MAANDELIJKS
^
I »- ^ ^ H
i Al > —-«e
' •':,.l"
&Sa
P
I
1-^
- '
... •
_—i;
«
•
•
*. . * • B»ï
•
•
IT F
HHH • }
n
^
-y~-
•
» «
LM '
: i^ï
LP
3
/ —v _ ^^H
N.Y VAN LOY & CIE ALGEMENE RESTAURATIEWERKEN
Architect: Jos Roosemont Mechelen
Opdrachtgevend bestuur: Gemeentebestuur Schelle
Restauratie van kerk St. Petrus en Paulus te Schelle
Aarschotsesteenweg 4 2230 Herselt Tel. (014)54 43 97 Fax (014)54 72 72
Monumenten en Landschappen, Graaf de Ferraris-gebouw Albert H-laan 20 - bus 7 1000 BRUSSEL Tel. (02)553 82 34 - Fax (02)553 80 95 E-mail: Luc,Tack@lin.vlaanderen.be Coördinatie: LucTack Fotografie: Oswald Pauwels Vormgeving en productie: LucTack Zetwerk en secretariaat: Diane Torbeyns Corer; Neoromaanse kerk van Kortrijk. Merkwaardige interieursehüdering (foto Kris Vandemrstl
Abonnementsvoorwaarden 2002
Internet
Druk
Website Monumenten en Landschappen: www.monument.vlaanderen.be
Die Keure Oude Gentweg 108, 8000 Brugge Tel.: (050)47 12 72 - Fax: (050)34 37 68
Redactiecomité
België: 32 € (ook losse nummers verkrijgbaar voor 6 € ) . CJP'ers betalen: 27 € Buitenland: 49,50 € Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving op rek. nr.091-2206040-95 van Monumenten Et Landschappen, Graaf de Ferraris-gebouw, Albert ll-laan 20 - Bus 7, 1000 Brussel met vermelding "MEtL-jaarabonnement 2001". U ontvangt dan alle nummers van het lopende jaar. E-mail: DianeP.torbeyns@lin.vlaanderen.be
Voorzitter: E. Goedleven. Leden: A. Bergmans, J. Braeken, M. Buyle, M. Cells, M. De Borgher, J. De Schepper, M. Fierlafijn, J. Gyselinck, A. Malliet, V. Meul, G. Plomteux, L Tack, S. Van Aerschot, Hedwig Van den Bossche, Herman Van den Bossche, P. Van den Bremt, Ch.Vanthillo, L Wylleman.
Advertentiewerving De Ganzerik, J. Casier Maalsesteenweg 73, 8310 Sint-Kruis Tel.: (050)36 25 89 - Fax: (050)37 33 64
Verantwoordelijke uitgever Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Departement Leefmilieu en Infrastructuur Administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen Luc Tack Afdeling Monumenten en Landschappen, Graaf de Ferraris-gebouw Albert ll-laan 20 - bus 7 1000 BRUSSEL Tel.: (02)553 82 36 - Fax: (02)553 80 95 E-mail: Luc.Tack@lin.vlaanderen.be De verantwoofdelijkheid voor de gepubliceerde artikels berust uitsluitend bij de auteurs. Alle rechten voor het reproduceren, vertalen of herwerken zijn voorbehouden.
Zonder schriftelijke opzegging voor het einde van elk kalenderjaar, wordt een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang, tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd
a
i-D-K O-U 12
Het a r c h e o l o g i s c h o n d e r z o e k i n de O . L . V . - B a s i l i e k van T o n g e r e n . Fase 1 : 1 9 9 9 - 2 0 0 1 P. Van den Hove, A. Vanderhoeven en G. Vynckier
38
Op weg n a a r b e s c h e r m i n g van 1 9 d e - e e u w s e k e r k g e b o u w e n in V l a a n d e r e n . Een s t a t u s - q u a e s t i o n i s T. Coomans
62
Summary
IMPERPUX De ideale anti-grafitibescherming voor blauwe steen (petit granit) Inlichtingen ; /nechelsestraat 125, 3000 Leuven Tel. 016/23.98.25 www.imperplex.be
FARRDW&BALL Manufacturers of Traditional Papers and Paint
D E A D FLAT OIL Een matte lijnolieverf beschikbaar in National Trust en Archive kleuren. DISTEMPER Zuivere caseïneverf beschikbaar in wit en 18 kleuren. LEAD P A I N T Een traditionele lijnolie-loodwitverf. enkel voor restauratie en kunstenaars. LIME W A S H Een traditionele vette kalk verf zonder toevoeging van synthetische additieven. SCUMBLE GLAZE Een transparante glacis op basis van lijnolie, te vermengen met olieverf.
Tevens verkrijgbaar ïn alle National Trust en Archive kleuren: Emulsieverf • Lijnolie hoogglans Lijnolie zïjdeglans • Vloerverf
de producent van kaarten, databanken en luchtfoto's voor ruimtelijke ordening en stadsrenovatie. o•^
Verkrijgbaar via: Emente bvba
M u t s a a r d s t r a a t 16
2000 Antwerpen NATIONAAL GEOGRAFISCH INSTITUUT INSTITÜT GEOGRAPHIOUE NATIONAL
03 2 3 3 18 91
En geselecteerde verkooppunten www.farrow-ball.com
DE BOUWONDERNEMINGEN
COUDRON Algemene Bouwwerken Restauratie- en Renovatiewerken Timmer- en Schrijnwerken Specialisatie Volkerntoepassing Keukeninrichting "Sedeco"
DIKSMUIDSEWEG 61, 8900 IEPER TEL. 057/20 09 85 - 21 96 10 — FAX 057/20 99 17
N V
Kalk voor de restauratie, renovatie en decoratie van ons patrimonium!
UNILIT
CORIDECOR • CORICAL: een minerale verf op basis van vette luchthardende kalk, marmerpoeder en natuurlijke kleurstoffen
• Bindmiddelen op basis van natuurlijke hydraulische kalk om te metselen, voegen en pleisteren
• Marmerafwerkingen MARMOLUX, CORISTIL, DECORLUX, VENESTUK
• Kant en klare mortels op basis van natuurlijke hydraulische kalk
• Hecht-, grond- en afwerkmortels • Saneringsmortels tegen optrekkend vocht & vochtige muren • Thermische & akoestische isolatiemortels
HD SYSTEM GRUPPO TASSULLO spa
Chris VOET Tel.: 052 46 02 43 Fax : 052 46 35 77 GSM : 0475 26 72 89 E-mail : chris.ady^compaqnet.be
Maud BONN E VIE Tel/Fax: 081 58 35 99 GSM : 0475 26 73 25 E-mail : berfonfiJtiscalinet.be
• Injectiemortels voor stabilisatie en statische verankering
Arte
ucto-
Arte Constructo bvba Molenberglei 18 B-2627 Schelle Tel.: 00 32 3 880 73 73 Fax : 00 32 3 880 73 70 E-mail : info@arteconstructo.be Web : www.arteconstructo.be
Structurele restauratie van moderne constructies en historische monumenten Steunend op een ruime ervaring en multidiciplinaire knowhow van chemie en bouw zijn wij in staat voor onverwachte problemen een passende oplossing te bieden. Injecties van beton- en metselwerk epoxy, PU, minerale grouts • Injecties tegen waterinfiltraties injecties van holle ruimten Uitwendig gelijmde wapening: - met staal - met koolstofvezellaminaten koolstofvezellaminaat Carficom aramidevezellaminaat Kevlar* Kunststofvezeliaminaten als corrosievrije uitwendige wapening voor zowel betonais houtstructuren • Polymeerchemische restauratie: hout & steen • Micropaien
industriepark 8 2220 Heist o/d Berg
Tel.:+32 15 24 93 60 Fax: +32 15 24 80 72 Email: englneering@deneef.net
RESTAURATIE RENOVATIE BEZOEK ONS BEDRIJF EN WERVEN: DOMEIN ROOIGEM Bisschopsdrcef, St.-Kruis HUIS ZEVEN TORENS Hoogstraat 6-8, Brugge Ter gelegenheid van de OPEN MONUMENTENDAG 7 en 8 SEPTEMBER DOORLOPENDE DEMONSTRATIES van 10 u. tot 16 u. ZETEL GROENE POORTDREEF 40 8200 BRUGGE TEL. 050-38 32 96
Lakenhalle - leper. Duivenwering Ecopic Bird Out - Roestvrlje staafjes onderstroom.
Inlichtingen: DVL bvba
ECOPIG^
Brusselsesteenweg 188A 9090 Melle Tel. 09-252 52 74 Fax 09-252 31 59
Een architectuur zonder duiven
Reukloze pasta voor droge interieurreiniging
Arte Mundif
( D R Y
C L E A N I N G
S Y S T E M )
Verkrijgbaar in 5 typen (I, n, m, iv & v) • afhankelijk van de ondergrond (marmer, natuursteen, baksteen, beton, cementering & bepleistering) en de graad van vervuiling.
Enkele referenties • • • •
Unesco Parijs • Sint-Pauluskerk Antwerpen Monasterio dos Jeronimos Lissabon • Koninklijk Paleis Laken Sagrada Familia Barcelona • Sint-Martinusbasiliek Halle Parlement Rome
detail crypte na reiniging
met KIK-verslag Arte Mundit® (Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium) vooraanzicht
Sagrade Familia - Barcelona
FTB Restoration bvba
FTB Trainingscenter & R&D division
Vaartstraat 128 E3 - 2520 Ranst Tel.;32 (0)3/475.19.57 - Fax: 32 (0)3/475.19.62 info@ftbrestoration.com
Vrijheidboomplaats 7 - 8570 Lauwe Fax: 32 (0)56/42.70.68 ftblauwe@ftbrestoration.com
www.ftbrestoration.com
Documentatie,
neutrale
lastenboekteksten
FTB RESTORATION of gratis advies op aanvraag*.
roge inteneurreimging ALPHA VOCHTTECHNIEK
^^j
etter schilderen
VEELZIJDIG EN AL MEER DAN 23 JAAR ERVARING
llenbouw
Injectiewerken - constructief - waterdichtend
^-jyergulden
Waterdicht maken van kelders Injekteren tegen opstijgend vocht Hygrothermische kelderisolatie Bestrijden van vochtoverlast in kruipruimten Hydrofoberen en verharden van natuur- en baksteen Betonreparatiesystemen Renovatie- en restauratleplelsters
PRIEM-de BRABANDER
Kunststof-vloersystemen
GEVELRENOVATIE RESTAURATIE
050/36,30.13
ALPHA V O C H H E C H N I E K B.V.B.A. Riyadhstraat 1 - 2 3 2 1 Meer Tel. 03/315.11.13-Fax 03/315.11.15 phavochttechiek.com - email; lnfo@alphavochttechniek.com
Blekerijstraat 17, B-83 IO Brugge
Uw patrimoitiant... onze zorg Reeds meer dan 20 jaar restaureren, renoveren en beschermen wij gebouwen en waardevolle monumenten. Reiniging, restauratie en renovatie van gevels Restauratie en conservatie van steen Traditionele zuivere kalkpleisters en kaleilagen Mineraalverven en silicaatpleisters Cement- en kunststofgebonden gevelpleisters Warmte-isolerende pleistersystemen Betonherstelling en -bescherming Duivenwering Houtworm- en zwambestrijding Polyfneerchemische houtrestauratie en -versteviging Brandremming op hout, beton en metaal Injectiewerken Vochtwering en waterdichting Renovatie- en verbouwingswerken Referenties op aanvraag
Onze vaklui worden begeleid door gespecialiseerde ingenieurs en kunsthistorici
Solar
#
^
Dakwerken G. BOSCH
Dak-, Zink- & Roofingwerken Specialiteit: Restauratie van oude daken Aartrijkestraat 109 8820 Torhout Tel. 050-21 10 85 - Fax 050-22 06 17 E-mail: lnfo@bvbabosch.com geert.bosch@skynet.be
Reg. nr. 051511
Nijs Restauratie
Tel.: 03-766.11.66 - Fax: 03-777.35.09 Erkend aannemer cat D k l . l , o cat D l kl 3, D21 kl 3, D24 kl 4
E3-Laan 49 - 9800 Deinze - Tel 09/386 07 63 p.nijs@cobonet.be
E v e n w i c h t tussen w e t e n s c h a p en v a k m a n s c h a p
Specialiteit: Beschermde monumenten
Kleine Breedstraat 3 3 - B-9100 SINT NIKLAAS
Wij hebben allemaal bescherming Duivenmest is door zijn agressieve chemische bestanddelen één van de belangrijkste oorzaken van onomkeerbare beschadigingen aan gebouwen en monumenten. Maar er is meer! De duif, maar vooral de duivenmest, brengt naast het cultuurpatrimonium ook onze gezondheid in gevaar door overbrenging van ziekten zoals omithose, salmonella, psittacosis, e.a.,...
