Dynamiekmonitor voor de Vlaamse arbeidsmarkt STROMEN VAN WERKNEMERS, JOBS EN WERKGEVERS TIJDENS DE COVID-CRISIS
Tine Vandekerkhove, Tim Goesaert & Ludo Struyven
DYNAMIEKMONITOR VOOR DE VLAAMSE ARBEIDSMARKT Stromen van werknemers, jobs en werkgevers tijdens de COVID-crisis Tine Vandekerkhove, Tim Goesaert & Ludo Struyven Projectleiding: Ludo Struyven & Tim Goesaert
Onderzoek in het kader van de Viona-Leerstoel Arbeidsmarktdynamiek van het Departement Werk en Sociale Economie van de Vlaamse Overheid
Gepubliceerd door KU Leuven HIVA - ONDERZOEKSINSTITUUT VOOR ARBEID EN SAMENLEVING Parkstraat 47 bus 5300, 3000 LEUVEN, België hiva@kuleuven.be http://hiva.kuleuven.be D/2022/4718/010 – ISBN 9789055507412
© 2022 HIVA-KU Leuven Niets uit deze uitgave mag worden verveelvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
Voorwoord
Dit is het tweede trendrapport over de dynamiek van de Vlaamse arbeidsmarkt. Het biedt een overzicht van de omvang, de aard, de onderlinge samenhang en de evolutie van de bewegingen die verborgen blijven achter de gebruikelijke netto-statistieken over de arbeidsmarkt. In de voorbije twee jaar zette de COVID-crisis de patronen in de jaarlijkse arbeidsmarktdynamiek stevig onder druk. Er kwam meer volatiliteit in de arbeidsmarkt, met soms ongeziene sprongen in de stromen van werknemers, jobs en werkgevers, vaak niet zichtbaar op basis van netto-cijfers. Vergelijk het met een meer: de waterspiegel lijkt nauwelijks te bewegen, maar onder de waterlijn doen zich wel degelijk grote stromen voor. In volatiele tijden nog meer. Net zoals in het eerste trendrapport maken we gebruik van unieke administratieve data van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ) over de stromen van werknemers, jobs en werkgevers voor de volledige loontrekkende tewerkstelling op de Belgische arbeidsmarkt. De data zijn aan de bron gecorrigeerd voor schijnbare veranderingen in de tewerkstelling ten gevolge van fusies, splitsingen of administratieve wijzigingen bij ondernemingen. Een eerste vernieuwing in dit trendrapport is om voor de meest recente, nog onvolledige periode eveneens methodologisch correcte gegevens in kaart te brengen, tot op het niveau van de drie gewesten en van de provincies. Een tweede vernieuwing in dit trendrapport is om de economische realiteit van de arbeidsmarktdynamiek nog beter te benaderen door ook gegevens op te nemen over uitzendwerk bij de inlenende bedrijven (tot op vandaag niet beschikbaar), over tijdelijke werkloosheid (niet zichtbaar omdat deze werknemers in dienst blijven), over starters en zelfstandigen (doorgroeien als werkgever), en over werk-naar-werk transities in loondienst (overstappen naar een andere werkgever). Dit trendrapport is gebaseerd op data van Dynam-Reg, het samenwerkingsverband van RSZ en HIVA-KU Leuven en de drie gewestelijke partners BISA, DWSE en IWEPS. Het kwam tot stand in het kader van de tweede editie van de Viona-Leerstoel Loopbaantransities en Arbeidsmarktdynamiek 2021-2023 van het Departement Werk en Sociale Economie van de Vlaamse overheid. Wij danken de leden van de Viona Stuurgroep en de Begeleidende Werkgroep voor hun waardevolle feedback op eerdere versies van dit tweede trendrapport. In het bijzonder danken we de collega’s van het Departement Werk en Sociale Economie (DWSE) voor de vruchtbare en fijne samenwerking. Tot slot danken wij ook Vlaams minister van Werk en Sociale Economie Hilde Crevits, om de VionaLeerstoel mogelijk te maken, en de ambitie te helpen realiseren om dé dynamiekmonitor te worden met volledige en accurate cijfers en inzichten over de dynamiek op de Vlaamse arbeidsmarkt. Leuven, 19 mei 2022 Prof. dr. Ludo Struyven, dr. Tim Goesaert & Tine Vandekerkhove
VOORWOORD
3
Inhoud
Voorwoord
3
Lijst tabellen
7
Lijst figuren
9
Samenvatting
11
Inleiding
15
1 | Arbeidsmarkt: kernindicatoren voor Vlaanderen
18
1.1
21 22 28 30 35 36 38 41 42 45 46 47 48
1.2 1.3 1.4
1.5 1.6
Aanwervingen en exits 1.1.1 Sectorale werknemersdynamiek 1.1.2 Werknemersdynamiek per regime 1.1.3 Stromen in en uit werk Jobdynamiek 1.2.1 Sectorale jobdynamiek Uitzendarbeid Startende ondernemingen en zelfstandigen 1.4.1 Starters als werkgever en starters als onderneming 1.4.2 Aantal ondernemingen met personeel en zonder personeel 1.4.3 Aantal loontrekkenden en aantal zelfstandigen Tijdelijke werkloosheid Conclusie
2 | Dynamieken in de subregio’s van de Vlaamse arbeidsmarkt tijdens het eerste jaar crisis
51
2.1
Netto-evolutie en werknemersdynamiek per Vlaamse subregio tijdens het eerste crisisjaar 2.1.1 Netto-evolutie van de tewerkstelling 2.1.2 In- en uitstroombewegingen in vergelijking met pre-corona 2.1.3 Regio’s die zwaar werden geïmpacteerd door de crisis 2.2 Welke rol speelt het profiel van een subregio bij de impact van de crisis? 2.2.1 Sectorale samenstelling en evolutie 2.2.2 Tewerkstelling in een speciaal (kortlopend) statuut 2.3 Evolutie van de sectorale werknemersdynamiek per subregio tijdens het eerste crisisjaar 2.4 Subregionale dynamiek tijdens het tweede crisisjaar 2.4.1 De werknemersdynamiek in 2020-2021 naar woonplaats 2.4.2 De werknemersdynamiek in 2020-2021 naar werkplaats 2.5 Conclusie bijlage 1 Bijlage bij hoofdstuk 1 bijlage 2 Bijlage bij hoofdstuk 2
60 64 65 67 71 73 77
Referenties
85
51 51 53 54 56 56 58
INHOUD
5
Lijst tabellen
Tabel 0.1
Evolutie van de loontrekkende tewerkstelling (stock) voor en tijdens de coronacrisis op de Vlaamse arbeidsmarkt (2014-2021*, naar werkplaats)
Tabel 0.2
16
Evolutie van de werknemersdynamieken van in- en uitstroom (flow) voor en tijdens de coronacrisis op de Vlaamse arbeidsmarkt (2014-2021*, naar werkplaats)
Tabel 1.1
16
Top 10 sectoren met de grootste daling van de instroom tijdens het eerste jaar crisis in het Vlaams Gewest in vergelijking met pre-corona (2018-2020, naar werkplaats enkel sectoren die minstens instaan voor 0,3% van de totale tewerkstelling in het Vlaams Gewest)
Tabel 1.2
25
Top 10 sectoren met de grootste daling van de instroom tijdens het tweede jaar crisis in het Vlaams Gewest in vergelijking met pre-corona (2018-2021*, naar werkplaats, enkel sectoren die minstens instaan voor 0,3% van de totale tewerkstelling in het Vlaams Gewest)
Tabel 1.3
26
Evolutie van de relatieve jaar-op-jaar stromen ‘van werk naar werk in loondienst’ en ‘van werk naar niet-werk/zelfstandige arbeid’ op de regionale arbeidsmarkten (ten opzichte van de totale uitstroom, 2015-2021*, naar werkplaats)
Tabel 1.4
31
Evolutie van het aantal dagen uitzendwerk in de handel in het Vlaams en Waals Gewest (2019_4 en 2020_4, naar werkplaats)
41
Tabel b1.1
Evolutie van de instroom in de drie gewesten
73
Tabel b1.2
Evolutie van de uitstroom in de drie gewesten
73
Tabel b1.3
De stromen van uitstroom in en uit werk in het Vlaams Gewest (2015-2021)
74
Tabel b1.4
De uitstroom richting werk per sector en regio (2019-2021)
74
Tabel b1.5
Evolutie van de jobtoename in de drie gewesten
75
Tabel b1.6
Evolutie van de jobafname in de drie gewesten
75
Tabel b1.7
Evolutie van de intensiteit van tijdelijke werkloosheid per gewest
76
Tabel b2.1
Verband tussen bestuurlijke arrondissementen en referentieregio’s in het Vlaams Gewest
Tabel b2.2
coronajaar (2019-2020) Tabel b2.3
79
Arbeidsmarktdynamiek (absoluut) in de Waalse subregio’s tijdens het eerste coronajaar (2019-2020)
Tabel b2.5
78
Arbeidsmarktdynamiek (relatief) in de Vlaamse subregio’s tijdens het eerste coronajaar (2019-2020)
Tabel b2.4
77
Arbeidsmarktdynamiek (absoluut) in de Vlaamse subregio’s tijdens het eerste
80
Arbeidsmarktdynamiek (relatief) in de Waalse subregio’s tijdens het eerste coronajaar (2019-2020)
81
Tabel b2.6
Evolutie van de instroom en uitstroom per Vlaamse subregio (2017-2020)
82
Tabel b2.7
Evolutie van de jobtoename en jobafname per Vlaamse subregio (2017-2020)
83
LIJST TABELLEN
7
Lijst figuren
Figuur 0.1
Tijdslijn van anderhalf jaar coronacrisis op de Belgische arbeidsmarkt (2020_22021_2)
Figuur 0.2
15
Overzicht van de vijf kernindicatoren binnen de dynamiekmonitor voor de Vlaamse arbeidsmarkt
Figuur 1.1
17
Instroom per sector in het Vlaams Gewest (2018-2021*, naar werkplaats, alle percentages in vergelijking met pre-corona)
Figuur 1.2
23
Uitstroom per sector in het Vlaams Gewest (2018-2021*, naar werkplaats, alle percentages in vergelijking met pre-corona)
Figuur 1.3
24
Verandering van de werknemersdynamiek op de Vlaamse arbeidsmarkt (20192020 en 2020-2021* in vergelijking met pre-corona, naar werkplaats)
Figuur 1.4
27
Evolutie van de werknemersdynamiek naar regime op de Vlaamse arbeidsmarkt (2015-2020, naar werkplaats)
Figuur 1.5
29
Evolutie van de absolute jaar-op-jaar stromen ‘van werk naar werk’ en ‘van werk naar niet-werk/zelfstandige arbeid’ op de regionale arbeidsmarkten (2015-2021*, naar werkplaats, procentuele verschillen t.o.v. het jaar voordien)
Figuur 1.6
30
Evolutie jobtoename per hoofdsector (percentages telkens t.o.v. pre-corona, 2018-2021*, naar werkplaats)
Figuur 1.7
37
Evolutie van de uitzendratio (in dagen) per subsector tijdens de eerste en tweede COVID-golf op de Vlaamse en Waalse arbeidsmarkt (2019_2-2020_4, naar werkplaats, sectoren die in 2019 minimaal een uitzendratio van 5% rapporteren)
Figuur 1.8
40
Vergelijking evolutie aantal starters als werkgever (Dynam) en aantal starters als onderneming (Statbel & Graydon) (naar werkplaats)
Figuur 1.9
43
Vergelijking evolutie aantal ondernemingen met personeel (Dynam) en aantal ondernemingen zonder personeel (Statbel) (naar werkplaats)
Figuur 1.10
46
Vergelijking evolutie aantal loontrekkenden (Dynam, einde van het jaar) en aantal zelfstandigen (NBB) (naar werkplaats)
Figuur 2.1
47
De netto-evolutie per arrondissement: de netto verandering van het aantal jobs per 1 000 bestaande jobs (2019-2020, naar werkplaats)
Figuur 2.2
52
Evolutie van de werknemersdynamiek per subregio in vergelijking met precorona (2019-2020 t.o.v. 2018-2019, naar werkplaats)
Figuur 2.3
54
Bubble plot van de verandering van de in- en uitstroom per Vlaamse subregio (2019-2020 t.o.v. 2018-2019, naar werkplaats)
Figuur 2.4
55
Totale loontrekkende tewerkstelling in de vier sectorgroepen per arrondissement (gemiddelde van elk aandeel in de groep; 2018-2019, naar werkplaats)
Figuur 2.5
57
Totale loontrekkende tewerkstelling volgens regime waarin werknemers aan de slag zijn, per arrondissement (gemiddelde van elk aandeel in de groep; 20182019, naar werkplaats)
Figuur 2.6
Verandering van de instroom per subregio en sectorgroep (2019-2020 t.o.v. 2018-2019, naar werkplaats)
Figuur 2.7 Figuur 2.8
59 61
Verandering van de uitstroom per subregio en sectorgroep (2019-2020 t.o.v. 2018-2019, naar werkplaats)
63
Evolutie van de instroom per Vlaamse provincie (2015-2021, naar woonplaats)
65
LIJST FIGUREN
9
10
Figuur 2.9
Evolutie van de uitstroom per Vlaamse provincies (2015-2021, naar woonplaats)
66
Figuur 2.10
Evolutie van de instroom per Vlaamse provincie (2015-2021*, naar werkplaats)
68
Figuur 2.11
Evolutie van de uitstroom per Vlaamse provincies (2015-2021*, naar werkplaats)
70
LIJST FIGUREN
Samenvatting
Dit trendrapport brengt de arbeidsmarktdynamiek voor het Vlaams Gewest in kaart op basis van gedetailleerde cijfers over alle loontrekkenden in België en de gewesten, beschikbaar vanuit de Dynam-data.1 De cijfers zijn gecorrigeerd voor de schijnbare dynamiek ten gevolge van overnames of fusies van ondernemingen – wijzigingen waarbij de jobs niet noodzakelijk verloren gaan. De Dynam-cijfers over de dynamiek op de arbeidsmarkt traceren zo veranderingen in de werkgelegenheid op het niveau van de werkgever; en brengen bewegingen in kaart die verborgen blijven achter de gebruikelijke netto-statistieken. De focus van deze dynamiek-monitor ligt op de evolutie van stromen van werknemers, jobs en werkgevers tijdens het eerste en tweede jaar COVID-crisis. Ook de evolutie van uitzendarbeid en tijdelijke werkloosheid blijken twee belangrijke reactiepatronen van werkgevers op de crisis, die een grote invloed hebben op de globale omvang van de werknemers tewerkgesteld op de Belgische en Vlaamse arbeidsmarkt (Vandekerkhove et al., 2022a). We nemen ze aanvullend op. Niet enkel gedetailleerde gegevens naar sector, ook info tot op het niveau van de Vlaamse subregio’s komt aan bod. De infografiek hieronder geeft de kernaspecten van de dynamiekmonitor voor het Vlaams Gewest visueel weer. Volgende set van vijf indicatoren komt aan bod: de evolutie van aanwervingen en exits, van jobtoename en -afname, van uitzendjobs, van starters en van tijdelijke werkloosheid.
1
Het Dynam-project is een samenwerking tussen RSZ, BISA, IWEPS, Departement WSE en HIVA-KU Leuven, waarin unieke cijfers over de trends in de dynamiek van de arbeidsmarkt beschikbaar worden gesteld.
SAMENVATTING
11
Infografiek van de Dynamiek-monitor voor de Vlaamse arbeidsmarkt aan de hand van 5 indicatoren in de periode 2020-2021
Bron © Dynam-dataset, Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en HIVA-KU Leuven, NBB & Startersatlas (UNIZO – Graydon Belgium – UCM)
12
SAMENVATTING
Gewestelijke dynamiekmonitor Het Vlaams Gewest wordt tijdens het eerste crisisjaar zwaarder getroffen dan de andere gewesten met betrekking tot de stromen van (1) werknemers en (2) jobs. We zien er, in vergelijking met het Brussels en Waals Gewest, de grootste daling van de aanwervingen en de jobtoename, en tegelijk groeit de jobafname exponentieel. Vanaf 2020-2021 kent het Vlaams Gewest een inhaalbeweging, maar vooral het Waals Gewest toont de sterkste tekenen van herstel. Zo bereiken de aanwervingen daar alweer het niveau van voor de crisis, terwijl in Vlaanderen nog steeds minder mensen instromen dan in ‘normale precorona-tijden’. Opvallend is daarnaast dat het Vlaams Gewest meer dan de andere gewesten wordt getroffen door de sterke afzwakking van werk-naar-werk transities in loondienst. Terwijl die in 2020-2021 opnieuw sterk zijn gestegen in het Waals Gewest, blijft deze mobiliteit in Vlaanderen verder dalen, ook na een jaar crisis. Minder mensen veranderen van job, dat terwijl we bij een economisch herstel net meer mobiliteit verwachten op de arbeidsmarkt, zoals in het Brussels en vooral het Waals Gewest. Die wissels zijn een krachtige motor voor de invulling van vacatures, want uit vroeger onderzoek bleek dat meer dan de helft van alle aanwervingen slaat op werknemers die rechtstreeks van bij een vorige werkgever komen (Goesaert et al., 2019). Het gebrek aan werk-naar-werk transities in loondienst werpt zo een nieuw licht op de hoge vacaturegraad en de arbeidsmarktkrapte in het Vlaams Gewest. In groot contrast staat de evolutie van (4) startende ondernemingen, en zelfstandigen. Hun aantallen blijven tijdens het eerste jaar crisis verder stijgen in het Vlaams Gewest, terwijl ze in de andere twee gewesten negatief evolueren. Mogelijk treedt hier een verschuiving op tussen statuten, waarbij meer werknemers in Vlaanderen zijn overgestapt van een loontrekkend naar een zelfstandigen statuut (in bijberoep) in vergelijking met vorige jaren en in vergelijking met andere gewesten. Mogelijk schuilt in de verzelfstandiging een gedeeltelijke verklaring voor de verminderde werk-naar-werk transities, naast de grotere krapte op de Vlaamse arbeidsmarkt ten gevolge van o.m. de demografische evolutie. Het is een voorzichtige hypothese, die verder onderzoek behoeft. Tot slot evolueert (3) uitzendwerk in elk gewest sterk negatief tijdens de eerste crisisgolf. De uitzendsector neemt duidelijk de rol op als schokdemper op de arbeidsmarkt. Een half jaar nadien (tijdens de tweede crisisgolf) zien we de eerste tekenen van herstel, maar het Waals Gewest scoort hier wel beter dan het Vlaams Gewest. Tegelijk blijft ook (4) de intensiteit van tijdelijke werkloosheid hoger in het Waals Gewest. In zo goed als elke sector werd tijdelijke werkloosheid (zowel tijdens de eerste als tweede COVID-golf) intensiever ingezet in het Waals dan in het Vlaams Gewest. Subregionale dynamiekmonitor Er treedt een grote heterogeniteit op tussen subregio’s wat betreft de evolutie van in- en uitstroombewegingen tijdens het eerste jaar crisis. Subregio’s in Vlaams-Brabant, Limburg en Antwerpen evolueerden vrij gemiddeld, maar vooral in West- en Oost-Vlaanderen reageerden subregio’s heel divers. Diksmuide en Tielt ervaren weinig impact van de crisis. Oudenaarde, Ieper en Brugge worden enorm zwaar getroffen. Dat sommige regio’s tijdens de crisis beter blijven scoren dan andere, heeft een duidelijke sectorale grondslag. In regio’s waar het sectoraal profiel eerder gericht is op industrie en bouw, houdt de arbeidsmarkt goed stand. In regio’s waarvan het profiel eerder bestaat uit commerciële en niet-commerciële diensten, die zwaarder werden getroffen door de crisis, wordt een grotere impact van de crisis opgemeten. We doen ook al een voorzichtige uitspraak over de evolutie van de subregionale arbeidsmarkten een jaar na het uitbreken van de crisis. West- en Oost-Vlaanderen vertonen alvast de meest bloeiende heropleving op vlak van in- en uitstroom, al wordt het niveau van voor de crisis nog niet bereikt. In Vlaams-Brabant en Antwerpen vallen de dynamieken sterk terug. Limburg kent op vlak van de instroombewegingen de sterkste heropleving, maar tegelijk zakt de uitstroom naar een dieptepunt.
SAMENVATTING
13
Inleiding
De COVID-crisis, die in maart 2020 onverbiddelijk ook België bereikte, had een grote impact op de Belgische en de Vlaamse arbeidsmarkt. In de eerste maanden werden volledige sectoren verplicht gesloten, terwijl andere door de beperkende maatregelen niet langer op ‘normale’ wijze het werk konden uitvoeren. Anderhalf jaar later hebben verschillende perioden van gedaalde besmettingsgraden elkaar afgewisseld met nieuwe coronagolven, en bijbehorende strengere maatregelen (zie figuur 0.1). De langdurige en grootschalige impact op de arbeidsmarkt is ongezien.
Figuur 0.1
Tijdslijn van anderhalf jaar coronacrisis op de Belgische arbeidsmarkt (2020_2-2021_2)
Bron Gebaseerd op NBB (2021), bewerking HIVA-KU Leuven
Verschillende studies hebben getracht de impact van de crisis, in zijn verschillende aspecten, in beeld te brengen. De focus van heel wat onderzoek ligt hierbij op de globale evolutie van werknemers, werkzoekenden, inactieven, zelfstandigen en ondernemingen. Zo daalde de werkzaamheidsgraad, bleef de werkloosheidsgraad en het aantal faillissementen quasi op niveau, en piekte tijdelijke werkloosheid (De Smet et al., 2021; Vandenberghe & Vansteenkiste, 2021). Hoewel deze cijfers relevant zijn om een eerste stand van zaken te krijgen over de impact van de COVID-crisis op groepen mensen en ondernemingen, zeggen ze weinig over de onderliggende dynamiek op een arbeidsmarkt. De onderliggende dynamiek kan niet worden afgeleid uit globale gegevens; daartoe is een flow-benadering vereist die hogere eisen stelt aan de data en de methode om verschillende tijdstippen te vergelijken. Het betreft de flow van jobs, werknemers en ondernemingen, waarbij meer mobiliteit samengaat met een hogere productiviteit en tewerkstelling (Struyven, 2018). De flow-benadering laat toe om de dynamiek in al zijn componenten en op meerdere niveaus te ontleden. We illustreren het belang van de flow-benadering, in relatie tot de gangbare stock-benadering, met een voorbeeld. De situatie van de Belgische of Vlaamse arbeidsmarkt tijdens de crisis kan op verscheidene manieren in beeld worden gebracht. Vanuit een stock-benadering kunnen we hiervoor (bijvoorbeeld) terugvallen op gegevens over het netto-saldo (na onderliggende dynamiek) van de totale loontrekkende tewerkstelling, voor en tijdens de crisis, zoals bovenaan weergegeven in tabel 0.1. We bekijken de loontrekkende tewerkstelling telkens op 30 juni van elk jaar. De cijfers geven een eerste indicatie van de participatie van werkenden op de Vlaamse arbeidsmarkt, naar werkplaats. Het effect van de crisis op de loontrekkende tewerkstelling lijkt globaal wel mee te vallen. Zo daalt de participatie licht tijdens de eerste golf, met -0,7%. Deze evolutie contrasteert deels met de evolutie van het aantal zelfstandigen (eveneens als netto-saldo na onderliggende dynamiek), dat met 2,3% een mooie stijging blijft aanhouden. Mogelijk is een deel van het loontrekkend personeel tijdens het eerste crisisjaar overgestapt naar een zelfstandig statuut. Een jaar later, in 2021, trekt de tewerkstelling opnieuw aan.
INLEIDING
15
De totale loontrekkende tewerkstelling stijgt zo tot een hoger niveau dan alle voorgaande jaren. We merken wel op dat, in vergelijking met het Brussels (+3,7%) en het Waals (+2,6%) Gewest, deze relatieve stijging van de loontrekkende tewerkstelling in Vlaanderen (+1,8%) eerder beperkt blijft. Vanuit een flow-benadering daarentegen vatten we de arbeidsmarkt op vanuit de stromen van werknemers, jobs en werkgevers. Als voorbeeld zoomen we in op de in- en uitstroom van werknemers in en uit jobs, zoals weergegeven in tabel 0.2. De tabel toont dat de aanwervingen enorm sterk zijn gedaald tijdens de eerste crisisgolf, terwijl de uitstroom status quo blijft. In het tweede jaar crisis (2020-2021) kent de uitstroom een sterke daling, terwijl de aanwervingen deels hernemen. Dit toont aan dat er achter de meer stabiele globale omvang van loontrekkenden wel degelijk veel bewegingen zijn waar te nemen, die anders verborgen blijven. De onderliggende stromen geven beter de werkelijke impact van de crisis weer op het diepere niveau van (in dit geval) de werknemers, door te kijken hoe hun tewerkstellingspositie op de arbeidsmarkt al dan niet is gewijzigd.
Tabel 0.1
Evolutie van de loontrekkende tewerkstelling (stock) voor en tijdens de coronacrisis op de Vlaamse arbeidsmarkt (2014-2021*, naar werkplaats)
Gewest
Participatie van werkenden
VG BHG
Participatie van zelfstandigen
WG
2015
2016
2017
2018
2019
2020
2021*
2 227 433
2 260 177
2 302 181
2 339 436
2 378 449
2 361 973
2 404 503
(+1,5%)
(+1,9%)
(+1,6%)
(+1,7%)
(-0,7%)
(+1,8%)
619 095 1 018 188
VG
465 678
BHG
77 959
WG
222 618
619 838
624 429
623 768
629 046
626 471
649 641
(+0,1%)
(+0,7%)
(-0,1%)
(+0,8%)
(-0,4%)
(+3,7%)
1 034 080
1 053 837
1 062 902
1 071 466
1 062 442
1 089 934
(+1,6%)
(+1,9%)
(+0,9%)
(+0,8%)
(-0,8%)
(+2,6%)
473 918
482 604
491 433
503 243
515 047
(+1,8%)
(+1,8%)
(+1,8%)
(+2,4%)
(+2,3%)
79 175
81 010
82 928
84 301
85 244
(+1,6%)
(+2,3%)
(+2,4%)
(+1,7%)
(+1,1%)
225 358
227 643
230 139
231 181
232 735
(+1,8%)
(+2,3%)
(+1,1%)
(+0,5%)
(+0,7%)
* Op basis van een extrapolatie, zie hoofdstuk 1. ** Voor 2021 zijn er nog geen cijfers over de participatie van zelfstandigen. Bron © Dynam-dataset, Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en HIVA-KU Leuven & NBB
Tabel 0.2
Uitstroom
Instroom
Gewest
Evolutie van de werknemersdynamieken van in- en uitstroom (flow) voor en tijdens de coronacrisis op de Vlaamse arbeidsmarkt (2014-2021*, naar werkplaats)
2014-2015
2015-2016
2016-2017
2017-2018
2018-2019
2019-2020
2020-2021*
VG
377 033
397 458 (+5,4%)
423 121 (+6,5%)
445 348 (+5,3%)
460 238 (+3,3%)
411 923 (-10,5%)
444 843 (+8,0%)
BHG
97 726
99 499 (+1,8%)
104 815 (+5,4%)
107 411 (+2,5%)
110 513 (+2,9%)
100 052 (-9,5%)
105 070 (+5,0%)
WG
150 409
159 248 (+2,4%)
173 188 (+8,8%)
174 107 (+0,5%)
178 324 (+2,4%)
160 795 (-9,8%)
181 842 (+13,1%)
VG
355 358
364 880 (+2,7%)
38 1466 (+4,5%)
410 205 (+7,5%)
422 672 (+3,0%)
429 662 (+1,7%)
389 168 (-9,4%)
BHG
93 228
96 216 (+3,2%)
97 852 (+1,7%)
105 145 (+7,5%)
103 864 (-1,2%)
102 996 (-0,8%)
93 336 (-9,4%)
WG
143 193
145 683 (+1,2%)
155 454 (+6,7%)
165 857 (+6,7%)
170 332 (+2,7%)
168 689 (-1,0%)
156 059 (-7,5%)
* Op basis van een extrapolatie, zie volgende hoofdstuk 1. Bron © Dynam-dataset, Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en HIVA-KU Leuven
16
INLEIDING
Het zijn ook deze stromen die we in dit rapport centraal willen zetten. We kijken hiervoor naar de in- en uitstroom van werknemers, de toename en afname van jobs en de start van ondernemingen in al hun vormen. De focus ligt op de Vlaamse arbeidsmarkt, in vergelijking met de andere regio’s. Om deze in kaart te brengen, vertrekken we telkens vanuit de werkplaats van werknemers. Een blik op de werkplaats laat immers toe om de focus voor analyse niet enkel te richten op de aanbodzijde maar ook op de vraagzijde, zoals de sectorale samenstelling van de tewerkstelling in de regio. Daarnaast betrekken we ook de evolutie van uitzendarbeid en tijdelijke werkloosheid in de analyse, twee belangrijke reactiepatronen van werkgevers op de crisis die een grote invloed hebben op de globale omvang van de tewerkstelling op de Belgische en Vlaamse arbeidsmarkt (Vandekerkhove et al., 2022a). Figuur 0.2 geeft een overzicht van de vijf trendindicatoren die centraal staan in dit onderzoek.
