Skip to main content

Bijdrage_Vlaamse_administratie_regeerprogramma_budgettaire_ruimte_juni_2009_0.pdf

Page 1

Bijdrage Vlaamse administratie aan het regeerprogramma

van de aantredende Vlaamse Regering

Deel 2

Rapport over de budgettaire ruimte in de volgende legislatuur Juni 2009


Inhoudstafel 1

Inleiding ................................ ................................ .................... 3

2

De geconsolideerde m iddelen ................................ ...................... 7 2.1 De Vlaam se m inisteries ................................ ................................ ... 7

2.1.1

Algemeen overzicht van de middelen 2009-2014.........................................7

2.1.2

Gedeelde en samengevoegde belastingen.....................................................8 2.1.2.1 Parameters ........................................................................................8 2.1.2.2 Projectie van de middelen, voortvloeiend uit de bijzondere financieringswet ..............................................................................10

2.1.3

Dotaties vanwege de Federale Overheid......................................................12

2.1.4

Gewestbelastingen .....................................................................................12

2.1.5

Toegewezen ontvangsten ...........................................................................14

2.1.6

Eigen niet-fiscale, niet-toegewezen ontvangsten........................................14

2.1.7

Kredietverleningen en deelnemingen ..........................................................14

2.1.8

Lambermont...............................................................................................15

2.1.9

Sensitiviteitsanalyse....................................................................................16

2.1.10 ESR gecorrigeerde ontvangsten...................................................................17 2.2 De te consolideren instellingen ................................ ....................... 18 2.3 Overzicht ................................ ................................ ..................... 21

3

De geconsolideerde uitgaven ................................ ..................... 22 3.1 Beleidskredieten ................................ ................................ ........... 23

3.1.1

Beleidskredieten ministeries .......................................................................23

3.1.2

Beleidskredieten van te consolideren instellingen (DAB’s, VOI’s,

3.1.3

Beleidskredieten ministeries + te consolideren instellingen ........................24

IVA’s met rp, EVA’s)...................................................................................23

3.2 Betaalkredieten ................................ ................................ ............. 25

3.2.1

Betaalkredieten ministeries.........................................................................25

3.2.2

Betaalkredieten van te consolideren instellingen (DAB’s, VOI’s, IVA’s met rp, EVA’s)....................................................................................25

3.2.3

Betaalkredieten ministeries + te consolideren instellingen..........................26 1


3.3 Evolutie van de beleids- en betaalkredieten ................................ ..... 26 3.4 Evolutie van de beleids- en betaalkredieten binnen het FFEU ............ 27 3.5 Beleids- en betaalkredieten per beleidsdom ein ................................ . 28

3.5.1

Beleidskredieten per beleidsdomein ...........................................................28

3.5.2

Bespreking per beleidsdomein....................................................................31

3.5.3

Betaalkredieten per beleidsdomein .............................................................46

3.6 Budgettaire weerslag PPS - alternatieve financiering ......................... 48 3.7 Collectieve Arbeidsovereenkom sten (CAO’s) ................................ ..... 49

4

Overzicht van de evolutie van de Vlaam se schuld ......................... 50

5

De m eerjarenbegroting in het kader van de norm ering : 2009-2014 ................................ ................................ .............. 52 5.1 Het vorderingensaldo van de Vlaam se overheid ................................ 52 5.2 De norm ................................ ................................ ....................... 53

Bijlage I – Overzicht van de evolutie van de beleidskredieten per beleidsdom ein: BGC II 2009 vs. HERZ 2009 en HERZ 2009 vs. M JBG 2010-2014 ................................ ................................ ................... 56 Bijlage II – Overzicht evolutie van de beleidskredieten per beleidsdom ein ten gevolge indexatie ................................ ............... 67 Bijlage III – Ram ing onderbenutting 2009-2014 ................................ 72 Bijlage IV – M onitoring van de uitvoering van de begroting 2009 van de geconsolideerde Vlaam se overheid door het am btelijk com ité – april 2009 ................................ ................................ ........................... 75

2


HOOFDSTUK I INLEIDING De stelselmatig verdere uitdieping van de huidige financieel-economische crisis geeft aanleiding tot een noodzakelijke en fundamentele bijstelling van de meerjarenbegroting, zoals eind vorig jaar in het Vlaams Parlement neergelegd door de Vlaamse minister van Financiën en Begroting. Voorliggend document tracht aan deze noodzaak tegemoet te komen, hierbij in de bijgestelde ontvangsten- en uitgavenramingen vanaf 20091 rekening houdend met de recent door het Federaal Planbureau beschikbaar gestelde macro-economische vooruitzichten in de periode 2009-2014. Deze laatste ramingen gaan uit van een achteruitgang van het Belgisch BBP in 2009 ten belope van -3,8%, gevolgd door een nulgroei in 2010. Het is pas vanaf 2011 dat er een zeker herstel kan worden verwacht, waarbij het nog tot en met 2012 zal duren tot wanneer het reëel BBP op het niveau van 2008 zal terugkeren. Deze sombere economische vooruitzichten zullen dan ook de volgende Vlaamse regering ertoe nopen om, bij het vooropstellen van het principe van een zo snel mogelijke terugkeer naar een duurzaam begrotingsevenwicht, eventuele besparingen met recurrent effect op het ESR-vorderingensaldo door te voeren. Deze eventueel doorgevoerde recurrente besparingen in de periode 2009-2011 bieden tegelijk ook de mogelijkheid om bijkomende beleidsruimte voor nieuwe initiatieven te creëren, die gelet op de vele toekomstige uitdagingen tevens als essentieel worden beschouwd. Als gevolg van de bijgestelde macro-economische vooruitzichten springen aan de ontvangstenzijde van de begroting vooral de sterk terugvallende ramingen van de samengevoegde en gedeelde belastingen en gewestbelastingen in het oog. Meer bepaald noopt de financieel-economische crisis tot een bijstelling van de samengevoegde en gedeelde belastingen voor het jaar 2009 met 1,7 miljard euro (ten opzichte van de eind vorig jaar in het Vlaams Parlement neergelegde meerjarenbegroting). Over de periode 2009herz. 2014 bedraagt de bedoelde bijstelling 11,4 miljard euro. Voor de gewestbelastingen bedragen de bijstellingen respectievelijk 587 miljoen euro en 3,7 miljard euro. De financiële investeringen, die werden verricht bij KBC (3,5 miljard euro), Dexia (0,5 miljard euro) en Ethias (0,5 miljard euro), zullen logischerwijze ook een rendement opleveren, waarmee in voorliggende meerjarenbegroting wordt rekening gehouden.

Naast de herziening van de meerjarenbegroting in de periode 2010-2014, wordt ook voor het begrotingsjaar 2009 een herziening van de door het Vlaams parlement goedgekeurde 2de begrotingscontrole doorgevoerd. Deze herziene begroting 2009 is een eigen oefening die vanuit het departement Financiën en Begroting is opgesteld.

1

3


Voor wat betreft de uitgavenzijde van de begroting, wordt in voorliggend document voortgebouwd op de definitie van constant beleid, zoals toegepast in de meerjarenbegroting die eind vorig jaar in het Vlaams Parlement is neergelegd. Constant beleid wordt hierbij geïnterpreteerd als het verder honoreren van de in de vorige legislatuur gekende kostendrijvers bij ongewijzigd beleid in meerjarig perspectief, aangevuld met de in de vorige legislatuur voorziene budgettaire engagementen die verder uitwerking hebben in de komende legislatuur. Voorbeelden hiervan zijn; • De kost van indexatie; • De vastgestelde kost van reeds afgesloten CAO’s; • De expliciet door de vorige Vlaamse regering aanvaarde investeringsprojecten. Constant beleid betekent in deze optiek ook dat reeds genomen besparingsbeslissingen ook effectief worden uitgevoerd. Het detail van alle wijzingen van de voorziene beleidskredieten per beleidsdomein (bijkomende uitgaven en besparingen) wordt weergegeven in bijlage I. De belangrijkste wijzigingen ten opzichte van de meerjarenbegroting die eind vorig jaar in het Vlaams parlement is neergelegd, situeren zich vooreerst op het vlak van een bijstelling van de toegepaste indexatieparameters vanaf begrotingsjaar 2009 en dit op basis van de meest recente ramingen van het Federaal Planbureau. Gelet op het feit dat gebruik wordt gemaakt van de meest recent beschikbare macro-economische parameters op het vlak van de evolutie van het BBP, wordt niet voorzien in een conjunctuurprovisie. Daarnaast wordt er op basis van overleg tussen het departement Financiën en Begroting met de resp. beleidsdomeinen een verdere verfijning van de in vorige legislatuur toegepaste kostendrijvers doorgevoerd. Tegelijk wordt ook in een verdere actualisatie van de in de vorige legislatuur voorziene budgettaire engagementen voorzien. Tevens worden er ook nog budgettaire aandachtspunten opgenomen die uit het overleg tussen het departement Financiën en Begroting met de resp. beleidsdomeinen naar voor zijn gekomen. Deze budgettaire aandachtspunten trachten enerzijds aan te geven welke gevolgen de huidige toepassing van constant beleid op de beleidsuitvoering van een beleidsdomein kunnen hebben en anderzijds welke de mogelijks voorkomende budgettaire problemen zijn, die omwille van hun onzekerheid voorlopig niet cijfermatig zijn vertaald in voorliggende meerjarenbegroting. In onderstaande grafiek I.1 wordt een overzicht geboden van de reële groei van de primaire uitgaven t.o.v. de begrotingsuitvoering 2008 naar aanleiding van de herziene begroting 2009 en de bijgestelde meerjarenbegroting 2010-2014. Op basis van voorliggende grafiek kan vastgesteld worden dat er in 2010 een zeer sterke groei van de reële primaire uitgaven wordt voorzien. Vanaf 2011 valt de groei van de reëel voorziene primaire uitgaven bij constant beleid terug op circa 1%.

4


Grafiek I.1 : Evolutie van de reële groei van de geconsolideerde primaire uitgaven t.o.v. begrotingsuitvoering 2008

Gelet op enerzijds de budgettaire inspanningen die de vorige Vlaamse regering heeft geleverd om de gevolgen van de financieel-economische crisis zoveel mogelijk in te dijken, wat voornamelijk tot uiting is gekomen bij de investering in het Tier-1-kapitaal van KBC t.b.v. 3,5 miljard euro die via de uitgifte van Vlaamse overheidsobligaties is gefinancierd en anderzijds gelet op de verwachte begrotingstekorten in 2009 t.e.m. 2014 zal de Vlaamse schuld terug oplopen tot 9,9 miljard euro in 2014. Eventuele recurrente en eenmalige begrotingsinspanningen (al dan niet met effect op het ESRvorderingensaldo) in 2009 en in volgende jaren kunnen ook voor beperktere en sneller weggewerkte netto te financieren tekorten zorgen, wat tegelijk ook een positief effect heeft op de hier ingeschatte evolutie van de Vlaamse schuld en de evolutie van de te voorziene rentelasten. De te voorziene rentelasten hebben tevens een negatief effect op het behaalde ESR-vorderingensaldo. Grafiek I.2 : Evolutie van de Vlaamse schuld – niet-geconsolideerd (in miljoen euro)

Op basis van voorliggende oefening kan vastgesteld worden dat de bruto beleidsruimte tegen 2014 met 3,3 miljard euro t.o.v. de door het Vlaams Parlement goedgekeurde 2de begrotingscontrole 2009 toeneemt. 5


In de periode 2009herz. – 2014, ofwel gecumuleerd, neemt de bruto-beleidsruimte in totaliteit toe met 3,6 miljard euro. Deze bruto beleidsruimte wordt in voorliggende meerjarenbegroting enerzijds aangewend voor de bijkomende kost van indexatie ten belope van 1,4 miljard euro in 2014 en 3,4 miljard euro gecumuleerd en anderzijds voor het budgettair honoreren van bijkomende uitgaven bij constant beleid (exclusief indexatie) ten belope van 2,2 miljard euro in 2014 en 8,5 miljard euro gecumuleerd. De bruto-beleidsruimte en de aanwending ervan bij constant beleid in ogenschouw nemende, is er een netto-beleidsruimte bij constant beleid van -353 miljoen euro in 2014 en -8,3 miljard euro gecumuleerd. Tabel I.1: Overgang van bruto- naar netto- beleidsruimte (in miljoen euro)

Ten opzichte van de eind vorig jaar in het Vlaams Parlement neergelegde meerjarenbegroting betekent dit een achteruitgang van de netto-beleidsruimte met 1,9 miljard euro in het begrotingsjaar 2014 en 10,9 miljard euro gecumuleerd. Als globale conclusie van voorliggende berekening van de netto-beleidsruimte bij constant beleid kan worden vastgesteld dat, indien de volgende Vlaamse regering er in het begin van de legislatuur in slaagt om een recurrente besparing van 1 miljard euro, ofwel +-4%, van de voorziene uitgaven bij constant beleid door te voeren, er in 2014 een vrije beleidsruimte van 650 miljoen euro (zijnde -353 miljoen euro + 1 miljard euro) (excl. een nog bijkomend in te calculeren vermindering van de rentelast) ter beschikking kan worden gesteld. Er dient tot slot op gewezen te worden dat voorliggende meerjarenbegroting vertrekt van het uitgangspunt dat er geen bijkomende begrotingsinspanningen meer worden geleverd door de Vlaamse overheid in de periode 2009-2014 en er bijgevolg wordt uitgegaan van het principe van het realiseren van een begrotingsevenwicht op het vlak van het ESR-vorderingensaldo2.

2

Dit met uitzondering van een te realiseren begrotingsnorm van 18 miljoen euro in het begrotingsjaar 2010 6


HOOFDSTUK II DE GECONSOLIDEERDE MIDDELEN 2.1. De Vlaamse ministeries 2.1.1. Algemeen overzicht van de middelen 2009-2014 Onderstaande tabel bevat een algemeen overzicht van de geraamde middelen van de Vlaamse ministeries over de periode 2009-2014. Voor het jaar 2009 worden enerzijds de cijfers getoond van het door het Vlaams Parlement goedgekeurde decreet houdende middelenbegroting, en anderzijds de cijfers die betrekking hebben op de actualisatie van de verwachte ontvangsten voor het bedoelde begrotingsjaar. Het eerstgenoemde wordt weergegeven in kolom ‘BGC II 2009’; het laatstgenoemde in kolom ‘HERZ 2009’. Voor de begrotingsjaren 2010 tot en met 2014 worden de cijfers in rekening gebracht zoals ze in meerjarig perspectief in constant beleid worden voorzien. De daaropvolgende grafiek toont door middel van indices de verwachte evolutie van de belangrijkste middelencategorieën. Hierbij worden de herziene middelen voor 2009 als basis gebruikt. Tabel M.1: Totale middelen MVG naar hun aard - absolute bedragen (in duizend euro)

Samengevoegde en gedeelde belastingen Specifieke dotaties Gewestelijke belastingen (inclusief kijk- en luistergeld) Toegewezen ontvangsten Andere ontvangsten Kredietverleningen en deelnemingen Totaal

BGC II 2009 17.992.561

HERZ 2009 16.232.958

MJBG MJBG 2011 2010 16.679.339 17.431.571

MJBG 2012 18.218.500

MJBG 2013 19.019.476

MJBG 2014 19.861.346

848.057 4.693.547

823.718 4.106.362

833.872 4.126.098

843.029 4.278.178

852.332 4.526.662

862.375 4.779.485

872.589 4.993.856

119.212 162.171 270

99.773 158.601 16.270

100.230 156.828 300.270

100.304 260.660 200.270

100.775 255.230 200.270

101.281 249.291 700.270

101.813 250.318 200.270

23.815.818

21.437.682

22.196.637

23.114.012

24.153.769

25.712.178

26.280.192

Grafiek M.1: Evolutie van de totale middelen naar categorie (indices met basis HERZ 2009 = 100)

7


2.1.2. Gedeelde en samengevoegde belastingen 2.1.2.1. Parameters De parameters, die gebruikt werden om de middelen 2009-2014 te berekenen, worden weergegeven in tabel M.2. Voor de economische groei en de inflatie met betrekking tot de begrotingsjaren 2009 en volgende wordt er een beroep gedaan op de voorspellingen die het Federaal Planbureau op 20 mei 2009 publiceerde. Door gebruik te maken van recente voorspellingen wordt de impact van de financieeleconomische crisis op de ontvangsten van de Vlaamse ministeries volledig in kaart gebracht. Op het gebied van de economische groei gaat de voorliggende meerjarenbegroting voor de periode 2009-2014 uit van een inkrimping van de economie in 2009 ten belope van -3,8%. In 2010 wordt er een nulgroei verwacht. De jaren nadien zal de economie zich hernemen en wordt er opnieuw uitgegaan van een courante economische groei. Met betrekking tot de inflatie werd er voor 2009 rekening gehouden met een beperkte inflatie (CPI) van 0,3%. Vanaf 2010 zal de inflatie opnieuw aantrekken tot 1,6 à 1,7%. Deze inflatieverwachtingen komen bijgevolg in de plaats van de prognoses die door de Hoge Raad van Financiën in haar referentietraject vooropgesteld werden (1,5%). Voor de personenbelasting wordt er uitgegaan van een constante fiscale capaciteit. Voor de verdeelsleutel van de leerlingen worden voor het begrotingsjaar 2009 de resultaten van de recentste telling door het Rekenhof geïntroduceerd. Deze verhouding wordt ook aangehouden voor de periode 2010 – 2014. De berekening van de denataliteitscoëfficiënt en het aantal inwoners van ieder gewest is gebaseerd op de bevolkingsvooruitzichten 2007 – 2060 van het INR.

8


Inflatie Groei

Aanslagjaar Vlaams Gewest Waals Gewest (excl. Duitstaligen) Brussels H. Gewest Duitstaligen Fiscale capaciteit Vlaams Gewest Waals Gewest (excl. Duitstaligen) Brussels H. Gewest Duitstaligen Verdeelsleutel onderwijs Toestand Vlaamse Gemeenschap Franstalige Gemeenschap Inwoners Referentietijdstip Vlaanderen Wallonië (excl. Duitst.) Brussel Duitstaligen Min 18 jarigen (excl. Duitst.) Referentietijdstip Teldatum Nederlandstalig Franstalig Brussel Denataliteitscoëfficient

Personenbelasting

Parameters

Begrotingsjaar

2007 20.400.785 8.987.930 2.710.044 140.378 63,28% 27,88% 8,41% 0,44% 15/01/2008 56,91% 43,09% 01/01/2007 6.117.440 3.362.204 1.031.215 73.675 30/06/2007 01/02/2009 1.217.585 733.766 228.603 102,3080%

63,28% 27,88% 8,41% 0,44%

15/01/2008 56,93% 43,07%

01/01/2007 6.117.440 3.362.204 1.031.215 73.675

30/06/2007 31/08/2008 1.217.038 733.381 228.324 102,2534%

4,49% 1,10%

2008 bij HERZ 2009

2007 20.400.785 8.987.930 2.710.044 140.378

4,70% 1,60%

2008 bij BGC II 2009

Tabel M.2: Parameteroverzicht 2007 – 2014

30/06/2008 31/08/2008 1.219.465 733.104 232.276 102,5124%

01/01/2008 6.117.440 3.362.204 1.031.215 73.675

15/01/2009 56,93% 43,07%

63,28% 27,88% 8,41% 0,44%

2008 20.400.785 8.987.930 2.710.044 140.378

2,70% 1,20%

2009 bij BGC II 2009

9

30/06/2008 01/02/2010 1.220.215 733.679 232.613 102,5882%

01/01/2008 6.153.716 3.383.194 1.044.144 74.369

15/01/2009 56,91% 43,09%

63,28% 27,88% 8,41% 0,44%

2008 20.400.785 8.987.930 2.710.044 140.378

0,30% -3,80%

2009 bij HERZ 2009

30/06/2009 01/02/2011 1.221.750 734.063 237.014 102,9388%

01/01/2009 6.191.638 3.405.453 1.057.849 75.089

15/01/2010 56,91% 43,09%

63,28% 27,88% 8,41% 0,44%

2009 20.400.785 8.987.930 2.710.044 140.378

1,70% 0,00%

MJBG 2010

30/06/2010 01/02/2012 1.223.759 735.012 241.505 103,3467%

01/01/2010 6.230.774 3.428.728 1.072.063 75.831

15/01/2011 56,91% 43,09%

63,28% 27,88% 8,41% 0,44%

2010 20.400.785 8.987.930 2.710.044 140.378

1,60% 2,40%

MJBG 2011

30/06/2011 01/02/2013 1.227.448 737.843 246.052 103,9275%

01/01/2010 6.270.418 3.452.685 1.086.358 76.571

15/01/2012 56,91% 43,09%

63,28% 27,88% 8,41% 0,44%

2011 20.400.785 8.987.930 2.710.044 140.378

1,60% 2,40%

MJBG 2012

30/06/2012 01/02/2014 1.233.770 742.658 250.643 104,6897%

01/01/2011 6.310.317 3.477.240 1.100.610 77.306

15/01/2013 56,91% 43,09%

63,28% 27,88% 8,41% 0,44%

2012 20.400.785 8.987.930 2.710.044 140.378

1,70% 2,20%

MJBG 2013

30/06/2013 01/02/2015 1.241.740 748.398 255.179 105,5309%

01/01/2012 6.350.044 3.502.235 1.114.561 78.038

15/01/2014 56,91% 43,09%

63,28% 27,88% 8,41% 0,44%

2013 20.400.785 8.987.930 2.710.044 140.378

1,70% 2,20%

MJBG 2014


2.1.2.2. Projectie van de middelen voortvloeiend uit de bijzondere financieringswet De berekening van de middelen, zoals weergegeven in tabel M.3, is de cijfermatige vertaling van de parameters uit tabel M.2 (zie punt 2.1.2.1). Voor het begrotingsjaar 2009 worden naast de cijfers van het door het Vlaams Parlement goedgekeurde decreet houdende middelenbegroting, ook de cijfers getoond die betrekking hebben op de actualisatie van de verwachte ontvangsten voor het bedoelde begrotingsjaar. De begrotingsjaren 2010-2014 geven de ontvangsten weer zoals ze door de Federale Overheid onder de geciteerde parameters naar de Vlaamse Overheid zouden doorgestort worden. De middelenberekening voor de begrotingsjaren 2005 en volgende houdt rekening met datgene dat bepaald is in de artikelen 33, §2bis en 47, §2bis van de bijzondere financieringswet. Krachtens deze artikelen – 33, §2bis voor de berekening van de samengevoegde belastingen en 47, §2bis voor de berekening van het PB-gedeelte van de gedeelde belastingen – worden, indien het rekenkundige gemiddelde van de jaarlijkse reële economische groei tijdens de periode 1993 tot en met 2004 lager is dan 2,0%, de samengevoegde belastingen respectievelijk het PB-gedeelte van de gedeelde belastingen voor het begrotingsjaar 2005 opnieuw berekend, doch op basis van een uniforme reële groei van 2,0% tijdens de begrotingsjaren 1993 tot en met 2005. Aangezien de berekening van de samengevoegde en gedeelde belastingen voor het huidige jaar gebaseerd is op de resultaten van het voorgaande jaar, beïnvloeden de artikelen 33, §2bis en 47, §2bis van de bijzondere financieringswet eveneens de ramingen voor de begrotingsjaren 2006 en volgende.