Nu is er echter BIRDEX (een gamma diervriendelijke afschrikkingsmiddelen dat de duiven voorgoed weg houdt van monumenten en gebouwen. Wilt u er meer over weten, neem dan vrijblijvend contact met ons op.
P.E.C. International n.v. Verbindingsstraat 2. B-9100 St.-Niklaas Tel.: (03)776 84 39 - Fax: (03)777 35 09
ff
Remmws
(Av partner voor Totale bouwbescherming
•••
Meer dan 50 jaar
de bouw ten dienste
Alle producten voor • Gevelrenovatie • Natuursteenherstel • Restauratiemortels • Injectie tegen opstijgend vocht • Epoxy en PUR-injecties • Kunststofvloeren epoxy/PUR/... • Betonreparatie mineraal/epoxy • Kelderafdichting binnenzijde/buitenzijde • Beton- en mortelhulpstoffen
31
•• •I •i
Houtbeschermingsproducten Polymeerchemische balkkoprestauratie Restauratie- en sierpleisters PAREX
ü
[n
«•
1 «•
Remmers Bouwchemie BVBA Industriepark 2 0 2 2 2 0 Heist op den Berg Tel 0 1 5 - 2 4 19 6 8 fax 015-24 28 6 0 lnfo@remmers.be www.remmers.be
ervaring
3
a
K
nr
1.1
Documentatie of gratis advies op aanvraag
Kasteel van Pepingen
Ü O D J J ^ \ ... NIJVERHEIDSWEG 1 - 2240ZANDHOVEN TEL, (03)475 13 00 - FAX (03)485 74 47 Venecolaan 30 - 9880 AALTER TEL, (09)375 12 66 - FAX (09)375 22 88 E-MAIL: info@bodima.be
WfÊW i
-^
^^B T bH
•
fii
K^
il I U i
s s1
MiU
111
,41 1 1 i
-
. y^oouestouratie • Ontmoisen von dat
.09
e^ Gevelreiniging
. Betonherstelling '
G ^ ^ "
e NoeV>\ '
^
^
.w^'
e^
^
oC
r,'.
en
'AGREFu.y. WANNEER DE VORM HET HOOFDDOEL IS
ERKENNING NR. 04 28 01
BVBA.
VEN NOOTSCHAP VOOR DE CONSERVATIE EN DE RESTAURATIE VAN KUNSTWERKEN - Restauratie van schilderijen (namelijk: grote formaten) - Doublering op vacuümtafel - Behandeling van: gepolychromeerde beelden en meubels, muurschilderijen, Oosters lakwerk, conservatie van kunstwerken op papier en zijde, terracotta's
Ursulinenklooster Onze-Lieve- Vrouw- Waver Pinakels in architectonisch beton.
BETONNEN STERVORMEN EN SIERELEMENTEN VOOR RESTAURATIEWERKEN EN NIEUWBOUW
AGREF N. Tragelweg4 - B 9230 Weiteren Tel. 09-369 19 11 - Fax 09-369 07 04
25 JAAR AKTIEF IN SAMENWERKING MET DE OFFICIËLE INSTANTIES DIEPESTRAAT 18 - 3061 BERTEM (Leefdaal) TEL. 02-767 97 80
RESTORATION WORKS Renovatie Gevel Jusl il iepaleU - Geul R e s t a u r a t i e K n i p i r e p o m p . G r o e n t e n m a r k t - Geul R e s l a u r a l i e ().!..Vrouw Basiliek - T o n g e r e n R e s t a u r a t i e G e m e e n t e h u i s - Ruiselede
r
'fttf
rr»-
B
'IÏT
DENVS D e n y s NV. [ n d u s t r i e w e g 1 2 ^
li - <)():i2 W o n d e l g e m - Gent Tel ()*) 2-r,-t 01 11 - Fax 0 9 2 2 6 'H 71 iiir<»@<l<'iivs.l>(' - w w w . d e n y s . c o n i
Peter
Van den Hove, Alain en Geert
Vynckier
Vanderhoeven {\)
HET ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK IN DE O.L.V.-BAS1L1EK VAN TONGEREN EASE 1 : 1 9 9 9 - 2 0 0 1 • Oe Onze-LieveVrouw Basiliek van Tongeren, met zicht op het aangrenzende Vrijthof en de opgraving uitgevoerd door het I.A.P. (foto 0. Pauwels)
De O.L.V.- Basiliek van Tongeren werd in 1936 als monument
beschermd en wordt algemeen als één
van de belangrijkste beschouwd.
gebouwen
van
Dat deze kerk bovendien
Limburg in het
hart
van de oudste stad van het land is
ingeplant
maakt haar niet alleen bovengronds
maar
ondergronds document. herbergt
tot een belangrijk
ook
historisch
De bodem in en rond de Basiliek sporen van 20 eeuwen
bewonings-
en middeleeuwse
Plannen voor de aanvang van een grootscheepse binnenrestauratie, gecombineerd met de aanleg van een nieuwe vloerverwarming én van een ondergrondse museumkelder hadden dan ook als gevolg dat een indrukwekkend maar tezelfdertijd complex en moeilijk toegankelijk bodemarchief met volledige vernieling werd bedreigd.
Romeinse kerkgeschiedenis.
In overleg met de kerkfabriek, de betrokken architecten en de afdeling Monumenten en Landschappen (M&L) voerde het Instituut voor het Archeologisch Patrimonium (IAP) in 1996 en 1997 verkennende vooronderzoeken in de O.L.V.- Basiliek uit. Hieruit bleek dat een nauwgezet archeologisch opvolgen van de geplande werkzaamheden abso-
luut noodzakelijk was. Bovendien werd in 1995 door het IAP op het aangrenzende 'Vrijthof' reeds een noodopgraving uitgevoerd. De gegevens die daar zijn verzameld staan in nauwe relatie tot het onderzoek in de Basiliek. Hoewel op dit ogenblik slechts één helft van de Basiliek archeologisch onderzocht is kunnen uit de huidige opgravingsgegevens van de kerk en het
bijgestaan. Daarnaast kon men ook voortdurend rekenen op archeologiestudenten uit het binnen en buitenland, die in de O.L.V.- Basiliek hun stage kwamen lopen. Nochtans was deze opgraving geen sinecure. Het onderzoek werd er immers een aantal maal door de zware funderingswerken ernstig gehinderd, omdat die vaak gelijktijdig met het archeologisch onderzoek werden uitgevoerd.
4 De Onze-Lieve-
Tijdens de eerste
Vrauw Basiliek
fase van de blnnen-
van Tongeren
restauratle ( I 9 W -
(foto 0. Pauwels)
200!) werd het historisch 'Le Plcard' orgel gedemonteerd en gerestaureerd (foto 0. Pauwels)
Vrijthof toch reeds enkele belangrijke conclusies met betrekking tot de Romeinse bewoning en de chronologie van de verschillende middeleeuwse kerkfasen getrokken worden.
FASERING EN BUDGETTERING De eerste fase van de binnenrestauratie liep van augustus 1999 tot mei 2 0 0 1 . Tijdens deze periode werd het historische 'Le Picard' orgel gedemonteerd en gerestaureerd en zijn de vijf laatste traveeën van de middenbeuk archeologisch onderzocht, onderkelderd en van een vloerverwarming voorzien. Eén opgravingsploeg werkte permanent in de kerk en werd — waar nodig - door een tweede ploeg
Tijdens de werkzaamheden is de kerk door middel van een enorme steigerwand in twee helften verdeeld. Daardoor bleef het voorste gedeelte van de kerk permanent toegankelijk en konden ook de erediensten gewoon doorgaan. Kerkbezoekers hadden bovendien de mogelijkheid om de evolutie van restauratie en opgravingen dagelijks te volgen via een platform dat doorheen de steigerwand was aangelegd, een initiatief dat door velen werd geapprecieerd. De kosten van de werken werden op 88,9 miljoen frank geraamd (excl. BTW). Voor het archeologisch onderzoek was in dit budget een bedrag van 14 miljoen frank voorzien. Het merendeel hiervan ging naar de personeelskosten voor het permanen-
De opgravingen in
daarvoor aangelegd
de O.LV.-Baslliek
platform gevolgd
konden dagelijks
worden
van op een speciaal
(foto IAP)
Zicht vanuit het vaak gelijktijdig met trifonum op de
zware funderings-
opgravingen,
werkzaamheden te
Het archeologisch
gebeuren
onderzoek diende
(foto IAP)
te opgravingsteam: een archeoloog, een tekenaar en drie arbeiders. Het IAP nam op zijn beurt de kosten voor de tweede opgravingsploeg op zich en is ook verantwoordelijkheid voor de verdere wetenschappelijke uitwerking van de onderzoeksresultaten. Dit gebeurt in samenwerking met M & L en het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium (KIK). De uitvoering van de tweede fase zal ten vroegste begin 2004 aanvatten en maakt deel uit van een nieuwe afzonderlijke aanbesteding.
