Skip to main content

Jaarverslag_VLOR_2015_2016.pdf

Page 1

JAARVERSLAG 2015-2016

Vlaamse Onderwijsraad Kunstlaan 6 bus 6 BE-1210 Brussel T +32 2 219 42 99 F +32 2 219 81 18 www.vlor.be info@vlor.be


Een jaar advies en overleg voor het onderwijsbeleid Toekomstgericht In het tweede jaar van de legislatuur werd er aan de tafel van de Vlor heel wat strategisch denkwerk verzet. Enkele langverwachte conceptnota’s werden er grondig gewikt en gewogen. Op die manier kreeg de minister belangrijke input van de onderwijspartners voor het verdere beleid over de hervorming van de lerarenopleiding, hbo5, volwassenenonderwijs, NT2, deeltijds kunstonderwijs, EVC, schooluitval, duaal leren, … Dat gebeurde ook voor andere beleidsdomeinen dan onderwijs: voor de Visienota 2050 voor het transversaal beleid van de Vlaamse regering, gelijke kansen, opvang en vrije tijd van schoolkinderen, … De Vlor doet dat telkens vanuit een overtuiging dat onderwijs geen geïsoleerd beleidsdomein is. De spelers op het terrein weten dat maar al te goed: onderwijs is een belangrijke partner, maar kan niet alle maatschappelijke problemen oplossen. Ook op eigen initiatief leverde de Vlor afgelopen werkjaar strategische en toekomstgerichte ideeën voor het beleid met onder meer tien krachtlijnen voor een sterk basisonderwijs en input voor het parlementaire debat voor de bijsturing van het eindtermenkader. Kort op de bal Soms is het ook nodig om kort op bal te spelen. Naar aanleiding van de acute vluchtelingen- en opvangcrisis bracht de Vlor in het begin van het werkjaar een spoedadvies uit over maatregelen die nodig zijn om als onderwijssector de verantwoordelijkheid op te nemen. Als gevolg van dat advies kunnen bijvoorbeeld scholen secundair onderwijs sinds 1 november 2015 het ganse schooljaar door OKAN-klassen oprichten. Actuele thema’s kregen ook hun plaats binnen het structureel overleg van de Vlor: de overlegplatforms over welbevinden en pesten en over de studiekeuze van secundair naar hoger onderwijs, de commissie Onderwijs en Samenleving die permanent overlegt over de relevantie van ‘educaties’ en maatschappelijke thema’s voor het curriculum, … Meer dan de som der delen Het blijft een boeiend en rijk verhaal aan de tafel van de Vlor. Verschillende partners werken er vanuit diverse invalshoeken, maar allemaal met de neuzen in de richting van een gedragen en toekomstgericht onderwijsbeleid. Dat zorgt voor een interessante synergie die meer is dan het samenleggen van verschillende standpunten.

Een wijs beleid door overleg

Harry Martens, algemeen voorzitter Mia Douterlungne, administrateur-generaal


INHOUD INLEIDING .............................................................................................................................................. 2 STRATEGISCH DOEL 1 ‘TALENTEN VAN ELKE LERENDE TEN VOLLE ONTWIKKELEN’ ..................... 5 ‘ALLE KINDEREN STEVIGE FUNDAMENTEN GEVEN DOOR EEN STERK BASISONDERWIJS’ ...................... 5 Tien krachtlijnen voor een sterk basisonderwijs .......................................................................................... 5 ‘DE LAT HOOG LEGGEN VOOR ALLE LEERLINGEN DOOR HET SECUNDAIR ONDERWIJS TE MODERNISEREN’ ........................................................................................................................................... 5 Dringende vraag naar duidelijkheid over modernisering ............................................................................. 5 ‘STUDENTEN IN HET HOGER ONDERWIJS MAXIMALE KANSEN OP SLAGEN EN INTERNATIONALE ERVARING GEVEN’ ......................................................................................................................................... 6 Communicatie met kansengroepen bij instroom en doorstroom ................................................................ 6 Toelatingsexamen arts-tandarts ................................................................................................................... 6 ‘VOLWASSENENONDERWIJS ALS PARTNER IN LEVENSLANG LEREN’ ........................................................ 7 De conceptnota's Volwassenenonderwijs en NT2 ...................................................................................7 ‘SAMENWERKING TUSSEN HET KUNSTONDERWIJS EN DE CULTUURACTOREN’ ....................................... 8 Conceptnota hervorming deeltijds kunstonderwijs ...............................................................................8 ‘LEERDOELEN SCHERPSTELLEN OM STERKE PERSOONLIJKHEDEN TE VORMEN’ ................................... 8 Een geactualiseerd beleidskader voor eindtermen, leerplannen en kwaliteitstoezicht ............................ 8 Onderwijs en samenleving ............................................................................................................................. 9 ‘COMPETENTIES VAN NEDERLANDS EN MODERNE VREEMDE TALEN BLIJVEND VERBETEREN’........... 10 ‘VAN LEREN EN WERKEN EEN VOLWAARDIG ONDERWIJSTRAJECT MAKEN’ .......................................... 10 Duaal leren .................................................................................................................................................. 10 Spijbelen in leren en werken ...................................................................................................................... 11 ‘EEN VLOTTE DOORSTROOM VAN HET ONDERWIJS NAAR DE ARBEIDSMARKT REALISEREN’............... 11 Aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt........................................................................................................... 11 Conceptnota EVC......................................................................................................................................... 12 Een kader voor STEM .................................................................................................................................. 13 ‘EEN BETERE STUDIEKEUZEBEGELEIDING REALISEREN’ ........................................................................ 13 Studiekeuze van secundair naar hoger onderwijs .................................................................................... 13 Krijtlijnen hervorming leerlingenbegeleiding ............................................................................................. 14 Samen tegen schooluitval .......................................................................................................................... 14 Welbevinden op school ............................................................................................................................... 14 Dringende maatregelen voor onthaal van vluchtelingen in onderwijs ..................................................... 15 ‘HET UITROLLEN VAN HET BELEID VOOR LEERLINGEN MET SPECIFIEKE ONDERWIJSBEHOEFTEN’ .... 15 Leerlingenvervoer ....................................................................................................................................... 15 Onderwijs voor kinderen met meervoudige beperkingen ......................................................................... 15 ‘DE FINANCIËLE DREMPEL TOT PARTICIPATIE AAN ONDERWIJS AANPAKKEN VIA SCHOOL- EN STUDIETOELAGEN’ ...................................................................................................................................... 16 Evaluatie van het studiefinancieringsmechanisme hoger onderwijs ....................................................... 16 ‘DE (DIGITALE) GELETTERDHEID EN MEDIAWIJSHEID VERHOGEN’ ......................................................... 16

STRATEGISCH DOEL 2: ‘VOLDOENDE, DESKUNDIG EN GEMOTIVEERD ONDERWIJSPERSONEEL GARANDEREN’............................................................................................................................... 17 1

‘DE LERARENOPLEIDING VERSTERKEN’ .................................................................................................... 17 Hervorming lerarenopleiding ...................................................................................................................... 17 ‘DE BASISCOMPETENTIES EN HET BEROEPSPROFIEL ACTUALISEREN’................................................... 18 Verzorgende en verpleegkundige handelingen ......................................................................................... 18 ‘EEN PROFESSIONELE, UITDAGENDE EN MEER GEVARIEERDE ONDERWIJSLOOPBAAN REALISEREN’ 18 ‘EEN LOOPBAANLANGE PROFESSIONALISERING EN ONDERSTEUNING VAN LERAREN REALISEREN’ .. 19

STRATEGISCH DOEL 3: ‘ONDERWIJSINSTELLINGEN VERSTERKEN’ ............................................ 20 1

2

‘HET INSCHRIJVINGSBELEID VEREENVOUDIGEN EN VERNIEUWEN’ ........................................................ 20 ‘EEN OPTIMALISATIE VAN HET ONDERWIJSLANDSCHAP MOGELIJK MAKEN’ ......................................... 20 ‘DE WERKINGSMIDDELEN IN HET LEERPLICHTONDERWIJS EVALUEREN’ .............................................. 20 BESPARINGEN IN ONDERWIJS ................................................................................................................... 21


‘HET AANBOD EN DE FINANCIERING IN HET HOGER ONDERWIJS BIJSTUREN’ ....................................... 21 Hbo5 ............................................................................................................................................................ 21 Interdisciplinaliteit ....................................................................................................................................... 22 ‘INTERNATIONALE ONTWIKKELINGEN VERTALEN IN VLAAMS ONDERWIJSBELEID’ ............................... 22 Trends .......................................................................................................................................................... 22 Nieuwe prioriteiten voor Europese samenwerking ................................................................................... 22 Moderniseringsagenda hoger onderwijs van de Europese Unie .............................................................. 23 Netwerk onderwijsraden ............................................................................................................................. 23 ‘JURIDISERING, REGELDRUK EN PLANLAST TERUGDRINGEN’................................................................. 24

STRATEGISCH DOEL 4: ‘WERK MAKEN VAN EEN MASTERPLAN SCHOLENBOUW’....................... 25 Alternatieve financiering ............................................................................................................................. 25 Onteigeningen ............................................................................................................................................. 25

STRATEGISCH DOEL 5: ‘TOPKWALITEIT REALISEREN’.................................................................. 26 Evaluatie kwaliteitszorg hoger onderwijs ................................................................................................... 26

‘AANDACHT VOOR TRANSVERSAAL BELEID’ .................................................................................. 27 Transversale beleidsnota ........................................................................................................................... 27 Gelijke kansen ............................................................................................................................................. 27

OVERIG ADVIESWERK VAN DE VLOR ............................................................................................. 29 1

ONDERWIJSONDERZOEK ............................................................................................................................ 29 ONDERWIJSAANBOD EN -ORGANISATIE ..................................................................................................... 29 BUITENGEWOON ONDERWIJS ................................................................................................................................... 29 SECUNDAIR ONDERWIJS.......................................................................................................................................... 29 VOLWASSENENONDERWIJS...................................................................................................................................... 30 AFWIJKINGEN PROGRAMMATIESTOP DKO ................................................................................................................... 30

BIJLAGEN ....................................................................................................................................... 31 1 2 3

DE DECRETALE BASIS SPECIFIEKE BEVOEGDHEDEN DE RADEN: LEDEN, COMMISSIES EN LANGLOPENDE WERKGROEPEN - UITGEBRACHTE ADVIEZEN A. Algemene Raad B. Raad Basisonderwijs C. Raad Secundair Onderwijs D. Raad Hoger Onderwijs E. Raad Levenslang en Levensbreed Leren

4 5

ACTIVITEITEN PUBLICATIES

6

PERMANENT SECRETARIAAT

3


Inleiding 2015-2016 was het tweede werkjaar in de legislatuur van onderwijsminister Hilde Crevits. In haar beleidsbrief gaf de minister haar prioriteiten aan voor het werkjaar. De Vlor kon zich herkennen in de globale teneur daarvan en manier van aanpak, maar vroeg om de verantwoordelijkheden duidelijker af te lijnen tussen de overheid, pedagogische begeleidingsdiensten, het ‘Ik verwacht veel van de Vlor. Jullie zijn lokale niveau en intermediaire organisaties. een unieke partner. Steeds met de vinger aan de pols. Ons onderwijs In zijn advies over de beleidsbrief vroeg de raad ook verdraagt geen conflictmodel. De Vlor om consequent en volgehouden te investeren in het reikt handen en gaat constructief aan onderwijs en dat op alle beleidsniveaus. In het kader de slag.’ van het debat over de bijsturing van het eindtermenkader, vestigde de Vlor ook de aandacht Hilde Crevits op de startdag van de Vlor, 17 september in het Vlaams Parlement op een evenwicht tussen de maatschappelijke discussie over de doelen van onderwijs en een onderwijskundige kijk. De Vlor waardeert het accent van de minister op cocreatie en participatie van de onderwijspartners. In haar toespraak op de startdag van de Vlor nodigde de minister de raad uit om het beleid mee verder vorm te geven als ‘wijze raadgever met al zijn ervaring en deskundigheid’. Voor het tweede jaar op rij besprak de minister met de Vlor-leden het advies over haar beleidsbrief. Ze was daarvoor te gast op de Algemene Raad van 14 januari 2016 waar zij haar waardering uitsprak voor de manier waarop de samenwerking met de Vlor verloopt. Ze apprecieerde de grote inzet van de raad en benadrukte het belang van gezamenlijk gedragen acties en reacties op de uitdagingen die de maatschappij van vandaag stelt. De Vlor brengt verslag uit van zijn werkjaar aan de hand van de strategische doelen van de beleidsnota die onderwijsminister Hilde Crevits voor de beleidsperiode 2014-2019 Vol vertrouwen en in dialoog bouwen aan onderwijs:  Talenten van elke lerende ten volle ontwikkelen  Voldoende, deskundig en gemotiveerd onderwijspersoneel garanderen  Onderwijsinstellingen versterken  Werk maken van een Masterplan Scholenbouw  Topkwaliteit realiseren  Aandacht voor transversaal beleid

4


Strategisch doel 1

‘Talenten van elke lerende ten volle ontwikkelen’ ‘Alle kinderen stevige fundamenten geven door een sterk basisonderwijs’ Tien krachtlijnen voor een sterk basisonderwijs Het basisonderwijs in Vlaanderen heeft een specifieke missie en heeft alles in huis om die waar te maken. In september 2015 publiceerde de Vlor de resultaten van zijn strategische verkenning over die eigenheid van het basisonderwijs. Diezelfde maand stelde de raad de publicatie voor op een druk bijgewoond symposium. De belangrijkste elementen werden geïllustreerd met voorbeelden uit het basisonderwijs van vandaag. Leerkrachten, directies, ouders, … toonden de troeven van o.a. geïntegreerd werken, het educatief partnerschap tussen school, ouders en leerlingen en gedeeld leiderschap in het team van de basisschool. Op datzelfde symposium presenteerde de Raad Basisonderwijs tien krachtlijnen voor een sterk basisonderwijs die kunnen dienen als toetsstenen voor het toekomstig beleid voor het basisonderwijs:  een school op maat van kinderen;  ontwikkelingsgericht werken;  diversiteit als kracht;  een geïntegreerde aanpak als basis;  een lerend team dat verantwoordelijkheden deelt;  het educatief partnerschap tussen school, leerling en ouder;  de wisselwerking met de buurt;  een brede vorming;  investeren in het basisonderwijs rendeert;  basisonderwijs is meer dan een zaak van onderwijs alleen.

‘De lat hoog leggen voor alle leerlingen door het secundair onderwijs te moderniseren’ Dringende vraag naar duidelijkheid over modernisering In februari bezorgde de Vlor een brief aan onderwijsminister Crevits waarin hij aandrong op duidelijkheid over de plannen van de Vlaamse regering voor de modernisering van het secundair onderwijs. Op het terrein bleef men op dat ogenblik nog zeer in het ongewisse. Dat zorgde ervoor dat initiatieven voor vernieuwingen misschien te voorbarig waren. Aan de andere kant leidde dat ook tot uitstel van noodzakelijke aanpassingen voor een kwalitatief sterk en geactualiseerd onderwijsaanbod. De Vlor trok aan de alarmbel en vroeg om op korte termijn zicht te krijgen op het geheel van de modernisering van het secundair onderwijs en om daarover een advies te kunnen formuleren.

5


Op het einde van het werkjaar formuleerde de Vlaamse regering uiteindelijk een conceptnota over maatregelen in het basisonderwijs en in de eerste graad van het secundair onderwijs en een conceptnota over de tweede en de derde graad van het secundair onderwijs. Begin juni vroeg de minister de Vlor om advies over de eerste nota over de maatregelen in het basisonderwijs en in de eerste graad van het secundair onderwijs. De Vlor zal daarover een advies uitwerken dat zal worden uitgebracht op de eerste Algemene Raad van het volgend werkjaar op 15 september 2016.

‘Studenten in het hoger onderwijs maximale kansen op slagen en internationale ervaring geven’ Communicatie met kansengroepen bij instroom en doorstroom Diversiteit in het hoger onderwijs is al lang een vast aandachtspunt voor de Vlor. De samenstelling van de studentenpopulatie moet immers idealiter een weerspiegeling zijn van de maatschappij. Het is een maatschappelijke noodzaak constructief om te kunnen gaan met de superdiversiteit van de moderne samenleving. Bovendien is het noodzakelijk dat het hoger onderwijs, met het oog op de realisatie van de kennismaatschappij, meer hogeropgeleiden aflevert. De Vlor vindt daarom de instroom en doorstroom van kansengroepen in het hoger onderwijs een bijzonder belangrijk thema. De Vlor ging na hoe de Vlaamse instellingen hoger onderwijs communiceren met studenten uit kansengroepen en of ze via de gebruikte communicatiestrategieën ook bereikt worden. Om een beter zicht te krijgen op de behoeften van de kansengroepen zelf had de Vlor enkele focusgesprekken en interviews met studenten met een migratie-achtergrond, nieuwkomers, studenten in armoede en studenten met een functiebeperking. Vanuit de knelpunten die daaruit kwamen, deed de raad enkele aanbevelingen voor een betere communicatie tussen instellingen hoger onderwijs en studenten uit kansengroepen. Lees hier het advies Toelatingsexamen arts-tandarts Eind 2014 kreeg een begeleidingscommissie de taak om het toelatingsexamen voor de opleidingen arts en tandarts onder de loep te nemen. De commissie maakte eind november 2015 haar conclusies en aanbevelingen over aan onderwijsminister Crevits. Over een van die aanbevelingen vroeg de minister het advies van de Vlor, namelijk het voorstel om van een examen met absolute cesuur (numerus clausus) over te gaan op een vergelijkende selectieproef (numerus fixus). De Vlor is van mening dat de overgang van een numerus clausus naar een numerus fixus het toelatingsexamen arts/tandarts transparanter maakt. Hij vraagt de overheid wel een aantal randvoorwaarden te respecteren:  een niet-commercieel, kwalitatief, laagdrempelig en betaalbaar aanbod dat voorbereidt op het toelatingsexamen;  goede communicatie;  afstemming van de leerinhouden in het secundair onderwijs;  faciliteiten voor deelnemers met een functiebeperking;  onderzoeksmatige opvolging van het toelatingsexamen;  opvolging van het contingent arts/tandarts in het hele land. Lees hier het advies

6


‘Volwassenenonderwijs als partner in levenslang leren’ De conceptnota's Volwassenenonderwijs en NT2 Eind maart 2016 keurde de Vlaamse Regering twee conceptnota’s goed die de contouren uittekenen voor het volwassenenonderwijs enerzijds en het NT2-beleid anderzijds. Met de conceptnota Volwassenenonderwijs als kansenonderwijs heeft de minister van Onderwijs de ambitie het volwassenenonderwijs te versterken en opnieuw duidelijk te positioneren binnen het onderwijslandschap door middel van een nieuw decreet. In de conceptnota Uitbouw van een slagkrachtig NT2-beleid schetst de minister van Inburgering en Integratie een kader dat de basis moet zijn voor een decreet over een slagkrachtig, doelgericht en doelmatig NT2-beleid. Het NT2-aanbod is een wezenlijk onderdeel van het volwassenenonderwijs. Daarom bundelde de Vlor zijn opmerkingen over de twee nota’s in één advies. De raad vond vooral in de conceptnota Volwassenenonderwijs verschillende elementen terug van de bouwstenen voor een slagkrachtig volwassenenonderwijs die hij vorig werkjaar formuleerde. Hij is tevreden over de ambitie van de minister van Onderwijs om het volwassenenonderwijs meer slagkracht te geven, kan zich vinden in de profilering rond kerntaken en de focus op kansengroepen. In de conceptnota NT2 maakt men echter keuzes die haaks staan op deze voorzetten. Eenzelfde visie op leren van volwassenen Voor de Vlor moet de cursist centraal staan in de hervorming. De prioritaire focus op kansengroepen en kwalificeerbare trajecten van de conceptnota Volwassenenonderwijs zijn in die zin een goede keuze, maar mag de ruimte om te werken aan sleutelvaardigheden, generieke competenties en brede vorming niet in de weg staan. Zo moet een leertraject – waarin ook NT2 een belangrijke plaats kan hebben – vorm krijgen vanuit de leervraag van de cursist en moet het blijvend bijgestuurd kunnen worden. De conceptnota NT2 focust daarvoor te eenzijdig op de taalverwerving en de conceptnota Volwassenenonderwijs bouwt verder op structuren en regels, zodat het inhoudelijk verhaal in functie van de cursist ondergesneeuwd geraakt. Zet elke actor in op zijn sterkte In het advies over de bouwstenen voor een slagkrachtig volwassenenonderwijs, legde de Vlor de nadruk op samenwerking, waarbij elke actor als gelijkwaardig beschouwd wordt en erkend wordt voor zijn expertise. Het volwassenenonderwijs beschikt over een grote pedagogische en onderwijskundige expertise, gericht op de volwassen lerende. Deze expertise wordt in verschillende conceptnota’s – ook over hbo5 en lerarenopleiding – genoemd en geroemd. De Vlor vraagt dat het volwassenenonderwijs ruimte krijgt om deze rol op te nemen. Belangrijk hierin is dat de invulling van de regierol van de Agentschappen Integratie en Inburgering/ Huis van het Nederlands Brussel in het beheer van het NT2 aanbod wordt herzien en er ingezet wordt op structurele samenwerking. Een slagkrachtig volwassenenonderwijs? Voor een goede organisatie van het volwassenenonderwijs moeten beide conceptnota’s beter op elkaar afgestemd worden. Er worden in beide conceptnota’s uiteenlopende maatregelen voorgesteld voor dezelfde uitdagingen. Daardoor dreigt er een tweesporenbeleid gecreëerd te worden dat niet bijdraagt tot een grotere slagkracht voor het volwassenenonderwijs. Lees hier het advies

7


‘Samenwerking tussen het kunstonderwijs en de cultuuractoren’ Conceptnota hervorming deeltijds kunstonderwijs De hervorming die het deeltijds kunstonderwijs (dko) moet 'verankeren, vereenvoudigen en verbinden’ is al langer aangekondigd in de vorige legislaturen. Met een conceptnota zette minister Crevits in de zomer van 2015 een eerste stap in het voorbereidend werk voor een niveaudecreet voor het dko. De Vlor beschouwt die nota wel eerder als een visienota: de juiste principes worden besproken, maar de concrete invulling ervan blijft erg vaag. Deeltijds kunstonderwijs verankeren in onderwijs Hoewel het dko tot onderwijs behoort, is de beleidsmaker er tot op vandaag niet in geslaagd om het met de gepaste regelgeving daar ook degelijk in te bedden. De Vlor is tevreden te lezen dat de minister daar verandering in wil brengen. Belangrijke hefbomen daartoe zijn het opstellen van einddoelen (zie 6) en het voorzien van een kwalificatie met een civiel effect, weliswaar in de onderwijskwalificerende betekenis (brede leren). Organisatie vereenvoudigen Vandaag wordt het dko geregeld via een kluwen aan besluiten en decreten. Een vereenvoudiging is dringend nodig, al vraagt de Vlor om er ook over te waken dat die niet leidt tot het schrappen van die essentiële zaken die de huidige kwaliteit waarborgen. In zijn advies vroeg de Vlor ook de actoren en sectoren bij elkaar te brengen voor de actualisering van de opleidingsstructuur. Daarover moeten immers nog heel wat knopen doorgehakt worden. Meer nodig voor kansenbeleid Om de participatie van kansengroepen aan het dko te bevorderen, vindt de Vlor dat er meer nodig is dan samenwerking met het kleuter- en leerplichtonderwijs. Ook samenwerkingen met andere relevante sectoren en organisaties en met andere academies en onderwijsniveaus zijn waardevol. Om ook leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften gemakkelijker toegang geven tot het dko, adviseert de raad een zorgkader uit te zetten in de academies en te onderzoeken hoe leerlingen op een gelijkgerichte manier de nodige zorg kunnen krijgen, in een continuüm met het leerplichtonderwijs. Lees hier het advies

‘Leerdoelen scherpstellen om sterke persoonlijkheden te vormen’ Een geactualiseerd beleidskader voor eindtermen, leerplannen en kwaliteitstoezicht In het voorjaar 2016 werd ‘Van Lerensbelang’ opgestart, het breed maatschappelijk debat waar iedereen zijn inbreng kon doen over de inhoud van onderwijs. De discussie over de bijsturing van het eindtermenkader was daarvoor al opgestart in het Vlaams Parlement. Het aanpassen van het doelenpakket dat scholen met hun leerlingen moeten bereiken, is een fundamenteel proces dat gaat over de inhoud van onderwijs. Omdat het daarbij belangrijk is om na te denken met alle betrokkenen, formuleerde de Vlor bij het begin van het werkjaar al een oriënterend advies dat moest dienen als insteek voor het parlementaire debat. De Vlor vindt het belangrijk dat eindtermen een plaats krijgen in een globaal kader van diverse instrumenten om kwaliteitsvol onderwijs aan te bieden zoals de leerplannen, de kaders die de inspectie gebruikt, de leermiddelen en de interne kwaliteitszorg.

8


De kerndoelen die de overheid vastlegt, geven scholen een referentiekader om hun kwaliteit te verantwoorden (d.m.v. de inspectie). In plaats van de (lange lijst van) huidige einddoelen, pleit de Vlor voor een overzichtelijke set van kerndoelen voor bepaalde onderwijstrajecten zoals het basisonderwijs, de eerste graad van het secundair onderwijs of voor het gehele secundair onderwijs. Minder einddoelen dus, maar wel duidelijk en concreet geformuleerd en hanteerbaar voor de gebruikers. Ze moeten bovendien voldoende ambitieus zijn. De kerndoelen moeten rekening houden met een aantal erkende internationale en Vlaamse referentiekaders en met maatschappelijke verwachtingen. De Vlor vindt het ook belangrijk dat de scholen ermee kunnen werken in een ontwikkelingsgericht perspectief. De Vlor pleit voor een evenwicht tussen de maatschappelijke discussie over de doelen van onderwijs en een onderwijskundige kijk. Hij kant zich tegen een onderwijsbeleid dat vertrekt van een te functionalistische benadering van onderwijs. De leden van de Commissie Onderwijs van het Vlaams Parlement wisselden hierover van gedachten met de Vlor, zowel naar aanleiding van het uitbrengen van het advies (oktober 2015) als bij het beëindigen van het maatschappelijk debat (juni 2016). Lees hier het advies Onderwijs en samenleving Van consumenteneducatie en verkeerseducatie over burgerschapseducatie en educatie voor duurzame ontwikkeling tot gezondheidsbevordering: onderwijs krijgt te maken met heel wat maatschappelijke verwachtingen. Sinds het begin van het werkjaar 2015-2016 is het overleg en de uitwisseling daarover binnen de Vlor samengebracht in een overkoepelende commissie Onderwijs en Samenleving. Thema’s zijn zowel de al langer lopende activiteiten van de Vlor op het vlak van gezondheidsbevordering, als het overleg dat de raad op vraag van de minister heeft opgestart over mondiale vorming/wereldburgerschapseducatie. Telkens gaat het om uitdagingen die voortkomen uit het feit dat onderwijs gesitueerd is in een (complexe en voortdurend veranderende) maatschappelijke context en dat scholen zich op een of andere manier tot die omgeving moeten verhouden. Omwille van de sterke maatschappelijke inbedding van die thema’s, het feit dat andere maatschappelijke sectoren zowel verwachtingen formuleren naar onderwijs, als zelf een aanbod ontwikkelen voor onderwijs, is er nood aan een structureel overleg tussen onderwijspartners en andere maatschappelijke actoren. www.vlor.be/onderwijs-en-samenleving Minister Crevits vroeg de Vlor of en welke beleidsmaatregelen nodig zijn in het secundair onderwijs om het verbruik van ongezonde gesuikerde dranken op school tegen te gaan. De raad pleit voor een positieve en stimulerende aanpak van gezonde alternatieven en niet voor een onmiddellijk verbod. Die aanpak moet er toe leiden dat de consumptie van gesuikerde dranken op scholen secundair onderwijs uitdooft. Een drankenbeleid kan enkel succesvol kan zijn indien het past in het ruimere gezondheidsbeleid van de school. De decretale vakoverschrijdende

9


eindtermen bieden daarvoor een goed kader. In februari 2017 zal de Vlor daarover een studiedag organiseren. Lees hier het advies De Vlor werd ook om advies gevraagd over het actieplan ‘Ondernemend Onderwijs’. De raad vindt het belangrijk dat dat actieplan een dubbele doelstelling heeft: het bijbrengen van ondernemingszin én ondernemerschapscompetenties. Hij is echter geen voorstander van een verplichting om een visie op ondernemend onderwijs uit te werken. Ook al is ondernemingszin in zijn brede zin enorm belangrijk in de algemene vorming, het zijn de onderwijsinstellingen zelf die de eindbeslissing hebben over de mate waarop ze ingaan op verschillende educaties. De discussie over welke inhouden van ondernemend onderwijs deel moeten uitmaken van de algemene vorming van lerenden, moet gevoerd worden in het bredere debat over de eindtermen. De raad is ook niet gewonnen voor een leerlijn ondernemend onderwijs. Die bepaalt immers niet alleen wat er moet bereikt worden door de onderwijsinstellingen, maar ook de manier waarop. Bovendien is het niet wenselijk noch haalbaar om ondernemerschapscompetenties na te streven voor alle leerlingen. Lees hier het advies

‘Competenties van Nederlands en moderne vreemde talen blijvend verbeteren’ Op het einde van het werkjaar ontving de Vlor de vraag om een breed kader te ontwikkelen voor een actief taalbeleid. Aanleiding daarvoor is de vrijgave van het OBPWO-onderzoek over het gebruik van thuistalen in de klas en op school. De raad zal in oktober 2016 een advies formuleren over de aanbevelingen van de onderzoekers en zal zich daarbij focussen op de beleidsmatige aspecten. Binnen de Raad Hoger Onderwijs buigt een werkgroep zich over een stimulerend taalbeleid in het hoger onderwijs, met daarbij zowel aandacht voor het belang van het Nederlands als instructie- en onderzoekstaal als de internationale aantrekkelijkheid van het Vlaamse hoger onderwijs. De raad zal daarover een advies uitbrengen in november 2016.

‘Van leren en werken een volwaardig onderwijstraject maken’ Duaal leren In de conceptnota bis ‘Duaal Leren. Een volwaardige kwalificerende leerweg’ concretiseerde de minister vorig werkjaar haar voornemen om het duaal leren in het secundair onderwijs te versterken en uit te breiden. De Vlor gaat akkoord met dat principe, maar formuleerde in zijn advies over die conceptnota enkele belangrijke voorwaarden opdat duaal leren een gelijkwaardige leerweg kan zijn. Geen decreet zonder evaluatie tijdelijke projecten

De conceptnota kondigde ook verschillende verkennende trajecten aan om het concept van duaal leren te verfijnen. De Vlor is zeker voorstander om het concept duaal leren vanuit ervaringen van tijdelijke projecten verder te concretiseren, maar dan moeten die wel degelijk geëvalueerd worden. In zijn advies over het besluit van de Vlaamse Regering dat het tijdelijk project ‘Schoolbank op de werkplek’ regelt, gaf hij alvast aan dat er geen decreet duaal leren kan komen zonder degelijke evaluatie. De krappe timing die voorzien is voor de opmaak van het decreet maakt het echter onmogelijk om de ervaringen uit het project ‘Schoolbank op de werkplek’ mee te nemen.

10


Verder formuleerde de raad bij de tijdelijke projecten nog bedenkingen over de verhouding tussen duale en niet-duale leertrajecten en vroeg hij naar het engagement van de bedrijven om voldoende leerwerkplaatsen te voorzien. Lees hier het advies Geen ‘saucissonerings-’beleid

De Vlor bracht ook advies uit over het voorontwerp van decreet dat bepaalde aspecten van alternerende opleidingen regelt. Dat werkt een eenduidige overeenkomst uit voor leren en werken, de tijdelijke projecten 'Schoolbank op de werkplek' en duaal leren. De impact van dit voorontwerp van decreet is echter ruimer. De raad kantte zich dan ook sterk tegen deze 'saucissonering' van een dossier met zo'n belangrijke impact op het secundair onderwijs. Hij moest dan ook een advies uitbrengen over één aspect van duaal leren, zonder een totaalbeeld te hebben. Belangrijke knopen moeten nog doorgehakt worden over o.a. de integratie van de verschillende stelsels van leren en werken, de kwaliteitszorg, trajectbegeleiding en flexibele trajecten. Statuut

De Vlor vindt dat er meer transparantie moet zijn over de overeenkomsten in duaal leren en dat die ook aantrekkelijker moeten zijn. Anders zal een groep jongeren op termijn zijn plaats niet meer vinden in het onderwijs. De raad vraagt ook meer engagementen voor kwaliteitsvolle werkplekken en een snelle en duidelijke communicatie over duaal leren t.a.v. leerlingen, ouders, scholen en bedrijven. Lees hier het advies In een uitvoeringsbesluit bij het decreet over het statuut duaal leren, worden er belangrijke afspraken gemaakt voor duaal leren. De Vlor vindt het goed dat er ruimte is voor sectorale accenten bij het bepalen van kwaliteitscriteria voor de werkplek en de opleiding van mentoren, maar vraagt dat er voor alle sectoren wel een minimale kwaliteit wordt afgesproken, zeker wat de pedagogischdidactische kwaliteiten van de mentoren betreft. Voor de leervergoedingen gaat de Vlor akkoord met een koppeling aan het gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen, een stijging naargelang de studievoortgang en bedrag dat de rechten op kinderbijslag vrijwaart. In zijn advies bij het uitvoeringsbesluit vraagt de raad ook om specifiek voor dbso na te gaan welke consequenties de nieuwe regeling heeft en om overgangsmaatregelen te voorzien zodat de huidige doelgroep zeker aan boord blijft. Lees hier het advies Spijbelen in leren en werken Uit onderzoek blijkt dat spijbelen in systemen van leren en werken frequenter voorkomt dan in andere onderwijsvormen. De Vlor bracht de thematiek onder de aandacht op een studievoormiddag op 23 oktober 2015. Het thema werd er uitgediept met een toelichting van onderzoeksresultaten en het delen van praktijkervaringen over de preventie en aanpak van spijbelen. Lees hier het verslag

‘Een vlotte doorstroom van het onderwijs naar de arbeidsmarkt realiseren’ Aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt Onderwijs en de arbeidsmarkt van morgen

In het licht van de digitale evolutie, delokalisering en globalisering wordt druk gespeculeerd over de toekomst van de arbeidsmarkt. Ook het stimuleringsbeleid voor tewerkstelling geeft vorm aan die arbeidsmarkt.

11


Hoe kunnen we generaties best voorbereiden op een snel veranderende samenleving? En is er nog toekomst voor laag- en middengeschoolden? Op de startdag van 17 september 2015 reflecteerden de Vlor-leden over onderwijs en de arbeidsmarkt van morgen. Lees hier het verslag Grensoverschrijdend werkplekleren

In een interactief seminarie reflecteerde de Vlor op 22 april 2016 aan de hand van 4 praktijkcasussen uit Vlaanderen en Nederland over grensoverschrijdend werkplekleren. Lees hier het verslag

RTC-werkgroep

In de nieuwe beheersovereenkomsten van de Regionale Technologische Centra (RTC) met de Vlaamse Regering, heeft de Vlor een dubbele rol gekregen. In het najaar organiseerde de raad daarom overleg over de gemeenschappelijke prioriteiten voor de duurtijd van de beheersovereenkomst. In het voorjaar werd er overlegd over de prioriteiten voor de jaaractieplannen die de RTC’s moeten opmaken. Niet alleen de onderwijspartners zijn hierbij betrokken, ook de publieke opleidingsverstrekkers en de sectoren waarvoor de RTC’s acties ontplooien. Sectorconvenants

Op 1 januari 2016 trad een nieuwe lichting sectorconvenants in werking. 33 sectoren zijn een overeenkomst aangegaan met de Vlaamse regering waarin ze inzetten op een betere aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt, het stimuleren van competentieontwikkeling van werknemers en meer diversiteit op de arbeidsmarkt. De Vlor bracht als lid van de ambtelijke werkgroep die deze sectorconvenants voorbereidt, zijn opmerkingen in bij de acties over de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt. De vertegenwoordiger van de Vlor werd daarvoor gevoed door een werkgroep die alle ontwerpen heeft besproken. Toekomst zorgberoepen

De strategische adviesraad Welzijn, Gezondheid en Gezin (SAR WGG) tekende een visie uit over ‘nieuw professionalisme in zorg en ondersteuning’. Om deze visie op termijn te realiseren moet er nagedacht worden hoe de arbeidsmarkt, het beleid en het onderwijs hieraan kunnen bijdragen. De Vlor startte de werkzaamheden om mee nadenken over de bijdrage die onderwijs kan leveren en streeft volgend werkjaar naar een gezamenlijk advies met de SAR WGG. Conceptnota EVC De ministers bevoegd voor Onderwijs en Werk legden een gemeenschappelijk kader vast voor de erkenning van competenties (EVC). De Vlor benadrukt al langer het belang van EVC voor het levenslang leren binnen en buiten een formele onderwijscontext. De raad onderschrijft dan ook de huidige aanpak om EVC te stroomlijnen over verschillende beleidsdomeinen en om het breder bekend te maken, zowel bij gebruikers als aan de vraagzijde. Vooraleer de regelgeving in onderwijs aan te passen, moet dan ook de discussie ten gronde gevoerd worden met de verschillende beleidsdomeinen. De Vlor vindt het positief dat zowel de erkenning als de herkenning van verworven competenties een plaats krijgt in de beleidsvisie. Competenties erkennen moeten niet enkel mogelijk zijn in functie van de tewerkstelling en opleiding, maar ook voor zelfontplooiing en zelfwaardering. In de uitwerking van de conceptnota vond de raad echter te weinig van die herkenning terug doordat er voornamelijk aandacht is voor de doorstroming naar de arbeidsmarkt.

12


Voorts pleitte de Vlor ervoor om in de uitwerking van EVC de specificiteit van de onderwijsniveaus mee te nemen en om 'EVC-standaarden’ niet dwingend te maken. De raad vindt het ook belangrijk dat gedifferentieerde studiebekrachtiging pas ingezet wordt op een moment dat het voor een lerende in het leerplichtonderwijs niet meer mogelijk is om een onderwijskwalificatie te behalen. Lees hier het advies

Een kader voor STEM Minister Crevits werkte een kader uit dat wenst tegemoet te komen aan de vele vragen over STEM in het onderwijs, bij ouders en leerlingen, die zijn verwoord door de Vlor. In zijn advies over dat STEM-kader onderschrijft de Vlor de tien dimensies waarop het kader inzet. Ze sluiten aan bij de visie die de Vlor eerder ontwikkelde over stimuli voor STEM in het onderwijs. Het kader komt tegemoet aan eerder geformuleerde bekommernissen van de Vlor:  Goed STEM-onderwijs moet voor iedereen zijn, en niet enkel voor cognitief sterke leerlingen;  STEM is vormend op zich;  Het is nodig om te stroomlijnen in de wildgroei aan STEM-initiatieven. De meeste opmerkingen van de Vlor werden uiteindelijk verwerkt in de finale tekst van het STEMkader. In opvolging van het advies vond er ook op 28 juni 2016 een overleg plaats met het netwerk van STEM-Academies. Lees hier het advies

‘Een betere studiekeuzebegeleiding realiseren’ Studiekeuze van secundair naar hoger onderwijs In zijn adviezen over de studiekeuze van het secundair naar het hoger onderwijs pleit de Vlor ervoor om te investeren in een beleid dat het studiekeuzeproces op alle vlakken verbetert. In zijn meest recente advies daarover vroeg de raad onder meer om scholen te versterken in studiekeuzebegeleiding en om jongeren de kans te geven om goed geïnformeerd te kiezen. Structureel overleg tussen secundair en hoger onderwijs

De Vlor startte op het einde van het werkjaar 2014-2015 een structureel overleg tussen actoren uit het secundair en hoger onderwijs. In dat platform zetelen de vertegenwoordigers van alle betrokken onderwijspartners, zowel uit het secundair onderwijs als uit het hoger onderwijs: de leerlingen, de studenten, de ouders, de leraren, de onderwijsverstrekkers, de centra voor leerlingenbegeleiding, het hoger onderwijs, het kabinet Onderwijs en het Departement Onderwijs en Vorming. Exploratie-instrument

Minister Crevits gaf de Vlaamse Universiteiten en Hogescholen Raad (Vluhr) de opdracht om een algemene niet-bindende oriënteringsproef te ontwikkelen. Het resultaat is het exploratieinstrument Columbus. Dat instrument moet de jongere een globaal zicht geven op zijn voorkeuren en sterktes met het oog op eventueel verder studeren in het hoger onderwijs. Het exploratieinstrument leidt niet tot een negatief of positief eindoordeel en zal dan ook nooit een dwingend studieadvies geven. De feedback die de leerling ontvangt, moet de aanzet zijn om samen met zijn leraren en ouders verdere stappen te zetten in het keuzeproces. Dit schooljaar werd door de onderzoekers een testversie van Columbus afgenomen op basis van een representatieve steekproef.

13


Omdat het belangrijk is om daarvoor een breed draagvlak te hebben bij verschillende actoren, kreeg het overlegplatform van de Vlor de taak de ontwikkeling en implementatie van Columbus mee te begeleiden. Het stelde ook een kadertekst op ter ondersteuning van de communicatie over het instrument door de verschillende actoren (overheid, onderwijskoepels, …). Het platform werkte een draaiboek uit voor het concrete gebruik van Columbus door scholen. Krijtlijnen hervorming leerlingenbegeleiding De Vlor vindt dat gestaag verder moet worden gewerkt aan een conceptnota en de verdere uitrol van betere afspraken over leerlingenbegeleiding. In een krijtlijnennota gaf minister Crevits alvast 10 principes mee voor de hervorming van de leerlingenbegeleiding. De Vlor vindt dit een zeer waardevolle aanzet tot verder gesprek en overleg, maar vraagt om na te denken over:  een sterkere participatie van de lerende en zijn ouders op alle niveaus;  de professionalisering van iedereen die een rol opneemt in de leerlingenbegeleiding in het onderwijs;  de opstart van het debat over de invulling van de preventieve gezondheidszorg;  de beleidsdesign: niet alles moet noodzakelijkerwijze verankerd worden in decreten. Sommige beleidsdoelstellingen kunnen ook door strategische planning worden gerealiseerd. Lees hier het advies

Samen tegen schooluitval Met de conceptnota ‘Samen tegen Schooluitval’ formuleerden de ministers van Onderwijs, Welzijn en Werk meer dan 50 actiepunten om het aantal vroegtijdige schoolverlaters te doen dalen, het spijbelen tegen te gaan en het leerrecht te garanderen. De Vlor is tevreden met een conceptnota die de thematiek van het 'leerrecht' beleidsdomeinoverstijgend benadert. Duurzame geletterdheid is een hefboom voor maatschappelijke integratie, participatie en verdere competentieontwikkeling en moet daarom kunnen worden bereikt door alle lerenden. Preventie is de kern van een actief kwalificerend beleid. In eerste instantie is dat een rol voor de scholen door de creatie van een krachtige leeromgeving en een brede basiszorg. Daarin staat een verbindend schoolklimaat centraal, waarin ouders worden gezien als partners in plaats van een probleem. De Vlor vindt dat de conceptnota op dat vlak te negatief en culpabiliserend is. Om het beleid tegen schooluitval krachtiger te maken, stelde de raad voor om duidelijkere prioriteiten te stellen, de acties meer actiegericht te formuleren en een realistische timing voorop te stellen. Lees hier het advies Welbevinden op school Pesten speelt zich vaak af op school. Toch is er nog te weinig expertise en hebben scholen meer ondersteuning nodig om pesten op een effectieve manier te bestrijden. De onderwijspartners binnen de Vlor maken samen met de betrokken overheden en experts een topprioriteit van een beleid tegen pesten, dat sinds het schooljaar 2015-2016 vorm krijgt in een overlegplatform binnen de Vlor. Zij vertrekken daarvoor van de gezamenlijke visie die ze hebben verwoord in het advies over de preventie en aanpak van pesten op school (2015). Het overleg hanteert een preventieve benadering van pesten en vertrekt van een breed concept van welbevinden op school, volgens de whole school approach.

14


Om op de hoogte te blijven van relevant (praktijkgericht) onderzoek, organiseerde het overlegplatform Welbevinden een seminarie over afgeronde of lopende onderzoeken omtrent het thema welbevinden en preventie van pesten op school. Lees hier het verslag Dringende maatregelen voor onthaal van vluchtelingen in onderwijs Naar aanleiding van de actuele vluchtelingen- en opvangcrisis bracht de Vlor in september 2015 een spoedadvies uit over maatregelen die nodig zijn om als onderwijssector de verantwoordelijkheid op te nemen t.a.v. vluchtelingen, op korte maar ook op langere termijn. Voor de vluchtelingen die hier vandaag aankomen, is een goede start in het Vlaamse onderwijs cruciaal voor hun verdere schoolloopbaan én voor de integratie in onze samenleving. Ons Vlaams onderwijs heeft een lange en sterke traditie op het vlak van onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers. In de actuele vluchtelingencrisis willen scholen zich engageren, maar ze moeten kunnen rekenen op ondersteuning, expertise, de nodige capaciteit en een soepel regelgevend kader. De Vlor vroeg daarom aan de overheid naar uitzonderlijke maatregelen op korte termijn voor deze uitzonderlijke omstandigheden. Lees hier het advies De raad had daarbij ook gevraagd naar versnelde programmatieprocedures. Het is voor anderstalige nieuwkomers immers belangrijk om vlug terecht te kunnen in een school met een onthaalklas. De overheid gaf daaraan gevolg en sinds 1 november 2015 kunnen schoolgemeenschappen secundair onderwijs doorheen heel het schooljaar de programmatie van een onthaaljaar voor anderstalige nieuwkomers (OKAN) aanvragen. De Vlor adviseerde ondertussen al 29 van die programmatieaanvragen. Lees hier de beoordelingscriteria

‘Het uitrollen van het beleid voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften’ Leerlingenvervoer De ministers van Onderwijs en Mobiliteit lanceerden een nieuw concept voor leerlingenvervoer in het buitengewoon onderwijs. In zijn advies over die bisconceptnota pleitte de Vlor ervoor om hier op korte termijn werk van te maken. In het nieuw concept moeten kwaliteit en veiligheid van vervoer en een kortere reistijd steeds voorop staan. Het recht op leerlingenvervoer moet gelinkt worden aan de ondersteuningsnoden en de thuiscontext van de leerling, ongeacht waar het kind of de jongere school loopt. Lees hier het advies De Vlor staat achter het gebruik van pilootprojecten om in te schatten wat de implicaties zijn van het gebruik van het nieuwe concept voor leerlingenvervoer. De Vlor verzet zich met klem tegen het feit dat de minister geen nadere regels uitschreef voor de evaluatie van die tijdelijke projecten. Lees hier het advies

Onderwijs voor kinderen met meervoudige beperkingen De Vlor vraagt dat er werk wordt gemaakt van een structureel beleidskader voor een adequaat antwoord op de onderwijs- en opvoedingsnoden van alle kinderen met een zeer zware zorgvraag die voortvloeit uit de combinatie van meerdere handicaps. In een advies op eigen initiatief vroeg hij in april 2016 aandacht voor een specifieke groep: de doofblinde kinderen. Om hen adequate ontwikkelingskansen te geven, is er nood aan een een-op-eenrelatie tussen de leerkracht en de lerende. Die vraagt meer specifieke omkadering dan de huidige regelgeving voorziet. Lees hier het advies

15


‘De financiële drempel tot participatie aan onderwijs aanpakken via school- en studietoelagen’ Evaluatie van het studiefinancieringsmechanisme hoger onderwijs In 2014 voerde de Vlaamse regering een verhoging in van het studiegeld in het hoger onderwijs. Omdat de Vlor vreest dat dit een bijkomende financiële drempel kan zijn voor studenten uit kansarme gezinnen, bekeek hij of het studiefinancieringsmechanisme wel voldoende doelmatig en robuust is om die verhoging van de studiegelden op te vangen. De Vlor stelde vast dat het studiefinancieringsmechanisme wel doelmatig is maar niet zo robuust als verwacht. Het bleek immers niet onmiddellijk in staat om bij de verhoging van de studiegelden de schommelingen voor de bijna-beursstudenten op te vangen. Omdat de mogelijke alternatieven zoals een basisbeurs, een meer gezinsonafhankelijk systeem of studieleningen onvoldoende aansluiten bij de Vlaamse maatschappelijke context, pleit de Vlor voor beperkte aanpassingen op de korte termijn: een beperkte uitbreiding van de studiefinanciering en een automatisering van de studietoelagen. Lees hier het advies

‘De (digitale) geletterdheid en mediawijsheid verhogen’ De Vlor maakt deel uit van het overlegplatform Onderwijs Mediawijsheid van het Kenniscentrum Mediawijsheid. Dat maakt overleg mogelijk tussen partners uit onderwijs en mediawijsheid en geeft de kans aan onderwijspartners om input te geven voor de acties en producten van het Kenniscentrum Mediawijsheid. Afgelopen werkjaar werd overlegd over de ontwikkeling van een competentiemodel mediawijsheid. Verder werd de oprichting van een archief voor het onderwijs (van het Vlaams Instituut voor Archivering in samenwerking met de VRT) opgevolgd. Het overlegplatform besteedde ook aandacht aan de gevolgen van de privacywetgeving voor het gebruik van beeldmateriaal in het onderwijs.

