ADVIES 22 september 2022
Weg naar nieuw decreet leersteun vraagt stevige fundering en concretisering Advies over het voorontwerp van decreet over leersteun
Vlaamse Onderwijsraad Koning Albert II-laan 37 BE-1030 Brussel T +32 2 219 42 99 www.vlor.be info@vlor.be
Wijs beleid door overleg
Advies op vraag van Ben Weyts, Viceminister-president van de Vlaamse Regering en Vlaams minister van Onderwijs, Sport, Dierenwelzijn en Vlaamse Rand op 13 juli 2022 Uitgebracht door de Algemene Raad op 22 september 2022 met eenparigheid van stemmen. Voorbereiding: commissie Onderwijs aan lerenden met specifieke noden op 30 augustus 2022, 8 september 2022, 13 september 2022 en 15 september 2022 onder voorzitterschap van Annemie Jennes. Inbreng van de commissie Leerlingenbegeleiding op 5 september 2022, de Raad Basisonderwijs op 7 september 2022 en de Raad Secundair onderwijs op 8 september 2022. Dossierbeheerder: Eric d’Hooghe
Inhoud 1
Situering .......................................................................................................................................... 2
2
Kernboodschappen ........................................................................................................................ 2 2.1
2.1.1
Positieve punten .......................................................................................................................... 3
2.1.2
Terminologie verduidelijken ........................................................................................................ 3
2.1.3
Verder concretiseren in overleg .................................................................................................. 3
2.1.4
Nood aan een globaal plan voor inclusie ................................................................................... 3
2.1.5
Visie op buitengewoon onderwijs verbreden .............................................................................. 4
2.1.6
Uitbouwen, borgen en ontwikkelen van handicapspecifieke competenties ............................ 5
2.1.7
Verbinding Welzijn/Gezondheid en Onderwijs versterken ........................................................ 5
2.1.8
Rol van de verschillende actoren uitklaren ................................................................................ 5
2.1.9
Financiële impact verduidelijken ................................................................................................ 6
2.2
3
Kernboodschappen uit het advies over de conceptnota ..................................................... 3
Kernboodschappen bij het voorontwerp van decreet leersteun ......................................... 6
2.2.1
Operationalisering van de versterking brede basiszorg en verhoogde zorg ontbreekt ........... 6
2.2.2
Het voorontwerp van decreet heeft een grote impact op de opdracht van het CLB................ 7
2.2.3
Wachten op een referentiekader voor kwaliteitsvolle leersteun............................................... 7
Het voorontwerp van decreet over leersteun onder de loep ....................................................... 8 3.1
Inleidende bepalingen/afkortingen en definities/opdracht van de leersteuncentra ........ 8
3.2
Werking en organisatie van de leersteuncentra ................................................................ 10
3.3
Omkadering .......................................................................................................................... 16
3.4
Opvolging en monitoring van het decreet ........................................................................... 19
3.5
Individueel aangepast curriculum (IAC) in het buitengewoon onderwijs .......................... 21
3.6
Lesbijwoning met een IAC- of OV4-verslag in het gewoon onderwijs en vice versa ......... 22
3.7
OV4-verslag in het gewoon onderwijs ................................................................................. 24
3.8
Kwaliteit van onderwijs en de daarbij horende rol van de inspectie, pbd en CLB ........... 26
3.9
Professionalisering ............................................................................................................... 27
3.10 Extra verantwoordelijkheden van CLB ................................................................................ 28 3.11 Rol en autonomie van de klassenraad ............................................................................... 29 3.12 Timing .................................................................................................................................... 31 Bronnen................................................................................................................................................. 32
1
vlor.be
1 Situering Op 8 juli 2022 hechtte de Vlaamse Regering haar eerste principiële goedkeuring aan een ontwerp van decreet over leersteun. Het nieuwe decreet zal het eerdere M-decreet voor kinderen met specifieke onderwijsbehoeften vervangen. De krijtlijnen daarvoor werden eerder vastgelegd in een conceptnota waarover de Vlor zijn advies uitbracht op 23 september 2021.1 Het decreet leersteun en het bijbehorende nieuwe leersteunmodel ambieert kwaliteitsvol onderwijs voor alle leerlingen, dat werkbaar blijft voor de leraar. Elke leerling moet zich optimaal kunnen ontwikkelen met een maximale leerwinst. De maatregelen van het decreet worden ingevoerd vanaf het schooljaar 2023-2024. Het huidige ondersteuningsmodel blijft tot dat moment in werking . In wat volgt, geeft de Vlor eerst zijn advies aan de hand van enkele kernboodschappen. Vervolgens gaan we dieper in op de aparte artikelen van het voorontwerp van decreet en gaan we na of die wenselijk, haalbaar en aanvaardbaar zijn.
2 Kernboodschappen De Vlor gaf in zijn advies over de conceptnota over leersteun enkele kernboodschappen mee. We bekijken in welke mate er rekening is gehouden met die kernboodschappen door ze naast het voorontwerp van decreet in zijn geheel te leggen. Enkele van die kernboodschappen krijgen daardoor een nieuwe dimensie. Vervolgens geven we drie kernboodschappen mee die voortvloeien uit het voorontwerp van decreet leersteun. Drie zaken die het voorontwerp van decreet volgens de vlor mist maar wel cruciaal zijn om tot een voldragen leersteunmodel te komen zijn de volgende: • • •
1
een globaal plan voor inclusie; de operationalisering voor de versterking van de basiszorg en de verhoogde zorg, de fundamenten van het zorgcontinuüm; het aftoetsen van de impact die het decreet heeft op zowel scholen, CLB als de pedagogische begeleidingsdiensten.
Vlor, Algemene Raad. Naar een nieuw decreet leersteun. Advies over de conceptnota voor het decreet leersteun, 23 september 2021.
2
vlor.be
2.1 Kernboodschappen uit het advies over de conceptnota 2.1.1 Positieve punten De Vlor beschouwt de volgende voorstellen die de conceptnota al aanbracht, nog steeds als een stap vooruit: • de verzelfstandiging van de leersteuncentra en het voorstel dat de toeleiding via één spoor gebeurt; • de langverwachte realisatie van een ambt van leerondersteuner, waarvan het statuut van in de eerste fase van de implementatie van het decreet leersteun moet ingaan; • het streven naar een referentiekader voor kwaliteitsvolle ondersteuning in cocreatie met het onderwijsveld. Het referentiekader is nog in ontwikkeling. (zie 2.2.3)
2.1.2 Terminologie verduidelijken Voor de gedragenheid is het nodig dat iedereen dezelfde terminologie en dezelfde definiëring hanteert. De Vlor gaf in zijn advies over de conceptnota al aan dat van een heel aantal begrippen niet altijd duidelijk is wat het beleid ermee bedoelt of hoe het die concreet wil invullen. We merken op dat heel wat begrippen in het voorontwerp van decreet in art. 5 gedefinieerd worden. Dat is positief en geeft meer duidelijkheid bij de interpretatie van de artikelen. Toch merken we dat in de lijst met definities in art. 5 nog enkele fundamentele begrippen ontbreken of onvoldoende gedefinieerd zijn om die met een juiste interpretatie te lezen doorheen het decreet: • Betrokken personen: Doorheen het decreet worden als betrokken personen steeds ‘de ouders’, vermeld. Maar zo is niet elke opvoedingsverantwoordelijke gedekt. • Leersteunraad: de definitie ontbreekt.
2.1.3 Verder concretiseren in overleg We merken dat niet alle vooropgestelde doelstellingen van de conceptnota werden meegenomen in het voorontwerp van decreet. Heel wat van de toenmalige doelstellingen worden in een asynchroon parallel circuit vorm gegeven. Dat maakt dat het bij enkele thema’s moeilijk in te schatten is hoe ze vorm zullen krijgen. We denken daarbij o.a. aan de ontwikkeling van het referentiekader voor kwaliteitsontwikkeling en het afstemmen van de ontwikkelingsdoelen van het buitengewoon onderwijs op de eindtermen van het gewoon onderwijs en aan onderwijs aan leerlingen met ernstige meervoudige beperkingen. Het gebrek aan informatie over de versterking van de brede basiszorg en de verhoogde zorg in het gewoon onderwijs is problematisch (zie 2.2.1) Een aantal artikelen vraagt verduidelijking en verdere concretisering in overleg met de onderwijspartners en andere betrokken partners (zie hoofdstuk 3).
2.1.4 Nood aan een globaal plan voor inclusie Er ontbreekt nog steeds een globaal plan met een duidelijke langetermijnvisie op inclusie, met een duidelijke rol voor alle betrokken (onderwijs-)actoren. De vraag blijft op welke manier het adagium van de overheid ‘gewoon onderwijs als het kan en buitengewoon als het nodig is’ zich verhoudt tot het door België geratificeerde VN-verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap (art. 24).2 Daarin is het doel om te evolueren naar een inclusief onderwijssysteem. We dringen eveneens aan op het naleven van artikel 22ter van de Belgische
2
Verenigde Naties. Verdrag van 13 december 2006 inzake de Rechten van Personen met een Handicap, BS 22 juli 2009,
3
vlor.be
Grondwet: “Iedere persoon met een handicap heeft recht op volledige inclusie in de samenleving, met begrip van het recht op redelijke aanpassingen”.3
De Vlor verwijst ook naar zijn advies van 2020 waarin hij nog voor de conceptnota pleitte voor een strategische onderwijsplanning en een realistisch en haalbaar transitietraject om inclusief onderwijs te kunnen realiseren.4 Voor dat advies werden ook heel wat betrokkenen bevraagd: maatschappelijke middenveldorganisaties, andere beleidsdomeinen (Welzijn, Volksgezondheid, Werk, Kinderopvang), ouders en lerenden, ondersteuningsnetwerken en scholen en wetenschappelijke experten. Het decreet leersteun is enkel van toepassing op het leerplichtonderwijs, inclusief het kleuteronderwijs. In relatie tot het doorstromen van leersteun van het leerplichtonderwijs naar het deeltijds kunstonderwijs (dko), is het noodzakelijk dat dergelijke mogelijkheid van doorstroming onderzocht wordt. Dat decreet stelt dat de academies inspanningen moeten leveren opdat alle leerlingen, dus ook leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften les kunnen volgen in het dko. Indien leerlingen met een beperking ondanks redelijke aanpassingen toch te weinig leerwinst boeken om binnen het gemeenschappelijk curriculum te blijven functioneren, moeten de academies een individueel aangepast curriculum uittekenen. Voor die leerlingen pleitte de Vlor al eerder voor een aangepast kader naast het decreet leersteun.5 Het voorontwerp van decreet spreekt over de oprichting vanaf 01/09/2023 van een onafhankelijke commissie van experten, academici, onderwijsprofessionals en ervaringsdeskundigen met de opdracht een advies te formuleren over een evolutie naar inclusief onderwijs en de rol van gewoon en buitengewoon onderwijs (art. 57 §3). De Vlor is van mening dat die commissie zeer laat opgestart wordt in het proces dat al gelopen is naar het decreet leersteun. Een duidelijk globaal plan had meegenomen kunnen worden in het voorontwerp van decreet. De Vlor pleit er ook voor om die adviesopdracht toe te wijzen aan de Vlaamse Onderwijsraad als strategische adviesraad voor de Vlaamse overheid. De aangehaalde commissie kan geïntegreerd worden in de werking van de Vlor, conform de samenstelling zoals omschreven in dit voorontwerp van decreet.
2.1.5 Visie op buitengewoon onderwijs verbreden De visie op buitengewoon onderwijs, waarvan de rol aan het wijzigen is, wordt in het voorontwerp van decreet niet verbreed. De conceptnota vermeldde dat over de verschillende domeinen heen het gewoon en buitengewoon onderwijs samen hun verantwoordelijkheid zullen opnemen. Ook in dit voorontwerp van decreet vinden we nergens terug op welke manier ze écht samen hun verantwoordelijkheid zullen moeten opnemen. Er wordt wel gesproken over expertiseontwikkeling en -deling, maar er worden noch hefbomen noch middelen voorzien om daar echt aan te werken. Integendeel: het buitengewoon onderwijs krijgt er meer taken bij. Kijk maar naar de mogelijkheid tot lesbijwoning vanuit het gewoon onderwijs. Er wordt echter zeer weinig voorzien om dat adequaat te organiseren. Ook hier verwijzen we naar het ontbrekende globaal plan voor inclusie (2.1.4).
3
De Kamer BE, De Belgische Grondwet, art 22ter. 17 maart 2021. Algemene Raad. Een pleidooi voor strategische beleidsplanning om inclusief onderwijs te kunnen realiseren, 23 januari 2020. 5 Vlor, Raad Levenslang en Levensbreed Leren. Leerlingenbegeleiding en zorg in het deeltijds kunstonderwijs, 8 maart 2022. 4 Vlor,
4
vlor.be
2.1.6 Uitbouwen, borgen en ontwikkelen van handicapspecifieke competenties •
Dat de verschillende te ontwikkelen expertises, zowel onderwijskundige, als handicapspecifieke en inclusie-expertise in het voorontwerp van decreet (art. 8) vernoemd worden, is een goede zaak.
•
De verdere uitbouw van handicapspecifieke competenties wordt weliswaar vermeld in verscheidene artikelen van het voorontwerp van decreet, maar de uitwerking ervan staat nog niet op punt.
2.1.7 Verbinding Welzijn/Gezondheid en Onderwijs versterken Het voorontwerp van decreet bepaalt dat de specifieke leersteuncentra een samenwerking moeten aangaan met o.a. Welzijn/Gezondheid. Die voorwaarde is echter nog niet concreet uitgewerkt. We pleiten ervoor om hier voldoende ambitieus in te durven zijn en om te kiezen voor een sterke samenwerking, met respect voor elkaars expertise. Het is daarom belangrijk om de rol van de samenwerking met Welzijn/Gezondheid te verduidelijken. De samenwerking tussen Onderwijs en Welzijn/Gezondheid moet zodanig gebeuren zodat geïntegreerd kan gewerkt worden aan een sterk aanbod voor elke leerling. In die samenwerking moet ook de rol en verantwoordelijkheden van de verschillende vernoemde actoren verduidelijkt worden. De overheid moet elke actor voldoende uitrusten om die rol en verantwoordelijkheden te kunnen opnemen.
2.1.8 Rol van de verschillende actoren uitklaren Verschillende actoren zullen ook samenwerkingsrelaties moeten aangaan. Die samenwerkingsrelaties komen in verschillende artikelen terug. We gaan ervan uit dat ofwel de school ofwel het leersteuncentrum daarvoor de regie voert, maar het voorontwerp van decreet blijft daarover onduidelijk. De overheid mag wel bepalen met wie en met welke bepaalde organisaties moet samengewerkt worden, maar kan evenwel niet voorschrijven hoe die samenwerkingsrelatie vorm moet krijgen.
De school Er worden zeer veel verantwoordelijkheden bij de scholen gelegd, zowel bij scholen gewoon als buitengewoon onderwijs. Het is positief dat de verantwoordelijkheden en de regie meer bij de scholen gelegd worden. Maar dat impliceert voldoende ruimte, middelen en overlegtijd om dat te kunnen verwezenlijken.
De CLB’s, de pbd en de onderwijsinspectie Ook de CLB’s, pedagogische begeleidingsdiensten en de onderwijsinspectie zijn een belangrijke actor in de samenwerking tussen Onderwijs en Welzijn (zie 3.8). We verwijzen specifiek voor het CLB naar de tweede kernboodschap. De pedagogische begeleidingsdiensten hebben een opdracht in het ondersteunen van scholen. Maar om een structurele, proactieve en preventieve rol op te nemen in het ondersteunen van de leersteuncentra, zijn in tegenstelling tot de besparingen, bijkomende middelen nodig. De impact van het voorontwerp van decreet leersteun voor de onderwijsinspectie is nog onduidelijk omdat er nog geen referentiekader is voor kwaliteitsvolle ondersteuning .
De leersteuncentra en de leerondersteuner De opdracht van een leersteuncentrum wordt voldoende duidelijk omschreven (art.7). Het team van leerondersteuners zal multidisciplinair samengesteld zijn. (art. 8 §3) Het is belangrijk dat er een duidelijk onderscheid blijft bestaan tussen de opdracht van het multidisciplinair team van de leerondersteuners, dat moet liggen op vlak van het realiseren van onderwijsdoelen en het participeren
5
vlor.be
in het schoolleven, versus de opdracht van multidisciplinaire teams vanuit het beleidsdomein Welzijn, Gezondheid en Gezin. Het moet duidelijk zijn wat het onderscheid is tussen de multidisciplinaire expertise en de bijhorende rollen van enerzijds een leersteuncentrum en anderzijds van het CLB.
De ouders In tegenstelling tot in de conceptnota, merken we dat het voorontwerp van decreet de betrokkenheid en de stem van ouders meer naar de achtergrond plaatst. Ouders zijn nochtans een belangrijke partner bij de beslissing over en de vormgeving van de leersteun van hun kind.
De leerling Ook de leerling wordt als actor onvoldoende betrokken. Een aantal artikelen spreekt van ‘in de mate van het mogelijke betrekken’ in plaats van te streven naar ‘volledig betrekken’ (zie ook later, bv. in art. 18).
2.1.9 Financiële impact verduidelijken De Vlaamse Regering investeerde 4,3 miljoen euro extra voor de secundaire processen van de leersteuncentra. Een welgekomen investering waarvan getoetst moet worden of die voldoende is voor de secundaire processen (coördinatie, directie, …). Naast die investering wordt alles wat het voorontwerp van decreet oplegt, geregeld binnen budgetneutrale acties. Maar niet alles wat opgelegd wordt, kan binnen een budgetneutrale context. Zeker als het gaat om professionalisering, expertisedeling en samenwerking tussen gewoon onderwijs, buitengewoon onderwijs en de leersteuncentra.
2.2 Kernboodschappen bij het voorontwerp van decreet leersteun 2.2.1 Operationalisering van de versterking brede basiszorg en verhoogde zorg ontbreekt In de beleidsnota 2019-20246 kondigde de minister van Onderwijs aan het M-decreet te zullen afschaffen en een begeleidingsdecreet in te voeren voor kinderen met zorgnoden. De conceptnota voor het decreet leersteun maakte een speerpunt van de versterking van de brede basiszorg en de verhoogde zorg. De eerste doelstelling voor het gewoon onderwijs vermeldde dan ook: “De overheid zal bijkomend investeren in het versterken van de brede basiszorg en verhoogde zorg van het zorgcontinuüm in het gewoon onderwijs”. In het voorontwerp van decreet zien we deze fundamentele doelstelling slechts verwoord door een zeer algemeen artikel (art. 4): ‘De Vlaamse Regering bepaalt de modaliteiten voor een verdere versterking van de brede basiszorg en verhoogde zorg in de scholen’ De memorie van toelichting verduidelijkt: ‘De uitbouw van een kwaliteitsvol beleid op leerlingenbegeleiding is essentieel voor kwaliteitsvol onderwijs aan alle leerlingen met inbegrip van leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften. Een sterke brede basiszorg en verhoogde zorg in scholen vormen het fundament voor de inbreng van externe expertise (leersteun) in scholen voor gewoon onderwijs’.
6
Beleidsnota Onderwijs 2019-2024. Ingediend door Ben Weyts, vice--minister van Onderwijs, Sport , dierenwelzijn en Vlaamse Rand. 8 november 2019
6
vlor.be
De kwaliteitsvolle uitvoering van dit decreet hangt in sterke mate af van de mate waarin de brede basiszorg en de verhoogde zorg verder zullen versterkt worden. Die versterking, voor alle begeleidingsdomeinen, is het fundament voor een stabiel leersteunmodel.7 De Vlor kan daardoor geen gefundeerd advies geven over de verdeelsleutel voor de puntenenveloppe van de omkadering voor leerlingen voor de brede types.8
2.2.2 Het voorontwerp van decreet heeft een grote impact op de opdracht van het CLB De CLB’s willen een partner zijn om de ambitie van het leersteundecreet te realiseren. Zij moeten schoolteams beter wapenen zodat die op hun beurt gepaste antwoorden kunnen geven op de leer- en opvoedingsvragen van leerlingen uit de brede types. Daartoe zullen echter een aantal drempels moeten verdwijnen, zoals de nodeloze administratieve overlast die mee veroorzaakt wordt doordat de overheid vastlegt dat het CLB de kernactiviteit “handelingsgericht diagnostisch traject” dient in te zetten. Om zinloze trajecten te vermijden, vragen we daarom “handelingsgericht diagnostisch traject” te vervangen door “handelingsgericht advies”. Dit vanuit de overtuiging dat het bepalen van welke kernprocessen ingezet moeten worden om tot een kwaliteitsvol advies te komen, behoort tot de professionele expertise van het CLB. Bij de monitoring vinden we het belangrijk dat er naar de verantwoordelijkheid van het CLB en de school wordt gekeken. Daarom een pleidooi om de kwaliteit van het samenspel CLB-school steeds te bekijken in functie van een optimaal leerproces voor elke leerling
2.2.3 Wachten op een referentiekader voor kwaliteitsvolle leersteun De Vlor betreurt dat er nog geen referentiekader is voor kwaliteitsvolle leersteun, terwijl dit voorontwerp van decreet er uitdrukkelijk naar verwijst. (zie art. 11, 116, 120 en 128) Het is voor de Vlor dan ook onmogelijk om zijn advies uit te brengen over de artikelen die verwijzen naar het referentiekader. We hopen dat de verdere ontwikkeling van het referentiekader gebeurt met betrokkenheid van de verschillende actoren. Het is wel positief dat er gestreefd wordt naar afstemming tussen de verschillende kaders die er al zijn en/of in ontwikkeling zijn.
Decreet betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding (vlaanderen.be) 8 Ten aanzien van deze zin neemt OKO een apart standpunt in: Ook al gaan er bijkomende middelen naar basiszorg en verhoogde zorg, toch ziet OKO nog steeds geen garanties voor een rechtvaardig financieringssysteem. OKO pleit voor een verdeling van alle omkadering voor het leersteunmodel, waarbij de toegekende middelen een faire weerspiegeling zijn van het aantal leerlingen dat met deze middelen moet ondersteund worden. 7
7
vlor.be
3 Het voorontwerp van decreet over leersteun onder de loep De Vlor geeft hier zijn advies over de artikelen in het voorontwerp van decreet over leersteun. Er wordt een thematische indeling gemaakt zodat er ook ruimte is voor een aantal algemene opmerkingen en aanbevelingen. De artikelen die niet vernoemd worden, hebben geen advies nodig of zijn degene waar de Vlor het mee eens is zonder verdere commentaar.9
3.1 Inleidende bepalingen/afkortingen en definities/opdracht van de leersteuncentra De Vlor vindt het positief dat het decreet wordt ingeleid met een aantal artikelen die de nieuwe en meest gangbare terminologie definiëren. Dat geeft ondersteuning bij een juiste interpretatie van het decreet. De raad wil enkele aanvullingen geven. Art
Inhoud
Advies
2
Dit decreet is van toepassing op:
Het is opvallend dat zowel de pedagogische begeleiding, de onderwijsinspectie als de CLB hier niet vermeld worden, hoewel het decreet ook op hen van toepassing is. Zeker met een genummerde opsomming mag de lijst volledig zijn.
1° de door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde basisen secundaire scholen; 2° de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs; 3° de centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, voor wat duale structuuronderdelen en aanloopstructuuronderdelen betreft; 4° de scholen voor voltijds secundair onderwijs die de opleiding verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs organiseren; 5° de leersteuncentra.
9
Ten aanzien van deze zin neemt OKO een apart standpunt in: OKO kan niet akkoord gaan met de organisatiestructuur voor de toekomstige leersteuncentra zoals dit in verschillende artikelen van het voorontwerp van decreet, afdeling 3 Organisatie, wordt beschreven. Het is voor hun kleine koepels juridisch onmogelijk om één enkel leersteuncentrum in te richten vanuit de samenwerking van de verschillende koepels van OKO, omwille van de verschillende pedagogische projecten. OKO vraagt een realistische optie om de huidige werking van het ondersteuningsnetwerk verder uit te bouwen.
8
vlor.be
5
2° Bestuur: In de autonome bepalingen van het decreet leersteun wordt de term “bestuur” gehanteerd voor het bestuur van het 1° AGODI: (…) leersteuncentrum. Dat is conform de terminologie ‘bestuur’ en 2°bestuur: het bestuur met rechtspersoonlijkheid dat voor een ‘schoolbestuur’ die wordt gehanteerd in het decreet kwaliteit, het leersteuncentrum de bestuurshandelingen verricht overeenkomstig de bevoegdheden die naargelang het geval, door of krachtens de wet, het decreet, decreet basisonderwijs, de codex secundair onderwijs en het decreet het bijzonder decreet of de statuten, toegewezen zijn; leerlingenbegeleiding. Voor de toepassing van dit decreet wordt verstaan onder:
3° CLB: (…) 4° Codex Secundair Onderwijs: (…) 5° decreet basisonderwijs: (…) 6° GC-verslag: (…) 7° handelingsplanmatig werken: (…) 8° IAC-verslag: (…) 9° leerondersteuner: (…) 10° leersteuncentrum: (…)
In de wijzigingsbepalingen met betrekking tot personeel (wijzigingen aan de decreten rechtspositie) wordt, naar analogie met de terminologie gehanteerd in de personeelsregelgeving, de term “inrichtende macht” gehanteerd. Ontbrekende definities: •
11° OV4-verslag: (…) 12° school voor gewoon onderwijs: (…) 13° specifiek leersteuncentrum type 4, 6 of 7: (…) 14° structurele samenwerking voor leersteun type 4, 6 of 7: (…) 15° types: (…)
6-8
9
•
Betrokken personen: doorheen het voorontwerp van decreet worden als betrokken personen steeds “de ouders”, vermeld. Maar zo is niet elke opvoedingsverantwoordelijke gedekt. Zijn dat ouders, opvoeders, voogden, … en die definitie dan doortrekken doorheen het decreet. (zie daarvoor ook de gelijke artikelen in decreet basisonderwijs en de codex) Leersteunraad: de definitie ontbreekt.
De overkoepelende gedachte bij het lezen van deze drie artikelen is dat er geen therapeutische en diagnostische verwachtingen mogen gesteld worden aan de opdracht van een leersteuncentrum t.a.v. leerlingen. De kerngedachte is om orthodidactische ondersteuning te bieden op de drie niveaus (leerling-leerkracht-schoolteam) om zo het leerproces en de schoolbijwoning mogelijk te maken en de nodige onderwijsdoelen aan te bieden. Daarom ook de expliciete vraag om in het decreet de rollen en verantwoordelijkheden van het multidisciplinair team duidelijk te omschrijven en welke disciplines er precies in aanwezig moeten zijn. §1. Scholen voor gewoon onderwijs ontvangen leersteun voor regelmatige leerlingen voor wie na het doorlopen van een handelingsgericht diagnostisch traject, vermeld in artikel 2, 11°, f, van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, blijkt dat de maatregelen van de fasen van brede basiszorg en de verhoogde zorg van het zorgcontinuüm onvoldoende
Ter verduidelijking van de rol en verantwoordelijkheid van de CLB’s vraagt de Vlor vraagt in §1 om de volgende wijziging: “…na het geven van een handelingsgericht advies of het doorlopen van een handelingsgericht traject, uitgevoerd door het CLB en vermeld in het artikel…”
9
vlor.be
zijn en een GC-verslag, een IAC-verslag of OV4-verslag afgeleverd wordt door het CLB. In afwijking op het eerste lid kunnen leerlingen met een GC-verslag, een IACverslag of een OV4-verslag die doorheen het schooljaar het statuut van regelmatige leerling verliezen, leersteun blijven ontvangen gedurende het lopende schooljaar. §2. Gemotiveerde verslagen die werden opgemaakt voor 1 september 2023, worden gelijkgesteld aan GC-verslagen. Leerlingen die nog beschikken over een dergelijk gemotiveerd verslag, voldoen aan dezelfde voorwaarden en hebben dezelfde rechten als leerlingen met een GC-verslag. Een CLB heft een gemotiveerd verslag op als niet meer is voldaan aan de voorwaarden van een GC-verslag, vermeld in artikel 16 van het decreet basisonderwijs en artikel 352 van de Codex Secundair Onderwijs. §3. Verslagen voor toegang tot een individueel aangepast curriculum in het gewoon onderwijs of tot het buitengewoon onderwijs die werden opgemaakt voor 1 september 2023, worden gelijkgesteld aan een IAC-verslag als het een verslag basisonderwijs of een verslag OV1, OV2 of OV3 betreft of een OV4verslag als het een verslag OV4 betreft. Leerlingen die nog beschikken over een dergelijk verslag, voldoen aan dezelfde voorwaarden en hebben dezelfde rechten als leerlingen met een IAC-verslag of OV4-verslag. Een CLB heft een verslag op als niet meer is voldaan aan de voorwaarden van een IAC-verslag, vermeld in artikel 15 van het decreet basisonderwijs of de voorwaarden van een IAC-verslag of OV4-verslag, vermeld in artikel 294 van de Codex Secundair Onderwijs.
3.2 Werking en organisatie van de leersteuncentra Art
11
Inhoud
Advies
§1. Het bestuur van het leersteuncentrum voert een personeelsbeleid dat erop gericht is om de opdracht van het leersteuncentrum, vermeld in artikel 6 tot en met 9, kwaliteitsvol uit te voeren.
Dit artikel is moeilijk om in het advies mee te nemen door de verwijzing naar het referentiekader voor kwaliteitsvolle leersteun dat er nog niet is. (zie 2.2.3)
§2. De zorg voor kwaliteit is een taak van het leersteuncentrum. Het leersteuncentrum streeft naar een optimale realisatie van haar opdracht, vermeld in artikel 6 tot en met 9. Ze voert daarbij een beleid op leersteun dat is afgestemd op het referentiekader voor kwaliteitsvolle leersteun, vermeld in
10
vlor.be
artikel 2, 16°/3 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs. Om dat te bereiken zet het leersteuncentrum in op continue kwaliteitsontwikkeling en bewaking, met betrokkenheid van de scholen voor gewoon onderwijs, leerlingen en hun ouders. Een leersteuncentrum organiseert een informatiepunt voor ouders en scholen waar ze op een laagdrempelige manier informatie over leersteun kunnen verkrijgen. Bij vragen of onduidelijkheid over leersteun kunnen scholen en ouders bij het informatiepunt terecht. Een leersteuncentrum voorziet in een klachtenprocedure voor leerlingen, ouders en scholen.
13
14
Een leersteuncentrum bouwt samenwerkingsrelaties uit voor het voorzien van leersteun, alsook voor expertiseontwikkeling en expertisedeling, met de scholen voor gewoon onderwijs, de betrokken CLB, de pbd, scholen voor buitengewoon onderwijs, welzijnspartners en andere relevante partners.
•
De Vlor opteert voor een opsplitsing van dit artikel in twee aparte artikelen over het informatiepunt en over de klachtenprocedure, omdat het verstrekken van informatie op algemeen niveau gebeurt en de klachtenprocedure op individueel casusgebonden niveau. • Beide begrippen vragen om een verdere concretisering. Op dit moment is het voor meerdere interpretaties vatbaar. - Informatiepunt: het mag niet de bedoeling zijn dat dit informatiepunt casusgebonden informatie verstrekt. Dat mag in het decreet zeker nog meer geconcretiseerd worden, eventueel door de volgende toevoeging: “een informatiepunt voor ouders en scholen waar ze op een laagdrempelige manier algemene informatie over leersteun kunnen verkrijgen.” Bijkomend hebben we wat betreft het informatiepunt nog volgende opmerkingen: · De rol van het CLB daarin moet verduidelijkt worden. · Scholieren en de oudere leerlingen van het basisonderwijs, moeten ook terecht kunnen bij het informatiepunt. Zij worden in het artikel niet vermeld. - Klachtenprocedure: hier moet verduidelijkt worden dat het enkel gaat om leerlingen die ondersteuning krijgen. Eventueel de zinsnede toevoegen: ”…voor leerlingen die recht hebben op ondersteuning, hun ouders en hun school.” • De Vlor vraagt om, net als bij het informatiepunt, ook de klachtenprocedure voor leerlingen en ouders laagdrempelig te houden. Zijn de in het artikel vernoemde (logische) partners de minimaal verplichte en de andere actoren naar keuze te bepalen? In dat geval vragen we om in het decreet, net zoals nu al in de Memorie van toelichting al het geval is, het woord “minstens” toe te voegen voor de aangehaalde partners.
11
vlor.be
De leersteuncentra starten met het bieden van leersteun in de scholen voor gewoon onderwijs vanaf de eerste schooldag van het lopende schooljaar voor alle leerlingen met een GC-verslag, IAC-verslag of OV4-verslag die al bekend zijn en waarvoor er nood is aan leersteun.
17
18
Elke nieuwe aanvraag tot leersteun van een school voor gewoon onderwijs voor de begeleiding van leerlingen met een GC-verslag, IAC-verslag of OV4verslag, leidt tot het bieden van leersteun aan de school voor gewoon onderwijs binnen een week nadat het leersteuncentrum de aanvraag heeft ontvangen, vakantieperiodes niet inbegrepen. Bij een structurele samenwerking met een ander leersteuncentrum voor leersteun type 4, 6 of 7 wordt de aanvraag tot leersteun binnen een week nadat het leersteuncentrum de aanvraag heeft ontvangen, bezorgd aan het ander leersteuncentrum. De school voor gewoon onderwijs heeft de regie over het totale leerproces van een leerling. Ze is verantwoordelijk voor de coördinatie van en de afstemming met de partners die betrokken zijn of aanvullende vormen van ondersteuning die aan de leerling in de school worden geboden in functie van een kwaliteitsvol traject voor de leerling. Het leersteuncentrum geeft elk leersteuntraject vorm met betrokkenheid van de school, de ouders en indien mogelijk de leerling. De school en het leersteuncentrum betrekken het CLB waar nodig. §4. Een bestuur, vermeld in paragraaf 3, kan alleen een specifiek leersteuncentrum type 4, 6 of 7 oprichten als het beschikt over een school voor buitengewoon onderwijs waarbinnen het specifiek leersteuncentrum type 4, 6 of 7 een afdeling zal vormen. Voorafgaand aan de oprichting van het specifiek leersteuncentrum type 4, 6 of 7 moet voldaan zijn aan volgende cumulatieve voorwaarden: 1° de school voor buitengewoon onderwijs heeft type 4, 6 of 7 in haar onderwijsaanbod;
19 §4
2° de school voor buitengewoon onderwijs heeft in het kader van het ondersteuningsmodel een ondersteuningsaanbod voor type 4, 6 of 7 voor basis- en secundair onderwijs. Als de school voor buitengewoon onderwijs alleen een ondersteuningsaanbod voor type 4, 6 of 7 in het basisonderwijs of in het secundair onderwijs heeft, kan ze alleen een specifiek leersteuncentrum oprichten door een ondersteuningsteam van hetzelfde type of dezelfde types van een school voor buitengewoon onderwijs van het andere onderwijsniveau op te nemen in het specifiek leersteuncentrum;
De Vlor gaat akkoord met de geest en de bedoeling van het artikel maar heeft volgende bemerkingen: Starten met het bieden van leersteun in de scholen voor gewoon onderwijs vanaf de eerste schooldag van het lopende schooljaar lijkt in de praktijk niet realistisch. We vragen dan ook om minder de nadruk te leggen op die eerste schooldag en ook hier met een redelijke termijn te werken, bv binnen de eerste 10 werkdagen. De Memorie van Toelichting vermeldt dat het hier ook kan gaan over klasobservatie of een eerste gesprek. Maar ook dat past niet in een realistische eerste schooldag. •
De zinsnede “… en indien mogelijk ook de leerling.” beter vervangen door: “… en de leerlingen, tenzij dat onmogelijk is.”
•
Het is onlogisch dat de 45 VTE hetzelfde blijven als de school een aanbod heeft voor één, twee of drie types. Dat heeft ook een impact op de aanwervingspolitiek van bachelors vs. masters. Voor types met een lage prevalentie lijkt die norm van 45 VTE te hoog. De specifieke leersteuncentra type 4, 6 of 7 moeten immers voor één type de expertise hebben van 45 VTE en dat is niet het geval bij een gewoon leersteuncentrum.
• •
De Vlor vraagt om: 1. Deze norm te herzien en per type te bekijken. 2. Te bekijken of er via samenwerking met andere scholen naar die norm gewerkt kan worden.
3° als er in de school voor buitengewoon onderwijs alleen een aanbod en ondersteuningsteam voor één van de drie types is, kan alleen voor dat type een specifiek leersteuncentrum type 4, 6 of 7 worden opgericht. Als in de
12
vlor.be
school voor buitengewoon onderwijs een aanbod en ondersteuningsteam voor meerdere van deze types aanwezig is, wordt één specifiek leersteuncentrum voor de verschillende types samen opgericht; 4° in het schooljaar 2022-2023 heeft de school voor buitengewoon onderwijs, al dan niet door een ondersteuningsteam van een school voor buitengewoon onderwijs van een ander onderwijsniveau mee op te nemen als vermeld in punt 2°, voor type 4 of voor type 6 of voor type 7 minstens 45 voltijdse equivalenten ondersteuners tewerkgesteld, of heeft ze voor verschillende types samen minstens 45 voltijdse equivalenten ondersteuners tewerkgesteld; 5° de school voor buitengewoon onderwijs heeft een aantoonbare structurele, intensieve en nauwe samenwerking met welzijnspartners zoals een MFC, thuisbegeleidingsdienst, diagnostisch centrum of een revalidatiecentrum, die bijdraagt aan een kwaliteitsvolle ondersteuning type 4, 6 of 7.
•
Het protocol komt er pas nadat het decreet is goedgekeurd. Dat zal in een BVR geregeld worden. In dat protocol zal al opgenomen zijn welke scholen er zullen aansluiten bij de verschillende nog op te richten leersteuncentra. Maar het is aan de scholen om een individuele keuze te maken bij welk leersteuncentrum ze effectief aansluiten. Vanaf het protocol er is en vanaf de scholen bekend zullen gemaakt hebben bij welk leersteuncentrum ze zullen aansluiten, zal het landschap ook duidelijk zijn. Dan zullen de leersteuncentra, vanaf ze operationeel worden, een leersteunraad kunnen samenstellen en 21 en zal die een uitspraak kunnen doen over een eventuele weigering. 22 Bij de oprichting van een leersteuncentrum, bestaat de leersteunraad echter nog niet en kunnen er dan ook nog geen afspraken gemaakt worden over weigeringen. Het tijdspad, ook wat na het protocol moet gebeuren, moet nog geconcretiseerd worden. • De term “Bij opstart” moet in het decreet duidelijk omschreven worden, met de vermelding dat vanaf het tweede schooljaar geweigerd kan worden op basis van afstand. De leersteunraad kan immers pas opgericht worden na oprichting van het leersteuncentrum. Maar ook dat moet nog verder uitgeklaard worden. Om leersteun te ontvangen, sluiten scholen voor gewoon onderwijs zich aan • Voor het weigeren van samenwerking van een leersteuncentrum met bij één leersteuncentrum naar keuze, met uitzondering van een specifiek een school, is de factor afstand een vaag en subjectief begrip. Soms leersteuncentrum type 4, 6 of 7, georganiseerd door een bestuur van het eigen lijkt “reistijd” tijdens de verplaatsingstijden een factor die kan of een ander onderwijsnet. Het gekozen leersteuncentrum kan de school niet meegenomen worden. weigeren tenzij de school op een onredelijke afstand van het leersteuncentrum gelegen is die een efficiënte inzet van leerondersteuners onevenredig zou • Wat betreft de regionale gebondenheid van de kleine types, is het 22 belasten. Een weigering op basis van afstand is enkel mogelijk indien er een goed dat het decreet vermeldt dat een specifiek Leersteuncentrum akkoord is binnen de leersteunraad over de mogelijkheid tot het weigeren op type 4, 6 of 7 een aanvraag niet kan weigeren, aangezien ze ook basis van afstand, vermeld in artikel 23. achterliggend kunnen opereren. • Een school kan van leersteuncentrum veranderen na een jaar. In het advies over de conceptnota stelden we een vraag over die termijn: “Een school voor gewoon onderwijs kiest een leersteuncentrum
13
vlor.be
waarmee ze samenwerkt. Ze kunnen indien gewenst een nieuwe keuze maken. Is er een termijn verbonden aan die keuze? (cf. decreet leerlingenbegeleiding i.v.m. samenwerking met CLB) ”.10 Ook nu vragen we ons af of een leersteuncentrum op die manier wel een voldoende stabiele werking kan opstarten.
Het leersteuncentrum motiveert een weigering op basis van afstand ten aanzien van de betrokken school en meldt de weigering aan AGODI. Het leersteuncentrum behandelt alle scholen op gelijke wijze. De scholen voor gewoon onderwijs delen hun keuze mee aan het leersteuncentrum van keuze en aan AGODI na de publicatie van het protocol, vermeld in artikel 21. Daarna moet een school een wijziging van keuze voor een leersteuncentrum uiterlijk 1 februari van het voorafgaande schooljaar meedelen aan het leersteuncentrum van keuze en aan AGODI.
23
Het bestuur van het leersteun-centrum richt een leersteunraad op. De leersteunraad legt zijn werkingsprincipes vast.
•
Elke school voor gewoon onderwijs die bij het leersteuncentrum is aangesloten, is vertegenwoordigd in de leersteunraad. De leersteunraad kan andere partners betrekken bij zijn werkzaamheden. De leersteunraad volgt het beleid over leersteun van het leersteuncentrum op en geeft ten minste advies over de procedure voor het toewijzen van leersteun aan de verschillende scholen voor gewoon onderwijs, alsook over eventuele structurele samenwerking met andere leersteuncentra voor het bieden van leersteun voor type 4, type 6 of type 7.
•
In het geval van een specifiek leersteuncentrum type 4, 6 of 7 worden alle scholen voor gewoon onderwijs die leersteun ontvangen van het specifiek leersteuncentrum type 4, 6 of 7 vertegenwoordigd in de leersteunraad. De leersteunraad van een specifiek leersteuncentrum type 4, 6 of 7 geeft ten minste advies over de organisatie en het bieden van leersteun in de scholen voor gewoon onderwijs. De leersteunraad dient zich voorafgaandelijk akkoord te verklaren met de mogelijkheid om scholen te weigeren op basis van afstand, vermeld in artikel 22.
•
Een leersteuncentrum legt verantwoording af aan de leersteunraad over minstens de volgende elementen: 1° de procedure voor het toewijzen van leersteun aan scholen; 2° de eventuele structurele samenwerking met andere leersteuncentra voor het bieden van leersteun voor type 4 type 6 of type 7;
10
•
Het is wel positief dat ook andere partners, waaronder welzijnspartners, deel kunnen uitmaken van de leersteunraad. Het is positief dat er tegemoet wordt gekomen aan ons advies over de conceptnota i.v.m. het werken met vertegenwoordiging van verschillende scholen om het aantal zitjes te beperken en het geheel werkbaar te houden. Toch is er een bezorgdheid dat scholen zowel in de leersteunraad van hun leersteuncentrum als in die van het specifiek leersteuncentrum moeten vertegenwoordigd zijn. Dat geeft ook een probleem als een specifiek leersteuncentrum verbonden is aan meerdere leersteuncentra. Je kan wel werken met vertegenwoordigers, maar ook dat vraagt overleg. Dat is niet wenselijk of haalbaar. Je kan ook geen leersteunraad oprichten op het niveau van structurele samenwerkingsverbanden. De memorie van toelichting verduidelijkt, in tegenstelling tot het artikel, het ‘adviserend’ karakter van de leersteunraad. We vragen om het louter adviserend werken ook in het artikel op te nemen. Inzake het criterium ‘afstand’ om een school te weigeren, heeft de leersteunraad wel meer dan enkel adviesbevoegdheid. Het voorontwerp van decreet zegt dat het CLB kan vertegenwoordigd zijn in de leersteunraad. De Vlor vindt dat te vrijblijvend geformuleerd, zeker vanuit de driehoek school-CLB-leersteuncentrum.
Decreet betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding; 27 april 2018
14
vlor.be
24
25 §3
3° in voorkomend geval, de toepassing van de mogelijkheid om scholen te weigeren op basis van afstand.
•
Waar een leersteuncentrum van het gemeenschapsonderwijs en een leersteuncentrum van het officieel gesubsidieerd onderwijs in meerdere dezelfde gemeenten actief zijn, werken beide leersteuncentra verplicht samen. De leersteuncentra maken minstens afspraken omtrent de wijze waarop aanvragen tot leersteun worden opgenomen
De Vlor is tevreden dat de leersteuncentra daar zelf invulling aan kunnen geven. Toch zien we geen heil in het verplichtend karakter van deze samenwerking, louter tussen het gemeenschapsonderwijs en het officieel gesubsidieerd onderwijs. We prefereren het stimuleren van een maximale netoverschrijdende samenwerking in functie van de leerlingen. Maar wel ieder vanuit zijn eigen pedagogisch project.
§3. Het leersteuncentrum kan in samenspraak met of op vraag van ouders voor een vraag naar leersteun ad hoc samenwerken met een ander leersteuncentrum als dat nodig is om specifieke expertise te kunnen bieden.
Het is niet duidelijk of §3 van toepassing is op alle types.
§1. Het bestuur van een leersteuncentrum dat voorlopig is erkend, verkrijgt financiering of subsidiëring vanaf het schooljaar waarin het voorlopig is erkend. De Vlaamse Gemeenschap komt financieel tegemoet, voor het gemeenschapsonderwijs door een financiering, en voor het gesubsidieerd onderwijs door een subsidiëring, in de vorm van:
De Vlor is van mening dat de behoudsnorm van de specifieke leersteuncentra type 4, 6 of 7 zeer nipt is. De vraag om na zes maanden de activiteiten te stoppen, is nefast voor de continuïteit.
1° salarissen;
Het is nog onduidelijk of de adviezen over toewijzing van leersteun impact kunnen hebben op de werking van het CLB. Want als dat het geval is, is het niet logisch dat ze dat kunnen doen zonder een vertegenwoordiging van het CLB.
Daarom vragen we een genadejaar, wat we ook zien bij andere onderwijsimplementaties (bv programmaties).
2° een werkingsbudget; 3° investeringsmiddelen.
31
Het bestuur van een leersteuncentrum dat definitief erkend is, met uitzondering van een specifiek leersteuncentrum type 4, 6 of 7, blijft de financiering of subsidiering, vermeld in het eerste lid, ontvangen. Een specifiek leersteuncentrum type 4, 6 of 7 dat definitief erkend is, blijft de financiering of subsidiëring, vermeld in het eerste lid, ontvangen zolang het specifiek leersteuncentrum type 4, 6 of 7 een omkadering van minstens 3.825 punten genereert. Indien een specifiek leersteuncentrum type 4, 6 of 7 het minimum aantal 3.825 punten niet genereert, verliest het specifiek leersteuncentrum type 4, 6 of 7 haar erkenning vanaf 1 september van het daaropvolgende schooljaar. §2. Elk bestuur van een leersteuncentrum draagt de kosten van en de financiële verantwoordelijkheid voor de organisatie en de werking van het leersteuncentrum.
15
vlor.be
3.3 Omkadering Art
Inhoud
Advies
§1. Per leerling met een GC-verslag type 2, 4, 6 of 7 in het gewoon basisonderwijs worden de volgende punten voorzien:
Een GC-verslag type 2 lijkt geen alledaags gegeven in het secundair onderwijs. Voor een GC-verslag moet je niet aan de criteria voldoen maar aantonen dat een bepaalde expertise nodig is voor die bepaalde leerling.
1° type 2: 6,865 punten; 2° type 4: 6,865 punten; 3° type 6: 12,220 punten; 4° type 7: 7,208 punten. §2. Per leerling met een GC-verslag type 2, 4, 6 of 7 in het gewoon secundair onderwijs worden de volgende punten voorzien: 1° type 2: 8,218 punten;
41
2° type 4: 8,218 punten; 3° type 6: 14,423 punten;
Voor kleuters en eventueel leerlingen van de lagere school is dat zeker te verantwoorden omdat je daar met een ontwikkelingsperspectief zit. Dat is echter niet zo voor het secundair onderwijs. Daar zou je dan ook geen GC-verslag meer mogen hebben voor type 2. De Vlor stelt dan ook voor om in het artikel de nuance mee te nemen dat een GC-verslag voor type 2 kan voor het basisonderwijs. Voor het secundair onderwijs moeten we dat zeker in vraag stellen.
4° type 7: 9,780 punten. §3. De teldagen voor de berekening van het aantal punten dat wordt toegekend aan de leersteuncentra voor leersteun aan scholen voor gewoon onderwijs met leerlingen met een GC-verslag type 2, 4, 6 of 7, zijn: (…) De punten die op basis van de telling op de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar worden toegekend per type in het basisonderwijs en per type in het secundair onderwijs, vormen het gegarandeerde basispakket punten voor leerlingen met een GC-verslag type 2, 4, 6 of 7 voor het volledige schooljaar. (…) §4. (…)
16
vlor.be
§1. Voor de leersteun aan scholen voor gewoon onderwijs met leerlingen met een IAC-verslag, OV4-verslag of GC-verslag type basisaanbod, 3 en 9 garandeert de Vlaamse Regering elk schooljaar 174.903 punten.
42
43
§2. Als in toepassing van artikel 173septies van het decreet basisonderwijs en artikel 314/5 van de Codex Secundair Onderwijs waarborglestijden, lesuren of -uren beschikbaar komen, worden deze met toepassing van de coëfficiënten, vermeld in artikel 37, §2 en §5, omgezet naar punten en toegevoegd aan het puntenaantal, vermeld in §1. De omkadering voor leerlingen met een IAC-verslag, OV4-verslag of GC-verslag type basisaanbod, 3 of 9, vermeld in artikel 42, §1, wordt door de Vlaamse Regering als volgt toegewezen aan de leersteuncentra, voor het bieden van leersteun in scholen voor gewoon onderwijs met leerlingen met een IACverslag, OV4-verslag of GC-verslag type basisaanbod, 3 en 9:
De Vlor is bezorgd over de gevolgen van de samenvoeging van de punten van basisonderwijs en secundair onderwijs en de gevolgen daarvan op de ondersteuning van de leerlingen, leerkrachten en schoolteams.11
Zie kernboodschap 2.2.1
1° 60% wordt verdeeld op basis van het leerlingenaantal op de eerste schooldag van februari van het voorafgaande schooljaar van de scholen voor gewoon onderwijs die aangesloten zijn bij het leersteuncentrum; 2° 40% wordt verdeeld op basis van het gemiddelde aantal leerlingen met een IAC-verslag, OV4-verslag en GC-verslag type basisaanbod, 3 of 9 in de scholen voor gewoon onderwijs die aangesloten zijn bij het leersteuncentrum op de eerste schooldag van februari van de drie voorafgaande schooljaren. (…) §2. De omkadering wordt doeltreffend ingezet voor maximale ondersteuning op de klasvloer. Verplaatsingstijden worden beperkt en mogen de ondersteuningstijd die beschikbaar is voor leerlingen en leraren niet verminderen.
44 §2
• Door de bepaling rond verplaatsingstijd, bestaat de vrees dat heel wat scholen niet meer bediend gaan worden omwille van de afstand tot het leercentrum. Je mag immers geen afbreuk doen aan de begeleidingstijd. • Wat betreft de zinsnede: “De omkadering wordt doeltreffend ingezet voor maximale ondersteuning op de klasvloer”, adviseren we volgende wijziging: “De omkadering wordt doeltreffend ingezet voor maximaal
11
Ten aanzien van het advies op artikel 42 nemen OVSG en COV een apart standpunt in: OVSG en COV gaan niet akkoord met de samenvoeging van de gesloten budgettaire enveloppe voor de brede types van het basisonderwijs met het secundair onderwijs. De middelen van deze gesloten enveloppe zijn in oorsprong grotendeels afkomstig uit het basisonderwijs. Door deze samenvoeging verschuiven de middelen van het basisonderwijs naar het secundair onderwijs. Ook het Toekomstplan Basisonderwijs, zoals goedgekeurd door de Vlor, bevestigt het belang om te investeren op de jongste leeftijdsgroepen. OVSG en COV vragen om de splitsing van de gesloten enveloppe per onderwijsniveau te behouden.
17
vlor.be
45-47
50
effect op de klasvloer” . De taak richt zich immers op de leerling, de leraar en het schoolteam. Daardoor is die ondersteuning wel wat ruimer dan enkel op de klasvloer. Art 45-47 gaat over de flexibele aanwending waarbij men een onderscheid Door de strikt aparte omkadering wordt de flexibele aanwending, zoals maakt tussen OV4-verslag kleine types (art 45), GC-verslag kleine types (art. die nu bestaat, op de helling gezet. Met deze artikelen wordt een leerling 46) en GC-, IAC- en OV4-verslag brede types (art 47) met een hogere zorgnood in het basisonderwijs gedwongen in een IAC en dat sluit niet aan op een kijk op inclusie. Bij de aanwending van de middelen vraagt de Vlor enige flexibiliteit tussen IAC-, OV4- en GC-verslagen binnen de kleine types. Meer bepaald omdat de omkadering voor die zware zorgnood op dit moment ontoereikend is. Er wordt geen differentiatie in gemaakt. §1. Er wordt jaarlijks werkingsbudget toegekend aan de besturen van de leersteuncentra voor de werking en de uitrusting van het leersteuncentrum. Het werkingsbudget voor het leersteuncentrum is enerzijds gebaseerd op de omkadering die het leersteuncentrum ontvangt voor de leerlingen met een GCverslag type 2, 4, 6 en 7, voor de leerlingen met een IAC-verslag type basisaanbod, 3 en 9, de leerlingen met een OV4-verslag type 3 en 9 en de leerlingen met een GC-verslag type basisaanbod, 3 en 9, en anderzijds op het aantal leerlingen met een IAC-verslag of OV4-verslag type 2, 4, 6 en 7 in de scholen voor gewoon onderwijs die zijn aangesloten bij het leersteuncentrum. (…) §1. Een school die leersteun aanvraagt, draagt de gegevens van de leerling over aan het leersteuncentrum, onder de volgende voorwaarden: 1° de gegevens hebben alleen betrekking op de leerlingspecifieke gegevens die relevant zijn voor het bieden van leersteun, waaronder op zijn minst het GC-verslag, IAC-verslag of OV4-verslag;
55
2° de overdracht gebeurt alleen in het belang van de persoon op wie de leersteun betrekking heeft;
De werkingsbudgetten voor leerlingen met een IAC- of OV4-verslag, type 4, 6 of 7 zijn ontoereikend. Er werd geen rekening gehouden met de verplaatsingen die (leer)ondersteuners moeten maken (zie art. 44 §2).
De Vlor vraagt om, cf. de memorie van toelichting, ook te verwijzen naar wat er digitaal al lopende is in het onderwijs, mits rekening te houden met GDPR. Deze artikelen vinden we op een gelijkaardige manier terug in het decreet basisonderwijs en de codex secundair onderwijs in de passage over schoolverandering. Maar dat wordt hier nogal vreemd doorgetrokken.
3° het schoolbestuur is verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking van de persoonsgegevens gedurende de looptijd dat die gegevens bewaard moeten worden; 4° het centrumbestuur van het CLB dat het GC-verslag, IAC-verslag of OV4verslag heeft opgesteld, is verwerkingsverantwoordelijke van het GC-verslag, IAC-verslag of OV4-verslag.
18
vlor.be
Een leersteuncentrum dat ad hoc of structureel samenwerkt met een ander leersteuncentrum, draagt de gegevens van de leerling, vermeld in het eerste lid, over naar dat andere leersteuncentrum. §2. De Vlaamse Regering kan de regels bepalen over de opslagperioden en de verwerkingsactiviteiten en -procedures, waaronder maatregelen om te zorgen voor een behoorlijke, veilige en transparante verwerking. De betrokken leerling en de ouders hebben een recht op inzage in en toelichting bij de gegevens die betrekking hebben op de leerling.
56
Cf. Art. 55 kan, ook wat het kopierecht betreft, ingegaan worden op digitale toegang tot documenten.
Als na de toelichting blijkt dat de betrokken leerling of de betrokken personen een kopie willen van de leerlingengegevens waarover het leersteuncentrum beschikt, hebben ze kopierecht. Iedere kopie wordt persoonlijk en vertrouwelijk behandeld en wordt alleen gebruikt voor de onderwijsloopbaan van de leerling. (…)
3.4 Opvolging en monitoring van het decreet Art
Inhoud
Advies
§1. Het ministerie voor onderwijs en vorming monitort de implementatie van dit decreet. De monitoring omvat minstens:
§1. • Het zou onderzoeksmatig evident zijn dat ook de types gemonitord worden. Dat werd nu niet als dusdanig opgenomen. • De impact op ouders zou eveneens deel moeten uitmaken van de monitoring. • Naast een erkenningsonderzoek en een inhoudelijke doorlichting, beide uitgevoerd door de onderwijsinspectie, komt er voor december 2024 ook een onderzoek omtrent schaalgrootte. Naargelang de resultaten van dit laatste onderzoek, zal men in de volgende legislatuur een rationalisatienorm opstellen. Op dat moment zijn de leersteuncentra al twee jaar in werking. Dat lijkt ons dan problematisch voor de organisatie en tewerkstelling in de leersteuncentra.
1° de evolutie van het aantal leerlingen met een GC-verslag, IAC-verslag of OV4-verslag; 2° de leerlingenbewegingen en schoolloopbaantrajecten voor leerlingen met een GC-verslag, IAC-verslag of OV4-verslag; 3° de effecten op de tewerkstelling in het leersteunmodel.
57
§2. Voor december 2024 gebeurt er een onderzoek naar de doelmatige schaalgrootte van de leersteuncentra. §3. Een onafhankelijke commissie van experten, academici, onderwijsprofessionals en ervaringsdeskundigen wordt opgericht met de opdracht een advies te formuleren over een evolutie naar inclusief onderwijs en de rol van gewoon en buitengewoon onderwijs. Die onafhankelijke commissie wordt opgericht vanaf 1 september 2023 en legt de resultaten van haar werk neer uiterlijk 30 juni 2024.
19
vlor.be
De Vlaamse Regering bepaalt de samenstelling van deze commissie en concretiseert haar opdracht.
1° en 2°: • Met de monitoring van het aantal verslagen moet er ook rekening gehouden worden met de populatie en de context. • Als het doel is om sterker inclusief te werken, moeten we terug verwijzen naar art. 4 (versterking brede basiszorg en verhoogde zorg.) Dat kan effect hebben op het aantal verslagen. Je zal ook niet enkel het aantal verslagen moeten meten maar ook wat het effect is geweest van de verslagen. Wat is bijvoorbeeld de impact van het decreet op de werking van het CLB?. 3° “De effecten op de tewerkstelling in het leersteunmodel.” Dit gaat wel degelijk over de tewerkstelling van de leerondersteuner. We vragen om het ook als dusdanig in het decreet te zetten. Zodat er geen verwarring is met bijvoorbeeld de latere tewerkstellingskansen van leerlingen. §2 • Het feit dat er nu nog een onafhankelijke commissie moet opstarten, is een gevolg van het ontbreken van een globaal plan op inclusie. De timing wordt steeds krapper (zie 2.1.4) De Vlor verwijst hier graag naar zijn advies uit 2020 over inclusie, waarbij ter voorbereiding heel wat betrokkenen bevraagd werden12 • In een onafhankelijke commissie horen echter ook profielen te zitten die goed zicht op hebben de contextgebonden effecten, ook op de onbedoelde, om te vermijden dat we telkens in dezelfde cirkel blijven redeneren. • De Vlor stelt voor om deze opdracht toe te wijzen aan de Vlaamse Onderwijsraad als strategische adviesraad voor de Vlaamse overheid. Deze commissie kan geïntegreerd worden in de werking van de Vlor, conform de samenstelling zoals omschreven in dit voorontwerp van decreet.
12
Vlor, Algemene Raad. Een pleidooi voor strategische beleidsplanning om inclusief onderwijs te kunnen realiseren, 23 januari 2020.
20
vlor.be
3.5 Individueel aangepast curriculum (IAC) in het buitengewoon onderwijs •
•
Een individueel handelingsplan (IHP) is een onderdeel van het cyclisch proces van handelingsplanning en dat wordt nu bij het in werking treden van dit decreet hernoemd naar een individueel aangepast curriculum (IAC). Vervolgens zegt men dat een IAC niet mogelijk is in OV4. De Vlor adviseert om duidelijkheid te scheppen in het verloop van het cyclisch proces van handelingsplanning zodat het duidelijk wordt op welke manier het individueel plan vorm kan krijgen in OV4 en in het buitengewoon basisonderwijs. In de doelen van de conceptnota lazen we nog dat de ontwikkelingsdoelen voor buitengewoon onderwijs zouden afgestemd worden op de eindtermen gewoon onderwijs (een gemeenschappelijke taal). Maar hier lezen we daar niets meer over. We zijn er ons van bewust dat het herbekijken van eindtermen en ontwikkelingsdoelen in een apart traject loopt, los van het decreet leersteun. De Vlor vraagt evenwel om te bewaken dat er rekening gehouden wordt met de vooropgestelde gemeenschappelijke taal. Art
99
Inhoud
Advies
Artikel 46 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 15 juli 1997, 14 februari 2003 en 19 juli 2013 wordt vervangen door wat volgt:
Ter verduidelijking stelt de Vlor volgende teksttoevoeging voor: “… waar mogelijk de leerling en waar nodig met de CLB-medewerker…”
“Art. 46. §1. Voor elke leerling met een IAC-verslag wordt, zowel in het gewoon als in het buitengewoon onderwijs, een individueel aangepast curriculum opgemaakt door de klassenraad in afstemming met de ouders en waar mogelijk de leerling, met de CLB-medewerker en in voorkomend geval de leerondersteuner en andere externe ondersteuners.
(…) Artikel 16, §3, van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, ingevoegd bij het decreet van 5 april 2019, wordt vervangen door wat volgt:
175
“§3. De centra maken netoverstijgend afspraken om onafhankelijke bemiddeling mogelijk te maken voor leerlingen of ouders over het ondersteuningsaanbod in functie van de leerling met specifieke onderwijsbehoeften. De bemiddeling wordt ingezet op verzoek van leerlingen of ouders als ze klachten hebben over:
• Een aantal termen worden door elkaar gehaald, zoals klacht vs. bemiddeling. Die laatste is een terechte opdracht voor het CLB maar dat moet mogelijk gemaakt worden op regionaal niveau en onafhankelijk van school en CLB. • Er staat in het artikel ‘(...) rechtstreeks met de betrokken medewerker’. Dit is te concreet. In een decreet moet niet bepaald worden met welke persoon contact wordt opgenomen. We prefereren de aanpassing ‘met het betrokken CLB’, zeker ook omdat vaak multidisciplinair in team wordt gewerkt.
1° de redelijke aanpassingen door de school en in voorkomend geval de afweging van redelijke aanpassingen; 2° de leersteun vanuit het leersteuncentrum;
21
vlor.be
3° een GC-verslag, een IAC-verslag of een OV4-verslag. De bemiddeling kan alleen ingezet worden als de leerling of de ouders de klacht eerst rechtstreeks met de betrokken medewerker van het centrum, van de school waar de leerling is ingeschreven, hebben besproken. Dat houdt het volgende in: 1° bij klachten over redelijke aanpassingen door de school wordt eerst de betrokken school voor gewoon onderwijs aangesproken, met ondersteuning van de betrokken medewerker van het centrum van de school waar de leerling is ingeschreven. Bij klachten over de afweging van redelijke aanpassingen wordt eerst de medewerker van het centrum van de school waar de leerling is ingeschreven, aangesproken; 2° bij klachten over de leersteun van het leersteuncentrum wordt eerst het betrokken leersteuncentrum aangesproken, met ondersteuning van de betrokken medewerker van het centrum van de school waar de leerling is ingeschreven; 3° bij klachten over een GC-verslag, een IAC-verslag of een OV4-verslag wordt eerst de betrokken medewerker van het centrum van de school waar de leerling is ingeschreven aangesproken. Als dat niet leidt tot een gewenst resultaat, volgt de leerling of de ouders de klachtenprocedure van het centrum waarmee de school, waar de leerling is ingeschreven, samenwerkingsafspraken heeft. Een medewerker van een ander centrum kan finaal optreden als onafhankelijke bemiddelaar.
• Met behoud van de toepassing van het eerste, tweede, derde en vierde lid wordt vanaf 1 september 2023 bemiddeling opgenomen als bijkomend thema voor de netoverstijgende regionale ondersteuningscel.”.
3.6 Lesbijwoning met een IAC- of OV4-verslag in het gewoon onderwijs en vice versa •
De decretale facilitering van lesbijwoning vanuit het gewoon in het buitengewoon onderwijs is een positief gegeven maar er staan geen middelen of leersteun tegenover. Voor de leerlingen met een verslag zitten die middelen nu ook al in het buitengewoon onderwijs, die dan de begeleiding voorziet in het gewoon onderwijs. Nu maakt men ook de omgekeerde beweging mogelijk. Voor die leerlingen is leersteun voorzien maar die mag niet worden ingezet als die leerling de lessen bijwoont in het buitengewoon onderwijs (zie art 85 en 142).
22
vlor.be
•
Er moet goed nagedacht worden over de mogelijke gevolgen: - Capaciteitsproblemen in het gewoon en buitengewoon onderwijs (leerlingen in lesbijwoning in overcapaciteit nemen? ); - De aangepaste regeling van het leerlingenvervoer als door die lesbijwoning de regio door deze bewegingen verruimd wordt; De bijkomende taaklast voor de leraar.
•
Scholen voor buitengewoon onderwijs moeten een terugkeer naar het gewoon onderwijs actief overwegen voor hun leerlingen…” minimaliseert hetgeen er nu al gebeurt in het buitengewoon onderwijs. Op die manier bepaal je een zekere hiërarchie tussen beide onderwijssystemen. Art
Inhoud
Advies
In artikel 20 van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 9 juli 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
•
1° aan paragraaf 3 wordt een tweede, derde en vierde lid toegevoegd, die luiden als volgt: “Leerlingen met een IAC-verslag die ingeschreven zijn in het gewoon basisonderwijs, kunnen gemiddeld per schooljaar maximaal halftijds lessen of activiteiten volgen in een school voor buitengewoon basisonderwijs.
85
In overleg met de ouders, met betrokkenheid van de leerling en in overleg met het CLB werken de scholen samen aan de vormgeving van het onderwijstraject van de leerling. De inzet van omkadering vanuit het leersteunmodel in de school voor buitengewoon onderwijs is daarbij niet mogelijk.
•
De verplichting om een HGD-traject te lopen ifv de opmaak van een GC-verslag strookt niet met de bepaling dat het GC-verslag de vorm aanneemt van een handelingsgericht advies. Een handelingsgericht advies kan immers gegeven worden zonder het doorlopen van een HGD-traject. We vragen om de voorwaarden van het HDG-traject hier weg te laten. Voor het GC-verslag dient de school de nodige onderwijskundige beeldvorming aan te leveren.
De school voor buitengewoon onderwijs en de school voor gewoon onderwijs maken afspraken over de lesbijwoning van de leerling.”; 2° een paragraaf 4 wordt toegevoegd, die luidt als volgt: “§4. In afwijking van paragraaf 3, eerste lid, kunnen leerlingen die ingeschreven zijn in het buitengewoon basisonderwijs, met uitzondering van type 5, voltijds lessen of activiteiten volgen in een school voor gewoon basisonderwijs voor een periode van maximaal twee schooljaren, met het oog op een overstap naar het gewoon onderwijs. In overleg met de ouders, met betrokkenheid van de leerling en in overleg met het CLB ondersteunt de school voor buitengewoon onderwijs de school voor gewoon onderwijs. De school voor buitengewoon onderwijs en de school voor gewoon onderwijs maken afspraken over de lesbijwoning van de leerling.
23
vlor.be
Na een periode van twee schooljaren heeft de leerling met een IAC-verslag in afwijking van artikel 37/11, §2, en artikel 37/48, §2, een onverkort recht op inschrijving in de school voor gewoon onderwijs. Als de ouders en de leerling beslissen om de overstap te maken naar het gewoon onderwijs, overleggen de school voor gewoon onderwijs, de school voor buitengewoon onderwijs, het CLB en de ouders, met betrokkenheid van de leerling, met het leersteuncentrum over de overname van de ondersteuning.”. In artikel 91 van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 3 juli 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
•
1° aan paragraaf 1 wordt een lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
107
“In afwijking van het eerste lid kunnen leerlingen die ingeschreven zijn in het buitengewoon basisonderwijs en die, met toepassing van artikel 20, onderwijsactiviteiten volgen in het gewoon basisonderwijs, tijdens deze activiteiten speciale onderwijsmiddelen ter beschikking krijgen, als die de vorm aannemen van tolken Vlaamse gebarentaal of een andere gebarentaal of schrijftolken.”;
•
De speciale onderwijsleermiddelen (SOL) moeten dringend herbekeken worden met het oog op de weg naar inclusie. Universal Design moet daarin worden meegenomen. De overheid weigert om tolkenondersteuning in te zetten in het buitengewoon onderwijs. Dat is een gemiste kans. De Vlor vraagt om die ondersteuningsvraag toch ter harte te nemen. Het is immers wel mogelijk voor leerlingen, ingeschreven in het buitengewoon onderwijs die les volgen in het gewoon onderwijs. In de feiten gaat het om dezelfde soort leerlingen.
2° er wordt een paragraaf 4/1 ingevoegd, die luidt als volgt: “§4/1. Als de speciale onderwijsleermiddelen, vermeld in paragraaf 1, de vorm aannemen van een omzetting van leermaterialen voor blinde en slechtziende leerlingen, kan de Vlaamse Regering daarvoor middelen ter beschikking stellen binnen de beschikbare begrotingskredieten. De Vlaamse Regering bepaalt de verdere voorwaarden voor de werking van een productiehuis voor de omzetting van leermaterialen voor blinde en slechtziende leerlingen.”.
3.7 OV4-verslag in het gewoon onderwijs Een leerling met een OV4-verslag die inschrijft in het gewoon onderwijs, betreft altijd een inschrijving onder ontbindende voorwaarden. Anderzijds, als er een OV4-verslag wordt opgemaakt, betekent dat dat de aanpassingen disproportioneel zijn. Dat het inschrijvingsrecht zegt dat het nog altijd een inschrijving onder ontbindende voorwaarden is, lijkt dan logisch. De enige onvolkomenheid is dan, en dat zit in het inschrijvingsdecreet, dat je in dat geval geen IAC meer kan voorstellen, tenzij het een wijziging van verslag wordt met verandering van opleidingsvorm. Je kan dan wel zeggen als school dat die aanpassingen binnen die school disproportioneel zijn om het gemeenschappelijk curriculum te volgen, ondanks de middelen die er bijkomen voor ondersteuning.
24
vlor.be
De Vlor vraagt om die onvolkomenheid in het inschrijvingsdecreet weg te werken. Vervolgens moet geconcretiseerd worden hoe de nietonderwijskundige ondersteuning (sociale, psychologische en paramedische ondersteuning) dan, kijkende naar de huidige situatie, moet worden vorm gegeven en hoe het beschreven moet worden in het IAC.
Art
80
Inhoud
Advies
In artikel 14/1 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 17 juni 2016 en gewijzigd bij het decreet van 6 juli 2018, worden in paragraaf 3 het tweede, derde en vierde lid vervangen door wat volgt:
•
Het artikel meldt dat er jaarlijks een leerlingenlijst wordt doorgegeven aan het CLB met de leerlingen waarvoor een evaluatie aangewezen is. Op die manier wordt een administratieve invulling gegeven aan de goede structurele samenwerking tussen school en CLB die doorheen het hele schooljaar loopt. Een evaluatie moet op elk moment mogelijk zijn en besproken kunnen worden met het CLB en mag zich niet beperken tot het inbouwen van één moment op een volledig schooljaar. De Vlor stelt volgende tekstaanpassing voor “De school voor buitengewoon onderwijs werkt handelingsplanmatig op basis van een cyclisch proces. Binnen de samenwerkingsafspraken tussen school en CLB wordt een beleid afgesproken rond die evaluatie en de manier waarop dat vorm krijgt. Ouders kunnen die evaluatie ook rechtstreeks aan het CLB vragen.“
•
Voorstel voor tweede tekstaanpassing: “Als ouders beslissen dat hun kind terugkeert naar het gewoon basisonderwijs…”. Met de huidige formulering bestaat de kans dat sommige scholen zich daaraan gaan onttrekken als het enkel de keuze van de ouders is omdat het zo niet expliciet omschreven is. Er wordt opnieuw verwezen naar de voorwaarde van een handelingsgericht diagnostisch traject: ook hier zal dit niet altijd nodig zijn (zie ook opmerking bij art. 85)
“Op basis van het cyclisch proces van handelingsplanmatig werken geeft de school voor buitengewoon basisonderwijs, in samenspraak met de ouders, jaarlijks aan het CLB door voor welke leerlingen een evaluatie aangewezen is van de inschrijving van een leerling in de school voor buitengewoon basisonderwijs. Ouders kunnen die evaluatie ook rechtstreeks aan het CLB vragen. De evaluatie gebeurt door het CLB op basis van een handelingsgericht diagnostisch traject samen met de ouders, indien mogelijk de leerling en de school, waarbij samen wordt bekeken of de leerling kan terugkeren naar het gewoon basisonderwijs binnen het gemeenschappelijk curriculum, of om een individueel aangepast curriculum te volgen.
Als er beslist wordt om terug te keren naar het gewoon basisonderwijs, ondersteunen de school voor buitengewoon basisonderwijs en het CLB de ouders bij het vinden van en bij de overstap naar een school voor gewoon basisonderwijs waar de leerling wordt ingeschreven in geval van een GCverslag, of onder ontbindende voorwaarde wordt ingeschreven in geval van een IAC-verslag met het oog op de afweging van redelijke aanpassingen.”.
•
25
vlor.be
3.8 Kwaliteit van onderwijs en de daarbij horende rol van de inspectie, pbd en CLB • • • •
Voor dit thema verwijzen we naar kernboodschap 2.2.1 over de versterking van de brede basiszorg en de verhoogde zorg. In dit voorontwerp van decreet wordt er niet tegemoet gekomen aan de vraag van CLB’s naar extra tijd en middelen om hun taak op te nemen. Hetzelfde geldt voor de onderwijsinspectie. Ook die krijgt extra specifieke taken toebedeeld zonder dat er veel tegenover staat. Wanneer het gaat om de opdracht en de rol van de CLB’s, hebben ze niet de capaciteit om het voorgestelde model te realiseren. Dat model gaat ervan uit dat ze voor elke leerling een inschaling zullen doen. De vrees bestaat dat dat de attesteringsdruk niet gaat verminderen. In een aantal artikelen, o.a. in art. 101 en art 140 meldt men de volgende rolverdeling voor expertisedeling en schoolondersteuning:
Bij de opmaak en evaluatie van het beleid op leerlingenbegeleiding betrekt de school relevante partners: 1 2 3
Voor bijkomende inhoudelijke expertise doet de school een beroep op het centrum voor leerlingenbegeleiding. Voor schoolondersteuning zoekt de school externe ondersteuning bij de pedagogische begeleidingsdienst of een andere externe dienst. Voor expertise met betrekking tot het onderwijs aan leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften betrekt de school het leersteuncentrum.”
Schoolondersteuning behoort in de eerste plaats tot de rol en verantwoordelijkheid van de pedagogische begeleidingsdienst. Wie zijn dan die andere externe diensten en moet de pedagogische begeleidingsdienst dan met hen afstemmen of overleggen? Wat met tijdelijke projecten? Behoort het tot de taak van de pedagogische begeleidingsdienst om dat dan achteraf over te nemen? De Vlor stelt voor om in elk betrokken artikel volgende herformulering te voorzien: ” Voor schoolondersteuning zoekt de school externe ondersteuning bij de pedagogische begeleidingsdienst, eventueel in samenwerking met een externe dienst.”
Art
Inhoud
Advies
Artikel 352 van dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 9 juli 2021, wordt vervangen door wat volgt:
(zie ook 3.6, art. 85)
“Art. 352.
171
13
§1. Om als school voor gewoon secundair onderwijs in aanmerking te komen voor leersteun vanuit het leersteunmodel, is voor leerlingen het doorlopen van een handelingsgericht diagnostisch traject met de opmaak van een GC-
Een handelingsgericht advies is een kernactiviteit van het CLB Het handelingsgericht advies wordt op dit moment in de praktijk gebruikt zonder handelingsgericht diagnostisch traject (HGD-traject) (cf. decreet leerlingenbegeleiding13) maar wordt dus in dit artikel gekoppeld aan een HGD-traject.
Vlaamse regering, Decreet betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, 27 april 2018.
26
vlor.be
verslag door een centrum voor leerlingenbegeleiding vereist, tenzij ze al beschikken over een IAC-verslag of OV4-verslag. In een GC-verslag wordt: (…)
Het is geen probleem dat een GC-verslag een handelingsgericht advies is voor leersteun maar dat impliceert dan dat een HGD-traject niet per definitie nodig is.
§5. Gemotiveerde verslagen die zijn opgemaakt voor 1 september 2023, worden gelijkgesteld aan GC-verslagen. Leerlingen die nog beschikken over een gemotiveerd verslag van voor 1 september 2023, voldoen aan dezelfde voorwaarden en hebben dezelfde rechten als leerlingen met een GC-verslag.”.
3.9 Professionalisering Het is belangrijk dat er aandacht besteed wordt aan professionalisering zowel in de scholen als in de leersteuncentra. Dat kan verschillende vormen aannemen: • Door samenwerking ifv expertisedeling en ontwikkeling. • In de scholen door kennisdeling of intervisie. Extra gezamenlijke studiedagen kunnen daartoe bijdragen. Er moet zeker nagedacht worden over nieuwe structuren of extra middelen voor die expertisedeling (klasvrij maken van leerkrachten, organisatie, expertise inkopen, …). Zonder bijkomende middelen zal dit niet haalbaar zijn.
Samenwerking beleidsdomeinen Onderwijs en Welzijn/Gezondheid •
•
In functie van professionalisering, expertiseontwikkeling en expertisedeling, vraagt het voorontwerp van decreet het leersteuncentrum om relevante partners te betrekken, zoals de pedagogische begeleidingsdiensten, CLB’s, POC’s, partners uit Welzijn/Gezondheid, scholen voor gewoon en buitengewoon onderwijs. (art. 8) Het is alvast een positieve zaak dat de versterking van de verbinding tussen de beleidsdomeinen Onderwijs en Welzijn/Gezondheid al aangehaald wordt. Dat was niet zo in de conceptnota. Maar verder in het voorontwerp van decreet vinden we niets terug over de samenwerking met Welzijn/Gezondheid op dat vlak. Dat lijkt ons een gemiste kans. Daarnaast wordt ook de expertise van een revalidatiecentrum aangehaald. In het art. 19 §4 5° lezen we dat een school voor buitengewoon onderwijs een aantoonbare structurele, intensieve en nauwe samenwerking heeft met zijn partners uit Welzijn/Gezondheid zoals een MFC, een thuisbegeleidingsdienst, diagnostisch centrum of een revalidatiecentrum, die bijdraagt een kwaliteitsvolle ondersteuning type 4, 6 of 7. Een belangrijk tekort van het voorontwerp van decreet is echter het uitblijven van de opheffing van de ongelijke behandeling van kinderen met ernstige zorgnoden in het buitengewoon onderwijs. Op basis van het art. 149 van het decreet basisonderwijs en het art. 310 van de codex secundair onderwijs worden leerplichtige leerlingen van het buitengewoon onderwijs, die tijdens de lesuren multidisciplinaire behandeling krijgen in een
27
vlor.be
•
centrum voor ambulante revalidatie (CAR), niet meegeteld i.f.v. de berekening van het paramedisch team van de school. Dit probleem stelt zich niet wanneer scholen voor buitengewoon onderwijs samenwerken met een MFC. Op 17/06/2016 werden de MFC uit bovenvermelde bepalingen van het decreet basisonderwijs en de codex secundair onderwijs geschrapt waardoor deze scholen hun paramedisch team konden uitbreiden. Reeds bij herhaling werd deze discriminatie aangehaald. Het is ook belangrijk dat de regelgeving voldoende faciliterend werkt om Onderwijs (school en leersteuncentrum) en Welzijn/Gezondheid voldoende en goed te kunnen laten samenwerken.
3.10 Extra verantwoordelijkheden van CLB Art
84
86
Inhoud
Advies
In artikel 16 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 21 maart 2014 en het laatst gewijzigd bij het decreet van 9 juli 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
Er zijn inconsistenties tussen §1 en §2. Zo wordt er in §1 verwezen naar een handelingsgericht diagnostisch traject en in § 2 hebben ze het over een handelingsgericht advies.
1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt: “§ 1. Om als school voor gewoon basisonderwijs in aanmerking te komen voor leersteun vanuit het leersteunmodel is voor regelmatige leerlingen het doorlopen van een handelingsgericht diagnostisch traject met de opmaak van een GC-verslag door een CLB vereist, tenzij ze al beschikken over een IAC-verslag. In dat GC-verslag wordt: (…) 2° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt: “§2. Het GC-verslag wordt opgemaakt in de vorm van een handelingsgericht advies voor leersteun vanuit het leersteunmodel, dat een CLB-medewerker registreert in het multidisciplinair dossier van de leerling.”. (…) In artikel 20 van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 9 juli 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° aan paragraaf 3 wordt een tweede, derde en vierde lid toegevoegd, die luiden als volgt: “Leerlingen met een IAC-verslag die ingeschreven zijn in het gewoon basisonderwijs, kunnen gemiddeld per schooljaar maximaal halftijds lessen of activiteiten volgen in een school voor buitengewoon basisonderwijs. In overleg met de ouders, met betrokkenheid van de leerling en in overleg met het CLB werken de scholen samen aan de vormgeving van het onderwijstraject van de leerling. De inzet van omkadering vanuit het
In §1 moet er “handelingsgericht advies” staan en niet “handelingsgericht diagnostisch traject” (zie ook art. 9 en 85) §2 is dan overbodig.
De Vlor verwijst hier naar de opmerking die hij bij art. 55 maakte in verband met de verwijzing naar de digitale mogelijkheden en het bieden van digitale toegang tot gegevens.
28
vlor.be
leersteunmodel in de school voor buitengewoon onderwijs is daarbij niet mogelijk. De school voor buitengewoon onderwijs en de school voor gewoon onderwijs maken afspraken over de lesbijwoning van de leerling.”; 2° een paragraaf 4 wordt toegevoegd, die luidt als volgt: “§4. In afwijking van paragraaf 3, eerste lid, kunnen leerlingen die ingeschreven zijn in het buitengewoon basisonderwijs, met uitzondering van type 5, voltijds lessen of activiteiten volgen in een school voor gewoon basisonderwijs voor een periode van maximaal twee schooljaren, met het oog op een overstap naar het gewoon onderwijs. In overleg met de ouders, met betrokkenheid van de leerling en in overleg met het CLB ondersteunt de school voor buitengewoon onderwijs de school voor gewoon onderwijs. De school voor buitengewoon onderwijs en de school voor gewoon onderwijs maken afspraken over de lesbijwoning van de leerling. Na een periode van twee schooljaren heeft de leerling met een IAC-verslag in afwijking van artikel 37/11, §2, en artikel 37/48, §2, een onverkort recht op inschrijving in de school voor gewoon onderwijs. Als de ouders en de leerling beslissen om de overstap te maken naar het gewoon onderwijs, overleggen de school voor gewoon onderwijs, de school voor buitengewoon onderwijs, het CLB en de ouders, met betrokkenheid van de leerling, met het leersteuncentrum over de overname van de ondersteuning.”.
3.11 Rol en autonomie van de klassenraad Art
103
137
Inhoud
Advies
Artikel 54 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 16 juni 2017 en gewijzigd bij de decreten van 5 april 2019 en [… 2022], wordt vervangen door wat volgt: “Art. 54. Leerlingen die beschikken over een IAC-verslag komen niet in aanmerking voor het getuigschrift basisonderwijs, tenzij de klassenraad oordeelt dat voor de leerling voldaan is aan de voorwaarde, vermeld in artikel 53, tweede lid.”. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 18 februari 2022, wordt een artikel 122/2 ingevoegd, dat luidt als volgt: “Art. 122/2. §1. Voor elke leerling met een IAC-verslag wordt, zowel in het gewoon als in het buitengewoon onderwijs, een individueel aangepast curriculum
• •
•
Het is logisch dat de klassenraad een oordeel velt over het al dan niet toekennen van een getuigschrift. Ook de leerondersteuner moet een adviserende rol hebben in de klassenraad. De maximale ondersteuningstijd moet gerespecteerd worden in functie van de ondersteuning van de leerling. Het vormgeven van een IAC kost echter ook heel wat tijd. Ook dat moet gezien worden als
29
vlor.be
opgemaakt door de klassenraad in afstemming met de ouders en waar mogelijk de leerling, met de CLB-medewerker en in voorkomend geval de leerondersteuner en andere externe ondersteuners. §2. Het individueel aangepast curriculum bevat de doelen die nagestreefd zullen worden, volgens de onderwijsbehoeften en ondersteuningsbehoeften van de leerling. Het individueel aangepast curriculum krijgt vorm op basis van een cyclisch proces van handelingsplanmatig werken. De klassenraad vertrekt voor de selectie van de doelen van de doelen die door of krachtens decreet- of regelgeving van toepassing zijn op het structuuronderdeel waarin de leerling is ingeschreven. Daarnaast kunnen ook andere doelen worden geselecteerd. De realisatie van de doelen is gericht op de maximale ontplooiing van en leerwinst bij de leerling en met het oog op een zo volwaardig mogelijke participatie aan het klas- en schoolgebeuren en maatschappelijke participatie zoals andere leeftijdsgenoten. Voor leerlingen in het buitengewoon onderwijs wordt actief gewerkt aan de mogelijkheid tot terugkeer naar het gewoon onderwijs. §3. In het individueel aangepast curriculum opgenomen doelen met betrekking tot godsdienst, niet-confessionele zedenleer of cultuurbeschouwing zijn gebaseerd op de overeenkomstige leerplannen en zijn in overeenstemming met de internationale en grondwettelijke beginselen inzake de rechten van de mens en van het kind in het bijzonder. §4. Het individueel aangepast curriculum bepaalt hoe de doelen gerealiseerd zullen worden en hoe sociale, psychologische, orthopedagogische, medische of paramedische hulpverlening in het onderwijsaanbod wordt geïntegreerd. Daarbij wordt gebruik gemaakt van het netwerk en de ondersteunende partners die betrokken zijn naargelang de onderwijscontext waarin de leerling schoolloopt. §5. Alle betrokkenen werken samen om een optimaal leer- en ontwikkelingstraject voor de leerling te garanderen. De school is verantwoordelijk voor de opvolging, evaluatie en bijsturing van het traject en coördineert de afstemming tussen alle betrokken partners. §6. Een individueel handelingsplan of een individueel aangepast curriculum van een leerling met een IAC-verslag dat is opgemaakt voor 1 september 2023, wordt beschouwd als een individueel aangepast curriculum. Als er wijzigingen doorgevoerd moeten worden aan een dergelijk curriculum of handelingsplan, worden de wijzigingen doorgevoerd in een individueel aangepast curriculum conform paragraaf 1 tot en met 5. Als een leerling met een IAC-verslag die nog beschikt over een individueel aangepast curriculum of een individueel handelingsplan dat is opgemaakt voor 1 september 2023, van school verandert, maakt de school waar nu wordt ingeschreven een individueel aangepast curriculum op conform paragraaf 1 tot en met 5.”.
•
• •
leerondersteuning. De Vlor vraagt om dat duidelijk te formuleren in het decreet. Ook hier is het werken met een groepswerkplan geschrapt. De opmerking die we in 3.5 geven, past ook bij dit artikel. Vooral voor OV3, vanuit de opleidingsprofielen die deels toch ook gemeenschappelijk curriculum bevatten. Het artikel sluit aan bij Kernboodschap 2.1.5 (visie op buitengewoon onderwijs verbreden). In § 1 stelt de Vlor ter verduidelijking volgende teksttoevoeging voor: “… waar mogelijk de leerling en waar nodig met de CLBmedewerker…”
30
vlor.be
3.12 Timing Art
Inhoud
Advies
Dit decreet treedt in werking op 01/09/2023
•
• 177 •
Een strikte timing is noodzakelijk, ook om de beoogde startdatum te halen. De garantie op een goed en helder decreet vraagt evenwel voldoende en grondig overleg met de onderwijspartners en andere betrokken partners. Er zitten in het voorontwerp van decreet wel een aantal aanpassingen die ook technische gevolgen hebben, zoals de aanpassing van LARS. Ook voor die technische zaken moet tijd voorzien worden, naast het normale proces dat het decreet nog moet lopen. Een aantal bepalingen zullen eerder dan de voorgelegde datum moeten ingaan om te verzekeren dat de nieuwe leersteuncentra effectief op 1 september 2023 van start kunnen gaan. De Vlor denkt daarbij onder andere aan: - De verdeling van het contingent - De keuze van scholen voor een leersteuncentrum
31
vlor.be
Bronnen Commissie Struyf (2019). Evaluatie van het nieuwe ondersteuningsmodel. Rapport op basis van beschikbare bronnen over de organisatie en werking van het ondersteuningsmodel in de periode van 1 september 2017 tot 31 augustus 2019. Vlaamse Overheid. Departement Onderwijs & Vorming (2017). Meta-evaluatie M-decreet. Synthese van evaluatieve publicaties verschenen sinds de inwerkingtreding van het M-decreet in 2015. Vlaamse Overheid. Onderwijsinspectie (2018). Onderzoek Leerlingenbegeleiding: hoe kwaliteitsvol is de leerlingenbegeleiding in de basisscholen en in de eerste graad secundair onderwijs? Vlaamse Overheid. Onderwijsinspectie (2019). Ondersteuningsnetwerken: een terreinverkenning, september 2019. Vlaamse Overheid. Onderwijsinspectie (2020). Ondersteuning kleine types: tweede fase van de terreinverkenning, maart 2020. Vlaamse Overheid.
Vloradviezen Vlor, Algemene Raad. Advies over kaders voor een nieuw decreet leerlingenbegeleiding, 24 november 2016. Vlor, Algemene Raad. Advies over de nota over het ondersteuningsmodel, 23 februari 2017 Vlor, Algemene Raad. Advies over bijsturingen aan het M-decreet, 25 januari 2018. Vlor, Algemene Raad. Een pleidooi voor strategische beleidsplanning om inclusief onderwijs te kunnen realiseren, 23 januari 2020. Vlor, Algemene Raad. Naar een nieuw decreet leersteun. Advies over de conceptnota voor het decreet leersteun, 23 september 2021. Vlor, Raad Levenslang en Levensbreed Leren. Leerlingenbegeleiding en zorg in het deeltijds kunstonderwijs, 8 maart 2022
32
vlor.be