VOORGESCHIEDENIS VAN DE SITE Reeds in 1240 zijn bij de bouw van de huidige gotische kerk op een diepte van 22 pedum muren die niet tot de oudere Romaanse kerk konden behoren aangesneden. Ze werden aan een Romeinse basilica uit de tijd van bisschop Servatius toegeschreven. Deze vondst staat vermeld in het liber gmtiarum (2), waarin de stichtingsoorkonde van de Basiliek is overgeschreven. Uit deze laat 16 ^eeuwse aanhaling heeft zich een traditie gevormd dat de kerk van de Heilige Servatius op de plaats van de huidige O.L.V.- Basiliek zou gestaan hebben. In de loop der tijd is deze 'hypothese' steeds meer leven ingeblazen, niet het minst door een aantal bijkomende ontdekkingen. De belangrijkste daarvan
1VI&L
dateert zondermeer uit 1912, toen in de kerk een centrale verwarming werd aangelegd. Bij deze graafwerken werd - naast een grote hoeveelheid Romeins puin - een apsisbouw, centraal onder het transept én in de as van de huidige kerk, aangesneden. Door de toenmalige oudheidkundigen). Paquay en Fr. Huybrichts werden enkele summiere vaststellingen gedaan (3). Dat deze relicten toegeschreven werden aan de kerk van Sint-Servatius, lag voor
de hand. De theorie van een 4 c -eeuwse basilica werd in de jaren '60 door een bouwhistorische studie van Benoit Geukens opnieuw kracht bijgezet (4). Hij voerde onder meer een kleinschalig onderzoek in een Romaanse kelderruimte onder de eerste twee noordelijke gotische zijkapellen uit. Bij dit onderzoek ontdekte hij een oost-west georiënteerde Romeinse muur, die hij interpreteerde als een onderdeel van de Romeinse basilica, waartoe ook de in 1912 gevonden apsis zou behoren. Zijn hypothese werd door sommige onderzoekers overgenomen (5) maar door andere dan weer in twijfel getrokken (6). Naast het archeologische laat ook het historisch bronnenmateriaal veel ruimte voor hypothesen en reconstructies. Volgens Athanasius (7) ondertekende St.-Servatius als Episcopus Tungrorum de beslui-
ten die voortvloeiden uit de synode van Serdika (342). Door Sulpicius Severus (8) wordt hij genoemd als deelnemer aan de synode van Rimini, die in 359 plaats had. Het blijft echter omstreden of men hieruit mag afleiden dat Servatius als bisschop ook daadwerkelijk in Tongeren resideerde. O p de synode van Rimini wordt hij immers als enige prelaat zonder een zetelplaats genoemd. Sommigen zien hem dan ook eerder als een episcopus peregrinus, een missiebisschop zonder vaste zetelplaats ( 9 ). Anderzijds is het ook moeilijk om aan te nemen dat iemand met de titel Episcopus Tungrorum niet in de toenmalige civitashoofdplaats zou geresideerd hebben. Tijdens de opgravin-
Voor de 5 e eeuw ontbreekt iedere informatie over de aanwezigheid van een bisschop in Tongeren. Vanaf de 6 e eeuw stond de bisschopzetel waarschijnlijk reeds in Maastricht. Hoewel residerend in Maastricht kan men veronderstellen dat de bisschoppelijke aandacht voor Tongeren nooit volledig weg is geweest. Volgens de Vita sancti Trudonis ontmoette de Heilige Trudo, op terugreis uit Metz, Bisschop Remaclus (652-660) in de stad Tongeren (10).
gen werden 2068 verschillende sporen gefotografeerd, getekend en beschreven (foto IAP) Oude opmeting van
(Overgenomen uit
de apsis die in J. PAOUAY, Tongeren 1912 onder het
Voorheen. Geschiedkundige schets.
transept werd
Tongeren, 1934,
ontdekt.
flg. 3 en 4)
V
CA.ce.uA. ï^-MuveJit-
/
DE OPGRAVINGEN AAN HET 'VRMTHOF' In 1893 ontdekte men ten zuiden van de Basiliek, net voor het zuidelijk transept één van de verdedigingstorens van de Laat-Romeinse stadsmuur. Na een opgraving in 1931 werd het mogelijk om deze toren ondergronds te bezoeken. Toen in 1995 werd beslist om de ganse zone voor een groter publiek te ontsluiten had er ook een beperkt archeologisch noodonderzoek plaats, waardoor een eerste inzicht in de Romeinse bewoning rond de Basiliek, de situering van de Sint-Maternuskapel en het verloop van de omheiningmuren rond het monasterium werd verworven (11).
TUMtfti jou Lt ta*^int<Vr lit
«tsfe
HnJiqil
e
Ba Pfl»wi.rtr fceTa*.L
e
In de 2 en 3 eeuw na Christus situeerde zich in deze zone een stadswoning, waarvan een zuidelijke buitenmuur en twee dwarsmuren zijn opgegraven. Daardoor werd duidelijk dat een groter gedeelte van de woning onder de huidige Basiliek schuil gaat. Het luxueuze karakter van de residentie blijkt onder meer uit de vondst van duizenden fragmenten beschilderd pleisterwerk die het mogelijk maakten om grote delen van de wanden en hun decoratiepatronen te reconstrueren. Intense brandsporen op de buitenmuur wijzen er op, dat dit
COÜPÊ.
i«9
l-t
^ü^
M&L
gebouw in de loop van de 3 opgegaan.
e
eeuw in vlammen is
In de 4 e eeuw werd een nieuwe stadsmuur met torens dwars doorheen de oudere woonzone aange-
aanwezigheid van twee Romeinse sculpturen aan de ingang. Dat de Maternuskapel in de oude Romeinse toren of op de fundamenten ervan is gebouwd, valt ook af te leiden uit het verloop van twee muren die bij
In 1931 werden op het Vrijthof grondïesten van een 4de-eeuwse toren opgegraven (Overgenomen uit; VANVINCKENROYE, W., Tongeren Romeinse Stad, Helt, 1985, p. 66) (Uitgeverij Lannoo, Helt)
legd. De resten van een toren en een deel van de muren zijn op het Vrijthof goed bewaard en zijn dus blijkbaar niet aan latere steenroof ten prooi gevallen. Dit komt doordat in de Middeleeuwen de Sint-Maternuskapel boven op deze toren moet gestaan hebben. Van de kapel zelf is nu niets meer bewaard. In 1803 werd ze tot de laatste steen weggebroken om tussen het Vrijthof en de Graanmarkt een doorgang voor karren te realiseren. Het bouwsel moet echter van een aanzienlijke ouderdom zijn geweest. In 1650 werd het omschreven als een merckteycken van een seer groote outheyt (12). Hoewel er in het verleden heel wat discussie omtrent de juiste lokalisatie van de kapel is geweest, laten de bestaande iconografische bronnen toch weinig ruimte voor twijfel (13). Het meest illustratieve iconografisch document is zondermeer een handschrift met vier tekeningen, gemaakt door een Nederlands reiziger die in 1700 Tongeren bezocht (14). Zijn schetsen tonen het gebouw als een ronde torenconstructie die met nissen was uitgebouwd. In het oog springend zijn de
het archeologisch onderzoek zijn blootgelegd. De oudste omheiningmuur dateert uit de 10 ' eeuw en wijkt uit om de toren volledig in te sluiten, terwijl ook de latere 12 L-eeuwse muur nog een zichtbare knik rond de toren maakt. Uit beide afwijkingen blijkt dat er heel wat moeite is gedaan om juist deze toren binnen de opeenvolgende versterkingen van het monasterium op te nemen. Dat de SintMaternuskapel zich op de plaats van de oude Romeinse toren situeerde, leidt dan ook weinig twijfel. Over de functie en de datering is geen enkel gegeven bekend. Mogelijk dateert de Sint-Maternuskapel uit de Karolingische periode en hangt haar stichting samen met de oprichting van een kapittel te Tongeren. In het verleden werd reeds gesuggereerd dat het mogelijk een nevenbouw van de kapittelkerk betrof, die als memorie of doopkapel fungeerde (15). Overtuigende argumenten hiervoor zijn er echter niet. Maar zeker is wel dat de kapel al bestond toen het monasterium in de lO 10 eeuw werd versterkt.
Plattegrond van de
helft 2de eeuw en
O.L.V.- Basiliek en
eerste helft 3de
4. Tweede monasteriummuur
het ïnjthof met
eeuw)
(12e eeuw)
aanduiding van de
2. Laat-Romems
(IAP / M. Kelchter-
opgegraven muren
(4de eeuw)
mans)
I. Romeins (tweede
3. Eerste monasteriummuur (10e eeuw)
•4A De Smt-Haternuskapel. Vier pentekeningen in 1700 door de Nederlandse reuigcr G. Cuperus
HET ONDERZOEK IN DE O.L.V.- BASILIEK
gemaakt (Overgenomen uit: BAILLIEN, H.. Vier onuitgegeven teke-
Sporen uit de Romeinse periode De stichting van de civitashoofdplaats Tongeren heeft rond 10 voor Christus plaats gehad, toen Romeinse militairen er met de aanleg van een stratennet volgens een dambordpatroon begonnen. Kort daarna heeft zich een eerste agglomeratie ontwikkeld. De oudste woningen, nog opgetrokken volgens de inheemse traditie, werden gedurende de eerste eeuw na Christus geleidelijk door grotere houten gebouwen vervangen. In 69 of 70 werd de stad tijdens de zogenaamde Batavenopstand vernield. Bij haar heropbouw verschenen naast houten woningen ook de eerste huizen met een stenen onderbouw. Pas na een tweede vernieling van de stad, die vermoedelijk rond het midden van de 2 c eeuw plaats had (16), werden er in Tongeren grootschalige stenen woningen geïntroduceerd.
ningen betreffende de St. Naternuskapel te Tongeren. n Het Oude Land van Loon, 6, 1951, P-S)
In de ondergrond van de Basiliek zijn heel wat sporen uit dit bewoningsverleden aanwezig. Maar er zijn ook heel wat zaken verdwenen, doordat er gedurende de Middeleeuwen op deze plaats intensief is gebouwd. De verschillende kerkmuren zijn vaak zo diep gefundeerd, dat ze de Romeinse
gelaagdheid volledig doorsnijden. Daarbij komt nog dat ook de latere Romeinse muren en kuilen (tweede helft 2 c en 3 e eeuw) een verstoring voor de oudere Romeinse lagen zijn. Dat alles maakt de interpretatie van de oudste sporen niet eenvoudig. Enkele kuilen, gevuld met houtskool en wat dierlijk bot, zijn op een diepte van 3,5 meter onder de huidige kerkvloer opgegraven. Ze zijn mogelijk van militaire aard en dateren dan ook uit de ontstaansfase van Tongeren. O p verschillende plaatsen zijn ook paalkuilen ingetekend die tot de houtbouw uit de VK en 2 c eeuw behoren. Het opgegraven areaal is voorlopig nog te beperkt om nu al uitspraken te doen over de aard van deze constructies. Uit de 2 c eeuw dateert ook een loopniveau met een aantal oventjes. Het is onduidelijk of deze oventjes voor louter huishoudelijk gebruik dienden of dat ze als relicten van een artisanale activiteit mogen beschouwd worden. Dit laatste kon in het verleden bij opgravingen aan de nabijgelegen Kielenstraat vastgesteld worden (17).
Onder het huidige
rechts is een restant
noordportaal is een
van de fundering
goed bewaard
van het Maria
Romeins water-
Magdalena portaal
bekken opgegraven,
(foto IAP)
De muur erboven
«y^ ^ Zicht op de opgra-
goed bewaarde
vingen in de mld-
vloerverwarming of
denbeuk met resten
hypocaustum
van cen Romeins
(foto IAP)
badgebouw en een
In de tweede helft van de 2 e eeuw wordt er op dezelfde plaats een volledig nieuw stenen gebouw opgericht. De muren en de vloeren van deze woning zijn uitzonderlijk goed bewaard gebleven. Dit is een belangrijke vaststelling als men weet dat elders in Tongeren dit soort sporen in een latere periode grotendeels door steenroof en (laatmiddeleeuwse terreinafgravingen verdwenen. De opeenvolgende kerkgebouwen die er na de Romeinse periode zijn opgericht hebben dus enerzijds een deel van de Romeinse stratigrafie vernield, maar anderzijds is tussen de middeleeuwse fundamenten ook een goede bewaringstoestand van het woonniveau uit de late 2 c en de vroege 3 e eeuw in de hand gewerkt. Het nieuwe stenen gebouw uit de tweede helft van de 2 e eeuw strekt zich over het ganse onderzochte oppervlak van de Basiliek uit en was zonder twijfel breder dan de huidige kerk. Drie vertrekken liggen met hun as noord-zuid georiënteerd, één is oostwest georiënteerd. Het grondplan doet dan ook vermoeden dat op dit ogenblik slechts de noordwestelijke hoek is opgegraven van een veel groter gebouw dat rond een binnenplaats is aangelegd. Hoewel voor het metselwerk steeds een grijze mortel is gebruikt, wijst een aantal opmerkelijke verschillen in fundering er op, dat het gebouw in twee en waarschijnlijk zelfs meer stadia tot stand is gekomen. O p de noordwestelijke hoek springt een rechthoekige ruimte in het oog. De wanden en de bodem ervan zijn volledig afgewerkt met een roze mortel die
het geheel oorspronkelijk waterdicht moest maken. We interpreteren het dan ook als een waterbekken. De grootste opgegraven ruimte heeft een afmeting van 12,5 bij 6 meter en eindigt oostelijk op een apsis. De vloer van dit vertrek was nog voor een groot gedeelte aanwezig en bestond uit een dikke laag roze mortel op een funderingslaag van steenfragmenten, scherven en zelfs twee weefgewichten. Het niveau van deze grote zaal lag minstens 15 cm lager dan de aangrenzende vloeren van de noordelijke vleugel. Het voorkomen van noordelijke vertrekken die trapsgewijs steeds een stuk hoger liggen dan de zuidelijke is in Tongeren al eerder vastgesteld (18). In tegenstelling tot de rest van het gebouw zijn de muren van dit vertrek volledig en met een zekere regelmaat uitgebroken. Het lijkt er op dat deze zaal eerder dan de rest van het gebouw in onbruik is geraakt en werd gesloopt. In de vulling van de uitbraaksporen zijn heel wat fragmenten van rijk beschilderd pleisterwerk teruggevonden. Onmiddellijk ten westen van de woning bevond zich een badgebouw. We kunnen drie onderdelen onderscheiden: de aanzet van het stookkanaal, een rechthoekige ruimte voorzien van een vloerverwarming of hypocaustum en de eigenlijke badkamer met een westelijke apsis. Hoewel in Tongeren reeds meermaals resten van thermen zijn opgemerkt is dit badgebouw in grondplan het meest volledige dat totnogtoe onderzocht kon worden. Het gebouw is te klein om een publieke functie gehad te hebben en lijkt louter een onderdeel van een stadswoning te zijn. De aanwezigheid van een dergelijk badgebouw, van de grote zaal met apsis (voorzien van muurschilderingen) en van het waterbekken zijn duidelijke indicatoren voor het comfort van de opgegraven woning, die een zuiver residentiële functie lijkt gehad te hebben.
Eén van de meest spectaculaire mobiele vondsten uit de Romeinse tijd is een steen met een vrijwel volledig opschrift. De inscriptie kan als volgt gelezen worden: [I(OVI)] O ( P T I M O ) M(AXIMO) / D O L I C H E N [ 0 ] / VOLUSIA SABIN[I] / ANA PRO SE ET SU[IS] (vrij vertaald: aan de beste en grootste Jupiter van Doliche (heeft) Volusia Sabiniana (dit gewijd) voor zichzelf en haar naasten) Jupiter Dolichenus is een Aziatische god, van wie de cultus in de eerste drie eeuwen van onze jaartelling in het Romeinse Rijk een geweldig succes heeft gekend. De verspreiding van de cultus wordt aan soldaten toegeschreven, maar ook bij niet-militairen is hij populair geweest, zoals het opschrift van Tongeren trouwens bewijst. Het is voor het eerst dat in ons land een tekst die verband houdt met Jupiter Dolichenus wordt aangetroffen. Dat geldt zelfs voor de gehele Romeinse provincie Gallia Belgica, een gebied dat naast het huidige België ook nog grote delen van het aangrenzende Nederland, Luxemburg, Frankrijk en Duitsland omvatte.
T Inscriptie met vermelding van de god Jupiter Dolichenus (foto IAP / H. Denis)
In 1965 werden onmiddellijk ten zuiden van de Basiliek Romeinse muren en een vloerniveau opgemerkt (19). Bij de opgravingen in 1995 aan het Vrijthof is een oost-west georiënteerde buitenmuur opgetekend die aan de buitenzijde sporen van een zware brand vertoonde. En ook bij het vooronderzoek in de Basiliek kon onder de huidige sacristie een sterk verbrand Romeins vloerniveau geregistreerd worden. Al deze sporen behoren ongetwijfeld tot hetzelfde gebouw dat nu in de kerk is opgegraven. De muur op het Vrijthof maakt daarbij veel kans om de buitenmuur van de zuidelijke vleugel te zijn. De op het terrein meermaals waargeno-
1VI&L
Plattegrond van de oudste kerkfase (5de-6de eeuw) I. Opgegraven muren en de apsis
men brandlaag wijst er op dat dit gebouw in de loop van de 3e eeuw volledig is afgebrand, een vernieling die misschien in verband met de Frankische invallen in de tweede helft van de 3 e eeuw kan gebracht worden.
ontdekt in 1912 1. Gereconstrueerde muren (IAP / H. Kekhlermans)
Of deze woning na haar vernieling — al of niet gedeeltelijk — werd heropgebouwd is onduidelijk. Minstens een gedeelte werd zeker gesloopt. Een munt uit één van de uitbraaksporen wijst er op dat dit ten vroegste in het begin van de 4 c eeuw is gebeurd. Bovendien zijn er aanwijzingen dat er in deze zone in de 5 c of 6 c eeuw reeds een kerkgebouw stond. Een systematische uitbraak van de oudere funderingen is vanaf dat ogenblik nog moeilijk aanvaardbaar. In de noordelijke zijbeuk van de kerk is vastgesteld dat de fundamenten van de afgebrande woning door een minstens 17 meter lange muur doorsneden worden. Het is dezelfde muur die Benoit Geukens in de jaren '60 ontdekte en die door hem, samen met de apsis, als een restant van een vroegchristelijke basilica werd beschouwd. Dat deze hypothese niet meer klopt werd reeds aangetoond tijdens het archeologisch vooronderzoek dat in 1996 in de Basiliek werd uitgevoerd. De opbouw van de muur verschilt immers volledig van de apsis die in 1912 is opgegraven en de muur zelf is ook dieper gefundeerd. Stratigrafisch hoort deze muur wel thuis in de 4 c eeuw, maar hij lijkt geen onderdeel van een vroege bisschopskerk te zijn. O p de vraag of deze muur dan het onderdeel is van een gebouw dat schuil gaat onder de noordelijke zijkapellen van de Basiliek en onder de Kloosterstraat of eerder als een omheining of perceelsbegrenzing moet gezien worden, kan het huidige onderzoek geen antwoord geven.
De vroege Middeleeuwen: een eerste kerkfase Er zijn aanwijzingen dat er in de loop van de 5 " of de 6 e eeuw een eerste stenen kerkgebouw werd opgericht op de plaats waar de huidige O.L.V.Basiliek staat. In de middenbeuk is er op de overgang van de derde naar de vierde travee een muur en een vloerniveau van een gebouw opgegraven dat moeilijk anders dan een kerk kan geïnterpreteerd worden. De muur is noordzuid- georiënteerd, vervaardigd uit hergebruikt Romeins materiaal en een lichtroze mortel én gefundeerd op twee rijen houten palen (met diameters van 10 a 15 cm). Centraal in de muur is de aanzet van een anderhalve meter
brede deuropening bewaard die zich ook in de as van de huidige kerk bevindt. Voorafgaand aan deze bouw werd het terrein meer dan 70 cm opgehoogd. Het is echter niet duidelijk of die ophoging geleidelijk aan sedert de 4 t l eeuw is gebeurd of dat het een éénmalige operatie betreft, die kadert in het bouwrijp maken van het terrein. In ieder geval kan het wel verklaren, waarom het muurwerk op een reeks houten palen is aangezet die voorafgaand aan de bouw in de grond werden geheid. Een zelfde techniek is ook aangewend bij de bouw van de laatantieke omwalling (20). Bij de latere middeleeuwse kerkmuren is deze toepassing niet meer vastgesteld.
•4 Grafveld in de funderingen van de Romeinse woning (Foto IAP)
O p de rand van de noordelijke zijbeuk en de middenbeuk is een gelijkaardig muurfragment met een oostwest- oriëntatie opgegraven. Beide muren maken deel uit van hetzelfde gebouw dat in de as van de huidige kerk ligt en waarvan de gevelfundering en de noordelijke buitenmuur gedeeltelijk bewaard zijn gebleven. Van de zuidelijke buitenmuur werd geen spoor aangetroffen. Vermoedelijk
Romeins beeldhouwwerk afkomstig uit een kuil In het middeleeuws grafveld (IAP / H. Denis)
is die bij het steken van de fundamenten van de Romaanse kerk volledig verdwenen. Enkele 14Cdateringen op houtskool uit de bouwmortel laten ons toe om dit kerkgebouw ten vroegste in de 5 c6 e eeuw te plaatsen. Archeologisch materiaal dat deze datering zou kunnen bijtreden ontbreekt. De oriëntatie van het gebouw en het niveau waarop de fundamenten zijn aangetroffen doen vermoeden dat de apsis die in 1912 onder het transept is ontdekt tot dezelfde bouwfase behoort. Aanwijzingen voor pijlers zijn er niet. Dit kan betekenen dat het eerste stenen kerkgebouw op deze plaats eenbeukig rechthoekig was en oostelijk op een apsis uitliep. Uiteraard kan deze interpretatie slechts hard gemaakt worden als ook de resterende kerkhelft archeologisch wordt onderzocht. Bovendien is het opgegraven kerkgedeelte nog te beperkt, om nu al de mogelijkheid uit te sluiten dat deze bouwfase werd voorafgegaan door een kleiner stenen of zelfs houten gebedshuis, waarvan de sporen nog aanwezig kunnen zijn binnen het niet onderzochte areaal. Het vroegst herkenbare kerkgebouw heeft minstens één verbouwing ondergaan waarbij een groene zandige mortelspecie is gebruikt die zich duidelijk van de oorspronkelijke lichtroze bouwmortel laat onderscheiden. De doorgang werd tot drie meter verbreed en met neggenblokken in blauwe hard-
1VI&L
steen afgewerkt. Binnenskamers werd het vloerniveau opgehoogd maar bij een nog latere verbouwing opnieuw weggebroken. Enkel een gedeelte van de ophoging op de oorspronkelijke vloer was nog aanwezig. Tenslotte werd na deze verbouwing de binnenzijde van het gebouw ook met een witte tot geelgroenige kalkmortel bepleisterd. Sporen van een oudere bepleistering zijn niet aangetroffen. Deze herbouw is - op basis van een 14C datering tussen 550 en 650 te dateren. Onmiddellijk ten westen van dit gebouw is een grafveld aangelegd, ingegraven in de funderingen van de voormalige Romeinse woning. Alle graven hebben een christelijke oriëntatie. Nergens zijn grafgiften vastgesteld. Een aantal van de stratigrafisch oudste skeletten is door middel van 14Cdateringen gedateerd. Het oudste graf hoort in de 7 e eeuw thuis. Vijf andere graven zijn in de 8stL eeuw te dateren. Uiteraard konden niet alle graven gedateerd worden en moeten we rekening houden met het bestaan van nog oudere begravingen rond de kerk. Anderzijds is het best mogelijk dat men pas in de 7 e eeuw rond de kerk is gaan begraven en dat de oudere begravingskernen zich buiten de laatantieke stadsmuur situeerden. Archeologisch onderzoek aan de Jaminéstraat heeft aangetoond dat er zeker tot in de 5 c eeuw op de Romeinse grafvelden buiten de stad werd begraven (21). In dit opzicht is ook de vondst van een in 1964 opgegraven vroegmiddeleeuws graf op het tempeldomein (22) en zeer recent aan de Clarissenstraat, belangrijk. Beide zijn in de tweede helft van de 5 " eeuw of het begin van de 6 c eeuw te dateren. Hoe uitgestrekt het eerste grafveld rond de kerk was valt moeilijk te achterhalen. Er is immers tot in de laatgotische periode rond dezelfde plaats begraven. Een 8 stt -eeuws graf dat tijdens het vooronderzoek onder de huidige sacristie is opgegraven, wijst er bovendien op dat niet alleen aan de westkant maar waarschijnlijk rond het ganse gebouw is begraven.
In dit grafveld én in de as van de kerk werd een schachtvormige put opgegraven waarvan de betekenis ons nog volledig ontgaat. In de vulling zijn enkele fragmenten van Romeinse beeldhouwwerken en een geplooide gouden munt aan het licht gekomen. De munt is een barbaarse imitatie van een gouden solidus van keizer Valentinianus III en werd in Arles tussen 439 en 455 na Chr. geslagen (23). De Romeinse sculpturen vertonen allemaal sporen van mortel en waren reeds als bouwmateriaal hergebruikt vóór ze in de put werden gegooid. Hoewel de aanwezigheid van een 5 c -
Gouden solidus van Keizer Valentinianus III. tussen 439 en 455 na Chr. in Arles geslagen, afkomstig uit een kuil in het middeleeuws grafveld (IAP / H. Denis)
eeuwse m u n t het dichtgooien van de put niet dateert zou het toch een bijkomende aanwijzing kunnen zijn, dat er omstreeks het midden of de tweede helft van de 5 c eeuw (bouw?) activiteiten op het terrein hebben plaatsgevonden.
VERBOUWING TOT KAPITTELKERK? In de loop van de 9 ' of het begin van de 10 ' eeuw is de kerk ingrijpend gewijzigd. De noordelijke en zuidelijke buitenmuren zijn volledig gesloopt en ongeveer een meter naar buiten toe herbouwd. Het gebouw werd hierdoor met drie meter verbreed. De fundamenten werden in breedte verdubbeld. Ook de gevel van het gebouw werd gesloopt en de oude fundering ter plaatse in een nieuw en breder muurwerk geïntegreerd. De opbouw is duidelijk minder verzorgd dan de eerste bouwfase. De oorspronkelijke doorgang — die reeds bij een eerdere verbouwing was verbreed - werd behouden en met een monumentale dorpel, samengesteld uit twee grote blokken blauwe hardsteen uitgebouwd. Deze blokken vertonen verscheidene oude hechtinggaten en zijn duidelijk recuperatiemateriaal. Binnenin het gebouw werd de oude vloer uitgebroken en het ganse oppervlak met een ca. 10 cm dikke tertiaire zandlaag genivelleerd. Daarop werd een nieuwe stevige betonvloer in roze mortel aangelegd. De vraag stelt zich of het gebouw ook in oostelijke richting is uitgebreid. Wanneer we de oude opmeting van de in 1912 ontdekte apsis bekijken, kan vastgesteld worden dat de apsismuur eveneens tot een dikte van l m l 7 is verbreed. Dit kan er op wijzen dat aan de oostzijde een zelfde verbouwing heeft plaatsgehad en dat de oorspronkelijke apsis er — net als de gevel en de nieuwe buitenmuren - in breedte is verdubbeld.
Het is erg aantrekkelijk om deze ingrijpende kerkverbouwing in verband te brengen met de stichting van een kapittel te Tongeren. Historisch moet de oprichting van het Tongers kapittel immers vóór 964 plaats hebben gehad. Uit dat jaar is immers de eerste vermelding van het kapittel bekend (24). Bovendien wordt in de 10 e eeuw op het 'Vrijthof' een nieuwe omwalling opgericht die ook de Maternuskapel - gebouwd op de Romeinse toren mee in de versterking insloot. De l4C-dateringen op de relevante begravingen en de verbouwde kerk-
Plattegrond van de
2. Gereconstrueerde
Zicht op de opgra-
de oudste kerkfase
werd uitgebouwd.
Dit zijn delen van
9de/IOde-eeuwse
muren
vingen in de
die in de 9de/1 Ode
Op de voorgrond
de oudere Romeinse
kerkfase
(IAP / M. Kelchter-
middenbeuk
eeuw werd verbreed
zijn een dunnere
woning waarop de
1. Opgegraven
mans)
Centraal in de op-
en met een monu-
muur en het uit-
kerk is gebouwd
muren en de apsis
gravingsleuf bevindt
mentale dorpel in
braakspoor van de
(foto IAP)
ontdekt in 1912.
zich de gevel van
blauwe hardsteen
apsis te zien.
De begravingen op het grafveld zijn in deze periode gewoon verder gezet. Vijf gedateerde graven zijn in de 9 e en in de 10 e eeuw te plaatsen. Binnenin het gebouw werd nog steeds niet begraven. Tegen de zuidelijke buitenmuur is een grafkelder aangebouwd die twee bijzettingen heeft gekend. Opmerkelijk is dat de tweede begraving een miniacuurkelk in het graf heeft meegekregen. Dit kan een aanwijzing zijn dat het om een priester of misschien zelfs een kanunnik gaat.
muren spreken deze hypothese niet tegen. Ze geven allen een resultaat in de 9 e of het begin van de lO 10 eeuw.
EEN PRERQMAANSE KERKFASE? De Romaanse nieuwbouw wordt nog voorafgegaan door een oudere constructie die moeilijk te begrijpen is. De noordelijke en zuidelijke buitenmuren
Een grafkelder
Het skelet van de
persoon kreeg een
tegen de buiten-
oorspronkelijk
metalen mmiatuur-
muur van de
begraven persoon is bekert|e mee in het
9de/IOde-eeuwse
opzi| geschoven
graf
kerkfase aange-
voor dat van een
(foto IAP)
bouwd.
tweede. De tweede
oude apsis kan er behouden zijn maar het is evengoed mogelijk dat men de kerk in oostelijke richting uitgebreid heeft.
DE ROMAANSE KERK Algemeen wordt aangenomen dat er rond 1100 een kapittelkerk in Romaanse stijl is opgetrokken. Ook de kloostergebouwen zijn in 12' eeuw herbouwd en er werd een nieuwe verdedigingsmuur rond het monasterium opgetrokken. Hoewel er geen concrete data zijn gekend moet er vooral onder het episcopaat van Hendrik II van Leyen (1146-1164) een aantal grote bouwcampagnes zijn uitgevoerd (25). Ondanks de uitbouw als vesting heeft het klooster in 1180 en 1213 van oorlogen te lijden. De kerk wordt daarbij zo zwaar beschadigd dat er al in 1240 met de bouw van een gotische kerk begonnen wordt.
werden tot hun funderingsniveau gesloopt en daarna heropgebouwd. De buitenmuren zijn minder breed maar werden plaatselijk wel met steunberen verzwaard. De oorspronkelijke breedte van de kerk blijft behouden maar in westelijke richting wordt het gebouw met ongeveer 8 meter verlengd. Van de nieuwe westgevel kon slechts de noordwestelijke hoek worden opgegraven. De zuidelijke pendant is samen met de westelijke muur bij de latere verbouwingen volledig verdwenen. De hoekpunten van het gebouw waren van haaks geplaatste steunberen voorzien. Ook voor deze bouwfase leverde het archeologisch onderzoek geen enkele aanwijzing op dat er pijlers of zuilen in het gebouw aanwezig waren. De aanwezigheid van steunberen hangt vermoedelijk met het gebruik van dunnere buitenmuren samen. Deze verbouwing moet in de 11 ' eeuw gesitueerd worden. Hoe ze zich aan de oostzijde van het gebouw heeft gemanifesteerd weten we niet. De
1VI&L
Tijdens de eerste restauratiefase kon slechts het meest westelijke deel van de Romaanse kerk opgegraven worden. Alle fundamenten werden nieuw gestoken en gaan gemiddeld vier en een halve meter diep. Een groot deel van de fundamenten is trouwens rechtsreeks voor de bouw van de gotische kerk hergebruikt. Voorafgaand aan de bouw werd het terrein ongeveer 80 cm opgehoogd. Het schip was driebeukig en had ongeveer dezelfde afmetingen als het huidige gotische schip. De middenbeuk en de zijbeuken liepen uit op een rechte westgevel, die ter hoogte van de middenbeuk met twee uitspringende steunberen werd geschraagd. Van een oorspronkelijk Romaans westwerk is dus geen sprake. Voor de reconstructie van het oostelijk kerkgedeelte zijn we aangewezen op de resultaten van de steekproeven die tijdens het vooronderzoek zijn uitgevoerd. Het verloop van de noordelijke transeptarm kan met enige zekerheid gereconstrueerd worden op basis van een aantal sonderingen in de onderliggende verwarmingskelder. Ook hier zijn de Romaanse fundamenten rechtstreeks voor de gotische bouw hergebruikt. We veronderstellen voor de zuidelijke transeptarm een zelfde situatie. De zuidelijke buitenmuur van het koor is aange-
sneden bij een sondering in de kelder onder de sacristie. Hoe diep het Romaanse koorhoofd lag is niet geweten maar vermoed wordt, dat het ongeveer de eerste twee traveeën van het huidige koor besloeg (26). In de kerk wordt in deze periode ook voor het eerst - zij het zeer sporadisch - begraven. In de noordelijke en in de zuidelijke zijbeuk zijn in totaal drie
Plattegrond van de
2. Gereconstrueerde
11de-eeuwse kerk-
muren
fase
(IAP / H. Kekhter-
1. Opgegraven
mans)
muren en de apsis ontdekt m 1912
graven aangetroffen die afgedekt zijn door de latere gotische kerkvloer en dus in de Romaanse periode thuishoren. Na deze bouw en vóór 1240 is er aan de kerk een imposante vierkante westertoren bijgebouwd. Westelijk liep deze uit op haaks geplaatste steunberen terwijl hij oostelijk tegen de westgevel van de Romaanse kerk aanleunde. Aan de zuidzijde is een spiltrap uitgebouwd. Binnenin was een vloer in roze mortel aangelegd. Daaronder werden bij de opgraving enkel scherven Andenne aardewerk teruggevonden die toelaten om de torenbouw niet vóór 1125 te dateren (27). In de vloer was ook de aanzet van minstens drie verschillende altaarfunderingen bewaard, die tegen de zuidelijke en de westelijke muur opgesteld stonden. De toren was langs de westzijde via een 2,5 meter brede doorgang toegankelijk, die van een dorpel in blokken blauwe hardsteen voorzien was (28). Een zelfde doorgang was in de oostelijke muur aanwezig en gaf uit op de middenbeuk. In de toren is veel intensiever begraven dan in de kerk. O p het vrij beperkte oppervlak is naast de gewone inhumaties ook een tiental grafkelderbegravingen vastgesteld. Hoewel het antropologisch onderzoek van de skeletresten nog in een beginfase zit, kan uit de aanwezigheid van enkele skeletten van zeer jonge kinderen al afgeleid worden, dat er niet alleen kanunniken maar ook leken op deze plaats werden begraven.