10


Samengevoegde en gedeelde belastingen Gewest - PB zonder Lambermont Gewest - PB-aftrek Lambermont Gewest - PB extra middelen voor extra bevoegdheden Totaal Gewest na Lambermont : samengevoegde belastingen Gemeenschap - PB zonder Lambermont Gemeenschap - BTW zonder Lambermont Gemeenschap - extra BTW Lambermont Totaal Gemeenschap na Lambermont : gedeelde belastingen Vermoedelijke afrekening jaar N-1 (eenmalig) Algemeen totaal samengevoegde en gedeelde belastingen Dotaties vanwege Federale Overheid Tewerkstellingsprogramma's Buitenlandse studenten Dotatie ter compensatie van het kijk- en luistergeld Totaal dotaties vanwege federale overheid 261.560 33.836 528.322 823.718

261.560 34.770 551.727 848.056

11

7.903.529 -2.563.561 69.197 5.409.165 3.634.124 6.557.736 748.658 10.940.518 -116.725 16.232.958

8.572.559 -2.739.034 75.081 5.908.607 3.941.751 6.725.879 1.190.446 11.858.075 225.878 17.992.560

BGC II 2009 HERZ 2009

261.560 34.472 546.997 843.028

17.431.571

16.679.339 261.560 33.929 538.383 833.871

8.362.491 -2.695.036 73.213 5.740.669 3.845.159 6.826.021 1.019.721 11.690.902

MJBG 2011

8.037.889 -2.607.142 70.369 5.501.116 3.695.904 6.692.009 790.310 11.178.223

MJBG 2010

Tabel M.3: Projectie van de middelen, voortvloeiend uit de bijzondere financieringswet (in duizend euro)

261.560 35.023 555.749 852.332

18.218.500

8.700.202 -2.786.100 76.173 5.990.275 4.000.442 6.974.212 1.253.571 12.228.225

MJBG 2012

261.560 35.619 565.196 862.375

19.019.475

9.042.764 -2.879.135 79.175 6.242.804 4.157.956 7.144.792 1.473.924 12.776.672

MJBG 2013

261.560 36.224 574.805 872.589

19.861.346

9.398.813 -2.975.458 82.295 6.505.650 4.321.671 7.324.639 1.709.386 13.355.696

MJBG 2014


2.1.3. Dotaties vanwege de Federale Overheid Onder specifieke dotaties worden deze dotaties opgenomen die door de Federale Overheid aan de Vlaamse Gemeenschap overgemaakt worden. Het betreft hier drie dotaties: de dotatie ter compensatie van het kijk- en luistergeld, de dotatie voor de buitenlandse studenten en de dotatie voor de tewerkstellingsprogramma’s. De twee laatstgenoemde dotaties werden herzien in het kader van het SintElooisakkoord. Door het Sint-Elooisakkoord werd de dotatie voor de tewerkstellingsprogramma’s gevoelig verhoogd in drie schijven (2000, 2001 en 2002). Nadien werd dit krediet voor de begrotingsjaren 2002 en 2003 nogmaals verhoogd met telkens 500 miljoen BEF of 12.394.676,24 euro. De verdeling van deze extra kredieten blijft behouden zoals ze was in 1999. Deze dotatie wordt niet geïndexeerd, noch aangepast aan de economische groei. De dotatie voor de buitenlandse studenten werd door het Sint-Elooisakkoord aangepast aan het reële aantal studenten. Vanaf 2001 moet deze dotatie enkel aangepast worden aan de inflatie. Dit gebeurde dan ook voor de jaren tot en met 2014. De in deze meerjarenoefening geraamde dotatie houdt rekening met het bedrag dat de Federale Overheid naar de Vlaamse Gemeenschap zal doorstorten. De derde dotatie betreft de dotatie ter compensatie van het kijk- en luistergeld. Als gevolg van het Lambermontakkoord werd het kijk- en luistergeld immers een gewestbelasting. Hierdoor viel een groot deel van de inkomsten voor de Gemeenschappen weg. De genoemde dotatie tracht dit inkomstenverlies te compenseren. Ook hier houdt de in deze meerjarenoefening geraamde dotatie rekening met het bedrag dat de Federale Overheid naar de Vlaamse Gemeenschap zou doorstorten. De dotatie wordt jaarlijks geïnflateerd. 2.1.4. Gewestbelastingen Voor de gewestbelastingen was 2002 een scharnierjaar. Door het Lambermontakkoord werden een aantal nieuwe gewestbelastingen ingevoerd, die uiteraard een effect hebben op de inkomsten uit eigen belastingen. De tabel M.4 toont de ramingen voor de periode 2009-2014. De gewestbelastingen werden geraamd op basis van de evolutie van de realisaties uit het verleden. Hierbij werd er van uitgegaan dat de explosieve groei van de gewestbelastingen in de voorbije jaren zich niet in dezelfde mate zal doorzetten in de periode 2009-2014. Voor de periode 2010-2014 wordt de groei met andere woorden niet louter mathematisch geëxtrapoleerd, maar enigszins getemperd. Voor de registratierechten, de hypotheekrechten, de schenkingsrechten en de successierechten worden bovendien ook de effecten van de financieel-economische crisis en van de cyclische beweging van de economische conjunctuur in rekening gebracht. Specifiek voor de successierechten wordt er vanaf 2013 rekening gehouden met een verhoogde ontvangst als gevolg van de werking van de Spaarrichtlijn.

12


0 84.954 20.904 34.680 0 1.869.733 145.770 931.142 237.164 75.724 270.990 1.022.486 4.693.547

Kijk- en luistergeld Onroerende voorheffing Belasting op de spelen en weddenschappen Belasting op de automatische ontspanningstoestellen Openingsbelasting op de slijterijen van gegiste dranken Registratierechten Hypotheekrechten Verkeersbelasting op de autovoertuigen Belasting op de inverkeersstelling Eurovignet Schenkingsrechten Successierechten en recht van overgang bij overlijden

Totaal

BGC II 2009

Tabel M.4: Gewestbelastingen 2009 – 2014 (in duizend euro)

13

0 79.315 22.655 34.147 0 1.402.345 133.848 931.142 214.267 114.763 171.710 1.002.170 4.106.362

HERZ 2009

0 80.991 22.997 34.830 0 1.426.185 136.123 960.984 217.909 95.729 174.629 975.721 4.126.098

MJBG 2010

0 82.703 23.344 35.526 0 1.480.650 141.322 991.781 226.231 96.705 181.298 1.018.618 4.278.178

MJBG 2011

0 84.450 23.696 36.237 0 1.587.828 151.551 1.023.566 234.871 97.690 194.422 1.092.351 4.526.662

MJBG 2012

0 86.235 24.054 36.961 0 1.696.860 161.958 1.056.370 243.646 98.686 207.772 1.166.943 4.779.485

MJBG 2013

0 88.057 24.417 37.701 0 1.760.255 168.009 1.090.225 252.748 99.692 215.534 1.257.218 4.993.856

MJBG 2014


2.1.5. Toegewezen ontvangsten De toegewezen ontvangsten voor de komende begrotingsjaren worden op het niveau van het laatst goedgekeurde begrotingsdecreet gehouden (begrotingsopmaak 2009) behalve voor die begrotingsfondsen waarvan met zekerheid kan worden gesteld dat de ontvangsten in de periode 2009-2014 een afwijkend verloop zullen kennen. Tot deze laatste categorie behoren o.m.: - de inschrijvingsgelden voor het deeltijds kunstonderwijs (programma FF); - de ontvangsten in het kader van de terugbetaling van premies uit de huisvestingssector (programma NE). 2.1.6. Eigen niet-fiscale, niet-toegewezen ontvangsten De andere niet-fiscale, niet-toegewezen ontvangsten (exclusief de kredietverleningen en deelnemingen) werden voor de begrotingsjaren 2009-2014 aangepast om ze in overeenstemming te brengen met de vermoedelijke realisaties in het betrokken begrotingsjaar. Deze ontvangstencategorie bevat vanaf 2011 ook de terugbetaling door KBC van de kapitaalsinjectie van 2009. Er wordt van uitgegaan dat KBC een scenario prefereert waarbij gereserveerde winsten worden aangewend voor de terugbetaling van de certificaten die het Vlaams Gewest aanhoudt. Tenzij KBC opbrengsten van eigen desinvesteringen zou gebruiken voor deze terugbetaling, verloopt deze terugbetaling wellicht geleidelijk. Geraamd wordt dat KBC in staat moet zijn om op deze wijze minstens 300 miljoen euro per jaar af te lossen (inbegrepen de ESR aanrekenbare meerwaarde van 100 miljoen euro). Bovendien wordt er uitgegaan van relatief bescheiden dividenden van Dexia en Ethias, zijnde respectievelijk 11,5 miljoen euro vanaf 2010 en 7 miljoen euro in 2011 en 2012, waarbij verder de desinvestering in Ethias zou plaats vinden in 2013. 2.1.7. Kredietverleningen en deelnemingen Ook de opbrengsten uit kredietverleningen en deelnemingen werden voor de begrotingsjaren 2009 en volgende aangepast om ze in overeenstemming te brengen met de vermoedelijke realisaties in het betrokken begrotingsjaar. In 2010 wordt de terugbetaling verwacht van de kapitalisering van de waarborgvennootschap Gigarant (300 miljoen euro). Deze ontvangstencategorie houdt vanaf 2011 ook rekening met de terugbetaling door KBC van de kapitaalsinjectie die in 2009 plaatsvond (300 miljoen euro per jaar waarvan 200 miljoen euro als terugstorting van kapitaal wordt beschouwd en 100 miljoen euro als ESR aanrekenbare meerwaarde). Tot slot zal de uitwinning van de Ethias-participatie vermoedelijk in 2013 plaatsvinden (500 miljoen euro).

14


BGC 2002 -2.108.768 56.172 118.259 27.243 455.286 33.188 1.527.437 108.817 108.817 BGC II 2009 -2.776.330 76.033 1.186.040 27.244 551.727 0 2.756.304 1.821.017 7.872.093

Omschrijving maatregel Gewestaftrek Extra bevoegdheden Extra BTW-middelen Aandeel winst Nationale Loterij Dotatie ter compensatie van het kijk- en luistergeld Kijk- en luistergeld Additionele gewestbelastingen Totaal effect tov begrotingsjaar 2001 Cumulatief effect

Omschrijving maatregel Gewestaftrek Extra bevoegdheden Extra BTW-middelen Aandeel winst Nationale Loterij Dotatie ter compensatie van het kijk- en luistergeld Kijk- en luistergeld Additionele gewestbelastingen Totaal effect tov begrotingsjaar 2001 Cumulatief effect

15

HERZ 2009 -2.548.738 68.696 710.515 27.244 527.262 0 2.387.392 1.172.371 7.223.447

BGC 2003 -2.168.705 57.661 211.633 34.021 466.503 523 1.610.487 212.122 320.939 MJBG 2010 -2.607.142 70.369 790.310 28.606 538.383 0 2.421.004 1.241.530 8.464.978

BGC 2004 -2.243.530 59.814 309.585 34.013 474.745 200 1.891.045 525.872 846.811

Tabel M.5: Budgettaire gevolgen van het Lambermontakkoord (inclusief afrekening) (in duizend euro)

MJBG 2011 -2.695.036 73.213 1.019.721 29.093 546.997 0 2.504.879 1.478.868 9.943.845

BGC 2005 -2.307.778 61.941 545.753 34.100 483.668 0 2.003.472 821.156 1.667.967 MJBG 2012 -2.786.100 76.173 1.253.571 29.587 555.749 0 2.632.440 1.761.420 11.705.265

BGC 2006 -2.383.694 63.958 646.283 34.137 499.838 0 2.379.961 1.240.483 2.908.450

Onderstaande tabel en grafiek geven een samenvatting van de budgettaire implicaties van het Lambermontakkoord tot 2014.

2.1.8. Lambermont

MJBG 2013 -2.879.135 79.175 1.473.924 30.090 565.196 0 2.762.656 2.031.907 13.737.172

BGC 2007 -2.499.946 68.204 833.545 36.550 504.972 0 2.469.238 1.412.563 4.321.014

MJBG 2014 -2.975.458 82.295 1.709.386 30.602 574.805 0 2.857.577 2.279.206 16.016.377

BGC 2008 -2.615.881 71.571 1.080.494 36.000 520.373 0 2.637.506 1.730.062 6.051.076


Grafiek M.2:

Budgettaire jaarlijkse effecten van het Lambermontakkoord (inclusief afrekening) (in duizend euro)

2.1.9. Sensitiviteitsanalyse 2.1.9.1. Samengevoegde en gedeelde belastingen In deze paragraaf wordt nagegaan in welke mate de samengevoegde en gedeelde belastingen reageren op een wijziging van de relevante parameters. Onderzoek toont aan dat wijzigingen van parameters in plus een even groot effect op de samengevoegde en gedeelde belastingen hebben dan wijzigingen in min. Enkel de richting van de aanpassing verschilt logischerwijze. Onderstaande tabel geeft een schematisch overzicht van het verrichte onderzoek. Elke onderzochte wijziging had een grootte van 0,1 procentpunt. Tabel M.6: Sensitiviteit van de samengevoegde en gedeelde belastingen (in duizend euro) Parameter CPI 2009 BBP 2009 FC 2009 FC 2009 e.v. LLN 2009 LLN 2009 e.v. -18j 2009 -18j 2009 e.v.

2009 16.285 17.643 18.501 18.501 11.881 11.881 7.107 7.107

2010 16.597 18.070 0 18.954 0 12.007 0 7.253

2011 17.329 18.925 0 20.090 0 12.152 0 7.576

16

2012 18.110 19.835 0 21.319 0 12.254 0 7.917

2013 18.906 20.668 0 22.408 0 12.554 0 8.233

2014 19.743 21.544 0 23.548 0 12.870 0 8.561


Een wijziging van de inflatie met 0,1 procentpunt in 2009 heeft in 2009 op de samengevoegde en gedeelde belastingen een effect van 16,3 miljoen euro. De jaren nadien neemt dit effect toe van 16,6 miljoen euro in 2010 tot 19,7 miljoen euro in 2014. Een wijziging van de economische groei met 0,1 procentpunt in 2009 heeft in 2009 op de samengevoegde en gedeelde belastingen een effect van 17,6 miljoen euro. De jaren nadien evolueert dit effect van 18,0 miljoen euro in 2010 tot 21,5 miljoen euro in 2014. Een aanpassing van de fiscale capaciteit van de gewesten, van de leerlingenverhouding en van de min 18jarigen leidt naar een aanpassing van de samengevoegde en gedeelde belastingen in 2009 van respectievelijk 18,5 miljoen euro, 11,9 miljoen euro en 7,1 miljoen euro. In tegenstelling tot de inflatie en de economische groei hebben deze parameters enkel een invloed op het begrotingsjaar waarin ze gewijzigd worden. 2.1.9.2. Federale dotaties Onder federale dotaties wordt verstaan de dotatie ter compensatie van het kijk- en luistergeld, de dotatie ter financiering van het universitair onderwijs voor de buitenlandse studenten en de trekkingsrechten voor tewerkstellingsprogramma’s. Onderstaande tabel geeft opnieuw een overzicht van de sensitiviteit van deze drie dotaties ten opzichte van een wijziging in parameters. Hieruit blijkt dat enkel de inflatie een invloed heeft op de grootte van de dotaties. Concreet zijn alleen de dotatie ter compensatie van het kijk- en luistergeld en de dotatie ter financiering van het universitair onderwijs voor de buitenlandse studenten inflatiegevoelig. Tabel M.7: Sensitiviteit van de federale dotaties (in duizend euro) Parameter CPI 2009 Andere

2009 561 0

2010 571 0

2011 580 0

2012 589 0

2013 599 0

2014 609 0

2.1.10. ESR gecorrigeerde ontvangsten Om de overgang te maken van totale begrote ontvangsten naar ESR gecorrigeerde ontvangsten dienen op het eerstgenoemde bedrag een aantal correcties te worden aangebracht. De onderstaande tabel geeft hiervan een overzicht. Tabel M.8: ESR gecorrigeerde ontvangsten van de Vlaamse ministeries (in duizend euro)

Ontvangsten Deelnemingen en kredietverleningen (ESR code 8) Dotaties van instellingen behorende tot de consolidatiekring (ESR code 463 / 464 en 663 / 664) Correctie aanrekening ontvangsten ESR gecorrigeerde ontvangsten Vlaamse ministeries

BGC II 2009 23.815.818

HERZ 2009 21.437.682

MJBG 2010 22.196.637

MJBG 2011 23.114.012

MJBG 2012 24.153.769

MJBG 2013 25.712.178

MJBG 2014 26.280.192

-270

-16.270

-300.270

-200.270

-200.270

-700.270

-200.270

-206 27.199

-206 -45.834

-210 19.763

-214 31.166

-217 31.712

-221 29.296

-225 34.704

23.842.541

21.375.372

21.915.920

22.944.695

23.984.995

25.040.982

26.114.400

Vooreerst worden ontvangsten, begroot in het kader van kredietverleningen en deelnemingen (ESR code 8), geneutraliseerd. Een volgende correctie heeft te maken met de consolidatie van de Vlaamse ministeries met haar instellingen. Dotaties die de ministeries ontvangen van dergelijke instellingen zijn geen eigen ontvangsten, maar interne transfers en dienen bijgevolg verwijderd uit de totale ontvangsten. 17


De laatste correctie houdt verband met de aanrekening van de ontvangsten. Concreet wordt de geraamde opbrengst van bepaalde gewestbelastingen aangepast in functie van de inning door de Vlaamse Overheid als het over de onroerende voorheffing gaat of in functie van de inkohieringen door de Federale Overheid en doorstorting aan Vlaanderen als het over de andere gewestbelastingen gaat (3). 2.2. De te consolideren instellingen Om tot de ESR gecorrigeerde ontvangsten van de te consolideren instellingen te komen, moet de redenering uiteengezet in paragraaf 2.1.10 ook op deze instellingen worden toegepast. De onderstaande tabel geeft een overzicht van hun eigen ontvangsten. Hierbij werden de instellingen met belangrijke bedragen aan eigen ontvangsten apart vermeld. Tabel M.9: ESR gecorrigeerde ontvangsten van de te consolideren instellingen (in duizend euro)

MINA VIF Loodswezen Andere instellingen met DAB-vorm VDAB NV Waterwegen en Zeekanaal VRT Kind & Gezin VAPH VVM - De Lijn Andere instellingen met VOI-vorm ESR gecorrigeerde ontvangsten te consolideren instellingen

BGCII 2009 152.601 55.239 84.974 21.332 112.357 61.960 181.918 118.932 22.519 201.570 216.106

HERZ 2009 141.601 55.239 81.974 21.332 112.357 61.960 181.918 118.932 22.519 201.570 216.106

MJBG 2010 141.545 56.068 88.798 21.569 114.042 59.144 185.556 120.663 22.406 206.112 228.061

MJBG 2011 143.038 57.021 92.971 21.842 115.981 56.298 189.267 122.655 22.702 211.174 230.677

MJBG 2012 144.557 57.990 97.341 22.119 117.953 57.255 193.053 124.680 22.992 216.363 233.901

MJBG 2013 146.102 58.976 101.916 22.401 119.958 58.229 196.914 126.740 22.865 221.684 237.181

MJBG 2014 146.992 59.979 103.649 22.688 121.997 59.218 200.852 128.835 23.173 227.140 240.517

1.229.508

1.215.508

1.243.964

1.263.626

1.288.205

1.312.965

1.335.039

De ESR gecorrigeerde ontvangsten van het Minafonds evolueren van 141,6 miljoen euro in 2009 naar 147,0 miljoen euro in 2014. Deze ESR gecorrigeerde ontvangsten zijn in hoofdzaak afkomstig van de milieuheffingen. De milieuheffingen worden geïnd door de Vlaamse openbare milieu-instellingen. Meer bepaald int OVAM de afvalstoffenheffing, VMM de waterheffingen en VLM de administratieve geldboetes in het kader van MAP III. De ontvangsten uit de afvalstoffenheffing worden voor 2009 naar beneden herzien tot slechts 37 miljoen euro (bij begrotingsopmaak 2009 nog geraamd op 48 miljoen euro). Deze sterk dalende ontvangsten kunnen verklaard worden door enerzijds de verminderde aanvoer van te verwijderen afvalstoffen omwille van de economische crisis en anderzijds het belangrijk sturend effect van de verhoogde heffing voor het storten van brandbaar afval waardoor er meer verbrand dan gestort wordt. Voor de periode 2010-2014 wordt verwacht dat deze ontvangst blijvend rond 37 miljoen euro zal schommelen. Voor de ontvangsten uit de oppervlaktewaterheffing en de grondwaterheffing wordt uitgegaan van een jaarlijkse toename gelijk aan de index. In 2014 worden deze ontvangsten respectievelijk op 68,7 miljoen euro en 25,3 miljoen euro geraamd. Voor de ontvangsten uit de vroegere mestheffingen aangevuld met de administratieve geldboetes wordt uitgegaan van een licht dalende evolutie van 6,2 miljoen euro in 2009 naar 5 miljoen euro in 2014. Tot slot worden de dividenden van de Vlaamse Milieuholding op 5,8 miljoen euro geraamd in 2014 en verwacht het Minafonds nog ontvangsten in het kader van het samenwerkingsakkoord betreffende de preventie en het beheer van verpakkingsafval (3,0 miljoen euro), en in het kader van de toepassing van het Jachtdecreet (2,0 miljoen euro). Hoge Raad van Financiën, Afdeling Financieringsbehoeften van de Overheid, Evaluatie van de uitvoering van het Stabiliteitsprogramma in 2006 en vooruitzichten voor 2007 - 2011, juli 2007, blz. 89-90. 3