16


Strategisch doel 2:

‘Voldoende, deskundig en gemotiveerd onderwijspersoneel garanderen’ 1 ‘De lerarenopleiding versterken’ Hervorming lerarenopleiding In 2019 moet het nieuwe systeem voor de lerarenopleiding ingaan. Eind maart 2016 lanceerde de minister in een conceptnota enkele maatregelen die de lerarenopleiding kwalitatief en kwantitatief moeten versterken. In zijn advies over die conceptnota uitte de Vlor zijn grote bezorgdheid of met deze hervorming wel meer leerkrachten zullen aangetrokken worden, vooral in het licht van een nakend lerarentekort. De conceptnota focust voor de Vlor ook te sterk en te eenzijdig op structuren. Het brede debat over de leraar van de toekomst en de beroepenstructuur in onderwijs - de uitgangspunten waarop de lerarenopleiding gebaseerd moet zijn - werd niet gevoerd. Er is ook te weinig aandacht voor het imago van het lerarenberoep, nochtans een cruciaal punt voor een betere instroom. Verder stuurt de nota de lerarenopleidingen sterk in de richting van een trainingsmodel, terwijl de Vlor pleit voor een breed, geïntegreerd vormingsmodel. Leraarschap is geen optelsom van afzonderlijke competenties, maar een breed, geïntegreerd geheel dat vertrekt vanuit een brede professionaliteit. De nota houdt ook te weinig rekening met hedendaagse concepten als ‘samen opleiden’ en ‘dynamische schoolteams’ en met evoluties inzake het M-decreet en de hervorming van het deeltijds kunstonderwijs, duaal leren en het secundair onderwijs. Voorwaarden toelatingsproef Een verplichte niet-bindende toelatingsproef die tekorten moet detecteren bij instromende generatiestudenten, moet voor de Vlor aan enkele randvoorwaarden voldoen. Hij moet ingebed zijn in een degelijk onderbouwd studiekeuzetraject, mag enkel een niet-bindend karakter hebben, moet ondersteunend werken en geen studenten uitsluiten, moet voldoende sociaal neutraal of sociaal corrigerend zijn en moet goed gemonitord worden. Zij-instromers en CVO De conceptnota kondigt aan dat iedere lerarenopleiding zal moeten bestaan uit een traject voor zij-instromers en een traject voor (generatie)studenten. Dat betekent concreet dat de hogescholen de onderwijsbevoegdheid voor de zij-instroom zullen overnemen van de centra voor volwassenenonderwijs op hun vestigingsplaatsen. De conceptnota blijft echter verder nog zeer vaag over dat – nochtans cruciale - begrip ‘zij-instroom’. De Vlor vreest dat het onderscheid van de zij-instromers met ‘(generatie)studenten’ op termijn zal verdwijnen. Er zijn dan geen garanties meer dat de beoogde doelgroep van zij-instromers nog de weg naar de lerarenopleiding zal vinden. Die maatregel wijzigt ook grondig het landschap van aanbieders. De integratie van de specifieke lerarenopleiding van een centrum voor volwassenenonderwijs in een hogeschool impliceert meteen ook een samenwerking tussen de hogeschool en een universiteit. Dat is geen evidente keuze. Zo zullen universiteiten een beroep moeten doen op personeelsleden die niet bij hen in dienstverband zijn, maar terzelfdertijd wel verantwoordelijk zijn voor de kwaliteit van de opleiding.

17


In zijn advies vraagt de Vlor dan ook aan de overheid om meerdere organisatiemodellen uit te werken. Bachelors en masters Door alle lerarenopleidingen op bachelor- of masterniveau te brengen, kunnen ze transparanter en kwalitatiever worden. De Vlor heeft wel vragen bij de verhouding van de educatieve master voor de leraar secundair onderwijs tot de domeinmaster, studietoelagen en internationale bekendheid. De Vlor is ook tevreden dat de lerarenopleiding in de kunsten herdacht wordt met zowel een professionele bachelor als een educatieve master aan de ‘Schools of Arts’. Hij heeft echter bedenkingen over de verhouding met de studieomvang van andere opleidingen. Financiering De Vlor stelt ook de financiële haalbaarheid van de hervormingsoperatie in vraag. Er moeten heel wat nieuwe trajecten herdacht worden en gecreëerd worden en de overgangsmaatregelen zullen (extra) middelen vragen. Ook studiegelden en studiefinancieringsmechanismes moeten herbekeken worden in functie van nieuwe trajecten en alle doelgroepen. Lees hier het advies

‘De basiscompetenties en het beroepsprofiel actualiseren’ De conceptnota Lerarenopleiding voorziet geen grondige wijziging van het beroepsprofiel. De Vlor is het daar mee eens: het profiel voldoet aan de verwachtingen die de huidige maatschappij aan de leraar stelt en laat ruimte voor ontwikkelingen in de toekomst. De Vlor is ook tevreden dat de minister geen radicale aanpassingen aan de basiscompetenties ambieert. Hij pleit wel voor een versobering met basiscompetenties die generiek beschreven zijn die opleidingen beter in staat stellen om in te spelen op maatschappelijke ontwikkelingen. Binnen die basiscompetenties wil de minister beheersingsniveaus invoeren, met ook startcompetenties. De Vlor is het hier niet mee eens. Het diploma leraar moet net de startbekwaamheid garanderen, voor alle rollen en verantwoordelijkheden die in de basiscompetenties opgenomen zijn. Voor de Vlor zijn de basiscompetenties de startcompetenties van beginnende leraren. Verzorgende en verpleegkundige handelingen In de Vlor klonk het signaal dat het personeel van het basisonderwijs en secundair onderwijs regelmatig geconfronteerd wordt met de vraag van ouders of leerlingen om verzorgende en verpleegkundige handelingen uit te voeren bij leerlingen. Het gaat dan om het toedienen van medicatie, meten van de bloedsuikerspiegel, hulp bij voedseltoediening, ... Omdat daarvoor vandaag geen duidelijk juridisch kader bestaat, bracht de Vlor op eigen initiatief een advies uit waarin hij pleit om daarvoor een regeling uit te werken. Lees hier het advies

‘Een professionele, uitdagende en meer gevarieerde onderwijsloopbaan realiseren’ Als de overheid de instroom in de lerarenopleiding wil versterken, dan moet zij ook aandacht besteden aan het imago van het lerarenberoep ervan. Alleen de lerarenopleiding hervormen is niet voldoende. Positieve beeldvorming van het lerarenberoep via sensibiliseringscampagnes zijn hierin een eerste, noodzakelijke stap. Jongeren zullen pas de stap zetten naar de opleiding, als zij overtuigd zijn van de aantrekkelijkheid van het beroep.

18


De minister verschuift de discussie over de aantrekkelijkheid van het beroep naar het loopbaandebat, maar in realiteit zijn de twee dossiers met elkaar verbonden. Aantrekkelijke werken arbeidsvoorwaarden en een interessant loopbaanperspectief zijn essentieel om kandidaatleraren aan te trekken. Lees hier het advies

‘Een loopbaanlange professionalisering en ondersteuning van leraren realiseren’ In het najaar van 2015 organiseerde het Europees Netwerk voor Onderwijsraden in Dublin een conferentie over vormen van professionele ontwikkeling tijdens de loopbaan. Die leerde onder meer dat professionele ontwikkeling niet langer mag gezien worden in de enge betekenis: een verplicht aantal uren van formele ‘bijscholing’, georganiseerd ergens buiten de school. In tegendeel, meer en meer blijkt dat voortdurend samenwerkend leren binnen de school, formeel en niet formeel, de beste resultaten oplevert. Lees hier het verslag

19


Strategisch doel 3:

‘Onderwijsinstellingen versterken’ 1 ‘Het inschrijvingsbeleid vereenvoudigen en vernieuwen’ De Commissie Onderwijs van het Vlaams Parlement werkt aan een vereenvoudiging en vernieuwing van het inschrijvingsdecreet. In afwachting van een adviesvraag daarover, heeft de Vlor de stand van zaken bij deze besprekingen opgevolgd. Zo heeft de raad kennis genomen van de resultaten van het wetenschappelijk onderzoek over de effecten van het huidige inschrijvingsdecreet.

‘Een optimalisatie van het onderwijslandschap mogelijk maken’ Op het einde van het werkjaar ontving de Vlor een adviesvraag over de conceptnota bestuurlijke optimalisatie. Die bevat voorstellen voor het stimuleren van samenwerking tussen schoolbesturen. De bestuurlijke optimalisatie moet voordelen opleveren voor leerlingen, personeel, directies en schoolbesturen en kan bijdragen aan een hogere onderwijskwaliteit door een betere afstemming van het onderwijsaanbod, meer ruimte voor personeelsbeleid en onderwijskundig leiderschap, een betere ondersteuning van de directies en professionelere schoolbesturen. De Vlor zal daarover advies uitbrengen op 15 september 2016.

‘De werkingsmiddelen in het leerplichtonderwijs evalueren’ Debat verbreden Minister Crevits vroeg de Vlor om advies over het gebruik van de werkingsmiddelen in het leerplichtonderwijs naar aanleiding van de evaluaties van het Rekenhof en de KU Leuven. De Vlor verbreedde het debat naar de basisfinanciering en de gelijke behandeling van elk kind met dezelfde noden en gelijke middelen voor elke school in dezelfde situatie. De basisfinanciering van scholen volstaat niet om een school te organiseren. Bovendien zijn sommige scholen zo slecht of zo krap gehuisvest dat zij de werkingsmiddelen moeten gebruiken voor infrastructuur. De overheid moet ervoor zorgen dat er voldoende middelen zijn voor basisfinanciering en voor gebouwen. Scholen moeten de werkingsmiddelen op basis van leerlingenkenmerken kunnen gebruiken om de onderwijskwaliteit voor alle leerlingen te ondersteunen. De leerlingenkenmerken De Vlor blijft de keuze steunen om een deel van de werkingsbudgetten te berekenen op basis van leerlingenkenmerken. Op basis van objectieve gegevens moet er wel ruimte zijn voor discussie over de gehanteerde indicatoren (opleidingsniveau moeder, schooltoelage, thuistaal en buurt), het aantal leerlingenkenmerken, de manier waarop bepaald wordt of een leerling al dan niet aantikt op een leerlingenkenmerk en het gewicht van de leerlingenkenmerken bij de berekening van de werkingsbudgetten. Lees hier het advies

20


Besparingen in onderwijs In zijn advies over het programmadecreet bij de begrotingsopmaak 2016 toont de Vlor zich kritisch voor de besparingen in Onderwijs. De raad betreurt dat de diverse besparingsmaatregelen op de werkingsbudgetten van de onderwijsaanbieders in 2015 recurrent werden doorgetrokken naar 2016. De raad vreest ook dat de aangekondigde besparingen in het hoger onderwijs de integratiebeweging van de hogeschoolopleidingen in de universiteiten sterk zullen bemoeilijken. Lees hier het advies

‘Het aanbod en de financiering in het hoger onderwijs bijsturen’ Hbo5 Eind maart bracht de minister haar conceptnota 'Uitbouw van het hoger beroepsonderwijs' uit. De Vlor heeft van bij het begin sterk geloofd in het potentieel van het hoger beroepsonderwijs voor zowel studenten als voor de arbeidsmarkt. De raad is dan ook tevreden met het initiatief van de minister om hbo5 uit te bouwen tot een volwaardig onderwijsniveau en de doelgroep uit te breiden. In zijn advies over de conceptnota hbo5 formuleerde hij wel een aantal fundamentele bezorgdheden. Ook voor deeltijdse studenten?

De Vlor deelt de principes van de conceptnota dat hbo5 een aanbod moet uitteken voor zowel deeltijdse als voltijdse studenten. De raad vreest echter dat de regionale spreiding zal verminderen en de deeltijdse leerweg minder zal aangeboden worden, wat ten koste zou gaan van het bereiken van de dubbele doelgroep. Inkanteling in hogescholen?

Een aantal geledingen binnen de Vlor vindt een inkanteling van hbo5 in de hogescholen geen goed idee. Zij vinden dat de gelijkwaardige samenwerking tussen het volwassenenonderwijs en de hogescholen de beste garantie is om de dubbele doelgroep van hbo5 te bereiken. Andere geledingen zien dan weer voordelen in een inkanteling: meer slagkracht, kortere beslissingslijnen en een grotere transparantie van het aanbod. Indien de inkanteling er komt, vindt de Vlor dat er overgangsmaatregelen moeten komen voor de overheveling van tijdelijk onderwijzend personeel en het bestuurs- en administratief personeel. Ook moet hbo5 zijn eigenheid en troef kunnen behouden op vlak van levenslang leren en voorbereiding op de arbeidsmarkt. De Vlor ziet in de instellingsreview een instrument om dat te waarborgen. Toegankelijkheid

Dat hbo5-studenten ook toegang krijgen tot studentenvoorzieningen en studiefinanciering is een belangrijke drempel die wordt weggewerkt. Het is belangrijk dat daarbij rekening wordt gehouden met de behoeften van zowel voltijdse als deeltijdse studenten. Daarnaast pleit de Vlor voor een uniform systeem van studiegeld voor het hoger onderwijs, inclusief hbo5. De discussie over de hoogte van het vast gedeelte van het jaarlijkse studiegeld moet wel gevoerd worden omdat dit voor deeltijdse studenten van hbo5 zou leiden tot een verhoging van het studiegeld.

21


Financiering

Om hbo5 verder uit te bouwen, zal er bijkomend geïnvesteerd moeten worden. Net dat concreet financieel kader ontbreekt in de conceptnota. Daardoor vreest de raad dat de voorgestelde maatregelen leiden tot een verschuiving van middelen en doelgroep en dat het potentieel van hbo5 niet ten volle ontwikkeld wordt. Lees hier het advies Interdisciplinariteit De Vlor pleit al langer voor meer interdisciplinariteit in onderwijs en onderzoek. Complexe vraagstukken kunnen door interdisciplinaire kennis beter worden aangepakt, interdisciplinaire samenwerking leidt (soms) tot nieuwe concepten, modellen en methoden en kan nieuwe samenwerkingsverbanden, projecten en middelen opleveren. Op een studienamiddag verkende de raad enkele Nederlandse modellen die exacte en humane wetenschappen integreren (liberal arts colleges). Daarnaast bekeek hij in hoeverre het Vlaamse hoger onderwijs iets kan leren van het bedrijfsleven. Lees hier het verslag

‘Internationale ontwikkelingen vertalen in Vlaams onderwijsbeleid’ Trends Ook afgelopen werkjaar volgde de Vlor de internationale agenda op de voet. De impact van Europese en andere internationale instellingen op de onderwijspraktijk wordt immers steeds groter – denk maar aan dossiers zoals het terugdringen van de schooluitval, het talenbeleid, de basiscompetenties of de kwalificatiestructuren in het beroepsgericht onderwijs. De raad publiceert jaarlijks een uitgebreid rapport met de internationale ontwikkelingen die van invloed kunnen zijn op het Vlaamse onderwijsbeleid. Kernwoorden dit jaar zijn burgerschap en vaardigheden. Het valt op dat de uitdagingen rond vluchtelingen en migratie onverminderd hoog op de agenda blijven staan. Het debat wordt gevoerd over de bijdrage van onderwijs aan de opvang en integratie van migranten en de rol van het onderwijs om radicalisering van jongeren tegen te gaan, met nadruk op burgerschaps- en talenonderwijs en mediageletterdheid. Heel recent werd ook de nieuwe ‘Vaardighedenagenda’ gepubliceerd. Die agenda heeft voornamelijk een tewerkstellingsdimensie, maar onderwijs en vorming zijn zeker betrokken, met name door de voorstellen om de bestaande transparantie-instrumenten aan te passen (Europees Kwalificatie Raamwerk, Europass) en de voorstellen voor een ‘vaardigheidsgarantie’. Nieuwe prioriteiten voor Europese samenwerking Met ET 2020 legde de Europese Commissie de nieuwe prioriteiten vast voor Europese samenwerking in onderwijs en vorming. Die zijn nog steeds sterk bepaald door de maatschappelijke verwachtingen. Naast die van de arbeidsmarkt, komen daar nu ook heel wat verwachtingen bij op vlak van burgerschap. De Vlor pleit daarbij voor een subsidiaire benadering waarin maatschappelijke/Europese verwachtingen in balans zijn met de pedagogische opdrachten van het onderwijs. In zijn advies over het ET 2020-programma herhaalde de Vlor zijn bezorgdheid over de geringe betrokkenheid van stakeholders en van het middenveld bij de totstandkoming van Europese kaders voor samenwerking en bij de vertaling ervan op het Vlaamse niveau. Lees hier het advies

22


Moderniseringsagenda hoger onderwijs van de Europese Unie De Europese Unie wil instellingen hoger onderwijs en regionale en nationale overheden ondersteunen in het uitbouwen van effectieve onderwijssystemen. De ‘Agenda for the modernisation of Europe’s higher education systems’ zet de prioriteiten daartoe uit. Met een vernieuwde moderniseringsagenda wil de EU beter inspelen op de complexe en snel veranderende maatschappij van vandaag. De Vlor gaf de minister enkele aandachtspunten mee voor de gesprekken over de moderniseringsagenda op EU-niveau. De vernieuwde moderniseringsagenda moet een duidelijke visie bevatten op de rol die hoger onderwijs kan spelen in de aanpak van de wereldwijde uitdagingen waar onze maatschappij van vandaag mee geconfronteerd wordt. De raad hoopt ook dat de agenda niet meer, zoals de huidige agenda, zal vertrekken van een zeer instrumentalistische visie op hoger onderwijs. Uiteraard is het zo dat hoger onderwijs studenten moet voorbereiden op de arbeidsmarkt, maar de Vlor vindt het ook belangrijk dat zij een brede opleiding krijgen, zodat ze ingezet kunnen worden in sterk verschillende contexten. Verder moet de moderniseringsagenda kansengroepen een belangrijke plaats blijven geven, bewaken dat hoger onderwijs een publiek goed blijft, de erkenning van prior learning en buitenlandse diploma’s hoog op de agenda plaatsen en blijvend aandacht hebben voor mobiliteit van staf en studenten. Lees hier het advies Netwerk onderwijsraden Ook dit jaar was de Vlor een actief lid van EUNEC, het Europees netwerk van onderwijsraden. In het najaar van 2015 organiseerde EUNEC in Dublin een conferentie over ‘Leading teachers’ learning’. Die conferentie zoemde in op vormen van professionele ontwikkeling tijdens de loopbaan. Uit de conclusies blijkt dat professionele ontwikkeling niet langer mag gezien worden in de enge betekenis: een verplicht aantal uren van formele ‘bijscholing’, georganiseerd ergens buiten de school. In tegendeel, meer en meer blijkt dat voortdurend samenwerkend leren binnen de school, formeel en niet formeel, de beste resultaten oplevert. Ongeveer vijftig deelnemers, uit 14 lidstaten, kregen de kans om een schoolbezoek te brengen aan de Coláiste Bríde Clondalkin, en er in dialoog te gaan met de directie, de leraren en de leerlingen. Op 30 en 31 mei 2016 namen enkele vertegenwoordigers deel aan het Eunecseminarie over ’Governance in education’, in Amsterdam. Op basis van de insteek van een expertenpanel en van gesprekken met stakeholders tijdens een schoolbezoek, discussieerden de deelnemers uit 12 Europese landen over welke mechanismen van ‘governance’ meest efficiënt zijn in een complexe maatschappij.

23


‘Juridisering, regeldruk en planlast terugdringen’ Twistappels In het verlengde van een strategische verkenning over juridisering, verzamelden op donderdag 12 november 2015, 140 leerlingen, leerkrachten en schoolleiders voor een studievoormiddag over (anders) omgaan met conflicten op school in het secundair onderwijs. Zij deelden inzichten over gezag en jongeren in een postmoderne tijd. Enkele scholen en de Vlaamse Scholierenkoepel presenteerden in 12 werkwinkels hun aanpak van conflicten en inzichten over omgaan met leefregels en over evaluatiebeslissingen. Lees hier het verslag

24


Strategisch doel 4:

‘Werk maken van een Masterplan Scholenbouw’ In zijn voorafgaande aanbevelingen aan de huidige legislatuur had de Vlor de aanpak van het capaciteitsprobleem bovenaan op de lijst gezet. In zijn themafiche voor de onderhandelaars voor een nieuwe regering vroeg de Vlor om een dringende aanpak. In zijn advies over het masterplan scholenbouw heeft de Vlor vorig werkjaar al aangegeven welke cruciale lijnen het masterplan moet uitzetten en benoemde hij de prioriteiten en dringende capaciteitsnoden. Alternatieve financiering De vernieuwing van het verouderde scholenpatrimonium in Vlaanderen en een antwoord op het gebrek aan capaciteit blijven een topprioriteit voor de Vlor. Ondertussen werkte de Vlaamse regering een alternatieve manier uit om scholenbouw te financieren via projectspecifieke DBFMovereenkomsten. Die alternatieve financieringssystemen kunnen volgens de Vlor een oplossing zijn voor specifieke problemen, maar mogen niet gebeuren via formules die uiteindelijk op lange termijn een veelvoud zullen kosten van een reguliere financiering en subsidiëring. De overheid schuift zo de kostprijs door naar de toekomstige generaties en dat voor een zeer beperkte oplossing van een probleem dat ontstaan is door een gebrek aan geld. Bovendien bieden de DBFMprojecten slechts een antwoord op een fractie van de bestaande noden aan nieuwbouw. Zij zijn ook geen antwoord op de grote nood aan investeringen in de vernieuwing en modernisering van bestaande schoolgebouwen. Met het decreet voor de alternatieve financiering van schoolinfrastructuur via projectspecifieke DBFM-overeenkomsten, creëert de overheid de mogelijkheid om een kleinere, vereenvoudigde en meer projectspecifieke DBFM-operatie op te zetten waarbij lessen getrokken worden uit de ervaringen opgedaan in het DBFM-programma ‘Scholen van Morgen’. De Vlor pleit dan ook voor een grondige evaluatie van dat programma, alsook van de nieuwe werkwijze via projectspecifieke DBFM-overeenkomsten. Lees hier het advies Onteigeningen Sinds dit jaar is de bevoegdheid om te onteigenen, overgedragen naar de gewesten. Daarom werkte de Vlaamse regering een eigen regeling uit voor alle onteigeningen voor het algemeen nut. De Vlor signaleerde daarbij het – reeds langer bestaande - probleem dat van de verschillende onderwijsverstrekkers alleen de inrichtende machten van het vrij onderwijs niet bevoegd zijn om tot onteigening over te gaan. De raad signaleerde ook een probleem dat zich stelt wanneer een schoolbestuur zelf gedagvaard wordt bij een onteigening. Bij een geschil blijkt de termijn van de gerechtelijke fase soms te kort om het gedagvaard schoolbestuur dat onteigend wordt de kans te geven om zich voor te bereiden op het geding en de deskundigen bij de koepel of het GO! te raadplegen. Lees hier het advies

25


Strategisch doel 5:

‘Topkwaliteit realiseren’ Evaluatie kwaliteitszorg hoger onderwijs De overheid voorziet een decretale evaluatie van het nieuwe kwaliteitszorgstelsel voor het hoger onderwijs. Daarin gekeken worden naar de werking en de impact van het accreditatiestelsel en instellingsreview. De Vlor gaf advies over de aanpak die de minister begin juni 2016 voorstelde voor die decretale evaluatie. De Vlor is tevreden dat de overheid op een degelijke manier werk maakt van de evaluatie van de instellingsreviews. De eerste ronde van de instellingsreviews loopt vandaag in alle Vlaamse ambtshalve geregistreerde instellingen hoger onderwijs met het oog op het vastleggen van een definitief stelsel in 2018. Een evaluatie is belangrijk omdat ze bijsturingen kan opleveren die het systeem nog kunnen verbeteren. Een evaluatie die aantoont dat het systeem performant is, vergroot ook het draagvlak voor het systeem en de internationale geloofwaardigheid ervan. De timing van evaluatie en bijsturing is echter bijzonder krap. Daardoor loopt de evaluatie gelijktijdig met de uitrol van het systeem. De Vlor vindt dit een nadeel. De bevraging die voor de evaluatie gebruikt zal worden, focust vooral op het kwaliteitszorgstelsel en veel minder op het onderwijsbeleid (visie, strategisch beleid, etc.). De Vlor vindt dit een sterke verenging van de originele scope. Het is positief dat de overheid bij deze evaluatie zowel experten betrekt die het systeem van binnenuit beleefd hebben (evaluatiegroep), als externe experten (resonantiegroep). Op die manier wordt zowel een interne als een externe kijk meegenomen. De Vlor waarschuwt er echter wel voor dat deze tweetrapsevaluatie de procedure sterk verzwaart. Lees hier het advies

26


‘Aandacht voor transversaal beleid’ In haar beleidsnota 2014-2019 voegde de minister na haar strategische doelstellingen een extra punt toe over transversaal beleid. De Vlor is al langer voorstander van een breed transversaal beleid en pleit voor afstemming en transparantie in de verschillende beleidsdomeinen. De raad volgt dan ook de prioriteiten van de andere beleidsniveaus buiten Onderwijs. Het secretariaat screent jaarlijks alle beleidsbrieven van de Vlaamse regering zodat de Vlor-leden een overzicht krijgen van de beleidsprioriteiten die een mogelijke impact hebben op het onderwijsbeleid. Transversale beleidsnota De nota ‘Visie 2050. Een langetermijnstrategie voor Vlaanderen’ bevat een omgevingsanalyse van de internationale tendensen en megatrends, een toekomstvisie voor Vlaanderen en een overzicht van de zeven transitieprioriteiten waarop de Vlaamse regering wil inzetten om duurzame langetermijnoplossingen en systeeminnovaties te realiseren. Minister-president Geert Bourgeois vroeg aan de Vlor advies over die transversale beleidsnota. De raad schaarde zich daarin achter het voornemen van de regering om in te zetten op transversale samenwerking en afstemming over de beleidsdomeinen heen, maar had bedenkingen bij een te ambitieus tijdskader en bij de toekomstvisie waarin het technologische en economische aspect doorwegen ten koste van het sociale aspect. Voor de Vlor is het belangrijk dat onderwijs niet louter als een utilitaire voorbereiding op de arbeidsmarkt wordt gezien, maar als een essentieel onderdeel van de maatschappij. Onderwijs staat immers niet louter ten dienste van de andere beleidsdomeinen. Onderwijs is ook regisseur van de eigen activiteiten binnen een kader van autonomie en verantwoording. Onderwijs werkt aan persoonlijkheidsvorming, socialisatie en kwalificatie. Lees hier het advies De Vlor is tevreden dat er in de uiteindelijke versie van de transversale beleidsnota meer aandacht is gegaan naar persoonlijke ontwikkeling en kritisch denken, het aspect ‘solidaire maatschappij’ en aan samenwerking tussen de verschillende partners. Gelijke kansen De Vlor werd ook om advies gevraagd over de voorontwerpen van de horizontale beleidsplannen gelijke kansen en integratiebeleid van minister Liesbeth Homans. De raad bracht één advies uit over de twee beleidsplannen, onder meer en vooral omdat hij in zijn advieswerk steeds vertrekt vanuit een geïntegreerde visie op gelijke onderwijskansen. Onderwijs moet zich voortdurend afvragen welke groepen geen baat hebben bij een algemene aanpak en hoe die aanpak kan veranderen zodat meer kinderen, jongeren en volwassenen maximaal hun mogelijkheden kunnen ontplooien. Omgaan met diversiteit is inherent aan elke aanpak die iedereen optimale onderwijskansen biedt. De Vlor gaf daarbij ook zijn visie op transversaal beleid. Dat is per definitie een beleid dat verschillende beleidsdomeinen samen voeren. Het volstaat dus niet bestaand beleid te inventariseren. Zo verdwijnt de brede kijk en blijven de noden van doelgroepen van meerdere beleidsdomeinen buiten het vizier. Transversaal beleid gaat niet alleen over samenwerking tussen

27


verschillende beleidsdomeinen, maar ook over samenwerking tussen verschillende beleidsniveaus. Een hoger niveau moet niet uitvoeren, wat een lager niveau kan oplossen. Het lokaal niveau moet voldoende beleidsruimte krijgen om acties uit te voeren die passen in de lokale context van de verschillende betrokken beleidsdomeinen. De raad deed ook enkele suggesties voor acties die het beleidsdomein Onderwijs samen met andere beleidsdomeinen kan opzetten. Het gaat om acties die de participatie van kansengroepen aan onderwijs kunnen bevorderen, die de uitrol van het M-decreet kunnen ondersteunen, die kunnen bijdragen tot meer tewerkstellingskansen voor buso-leerlingen en die informatie zouden kunnen leveren voor de aanpak van segregatie in onderwijs. Lees hier het advies Opvang en vrije tijd van schoolkinderen De realiteit toont dat scholen op dit moment een belangrijke speler zijn in het aanbieden van opvang voor en na de schooltijd en op de middag. In zijn advies over de conceptnota waarin de minister van Welzijn de krachtlijnen uitzette voor een nieuwe organisatie voor de opvang en vrije tijd van schoolkinderen, toonde de Vlor zich dan ook ontgoocheld dat die nota volledig voorbijgaat aan de realiteit van buitenschoolse opvang door onderwijs en de daaraan gekoppelde zorgen en vragen van de onderwijssector. Middelen die voor onderwijs bestemd zijn, zouden niet mogen ingezet worden voor het organiseren van buitenschoolse opvang. De maatschappelijke nood aan buitenschoolse opvang maakt echter structurele oplossingen noodzakelijk. De Vlor vraagt daarom dat de Vlaamse regering gezamenlijk haar verantwoordelijkheid neemt, qua omkadering Ên werkingskosten (vaste kosten, energie, materialen, ‌) van de opvang. De raad vraagt ook dat de onderwijspartners verder meegenomen worden als een volwaardige gesprekspartner in het overleg en de beleidsvoorbereiding over buitenschoolse kinderopvang. Lees hier het advies

28


Overig advieswerk van de Vlor 1 Onderwijsonderzoek Een evidence based onderwijsbeleid integreert de resultaten van wetenschappelijk onderzoek meer en beter in de beleidsvoorbereiding. Dat sluit aan bij de internationale tendens waarin zowel de OESO als de Europese Unie pleiten voor een sterkere wisselwerking tussen onderzoeksgegevens over het functioneren van het onderwijssysteem en het onderwijsbeleid. De overheid hertekende het kader voor het onderwijsonderzoek. Binnen het kennisbeleid van het departement Onderwijs is het OBPWO-onderzoek voortaan ingebed in het steunpunt beleidsgericht onderwijsonderzoek. De Vlor gaf advies over de themazetting van dat op te richten universitair steunpunt onderwijsonderzoek. De Vlor mist echter duidelijkheid over het lot van praktijkgericht onderzoek. In de herschikking van het onderzoek is deze beleidslijn niet terug te vinden, hoewel de minister in haar beleidsnota en brieven een herschikking daarvan heeft aangekondigd. Lees hier het advies

Onderwijsaanbod en -organisatie Omwille van zijn unieke samenstelling maken onder meer alle onderwijsverstrekkers deel uit van de Vlor. Om die reden gaf de decreetgever de opdracht aan de Vlor om te overleggen en advies te verlenen over nieuw en bijkomend onderwijsaanbod in de verschillende onderwijsniveaus. De onderwijsverstrekkers overleggen eerst onderling over de oprichting van nieuw en bijkomend aanbod. In de uiteindelijke adviesverlening worden ook de andere stakeholders binnen de Vlor betrokken.

Buitengewoon onderwijs Als gevolg van het M-decreet is de bevoegdheid van de Vlor voor overleg en advies over nieuw en bijkomend onderwijsaanbod uitgebreid met de programmatieaanvragen in het buitengewoon onderwijs. De Vlor ontving van 27 scholen secundair onderwijs een programmatieaanvraag voor een nieuwe school, voor een nieuw type van een bestaande opleidingsvorm of voor een nieuwe opleidingsvorm. Bij de advisering hanteerde de raad beoordelingscriteria op basis van administratieve voorschriften, omgevingsanalyse, expertise en professionalisering, infrastructuur en materiële voorzieningen. De raad ontving 13 programmatieaanvragen voor de oprichting van nieuwe types in scholen voor buitengewoon basisonderwijs. Hij gaf advies op basis van volgende beoordelingscriteria: administratieve voorschriften, omgevingsanalyse, expertise en professionalisering, infrastructuur en materiële voorzieningen.

Secundair onderwijs Dit werkjaar beraadde de Vlor zich twee maal over programmatieaanvragen voor het voltijds secundair onderwijs voor het schooljaar 2016–2017. Eenmaal in januari en, ingevolgde de

29


wijziging van de regelgeving, een tweede keer in april. In januari beoordeelde de Vlor 19 aanvragen op basis van de oude regelgeving en de criteria die hij ook de voorbije werkjaren had gebruikt. In april ontving de raad een nieuwe adviesvraag, die hij moest beoordelen op basis van de nieuwe regelgeving. Die adviesvraag bevatte twee reeksen van dossiers: aanvragen op basis van studiecontinuĂŻteit en aanvragen voor programmatie van een nieuw structuuronderdeel op basis van inruil waarbij een bestaand structuuronderdeel gelijktijdig wordt opgeheven. Bekijk hier de programmatiecriteria

De Vlor beoordeelde ook een aanvraag voor de erkenning en programmatie van een nieuw structuuronderdeel in de tweede graad in het tso: Productontwerpen. Op basis van de beoordelingscriteria gaf de raad een ongunstig advies over de erkenning, wat de vraag naar een advies over de programmatie zinledig maakte. De raad gaf ook een positief advies over 28 programmatieaanvragen voor een onthaaljaar voor anderstalige nieuwkomers (zie pagina 15).

Volwassenenonderwijs Opleidingsprofielen In de modulaire onderwijsorganisatie werkt ook het volwassenenonderwijs met opleidingsprofielen. Die omvatten, naast de benaming en het volume van de opleiding, ook de basiscompetenties. In de opleidingsprofielen zijn ook de modules en leertrajecten opgenomen. De Vlor adviseert de eindvoorstellen op basis van een algemeen toetsingskader en specifieke beoordelingscriteria zoals de interne samenhang van het opleidingsaanbod, gedragenheid en de relatie tot de arbeidsmarkt of tot andere relevante maatschappelijke ontwikkelingen. Bij de advisering van die opleidingsprofielen wordt systematisch gekeken naar de beroepsprofielen of andere relevante referentiekaders en wordt hierover overlegd met de betrokken sectoren. De Vlor gaf op 19 november 2015 een gunstig advies voor voorstellen van opleidingsprofielen in de studiegebieden Auto, Handel, ICT en Voeding en op 19 april 2016 voor de voorstellen van opleidingsprofielen in de studiegebieden Handel, Algemene Vorming en Mechanica – Elektriciteit. Onderwijsbevoegdheid Indien een centrum voor volwassenenonderwijs daartoe de onderwijsbevoegdheid heeft, kan het opleidingen organiseren die behoren tot de studiegebieden van het secundair volwassenenonderwijs of de specifieke lerarenopleiding. Dat laat de centra toe in te spelen op nieuwe opleidingsbehoeften. De Vlor beoordeelde op 19 november 2015 28 van die aanvragen, en 80 aanvragen op 15 maart 2016.

Afwijkingen programmatiestop dko Sinds het schooljaar 2011-2012 geldt in het deeltijds kunstonderwijs een programmatiestop. Academies kunnen in uitzonderlijke gevallen daarop een afwijking krijgen. Ze moeten daarvoor een gemotiveerde aanvraag indienen bij het Agentschap voor Onderwijsdiensten (AgODi). De Vlor bracht dit jaar over 114 van die aanvragen tot afwijking zijn advies uit. Hij hanteerde daarvoor de vastgelegde criteria en kaartte daarbij de nood aan voor verzachtende maatregelen in programmatiestop, aangezien die al 4 jaar van kracht is.

30


BIJLAGEN

31


32


Jaarverslag 2015-2016 Bijlage 1

DE DECRETALE BASIS Decreet betreffende participatie op school en de Vlaamse Onderwijsraad van 2 april 2004 Edulex 07-07-2015 (datum laatste wijziging: 01/09/2014) – artikels 67 t.e.m. 97 Decreet tot regeling van de strategische adviesraden van 18 juli 2003 bepalingen die van toepassing zijn op de Vlor: Art. 7. Ten hoogste tweederde van de leden van een strategische adviesraad is van hetzelfde geslacht. Telkens wanneer in een strategische adviesraad één of meer mandaten ten gevolge van een voordrachtprocedure te begeven zijn en de voorgedragen kandidaturen het niet mogelijk maken om te voldoen aan de verplichting vermeld in artikel 7, eerste lid, moet de voordrachtprocedure hernomen worden. In voorkomend geval moeten de voordragende instanties die geen kandidaat van het ondervertegenwoordigde geslacht hadden voorgedragen, een extra kandidaat voordragen die van het ondervertegenwoordigde geslacht is.1 Art. 9. Leden van strategische adviesraden worden door de Vlaamse Regering ontslagen, op eigen verzoek of om ernstige redenen. Art. 10. De Vlaamse Regering stelt de presentiegelden en de vergoedingen van de leden van strategische adviesraden vast. Art. 11. Een strategische adviesraad regelt zijn interne werking en kan ter voorbereiding van adviezen werkcommissies instellen. Art. 12. Een strategische adviesraad beschikt over een eigen secretariaat dat onder het gezag van de strategische adviesraad wordt geleid door een secretaris. Het in het vorige lid vermelde secretariaat staat in voor de administratieve, logistieke en inhoudelijke ondersteuning van de strategische adviesraad. De regeling van de rechtspositie van het personeel van het secretariaat wordt vastgesteld door de Vlaamse Regering. Art. 15. § 1. De Vlaamse Regering stelt de strategische adviesraad uit eigen beweging of op zijn verzoek alle informatie ter beschikking die noodzakelijk is voor de adviesopdracht. De structurele informatie-uitwisseling tussen de Vlaamse Regering en de strategische adviesraad wordt veruitwendigd in een protocol tussen de beleidsraad en de strategische adviesraad. § 2. Een strategische adviesraad kan de personeelsleden van de departementen en agentschappen van de Vlaamse overheid verzoeken om de nodige technische toelichting te verschaffen. Art. 16. § 1. In afwijking van artikel 11 beraadslaagt een strategische adviesraad collegiaal over de uit te brengen adviezen, volgens de procedure van de consensus. Als geen consensus kan worden bereikt, wordt gestemd en wordt de stemmenverhouding in het advies vermeld. Er kan een minderheidsnota aan het advies worden toegevoegd. § 2. De adviezen worden in de regel verstrekt binnen een termijn van dertig dagen na de datum van de ontvangst van de adviesaanvraag. In geval van spoed, die met redenen wordt omkleed, kan de Vlaamse Regering de termijn inkorten zonder dat hij minder dan tien werkdagen mag bedragen. Art. 17. Strategische adviesraden kunnen onderling samenwerken en gezamenlijk advies uitbrengen.

1

Wijziging via Decreet houdende de bevordering van een meer evenwichtige participatie van vrouwen en mannen in advies- en bestuursorganen van de Vlaamse Overheid, 13 juli 2007 (BS 6/08/2007)

33


Art. 19. Een strategische adviesraad brengt elk jaar verslag uit van zijn werkzaamheden. Dit jaarverslag wordt voor 15 mei van het volgende jaar gezonden aan de Vlaamse Regering en aan het Vlaams Parlement.2

2

Voor de Vlor is hierop een uitzondering toegestaan via onderwijsdecreet XVII zodat hij zijn jaarverslag verder per schooljaar kan uitbrengen.

34


Jaarverslag 2015-2016 Bijlage 2

SPECIFIEKE BEVOEGDHEDEN Wet van 6 juli 1970 op het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs Art. 20. Volgens door de Vlaamse Regering per type van buitengewoon onderwijs en per onderwijsniveau, op advies [van de bevoegde afdelingen voor het buitengewoon onderwijs van de Vlaamse Onderwijsraad vast te stellen regelen, neemt de Vlaamse Regering te zijnen laste de reiskosten van de gehandicapten, die zich van hun verblijfplaats, tehuis of pleeggezin naar de dichtstbijzijnde inrichting, school of afdeling of het dichtstbijzijnde instituut voor buitengewoon onderwijs waar onderwijs verstrekt wordt waarvoor zij geschikt werden verklaard, en dit binnen een groepering naar keuze of van hun verblijfplaats naar het tehuis, instituut of pleeggezin]² begeven, alsmede de kosten van de terugreis, zulks gedurende de gehele tijd dat zij buitengewoon onderwijs volgen. Onder groepering dient te worden verstaan: een indeling van scholen en vestigingsplaatsen in het buitengewoon basisonderwijs en het buitengewoon secundair onderwijs, naargelang ze behoren tot het gemeenschapsonderwijs, het gesubsidieerd officieel onderwijs, het gesubsidieerd vrij onderwijs naargelang van de onderscheidene godsdiensten, of het gesubsidieerd vrij nietconfessioneel onderwijs. Decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs, II zoals gewijzigd Art. 93quater. In afwijking van artikel 93bis en artikel 93ter, § 1 tot en met § 6, kunnen vanaf het schooljaar 2011-2012]] geen nieuwe instellingen voor deeltijds kunstonderwijs en kunstacademies worden opgericht. In afwijking van deze bepaling kan de Vlaamse Regering in uitzonderlijke gevallen aan een inrichtende macht toelating geven tot programmatie van een instelling of een kunstacademie: 1° na schriftelijke en gemotiveerde aanvraag van die inrichtende macht, ingediend bij het Agentschap voor Onderwijsdiensten uiterlijk op 30 november van het voorafgaand schooljaar en vergezeld van het protocol van de onderhandeling ter zake in het bevoegd lokaal comité, en 2° na advies van enerzijds de Vlaamse Onderwijsraad en anderzijds het Agentschap voor Onderwijsdiensten en de Inspectie. Art. 97 bis. § 3. De inrichtende macht van een instelling voor deeltijds kunstonderwijs dat van het Samenwerkingsforum een negatief advies heeft verkregen, kan bij de Vlaamse Regering de programmatie aanvragen. Het advies uitgebracht door het Samenwerkingsforum geldt dan als advies aan de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering zal, voorafgaandelijk aan het nemen van een beslissing, het advies van de Vlaamse Onderwijsraad inwinnen. De Vlaamse Regering kan de aangevraagde programmatie uitsluitend weigeren of verlenen bij een met redenen omklede beslissing. Art. 100 octies. De specifieke eindtermen worden vastgelegd door het Vlaams Parlement bij wijze van bekrachtiging van een besluit van de Vlaamse Regering, genomen op advies van de Vlaamse Onderwijsraad. Besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 houdende organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichting "Beeldende kunst" Art. 43. § 2. De Vlaamse Regering beslist over de goedkeuring tot programmatie van instellingen als vermeld in paragraaf 1, op advies van de Vlaamse onderwijsraad en de inspectie van het Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming. Het advies van de inspectie dient uit te gaan van de mogelijkheden van de inrichtende macht in kwestie op het vlak van infrastructuur, leermiddelen en goedgekeurde leerplannen. § 2 bis. De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, beslist over de goedkeuring tot programmatie van studierichtingen, filialen en graden als vermeld in paragraaf 1, op advies van de Vlaamse

35


Onderwijsraad en van de bevoegde administratie en inspectie van het Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming. Elk advies als vermeld in het eerste lid, moet gebaseerd zijn op de volgende criteria: 1° de behoeften; 2° de rationele spreiding; 3° de mogelijkheden van de instelling in kwestie op het vlak van infrastructuur, leermiddelen en goedgekeurde leerplannen. Art. 46. De programmatie is bovendien onderworpen aan volgende voorwaarden en beperkingen: 1° een advies van de Vlaamse Onderwijsraad; 2° de programmatienorm voor een nieuwe instelling is gelijk aan 300 % van haar rationalisatienorm, vastgesteld in artikel 39 van dit besluit; Art. 48. § 1. Een instelling die alleen de lagere en de middelbare graad organiseert kan de hoger graad oprichten bij wijze van programmatie onder de volgende voorwaarden: 1° de instelling bereikt haar rationalisatienorm; 2° een advies van de Vlaamse Onderwijsraad; 3° het bereiken van de programmatienorm in elk schooljaar van de periode van de oprichting, in verhouding tot het aantal opgerichte leerjaren. Het laatste schooljaar waarin de programmatienorm bereikt moet worden, is het schooljaar waarin voor het eerst het hoogste leerjaar georganiseerd wordt. Vanaf het daarop volgende schooljaar geldt de rationalisatienorm. De programmatienorm voor de volledige hogere graad is gelijk aan 200 % van de rationalisatienorm. Art. 49 ter. In afwijking van artikel 4, artikel 43, § 2, § 2bis en § 7, artikel 44, § 1 tot en met § 1undecies, artikel 45 en artikel 48, § 1, kunnen vanaf het schooljaar 2011-2012 in het deeltijds kunstonderwijs geen nieuwe instellingen, filialen, studierichtingen, hogere graden en opties in de financierings- of subsidieregeling opgenomen worden, dan diegene die op 30 juni van het voorafgaande schooljaar reeds opgenomen waren. In afwijking van deze bepaling kan de Vlaamse Regering in uitzonderlijke gevallen aan een inrichtende macht toelating geven tot programmatie van een instelling, filiaal, studierichting, hogere graad of optie: 1° na schriftelijke en gemotiveerde aanvraag van die inrichtende macht, ingediend bij het Agentschap voor Onderwijsdiensten vóór 1 maart van het voorafgaand schooljaar en vergezeld van het protocol van de onderhandeling ter zake in het bevoegd lokaal comité, en 2° na advies van enerzijds de Vlaamse Onderwijsraad en anderzijds het Agentschap voor Onderwijsdiensten en de Inspectie Besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 houdende organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichtingen "Muziek", “Woordkunst” en "Dans" Art. 52. § 1. De programmatie wordt toegepast op instellingen, filialen, studierichtingen en graden. Ze regelt de oprichting van instellingen, filialen, studierichtingen en graden. § 2. De Vlaamse Regering beslist over de goedkeuring tot programmatie van instellingen als vermeld in paragraaf 1, op advies van de Vlaamse Onderwijsraad en de inspectie van het Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming. Het advies van de inspectie dient uit te gaan van de mogelijkheden van de inrichtende macht in kwestie op het vlak van infrastructuur, leermiddelen en goedgekeurde leerplannen. § 2 bis. De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, beslist over de goedkeuring tot programmatie van studierichtingen, filialen en graden, als vermeld in paragraaf 1, op advies van de Vlaamse Onderwijsraad en van de bevoegde administratie en inspectie van het Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming. Elk advies als vermeld in het eerste lid, moet gebaseerd zijn op de volgende criteria: 1° de behoeften; 2° de rationele spreiding;

36


Jaarverslag 2015-2016 Bijlage 2 3° de mogelijkheden van de instelling in kwestie op het vlak van infrastructuur, leermiddelen en goedgekeurde leerplannen. § 3. Voor de toepassing van de programmatienorm van een instelling, filiaal, studierichting of graad in een bepaald schooljaar komen alleen de financierbare leerlingen, die geteld werden op 1 oktober van dat schooljaar, in aanmerking. Art. 54. § 3. De programmatie van een instelling is bovendien onderworpen aan volgende voorwaarden en beperkingen: 1° een advies van de Vlaamse Onderwijsraad; 2° de programmatienorm voor een nieuwe instelling is gelijk aan 300 % van haar rationalisatienorm, vastgesteld in artikel 47 van dit besluit; Art. 56. De programmatie van een studierichting is onderworpen aan volgende voorwaarden: … 2° een advies van de Vlaamse Onderwijsraad; Art. 57. § 1. Een instelling die alleen de lagere en de middelbare graad organiseert, kan de hogere graad oprichten bij wijze van programmatie onder de volgende voorwaarden: … 2. een advies van de Vlaamse Onderwijsraad; Art. 57 ter. In afwijking van artikel 5, artikel 52, § 2, § 2bis en § 7, artikel 53, § 1 tot en met § 1septies, artikel 54 en artikel 57, § 1, kunnen vanaf het schooljaar 2011-2012 in het deeltijds kunstonderwijs geen andere instellingen, filialen, studierichtingen, hogere graden en opties in de financierings- of subsidieregeling opgenomen worden, dan diegene die op 30 juni van het voorafgaande schooljaar reeds opgenomen waren. Instellingen die in één of meer van hun opties het vak instrument, instrument/jazz en lichte muziek of instrument/volksmuziek organiseren, kunnen in afwijking van artikel 6, § 1, 2° tot en met 4°, in de gelijknamige vakken geen instrumenten aanbieden die zij nog niet aanboden op 30 juni van het voorafgaande schooljaar. In afwijking van deze bepaling kan de Vlaamse Regering in uitzonderlijke gevallen aan een inrichtende macht toelating geven tot programmatie van een instelling, filiaal, studierichting of hogere graad, de oprichting van een optie of het aanbieden van een bijkomend instrument in het vak instrument, instrument/jazz en lichte muziek of instrument/volksmuziek: 1° na schriftelijke en gemotiveerde aanvraag van die inrichtende macht, ingediend bij het Agentschap voor Onderwijsdiensten vóór 1 maart van het voorafgaand schooljaar en vergezeld van het protocol van de onderhandeling ter zake in het bevoegd lokaal comité, en 2° na advies van enerzijds de Vlaamse Onderwijsraad en anderzijds het Agentschap voor Onderwijsdiensten en de Inspectie. Besluit van de Vlaamse Regering van 7 september 1994 tot regeling van de procedure voor de projecten van het onderwijskundig beleids- en praktijkgericht wetenschappelijke onderzoek Art. 4. De minister bepaalt jaarlijks, na advies van de Vlaamse Onderwijsraad over deze thema's, de prioritaire onderzoeksthema's. Decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs Art. 44. § 1 § 1. De ontwikkelingsdoelen voor het gewoon kleuteronderwijs, eindtermen voor het gewoon lager onderwijs en ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs worden vastgelegd door het

37


Vlaams Parlement bij wijze van bekrachtiging van een besluit van de Vlaamse regering, genomen op advies van de Vlaamse Onderwijsraad. Art. 111. §4 §4 De oprichting vanaf 1 september van een nieuw type kan pas na een gunstige beslissing van de regering. Het schoolbestuur stuurt daartoe uiterlijk op 30 november van het voorafgaande schooljaar een gemotiveerde aanvraag met het oprichtingsdossier aan AgODi, dat de aanvraag voor administratieftechnisch en inhoudelijk advies aan de Vlaamse Onderwijsraad bezorgt. Decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding Art. 96. § 3 De thema's waarop het kwaliteitsbeleid van het centrum zich richt, worden vastgelegd in het kwaliteitshandboek. § 2. Het centrum bepaalt de eigen thema's waarop het kwaliteitsbeleid zich richt. Die thema's hebben betrekking op één van beide elementen, genoemd in artikel 95, eerste lid. § 3. De regering kan zelf een aantal thema's bepalen. Zij doet dit, al naargelang van het thema, na advies van de Vlaamse Onderwijsraad. Ministerieel besluit van 16 mei 1999 tot bepaling van de voorwaarden voor de aanvraag van een programmatie in het deeltijds kunstonderwijs en de behandeling ervan, de voorwaarden voor de melding van een structuurwijziging in het bestaande studieaanbod in het deeltijds kunstonderwijs en de infrastructuurvereisten voor de studierichting “Dans” in het deeltijds kunstonderwijs Art. 16. § 1-3 § 1. Een bundel bestaande uit de aanvraag en het beoordelingsverslag van de inspectie en administratie wordt uiterlijk op 30 april voor advies voorgelegd aan de Vlaamse Onderwijsraad. § 2. De Vlaamse Onderwijsraad formuleert voor elke ontvankelijke programmatieaanvraag een advies, dat minimaal uitgaat van de criteria die de Vlaamse regering daartoe bepaald heeft. De adviezen moeten uiterlijk op 20 mei toekomen bij de bevoegde administratie. § 3. De bevoegde administratie legt de volledige bundel bestaande uit de aanvraag, het beoordelingsverslag van de inspectie en administratie en het advies van de Vlaamse Onderwijsraad voor aan de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs. § 4. De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, deelt vóór 30 juni zijn beslissing over de aanvraag aan de betrokken inrichtende macht mee. § 5. In afwijking van § 1, wordt voor de behandeling van programmatieaanvragen voor het schooljaar 19992000 de datum 30 april vervangen door 10 mei. Decreet van 30 april 2004 betreffende het verwerven van een titel van beroepsbekwaamheid Art. 6. De procedure tot het bekomen van een titel van beroepsbekwaamheid kan worden opgestart indien de volgende stappen werden voltooid: 1° de Vlaamse Regering bepaalt, na advies van de SERV, de beroepen waarvoor een titel van beroepsbekwaamheid kan worden uitgereikt; 2° de Vlaamse Regering bepaalt per beroep, bedoeld in 1°, na advies van de SERV, de varianten van een titel van beroepsbekwaamheid; 3° de SERV werkt, op verzoek van de Vlaamse Regering, voor de beroepen, bedoeld in 1°, de [beroepscompetentieprofielen of competentieprofielen]² uit; 4° [de SERV ontwikkelt op basis van de [[beroepscompetentieprofielen of competentieprofielen]], de standaarden. Een standaard wordt afgeleid uit een [[beroepscompetentieprofiel of competentieprofiel]] en omvat de selectie van competentievereisten die noodzakelijk worden geacht voor de uitoefening van een bepaald beroep. De Vlaamse Regering bepaalt, na advies van de SERV de standaarden;]¹

38


Jaarverslag 2015-2016 Bijlage 2 5° de Vlaamse Regering bepaalt, na advies van de SERV en VLOR, de procedure op basis waarvan studiebewijzen van opleidings- en onderwijsprogramma's die overeenstemmen met de competenties verbonden aan een beroep of deel van een beroep, geïdentificeerd en erkend worden en dus beschouwd worden als een titel van beroepsbekwaamheid. Art. 9. § 4. De Vlaamse Regering benoemt de voorzitter, bijzitters en deskundigen van de beroepscommissie na advies van de SERV en de Vlor. Decreet van 9 december 2005 betreffende de organisatie van tijdelijke projecten in het onderwijs Art. 6. § 1. Op tijdelijke projecten die in werking treden uiterlijk 31 maart 2007 zijn de hiernavolgende evaluatiebepalingen van toepassing. Tijdens hun looptijd worden de tijdelijke projecten geëvalueerd. De Vlaamse Regering bepaalt de opzet van die evaluatie op basis van de specificiteit van het tijdelijke project. Als een project verband houdt met het leerproces, voert de onderwijsinspectie de evaluatie uit. Voor elk ander tijdelijk project wijst de Vlaamse Regering de instantie aan die met de evaluatie wordt belast. De Vlaamse Onderwijsraad, de representatieve verenigingen van de schoolbesturen of inrichtende machten, de pedagogische begeleidingsdiensten en de representatieve vakorganisaties worden betrokken bij de diverse stadia van het evaluatieproces en bij de besluitvorming op basis van de evaluatieresultaten. De Vlaamse Regering bepaalt, in functie van het tijdelijke project, welke van desbetreffende geledingen betrokken worden evenals de wijze waarop dit gebeurt. De resultaten van de evaluatie worden geformuleerd in een advies aan de Vlaamse Regering dat voorgelegd wordt aan het Vlaams Parlement. De Vlaamse Regering beslist, op basis van het advies, over de voortgang of beëindiging van de tijdelijke projecten en eventueel, in het geval van beëindiging gevolgd door een organieke implementatie, over invoering van aanvullende structurele financiering of subsidiering. Besluit van de Vlaamse Regering van 9 februari 2007 betreffende de organisatie van tijdelijke projecten voor de Opleiding voor Opleiders van Volwassenen Art. 13. § 2. De Vlaamse Onderwijsraad wordt op regelmatige tijdstippen geïnformeerd over de voortgang van de tijdelijke projecten. Decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, zoals gewijzigd Art. 10. De Vlaamse Regering kan hetzij op eigen initiatief hetzij op voordracht van [het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs, vermeld in artikel 43, en de pedagogische begeleidingsdiensten die een subsidie ontvangen op basis van artikel 28 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, experimenteel nieuwe leergebieden voor de basiseducatie of nieuwe studiegebieden voor het secundair volwassenenonderwijs erkennen. Voor een experimenteel nieuw leergebied voor de basiseducatie kent de Vlaamse Regering een deler toe als vermeld in artikel 85, § 2. Voor een experimenteel nieuw studiegebied voor het secundair volwassenenonderwijs kent de Vlaamse Regering een deler toe als vermeld in artikel 98, § 1. De experimenteel erkende leergebieden of studiegebieden worden uiterlijk na vijfjaar door het Vlaams Parlement aan de leergebieden en studiegebieden, vermeld in artikelen 6 of 7, toegevoegd of jaar na jaar opgeheven. De toevoeging of opheffing gebeurt op basis van een advies van de Vlaamse Onderwijsraad en een evaluatie uitgevoerd door een door de Vlaamse Regering samengestelde commissie. Art. 11. § 1. De eindtermen en de specifieke eindtermen worden vastgelegd door het Vlaams Parlement bij wijze

39


van bekrachtiging van een besluit van de Vlaamse Regering, genomen op advies van de Vlaamse Onderwijsraad. Art. 18. § 1. Het beroepsprofiel van de leraar is de omschrijving van de kennis, vaardigheden en attitudes van de leraar bij zijn beroepsuitoefening. Het beroepsprofiel bevat de taken die een ervaren leraar verricht en zal verrichten in het licht van maatschappelijke en andere ontwikkelingen, zoals de grootstedelijke context, de taalvaardigheid in het Nederlands, de meertaligheid en de diversificatie van het onderwijsgebeuren. De Vlaamse Regering bepaalt het beroepsprofiel van de leraar op advies van de Vlaamse Onderwijsraad. De Vlaamse Regering legt het besluit binnen de zes maand na definitieve goedkeuring ter bekrachtiging voor aan het Vlaams Parlement. Indien het Vlaams Parlement dit besluit niet bekrachtigt binnen de zes maanden na de definitieve goedkeuring, houdt het op rechtskracht te hebben. § 2. De basiscompetenties van de leraar zijn de omschrijving van de kennis, vaardigheden en attitudes, waarover iedere afgestudeerde moet beschikken om op een volwaardige manier als beginnend leraar te kunnen fungeren. De basiscompetenties stellen de leraar in staat door te groeien naar het beroepsprofiel en worden rechtstreeks afgeleid van het beroepsprofiel. De Vlaamse Regering bepaalt de basiscompetenties van de leraar op advies van de Vlaamse Onderwijsraad. Art. 24 § 1. Op voordracht van [het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs, vermeld in artikel 43, en de pedagogische begeleidingsdiensten die een subsidie ontvangen op basis van artikel 28 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs]4 en na advies van de Vlaamse Onderwijsraad bepaalt de Vlaamse Regering de opleidingsprofielen van de opleidingen van de leergebieden, vermeld in artikel 6, en de studiegebieden, vermeld in artikel 7. Een opleidingsprofiel omvat ten minste: 1° het minimale aantal lestijden van een opleiding; 2° het aantal modules; 3° het aantal lestijden per module dat in aanmerking genomen wordt voor de berekening van de financiering; 4° de verdeling van de eindtermen, de specifieke eindtermen, erkende beroepskwalificaties¹ of basiscompetenties over de modules binnen een opleiding; [5° als de modules in sequentieel verband dienen te staan, de volgorderelatie van de modules.]³ § 1bis. Een opleidingsprofiel, zoals bedoeld in § 1, kan geletterdheidsmodules of uitbreidingsmodules omvatten. Een uitbreidingsmodule is een module die inspeelt op een vraag naar een specifieke uitbreiding van competenties van een bepaalde beroepsopleiding. Een geletterdheidsmodule is een module die inspeelt op een specifieke vraag naar geletterdheidscompetenties in functie van een beroepssituatie of een inhoudelijk aansluitende opleiding. Een uitbreidingsmodule dient in sequentieel verband te staan met de aansluitende beroepsopleiding. § 2. De Vlaamse Regering kan voor bijzondere doelgroepen afwijken van het in § 1, 1°, bedoelde minimale aantal lestijden van een opleiding. § 3. De Vlaamse Regering bepaalt de procedure en de criteria om tot opleidingsprofielen te komen. Art. 62 bis. In afwijking van artikel 62, kan de Vlaamse Regering aan een Centrum voor Basiseducatie onderwijsbevoegdheid toekennen voor de opleiding Nederlands tweede taal richtgraad 1 van het studiegebied Nederlands tweede taal van het secundair volwassenenonderwijs, op voorwaarde dat de hoofdvestigingsplaats van een Centrum voor Volwassenenonderwijs dat beschikt over een wachtlijst, zoals bedoeld in artikel 37, eerste lid, voor deze opleiding gelegen is in het werkingsgebied van het consortium volwassenenonderwijs waartoe het betrokken Centrum voor Basiseducatie behoort. De Vlaamse Regering zal voorafgaandelijk aan het nemen van een beslissing, het advies van de Vlaamse Onderwijsraad en van de algemene vergadering van het betreffende consortium volwassenenonderwijs inwinnen. De algemene vergadering van het consortium volwassenenonderwijs is gehouden het advies binnen de dertig kalenderdagen na de datum van de ontvangst van de adviesaanvraag aan de Vlaamse Regering bekend te maken.

40


Jaarverslag 2015-2016 Bijlage 2 De onderwijsbevoegdheid wordt toegekend voor twee schooljaren en kan met twee schooljaren verlengd worden na een evaluatie door de bevoegde administratie. De in het eerste lid bedoelde opleiding wordt ingedeeld in het leergebied Nederlands tweede taal van de basiseducatie. Art. 64 § 1. Het bestuur van een Centrum voor Volwassenenonderwijs kan voor een andere opleiding dan de opleidingen bedoeld in artikel 63, § 1, 1°, onderwijsbevoegdheid aanvragen bij de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering kan de aangevraagde bevoegdheid uitsluitend weigeren of verlenen bij een met redenen omklede beslissing. De Vlaamse Regering bepaalt de aanvraagprocedure voor het toekennen van onderwijsbevoegdheid aan de besturen van de Centra voor Volwassenenonderwijs. In afwijking van het eerste en tweede lid, kan de Vlaamse Regering aan de centra voor volwassenenonderwijs die onderwijsbevoegdheid hebben voor een opleiding waarvoor een door de Vlaamse Regering goedgekeurd opleidingsprofiel bestaat, ambtshalve onderwijsbevoegdheid verlenen voor nieuwe goedgekeurde opleidingsprofielen die met deze opleidingen inhoudelijk overeenstemmen. De Vlaamse Regering zal, voorafgaandelijk aan het nemen van een beslissing, het advies van de Vlaamse Onderwijsraad inwinnen. § 2. Het bestuur van een Centrum voor Volwassenenonderwijs dat gedurende vijf opeenvolgende schooljaren een opleiding van het secundair volwassenenonderwijs of de specifieke lerarenopleiding niet georganiseerd heeft, verliest vanaf het daaropvolgende schooljaar de onderwijsbevoegdheid voor die opleiding. In afwijking van het eerste lid verliest een Centrum voor Volwassenenonderwijs de onderwijsbevoegdheid voor de specifieke lerarenopleiding als het niet deelneemt aan de externe beoordeling van de specifieke lerarenopleiding door een visitatiecommissie als vermeld in artikel II.122 van de Codex Hoger Onderwijs. Om opnieuw onderwijsbevoegdheid voor die opleiding te verkrijgen, moet het centrumbestuur de procedure volgen, zoals vermeld in paragraaf 1. § 3. Het bestuur van een Centrum voor Volwassenenonderwijs kan de onderwijsbevoegdheid die toegekend wordt op basis van de procedure, vermeld in paragraaf 1, uitsluitend uitoefenen in de vestigingsplaatsen gelegen in het werkingsgebied waartoe de hoofdvestigingsplaats van het centrum behoort. § 4. In afwijking van paragraaf 1 tot en met paragraaf 2 wordt de onderwijsbevoegdheid voor een opleiding van het hoger beroepsonderwijs aan het bestuur van een Centrum voor Volwassenenonderwijs toegekend, overeenkomstig de bepalingen in titel II van het decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs. § 5. In afwijking van artikel 63, § 1, kan de Vlaamse Regering aan één of meerdere Centra voor Volwassenenonderwijs die onderwijsbevoegdheid hebben voor de opleiding Nederlands tweede taal van het secundair volwassenenonderwijs onderwijsbevoegdheid toekennen voor de opleiding Nederlands tweede taal richtgraad 1 van de basiseducatie, op voorwaarde dat het Centrum voor Basiseducatie dat beschikt over een wachtlijst, zoals bedoeld in artikel 37, eerste lid, voor deze opleiding gelegen is in het werkingsgebied waartoe de hoofdvestigingsplaatsen van de betrokken Centra voor Volwassenenonderwijs behoren. De Vlaamse Regering zal voorafgaandelijk aan het nemen van een beslissing, het advies van de Vlaamse Onderwijsraad inwinnen. De onderwijsbevoegdheid wordt toegekend voor twee schooljaren en kan met twee schooljaren verlengd worden na een evaluatie door de bevoegde administratie. De in het eerste lid bedoelde opleiding wordt ingedeeld in het studiegebied Nederlands tweede taal van het secundair volwassenenonderwijs. Art. 68

41


§ 1. Het bestuur van een Centrum voor Basiseducatie kan binnen het werkingsgebied vermeld in bijlage IV van dit decreet, vrij de vte en de functies opgericht op basis van de puntenenveloppe aanwenden in bijkomende vestigingsplaatsen. § 2. Het bestuur van een Centrum voor Volwassenenonderwijs kan bij de Vlaamse Regering een aanvraag indienen om leraarsuren en ambten opgericht op basis van de puntenenveloppe in een bijkomende vestigingsplaats aan te wenden. De Vlaamse Regering kan de aanvraag uitsluitend weigeren of verlenen bij een met redenen omklede beslissing. De Vlaamse Regering zal, voorafgaandelijk aan het nemen van een beslissing, het advies van de Vlaamse Onderwijsraad inwinnen. De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor het aanvragen van het aanwenden van leraarsuren en ambten opgericht met de puntenenveloppe in bijkomende vestigingsplaatsen. § 3. Paragraaf 2 is niet van toepassing voor opleidingen van het hoger beroepsonderwijs en de specifieke lerarenopleiding. Art. 83. Als een Centrum voor Basiseducatie in de [referteperiode van 1 april n-1 tot 31 maart n] niet langer voldoet aan een van de voorwaarden, vermeld in artikel 82, wordt de subsidiëring van het centrum afgebouwd tot nul vanaf het jaar n. De cursisten, ingeschreven in het Centrum voor Basiseducatie op het ogenblik dat beslist wordt tot afbouw, moeten de aangevatte opleiding volledig en binnen een normaal tijdsbestek kunnen beëindigen. Met een normaal tijdbestek wordt bedoeld zonder onderbreking en zonder herhaling van een module. De afbouw tot nul moet gerealiseerd worden binnen een periode van drie schooljaren. Op verzoek van het betrokken centrumbestuur kan de Vlaamse Regering, na advies van de Vlaamse Onderwijsraad, voor een Centrum voor Basiseducatie een afwijking toestaan op de rationalisatienorm. De Vlaamse Regering bepaalt de periode waarvoor de afwijking geldt. Het centrumbestuur stuurt daartoe uiterlijk op 15 april van het voorafgaande schooljaar een gemotiveerde aanvraag aan de bevoegde administratie. Art. 97. § 1. Een erkend Centrum voor Volwassenenonderwijs komt voor de financiering of subsidiëring voor het schooljaar n/n+1 in aanmerking wanneer het Centrum voor Volwassenenonderwijs tijdens de referteperiode van 1 april n-1 tot en met 31 maart n ten minste 120.000 lesurencursist heeft behaald. § 2. Met behoud van de toepassing van paragraaf 1, komt een erkend Centrum voor Volwassenenonderwijs in aanmerking voor de financiering of subsidiëring van de opleidingen uit de studiegebieden, vermeld in artikel 8, als op het moment van toetreding tot het samenwerkingsverband zoals vermeld in artikel 4 en artikel 50, § 1, van het decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs, tijdens de referteperiode voorafgaand aan die toetreding, voor die opleidingen samen ten minste 60.000 lesurencursist heeft behaald. § 3. In afwijking van paragraaf 1 komt een Centrum voor Volwassenenonderwijs waarvan de hoofdvestigingsplaats in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, of in de rand- en taalgrensgemeenten ligt, in aanmerking voor financiering of subsidiëring voor het schooljaar n/n+1 op voorwaarde dat het Centrum voor Volwassenenonderwijs tijdens de referteperiode van 1 april n-1 tot en met 31 maart n ten minste 60.000 lesurencursist heeft behaald. § 4. In afwijking van paragraaf 1 komt een Centrum voor Volwassenenonderwijs met onderwijsbevoegdheid voor een opleiding van het secundair volwassenenonderwijs dat geen lid is van een consortium volwassenenonderwijs, alleen in aanmerking voor financiering of subsidiëring voor het schooljaar n/n+1 op voorwaarde dat het Centrum voor Volwassenenonderwijs tijdens de referteperiode van 1 april n-1 tot en met 31 maart n ten minste 720.000 lesurencursist heeft behaald in de opleidingen van het secundair volwassenenonderwijs. § 5. Een Centrum voor Volwassenenonderwijs met onderwijsbevoegdheid voor een opleiding van het secundair volwassenenonderwijs dat erkend is via de procedure, vermeld in artikel 61, § 2, komt alleen in aanmerking voor financiering of subsidiëring als het lid is van een consortium volwassenenonderwijs en tijdens de referteperiode van 1 april n-1 tot en met 31 maart n ten minste 360.000 lesurencursist heeft behaald.

42


Jaarverslag 2015-2016 Bijlage 2 § 6. Als in de referteperiode van 1 april n-1 tot en met 31 maart n niet langer voldaan wordt aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, 3 en 4, wordt de financiering of de subsidiëring van het structuuronderdeel of de structuuronderdelen in kwestie, zoals vermeld in paragraaf 1, van het Centrum voor Volwassenenonderwijs in kwestie afgebouwd tot nul vanaf het jaar n. De cursisten, ingeschreven in het Centrum voor Volwassenenonderwijs op het ogenblik dat beslist wordt tot afbouw, moeten de aangevatte opleiding volledig en binnen een normaal tijdsbestek kunnen beëindigen. Met een normaal tijdsbestek wordt bedoeld zonder onderbreking en zonder herhaling van een module. De afbouw tot nul moet gerealiseerd worden binnen een periode van drie schooljaren. Op verzoek van het betrokken centrumbestuur kan de Vlaamse Regering, na advies van de Vlaamse Onderwijsraad, voor een Centrum voor Volwassenenonderwijs een afwijking toestaan op de rationalisatienorm. De Vlaamse Regering bepaalt de periode waarvoor de afwijking geldt. Het centrumbestuur stuurt daarvoor uiterlijk op 15 april van het voorafgaande schooljaar een gemotiveerde aanvraag aan de bevoegde administratie. § 7. Indien op het moment van de toetreding tot een samenwerkingsverband een Centrum voor Volwassenenonderwijs niet langer voldoet aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 2, wordt de financiering of de subsidiëring van het structuuronderdeel hoger beroepsonderwijs van het Centrum voor Volwassenenonderwijs in kwestie afgebouwd tot nul vanaf het daaropvolgende schooljaar. De cursisten, ingeschreven in het Centrum voor Volwassenenonderwijs op het ogenblik dat beslist wordt tot afbouw, zoals vermeld in het eerste lid, moeten de aangevatte opleiding volledig en binnen een normaal tijdsbestek kunnen beëindigen. Met een normaal tijdsbestek wordt bedoeld zonder onderbreking en zonder herhaling van een module. De afbouw tot nul moet gerealiseerd worden binnen een periode van drie schooljaren. Op verzoek van het betrokken Centrum voor Volwassenonderwijs kan de Vlaamse Regering, een afwijking toestaan op de norm vermeld in paragraaf 2. Om van deze afwijking gebruik te kunnen maken moet het Centrum voor Volwassenenonderwijs voor alle opleidingen van het structuuronderdeel hoger beroepsonderwijs die het centrum organiseert bij toetreding tot het samenwerkingsverband, de in paragraaf 2 vermelde norm wel behaald hebben in de referteperiode 2011-2012 of 2012-2013 en moet het centrum kunnen aantonen toe te willen treden tot een samenwerkingsverband waarvan nog geen ander Centrum voor Volwassenenonderwijs lid is. Het centrumbestuur stuurt daarvoor uiterlijk op 15 april van het voorafgaande schooljaar een gemotiveerde aanvraag aan de bevoegde administratie. 179 bis. In afwijking van artikel 24, § 1, en in afwachting van de installatie van de stuurgroep vermeld in artikel 50, § 1, 2° en 3°, bepaalt de Vlaamse Regering de opleidingsprofielen na advies van de Vlaamse Onderwijsraad. Besluit van 6 juli 2007 van de Vlaamse Regering tot vaststelling van de indienings- en adviseringsprocedure voor voorstellen van nieuwe structuuronderdelen in het voltijds secundair onderwijs Art. 4. De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, legt het oorspronkelijke voorstel en de conclusies van de commissie ter advies voor aan de Vlaamse Onderwijsraad. Art. 5. Bij het advies worden de volgende criteria gezamenlijk toegepast: 1° de behoefte: het structuuronderdeel speelt in op behoeften die ontstaan vanuit ten minste een van de volgende situaties: a) maatschappelijke ontwikkelingen; b) economische ontwikkelingen, waaronder potentiële tewerkstelling; c) culturele ontwikkelingen; d) technologische ontwikkelingen; e) Europese, federale of Vlaamse regelgeving vanuit de beleidsdomeinen en beleidsniveaus;

43


2° de invulling: de invulling van het structuuronderdeel wordt bepaald vanuit een of meer actuele referentiekaders, waaronder beroepsprofielen, studieprofielen en Europese, federale of Vlaamse regelgeving, tenzij voor het structuuronderdeel in kwestie een of meer kwalificaties uit de decretaal vastgelegde Vlaamse kwalificatiestructuur beschikbaar zijn; 3° de onderwijskundige en opvoedkundige context: a) het structuuronderdeel is afgestemd op het ontwikkelingsniveau en de talenten van de doelgroep; b) het structuuronderdeel sluit aan bij het profiel van de onderwijsvorm en van de graad; c) het structuuronderdeel stimuleert de leermotivatie bij de leerlingen; d) als het structuuronderdeel samenwerking met het bedrijfsleven vereist, moet die samenwerking tot stand komen, eventueel op grond van een onderwijsconvenant; 4° de optimalisering en vrijwaring van de continuïteit in de (studie)loopbaan: a) de inpassing in het bestaande studieaanbod; b) de waarborgen voor aansluiting op vervolgopleidingen of tewerkstellingsmogelijkheden. Art. 6. Over een voorstel dat uiterlijk op 31 januari wordt ingediend, beslist de Vlaamse Regering uiterlijk op 30 juni daaropvolgend na kennisname van enerzijds de conclusies van de commissie en anderzijds het advies van de Vlaamse Onderwijsraad. Als op de uiterste datum geen beslissing is genomen, dan is het voorstel zoals het is ingediend van rechtswege goedgekeurd. Een voorstel wordt al dan niet voorwaardelijk of onder beding van beperkingen goedgekeurd. Besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2007 betreffende de organisatie van het opleidingsaanbod in het volwassenenonderwijs Art. 6. Jaarlijks worden de voorstellen van opleidingsprofielen voor advies aan de Vlaamse Onderwijsraad bezorgd uiterlijk op 1 oktober. De Vlaamse Onderwijsraad formuleert een advies binnen de termijn, vermeld in artikel 72, § 1, van het decreet van 2 april 2004 betreffende participatie op school en de Vlaamse Onderwijsraad. Art. 11 novies. De ingediende aanvragen worden na advies door de Vlaamse Onderwijsraad, beoordeeld door de adviescommissie, vermeld in artikel 11ter, eerste lid, op basis van volgende criteria: 1° de mate waarin een maatschappelijke behoefte bestaat aan de organisatie van de opleiding in het werkingsgebied waartoe de gemeente van die vestigingsplaats behoort; 2° de mate waarin er een potentieel aan cursisten bestaat voor de opleiding in het werkingsgebied waartoe de gemeente van die vestigingsplaats behoort; 3° of er wordt samengewerkt met derden voor de organisatie van de opleiding; 4° of het centrum in de vestigingsplaats over de nodige infrastructuur voor de organisatie van de opleiding beschikt; 5° de aanwezigheid van een protocol van het lokaal comité van het aanvragende centrumbestuur; 6° of de inspectie in het kader van de laatste doorlichting in het centrum geen voorbehoud heeft gemaakt voor de opleiding waarvoor het aanwenden van leraarsuren in een vestigingsplaats buiten het werkingsgebied van de hoofdvestigingsplaats wordt aangevraagd. Besluit van de Vlaamse Regering van 21 maart 2008 tot oprichting van overlegorganen die bijdragen tot een optimale deelname van Vlaamse Gemeenschap aan het Europees actieprogramma Een Leven Lang Leren Art. 5.§3, 8° De Vlor duidt een vertegenwoordiger aan voor het Vlaamse Grundtvigcomité. Decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap, zoals gewijzigd Art. 23. § 1. Om de lijsten van opleidingen vast te stellen, worden alle bestaande opleidingen gescreend op basis van de omschakelingskalender, bedoeld in artikel 28, § 2.

44


Jaarverslag 2015-2016 Bijlage 2 Die screening strekt ertoe een rationeel en transparant opleidingsaanbod tot stand te brengen door middel van, eventueel, omzetting, samenvoeging of schrapping van benamingen van opleidingen. § 2. De screening van de bestaande opleidingen wordt uitgevoerd door een commissie, die bestaat uit: 1° afgevaardigden van [de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap], de onderwijsinspectie, het Agentschap voor Onderwijsdiensten; 2° deskundigen in de beroepswereld, intern of extern aan de opleidingensector. De bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap] stelt de commissie samen en neemt het voorzitterschap ervan waar. De conclusies van de commissie worden voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs ter advies voorgelegd aan de Vlaamse Onderwijsraad en voor de leertijd aan de raad van bestuur van Syntra Vlaanderen. Op basis van de conclusies van de commissie en het advies van de Vlaamse Onderwijsraad, respectievelijk de raad van bestuur van Syntra Vlaanderen, neemt de Vlaamse Regering een beslissing. Art. 24. § 2. Een initiatief tot of een voorstel van nieuwe opleiding wordt voorgelegd aan de commissie als vermeld in artikel 23, § 2. De commissie onderzoekt het voorstel ten minste op volledigheid, correctheid en actualiteitswaarde, en formuleert conclusies. Het oorspronkelijke initiatief of voorstel en de conclusies van de commissie worden ter advies voorgelegd aan de Vlaamse Onderwijsraad, aan de raad van bestuur van Syntra Vlaanderen of aan beide, afhankelijk van waar de opleiding wordt ondergebracht. Op basis van de conclusies van de commissie en het advies van de Vlaamse Onderwijsraad, respectievelijk de raad van bestuur van Syntra Vlaanderen of beide, neemt de Vlaamse Regering een beslissing. De Vlaamse Regering legt de termijnen vast met betrekking tot de indienings- en adviseringsprocedure. Art. 28. § 1. Het deeltijds beroepssecundair onderwijs wordt modulair georganiseerd, waarbij de opleiding wordt aangeboden in modules. Elke opleiding bestaat uit een of meer modules. Dezelfde module kan in verschillende opleidingen voorkomen. De Vlaamse Regering ontwikkelt, tezamen met het Gemeenschapsonderwijs en de representatieve verenigingen van inrichtende machten van het gesubsidieerd onderwijs, de opleidingenstructuur. Voorafgaand aan een definitieve beslissing, legt ze het resultaat ter advies aan de Vlaamse Onderwijsraad voor. Art. 30. § 1. De Vlaamse Regering bepaalt in nauw overleg met de beroepssectoren, de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen, en de Vlaamse Onderwijsraad de referentiekaders waarvan de doelen voor de beroepsgerichte vorming van de opleidingen binnen het deeltijds beroepssecundair onderwijs worden afgeleid. In deze doelen worden, voor zover ze bepaald zijn, onverkort de erkende beroepskwalificaties vermeld in het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur opgenomen. De doelen waarborgen de toepassing van eventuele Europese, federale of Vlaamse regelgeving inzake beroepsuitoefening. De beroepsgerichte vorming kan enkel gerealiseerd worden door middel van het geïntegreerd doorlopen van de component leren en de component werkplekleren. Voor een opleiding die zowel in het deeltijds beroepssecundair onderwijs als in de leertijd voorkomt, geldt hetzelfde referentiekader. Als het deeltijds beroepssecundair onderwijs en de leertijd hetzelfde referentiekader hanteren, dan geldt dat vanaf hetzelfde schooljaar. § 2. De bepalingen van § 1 gelden niet voor opleidingen binnen het deeltijds beroepssecundair onderwijs die door de centra niet-modulair worden georganiseerd in afwachting van het opleidingsaanbod dat tot stand komt na screening als vermeld in artikel 23, § 1. In voorkomend geval worden de door de Vlaamse

45


Regering, na advies van de Vlaamse Onderwijsraad, goedgekeurde opleidingskaarten als referentiekader gehanteerd waarin de minimale leerdoelen en inhouden van de opleiding in kwestie worden beschreven. Decreet van 13 februari 2009 houdende de organisatie van schoolsport Art. 6. De voortgangscontrole van de inhoudelijke werking van de vereniging wordt toevertrouwd aan een opvolgingsgroep die opgericht is door de Vlaamse Regering. […] De opvolgingsgroep brengt advies uit aan de Vlaamse Regering over de ingediende jaarplannen en de jaarverslagen. De opvolgingsgroep is als volgt samengesteld: 1° een vertegenwoordiger voor de Vlaamse minister bevoegd voor het Onderwijs; 2° een vertegenwoordiger voor de Vlaamse minister bevoegd voor Sport; 3° een vertegenwoordiger voor de Vlaamse minister bevoegd voor Begroting; 4° een vertegenwoordiger voor het Departement Onderwijs en Vorming; 5° een vertegenwoordiger voor het Departement Cultuur, Jeugd, Sport en Media; 6° een vertegenwoordiger voor het Agentschap voor Kwaliteitszorg in Onderwijs en Vorming; 7° een vertegenwoordiger voor het Agentschap voor de Bevordering van de Lichamelijke Ontwikkeling, de Sport en de Openluchtrecreatie; 8° een vertegenwoordiger voor de sectorraad Sport van de Raad voor Cultuur, Jeugd, Sport en Media; 9° een vertegenwoordiger voor de Vlaamse Onderwijsraad; 10° twee vertegenwoordigers voor de vereniging die overeenkomstig dit decreet gesubsidieerd wordt; 11° een expert op vlak van schoolsport die wordt voorgedragen door het Departement Onderwijs en Vorming; 12° een expert op vlak van schoolsport die wordt voorgedragen door het Departement Cultuur, Jeugd, Sport en Media. De opvolgingsgroep kan verder aangevuld worden met experten inzake schoolsport. Decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur, zoals gewijzigd Art. 7. De Vlaamse Regering bepaalt na advies van de Vlor en de SERV de procedure voor beschrijving en inschaling van een beroepskwalificatiedossier. Dit besluit bevat ten minste de volgende elementen: 1° de beschrijving van wat een beroepskwalificatiedossier moet inhouden en hoe dit wordt opgesteld; 2° de wijze waarop de bevoegde dienst van de Vlaamse Regering het opstellen ervan coördineert en de validering ervan organiseert; 3° de wetenschappelijk geijkte methodiek voor inschaling van een beroepskwalificatiedossier. De methodiek bevat eveneens een besluitvormingsproces dat leidt tot een consensus; 4° de verdere samenstelling van de validerings- en inschalingscommissies; 5° de wijze waarop de bevoegde dienst van de Vlaamse Regering de marginale toetsing van de werkzaamheden van de validerings- en inschalingscommissie uitvoert. De bevoegde dienst van de Vlaamse Regering toetst het proces, het gebruik van de descriptorelementen en van de wetenschappelijk geijkte inschalingsmethodiek; 6° de wijze waarop de bevoegde dienst van de Vlaamse Regering een voorstel tot inschaling formuleert bij ontstentenis van een consensus van de inschalingscommissie. Art. 11. De bevoegde dienst van de Vlaamse Regering legt een gevalideerd beroepskwalificatiedossier voor inschaling voor aan een inschalingscommissie. Voor een beroepskwalificatiedossier dat wordt opgesteld volgens paragrafen 2, 3 en 4 van artikel 10 wordt de helft van de deskundigen van de inschalingscommissie aangeduid door de SERV en de andere helft door de Vlor, VDAB en Syntra Vlaanderen. Voor een beroepskwalificatiedossier dat wordt opgesteld volgens paragraaf 5 van artikel 10 wordt de helft van de deskundigen van de inschalingscommissie aangeduid door hetzij een betrokken overheidsinstantie, hetzij een betrokken sector en de andere helft door de Vlor, VDAB en Syntra Vlaanderen.

46


Jaarverslag 2015-2016 Bijlage 2 Er worden ten minste twee niet-stemgerechtigde onafhankelijke experten door de bevoegde dienst van de Vlaamse Regering aan de inschalingscommissie toegevoegd. Art. 15/1 . § Met het oog op een actueel en rationeel onderwijsaanbod bepaalt de Vlaamse Regering de criteria voor het uitwerken van de onderwijskwalificaties en voor de situering ervan in de opleidingenstructuur. De bevoegde dienst van de Vlaamse Regering werkt voorstellen van onderwijskwalificaties uit op eigen initiatief of op vraag van iedere belanghebbende en houdt hierbij rekening met de volgende criteria: – de maatschappelijke, economische of culturele behoefte; – de onderwijskundige en opvoedkundige context: aansluitend bij de doelgroep, bij het profiel van onderwijsvorm en graad, stimuleren van de leermotivatie; – de verwachte instroom en uitstroom; – de beschikbare materiële en financiële middelen en expertise; – de mogelijkheid tot samenwerking met andere instellingen of met arbeidsmarkt/bedrijfsleven, indien vereist; – de continuïteit in de (studie)loopbaan: inpassing in het bestaande studieaanbod, aansluiting op vervolgopleidingen en/of tewerkstellingsmogelijkheden. Ieder voorstel en iedere vraag, al dan niet omgezet in een voorstel, zal door de bevoegde dienst van de Vlaamse Regering voor advies aan de Vlor worden voorgelegd. De Vlaamse Regering erkent de onderwijskwalificaties op gezamenlijk voorstel van de minister bevoegd voor Vorming en de minister bevoegd voor Onderwijs. De bevoegde dienst van de Vlaamse Regering registreert de erkende onderwijskwalificaties met de daarin vervatte competenties in een kwalificatiedatabank. Art 15/1. § 1. Naast de criteria vermeld in artikel 15 brengt de bevoegde dienst van de Vlaamse Regering voor de onderwijskwalificaties vermeld in artikel 14, eerste lid, 5°, a), ook een advies uit over: 1° de wenselijkheid van een opleiding die leidt tot die onderwijskwalificatie; 2° de studieomvang van de opleiding hoger beroepsonderwijs die leidt tot die onderwijskwalificatie, uitgedrukt in studiepunten; 3° de benaming van de opleiding in het hoger beroepsonderwijs en het studiegebied waartoe ze behoort. § 2. Voor de onderwijskwalificaties, vermeld in artikel 14, 5°, a), werkt de bevoegde dienst van de Vlaamse Regering haar voorstellen uit uiterlijk zestig dagen na de erkenning van de desbetreffende beroepskwalificatie(s). § 3. In afwijking van artikel 15 worden de onderwijskwalificaties vermeld in artikel 14, eerste lid, 5°, a), niet voor advies aan de Vlor voorgelegd. Deze onderwijskwalificaties worden voor advies voorgelegd aan de Commissie Hoger Onderwijs, zoals vermeld in artikel 9artikel 9 van het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen. § 4. Het agentschap legt het voorstel van onderwijskwalificatie met het erkenningsadvies en het advies vermeld in artikel 9/1, 1°, binnen de 30 kalenderdagen voor aan de minister. De Vlaamse Regering beslist of de erkenning al dan niet wordt verleend.] Decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs Art. 30. De vertegenwoordigers van de academische wereld en de vertegenwoordigers van de instellingen in de commissie die minstens om de zes jaar de werking van pedagogische begeleidingsdiensten, de permanente ondersteuningscellen en in voorkomend geval het samenwerkingsverband evalueert, worden aangeduid op voorstel van de Vlaamse Onderwijsraad.

47


Besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009 betreffende de samenstelling en de werking van de stuurgroep GDI-Vlaanderen en van de GDI-raad De stuurgroep is samengesteld uit volgende effectieve leden: […] 4° één vertegenwoordiger van de Vlaamse onderwijsinstellingen op voordracht van de Vlaamse Onderwijsraad; Besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 2010 houdende de codificatie betreffende het secundair onderwijs (Codex Secundair onderwijs) Art. 139. De eindtermen, de specifieke eindtermen en de ontwikkelingsdoelen voor het gewoon voltijds secundair onderwijs worden vastgelegd door het Vlaams Parlement bij wijze van bekrachtiging van een besluit van de Vlaamse Regering, genomen op advies van de Vlaamse Onderwijsraad. Voor het onderwijs in een erkende godsdienst, een op godsdienst berustende zedenleer, de nietconfessionele zedenleer, de eigen cultuur en religie en de cultuurbeschouwing worden geen eindtermen of ontwikkelingsdoelen bepaald. De Vlaamse Regering legt het besluit ten laatste één maand na de goedkeuring ter bekrachtiging voor aan het Vlaams Parlement. De eindtermen, de specifieke eindtermen en de ontwikkelingsdoelen hebben uitwerking vanaf de datum die het decreet aangeeft. De eindtermen en specifieke eindtermen worden ontwikkeld gebruik makend van [...] descriptorelementen vermeld in artikel 6 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur Art. 145. Voor die specifieke gedeelten van opleidingen die gericht zijn op beroepsuitoefening waarvoor geen erkende beroepskwalificatie bestaat, bepaalt de Vlaamse Regering de competenties, tot zolang er geen erkende beroepskwalificaties zijn. De Vlaamse Regering bepaalt deze competenties op basis van door sectoren of door overheidsinstanties erkende referentiekaders en gebruik makend van [...] descriptorelementen. De tekst van het eerste lid wordt op een door de Vlaamse Regering te bepalen datum vervangen door wat volgt: Voor die specifieke gedeelten van opleidingen, die gericht zijn op beroepsuitoefening, waarvoor geen erkende beroepskwalificaties bestaan en tot zolang er geen erkende beroepskwalificaties zijn, bepaalt de Vlaamse Regering de referentiekaders waarvan de competenties voor de opleidingen worden afgeleid. De competenties worden, zoals bij erkende beroepskwalificaties, vastgelegd gebruik makend van [...] descriptorelementen uit het kwalificatieraamwerk en waarborgen de toepassing van eventuele Europese, federale of Vlaamse regelgeving inzake beroepsuitoefening dit zolang er geen erkende beroepskwalificaties zijn. De Vlor en de SERV zullen om advies gevraagd worden bij het besluit dat de referentiekaders, het proces en de actoren om tot deze competenties te komen, zal vastleggen Art. 159. § 3. De Vlaamse Regering legt de opleidingenstructuur vast. Onder opleidingenstructuur wordt verstaan: 1° het geheel van de opleidingen per studiegebied; 2° de modules per opleiding; 3° de duurtijd per module uitgedrukt in uren per week en uitgedrukt in weken per schooljaar; 4° de aanduiding dat de modules zich sequentieel of onafhankelijk tot elkaar verhouden; als de modules in een sequentieel verband staan, moeten zij in een eveneens vastgelegde volgorde worden gevolgd; 5° het minimum of de minima inzake aantal uren per week voorbehouden voor gedifferentieerde onderwijsactiviteiten. Voor zover de opleidingenstructuur afwijkt van die, vastgesteld bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2002 betreffende het experimenteel secundair onderwijs volgens een modulair stelsel, legt de Vlaamse Regering desbetreffende opleidingenstructuur ter advies aan de Vlaamse Onderwijsraad voor.

48


Jaarverslag 2015-2016 Bijlage 2 Art. 160. Voor de modulair georganiseerde leerinhouden van een opleiding worden competenties door de Vlaamse Regering bepaald. De Vlaamse Regering leidt de competenties af uit kwalificaties. Als die er niet zijn, leidt de Vlaamse Regering de competenties af uit een referentiekader in nauw overleg met de beroepssectoren. Voor zover de competenties afwijken van die, bepaald bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2002 betreffende het experimenteel secundair onderwijs volgens een modulair stelsel, legt de Vlaamse Regering desbetreffende competenties ter advies aan de Vlaamse Onderwijsraad voor. Competenties kunnen ook door middel van stages worden gerealiseerd. Art. 174. § 2. In afwijking op § 1 kan in uitzonderlijke gevallen de Vlaamse Regering aan een schoolbestuur toelating geven tot programmatie van een instelling of structuuronderdeel: 1° na schriftelijke aanvraag van dat schoolbestuur, ingediend bij het Agentschap voor Onderwijsdiensten uiterlijk 30 november van het voorafgaand schooljaar en vergezeld van het protocol van de onderhandeling ter zake in het bevoegd lokaal comité; en 2° na advies van enerzijds de Vlaamse Onderwijsraad en anderzijds het Agentschap voor Onderwijsdiensten en de Onderwijsinspectie. … § 4. In uitzonderlijke gevallen kan de Vlaamse Regering aan een scholengemeenschap toelating geven tot programmatie van het structuuronderdeel onthaaljaar voor anderstalige nieuwkomers: 1° na schriftelijke aanvraag van het bestuur van de scholengemeenschap, ingediend bij het Agentschap voor Onderwijsdiensten uiterlijk 1 mei van het voorafgaand schooljaar en vergezeld van het protocol van de onderhandeling ter zake in het bevoegd onderhandelingscomité van de scholengemeenschap; en 2° na advies binnen 10 werkdagen van enerzijds de Vlaamse Onderwijsraad en anderzijds het Agentschap voor Onderwijsdiensten en de onderwijsinspectie.]² Art. 177 De Vlaamse Regering legt de lijst van structuuronderdelen vast die niet programmeerbaar zijn, met toepassing van het in artikel 70, eerste en tweede lid, gestelde. Ze houdt daarbij rekening met volgende criteria: 1° het niet of in onvoldoende mate aansluiten op de arbeidsmarkt op basis van tewerkstellingscijfers van schoolverlaters of door het ontbreken van een erkende beroepskwalificatie binnen de Vlaamse kwalificatiestructuur; 2° het niet of in onvoldoende mate aansluiten op het hoger onderwijs op basis van slaagcijfers in het hoger onderwijs. Met het oog op eventuele actualisering wordt bedoelde lijst jaarlijks geëvalueerd." In afwijking van het in het eerste lid gestelde, zijn desbetreffende structuuronderdelen alsnog programmeerbaar indien noodzakelijk om binnen de school of scholengemeenschap de studiecontinuïteit van de leerlingen in de derde graad te garanderen. In voorkomend geval wordt de programmatie van het structuuronderdeel door het schoolbestuur bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap schriftelijk en gemotiveerd aangevraagd uiterlijk op 30 november van het voorafgaand schooljaar. Voor de programmatie per 1 september 2014 geldt, bij wijze van uitzondering, 15 februari 2014 als uiterlijke aanvraagdatum. Bij de aanvraag gaan het protocol van de onderhandelingen ter zake in het bevoegd lokaal comité en, indien de school tot een scholengemeenschap behoort, het uittreksel van het proces-verbaal waaruit moet blijken dat de programmatie in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt. Na advies van enerzijds de Vlaamse Onderwijsraad en anderzijds de onderwijsinspectie en de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap, neemt de Vlaamse Regering een beslissing over de programmatie. Een gunstige beslissing impliceert dat het geprogrammeerde structuuronderdeel in het eerste leerjaar van de derde graad enkel organiseerbaar is in het eerste en tweede schooljaar volgend op de beslissing en in het tweede leerjaar van de derde graad enkel organiseerbaar is in het tweede en derde schooljaar volgend op de beslissing.

49


Behoudens beslissing van de Vlaamse Regering om het structuuronderdeel in kwestie niet meer als nietprogrammeerbaar aan te duiden, is elke aanvraag van een schoolbestuur tot afwijking zoals hiervoor bedoeld, onontvankelijk indien datzelfde schoolbestuur reeds eerder dezelfde aanvraag heeft ingediend. Art. 179/1 De programmatie van een structuuronderdeel dat niet onder toepassing valt van artikel 177, 178 en 179 wordt door het schoolbestuur bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap schriftelijk en gemotiveerd aangevraagd uiterlijk 30 november van het voorafgaand schooljaar en uiterlijk 30 september van het lopende schooljaar indien het een Se-n-Se betreft die van start gaat op 1 februari daaropvolgend. Bij die aanvraag gaan het protocol van de onderhandeling ter zake in het bevoegd lokaal comité en, indien de school tot een scholengemeenschap behoort, een uittreksel van het proces-verbaal waaruit moet blijken dat de programmatie in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt. Na advies van enerzijds de Vlaamse Onderwijsraad en anderzijds de onderwijsinspectie en de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap, neemt de Vlaamse Regering een beslissing over de programmatie. De Vlaamse Regering houdt bij haar beslissing rekening met de volgende gezamenlijke criteria: 1° de eventueel vigerende regelgeving met betrekking tot frequentie, inplanting of andere organisatievoorwaarden van het structuuronderdeel in kwestie; 2° het beantwoorden van de programmatie aan het kwantitatief en kwalitatief aantoonbaar nietbehoeftedekkend onderwijsaanbod binnen de betrokken onderwijszone en met respect voor de keuzevrijheid van ouders en leerlingen; 3° a) de aanwezigheid van een convenant, of; b) de inhoudelijke aansluiting en de objectief vastgestelde nood op de arbeidsmarkt, of; c) de studiecontinuïteit van leerlingen binnen de school of de scholengemeenschap.] Art. 179/3 De bepalingen van artikel 176 tot en met 179/2 zijn niet van toepassing op het onthaaljaar voor anderstalige nieuwkomers. Voor de programmatie van het onthaaljaar voor anderstalige nieuwkomers gelden de volgende bepalingen: 1° de programmatie wordt per scholengemeenschap bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap schriftelijk en gemotiveerd aangevraagd uiterlijk op 1 mei van het voorafgaande schooljaar. Bij die aanvraag wordt het protocol gevoegd van de onderhandeling ter zake in het bevoegde lokaal comité van de scholengemeenschap; 2° na advies binnen tien werkdagen van enerzijds de Vlaamse Onderwijsraad en anderzijds de onderwijsinspectie en de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap, neemt de Vlaamse Regering een beslissing over de programmatie.]¹ Vanaf 1 november 2015 en tot op een door de Vlaamse Regering te bepalen datum worden de bepalingen van het tweede lid buiten werking gesteld en gelden voor de programmatie van het onthaaljaar voor anderstalige nieuwkomers de volgende bepalingen: 1° de programmatie wordt per scholengemeenschap voorafgaand bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap schriftelijk en gemotiveerd aangevraagd. Bij die aanvraag wordt het protocol gevoegd van de onderhandeling ter zake in het bevoegde lokaal comité van de scholengemeenschap; 2° binnen tien werkdagen wordt een advies gegeven enerzijds door de Vlaamse Onderwijsraad en anderzijds door de onderwijsinspectie en de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap; 3° uiterlijk twee maanden na indiening van de aanvraag neemt de Vlaamse Regering een beslissing. Die beslissing is gebaseerd op de verwachte instroom van anderstalige nieuwkomers versus het al dan niet behoeftedekkend bestaande aanbod van onthaalonderwijs. Bij gunstige beslissing wordt tevens bepaald vanaf welk tijdstip het onthaaljaar kan worden opgericht.] Art. 262. De ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon secundair onderwijs worden vastgelegd door het Vlaams Parlement bij wijze van bekrachtiging van een besluit van de Vlaamse Regering, genomen op advies van de Vlaamse Onderwijsraad. Voor het onderwijs in een erkende godsdienst, een op godsdienst berustende zedenleer, de nietconfessionele zedenleer, de eigen cultuur en religie en de cultuurbeschouwing worden geen eindtermen of ontwikkelingsdoelen bepaald.

50


Jaarverslag 2015-2016 Bijlage 2 De Vlaamse Regering legt het besluit ten laatste één maand na de goedkeuring ter bekrachtiging voor aan het Vlaams Parlement. De ontwikkelingsdoelen hebben uitwerking vanaf de datum die het decreet aangeeft. De eindtermen en specifieke eindtermen worden ontwikkeld gebruik makend van descriptorelementen vermeld in artikel 6 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur. Art. 265. Voor die specifieke gedeelten van opleidingen die gericht zijn op beroepsuitoefening waarvoor geen erkende beroepskwalificatie bestaat, bepaalt de Vlaamse Regering de competenties, tot zolang er geen erkende beroepskwalificaties zijn. De Vlaamse Regering bepaalt deze competenties op basis van door sectoren of door overheidsinstanties erkende referentiekaders en gebruik makend van descriptorelementen. De tekst van het eerste lid wordt op een door de Vlaamse Regering te bepalen datum vervangen door wat volgt: Voor die specifieke gedeelten van opleidingen, die gericht zijn op beroepsuitoefening, waarvoor geen erkende beroepskwalificaties bestaan en tot zolang er geen erkende beroepskwalificaties zijn, bepaalt de Vlaamse Regering de referentiekaders waarvan de competenties voor de opleidingen worden afgeleid. De competenties worden, zoals bij erkende beroepskwalificaties, vastgelegd gebruik makend van descriptorelementen uit het kwalificatieraamwerk en waarborgen de toepassing van eventuele Europese, federale of Vlaamse regelgeving inzake beroepsuitoefening dit zolang er geen erkende beroepskwalificaties zijn. De Vlor en de SERV zullen om advies gevraagd worden bij het besluit dat de referentiekaders, het proces en de actoren om tot deze competenties te komen, zal vastleggen. Art. 265. Voor die specifieke gedeelten van opleidingen die gericht zijn op beroepsuitoefening waarvoor geen erkende beroepskwalificatie bestaat, bepaalt de Vlaamse Regering de competenties, tot zolang er geen erkende beroepskwalificaties zijn. De Vlaamse Regering bepaalt deze competenties op basis van door sectoren of door overheidsinstanties erkende referentiekaders en gebruik makend van [...] descriptorelementen. De tekst van het eerste lid wordt op een door de Vlaamse Regering te bepalen datum vervangen door wat volgt: Voor die specifieke gedeelten van opleidingen, die gericht zijn op beroepsuitoefening, waarvoor geen erkende beroepskwalificaties bestaan en tot zolang er geen erkende beroepskwalificaties zijn, bepaalt de Vlaamse Regering de referentiekaders waarvan de competenties voor de opleidingen worden afgeleid. De competenties worden, zoals bij erkende beroepskwalificaties, vastgelegd gebruik makend van [...] descriptorelementen uit het kwalificatieraamwerk en waarborgen de toepassing van eventuele Europese, federale of Vlaamse regelgeving inzake beroepsuitoefening dit zolang er geen erkende beroepskwalificaties zijn. De VLOR en de SERV zullen om advies gevraagd worden bij het besluit dat de referentiekaders, het proces en de actoren om tot deze competenties te komen, zal vastleggen. (264) Art. 289 § 5. De oprichting vanaf 1 september van één of meer nieuwe opleidingsvormen kan pas na een gunstige beslissing van de Vlaamse Regering. Het schoolbestuur stuurt daartoe uiterlijk op 30 november van het voorafgaande schooljaar een gemotiveerde aanvraag met het oprichtingsdossier aan AgODi, dat de aanvraag voor administratieftechnisch en inhoudelijk advies aan de Vlaamse Onderwijsraad bezorgt. Dit advies wordt niet gevraagd aan de Vlaamse Onderwijsraad indien het programmatievoorstel valt onder toepassing van paragraaf Art. 290/1

51


§ 1. In afwijking van de artikelen 286 en 289 wordt de oprichting van een nieuwe type ook als een programmatie beschouwd. De school hertelt op de datum, vermeld in artikel 271, indien er effectief leerlingen van het nieuwe type zijn op die datum en voldaan is aan de voorwaarden bepaald in paragraaf 2. Indien simultaan een nieuwe school wordt opgericht met dit nieuwe type, moet voor de oprichting van dit nieuwe type voldaan zijn aan de voorwaarden, bepaald in paragraaf 2 van dit artikel en voor de oprichting van de school voldaan zijn aan de voorwaarden van artikel 286. Indien simultaan een nieuwe opleidingsvorm of een nieuwe opleiding wordt opgericht met dit nieuwe type, moet voor de oprichting van dit nieuwe type voldaan zijn aan de voorwaarden, bepaald in paragraaf 2 van dit artikel en voor de oprichting van de opleidingsvorm en de opleiding voldaan zijn aan de voorwaarden van artikel 289. § 2. In een school of opleidingsvorm kan een nieuw type worden opgericht als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: 1° het schoolbestuur dient een programmatiedossier in dat ten minste voldoet aan onderstaande kwaliteitsvoorwaarden: a) het schoolbestuur dient het dossier in na overleg binnen de schoolraad en in de wettelijk voorziene overlegorganen met het personeel; b) het dossier bevat een omgevingsanalyse die de noodzaak, de doelmatigheid en de leefbaarheid van het programmatievoorstel motiveert. Bij de omgevingsanalyse wordt, waar dit voor de betrokken schoolpopulatie relevant is, de link met eventuele aangepaste verblijfmogelijkheden, met inbegrip van schoolexterne begeleidingsmogelijkheden voor jongeren met bijkomende zorgbehoeften, expliciet behandeld; c) de school moet beschikken over de vereiste infrastructurele en materiële voorzieningen op gebied van toegankelijkheid en hulpmiddelen nodig voor het nieuwe type; d) de reeds bestaande expertise of de inspanningen rond professionalisering van het team met betrekking tot het nieuwe type worden in het dossier weergegeven. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen over de inhoud en de vorm van het programmatiedossier en over de wijze waarop de kwaliteitsvoorwaarden worden beoordeeld; 2° de oprichting vanaf 1 september van het nieuwe type kan pas na een gunstige beslissing van de Vlaamse Regering. Het schoolbestuur stuurt daartoe uiterlijk op 30 november van het voorafgaande schooljaar een gemotiveerde aanvraag met het programmatiedossier aan AgODi, dat de aanvraag voor advies aan de Vlaamse Onderwijsraad bezorgt. In afwijking van het voorgaande lid, kunnen voor de oprichting vanaf 1 september 2015 van type 9 gemotiveerde aanvragen bij AgODi ingediend worden tot uiterlijk 1 juli 2014. De Vlaamse Regering neemt deze beslissing na advies van de Vlaamse Onderwijsraad over de gegrondheid van de lokale behoefte aan extra aanbod en na advies van AgODi en de onderwijsinspectie. § 3. De scholen voor buitengewoon secundair onderwijs die tijdens het schooljaar 2014- 2015 een aanbod type 1 aanboden, bieden vanaf 1 september 2015 het basisaanbod aan als vermeld in artikel 259, § 1, 1°. Dit wordt niet beschouwd als een herstructurering. De oprichting van een type in het schooljaar 2015-2016 wordt niet beschouwd als een herstructurering. Art. 342. Voor zover de opleidingenstructuur afwijkt van die, vastgesteld bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2002 betreffende het experimenteel secundair onderwijs volgens een modulair stelsel, legt de Vlaamse Regering desbetreffende opleidingenstructuur ter advies aan de Vlaamse Onderwijsraad voor. Art. 343. Voor de modulair georganiseerde leerinhouden van een opleiding worden competenties door de Vlaamse Regering bepaald. Die leerinhouden zijn niet onderworpen aan de voorwaarde van door de Vlaamse Regering vastgestelde opleidingsprofielen. De Vlaamse Regering leidt de competenties af uit kwalificaties. Als die er niet zijn, leidt de Vlaamse Regering de competenties af uit een referentiekader in nauw overleg met de beroepssectoren. Voor zover de competenties afwijken van die bepaald bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2002 betreffende het experimenteel secundair onderwijs volgens een modulair stelsel, legt de Vlaamse Regering desbetreffende competenties ter advies aan de Vlaamse Onderwijsraad voor.

52


Jaarverslag 2015-2016 Bijlage 2 Competenties kunnen ook door middel van stages of werkervaring worden gerealiseerd. Besluit van de Vlaamse Regering 11 januari 2013 houdende de uitvoering van het decreet betreffende de kwalificatiestructuur van 30 april 2009 inzake de erkenning van beroepskwalificaties en inzake de erkenning van onderwijskwalificaties voor het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs Art.11. Een gevalideerd beroepskwalificatiedossier wordt voor inschaling aan een inschalingscommissie voorgelegd. Een inschalingscommissie als vermeld in het eerste lid wordt als volgt samengesteld: 1° zeven effectieve leden aangewezen door de SERV; 2° vijf effectieve leden aangewezen door de VLOR; 3°één effectief lid aangewezen door de VDAB en één effectief lid aangewezen door Syntra Vlaanderen; 4° twee onafhankelijke interne experten uit het agentschap. De experten, vermeld in het tweede lid, 4° zijn niet stemgerechtigd en nemen de proces- en kwaliteitsbewaking op. Voor elk effectief lid word(t)(en) minimaal één tot maximaal drie plaatsvervangers aangeduid. Het voorzitterschap wordt waargenomen door een onafhankelijke externe expert, die de minister aanwijst. Art. 17. § 1. Elk voorstel van onderwijskwalificatie van niveau 4 wordt door het agentschap aan de VLOR voor advies voorgelegd. De VLOR brengt advies uit over de elementen, vermeld in artikel 16, 3° en 4° van dit besluit. Dat advies wordt bij het agentschap uitgebracht binnen dertig kalenderdagen. Besluit van de Vlaamse Regering van 11 oktober 2013 tot codificatie van de decretale bepalingen betreffende het hoger onderwijs Art. II. 58. § 1. Opleidingen van het hoger beroepsonderwijs zijn beroepsgericht als vermeld in artikel 4 van het decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs. Voor de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs waarvoor geen erkende beroepskwalificaties bestaan, en dit tot zolang er geen erkende beroepskwalificaties zijn, bepaalt de Vlaamse Regering de referentiekaders waarvan de competenties voor de opleidingen worden afgeleid. De competenties worden, zoals bij erkende beroepskwalificaties, vastgelegd gebruikmakend van de descriptorelementen uit het kwalificatieraamwerk en waarborgen de toepassing van eventuele Europese, federale of Vlaamse regelgeving inzake beroepsuitoefening. De VLOR en de SERV zullen om advies gevraagd worden bij het besluit dat de referentiekaders, het proces en de actoren om tot deze competenties te komen, zal vastleggen Art. II.108. § 1. Het beroepsprofiel van de leraar is de omschrijving van de kennis, vaardigheden en attitudes van de leraar bij zijn beroepsuitoefening. Het beroepsprofiel bevat de taken die een ervaren leraar verricht en zal verrichten in het licht van maatschappelijke en andere ontwikkelingen, zoals de grootstedelijke context, de taalvaardigheid in het Nederlands, de meertaligheid en de diversificatie van het onderwijsgebeuren. De Vlaamse Regering bepaalt het beroepsprofiel van de leraar op advies van de Vlaamse Onderwijsraad. De Vlaamse Regering legt het besluit binnen de 6 maand na definitieve goedkeuring ter bekrachtiging voor aan het Vlaams Parlement. Indien het Vlaams Parlement dit besluit niet bekrachtigt binnen de 6 maanden na definitieve goedkeuring, houdt het op rechtskracht te hebben.

53


§ 2. De basiscompetenties van de leraar zijn de omschrijving van de kennis, vaardigheden en attitudes, waarover iedere afgestudeerde moet beschikken om op een volwaardige manier als beginnend leraar te kunnen fungeren. De basiscompetenties stellen de leraar in staat door te groeien naar het beroepsprofiel en worden rechtstreeks afgeleid van het beroepsprofiel. De Vlaamse Regering bepaalt de basiscompetenties op advies van de Vlaamse Onderwijsraad. Art. V.247. Het personeelslid dat zitting heeft in een lokaal inspraakorgaan dat opgericht is door of krachtens een wet of een decreet, krijgt dienstvrijstelling om de vergaderingen bij te wonen. De dienstvrijstelling wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Het personeelslid behoudt het recht op een salaris. Op verzoek van een verantwoordelijk bestuurslid van een representatieve vakorganisatie, krijgt een vakbondsafgevaardigde dienstvrijstelling om de vergaderingen van de Vlaamse Onderwijsraad bij te wonen. De dienstvrijstelling wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Het personeelslid behoudt het recht op een salaris Besluit van de Vlaamse Regering van 10 januari 2014 houdende de uitvoering van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur, wat betreft de erkenning van onderwijskwalificaties van niveau 1 tot en met niveau 4, en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 11 januari 2013 houdende de uitvoering van het decreet betreffende de kwalificatiestructuur van 30 april 2009 inzake de erkenning van onderwijskwalificaties voor het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs Art. 7. Elk voorstel van onderwijskwalificatie van niveau 1 tot en met 4 wordt door het agentschap aan de VLOR voor advies voorgelegd. De VLOR brengt advies uit over de elementen, vermeld in artikel 5, 1°, 2° en 4° tot en met 7°. Dat advies wordt bij het agentschap uitgebracht binnen dertig kalenderdagen.

54


Jaarverslag 2015-2016 Bijlage 3A

ALGEMENE RAAD Leden op 1 juni 2016 Harry Martens - voorzitter Geleding

Werkende leden

Plaatsvervangende leden

Inrichtende machten GO!

Raymonda Verdyck

Marc Smets

GO!

Saskia Lieveyns

Christel Martens

OVSG

Patriek Delbaere

Ellen Van Den Block

OVSG

Bruno Sagaert

Johan Vanwynsberghe

POV

Patrick Weyn

Marieke Van Nieuwenhuyze

Katholiek Onderwijs Vlaanderen

Lieven Boeve

Machteld Verhelst

Katholiek Onderwijs Vlaanderen

Ria De Sadeleer

Emile Claeys

Katholiek Onderwijs Vlaanderen

Chris Smits

Anne Verhoeven

Katholiek Onderwijs Vlaanderen

Jan Schokkaert

Kurt Berteloot

OKO

Kris Denys

Lieve Vansintjan

Instellingshoofden HO Vlir

Kristiaan Versluys

Ann De Schepper

Vlhora

Johan Veeckman

Marc Vandewalle

Off. BO

Alexandre de Smedt

Gerda Calders

Vrij SO

/

Jan De Boeck

Off. DKO

Herman De Vleeschhouwer

Anne-Marie Verbeek

Vrij CVO

Herman De Cnijf

Katty Van Camp

VCLB

Stefaan Grielens

Christine Tielemans

Personeel ACOD

Raf De Weerdt

Inge Vansweevelt

ACOD

Nancy Libert

Dany Bollens

COV

Marianne Coopman

Isabel Rots

COC

Koen Van Kerkhoven

Jan Soons

COC-COV

Mayke Vandeputte

Hilde Lavrysen

VSOA

Marnix Heyndrickx

Wauter Leenknecht

VCOV

Theo Kuppens

Karolien Bouchet

VCOV

Kim Bogaerts

Els Vanvolsem

KOOGO

Ludo Claes

Ann Staes

GO! ouders

Timothy Van Raemdonck

Veerle Vyverman

Directeurs

Ouderverenigingen

55


Leerlingen VSK

Nieke Nouwen

Jort Ory

VSK

Lara Loi

Emiel Lenaert

VVS

Isabeau Hufkens

Jonathan Hooft

VVS

Nicolas Goris

Frédéric Piccavet

SERV

Lore Tack

Peter Van der Hallen

SERV

Tom Demeyer

Leen Mestdagh

Verenigde Verenigingen

Hilde Timmermans (Gezinsbond)

/

Verenigde Verenigingen

Sanghmitra Bhutani (Minderhedenforum)

Fréderic Vanhauwaert (Netwerk tegen Armoede)

Studenten

Sociaal-economische organisaties

Sociaal-culturele organisaties

Commissie en langlopende werkgroepen commissie Diversiteit en Gelijke Onderwijskansen commissie Internationaal Onderwijs- en Vormingsbeleid commissie Onderwijs en Samenleving commissie Leerlingenbegeleiding commissie Hbo5 commissie Onderwijs-Vorming-Arbeidsmarkt

¬

sectorcommissies Bouw-Hout-Decoratie, Chemie, Grafische Technieken, Handel-Administratie, Landen Tuinbouw, Maritiem, Mechanica-Elektriciteit-Kunststoffen, Mode, Personenzorg, Schoonheidsverzorging, Textiel, Toerisme en Voeding-Hotel

¬

begeleidingscommissie Convenant Horeca-Onderwijs

overlegplatform Onderwijs Mediawijsheid overlegplatform Welbevinden op School overlegplatform Secundair - Hoger Onderwijs Uitgebrachte adviezen Toekenning en aanwending van de werkingsbudgetten voor het gewoon basis- en secundair onderwijs 24 september 2015 Advies over dringende maatregelen voor het onthaal van vluchtelingen in onderwijs 24 september 2015 * Samen vorm geven aan een geactualiseerd beleidskader voor eindtermen, leerplannen en kwaliteitstoezicht. Oriënterend advies 8 oktober 2015 * Advies over de conceptnota ‘Samen tegen Schooluitval’ 8 oktober 2015 Advies over Education and Training 2020 22 oktober 2015 * Advies over het ontwerp van STEM-kader 22 oktober 2015 Advies over de bisconceptnota ‘Leerlingenvervoer buitengewoon onderwijs’ 22 oktober 2015 Advies over de conceptnota ‘Geïntegreerd beleid voor erkenning van competenties (EVC)’ 22 oktober 2015 Advies over programmadecreet bij de begrotingsopmaak 2016 22 oktober 2015 Advies over de beleidsbrief Onderwijs 2015-2016 12 november 2015

56


Jaarverslag 2015-2016 Bijlage 3A Advies over de nota ‘Visie 2050. Een langetermijnstrategie voor Vlaanderen’ 26 november 2015 Advies over de horizontale beleidsplannen gelijke kansen en integratiebeleid 14 januari 2016 Advies over onderwijsdecreet XXVI 14 januari 2016 Advies over de themazetting van het op te richten universitair steunpunt onderwijsonderzoek 2016-2020 28 januari 2016 Advies over verzorgende en verpleegkundige handelingen in het basis- en secundair onderwijs 28 januari 2016 * Advies over de krijtlijnen voor een hervorming van leerlingenbegeleiding 28 januari 2016 Advies over het actieplan Ondernemend Onderwijs 28 januari 2016 Advies over het voorontwerp van decreet betreffende onteigening voor het algemeen nut 28 april 2016 Advies over alternatieve financiering van scholenbouw via projectspecifieke DBFM-overeenkomsten 28 april 2016 Advies over het voorontwerp van programmadecreet bij de aanpassing van de begroting 2016 28 april 2016 Advies over onderwijs voor doofblinde kinderen 28 april 2016 * Advies over de conceptnota ‘Uitbouw van het hoger beroepsonderwijs’ 26 mei 2016 Advies over de conceptnota ‘Lerarenopleidingen versterken/wervende en kwalitatieve lerarenopleidingen als basispijler voor hoogstaand onderwijs’ 26 mei 2016 Advies over het ontwerpbesluit betreffende het tijdelijk project leerlingenvervoer buitengewoon onderwijs 26 mei 2016 * advies op eigen initiatief

57


f

58


Jaarverslag 2015-2016 Bijlage 3B

RAAD BASISONDERWIJS Leden op 1 juni 2016 Geleding

Werkende leden

Plaatsvervangende leden

GO!

Ingrid Verstrepen

Anja Preuveneers

GO!

Chris Martens

Els Gallin

OVSG

Bruno Sagaert

Ellen Van Den Block

OVSG

Bart Van Dijck

Steven De Laet

Katholiek Onderwijs Vlaanderen

Marc Van den Brande - voorzitter

Annemie Jennes

Katholiek Onderwijs Vlaanderen

Ria De Sadeleer

Gerda Bruneel

Katholiek Onderwijs Vlaanderen

Anne Verhoeven

Soraya Fret

OKO

Lieve Vansintjan

Cathérine Devos

Vrij

Michel Goeman

Danny De Smet

Off.

François De Smedt

Robert Scheltjens

ACOD

Nancy Libert – ondervoorzitter

George Achten

COV

Marianne Coopman

Hilde Lavrysen

COV

Isabel Rots

Nancy Dewulf

COV

Eva Tiquet

Bert Verhaegen

COC

Mayke Vandeputte

Marina De Pauw

VSOA

Pascal Claessens

Wauter Leenknecht

VCOV

Karolien Bouchet

Els Vanvolsem

KOOGO - GO! ouders

Ludo Claes

Ann Staes

VCLB

Christine Vonckx

Luc Driesmans

CLB off.

Walentina Cools (OVSG)

Dries Vandermeersch (GO!)

Verenigde Verenigingen

Nele De Wachter (Welzijnszorg)

/

Verenigde Verenigingen

Nele Schroyen (Netwerk tegen Armoede)

Sanghmitra Bhutani (Minderhedenforum)

Inrichtende machten

Directeurs

Personeel

Ouderverenigingen

CLB

Sociaal-culturele organisaties

Commissies en langlopende werkgroepen commissie Buitengewoon Basisonderwijs technische werkgroep Programmaties Basisonderwijs

59


Uitgebrachte adviezen Advies over de krachtlijnen voor een sterk basisonderwijs 16 september 2015 * Advies over de conceptnota ‘Krachtlijnen voor een nieuwe organisatie voor de opvang en vrije tijd van schoolkinderen’ 30 september 2015 Advies over de programmatieaanvragen buitengewoon basisonderwijs 2016-2017 13 januari 2016 * advies op eigen initiatief

60


Jaarverslag 2015-2016 Bijlage 3C

RAAD SECUNDAIR ONDERWIJS Leden op 1 juni 2016 Geleding

Werkende leden

Plaatsvervangende leden

Inrichtende machten GO!

Luc De Man - voorzitter

Hilde De Meyer

GO!

Els Supply

Brecht Vanwijnsberghe

POV

Brigitte Pycke

Karine De Gendt

OVSG

Ellen Van Den Block

Jean-Marie Neven

Katholiek Onderwijs Vlaanderen

Dominiek Desmet

Cindy Lammens

Katholiek Onderwijs Vlaanderen

Jan Schokkaert

Katrien Bressers

Katholiek Onderwijs Vlaanderen

Emile Claeys

Lut Favoreel

OKO

Paul Buyck

Christine Marius

Directeurs Vrij

/

Jan De Boeck

Off.

Freddy Bleus

Pamela Bruers

Personeel ACOD

Nancy Libert

Raf De Weerdt

COC

Wim Plas

Mia Michiels

COC

Goele Cornelissen

Philippe D’hulst

COC

Koen Wils

Dina Van Der Kelen

COC

Carlos Debaere

Peter Gregorius

VSOA

Wauter Leenknecht

Pascal Claessens

Ouderverenigingen KOOGO - GO! ouders

Timothy Van Raemdonck

Veerle Vyverman

VCOV

Theo Kuppens

Kim Bogaerts

Leerlingen VSK

Jort Ory

Nieke Nouwen

VSK

Céline Ibe

Flo Tomlinson

VCLB CLB off. Sociaal-culturele organisaties Verenigde Verenigingen

Sonja Buts Dries Vandermeersch (GO!)

Johan David Walentine Cools (OVSG)

Paul Van Rossem (Gezinsbond)

/

Verenigde Verenigingen

Nele Schroyen (Netwerk tegen Armoede)

/

CLB

Commissies en langlopende werkgroepen commissie Algemeen Secundair Onderwijs verenigde commissies Beroeps- en Technischsecundair Onderwijs en Kunstsecundair Onderwijs commissie Buitengewoon Secundair Onderwijs

61


commissie Leren en Werken technische werkgroep Programmaties Secundair Onderwijs Uitgebrachte adviezen Advies over mogelijke beleidsmaatregelen ten aanzien van het aanbod van gesuikerde dranken op secundaire scholen 15 oktober 2015 Advies over enkele aanvragen tot programmatie van onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers 19 november 2015 Advies over enkele aanvragen tot programmatie van onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers 10 december 2015 Advies over de aanvragen tot programmatie in het gewoon secundair onderwijs 2016-2017 14 januari 2016 Advies over programmaties in het buitengewoon secundair onderwijs, schooljaar 2016-2017 14 januari 2016 Advies over enkele aanvragen tot programmatie van onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers 14 januari 2016 Advies over de tijdelijke projecten duaal leren: 'Schoolbank op de werkplek' 18 februari 2016 Advies over enkele aanvragen tot programmatie van onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers 18 februari 2016 Advies over de erkenning van een nieuw structuuronderdeel in het gewoon voltijds secundair onderwijs: Productontwerpen - tweede graad 18 februari 2016 Advies over het statuut duaal leren 17 maart 2016 Advies over een aanvraag tot programmatie van onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers 17 maart 2016 Advies over de aanvragen tot programmatie in het gewoon secundair onderwijs 2016-2017 (tweede advies) 21 april 2016 Advies over de programmatie van een onthaaljaar voor anderstalige nieuwkomers 19 mei 2016

62


Jaarverslag 2015-2016 Bijlage 3D

RAAD HOGER ONDERWIJS Leden op 1 juni 2016 Geleding

Werkende leden

Plaatsvervangende leden

Vlir

Ann De Schepper

Cis Van den Bogaert

Vlir

Marie-Rose Christiaens

Piet Verhesschen

Vlir

Kristiaan Versluys - voorzitter

Bieke Morlion

Vlir

Yvette Michotte

Erna Nauwelaerts

Vlhora

Bert Hoogewijs

Pascale De Groote

Vlhora

Johan Veeckman

Veerle Hendrickx

Vlhora

Luc Van de Velde

Ben Lambrechts

Vlhora

Joris Hindryckx

Toon Martens

Personeel ACOD

Dany Bollens

Inge Van Sweevelt

ACOD

Lorenzo Eecloo

Marleen Vermeire

COC

Jon Sneyers

Els Jacobs

COC

Tanja Slootmans

Hugo Uvin

COC

Jan Soons

Kris Van Segbroeck

VSOA

Wauter Leenknecht

Tim Van de Voorde

Studenten VVS

Lennert Noppe

Roxanne Figueroa Arriagada

VVS

Messelina Loncin

Stijn Schouppe

VVS

FrĂŠdĂŠric Piccavet

Jens Claes

VVS

Christophe Bossuyt

Joris Gevaert

VVS

Julie Bussche

/

VVS

Maarten Wuijts

/

Verenigde Verenigingen

Sanghmitra Bhutani

/

Verenigde Verenigingen

Emel Kilic

/

Instellingshoofden HO

Sociaal-culturele organisaties

Commissies en langlopende werkgroepen commissie Diversiteit Hoger Onderwijs werkgroep Internationaal Hogeronderwijsbeleid Uitgebrachte adviezen Advies over hoe communiceren met studenten, met specifieke aandacht voor kansengroepen 13 oktober 2015 * Advies over de ontbinding van IWT 13 oktober 2015

63


Advies over het Hermesfonds 13 oktober 2015 Advies over studiefinanciering hoger onderwijs 12 januari 2016 Advies over de omvorming van het toelatingsexamen arts/tandarts tot een vergelijkende proef 8 maart 2016 Advies over de moderniseringsagenda hoger onderwijs van de Europese Unie 8 maart 2016 * * advies op eigen initiatief

64


Jaarverslag 2015-2016 Bijlage 3E

RAAD LEVENSLANG EN LEVENSBREED LEREN 1

Leden op 1 juni 2016 Geleding

Werkende leden

Plaatsvervangende leden

Inrichtende machten en opleidingsverstrekkers GO!

Daisy Denolf

Hilde De Meyer

POV

Ann De Herdt

Greet Van Dender

OVSG

Bavo Van Soom - voorzitter

Bernadette Van Kemseke

Katholiek Onderwijs Vlaanderen

Kurt Berteloot

Carmen Wullaert

Katholiek Onderwijs Vlaanderen

Tony Bastijns

Veerle Adams

Katholiek Onderwijs Vlaanderen

Katty Van Camp

Ria De Sadeleer

OKO

Inge Godu

Anke Wolfs

Basiseducatie

Inge Schuurmans

Steven Van den Eynde

VDAB

Els Van De Walle

Dominique Berrier

SoCiuS

Fred Dhont

Ronny Leenknegt

SYNTRA

Steven De Pauw

Hilde Verachtert

Directeurs Off. DKO

Bart Remans

Hilde Van Keer

Vrij CVO

Geert Degrande

Herman De Cnijf

Off. CVO

Gunther Degroote

Marleen Mast

Basiseducatie

An Butaye

Adriana van Kuyck

Personeel ACOD

Inge Van Sweevelt

Dany Bollens

ACOD

Gert Hurkmans

Ingrid Hapers

COC

Sylvie Vanspeybroeck –ondervoorzitter

Katrien Verstraeten

COC

Ingrid Kremer

Paul Verachtert

COC

Herlinde Uten

Gerald Paternoster

VSOA

Bjorn Van Lysebetten

/

Freddy Tack

Mia Cornelis

Erik Tys

Mieke De Cat

Rudy Mylle

Frank Barro

Dirk Viaene

Silvia Hendriks

Sociaal-culturele organisaties Verenigde Verenigingen

Joris Smeets (FOV okra)

Dirk Verbist (FOV)

Verenigde Verenigingen

Nele Spaas (Minderhedenforum)

Cursisten

Mohamed Lahlali (Minderhedenforum)

65


2

Commissies en langlopende werkgroepen

commissie Basiseducatie commissie Deeltijds Kunstonderwijs commissie Volwassenenonderwijs 3

Uitgebrachte adviezen

Advies over de conceptnota deeltijds kunstonderwijs 20 oktober 2015 Advies over de aanvragen voor onderwijsbevoegdheid volwassenenonderwijs 19 november 2015 Advies over de voorstellen van opleidingsprofielen volwassenenonderwijs 19 november 2015 Advies over de aanvragen voor afwijking op de programmatiestop dko 12 januari 2016 Advies over de aanvragen voor onderwijsbevoegdheid in het volwassenenonderwijs 15 maart 2016 Advies over de aanvragen voor afwijking op de programmatiestop dko 2016-2017 19 april 2016 Advies over de voorstellen van opleidingsprofielen volwassenenonderwijs 19 april 2016 Advies over de conceptnota's volwassenenonderwijs en NT2 1 juni 2016

66


Jaarverslag 2015-2016 Bijlage 4

ACTIVITEITEN Studiedagen Startdag 2015 ‘Onderwijs en de arbeidsmarkt van morgen’, 17 september 2015, Vlaams Parlement, Brussel Symposium: Troeven van de basisschool als fundament voor ontwikkelen en leren, 28 september 2015, Consciencegebouw, Brussel Spijbelen in systemen van leren en werken, 23 oktober 2015, VAC Gent Studievoormiddag over omgaan met conflicten op school in het secundair onderwijs: Twistappels op school: leefregels en evaluatie, 12 november 2015, Kind en Gezin, Brussel Grensoverschrijdend werkplekleren: de Vlaams-Nederlandse casus, 22 april 2016, Vlor, Brussel Interdisciplinariteit in het hoger onderwijs, 26 april 2016 Interne seminaries en toelichtingen a.

Algemene Raad

Seminarie ‘Onderwijs en Samenleving’, 2 december 2015 Dialoog met minister Hilde Crevits over het advies Beleidsbrief, 14 januari 2016 Toelichting over het aanbod over cyberpesten van Mediawijs aan het (OVP Welbevinden) door Laure Van Hoecke (Mediawijs) en Heidi Vandebosch (UA), 19 januari 2016 Toelichting over de databank voor leerwerkplekken (WeLP) door VDAB en Syntra, 27 januari 2016 Toelichting bij de conceptnota ‘Naar een versterkt streekbeleid en (boven)lokaal werkgelegenheidsbeleid’ door Pieter Van Sande (ESF-Agentschap), 29 januari 2016 Toelichting over de VDAB 10-dagenregeling door Ellen Albrechts en Wim Van de Moortel van VDAB, 29 januari 2016 Evaluatie van het decreet leren en werken door Katleen De Rick (Hiva) en Mike Smet (KULeuven), 24 februari 2016 Toelichting visienota 'Nieuw professionalisme in zorg en ondersteuning als opgave voor de toekomst' door Jan De Maeseneer (SAR WGG), 10 maart 2016 Seminarie OVP Welbevinden, 25 maart 2016 Toelichting van het kabinet Onderwijs over de conceptnota’s lerarenopleiding, hbo5 en volwassenenonderwijs, 13 april 2016 Toelichting van het kabinet Welzijn en het kabinet Onderwijs over de hervorming van de kinderbijslag, woensdag 22 juni 2016 b.

Raad Basisonderwijs

Toelichting van het kabinet Welzijn over de conceptnota ‘Krachtlijnen voor een nieuwe organisatie voor de opvang en vrije tijd van schoolkinderen’, 16 september 2015 Toelichting Onderwijsspiegel 2015 door de onderwijsinspectie, 14 oktober 2015 Toelichting stand van zaken van het onderzoek Transbaso door Simon Boone (VUB), Eva Verstraete (UGent) en Piet Van Avermaet (UGent), 16 maart 2016

67


Intern seminarie ‘Opleidingen voor schoolleiders basisonderwijs: een ervaringsuitwisseling’, 18 mei 2016 c.

Raad Secundair Onderwijs

Toelichtingen over duaal leren, 30 september 2015 Toelichting Onderwijsspiegel 2015 door de onderwijsinspectie, 10 december 2015 Voorstelling door Lode Vermeersch (HIVA, KU Leuven & VUB) ‘onderzoek Cultuur in de Spiegel – Vlaanderen', 9 maart 2016 Toelichting over het Ouderplatform van de Koning Boudewijnstichting, 19 mei 2016 Toelichting aan de commissie kso over de publicatie Cultural awareness and expression handbook van de OMC Group (EU) door Brecht Demeulenaere, 8 juni 2016 d.

Raad Hoger Onderwijs

Toelichting over gelijke onderwijskansen in het hoger onderwijs in de commissie Diversiteit door onderzoeker Jelle Mampaey (UGent), 28 januari 2016 Toelichting in het hoger onderwijs in de commissie Diversiteit bij de vernieuwde werking van het Agentschap voor Integratie en Inburgering door Lut Cloetens, 9 juni 2016 e.

Raad Levenslang en Levensbreed Leren

De Raad Levenslang en Levensbreed Leren in dialoog met Dirk Van Damme, 7 december 2015 Toelichting Onderwijsspiegel 2015 door de onderwijsinspectie, 22 september 2015 Toelichting van het kabinet Onderwijs aan de commissie dko bij het antwoord van minister Crevits op het advies over de conceptnota deeltijds kunstonderwijs, 26 januari 2016 Toelichting aan de commissie dko over de publicatie Cultural awareness and expression handbook van de OMC Group (EU) door Brecht Demeulenaere, 12 april 2016 Toelichting door de overheid: conceptnota NT2, 27 april 2016 Toelichting aan de commissie dko van het SARC-advies over de conceptnota deeltijds kunstonderwijs, 14 juni 2016 Toelichting aan de commissie dko van de reactie van de professionele kunstensector op de conceptnota dko en over het ontwikkelproces van beroepsprofielen voor professionele beroepen in de podiumkunsten door Maarten Bresseleers (Podiumkunsten.be), 14 juni 2016

68


Jaarverslag 2015-2016 Bijlage 5

PUBLICATIES Strategische verkenningen

De basisschool als fundament voor ontwikkelen en leren Een strategische verkenning van de missie en de troeven van het basisonderwijs in Vlaanderen Brussel, Vlor-Acco, september 2015

Andere Jaarverslag 2014-2015 september 2015

69


70


Jaarverslag 2015-2016 Bijlage 6

PERMANENT SECRETARIAAT 1

Personeel

Het permanent secretariaat van de Vlor staat in voor de praktische organisatie en de inhoudelijke ondersteuning van de onderwijsraad. In het werkjaar 2015-2016 telde de Vlor 24 medewerkers: 6 mannen, 18 vrouwen. Er werkten 17 statutairen, 5 contractuelen, 1 gedetacheerde en 1 leerwerker.

De Vlor huist in het Artemisgebouw op de Kunstlaan in Sint-Joost-ten-Node Mia Douterlungne, administrateur-generaal staf Patrice Caremans, directeur, gelijke-onderwijskansenbeleid en secretaris Raad Secundair Onderwijs Ann Daenens, communicatieverantwoordelijke Filip De Bruyne, directeur ICT en financiën Carine De Smet, projectmedewerker internationaal onderwijsbeleid, STEM, onderwijs en samenleving Isabelle De Ridder, secretaris Raad Hoger Onderwijs Laura De Soomer, secretaris Raad Basisonderwijs Joël Job, personeels- en logistiek verantwoordelijke, secretaris Algemene Raad Roos Herpelinck, directeur, leerzorg, onderwijsbeleid EU, leerlingenbegeleiding, onderwijsonderzoek Katrien Persoons, adjunct van de directeur Eveline Reusens, secretaris Raad Levenslang en Levensbreed Leren Koen Stassen, waarnemend directeur, aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt, hbo5 administratie Nancy Tuts, directiesecretariaat Isabelle Berghs, documentatiedienst Piet De Craecker - Nicole Meuleman - Mireille Pauwels - Pascale Vaegenhende - Daniëlle Wouters, administratieve ondersteuning onthaal - logistiek Wim Antheunis - Ebru Biçer - Viviane Piron - Sigrid Van Laethem - Sami Zaghloul, (leerwerker)

2

Informatie en communicatie

De Vlor communiceert in de eerste plaats naar de beleidsactoren en zijn leden. Hij stemt zijn communicatiekanalen zoveel mogelijk af op deze specifieke doelgroepen. Adviezen De advisering van de Vlor is in eerste instantie gericht naar de beleidsmakers voor Onderwijs en Vorming: de minister (en kabinet) en de administratie. De adviezen worden aan deze prioritaire doelgroep dan ook persoonlijk bezorgd. Ook de leden van de Commissie Onderwijs in het Vlaams Parlement en politieke partijen zijn een belangrijke doelgroep voor de Vlor-adviezen. Zij ontvangen op geregelde tijdstippen een overzicht van de recente adviezen of eerdere adviezen die relevant zijn voor de besprekingen van de Commissie.

71


Ledencommunicatie Het intranet van de Vlor vormt de ruggengraat van de ledencommunicatie. De leden van de raden en commissies en de deelnemers aan tijdelijke werkgroepen kunnen zich snel en doelgericht informeren over de werkzaamheden waar zij rechtstreeks bij betrokken zijn. Zo kunnen zij de agenda en voorbereidende documenten van vergaderingen raadplegen en een opvolgingsdocument consulteren waarmee zij de weg van een (ontwerp)advies doorheen de organisatie kunnen opvolgen, samen met de eventuele wijzigingen aan de regelgeving die ermee verband houden. De dienst informatica verzorgt een interne helpdesk voor de medewerkers en de leden. www.vlor.be De Vlor-website is spil van de communicatie. Hij geeft een actueel overzicht van de uitgebrachte adviezen. Met een uitgebreide zoekfunctie kunnen eerdere Vlor-adviezen thematisch doorzocht worden. Bezoekers kunnen er zich inschrijven voor studiedagen en andere activiteiten of publicaties bestellen. De Vlor-website had afgelopen werkjaar 44.558 unieke bezoekers en 177.912 paginaweergaven (op 16 juni 2016). De website wordt geraadpleegd om adviezen te bekijken, publicaties te bestellen, in te schrijven voor een activiteit of voor algemene informatie over de Vlor of over zijn projecten. Via de website lopen ook vragen om informatie binnen. Nieuwsbrief Alle leden van de Vlor, alle scholen en clb ontvangen vier maal per jaar In beraad. Deze papieren nieuwsbrief met een oplage van 7000 exemplaren, geeft een overzicht van de werkzaamheden en kondigt nieuwe initiatieven aan. De Vlor verstuurt maandelijks een digitale nieuwsbrief. Die houdt abonnees op de hoogte van de recente Vloradviezen en van de agenda. GeĂŻnteresseerden kunnen zich abonneren op deze nieuwsbrief via www.vlor.be. De nieuwsbrief had op 16 juni 2016 2561 abonnees. De Vlor verstuurt ook de nieuwsbrief van EUNEC, het Europees netwerk van onderwijsraden (255 abonnees). Andere kanalen De leden van de Commissie Onderwijs van het Vlaams Parlement ontvangen regelmatig een overzicht van Vlor-adviezen die relevant zijn voor hun besprekingen. De raad kan ook worden uitgenodigd in de Commissie om een advies toe te lichten. Om zich voor te stellen aan nieuwe leden, bezoekers en deelnemers aan Vlor-activiteiten, heeft de Vlor een kennismakingsfolder. Nieuwe leden van raden, commissies en werkgroepen ontvangen ook een welkomstbrochure met wegwijsinformatie. Via de kranten en de bewegingspers probeert de Vlor zijn naambekendheid en de weerklank van zijn standpunten en activiteiten bij de publieke opinie te vergroten, om ook langs die weg invloed uit te oefenen op het onderwijsbeleid. De Vlor deelt zijn informatie ook via de sociale media. Af en toe informeert de raad gericht specifieke doelgroepen die belang hebben bij een advies, publicatie, project of activiteit.

72


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Jaarverslag_VLOR_2015_2016.pdf by Vlaanderen-be - Issuu