In het oksel van de toren en de noordelijke zijbeuk is nog later een rechthoekige ruimte ingevoegd. Dit bijgebouw is zonder twijfel met de kapel te identificeren, waarin zich het altaar van de H. Maria Magdalena bevond en die volgens een aantal historische vermeldingen op deze plaats moet gesitueerd worden. De oudste vermelding dateert uit 1274 (29). Bijgevolg is deze kapel ouder dan de vroegste gotische zijkapellen, die pas in het begin van de 14 e eeuw zijn opgericht. De eerste fase van het archeologisch onderzoek heeft dus heel wat nieuwe én belangrijke gegevens opgeleverd over de bouwgeschiedenis van het westelijk gedeelte van de Romaans kerk. De zogenaamde 'Romaanse' toren situeerde zich ter hoogte van de zesde travee van de huidige kerk en is pas later aan het Romaanse schip toegevoegd. Een bouwdatum is niet gekend maar de plattegrond van de toren - met de zware steunberen en de naar buiten gebouwde traptoren — doet een datering in de late 12 <: eeuw of vroege 13 e eeuw vermoeden.
Zicht op de opgra-
van het monaste-
vingen aan het
num die werd vrij
'Vri|thof. Het toont
gelegd tijdens de
aan hoe boven-
opgravingen. Op de
grondse en onder-
achtergrond de
grondse resten
enige overgebleven
onlosmakelijk met
toren van deze
elkaar verbonden
muur, in de kapit-
zijn.
telzaal van het
Op de voorgrond de
klooster ingebouwd
verdedlgmgsmuur
(foto IAP)
De hypothese van Benoit Geukens die stelde dat de Romaanse toren zich situeerde ter hoogte van de huidige orgeitribune, moet definitief verlaten worden. De oudheidkundigen Paquay en Coenen hadden het daarentegen wel juist. Zij zijn er steeds van uitgegaan dat de oude toren zich ter hoogte van de zesde travee bevond (30). Ook van een westelijk Romaans transept - in het verleden meermaals verondersteld - kan hoegenaamd niet gesproken worden.
dens een militaire confrontatie tussen de prins-bisschop en de hertog van Brabant in 1213. Tijdens dit laatste conflict werd de kerk zelf belegerd. In deze context dient tenslotte ook het grote stadszegel van Tongeren geplaatst te worden. Dit zegel wordt voor het eerst in deze periode gebruikt en toont een versterkte kerk met op de voorgrond een duidelijk geprononceerde westertoren.
DE GOTISCHE KERK c
In de 12 eeuw werd het monasterium van een nieuwe verdedigingsmuur voorzien, voor een deel opgegraven op het 'Vrijthof'. Eén van de torens staat nog steeds overeind en is ingebouwd in de kapittelzaal. De westtoren moet dan ook in de eerste plaats als een verdere uitbouw van de versterking van het munster gezien worden. Het verschijnsel van 'versterkte kerken' bleef tot in de vroege 13 e eeuw in het bisdom Luik zeer populair en was voor de bisschop het middel bij uitstek om lokaal versterkingen op te richten (31). Ook in Tongeren is dit ongetwijfeld gebeurd. De toren verschijnt er in een periode dat stad en klooster schade opliepen tijdens een oorlog tussen de prins-bisschop van Luik en de graaf van Loon in 1180 én tij-
M&L
In 1240 begint de bouw van een nieuwe gotische kerk. Twee jaar later wordt een eerste hoofdaltaar ingewijd. Het koor heeft daarna ongetwijfeld nog een aantal verschillende bouwfasen gekend. Zo wordt er in 1276 van een tweede wijding melding gemaakt. O p de bouwevolutie van koor en transept wordt hier echter niet verder ingegaan. In de zone waarin zij zich bevinden is tijdens de eerste restauratiefase immers geen onderzoek verricht. Indien er echter in de tweede restauratiefase funderingswerken aan het koor worden uitgevoerd, dringt zich ook hier een archeologisch vooronderzoek op. Een funderingsonderzoek op deze plaatsen is immers een belangrijke, zoniet dé belangrijkste bron van
A Zicht vanuit het T
tnforium op de
Zicht vanuit de
opgravingen van de
orgeltribune op de
laat-Romaanse toren
zuidelijk uitgebouw-
(foto IAP)
de spiltrap van de toren (foto IAP)
Plattegrond van de Romaanse kcrkfase 1. Opgegraven muren 2. Gereconstrueerd muurwerk 3. Laat-Romaanse toren en kapel (IAP / M. Relchtermans)
informatie voor een verder ontrafelen van de Romaanse en gotische bouwgeschiedenis geworden. Eeuwen van restauraties hebben in het opgaand muurwerk van de huidige kerk nog maar zeer weinig bouwsporen zichtbaar gelaten.
De evolutie van het schip is dan weer goed te volgen aan de hand van stichtingsdata van de altaren in de kerk en in de zijkapellen (32). Het oorspronkelijk gotische concept was een dtiebeukige kerk zonder zijkapellen. Reeds vroeg in de 14 e eeuw is men hier van afgeweken en werden de eerste zijkapellen bijgebouwd. O m ze vanuit de kerk toegankelijk te maken werden de reeds voltooide ramen tot het vloerniveau opengewerkt. O p die manier is het gotische schip met vier traveeën en dubbel zoveel zijkapellen tegen de 'Romaanse' toren aangebouwd. Deze operatie moet kort na het midden van de 14 e eeuw voltooid zijn geweest, getuige de wijdingsdata van de altaren ter hoogte van de vierde travee. In de noordelijke buitenmuur
1VI&L
•
2. Laat-Romaanse
Plattegrond van de
toren en kapel (?)
eerste gotische
3. Gereconstrueerd
kerkfase
muurwerk
I. Opgegraven en
(IAP / H. Kelchter-
opgaand muurwerk
mans)
baar van gemetselde rechthoekige funderingen, zonder twijfel relicten van de reeds hierboven vermelde altaren. Samen met de toren bleef ook de kapel van de H. Maria Magdalena behouden en werd ze naar de noordelijke zijbeuk opengewerkt. De zuidelijke Romaanse sluitmuur werd gesloopt, zodat de zij-
Op de overgang van
een zeldzaam
de vijfde naar de
getuigenis van een
resde travee van de
complexe bouw-
huidige kerk is een geschiedenis op die bouwnaad in het
plaats
opgaand muurwerk
(foto IAP)
bewaard gebleven,
van de kerk is, boven het raam van de vijfde travee, de aanzet van een halve boog zichtbaar. Het is een relict dat nog naar de plaats verwijst waar het schip tegen de oude toren aanleunde (33). In de kerk werd een nieuwe vloer aangebracht, die bestond uit een dikke laag roze mortel, uitgegoten op een bodem van kleine silexknollen. Er werd in deze periode blijkbaar niet meer in het schip begraven. Tussen de middenbeukzuilen waren op twee plaatsen in de vloer nog de indrukken waarneem-
beuk voortaan op de ingang van de traptoren uitliep. De gotische middenbeuk is iets breder dan de Romaanse uitgevoerd. Daardoor kon men de mergelstenen zuilen slechts gedeeltelijk op de Romaanse kettingmuren funderen. In de zijbeuken zijn dan ook ter hoogte van elke zuil bijkomende funderingen gemetseld om de overlappingen van de zuilen op te vangen. O p de plaats waar het schip tegen de oudere toren is aangebouwd zijn dan weer geen zuilen ingeplant maar wel twee zware recht-
hoekige pijlers. Ze zijn opgebouwd met neggenblokken in blauwe hardsteen en ander hergebruikt materiaal van de Romaanse westgevel, die hiervoor tot in de fundering werd uitgebroken. Een aantal nog bijkomende verbouwingen en aanbouwen hebben de oudere toren verder in de nieuwbouw geïntegreerd. Aan de noordzijde van de toren werd een portaal toegevoegd. Hiervoor diende ook in de noordelijke muur van de toren een doorgang gemaakt te worden. Dit nieuwe portaal sloot oostelijk aan bij de kapel van de H . Maria Magdalena en werd er ook naar genoemd (34). In het verleden werd aangenomen dat dit portaal van Romaanse oorsprong zou zijn. De huidige archeologische gegevens spreken dit echter resoluut tegen. Relatief chronologisch moet het portaal al later geplaatst worden dan de toren. Daarenboven doorsnijden de portaalfunderingen een deel van het noordelijk grafveld buiten de kerk. Twee skeletten uit dit grafveld konden met een l4C-datering in de eerste helft van de 13 e eeuw gedateerd worden. Het portaal is bijgevolg recenter en maakt deel uit van de gotische verbouwingen. Met dit portaal werd de oorspronkelijk westelijke ingang naar het noorden verplaatst. Het waarom van deze heroriëntatie hoeft niet ver gezocht te worden. De grond onmiddellijk ten westen van de oude toreningang behoorde immers toe aan de stad. De uitbouw van een gotisch portaal langs die zijde was voor het kapittel dan ook niet mogelijk.
Tenslotte is ook ten zuiden van de toren, in de hoek tussen toren en traptoren, nog een zijkapel aangebouwd. De fundamenten van de buitenmuur zijn opgebouwd uit een spaarboog in mergelsteen, een techniek die bij meerdere zijkapellen is aangewend. Deze kapel bevindt zich ongeveer ter hoogte van de huidige doopkapel, die echter pas in 1529 werd gebouwd. Nochtans vermeldt een 15 c -eeuws ritualevan het kapittel reeds een doopkapel, die op dezelfde plaats moet hebben gestaan (35). De opgegraven fundamenten moeten dan ook de voorloper van de huidige kapel zijn. Nergens op de opgraving zijn sporen aangesneden die naar een Romaanse doopkapel zouden kunnen verwijzen. Ook historische notaties zijn er niet. Men kan zich dan ook de vraag stellen of de doopvont in de 12 c eeuw wel in de collegiale kerk was opgesteld. Een interessante hypothese is dat de Sint-Maternuskapel op het Vrijthof lange tijd de functie van doopkapel heeft vervuld. Bewijzen hiervoor zijn er evenwel niet. Tijdens de opgraving werden op de oudste vloer in de toren sporen van een brandlaag aangetroffen. Er zijn historische aanwijzingen dat kort vóór 1314 de toren moet zijn uitgebrand. In 1434 liep de toren dan weer stormschade op. Het bouwsel moet toen al heel bouwvallig zijn geweest want in 1394 werd het op vraag van het kapittel door architecten uit Maastricht en Luik onderzocht (36). Bij het
Zl<:ht
• " P e e n 8oed ^mLu^te middenbeuk (foto IAP)
l&L
In vier onderzochte graven bevonden zich vrij goed bewaarde textielfragmenten. Het gaat meestal om kleinere stukken, met uitzondering van twee grotere fragmenten, afkomstig van de voorzijde van een kazuifel. Na analyse bleek dat het materiaal wol, zijde en metaaldraad is. De kazuifel had ook een voering. Het motief, dat enkele malen over het oppervlak herhaald wordt, bestaat uit een Mariamonogram in stralenkrans en een takje van een bloem. Het werd uitgevoerd in geappliceerd borduurwerk in zijde en metaaldraad, die sterk gecorrodeerd is. O p de geborduurde aurifries treft men naast vegetale motieven ook de voorstelling van een O.-L-Vrouw met kind aan. Bij de rode kazuifel werden ook resten van een stola weergevonden, wat uitetaard wijst op het graf van een geestelijke. Voorlopig wordt het gewaad in de 16de eeuw gesitueerd. Toen de vondsten op het KIK toekwamen waren ze vermengd met aarde, beenderen en haar. Met behulp van koude stoom moest alles zeer zorg-
begravingen in het grafveld rond de kerk. De ongedrongen positie ïan de
halfzuiltjes afgewerkt die in de muurkernen zijn uitgehakt. Hierdoor liep de gotische middenbeuk als het ware rechtstreeks uit in de toren.
persoon in het midden wijst op een begraving zonder kist (foto IAP)
archeologisch onderzoek werd inderdaad opgemerkr, dat zowel de oostelijke als de westelijke torenmuur tot onder in de fundering volledig waren doorgescheurd. In de opgravingssleuf onder de orgeltribune werd ook vastgesteld dat er ooit een drie meter diepe controleput was gegraven ter hoogte van de westelijke scheur, ongetwijfeld om naar de diepte van de breuk te peilen. De gravers van deze kuil hebben bij hun werkzaamheden heel wat oude begravingen verstoord. Het menselijk botmateriaal werd echter zorgvuldig bijgehouden en op de bodem gedeponeerd, alvorens de put opnieuw op te vullen. De doorgang van de toren naar het schip werd op een bepaald ogenblik sterk verbreed en met twee
Tenslotte zijn in een laatste fase, in de vier hoeken van de toren, nog pijlers aangebracht waarvan enkel de fundering bewaard is gebleven. Deze hoekpijlers wijzen op een later ingebracht gewelf, mogelijk zelfs om de stabiliteit van het gebouw te verzekeren (37). In de fundamenten ervan zijn talrijke gotische architectuurfragmenten zoals mergelstenen gewelfribben, raamomlijstingen, enkele zuiltjes en een zuilbasis hergebruikt. O p een aantal hergebruikte rechthoekige mergelblokken waren bovendien nog duidelijke sporen van voegwerkimitatie in rode en zwarte lijnen op een witte ondergrond aanwezig. Een dergelijke voegenschildering is geen onbekende in Vlaanderen en werd reeds een aantal maal vastgesteld in gotische kerkgebouwen uit de 13 e e n vroege 14 c eeuw (38). De in de Basiliek opgegraven fragmenten verschaffen ons dan ook voor het eerst informatie over oorspronkelijke afwerkingslagen in de kerk.
• Goed bewaarde kazuifel uit een van de postmiddelecuwse graven in de kerk. Vera Vereccken (Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium) (foto KIK)
vuldig uit elkaar gehaald worden. Vervolgens werden de stukken van de puzzel opnieuw tot een herkenbaar geheel samengevoegd. Het is de bedoeling ze op een linnen ondergrond zo te consolideren dat de originele vorm van bijvoorbeeld de kazuifel herkenbaar is.
EEN TWEEDE 'GOTISCHE' BOUWFASE Reeds in 1442 was de stad Tongeren met het bouwen van een nieuwe toren begonnen, onmiddellijk ten westen van de oude Romaanse toren en net voor de Sint-Niklaas kerk. De oostelijke fundering van deze toren kon tijdens de opgravingen onder de orgeltribune vrijgelegd worden. Daaruit bleek dat de muren gefundeerd staan op vier grote grondbogen die telkens op de hoekpunten van de toren in een pijler samenkomen. Als materiaal is hoofdzakelijk silex en sporadisch blauwe hardsteen gebruikt. Muursonderingen die zijn uitgevoerd tijdens het stabiliteitsonderzoek, leerden ons dat de pijlerfunderingen ongeveer vier meter diep gaan. Het bouwen van de toren kende een zeer moeizaam verloop, vooral omdat de stad niet in voldoende financiële middelen kon voorzien. Bovendien stootte men op heel wat verzet van de kanunniken die hun 'oude' toren wilden bewaren. In 1529 wordt hij uiteindelijk als 'afgebroken' vermeld, naar aanleiding van de verlenging van het gotische schip met drie traveeën (39).
Deze verlenging is in de huidige kerk het gemakkelijkst te herkennen aan de afwijkende klaverbladpijlers die voor deze bouw zijn gebruikt. Daarnaast is op de overgang van de vijfde naar de zesde travee in de hoogvelden boven de eerste rij klaverbladpijlers nog vaag een bouwnaad zichtbaar. Bij een controle van het muurwerk boven de gewelven van de kerk vonden we dezelfde bouwnaad in een nog veel betere staat terug. Het is exact op deze plaats dat het gotische schip eerst lange tijd tegen de oude Romaanse toren aanleunde, en tenslotte tot tegen de huidige toren verlengd werd. Gelijktijdig werden drie bijkomende zijkapellen en een volledig nieuw portaal gebouwd. Aan het portaal werd van 1531 tot 1532 gebouwd. Samen met deze verbouwingen werd het vloerniveau van de kerk tot het pijl van de huidige vloer opgehoogd. Men heeft destijds geen moeite gedaan om het muurwerk van de oude toren dieper dan dit niveau uit te breken. Het is dan ook door deze ophoging dat de oudere gotische kerkvloer en een deel van het opgaand muurwerk van de toren zo uitzonderlijk goed bewaard zijn gebleven.
1VI&L
• Grondplan 7 Plattegrond van de tweede 'gotische' bouwfase I. Tweede 'gotische' (ase 2. Latere verbouwingen 3. Eerste gotische (ase (IAP / M. Relchtermans'
OPMERKELIJKE MUURGRAFFITI
Ten vroegste vanaf 1529 is men ook opnieuw met begravingen in het schip begonnen. Er werden minstens 28 graven aangesneden die postmiddeleeuws zijn, vermits de grafkuilen doorheen de oude gotische kerkvloer zijn aangelegd. In verschillende graven werden resten van textiel en schoeisel teruggevonden, soms uitzonderlijk goed bewaard. Bij deze graven hoort ook een aantal van de grafstenen die nu tegen de wanden van de kloostergang staan opgesteld. In 1739 en in de tweede helft van de 19 e eeuw werden ze allemaal uit de kerkvloer verwijderd. Een opmeting van hun oorspronkelijke ligging is er niet.
Voor de start van de opgravingen werd het houten kerkinterieur gedemonteerd en naar een restauratieatelier gebracht. Bij het verwijderen van de biechtstoelen kwamen in vier zijkapellen talrijke muurgraffiti aan het licht die de aandacht van de archeologen trokken. De krassen en schilderingen waren aangebracht tussen het traceerwerk van de muurvlakken en bevonden zich voor een groot deel achter later pleisterwerk. De biechtstoelen hebben ze op die plaatsen eeuwenlang voor vernieling behoed. O m d a t het om een zo een omvangrijk ensemble ging, dat vermoedelijk opklimt tot het begin van de 16 c eeuw, werd in samenspraak met M & L beslist om de vier zones volledig vrij te leggen en ze door de archeologen te laten intekenen en fotograferen. Daarna werd een basisfixatie met Japans papier, tylose en kalk uitgevoerd, alvorens het gerestaureerde kerkmeubilair terug te plaatsen (40).
• Nr. 116 Bijlage bij M&L21/4 juli-augustu'; 2Ü02_
• Cité de Dieu, a. 1450. Koninklijke Bibliotheek Brussel
I
B 1 N N E N K R A N T
Buitenkrant
Marjan
Buyle
DE OPEN MONUMFNTENDAG VIAANDFRFN 9 0 0 ? : THEMA SYMBOLEN Symbolen, het jaarthema van de Open Monumentendag 2002, biedt de gelegenheid om de, zelfs bekende monumenten eens vanuit een ander gezichtspunt te bekijken. Niet de mooie oude stenen, het verweerde hout, de rijke polychromie of het glanzende verguldsel trekken dit jaar onze aandacht, maar de onderliggende beeldentaal van de symbolen die her en der in en op gebouwen te vinden zijn. Waarom draagt die heilige een toren, of een wiel, of een palmtak in de hand? Wat stellen die minitafereeltjes voor die in de keellijsten van de retabels staan? Wat stellen die medaillons voor op preekstoelen, biechtstoelen of communiebanken? En al die honderden kleine beeldjes, barokke engeltjes en putti: louter decoratie of wil het toch iets betekenen? En die planten en dieren overal op en rond de gebouwen: lelietakken, leeuwen, adelaars, rozen, slangen? En die raadselachtige emblemen op de huizen van de ambachten en gilden? En die schijnbaar idyllische voorstellingen in de 18de-eeuwse burgerhuizen? En al die symbolen op historische begraafplaatsen? Sommige monumenten zijn symbolen op zich, zoals bijvoorbeeld de middeleeuwse stedelijke gebouwen. Een belfort, het gebouw waarin de vrijheden van de stad in een goedgesloten kist wordt bewaard, hoefde natuurlijk niet zo'n hoge toren te hebben. Al werd die dan ook gebruikt om stadsbranden te detecteren, of de vijand vanuit de verte te zien aankomen, is de vorm en de hoogte van ee belfort toch grotendeels symbolisch geladen. Ook stadswallen, -poorten en -torens delen in deze symboliek. Was het voor zo'n middeleeuwse stad niet de ergst
M&L
Sint-Niklaas, Moelandkasteel, Egyptische zaal
denkbare vernedering en bestraffing wanneer de wallen moesten gesloopt worden? De grootte, het bouwmateriaal, de versiering en de gevelornamenten van de middeleeuwse ambachtshuizen zijn eveneens symbolen van hun macht en invloed. Gebouwen voor de eredienst zijn bij uitstek bronnen voor een rijke symbolentaal. Vermits de grondslagen van het geloof moeilijk te vatten zijn en omdat bovendien in vroeger tijden het merendeel van de gelovigen ongeletterd was, heeft de Kerk van in het begin haar toevlucht genomen tot een symbolische beeldentaal waarin concrete voorstellingen de abstracte begrippen moesten duidelijk maken. Dit komt reeds in de opbouw en de structuur van de kerkgebouwen tot uiting: de plaatsing van de doopkapel in het westen omdat de niet-gedoopte nog niet tot de kerkgemeenschap behoort; het koor in het oosten, de windstreek waar het licht ontstaat; de pandgangen rond een kloostertuin als 'besloten hof'; de twaalf apostelen als steunpilaren van de Kerk en dus ook van het kerkgebouw; de kruisvorm als verwijzing naar Jezus' kruisdood; de centraalbouw als herinnering aan de grafkerk in Jeruzalem en de mausolea van de martelaren; de symboliek van het Licht en het Hemels Jeruzalem; de
blauwe gewelven bezaaid met sterren als symbolen van het Rijk der Hemelen; de hoog oprijzende toren als symbool voor de ene God. De Afdeling Monumenten en Landschappen wijdt in haar reeks M8tL Cahiers een nummer aan het onderwerp Symbolen. Het is niet de bedoeling alle mogelijke symbolen op te sommen, want daarvoor bestaan voldoende naslagwerken en lexicons, maar het cahier belicht het onderwerp vanuit verschillende gezichtspunten. Traditioneel is een M£tL Cahier ingedeeld in twee delen: een inhoudelijk gedeelte met verklarende teksten en een gidsgedeelte, met te bezoeken monumenten. Het eerste deel behandelt volgende thema's: • Heiligenattributen als herkenningssymbolen. De toren van Barbara en het wiel van Catharina (Marjan Buyle) • Typologische beeldvoorstellingen. De middeleeuwse leer van de voorafbeeldingen (Christine Vanthillo) • Beeld van het Hemels Jeruzalem. De symboliek van het kerkgebouw (Linda Wylleman) • Der naturen spiegel. Natuursymboliek in de christelijke kunst en architectuur (Jan Klinckaert) • Symboliek van de kleuren. Een kleurig prisma van betekenissen (Marjan Buyle)
B 1 N N E N K R A N T
bibliotheek in Leuven met symbolen van de wederopbouw, het gerechtshof van Dendermonde met symbolen van de rechtspraak, het hotel D'Hane Steenhuyse in Gent met burgerlijke symbolen, de oorlogskerkhoven Tyne Cot en Langemark, de wintertuin van de ursulinen in O.LVrouw Waver met symbolen van dag en nacht, de romaanse doopvont van Zedelgem met vroegmiddeleeuwse symbolen, de vrijmetselaarstempels in Brussel met vrijzinnige symbolen, de Walburgakerk in Brugge met symbolen van de Contrareformatie, de koorbanken van de Sint-Pieterskerk in Leuven met vermanende dierensymboliek, de tuin van het Paterspand in Turnhout met katholieke symbolen, en nog veel meer. Willebroek, kerkhof
• De hemel op aarde. Christelijke symboliek tijdens de Contrareformatie (Jan Klinckaert) • Le style est l'homme même. Burgerlijke symboliek in de 18dc eeuw (Serge Defresne) • Nascentes morimur. Funeraire symbolen (Marcel Celis)
Het tweede gedeelte is een gids langs monumenten. Een greep uit het heel gediversifieerd aanbod: de SintLaurentiuskerk in Antwerpen met symbolen uit het interbellum, het hof Bladelin met symbolen van de Medici, het hotel Errera in Brussel met 18^eeuwse symbolen, de synagoge Shomre Hadass in Antwerpen met joodse symbolen, de universiteits-
Lichtervelde, Sint-Jacobuskerk, Romaanse doopvont
MEtL Cahier 7, De beeldentaal van symbolen. Auteurs Marjan Buyle, Marcel Celis, Serge Defresne, Jan Klinckaert, Christine Vanthillo en Linda Wylleman. Gids met bijdragen van voornoemde auteurs, met medewerking van Mario Baeck, Claire Baisier, Jo Braeken, Johan Braet, Thomas Coomans, Veerle De Houwer, Mare Derez, Edgard Goedleven, Kathleen Lanclus, Herman Van den Bossche, Stefan Van Lani en Linda Van Santvoort. Fotografie Oswald Pauwels. Eindredactie Marjan Buyle. Coördinatie en vormgeving LucTack. Een uitgave van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Afdeling Monumenten en Landschappen. Besteladres: MftL, Persen Voorlichting, Koning Albert ll-laan 20 bus 7, 1000 Brussel. Tel. Diane Torbeyns 02/553 82 34. E-mail: dianeo.torbevns® lin.vlaanderen.be
M&L
B I N N E I S J K R A N T
Luc Tack
OPEN MOWUIVIENIEMÜAQEM IN HFT B R U S S F I S HOOFDSTEDFIIIK GFWEST
2ÜÜ2 Thema: Archeologie Van Neolithicum t o t Industriële Revolutie De Open Monumentendagen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest vinden plaats op 14 en 15 september 2002. Het thema voor deze 14de Brusselse editie is "De archeologie. Van Neolithicum tot Industriële Revolutie". Dit thema, dat ongetwijfeld bij velen verwondering zal opwekken, wil alle componenten van het gewestelijk archeologisch erfgoed bekendmaken en wil een archeologische aanpak voorstellen voor het erfgoed in het algemeen. In tegenstelling tot wat sommigen zouden kunnen denken, is het begrip "archeologisch erfgoed" niet beperkt tot het erfgoed onder de grond. Het is evenzeer aanwezig boven de grond, in gebouwen uit alle tijdperken die oude kernen bevatten, in de analyse van de verandering van een landschap in de loop der tijd, in de overblijfselen van industriële activiteiten, die veel recenter zijn maar toch dikwijls al verdwenen zijn. Tijdens deze twee dagen zal de aandacht daarom niet alleen uitgaan naar archeologische sites, die soms nog in opgraving zijn, maar ook naar de archeologie van de gebouwen, de archeologie van het landschap, de industriële archeologie, naar archeologische verzamelingen en naar talrijke disciplines die verwant zijn aan de archeologie, zoals bodemwetenschappen, natuurwetenschappen en historische wetenschappen. In het bijna volledig verstedelijkte Brussels Gewest zijn er nog enkele opmerkelijke sites die getuige zijn van de geschiedkundige ontwikkeling van de prehistorie tot het begin van de
M&L
XXste eeuw. Verschillende daarvan zullen tijdens de Open Monumentendagen in de kijker geplaatst worden: het versterkte neolithische kamp van Bosvoorde, de Gallo-Romeinse villa te Jette, religieuze bouwwerken uit de Romaanse periode, de versterkingen van Brussel, het hertogelijk paleis op de Koudenberg en zijn ontwikkelingen tot aan de Moderne Tijd, de heerlijkheid van Sint-LambrechtsWoluwe, enkele kloosterdomeinen (Rood Klooster, Ter Kamerenabdij, de abdij van Vorst) en talrijke oude hoeven, donjons en molens (Neckersgat, Crockaert...). Bij deze thematiek horen eveneens talrijke activiteiten zoals werfbezoeken, het voorstellen van beëindigde werken, rondleidingen, het bekend maken van miskende overblijfselen... Zo zal het publiek een bezoek kunnen brengen aan het opgravingsterrein van de oude abdij van het Rood Klooster, waar momenteel nog gewerkt wordt. Het zal wandelend op zoek kunnen gaan naar elementen uit het verleden van Sint-Gillis, Eisene of Ukkel, en speuren naar oude overblijfselen in het huidige stedelijke weefsel van de Koningswijk. Vergeten we ook niet de gebruikelijke ontdekkingen per fiets en de bezoeken die de aandacht vestigen op de evolutie van de landschappen. Zoals elk jaar geeft een brochure in zakformaat uitvoerig toelichting bij alle opengestelde monumenten, hun ligging, hun openingsuren en hun toegankelijkheid voor mindervalide personen, alsook de animaties en de trajecten die aansluiten op het thema van de Open Monumentendagen 2002. Alle aangekondigde activiteiten zijn gratis. Ook de programmabrochure, die verschijnt in de loop van de maand augustus, is gratis verkrijgbaar bij de Dienst Monumenten en Landschappen, bij alle Belgische FNAC-winkels, bij de Brusselse vestigingen van FNAC-Service en bij de gemeentebesturen van het Brussels Gewest.
Alle bijkomende inlichtingen kunnen verkregen worden bij: Dienst Monumenten en Landschappen van het Brussels Hoofdstedelijk
Gewest Open Monumentendagen C.C.N. (7de verdieping). Vooruitgangsstraat 80, bus 1 1030 Brussel
Tel.: 0800 40 400 (aanvragen brochure) fax:02-204.15.22 e-mail: sms.ccn@mrbc.irisnet.be
Karel
Robijns
I Q K A A I FRFGOFD. W E G W I I S I N DF Z D R f i VOOR M O N U M F N T F N , L A N D S C H A P P E N FN ARCHEOLOGIE Bij de WSG (Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten) verscheen dit voorjaar een nieuwe pocket, bestemd voor lokale besturen. Deze pocket poogt een overzicht te geven op het terrein van de lokale onroerend erfgoedzorg, zowel in de sectoren van monumentenzorg, landschapszorg, als archeologie. Vooreerst komen de wettelijke en financiële context aan bod in het internationale gebeuren.
Lokaal erfgoed Wegwijs in de zoig voor m o n u m e n t e n en archeologie
B I N N E N K R A N T
bij de Vlaamse overheid en bij de provinciale overheden. Hierna worden ettelijke instrumenten en middelen aangereikt hoe het lokaal gemeentelijk bestuur zich kan profileren in deze materies, ook binnen de huidige wetgeving, aangepast aan de eigen situatie.
burgemeesters, schepenen, raadsleden, gemeenteambtenaren, technische diensten,...) bezit hij evengoed bruikbare tips voor elke bewuste burger, heemkundige kringen,... om juist hun eigen bestuur wakker te schudden (eventueel in het licht van de naderende gemeenteraadsverkiezingen).
De veel gehoorde uitlating dat er binnen het huidige wettelijke kader geen ruimte meer is voor gemeentelijke erfgoedzorg blijkt onterecht te zijn. Gemeenten kunnen vele acties ondernemen om mee aan de kar te duwen zodat het aanwezige erfgoed beter bewaard en gerespecteerd kan worden. Dit kan gaan van (aanvullende) inventarisatie en aanleg van eigen beschermingslijsten, onderbouwing van beschermingsaanvragen, sensibilisatie, ondersteuning Open Monumentendagcomites, aanmoediging tot onderhoud en gepast gebruik van erfgoed, controle op instandhouding, extra premies of subsidies voor lokaal erfgoed (ook het niet beschermde), prijzen voor uitzonderlijke realisaties, intergemeentelijke samenwerking, uitbouw van eigen kennis, ondersteuning naar derden, tot bouwblokinventarisatie toe Dit is slechts een greep van
De pocket kwam tot stand door inbreng van een ruim team van vakspecialisten en praktijkmensen.
Lokaal erfgoed - Wegwijs in de zorg voor monumenten, landschappen en archeologie. Redactie Hilde Plas, e.a. Uitgegeven door nv Politeia, Brussel, 2002. 127 p. ISBN D/2002/8132/12 Prijs: WSG-leden: 16,50 euro, nietleden: 19,00 euro. Info via hun website www.vvsa.be of 02/289.26.10
Tentoonstellingen
het hele maatschappelijk bestel op haar grondvesten doen daveren. Boeken eindigden dan ook, tot op de dag van vandaag, geregeld op de brandstapels van de politieke onverdraagzaamheid. