctie zijn. In het geval van bosterreinen, wordt meestal ook het aspect houtproductie op evenwaardige wijze in het beheer geĂŻntegreerd. De verzamelterm voor al deze gebieden is hier "natuurdomeinen". De actuele en potentiĂŤle natuurwaarde verschilt sterk van gebied tot gebied. In deze bijdrage, wordt vooral dieper ingegaan op de natuurdomeinen beheerd door AMINAL, afdeling Bos en Groen.Voor zover het bosgebieden betreft (de overgrote meerderheid), is de juridische regelgeving ondergebracht in het Bosdecreet; men spreekt in dit geval van "domeinbossen", wanneer de bossen eigendom zijn van de Vlaamse overheid en van "openbare bossen", wanneer de bossen eigendom zijn van andere overheden.
Deze bijdrage is een actualisatie van de analyse die in het Natuurrapport 1999 is gepresenteerd (244). Tengevolge van verbeteringen en aanvullingen, aangebracht aan het databestand door de verschillende terreinbeherende instanties en beheerd door het Instituut voor Natuurbehoud, zijn de hier aangehaalde cijfers van het Natuurrapport 1999 meteen ook lichtjes aangepast.
Talrijke militaire domeinen behoren, omwille van hun uitgestrektheid en relatieve rust, tot de belangrijkste natuurgebieden van Vlaanderen.Voor sommige werd door AMINAL, afdeling Natuur of afdeling Bos en Groen, een specifiek "protocol" met de militaire overheid afgesloten, om het terrein ecologisch te beheren. Deze bijzondere categorie van "natuurdomeinen" noemen we gemakshalve "militaire domeinen met natuurbeheersprotocol". Het gaat hier dus niet om aankoopprojecten, maar veeleer om een soort van huurovereenkomst. Omdat het militair gebruik de hoofdfunctie blijft, zijn deze gebieden, ondanks hun soms uitzonderlijke natuurwaarde, ondergebracht in de categorie van de "natuurdomeinen".
Indien niet anders vermeld, wordt in deze bijdrage onder de verzamelterm "natuurreservaten", "reservaten", "reservaatprojecten" of "projecten" de totaliteit verstaan van al dan niet aangewezen Vlaamse natuurreservaten, al dan niet erkende natuurreservaten en bosreservaten. Indien niet anders vermeld, is steeds de toestand op 1/1/2001 weergegeven. De gegevens zijn afkomstig van de databank van de natuurreservaten die op het I.N. wordt bijgehouden en die alle gegevens van de verschillende terreinbeherende instanties bundelt.
5.8.2 Evaluatie van de verwerving en huur van natuurreservaten door de Vlaamse overheid en erkende terreinbeherende verenigingen
In het MBP-2 wordt, in uitvoering van de Actie 108, beleidsmatig gestreefd naar de aankoop van minimaal 10.000 ha natuur- en bosgebied tegen eind 2001 (omgerekend eindsaldo: 33.200 ha natuur en bos in eigendom zie figuur 5.8.19c) en de uitbouw van 50.000 ha natuurreservaat in Vlaanderen tegen 2007.
Op 1/1/2001, liepen in Vlaanderen 743 reservaatprojecten (beheerd door AMINAL, afdeling Natuur, afdeling Bos en Groen of erkende terreinbeherende verenigingen), goed voor een totale oppervlakte van 21.273 ha. Ook alle bosreservaten zijn in deze cijfers opgenomen. Een volledige lijst met alle projecten en de details inzake oppervlakte, beheerders e.d., is weergegeven in bijlage 5.8.1. Zoals hoger vermeld, ontbreekt een klein aantal projecten van steden, gemeenten, provincies of lokale milieugroepen (b.v.. het natuurreservaat "Bourgoyen-Ossemeersen", grotendeels eigendom van en beheerd door de Stad Gent). Een overzicht van het areaal natuur- en bosreservaat, opgesplitst per beheersinstantie, is per provincie weergegeven in figuur 5.8.2.
In het regeerakkoord (13 juli 1999), wordt het standpunt onderschreven dat een aankoopbeleid de beste waarborg en de grootste duurzaamheid biedt voor de toekomst, waarbij de verbintenis aangegaan wordt om, tijdens de 5-jarige legislatuur, elk jaar 3000 ha "bos-, duin- en natuurgebied" aan te kopen (totaal: plus 15.000 ha tegen eind 2004 of, omgerekend, een eindsaldo van 45.300 ha). Een onderscheid tussen natuurreservaat en natuurdomein wordt evenwel niet gemaakt. Het regeerakkoord bevestigt tevens het streefdoel van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, om 10.000 ha ecologisch verantwoorde bosuitbreiding te realiseren tegen 2007, en stelt dat in de verstedelijkte gebieden ruimte moet worden vrijgemaakt voor
Van alle projecten, kon de aangroei per jaar worden geregistreerd voor de periode 1/1/1988-1/1/2001, uitgezonderd voor de gebieden gehuurd door de v.z.w. De Wielewaal, Natuurvereniging, (979 ha) in de periode 1/1/1988-1/1/1998. Tabel 5.8.1 geeft een samenvattend overzicht van de stand van zaken op 1/1/2001 en de netto aangroei van het areaal natuur- en bosreservaat sinds 1/1/98 (Natuurrapport 1999). Een totaaloverzicht per provincie op 1/1/2001 en de jaarlijkse aangroei sinds 1/1/1988, voor het volledige areaal natuur- en bosreservaat in Vlaanderen, zijn grafisch weergegeven in figuur 5.8.3 en 5.8.4. In figuur 5.8.5 wordt de aangroei van het areaal natuurreservaat en bosreservaat per provincie grafisch
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
249
Verstorings- en herstelprocessen 3500 3000
8
ha
2500 2000
bos vlnr bnvr ww bos vlnr bnvr ww Durme bos vlnr bnvr ww bos vlnr bnvr ww sll bos vlnr bnvr ww
500
W-Vl.
O-Vl.
Antw.
Limb.
Vl-Br.
6
oppervlakte (ha)
1000
oppervlakte (ha)
1500
4
9000 7500
ha
6000
2
4500 3000 1500 0
overige
W-VL
21.273 ha vertegenwoordigt niettemin nog steeds maar 1,6% van de oppervlakte van Vlaanderen (dit is een stijging met 0,5% ten opzichte van de situatie op 1/1/98). Hiermee scoort Vlaanderen aanzienlijk minder dan Nederland waar, met een vergelijkbare bevolkingsdichtheid en levensstandaard, op een oppervlakte van 6,9% (eind 1999 was in Nederland een totaal areaal van 392.000 ha in eigendom en/of beheer van terreinbeherende organisaties, d.i. een aangroei van 4% of 15.000 ha meer landareaal dan in 1998 (exclusief de grote wateren zoals de Waddenzee),
30
12500
25
10000
20
7500
15
5000
10
2500
5
0
0
jan-01
15000
jan-00
35
jan-99
17500
jan-98
40
jan-97
20000
jan-96
45
jan-88
22500
oppervlakte (ha)
Ten opzichte van de situatie op 1/1/98 (402), groeide het aantal reservatenprojecten in Vlaanderen in drie jaar tijd van 604 naar 743 (toename 23%) en het areaal natuurreservaat van 15.155 ha naar 21.273 ha (toename met 6.118 ha of 40%). In de periode 1998-1999-2000 werd dus bijna 30% van het totale areaal natuurreservaat in Vlaanderen gerealiseerd.
oppervlakte (ha)
Een analyse van de gegevens maakt het mogelijk, in combinatie met de resultaten van het Natuurrapport 1999, een aantal conclusies te trekken.
5.8.2.1 21.273 ha natuurreservaat in Vlaanderen, goed voor 743 reservaatprojecten
VL-B
Figuur 5.8.3: Areaal natuurreservaat en bosreservaat in de 5 Vlaamse provincies op 1/1/2001 en de gemiddelde reservaatoppervlakte.
jan-95
weergegeven, voor de terreinen beheerd door AMINAL, afdeling Natuur, de erkende terreinbeherende verenigingen en beiden samen. Er werd hierbij steeds een onderscheid gemaakt tussen de oppervlakte in eigendom en de totale oppervlakte (eigendom en huur samen).
ANTW LIMB
Natuurreservaten terreinbeherende verenigingen Natuurreservaten AMINAL Afd. Natuur Bosreservaten Gemiddelde oppervlakte
Vlaanderen
Figuur 5.8.2: Overzicht van het areaal natuur- en bosreservaat per provincie,opgesplitst per beheersinstantie. Bos = bosreservaat; vlnr = Vlaams natuurreservaat; bnvr = Belgische natuuren vogelreservaten; ww = Wielewaal; Durme = vzw Durme; sll = Stichting Limburgs Landschap.
O-VL
jan-94
sll
jan-93
Durme
jan-92
ww
jan-91
bnvr
jan-90
vlnr
jan-89
bos
Natuurreservaten terreinbeherende verenigingen Natuurreservaten AMINAL Afd. Natuur Bosreservaten Gemiddelde oppervlakte
Figuur 5.8.4: Cumulatieve aangroei van het totale areaal en de gemiddelde oppervlakte natuurreservaat en bosreservaat in Vlaanderen (periode 1/1/88 - 1/1/2001). Er kon geen rekening worden gehouden met 979 ha in huur door de Wielewaal.
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
250
Verstorings- en herstelprocessen 3500
a
1200
3000
1000
2500
800
2000
600
1500
400
1000
200
500
0
0
2800
b
5000 c
d 4000
2000 1600
3000
1200
2000
800 1000
400 0
0 9000
5000
f
e 7500 6000 3000
4500 2000
3000 1500
1000
jan-00
g
jan-98
jan-88
700
jan-96
0
0
jan-94
oppervlakte (ha)
4000
jan-92
oppervlakte (ha)
2400
jan-90
oppervlakte (ha)
1400
oppervlakte (ha)
600 500
West-Vlaanderen
400
Oost-Vlaanderen
300
Antwerpen
200
Limburg
100
Vlaams-Brabant
a: aangroei per provincie van het areaal natuurreservaat in eigendom van het Vlaamse Gewest en beheerd door AMINAL afdeling Natuur (periode 1/1/88-1/1/2001) b: aangroei per provincie van het areaal natuurreservaat in eigendom van of gehuurd door het Vlaamse Gewest en beheerd door AMINAL afdeling Natuur (periode 1/1/881/1/2001) c: Aangroei per provincie van het areaal natuurreservaat in eigendom van erkende terreinbeherende verenigingen en overige erkende reservaten in eigendom (periode 1/1/881/1/2001) d: Aangroei per provincie van het areaal natuurreservaat in eigendom van of gehuurd door erkende terreinbeherende verenigingen en overige erkende reservaten in eigendom of huur (periode 1/1/88-1/1/2001). Er kon geen rekening worden gehouden met 979 ha in huur door de Wielewaal.
jan-01
jan-00
jan-99
jan-98
jan-97
jan-96
jan-95
jan-94
jan-93
jan-92
jan-91
jan-90
jan-89
Figuur 5.8.5:
jan-88
0
e: Aangroei per provincie van het gezamenlijk areaal natuurreservaat in eigendom van erkende terreinbeherende verenigingen, AMINAL afd. Natuur en overige erkende reservaten (periode 1/1/88-1/1/2001) f: Aangroei per provincie van het gezamenlijk areaal natuurreservaat in eigendom van of gehuurd door erkende terreinbeherende verenigingen, AMINAL afd. Natuur en overige erkende reservaten (periode 1/1/88-1/1/2001). Er kon geen rekening worden gehouden met 979 ha in huur door de Wielewaal. g: Aangroei van het areaal bosreservaat in Vlaanderen (eigendom van het Vlaamse Gewest en beheerd door AMINAL afdeling Bos en Groen en erkende bosreservaten) (periode 1/1/88-1/1/2001).
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
251
Verstorings- en herstelprocessen een beheer gevoerd wordt gericht op natuur als hoofdfunctie (560, 669). Het MBP-2 beoogt de uitbouw van 50.000 ha natuurreservaat in Vlaanderen tegen 2007, wat neerkomt op 3,7% van Vlaanderen. Er zijn geen officiĂŤle internationale afspraken inzake streefnormen voor de oppervlakte natuurreservaat in elk land. Het verdrag inzake biologische diversiteit, opgesteld in Rio de Janeiro op 5/6/92 en in BelgiĂŤ van kracht sinds 20/2/97, bepaalt in dit verband enkel dat elk land moet beschikken over een stelsel van beschermde gebieden om de biologische diversiteit te behouden, en dat alle noodzakelijke bijkomende maatregelen moeten getroffen worden om deze biologische diversiteit te behouden of te herstellen. De Raad van Europa heeft in 1995 de "Pan-European Biological and Landscape Diversity Strategy" goedgekeurd en gelanceerd, die voorziet in een aantal concrete doelstellingen en acties inzake natuurbehoud voor alle leden van de Raad van Europa (809). De World Conservation Union (IUCN), United Nations Environment Programme (UNEP) en World Wide Fund For Nature (WWF), hebben zich in 1980 reeds tot doel gesteld dat tenminste 10% van het aardoppervlak als natuurgebied moet wordt beschermd. Ook voor het Natura2000-netwerk van de Europese Unie, wordt een minimaal richtcijfer van 10% van de oppervlakte van de unie naar voor geschoven. In de IUCN Commission on National Parks and Protected Areas (807), wordt een stand van zaken opgemaakt voor 33 Europese landen. Voor de Europese regio, bedroeg het landgemiddelde voor beschermde natuurgebieden met een hoofdfunctie natuur in 1994 3,33% van het areaal. Recentere cijfers van 1996, verzameld voor 18 Europese
landen door de World Conservation Monitoring Centre, in samenwerking met de European Topic Centre for Nature Conservation, vermelden een gemiddelde oppervlakte van 4,8% van het landareaal. Met het streefdoel van 50.000 ha natuurreservaat tegen 2007, blijft Vlaanderen dus nog steeds onder het Europese gemiddelde scoren. 21.273 ha vertegenwoordigt slechts 10,9% van de ca. 194.500 ha groengebied op de gewestplannen (nl. situatie op 1/1/2001 voor natuur- en reservaatgebied, groengebied, bosgebied, parkgebied en buffergebied samen). Indien bij de "groengebieden" ook het agrarisch gebied met ecologisch belang gerekend wordt, vertegenwoordigt de oppervlakte natuurreservaat daarvan 10,0%. De Vlaamse overheid had op 1/1/2001 in totaal 9978 ha in beheer als natuurreservaat (208 gebieden, waarvan 23 bosreservaten); dit is een toename met 2936 ha of 42% (63 gebieden, waarvan 1 bosreservaat) ten opzichte van 1/1/98 (Natuurrapport 1999). Alle terreinbeherende verenigingen samen, beheren 11.156 ha (530 projecten); dit is een toename met 3093 ha of 38% (73 projecten) ten opzichte van 1/1/98 (Natuurrapport 1999). Van deze laatste groep, neemt de v.z.w. Natuurreservaten ongeveer 2/3 van de oppervlakte voor haar rekening. Het aantal erkende bosreservaten (d.i. bosreservaten die geen eigendom zijn van de Vlaamse overheid) steeg in dezelfde periode met 88 ha (3 projecten). Het grootste aantal reservaatprojecten is te vinden in de provincies Antwerpen, Oost-Vlaanderen en Limburg (resp. 210, 157 en 154); het kleinste aantal in de provincies
Tabel 5.8.2: Frequentieverdeling in oppervlakteklassen van de natuur- (en bos-) reservaten in Vlaanderen (som eigendom en huur) op 1/1/98 en 1/1/2001. oppervlakteklassen (in ha) 0 tot 1 1 tot 5 5 tot 10 10 tot 20 20 tot 30 30 tot 40 40 tot 50 50 tot 100 100 tot 200 200 tot 500 500 tot 1000 totaal aantal gebieden
oppervlakteklassen (in ha) 0 tot 1 1 tot 5 5 tot 10 10 tot 20 20 tot 30 30 tot 40 40 tot 50 50 tot 100 100 tot 200 200 tot 500 500 tot 1000
WVL 1998 2001 8 9 16 26 21 21 9 15 4 9 3 2 1 4 3 3 2 7 1 1 0 0 68 97
WVL 1998 2001 11,8% 9,3% 23,5% 26,8% 30,9% 21,6% 13,2% 15,5% 5,9% 9,3% 4,4% 2,1% 1,5% 4,1% 4,4% 3,1% 2,9% 7,2% 1,5% 1,0% 0,0% 0,0%
OVL 1998 22 51 23 19 11 2 2 3 1 0 0 134
aantal gebieden per oppervlakteklasse ANT VLB 2001 1998 2001 1998 21 20 20 15 55 53 48 27 18 28 31 12 23 29 39 16 15 17 17 6 11 9 13 5 5 4 9 3 6 11 20 4 2 3 10 4 1 1 2 1 0 1 1 0 157 176 210 93
LIM 2001 14 28 26 19 9 4 4 12 5 4 0 125
aandeel per oppervlakteklasse (%) ANT VLB 2001 1998 2001 1998 2001 13,4% 11,4% 9,5% 16,1% 11,2% 35,0% 30,1% 22,9% 29,0% 22,4% 11,5% 15,9% 14,8% 12,9% 20,8% 14,6% 16,5% 18,6% 17,2% 15,2% 9,6% 9,7% 8,1% 6,5% 7,2% 7,0% 5,1% 6,2% 5,4% 3,2% 3,2% 2,3% 4,3% 3,2% 3,2% 3,8% 6,3% 9,5% 4,3% 9,6% 1,3% 1,7% 4,8% 4,3% 4,0% 0,6% 0,6% 1,0% 1,1% 3,2% 0,0% 0,6% 0,5% 0,0% 0,0%
1998 16 29 16 12 11 15 8 10 11 3 2 133
OVL 1998 16,4% 38,1% 17,2% 14,2% 8,2% 1,5% 1,5% 2,2% 0,7% 0,0% 0,0%
VL 2001 12 27 12 23 15 11 9 16 17 10 2 154
1998 81 176 100 85 49 34 18 31 21 6 3 604
2001 7,8% 17,5% 7,8% 14,9% 9,7% 7,1% 5,8% 10,4% 11,0% 6,5% 1,3%
1998 13,4% 29,1% 16,6% 14,1% 8,1% 5,6% 3,0% 5,1% 3,5% 1,0% 0,5%
LIM 1998 12,0% 21,8% 12,0% 9,0% 8,3% 11,3% 6,0% 7,5% 8,3% 2,3% 1,5%
2001 76 184 108 119 65 41 31 57 41 18 3 743
VL 2001 10,2% 24,8% 14,5% 16,0% 8,7% 5,5% 4,2% 7,7% 5,5% 2,4% 0,4%
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
252
Verstorings- en herstelprocessen ha), De Maten (219). Indien de bovenloop van de Zwarte Beek samen wordt genomen met de beneden- en middenloop, vormde de Vallei van de Zwarte Beek op 1/1/2001 het grootste reservaatproject in Vlaanderen (1253 ha).
60
50
40
%
30
20
500 tot 1000
200 tot 500
100 tot 200
50 tot 100
40 tot 50
30 tot 40
20 tot 30
10 tot 20
5 tot 10
1 tot 5
0 tot 1
10
oppervlakteklassen (ha) WVL OVL ANT VLB LIM
Figuur 5.8.6: Frequentieverdeling in oppervlakteklassen van de natuur- (en bos-) reservaten in Vlaanderen (som eigendom en huur), grafisch 1/1/2001. Vlaams-Brabant (125) en West-Vlaanderen (97).
5.8.2.2 De gemiddelde oppervlakte van een natuurreservaat is licht gestegen tot 28,6 ha Uit tabel 5.8.1 blijkt dat de gemiddelde oppervlakte van een natuurreservaat in Vlaanderen 28,6 ha bedraagt. Dit is een toename met 3,5 ha t.o.v. de situatie op 1/1/98. Het is voor het eerst dat een dergelijke duidelijke toename van de gemiddelde oppervlakte van de natuurreservaten in Vlaanderen wordt waargenomen (figuur 5.8.4: de lichte toename in 1995 is te danken aan de aanduiding van een groot aantal bosreservaten). Een andere belangrijke vaststelling is dat deze toename zich doorzet in alle provincies. Het gaat echter niet steeds over volledig aaneengesloten terreinen. De terreinen van het Vlaamse Gewest (Vlaamse natuurreservaten en Bosreservaten) zijn gemiddeld aanzienlijk groter (48 ha) dan de natuurreservaten beheerd door de verenigingen (21,0 ha) of erkende bosreservaten (27,5 ha). De grootste natuurreservaten zijn te vinden in Limburg (gemiddeld 52,5 ha). Zij zijn bijna tweemaal zo groot als deze in Antwerpen en Vlaams-Brabant, driemaal zo groot als in West-Vlaanderen en bijna viermaal zo groot als deze in Oost-Vlaanderen. De top 10 m.b.t. de oppervlakte, ziet er uit als volgt: Kalmthoutse Heide (1020 ha), Bovenloop van de Zwarte Beek (939 ha), Mechelse Heide (696 ha), Imalso-gronden Linkeroever (381 ha), De Teut (377 ha),Tenhaagdoornheide (369 ha), Westhoek (342 ha), Walenbos (262 ha), Middenloop van de Zwarte Beek (239
Tabel 5.8.2 en figuur 5.8.6 geven een overzicht van de verdeling van de natuurreservaten in oppervlakteklassen per provincie. 76 "natuurreservaten" (10,2%) zijn momenteel kleiner dan 1 ha, en situeren zich vooral in de provincies Oost-Vlaanderen en Vlaams-Brabant. Het feit dat 35% van alle reservatenprojecten momenteel een oppervlakte vertegenwoordigt van minder dan 5 ha en 50% minder dan 10 ha groot is, is veelzeggend over het voorbije natuurbehoudbeleid (en de versnipperde toestand van de natuur) in Vlaanderen.Vergeleken met de situatie op 1/1/98 (Natuurrapport 1999), is de balans evenwel positief: het aantal reservaten kleiner dan 5 ha is met 7,5% gedaald en deze kleiner dan 10 ha met 9,6%. De grootste versnippering van het areaal natuurreservaat is te vinden in de provincies West- en Oost-Vlaanderen, met resp. 57,7% en 59,9 % van de reservaten kleiner dan 10 ha. Antwerpen en Vlaams-Brabant doen het beter, met resp. 47,2% en 54,4% van de reservaten. Limburg scoort het best, met "slechts" 33,1% van de natuurreservaten kleiner dan 10 ha. Anderzijds, zijn slechts 62 natuurreservaten (8,3%) in Vlaanderen groter dan 100 ha, waarvan er 29 in de provincie Limburg gelegen zijn. In Oost-Vlaanderen zijn er slechts 3 van dergelijke natuurreservaten, in WestVlaanderen 8, in Antwerpen 13 en in Vlaams-Brabant 9. Niettemin is het aantal van 62 "grote reservaten" een verdubbeling ten aanzien van de situatie op 1/1/98 (Natuurrapport 1999), wat zeker als een positieve evolutie moet worden beschouwd.
5.8.2.3 Spreiding van het areaal natuurreservaat over de verschillende provincies en ecoregio's. Analyse op het niveau van de provincies 1,6 % van Vlaanderen wordt beheerd als natuurreservaat. Het areaal natuurreservaat neemt in de provincie Limburg 3,3% van de oppervlakte in beslag (figuur 5.8.2; tabel 5.8.1). De provincie Antwerpen volgt met 2,1%, met daarna Vlaams-Brabant (1,4%) en ver achterop de provincies Oost-Vlaanderen (0,7%) en West-Vlaanderen (0,65%). Omgerekend in aantal inwoners per provincie, bezitten West- en Oost-Vlamingen de kleinste oppervlakte natuurreservaat per inwoner, namelijk minder dan 20 m2/persoon, terwijl een Limburger over 100 m2/persoon beschikt (figuur 5.8.7a).Voor Vlaams-Brabant, zouden de cijfers minder positief zijn indien ook rekening wordt gehouden met de inwoners van de Brusselse agglomeratie. Er is niet noodzakelijk een lineair verband te verwach-
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
253
Verstorings- en herstelprocessen
Figuur 5.8.7a: De sociale functie van natuurreservaten en natuurdomeinen: aantal m2 per inwoner (toestand 01/01/2001)
Figuur 5.8.7b: Areaal beschermd als natuurreservaat t.o.v. oppervlakte provincie, oppervlakte (zeer) waardevol op Biologische Waarderingskaart en oppervlakte groene bestemmingen op de gewestplannen. ten tussen het areaal natuurreservaat en de oppervlakte van een provincie. Men zou dit verband theoretisch veeleer verwachten relatief aan de oppervlakte "natuur" (de biologisch (zeer) waardevolle ecotopen op de BWK) of de oppervlakte ingenomen door groengebied (s.l.) op de gewestplannen. In figuur 5.8.7b zijn de verhoudingen weergegeven tussen de procentuele verdelingen van het areaal natuurreservaat over Vlaanderen en de procentuele verdeling van de oppervlakte van elke provincie, de oppervlakte van de biologisch (zeer) waardevolle ecotopen en de oppervlakte groengebied. Ten aanzien van de procentuele verdeling van de biologisch (zeer) waardevolle ecotopen, scoort Limburg het best, gevolgd door Antwerpen. Oost- en WestVlaanderen leveren ondermaatse resultaten.Ten aanzien van de procentuele verdeling van de groengebieden op het gewestplan, scoort opnieuw Limburg het best. Antwerpen en West-Vlaanderen scoren ongeveer zoals statistisch kon worden verwacht, terwijl vooral Oost-Vlaanderen en, in mindere mate,Vlaams-Brabant het ondermaats doen.
Het is ook zinvol om deze analyse in een historisch perspectief te bekijken (waarbij helaas geen rekening kan worden gehouden met de aangroei van 979 ha natuurreservaat die door de v.z.w. De Wielewaal, Natuurvereniging worden gehuurd). De resultaten zijn weergegeven in figuur 5.8.8. Het valt op hoe in 1988 de verschillen tussen de provincies nog relatief beperkt waren en hoe Limburg , en in mindere mate, Antwerpen zich steeds verder verwijderen van Oost- en West-Vlaanderen. De kloof tussen het aangroeiritme in deze beide laatstgenoemde provincies en de overige provincies wordt blijkbaar steeds groter. Anno 2001, is in de provincie Limburg 10,6% van de (zeer) waardevolle ecotopen op de BWK in beheer als natuurreservaat (deze veralgemening gaat er van uit dat de recentste versie van de BWK in alle provincies een representatieve maat geeft voor het huidige areaal natuur in die provincie), terwijl Antwerpen 8,8% scoort, Vlaams-Brabant 6,3%, Oost-Vlaanderen 4,8% en West-Vlaanderen 4,5%. Het gemiddelde voor Vlaanderen bedraagt 7,6%. In de provincie Limburg, wordt 14,9% van de groene bestemmingen beheerd als natuurreservaat (deze veralgemening gaat er van uit dat alle natuurreservaten een groene bestemming hebben; in werkelijkheid heeft ruim 1000 ha natuurreservaat in Vlaanderen geen groene bestemming op het gewestplan), wat een opvallend positieve score is voor de minst groene provincie West-Vlaanderen, met 11,5% (de hoge score voor West-Vlaanderen is voor een deel te verklaren door de aanwezigheid van enkele grote terreinen die reeds lang een statuut van natuurreservaat hebben, zoals De Westhoek en de Blankaart; grote boscomplexen in de overige provincies waarvan er traditioneel nog maar weinig als natuur(bos)reservaat beheerd worden kunnen het eindresultaat voor die provincies negatief beĂŻnvloeden), gevolgd door Antwerpen met 11,2%, Vlaams-Brabant met 8,3% en Oost-Vlaanderen met slechts 6,4%. Het gemiddelde voor Vlaanderen bedraagt 10,9%. Houden we naast de groengebieden ook rekening met de oppervlakte agrarisch gebied met ecologisch belang, dan dalen de Oost- en West-Vlaamse scores het sterkst: Limburg (14,4%), Antwerpen (10,6%), West-Vlaanderen (9,1%), VlaamsBrabant 8,0%) en Oost-Vlaanderen (5,3%). Het gemiddelde voor Vlaanderen bedraagt 10%. De combinatie van alle grafieken leidt ons tot de conclusie dat, alle omstandigheden in acht genomen, het terreinverwervingsbeleid van de laatste 10 jaar het efficiĂŤntst verloopt in de provincies Limburg en Antwerpen en het slechtst in Oost-Vlaanderen en, in mindere mate, in WestVlaanderen. Vlaams-Brabant neemt telkens opnieuw een intermediaire positie in. De zwakke resultaten voor de provincie Oost-Vlaanderen, kunnen in elk geval niet verklaard worden vanuit een eventueel geringer aanbod aan waardevolle natuur en/of groene bestemmingen op het gewestplan. Verklaringen voor het relatieve succes van Limburg en Antwerpen hebben ongetwijfeld te maken met de volgen-
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
254
Verstorings- en herstelprocessen de feiten:
De ecoregio's zijn zones waar de geomorfologische en hydrologische kenmerken en de hiermee samenhangende natuurtypes een grote mate van specificiteit vertonen (zie deel 3.4 Ecoregio’s). Elke ecoregio heeft, met andere woorden, zijn eigen specifieke natuurkenmerken. De resultaten van de spreiding van het areaal natuurreservaat op 1/1/2001 over de verschillende ecoregio's, zijn weergegeven in figuur 5.8.9. De ecoregio's die het best scoren zijn de Duinen, de Centrale & Zuidelijke Kempen, het Maasland, de Noordelijke en Oostelijke Kempen. De volgende ecoregio's doen het naar verhouding slecht: Zandlemige regio, Zandig Vlaanderen en Westelijke en Centrale Heuvels. Het grootste percentage van een ecoregio met hoofdfunctie natuur, bedroeg op 1/1/2001 8,7% (Maasland), gevolgd door de Duinen (8,1%), Oostelijke Kempen (4,4%) en Noordelijke Kempen (3,2%). Natuurreservaten beslaan in de Zandlemige regio slechts 0,1% van de oppervlakte, in Zandig Vlaanderen slechts
a
3.0% 2.5% 2.0% 1.5% 1.0% 0.5% 0.0% 16%
b
14% 12% 10% 8% 6% 4% 2% 0%
12%
c
10% 8% 6% 4% 2%
West-Vlaanderen Antwerpen Vlaams-Brabant
jan-00
jan-98
jan-96
jan-94
jan-92
0% jan-90
Analyse op het niveau van de ecoregio's
3.5%
jan-88
- Antwerpen en Limburg (de Kempen) bezitten meer bos en woeste gronden (heide, vijvers e.d.), waaraan een relatief vanzelfsprekende natuurfunctie wordt toegekend. Dit is minder het geval voor het westelijk deel van Vlaanderen, waar de natuurwaarden proportioneel meer te vinden zijn in de kleinschalige agrarische landschappen en grotere complexen met graslanden. - De oppervlakte groengebied op het gewestplan is aanzienlijk kleiner in de provincies Oost- en WestVlaanderen, dan op basis van hun oppervlakte zou kunnen verwacht worden. De combinatie van globaal minder groene bestemmingen en meer intensieve landbouw in het westen dan in het oosten van Vlaanderen, zorgt vermoedelijk voor een moeilijker uitgangspositie m.b.t. een krachtdadig terreinverwervingsbeleid. De geringere oppervlakte groene bestemmingen, kan vooral voor de provincie WestVlaanderen aanleiding zijn tot een geringer aangroeiritme. De bevolkingsdichtheid is ook kleiner in de Kempen, waardoor de "gronddruk" (in combinatie met de afwezigheid van veel intensieve landbouw) een stuk lager ligt. - De gemiddelde grondprijzen voor natuur liggen in de provincies Antwerpen en Limburg lager dan in de rest van Vlaanderen (zie verder). - Gemiddeld genomen, is de actuele natuurwaarde (in termen van biodiversiteit) in het westelijk deel van Vlaanderen de afgelopen eeuw sterker of sneller afgenomen dan in het oosten van Vlaanderen, wat mede een logische verklaring is voor het feit dat de inspanningen van de natuurbehoudsector de voorbije decennia, vanuit een kostenbaten oogpunt, vooral afgestemd waren op de oostelijke provincies.
Oost-Vlaanderen Limburg
Figuur 5.8.8: a. % oppervlakte provincie beschermd als natuurreservaat. Er kon geen rekening worden gehouden met 979 ha in huur door de Wielewaal. b. % oppervlakte groengebied op de gewestplannen beschermd als natuurreservaat. Er kon geen rekening worden gehouden met 979 ha in huur door de Wielewaal. c. % oppervlakte (zeer) waardevol op BWK beschermd als natuurreservaat. Er kon geen rekening worden gehouden met 979 ha in huur door de Wielewaal.
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
255
Verstorings- en herstelprocessen 0,5% en in de Westelijke en Centrale Heuvels 0,9%. De overige ecoregio's scoren tussen 1 en 2%.
Figuur 5.8.9: Procentuele verdeling van de oppervlakte natuurreservaat over de ecoregio's t.a.v. procentuele verdeling van ecoregio-oppervlakte met percentage natuurreservaat in elke ecoregio (toestand 1/1/2001).
In absolute oppervlakte, is de jaarlijkse aangroei van het areaal natuurreservaat per ecoregio weergegeven in figuur 5.8.10. In de kopgroep zitten Oostelijke Kempen en de Centrale & Zuidelijke Kempen, gevolgd door de Noordelijke Kempen en de Westelijke & Centrale Heuvels. Aan het staartje bengelen het Maasland (de kleinste ecoregio) en de Zandlemige regio.Verklaringen voor de waargenomen trends zijn identiek aan deze die onder 2.3.1 zijn geformuleerd. In Decleer et al. (243) werd voorspeld hoe de situatie er in 2010 kan uitzien in relatie tot duurzaamheidsdoelstellingen voor de biodiversiteit in Vlaanderen en worden suggesties gegeven om het probleem van de verschillende aangroeiritmes te verhelpen.
5.8.2.4 Spreiding van het areaal natuurreservaat over de verschillende bodemtypes in Vlaanderen
jan-00
jan-98
jan-96
jan-94
jan-92
jan-90
jan-88
De textuur en het vochtgehalte van de bodem zijn sterk bepalend voor het type natuur dat zich op een bepaalde plaats kan ontwikkelen, al dan niet onder invloed van bepaalde menselijke handelingen. Elk type bodem komt met andere woorden overeen met welbepaalde (en soms unieke) natuurlijke of halfnatuurlijke vegetatietypes ĂŠn de bijhorende fauna. Voor het duurzaam behoud van het volledige spectrum van biodiversiteit in Vlaanderen, is het belangrijk dat er een representatieve vertegenwoordiging is van de verschillende bodemtypes (textuur en vochtgehalte) in Vlaanderen binnen het areaal natuurreservaat. In geĂŻdealiseerde omstandigheden kan men streven naar een proportioneel gelijke verdeling van het areaal natuurreservaat over de verschillende bodemtypes.
Figuur 5.8.10: Aangroei van het areaal natuurreservaat per ecoregio tijdens de periode 1/1/1988-1/1/2001. Er kon geen rekening gehouden worden met de aangroei van 979 ha gehuurd door de Wielewaal.
De huidige toestand, kan worden getoetst aan de hand van de Bodemkaart die, onder andere voor textuur en draineringsklasse (vochtgehalte), een gedetailleerde weergave biedt van de situatie in de betreffende karteringsperiode (1947-1973). De vergelijking werd gemaakt tussen de proportionele verdeling van de diverse textuurklassen en drainageklassen, voor zowel de totaliteit van Vlaanderen (uitgezonderd kustpolders en kustduinen resp. 5.500 ha en 64.500 ha omdat dit gebied volgens een afwijkende legende werd opgenomen), als de natuurreservaten (eveneens uitgezonderd polder- en duinreservaten). Wat de natuurreservaten betreft, werd gebruik gemaakt van een voorlopig GIS-bestand, met de exacte afbakening van 13.412 ha van de actuele 21.273 ha natuurreservaat. De resultaten hebben dan ook slechts een indicatieve waarde ten opzichte van de huidige situatie. Figuur 5.8.11 geeft aan dat er proportioneel meer natuurreservaat gelegen is op kunstmatige gronden en op landduin-, zand-, klei-, zware klei- en veenbodems. De best
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
256
Verstorings- en herstelprocessen 35%
18% 16% 14%
25% 12% 20%
10%
15%
8% 6%
10% 4%
% natuurreservaat per textuurklasse
% van som alle textuurklassen
30%
5% 2% 0%
totaal Vlaanderen
natuurreservaten
Veen-V
Zware klei-U
Klei-E
Leem-A
Zandleem-L
Licht Zandleem-P
Lemig zand-S
Zand-Z
Landduin-X
Stenige bodems-G
Mergel-M
Kunstmatige gronden
0%
% natuurreservaat/klasse
30%
Figuur 5.8.11: Procentuele verdeling van de oppervlakte natuurreservaat over de verschillende bodemtextuurklassen t.o.v. procentuele verdeling van Vlaanderen per bodemtextuurklasse. +Percentage natuurreservaat per textuurklasse.
18% 16% 14%
20%
12% 10%
15% 8% 10%
6%
% natuurreservaat per drainageklasse
% van som alle drainageklassen
25%
Figuur 5.8.12: Procentuele verdeling van de oppervlakte 2% natuurreservaat over de ver0% 0% schillende bodemdrainageklassen t.o.v. procentuele verdeling van Vlaanderen per bodemdrainageklasse. +Percentage natuurreservaat totaal Vlaanderen natuurreservaten % natuurreservaat/klasse per drainageklasse. vertegenwoordigde bodems in de natuurreservaten zijn de natte, zeer natte, uiterst natte en veengronden. Wat totale zandbodems (31% van het areaal natuurreservaat), gevolgd oppervlakte betreft, scoren kunstmatige gronden het door kunstmatige gronden (17%).Wat het "aanbod" van elk hoogst, gevolgd door natte en zeer natte bodems. Met bodemtype betreft, zijn veen (16% van het areaal veenbobetrekking tot het "aanbod" van elke drainageklasse, scoren dem in Vlaanderen) en landduinen (6,5%) evenwel het best veenbodems, uiterst natte en zeer natte gronden en landvertegenwoordigd. De natuurreservaten op lemig zand, duinen het hoogst. De natuurreservaten op droge, matig licht zandleem, zandleem en leem (ca. 60% van de bodems droge en matig natte gronden (ca. 60% van de bodems in in Vlaanderen), blijken onvoldoende vertegenwoordigd. Vlaanderen) blijken duidelijk ondervertegenwoordigd. 4%
Figuur 5.8.12 geeft de resultaten weer van een vergelijkbare oefening, voor de spreiding van het areaal natuurreservaat over de verschillende bodemdrainageklassen in Vlaanderen (er werd geen rekening gehouden met de volgende complexen van karteringseenheden op de bodemkaart: A (=a+b+c+d), B (a+b), D (c+d), F (e+f), I (h+i), die samen een oppervlakte van ca. 40.000 ha innemen). Proportioneel is er meer natuurreservaat gelegen op, enerzijds, landduinen en zeer droge gronden en anderzijds, op
veengronden - v
uiterst nat - g
zeer nat - f+i+l
nat - e+h
matig nat - d
matig droog - c
droog - b
zeer droog - a
(land)duinen - x
Kunstmatige gronden
5%
Een verklaring ligt duidelijk voor de hand. De natuurreservaten zijn overwegend teruggedrongen tot de bodems die voor landbouw minder interessant zijn (te nat, te droog, kunstmatige gronden). Dit houdt in dat onze natuurreservaten op dit moment onvoldoende kansen bieden aan de natuurlijke of halfnatuurlijke levensgemeenschappen van een welbepaalde reeks bodemtypes, die nochtans typerend zijn voor Vlaanderen.Voorbeelden van dergelijke levensgemeenschappen zijn: glanshavergrasland, heischraal grasland (bor-
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
257
Verstorings- en herstelprocessen stelgras-grasland), kalkrijk grasland, zilverschoongrasland, kamgrasland, beuken-eikenbos, eiken-haagbeukenbos, elzenvogelkersverbond, sleedoornstruweel...
5.8.2.5 Eigendomsstatuut en duurzaamheid Uit bijlage 5.8.1, kan worden afgeleid dat van de 21.273 ha natuurreservaat (inclusief bosreservaat) in Vlaanderen, slechts 12.318 ha in eigendom is van de verantwoordelijke beheerder, terwijl 8.955 ha of 42,1% gehuurd wordt. De overheid huurt proportioneel ongeveer evenveel als de verenigingen, of respectievelijk 40,5% en 44% (overheid: 5930 ha in eigendom en 4048 ha gehuurd; verenigingen: 6249 ha in eigendom en 4907 ha gehuurd; erkende bosreservaten: 138 ha in eigendom van overheid of particulieren). Er wordt wel een tendens naar meer aankoop en minder huur waargenomen, vooral bij de verenigingen: op 1/1/98 was het totale aandeel gehuurd natuurreservaat nog goed voor 45,5% van het totale reservaatsareaal, met voor de verenigingen zelfs 52% huur (Natuurrapport 1999). Vele huurovereenkomsten hebben een precair statuut. Dit wil zeggen dat ze, in theorie, jaarlijks of na een bepaald aantal jaren door de eigenaar eenzijdig kunnen worden opgezegd. In het geval van de erkende terreinbeherende verenigingen, vervalt dan tevens het statuut van "erkend natuurreservaat". Sommige eigenaars geven trouwens geen toestemming voor erkenning. Er zijn evenwel ook voorbeelden van erfpachtovereenkomsten, die op langere termijn aanzienlijk meer zekerheid bieden. Er bestaan in de praktijk ook ongeschreven afspraken met de eigenaars van bepaalde gebieden, om de natuurfunctie van het terrein ten volle te erkennen en te respecteren.
5.8.2.6 Erkenning van natuurreservaten beheerd door de erkende terreinbeherende verenigingen
totale areaal in Vlaanderen) beheerd door de verenigingen, was op 1/1/2001 slechts 5149 ha of 46% erkend(procedure decreet natuurbehoud en uitvoeringsbesluit van 29/6/1999), wat niettemin een verbetering is ten opzichte van de situatie op 1/1/98 (Natuurrapport 1999), met slechts 40% erkend (tabel 5.8.1). Er is nog steeds een belangrijke achterstand in de opmaak van een degelijk beheersplan door de verenigingen; de administratieve achterstand bij de daaropvolgende goedkeuring door de overheid, is in de loop van 2000 en 2001 weggewerkt. Met de erkenning, komen de middelen vrij om een (meer) optimaal beheer van het natuurreservaat te financieren. Er dient evenwel opgemerkt dat, voor een aanzienlijk deel van de gehuurde terreinen, geen toestemming tot erkenning wordt verleend (het mogelijk nadeel van een erkenning is voor de eigenaar nochtans gering, aangezien de erkenning vervalt wanneer het huurcontract door de eigenaar eenzijdig wordt opgezegd). Het erkenningpercentage van de drie grote verenigingen is als volgt: Natuurreservaten v.z.w. 45,9% (1/1/98: 41,8%), De Wielewaal, Natuurvereniging, v.z.w. 35,0% (1/1/98: 28,5%), Stichting Limburgs Landschap 44,0% (1/1/98: 36%).
5.8.2.7 Aanwijzing van Vlaamse natuurreservaten Van de 8.538 ha beheerd door AMINAL, afdeling Natuur, was op 1/1/2001 4516 ha (53%) aangewezen als Vlaams natuurreservaat (procedure decreet natuurbehoud) (tabel 5.8.1). De aanwijzing gaat, onder andere, gepaard met een grondige gebiedsstudie, de opmaak en goedkeuring van een beheersplan en de installatie van een beheerscommissie. Deze acties zijn cruciaal om een goed onderbouwd beheer te kunnen uitvoeren. De grootste achterstand bestaat in Oost-Vlaanderen, Antwerpen en Vlaams-Brabant.
5.8.2.8 Aangroei van het areaal bosreservaat
Van de 11.156 ha natuurreservaat (52,8% van het 1987
In verhouding tot de aangroei van het areaal natuurre-
1988
1989
1990
1991
1992
1993
1994
1995
1996
1997
1998
1999
2000
2001
Totaal budget aankopen en investeringen (1) ? ? ‌ waarvan MINA-fonds art. 3.06 ‌ waarvan extra middelen in het kader van Milieubeleidsplan AMINAL Afd. Natuur ("Vlaamse natuurreservaten" met hoofdfunctie natuur) (2) ? ? vastleggingen aankopen ? ? effectief uitgegeven bedragen voor aankopen AMINAL Afd. Bos en Groen (overwegend natuurdomeinen met nevenfunctie natuur) (2) 215 149 vastleggingen aankopen ? ? effectief uitgegeven bedragen voor aankopen
?
?
?
?
?
?
?
860 860 -
897 897 0
944 806 138
898 786 112
1937 1801 136
1858 1625 233
? ?
? ?
? 46
? 31
? 158
? 77
299 87
277 94
258 199
355 250
494 259
826 323
-
43 ?
45 ?
142 ?
141 ?
127 105
487 105
248 220
352 289
423 244
284 315
275 250
791 323
-
("erkende natuurreservaten" met hoofdfunctie natuur) ? ? ? ? 60 100 0 0 0 3 3 3 0 0 0 2 2 5 0 0 0 0 0 0 0 5 5 5 5 5 -
100 3 8 3 5 -
101 3,5 8 3 5 -
101 4 7 3 6 13
173 5 4 4 6 13
149 5
134 5 4 4 6 12
224 5 4 4,5 6 (4) 10
331 4,75 4 4,5 6 11
4 4 4 6 11,5
Aankopen door het Vlaamse Gewest
Aankopen door erkende terreinbeherende verenigingen effectief uitgegeven aankoopsubsidies Vlaams Gewest budget aankoopsubsidie prov. West-Vlaanderen budget aankoopsubsidie prov. Oost-Vlaanderen budget aankoopsubsidie prov. Antwerpen budget aankoopsubsidie prov. Limburg budget aankoopsubsidie prov. Vlaams-Brabant
(3)
4(+5)
4 6 13
(1)
som van de op de begroting voorziene vastleggingskredieten voor het totaal van aankopen en allerlei investeringsuitgaven door Afd. Natuur, Afd. Bos en Groen en Afd. Algemeen Natuur- en Milieubeleid samen vastleggingen moeten gebeuren binnen het totaal beschikbare budget, vooraleer aankooponderhandelingen worden opgestart; de bedragen hebben niet noodzakelijk betrekking op effectieve uitgaven binnen hetzelfde jaar 5 miljoen extra voor aankoop Heidebos (4) Jaarlijks startbudget dat in de loop van het jaar kan aangevuld worden naargelang het gerealiseerde aankoopritme (2) (3)
Tabel 5.8.3: Overzicht van de jaarlijkse begroting en effectieve uitgaven (in miljoen BEF) voor de aankoop van natuurgebieden door het Vlaamse Gewest en erkende terreinbeherende verenigingen. Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
258
Verstorings- en herstelprocessen Tabel 5.8.4: Lijst met gemeenten (niet noodzakelijk limitatief) met een subsidieregeling voor de aankoop van natuurreservaten door erkende terreinbeherende verenigingen (toestand 1/1/98). (schriftelijke informatie Natuurreservaten v.z.w.). West -Vlaanderen Blankenberge Brugge Middelkerke Oudenburg Oost -Vlaanderen Denderleeuw Herzele Lokeren Maldegem Sint-Martens-Latem Sint-Niklaas Wetteren Wichelen Antwerpen Boechout Bonheiden Herselt Hulshout Laakdal Lille Mechelen Mol Sint-Katelijne-Waver
Limburg Alken As Sint-Truiden Beringen Bocholt Borgloon Genk Halen Hamont-Achel Hasselt Herk-de-Stad Hoeselt Kortessem Leopoldsburg Lummen Maaseik Maasmechelen Meeuwen-Gruitrode Peer Tongeren
Vlaams -Brabant Aarschot Beersel Bekkevoort Boutersem Diest Galmaarden Haacht Herent Kampenhout Keerbergen Kortenberg Overijse Sint-Pieters-Leeuw Tienen
servaat, stagneert de toename van het areaal bosreservaat (tabel 5.8.1). Sinds 1/1/98, was er nog slechts een aangroei met 204 ha. Uit tabel 5.8.1 blijkt dat, tot nu toe, slechts 7,4% van de domeinbossen beheerd door AMINAL, afdeling Bos en Groen, als bosreservaat is aangewezen. Ook de 138 ha erkende bosreservaten (die niet in eigendom zijn van AMINAL, afdeling Bos en Groen) vertegenwoordigen slechts een minieme fractie van het bosbezit van andere overheden of particulieren.
5.8.2.9 Financiële inspanningen voor terreinverwerving
Figuur 5.8.13: Budget terreinverwerving Vlaams Gewest
Figuur 5.8.13 geven (voor zover kon worden gereconstrueerd) een overzicht van de financiële middelen die in de periode 1987-2001 jaarlijks door de overheid werden besteed voor de aankoop van natuurgebieden (zie ook tabel 5.8.3). Ook ruim 50 gemeenten hebben in hun jaarlijkse begroting een subsidietoelage voorzien voor de aankoop van natuurreservaten door deze verenigingen (om een idee te geven van de omvang van de toelage, kan gemeld worden dat de grootste erkende terreinbeherende vereniging, de v.z.w. Natuurreservaten, in 1998 uit gemeentelijke fondsen een totale aankooptoelage ontving van 14 miljoen BEF). Deze bedragen werden niet opgenomen in het overzicht. Een lijst van deze gemeenten is weergegeven in tabel 5.8.4. Uit figuur 5.8.13 blijkt dat de financiële inspanningen voor de aankoop van natuurgebieden in Vlaanderen, de afgelopen jaren stelselmatig zijn toegenomen.Ten opzichte van 1998, zijn de vastleggingen door de afdeling Natuur en de subsidiëring van de erkende terreinbeherende vereni-
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
259
Verstorings- en herstelprocessen
Prijsevolutie in klassen Prijsevolutie in klassenvan van10 10 Bef./m Bfr./m_2
voor de periode 1996-2000 gemiddeld 15 BEF/m2 (schriftelijke informatie van de v.z.w. Natuurreservaten m.b.t. gemiddelde aankoopprijzen per provincie, inclusief notariële kosten, pachtuittredingsvergoeding, houtwaarde).
jan-88
jan-90
jan-92
jan-94
jan-96
jan-98
jan-00
jan-02
jan-04
West-Vlaanderen Oost-Vlaanderen Antwerpen Limburg Vlaams-Brabant West-Vlaanderen (AMINAL Afd. Natuur) Oost-Vlaanderen (AMINAL Afd. Natuur) Antwerpen (AMINAL Afd. Natuur) Limburg (AMINAL Afd. Natuur) Vlaams-Brabant (AMINAL Afd. Natuur) Trendlijn West-Vlaanderen Trendlijn Oost-Vlaanderen Trendlijn Antwerpen Trendlijn Limburg Trendlijn Vlaams-Brabant
Figuur 5.8.14: Evolutie in de gemiddelde aankoopprijs (incl. kosten) per provincie sinds 1988 en prognose tot 2005 op basis van het aankoopbeleid van Natuurreservaten vzw. Voor de periode 1995-2000 zijn ook de gemiddelde aankoopprijzen voor AMINAL afdeling Natuur aangegeven. gingen meer dan verdubbeld. Dit is de logische verklaring voor de aanzienlijke areaalwinst die in 1999 en 2000 werd gerealiseerd. Het feit dat de provinciale subsidiëring van de erkende terreinbeherende verenigingen deze positieve trend niet in dezelfde mate volgt, is een belangrijke handicap voor de verenigingen, omdat zelf voor een grotere restfinanciering moet worden gezorgd. Dit zal de aanhoudende stijging van het aankoopritme van de verenigingen op termijn hypothekeren.
5.8.2.10 De grondprijzen en aankoop terreinen De gemiddelde grondprijzen kunnen aanzienlijk variëren van regio tot regio, of provincie tot provincie. Het verschil tussen de goedkoopste provincie (Limburg) en de duurste provincies (Oost- en West-Vlaanderen), bedroeg
Op basis van hoger vernoemde informatie, is een trendanalyse van de grondprijzen mogelijk voor de periode 1988-2000 (figuur 5.8.14). De trend gaat voor alle provincies in stijgende lijn, maar er worden wel onderlinge verschillen waargenomen. De trendanalyse kan slechts als richtinggevend worden beschouwd, aangezien vooral in de beginperiode de trend kan worden beïnvloed door niet uitgemiddelde cijfers (een geringe aankoopoppervlakte met een mogelijk uitzonderlijk lage of hoge grondprijs). De grondprijzen lijken het snelst te stijgen in de provincie Vlaams-Brabant (toename met bijna 20 BEF/m2 in de periode 1988-2000), gevolgd door Oost-Vlaanderen (toename met ca. 15 BEF/m2),West-Vlaanderen (toename met ca. 10 BEF/m2) en Limburg en Antwerpen (toename met ca. 5 BEF/m2). Gemiddeld genomen, lijken de grondprijzen van natuurgebieden in Vlaanderen jaarlijks te stijgen met ongeveer 1 BEF/m2. In randstedelijke gebieden en bepaalde regio's (duinen, intensieve landbouwgebieden) is het zeer aannemelijk dat de prijsstijgingen nog groter zijn. De ruimte in Vlaanderen wordt steeds schaarser en het is dan ook logisch dat de grondprijzen stijgen (zoals ook voor bouwgronden en landbouwgronden het geval is). Er kan ook verondersteld worden dat de goedkoopste natuurgebieden (met meest marginale "economische nutswaarde", b.v. moeras), reeds in een vroeger stadium zijn verworven. De natuurgebieden die nog niet zijn verworven, hebben mogelijk een grotere "nutswaarde" (b.v. in landbouwgebruik en eventueel belang voor mestafzet, melkquota,...) in de randstedelijke gebieden hobbylandbouw) en zijn daardoor duurder, waardoor een stijgende trend in grondprijzen wordt vastgesteld. Ook in Nederland, worden de grondprijzen voor natuurgebieden steeds duurder en worden in bepaalde regio's zelfs prijsstijgingen tot 60% waargenomen (periode 1993-1997, bron: 559). Het is van wezenlijk belang dat het aankoopbeleid met deze grondprijsstijgingen rekening houdt en de marktprijs kan blijven volgen. Dit geldt in het bijzonder wanneer de overheid gebruik kan maken van haar wettelijk voorkooprecht in natuurgebied en voor de subsidieregeling van de verenigingen (die duurdere aankopen actief ontmoedigt). Het is ook aangewezen rekening te houden met regionale prijsverschillen. In het randstedelijk gebied, is natuur doorgaans schaars en heeft deze natuur ook een belangrijke recreatieve functie. Het mag niet de bedoeling zijn dergelijke aankopen zo goed als onmogelijk te maken. Uit tabel 5.8.5 blijkt dat, in de periode 1/1/96-1/1/01 (laatste 5 jaar) en de periode 1/1/91-1/1/01 (laatste 10 jaar), de erkende terreinbeherende verenigingen verant-
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
260
Verstorings- en herstelprocessen Tabel 5.8.5: Nettoaangroei (ha) van het areaal natuurreservaat en natuurdomein in Vlaanderen, in eigendom van diverse beheersorganisaties, gemeten voor de periode 1/1/96-1/1/2001 (5 jaar) en de periode 1/1/91-1/1/2001 (10 jaar). Tussen haakjes: het percentage aangroei natuurreservaat gerealiseerd door de erkende terreinbeherende verenigingen.
WVL
354
OVL
237
ANT
584
LIM
551
VLB
394
tot. VL
2,120
250 41.4% 598 71.6% 529 47.5% 1,401 71.8% 589 59.9% 3,367 61.4%
604
358
400
835
288
285
1,113
1,239
969
1,952
927
728
984
371
608
5,487
3,183
2,989
woordelijk zijn voor respectievelijk gemiddeld 61% en 64% van de aangroei van het areaal natuurreservaat. In het Natuurrapport 1999, bedroeg deze aangroeiverhouding voor beide perioden nog 65%, zodat kan worden gesteld dat de afdeling Natuur zijn aankoopinspanningen de laatste jaren heeft kunnen vergroten (aangezien het aankoopritme van de verenigingen niet afneemt). De verschillende provincies verschillen onderling enorm van elkaar. De afgelopen 5 jaar, zorgden de verenigingen voor ruim 71% van de aangroei in de provincies Limburg en Oost-Vlaanderen en 60% in Vlaams-Brabant. In Antwerpen en West-Vlaanderen, wordt iets meer aangekocht door de afdeling Natuur.Vooral de laatst vernoemde provincie, heeft de laatste jaren een aanzienlijke inhaalbeweging gerealiseerd, ten aanzien van de inspanningen geleverd door verenigingen. Het hoge rendement inzake veiligstelling van natuurgebieden in Vlaanderen, door het systeem van aankoopsubsidies aan terreinbeherende verenigingen, wordt nog eens voor de verschillende provincies geïllustreerd in figuur 5.8.15. In de veronderstelling dat de aankoopprijzen identiek zijn, hoeft de Vlaamse overheid gemiddeld slechts ca. 80% van de middelen te voorzien voor de aankoop van dezelfde gronden door de afdeling Natuur en zijn aankoopsubsidies dus een kostenefficiënte besteding van overheidsmiddelen.
431 51.9% 982 77.5% 926 48.9 2,085 74.1% 835 57.9% 5,259 63.8%
AMINAL afd. Bos en Groen
AMINAL afd. Natuur en de verenigingen
Erkende terreinbeherende verenigingen
AMINAL afd. Natuur
AMINAL afd. Bos en Groen (incl. bosreservaten)
netto-toename afgelopen 10 jaar
AMINAL afd. Natuur en de verenigingen
AMINAL afd. natuur
Erkende terreinbeherende verenigingen
netto-toename afgelopen 5 jaar
831
697
1267
466
1,896
1,586
2,813
2,368
1,443
770
8,248
5,887
De gemiddelde aankoopprijzen van de afdeling Natuur versus de terreinbeherende verenigingen, zijn verschillend. Aankopen door de Vlaamse overheid gebeuren volgens een andere procedure dan bij de verenigingen. Bij de afdeling Natuur, wordt de prijszetting sterk beïnvloed door de initiële schatting van het aankoopcomité; bij de verenigingen wordt van in het begin van de onderhandelingen getracht de prijs zo laag mogelijk te houden. In werkelijkheid kopen de verenigingen gemiddeld goedkoper dan de overheid. In 1996, bedroeg de gemiddelde aankoopprijs bij de afdeling Natuur 44 BEF/m2, in 1997 46 BEF/m2, in 1998 59 BEF/m2, in 1999 58 BEF/m2 in 2000 62 BEF/m2 (schriftelijke informatie afdeling Natuur). Voor de v.z.w. Natuurreservaten, de grootste erkende terreinbeherende vereniging, bedroeg de gemiddelde aankoopprijs in diezelfde jaren respectievelijk 42, 44, 45, 43 en 44 BEF/m2 (maar inclusief gemiddeld ca. 20% notariële kosten die niet door de afdeling Natuur betaald hoeven te worden). De pachtuittredingsvergoeding en eventuele houtwaarde werden voor beiden in deze gemiddelde kosten verrekend. Verschillen per provincie zijn weergegeven in figuur 5.8.14. Toch blijft de vergelijking tussen beide aankoopmethodes niet eenvoudig te interpreteren. Dure verkoopsaanbiedingen (b.v. duinen, gronden met gebouwen, beperkte onteigeningen, visvijvergebieden) gaan hoofdzakelijk naar de afdeling Natuur en beïnvloeden uiteraard de hoger aangehaalde, gemiddelde prijzen.
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
261
Verstorings- en herstelprocessen
1200
7000
a
oppervlakte (ha)
6000
b 1000
5000
800
4000 600 3000 400
2000 1000
200
0
0 1400
1200
c oppervlakte (ha)
d
1200
1000
1000
800
800 600
600 400
400
200
200
0
0
3000
1000
e
f
oppervlakte (ha)
2500
800
2000
600
1500
400
1000 200 500
jan-00
jan-98
jan-96
jan-94
jan-92
jan-90
jan-00
jan-98
jan-96
jan-94
jan-92
jan-90
jan-88
jan-88
0 0
AMINAL Afdeling Natuur Erkende terreinbeherende verenigingen AMINAL Afdeling Bos en Groen en derden (bosreservaten)
Figuur 5.8.15: a: Aangroei van het areaal natuurreservaat (in eigendom) in Vlaanderen, opgesplitst tussen AMINAL afdeling Natuur, AMINAL afdeling Bos en Groen en de erkende terreinbeherende verenigingen (periode 1/1/88-1/1/2001)
d: Aangroei van het areaal natuurreservaat (in eigendom) in Antwerpen, opgesplitst tussen AMINAL afdeling Natuur, AMINAL afdeling Bos en Groen en de erkende terreinbeherende verenigingen (periode 1/1/88-1/1/2001)
b: Aangroei van het areaal natuurreservaat (in eigendom) in West- Vlaanderen, opgesplitst tussen AMINAL afdeling Natuur, AMINAL afdeling Bos en Groen en de erkende terreinbeherende verenigingen (periode 1/1/88-1/1/2001)
e: Aangroei van het areaal natuurreservaat (in eigendom) in Limburg, opgesplitst tussen AMINAL afdeling Natuur, AMINAL afdeling Bos en Groen en de erkende terreinbeherende verenigingen (periode 1/1/88-1/1/2001)
c: Aangroei van het areaal natuurreservaat (in eigendom) in Oost- Vlaanderen, opgesplitst tussen AMINAL afdeling Natuur, AMINAL afdeling Bos en Groen en de erkende terreinbeherende verenigingen (periode 1/1/88-1/1/2001)
f: Aangroei van het areaal natuurreservaat (in eigendom) in Vlaams-Brabant, opgesplitst tussen AMINAL afdeling Natuur, AMINAL afdeling Bos en Groen en de erkende terreinbeherende verenigingen (periode 1/1/88-1/1/2001).
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
262
Verstorings- en herstelprocessen
5.8.2.12 De aankoopprocedure
Omdat niet elke onderhandeling tot een positief resultaat (effectieve aankoop) leidt, is er steeds een discrepantie tussen de jaarlijks vastgelegde bedragen (budget) en de effectieve uitgaven (="ordonnanceringen") voor de aankoop van natuurgebieden. Uit tabel 5.8.3 blijkt dat voor de periode 1995-2000 (6 jaar) de ordonnanceringen bij AMINAL, afdeling Natuur, slechts 48,3% bedraagt van de totaal vastgelegde bedragen. Vastgelegde bedragen, waarbij de onderhandelingen afspringen, zijn in feite verloren, tenzij het bedrag nog binnen hetzelfde begrotingsjaar kan worden vrijgemaakt. De effectieve uitgaven voor aankopen kunnen, anderzijds, ook betrekking hebben op vastleggingen van de jaren voordien.
5.8.2.13 Doelafstand voor het aankoopbeleid De beleidsdoelstelling op lange termijn (2007) van het MBP-2, kan in het raam van het huidige beleid onmogelijk gehaald worden. Om de kloof van 50.000 ha - 21.273 ha (toestand 1/1/2001) = ca. 29.000 ha te dichten tegen 2007,
30
20
10
jan-06
jan-04
jan-02
jan-00
jan-98
jan-96
jan-94
jan-92
jan-90
0 jan-88
Om het aankoopbeleid van natuur- en bosgebieden te optimaliseren, keurde de Vlaamse Regering op 30 juni 2000 een krachtlijnennota goed (Nota Vlaamse Regering VR/2000/30.06/DOC.0608). Alvorens vastleggingen voor terreinaankopen kunnen gebeuren, moet het Comité tot Aankoop voor het geschatte bedrag eerst het gunstig advies krijgen van de Inspectie van Financiën. Sinds 1/2/2001, moeten dossiers voor bedragen van minder dan 65.000 euro (2,6 miljoen BEF) niet meer worden overgemaakt aan I.F.Voor aankopen van meer dan 10 miljoen BEF, moest vroeger bovendien het akkoord van de minister van Begroting verkregen worden. Ook dit is sinds 1/2/2001 versoepeld tot een drempelbedrag van 30 miljoen BEF en resulteert voor talrijke aankoopdossiers in een belangrijke tijdswinst. Pas na de vastlegging, kunnen de onderhandelingen met de eigenaars aangeknoopt worden. Door deze procedure kan er soms heel wat tijd verstrijken tussen de eerste contacten met de eigenaar en een effectieve aankoop.Vaak wordt het geschatte bedrag door het advies van de Inspectie van Financiën of in het begrotingsakkoord verlaagd, waardoor de onderhandelingsmarge van het Comité tot Aankoop beperkt wordt, en de kans op een succesvolle afronding van de onderhandelingen verkleint.
40
Oppervlakte (x1000ha)
Volgens de geldende procedure, moet het voorziene bedrag per geplande aankoop eerst "vastgelegd" worden, binnen de jaarlijks voorziene vastleggingskredieten op post 3.06 (MINA-fonds) van de begroting. Deze begrotingspost is gemeenschappelijk voor aankopen en allerlei investeringsuitgaven (zoals machines, infrastructuur, uitvoeren van werken) voor AMINAL, afdeling Natuur, afdeling Bos en Groen en afdeling Algemeen Natuur- en Milieubeleid.
50
Figuur 5.8.16: Verwachte uitbreiding van het areaal natuurreservaat in Vlaanderen bij voortzetting van het huidig beleid (gegevens AMINAL, afdeling Natuur en erkende terreinbeherende verenigingen samen, voor de periode 1/1/881/1/2001). Voor de berekening van de trendlijn "areaal in eigendom en huur" kon geen rekening worden gehouden met 979 ha natuurreservaat gehuurd door De Wielewaal, Natuurvereniging, v.z.w., waardoor een beperkte onderschatting van de trend mogelijk is. zou via aankoop en huur in de periode 2001-2006 (6 jaar) een jaarlijkse aangroei van ca. 4787 ha gerealiseerd moeten worden. Uit de trendanalysen (figuur 5.8.16) blijkt dat, indien de inspanningen van de afgelopen 3 jaar worden aangehouden, ongeveer 35.000 ha natuurreservaat zal gerealiseerd zijn in 2007. Er kan worden gesimuleerd welke kredieten nodig zijn voor de aankoop van 4000 ha bijkomend natuurreservaat, uitgaande van volgende uitgangspunten: 61% van de aankopen door de verenigingen (aankoopverhouding van de laatste 5 jaar), jaarlijks ca. 800 ha uitbreiding via huurovereenkomsten, gemiddelde grondprijs 60 BEF/m2 voor afdeling Natuur en 45 BEF/m2 voor de verenigingen, gemiddeld 80%-aankoopsubsidies voor de erkende terreinbeherende verenigingen. Op die manier wordt een bedrag van 1,8 miljard BEF per jaar bekomen. Daarvan zou ca. 880 miljoen bestemd zijn voor aankoopsubsidies voor terreinbeherende verenigingen en ca. 940 miljoen voor aankopen van de afdeling Natuur (in de veronderstelling dat alle vastleggingskredieten opgebruikt worden). De restfinanciering voor de verenigingen bedraagt ca. 220 miljoen per jaar en vanzelfsprekend moeten de overige aankoopsubsidies (provincies, gemeenten, Europa) evenredig toenemen.
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
263
Verstorings- en herstelprocessen 8
Indien rekening gehouden wordt met de grondprijsstijgingen (gemiddeld ca. 1 BEF/m2 per jaar in de voorbije 10 jaar), dan moet jaarlijks nog een cumulatief bedrag begroot worden van ca. 40 miljoen BEF (totaal van 840 miljoen extra in de planperiode tot 2007).
De totale oppervlaktecijfers op 1/1/2001 voor Vlaanderen en per provincie, zijn beschikbaar. In totaal, zijn 19.552 ha in eigendom, wat een toename is met 1655 ha (9,2%) ten opzichte van 1/1/98. Van de 19.552 ha, wordt 1440 ha als bosreservaat (met een hoofdfunctie natuur) beheerd. Hieruit volgt dat ongeveer 18.112 ha het statuut van "natuurdomein" of "domeinbos" heeft. De verdeling per provincie is weergegeven in figuur 5.8.17 (zie ook tabel 5.8.1). De Vlaamse natuurdomeinen en domeinbossen zijn schaars in Oost- en West-Vlaanderen (slechts 7,5 resp. 8,6% van het totale areaal), terwijl Limburg, Antwerpen en Vlaams-Brabant 21 tot 35% scoren. Dit is uiteraard ook een weerspiegeling van de spreiding van het bosareaal in Vlaanderen. Historisch gezien, is de afdeling Bos en Groen vooral op bossen georiënteerd. De meeste terreinen kunnen dan ook tot de bossen gerekend worden. Het zijn vaak grotere complexen waarbinnen, naast uiteenlopende bostypes, ongeveer alle mogelijke andere habitats voorkomen, zoals heiden, vennen en plassen, schrale graslanden, natte gras-
4 3 2 1
jan-01 jan-01
jan-99 jan-99
jan-97 jan-97
jan-95 jan-95
jan-93 jan-93
0 jan-91 jan-91
Als "natuurlijke erfgenamen" van het voormalige, federale "Waters en Bossen" heeft AMINAL, afdeling Bos en Groen, een veel langere traditie en ervaring inzake terreinaankopen en beschikt het over een aanzienlijk groter terreinpatrimonium dan de afdeling Natuur. De lijst met eigendommen bevat ca. 300 gebieden (een exact aantal is moeilijk te bepalen, aangezien een groot aantal terreinen zijn opgesplitst in deelgebieden). Uit de lijst blijkt dat de oppervlakten van vele terreinen in de loop van de jaren behoorlijk zijn gegroeid. 39 gebieden zijn groter dan 100 ha, waaronder enkele complexen van meer dan 500 ha, zoals het Zoniënwoud (2203 ha), het Meerdaalwoud (1254 ha), het Pijnven (904ha), de bossen van Ravels (816 ha), het Heverleebos (577 ha), het Heiwijk (571 ha) het Hallerbos (521 ha).
5
jan-89 jan-89
Een lijst van alle natuurdomeinen beheerd door AMINAL, afdeling Bos en Groen, geordend volgens provincie en gemeente, is weergegeven in bijlage 5.8.2, met vermelding van de oppervlakte op 1/1/2001. De domeinen van andere overheden (OCMW's, gemeenten, militaire domeinen), waar de afdeling ambtshalve het beheer voert, zijn niet in de lijst opgenomen.
6 oppervlakte (x1000ha)
5.8.3 Evaluatie van de verwerving van natuurdomeinen door AMINAL, afdeling Bos en Groen.
7
Figuur 5.8.17: Aangroei per provincie van het areaal natuurdomein en bosreservaat in eigendom van het Vlaamse Gewest en beheerd door AMINAL, afdeling Bos en Groen (periode 1/1/88-1/1/01). landen, moerassen en duinen. Sommige terreinen bestaan zelfs uit een overwicht van (één of meer van) de laatst vernoemde habitats en een minderheid bos. Een tweede belangrijk deel van de domeinen omvat vijvers, meanders, oude kanaalarmen en andere wateren die verwijzen naar een andere belangrijke doelstelling met historische wortels, namelijk het voorzien van openbare hengelwaters. Tenslotte is er een derde categorie te onderscheiden, die vooral bestaat uit overwegend kleinere, recent beboste of te bebossen gronden. Vertaald naar belang voor de biodiversiteit in Vlaanderen, kan gerust gesteld worden dat vele gebieden in een Vlaamse en zelfs internationale context (b.v. als EGHabitatrichtlijngebied of EG-Vogelrichtlijngebied) zeer belangrijk zijn (volgens de Boskartering 2000 is 10.000 ha bos in eigendom van het Vlaamse Gewest in Habitatrichtlijngebied en 2.910 ha in Vogelrichtlijngebied). Andere terreinen hebben dan weer een groot tot zeer groot potentieel voor herstel van hoogwaardige natuur (b.v. beboste of verboste voormalige heideterreinen en schrale graslanden). Traditioneel, werd bij de federale administratie van "Waters en Bossen" vooral geopteerd voor een bosbouweconomische invalshoek. Als gevolg van de regionalisatie,
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
264
Verstorings- en herstelprocessen
Met de toegenomen aandacht die de afdeling Bos en Groen schenkt aan de biodiversiteit en bepaalde specifieke natuurwaarden buiten de strikte "bossfeer", enerzijds, en de toegenomen aandacht die de afdeling Natuur schenkt aan educatieve en recreatieve voorzieningen binnen natuurreservaten, anderzijds, is een zekere convergentie merkbaar tussen de beheersdoelstellingen van beide afdelingen. Enkele accentverschillen blijven bestaan.Voorbeelden bij de afdeling Bos en Groen zijn, de economische functie van het bosbeheer, actieve bebossing rond de dicht bevolkte wooncentra, in functie van sociaal-recreatieve doelstellingen (stadsrandbossen) of in het kader van braaklegging van landbouwgronden en het verzekeren van allerlei hengelsportvoorzieningen. Bij de afdeling Natuur staat de natuurdoelstelling (levensgemeenschappen, soorten, processen) steeds centraal en worden desnoods ook relatief ingrijpende maatregelen getroffen met het oog op natuurherstel of natuurontwikkeling, die drastisch afwijken van het recente of traditionele grondgebruik.
20
15
10
5
jan-01 jan-01
jan-99 jan-99
jan-97 jan-97
jan-95 jan-95
jan-93 jan-93
jan-91 jan-91
0 jan-89 jan-89
Het Bosdecreet en de wijzigende houding van de afdeling Bos en Groen t.a.v. de natuurfunctie, vertaalt zich in meer aandacht en begrip voor natuurbelangen, zoals spontane (verbossings)processen, het belang van mantel- en zoomvegetaties, het behoud en herstel van de natuurlijke hydrologie, de aanwezigheid van zeldzame fauna- en floraelementen, het ecologisch herstel van aquatische ecosystemen. Dit is een geleidelijk proces, dat zich in alle geledingen van de afdeling afspeelt. De gewijzigde mentaliteit uit zich ook in de beleidsdocumenten die door de afdeling Bos en Groen worden verspreid (b.v. Criteria duurzaam bosbeheer, Code goede bospraktijk, Beheersvisie Bos en Groen...). In algemene termen, moet echter gesteld worden dat in de praktijk van vandaag, een groot herstelpotentieel nog te weinig benut worden. Een waardevol deel van de biodiversiteit in Vlaanderen, waar de Vlaamse overheid rechtstreeks verantwoordelijkheid voor draagt, gaat hierdoor verloren. Dit blijkt onder andere uit het overleg dat in het jaar 2000 tussen de afdeling Natuur en de afdeling Bos en Groen is gevoerd, rond de afbakening van de gewenste natuur- en bosstructuur en waarbij van gedachten is gewisseld over de gewenste natuurtypen in bepaalde gebieden, die momenteel door de afdeling Bos en Groen worden beheerd.
25
oppervlakte (x1000ha)
kon een beleid gevoerd worden om ook de natuurfunctie en de biodiversiteit van de beheerde domeinen meer te waarderen, te behouden of te ontwikkelen. Het Bosdecreet van 13/6/90 (Belgisch Staatsblad 28/9/90) heeft een juridische basis gegeven voor een multifunctioneel en duurzaam bosbeheer. Natuurbehoud in de bossfeer, is in de meest strikte vorm mogelijk door het instellen van zogenaamde bosreservaten (zie vorig hoofdstuk). Momenteel is gemiddeld slechts 7,4% van de domeinen van de afdeling Bos en Groen aangeduid als Bosreservaat.
Afdelling Natuur en erkende terreinbeherende verenigingen
Figuur 5.8.18: Aankoop van natuurgebieden (incl. bosreservaten) door AMINAL, afdeling Bos en Groen, in verhouding tot de aankoop van natuurgebieden door AMINAL, afdeling Natuur respectievelijk afdeling Natuur samen met de erkende terreinbeherende verenigingen (periode 1/1/891/1/2001).
5.8.3.1 aankoop door de afdeling Bos en Groen en de afdeling natuur Aangroeicijfers voor het areaal natuurgebied in eigendom van de afdeling Bos en Groen (incl. bosreservaten) zijn beschikbaar, voor de periode 1/1/89-1/1/2001. Uit figuur 5.8.18 blijkt dat de afdeling Bos en Groen, over de periode 1991-2001 (laatste 10 jaar), 5887 ha natuurdomein en bosreservaat aankocht, ten opzichte van 2989 ha voor de afdeling Natuur. In de periode 1996-2001 (laatste 5 jaar), scoorde Bos en Groen een nettotoename van 3183 ha, ten opzichte van 2120 ha voor de afdeling Natuur. Het aankoopritme van de afdeling Bos en Groen is voor de laatste 5 jaar aanzienlijk lager dan de gezamenlijke groei van de afdeling Natuur en de erkende terreinbeherende verenigingen samen (zie ook figuur 5.8.18). De totale oppervlakte natuurreservaat beheerd door AMINAL, afdeling Natuur, en de terreinbeherende verenigingen, vertegenwoordigde op 1/1/2001 nagenoeg de totale oppervlakte (incl. aangewezen bosreservaten) beheerd door AMINAL, afdeling Bos en Groen (19.694 ha versus 19.552 ha). Een belangrijk onderscheid is evenwel, dat de opper-
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
265
Verstorings- en herstelprocessen vlakte beheerd door de afdeling Bos en Groen volledig in eigendom is, terwijl dit voor de reservaten slechts voor 10.739 ha het geval is (of 8.813 ha minder in eigendom)
5.8.3.2 Aankoop van gebieden voor de geplande ecologische bosuitbreiding De gemiddelde bosindex in Vlaanderen, bedraagt slechts 8,5% en vertoont grote regionale verschillen. De provincies Limburg en Antwerpen nemen samen 66% van de totale Vlaamse bosoppervlakte in. De provincie VlaamsBrabant bekleedt een tussenpositie, met 17% van het Vlaams bosareaal. Oost- en West-Vlaanderen, tenslotte, zijn zeer bosarme provincies, met respectievelijk 12% en 5% van de totale bosoppervlakte. In bosoppervlakte per provincie, betekent dit voor Limburg een bosindex van 16,5% en voor West-Vlaanderen als hekkensluiter een oppervlakte van slechts 1,8%. Internationale organisaties stellen voor de laaglandgebieden een bosindex van 30% voor, zodat bossen al hun functies op een duurzame manier kunnen vervullen. (Beleidsnota "Strategisch Project Bos (Uitbreiding, Verwerving, Beheer)", afdeling Bos en Groen, mei 2000) Naast de aankoop van bestaande bossen, stelt de afdeling Bos en Groen zich ook tot doel het bosareaal in Vlaanderen actief uit te breiden met nieuwe bossen. Het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen voorziet daartoe in de afbakening van 10.000 ha bijkomend bosgebied of bosuitbreidingsgebied, waarbinnen ecologisch verantwoorde bosuitbreiding plaatstvindt. De bosuitbreiding zal vooral worden gelokaliseerd in de bosarme regio's en/of in de buurt van dichtbevolkte gebieden (zogenaamde "stadsbossen"). Bosuitbreiding is in deze gebieden prioritair, m.b.t. tot het sociaal-recreatief, natuurbehouds- en milieubeschermend aspect en de vermindering van de druk op de bestaande bossen. Effectieve bosuitbreiding zal in de planologisch voorziene bosuitbreidingsgebieden niet overal op korte termijn kunnen worden gerealiseerd. Toch wil de afdeling Bos en Groen tegen 2007 een effectieve bosuitbreiding van minimaal 10.000 ha te realiseren, die dus ten dele buiten de voorziene bosuitbreidingsgebieden zal plaatsvinden. De oppervlakteverdeling die tussen de provincies wordt voorzien, is als volgt: 2500 ha voor WestVlaanderen, 3000 ha voor Oost-Vlaanderen en 1500 ha voor de overige provincies. Daarnaast, is het ook de bedoeling "speelbossen" te creĂŤren voor de jeugd, in de buurt van de grote woonkernen. Gedetailleerde cijfers over de recente effectieve bosuitbreiding in geheel Vlaanderen, konden helaas niet worden geleverd. Een stand van zaken over de realisatie van stadsbossen, de meest ingrijpende vorm van bosuitbreiding, is wel beschikbaar. Voor de volgende bebossingsprojecten, werd reeds een lokalisatiestudie uitgevoerd: Gent, Kortrijk, Oostende, Turnhout, Veurne en NieuwpoortKoksijde.Voor 2001, zijn voor de volgende steden lokalisa-
tiestudies opgestart of reeds in een finale voorbereidingsfase: Antwerpen, Roeselare, Sint-Niklaas, WaregemWielsbeke. Daarnaast is ook voor Hasselt de start van een lokalisatiestudie voorzien. Deze lokalisatiestudies vormen de basis voor de planologische afbakening van bosuitbreidingsgebied.Voor het stadsbos Kortrijk, is dit effectief reeds planologisch vastgelegd (300 ha).Voor de volgende steden is de opmaak van een inrichtingsvisie in voorbereiding of in uitvoering, ten behoeve van de concrete realisatie van een stadsbos op een reeds gekende lokatie: Dendermonde, Aalst en Waregem.Wat de concrete uitvoering van bebossingsprojecten betreft, is de stand van zaken begin 2001 als volgt (nota afdeling Bos en Groen): - recreatief stadsbos Blankenberge: reeds 32 ha aangeplant - recreatief stadsbos Izegem: reeds 45 ha aangeplant van totale oppervlaktedoelstelling van 100 ha - recreatief stadsbos Oostende, reeds 20 ha bebost door de stad van de totale oppervlaktedoelstelling van 150 ha - recreatief bos en speelbos Ieper: 15 ha aangeplant - recreatief bos Veurne: 15 ha aangeplant van totale oppervlaktedoelstelling van 80 ha - recreatief bos Lokeren: 33 ha aangeplant (in uitvoering van een protocol tussen de stad Lokeren en het Vlaamse Gewest)
Figuur 5.8.19: a. Jaarlijkse aangroei (in absolute oppervlakte) van het areaal natuur- en bosgebied in eigendom van AMINAL Afdeling Bos en Groen, AMINAL Afdeling Natuur en de terreinbeherende verenigingen (periode 1989 - 2000) b. Jaarlijkse aangroei (in percentages) van het areaal natuuren bosgebied in eigendom van AMINAL Afdeling Bos en Groen, AMINAL Afdeling Natuur en de terreinbeherende verenigingen (periode 1989 - 2000) c. Jaarlijkse cumulatieve aangroei (in absolute oppervlakte) van het areaal natuur- en bosgebied in eigendom van AMINAL Afdeling Bos en Groen, AMINAL Afdeling Natuur en de terreinbeherende verenigingen (periode 1989 - 2000)
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
266
Verstorings- en herstelprocessen uitbreiding in Vlaanderen vooralsnog beperkt is in oppervlakte en vooral gelokaliseerd is in de provincie WestVlaanderen. Hierbij werd geen rekening gehouden met de (tijdelijke) bebossing van landbouwgronden in het kader van de E.U.-Verordening 1257/99 inzake plattelandsontwikkeling, de compensatieplicht bij ontbossing ter uitvoering van het Bosdecreet en spontane verbossing in natuurreservaten en op braak liggende gronden. Op 1/1/2001, waren 30.291 ha natuurreservaat en natuurdomein in eigendom van de afdeling Natuur, de afdeling Bos en Groen en de erkende terreinbeherende verenigingen. Figuur 5.8.19 geven de jaarlijkse nettoaangroei voor de periode 1989-2001 in absolute, procentuele en cumulatieve oppervlaktes en opgesplitst voor de drie terreinverwervende instanties. Figuur 5.8.20: Verwachte uitbreiding in Vlaanderen van het areaal natuur- en bosgebied in eigendom van het Vlaams Gewest en de terreinbeherende verenigingen bij voortzetting van het huidig beleid (trendanalyse op basis van gegevens voor de periode 1996-2001). Het Vlaamse Milieubeleidsplan 1997-2001 voorziet in de aankoop van minimaal 10.000 ha natuur- en bosgebied tegen eind 2001 (totaal 33.200 ha einde 2001, MBP-actie 108). In het regeerakkord wordt de verbintenis aangegaan om tijdens de 5-jarige legislatuur per jaar 3000 ha "bos-, duin- en natuurgebied" aan te kopen (totaal 45.291 ha einde 2004). Het komende plantseizoen, wordt volgens planning gestart met de concrete uitvoering van de recreatieve stadsbossen Gent, Kortrijk,Tielt en 70 ha recreatief bos bij Grimbergen (in het kader van het Vlaams Breughelproject, ter versterking van de groene gordel rond Brussel). De beschikbare cijfers tonen aan dat de effectieve bos-
Het MBP-2 voorzag in een uitbreiding tot minimaal 33.200 ha eind 2001 (d.i. plus 10.000 ha tegen het einde van de vijfjarige planperiode of gemiddeld 2000 ha per jaar). Uit trendanalysen op basis van de aangroei in de periode 1989-2001 (figuur 5.8.20), blijkt dat het beoogde doel pas in de loop van 2002-2003 zal worden bereikt. Om het streefdoel van 10.000 ha tegen eind 2001 te halen, moet in 2001 2909 ha (33.200 ha-30.291 ha) aangekocht worden. De kredieten die nodig zijn om deze doelstelling te realiseren komen in grootteorde overeen met de kredieten nodig voor het behalen van de lange termijn doelstelling (50.000 ha tegen 2007). In het jaar 2000, is door het Vlaamse Gewest en de verenigingen in totaal 1924 ha duin-, bos- en natuurgebied aangekocht. Hoewel dit een recordoppervlakte was, is dit nog ca. 1000 ha minder dan in het regeerakkoord voorzien was. Indien de toename van 462 ha gehuurd natuurreser600
14000
12000
10000
aantal domeinen
oppervlakte (ha)
400
8000
6000
200 4000
2000
0 Oppervlakte (ha) # domeinen
WVL 2030 54
OVL 1423 55
ANT 5199 543
LIM 12070 505
VLB 1281 433
0
Figuur 5.8.21: areaal per provincie en totaal aantal gebieden.
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
267
Verstorings- en herstelprocessen vaat toegevoegd wordt aan het saldo voor 2000, bedraagt het eindresultaat voor 2000, 2386 ha. Bijkomende inspanningen zijn dus nodig om de geplande inhaalbeweging te realiseren (45.291 ha eind 2004, d.i. plus 15.000 ha tijdens de huidige legislatuur).
5.8.4 Natuurdomeinen in eigendom van andere overheden, beheerd door AMINAL, afdeling Bos en Groen Artikel 45 van het Bosdecreet van 13/6/1990, bepaalt dat alle openbare bossen beheerd worden door AMINAL, afdeling Bos en Groen.Voor de openbare bossen, buiten de domeinbossen, omvat dit beheer enkel de technische aspecten en het toezicht op de naleving van het beheersplan. In vele gevallen, staan de verschillende overheden (vooral gemeenten, OCMW's, kerkfabrieken, intercommunales,...) borg voor het volledige beheer (inclusief de opmaak van een beheersplan), in het raam van een overeenkomst met de afdeling Bos en Groen. Ook indien de beheersplannen door deze instanties zelf worden opgemaakt, moet de afdeling zijn goedkeuring geven. De afdeling Bos en Groen speelt dus een sleutelrol bij de planning en uitvoering van het beheer van deze gebieden. De totale oppervlakte die de afdeling Bos en Groen op deze manier onder haar hoede heeft, omvat 22.000 ha en is dus een grotere oppervlakte dan ze zelf in eigendom heeft. Een gedocumenteerde lijst met alle gebieden die onder deze regelgeving vallen, is weergegeven in bijlage 5.8.3. Het gaat om zo'n 1590 gebieden of gebiedjes. Een overzicht per provincie, is weergegeven in figuur 5.8.21. De oppervlakte van de verschillende gebieden varieert enorm, van minder dan een hectare tot meerdere honderden hectaren. Deze laatste zijn vaak provinciale domeinen. Net zoals de domeinen in eigendom van de afdeling Bos en Groen, gaat het vaak om gebieden die belangrijke natuurwaarden herbergen, zowel binnen als buiten de bossfeer. Gezien de grote oppervlakte die deze gebieden innemen, draagt de Vlaamse overheid hier een belangrijke verantwoordelijkheid voor de handhaving en het herstel van de biodiversiteit en het al dan niet nastreven van een natuurgericht beheer, zoals het instellen van bosreservaten en het treffen van specifieke beheersmaatregelen gericht op het behoud of het herstel van zeldzame habitats of populaties van bedreigde soorten.
5.8.5 Militaire domeinen met een beheersprotocol met het Vlaamse Gewest Voor een meer optimaal beheer van de waardevolle natuur in de Vlaamse militaire domeinen, werd op 1 juni 1999 een overeenkomst afgesloten tussen de Belgische Staat en het Vlaamse Gewest. Een voorlopige lijst met de
gebieden is weergegeven in bijlage 5.8.4. Met deze overeenkomst wordt "de instandhouding, het herstel en de ontwikkeling beoogd van de natuurlijke habitats, ecosystemen en landschappen met ecologische waarde, die van internationaal, nationaal of regionaal belang zijn, evenals het behoud van wilde, in het bijzonder bedreigde, kwetsbare en/of zeldzame soorten". De belangrijkste habitats betreffen bossen, heiden, vennen, schrale graslanden, kust- en landduinen, strand en slikken. Binnen de militaire domeinen, worden de percelen die bij de Mestbank als cultuurgrond zijn aangegeven en in gebruik zijn genomen door beroepslandbouwers echter uitgesloten. Ook bestaat de afspraak dat het militair gebruik van de gebieden steeds moet kunnen primeren. Voor elk militair domein, opgenomen in de lijst, wordt een "Commissie Natuur- en Bosbeheer" ingesteld, die de waardevolle natuur- en bosgebieden binnen het militair domein aanduidt en afbakent, en die instaat voor het beheer van deze gebieden. In de praktijk wordt dit beheer georganiseerd door de afdeling Natuur en de afdeling Bos en Groen (lokaal ook door erkende terreinbeherende verenigingen). In samenwerking met alle partijen, wordt voor elk gebied een beheersplan uitgewerkt. Een definitieve afbakening van de deelgebieden, in het raam van de beheersovereenkomst, is nog aan de gang. Pas na de bekrachtiging door de Divisie Infrastructuur van de Generale Staf van de Krijgsmacht, zullen exacte oppervlaktecijfers kunnen gegeven worden. De totale oppervlakte militair domein in Vlaanderen bedraagt 14.600 ha en vermoedelijk zal ca. 80% onder het protocol vallen. De verdeling van de bestemming militair domein op het gewestplan over de provincies is als volgt: West-Vlaanderen 869 ha, Oost-Vlaanderen 346 ha, Antwerpen 4.171 ha, Limburg 8.582 ha en Vlaams-Brabant 630 ha.
5.8.6 Aanbevelingen met betrekking tot het natuurverwervingsbeleid De aanbevelingen in het Natuurrapport 1999, kunnen voor een deel herhaald worden.
5.8.6.1 Het wettelijk, financieel en maatschappelijk kader Om te voldoen aan de internationale verplichtingen inzake het behoud van biodiversiteit, is het noodzakelijk dat het beleid een geschikt juridisch en praktisch kader creĂŤert en vervolgens concrete invulling geeft aan de duurzame bescherming van een uitgebreid stelsel van grote, aaneengesloten en kwalitatief hoogwaardige natuurgebieden in Vlaanderen. Belangrijke randvoorwaarden hierbij zijn, o.a.: - een geschikt planologisch kader (Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen en Tweede Ruimtelijk
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
268
Verstorings- en herstelprocessen Structuurplan Vlaanderen voor de planperiode na 2007). Essentieel is het streven naar grotere, aaneengesloten eenheden natuur ten opzichte van de huidige, sterk versnipperde situatie. Met de bindende bepalingen van het huidige RSV, is deze doelstelling onvoldoende verzekerd. - aanduiding en uitbouw van een ecologisch samenhangend en wetenschappelijk onderbouwd Vlaams Ecologisch Netwerk en een stelsel van Natuurverwevingsgebieden, ter uitvoering van het Decreet Natuurbehoud - Structurele maatregelen zijn wenselijk om de aankoopprocedures bij AMINAL, afdeling Natuur en afdeling Bos en Groen, verder te vereenvoudigen. Onteigening moet als verwervingsinstrument efficiënter kunnen ingezet worden, om op korte termijn grote aaneengesloten gebieden te kunnen realiseren (ook voor stadsbosprojecten en overstromingsgebieden), waarbij de vergoeding ook rekening houdt met de bodembestemming en andere beschermingsstatuten. - Maatregelen zijn wenselijk om de aankopen door erkende terreinverwervende verenigingen financieel sterker te ondersteunen. Bij de verhoging van de financiële middelen, dient evenwel rekening te worden gehouden met het probleem van een stijgende restfinanciering. Dit betekent dat ook de financiële middelen van de provincies en gemeenten inzake aankoopbetoelaging gelijkwaardig moeten worden opgetrokken. Ook dient rekening gehouden te worden met stijgende grondprijzen en regionale verschillen in grondprijzen. - De overheid moet dringend een "grondbank" oprichten, om percelen met een natuurbestemming te kunnen uitwisselen. Dit kan vooral bij landbouwers veel verzet tegen de aankoop van natuur wegnemen. Ook voor de terreinbeherende verenigingen dient, met het oog op uitwisseling, de gesubsidieerde aankoop buiten de uitbreidingsperimeter van het reservaat mogelijk te worden gemaakt. - Voor de aankoop van natuurreservaten, is een jaarlijks budget van minstens 1,8 miljard BEF nodig, om de geplande beleidsdoelstelling van 50.000 ha natuurreservaat in Vlaanderen tegen 2007 te realiseren, vermeerderd met een bedrag dat de stijgende grondprijzen compenseert. - Er dient actief gestreefd te worden naar een optimale milieukwaliteit en een optimaal natuurtechnisch beheer. De opmaak van degelijke natuurricht- en beheersplannen is hierbij van fundamenteel belang. Voor de inrichting en het beheer, zijn voldoende middelen en menskracht noodzakelijk. Voor dit laatste aspect, wordt verwezen naar het regeerakkoord waarin, tegen 2004, 1000 extra jobs moeten gecreëerd in de natuursector, vooral voor laaggeschoolden.
5.8.6.2 Ecologisch beheer van natuurgebieden. Een aanpassing van het ecologisch beheer in (delen van) sommige natuurgebieden, beheerd door de afdeling Bos en Groen is wenselijk, rekening houdend met de volgende uitgangspunten: - de aanwezigheid van belangrijke, actuele of potentiële natuurwaarden binnen bepaalde gebieden; - de officiële erkenning van hun natuurwaarde, onder de vorm van een aanwijzing als EG-Habitatrichtlijngebied of EG-Vogelrichtlijngebied, de opname binnen het Vlaams Ecologisch Netwerk of een bestemming als Reservaatgebied op de gewestplannen; - de achteruitgang van de biodiversiteit en het areaal van bijzondere, halfnatuurlijke (niet-bos) levensgemeenschappen binnen sommige domeinen; - het geplande beleid om tegen 2007 een areaal van 50.000 ha natuurreservaat te realiseren.
Taakafspraken en samenwerking tussen de afdeling Bos en Groen en de afdeling Natuur zijn wenselijk, met name inzake een wetenschappelijk onderbouwde afweging van toekomstige hoofdfuncties en beheersopties, vooraleer binnen de schoot van het Vlaamse Gewest nieuwe domeinen worden aangekocht door de ene of de andere afdeling. De beheersplannen van bestaande terreinen, dienen plaatselijk te worden bijgestuurd, in functie van noden en kansen inzake natuurbehoud, natuurherstel of natuurontwikkeling. De afdeling Bos en Groen kan hierbij een beroep doen op de expertise van de afdeling Natuur, het Instituut voor Natuurbehoud en het Instituut voor Bos- en Wildbeheer. Voor specifieke gebieden, die historisch genomen bij Bos en Groen zijn gekomen, maar in feite meer in de afdeling Natuur thuishoren, kan een beheersoverdracht overwogen worden. Is dit niet haalbaar, dan kan Bos en Groen in bepaalde gevallen overgaan tot de aanwijzing van (delen van) hun natuurdomeinen als integraal of gericht bosreservaat (momenteel is dit slechts voor 7,4% van de domeinen het geval). In dit laatste geval, is het raadzaam bij de opmaak van de beheersplannen de natuurdoelstellingen en "natuurdoeltypes" wetenschappelijk te onderbouwen en de ervaring en kennis die elders in Vlaanderen reeds bestaat te gebruiken. Er kan worden benadrukt dat de oprichting van bosreservaten niet noodzakelijk strijdig is met belangen van zachte recreatie.
5.8.6.3 Beheersovereenkomsten met andere openbare besturen Diverse openbare besturen, zoals de administratie Waterwegen en Zeewezen, gemeenten, provincies,
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
269
Verstorings- en herstelprocessen OCMW's en dergelijke, zijn eigenaar van waardevolle natuurgebieden, waar het in vele gevallen nog ontbreekt aan een deskundig en meer natuurgericht beheer. Overleg en sensibilisatie voor samenwerking en het afsluiten van (bij voorkeur langdurige) beheersovereenkomsten, dienen hier (verder) te worden gestimuleerd.
5.8.6.4 Spreiding van het areaal natuurreservaat De aankopen zijn de laatste jaren geconcentreerd in de provincies Limburg, Antwerpen en het oosten van Vlaams-Brabant en de financiële middelen maken het, omwille van de hogere grondprijzen en grondconcurrentie met de landbouw, momenteel niet mogelijk in de provincies West- en Oost-Vlaanderen en het westen van VlaamsBrabant de noodzakelijke inhaalbeweging te realiseren. Op het niveau van de ecoregio's, zijn vooral impulsen gewenst voor de ecoregio's Zandlemige regio, Zandig Vlaanderen en Westelijke & Centrale heuvels. Bijkomend onderzoek is wenselijk, om de mogelijke oorzaken van het falend terreinverwervingsbeleid in die gebieden en een adequate oplossing uit te werken. Bijkomende inspanningen in de westelijke helft van Vlaanderen zijn ook urgent om de sociale functie van natuurreservaten meer tot hun recht te laten komen en het maatschappelijk draagvlak voor natuurbehoud te verhogen. Daarnaast, moeten uiteraard de aankopen in de huidige meest waardevolle natuurgebieden in het oosten (de "hot-spots") onverminderd verder gezet worden. Een gedifferentieerde aankoopstrategie voor de verschillende delen van Vlaanderen dringt zich in elk geval op. Deze strategie dient best in duidelijke, meetbare doelstellingen te worden uitgewerkt en geïmplementeerd in regeringsakkoorden, jaarlijkse begrotingsopmaak, beleidsnota's, afspraken met het Comité van Aankoop, de Inspectie van Financiën, enzovoorts. De problematiek vertoont gelijkenissen met de problematiek van de bosuitbreiding in Vlaanderen. Het beleid kiest, in het geval van de bosuitbreiding, bewust voor een strategie die de bosarme regio's begunstigt. In de strategie voor natuurbehoud en natuurontwikkeling in Vlaanderen, is van een gelijkaardige reflex (nog) geen sprake. Natuurontwikkeling (buiten de bossfeer) is alleszins een aspect dat in de toekomst in de natuurarme gebieden rond dichtbevolkte centra meer aandacht verdient, enerzijds, omwille van sociale en recreatieve motieven en anderzijds, omwille van ecologische motieven (b.v. verdichting van het ecologisch netwerk, ontlasting van schaarse kleinere natuurgebieden in de omgeving, intrinsieke relict-natuurwaarden...).
moet juist extra kansen bieden voor bijkomende, belangrijke natuur. Die kansen uiten zich, onder andere, in de manier waarop bosuitbreiding tot stand komt. Spontane bosontwikkeling, onder invloed van extensieve begrazing, bijvoorbeeld, kan aanleiding geven tot recreatief zeer aantrekkelijke en ecologisch zeer interessante halfopen boslandschappen met ruimte voor instandhouding van struwelen, ruigten en korter begraasde graslandtypen. De afwisseling van ecotopen, biedt de recreant een visueel "boeiend" landschap met een hoge belevingswaarde. In antropogeen sterk verstoorde landschappen, kan de variatie nog toenemen, door via natuurtechnische milieubouw, bijkomende ecotopen te laten ontwikkelen, zoals moeraszones en waterpartijen. Dit heeft bovendien als voordeel dat de natuur in deze zones zich zeer snel kan ontwikkelen en er dus vrij snel reeds een mooi resultaat aan de bevolking kan worden getoond. Traditionele bosuitbreidingstechnieken door actieve aanplant, leveren doorgaans visueel meer uniforme, gesloten landschappen op met overwegend kunstmatige, harde en vaak rechte grenzen, waarbij de ontwikkelingstijd van dit natuurtype bovendien veel langer is. Tot nu toe, is voor de planning en aanleg van grote nieuwe natuurgebieden rond natuur- en bosarme stedelijke gebieden, AMINAL, afdeling Bos en Groen, de hoofdspeler. Om de enorme mogelijkheden voor de ontwikkeling van andere natuurtypen dan bos of spontane bosontwikkeling maximaal te benutten, is het raadzaam dat ook AMINAL, afdeling Natuur, een rol kan spelen bij de totstandkoming van de stadsrandbossen. De vraag kan gesteld worden of het in dit verband ook niet beter is te spreken van "stadsrandnatuur".
Met medewerking van: Valérie Goethals, Niko Boone, Lode De Beck, Bert Vanholen – Instituut voor Natuurbehoud
Lectoren Jens Verwaerde - De Wielewaal, Natuurvereniging, v.z.w. Geert De Blust, Dick van Straaten – Instituut voor Natuurbehoud
5.8.4.5 Stadsrandbossen en bosuitbreiding Bosuitbreiding mag in principe niet ten koste gaan van belangrijke bestaande natuurwaarden. Integendeel, het
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
270
Verstorings- en herstelprocessen
5.9 Natuurbeheer, natuurontwikkeling en natuurinrichting Gisèle Weyembergh Instituut voor Natuurbehoud
5.9.1 Begrippen en inleiding 5.9.1.1 Natuurbeheer Het natuurbeheer is primair gericht op de biotische component van ecosystemen, in het bijzonder de vegetatie. Halfnatuurlijke gebieden, zoals heiden en extensief beheerde graslanden zijn, door het verlaten van traditionele landbouwmethoden en toenemende verstoringen, zeldzaam geworden. Instandhouding kan slechts door het traditionele landbouwbeheer na te bootsen of te vervangen door een natuurgericht beheer. Londo (424) omschrijft natuurbeheer als "... een samenhangende reeks van (beheers)maatregelen, een complex van doelbewuste handelingen die het behoud of het minder ingrijpend herstellen en ontwikkelen van de bestaande natuurwaarde beoogt. De tijdsduur is onbeperkt en er moet een continuïteit zijn zowel in het type maatregel als in de intensiteit daarvan". Het louter voortzetten van traditionele landbouwmethoden, kan onvoldoende zijn voor het behoud, vanwege de toenemende milieuverstoringen in moderne landschappen. Vermesting, verzuring, verdroging, verontreiniging en versnippering van het milieu, tasten de natuur ingrijpend aan. Het is nodig te weten welke eisen natuurlijke vegetaties stellen aan voedselrijkdom, zuurtegraad en vochttoestand, en te weten of en hoe deze factoren kunnen worden bijgestuurd. Deze kennis is in het natuurbeheer nog onvoldoende ontwikkeld (637).
5.9.1.2 Natuurontwikkeling Het besef dat beheer van bestaande natuurgebieden (heiden, schraalgraslanden,...) alléén niet voldoende is om een verdere achteruitgang van soorten en een verdere degradatie van biotopen te voorkomen, heeft geleid tot de opmars van natuurontwikkeling als aanvullende strategie. Natuurontwikkeling wordt door Londo (424) omschreven als: "het geheel van maatregelen gericht op het creëren van voorwaarden voor het tot stand komen of het herstel van natuur in een bepaald gebied”. Natuurontwikkeling wordt gedefinieerd als een geheel of grotendeels spontaan verlopend proces waardoor levensgemeenschappen ontstaan met een hogere natuur-
waarde dan die die er aanwezig waren. Het verschil met natuurbeheer, is dat natuurontwikkeling plaatsvindt in gebieden waar de natuurwaarden tot dusverre ofwel geheel afwezig waren, ofwel van geheel andere orde waren (766). Het gaat om relatief grote en ingrijpende veranderingen in levensgemeenschappen en veelal ook in het abiotische milieu. De meestal eenmalige ingrepen gericht op het initiëren van natuurlijke abiotische processen en/of het scheppen van een gunstige uitgangssituatie betreffen de inrichting en worden ook natuurtechnische milieubouw (= NTMB) genoemd. De handelingen en maatregelen gericht op het sturen en begeleiden na NTMB, worden ontwikkelingsbeheer genoemd. De maatregelen van ontwikkelingsbeheer zijn langdurend, met vooral ingrepen in het biotisch milieu. De maatregelen zijn vergelijkbaar met die van het inwendige natuurbeheer in de reservaten: b.v. kappen, maaien of begrazen. Geleidelijk aan ontwikkelen zich levensgemeenschappen, totdat de gewenste natuurwaarde (natuurstreefbeeld) bereikt is (voor zover dat uiteraard mogelijk is). De overgang van ontwikkelingsbeheer naar natuurbeheer, is niet scherp: ze gaan geleidelijk in elkaar over.
5.9.1.3 Begrippenkader uit het Natuurdecreet, natuurinrichting De wetenschappelijke definities, zoals geformuleerd door Londo, komen inhoudelijk grotendeels overeen met de definities uit het Natuurdecreet. Alleen wordt ook "niets doen" expliciet vermeld als mogelijke natuurbeheersmaatregel. In het Natuurdecreet, worden natuurontwikkeling en natuurbeheer samen met natuurbescherming beschouwd als middelen om natuurbehoud na te streven. Natuurbehoud wordt in het decreet omschreven als: "het instandhouden, herstellen en ontwikkelen van de natuur en het natuurlijk milieu, en het streven naar een zo groot mogelijke biologische diversiteit in de natuur". In het Natuurdecreet wordt natuurinrichting apart besproken van natuurontwikkeling. Het "betreft projecten bestaande uit maatregelen en inrichtingswerkzaamheden die gericht zijn op een optimale inrichting van een gebied, met het oog op het behoud, het herstel en de ontwikkeling van natuur en natuurlijk milieu in het VEN en in de groen-, park-, buffergebieden en bosgebieden." Het is vooral een instrument om de doelstellingen van natuurontwikkeling op het terrein te realiseren. Als we daarnaast de concrete invulling van GENO (Grote Eenheden Natuur in Ontwikkeling) bekijken, worden er onder de noemer natuurontwikkeling ook maatregelen opgenomen voor natuurbeheer. Het instrument "vrijwillige beheersovereenkomsten" bevat dan weer, naast natuurbeheersmaatregelen, maatregelen voor het ontwikkelen van natuur.
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
271
Verstorings- en herstelprocessen Indien we de instrumenten van het Natuurdecreet beschouwen, dan is het onderscheid tussen natuurbeheer, natuurontwikkeling en natuurinrichting niet duidelijk. Bovendien zijn vele initiatieven m.b.t. natuurbeheer en natuurontwikkeling nagenoeg niet te scheiden in ruimte en tijd en vullen ze elkaar aan op het terrein. Het gevolg is dat, in het natuurrapport, natuurbeheer en natuurontwikkeling niet apart aan bod komen volgens hun wetenschappelijke definitie, maar dat de concrete initiatieven en acties met betrekking tot natuurbeheer en natuurontwikkeling ingedeeld en besproken worden volgens de "pakketten", zoals die in de praktijk bestaan: "natuurbeheer en natuurontwikkeling in de reservaten", "natuurinrichting", “gemeentelijke natuurontwikkeling(splannen)”, "beheersovereenkomsten". De uitgevoerde gebiedsgerichte initiatieven en acties, met betrekking tot natuurbeheer, natuurontwikkeling en natuurinrichting, worden hier gepresenteerd (niet uitputtend). Er wordt een eerste indeling van de gebieden gemaakt naargelang hun beschermingsstatuut en het (huidige) belang van de functie natuur: de natuur- en de bosreservaten sensu stricto, worden apart (in deel 5.9.2 en 5.9.3)van de overige gebieden besproken. Initiatieven en acties betreffende ruime gebieden, al dan niet reservaatoverschrijdend, gelegen in het VEN en in de groene bestemmingen, worden in deel 5.9.4 Natuurinrichting, besproken. Acties ten behoeve van natuur in het open en het bebouwde gebied (ongeacht hun planologische bestemming) komen in deel 5.9.5 aan bod.
5.9.2 Natuurbeheer en natuurontwikkeling in de natuurreservaten In dit hoofdstuk, wordt uitsluitend gerapporteerd over de in het Natuurdecreet gedefinieerde natuurreservaten. Binnen de natuurreservaten, wordt een onderscheid gemaakt tussen de Vlaamse natuurreservaten, beheerd door het Vlaamse Gewest (afdeling Natuur), en de (private) erkende natuurreservaten, meestal beheerd door terreinbeherende verenigingen (zie ook de definitie in hoofdstuk 5.8 Verwerving).
5.9.2.1 Doelstelling en wettelijk kader van de natuurreservaten in verband met beheer en monitoring Prioritaire functie, aanwijzing en erkenning van natuurreservaten De natuurfunctie is in natuurreservaten duidelijk de hoofdfunctie. Het Natuurdecreet van 21 oktober 1997 en het uitvoeringsbesluit van 29 juni 1999 houdende de erkenning van natuurreservaten en terreinbeherende natuurverenigingen en houdende toekenning van subsidies,
bepalen de ingezette juridische en financiële instrumenten voor de bescherming, de erkenning en aanwijzing, het (natuur)beheer, de monitoring en de openstelling van de natuurreservaten. Volgens het Natuurdecreet, zijn de natuurreservaten terreinen die van belang zijn voor het behoud en ontwikkeling van de natuur of het natuurlijk milieu en die daarvoor door de Vlaamse regering als natuurreservaten aangewezen of erkend zijn. Het beheersplan voor de erkenning van natuurreservaten In natuurreservaten wordt, doorheen aangepast beheer, een natuurstreefbeeld behouden of ontwikkeld. Voor elk Vlaams natuurreservaat, wordt een beheersplan opgesteld, met vermelding van de maatregelen getroffen voor het beheer en de inrichting. De private natuurreservaten kunnen, na advies van de Vlaamse Hoge Raad voor Natuurbehoud (indien nodig aangevuld door bijkomende adviezen), door de Vlaamse regering erkend worden, op basis van een goedgekeurd beheersplan (zie ook deel 5.8 Verwerving). Met deze "erkenning", wordt het beheer van het gebied financieel gesteund door de Vlaamse overheid. Die erkenning is geldig voor 27 jaar. Het uitvoeringsbesluit van 29 juni 1999, werkt deze erkenning en subsidiëring verder uit. De structuur en de inhoud van het beheersplan, dat voor de erkenning als natuurreservaat moet worden opgesteld, wordt in dit besluit uitgebreid bepaald (artikel 10 en bijlage III).Voor de Vlaamse reservaten, zijn deze bepalingen nog niet van toepassing. Het beheersplan voor de erkenning moet een beschrijving bevatten van de abiotische en biotische factoren en het actuele gevoerde beheer van het terrein. Het streefbeeld voor het beheer, de gekozen beheerstrategie, de beheersdoelstellingen en de toekomstige visie, moeten gedefinieerd worden. De actuele natuurtypen, de natuurstreefbeelden en de verwachte evolutie voor de komende beheersperiode (artikel 17) moeten beschreven worden. Natuurtypen en natuurstreefbeelden worden uitgedrukt aan de hand van de eenheden van de Biologische Waarderingskaart (BWK-eenheden, zie ook deel 3.2.2 Biotopen). Ook de werkwijze en organisatie voor de monitoring en de beheersevaluatie moeten worden opgenomen. De natuurreservaten erkend vóór de inwerkingtreding van het uitvoeringsbesluit van 29 juni 1999, kunnen zich afstemmen op dit nieuwe besluit, door de natuurstreefbeelden en de actuele natuurtypes voor te leggen conform het besluit. Monitoringrapport, jaarrapport en monitoringgegevens Het besluit bepaalt de voorwaarden voor het toekennen van subsidies voor de huur, het beheer en het toezicht, de eerste inrichting en de monitoring. De forfaitaire
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
272
Verstorings- en herstelprocessen beheersubsidie, wordt toegekend op basis van de oppervlakte en soort van de actuele natuurtypes (artikel 17). Het bevat in het bijzonder belangrijke bepalingen voor het afleveren van een uitgebreid monitoringrapport, van een jaarrapport en van monitoringgegevens. Het monitoringrapport omvat (1) een uitgebreide beschrijving van de evolutie van de flora en de fauna onder invloed van het gevoerde beheer, (2) een kaart met de initiële natuurtypes, de actuele natuurtypes en de natuurstreefbeelden, (3) een beschrijving en een verantwoording van de mogelijke bijstelling van de gekozen natuurstreefbeelden voor de komende beheersperiode, (4) een evolutie in deze periode van de aandachtssoorten en (5) een overzicht van de monitoringgegevens met betrekking tot grondwaterstanden. Dit monitoringrapport moet drie vegetatiejaren na de eerste erkenning, en vervolgens om de 5 jaar bij de afdeling Natuur ingediend worden. Het jaarrapport over de beheerswerken bevat gegevens van het erkende reservaat over de evolutie van de reservaatstatus en van de erkenning, een beheersverslag van het voorbije kalenderjaar met een overzicht van de uitgevoerde éénmalige beheerswerken en van de problemen die ontstaan zijn bij het uitvoeren van het onderhoudsbeheer en met de opmerkelijke evoluties en waarnemingen. Een beheersplanning voor het komende kalenderjaar moet een overzicht geven van de uit te voeren éénmalige beheerswerken en de wijzigingen in het uitvoeren van het onderhoudsbeheer. De aanvrager van de subsidie dient jaarlijks dit rapport in bij de afdeling Natuur. Jaarlijks moeten monitoringgegevens over bepaalde aandachtssoorten en de peilbuismetingen worden overgemaakt aan het Instituut voor Natuurbehoud. De aandachtssoorten vermeld in het besluit (bijlage V), betreffen vooral soorten die wettelijk beschermd zijn in Vlaanderen en /of aanwezig zijn op de Rode Lijsten voor Vlaanderen en /of België, in de bijlagen van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, de Conventie van Bern of Bonn, de Rode Lijst van de IUCN (the World Conservation Union) of de Corine-handleiding.
soorten en het meten van de grondwaterstanden. De doelstelling van de monitoring wordt benadrukt en de te volgen methodiek en tijdsfrequentie voor de gegevensverzameling bepaald. Beheersmonitoring De eerste drie luiken van het monitoringrapport, zoals gespecificeerd in het uitvoeringsbesluit, met betrekking tot de monitoring van het gevoerde beheer (beheersmonitoring) zelf, moeten nog worden uitgewerkt. Het project "Bouwstenen monitoring: onderbouwing en uitwerking van een basismonitoring van de natuurreservaten in Vlaanderen" dat in april 2001 gestart is, heeft als doelstelling het opstellen van een algemeen toepasbaar vademecum voor het monitoren van het natuurbeheer in natuurreservaten. De ontwikkeling van een monitoringmethode voor natuurontwikkeling en ontwikkelingsbeheer, gebeurt in het lopende project "Ontwerp van een monitoringstrategie voor natuurinrichtingsprojecten op basis van vier proefprojecten" (zie ook deel 5.9.4.2 Natuurinrichting).
5.9.2.3 Initiatieven en acties m.b.t. natuurbeheer en natuurontwikkeling in de natuurreservaten Aanwijzing van de Vlaamse natuurreservaten In totaal zijn er 60 Vlaamse natuurreservaten aangewezen, goed voor een totale oppervlakte van 4516 ha (toestand januari 2001). De gemiddelde oppervlakte van de aangewezen natuurreservaten bedraagt 75,3 ha; de mediaan is 22,6 ha. Het kleinste reservaat bevindt zich in de provincie West-Vlaanderen (De Lage Moere van Meetkerke met 1,1 ha), het grootste in de provincie
5.9.2.2 Methodologisch onderzoek m.b.t. monitoring in de natuurreservaten Monitoring van aandachtssoorten en grondwaterstanden Om aan de luiken (4) en (5) van het monitoringrapport en aan de monitoringgegevens, zoals gespecificeerd in het uitvoeringsbesluit (artikels 19 en 22), praktische invulling te kunnen geven, is in het Instituut voor Natuurbehoud een vademecum opgesteld (695). Die handleiding geeft concrete richtlijnen voor de opvolging van de aandachts-
Figuur 5.9.1: Oppervlaktekenmerken van de aangewezen Vlaamse natuurreservaten per provincie (toestand januari 2001 volgens de IN-databank Natuurreservaten en Natuurdomeinen Vlaanderen) (maximum-, gemiddelde en minimum oppervlakte per reservaat).
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
273
Verstorings- en herstelprocessen is er een duidelijke trendbreuk; vanaf dan werden jaarlijks gemiddeld 9 nieuwe Vlaamse natuurreservaten aangewezen. In totaal zijn er, tussen januari 1998 en maart 2001, 30 nieuwe Vlaamse natuurreservaten bijgekomen.
2000
2001*
1999
1998
1997
1996
1994
1993
1989
1981
1979
1978
1977
1976
1970
1967
1957
Totale oppervlakte (ha)
gemiddelde oppervlakte (ha/reservaat)
Figuur 5.9.2: Evolutie van de oppervlakte aangewezen Vlaamse natuurreservaten in Vlaanderen van 1957 tot (maart) 2001. (bron: afdeling Natuur) * stand van zaken maart 2001. Antwerpen (De Kalmthoutse Heide met 914 ha). Figuur 5.9.1 geeft een overzicht per provincie (gebaseerd op de gegevens van de IN-databank Natuurreservaten). De volledige lijst met de Vlaamse aangewezen natuurreservaten (toestand maart 2001) en details inzake oppervlakte, ligging, datum aanwijzing, is weergegeven in bijlage 5.9.1. De ongelijke verdeling over de provincies springt onmiddellijk in het oog. Het aantal reservaten per provincie is evenrediger (West-Vlaanderen 18, Limburg 14, Antwerpen 11,Vlaams-Brabant 10 en Oost Vlaanderen 7). De grote oppervlakten in Limburg en Antwerpen, worden verklaard door enkele zeer grote reservaten. Dit verklaart ook het verschil tussen de mediaan en het gemiddelde, dat veel kleiner is in Oost-Vlaanderen en Vlaams-Brabant. Tussen 1981 en 2000 is de aangewezen oppervlakte met een factor 2 gestegen (figuur 5.9.2). Het aantal Vlaamse natuurreservaten is met een factor 3,5 gestegen. De gemiddelde aangewezen oppervlakte is, tussen 1981 en 2000, gedaald met een factor 0,56. Van 1981 tot 1997, werden jaarlijks gemiddeld 1,1 nieuwe Vlaamse natuurreservaten aangewezen. Sinds 1998,
De stand van zaken i.v.m. de beheersplannen in de Vlaamse natuurreservaten, kon niet gebiedsdekkend voor alle provincies geschetst worden, wegens het ontbreken van gegevens. In de provincie West-Vlaanderen, zijn er 9 natuurreservaten (waarvan 8 aan de kust) met een goedgekeurd beheersplan en in Vlaams-Brabant, 2. Ook voor het Vlaams natuurreservaat Kalmthoutse Heide, bestaat een goedgekeurd beheersplan. Erkenning van de natuurreservaten Natuurgebieden verwerven, is de beste garantie om ze te beschermen en maakt ook een aangepast beheer op lange termijn mogelijk. Er bestaat geen natuurdatabank die op niveau Vlaanderen een overzicht biedt van wat en waar aan natuurbeheer en natuurontwikkeling wordt gedaan. Om het aantal natuurreservaten en de oppervlakte die in beheer of ontwikkeling is in Vlaanderen "te benaderen", werden de erkende natuurreservaten als indicator gebruikt. Voor de erkende natuurreservaten bestaat immers met zekerheid een uit te voeren beheersplan. Dit wil niet zeggen dat, voor de (nog) niet erkende natuurreservaten, geen beheersplan bestaat en /of dat daar niet aan natuurbeheer wordt gedaan. Het was echter onmogelijk deze gegevens te verzamelen. De v.z.w. Durme verklaarde dat in al haar reservaten, al dan niet erkend, natuurbeheer uitgevoerd wordt.V.z.w. Natuurreservaten deelde mee dat voor terreinen die (nog) niet erkend zijn, in principe op de erkenning gewacht wordt, hoewel hier en daar wel degelijk een aantal beheersmaatregelen uitgevoerd worden. Als voorbeeld daarvan kan het reservaat "Gulke Putten" geciteerd worden in West-Vlaanderen waar sinds de jaren zeventig continu aan natuurbeheer wordt gedaan. Een aantal niet-erkende reservaten van steden, gemeenten, provincies of lokale natuurgroepen waar er aan natuurbeheer wordt gedaan zal ook ontbreken (b.v. het reservaat "Bourgoyen-Ossemeersen" grotendeels eigendom en beheerd door de stad Gent). De hier gehanteerde benadering is bijgevolg een onderschatting van het aantal en de oppervlakte van natuurreservaten waar natuurbeheer en natuurontwikkeling uitgevoerd worden. In Vlaanderen zijn in totaal 167 natuurreservaten erkend, met een totale oppervlakte van 5149 ha (toestand januari 2001). De gemiddelde oppervlakte van de erkende natuurreservaten bedraagt 30,8 ha; de mediaan is 11,6 ha. Het kleinste erkende natuurreservaat bevindt zich in Vlaams-Brabant (Het Droogveld in Zellik met 0,2 ha), het grootste in Limburg (Vallei van de Zwarte Beek met 441 ha). Het gaat evenwel niet steeds over aaneengesloten oppervlakten. Figuur 5.9.3 geeft een overzicht per provin-
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
274
Verstorings- en herstelprocessen
1000
Totale oppervlakte (ha)
4500
Totale oppervlakte
900
4000
Gemiddelde (minimum/maximum) mediaan
800
3500
700
3000
600
2500
500
2000
400
1500
300
1000
200
500
100
O
Li
m
pe er tw An
os bu t-V rg la an de Vl aa re n m s Br W ab es an t-V t TO la an TA d er AL en Vl aa nd er en
0
n
0
Oppervlakte per reservaat (ha)
Erkende reservaten 5000
De volledige lijst met erkende natuurreservaten (toestand op maart 2001) en details inzake oppervlakte, ligging, vervaldatum erkenning, is weergegeven in bijlage 5.9.2. De totale oppervlakte van de erkende natuurreservaten, de gemiddelde oppervlakte en de mediaanwaarde, zijn verschillend voor elke provincie (figuur 5.9.3). Circa 1893 ha (29 natuurreservaten) liggen in Limburg, 1515 ha (42 natuurreservaten) in Antwerpen, 392 ha (15 natuurreservaten) in West-Vlaanderen, 467 ha (28 natuurreservaten) in Vlaams-Brabant en 883 ha (53 natuurreservaten) in Oost-Vlaanderen. De gemiddelde oppervlakte en de mediaanwaarde zijn overal, behalve in Limburg, heel klein. Met, o.a., De Zwarte Beek, De Maten en Het Hageven (die samen 838 ha beslaan), is de gemiddelde oppervlakte in Limburg iets groter dan in de andere provincies. Tussen 1981 en 2000, is het aantal erkende natuurreservaten met een factor 85 gestegen. De erkende oppervlakte nam met een factor 55 toe. De gemiddelde erkende oppervlakte is, tussen 1981 en 2000, met een factor 0,65 gedaald (figuur 5.9.4). Tussen 1981 en 1997, zijn jaarlijks gemiddeld 6,6 nieuwe natuurreservaten erkend. Sinds 1998, zijn er gemiddeld 20 nieuwe natuurreservaten erkend per jaar. In totaal zijn er, tussen januari 1998 en maart 2001, 70 nieuwe erkende natuurreservaten bijgekomen. Bij de erkenning van de natuurreservaten, moet rekening worden gehouden met de dynamiek van de afhande-
2000
2001*
1999
1998
1997
1996
1995
1994
1993
1992
1991
1990
1989
1988
1987
1986
1985
1984
1983
1982
cie (gebaseerd op de gegevens van de IN-databank Natuurreservaten).
1981
Figuur 5.9.3: Oppervlaktekenmerken van de erkende natuurreservaten per provincie (toestand januari 2001 volgens INdatabank Natuurreservaten en Natuurdomeinen Vlaanderen) (maximum-, gemiddelde en minimumoppervlakte per reservaat).
Figuur 5.9.4: Evolutie van de oppervlakte erkende natuurreservaten in Vlaanderen van 1981 tot maart 2001 (bron: afdeling Natuur). * stand van zaken maart 2001. ling van de erkenningsdossiers bij de overheid. Het betreft niet alleen de nieuwe aanvragen tot erkenning, maar ook aanvragen voor de hernieuwing van vervallen erkenningen en de erkenning van nieuwe percelen van al gedeeltelijk erkende natuurreservaten (uitbreiding van de erkenning). Een nieuwe evolutie is de fusie van reservaten. Naarmate meer aaneengesloten oppervlakte verworven wordt, vindt in een aantal gevallen een fusie plaats van nabijgelegen reservaten. Sinds de inwerkingtreding van het uitvoeringsbesluit van 29 juni 1999, komen daar nog aanvragen van conformverklaring met dit besluit bij.Tussen 1981 en 2000, is er een exponentiĂŤle toename van het aantal ingediende dossiers (van 5 tot 161 per jaar) en bijgevolg een wisselende achterstand vast te stellen. Door deze exponentiĂŤle groei en de vernieuwde wetgeving, bedroeg de grootste achterstand eind 1999, 108 dossiers. Evolutie van de erkenning opgesplitst naar natuurreservaten in eigendom en naar natuurreservaten in huur (v.z.w Natuurreservaten) De erkenning van terreinen in eigendom biedt aanzienlijk meer garanties voor een duurzaam natuurbeheer (op lange termijn) dan de erkenning van terreinen in huur. Bij verbreking van het huurcontract vervalt immers vaak de erkenning. Om een beeld te krijgen van de evolutie van de aandelen erkende oppervlakten natuurreservaten in eigendom en in huur, werd voor het Natuurrapport 2001 gebruik gemaakt
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
275
Verstorings- en herstelprocessen 4500 4000
oppervlakte in eigendom
Totale oppervlakte (ha)
3500
erkende oppervlakte in eigendom
3000 2500 2000 1500 1000 500
2001*
2000
1999
1998
1997
1996
1995
1994
1993
1992
1991
1990
1989
1988
1987
1986
1985
1984
1983
1982
1981
<1981
0
Figuur 5.9.5: Evolutie van de totale oppervlakte voor Vlaanderen van de terreinen in eigendom van v.z.w. Natuurreservaten en het aandeel hiervan dat erkend is als natuurreservaat (bron: v.z.w. Natuurreservaten).
Jaar
4500 4000 3500
oppervlakte in huur erkende oppervlakte in huur
Totale oppervlakte (ha)
3000 2500 2000 1500 1000 500
2000
1998
1996
1994
1992
1990
1988
1986
1984
1982
<1981
0
Figuur 5.9.6: Evolutie van de totale oppervlakte voor Vlaanderen van de terreinen in huur door v.z.w. Natuurreservaten en het aandeel hiervan dat erkend is als natuurreservaat (bron: v.z.w. Natuurreservaten).
Jaar
van gegevens over reservaten van v.z.w. Natuurreservaten (bron: v.z.w. Natuurreservaten). Sinds 1984 behoren meer dan 50% (53% in 1984, 69% in 1992 en 63% in 2000) van de erkende natuurreservaten tot v.z.w Natuurreservaten. In figuur 5.9.5 wordt voor Vlaanderen de evolutie van de totale oppervlakte van de terreinen in eigendom beheerd door de v.z.w. Natuurreservaten en het aandeel hiervan dat erkend is als natuurreservaat weergegeven. Het aandeel van de erkende natuurreservaten in eigendom bedraagt 54%. Dit aandeel is hoger geweest (72% in 1982) en toont een afname in de tijd. Veel oppervlakte in eigendom moet nog erkend worden als natuurreservaat. In figuur 5.9.6 wordt voor Vlaanderen de evolutie van de totale oppervlakte van de terreinen in huur beheerd door de v.z.w. Natuurreservaten en het aandeel hiervan dat erkend is als natuurreservaat weergegeven. Het erken-
de aandeel van de natuurreservaten in huur is laag (28%). Dit aandeel was en is laag gebleven. Veel oppervlakte in huur zou nog erkend moeten worden. Het grootste deel van deze oppervlakte kan echter niet erkend worden omdat de eigenaar (vaak overheden) geen toestemming geeft tot erkenning (o.a. militaire domeinen). In figuur 5.9.7 wordt voor Vlaanderen de evolutie van de totale oppervlakte van de terreinen (in eigendom en in huur) beheerd door de v.z.w. Natuurreservaten en het aandeel hiervan dat erkend is als natuurreservaat weergegeven. Van de in totaal 7312 ha terreinen beheerd door v.z.w. Natuurreservaten is 4159 ha in eigendom en 3153 ha in huur. Het erkende aandeel van alle terreinen (in eigendom en in huur) is vrij matig (42%). Veel oppervlakte (in eigendom en in huur) beheerd door v.z.w. Natuurreservaten moet nog erkend worden. SubsidiĂŤring voor het beheer en het toezicht, de
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
276
Verstorings- en herstelprocessen 8000
7000
totale oppervlakte totaal erkende oppervlakte
Totale oppervlakte (ha)
6000
5000
4000
3000
2000
1000
2000
2001*
1999
1998
1997
1996
1995
1994
1993
1992
1991
1990
1989
1988
1987
1986
1985
1984
1983
1982
1981
<1981
0
Figuur 5.9.7: Evolutie van de totale oppervlakte voor Vlaanderen van de terreinen in huur en in eigendom van v.z.w. Natuurreservaten en het aandeel hiervan dat erkend is als natuurreservaat (bron: v.z.w. Natuurreservaten).
Jaar
eerste inrichting en de monitoring van de erkende reservaten.
Onderzoek over natuurontwikkeling op voormalige landbouwgronden
Er kunnen subsidies toegekend worden voor het beheer en het toezicht, de eerste inrichting en de monitoring van volgens het uitvoeringsbesluit van 29 juni 1999 erkende reservaten, die in maart 2001 oplopen tot 37 natuurreservaten.
Jan Van Uytvanck, Sophie Vanroose en Kris Decleer
De natuurreservaten erkend vóór de inwerkingtreding van het besluit van 29 juni 1999, kunnen zich afstemmen op het nieuw besluit. In totaal, werden voor 130 erkende natuurreservaten (volgens de oude wetgeving) een conformaanvraag ingediend, waarvan 74 reeds werden goedgekeurd en 56 nog worden verwerkt. Uitgevoerde beheersmaatregelen De geplande beheersmaatregelen worden beschreven in de beheersplannen. Over de uitvoering, wordt in de jaarrapporten gerapporteerd. Die rapporten zijn niet digitaal beschikbaar en er is, op niveau Vlaanderen, geen synthese voorhanden van de voor alle natuurreservaten uitgevoerde beheersmaatregelen. Natuurontwikkeling en natuurbeheer in de natuurreservaten van de kust, komt in het hoofdstuk over de kustduinen aan bod (zie deel 4.4.1 Kustduinen). Om op niveau Vlaanderen, een beeld te krijgen van de uitgevoerde beheersmaatregelen in het specifieke kader van natuurontwikkeling op voormalige landbouwgronden, werd gebruik gemaakt van (de voorlopige resultaten van) het VLINA-project 99/02.
Instituut voor Natuurbehoud Inleiding Het VLINA-project 99/02, "praktijkgericht onderzoek naar kansen en belangrijke stuurvariabelen voor natuurontwikkeling op gronden met voormalig intensief landbouwgebruik", maakt een balans op van de belangrijkste natuurontwikkelingsprojecten in Vlaanderen. Een speciale aandacht gaat uit naar het herstel van waardevolle ecotopen, de vestigingskansen voor planten- en diersoorten met een grote natuurbehoudswaarde en de identificatie van dominante factoren en processen die hiervoor bepalend zijn (de zgn. stuurvariabelen). In een eerste fase werden, door te enquĂŞteren bij terreinbeherende overheden en particuliere verenigingen, natuurontwikkelingsprojecten op voormalig intensief gebruikte landbouwgronden (akkers en sterk bemeste, soortenarme graslanden) in kaart gebracht. Er werden o.a. vragen gesteld naar de aard en de resultaten van de projecten, maar tevens naar het voorkomen en de aard van mogelijke problemen betreffende het maatschappelijk draagvlak en het juridisch statuut van deze projecten. De afstemming van de projecten resulteerde o.a. in de selectie van vier voorbeeldstudies (gebieden), waar voormalige landbouwgrond deel werd van natuurontwikkeling (Turnhouts Vennengebied, Duivelskuil, Uitkerkse Polder en Heidebos). Naast inschakeling in het ecologisch onderzoek, wordt hier eveneens onderzocht of, en in welke mate, er sprake is van een maatschappelijk draagvlak voor natuurontwikkeling. Over deze eerste fase, kunnen in dit rapport al enkele voorlopige resultaten worden voorgelegd. In totaal, wer-
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
277
Aantal gebieden
Aantal maatregelen
Verstorings- en herstelprocessen
Figuur 5.9.8: Aantal gebieden waarin natuurontwikkelingsmaatregelen werden uitgevoerd (en in het VLINA-project 99/02 gerapporteerd). (Antw.: Antwerpen; Limb.= Limburg; O.-VL.= Oost-Vlaanderen; Vl.-Brab.= Vlaams-Brabant; W.-VL.= West-Vlaanderen). den door de respondenten ongeveer 180 gebieden, met in totaal ongeveer 280 deelprojecten (veelal afzonderlijke percelen) waarin natuurontwikkelingsmaatregelen werden uitgevoerd, aangeleverd. Figuur 5.9.8 toont, per provincie, het aantal gebieden waarin natuurontwikkelingsmaatregelen werden uitgevoerd.
Figuur 5.9.9: Gevoerde natuurontwikkelingsmaatregelen op voormalige landbouwgronden (VLINA-project 99/02). 4. omvormingsbeheer, overgangsbeheer en omschakeling op natuurbeheer (maaibeheer, inzaaien akkers met grasmengsel, extensieve begrazing, kapbeheer...), zonder voorafgaande NTMB 5. actieve aanplantingen (bebossen, aanplant lineaire landschapselementen) 6. verwijderen harde infrastructuur (afbreken gebouwen en wegen)
Natuurontwikkelingsmaatregelen konden in zes grote categorieĂŤn worden onderverdeeld:
Natuurtechnische milieubouw op kleine schaal, is de meest gebruikte inrichtingsmaatregel. Vaak wordt ook gestart met een overgangs- (b.v. verschralend hooilandbeheer) of omvormingsbeheer (van akker naar grasland), gevolgd door een meer traditionele vorm van natuurbeheer. Ook actieve bosaanplanting is een vaak aangewende maatregel. Spontane ontwikkeling en ingrepen in de hydrologie (nochtans vaak cruciaal), komen relatief weinig voor. Wellicht heeft ook het schaalniveau van de projecten hiermee te maken. Beide laatstgenoemde ingrepen vergen over het algemeen grote, beheerbare gebieden en/of betrouwbaar voorbereidend studiewerk (figuur 5.9.9)
1. natuurtechnische milieubouw (machinaal afgraven, vergraven, plaggen, herprofileren,...), al dan niet gevolgd door ontwikkelingsbeheer 2. ingrepen in de hydrologie (waterpeilveranderingen, hydrologisch isoleren, stuwen,...) 3. spontane ontwikkelingen
Uit figuur 5.9.10 blijkt dat natuurontwikkeling in Vlaanderen zich grotendeel op meso- (perceelsniveau) of microschaal (kleine landschapselementen) afspeelt. Hoewel de microschaal vaak relevante informatie kan aanleveren voor het inschatten van potenties van bepaalde gebieden (b.v. welke oever- of moerasplanten koloniseren nieuw
Gevoerde natuurontwikkelingsmaatregelen, doelstellingen De respondenten hanteerden een zeer ruime interpretatie van de term natuurontwikkeling. Als belangrijkste voorwaarde voor het weerhouden van een project, werd geopteerd voor de uitgangssituatie als intensieve landbouwgrond . De nauwere interpretatie, waarbij ingrijpende veranderingen in het abiotisch systeem, gevolgd door ontwikkelingsbeheer, werden uitgevoerd, werd verruimd met andere maatregelen.
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
278
Verstorings- en herstelprocessen
80
70
60
Aantal projecten
50
40
30
20
Figuur 5.9.10: Schaalniveau van de natuurontwikkelingsprojecten op voormalige landbouwgronden (VLINA-project 99/02).
10
>
50
ha
ha 20 -5 0
10
-2
0
ha
ha 510
ha 25
<
12
1
ha
ha
0
140
120
Aantal projecten
100
80
60
40
Figuur 5.9.11: Ouderdom van de natuurontwikkelingsprojecten op voormalige landbouwgronden (VLINA-project 99/02).
20
0 <5j
5-10 j
10-20 j
20-30 j
gegraven poelen of oevers van poelen), waren ze geen expliciet voorwerp van de enquête.Natuurontwikkeling op landschapsniveau (macroschaal), is nagenoeg onbestaande. Enkele zeer recente projecten langs de Maas (b.v. Kerkeweerd), in de kalkleemstreek (b.v. Hoegaardse valleien) en de Noordelijke Kempen (b.v. Smeetshof) situeren zich ergens tussen het meso- en macroniveau. Deze natuurontwikkelingsprojecten behoren samen met enkele bosaanplantingen tot de grotere projecten (20-50 ha of groter). Opvallend is ook het grote aandeel projecten in of aansluitend bij bestaande natuurgebieden of -reservaten. Van door de overheid gestuurde, grootschalige functieveranderingen van landbouw- naar natuurgebied, en de daarmee samenhangende natuurontwikkelingsprojecten zoals in Nederland (b.v. plan Tureluur) is in Vlaanderen tot op heden geen sprake. Het doel van de natuurontwikkelingsprojecten varieert sterk. Het betreft vooral de ontwikkeling van zeldzame biotopen, zoals soortenrijke natte graslanden, moerassen, droge schrale graslanden, heiden en bossen.
> 30 j
van de soortensamenstelling in de ontwikkelde biotopen, positief of zeer positief bevonden door de respondenten. In de meeste gevallen, werden evenwel geen expliciete doelstellingen geformuleerd, maar wordt het herstel van het natuurlijke abiotische milieu en de daarbij horende levensgemeenschappen beoogd ("de natuur doet het werk"). Daarbij moet vermeld worden dat ± 43% van de projecten jonger is dan 5 jaar (figuur 5.9.11). De eerst vermelde natuurontwikkelingsingrepen zijn bosaanplantingen en omvormingen van akker naar heide, nog vóór de term natuurontwikkeling ter sprake kwam. Tal van projecten bevinden zich in een pioniers- of overgangsstadium, of in de fase van het ontwikkelingsbeheer. Natuurontwikkeling lijkt in elk geval een discipline van de jaren 90 te zijn. Meer dan 90% van de projecten, werd na 1990 opgestart. Voorlopige resultaten Natuurontwikkeling op voormalige landbouwgronden in Vlaanderen, is een kleinschalig gebeuren. De verschillende initiatieven worden weinig of niet gestuurd (noch door de overheid, noch door de particuliere verenigingen) en worden nagenoeg onafhankelijk van elkaar uitgevoerd.
In 27% van de gevallen werden de resultaten, op basis
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
279
Verstorings- en herstelprocessen De eerste resultaten wijzen in de richting van een kansrijk herstel of ontwikkeling van hoge natuurwaarden, in die gebieden waar de ingreep vooraf voldoende werd gedocumenteerd. Van groot belang lijkt verder een voldoende lang volgehouden en consequent uitgevoerd ontwikkelingsbeheer.
5.9.2.4 Beleidsevaluatie Planevaluatie Het behoud, de bescherming, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van de natuur in het Vlaamse Gewest, en van het natuurlijk milieu binnen het VEN en groengebieden, is een belangrijke doelstelling van het MBP-2. Voor de planperiode, worden concrete doelstellingen geformuleerd m.b.t. de erkenning en de aanwijzing, namelijk het optimaliseren van het instrument erkenning/aanduiding van reservaten (initiatief 106): "Er wordt gestreefd naar een totale oppervlakte van 10.000 ha, waarin een toetsbaar en kwaliteitsvol beheer gevoerd wordt". In het kader van de actie 121 van het MBP-2, wordt het uitbouwen van een geïntegreerd ecologisch monitoringsysteem gepland. De voortgang van de actie 121 wordt in het Milieujaarprogramma 2001 beschreven. Procesevaluatie In deze procesevaluatie, bekijken we de instrumentering voor het realiseren van de beleidsdoelstelling, met het oog op het voeren van een "toetsbaar en kwaliteitsvol beheer". Naar aanleiding van het MBP-2, werden twee juridische en financiële instrumenten ter beschikking gesteld: het Natuurdecreet en het uitvoeringsbesluit van 29 juni 1999. Het Natuurdecreet Het Natuurdecreet specificeert dat in de reservaten, dankzij een aangepast beheer, een natuurstreefbeeld wordt behouden of ontwikkeld. Het begrip natuurstreefbeeld, wordt niet gedefinieerd. De erkenning is gekoppeld aan het goedkeuren van een beheersplan. Voor alle erkende natuurreservaten, bestaat dus een goedgekeurd beheersplan en wordt ook effectief aan terreinbeheer gedaan. Het opmaken en goedkeuren van een beheersplan, is geen wettelijke voorwaarde voor de aanwijzing van de Vlaamse natuurreservaten. In die zin kan vastgesteld worden dat het Natuurdecreet een instrument is om een kwaliteitsvol beheer in de private natuurreservaten te steunen. In de opgelegde inhoud van het beheersplan (geldig voor alle Vlaamse Natuurreservaten), is nog geen sprake van een beschrijving van de natuurstreefbeelden. Het Natuurdecreet biedt enkel de juridische basis en is op zich dus geen volledige regelgeving voor een toetsbaar beheer.
Het uitvoeringsbesluit van 29 juni 1999 Na de publicatie van het Natuurdecreet, heeft het uitvoeringsbesluit van 29 juni 1999 de erkenning (en subsidiëring) verder uitgewerkt. Het beheersplan moet een beschrijving van de natuurstreefbeelden en de werkwijze en organisatie van de monitoring en de beheersevaluatie bevatten. Monitoring van aandachtssoorten en grondwaterstanden Het uitvoeringsbesluit legt de monitoring van erkende natuurreservaten op: monitoring van aandachtssoorten, grondwaterstanden en beheersmonitoring. Voor de monitoring van aandachtssoorten en grondwaterstanden, werd reeds een handleiding opgesteld. De lijst met op te volgen aandachtssoorten, vertoont een aantal onverwachte soorten waarvoor een monitoring niet relevant is. Het betreft soorten die in Vlaanderen uitgestorven zijn of slechts in zeer lage aantallen voorkomen (de zwarte stern, de kemphaan, de duinpieper, de hop, de langoorvleermuis, de bosvleermuis, de kleine hoefijzervleermuis, de grote hoefijzerneus, de mopsvleermuis, de tweekleurige vleermuis, de vale vleermuis, de geelbuikvuurpad, de zandhagedis, de ringslang, de mercuurwaterjuffer, de sierlijke witsnuitlibel, de gevlekte witsnuitlibel, het veenhooibeestje, de bruine vuurvlinder, de zilveren maan) of zelfs nooit voorkwamen (de noordse winterjuffer, de gaffellibel, de groene glazenmaker, de oostelijke witsnuitlibel). Deze lijst vraagt dus duidelijk om een grondige herziening en aanpassing. Vanuit het beleid, bestaat de intentie om voor deze aandachtssoorten extra inspanningen te leveren. Het erkennen, als reservaat, van voor deze soorten waardevolle leefgebieden, kan één van deze inspanningen zijn, maar uiteraard op voorwaarde dat het beheer van het reservaat de aandachtssoorten ten goede komt. Het behoud en de ontwikkeling van hun populaties worden hierbij in de beheersdoelstellingen ingeschreven en opgevolgd in de beleidsmonitoring. Wat de beheersmonitoring betreft, moeten de praktische richtlijnen nog ontwikkeld worden. Er kunnen alvast vragen gesteld worden bij het "toetsbare" aspect van het beheer. Daarvoor dienen duidelijke, toetsbare beheersdoelstellingen geformuleerd te worden.Volgens het uitvoeringsbesluit, moeten de natuurstreefbeelden gedefinieerd worden aan de hand van de eenheden van de Biologische Waarderingskaart. Het is soms moeilijk om in te schatten welke levensgemeenschappen zich op een bepaalde plaats zullen vestigen en ontwikkelen, in het bijzonder als de uitgangssituatie sterk verstoord of gedegradeerd is of als het gaat om grote gebieden, waar als beheerstrategie geopteerd werd voor het procesbeheer (b.v. grootschalig graasbeheer). De doelstellingen kunnen vaak beter aan de hand van nagestreefde natuurlijke processen (vrije meandering van een beek, ontwikkeling overgangssituatie tussen vegetatieblokken, van half open landschap), een ruwe typering
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
280
Verstorings- en herstelprocessen (spontaan bos op voedselarme bodem), nagestreefde functies (paaiplaats, pleisterplaats) of milieukwaliteitsnormen (isolatie van het gebied tegen vermesting) beschreven worden. Doelsoorten waarvoor aparte soortbeschermingsplannen (b.v. het gentiaanblauwtje) opgesteld worden, kunnen ook deel uitmaken van de beheersdoelstellingen. Toetsbare beheersdoelstelling betekent ook dat aan die doelstelling toetsbare parameters gekoppeld moeten worden. Het gebruik van de in het uitvoeringsbesluit gekozen typologie van de natuurstreefbeelden, is vooral toepasbaar in natuurreservaten waar botanisch natuurbeheer op perceelsniveau toegepast wordt, maar maakt hierbij geen onderscheid tussen de beheerstypes, en is bijgevolg niet geschikt om in alle (maar wel in vele) reservaten een toetsbaar beheer te verrichten. Het uitvoeringsbesluit kan dus een juridisch en financieel instrument zijn om een toetsbaar en kwaliteitsvol beheer in de private natuurreservaten te stimuleren en te sturen, voor zover het aspect monitoring van aandachtssoorten en beheersmonitoring nog verder uitgewerkt, en de typologie aangevuld wordt. Productevaluatie Erkenning en aanwijzing van natuurreservaten Sinds de publicatie in 1998 van het Natuurdecreet, zijn 70 nieuwe natuurreservaten erkend, met een totale oppervlakte van 2106 ha. Het jaarlijks gemiddeld aantal nieuw erkende natuurreservaten is sindsdien gestegen tot 20. De totale oppervlakte van de erkende natuurreservaten in maart 2001 beslaat 5334 ha. Daarvan zijn 37 natuurreservaten (met een totale oppervlakte van 723 ha) na de inwerkingtreding van het uitvoeringsbesluit (28 september 1999) erkend. Het Natuurdecreet, aangevuld met het uitvoeringsbesluit, heeft dus een aanzienlijk positief effect op de dynamiek van de erkenning van private natuurreservaten. Er zijn in dezelfde periode 30 nieuwe Vlaamse natuurreservaten aangewezen, met een totale oppervlakte van 937 ha. Het instrument Natuurdecreet heeft dus een matig effect op de dynamiek van de aanwijzingen van de Vlaamse natuurreservaten, vergeleken met de private natuurreservaten (en als het aantal als criteria gebruikt wordt). Het blijkt dat, door personeelsgebrek, een grote achterstand (bij de aanwijzing) ontstaan is die momenteel weggewerkt wordt.
Monitoring van aandachtssoorten en grondwaterstanden De handleiding voor de monitoring van aandachtssoorten en grondwaterstanden, is in de loop van het najaar 2000 verspreid onder de conservators. De eerste leveringsdatum van die monitoringgegevens werd uitgesteld tot 31 maart 2001. De evaluatie relatief aan de implementatie van de monitoring van aandachtssoorten en grondwaterstanden, kon daarom nog niet aan bod komen in dit Natuurrapport 2001. Oppervlakte reservaten met toetsbaar en kwaliteitsvol beheer Wat de beoogde oppervlakte van 10.000 ha reservaten met toetsbaar en kwaliteitsvol beheer betreft (voor eind 2001), zijn enkel de voorlopige cijfers (maart 2001) beschikbaar van de erkende natuurreservaten, die een oppervlakte van 5334 ha beslaan (met de restrictie dat monitoring pas gedeeltelijk geĂŻmplementeerd werd, dat een beheersmonitoringmethode nog uitgewerkt moet worden en dat, bovendien, niet alle erkende natuurreservaten beschikken over een beheersplan conform het uitvoeringsbesluit). De totale oppervlakte Vlaamse natuurreservaten waarvoor een beheersplan goedgekeurd is, kon niet achterhaald worden. Het blijkt dat er een achterstand is bij de opmaak van beheersplannen voor de Vlaamse natuurreservaten. De inhoud van het beheersplan, volgens het Natuurdecreet, bevat geen beschrijving van natuurstreefbeelden en de Vlaamse natuurreservaten zijn niet onderhevig aan de monitoringplicht. In die zin kan voor de Vlaamse natuurreservaten in ieder geval niet echt gesproken worden van een heus toetsbaar beheer (hoewel er naar gestreefd wordt het beheersplan van de Vlaamse reservaten af te stemmen op dat van de erkende natuurreservaten). De beleidsdoelstelling van het MBP-2 is dus (voorlopig) niet bereikt. Bovendien wordt geconstateerd dat de gemiddelde oppervlakte van de erkende natuurreservaten blijft krimpen. Dat betekent dat de terreinbeherende verenigingen en de afdeling Natuur steeds meer inspanningen moeten leveren om dezelfde oppervlakte te laten erkennen. Dit heeft ook rechtstreekse gevolgen voor het beheer. Met de inkrimping van de oppervlakte van de natuurreservaten stijgt het contact (perimeter) met het "buitengebied" en dus ook (de impact van) de negatieve externe invloed (van de verstoringsprocessen) op de natuurgebieden. Ook het uitvoeren van een "kwaliteitsvol" beheer vergt steeds meer inspanningen.
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
281
Verstorings- en herstelprocessen Evaluatie van het gevoerde beheer Er worden in de natuurreservaten, door de vrijwilligers van de terreinbeherende verenigingen en de natuurwachters van de Vlaamse Natuurreservaten, vrij veel waarnemingen en inventarisaties gemaakt. Die losse waarnemingen en inventarisaties tonen aan dat er plaatselijk positieve resultaten geboekt worden (in termen van het voorkomen, soms het terugkomen van zeldzame soorten en van de ontwikkeling van zeldzame vegetatietypes). De verwijzing naar het gevoerde beheer gebeurt niet altijd systematisch, wat toetsing bemoeilijkt. De tot nu toe gebruikte inventarisatiemethodes verschillen onderling enorm. De gegevens zijn bovendien heterogeen, zeer verspreid, moeilijk beschikbaar en daardoor kunnen ze niet gebruikt worden om een globale evaluatie op niveau Vlaanderen te maken. In het kader van een multidisciplinaire monitoringproject, worden in twee Vlaamse natuurreservaten langs de kust de effecten van het begrazingsbeheer (aangevat in april 1997) op vegetatie, flora en fauna opgevolgd, door het Instituut voor Natuurbehoud. Monitoring is een kwestie van langdurig onderzoek (139). Er is, tot nu toe, geen systematisch gestandaardiseerde methode uitgewerkt en er wordt dan ook op het terrein geen echte monitoring (regelmatig inventariseren met de bedoeling vooropgestelde normen, streefbeelden te evalueren) aangewend (op niveau Vlaanderen). Van een productevaluatie van natuurbeheer en natuurontwikkeling in de natuurreservaten op niveau Vlaanderen, is dus voorlopig geen sprake. Knelpunten, leemten en aanbevelingen De ontwikkeling van een monitoringsysteem is dus noodzakelijk. In het raam van het project "Bouwstenen monitoring: onderbouwing en uitwerking van een basismonitoring van de natuurreservaten in Vlaanderen", opgestart ter uitvoering van de actie 121 van het MBP-2, zal een methode voor beheersmonitoring ontwikkeld worden, ter invulling van het uitvoeringsbesluit. Dit project moet leiden tot een gestandaardiseerde methode, die ook in de Vlaamse natuurreservaten moet worden geĂŻmplementeerd. Een belangrijk knelpunt is dat een aantal referentiekaders die hierin orde en systematiek zouden kunnen brengen, nog volop in ontwikkeling zijn: de natuurtypen (zie deel 3.2.2 Biotopen), ecosysteemvisies en de selectie van soorten voor de opvolging van het beheer (zie deel 3.2.1 Soorten).
Het hierboven beschreven project en het project "Ontwerp van een monitoringstrategie voor natuurinrichtingsprojecten op basis van vier proefprojecten" (zie deel 5.9.4 Natuurinrichting), vergen ook een sterke onderlinge afstemming. Het uitwerken van het monitoringsysteem voor de erkende natuurreservaten, moet in samenspraak met de beheerders gebeuren, zodat een bruikbaar en beheerbaar gegevensmodel kan worden gecreĂŤerd. Een volledig overzicht van de natuurreservaten waar aan natuurbeheer en natuurontwikkeling wordt gedaan, een overzicht van de uitgevoerde beheersmaatregelen (gekoppeld aan de beheersdoelstellingen) en een overzicht van de lopende monitoringprogramma's, zijn de drie basisluiken voor een optimale rapportage over natuurbeheer in de natuurreservaten. Hiervoor is de ontwikkeling van een goed gestructureerde databank natuurgebieden onontbeerlijk. Afhankelijk van de beschikbaarheid en de bruikbaarheid van de bestaande gegevens op niveau Vlaanderen, is in dit natuurrapport de rapportage beperkt tot het eerste luik. Het strict bepalen van het exacte aantal natuurreservaten is moeilijk, aangezien een aantal "natuurreservaten" op het terrein uit niet aaneengesloten deelgebieden bestaan (zie ook deel 5.8.2 Verwerving van natuurgebieden). Om het correcte aantal natuurreservaten te bepalen, is het uitbouwen van een goed gestructureerde databank natuurgebieden, gekoppeld aan een GIS-systeem, onontbeerlijk (zie ook bijlage 5.9.1)
Met de medewerking van: Peter Willeghems, AMINAL, afdeling Natuur Joost Dewyspelaere, Jens Verwaerde, Natuurreservaten Dominique Verbelen, v.z.w. Durme Jan Verroken, Regionaal Landschap Dijleland
v.z.w.
Lectoren Dirk Bogaert, Arteveldehogeschool Griet Celen,Vlaamse Landmaatschappij Maurice Hoffmann, Instituut voor Natuurbehoud RenĂŠ Meeuwis, Peter Willeghems, AMINAL, afdeling Natuur Bob Peeters,Vlaamse Milieumaatschappij Kris Vandekerkhove, Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer Jens Verwaerde, Natuurreservaten, v.z.w.
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
282
Verstorings- en herstelprocessen
5.9.3 Natuurbeheer en natuurontwikkeling in de Vlaamse bosreservaten Kris Vandekerkhove Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer
5.9.3.1 Doelstellingen en wettelijk kader In tegenstelling tot de natuurreservaten, wordt de wettelijke basis voor bosreservaten niet gelegd door het Natuurdecreet. De bosreservaten hebben een afzonderlijk statuut dat kadert binnen het Bosdecreet (artikels 22 tot 30) en het bijhorende "Besluit van de Vlaamse Executieve van 20 januari 1993 tot vaststelling van regelen betreffende de aanwijzing of erkenning en het beheer van de bosreservaten". Doelstellingen van bosreservaten De bosreservaten hebben twee prioritaire functies: de ecologische functie is er nevengeschikt aan de wetenschappelijke functie (art. 22 van het Bosdecreet). Het verwerven van kennis over de autonome levensprocessen in het bos en de invloed van specifieke, gerichte beheersmaatregelen relatief aan de natuurwaarde in het bos, is er dus even belangrijk als het nastreven van een verhoging van deze natuurwaarde. Dit wijkt duidelijk af van de basisdoelstelling van natuurreservaten, namelijk, "via een aangepast beheer, een natuurstreefbeeld te behouden of te ontwikkelen" (Natuurdecreet art. 32). Toch zal er in de praktijk vaak weinig verschil bestaan tussen bosreservaten en natuurreservaten in de bossfeer: in beide gevallen worden bosgebieden onttrokken aan het productiebeheer en krijgen een extra beschermingsstatus en beheer dat leidt tot een hogere natuurwaarde. De verschillen situeren zich vooral op het vlak van de schaalaanpak. In de natuurreservaten, wordt het beheer volledig afgestemd op het realiseren van een zo groot mogelijke natuurwaarde, hetgeen vaak resulteert in een kleinschalige mozaïek van beheersopties, met veel aandacht voor de in het bos aanwezige niet-bos-elementen (paden, poelen, heiderestanten, schraalgraslandjes). Men tracht een zo groot mogelijke variatie van vegetatietypes, en de daarbijhorende soortenrijkdom te verkrijgen. Wat bosreservaten betreft, is er meer aandacht voor het behoud en de studie van het bos als ecosysteem en van de spontane processen en ontwikkelingen die ermee samengaan. In bosreservaten zal daarom minder snel worden overgegaan tot ontbossing of vrijkappen, in functie van andere vegetatietypes/soorten, en wordt het niets-doenbeheer toegepast in voldoende grote, aaneengesloten eenheden (zie verder). Dit betekent echter geenszins dat beheersmatige ingrepen niet mogelijk zijn. Daarom wordt voor bosreservaten expliciet een onderscheid gemaakt tussen "integrale" bosreservaten, waarin van dan af geen menselijke ingrepen meer gebeuren, en "gerichte" bosre-
servaten, waarin een aangepast beheer wordt uitgevoerd om bepaalde beheervormen en bijzondere natuurwaarden te behouden of te creëren. Aanwijzing en erkenning van bosreservaten Openbare bossen kunnen worden "aangewezen" als bosreservaat; privé-bossen en bossen van andere publieke overheden (OCMW, gemeente,...), worden "erkend" als bosreservaat.Voor openbare bossen, geldt deze aanwijzing voor onbeperkte duur. De termijn is 54 jaar voor bossen gehuurd door de Vlaamse gemeenschap. Privé-bossen en bossen van andere publieke overheden, worden erkend voor periodes van 27 jaar. Voor elke provincie is, bij ministerieel besluit, een "adviescommissie bosreservaten" opgericht. Deze commissie bestaat uit een tiental personen en is evenwichtig samengesteld uit vertegenwoordigers van de administratie (afdeling Bos en Groen, afdeling Natuur, het Instituut voor Natuurbehoud en het Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer) en drie tot vijf vertegenwoordigers uit wetenschappelijke kringen of uit lokale verenigingen, actief rond natuurbehoud of bosbouw. Een eerste taak van deze commissie is een advies uitbrengen over de ontvankelijkheid van een voorstel tot bosreservaat.Voor de openbare bossen wordt het voorstel tot bosreservaat door de houtvester aangebracht en gemotiveerd binnen de commissie, die na een terreinbezoek het voorstel beoordeelt.Voor de overige bossen doet de eigenaar officieel het aanbod naar de administratie toe, die deze, samen met het IBW aan een eerste screening onderwerpt. Indien het een valabel voorstel betreft wordt het voorstel ook op de commissie gebracht, en na terreinbezoek beoordeeld. Is de commissie, na controle op het terrein, akkoord met het voorstel, dan wordt het voorstel voorgelegd aan de minister, die dan te rade gaat bij de drie Hoge Raden (Hoge Bosraad, Hoge Jachtraad en de Hoge Raad voor Natuurbehoud). Rekening houdende met al deze adviezen neemt de minister uiteindelijk de beslissing bij ministerieel besluit tot erkenning of aanwijzing als bosreservaat. Net als bij natuurreservaten is voor de erkende reservaten een vergoeding voorzien voor de eigenaar (voor onderhoud, beheer, derving van inkomsten). Het bedrag varieert tussen de 4.000 en 10.000 BEF/ha, afhankelijk van de economische waarde van het bos, en de te verwachten beheerskosten. Indien er in het reservaat verder wordt gejaagd (met goedkeuring van de commissie) gaat daar standaard vanaf 2.000 BEF/ ha.Voor een beschrijving van de procedure voor de erkenning en aanwijzing tot bosreservaat, wordt verwezen naar Vandekerkhove en Van Den Meersschaut (720).
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
283
Verstorings- en herstelprocessen Beheersplan Voor elk bosreservaat wordt, door de plaatselijke houtvester, binnen de drie jaar een beheersplan opgemaakt. Ook hier heeft de adviescommissie een belangrijke rol te spelen. Binnen de commissievergaderingen kunnen zij de voorstellen van de beheerder aanpassen of wijzigen. Het uiteindelijke document moet ook eerst door de adviescommissie goedgekeurd worden voor het naar de minister gaat, die beslist over de definitieve goedkeuring. Bij de opmaak van de beheersplannen, worden de zones integraal en gericht reservaat definitief afgebakend. Bij de afbakening van de zones met een gericht beheer, wordt rekening gehouden met de aanwezige natuurwaarden die een aangepaste en continue beheersmatige opvolging vereisen. Tegelijk wordt evenwel steeds de vraag gesteld of, door deze keuze, de spontane processen in de integrale zones niet in het gedrang komen. Spontane processen van bosontwikkeling zijn immers geen statisch gegeven, maar een zeer dynamisch gebeuren, waarbij de verschillende ontwikkelingsfasen in het bos zich in tijd en ruimte "verplaatsen" in het gebied. Een zone met een gericht beheer middenin een groter gebied waarvoor een nietsdoen-beheer van toepassing is, zal deze spontane verschuivingen hinderen en is derhalve bijzonder storend bij het bestuderen van spontane processen. Een dergelijke situatie wordt daarom zoveel mogelijk vermeden, tenzij daar bijzondere redenen toe zijn (belangrijke rodelijstsoorten aanwezig,...). Vandaar dat beheeropties hier meer homogeen op schaalgrootte van het bosecosysteem worden geënt, met het gericht beheer vaak in de randen en in bufferzones. Deze keuze kan soms ten koste gaan van de absolute soortenrijkdom, al wordt dit in de mate van het mogelijke ingedijkt. Men is echter van mening dat, de meerwaarde die wordt gecreëerd op vlak van "procesbehoud" (volwaardige spontane processen), dit verlies op het niveau van het "soortbehoud" ruimschoots compenseert (719).
5.9.3.2 Ondersteunend methodologisch onderzoek Opstellen van criteria voor de selectie van bosreservaten Sinds 1997, wordt op een gestructureerde wijze werk gemaakt van een Europees netwerk van bosreservaten, in het kader van het Europees samenwerkingsverband EUCOST-action E4 (525). Hoofddoelstellingen van dit samenwerkingsverband zijn: de uitbouw van een Europees netwerk van bosreservaten (= integrale reservaten met nietsdoen beheer), een harmonisatie van de onderzoeks- en monitoringsmethoden en de uitbouw van een Europese databank rond bosreservaten, als hulpmiddel voor verdere
samenwerking. Onder bosreservaten, wordt binnen de Europese context verstaan: stukken bos die, sinds korte of langere tijd, zonder menselijke ingrepen kunnen ontwikkelen ("left for free development"). Nu wijkt de interpretatie die in Vlaanderen wordt gegeven aan "bosreservaten" duidelijk af van het originele en in Europa algemeen toegepast concept. Het Vlaams concept is een stuk ruimer, met eveneens aandacht voor zones met een aangepast gericht beheer. Niettemin zijn er heel wat Vlaamse bosreservaten die wel passen in het "Europese" concept van bosreservaten, en derhalve kunnen opgenomen worden in een Europees netwerk van bosreservaten (720). Meer nog, voor een aantal bostypes kan Vlaanderen een prominente plaats innemen, en een belangrijke schakel vormen in het Europees netwerk. Dit is vooral zo voor Atlantische bostypes: het Atlantisch eiken-haagbeukenbos (Endymio-Carpinetum), Atlantisch bronbos (Carici remotaeFraxinetum), en Atlantisch eiken-berkenbos (VioloQuercetum roboris sensu Hermy)(342, 343). Buiten het westelijk deel van Vlaanderen komen deze types enkel in Wallonië (ten noorden van Samber en Maas), NoordFrankrijk en Zuid-Engeland voor. Aangezien initiatieven rond bosreservaten in die gebieden momenteel nog vrij beperkt tot ontbrekend zijn, kan Vlaanderen hier dus een belangrijke rol opnemen. Deze Atlantische bossen vormen immers een onmisbare schakel in de gradiënt van Hyperatlantische bostypes (in Engeland en Ierland) naar Subatlantische en Continentale bostypes in Centraal Europa. Om deze kansen ten volle te benutten, werd door het Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer (IBW) een visie ontwikkeld wat betreft de selectiecriteria voor de verdere uitbouw van het Vlaamse bosreservatennetwerk (718). Hierbij wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen, enerzijds, bosreservaten die inpasbaar zijn in een Europees netwerk van integrale reservaten en anderzijds, bosreservaten in sensu lato. Bij de selectie van reservaten die kunnen kaderen in een Europees netwerk, spelen twee aspecten een belangrijke rol: "representativiteit" en "oppervlakte". "Representativiteit" betekent dat alle belangrijke Vlaamse bosgemeenschappen in het netwerk moeten vertegenwoordigd zijn, met minstens één goed ontwikkeld voorbeeld per fytogeografische streek waar dit bostype voorkomt. Daarnaast kunnen ook de meest algemene kunstmatige bostypes (populieren- en dennenaanplantingen) opgenomen worden in het netwerk. Het "oppervlakte-criterium" houdt in dat het integrale reservaat(sgedeelte) voldoende groot moet zijn om alle ontwikkelingsfasen (verjongingsfase, volwassen fase en verouderingsfase) van het bos te kunnen omvatten. In Nederland, wordt dit het Minimum Structuur Areaal (MSA) genoemd. Afhankelijk van het bostype, varieert het MSA tussen 10 ha (alluviale bostypes) en 50 ha (eiken-berkenbossen).
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
284
Verstorings- en herstelprocessen Onder de bosreservaten in sensu lato, vallen de gerichte bosreservaten, maar ook de integrale reservaten die door een te beperkte oppervlakte of ongunstige ruimtelijke omstandigheden (onvoldoende buffering, langgerekte vorm,...), niet voldoen aan de minimumvoorwaarden om te worden opgenomen in een Europees netwerk. Bij de selectie van deze reservaten, spelen aspecten als "zeldzaamheid" en "onvervangbaarheid" een belangrijke rol. Zij worden vooral geselecteerd in functie van de bescherming en de studie van zeldzame soorten, genenbronnen, vegetatietypes, beheersvormen (b.v. hakhout en middelhout) en processen (b.v. bosfragmenten met een zeer volledige flora of een lange spontane ontwikkeling). Ontwikkeling van een methodiek voor de monitoring van integrale bosreservaten en de coördinatie van aanvullend wetenschappelijk onderzoek in de bosreservaten Ontwikkeling van een methodiek voor de monitoring van integrale bosreservaten Naast hun ecologische functie, hebben de bosreservaten een prominente wetenschappelijke functie. Vanuit onderzoekskringen inzake bosecologie en bosdynamiek, wordt vooral het belang van een degelijke monitoring van de vegetatieontwikkeling (bomen, struiken, kruiden en dood hout) in integrale reservaten benadrukt. Het concept van een Vlaams monitoringprogramma voor integrale reservaten werd opgesteld, overeenkomstig de aanbevelingen van de Europese werkgroep voor bosreservaten (EUCOST-action E4: European Forest Reserves Research network) waarbij werd bepaald dat de basis van alle onderzoek in de bosreservaten bestaat uit een monitoringprogramma dat de spontane ontwikkeling bestudeert van structuur en samenstelling van bossen. In de eerste plaats worden bomen (inclusief dood hout), struiken en kruiden opgevolgd. Het betreft een concept dat sterke gelijkenissen vertoont met de operationele programma’s in Nederland en Duitsland, met de combinatie van een grid van steekproefcirkels en een kernvlakte. De monitoring wordt uitgevoerd in een selectie van aangewezen en erkende integrale bosreservaten die aan de specifieke internationale criteria van representativiteit en oppervlakte voldoen. Een representatief netwerk van gemonitorde integrale bosreservaten in Vlaanderen moet minstens een 30-tal reservaten omvatten. Na 10 jaar wordt het monitoringprogramma herhaald. De methodiek is op te splitsen in twee luiken: het startprogramma en het opvolgingsprogramma, dat de eigenlijke - in cycli te herhalen - monitoringactiviteiten omvat. Het startprogramma bestaat uit de inrichting van integrale bosreservaten, voor latere monitoringactiviteiten, en uit gedetailleerde voorbereidende studies van een aantal weinig veranderlijke, maar toch zeer belangrijke para-
meters voor de bosontwikkeling (historiek, vroeger beheer, vroegere onderzoeksactiviteiten, bodem, ...). Het opvolgingsprogramma omvat de eigenlijke monitoring: bomen, struiken en kruiden worden opgenomen in steekproefcirkels (plots) en in een kernvlakte (core area). Hierdoor is de methodiek die wordt toegepast in de Vlaamse bosreservaten volledig compatibel met de methodiek die in Europees verband werd afgesproken. Bijlage 5.9.3 geeft een schematische voorstelling van de proefopstelling. Voor het verkrijgen van een algemeen beeld van het bosreservaat wordt grotendeels gebruik gemaakt van de gegevens van de steekproefcirkels. Deze "puntsgewijze" resultaten worden, waar relevant en zinvol, geïntegreerd binnen het GIS om een totaalbeeld te bieden voor het gehele reservaat. De kernvlakte is bijzonder geschikt om de ruimtelijke processen, zoals competitie tussen soorten en individuen om licht, te bestuderen. Om echter een gedegen en gedetailleerd beeld te krijgen van de "gap-dynamics" in het bosreservaat (het ontstaan, verschuiven en evolueren van open plekken, optimale en vervalfasen) vormt een set van gedetailleerde stereoparen (false-colour luchtfoto’s) op schaal van maximum 1/5.000 een zeer belangrijke bron van informatie. Aan de hand van deze gedetailleerde luchtfoto’s kan een kaart van de bosontwikkelingsfasen geproduceerd worden. Ander aanvullend onderzoek in de bosreservaten In de gemonitorde integrale bosreservaten, zullen in de mate van het mogelijke, aanvullende inventarisaties en onderzoeken worden gekoppeld aan het monitoringsprogramma. Deze kunnen immers belangrijke inzichten verschaffen over de betekenis van een nulbeheer voor de biodiversiteit. Zo wordt, o.a., gewerkt aan een monitoringprogramma voor Fungi, en specifieke faunagroepen (bodembewonende ongewervelden, xylobionte (organismen die leven op dood hout) ongewervelden, vogels, vleermuizen,...). De bedoeling is de resultaten van deze onderzoeken te integreren met de vegetatiegegevens, en aldus een bredere interpretatie van onderlinge relaties mogelijk te maken. Zo zijn nu reeds enkele oriënterende onderzoeksprojecten lopende over de bodemfauna en xylobionte ongewervelden. Een aantal bosreservaten (gerichte en kleine integrale reservaten) zullen niet worden opgenomen in het hierboven beschreven monitoringsprogramma. Niettemin, kan hier zeer waardevol wetenschappelijk onderzoek worden verricht, in functie van specifieke onderzoeksvragen, bijvoorbeeld, een evaluatie van de effectiviteit van hak- en middelhoutbeheer, in functie van de doelsoorten (dagvlinders, lichtminnende flora), de evaluatie van de effecten van een aangepast maaibeheer op de vegetatie van daartoe
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
285
Verstorings- en herstelprocessen geselecteerde boshooilandjes, de opvolging van struweelontwikkeling bij extensieve begrazing, ... Het IBW staat zelf in voor het monitoringsprogramma en centraliseert en coĂśrdineert het overig wetenschappelijk onderzoek in de bosreservaten. Meer informatie over het Vlaams bosreservatenprogramma is te vinden op de website van het IBW: www.ibw.vlaanderen.be.
5.9.3.3 Initiatieven en acties m.b.t. natuurbeheer en natuurontwikkeling in de bosreservaten Het netwerk van bosreservaten Toestand erkenning, aanwijzing en beheersplan (februari 2001) Sinds de wettelijke regeling hieromtrent officieel is vastgelegd in het uitvoeringsbesluit op de bosreservaten (1993), werden reeds 41 gebieden, verdeeld over 28 boscomplexen, erkend of aangewezen als bosreservaat, wat een totale oppervlakte van zowat 1565 ha vertegenwoordigt.Voor al deze reservaten, werd een beheersplan opgemaakt of wordt er momenteel volop aan gewerkt. Een nieuwe reeks dossiers (voor zowat 100 ha) wacht op erkenning. Daarnaast zijn er nog enkele voorstellen waarvan een dossier momenteel wordt opgemaakt (ca 150 ha). Hieronder wordt een overzicht gegeven van de huidige stand van zaken wat betreft de bosreservaten in Vlaanderen.
In figuur 5.9.12 wordt een overzicht gegeven van de huidige stand van zaken met betrekking tot de bosreservaten in Vlaanderen (zie ook tabel 5.9.1). Hieruit blijkt dat de bosreservaten ruimtelijk vrij goed geconcentreerd zijn in de bosrijkste regio's van Vlaanderen. Niettemin zijn voorlopig een aantal gebieden en bostypes nog ondervertegenwoordigd of ontbrekend. Bosreservaten van een aantal welbepaalde zeldzame bostypes ontbreken: duinbos, hardhout-ooibos (Maasvallei), kalk-beukenbos en witte veldbies-beukenbos (Voerstreek), getijdeonderhevig wilgenbos (Benedenschelde), alluviaal bos van de grote rivieren (Scheldevallei), moerasvarenelzenbroek (verlandingszones), ravijnbos (Voerstreek). Een aantal types is ondervertegenwoordigd of zwak ontwikkeld: Voedselarm eiken-berkenbos (goed en volledig ontwikkelde voorbeelden van dit bostype zijn uiterst zeldzaam), Subatlantisch eikenmengbos (Primulo-Carpinetum: Haspengouw). Bij de selectie van nieuwe bosreservaten wordt specifiek gezocht om deze hiaten op te vullen.
Figuur 5.9.12: Ruimtelijke verdeling van de bosreservaten in Vlaanderen (toestand februari 2001). 1 – 41= nummer bosreservaat (zie ook tabel 5.9.1).
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
286
Verstorings- en herstelprocessen Tabel 5.9.1: Stand van zaken bosreservaten (toestand februari 2001) bron: IBW. (1) eerste reeks: erkend bij MB op 14/3/1995; (2) tweede reeks: erkend bij MB op 26/2/1996; (3) derde reeks: erkend bij MB op 3/2/1997; (4) vierde reeks: erkend bij MB op 27/8/1999. Opp.= oppervlakte; ha= hectare; MB= ministerieel besluit; I/G (ha)= aandeel (ha) integraal/gericht. Nr
Naam bosreservaat
Opp. (ha)
Eigenaar
Toestand beheersplan
I / G Bostype (ruwe indeling) 17 / 28 / ?
1 2 3
Beiaardbos (3) Bos Ter Rijst (2) Coolhembos (1)
17,06 Vl. gewest 28,59 Vl. gewest 78,64 Vl. gewest
4
58,16 Vl. gewest
5
Dilserbos- Platte Lendenberg (1) Galgenberg (1)
Tekst klaar Tekst klaar Wordt momenteel opgemaakt Eindredactie
29,82 Vl. gewest
Eindredactie
6
Gasthuisbos (3)
11,02 Gemeente
7
De Goorbossen (4)
47,17 Gemeente
8
Groot Gasthuisbos (4)
9
Grootbroek (1)
136,41 Vl. gewest
10
Hallerbos – Hallebeek (3)
18,30 Vl. gewest
Wordt momenteel opgemaakt Wordt momenteel 40 / opgemaakt 7 Wordt momenteel ? opgemaakt Goedgekeurd MB, 75 / 6 / 5 / 99 60 Tekst klaar 18 / -
11
Hallerbos – Jansheideberg (2)
15,60 Vl. gewest
Tekst klaar
15 / -
12
Hallerbos – Kluisberg (2)
9,71 Vl. gewest
Tekst klaar
5/5
13
Hallerbos – Vroenenbos (2)
14,59 Vl. gewest
Tekst klaar
15 / -
14
De Heirnisse (4)
76,39 Vl. gewest
15
Heverlee: De grote omheining (1) Heverlee: Klein moerassen (1)
32,20 Vl. gewest
7,40 OCMW
18
Heverlee: Putten Ijzerweg (1) In de Brand (1)
19
Jagersborg (1)
86,54 Vl. gewest
20
Jongenbos (1)
72,90 Vl. gewest
Wordt momenteel opgemaakt Goedgekeurd MB, 30 / 9 / 98 Goedgekeurd MB, 30 / 9 / 98 Goedgekeurd MB, 30 / 9 / 98 Goedgekeurd MB, 28 / 9 / 98 Goedgekeurd MB, 6 / 5 / 99 Eindredactie
21
Koeimook (3)
39,47 Privaat
Tekst klaar
22
Kolmontbos (1)
17,00 Vl. gewest
Eindredactie
23
Lanklaarderbos-Saenhoeve (1) Meerdaalwoud: De Heide (4)
83,69 Vl. gewest
Eindredactie
32,66 Vl. gewest
Wordt momenteel opgemaakt Goedgekeurd MB, 30 / 9 / 98 Goedgekeurd MB, 30 / 9 / 98 Goedgekeurd MB, 30 / 9 / 98 Goedgekeurd MB, 30 / 9 / 98 Goedgekeurd MB, 30 / 9 / 98 Goedgekeurd MB, 30 / 9 / 98 Tekst klaar
16 17
24 25
10,45 Vl. gewest
van de
4,46 Vl. gewest 11,44 Vl. gewest
31
Meerdaalwoud: Grote konijnepijp (1) Meerdaalwoud: Veldkant Renissart (1) Meerdaalwoud: De drie eiken (1) Meerdaalwoud: Everzwijnbad (1) Meerdaalwoud: Mommedeel (1) Meerdaalwoud: Pruikenmakers (1) Melisbroek-Vieversel (3)
34,86 Vl. gewest
32
Muizenbos (4)
34,20 OCMW
33
Neigembos (1)
45,01 Vl. gewest
26 27 28 29 30
25,2 Vl. gewest 19,0 Vl. gewest 7,3 Vl. gewest 27,5 Vl. gewest 25,3 Vl. gewest 38,7 Vl. gewest
Wordt momenteel opgemaakt Tekst klaar
20 / 38 28 / 2 ?
?
Endymio-Carpinetum Endymio-Carpinetum Alnetum Quercion Quercion > Alnetum Quercion > Stellario-Carpinetum Quercion > Alnetum Stellario-Carpinetum Quercion > Alnetum Quercion > End.-Carpinetum > Alno-Padion Endymio-Carpinetum > AlnoPadion Quercion > End.-Carpinetum > Alno-Padion Endymio-Carpinetum > AlnoPadion Alnetum > Quercion
6/ 26 6/4
Fago-Quercetum petraeae
4/-
Stellario-Carpinetum > Alno-Padion
3/8
Quercion
60 / 25 70 / 3 35 / 5 17 / -
Quercion
65 / 18 7/ 25 20 / 5 15 / 4 6/1 27 / 13 / 12 37 / 2 30 / 5 ? 40 /
Stellario-Carpinetum > Alno-Padion
Quercion > Stellario-carpinetum Quercion Quercion > Stell.-Carpinetum > Alno-Padion Fago-Quercetum petraeae Stellario-Carpinetum > MilioFagetum Quercion Milio-Fagetum Quercion Milio-Fagetum Quercion > Alnetum Milio-Fagetum >StellarioCarpinetum Quercion > Alnetum Alno-Padion > Carpinion > Quercion Endymio-Carpinetum
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
287
Verstorings- en herstelprocessen
34
Op den Aenhof (3)
35,71 Vl. gewest
35 36
Parikebos (1) Pijnven: Droog gedeelte (1)
9,33 Vl. Gewest 25,20 Vl. Gewest
37
Pijnven: het Ven (1)
11,70 Vl. Gewest
38
Sevendonck (3)
67,60 Vl. Gewest
39
Wijnendalebos (2)
91,60 Vl. Gewest
40
Zoniënwoud – Kersselaerspleyn (1) Zoniënwoud – Harras (1)
98,50 Vl. Gewest
41
TOTAAL
26,60 Vl. Gewest ca. 1565
Bespreking van het gevoerde beheer in functie van de natuurwaarde Startbeheer en niets-doen-beheer in de integrale reservaatsgedeelten Bossen die reeds een lange spontane ontwikkeling hebben doorgemaakt zijn in Vlaanderen uiterst zeldzaam. Dit geldt eveneens voor rijk gestructureerde bestanden en oude bosbestanden. Alle bossen hebben immers een historiek van zeer intensief en economisch georiënteerd gebruik doorgemaakt, hetgeen heeft geresulteerd in sterk antropogene, vaak structuurarme, vrij gelijkjarige en jonge bosbestanden, met vaak ook niet inheemse boomsoorten. In veel gevallen wordt de status van integraal bosreservaat voorafgegaan door een kortstondig "startbeheer" of "inrichtingsbeheer". Dit houdt in dat een uitgangssituatie wordt gecreëerd die een verdere autonome ontwikkeling mogelijk maakt. Deze startingreep wordt echter tot een minimum beperkt: agressief verjongende exoten zoals Amerikaanse eik en Amerikaanse vogelkers, worden systematisch verwijderd uit het reservaat en zijn directe omgeving. Deze soorten kunnen de processen van spontane bosdynamiek in onze natuurlijke bostypes sterk beïnvloeden en zelfs volledig in de war sturen of blokkeren (denken we maar aan de massieven van Amerikaanse vogelkers die elke bosverjonging onmogelijk maken). Niet verjongende exoten die niet bestandvormend maar verspreid in het bos voorkomen (moeraseik, Corsicaanse den, thuya, …), ingeburgerde soorten (grove den, tamme kastanje, witte abeel, gewone esdoorn) en cultuurpopulieren (die zich trouwens ook niet verjongen) worden hierbij ongemoeid gelaten. In homogene en gelijkjarige bosbestanden van inheemse soorten wordt niet ingegrepen, ook al is te verwachten dat deze, vaak zeer stabiele, uitgangssituatie de eerste tientallen jaren weinig dynamiek zal vertonen. Er wordt m.a.w. niet voor geopteerd om de spontane diversi-
5 25 / Alnetum 10 Tekst klaar 8 / 1 Endymio-Carpinetum > Alno-Padion Goedgekeurd MB, 15 / Quercion 30 / 9 / 98 7 Goedgekeurd MB, 5/ Quercion > Alnetum 30 / 9 / 98 10 Tekst klaar 50 / Quercion > Alnetum 15 Goedgekeurd MB, 60 / Quercion 6 / 5 / 99 31 Wordt momenteel 94 / Milio-Fagetum opgemaakt 5 Wordt momenteel 16 / Endymio-Carpinetum + Milioopgemaakt 11 Fagetum 995 / 350 Onbeslist: Onbe ca 220 slist:ha. Tekst klaar
ficatie van de bosstructuur te gaan versnellen of initiëren. Indien de exotenbestrijding geen al te zware ingreep in het bosbestand inhoudt wordt deze op zeer korte termijn gerealiseerd via "startbeheer", waarbij de exoten in één doorgang worden bestreden, met twee tot drie jaar nabehandeling achteraf. Indien de ingreep een te grote impact zou hebben (bijvoorbeeld bij belangrijk aandeel van Amerikaanse eik in het bestand) wordt een "omvormingsbeheer naar niets doen" uitgevoerd. In dit geval wordt de exotenbestrijding gespreid over verschillende omlooptijden (tot 20 jaar). In 11 integrale reservaatsgedeelten werd reeds- en dit voor een totale oppervlakte van ca 250 ha -een éénmalige exotenbestrijding uitgevoerd.Voor nog eens 7 bosreservaten werd over een oppervlakte van ca 200 ha een eerste kapping in het kader van een omvorming naar niets doen gerealiseerd. Over ca. 550 ha, waar geen startbeheer meer nodig is, werd nu reeds de facto een niets-doen-beheer ingesteld. Uit buitenlandse literatuur en de eigen eerste ervaringen in de integrale bosreservaten kunnen we volgende algemene prognoses vooropstellen voor wat betreft de ontwikkeling van de natuurwaarden in deze integrale bosreservaten. - Instelling van het statuut van integraal reservaat zal in alle reservaten leiden tot een geleidelijke toename van de totale houtvoorraad, zowel naar levend als dood hout: onze beheerde bosbestanden hebben immers een houtvoorraad die voor levende bomen vaak minder dan de helft bedraagt van wat in ongestoorde bossen het geval zou zijn (in sommige centraal-Europese oerbosrelicten kan de levende biomassa tot 1000 m3/ha bedragen). De huidige hoeveelheid dood hout is vaak een factor 10 tot zelfs 100 kleiner dan bij de
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
288
Verstorings- en herstelprocessen referentie (in oerbosrelicten tot 300 m3/ha). Deze veronderstelling wordt bevestigd met cijfers uit Nederland, waar een aantal bosreservaten reeds 10 tot 20 jaar gevolgd worden (680). - De geleidelijke toename van de hoeveelheid dood hout, en sterke diversificatie naar dimensies en afbraakstadia, zal leiden tot een sterke toename van de doodhout-fauna in de integrale reservaten. De gegevens uit het xylobiontenproject (zie verder) tonen aan dat onze bossen op dat vlak veel minder verarmd zijn dan in de UK, en dus belangrijke potenties inhouden voor organismen gebonden aan dood hout. Ook naar saproxyle fungi zal de toename en diversificatie van dood hout ongetwijfeld leiden tot een grotere soortenrijkdom, waarbij sterk gespecialiseerde (en derhalve zeldzame) soorten kansen krijgen om zich te ontwikkelen. - Door de verdere toename van de levende houtvoorraad, en het geleidelijk dichtgroeien van antropogene lichtrijke situaties (paden, kapvlaktes,‌) zullen veel van de bosbestanden in de integrale reservaten sterk gesloten en donker worden. Dit kan resulteren in een tijdelijke sterke afname van de absolute soortenrijkdom in de kruid- en struiklaag en de bodembewonende invertebratenfauna, vooral wat betreft licht- en warmteminnende soorten. In extreme gevallen kan dit zelfs leiden tot een vegetatieloze fase (zie verjongingsgroepen in het bosreservaat Kersselaerspleyn). Aangezien de meeste bosbestanden in de integrale bosreservaten vertrekken van een vrij jonge, gelijkjarige uitgangssituatie zal deze soortenarmere "Optimalphase" wellicht een lange periode, soms zelfs verschillende tientallen jaren kunnen aanhouden. Naarmate het bestand echter ouder wordt, of bij optreden van perturbaties (storm) zal het bosbestand geleidelijk of abrupt het degradatiestadium bereiken en "open vallen", waardoor soortenrijkdom en structuurrijkdom zeer sterk gaan toenemen. - In een aantal bosreservaten (ZoniÍnwoud, Meerdaalwoud, Wijnendalebos) betreft de uitgangssituatie reeds oude bosbestanden (dominante boomlaag soms meer dan 200 jaar oud). Hier zal het degradatiestadium niet zo lang op zich laten wachten. In het bosreservaat Kersselaerspleyn zijn reeds zones aanwezig waar dit stadium kan worden waargenomen. Deze aftakelingsfase komt in beheerde bossen in principe nooit voor, en is dus uniek voor integrale bosreservaten. In deze fase vinden wij een grote rijkdom aan zeer specifieke en daardoor ook vaak zeer zeldzame planten- en diersoorten. Enkele van deze soorten die nu reeds werden waargenomen in Kersselaerspleyn (gebogen driehoeksvaren, maar ook middelste bonte specht) vormen hier al een eerste aanwijzing voor. Ook ontstaan nieuwe niches voor soorten die anders gekend zijn van open terreinen (bleke zegge op wortelkluiten, muursla op boomlijken).
Beheer in de gerichte reservaatsgedeelten In de meeste bosreservaten waar een gericht reservaatsgedeelte wordt voorzien, zijn deze beheersmaatregelen nog maar pas ingesteld, of moeten deze nog worden opgestart. Het IBW tracht in de mate van het mogelijke de uitgangssituatie, wat het vegetatieluik betreft te beschrijven en de evolutie op te volgen.Via externe experten of vrijwilligers wordt deze informatie aangevuld met faunagegevens.Volgend overzicht geeft de belangrijkste maatregelen weer. Begrazingsbeheer: In het bosreservaat Grootbroek wordt een grotendeels open terrein van 10 ha (voornamelijk schraalgrasland, struikhei en stekelbrem) mee opgenomen in een ruimere begrazingseenheid van v.z.w. Stichting Limburgs Landschap. In het bosreservaat Wijnendale zal eveneens een extensieve begrazing worden ingesteld op een grasland van ca 10 ha groot. In beide gevallen wordt een halfopen vegetatie nagestreefd. Maaibeheer: In de bosreservaten Coolhembos, Muizenbos en Sevendonck komen belangrijke open vegetaties voor. Daar werd het tot nu toe gevoerde maaibeheer recent bijgestuurd in functie van herstel of ontwikkeling van de natuurwaarde. Hakhout- en middelhoutbeheer: In de bosreservaten Harras (ZoniĂŤn) en De Heide (Meerdaal) zal gewerkt worden aan het herstel van een open bosstructuur onder de vorm van middelhoutbeheer, resp. over een oppervlakte van 10 en 25 ha. Specifieke ingrepen: In het bosreservaat de Goorbossen werd in 1995, reeds voor het bosreservaat werd erkend, een sterk verland ven terug uitgediept en opengemaakt. De resultaten van deze ingreep waren spectaculair met de ontwikkeling van een uitzonderlijke vegetatie. In het bosreservaat Kluisberg (Hallerbos) werd een aantal specifieke beheersmaatregelen getroffen ter hoogte van de Kapittelvijver, ten behoeve van de bestaande populatie vroedmeesterpadden. Door sterke overschaduwing en predatie was deze populatie in het voorjaar van 1994 tot slechts 10 territoriale mannetjes teruggelopen. In het voorjaar 1999 was de populatie terug aangegroeid tot 20 roepende mannetjes (mond. med. Piet Onnockx).
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
289
Verstorings- en herstelprocessen Monitoring en onderzoek in de bosreservaten: stand van zaken en eerste resultaten Monitoringsprogramma integrale bosreservaten Het monitoringsprogramma voor de integrale bosreservaten werd pas halverwege 2000 opgestart. Veel resultaten zijn er dus nog niet beschikbaar. Het eerste reservaat dat aan een monitoring werd onderworpen, is het bosreservaat Kersselaerspleyn (Zoniënwoud). De gegevensverwerking is nog volop bezig, dus veel informatie is er momenteel nog niet beschikbaar. Van één deelgebied van het reservaat (ca 10 ha groot), zijn reeds uitgebreide gegevens beschikbaar uit 1990 (652). Vandaar dat werd geopteerd om de kernzone hiermee te laten samenvallen en aldus gevoelig groter te maken dan de strikt voorziene 1 ha. In dit gebied werden posities en dendrometrische gegevens van de boomlaag heringezameld. Een eerste summiere verwerking van de dendrometrische gegevens, resulteerde in een toename van de totale houtmassa en de biomassa aan dood hout, en een lichte afname van het stamtal. De dominante positie van de beuk blijkt ongewijzigd. Ook opvallend is het vrijwel totaal ontbreken van natuurlijke verjonging.Voor de totale oppervlakte, werd tevens een gedetailleerde vegetatiekaart geproduceerd. In de kruidlaag werden een 90-tal plantensoorten waargenomen. De soortencombinatie die hier frequent in de kruidlaag optreedt is typisch voor zure beukenbossen: de gele dovenetel, de stekelvaren, de witte klaverzuring, het bosgierstgras, de gladde witbol. In de grote stormvlakten (met heel veel lichtinval), treedt een duidelijke dominantie van de adelaarsvaren op; in de kleinere gaten komt een soortenrijkere en meer grazige vegetatie met stekelvarens voor. De zones die in de staakhoutfase verkeren (aangeplante verjongingsgroepen), zijn opvallend vegetatiearm: door de extreme schaduwcondities, is de bodem er vaak volledig vegetatieloos. Bijzondere aandacht ging uit naar plantensoorten op wortelkluiten. Een aantal soorten is in het bosreservaat Kersselaerspleyn immers vooral tot dit biotoop beperkt. Als meest kenmerkende en opmerkelijke soorten kunnen de framboos, de bleke zegge en de voor Vlaanderen zeer zeldzame witte veldbies, worden vermeld. Bijzonder, is de vondst van de gebogen driehoeksvaren - een zeldzame bossoort - in de directe omgeving van een oude kluit. Een andere bijzondere verschijning in dit, door zuurtolerante soorten gedomineerde bostype, is het eenbloemig parelgras, een soort die hier profiteert van lokaal dagzomende en kalkrijkere bodemlagen. Op sterk vermolmde stukken liggend dood hout ontstaat eveneens een afwijkende vegetatie met, o.a., muursla en typische fungi. Het is in elk geval duidelijk dat wortelkluiten en dood hout een belangrijke bijdrage leveren tot de plantensoortenrijkdom van (doorgaans niet erg soortenrijke) zure beukenbossen.
In de kernzone van het bosreservaat werd tevens een eerste vrij gedetailleerde inventarisatie van macrofungi uitgevoerd. De voorlopige vindlijst omvat 105 soorten, waaronder een hoog percentage houtsaprofyten en zwakteparasieten. Naast opmerkelijke aantallen van platte tonderzwam (vooral op liggend dood hout) en echte tonderzwam (vaak op staand dood hout), werden op de rottende boomlijken niet minder dan 8 soorten hertenzwam aangetroffen, waaronder meerdere zeldzame soorten. Ook diverse slijmzwammen, waaronder de zeldzame Lycogala conicum, teren er massaal op het hout.Verder zijn er grote aantallen van korsthoutskoolzwam en witsteelfranjehoed, soorten die pas na 7 jaar op afbrekend beukenhout verschijnen, en in andere bossen enkel worden waargenomen op oude boomstronken. Uit buitenlands onderzoek is bekend dat het aandeel saprofyten in oerbossen en bosreservaten gevoelig hoger ligt, vooral door het hoger substraataanbod en een dikkere humuslaag die de fructificatie van mycorrhizapaddestoelen beperkt. Anderzijds zijn deze bossen de enige groeiplaatsen van enkele zwakteparasieten van oude bomen, indicatief voor latere successiestadia. Op deze soorten is het misschien nog even wachten, want de meeste zijn nog niet in Vlaanderen waargenomen. Onderzoek naar de potentiële waarde van integrale bosreservaten voor het behoud van xylobionten Onderzoek in Duitsland heeft aangetoond dat de flora en fauna van hun integrale bosreservaten weinig verschilt van deze van aangrenzende, natuurgetrouw beheerde bossen (264,159): blijkbaar spelen factoren als bosstructuur, bosgeschiedenis en oppervlakte een bepalende rol bij het voorkomen van deze soortengroepen. Aangezien het hier steeds handelt om vrij recent ingestelde bosreservaten (max. 20 jaar ingesteld), die vergeleken worden met natuurgetrouw beheerde bossen, zijn deze determinerende factoren ook weinig verschillend. Een heel belangrijke uitzondering hierop vormen de soortengroep van de dood-hout-kevers: in de integrale bosreservaten werd een veel grotere soortenrijkdom aangetroffen dan in de beheerde bossen, hetgeen uiteraard samengaat met het significant hogere aandeel aan dood hout van alle soorten, sortimenten en degradatiestadia. Uit dit onderzoek bleek dat deze Duitse bosreservaten een zeer belangrijke functie hebben voor het behoud van dood-hout-kevers: de soortenlijsten bevatten immers zeer veel rodelijstsoorten, waarvan enkele zelfs als zeer bedreigd of uitgestorven werden aanzien (406,407). Essentieel voor deze xylobionten is niet alleen een voldoende aanbod van dood hout in zijn verschillende hoedanigheden, maar ook een duidelijke continuïteit in het aanbod (zowel in tijd als in ruimte) (602). Onze Vlaamse bossen en bosreservaten worden gekenmerkt door een hoge graad van versnippering, en is
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
290
Verstorings- en herstelprocessen er weinig duidelijkheid over de mate van continuïteit in het aanbod van dood hout in deze bossen. Bovendien was er tot voor kort geen enkele kennis over het voorkomen van xylobionten in deze bossen. Onderzoek naar dood hout kevers was de laatste 50 jaar immers zeer beperkt en daarenboven volledig toegespitst op schadelijke soorten (zoals grote dennensnuitkever). Vandaar dat een onderzoeksproject werd opgezet (uitvoering KBIN; financiering afdeling Bos en Groen; coördinatie IBW) om, via een aantal proeflocaties, na te gaan in hoeverre onze bosreservaten nog een potentieel hebben voor het behoud van xylobionten: welke soorten zijn nog aanwezig, en zijn er dus in geslaagd om een lange periode van versnippering en zeer beperkt aanbod aan dood hout te overleven. Hiervoor werden in 1999 en in 2000 telkens vier locaties geselecteerd die representatief zijn voor die uitgangssituaties die bepalend zijn voor aanwezigheid van dood hout kevers: oppervlakte en continuïteit qua aanbod van dood hout. Alle acht de locaties zijn gelegen in oud bos (= sinds de Ferrariskaart nooit omgezet in een andere landgebruikvorm): 3 proefvlakken in Zoniënwoud, en telkens één in Kolmontbos, Wijnendale, Beiaardbos en het Vlaams natuurreservaat Rodebos-Laanvallei. Per locatie werd één dode staande beuk of eik van respectabele omvang geselecteerd. Alle geselecteerde bomen verkeren in een vergelijkbaar afbraakstadium. Aan en rond deze boom werd een volledig set van vangstapparatuur opgesteld (vensterval, lokval, stameklektor, bodemvallen en kleurvallen.Tot nu toe werden reeds meer dan 6000 adulte kevers behorend tot 188 soorten op naam gebracht (745). De eerste resultaten van de inventarisaties overstijgen de verwachtingen: hieruit blijkt immers dat onze bosreservaten effectief nog een belangrijke rol kunnen spelen voor het behoud van zeldzame dood-houtbewonende ongewervelden. Zo werden reeds een groot aantal soorten die zowel in Duitsland als in Engeland als zeldzaam of als rodelijstsoort zijn opgenomen, onder andere klein vliegend hert (Dorus parallellipipedus), blauw vliegend hert (Platycerus caraboides), lederboktor (Prionus coriarius) en Eucnemis capucina. In Kolmont en Zoniën werden bovendien twee soorten waargenomen (resp. de kniptor Elater ferrugineus en de boktor Leptura scutellata) die zijn opgenomen in de lijst van indicatorsoorten voor bossen van Europees belang voor het behoud van xylobionten (602).
5.9.3.4 Beleidsevaluatie Productevaluatie Evaluatie van de erkenning/aanwijzing van bosreservaten Het netwerk van aangewezen/erkende bosreservaten beslaat circa 1565 ha (toestand februari 2001). Het Milieubeleidsplan (1997-2001) voorzag 2000 ha bosreservaat tegen eind 2000 en 3000 ha tegen 2002. Dit streefcijfer werd voorlopig niet gehaald, maar met de lopende voorstellen meegerekend komt men wel in de buurt. De doelstelling voor 2002 blijft hoe dan ook onverminderd gehandhaafd. Evaluatie dynamiek goedkeuring /opmaak beheersplannen Voor 15 bosreservaten is er een beheersplan goedgekeurd (= 40% van de bosreservaten), voor 17 bosreservaten is de tekst in eindredactie of klaar en voor 9 bosreservaten wordt het opgemaakt. De opmaak en de goedkeuring van de beheersplannen tonen een actieve dynamiek. Evaluatie gevoerde beheer (niets doen inbegrepen) In de meeste gerichte bosreservaten zijn de beheersmaatregelen nog maar pas ingesteld of moeten deze nog worden opgestart; over een evaluatie van het gevoerde beheer op niveau Vlaanderen kan dus nog niet gesproken worden. Het monitoringsprogramma integrale bosreservaten werd pas halverwege 2000 opgestart, veel resultaten zijn nog niet beschikbaar en een evaluatie op niveau Vlaanderen komt dus in het Natuurrapport 2001 niet aan bod.
Lectoren Dirk Bogaert, Arteveldehogeschool Griet Celen,Vlaamse Landmaatschappij René Meeuwis, AMINAL, afdeling Natuur Bob Peeters,Vlaamse Milieumaatschappij Jan Van Uytvanck, Instituut voor Natuurbehoud Jens Verwaerde, Natuurreservaten, v.z.w.
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
291
Verstorings- en herstelprocessen
5.9.4 Natuurinrichting Hilde Heyrman en Griet Celen Vlaamse Landmaatschappij
5.9.4.1 Doelstellingen en wettelijk kader Natuurinrichting kent haar oorsprong in het Natuurdecreet en wordt nader geregeld in het uitvoeringsbesluit van 23 juli 1998 tot vaststelling van nadere regels ter uitvoering van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu. Met natuurinrichtingsprojecten streeft de overheid de optimale inrichting van een gebied na, met het oog op het behoud, het herstel en de ontwikkeling van natuur en natuurlijk milieu in het VEN en in de groen-, park-, buffergebieden en bosgebieden. Het is vereist dat ten minste 90% van de oppervlakte van het projectgebied binnen die "groene bestemmingen" van het gewestplan of binnen het VEN ligt. Natuurinrichting wil door actief ingrijpen natuur ontwikkelen op kansrijke plaatsen voor flora en fauna, b.v. in oude zandwinningsputten, op opgehoogde terreinen, op plaatsen waar dieren een weg moeten kunnen oversteken,... Om dit mogelijk te maken zijn in een projectgebied verschillende soorten maatregelen en inrichtingswerken mogelijk zoals: kavelruil uit kracht van wet, infrastructuuren kavelwerken, aanpassing van de wegen en van het wegenpatroon, "bewarende maatregelen" (om te voorkomen dat het gebruik of de toestand van het gebied zou veranderen, waardoor het natuurinrichtingsproject belemmerd zou worden), het tijdelijk opheffen van de bevoegdheden van administratieve overheden en openbare besturen, het opleggen van tijdelijke erfdienstbaarheden, waterhuishoudingswerken zoals peilwijziging, wijziging van de structuurkenmerken van de waterlopen en aanpassing van de watertoevoer en -afvoer, grondwerken zoals reliëfaanpassing en afgraving, uitbouw van natuureducatieve voorzieningen en bedrijfsverplaatsing. Bij natuurinrichting zijn twee overheidsdiensten van zeer nabij betrokken: de afdeling Natuur van AMINAL en de Vlaamse Landmaatschappij, VLM. De VLM heeft bij natuurinrichting een ondersteunende rol: ze verzorgt het secretariaat voor de projecten, helpt bij het opmaken van plannen en documenten en voert de natuurinrichting op het terrein uit. De verschillende fasen van een natuurinrichtingproject Natuurinrichting begint met een onderzoek naar de haalbaarheid. Dit onderzoek maakt uit of natuurinrichting in een bepaald gebied al dan niet mogelijk is, doet een voorstel voor de afbakening van het projectgebied en duidt de
overheden aan die verder bij het project moeten betrokken worden. Als de bevoegde Vlaamse minister het project haalbaar vindt, stelt zij het natuurinrichtingsproject in en richt daarna een projectcomité en een projectcommissie op. Het projectcomité adviseert de bevoegde minister over de maatregelen die getroffen moeten worden en is belast met de uitvoering van het project. In het comité zetelen ambtenaren van de Vlaamse, provinciale en gemeentelijke administraties, vertegenwoordigers van natuurverenigingen, de Provinciale Landbouwkamer en de Koninklijke Federatie van Notarissen. De projectcommissie adviseert het projectcomité. Na de instelling maakt de afdeling Natuur van AMINAL samen met de VLM binnen de zes maanden een projectrapport op. Naast een analyse van het projectgebied behandelt het rapport de visie en de maatregelen. In de visie wordt duidelijk omschreven welke natuurdoeltypes, natuurstreefbeelden, doelsystemen en doelsoorten beoogd worden voor het gebied. In de beschrijving van de maatregelen en uitvoeringsmodaliteiten wordt concreet beschreven hoe deze visie moet gerealiseerd worden. Na een openbaar onderzoek van het projectrapport worden de bezwaren gebundeld, en behandeld door commissie en comité en wordt een lijst van maatregelen en modaliteiten opgesteld. Deze maatregelen en modaliteiten worden door de minister vastgesteld. Het projectcomité, bijgestaan door de VLM, maakt vervolgens het projectuitvoeringsplan op. Dit omvat inventarisatieplannen, technische plannen, een monitoringsplan en een financieringsplan. Nadat het projectuitvoeringsplan in openbaar onderzoek is geweest en na advies van de projectcommisssie, kan gestart worden met de uitvoering. Na het beëindigen van de uitvoering van een natuurinrichtingsproject wordt de natuurinrichtingsakte opgemaakt. Deze akte legt de nieuwe eigendoms- en gebruiksstructuren vast. Ook kan erin opgenomen worden wie verder instaat voor het beheer van verworven gronden. Dit beheer zal meestal toegewezen worden aan de AMINALafdeling Natuur. Maar ook andere overheden, openbare besturen, natuurverenigingen en particulieren kunnen hierbij betrokken worden. De Vlaamse Landmaatschappij tracht daaromtrent met betrokkenen afspraken te maken. Onder bepaalde voorwaarden is er een verkorte procedure voor natuurinrichting mogelijk, nl., als het gebied voor ten minste 80% eigendom is van de overheid en/of terreinbeherende natuurverenigingen en/of van ten hoogste vijf eigenaars is, en wanneer alle belanghebbenden akkoord gaan met het natuurinrichtingsproject en met de verkorte procedure. In dit geval moet geen projectcom-
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
292
Verstorings- en herstelprocessen missie worden opgesteld, alle belanghebbenden kunnen het project sturen via het projectcomité. Bovendien moet er geen lijst van belanghebbenden opgemaakt worden, evenmin als een financieringsplan. Dit betekent een besparing van tijd en werk.
5.9.4.2 Methodologische benadering m.b.t. monitoring van natuurinrichting Na de uitvoering van een natuurinrichtingsproject is het van belang de resultaten op te volgen. Uit deze resultaten kan dan afgeleid worden of het instrument het Vlaamse natuurbeleid effectief vorm geeft. Ook moet blijken of de maatregelen uit het natuurinrichtingsproject wel degelijk de doelstellingen van het project realiseren. Zo kan men de efficiëntie van de natuurinrichtingsmaatregelen afwegen. Wettelijke monitoring Monitoring van de ecologische ontwikkelingen in het projectgebied, heeft in eerste instantie ten doel te komen tot een systeem van kwaliteitsbewaking, ten behoeve van het beleid, waaraan de gestelde doelen kunnen worden getoetst. Hierbij wordt dus overgegaan tot een evaluatie en terugkoppeling van de Vlaamse beleidsdoelen. Voor de natuurreservaten beheerd door natuurverenigingen, wordt in het uitvoeringsbesluit van 29 juni 1999 (houdende de vastlegging van de voorwaarden voor de erkenning van natuurreservaten en van terreinbeherende natuurverenigingen en houdende toekenning van subsidies) gesteld dat monitoring een voorwaarde is voor het bekomen van subsidies. Deze vorm van monitoring wordt minimaal in elk natuurinrichtingsproject voorzien. Ze zal uitgevoerd worden, overeenkomstig de richtlijnen die hiervoor reeds in het vademecum zijn uitgewerkt door het Instituut voor Natuurbehoud (695). Naarmate de overige elementen van deze wettelijk vastgelegde monitoring verder uitgewerkt worden (zie 5.9.2.2 Natuurbeheer en natuurontwikkeling in de natuurreservaten), zullen deze opgevolgd worden in de toekomstige projecten.
De resultaten van monitoring worden gebruikt om natuurdoelen op projectniveau te kunnen toetsen. Een dergelijke evaluatie laat toe de volgende projecten nog oordeelkundiger uit te voeren. Om een gestandaardiseerde methode voor deze monitoring te ontwikkelen, werd het project "Monitoring Natuurinrichting" uitgewerkt in opdracht van afdeling Natuur, in nauwe samenwerking met de Vlaamse Landmaatschappij. In het raam van dit project, worden monitoringsplannen voor vier concrete voorbeeldgebieden opgesteld. De plannen voor Bospolder-Ekers Moeras, het Smeetshof en Latemse Meersen zijn in 2000 uitgewerkt. Op basis van de hieruit voortvloeiende ervaring, zal in 2001 een Vademecum worden opgesteld. Het vademecum zal een handleiding zijn voor de manier waarop monitoringsplannen moeten worden opgesteld in natuurinrichtingsprojecten in het algemeen. Het vademecum zal getest worden voor het project Uitkerkse Polder. Het monitoringsplan is een onderdeel van het projectuitvoeringsplan. De organisatie gebeurt door AMINAL, afdeling Natuur, en de VLM. De coördinatie en verdere opvolging zou in de toekomst worden uitgevoerd door het Instituut voor Natuurbehoud.
5.9.4.3 Initiatieven en acties m.b.t natuurinrichtingsprojecten Ingestelde natuurinrichtingsprojecten In 1999 werden zeven natuurinrichtingsprojecten ingesteld (zie tabel 5.9.2). In de loop van het jaar 2000, werd een openbaar onderzoek verricht en werden de maatregelen en modaliteiten vastgelegd. Het projectuitvoeringsplan wordt in de loop van 2001 verwacht. Op basis van het onderzoek naar de haalbaarheid, werden in 2000 zes nieuwe natuurinrichtingsprojecten ingesteld (tabel 5.9.2). Voor de Dijlevallei en de WestVlaamse Scheldemeersen, is het projectrapport opgesteld en werd het openbaar onderzoek verricht eind 2000.Voor de vier overige projectgebieden (Molse Nete, Merelbeekse Scheldemeersen, Uitkerkse Polder en BuitengoorMeergoor), wordt het projectrapport in 2001 opgesteld.
Projectmonitoring Natuurinrichtingsprojecten in onderzoek Monitoring van een natuurinrichtingsproject omvat het in de tijd (op)volgen van de ontwikkelingen van natuurwaarden die plaatsvinden, naar aanleiding van een eenmalige ingreep (inrichtingsmaatregelen) of de gevoerde beheervorm. Hierbij heeft monitoring dus een signalerende functie. Het is noodzakelijk te kunnen achterhalen waarom eventuele negatieve evoluties zich voordoen.
Voor vier projecten is het onderzoek naar de haalbaarheid afgerond, nl. Osbroek-Gerstjens, Kanaal Ieper-IJzer, Bergerven en Hofstade. De instelling ervan wordt voorzien voor 2001 (zie tabel 5.9.3). Het onderzoek naar de haalbaarheid is lopende voor volgende projecten: Zwarte Beek, Malesbroek, Stropersbos, Laanvallei en Meetkerkse Moeren.
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
293
Verstorings- en herstelprocessen Tabel 5.9.2: Overzicht van de op 1/1/2001 ingestelde natuurinrichtingsprojecten (bron:VLM) B.S.= Belgisch Staatsblad. Type van project:N= normale procedure; V= project verkorte procedure. Naam (gemeente, provincie)
Datum goekeuring project door Minister
Opp. (ha)
Datum vaststelling maatregelen en modaliteiten
Fase procedure
Type van project
Oosthoekduinen (De Panne, WestVlaanderen)) Smeetshof (Bocholt,Limburg) Bospolder-Ekers Moeras (Antwerpen) Vinne (Zoutleeuw, Vlaams-Brabant) BourgoyenOssemeersen (Gent, Oost-Vlaanderen) Turnhouts Vennengebied West (Turnhout, Merksplas, Antwerpen) Latemse Meersen (Gent, Deinze, SintMartens Latem, OostVlaanderen) Dijlevallei ten Z van Leuven (Bertem, Huldenberg, OudHeverlee, Leuven, Vlaams-Brabant) West-Vlaamse Scheldemeersen (Avelgem en SpiereHelkijn, WestVlaanderen) Molse Nete (Mol,Antwerpen) Merelbeekse Scheldemeersen (Merelbeke, OostVlaanderen) Uitkerkse Polder (Blankenberge, De Haan, Zuienkerke, West-Vlaanderen) Buitengoor-Meergoor (Mol, Antwerpen)
29.6.1999 (BS 4.8.1999)
183
15.9.2000
Opmaken projectuitvoeringsplan
N
29.6.1999 (BS 4.8.1999) 29.6.1999 (BS 4.8.1999) 29.6.1999 (BS 4.8.1999) 29.6.1999 (BS 4.8.1999)
189
15.9.2000
V
85
14.9.2000
133
20.12.2000
211
13.02.2001
29.6.1999 (BS 4.8.1999)
510
Opmaken projectuitvoeringsplan Opmaken projectuitvoeringsplan Opmaken projectuitvoeringsplan Maatregelen en modaliteiten van natuurinrichting vast te stellen Maatregelen en modaliteiten van natuurinrichting vast te stellen
29.6.1999 (BS 4.8.1999)
284
Maatregelen en modaliteiten van natuurinrichting vast te stellen
N
1.3.2000 (BS 21.3.2000)
883
Maatregelen en modaliteiten van natuurinrichting vast te stellen
N
1.3.2000 (BS 21.3.2000).
470
Maatregelen en modaliteiten van natuurinrichting vast te stellen
N
31.5.2000 (BS 11.7.2000) 14.9.2000
385
N
346
Voorbereiding projectrapport Voorbereiding projectrapport
21.11. 2000
401,6
Voorbereiding projectrapport
N
20.11. 2000.
110
Voorbereiding projectrapport
V
Karakteristieken van de lopende natuurinrichtingsprojecten Ruimtelijke en gebiedskenmerken In tabel 5.9.4 worden de eigenschappen beschreven van de 9 natuurinrichtingsprojecten waarvoor reeds een projectrapport is opgemaakt op 1/1/2001. De projecten zijn verspreid over 7 ecoregio's. Alle projecten liggen, overeenkomstig het decreet, voor ten minste 90% in "groene" gewestplanbestemmingen. In de praktijk, is dit meestal in natuurgebied, maar ook in bos-, reservaat-, vallei-, groen-, park-, en buffergebied.
13.02.2001
V V V
N
N
De gemiddelde oppervlakte van een project, volgens de verkorte procedure, is 150 ha, en volgens de normale procedure, 450 ha. De meeste projecten hebben ĂŠĂŠn of meer beschermingsstatuten m.b.t. het gebiedsgericht natuurbeleid. Overzicht van de goedgekeurde inrichtings- en beheersmaatregelen (lopende natuurinrichtingsprojecten) In tabel 5.9.5 wordt een overzicht gegeven van de inrichtings- en beheersmaatregelen die reeds door de minister zijn goedgekeurd.
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
294
Verstorings- en herstelprocessen Tabel 5.9.3: Natuurinrichtingsprojecten in onderzoek op 1/1/2001. Type van project: N= normale procedure; V= project verkorte procedure. Naam
Provincie
Gemeente
Osbroek-Gerstjens
Oost-Vlaanderen
Aalst
Kanaal Ieper-Ijzer
West-Vlaanderen Limburg
Lo-Reninge, Langemark-Poelkappelle, Ieper Maaseik, Dilsen-Stokkem
N
Vlaams-Brabant
Zemst
V
Zwarte Beek
Limburg
Beringen
N
Malesbroek
Antwerpen
Geel
N
Stropersbos
Oost-Vlaanderen
Sint-Gillis-Waas
N
Laanvallei
Vlaams-Brabant
Overijse, Oud-Heverlee
N
Meetkerkse Moeren
West-Vlaanderen
Brugge, Jabbeke, Zuienkerke
N
Bergerven Hofstade
De gebruikte indeling volgens de milieuthema’s is zoals elke indeling kunstmatig. Eén maatregel heeft immers vaak gevolgen voor meerdere (sub)thema’s, b.v. het graven van poelen is onderdeel van de uitbouw van kleine landschapselementen, maar draagt ook bij tot verhoging van de biodiversiteit van watergebonden organismen. Verschralende maatregelen hebben als einddoel het creëren van interessantere biotopen dan in de uitgangssituatie (b.v. heideherstel, voedselarme graslanden...) waardoor ook de diversiteit wordt verhoogd. Vernatting en verschraling veroorzaken een grotere variatie in abiotiek en ontsnipperende maatregelen verbeteren de habitatkwaliteit van bepaalde faunagroepen. Bijgevolg zullen maatregelen die kaderen in de hiervoor genoemde thema’s op termijn ook een positieve impact hebben op de biodiversiteit. Om de tabel overzichtelijk te houden is er voor gekozen om elke maatregel van een project slechts op 1 plaats aan te duiden. In alle projecten, behalve Bospolder, worden één of meer maatregelen voorzien die verschraling tot doel hebben. Deze gaan van minder intensief landbouwgebruik, door het achterwege laten van bemesting op maïsakkers, het verwijderen van strooisel, het afplaggen van de wortelzone en het afgraven van de bouwzone De aanwezigheid van verontreinigde gronden, is een probleem in Bourgoyen-Ossemeersen en Bospolder-Ekers Moeras. Sanering overstijgt echter de doelstellingen en het budget van natuurinrichting. Daarom wordt dit enkel uitgevoerd als een andere overheid mee de kosten draagt. Hetzelfde geldt in beide projecten voor het aanleggen van een geluidswerende constructie, om geluidshinder afkomstig van drukke verkeerswegen terug te dringen.
Type van project N V
Het verbeteren van de oppervlaktewaterkwaliteit, wordt in 4 van de 6 projecten beoogd. Dit gebeurt door ruiming van het al dan niet vervuilde slib, het inzetten van kleinschalige waterzuivering en eventueel het aansluiten van huishoudelijke lozingspunten op de riolering. Het terugdringen van verdroging wordt in alle projecten nagestreefd. Om vernatting te bekomen, wordt steeds een combinatie van verschillende maatregelen voorzien. Het resultaat is, zowel herstel van vroegere natte situaties of kwel met de daarbij horende ecotopen, als het initiëren en ontwikkelen van nieuwe natte ecotopen, zoals moerassen, vennen en natte graslandtypes. In het Smeetshof zijn maatregelen voorzien om versnippering tegen te gaan, nl. het verbeteren van een bestaande ondertunneling voor amfibieën en kleine zoogdieren en het verbeteren van de geleiding. Ook de voorziene aanpassingen aan het wegenpatroon, waarbij een storende toegangsweg tot een landbouwbedrijf wordt verlegd en zoveel mogelijk wegen worden opgebroken, hebben een ontsnipperend effect op het gebied. De meeste maatregelen beogen de verhoging van de biodiversiteit op soortniveau, op ecotoopniveau en op landschapsniveau . In alle projecten, is het de bedoeling aanwezige exoten of cultuursoorten (o.a., de Amerikaanse eik, de Amerikaanse vogelkers, de Canadapopulier, sparren...) te verwijderen in het hele of gedeeltelijke gebieden. Het kappen van dennen en sparren gaat in lagergelegen delen van het Smeetshof ten voordele van moerasontwikkeling. Op de hogergelegen gronden kan, na het kappen van naaldhout, het beheer afgestemd worden op heischrale graslanden.
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
295
Verstorings- en herstelprocessen Oosthoekduinen
Project type Ecoregio
Oppervlakte in ha
Beschrijving gebied
Gewestplanbestemming (ha) natuur gebied bos gebied reservaat gebied vallei gebied groen gebied park gebied bufferzones landbouw gebied landb. geb. ecol. waarde landsch.w. agrarisch geb. woon gebied Woongeb.landelijk karakt. Woonpark geb Woonuitbreidin gsgeb. TPR-zone Waterwinnin gsgebied Geb.vr openb.nutsvoorz. Ont ginnin gsgeb.
Smeetshof
BospolderEkers moeras
Vinne
BourgoyenOssemeersen
Turnhouts Vennen-gebied West
Latemse meersen
Normale procedure
Verkorte procedure
Verkorte procedure
Verkorte procedure
Verkorte procedure
Normale procedure
Duinen
Oostelijke kempen
Kust- en Scheldepolders
Hageland haspengouw
Zandig Vlaanderen
Noordelijke kempen
183
189
85
133
211
510
halfopen duin-gebied, duin-polder overgang
moerasgebied beplant met maïs, restanten bos, riet, wei- en hooiland, populierenaanplant
opgespoten polder; rietland,broekbos, schraal grasland, hooiland,ruigte en wilgenstruwelen
Alluviale leie-vlakte, extensief grasland en waterrijkdom
Heide en vennen, weidevogelgebieden naaldhout en eikenbossen
x
185.5
x
x
179 76 204
Voormalig natuurlijkmeer; drooggelegd, beplant met canadapopulieren
112
x
x
Dijlevallei ten zuiden van Leuven
W.-VL. Scheldemeersen
Normale procedure
Normale procedure
Normale procedure
Zandig Vlaanderen
Westelijke en centrale heuvels
Westelijke en centrale heuvels
284
883
470
Natuurlijke vallei van de Leie met meersen en plaatselijk overgang naar zandige rivierduinen
Alluviaal valleisysteem met droge oeverwallen en natte komgronden
256
379.8 46
20.9 776 23.5 3.5
2
19
3.5
7.7 16.6 16.6
x x x x 2.0
x x
x x x x
2.2
x 1.1
x 5.2
15.4
173
85
x
17.2
x Eigendom: gemeenteli jke overheid x provinciale overheid gewesteli jke overheid x federale overheid kerkeli jke overheid natuurvereni gin g privé Vogelrichtlijngebied "Westkust"
4.7
1.1
21.6
2.6
167.2
6.7 30
50 x
7.5 258.5
126
Habitatrichtlijngebied
Alluviale Scheldevallei met oude meanders, gras-en hooiland met kleine landschapselemen-ten
"Hamonterheide, Hageven, Buitenheide, Strampooiersbroek en Mariahof"
"Duingebieden"
"Bossen van Limburgs Haspengouw"
x
“Gebieden ten Noorden van Turnhout en Ravels”
"Vallei van de Dijle"
“Vennen, heiden en moerassen rond Turnhout”
"Vallei van de Dijle ,Laan en IJse met aangrenzende bosen moerasgebieden"
7.4 0.5 10.4 3.5 3.9 9.7 434.6
Natuurreservaat In voorbereiding
Erkend Privaat
Natuurreservaten vzw
Natuurreservaten vzw
Natuurreservaten vzw en Wielewaal
Natuurreservaten vzw
In voorbereiding Wielewaal
In oprichting
Vlaams Bosreservaat
Beschermd landschap
Natuurreservaten vzw
Natuurreservaten vzw
"Putten van de IJzerenweg" "Westhoekduinen”
Waterwinning
IWVA
Landinrichting
"de Westhoek"
"Zwart Water" "Boones Blijk"
"Leiemeersen te St.-Martens-Latem"
"Kluizen" "Noord-Oost Limburg"
"Leie en Schelde"
(dorpsgezicht)
VMW
VMW
"Leie en Schelde"
Tabel 5.9.4: Overzicht van de ruimtelijke en gebiedskenmerken van 9 natuurinrichtingsprojecten. Het verwijderen van struweel of bomen, heeft in de Oosthoekduinen het herstel van duingrasland en mosduinen ten doel. Het selectief verwijderen van bomen in het Smeetshof, beoogt dan weer het bekomen van een gemengd bos, de verjonging van bestaand bos en de creatie van mogelijkheden voor heideherstel en zandverstuiving. In de Bospolder worden bomen verwijderd ter hoogte van historische wielen, in het Ekers Moeras en op een talud, om het historisch landschapsbeeld te herstellen. In het Vinne worden bomen gekapt, ten voordele van open water.
Er wordt plaatselijk nieuw bos aangeplant in de Bospolder en de Latemse Meersen; in de Oosthoekduinen is het de bedoeling bepaalde percelen spontaan te laten verbossen en verruigen. In de meeste projecten, worden lijnvormige elementen aangeplant, bestaande bomenrijen aangevuld en/of poelen aangelegd. Het inrichten en/ of aanplanten van kleine landschapselementen, draagt bij tot de uitbouw van de ecologische structuur van het landschap. Via een extensieve begrazing, wordt de variatie op microschaal vergroot en beoogt men meestal een halfopen landschap. Maaibeheer heeft, meer dan begrazing, een verschralend effect en geeft aan minder voedselrijke ecotopen nieuwe kansen.
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
296
Verstorings- en herstelprocessen Tabel 5.9.5: Overzicht goedgekeurde maatregelen in natuurinrichtingsprojecten, gegroepeerd per milieuthema naargelang de beoogde resultaten. (Gebruikte gebiedscodes: OD= Oosthoekduinen; SH= Smeetshof; BP= Bospolder-Ekers Moeras; VI= Het Vinne; BO= Bourgoyen-Ossemeersen; LM= Latemse Meersen; *: maatregelen die verder gaan dan de doelstelling van natuur alleen). Code gebied
OD SH BP VI
BO LM
Thema 5. vermesting: --> verschraling • extensiveren gebruik(1), afgraven(2), plaggen(3), verwijderen strooisel(4), verwijderen bomen rond open water(5) Thema 7. verontreiniging en aantasting van de bodem --> terugdringen verontreiniging en aantasting van de bodem Verwijderen vervuilde grond* Thema 9. verontreiniging van oppervlaktewater --> verbetering oppervlaktewaterkwaliteit • Aanleg(1) / optimaliseren(2) kleinschalige waterzuivering*, aansluiting afvalwater op riolering(3) • Slibruiming* Thema 10. verdroging --> vernatting • herstel kwel (kappen van populieren(1), dempen kwelvang(2), afgraven opgehoogde delen(3) • grondwaterpeilverhoging/-beheersing door opstuwen(1), uitgraven gronden(2), uitdiepen/vergroten/aanleggen vennen(3)/ moeras(4), wijzigen slotenstelsel(5), opheffen kunstmatige drainage/afwatering (6), waterdicht maken dijk(7), stilleggen pompen(8), herstel microreliëf(9) • herstel waterhuishouding/ historisch slotenpatroon Thema 11. verstoring door geluidshinder --> terugdringing van verstoring door geluidshinder • aanleg geluidswal Thema 14. versnippering --> tegengaan van versnippering • opbreken niet-functionele wegen(1), verbeteren ecotunnel voor kleine zoogdieren en reptielen(2), aanleg alternatieve toegangsweg naar landbouwbedrijf(3) Thema 15. verlies aan biodiversiteit --> verhoging van de biodiversiteit • soortbeschermingsmaatregelen: inrichten overwinteringsplaats voor vleermuizen(1), aanleg steilrand/wand voor oeverzwaluw (2) of ijsvogel (3) ,aanleg zuidelijk georiënteerde helling tbv vlinders(4) • vergroting inheemse karakter van aanwezige vegetatie: verwijderen exoten(1), omvorming naar streekeigen bos met inheemse soorten(2) Herstel/ontwikkeling specifieke ecotopen: bebossing/spontane verbossing(1), omvorming van bos naar (half)open vegetatietypes(2) , selectief verwijderen bomen(3), opstellen bosbeheersplan(4) • verbetering ecologische functioneren van het landschap: aanleg/onderhoud houtkanten(1), kruidenrijke bermen(2), bomenrijen(3), poelen/wielen(4), boomgaard(5), instellen aangepast beheer (maaibeheer (6), extensieve begrazing(7)) infrastructuren ifv beheer (plaatsen omheiningen, veekeerroosters, weidehekkens, herinrichten beheerswegen,…) (8), (om)bouwen/ restaureren gebouw als natuurwachterswoning/stockageruimte beheersmateriaal(9) • verbeteren visuele aspecten van het landschap: integratie storende bebouwing/wegen dmv aanleg schermbeplanting(1), verwijderen verlaten of zonevreemde gebouwen(2), landschappelijke integratie storende talud(3), verwijderen overbodige afsluitingen(4), verwijderen afval en overbodige infrastructuren (5) • verbetering van het ecologisch functioneren van waterlopen en stilstaand water: hermeandering(1), natuurlijke inrichting oevers(2) Uitbouw natuureducatieve voorzieningen • infrastructuren: vogelkijkhut(1), kijkwand(2), bijenhal(3), infoborden(4),observatietoren(5), zitbanken(6), inrichting gebouw ifv natuureducatie(7) • (her)aanleg paden: wandelpaden(1), fietspaden(2), ruiterpaden(3)
2,4,5
2,4
• opmaken brochures • Aanleg parkeergelegenheid* • Uitvoeren studie (natuurconsulentschap) Maatregelen eigen aan instrument natuurinrichting die projectuitvoering vergemakkelijken • Kavelruil (uitruiling van percelen ten behoeve van natuurbescherming en meer rechtszekere bedrijfsvoering) • Bedrijfsverplaatsing • Opleggen van tijdelijke erfdienstbaarheden
x
Maatregelen per milieuthema
In de meeste projecten, wordt ook gestreefd naar het ecologisch inrichten van de oevers van waterlopen en/of plassen. In het Smeetshof is het tevens de bedoeling stukken waterloop opnieuw te meanderen. In alle huidige projecten, worden maatregelen getroffen ter verbetering van het visuele aspect van het landschap. Deze maatregelen behelzen het verbergen van storende elementen met schermgroen en zelfs het volledig verwijderen van storende gebouwen. Naast deze sterk natuurgerichte maatregelen, worden in elk project ook een reeks maatregelen voorzien met een natuureducatieve functie. Er worden voorzieningen getroffen, zowel voor de natuurliefhebber die de natuur wilt bestuderen, als voor de recreant. In twee projecten wordt getracht om via kavelruil, bedrijfsverplaatsing en het opleggen van tijdelijke erfdienstbaarheden, de vooropgestelde doelstellingen te halen. Op maatregelen die verder gaan dan de doelstelling van natuur alleen (met * aangeduid in tabel 5.9.5) is het principe van medefinanciering door een andere overheid
2
4
1
1,3
1,2
x
X 1
2 x
x 2,3
1,2
1
1
1,2,3, 1,2,3, 5,6,8 4,5,6, 6,7 9 x x
x x
2,4
1,2,3
1,2,3
1
1
2
1,2
1,2
1,2
1
1,2
1
1,2,3
2,3
1,2,3
2
2
1,2,3
3,4,6, 4,5,7, 4,6,7, 1,3,7, 1,5,6 7,8 8,9 8 8,9 , 7,8
4
5
1,2,4, 1 5
1
1, 3
1,2
2 4
1,2 1,3,4
2 1,2,4
2 1,4,7
1,5,6
1,3
1
1
1,2
1
X
X
2
1
X
(x) (x) x
of privé-partner van toepassing. Als er geen partner bereid is tot medefinanciering wordt deze maatregel niet uitgevoerd. In het ministerieel besluit tot vaststelling van maatregelen en modaliteiten is hiervoor een speciale clausule voorzien.
5.9.4.4 Beleidsevaluatie natuurinrichting Planevaluatie Het behoud, de bescherming, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van de natuur in het Vlaamse Gewest, zowel in de bebouwde als in de open ruimte en van het natuurlijk milieu in het VEN en de groengebieden, is een belangrijke doelstelling van het MBP-2 voor het thema "Verlies aan biodiversiteit" voor de planperiode. In het Natuurdecreet, werd aan het instrument natuurinrichting een wettelijke basis gegeven. In het BVR 23/7/98, werden de regels betreffende de natuurinrichtingsprojecten uitgewerkt. De natuurinrichtingsprojecten zijn gericht op maatregelen en inrichtingswerkzaamheden voor een optimale inrichting van een gebied, met het oog op het behoud, het herstel en de ontwikkeling van natuur en
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
297
Verstorings- en herstelprocessen natuurlijk milieu in het VEN en de "groengebieden" (groen, park-, buffergebieden en bosgebieden). Natuurinrichting is dus een instrument dat een belangrijke bijdrage moet leveren aan de hierboven vermelde doelstellingen van het MBP-2, in het bijzonder voor de realisatie van het ecologisch netwerk en het Natura 2000-netwerk
Dat heeft evenwel een relatief zware procedure tot gevolg: drie rapporten, twee openbare onderzoeken, twee ministeriële besluiten, twee officiële overlegorganen, .... Natuurinrichting wordt uitsluitend ingezet wanneer de specifieke sterke punten van het instrument noodzakelijk zijn om de natuurdoelen van het gebied te realiseren.
Procesevaluatie
Criteria eigen aan het gebied Gebieden waarvoor al een beleidskader bestaat (b.v. Vogel- of Habitatrichtlijngebieden, erkende reservaten), lenen zich goed voor natuurinrichting. Ook gaat men na of het juridisch haalbaar is om aan natuurinrichting te doen in het gebied. Zo kunnen de voorschriften van een beschermd landschap een randvoorwaarde vormen om aan natuurinrichting te doen. Men onderzoekt verder in hoeverre de beoogde doelstellingen realiseerbaar en aanvaardbaar zijn in het gebied.
Natuurinrichting heeft specifieke karakteristieken. Het wordt op een gestructureerde manier aangepakt, aan de hand van welbepaalde criteria voor de inzet van natuurinrichting, een gestructureerde communicatie, een systematische monitoring en een planmatige aanpak. Karakteristieken natuurinrichting Natuurinrichting maakt het mogelijk in gebieden te werken met tal van eigenaars en gebruikers. Het feit dat een project voor 10% van zijn oppervlakte kan bestaan uit andere dan groene bestemmingen, geeft de mogelijkheid om oplossingen te vinden voor knelpunten in gebruik en/of eigendom van grond in de groene gewestplanbestemmingen. In groengebied zijn activiteiten immers steeds onderhevig aan een reeks van wettelijke beperkingen (o.a., decreet ruimtelijke ordening, Natuurdecreet, mestdecreet). Uitwisselingen met de niet-groengebieden kan een oplossing zijn voor de (landbouw)gebruiker. Uit ervaringen met de lopende natuurinrichtingsprojecten, blijkt evenwel dat 10% andere bestemmingen te weinig is om voor alle knelpunten inzake gebruik en/of eigendom een oplossing te bieden. Het schrappen van de decretale beperking, volgens dewelke slechts 10% andere bestemmingen mag worden opgenomen, is aangewezen. Dit zou zowel voor de natuur als voor de eigenaars/gebruikers (b.v. landbouwers) gunstig zijn. Actieve grondverwerving is noodzakelijk om aan natuurinrichting te kunnen doen. De uitwerking van een actief grondbeleid, het vereenvoudigen en verbreden van aankoopprocedures (b.v. in functie van de aankoop van landbouwbedrijven) zou het mogelijk maken de verwervingsdoelstellingen in het kader van natuurinrichting te halen. Het recht van voorkoop is hier een aanvulling op. Dit voorkooprecht is van kracht in ieder ingesteld natuurinrichtingsproject. Criteria voor de inzet van natuurinrichting Naast de vereiste dat 90% van de oppervlakte van de projecten in de "groene bestemmingen" van het gewestplan of in het VEN moet gelegen zijn, worden drie criteriagroepen gehanteerd: criteria eigen aan het instrument, aan het gebied en aan de uitgangssituatie. Criteria eigen aan het instrument Natuurinrichting is een instrument waarbij krachtige maatregelen kunnen worden ingezet. Zo zijn mogelijkheden voorzien om aan kavelruil en bedrijfsverplaatsing te doen, om werken uit te voeren op gronden van derden.
Criteria eigen aan de uitgangssituatie Soms kan het aangewezen zijn een natuurinrichtingsproject in te stellen, omdat voor dat gebied de omstandigheden gunstig zijn. De volgende punten geven hiervoor een aanduiding: er bestaan dynamische samenwerkingsverbanden, natuurontwikkeling is een lokale of regionale beleidsprioriteit, er is een groot maatschappelijk draagvlak,... Het is ook gunstig om aan natuurinrichting te doen, daar waar de Vlaamse Landmaatschappij en AMINAL al op een ander vlak actief zijn, omdat er dan al veel kennis is opgebouwd over het gebied of omdat er al gronden zijn verworven. Zo gebeurt het dat een natuurinrichtingsproject toegespitst is op de uitvoering van een richtplan van de landinrichting (zie 5.9.5.4 Landinrichting). Ook wanneer een natuurinrichtingsproject grenst aan een ruilverkavelingsproject (zie 5.9.5.3 Ruilverkavelingen) kunnen visievorming, overleg en grondmobiliteit van de twee projecten aan elkaar gekoppeld worden. Gestructureerde communicatie i.f.v. het maatschappelijke draagvlak voor natuurinrichting De publieke participatie is een grote kracht van natuurinrichting. Dankzij een doorgedreven communicatie, bereikt het instrument het grote publiek, zowel omwonenden, gebruikers, eigenaars als doelgroepen allerhande. Door de oprichting van natuurinrichtingsprojectcomités en –commissies, wordt een ruime basis gelegd voor het planvormingsproces. De communicatie in de loop van de verschillende stappen van een natuurinrichtingsproject, gebeurt overeenkomstig een communicatieplan. Dit plan geeft aan welke doelgroepen, wanneer en op welke wijze, door de VLM en/of de afdeling Natuur ingelicht/bevraagd worden. Door de vertegenwoordiging in een commissie of comité, infoavonden, zitdagen en de openbare onderzoeken, krijgen de verschillende betrokkenen en doelgroepen de kans hun inbreng te doen. Dit alles heeft ten doel alle betrokkenen optimaal te betrekken bij de besluitvorming en een voldoende ruim maatschappelijk draagvlak op te
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
298
Verstorings- en herstelprocessen bouwen. Het communicatieplan wordt permanent geëvalueerd en bijgesteld. Bij dit proces, worden de belangrijkste doelgroepen bevraagd en word geput uit de ervaring van de lopende projecten. Om een inzicht te verwerven in het maatschappelijk en bestuurlijk draagvlak omtrent natuurontwikkeling, is het project "Beleidsgerichte analyse en voorstellen tot het optimaliseren van juridische en maatschappelijke instrumenten voor natuurontwikkelingsprojecten (VLINA 99/08)" opgestart in 2000. Hierbij zullen ook concrete beleidsondersteunende voorstellen geformuleerd worden om het draagvlak te vergroten. Systematische monitoring Om na de uitvoering van de natuurinrichtingsprojecten, de resultaten te kunnen volgen en te evalueren, is een monitoringsysteem in volle ontwikkeling. Planmatige aanpak Er wordt gestreefd naar de instelling, en op termijn ook de uitvoering, van 8 natuurinrichtingsprojecten per jaar. Hiertoe wordt een jaarlijks programma opgesteld dat ter goedkeuring wordt voorgelegd aan de minister. Productevaluatie Tot nu toe, is geen enkel natuurinrichtingsproject op het terrein in uitvoeringsfase. De effecten van de (voorziene) inrichtings- en beheersmaatregelen, kunnen dus nog niet worden geëvalueerd.
Met de medewerking van: Caroline Simoens, Maarten Stieperaere, Hugo Van Doorslaer,Vlaamse Landmaatschappij
Lectoren Dirk Bogaert, Arteveldehogeschool Griet Celen,Vlaamse Landmaatschappij René Meeuwis, AMINAL, afdeling Natuur Bob Peeters,Vlaamse Milieumaatschappij Kris Vandekerkhove, Instituut voor Bosbouw Wildbeheer Jan Van Uytvanck, Instituut voor Natuurbehoud Jens Verwaerde, Natuurreservaten, v.z.w.
en
5.9.5 Acties m.b.t. natuurbeheer en natuurontwikkeling in de open ruimte en in de bebouwde omgeving Natuur is niet exclusief aanwezig in de natuurreservaten, bosreservaten, groengebieden en in het VEN. Resterende natuurlijke elementen bestaan ook buiten die natuurgebieden. Met het stand still-principe en de zorgplicht als algemene doelstelling van het natuurbeleid, moet ook de in het "buitengebied" resterende natuur in stand gehouden worden, door te voorkomen dat de kwaliteit en kwantiteit achteruitgaan. Gebiedsdekkend, worden voor Vlaanderen gemeentelijke natuurontwikkelingsplannen opgemaakt, die zouden ook moeten worden gerealiseerd (zie deel 5.9.5.1 Natuurontwikkeling op gemeentelijk niveau). Integratie van natuur op het platteland, de verweving van landbouw en natuur komen in deel 5.9.5.2 Beheersovereenkomsten, deel 5.9.5.3 Ruilverkaveling en deel 5.9.5.4 Landinrichting, aan bod.
5.9.5.1 Natuurontwikkeling op gemeentelijk niveau: natuurprojecten in uitvoering van de Gemeentelijke Natuurontwikkelingsplannen Kader: de gemeenten als lokale overheidspartners voor het gewestelijke natuurbeleid Het behoud, de bescherming, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van de natuur in het Vlaamse Gewest, zowel in de bebouwde als in de open ruimte, is een belangrijke themadoelstelling van het MBP-2. Het gewestelijk natuurbeleid kan dit alles niet alleen tot een goed einde brengen. De aanpak heeft pas kans op slagen, als ook andere groepen en overheden hun rol vervullen. De provincies en gemeenten kunnen een belangrijke rol spelen in de realisatie van het natuurbeleid. De samenwerking tussen de verschillende overheidsniveaus, wordt hier geconcretiseerd met de gemeentelijke milieuconvenant. Een gemeentelijk milieuconvenant is een overeenkomst tussen de Vlaamse Gemeenschap en een Vlaamse gemeente, m.b.t. het gemeentelijk milieu-en natuurbeleid. Het gemeentelijk natuurontwikkelingsplan en de actieplannen Het gemeentelijk natuurontwikkelingsplan Naar aanleiding van het eerste gemeentelijke milieuconvenant "1992-1996", werd door 295 van de 308 Vlaamse gemeenten een gemeentelijk natuurontwikkelingsplan (GNOP) opgesteld (zie figuren 5.9.14 en 5.9.15). In het GNOP formuleert de gemeente haar toekomstig
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
299
Verstorings- en herstelprocessen beleid inzake natuurbehoud, gericht op het ontwikkelen en het vergroten van de natuurwaarden. Hierbij kan het zowel gaan om gebiedsgericht beleid, soortengerichtbeleid, beleid rond vorming en voorlichting of een combinatie van meerdere doelstellingen. Elk GNOP bestaat, o.a., uit een inventaris van de natuurlijke elementen, een knelpuntenanalyse, een doelstellingennota voor natuurbehoud en -ontwikkeling en, tenslotte, een actieprogramma met de concrete initiatieven, actieplannen, om de beleidsvisie te verwezenlijken. Op 1 maart 2001, waren 289 GNOP's door de gewestelijke overheid, afdeling Natuur van AMINAL, goedgekeurd en 4 wachten nog om te worden goedgekeurd (196). Als instrument is het GNOP belangrijk werking van een programma, met het oog acties op het terrein (de natuurprojecten) jaren, ter bevordering van de kwaliteit en de de natuur.
voor de uitop concrete de volgende toestand van
De actieplannen Bij het opstellen van het GNOP, werden de richtlijnen door de verschillende auteurs op verschillende manieren geĂŻnterpreteerd. Dit resulteerde in een verscheidenheid aan acties en actieplannen, waarvan de classificatie heel complex is. Alle GNOP-actieplannen worden in een databank beheerd door de afdeling Natuur, volgens een gestructureerde classificatie. De acties zijn gegroepeerd volgens 5 (actie)niveaus: (1) "administratie", (2) "beheer", (3) "inrichting", (4) "onderzoek, informatieverwerving en 13%
28%
planvorming" en (5) "voorlichting, sensibilisatie, educatie en communicatie". Ook de onderwerpen waarop die acties betrekking hebben zijn geclassificeerd volgens ecotoop, soort en doelstelling. De verdeling van de goedgekeurde GNOP-actieplannen per niveau, geeft het volgend beeld (zie figuur 5.9.13): 4045 actieplannen (28%) voor "administratie", 3423 (25%) voor "inrichting", 2444 (18%) voor "beheer", 2213 (16%) voor "voorlichting, sensibilisatie, educatie en communicatie" en 1818 (13%) voor "onderzoek, informatieverwerving en planvorming". De verdeling van de concreet goedgekeurde GNOPactieplannen (per actieniveau) die te maken hebben met natuurbeheer, natuurontwikkeling en inrichting, ziet er als volgt uit: (1) 4045 actieplannen op niveau administratie, waarvan 499 m.b.t. aankopen (12%); (2) 3423 actieplannen op niveau inrichting, waarvan 764 rond beplanting (22%), 758 rond milieubouw/ terreinherstel (22%), 572 rond ecotoopaanleg/-inrichting (16%), 202 rond fauna migratie en populatiegerichte inrichting (6%); (3) 2444 actieplannen op niveau beheer, waarvan 1370 rond terreinbeheer/ -behoud (56%), 135 m.b.t. maaien/hooien (6%), 111 rond waterhuishouding (5%), 92 rond ecotoopomvorming (4%), 91 rond populatiegerichtbeheer (4%), 84 rond spontane ontwikkeling/nulbeheer (3%), 82 rond bestrijding populatie/beplanting (3%), 65 m.b.t. kappen (3%), 33 rond begrazing (1%), 32 m.b.t. maaisel/groenafval verwerken (1%), 17 rond extensivering landbouw (0,7%), 14 m.b.t. snoeien/knotten (0,6%), 11 rond integraal waterbeheer (0,5%), 10 rond populatiegericht objectonderhoud (0,4%) en 9 m.b.t. plaggen (0,4%). Knelpunten en leemten Het grote pakket terreinbeheer/terreinbehoud behelst zeer uiteenlopende acties die eerder thuishoren in de andere rubrieken.
16%
De lijst met actieplannen toont de heterogeniteit van de gebruikte classificatie voor de beheer- en inrichtingsmaatregelen. Dit belet gedetailleerde uitspraken relatief aan de geplande acties.
18% 25%
Uitvoering van GNOP-acties: de natuurprojecten Administratie Inrichting Beheer Voorlichting, sensibilisatie educatie en communicatie Onderzoek, informatieverwerving en planvorming
Figuur 5.9.13: Goedgekeurde GNOP-actieplannen op maart 2001 (bron: afdeling Natuur).
In het tweede gemeentelijke milieuconvenant "19971999" en het derde gemeentelijke milieuconvenant "20002001", wordt de nadruk gelegd op de uitvoering van het GNOP. Dankzij optie 6 van de gemeentelijke milieuconvenant, kunnen gemeenten met een goedgekeurd GNOP onder meer een subsidie aanvragen voor het uitvoeren van
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
300
Verstorings- en herstelprocessen bepaalde terreinacties of natuurprojecten. De ondersteuning richt zich hoofdzakelijk op éénmalige inrichtings- en beschermingsacties op terrein met een duidelijke meerwaarde voor natuur op korte termijn. Natuurprojecten bestaan uit één of meerdere acties, overeenkomstig de volgende beleidsdoelstellingen: inrichtingsmaatregelen gericht op het behoud en het herstel van de ecologische infrastructuur in het landelijke en verstedelijkte gebied, inrichtingsmaatregelen gericht op het herstel, de ontwikkeling en het beheer van natuurterreinen, ecologisch waterbeheer, erosiebestrijding in erosiegevoelige gebieden, maatregelen in het kader van de uitvoering van een soortenbeschermingsplan en sensibiliseringsacties gericht op het verbreden van het draagvlak voor natuurbehoud. Natuurprojecten kaderen in de beleidsdoelstellingen van het GNOP. Acties of natuurprojecten die niet expliciet vermeld zijn in het GNOP-actieplan maar wel invulling geven aan de doelstellingen, komen in aanmerking voor subsidiëring. Het tweede gemeentelijke milieuconvenant "1997-1999" 284 gemeenten hebben de basisovereenkomst van het tweede gemeentelijke milieuconvenant "1997-1999" ondertekend. Naast de basisovereenkomst konden de gemeenten één of meer opties onderschrijven. Met optie 6 van het tweede gemeentelijke milieuconvenant werd, per goedgekeurd natuurproject die uitvoering geeft aan het bijhorende gemeentelijk natuurontwikkelingsplan, een subsidie voorzien die 50% van de kosten draagt (minimum 50.000 BEF en maximum 500.000 BEF). In de loop van het tweede convenant, onderschreven 131 gemeenten optie 6 (minimum één keer); samen werden in totaal 294 subsidieaanvragen voor natuurprojecten ingediend. Daarvan werden er 212 goedgekeurd. 108 gemeenten beschikken over één of meerdere goedgekeurde natuurprojecten. Dit betekent dat 38% van de gemeenten die de basis van de milieuconvenant hebben ondertekend, ook optie 6 hebben uitgevoerd. De verdeling over de verschillende provincies wordt in tabel 5.9.6 weergegeven. Natuurprojecten rond aankoop en beheer van natuurgebieden 32 gemeenten beschikken over een goedgekeurd natuurproject met betrekking tot beheer van natuurgebieden, al dan niet in de bossfeer. In die projecten worden Tabel 5.9.6: Tweede gemeentelijke milieuconvenant "19971999" (bron: afdeling Natuur) GMC= gemeentelijk milieuconvenant; #= aantal. Antw.= Antwerpen; Limb.= Limburg; O.-Vl.= Oost-Vlaanderen; Vl.Br.= Vlaams-Brabant; W.-Vl.= West-Vlaanderen.
GMC Optie 6
1997-1999 Totaal # gemeenten # gemeenten met goedgekeurde project # ingediende natuurprojecten # goedgekeurde natuurprojecten
maatregelen getroffen m.b.t. de inrichting, de aanleg, het ontwikkeling-, herstel- en onderhoudbeheer van natuurterreinen. 30 gemeenten bezitten een goedgekeurd natuurproject, met betrekking tot de aankoop van natuurgebieden, al dan niet in bossfeer. Natuurprojecten rond kleine landschapselementen 61 gemeenten (of 56% van de gemeenten met een goedgekeurd project) bezitten een goedgekeurd natuurproject, met betrekking tot kleine landschapselementen (KLE). Het betreft de aanleg, de herinrichting, het herstel en beheer van poelen, veedrinkpoelen, amfibiepoelen, hoogstamboomgaarden, hagen, houtkanten, holle wegen, taluds en aanplantingen langs bermen. Figuur 5.9.14 geeft de geografische spreiding weer van alle gemeenten met één of meerdere goedgekeurde KLEnatuurprojecten. Uit die kaart blijkt, dat er een zekere samenhang bestaat tussen de spreiding van die gemeenten en de ligging van de Regionale Landschappen. Het percentage van de gemeenten met goedgekeurde KLE-natuurprojecten, is aanzienlijk hoger binnen de erkende Regionale Landschappen (36%) dan erbuiten (14%). Voor alle Vlaamse gemeenten samen, is het percentage 20%. Het uitwerken van actiepunten voorzien in de GNOP's en het ontwikkelen van speciale initiatieven rond kleine landschapselementen, krijgen belangrijke aandacht in de projecten van de Regionale Landschappen. Het derde gemeentelijke milieuconvenant "20002001" In het derde gemeentelijk milieuconvenant "20002001", werd de projectwerking van optie 6 verlengd, dankzij een vereenvoudigde procedure. Per goedgekeurd natuurproject dat uitvoering geeft aan het bijhorende gemeentelijk natuurontwikkelingsplan, wordt een subsidie voorzien die 50% (75% indien in EU Habitat of Vogelrichtlijngebied) van de kosten draagt, met een plafond (per natuurproject) van minimaal 50.000 BEF en maximaal 3 000 000 BEF).In totaal hebben 275 gemeenten de basisovereenkomst al ondertekend en 203 gemeenten hebben optie 6 onderschreven. In de loop van 2000, werden in totaal 48 subsidieaanvragen voor natuurprojecten van 37 verschillende gemeenten goedgekeurd. Antw. 62 24
Limb. 42 24
O.-Vl. Vl.-Br. 55 63 14 29
W.-Vl. 55 17
Vlaanderen 308 108
59
77
35
86
37
294
45
61
19
59
28
212
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
301
Verstorings- en herstelprocessen
Figuur 5.9.14: Gemeenten met goedgekeurde GNOP, met één of meerdere goedgekeurde KLE-natuurprojecten (GMC 19971999, bron: afdeling Natuur) en ligging van de Regionale Landschappen (bron: Regionaal Landschap Dijleland).
Figuur 5.9.15: Gemeenten met goedgekeurde GNOP, met één of meerdere goedgekeurde natuurprojecten (GMC 1997-2001, bron: afdeling Natuur) en ligging van de Regionale Landschappen (bron: Regionaal Landschap Dijleland). Goedgekeurde natuurprojecten (1997-2001) In het kader van het tweede en het derde gemeentelijke milieuconvenant, werden (tussen 1/1/1997 en 1/3/2001) 269 natuurprojecten goedgekeurd.
Het percentage van de gemeenten met één of meerdere goedgekeurde natuurprojecten, is aanzienlijk hoger in de erkende Regionale Landschappen (60%) dan die erbuiten (33%). Voor alle Vlaamse gemeenten samen, bedraagt het percentage 40%.
Figuur 5.9.15 geeft de geografische spreiding weer van alle gemeenten met één of meerdere goedgekeurde natuurprojecten. Uit die kaart blijkt (zoals al gemerkt voor de natuurprojecten rond KLE), dat er een zekere samenhang bestaat tussen de spreiding van die gemeenten en de ligging van de Regionale Landschappen. Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
302
Verstorings- en herstelprocessen Aard van de natuurprojecten (1997-2001) en invulling van de GNOP-actieplannen Om na te gaan of de goedgekeurde natuurprojecten uitvoering geven aan de goedgekeurde GNOP-actieplannen, moeten alle projecten in de GNOP-databank vergeleken worden met de actieplannen. Deze oefening is evenwel nog niet rond.
Acties die meer overleg vergen met andere sectoren, of slechts tot stand kunnen komen dankzij een geïntegreerde samenwerking, zoals het aanleggen van bufferstroken langs waterlopen, het herwaarderen van voetwegen en erosiemaatregelen, waardoor de natuurlijke biotoop wordt beschermd, zijn minder succesvol. Ook soortenbescherming buiten de natuurterreinen, komt minder aan bod.
In figuur 5.9.16 wordt een overzicht gegeven van de natuurprojecten (van 01/01/1997 tot 15/01/2001), op een vereenvoudigde manier onderverdeeld in een 10-tal brede maatregelen.
Beleidsevaluatie
Uit deze figuur blijkt dat het aankopen, inrichten en beheren van lokale natuur-, bos- en parkterreinen, een maatregel is die gehanteerd wordt om het GNOP in de praktijk te brengen: tot nu toe, maakt dit ongeveer 38% uit van de projecten. Het aanleggen of onderhouden van KLE's (inclusief poelen), is een andere succesvolle maatregel op lokaal vlak: 26% van de projecten handelt hierover. Sensibiliseringsacties, tenslotte, scoren 16%. De helft van deze acties zijn bebordingen langs paden en natuurterreinen.
18
16
12
Aantal projecten (%)
Productevaluatie Bijna alle Vlaamse gemeenten (94%) beschikken over een goedgekeurd GNOP. Hoewel dit plan geen juridisch statuut heeft, is het een belangrijk instrument voor zowel het uitvoeren van concrete acties (de GNOP-acties), als voor de integratie van het natuurbeleid en andere beleidsdomeinen. 37% van alle gemeenten met een goedgekeurde GNOP (of 35% van alle gemeenten), beschikken over goedgekeurde natuurprojecten (voor het gemeentelijk milieuconvenant 1997-1999). Voor het tweede en het derde gemeentelijk milieuconvenant samen, stijgt het percentage tot 42% (of 41% van alle gemeenten). Het is nu nog niet mogelijk na te gaan of die goedgekeurde natuurprojecten uitvoering geven aan de goedgekeurde GNOP-actieplannen. Hoewel de systematiek van de natuurprojecten niet altijd duidelijk is, kan wel gezegd worden dat de daardoor behandelde thema's wel in bovenvermelde domeinen horen, waarbij de gemeenten een belangrijke rol moeten spelen.
14
10
8
Op het terrein, gebeurt geen systematische opvolging van die natuurprojecten. De concrete resultaten en opbrengst voor de natuur kunnen bijgevolg niet worden geëvalueerd.
6
4
Sensibilisering
Soortbescherming
Erosiebestrijding
Ecologisch waterbeheer
Aanleg en onderhoud poelen
Aanleg en KLE
Aanleg en beheer natuurpark
Aankoop en beheer in bossfeer
Wegbermbeheer
Beheer en inrichting (geen aankoop)
Aankoop, inrichting en beheer
2
0
Planevaluatie In het MBP-2, wordt voor de gemeenten een rol voorzien bij acties die vooral te maken hebben met ontsnippering, integraal waterbeheer, de realisatie van natuurverbindingen, het meewerken aan verwerving van natuurterreinen, samenwerking, voorlichting en educatie op lokaal vlak.
Figuur 5.9.16: Overzicht van de natuurprojecten (van 01/01/1997 tot 15/01/2001), onderverdeeld in een 10-tal brede maatregelen (bron: afdeling Natuur).
Aanbevelingen De rol van de Regionale Landschappen is zeer belangrijk en kan meer benut worden op niveau van de uitvoering van de GNOP's. Er is, tot nu toe, geen plicht tot resultaat verbonden met de subsidiëring. Er kan voorgesteld worden de subsidies te koppelen aan een aangepast monitoringsysteem, gebaseerd op de monitoring van natuurinrichting en beheer in de natuurreservaten. Er moeten wel genoeg middelen en bevoegde mankracht beschikbaar worden, om een kwaliteitsvolle en
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
303
Verstorings- en herstelprocessen toetsbare invulling te geven aan de GNOP'S, zodat de plannen meer worden dan gewoon een opsomming van goede intenties.
Doelstelling en wettelijk kader van het instrument beheersovereenkomst
beleid. Een beheersovereenkomst is een contract, waarin de landbouwer afspraken maakt en beheersmaatregelen treft, in samenspraak met het Vlaams Gewest (de VLM), voor het behalen van natuurresultaten in zijn bedrijf (BVR 13/4/99 en Programma voor Plattelandsontwikkeling in Vlaanderen 2000-2006). De beheersmaatregelen worden opgesomd in een beheerspakket. Er zijn drie groepen van beheersovereenkomsten: voor de bescherming van weidevogels, het vrijwaren van perceelsranden en het aanleggen en onderhouden van kleine landschapselementen (bomen, struiken en poelen). Samen zijn ze goed voor 15 verschillende beheerspakketten (zie tabel 5.9.7).
De natuurwaarden in landbouwgebieden behouden en ontwikkelen, is het centrale doel van het natuurbeleid, m.b.t. beheersovereenkomsten. Het regeerakkoord van de Vlaamse regering (13 juli 1999) vermeldt het volgende: "Om het instrument van beheersovereenkomsten te optimaliseren, moeten die afgesloten worden in vooraf afgebakende gebieden, waar duidelijke doelstellingen geformuleerd zijn. De beheersovereenkomsten moeten een duidelijk milieu- en/of natuurrendement hebben. Het aankoopbeleid biedt de beste waarborg en de meest duurzame manier voor de toekomst". Het landbouwbeleid heeft een andere centrale doelstelling dan het natuurbeleid. De beleidsnota van de minister van Landbouw vermeldt de volgende doelstellingen: "het behoud van tewerkstelling in de landbouwsector en de verstandhouding tussen landbouwers-natuur-/milieubeweging". Deze beleidsnota stelt dit doel te willen realiseren door middel van: "een toename van het aantal landbouwbedrijven dat beheersovereenkomsten afsluit op het vlak van natuur- en landschapsbeheer."
Binnenkort komt er, naar aanleiding van het Vlaamse Plattelandsontwikkelingsprogramma, een uitbreiding van de mogelijkheden. Volgende groepen komen erbij: bufferbeheer (twee pakketten), botanisch beheer (zes pakketten), natuur en water (2 pakketten). Bij bufferbeheer, gaat het erom naast graslandpercelen met natuurwaarde een buffer aan te leggen tegen meststoffen en bestrijdingsmiddelen. Botanisch beheer is erop gericht botanisch waardevolle graslanden en akkers te beschermen. Voor percelen met permanent grasland, waar het bemestingsverbod van kracht is en waar natuurwaarde aanwezig is, kan een beheersovereenkomst "natuur" worden gesloten. Binnen het kwetsbare gebied "water", kan een beheersovereenkomst "water" gesloten worden, die betrekking heeft op een verminderd gebruik van stikstof uit dierlijk mest. In de groep "weidevogelbeheer", komen er twee pakketten bij voor het omzetten van akkerland in meerjarig grasland. Door de uitbreiding van de mogelijkheden voor weidevogelbeheer, kan de oppervlakte grasland die beschikbaar is voor weidevogels, vergroot worden.
Het Plattelandontwikkelingsprogramma (POP) voor Vlaanderen, voor de periode 2000-2006, dat door de Vlaamse regering werd goedgekeurd in juli 2000 (toepassing van de Verordening (EEG) nr. 1257/99), vermeldt de volgende doelen m.b.t. de beheersovereenkomsten en milieumaatregelen:
Verder stelt het POP als doel: "Met de vergoedingen wordt beoogd de economische en sociale effecten van de aangepaste landbouwpraktijken te compenseren."
Het ruimtelijke toepassingsgebied, waarbinnen beheersovereenkomsten relatief aan het perceelsrandenbeheer en het beheer van kleine landschapselementen kunnen worden gesloten, zijn de groengebieden, bosgebieden, natuurontwikkelingsgebieden, parkgebieden, agrarische gebieden en ontginningsgebieden, met als nabestemming ĂŠĂŠn van de voornoemde bestemmingen of gebieden waar natuurrichtplannen van toepassing zijn of waarvoor deze dienen te worden opgesteld. Weidevogelbeheer, botanisch beheer en bufferbeheer zijn mogelijk binnen afgebakende beheersgebieden. In de uitbreidingsperimeter van natuurreservaten, zijn beheersovereenkomsten niet van toepassing, om het aankoopbeleid niet te hypothekeren. Dit heeft te maken met de afweging tussen de inzet van beheersovereenkomsten en de verwerving van de betreffende gronden voor het natuurbeheer.
Juridische en beleidsmatige context van de beheersovereenkomsten Sinds 1 januari 2000, kunnen landbouwers in Vlaanderen, op vrijwillige basis, beheersovereenkomsten sluiten die kaderen in het Europese landbouw - en milieu-
Om ervoor te zorgen dat beheersovereenkomsten wel degelijk leiden tot natuurresultaat, zijn de beheersovereenkomsten onderworpen aan het advies van AMINAL, afdeling Natuur of afdeling Land, afhankelijk van de bestemming van de beheersovereenkomst. De afdeling
5.9.5.2 Beheersovereenkomsten Geert Bogaert Vlaamse Landmaatschappij
- het verbeteren van natuurwaarden en het natuurlijk milieu; - het bevorderen van de milieukwaliteit die vereist is voor de optimale ontwikkeling van de natuur binnen en buiten de reservaatgebieden.
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
304
Verstorings- en herstelprocessen
Tabel 5.9.7: Overzicht van de bestaande en nieuwe beheerspakketten in maart 2001 (bron: VLM) (*: nieuwe pakketten, **: afhankelijk van het graslandtype, ***: + 30% in gebieden die landschappelijk goed bewaard zijn).
Monumenten en Landschappen levert advies over de supplementaire vergoeding voor beheersovereenkomsten van kleine landschapselementen, in de relictlandschappen. Het adviseren van aanvragen voor een beheersovereenkomst, zorgt er ook voor dat zij niet kunnen gesloten worden waar ze ongewenst zijn, zoals in houtkanten op open kouters.Tabel 5.9.7 geeft een overzicht van de bestaande en de nieuwe beheerspakketten en de bijpassende vergoedingen.
28%
47%
Initiatieven en actie m.b.t. beheersovereenkomsten Stand van zaken aanvragen In de loop van 2000 werden in Vlaanderen 207 aanvragen, ĂŠĂŠn aanvraag kan meerdere pakketten omvatten, ingediend voor het sluiten van een beheersovereenkomst. In totaal werden 710 beheerspakketten aangevraagd of een gemiddelde van 3 tot 4 pakketten per aanvraag. De verdeling van de aangevraagde pakketten per beheersdoelstelling geeft volgend beeld: 199 pakketten weidevogelbeheer (28%), 175 pakketten perceelsrandenbeheer (25%) en 336 pakketten voor het beheer van kleine landschapselementen (47%) (zie figuur 5.9.17). Bij deze laatste groep zijn er opvallend meer aanvragen voor onderhoud van bestaande kleine landschapselementen (259) dan voor aanleg van nieuwe (77).
25%
weidevogelbeheer perceelsrandenbeheer beheer van kleine landschapselementen Figuur 5.9.17: Verdeling van de aanvragen per beheersdoelstelling in de loop van 2000 (bron: VLM).
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
305
Verstorings- en herstelprocessen 200
Aantal aanvragen
150
Figuur 5.9.19: Verdeling van de aanvragen per provincie en per beheersdoelstelling in de loop van 2000 (bron: VLM)
100
* inclusief het arrondissement HalleVilvoorde van de provincie VlaamsBrabant, ** inclusief het arrondissement Leuven van de provincie VlaamsBrabant.
50
** rg bu Li m
An tw er pe n
W es t-V la an de re n
O os t-V la an de re n*
0
kleine landschapselementen perceelsrandenbeheer weidevogelbeheer
Ruim 80% van de aangevraagde pakketten waren geldig. Ongeldige aanvragen kwamen vooral voor bij de pakketten weidevogelbeheer, wat niet verwonderlijk is gezien de strikte geografische afbakening waarbinnen de betrokken percelen dienen gelegen te zijn, de zogenaamde weidevogelgebieden. De verdeling van het aantal aanvragen over de Vlaamse provincies ziet er als volgt uit: 71 (34%) voor WestVlaanderen, 44 (22%) voor Oost-Vlaanderen*, 56 (27%) voor Limburg** en 35 (17%) voor Antwerpen (zie figuur 5.9.18).
17% 22%
27%
34%
Oost-Vlaanderen*
West-Vlaanderen
Limburg**
In de provincie West-Vlaanderen betreft bijna de helft van de aangevraagde pakketten weidevogelbeheer. Ook in Limburg worden veel pakketten weidevogelbeheer aangevraagd. Dit staat in verband met de afgebakende weidevogelgebieden, die zich voornamelijk situeren in de provincies West-Vlaanderen, Limburg en Antwerpen. Landbouwers in Oost-Vlaanderen en Antwerpen vragen voornamelijk pakketten aan voor onderhoud, herstel en ontwikkeling van kleine landschapselementen. Perceelsrandenbeheer kent een gelijkmatig succes in alle provincies. In de provincie Limburg worden de drie beheersdoelstellingen ongeveer evenveel aangevraagd. Het aantal aanvragen per provincie en per beheersdoelstelling vindt u in figuur 5.9.19. Stand van zaken contracten Van de in totaal 710 aangevraagde beheerspakketten, zijn er 597 geldig verklaard.Voor 429 pakketten werden de definitieve contracten reeds opgesteld. De vastgelegde kredieten voor de afdelingen Natuur en Land, bedragen respectievelijk 2.441.188 BEF en 2.284.683 BEF.Wat de afdeling Natuur betreft, is het grootste gedeelte hiervan bestemd voor pakketten weidevogelbeheer, namelijk 63% (figuur 5.9.20).Voor de afdeling Land, hebben de vastgelegde kredieten het meest betrekking op pakketten voor kleine landschapselementen en perceelsrandenbeheer, en in mindere mate voor weidevogelbeheer. Alle aanvragen zijn evenwel nog niet ingevoerd in het informaticasysteem, waardoor de aantallen in werkelijkheid hoger kunnen liggen.
Antwerpen
Figuur 5.9.18: Verdeling van de aanvragen per provincie in de loop van 2000 (bron: VLM) * inclusief het arrondissement Halle-Vilvoorde van de provincie Vlaams-Brabant, ** inclusief het arrondissement Leuven van de provincie Vlaams-Brabant. Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
306
Verstorings- en herstelprocessen beheersovereenkomsten voor perceelsrandenbeheer gesloten. 18% van alle aangevraagde beheersovereenkomsten voor het beheer van kleine landschapselementen, wordt in de Noordelijke Kempen gesloten.
Figuur 5.9.20: Procentueel aandeel van de vastgelegde kredieten per afdeling van AMINAL en per beheersdoelstelling (bron: VLM). Verdeling van de beheersovereenkomsten per ecoregio De verdeling van de beheersovereenkomsten per ecoregio, t.o.v. het totaal aantal beheersovereenkomsten in Vlaanderen, wordt in figuur 5.9.21 weergegeven. In de ecoregio Duinen, worden vrijwel geen beheersovereenkomsten gesloten. In de Kust- en Scheldepolders, worden 20% van alle beheersovereenkomsten voor weidevogels aangegaan. In de Oostelijke Kempen, gaat 1/4 van alle aangevraagde beheersovereenkomsten uit van weidevogelbeheer. Zandig Vlaanderen vertegenwoordigt 1/5 van alle aanvragen voor het beheer van kleine landschapselementen en bijna 1/5 van de aanvragen voor het perceelsrandenbeheer, voor het hele Vlaamse Gewest. In de Centrale en de Zuidelijke Kempen, wordt 32% van alle
De verdeling van de beheersovereenkomsten binnen elke ecoregio wordt in figuur 5.9.22 weergegeven. Op deze figuur is te zien dat er in de Oostelijke Kempen en in het Maasland een duidelijke voorkeur is voor weidevogelbeheer. Perceelsrandenbeheer daarentegen wordt het meest gesloten in de Centrale en Zuidelijke Kempen en in de Krijt - Leem regio. In de Westelijke en Centrale Heuvels, de Noordelijke Kempen, de Zandlemige regio en Zandig Vlaanderen wordt het meest gekozen voor beheersovereenkomsten voor kleine landschapselementen. In Zandig Vlaanderen en in de Westelijke en de Centrale heuvels worden geen beheersovereenkomsten voor weidevogelbeheer gesloten. Beheersovereenkomsten voor perceelsrandenbeheer komen niet voor in de Duinen ecoregio. Beleidsevaluatie Planevaluatie Het Plattelandontwikkelingsprogramma 2000-2006, bevat operationele (meetbare en tijdsgebonden) doelstellingen, met een omschrijving van de verwachte economische, sociale en ecologische effecten (b.v. in 2006 bedraagt de oppervlakte waar weidevogelbeheer toegepast wordt 1500 ha en zijn de populaties van elke soort weidevogel voor alle percelen waarvoor een beheersovereenkomst
Figuur 5.9.21: Procentuele verdeling van de beheersovereenkomsten (gegroepeerd per beheersdoelstelling) per ecoregio t.o.v. Vlaanderen (bron: VLM).
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
307
Verstorings- en herstelprocessen
Figuur 5.9.22: Procentuele verdeling van de beheersovereenkomsten (gegroepeerd per beheersdoelstelling) binnen elke ecoregio (bron: VLM). weidevogelbeheer wordt afgesloten, gemiddeld 10% groter dan in 2000). Het POP bevat tevens evaluatie-indicatoren (b.v. aantal ha waar weidevogelbeheer toegepast wordt, % van de beheerde oppervlakte ten opzichte van de in aanmerking komende oppervlakte, gemiddeld % toename van de populatie van elke betrokken soort weidevogel voor alle percelen waarvoor een beheersovereenkomst inzake weidevogelbeheer wordt afgesloten, gemiddelde beheersvergoeding per deelnemend bedrijf). Sommige indicatoren dienen te worden verduidelijkt en gespecificeerd (b.v. biologisch waardevolle indicatorsoort voor perceelsrandenbeheer, biologisch waardevol landschapselement voor beheer van kleine landschapselementen, vooropgesteld natuurdoeltype grasland voor buffer- en botanisch beheer). Er ontbreken richtlijnen voor het opvolgen van die indicatoren (standaardmethodologie en -organisatie).Voor maatregelen betreffende het herstel, de ontwikkeling en het onderhoud, moet een onderscheid gemaakt worden tussen, enerzijds, onderhoud (of instandhouding) van bestaande situatie en anderzijds, herstel of ontwikkeling van natuurwaarde.
kend aan de hand van productieverliezen en extra kosten, om een correcte vergoeding van de opgelopen schade te bekomen. De vergoeding bevat ook een stimulerend element . Beheersovereenkomsten worden gesloten op vrijwillige basis, zodat niet vooraf kan bepaald worden op welke percelen de maatregelen uit de pakketten van toepassing worden. Om die reden is het natuurresultaat moeilijk te voorspellen.
Productevaluatie De effecten van beheersovereenkomsten op de landbouwproductie en op natuur kunnen nog niet ingeschat worden, omdat de pakketten nog niet lang genoeg van kracht zijn. Voor een correcte inschatting van de landbouwkundige effecten, moet een meerjarig onderzoek gevoerd worden. Dit geldt eveneens voor de effecten op de natuur. De beheersvergoedingen worden echter bere-
Vlaamse Landmaatschappij
Een kosten/batenanalyse van beheersovereenkomsten bestaat niet en is trouwens niet aangewezen na 1 jaar werking. In de loop van 2001, zal gestart worden met de uitbouw van een monitoringsysteem voor beheersovereenkomsten, rekening houdend met de verschillende beheersdoelstellingen. Aangezien de BWK-versie 1 eerder indicatief is, zal de vergelijking met beheersovereenkomsten pas zinvol zijn na het actualiseren van de BWK (versie 2).
5.9.5.3 Ruilverkaveling Ria Gielis
Juridische en beleidsmatige context Ruilverkaveling is, al dan niet in het kader van landinrichting, een adequaat instrument voor de duurzame inrichting van gebieden waar de landbouwfunctie een belangrijke plaats inneemt. Ruilverkaveling is voortdurend
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
308
Verstorings- en herstelprocessen
Tabel 5.9.8: Ruilverkavelingen in onderzoek (bron: VLM) (*: ruimtelijk opgedeeld in 3 entiteiten; PA= provinciale afdeling).
Stand per 31 december 2000 Provincie Antwerpen
Ruilverkavelingsblok
Oppervlakte in ha (raming)
Datum van het ministerieel besluit
HULSEN - OLMEN - MALOU, Balen, Ham, Leopoldsburg, Lommel, Meerhout, Mol
4500
03.06.1999
ZONDEREIGEN, Merksplas, Turnhout, Baarle-Hertog, Hoogstraten
1530
01.02.1988
29.05.2000
05.12.1989 RIJKEVORSEL-WORTEL, Rijkevorsel, Hoogstraten
3500
03.01.1969 01.02.1988 01.04.1996
Vlaams-Brabant
LILLE-VORSELAAR, Lille, Vorselaar, Malle, Zoersel, Beerse, Zandhoven en Rijkevorsel *
5475
18.03.1997
HERENTHOUT-BOUWEL, Herenthout, Nijlen, Grobbendonk, Herentals
1960
14.09.1998
. 3000
30.05.1996
2600
09.10.1985
WILLEBRINGEN, Boutersem, Tienen, Hoegaarden, Bierbeek
(PA Diest) (PA Gent) LONDERZEEL, Meise, Merchtem
11.09.1987
Limburg
JESSEREN, Borgloon, Kortessem, Tongeren
1900
02.09.1987 10.10.1989 16.06.1999
WELLEN, Borgloon
1700
30.05.1996
VELDHOVEN-KREIEL, Bocholt, Bree
2200
14.09.1998
1800
24.08.1984
Oost-Vlaanderen SINAAI, Sint-Niklaas, Lokeren
08.09.1987 23.06.1988 22.07.1996 SCHELDEKANT, Nazareth, De Pinte, Gent
1800
23.09.1981
SINT-LIEVENS-HOUTEM, Oosterzele, Herzele, Erpe-Mere
3000
30.09.1996
07.05.1996
STEKENE
2200
30.05.1996
BEVEREN-WAAS, Beveren, Sint-Gillis-Waas
3204
07.08.1975
3700
30.05.1996
6000
04.10.1996
West-Vlaanderen ADINKERKE en OOSTDUINKERKE, De Panne, Veurne, Koksijde, Nieuwpoort
09.09.1996 ZANDLEEMPLATEAU van IZENBERGE, Lo-Reninge, Alveringem, Veurne
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
309
Verstorings- en herstelprocessen aan bijsturing onderhevig. Zo werden en worden - mede onder druk van niet agrarische functies, maar ook vanuit een groeiend inzicht in de multifunctionaliteit van het platteland en de evoluties in de landbouw zelf - de doelstellingen en randvoorwaarden van de ruilverkavelingsprojecten voortdurend aangepast. Alleen al het anticiperen op het groeiende juridisch en beleidskader betreffende het platteland vergt een continue bijsturing, b.v. met het oog op de implementatie van het decreet betreffende het archeologisch patrimonium, het bodemsaneringsdecreet, het Natuurdecreet, de meststoffenwetgeving, … . Na de wetswijzigingen van 1970 en 1978 gebeurden de bijsturingen voornamelijk via beleidsrichtlijnen en subsidiëringsbesluiten. Belangrijk was de richtlijn van 1990 betreffende de planvorming en de milieueffectrapportering waarin de ruilverkaveling met verbrede doelstellingen of de ruilverkaveling "nieuwe stijl" gestalte kreeg. Op 14 maart 2000 werd de richtlijn betreffende de ecologische inbreng in de ruilverkaveling ingevoerd waarin een aantal "tools" voorzien worden om tegemoet te komen aan de vereisten van het Natuurdecreet. Nieuwe uitdagingen liggen op het vlak van het optimaal inspelen op de mogelijkheden en doelstellingen van het plattelandsbeleid en de door het Europese en Vlaamse landbouwbeleid geïnduceerde diversificatie in de landbouw. Ter uitvoering van initiatief 100 van het MBP-2 van het Vlaamse Gewest werd een voorontwerp van "decreet op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet" voorbereid. Het herschrijven van de bestaande ruil-
verkavelingswetgeving moest volgens Initiatief 100 voldoen aan 2 duidelijke doelstellingen, nl. het aanpassen van het juridisch instrument aan de verruimde doelstellingen en het maximaal aanwenden van de multifunctionele mogelijkheden enerzijds en de vereenvoudiging van de regelgeving en de procedures anderzijds. Hierdoor moest de beleidsmatig doorgevoerde verbreding van de doelstellingen juridisch verankerd worden. Op 14 maart 2000, ondertekende de minister de richtlijn relatief aan de implementatie van de methodiek voor het optimaliseren en meetbaar maken van de ecologische inbreng in ruilverkaveling, bij wijze van toepassing van de studie van het Instituut voor Natuurbehoud (199) en het Natuurdecreet. Deze implementatie gebeurt door toepassing van een pakket van acties, die ingedeeld werden in 4 modules en werden opgenomen in de projectplanning: aanpassing van de landschapsecologische studie, in het kader van de thematische studies ten behoeve van de planvorming, rapportering over de zorgplicht, monitoring en beheersplan. Naargelang de stand van zaken van de projecten, worden de 4 modules volledig of gedeeltelijk geïmplementeerd. Overzicht van de geplande en lopende ruilverkavelingsprojecten Op 31.12.2000, waren in Vlaanderen 133 ruilverkavelingsprojecten afgewerkt. Deze vertegenwoordigen een gezamenlijke oppervlakte van 164.933 ha. Samen met de projecten in onderzoek en in uitvoering, betekent dit dat zowat 232.534 ha betrokken is of was bij ruilverkaveling.
Figuur 5.9.23: Overzicht van de gefaseerde inpassing van de vier modules m.b.t. de ecologische inbreng in de ruilverkavelingen (bron: VLM). Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
310
Verstorings- en herstelprocessen
Tabel 5.9.9: Ruilverkavelingen in uitvoering (bron: VLM) (X: uitvoeringsfase beëindigd; (*): MB Nuttig verklaring 04.08.2000, MB instelling comité in voorbereiding). Stand per 31 december 2000 Provincie
Ruilverkavelingsblok
Oppervlakte Datum van het in ha ministerieel besluit
Uitvoeringsfasen
Inbreng
toedeling
rvk-akte
Aanv. rvk._akt e e
WEELDE, Ravels
1000
23.05.1991
x
MERKSPLAS, Turnhout
1697
28.05.1998
x
Vlaams-Brabant (PA Diest) HOEGAARDEN, Tienen
1668
20.07.1988
x
1500
26.04.1999
Antwerpen
VISSENAKEN, Tienen, Glabbeek Zuurbemde, Boutersem
(PA Gent) BOLLEBEEK, Asse, Merchtem
Limburg
OostVlaanderen
WestVlaanderen
x
x
x
x
1617
27.03.1997
ELINGEN, Pepingen, Halle, SintPieters-Leeuw, Lennik, Gooik
1500
08.11.2000
x
VLIERMAALROOT, Kortessem, Diepenbeek, Hoeselt, Bilzen
1888
07.02.1991
x
RIJKHOVEN, Bilzen, Tongeren, Hoeselt
1598
18.06.1986
x
METTEKOVEN, Borgloon, Heers
749
13.05.1997
x
GROOT-LOON, Borgloon, Heers
877
(*)
EKSAARDE, Lokeren
1709
20.07.1988
x
x
x
HAMME, Waasmunster, Dendermonde, Zele
1638
17.10.1991
x
x
x
SINT-GILLIS-WAAS, Beveren, Stekene, Sint-Niklaas
1703
17.02.1998
x
FORTEM, Veurne, Alveringem, Diksmuide
1240
20.07.1988
x
's-HEERWILLEMSKAPELLE, Veurne, Diksmuide
1554
31.07.1989
x
x
x
STUIVEKENSKERKE, Diksmuide
2073
12.12.1990
x
x
x
RENINGE, Lo-Reninge, Vleteren, Ieper
2080
09.06.1999
x
WOESTEN, Lo-Reninge, Vleteren, Poperinge, Ieper
1681
09.06.1999
x
x
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
311
Verstorings- en herstelprocessen
Tabel 5.9.10: Overzicht van de maatregelen - Algemene situering in de V-thema's (bron: VLM).
Projecten in onderzoek Vooraleer de beslissing wordt genomen of een ruilverkaveling nuttig is of niet, moet er duidelijkheid zijn over de inhoud en de vormgeving van het totale project. Daarom wordt in het kader van het onderzoek naar het nut een integraal ruilverkavelingsplan opgesteld dat rekening houdt met het juridisch en beleidskader en op basis waarvan de kosten, de baten en de effecten kunnen ingeschat worden. Het onderzoek naar het nut van de ruilverkaveling wordt gevoerd door de Vlaamse Landmaatschappij in
opdracht van de minister. De coĂśrdinatiecommissie speelt hierbij een adviserende rol. Op 31 december 2000 waren er 17 ruilverkavelingen in onderzoek met een gezamenlijke oppervlakte van ongeveer 50.069 ha (zie tabel 5.9.8). Projecten in uitvoering Wanneer de minister beslist dat een ruilverkaveling nuttig is, wordt een ruilverkavelingscomitĂŠ opgericht. Het ruilverkavelingscomite heeft rechtspersoonlijkheid en is belast met de uitvoering van het project. Het ruilverkave-
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
312
Verstorings- en herstelprocessen Tabel 5.9.11: implementatie van de vernieuwde methodiek voor de ecologische inbreng in de ruilverkaveling (stand van zaken op 31.12.2000). Bron: VLM. (1: aanpassing van de landschapsecologische studie; 2: rapportering over de zorgplicht; 3: monitoring; 4: beheersplan) Module RVK Fortem RVK Stuivekenskerke RVK Stekene RVK Sint-Lievens-Houtem RVK Hamme RVK Eksaarde RVK Herenthout-Bouwel RVK Zondereigen RVK Weelde RVK Groot-Loon
lingscomité wordt bijgestaan door de commissie van advies. De Vlaamse Landmaatschappij verzorgt het secretariaat van ruilverkavelingscomité en commissie van advies. Schematisch bestaat de uitvoering van de ruilverkaveling uit: de bepaling van de inbreng, de uitvoering van de werken, de bepaling van de toedeling, het verlijden van de ruilverkavelingsakte en de aanvullende ruilverkavelingsakte. Op 31 december 2000 waren er 11 ruilverkavelingen in uitvoering met een totale oppervlakte van 17.532 ha (zie tabel 5.9.9: projecten met M.B., maar waarvan de ruilverkavelingsakte nog niet is verleden). Overzicht maatregelen met relevantie voor natuur en natuurlijk milieu Maatregelen - Algemene situering in de V-thema's van het Vlaamse milieu- en natuurbeleid: In tabel 5.9.10 wordt een overzicht gegeven van de maatregelen met relevantie voor natuur en natuurlijk milieu, gegroepeerd per V-thema van het Vlaamse milieuen natuurbeleid Implementatie richtlijn 14.03.2000, betreffende de ecologische inbreng in de ruilverkaveling De implementatie van de vernieuwde methodiek voor de ecologische inbreng in de ruilverkaveling, werd ingedeeld in 4 modules: (1) aanpassing van de landschapsecologische studie, in het kader van de thematische studies ten behoeve van de planvorming; (2) rapportering over de zorgplicht; (3) monitoring; (4) beheersplan. Voor nieuwe ruilverkavelingsprojecten, moeten alle modules volledig toegepast worden.Voor de lopende projecten, worden de modules gefaseerd ingepast, naargelang de stand van zaken van het ruilverkavelingsproject op 01.01.2000. Een overzicht van deze gefaseerde inpassing, wordt gegeven in figuur 5.9.23 en in tabel 5.9.11.
1
2
3
X
X
4 X
X X X X X X X X
X
Beleidsevaluatie Momenteel kan enkel de (graad van) toepassing van de modules uit de richtlijn van 14.03.2000 geëvalueerd worden en nog niet de resultaten ervan. Aanpassing van de landschapsecologische studie, in het kader van de thematische studies ten behoeve van de planvorming De werkwijze wordt aangepast, conform de door het Instituut voor Natuurbehoud ontwikkelde methodiek (199). De resultaten van deze aanpassing zullen geëvalueerd worden, aan de hand van de resultaten voor de RVK in onderzoek Herenthout-Bouwel. Rapportering over de zorgplicht De rapportering over de zorgplicht, is te beschouwen als een aanzet tot een vorm van plan- en procesevaluatie. De ecotopenbalansen, op basis waarvan het ruilverkavelingsplan kan getoetst worden aan het stand still-principe, geven op gestandaardiseerde wijze een overzicht van de natuur in de uitgangs- en de plansituatie. Met de rapportering over de toepassing van de ecologische voorkomingsen compensatieprincipes, wordt inzage gegeven in de afwegingen die gemaakt werden tijdens het planproces. Een ecotopenbalans wordt opgemaakt voor de ecotopen die voorkomen in de uitgangssituatie en/of beoogd worden in de plansituatie. Het betreft de volgende (groepen van) ecotopen: bossen volgens het Bosdecreet, vegetaties die volgens het Besluit van de Vlaamse Regering van 23 juli 1998 in principe nergens mogen gewijzigd worden (heiden en vennen, moerassen, waterrijke gebieden, duinvegetaties), historisch permanent grasland, graslanden met weinig uitgesproken biologische waarden (indien relevant), vegetaties waarvan de wijziging volgens het Besluit van de Vlaamse Regering van 23 juli 1998 in bepaalde gebieden vergunningsplichtig is en lijn- en puntvormige elementen (met bijzondere aandacht voor holle wegen, graften, bronnen). De ecotopenbalansen bevatten, naast kwantitatieve gegevens (oppervlakten), ook gegevens over ecotoopkenmerken, gebiedskenmerken, beheerskenmerken, gegevens
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
313
Verstorings- en herstelprocessen
Tabel 5.9.12: Overzicht van de ruilverkavelingsprojecten waarvoor het monitoringprogramma goedgekeurd werd vóór 31.12.2000 (bron: VLM). Ip= inrichtingsproject.
over de relevante milieucondities (met een bijzondere aandacht voor microreliëf en waterhuishouding), de rol in de ecologische infrastructuur, het belang als potentiële groeiplaats voor inheemse boom- en struiksoorten en gegevens over de waarschijnlijkheid waarmee en het tijdsperspectief waarin de beoogde resultaten worden behaald. Voor elke ecotoopgroep wordt een overzichtskaart toegevoegd, met de weergave van uitgangs- en plansituatie. Voor nieuwe projecten en projecten waarvoor het evaluerend ontwerp nog lopende was op 01.01.2000, wordt de rapportering over de zorgplicht gehanteerd als leidraad bij de ecologische inbreng in de planvorming en worden de ecotoopbalansen geïntegreerd in het MER. Het College van Deskundigen, formuleert hierbij tevens een beoordeling over de toepassing van de zorgplicht. Voor projecten waarvoor het MER opgemaakt werd of wordt door een College van Deskundigen, door de Mer-cel goedgekeurd vóór 01.01.2000 en waarvoor nog geen beslissing over het nut van de ruilverkaveling of de goedkeuring van een structuurplan werd bekomen, wordt de rapportering over de zorgplicht afzonderlijk en op basis van de beschikbare gegevens, als nacalculatie, uitgevoerd. Dit was het geval voor de projecten RVK Groot-Loon, RVK Zondereigen, RVK Weelde, RVK Fortem. Het eerste project, waarvoor de beoordeling over de toepassing van de zorgplicht mede op basis van de aangeleverde ecotopenbalansen zal worden geformuleerd in het kader van het MER, is de RVK Sint-Lievens-Houtem. Monitoring De gerichte monitoring, opgezet om de effectiviteit te meten van de maatregelen die voor natuur in de ruilverkaveling uitgevoerd worden, kan beschouwd worden als een vorm van productevaluatie. Vooraleer de werken in uitvoering gaan op het terrein, wordt een gericht monitoringprogramma opgezet. Ter realisatie van het monitoringprogramma, wordt een gerichte inventarisatie uitgevoerd en worden de ingrepen die relevant zijn voor het monitoringprogramma nauwkeuring geregistreerd. Vervolgens, wordt het monitoringprogramma verder uitgevoerd en opgevolgd.
De praktische uitvoeringsmodaliteiten worden projectgewijs uitgewerkt, in samenwerking met de afdeling Land en in overleg met de afdeling Natuur. De financiering is ten laste van het Vlaams Gewest. Aan de hand van de concrete monitoringprogramma's, wordt nagegaan of gemeenschappelijke kenmerken kunnen worden afgeleid, op basis waarvan structurele afspraken voor monitoringprogramma's kunnen worden gemaakt voor toekomstige projecten. De voorstellen van monitoring worden modulair en in tabelvorm opgebouwd. Op die manier zijn de voorstellen van een monitoringprogramma onderling vergelijkbaar, en zeer concreet en bijna rechtstreeks om te zetten in aanbestedingsdossiers. De modulaire opbouw zorgt voor flexibiliteit bij de opbouw van de programma's, in functie van prioriteiten (b.v. relevantie voor Vogel- en Habitatrichtlijn) en budgetten. In tabel 5.9.12 wordt een overzicht gegeven van de ruilverkavelingsprojecten waarvoor het monitoringprogramma werd goedgekeurd vóór 31.12.2000. Beheersplan Het beheer van de inrichtingsmaatregelen in het kader van de ruilverkaveling (onder meer gronden voor niet agrarische functies) kan worden geoptimaliseerd. Een eerste stap hierbij is het verbeteren van het overleg met de toekomstige eigenaars en beheerders, bij het ontwerp van de detailinrichting van de maatregelen. Op die manier, kan de detailinrichting beter aangepast worden aan de concrete mogelijkheden en beperkingen van de beheerder. Vervolgens is het belangrijk, in overleg met de toekomstige eigenaars en beheerders, een beheersplan op te stellen dat rekening houdt met de verschillende overgangsfasen van ontwikkelingsbeheer naar regulier (natuur)beheer. Op basis van het beheersplan, dat de eigendomsoverdracht van de nieuwe percelen vergezeld, kan de nieuwe eigenaar het beheer zelf uitvoeren of overeenkomsten sluiten met een of meerdere beheerders. De Vlaamse Landmaatschappij kan hierbij een ondersteunende rol spelen.
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
314
Verstorings- en herstelprocessen Het is wenselijk in de beheersplannen een monitoringprogramma op te nemen dat gericht is op de effectiviteit van het beheer. Dit monitoringprogramma kan aansluiten bij het monitoringprogramma voor het nagaan van de effectiviteit van de inrichtingsmaatregelen. De tot nu toe opgestelde beheersplannen (RVK Hamme, RVK Eksaarde en RVK Stuivekenskerke) voldoen nog niet aan al deze voorwaarden, maar zijn een eerste aanzet tot het werken met beheersplannen. Besluit De vernieuwde aanpak van de ecologische inbreng in de ruilverkaveling, wordt stelselmatig toegepast en draagt, afhankelijk van de stand van het project, bij tot de verbetering van de planvorming en de uitvoering. Het is evenwel van wezenlijk belang dat telkens opnieuw een evenwicht gezocht wordt met de andere betrokken sectoren. Vanuit de praktijk wordt immers vastgesteld dat, zelfs een krachtig instrument als ruilverkaveling, met een zeer verregaand uitgewerkte wetgeving die grondmobiliteit mogelijk maakt, in de huidige maatschappelijke context niet uitgevoerd kan worden zonder de aanwezigheid van een voldoende maatschappelijk draagvlak. Eerder dan wettelijke beperkingen, is het vaak het al dan niet verkrijgen van een evenwichtig maatschappelijk draagvlak, dat beperkingen stelt aan het instrument. Belangrijke elementen hierbij zijn, momenteel, de gronddruk en de interactie met de hernieuwde afstemming van ruimteclaims voor landbouw, wonen, recreatie, toerisme, natuurwaarde, landschap, infrastructuur en bedrijvigheid die op gang gekomen is in het kader van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen en het Natuurdecreet. Nieuwe uitdagingen behelzen het optimaal inspelen op de mogelijkheden en doelstellingen van het plattelandsbeleid en de door het Europese en Vlaamse landbouwbeleid geïnduceerde diversificatie in de landbouw.
5.9.5.4 Landinrichting Kathelijne Toebak Vlaamse Landmaatschappij
De actuele regelgeving geeft een juridisch draagvlak aan de adviesprocedures, goedkeuringsprocedures, subsidieregelingen en uitvoering van werken door de VLM. De uitvoering van werken opgenomen in het landinrichtingsplan door andere partners, berust op de daarvoor bestaande regelgeving. In essentie, steunt de landinrichting op het decreet van 21 december 1988, houdende de oprichting van de Vlaamse Landmaatschappij, aangevuld met de decreten van 22 november 1995 en 8 december 2000. Het besluit van de Vlaamse regering van 6 juni 1996, regelt de planvorming en de procedurele elementen. Het besluit van de Vlaamse regering van 17 maart 1998, regelt de subsidiëring van werken in uitvoering van de landinrichting. Kenmerkend voor landinrichting is een gebiedsgerichte aanpak, uitgaande van een geïntegreerde benadering, een globale ontwikkelingsvisie en een open planvorming. Door het aanbieden van een formeel overlegkader, werkt landinrichting aan sectoroverschrijdende samenwerkingsverbanden en een afstemming tussen de sectorale programma's. Landinrichting komt tot stand via een voorstudie, een richtplan en meerdere inrichtingsplannen. De voorstudie dient om de noodzaak van landinrichting in een zoekgebied te duiden en mondt uit in een voorstel tot afbakening van een landinrichtingsgebied. Het richtplan geeft de globale visie en grote opties van het landinrichtingsproject weer, samen met de opsomming en lokalisatie van de vereiste maatregelen. In een inrichtingsplan, wordt elke keer één van de genoemde opties en de daarbij behorende maatregelen uitgewerkt en gedefinieerd. De uitvoering van maatregelen gebeurt door de instanties en personen die daarvoor bevoegd zijn. Er bestaat geen comité of een andere daarvoor opgerichte rechtspersoon die belast is met de volledige uitvoering van landinrichting. Naast de VLM, de andere Vlaamse overheden en instellingen kunnen, op voorwaarde dat deze laatsten ermee instemmen, de provincies, de gemeenten, polders en wateringen, ruilverkavelingscomités, publiekrechtelijke rechtspersonen, privaatrechtelijke rechtspersonen en natuurlijke personen zijn die daarvoor subsidies kunnen ontvangen.
Juridisch-beleidsmatige context van landinrichting In het decreet op de ruimtelijke ordening van 1999, wordt de landinrichting gesitueerd als "instrument voor de coördinatie van de inrichting en de projectsgewijze integrale inrichting van gebieden in uitvoering van de ruimtelijke ordening". Hiermee verlaat landinrichting het pilootkarakter dat ze in 1988, met het oprichtingsdecreet van de VLM, had meegekregen.
Het richtplan van een landinrichtingsproject wordt goedgekeurd door de Vlaamse regering, omdat het diverse beleidsdomeinen overschrijdt en integreert. Voor de vier landinrichtingsprojecten, in het RSV geselecteerd als strategische projecten voor het buitengebied, werden de richtplannen goedgekeurd in 1995 (Noordoost-Limburg, de Westhoek) en in 1998 (Leie en Schelde, Grote Netegebied). Deze projecten bevinden zich in de fase van uitvoering. Samen omvatten ze meer dan 100.000 ha of 1/10 van het Vlaamse buitengebied. Vier nieuwe projecten zijn klaar voor uitvoering vanaf 2002-2003.
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
315
Verstorings- en herstelprocessen Beleidsthema's, die meer aandacht zullen krijgen of als nieuw aspect opgenomen worden in de landinrichtingsprojecten zijn, onder meer, biologische landbouw, dorpskernvernieuwing, bosuitbreiding, mestverwerking en integraal waterbeheer. Evaluatie landinrichting Met de goedkeuring van het richtplan worden, naast de visie op de ruimtelijke ontwikkeling, ook de opties daarvoor door de Vlaamse regering vastgelegd. Deze opties worden in bijlage 5.9.4 gegeven, met verwijzing naar het deelproject, type en doelstelling. In de richtplannen van de vier landinrichtingsprojecten in uitvoering, heeft een derde van het aantal deelprojecten een gebiedsoptie die op natuur is gericht. Zeven daarvan worden gerealiseerd in natuurinrichtingsprojecten: Smeetshof in NoordoostLimburg; Oosthoekduinen in De Westhoek; Bourgoyen, Latemse meersen en Merelbeekse Scheldemeersen in Leie en Schelde; Molse Nete en Malesbroek in het GroteNetegebied. De overige deelprojecten worden uitgevoerd via de projectvoering van landinrichting. Belangrijk bij de evaluatie van landinrichting, is te weten dat de opties niet geïsoleerd mogen worden beschouwd, maar een samenhang vertonen, in functie van en voor het totale plangebied van landinrichting. Om redenen van beheersing van planvorming en uitvoering, is een verdere opdeling noodzakelijk. Elk inrichtingsplan is gepositioneerd in en gemotiveerd vanuit de totale constructie van het richtplan en is een bouwsteen voor de beoogde ontwikkeling van het plangebied. Dankzij deze bouwstenen, worden een dimensie en een integratie bekomen die met de afzonderlijke middelen uit het reguliere beleid niet haalbaar zijn. Een tweede bemerking, betreft de nog zeer korte periode van uitvoering. Pas na het van kracht worden van het subsidiëringsbesluit in 1998, kon de uitvoering daadwerkelijk aangepakt worden. De periode van uitvoering overspant nog maar 3 jaar. Ook moet rekening worden gehouden met het feit dat inrichtingsplannen best gelijke tred houden met beschikbare financiële middelen voor landinrichting. Uitgaande van een evaluatie van inrichtingsplannen, door de Vlaamse minister goedgekeurd en in uitvoering gebracht, kan het volgende worden vastgesteld: in 90 procent van de reeds goedgekeurde inrichtingsplannen, zijn maatregelen voor natuur voorzien. Na opsplitsing van deze maatregelen blijkt dat, in 80 procent van de inrichtingsplannen maatregelen van landschapszorg, in 45 procent maatregelen voor natuurontwikkeling en in 45 procent maatregelen voor natuurtechnische milieubouw zijn opgenomen. In bijlage 5.9.5 wordt dit, voor inrichtingsplannen die uitgevoerd of in uitvoering zijn, bij wijze van voorbeeld verduidelijkt. De voorbereidende, afgewerkte en lopende inrich-
tingsplannen zijn niet in de bijlage opgenomen, maar zullen in een volgend natuurrapport bijdragen tot een scherpere evaluatie. De helft (200 miljoen BEF) van de subsidies (19982000) werd bestemd voor maatregelen voor natuur uit bovengenoemde categorieën. De Vlaamse Regering heeft, als deelproject van het strategisch project Geïntegreerd Plattelandsbeleid, de "Consolidatie en versterking van het instrument landinrichting om de inrichting van het buitengebied op krachtige wijze sturing te geven" ingeschreven. Een onderdeel daarvan is de uitwerking van een decreet op de landinrichting, ter uitvoering van actie 133 van het MBP-2, met als doelstelling "het scheppen van een volwaardig juridisch kader voor landinrichting met een duidelijke positionering t.o.v. andere gebiedsgerichte initiatieven". Met dit decreet, wordt gestreefd naar een geïntegreerd Vlaams inrichtingsbeleid voor het buitengebied, waarin landinrichting als koepelinstrument fungeert. Dit betekent dat ze zal instaan voor de algemene aansturing, coördinatie en uitwerking van het inrichtingsbeleid, zoals bepaald in het buitengebiedbeleid van het RSV, het gebiedsgericht beleid van het MBP-2 en het Vlaams Programma voor Plattelandsontwikkeling. De spil van landinrichting blijft, ter uitvoering van een op te maken beleidsplan landinrichting, het inzetten van bestaande sectorinstrumenten, waaronder ook de projectsgewijze ruilverkaveling en natuurinrichting. In het kader van het milieujaarprogramma 2000, wordt een evaluatiestudie "Procesanalyse ter verbetering van het instrument landinrichting" opgestart. De afwerking is voorzien medio 2001.
Met de medewerking van: Myriam De Bie, Peter Willeghems - AMINAL, afdeling Natuur Joost Dewyspelaere, Jens Verwaerde - v.z.w. Natuurreservaten Caroline Simoens, Maarten Stieperaere, Hugo Van Doorslaer - Vlaamse Landmaatschappij Dominique Verbelen - v.z.w. Durme Jan Verroken - Regionaal Landschap Dijleland
Lectoren Dirk Bogaert - Arteveldehogeschool Griet Celen - Vlaamse Landmaatschappij Maurice Hoffmann, Jan Van Uytvanck - Instituut voor Natuurbehoud René Meeuwis, Peter Willeghems - AMINAL, afdeling Natuur Bob Peeters - Vlaamse Milieumaatschappij, MIRA Jens Verwaerde - Natuurreservaten, v.z.w. Kris Vandekerkhove - Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
316
Verstorings- en herstelprocessen
5.10 Besluit In het hoofdstuk over exploitatie van de natuur werden, enerzijds, de jacht en visvangst en anderzijds, de problematiek van de exoten belicht. Het beleid tracht momenteel een overzicht te krijgen van de jacht en visvangst in Vlaanderen. Wildbeheereenheden werden in kaart gebracht, en dienen jaarlijks de afschot- en inventarisatiecijfers voor hun werkingsgebied in. Hierdoor kunnen, in de toekomst, de individuele cijfers van de verschillende jagers samengebracht worden, om een totaalbeeld te verkrijgen van de veranderingen relatief aan afschot. Momenteel is ook een project opgestart rond de ecologische inpasbaarheid van de binnenvisserij. Hiervoor is echter nog geen inventarisatiesysteem opgesteld. Onder invloed van menselijk handelen, komen ook een aantal exoten in Vlaanderen voor. Er wordt echter zeer weinig onderzoek verricht naar de gevolgen voor de inheemse fauna en flora. Een overmaat aan nutriënten bereikt het landschap vanuit de lucht, lozingen in het water en te zware bemestingen. Deze nutriënten kunnen worden opgenomen door organismen of worden vastgelegd in de bodem, waar zij het ecologisch evenwicht verstoren. Zij kunnen ook worden meegevoerd door grond- en oppervlaktewater, en aldus het ecologisch evenwicht stroomafwaarts bedreigen, tot aan de zee. De kennis van nutriëntenstromingen door het Vlaamse landschap, is nog zeer fragmentair. Er is vooral een gebrek aan kennis over de nutriëntenstromen in het grondwater. Brongerichte maatregelen moeten de nutriëntenuitstoot beperken. Ondanks de vele inspanningen, werd nog geen verbetering bereikt, door afwezigheid van een structurele aanpak van het probleem. De gebiedsgerichte aanpak moet zich concentreren op grote ecohydrologisch samenhangende eenheden met actuele en potentiële natuurwaarden, maar verliest zich in een versnipperde en ad hoc toepassing. Het gebiedsgericht beleid komt moeilijk op gang omdat, (1) de resultaten van het brongerichte beleid achterwege blijven; (2) de omvang van het probleem onvoldoende gekwaniticeerd is waardoor de urgentie niet kan ingeschat worden; (3) er onvoldoende duidelijkheid is over de nagestreefde situatie (natuurstreefbeelden); (4) er onvoldoende kennis is van ecohydrologische relaties en (5) er onvoldoende samenhang is met het overige gebiedsgerichte beleid.Wat nog verder moet uitgewerkt worden zijn: (1) de natuurgerichte normen voor de belangrijkste nutriëntenstromen door het landschap; (2) de monitoring en modellering van die belangrijkste nutriëntenstromen en (3) de gewenste toestand van de natuur of natuurstreefbeelden (nutriënten, hydrologie en biodiversiteit). Natuurlijke verzuring wordt versneld door atmosferische deposities en soms door wijzigingen in hydrologie of vegetatie. Een belangrijk neveneffect is de vrijstelling van aluminium. Niet zozeer de natuur van zeer zure, maar vooral de natuur van matig zure bodems en oppervlakte-
wateren wordt bedreigd. Zo is de toestand van de waardevolle oude loofbossen van de Westelijke en Centrale Heuvels precair. Brongerichte maatregelen resulteerden in een verminderde zuurdepositie, maar de vermindering is nog ruim onvoldoende voor de natuur. Bodemverzuring zet zich dus steeds verder. Om de beleidsdoelstellingen te bereiken, zal een nog krachtdadiger milieubeleid nodig zijn. Het gebiedsgericht verzuringsbeleid geraakt moeilijk op gang omdat, (1) de omvang van het probleem onvoldoende gekend is of erkend wordt (niet alleen de gevolgen van bodemverzuring maar ook van het beschikbaar worden van zware metalen voor de natuur); (2) er onvoldoende duidelijkheid is over de nagestreefde situatie (natuurstreefbeelden) en (3) er onvoldoende duidelijkheid is over de te treffen effectgerichte maatregelen. Het gebiedsgericht beleid moet zich in de eerste plaats op de natuur van matig zure bodems concentreren. Er moet onderzoek worden gericht naar de te treffen effectgerichte maatregelen, vooral in matig zure loofbossen. Om het geheel beter te kunnen onderbouwen en evalueren, is aanvullende op de kwetsbare natuur gerichte monitoring en modellering nodig. Het verzuringsprobleem is uit de actualiteit geraakt, maar verdient dringend weer meer aandacht. Wat verdroging betreft, houden nieuwe wetgeving en beleidsplannen rekening met de eisen van de sector natuurbehoud. De uitvoering op het terrein loopt hier evenwel achterstand op. De implementatie van de nieuwe kaderrichtlijn water zou een stimulans moeten kunnen betekenen. De oplossingsruimte voor knelpunten met andere sectoren zal, met name in de grondwaterproblematiek, in belangrijke mate bepaald worden door het gevoerde voorraadbeheer. Door illegale winningen en de nog steeds stijgende trend van het aantal winningen, zal het aantal problemen toenemen. Het reserveren van grondwater voor hoogwaardige toepassingen (b.v. openbare drinkwaterwinning) en het gebruik van alternatieven waar mogelijk (b.v. hemelwater), is vanuit natuurbehoudsoogpunt aan te bevelen. Het voeren van een anti-verdrogingsbeleid is in de eerste plaats een gebiedsgerichte materie. Inzicht in lokale hydrologische systemen, objectieve methoden voor het vaststellen van verdrogingseffecten op natuur en langetermijnwaterstandsgegevens, zijn een noodzakelijke basis voor dit beleid. De uitbouw van monitoring voor waterstanden en standplaatsverdroging is dan ook prioritair. Naast vermesting en verzuring, wordt nader ingegaan op de effecten van andere verontreinigingen, in het bijzonder met zware metalen. Algemeen zijn de verontreinigingen sterk verspreid in Vlaanderen. Zowel voor vissen als voor pissebedden, werd aangetoond dat het probleem van, bijvoorbeeld, cadmium en zink groot is in de Kempen. Er is te weinig aandacht voor de effecten van verontreinigingen op de biota. De meeste gegevens betreffen immers concentraties in lucht, bodem en water, maar geven geen
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
317
Verstorings- en herstelprocessen inzicht in de opname en het effect op organismen. In enkele voorbeeldstudies, worden die effecten wel aangetoond. Ze variëren van groeibeperkingen, een dalende conditie, misvormingen tot reproductiestoringen. Om effecten van verontreinigende stoffen op natuur in Vlaanderen beter te kunnen beschrijven, is het dan ook noodzakelijk dat bioindicatoren een volwaardige plaats krijgen in de monitoringprogramma's. Naast het reductiebeleid, dat bijkomende verontreinigingen moet vermijden, moet aandacht worden besteed aan bestaande en historische verontreinigingen en de hiermee samengaande stofstromen. Zij bepalen niet alleen de huidige effecten op de levensgemeenschappen, maar zullen dit - door vertragingseffecten - nog lang blijven doen. In enkele gevallen, zoals de verontreiniging van grondwater met zware metalen, moet hun belangrijkste effect zich nog manifesteren. Versnippering kan omschreven worden als, het uiteenvallen van structuren en hun organisatorische ordening. Bij versnippering van natuur, gaat het om de fragmentatie van het leefgebied voor soorten, waardoor ze lokaal kunnen uitsterven. Versnippering uit zich in de afname van arealen (ruimtebeslag), de toenemende weerstand tussen die kleiner wordende arealen, door andere vormen van landgebruik (verontreiniging, verstoring) en meer algemeen in de toename van het aantal en de omvang van barrières. De kennis van de impact van versnippering op natuur, is momenteel zeer fragmentarisch. Verlies van biodiversiteit en verkeersslachtoffers zijn de belangrijkste negatieve gevolgen van deze verstoring. Bij het oplossen van "versnippering" dient, bij gebrek aan volledige inzichten, rekening te worden gehouden wordt met de basisprincipes, zoals die in het huidige milieubeleidsplan zijn beschreven (stand still, voorzorgsprincipe, de vervuiler betaalt,...). We kunnen stellen dat, versnippering als begrip, algemeen erkend wordt in het beleid en terug te vinden is in tal van beleidsnota's, beleidsplannen,.... De uitvoering van deze plannen is dan ook een belangrijke prioriteit voor de komende jaren. Er worden in beperkte mate reeds ontsnipperingsmaatregelen getroffen, maar vaak leiden de administratieve procedures tot grote vertragingen bij de uitvoering. Niet alleen moeten ontsnipperingsmaatregelen getroffen worden, ook de opvolging van het effectieve gebruik door soorten en de impact ervan op de aanwezige populaties is noodzakelijk. In Vlaanderen, lopen momenteel 743 reservaatprojecten, goed voor een gezamenlijke oppervlakte van 21.273 ha. In 1998 waren er dit nog 604, met een oppervlakte van 15.155 ha. De gemiddelde oppervlakte van een natuurreservaat in Vlaanderen bedraagt nu 28,6 ha. De reservaten zijn niet evenredig gespreid over de provincies, ecoregio's en bodemtypes: er zijn meer en grotere reservaten op de zandige bodems in het oosten van Vlaanderen.Vele natuurreservaten worden gehuurd, wat een onzeker statuut is op
langere termijn. De erkenning van natuurreservaten in beheer door de terreinbeherende verenigingen, loopt vertraging op. De financiële inspanningen van de Vlaamse regering, voor de verwerving van natuurreservaten, nemen toe, maar volstaan niet om in 2007 de vooropgestelde oppervlakte van 50.000 ha natuurreservaat te bereiken. Daarvoor is 1,8 miljard BEF per jaar nodig. Er werden verschillende instrumenten voor natuurherstel ingevoerd. Natuurbeheer, natuurontwikkeling en natuurinrichting, worden zowel binnen als buiten de beschermde gebieden gepland en al dan niet uitgevoerd. Zo zijn de natuur- en bosreservaten onderworpen aan beheer- en inrichtingsmaatregelen. Voor de beheersmonitoring in natuurreservaten, wordt momenteel een methodiek uitgewerkt. Voor de integrale bosreservaten, is sinds medio 2000 een monitoringprogramma operationeel. Natuurinrichting wordt op een gestructureerde en planmatige manier aangepakt; concreet worden op het terrein echter nog geen maatregelen uitgevoerd. Op die manier kunnen de effecten van de uitgevoerde inrichtings- en beheersmaatregelen voor de beschermde natuur, op niveau Vlaanderen, nog niet geëvalueerd worden. Ook buiten de beschermde gebieden, zijn verschillende instrumenten ontworpen voor initiatieven en acties t.b.v. natuur. In het kader van de gemeentelijke milieuconvenanten, heeft 94% van de gemeenten een gemeentelijk natuurontwikkelingsplan opgesteld en beschikt 40% over één of meerdere goedgekeurde natuurprojecten die uitvoering geven aan de bijhorende gemeentelijke natuurontwikkelingsplan-actieplannen. De effecten op de natuur worden hierbij niet gemonitord. Met beheersovereenkomsten, kunnen landbouwers afspraken maken om op hun terrein speciale beheersmaatregelen toe te passen voor het behalen van natuurresultaten. Er loopt daarvoor nog geen monitoringsyteem en hun effecten op de natuur kunnen bijgevolg niet worden beoordeeld. Met de inpassing (sinds maart 2000) van de methode voor het optimaliseren en het meetbaar maken van de ecologische inbreng in ruilverkavelingen, wordt een aanzet gegeven tot het integreren van het stand still-principe en de zorgplicht in de landbouwsfeer. Momenteel, kunnen de resultaten nog niet geëvalueerd worden. In dit stadium, kan nog geen sprake zijn van een globale evaluatie van de effecten van de concrete gevoerde herstelmaatregelen op de natuur, op niveau Vlaanderen . Algemeen kan gesteld worden er nood is aan een monitoringmethode op maat van elk instrument. Om van evaluatie te kunnen spreken, moeten ook duidelijke meetbare doelstellingen worden vooropgesteld.
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 2001 - Uitgebreide Versie
318