18


Het merendeel van de ESR gecorrigeerde ontvangsten van het VIF wordt verklaard door de opbrengsten van nevenbedrijven langs autosnelwegen (20 miljoen euro in 2009). Verder haalt het VIF zijn ontvangsten uit retributies met betrekking tot het gebruik van openbare domeinen (8,2 miljoen euro), uit opbrengsten van watervangen vanwege de havenbedrijven (2,8 miljoen euro), uit schaderegelingen voortvloeiend uit het beheer van openbare domeinen (11,1 miljoen euro), uit de verkoop van roerende (2,9 miljoen euro) en onroerende goederen (7,9 miljoen euro) en uit de financiering door Europese instellingen van mobiliteitsuitgaven (1,1 miljoen euro). De diverse ontvangsten bedragen 1,2 miljoen euro. In de meerjarenbegroting nemen deze bedragen toe met de evolutie van de gezondheidsindex. Dit betekent een toename met 1,5% in 2010 en 1,7% vanaf 2011. Het Loodswezen staat in voor het beloodsen van zeeschepen van en naar de Vlaamse havens. De ESR gecorrigeerde ontvangsten bestaan in hoofdzaak uit loodsgelden. De ontvangsten uit loodsgelden werden bij de begrotingsopmaak 2009 geraamd op 79,6 miljoen euro. Verder genereert het Loodswezen nog 5,4 miljoen euro aan diverse ontvangsten. Op 13 maart 2009 heeft de Vlaamse Regering beslist om de loodsgelden tijdelijk te verlagen, teneinde de effecten van de economische crisis voor de maritieme sector te verlichten. Het effect hiervan op 2009 wordt geraamd op een minderontvangst van 3 miljoen euro. Vanaf 2010 worden de ontvangsten van de loodsgelden terug op het niveau van begrotingsopmaak 2009 gezet. Daarnaast worden de eigen ontvangsten geïndexeerd met de gezondheidsindex, alsook verhoogd met 3% in de jaren 2010, 2011, 2012 en 2013. Deze extra verhoging van de loodsgelden is nodig om de extra kosten ingevolge het bareboat charter beloodsingsmiddelen mee te financieren. De ESR gecorrigeerde ontvangsten van de VDAB werden voor het begrotingsjaar 2009 geraamd op 112,4 miljoen euro. Dit bedrag is hoofdzakelijk samengesteld uit verkopen van niet-duurzame goederen en diensten (71,3 miljoen euro voortkomende uit eigen of uitbestede opleidingen ten behoeve van bedrijven of uit gezamenlijke projecten met derden zoals werkwinkels), inkomensoverdrachten vanuit Europese maatregelen (29,5 miljoen euro) en inkomensoverdrachten van de federale overheid voor het federale inschakelingsplan (10,5 miljoen euro). Voor de begrotingsjaren 2010 – 2014 volgen de ESR gecorrigeerde ontvangsten de verwachte evolutie van de gezondheidsindex. Voor het begrotingsjaar 2014 betekent dit uiteindelijk een bedrag aan ESR gecorrigeerde ontvangsten van 122 miljoen euro, zijnde een stijging t.o.v. 2009 met 9,6 miljoen euro. De N V W aterwegen en Zeekanaal haalt zijn ESR gecorrigeerde ontvangsten voornamelijk uit scheepvaartrechten, cijnsrechten, retributies en inkomsten uit watervangen. Ze vertegenwoordigen samen een bedrag van 21,5 miljoen euro. De ontvangsten uit de recuperatie van belastingen en heffingen worden voor 2009 geraamd op 31,0 miljoen euro. Daarnaast zijn er 2 miljoen euro diverse ontvangsten. Deze bedragen worden in de meerjarenbegroting jaarlijks geïndexeerd met de gezondheidsindex. Tenslotte ontvangt de NV Waterwegen en Zeekanaal in 2009 een investeringsbijdrage van de NV BAM ten belope van 7,4 miljoen euro. In 2010 wordt deze ontvangst 3,8 miljoen euro. Vanaf 2011 worden hiervoor geen ontvangsten meer ingeschreven. De ESR gecorrigeerde ontvangsten van de VRT worden in 2009 op 181,9 miljoen euro begroot. Deze ontvangsten bestaan hoofdzakelijk uit de verkopen van niet-duurzame goederen en diensten (143,7 miljoen euro uit sponsoring, radioreclame en andere overeenkomsten met derden) en uit de recuperatie van de belasting op de toegevoegde waarde (28,5 miljoen euro). De verkoop van niet-duurzame goederen en diensten aan het buitenland is goed voor 7,4 miljoen euro. Tenslotte bedragen de diverse ontvangsten 2,3 miljoen euro. In meerjarig perspectief wordt er uitgegaan van een jaarlijkse groei van de ESR gecorrigeerde ontvangsten met 2%. De ESR gecorrigeerde ontvangsten van Kind & Gezin stijgen tussen 2009 en 2014 met 9,9 miljoen euro van 118,9 miljoen euro tot een bedrag van 128,8 miljoen euro. Deze stijging kan volledig verklaard worden door de jaarlijkse stijging van de ouderbijdragen als gevolg van de toepassing van de index. De ouderbijdragen kunnen worden opgesplitst in ouderbijdragen voor kinderdagverblijven (44 miljoen euro in 2009) en ouderbijdragen voor diensten voor opvanggezinnen (71 miljoen euro in 2009). Verder ontvangt Kind en Gezin ruim 2 miljoen euro in het kader van sociale Maribel.

19


De totale ESR gecorrigeerde ontvangsten van het VAPH stijgen tussen 2009 en 2014 met 654 duizend euro van 22,5 miljoen euro tot 23,2 miljoen euro. Deze lichte stijging is het resultaat van enerzijds een cumulatief negatief effect van 584 duizend euro als gevolg van dalende terugvorderingen in de residentiële sector, en anderzijds een cumulatief positief effect van 1,2 miljoen euro als gevolg van de toepassing van de index op het overige deel van de eigen ontvangsten van het VAPH (overwegend terugvorderingen binnen het domein van de individugerichte prestaties). De totale ESR gecorrigeerde ontvangsten van de VVM - De Lijn bedragen 201,6 miljoen euro in 2009. Het merendeel ervan betreft opbrengsten uit de verkoop van tickets en abonnementen aan bedrijven en privé-gebruikers (151,9 miljoen euro). Deze ontvangsten nemen in de meerjarenbegroting jaarlijks toe met de evolutie van de gezondheidsindex plus 1% volumetoename. De overige ontvangsten resulteren uit de recuperatie van belastingen en heffingen (49,7 miljoen euro). Deze ontvangsten worden, net als de corresponderende uitgaven, in de meerjarenbegroting aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. Globaal stijgen de eigen ontvangsten van de VVM – De Lijn in 2010 met 2,3% en vanaf 2011 met 2,5%.

20


2.3. Overzicht Als de resultaten van de Vlaamse ministeries (paragraaf 2.1) en van de te consolideren instellingen (paragraaf 2.2) worden samengevoegd, levert dit het volgende resultaat op aan ESR gecorrigeerde ontvangsten van de Vlaamse Overheid. Grafiek M.3 toont door middel van indices de verwachte evolutie van de belangrijkste middelencategorieën op ESR geconsolideerde basis. Hierbij worden de herziene middelen voor 2009 als basis gebruikt. Tabel M.10: ESR gecorrigeerde ontvangsten van de Vlaamse Overheid (in duizend euro)

Vlaamse ministeries Te consolideren instellingen Totaal

BGC II 2009 23.842.541 1.229.508 25.072.049

HERZ 2009 21.375.372 1.215.508 22.590.879

MJBG MJBG 2011 2010 21.915.920 22.944.695 1.243.964 1.263.626 23.159.884 24.208.320

MJBG 2012 23.984.995 1.288.205 25.273.200

MJBG 2013 25.040.982 1.312.965 26.353.947

Grafiek M.3: Evolutie van de ESR geconsolideerde middelen (indices met basis HERZ 2009 = 100)

21

MJBG 2014 26.114.400 1.335.039 27.449.439


HOOFDSTUK III DE GECONSOLIDEERDE UITGAVEN In het eerste luik van dit uitgavenhoofdstuk wordt de definitie en het globale resultaat van voorliggende meerjarenbegroting op het vlak van geconsolideerde beleids- en betaalkredieten weergegeven. Hierbij is er ook de nodige aandacht voor het analyseren van de voorziene evolutie van de impliciete schuld (zie infra 3.1 – 3.3). Naast bovenvermelde beleids- en betaalkredietenevolutie wordt tevens een analyse gemaakt van de binnen het FFEU voorziene projecten 2010-2014 en de voorziene betaalkredieten voor de projecten voor de jaren 2001 t.e.m. 2009 en de projecten voor de jaren 2010 t.e.m. 2014 (zie infra punt 3.4). Voor een overzicht van het voorziene effect op de beleidskredieten per beleidsdomein van bovenstaande interpretatie van constant beleid, kan worden verwezen naar punt 3.5. Hierbij wordt eerst een inzicht verschaft in de evolutie van de cijfers per beleidsdomein. Vervolgens wordt er een verklaring gegeven voor deze evolutie en tot slot worden de beleidskredieten vergeleken met de betaalkredieten. In bijlage I wordt in een verder detail van deze evolutie van de beleidskredieten voorzien. In bijlage II wordt een globaal overzicht van de kost van indexatie weergegeven. Omwille van de algemene bekommernis van het Vlaams Parlement inzake de betaalbaarheid van de engagementen inzake PPS en alternatieve financiering, wordt er in punt 3.6 een overzicht geboden van de in voorliggende meerjarenbegroting voor PPS en alternatieve financiering voorziene beleids- en betaalkredieten (zijnde beschikbaarheidsvergoedingen). Tot slot wordt er een overzicht meegegeven van looptijd van reeds afgesloten CAO’s (voor de bijkomende kostprijs in 2010-2011 zie punt 3.5.2.). Aangezien er verder nog niet kan worden vooruitgelopen op de kostprijs van nog te onderhandelen CAO’s, zijn deze dan ook nog niet verrekend op de vrije beleidsruimte (zie infra 3.7).

22


3.1. De beleidskredieten Voor de berekening van de beleidskredieten dient een onderscheid gemaakt te worden tussen de berekening van de beleidskredieten bij de ministeries (excl. DAB’s) enerzijds en bij de te consolideren instellingen anderzijds Vooreerst wordt er ingegaan op de berekening van de beleidskredieten bij de ministeries. 3.1.1. Beleidskredieten ministeries Bij de beleidskredieten van de ministeries vertrekt men vanuit de som van de niet-gesplitste kredieten, de bijkredieten voorgaande jaren en de gesplitste vastleggingskredieten. Deze kredieten worden aangevuld met de voorziene ontvangsten in begrotingsfondsen. Op bovenstaande som worden enkele correcties doorgevoerd, die overwegend ook in de berekening van betaalkredieten dienen doorgevoerd te worden. - Ten eerste wordt de som van bovenstaande kredieten gezuiverd voor de kredieten die voorzien zijn voor participaties en deelnemingen (ESR 8), en voor aflossingen (ESR 9). Deze kredieten dienen namelijk niet te worden meegenomen in de berekening van het ESR-vorderingensaldo van de Vlaamse Gemeenschap. - Ten tweede wordt een correctie doorgevoerd voor de kredieten die bestemd zijn voor de te consolideren instellingen van de Vlaamse Gemeenschap4. Het beleid dat met deze kredieten kan gevoerd worden, wordt verder meegenomen bij de te consolideren instellingen (zie infra). - Ten derde dient er opgemerkt te worden dat er in de begroting van de ministeries ook vastleggingsmachtigingen (met resp. vereffeningskredieten) kunnen opgenomen worden, die niet voor een te consolideren instelling bestemd zijn (vb ESF-agentschap). In voorkomend geval wordt het vereffeningskrediet vervangen door de machtiging. De verbintenissenmachtiging van het VWF wordt evenwel niet in rekening gebracht, omdat deze machtiging niet volledig in ESR-uitgaven voor het ministerie RWO zal omgezet worden. - Ten vierde wordt het in de begroting 2009 ingeschreven provisioneel gesplitst vastleggingskrediet t.b.v. resp. 100 miljoen euro ter compensatie van geannuleerde openstaande verplichtingen, gecorrigeerd op de voorziene beleidskredieten. Dit omwille van het feit dat eventuele vastleggingen die hieruit ressorteren, gecompenseerd worden door verlaging van nog openstaande verplichtingen. Deze provisie wordt niet meer voorzien in de periode 2010-2014. - Tenslotte wordt de in vorige legislatuur doorgevoerde correctie van de beleidskredieten naar aanleiding van het inschrijven van een conjunctuurprovisie vanaf nu niet meer doorgevoerd, omwille van het niet meer voorzien van deze conjunctuurprovisie vanaf de herziening van het budget 2009 enerzijds en om de tracering van het verschil tussen de voorziene beleids- en betaalkredieten niet te bemoeilijken anderzijds. 3.1.2. Beleidskredieten van te consolideren instellingen (DAB’s, VOI’s, IVA’s met rp, EVA’s) Voor de berekening van de beleidskredieten van de te consolideren instellingen wordt een onderscheid gemaakt tussen de te consolideren instellingen die in hun begroting een opsplitsing maken tussen vastleggings- en ordonnanceringskredieten en de andere instellingen met enkel een begroting in ordonnanceringskredieten.

4 Voor het Pensioenfonds, het pensioenfonds van de VRT en het Zorgfonds worden de kredieten die jaarlijks zijn voorzien bij de ministeries niet gecorrigeerd en bijgevolg meegerekend als beleidskredieten van de ministeries. De in rekening te brengen reserve-evolutie van deze instellingen wordt als een correctielijn ingevoegd in de algemene tabel m.b.t. de beleidskredieten (ministeries + te consolideren instellingen).

23


Bij de instellingen met een opsplitsing in de begroting tussen vastleggings- en ordonnanceringskredieten, wordt het vastleggingskrediet (gecorrigeerd voor participaties en deelnemingen, schuldaflossing, dotaties naar andere te consolideren instellingen, reserve-opbouw en over te dragen saldi) genomen. De ingeschreven vastleggingskredieten bevatten in ieder geval ook de machtigingen en gesplitste dotatieartikelen die zijn ingeschreven in de begrotingen van de ministeries. Voor de overige te consolideren instellingen wordt van de hypothese vertrokken dat de vastleggingskredieten gelijk zijn aan de ingeschreven ordonnanceringskredieten (gecorrigeerd voor participaties en deelnemingen, schuldaflossing, dotaties naar andere te consolideren instellingen, reserveopbouw en over te dragen saldi). Deze vastleggingskredieten worden evenwel nog verder gecorrigeerd voor het geval er een machtiging of een gesplitst dotatieartikel is ingeschreven in de begrotingen van de ministeries. In dit geval wordt het verschil tussen de in de begroting van de ministeries ingeschreven machtiging en het in de begroting van de ministeries ingeschreven vereffeningskrediet gecorrigeerd op de totaal ingeschreven kredieten van de instelling. Wat betreft de VOI A FFEU wordt er vanuit gegaan dat de beleidskredieten die hier worden ingeschreven het gevolg zijn van de recuperatie van vroeger gestemde en nog te stemmen beleidskredieten. Voor de bepaling van het verschil tussen de betaal- en beleidskredieten laten we het FFEU buiten beschouwing, omdat er bij de recuperatie van beleidskredieten ook steeds evenveel betaalkredieten moeten kunnen gerecupereerd worden binnen de begroting van een bepaald jaar. Dit zorgt ervoor dat er bij het ontstaan van beleidskredieten voor het FFEU, er tevens evenveel betaalkredieten voorzien worden om aan de verbintenissen te voldoen. Voor de vergelijking van de beleids- en betaalkredieten wordt het FFEU bijgevolg buiten beschouwing gelaten. 3.1.3. Beleidskredieten ministeries + te consolideren instellingen In onderstaande tabel U.1 wordt een overzicht gegeven van de totale beleidskredieten van de ministeries en de te consolideren instellingen voor de jaren 2009 t.e.m. 2014. Hierbij worden tevens correctielijnen m.b.t. gelopen intresten en reserve-evoluties bij het Pensioenfonds, Pensioenfonds VRT en het Zorgfonds ingevoegd. Tabel U.1: Totale beleidskredieten 2009-2014 (in duizend euro). BGC II 2009

HERZ. 2009

MJBG 2010

MJBG 2011

MJBG 2012

MJBG 2013

MJBG 2014

Totaal + 25.096.579 24.666.506 26.134.156 26.658.933 27.225.984 27.767.410 28.410.238 Beleidskredieten Reserve-evolutie(*) + -6.943 -5.947 -6.200 -6.463 -6.738 -7.024 -7.323 Pensioenfonds Reserve-evolutie 0 4.500 8.500 10.200 12.700 16.300 19.500 Pensioenfonds + VRT Reserve-evolutie + 1.025 5.604 5.042 4.993 6.622 6.909 6.113 Zorgfonds Correctie gelopen + 7.595 112.114 74.557 52.857 47.041 30.602 4.185 intresten TOTAAL = 25.098.256 24.782.777 26.216.055 26.720.520 27.285.609 27.814.197 28.432.713 (*) Teneinde de link met de berekening van het vorderingensaldo zo juist mogelijk te houden, wordt reserveopbouw, resp. reserveafbouw, beschouwd als zijnde minder beleidskrediet, resp. meer beleidskrediet.

24


3.2. Betaalkredieten Voor de berekening van de betaalkredieten, wordt eveneens een opsplitsing gemaakt tussen betaalkredieten bij de ministeries (excl. DAB’s) en betaalkredieten bij de te consolideren instellingen. 3.2.1. Betaalkredieten ministeries Bij de betaalkredieten vertrekt men van de sommatie van de niet-gesplitste kredieten, de bijkredieten voorgaande jaren, de variabele kredieten en de gesplitste ordonnanceringskredieten. Op bovenstaande som worden enkele correcties doorgevoerd, zoals in de berekening van het ESRvorderingensaldo van de Vlaamse overheid. Zo wordt er gecorrigeerd voor uitgaven m.b.t. participaties en deelnemingen (ESR-8), schuldaflossing (ESR-9) en kredieten bestemd voor te consolideren instellingen5. Vergelijkbaar met de berekening van het ESR-vorderingensaldo wordt er geen correctie doorgevoerd voor de ingeschreven intrestkredieten6. 3.2.2. Betaalkredieten van te consolideren instellingen (DAB’s, VOI’s, IVA’s met rp, EVA’s) Voor de bepaling van de betaalkredieten van de te consolideren instellingen wordt er vertrokken van de voorziene betaalkredieten in de respectievelijke begrotingen van de instellingen. Hierop worden correcties doorgevoerd voor participaties en deelnemingen, schuldaflossing, dotaties naar andere te consolideren instellingen, reserve-opbouw en over te dragen saldi. Zoals hierboven gesteld zijn de betaalkredieten die voorzien zijn bij de VOI A FFEU, gerecupereerde betaalkredieten van voorgaande, huidige en toekomstige begrotingsjaren. In een zelfde redenering als bij de beleidskredieten wordt het FFEU ook hier buiten beschouwing gelaten. In het kader van de begrotingsnormering dient er mee rekening gehouden dat de werking van het FFEU, zorgt voor een spreiding van de betaalverplichting doorheen de tijd. Op het moment dat er effectief aan betaalverplichtingen wordt voldaan, wordt tevens het ESR-vorderingensaldo belast. In onderstaande tabel U.2 wordt een overzicht gegeven van de in de jaren 2009 t.e.m. 2014 voorziene betaalkredieten binnen het FFEU. Tabel U.2: Voorziene betaalkredieten binnen het FFEU (inclusief voorziene dotaties aan te consolideren instellingen) (in duizend euro).

Projecten 2001-2009 Projecten 2010-2014 TOTAAL

BGC II 2009 + 146.500 + 0 + 146.500

HERZ. 2009 146.500 0 146.500

MJBG 2010 140.000 0 140.000

MJBG 2011 127.500 12.500 140.000

MJBG 2012 90.000 50.000 140.000

MJBG 2013 52.500 87.500 140.000

MJBG 2014 21.534 112.500 134.034

5 Net zoals bij de berekening van de beleidskredieten wordt de eventueel in rekening te brengen reserve-evolutie van het Pensioenfonds, het pensioenfonds van de VRT en het Zorgfonds als een correctielijn in de algemene tabel m.b.t. de betaalkredieten ingevoegd (ministeries + te consolideren instellingen). 6 De correctie m.b.t. de gelopen intresten wordt als een correctielijn ingevoegd in de algemene tabel m.b.t. de betaalkredieten.

25


3.2.3. Betaalkredieten ministeries + te consolideren instellingen In onderstaande tabel U.3 wordt een overzicht gegeven van de totale betaalkredieten van de ministeries en de te consolideren instellingen voor de jaren 2009 t.e.m. 2014. Hierbij worden tevens correctielijnen m.b.t. de gelopen intresten en reserve-evoluties bij het Pensioenfonds, Pensioenfonds VRT en het Zorgfonds ingevoegd. Tabel U.3: Totale betaalkredieten 2009-2014 (in duizend euro). BGC II 2009

HERZ. 2009

MJBG 2010

MJBG 2011

MJBG 2012

MJBG 2013

Totaal + 24.865.769 24.441.490 25.951.015 26.646.553 27.299.850 27.915.300 Betaalkredieten Reserve-evolutie(*) + -6.943 -5.947 -6.200 -6.463 -6.738 -7.024 Pensioenfonds Reserve-evolutie 0 4.500 8.500 10.200 12.700 16.300 Pensioenfonds + VRT Reserve-evolutie + 1.025 5.604 5.042 4.993 6.622 6.909 Zorgfonds Correctie gelopen + 7.595 112.114 74.557 52.857 47.041 30.602 intresten 24.557.761 26.032.914 26.708.140 27.359.475 27.962.087 TOTAAL = 24.867.446 (*) Teneinde de link met de berekening van het vorderingensaldo zo groot mogelijk te houden, wordt reserveopbouw, resp. reserveafbouw, beschouwd als zijnde minder betaalkrediet, resp. meer betaalkrediet.

3.3. Evolutie van de beleids- en betaalkredieten Grafiek U.1 geeft de evolutie van de beleids- en betaalkredieten weer over de periode 2009 -2014. Grafiek U.1: Evolutie van de beleids- en betaalkredieten 2009-2014 (in duizend euro)

26

MJBG 2014 28.507.493 -7.323 19.500 6.113 4.185 28.529.968


3.4. Evolutie van de beleids- en betaalkredieten binnen het FFEU Grafiek U.2 geeft de evolutie weer van de voorziene beleids- en betaalkredieten binnen het FFEU in de periode 2009-2014. In het herzien budget 2009 wordt voor de beleidskredieten reeds de effectieve dotatie aan het FFEU op basis van de afroming van de niet-aangewende beleids- en betaalkredieten binnen de begroting van de minsteries (excl. DAB’s) in 2008 weergegeven. Concreet is er eind 2008 voor 188 miljoen euro aan bijkomende middelen voor het FFEU voorzien voor de projecten 2009. Naar de toekomst toe voorzien we verder in een jaarlijkse afroming van gemiddeld 125 miljoen euro aan niet-aangewende beleids- en betaalkredieten binnen de begroting van de minsteries (excl. DAB’s), die voor nieuwe projecten in de periode 2010-2014 kunnen worden aangewend. Op basis van de verschillenanalyse tussen betaal- en beleidskredieten kan vastgesteld worden dat vanaf begrotingsjaar 2010 steeds een hoger betaalkrediet is ingeschreven, dan het in hetzelfde jaar voorziene beleidskrediet. Grafiek U.2 Evolutie van de beleids- en betaalkredieten binnen het FFEU (in duizend euro)

27


Hogere Entiteiten Diensten Algemeen Regeringsbeleid Bestuurszaken (2009 incl. vooruitbet. 2008 t.b.v. 127 mio €) Financiën en Begroting Internationaal Vlaanderen Economie, Wetenschappen en Innovatie Onderwijs en Vorming (2009 incl. vooruitbet. 2008 t.b.v. 356 mio €) Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Leefmilieu, Natuur en Energie (2009 incl. vooruitbet. 2008 t.b.v. 203 mio €) Mobiliteit en Openbare Werken Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed TOTAAL (incl. correcties vooruitbetalingen) Terugdraaien in 2009 van doorgevoerde correcties voor vooruitbetaling in 2008 TOTAAL (excl. correcties vooruitbetalingen) 977.631 187.495 1.093.722 9.717.205 3.186.297 1.235.463 1.434.274 159.192 884.780 2.923.526 691.620 25.351.519 -685.013 24.666.506

2.581.613 1.555.039 187.091 1.100.305 9.588.522 3.139.633 1.216.677 1.425.815 159.237 884.872 2.972.893 694.576 25.781.592 -685.013 25.096.579

28

2.584.020

123.745 151.574

BGC II 2009

HERZ. 2009 124.555 151.739

26.134.156

26.134.156

693.832

2.961.467

904.244

3.309.479 1.320.250 1.456.777 161.348

9.859.496

1.167.809 257.240 1.112.207

2.665.140

130.677 134.190

MJBG 2010

26.658.933

26.658.933

704.337

3.024.561

941.298

3.407.102 1.263.394 1.479.915 163.241

10.077.740

1.274.568 192.075 1.120.285

2.737.920

133.843 138.652

MJBG 2011

27.225.984

27.225.984

730.898

3.075.779

921.574

3.503.900 1.272.693 1.505.558 165.425

10.267.919

1.355.957 191.304 1.145.468

2.812.032

136.769 140.709

MJBG 2012

Tabel U.4: Geconsolideerde beleidskredieten 2009 (gecorrigeerd) - 2014 per beleidsdomein – in absolute bedragen (in duizend euro)

27.767.410

27.767.410

740.851

3.127.440

938.070

3.585.040 1.292.958 1.530.040 167.865

10.445.072

1.429.262 193.419 1.156.863

2.878.382

139.842 142.307

MJBG 2013

28.410.238

28.410.238

757.109

3.177.353

972.279

3.672.695 1.314.055 1.555.989 170.415

10.686.469

1.472.434 195.647 1.175.579

2.972.781

143.058 144.375

MJBG 2014

Onderstaande tabel U.4 geeft een overzicht van de geconsolideerde beleidskredieten per beleidsdomein in de periode herz. 2009-2014 op basis van constant beleid t.o.v. BGC II 2009 in nominale waarden. Gelet op het feit dat de begroting 2009 rekening houdt met voorziene vooruitbetalingen in 2008 ten belope van 685 miljoen euro, worden de beleidskredieten 2009 voor de opmaak van deze tabel gecorrigeerd.

3.5.1. Beleidskredieten per beleidsdomein

3.5. Beleids- en betaalkredieten per beleidsdomein


29

Grafiek U.3: Geconsolideerde beleidskredieten 2009 (gecorrigeerd) – 2014 per beleidsdomein – indices met basis 2009 = 100

Om een inzicht te krijgen in de verschillen in de voorziene groei van de beleidskredieten per beleidsdomein bij constant beleid wordt in onderstaande grafiek U.3 een overzicht geboden op basis van indices t.o.v. 2009. Gelet op het feit dat de begroting 2009 rekening houdt met voorziene vooruitbetalingen in 2008 ten belope van 685 miljoen euro, worden de beleidskredieten 2009 voor de opmaak van deze grafiek gecorrigeerd. De forse toename van het beleid bij het beleidsdomein Financiën en Begroting is grotendeels het gevolg van de te voorziene rentebetalingen bij het doortrekken van constant beleid.


30

Grafiek U.4: Geconsolideerde beleidskredieten 2009 (gecorrigeerd) - 2014 per beleidsdomein – aandeel (in %)

Gelet op het feit dat de begroting 2009 rekening houdt met voorziene vooruitbetalingen in 2008 ten belope van 685 miljoen euro, worden de beleidskredieten 2009 voor de opmaak van deze grafiek gecorrigeerd.

Om verder inzicht te krijgen op het resultaat van deze verschillende groei op de verhouding van het aandeel van elk beleidsdomein in het totaal van de beleidskredieten, wordt in onderstaande grafiek U.4 het aandeel van elk beleidsdomein in de jaren 2009 en 2014 weergegeven.


3.5.2. Bespreking per beleidsdomein Hierna wordt per beleidsdomein een algemeen overzicht geboden van de belangrijkste kostendrijvers en de belangrijkste budgettaire engagementen naar volgende legislatuur toe en hun impact op de beleidskredieten per beleidsdomein ten opzichte van de ingediende en herziene begroting 2009. In bijlage I wordt in een doorgedreven detail ingegaan op de evolutie van de beleidskredieten per beleidsdomein. Enerzijds wordt het effect van de herziene begroting 2009 t.o.v. de 2de begrotingscontrole weergegeven. Anderzijds wordt het effect van de evolutie van de kredieten in de meerjarenbegroting 2010-2014 ten opzichte van het herziene budget weergegeven. Voor de globale impact van de voorziene indexatie op de evolutie van de beleidskredieten ten opzichte van 2009 wordt verwezen naar bijlage II. Tevens worden er eventueel ook budgettaire aandachtspunten opgenomen die uit het overleg tussen het departement Financiën en Begroting met de resp. beleidsdomeinen naar voor zijn gekomen. Deze budgettaire aandachtspunten trachten enerzijds aan te geven welke gevolgen de huidige toepassing van constant beleid op de beleidsuitvoering van een beleidsdomein kunnen hebben en anderzijds trachten deze aandachtspunten mogelijks voorkomende budgettaire problemen aan te geven, die omwille van hun onzekerheid voorlopig niet cijfermatig zijn vertaald in voorliggende meerjarenbegroting.

3.5.2.1. Hogere entiteiten In de periode 2009-2014 neemt de dotatie aan het Vlaams Parlement stelselmatig toe van 82,6 miljoen euro tot 94,3 miljoen euro. Daarnaast worden, naar aanleiding van het aantreden van een nieuwe Vlaamse regering, de benodigde kabinetskredieten ter beschikking gesteld uitgaand van een Vlaamse regering met

10 ministers. 3.5.2.2. Diensten Algemeen Regeringsbeleid Vanaf 2010 dienen er enkel nog de benodigde betaalmiddelen ter beschikking te worden gesteld voor de renovatie van de Kazerne Dossin en de bouw van het Vlaams Communicatiehuis te Brussel, waarvoor in 2009 de nodige vastleggingskredieten werden voorzien.

Budgettaire aandachtspunten Bij de Vlaamse Infolijn kende het aantal contacten in het eerste kwartaal van 2009 reeds een stijging van 14% tegenover vorig jaar. Deze stijging volgt reeds op een sterk gestegen trend in de voorgaande jaren, die sinds 2005 met eenzelfde – verhoogde en geïndexeerde – financiering wordt gedragen. De bijkomende responsabilisering van de beleidsdomeinen in 2008 heeft ook mee de financiering van de infolijn in deze legislatuur ondersteund. Gelet op deze fors stijgende trend qua oproepen, wordt gesteld dat er een toekomstig capaciteitsprobleem is bij de Vlaamse Infolijn. Er is een bepaald efficiëntieplafond bereikt. Men voorziet een stijging tot 650.000 oproepen tegen 2014 voor “1700”, wat neerkomt op een geraamde meerkost van circa 1,28 miljoen euro in 2014. Gelet op het voorgaande, is het toekennen van enkel en alleen een geïndexeerde dotatie onvoldoende als groeiparameter voor de Vlaamse Infolijn. Beter zou een relatie tussen volumegroei en kostprijs zijn. Een verdere responsabilisering van de andere beleidsdomeinen wordt niet als een sluitende oplossing voor dit probleem erkend, gelet op het feit dat de werking van 1700 ook de bereikbaarheid van de Vlaamse overheid heeft versterkt. Dit geeft namelijk aanleiding tot meer vragen, waardoor geen evenredige daling van het personeel bij de beleidsdomeinen kan worden bewerkstelligd.

31


3.5.2.3. Bestuurszaken De middelen voor het Gemeentefonds, Stedenfonds en Provinciefonds nemen, op basis van de respectievelijke decreten, jaarlijks met 3,5% toe. Tegen 2014 zal hierdoor het krediet voor deze drie fondsen in totaal met 394,6 miljoen euro zijn toegenomen. De compensatie voor de afschaffing van de Elia-taks en de subsidies in het kader van het fiscaal pact met de lokale overheden zijn vanaf 2010 opnieuw voorzien. De compensatie van 2009 was namelijk vooruitgeschoven naar 2008. De subsidies i.v.m. het fiscaal pact met de lokale overheden worden vanaf 2011 afgebouwd als compensatie voor de toenemende kostprijs van de compensatie aan de gemeenten voor de afschaffing van de onroerende voorheffing op vervangingsinvesteringen inzake materieel en outillage. Deze compensatie is voorzien binnen het beleidsdomein Financiën en Begroting. Voor de organisatie van de verkiezingen voor het Vlaams Parlement in 2009 en 2014 wordt telkens 2 miljoen euro uitgetrokken. Voor de organisatie van de lokale verkiezingen in 2012 wordt in totaal 12,9 miljoen euro voorzien, gespreid in 2011 en 2012. Voor de financiering van de verwachte meerkost van de nieuwe Verzekering Gewaarborgd Wonen, wordt vanaf 2009 voorzien in een gedeeltelijke verdeling van de provisie Inburgering ten belope van 2,4 miljoen euro. Het budget voor de pensioenbijdragen in uitvoering van artikel 12bis van de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden stijgt van 6,9 miljoen euro in 2009 naar 11,1 miljoen euro in 2014. Voor de inhuring van het nieuw te bouwen Vlaams Administratief Centrum te Leuven vanaf 15 juli 2010 moet in 2010 - bovenop de voorziene huurbudgetten in 2009 – 4,8 miljoen euro uitgetrokken worden, waarvan 4,3 miljoen euro voor eenmalige inrichtingskosten en verhuiskosten. De jaarlijkse meerkost op kruissnelheid bedraagt vanaf 2011 circa 3,5 miljoen euro (exclusief de eenmalige kost in 2011 van 0,5 miljoen euro voor de wederinstaatstelling van de te verlaten panden). Daarnaast wordt voor de inhuring van bijkomende oppervlakte in het Ellipsgebouw te Brussel in 2009 en 2010 respectievelijk een bedrag van 5,1 miljoen euro en 4,5 miljoen euro aan extra middelen voorzien ten opzichte van de goedgekeurde begroting 2009. Hierbij inbegrepen zijn de eenmalige kosten voor inrichting en verhuis. Vanaf 2011 vallen de jaarlijks extra te voorziene middelen terug naar 0,6 miljoen euro. Bijkomend wordt over de periode 2010-2014 rekening gehouden met een recurrente compensatie binnen de betrokken entiteiten van circa 4,5 miljoen euro.

3.5.2.4. Financiën en Begroting De Vlaamse Regering wenst vanaf 1 januari 2010 over te gaan tot de overname in eigen beheer van de inning van de verkeersbelastingen (de belasting op de inverkeersstelling, de verkeersbelasting en het eurovignet). Voor het voorbereidingstraject werd in de begroting 2009 reeds een bijkomend personeelskrediet voorzien van 1,5 miljoen euro. Voor het jaar 2010 wordt een bijkomend krediet voorzien (voor investeringen en personeels- en werkingsgerelateerde kosten) van 16,3 miljoen euro. In het kader van de organisatie van de Vlaamse verkiezingen in 2009 en 2014 wordt voor deze jaren in een aanvullend provisioneel krediet voorzien van 3,5 miljoen euro voor het financieren van de bijkomende kosten bij een kabinetswissel.

32


Ingevolge de afloop van het Limburgplan wordt het provisioneel vastleggingskrediet vanaf 2010 verminderd met 25 miljoen euro. Voor de verdere uitvoering van het sectoraal akkoord 2005-2007 inzake N-2 en inhoudelijke loopbanen en opstap eindejaarstoelage wordt in 2010 een bijkomende provisie voorzien van 2 miljoen euro. Daarnaast wordt in 2010 voor de gefaseerde uitvoering van het sectoraal akkoord 2008-2009 inzake de opstap maaltijdcheques en de salarisverhoging van 2% een provisie voorzien van 2,4 miljoen euro. Vanaf 2009 wordt - in het kader van een bedrijfsvriendelijke fiscaliteit - gestart met de afbouw van de onroerende voorheffing op materieel en outillage met een één op één compensatie door het Vlaamse Gewest aan gemeenten en provincies. Deze gemeentelijke en provinciale belasting op toestellen, machines en andere installaties in nijverheids-, handels- of ambachtelijke bedrijven zal geleidelijk aan verdwijnen, al naargelang het ritme van de vervangingsinvesteringen. Voor deze maatregel wordt vanaf 2009 een krediet beschikbaar gesteld van 15 miljoen euro, jaarlijks aangroeiend met 15 miljoen euro tot 75 miljoen euro in 2013. Verder wordt er vanaf 2009 een krediet voorzien van 1 miljoen euro, jaarlijks aangroeiend met 1 miljoen tot 10 miljoen euro, voor de één op één compensatie aan gemeenten en provincies voor de gederfde inkomsten ingevolge de vermindering van de onroerende voorheffing voor lage energie- en zeer lage energiewoningen. De financiële investeringen, die werden verricht bij KBC (3,5 miljard euro), Dexia (0,5 miljard euro) en Ethias (0,5 miljard euro), zullen logischerwijze ook een rendement opleveren. Doordat zowel banken als verzekeringsinstellingen aan de Vlaamse en federale overheid belangrijke waarborgpremies dienen te betalen en de verwateringen van hun aandelen, de winstgevendheid ervan drukt, wordt uitgegaan van relatief bescheiden dividenden van Dexia (bestemd voor het Toekomstfonds) en Ethias, zijnde resp. 11,5 vanaf 2010 en 7 miljoen euro in 2011 en 2012, waarbij verder de desinvestering in Ethias zou plaatsvinden in 2013 (wat een niet ESR-aanrekenbare ontvangst van 500 miljoen euro inhoudt). Voor KBC wordt ervan uitgegaan, dat zij een scenario prefereren, waarbij gereserveerde winsten worden aangewend voor de terugbetaling van de certificaten, die het Vlaams Gewest aanhoudt. Tenzij KBC opbrengst van eigen desinvesteringen zou gebruiken voor deze terugbetaling, verloopt deze terugbetaling wellicht geleidelijk. Geraamd wordt dat KBC in staat moet zijn, minstens 300 miljoen euro op die manier af te lossen per jaar (met inbegrip van een ESR-aanrekenbare meerwaarde van 50 %, ofwel 100 miljoen euro). Met betrekking tot de NV Gigarant wordt vertrokken van de veronderstelling dat eind 2010 het geïnvesteerde bedrag zal worden terugbetaald, wat een niet-ESR-aanrekenbare ontvangst van 300 miljoen euro inhoudt. Verder wordt er ook vanuit gegaan dat de betaalde waarborgvergoedingen zullen volstaan voor eventuele uitwinning te financieren. (zie budgettaire aandachtspunten). De directe budgettaire impact op de evolutie van de te voorziene beleidskredieten van de verschillende maatregelen om de financiële en economische crisis te bestrijden komen in meerjarig perspectief voornamelijk neer op een gezamenlijke stijging van de verschuldigde rente ten opzichte van de herziene begroting 2009 (waar geen rentebetaling meer wordt voorzien) ten beloop van 144 miljoen euro in 2010 tot en met 2012, stijgend tot 145 miljoen euro in 2013 en 2014. Het betreft hier voornamelijk de verschuldigde rente ingevolge de uitgifte van Vlaamse overheidsobligaties via een EMTN-programma die in een eerste fase 2,5 miljard euro opleverde, en in een tweede fase 1,5 miljard euro zal opleveren. Hiermee wordt enerzijds 3,5 miljard euro toegekend aan KBC als investering in het Tier-1-kapitaal en anderzijds 300 miljoen euro toegekend aan de NV Gigarant teneinde deze NV toe te laten om tot 1,5 miljard euro aan waarborgen te verstrekken aan grote ondernemingen. De stijging van de rentekost vanaf 2013 wordt verklaard door de herfinanciering van de kortst lopende uitgifte van het EMTN-programma aan licht hogere intresttarieven.

33


Ingevolge van de voorziene netto te financieren tekorten in de periode 2009herz. – 2014, lopen de te voorziene rentelasten op van 38 miljoen euro in 2010 tot 280 miljoen euro in 2014.

Budgettaire aandachtspunten In voorliggende meerjarenbegroting wordt vertrokken van het uitgangspunt dat, ondanks de voorziene extra waarborgverleningen door de Vlaamse overheid (verhoging waarborgmachtiging NV Waarborgbeheer van 180 miljoen euro in 2007 tot 300 miljoen euro in de begroting 2009 en een éénmalige waarborgmachtiging van 1,5 miljard euro voor NV Gigarant), er geen structurele verhogingen van te voorziene uitwinningen zullen benodigd zijn. Dit is in de veronderstelling dat de verhoging van de verstrekte waarborgen eerder benodigd zijn om de gevolgen van de huidig vastgestelde kredietschaarste voor ondernemingen te ondervangen, eerder dan dat meer verstrekte waarborgen worden verleend aan ondernemingen met een hoger risicoprofiel.

3.5.2.5. Internationaal Vlaanderen Voor de renovatie van de Koningin Elisabethzaal, wordt in 2010 een eenmalig budget van 57,2 miljoen euro voorzien. Met het oog op de voorbereidingen van het Belgische voorzitterschap in de tweede helft van 2010, wordt voor het jaar 2010 uitgegaan van een toename van de desbetreffende provisie in 2010 met 11 miljoen euro tot 14 miljoen euro. Ook in 2011 wordt nog in een provisie van 3 miljoen euro voorzien, gelet op het 18maandelijks team-voorzitterschap met Spanje en Hongarije (2009-2011). In totaliteit wordt voor het Belgische EU-voorzitterschap (2009 – 2011) een krediet voorzien van 20 miljoen euro.

3.5.2.6. Economie, Wetenschappen en Innovatie Naast indexatie zijn er binnen het beleidsdomein Economie, Wetenschappen en Innovatie geen noemenswaardige kostendrijvers of budgettaire engagementen voorzien.

Budgettaire aandachtspunten De aandacht dient te worden gevestigd op de betaalkredieten van het Fonds voor Flankerend Economisch Beleid (FFEB). Dit Fonds had in 2008 een overschot op haar betaalkredieten van 107 miljoen euro, onder meer door de economische crisis die een negatief effect heeft op het uitbetalingsritme van de ecologiepremie en de strategische steun. Om de negatieve effecten van de economische crisis te verzachten heeft de Vlaamse Regering de steunmodaliteiten versoepeld. Daarnaast heeft de Vlaamse Regering beslist om de crisismaatregel voor het bedrijfsleven, materieel en outillage, ook aan te rekenen op het FFEB. Al deze effecten werden verwerkt in de herziening van de betaalbehoeften van het FFEB. Voor 2009 resulteerde dit in een negatieve bijstelling van de betaalkredieten met 30 miljoen euro t.o.v. begrotingsopmaak. Hierbij dient wel te worden opgemerkt dat het effect van de economische crisis en van de versoepeling van de steunmodaliteiten, moeilijk kan worden ingeschat. De berekende betaalkredieten gaan dus gepaard met een hoge graad van onzekerheid.

3.5.2.7. Onderwijs en Vorming De loonkredieten van het onderwijspersoneel van het leerplichtonderwijs zullen als gevolg van de verwachte leerlingenevolutie in het basis- en secundair onderwijs tegen 2014 met ongeveer 14,8 miljoen euro stijgen ten opzichte van 2009. In het begrotingsjaar 2011 wordt er als gevolg van de verwachte daling van de leerlingenaantallen in het gewoon secundair onderwijs nog een beperkte daling van de loonkredieten ten opzichte van 2009 verwacht. Verder wordt ook verwacht dat het aantal personeelsleden dat zich in het TBS-stelsel zal bevinden tegen 2014 zal afnemen, wat zal leiden tot een besparing van circa 27 miljoen euro in vergelijking met begrotingsjaar 2009. 34


Voor de loonkredieten van het onderwijspersoneel in de basiseducatie en het volwassenenonderwijs wordt een jaarlijkse stijging van het lestijdenpakket met 0,8% in rekening gebracht. Dit komt neer op een jaarlijkse toename van de loonkredieten van de basiseducatie en het volwassenenonderwijs met 2,2 miljoen euro. In het deeltijds kunstonderwijs zullen de loonkredieten, als gevolg van de verwachte leerlingenevolutie, tegen 2014 met 10,4 miljoen euro toenemen. Naast de leerlingenevolutie wordt er voor de loonkredieten ook rekening gehouden met een jaarlijkse weddedrift (vergrijzing) van + 0,129%. Voor de volledige loonsector zullen de loonkredieten tegen 2014, als gevolg van deze weddedrift, met 40 miljoen euro toenemen. Dit stemt overeen met een jaarlijkse kost van 8 miljoen euro. Tenslotte zullen de loonkredieten, in het kader van de uitvoering van CAO VIII en CAO II van het hoger onderwijs, in 2010 met 37,7 miljoen euro en vanaf 2011 met 84,5 miljoen euro toenemen ten opzichte van 2009. Deze toename is voornamelijk het gevolg van de tegen 2011 voor alle personeelsleden voorziene verhoging van het vakantiegeld tot 92% van het geïndexeerde referentiemaandsalaris. Uit de toegepaste herberekening blijkt dat de kostprijs van deze verhoging van het vakantiegeld hoger uitvalt dan oorspronkelijk geraamd bij het afsluiten van deze CAO’s. De kredieten voor de werkingsmiddelen in het basis- en secundair onderwijs zullen over de periode 2010 t.e.m. 2014 stijgen met 2,6 miljoen euro als gevolg van de leerlingenevolutie. Bovendien zullen de kredieten vanaf 2010 met 355,8 miljoen euro toenemen ten opzichte van 2009 als gevolg van het vooruitschuiven van een deel van de voorziene uitgaven in 2009 naar 2008. Voor de werkingsuitkeringen in het hoger onderwijs wordt verwacht dat voor 2011 het aantal opgenomen studiepunten bij de universiteiten, de academische en de professionele bachelors met ten minste 2% zijn gestegen ten opzichte van de referentiepunten. Hierdoor zullen de middelen voor het variabel onderwijsdeel van de academische en de professionele bachelors en het variabele onderwijsdeel van de universiteiten met 2% toenemen, wat neerkomt op een stijging met 17,8 miljoen euro vanaf 2011. Aangezien bij de universiteiten de verhouding van 55%/45% tussen de middelen voor onderwijs en de middelen voor onderzoek gewaarborgd dient te blijven, zullen ook de middelen voor het onderzoek bij de universiteiten vanaf 2011 met 5,4 miljoen euro toenemen. In 2014 wordt een vergelijkbare toename met 2% verwacht. Vanaf 2014 zullen de werkingsuitkeringen van het hoger onderwijs bijgevolg bijkomend met 25 miljoen euro toenemen. Tegen 2013 zal de uitstapregeling voor het Gemeenschapsonderwijs volledig uitgedoofd zijn. Bovendien zullen ook de personeelsleden in overtal bij het Gemeenschapsonderwijs sterk afgenomen zijn. Dit zal jaarlijks een besparing opleveren, die vanaf 2013 2,8 miljoen euro bedraagt in vergelijking met 2009. De afgelopen schooljaren werd er een forse uitbreiding van het systeem van de schooltoelagen in het kleuter-, lager, (deeltijds) secundair en hoger onderwijs doorgevoerd. De inkomensgrenzen voor het bekomen van een schooltoelage zijn hierbij opgetrokken zodat één vierde van de gezinnen in aanmerking komt. Als gevolg van deze uitbreiding dient er vanaf het begrotingsjaar 2010 nog eens bijkomend 4,5 miljoen euro in de begroting ingeschreven te worden.

Budgettaire aandachtspunten Op 1/10/2007 werd het traditionele deeltijdse TBS 55+ stelsel in het hoger onderwijs opnieuw opgestart als gevolg van een reglementaire onduidelijkheid over de wel of niet verlenging van de schorsing van dit TBS-stelsel. In voorliggende meerjarenbegroting wordt, conform de afspraken bij de tweede begrotingscontrole 2008, slechts een meerkost van 1,261 miljoen euro meegenomen voor dit TBS-stelsel. Uit de door het beleidsdomein Onderwijs aangeleverde cijfers blijkt dat de werkelijke verwachte meerkost van het TBS Hoger onderwijs, voornamelijk gedreven door dit deeltijdse TBS 55+ stelsel, in 2014 t.o.v. begrotingsjaar 2009 rond de 20 miljoen euro zal schommelen. 35


Eind september 2010 loopt het bonusstelsel TBS in het leerplichtonderwijs en het volwassenenonderwijs in principe af. Rekening houdende met de bij deze uitdoving samenhangende verhoging van de wachtgelden, zou dit leiden tot volgende budgettaire besparingen (in miljoen euro): MJBG 2010

MJBG 2011 6

MJBG 2012 36,4

MJBG 2013 55,6

MJBG 2014 58,2

41,5

Echter, gelet op de bij de voorliggende meerjarenbegroting gehanteerde notie van constant beleid, worden de budgettaire middelen voor een eventuele verlenging uit voorzichtigheidsoverwegingen budgettair voorzien. Dit houdt op zich geen enkel engagement in naar een eventuele mogelijke verlenging van het stelsel. In functie van het leerlingenvervoer buitengewoon onderwijs organiseert De Lijn bijkomende ritten om tegemoet te komen aan de klachten in verband met de onaanvaardbare ritduur in het buitengewoon onderwijs. Wanneer De Lijn echter overgaat tot het opstarten van bijkomende ritten dient door het beleidsdomein Onderwijs en Vorming ook bijkomende busbegeleiding voorzien te worden. In uitvoering van de sectorale sociale programmatie voor de jaren 1999 en 2000 van de sector "onderwijs" van de Vlaamse Gemeenschap wordt voorzien in de volledige tenlastelegging op de werkgever van de vervoerskosten voor het openbaar vervoer naar en van het werk en in de toekenning van een fietsvergoeding voor het woon-werkverkeer. Gelet op een jaarlijkse stijging van het aantal fietsers met 1% en een jaarlijkse stijging van het aantal aangevraagde openbaar vervoerabonnementen met 5% en rekening houdende met een jaarlijkse stijging van de kostprijs van de abonnementen van 3,75%, verwacht het beleidsdomein Onderwijs tegen 2014 een meerkost van 7 miljoen euro in vergelijking met de in de meerjarenbegroting voorziene kredieten. In voorliggende meerjarenbegroting zijn er naast de voorziene indexbedragen en in navolging van de notie constant beleid, noch voor de busbegeleiding in het buitengewoon onderwijs, noch voor de openbaar vervoerkosten en de fietsvergoedingen bijkomende kredieten voorzien in de periode 2010-2014. Tot slot wordt ook opgemerkt dat de beschikbaarheidsvergoedingen voor de inhaaloperatie in de scholenbouw in voorliggende meerjarenbegroting op de refertekredieten voor schoolinfrastructuur worden gecompenseerd.

3.5.2.8. Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Naar aanleiding van de verwachte weddedrift (vergrijzing) van het personeel binnen de gesubsidieerde welzijnsinstellingen, wordt er in de periode 2009-2014 een cumulatieve toename van de benodigde beleidskredieten van 42,4 miljoen euro verwacht. Wat het VIPA betreft wordt vanaf 2010 de machtiging met betrekking tot de klassieke procedure opgetrokken met 24,1 miljoen euro tot 75 miljoen euro. Verder wordt de dotatie aangaande de alternatieve financiering in 2010, 2011 en 2012 opgetrokken met respectievelijk 29,5 miljoen euro, 43,2 miljoen euro en 52,2 miljoen euro ten opzichte van de dotatie in 2009. De dotatie aan het zorgfonds wordt jaarlijks verhoogd met 3,6 miljoen euro plus index. Op deze manier stijgt de dotatie tussen 2009 en 2014 met circa 32 miljoen euro. In 2009 wordt er een bijkomende intering op het reservefonds verwacht van 3,2 miljoen euro ingevolge de bijkomende (eenmalige) uitgave betreffende de kwijtschelding van de administratieve geldboetes en van 1,4 miljoen euro als gevolg van de verwachte afname van de inkomsten vanuit de administratieve geldboetes. De verwachte opname uit het reservefonds schommelt tussen 2010 en 2014 tussen 5 miljoen euro en 6,9 miljoen euro, om in 2014 op 6,1 miljoen euro te eindigen. Aan de dotatie van het Fonds Jongerenwelzijn wordt jaarlijks 1 miljoen euro toegekend ten behoeve van pleeggezinnen, internaten en preventieve sociale actie. 36


Als gevolg van de toepassing van een groeipad van 2,5% op het urencontingent van de diensten voor gezinszorg stijgen de hiermee verbonden beleidskredieten met gemiddeld 10,9 miljoen euro per jaar. In 2014 bedraagt de stijging ten opzichte van 2009 54,3 miljoen euro. Voor de serviceflats wordt vanaf 2010 in een opstap van 2,2 miljoen euro voorzien. Tot slot vinden er, in uitvoering van het huidige intersectoraal akkoord met de social profit (VIA-III), nog twee voorziene opstappen plaats binnen de welzijnssector. De opstap in 2010 bedraagt 24,9 miljoen euro. Vanaf 2011 wordt er ten opzichte van 2009 voor 35,9 miljoen euro aan extra middelen voorzien.

Budgettaire aandachtspunten In de huidige meerjarenbegroting wordt er geen rekening gehouden met de stijgende zorgvraag. Aangaande de sectoren waar er een afgebakend zorgaanbod gedefinieerd is zou het aldus WVG wenselijk zijn om in de toekomst over te stappen van een systeem van enveloppesubsidiëring naar een systeem zoals van toepassing in de onderwijssector. Ook wat de sectoren zonder afgebakend zorgaanbod betreft zou het wenselijk zijn meer rekening te houden met de nood aan aanbodsuitbreiding als gevolg van bijvoorbeeld demografische evoluties (vb. vaccinaties , palliatieve netwerken,…), zeker indien dit uitdrukkelijk in een Besluit van de Vlaamse Regering wordt voorgeschreven (vb. diensten voor gezinszorg). In voorliggende oefening worden enkel de ontvangsten en uitgaven binnen het Zorgfonds als volledig autonoom evoluerende externe opbrengsten- en kostendrijver meegenomen. Meer specifiek voor wat het VAPH betreft, houdt voorliggende meerjarenbegroting geen rekening met de kost van de effecten van het VIA I-akkoord. In de voorliggende meerjarenbegroting wordt ervan uitgegaan dat alle bijkomende effecten van het uitbreidingsbeleid ingecalculeerd dienden te worden bij dit uitbreidingsbeleid of dienden te worden opgelost op het moment dat het VAPH extra kredieten toegewezen kreeg. Voor wat betreft de Kind en Gezin wordt in voorliggende meerjarenbegroting geen extra dotatie voorzien ter correctie van het gegeven dat de stijging van de ouderbijdragen de stijging van de uitgaven in de kinderopvang niet volgt. Tevens wordt er geen rekening gehouden met de stijgende kost van het sociaal statuut van de onthaalouders als gevolg van het stijgend aantal prestatiedagen. Deze stijgende prestatiedagen zijn onder andere het gevolg van het streven van de onthaalouders naar een optimalere bezetting in functie van een degelijk inkomen en een maximale opbouw van sociale rechten. Bij de invoering van het sociaal statuut werd de dotatie van Kind en Gezin verhoogd met het benodigde bedrag ter financiering van dit systeem. Een van de parameters bij de bepaling van dit bedrag was het aantal opvangprestaties. In de voorliggende meerjarenbegroting wordt er bijgevolg van uitgegaan dat deze stijgende kost van in het begin werd ingecalculeerd. In de voorliggende meerjarenbegroting worden aanzienlijke anciënniteitseffecten meegenomen. Volgens WVG worden deze effecten echter nog onderschat. De sector heeft immers een vrij jong personeelsbestand. Zolang er nieuw uitbreidingsbeleid is, zullen er tevens nieuwe jonge mensen bijkomen die voor een zekere tijd ieder jaar meer zullen kosten. Men wenst het personeel verder ook zo lang mogelijk in dienst te houden wat automatisch een bijkomende druk op de anciënniteit met zich meebrengt. Zolang de weddedrift echter niet beter gemonitord wordt, is het moeilijk exacte prognoses te maken naar de toekomst toe. WVG beschikt evenwel niet over de nodige gegevens en gezien WVG het zorgaanbod subsidieert en niet zelf organiseert is het geen evidentie de anciënniteit onder controle te houden. Wat het VIPA betreft, stijgen in voorliggende meerjarenbegroting de betaalkredieten betreffende de klassieke en alternatieve financiering van 150 miljoen euro (exclusief index) tot meer dan 165 miljoen euro 37


(inclusief index). Om aan deze afspraken inzake betaalkredieten tegemoet te komen, werd de machtiging betreffende de klassieke financiering vanaf 2010 opgetrokken met 24,1 miljoen euro tot 75 miljoen euro (exclusief index). WVG acht het wenselijk bij stopzetting van het systeem van alternatieve financiering het niveau van de machtiging betreffende de klassieke financiering op te trekken tot op het niveau van voor de introductie van de alternatieve financiering, meer bepaald tot 100 miljoen euro (exclusief index). Dit zou op langere termijn leiden tot een jaarlijks noodzakelijk betaalkrediet van 175 miljoen euro (exclusief index) voor het geheel van klassieke en alternatieve financiering.

3.5.2.9. Cultuur, Jeugd, Sport en Media Voor de uitvoering van het huidige intersectoraal akkoord met de social profit (VIA-III) wordt in 2010 bijkomend 8,9 miljoen euro ingeschreven. Vanaf 2011 betekent dit op kruissnelheid ten opzichte van 2009 een bijkomend budget van 12,7 miljoen euro dat dient voorzien te worden. De vastleggingsmachtiging van het Fonds voor Culturele Infrastructuur (FoCI) wordt voor de realisatie van het project Waalse Krook in 2010 netto eenmalig met 21 miljoen euro verhoogd (+25 miljoen euro investeringssubsidie – 4 miljoen euro compensatie binnen de begroting van FoCI). In 2011-2014 is er ten opzichte van de machtiging 2009 enkel nog het negatieve effect van de compensatie van 4 miljoen euro. De overige 5 miljoen euro compensatie gebeurt in 2009 voor de helft op Onderwijs en voor de helft op het IWT. Voor de renovatie van het KMSKA wordt in 2010 een eenmalig beleidskrediet van 44 miljoen euro uitgetrokken. Daarnaast valt het eenmalig krediet in 2009 voor de renovatie van het oud postgebouw te Oostende weg vanaf 2010. Voor het Kunstendecreet wordt er 7 miljoen euro extra ingeschreven vanaf 2010 ten opzichte van de voorziene kredieten in 2009. Voor de uitvoering van het Vlaams Sportinfrastructuurplan wordt op kruissnelheid vanaf 2011 een bedrag van 8,5 miljoen euro uitgetrokken. Dit geeft op zich aanleiding tot een toename van de voorziene beleidskredieten met 7,7 miljoen euro op kruissnelheid ten opzichte van 2009. De voorziene uitgaven van de VRT, inclusief indexatie, nemen in de periode 2009 – 2014 toe met 20,3 miljoen euro. Deze toename is het resultaat van een tegengestelde beweging. Enerzijds wordt ze verklaard door een verwachte toename van de eigen ontvangsten en van de dotatie, anderzijds houdt de evolutie rekening met de binnen de huidige beheersovereenkomst voorziene besparingen. De dotatie aan de VRT houdt rekening met enkele fundamentele aspecten. Naast de basis financieringsenveloppe ontvangt de VRT ook een bijkomende compensatie voor de toenemende kosten van de vergrijzing van het personeelsbestand, voor de eventuele begrenzing van de inkomsten uit radioreclame en televisiesponsoring (knipperlichtprocedure) en voor de statutaire personeelskosten van het Vlaams Omroeporkest en Kamerkoor. De VRT wordt bovendien gecompenseerd voor de bijkomende kosten die de verzelfstandiging van het zenderpark met zich meegebracht hebben. Tot slot ontvangt de VRT een dotatie van het IWT voor innovatieprojecten. Met betrekking tot het Pensioenfonds van de VRT wordt de voorziene extra inspanning van 10 miljoen euro, zoals gestart in 2008, ook aangehouden na het aflopen van de huidige beheersovereenkomst in 2011. Samen met de dotatie die vanuit het VFLD betaald wordt (9,606 miljoen euro) bedraagt de totale jaarlijkse dotatie aan het Pensioenfonds van de VRT 33,712 miljoen euro

38


Budgettaire aandachtspunten In het kader van het opstellen van de nieuwe beheersovereenkomst voor de VRT dient onderzocht te worden of bij het behoud van het systeem van enveloppefinanciering, de voorziene evolutie van de basisdotatie aan de VRT op basis van de evolutie van de gezondheidsindex vanaf 2012, dient aangevuld te worden met een bijkomende reële groei, gelet op de evolutie van personeelskosten.

3.5.2.10. Werk en Sociale Economie In uitvoering van het intersectoraal akkoord met de social profit (VIA-III) wordt vanaf 2010 in een bijkomend krediet voorzien van 4,2 miljoen euro. Vanaf 2011 wordt er nog een bijkomende opstap van 1,1 miljoen euro in rekening gebracht . Inzake de beschutte werkplaatsen wordt het jaarlijks groeipad van 886 duizend euro doorgetrokken tot 2014. Over de periode 2009-2014 komt dit neer op een totale stijging met 4,4 miljoen euro. Ook voor de aanmoedigingspremies in de openbare sector wordt uitgegaan van een jaarlijkse stijging (2%) van het aantal aanvragen, wat overeenstemt met een toename van het kredieten in 2014 met 1,5 miljoen euro in vergelijking met begrotingsjaar 2009. Wat de VDAB betreft wordt vanaf 2010 in een dotatieverhoging voorzien ingevolge het groeipad met betrekking tot Personen met een Arbeidshandicap (VOP-premie) ten belope van 1,4 miljoen euro. Bovendien worden vanaf 2010 ook de kredieten die bij begrotingsopmaak 2009 in het kader van “Herstel het vertrouwen” eenmalig voorzien werden voor de sectorconvenants (10 miljoen euro) en de kapitaalsparticipatie in het kringloopfonds (7 miljoen euro) terug toegevoegd aan de dotatie van de VDAB. Naar aanleiding van de verhoging van de bijdrage aan de Pool der Parastatalen van 27% tot 29,5% vanaf 1 januari 2009 wordt vanaf begrotingsjaar 2009 ook 1,25 miljoen euro bijkomend voorzien binnen de dotatie van de VDAB. Voor de werkingssubsidie aan Syntra Vlaanderen wordt ingevolge de gehanteerde outputfinanciering, en dus rekening houdende met de leerlingenevolutie in de leertijd en de gecertificeerde en niet-gecertificeerde opleidingen, een groeipad voorzien. In de periode 2009-2014 komt dit neer op een stelselmatige toename in de voorziene kredieten tot 11,1 miljoen euro bijkomende kredieten in 2014.

budgettaire aandachtspunten De gevolgen van de economische crisis laten zich binnen het beleidsdomein WSE zowel in positieve als negatieve budgettaire zin voelen. Zo zal de economische werkloosheid bij de beschutte werkplaatsen toenemen, wat zorgt voor minder uitgaven/subsidies. Deze minderuitgave wordt reeds (deels) gecompenseerd door een verhoogde subsidiëring van de monitoren binnen deze beschutte werkplaatsen. Bovendien werd op 13 mei 2009 door de sociale partners een akkoord bereikt over een CAO voor de beschutte werkplaatsen voor de periode 2009-2010 waarbij ook aan de Vlaamse Regering een tussenkomst gevraagd wordt in de kostprijs. De afgesloten CAO voorziet in een aanvullende vergoeding bij economische werkloosheid en een uitbreiding van de gelijkstelling van economische werkloosheid voor de berekening van de eindejaarspremie. Daarnaast heeft de Vlaamse Regering beslist om 15 miljoen euro extra te voorzien voor een versterkte overbruggingspremie tot eind 2010 voor werknemers van bedrijven in de privé-sector in herstructurering of in moeilijkheden. Deze verhoging van de voorziene uitgaven wordt in 2009 deels gecompenseerd op de 50+-premies en de opstartende tenders binnen de VDAB. In 2010 wordt er wel een budgettair probleem verwacht omwille van de overlapping van de budgettaire kost van de groei bij de 50+-premies (omwille van de hogere subsidiebedragen) én budgettaire kost van de tijdelijke verhoging van de overbruggingspremies. Los van de economische crisis wordt er sowieso verwacht dat de uitgaven voor de aanmoedigingspremies in de social-profit en de privé-sector toenemen (o.a. door de toenemende vraag naar tijdskrediet). Voor 39


deze toename wordt evenwel geen extra budget voorzien in de meerjarenbegroting. Er wordt anderzijds wel op gewezen dat er voor de social profit-sector nog marge beschikbaar is t.o.v. het in de vorige legislatuur uitgetekende budgettaire pad. Het Herplaatsingfonds maakt sinds de overdracht deel uit van de VDAB. Het betreft een open endfinanciering waarvoor omwille van de historische onderbenuttiging voldoende kredieten beschikbaar zijn, zelfs bij de huidige crisis. Het faillissement van een groot bedrijf (cfr. Sabena), eventueel als gevolg van de mondiale financiële crisis, zou echter wel tot een budgettair tekort voor deze maatregel kunnen leiden. Globaal gezien kan er toch van worden uitgegaan dat de minder- en meeruitgaven als gevolg van de economische crisis elkaar zullen uitvlakken en dat er dus geen bijkomende kredieten benodigd zijn binnen het beleidsdomein Werk en Sociale Economie.

3.5.2.11. Landbouw en Visserij Naast indexatie zijn er binnen het beleidsdomein Landbouw en Visserij geen noemenswaardige extra kostendrijvers of budgettaire engagementen voorzien.

Budgettaire aandachtspunten Volgens het beleidsdomein L&V is de vastleggingsmachtiging van het VLIF structureel ontoereikend (t.b.v. +/- 20 miljoen euro). Momenteel werkt de sector met een open-end regeling (gelet op de vele spelers) terwijl het budget niet mee evolueert met het aantal aanvragen. Daarnaast moet er ook rekening gehouden worden met nieuwe Europese regelgevingen (huidige Europese programmaperiodes lopen tot 2013) en een aantal problematieken die op het VLIF afkomen zoals een verhoogde vestigingssteun en het feit dat er vanaf 2013-2015 geen EU-cofinanciering meer mogelijk is op rentesubsidies. Dit kan aanzienlijke bijkomende gevolgen hebben voor het benodigde budget binnen de toekomstige VLIFbegroting.

40


3.5.2.12. Leefmilieu, Natuur en Energie Binnen de Mina-begroting wordt verwacht dat de werkingstoelage aan de drinkwater-maatschappijen in de periode 2009herz - 2014 zal toenemen met 229 miljoen euro. Dit is enerzijds grotendeels het gevolg van het vooruitschuiven van de voorziene uitgaven voor 2009 naar 2008 ten belope van 203 miljoen euro. Daarnaast is deze toename het gevolg van de verwachte toename van de Aquafin-factuur o.a. naar aanleiding van de uitvoering van het Prismaplan.

Budgettaire aandachtspunten Bij het Minafonds wordt vanaf 2009 rekening gehouden met een sterk dalende trend van de ontvangsten m.b.t. de afvalstoffenheffingen (OVAM). Deze sterk dalende trend kan verklaard worden door 1) de verminderde aanvoer van te verwijderen afvalstoffen omwille van de economische crisis en 2) het belangrijk sturend effect van de verhoogde heffing voor het storten van brandbaar afval waardoor er meer verbrand dan gestort wordt. Deze verwachte daling in ontvangsten wordt niet gecompenseerd op de beleidsmogelijkheden van het Minafonds. Vanuit LNE wordt gesteld dat het gaat over regulerende milieuheffingen waarbij de te ontvangen bedragen geen beleidsdoelstelling vormen, maar wel het bekomen van een gedragswijziging bij de vervuiler. In de meerjarenbegroting wordt geen rekening gehouden met de extra kosten die de aankoop van Kyotoeenheden met zich zal meebrengen in de periode 2009-2012 (de afrekening van de eerste handelsperiode is voorzien in 2012). Gelet op de huidige economische crisis en de bijgevolg lagere uitstoot van CO2 is het niet duidelijk of (en eventueel hoeveel) CO2-rechten zullen moeten aangekocht worden. Momenteel is het zo ook niet duidelijk wat er uiteindelijk zal gebeuren met de CO2-rechten die PMV zal verwerven via intekening op CO2-fondsen. LNE schat zeer ruwweg dat Vlaanderen nog 10 miljoen ton Kyoto-eenheden dient aan te kopen tegen eind 2012. Als zeer ruwe richtprijs wordt binnen LNE gedacht aan een bedrag van 10euro/ton. De budgetbehoefte wordt aldus grosso modo geraamd op 100 miljoen euro ten laatste tegen 2012 te voorzien.

3.5.2.13. Mobiliteit en Openbare Werken De bij de begrotingsopmaak 2009 voorziene middelen van Lijninvest voor het realiseren van de bouw van nieuwe stelplaatsen en de huur van rollende materieel, zullen in 2009 worden aangewend door de VVMDe Lijn voor de aankoop van nieuwe bussen. Dit werd beslist door de Vlaamse Regering (VR 2009 0603) om de voertuigindustrie, die sterk getroffen is door de economische crisis, te ondersteunen. Vanaf 2010 worden deze middelen opnieuw voorzien voor hun oorspronkelijk doel en evolueren zij volgens het afgesproken meerjarig traject. Dit betekent dat met het oog op het realiseren van de bouw van nieuwe stelplaatsen in 2010 de beschikbare middelen binnen Lijninvest met 3,8 miljoen euro worden verhoogd en in 2011 met 4,7 miljoen euro zodat vanaf 2011 8,5 miljoen euro extra beschikbaar is ten opzichte van BGC II 2009. Voor de huur van rollend materieel wordt tegen 2011 14,4 miljoen euro extra voorzien ten opzichte van BGC II 2009. Voor de realisatie van de afgezonderde BAM-mobiliteitsprojecten wordt 15 miljoen extra voorzien, via een opstap van 10 miljoen euro in 2010 en 5 miljoen euro in 2011. Met uitzondering van de extra kredieten voor de afgezonderde BAM-mobiliteitsprojecten worden al deze opstappen gedragen binnen de beleidsruimte die de afgelopen legislatuur werd toegekend aan Mobiliteit. In afwachting van het op kruissnelheid komen van de Lijninvest projecten werd de extra toegekende beleidsruimte de afgelopen jaren immers ingezet voor andere projecten, zoals maatregelen in het kader van het verkeersveiligheidsplan, aanpassen stationsomgevingen en extra investeringen van De Lijn (i.e. nietLijninvest projecten). Om binnen deze beleidsruimte te blijven wordt de investeringsdotatie van De Lijn in 2010 met 10 miljoen euro verminderd t.o.v. de BGC II 2009 en de basisallocatie van het VIF waarop projecten in kader van het verkeersveiligheidsplan worden aangerekend in 2011 met 8,9 miljoen euro. Het Fonds voor de Stationsomgevingen ziet haar dotatie in 2010 nog stijgen met 2,9 miljoen euro t.o.v. de BGC II 2009 om in 2011 te verminderen met 4,5 miljoen euro, ter compensatie van het groeipad van Lijninvest. 41


In de herziene cijfers van 2009 wordt voor de VVM – De Lijn rekening gehouden met de actuele brandstofprijzen en wordt de extra dotatie die werd toegekend bij begrotingsopmaak voor de elektriciteitskosten (+20%) gehalveerd. Dit resulteert in het herzien budget 2009 in respectievelijk 16,7 miljoen en 500 duizend euro minder dotatie. Voor de lonen, brandstoffen, goederen en diensten, vergoeding van de exploitanten en leerlingenvervoer nemen de kredieten vanaf 2010 toe volgens de gangbare indexeringsafspraken en met gebruik van de globaal in de meerjarenbegroting gehanteerde inflatieparameters. In het kader van accijnsrecuperatie, Infolijn en de financiering van interregionaal woonwerkverkeer wordt vanaf 2010 3 miljoen euro extra uitgetrokken, die wordt gecompenseerd binnen het beleidsdomein Cultuur, Sport, Jeugd en Media. In het kader van de ontwikkeling van het Masterplan Antwerpen, wordt in een beheersvergoeding van 10,7 miljoen euro voorzien aan de BAM vanaf 2011. Dit is lager dan de oorspronkelijk voorziene 24,5 miljoen euro. Aangezien het Oosterweelproject niet voor 2015 zal zijn afgewerkt, zal er nog geen beheersvergoeding voor de onderhoudskosten moeten betaald worden. Vandaar het lagere bedrag. Voor de overname van de provinciewegen wordt er binnen het VIF 6 miljoen euro aan extra kredieten voorzien vanaf 2010. Het bij de begrotingsopmaak 2009 extra toegekende krediet om de gestegen elektriciteitskosten van de wegenverlichting op te vangen, wordt gehalveerd tot 2 miljoen euro. Bij Waterwegen en Zeekanaal en NV De Scheepvaart worden eveneens de in het verleden extra toegekende kredieten voor energie, bijgesteld tot het huidige prijsniveau. Dit resulteert in een verminderde dotatie van 376 duizend euro.

Budgettaire aandachtspunten Er wordt op gewezen op het overgedragen kredietsaldo op de basisallocaties voor investeringen m.b.t. de Westerschelde en het kanaal Gent-Terneuzen (MG 7305B en MG 5401B). Deze bedragen momenteel ca. 145 miljoen euro. Het effect van eventuele betalingen op dit saldo zijn in de meerjarenbegroting niet meegenomen omwille van de zeer moeilijke inschatting qua timing van de betalingen. Eventuele betalingen op dit saldo zullen in de begrotingsuitvoering evenwel leiden tot een aanzienlijke extra belasting van het vorderingensaldo.

3.5.2.14. Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed Voor de verwachte meerkost van de nieuwe Verzekering Gewaarborgd Wonen, wordt er vanaf de herziene begroting voorzien in een verhoging van de beschikbare middelen met 2,4 miljoen euro. Naar aanleiding van de in deze legislatuur doorgevoerde verhogingen van de leningsmachtigingen aan het Vlaams Woningfonds, neemt de rentesubsidie aan het Vlaams Woningfonds in de periode 2009-2014 stelselmatig toe van 40,7 miljoen euro in 2009 tot 59 miljoen euro in 2014. Hierbij wordt vanaf het begrotingsjaar 2010 rekening gehouden met een verlaging van de voorziene vastleggings- en leningsmachtiging ten belope van 100 miljoen euro. De dotatie aan de LRM in het kader van de mijnwerkersleningen daalt in de periode 2009-2014 van 2,2 miljoen euro in 2009 tot 600 duizend euro in 2014. Het beschikbare budget voor subsidies voor taalcursussen in het kader van het nieuw huurbesluit wordt verminderd met 0,5 miljoen euro omwille van het wegvallen van de voorziene inhaalbeweging.

42


Voor wat betreft de subsidies aan huurdersorganisaties, wordt gelet op het BVR van 29-9-2006, een aanvullende subsidie voorzien voor de verdere uitbouw van regionale steunpunten door erkende huurdersbonden vanaf 1-1-2010. Voor wat betreft de subsidiëring van sociale verhuurkantoren, wordt vertrokken van het principe van het op kruissnelheid brengen van het huidig aantal gesubsidieerde SVK’s vanaf 2010 en van een stijging van het aantal beheerde woningen met 15% in 2010 en 2011 en 10% vanaf 2012. Dit geeft aanleiding tot een verhoging van de beschikbare kredieten met 2,4 miljoen euro in 2014 ten opzichte van 2009. Naar aanleiding van de hervorming van de private huursubsidies (inclusief subsidies voor kandidaathuurders), nemen de beschikbare kredieten, voor de aflopende en opstartende reglementering samen, stelselmatig toe van 30,5 miljoen euro in 2009 tot 42,6 miljoen euro in 2014 Voor de huurcompensatie aan gemeentebesturen, OCMW’s, VWF en SHM’s in het kader van de alternatieve financiering, wordt nog voorzien in een verlenging van het project Poststraat te Menen en in de benodigde indexatie van de huurcompensaties. Naar aanleiding van het definitief vaststellen van de fundingkost van de VMSW in het jaar x+4 in het kader van het NFS 2 (geraamd op 50%), wordt er voorzien in een toename van de benodigde kredieten voor de woonsector met resp. 14,8 miljoen euro in 2012 en 11 miljoen euro in 2013 en 2014, ten opzichte van het begrotingsjaar 2009. Voor wat betreft de subsidiëring van de VMSW voor de koopsector, wordt naar aanleiding van het definitief vaststellen van het subsidiepercentage een verlaging van de benodigde kredieten met 3,4 miljoen euro voorzien. Er wordt uitgegaan van de veronderstelling dat dit subsidiepercentage kan worden weerhouden in de periode 2010-2014. Tot slot loopt de inhaaloperatie inzake de investeringen in Onroerend Erfgoed in de periode 2010-2011 af, waardoor de voorziene kredieten met 14 miljoen euro in 2010 en bijkomend nog eens 3,5 miljoen euro in 2011 afnemen ten opzichte van 2009.

Budgettaire aandachtspunten Voor de planschadevergoedingen dient volgens RWO een bijkomende dotatie aan het Grondfonds voorzien te worden, gelet op het feit dat er in de periode 2009-2011 voor resp. 28, 58 en 0,3 miljoen euro aan schade-eisen lopen, waarvan evenwel 80% wordt gewonnen. Binnen de sector Wonen is, gelet op het feit dat in vele gevallen genomen engagementen een meerjarige budgettaire impact hebben, uitgegaan van het principe dat vooreerst de genomen engagementen dienen te worden gehonoreerd (LRM, private huursubsidies, SVK’s, VWF, fundingkost VMSW,…). Anderzijds worden er voor jaarlijks vast te stellen investeringsprogramma’s geen bijkomende kredieten voorzien (VMSW-investeringsprogramma’s, renovatiepremie, VAP,…) Voor wat betreft de renovatiepremie wordt er, gelet op het toegepaste principe van geen bijkomende kredieten voor jaarlijks vast te stellen investeringsprogramma’s, gewezen op het recurrent tekort aan benodigde kredieten. Zo raamt het Agentschap Wonen een benodigd krediet van 140 miljoen euro in 2009, dit terwijl er momenteel maar 80 miljoen euro beschikbaar is. Gelet op het voorgaande zal vermoedelijk het beschikbare budget opgebruikt zijn midden 2009. Voor wat betreft de budgettaire vertaling van het nieuwe decreet inzake Ruimtelijke Ordening en het decreet Grond- en Pandenbeleid, worden in voorliggende meerjarenbegroting geen bijkomende ontvangsten of uitgaven opgenomen. Momenteel wordt in de BGC II 2009 wel voorzien in een verhoging van de kredieten voor het Grond- en Pandenbeleid (luik Wonen) ten belope van 27 miljoen euro. Deze verhoging wordt recurrent aangehouden. 43


Voor wat betreft de engagementen in het Grond- en Pandendecreet (luik Wonen) inzake het aantal nieuwe sociale huurwoningen (37.000), koopwoningen (22.000) en sociale kavels (1.000) in de periode 2009-2020, werd in samenwerking met RWO een inschatting van de meerkost van dit engagement gemaakt ten opzichte van de in de voorliggende meerjarenbegroting voorziene beleidskredieten. Hierbij volgt een samenvattende tabel die de extra te voorziene beleidskredieten weergeeft indien op dit engagement wordt ingegaan:

Specifiek voor wat betreft de vergoedingen in het kader van de Gewestelijke Sociale Correctie (GSC) wordt verwezen naar het begrotingsakkoord van 19 juli 2007 waarin wordt gesteld dat de eventuele meerkost van de GSC binnen de totale enveloppe (voor Wonen) dient te worden gecompenseerd. Indien er een bijgevolg een effectieve meerkost is van de GSC (hierbij initieel abstractie makend van het effect op de GSC van de voorziene bijkomende investeringen n.a.v. het Grond- en Pandendecreet), zal dit vervolgens nog aanleiding tot een bijkomend benodigd budget voor de uitvoering van het decreet gronden pandenbeleid. Dit bijkomende budgettaire effect op het budget voor het decreet grond- en pandenbeleid kan verklaard worden door het feit dat er in dit geval minder woningen bij een constant blijvend budget kunnen worden gebouwd en bijgevolg de benodigde bijkomende investeringen inzake het grond- en pandendecreet zullen toenemen indien men het engagement ten opzichte van het te voorziene aantal woningen (deels) weerhoudt.

3.5.2.15. Budgettaire aandachtspunten geldend voor alle beleidsdomeinen Door meerdere beleidsdomeinen wordt de aandacht gevestigd op het feit dat een doorgedreven informatisering/automatisering van operationele taken tevens noopt tot een hogere groei van het onderhoudsbudget dan in voorliggende oefening toegepast (d.w.z. enkel groei door toepassing gezondheidsindex). Verder wordt er ook door meerdere beleidsdomeinen op gewezen dat er voor diverse entiteiten, raden of instellingen, ressorterend onder het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006 (het zogenaamde raamstatuut), een probleem kan rijzen op het vlak van het in voorliggende oefening ter beschikking gestelde loonkrediet (ESR-11). In voorliggende oefening wordt namelijk, in navolging van de beslissing van de Vlaamse regering van 24 april 2009 (VR 2009 2404 DOC.0572) inzake de procedure personeelsplannen, geen bijkomende anciënniteitskredieten meer voorzien vanaf 2010, gelet op het feit dat onder punt 3.1.1. laatste paragraaf van deze nota het volgende wordt gesteld: 44


“Bij de opstelling van haar personeelsplan dient elke entiteit ook de budgettaire effecten – in meerjarenperspectief – te verrekenen die het gevolg zijn van geldelijke anciënniteit of functionele loopbaan. Elke lijnmanager wordt geacht, binnen zijn/haar toegekend ‘ESR 11-krediet’ de nodige voorzieningen te treffen om het budgettair effect van deze ‘endogene groei’ hierin op te vangen.” In voorliggende meerjarenbegroting wordt de verhoging van de bijdrage aan de pool der parastatalen in 2009 van 27 tot 29,5% reeds in de herziene begroting 2009 verwerkt. Gelet op de verdere vergrijzing van de bevolking valt niet uit te sluiten dat er in komende jaren nog bijkomende verhogingen van de bijdragen aan de pool der parastatalen benodigd zijn. Voorlopig zijn er geen bijkomende verhogingen in voorliggende meerjarenbegroting voorzien. In de begroting 2009 zijn naar aanleiding van verwachte minderontvangsten vanuit de Nationale Loterij (art. 62BIS Bijzondere Financieringswet) aan uitgavenzijde ook beduidend minder kredieten ingeschreven. In voorgaande legislatuur sprak men hierbij over uitgaven inzake het zogenaamde “vast gedeelte” en het “variabel gedeelte” bij eventuele hogere ontvangsten. Bij de begrotingsopmaak 2009 is er 80% van het “vast gedeelte” ingeschreven aan ontvangsten- en uitgavenzijde van de begroting. Diverse beleidsdomeinen wijzen er in deze op dat ze effectief nog steeds rekenen op een ontvangst van de resterende 20% van het “vaste gedeelte”, gelet op de recurrente uitgaven die hiermee gefinancierd worden. In voorliggende oefening wordt evenwel niet ingegaan op de verhoging van deze uitgaven, omwille van het feit dat vertrokken wordt van het principe dat er eerst duidelijkheid dient te zijn over de te verwachten ontvangsten, alvorens kan overgegaan worden tot het eventueel verhogen van de uitgavenkredieten, gelet op de koppeling van ontvangsten en uitgaven. Tot slot wordt door meerdere beleidsdomeinen gewezen op de niet-indexatie van basisallocaties waar evenwel onderliggend beheersovereenkomsten, convenanten, … mee gefinancierd worden waarbij wordt uitgegaan van indexatie van de resp. financiële tussenkomst in meerjarig perspectief. In voorliggende oefening wordt hiermee geen rekening gehouden omwille van het feit dat er wordt uitgegaan van het principe dat engagementen op lange termijn dienen te worden opgevangen binnen de voorziene budgettaire contouren van de evolutie van de begrotingskredieten van de respectievelijke beleidsdomeinen.

45


Hogere Entiteiten Diensten Algemeen Regeringsbeleid Bestuurszaken (2009 incl. vooruitbet. 2008 t.b.v. 127 mio €) Financiën en Begroting Internationaal Vlaanderen Economie, Wetenschappen en Innovatie Onderwijs en Vorming (2009 incl. vooruitbet. 2008 t.b.v. 356 mio €) Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Leefmilieu, Natuur en Energie (2009 incl. vooruitbet. 2008 t.b.v. 203 mio €) Mobiliteit en Openbare Werken Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed TOTAAL (incl. correcties vooruitbetalingen) Terugdraaien in 2009 van doorgevoerde correcties voor vooruitbetaling in 2008 TOTAAL (excl. correcties vooruitbetalingen) 941.163 181.964 1.013.208 9.702.713 3.262.995 1.245.276 1.427.439 168.743 865.324 2.845.776 640.601 25.126.503 -685.013 24.441.490

2.575.471 1.518.569 181.569 1.046.059 9.571.817 3.215.842 1.226.333 1.418.732 168.057 864.980 2.872.528 638.300 25.550.782 -685.013 24.865.769

46

2.577.820

123.745 128.780

BGC II 2009

HERZ. 2009 124.555 128.926

25.951.015

25.951.015

706.528

2.913.798

890.303

3.325.057 1.264.209 1.455.603 170.358

9.884.923

1.164.807 203.155 1.043.413

2.660.328

130.677 137.855

MJBG 2010

26.646.553

26.646.553

721.257

3.017.560

904.563

3.407.257 1.280.768 1.478.390 170.782

10.090.508

1.281.566 204.777 1.071.914

2.735.764

133.843 147.602

MJBG 2011

Tabel U.5 : Geconsolideerde betaalkredieten 2009-2014 per beleidsdomein – in absolute bedragen (in duizend euro)

27.299.850

27.299.850

765.321

3.090.532

913.868

3.502.774 1.298.911 1.503.500 169.904

10.269.684

1.355.955 219.775 1.111.451

2.812.501

136.769 148.907

MJBG 2012

27.915.300

27.915.300

778.089

3.163.012

929.266

3.584.179 1.314.717 1.527.944 171.212

10.513.807

1.429.260 210.169 1.132.688

2.875.867

139.842 145.248

MJBG 2013

28.507.493

28.507.493

774.729

3.211.981

966.671

3.671.901 1.327.054 1.553.858 172.766

10.748.530

1.472.432 201.868 1.147.495

2.970.053

143.058 145.097

MJBG 2014

Onderstaande tabel U.5 geeft een overzicht van de geconsolideerde betaalkredieten per beleidsdomein in de periode 2009herz.-2014 op basis van constant beleid t.o.v. BGC II 2009 in nominale waarden.

3.5.3. Betaalkredieten per beleidsdomein


Hogere Entiteiten Diensten Algemeen Regeringsbeleid Bestuurszaken (2009 incl. vooruitbet. 2008 t.b.v. 127 mio €) Financiën en Begroting Internationaal Vlaanderen Economie, Wetenschappen en Innovatie Onderwijs en Vorming (2009 incl. vooruitbet. 2008 t.b.v. 356 mio €) Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Leefmilieu, Natuur en Energie (2009 incl. vooruitbet. 2008 t.b.v. 203 mio €) Mobiliteit en Openbare Werken Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed TOTAAL (incl. correcties vooruitbetalingen) -6.200 -36.468 -5.531 -80.514 -14.492 76.698 9.813 -6.835 9.551 -19.456 -77.750 -51.019 -225.016

-6.142 -36.470 -5.522 -54.246 -16.705 76.209 9.656 -7.083 8.820 -19.892 -100.365 -56.276 -230.810

47

0 -22.813

HERZ. 2009

0 -22.794

BGC II 2009

-183.141

12.696

-47.668

-13.941

15.578 -56.041 -1.174 9.010

25.427

-3.002 -54.085 -68.794

-4.812

0 3.665

MJBG 2010

-12.379

16.920

-7.001

-36.735

155 17.374 -1.525 7.541

12.768

6.998 12.702 -48.371

-2.156

0 8.951

MJBG 2011

73.866

34.423

14.753

-7.706

-1.126 26.218 -2.058 4.479

1.765

-2 28.471 -34.017

469

0 8.197

MJBG 2012

147.890

37.238

35.572

-8.804

-861 21.759 -2.095 3.347

68.735

-2 16.750 -24.175

-2.515

0 2.941

MJBG 2013

Tabel U.6: Verschil tussen de voorziene betaal- en beleidskredieten 2009-2014 per beleidsdomein – in absolute bedragen (in duizend euro)

Tot slot wordt in tabel U.6 een overzicht geboden van het verschil tussen de voorziene betaal- en beleidskredieten per beleidsdomein.

97.255

17.620

34.628

-5.608

-794 12.999 -2.130 2.351

62.061

-2 6.221 -28.084

-2.728

0 722

MJBG 2014


3.6 Budgettaire weerslag PPS - alternatieve financiering Gelet op de bekommernis van het Vlaams Parlement inzake de budgettaire houdbaarheid van PPSprojecten en alternatieve financieringsprojecten die in de huidige legislatuur zijn uitgewerkt, wordt in onderstaande tabel U.7 een overzicht gegeven van de diverse PPS-projecten. Alle projecten zijn budgettair voorzien binnen de meerjarenbegroting, maar niet alle toenames in beschikbaarheidsvergoedingen t.o.v. 2009 geven aanleiding tot een verhoging van de beleidskredieten, gelet op het feit dat sommige beschikbaarheidsvergoedingen dienen betaald te worden binnen de huidig beschikbare refertekredieten. Tabel U.7 : In meerjarig perspectief voorziene uitgaven voor alternatieve financiering: Meerkost t.o.v. 2009 al dan niet op te vangen binnen de huidig beschikbare refertekredieten.

48


3.7. Collectieve Arbeidsovereenkomsten (CAO’s) Eén van de belangrijkste kostendrijvers binnen de Vlaamse begroting is het budgettair honoreren van diverse CAO’s. De belangrijkste CAO’s die ten laste komen van de Vlaamse begroting zijn de CAO’s met het onderwijsveld, de social profit sector, de Vlaamse ambtenaren en De Lijn. Hierbij wordt er wel abstractie gemaakt van het mogelijke indirecte effect dat het Interprofessioneel Akkoord kan hebben op de Vlaamse begroting op het vlak van te voorziene subsidiëring. De in de huidige legislatuur laatst afgesloten CAO’s per sector hebben volgende looptijd: - Onderwijs: CAO VIII (leerplichtonderwijs) en de CAO II (hoger onderwijs): 2005-2009 - Social profit: VIA-III: 2006-2010 - Vlaamse ambtenaren: 2009-2010 - De Lijn: 2007-2008 In hoofdstuk 4.5.2. (zie supra) wordt aangegeven wat het in voorliggende meerjarenbegroting verwerkte budgettaire effect is van deze reeds afgesloten CAO’s: Hierna wordt aangegeven tot welk jaar de huidig afgesloten CAO’s per sector een budgettaire meerkost genereren, zoals verwerkt in voorliggende meerjarenbegroting: - Onderwijs: 2011 - Social profit: 2011 - Vlaamse ambtenaren: 2010 - De Lijn: 2008 Als indicatie voor de te voorziene meerkosten CAO’s kan voor alle sectoren samen, uitgegaan worden van een jaarlijkse meerkost van +- 110 miljoen euro (in prijzen 2009). Aangezien het momenteel niet zeker is dat deze indicatieve kost zich ook effectief gaat realiseren, is er in de voorliggende cijfers in het kader van de meerjarenbegroting geen rekening mee gehouden. De reeds voorziene budgettaire opstappen in 2010 en 2011 ten opzichte van 2009 kunnen sowieso ook van dit indicatief cijfer afgetrokken worden.

49


HOOFDSTUK IV OVERZICHT VAN DE EVOLUTIE VAN DE VLAAMSE SCHULD In het regeerakkoord van de vorige twee Vlaamse Regeringen was schuldvermindering het kernwoord. Eind 2008 was het einddoel bereikt: de directe schuld van de Vlaamse overheid was volledig afgelost. De huidige prognoses in de meerjarenbegroting laten een minder positief beeld zien. In 2009 heeft de Vlaamse overheid als gevolg van haar participaties in KBC-bank opnieuw nood aan externe financiering. Deze behoefte is gefinancierd via een EMTN-uitgifte (een obligatie) op drie en vijf jaar. Er wordt uitgegaan van een jaarlijkse terugbetaling vanuit KBC van 200 miljoen euro per jaar vanaf het jaar 2011 (dit bedrag is exclusief de ESR-aanrekenbare meerwaarde van 50 %, ofwel 100 miljoen euro). Bovendien blijkt uit deze meerjarenbegroting dat er reeds in 2009, maar ook in de volgende jaren zonder extra begrotingsmaatregelen, een te financieren kastekort optreedt, waarvoor ook externe bronnen zullen moeten worden aangesproken. Meer bepaald gaat deze meerjarenbegroting ervan uit dat deze tekorten jaarlijks worden gefinancierd via lange termijn leningen, nieuwe uitgiftes op het EMTN-programma. Dit betekent dat er geen tussentijdse kapitaalsaflossingen worden verondersteld. Beide financieringsbehoeften samen, geven volgende evolutie van het schuldniveau van de Vlaamse overheid gedurende de volgende jaren als er geen besparingsmaatregelen worden genomen. Grafiek S.1 : Evolutie van de uitstaande Vlaamse niet-geconsolideerde directe en indirecte schuld 1995-2014 (in miljoen euro)

50


De bovenstaande schuldoperaties brengen een aanzienlijke rentekost met zich mee. Omwille van de jaarlijkse rentebetalingen, dient er in 2009 nog geen rente te worden betaald op de uitgiftes 2009. Echter vanaf het jaar 2010 stijgt de geraamde te betalen intrest jaarlijks van 180 miljoen euro tot 425 miljoen euro in 2014. De indirecte schuld was bijna volledig terugbetaald eind 2008. Eén lening van de Vlaamse Vervoersmaatschappij blijft actief. De aflossingstabel voorziet een verdere afname van het openstaande saldo van 3 naar 2 miljoen euro tegen 2014.

51


HOOFDSTUK V DE MEERJARENBEGROTING IN HET KADER VAN DE NORMERING 5.1. Het vorderingensaldo van de Vlaamse Overheid Tabel N.2 toont de berekening van het vorderingensaldo voor de Vlaamse overheid. De tabel bestaat uit twee delen: de berekening van het vorderingensaldo van de Vlaamse ministeries en de berekening van het vorderingensaldo van de te consolideren instellingen. Vertrekkende van het begrotingssaldo wordt het vorderingensaldo van de Vlaamse ministeries berekend. Het begrotingssaldo wordt bepaald als het verschil tussen de begrote ontvangsten exclusief leningopbrengsten en de begrote uitgaven, zijnde ordonnanceringskredieten (NGK, GOK, VRK en BVJ). Vervolgens worden op dit resultaat een aantal correcties aangebracht. Vooreerst worden ontvangsten en uitgaven begroot in het kader van kredietverleningen en deelnemingen (esr code 8) geneutraliseerd. Hetzelfde gebeurt met uitgaven om schuld af te lossen (esr code 9). De begrotingsuitgaven die het vorderingensaldo beïnvloeden worden dus gecorrigeerd met deelnemingen en kredietverleningen (code 8) en met aflossingen op de overheidsschuld (code 9). Een volgende correctie heeft te maken met de aanrekening van de ontvangsten. In concreto wordt de geraamde opbrengst van bepaalde gewestbelastingen aangepast in functie van de inning door de Vlaamse overheid als het over de onroerende voorheffing gaat of in functie van de inkohieringen door de federale overheid en doorstorting aan Vlaanderen als het over de andere gewestbelastingen gaat (7). Het berekenen van het vorderingensaldo op geconsolideerde basis impliceert bovendien dat de financiële stromen van en naar de te consolideren Vlaamse instellingen moeten geneutraliseerd worden. Vandaar dat zowel aan uitgaven-, als aan ontvangstenzijde respectievelijk de dotaties aan, als de dotaties van de te consolideren instellingen worden geneutraliseerd. Om tot slot tot het vorderingensaldo van de Vlaamse ministeries te komen, wordt nog een laatste correctie gemaakt voor de gelopen interesten – enkel de interesten die op het betrokken begrotingsjaar betrekking hebben komen in aanmerking – en voor de reservevorming bij de VZW Vlaams Pensioenfonds en bij het pensioenfonds van de VRT. Het tweede deel bestaat uit de berekening van het vorderingensaldo bij de te consolideren instellingen. Dit zijn de instellingen behorend tot de sector overheid: de DAB’s, de VOI’s A, B en sui generis, de IVA’s met rechtspersoonlijkheid en de EVA’s. In de berekening worden de wetenschappelijke instellingen en universiteiten niet meegerekend daar hierover geen begrotingsgegevens gekend zijn. De dotaties aan de wetenschappelijke instellingen en universiteiten worden in de berekening wel als finale uitgaven beschouwd. Met betrekking tot de te consolideren instellingen wordt een gelijkaardige redenering toegepast. Vertrekkende van het begrote bedrag aan ontvangsten en uitgaven wordt via het becijferen van een aantal correcties tot het vorderingensaldo gekomen. De ESR gecorrigeerde ontvangsten en uitgaven houden ook in dat langs ontvangstenzijde het overgedragen saldo van een vorig begrotingsjaar en de opnemingen uit het reservefonds niet worden meegerekend. Langs uitgavenzijde worden dan weer het naar een volgend begrotingsjaar over te dragen saldo en de toewijzing aan het reservefonds niet meegerekend. Vanaf 2005 Hoge Raad van Financiën, Afdeling Financieringsbehoeften van de Overheid, Evaluatie van de uitvoering van het Stabiliteitsprogramma in 2006 en vooruitzichten voor 2007 - 2011, juli 2007, blz. 89-90. 7

52


brengt de hervorming van de watersector met zich mee dat Aquafin opnieuw aan de voorwaarden voldoet om niet langer met de overheid geconsolideerd te worden. In concreto betreft het vooral het verleggen van 2 van de 3 essentiële risico’s. De instellingen VVM-De Lijn, de NV Waterwegen en Zeekanaal en de NV Scheepvaart behoren wel tot de consolidatiekring. Het vorderingensaldo van de Vlaamse overheid wordt bekomen door de resultaten van het eerste en het tweede deel samen te voegen. Los van de Vlaamse ministeries en van de te consolideren instellingen wordt er nog een correctie toegepast ten belope van de reservevorming bij het Vlaams Zorgfonds. Hoewel het Vlaams Zorgfonds een IVA met rechtspersoonlijkheid is, werd ze lange tijd niet meegeconsolideerd met de sector overheid binnen entiteit II, maar wel met de sector sociale zekerheid binnen entiteit I. Haar reservevorming verbeterde dus het saldo van de sociale zekerheid. De Vlaamse Overheid mocht deze reservevorming echter op haar conto schrijven. Naar aanleiding van het jaarverslag van de Hoge Raad van Financiën (8) wordt het Vlaams Zorgfonds echter opgenomen in de geaggregeerde rekening van de Gewesten en Gemeenschappen en bijgevolg van entiteit II. Het resultaat dat hier uit voortvloeit, is het gecorrigeerde vorderingensaldo van de Vlaamse Overheid. Tot slot wordt er nog rekening gehouden met een bepaalde graad van onderbenutting van de kredieten. In het verleden is trouwens gebleken dat de resultaten van begrotingsuitvoering in belangrijke mate verschillen van de bij de opmaak of controle van de begroting geraamde uitgaven en saldi. Zowel voor de Vlaamse ministeries als voor de te consolideren instellingen wordt bijgevolg rekening gehouden met een bepaalde graad van onderbenuttiging van de uitgavenkredieten. Deze onderbenuttiging heeft een positief effect op het vorderingensaldo. Het finale resultaat dat hier uit voortvloeit, is het gecorrigeerde vorderingensaldo van de Vlaamse overheid. 5.2. De norm Met betrekking tot de na te leven norm wordt er vertrokken van het scenario B van de Overeenkomst van 15 december 2000 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de begrotingsdoelstellingen voor de periode 2001-2005, en van het tienjarig genormeerd traject (2001-2010) van de Hoge Raad van Financiën zoals het in het Jaarverslag 1999 beschreven staat. De Vlaamse regering heeft in het verleden reeds meermaals haar engagement ten aanzien van scenario B - het strengste scenario – benadrukt. Deze cijfers werden bevestigd op de Interministeriële Conferentie Financiën en Begroting van 1 juni 2005. Op dit basisscenario worden normcorrecties toegepast voor kredietverleningen en deelnemingen (normverzwaring ten belope van 126,8 miljoen euro) en voor het verdwijnen van het Alesh mechanisme (normversoepeling ten belope van 43,5 miljoen euro voor het begrotingsjaar 2009 en 39,7 voor het begrotingsjaar 2010). Bovendien werd er een normverzwaring aanvaard ten belope van 31,1 miljoen euro in ruil voor de vrijstelling van de werkgeversbijdrage (13,07%) op het vakantiegeld van de ambtenaren. Op het Overlegcomité van 6 juli 2005 werd voor de periode 2006-2010 een jaarlijkse normversoepeling onderhandeld, als compensatie voor de zware extra inspanning (bijkomend overschot ten belope van de vermoedelijke overrealisatie van bepaalde categorieën van ontvangsten) die Vlaanderen zou leveren – en ook geleverd heeft - in 2005. Voor het begrotingsjaar 2009 bedraagt de normversoepeling 145 miljoen euro. Voor het begrotingsjaar 2010 bedraagt ze 100 miljoen euro. Vervolgens verklaarde de Interministeriële Conferentie voor Financiën en Begroting van 25 oktober 2005 zich akkoord met een normverzwaring in 2006 ten belope van 145,2 miljoen euro, te compenseren met een gelijkwaardige normversoepeling in 2008 en 2009. Tot slot toonde de Vlaamse Gemeenschap zich op de Interministeriële Conferentie voor Financiën en Begroting van 16 oktober 2006 bereid om de middelen van het Toekomstfonds in 2007 niet uit te geven. In concreto komt dit neer op een normverzwaring in 2007 ten belope van 187 miljoen euro. Deze laatste is niet te compenseren in de daaropvolgende jaren. Hoge Raad van Financiën, Afdeling Financieringsbehoeften van de Overheid, Evaluatie van de begrotingen 2007 en 2008 en het nieuwe Stabiliteitsprogramma 2008-2011, juli 2008, blz. 106-107 8

53


Voorlopig voorziet de Vlaamse overheid geen gebruik te maken van de mogelijkheid om op basis van artikel 8 van de Samenwerkingsovereenkomst van 15 december 2000 een afwijking op de na te leven HRF-norm te bekomen. Deze afwijking bedraagt 1% van de door de federale overheid aan de betrokken entiteit toegewezen middelen inzake samengevoegde en gedeelde belastingen en dit bij ongewijzigde financieringsstelsel. Tabel N.1 toont de berekening van de na te leven norm voor de begrotingsjaren 2006 en volgende (toestand na de Interministeriële Conferentie voor Financiën en Begroting van 16 oktober 2006). Hierbij zijn de vermelde bedragen de resultaten van de in het verleden gevoerde onderhandelingen. Deze onderhandelingen hadden als tijdshorizon steeds het jaar 2010. Dit impliceert dat voor de begrotingsjaren volgend op het jaar 2010 het begrotingsevenwicht als na te leven begrotingsnorm kan gehanteerd worden. Tabel N.1: Begrotingsnorm (in miljoen euro) HRF scenario B Correcties

Begrotingsnorm

Basis Codes 8 (KVD) Alesh Vakantiegeld 13,07% HRF-afwijking tbv 1% Overlegcomité 6 juli 2005 IMCFB 25 oktober 2005 IMCFB 16 oktober 2006 Totaal correcties

2006 242,9 126,8 -51,7 31,1 0,0 -75,0 145,2 0,0 176,4 419,3

2007 198,3 126,8 -51,8 31,1 0,0 -145,0 0,0 187,0 148,1 346,4

2008 138,8 126,8 -44,7 31,1 0,0 -115,0 -101,4 0,0 -103,3 35,6

2009 74,4 126,8 -43,5 31,1 0,0 -145,0 -43,7 0,0 -74,4 0,0

2010 0,0 126,8 -39,7 31,1 0,0 -100,0 0,0 0,0 18,2 18,2

Tabel N.2 toetst het begrote vorderingensaldo van de Vlaamse Overheid aan de te respecteren norm. Uit deze toets blijkt dat het vorderingensaldo berekend op basis van de begroting van de Vlaamse ministeries evolueert van 4,4 miljard euro in 2009 naar 6,3 miljard euro in 2014. De bijdrage van de te consolideren instellingen is negatief; ze varieert van -6,5 miljard euro in 2009 naar -7,5 miljard euro in 2014. Dit heeft uiteraard vooral te maken met de wijze van consolideren. In de algemene begroting van de Vlaamse ministeries worden immers uitgaande dotaties buiten beschouwing gelaten (en bijgevolg worden uitgaven genegeerd); bij de instellingen zijn dit inkomende dotaties (en bijgevolg worden hier inkomsten genegeerd). Uitgaande van de in hoofdstuk 2 geraamde middelen en van de in hoofdstuk 5 geraamde uitgaven bij constant beleid, en rekening houdende met de te respecteren norm zoals beschreven in hoofdstuk 5, toont tabel N.2 de evolutie van de vrije beleidsruimte. Hieruit blijkt dat de vrije beleidsruimte tot het begrotingsjaar 2014 negatief is. Gecumuleerd over de periode 2009 – 2014 is er een negatieve beleidsruimte van 8,3 miljard euro.

54


Tabel N.2: Normnaleving door de Vlaamse Overheid (in duizend euro)

55


56

OVERZICHT VAN DE EVOLUTIE VAN DE BELEIDSKREDIETEN PER BELEIDSDOMEIN

BIJLAGE I


57


58


59


60


61


62


63


64


65


66


BIJLAGE II OVERZICHT VAN DE EVOLUTIE VAN DE BELEIDSKREDIETEN PER BELEIDSDOMEIN TEN GEVOLGE VAN INDEXATIE Indexeringsmechanismen De begroting van de Vlaamse gemeenschap werkt hoofdzakelijk met twee indexmechanismen9. Enerzijds maakt men gebruik van de zogenaamde indexprovisie en anderzijds wordt het klassieke indexeringmechanisme gebruikt. Indexprovisie Een aantal kredieten binnen de Vlaamse uitgavenbegroting wordt geïndexeerd op basis van het indexeringsmechanisme dat voor de lonen van de ambtenaren (wet van 1 maart 1977) toegepast wordt. Het principe hierbij is dat de tweede maand nadat het voortschrijdende gemiddelde van de gezondheidsindex de waarde van de spilindex overschreden heeft, de lonen toenemen met 2%. Dit betekent dat men een budgettaire weerslag krijgt in het jaar van de overschrijding van de spil, behalve wanneer de spilindex wordt overschreden in de laatste twee maanden van het jaar. Op basis van de in de begroting toegekende code wordt voor elke basisallocatie bepaald of gebruik gemaakt wordt van de loonprovisie of niet. Voor iedere basisallocatie, opgenomen in de loon/indexprovisie, past men het hierboven beschreven mechanisme toe op het loonaandeel van de desbetreffende basisallocatie. Om voorspellingen van de sprongen van de spilindex voor de periode 2009-2014 te maken, wordt gekeken naar de maandelijkse evolutie van de gezondheidsindex. Het Planbureau geeft voorspellingen op maandbasis voor 2009 en 2010. Op basis van de historisch gerealiseerde maandelijkse indexen en de voorspelde maandelijkse indexen van het Planbureau wordt een gemiddelde maandelijkse indexafwijking berekend ten opzichte van de gemiddelde jaarindex. Voor de berekening wordt steeds gebruik gemaakt van de gezondheidsindex. Voor 2011 t.e.m. 2014 worden deze maandelijkse afwijkingen verrekend op de door het Federaal Planbureau vooropgestelde jaarindexen om een raming te krijgen van de maandelijkse gezondheidsindexen. Op basis van deze cijfers wordt dan het (4-maandelijks) voortschrijdende gemiddelde berekend.

Naast deze twee indexmechanismen, zijn er ook een aantal specifieke indexmechanismen (bijv. fondsen lokale besturen of werkingsmiddelen onderwijs). 9

67


Op basis van het hierboven beschreven mechanisme komt men tot overschrijdingen van de spilindex op basis van de indexcijfers zoals gekend medio mei 2009. Tabel B.II.1: Overschrijdingen spilindex 2009-2014 Te overschrijden waarde

Geraamde waarde

112,72 114,97 117,27 119,62

112,90 115,12 117,46 119,75

Maand jul/10 okt/11 dec/12 jan/14

Indexatie buiten de loonprovisie Het tweede indexmechanisme werkt op een andere wijze dan het provisiemechanisme. Er wordt wederom vertrokken van de indexcode, die aangeeft in welke mate rekening gehouden moet worden met een aanpassing aan indexstijgingen zowel voor het loonaandeel als het werkingsaandeel van het betrokken krediet. Voor de basisallocaties onder dit regime werden in de meerjarenbegroting de parameters van tabel B.II.2 gebruikt. Tabel B.II.2: Indexparameters kredieten buiten indexprovisie. BGC II 2009 Gehanteerde indexparameters kredieten buiten indexprovisie

2,0%

HERZ. 2009 1,1%

68

MJBG 2010 1,5%

MJBG 2011 1,7%

MJBG 2012 1,7%

MJBG 2013 1,7%

MJBG 2014 1,7%


Evolutie beleidskredieten ten gevolge van indexatie In de kredieten BGC II 2009 is voor de kredieten die buiten de indexprovisie vallen, een indexatie van 2% toegepast. Op basis van de meest recente cijfers van het planbureau, wordt in de meerjarenbegroting een index van 1,1% gehanteerd voor het te herziene budget 2009, wat dus een desindexatie met 0,9% inhoudt t.o.v. BGC II 2009. Daarnaast werd, voor basisallocaties die vallen onder de indexprovisie, het budgettaire effect van de overschrijding van de spilindex in augustus 2008 verrekend in de desbetreffende basiskredieten vanaf het herziene budget 2009. De budgettaire middelen voor deze overschrijding zijn bij BGC II 2009 voorzien op de zogenaamde indexprovisie (CB11.01B). In onderstaande tabel B.II.3 wordt een overzicht geboden van de af- en toename van de kredieten per beleidsdomein ten gevolge van de desindexatie en de verrekening van de overschrijding van de spilindex van augustus 2008. Tevens is de vermindering van de kredieten op de indexprovisie (beleidsdomein Financiën en Begroting) weergegeven in onderstaande tabel. Tabel B.II.3 : Af- en toename van de kredieten per beleidsdomein ten gevolge van de desindexatie en verrekening van de overschrijding van de spilindex van augustus 2008 bij herzien budget 2009 t.o.v. BGC II 2009.

Desindexatie Hogere Entiteiten Diensten Algemeen Regeringsbeleid Bestuurszaken Financiën en Begroting Index Annulatie Indexprovisie Internationaal Vlaanderen Economie, Wetenschappen en Innovatie Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Leefmilieu, Natuur en Energie Mobiliteit en Openbare Werken Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed TOTAAL

69

-2 -588 -1.539 -146 -146 -569 -7.939 -16.664 -2.375 -2.182 -3.789 -728 -3.665 -22.256 -2.676 -65.118

HERZ. 2009 Overschrijding Spilindex Aug 08 812 585 1.926 -313.168 832 -314.000 973 414 126.916 47.944 6.212 10.998 888 2.340 11.419 1.069 -100.672

Totaal 810 -3 387 -313.314 686 -314.000 404 -7.525 110.252 45.569 4.030 7.209 160 -1.325 -10.837 -1.607 -165.790


Voor de berekening van de voorziene indexatie in de periode 2010-2014 wordt vertrokken van de kredieten zoals ze in meerjarig perspectief worden voorzien in voorliggende meerjarenbegroting. In onderstaande tabel B.II.4 wordt een overzicht gegeven van de toename van de kredieten per beleidsdomein ten gevolge van de indexatie in de periode 2010 – 2014 ten opzichte van de herziene begroting 2009. De tabel bevat zowel het effect van de indexatie volgens het systeem van de indexprovisie, de indexatie van de kredieten buiten de indexprovisie, alsook het specifiek regime van de werkingsmiddelen onderwijs10. De inherent voorziene indexatie binnen de bij decreet verankerde groei van de fondsen voor de lokale besturen is niet opgenomen in deze tabel. Tabel B.II.4 : Toename van de kredieten per beleidsdomein ten gevolge van indexatie in de periode 20102014 ten opzichte van de herziene begroting 2009

Hogere Entiteiten Diensten Algemeen Regeringsbeleid Bestuurszaken Financiën en Begroting Internationaal Vlaanderen Economie, Wetenschappen en Innovatie Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Leefmilieu, Natuur en Energie Mobiliteit en Openbare Werken Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed TOTAAL

MJBG 2010 MJBG 2011 220 836 1.503 3.105 5.167 12.075 711 2.084 1.243 4.072 13.747 29.733 96.949 235.110 20.117 65.252 5.669 15.404 10.140 27.065 1.487 3.582 7.151 16.396 29.515 66.863 6.444 200.063

14.406 495.983

MJBG 2012 1.685 4.902 19.432 3.825 6.246 46.104 424.858 125.457 26.683 47.433 5.962 26.439 107.587

MJBG 2013 2.418 6.638 26.412 5.402 8.305 62.677 595.220 179.448 37.180 66.507 8.239 36.283 148.498

MJBG 2014 3.234 8.443 33.495 7.107 10.477 79.562 779.249 239.126 48.367 86.906 10.623 46.473 190.328

22.897 31.423 869.510 1.214.650

40.250 1.583.640

Deze werkingsmiddelen worden in jaar x geïndexeerd volgens de evolutie van de gezondheidsindex van januari x-1 t.o.v. januari x-2. Een versnelling van het inflatieritme vertaalt zich dus pas later in extra indexkredieten. 10

70


In onderstaande tabel B.II.5. wordt de in de voorliggende meerjarenbegroting geraamde evolutie van de gezondheidsindex op de kredieten in de indexprovisie voor de jaren 2010-2014 weergegeven. Hieruit blijkt dat een overschrijding van de spilindex in juli 2010 op kruissnelheid 221 miljoen euro kost. Het effect van een één maand vroegere (of latere) overschrijding van de spilindex op het lopende jaar, is afhankelijk van het moment van overschrijding. Dit omwille van het feit dat een jaarloon niet gelijkmatig maandelijks in 12den wordt uitbetaald. Zo is er de uitbetaling van het loon van december van de ambtenaren in januari en is er de uitbetaling het vakantiegeld (rond het midden van het jaar) en de eindejaarspremie (op het einde van het jaar). Voor 2010 zou een overschrijding van de spilindex in juni i.p.v. in juli een bijkomend kost hebben van 16,6 miljoen euro op 2010. Een overschrijding van de spilindex in september 2011 i.p.v. oktober 2011 zou dan weer een effect hebben van 25,3 miljoen euro. Dit verschil is te verklaren omdat in dit laatste scenario ook de eindejaarspremie bijkomend wordt geïndexeerd. Wat betreft de indexatie van de kredieten buiten de indexprovisie kan worden meegegeven dat een indexatie met 1,5% (op de kredieten 2009) overeenkomt met een kost van 110 miljoen euro. Een verhoging van het gehanteerde indexpercentage met 0,1% komt overeen met een extra kost van 7,3 miljoen euro. Tot slot wordt ook het indexatie-effect van de werkingsmiddelen onderwijs meegegeven. Hierbij kan worden meegegeven dat op kruissnelheid (i.c. 2014) een indexatie met 1,7% overeenkomt met een bijkomende kost van 27 miljoen euro. Anders gesteld komt een indexatie met 0,1% overeen met een kredietverhoging met 1,6 miljoen euro. Tabel B.II.5 : Toename van de kredieten ten gevolge van index in de periode 2010-2014 ten opzichte van de herziene begroting 2009 per indextype Totale Index Index Provisie jul/10 okt/11 dec/12 jan/14 Index buiten provisie Werking Onderw

MJBG 2010 200.063 58.622 58.622

MJBG 2011 495.983 221.930 221.317 613

MJBG 2012 869.510 448.564 221.317 227.247

MJBG 2013 1.214.650 646.854 221.317 227.247 198.290

110.541 30.900

238.029 36.024

364.950 55.996

494.944 72.852

71

MJBG 2014 1.583.640 866.757 221.317 227.247 232.293 185.900 626.998 89.885


BIJLAGE III RAMING ONDERBENUTTING 2009-2014 Tabel B.III.1 geeft de uitvoering11 van de begroting 2008 weer in beleidskredieten per beleidsdomein op geconsolideerde basis. Het totaal beschikbare beleidskrediet bestond in 2008 uit het voorziene beleidskrediet bij de derde begrotingscontrole 2008 plus de overgedragen vastleggingssaldi. Uit de tabel blijkt dat in 2008 in totaal 280,7 miljoen euro minder beleidskrediet werd benut dan voorzien bij de derde begrotingscontrole 2008. Bij de beleidsdomeinen valt onmiddellijk het uitvoeringscijfer van het beleidsdomein Financiën en Begroting op. Dit lage uitvoeringscijfer valt te verklaren door het feit dat binnen dit beleidsdomein voor 268 miljoen aan provisies waren voorzien in de begroting, met als belangrijkste de indexprovisie, die tijdens het jaar werden verdeeld naar de andere beleidsdomeinen. De verdeling van de provisies verklaart eveneens waarom een aantal beleidsdomeinen meer beleid hebben kunnen voeren dan voorzien bij de derde begrotingscontrole 2008. Globaal gezien kan echter gesteld worden dat het voorziene beleidskrediet, grotendeels is benuttigd. Over het niet benutte krediet van 280,7 miljoen euro moet nog worden opgemerkt, dat hiervan 188 miljoen euro is overgedragen naar het FFEU, zodat uiteindelijk slechts 92,7 miljoen euro (of 0,38%) niet benut zal zijn. Tabel B.III.1: Geconsolideerde uitvoering van de begroting 2008 in beleidskredieten (op basis van voorlopige uitvoeringscijfers). Beleidskredieten

BGCIII 2008

Hogere Entiteiten Diensten Algemeen Regeringsbeleid Bestuurszaken Financiën en Begroting Internationaal Vlaanderen Economie, Wetenschappen en Innovatie Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Leefmilieu, Natuur en Energie Mobiliteit en Openbare Werken Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed Totaal

UITVOERING 2008

122.874 112.662 2.614.466 636.779 177.731 1.083.326 9.655.493 2.981.214 1.172.266 1.362.098 162.680 852.978 2.952.145

119.985 113.260 2.605.374 305.920 169.782 1.042.600 9.781.812 3.087.007 1.171.648 1.298.166 174.930 844.568 2.891.853

628.264 24.514.976

627.359 24.234.265

Uitv. vs BGC III Delta % -2.889 -2,35% 598 0,53% -9.092 -0,35% -330.859 -51,96% -7.949 -4,47% -40.726 -3,76% 126.319 1,31% 105.793 3,55% -618 -0,05% -63.932 -4,69% 12.250 7,53% -8.410 -0,99% -60.292 -2,04% -905 -280.711

-0,14% -1,15%

Tabel B.III.2 geeft de uitvoering van de begroting 2008 weer in betaalkredieten per beleidsdomein op geconsolideerde basis. Opnieuw valt onmiddellijk het uitvoeringscijfer van het beleidsdomein Financiën en Begroting op. Naast het reeds vermelde effect van de verdeling van de provisies over de andere beleidsdomeinen, heeft in betaalkredieten ook de conjunctuurprovisie een effect op de uitvoeringscijfers van Financiën en Begroting. Er was in 2008 binnen dit beleidsdomein immers een conjunctuurprovisie van 236 miljoen euro voorzien. Deze voorziene betaalkredieten zijn niet volledig uitgegeven. Slechts 54 miljoen euro werd herverdeeld (naar het beleidsdomein Onderwijs) en leidde tot betaaluitgaven. Bij de andere beleidsdomeinen vallen de lagere uitvoeringscijfers op van Mobiliteit en Openbare Werken, Economie, Wetenschappen en Innovatie en Leefmilieu, Natuur en Energie op. Binnen elk van die beleidsdomeinen zijn er verschillende posten waarvan de betaalkredieten niet volledig benut worden. De belangrijkste zijn respectievelijk het programma Haven- en waterbeleid en Maritieme toegang, het Fonds voor Flankerend Economisch Beleid en het Mina-fonds. Bij de onderbenutting van de betaalkredieten

11

voorlopige cijfers 72


Haven- en waterbeleid en Maritieme Toegang, dient wel te worden opgemerkt dat een deel van het niet aangewende saldo 2008 is overgedragen naar 2009. Tabel B.III.2: Geconsolideerde uitvoering van de begroting 2008 in betaalkredieten (op basis van voorlopige uitvoeringscijfers). Betaalkredieten Hogere Entiteiten Diensten Algemeen Regeringsbeleid Bestuurszaken Financiën en Begroting Internationaal Vlaanderen Economie, Wetenschappen en Innovatie Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Leefmilieu, Natuur en Energie Mobiliteit en Openbare Werken Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed Totaal

BGCIII 2008

UITVOERING 2008

122.874 110.875 2.647.759 868.242 175.422 1.033.581 9.442.308 3.089.530 1.192.955 1.360.985 170.418 870.323 2.843.326

118.903 99.888 2.609.831 287.508 145.460 907.366 9.536.742 3.149.309 1.146.355 1.331.209 164.999 772.265 2.554.701

600.892 24.529.490

560.357 23.384.892

Uitv. vs BGC III Delta % -3.971 -3,23% -10.987 -9,91% -37.928 -1,43% -580.734 -66,89% -29.962 -17,08% -126.215 -12,21% 94.434 1,00% 59.779 1,93% -46.600 -3,91% -29.776 -2,19% -5.419 -3,18% -98.058 -11,27% -288.625 -10,15% -40.535 -1.144.598

-6,75% -4,67%

De totale onderbenutting in 2008 bedroeg 1,145 miljard euro. Zonder het effect van de conjunctuurprovisie bedroeg het overschot 963 miljoen euro12. Op basis van de begrotingsmonitoring kan het onderbenuttingcijfer 2008 in 2009 worden gehandhaafd. Op 1 juni 2009 werd de onderbenutting van de betaalkredieten geraamd op ca. 1 miljard euro. Deze 1 miljard onderbenutting in 2009 is ten opzichte van het herzien budget 2009, waarin geen conjunctuurprovisie meer is opgenomen. Ervan uitgaande dat de Vlaamse Regering voor 2009 de thans voorziene, niet-aangewende kredieten niet gaat herbestemmen voor snel uitvoerbare verbintenissen, mag de onderbenutting van circa 1 miljard euro, ofwel 4%, zoals voorzien voor 2009 als een correct uitgangspunt aanzien worden, dat in belangrijke mate het effectief gerealiseerd ESR-vorderingensaldo zal helpen bijstellen naar het initieel objectief. Het zou echter onverantwoord zijn, deze onderbenutting onveranderd door te trekken. Immers, de hoge onderbenutting, die de laatste jaren werd vastgesteld, is in grote mate te wijten aan vertragingen in de invulling van de expansieve begrotingstrend van de voorbije jaren. De uitgestelde uitvoeringen brengen dan evenwel een versnelling teweeg, precies bij de meest onderaangewende kredieten. Bovendien worden noodzakelijke besparingen in de eerste plaats doorgevoerd op de minder benutte kredieten, waardoor de onderbenuttingsgraad exponentieel dreigt te dalen. De expansieve begroting en de onderbenutting van de betaalkredieten uit zich ook in de evolutie van de impliciete schuld13. De impliciete geconsolideerde schuld (exclusief FFEU) zal in 2008 8,2 miljard euro bedragen t.o.v. 7,5 miljard euro in 2007. Op basis van de hogere uitvoeringscijfers in beleidskredieten t.o.v. de betaalkredieten zou men een iets sterkere toename van de impliciete schuld verwachten. Door het schrappen van openstaande vastleggingen tijdens het jaar wordt de toename van de impliciete schuld evenwel beperkt.

1,145 – 0,236 + 0,054 = 0,963 Uitstaand bedrag aan engagementen die in de toekomst dienen te worden nagekomen. Voor de berekening van de stand van de impliciete schuld (uitgebreide definitie), wordt de berekening zoals vooropgesteld in de brief aan het rekenhof van 19 september 2005 toegepast, inclusief de beschreven aanvulling op p.5. 12 13

73


Grafiek B.III.1: Stand impliciete schuld per 31-12-2008 (uitgebreide definitie)

Dat er in de komende jaren niettemin steeds een onderbenutting zal zijn - tenminste voor zover de betalingskredieten zoals in het verleden correct en voorzichtig worden ingeschat - blijkt ook uit de analyses van de twee vorige periodes van budgettaire austeriteit (1993-1994 en 2002-2004) waarbij het onderbenuttingspercentage nog steeds 2% bedroeg. In de voorgestelde oefening wordt ervan uitgegaan dat dit percentage, bij correcte inschatting van de betalingskredieten, in 2010 en 2011 een realistisch verwachtingspatroon is. Vanaf 2012 wanneer de begroting normaliter na doorvoering van een reeks structurele saneringen terug een voorzichtig structureel groeipad zou kennen, wordt het onderbenuttingspercentage geplaatst op het gemiddelde van 3 %. Er dient nogmaals de aandacht op gevestigd te worden, dat bij een geforceerd, te lage inschatting van de betalingskredieten, de onderbenuttingsgraad evenredig mee daalt.

74


BIJLAGE IV MONITORING VAN DE UITVOERING VAN DE BEGROTING 2009 VAN DE GECONSOLIDEERDE VLAAMSE OVERHEID DOOR HET AMBTELIJK COMITE – APRIL 2009 1. Algemene inleiding. Ingevolge de verplichtingen van Vlaanderen ten aanzien van de federale overheid in het kader van de te behalen begrotingsdoelstellingen, werd een permanente opvolging van het ESR-vorderingensaldo opgezet. Dit gebeurt voor de gehele Vlaamse overheidssector, dus inbegrepen de Vlaamse openbare instellingen (VOI’s), de diensten met afzonderlijk beheer (DAB’s), de IVA’s met en zonder rechtspersoonlijkheid en de EVA’s die tot de consolidatiekring behoren. Daartoe werd aan de instellingen, die tot de consolidatiekring behoren, gevraagd tegen uiterlijk 25 mei gedetailleerde uitvoeringsgegevens per 30 april 2009 aan te leveren. De uitvoeringsgegevens van de DAB’s, met uitzondering van DAB Vloot en DAB Loodswezen, worden gerapporteerd op basis van Orafin. De gegevens werden door de entiteiten in de Financial Consolidation Hub (FCH) opgeladen en met deze tool verwerkt.

75


2. Geconsolideerde uitvoeringsgegevens per 30 april 2009 Zoals geweten, dient men de tussentijdse uitvoeringsgegevens met grote voorzichtigheid te hanteren en kunnen ze niet als dusdanig gehanteerd worden, om de toestand per 31.12 uit af te leiden. Deze cijfergegevens worden dan ook hierbij enkel ten titel van inlichting verstrekt. De totale begrotingsontvangsten (exclusief VOI’s) gerealiseerd per 30 april 2009 bedragen 7.980.320.115 euro (zie onderstaande tabel, kolom uitvoering). De totaal geboekte ordonnanceringen (exclusief VOI’s) t.e.m. april 2009 bedragen 13.264.548.041 euro (excl. titel III). (zie onderstaande tabel, kolom uitvoering) Met de Financial Consolidation Hub (FCH) werd het vorderingensaldo op geconsolideerde basis berekend wat impliceert dat de financiële stromen naar de te consolideren Vlaamse instellingen moeten geneutraliseerd worden. Naast de dotaties moeten ook de kredietverleningen en deelnemingen (code-8) en de aflossing van de schuld (code-9) van de totale uitgaven worden afgetrokken om de gecorrigeerde uitgaven te bekomen. Een gelijkaardige redenering wordt toegepast voor de ontvangsten. Vervolgens wordt het vorderingensaldo van de VOI’s berekend en toegevoegd. Op deze wijze kan een snelle consolidatie worden doorgevoerd op het eindresultaat. De ontvangstenrealisatie voor de entiteit : Vlaamse Gemeenschap – rechtspersoon (= Ministerie + Dab’s) is samengevat in volgende tabel :

De uitgavenrealisatie voor de entiteit : Vlaamse Gemeenschap – rechtspersoon (= Ministerie + Dab’s) is samengevat in volgende tabel :

Samen geeft dit aanleiding tot een (partieel)geconsolideerd vorderingensaldo van :

De realisaties voor de instellingen is samengevat in volgende tabel:

76


3. Voorlopige prognose per 31 december 2009 De prognose is gebaseerd op volgende hypotheses :

77


= de gedeelde en samengevoegde belastingen zijn gebaseerd op de parameters van het economisch budget van 13/2/2009, zijnde : - CPI 2008 = 4,49% - CPI 2009 = 0,30% - BBP 2008 = 1,10% - BBP 2009 = -3,80% = voor de uitgaven werden de uitgaven van het Ministerie gebaseerd op het uitgavenritme 2008, enkel gecorrigeerd voor de (ESR-8 operaties) : KBC en Waarborgvennootschap. = voor het vorderingensaldo van de DAB’s en de VOI’s werd het saldo gebaseerd op dezelfde uitvoeringspercentages als het vorig jaar. Uit de vergelijking tussen het eerste trimester 2008 en 2009 blijken de individuele uitvoeringspercentages wel sterk te verschillen, maar gesommeerd blijkt de uitvoering voor het eerste trimester nauwelijks te verschillen. Wel worden bij het FFEB extra-uitgaven ad 100 mln € voorzien : het lijkt onlogisch dat de Vlaamse Regering niet maximaal dit budget zou uitputten voor economie-versterkende maatregelen. In onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de verschillende elementen die het vorderingensaldo op 31 december 2009 bepalen.

78


Bijlage 1: Prefiguratie ontvangsten 2009

79


Bijlage 2: ESR-saldo’s DAB’s

80


Bijlage 3: Prognose ESR-saldo’s DAB’s

81


Bijlage 4 : Prognose ESR-saldo’s Instellingen

82


Bijlage 5 : Evolutie NFS

83


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook