Skip to main content

M&L_8_3.pdf

Page 1

'*éa ;

-H

••t:

^r*

M O N U M E N T E N & LANDSCHAPPEN 8/3

MEI-JUNI 1989

TWEEMAANDELIJKS


#

•^L

i K

Strukturele polymeerchemische

houtrestauratie

"Belfort van Mons'

dj de neef

w'll

lil lil 'fff lllmiii llllmn

I'" I Ml ui cY Hl III III III 'Hl 'lliiiHII

SA

INDUSTRIEPARK8,B-3100 HEISTO/D BERG, BELGIUM TEL. (015)24 62 31 FAX (015)24 80 72 TELEX 62926


M&L

ISSN 0770-4948 8° jaargang Nr. 3 mei-juni 1989

MONUMENTEN EN LANDSCHAPPEN

Tweemaandelijks tijdschrift van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Administratie voor Ruimtelijke Ordening en Leefmilieu Bestuur Monumenten en Landschappen De Schepenkamer van het Brugse Vrije (foto G. Charlier).

Inhoud Generiek

3 Redactie

De moutast van de brouwerij Rodenbach te Roeselare, of hoe een hinderlijke ruïne veranderde in een representatief gebouw Bernard Lambert, Guido Vancoppenolle

12

De Keizer Karel-schouw in de Schepenkamer van het Brugse Vrije Luc Devliegher

25

Het Zammelsbroek te Geel Ludo Meesters

41

Een wegkapelletje te Erpe-Mere Johan De Punt M&L Binnenkrant

Administratie voor Ruimtelijke Ordening en Leefmilieu, Bestuur Monumenten en Landschappen. Afdeling Pers & Voorlichting. Belliardstraat 14-18, 1040 Brussel. Tel. (02) 513 99 20. Eindredactie : M.M. Cells. Productie en promotie : L. Tack. Zetwerk en secretariaat ; D. Torbeyns. Vormgeving : Greta Claeys. Redactiecomité

55

Voorzitter : E. Goedleven. Leden : H. Craeybeckx (voorzitter K.C.M.L.), F. Vanderputte (Diensten van de SecretarisGeneraal), A. Bergmans, J. Braeken, M. Buyle, M. Cells, M. De Borgher, J. De Schepper, M. Fierlafijn, P. Lagaisse, A. Malliet, G. Ostyn, L. Tack, S. Van Aerschot, Hedwig Van den Bossche, Herman Van den Bossche. Advertentiewerving De Ganzerik, J. Casier Philipstockstraat 39, 8000 Brugge Tel. (050) 33 82 20. Druk die Keure Oude Gentweg 108, 8000 Brugge Tel. (050) 33 12 35

Abonnementsvoorwaarden

De verantwoordelijkheid voor de gepubliceerde artikels berust uitsluitend bij de auteurs. Alle rechten voor het reproduceren, vertalen of herwerken zijn voorbehouden.

België : 950 fr. (ook losse nummers verkrijgbaar voor 180 fr.). CJP'ers betalen : 840 fr. Buitenland : 1100 fr. Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving op rek. nr. 470-0278201-29 van Monumenten & Landschappen, Belliardstraat 18, 1040 Brussel met vermelding ,,M&L-jaarabonnement 1989". U ontvangt dan alle nummers van het lopende jaar. Zonder schriftelijke opzegging vóór het einde van elk kalenderjaar, wordt een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang. Tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd.

MINISTERIE VAJSr D E VLAAMSE GEMEENSCHAP


IvCi W A l l GEVELRENOVATIE reiniging van gebouwen en monumenten betonherstelling met minerale of epoxymortels scheurinjectie in metselwerk of beton steenrestauratie behandeling tegen opstijgend vocht waterafstotend maken van gebouwen en monumenten verstevigen van verzande ondergronden beschermen met acrylsiloxaanverven

DAKRENOVATIE : • ontmossen van leiendaken en golfplaten • herstellen van goten en asfaltdaken • behandelen met een hoogwaardig acrylaatsysteem

Al deze produkten kunnen bekomen worden bij de n.v. Rewah, tel. (03) 485 55 33. Vraag gratis deskundig advies en prijzen.

ijverheidsweg 24

Zandhoven

Tel. (03) 485 55 3 WBÊÊÊBÊKÊÊBKÊÊÊ

HOGER SINT-LUCASINSTITÜUT GENT INSTITUUT VOOR CONSERVATIE EN RESTAURATIE VAN HET CULTUREEL ERFGOED (I.C.R.)

INSTITUUT VOOR SOCIO-CULTURELE PROMOTIE

Postgraduaat Sociale promotie

Hoger Secundair en Hoger Kunstonderwijs (beperkt leerplan)

- Artistiek Hoger Onderwijs Korte Type Monumentenzorg Conservatie en Restauratie Interieur - Meubel Schilderen Beeldhouwen - Theoretisch en practisch programma volgens gemeenschappelijke leervakken en optievakken, naargelang specialisatie

- HSKO (3 jaar) - Finaliteit (HKO) Glas in lood (3 jaar) Steenhouwen (3 jaar) Houtsnijden (3 jaar) Practische opleiding met inleidingen i.v.m. kunst- & cultuurgeschiedenis, technologie, heraldiek, enz...

Toelatingsvoorwaarden

Toelatingsvoorwaarden

Diploma architect, binnenhuisarchitect, lic. kunstgeschiedenis, beeldende kunsten e.a. Voor gediplomeerden uit andere richtingen kunnen de toelatingsmogelijkheden besproken worden.

voor HSKO : 16 jaar oud - lager sec. voor HKO : getuigschrift HSKO restauratie

Inlichtingen en inschrijvingen Alle werkdagen van 9 tot 12 en van 14 tot 17 uur. Gesloten van 8 juli tot en met 15 augustus. Zwartezustersstraat 34, 9000 Gent. Tel. (091) 25 42 90

V


Rodenbach De poëtische charme van de negentiende-eeuwse brouwerij ten spijt zouden bedrijfstechnische redenen de onomkeerbare verjonging van de reeds "industriël-archeologische" gebouwen voor gevolg hebben. Op de valreep met dit dreigend geheugenverlies geconfronteerd, wisten de architecten Bernard Lambert en Guido Vancoppenolle nog net één moutast uit de brand te redden. Mits enige spitsvondigheid en goodwill is Roeselare nu met een monument verrijkt.

Aanschouwelijk Ter meerdere eer en glorie van de Keizer beeldhouwden uitgelezen kunstenaars, discreet teruggetrokken in het Brugse Vrije, zonder verwittiging de Renaissance een eerste meesterwerk. Ten onrechte geslachtofferd aan zijn onmetelijke roem bleef deze overweldigende haard nochtans tot zeer onlangs een diepgaand onderzoek ontberen. Met engelengeduld bundelde Luc Devliegher intussen de nog nauwelijks ontgonnen archivalia tot een verrassende monografie en ... dit artikel.

Landerig Bij zijn te-boekstelling van paradijselijke restgebiedjes is Ludo Meesters ver niet aan zijn proefstuk toe. De gulle Geelse voorjaarszon zag hem onlangs gelaarsd nog dwalen langsheen de oevers van de Nete. Vanuit de ruigten van het Zammelsbroek: dit — bijwijlen minder hoopstemmend — verslag.

De reddingsoperatie rond een verkommerende niskapel en wat toevallige scherpzinnigheid brachten Johan De Punt in het Oostvlaamse Erpe-Mere op het spoor van een 18de-eeuwse handel in arduin. Een ogenschijnlijk anonieme kras verlegde hierbij onverhoopt de aandacht naar het Henegouwse Zinnik en de meester-steenhouwers Depret.


BRUXELMAN HOUDT DE GESCHIEDENIS VAST AL EEN EEUW LANG In het jaar 1886 vestigt de steenhouwer Frangois Bruxelman zich als aannemer. Zijn zoon Florimond volgt hem op in 1910. Vanaf 1938 geeft zijn kleinzoon Albert Bruxelman de onderneming haar volle dimensie. D. Bruxelman neemt over in 1968. De "Etn. Fl. Bruxelman en Zoon" worden in juni 1983 een naamloze vennootschap. Mede door zijn oorsprong heeft het bedrijf zich altijd gespecialiseerd in het restaureren van gebouwen, zowel kerken als historische monumenten, een domein dat vertrouwd geworden is. De werkhuizen van het bedrijf zijn uitgerust zowel voor steenhouwen als voor houtbewerking. De moderne technieken worden praktisch aangewend in de oprichting van appartements- of kantoorgebouwen, privé-woningen, enz. En l'année 1886 Frangois Bruxelman, tailleur de pierre, s'établit entrepreneur. Son fils Florimond lui succède en 1910. C'est ensuite son petit-fils Albert Bruxelman qui dès 1938 donne a la firme sa pleine dimension. D. Bruxelman prend la relève en 1968. Les "Ets. Fl. Bruxelman et Fils" deviennent société anonyme en juin 1983. De par ses origines la société s'est toujours spécialisée en restauration de batiments anciens, tant églises que demeures historiques. Rien ne lui est étranger dans ce domaine. Ses ateliers assurent tant la taille de la pierre que Ie travail du bols. Les techniques modemes sent tout autant son champs d'action avec la construction d'immeubles a appartements ou bureaux, habitations privées etc... St.-Paulus -1934

Kerk Eine -1918

Relgerstraat 8, 9000 gent Tel.: (091) 22 22 39 - 22 20 48 Fax.: (091) 20 27 75


Duiven zijn inderdaad zo vervelend dat u ik-weet-niet-wat zou doen om ze te verjagen. Zij vervuilen en ontsieren niet alleen onze historische gebouwen; zij werken aktief mee aan het verval ervan.

MAAR HET KAN

RESTAURATIE EN MONUMENTENZORG Onderzoek :

Kunsthistorisch • Technisch Bouwkundig

Behandeling :

Muurschilderingen • Stuc Sculptuur (steen en hout)

Depigeonal is een eenvoudig en doeltreffend systeem om duiven te weren. Onzichtbaar voor voorbijgangers en onschadelijk voor de dieren. Vraag meer informatie over Depigeonal en gebouwenconservatie en -restauratie in het algemeen bij

Meubilair • Leder Schilderi jen (paneel en doek)

y.

>.iS

Solar

Bodemvondsten (hout en leder) Adres Oostveldkouter 26 9920 Lovendegem

Kleine Breedstraat 51, 2700 Sint-Niklaas. Of bel 03/776 91 62.

DEPIGEONAL

DeClercqL. 03 233 82 27 • Van Der Biest L. 03 77144 66 VandenborreH.&LauwersM. 091726303

•

SchudelW

091221753

|tobmbacl| EEN NAAM Brouwerij RODENBACH N.V.

EEN REPUTATIE ! ROESELARE

EEN TRADITIE! (051)22 34 00


de rust en het evenwicht van mineralen Dit is geen verhaal over bronwater. Wel een manifest over fundamentele principes van de restauratietechniek. Wij vatten dit in 5 puntjes samen:

n

De restauratiematerialen moeten zich kunnen aanpassen aan hun omgeving, zodanig dat de autenticlteit van het monument bewaard blijft.

H H

Het materiaal moet vrij van kunststoffen zijn en speciaal-cementgebonden.

•

Fysische eigenschappen van het restauratiemateriaal moeten aangepast worden aan de eigenschappen van het object.

H

Het restauratiemateriaal moet eenvoudig en kostenbesparend toe te passen zijn.

Het materiaal moet zoutbestendlg zijn en mag de zout- en vochttransporten niet belemmeren.

Om die vijf fundamentele principes te kunnen handhaven verkoopt en gebruikt Solar gemakkelijk verwerkbare, zuivere minerale restauratlemortels voor natuursteen, die meestal geen dure wapening vereisen, en zoutbestendige pleister- en Injektlemortels van hoogwaardige kwa[ SOLAR RESTAURATIETECHNOLOGIE IN HARMONIE MET HET VERLEDEN

K eme BreeOstraat 51,2700Si Niklaas

voor meer informatie belt u'. o^/yyó.pi. 61

In het labyrint van bouwspecialiteiten wijzen wij de weg

Verdeler van Remmers-Chemie Duitsland Voor nieuwbouw, saneringsen restauratiewerken Voor advies en levering : Van den Brande EM b.v.b.a. Industriepark 20 3100 Heist-op-den-Berg Tel. : (015)24 19 68 Telefax: (015)24 28 60


MADE IN BELGIUM EEN GAMMA PRODUKTEN VOOR RESTAURATIEWERKEN EN VOCHTIGHEIDSPROBLEMEN Tien jaar waarborg

Postgebouw, Markt, Brugge. EXHYDRO® : waterbestendige steenbescherming door wtcb getest ATG/H 606

Beschermde mijnwerkerswijk in Bois Du Luc (Houdeng-Goegnies). EXHYDRO inj : droogmaking van muren tegen opstijgend vocht door injectie-diffusie onder lage druk

Het Herenhuis Vaxelaire, Sterrekundelaan, Brussel. Beschermd monument. Begin 19de eeuw. REMAL 13 : chemische gevelreiniging

Het 'Erasmushuis' in Brussel werd met onze produkten gerestaureerd. GLAZUR REMAFIX REPOX ...

RENOVATION MAINTENANCE BUREAU : 1000 Brussel - Baksteenkaai 32/B7 tel. : (02) 513 70 20 Fax. : (02) 513 22 11 tlx. : Renoma B - 23921

PVBA


Herstelling monumenten en openbare werken

N.V. G E B R O E D E R S G E O R G E S EN I N G E N I E U R J O Z E F

VANDEKERCKHOVE O O S T R O Z E B E K E S T R A A T 54

I N G E L M U N S T E R 8770

tel. (051) 30 22 41 fax. (051) 30 22 37

Restauratie van de Rijksuniversiteit "HET PAND" te Gent.


^ ^ ^ ^ ^ : : Spectron herstelt, onderhoudt ^^^m en injekteert alle soorten bouwwerken. Spectron N.V. Injekteerbedrijf Liersesteenweg 36, B-2800 Mechelen Telefoon (015) 21.99.02

RIETEN DAKEN

WILLY IBENS

s'sol

P.V.B.A.

Brandbeveiligde daken Rietmatten en rietplaten Restauraties Nieuw en herstellingswerk Isolatiewerken met rustieke rietplaten Gratis dokumentatie Leopoldslei 161 2130 Brasschaat Tel. (03) 651 53 45

5

^ S P ^ Gevel^ en restauratiewerken

Waterdichte bespuiting Oppervlaktebehandeling & sierpleisters Zand- en straaibedrijf industriële schilderwerken - Hoogtewerken

J . GENNE

Bosdel industriepark

CENK

(011) 55 80 51 / 35 80 52 Telefax (011) 35 80 53

8 Mizerlkstraat 3610 DIEPENBEEK

(011) 32 33 60

Bladlood for ever Winkelcentrum : Dommelmarkt Neerpelt Ir. Arch. J. Spaas

Onvervangbaar bij : - stroken voor afdichting - dak- en gevelbekleding - restauratie

Informatiecentrum van de non-ferrometalen Montoyerstraat 47, 1040 BRUSSEL Tel. (02) 513 86 34

V

Minervatempel in het Engels Park, Alden Biesen


EEN E R V A R E N

K I J K O P DE T O E K O M S T

NATUURSTEEN VAN AMSTELSTRAAT 63 2100 ANTWERPEN TEL. (03) 325 03 83 TELEFAX (03) 325 68 66

blIENNEMAHIEU-LIDVAN: • ART RESTORERS ASS. • INTERNATIONAL INSTITUTE OF CONSERVATION

k

R T I K O N sNV

AMINCK GASSTRAAT11 A 9100 LOKEREN TELEX 32158 NAVLAM TEL. (091)48 12 17 TELEFAX (091) 48 96 61

(014) 51 77 22 (014) 50 03 24 (014) 50 03 23 (FAX) VISPLUK 27 2290 VORSELAAR

•

RESTAURATIE EN CONSERVATIE van : - Kunstvoorwerpen in hout, steen, metaal, kunststof, marmer, terra-cotta. - Stenen beelden en gevelornamentuur. - Keramiek, aardewerk.

•

VERVAARDIGEN VAN REPLICA kleine en grote oplage Wij werken met moderne middelen en overeenkomstig de recentste wetenschappelijke vindingen

•

FABRIKATIE EN VERKOOP VAN PRODUKTEN VOOR RESTAURATIE : • Lijmen (epoxy, acryl, PVA, enz.) • Verfstrippers (speciaal voor restauratie): PEEL-AWAY • Minerale steenrestauratieprodukten : GAYSTONE • Steenbehandelingsprodukten : reinigers, verstevigers, enz. • Houtbehandelingsprodukten


Lotto, Presto, Duo, Joken De winnaars die niet spelen danken de spelers die niet winnen. De 65% Belgen die met de Lotto, Presto, Duo of Joker spelen, hoeven zich geen kopbrekens te maken in de bestemming van hun inzet als zij verliezen. De Nationale Loterij maakt er helemaal geen geheim van en zegt het duidelijk in de dagbladen of met metersgrote affiches: hun inzet dient zowel voor de restauratie van een historisch waardevol gebouw of de internationale uitstraling van

de Opera voor Vlaanderen, als voor het kankeronderzoek, de voorbereiding van de Belgische atleten of waterboringen voor de hard getroffen Sahel-bewoners. Trouwens, haar naam alleen al maakt het duidelijk. De Nationale Loterij die de Lotto, Duo, Presto en Joker groepeert, is geen privé-onderneming gebaseerd op winstbejag, maar een openbare instelling ten dienste van de Gemeenschap. Anders gezegd, zelfs

al winnen zij niet met de Lotto, Duo, Presto of Joker, hun inzet is nooit weggegooid geld. Hij is enkel omgetoverd in een aria, een museum, een laserstraal, een atletiekpiste of een levensnoodzakelijke bron midden de woestijn.

©

Nationale Loterij Kardinaal Mercierstraat 6 1000 BRUSSEL

ZONDER RENOFORS-BETA ZAG U DIE MOLENS NIET MEER... Heeft U zich al eens afgevraagd hoe het komt dat eeuwenoude houten molens nog steeds de wind trotseren? Of hoe de Middeleeuwse klokkestoel van de prachtige Sint-Romhoutskathedraal zijn tonnenzware beiaard torst? S( )lar in vern ieuwt en versterkt n »itend In mt met het Kcnofors-Bèta systeem. Voor jaaaren Kenofors-Bèta is een (kostenbesparend) alternatief voor dure en moeilijke vervangingswerken. Renofors-Bèta Ls een gewapend kunstharssysteem dat snel. doeltreffend en esthetisch eeuwenoude constructies restaureert Vraag nu vrijblijvend documentatie. Bel 03/776.91.62

U HEEFT GEEN MONUMENT TE VERLIEZEN...

Solar

eB-eedslraatSl 27O0St-NikJ

Ook sterk in: gevelreiniging - steenverharding - vochtwerlng - drooglegging van muren met capillair stijgend vocht dichtingswerken - betonrestauratie houtbehandeling - brandremmmg.


De moutast van de brouwerij Rodenbach te Roeselare, of hoe een hinderlijke ruïne veranderde in een representatief gebouw

Bernard Lambert en Guido Vancoppenolle

In 1986 restaureerde de brouwerij Rodenbach te Roeselare een oude ast die vroeger deel uitmaakte van de mouterij van het bedrijf. In dit artikel wordt niet enkel de restauratie van het gebouw besproken. Integendeel wordt gepoogd de ast te situeren doorheen de geschiedenis van de brouwerij, de evolutie van de brouwtechnologie, de commerciële aspecten van de restauratie, ... evenveel facetten die — zij het beknopt — aan bod zullen komen. De moutast in de steigers (eigen foto) Pagina rechts: De ast (na restauratie), de nieuwe gistingtanks en het vernieuwde poortgebouwtje (foto brouwerij-archief)

WÊÊB M&L 12


-Jk

'•'•

LÉIjLX2«J^i

JJ-r

. -Ofa.

^>

^

is:


Geschiedenis van een familiebedrijf Ons verhaal begint in 1748. Ferdinand Rodenbach, afkomstig uit het Duitse Andernach en dokter in het Oostenrijkse leger tijdens de Successie-oorlog, wordt te Rijsel gevangen genomen door de Fransen. Na de vrede van Aken huwt hij er Joanna Catharina Vandenbossche, een Westvlaamse handschoenmaakster. Hij neemt ontslag uit het leger en vestigt zich in 1749 te Roeselare als 'chirurgijn'. Zijn oudste zoon, Pieter Ferdinand Rodenbach, studeert geneeskunde te Rijsel en te Gent, en vestigt zich dan eveneens als dokter en vroedmeester te Roeselare. Pieter Ferdinand is evenwel meer zakenman dan dokter. Op 17 december 1789 pacht hij tegen een uitkoopsom de brandewijnbelasting van de stad, waarna hij voor eigen rekening de belasting kan innen (I). Daarop richt hij prompt (nog hetzelfde jaar) een brandewijnstokerij op 'aan de zuidkant op het einde van de Spanjestraat'. Na zijn dood in 1820 nemen zijn drie zonen Ferdinand, Alexander en Pedro Rodenbach het beheer van het bedrijf over. Is drie directeurs wat veel voor een stokerij? Of rijst er onenigheid over het te voeren beleid? Alexander Rodenbach koopt alleszins in 1821 de brouwerij Norbert, gelegen aan de noordkant van diezelfde Spanjestraat, dichter naar de stadskern toe. Hij verandert haar naam in Brouwerij Rodenbach en Cie. In 1836 verkoopt hij dan weer die brouwerij aan zijn jongere broer Pedro, die ondertussen ook de stokerij geërfd had (2). De gebouwen beslaan op dat ogenblik een oppervlakte van 1130 m2. Uit die periode is een beschrijving bewaard, opgemaakt door notaris De Brouckere : "Een goede weigebouwde Bierbrauwerie voorzien van schoon woonhuys, Bierbrauwerie bestaande in dry ketelen, dry koelbakken, gylkuip en kast, alles op het ingels gesteld, roergrepen, schoppen, stookers en ander brouwerskolen, noodig tot het bier en azynbrouwen, alles zich bevindende in goeden staet; groote magazynen, menigvuldige spatieuze kelders, remisen, logien, peerdenstallen met voordere gebouwen, groote cours noodig voor azynleggerie en ander bedryf, twee distincte goede groote waterpompen, voordere grieflykheden en erve medegaande". We kunnen ons een beeld vormen van de omvang van die brouwerij uit de plannen die in 1843 opgemaakt worden bij het vastleggen van het kadaster in Roeselare. Pedro Rodenbach, die een militaire functie vervult in Brussel, ligt evenwel niet wakker van zijn Roeselaarse eigendommen. Zowel de stokerij als de brouwerij worden in werkelijkheid gerund door zijn echtgenote, Regina Wauters, zelf afkomstig uit een Mechelse brouwersfamilie. Als eerste te Roeselare, dient zij in 1836 een aanvraag in voor het plaatsen van een stoommachine (om graan te malen). De machine M&L 14

Isometrie van de brouwerij Rodenbach, op basis van documenten uit het kadaster te Brugge en uit het brouwerij-archief (eigen tekening)


wordt geleverd door de Gentse machinebouwer Emmanuel Vanden Kerckhove, de ketel door de werkhuizen Petry-Driane uit Grivegnee bij Luik. Pedro Rodenbach en Regina Wauters hebben twee zonen. De oudste, Raymond Rodenbach, bestuurt de stokerij vanaf 1854. Maar vooral de jongste, Edward Rodenbach, is het prototype van de 19de-eeuwse zakenman. In 1855 koopt hij een spinnerij (SoenenVandekerckhove), en in 1864 volgt hij zijn moeder op aan het hoofd van de brouwerij. Daarnaast is hij onder andere een belangrijke aandeelhouder in de 5.A des Bains et des Dunes de Middelkerke et d'Ostende, een immobiliënmaatschappij die inspeelt op het opkomende kusttoerisme. \ 1934-1951

\

De firmanaam van de brouwerij verandert in Brasserie et Malterie Saint Georges, Edouard Rodenbach-Mergaert (3). Bij de overname heeft het bedrijf nog vrijwel dezelfde omvang als in 1843 (de koopakte uit 1864 vermeldt trouwens dezelfde oppervlakte als in 1836: 11 a 30 ca). Daar zal echter spoedig verandering in komen. Tussen 1864 en 1877 laat Edward op de terreinen naast de oude brouwerij een volledig nieuw bedrijf oprichten. Wanneer Edward in 1878 het beheer overlaat aan zijn zoon Eugeen, beslaan de bedrijfsgebouwen een oppervlakte van 7500 m2 en zijn er een twintigtal arbeiders tewerkgesteld. Eugeen Rodenbach treedt in de sporen van zijn vader en breidt de brouwerij verder uit. Opmerkelijk is dat nu enkel lagerkelders bijgebouwd worden. Dit zou er kunnen op wijzen dat pas op het einde van de 19de eeuw overgestapt wordt op het brouwen van wat we nu als Rodenbach kennen, een bier dat twee jaar rijpt in eiken vaten alvorens verhandeld te worden. Mogelijks staat het ontwikkelen van dit nieuwe bier in verband met stages die Edward gelopen heeft in Engelse brouwerijen. In 1889 overlijdt Eugeen plotseling, zonder mannelijke erfgenaam na te laten. Edward, die zich ondertussen te Brussel gevestigd had, neemt noodgedwongen opnieuw de leiding van het bedrijf op zich (Eugeen was zijn enige zoon). Alvorens zich weer in Roeselare te vestigen laat hij rechtover de brouwerij een kasteel bouwen, waar hij in 1891 zijn intrek neemt. Wanneer Raymond Rodenbach, Edwards broer, in 1899 kinderloos overlijdt, koopt Edward ook de stokerij weer op. Hij verkoopt ze evenwel onmiddellijk door aan Honore Talpe, die er een cichoreifabriek in onderbrengt. Het stoken van genever is rond de eeuwwisseling blijkbaar niet meer renderend, deels door concurrentie uit het Hasseltse, deels door het opkomen van andere alcoholische dranken. Er zijn trouwens nog meer aanwijzingen dat de economische toestand van de twee bedrijven op dat ogenblik verre van schitterend is. Wanneer Edward Rodenbach in 1892 beslist niet langer zelf de brouwerij te besturen en het bedrijf verhuurt aan zijn schoonzoon Emiel Vandromme, staat in het contract uit15 M&L I


Roeselaere Met Kas'eel d-• Rodenbaci-Wergaer'

Het kasteeltje, gebouwd door Edward Rodenbach omstreeks 1891. Prentbriefkaart uit het begin van de 20ste eeuw (brouwerij-archief)

drukkelijk vermeld dat de huurder het passief overneemt van de stokerij en van de weduwe van Eugeen Rodenbach.

Verdere evolutie van de brouwerij In 1889 staat Edward Rodenbach dus voor een levensgroot probleem. Zijn enige zoon is overleden, en er zijn geen andere mannelijke erfgenamen in de familie. Daarom beslist hij het bedrijf om te vormen tot een naamloze vennootschap; in 1892 staat dan ook voor het eerst sedert 1820 geen Rodenbach meer aan het hoofd van de brouwerij. De naam van de brouwerij verandert in Brasserie et Malterie St. Georges - Roulers - S.A., en in 1902 nog eens in N.V. Brouwerij Sint. Joris. Pas in 1920, na een stilstand van vijfjaar tijdens de Eerste Wereldoorlog, krijgt het bedrijf zijn huidige benaming N.V. Brouwerij Rodenbach. De sterke uitbreiding die de brouwerij kende tussen 1864 en 1897 zal zich niet doorzetten in het begin van de 20ste eeuw. Pas vanaf 1934 stijgt de omzet opnieuw om uiteindelijk het huidige peil te bereiken. Die twee afgescheiden groeiperiodes in de produktie vertalen zich op het terrein in twee afzonderlijke periodes van grote bouwactiviteit. De eerste duurde, zoals we eerder zagen, van 1864 tot 1897. De tweede zal duren van 1934 tot 1967. Tijdens deze tweede • •

M&L 16

bouwcampagne worden de oudste delen (van vóór 1864) gesloopt, maar alle gebouwen die tussen 1864 en 1897 tot stand kwamen kunnen worden opgenomen in de nieuwe bedrijfsstructuur. Die oude structuur zorgt evenwel voor problemen. Omdat het produktieproces niet toelaat bepaalde afdelingen op te splitsen of af te zonderen raakt het bedrijf bij elke uitbreiding gestadig dicht gebouwd. Op termijn wordt het hierdoor onmogelijk om bepaalde delen nog verder uit te breiden. Daarenboven waren de oude binnenkoeren weliswaar geschikt voor paard en kar, maar vrachtwagens met oplegger of aanhangwagen kunnen al lang niet meer tussen de gebouwen manoeuvreren. Naast die ruimtelijke problemen wordt het ook alsmaar moeilijker de oude installaties aan te passen aan de snel evoluerende brouwtechnologie. Zo valt in 1975 de beslissing niet langer zelf te mouten. De mout die geproduceerd wordt op de oude kiemvloeren is immers te duur in vergelijking met die uit moderne industriële mouterijen. In diezelfde optiek van modernisering stelt het studiebureau Tractionel in 1981 een masterplan op voor de toekomstige evolutie van de brouwerij. Het wordt een vrij ambitieus programma. Na verloop van een tiental jaren zouden vrijwel alle bestaande installaties moeten vervangen en gesloopt worden. In het plan is voldoende ruimte voorzien om een verdubbeling van de produktie toe te laten.


Vermits de produktie niet kan onderbroken worden, moet elke nieuwe afdeling bedrijfsklaar zijn vooraleer de oude installatie kan stilgelegd worden. De kiemvloeren van de oude mouterij beslaan een grote oppervlakte middenin het bedrijf en zullen, nu ze van geen nut meer zijn, als eerste plaats moeten maken voor nieuwe installaties. In 1980 worden de gebouwen uit 1951 gesloopt; in 1982 volgt een deel van de oude mouterij uit 1864.

aandacht besteed aan een verzorgde, evenwichtige gevelopbouw. De gebouwen uit het jongste decennium zijn opgetrokken met 'hedendaagse' middelen. De stapelruimte bestaat uit een stalen skelet van kolommen en spanten, aan de buitenzijde afgewerkt met geprofileerde metaalplaten. De nieuwe gistingtanks staan gewoon in open lucht opgesteld, met slechts een kleine zaal beneden voor de bediening van kranen en kleppen (5). Vormelijk is er dus een grote breuk met de oudste gebouwen, temeer daar de nieuwe gisting vlak naast de oude ast staat.

Huidige toestand De gebouwen uit de eerste helft van de 19de eeuw zijn op enkele kleine kelders na alle verdwenen. De opeenvolgende uitbreidingen van de brouwerij vanaf 1864 zijn daarentegen wel nog duidelijk te zien in het bedrijf. De mouterij is immers het enige belangrijke gebouw dat sindsdien (gedeeltelijk) gesloopt werd. De oudste gebouwen bevinden zich in het midden van de brouwerij. Ze behielden hun oorspronkelijke functie en herbergen nog steeds de brouwzaal en een deel van de gisting. Hoewel ze sinds 1864 reeds herhaalde malen verbouwd en uitgebreid werden is de oorspronkelijke structuur nog duidelijk te herkennen. Ze zijn opgetrokken met massieve dragende buitenmuren in baksteenmetselwerk. Binnen worden de vloeren gedragen door stalen profielliggers op ronde gietijzeren kolommen. De vloeren zelf zijn opgebouwd uit troggewelven tussen I-liggers. Aan de buitenkant zijn de gevels versierd met pilasters en lijsten. De nu grotendeels gesloopte mouterij dateerde uit dezelfde periode en was op dezelfde wijze gebouwd. De brouwinstallatie zelf is niet zo oud; de oudste ketels dateren van kort na de Eerste Wereldoorlog (4). De lagerkelders van iets latere datum dan de brouwzaal, bestaan slechts uit één verdieping, half onder de grond, met een zolder erboven. De zoldervloer was oorspronkelijk in hout, maar werd later vervangen door een gewapende betonvloer om grotere lasten te kunnen dragen. De meer dan 300 eikenhouten feeders met een inhoud variërend van 120 tot 600 hectoliter werden in de loop der jaren deels ter plaatse gebouwd, deels aangekocht in Frankrijk. Een aantal vaten uit 1872 zijn nog steeds in gebruik. Het kasteel uit 1891 doet nog steeds dienst als 'ambtswoning' voor de directeur van de brouwerij. Het werd in 1985 volledig gerenoveerd, maar het oorspronkelijk uitzicht bleef bewaard. Ook de kasteeltuin van 1,5 ha heeft zijn originele aanleg grotendeels behouden. In dit park bevindt zich de bron waaruit ook nu nog het water getrokken wordt waarmee het bier gebrouwen wordt. De gebouwen uit het midden van de 20ste eeuw (lagerkelders, uitbreidingen van de mouterij, brouwzaal en gisting, bottelarij) zijn allen opgetrokken met een ter plaatse gestort betonskelet van kolommen, balken en vloerplaten, opgevuld met wanden in baksteenmetselwerk. Hoewel de vormgeving soberder is dan die van de 19de-eeuwse gebouwen, is overal

üe moutast na restauratie (foto O. Pauwels)

Tussen sloop en verval In 1980 wordt het recentste deel van de mouterij gesloopt: de ast en de kiemvloeren uit 1951. Ze ruimen plaats voor een nieuwe opslag- en laadruimte. In 1982 volgen de oude kiemvloeren uit 1864. Op hun plaats worden tien nieuwe zogenaamde 'outdoor' gistingtanks geplaatst. Ze moeten op termijn de open gistkuipen uit de oude gistkelders vervangen, een 17 M&L

• • • •


omschakeling die thans volop aan de gang is. Aanvankelijk ligt het in de bedoeling ook de oude ast te slopen. Toch gebeurt dit niet... . De ast is een markant gebouw dat verwijst naar de geschiedenis van het bedrijf. Daarenboven is het zowel inzake vormgeving als techniek een vrij uniek gebouw. In het kader van een proefschrift over industriële archeologie werd de mouterij in 1982 volledig opgemeten. Uit een vergelijking met andere bedrijven en uit een studie van de 19de-eeuwse vakliteratuur kon worden afgeleid dat de mouterij van de brouwerij Rodenbach gebouwd was naar Engels model: — de kiemvloeren bevinden zich bovengronds, in het midden van de 19de eeuw een Engelse gewoonte; op het vasteland werden kiemvloeren ondergronds gebouwd, om een constante temperatuur te bekomen; — de ast heeft een cirkelvormig grondplan, terwijl een vierkante vorm in onze streken gebruikelijk is. Morfologisch vertoont de Roeselaarse ast alle kenmerken van de asten uit het Westen van Engeland (the Welsh types) (6). Deze veronderstelling wordt ondersteund door de wetenschap dat de ast gebouwd is in 1872, de periode waarin Eugeen Rodenbach stage liep in Engeland.

DE MOUTERIJ W J DE BROUWERU RODENBACH IN DE 19» EEUW 1864 het doel van een moutenj is het graan, meest gerst, een aanlal bewerkingen te talen ondagaan die het geschiw maken als gronslof voor de bereiding van bier.

1933 het graan wordt aangevoerd per schip en opgeslagen op zolder ( y . na een eerste reiniging woral de gerst in de weekkuipen onder water gezet (2); de graankorrels nemen water op en beginnen te kiemen. na twee dagen kan men het vochtige graan l i een "20 cm dikke laag over de kiemvloeren spreiden (3) daar worden i l het graan de enzymen gevormd die later, tijdens het broóweq nel zetmeel van de mout zullen om zetten in vergistbare suikers, na een week wordt de mout in de ast gedroogd (4) om de kieming Ie beêinF drogen duurt twee dagen.

è^ 5 è^^

1951

Kv# s ^

7> iopeenvol

uilbradinaen «van de mouterij-

Werkingsschema van de mouterij in haar oorspronkelijke toestand (eigen tekening)

M&L 18

Anno 1982 heeft men in de brouwerij dus een vaag vermoeden dat het slopen van de ast 'jammer' zou zijn. Concrete plannen om er iets zinnigs mee aan te vangen zijn er evenwel niet. Na 1975, jaar waarin de mouterij werd stilgelegd, was men de lange kiemvloeren gaan gebruiken als bergruimte. De ast kwam hiervoor wegens zijn specifieke constructie niet in aanmerking. Hij wordt dan ook stilaan een gewaardeerde verblijfplaats voor de duiven uit het omliggende, met alle gevolgen vandien. Het slopen van de aanpalende gebouwen in 1982 zal het proces van verval nog versnellen. Dakgoten die vroeger doorliepen worden niet hersteld, en door het verdwijnen van de trappen zijn de verdiepingen niet meer bereikbaar, waardoor elk verder onderhoud uitblijft. In januari 1985 treedt een voor onze streken ongewoon strenge winter in. Het kwik daalt 's nachts tot twintig graden Celsius onder het vriespunt. Op een morgen ligt de koer naast de ast bezaaid met steenbrokken. Grote delen van de kroonlijst zijn naar beneden gestort. De vraag die men zich stelt is eenvoudig: wat moet er gebeuren om verder verval tegen te houden? Uit een onderzoek van het gebouw blijkt dat de problemen zich hoofdzakelijk op drie vlakken bevinden: — door het onderbreken en niet herstellen van de dakgoten kunnen grote hoeveelheden regenwater in de massieve gemetselde muren binnendringen; — door het gebrek aan onderhoud is de geteerde cementbezetting van de kegel op zeer talrijke plaatsen gebarsten, wat eveneens het binnendringen van regenwater toelaat; — sedert 1975 wordt het gebouw 's winters niet meer verwarmd, zodat de droging van binnenin is weggevallen. Indien niets ondernomen wordt zal de ast dus onvermijdelijk verder aftakelen. Gezien het gevaar voor instorting zijn er bijgevolg maar twee mogelijkheden: grondig herstellen ... of slopen.

De restauratie De keuze tussen behoud en slopen is vlug gemaakt. Voor het komende jaar (1986) zijn grootscheepse feesten gepland ter gelegenheid van het 150-jarig bestaan van de brouwerij. Men wenst een imago van eerbied voor tradities en degelijkheid naar voren te brengen. Het restaureren van de ast past in deze strategie. Ondertussen staat de ast er bepaald troosteloos bij. Behalve de reeds beschreven waterellende, zijn overal sporen van latere bijgebouwen zichtbaar. Openingen naar thans verdwenen gebouwen zijn niet of slordig afgedicht.


GRONDPLAN B LAMBERT / Q VANCCPPENOLLE AFSTUDEERPROJEKT 1987 P05TGRADUAAT MONUMENTENZORG ST LUCAS - GENT

SCHAAL 1 100

MOUTERIJ VAN DE BROUWERIJ RODENBACH SPANJESTRAAT ROESELARE

AFDELING ALGEMEEN-

REFfER DOUCHES

BLAD

VERGADER

I '»» l>

-• SCHAAL 1 100

DERDE VERDIEPING

LAMBERT BERNARD - 1982 JAARWERK MONUMENTENZORG

MOUTERIJ VAN DE BROUWERIJ RODENBACH SPANJESTRAAT ROESELARE

AFDELING - ALGEMEEN -

19 M&L


•

In die toestand kan het gebouw in elk geval geen beeld oproepen van traditie en degelijkheid. In feite wenst de brouwerij een gebouw met een zo fraai mogelijk uiterlijk. Opdracht is dit te verzoenen met een meer historische benadering van de restauratie.

>

De voormalige doorgang naar de bovenste roostvloer, vóór de werken (eigen foto)

De eigenlijke restauratie zal verlopen in drie fasen: — de restauratie van het dak ; — het herstellen van het metselwerk ; — de herinrichting van het gelijkvloers als tentoonstellingsruimte.

De dakrestauratie Het kegelvormige deel van de ast is volledig opgetrokken uit baksteenmetselwerk. Aan de buitenkant is het metselwerk verdicht met een geteerde cementbezetting. Of dit de oorspronkelijke afwerking is kan niet achterhaald worden. Deze afwerking kan alleszins niet behouden worden. De harde cementmortel heeft zich volledig losgewerkt van de drager. Hierdoor is de bezetting volledig verweerd. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat een nieuwe bezetting zich beter zal gedragen. Daarenboven is het zeer de vraag of deze afwerking ooit volledig waterdicht geweest is: toen de ast in gebruik was werd hij voortdurend van binnenin gedroogd door een hete luchtstroming, zodat een kleine mate van waterindringing geen probleem kon vormen. Om aan het gebouw een nieuwe bestemming te kunnen geven moet dit echter droog zijn. Het zal immers nodig zijn de ast af te sluiten, om nieuwe vervuiling of kolonisatie door duiven te verhinderen. Hierdoor zal natuurlijke ventilatie verdwijnen, zodat elke vochtindringing moet worden uitgesloten. Diezelfde doorgang bij hel bekleden van de kegel (eigen iolo) I M&L 20


Daarom wordt geopteerd voor een bedekking met leien. Deze benaderen vrij dicht het oorspronkelijke, geteerde uitzicht, en bieden tegelijk een kwalitatief hoogstaande afdichting. Deze afwerking is ook beter bestand tegen trillingen en eventuele zettingen, onvermijdelijk gezien de ligging midden in een bedrijf. De werken worden aangevat in augustus 1985. Eerst wordt rond de toren een steiger opgetrokken, die volledig los staat van het gebouw zelf. Daarna beginnen de eigenlijke restauratiewerken. De cementberaping wordt volledig verwijderd. Een aantal diepe barsten in de buitenste kegelmantel worden ingebonden met hoefijzervormige betonnen sloffen. De vier dakkapellen blijken ook volledig los te staan van het hoofdvolume. Ze worden opgemeten, afgebroken en zorgvuldig opnieuw gebouwd. Daarna worden op regelmatige afstand horizontale houten banden rondom de kegel bevestigd. De banden zijn opgebouwd uit houten lamellen die elkaar in de lengterichting overlappen. Het aantal lamellen wordt aangepast zodat een perfect kegeloppervlak tot stand komt voor het aanbrengen van de bebording. Daarenboven ontstaat op die wijze een spouw, zodat verluchting van metselwerk en timmerwerk mogelijk blijft. Op de bebording worden natuurleien geplaatst. Ondertussen worden ook de goten vernieuwd. Waar vroeger de oude mouterij aangebouwd was wordt de goot doorgetrokken; het gewelf boven de deur die toegang geeft tot de bovenste roostvloer wordt afgedekt met lood (oorspronkelijk bevond dit gewelf zich binnen, zodat het metselwerk geen bijzondere bescherming hoefde).

Vernieuwd schrijnwerk, naar het oorspronkelijk model (eigen toto)

Metselwerkrestauratie Bij het verwijderen van de oude dakgoten wordt het metselwerk van de kroonlijst volledig blootgelegd. Dit vormt meteen de start van de metselwerkrestauratie. De sierlijke boogfries heeft zodanig geleden van vorstschade dat vrijwel alle stenen gebarsten zijn of loszitten. De meeste bogen moeten afgebroken en hermetseld worden. Daarna worden de muren aangepakt. Geopteerdt wordt voor een tweeledige restauratie: — sporen van mouterij uit 1864, waarvan de ast deel uitmaakte, zullen behouden worden, omdat ze essentieel zijn om aan te tonen dat de ast op zichzelf geen bestaansreden heeft en enkel kon functioneren in het groter geheel van de mouterij; — sporen van latere bijgebouwen, die eerder toevallig tegen de ast stonden, zullen 'weggerestaureerd' worden.

Detailtekening van het metselwerk (eigen tekening)

Met andere woorden: vloeren en muren van de oude mouterij worden weergegeven door uitspringende banden, die als het ware een doorsnede op ware grootte tekenen op de romp van de ast; deze banden 21 M&L


worden grijs geverfd. Muurdelen die zich voorheen binnen bevonden krijgen een witte verflaag (refererend naar de oorspronkelijke kalkbezetting), terwijl de rest van de ast volledig gereinigd wordt en waar nodig gerestaureerd met donkerrode veldovensteen. Oorspronkelijke raamopeningen die in de loop der jaren waren dichtgemetseld worden opnieuw uitgewerkt; een tweede deuropening op de onderste verdieping, die in verbinding stond met een (ondertussen gesloopt) aanpalend gebouw van latere datum, wordt dichtgemetseld. Het schrijnwerk wordt vervangen, waar mogelijk op oorspronkelijke wijze; in andere gevallen (binnendeuren die buitendeuren geworden zijn, schrijnwerk dat verdwenen is) wordt sober nieuw schrijnwerk ingepast. Ten slotte krijgen schrijnwerk en goten van de ast nog een laag lichtgrijze verf.

De interieurrestauratie Nu de toekomst van de ast bouwfysisch beveiligd is, moet hij een gepaste functie krijgen. Aanvankelijk wil de brouwerij er een bar inrichten, voor het houden van recepties. Daar de hiervoor vereiste té grondige verbouwing afbreuk zou doen aan de eigenheid van de ast, wordt voorgesteld de ast in te richten als tentoonstellingsruimte, een functie waar het grondplan uit concentrische cirkels zich bijzonder goed toe leent. De tentoonstelling zou dan kunnen opgenomen worden in de rondleidingen die regelmatig plaatshebben in het bedrijf.

De binnenruimte van de ast met een permanente tentoonstelling rond de mouterij en haar werking (eigen foto)

TENTOONSTELLINGSRUIMTE VOORONTWERP

IN AST JANUARI 1986

paneel [tijdsband

• de TIJOSBANO illustreert de geschiedenis en de groei van de brouwerij Rodenbach van

GRONDPLAN M&L 22

DOORSNEDE


Om technische redenen wordt enkel het gelijkvloers van de ast voor publiek toegankelijk gemaakt. De lichte metalen roosters van de astplaten kunnen immers niet zomaar een groep bezoekers torsen; daarenboven is door het afbreken van alle bijgebouwen in 1983 de trap naar de hogere verdiepingen verdwenen. Gezien de onderste verdieping van de mouterij zich een zeventigtal centimeters onder het maaiveld bevindt moet een toegangsput aangelegd worden aan de deur van de ast. Deze put vormt een geheel met de hoger beschreven doorsnede-tekening op de muur. Binnen wordt de vervallen vuurhaard gerestaureerd volgens de aanwijzingen van arbeiders die vroeger in de ast gewerkt hebben. Het bijhorende smeedwerk wordt vervaardigd door een smid die vroeger de luiken van de vuurhaard al eens vervangen had. Op 13 september 1986, een goed jaar na de start van de werken, wordt de gerestaureerde ast ingehuldigd met een tentoonstelling waarin aandacht wordt geschonken aan: — doel en werking van de mouterij; — oud alaam; — foto's van de mouterij in werking; — de opeenvolgende uitbreidingen. In de daaropvolgende dagen wordt deze bezocht door naar schatting 10.000 mensen. Nu nog komen jaarlijks zowat 5.000 bezoekers over de vloer.

Nabeschouwing De vernieuwde vuurhaard met bijhorend smeedwerk

(eigen foto)

De volledige restauratie heeft iets meer dan een jaar geduurd, en kostte de bouwheer een 4.500.000,-fr. Het is verheugend vast te stellen dat het bedrijf bereid was een dergelijk bedrag te besteden aan wat uiteindelijk toch maar een deelaspect is van haar marketing-politiek. Wij wensen alvast de brouwerij Rodenbach, en de heer directeur-generaal Van Merhaege in het bijzonder te danken voor het geschonken vertrouwen. Voetnoten

Wie de ast en de brouwerij wil bezoeken kan dit aanvragen bij de brouwerij Rodenbach: S 051/22.34.00. Wie uitdrukkelijk een industrieel-archeologische interesse heeft, kan terecht bij de auteurs: S 051/22.86.28.

(1) Registers van Paspoorten, Roeselare, stadsarchief. (2) Zo zijn de twee bedrijven in handen van één enkele mannelijke erfgenaam, waarbij de overige erfgenamen financieel vergoed worden. Uit testamenten en notariële akten blijkt dat dit steeds een hoofdbekommernis van de Rodenbachs geweest is. (3) Bemerk dat de brouwerij in 1821 een Nederlandstalige naam had (Hollands bewind) en in 1864 een Franstalige (onafhankelijk België). (4) In bijna alle Belgische brouwerijen werden de koperen ketels tijdens de Eerste Wereldoorlog door de Duitse bezetter ontmanteld om er munitie mee te maken. (5) Dit is een trend die steeds meer op de voorgrond treedt in de proces-industrie. Gebouwen als zodanig zijn in veel gevallen niet meer nodig. De installaties zelf krijgen een afdoende bescherming en worden in open lucht opgesteld. (6) Jones D.J., Major J.K., Drying kilns attached to British corn mills, symposium G B , 1973. 23 M & L


Het voormalig inkomportaal. Bestaande toestand met aanduiding van de herstellingen (eigen tekening)

Ook het voormalig inkomportaal van de mouterij werd hersteld. Weliswaar bleek de schade hier veel minder ernstig. Het zou volstaan de meest verweerde stenen te vervangen, een belangrijke barst in te binden en het corroderende zinkwerk te vernieuwen (eigen foto's)

M&L 24


De Keizer Karel-schouw in de Schepenkamer van het Brugse Vrije

Luc Devliegher

Eén van de vijf provinciale musea in West-Vlaanderen is Het Brugse Vrije op de Burg te Brugge. Het bevindt zich in de Schepenkamer van het voormalige Landhuis van het Brugse Vrije, een gebouw dat in verscheidene periodes, gaande van de 15de tot de 20ste eeuw, opgetrokken werd en waarin sinds 1988 het Stedelijk Administratief Centrum ondergebracht is. In de Schepenkamer is tegen de westwand de Keizer Karel-schouw (1528-1531) opgesteld, een belangrijk monument van de Renaissance in de Nederlanden. De schouw werd nooit als een afzonderlijke entiteit bestudeerd, wel in het kader van het ontstaan van de Renaissance in Brugge (1), of in het kader van de bedrijvigheid van Guyot de Beaugrant (2) of in het geheel van de Brugse kunstgeschiedenis (3). Daarbij komt dat de archivalia die betrekking hebben op de schouw, in de vorige eeuw onvolledig, met talrijke fouten, of in een samenvattende vertaling zijn uitgegeven. Redenen te over om in het kader van de provinciale inventarisatie van het kunstpatrimonium een afzonderlijk boekdeel te wijden aan dit monument, waarbij tevens het archiefonderzoek volledig hernomen werd en alle teksten uitgegeven. Het resultaat van dit onderzoek verscheen in 1987 (4). Zitting in de Schepenzaal van het Brugse Vrije. Schilderij door Gillis van Tilborgh, 1659 (foto P. Van den Brouck)


Geschiedenis Het Brugse Vrije is sinds de 13de eeuw de naam van de kasselrij (5) van Brugge, de grootste kasselrij van het vroegere graafschap Vlaanderen. In de loop van de 14de eeuw werd het Brugse Vrije het Vierde Lid van Vlaanderen, naast de steden Gent, Brugge en leper. In de tijd dat de Keizer Karel-schouw in opbouw was, werd het Vrije bestuurd door 4 burgemeesters en 24 schepenen. De magistraat en de administratie hadden hun zetel in het hierboven vermelde Landhuis, waarvan de oudste nu nog bestaande kamers uit 1434-1440 dateren (6), maar de twee grootste gedeelten respectievelijk uit 1520-1524 (nu Stadsarchief) en 1721 en volgende (complex omheen de binnenkoer) stammen. Nadat het Vrije reeds in 1434-1440 een gedeelte van zijn gebouwen vernieuwd had, koesterde het in het begin van de 16de eeuw grootse plannen voor het optrekken van nieuwe vertrekken ten zuiden van de bestaande. In 1520 werd begonnen met het opbouwen van een nieuwe Schepenkamer, Vertrekkamer en Vierschaar (7), naar de plannen van de plaatselijke metselaar Jan van de Poele, reeds bekend door zijn werk aan het Oosterlingenhuis (circa 1478) en aan de kooromgang van de Sint-Salvatorskerk (1481 en volgende). Einde 1524 waren de werkzaamheden aan de nieuwe zalen beëindigd. Het jaar daarop maakte de magistraat toebereidselen voor de versiering van de Schepenkamer: er werd een ontwerp voor een ons

Doorsnede over de Schepenkamer met de Keizer-Karelschouw (tekening J. Vansteenkiste)

verder onbekende schouwbekleding aanvaard (8) en er werd beslist een Laatste Oordeel te schilderen (9) en 'verduretapijten' op te hangen waarin de wapens van de Keizer en het Brugse Vrije zouden verwerkt worden (10).

De 16de- tot 18de-eeuwse gevels van het Brugse Vrije. Foto door Jan Frans Michiels, ca. 1860 (Keulen, Verlag F.C. Eisen) M&L 26

In 1526 stelde men echter de realisatie van de schouw uit. Op 25 september 1528 besloot men ze dan toch te maken — naar het 'patroon' uit 1525 — en op 10 oktober daaropvolgend dat dit zou gebeuren volgens het (oude?) stenen model door de steenhouwer Willem Aerts aan het College getoond. Een maand later, op 10 november kwam het College op zijn beslissing terug en besloot nu uit verscheidene ontwerpen de tekening van Lanceloot Blondeel te laten uitvoeren. Het is niet bekend waarom de magistraat zo plots van gedacht veranderde, noch waarom het Vrije van de schouw een grootse hulde aan zijn vorst Karel V wilde maken (11). Belangrijke militaire en politieke gebeurtenissen uit die tijd hebben waarschijnlijk een


rol gespeeld: na de slag bij Pavia (1525) waarin de Franse koning Frans I de nederlaag leed en gevangen werd genomen, werd in 1526 het Verdrag van Madrid gesloten waarbij Frans I afzag van zijn leenrechten op het graafschap Vlaanderen. Nadien moeten er tijdens de uitwerking nog veranderingen gebeurd zijn, en wel na het sluiten van de Damesvrede in Kamerijk in 1529; bij het totstandkomen van dat verdrag — dat in hoofdzaak de voorwaarden van het Verdrag van Madrid herhaalde maar ook het huwelijk van Frans I met Eleonora, zuster van Karel V, regelde — speelde Margareta van Oostenrijk een belangrijke rol. Na de beslissing van 10 november 1528 werkte L. Blondeel zijn tekeningen uit en reeds enkele dagen later werd vergaderd met steenhouwers en timmerlieden. Op 14 december werd de beeldsnijder Herman Glosencamp voor de eerste maal in de weekrekeningen vermeld; op 1 maart en 12 juli 1529 kwamen daar nog respectievelijk de beeldhouwers Rogier de Smit en Jacob Grepen bij. Bij Andries Nonnon, steenhandelaar in Dinant, werd zwart marmer aangekocht. Terzelfdertijd werd te Mechelen een akkoord gesloten met Guyot de Beaugrant voor het vervaardigen van de schouw. Men ging tevens advies over de schouw inwinnen bij de gekende Lotharingse beeldhouwer Jan Mone (Jan Lartiste), toen eveneens woonachtig te Mechelen waar het Hof gevestigd was van Margareta van Oostenrijk die, zoals bekend, veel belangstelling had voor kunst. Aan 'Thoison dor', de wapenkoning van het Gulden Vlies, werd advies gevraagd over de wapenschilden die aan de schouw zouden aangebracht worden. L. Blondeel kreeg nog een speciale betaling voor het tekenen van de 5 grote vorstenbeel-

den en van 50 wapenschilden. G. de Beaugrant beeldhouwde deze 5 houten beelden en maakte daarna, in de eerste helft van 1530, naar eigen ontwerp het albasten reliëf met de geschiedenis van de kuise Suzanna en — ook naar eigen ontwerp ? — vier albasten putti. De kopergieter Jacob de Keysere vervaardigde de 3 versierde latoenen handgrepen onderaan de schouwmantel. De werken aan de schouw vorderden blijkbaar niet snel genoeg; op 8 januari 1531 zond het Brugse Vrije de beeldhouwer H. Glosencamp naar Antwerpen en Gent om beeldhouwers aan te werven teneinde de zoldering te kunnen afwerken. Als gevolg daarvan kwamen Lievin vanden Meere, Jan Mijn en Adriaen van Helmont de beeldsnijdersgroep versterken; Willem van Damast leverde nog de 'tien ronde paercken met tien blommen' in de cassetten van de zoldering en Willekin Glosencamp, zoon van Herman, maakte 20 kandelaberornamenten tussen de 'paercken' (de gebeeldhouwde cassette-vulling). Zo geraakte het werk, na ongeveer twee en een half jaar, in april 1531 voltooid. De vanaf 1528 geweven tapijten werden in de loop van 1531 aan de wanden bevestigd. En nog in dat jaar werd een houten bank gemaakt om vóór de schouw geplaatst te worden; Willem de Brune draaide er 50 balusterzuiltjes voor (12). In de loop van de eeuwen is er met de schouw, buiten het normale onderhoud, weinig gebeurd. Op het schilderij van Gillis van Tilborgh (1659), dat een zitting in de Schepenkamer voorstelt, is de schouw in

De Keizer-Karelschouw. Lithografie, ca. 1840

27 M&L


haar bruine houtkleur afgebeeld. Of dit de oorspronkelijke afwerking was, is niet bekend. Het houtwerk zal wel vernist geweest zijn ; sporen van polychromie hebben we - althans met het blote oog - niet gevonden, ook niet op de wapenschilden. In de rekeningen uit 1528-1531 wordt trouwens geen schilderwerk vermeld. Toch is het niet uitgesloten dat op het albasten Suzanna-reliëf bepaalde onderdelen met verguldsel waren geaccentueerd ; althans, op het schilderij van G. van Tilborgh uit 1659 schijnt op enkele plaatsen goud aangeduid te zijn, onder andere op de (nu bovenaan afgebroken) scepter en op het hoofddeksel van de rechter in het tweede tafereel. Toen het Vrije in 1721 besloot zijn Landhuis gedeeltelijk te herbouwen, bleven onder andere de vier 16de17de-eeuwse kamers aan de Reie, samen met de Vierschaar, intact bewaard. Enkele decennia later, tijdens de Franse bezetting op het einde van de 18de eeuw, liep de schouw als symbool van koningschap en feodaliteit groot gevaar. De vijf grote beelden werden weggeborgen, maar reeds in de jaren '20 van de 19de eeuw werden ze

Vorstenportretten in de Schepenkamer. Boven de zitbank zijn de wandtapijten bevestigd die in 1859 te Ingelmunster geweven werden (foto Pascale Van den Brouck)

Het midden- en rechtergedeelte van de Keizer-Karelschouw met de beelden van de Spaanse vorsten Ferdinand van Aragon en Isabella van Castilië. De gebogen overgang naar het plafond is versierd met panelen waarin saters omheen groteske kandelabers opgesteld staan (foto G. Charlier) M&L 28


terug op hun oude plaats opgesteld. In 1839 werd een gipsen afgietsel gemaakt voor het Louvre; het monument kreeg een plaats in het Musée de Sculpture comparée te Parijs (13). De schouw kwam nu volop in de belangstelling in binnen- en buitenland, zoals de eerste gidsboeken over Brugge (14), 'prentboeken' over België (15), prenten (16) en porseleinkaarten bewijzen. De toestand van de schouw was echter niet zo goed. Ze staat immers tegen een muur waarop een dakgoot tussen twee zadeldaken ligt, zodat bij het minste lek de vochtigheid doorheen de muur het hout aantast. Daarenboven had men bij het afgieten in 1839 alle onderdelen losgemaakt en ze op een onzorgvuldige wijze teruggeplaatst. In 1844 werd dan ook door de gouverneur van de provincie West-Vlaanderen een commissie ingesteld om over de herstelling van de schouw te adviseren. Uit het verslag van deze commissie bleek dat een restauratie meer dan nodig was: kleine onderdelen van de beelden waren verdwenen (Maria van Bourgondië en Maximiliaan waren onder andere ieder een hand kwijt; de kroon van Keizer Karel was bijna volledig weg; overal waren aan de schilden, beeldjes, medaillons en arabesken herstellingen te doen) en zowel aan de marmeren als aan de albasten gedeelten waren barsten en breuken te zien. Nadat men in 1846 in de Schepenkamer eerst de houten wandbekleding, de banken en de treden grotendeels vernieuwd had en een volledig nieuw verhoog had gemaakt, kreeg de Leuvense beeldhouwer Ch. Geerts de opdracht de schouw te herstellen. Dit gebeurde in 1847. De werklieden van Geerts arbeidden niet enkel ter plaatse in Brugge, maar ook in de ateliers te Leuven en te Antwerpen waar hij toen het Detail van het plafond. Fantastische dieren ondersteunen saters die een toorts omhoogsteken (eigen foto)

neogotisch koorgestoelte voor de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal vervaardigde. Sindsdien zijn geen herstellingen meer nodig geweest, maar regelmatig wordt de schouw volledig gereinigd van vuil en stof. De laatste maal gebeurde dit in januari laatstleden, wat meer dan nodig was na de aanpassingswerken in de vroegere Vierschaar; het marmer en het albasten reliëf werden ingewreven met een speciaal wasproduct, door het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium samengesteld.

Beschrijving Vanuit de Vierschaar leidt een korfboogdoorgang naar de Schepenkamer, waar de Keizer Karel-schouw opgesteld is. De zoldering van de kamer is opgebouwd met drie moerbalken en kinderbalken; de uiteinden Het plafond boven het rechtergedeelte van de schouw (foto Magenta) van de moerbalken werden in 1846 vernieuwd. De 29 M&L


balksleutels — in 1523 door Rogier de Smit gebeeldhouwd — dragen het wapen van het Brugse Vrije dat vastgehouden wordt door een wildeman en een wildevrouw (2 x) of door twee griffoenen (2 x); op twee andere sleutelstukken is het wapenschild omringd door banderollen (17). De schouw staat tegen de westwand van de Schepenkamer; de houten schouwboezem vormt een totaalcompositie met de betimmerde wand ernaast en wordt zelfs via gebogen panelen doorgetrokken tot in de zoldering. Door de drukke en overladen versiering met kronen, beelden, medaillons, ornamenten, schilden en banderollen, bezit de schouw geen heldere, overzichtelijke opbouw. Mede door de breedte van de wand, wordt het horizontalisme geaccentueerd. De 5 grote vorstenbeelden - die ieder uit verscheidene stukken samengesteld zijn - maken deel uit van een groter geheel: ze worden niet benadrukt door bijvoorbeeld nissen; enkel het beeld van Karel V staat vóór een aedicula. De zijwangen van de schouw zijn van zwart marmer van Dinant; ze ondersteunen een hoofdgestel met marmeren architraaf, albasten fries en marmeren kroonlijst waarop de betimmerde boezem rust. De albasten fries beeldt in 4 scenes de geschiedenis uit van de kuise Suzanna (Daniël, 13, 1-64). Van links naar rechts zien we: de badende Suzanna die beslopen wordt door twee Ouderlingen die haar dreigen aan te klagen wegen overspel als ze op hun voorstellen niet zou ingaan; Suzanna vóór de rechter; het vonnis en de tussenkomst van Daniël; de steniging van de valse aanklagers. Het reliëf is een gerechtigheidstafereel dat gedurende al die eeuwen op zijn oorspronkelijke plaats gebleven is. Het geeft een voorbeeld van rechtvaardige rechtspraak uit de bijbel, waarbij het niet enkel gaat om de verantwoordelijkheid en de wijsheid van de oordelende rechter, maar ook om de op meineed gesteunde misdadige aanklacht van de Ouderlingen die bovendien zelf rechters waren. G. de Beaugrant heeft in zijn gebeeldhouwde fries de nadruk gelegd op het dramatisch-bewogen verhaal, niet op een symmetrisch-overzichtelijke opstelling met een architectuurdecor dat nadrukkelijk het verhaal ondersteunt. De beeldhouwer verkrijgt dieptewerking in zijn picturaal reliëf door het hoog-reliëf op de voorgrond te laten overgaan in laag-reliëf op de achtergrond.

1 2 3 i, 5 6 7 8

9 10 11 12 13 U 15 16

MARIA VAN BOURGONDIE Vlaanderen Brabant Artesie Luxemburg Oud Bourgondie Namen Limburg

De wapenschilden op de Keizer Karel-schouw (tekening J. Vansteenkiste)

'•V »

7

» i «

w ;,. ' * : i •i:* 1

Naast de albasten fries staan op de hoeken 4 gevleugelde putti, eveneens van albast. De putti — lievelingen van het Ouattrocento — zijn een versmelting van de antieke Amor en het kristelijke engeltje. Alhoewel ze niet altijd als een symbool mogen aangezien worden en dikwijls louter als versieringselement aangewend zijn, is het niet onmogelijk dat ze hier een symboolwaarde hebben en deugden uitbeelden, wat niet zo verwonderlijk zou zijn in deze Collegekamer waar kleine burgerlijke geschillen beslecht werden. De eerste putto met 2 stenen (vuurstenen ?) in zijn handen kan wijzen op het geduld; de tweede met de aifiiiP hoorn van overvloed is het symbool van de voorzichtigheid; de derde kijkt meewarig naar de steniging en Het wapen nr. 16: Zwaben (foto Magenta) M&L 30

MAXIMILIAAN VAN OOSTENRU Karinthië Tirol Hongarije Dalmatié Kroatië Stiermarken Zwaben


18

19

^V

17 18 19 20 21 22 23 V,

KAREL ï Oud en Nieuw Oostenrijk Hongarije Dalmatië Napels Valencia Kroatië Toledo

32 FERDINAND VAN ARAGON 25 26 27 28 29 30 31

Castilië Leon Aragon Sicilië Granada Navarra Galicië

Het wapen nr. 20: Dalmatië (foto Magenta)

33

Sicilië

3^ 35 36 37 38 39

Jeruzalem Napels Valencia Sardinië Mallorca Barcelona

40 41 42 43

ISABELLA VAN CASTILIË Toledo Navarra Leon

44 Sevilla 45 Galicië 46 Granada 47 Astunë

Het wapen nr. 40: Isabella van Castilië (foto Magenta)

31 M&L


staat voor de gerechtigheid; de vierde met de leeuw stelt de sterkte voor. De houten boezem vormt een onderdeel van de wand en maakt er het uitspringende middenstuk van uit. Tegen de schouwboezem is de centrale figuur Keizer Karel V opgesteld; tegen de houten wand naast de schouw staat op elke zijde een naar het midden toegewend vorstenpaar, de grootouders van Karel: links Maria van Bourgondië en Maximiliaan van Oostenrijk, rechts Isabella van Castilië en Ferdinand van Aragon. De vorstenbeelden zijn vergezeld van wapenschilden van hun Nederlands-Habsburgse en Spaanse erflanden; bij de wapens, die nooit gepolychromeerd geweest zijn, horen kronen en banderollen. Dr. T. Goddeeris maakte er ons opmerkzaam op dat het — tot dan niet als zodanig herkende — wapen van elke voorgestelde vorst (18) telkens vergezeld is van een groep van 7 wapens van landstreken (tweemaal 7 voor Karel V) waardoor de gehele schikking een logisch geheel vormt (19).

Karel V staat vóór een troon die onder meer versierd is met 4 — moeilijk zichtbare — medaillons. Onderaan tegen de zitbank zijn er 2 medaillons die traditioneel als de portretten van Karels ouders Filips de Schone en Johanna de Waanzinnige aanzien worden. Tegen de rugwand worden in de medaillons voorgesteld: Charles de Lannoy, de overwinnaar in de slag van Pavia, en Karels tante Margareta van Oostenrijk, mede-bewerkster van de Damesvrede. Aan weerszijden is de troon geflankeerd door twee gegroefde Korintische zuilen, de zuilen van Hercules, die in de Oudheid het Romeinse rijk begrensden. De zuilen en Karels devies Plus Oultre (Plus Ultra, Noch Weiter) waren een persoonlijk symbool, naast het keizerlijke symbool: de dubbele arend. Het idee achter het embleem was dat Karel als een nieuwe Hercules voorbij de bekende grenzen gegaan was; eerst later werd dit symbool beschouwd als betrekking hebbend op de verovering van Amerika. Het middengedeelte is aan weerszijden begrensd door een uitspringend zijstuk met kandelaberzuilen en put-

Albasten fries met de geschiedenis van de kuise Suzanna, door Guyol de Beaugrant naar eigen ontwerp gebeeldhouwd in 1530-I^JI (foto G. Charlier)

•Hi

M&L 32


JVI öc L BinnGnküTdiiit

Inhoud nr. 40 / Bijlage bij M&L 8/3 - Mei-Juni 1989 Platteland: bouw en wederopbouw Naar aanleiding van de publikatie van het inventarisdeel Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen Provincie West-Vlaanderen Arrondissement leper, Kanton Popennge 1 ln2


Platteland : bouw en wederopbouw Het verschijnen van de delen llnl kieskanton leper (1987) en lln2 kieskanton Poperinge (1989) in de reeks Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen, gaf aanleiding tot een tentoonstelling die de plattelandsbebouwing weerszijden de frontlijn belicht. In tegenstelling met het leperse lag het Poperingse veelal buiten het front van de 'Grote Oorlog': stad en ommeland bleven gespaard en kunnen dan ook in zekere mate getuigen voor het vooroorlogse beeld van de aansluitende 'verwoeste gewesten'. De opdeling in twee kieskantons stoelt op een louter administratieve basis; landschappelijk, geografisch, economisch en historisch gaat het om dezelfde streek. Ook dit deel van de Westhoek behield een uitgesproken agrarisch karakter; de landelijke bebouwing determineert nog sterk het profiel van beide kantons. In deze Westhoek, uitzonderlijk gehecht aan eigen bouwkundige tradities, vormen en materialen, was het haast vanzelfsprekend dat de enorme bouwnood na de Eerste Wereldoorlog in traditionele, regionale historiserende architectuur werd opgevangen; dit werd eigenlijk minder als een teruggrijpen naar een ver verleden beschouwd, dan het normaal heropnemen van de draad, die door de oorlog werd onderbroken.

Vorming van de Ypres Salient' op 21 oktober 1914 naar A. Caenepeel

2

Carfe des environs de Dunkerque, Bergue, Cravelines, Saint-Omer,van E.G. Fricx, Paris, 1743. (Uitgave N.C.I.)

Streekeigen materiaal De lokale afwezigheid van natuursteen leidde tot de aanvoer vóór 1200 van ijzerzandsteen, afkomstig van de Zuidvlaamse bergen (Kemmel-, Cats-, en Casselberg). Vanaf het einde van de 13de en in de 14de eeuw werd sporadisch harde zandsteen uit Artesië gebruikt voor de onderbouw (sokkel, plint) van landelijke woningtypes van enig aanzien (kerken, buitenplaatsen, herenboerenhuizen). Voor deze representatieve constructies werd vanaf de 13de eeuw baksteen aangewend: het 'nieuwe' bouwmateriaal werd vermoedelijk aangevoerd vanuit de kuststreek, waar de systematische kleiexploitatie voor baksteenfabricage sinds de 13de eeuw een verworvenheid was. De aanvankelijk beperkte baksteenbouw zal in de loop van het langzame versteningsproces grotendeels de regionale vakwerk- en houtbouw verdringen, eerst in de stedelijke, later in de landelijke nederzettingen. Voornamelijk vanaf de tweede helft van de 18de eeuw werd lokaal op grotere schaal ontgonnen voor dakpannen- en baksteenproduktie. Het gebruik van stijlen regelwerk typeerde tot in de 19de eeuw de landelijke bebouwing van het gebied. Het bouwmateriaal — hout — was in dit toen nog bosrijke gebied voorhanden. Het lokale houtwerk van ramen en deuren vertoont een karakteristiek uitzicht; de houten

I M&L BINNENKRANT I

kozijnconstructie, die in feite geen eigen verworvenheid van het gebied is, lijkt hier en in de omstreken frequenter gebruikt dan in de rest van West-Vlaanderen. De kozijntraditie hield nog stand tijdens de wederopbouw, die trouwens geen ommekeer

Roesbrugge-Haringe. Haringeplein. St.-Maxinuskerk. N.-gevel. Tweelicht


bracht in het traditionele materiaalgebruik. Gedreven door het nijpende woningtekort, werd kort na de Eerste Wereldoorlog teruggegrepen naar de aloude vakwerktraditie; nood- en semi-permanente woningen zijn de laatste getuigen van deze vervaagde vaardigheid.

Dorpen Het bestudeerde gebied telt slechts twee kleine stedelijke centra, leper en Poperinge; de dorpen zijn talrijk (22) en vertonen een uiteenlopende aanleg, bepaald door diverse factoren. Haringe bijvoorbeeld, ontstond rondom de in de 9de eeuw gestichte parochie; de kerk werd gebouwd op het droogland, ietwat verwijderd van de zompige overstromingsgebieden. Naast dit gaaf bewaard kerkdorp ontwikkelde zich het handelscentrum Roesbrugge aan de brug over de IJzer, van daaraf bevaarbaar. Het dorp bezit een grote marktplaats met verstedelijkte allures, die overgaat in lintbebouwing langs de 'Grofe Calchiede', aangelegd door Lodewijk XIV in 1679-1680. Deze steenweg, gaande van Waasten over leper en Poperinge naar Duinkerke, bepaalde tevens de langgestrekte evolutie van het oorspronkelijke kemdorp Proven. Te Watou onderstrepen de twee marktpleinen, gescheiden door de Heidebeek, het historisch belang van het dorp als bestuurlijk centrum.

Poperinge. Watouseweg nr. 10. Dwarsschuur

Watou. Dorpplaats in 1791

Reningelst. Pastoorstraat nr. 17. Boerenhuis. L. zijgevel (1702)

M&L BINNENKRANT

De wederopbouw herstelde in grote lijnen de vooroorlogse dorpsstructuur. Uitzonderlijk werd het aanlegplan gewijzigd: dit gebeurde doorgaans in functie van een 'spilmonument'. De creatie van het Guynemerplein te Poelkapelle en het Mgr. Sixplein te Vlamertinge zijn te verklaren door de bouw van respectievelijk een veel grotere dorpskerk en van een monumentaler gemeentehuis.


#

^

-^ v > ^ *

-^

Roesbrugge-Haringe. Naai A. Sanderus (1735)

De christianisatie ingezet in de 7de eeuw leidde tot de oprichting van de meeste parochies in de 11de en de 12de eeuw. De dorpen bezaten veelal een romaans bedehuis, waarvan de resten zich meestal beperken tot hergebruikte ijzerzandsteen in de huidige kerkgevels. De dorpskerken van Haringe, Watou, Reningelst en Westvleteren bewaren nog fragmenten van de vroegere romaanse constructie. Deze gegevens laten toe de lokale romaanse architectuur te typeren als behorende tot de regionale N.W.-tak, die zich vanaf Normandië over Picardië en Vlaanderen tot in Champagne uitstrekt. De door F. Desmidt uitgewerkte romaanse constructies van Haringe, Watou en Reningelst tonen driebeukige kruiskerken, opgetrokken volgens basilicaal schema; de kruisingtoren is vierzijdig, te Watou echter mogelijk achtkantig. Overblijfselen van de romaanse Sint-Martinuskerk te Westvleteren wijzen op een éénbeukige kruiskerk met vierzijdige middentoren. Het huidige uitzicht van nagenoeg alle dorpskerken beantwoordt aan het type van de bakstenen driebeukige hallekerk met west- of kruisingtoren. Dit specifieke bouwprogramma, gekoppeld aan het gebruik van baksteen, kenmerkte de opkomst van de gotiek in de kuststreek. De landelijke parochiekerken in het Poperingse zijn overwegend laat-gotisch, doch in de eerste helft van de 19de eeuw werd de Roesbrugse Sint-Martinuskerk nog volgens dit traditionele bouwschema opgetrokken, weliswaar in een neoclassicistische uitvoering.

4

Uit het wederopgebouwde kerkenbestand blijkt dat voornamelijk enkel gotische bedehuizen naar hun vooroorlogse uitzicht werden wederopgebouwd. Te Boezinge, Elverdinge, Vlamertinge, Zillebeke, Langemark, Zuidschote en mogelijk ook in Bikschote werd de overwegend laatgotische dorpskerk min of meer getrouw — over het algemeen 'corrigerend' met betrekking tot de stijleenheid — gereconstrueerd; indien (nog) bestaand gebeurde dit onder meer aan de hand van vooroorlogse restauratie- en opmetingsplans. Typische architectonische versieringen illustreren de regionale baksteengotiek: spitsbogige casementen verrijkt met traceerwerk worden voornamelijk aangetroffen bij de torens. De lichte structuur van de hallekerk afgedekt met houten gewelven verleent aan de kerkinterieurs een specifieke ruimtewerking en een grote lichtinval. In het algemeen hebben bedehuizen die vóór de Eerste Wereldoorlog een 'andere', dan de gotische bouwtrant vertoonden — onder meer neoclassicistisch (Poelkapelle, Voormezele) —

Reningelst. Reningelstplein. St.-Vedastuskerk. Centrale westgevel

I M&L BINNENKRANT I


HQvWcit "Mvsr vaftflttCRtii ^ • • ' f ^UL^.

I

^C^-i iCr

«si

/§«-"-

.ihk

.1 V Y

n

Links: Watou. Kerkhofstraat. St.-Bavokerk. O.-gevels (1913) naar A. Caiette. Archief K.C.M.L. 940 Boven: Langemark. Markt. Parochiekerk St.-Paulus Bekering. Langsdoorsnede n.o.v. architect T. Nolf (1921)

Roesbrugge-Haringe. Haringeplein. St.-Martinuskerk. Vanuit het N.O.

M&L BINNENKRANT I

5


na de wederopbouw een eclectische vormentaal; plattegrond en opstanden geven weinig blijk van uniformiteit, doch wijken nauwelijks of niet af van de in de kerkbouw algemeen gangbare. Hun architecturale uitwerking leunt aan bij het neo-romaans met regionale en Byzantijnse inslag (Voormezele), de toenmalige 'moderne' religieuze architectuur (Poelkapelle, Brielen) of de neogotiek met minder lokale inslag (Sint-Juliaan, Sint-Jan, Hollebeke). Onder de toren biedt de bebouwing, laat-18de-eeuws doch voornamelijk 19de-eeuws, een eenvoudige aanblik. Stijlinvloeden zijn sporadisch merkbaar. Fijne detaüs als kozijnprofielen, deurknoppen, -bellen, -bovenlichten, voetschrapers, brievenbussen, en dakkapellen onderscheiden heren-, burger-, arbeiderswoningen, herbergen en winkels. De wederopgebouwde dorpsarchitectuur sluit daarbij aan. Niettemin streefden enkele architecten een zeker homogeniteit na in de wederopbouwprojecten, die hen binnen sommige dorpen werden toevertrouwd.

Boezinge. Diksmuidseweg m. 395-397-399

Watou. Vijfhoekstraat nr. 18. Kozijnconstructies (1799)

M&L BINNENKRANT


De pastorie is door haar ligging en volume doorgaans een beeldbepalende component van het dorpsgezicht. Zij beantwoordt meestal aan het basistype van een dubbelhuis van één of twee bouwlagen op rechthoekige plattegrond. De oudste dateren uit het laatste kwart van de 18de eeuw; de meest recente uit het begin van de 20ste eeuw, met inbegrip van de wederopgebouwde laatgenoemde, zijn veelal neogostisch getint.

De openbare gebouwen beperken zich tot de gemeentehuizen en de schooltjes. De meeste landelijke gemeenten beschikken over een gemeentehuis dat niet ouder is dan de tweede helft van de 19de eeuw. Hun doorgaans eclectische bouwtrant verschilt van de overige dorpsbebouwing, wat hun herkenbaarheid ten goede komt. Ook bij de wederopbouw krijgt het gemeentehuis extra aandacht, wat zich veelal uit in een meer historiserende bouwtrant. Bij voorbeeld siert een zogenaamd 'tabernakel'- of aediculavenster — het typisch renaissance vensteromament uit de Westhoek — het gemeentehuis te Elverdinge. Dorpsschooltjes vertonen een sobere functionele vormgeving, getypeerd door de traditionele, grote raamoppervlakken; bijhorend klooster of onderwijzerswoning zijn soms meer eclectisch uitgewerkt.

Boven: Woesten. Woestendorp nr. 12. Gemeentehuis Onder: Reningelst. Zevekotestraat nr. 4, 6, 8

M&L BINNENKRANT


Nieuwe nederzettingen: de tuinwijken als meer progressieve wederopbouwprojecten Nieuw is het tuinwijkje (1921) gelegen buiten de oude dorpskom van Elverdinge. Het sluit qua concept en architecturale kenmerken grosso modo aan bij de tuinwijken N.M.B.S., Kalfvaart en Ligy gelegen buiten de leperse vestingsgordel. Deze tuinwijken kunnen bestempeld worden als uitingen van eigentijdse huisvestingsprinciepen gebaseerd op oudere tuinwijkgedachten en met aandacht voor de meer sociaal-functionele wederopbouwaanpak van de modernisten. Hun aanleg is echter eerder geïnspireerd op de 'regionale' dorpsbebouwing dan op de typische tuinwijkaanleg naar Engels model: hoewel vrij uniform, helt de architectuur er ook veel meer over naar de lokale bouwtrant dan naar de radicalere modernistische esthetiek.

LÜOIKV

•'

U)

*1

6~C

i? w . w^^ *>*/*. itsfi.

J M « t - - " 1j i f .

Elverdinge. Boezingestraat nr. 1-20. Tuinwijk. Aanlegplan (1921)

Elverdinge. Boezingestraat nr. 1-20. Tuinwijk. Gevelopstand en plattegrond (1921)

etrtcz, pta ptofortz

l#^^ii^

\fita^c^'DC^c0nm^aucrfomz

WE\7-I

> A..

PM'lli|iJiW| loSïïipl fcvc4Pt PoaTtnfcJUBfc

ftaCVDt LATCfiALt.

O&rmrouaiQn pvn

mc^PC^ DEiindPALE.

^

v«g« «UMnotnrCDen z i t PI-IX-I n f t . T y » * e -o

8

M&L BINNENKRANT I


Hoeven Hoevebouw is ongetwijfeld het belangrijkste component van de landelijke architectuur. De oudste bewaarde hoeven dateren op enkele uitzonderingen na uit de 18de eeuw; de jongste zijn wederopbouwhoeven van kort na de Eerste Wereldoorlog. Laatstgenoemde betekende geen omwenteling voor het regionale landbouwgebeuren; de eigenlijke (meest ingrijpende) technologische en economische vernieuwingen manifesteren er zich voornamelijk pas na de Tweede Wereldoorlog. Hierdoor verschillen wederopgebouwde hoeven in essentie niet van de vooroorlogse. Als 'nieuwe' bedrijven, zelden op oude funderingen — doorgaans dichter bij de openbare weg — wederopgebouwd en soms blijkgevend van een vernieuwd functionalisme, zijn zij nog even grondgebonden als de van het oorlogsgeweld gespaarde landbouwuitbatingen. Dit weerspiegelt zich in het uitzicht van de wederopbouwhoeven dat 'normaal' resulteert uit traditioneel gegroeide en regionaal geapprecieerde architecturale bijzonderheden: opstelling en bestanddelen, aanplantingen, bouwmaterialen, indelingen, volumes en vormen sluiten aan bij de vooroorlogse hoevebouw. Anderzijds worden bij de wederopbouw streekeigen elementen wel eens (over-)geaccentueerd. Aandaken, muurvlechtingen, topstukken, uilegaten, overstekende dakranden op houten modillons zijn dan, evenals (pseudo-) kozijnconstructies met kleine roedenverdeling en luiken, minder ingepast in het totale hoeveconcept dan vroeger. Pachthoeven van één eigenaar zijn meestal door dezelfde architect wederopgebouwd en vertonen hierdoor verwante elementen inzake algemeen concept en architecturale uitwerking, soms nog onderlijnd door de beschildering van het houtwerk in de 'kleuren van de eigenaar". De hoeven van de leperse Burgerlijke Godshuizen (thans O.C.M.W.) bijvoorbeeld, zijn duidelijk herkenbaar aan hun rood- en witbeschilderde luiken.

Vlameitinge. Z.g. 'St-KathahnahoF. Dwarsschuur. Opstanden n.o.v. C. Schmidt (1920)

^•HMI^MAB^M

rtMtaHM"

• -Lr-

•S^ri^^*

Popeiinge. Krombekestraat nr. 36. Boerenhuis. Kozijndeur en -vensters (1780)

Voorts vertonen wederopbouwhoeven in dezelfde mate als hun oudere soortgenoten beeldtransformaties, voornamelijk in functie van een vernieuwd bedrijfsgebeuren tengevolge van arbeidsrationalisatie en teelttechnische perfectie. De doorsnee-hoeven laten zich opsplitsen in twee types, respectievelijk met losstaande bestanddelen en met langgestrekte aanleg. Daarnaast vertonen wederopbouwhoeven soms een L-vormige en sporadisch een semi-gesloten opstelling. Het meest voorkomend is de hoeve met losse

- u- • •j---'^

Poperinge. Abeelseweg nr. 242

M&L BINNENKRANT


bestanddelen van één bouwlaag onder pannen zadeldaken met overstekende dakrand en houten modillons, geschikt rondom een erf met het boerenhuis ongeveer ten noorden. De meeste erven zijn recent verhard; bakstenen stoepen en vaalt — nu dikwijls ingenomen door een siertuin — worden zeldzaam. Overdekte vaalten in de vorm van open eenbeuIdge gebouwtjes worden sporadisch aangetroffen bij wederopbouwhoeven. Een moestuin en voornamelijk nog resten van een boomgaard, kunnen tot de onmiddellijke omgeving van het erf behoren; hagen zijn nog uitzonderlijk aanwezig. Resten van omwallingen zijn schaars; een boerenhuis gebouwd op een terp is een zeldzaamheid. Naar aloude volkstraditie ligt soms een wegkapel aan de erfoprit. Nabij de hoeve gelegen Britse militaire begraafplaatsen wijzen veelal op him functie als veldhospitaal tijdens de oorlogsjaren.

Poperinge. Woestenseweg nr. 7. Boerenhuis (1875)

Oostvleteren. Hoflandstraat nr. 5. Z.g. 'Hof Vaguebak'. Mariakapel (1845)

Poperinge. Woestenseweg nr. 11. Boerenhuis (1922)

Het boerenhuis — voornamelijk het niet wederopgebouwde — leunt doorgaans aan bij het langgestrekte type, tengevolge van een links of rechts aanpalende stal onder hetzelfde doorlopende zadeldak dat soms geknikt is. Het beschikt over een onderkelderd gedeelte waarboven de opkamer of de 'vaute' zich bevindt; hierbij sluiten doorgaans twee leefruimten aan, waaronder de 'Jbesfe kamer'. De vensters zien uit op het erf. Slaapvertrekjes, keuken en 'achterkeuken' bevinden zich aan de achtergevelzijde (N.-gevel), die uiter-

aard meer gesloten is. De eenvoudige bouwtrant wordt doorgaans getypeerd door de houten kozijnconstructies van ramen en deuren, die bij het 18de-eeuwse boerenhuis soms geprofileerd zijn. In de laat-19de-eeuwse en de wederopgebouwde stalvleugel zijn meestal ook een voederkeuken, een melk-, een bakhuis, en een privaat opgenomen.

10

Het lokale schuurtype is de dwarsschuur; zij kan naargelang haar grootte ook het wagenhuis en een

I M&L BINNENKRANT I

stal herbergen. Bij de wederopbouw werd niet meer teruggegrepen naar het streekeigen gebruik van stijl- en regelwerk met horizontale plankenbeschieting voor de lange schuurwanden; de wederopbouwschuur is volledig uit baksteen opgetrokken. Schuurzijgevels hebben doorgaans een uilegat in de top; dateringen door middel van uitstekende baksteenkoppen of lichtere bakstenen opgenomen in het metselverband, kunnen evenals bij de boerenhuizen — en in mindere mate de stallen — deze gevels markeren.


ten in onbruik, kregen een andere functie of werden omgebouwd. Ongeveer hetzelfde lot was de cichorei- en tabaks-asten uit het kieskanton leper beschoren. Cichorei-asten werden er in de jaren 1940 veelal aangepast tot tabaks-asten, terwijl laatstgenoemde thans meestal in onbruik zijn. De streek telt ook een aantal herenof kasteelhoeven. De herenboerenhuizen — ook de wederopgebouwde — behielden in min of meerdere mate hun oorspronkelijke uitzicht; doorgaans overstijgen zij door hun originele vormgeving de doorsnee-hoevebouw. Het 'Blauwhuis' te Watou bewaart de opkamer in regionale laat-renaissancestijl (Trappistenweg nr. 17). Deze wordt getypeerd door het gebruik van lichtere bakstenen voor de korfboogomlijsting van de verdiepte vensters, de afzaat met tandlijst, de hoekbanden, en de Wafou. Jonkheidstraat nr. S. Dwarsschuur Het meest kenmerkende bestanddeel van de hoeve uit de Poperingse hopstreek is de typische hopast uit de 19de en de eerste helft van de 20ste eeuw. Hij ligt enigszins afgezonderd van de andere hoevegebouwen omwille van het brandgevaar. Dit eenvoudige bakstenen gebouwtje wordt versterkt door muurankers ter hoogte van de droogvloer, en is doorgaans nog duidelijk herkenbaar aan de gek(-ken) op het zadeldak. 20steeeuwse hopasten zijn meestal iets

hoger opgetrokken; hun oudere soortgenoten getuigen sporadisch van een versteningsproces. Het in 1955 ingezette machinale plukken van de hop (september) leidde tot een grotere hopbedrijfsconcentratie die gepaard ging met de oprichting van nieuwe, grotere en efficiëntere drooginstallaties (minimaliseren van het brandstofgebruik; gasolie) meestal ondergebracht in omgebouwde schuren en betonnen loodsen. Hierdoor geraakten oude hopas-

Watou. Trappistenweg nr. 17. Z.g. 'Blauwhuis'. Hooghuis

Langemark. Klerkenstraat nr. 88. Z.g. 'Eeckhoutthiende'

M&L BINNENKRANT

kroonlijst op consoles. Geprofileerde balksloffen met bladmotief en een natuurstenen schoorsteenmantel met Dorische zuiltjes sieren het interieur. Eveneens op Watou's grondgebied illustreert 'Kortewilde' op fraaie wijze het belang van de houten kozijnconstructies (1779) opgenomen in een sober, evenwichtig opgebouwd boerenhuis (Kapellestraat nr. 1). Ondanks de doorstane perikelen van de Franse Revolutie en de Eerste Wereldoorlog weerspiegelt het Xasteelhof" in de schaduw van de dorps-

n


kerk te Reningelst, nog enigszins haar belang als hoeve bij het omwalde kasteel dat in 1793 verdween (Renigelstplein nr. 5). De Poperingse 'Schipvaarthoeve' bezit een mooi geproportioneerd 18de-eeuws herenboerenhuis met dubbelhuisopstand, kozijndeur en vensters (Schipvaartweg nr. 8). De recente benaming is relevant voor de inmiddels verdwenen infrastructuur die de in 1867 ingezette kanalisatie van de Vleterbeek tot Poperingevaart met zich meebracht. Voorts getuigt onder meer een merkwaardige, 19deeeuwse herenhoeve van de relance die de Poperingse landbouwbedrijvigheid in deze periode kenmerkt. De symmetrie van het hoevecomplex gedomineerd door het hoge herenboerenhuis, evenals de rechte populierendreef, onderstrepen haar belangrijkheid (Poperinge, Krombeekseweg nr. 32). Binnen het wederopgebouwde hoevenbestand munten enkele grotere hofsteden uit door een geslaagde combinatie van streekeigen bouwelementen en vormen. Dit is onder meer het geval bij de historische 'Bellegoeden'op de leperse buiten. Enkele van deze hoeven beschikken over een inrijpoort. Te Brielen (Adriaansensweg nr. 31) en Vlamertinge (Poperingseweg nr. 122) overleefde een 18de-eeuwse inrijpoort, respectievelijk eenvoudig en classicistisch uitgewerkt, de Eerste Wereldoorlog.

Poperinge. Krombeekseweg nr. 32. Herenboerenhuis

Kastelen en buitenplaatsen De bewaarde kastelen of buitenplaatsen in het bestudeerde gebied klimmen op tot de 16de eeuw. Het huidige boerenhuis van de 'Tempeliershoeve' te Westvleteren gaat vermoedelijk terug op het kasteel van de heren van Zuydpene (Eikhoekstraat nr. 51). De inplanting (omwald 'upperhot en neerhof) releveert nog de toestand zoals aangegeven op de Ferrariskaart (1771-1778). Als fraai voorbeeld van burgerlijke baksteenarchitectuur uit de 16de eeuw, is het een unicum in het kanton. De architectonische versieringen sluiten aan bij de typische baksteengotiek van de kuststreek: de tudor-, korf- en uitgelengde accoladeboogomlijstingen van de verdiepte muuropeningen sporadisch verrijkt met traceerwerk, de bakstenen naaldspits afgezet met hogels en vereenvoudigde wimbergen van de overhoekse toren, en het afwisselend baksteengebruik onder meer voor de talrijke metselaarstekens. Een soortgelijk metselwerk typeert ook de toren (1447) van de Sint-Roctrudiskerk te Woesten. De Franse Revolutie

spaarde de fraaie poort in laat-renaissancestijl van het kasteel te Watou (Kasteelstraat nr. 1). De hardstenen rondboog is opgenomen in een portiektravee met halfronde Dorische pilasters en hoofdgestel; kalkstenen reliëfs met rankwerk en putti verlevendigen de boogzwikken en het fries met jaarcartouche 1620. Ook de zevenbogige toegangsbrug (jaarankers 1611 en 1881) suggereert nog de allures van het verdwenen kasteel

12

M&L BINNENKRANT

Westvleteren. Eikhoekstraat nr. 51. Z.g. 'Tempeüershoeve'. Mission du Ministère des Sciences et des Arts (28/4/1917; foto nr. 368)

dat volgens Sanderus tot de meest indrukwekkende van Vlaanderen behoorde; de plaats wordt sinds circa 1810 ingenomen door een mooi neoclassicistisch herenhuis. Van het voormalige buitenverblijf in classicistische stijl (1758) van de leperse seminaristen te Vlamertinge (Adriaansensweg nr. 1), overleefden de buitenmuren grosso modo de Eerste Wereldoorlog; het werd zo getrouw mogelijk hersteld en tot hoeve aangepast.


De oorspronkelijke zomerverblijven "t Couthof en 'De Lovic' te Proven, werden achtereenvolgens in 1768 en 1856 opgetrokken. De bouwheren waren vooraanstaande Poperingenaren, respectievelijk J.F. de Sales Mazeman en J. Van Merris. Ondanks de oude kem heeft "t Couthof een 19de-eeuws, neo-classicistisch uitzicht; het koetshuis en de conciërgerie vertonen soortgelijke stijlkenmerken (Proven, Couthoflaan nr. 50). Daarentegen contrasteert de Italianiserende renaissancestijl van het kasteel 'De Lovic' naar ontwerp van architect P. Croquison (Kortrijk), met de meer landelijke, eclectische bouwtrant van de nutsgebouwen (Proven, Canonstraat nr. 10). Beide kastelen liggen in een park met 19deeeuwse aanleg naar Engels model; tuinpaviljoentjes onderstrepen het arcadische karakter van deze landschapstuinen, dat bij het "t Couthof best bewaard bleef. Tijdens het derde kwart van de 19de eeuw drukten de kasteelheren ook een stempel op hun omgeving; onder hun impuls werd het beboste landschap ontgonnen en ontstond een landelijke architectuur, die zich voornamelijk op het vormelijke en decoratieve vlak onderscheidt van de traditionele, 19de-eeuwse hoevebouw. De wederopgebouwde buitenplaatsen behouden min of meer uitgesproken reminiscenties aan hun vooroorlogs, voornamelijk 19de-eeuws eclectische uitzicht, gedomineerd door neogotische of neoclassicistische stijlontleningen. Nog representatief voor de vooroorlogse, neogotische buitenplaatsen is het kasteel te Vlamertinge (Hospitaal-

Watou. Naar A. Sanderus (1735)

Proven. Couthoflaan nr. SO. Kasteel 't Couthof. Toegangshek

M&L BINNENKRANT

Zuidschote. Middelstraat nr. 8. Z.g. 'Noord-Bellegoed' (1921-1922). Wapenschild van de familie Belle

13


burgerfamilies, werden geïntegreerd ingeplant in het dorpsbeeld. Tengevolge de stijgende bedrijfsconcentratie vervielen velen; de bedrijfsgebouwen staan thans leeg of fungeren als drankenopslagplaats. Hoewel het op grote schaal verwerken van hop voornamelijk gebeurde in de hopmagazijnen van de Poperingse stadskern, telt ook Vlamertinge een dergelijk magazijn (1869) uit de bloeiperiode van de lokale hopnijverheid. Het complex omvat vier asten volgens logisch symmetrisch schema opgesteld aan weerszijden van de stapelruimten. Ook voor het drogen van cichorei konden de boeren terecht in industriële asten, waarvan Hollebeke nog een exemplaar bewaart. Schaarse windmolens (3) getuigen nog van de voorheen bloeiende maalnijverheid. Het klein aantal nog in bedrijf zijnde maalderijen vloeit voort uit selectie en modernisatie. Naar de voormalige baksteenproduktie verwijzen de ruïnes van een drietal steenbakkerijen, opgericht in de tweede helft van de 19de eeuw; 'Schabaillies' briekenoven' aan de

Elverdinge. Vlamertmgsesaaat ia. 83. Kasteel (1874, 192S)

straat nr. 26). Het kasteel te Elverdinge werd hersteld naar de 'Loire'allures van vóór de 'Grote Oorlog'. Een uitzondering vormt het kasteel "f Hoge' te Zillebeke, dat in afwachting van de nooit gerealiseerde wederopbouw van het eigenlijke kasteel, in een meer intieme cottagestijl werd wederopgebouwd. Het kasteel Elzenwalle te Voormezele valt echter volkomen buiten reeks; dit architecturaal curiosum getuigt door vorm en materie (beton) van de aparte wederopbouwaanpak van de bouwheerarchitect-aannemer E. Blerot.

Nijverheden Vanaf de vredestijd van de 18de eeuw bloeiden landbouw en agrarische nijverheden: hoeven werden gebouwd of verbouwd en voorzien van typische aanhorigheden zoals de latere hopasten; kleine maalderijen, brouwerijen, leerlooierijen en dergelijke ontstonden in de marge zonder eigenlijk opgenomen te worden in de maalstroom van de industriële revolutie en de schaalvergroting van de 19de eeuw; ook bij de wederopbouw sprong men nog niet op de trein. Typerend is het dat te Bikschote in 1922, de in 1915 uitgebrande molen werd vervangen door een nieuwe met onderdelen van twee andere st aakmolens. Voornamelijk brouwerijen waren kwantitatief belangrijk. Deze bedrijfjes, meestal uitgebaat door gegoede

14

//e; ElzfHHtillckuMfi'l dHwsduomirtle ünm A. Rt\iil/tinif viitt it-n ntmelifkf itninmiittit

IMulwn

Voormezele. Kemmelseweg nr. 72. 'Kasteel Elzenwalle'. Dwarsdoorsnede naar A. Delahaye

M&L BINNENKRANT


Roesbrugge-Haringe. Weggevoerdenstraat nr. 31 Elverdinge. Vlamertingsestraat nr. 79-81

Abeelseweg te Poperinge was als laatste in werking tot 1971; zij beschikte over een tunnel- en een jongere grote ringoven, een "jbinnendrogerij" en een "buitendrogerij". Sporadische depressies in het landschap getuigen van de vroegere veldovens; deze voor de hand liggende bakwijze werd bij de wederopbouw van het 'verwoeste gewest' naarstig gebezigd. Het wederopgebouwde landschap vertoont in het algemeen de traditionele structuur en planindeling van het 19de-eeuwse. Plaatselijk aanvaarde, gewaardeerde en visueel onmisbaar geachte 'historische monumenten', in de landelijke gemeenten meestal enkel de parochiekerk, werden naar het vertrouwde — en vaak 'zuiverder' dan het vooroorlogse — uitzicht gereconstrueerd. Niettegenstaande de homogeniteit van het landschap tussen beide kantons, ervaart men toch een visuele breuk tussen

Vlamertinge. Poperingseweg nr. 322. Voormalig hopmagazijn

Vlamertinge. Dikkebusseweg nr. 341-343-345

M&L BINNENKRANT

15


bouw en wederopbouw. Het geval van overmacht ontketende een wederopbouwrage, welke d e oorspronkelijkheid mist van d e in normale omstandigheden gegroeide architectuur. Een tekort aan authenticiteit verraadt zich in d e benadrukte streekeigen bouwconcepten. De charme van d e landelijke architectuur weerszijden de frontlijn wordt bepaald door d e afwerking en fijne detaillering. Baksteenmetselwerk, beschilderde kozijnen, en geprofileerde houten mocQllons van d e overstekende dakrand, vormen vooralsnog het eigen, doch kwetsbare gezicht van d e streek. De evolutie van d e ruimtelijke ordening, niet uit zijn lood geslagen door d e 'Grote Oorlog', bevindt zich hier nu ook in d e algemene stroomversnelling. Door d e vera n d e r e n d e landschaps- en bewoningspatronen vervaagt d e typologie van d e streek. Poperinge. Abeelseweg nr. 97-99. Z.g. 'Schabaillies' briekenoven'. Voormalige steenbakkerij. Toestand 1983. Anne-Marie Delepiere en Martine Huys, B.M.L.

Bouwen door de e e u w e n heen in Vlaanderen deel 11N2 - Provincie West-Vlaanderen Arrondissement leper - Kanton Poperinge

É

fel.

Omvat de gemeenten en deelgemeenten Krombeke - Oostvleteren - Poperinge - Proven - Reningelst - Roesbrugge/ Hannge - Watou - Westvleteren formaat 21 x 14,5 cm 608 pagina's — historische inleiding — Engelstalige samenvatting — lijst van beschermde monumenten — bibhografie — geïllustreerde woordenlijst Prijs: Lanceerprijs tot 31.12.1989 1.495,-fr. nadien: 1.895,-fr. Illustraties: — 8 kleurplaten — 3 landkaarten in kleur — 250 illustraties zw/w waarvan diverse volle pagina's (oude prenten, ontwerpschetsen, enz.) + fotoregister van 721 afbeeldingen Besteladres: Brepols Baron Frans du Fourstraat 8 2300 Turnhout

16

M&L BINNENKRANT


Putto en detail uit de albasten fries: "Suzanna belaagd door de twee ouderlingen" (prentbriefkaart Nels)

ti. Op elke kant steken de twee putti aan de voorkant een medaillon in de hoogte; het linker bevat het portret van Karels zuster Eleonora, het rechter dat van haar echtgenoot Frans I, met wie ze in 1529 huwde. De cartouche boven de Franse koning draagt het jaartal 1529. Links van de eigenlijke schouw loopt de betimmerde wand door tot aan de zuidmuur langs de Reie. Tussen het rechte gedeelte, met de beelden van Maria van Bourgondië en Maximiliaan van Oostenrijk, en de schouwboezem, is er een gebogen stuk waarop voorgesteld zijn het knoestige Sint-Andrieskruis (20) en de Bourgondische vuurslag met de ramsvacht (die meestal aan de ketting van de Orde van het Gulden Vlies hangt). Erboven staat in een cartouche het devies van Maximiliaan Halt Mas (Houd maat). Bovenaan is een zwaar gekorniste kroonlijst.

Tegen de houten wand, rechts van de schouwboezem, staan de beelden van de Reyes Católicos, de Spaanse Katholieke Koningen Ferdinand van Aragon en Isabella van Castilië. Op het gebogen schouwstuk zijn hun emblemen afgebeeld: de pijlenbundel en het juk met koorden. De schouwwand wordt bovenaan via een gebogen vlak verbonden met de gebeeldhouwde zoldering; het geheel is versierd met cassetten waarin een afhangend bloemenornament, panelen met saters, kandelaberornamenten en arabesken.

Keizer Karel vóór zijn troon, gebeeldhouwd door Guyot de Beaugrant (foto Magenta) -JO

TVfjC^T


De schouw en haar tijd

Detail van het beeld van Keizer Maximiliaan I (foto Magenta)

Linkergedeelte van de schouw: het beeld van Maria van Bourgondië (foto A.C.L.-Brussel) M&L 34

De symboolwaarde van de schouw en haar plaats in het kunsthistorisch kader van de opkomende Renaissance in de Nederlanden, verdienen hier wel een kleine uitweiding. De schouw moet inderdaad gezien worden in haar samenhang met alles wat in de Schepenkamer gebeurt en aanwezig is. Centraal staat het beeld van Keizer Karel, de wereldlijke vorst, keizer van het Heilig Roomse Rijk der Duitse Natie. Er tegenover hangt het Laatste Oordeel, het meest verspreide gerechtigheidsstuk, dat een beeld geeft van de opperste en goddelijke rechtspraak waaraan de aardse zich moet spiegelen en waaraan iedereen zich ooit zal moeten onderwerpen. Tussen God en de keizer zetelde de magistraat van het Brugse Vrije dat zowel een bestuurlijke als een rechterlijke functie uitoefende en op wereldlijk vlak verantwoording verschuldigd was aan zijn vorst, de graaf van Vlaanderen. Samen met het andere gerechtigheidstafereel, het reliëf met de geschiedenis van de kuise Suzanna, werden zo alle betrokkenen in de Schepenzaal burgemeesters en schepenen, aanklagers, beklaagden en getuigen — voortdurend op hun verantwoordelijkheid gewezen en aangemaand om wijs en rechtvaardig recht te spreken. In de schouw — een monument ter verheerlijking van Karel V en zijn dynastie — spelen heraldiek en genealogie een belangrijke rol, net zoals in andere kunstwerken die verband houden met deze dynastie. Zo in de Bourgondische kapel te Antwerpen, of in de grafmonumenten van Maria van Bourgondië en haar vader Karel de Stoute in de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Brugge. In talrijke glasramen komt dit element nadrukkelijk tot uiting: in de Sint-Waltrudiskerk te Bergen, in de Sint-Gommaruskerk te Lier, in de Sint-Michielskathedraal te Brussel en in het nu niet meer bestaande raam van Jan van Roome in de Sint-Romboutskathedraal te Mechelen. Het bekende Karel V-schilderij van Jan van Battel voor het stadhuis van Mechelen is een ander voorbeeld. En niet te vergeten A. Dürers grote houtsnede, de Erepoort van Maximiliaan, die eveneens vervaardigd werd ter verheerlijking van de dynastie. Veel van die werken zijn tot stand gekomen op initiatief van keizer Maximiliaan, die een grote belangstelling had voor de geschiedenis, inzonderheid voor die van koninklijke dynastieën, en voor de verheerlijking van zijn huis. Het Brugse dynastieke kunstwerk heeft van een schouw een echt monument gemaakt dat zich aan weerszijden op de wanden voortzet. Het stijgt ver uit boven andere rijk versierde schouwen uit die tijd. Daarvoor hoeven we maar te verwijzen naar de laatgotische Kristoffel-schouw (1521) in het Markiezenhof te Bergen-op-Zoom die reeds enkele kleine Renaissance-elementen bezit, naar de twee schouwen (ca. 1525) in het stadhuis te Kortrijk, naar de minder vooruitstrevende schouwen van circa 1530 in het stadhuis te Oudenaarde. Een duidelijk andere geest vertoont de oudere schouw van circa 1525 uit het Hof van Cortenbach te Mechelen die toegeschreven wordt


aan Jan Mone, en volledig in Renaissance-stijl uitgewerkt is. Eveneens in die stijl is de schouw die Colyn de Nole in 1543-1545 maakte voor het stadhuis van Kampen. In Brugge werkte Lanceloot Blondeel in een weliswaar traditioneel milieu, maar de Renaissance was er toch niet onbekend. In het werk van H. Memlinc en G. David zijn enkele Renaissance-motieven aanwijsbaar. Via de buitenlandse handelsconnecties waren vreemde (meestal Italiaanse) kunstwerken aanwezig waarvan de bekendste wel de Madonna van MichelAngelo en het medaillon Maria en Kind uit het atelier van della Robbia zijn. Bij de Blijde Intrede van Karel V te Brugge in 1515 was de Renaissance goed vertegenwoordigd in de 'togen' van de Italiaanse, Spaanse en Duitse naties (21). En in het Brugse kunstmidden zullen Italiaanse en Duitse prenten in Renaissance-stijl wel niet onbekend geweest zijn. Maar alhoewel enkele kunstwerken (grafmonumenten, houtsnijwerk, schilderijen) een groeiende invloed van de Renaissance in het 1ste kwart van de 16de eeuw te Brugge vertonen, blijkt deze nieuwe stijlrichting er toch minder ver gevorderd te zijn dan in Antwerpen, Mechelen en Brussel. Nog tijdens het oprichten van de schouw, in 1528-1531, kwamen op de Burg twee kleine gebouwen tot stand.

nog in laatgotische stijl maar met Renaissance-elementen. Het waren de galerij vóór het Vrije en het trapgebouw van het Heilig Bloed, samen met de gevel van de Criminele Griffie. Van die 2 gebouwen had de steenhouwer W. Aerts met een ander ambachtsman het ontwerp gemaakt. Van dezelfde Aerts was op 10 oktober 1528 het stenen model voor de nieuwe schouw in de Schepenkamer aanvaard geworden, waaruit we waarschijnlijk mogen besluiten dat 'zijn' schouw ook in laatgotische stijl opgevat was. L. Blondeel vertegenwoordigde in Brugge de nieuwe stijl; reeds in 1523 had hij in het schilderij de 'Marteldood van Cosmos en Damianus' een zware gouden Renaissance-architectuur aangebracht. Hij was een veelzijdig kunstenaar, enigszins te vergelijken met Jan Gossaert of Barend van Orley, die echter tot een meer klassieke stijl gekomen zijn. Naast schilderwerk maakte Blondeel ook ontwerpen voor tapijten, glasramen, beeldhouwwerk en ijzerwerk, en daarenboven was hij ook nog cartograaf. Het lijkt ons ook veelbetekenend dat men geen Brugs kunstenaar uitkoos om het belangrijkste beeldhouwwerk aan de schouw uit te voeren, maar beroep deed op de in Mechelen wonende Guyot de Beaugrant, afkomstig uit Lotharingen en dus een landgenoot van Jan Mone. Zijn eigen ontwerp voor het reliëf met de geschiedenis van de kuise Suzanna zal voor Brugge

Rechtergedeelte van de schouw: het beeld van Ferdinand van Aragon (foto A.C.L.)

Het beeld van Isabella van Castilië (foto A.C.L.)

Volgende pagina's: de Keizer-Karelschouw met vooraan het in 1850 1566 en één stel van Jacques Labus uit 1634. Boven de tafel hangt e

•vaardigde buffet met twee koperen schrijfstellen van Jan Crabbe uit belkoord met bronzen handgreep uit ca. 1600 (foto G. Charlier)

35 M&L


fl\

m

"fc "'j B w ^ ^ ^ ^ ^ ^

ÜM

•ii-iip^ii.

1 *

>


"

•

12]||1'

illL! it

•

''"'•>-.

,' •":t}

'

1

II •ji i

s

11-


Zeemeermannen omheen een Renaissance-ornament (foto A.C.L.)

Rugzijde van het beeld van Maximiliaan van Oostenrijk, door G. de Beaugrant naar het ontwerp van L. Blondeel (foto Magenta) M&L 38

De haardplaat uit 1847, naar de toen aanwezige plaat met het wapen van het Brugse Vrije. Of de oorspronkelijke plaat eveneens het jaartal 1565 droeg, is niet zeker (foto A.C.L.)


wel iets heel nieuws geweest zijn. Ook Mone heeft met de schouw te maken gehad, maar wat de betekenis is van de 'diverssche moeijten ende advisen' waarvoor hij betaald werd, is niet bekend. Na de voltooiing van de schouw heeft de Renaissance in Brugge nog enkele belangrijke werken voortgebracht. Naast de voormelde laat-gotische galerij van het Vrije werd in 1534-1537 naar het ontwerp van de steenhouwer Jan Wallot de Burgerlijke Griffie opgetrokken, waarvan de gevel een groot contrast vormde met de andere gebouwen op de Burg. Een ander belangrijk kunstwerk is een portaal, 1544 gedateerd en sinds 1881 opgesteld in de toen juist gerestaureerde Burgerlijke Griffie. Dit portaal was circa 1816 in de Brugse Sint-Salvatorskerk terechtgekomen; in een speciale rekening van die kerk uit 1850 wordt dit portaal vermeld als afkomstig uit het Brugse Vrije en waarschijnlijk gemaakt naar een tekening van L. Blondeel (22). Aangezien de vermelding van de herkomst maar een goede halve eeuw van na de opheffing van het Brugse Vrije dateert en de herinnering aan de afkomst nog uit eerste hand kon geschieden, is de kans erg groot dat het portaal inderdaad uit het Vrije komt en niet uit het Brugse Stadhuis zoals dikwijls aangenomen wordt, waarschijnlijk op gezag van James Weale (23). Het portaal telt twee deuren, omlijst door gecanneleerde zuilen op hoge sokkels.

Op de zuilen, die onderaan met symmetrisch opgesteld rankwerk versierd zijn, rust een hoofdgestel waarvan de fries met arabesken getooid is. Elke portaaldeur is verrijkt met zes panelen met gebeeldhouwd rankwerk met kandelabermotief. Boven iedere deur is een hoogveld waarin een medaillon; in het ene is voorgesteld Het offer van Abraham, in het ander De dood van Abel. De gebeeldhouwde decoratie van de panelen en van de sokkels en basissen van de zuilen is nog tamelijk lineair opgevat, zoals dit ook op enkele plaatsen aan de oudere schouw het geval is. Als men dit portaal vergelijkt met het 10 jaar oudere, uit 1531-1535 stammende portaal in de Schepenkamer van het stadhuis te Oudenaarde, stelt men vast dat het beeldhouwwerk in dit laatste portaal veel plastischer en sierlijker uitgewerkt is. Het verwijst naar de stijl van Jan Mone, de uit Metz afkomstige beeldhouwer die in 1520 in Antwerpen woonde, in 1524 naar Mechelen verhuisde en de belangrijkste beeldhouwer van de Vroeg-Renaissance in de Nederlanden was. De door hem gemaakte werken (24) vertonen een klare opbouw, gepaard aan een verfijnde sierlijkheid en een evenwichtig gebruik van arabesken en kandelaberornamenten. De schouw van het Brugse Vrije kwam tot stand in een tijd waarin de Renaissance zich een eigen plaats veroverde. L. Blondeel heeft de schouw tot een originele Renaissancecompositie verwerkt, waarin de statische vorstenbeelden omkaderd zijn door een drukke dynastieke schildenverzameling en een overdadige versiering, maar waarin o.a. het plafond toch een klare opbouw vertoont. Op de basementen van de zwart-marmeren schouwwangen na, heeft Blondeel alle gotische elementen geweerd. De albasten fries en de putti van Guyot de Beaugrant geven de schouw daarenboven een zuiver Italianiserend accent mede, in het spoor van het werk van Jan Mone. Dit dubbele concept en de uitwerking ervan maken de schouw des te interessanter.

Voetnoten

Het portaal uit 1544, nu in de Burgerlijke Griffie (H. Maertens)

(1) Clemen P., Lancelot Blondeel und die Anfdnge der Renaissance in Brugge, in Belgische Kunstdenkmaler, II, München, 1923, p.1-40. (2) Bergmans A . , De beeldhouwer Guiot de Beaugrant (ca. 1500-1549), Kritische bijdrage tot de studie van zijn leven en werk, K.U.L., 1974. (3) Vermeersch V., Brugge, Duizend jaar kunst, Antwerpen, 1981. (4) Devliegher L., De Keizer Karel-schouw van het Brugse Vrije, Kunstpatrimonium van West-Vlaanderen, deel 10, Tielt,1987. (5) Een kasselrij is een territoriale onderverdeling van het voormalige graafschap met eigen bestuurlijke, financiële en rechterlijke bevoegdheid. Het ontstaan van de Vlaamse kasselrijen is te situeren in de eerste helft van de 11de eeuw. (6) In de kelders bleven oudere muren en de resten van een grote toren bewaard.

39 M&L


(7) In de Vierschaar werden de criminele en waarschijnlijk ook de belangrijke civiele zaken behandeld; de minder belangrijke burgerlijke geschillen kwamen voor in de Schepenkamer. In de Vertrekkamer trok de magistraat zich terug om te beraadslagen. (8) In de kamer stond een eenvoudige gotische schouw, waarschijnlijk van dezelfde vorm als het '1523' gedateerde exemplaar in de Vertrekkamer. (9) In 1551 werd dit schilderij vervangen door het schilderij van P. Pourbus dat nu in het Brugs Groeningemuseum hangt en op zijn oorspronkelijke plaats vervangen is door een kopie die H. Dobbelaere in 1854-1855 maakte. (10) Betreffende deze tapijten zijn de namen bekend van W. de Hollandere (ontwerp), L. Blondeel (ontwerp voor de joyen of lauwerkransen) en A. Segon (tapijtwever). De nu aanwezige wandtapijten werden in I860 opgehangen. Ze werden in 1859 te Ingelmunster vervaardigd in de tapijtweverij die in 1857 door graaf Ch. Descantons de Montblanc en de gebroeders A. en H. Braquenié uit Parijs opgericht werd. Voor het maken van de nieuwe tapijten — waarvan de cartons door Ch. Laureyns getekend werden — inspireerde men zich op enkele oude fragmenten (nu in het Gruuthusemuseum) en op het schilderij van Gillis van Tilborgh (1659). (11) Karel V werd op 24 februari 1500 in Gent geboren als tweede kind van Filips de Schone (1478-1506) en Johanna de Waanzinnige (1479-1555). Zijn vader was de zoon van aartshertog Maximiliaan van Oostenrijk (1459-1519) — in 1486 tot Rooms koning gekroond en in 1508 tot keizer uitgeroepen — en van Maria van Bourgondië (1457-1482), dochter van Karel de Stoute (1433-1477). Zijn moeder was de dochter van de Spaanse Katholieke Koningen Ferdinand van Aragon (14521516) en Isabella van Castilië (1451-1504) die in 1492 de Reconquista — de herovering van hun land op de Moren — voltooid hadden door de inname van Granada. Karel werd in 1515 meerderjarig en vorst in de Nederlanden. In 1516 koning van Spanje geworden, werd Karel in 1519 door de zeven Keurvorsten tot Rooms koning en toekomstig keizer gekozen en het jaar daarop in Aken tot 'gekozen keizer' ('electus imperator') gekroond. Tien jaar later, op zijn 30ste verjaardag, vond te Bologna de keizerkroning door Paus Clemens VII plaats. (12) Deze bank mag geïdentificeerd worden met de nog aanwezige bank in de Schepenkamer, waar de 45 volle en de 10 halve zuiltjes het vermelde aantal 50 geven. In deze bank, waarvan de beweegbare rugleuning in de 19de eeuw vastgezet werd, zijn gotiek (briefpanelen op de zijkanten) en Renaissance (balusterzuiltjes) samen aanwezig. (13) Oude briefkaarten geven een beeld van de schouw waarvóór de grafmonumenten van Maria van Bourgondië en Karel de Stoute opgesteld waren. De afgietsels van de schouw liggen nu sinds jaren opgeborgen in de kelders van het Musée des Monuments Fran9ais te Parijs. (14) Ferrier A., Description historique et topographique de la ville de Bruges, Brussel, 1836; Delepierre O., Guide dans Bruges, Brugge, 1837. (15) Haghe L., Sketches in Belgium and Germany, Londen, 1840; La Belgique monumentale et pittoresque, Parijs, 1847. (16) Door J. Rudd, F. de Hondt, A. Monthelier, F. Stroobant, e.a. (17) Tegen de muren hangen nu 8 vorstenportretten, 2 schilderijen met het wapen van het Brugse Vrije, de reeds vernoemde kopie van Pourbus' Laatste Oordeel door H. Dobbelaere (1855) en een 16de-eeuwse kopie van G. Davids' Oordeel van Cambyses. In de eigenlijke stookplaats van de schouw mogen hier 2 voorwerpen niet onvermeld blijven: een vuurwagen uit 1571 en een haardplaat, in 1847 te Brussel gegoten naar de toen nog bestaande ijzeren plaat die waarschijnlijk vervaardigd was naar een tekening van P. Pourbus uit 1565. (18) Op het 'Drieluik van Karel V' van Jan van Battel (I5I7-15I8) in het Museum Busleyden in Mechelen, zijn in de hoeken omheen de beeltenis van Karel dezelfde wapens van zijn vaderlijke en moederlijke grootouders afgebeeld, maar het wapen van Maximiliaan vertoont de dubbelhoofdige keizerlijke adelaar en niet het wapen van Rooms koning zoals te Brugge. (19) De Spaanse heraldicus F. Menéndez Pidal de Navascués wees er ons op dat de koningen van Castilië sinds Fernando III (1230) het gevierendeelde wapen 1. en 4. Castilië, 2. en 3. M&L 40

(20) (21)

(22) (23)

(24)

Leon als vorstelijk wapen voeren. Op de schouw is in nr. 40 de schikking omgekeerd. Het gevierendeelde nr. 47 (1. en 4. Castilië - Leon, 2. en 3. Galicië) zou Asturië voorstellen alhoewel het normale wapen van dit vorstendom is I. Castilië, 2. en 3. Galicië, 4. Leon. In het wapen van Valencia komt in nr. 36 de ommuurde stad uit de zee maar dit is niet zo in nr. 22. In het wapen van Galicië is het veld in nr. 31 bezaaid met kruisjes, terwijl ze in nr. 45 ontbreken. Deze varianten in die twee wapens komen ook elders voor. De apostel Andreas is de beschermheilige van het Bourgondische huis en patroon van de in 1430 door Filips de Goede gestichte Orde van het Gulden Vlies. De 'tooghen' en 'stagen' zijn houten decor-bouwsels die in de vorm van kleine triomfbogen, gevels of stellages langs straten en op pleinen opgebouwd werden en al dan niet met personnages bevolkt waren. Devliegher L., De Sint-Salvatorskatedraal te Brugge. I. Geschiedenis en architektuur, Kunstpatrimonium van WestVlaanderen, deel 7, Tielt, 1981, p. 50-51. In de Iste en 2de uitgave van "Bruges et ses environs" (1862, 1864) schrijft Weale op p. 52, resp. p. 46-47 dat het portaal afkomstig is uit het stadhuis; volgens de 3de en 4de uitgave (1875, p. 97,1884, p. 34) komt het portaal uit de Schepenkapel van het stadhuis, en is het gemaakt door A. Lambrouck, waarschijnlijk naar het ontwerp van L. Blondeel. Zie ook Devliegher L., De Keizer Karel-schouw..., p. 92. Het aan Mone toegeschreven en van ca. 1528 gedateerde graf van kardinaal G. de Croy te Edingen, het Sint-Maartensretabel te Halle (1533) en het Sakramentsaltaar in Sint-Goedelekatedraal te Brussel (1538-1541).

Op de Burg te Brugge. Links de voorgevel van het in 1721 e.v. nieuw gebouwde Landhuis van het Brugse Vrije; in de hoek, de toegang naar de Vierschaar en de ernaast gelegen kamers; rechts de Burgerlijke Griffie (1534-1537) (foto P. Van den Brouck)


Het Zammelsbroek te Geel

Ludo Meesters, B.M.L.

Het Zammelsbroek — chauvinisten spreken in Oosterlo van het 'Oostels broek' — is gelegen in de vallei van de Grote Nete tussen de autosnelweg E313 en de gemeente Westerlo, in het zuiden van Geel. Dit ongeveer driehonderd hektaren groot laagveengebied wordt grosso modo begrensd door de rijksweg Geel - Veerle met de Zammelsebrug in het westen, de weg Zammel - Oosterlo in het noorden, het centrum van Oosterlo en de weg Oosterlo - Eindhout in het noordoosten en de gemeentegrens met Laakdal in het zuiden. Stroomopwaarts is de oorspronkelijk uiterst waardevolle vallei van de Grote Nete grotendeels verminkt door het verblijfsrecreatiegebied 'Netevallei' en door de aanleg van visvijvers aan de Goorhoeve. In het zuidwesten, te Eindhout, sluit het gebied aan bij de vallei van de Grote Laak en het Trichelbroek. In 1982 werd de bescherming als landschap van het Zammelsbroek voorgesteld door de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen.

Een visvijver in de Rothoek (foto O. Pauwels) 41 M & L


Geologie en bodem Het Zammelsbroek wordt begrensd door duinruggen in het noorden en het zuidoosten (de Tricheihoek). Meest opvallend is het duincomplex in het noorden, nabij de Sint-Dymphnakapel, met een hoogte van meer dan 20 meter. De ondergrond van het gebied wordt gevormd door het Diestiaan (Tertiair) (1), dat tijdens het Pleistoceen (Kwartair) (2) bedekt werd met eolisch aangevoerd (3) zand, lemig zand en (licht) zandleem (Baeyens, 1969). Het huidig uitzicht van de vallei werd hoofdzakelijk bepaald tijdens de Würm-ijstijd (4), door eolische aanvoer van materiaal uit het noorden (T'Jonck, 1977). De scherpe overgang van de duinformatie ten oosten van Zammel - 'de Kalvarieberg' - naar de alluviale vlakte van de Grote Nete werd gevormd door verstuiving van dekzanden tijdens het Holoceen (Van Aelten, 1977). Tijdens het Atlanticum (5) ont-

wikkelde zich veen in de lager gelegen valleikommen en werd op het Diestiaan ook plaatselijk alluviaal ijzeroer (6) gevormd. Door uitvening voor brandstof of tuinmest en door ontginning van het moerasijzererts ontstonden grote waterplassen (T'Jonck, 1977). Het grootse deel van het Zammelsbroek wordt ingenomen door de alluviale vlakte van de Grote Nete, met hoofdzakelijk natte gronden op licht zandleem met venig substraat, beginnend op geringe diepte. Kenmerkend voor de Netevallei zijn de gronden op venig materiaal, zoals we die terugvinden in het Zammelsbuitenbroek (ten zuiden van 'de Rothoek') en tussen de twee Netearmen ten zuiden van 'de Kalvarieberg'. Ten noorden en ten zuiden van dit alluvium liggen overwegend (matig) natte (post)podzolbodems (7). Tussen het gehucht Zammel en het Zammelsbuitenbroek wijzen plaggenbodems (8) op een eeuwenoud landbouwgebruik; ze bestaan voornamelijk uit droge en matig natte zandgronden met diepe antropogene humus A horizont (Baeyens, 1960 & 1969).

GiêP^ OBSTERLO

Eindhout

PopulierenaanpLant Bemest weiland (Verruigd) hooiLand/grasland aStua Wilgenopslag of mesotroof wilgenbroek Rietland Weekendverblijf Boomplantage

Agrariscli gebied

Overzichtskaart met de hegroeiingstypen (eigen tekening)

M&L 42


Legende Profielloze bodems

Duin

Podzol bodems

Plaggenbodems

Veeninsluiting

Profielloze gronden : hoofdzakelijk lichte zandleemgronden met venig substraat beginnend op geringe diepte (20 tot 125 cm). Plaggenbodems : hoofdzakelijk droge en matig natte zandgronden met diepe antropogene humus A horizont. (Post)podzolbodems : hoofdzakelijk (matig) natte zandgronden met weinig duidelijke humus en/of ijzer B horizont of met verbrokkelde textuur B horizont. Duin Veengronden : bestaande uit een bruinzwarte bovengrond van ten minste 30 cm dikte en met meer dan 30% organisch materiaal. Vereenvoudigde bodemkaart, naar Baeyens, 1960169 (eigen tekening) 43 M&L


Het Zammelsbroek en omgeving op de Kabinetskaart van de Oostenrijkse Nederlanden van de Ferraris (1777). Kaartblad Westerto 129 (X') (1) (Uitgave Pro Civitate, 1974)

Bodemgebruik en vegetatie Een vergelijking tussen de Kabinetskaart van de Oostenrijkse Nederlanden van de Ferraris (1777) en de kaart van het Institut Cartographique Militaire (toestand 1909) brengt aan het licht dat het Zammelsbroek gedurende die periode weinig veranderde, behoudens de aanleg van enkele wegen en vijvers en de afsnijding van een aantal kleine meanders van de Grote Nete. Van oudsher werden de alluviale gronden langsheen de Grote Nete gebruikt als graasweide en, in de zomer, als hooiland. Begin deze eeuw nog was het van half mei tot half augustus verboden 'het broek' te betreden. Na die periode werd het hooi publiek verkocht. Vanaf de middeleeuwen werd plaatselijk het veen of moer uit- of afgedelfd. Aldus ontstonden meestal langwerpige moerkuilen. Tot rond de tweede wereldoorlog werd er, zoals reeds vermeld, ook moerasijzererts of 'spriet' ontgonnen. Het werd geëxploiteerd ten behoeve van smelterijen en glasfabrieken. Met een schuit werd het eerst naar het centrum van Oosterlo gebracht, vanwaar het met de tram werd weggevoerd (Stijnen, 1982). Dit verklaart meteen waarom de Grote Nete tussen Zammel en Oosterlo onder de bevaarbare waterlopen wordt gerangschikt. De verdwijning van enkele meanders van de Grote Nete is te verklaren door de verbeteringswerken van

Uittreksel uil de topografische kaart van het Militair Geografisch Instituut te Brussel. Kaartbladen Herentals-Geel 16/7-8 en Booischot-Westerlo 24/3-4. uitgaven 1973/79


Langwerpige moerkuilen in een landschap van hooilanden, broekbos en weekendverblijven (foto O. Pauwels)

v

'

mn •

.

'

:^/^K

*: S

if *K . _

W,

'^

l&>J*S0t

Dotterbloem (links boven). Valse Cyperzegge (rechts boven), Vlasbekje (links onder) en Moeraswalstro (rechts onder)

45 M&L


1863-1865, uitgevoerd in opdracht van de Staat, waarbij de rivier verdiept, verbreed en rechtgetrokken werd. Rond 1962 werd in het centrum van Oosterlo, ter hoogte van de watermolen, de Molenlaak gedempt, met het gevolg dat deze Netearm — nu de 'dode Netearm' — erg verlandde.

Tengevolge van ontwikkelingen in de landbouw, vooral tijdens de jongste decennia, blijven van de oorspronkelijke hooilanden en graasweiden slechts enkele relicten over (Verheyen en Verlinden, 1981). Op de meest recent verlaten hooilanden, die we bijvoorbeeld terugvinden tussen de twee Netearmen, in het 'Zammelsbinnenbroek', overheerst nog het Moerasspirea-verbond met onder meer Moerasspirea, Valeriaan, Melkeppe, Waterzuring, Watertorkruid en Kale Jonker. Dotterbloem en plaatselijk ook Koekoeksbloem vormen relicten van het vroeger Dotterverbond. Een groot deel van de hooilanden, onder meer nabij de 'Rothoek', evolueert tot mesotroof (9) Wilgenbroek; kenmerkend hierin zijn de kleine Wilgenstruwelen met Geoorde wilg of Grauwe wilg waartussen vegetaties van het Moerasspirea-verbond voorkomen. Bij de verruigde hooilanden vinden we ten oosten van de Rothoek nog een bijzonder type, namelijk een oligotrofe (10) ruigtevegetatie met blijkbaar overblijfselen van natte heide: Veldrus, Veenpluis en Wateraardbei.

De avifauna in een notedop Een zo uitgestrekt waterrijk gebied met zo veel verschillende begroeiingstypen herbergt bijna vanzelfsprekend heel wat broedvogels, doortrekkers en gasten. Voor zover bekend werd de avifauna er onderzocht door de heren Vandoninck K., Van Reeth G. en Wouters K. (leden van het gewezen Geel Komitee voor Milieubeheer) in de jaren 1973-1974 en door de heren Berghmans H. en Volders J. (leden van de Wielewaal v.z.w.) in de jaren 1978-1985. De interessantste broedgevallen zijn die van Bosuil, Buizerd, Ijsvogel, Kleine karekiet. Snor, Sprinkhaanrietzanger. Steenuil, Waterral, Woudaapje en Wulp. Onregelmatiger broeden Dodaars, Gele kwikstaart. Havik, Kerkuil, Kuifeend, Roerdomp, Roodborsttapuit, Slobeend. Tafeleend, Winter- en Zomertaling. Verder komen er regelmatige doortrekkers voor als Bonte vliegenvanger. Boomvalk, Groenpootruiter, Krakeend, Oeverloper, Smelleken, Sperwer en Visarend. Tenslotte zijn er nog zeldzame waarnemingen van onregelmatige gasten zoals Bastaardarend (1982), Boomleeuwerik, Grutto, Knobbelzwaan, Kraanvogel, Kwak (1984), Ooievaar (1983), Purperreiger (1982), Rietgans (1980), Rode wouw (1984-1985), Wespendief (1985), Witoogeend en Zwarte ruiter.

In de Landschapsinventaris van het gewest HerentalsMol (De Blust et al., 1975) wordt een "zeer merkwaardig, droger enig grasland" binnen de twee Netearmen vermeld. In feite gaat het hier om een iets hoger gelegen terrein, waar volgens Vandoninck (mondelinge mededeling, 1984) in de jaren zeventig nog een blauwgrasland voorkwam met onder meer Gevlekte orchis. Klokjesgentiaan, Dopheide, Stekelbrem en Blauwe knoop. Dit grasland werd intusen genivelleerd en omgezet in bemest weiland, zoals trouwens gebeurde met grote delen van het Zammelsbinnenbroek en omgeving.

Vooral in het oosten nabij Oosterlo, en in het westen nabij de Zammelsebrug, werden de verlaten hooilanden met populieren beplant of werden ze vergraven tot weekendverblijven met (vis)vijvers. Een deel van deze weekendverblijven ligt er nu verlaten bij: in de vijvers komt het verlandingsproces (11) op gang en de hoger gelegen gronden verruigen met voornamelijk Grote brandnetel. In het zuiden van het Zammelsbroek, aan de Hoefkensloop, ligt nog een uitgestrekt rietland. Wellicht is dit een relict van een groter geheel, dat gedeeltelijk werd ingenomen door een boomkwekerij met vijvers en een weekendverblijf. Tenslotte vinden we, voornamelijk in het noorden van het gebied, op en nabij de 'Kalvarieberg', de kenmerkende vegetatie van de drogere, arme zandgronden: Struikheide, Zandblauwtje, Muizeoor, Grasklokje... . M&L 46

Visvijver in de Rothoek (foto O. Pauwels)


Een refugium voor zoogdieren

Volgens Berghmans (1985) werden in het Zammelsbroek en omgeving volgende zoogdiersoorten waargenomen of werd hun aanwezigheid vastgesteld aan de hand van braakballenanalyse. Deze braakballenanalyse betreft de Kerkuilen van de kerken te Eindhout (Laakdal) en Zammel (Geel), uitgevoerd door H. Berghmans in 1984 en door R. Asselberg (R.U.G., Fakulteit der Wetenschappen) in 1971. Egel Erinaceus europaeus Mol Talpa europaea Dwergspitsmuis Sorex minutus* Bosspitsmuis Sorex araneus Waterspitsmuis Neomys f o diens * Veldspitsmuis Crocidura leucodon* Huisspitsmuis Crocidura russuia Gewone grootoorvleermuis Plecotus auritus Dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus Konijn Oryctolagus cuniculus Haas Lepus capensis Eekhoorn Sciurus vulgaris Rosse woelmuis Clethrionomys glareolus Woelrat Arvicola terrestris Muskusrat Ondatra zibethicus Ondergrondse woelmuis Pitymys subterraneus* Veldmuis Micro tus arvalis* Aardmuis Microtus agrestis Dwergmuis Micromys minutus Bosmuis Sylvaemus sylvaticus (Apodemus sylvaticus) Huismuis Mus musculus Zwarte rat Rattus rattus (Tot begin jaren '70) Bruine rat Rattus norvegicus Vos Vulpes vulpes Hermelijn Mustela erminea Wezel Mustela nivalis Bunzing Putorius putorius Otter Lutra lutra (laatste geschoten rond 1975) Ree Capreolus capreolus (10 tot 20 ex.) * = Vastgesteld a.d.h. van braakballenanalyse

Bedreigingen Op het Gewestplan Herentals-Mol (Koninklijk Besluit van 28 augustus 1978) werd het Zammelsbinnenbroek ingetekend als 'natuurgebied met wetenschappelijke waarde'. De vallei van de Grote Nete in Oosterlo, het Zammelsbuitenbroek en de Kalvarieberg kregen als bestemming 'natuurgebied', terwijl in het noorden en het zuiden grote delen werden ingekleurd als 'agrarisch gebied'. Ondanks het bestaan van een degelijke wetgeving op het vlak van de ruimtelijke ordening én op het vlak van het leefmilieu, wordt het gebied nog steeds bedreigd, zowel extern als intern. Eén van de belangrijkste externe factoren was de waterkwaliteit van de Grote Nete. Terwijl in 1984 stroomafwaarts de riole-

De Grote Nete ter hoogte van de monding van de Dode Nete-arm. met links de verhoogde en rechts de oude dijken (eigen foto)

ring van het industrieterrein Geel-Oost tot aan de monding van de Grote Laak slechts een marginale tot géén visstand werd vastgesteld, werd in 1986 geconstateerd dat de vervuiling tussen Oosterlo en Zammel zodanig was afgenomen dat visieven in dit traject terug mogelijk was (Vandelannoote et al., 1986). Deze tendens was alleszins hoopgevend voor de kwaliteit van het overstromingswater, maar het mogelijk gunstig effect werd teniet gedaan door de recente dijkwerken uitgevoerd in opdracht van de Dienst der Zeeschelde (Ministerie van Openbare Werken) die bevoegd is voor het bevaarbaar gedeelte van de Grote Nete. De hoogte van de dijken — voor zover men op sommige oevers nog van dijken kon spreken - werd opgetrokken tot 16,5-17 meter T.A.W. (12), dit is ongeveer een halve meter lager dan de brug van Oosterlo. Het opvallend breed en ondiep dwarsprofiel werd zodanig aangepast dat de rivierbodem versmalde, de binnentaluds minder steil werden en de kruin van de dijken 4 meter breed werd. Tenslotte werden afvoerbuizen met terugslagkleppen geplaatst aan de monding van de zijlopen en de dode Netearm. Hierdoor worden de zijlopen bijna volledig afgesloten van de rivier, want slechts in uitzonderlijke omstandigheden — lage waterstand in de Grote Nete en hoge waterstand in de zijloop — zal er nog water afvloeien naar de Grote Nete. Het voornaamste gevolg van deze dijkwerken is de verbreking van de natuurlijke interactie tussen het rivier-ecosysteem en het rivier dal-ecosysteem. Daarenboven zal door de reeds uitgevoerde werken het grondwaterpeil in het Zammelsbroek beïnvloed worden; in welke zin en in welke mate kan slechts een 'diepgaand' wetenschappelijk onderzoek uitmaken. Wat de waterkwantiteit betreft zijn waarschijnlijk nog andere externe invloeden op komst. Het gebied komt in aanmerking voor (nog meer) cultuurtechnische ingrepen op de waterhuishouding in het kader van het Bijzonder Waterbeheersingsplan (B.W.P.) voor de 47 M&L


Blauwe reiger (eigen foto)

Waterhoen (eigen foto). Pagina rechts: vemiiging in de Ruihoek (foto O. Puuwels) M&L 48


B*-

B

,5^

>7k--

ffV!

O

. - •. 1

mi


Grote Nete, gecoördineerd door de Dienst Landbouw van het Bestuur Landinrichting. Hoewel dit plan zich duidelijk nog in een voorbereidende fase bevindt, wordt vanuit natuurbehoudskringen gevreesd voor verregaande technologische ingrepen zoals het oprichten van wachtbekkens nabij de monding van de zijrivieren. Daartegenover zou kunnen gestreefd worden naar kleinschalige, ecologisch inpasbare ingrepen zoals het maximaal opvangen en vertragen van de neerslag via afvoersystemen. Wat specifiek het Zammelsbroek betreft, werd de voorbije winter door het stadsbestuur van Geel een stapje in de goede richting gezet: er werd met name begonnen aan de ruiming van de dode Netearm. Verder zou belet moeten worden dat nog meer alluviale gronden 'gesaneerd' worden door middel van terreinophogingen en dijkversterkingen. Dit laatste vormt trouwens één van de belangrijkste interne bedreigingen. Enkele jaren geleden nog werd in het Zammelsbinnenbroek een brede, diepe en langwerpige gracht getrokken. Door het optreden van de politie en de procureur des konings van de rechtbank van eerste aanleg in Turnhout kon belet worden dat de eigenaar ook nog de uitgegraven aarde over het aanpalende hooiland en wilgenstruweel zou uitspreiden. Helaas waren eerder, vanaf de tweede wereldoorlog, grote oppervlakten weiland op dezelfde wijze ontstaan. Zelfs tijdens de recente ruimingswerken werd nabij de monding van de dode Netearm getracht om een servitudeweg te verleggen en werd een groot gedeelte van een aanpalend weiland — met een mooie gracht — bedolven onder de baggerspecie. Het probleem van de weekendverblijven is, mede dank zij de economische crisis, grotendeels opgelost. Voor zover bekend werd in het hier omschreven gebied slechts één visvijver met weekendverblijf bijgemaakt. Het grootste intern probleem is eigenlijk het gebrek aan beheer. Door het verliezen van hun functie zijn de meeste hooilanden aan erge verruiging toe. Een efficiënt maaibeheer is absoluut vereist om de vegetatie te verjongen.

Weekendverblijven tegenover het Binnenbroek (eigen foto)

M&L 50

De Dode Nete-arm vóór de ruimingswerken (eigen foto)

Beschermings- en beheersvoorstellen De vigerende wetgeving op de stedebouw en de ruimtelijke ordening en haar toepassing — de gewestplannen en het vergunningsstelsel — blijken onvoldoende garanties te bieden voor het behoud van het Zammelsbroek. Nog steeds, hoewel minder dan in de jaren zeventig, worden er ontwateringsgrachten getrokken en terreinen opgehoogd. De uitgestrektheid van het gebied en de slechte toegankelijkheid maken een doeltreffende controle en het optreden van de bevoegde instanties zeker niet eenvoudiger. Een bescherming als lanschap met specifieke, aan de concrete bedreigingen aangepaste voorschriften zou, op lange termijn, bijkomende waarborgen kunnen bieden voor het behoud van de aspectbepalende elementen van het Zammelsbroek. Een voorstel in die zin werd in 1982 uitgewerkt door het Bestuur voor Monumenten en Landschappen. Van de vroegere natuurwaarde van dit landschap, verbonden met de niet-mechanische, traditionele landbouw, blijft op enkele restanten na, weinig over. Toch is dit verlies niet onomkeerbaar, vermits grote oppervlakten gespaard bleven van nieuwe functies als intensieve landbouw, populieraanplantingen of weekendtoerisme. De vegetatie is er nog grotendeels spontaan en weinig beïnvloed door de mens, waardoor het natuurlijke aspect sterk opvalt. Dit gaat onder meer samen met het voorkomen van een groot aantal broedvogelsoorten en een opmerkelijke reeënpopulatie. Bij het beheer van het gebied moet met dit alles rekening gehouden worden. Om ook het spontane aspect van de vegetatie, met name de ruigtevegetaties en de boomopslag, te behouden, wordt het maaibeheer best toegespitst op de recent verlaten hooilanden en op de nog open veldjes tussen de wilgenstruwelen. Deze laatste kunnen dan spontaan verder evolueren. De oligotrofe ruigtevegetatie ten oosten van de Rothoek leent zich bij uitstek tot normaal maaibeheer: een eerste maaibeurt in de tweede helft van juni — niet later omdat


anders de vegetatie te hoog wordt en plat gaat liggen — en een tweede beurt in september (Londo, 1979). Aldus zouden wel eens zeer interessante plantesoorten kunnen verschijnen. De rietlanden zouden, vooral omwille van hun ornithologisch belang, behouden moeten blijven, indien mogelijk zelfs uitgebreid langsheen de verlaten visvijvers in de omgeving. De bemeste weilanden tenslotte kunnen door normaal maaibeheer — aanvankelijk twee maal per jaar — geleidelijk aan terug omgezet worden in hooilanden. Al deze beheersvoorstellen kunnen slechts uitgevoerd worden door of met toelating van de eigenaars; zij

kunnen niet opgelegd worden door middel van een rangschikking als landschap. Daarom is en blijft de aankoop door een beheersinstantie, zij het de Staat of het Gewest, zij het één of andere natuurvereniging, de beste waarborg voor het natuurbehoud. Hoopgevend is alleszins de recente aankoop van ongeveer vier hectaren hooiland en broekbos door De Wielewaal v.z-w. uit Turnhout en door het Belgisch Verbond voor Bescherming van Vogels uit Brasschaat, waardoor een efficiënt beheer als natuurreservaat mogelijk werd. Prioritair blijft nochtans de integrale bescherming van dit unieke landschap in de vallei van de Grote Nete, wat slechts haalbaar is door een beslissing van de overheid.

Wilgenstruweel en verruigd hooiland (foto O. Pauwels)

51 M&L


De Kolhoek (foto O. Pauwels)

Verlanding in de Ruiliock. Pagina rechts: verlandende vijvers met broekhos (foto's O. Pauwels).

•Hl

M&L 52


«v

i^rn*

,^n '*r>

'iv

mtir

i,

%


Voetnoten

(1) Tertiair: de voorlaatste periode van de geologische geschiedenis (65 tot 2 miljoen jaar geleden). (2) Kwartair: het Kwartair — van ongeveer 2 miljoen jaar geleden tot nu — is onderverdeeld in het Pleistoceen (de "Ijstijden') en het Holoceen met de huidige erosie- en afzettingsverschijnselen. (3) Eolisch aangevoerd: door de wind aangevoerd. (4) Würm-ijstijd: de Wurm of Weichselijstijd is de laatste pleistocene ijstijd (750000 tot 10000 jaar vóór Christus). (5) Atlanticum: koele en vochtige periode van het Holoceen. (6) Uzeroer: harde, bruine tot roodgele brokken en concreties van ijzerverbindingen. (7) Podzolbodem: bodem die gekenmerkt wordt door sterke uitloging, met name van ijzer en humus. Karakteristiek voor de podzol is de askleurige loodzandlaag; deze bodemsoort ontstaat als het moedermateriaal, bijvoorbeeld kwartszand, arm is en bovendien te kampen heeft met een neerslagoverschot. (8) Plaggenbodem: bodem met een meer dan 60 cm dikke humeuze bovengrond, die ontstaan is door het eeuwenlang gebruik van plaggenmest, dat behalve organisch materiaal ook een zekere hoeveelheid minerale bestanddelen bevat. (9) Mesotroof: met middelmatige voedselrijkdom. (10) Oligotroof: voedselarm. (11) Verlandingsproces: proces waarbij open water geleidelijk aan opgevuld raakt met resten van in het water groeiende planten, waardoor uiteindelijk nieuw land ontstaat. Het verlandingsproces verloopt sneller in een voedselrijk dan in een voedselarm milieu. (12) T.A.W.: vergelijkingsvlak van de tweede algemene waterpassing (Nationaal Geografisch Instituut. 1946-1948).

Bibliografie

— Baeyens L., (1960), Bodemkaart van België: kaartblad Westerlo 60 E & Verklarende tekst bij het kaartblad. Gent, Centrum voor Bodemkartering. — Baeyens L., (1969), Bodemkaart van België: kaartblad Geel 45 E & Verklarende tekst bij het kaartblad. Gent, Centrum voor Bodemkartering. — Berghmans H., (1985), Wat leeft en groeit er in het Zammelsbroek, Huisbroek, Trichelbroek, Watereinde? Inventaris van planten, amfibieën, reptielen, zoogdieren en vogels, niet gepubliceerd manuscript. — Berghmans H. en Volders J., (1982), Vogellijst 1978-1982 van het Zammelsbroek, niet gepubliceerd manuscript. — De Blust G., Faes B. en Metsu I., (1975), Landschapsinventaris van het gewest Herentals-Mol - oecologisch dossier, Antwerpen, U.I.A. - Departement Biologie in opdracht van het Bestuur van de Stedebouw en de Ruimtelijke Ordening te Brussel. — Londo G., (1979), Graslanden, in Natuurbeheer in Nederland. Levensgemeenschappen, Wageningen (Nederland), Rijksinstituut voor Natuurbeheer, Pudoc, p. 261-282. — Staatssecretariaat voor Streekeconomie, Ruimtelijke Ordening en Huisvesting, (1978), Gewestplan Herentals-Mol. Brussel, Bestuur van de Stedebouw en de Ruimtelijke Ordening. — Stynen M., (1982), Op stap in Oosterlo, Geel, Davidsfonds. — T'Jonck G.. (1977), Geologische gesteldheid, in Geel van gisteren tot morgen. Geel, v.z.w. Lions Mol-Geel, p. 194-206. — Van Aelten L., (1977), Reliëf en hydrografie, in Geel van gisteren tot morgen. Geel v.z.w. Lions, Mol-Geel, p. 181-193. — Vandelannoote A., Bruylands B., (+) en Verheyen R., (1986), Vergelijking van de waterkwaliteit van de bekkens van de Grote en de Kleine Nete in de periodes 1983-1984 en 1985-1986, Wilrijk, U.I.A. — Departement Biologie. — Vandoninck K, Van Reeth S. en Wouters K., (1974), Plantenen vogellijst van het Zammelsbroek, Geel, Geels Komitee voor Milieubeheer. — Verheyen L. en Verlinden C , (1981), Rapport Zammels Buitenbroek, Antwerpen, U.I.A. - Departement Biologie, BTK-project Natuurbehoud.


Een wegkapelletje te Erpe-Mere

Johan De Punt

In Erpe, een deelgemeente van het Oost-Vlaamse Erpe-Mere, bevindt zich een arduinen kapel die sinds 1770 toebehoort aan de familie Hosselaer. De wijze waarop haar restauratie op initiatief van de plaatselijke heemkundige kring tot stand kwam dwong bij velen respect af en betekende de start voor andere restauratiecampagnes. Dit type kapel treft men vooral aan in Henegouwen, met een concentratie rond Soignies. Tijdens het geschiedkundig onderzoek identificeerden wij het toen nog onbekende steenkappersmerk van de familie Depret. De toegepaste, deductieve methode kan eveneens gebruikt worden voor de ontdekking van andere, nog te identificeren steenkappersmerken. Het nut van de glyptografie, als hulpwetenschap bij het opstellen van geschiedkundige nota's, hoeven wij hier niet te onderstrepen, al is het bestaan ervan bij velen nog niet genoeg bekend.

Het wegkapelletje, na restauratie (foto P. Van den Broeck)

55 M&L


Een situering Hoewel hiervoor geen bewijzen voorhanden zijn mag worden aangenomen dat de kapel zich nog steeds bevindt op de plaats waar ze omstreeks 1770 opgericht werd. Ze staat langs de rechterzijde van de kleine voortuin van de woning nr. 108 in de Dorpsstraat te Erpe, onder het gebladerte van een oude lindeboom. Het kapelletje behoort tot het type 'niskapel'. Dit zijn kapelletjes die bestaan uit een gemetselde constructie of uit een gehouwen steen, waarin een nis is uitgespaard. De kapel is gekapt in blauwe hardsteen en is 345 cm hoog (onderkant voet tot bovenkant kruis), 86 cm breed (aan de siervazen) en 47 cm diep. Ze bestaat uit verschillende onderdelen: de sokkel, de zuil, de tussentafel, de kop, het kruisbeeld, de nis en de siervazen. De sokkel is een arduinen plaat van 100 x 100 x 20 cm, met vlakke bovenzijde en gefrijnde zijkanten. Op deze sokkel staat de zuil, licht gezwollen, vierkantig en 135 cm hoog. De hoekkanten zijn gefrijnd. Op het onderstuk van de zuil leest men, ietwat schuin, het steenhouwersmerk D P. Op de voorzijde bevindt zich het dubbel chronogram, op een licht vooruitspringend en gepolijst vlak. Dit chronogram verwijst tweemaal naar 1770; de overige opschriften verwijzen naar de oprichters van de kapel. De zuil is bovenaan afgewerkt met een druiplijst. Tussen de zuil en de kop van de kapel bevindt zich de tussentafel, een dunne vlakke plaat met geprofi-

Situering van de kapel (uittreksel topografische kaart NGI, uitgave 1982) M&L 56

Opmetingsplan (aanzichten, doorsnede, detail) vóór de restauratie (tekening Arcotec)

leerde rand. De kop van de kapel is een bovenaan afgerond blok, waarin een nis is uitgespaard voor het plaatsen van het beeld. Links en rechts van de nis zijn vlakke pilastertjes aangebracht. De nis wordt afgesloten met een gesmeed ijzeren hekje, versierd met bloemetjes. Op de kop van de kapel is een Latijns kruis geplaatst, op een voetstukje met inzwenkende voluten. Op dat voetstuk staat in een lint '1770'. Aan weerszijden van het kruis is een siervaas aangebracht; ze zijn weliswaar gedeeltelijk afgebrokkeld, maar geven nog de aanzet van vlammetjes die uit de vazen opflakkeren. De kapel is sinds haar oprichting en tot op vandaag in het bezit gebleven van de familie Hosselaer: het is dan ook niet verwonderlijk dat men ze ook 'kapelleke Hosselaer' ging noemen. Deze familie, afkomstig uit Lede, vestigde zich in Erpe op het einde van de 17de eeuw. Haar leden behoorden tot de betere standen. Voor de geschiedenis van de kapel zijn voornamelijk de gebroeders Judocus en Joannes Hosselaer van belang, wier namen gekapt staan op de voorzijde van de zuil. Judocus (H)osselaer werd, als 5de kind, gedoopt te Erpe op 13 januari 1724. Bij zijn derde huwelijk had hij reeds 5 van zijn kinderen ten grave gedragen. Judocus was armmeester, schatbewaarder en hoofdman van de Broederschap van de Heilige Drievuldigheid van Erpe. In 1769 was hij leenman van het leenhof van Erpe. Hij overleed er op 23 oktober 1781.


v;

De kapel vóór de aanvang van de werken (eigen foto)

INIVO oool

•< I -cm

De gebarsten nis (eigen foto)

De zuil wordt gelicht (eigen foto)

3

* \/

/

MATERIALEN

y

rïTf d

arduin

-s-^-t >-

V& +^+

rrST

GRONDPLAN

k>=;^-

VOORAANZICHT

snede A-A

Opmetingsplan van de bestaande toestand (tekening Arcotec) 57 M&L


Joannes (H)osselaer werd als 7de kind gedoopt op 26 mei 1729. Hij overleed waarschijnlijk te Edingen op 6 april 1799. Joannes was pater in het Augustijnerklooster te Edingen. Na zijn professie op 26 oktober 1749 bracht hij het van prior (1763-1766 en 1772-1775) tot definitor (1778-1781) en zelfs tot provinciaal (1781-1790) (1).

Stijlkenmerken van de 18de-eeuwse, arduinen niskapel Uit een beperkt onderzoek blijkt Vlaanderen minder rijk te zijn aan arduinen niskapellen dan Wallonië (2). De groeven, waar de blauwe hardsteen in de 18de eeuw ontgonnen werd, liggen dan ook in de streek van Feluy, Soignies, Ecaussinnes en Arcquennes. De 'niskapel' bestaat doorgaans uit dezelfde onderdelen, van boven naar onder: het kruis (op wereldbol of schouderstukken), de nis, (een tussentafel), de zuil en een sokkel. De nis bevat(te) meestal een beeld, achter een ijzeren hekje. Het kruis kon — facultatief — nog geflankeerd worden door kandelaars of zuilen. De zuil is in de meeste gevallen uit één stuk en recht of buikvormig. Langs de voorzijde bemerken we vrijwel steeds een tekst. Deze tekst, in het Frans, Latijn of Nederlands, bevat de naam van de heilige aan wie de kapel is toegewijd. Daarnaast kunnen ook de namen van de opdrachtgevers vermeld zijn, alsmede het jaar van oprichting. De tekst kan één of meerdere chronogrammen bevatten en afsluiten met een boodschap voor de voorbijganger. Uitzonderlijk wordt een steenkappersmerk aangetroffen. Naast de veelvuldige (60 %) vermelding van OnzeLieve-Vrouw (van Luxemburg, Troost, Halle, Lorette, Genade, Bijstand, Foy) worden op de zuil sporadisch de heiligen Martinus, Laurentius, Jozef, Adriaan, Petrus van Broquette, Margareta en Anna aangetroffen. De mooiste collectie niskapellen kan men vinden op het oude kerkhof van Soignies. Hier dienen deze kapellen (16) als zerk voor de overledenen.

Wrijftekening van het merk DP op de sokkel van de kapel

Het merk DP, na restauratie (foto P. Van den Broeck)

(3 O O S T - V L A A N D E R E N

De maker

Plannen of bouwrekeningen werden niet teruggevonden. De enige aanwijzingen omtrent de uitvoerder waren de letters DP, gekapt in het voorvlak van de aanzet van de sokkel. Ze zijn niet loodrecht aangebracht en passen in een denkbeeldige rechthoek van 7 x 8 cm. Het merk DP is reeds 79-maal teruggevonden (3), overwegend in de vierhoek Ninove, Halle, Mons en Ath, met als uitschieters Edingen (13-maal), Bergen (20-maal) en Zinnik (7-maal). Het merk werd aangetroffen op eenvoudige deurportalen van boerderijen, op grafzerken, op kerkportalen, op kapellen, op de deurstijlen van een kasteel... . Hoe dit merk kon toegeschreven worden aan de familie Depret is een verhaal op zichzelf. • •

M&L 58

Verspreidingskaart van het merk DP (eigen tekening)


De initialen DP komen eveneens voor in de SintAdriaansabdij te Geraardsbergen. Over de bouw van deze abdij is reeds heel wat gepubliceerd, temeer daar tal van bouwrekeningen bewaard zijn gebleven. Op 22 juni 1764 stelde zo ene P.J. Depret een offerte op voor de bouw van een deuromlijsting met trap. Op het ontwerpplan zien we een ingangsdeur versierd met cartouches met schelpenmotief en beeldhouwwerk. De bijhorende Franse tekst leert ons dat Depret eigenaar was van een groeve en zélf instond voor de bouw. De deuromlijsting verdween op het einde van de 18de eeuw (4). Ook in 1751 had de abdij reeds een contract afgesloten met Michel Depret voor de levering van 6 hele en 4 halve kolommen. Nadien volgden nog andere bestellingen (5). In 1773 deed de abdij andermaal beroep op de familie Depret. Uit de rekeningen blijkt dat heel wat betalingen werden verricht aan zekere P. Joseph en aan Quentin, ondermeer 'Betaelt aen quentin de pret en p.joeseph de pret in 2 reysen over leveringhe van steenen aen de kercke van maria lierde en het hof ter buyckmeirsch ... 336 guldens en 6 stuivers volgens handteecken'.

bereikbaarheid. In Onkerzele (Geraardsbergen), op het 'hof te Buyckmeers' troffen wij het merk des te veelvuldiger aan, met name op nagenoeg elk van de 103 negblokken (ten minste 4,98 m3 blauwe hardsteen, wat neerkomt op 13.460 kg). Thans wisten wij met zekerheid dat het merk DF gevoerd werd door leden van de familie Depret uit Soignies, aanvankelijk door Michel en na zijn dood in 1770, door zijn beide zonen Philippe Joseph en Quentin. Op het oude kerkhof van Soignies bevindt zich, temidden 16 gelijkaardige zerken, de zerk van de familie Depret. In feite zijn het kapellen waar de buikvormige zuil de tekst bevat die herinnert aan de overledene. De tekst leert ons de samenstelling van het gezin Depret. Stadsburger Michel Depret was gehuwd met Michel Dudich. Hij was 75 jaar oud toen hij in 1770 stierf. Minstens 4 kinderen overleden in Soignies: Fierre, Anne Franfjoise, Philippe Joseph en Ouintin Joseph Depret. Philippe stierf in 1781, 14 jaar voor zijn broer Quintin. Van Philippe weten wij daarenboven dat hij in staat was om monumentale deuromlijstingen te ontwerpen en te plaatsen. Wat er na 1795, bij het overlijden van Quentin, met de groeve gebeurde konden we niet achterhalen.

Meteen beschikten we over een duidelijke vermelding van twee plaatsen waar de gebroeders Depret steen geleverd hadden. In Sint-Maria-Lierde konden we geen merken terugvinden, wegens de moeilijke

Dank zij het steenhouwersmerk DF kunnen we nagenoeg stellen dat de kapel te Erpe, en waarschijnlijk ook deze te Neigem, het werk is van één der leden van de familie Depret. Het weerkerende jaartal 1770

De Sint-Margaretakapel te Neigem

Tijdens ons veldonderzoek ontdekten wij deze kapel die opvallend veel gelijkenis vertoont met de kapel van Erpe. Wij achten het zinvol ze even met elkaar te vergelijken. Wanneer de losse elementen (kruis en siervazen) worden weggedacht, dan kunnen alvast de volgende gemeenschappelijke kenmerken waargenomen worden : - de identieke profilering met nagenoeg gelijke afmetingen van de druiplijsten (1 en 2); de aansluiting van de zuil op het voetstuk (3) en de hoekafwerking van de vooruitspringende tekstplaat; - de - minder geslaagde - knik in de zuil (5); - de nissen geflankeerd door pilasters; - de weliswaar verschillende teksten, doch beide met het chronogram 1770. In het chronogram van de kapel te Erpe komt dit jaartal tweemaal voor, in het chronogram van de kapel te Neigem zelfs driemaal. Op de kapel van Neigem werd geen steenhouwersmerk gevonden, al kunnen wij de kapel beschouwen als een meer eenvoudige uitvoering van de kapel uit Erpe (*).

AEM

OM SE

UE\fe V R O I M IVAK BYSTAND POORJÜDOCUS, EN DoANNES ZKoSSEhfiS-R.

LEEST EEN GEBED VOOR. DE OPBAUWERS DESER. ^APELLE f

HEYLIGE MAU.CAR.ETA : VOORSPRAKERSa DER. BEVRUCHTE 1 VROUWEM i \ OP U HEBBEN WY A U ONS BETROUWEN W I L T ONS .NDACHTIGH SYM IN ALLEI DRDEFHEYT ENDEI>YN LETZST D A N VoofL DE BAUWERS

Ofi (*) Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen, deel 5n/2. p. 705. Hierin worden verkeerdelijk de jaren 1770, 1776 en 1779 vermeld.

Margoretokopel - Npiqem 50 cm kopd •Hosselaer' - Erpe

59 M & L


blijft voor raadsels zorgen, al is een verwijzing naar het sterfjaar van Michel Depret niet uitgesloten.

De restauratie In een eerste fase werd de nis van de sokkel gelicht en vervoerd naar de afdeling steenkappen van het Koninklijk Technisch Atheneum te Herzele, die de volledige herstelling van de blauwe hardsteen op zich nam. De verdwenen hoekstukken werden bijgekapt. Twee nieuwe siervazen en een nieuwe tussentafel vervingen de vervallen elementen. Inwendig verstevigen bronzen klingen de grote scheur, die afgedekt werd met een steenmortel. Het verweerde laagje hardsteen werd verwijderd een maakte plaats voor een gezonde laag. Deze kreeg nadien haar oude frijnslag terug. In een tweede fase verhuisde de zuil met zijn vierkante sokkel naar de werkplaats. De initialen DP werden ontdekt tijdens het aanbrengen van een

Het opschrift op de zuil wordt dieper ingekopt (eigen foto)

De gerestaureerde nis (eigen foto) M&L 60

nieuwe frijnslag. Alle ijzeren verbindingspennen werden vervangen door bronzen. De letters kregen een diepere inkapping. Een betonnen sokkel ondersteunt de vernieuwde kapel. Alle delen werden ingesmeerd met een waterige emulsie op basis van acrylhars. De ontmanteling, afbraakwerken, funderingswerken alsmede de architecturale begeleiding, gebeurden door leden van de heemkundige kring. De overige werken werden uitgevoerd door erkende aannemers. Het in 1977 gestolen, gepolychromeerde stenen beeld werd vervangen door een exemplaar in geglazuurde terracotta, van de hand van beeldhouwer Mark De Bruyn. Het stelt de Maagd voor als 'Stoel der Wijsheid'. Het werd vervaardigd door mevrouw Fleurinck in het atelier beeldhouwen van de Akademie van Schone Kunsten te Aalst. De vierkante sokkel, die slechts tijdens de afbraakwerken ontdekt werd, werd 50 cm hoger geplaatst daar de kapel door opeenvolgende wegverhogingen slechts beperkt zichtbaar was. Vóór de kapel werd een eenvoudig muurtje met ezelsrug aangebracht, dat plaatselijk onderbroken is. De resterende koplinde, die bij de kapel behoort doch op een ander perceel staat, werd gesnoeid. Vóór de rechtgeduwde, betonnen platen werd een bloemperk aangelegd. Het voetpad werd vóór de kapel verbreed zodat auto's niet langer het zicht belemmeren.


i fel m

i

aJilMÉ

V '^

^-

De wegkapel, teruggeplaatst na restauratie (eigen foto)

k

«ITQ

De kapel na restauratie. Zijaanzicht (eigen foto)

Plechtige inhuldiging van de vernieuwde kapel (eigen foto)

VOORAANZICHT

Het restauratie-ontwerp (tekening Arcotec) 61 M&L


De financiering Van in het begin was het duidelijk dat de huidige eigenaars, de erfgenamen Hosselaer, niet geneigd waren de geraamde 80.000,-fr. voor de restauratie te betalen. Via een steunfonds en met de hulp van de Stichting Monumenten en Landschapszorg vzw zocht de heemkundige kring dan ook naar de nodige sponsors. De financiële respons bleek groot te zijn, hoewel het hier om een privé-kapel ging. Opmerkelijk was ook het groot aantal anonieme schenkers. Via een deur aan deur-actie en de grote ruchtbaarheid die de plaatselijke pers aan het project gaf, alsmede door de steun van de kerkelijke overheid, was het mogelijk het leeuwendeel van de kostprijs te verzamelen. Een aanzienlijk bedrag werd eveneens uitgespaard doordat een groot gedeelte van de werken door de leden van de heemkundige kring werden uitgevoerd en een school bij het project werd betrokken. Andermaal bleek het belang van een geschiedkundige nota waarin een dosis genealogie samen met kennis van de steenkappersmerken nodig was om de ontstaansgeschiedenis van een eenvoudige, arduinen wegkapel te kennen. Door een samenloop van omstandigheden, het combineren van verschillende disciplines en een gezamenlijke inzet om voor de nodige financiering te zorgen, kon een kleinood behoed worden voor afbraak. Voortaan is dit kapelletje met lindeboom bestand voor de toekomst.

Voetnoten (1) Mededelingen van de Heemkundige Kring van Erpe-Mere, jg. XXVII, nr. 4. (2) Hiervoor werden 34 kapellen onderzocht, vermeld in de reeksen Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen en Le patrimoine monumental de la Belgique. Volledigheidshalve kunnen we nog vermelden dat er naast de niskapellen een drietal kapellen werden aangetroffen met een bas-reliëf (O.L.Vrouw van Halle). (3) Van Belle J.L. e.a., Dictionnaire des Signes Lapidaires en Belgique et Nord de la France, 1984. (4) Leuven, archief van de universiteitsbibliotheek, XII, nr. 39. (5) Ronse R.A., Fonds Sint Adriaansabdij nr. 386, p. 212-219 en nr. 340, p. 53, 54, 55 en 57.

M&L 62

üe Maagd Maria als 'Stoel der Wijsheid', ontworpen door M. De Bruyn, vervaardigd door mevr. Fleurinck (eigen foto)


In 1986, the Brewery Rodenbach in Roeselare decided to restore the old kiln which previously was part of the company's maltingdepartment. The authors first consider the historical background of the company, starting with the founders and the very first developments of the industrial premises. The further evolution of the Brewery is also discussed in some detail, whereby two main development periods are distinguished: namely from 1864 to 1897, and from 1934 to 1967. The problems created by the necessary expansion of the buildings are briefly discussed and situated in the general context. This leads to the situation prevailing nowadays, with an intricate mixture of older and newer parts. The malting-activities having been brought to a stop in 1975, — for economical reasons, — most of the buildings of the former maltingdepartment are pulled down in 1980, to use the space for new developments. However, the old kiln escapes the destruction, because of its historical and symbolic value. Indeed, it is a unique feature on the continent; with its rounded shape instead of the prevailing square shape in this country, it is a typical example of the oasthouses from Western England, known as the "Welsh Types". As there are no concrete plans for the kiln, it remains abandoned to its fate for a number of years, whereby climatic and other factors are quickly inducing considerable damage to the monument. A final decision has to be taken in 1985; either pulling it down or restoring it. The latter fortunately prevails, and the authors are put in charge of the works. These are described in some detail, distinguishing three major parts: the roof, the brickwork, and the inside. After its complete restoration, which took a bit more than a year to be achieved, the kiln is now used as a kind of museum, displaying old malting tools, and as a showroom, and is open to the visitors of the factory. On the opening, which coincided with the 150th anniversary of the Brewery, about 10.000 people came to see the kiln, and since then, iet receives around 5.000 visitors each year. The authors wish to thank the Management and the Board of the Brewery, who provided the necessary credits, and gave them a free hand for the restoration works.

In 1528 the Burgomasters and Aldermen of the Liberty of Bruges — the castellany of Bruges — decided to have a monumental chimney-piece made in the recently built Aldermen's Room to a design by the Brugean painter Lanceloot Blondeel (1498-1561). The occasion was probably the Treaty of Madrid (1526) concluded one year after the Battle of Pavia, in which Charles de Lannoy defeated the French King Francis I. Some alterations and additions may, however, have been made after the Treaty of Cambrai or Ladies' Peace (1529) in which a.o. Francis I renounced his sovereignty over Flanders and Artois and in which his marriage with Eleonora, sister of Charles V was arranged; The magnificent Renaissance chimney-piece is tribute by the Liberty of Bruges to its prince, Charles V (1500-1558), count of Flanders. In the centre stands the figure of the worldly prince, opposite it hangs the Last Judgement, the most common type of justice piece, which gives an image of the highest and godliest judgement in which the earthly kind should be reflected and to which everyone will sooner or later have to submit. Between God and the emperor sits the magistrate, who exercices a governing as well as a judicial function, and whose responsibility at a worldly level is to the prince. The centre-piece, the actual chimney-piece, consists of two parts. The lower part is of black marble from Dinant; it contains an

alabaster frieze in which the story of the chaste Suzanna is portrayed in four episodes. On the corners of the mantelpiece stand four alabaster putti who may represent virtues: the first with 2 stones (flint-stones?) in his hands may stand for patience; the second with the horn of plentyis the symbol of caution, the third is compassionately watching the stoningt and stands for justice; the fourth, with the lion, represents strength. The upper part of the chimney-piece is made of wood. Before a throne stands the figure of Emperor Charles V, wearing the chain of the Order of the Golden Fleece; in his hands he holds the imperial sword and the globe. Behind Charles V, barely visible, are medallions below with the portraits of his parents Philip the Handsome d. 1506 and Johanna the Mad d. 1555; higher up there are medallions representing his aunt Margaret of Austria, vicereine of the Netherlands, and Charles de Lannoy, victor of the Battle of Pavia. At the corners putti hold medallions portraying Eleonora of Austria and King Francis I. A cartouche shows the date 1529 (Ladies' Peace). The wooden upper part of the chimney-piece extends along the wall on both sides. In the left-hand part stand the statues of Emperor Maximilian of Austria d. 1519 and Maria of Burgundy d. 1482, Charles V's grandparents on his father's side; beside them is the Cross of St. Andrew, emblem of the House of Burgundy. In the right-hand part stand the statues of Ferdinand of Aragon d. 1516 and Isabel of Castille d. 1504, the Spanish "Catholic Kings" (Charles V's grandparents on his mother's side). The emblem of the Spanish royal house, a bundle of arrows and a yoke, is also present. The sculpted wall, on which 46 coats-of-arms of principalities are to be seen, forms a curved surface with candelabrum motifs before joining the ceiling, where it is adorned with tendrils and caskets. From 1528 to 1531 various carpenters and sculptors (including Herman Glosencamp, Rogier de Smet and Jacob Crepen) worked on the chimney-piece. The five large princely statues and the alabaster putti were made by Guyot de Beaugrant (a native of Lotharingia), who also sculpted the alabaster Suzanna relief to his own design.

In 1982 the Royal Committee for Monuments and Sites proposed the legal protection of Zammelsbroek, a peaty marshland of about 300 ha in the valley of the Grote Nete river, south of Geel. The alluvium mainly consists of wet, light sandy loams with a shallow peat substratum or, less frequently, ofpeat-soils. Peat-digging or bog-ore extraction gave rise to a number of (mostly oblong) ponds. The valley edges are marked by sandy aeolian and often podzolised soils. From time immemorial the wet valley soils have been used for cattle-grazing and hay-making. As a result of the modernization in agriculture, hay-meadows subsist only on a few isolated spots. Part of the former hay-lands have been planted with poplars, part of them have been improved and converted into permanent grazing grounds and the remaining were left fallow. A comparison between floristic records from 1974-1975 and recent observations show that even in so short a lapse of time the area has lost much of its floristic diversity. Heath Spotted-Orchid, Marsh Gentian, Cross-leaved Heath. Perry Whin and Devil's-bit probably disappeared, because the parcel on which they grew has been

63 M&L

• • •


levelled. Other plant species such as Bogbean and several species of Sedges probably fell victim to eutrophication and/or pollution, warping or omission of mowing. Wet ball-forbs-vegetations and specimen of the different evolutionary stages toward mesotrophic willow/alder carr, cover an important part of the Zammelbroeklands. A more oligotrophic type of ruderal grassland with Cotton-grass and Marsh Cinquefoil can be found in the South of the area (the "Zammelsbuitenbroek").

have not been abandoned for too lang and that are more or less oligotrophic — ought to be an important objective. Intensive mowing with removal of the litter is needed here. For different reasons part of the ruderal grasslands should be preserved. Less frequent mowing without removing the litter will be sufficient to maintain them. The fish-pools nearby someof the abandoned weekend cottages finally offer interesting opportunities for regenerating certain aquatic biotopes.

Ornithological records suggest that the Zammelsbroek is an important nesting bird area. Experience proved that the legislation operative or urban planning and regional development inadequately guarantees the preservation of the Zammelsbroek as a scientifically important site. Even the protection formula with its stringent prohibition orders, thought to be adapted to the concrete needs and menaces (drainage, landfill, construction of week-end cottages... ), does not solve the basic problem, i.e. the lack hof management. The regeneration of a number of hay-lands — preferably those that

In the Eastflemisch community of Erpe stands a blue-stone roadside chapel belonging since 1770 to the Hosselaer family. On the initiative of the local historical circle the chapel was restored in 1987. Preparatory historical research allowed to attribute an until now not identified stonemasonsmark to the Depret family, from the Hainault community of Soignies, where the same type of chapel occurs in larger concentrations. At the same time the use of the glyptography as auxiliary science to historical research was established by experience.

^Ml/v^ •tBflUGGf

"OQR

q

^P

Vormingsinstituut voor K.M.O. Centrum Brugge Spoorwegstraat 14 8200 Brugge 2

cursus 'Restaurateur van g e b o u w e n ' programma-inhoud Restauratiefilosofie Kennis der lokale architectuur Vochtproblemen - curatieve ingreep Restauratie van metselwerk Houtrestauratie Verfrestauratie Restauratie van glasramen Restauratie van pleisterwerk Stabiliteitsproblemen Opmetingsmethoden Kostprijsberekening Werfbezoeken Dossier opmaken Organisatie Deelnamerecht: 2.800,- fr. Aanvang : maandag 18 september 1989 Duur : 2 jaar, 1 lesavond (maandag) van 19 tot 22 uur 32 lesweken per jaar Inschrijvingen en inlichtingen : 050/38 35 81 - 38 36 41 vragen naar J. AVERMAETE

M&L 64


Doe een M&L-jaarabonnement cadeau

Bovendien houdt M&L voor de milde schenker een present in petto : U betaalt 950 fr. en ontvangt van ons een set van 6 kleurenpostkaarten.

Naam : Adres : D wenst een abonnement te schenken aan : Naam : Adres : Ik stort 950 fr. op rek. nr. 470-0278201-29 van Monumenten en Landschappen. Na storting ontvang ik de kleurenpostkaarten.

Datum :

Terug te sturen naar M&L-redaotie, Belliardstraat 14-18, 1040 Brussel.

Handtekening


Toestand Ast vóór restauratie

B.VB.A. AANNEMINGEN

SEYNHAEVE

Ast van de Brouwerij Rodenbach na restauratie

ALGEMENE BOUWWERKEN RESTAURATIEWERKEN ERKENNING NR. 3021 KLASSE 5 CAT. D.D1.D24 KLASSE 4 CAT. D12 KLASSE 3 CAT D9 Bruggesteenweg 143 8840 HOOGLEDE-GITS Tel. (051) 22 71 51 - 22 72 96 Telefax (051) 21 06 40


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook