ONDERNEMINGSPLAN 2012 VLAAMS ENERGIEAGENTSCHAP
December 2011
Inhoudsopgave 1.Inleiding..............................................................................................................................................................3 2.Het Vlaams Energieagentschap als organisatie............................................................................................3 3.Samenvatting prioriteiten 2012........................................................................................................................4 4.Interne werking – uitvoering generieke bepalingen uit de beheersovereenkomst..................................5 5.Uitvoering strategische en operationele doelstellingen uit de beheersovereenkomst...........................13 6.Begroting..........................................................................................................................................................65 7.Personeel..........................................................................................................................................................70 8.Personeelsinzet en besteding van beleidskredieten in functie van de operationele organisatiedoelstellingen van de beheersovereenkomst 2011-2015.......................................................76
2
1. Inleiding Dit ondernemingsplan is opgemaakt in uitvoering van de beheersovereenkomst tussen de Vlaamse Regering en het Vlaams Energieagentschap (1 januari 2011 – 31 december 2015) zoals goedgekeurd door de Vlaamse Regering op 12 november 2010. Artikel 10 van de beheersovereenkomst bepaalt onder andere: ‘Het ondernemingsplan bepaalt de concrete acties die het Vlaams Energieagentschap zal uitvoeren om de operationele jaardoelstellingen te realiseren. Het ondernemingsplan bevat gedetailleerde activiteitenplannen, de nodige middeleninput en de hieraan verbonden output om de strategische organisatiedoelstellingen en de generieke doelstellingen uit de beheersovereenkomst te realiseren.’ Het voorliggende ondernemingsplan 2012 herneemt de strategische en operationele organisatiedoelstellingen van de beheersovereenkomst 2011-2015. Aan de strategische organisatiedoelstellingen zijn in het ondernemingsplan effectindicatoren en streefnormen gekoppeld. Voor de operationele organisatiedoelstellingen werden de prestatie-indicatoren en prestatienormen van de beheersovereenkomst hernomen. Waar relevant, worden aan de operationele organisatiedoelstellingen in het ondernemingsplan concrete actiepunten voor 2012, met prestatie-indicatoren en prestatienormen, gekoppeld. Artikel 15.1 van de beheersovereenkomst bepaalt onder andere: ‘Het agentschap zal over de uitvoering van de beheersovereenkomst aan de minister rapporteren door middel van een jaarrapport en een afsluitend eindrapport over de beheersovereenkomst. De rapporten zullen duidelijk verwijzen naar de organisatiedoelstellingen, prestatienormen, prestatie-indicatoren en strategische projecten die in de beheersovereenkomst bepaald zijn.’ Het agentschap heeft de voorbije jaren een intern rapporteringsinstrument opgezet voor de opvolging van de doelstellingen, normen, indicatoren en projecten van de beheersovereenkomst en onderliggende ondernemingsplannen. De daaruit volgende interne rapportering, geënt op de scorekaartmethodiek, dient mede als input voor de formele rapportering over de uitvoering van de beheersovereenkomst.
2. Het Vlaams Energieagentschap als organisatie Het besluit tot oprichting van een intern verzelfstandigd agentschap, het Vlaams Energieagentschap, werd door de Vlaamse Regering goedgekeurd op 16 april 2004. Het Vlaams Energieagentschap heeft formeel zijn werking opgestart vanaf 1 april 2006. Het Vlaams Energieagentschap heeft als missie: Het evalueren, voorbereiden en uitvoeren van een op duurzaamheid gericht energiebeleid door het inzetten van de beleidsinstrumenten op een kostenefficiënte en kwaliteitsvolle manier. Het Vlaams Energieagentschap heeft als visie: Het Vlaams Energieagentschap ontplooit zich verder als een klantvriendelijke en betrouwbare overheidsinstantie die: • binnen zijn mogelijkheden bijdraagt tot het stimuleren van het rationeel energiegebruik en de milieuvriendelijke energieproductie; • via sturende maatregelen en doorgedreven communicatie tracht de samenleving te doordringen van de boodschap dat de meest milieuvriendelijke, de meest goedkope én dus de meest sociale energie deze is welke niet wordt verspild; • flexibel en efficiënt inspeelt op veranderende omgevingsfactoren; • medewerkers de kans biedt zichzelf te vervolmaken en ruime aandacht heeft voor een stimulerende werksfeer met een goede balans tussen werk en privé.
3
In het kader van de realisatie van zijn missie en visie voert het agentschap volgende beleidsuitvoerende taken uit: • het bevorderen van het rationeel energiegebruik en het beheer van de daartoe bestemde middelen en fondsen; • het bevorderen van de milieuvriendelijke energieproductie en het beheer van de daartoe bestemde middelen en fondsen; • het voeren van sensibiliserings- en communicatieacties inzake milieuvriendelijke energieproductie en rationeel energiegebruik; • het uitvoering geven aan de regelgeving in verband met beheer en uitbouw van de distributienetten van elektriciteit, gas en warmte; • het uitvoeren, of laten uitvoeren, van analyses ter ondersteuning van de beleidsuitvoering; • het verwerken van de uit de beleidsuitvoering verworven informatie met het oog op het toeleveren aan het departement van beleidsgerichte input; • het bijdragen tot de uitvoering van het Vlaams klimaatbeleidsplan; • alle andere beleidsuitvoerende taken betreffende het energiebeleid die bij decreet of door de Vlaamse Regering aan het Vlaams Energieagentschap worden toevertrouwd. Bij de uitvoering van de taken wordt het gedrag en handelen van de werknemers van het Vlaams Energieagentschap afgetoetst aan de volgende agentschapsspecifieke waarden: • klantgerichtheid; • dynamiek en flexibiliteit; • efficiëntie; • deskundigheid; • teamgeest.
3. Samenvatting prioriteiten 2012 • Finaliseren van Vlaams actieplan om de bouw en verbouwing van bijna-energieneutrale gebouwen te stimuleren. • Uitwerken van een stappenplan voor het stapsgewijs verstrengen van de EPB-eisen tot 2021. • Opmaken tweejaarlijkse evaluatienota inzake de energieprestatieregelgeving. • Versnellen van de verwerking van EPB-handhavingsdossiers. • Uitbouwen van controle op publicatie kengetal op energieprestatiecertificaaat voor residentiële gebouwen. • Versterken van de controle op kwaliteit van het energieprestatiecertificaat voor residentiële gebouwen. • Ontwikkelen berekeningsmethodiek energieprestatiecertificatensysteem voor niet-residentiële gebouwen die worden verkocht of verhuurd. • Monitoring van implementatie nieuwe energiepremieregeling. • Monitoring van implementatie sociale dakisolatieprojecten. • Input leveren voor lokale strategische beleidsplanning 2014-2019 voor het thema Energie. • Finaliseren van een voorstel over de voortzetting van de aflopende energiebeleidsovereenkomsten. • Uitwerken van een voorstel voor de stroomlijning van types energiedeskundigen. • Voorbereiden implementatie centraal examen energiedeskundigen. • Voorbereiden van de actualisatie van het actieplan Hernieuwbare Energie 2020. • Implementatie voorbereiden van het vernieuwde beleidskader voor de groenestroom- en warmtekrachtcertificatensystemen. • Voorbereiden implementatie minimumaandeel hernieuwbare energie in gebouwen. • Begeleiden introductie van call voor grootschalige groene warmte-investeringen. • Voorbereiden van een certificatieregeling voor opleidingen van de installateurs van kleinschalige hernieuwbare-energie-installaties. • Voorbereiden opmaak Warmteplan Vlaanderen. • Concretiseren van het windplan Vlaanderen. • Implementatie voorbereiden van het vernieuwde beleidskader voor de sociale openbaredienstverplichtingen. • Input leveren voor het Vlaams Klimaatbeleidsplan 2013-2020. • Input leveren voor de standpuntbepaling aangaande het voorstel voor nieuwe richtlijn inzake energie-efficiëntie.
4
Een aantal projecten vergt een cel-, entiteits- en soms zelfs een beleidsveldoverschrijdende aanpak. Voor de projecten met zwaartepunt binnen het VEA, worden projectbeheerders aangeduid. Zij coördineren en bewaken de opmaak en uitvoering van het betreffende stappenplan met daarin de mijlpalen en verantwoordelijke actoren. In het bijzonder worden er voor 2012 projectbeheerders aangesteld voor: • De uitvoering van het Energierenovatieprogramma 2020. • De opmaak van een uitvoeringsplan voor de uitwerking van een geïntegreerde berekeningsmethode voor de energieprestaties van gebouwen. • De voorbereiding van de opmaak van een Warmteplan Vlaanderen. • De concretisering van het Windplan Vlaanderen. • De finale uitwerking en monitoring van de implementatie van het actieplan bijna-energieneutrale gebouwen. • De actualisatie van het actieplan Hernieuwbare Energie 2020. • De coördinatie van de Vlaamse standpuntbepaling aangaande het voorstel van nieuwe richtlijn inzake energie-efficiëntie. • De monitoring van het actie- en opvolgingsplan Interne Controle/Organisatiebeheersing van het VEA.
4. Interne werking – uitvoering generieke bepalingen uit de beheersovereenkomst 4.1. Het VEA zal de maturiteit van haar organisatie verbeteren door een verbetertraject op te zetten • Effectindicator: Maturiteitsinschatting (door IAVA) • Streefnorm: Verhoging van de maturiteit eind 2014 ten opzichte van eind 2010
4.1.1. Jaarlijks actualiseren van de zelfevaluatie volgens de thema’s van de leidraad interne controle/organisatiebeheersing • Prestatie-indicator: Beschikbaarheid jaarlijkse actualisatie van de zelfevaluatie • Prestatienorm: Jaarlijks beschikbaar op de Directieraad van oktober
Kader en stand van zaken De validatie van de maturiteit door IAVA is ter beschikking gekomen in mei 2011. Uit de resultaten van deze auditopdracht blijkt dat het VEA een grote vooruitgang geboekt heeft op het vlak van interne controle/organisatiebeheersing. 9 van de 10 thema’s beantwoorden dan ook aan het maturiteitsniveau 3 (gedefinieerd).
5
Maturiteitsinschatting Thema
VEA 2008
2010
Doelstellingen en risicomanagement
3
3
Belanghebbendenmanagement
2
3
Monitoring
2
3
Organisatiestructuur
3
4
Human Resources Management
3
3
Organisatiecultuur
2
3
Informatie en Communicatie
2
4
Financieel Management
2
3
Facility Management
2
3
ICT
2
2
Legende 0 onbestaande
1 Ad-hocbasis
2 Gestructureerde aanzet
3 Gedefinieerd
4 Beheerst systeem
5 Geoptimaliseerd
In oktober 2011 werd de zelfevaluatie geactualiseerd en opnieuw gevalideerd door de Directieraad. Deze geactualiseerde zelfevaluatie focust op te remediëren aandachtspunten en vormt de basis voor een verbetertraject voor de relevante thema’s, op te nemen in volgende ondernemingsplannen. Uit de zelfevaluatie blijkt dat de behaalde maturiteitsscores bij de validatieaudit door IAVA, behouden kunnen blijven.
Planning 2012 Tegen oktober 2012 wordt de zelfevaluatie geactualiseerd en opnieuw gevalideerd door de Directieraad. Deze geactualiseerde zelfevaluatie zal ook rapporteren over de voortgang van de acties genomen in kader van de te remediëren aandachtspunten en de aanbevelingen resulterend uit de eerdere validatieaudit van IAVA en/of andere controle-instanties. Het verbetertraject voor de relevante thema’s rond interne controle/organisatiebeheersing voor de volgende ondernemingsplannen zal op de bevindingen van de zelfevaluatie worden afgestemd.
4.1.2. Jaarlijks een verbetertraject voor de relevante thema’s van de leidraad interne controle/organisatiebeheersing concretiseren in het ondernemingsplan op basis van de jaarlijkse actualisatie van de zelfevaluatie en, indien beschikbaar, op basis van aanbevelingen geformuleerd door controle-instanties • Prestatie-indicator: Beschrijving verbetertraject in het ondernemingsplan • Prestatienorm: Ondernemingsplan is jaarlijks beschikbaar op de Directieraad van december van het jaar N-1 Het concrete actiepunt dat het VEA in 2012 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD is het volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Monitoring van het actie- en opvolgingsplan Interne Controle/Organisatiebeheersing
Beschikbaarheid monitoringrapport
- Directieraad juni 2012 - Directieraad december 2012
Op basis van de aanbevelingen uit de maturiteitsinschatting van IAVA van mei 2011, heeft het VEA in 2011 een nieuw actie- en opvolgingsplan Interne Controle/Organisatiebeheersing opgesteld. De uitvoering van het plan wordt opgevolgd door een interne projectgroep. Deze projectgroep zal halfjaarlijks een monitoringrapport opstellen. Indien de uitvoering van een bepaalde actie achterblijft op de planning, zullen de nodige remediërende initiatieven worden uitgewerkt.
6
Bij de optimalisering van de organisatiebeheersing en het streefdoel van een maturiteitsverhoging zal de focus in 2012 o.a. worden gelegd op: • De verdere uitbouw van het continuïteitsbeheer in functie van de risico’s van de organisatie (streefdatum eind 2012). • De verdere ontwikkeling van een ICT-beleidsplan (streefdatum eind 2012). • De verdere uitwerking van het ICT-veiligheidsbeleid (incl. nota) voor het agentschap (streefdatum eind 2012). • De verdere ontwikkeling van een systeem van risicomanagement dat toelaat het systeem van organisatiebeheersing te documenteren en te evalueren, zowel op organisatie-, als op procesen projectniveau (streefdatum eind 2013). • Om de efficiëntiewinsten meetbaar en aantoonbaar te maken, verder werken aan het uitbouwen van een systeem dat het agentschap in staat stelt om de (productie)middelen/apparaatskosten in hun totaliteit toe te wijzen aan de organisatiedoelstellingen en /of de (kern)processen (streefdatum eind 2015). Zie de nieuwe organisatiedoelstelling onder punt 4.2.4. Uitgaande van de visie en HR-focus die werd besproken op de Directieraad van 1 december 2011 zal in 2012 het agentschapsspecifiek HR-beleid verder worden uitgetekend. Hiervoor wordt een afzonderlijke doelstelling in het ondernemingsplan ingeschreven, met name de uitwerking van een HR-beleidsplan 2012-2015 tegen eind september 2012 met daarin de strategische en operationele HR-doelstellingen, de evaluatie van de HR-instrumenten en het vastleggen van de HR-indicatoren. Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Opmaak HR-beleidsplan 2012-2015
Beschikbaarheid HR-beleidsplan 2012-2015
Goedkeuring op Directieraad van september 2012
In het HR-beleid van het VEA blijft vorming een belangrijke rol spelen. Het VEA zal zijn medewerkers in 2012 opnieuw een kwaliteitsvol opleidingsbeleid aanbieden met zowel aandacht voor ontwikkelingsgerichte competenties als functiespecifieke competenties. De individuele vormingsaanvragen worden beoordeeld volgens de criteria die zijn vastgelegd in een vormingsplan. Het agentschap zal binnen haar werkingsmiddelen voor 2012 per personeelslid een gemiddeld vormingsbudget van 500 euro voorzien. Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Het opstellen van het vormingsplan 2012
Beschikbaarheid van vormingsplan 2012
Goedkeuring op Directieraad van april 2012
Net zoals voorgaande jaren zal het VEA een evaluatie maken van het in 2011 gevoerde gelijkekansen- en diversiteitsbeleid en daaraan gekoppeld een nieuwe planning opstellen binnen de door de Vlaamse Regering vooropgestelde randvoorwaarden inzake personeelsbeleid. Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Evaluatie van het gelijkekansen- en diversiteitsbeleid 2011 en opmaak planning 2012-2015
Beschikbaarheid evaluatie gelijkekansen- en diversiteitsbeleid 2011 en beschikbaarheid plan 2012-2015
Goedkeuring op Directieraad van april 2012
De personeelsformatie van het VEA kende sinds de oprichting van het agentschap geen vrijwillig verloop. Gelet op het engagement opgenomen in het kader van de beheersovereenkomst en de te leveren bijdrage aan de besparingsdoelstellingen van de Vlaamse Regering door het aantal werknemers te verminderen tegen 2014 (zie punt 4.2.1), is het niet mogelijk om voor diversiteit streefcijfers met een structureel karakter vast te leggen, noch kan er binnen het HR-beleidsplan 2012-2015 een zware focus (strategische HR-doelstelling) gelegd worden op diversiteit en gelijke kansen, zeker niet voor wat betreft de eventuele nieuwe personeelsbewegingen van het VEA.
7
Kansengroepen
Aandeel 31/12/2009
op
Aandeel 31/12/2010
op
Aandeel 31/12/2011
op
Streefcijfer 31/12/2012
tegen
Streefcijfer 31/12/2015
tegen
Medewerkers van allochtone afkomst
2%
4%
3,3%
3,3%
Niet mogelijk om streefcijfer met een structureel karakter vast te leggen gelet op afbouwscenario voor personeelsbestand
Medewerkers met een arbeidshandicap
2%
2%
1,7%
1,7%
Niet mogelijk om streefcijfer met structureel karakter vast te leggen gelet op afbouwscenario voor personeelsbestand
Evenredige vertegenwoordiging in hoger en middenkader
N.v.t.*
N.v.t.*
N.v.t.*
N.v.t.*
N.v.t.*
* Het VEA heeft maar 1 functie in hoger en middenkader.
Bij alle eventueel toch uit te schrijven contractuele vacatures in het jaar 2012 zal het VEA speciale aandacht besteden aan het aanmoedigen tot solliciteren van personen van allochtone afkomst of personen met een arbeidshandicap. Er wordt ook minstens één vakantiejob voorzien en hiervoor worden personen uit kansengroepen in het bijzonder aangemoedigd om zich kandidaat te stellen. Bij de selectie wordt de voorkeurregel gehanteerd. Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Het contractueel aanwerven van een persoon van allochtone afkomst of van een persoon met een arbeidshandicap
Arbeidsovereenkomst tussen het VEA en Arbeidsovereenkomst in 2012 getekend een persoon van allochtone afkomst of door minstens één contractueel persopersoon met een arbeidshandicap neelslid of jobstudent van allochtone afkomst of met een arbeidshandicap
Prestatienorm
4.2. Het VEA wil bij de uitvoering van haar kerntaken meetbare efficiëntiewinsten realiseren door een verbetertraject op te zetten • Effectindicator: Personeelseffectief van het agentschap in VTE en koppen • Streefnorm: Status quo aantal VTE’s eind 2015 t.o.v. juli 2009 en -5% in koppen in juli 2014 t.o.v. juli 2009, voor zover hiervoor geen andere beslissing werd genomen door de Vlaamse Regering of geen compensatie kan worden gevonden binnen het beleidsdomein of de Vlaamse overheid
4.2.1. Vermindering van de personeelsbehoeften van het VEA voor de processen die in de nutsmatrix voor het agentschap als afstootbare processen of processen met een beperkte meerwaarde voor het Vlaamse energiebeleid worden gecatalogeerd • Prestatie-indicator: Personeelsinzet voor processen die volgens de nutsmatrix 2010 een beperkte meerwaarde hebben of als afstootbaar worden gecatalogiseerd • Prestatienorm: Eind 2015 wordt voor deze processen geen personeel meer ingezet Het concrete actiepunt dat het VEA in 2012 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD is het volgende:
8
Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Monitoringrapport van de personeelsinzet per kernproces
Beschikbaarheid monitoringrapport
Uiterlijk eind 2012 (ondernemingsplan 2013)
Het agentschap telde op 13 juli 2009 49 personeelsleden (44 VTE). In het kader van de beheersovereenkomst 2011-2015 is afgesproken dat het aantal VTE van het agentschap op het einde van de beheersovereenkomst niet hoger zal liggen dan in juli 2009. Op 30 september 2011 heeft de Vlaamse Regering beslist dat het personeelsbestand in koppen over de periode juli 2009 – juli 2014 moet dalen met 5%. Op het CAG van 13 oktober 2011 werd beslist om een werkgroep op te richten die belast wordt met het uitwerken van een operationeel voorstel ter uitvoering van de beslissing van de Vlaamse Regering. Voor het VEA zal de beslissing van de Vlaamse Regering in principe een vermindering met 2 personeelsleden inhouden. Om het toenemende werkvolume met minder personeel binnen de gestelde prestatienormen te kunnen verwerken, optimaliseert het agentschap zijn organisatiebeheersing. Eén element is dat ter voorbereiding van de beheersovereenkomst 2011-2015 het agentschap eind 2010 zijn (deel)processen met beperkte meerwaarde voor de strategische en operationele doelstellingen voor het Vlaams energiebeleid intern heeft geïnventariseerd in een nutsmatrix. Dit met het oog op een verhoogde efficiëntie van de beschikbare personeelsinzet. Het agentschap heeft zich geëngageerd om de nodige initiatieven nemen om de personeelsinzet voor de volgende processen af te bouwen, of minstens sterk te verminderen: • Behandelen van aanvragen van wegovereenkomsten en -vergunningen. • Adviesverlening aangaande dossiers in het kader van het thema Energie van de Samenwerkingsovereenkomst. Het eerste proces werd volledig afgebouwd in de loop van 2011. Hiervoor werd een decretaal initiatief genomen. De afbouw van het tweede proces wordt beoogd vanaf 2014. De huidige Samenwerkingsovereenkomst loopt tot eind 2013. In het kader van de uitwerking van het witboek over de interne staatshervorming heeft de Vlaamse Regering beslist om de Samenwerkingsovereenkomst niet te verlengen. Personeel dat vrijkomt door de afbouw van deze processen zal door het agentschap aan de meer prioritaire processen worden toegewezen. Bij elk jaarlijks ondernemingsplan wordt een document gevoegd dat de geplande personeelsinzet per kernproces in het betreffende werkingsjaar beschrijft. In het jaarverslag worden personeelsherschikkingen beschreven.
4.2.2. Jaarlijkse systematische doorlichting van de processen met het oog op mogelijke automatisaties • Prestatie-indicator: Jaarlijkse doorlichtingsnota • Prestatienorm: Jaarlijks beschikbaar op Directieraad van december en bezorgd aan de minister. Het concrete actiepunt dat het VEA in 2012 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD is het volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Regelmatige rapportering, bespreking Datum beschikbaarheid rapportering en beslissing over lopende en nieuwe automatiseringsmogelijkheden
Prestatienorm - Directieraad maart 2012 - Directieraad september 2012
Om efficiëntiewinsten te kunnen boeken, zal het agentschap blijven inzetten op de verdere automatisering van zijn kernprocessen.
9
4.2.3. Uitbouwen van een energieprestatiedatabank tot authentieke gegevensbron • Prestatie-indicator: Release van de energieprestatiedatabank als authentieke gegevensbron • Prestatienorm: De energieprestatiedatabank wordt uiterlijk op 31 december 2015 erkend als authentieke bron Het concrete actiepunt dat het VEA in 2012 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD is het volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Automatisch aanspreken van authentieke bronnen voor de unieke identificatie van natuurlijke personen en rechtspersonen
Release van energieprestatiedatabank Release op uiterlijk 31 december 2012 met deze functionaliteit
Kader en stand van zaken Een betere dienstverlening door de koppeling van databanken, de integratie van gegevensverkeer en backoffice activiteiten, en de ontwikkeling van een geïntegreerde Vlaamse publieksbalie, is een sleutelproject van het Meerjarenprogramma Slagkrachtige overheid (invulling ViA-doorbraak Slagkrachtige overheid). De uitbouw en erkenning van de energieprestatiedatabank als authentieke gegevensbron geeft mede uitvoering aan voornoemd sleutelproject een geeft zo ook uitvoering aan het Vlaamse beleid rond elektronisch bestuurlijk gegevensverkeer dat via het besluit van 15 mei 2009 en het decreet van 18 juli 2008 werd uitgetekend. Het draagt bij tot de uitvoering van het regeerakkoord voor wat betreft de administratieve vereenvoudiging en het verhogen van de efficiëntie van de dienstverlening door de Vlaamse overheid. De energieprestatiedatabank wordt gebruikt voor de registratie van de verslaggevers en de energiedeskundigen. Ze bevat alle documenten die in het kader van de EPB- en energieprestatiecertificatieregelgeving elektronisch worden opgemaakt of doorgestuurd (de vergunningen, de startverklaringen en de EPB-aangiften, de energieprestatiecertificaten van publieke gebouwen en de energieprestatiecertificaten voor bestaande residentiële gebouwen). Met de energieprestatiedatabank beschikt het VEA over een elektronische gegevensbron met een schat aan informatie over de energieprestaties van zowel nieuwe als bestaande gebouwen. De bedoeling van dit project is enerzijds het ontwikkelen van een databank als authentieke bron voor energieprestatiegegevens die elektronisch kan worden ontsloten door andere overheidsdiensten en anderzijds zelf zoveel mogelijk authentieke bronnen aan te spreken zodat burgers en ondernemingen zo weinig mogelijk gegevens moeten bezorgen die al bij de overheid gekend zijn. Om een aantal zaken (bv. diplomavereisten verslaggevers, domicilie van een aangifteplichtige, ingebruikname gebouw, domicilie van eigenaars van gebouwen, gegevens van energiedeskundigen, …) te controleren, zal niet langer een beroep moeten worden gedaan op de gebruikers van de databank en andere overheidsdiensten en kan het aantal vaststellingen ter plaatse worden verminderd. De creatie van een unieke energieprestatiedatabank sluit ook aan bij het doorbraakproject Digitale bouwaanvraag van het Meerjarenprogramma Slagkrachtige overheid (invulling ViA-doorbraak Slagkrachtige overheid). Naast de digitalisering van de bouwaanvraag door de bouwheer en architect zullen in dit project alle vergunningen centraal bijgehouden worden in een databank. In 2011 werden de analyse van de impact en de wijzigingen die nodig zijn om de authentieke bronnen voor de identificatie van natuurlijke personen en rechtspersonen aan te spreken, opgestart. De analyse werd echter stopgezet, wegens prioritaire projecten op vlak van verstrenging van de EPB-eisen en de introductie van de voorafberekening door de verslaggever. Het project met betrekking tot de digitale bouwaanvraag werd verder opgevolgd. Het VEA gaf de nodige input aan Ruimtelijke Ordening (RO) zodat de maximale gegevensuitwisseling tussen het VEA en RO inzake vergunningen, meldingen, start en einde van de werken in kaart werd gebracht.
10
Het VEA nam in 2011 actief deel aan de beleidsdomeinoverschrijdendende werkgroep (gemiddeld op tweemaandelijkse basis) rond de unieke identificatie van het gebouw, een initiatief van het Agentschap voor Grafische Informatie (AGIV) om te komen tot een Vlaams Gebouwenregister.
Planning 2012 In 2012 zal de analyse verder uitgewerkt worden en de ontwikkeling opgestart worden om een koppeling te realiseren met de authentieke databronnen van KSZ en KBO voor de identificatie van natuurlijke personen en rechtspersonen en voor de verificatie van mandaten van personen op de energieprestatiedatabank. Zowel bij het opstellen van de formulieren (frontoffice) als bij het opstellen van correspondentie (backoffice), zal de unieke identificatie gebruikt worden om de juiste adresgegevens te vermelden. Het project met betrekking tot de digitale bouwaanvraag zal verder opgevolgd worden. Eind 2011 zal vanuit RO een eerste testapplicatie beschikbaar zijn: een centrale databron, de webservices en een eenvoudig loket. Midden 2012 zou de applicatie volledig testklaar moeten zijn en tegen eind 2012 productieklaar. Op basis hiervan kan het VEA een analyse opstarten om een piste uit te werken voor de digitale handtekening van documenten, de mandatering van verslaggevers door de aangifteplichtige (analoog aan het project van de digitale bouwaanvraag) en een koppeling met de authentieke vergunningenbron. Het project over de unieke identificatie van het gebouw zal verder opgevolgd worden. AGIV zal een testproject lanceren (gekoppeld met het project van de digitale bouwaanvraag) om na te gaan hoe het gebouwregister opgebouwd en ingevuld kan worden. De resultaten van dit testproject zullen afgewacht worden. Voor de unieke identificatie van gebouwen zijn de eerste concrete implementaties niet voor 2014 te verwachten.
Budget 2012 Uitbouw energieprestatiedatabank tot authentieke gegevensbron (350.000 euro): • Analyse: 50.000 euro • Aanpassing frontoffice aan unieke identificatie van natuurlijke personen en rechtspersonen: 75.000 euro • Aanpassing backoffice aan unieke identificatie van natuurlijke personen en rechtspersonen: 200.000 euro • Analyse digitale bouwaanvraag: 25.000 euro
4.2.4. Monitoringtool ontwikkelen voor het meten van efficiëntiewinsten • Prestatie-indicator: beschikbaarheid en meting van set van efficiëntie-indicatoren • Prestatienorm: de efficiëntie-indicatoren zijn beschikbaar en worden jaarlijks gemeten Het concrete actiepunt dat het VEA in 2012 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD is het volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Selectie/ontwikkeling en meting van Beschikbaarheid en meting van set van reeks indicatoren om recente efficiën- efficiëntie-indicatoren tiewinsten die op enkele concrete terreinen zijn gemaakt, zichtbaar te maken
Prestatienorm 31 juli 2012
11
Kader en stand van zaken De Vlaamse overheid zal een reeks indicatoren ontwikkelen om recente efficiëntiewinsten die op enkele concrete terreinen zijn gemaakt, zichtbaar te maken. Deze set van indicatoren zal onderdeel uitmaken van het sleutelproject Barometer van Slagkrachtige Overheid (onderdeel van het Meerjarenplan Slagkrachtige overheid - invulling ViA-doorbraak Slagkrachtige overheid). De globale set aan indicatoren zal het mogelijk maken om de voortgang van het Meerjarenplan Slagkrachtige overheid te monitoren. De Studiedienst van de Vlaamse Regering zal de indicatoren jaarlijks meten. De indicatoren moeten een rechtstreeks verband leggen tussen input (personeel, materiële en financiële middelen) en de hieruit voortvloeiende output. Die output heeft betrekking op de prestaties van de organisatie: fysieke producten of een bepaalde dienstverlening. Het kan ook gaan over het bereik, het gebruik en participatie van de doelgroep. Bij voorkeur gaat het over indicatoren die al concreet meetbaar zijn en die ook periodiek worden opgevolgd. Zowel de input als output kan divers zijn.
Planning 2012 In afstemming met de CAG-werkzaamheden (werkgroep efficiëntie-indicatoren), zal tegen medio 2012 een project worden uitgewerkt voor het meten van efficiëntiewinsten die door het VEA werden gerealiseerd.
12
5. Uitvoering strategische en operationele doelstellingen uit de beheersovereen komst 5.1. Het VEA wil Europese en Vlaamse beleidsmaatregelen inzake de bevordering van het efficiënte gebruik van energie kwaliteitsvol en efficiënt implementeren en op die manier ook bijdragen tot de kwantitatieve en kwalitatieve uitbouw van groene jobs • Effectindicator: Finaal energiebesparingspercentage • Streefnorm: Evolutie conform de doelstellingen zoals door de Vlaamse Regering vooropgesteld in het tweede en derde actieplan energie-efficiëntie
5.1.1. Het VEA zal de implementatie coördineren van de bepalingen van de Europese richtlijn energie-efficiëntie die betrekking hebben op de gewestelijke energiebevoegdheden • Prestatie-indicator: Beschikbaarheid Vlaams Actieplan Energie-Efficiëntie • Prestatienorm: Het ontwerp van het tweede Vlaams Actieplan Energie-Efficiëntie wordt uiterlijk op 31 mei 2011 aan de minister bezorgd. Het ontwerp van het derde Vlaams Actieplan EnergieEfficiëntie wordt uiterlijk op 28 februari 2014 aan de minister bezorgd.
Kader en stand van zaken Het implementeren van de bepalingen van de Europese richtlijn energie-efficiëntie die betrekking hebben op de gewestelijke energiebevoegdheden is een sleutelproject in uitvoering van het Regeerakkoord en Vlaanderen in Actie (ViA), doorbraak Groen en dynamisch stedengewest. Op 17 mei 2006 trad de Europese richtlijn betreffende energie-efficiëntie bij het eindgebruik en energiediensten in werking. De richtlijn verplicht de lidstaten onder andere om tegen eind 2016 9% energie te besparen bij de eindgebruikers die niet onder de richtlijn verhandelbare emissierechten vallen. De referentie is het gemiddeld verbruik over de periode 2001-2005. De lidstaten zijn verplicht om hierover driemaal uitgebreid te rapporteren aan de Europese Commissie, via de actieplannen ‘energie-efficiëntie’ (2007, 2011, 2014). De Vlaamse regelgeving is momenteel in overeenstemming met de richtlijn. Op 17 juni 2011 nam de Vlaamse Regering akte van het tweede Vlaams actieplan energie-efficiëntie. In dit plan worden de voortgang en de (verwachte) wijzigingen van de beleidsmaatregelen uit het eerste Vlaams actieplan (2007) beschreven. Uit de geactualiseerde berekeningen blijkt dat eind 2016 de streefwaarde uit de richtlijn kan worden gehaald. Door de werkgroep energie-efficiëntie van ENOVER werd een tweede nationaal actieplan energieefficiëntie opgesteld. Dit bestaat uit een synthese van de actieplannen van de drie gewesten en van de federale overheid en een bijlage met de individuele actieplannen. Het nationaal actieplan werd door de werkgroep op 30 juni goedgekeurd om door te sturen naar de Europese Commissie.
13
Planning 2012 Op 22 juni 2011 publiceerde de Europese Commissie een voorstel voor een nieuwe richtlijn over energieefficiëntie om de Europese doelstelling om tegen 2020 20% energie te besparen, te kunnen realiseren. Het voorstel bevat volgende maatregelen: • Bepaling van nationale energie-efficiëntiedoelstelling voor 2020 (art. 3). • Renovatieverplichting overheidsgebouwen (art. 4). Jaarlijks moeten alle overheden 3% van de vloeroppervlakte van de gebouwen die ze in eigendom hebben renoveren in overeenstemming met de energieprestatie-eisen die zullen bepaald worden in het kader van de richtlijn energieprestaties van gebouwen. • Energie-efficiënte aankopen door overheden (art. 5). In principe zullen overheden alleen nog energie-efficiënte aankopen kunnen doen. • Energie-efficiëntieverplichtingen (art. 6, art. 9). Jaarlijks moeten leveranciers of verdelers van energie ten belope van 1,5% van de energieleveringen in het vorige jaar energiebesparingen realiseren (exclusief transport). De lidstaten kunnen alternatieve beleidsmaatregelen met een gelijkwaardig effect voorleggen. • Energieaudits en energiebeheerssystemen (art. 7, art. 9). Audits worden verplicht voor grote bedrijven. • Energiemeters en informatieve facturering (art. 8, art. 9). • Bevordering warmtekrachtkoppeling (art. 10) en bevordering van benutting restwarmte – warmtenetten (art. 10). Vraag naar warmte en koeling moet in kaart (letterlijk) gebracht worden. De lidstaten worden principieel verplicht om boven de 20 MW alleen nog WKK-installaties te bouwen (tenzij negatieve kosten-batenanalyse). • Inventaris verbrandingsinstallaties opstellen (art. 11) teneinde de efficiëntie van de centrales op te volgen. • Netwerktarieven en netwerkregulering (art. 12). Het is onder meer de bedoeling Demand Side Management te bevorderen door het aanpassen van de netwerkregelgeving. • Bevordering van de markt voor energiediensten door het wegnemen van belemmeringen. De richtlijn is in onderhandeling en zal vermoedelijk niet voor eind 2012 tot stand komen. Deadline voor omzetting in gewestelijke regelgeving zou dan ergens in 2014 zijn. Heel wat lidstaten dringen aan op meer flexibiliteit en subsidiariteit, zodat de inhoud van de voorgestelde maatregelen toch nog op belangrijke punten kan wijzigen. Het VEA zal de input voor de standpuntbepaling van de Vlaamse overheid omtrent het voorstel van nieuwe richtlijn inzake energie-efficiëntie coördineren. Uiterlijk in 2013 dient de voorbereiding te worden opgestart voor het nieuwe (derde) actieplan dat in 2014 bij de Europese Commissie moet worden ingediend.
5.1.2. Het VEA zal de omzetting in Vlaamse regelgeving voorbereiden van de bepalingen van de gereviseerde Europese richtlijn inzake de energieprestaties van gebouwen (EPBDrichtlijn) • Prestatie-indicator: Beschikbaarheid ontwerp van regelgeving • Prestatienorm: Het ontwerp van regelgeving wordt uiterlijk op 31 juli 2011 aan de minister bezorgd
Kader en stand van zaken Op 8 juli 2010 trad de nieuwe EPBD-richtlijn in werking. Elke lidstaat heeft vanaf deze datum maximum twee jaar de tijd om de richtlijn om te zetten in eigen wetgeving. Een aantal bepalingen zijn omgezet met het besluit van de Vlaamse Regering van 20 mei 2011 houdende wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 houdende algemene bepalingen over het energiebeleid.
14
De bepalingen die een decretale basis vereisen, zijn omgezet via het decreet van 18 november 2011 houdende wijziging van het decreet van 8 mei 2009 houdende algemene bepalingen betreffende het energiebeleid. Een studie rond systeemeisen aan technische bouwsystemen die in bestaande gebouwen nieuw geïnstalleerd, vervangen of verbeterd worden, werd in oktober 2011 opgestart.
Planning 2012 Voor de omzetting van de gereviseerde richtlijn betreffende de energieprestaties van gebouwen (2010/31/EU) zijn in uitvoering van het wijzigingsdecreet van 18 november 2011 nog volgende wijzigingsbesluiten nodig: • concretisering van de definitie van bijna-energieneutraal gebouw (zie 5.1.3); • het vaststellen van het stappenplan voor de verstrenging van de EPB-eisen tot 2018/2021 (zie 5.1.3); • de haalbaarheidsstudie voor alternatieve energiesystemen bij elke bouw (zie 5.2.2); • het opleggen van systeemeisen aan technische bouwsystemen die in bestaande gebouwen nieuw geïnstalleerd, vervangen of verbeterd worden.
5.1.3. Het VEA zal een actieplan bijna-energieneutrale gebouwen uitwerken • Prestatie-indicator: Beschikbaarheid voorstel van actieplan • Prestatienorm: Het voorstel van actieplan wordt uiterlijk op 31 december 2011 aan de minister bezorgd Het concrete actiepunt dat het VEA in 2012 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD is het volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Opmaak definitief actieplan bijna-energieneutrale gebouwen
Beschikbaarheid definitief actieplan
Binnen termijn vastgelegd door de Europese Commissie
Kader en stand van zaken De nieuwe EPBD-richtlijn bepaalt dat vanaf 2021 alle nieuwe gebouwen bijna-energieneutrale gebouwen moeten zijn. In het kader van de voortrekkersrol van de publieke sector, geldt die verplichting voor nieuwe overheidsgebouwen al vanaf 2019. De Europese richtlijn stelt dat er een globaal actieplan moet worden opgesteld om een toename van het aantal bijna-energieneutrale gebouwen, zowel bij nieuwbouw als in het bestaande gebouwenpark, te stimuleren. Het actieplan moet onder meer de volgende elementen omvatten: • de gedetailleerde definitie van bijna-energieneutrale gebouwen, waarin nationale, regionale of lokale omstandigheden in aanmerking worden genomen, en met inbegrip van een numerieke indicator van het primaire energieverbruik, uitgedrukt in kWh/m² per jaar; • de tussentijdse streefcijfers voor het verbeteren van de energieprestatie van nieuwe gebouwen tegen 2015; • informatie over het beleid en de vastgestelde financiële of andere maatregelen ter bevordering van bijna-energieneutrale gebouwen, met inbegrip van nadere gegevens over nationale eisen en maatregelen in verband met het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen in nieuwe gebouwen en in bestaande gebouwen die een ingrijpende renovatie ondergaan. De Europese Commissie beoordeelt het actieplan en gaat na of de voorgestelde maatregelen adequaat zijn. Na beoordeling kan de Europese Commissie een aanbeveling doen. De Commissie zal uiterlijk op 31 december 2012 en vervolgens om de drie jaar een verslag publiceren over de voortgang. Het actieplan wordt in nauw overleg met alle stakeholders uitgewerkt. Op 2 december 2010 werd door het VEA een eerste versie van het voorstel van actieplan aan de stakeholders bezorgd voor feedback.
15
Met een 30-tal stakeholders die feedback hebben gegeven, heeft het VEA nadien overleg georganiseerd. Op 30 juni 2011 heeft het VEA het ontwerp van actieplan aan het kabinet bezorgd. Op ENOVER van 23 september 2011 is overeengekomen een nieuwe werkgroep op te starten met de doelstelling een nationaal gecoördineerd actieplan in te dienen bij de Europese Commissie. Het VEA zal deze werkgroep coördineren.
Planning 2012 In de EPBD-richtlijn is geen datum vastgelegd voor het inleveren van de nationale plannen. Er wordt op basis van informele gesprekken aangenomen dat de Europese Commissie begin 2012 zal communiceren de nationale actieplannen tegen halfweg 2012 in te dienen. De ENOVER-werkgroep zal instaan voor de opmaak van het nationaal gecoördineerd actieplan. Voor het Vlaamse Gewest kan het ontwerp van Vlaams actieplan integraal worden toegevoegd, mits aanvulling met: • de definitie van bijna-energieneutrale gebouwen; • tussentijdse streefcijfers voor het verbeteren van de energieprestatie van nieuwe gebouwen tegen 2015. De definitie van bijna-energieneutrale gebouwen zal worden uitgewerkt op basis van het kostenoptimaal niveau van de energieprestatie van typegebouwen. De berekening van dit niveau moet nog gebeuren volgens een methodologie die zal worden aangeleverd door de Europese Commissie. De tussentijdse streefcijfers zullen worden vastgelegd van zodra de definitie van bijna-energieneutrale gebouwen is vastgelegd, vermoedelijk eind 2012.
Budget 2012 Demonstratieprojecten (200.000 euro) Uitvoering van concrete actiepunten (200.000 euro)
5.1.4. Het VEA zal een stappenplan uitwerken tot het stapsgewijs verstrengen van de EPB-eisen voor nieuwbouw tot 2021 • Prestatie-indicator: Beschikbaarheid voorstel van stappenplan • Prestatienorm: Het voorstel van stappenplan wordt uiterlijk op 31 december 2011 aan de minister bezorgd Het concrete actiepunt dat het VEA in 2012 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD is het volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Opmaak voorstel van stappenplan op basis van eindrapport beleidsondersteunende studie
Beschikbaarheid voorstel van stappen- Uiterlijk 2 maanden na oplevering eindplan rapport
Prestatienorm
Kader en stand van zaken De gemeenschappelijke Europese methode voor het bepalen van de kostenoptimale eisenniveaus zou tegen eind juni 2011 worden gepubliceerd. Vermoedelijk zal de publicatie pas eind 2011/begin 2012 plaatsvinden. Hierdoor is er sterke vertraging opgetreden in het beleidsvoorbereidend werk om het stappenplan voor de EPB-eisen tot 2021 concreet uit te werken. Het vergelijkend methodologisch kader maakt een onderscheid tussen nieuwe en bestaande gebouwen en tussen verschillende categorieën van gebouwen. De Commissie verstrekte naast het methodologisch kader ook richtsnoeren voor het uitvoeren van het onderzoek en informatie over geraamde energieprijsontwikkelingen over de lange termijn.
16
Het kostenoptimale niveau van de minimumeisen inzake energieprestatie wordt in de richtlijn gedefinieerd als het energieprestatieniveau dat gedurende de geraamde economische levensduur de laagste kosten met zich meebrengt. De lidstaten zullen de kostenoptimale niveaus van de minimumeisen inzake energieprestatie berekenen aan de hand van het ter beschikking gestelde vergelijkend methodologisch kader en de resultaten vergelijken van die berekening met de geldende minimumeisen inzake energieprestatie. Om het kostenoptimale niveau te onderzoeken, zullen de lidstaten de volgende stappen moeten volgen: • Referentiegebouwen definiëren. Tot de referentiegebouwen behoren zowel nieuwe als bestaande, al dan niet voor bewoning bestemde, gebouwen. • Energie-efficiëntiemaatregelen definiëren die voor de referentiegebouwen moeten worden beoordeeld. • De finale en primaire energiebehoefte van de referentiegebouwen beoordelen, alsook van de referentiegebouwen als de vastgestelde energie-efficiëntiemaatregelen zijn toegepast. • De kosten (d.w.z. de netto contante waarde) van de op de referentiegebouwen gedurende de verwachte levensduur toegepaste energie-efficiëntiemaatregelen berekenen door toepassing van de beginselen van het vergelijkend methodologisch kader. Een eerste studie rond het kostenoptimale niveau van de energieprestatie-eisen voor residentiële gebouwen, werd in opdracht van het VEA uitgevoerd in 2007-2008. In deze studie werd het economische optimum bepaald voor 6 referentiewoningen en appartementen, en dat zowel voor nieuwbouw als voor renovatie. In 2009-2010 werd een tweede studie uitgevoerd naar het kostenoptimale niveau van de energieprestatie-eisen voor kantoorgebouwen. In die studie werd niet vertrokken van referentiekantoren maar van reële kantoorgebouwen. De studie om te onderzoeken welke systeemeisen kunnen vastgelegd worden bij vernieuwing, vervanging of verbetering van technische installaties in bestaande gebouwen, werd in oktober opgestart.
Planning 2012 Een studie overeenkomstig de door de Europese Commissie ter beschikking gestelde richtsnoeren zal worden opgestart in de eerste helft van 2012. De lidstaten moeten regelmatig en ten minste om de vijf jaar aan de Commissie verslag uitbrengen over de inputgegevens, de veronderstellingen en de resultaten van de berekeningen. Het eerste verslag moet volgens de EPBD-richtlijn uiterlijk 30 juni 2012 ingediend worden. Als het resultaat van de uitgevoerde vergelijking aantoont dat de geldende minimumeisen beduidend minder energie-efficiënt zijn dan de kostenoptimale niveaus, geeft de lidstaat in het verslag aan de Commissie een schriftelijke verantwoording voor dat verschil. Als het verschil niet kan worden verantwoord, gaat het verslag vergezeld van een plan waarin de gepaste stappen worden geschetst om het verschil tegen de volgende toets aanzienlijk te verminderen. Op basis van de studie zal het VEA een voorstel uitwerken voor een verslag aan de Commissie met inbegrip van eventuele voorstellen voor aanpassing van de EPB-eisen tot het kostenoptimale niveau. Het VEA zal op basis van de studieresultaten voor de kostenoptimale EPB-eisen tegen eind december 2012 een voorstel uitwerken voor het stapsgewijs verstrengen van de EPB-eisen tot 2021.
Budget 2012 Studie kostenoptimale EPB-eisen (250.000 euro)
17
5.1.5. Het VEA zal de implementatie voorbereiden van het energieprestatiecertificatensysteem voor niet-residentiële gebouwen • Prestatie-indicator: Beschikbaarheid van ontwerp van ministerieel besluit dat de datum van inwerkingtreding vastlegt • Prestatienorm: Het ontwerp van ministerieel besluit wordt uiterlijk op 31 december 2011 aan de minister bezorgd Het concrete actiepunt dat het VEA in 2012 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD is het volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Opvolging studie ningsmethodiek
Deelname aan de werksessies voor de 100% uitwerking van de rekenmethode en de uitwerking van het inspectieprotocol
uitwerking
bereke-
Prestatienorm
Kader en stand van zaken Op 5 december 2008 heeft de Vlaamse Regering haar definitieve goedkeuring gehecht aan het besluit met betrekking tot de energieprestatiecertificatie bij verkoop en verhuur van niet-residentiële gebouwen. Het besluit moet nog door middel van een ministerieel besluit in werking worden gesteld. Een effectieve inwerkingtreding is pas zinvol indien er een certificatiesoftware beschikbaar is en er voldoende energiedeskundigen type D zijn erkend om de energieprestatiecertificaten voor niet-residentiële gebouwen op te maken. Om erkend te kunnen worden, moet een kandidaat-energiedeskundige type D een door het VEA erkende opleiding hebben gevolgd. Een belangrijke module van de opleiding zal bestaan uit het strikt na te leven inspectieprotocol en de verplicht te gebruiken certificatiesoftware. De opleidingen kunnen dan ook maar pas starten van zodra de certificatiesoftware en het inspectieprotocol beschikbaar zijn. Voor de berekening van de energieprestaties van bestaande, niet-residentiële gebouwen werd in samenspraak met de andere gewesten gekozen om een Nederlandse rekenmethodiek en software aan te passen aan de Belgische context. De gezamenlijke opdracht werd eind mei 2010 toegekend aan de NV BuildDesk. Voor de ontwikkeling van de rekenmethodiek is wetenschappelijke ondersteuning vereist. Hiervoor werd, eveneens samen met de andere gewesten, een algemene offerteaanvraag gelanceerd. Nadat midden 2011 alle wetenschappelijke partners gekend waren, werd gestart met de ontwikkeling van de rekenmethodiek voor de bepaling van de energieprestaties van bestaande, niet-residentiële gebouwen. In het najaar van 2011 zullen een aantal werksessies worden gehouden, waaraan zowel wetenschappelijke partners als experts uit de praktijk zullen deelnemen, om concrete invulling te geven aan de methodiek.
Planning 2012 Naar verwachting zullen de rekenmethodiek en het inspectieprotocol voor niet-residentiële gebouwen midden 2012 beschikbaar zijn, waarna ze in de praktijk zullen getest worden op een reeks bestaande gebouwen. Eind 2012 zal gestart worden met de softwareontwikkeling, die ongeveer een jaar tijd in beslag zal nemen. In het najaar van 2013 zullen dan de lesgevers worden opgeleid, zodat de verplichting om over een EPC niet-residentiële gebouwen te beschikken in 2014 in werking zal kunnen treden.
18
5.1.6. Het VEA wil, geïntegreerd in een certificatiesoftware, een gebruiksvriendelijke maatwerkadviesmodule voor residentiële gebouwen laten ontwikkelen • Prestatie-indicator: Release van de maatwerkadviesmodule • Prestatienorm: Release uiterlijk op 31 december 2012 De concrete actiepunten die het VEA in 2012 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD zijn de volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Opvolging ontwikkeling maatwerkadviesmodule
Deelname aan stuurgroepvergaderin- 100% gen
Prestatienorm
Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Opmaak planning opleidingstraject
Beschikbaarheid planning
Uiterlijk 31 december 2012
Kader en stand van zaken Voor het opmaken van een grondige energieaudit voor eengezinswoningen wordt momenteel gebruik gemaakt van de energieadviesprocedure (EAP). Deze procedure staat volledig los van de huidige certificatiemethode voor bestaande residentiële gebouwen. De gegevens die verzameld worden voor de opmaak van het certificaat kunnen bijgevolg niet automatisch overgenomen worden voor de opmaak van een energieaudit. Bovendien vereist de EAP-software een zeer gedetailleerde gegevensinvoer. Hierdoor loopt de inspectietijd gevoelig op, waardoor ook de kostprijs van de energieaudit vrij hoog ligt. Als gevolg van deze hoge kostprijs wordt weinig beroep gedaan op maatwerkadvies vooraleer de energierenovatiewerken worden uitgevoerd. Bovendien zijn de resultaten van het EPC en de energieaudit niet vergelijkbaar en kan er met de huidige procedure geen energieaudit voor appartementen worden opgemaakt. Bijkomend nadeel is dat de energieaudit enkel mag worden opgemaakt door de energiedeskundigen type B en niet door de energiedeskundigen type A die erkend zijn voor de opmaak van het energieprestatiecertificaat. Om tegemoet te komen aan deze knelpunten werd begin september 2011 een bestek gelanceerd voor de integratie van een maatwerkadviesmodule in de certificatiesoftware voor bestaande residentiële gebouwen. Aangezien het niet mogelijk bleek om een offerte op te stellen die voor beide partijen geen onduidelijkheden meer bevatte, heeft BuildDesk voorgesteld om eerst een uitgebreide technische analyse te maken. Deze technische analyse, die in januari 2012 zal afgerond zijn, zal een beschrijving bevatten van de basisfunctionaliteiten en van mogelijke optionele functionaliteiten samen met per onderdeel een begroting van de ontwikkelingskost. Op basis van deze technische analyse zou het VEA dan in staat moeten zijn om een onderbouwde beslissing te nemen inzake de gewenste functionaliteiten.
Planning 2012 Het vastleggen van de functionaliteiten, het ontwikkelen en testen van de berekeningsmethodiek, het concreet uitwerken van de softwarefunctionaliteiten, de effectieve ontwikkeling van de maatwerkadviesmodule en de opleidingen voor de lesgevers staan in 2012 op het programma.
Budget 2012 Ontwikkeling van maatwerkadviesmodule, geïntegreerd in de certificatiesoftware voor bestaande residentiële gebouwen (250.000 euro)
19
5.1.7. Het VEA zal een ontwerp van besluit voorbereiden over de stroomlijning van de erkenningsregelingen voor de energiedeskundigen type A en type B • Prestatie-indicator: Beschikbaarheid ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering • Prestatienorm: Het ontwerp van besluit wordt uiterlijk op 31 juli 2012 aan de minister bezorgd Het concrete actiepunt dat het VEA in 2012 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD is het volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Stakeholderoverleg over voorstel voor Beschikbaarheid versie ontwerp van gestroomlijnde erkenningsregeling besluit na stakeholderoverleg
Prestatienorm Uiterlijk 30 juni 2012
Kader en stand van zaken Momenteel zijn er teveel verschillende types van erkende deskundigen en daaraan gekoppelde opleidingen. Dit maakt het niet eenvoudig om de opleidingen inhoudelijk op elkaar af te stemmen. Bovendien is dit weinig transparant naar de burger toe. Doelstelling is om tot een rationalisatie te komen van het aantal energiedeskundigen. In eerste instantie wordt hierbij gedacht aan twee grote groepen: erkende energiedeskundigen voor bestaande residentiële gebouwen en erkende energiedeskundigen voor bestaande niet-residentiële gebouwen.
Planning 2012 Het regelgevend kader voor de stroomlijning van de erkenningsregeling voor energiedeskundigen type A en B zal worden uitgewerkt. Hierbij zal bijzondere aandacht worden besteed aan kwaliteitsgaranties, zoals het regelmatig volgen van een verplichte bijscholing om de erkenning te kunnen behouden (zie ook punt OOD 5.1.21 in verband met het globale actieplan kwaliteitsborging opleiding energiedeskundigen) De effectieve invoering van één type energiedeskundige voor bestaande residentiële gebouwen kan pas gebeuren als de maatwerkadviesmodule geïntegreerd werd in de bestaande certificatiesoftware.
5.1.8. Het VEA wil meewerken aan de uitwerking van een geïntegreerde berekeningsmethode voor de energieprestaties van gebouwen • Prestatie-indicator: Beschikbaarheid uitvoeringsplan om, bij voorkeur samen met de andere gewesten, een geïntegreerde berekeningsmethode voor de energieprestaties van gebouwen uit te werken • Prestatienorm: Het uitvoeringsplan wordt uiterlijk op 31 juli 2011 aan de minister bezorgd Het concrete actiepunt dat het VEA in 2012 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD is het volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Opmaak nota met stand van zaken Beschikbaarheid nota stroomlijning berekeningsmethodiek voor niet-residentiële gebouwen op basis van lopende studies
Prestatienorm Uiterlijk 31 juli 2012
Kader en stand van zaken Een visiegroep binnen het VEA heeft de verschillen tussen de diverse methodes geïnventariseerd en de mogelijk pistes voor de aanpak van het integratieproject uitgewerkt. De visiegroep heeft vervolgens een plan van aanpak voor het integratieproject opgesteld.
20
Dit plan van aanpak houdt in dat de twee projecten ‘EPC niet-residentieel’ (bestaande bouw) en ‘studie andere specifieke bestemmingen’ (nieuwbouw) parallel opgevolgd worden en zoveel mogelijk op elkaar afgestemd worden om tot een geïntegreerde methode te komen voor niet-residentiële nieuwe en bestaande gebouwen. Naast de berekeningsmethodiek is het ook nodig om de bestemmingen (functies) en het indelen van complexe gebouwen af te stemmen. Op basis van de ervaring met nietresidentiële gebouwen kan nadien beslist worden om voor residentiële gebouwen een gelijkaardige piste te volgen. Het project ‘EPC niet-residentieel’ en de studie ‘andere specifieke bestemmingen’ werden in juni 2011 opgestart.
Planning 2012 Het VEA zal in 2012 verder het project ‘EPC niet-residentieel’ en de studie ‘andere specifieke bestemmingen’ opvolgen en op elkaar afstemmen. De studie ‘andere specifieke bestemmingen’ zal naar verwachting eind februari 2012 afgerond worden. Hieruit wordt input gegeven naar het project ‘EPC niet-residentieel’. Halfweg 2012 zal worden geëvalueerd hoe de afstemming voor de bepaling van de berekeningsmethodiek voor niet-residentiële gebouwen verloopt. Op dat moment zal ook de mogelijke aanpak en timing voor de afstemming van de berekeningsmethode voor nieuwe en bestaande residentiële gebouwen worden geanalyseerd. Tot slot zal ook bekeken worden in welke mate er een samenwerkingsovereenkomst mogelijk is met de drie gewesten voor het verder uitwerken van de geïntegreerde methodes.
5.1.9. Het VEA wil ter ondersteuning van de implementatie van de verstrengde energieprestatieregelgeving een EPB-software van de tweede generatie ter beschikking stellen van verslaggevers en architecten • Prestatie-indicator: Release van de EPB-software van de tweede generatie • Prestatienorm: Release uiterlijk op 31 december 2012 Het concrete actiepunt dat het VEA in 2012 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD is het volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Release van Altransoftware aangepast aan Vlaamse context
Beschikbaarheid van de release
Uiterlijk 31 december 2012
Kader en stand van zaken De tweede evaluatie van de energieprestatieregelgeving door het VEA toonde aan dat de EPB-software een heikel punt blijft. De andere gewesten hebben door het bedrijf Altran een alternatieve software laten ontwikkelen die eind april 2010 officieel werd uitgebracht. De Altransoftware is duidelijk een EPB-software van een nieuwe generatie. De gebruiksvriendelijkheid en visuele mogelijkheden liggen een stuk hoger en het ontwikkelen van nieuwe functionaliteiten zou een stuk vlotter verlopen dan in de organisch gestructureerde Vlaamse EPB-software. De onderhandelingen met de andere gewesten betreffende het verkrijgen van een gebruiks- en aanpassingrecht op de Altransoftware, werden in mei 2010 opgestart. De onderhandelingen over de samenwerkingsovereenkomst zijn nog lopende. De samenwerkingsovereenkomst vereist een goedkeuring van de Vlaamse Regering.
21
Planning 2012 Van zodra de samenwerkingsovereenkomst door de 3 gewesten is ondertekend, zal de analyse- en ontwikkelingsopdracht voor aanpassingen aan de Vlaamse context worden aanbesteed. Een eerste release tegen eind 2012 wordt nagestreefd maar de realisatie van deze doelstelling is zeer twijfelachtig.
Budget 2012 Analyse aanpassingen Altransoftware aan Vlaamse context (75.000 euro) Uitvoeren van vereiste aanpassingen Altransoftware aan Vlaamse context (500.000 euro) Aanpassingen energieprestatiedatabank voor uitwisselen bestanden met Altransoftware (25.000 euro)
5.1.10. Het VEA zal de lopende energiebeleidsovereenkomsten evalueren en het overleg over de opmaak van een of meer nieuwe overeenkomsten coördineren en ondersteunen • Prestatie-indicator: Beschikbaarheid ontwerpnota aan de regering over de voortzetting van de aflopende energiebeleidsovereenkomsten • Prestatienorm: Ontwerpnota aan de regering wordt uiterlijk op 31 december 2011 aan de minister bezorgd
Kader en stand van zaken Het benchmarking- en auditconvenant lopen af eind 2012, respectievelijk 2013. In 2010 is door het VEA een discussietekst opgesteld voor het overleg met de betrokken partijen over de verderzetting van de energiebeleidsovereenkomsten. Daarin worden door het agentschap volgende aandachtspunten benadrukt: • de Europese organisatie van de CO2-emissiehandel na 2012, stelt een nieuwe context, waarbinnen de energiebeleidsovereenkomsten een meerwaarde moeten bieden. Dit kan door de convenanten te gebruiken om het energie-efficiëntiepotentieel dat het emissiehandelssysteem niet uitput toch aan te boren; • op 22 juni 2011 publiceerde de Europese Commissie een voorstel voor een nieuwe richtlijn over energie-efficiëntie teneinde de Europese doelstelling te kunnen realiseren om tegen 2020 20% energie te besparen (zie punt 5.1.1). Energiebeheerssystemen en audits zijn enkele van de maatregelen. Audits worden verplicht voor grote bedrijven. • er kan worden gesteld dat de convenanten een zeer efficiënt beleidsinstrument zijn: 92% van het Vlaams industrieel energieverbruik wordt gevat via een overeenkomst met 400 bedrijven. Het wordt niet opportuun geacht om de ondergrens van 0,1 PJ verder naar beneden te halen; • bij de voortzetting van de convenanten zal er over gewaakt moeten worden dat niet alleen de doelstelling duidelijk kwantificeerbaar is, maar dat ook de meerwaarde van het convenant ten opzichte van een ‘business as usual’-scenario bepaald kan worden; • een verschil in behandeling van gelijkaardige bedrijven die een convenant onderschrijven, moet worden vermeden; • er moet worden onderzocht of de huidige tegenprestaties kunnen worden gegarandeerd over de looptijd van het nieuwe convenant. Er dient tevens onderzocht te worden of er geen bijkomende tegenprestaties met voldoende financiële aantrekkingskracht kunnen gevonden worden waarvan de bevoegdheid volledig op het Vlaamse niveau ligt. Bij de uitwerking van het concept voor het nieuwe convenant is in het beslissingstraject een belangrijke vertraging opgetreden. Het overleg met de sectorvertegenwoordigers (zetelende leden uit Auditcommissie en Commissie Benchmarking) is opgestart in oktober 2011. De politieke standpuntbepaling omtrent de verlenging van de convenanten werd voorbereid. Eind 2011 was een conceptnota voor het verlengde convenant beschikbaar waarin de doelgroep, het engagement en de tegenprestaties beschreven staan.
22
Planning 2012 In hoeverre het VEA een coördinerende rol bij het implementeren van het verlengde convenant zal moeten opnemen, is nog niet volledig duidelijk en zal moeten blijken uit de politieke standpuntbepaling. Waarschijnlijk zal begin 2012 de formele goedkeuringsprocedure worden opgestart. Naar verwachting zal halfweg 2012 het nieuwe convenant definitief kunnen worden goedgekeurd, waarna de bedrijven zullen kunnen toetreden. Als startdatum voor het nieuwe convenant wordt nog steeds 1 januari 2013 gehanteerd.
5.1.11. Het VEA zal met het oog op een beperking van administratieve lasten van de EPB-regelgeving een interactieve ICT-frontoffice exploiteren, ter ondersteuning van externen, bij de toepassing van de EPB-regelgeving en die tijdig aanpassen aan wijzigende wetgeving • Prestatie-indicator: Waardering van verslaggevers en gemeentebesturen voor de beperking van de administratieve lasten van de EPB-regelgeving door de uitbouw van een interactieve ICT-frontoffice • Prestatienorm: De waardering ligt eind 2014 hoger dan in 2011 Het concrete actiepunt dat het VEA in 2012 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD is het volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Optimalisatie van de energieprestatiedatabank om de gebruiksvriendelijkheid te verhogen
Analyse en ontwikkeling van de ener- Release op uiterlijk 31 december 2012 gieprestatiedatabank met aangepaste functionaliteiten
Prestatienorm
Kader en stand van zaken In het kader van de energieprestatieregelgeving moeten vanaf 2006 tijdens het bouwproces bepaalde administratieve formaliteiten vervuld worden door gemeenten en EPB-verslaggevers. Hiervoor werd, in uitvoering van de beslissing van de Vlaamse Regering van 11 maart 2005, de energieprestatiedatabank ontwikkeld om alle gegevens elektronisch te laten doorsturen en centraal bij het VEA te beheren. Iedere gemeente staat in voor het elektronisch verzenden van haar vergunningengegevens. De verslaggever staat in voor het elektronisch indienen van de startverklaring en de EPB-aangifte bij het VEA. Voor het gedeelte EPB (nieuwbouw & verbouwingen) zijn er 3 documenten die ingegeven worden in het systeem en die samen een dossier moeten vormen. • De stedenbouwkundige vergunning en melding, aangeleverd in XML-formaat door de gemeenten. • De startverklaring met voorafberekening, ingegeven door de EPB-verslaggever als verklaring van de start van de werkzaamheden. • De EPB-aangifte, ingegeven door de verslaggever als aangifte van de uitgevoerde werken en de behaalde prestaties op vlak van de energieprestatie en het binnenklimaat (EPB). Deze drie documenten worden momenteel onafhankelijk van elkaar en afzonderlijk naar de energieprestatiedatabank verzonden. Het systeem maakt dossiers aan op basis van de documenten en hangt het document aan het dossier. Bij dit principe stelt zich echter het probleem dat deze 3 documenten niet altijd aan elkaar en aan één dossier gekoppeld zijn. Elk klein verschil in de schrijfwijze van het energieprestatiedossiernummer, dat uniek is per dossier, zorgt ervoor dat een verschillend dossier wordt aangemaakt en dat de documenten niet juist gekoppeld worden. Om dit probleem in de toekomst te vermijden, dient er een manier gevonden te worden om deze 3 types documenten die bij 1 dossier horen, effectief zoveel mogelijk samen te brengen.
23
Om de correcte koppeling tussen de vergunning enerzijds en de startverklaring en de EPB-aangifte anderzijds te garanderen en om de verslaggever een meer gebruiksvriendelijke applicatie aan te bieden waaraan minder administratieve lasten voor het indienen van de documenten verbonden zijn, moet voor de frontoffice de komende jaren een redesignproject worden uitgevoerd. De analysefase is reeds uitgevoerd. In 2011 werd een nulmeting uitgevoerd inzake de waardering van verslaggevers en gemeentebesturen met betrekking tot administratieve lasten en de frontoffice-applicatie. De enquête werd eind september 2011 beëindigd. De resultaten van dit tevredenheidsonderzoek werden aan het VEA voorgesteld op 14 oktober 2011. Op basis van de voornaamste resultaten van deze nulmeting werd een werkplan opgesteld met de voornaamste aanpassingen die de tevredenheid omtrent het gebruik van de energieprestatiedatabank moeten verhogen.
Planning 2012 In 2012 wordt de analyse en de effectieve ontwikkeling van een eerste deel van dit redesignproject van de frontoffice ingepland, rekening houdend met de beschikbare middelen.
Budget 2012 Ontwikkeling van redesign voor EPB-frontoffice (te koppelen aan ontwikkeling nodig voor uitbouw als authentieke gegevensbron) (100.000 euro) Logging raadplegingen energieprestatiedatabank ten behoeve van de privacycommissie (50.000 euro)
5.1.12. Het VEA zal met het oog op een beperking van administratieve lasten van de EPC-regelgeving een interactieve ICT-frontoffice exploiteren, ter ondersteuning van externen, bij de toepassing van de EPC-regelgeving en die tijdig aanpassen aan wijzigende wetgeving • Prestatie-indicator: Waardering van energiedeskundigen voor de gebruiksvriendelijkheid van een interactieve ICT-frontoffice • Prestatienorm: De waardering ligt eind 2014 hoger dan in 2011 Het concrete actiepunt dat het VEA in 2012 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD is het volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Opmaak werkplan 2012-2014, incl. budgettaire planning, voor optimalisering frontoffice
Beschikbaarheid werkplan
Werkplan is beschikbaar uiterlijk eind juni 2012
Kader en stand van zaken Vanaf 2007 is de ontwikkeling gestart om de energieprestatiedatabank ook uit te bouwen als centraal systeem en databank voor de implementatie van de energieprestatiecertificatensystemen. Het systeem met de bijhorende databank is momenteel aldus functioneel opgesplitst in 3 grote groepen: • Nieuwbouw & verbouwingen: EPB-eisen bij vergunningsplichtige werken; • EPC (energieprestatiecertificaat) publieke gebouwen; • EPC verhuur- en verkoop van residentiële gebouwen. In 2011 werd een nulmeting uitgevoerd inzake de waardering van energiedeskundigen met betrekking tot administratieve lasten en de frontoffice-applicatie. De enquête werd midden november 2011 beëindigd.
24
Planning 2012 De resultaten van het tevredenheidsonderzoek zullen in het voorjaar van 2012 bekend zijn. Op basis van de voornaamste resultaten van deze nulmeting zal een werkplan worden opgesteld met de voornaamste aanpassingen die de tevredenheid over het gebruik van de energieprestatiedatabank moeten verhogen.
5.1.13. Het VEA zal de energieprestatieregelgeving handhaven op het vlak van de tijdige indiening van de startverklaring en de EPB-aangifte • Prestatie-indicator: Aantal gemeenten waar controle wordt uitgevoerd • Prestatienorm: In de periode 2011-2015 zijn in alle gemeenten controles uitgevoerd De concrete actiepunten die het VEA in 2012 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD zijn de volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Het VEA zal in minstens 1/5 van de ge- Aantal gemeenten meenten een herinnering of aanmaning wordt uitgevoerd sturen voor elke bouwplaats die langer dan twee jaar voordien opgestart werd en waarvoor de EPB-aangifte nog ontbreekt Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatienorm waarin
Prestatie-indicator
Het VEA zal in minstens 1/5 van de ge- Aantal gemeenten meenten een herinnering of aanmaning wordt uitgevoerd. sturen voor elke nieuwbouw en elke uitbreiding waarvoor 8 maand na het verlenen van de vergunning, geen startverklaring werd ingediend.
controle 62 gemeenten
Prestatienorm waarin
controle 62 gemeenten
Kader en stand van zaken In de herziene Europese richtlijn betreffende de energieprestatie van gebouwen wordt het belang van handhaving onderstreept. De lidstaten moeten regels vaststellen en toepassen die gelden voor inbreuken op de regelgeving. De cijfers van het aantal ingediende documenten in de energieprestatiedatabank tonen aan dat voor een groot aantal bouwprojecten de procedurevereisten van de energieprestatieregelgeving worden nageleefd. Het aantal ingediende startverklaringen is aan het stabiliseren (2008: 24.760 ; 2009: 25.033 ; 2010: 27.072 ; schatting 2011: 27.500). Het aantal werven dat opgestart wordt zonder een startverklaring in te dienen, blijft stabiel. Het VEA zal in 2012 de dossiers waarvoor geen startverklaring wordt ingediend, blijven opvolgen. Wanneer 8 maand na het verlenen van de vergunning geen startverklaring is ingediend, zal het VEA een herinnering sturen. Het VEA is in 2010 gestart met het versterken van de handhaving op het indienen van de EPB-aangifte. Het VEA stuurde voor heel wat gemeenten herinneringsbrieven voor dossiers die meer dan twee jaar geleden gestart werden en waarvan de EPB-aangifte nog ontbreekt. De bouwplaatsen waarvan uit het antwoord blijkt dat de EPB-aangifte reeds moest ingediend zijn of waarvoor niet gereageerd wordt, zullen verder gecontroleerd worden. Desgevallend zullen nog een formele aanmaning en een uitnodiging voor een hoorzitting volgen. Uiteindelijk kan deze procedure dan uitmonden in het vestigen van een administratieve geldboete. De impact van deze versterkte handhaving op het effectief indienen van de EPB-aangifte is aanzienlijk. Het aantal ingediende EPB-aangiften is sterk gestegen (2009: 21.164 ; 2010: 30.327 ; eerste 9 maanden 2011: 25.956).
25
Planning 2012 De vanaf 2010 versterkte handhaving wordt doorgetrokken naar 2012.
5.1.14. Het VEA zal de energieprestatieregelgeving handhaven op het vlak van het voldoen aan de EPB-eisen • Prestatie-indicator: Aantal dossiers waarvoor een eerste kennisgeving van de boeteberekening op basis van de ingediende EPB-aangifte wordt verstuurd • Prestatienorm: Jaarlijks worden 500 kennisgevingsbrieven verstuurd Het concrete actiepunt dat het VEA in 2012 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD is het volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
In uitvoering van de beslissing van de Vlaamse Regering van 17 december 2010 de handhaving op vlak van het voldoen aan de EPB-eisen versterken
Aantal dossiers waarvoor een eerste ken- In 2012 worden 3000 kennisgevingsbrienisgeving van de boeteberekening op ven verstuurd basis van de ingediende EPB-aangifte wordt verstuurd
Kader en stand van zaken Aan ongeveer 6% van het aantal op heden ingediende EPB-aangiften moet een boete van meer dan 250 euro worden opgelegd. In 2008 werd gestart met het opleggen van een administratieve geldboete aan gebouwen die niet voldoen aan de EPB-eisen. In 2008 werden 227 dossiers behandeld. In 2009 was dit aantal gestegen tot 471 dossiers en in 2010 zijn eveneens een 500-tal dossiers behandeld. Dankzij de uitbreiding van het personeelsbestand zullen in 2011 ongeveer 2000 dossiers kunnen worden behandeld. Eind 2010 wacht nog ongeveer 2600 dossiers op behandeling. Eind 2011 zal dit aantal zijn gedaald tot ongeveer 2200.
Planning 2012 Met de goedgekeurde personeelsuitbreiding zal het VEA in 2012 3000 dossiers kunnen behandelen.
5.1.15. Het VEA zal de energieprestatieregelgeving handhaven op het vlak van waarheidsgetrouwe rapportering van de energieprestaties door de EPB-verslaggever • Prestatie-indicator: Aantal EPB-aangiften waarbij de geldigheid van de inputgegevens wordt gecontroleerd (deskaudit) • Prestatienorm: Jaarlijks worden 100 EPB-aangiften gecontroleerd op geldigheid van de inputgegevens • Prestatie-indicator: Aantal volledig gecontroleerde EPB-aangiften, waarbij naast de geldigheid van de inputgegevens ook de overeenstemming tussen de in de aangifte vermelde specificaties en het gebouw as-build met een plaatsbezoek wordt nagegaan (in-situ-audit) • Prestatienorm: Jaarlijks worden 20 EPB-aangiften gecontroleerd via een bezoek ter plaatse Het concrete actiepunt dat het VEA in 2012 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD is het volgende:
26
Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
In uitvoering van de beslissing van de Vlaamse Regering van 17 december 2010 de handhaving op de waarheidsgetrouwe rapportering van de energieprestaties door de EPB-verslaggever versterken
Aantal dossiers waarvoor een eerste ken- In 2012 wordt aan 210 verslaggevers een nisgeving van het resultaat van de waar- kennisgeving verstuurd heidsgetrouwheidscontrole uitgevoerd na vaststellingen ter plaatse of bij vermoeden van niet correcte rapportering aan de verslaggever worden verstuurd
Kader en stand van zaken In de herziene Europese richtlijn betreffende de energieprestatie van gebouwen wordt het belang van handhaving en kwaliteitscontrole onderstreept. Jaarlijks moet een kwaliteitscontrole uitgevoerd worden op een statistisch relevante steekproef van het totale aantal energieprestatiecertificaten bouw. Het VEA voert verschillende types controles uit op de kwaliteit van de EPB-aangifte en het energieprestatiecertificaat bouw: • Controles zonder plaatsbezoek: bij dat type controle gaat een controle-ambtenaar na of er geen fouten werden gemaakt in de invoergegevens bij het opstellen van de EPB-aangifte. Controles zonder plaatsbezoek worden systematisch uitgevoerd, bijvoorbeeld op alle dossiers die in aanmerking komen voor de verlaging van de onroerende voorheffing (≤ E60). • Controles met plaatsbezoek: de controle-ambtenaar stelt in het gebouw, tijdens of na de uitvoering, vast welke installaties en materialen gebruikt worden. Controles met plaatsbezoek worden steekproefsgewijs uitgevoerd bij grote verslaggevers of naar aanleiding van klachten. Voor controles zonder plaatsbezoek waar problemen vastgesteld worden en voor elke controle met plaatsbezoek, worden stavingstukken opgevraagd aan de verslaggever. Wanneer de EPB-aangifte is ingediend, worden alle vaststellingen vergeleken met de ingevoerde gegevens en de stavingsstukken. Wanneer de gedetecteerde fouten aanleiding geven tot een slechter resultaat dan in de EPB-aangifte gerapporteerd, geeft dit aanleiding tot een administratieve boete. Bij de dossiers die uitgebreid werden gecontroleerd met een plaatsbezoek, stelt het VEA, naast fouten op het vlak van het correct invoeren van gegevens of verkeerde berekening van volumes en oppervlakten, ook regelmatig vast dat de verslaggevers rapporteren dat het gebouw aan de EPB-eisen voldoet, terwijl dat in realiteit niet zo is. Bij het uitvoeren van de controle is het niet mogelijk om vast te stellen of de verslaggever de fout met opzet, uit vergetelheid of onkunde maakte. Eenzelfde fout kan de ene verslaggever bij gebrek aan kennis maken, terwijl de kans bestaat dat een andere verslaggever er bewust verkeerd over rapporteert (eventueel onder druk van de aangifteplichtige) zodat het gebouw beter scoort om bijvoorbeeld te voldoen aan premievoorwaarden of aan de EPB-eisen. Gezien de frequentie van bepaalde fouten, vermoedt het VEA dat de verslaggevers ze maken wegens onvoldoende kennis van de berekeningsmethodiek. In 2010 werd voor 39 verslaggevers de handhavingsprocedure opgestart. Dankzij de personeelsuitbreiding kon in 2011 voor 100 verslaggevers de handhavingsprocedure worden opgestart.
Planning 2012 De monitoring van de ingediende EPB-aangiften zal in 2012 op kruissnelheid komen zodat er een grotere kans is dat de verslaggevers die verkeerd rapporteren over de as-build situatie, worden gedetecteerd. Daarnaast is het nodig dat de verslaggever en de ontwerper hun kennisniveau verhogen zodat het aantal fouten wegens onvoldoende kennis van de methode daalt.
27
5.1.16. Het VEA zal het energieprestatiecertificatensysteem voor bestaande woongebouwen handhaven • Prestatie-indicator: Aantal gecontroleerde gebouwen op aanwezigheid van het EPC • Prestatienorm: Jaarlijks worden 3000 woongebouwen die te koop of te huur worden aangeboden, gecontroleerd op de aanwezigheid van het EPC • Prestatie-indicator: Aantal kwaliteitscontroles op basis van een plaatsbezoek • Prestatienorm: Jaarlijks wordt de kwaliteit van het EPC voor 12 gebouwen ter plaatse gecontroleerd • Prestatie-indicator: Aantal kwaliteitscontroles via deskaudit • Prestatienorm: Jaarlijks worden 600 kwaliteitscontroles uitgevoerd via deskaudit De concrete actiepunten die het VEA in 2012 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD zijn de volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Opvoeren aantal kwaliteitscontroles via deskaudit boven prestatienorm beheersovereenkomst
Aantal kwaliteitscontroles via deskaudit
800 deskaudits
Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Controles uitvoeren inzake (correcte) Aantal controles op correcte vermelding 2000 controles op correcte vermelding vermelding kengetal EPC voor residenti- kengetal op commerciële publiciteit kengetal op commerciële publiciteit ële gebouwen op commerciële publiciteit bij verkoop en verhuur van residentiële gebouwen
Kader en stand van zaken Eind 2011 werden al ongeveer 420.000 energieprestatiecertificaten voor bestaande woongebouwen opgemaakt. Er waren bijna 4900 energiedeskundigen type A erkend voor de opmaak van een certificaat, waarvan ongeveer 80% minimum 1 energieprestatiecertificaat heeft ingediend. In 2009 werden de controles op de aanwezigheid van de energieprestatiecertificaten voor bestaande residentiële gebouwen opgestart. Er werden 2017 controles uitgevoerd. In 2010 werden ongeveer 3000 controles uitgevoerd en in 2011 bijna 5000. De communicatie en controles werpen duidelijk hun vruchten af. In 2010 beschikte bijna 68% van de verkopers en verhuurders bij een initiële controle over een EPC. In 2011 was dit percentage verder opgelopen tot ongeveer 81%. Omdat vastgesteld werd dat de kwaliteit van de certificaten nog vaak niet voldoet, werden in 2011 de steekproefsgewijze kwaliteitscontroles opgevoerd. Er werden 693 woningen gecontroleerd, waarvan de EPC’s werden opgemaakt door 270 energiedeskundigen. Per energiedeskundige worden meerdere woonheden (meestal 3) gecontroleerd om zeker te zijn dat de gemaakte fouten en gevonden onregelmatigheden niet eerder toevallig zijn. In geval twijfelachtige invoergegevens worden vastgesteld, worden stavingsstukken en plannen opgevraagd. Als uit de ingediende argumentatie niet kan besloten worden dat het een correct invoergegeven betreft, dan worden de handhavingsprocedures opgestart. Afhankelijk van de grootte van de fout(en) loopt de energiedeskundige het risico op een boete of op een schorsing van de erkenning. Vooraleer er effectief een boete wordt opgelegd of een erkenning wordt geschorst, wordt de energiedeskundige uitgenodigd op een hoorzitting om zijn tegenargumenten te geven. Naast controles zonder plaatsbezoek, worden in een beperkt aantal gevallen ook controles met een plaatsbezoek uitgevoerd. Hierbij wordt een volledige visuele inspectie van het gebouw uitgevoerd en wordt nagegaan of de gerapporteerde vaststellingen overeenstemmen met de vaststellingen van de controleambtenaar. De controles met plaatsbezoek worden voornamelijk uitgevoerd bij klachten. Uit de kwaliteitscontroles blijkt dat het aantal certificaten waarbij fouten worden gemaakt of twijfelachtige gegevens worden ingevoerd, daalt maar toch nog steeds vrij hoog ligt. Een verscherpte controle dringt zich bijgevolg op.
28
Planning 2012 In 2012 zullen opnieuw minstens 3000 woningen die te koop of te huur worden aangeboden, gecontroleerd worden op de aanwezigheid van het EPC. Bovendien geldt vanaf 1 januari 2012 de verplichting om het kengetal van het EPC te vermelden in alle commerciële publiciteit van woningen die te koop of te huur worden aangeboden. Deze verplichting vergemakkelijkt de controles en responsabiliseert tussenpersonen als immomakelaars en notarissen. Het VEA zal bij minstens 2000 woningen controleren of het kengetal (correct) vermeld werd in de commerciële publiciteit. De controleambtenaren van het VEA zullen bovendien 800 certificaten voor bestaande woongebouwen steekproefsgewijs controleren op foutieve invoergegevens en onregelmatigheden. Het VEA zal ook strenger optreden tegen energiedeskundigen die fouten maken. Energiedeskundigen zullen beboet worden vanaf het moment dat één fout wordt vastgesteld in een EPC. Momenteel krijgen energiedeskundigen bij wie slechts één fout wordt vastgesteld enkel een waarschuwingsbrief. Aan energiedeskundigen die meerdere fouten maken of die ook bij volgende controles fouten blijven maken, zullen fors hogere boetes worden opgelegd en/of de erkenning zal sneller geschorst worden. Energiedeskundigen die een boete krijgen omwille van een foutief opgemaakt EPC, moeten op eigen kosten een aangepast EPC opstellen. Tot slot zullen energiedeskundigen die geschorst worden, verplicht worden om een nieuwe opleiding te volgen. De opheffing van de schorsing zal worden gekoppeld aan het volgen van de opleiding en het slagen in een examen.
Budget 2012 Ontwikkeling backoffice voor het automatiseren en beheren van de kwaliteitscontroles via deskaudits (150.000 euro).
5.1.17. Het VEA zal het energieprestatiecertificatensysteem voor publieke gebouwen handhaven • Prestatie-indicator: Aantal gecontroleerde doelgroepen • Prestatienorm: Tegen eind 2015 zijn de volgende doelgroepen gecontroleerd: overheden, onderwijsinstellingen en welzijns- of gezondheidsvoorzieningen • Prestatie-indicator: Aantal kwaliteitscontroles op basis van een plaatsbezoek • Prestatienorm: Jaarlijks wordt voor 10 gebruikers de kwaliteit van het EPC ter plaatse gecontroleerd • Prestatie-indicator: Aantal kwaliteitscontroles via deskaudit • Prestatienorm: Jaarlijks worden 30 kwaliteitscontroles uitgevoerd via deskaudit Het concrete actiepunt dat het VEA in 2012 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD is het volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Uitvoeren van controles op de aanwezigheid van het energieprestatiecertificaat (EPC) voor publieke gebouwen bij verschillende publieke organisaties
Totaal aantal controles die op aanwezigheid van het certificaat voor publieke gebouwen werden uitgevoerd bij verschillende publieke organisaties
In 2012 zijn er controles uitgevoerd voor: - 35 gemeenten - 60 lagere en secundaire scholen - 25 welzijns- en gezondheidsinstellingen
Kader en stand van zaken In 2011 beschikten ongeveer 6200 publieke gebouwen over een EPC. Opgesplitst naar de verschillende categorieën geeft dit het volgende resultaat: • onderwijs: ongeveer 47%; • welzijn- of gezondheidsvoorzieningen: ongeveer 16%; • administratie: ongeveer 14%; • cultuur: ongeveer 10%;
29
• sport: ongeveer 9%; • openbare diensten (luchthaven, postkantoor, stationsgebouw): ongeveer 2% • politie en gerecht: ongeveer 2%. Er zijn ongeveer 2100 energiedeskundigen voor publieke gebouwen geregistreerd op de energieprestatiedatabank, waarvan 1250 als energiedeskundige type C en ongeveer 850 als interne energiedeskundige. Er werden tot eind 2011 nog geen administratieve geldboetes opgelegd voor het niet (tijdig) beschikken over een EPC publieke gebouwen. In 2011 werd gestart met de kwaliteitscontroles op het EPC publieke gebouwen. Van 6 interne en van 6 energiedeskundigen type C werden telkens zes certificaten gecontroleerd via deskaudit.
Planning 2012 Voor publieke gebouwen zullen de verschillende doelgroepen verder worden gecontroleerd. Naast de kwaliteitscontroles via deskaudit, zullen in 2012 eveneens de kwaliteitscontroles ter plaatse worden opgestart.
5.1.18. Het VEA zal de energieprestatieregelgeving inzake de energieprestaties van nieuwe en vernieuwde gebouwen evalueren • Prestatie-indicator: Beschikbaarheid evaluatierapport • Prestatienorm: Beschikbaar binnen de termijn die door het EPB-decreet is vastgelegd Het concrete actiepunt dat het VEA in 2012 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD is het volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Stakeholderoverleg over het ontwerp Versie evaluatierapport na stakeholder- Uiterlijk 31 december 2012 van evaluatierapport overleg
Kader en stand van zaken Artikel 11.1.6 van het Energiedecreet bepaalt dat de Vlaamse Regering minstens om de twee jaar de berekeningsmethode van de energieprestaties van gebouwen, de te volgen procedures, de EPB-eisen en de administratieve lasten van de regelgeving evalueert en in voorkomend geval aanpast. Deze termijn werd, wat betreft de te volgen procedures en de administratieve lasten van de regelgeving, door het decreet van 18 november 2011 naar 4 jaar gebracht.
Planning 2012 In 2012 zal het VEA zowel de EPB-eisen als de berekeningsmethode evalueren. De evaluatie van de EPBeisen zal gebaseerd worden op de studie rond het kostenoptimale eisenniveau en op de studie rond de systeemeisen voor technische bouwsystemen. Voor de evaluatie van de berekeningsmethode zal begin 2012 een stakeholdersbevraging opgestart worden. Via de stakeholdersbevraging beoogt het VEA een geprioriteerd overzicht van de meest kritische te onderzoeken aanpassingen aan de EPB-berekeningsmethodiek te bekomen. Het overzicht zal richtinggevend zijn bij de planning van verdere onderzoeksprojecten die gericht zijn op optimalisatie van de berekeningsmethodiek.
30
De stakeholdersbevraging zal focussen op eventuele structurele tekortkomingen aan de huidige EPBberekeningmethodiek die verhinderen de energieprestaties van de zeer energiezunige gebouwen van de toekomst adequaat te berekenen. De gewenste aanpassingen zullen worden geprioriteerd op basis van een aantal criteria zoals: • impact: relevant voor een grote groep gebouwen of eerder voor een beperkte specifieke groep • impact op de energieprestatie (groot besparingspotentieel - klein besparingspotentieel) • beschikbare onderbouwing • impact op innovatie in de bouwsector
Budget 2012 Externe ondersteuning bij opmaak evaluatierapport (80.000 euro).
5.1.19. Het VEA zal een tweede evaluatie uitvoeren van de energieprestatieregelgeving inzake de energiecertificatie van bestaande gebouwen • Prestatie-indicator: Beschikbaarheid evaluatierapport • Prestatienorm: Het evaluatierapport wordt uiterlijk op 31 december 2013 aan de minister bezorgd Het concrete actiepunt dat het VEA in 2012 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD is het volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Planningsnota voor tweede evaluatie uit Beschikbaarheid planningsnota te voeren in 2013
Prestatienorm Uiterlijk 31 december 2012
Kader en stand van zaken Het VEA heeft de eerste evaluatie van de energieprestatieregelgeving inzake de energiecertificatie van bestaande gebouwen uitgevoerd in 2010. De resultaten zijn verwerkt in een wijzigingsbesluit van het Energiebesluit van 19 november 2010 dat op 20 mei 2011 werd goedgekeurd en in het decreet van 18 november 2011 tot wijziging van het Energiedecreet van 9 mei 2009.
Planning 2012 De voorbereiding van de tweede evaluatie zal vanaf het najaar van 2012 worden opgestart.
5.1.20. Het VEA zal de energieprestatieregelgeving monitoren en de ontwikkelingen analyseren • Prestatie-indicator: Opvolging van een set van kerncijfers, gerelateerd aan de energieprestatieregelgeving (o.a. aantal startverklaringen, EPB-aangiften, energiedeskundigen, certificaten per doelgroep) • Prestatienorm: Trimesteriële publicatie van kerncijfers (op energiesparen.be of in een nieuwsbrief) • Prestatie-indicator: Publicatie van een rapport met een overzicht van een aantal kerncijfers over de energieprestatieregelgeving in het voorgaande jaar met analyses en duiding • Prestatienorm: Tegen 30 april van het jaar N+1
Kader en stand van zaken Inzake (ver)nieuwbouw:
31
Een overzicht van het aantal ingediende startverklaringen en EPB-aangiften per maand wordt per kwartaal gepubliceerd op energiesparen.be. Het overzicht bevat eveneens het aantal actieve verslaggevers. Een rapport met kerncijfers betreffende de energieprestatieregelgeving met analyse en duiding, werd gepubliceerd in april 2011. Het rapport bevat onder andere gemiddelde E- en K-peilen per jaar van aanvragen van de stedenbouwkundige vergunning. Inzake bestaande gebouwen: Voor de regelgeving met betrekking tot het EPC voor residentiële gebouwen en de regelgeving met betrekking tot het EPC voor publieke gebouwen werd een verschillende set van kerncijfers vastgelegd. Deze worden driemaandelijks geactualiseerd en gepubliceerd op www.energiesparen.be Voor het EPC voor residentiële gebouwen worden volgende cijfers trimestrieel gepubliceerd: • het aantal erkende energiedeskundigen type A; • het aantal actieve energiedeskundigen type A; • per gemeente het gemiddeld kengetal en de mediaan per type woning, opgesplitst naar verkoop en verhuur. Voor het EPC voor publieke gebouwen worden volgende cijfers trimestrieel gepubliceerd: • aantal geregistreerde energiedeskundigen, opgesplitst naar interne energiedeskundigen en energiedeskundigen type C; • per provincie het aantal certificaten per maand opgesplitst naar categorie (administratie, onderwijs, sport, welzijn, cultuur, politie en gerecht).
Planning 2012 Het VEA zal het periodiek rapporteren van de cijfergegevens verderzetten.
5.1.21. Het VEA zal een actieplan uitwerken en implementeren voor de kwaliteitsborging van de opleidingen tot energiedeskundige • Prestatie-indicator: Beschikbaarheid actieplan • Prestatienorm: Het actieplan wordt uiterlijk op 31 december 2011 aan de minister bezorgd • Prestatie-indicator: Beschikbaarheid evaluatienota over implementatie actieplan • Prestatienorm: Evaluatienota wordt uiterlijk op 30 juli 2013 aan de minister bezorgd De concrete actiepunten die het VEA in 2012 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD zijn de volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Implementatie centraal examen
Datum eerste centraal examen
Uiterlijk 31 december 2012
Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Organisatie train-de-trainer-opleidingen
Datum eerste train-de-trainer opleiding
Uiterlijk 31 december 2012
Kader en stand van zaken Om meer kwaliteitsgaranties in te bouwen, werd een actieplan uitgewerkt voor de kwaliteitsborging van de opleidingen voor energiedeskundigen. Dit actieplan omvat de aanzet tot uitwerking van acties en de opvolging ervan. In 2011 werden volgende actiepunten ondernomen: • De handhaving op de kwaliteit van de energieprestatiecertificaten werd verstrengd. De energiedeskundigen ontvangen niet langer enkel een waarschuwingsbrief als er fouten worden vastgesteld, maar de handhavingsprocedures worden opgestart vanaf het moment dat twee fouten werden vastgesteld (zie 5.1.16).
32
• Begin 2011 werden vijf informatiesessies georganiseerd om de energiedeskundigen te wijzen op de veelgemaakte fouten bij de opmaak van het EPC voor bestaande residentiële gebouwen en om de verscherpte handhaving op de kwaliteit van de certificaten toe te lichten. Meer dan 1000 energiedeskundigen namen deel aan deze sessies. Deze veelgemaakte fouten werden ook behandeld in een nieuwsbrief. • Het structureel overleg met de opleidingsinstellingen werd begin 2011 opgestart. • In mei 2011 werd een Europese aanbesteding gelanceerd voor het organiseren van een centraal examen voor energiedeskundigen. De toewijzing van de opdracht wordt eind 2011 verwacht. • Bij de energiedeskundigen werd een bevraging gehouden over de kwaliteit en de inhoud van de opleidingen tot energiedeskundige. De bevraging werd midden november 2011 afgerond.
Planning 2012
In 2012 zal de implementatie van een centraal examen worden voorbereid zodat de eerste examens voor het einde van het jaar kunnen plaatsvinden. In de loop van 2012 zal een aangepaste versie van de certificatiesoftware en het inspectieprotocol worden gelanceerd. Samen met de lancering van de aangepaste softwareversie zullen de opleidingen op basis van de bevraging naar energiedeskundigen worden bijgestuurd. Voor de opleidingsinstellingen zullen train-de-trainersessies worden georganiseerd. Voor de bijscholing van de reeds erkende energiedeskundigen zal een samenwerking met de opleidingsinstellingen worden onderzocht.
Budget 2012 Organisatiekosten centraal examen (280.000 euro)
5.1.22. Het VEA zal de aanvragen beoordelen die worden ingediend in het kader van de subsidieregeling voor energieconsulentenprojecten • Prestatie-indicator: Aantal aanvragen, beoordeeld binnen de termijn die daarvoor door de minister is vastgelegd in verhouding tot het aantal te beoordelen aanvragen • Prestatienorm: 100% Het concrete actiepunt dat het VEA in 2012 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD is het volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Opvolgingsrapport
Beschikbaarheid opvolgingsrapport
Uiterlijk 30 juni 2012
Kader en stand van zaken In uitvoering van het Regeerakkoord evalueerde het VEA de in de vorige legislatuur met facultatieve subsidies opgestarte energieconsulentenprojecten. Op basis daarvan werd een semi-gereglementeerde subsidieregeling uitgewerkt (besluit van de Vlaamse Regering van 29 oktober 2010). Het nieuwe kader voorziet in een betere stroomlijning van de projecten, langere financieringstermijnen en betere samenwerking en ervaringsuitwisseling tussen de energieconsulenten Het werken met een projectoproep garandeert betere sturing naar inhoud en aanpak en legt de focus veel meer op het behalen van concrete resultaatsverbintenissen in lijn met de beleidsprioriteiten. Op 1 december 2010 werd een oproep gelanceerd voor het indienen van voorstellen voor de doelgroepen bedrijven (1.325.000 euro), bouwprofessionals (650.000 euro) en huishoudens (1.325.000 euro). Per call werd met de best gerangschikte promotoren op 24 maart 2011 een subsidieovereenkomst gesloten waarin duidelijke resultaatsverbintenissen en rapporteringsvoorwaarden werden opgenomen. Alle projecten hebben een looptijd van drie jaar. Voor de doelgroep bedrijven lopen er bij BB Consult, Unizo en Voka projecten die bedrijven begeleiden bij investeringen in verhoogde energie-efficiëntie.
33
Bouwunie en de Vlaamse architectenorganisatie NAV ondersteunen de bouwprofessionals bij de kwaliteitsvolle implementatie van de Vlaams energieprestatieregelgeving. De Bond Beter Leefmilieu, Samenlevingsopbouw provincie Antwerpen (sociaal kwetsbare doelgroep), Neos (ouderen) en de Gezinsbond informeren, motiveren en begeleiden de Vlaamse gezinnen om mee uitvoering te geven aan het Energierenovatieprogramma 2020. Elk energieconsulentenproject wordt opgevolgd door een begeleidingscomité dat door het VEA is samengesteld.
Planning 2012 Per semester rapporteert elke promotor schriftelijk aan het VEA. Daarbij komt minstens de realisatie van de vastgelegde resultaatsverbintenissen aan bod. Als een project niet op schema zit om de vooropgestelde minimumnormen van één of meerdere resultaatsverbintenissen te realiseren, zal een actieplan moeten worden uitgewerkt voor de bijsturing van het project. De semesteriële rapporteringen en eventuele aanzetten tot bijsturing worden telkens gebundeld in één opvolgingsrapport.
5.1.23. Het VEA zal het Energierenovatieprogramma 2020 uitvoeren en monitoren • Prestatie-indicator: Beschikbaarheid van uitvoerings- en monitoringrapport • Prestatienorm: Het eerste uitvoerings- en monitoringrapport wordt uiterlijk op 31 december 2011 aan de minister bezorgd. Het tweede uitvoerings- en monitoringrapport wordt uiterlijk op 31 december 2013 aan de minister bezorgd. Het derde uitvoerings- en monitoringrapport wordt uiterlijk op 31 december 2015 aan de minister bezorgd. De concrete actiepunten die het VEA in 2012 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD zijn de volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Organiseren van stakeholderoverleg in verband met de concrete gevolgen die werden gegeven aan de aanbevelingen van de stakeholders
Stakeholderoverlegvergaderingen
Twee overlegvergaderingen in 2012
Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Monitoringrapport van implementatie nieuwe energiepremieregeling in kader van REG-ODV
Beschikbaarheid monitoringrapport
Uiterlijk 31 december 2012
Kader en stand van zaken Bevorderen van energiebesparende maatregelen om de energiekosten te beperken bij eigenaars, huurders op de private markt en sociale huurders is een sleutelproject (en tevens vlaggenschipinitiatief) in uitvoering van het Regeerakkoord en ViA, doorbraak Groen en dynamisch stedengewest. De onderliggende projecten hebben een sterke link met de doorbraak Warme samenleving van ViA. Het Energierenovatieprogramma 2020 heeft als doelstelling dat elke Vlaming tegen 2020 een energiezuinige woning heeft die beschikt over minstens verbeterd dubbel glas, een geïsoleerd dak en een energiezuinige verwarmingsinstallatie. Om deze ambitieuze doelstelling waar te maken, is een coherente set van maatregelen nodig. Er werd al een kortetermijnactieplan uitgevoerd, met acties die snel konden worden geïmplementeerd. Dit was belangrijk om te mobiliseren en te tonen dat er concreet werk wordt van gemaakt. Er is een middellange termijnactieplan in uitvoering, nodig om de meer ingrijpende doelgroepgerichte (verhuurders, oudere eigenaars, lagere inkomens) ondersteunende maatregelen uit te werken en te implementeren. Er is ook een langetermijnactieplan nodig om de structurele maatregelen uit te werken die nodig zijn om de doelstellingen afdwingbaar te maken.
34
Het succes van het tot nu toe gevoerde beleid met financiële ondersteuning van diverse doelgroepen, de nadruk op betrokkenheid van belangengroepen en communicatiecampagnes, toont aan dat het belangrijk is de Vlaming te blijven sensibiliseren over het belang van voldoende isolatie en maatregelen in verschillende beleidsvelden op elkaar af te stemmen. Om de doelstelling uit het Pact 2020 met betrekking tot dakisolatie te behalen, is bijkomend beleid noodzakelijk. Om deze redenen werd in 2011 door de minister een Dakisolatieplan voorgesteld. Het plan bevat een geheel aan maatregelen om op vlak van dakisolatie een tandje bij te steken en verschillende maatregelen uit de beleidsvelden Energie en Wonen aan elkaar te linken. Tevens geldt een bijzondere aandacht voor de problematiek van de huurder-verhuurderverhouding. Enkele maatregelen uit het Dakisolatieplan met relevantie voor het Energierenovatieprogramma 2020 zijn: • Een langetermijnperspectief voor eigenaars en huurders: in de Vlaamse Wooncode worden minimale energienormen opgenomen. Tegen 2020 kan een woning alleen nog worden verhuurd als ze beschikt over een voldoende geïsoleerd dak of een geïsoleerde zoldervloer. Het is belangrijk eigenaars van huurwoningen een duidelijk tijdsperspectief te bieden en hen hiervan duidelijk op de hoogte te brengen. • De overheid legt niet enkel verplichtingen op, maar ondersteunt ook eigenaars die hun dak isoleren. • Een pilootproject waarbij een netbeheerder 500-700 huurwoningen van dakisolatie zal voorzien. • De verbetering van de energieperformantie van het sociale huurpatrimonium is een bijzonder grote uitdaging. De beleidsvelden Wonen en Energie zetten hiervoor gecoördineerde acties op. Voor het beleidsveld Energie kan in het bijzonder worden verwezen naar de financiële ondersteuning van energiebesparende investeringen door sociale verhuurkantoren en de acties van de netbeheerders. Voor de uitvoering van de operationele organisatiedoelstellingen inzake sociale energierenovaties wordt verder verwezen naar hoofdstuk 5.3 (bestrijding energiearmoede).
Planning 2012 De grote stijging van het aantal toegekende energiepremies vanaf 2009, laat vermoeden dat er een belangrijke stap is gezet in de richting van de ‘sense of urgency’ die nodig is om de doelstellingen van het Energierenovatieprogramma 2020 te realiseren. In 2011 werden de bestaande premies geëvalueerd en gestroomlijnd, wat uitmondde in het besluit van de Vlaamse Regering van 23 september 2011 dat vanaf 1 januari 2012 in werking zal treden. Inzake de fiscale uitgaven voor energiebesparing is in het institutioneel akkoord over de zesde staatshervorming opgenomen dat dit een materie wordt waarvoor de gewesten in de toekomst de exclusieve bevoegdheid zullen hebben. Anticiperend op deze overdracht heeft de federale regering eind 2011 beslist om vanaf het inkomstenjaar 2012 de federale belastingvermindering en het belastingkrediet grotendeels af te bouwen. Hierdoor zal de Vlaamse Regering haar ondersteuningskader voor energiebesparende investeringen opnieuw moeten evalueren en, waar nodig, bijsturen. In 2012 wordt er verder stakeholderoverleg gevoerd over de haalbaarheid van meer structurele en dwingende maatregelen. Verplichtingen opleggen voor de bestaande gebouwen is bijzonder complex en niet alle doelgroepen zijn in de mogelijkheid om de nodige investeringen te doen, soms is er zelfs geen technische mogelijkheid. Alle consequenties van dergelijke verplichtingen werden in de loop van 2011 mede met de belangengroepen afgewogen. De uitdaging ligt hier vooral op het creëren van voldoende maatschappelijk draagvlak bij de doelgroep. De aanbevelingen van de stakeholders geven aan dat er een consensus groeit om de conformiteit met de voorgestelde verplichtingen te laten attesteren door het bestaande EPC-instrument, dat hiervoor wel zou moeten worden aangepast en vervolgens algemeen verplicht zou moeten worden gesteld In 2011 werd al een eerste concrete stap gezet naar de invoering van concrete verplichtingen in uitvoering van de intentie van de Vlaamse Regering om minimale eisen op het vlak van energieprestaties in de Vlaamse Wooncode op te nemen. Het VEA verzorgde de voorbereidende insteek vanuit het beleidsveld Energie.
35
Budget 2012 Beleidsondersteundend onderzoek in kader van uitwerking structurele maatregelen (120.000 euro). Uitbetaling energiescans (5.627.750 euro). Uitbetaling compenserende vergoedingen aan de netbeheerders voor hun REG-actieverplichtingen (36 miljoen euro, excl. de sociale energierenovaties van punt 5.3). Uitbetaling van uitdovende dakisolatiepremies, zie punt 5.1.27.
5.1.24. Het VEA zal de REG-actieplannen en -rapporten van de elektriciteitsdistributienetbeheerders beoordelen • Prestatie-indicator: Aantal plannen en rapporten die binnen de wettelijk vastgelegde termijn worden beoordeeld in verhouding tot het aantal ingediende plannen en rapporten • Prestatienorm: 100%
Kader en stand van zaken Tot en met 2011 dienden onder deze operationele organisatiedoelstelling en in uitvoering van de toen geldende regelgeving zowel de REG-actieplannen als –rapporten (uitvoering actie- en resultaatsverplichtingen) van de elektriciteitsdistributienetbeheerders te worden beoordeeld door het VEA. Door een wijziging van het regelgevend kader vanaf 1 januari 2012 met een focus eerder op actieverplichtingen dan resultaatsverbintenissen door de netbeheerders, komt deze operationele organisatiedoelstelling uit de beheersovereenkomst deels te vervallen.
Planning 2012 De operationele organisatiedoelstelling krijgt vanaf 2012 een beperkter karakter. Het besluit van de Vlaamse Regering van 23 september 2011 voorziet in de toekomst enkel nog rapportering door de netbeheerders over hun actieverplichtingen (vanaf de actieverplichtingen 2012). Als overgangsmaatregel betreffende de resultaats- en actieverbintenissen 2011, is voorzien dat elke elektriciteitsdistributienetbeheerder voor 1 mei 2012 een REG-rapport voorlegt over de uitvoering van het REG-actieplan van 2011. Het VEA beoordeelt voor 1 oktober 2012 het ingediende REG-rapport en legt vast welke primaire energiebesparingen worden goedgekeurd in het kader van de voor 2011 geldende resultaats- en actieverplichtingen, alsook het al dan niet naleven van de voor 2011 geldende actieverplichtingen. Het VEA is de centrale actor bij de implementatie en monitoring van de regelgeving inzake de REGopenbaredienstverplichtingen. Zie hiervoor de volgende organisatiedoelstelling inzake evaluatie van de REG-openbaredienstverplichtingen (5.1.25) en de organisatiedoelstellingen in verband met de bijdrage aan de beleidsvoorbereiding (5.5).
5.1.25. Het VEA zal een evaluatierapport aan de minister voorleggen over de REG-openbaredienstverplichtingen van de elektriciteitsdistributienetbeheerders • Prestatie-indicator: Beschikbaarheid van evaluatierapport • Prestatienorm: Het evaluatierapport wordt uiterlijk op 31 juli 2015 aan de minister bezorgd
Kader en stand van zaken Door het besluit van de Vlaamse Regering van 23 september 2011 werden de REG-openbaredienstverplichtingen grondig gewijzigd. Er zijn vanaf 2012 geen resultaatgerichte doelstellingen meer, zodat alleen over ondernomen acties moet worden gerapporteerd. Tevens is in de nieuwe regelgeving geen wettelijke evaluatieverplichting meer voorzien.
36
5.1.26. Het VEA zal de premieaanvragen van de sociale verhuurkantoren beoordelen • Prestatie-indicator: Aantal volledige aanvragen beoordeeld binnen een termijn van maximaal 1 maand in verhouding tot het totaal aantal ingediende volledige aanvragen • Prestatienorm: 100%
Kader en stand van zaken Sinds april 2009 loopt een subsidieregeling (10 miljoen euro) die energiebesparende investeringen (dakisolatie, hoogrendementsbeglazing en condensatieketels) in woningen verhuurd door SVK’s voor 100% subsidieert. Medio 2010 werd al duidelijk dat het budget niet zou volstaan voor de 970 woningen die de SVK’s voor eind juni 2010 aanmeldden voor een aan de subsidieaanvraag voorafgaande woningscreening. Daarom voorzag de Vlaamse Regering een bijkomend budget van 2 miljoen euro. Alle woningen waarvoor in de aanloop van de indiening van een subsidieaanvraag een woningonderzoek werd aangevraagd voor 30 juni 2010, komen zo alsnog voor subsidiëring in aanmerking. Via de periodieke nieuwsbrieven die de VOB naar de erkende SVK’s werden verstuurd, werden deze herhaaldelijk aangespoord om zo snel mogelijk de subsidieaanvragen voor gescreende woningen in te dienen.
Planning 2012 De regeling dooft uit van zodra het globale budget is vastgelegd in subsidieovereenkomsten. Vanaf dan valt de behandeling van nieuwe subsidieaanvragen weg. Het VEA zorgt verder voor de behandeling van de aanvragen en de uitbetaling van de subsidie.
5.1.27. Het VEA zal op basis van de lijsten van de netbeheerders de uitbetalingsdossiers voor de Vlaamse dakisolatiepremie opmaken • Prestatie-indicator: Aantal uitbetalingsdossiers opgemaakt binnen 60 werkdagen na ontvangst van de lijst van de netbeheerder in verhouding tot het totaal aantal opgemaakt uitbetalingsdossiers • Prestatienorm: 100%
Kader en stand van zaken Het plaatsen van dak- of zoldervloerisolatie is de meest prioritaire energiebesparende investering van het Energierenovatieprogramma 2020. Het besluit van de Vlaamse Regering dat tot in 2011 een eigen Vlaamse dakisolatiepremie invoerde, werd op 19 december 2008 definitief goedgekeurd en trad op 1 januari 2009 in werking. De toekenningsvoorwaarden waren identiek aan deze van de premie voor dakisolatie van de elektriciteitsdistributienetbeheerder. Er werd wel een bijkomende voorwaarde opgelegd inzake minimale geïsoleerde dakoppervlakte, namelijk 40 m². Sinds het begin van de premieregeling tot en met november 2011 ontving het Vlaams Energieagentschap ongeveer 149.000 aanvraagdossiers, goed voor zo’n 67,86 miljoen euro aan Vlaamse dakisolatiepremies. Tot en met november werden in 2011 bijna 60.000 dakisolatiepremies aangevraagd.
Planning 2012 Op 23 september 2011 besliste de Vlaamse Regering om de energiepremies te hervormen. De Vlaamse dakisolatiepremie wordt vanaf 2012 geïntegreerd in de premie die door de netbeheerder wordt gegeven. Het VEA zal in 2012 enkel nog aanvragen afhandelen die tot en met 30 juli 2012 bij de netbeheerder werden ingediend en in aanmerking komen voor de Vlaamse dakisolatiepremie.
37
Budget 2012 Uitbetaling uitdovende dakisolatiepremies (22 miljoen euro).
5.1.28. Het VEA zal de aanvragen van bedrijven voor een verhoogde investeringsaftrek voor energie-investeringen beoordelen • Prestatie-indicator: Beoordelingstermijn van de aanvragen die volledig zijn • Prestatienorm: Minstens 90% van de volledige aanvragen is maximaal 60 werkdagen in behandeling. De maximale behandelingstermijn van een volledige aanvraag bedraagt 100 werkdagen
Kader en stand van zaken Artikel 69 van het Wetboek Inkomstenbelastingen (W.I.B.) biedt bedrijven de mogelijkheid hun belastbare winst te verminderen met een verhoogde investeringsaftrek voor energiebesparende investeringen. De aftrek wordt verricht op de winst van het belastbaar tijdperk tijdens hetwelk de activa zijn verkregen of tot stand zijn gebracht. Voor de energiebesparende investeringen uitgevoerd tijdens het belastbaar tijdperk dat aan aanslagjaar 2011 (inkomsten 2010) verbonden is, is er een verhoogde aftrek van 13,5%. Deze fiscale wetgeving is een volledige federale bevoegdheid. Het percentage van de verhoogde investeringsaftrek en de categorieën van in aanmerking komende investeringen worden bepaald door de federale overheid. Het VEA levert het attest af dat bij de belastingsaangifte moet worden gevoegd. De aanvraag moet uiterlijk 3 maanden na het afsluiten van het boekjaar bij het VEA worden ingediend. De meeste aanvragen worden in de laatst week van de maand maart ingediend. Het aantal behandelde aanvragen kent de laatste jaren een forse groei. Het VEA zal in 2011 ongeveer 2000 aanvraagdossiers voor een attest voor een verhoogde investeringsaftrek behandeld hebben (2010: 1696 ; 2009: 754 ; 2008: 590 ; 2007: 493 ; 2004: 209). Vooral het succes van de zonnepanelen heeft de laatste twee jaar voor een sterke groei in het aantal te behandelen dossiers gezorgd. In het kader van de dossierbehandeling worden door het Vlaams Energieagentschap de volgende deelactiviteiten uitgevoerd: • begeleiding van bedrijven bij de voorbereiding van complexere dossiers; • technische evaluatie van de ingediende dossiers; • opmaak van de attesten en bijhorende briefwisseling; • beheer van een databank voor de opmaak van allerhande statistieken (energiebesparing, investeringsbedragen, …); • overleg met de andere gewesten en de federale overheid in het kader van de adviesverlening aan de federale overheid met betrekking tot de categorieën van in aanmerking komende investeringen. Vanaf maart 2010 heeft het VEA de dossierbehandeling geautomatiseerd. Het agentschap heeft zelf een webapplicatie ontwikkeld die zorgt voor een elektronische indiening van het basisdossier waardoor de administratieve verwerking van de dossiers efficiënter kan verlopen.
Planning 2012 In 2011 is een technische ENOVER-werkgroep opgestart voor de aanpassing van de lijst met energiebesparende investeringen voor de verhoogde investeringsaftrek. Het VEA zal in 2012 de werkzaamheden van deze werkgroep verder opvolgen en de nodige input leveren voor een aanpassing van de lijst in samenspraak met de andere gewesten.
38
5.1.29. Het VEA zal de energieplannen en energiestudies in het kader van het besluit Energieplanning beoordelen • Prestatie-indicator: Aantal plannen en studies die binnen de adviestermijn worden beoordeeld in verhouding tot het aantal ingediende plannen en studies • Prestatienorm: 100% Het concrete actiepunt dat het VEA in 2012 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD is het volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Opmaak evaluatienota inzake hoogte Beschikbaarheid evaluatienota van de IRR voor rendabele maatregelen
Prestatienorm Uiterlijk op 31 juli 2012
Kader en stand van zaken Sinds 2004 legt de VLAREM-wetgeving eisen inzake energie-efficiëntie op aan inrichtingen met een totaal jaarlijks primair energieverbruik van minstens 0,1 PJ. Dit gebeurt via het besluit Energieplanning. Het besluit Energieplanning is in werking getreden op 14 oktober 2004. Belangrijk in dit besluit is het onderscheid tussen (de procedure en behandeling van) de energieplannen en energiestudies. Een energiestudie dient bij de vergunningsaanvraag gevoegd te worden (voor nieuwe inrichtingen met een jaarlijks energieverbruik van minstens 0,1 PJ en veranderingen aan inrichtingen met een jaarlijks energieverbruik van minstens 0,1 PJ). De energiestudie moet aantonen dat de betrokken inrichting op een energie-efficiënte wijze zal worden geëxploiteerd. Het VEA beoordeelt de ingediende energiestudies binnen de vergunningsprocedure. Een bestaande inrichting met een jaarlijks energieverbruik van minstens 0,1 PJ moet bij de aanvraag tot hernieuwing van de milieuvergunning een energieplan voegen. Het VEA beoordeelt deze plannen binnen de vergunningsprocedure. Een (bestaande) inrichting met een jaarlijks energieverbruik van meer dan 0,5 PJ moet sinds 1 juli 2005 in het bezit zijn van een conform verklaard energieplan (onafhankelijk van een milieuvergunningsprocedure). De conform verklaring van deze energieplannen gebeurt door het VEA. Deze plannen moeten om de 4 jaar worden geactualiseerd. De energiestudies en de energieplannen moeten worden opgesteld door een energiedeskundige die aanvaard is door het VEA. Op jaarbasis zullen in 2011 een 50-tal energiedeskundigen zijn aanvaard. Er werden een 25-tal energiestudies en een 5-tal energieplannen beoordeeld in het kader van de milieuvergunningsprocedure. In de impactnota over de milieuvergunningenpiek die in 2011 werd opgemaakt, werd geconcludeerd dat deze piek het VEA niet voor problemen zou stellen bij het tijdig beoordelen van energieplannen en –studies in het kader van het besluit Energieplanning. Deze conclusie werd in de praktijk bevestigd.
Planning 2012 De behandelingstermijnen zijn wettelijk vastgelegd. In uitvoering van het Energiedecreet dient in 2012 de hoogte van de IRR voor rendabele maatregelen te worden geëvalueerd.
39
5.1.30. Het VEA zal het departement LNE adviseren over de dossiers in het kader van het thema energie van de Samenwerkingsovereenkomst met de gemeenten en de provincies • Prestatie-indicator: Aantal dossiers waarvoor binnen de door het departement gestelde termijn advies wordt verleend in verhouding tot het aantal ingediende dossiers • Prestatienorm: 100% Het concrete actiepunt dat het VEA in 2012 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD is het volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Opmaak voorstel voor input in lokale stra- Beschikbaarheid voorstel tegische beleidsplanning 2014-2019 voor wat betreft het thema energie
Prestatienorm Uiterlijk op 31 juli 2012
Kader en stand van zaken De huidige Samenwerkingsovereenkomst (SO) loopt over de periode 2008-2013. De gemeenten kunnen kiezen voor een basisniveau of een hoger niveau. De thema’s, waaronder energie, vormen geen totaalpakket meer dat de gemeente integraal moet uitvoeren. Het basisniveau bestaat uit een verzameling van minimumvoorwaarden uit de verschillende thema’s waaraan de gemeente dient te voldoen. Voor het thema energie is de belangrijkste voorwaarde het bijhouden van een energieboekhouding. Het hogere niveau kan de gemeente bereiken door over alle thema’s heen een aantal maatregelen uit te voeren. De belangrijkste maatregelen binnen het thema energie zijn: uitbreiden van de energieboekhouding, aandacht hebben voor energie-efficiëntie binnen de eigen werking, opmaken van energieprestatiecertificaten, uitwerken van een plan hernieuwbare energie, aankopen van groene stroom en voeren van sensibilisatie rond duurzaam energiegebruik. De provincies die de SO ondertekenen, moeten het thema energie integraal uitvoeren. Buiten het voeren van een energieboekhouding zijn alle maatregelen gericht op de ondersteuning van gemeenten bij het uitvoeren van het thema energie. Het VEA beoordeelt de voorgestelde maatregelen en projecten. Het betreft zowel een beoordeling van de voorstellen als van de uitvoeringsrapporteringen. In 2011 tekenden 275 gemeenten in op het thema energie (2010: 272), waarvan 80 op basisniveau en 195 op onderscheidingsniveau. In 2011 werden er voor het thema energie 75 projecten ingediend (2010 : 137).
Planning 2012 In het Witboek Interne Staatshervorming is de keuze gemaakt om de Samenwerkingsovereenkomst niet verder te zetten na 2013. Het stopzetten van het instrument SO betekent niet dat er geen ondersteuning van het lokale beleid meer mogelijk zal zijn. Volgens de principes van de nieuwe beleids- en beheerscyclus van de lokale overheden zal de Vlaamse Regering in het najaar van 2012 haar beleidsprioriteiten per beleidsdomein/minister bezorgen aan de lokale overheden. Op basis hiervan moeten die lokale overheden hun meerjarenplan vorm geven (doelstellingen en actieplannen). In de loop van het meerjarenplan (2014-2019) zullen alle gemeenten systematisch inhoudelijk en financieel rapporteren over de uitvoering van de actieplannen.
40
Het VEA zal een voorstel uitwerken voor het bepalen van deze beleidsprioriteiten voor het thema energie. Meer bepaald zullen de volgende vragen beantwoord moeten worden: • Wat zijn de prioritaire beleidsthema’s binnen het beleidsveld Energie waar de gemeenten in de toekomst werk van zouden moeten maken? Wat verwachten we binnen deze thema’s, met aanduiding van effecten en indicatoren waar mogelijk? • Voor welke van die thema’s en op welke wijze kan de Vlaamse overheid de gemeenten hierbij ondersteunen? • Voor welke thema’s en onderdelen daarvan zou deze ondersteuning moeten bestaan uit een subsidiëring? Welke middelen zijn daarvoor nodig?
41
5.2. Het VEA wil Europese en Vlaamse beleidsmaatregelen inzake de bevordering van milieuvriendelijke energieopwekking uit hernieuwbare energiebronnen en warmtekrachtkoppeling kwaliteitsvol en efficiënt implementeren om de Europese kwantitatieve doelstellingen voor 2020 te behalen en op die manier ook bijdragen tot de kwantitatieve en kwalitatieve uitbouw van groene jobs • Effectindicator: Evolutie van de milieuvriendelijke energieproductie • Streefnorm: de milieuvriendelijke energieproductie evolueert conform de doelstellingen zoals door de Vlaamse Regering vooropgesteld in het kader van de Europese richtlijnen
5.2.1. Het VEA zal een beleidskader uitwerken om de duurzame inzet van vaste en gasvormige biomassa voor energieproductie te realiseren • Prestatie-indicator: Beschikbaarheid van het ontwerp van regelgevend kader voor de duurzame inzet van biomassa • Prestatienorm: Het ontwerp van regelgevend kader wordt uiterlijk op 31 december 2011 aan de minister bezorgd De concrete actiepunten die het VEA in 2012 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD zijn de volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Opvolgingsnota over beleidsinitiatieven op Europees niveau
Beschikbaarheid opvolgingsnota
Uiterlijk 30 juni 2012
Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Actualisatie van de inventaris van be- Beschikbaarheid van geactualiseerde schikbare biomassa in Vlaanderen en inventaris het potentieel tegen 2020
Uiterlijk 30 oktober 2012
Kader en stand van zaken Om een duurzaam gebruik van biomassa te garanderen, zijn duurzaamheidscriteria belangrijk. De Europese richtlijn legt duurzaamheidscriteria voor vloeibare biomassa op. Deze criteria zijn omgezet in een regelgevend kader voor het Vlaamse Gewest. Europa legt geen bindende duurzaamheidscriteria op voor gasvormige en vaste biomassa. Het Vlaamse Gewest is hier echter wel voorstander van en heeft dit op 15 december 2009 verduidelijkt in een Beneluxstandpunt aan de Europese Commissie. In 2010 en 2011 heeft het VEA het thema uitvoering besproken met gelijkgestemde lidstaten, zijnde Nederland, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk. Het resultaat van dit overleg werd informeel aan de Europese Commissie overgemaakt. De bevoegde ministers van Nederland en het Verenigd Koninkrijk en Vlaams minister voor Energie Van Den Bossche hebben een officiële brief gestuurd naar de Europese Commissie om aan te dringen op geharmoniseerde duurzaamheidscriteria binnen Europa.
42
Het VEA heeft in samenwerking met ODE in september 2011 een stakeholderoverleg over duurzaamheidscriteria georganiseerd. De stakeholders waren het eens over de noodzaak van geharmoniseerde Europese duurzaamheidscriteria. In 2010 werd in samenwerking met andere administraties een inventaris van de beschikbare biomassa in Vlaanderen opgesteld. Enkel biomassa die in aanmerking komt voor energieproductie werd in overweging genomen. Het potentieel van beschikbare biomassastromen tegen 2020 werd eveneens bepaald zodat men kan afleiden hoeveel biomassa men moet importeren om vooropgestelde doelstellingen te halen.
Planning 2012 De verdere uitwerking van de duurzaamheidscriteria voor gasvormige en vaste biomassa zal in eerste instantie dienen afgelijnd te worden op de inhoud van de in 2012 verwachte communicatie hierover van de Europese Commissie. Het VEA blijft het overleg over duurzaamheidscriteria van nabij opvolgen. Tegen einde juni 2012 zal het VEA een nota opmaken dat de stand van zaken binnen Europa verduidelijkt en aangeeft welke stappen het Vlaamse Gewest bij voorkeur neemt. Om de beschikbaarheid van biomassa en het potentieel op te volgen, is het noodzakelijk om de biomassa-inventaris regelmatig te actualiseren.
5.2.2. Het VEA zal een voorstel voor een verplicht minimumaandeel hernieuwbare energie in gebouwvoorschriften voorbereiden • Prestatie-indicator: Beschikbaarheid van het ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering • Prestatienorm: Het ontwerp van besluit wordt uiterlijk op 31 december 2011 aan de minister bezorgd Het concrete actiepunt dat het VEA in 2012 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD is het volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Nieuwe softwareversie voor implemen- Beschikbaarheid softwareversie tatie regelgeving inzake verplicht minimumaandeel hernieuwbare energie
Prestatienorm Uiterlijk 31 december 2012
Kader en stand van zaken De Europese richtlijn van 23 april 2009 ter bevordering van de toepassing van hernieuwbare energiebronnen bepaalt dat de lidstaten tegen 2015 bindende doelstellingen inzake een minimumniveau van energie uit hernieuwbare energiebronnen in nieuwe en gerenoveerde gebouwen moeten opleggen. Via de bouwvoorschriften moeten de lidstaten ook stimulansen voorzien voor hernieuwbare energiebronnen die bepaalde efficiëntieniveaus bereiken. Een beleidsvoorbereidende studie is in 2010 uitgevoerd om na te gaan wat de impact is van een minimumaandeel van hernieuwbare energiebronnen in de energievoorziening van nieuwe gebouwen. Daarbij werd ook de praktische uitvoerbaarheid onderzocht en hoe dit minimumaandeel kan berekend worden, maximaal rekening houdend met de bestaande EPB-rekenmethodes. In 2011 werd een stakeholderoverleg georganiseerd waarop de conclusies van deze studie samen met de situatie in enkele buurlanden werden gepresenteerd, de stakeholders werden bevraagd en hun visies en meningen werden geïnventariseerd. Op basis van de conclusies uit de beleidsvoorbereidende studie en het stakeholderoverleg, werd een ontwerp van wijzigingsbesluit uitgewerkt om het minimumaandeel hernieuwbare energie in de energieprestatieregelgeving te verankeren.
43
Planning 2012 Het besluitvormingsproces aangaande het ontwerp van wijzigingsbesluit zal worden opgevolgd en de inhoud van het besluit zal worden geïmplementeerd in de EPB-software (zie ook 5.1.9).
Budget 2012 Implementatie minimumaandeel hernieuwbare energie als nieuwe EPB-eis in de EPB-software (75.000 euro).
5.2.3. Het VEA zal in overleg met de andere gewesten en de federale overheid een voorstel voor een kwalificatieregeling tot bewaking van de opleidingen voor installateurs kleinschalige hernieuwbare-energie-installaties uitwerken • Prestatie-indicator: Beschikbaarheid van het ontwerp van beleidskader • Prestatienorm: Het ontwerp van beleidskader wordt uiterlijk op 31 december 2011 aan de minister bezorgd Het concrete actiepunt dat het VEA in 2012 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD is het volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Opvolgingsnota implementatie beleids- Beschikbaarheid opvolgingsnota kader voor de certificatie van installateurs hernieuwbare energie
Prestatienorm Uiterlijk 31 juli 2012
Kader en stand van zaken Steeds meer gezinnen en bedrijven zijn ervoor gewonnen om zelf hernieuwbare energie op te wekken. Zonnepanelen zijn alom gekend. Daarnaast winnen ook zonneboilers en warmtepompen aan terrein. Wie investeert in hernieuwbare energie-installaties, verwacht dat de kwaliteit ervan op peil blijft. Om dat te garanderen, komen er kwaliteitsvereisten voor installateurs die zullen gelden in gans België. Voor de uitwerking ervan hebben het Vlaamse, Brusselse en Waalse Gewest de handen in elkaar geslagen. Zo’n gecoördineerd aanpak komt zowel de installateur als de consument ten goede. De nieuwe Europese richtlijn hernieuwbare energie (2009/28/EG) verplicht de lidstaten om tegen 31 december 2012 een kwaliteitsregeling uit te werken voor installateurs van kleinschalige energiesystemen. Meer bepaald gaat het om kleinschalige warmwater- en verwarmingsketels op biomassa, fotovoltaïsche en thermische systemen op zonne-energie en ondiepe geothermische systemen en warmtepompen. Hoewel de implementatie van de richtlijn een gewestelijke bevoegdheid is, hebben de gewestelijke overheden besloten om hiervoor samen te werken. De gewesten zullen in samenspraak met de kennis- en opleidingscentra en de sectorverenigingen een gemeenschappelijk opleidingsprogramma voor installateurs ontwikkelen. Installateurs die slagen voor het theoretische en praktische examen ontvangen een bewijs dat erkend zal worden in heel België én in alle EU-lidstaten. Om hun bewijs te behouden, zullen de installateurs opfriscursussen kunnen volgen over de evoluties van de diverse technologieën. In het najaar van 2010 werd de aanbestedingsprocedure opgestart om een algemeen kader voor deze kwalificatieregeling uit te werken. Deze overheidsopdracht werd aanbesteed als gezamenlijke overheidsopdracht vanuit de drie gewesten met het Brussels Hoofdstedelijk Gewest als aanbestedende overheid. De opdracht werd uitgevoerd van februari tot juni 2011.
44
Op initiatief van het VEA werd in 2011 een consortium opgericht om een voorstel in te dienen voor het Europese IEE Build Up Skills project (voorheen ‘Qualifying the building workforce’ genoemd). De initiatief werd gelanceerd om lidstaten te ondersteunen om de kennis en de kwaliteitszorg van de bouwprofessioneel op vlak van hernieuwbare energie en energie-efficiëntie te verbeteren. In een eerste fase dient een platform met relevante stakeholders en een roadmap naar 2020 gerealiseerd te worden. Het Belgisch projectvoorstel, PROTEUS, dat in mei werd ingediend, werd in oktober 2011 weerhouden en goedgekeurd. Het PROTEUS-project ging van start in november en heeft een looptijd van 18 maanden.
Planning 2012 De concrete invulling van de opleidingen ‘certificering installateurs hernieuwbare energie’ zal ook worden uitgewerkt via een overheidsopdracht. In 2012 zullen ook de voorbereidingen worden getroffen voor de concrete implementatie van de certificatie van installateurs hernieuwbare energie (communicatie met vormingscentra en bouwsector, concretisering centraal certificeringsorgaan, link leggen met Vlaamse premies). Het is de doelstelling om vanaf 2013 te kunnen starten met de opleidingen in het kader van de certificatieregeling. Onder coördinatie van het Fonds voor de Vakopleiding in de Bouwnijverheid zal het VEA ook meewerken aan de totstandkoming van de PROTEUS-roadmap voor het Europese project Build Up Skills. Er zal een platform worden opgericht waarbij alle relevante stakeholders zullen worden betrokken. De afronding voor de opmaak van deze roadmap wordt voorzien voor halfweg 2013.
Budget 2012 Ondersteuning implementatie certificatieregeling van installateurs hernieuwbare energie (200.00 euro)
5.2.4. Het VEA wil het Vlaams Actieplan Hernieuwbare Energie 2020 mee uitvoeren, monitoren en indien nodig aanvullende initiatieven voorstellen om te voldoen aan de tussentijdse doelstellingen van richtlijn 2009/28/EG • Prestatie-indicator: Beschikbaarheid van voortgangsrapport • Prestatienorm: Het eerste voortgangsrapport wordt uiterlijk op 31 juli 2011 aan de minister bezorgd. Het tweede voortgangsrapport wordt uiterlijk op 31 december 2012 aan de minister bezorgd. Het derde voortgangsrapport wordt uiterlijk op 31 december 2014 aan de minister bezorgd. De concrete actiepunten die het VEA in 2012 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD zijn de volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Opvolgingsnota implementatie steunregeling groene warmte
Beschikbaarheid opvolgingsnota
Uiterlijk 31 december 2012
Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Opvolgingsnota voortgang transversaal project rond hernieuwbare energie en smart grids in kader van ViA
Beschikbaarheid opvolgingsnota
Uiterlijk 31 juli 2012
Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Opmaak van geactualiseerd Vlaams actieplan Hernieuwbare Energie 2020
Beschikbaarheid ontwerp van geactua- Uiterlijk zes maanden na politiek akkoord liseerd Vlaams actieplan Hernieuwbare over lastenverdeling 13%-doelstelling tusEnergie 2020 sen gewesten en federale overheid
45
Kader en stand van zaken Het implementeren van de bepalingen van de Europese richtlijn inzake hernieuwbare energie voor wat betreft de gewestelijke energiebevoegdheden is een sleutelproject in uitvoering van het Regeerakkoord en ViA, doorbraak Groen en dynamisch stedengewest. Volgens de nieuwe richtlijn hernieuwbare energie van 23 april 2009 moest België tegen 30 juni 2010 een nationaal actieplan aan de Europese Commissie voorleggen waarin wordt aangetoond hoe België tegen 2020 de doelstelling van 13% hernieuwbare energie in het finaal energiegebruik gaat bereiken en hoe de andere bepalingen uit de richtlijn zullen worden omgezet. De ENOVER-werkgroep ‘hernieuwbare energie’ startte eind 2009 met de uitwerking van het nationaal actieplan. Als gevolg van de val van de federale regering liepen de gesprekken inzake de intra-Belgische lastenverdeling van de 13%-doelstelling grote vertraging op. Het nationaal actieplan bevat een beschrijving van het bestaande beleid van de gewesten en de federale overheid, en de grote lijnen van nieuwe beleidsinitiatieven. De kwantitatieve inschattingen zijn onverdeelde nationale cijfers. Het is uiteindelijk op 30 november 2010 voorgelegd aan de Europese Commissie. De juridische omzetting van de richtlijn hernieuwbare energie van 23 april 2009 werd door de VREG voorbereid. Het betreffende wijzigingsdecreet werd op 8 juli 2011 bekrachtigd en afgekondigd. Het betreft voornamelijk aanpassingen aan de regelgeving inzake de geldigheidsduur van garanties van oorsprong en het invoeren van duurzaamheidscriteria voor biobrandstoffen. In het kader van het actieplan groene warmte is door de Vlaamse Regering een ondersteuningsmechanisme voor grote installaties voor groenewarmteproductie voor de tweede keer principieel goedgekeurd op 28 oktober 2011. Om de realisatie van de doelstelling inzake hernieuwbare energie mogelijk te maken, is een sterke groei van groene warmte uit biomassa nodig. Het actieplan voorziet ondermeer een steunmechanisme voor grote industriële installaties voor groenewarmteproductie uit biomassa en restwarmterecuperatie. Via een call zullen bedrijven met een project van meer dan 1 MW een aanvraag kunnen indienen. Projecten die met de minste steun kunnen worden gerealiseerd, zullen eerst worden gerangschikt, tot het beschikbare budget is uitgeput. Op die manier wordt een maximale groenewarmteproductie gerealiseerd tegen de laagste kost. De geselecteerde projecten zullen van de elektriciteitsdistributienetbeheerder tien jaar lang een vast bedrag per geproduceerde hoeveelheid warmte krijgen. Het nationaal actieplan is niet bindend. Zowel de erin opgenomen doelstellingen voor groene warmte, groene stroom en hernieuwbare energie in transport, als de verdeling over de verschillende technologieën en de beschreven maatregelen zijn eerder indicatief en kunnen de komende jaren nog gewijzigd of aangevuld worden, gezien het plan loopt tot 2020. De globale 13%-doelstelling tegen 2020 is wel bindend. Daarnaast zijn ook tussentijdse indicatieve doelstellingen vastgelegd. Indien deze tussentijdse doelstellingen niet worden bereikt, moet een aangepast actieplan worden voorgelegd waarin de lidstaat bijkomende maatregelen voorstelt om alsnog de verdere (tussentijdse) doelstellingen te bereiken.
Planning 2012 Het VEA zal voor het Vlaamse Gewest de uitvoering van het nationaal actieplan monitoren en de opmaak van de vereiste voortgangsrapporten coördineren. Na de federale regeringsvorming zullen de onderhandelingen inzake de intra-Belgische lastenverdeling van de hernieuwbare energiedoelstelling 2020 worden hervat. Op basis van de hieruit voortvloeiende Vlaamse doelstelling zal het Vlaams actieplan hernieuwbare energie 2020 worden geactualiseerd en aan de Vlaamse Regering worden voorgelegd. Vervolgens zal een geactualiseerde versie van het nationaal actieplan 2020 aan de Europese Commissie worden bezorgd. Het VEA zal in 2012 de concrete implementatie van het ondersteuningssyseem voor grootschalige investeringen in groene warmte mee voorbereiden en monitoren.
Budget 2012 Uitbetaling compenserende vergoedingen aan de distributienetbeheerders voor hun actieverplichtingen tot toekenning van exploitatiesteun in het kader van de ondersteuningsregeling voor grootschalige groenewarmteprojecten (4,4 miljoen euro)
46
5.2.5. Het VEA voert doorlopend overleg en monitort de ontwikkeling van technieken en omgevingsvoorwaarden om aan de minister regelmatig een evaluatie van de onrendabele toppen inzake hernieuwbare energie en WKK te kunnen voorleggen • Prestatie-indicator: Beschikbaarheid van de evaluatie • Prestatienorm: Het eerste evaluatierapport wordt uiterlijk op 31 december 2011 aan de minister bezorgd. Het tweede evaluatierapport wordt uiterlijk op 31 juli 2015 aan de minister bezorgd. Het concrete actiepunt dat het VEA in 2012 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD is het volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Opvolgingsnota nieuw beleidskader voor de ondersteuning van milieuvriendelijke energieproductie (groene stroom en WKK)
Beschikbaarheid opvolgingsnota
Uiterlijk 31 december 2012
Kader en stand van zaken Uit de sterke toename van de groenestroom- en WKK-productie de afgelopen jaren, mag geconcludeerd worden dat het huidige steunsysteem in Vlaanderen de belangrijke verdienste heeft dat het een stabiel en voldoende aantrekkelijk investeringsklimaat heeft gecreëerd. We moeten nadenken over verdere optimalisering van de certificatensystemen op korte termijn en een lange termijnvisie voor het ondersteuningskader voor elektriciteit uit hernieuwbare bronnen en uit WKK. Om op zoek te gaan naar verbetermogelijkheden en om in te kunnen spelen op gewijzigde omstandigheden of inzichten, werd dit steunmechanisme grondig geëvalueerd in 2011. Dit gebeurde aan de hand van studiewerk en overleg met de betrokken sectoren en stakeholders. Voor de evaluatie van het GSC- en WKK-certificatensysteem werden 4 beleidsvoorbereidende studies begeleid die in juli 2011 werden afgerond. Een beleidsadvies werd in samenwerking met de VREG opgesteld en op 12 oktober 2011 aan de minister bezorgd. De methodologie voor de berekening van de onrendabele top werd geoptimaliseerd.
Planning 2012 Het VEA stelt in de loop van 2012 een opvolgingsnota op aangaande het te vernieuwen beleidskader.
5.2.6. Het VEA zal de realisatie van de doelstellingen voor warmtekrachtkoppeling in het Vlaamse Gewest monitoren en indien nodig aanvullende initiatieven voorstellen • Prestatie-indicator: Beschikbaarheid van WKK-rapport • Prestatienorm: Het eerste WKK-rapport wordt uiterlijk op 31 juli 2011 aan de minister bezorgd. Het tweede WKK-rapport wordt uiterlijk op 31 december 2013 aan de minister bezorgd. Het concrete actiepunt dat het VEA in 2012 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD is het volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Opmaak plan van aanpak voor opmaak Warmteplan Vlaanderen
Beschikbaarheid plan van aanpak
Uiterlijk 31 december 2012
47
Kader en stand van zaken Om de investeringen in WKK voor ondernemingen aantrekkelijker te maken, heeft de Vlaamse Regering een financiële ondersteuningsregeling ingevoerd via het systeem van warmtekrachtcertificaten. Dit ondersteuningssysteem werd in 2011 geëvalueerd (zie 5.2.5). Eind 2011 werd een WKK-rapport aan de Europese Commissie (zie 5.2.7) en de minister bezorgd.
Planning 2012 Het voorstel van Europese richtlijn over energie-efficiëntie voorziet dat de lidstaten een Warmteplan moeten opstellen om o.a. het potentieel aan kwalitatieve WKK vast te stellen. Het VEA zal in 2012 starten met de conceptuele uitwerking van een Vlaams Warmteplan. Hiervoor kan o.a. inspiratie worden opgedaan bij zowel het Agentschap NL dat de opmaak van de Nederlandse Warmteatlas heeft gecoördineerd als bij de processen die zijn opgestart rond de opmaak van warmteplannen voor het Antwerps havengebied en de provincie Limburg.
5.2.7. Het VEA zal voor de gewestelijke energiebevoegdheden de vereiste input leveren om te voldoen aan de evaluatie- en rapporteringsverplichtingen voorgeschreven door de Europese richtlijnen inzake hernieuwbare energie en warmtekrachtkoppeling • Prestatie-indicator: Aantal binnen de wettelijke termijnen uitgevoerde verplichtingen in verhouding tot het totaal aantal verplichtingen • Prestatienorm: 100%
Kader en stand van zaken Eind 2011 werd het WKK-rapport en een eerste voortgangsrapportering inzake de richtlijn hernieuwbare energie aan de Europese Commissie bezorgd.
Planning 2012 In de Europese richtlijnen inzake hernieuwbare energie en warmtekrachtkoppeling is geen specifieke rapportering opgelegd die in de loop van 2012 moet worden bezorgd. Betreffende de rapportering voor hernieuwbare energie in 2013 zal moeten worden nagegaan of de eerste interim-doelstelling van de richtlijn door België gerealiseerd wordt. Indien niet zal een nieuw Belgisch actieplan moeten worden ingediend.
5.2.8. Het VEA zal de werkprogramma’s monitoren van de vzw’s met een werkingssubsidie (Cogen, ODE, Biogas-E, Quest) • Prestatie-indicator: Beschikbaarheid van de adviezen over de ingediende werkprogramma’s voor het jaar N+1 • Prestatienorm: Adviezen worden binnen 20 werkdagen na ontvangst van de werkprogramma’s via de Inspectie van Financiën, naar de minister gestuurd.
48
Kader en stand van zaken Verschillende verenigingen vormen het contactpunt voor overleg met de sectoren, ondersteunen de realisatie van de Vlaamse beleidsdoelstellingen inzake milieuvriendelijke energieproductie en worden hiervoor structureel ondersteund met een werkingssubsidie: • ODE Vlaanderen (hernieuwbare energie). • Cogen Vlaanderen (warmtekrachtkoppeling). • Biogas-E (vergisting). • Quest (kwaliteitscentrum). Het VEA legt de prioriteiten vast in de jaarlijkse werkprogramma’s en volgt de werkzaamheden van deze vzw’s op via stuurgroepen, de overlegplatformen en bilaterale vergaderingen.
Budget 2012 Werkingssubsidie ODE (90.000 euro) Werkingssubsidie Cogen (134.000 euro) Werkingssubsidie Biogas-E (90.000 euro)
5.2.9. Het VEA zal de werkzaamheden van de Interdepartementale Windwerkgroep organiseren en coördineren tot implementatie van de omzendbrief windenergie • Prestatie-indicator: Beschikbaarheid van adviezen Windwerkgroep in verhouding tot het aantal gevraagde adviezen • Prestatienorm: 100% Het concrete actiepunt dat het VEA in 2012 zal ondernemen voor de realisatie van deze OOD is het volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Opmaak opvolgingsnota uitvoering Beschikbaarheid opvolgingsnota conceptnota Vlaamse Regering inzake versterking van de interdepartementale windwerkgroep
Prestatienorm Uiterlijk 31 december 2012
Kader en stand van zaken In Vlaanderen waren eind 2011 156 windturbines operationeel, samen goed voor een geïnstalleerd vermogen van bijna 265 MW. Vlaanderen heeft een potentieel van 1064 MW windenergie tegen 2020. De praktijkervaring binnen de Interdepartmentale Windwerkgroep geeft aan dat ondanks de positieve beoordeling de effectieve realisatie van windturbineprojecten achterblijft, voornamelijk in de havengebieden. De Vlaamse Regering besliste daarom in juli 2011 enerzijds de werking van de Windwerkgroep verder te versterken door: • het verder uitbreiden van de betrokken administraties in de adviesverlening; • het opnemen in secundaire orde van een aantal beoordelingsaspecten die een breed gedragen ontwikkeling van windturbines moet bevorderen. Daarnaast werd aan de Windwerkgroep de opdracht gegeven de in het verleden positief geadviseerde maar nog niet gerealiseerde projecten te gaan herevalueren en een faciliterend advies uit te brengen. Parallel dient de Windwerkgroep voor wat de havengebieden betreft, het potentieel te inventariseren en na te gaan op welke vlakken de Vlaamse overheid faciliterend kan optreden.
49
Planning 2012 Het VEA zal als voorzitter van de Interdepartementale Windwerkgroep de uitvoering van het plan van aanpak voor de verschillende deelopdrachten uit de conceptnota van de Vlaamse Regering coördineren. Binnen de opdracht rond het faciliteren bij positief beoordeelde maar niet gerealiseerde projecten zal de Windwerkgroep: • de vergunningsstatus van deze projecten nagaan; • een analyse opmaken van de mogelijke knelpunten binnen de beide vergunningsprocedures; • een facilitatienota opmaken. Binnen de opdracht rond het inventariseren en faciliteren van windenergie in de havengebieden zal de Windwerkgroep: • een inventaris opmaken van de potentiëlen en de knelpunten per havengebied; • een facilitatienota per havengebied opstellen.
5.2.10. Het VEA zal de subsidieaanvragen beoordelen in het kader van de demonstratieprojecten bij openbare besturen en vzw’s (micro-WKK en warmtepompen) • Prestatie-indicator: Aantal behandelde aanvragen binnen de beoordelingstermijn van maximaal 2 maanden na het afsluiten van de call in verhouding tot het aantal ingediende aanvragen • Prestatienorm: 100%
Kader en stand van zaken Het besluit van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2008 (geïntegreerd in artikel 7.2.1 en verder van het Energiebesluit van 19 november 2010) voorziet in de toekenning van een subsidie voor de plaatsing van micro-WKK’s en warmtepompen door niet-commerciële instellingen en publiekrechtelijke rechtspersonen. Voor deze subsidieregeling werd voor 2009 en 2010 telkens een budget van maximum 200.000 euro per kalenderjaar voorzien, toegekend via een call-systeem met halfjaarlijkse oproepen. Deze steun diende als demonstratiefase om, in combinatie met een sensibiliserings- en informatiecampagne, de bekendheid van beide technieken te verbeteren. De evaluatie die na de call van medio 2010 werd gemaakt, toonde aan dat dit programma een groot succes was en zijn doelstellingen ruimschoots heeft ingevuld. De totaal aangevraagde steun in 2010 overtrof het voorziene budget. In totaal werden 21 projecten goedgekeurd, waaronder 5 micro-WKK’s en 16 warmtepompen. Eind 2010 werd beslist deze subsidieregeling op te schorten.
5.2.11. Het VEA zal een marktintroductieplan voor micro-WKK-installaties voorbereiden • Prestatie-indicator: Beschikbaarheid van het marktintroductieplan • Prestatienorm: Marktintroductieplan wordt uiterlijk op 31 december 2011 aan de minister bezorgd Het concrete actiepunt dat het VEA in 2012 zal ondernemen voor de realisatie van deze OOD is het volgende:
50
Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Opvolgingsnota inzake de uitvoering Beschikbaarheid opvolgingsnota van het actieplan micro-WKK
Prestatienorm Uiterlijk 31 oktober 2012
Kader en stand van zaken Het VEA stelde in 2011 een opportuniteitstoets op inzake de uitwerking van een Vlaams marktintroductieplan voor micro-WKK. De toets concludeerde dat het momenteel nog niet aangewezen is om onmiddellijk te kiezen voor grootschalige marktintroductie maar in eerste instantie de ondersteuning te beperken tot niet-woongebouwen en initiatieven te nemen die de verbreding van de volledige markt (woongebouwen en niet-woongebouwen) ondersteunen. Het VEA en de VREG (die laatste voor het onderdeel aansluitingsaspecten) hebben hiervoor eind 2011 concrete acties voorgesteld. In de begroting voor 2012 werd een bijkomend budget van 200.000 euro ingeschreven voor demonstratieprojecten bij lokale besturen en sociale huisvestingsmaatschappijen.
Planning 2012 Het VEA zal in 2012 uitvoering geven aan een aantal concrete acties van het actieplan en de uitvoering van het volledige actieplan monitoren.
Budget 2012 Demonstratieprojecten (200.000 euro)
51
5.3. Het VEA wil de Vlaamse beleidsmaatregelen ter bestrijding van energiearmoede kwaliteitsvol en efficiënt implementeren en op die manier ook bijdragen tot de kwantitatieve en kwalitatieve uitbouw van groene jobs • Effectindicator: Evolutie energiebesparende investeringen in woningen van kansarmen • Streefnorm: Toename van jaarlijks gemiddeld aantal energiebesparende investeringen in woningen van kansarmen over 2011-2014 in vergelijking tot 2010
5.3.1. Het VEA zal een voorstel uitwerken voor de financiële ondersteuning van sociale dakisolatieprojecten • Prestatie-indicator: Beschikbaarheid van voorstel • Prestatienorm: Het voorstel wordt uiterlijk op 31 december 2011 aan de minister bezorgd. Het concrete actiepunt dat het VEA in 2012 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD is het volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Opvolgingsrapport inzake implementatie van sociale dakisolatieprojecten als REG-ODV
Beschikbaarheid opvolgingsrapport
Uiterlijk 31 december 2012
Kader en stand van zaken Ondanks de beschikbaarheid van premiestelsels en fiscale voordelen hinkt de Vlaamse huurmarkt aanzienlijk achterop op vlak van energetische renovatie van woningen. Een recente studie van het Steunpunt Ruimte en Wonen heeft aangegeven dat de isolatie-index van private woningen gemiddeld veel lager ligt dan eigendomswoningen en sociale huurwoningen. Het Regeerakkoord stelt: “Ook kansarmen moeten kunnen genieten van kostprijsverlagende aanbiedingen. We brengen van overheidswege zelf energiebesparingsinvesteringen aan bij kansarme gezinnen.”. Sinds half 2009 werden vanuit de praktijk en onder impuls van het VEA verschillende initiatieven uitgewerkt om op de huurmarkt via collectieve methodieken die bestaande drempels neutraliseren, toch resultaten te boeken. Zo startte vzw STEBO in samenwerking met Infrax halfweg 2009 met de collectieve isolatie door aannemers uit de sociale economie van daken van huurwoningen van sociale huisvestingsmaatschappijen in Limburg. Deze aanpak, die tot op heden verder loopt, levert een belangrijke efficiëntiewinst op vlak van planning, uitvoering en kosten. Ook Eandis voert vanaf het voorjaar 2010 een dakisolatieproject uit bij de sociale huisvestingsmaatschappijen. Eandis levert het materiaal voor de dakisolatiewerken gratis aan en voorziet voor de plaatsing door de sociale huisvestingsmaatschappijen een premie van 10 euro per m² vanuit het Aardgasfonds (totaal 1,5 miljoen euro), aangevuld met de Vlaamse dakisolatiepremie. De planning 2010 voorzag de isolatie van 2300 daken (uitvoering deels in 2011). In september 2011 werd een nieuwe planning opgemaakt voor uitvoering in 2012. Eandis startte daarnaast, na een aanbesteding in verschillende loten voor de aankoop van isolatiematerialen en de plaatsing ervan, in 2011 met de isolatie van 500 daken van private huurwoningen. De financiering gebeurde vanuit het Aardgasfonds en voor het vinden van adressen werd een samenwerking met 200 OCMW’s opgezet. De helft van de werken wordt uitgevoerd door vijf aannemers uit de sociale economie.
52
Op 23 september 2011 keurde de Vlaamse Regering de nieuwe regeling voor de openbaredienstverplichting met betrekking tot het rationeel energiegebruik definitief goed. Die legt de netbeheerders de actieverplichting op om vanaf 2012 de planning en de uitvoering van dak- of zoldervloerisolatie in private huurwoningen structureel te ondersteunen bij welomschreven categorieën van kwetsbare huurders. Hiervoor is een jaarlijks budget voorzien van 6 miljoen euro, goed voor 3000 woningen. In een ministerieel besluit werden de financiële ondersteuning en de stappen in de trajectbegeleiding vastgelegd. Vanaf oktober werden in samenwerking met de netbeheerders en belanghebbenden afspraken gemaakt rond het verzamelen van adressen van in aanmerking komende woningen.
Planning 2012 Het VEA zal op basis van frequent overleg met de netbeheerders een faciliterende rol opnemen op vlak van het maken en opvolgen van afspraken met relevante actoren die adressen kunnen aanreiken van woningen die in aanmerking komen voor de actieverplichting van de netbeheerders. Voor gesignaleerde problemen zal het VEA voorstellen voor oplossing aanreiken. Onder meer op basis van trimestriële rapportage zal het VEA de voortgang opvolgen en hierover tegen het najaar van 2012 een rapport met aanbevelingen voor de verdere aanpak opmaken.
Budget 2012 Uitbetaling van compenserende vergoedingen aan de netbeheerders voor hun actieverplichtingen inzake de sociale dakisolatieprojecten (6 miljoen euro)
5.3.2. Het VEA zal regelmatig een evaluatie voorleggen aan de minister over de sociale openbaredienstverplichtingen van de distributienetbeheerders • Prestatie-indicator: Beschikbaarheid van de evaluatie • Prestatienorm: De eerste evaluatie wordt uiterlijk op 30 september 2011 aan de minister bezorgd. De tweede evaluatie wordt uiterlijk op 31 december 2014 aan de minister bezorgd
Kader en stand van zaken Het verbeteren van de effectiviteit en efficiëntie van de bestaande sociale openbaredienstverplichtingen is een sleutelproject in uitvoering van het Regeerakkoord en ViA, doorbraak Groen en dynmamisch stedengewest. De onderliggende projecten interageren ook met de doorbraak Warme samenleving. Zoals bepaald in het regeerakkoord evalueerden het VEA en de VREG in 2011 de effectiviteit en de efficiëntie van de bestaande sociale openbaredienstverplichtingen. Deze evaluatie leidde eind september 2011 tot een studienota met aanbevelingen voor onder meer de dienstverlening van de leveranciers, het gebruik van de budgetmeter, de vaak moeizame terugkeer van gedropte klanten naar de commerciële markt, het statuut beschermde afnemers, de werking van de lokale adviescommissie en het afsluiten van energie. Na de publicatie van dit rapport werden vanaf november 2011 heel wat uitvoerende en belanghebbende partners verder geconsulteerd rond de concretisering van de aanbevelingen die de minister wenst te vertalen in de regelgeving. Op 9 december 2011 heeft de Vlaamse Regering haar goedkeuring gehecht aan de conceptnota inzake de realisatie van de aanbevelingen uit de evaluatie van de sociale openbaredienstverplichtingen. Een deel van de in de conceptnota opgenomen maatregelen kan op korte termijn worden gerealiseerd, in de vorm van regulatoire maatregelen binnen de bevoegdheden van de VREG. Om de rechtszekerheid te garanderen, zullen die maatregelen in de loop van 2012 ook verankerd worden in de regelgeving. Voor de uitwerking van een tweede reeks aanbevelingen uit het evaluatierapport is detailonderzoek en bijkomend overleg met uitvoerders en belanghebbenden nodig vooraleer de vertaling ervan in regelgeving kan worden aangevat.
Planning 2012 Het VEA zal de actiepunten uitvoeren waarvoor het agentschap in de conceptnota aan de Vlaamse Regering als verantwoordelijke entiteit is aangeduid.
53
5.3.3. Het VEA zal de waarborgaanvragen beoordelen voor FRGE-leningen aan lokale entiteiten • Prestatie-indicator: Aantal volledige aanvragen beoordeeld binnen een termijn van maximaal 30 werkdagen in verhouding tot het totaal ingediende aanvragen • Prestatienorm: 100%. Het concrete actiepunt dat het VEA in 2012 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD is het volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Opmaak visienota aangaande inkadering van het FRGE in het Vlaams energiebeleid na de regionalisering van het Fonds
Beschikbaarheid visienota
Uiterlijk 31 juli 2012
Kader en stand van zaken Met toepassing van artikel 99 van het Programmadecreet 2010 kan de Vlaamse Regering haar waarborg verlenen voor de leningen die door het FRGE aan de Lokale Entiteiten worden toegekend. Volgens paragraaf 2 van dat artikel bepaalt de Vlaamse Regering de voorwaarden waaronder de waarborg kan worden toegekend en uitgekeerd. Op 10 september 2010 heeft de Vlaamse Regering haar definitieve goedkeuring gehecht aan een ontwerp van besluit waarmee deze voorwaarden worden vastgelegd. Aangezien het Fonds zelf, onder bepaalde voorwaarden, 5% wanbetaling kan toestaan, wordt de waarborg beperkt tot maximaal 95% van het uitstaande kapitaal en verschuldigde interesten. De waarborg kan alleen worden ingeroepen nadat het bewijs is geleverd dat alle andere zakelijke en persoonlijke zekerheden, bedongen door de Lokale Entiteit ten aanzien van de particulier, zijn uitgewonnen. De waarborg dekt geen accessoire kosten van aanmaningen, invorderingskosten, noch gerechtskosten. Evenmin kan de waarborg worden uitbetaald voor leningen die werden toegekend voor de financiering van fotovoltaïsche zonnepanelen. Het FRGE diende sinds januari 2011 voor 20 Lokale Entiteiten een aanvraag voor gewestwaarborg in. De helft van deze Lokale Entiteiten werd opgericht na het in werking treden van het waarborgbesluit van 10 september 2011. In totaal werden waarborgen toegekend voor een bedrag van bijna 59 miljoen euro. Op 15 november 2011 heeft het VEA nog geen enkele vraag om uitwinning van de waarborg ontvangen. Om de FRGE-leningen nog beter bekend te maken bij het publiek, werd door het VEA een brochure opgesteld. Deze brochure ‘Geld en energie sparen’, werd vanaf april 2011 verspreid in alle Vlaamse gemeenten. De Lokale Entiteiten bereiken nu ruim drie vierde van de Vlaamse bevolking. In het kader van het institutioneel akkoord over de zesde staatshervorming is overeengekomen dat het FRGE zal worden geregionaliseerd.
Planning 2012 Het VEA zal een visienota opmaken aangaande de inkadering van het FRGE in het Vlaams energiebeleid en de optimalisering van deze beleidsmaatregel na de regionalisering van het Fonds. Het agentschap zal in dit kader een overlegplatform opstarten met de Lokale Entiteiten en het VVSG. Het VEA zal de waarborgaanvragen verder blijven behandelen die door de Lokale Entiteiten worden ingediend. Naar verwachting zal in 2012 ongeveer 90% van de Vlaamse bevolking door de beleidsmaatregel worden bereikt.
Budget 2012 Waarborg voor FRGE-leningen (200.000 euro)
54
5.3.4. Het VEA zal meewerken aan de evaluatie van de maatregel inzake de toekenning van een jaarlijkse hoeveelheid gratis elektriciteit • Prestatie-indicator: Beschikbaarheid van de evaluatie • Prestatienorm: De evaluatie wordt uiterlijk op 30 september 2011 aan de minister bezorgd.
Kader en stand van zaken In Vlaanderen heeft elke huishoudelijke afnemer sinds 2003 recht op een gratis hoeveelheid elektriciteit (‘gratis kWh’) per jaar. Een gezin krijgt een vaste minimumhoeveelheid van 100 kWh per gezin, plus 100 kWh per gezinslid dat in de woning gedomicilieerd is. De elektriciteitsleverancier moet deze gratis kWh geven onder de vorm van een korting op de eerste eindafrekening. De leverancier factureert de toegekende bedragen aan de netbeheerder. Het regeerakkoord stelt: “De Vlaamse Regering optimaliseert het systeem van de gratis kWh in functie van een effectieve en efficiënte ondersteuning van sociaal zwakkeren en met het oog op het zorgen voor een betere sociale bescherming”. In het najaar van 2011 stelden de VREG en het VEA ter onderbouwing van die optimalisatie op vraag van de minister een evaluatierapport op over de gratis kWh. De opdracht was om na te gaan in hoeverre de maatregel als herverdelend systeem “binnen het tarief” zijn doel bereikt. In de evaluatie werd rekening gehouden met het aspect rationeel energiegebruik, dat van bij de aanvang samen met het sociale aspect de bestaansreden vormde voor de invoering van de regeling. Belangrijk aandachtspunt bij de optimalisatie is de eventuele verdere regionalisering van de energiebevoegdheden, met name op vlak van bepaling van distributienettarieven. Op basis van de evaluatie bepaalde de minister een strategie om de gratis kWh tegen eind 2012 te optimaliseren met het oog op het maximaliseren van de bescherming van de sociaal zwakkeren.
Planning 2012 Het VEA zal in opdracht van de minister en in overleg met de netbeheerders en belanghebbenden het regelgevend kader voorbereiden voor de optimalisatie van de maatregel gratis kWh.
55
5.4. Het VEA wil via gerichte communicatieacties de actiebereidheid bij de bevolking, bedrijven en organisaties inzake het rationeel energiegebruik en de milieuvriendelijke energieproductie verhogen • Effectindicator: Evolutie van percentage huishoudens en bedrijven dat concrete plannen heeft om te investeren in rationeel energiegebruik en milieuvriendelijke energieproductie • Streefnorm: Toename van percentage
5.4.1. Het VEA wil een proefproject opzetten op basis waarvan een stappenplan kan worden opgesteld om lokale energieloketten uit te bouwen • Prestatie-indicator: Aantal opgestarte voorbeeldprojecten voor energieloketten • Prestatienorm: Uiterlijk op 31 december 2011 zijn 2 voorbeeldloketten operationeel • Prestatie-indicator: Beschikbaarheid stappenplan voor uitbouw van lokale energieloketten • Prestatienorm: Het stappenplan wordt uiterlijk op 31 december 2013 aan de minister bezorgd
Kader en stand van zaken Het VEA heeft begin 2010 een studie aanbesteed ter voorbereiding van de opzet van een aantal voorbeeldenergieloketten. Deze studie werd eind juni 2010 opgestart vanuit het oogpunt dat deze proefprojecten informatie zouden verschaffen over de wenselijke verdere aanpak en een stappenplan inzake de uitbouw van lokale energieloketten in Vlaanderen. Eind december werd de studie afgerond. Eind 2010 werd door de Vlaamse Regering een oproep gelanceerd om lokale overheden of intergemeentelijke samenwerkingsverbanden opnieuw te laten deelnemen aan lokale woonbeleidsinitiatieven. Eén van de acties die wordt voorgesteld, is de uitbating van een lokaal woonloket waar allerlei informatiemateriaal in verband met wonen aan de burger ter beschikking wordt gesteld. De thema’s rationeel energiegebruik en duurzaam en energiezuinig bouwen en verbouwen kunnen hierin een belangrijke plaats krijgen. In oktober 2011 werd een 5-tal nieuwe lokale initiatieven goedgekeurd. In het kader van het één-loket-principe wordt er voor geopteerd geen afzonderlijke energieloketten op te zetten maar aansluiting te zoeken met de woonloketten. De resultaten van de VEA-studie zullen ter beschikking worden gesteld van de lokale besturen om het energiethema maximaal in hun projectvoorstellen voor lokale woonbeleidsinitiatieven te integreren. Verwacht wordt dat in 2011 een 10-tal bestaande woonloketten een hernieuwingsaanvraag zullen indienen. Zij zullen dan ook hun dienstverleningsaanbod uitbreiden met de energiethema’s. Er zullen dus door het VEA geen voorbeeldprojecten worden opgestart. Evenmin zal een stappenplan worden uitgewerkt.
5.4.2. Het VEA zal een gestructureerd informatie- en kennissysteem exploiteren voor het managen en beantwoorden van de algemene informatievragen die binnenkomen op energie@vlaanderen.be • Prestatie-indicator: Antwoordtermijn • Prestatienorm: Minstens 90% van de algemene informatievragen is kwalitatief beantwoord binnen vijf werkdagen
56
Kader en stand van zaken De toegenomen aandacht voor de energieproblematiek, de communicatie- en sensibiliseringsacties en de vele beleidsinitiatieven, leiden tot vragen voor informatie en nadere toelichting. Het VEA-secretariaat ontvangt op energie@vlaanderen.be dagelijks gemiddeld 150 algemene informatievragen en ongeveer 80 à 100 telefonische oproepen. In drukke perioden (campagnegolf, Batibouw, berichtgeving in de media, …) registreren we pieken van meer dan 300 algemene informatievragen per dag. Het Vlaams Energieagentschap engageert zich om de algemene informatievragen van het publiek zo snel en zo goed mogelijk te beantwoorden. In 2008 werd een nieuwe softwaretool in gebruik genomen om de efficiënte afhandeling van de per mail gestelde vragen nog te optimaliseren. In 2008 werd gemiddeld 90% van de informatievragen binnen de 5 werkdagen beantwoord. In 2009 en 2010 was dit percentage gedaald tot gemiddeld 88%. In 2011 is met ongeveer 93% de vooropgestelde prestatienorm ruim gehaald.
Planning 2012 Doelstelling is om in 2012 opnieuw het percentage van 93% te behalen.
Budget 2012 Softwaretool voor efficiënte afhandeling van emailvragen (75.000 euro)
5.4.3. Het VEA zal externe sensibiliserings- en communicatieacties voeren inzake het energieverbruik en milieuvriendelijke energieproductie (via beurzen en de media) • Prestatie-indicator: Beschikbaarheid van communicatieplan voor het jaar N+1 • Prestatienorm: Het communicatieplan wordt jaarlijks uiterlijk op de Directieraad van december goedgekeurd en aan de minister overgemaakt Het concrete actiepunt dat het VEA in 2012 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD is het volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Opmaak concreet en gedetailleerd werkplan voor opmaak extern communicatieplan 2013
Beschikbaarheid werkplan samen met Goedkeuring op Directieraad van juni halfjaarlijkse evaluatie extern communi- 2012 catieplan 2012
Kader en stand van zaken Het VEA voert op geregelde tijdstippen sensibiliserings- en communicatieacties inzake het rationeel gebruik van energie en de milieuvriendelijke energieproductie. Het centrale communicatiethema van het VEA is het promoten van rationeel energiegebruik (REG) bij burgers, bedrijven en overheden. De promotie van REG start altijd met de doelstelling om de vraag naar energie zoveel mogelijk te beperken, dus om zo weinig mogelijk energie te verbruiken. Pas in een tweede fase, op het ogenblik dat de meest economische alternatieven om het verbruik te beperken, zijn uitgeput, verschuift de aandacht vervolgens naar de promotie van milieuvriendelijke energieproductie. Deze communicatie komt er enerzijds op neer om burgers, bedrijven en overheden aan te zetten om zoveel mogelijk energie op een duurzame manier te produceren en anderzijds om de weerstand tegen installaties die duurzame energie produceren, te beperken.
57
Planning 2012 Jaarlijks stelt het VEA een extern communicatieplan op. Het extern communicatieplan kadert de communicatieacties in de strategische en operationele organisatiedoelstellingen van het agentschap. Verder worden deze communicatieacties ook nog eens opgedeeld naar de verschillende prioritaire communicatielijnen en de doelgroepen. In het kader van het Energierenovatieprogramma 2020 wordt in 2012 vooral gefocust op de prioritaire doelstellingen, m.n. dakisolatie, vervangen van enkele beglazing, muurisolatie en vervangen van oude verwarmingsinstallaties. In het kader van de hervorming van het premiesysteem vanaf 1 januari 2012 wordt er specifiek campagne gevoerd om de premies blijvend bekend te maken bij de doelgroep. Inzake het EPC bij de verkoop en verhuur van woningen zal de nadruk vooral liggen op de nieuwe verplichting vanaf 2012 om het kengetal bekend te maken in commerciële publiciteit omtrent de woning die te koop of te huur wordt gesteld. Daarnaast wordt de focus gelegd op de verdere professionalisering van het beroep van energiedeskundige met ondermeer de nadruk op de beroepsaansprakelijkheidsverzekering. Inzake het EPC voor publieke gebouwen zal de doelgroep worden geïnformeerd over de nieuwe verplichtingen voor de opmaak van het EPC voor gebouwen met een oppervlakte van minstens 500 m² tegen uiterlijk 1 januari 2013. De communicatie inzake de energieprestatieregelgeving zal in 2012 focussen op de strengere eisen vanaf 1 januari 2012, de opmaak van voorbeeldpakketten van maatregelen voor het behalen van de strengere doelstellingen en de bekendmaking van de langetermijndoelstellingen inzake bijna-energieneutrale gebouwen tegen 2021. De communicatie inzake de ondersteuning van de milieuvriendelijke energieproductie zal in 2012 de nadruk leggen op de hogere premies voor zonneboilers en warmtepompen en de promotie van microWKK bij lokale besturen.
Budget 2012 Uitvoering extern communicatieplan (550.000 euro)
5.4.4. Het VEA zal positief gewaardeerde informatiebrochures en –folders over REG en milieuvriendelijke energieproductie laagdrempelig ter beschikking stellen • Prestatie-indicator: Enquêteresultaten • Prestatienorm: Positieve waardering die over de looptijd van de beheersovereenkomst minstens gelijk blijft De concrete actiepunten die het VEA in 2012 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD zijn de volgende:
58
Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Verspreiding van brochure premies 2012
Beschikbaarheid van de brochure
Uiterlijk 31 januari 2012
Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Verspreiding van geactualiseerde brochure fotovoltaïsche zonnepanelen
Beschikbaarheid van de geactualiseer- Uiterlijk 31 januari 2012 de brochure
Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Verspreiding van geactualiseerde EPCfolder
Beschikbaarheid van de geactualiseer- Uiterlijk 31 januari 2012 de folder
Prestatienorm
Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Verspreiding van de geactualiseerde Beschikbaarheid van de geactualiseer- Uiterlijk 29 februari 2012 brochure ‘praktische gids voor als u bin- de brochure nenkort gaat bouwen of verbouwen’ Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Verspreiding van geactualiseerde brochure ‘geld en energie sparen’
Beschikbaarheid van de geactualiseer- Uiterlijk 29 februari 2012 de brochure
Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Verspreiding van geactualiseerde folders groene warmte (zonneboiler, warmtepomp)
Beschikbaarheid van de geactualiseer- Uiterlijk 30 juni 2012 de folder
Prestatienorm
Kader en stand van zaken Het VEA beschikt over een uitgebreid informatieaanbod inzake REG en milieuvriendelijke energieproductie, vooral voor de doelgroep particulieren. Het VEA stelt verschillende publicaties ter beschikking. De brochures worden in hoofdzaak via volgende kanalen verspreid: informatiezuilen van lokale besturen en gemeenten, downloaden via website, beurzen en evenementen. Vanaf 2010 werd het aantal bestelbare papieren brochures sterk verminderd. Uit de REG-enquête 2011 blijkt dat al 1 op 4 Vlamingen de brochure “Premies voor energiebesparing in Vlaanderen” kent, waarvan 6 op 10 de brochure ook heeft gelezen of geraadpleegd. Jaarlijks wordt deze publicatie op ongeveer 150.000 exemplaren gedrukt en verspreid. Ook digitaal wordt deze brochure zeer vaak gedownload.
Planning 2012 In 2012 zullen een aantal nieuwe brochures worden gemaakt en een aantal brochures worden herdrukt. Dit laatste ofwel in functie van uitputting van de voorraad, ofwel in functie van wijziging van de inhoud of de achterliggende wetgeving. De inhoud van de gedrukte publicaties wordt zoveel mogelijk beperkt tot de essentiële informatie. De waardering van de doelgroep wordt opgevolgd op basis van de REG-enquêtes.
Budget 2012 Drukkosten brochures (75.000 euro)
5.4.5. Het VEA zal een gebruiksvriendelijke en drukbezochte website beheren • Prestatie-indicator: Aantal bezoekers • Prestatienorm: Jaarlijks minstens 1,2 miljoen bezoekers of gemiddeld 100.000 bezoekers op maandbasis Het concrete actiepunt dat het VEA in 2012 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD is het volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Opmaak werkprogramma 2013-2014 voor verdere uitbouw van website
Beschikbaarheid werkprogramma
Goedkeuring op Directieraad van december 2012
59
Kader en stand van zaken Op de website www.energiesparen.be kunnen gezinnen en bedrijven heel wat informatie vinden over de prioritaire energiebesparende investeringen en de financiële ondersteuningsmaatregelen die ze daarvoor kunnen bekomen. In 2011 telde de website maandelijks gemiddeld 112.000 bezoekers (2010 : 115.000 ; 2009: 120.000 ; 2008: 80.000 ; 2007: 55.000). De REG-enquête 2011 heeft uitgewezen dat de websitenaam www.energiesparen.be bekend is bij 47% van de Vlamingen, 53% hiervan heeft de website ook al effectief bezocht. In 2005 was de websitenaam bij 1 op 4 Vlamingen bekend en amper 1 op 4 hiervan had de website al effectief bezocht.
Planning 2012 De ambitie is dat www.energiesparen.be de referentiesite blijft op het vlak van energiebesparing en milieuvriendelijke energieproductie in Vlaanderen. Het is vooral de doelstelling om de bezoeker snel de correcte informatie te bezorgen. Absolute bezoekersaantallen worden minder een hoofdcriterium. In 2012 zal verder werk gemaakt worden van de volledig nieuwe voorpagina en de achterliggende informatie. De vernieuwde site heeft volgende prioriteiten: • de informatiezoeker staat centraal; • de website is licht en luchtig; • de inhoud is geïntegreerd; • geschreven tekst wordt aangevuld en verduidelijkt met grafische gegevens. De voorpagina moet toelaten om snel het grootste deel van de vragen te kanaliseren naar de prioritaire items op de site. Op het vlak van terminologie wordt zoveel mogelijk gekozen voor EPC, EPB en Groene energie. Het geheel wordt duidelijker gestructureerd en overtollige informatie wordt geschrapt. Er wordt meer nadruk gelegd op beschikbare cijfergegevens en statistieken. Er worden een aantal grafische ontwikkelingen voorgesteld waarbij premies, statistieken gelinkt worden aan de kaart van Vlaanderen. De website zal zich vooral verder ontwikkelen als koepelsite en kenniscentrum voor alle informatie inzake energiebesparing en milieuvriendelijke energieproductie.
60
5.5. Het VEA zal de minister ondersteunen bij de voorbereiding en uitvoering van de energiebeleidscyclus • Prestatie-indicator: Jaarlijkse evaluatie minister leidend ambtenaar van het VEA • Prestatienorm: Positieve evaluatie van minister van ondersteuning door het agentschap Het VEA zal deelnemen aan de volgende overlegfora binnen het beleidsdomein LNE: • Deelbeleidsraad Energie • Managementcomité beleidsdomein LNE • Managementcomité ministerie LNE • Werkgroep P&O (Personeel & Organisatie) LNE • VOMER (Vlaams Overleg Milieu- en EnergieRegelgeving) • VOIM (Vlaams Overleg Internationale Milieudossiers) • Stuurgroep referentietaken VITO Het VEA zal deelnemen aan de volgende overlegfora met partners ook van buiten het beleidsdomein LNE: • ENOVER (Energieoverleg federale staat en gewesten) • Vlaamse Interdepartementale Windwerkgroep • Task Force Klimaatbeleid Vlaanderen • Vast Elektrotechnisch Comité • Stuurgroep BBT/EMIS • Werkgroep Energie/Klimaat van de Nationale Klimaatcommissie De volgende overlegfora binnen de Vlaamse overheid zullen worden opgevolgd via de aan het VEA ter beschikking gestelde agenda’s en verslagen : • CAG (College van ambtenaren-generaal) • SOBO (Strategisch Overleg Bestuurlijke Organisatie) • SOFI (Strategisch Overleg Financiën en Interne controle) • TOPO (Tactisch Overleg Personeel en Organisatie) • SOPO (Strategisch Overleg Personeel en Organisatie) Het VEA zal binnen de opgelegde termijnen de nodige informatie en analyseresultaten ter beschikking stellen van de minister voor de beantwoording van parlementaire vragen. Het agentschap zal tevens haar expertise aanleveren voor de voorbereiding van het Vlaams standpunt m.b.t. de Europese en internationale energiegerelateerde dossiers, voornamelijk als input voor de bespreking in ENOVER
5.5.1. Het VEA zal input leveren voor de beleidsbrieven van de minister • Prestatie-indicator: Beschikbaarheid van input • Prestatienorm: De input wordt aan de minister bezorgd voor 7 september van elk jaar De concrete actiepunten die het VEA in 2012 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD zijn de volgende:
61
Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Opmaak ontwerp inhoudsopgave en Beschikbaarheid ontwerp inhoudsopga- Goedgekeurd op Directieraad van juni werkplanning voor voorbereiding input ve en werkplanning 2012 van het agentschap voor de beleidsbrief Energie 2012-2013 Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Nota inzake de bijdrage van het Vlaamse energiebeleid aan de kwantitatieve en kwalitatieve uitbouw van groene jobs
Beschikbaarheid nota
Uiterlijk op 7 september 2012
5.5.2. Het VEA zal energierapporten ter beschikking stellen met betrouwbare gegevens over de energieproductie en het –verbruik per sector • Prestatie-indicator: Beschikbaarheid van definitief rapport over jaar N-2 en voorlopig rapport over jaar N-1 • Prestatienorm: Tegen uiterlijk 30 september van elk jaar Het concrete actiepunt dat het VEA in 2012 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD is het volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Opmaak werkprogramma 2012 voor re- Beschikbaarheid werkprogramma 2012 ferentieopdracht VITO in kader van opmaak energierapport
Prestatienorm Doorsturen werkprogramma naar stuurgroep VITO-referentietaken op uiterlijk 1 maart 2012
Voor de voorbereiding en de opvolging van het energiebeleid heeft de Vlaamse overheid nood aan betrouwbare gegevens inzake de energieproductie en het -verbruik per sector. Ook de inventaris van broeikasgasemissies, een verplichting onder het Kyotoprotocol, steunt op deze gegevens. De inventarisatie van het energieverbruik gebeurt ook ten dienste van de ondernemingen en huishoudens opdat zij hun eigen energieverbruik en -intensiteit zouden kunnen benchmarken met de gemiddelde waarden in hun sector. Op 14 juli 2004 (gewijzigd op 21 april 2009) heeft de Vlaamse Regering de uitvoeringsmodaliteiten betreffende het rapporteren van afname- en productiegegevens door de netbeheerders, de brandstofleveranciers, de exploitanten van warmtekracht-, hernieuwbare energie- en zelfopwekkingsinstallaties goedgekeurd. Het ministerieel besluit van 23 februari 2005 (gewijzigd op 1 december 2010) legt de sectorindelingen, de rapporteringswijze en de eisen inzake accuraatheid, volledigheid en consistentie vast. Jaarlijks dienen de rapporteringsplichtigen tegen 1 mei gegevens aan het VEA te bezorgen. Daarnaast zijn er nog diverse andere bronnen waaruit energieverbruiks- en energieproductiegegevens worden geput: de REG-enquête van het VEA bij 1000 gezinnen, de monitoringrapporten van de convenantbedrijven, de emissiejaarverslagen, de groenestroom- en WKK-certificatendossiers, federale petroleumstatistieken, transportmodellen, enz. Na controle op accuraatheid en consistentie worden de gegevens verwerkt in een jaarlijks Vlaams energierapport. De Vlaamse Instelling voor het Technologisch Onderzoek (VITO) werd hiermee belast in het kader van hun referentieopdracht. De opmaak van het energierapport wordt begeleid door een gebruikerscomité, onder het voorzitterschap van het VEA. Met financiering van Eurostat, voerden de gewesten en de federale overheid in 2011 een gezamenlijke face-to-face enquête uit bij 3700 gezinnen (waarvan 1850 in Vlaanderen) over de energiekenmerken van hun woning, hun energiegebruik en gedrag en geplande investeringen. De databank met de enquêteresultaten komt in januari 2012 beschikbaar. Het VEA zal samen met VITO de resultaten analyseren, vergelijken met andere bronnen en integreren in het Vlaams energierapport en het woningmodel.
62
5.5.3. Het VEA zal meewerken aan de opmaak, uitvoering, rapportering en evaluatie van het Vlaams Klimaatbeleidsplan voor de acties waarvoor het agentschap trekker is • Prestatie-indicator: Beschikbaarheid van bijdrage • Prestatienorm: De bijdrage wordt aan het Departement LNE bezorgd binnen de afgesproken termijn Het concrete actiepunt dat het VEA in 2012 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD is het volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Organisatie Rondetafel Klimaat en nietETS Industrie-energie
Datum waarop Rondetafel is doorgegaan
Uiterlijk 30 april 2012
Kader en stand van zaken Voortbouwend op de ervaring die werd opgedaan in het kader van de opmaak en uitvoering van het Vlaams Klimaatbeleidsplan 2006-2012, is door het beleidsveld Leefmilieu in 2011 het proces opgestart dat voor de post-Kyoto-periode moet leiden tot het Vlaams Klimaatbeleidsplan 2013-2020 (ViA-sleutelproject). België heeft als doelstelling de emissies van broeikasgassen in de sectoren die niet vallen onder de richtlijn verhandelbare emissierechten (de niet-ETS sectoren) te reduceren met 15% tegen 2020 in vergelijking tot 2005. Door vertraging bij de vorming van een federale regering, kon de Belgische doelstelling nog niet worden vertaald naar gewestelijke en federale doelstellingen. De Vlaamse Regering keurde op 1 juli 2011 de uitvoering van een conceptnota met betrekking tot het voorbereidingstraject van het volgende klimaatbeleidsplan goed. Het Vlaams klimaatbeleidsplan zal bestaan uit twee luiken: het Vlaams Mitigatieplan (VMP), met als doel de uitstoot van broeikasgassen tussen 2013 en 2020 te reduceren en het Vlaams Adaptatieplan (VAP), met als doel Vlaanderen in staat te stellen om zich aan te passen aan de klimaatverandering. Op 20 oktober 2011 ging de startvergadering van de Vlaamse Task Force Mitigatie Klimaat door. Het VEA is als expert van het beleidsveld Energie vertegenwoordigd in deze ambtelijke werkgroep die als opdracht heeft het Vlaams Mitigatieplan voor te bereiden en nadien het jaarlijks monitoringrapport uit te werken. De Vlaamse Regering wil de dialoog rond het Vlaams klimaatbeleid voeren met alle relevante stakeholders. Op 25 november 2011 werd door de minister van Leefmilieu het startschot gegeven voor de Vlaamse Klimaatconferentie. Nadien nemen de meest betrokken vakministers het initiatief voor de organisatie van Rondetafelconferenties voor de vier grote sectoren die bijdragen tot de niet-ETS emissies: gebouwen, transport, industrie-energie en landbouw. Op 13 december heeft het VEA samen met minister Freya Van den Bossche de Rondetafel Klimaat en Gebouwen georganiseerd. Het departement LNE heeft een studieopdracht toegekend aan VITO om in overleg met de betrokken beleidsvelden lopende en geplande beleidsmaatregelen te inventariseren en op basis daarvan nieuwe projecties voor de broeikasgasuitstoot tegen 2020 op te stellen. Het VEA volgt deze studie van nabij op en waakt onder andere over een maximale afstemming tussen de klimaatprognoses en de vooruitzichten die werden opgenomen in het tweede Vlaams Actieplan Energie-Efficiëntie van juni 2011 (zie punt 5.1.1). In het kader van het institutioneel akkoord over de zesde staatshervorming is overeengekomen dat voor het klimaatbeleid een responsabiliseringsmechanisme wordt ingevoerd. De bijzondere financieringswet zal erin voorzien dat een mechanisme, op basis van een voorstel van de Nationale Klimaatcommissie, voor elk gewest een meerjarig traject voor de reductie van de uitstoot van broeikasgassen in de sector van de gebouwen zal vastleggen. Indien een gewest zijn toegewezen doelstelling overschrijdt, krijgt het een financiële bonus in verhouding tot het verschil ten aanzien van het traject, dat het gewest investeert in beleid ter reductie van broeikasgassen. De betrokken federale middelen worden uitsluitend
63
gefinancierd vanuit het federale aandeel in de veiling van de verhandelbare emissierechten. Indien een gewest zijn doelstelling niet behaalt, zal het een financiĂŤle malus betalen in verhouding tot het verschil ten aanzien van het traject, die de federale overheid in beleid ter reductie van de broeikasgassen investeert. Nadere regels van dit mechanisme zullen worden vastgelegd in de gewone wet, die tegelijk met de bijzondere financieringswet zal worden gestemd.
Planning 2012 Van het beleidsveld Energie wordt verwacht om in het voorjaar van 2012 ook de Rondetafel Klimaat en niet-ETS Industrie-energie te organiseren. Dit zal worden gestroomlijnd met het verdere overleg over de verlenging van de convenanten. Om alle opties bij de invulling van de Belgische niet-ETS doelstelling open te houden, wordt voorlopig ook voor Vlaanderen uitgegaan van een 15%-reductiedoelstelling in 2020 ten opzichte van 2005. De voorlopige prognoseresultaten geven aan dat deze streefwaarde voor Vlaanderen met het lopend en beslist beleid niet haalbaar is. Na het stakeholdersoverleg komt dan ook de moeilijkste stap in het voorbereidingsproces van het Vlaams Mitigatieplan: het overleg tussen de bevoegde ministers over de vertaling van de globale Vlaamse niet-ETS doelstelling in indicatieve sectorale reductiepaden gekoppeld aan besliste en bijkomende beleidsmaatregelen. Het VEA zal haar expertise en de nodige informatie ter beschikking stellen van de minister. Het VEA zal het departement ondersteunen bij de redactie van het Vlaams Mitigatieplan. Een definitieve goedkeuring van dit plan wordt verwacht tegen eind 2012. Na de federale regeringsvorming zal de politieke besluitvorming inzake de intra-Belgische verdeling van de 15%-reductiedoelstelling van start kunnen gaan. Het inzicht in de Vlaamse reductiemogelijkheden dat bij de voorbereiding van het Vlaams Mitigatieplan werd verworven, zal nuttig kunnen worden aangewend bij de politieke besprekingen over de lastenverdeling en over het reductietraject voor de gebouwen dat in het kader van het responsabiliseringsmechanisme voor elk gewest zal worden vastgelegd. Het VEA zal een strategienota uitwerken voor de verdere bespreking van het responsabiliseringsmechanisme dat in het kader van de zesde staatshervorming wordt voorzien.
64
6. Begroting 6.1. Algemeen De voorziene uitgaven aan vastleggingen van (of beheerd door) het VEA worden in 2012 begroot op 64.113.000 euro. De voorziene betalingen die het VEA verricht, worden in 2012 begroot op 77.088.000 euro. Hiermee valt 95% van de uitgaven van het energiebeleid onder beheer van het VEA. De wettelijke plafonds voor deze uitgaven zijn ingeschreven (zgn. ‘geopend’) in het uitgavendecreet 2012. Uitzondering hierop zijn de uitgaven van het Energiefonds (rollend begrotingsfonds) die enkel gelimiteerd zijn door de inkomsten die het heeft gerealiseerd. In een lopend begrotingsjaar worden hiertoe informatieve uitgaven- en middelenramingen opgenomen in het uitgavendecreet, respectievelijk middelendecreet. De aan het Energiefonds toegewezen inkomsten betreffen op dit ogenblik uitsluitend administratieve boetes inzake de handhaving van het energiebeleid, in het bijzonder door de handhaving die het VEA uitvoert inzake de energieprestatieregelgeving voor gebouwen. Op 17 december 2010 besliste de Vlaamse Regering om hiervoor bijkomend personeel in te zetten bij het VEA. 54 miljoen euro aan vastleggingen (84% van alle uitgaven onder beheer van het VEA), wordt ter beschikking gesteld voor het ontlasten van de nettarieven die gekoppeld zijn aan de openbaredienstverplichtingen (actieverplichtingen) van de netbeheerders, zijnde hun REG-premies, een aantal sociale dakisolatieprojecten, de energiescans en de exploitatiesteun voor de grotere (niet-huishoudelijke of industriële) groenewarmteprojecten. De uitgaven kunnen verder worden uitgesplitst in enerzijds de eigen apparaatskredieten van het VEA en anderzijds in de energiebeleidskredieten die door het VEA worden beheerd.
6.2. Apparaatskredieten VEA Voor haar eigen werking in 2012 bedragen de apparaatskredieten in vastleggingen 5.164.000 euro. In betalingen bedragen de apparaatskredieten 5.403.000 euro. Met de invoering van het Rekendecreet werden de basisallocaties op de VEA-apparaatskredieten (beleidsdomein L, entiteit LE0, programma A) inhoudelijk opgedeeld volgens twee bovenliggende begrotingsartikels als volgt: LE0/1LA-F-2-Z/LO – Lonen • LA400 (Lonen) LE0/1LA-F-2-Z/WT – Werking en toelagen • LA401 (Algemene werkingskosten) • LA402 (Informatica-werkingskosten) • LA403 (Overige investeringen) • LA404 (Informatica-investeringen) De eerder vermelde wettelijke plafonds worden ingesteld op de twee bovenliggende begrotingsartikels. Tijdens de uitvoering van de begroting wordt er verder nog steeds aangerekend op de onderliggende basisallocaties ‘oude stijl’. Detail in kEUR: LE0/1LA-F-2-Z/LO - Lonen ENT
PR
ESR
HP
TEKST
LE0
LA400
1100
L
LONEN EN SOCIALE LASTEN - NIET VERDEELD Lonen
VAK
VEK 3738
3738
65
LE0/1LA-F-2-Z/WT – Werking en toelagen ENT
PR
ESR
LE0
LA401
1211
LE0
LA402
1211
LE0
LA403
LE0
LA404
HP
TEKST
VAK
VEK
ALGEMENE WERKINGSKOSTEN (VERGOED AAN ANDERE SECTOREN DAN DE OVERHEIDSSECTOR) Algemene werkingskosten
169
169
B
ALGEMENE WERKINGSKOSTEN (VERGOED AAN ANDERE SECTOREN DAN DE OVERHEIDSSECTOR) – INFORMATICA Informatica-werkingskosten
918
1108
7422
I
VERWERVING VAN OVERIG MATERIEEL - OVERIGE INVESTERINGSGOEDEREN Overige investeringen
17
17
7422
IB
VERWERVING VAN OVERIG MATERIEEL - AANKOPEN EN INVESTERINGEN INFORMATICA Informatica-investeringen
322
371
Totaal programma A
VAK
VEK
5164
5403
Opmerking: 363.000 euro in VAK en 477.000 euro in VEK is in eenmalig als gevolg van de overgangsmaatregelen m.b.t. de aanrekeningregels van het Rekendecreet.
6.3. Energiebeleidskredieten Het VEA beheert alle energiebeleidskredieten die zijn ingeschreven op programma LE (Energie) van het beleidsdomein LNE (uitgezonderd dotatie VREG en een beperkt krediet voor internationaal energiebeleid dat beheerd wordt door het departement LNE). Deze geraamde energiebeleidsruimte voor 2012 (in vastleggingen), als som van zowel de algemene kredieten als de geraamde vastleggingen op het Energiefonds, wordt in 2012 begroot op 58.949.000 euro. De geraamde vastleggingen op het Energiefonds bedragen 3.300.000 euro. De betaalruimte, als som van zowel de algemene kredieten als de betalingen op het Energiefonds, wordt in 2012 begroot op 71.685.000 euro. De geraamde betalingen op het Energiefonds bedragen 14.420.000 euro. De geraamde ontvangsten die in 2012 worden toegewezen aan het Energiefonds bedragen 3.443.000 euro en zijn in hoge mate afgestemd op de beslissing van de Vlaamse Regering van 17 december 2010 om aan het Vlaams Energieagentschap bijkomend personeel ter beschikking te stellen om de handhaving op de energieprestatieregelgeving te versterken. Met de invoering van het Rekendecreet werden de basisallocaties van de energiebeleidskredieten onder beheer van het VEA (beleidsdomein L, entiteit LE0, programma E), inhoudelijk opgedeeld volgens drie bovenliggende begrotingsartikels. Deze indeling is als volgt (uitdovende basisallocaties worden weggelaten): LE0/1LE-F-2-A/WT – Werking en toelagen – Milieuvriendelijke energieproductie • LE405 (Subsidie vzw Cogen Vlaanderen) • LE406 (Subsidie vzw ODE Vlaanderen) • LE413 (ODV Groene warmte) • LE415 (Micro-WKK gemeenten) • LE416 (Micro-WKK SHM’s) LE0/1LE-F-2-B/WT – Werking en toelagen – Energie-efficiëntie • LE401 (Algemene werking - energiebeleid) • LE403 (Algemene werking - overeenkomsten) • LE407 (Overige subsidies) • LE409 (ODV REG-premies) • LE411 (Waarborgstelling leningen FRGE) • LE414 (ODV Sociale dakisolatieprojecten) • LE417 (Energiescans)
66
LE0/1LE-F-4-C/WT – Werking en toelagen – Impulsprojecten energiebeleid • LE418 (Energiefonds) De eerder vermelde wettelijke plafonds, behoudens op het Energiefonds, worden ingesteld op de drie bovenliggende begrotingsartikels. Tijdens de uitvoering van de begroting wordt er verder nog steeds aangerekend op de onderliggende basisallocaties ‘oude stijl’. Detail in kEUR: LE0/1LE-F-2-A/WT – Werking en toelagen – Milieuvriendelijke energieproductie ENT
PR
ESR
HP
TEKST
LE0
LE405
3300
INKOMENSOVERDRACHTEN AAN VZW’S TEN BEHOEVE VAN DE GEZINNEN - VZW COGEN VLAANDEREN VOOR DE ONDERSTEUNING VAN WARMTEKRACHTKOPPELING Subsidie vzw Cogen Vlaanderen
134
134
LE0
LE406
3300
INKOMENSOVERDRACHTEN AAN VZW’S TEN BEHOEVE VAN DE GEZINNEN - VZW ODE VLAANDEREN VOOR DE ONDERSTEUNING VAN DUURZAME ENERGIEBRONNEN Subsidie vzw ODE Vlaanderen
90
90
LE0
LE413
3132
I
OVERIGE EXPLOITATIESUBSIDIES AAN ANDERE PRODUCENTEN DAN OVERHEIDSBEDRIJVEN - GROENE WARMTE ODV Groene warmte
4400
4400
LE0
LE415
6321
I
INVESTERINGSBIJDRAGEN AAN GEMEENTEN - DEMONSTRATIEPROJECTEN Micro-WKK gemeenten
100
100
LE0
LE416
6351
I
INVESTERINGSBIJDRAGEN AAN OVERIGE LOKALE OVERHEDEN - DEMONSTRATIEPROJECTEN Micro-WKK SHM’s
100
100
Totaal begrotingsartikel LE0/1LE-F-2-A/WT
VAK
VEK
VAK
VEK 4824
4824
LE0/1LE-F-2-B/WT – Werking en toelagen – Energie-efficiëntie ENT
PR
ESR
HP
TEKST
VAK
VEK
LE0
LE401
1211
C
ALGEMENE WERKINGSKOSTEN (VERGOED AAN ANDERE SECTOREN DAN DE OVERHEIDSSECTOR) - MIV UITGAVEN VOOR COMMUNICATIEACTIES EN OVEREENKOMSTEN, ANDERE DAN DEZE BEDOELD IN DE OVERIGE BASISALLOCATIES Algemene werking - energiebeleid
371
402
LE0
LE403
1211
W
ALGEMENE WERKINGSKOSTEN(VERGOED AAN ANDERE SECTOREN DAN DE OVERHEIDSSECTOR) - OVEREENKOMSTEN I.V.M. HET ENERGIEBELEID EN DE TOEPASSING VAN DE FLEXIBELE MECHANISMEN UIT HET PROTOCOL VAN KYOTO Algemene werking - Overeenkomsten
464
690
LE0
LE407
3300
E
INKOMENSOVERDRACHTEN AAN VZW’S TEN BEHOEVE VAN DE GEZINNEN - INITIATIEVEN DIE HET INTERNATIONALE, FEDERALE, EN REGIONALE ENERGIEBELEID ONDERSTEUNEN (INCLUSIEF UITGAVEN MET EU COFINANCIERING) Overige subsidies
240
516
LE0
LE409
3132
I
OVERIGE EXPLOITATIESUBSIDIES AAN ANDERE PRODUCENTEN DAN OVERHEIDSBEDRIJVEN - PREMIES TER VERBETERING VAN DE ENERGIEPRESTATIES VAN EEN WONING ODV REG-premies
43.269
42.482
LE0
LE411
5120
I
OVERIGE KAPITAALOVERDRACHTEN AAN OVERHEIDSBEDRIJVEN - NIET VERDEELD - IN HET KADER VAN DE WAARBORGSTELLING VOOR LENINGEN DIE LOPEN VIA HET FRGE Waarborgstelling leningen FRGE
200
200
67
LE0
LE414
3132
I
OVERIGE EXPLOITATIESUBSIDIES AAN ANDERE PRODUCENTEN DAN OVERHEIDSBEDRIJVEN - BESTRIJDING VAN DE ENERGIEARMOEDE (INCLUSIEF UITVOERING SOCIALE DAKISOLATIEPROJECTEN) ODV - Sociale dakisolatieprojecten
6000
4500
LE0
LE417
3132
I
OVERIGE EXPLOITATIESUBSIDIES AAN ANDERE PRODUCENTEN DAN OVERHEIDSBEDRIJVEN - ENERGIESCANS Energiescans
281
2568
Totaal begrotingsartikel LE0/1LE-F-2-B/WT
VAK
VEK
50.825
51.358
Opmerking: 31.000 euro in VEK is in eenmalig als gevolg van de overgangsmaatregelen m.b.t. de aanrekeningregels van het Rekendecreet. Bovengaande is exclusief de twee uitdovende posten waarop in 2012 enkel VEK is ingeschreven: • LE408: 83.000 euro VEK voor uitdovende demonstratieprojecten; • LE412: 1.000.000 euro VEK voor uitdovend SVK-programma. Inclusief deze posten komt het VEK op dit begrotingsartikel op 52.411 kEUR te liggen. LE0/1LE-F-4-C/WT – Werking en toelagen – Impulsprojecten energiebeleid ENT
PR
ESR
LE0
LE400
0100
HP
TEKST
VAK
ALGEMENE WERKINGSKOSTEN (VERGOED AAN ANDERE SECTOREN DAN DE OVERHEIDSSECTOR) - ENERGIEFONDS(DECREET 08.05.2009) (INCLUSIEF UITGAVEN MET EU CONFINANCIERING)(FONDS) Energiefonds
VEK 3300
14.420
De hierboven weergegeven VAK/VEK zijn niet de beschikbare kredieten, maar de geraamde vastleggingen, respectievelijk betalingen in 2012 op het Energiefonds. In het uitgavendecreet worden als VRK enkel de geraamde betalingen van 2012 ingeschreven, zijnde 14.420 kEUR.
Meerjarenbegroting Energiefonds 2013-2015 In kEUR: 2013
2014
2015
Ontvangsten in VAK/VEK
1800
1000
500
Vastleggingen in VAK
2400
1800
950
Betalingen in VEK
6050
3000
1500
Verwacht VEK-saldo 1.1.2013 = 9800 kEUR Verwacht VEK-saldo 1.1.2014 = 5550 kEUR Verwacht VEK-saldo 1.1.2015 = 3550 kEUR Verwacht VEK-saldo 1.1.2016 = 2550 kEUR
68
Detail van de geplande vastleggingen op het Energiefonds: VAK in kEUR: 2012 Onbelast Saldo 01.01 Ontvangsten Actieplan EE Actieplan BEN
2013
2014
2015
2266
2009
1409
609
3443(*)
1800
1000
500
0
50
50
0
750
500
250
100
EPB
800
300
200
100
ERP 2020
120
100
100
50
EPC
250
250
250
250
Actieplan HE
330
200
200
50
Energieconsulentenprojecten (**) Communicatiecampagnes
0
0
0
0
500
400
350
200
Piloot-, demo- en Europese projecten
550
400
300
150
Diversen
400
200
100
50
Totaal vastleggingen
3700
2400
1800
950
(*) Inschatting opgenomen in middelendecreet 2012 (**) De verlenging van de energieconsulentenprojecten zou in 2013 uit het Energiefonds een budget vereisten van 3,3 miljoen euro. Deze budgettaire weerslag kan in de huidige meerjarenbegroting van het Energiefonds niet worden ingepast.
Meerjarenbegroting andere energiebeleidskredieten VAK in kEUR: 2013
2014
2015
LE405 (Subsidie vzw Cogen Vlaanderen)
134
134
134
LE406 (Subsidie vzw ODE Vlaanderen)
90
90
90
LE413 (ODV Groene warmte)
4400
4400
4400
LE415 (Micro-WKK gemeenten)
100
100
100
LE416 (Micro-WKK SHM’s)
100
100
100
LE401 (Algemene werking - energiebeleid)
371
371
371
LE403 (Algemene werking - overeenkomsten)
464
464
464
Milieuvriendelijke energieproductie
Energie-efficiĂŤntie
LE407 (Overige subsidies)
240
240
240
LE409 (ODV REG-premies)
42.662
42.243
42.243
LE411 (Waarborgstelling leningen FRGE)
200
200
200
LE414 (ODV Sociale dakisolatieprojecten)
6000
6000
6000
LE 417 (ODV Energiescans)
888
1307
1307
De meerjarenbegroting gaat uit van constant beleid, zonder verdere besparingen vanaf 2013. Er wordt wel uitgegaan van een aangehouden nulgroei.
69
7. Personeel 7.1. Kenmerken van het personeelsbestand van het VEA (toestand 31 december 2011) Het Vlaams Energieagentschap telt 57 personeelsleden. Hiervan werken 41 personeelsleden op het hoofdbestuur te Brussel en 16 personeelsleden in de buitendiensten (10 buitendienst Gent en 6 buitendienst Hasselt). Er zijn 33 vrouwen en 24 mannen tewerkgesteld binnen het VEA. De meeste personeelsleden (2/3) bevinden zich in niveau A. 43 personeelsleden zijn statutair. Er werken 2 personen van allochtone afkomst en 1 persoon met een arbeidshandicap bij het VEA. Het VEA heeft een relatief jong personeelsbestand (3/4 is jonger dan 45 jaar).
7.2. Beknopte beschrijving van de verschillende processen van het VEA Een uitgebreidere beschrijving van de kernprocessen van het VEA en de geplande personeelsbezetting per kernproces voor 2012 is opgenomen als bijlage bij dit ondernemingsplan. De algemene leiding van het Vlaams Energieagentschap wordt waargenomen door een administrateur-generaal (N-functie). De heer Luc Peeters is vanaf 11 februari 2011 aangesteld tot administrateurgeneraal van het Vlaams Energieagentschap.
Cel management en strategie Het algemeen secretariaat van het Vlaamse Energieagentschap wordt verzekerd door 0,5VTE. De management- en strategiecel verzorgt tevens een aantal managementondersteunende processen en legt de algemene strategie van het Vlaams Energieagentschap vast. Voor deze taken is een personeelsbezetting van 9,5 VTE voorzien. Deze taken zijn: • Organisatieontwikkeling en –beheersing. • Algemeen beleidsondersteuning door het verstrekken van beleidsgerichte input. • Uitvoeren van de financiële verrichtingen. • Beantwoorden van algemene informatievragen over het Vlaamse energiebeleid.
REG en sociaal energiebeleid De huidige activiteiten van de cel REG en sociaal energiebeleid kunnen worden opgesplitst in volgende deelactiviteiten. • Implementatie, monitoring en evaluatie van de actieverplichtingen in het kader van REG-ODV. • Monitoren en evalueren van de sociale openbaredienstverplichtingen. • -oekennen van subsidies voor energiebesparende investeringen door sociale verhuurkantoren. • Controle overzichten van netbeheerders voor uitbetaling Vlaamse dakisolatiepremie. • Doelgroepenoverleg in het kader van het beleidsthema en het Energierenovatieprogramma 2020 in het bijzonder. • Adviesverlening aangaande dossiers in het kader van het thema Energie van de samenwerkingsovereenkomst (SO) met de gemeenten en de provincies. • Thematische informatieverstrekking inzake REG en het sociaal energiebeleid. Voor de uitvoering van deze deelactiviteiten is een personeelsbezetting van 6,05 VTE voorzien.
70
Milieuvriendelijke energieproductie De huidige activiteiten van de cel milieuvriendelijke energieproductie kunnen worden opgesplitst in volgende deelprocessen. • Uitvoering geven aan de Europese richtlijn inzake de bevordering van hernieuwbare energiebronnen. • Uitvoering geven aan de Europese richtlijn inzake de bevordering van warmtekrachtkoppeling. • Coördinatie werkzaamheden Interdepartementale Windwerkgroep. • Opvolging gesubsidieerde werkzaamheden van sectororganisaties (ODE, Cogen, Biogas-E, Quest). • Thematische informatieverstrekking inzake milieuvriendelijke energieproductie. Voor de uitvoering van deze deelprocessen is een personeelsbezetting van 5,5 VTE voorzien.
Cel ondersteuning van bedrijven De huidige ondersteuning van bedrijven omvat volgende deelprocessen: • Beoordelen van de attestaanvragen van bedrijven voor een verhoogde investeringsaftrek voor energiebesparende investeringen. • Beoordelen van de energieplannen en de energiestudies in het kader van het besluit Energieplanning. • Opvolgen van de energiebeleidsovereenkomsten in verband met energie-efficiëntie. • Actualiseren technologielijst in het kader van de ecologiepremie. • Coördineren van de energieconsulentprojecten voor bedrijven. • Thematische informatieverstrekking inzake steunverlening aan bedrijven voor energiebesparende investeringen. Voor de uitvoering van deze deelprocessen is een personeelsbezetting van 2,8 VTE voorzien.
Cel energieprestatieregelgeving Met de implementatie van de Vlaamse energieprestatieregelgeving gaan volgende deelprocessen gepaard: • Handhaving van de energieprestatieregelgeving. • Het verder uitbouwen van de EPB-software. • Het verder uitbouwen van de energieprestatiedatabank inzake de energieprestatieregelgeving. • Het monitoren, evalueren, verder uitwerken en optimaliseren van de energieprestatieregelgeving. • Het verder uitwerken van de berekeningsmethodiek voor de energieprestatieregelgeving. • Thematische informatieverstrekking ter ondersteuning van verslaggevers, ontwerpers, uitvoerders, de bouwsector en bouwheren met betrekking tot de energieprestatieregelgeving. Voor de implementatie van deze deelactiviteiten is een personeelsbezetting van 18,6 VTE voorzien.
71
Cel energieprestatiecertificatie Met de implementatie van de Vlaamse energieprestatiecertificatensystemen gaan volgende deelprocessen gepaard: • Handhaving van de energieprestatiecertificatensystemen. • Bewaken van de kwaliteit van de opleidingen voor energiedeskundigen. • Het verder uitwerken van de berekeningsmethodiek voor de energieprestatiecertificatenregelgeving. • Het verder uitbouwen van de certificatiesoftwares. • Het verder uitbouwen van de energieprestatiedatabank inzake de energieprestatiecertificatensystemen. • Het monitoren, evalueren, verder uitwerken en optimaleren van de energieprestatiecertificatensystemen. • Thematische informatieverstrekking ter ondersteuning van de implementatie van de energieprestatiecertificatensystemen. Voor de implementatie van deze deelactiviteiten is een personeelsbezetting van 8,45 VTE voorzien.
7.3. Samenvatting van de opdeling van het personeelsbestand naar de verschillende cellen van het VEA Management en strategie: 10,2 VTE • Algemeen secretariaat (0,7 VTE) • Organisatieontwikkeling en –beheersing (1,9 VTE) • Algemene beleidsondersteuning door het verstrekken van beleidsgerichte input (3,7 VTE) • Uitvoeren van de financiële verrichtingen (2,1 VTE) • Beantwoorden van algemene informatievragen over het Vlaamse energiebeleid (1,8 VTE)
REG en sociaal energiebeleid: 6,05 VTE • Implementatie, monitoring en evaluatie van de actieverplichtingen in het kader van REG-ODV (0,2 VTE) • Monitoren en evalueren van de sociale openbaredienstverplichtingen (0,5 VTE) • Toekennen van subsidies voor energiebesparende investeringen door sociale verhuurkantoren (0,1 VTE) • Controle overzichten van netbeheerders voor uitbetaling Vlaamse dakisolatiepremie (0,2 VTE) • Doelgroepenoverleg in het kader van het beleidsthema en het Energierenovatieprogramma 2020 in het bijzonder (1,0 VTE) • Adviesverlening aangaande dossiers in het kader van het thema Energie van de samenwerkingsovereenkomst (SO) met de gemeenten en de provincies (1,15 VTE) • Thematische informatieverstrekking inzake REG en het sociaal energiebeleid (2,9 VTE)
Milieuvriendelijke energieproductie: 5,5 VTE • Uitvoering geven aan de Europese richtlijn inzake de bevordering van hernieuwbare energiebronnen (2,8 VTE) • Uitvoering geven aan de Europese richtlijn inzake de bevordering van warmtekrachtkoppeling (0,2 VTE) • Coördinatie werkzaamheden Interdepartementale Windwerkgroep (1,0 VTE) • Opvolging gesubsidieerde werkzaamheden van sectororganisaties (ODE, Cogen, Biogas-E, Quest) (0,2 VTE) • Thematische informatieverstrekking inzake milieuvriendelijke energieproductie (1,3 VTE)
72
Ondersteuning van bedrijven: 2,8 VTE • Beoordelen van de attestaanvragen van bedrijven voor een verhoogde investeringsaftrek voor energiebesparende investeringen (1,4 VTE) • Beoordelen van de energieplannen en de energiestudies in het kader van het besluit Energieplanning (0,3 VTE) • Opvolgen van de energiebeleidsovereenkomsten in verband met energie-efficiëntie (0,5 VTE) • Coördineren van de energieconsulentprojecten voor bedrijven (0,2 VTE) • Thematische informatieverstrekking inzake steunverlening aan bedrijven voor energiebesparende investeringen (0,4 VTE)
Energieprestatieregelgeving: 18,6 VTE • Handhaving van de energieprestatieregelgeving (12,2 VTE) • Het verder uitbouwen van de EPB-software (1,0 VTE) • Het verder uitbouwen van de energieprestatiedatabank inzake de energieprestatieregelgeving (0,5 VTE) • Het monitoren, evalueren, verder uitwerken en optimaliseren van de energieprestatieregelgeving (1,1 VTE) • Het verder uitwerken van de berekeningsmethodiek voor de energieprestatieregelgeving (1,0 VTE) • Thematische informatieverstrekking ter ondersteuning van verslaggevers, ontwerpers, uitvoerders, de bouwsector en bouwheren met betrekking tot de energieprestatieregelgeving (2,8 VTE)
Energieprestatiecertificatie: 8,45 VTE • Handhaving van de energieprestatiecertificatensystemen (3,85 VTE) • Bewaken van de kwaliteit van de opleidingen voor energiedeskundigen (0,7 VTE) • Het verder uitwerken van de berekeningsmethodiek voor de energieprestatiecertificatenregelgeving (1,2 VTE) • Het verder uitbouwen van de certificatiesoftwares (0,5 VTE) • Het verder uitbouwen van de energieprestatiedatabank inzake de energieprestatiecertificatensystemen (0,5 VTE) • Het monitoren, evalueren, verder uitwerken en optimaliseren van de energieprestatiecertificatensystemen (0,5) • Thematische informatieverstrekking ter ondersteuning van de implementatie van de energieprestatiecertificatensystemen (1,2 VTE)
7.4. Actueel personeelsplan van het VEA Het meest recente door het EOC op 20 september 2011 goedgekeurde personeelsplan van het VEA ziet er als volgt uit: Functie
Statutair of contractueel
Rang
Nieuw personeelsplan
Administrateur-generaal
Mandaat
N
1
Directeur-ir
Statutair
A2
1
Senior-adviseur
Statutair
A2E
1
Adviseur-ingenieur
Statutair
A2
4
Adviseur
Statutair
A2
1
Adjunct van de directeur
Statutair
A1
17
Adjunct van de directeur
Contractueel
A1
2
Ingenieur
Statutair
A1
10
Ingenieur
Contractueel
A1
4
Deskundige
Statutair
B2
1
Deskundige
Statutair
B1
1
73
Hoofdmedewerker
Statutair
C2
3
Technici
Statutair
C1
1
Medewerker
Statutair
C1
5
Assistent
Statutair
D1
4
Assistent
Contractueel
D1
5
Totaal
61
Personeelsbestand 31 december 2011
Aantal
Niveau A
38
Niveau B
2
Niveau C
7
Niveau D
10
Totaal
57
7.5. Personeelsplanning 2011-2015 Geplande evolutie personeelsbestand
(VTE)
Koppen
13 juli 2009:
44
49
31 december 2009:
44
49
31 december 2010:
45
50
31 december 2011:
52
57
31 december 2012:
51
56
31 december 2013:
48
52
31 december 2014:
44
47
31 december 2015:
44
47
De vrijwillige uitstroom (pensionering) gedurende de looptijd van de beheersovereenkomst 2011-2015: • 2 Niveau C • Niveau A 2012: • herschikking van processen dakisolatiepremie, subsidieregeling SVK’s en actieplannen netbeheerders 2013: • stopzetting contracten tijdelijke uitbreiding voor versterking handhaving energieprestatieregelgeving (2 niveau A en 2 niveau D) 2014: • stopzetting contracten uitbreiding voor versterking handhaving energieprestatieregelgeving indien deze personeelsuitbreiding niet zou kunnen worden gecompenseerd door de afbouw van het personeelsbestand bij andere entiteiten van het beleidsdomein (3 niveau A en 2 niveau D) • herschikking van proces thema Energie samenwerkingsovereenkomst
74
7.6. Geplande wijzigingen in de kernprocessen van de verschillende cellen -Management en strategie -REG en sociaal energiebeleid Uitputting budget voor premieregeling sociale verhuurkantoren (2012) Omschakeling van REG-ODV voor elektriciteitsdistributienetbeheerders van resulaatsverplichting naar actieverplichtingen (2012) Integratie van Vlaamse dakisolatiepremie in premie netbeheerders (2012) Afbouw adviesverlening aangaande dossiers in het kader van het thema Energie van de samenwerkingsovereenkomst (SO) met de gemeenten en de provincies (vanaf 2014)
-Milieuvriendelijke energieproductie Implementatie actieplan Groene Warmte (na beslissing Vlaamse Regering)
-Ondersteuning van bedrijven Verbreding van energieconvenanten (na beslissing Vlaamse Regering)
-Energieprestatieregelgeving -Energieprestatiecertificatensystemen Versterking kwaliteitscontrole EPC’s (na beslissing Vlaamse Regering)
75
8. Personeelsinzet en besteding van beleidskredieten in functie van de operationele organisatiedoelstellingen van de beheersovereenkomst 2011-2015 SOD-1
Het VEA wil Europese en Vlaamse beleidsmaatregelen inzake de bevordering van het efficiënt gebruik van energie kwaliteitsvol en efficiënt implementeren en op die manier ook bijdragen tot de kwantitatieve en kwalitatieve uitbouw van groene jobs Sleutelproces
VTE
Beleidskredieten
OOD-Pr1
Het VEA zal de implementatie coördineren van de bepalingen van de Europese richtlijn energie-efficiëntie die betrekking hebben op de gewestelijke energiebevoegdheden
2
0,6
-
OOD-Pr2
Het VEA zal de omzetting in Vlaamse regelgeving voorbereiden van de bepalingen van de gereviseerde Europese richtlijn inzake de energieprestatie van gebouwen
2 + 26
0,4
-
OOD-Pr3
Het VEA zal een actieplan uitwerken om de bouw van lage energiegebouwen en bijna energieneutrale gebouwen te stimuleren
2 + 26
0,6
400.000
OOD-Pr4
Het VEA zal een stappenplan uitwerken tot het stapsgewijs verstrengen van de EPB-eisen voor nieuwbouw tot 2021
26
0,4
250.000
OOD-Pr5
Het VEA zal de implementatie voorbereiden van het energieprestatiecertificaten-systeem voor niet-residentiële gebouwen
31
0,5
-
OOD-Pr6
Het VEA wil, geïntegreerd in een certificatiesoftware, een gebruiksvriendelijke maatwerkadviesmodule voor residentiële gebouwen laten ontwikkelen
32
0,3
250.000
OOD-Pr7
Het VEA zal een ontwerp van besluit voorbereiden inzake de stroomlijning van de erkenningsregelingen inzake de energiedeskundigen type A en type B
30
0,3
-
OOD-Pr8
Het VEA wil meewerken aan de uitwerking van een geïntegreerde berekeningsmethode voor de energieprestaties van gebouwen
26 + 31
1,4
-
OOD-Pr9
Het VEA wil ter ondersteuning van de implementatie van de verstrengde energieprestatieregelgeving een EPB-software van de tweede generatie ter beschikking stellen van verslaggevers en architecten
24
0,6
600.000
OOD-Pr10
Het VEA zal de lopende energiebeleidsovereenkomsten evalueren en het overleg over de opmaak van (een) nieuwe overeenkomst(en) coördineren en ondersteunen
19
0,5
-
OOD-RP1
Het VEA zal met het oog op een beperking van de administratieve lasten van de EPB-regelgeving een interactieve ICT-frontoffice ter ondersteuning van externen bij de toepassing van de EPB-regelgeving exploiteren en deze tijdig aan wijzigende wetgeving aanpassen
25
0,6
150.000
OOD-RP2
Het VEA zal met het oog op een beperking van de administratieve lasten van de EPC-regelgeving een interactieve ICT-frontoffice ter ondersteuning van externen bij de toepassing van de EPC-regelgeving exploiteren en deze tijdig aan wijzigende wetgeving aanpassen
33
0,2
-
OOD-RP3
Het VEA zal de energieprestatieregelgeving handhaven op het vlak van het tijdig indienen van de startverklaring en de EPB-aangifte
23
3,6
-
Omschrijving project
76
OOD-RP4
Het VEA zal de energieprestatieregelgeving handhaven op het vlak van het voldoen aan de EPB-eisen
23
5,0
-
OOD-RP5
Het VEA zal de energieprestatieregelgeving handhaven op het vlak van de waarheidsgetrouwe rapportering van de energieprestaties door de EPB-verslaggever
23
4,0
-
OOD-RP6
Het VEA zal het energieprestatiecertificatensysteem voor bestaande woongebouwen handhaven
29
3,15
150.000
OOD-RP7
Het VEA zal het energieprestatiecertificatensysteem voor publieke gebouwen handhaven
29
1,1
-
OOD-RP8
Het VEA zal de energieprestatieregelgeving inzake de energieprestaties van nieuwe en vernieuwde gebouwen evalueren
26
0,4
80.000
OOD-RP9
Het VEA zal een tweede evaluatie uitvoeren van de energieprestatieregelgeving inzake de energiecertificatie van bestaande gebouwen
34
-
-
OOD-RP10
Het VEA zal de energieprestatieregelgeving monitoren en de evoluties analyseren
26
0,7
-
OOD-RP11
Het VEA zal een actieplan uitwerken en implementeren voor de kwaliteitsborging van de opleidingen voor energiedeskundigen
30
0,6
180.000
OOD-RP12
Het VEA zal de aanvragen beoordelen die worden ingediend in het kader van de subsidieregeling voor energieconsulentenprojecten
9 + 21
0,4
-
OOD-RP13
Het VEA zal het Energierenovatieprogramma 2020 uitvoeren en monitoren
9
0,6
41.628.750 (incl. kredietoverdracht vorige jaren)
OOD-RP14
Het VEA zal de REG-actieplannen en rapporten van de elektriciteitsdistributienetbeheerders beoordelen
5
0,2
-
OOD-RP15
Het VEA zal een evaluatierapport aan de minister voorleggen over de REG-openbaredienstverplichtingen van de elektriciteitsdistributienet-beheerders
5
-
-
OOD-RP16
Het VEA zal de premieaanvragen van de sociale verhuurkantoren beoordelen
7
0,1
-
OOD-RP17
Het VEA zal op basis van de lijsten van de netbeheerders de uitbetalingsdossiers voor de Vlaamse dakisolatiepremie opmaken
8
0,2
22.000.000 (incl. kredietoverdracht vorige jaren)
OOD-RP18
Het VEA zal de aanvragen van bedrijven voor een verhoogde investeringsaftrek voor energie-investeringen beoordelen
17
1,4
-
OOD-RP19
Het VEA zal de energieplannen en energiestudies in het kader van het besluit energieplanning beoordelen
18
0,3
-
OOD-RP20
Het VEA zal het departement adviseren over de dossiers in het kader van het thema energie van de samenwerkingsovereenkomst met de gemeenten en de provincies
10
1,15
-
77
SOD-2
Het VEA wil Europese en Vlaamse beleidsmaatregelen inzake de bevordering van de milieuvriendelijke energieopwekking uit hernieuwbare energiebronnen en warmtekrachtkoppeling kwaliteitsvol en efficiënt implementeren en op die manier ook bijdragen tot de kwantitatieve en kwalitatieve uitbouw van groene jobs Sleutelproces
VTE
Beleidskredieten
OOD-Pr11
Het VEA zal een beleidskader uitwerken om de duurzame inzet van vaste en gasvormige biomassa voor energieproductie te garanderen
12
0,1
-
OOD-Pr12
Het VEA zal een voorstel voor een verplicht minimum aandeel hernieuwbare energie in gebouwvoorschriften voorbereiden
12 + 27
0,1
75.000
OOD-Pr13
Het VEA zal in overleg met de andere gewesten en de federale overheid een voorstel voor een kwalificatieregeling tot bewaking van de opleidingen voor installateurs kleinschalige hernieuwbare-energie-installaties uitwerken
12
0,5
200.000
OOD-RP21
Het VEA wil het Vlaams Actieplan Hernieuwbare Energie 2020 mee uitvoeren, monitoren en indien nodig bijkomende initiatieven voorstellen om te voldoen aan de tussentijdse doelstellingen van de richtlijn 2009/28/EG
12
1,8
4.400.000
OOD-RP22
Het VEA voert doorlopend overleg en monitort de evolutie van technieken en omgevingsvoorwaarden teneinde aan de minister regelmatig een evaluatie van de onrendabele toppen inzake hernieuwbare energie en WKK te kunnen voorleggen
12 + 13
-
-
OOD-RP23
Het VEA zal de realisatie van de doelstellingen voor warmtekrachtkoppeling in het Vlaamse Gewest monitoren en indien nodig bijkomende initiatieven voorstellen
13
0,1
-
OOD-RP24
Het VEA zal voor de gewestelijke energiebevoegdheden de vereiste input leveren om te voldoen aan de evaluatie- en rapporteringsverplichtingen, voorgeschreven door de Europese richtlijnen inzake hernieuwbare energie en warmtekrachtkoppeling
12 + 13
0,1
-
OOD-RP25
Het VEA zal de werkprogramma’s monitoren van de vzw’s met een werkingssubsidie (Cogen, ODE, Biogas-E, Quest …)
15
0,2
314.000
OOD-RP26
Het VEA zal de werkzaamheden van de interdepartementale windwerkgroep organiseren en coördineren tot implementatie van de omzendbrief windenergie
14
1,0
-
OOD-RP27
Het VEA zal de subsidieaanvragen beoordelen in het kader van de demonstratieprojecten bij openbare besturen en vzw’s (microWKK en warmtepompen)
-
-
-
OOD-RP28
Het VEA zal een marktintroductieplan voor micro-WKK-installaties voorbereiden
13
0,1
200.000
SOD-3
Het VEA wil de Vlaamse beleidsmaatregelen ter bestrijding van energiearmoede kwaliteitsvol en efficiënt implementeren en op die manier ook bijdragen tot de kwantitatieve en kwalitatieve uitbouw van groene jobs
Project
Project
78
Sleutelproces
VTE
Beleidskredieten
OOD-Pr14
Het VEA zal een voorstel uitwerken voor de financiële ondersteuning van sociale dakisolatieprojecten
9
0,2
6.000.000
OOD-RP29
Het VEA zal regelmatig een evaluatie voorleggen aan de minister inzake de sociale openbaredienstverplichtingen van de distributienetbeheerders
6
0,5
-
OOD-RP30
Het VEA zal de waarborgaanvragen beoordelen voor FRGE-leningen aan lokale entiteiten
9
0,2
200.000
SOD-4
Het VEA wil via gerichte communicatieacties de actiebereidheid bij de bevolking, bedrijven en organisaties inzake het rationeel energiegebruik en de milieuvriendelijke energieproductie verhogen Project
Sleutelproces
VTE
Beleidskredieten
OOD-Pr15
Het VEA wil een proefproject opzetten op basis waarvan een stappenplan kan worden opgesteld tot het uitbouwen van lokale energieloketten
-
-
-
OOD-RP31
Het VEA zal een gestructureerd informatie- en kennissysteem exploiteren voor het managen en beantwoorden van de algemene informatievragen die toekomen op energie@vlaanderen.be
4 + 11 + 16 + 22 + 28 + 35
3,1
75.000
OOD-RP32
Het VEA zal externe sensibiliserings- en communicatieacties voeren inzake het energieverbruik en milieuvriendelijke energieproductie (via beurzen en de media)
11 + 16 + 28 + 35
1,7
550.000
OOD-RP33
Het VEA zal positief gewaardeerde informatiebrochures en folders over REG en de milieuvriendelijke energieproductie laagdrempelig ter beschikking stellen
11 + 16 + 28 + 35
2,6
75.000
OOD-RP34
Het VEA zal een gebruiksvriendelijke en drukbezochte website beheren
4 + 11 + 16 + 22 + 28 + 35
0,9
-
SOD-5
Het VEA zal de minister ondersteunen bij de uitvoering van de energiebeleidscyclus Recurrent proces
Sleutelproces
VTE
Beleidskredieten
OOD-RP35
Het VEA zal input leveren voor de beleidsbrieven van de minister
2
0,1
-
OOD-RP36
Het VEA zal energierapporten ter beschikking stellen met betrouwbare gegevens inzake de energieproductie en het -verbruik per sector
2
0,3
-
OOD-RP37
VEA zal meewerken aan de opmaak, uitvoering, rapportering en evaluatie van het Vlaams Klimaatbeleidsplan voor de acties waarvoor het agentschap trekker is
2
0,4
-
79
Interne werking SOD-1
Het VEA zal de maturiteit van haar organisatie verbeteren door een verbetertraject op te zetten Omschrijving project
Sleutelproces
Beleidskredieten
OOD-Pr1
Jaarlijks actualiseren van de zelfevaluatie volgens de thema’s van de leidraad interne controle/organisatiebeheersing
1
0,2
-
OOD-Pr2
Jaarlijks een verbetertraject voor de relevante thema’s van de leidraad interne controle/ organisatiebeheersing concretiseren in het ondernemingsplan op basis van de jaarlijkse actualisatie van de zelfevaluatie en, indien beschikbaar, op basis van aanbevelingen geformuleerd door controle-instanties
1
0,2
-
SOD-2
Het VEA wil bij de uitvoering van haar kerntaken meetbare efficiëntiewinsten realiseren door een verbetertraject op te zetten Omschrijving project
Sleutelproces
VTE
Beleidskredieten
OOD-Pr3
Vermindering van de personeelsbehoeften van VEA voor de processen die in de nutsmatrix voor het agentschap als afstootbare processen of processen met een beperkte meerwaarde voor het Vlaamse energiebeleid worden gecatalogeerd
1
-
-
OOD-Pr4
Jaarlijkse systematische doorlichting van de processen met het oog op mogelijke automatisaties
1
0,3
-
OOD-Pr5
Uitbouwen van een energieprestatiedatabank tot authentieke gegevensbron
25 + 33
0,2
350.000
OOD-Pr6
Monitoringtool ontwikkelen voor het meten van efficiëntiewinsten
1
-
-
Verantwoordelijke uitgever: Luc Peeters administrateur-generaal, Vlaams Energieagentschap Samenstelling en redactie: Vlaams Energieagentschap Lay-out: VEA Depotnummer: D/2011/3241/371 Uitgave: december 2011
80
VTE