Figuur 0.2
Overzicht van de vijf kernindicatoren binnen de dynamiekmonitor voor de Vlaamse arbeidsmarkt
INLEIDING
17
1 | Arbeidsmarkt: kernindicatoren voor Vlaanderen
Dit trendrapport brengt de impact van de COVID-crisis op de Vlaamse arbeidsmarkt in kaart op basis van vijf relevante kernindicatoren, sterk gelinkt aan de flow-benadering.2 Zo wordt in eerste instantie, en voornamelijk, de focus gelegd op de stromen van werknemers, jobs en werkgevers, drie niveaus van dynamiek op basis van de Dynam methodologie. We voorzien een uitbreiding op Dynam door ook twee andere relevante patronen tijdens de crisisperiode in beeld te brengen. Zo leren we uit Vandekerkhove et al. (2022a) dat werkgevers naast het aanpassen van de dynamieken in hun onderneming (van werknemers, van jobs), ook via uitzendwerk en tijdelijke werkloosheid een antwoord trachtten te bieden op de crisis. We voegen ze daarom toe aan dit trendrapport als relevante indicatoren om de impact van de crisis in kaart te brengen. We gaan na hoe de arbeidsmarktdynamiek in Vlaanderen geëvolueerd is in het tweede coronajaar (2020-2021), vergeleken met het eerste coronajaar (2019-2020) en met het precorona-jaar (20182019). Voor enkele indicatoren is enkel de periode 2019-2020 beschikbaar als het meest recente meetmoment. Om de impact van de crisis op de Vlaamse arbeidsmarkt te capteren, vertrekken we telkens vanuit de werkplaats van werknemers. Een focus op de werkplaats laat immers toe de focus voor analyse niet enkel te richten op de aanbodzijde maar ook op de vraagzijde, zoals de sectorale samenstelling van de tewerkstelling in de regio. Dit hoofdstuk wordt opgebouwd rond de infografiek die vooraan in de samenvatting te vinden is. Uit de globale infografiek geven we indicator na indicator weer, en diepen we de evolutie tot op het niveau van de gewesten en hoofd/subsectoren verder uit. De bespreking per kernindicator van arbeidsmarktdynamiek – die per paragraaf in dit hoofdstuk wordt weergegeven – vangt telkens aan met één beeld uit de infografiek, dat vervolgens nader wordt ontleed. De extrapolatiemethode om tot de meest recente regionale cijfers te komen, bespreken we kort in box 1. In box 2 worden de gehanteerde kernindicatoren in meer detail uitgelegd.
2
18
Voor meer uitleg, zie de inleiding.
HOOFDSTUK 1 | ARBEIDSMARKT: KERNINDICATOREN VOOR VLAANDEREN
Box 1: extrapolatie voor de meest recente cijfers (periode 2020-2021) Om de dynamieken op de Vlaamse arbeidsmarkt in kaart te brengen, beschikken we over de Dynam-Reg-cijfers voor de periode 2020-2021. Het gaat om cijfers voor de volledige Belgische arbeidsmarkt, zonder de nodige volledige en accurate informatie over de plaats van tewerkstelling. Wel kunnen we aan de hand van een schatting/extrapolatie voor de meest recente periode deze regionale informatie vrij nauwkeurig bepalen. Dankzij deze schatting kunnen we de regionale job- en werknemersdynamiek van de periode 2020-2021 voor de Vlaamse arbeidsmarkt vergelijken met de dynamiek in de voorgaande periode 2019-2020 én het pre-coronaniveau. Wat betreft de methode van de schatting, beschouwen we per onderneming de laatst gekende info over de regionale spreiding van het bedrijf (juni 2020; onderscheid naar uniregionaal, multiregionaal in twee gewesten en multiregionaal in de drie gewesten) en gebruiken deze gegevens om de federale in- en uitstroomdynamiek en ook jobtoe- en jobafnamedynamiek aan de drie gewesten toe te wijzen. We volgen hiervoor volgende stappen: - de aanwervingen en exits en jobtoename en -afname voor de uniregionale ondernemingen worden ook in 2020-2021 aan één gewest toegewezen; - de aanwervingen en exits en jobtoename en -afname voor multiregionale werkgevers worden voor 2020-2021 opgeteld per type spreiding (actief in drie gewesten, actief in het VG en WG, actief in het VG en BHG, …) en onderverdeeld per NACE 2 sector om vervolgens aan de regio’s toegewezen te worden; - deze totale in- en uitstroom- en jobtoename- en jobafnamecijfers voor 2020-2021 worden vervolgens verdeeld op basis van het gewestelijk aandeel in de totale tewerkstelling, bepaald met de gegevens voor 2019-2020 en voor elke combinatie NACE 2 en type spreiding; - van startende ondernemingen in 2020-2021 zijn geen eerdere gegevens beschikbaar. We bepalen hiervoor gelijkaardige verdeelsleutels als supra, maar dan op basis van de verhoudingen voor starters in het voorgaande jaar (2019-2020). Bij wijze van robuustheidscheck passen we dezelfde extrapolatiemethode toe op de cijfers van 2019-2020, waarvoor wel definitieve en volledig gecorrigeerde jaar-op-jaar cijfers beschikbaar zijn. De resultaten bevestigen de nauwkeurigheid van de extrapolatiemethode. - de instroom wordt op federaal niveau heel nauwkeurig geschat, we zien geen afwijking met de definitieve cijfers: o op regionaal niveau wijken de geschatte gegevens slechts licht af. We zien een lichte overschatting van de instroomgegevens voor het Brussels Gewest (0,6% hoger) en Waals Gewest (1,7% hoger), de instroombewegingen in het Vlaams Gewest worden met de extrapolatie licht onderschat, met 0,8%. - de uitstroom wordt op federaal niveau heel licht overschat. De geschatte uitstroom ligt 0,3% hoger dan werkelijk: o ook op regionaal niveau blijkt de schatting van de uitstroomgegevens erg nauwkeurig. Opnieuw blijkt een lichte overschatting voor het Brussels (0,4% hoger) en Waals (1,6% hoger) Gewest wat betreft de uitstroomgegevens. Voor het Vlaams Gewest komt de schatting erg dicht bij de werkelijkheid: de uitstroom wordt slecht 0,2% te laag ingeschat. Ondanks de lichte afwijkingen, zijn de resultaten voor de regionale arbeidsmarkten in het vervolg van dit hoofdstuk voldoende correct. Zelfs door de mogelijke overschatting van het Waals Gewest in rekening te nemen, scoort het Waals Gewest tijdens het tweede crisisjaar beduidend beter dan de andere regionale arbeidsmarkten (zie verder).
HOOFDSTUK 1 | ARBEIDSMARKT: KERNINDICATOREN VOOR VLAANDEREN
19
Box 2: de vijf kernindicatoren uitgelegd De infografiek in de samenvatting geeft de vijf basisindicatoren die in dit trendrapport centraal staan schematisch weer. Tenzij anders vermeld wordt de evolutie weergegeven tot in de meest recente periode 2020-2021. De gebruikte definities van de gehanteerde indicatoren, samen met de beknopte methodologie voor de berekening van de variabelen, worden hieronder kort beschreven. Een meer uitvoerigere beschrijving is te vinden op de Methode-pagina van de Dynam website: dynamstat.be/methodologie. 1. instroom en uitstroom (of ook aanwervingen en exits): in Dynam wordt naar de meest basale stromen op de arbeidsmarkt verwezen als ‘instroom’ en ‘uitstroom’. Het gaat hier dan telkens om de instroom en de uitstroom van een werknemer in of uit een RSZ-plichtige onderneming. De werknemersdynamiek (van in- en uitstroombewegingen) wordt gemeten op ondernemingsniveau door het personeel op twee tijdstippen met elkaar te vergelijken. Concreet wordt het werknemersbestand op 30 juni van het jaar t-1 vergeleken met dat op 30 juni van het jaar t. Wanneer een werknemer van een RSZ-plichtige onderneming niet teruggevonden wordt in de DmfA-aangifte van het jaar t-1, maar wel van het jaar t spreken we van instroom. Analoog wordt een uitstroom geregistreerd wanneer een werknemer die op 30 juni t-1 nog werkzaam was bij de onderneming niet meer geregistreerd wordt op 30 juni t. Op basis van de bestemming van de uitstroom (in of uit loondienst, in of uit de sector), worden de werk-naar-werk transities voor een jaar-op-jaar periode berekend; 2. jobtoename en -afname: de tewerkstelling van werkgevers wordt per gewest uitgesplitst. Indien de tewerkstelling van een werkgever in gewest A groter is op het einde van de referentieperiode dan aan het begin van de referentieperiode, en in gewest B kleiner, dan is er een regionale toename in gewest A en een regionale afname in Gewest B. Voor werkgevers die in de referentieperiode (30 juni jaar t-1 - 30 juni jaar t) enkel tewerkstelling hadden in 1 gewest, komt dit neer op het bepalen van de jobcreatie of jobdestructie. Voor werkgevers met tewerkstelling in meerdere gewesten, is de jobcreatie of jobdestructie het nettoresultaat van de toenames/afnames in de verschillende gewesten; 3. intensiteit van uitzendwerk: gegevens over het gebruik van uitzendarbeid bij bedrijven vormen een primeur in de statistieken over de arbeidsmarkt in ons land. Voor het eerst verkrijgen we een accuraat en volledig beeld van de inzet van uitzendarbeid door ondernemingen, en dat op opeenvolgende momenten in de tijd (kwartaalbasis, vanaf 2019). Om de toepassing van uitzendarbeid in kaart te brengen, doen we een beroep op de uitzendratio, een indicator die aangeeft hoe belangrijk uitzendwerk is binnen het totaal aan activiteiten. De ratio wordt berekend als de breuk van het aantal dagen uitzendarbeid in de sector ten opzichte van het totale aantal gewerkte dagen in diezelfde sector (inclusief uitzendarbeid en tijdelijke werkloosheid, exclusief ziekte en verlof); 4. starters en zelfstandigen: om de evolutie van zelfstandigen en starters in kaart te brengen, focussen we op (1) het aantal zelfstandigen (in relatie tot het aantal loontrekkenden); (2) het aantal ondernemingen zonder personeel (in relatie tot het aantal ondernemingen met personeel); en (3) het aantal starters als onderneming (in relatie tot het aantal starters als werkgever, of anders gezegd ondernemingen die een eerste aanwerving doen). Hiervoor hanteren we niet enkel cijfers van Dynam, maar ook van de Nationale Bank en Statbel. We bekijken de drie indicatoren in meer detail in paragraaf 1.4; 5. intensiteit van tijdelijke werkloosheid: om de take-up van tijdelijke werkloosheid op een inzichtelijke wijze weer te geven, introduceren we de indicator van de intensiteit van tijdelijke werkloosheid, op sectorniveau. Deze geeft inzicht in hoe intensief tijdelijke werkloosheid tijdens de crisis werd ingezet door werkgevers, gegroepeerd per sector. Om deze indicator te berekenen delen we het totale aantal dagen tijdelijke werkloosheid in de sector door het totale aantal dagen dat normaal gewerkt wordt per sector, exclusief de dagen ziekte, arbeidsongeval, beroepsziekte of onbezoldigd verlof. Het is immers logisch dat iemand die een volledig kwartaal ziek was en daardoor ook niet in tijdelijke werkloosheid kon, niet mee wordt opgenomen bij de berekening van de intensiteit.
20
HOOFDSTUK 1 | ARBEIDSMARKT: KERNINDICATOREN VOOR VLAANDEREN
1.1
Aanwervingen en exits
We starten de bespreking van de dynamiek-monitor voor de Vlaamse arbeidsmarkt met de evolutie van de in- en uitstroombewegingen van werknemers in en uit jobs. Om de blik scherp te stellen op de impact van COVID op de Vlaamse arbeidsmarkt, bekijken we de evoluties tijdens het eerste en tweede crisisjaar, in vergelijking met pre-corona. De tabellen met gedetailleerde cijfergegevens – ook voor de andere twee gewesten – zijn weergegeven in tabellen b1.1 en b1.2 in bijlage.
- hoewel de aanwervingen tijdens de eerste crisisgolf (2019-2020)3 een sterke neergang kenden, vooral in het Vlaams Gewest (-10,5% in vergelijking met pre-corona), lijkt de aanwervingsgolf vanaf 2020-2021 terug deels op gang te komen. We noteren een totaal van 444 844 aanwervingen in het Vlaams Gewest, wat 8% meer is dan het jaar voordien. Echter, bij een vergelijking met het precrisisniveau van 2018-2019, blijkt dat het aantal aanwervingen in Vlaanderen in 2020-2021 nog steeds lager blijft (-3,3%) dan in ‘normale’ tijden. Het is een patroon dat we ook in het Brussels Gewest observeren, al is het verschil hier met 4,9% ten opzichte van de precrisisperiode zelfs nog groter. Het Waals Gewest is het enige gewest waar de instroom een jaar na de eerste crisisgolf hoger uitkomt dan pre-corona. We noteren hier in 2020-2021 een totaal van 181 842 aanwervingen, 2% meer dan het niveau voor de crisis (178 324 aanwervingen in 2018-2019); - de uitstroom vertoont het omgekeerde beeld. Tijdens de eerste crisisgolf blijft de uitstroom in het Vlaams gewest licht stijgen, net als voorgaande jaren. Het Vlaams Gewest strandt zo in 2019-2020 op 429 662 werknemers die uitstroomden, 1,7% meer dan het jaar voordien. De stijgende lijn van vorige jaren wordt hiermee ietwat afgezwakt, zonder dat er een enorme uitstroomgolf als gevolg van de crisis op gang komt. Integendeel. Een jaar nadien, in 2020-2021, treedt er zelfs een grote krimp op van de uitstroom, ook in vergelijking met pre-corona. De uitstroom daalt met 9,4% in vergelijking met 2019-2020, en met 7,9% ten opzichte van pre-corona. Minder mensen dan voorheen veranderen van job in het Vlaams Gewest, of stromen uit richting niet-werk. De andere gewesten wijken deels af van dit beeld, zeker tijdens de eerste crisisgolf. In zowel het Brussels als het Waals Gewest kent de uitstroom ook al in 2019-2020 een daling, en die blijft ook verder dalen een jaar nadien.
3
Niet in de infografiek, wel in de tabellen in bijlage.
HOOFDSTUK 1 | ARBEIDSMARKT: KERNINDICATOREN VOOR VLAANDEREN
21
☞ globaal zien we voor het Vlaams Gewest de scherpste daling van de aanwervingen tijdens de eerste crisisgolf (2019-2020) in vergelijking met de andere gewesten. Zo werden in vergelijking met pre-corona 1 op 10 minder personen aangeworven. Toch blijft het verschil met het Waals en Brussels Gewest relatief beperkt (-9,8% respectievelijk -9,5%). Vanaf 2020-2021 stijgt de instroom opnieuw, al stromen nog steeds 3,3% minder mensen in een job dan in ‘normale’ tijden. Het Waals Gewest is het enige gewest dat vanaf 2020-2021 net meer aanwervingen dan voor de crisis registreert: het Waals Gewest noteert dan ook de scherpste heropleving vanaf 2020-2021. In het Brussels Gewest komt het herstel het minst op gang, daar blijven de aanwervingen nog 5% onder het pre-coronaniveau; ☞ hoewel de uitstroom enkel in het Vlaams Gewest nog licht stijgt in het eerste crisisjaar (20192020), gaan de uitstroombewegingen een jaar nadien in dalende lijn. De daling blijft meer beperkt dan in de andere gewesten (in vergelijking met pre-corona). Globaal stroomden minder mensen uit hun job (richting ander werk of richting niet-werk) in het Vlaams Gewest in vergelijking met de andere gewesten. Hieronder gaan we verder in op de werknemersdynamieken van in- en uitstroom op sectorniveau (paragraaf 1.1.1). Waar zit nu die sterke daling van de aanwervingen, is het een fenomeen dat in elke sector zichtbaar wordt? Vervolgens zoomen we in op de dynamieken per regime (paragraaf 1.1.2), om na te gaan welke profielen opnieuw meer aansluiting vinden met de arbeidsmarkt vanaf 2020-2021. Ten slotte bekijken we de deelcomponenten van uitstroom, de stromen in en uit werk (paragraaf 1.1.3), in meer detail.
1.1.1
Sectorale werknemersdynamiek
De eerste crisisgolf bracht een sterk neerwaartse dynamiek met zich mee. De vraag is echter of elke sector op de Vlaamse arbeidsmarkt in gelijke mate geconfronteerd werd met deze verminderde dynamiek. Figuur 1.1 toont daarom de evolutie van de instroom van 2018-2019 (zwart) tot 20202021 (donkerblauw), telkens in vergelijking met de pre-coronaperiode 2018-2019. Figuur 1.2 doet hetzelfde voor de uitstroom. In de lichtblauwe balken is de evolutie tijdens het eerste crisisjaar (20192020) weergegeven. - globaal kregen de meeste sectoren tijdens de eerste crisisgolf te maken met een inkrimping van de aanwervingen. Zoals de figuur laat zien, kregen de in het oog springende sectoren, zoals de horeca (I) en de overige diensten4 (RSTU), het zwaar te verduren tijdens de eerste crisisgolf. De instroom van werknemers in deze sectoren daalde sterk, terwijl het aantal werknemers dat uitstroomde uit de sector matig tot sterk toenam. Dit leidde tot een duidelijk negatief saldo in deze sectoren, met meer werknemers die vertrokken dan werknemers die erbij kwamen. Daarnaast zien we ook in de administratieve diensten (met onder andere de uitzendsector, een belangrijke sector van tewerkstelling voor het Vlaams Gewest) een sterk gedaalde instroom. Veel uitzendkrachten verloren dan ook (tijdelijk) hun job, en zagen weinig kansen om opnieuw in de sector in te stromen. De uitstroom blijft hier wel status quo in vergelijking met 2018-2019: ook in normale tijden wisselen hoge uitstroomcijfers in de uitzendsector af met hoge instroombewegingen in en uit kortlopende jobs. Een belangrijk verschil met de pre-crisisperiode is dat de uitstroombewegingen nu vaak niet opnieuw gevolgd worden door een nieuwe instroom;5 - voor de periode 2020-2021 kunnen we de situatie vergelijken met het jaar voordien (niet in de figuur) of de situatie pre-corona in 2018-2019 (de percentages weergegeven in de figuren bij de donkerblauwe balk van 2020-2021). In vergelijking met het eerste crisisjaar kennen de meeste sectoren op de Vlaamse arbeidsmarkt in 2020-2021 opnieuw een gestegen instroom. Toch blij4 5
22
Deze overige diensten zijn een aggregaat van enkele vaak genoemde sectoren tijdens deze pandemie, met name de culturele activiteiten, sport, verenigingen, … Waardoor de instroom daalt, en de uitstroom status quo blijft.
HOOFDSTUK 1 | ARBEIDSMARKT: KERNINDICATOREN VOOR VLAANDEREN
ven de aanwervingen nog steken onder het pre-crisisniveau. Voor het Vlaams Gewest zien we enkel in de bouw, het vastgoed, het openbaar bestuur/defensie en het onderwijs opnieuw een aangewakkerde aanwervingsgolf, boven het niveau van voor de crisis. In de andere sectoren stromen nog steeds minder werknemers in dan in ‘normale’ tijden. Dat de grote quartaire sectoren6 opnieuw het pre-crisisniveau bereiken, is ook meteen een verklaring voor het feit dat het Waals Gewest uitstekend scoort een jaar na het uitbreken van de crisis. Deze sectoren zijn immers van groot belang voor de Waalse arbeidsmarkt.7 Daarnaast blijkt ook de sector van de administratieve en ondersteunende diensten, een sector die in absolute termen instaat voor de meeste instroombewegingen,8 opnieuw positief te scoren in het Waals Gewest (+3% t.o.v. pre-corona), waar deze in het Vlaams Gewest nog niet het pre-crisisniveau bereikt.
Figuur 1.1
Instroom per sector in het Vlaams Gewest (2018-2021*, naar werkplaats, alle percentages in vergelijking met pre-corona)
* Cijfers voor 2020-2021 zijn berekend op basis van een nauwkeurige extrapolatie. Bron © Dynam-dataset, Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en HIVA-KU Leuven
6 7 8
Met name het openbaar bestuur/defensie en het onderwijs. De sectoren O (openbaar bestuur en defensie), P (onderwijs) en Q (gezondheid) zijn goed voor 42% van de loontrekkende tewerkstelling op de Waalse arbeidsmarkt. Ter vergelijking, in het Vlaams Gewest is dat 10% minder. Onder andere omdat de uitzendsector hieronder vervat wordt.
HOOFDSTUK 1 | ARBEIDSMARKT: KERNINDICATOREN VOOR VLAANDEREN
23
Figuur 1.2
Uitstroom per sector in het Vlaams Gewest (2018-2021*, naar werkplaats, alle percentages in vergelijking met pre-corona)
* Cijfers voor 2020-2021 zijn berekend op basis van een nauwkeurige extrapolatie. Bron © Dynam-dataset, Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en HIVA-KU Leuven
☞ terwijl de aanwervingen in 2020-2021 voor zo goed als elke sector op de Vlaamse arbeidsmarkt nog onder het precrisisniveau blijven, tekenen ook de uitstroombewegingen een grote krimp op, zeker in vergelijking met pre-corona. Sterke voorbeelden zijn de horeca en de administratieve en ondersteunende diensten, waar het aantal exits met 24% respectievelijk 18% onder het niveau van voor de crisis ligt. De gedaalde dynamieken, van zowel in- als uitstroom, zijn niet per se een goed teken: ze temperen de dynamiek op de arbeidsmarkt die hoort bij een heroplevende economie. Niet alleen wordt hierdoor de optimale (re)allocatie van werknemers verhinderd, ook krijgen werkzoekenden hierdoor minder kansen tot het vinden van een nieuwe job; ☞ daarnaast noteren sommige sectoren wel een lichte stijging van de uitstroom in vergelijking met 2018-2019. Zo zien we meer exits in de bouw, het vastgoed, en de vrije en wetenschappelijke beroepen. Merk op dat in de bouw en het vastgoed ook de instroom boven het precrisisniveau uitkomt in 2020-2021. Deze sectoren tonen een grotere dynamiek dan ooit te voren in het Vlaams Gewest, wat een positieve invloed heeft op de allocatie van werknemers in de sector. In het Waals Gewest geldt dit ook voor het vastgoed, terwijl in de bouw minder bewegingen van werknemers uit hun jobs wordt opgemeten.
24
HOOFDSTUK 1 | ARBEIDSMARKT: KERNINDICATOREN VOOR VLAANDEREN
We zoomen vervolgens in op het 2-digit niveau van subsectoren. Tabel 1.1 geeft de top 10 van subsectoren met de grootste daling van het aantal aanwervingen in 2019-2020, ten opzichte van precorona. Tabel 1.2 geeft de top 10 van subsectoren met de grootste daling van de instroom in het tweede crisisjaar 2020-2021. We gaan hiermee na welke subsectoren op de korte termijn getroffen werden door de COVID-crisis, en welke subsectoren een jaar nadien nog steeds een zware impact ondervinden.
Tabel 1.1
Top 10 sectoren met de grootste daling van de instroom tijdens het eerste jaar crisis in het Vlaams Gewest in vergelijking met pre-corona (2018-2020, naar werkplaats enkel sectoren die minstens instaan voor 0,3% van de totale tewerkstelling in het Vlaams Gewest)
Aandeel in de totale tewerkstelling
2018-2019 Instroom
2019-2020 Instroom
Verandering van de instroom
29. Autoassemblage
1,1%
2 341
1 476
-37,0%
24. Metaalbewerking
0,8%
1 410
954
-32,3%
55-56. Horeca
3,2%
35 496
25 455
-28,3%
90-92. Creatieve act., kunst, amusement
0,3%
1 901
1 377
-27,6%
13-15. Vervaardiging textiel, kleding, leer
0,8%
1 908
1 423
-25,4%
28. Machinebouw
1,0%
2 900
2 252
-22,3%
85. Onderwijs
8,8%
23 370
18 359
-21,4%
52. Opslag en vervoersond. act.
2,1%
8 653
6 810
-21,3%
78. Uitzend
5,5%
88 157
70 939
-19,5%
65. Verzekeringen en fondsen
0,3%
552
447
-19,0%
Sector
* Blauw: industriesectoren, paars: commerciële sectoren, grijs: niet-commerciële sectoren. Bron © Dynam-dataset, Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en HIVA-KU Leuven
HOOFDSTUK 1 | ARBEIDSMARKT: KERNINDICATOREN VOOR VLAANDEREN
25
Tabel 1.2
Top 10 sectoren met de grootste daling van de instroom tijdens het tweede jaar crisis in het Vlaams Gewest in vergelijking met pre-corona (2018-2021*, naar werkplaats, enkel sectoren die minstens instaan voor 0,3% van de totale tewerkstelling in het Vlaams Gewest)
Aandeel in de totale tewerkstelling
2018-2019 Instroom
2020-2021* Instroom
Verandering van de instroom
24. Metaalbewerking
0,7%
1 410
879
-37,7%
29. Autoassemblage
1,1%
2 341
1 465
-37,4%
26. Vervaardiging elektronica
0,4%
763
565
-26,0%
18. Drukkerijen
0,3%
778
580
-25,4%
90-92. Creatieve act., kunst, amusement
0,3%
1 901
1 441
-24,2%
77. Verhuur en lease
0,3%
1 580
1 198
-24,2%
96. Overige persoonlijke diensten
0,6%
3 731
3 023
-19,0%
93. Sport, ontspanning, recreatie
0,4%
3 320
2 720
-18,1%
55-56. Horeca
3,1%
35 496
29 133
-17,9%
65. Verzekeringen en fondsen
0,3%
552
459
-16,8%
Sector
* Blauw: industriesectoren, paars: commerciële sectoren, grijs: niet-commerciële sectoren. ** Cijfers voor 2020-2021 zijn berekend op basis van een nauwkeurige extrapolatie. Bron © Dynam-dataset, Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en HIVA-KU Leuven
Tijdens de eerste crisisgolf in 2019-2020 (tabel 1.1) zien we in enkele industriesectoren een sterke inkrimping van de aanwervingen. Zowel de metaalsector, de autoassemblage, de textiel- en machine-industrie staan in de top 6 van sterkste krimpers. Daarnaast vinden we ook drie gekende zwaar getroffen sectoren, zoals de horeca, de evenementensector en de uitzendsector, terug in de top 10. Een jaar nadien, in 2020-2021 (tabel 1.2), blijven heel wat van dezelfde sectoren getroffen door een blijvend lage instroom (in vergelijking met pre-corona). Opnieuw staan de metaalsector en de autoassemblage bovenaan, en ook de evenementensector en horeca duiken terug op in de top 10. Daarnaast zien we enkele nieuwe sectoren: op plaats drie prijkt de industriesector vervaardiging van informaticaproducten. Deze sector wordt mogelijk getroffen door een chiptekort, waardoor er minder werk voorhanden is en activiteiten worden uitgesteld. Ook de drukkerijen, verhuur en lease, overige persoonlijke diensten en de sport- en recreatiesector zijn nieuw in de top 10. Alle genoemde sectoren krijgen op de lange termijn nog steeds te kampen met een gedaalde aanwervingsstroom, in vergelijking met pre-corona. Als sluitstuk combineren we de in- en uitstroom tot een globaal beeld van de sectorale evolutie tijdens de COVID-crisis op de Vlaamse arbeidsmarkt. Figuur 1.3 geeft hiertoe de combinatie van de in- en uitstroombewegingen, waar we deze tot nu toe telkens afzonderlijk hebben bekeken. De bovenste figuur geeft de evolutie tijdens een ‘normale’ periode van opgaande conjunctuur, met name tussen 2017-2018 en 2018-2019. Dit als basis. Eronder worden de figuren weergegeven voor het eerste en tweede crisisjaar, telkens ten opzichte van het pre-crisisniveau 2018-2019. Hoewel het niet eenvoudig is de evolutie van elke subsector apart te abstraheren, wil de figuur voornamelijk de focus leggen op het globale beeld van stromen van werknemers in en uit jobs. Door de drie puntenwolken te vergelijken, willen we kijken hoe sectoren globaal geëvolueerd zijn tijdens de eerste crisisgolf, en vervolgens tijdens het eerste prille herstel. De grootte van de bollen geeft het belang van elke sector in de totale loontrekkende tewerkstelling op de Vlaamse arbeidsmarkt.
26
HOOFDSTUK 1 | ARBEIDSMARKT: KERNINDICATOREN VOOR VLAANDEREN
Figuur 1.3
Verandering van de werknemersdynamiek op de Vlaamse arbeidsmarkt (2019-2020 en 20202021* in vergelijking met pre-corona, naar werkplaats)
2018-2019 in vergelijking met 2017-2018
2019-2020 in vergelijking met 2018-2019
2020-2021 in vergelijking met 2018-2019
* Cijfers voor 2020-2021 zijn berekend op basis van een nauwkeurige extrapolatie. Bron © Dynam-dataset, Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en HIVA-KU Leuven
HOOFDSTUK 1 | ARBEIDSMARKT: KERNINDICATOREN VOOR VLAANDEREN
27
Tijdens de referentieperiode 2018-2019 situeert de puntenwolk van sectoren zich sterk rond het middelpunt van de figuur, en bevindt het merendeel van de sectoren zich rechts van de y-as. Dat betekent dat meer sectoren een gestegen instroom kenden in vergelijking met een jaar voordien. Onder de box gaan we na hoe de puntenwolk verder evolueert tijdens het eerste en tweede jaar crisis. De vier kwadranten in figuur 1.3 1. in het kwadrant rechtsonder nemen de aanwervingen toe en de exits af. Het toont het meest positieve groeiscenario. Een sector die dit patroon sterk weerspiegelt in 2018-2019 is de overige transportindustrie (nace 30); 2. ook het kwadrant rechtsboven wijst op een gezonde dynamiek, van toegenomen aanwervingen en exits. Uiterst in de hoek zien we daar pre-corona het vervoer over water (nace 50); 3. sectoren in het kwadrant linksboven kennen de meest negatieve evolutie; de aanwervingen dalen terwijl de uitstroom stijgt, wat leidt tot een krimp van de tewerkstelling. Hier zien we geen outliers in 2018-2019; 4. linksonder staan sectoren waarvan de dynamiek volledig stilvalt. Zowel de aanwervingen als de exits dalen er. Een duidelijke outlier pre-corona is de sector van de uitgeverijen (nace 58), die reeds voor de crisis weinig dynamiek vertoont. - tijdens de eerste crisisperiode (de tweede figuur in figuur 1.3) evolueert de puntenwolk duidelijk naar links. De aanwervingen vallen voor de meeste sectoren stil. (1) Dankzij tijdelijke werkloosheid wordt heel wat van het vaste personeel beschermd in hun job, waardoor ook de uitstroom in enkele sectoren stilvalt. Een gedaalde instroom in combinatie met een gedaalde uitstroom (kwadrant linksonder), doen de bewegingen in deze sectoren volledig stilvallen. Duidelijke voorbeelden van dit patroon zijn de textielindustrie (nace 13-15) of het openbaar bestuur/defensie (nace 85). (2) Tegelijk wordt het contract van werknemers in een flexibel statuut veelal stopgezet, of worden in sommige sectoren ook andere werknemers aan de deur gezet. De sectoren linksboven evolueren zo richting minder aanwervingen met tegelijk een hogere uitstroom. Een voorbeeld hier is de zwaar getroffen sector van de reisbureaus (nace 79). Deze evolutie leidt tot een tewerkstellingskrimp; - richting 2020-2021, een jaar na het uitbreken van de crisis, evolueert de puntenwolk vooral naar onder. De uitstroom van werknemers uit hun job, op de y-as, is richting 2020-2021 voor heel wat sectoren verder afgenomen, zeker ook in vergelijking met een normaal jaar 2018-2019. Minder mensen veranderen van job, ook nadat de pandemie meer dan een jaar geleden uitbrak, waardoor de arbeidsmarktdynamiek hapert. Naast het systeem van tijdelijke werkloosheid, tempert vooral de grotere onzekerheid en terughoudendheid bij werkgevers (om mensen te laten gaan) en werknemers (om naar een andere werkgever te gaan) de dynamiek op de arbeidsmarkt die hoort bij een heroplevende economie vanaf het eerste kwartaal 2021. Wat betreft de instroom kende in 2019-2020, tijdens het eerste crisisjaar, zowat elke sector een daling. Een jaar later verdwijnen de gele bollen van de quartaire sectoren meer naar rechts, wat betekent dat de aanwervingen hier hernemen. Heel wat tertiaire sectoren, de kleine quartaire sectoren en ook enkele industriesectoren blijven echter zwaar getroffen door een verminderde instroom.
1.1.2
Werknemersdynamiek per regime
Naast de uiteenlopende sectorale impact van de veranderende werknemersdynamieken, zien we ook op vlak van het profiel van werknemers enkele opvallende verschillen. We focussen in dit trendrapport enkel op het regime waarin werknemers aan de slag zijn. Uit Goesaert et al. (2022) leerden we immers dat op federaal niveau de lichte toename van aanwervingen vanaf 2020-2021 zeer sterk wordt gedreven door de groei van de speciale tewerkstelling, terwijl bij het voltijdse en deeltijdse
28
HOOFDSTUK 1 | ARBEIDSMARKT: KERNINDICATOREN VOOR VLAANDEREN
regime nog steeds minder beweging wordt opgetekend. Het zijn immers vooral de personen in een speciaal statuut die hun job tijdens de eerste crisisgolf verloren en dus een grote uitstroom creëerden, terwijl de sterk gedaalde instroom deze evolutie op korte termijn niet kon ondervangen. Richting 2020-2021 vindt deze groep mogelijk stilaan wel weer aansluiting met de arbeidsmarkt. Figuur 1.4 geeft de evolutie van de in- en uitstroom naar afzonderlijk regime waarin werknemers aan de slag zijn, tot 2019-2020. Er zijn geen data beschikbaar voor de meest recente periode 20202021. We onderscheiden vier categorieën: voltijds, deeltijds, jobs met een speciaal en speciaal-flexi arbeidsregime. Dit ‘speciaal’ arbeidsregime slaat op werknemers met zeer korte en/of onregelmatige contracten (uitzendarbeid, seizoensarbeid, gelegenheidsarbeid in land- en tuinbouw en horeca), met het ‘speciaal-flexi’ statuut vatten we de flexi-jobs, voornamelijk in horeca en handel
Figuur 1.4
Evolutie van de werknemersdynamiek naar regime op de Vlaamse arbeidsmarkt (2015-2020, naar werkplaats)
Bron © Dynam-dataset, Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en HIVA-KU Leuven
De figuur toont dat tijdens de eerste crisisgolf, zoals verwacht, de grootste daling van de instroom gesitueerd is bij de groep met een speciaal (-18%) en speciaal-flexi contract (-15%). De instroombewegingen liggen in de eerste groep met een speciaal regime in normale tijden op een hoog niveau, gezien deze werknemers in heel wat gevallen aan de slag zijn in kortlopende contracten. Waar een uitstroombeweging in ‘normale’ tijden telkens wordt gevolgd door een nieuwe instroom na afloop van het contract, valt dit mechanisme in 2019-2020 volledig stil. Hierdoor blijft de uitstroom hoog, terwijl de instroom terugvalt. De tweede groep met een speciaal regime, de Flexijobbers, kennen minder in- en uitstroombewegingen in normale tijden, gezien ze vaker aan de slag zijn in langer lopende contracten. De crisis slaat hier aan beide kanten toe: meer flexijobbers verliezen hun job, terwijl ook de aanwervingen stilvallen. De impact van de eerste crisisgolf blijft al bij al beperkt op werknemers die aan de slag waren in een voltijds of deeltijds regime. Het aantal aanwervingen daalt wel, met zo’n 7-10%, maar deze daling is minder sterk dan werknemers actief in een flexibel statuut. Uit de figuur blijkt dat
HOOFDSTUK 1 | ARBEIDSMARKT: KERNINDICATOREN VOOR VLAANDEREN
29
het patroon van afnemende instroom gelijkaardig verloopt bij voltijdse en deeltijdse aanwervingen. Ook de uitstroom blijft status quo. Verder verandert ook aan de verhouding tussen het aantal voltijdse en deeltijdse jobs weinig.
1.1.3
Stromen in en uit werk
In een laatste deelanalyse stellen we de blik scherp op de deelcomponenten van in- en uitstroom voor de werkenden in loondienst. We ontledende bewegingen van uitstroom ‘Van werk naar werk’ en ‘Van werk naar niet-werk/zelfstandige arbeid’.9 Het is interessant deze deelstromen in meer detail te analyseren, gezien het verband met de grote krapte op de Vlaamse arbeidsmarkt (zie verder). Om de vergelijking van het Vlaams Gewest met de andere gewesten te kunnen maken, geven we in figuur 1.5 de evolutie van beide stromen in absolute cijfers per gewest. Eronder geven we in tabel 1.3 de relatieve uitstroom richting werk en niet-werk, dus ten opzichte van de totale uitstroom. De absolute cijfers zijn beschikbaar in tabel b1.3 in bijlage. Merk op dat we geen onderscheid kunnen maken tussen vrijwillige en onvrijwillige transities.
Figuur 1.5
Evolutie van de absolute jaar-op-jaar stromen ‘van werk naar werk’ en ‘van werk naar nietwerk/zelfstandige arbeid’ op de regionale arbeidsmarkten (2015-2021*, naar werkplaats, procentuele verschillen t.o.v. het jaar voordien)
* Cijfers voor 2020-2021 zijn berekend op basis van een nauwkeurige extrapolatie. Bron © Dynam-dataset, Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en HIVA-KU Leuven
9
30
Het is met de Dynam-data nog niet mogelijk om uit de transitie van werk naar niet-werk/zelfstandige arbeid de exacte bestemming in geval van niet-werk weer te geven. We hebben enkel zicht op de overstap tussen loontrekkende (binnen RSZ) en nietloontrekkende (buiten RSZ) posities, en veranderingen binnen de subpopulatie van werkenden in loondienst.
HOOFDSTUK 1 | ARBEIDSMARKT: KERNINDICATOREN VOOR VLAANDEREN
Tabel 1.3
Evolutie van de relatieve jaar-op-jaar stromen ‘van werk naar werk in loondienst’ en ‘van werk naar niet-werk/zelfstandige arbeid’ op de regionale arbeidsmarkten (ten opzichte van de totale uitstroom, 2015-2021*, naar werkplaats)
Van werk naar werk in loondienst (t.o.v. totale uitstroom)
Van werk naar niet-werk/zelfstandige arbeid (t.o.v. totale uitstroom)
BHG
VG
WG
2015-2016
38,6%
49,4%
38,3%
2016-2017
40,9%
51,4%
2017-2018
40,3%
51,3%
2018-2019
41,3%
2019-2020 2020-2021*
BHG
VG
WG
2015-2016
61,4%
50,6%
61,7%
41,6%
2016-2017
59,1%
48,6%
58,4%
41,2%
2017-2018
59,7%
48,7%
58,8%
51,7%
41,6%
2018-2019
58,7%
48,3%
58,4%
37,6%
46,5%
38,6%
2019-2020
62,4%
53,5%
61,4%
41,8%
50,1%
45,0%
2020-2021
58,2%
49,9%
55,0%
* Cijfers voor 2020-2021 zijn berekend op basis van een nauwkeurige extrapolatie. Bron © Dynam-dataset, Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en HIVA-KU Leuven
(1) We bekijken eerste de evolutie van de uitstroom vanuit werk in loondienst richting werk in loondienst, met andere woorden de werk-naar-werk transities als loontrekkende in een bepaalde job richting een andere job. - ten eerste blijkt duidelijk dat de uitstroom van werknemers richting een andere job (links in figuur 1.5) door de crisis sterk is teruggevallen, al vanaf het eerste crisisjaar 2019-2020. Minder mensen veranderen van job wegens de grote onzekerheid, en tegelijk wordt een groot deel van het personeel dankzij tijdelijke werkloosheid beschermd in hun job; - opvallend echter is dat deze dynamiek op Vlaams niveau helemaal niet herneemt, en zelfs verder daalt richting 2020-2021, met 2%.10 Deze dalende evolutie zien we niet in de andere gewesten. In het Brussels Gewest noteren we vanaf 2020-2021 weer meer uitstroom richting een andere job, een stijging met een beperkte 1%. In het Waals Gewest herneemt deze stroom veel sterker, met maar liefst 8%. Werknemers in Vlaanderen blijken star vast te houden aan hun job, meer dan in de andere gewesten, en tijdelijke werkloosheid is hier niet per se een verklaring.11 De daling van werk-naarwerk transities in loondienst in het Vlaams Gewest treedt ook op ondanks het feit dat het aantal vacatures vooral boomt in het Vlaams Gewest; - als we daarnaast kijken naar de evolutie van de relatieve uitstroom richting werk, ten opzichte van de totale uitstroom (tabel 1.3), dan blijkt dat die telkens het hoogst ligt in het Vlaams Gewest. Het verschil met de andere gewesten bedraagt pre-corona (meer dan) 10 procentpunt. Vlaamse werknemers zijn gemiddeld dus het meest mobiel. Tijdens de eerste crisisgolf wordt elk gewest geraakt door een verminderde uitstroom richting werk, maar vooral richting 2020-2021 valt op dat het verschil tussen het Vlaams Gewest en de andere gewesten kleiner wordt. Zo is het verschil met het Waals Gewest gedaald tot 5 procentpunt (dat met het Brussels Gewest tot 8 procentpunt). Ook dit toont aan dat het Vlaams Gewest veel minder dan de andere gewesten opnieuw een heroplevende (werk-naar-werk) dynamiek kent vanaf 2020-2021.
10 Merk op dat het percentage van 2% de vergelijking weergeeft van 2020-2021 met het eerste crisisjaar 2019-2020, een jaar waarin deze bewegingen sowieso op een laag niveau waren beland. 11 De intensiteit van tijdelijke werkloosheid ligt het laagst in het Vlaams Gewest, zie paragraaf 1.5.
HOOFDSTUK 1 | ARBEIDSMARKT: KERNINDICATOREN VOOR VLAANDEREN
31
☞
het is vooral op het niveau van bewegingen van werknemers tussen jobs dat er een discrepantie optreedt tussen de regio’s, met het Vlaams Gewest dat de minst positieve evolutie laat zien. De werk-naar-werk transities in loondienst blijven in het Vlaams Gewest ook een jaar na de crisis verder naar beneden zakken. Dat terwijl we bij een economisch herstel net meer mobiliteit verwachten op de arbeidsmarkt, zoals in het Brussels en vooral het Waals Gewest. Die wissels zijn een krachtige motor voor de invulling van vacatures, want uit vroeger onderzoek blijkt dat meer dan de helft van alle aanwervingen slaat op werknemers die rechtstreeks van bij een vorige werkgever komen (Goesaert et al., 2019). Het gebrek aan werknaar-werk transities als loontrekkende werpt zo een nieuw licht op de hoge vacaturegraad en de arbeidsmarktkrapte op de Vlaamse arbeidsmarkt.
Hoe komt het dat de werk-naar-werk transities in loondienst in het Vlaams Gewest niet hernemen, terwijl we in de andere gewesten wel terug meer mobiliteit van werk naar werk zien in vergelijking met de eerste crisisperiode? Er zijn verschillende mogelijke oorzaken. We sommen er hieronder kort enkele op: 1. Sectoren gedragen zich anders al naargelang het gewest De heropleving van bepaalde sectoren vanaf 2020-2021, die gepaard gaat met meer werk-naarwerk transities van loontrekkenden, zet zich het scherpst door in het Waals Gewest. Zo goed als elke sector laat hier opnieuw positieve cijfers zien in vergelijking met 2019-2020. We zien binnen de verscheidene sectoren grote verschillen met de andere gewesten Bijvoorbeeld in de industrie (BCDE) zijn de werk-naar-werk transities in loondienst gestegen met +9% tussen 2019-2020 en 2020-2021 in het Waals Gewest. In het Vlaams Gewest dalen die verder, met -2%. In de grote sector van de handel (G) is dit +14% voor het Waals Gewest, terwijl de mobiliteit tussen jobs voor het Vlaams Gewest status quo blijft. Meer detail over de uitstroom van werk naar werk in absolute aantallen en per sector en gewest is in de tabel b1.4 in bijlage te vinden. Daaruit blijkt globaal dat per sector de meest optimistische groei telkens in het Waals Gewest te vinden is. Het Vlaams Gewest scoort minder goed bij de grotere sectoren. Mogelijk speelt de krapte, die zich sterker manifesteert in het Vlaams Gewest dan in de andere regio’s, hier een rol. Het maakt dat werkgevers hun werknemers kost wat kost aan zich willen binden, en sterker zullen inzetten op retentie van hun werknemers. Deze verklaring behoeft echter verder onderzoek, samen met mogelijke andere redenen die hier kunnen spelen. 2. De sectorale samenstelling verschilt per gewest Niet enkel reageren sectoren verschillend op de crisis per gewest, ook de sectorale samenstelling is van tel om de regioverschillen te verklaren. Globaal blijkt het Vlaams Gewest de slechtste leerling van de klas (wat betreft de mobiliteit tussen jobs) in de grotere sectoren, zoals de handel, de horeca, de administratieve en ondersteunende diensten. Dat bijvoorbeeld de handel minder bewegingen tussen jobs vertoont in het Vlaams Gewest, is van groot belang in de verklaring voor de totale evolutie van het Gewest. De handel is immers goed voor 13,4% van de totale tewerkstelling (wat meer is dan de 12,3% voor het Waals Gewest). Wat zeker ook speelt, is het belang van de uitzendsector (nace 78). In het Vlaams Gewest zien we bij uitzendkrachten nog 8% minder transities van job naar job, terwijl in het Waals en het Brussels Gewest net weer meer mobiliteit wordt opgetekend.12 Het feit dat uitzendwerk vooral op de Vlaamse arbeidsmarkt een groot gewicht heeft,13 maakt de globale evolutie voor Vlaanderen minder positief. Merk op dat beide verklaringen, het gedrag van elke sector en de sectorale samenstelling per gewest, samen van invloed zijn, en niet los van elkaar kunnen gezien worden. 3. Demografisch profiel
12 Opnieuw een voorbeeld van het feit dat sectoren zich anders gedragen naargelang het gewest (punt 1). 13 Maar liefst 6% van alle loontrekkenden op de Vlaamse arbeidsmarkt zijn hier tewerkgesteld (versus 4,3% op de Waalse arbeidsmarkt).
32
HOOFDSTUK 1 | ARBEIDSMARKT: KERNINDICATOREN VOOR VLAANDEREN
Mogelijk blijven de werk-naar-werk transities in loondienst in het Vlaams Gewest lager omdat de Vlaamse arbeidsmarkt een iets oudere leeftijdssamenstelling kent. Zo is 31,3% van de loontrekkenden op de Vlaamse arbeidsmarkt ouder dan 50 jaar, in het Waals en Brussels Gewest is dat respectievelijk 30,5% en 30,8%. Ouderen hebben algemeen de laagste arbeidsmobiliteit van alle leeftijdsgroepen op de arbeidsmarkt, omdat het voor hen vaak financieel onaantrekkelijk is om over te stappen naar een andere werkgever (Dekker & Mevissen, 2018). Merk op dat dit enerzijds tegenspreekt dat het Vlaams Gewest, relatief in vergelijking met de andere gewesten, wel de hoogste arbeidsmobiliteit vertoont (tabel 1.3). Wat anderzijds wel mogelijk is, is dat tijdens een periode van laagconjunctuur vooral de ouderen nog een extra vermindering van de mobiliteit gaan optekenen, bijvoorbeeld omdat ze minder vaak dan jongere werknemers actief zijn in de meer volatiele sectoren (met uitzondering van de flexi-jobs), of omdat ze meer dan jongeren baat hebben bij het behouden van de job. Deze extra impact zou het Vlaams Gewest, met haar oudere leeftijdssamenstelling, zwaarder treffen. Ook lag het aandeel van de uitstroom van werk naar ander werk verhoudingsgewijs al hoger in het Vlaams Gewest. Dit kan, volgens de wet van de afremmende voorsprong, helpen verklaren waarom het nog niet opveert zoals in het Waals en Brussels Gewest. (2) Ten tweede werpen we kort een blik op de evolutie van de uitstroom vanuit werk richting nietwerk of zelfstandige arbeid (rechts in figuur 1.5 en tabel 1.3). Het betreft alle uitstroombewegingen van werknemers uit hun job, richting een niet RSZ-plichtige onderneming of richting werkloosheid of inactiviteit. Zo kunnen werknemers werkloos worden, ziek vallen, zelfstandig worden, … - de uitstroom naar niet-werk/zelfstandige arbeid kende een enorme piek tijdens de eerste crisisgolf. Deze piek ligt een pak hoger in het Vlaams Gewest (+13%) dan in de andere gewesten (+4 à 5%). Mogelijk wordt dit verklaard door het belang van de uitzendsector in het Vlaams Gewest. Hoewel die in alle drie de gewesten zwaar werd getroffen tijdens de eerste crisisgolf, heeft de uitzendsector zeker in het Vlaams Gewest een groot gewicht in de totale tewerkstelling. Een andere mogelijke verklaring is de sterke stijging van het aantal zelfstandigen in Vlaanderen (zie paragraaf 1.4). Het is met de Dynam-data nog niet mogelijk om uit de transities van werk naar nietwerk/zelfstandige arbeid enkel de mobiliteit naar zelfstandige arbeid (of naar werk in het buitenland) te filteren, maar we kunnen wel vermoeden dat deze mobiliteit in het Vlaams Gewest hoger ligt. Het aantal zelfstandigen in Vlaanderen is ondanks de crisis immers sterk blijven stijgen, en mogelijk wordt dit deels gevat door loontrekkenden die zijn overgestapt naar een zelfstandigen statuut; - een jaar nadien, in 2020-2021, is de uitstroom richting niet-werk/zelfstandige arbeid opnieuw sterk gedaald. Deze deelcomponent ligt in 2020-2021 voor het Vlaams Gewest op een lager niveau dan pre-corona. Minder mensen dan voorheen verlaten de arbeidsmarkt. Toch vallen vooral het Waals en Brussels Gewest op, waar het laagste niveau sinds het begin van de regionale metingen binnen Dynam wordt opgetekend. Nog nooit was de uitstroom van werknemers naar niet-werk of zelfstandige arbeid in deze twee gewesten zo laag.
HOOFDSTUK 1 | ARBEIDSMARKT: KERNINDICATOREN VOOR VLAANDEREN
33
Transities volgens Dynam en volgens de Enquête naar de arbeidskrachten (Statbel) Statbel rapporteert sinds een jaar de zogenaamde transitiematrices die weergeven of iemand verandert van arbeidsmarktstatuut op basis van de Enquête van de Arbeidskrachten (EAK). Uit deze gegevens blijkt dat de job-naar-job transities voor de Belgische arbeidsmarkt licht gestegen zijn tussen 2017 en 2021, en vooral in het tweede coronajaar 2020-2021. De Dynam-gegevens laten nog geen herstel zien van de werk-naar-werk transities in 2020-2021. De longitudinale EAK-gegevens bestrijken een steekproef van respondenten over de vier kwartalen van een jaar, waarvoor vervolgens het gemiddelde over de vier kwartalen wordt berekend. De meest recente peildatum van de Dynam-gegevens in dit rapport is het tweede kwartaal van de jaar-op-jaar periode 2020-2021. Het verschil in bevindingen tussen Dynam en EAK voor 2020-2021 kan verklaard worden vanuit de methodologische verschillen tussen beide bronnen. Ten eerste ligt een belangrijk verschil in de aard van beide bronnen. De Dynam-cijfers hebben betrekking op administratieve gegevens van alle loontrekkenden in België, en zijn gebaseerd op de gegevens die door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ) verzameld worden via de DmfA Multifunctionele Aangifte. Werkgevers in België zijn verplicht om via deze aangifte alle informatie door te geven die nodig is voor de berekening van de sociale bijdragen (zowel werknemers- als werkgeversbijdragen) en van de sociale rechten van hun werknemers. Hierdoor beschikt de RSZ elk kwartaal en voor elke werkgever over de loon- en arbeidstijdgegevens van de werknemers. Zowel de werkgevers als de werknemers worden geregistreerd aan de hand van een uniek identificatienummer. Een dergelijke ‘linked employer-employee database’ is een uiterst geschikte bron om de dynamiek op de arbeidsmarkt in kaart te brengen. Methodologisch vergt dit wel eerst een correctie voor schijnbare veranderingen, omdat het ondernemingsnummer kan wijzigen zonder dat er ten gronde iets verandert in de tewerkstelling van de werknemers - de zogenoemde Dynam-correctie. De Statbel-cijfers daarentegen zijn gebaseerd op zelfgepercipieerde veranderingen van baan zoals bevraagd in de EAK. De EAK is een continue enquête: de steekproef is gelijk verdeeld over de 52 weken van het jaar. De geselecteerde respondenten beantwoorden een vragenlijst die hoofdzakelijk betrekking heeft op hun activiteit in de loop van een gegeven referentieweek. De respondenten nemen vier keer deel: in 2 opeenvolgende kwartalen wel, in 2 kwartalen niet en dan weer in 2 kwartalen wel. Daardoor kan geobserveerd worden wat het arbeidsmarktstatuut van een bepaalde respondent in een kwartaal is, en een kwartaal en/of een jaar later14. Ten tweede verschilt ook de definitie. Een werk-naar-werk transitie kan betrekking hebben op interne mobiliteit (geen verandering van werkgever) of externe mobiliteit (wel verandering van werkgever). In de EAK-gegevens is door de wijze van bevraging de interne mobiliteit niet van de externe te onderscheiden. Zo bijvoorbeeld hanteert de vragenlijst de termen ‘dezelfde betrekking’ en ‘andere betrekking’, zonder nadere specificering of het gaat om dezelfde of om een andere werkgever. Er wordt telkens gepeild naar de hoofdjob. Er wordt niet gecontroleerd op basis van KBO- of vestigingsnummer van de werkgever. In het bijzonder voor uitzendopdrachten bij eenzelfde uitzendbureau als werkgever bestaat het vermoeden dat de respondent dit veelal percipieert en rapporteert als een verandering van job, terwijl strikt genomen de werkgever dezelfde blijft. Binnen Dynam wordt enkel de externe mobiliteit gemeten, dus de overstap van de ene RSZ-onderneming naar een andere. De overstap van het loontrekkende naar het zelfstandigen statuut wordt met de huidige stand van ontwikkeling van de gegevens nog niet apart gecapteerd in de categorie ‘niet-werk/zelfstandige arbeid’. Bij de EAK wordt een overstap tussen (één van beide) werkende statuten wel geteld als een overstap van werk-naar-werk. In tegenstelling tot Dynam omvatten de EAK-gegevens ook de transitie van loontrekkende naar zelfstandige, maar deze uitsplitsen per jaar en per gewest zou leiden tot weinig betrouwbare uitspraken door de te kleine steekproefaantallen. Globaal wijzen de EAK-gegevens op een toename in jobveranderingen, van 5,9% in 2020 naar 7,4% in 2021. Detailgegevens per kwartaal laten een daling zien van werk-naar-werk transities tijdens 2020, het eerste coronajaar, en een stijging vanaf het eerste kwartaal 2021, het tweede coronajaar. De opwaartse knik in de resultaten
34
HOOFDSTUK 1 | ARBEIDSMARKT: KERNINDICATOREN VOOR VLAANDEREN
valt samen met het begin van een opwaarste trend in uitzendwerk vanaf het vierde kwartaal 2020. Mogelijk ligt dit mee aan de basis van de toename in gerapporteerde jobveranderingen bij EAK.
1.2
Jobdynamiek
Een tweede belangrijke component om de impact van de COVID-crisis op de korte en middellange termijn in beeld te brengen, is via de evolutie van de jobdynamiek, d.i. de bruto-toename of -afname van het aantal jobs van de ene ten opzichte van de andere jaar-op-jaar periode vanuit het perspectief van de werkgever. Het niveau van de jobdynamiek ligt per definitie lager dan dat van de werknemersdynamiek omdat abstractie wordt gemaakt van het aantal personen dat binnen eenzelfde periode voorkomt op eenzelfde arbeidsplaats. In die zin kunnen er ook geen persoonskenmerken worden gekoppeld aan de jobdynamiek. De evolutie van de jobtoename in Vlaanderen en de andere gewesten, of het aantal jobs dat netto gecreëerd is, is grafisch weergeven in de infografiek in de samenvatting, de tabellen met absolute cijfers (ook over de jobafname) zijn toegevoegd in bijlage (tabellen b1.5 en 1.6).
- de jobtoenamegraad lag pre-corona al hoog voor het Vlaams Gewest, maar is sterk afgezwakt door de eerste crisisgolf in 2019-2020. Tijdens het eerste crisisjaar komen er in het Vlaams Gewest nog 51 jobs bij per 1 000 bestaande jobs, een daling van 16%. In het Waals Gewest ligt de jobtoename met 48 jobs per 1 000 iets lager, maar blijft de daling met 13% meer beperkt. Het Brussels Gewest scoort met 52 extra jobs per 1 000 jobs iets beter. Een jaar nadien, in 2020-2021, lijkt de situatie opnieuw te normaliseren. De scherpe daling wordt omgezet in een sterke stijging. Het aantal jobs dat erbij komt overschrijdt in het Vlaams (65 jobs per 1 000, +8,9%) en Waals Gewest (62 jobs per 1 000, +14,2%) zelfs het niveau van voor de crisis.15 Toch krimpt de voorsprong van het Vlaams Gewest in. Het Brussels Gewest hinkt wat achterop. Hoewel we opnieuw een gestegen jobtoename optekenen in vergelijking met het eerste jaar crisis, blijft dit aantal nog steeds 4% onder het pre-crisisniveau. In vergelijking met het lage niveau van het eerste crisisjaar (20192020) komen er slechts 8% meer jobs bij; 14 Zie https://statbel.fgov.be/nl/themas/werk-opleiding/arbeidsmarkt/transities-op-de-arbeidsmarkt#documents. 15 In vergelijking met het eerste crisisjaar, zoals in de figuur weergegeven, wordt dit +29% voor het Vlaams Gewest en zelfs +32% voor het Waals Gewest.
HOOFDSTUK 1 | ARBEIDSMARKT: KERNINDICATOREN VOOR VLAANDEREN
35
- wat betreft de jobafname zien we een gelijkaardig patroon, al is dat nu voor de drie gewesten positief. De jobafname steeg in eerste instantie sterk door de eerste crisisgolf: Heel wat jobs gingen verloren. Deze gestegen jobafname was bovendien groter voor het Vlaams Gewest (er gingen 58 jobs per 1 000 bestaande jobs verloren, een stijging met +31%) in vergelijking met de andere gewesten (+13% in het Brussels Gewest,16 +20% in het Waals Gewest).17 Het Vlaams Gewest kreeg het met andere woorden zwaar te verduren tijdens de eerste crisisgolf, en zag heel wat, vaak flexibele, jobs verdwijnen. Een jaar nadien zien we echter al meteen een sterke daling van de jobafname – anders gezegd: er zijn minder jobs die verloren gaan. De jobafname komt zo in de drie gewesten zelfs op een lager niveau dan pre-corona. Het verschil met pre-corona blijft in het Vlaams Gewest met 4,9% het meest beperkt, hier gaan nog steeds 42 jobs per 1 000 bestaande jobs verloren.18 In het Waals en Brussels Gewest gaan daarentegen respectievelijk 16,7% en 25% minder jobs verloren in 2020-2021 in vergelijking met de pre-coronaperiode 2018-2019. Het Waals Gewest komt uit op een jobafname van 39 jobs per 1 000 jobs, in het Brussels Gewest is dat 37 jobs. ☞ ☞
samenvattend, in relatieve termen blijft de jobtoename in het Vlaams Gewest op een hoger niveau dan in het Waals Gewest, voor corona en tijdens corona. Toch krimpt de voorsprong van het Vlaams Gewest in; in absolute termen is de jobdynamiek volatieler in het Vlaams Gewest dan in het Waals Gewest. Het Vlaams Gewest kreeg dan ook de grootste (negatieve) bewegingen te verwerken wat betreft de jobdynamiek tijdens de eerste crisisgolf. Zowel de jobtoename daalde hier het sterkst, alsook de jobafname kende de scherpste stijging. In 2020-2021 doet het Vlaams Gewest het beter dan pre-corona, al kent wel het Waals Gewest de sterkste heropleving.
1.2.1
Sectorale jobdynamiek
Welke sectoren markeren de volatiele jobdynamiek in het Vlaams Gewest? Er komen vanaf 20202021 dan wel meer jobs bij dan in 2018-2019, maar zijn dat ook duurzame jobs? Figuur 1.6 geeft voor het Vlaams Gewest de evolutie van de absolute jobtoename per sector. De percentages in de figuur geven telkens het verschil ten opzichte van de pre-coronaperiode weer.
16 Of een jobafname van 57 jobs per 1 000 bestaande jobs. 17 Of een jobafname van 56 jobs per 1 000 bestaande jobs. 18 Pre-corona waren dat er 44.
36
HOOFDSTUK 1 | ARBEIDSMARKT: KERNINDICATOREN VOOR VLAANDEREN
Figuur 1.6
Evolutie jobtoename per hoofdsector (percentages telkens t.o.v. pre-corona, 2018-2021*, naar werkplaats)
* Cijfers voor 2020-2021 zijn berekend op basis van een nauwkeurige extrapolatie. Bron © Dynam-dataset, Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en HIVA-KU Leuven
De grote daling van de jobtoename tijdens de eerste crisisgolf (2019-2020) situeert zich sterk bij de typische sectoren die zwaar getroffen werden door de crisis. Het betreft de horeca (-35%), de administratieve en ondersteunende diensten (-34%) en de overige diensten (-22%). Het zijn sectoren waarin heel wat werknemers aan de slag zijn in een flexibel contract, al dan niet via een uitzendcontract. In veel gevallen verloren zij hun job (zie ook Goesaert et al., 2022). Ook het onderwijs kent een sterk gedaalde jobtoename, met 30%. Dat de jobtoename opnieuw stijgt tijdens het tweede jaar crisis, in 2020-2021, kan grotendeels worden toegeschreven aan enkele sectoren. Ten eerste zijn het opnieuw de administratieve en ondersteunende diensten, waar 61% meer jobs worden gecreëerd in het Vlaams Gewest in vergelijking met voor de crisis. Het is vooral de uitzendsector die dit cijfer sterk drijft. De jobtoename is hier quasi verdubbeld (+96%) in vergelijking met 2018-2019.19 Veel van de extra jobs in het Vlaams Gewest een jaar na het uitbreken van de crisis betreffen dus eerder kortlopende jobs. Ten tweede zien we ook beduidend meer jobs in de sectoren van openbaar bestuur en defensie (+41%) en onderwijs (+56%). Deze sectoren nemen vooral in het Waals Gewest een groot deel 19 Met andere woorden: niet alleen gingen in de uitzendsector het meeste aantal jobs verloren tijdens de eerste golf als eerste reactie op de crisis (zie ook Vandekerkhove et al., 2022a), tegelijk zien we hier de sterkste heropleving een jaar nadien. De heropleving op het niveau van uitzendjobs kan ook in verband worden gebracht met de gedeeltelijke stijging van de aanwervingen in 2020-2021.
HOOFDSTUK 1 | ARBEIDSMARKT: KERNINDICATOREN VOOR VLAANDEREN
37
van de tewerkstelling voor hun rekening, wat meteen de betere prestatie van het Waals Gewest in 2020-2021 verklaart.20 Enkele andere sectoren komen ondanks de globale positieve evolutie nog lang niet boven het pre-crisisniveau uit. Bijvoorbeeld de overige diensten (-12%) en de finance (-17%) blijven minder goed scoren. Opvallend: het beeld in de horeca is opnieuw genormaliseerd: er komen nog slechts 2% minder jobs bij dan pre-corona.
1.3
Uitzendarbeid
Uitzendarbeid kwam al in de voorgaande paragrafen aan bod, maar werd toen gedefinieerd met behulp van de Nace-code 78. Deze code aggregeert de uitzendactiviteiten samen in één sector, zonder dat een uitzendjob kan worden toegewezen aan de plaats van effectieve tewerkstelling. Met behulp van een alternatief databestand, via de Dimona-aangifte van RSZ, is dit laatste wel mogelijk. Voor het eerst verkrijgen we dankzij deze data een accuraat en volledig beeld van de inzet van uitzendarbeid door ondernemingen, en dat op opeenvolgende momenten in de tijd (kwartaalbasis, vanaf 2019). Gegevens voor de periode 2020-2021 zijn op het moment van schrijven nog niet beschikbaar. Om het belang van uitzendarbeid voor een sector of een gewest correct te kunnen inschatten, rapporteren we hier telkens de uitzendratio, zoals besproken in box 2 onder de infografiek. We bekijken de uitzendactiviteiten op gewestniveau, na correctie voor multiregionale ondernemingen. Wat betreft de uitzendactiviteiten van multiregionale ondernemingen, die actief zijn in meerdere gewesten, kunnen uitzendjobs niet aan één specifiek gewest worden toegewezen.21 We passen hiervoor een correctie toe, door de helft van de jobs in multiregionale ondernemingen actief in twee gewesten toe te wijzen aan elk van de gewesten, of een driedelige uitsplitsing voor de multiregionale ondernemingen actief in drie gewesten. Deze correctie is mogelijk te ruw, maar het zijn vooral de uitzendactiviteiten van uniregionale ondernemingen die zwaarder doorwegen. Zij staan in voor 77% van alle gewerkte dagen uitzendwerk in België.
20 Analoog ook aan wat we zagen voor de werknemersdynamiek (paragraaf 1.1.1). 21 We weten met andere woorden enkel of de job behoort tot een multiregionale onderneming, maar kennen niet het gewest waarin de werkplaats is gelegen.
38
HOOFDSTUK 1 | ARBEIDSMARKT: KERNINDICATOREN VOOR VLAANDEREN
☞ de infografiek in de samenvatting leert ons dat uitzendactiviteiten sterk zijn verminderd in het tweede kwartaal van 2020, en zelfs iets meer in het Vlaams Gewest (-0,9 procentpunt) in vergelijking met het Waals Gewest (-0,7 procentpunt). De eerste crisisgolf heeft uitzendwerk dan ook zwaar getroffen, en we merken duidelijk dat deze vorm van werk optreedt als belangrijke schokdemper. Door de sterke krimp van uitzendwerk, met de gelijktijdige inzet op tijdelijke werkloosheid, kon vast personeel zoveel mogelijk beschermd blijven in de job; ☞ in het vierde kwartaal al, amper een half jaar na het uitbreken van de crisis, komt uitzendwerk globaal (voor de volledige Belgische arbeidsmarkt) terug op het pre-crisisniveau. We zien hier relatief snel de eerste tekenen van een prille heropleving. Toch geldt dit niet volledig voor het Vlaams Gewest. In het Vlaams Gewest blijft de uitzendratio in het vierde kwartaal van 2020 nog 0,2 procentpunt lager dan normaal, in het Waals Gewest wordt het pre-crisisniveau wel bereikt. Dit verschil lijkt voor het Vlaams Gewest niet erg uitgesproken, maar een blik op het aantal dagen uitzendwerk toont toch dat hier in het vierde kwartaal van 2020 nog 6% minder dagen worden gepresteerd door uitzendwerkers dan een jaar voordien. In het Waals Gewest blijft dit verschil met 1% veel meer beperkt. Waarom blijft het Vlaams Gewest wat betreft de heropleving van uitzendactiviteiten in het vierde kwartaal deels achterop in vergelijking met het Waals Gewest? Als verklaring geeft figuur 1.7 de sectorale uitsplitsing van de evolutie van de uitzendratio. We bekijken voor het Vlaams Gewest (blauw) en het Waals Gewest (geel) enkel die sectoren waar de uitzendratio in ‘normale’ tijden meer dan 5% bedraagt. Dankzij de uitzendratio kan de krimp en heropleving van uitzendwerk over regio’s en sectoren worden vergeleken. Gegevens voor 2021 zijn zoals gezegd nog niet beschikbaar. De figuur toont daarom links een vergelijking tussen het tweede kwartaal van 2020 met een jaar voordien, als proxy voor de eerste coronagolf (vanaf maart 2020). Rechts gebeurt hetzelfde voor het vierde kwartaal, als proxy voor de tweede coronagolf (vanaf oktober-november 2020).
HOOFDSTUK 1 | ARBEIDSMARKT: KERNINDICATOREN VOOR VLAANDEREN
39
Figuur 1.7
Evolutie van de uitzendratio (in dagen) per subsector tijdens de eerste en tweede COVID-golf op de Vlaamse en Waalse arbeidsmarkt (2019_2-2020_4, naar werkplaats, sectoren die in 2019 minimaal een uitzendratio van 5% rapporteren) Vlaams Gewest
Waals Gewest
Bron RSZ Dimona-aangifte & © Dynam-dataset, Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en HIVA-KU Leuven, bewerking HIVA-KU Leuven
40
HOOFDSTUK 1 | ARBEIDSMARKT: KERNINDICATOREN VOOR VLAANDEREN
Figuur 1.7 toont ten eerste dat in het Vlaams en Waals Gewest veelal dezelfde sectoren een traditie hebben in uitzendwerk. Het betreft voor het grootste deel de industriesector (met de verscheidene subsectoren), op de voet gevolgd door een aantal dienstensectoren. Ook de creatieve en amusementssector vertoont in beide gewesten een hoge uitzendratio. - het merendeel van de weergegeven sectoren kent zowel in het Vlaams als Waals Gewest een sterke krimp van hun uitzendactiviteiten tijdens de eerste crisisgolf (de balk komt ver van de stip te liggen). De discrepantie tussen de uitzendratio in beide periodes (2019 en 2020) is zeker in de horeca groot, maar ook in vele industriesectoren zijn de uitzendactiviteiten deels stilgevallen, zowel in het Vlaams als Waals Gewest; - de meeste industriesectoren in het Vlaams Gewest belanden vanaf de tweede crisisgolf (2020_4) wat betreft hun uitzendactiviteiten terug op het pre-crisisniveau. Enkel in de voedingsindustrie en de farmacie ligt de uitzendratio lager dan voorheen. In het Waals Gewest volgt deze heropleving van de industrie minder: nog zeven sectoren scoren lager dan pre-corona. De situatie in de dienstensector is eerder omgekeerd. Daar telt het Vlaams Gewest nog meer sectoren die onder het precrisisniveau blijven in vergelijking met het Waals Gewest. Het betreft veelal grotere sectoren, zoals de handel in motorvoertuigen en de groothandel, naast enkele kleinere, zoals de overige wetenschappelijke en technische activiteiten of ook de sport en ontspanning. Vooral de eerstgenoemde sectoren hebben een grote invloed binnen het totaal van uitzendactiviteiten. De rol van een grote sector als de handel als verklaringsgrond voor de globale gewestelijke verschillen wordt duidelijk bij een vergelijking van de evolutie van het aantal dagen uitzendarbeid in de sector, in tabel 1.4. De gewerkte dagen uitzendwerk in de handelssectoren zijn tijdens de tweede golf in 2020 teruggevallen met 5% voor het Vlaams Gewest, in het Waals Gewest tekenen we daarentegen een stijging op met 3%. Deze sectoren zijn in beide gewesten bovendien goed voor 25% van de totale gewerkte uitzenddagen in normale tijden (in 2019_4), en hebben dus een groot gewicht. Anderzijds toont de industrie een ander beeld. De uitzendactiviteiten in de industrie zijn voor het Vlaams Gewest verminderd met 3% tijdens de tweede golf, in het Waals Gewest zien we een daling van maar liefst 10%. Ook deze sectoren hebben met meer dan 30% van het totale aantal gewerkte dagen een groot gewicht. De dynamiek van de uitzendactiviteit verschilt dus al naargelang het gewest, een vaststelling die dieper onderzoek (o.m. naar de aard van de subsectoren en ondernemingen) vergt.
Tabel 1.4
Evolutie van het aantal dagen uitzendwerk in de handel in het Vlaams en Waals Gewest (2019_4 en 2020_4, naar werkplaats)
Aantal dagen uitzendwerk 2019_4
Aantal dagen uitzendwerk 2020_4
Verschil
Vlaams Gewest
1 335 561
1 265 008
-5%
Waals Gewest
541 614
557 098
+3%
Aantal dagen uitzendwerk 2019_4
Aantal dagen uitzendwerk 2020_4
Verschil
Vlaams Gewest
1 664 963
1 611 793
-3%
Waals Gewest
666 359
596 484
-10%
Handel (nace 45-47)
Industrie (nace 10-39)
Bron RSZ Dimona-aangifte & © Dynam-dataset, Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en HIVA-KU Leuven, bewerking HIVA-KU Leuven
1.4
Startende ondernemingen en zelfstandigen
De arbeidsmarktdynamiek op werkgeversniveau wordt gedreven door groeiende en startende ondernemingen enerzijds en door krimpende en stoppende ondernemingen anderzijds. In Dynam-termen betreft het telkens ondernemingen met loontrekkend personeel in dienst. Toch beperkt de werk-
HOOFDSTUK 1 | ARBEIDSMARKT: KERNINDICATOREN VOOR VLAANDEREN
41
geversdynamiek zich niet tot het werkgeverschap. Werkgeversdynamiek handelt ook over de activiteiten van zelfstandigen, die aan de slag gaan met eigen kapitaal en middelen. We presenteren hier drie pistes om de evolutie van de werkgeversdynamiek voor het Vlaams Gewest in beeld te brengen. Het betreft (1) het onderscheid tussen het aantal starters als werkgever en starters als onderneming, (2) het onderscheid tussen het aantal ondernemingen met en zonder personeel, en (3) het onderscheid tussen het aantal loontrekkenden en zelfstandigen.22 We bespreken ze in meer detail hieronder. De gepresenteerde cijfers over zelfstandigen die starten als werkgever met één of meerdere werknemers op de regionale arbeidsmarkten zijn nog niet beschikbaar voor de meest recente periode 2021. We kunnen voor deze indicatoren dus enkel iets zeggen over de eerste impact van de crisis op de Vlaamse arbeidsmarkt, de heropleving in 2021 hebben we nog niet in beeld. De starters als onderneming en het aantal zelfstandigen geven alvast een stijgende trend aan voor 2021.
☞ het Vlaams Gewest blijkt wat betreft de werkgeversdynamieken beter te scoren dan het Waals en Brussels Gewest, zowel wat betreft de evolutie van starters als werkgever, starters als ondernemingen als de evolutie van het aantal zelfstandigen. Met andere woorden: de ondernemingsdynamieken blijven tijdens de crisis beter op niveau in Vlaanderen dan in de andere Belgische regio’s. In het Vlaams Gewest is bovendien enkel het aantal starters als werkgever door de crisis gedaald (dus ondernemingen die een eerste werknemer in dienst nemen), de andere indicatoren zijn ondanks de crisis blijvend gestegen. In het Waals en Brussels Gewest is dat niet zo. Daar neemt elke indicator af, wat wijst op een stagnerende ondernemingsdynamiek.
1.4.1
Starters als werkgever en starters als onderneming
Ten eerste analyseren we het onderscheid tussen het aantal starters als werkgever versus het aantal starters als onderneming. - starters als werkgever betreffen zelfstandigen die een eerste loontrekkende werknemer in dienst nemen, en zo voor het eerst personeel aan hun onderneming binden. Gedetailleerde cijfers over starters als werkgever zijn beschikbaar via de administratieve en gecorrigeerde gegevens in Dynam; - voor de starters als onderneming gebruiken we twee verschillende bronnen, die deels in elkaars verlengde liggen. In de eerste plaats betreft het gegevens van Statbel. In Statbel23 wordt een starter als onderneming gedefinieerd als een btw-plichtige onderneming die wordt opgericht. Een onderneming wordt gelabeld als opgericht indien het een entiteit betreft die de hoedanigheid van btw-plichtige onderneming heeft op 31 december van het geobserveerde jaar, maar niet op 31 december van het jaar ervoor. Volledige jaargegevens zijn beschikbaar in de maand oktober van 22 Merk op dat deze laatste twee groepen indicatoren eerder kijken naar de stock in plaats van de flow. 23 Voor de uitsplitsing van de statistieken naar gewest werd het adres van de maatschappelijke zetel / woonplaats gebruikt. De economische activiteit vindt echter niet altijd plaats op het adres van de maatschappelijke zetel / woonplaats: bij de vergelijking van regionale gegevens is dus omzichtigheid geboden. Een aantal schijnbare demografische bewegingen kan te wijten zijn aan de verbetering van adressen. (zie https://statbel.fgov.be/nl/themas/ondernemingen/btw-plichtige-ondernemingen/maandevolutievan-de-btw-plichtige-ondernemingen#documents).
42
HOOFDSTUK 1 | ARBEIDSMARKT: KERNINDICATOREN VOOR VLAANDEREN
het jaar x+1. Daarnaast werpen we met betrekking tot het aantal starters als onderneming ook een blik op gegevens van Graydon, beschikbaar gesteld in de Startersatlas, een uitgave van UNIZO, Graydon Belgium en UCM. Deze zijn beschikbaar tot en met 2021. Via deze bron krijgen we een zicht op opgerichte eenmanszaken en vennootschappen, die nieuw worden ingeschreven in de Kruispuntbank voor Ondernemingen. Juridische vormen als vzw’s, verenigingen van medeeigenaars, Europese Economische Samenwerkingsverbanden en publiekrechtelijke vennootschappen worden niet opgenomen. De cijfers geven de situatie weer op een bepaalde dag van het jaar, voor de gegevens hieronder is dat 18 maart 2022. Het betreft met andere woorden een foto, die nadien nog kan worden aangevuld. Beide brongegevens, vanuit Statbel en Graydon, wijken deels van elkaar af, en ze één-op-één vergelijken blijkt niet zo eenvoudig. Gezien het belang van startende ondernemingen in het volledige arbeidsmarktlandschap, is een verdiepende studie naar (de vergelijking van) deze evoluties aangewezen. We geven de evolutie van starters als werkgever en als onderneming visueel weer in figuur 1.8.
Figuur 1.8
Vergelijking evolutie aantal starters als werkgever (Dynam) en aantal starters als onderneming (Statbel & Graydon) (naar werkplaats)
Bron © Dynam-dataset, Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en HIVA-KU Leuven, Statbel & Startersatlas (UNIZO – Graydon Belgium – UCM), bewerking HIVA-KU Leuven
Door de crisis hebben beduidend minder zelfstandigen de stap gezet tot een eerste aanwerving, en/of zijn minder ondernemingen opgericht die meteen personeel in dienst nemen (bovenaan in figuur 1.8).
HOOFDSTUK 1 | ARBEIDSMARKT: KERNINDICATOREN VOOR VLAANDEREN
43
Het aantal starters als werkgever ligt elk jaar ver onder het aantal starters als onderneming; het verschil is nog meer uitgesproken tijdens de recente jaren en versterkt door de COVID-crisis. Dat het aantal starters als werkgever daalt, stemt overeen met de evolutie van de aanwervingen (zie paragraaf 1.1), die ook een sterke krimp optekenen. Wel daalt het aantal starters als werkgever het minst in het Vlaams Gewest (7,8%), terwijl het Waals en Brussels Gewest een beduidend grotere krimp noteren (-12%). Dit spreekt de globale evolutie van het aantal aanwervingen tegen.24 Tegelijk blijkt uit de Startersatlas (UNIZO – Graydon Belgium – UCM) dat in Vlaanderen het percentage nieuw opgerichte ondernemingen dat personeel tewerkstelt in 2019 en ook tijdens de crisis, in 2020, lager ligt in vergelijking met Wallonië en het Brussels Gewest. In het Vlaams Gewest heeft 5,8% van de starters in 2020 in datzelfde jaar minstens één medewerker tewerkgesteld. In het Brussels gewest is dit 6,5% en in Wallonië 7,8%. Ten tweede blijft het aantal starters als onderneming (onderaan in figuur 1.8) stijgen in het Vlaams Gewest (+4,5% of +1,1%), terwijl deze aantallen dalen in het Waals Gewest (-3,7% of -5,0%) en vooral Brussels Gewest (-8,6% of -11,2%). De eerste crisisgolf weerhield personen in het Vlaams Gewest er minder van een onderneming op te richten, al is de stijgende evolutie in vergelijking met voorgaande jaren wel afgezwakt.25 Ook in 2021 blijft de dynamiek van startende ondernemingen hoog in het Vlaams Gewest (+11%). In het Waals Gewest stijgt het aantal starters in vergelijking met het jaar voordien (2020, waar toen een daling werd opgetekend) sterker, en komt dit terug boven het pre-crisisniveau. In het Brussels Gewest wordt dit niveau ondanks de stijging van het aantal starters met 7% nog niet bereikt. Hoe komt het nu dat tijdens de crisis, maar ook erna, het aantal starters beduidend hoger ligt dan pre-corona in het Vlaams Gewest, en minder in de andere gewesten? Hieronder zoeken we mogelijke verklaringen bij de sectorale evoluties, op basis van de Startersatlas (UNIZO, Graydon Belgium, UCM). - In het Vlaams Gewest zien we in 2021 een blijvende en aanzienlijke groei van starters in de bouw (+27% in vergelijking met 2019), de detailhandel (+33%) en de transportsector (+20%). Ook in heel wat andere sectoren zien we een – zij het wat kleinere, maar vaak nog steeds +10% – toename van het aantal starters. De grotere sectoren van de horeca (-7%) en zeker ook diensten aan personen (17%) gaan erop achteruit. Beide behoren tot de zwaar getroffen corona-sectoren. In het Waals Gewest zijn deze evoluties erg gelijklopend, al liggen de positieve cijfers in heel wat sectoren lager. Ook zien we in de horeca (-15%) een extra krimp van startende ondernemingen. Buiten enkele uitzonderingen, blijkt zo dat de lagere groei van het aantal starters in het Waals Gewest in vergelijking met Vlaanderen zich niet binnen bepaalde sectoren situeert, maar eerder gespreid is over het hele spectrum van sectoren. Voor het Brussels Gewest kunnen we kort vermelden dat wel wat meer sectoren dan in de andere gewesten een daling van het aantal starters optekenen. Dat is mogelijk gerelateerd aan de grootstedelijke context van de hoofdstad. Zeker in de horeca is deze daling ook tot in 2021 enorm (-20%). De horeca in Brussel werd dan ook extra getroffen door het terugvallend (internationaal) toerisme en de verminderde pendel naar de hoofdstad. - Daarnaast vinden verschillen in het gevoerde beleid mogelijk hun vertaalslag in de gegevens. In het Vlaams Gewest wordt sterk ingezet op de ondersteuning van starters. Enkele beleidsacties met mogelijk positieve impact waren de verruiming van de transitiepremie, de springplank naar zelfstandige (RVA) of de vele ecosystemen (VLAIO, Syntra, VDAB) die de start als zelfstandige aanmoedigen. Deze acties zijn vaak op een grotere schaal vormgegeven dan in de andere gewesten, als ze daar al bestaan. Tegelijk blijkt uit de Startersatlas dat het aantal nieuw opgerichte 24 Tijdens het eerste crisisjaar noteert het Vlaams Gewest immers de scherpste daling van de instroom. 25 Ook cijfers van Graydon, waar puur de focus ligt op starters als éénmanszaak of vennootschap, tonen de meest positieve evolutie voor het Vlaams Gewest. Het aantal starters volgens hun definitie stijgt met 1,1% in het Vlaams Gewest. In het Waals (-5,0%) en Brussels Gewest (-11,2%) daalt dit cijfer sterk.
44
HOOFDSTUK 1 | ARBEIDSMARKT: KERNINDICATOREN VOOR VLAANDEREN
ondernemingen dat personeel tewerkstelt in 2019 en 2020 en het aantal starters dat binnen het jaar personeel tewerkstelt in het Vlaams Gewest lager blijft dan in het Waals en Brussels Gewest. Ook ten opzichte van vijf jaar geleden houdt dit beeld stand. De indruk wordt opgewerkt dat het beleid in het Waals Gewest sterker heeft ingezet op de groei van KMO’s, terwijl in het Vlaams Gewest meer focus komt op startende ondernemingen. - Ook is het mogelijk dat, in het verlengde van het voorgaande, tijdens de crisis loontrekkenden de goede omstandigheden vonden om een zaak te starten in bijberoep. We zien alvast, op basis van cijfers van RSVZ, dat het aantal starters in bijberoep in 2020 gestegen is in het Vlaams Gewest (+2%), terwijl in de andere gewesten net een daling wordt opgetekend. De stijging zit in enkel belangrijke sectoren met een groot aantal starters in nevenactiviteiten, zoals de bouw, de kleinhandel en diverse intellectuele beroepen (raadgevers, informatici, servicebureaus). De kans bestaat dat dit groter aantal starters in bijberoep in het Vlaams Gewest een doorstroom genereert richting hoofdberoep, bijvoorbeeld al in 2021. De hapering van de werk-naar-werk transities in loondienst in 2021 voor het Vlaams Gewest kan hieraan gerelateerd zijn. De startersdynamiek van bijberoep naar hoofdberoep in de Vlaamse arbeidsmarkt kan zich gaandeweg reflecteren in het aantal werk-naarwerk transities in ruime zin (ruimer dan enkel in loondienst). Tot slot blijven we voorzichtig om de verminderde werk-naar-werk transities in loondienst in het Vlaams Gewest rechtstreeks te linken aan de toename van zelfstandige arbeid in het Vlaams Gewest. Zo kan de stijging van het aantal starters voor een deel starters in bijberoep betreffen, die tegelijk ook nog als loontrekkende in dienst zijn. Verder impliceert starten met een onderneming niet vanzelf een toenemend aantal transities vanuit een statuut in loondienst. Ook vermoeden we een grotere dynamiek van jobveranderingen binnen de populatie van zelfstandigen. Kortom, bijkomend onderzoek is aanbevolen om de dynamiek bij zelfstandigen en startende ondernemingen en de transities van werkenden in loondienst en zelfstandigen verder te kunnen uitdiepen.
1.4.2
Aantal ondernemingen met personeel en zonder personeel
Het tweede onderscheid, dat van het aantal ondernemingen met versus zonder (loontrekkend) personeel, leunt dicht tegen het voorgaande aan. We bekijken beide evoluties in figuur 1.9. - de ondernemingen met personeel betreffen alle RSZ-ondernemingen met minstens één werknemer in dienst, ook indien ze pas zijn opgericht. Cijfers over de ondernemingen met personeel worden uit Dynam gefilterd; - de ondernemingen zonder personeel worden alvast ruimer opgevat dan starters als onderneming, want ondernemingen kunnen gedurende langere tijd geen personeel in dienst hebben. Het aantal ondernemingen zonder personeel verkrijgen we uit Statbel.26 Het betreft enkel btw-plichtige ondernemingen,27 opgenomen in de Kruispuntbank van Ondernemingen (KBO), met 0 werknemers in dienst.
26 Voor de uitsplitsing van de statistieken naar gewest werd het adres van de maatschappelijke zetel/woonplaats gebruikt. De economische activiteit vindt echter niet altijd plaats op het adres van de maatschappelijke zetel/woonplaats: bij de vergelijking van regionale gegevens is dus omzichtigheid geboden. Een aantal schijnbare demografische bewegingen kan te wijten zijn aan de verbetering van adressen (zie https://statbel.fgov.be/nl/themas/ondernemingen/btw-plichtige-ondernemingen/maandevolutievan-de-btw-plichtige-ondernemingen#documents). 27 Door Statbel worden deze als volgt omschreven: ‘Rechtspersonen wier bestaan bij wet is erkend, ongeacht de personen of instellingen die er eigenaar van zijn of die lid van zijn; - natuurlijke personen die als zelfstandige een economische activiteit uitoefenen. De juridische eenheid is altijd, alleen of soms met andere juridische eenheden, de juridische ondersteuning van de statistische eenheid ‘onderneming’. De onderneming bestaat uit de kleinste combinatie van juridische eenheden (of hun equivalent). Zij is een organisatorische eenheid die goederen en diensten voortbrengt en die een zekere zelfstandige beslissingsbevoegd.’
HOOFDSTUK 1 | ARBEIDSMARKT: KERNINDICATOREN VOOR VLAANDEREN
45
Figuur 1.9
Vergelijking evolutie aantal ondernemingen met personeel (Dynam) en aantal ondernemingen zonder personeel (Statbel) (naar werkplaats)
Bron © Dynam-dataset, Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en HIVA-KU Leuven & Statbel, bewerking HIVAKU Leuven
Het aantal ondernemingen zonder personeel (rechts in figuur 1.9) blijft in sterk stijgende lijn gaan, ook tijdens de crisis. Zeker in Vlaanderen blijft de exponentiële groei van de voorgaande jaren zich tijdens de crisis doorzetten (+5,8%). Ook in het Waals en Brussels Gewest zien we een blijvende stijging, maar die blijft met 4,1% respectievelijk 2,6% meer beperkt. Het aantal ondernemingen met personeel (links in figuur 1.9) kent in elk gewest, ondanks het uitblijven van een grote faillissementsgolf, een krimp door de crisis. De daling is minder sterk zichtbaar in het Vlaams Gewest, we zien hier een daling van 1,7%. In het Brussels en Waals Gewest ligt het aantal ondernemingen met personeel meer dan 2,5% lager dan het jaar voordien. Ook op deze indicator van de werkgeversdynamiek scoort het Vlaams Gewest dus beter dan de andere gewesten.
1.4.3
Aantal loontrekkenden en aantal zelfstandigen
Het laatste onderscheid is dat naar de evolutie van het aantal loontrekkenden versus het aantal zelfstandigen. De loontrekkenden brengen we in kaart op basis van Dynam, voor de zelfstandigen28 doen we een beroep op cijfers van de Nationale Bank. Merk op dat we voor het aantal loontrekkenden zicht hebben op cijfers tot en met 2021. Om de twee indicatoren naast elkaar te zetten, blijven we echter vooral op het eerste crisisjaar 2020 focussen.
28 Deze worden omgeschreven als ‘personen die als eigenaar of mede-eigenaar werkzaam zijn in een onderneming zonder rechtspersoonlijkheid die niet als quasi-vennootschap wordt beschouwd. Tot de zelfstandigen behoren ook de niet-betaalde meewerkende gezinsleden, de thuiswerkers van wie het inkomen afhangt van de waarde van de output van het productieproces waarvoor zij verantwoordelijk zijn en de werkenden die enkel voor eigen consumptie of eigen investeringen produceren’. Op regionaal vlak worden in sommige gevallen (bv. voor gegevens die uit de BTW-statistieken worden afgeleid) ook de zelfstandigen in bijberoep meegeteld. In andere gevallen (bv. voor gegevens vanuit de RSVZ) worden enkel zelfstandigen en helpers in hoofdberoep meegerekend. Deze laatste gegevens (RSVZ) worden beschikbaar gesteld op basis van woonplaats, gegevens naar werkplaats zijn niet beschikbaar. Dit stemt niet noodzakelijk overeen met de plaats waar de beroepsbezigheid wordt uitgeoefend.
46
HOOFDSTUK 1 | ARBEIDSMARKT: KERNINDICATOREN VOOR VLAANDEREN
Figuur 1.10
Vergelijking evolutie aantal loontrekkenden (Dynam, einde van het jaar) en aantal zelfstandigen (NBB) (naar werkplaats)
* Cijfers voor 2020-2021 zijn berekend op basis van een nauwkeurige extrapolatie. Bron © Dynam-dataset, Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en HIVA-KU Leuven & Nationale Bank van België (regionale rekeningen), bewerking HIVA-KU Leuven
Het aantal zelfstandigen in 2020 (rechts in figuur 1.10) is tijdens de crisis blijven stijgen in alle gewesten, maar de stijging is opnieuw het meest uitgesproken in het Vlaams Gewest. De toename van het aantal zelfstandigen tijdens het eerste crisisjaar blijkt zelfs dubbel zo groot als in de andere gewesten. Het aantal loontrekkenden in 2020 (links in figuur 1.10) daalt licht in Vlaams Gewest (-0,7%), net als in het Waals Gewest (-0,8%). Dit aantal blijft vooral in het Brussels Gewest het best op peil (-0,4%). We merken tegelijk op dat de tewerkstellingsgroei richting 2021 op een lager niveau blijft voor het Vlaams Gewest, terwijl het aantal loontrekkende in de andere gewesten meer gestaag blijft toenemen. Zo zien we in het Vlaams Gewest een stijging van 1,8% loontrekkenden in 2021. In het Brussels en het Waals Gewest ligt deze tewerkstellingsgroei met +3,7% respectievelijk +2,6% beduidend hoger.
1.5
Tijdelijke werkloosheid
Een laatste blik werpen we op de evolutie van tijdelijke werkloosheid in de drie gewesten, met specifieke focus op het Vlaams Gewest. Tijdelijke werkloosheid heeft in het eerste coronajaar een exponentiële groei van de werkloosheid verhinderd, en zorgde ervoor dat getroffen huishoudens hun inkomen (grotendeels) gewaarborgd zagen. De schaalgrootte van tijdelijke werkloosheid is nooit gezien. Tijdens de piek van de crisis deden meer dan 1 miljoen werknemers een beroep op het stelsel, meer dan een vierde van de totale loontrekkende bevolking in België. De infografiek in de samenvatting geeft de intensiteit van tijdelijke werkloosheid weer per gewest, in het tweede kwartaal van 2020 (als proxy voor de eerste coronagolf) en in het vierde kwartaal van datzelfde jaar (als proxy voor de tweede coronagolf). Tabel b1.7 in bijlage geeft de waarden voor de andere kwartalen. We rapporteren telkens de intensiteit van tijdelijke werkloosheid, zoals besproken in box 2 in hoofdstuk 1.
HOOFDSTUK 1 | ARBEIDSMARKT: KERNINDICATOREN VOOR VLAANDEREN
47
☞ gedurende de hele crisisperiode kent het Vlaams Gewest de laagste intensiteit van tijdelijke werkloosheid. Het Waals Gewest noteert telkens de hoogste intensiteit.29 Het Brussels Gewest scoort tijdens de eerste COVID-golf even hoog als het Vlaams Gewest, tijdens de tweede golf wordt dat het niveau van het Waals Gewest. Dat het Brussels Gewest in de tweede golf een hoge intensiteit van tijdelijke werkloosheid vertoont, is deels sectoraal gebonden. We zagen in een eerdere studie (Vandekerkhove et al., 2022b) immers dat heel wat sectoren in het Brussels Gewest een hogere intensiteit van tijdelijke werkloosheid optekenen dan in de andere gewesten. Een mooi voorbeeld is de horeca, die in Brussel extra werd getroffen door het stilvallen van het internationaal recreatief en zakentoerisme, en de verminderde pendel naar de hoofdstad door het invoeren van het (verplichte) telewerk. Tegelijk wordt de hoofdstad ook gekenmerkt door een grote proportie van ondernemingen met erg lage en hoge intensiteiten, waardoor de spreiding beduidend groter is dan in de andere gewesten. Dit verklaart mogelijk waarom het algehele beeld voor het Brussels Gewest er niet enorm uitschiet. Daarnaast blijkt de intensiteit op globaal niveau, maar ook op het hoofd- als subsectorniveau, iets hoger voor de meeste sectoren in het Waals dan in het Vlaams Gewest. Waarom dat zo is, en of dat ook na 2020 zo blijft, behoeft verder onderzoek.
1.6
Conclusie
In dit hoofdstuk wordt de dynamiekmonitor voor het Vlaams Gewest tijdens het eerste en tweede jaar COVID-crisis (respectievelijk de periode 2019-2020 en 2020-2021) voorgesteld. Door de in- en uitstroombewegingen van werknemers te bestuderen, samen met de toename en afname van jobs en de opstart van nieuwe ondernemingen, krijgen we een blik op de dynamische kant van de Vlaamse arbeidsmarkt, die verborgen blijft achter de globale evolutie van de tewerkstelling of de netto-evolutie. De focus ligt op de Vlaamse arbeidsmarkt, in vergelijking met de andere regio’s. Om deze in kaart te brengen, vertrekken we telkens vanuit de werkplaats van werknemers. Hierdoor krijgen we meer inzicht in vraagkenmerken zoals de sectorale samenstelling van de tewerkstelling in de regio. Daarnaast geven we ook de evolutie van uitzendarbeid en tijdelijke werkloosheid een plek, twee belangrijke reactiepatronen die een grote invloed hadden op werknemers tewerkgesteld op de Belgische en Vlaamse arbeidsmarkt (Vandekerkhove et al., 2022a). 1. Het Vlaams Gewest wordt tijdens het eerste crisisjaar zwaarder getroffen dan de andere gewesten met betrekking tot de stromen van werknemers en jobs. Vanaf 2020-2021 doet het een inhaalbeweging, maar vooral het Waals Gewest toont de sterkste tekenen van herstel. De arbeidsmarktdynamiek in het Vlaams Gewest blijkt tijdens de eerste crisisgolf (in 2019-2020) het zwaarst getroffen, met name voor werknemers en jobs. We zien er, in vergelijking met het Brussels en Waals Gewest, de grootste daling van de aanwervingen en terugval van het aantal jobs door minder bijkomende jobs en meer verdwijnende jobs. Het aantal exits van werknemers uit hun job blijft in het Vlaams Gewest ook stijgen, terwijl in de andere gewesten net minder werknemers uitstroomden.
29 Ook pre-corona scoorde het Waals Gewest al hoger dan de andere gewesten.
48
HOOFDSTUK 1 | ARBEIDSMARKT: KERNINDICATOREN VOOR VLAANDEREN
Vanaf het tweede jaar crisis, in 2020-2021, scoort het Vlaams Gewest wel weer beter. Het doet een vrij grote inhaalbeweging, al schiet vooral het Waals Gewest er bovenuit. - de aanwervingsgolf lijkt deels weer op gang gekomen in Vlaanderen, al blijft de instroom in 20202021 nog steeds lager (-3,3%) dan in ‘normale’ tijden. Opvallend is dat in het Waals Gewest vanaf het tweede crisisjaar alweer meer mensen worden aangeworven dan pre-corona; - de uitstroombewegingen blijven in elk gewest op een laag niveau hangen. In het Vlaams en Waals Gewest stromen tijdens het tweede crisisjaar 8% minder mensen uit hun job dan voor de crisis het geval was; - het aantal jobs dat erbij komt overschrijdt vanaf 2020-2021 opnieuw (sterk) het niveau van voor de crisis. Deze stijging is wel beduidend groter in het Waals (+14,2%) dan in het Vlaams Gewest (+8,9%). Het Brussels Gewest hinkt wat achterop. Hoewel we opnieuw een gestegen jobtoename optekenen in vergelijking met het eerste jaar crisis, blijft dit aantal nog steeds 4% onder het precrisisniveau; - in 2020-2021 neemt niet enkel de uitstroom sterk af, ook gaan er veel minder jobs dan voorheen verloren. Het verschil met pre-corona blijft in het Vlaams Gewest met 4,9% het meest beperkt, terwijl in het Waals en Brussels Gewest respectievelijk 16,7% en 25% minder jobs verloren gaan in 2020-2021 in vergelijking met de pre-coronaperiode 2018-2019. Op sectorniveau doen vooral de bouw en de sector van het vastgoed het uitstekend in het Vlaams Gewest. Ze noteren hogere dynamieken van in- en uitstroom dan pre-corona, en tegelijk zijn er ook weer meer jobs bijgekomen in deze sectoren. 2. Het Vlaams Gewest wordt extra getroffen door de sterke afzwakking van werk-naar-werk transities in loondienst. Terwijl die in 2020-2021 opnieuw sterk zijn gestegen in het Waals Gewest, blijft deze mobiliteit in Vlaanderen verder dalen, ook na een jaar crisis. De transities van werk-naar-werk in loondienst zijn voor elk gewest sterk stilgevallen tijdens het eerste jaar crisis. Door de grote onzekerheid veranderen minder mensen dan voorheen van job. Met het aanbreken van de prille heropleving in 2021 grijpen vooral werknemers in het Waals Gewest hun kans om opnieuw over te stappen van job naar job, en zo hun positie op de arbeidsmarkt te verbeteren. We zien hier weer 8% meer werk-naar-werk transities in loondienst. Dat is niet zo in het Vlaams Gewest. De jobmobiliteit blijft hier verder dalen in 2020-2021, ook lager dan het dalpunt dat in 2019-2020 werd bereikt (-2%). Werknemers in Vlaanderen blijken star vast te houden aan hun job, meer dan in de andere gewesten, en werkgevers doen er alles aan om hun werknemers te behouden. De daling van werk-naar-werk transities in loondienst in het Vlaams Gewest treedt ook op ondanks het feit dat het aantal vacatures vooral boomt in het Vlaams Gewest. 3. In groot contrast staat de evolutie van startende ondernemingen, en zelfstandigen. Hun aantallen blijven tijdens het eerste jaar crisis verder stijgen in het Vlaams Gewest, terwijl ze in de andere twee gewesten negatief evolueren. Het Vlaams Gewest scoort goed als het aankomt op de dynamieken van ondernemingen en zelfstandigen. Zowel het aantal starters als onderneming als het aantal zelfstandigen blijft hier evolueren in stijgende lijn tijdens het eerste crisisjaar, terwijl de andere gewesten een daling/status quo opmeten. Ook andere indicatoren, zoals het aantal ondernemingen met en zonder personeel of het aantal starters als werkgever, blijven betere evolueren in het Vlaams Gewest. Deze evoluties staan deels in contrast met de evolutie van de job- en werknemersdynamiek, waarbij telkens vooral het Vlaams Gewest tijdens het eerste crisisjaar het zwaarst werd getroffen. Mogelijk treedt hier een soort verschuiving op tussen statuten, waarbij meer werknemers in Vlaanderen zijn overgestapt van een loontrekkend naar een zelfstandigen statuut. Het is een voorzichtige hypothese, naast andere, die verder onderzoek behoeft.
HOOFDSTUK 1 | ARBEIDSMARKT: KERNINDICATOREN VOOR VLAANDEREN
49
4. Uitzendwerk evolueert in elk gewest sterk negatief tijdens de eerste crisisgolf, en neemt duidelijk zijn rol op als schokdemper op de arbeidsmarkt. Een half jaar nadien (tijdens de tweede crisisgolf) zien we de eerste tekenen van herstel, maar het Waals Gewest scoort hier wel beter dan het Vlaams Gewest. Tegelijk blijft ook de intensiteit van tijdelijke werkloosheid hoger in het Waals Gewest. Een half jaar na de uitbraak van de crisis, vanaf het vierde kwartaal van 2020, pikt uitzendarbeid terug op naar het niveau van waar het voor de crisis gestopt was. Toch hinkt het Vlaams Gewest nog wat achterop. In het Vlaams Gewest blijft de uitzendratio in het vierde kwartaal van 2020 nog 0,2% lager dan normaal, in het Waals Gewest wordt het pre-crisisniveau wel bereikt. Dit verschil lijkt voor het Vlaams Gewest niet erg uitgesproken, maar een blik op het aantal dagen uitzendwerk toont toch dat in het vierde kwartaal van 2020 nog 6% minder dagen worden gepresteerd door uitzendwerkers dan een jaar voordien. In het Waals Gewest blijft dit verschil met 1% veel meer beperkt. Tegelijk kent het Waals Gewest gedurende heel de crisisperiode de hoogste intensiteit van tijdelijke werkloosheid. In zo goed als elke sector werd tijdelijke werkloosheid (zowel tijdens de eerste als tweede COVID-golf) intensiever ingezet in het Waals dan in het Vlaams Gewest.
50
HOOFDSTUK 1 | ARBEIDSMARKT: KERNINDICATOREN VOOR VLAANDEREN
2 | Dynamieken in de subregio’s van de Vlaamse arbeidsmarkt tijdens het eerste jaar crisis
In dit hoofdstuk komt de focus te liggen op de regionale dynamieken op de Belgische arbeidsmarkt. We dalen hiervoor af binnen het niveau van het Vlaams Gewest naar dat van de 22 constituerende subregio’s. Recente cijfers voor 2020-2021 zijn op het moment van schrijven nog niet beschikbaar, waardoor we het zwaartepunt in dit hoofdstuk leggen op analyses tot en met 2019-2020. Deze cijfers stellen ons in staat de impact van de eerste crisisgolf te analyseren per Vlaamse subregio. Aan het einde van dit hoofdstuk proberen we ook een eerste, voorzichtige, uitspraak te doen over de verdere evolutie richting 2020-2021. Dit op basis van een extrapolatie op provincieniveau. We bekijken de gegevens hier op het niveau van arrondissementen, niet dat van referentieregio’s. Om referentieregio’s samen te stellen zijn immers gegevens op gemeenteniveau nodig, die tot op heden (nog) niet beschikbaar zijn binnen Dynam. Toch wijken arrondissementsgrenzen niet zodanig veel af van de indeling in referentieregio’s. Enkel in Oost-Vlaanderen, Vlaams-Brabant en IeperKortrijk-Veurne zien we enkele verschillen. De tabel b2.1 in bijlage geeft weer hoe de indeling in arrondissementen zich verhoudt tot de categorisering van referentieregio’s. Op de site lokaalbestuur.vlaanderen.be kan een interactieve kaart worden opgevraagd, waar de arrondissementsgrenzen bovenop de grenzen van de referentieregio’s worden weergegeven.30 Verder vertrekken we, net als in voorgaand hoofdstuk, telkens vanuit de werkplaats van werknemers, niet de woonplaats. Een analyse volgens werkplaats geeft aan hoe sterk een subregio geïmpacteerd werd door de crisis, en laat toe linken te leggen met de sectorale samenstelling van de tewerkstelling in de regio. Het startpunt hierbij is de arbeidsvraag, of de jobs die er zijn in een bepaalde regio en waar mensen naartoe komen. We bekijken de impact van de crisis in termen van de verandering van in- en uitstroombewegingen van werknemers in en uit jobs.
2.1
2.1.1
Netto-evolutie en werknemersdynamiek per Vlaamse subregio tijdens het eerste crisisjaar
Netto-evolutie van de tewerkstelling
We starten met een blik op de netto-evolutie van de tewerkstelling per Vlaams arrondissement. Zoals gezegd ligt de focus op de periode 2019-2020, oftewel het eerste crisisjaar. De netto-evolutie geeft het verschil tussen het aantal jobs dat erbij is gekomen, en het aantal jobs dat verdween. Een positief cijfer wijst op een tewerkstellingsgroei, een negatieve netto-evolutie staat voor een krimp. Figuur 2.1 geeft deze netto-evolutie weer op kaart, per Vlaamse subregio. We bekijken deze relatief, ten opzichte van de totale loontrekkende tewerkstelling, zodat een vergelijking over subregio’s mogelijk wordt. Per arrondissement gaan we na hoeveel jobs er netto bijkwamen of verloren gingen ten opzichte van 1 000 bestaande jobs in de subregio. De kleuren geven weer of de netto-evolutie eerder positief (groen) of negatief (rood) is geëvolueerd, als gevolg van de eerste crisisgolf.
30 Zie https://lokaalbestuur.vlaanderen.be/strategische-projecten/regiovorming/kaartmateriaal.
HOOFDSTUK 2 | DYNAMIEKEN IN DE SUBREGIO’S VAN DE VLAAMSE ARBEIDSMARKT TIJDENS HET EERSTE JAAR CRISIS
51
Figuur 2.1
De netto-evolutie per arrondissement: de netto verandering van het aantal jobs per 1 000 bestaande jobs (2019-2020, naar werkplaats)
Bron © Dynam-dataset, Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en HIVA-KU Leuven
In het Vlaams Gewest kennen enkel de West-Vlaamse subregio’s Diksmuide en Tielt een positieve netto-evolutie. Alle andere regio’s noteren een krimp tijdens het eerste crisisjaar. - Diksmuide (+5 jobs per 1 000 jobs) toont alvast de grootste positieve netto-evolutie van heel het Vlaams Gewest, kort gevolgd door Tielt (+2 jobs per 1 000 jobs). In beide subregio’s komen er meer jobs bij dan dat er verdwijnen; - tegengesteld aan deze evolutie, zien we een enorm grote krimp in Oudenaarde (-21 job per 1 000 jobs), Brugge (-20 jobs) en Ieper (-19 jobs) Ook Veurne (-18) en Eeklo (-16) noteren een vrij negatieve netto-evolutie; - subregio’s in Limburg, Vlaams-Brabant en Antwerpen blijven gemiddeld tot goed scoren. De nettoevolutie ligt niet overal hoog, maar evenmin zo laag als in enkele subregio’s in West- en OostVlaanderen. Met andere woorden: zowel de regio’s die het sterkst als het minst geïmpacteerd werden door de crisis zijn te vinden in West- en Oost-Vlaanderen. De arrondissementen in de andere provincies blijven gemiddeld scoren. Merk op dat er in het Waals Gewest beduidend meer subregio’s zijn (vijf) die ook tijdens de crisis een positieve netto-evolutie blijven optekenen (met name Borgworm, Aarlen, Hoei, Zinnik en Philippeville). Wel zijn er ook vier subregio’s die een vrij grote krimp optekenen, met name La Louvière, Bergen, Nijvel en Verviers. Toch zegt dit beeld op basis van de netto-evolutie niet alles. Ten eerste wordt er geen vergelijkingsbasis met de situatie pre-corona geboden. Het is immers mogelijk dat enkele van deze sub-
52
HOOFDSTUK 2 | DYNAMIEKEN IN DE SUBREGIO’S VAN DE VLAAMSE ARBEIDSMARKT TIJDENS HET EERSTE JAAR CRISIS
regio’s al voor de crisis een sterke krimp noteerden. Ten tweede krijgen we met de netto-evolutie enkel een zicht op het topje van de ijsberg. Een dieper inzicht wordt verkregen door de bewegingen van werknemers in en uit jobs in meer detail te analyseren. Veel bewegingen van in- en uitstroom in tegengestelde richting zouden zich immers kunnen vertalen in een status quo van de netto-evolutie, wat bij een loutere focus op de netto-evolutie tot foutieve conclusies zou kunnen leiden. De tabellen b2.2 en b2.3 in bijlage geven een overzicht van de Dynam-kerncijfers over de in- en uitstroom, de jobtoename en -afname en de interne verschuivingen. De eerste tabel geeft deze cijfers absoluut, de tweede tabel bekijkt ze relatief, dus gedeeld door de totale loontrekkende tewerkstelling per arrondissement. In tabellen b2.4 en b2.5 staan dezelfde gegevens voor de Waalse subregio’s.31 Hieronder zoomen we in meer detail in op de werknemersdynamieken, van in- en uitstroom, per subregio. Op de jobdynamiek gaan we niet verder in. Aan de basis van de jobdynamiek ligt immers de werknemersdynamiek, gevormd door de bewegingen van werknemers die de jobs invullen. We capteren dan ook de jobdynamiek – van jobs die erbij komen en verdwijnen – door een focus op de werknemersdynamiek – van werknemers die in- en uitstromen uit deze nieuw gecreëerde of verdwenen jobs, samen met de stromen in en uit jobs die al langer bestaan.
2.1.2
In- en uitstroombewegingen in vergelijking met pre-corona
In figuur 2.2 werpen we een eerste blik op de evolutie van de werknemersdynamiek tijdens het eerste crisisjaar, in vergelijking met pre-corona. We bekijken de verandering van de in- en uitstroombewegingen van werknemers tussen 2018-2019 (pre-corona) en 2019-2020 (eerste crisisjaar). De focus ligt op de verandering van deze bewegingen, en niet de afzonderlijke in- en uitstroom per subregio in het eerste crisisjaar. Dit om verschillende redenen: - sommige regio’s worden traditioneel gekenmerkt door een grotere mobiliteit dan andere. Dat de instroom in een subregio laag ligt tijdens de crisis, hoeft dus niet per se te betekenen dat deze regio zwaarder werd getroffen dan een regio waar de instroom op een hoger niveau ligt; - tijdelijke werkloosheid heeft tijdens de crisis sterk gespeeld als buffer tegen ontslag. Door uitsluitend te focussen op de situatie van de uitstroom in het jaar 2019-2020, weten we niet in hoeverre de uitstroombewegingen effectief zijn afgevlakt als gevolg van toepassing van het systeem; - we zitten in 2019-2020 met een crisis buiten categorie. Enkel door de vergelijking met de periode pre-corona kunnen we in kaart brengen hoe de crisis invloed had op elke subregionale arbeidsmarkt. Om een ruimer zicht te krijgen op de evolutie van de werknemersdynamieken ook vóór 2020, geven we in tabel b2.6 in bijlage de evolutie van de absolute in- en uitstroomcijfers per subregio, van 2017 tot 2020. (Tabel b2.7 doet voor de volledigheid hetzelfde voor de jobtoename en afname.)
31 Vanaf 2019 werd in Henegouwen het extra arrondissement La Louvière gecreëerd, als samenvoeging van de stad La Louvière uit het arrondissement Zinnik met de gemeenten Binche, Estinnes en Morlanwelz uit het arrondissement Thuin.
HOOFDSTUK 2 | DYNAMIEKEN IN DE SUBREGIO’S VAN DE VLAAMSE ARBEIDSMARKT TIJDENS HET EERSTE JAAR CRISIS
53
Figuur 2.2
Evolutie van de werknemersdynamiek per subregio in vergelijking met pre-corona (2019-2020 t.o.v. 2018-2019, naar werkplaats)
Bron © Dynam-dataset, Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en HIVA-KU Leuven
Zoals figuur 2.2 (links) laat zien, is het aantal aanwervingen in elke subregio gedaald. We zien overal een lagere instroom in 2019-2020 in vergelijking met 2018-2019. De daling is enorm in Oudenaarde, Ieper en Brugge. Het zijn de drie subregio’s die ook de meest negatieve netto-evolutie noteerden – bovendien in dezelfde volgorde. Veurne en Eeklo vervolledigen de top 5. Weinig verwonderlijk staan de twee best presterende subregio’s uit de vorige figuur ook in deze figuur bovenaan. Zowel in Diksmuide als in Tielt daalde de instroom zo goed als niet. Het verschil met de andere subregio’s bedraagt zo’n 4 procentpunt, waardoor een duidelijk kloof zichtbaar wordt. De uitstroom ten tweede evolueert meer heterogeen. Die is in heel wat sectoren gestegen, waarbij meer mensen uitstroomden uit hun job dan voor de crisis. Subregio’s met een enorme toename van de uitstroom zijn Ieper (die er sterk bovenuit springt), Veurne, Turnhout, Oudenaarde, Brugge en Gent. In Ieper, Oudenaarde en Brugge zagen we daarnet ook al een sterk gedaalde aanwervingsgolf. In enkele arrondissementen is de uitstroom dan weer gedaald. Onderaan in de figuur – de subregio’s met de grootste daling van de uitstroom – zien we Tongeren, Maaseik en Roeselare. De uitstroom daalde hier met zo’n 3%. Mogelijk speelt de inzet op het stelsel van tijdelijke werkloosheid hier een grote rol. Merk op dat vooral de evolutie van de instroom sterk bepalend is voor de richting van de netto-evolutie. Het is vooral in de aanwervingsstroom dat we grote trendbreuken met het voorgaande jaar optekenen.
2.1.3
Regio’s die zwaar werden geïmpacteerd door de crisis
Door de evolutie van de in- en uitstroom per subregio samen weer te geven, krijgen we een zicht op welke subregio’s op beide fronten van de werknemersdynamiek zwaar werden getroffen In figuur 2.3 geven we daarvoor beide dynamieken samen weer in een assenstelsel. Boven de x-as staan de subregio’s waar veel werknemers zijn uitgestroomd uit hun job, en waar ook de aanwervingen een sterke knauw kregen. Dit leidt tot een krimp van de tewerkstelling in deze subregio’s. Hoe meer naar linksboven een subregio gesitueerd is, hoe meer negatief het krimpscenario. Onder de x-as staan de subregio’s waarvan de dynamiek volledig stilvalt: zowel de aanwervingen als de exits dalen
54
HOOFDSTUK 2 | DYNAMIEKEN IN DE SUBREGIO’S VAN DE VLAAMSE ARBEIDSMARKT TIJDENS HET EERSTE JAAR CRISIS
er. Hoe meer naar linksonder een subregio gesitueerd is, hoe sterker de dynamieken zijn stilgevallen.
Figuur 2.3
Bubble plot van de verandering van de in- en uitstroom per Vlaamse subregio (2019-2020 t.o.v. 2018-2019, naar werkplaats)
Bron © Dynam-dataset, Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en HIVA-KU Leuven
De subregio’s blijken (vanuit figuur 2.3) in vier groepen te kunnen worden ingedeeld. We zien ten eerste twee duidelijke groepen, enerzijds van arrondissementen die weinig impact ervaren van de crisis, en anderzijds van arrondissementen die duidelijk een sterk gestegen uitstroom en een sterk gedaalde instroom rapporteren, waardoor de tewerkstelling krimpt. - (1) helemaal linksboven staan de regio’s waar een enorm sterke krimp van de instroom gepaard gaat met een exponentiële groei van de uitstroom. Het betreft de arrondissementen die eerder werden genoemd – met betrekking tot de sterk negatieve netto-evolutie – met name Oudenaarde, Brugge en Ieper. Deze sectoren kennen een sterke tewerkstellingskrimp, en ervaren een zeer sterke impact van de crisis; - (2) anderzijds vinden we rechtsonder twee subregio’s die eruit springen aan de andere kant van het spectrum. Zo daalde de instroom in Tielt en Diksmuide slechts beperkt, en kent ook de uitstroom een quasi status-quo (of lichte daling). De crisis lijkt weinig effect te hebben op de werknemersdynamieken in deze subregio’s. Zoals eerder aangegeven, situeren zowel de slechtst als de best presterende subregio’s zich in de provincies West- en Oost-Vlaanderen. Sommige subregio’s in deze twee provincies scoren gemiddeld, maar er zijn ook enkele extremen waar te nemen. Opvallend vertonen de subregio’s in Limburg (paars), Antwerpen (blauw) en Vlaams-Brabant (groen) zeker wat betreft de instroom een gelijkaardige evolutie. De instroom is er gedaald rond de 8-12%, wat vrij gemiddeld blijft. We kunnen ook deze resterende groep verder in twee subgroepen onderverdelen. - in groep (3) gaat een gemiddeld-hoge daling van de instroom gepaard met een stijging van de uitstroom. Voorbeelden zijn Veurne, Turnhout, Gent, Kortrijk, Aalst, … Deze subregio’s ervaren een grote impact van de crisis, en hun tewerkstellingsevolutie wordt veelal negatief;
HOOFDSTUK 2 | DYNAMIEKEN IN DE SUBREGIO’S VAN DE VLAAMSE ARBEIDSMARKT TIJDENS HET EERSTE JAAR CRISIS
55
- in groep (4) gaat een gemiddeld-lage daling van de instroom gepaard met een gelijktijdige daling van de uitstroom, zoals in Roeselare, Tongeren, Maaseik, Dendermonde. De impact van de crisis is deze subregio’s is eerder klein, al vallen de dynamieken hier wel gedeeltelijk stil. In wat volgt gaan we na hoe we de subregionale verschillen kunnen duiden. We kijken zowel naar het sectoraal profiel van elke subregio, als naar het belang van flexibele tewerkstelling.
2.2
Welke rol speelt het profiel van een subregio bij de impact van de crisis?
Waarom is de impact van de crisis in enkele subregio’s eerder klein, terwijl andere er zwaar door werden getroffen? Er zijn verschillende mogelijke verklaringen, en in het vervolg van deze paragraaf bekijken we er twee. Ten eerste speelt het sectoraal profiel van een subregio mogelijk een rol. Omdat we weten dat dienstensectoren (bv. de horeca, de luchtvaart, de evenementen) zwaarder werden geraakt in deze crisis dan bijvoorbeeld een sector als de bouw, zien we mogelijk de grootste klappen in subregio’s waar diensten een groot aandeel van de totale tewerkstelling innemen. Ten tweede is mogelijk ook het regime waarin werknemers aan de slag zijn van belang. We weten immers dat tijdens de eerste crisisgolf vooral werknemers in een speciaal regime hun job hebben verloren, werknemers in een deeltijds en voltijds statuut werden veelal beschermd in hun job dankzij tijdelijke werkloosheid.
2.2.1
Sectorale samenstelling en evolutie
Hierboven spraken we de hypothese uit dat regio’s waar dienstensectoren goed zijn voor een groot deel van de totale tewerkstelling mogelijk zwaardere klappen te verwerken kregen tijdens deze COVID-crisis. In figuur 2.4 bekijken we of deze hypothese steek houdt. Daarvoor geven we een overzicht van het belang van elke sectorgroep in de totale loontrekkende tewerkstelling per subregio. We bekijken vier sectorgroepen, met name de landbouw, industrie/bouw, commerciële en niet-commerciële diensten, in het totaal van activiteiten binnen de subregio. De kaart geeft de verdeling van de vier sectorgroepen in de totale tewerkstelling voor elke referentieregio afzonderlijk, in de vorm van enkele taartdiagrammen. In de tabel staan de geaggregeerde aandelen, waarbij de subregio’s zijn ingedeeld in de vier groepen zoals in figuur 2.3. We geven telkens het gemiddelde van elk aandeel per subregio in de groep (dus in groep 1 is dat het gemiddelde van de aandelen in Diksmuide en Tielt), zodat grote subregio’s niet zwaarder doorwegen.
56
HOOFDSTUK 2 | DYNAMIEKEN IN DE SUBREGIO’S VAN DE VLAAMSE ARBEIDSMARKT TIJDENS HET EERSTE JAAR CRISIS
Figuur 2.4
Totale loontrekkende tewerkstelling in de vier sectorgroepen per arrondissement (gemiddelde van elk aandeel in de groep; 2018-2019, naar werkplaats)
Landbouw
Industrie/bouw
Commerciële diensten
Niet-commerciële diensten
1. Zeer kleine impact: Diksmuide, Tielt
3,56%
37,14%
30,87%
28,44%
2. Kleine impact: Dendermonde, Maaseik, Tongeren, Roeselare
2,19%
27,80%
36,62%
33,39%
3. Grote impact: Hasselt, Antwerpen, Mechelen, Turnhout, Aalst, Eeklo, Gent, SintNiklaas, Halle-Vilvoorde, Leuven, Kortrijk, Oostende, Veurne
0,95%
20,74%
42,67%
35,65%
4. Zeer grote impact: Ieper, Brugge, Oudenaarde
0,92%
26,24%
34,34%
38,49%
Arrondissement
Bron © Dynam-dataset, Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en HIVA-KU Leuven
Er valt een duidelijk patroon te herkennen in figuur 2.4. We kunnen eruit concluderen dat subregio’s die sterk gericht zijn op dienstensectoren een grotere krimp van de netto-evolutie en de bijbehorende dynamieken noteren. - in regio’s die een zeer kleine impact van de crisis ondervinden, met als typevoorbeelden Tielt en Diksmuide, nemen de industrie (Tielt), bouw (Diksmuide) en bij uitbreiding ook de landbouw een groot aandeel binnen de totale tewerkstelling op. De tewerkstelling in zowel de commerciële als niet-commerciële diensten blijft daarentegen ondergemiddeld.32 Ook in de groep met kleine impact, met Dendermonde, Maaseik, Roeselare en Tongeren, is de tewerkstelling in secundaire sectoren relatief hoog, en blijft het belang van de dienstensectoren ondergemiddeld. Met andere woorden: sectoren die sterk gericht zijn op de primaire en secundaire sectoren, bleven het globaal vrij goed doen tijdens het eerste crisisjaar; - ten tweede hebben we de groep aan de andere kant van het spectrum, met subregio’s die zwaar geïmpacteerd werden door de crisis. Globaal worden deze regio’s gekenmerkt door het 32 Enkel de loontrekkende tewerkstelling in de niet-commerciële diensten in Diksmuide ligt met 36,58% boven het gemiddelde.
HOOFDSTUK 2 | DYNAMIEKEN IN DE SUBREGIO’S VAN DE VLAAMSE ARBEIDSMARKT TIJDENS HET EERSTE JAAR CRISIS
57
belang van dienstverlenende activiteiten, zij het in de commerciële, zij het in de niet-commerciële diensten. In de zwaarst getroffen subregio’s – Ieper, Oudenaarde en Brugge – noteren we een bovengemiddelde tewerkstelling in de niet-commerciële diensten. In Brugge is tegelijk ook de tewerkstelling in de horeca enorm belangrijk. De instroom hier is met maar liefst 34% afgenomen. Ook in Ieper zien we dat, al ligt de instroom hier sowieso lager. Tegelijk blijkt Ieper, en in mindere mate ook Brugge, extra getroffen door een terugvallende instroom van grensarbeiders naar de regio. Zo zijn tijdens de eerste crisisgolf maar liefst 27% minder grensarbeiders ingestroomd in Ieper, voornamelijk gelinkt aan de verplichte sluiting van de grenzen. In Brugge is dat -16%. Verder piekt de tewerkstelling in de middengroep met grote impact (met bv. Veurne, Turnhout, Gent) voornamelijk in de commerciële diensten. Zowel in de commerciële als niet-commerciële diensten zien we tijdens het eerste crisisjaar de grootste sectorale slachtoffers van de crisis; - we geven tot slot mee dat daarnaast ook binnen groepen van subregio’s enkele opvallende verschillen te vinden zijn. Zo bijvoorbeeld is in de eerste groep, met weinig impact, vooral de arbeidsmarkt van Tielt erg gericht op de industrie, in Diksmuide zien we een groter belang van de bouw. ☞ we kunnen concluderen dat een regionale arbeidsmarkt goed stand houdt als het sectoraal profiel sterk gericht is op sectoren in de industrie en/of bouw. Als het profiel meer gekenmerkt wordt door het belang van commerciële en niet-commerciële diensten, dan zien we een grotere impact van de crisis.
2.2.2
Tewerkstelling in een speciaal (kortlopend) statuut
Een tweede hypothese is dat ook de verdeling van het regime waarin werknemers aan de slag zijn in een subregio mee bepaalt hoe een regio tijdens de crisis evolueert. In Vandekerkhove et al. (2022a) toonden we dat de uitzendsector, en bij uitbreiding andere vormen van flexibele tewerkstelling, voornamelijk hebben gediend als schokdemper tijdens de eerste crisisgolf.33 We vermoeden dan ook dat subregio’s waar heel wat tewerkstelling wordt opgemeten in flexibele tewerkstellingsvormen een minder positieve werknemersdynamiek optekenen tijdens het eerste jaar crisis. De mate van flexibele contracten hangt natuurlijk ook deels samen met de sectorale samenstelling. We zien bijvoorbeeld in Vlaanderen pre-corona heel wat flexibele tewerkstelling (speciaal + speciaal-flexi) in de administratieve en ondersteunende diensten (33%), de horeca (19%) en de landbouw (49%). Merk op dat de uitzendsector volgens de Dynam-methodologie geaggregeerd zit in sector 78, onder de administratieve en ondersteunende diensten. In figuur 2.5 bekijken we of de vooropgestelde hypothese klopt. Daarvoor geven we, analoog aan de voorgaande paragraaf, een overzicht van het belang van elke contractvorm in de totale loontrekkende tewerkstelling per subregio. De kaart geeft de verdeling van de vier regimes (voltijds, deeltijds, speciaal, speciaal-flexi)34 in de totale tewerkstelling voor elke referentieregio afzonderlijk, in de vorm van enkele taartdiagrammen. In de tabel staan de geaggregeerde aandelen. We geven telkens het gemiddelde van elk aandeel per subregio in de groep (dus in groep 1 is dat het gemiddelde van de aandelen in Diksmuide en Tielt), zodat grote subregio’s niet zwaarder doorwegen.
33 Al volgde vanaf het einde van 2020 tegelijk een snelle heropleving van deze vormen van werk. 34 Voor meer uitleg bij de vier statuten, zie paragraaf 1.1.2 in vorig hoofdstuk.
58
HOOFDSTUK 2 | DYNAMIEKEN IN DE SUBREGIO’S VAN DE VLAAMSE ARBEIDSMARKT TIJDENS HET EERSTE JAAR CRISIS
Figuur 2.5
Totale loontrekkende tewerkstelling volgens regime waarin werknemers aan de slag zijn, per arrondissement (gemiddelde van elk aandeel in de groep; 2018-2019, naar werkplaats)
Arrondissement
Voltijds
Deeltijds
Speciaal
Speciaal-Flexi
1. Zeer kleine impact: Diksmuide, Tielt
61,39%
33,36%
3,98%
1,27%
2. Kleine impact: Dendermonde, Maaseik, Tongeren, Roeselare
54,35%
37,88%
6,33%
1,43%
3. Grote impact: Hasselt, Antwerpen, Mechelen, Turnhout, Aalst, Eeklo, Gent, SintNiklaas, Halle-Vilvoorde, Leuven, Kortrijk, Oostende, Veurne
58,03%
35,77%
4,83%
1,38%
4. Zeer grote impact: Ieper, Brugge, Oudenaarde
57,30%
37,13%
4,12%
1,45%
Bron © Dynam-dataset, Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en HIVA-KU Leuven
Het patroon in figuur 2.5 is minder duidelijk. - in de groep subregio’s met zeer kleine impact, met name in Diksmuide en Tielt, zien we meer dan 6 op 10 van de werknemers aan de slag in een voltijds regime. Iets meer dan 5% van de werknemers is actief in een speciaal(-flexi) statuut, wat minder is dan gemiddeld. In dat opzicht klopt de hypothese; - toch zien we in de regio’s met zeer grote impact – met name Ieper, Brugge en Oudenaarde – niet méér tewerkstelling in het speciale regime. De tewerkstelling blijft voor de groep ‘speciaal’ met 4,12% van het totaal ondergemiddeld.35 Tegelijk is ook de tewerkstelling in een speciaal regime erg hoog in de groep subregio’s met een kleine impact, met name Dendermonde, Maaseik, Roeselare en Tongeren. Vooral Roeselare en Tongeren wegen zwaar in dit beeld door. Ook dit beeld spreekt de hypothese tegen. Met andere woorden: het gemiddelde regime waarin werknemers in een subregio aan de slag zijn, biedt minder verklaringskracht voor de vraag waarom sommige subregio’s goed blijven 35 Wel blijkt hier een bovengemiddeld aandeel werknemers in flexi-jobs (1,45%) aan de slag, al gaat het ten opzichte van de totale tewerkstelling over een beperkte groep werknemers.
HOOFDSTUK 2 | DYNAMIEKEN IN DE SUBREGIO’S VAN DE VLAAMSE ARBEIDSMARKT TIJDENS HET EERSTE JAAR CRISIS
59
scoren, terwijl andere een enorme krimp optekenen tijdens het eerste crisisjaar. Zeker voor een subregio als Roeselare, waarvan we weten dat de uitzendsector een belangrijke sector van tewerkstelling vormt, is het opvallend dat de crisis al bij al weinig impact sorteert. De uitstroom daalt hier (figuur 2.2), terwijl we net zouden verwachten dat het contract van een groot deel van deze werknemers werd stopgezet, en deze personen dus zijn uitgestroomd. Ook de instroom daalt slechts heel beperkt, wat het beeld dat uitzendkrachten niet langer aan de slag konden in de sector tijdens de eerste crisisgolf deels tegenspreekt. Het is dus vooral de sectorale samenstelling binnen elke regio die mee de verschillen tussen regio’s kan verklaren. We bekijken daarom verder hoe de werknemersdynamiek op het niveau van enkele relevante sectoren geëvolueerd is tijdens het eerste crisisjaar, en dit per Vlaamse subregio afzonderlijk.
2.3
Evolutie van de sectorale werknemersdynamiek per subregio tijdens het eerste crisisjaar
In vorige paragraaf leerden we dat subregio’s die sterk gericht zijn op de bouw en industrie het beter blijven doen tijdens de crisis – de instroom en uitstroom bleven beter op peil – dan regio’s waar de dienstensectoren meer centraal staan. Maar hoe evolueerde de situatie in elk van de sectorgroepen nu per subregio? Bleef de netto-evolutie in een subregio als Tielt op punt dankzij het belang van de grote tewerkstelling in de weinig getroffen industrie, of evolueerde de industrie ook gewoon beter in Tielt dan in andere subregio’s? We bekijken opnieuw de vier grote sectorgroepen afzonderlijk, met de evolutie van de instroombewegingen (in 2019-2020 ten opzichte van het jaar voordien) in figuur 2.6, en we doen hetzelfde voor de uitstroom in figuur 2.7. De grootte van de balken geeft het belang van de sectorgroep in de totale tewerkstelling van de subregio.
60
HOOFDSTUK 2 | DYNAMIEKEN IN DE SUBREGIO’S VAN DE VLAAMSE ARBEIDSMARKT TIJDENS HET EERSTE JAAR CRISIS
Figuur 2.6
Verandering van de instroom per subregio en sectorgroep (2019-2020 t.o.v. 2018-2019, naar werkplaats)
Bron © Dynam-dataset, Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en HIVA-KU Leuven
HOOFDSTUK 2 | DYNAMIEKEN IN DE SUBREGIO’S VAN DE VLAAMSE ARBEIDSMARKT TIJDENS HET EERSTE JAAR CRISIS
61
- de grootste daling van de aanwervingen zit duidelijk in de sectorgroep van de commerciële sectoren. Elke subregio noteert een daling van de instroom in de commerciële diensten, tot zelfs meer dan 20% in Brugge. Deze daling is weinig verwonderlijk: heel wat van de sectoren in deze groep, denk aan de horeca of de luchtvaart, werden globaal immers zwaar getroffen. Vooral de zwaar getroffen subregio’s Brugge-Ieper-Oudenaarde krijgen te maken met een sterke aanwervingskrimp in de commerciële sectoren. In een sector als Diksmuide, die een positieve netto-evolutie blijft rapporteren, zien we dan weer de kleinste daling van de instroom; - daarnaast kent ook de sectorgroep industrie/bouw een sterke aanwervingskrimp. Opnieuw scoren Oudenaarde en Ieper, de subregio’s met heel zware impact, hier minder goed. In de subregio’s Diksmuide en Tielt blijft de krimp van de instroom heel beperkt. Met andere woorden: niet alleen zijn de industrie en bouw belangrijk in de totale tewerkstelling van deze twee subregio’s, ook zijn deze sectoren op dit front minder zwaar getroffen door de crisis dan andere subregio’s; - in de niet-commerciële diensten vertonen de drie regio’s met heel zware impact (Brugge-IeperOudenaarde) niet de grootste verliezen. Hoewel de niet-commerciële diensten in deze drie subregio’s instaan voor het grootste aandeel van de tewerkstelling, worden ze niet getroffen door de grootste aanwervingskrimp. De grootste daling van de instroombewegingen noteren we in Tongeren, Oostende en Maaseik. Tongeren en Maaseik behoren tot de groep met kleine impact van de crisis. Het belang van de niet-commerciële diensten blijft hier licht ondergemiddeld. Eenzelfde figuur bekijken we voor de uitstroom. Figuur 2.7 toont de evolutie van de uitstroom tussen 2018-2019 en 2019-2020, en dit per subregio en sectorgroep. De grootte van de balken geeft opnieuw het belang van de sectorgroep in de totale tewerkstelling binnen de subregio.
62
HOOFDSTUK 2 | DYNAMIEKEN IN DE SUBREGIO’S VAN DE VLAAMSE ARBEIDSMARKT TIJDENS HET EERSTE JAAR CRISIS
Figuur 2.7
Verandering van de uitstroom per subregio en sectorgroep (2019-2020 t.o.v. 2018-2019, naar werkplaats)
Bron © Dynam-dataset, Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en HIVA-KU Leuven
HOOFDSTUK 2 | DYNAMIEKEN IN DE SUBREGIO’S VAN DE VLAAMSE ARBEIDSMARKT TIJDENS HET EERSTE JAAR CRISIS
63
- figuur 2.7 toont dat, hoewel de commerciële diensten sterk werden getroffen door een aanwervingskrimp, de uitstroombewegingen hier weinig dynamiek vertonen, zeker in vergelijking met de andere sectorgroepen. Werknemers in de commerciële sectoren stroomden niet per se meer uit tijdens de crisis dan voorheen. Mogelijk speelt het stelsel van tijdelijke werkloosheid hier een rol, dat vooral in de zwaar getroffen sectoren (vaak diensten) intensief werd ingezet. De subregio’s die in de commerciële dienstengroep wel een grotere uitstroom optekenen, zijn opnieuw onder andere Ieper, Oudenaarde en Brugge, de drie sectoren met de sterk negatieve netto-evolutie; - de grootste verandering in de uitstroombewegingen wordt opgetekend in de industrie en bouw. Veel werknemers stroomden in deze sectoren uit hun job, richting ander werk of ook richting niet-werk. In Mechelen wordt de grootste stijging van de uitstroom opgetekend, met 20%. Diksmuide en Tielt, de subregio’s met een positieve netto-evolutie, scoren hier relatief goed: de uitstroom daalde slechts licht; - het voorgaande staat in schril contrast met de situatie van de uitstroom in de niet-commerciële diensten. Vooral Tielt kreeg in deze sector te maken met een sterke uitbreiding van de uitstroom, met meer dan 10%. Globaal blijft de tewerkstelling hier wel zeer beperkt (de balk is erg dun), wat betekent dat deze evolutie weinig impact heeft op het globale resultaat van de Tieltse arbeidsmarkt. Daarnaast stijgt de uitstroom slechts licht in de zwaar geïmpacteerde groep Oudenaarde, Ieper en Brugge. ☞ we hebben eerder aangegeven dat vooral de evolutie van de instroom sterk bepalend is voor de richting van de netto-evolutie. Het is vooral in de aanwervingsstroom dat we grote trendbreuken met het voorgaande jaar optekenen; ☞ als we samenvattend de evolutie van de instroom per sector en subregio bekijken, dan blijkt dat in de beter scorende regio’s, met onder andere Tielt en Diksmuide, vooral de sectoren industrie/bouw een belangrijk rol spelen in de blijvend positieve evolutie tijdens de crisis. Deze blijken globaal minder zwaar getroffen dan veel andere (diensten)sectoren, zoals de horeca of de evenementen. En niet alleen nemen deze sectoren een groot deel van de tewerkstelling voor hun rekening in de genoemde subregio’s, ook de aanwervingen blijven hier quasi status-quo terwijl die veelal dalen in andere subregio’s. Met andere woorden, de evolutie van de industrie/bouw verloopt ook meer positief in de weinig getroffen regio’s. Verder scoren deze subregio’s globaal ook erg goed wat betreft de aanwervingen in de commerciële en niet-commerciële diensten, al blijft de tewerkstelling in deze sectorgroepen meer beperkt; ☞ omgekeerd zien we dat in de subregio’s met zware impact van de crisis, zoals Ieper, Oudenaarde en Brugge, de grotere niet-commerciële diensten niet per se de sterkste aanwervingskrimp optekenen. Heel wat andere subregio’s noteren een veel grotere daling van de instroom. Toch kunnen deze – hoewel kleinere – verliezen zwaar doorwegen, vanwege het belang van die sectoren in het totale gewicht van de subregio. Tegelijk noteren de genoemde sectoren ook veelal de grootste aanwervingkrimp in de andere dienstensectoren, met name de commerciële diensten. Ook deze evolutie heeft duidelijk een rol in de sterk negatieve netto-evolutie van die regio’s; ☞ met andere woorden: niet enkel het sectoraal profiel verklaart de verschillen in netto-evolutie tussen de subregio’s. Ook blijken de weinig getroffen subregio’s in veel sectorgroepen beter te scoren dan de zwaar getroffen regio’s.
2.4
Subregionale dynamiek tijdens het tweede crisisjaar
De voorgaande analyses vertrokken telkens van de werkplaats van werknemers, dit tot op het subregioniveau. Het is op moment van schrijven nog niet mogelijk om voor de meest recente cijfers van 2020-2021 af te dalen naar dit niveau. Gegevens zijn immers niet beschikbaar op vestigingsniveau. Er zijn twee mogelijkheden om met dit probleem om te gaan. Enerzijds kan de analyse verschoven worden naar een focus op het woonplaatsniveau van werknemers. Deze gegevens zijn beschikbaar
64
HOOFDSTUK 2 | DYNAMIEKEN IN DE SUBREGIO’S VAN DE VLAAMSE ARBEIDSMARKT TIJDENS HET EERSTE JAAR CRISIS
tot de meest recente periode 2020-2021. Anderzijds kunnen we met behulp van extrapolatie36 een inschatting maken van de tewerkstelling en werknemersdynamiek naar werkplaats voor de meest recente periode.
2.4.1
De werknemersdynamiek in 2020-2021 naar woonplaats
De eerste piste is het meest eenvoudig en garandeert accurate cijfers. Hoewel woonplaats en werkplaats niet volledig overlappen, liggen de hier bestudeerde zones dicht bij elkaar, wat betekent dat werknemers vermoedelijk niet gaan verhuizen als de vestiging van hun onderneming verhuist. Al zijn er enkele kanttekeningen te maken. Ten eerste leggen we vanuit Dynam in al onze publicaties steeds de focus op de werkplaats. Die keuze is het meest voor de hand liggend als we iets willen zeggen over de verklaring van enkele bewegingen, vanuit de sectorale samenstelling op regioniveau. Als er meer instroom is richting een bepaalde subregio, kan dit immers meteen gelinkt worden aan de sectorale activiteiten die in de regio centraal staan. Dat kan met een focus op het woonplaatsniveau niet. Ten tweede is de woonplaats niet altijd gelijk aan de werkplaats, zeker niet in steden of de regio’s rond Brussel. Op basis van de resultaten naar woonplaats bekijken we in figuur 2.8 de evolutie van de instroom per provincie, tot in het meest recente jaar. In figuur 2.9 doen we hetzelfde voor de uitstroom. We opteren voor het provincieniveau om duidelijk de vergelijking te kunnen maken met de resultaten naar werkplaats. Die zijn – zoals straks aan bod komt – enkel op een nauwkeurige wijze te extrapoleren tot op het niveau van de provincies.
Figuur 2.8
Evolutie van de instroom per Vlaamse provincie (2015-2021, naar woonplaats)
* Gegevens naar woonplaats. Bron © Dynam-dataset, Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en HIVA-KU Leuven
36 Die anders vorm krijgt dan in hoofdstuk 1, zie verder.
HOOFDSTUK 2 | DYNAMIEKEN IN DE SUBREGIO’S VAN DE VLAAMSE ARBEIDSMARKT TIJDENS HET EERSTE JAAR CRISIS
65
We bekijken hieronder enkel de situatie voor het meest recente jaar, in 2020-2021. De evolutie tijdens het eerste jaar crisis is in voorgaande paragrafen immers al aan bod gekomen, tot op het subregioniveau. 1. er zijn twee subregio’s waar de aanwervingen beduidend lager blijven dan in ‘normale’ tijden. Zo ligt de instroom naar woonplaats in 2020-2021 voor Antwerpen -4,6% lager dan pre-corona,37 voor Vlaams-Brabant is dat -4,2%. Ook in vergelijking met het voorgaande jaar zien we in deze provincies met +7% en +6% de kleinste stijging van de aanwervingen; 2. daarnaast zien we in West- en Oost-Vlaanderen en vooral ook Limburg dat de instroom vanaf 2020-2021 nog slechts vrij beperkt onder het pre-crisisniveau blijft. In Limburg stijgt de uitstroom met maar liefst 11% ten opzichte van het jaar voordien. Ten opzichte van pre-corona is dat een lichte daling met 1,9%. Ook in West- en Oost-Vlaanderen ligt het aantal aanwervingen met -2,3% en -1,7% slechts heel beperkt onder het hoge niveau dat voor de crisis bereikt werd. De instroom toont alvast de eerste tekenen van het prille herstel.
Figuur 2.9
Evolutie van de uitstroom per Vlaamse provincies (2015-2021, naar woonplaats)
* Gegevens naar woonplaats. Bron © Dynam-dataset, Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en HIVA-KU Leuven
De uitstroom, weergegeven in figuur 2.9, toont een vrij gelijkaardig beeld. 1. opnieuw springen de provincies Antwerpen en Vlaams-Brabant eruit. De uitstroom daalde hier met meer dan 10% in het meest recente jaar, en ook in vergelijking met pre-corona noteren we hier de grootste daling van de uitstroom. Dat ook de instroom enorm sterk daalt, toont dat de dynamieken in deze twee provincies (wat betreft werknemers die er wonen) deels zijn stilgevallen; 2. ten tweede zien we opnieuw de provincies Limburg, West- en Oost-Vlaanderen. Ook hier is de uitstroom gedaald, maar met respectievelijk -8%, -10% en -7% blijft de daling meer beperkt dan in de twee andere provincies. En ook ten opzichte van pre-corona ligt de uitstroom minder laag dan in Antwerpen of Vlaams-Brabant. We zagen eerder dat in deze drie provincies de uitstroom weer deels op peil komt. Dat ook de uitstroom minder sterk daalt dan elders, toont dat
37 Deze percentages zijn niet weergegeven in de figuur. In de figuur hebben de percentages telkens betrekking op de vergelijking van de situatie met een jaar voordien. Voor 2020-2021 wordt met andere woorden vergeleken met de periode 2019-2020.
66
HOOFDSTUK 2 | DYNAMIEKEN IN DE SUBREGIO’S VAN DE VLAAMSE ARBEIDSMARKT TIJDENS HET EERSTE JAAR CRISIS
deze provincies (wat betreft werknemers die er wonen) al op beide componenten de eerste tekenen van een prille heropleving uit de crisis vertonen. De info naar woonplaats geeft ons een eerste inschatting van hoe de werknemersdynamieken op provincieniveau zijn geëvolueerd. Toch is het vooral de evolutie op werkplaatsniveau die ons interesseert. Om deze gegevens voor het meest recente jaar in te schatten, bekijken we in volgende paragraaf een gedetailleerde extrapolatiemethode. De gegevens naar woonplaats bieden een eerste houvast om de betrouwbaarheid van de extrapolatie na te gaan.
2.4.2
De werknemersdynamiek in 2020-2021 naar werkplaats
Volgens de tweede piste kunnen we een inschatting maken van de subregionale tewerkstelling op werkplaatsniveau door middel van een extrapolatie. Deze kan op verscheidene wijze vorm krijgen. Toch zal de methode hier afwijken van de nauwkeurige extrapolatiemethode zoals beschreven in hoofdstuk 1, om recente gegevens naar werkplaats op gewestniveau te berekenen. Op gewestbasis hebben we immers voor de meest recente cijfers (2020-2021) info over de plaats van vestiging van een onderneming. De uniregionale ondernemingen kunnen we meteen toewijzen aan een gewest, van de multiregionale ondernemingen weten we in welke twee of drie gewesten ze actief zijn. Die info hebben we niet op arrondissementsniveau. We weten voor 2020-2021 enkel of een onderneming actief is in één enkele subregio, of in meerdere subregio’s, zonder de tewerkstelling effectief te kunnen toewijzen. We onderzoeken twee mogelijke methodes van extrapolatie om met dit probleem om te gaan. - (1) we kunnen de extrapolatie enerzijds vorm geven vanuit het kbo-nummer. De exacte methode van extrapolatie wordt beschreven in box 1 in bijlage. De focus ligt hierbij op het provincieniveau. Zoals duidelijk wordt in de box, is deze methode op arrondissementsniveau niet enkel te veeleisend, maar dreigt het resultaat ook te onnauwkeurig te worden: - bij wijze van robuustheidscheck hebben we eenzelfde extrapolatiemethode ook toegepast op gegevens van 2018-2019, om de provinciale werknemersdynamiek in 2019-2020 te schatten, en ook op die van 2017-2018, om de cijfers voor 2018-2019 te schatten. Voor beide jaren zijn tegelijk ook de definitieve en gecorrigeerde gegevens op provincieniveau beschikbaar. Uit een vergelijking van beide blijkt dat de schattingsmethode niet volledig waterdicht is. Zo worden de gegevens voor de provincies Antwerpen, Limburg en Vlaams-Brabant systematisch onderschat, terwijl voor West- en Oost-Vlaanderen een overschatting optreedt. De over- en onderschatting zijn van dergelijke aard dat het moeilijk wordt er correcte uitspraken aan te verbinden. We passen deze methode dan ook niet verder toe in deze studie; - de mogelijke reden voor de tegenvallende resultaten, is dat de extrapolatiemethode moeilijk om kan gaan met sluitingen of openingen van hele vestigingen. Deze grote bewegingen worden telkens uitgevlakt, omdat we de multiregionale tewerkstelling steeds mooi verdelen over elke provincie waarin de onderneming actief is. Bij een opening van een vestiging in West-Vlaanderen van een bedrijf dat ook in Oost-Vlaanderen actief is, wordt de tewerkstelling zo verdeeld over beide provincies, terwijl de opening enkel nieuwe tewerkstelling creëert in West-Vlaanderen. - (2) een andere methode vertrekt vanuit de verhouding van de instroom en uitstroom naar woonen werkplaats in voorgaande jaren. We leren dat de evolutie in pendel beperkt is gebleven, en dat de verhouding woonplaats/werkplaats ook stabiel is gebleven over de tijd, zelfs in het eerste crisisjaar. We nemen het gemiddelde van de verhouding instroom naar woon/werkplaats voor de vijf voorgaande jaren,38 en nemen ook hetzelfde resultaat voor de uitstroom. Deze verhouding passen we toe op de cijfers naar woonplaats voor het meest recente jaar, om zo de extrapolatie naar 38 De verhouding instroom naar woonplaats versus werkplaats is voor Antwerpen 95,3%, voor Limburg 98,8%, voor Oost-Vlaanderen 103,1%, voor Vlaams-Brabant 98,0% en voor West-Vlaanderen 94,5%.
HOOFDSTUK 2 | DYNAMIEKEN IN DE SUBREGIO’S VAN DE VLAAMSE ARBEIDSMARKT TIJDENS HET EERSTE JAAR CRISIS
67
werkplaats vorm te geven. Deze methode is robuust, omdat we ook in voorgaande jaren quasi geen schommelingen zien tussen de verhouding in- en uitstroom naar woonplaats en werkplaats. Bovendien komt een vrij gelijkend beeld aan het licht als in de analyse op basis van woonplaats, wat de betrouwbaarheid verder doet toenemen. Op basis van de resultaten van de extrapolatie bekijken we in figuur 2.10 de evolutie van de instroom per provincie, naar werkplaats en tot in het meest recente jaar. In figuur 2.11 doen we hetzelfde voor de uitstroom.
Figuur 2.10
Evolutie van de instroom per Vlaamse provincie (2015-2021*, naar werkplaats)
* Cijfers voor 2020-2021 op basis van een extrapolatie. Bron © Dynam-dataset, Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en HIVA-KU Leuven
Het beeld in figuur 2.10 toont enkele opvallende verschillen tussen de vijf Vlaamse provincies. Maar we starten met een belangrijke gelijkenis. Elke Vlaamse provincie tekende tijdens het eerste crisisjaar 2019-2020 een daling op van de instroom, van zo’n 10%. Dit veroorzaakt een duidelijke knik in de lange termijntrend, die pre-corona gestaag omhoog klom. Dat de vijf provincies een vrij gelijkaardig verloop van de instroom noteren tijdens het eerste crisisjaar, is eerder verwonderlijk. We zagen immers in figuren 2.2 en 2.3 dat de 22 Vlaamse subregio’s erg uiteenlopend op de crisis hebben gereageerd. Enkele subregio’s zagen hun instroombewegingen vrij goed gewaarborgd, terwijl in andere sectoren de instroom enorm sterk is afgenomen. De evolutie op provincieniveau verbergt met andere woorden de zeer uiteenlopende evoluties op een lager regioniveau. We merken wel op dat de subregio’s in Vlaams-Brabant, Antwerpen en Limburg een vrij gelijkaardige evolutie van de instroom vertoonden. In West- en Oost-Vlaanderen zagen we dan weer grote verschillen, langs elke kant van het spectrum, die mogelijk worden uitgeleveld op het provincieniveau. Richting 2020-2021 verloopt de evolutie van aanwervingen eerder divers. Er tekenen zich enkele duidelijke verschillen af tussen de vijf provincies. Deze komen bovendien sterk overeen met de analyse naar woonplaats. 1. er zijn twee subregio’s waar de aanwervingen beduidend lager blijven dan in ‘normale’ tijden. Volgens de geëxtrapoleerde gegevens ligt de instroom in 2020-2021 voor Antwerpen -
68
HOOFDSTUK 2 | DYNAMIEKEN IN DE SUBREGIO’S VAN DE VLAAMSE ARBEIDSMARKT TIJDENS HET EERSTE JAAR CRISIS
5,1% lager dan pre-corona,39 voor Vlaams-Brabant is dat -4,6%. Ook in vergelijking met het eerste crisisjaar (2019-2020) vertonen deze provincies de kleinste stijging van de instroom, met 7%. Gezien het een analyse op werkplekniveau betreft, kunnen we voor een verklaring verwijzen naar het sectoraal profiel van elke provincie. Het grote belang van de (zwaar getroffen) commerciële diensten speelt hier immers mogelijk een rol. In Vlaams-Brabant zijn de commerciële sectoren goed voor maar liefst 56% van de totale tewerkstelling, voor Antwerpen is dat 46%, wat ook beduidend hoger blijft dan gemiddeld. In de andere subregio’s ligt dit aandeel immers rond de 38-39%. De zwaar getroffen commerciële sectoren40 hebben mogelijk een invloed op het feit dat deze subregio’s wat achterop blijven;41 2. verder zien we in West- en Oost-Vlaanderen dat de instroom wat sterker stijgt, met 9% respectievelijk 8%. Ten opzichte van het hoge pre-crisisniveau blijven de aanwervingen nog zo’n 2,4% lager in 2020-2021. We kunnen deze gematigd positieve evolutie enerzijds verklaren door het grote belang van de bouw in de totale tewerkstelling, één van de enige sectoren waar de aanwervingen in 2020-2021 opnieuw sterk (+5%) boven het pre-crisisniveau uitkomen (zie figuur 1.1). Ook blijft de tewerkstelling in de zwaar getroffen commerciële sectoren hier eerder beperkt, zeker in vergelijking met Antwerpen en Vlaams-Brabant. Anderzijds is er ook de industrie, die van groot belang is binnen veel van deze subregio’s, maar waar de aanwervingen wel nog licht onder het precrisisniveau blijven. Ook deze sector heeft een duidelijke invloed, maar in de negatieve zin. Een combinatie van beide patronen leidt mogelijk tot een gematigd positieve evolutie in de provincies; 3. tot slot springt Limburg er het meest uit. In Limburg stijgt de instroom met 11% ten opzichte van het jaar voordien. Ten opzichte van pre-corona is dat een quasi status-quo/lichte daling met -0,7%. In Limburg blijkt de tewerkstelling in de grote, stabiele niet-commerciële diensten relatief hoog (zeker in het openbaar bestuur/defensie, maar ook in de gezondheidszorg). Deze sectoren scoren alweer relatief goed in 2020-2021 wat betreft de aanwervingen, en hebben door hun omvang een groot gewicht in het globale cijfer voor de provincie.
39 Deze percentages zijn niet weergegeven in de figuur. In de figuur hebben de percentages telkens betrekking op de vergelijking van de situatie met een jaar voordien. Voor 2020-2021 wordt met andere woorden vergeleken met de periode 2019-2020. 40 Voor Vlaams-Brabant is de handel duidelijk een belangrijke verklaring: die staat in voor maar liefst 19% van de tewerkstelling in de provincie (in de andere provincies is dat 12%), en kent nog steeds een 4% lagere aanwervingenstroom dan in normale tijden. Ook de vrije en wetenschappelijk beroepen zijn hier erg belangrijk (voor 8% van de tewerkstelling, in de andere regio’s, uitgezonderd Antwerpen, is dat minder dan de helft). Ook in deze sectoren ligt de instroom nog steeds 2% lager dan normaal. In Antwerpen verder zien we een vrij gemiddelde sectorale tewerkstellingssamenstelling. Er is niet echt een sector die eruit springt qua tewerkstellingsaandeel. De tewerkstelling ligt wel iets hoger in de administratieve en ondersteunende diensten dan gemiddeld. Ook in deze sector blijft de instroom in 2020-2021 nog 2% lager dan normaal. Ook de vrije en wetenschappelijke beroepen kunnen we hier afzonderlijk vermelden. 41 Net als dat ook de verklaring was voor waarom sommige Vlaamse subregio’s tijdens het eerste crisisjaar achterbleven op andere.
HOOFDSTUK 2 | DYNAMIEKEN IN DE SUBREGIO’S VAN DE VLAAMSE ARBEIDSMARKT TIJDENS HET EERSTE JAAR CRISIS
69
Figuur 2.11
Evolutie van de uitstroom per Vlaamse provincies (2015-2021*, naar werkplaats)
* Cijfers voor 2020-2021 op basis van een extrapolatie. Bron © Dynam-dataset, Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en HIVA-KU Leuven
De uitstroom, weergegeven in figuur 2.11, toont dat ook de uitstroom heel gelijkend evolueerde tussen de provincies in de eerste crisisgolf (2019-2020). Het aantal exits steeg veelal heel beperkt met 2-3%. Enkel in Limburg trad een daling op, met 2%. Richting 2020-2021 wordt het beeld meer divers. 1. opnieuw vertonen Antwerpen en Vlaams-Brabant de meest extreme evolutie. In deze provincies daalt de uitstroom tijdens het tweede crisisjaar met 11% in vergelijking met een jaar voordien. Ook de instroom is hier het sterks afgenomen. Net als op woonplaatsniveau kunnen we concluderen dat de dynamieken in deze regio’s gedeeltelijk zijn stilgevallen door de crisis; 2. ten tweede zien we opnieuw de provincies West- en Oost-Vlaanderen. Het zijn twee provincies waar de uitstroom in vergelijking met pre-corona het minst is gedaald. In Oost-Vlaanderen ligt de uitstroom in 2020-2021 -6,5% lager dan voor de crisis, in West-Vlaanderen is dat -7,4%. In de andere provincies zijn de uitstroombewegingen daarentegen teruggevallen met zo’n 9%; 3. Limburg tot slot is een uitzondering. De uitstroom begon hier al vanaf 2019-2020 te dalen. Richting 2020-2021 kennen de uitstroombewegingen dan wel de kleinste afname, van 5,8%, ten opzichte van pre-corona ligt de uitstroom toch 8,9% lager. De instroom steeg hier dus sterk, maar tegelijk daalt ook de uitstroom sterk. ☞ uit de combinatie van de bewegingen van in- en uitstroom, kunnen we besluiten dat beide stromen in 2020-2021 niet per se gelijklopend evolueren in elke provincie. In de provincies Westen Oost-Vlaanderen, waar de aanwervingsgolf deels weer op gang komt, kent tegelijk de uitstroom de kleinste daling (of blijft die het best op peil). Deze twee provincies vertonen de sterkste heropleving op de Vlaams arbeidsmarkt, al wordt het niveau van voor de crisis nog niet volledig bereikt. In Vlaams-Brabant en Antwerpen zijn zowel de in- als uitstroom sterk gezakt. De dynamieken zijn in deze regio’s quasi stilgevallen. Deze subregio’s hebben het na een jaar crisis nog steeds vrij zwaar te verduren. Tot slot blijkt in Limburg de instroom opnieuw op het hoogste niveau van alle regio’s gekomen, in vergelijking met pre-corona. Daarnaast kent de uitstroom een scherpe daling. De instroom toont een bloeiende heropleving, terwijl veel werknemers tegelijk actief blijven bij dezelfde werkgever.
70
HOOFDSTUK 2 | DYNAMIEKEN IN DE SUBREGIO’S VAN DE VLAAMSE ARBEIDSMARKT TIJDENS HET EERSTE JAAR CRISIS
2.5
Conclusie
Waar we in het eerste hoofdstuk de dynamieken op de gewestelijke arbeidsmarkten in kaart hebben gebracht, tijdens het eerste en tweede jaar crisis, focussen we in dit hoofdstuk op de evolutie van de werknemersdynamieken in de 22 subregio’s in Vlaanderen. Omdat er nog geen data beschikbaar zijn voor de meest recente periode, bekijken we hoe elke subregio gereageerd heeft op het eerste crisisjaar, tot 2020. 1. er treedt een grote heterogeniteit op tussen subregio’s wat betreft de evolutie van in- en uitstroombewegingen tijdens het eerste jaar crisis. Subregio’s in Vlaams-Brabant, Limburg en Antwerpen evolueren vrij gemiddeld, maar vooral in de andere twee provincies reageren subregio’s heel divers. Diksmuide en Tielt ervaren weinig impact van de crisis. Oudenaarde, Ieper en Brugge worden enorm zwaar getroffen. Er zijn drie subregio’s die tijdens het eerste crisisjaar een negatieve netto-evolutie optekenen. Het betreft Oudenaarde, Ieper en Brugge. Hier krimpt met andere woorden de tewerkstelling. Het is vooral de evolutie van de instroom die sterk bepalend is voor de richting van de netto-evolutie. In de regio’s Oudenaarde, Brugge en Ieper kennen de aanwervingen een enorme daling. Hoewel de instroom in elke subregio gedaald is tijdens het eerste crisisjaar, blijft deze daling zeer beperkt in Tielt en Diksmuide. Ook de netto-evolutie blijft hier positief. De uitstroom vervolgens daalde in sommige regio’s, en steeg in andere. Ieper springt er op dit vlak uit: de uitstroom steeg hier enorm, veel sterker dan in de andere regio’s. Door de evolutie van in- en uitstroombewegingen in combinatie te bekijken, krijgen we een zicht op hoe elke subregio door de crisis werd geïmpacteerd. We kunnen de subregio’s in vier groepen indelen. Ten eerste zijn er Tielt en Diksmuide, die quasi geen impact ondervinden van de crisis. In de tweede groep, met onder andere Roeselare en Tongeren, blijft de impact klein. Vervolgens zien we een grote groep subregio’s waar een gemiddeld-hoge daling van de instroom gepaard gaat met een stijging van de uitstroom, bijvoorbeeld in Genk, Kortrijk, Turnhout. Deze regio’s kennen een vrij zware impact van de crisis. Tot slot zijn de eerder genoemde regio’s Oudenaarde, Ieper en Brugge enorm zwaar getroffen door de crisis. 2. dat sommige regio’s tijdens de crisis beter blijven scoren dan andere, heeft een duidelijke sectorale grondslag. In regio’s waar het sectoraal profiel eerder gericht is op industrie en bouw, houdt de arbeidsmarkt goed stand. In regio’s waarvan het profiel eerder bestaat uit commerciële en niet-commerciële diensten, die zwaarder werden getroffen door de crisis, wordt een grotere impact van de crisis opgemeten. In regio’s die tijdens de crisis weinig te maken kregen met sterk gedaalde instroom- en uitstroombewegingen, met als typevoorbeelden Tielt en Diksmuide, nemen de industrie, bouw, en bij uitbreiding ook de landbouw, een groot aandeel binnen de totale tewerkstelling op. Deze sectoren bleven het tijdens het eerste jaar crisis relatief goed doen, we tekenen hier niet de zwaarste verliezen op. In regio’s die wel sterk werden getroffen, blijken de commerciële en/of niet-commerciële diensten van groter belang. Sectoren als de horeca, luchtvaart, kunst, evenementen, sport en vele andere diensten werden dan ook zwaar getroffen door de crisis. Hoewel het sectorale profiel duidelijk verschillen tussen subregio’s kan verklaren, is het niet steeds zo dat bepaalde sectoren die van belang zijn, bijvoorbeeld de niet-commerciële diensten in Oudenaarde-Ieper-Brugge, grotere verliezen te verwerken kregen dan in andere subregio’s. Het is voornamelijk omdat die sectoren een groot gewicht hebben in de tewerkstelling, dat ze leiden tot de sterk negatieve krimp in deze drie subregio’s. Toch blijken in Tielt en Diksmuide de industrie en bouw (maar ook de diensten) tegelijk wel minder zwaar getroffen dan in andere subregio’s. Deze subregio’s worden op beide vlakken gevrijwaard van grote schokken. Tegelijk bekeken we in dit hoofdstuk of ook de mate van tewerkstelling in een speciaal statuut mee bepalend is voor de mate waarin subregio’s meer of minder worden getroffen door de crisis. We verwachten immers dat subregio’s waar heel wat tewerkstelling wordt opgemeten in flexibele vormen van werk een minder positieve werknemersdynamiek optekenen tijdens het eerste jaar crisis. Dit om-
HOOFDSTUK 2 | DYNAMIEKEN IN DE SUBREGIO’S VAN DE VLAAMSE ARBEIDSMARKT TIJDENS HET EERSTE JAAR CRISIS
71
dat de uitzendsector, en bij uitbreiding andere vormen van flexibele tewerkstelling, sterk hebben gediend als schokdemper tijdens de eerste crisisgolf. Toch blijkt deze redenering niet te kloppen. Bijvoorbeeld in de zwaar getroffen as Oudenaarde-Ieper-Brugge blijft de tewerkstelling in een speciaal regime eerder beperkt. 3. een jaar na het uitbreken van de crisis vertonen West- en Oost-Vlaanderen de meest bloeiende heropleving op het vlak van in- en uitstroom, al wordt het niveau van voor de crisis nog niet bereikt. In Vlaams-Brabant en Antwerpen vallen de dynamieken volledig stil. Limburg toont op het vlak van de instroombewegingen de sterkste heropleving, maar tegelijk zakt de uitstroom naar een dieptepunt. We bekijken voor de periode 2020-2021 gegevens naar woonplaats, en doen een schatting van de situatie een jaar na de crisis op basis van een extrapolatie naar werkplaats. Beide analyses leiden tot quasi dezelfde resultaten. De provincies West- en Oost-Vlaanderen vertonen opnieuw een vrij bloeiende aanwervingsgolf, en ook de uitstroom kent de kleinste daling ten opzichte van pre-corona. Deze provincies scoren hiermee beter dan andere provincies, maar blijven nog wel deels onder het niveau van voor de crisis hangen. In Antwerpen en Vlaams-Brabant zien we een dieptepunt van de aanwervingen, terwijl ook de uitstroom sterk daalt. Op deze arbeidsmarkten is de mobiliteit van werknemers algeheel vrij sterk stilgevallen. Limburg tot slot vertoont een opnieuw bloeiende aanwervingsdynamiek, bijna op het niveau van voor de crisis, maar tegelijk blijft de uitstroom enorm laag. Veel werknemers blijven hier actief bij dezelfde werkgever.
72
HOOFDSTUK 2 | DYNAMIEKEN IN DE SUBREGIO’S VAN DE VLAAMSE ARBEIDSMARKT TIJDENS HET EERSTE JAAR CRISIS
bijlage 1 Bijlage bij hoofdstuk 1
Tabel b1.1
Evolutie van de instroom in de drie gewesten
Gewest
Instroom
20142015
20152016
20162017
20172018
20182019
20192020
20202021*
Brussels Gewest
Instroom
97 726
99 449
104 815
107 411
110 513
100 052
105 070
1,8%
5,4%
2,5%
2,9%
-9,5%
5,0%
Verschil t.o.v. voorgaande jaar Verschil t.o.v. precorona (2018-2019)
Vlaams Gewest
Instroom
-4,9% 377 033
Verschil t.o.v. voorgaande jaar
397 458
423 121
445 348
460 238
411 923
444 844
5,4%
6,5%
5,3%
3,3%
-10,5%
8,0%
Verschil t.o.v. precorona (2018-2019) Waals Gewest
Instroom
-3,3% 150 409
Verschil t.o.v. voorgaande jaar
159 248
173 188
174 107
178 324
160 795
181 842
5,9%
8,8%
0,5%
2,4%
-9,8%
13,1%
Verschil t.o.v. precorona (2018-2019)
2,0%
* Cijfers voor 2020-2021 zijn berekend op basis van een nauwkeurige extrapolatie. Bron © Dynam-dataset, Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en HIVA-KU Leuven
Tabel b1.2
Evolutie van de uitstroom in de drie gewesten
Gewest
Uitstroom
20142015
20152016
20162017
20172018
20182019
20192020
20202021*
Brussels Gewest
Uitstroom
93 228
96 213
97 852
105 145
103 864
102 996
93 336
3,2%
1,7%
7,5%
-1,2%
-0,8%
-9,4%
Verschil t.o.v. voorgaande jaar Verschil t.o.v. pre-corona (2018-2019) Vlaams Gewest
Uitstroom
-10,1%
355 358
Verschil t.o.v. voorgaande jaar
364 880
381 466
410 205
422 672
429 662
389 168
2,7%
4,5%
7,5%
3,0%
1,7%
-9,4%
Verschil t.o.v. pre-corona (2018-2019) Waals Gewest
Uitstroom Verschil t.o.v. voorgaande jaar
-7,9%
143 913
145 683
155 454
165 857
170 332
168 689
156 059
1,2%
6,7%
6,7%
2,7%
-1,0%
-7,5%
Verschil t.o.v. pre-corona (2018-2019)
-8,4%
* Cijfers voor 2020-2021 zijn berekend op basis van een nauwkeurige extrapolatie. Bron © Dynam-dataset, Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en HIVA-KU Leuven
BIJLAGE 1 BIJLAGE BIJ HOOFDSTUK 1
73
Tabel b1.3
De stromen van uitstroom in en uit werk in het Vlaams Gewest (2015-2021)
Uitstroom richting werk
Verandering uitstroom richting werk
Uitstroom richting niet-werk
Verandering uitstroom richting niet-werk
2015-2016
180 219
2016-2017
196 029
8,8%
185 437
0,4%
2017-2018
210 375
7,3%
199 830
7,8%
2018-2019
218 456
3,8%
204 216
2,2%
2019-2020
199 799
-8,5%
229 863
12,6%
195 027
-2,4%
194 143
-15,5%
2020-2021
184 661
* Cijfers voor 2020-2021 zijn berekend op basis van een nauwkeurige extrapolatie. Bron © Dynam-dataset, Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en HIVA-KU Leuven
Tabel b1.4
De uitstroom richting werk per sector en regio (2019-2021)
Uitstroom naar werk
Brussels Gewest
Vlaams Gewest
Waals Gewest
20192020
20202021
Verschil
20192020
20202021
Verschil
20192020
20202021
Verschil
7
11
57%
1 657
2 346
42%
424
522
23%
BCDE
1 100
1 022
-7%
18 815
18 510
-2%
6 081
6 645
9%
F
1 015
1 048
3%
12 668
13 199
4%
5 389
6 137
14%
G
4 004
4 131
3%
28 180
28 045
0%
9 658
10 973
14%
H
1 293
1 236
-4%
10 479
10 747
3%
2 723
2 971
9%
I
2 761
2 567
-7%
10 658
9 590
-10%
3 754
3 644
-3%
J
2 089
1 960
-6%
5 978
6 334
6%
1 172
1 275
9%
K
2 377
2 151
-10%
3 258
3 022
-7%
1 020
982
-4%
L
378
374
-1%
900
1 018
13%
333
410
23%
M
3 888
4 080
5%
10 258
11 191
9%
2 685
2 954
10%
N
7 662
8 107
6%
59 934
55 470
-7%
16 368
16 839
3%
O
4 135
3 822
-8%
7 898
7 725
-2%
4 181
4 580
10%
P
1 446
2 284
58%
4 235
5 190
23%
2 153
2 479
15%
Q
4 029
3 711
-8%
20 473
18 377
-10%
7 044
7 694
9%
RSTU
2 582
2 474
-4%
4 408
4 263
-3%
2 178
2 193
1%
Totaal
38 766
38 977
1%
199 799
195 027
-2%
65 163
70 297
8%
Sector A
* Cijfers voor 2020-2021 zijn berekend op basis van een nauwkeurige extrapolatie. Bron © Dynam-dataset, Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en HIVA-KU Leuven
74
BIJLAGE 1 BIJLAGE BIJ HOOFDSTUK 1
Tabel b1.5
Evolutie van de jobtoename in de drie gewesten
Gewest
Jobtoename
20142015
20152016
20162017
20172018
20182019
Brussels Gewest
BHG
37 688
34 833
36 292
34 041
-7,6%
4,2%
-6,2%
Verschil t.o.v. voorgaande jaar
20192020
20202021*
37 011
32922
35 547
8,7%
-11,0%
8,0%
Verschil t.o.v. pre-corona Vlaams Gewest
VG
-4,0% 127 344
128 757
136 786
137 858
142 681
120273
155 384
1,1%
6,2%
0,8%
3,5%
-15,7%
29,2%
Verschil t.o.v. voorgaande jaar Verschil t.o.v. pre-corona
Waals Gewest
WG
8,9% 55 406
Verschil t.o.v. voorgaande jaar
59 672
66 304
58 155
58 623
50906
66 937
7,7%
11,1%
-12,3%
0,8%
-13,2%
31,5%
Verschil t.o.v. pre-corona
14,2%
* Cijfers voor 2020-2021 zijn berekend op basis van een nauwkeurige extrapolatie. Bron © Dynam-dataset, Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en HIVA-KU Leuven
Tabel b1.6
Evolutie van de jobafname in de drie gewesten
Gewest
Jobafname
20142015
20152016
20162017
20172018
20182019
20192020
20202021*
Brussels Gewest
BHG
35 590
34 090
31 701
34 702
31 733
35 855
23 798
-4,2%
-7,0%
9,5%
-8,6%
13,0%
-33,6%
Verschil t.o.v. voorgaande jaar Verschil t.o.v. pre-corona Vlaams Gewest
VG
-25,0% 103 024
Verschil t.o.v. voorgaande jaar
96 013
94 782
100 603
104 316
136 749
99 179
-6,8%
-1,3%
6,1%
3,7%
31,1%
-27,5%
Verschil t.o.v. pre-corona Waals Gewest
WG Verschil t.o.v. voorgaande jaar
-4,9% 49 155
43 780
46 547
49 090
50 059
60 074
41 700
-10,9%
6,3%
5,5%
2,0%
20,0%
-30,6%
Verschil t.o.v. pre-corona
-16,7%
* Cijfers voor 2020-2021 zijn berekend op basis van een nauwkeurige extrapolatie. Bron © Dynam-dataset, Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en HIVA-KU Leuven
BIJLAGE 1 BIJLAGE BIJ HOOFDSTUK 1
75
Tabel b1.7
Evolutie van de intensiteit van tijdelijke werkloosheid per gewest
Gewest
20191
20192
20193
20194
20201
20202
20203
20204
Vlaams Gewest
1,1%
0,5%
0,6%
0,8%
4,4%
14,9%
3,3%
4,8%
Waals Gewest
1,6%
0,7%
0,7%
1,0%
5,1%
16,2%
3,7%
6,0%
Brussels Gewest
0,5%
0,3%
0,3%
0,3%
3,4%
14,9%
4,9%
6,0%
Bron RSZ DmfA-aangifte, bewerking HIVA-KU Leuven
76
BIJLAGE 1 BIJLAGE BIJ HOOFDSTUK 1
bijlage 2 Bijlage bij hoofdstuk 2
Tabel b2.1
Verband tussen bestuurlijke arrondissementen en referentieregio’s in het Vlaams Gewest
Bestuurlijk arrondissement Arrondissement Aalst
Referentieregio Denderregio Vlaamse Ardennen
Arrondissement Antwerpen
Regio Antwerpen
Arrondissement Brugge
Regio Brugge
Arrondissement Dendermonde
Denderregio Regio Gent Waasland
Arrondissement Diksmuide
Westhoek
Arrondissement Eeklo
Regio Gent
Arrondissement Gent
Regio Gent Vlaamse Ardennen Waasland
Arrondissement Halle-Vilvoorde
Halle-Vilvoorde Oost-Brabant
Arrondissement Hasselt
Limburg
Arrondissement Ieper
Westhoek Zuid-West-Vlaanderen
Arrondissement Kortrijk
Zuid-West-Vlaanderen
Arrondissement Leuven
Oost-Brabant
Arrondissement Maaseik
Limburg
Arrondissement Mechelen
Rivierenland
Arrondissement Oostende
Regio Oostende
Arrondissement Oudenaarde
Vlaamse Ardennen
Arrondissement Roeselare
Midwest
Arrondissement Sint-Niklaas
Waasland
Arrondissement Tielt
Midwest
Arrondissement Tongeren
Limburg
Arrondissement Turnhout
Kempen
Arrondissement Veurne
Westhoek
Bron https://lokaalbestuur.vlaanderen.be/strategische-projecten/regiovorming/kaartmateriaal
BIJLAGE 2 BIJLAGE BIJ HOOFDSTUK 2
77
Tabel b2.2
Arbeidsmarktdynamiek (absoluut) in de Vlaamse subregio’s tijdens het eerste coronajaar (2019-2020)
Subregio (subr.)
Uitstroom
Interne verschuiving uit subr.
Hasselt
-870
11994
12864
30587
2732
32210
1979
Maaseik
-64
4171
4235
12066
477
12242
365
Tongeren
-236
4032
4268
9408
767
9876
535
Antwerpen
-3769
24534
28303
71562
4028
75373
3986
Mechelen
-916
8215
9131
23174
1618
24249
1459
Turnhout
-1826
9451
11277
30296
832
31098
1856
Aalst
-412
3954
4366
12012
464
12354
534
Dendermonde
-104
3329
3433
8679
375
8684
474
Eeklo
-370
1306
1676
4042
208
4376
244
Gent
-212
15951
16163
46543
3217
47388
2584
Oudenaarde
-704
1769
2473
4894
284
5649
233
Sint-Niklaas
-49
6035
6084
16576
976
16561
1040
Halle-Vilvoorde
-1684
15201
16885
38916
3985
41377
3208
Leuven
-486
8850
9336
25347
1357
26017
1173
Brugge
-2165
5828
7993
17362
1179
19990
716
Diksmuide
+58
954
896
2222
79
2044
199
Ieper
-682
1882
2564
5863
218
6496
267
Kortrijk
-1480
6357
7837
20971
687
21807
1331
Oostende
-260
2954
3214
7952
378
8049
541
Roeselare
-244
4440
4684
12881
874
13475
524
Tielt
+61
2145
2084
5576
151
5305
361
-349
1308
1657
3659
126
3993
141
Veurne
Bron © Dynam-dataset, Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en HIVA-KU Leuven
78
BIJLAGE 2 BIJLAGE BIJ HOOFDSTUK 2
West-Vlaanderen
Interne verschuiving naar subr.
Vl-Br.
Instroom
Oost-Vlaanderen
Jobafname
Antwerpen
Jobtoename
Limburg
Nettoevolutie
Tabel b2.3
Arbeidsmarktdynamiek (relatief) in de Vlaamse subregio’s tijdens het eerste coronajaar (2019-2020)
Subregio (subr.)
Uitstroomgraad
Interne verschuiving uit subr.
Hasselt
-0,5%
6,9%
7,4%
17,6%
1,6%
18,5%
1,1%
Maaseik
-0,1%
5,6%
5,7%
16,2%
0,6%
16,5%
0,5%
Tongeren
-0,5%
8,3%
8,7%
19,3%
1,6%
20,2%
1,1%
Antwerpen
-0,9%
5,9%
6,8%
17,2%
1,0%
18,1%
1,0%
Mechelen
-0,7%
6,2%
6,8%
17,4%
1,2%
18,2%
1,1%
Turnhout
-1,1%
5,6%
6,7%
17,9%
0,5%
18,4%
1,1%
Aalst
-0,6%
5,5%
6,1%
16,8%
0,7%
17,3%
0,7%
Dendermonde
-0,2%
6,6%
6,9%
17,3%
0,7%
17,3%
0,9%
Eeklo
-1,6%
5,6%
7,2%
17,3%
0,9%
18,8%
1,0%
Gent
-0,1%
6,2%
6,3%
18,2%
1,3%
18,5%
1,0%
Oudenaarde
-2,1%
5,3%
7,4%
14,6%
0,8%
16,8%
0,7%
Sint-Niklaas
-0,1%
6,9%
6,9%
18,9%
1,1%
18,9%
1,2%
Halle-Vilvoorde
-0,7%
6,5%
7,3%
16,8%
1,7%
17,8%
1,4%
Leuven
-0,3%
5,6%
5,9%
16,0%
0,9%
16,5%
0,7%
Brugge
-2,0%
5,5%
7,5%
16,2%
1,1%
18,7%
0,7%
Diksmuide
+0,5%
7,5%
7,0%
17,4%
0,6%
16,0%
1,6%
Ieper
-1,9%
5,1%
7,0%
15,9%
0,6%
17,7%
0,7%
Kortrijk
-1,2%
5,3%
6,5%
17,5%
0,6%
18,2%
1,1%
Oostende
-0,6%
6,9%
7,5%
18,6%
0,9%
18,9%
1,3%
Roeselare
-0,4%
6,7%
7,1%
19,5%
1,3%
20,4%
0,8%
Tielt
+0,2%
6,4%
6,2%
16,7%
0,5%
15,9%
1,1%
-1,8%
6,9%
8,7%
19,3%
0,7%
21,0%
0,7%
Veurne
West-Vlaanderen
Interne verschuiving naar subr.
Vl-Br.
Instroomgraad
Oost-Vlaanderen
Jobafnamegraad
Antwerpen
Jobtoenamegraad
Limburg
Nettoevolutie
Bron © Dynam-dataset, Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en HIVA-KU Leuven
BIJLAGE 2 BIJLAGE BIJ HOOFDSTUK 2
79
Tabel b2.4
Subregio (subr.)
Arbeidsmarktdynamiek (absoluut) in de Waalse subregio’s tijdens het eerste coronajaar (20192020)
Interne verschuiving uit subr.
-225
1 656
1 881
4 446
196
4 633
234
Charleroi
-1 436
6 004
7 440
16 257
898
17 483
1 108
Bergen
-1 468
3 645
5 113
9 960
760
11 656
532
Zinnik
+42
1 638
1 596
3 227
385
3 231
Thuin
-135
1 162
1 297
2 773
159
2 881
186
DoornikMoeskroen
-470
3 993
4 463
11 463
468
11 976
425
Hoei
+205
1 949
1 744
4 919
311
4 711
314
Luik
-745
10 870
11 615
32 517
975
32 871
1 366
Verviers
-1 300
4 058
5 358
11 937
369
13 152
454
Borgworm
+159
1 227
1 068
2 532
158
2 382
149
Nijvel
-2 056
8 250
10 306
21 655
1 287
23 003
1 995
Aarlen
+146
1 149
1 003
3 098
306
3 038
220
Bastenaken
-177
620
797
1 826
46
1 953
96
Marche-enFamenne
-68
1 061
1 129
3 086
112
3 082
184
Neufchâteau
-24
1 274
1 298
3 344
199
3 270
297
Virton
-36
563
599
1 389
42
1 395
72
Dinant
-357
1 452
1 809
3 804
173
4 014
320
Namen
-699
5 128
5 827
14 974
846
15 709
810
+11
812
801
1 764
242
1 915
80
Aat
La Louvière
Philippeville
Bron © Dynam-dataset, Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en HIVA-KU Leuven
80
BIJLAGE 2 BIJLAGE BIJ HOOFDSTUK 2
339
Namen
Uitstroom
Luxemburg
Interne verschuiving naar subr.
W B
Instroom
Luik
Jobafname
Henegouwen
Jobtoename
Antwerpen
Nettoevolutie
Tabel b2.5
Subregio (subr.)
Arbeidsmarktdynamiek (relatief) in de Waalse subregio’s tijdens het eerste coronajaar (20192020)
Interne verschuiving naar subr.
Uitstroom
Interne verschuiving uit subr.
Aat
-0,8%
5,6%
6,4%
15,1%
0,7%
15,7%
0,8%
Charleroi
-1,2%
5,1%
6,4%
13,9%
0,8%
15,0%
0,9%
Bergen
-2,0%
4,9%
6,9%
13,5%
1,0%
15,8%
0,7%
Zinnik
+0,2%
6,5%
6,4%
12,9%
1,5%
12,9%
Thuin
-0,7%
6,0%
6,7%
14,2%
0,8%
14,8%
1,0%
DoornikMoeskroen
-0,6%
5,1%
5,7%
14,6%
0,6%
15,3%
0,5%
Hoei
+0,7%
6,8%
6,1%
17,2%
1,1%
16,5%
1,1%
Luik
-0,4%
5,2%
5,6%
15,6%
0,5%
15,7%
0,7%
Verviers
-1,6%
5,0%
6,6%
14,6%
0,5%
16,1%
0,6%
Borgworm
+1,0%
8,1%
7,0%
16,7%
1,0%
15,7%
1,0%
Nijvel
-1,6%
6,3%
7,8%
16,4%
1,0%
17,4%
1,5%
Aarlen
+0,8%
6,2%
5,4%
16,6%
1,6%
16,3%
1,2%
Bastenaken
-1,5%
5,3%
6,8%
15,5%
0,4%
16,6%
0,8%
Marche-enFamenne
-0,4%
5,7%
6,0%
16,5%
0,6%
16,5%
1,0%
Neufchâteau
-0,1%
6,2%
6,3%
16,3%
1,0%
15,9%
1,4%
Virton
-0,3%
5,2%
5,5%
12,8%
0,4%
12,8%
0,7%
Dinant
-1,3%
5,3%
6,7%
14,0%
0,6%
14,8%
1,2%
Namen
-0,7%
5,0%
5,7%
14,7%
0,8%
15,4%
0,8%
Philippeville
+0,1%
6,1%
6,1%
13,3%
1,8%
14,5%
0,6%
La Louvière
1,4%
Luik W B Namen
Instroom
Luxemburg
Jobafname
Henegouwen
Jobtoename
Antwerpen
Nettoevolutie
Bron © Dynam-dataset, Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en HIVA-KU Leuven
BIJLAGE 2 BIJLAGE BIJ HOOFDSTUK 2
81
Tabel b2.6
Evolutie van de instroom en uitstroom per Vlaamse subregio (2017-2020)
2017-2018
2018-2019
2019-2020 Uitstroom
Hasselt
35 026
32 010
34 552
32 379
30 587
32 210
Maaseik
12 361
11 422
13 171
12 617
12 066
12 242
Tongeren
10 415
9 803
10 290
10 219
9 408
9 876
Antwerpen
78 143
73 681
81 037
74 566
71 562
75 373
Mechelen
24 918
22 454
25 792
23 802
23 174
24 249
Turnhout
31 866
28 115
33 811
29 765
30 296
31 098
Aalst
12 653
12 130
13 136
12 063
12 012
12 354
Dendermonde
9 267
8 486
9 423
8 775
8 679
8 684
Eeklo
4 534
4 069
4 619
4 323
4 042
4 376
Gent
48 460
44 015
51 518
45 585
46 543
47 388
Oudenaarde
5 577
5 453
5 877
5 424
4 894
5 649
Sint-Niklaas
17 590
16 020
18 168
16 262
16 576
16 561
Halle-Vilvoorde
42 107
38 711
43 815
40 505
38 916
41 377
Leuven
27 186
25 215
28 068
25 530
25 347
26 017
Brugge
19 813
18 541
20 611
19 217
17 362
19 990
Diksmuide
2 307
2 047
2 289
2 088
2 222
2 044
Ieper
6 638
6 064
6 849
5 975
5 863
6 496
Kortrijk
22 629
20 772
23 399
21 402
20 971
21 807
Oostende
8 403
7 690
8 745
8 099
7 952
8 049
Roeselare
14 604
13 418
13 846
13 887
12 881
13 475
Tielt
5 712
5 294
5 755
5 338
5 576
5 305
3 869
3 795
4 186
3 815
3 659
3 993
Veurne
Bron © Dynam-dataset, Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en HIVA-KU Leuven
82
BIJLAGE 2 BIJLAGE BIJ HOOFDSTUK 2
West-Vlaanderen
Instroom
Vl-Br
Uitstroom
Oost-Vlaanderen
Instroom
Antwerpen
Uitstroom
Limburg
Instroom
Tabel b2.7
Evolutie van de jobtoename en jobafname per Vlaamse subregio (2017-2020)
2017-2018
2018-2019
2019-2020 Jobafname
Hasselt
13 557
9 762
13 359
11 614
11 994
12 864
Maaseik
4 588
3 587
5 081
4 214
4 171
4 235
Tongeren
4 113
3 648
4 174
4 169
4 032
4 268
Antwerpen
27 067
23 713
28 930
21 921
24 534
28 303
Mechelen
9 962
6 664
10 360
7 435
8 215
9 131
Turnhout
11 524
8 281
11 776
7 982
9 451
11 277
Aalst
4 643
4 382
4 709
3 490
3 954
4 366
Dendermonde
3 895
2 881
3 745
3 012
3 329
3 433
Eeklo
2 230
1 339
1 602
1 291
1 306
1 676
Gent
17 031
12 035
18 187
11 788
15 951
16 163
Oudenaarde
2 088
2 013
2 400
1 962
1 769
2 473
Sint-Niklaas
6 583
4 984
6 286
4 523
6 035
6 084
Halle-Vilvoorde
17 486
12 288
17 122
14 161
15 201
16 885
Leuven
9 481
7 115
10 019
7 529
8 850
9 336
Brugge
6 901
6 321
7 010
5 801
5 828
7 993
Diksmuide
1 074
773
999
871
954
896
Ieper
2 317
1 853
2 546
1 631
1 882
2 564
Kortrijk
8 028
5 950
7 834
5 840
6 357
7 837
Oostende
3 219
2 768
3 290
2 521
2 954
3 214
Roeselare
5 150
3 690
4 384
4 694
4 440
4 684
Tielt
2 417
2 307
2 327
1 931
2 145
2 084
1 310
1 295
1 577
1 221
1 308
1 657
Veurne
West-Vlaanderen
Jobtoename
Vl-Br
Jobafname
Oost-Vlaanderen
Jobtoename
Antwerpen
Jobafname
Limburg
Jobtoename
Bron © Dynam-dataset, Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en HIVA-KU Leuven
BIJLAGE 2 BIJLAGE BIJ HOOFDSTUK 2
83
Extrapolatiemethode voor de berekening van de in- en uitstroom naar werkplaats in de meest recente periode 2020-2021 - voor de periode 2019-2020 weten we per onderneming (kbo-nummer) in welk(e) provincie(s) het bedrijf actief is, en kunnen we per onderneming het aandeel tewerkstelling in elke provincie berekenen. Voor een uniregionale onderneming is dit automatisch 100%, voor de multiregionale ondernemingen kan aan elke provincie een percentage worden toegewezen, dat aangeeft hoeveel van de tewerkstelling in elke provincie plaatsvindt; - deze info hangen we aan de kbo-nummers in het bestand van 2020-2021. Met behulp van de aandelen kunnen we tewerkstelling en in- en uitstroom in elke onderneming toewijzen aan de provincie(s) van vestiging; - we maken enkele verdere kanttekeningen bij de methode en het resultaat: o voor de ondernemingen die nog niet actief waren in 2019-2020, maar wel in 2020-2021, is geen info beschikbaar. Het betreft 24 169 ondernemingen over de tien Belgische provincies samen42 (het zijn voornamelijk bedrijven die zijn opgestart tijdens de periode 2020-2021). We kunnen de tewerkstelling en in- en uitstroom in 2020-2021 toewijzen aan elke provincie aan de hand van een verdeling van de gestarte ondernemingen in 20192020 (bv. in 2019-2020 bevindt 19% van de tewerkstelling van starters zich in Antwerpen); o er zijn ondernemingen die zowel actief waren in 2019-2020 als in 2020-2021, maar waarvoor geen regionale gegevens beschikbaar zijn. Het gaat over 2 551 ondernemingen. Gezien deze ondernemingen ook in 2019-2020 niet aan de regionale gegevens zijn toegevoegd, houden we er ook hier geen rekening mee; o indien de plaats van activiteit van een onderneming veranderd is tussen 2019-2020 en 2020-2021, dan hebben we deze verandering niet mee in de extrapolatie. De tewerkstelling en dynamieken worden dus volledig toegewezen aan de provincies volgens de situatie in 2019-2020. Wegens een gebrek aan recente gegevens, weten we niet op hoeveel bedrijven dit betrekking heeft.
42 Op een totaal aantal van 248 153 ondernemingen.
84
BIJLAGE 2 BIJLAGE BIJ HOOFDSTUK 2
Referenties
De Smet, R., Penders, I., & Vansteenkiste, S. (2021). De Vlaamse arbeidsmarkt tijdens het eerste jaar van de COVID-19-pandemie. Over. Werk-Tijdschrift van het Steunpunt Werk, 31(1), 6-28. Goesaert, T., Vandekerkhove, T., & Struyven, L. (2019). Transities op de arbeidsmarkt en dynamiek van loopbanen. Een ruimere analyse op basis van longitudinale steekproefdata (1996-2015). Leuven: HIVA. NBB. (2021). De Belgische ondernemingen signaleren nog steeds een corona-impact op de omzet maar de aandacht verschuift stilaan naar bottlenecks aan de aanbodzijde (toelevering, arbeidsmarkt). NBB artikels. Vandekerkhove, T., Goesaert, T., & Struyven, L. (2022a). Een nooit geziene crisis, wat nu? Deelrapport 1: Inzet van instrumenten door werkgevers ter aanpassing van het arbeidsvolume op de Belgische arbeidsmarkt (VIONA-studie). Leuven: HIVA. Vandekerkhove, T., Goesaert, T., & Struyven, L. (2022b). Een nooit geziene crisis, wat nu? Deelrapport 2: Onderzoek naar de verschillen en determinanten van het gebruik van tijdelijke werkloosheid door Belgische werkgevers op het individuele bedrijfsniveau (VIONA-studie). Leuven: HIVA. Vandenberghe, C., & Vansteenkiste, S. (red.) (2021). Trendrapport 2021: Kwetsbare groepen op de Vlaamse arbeidsmarkt. Brussel/Leuven: Departement Werk en Sociale Economie/Steunpunt Werk. ISBN: 978-9-04030439-2.
REFERENTIES
85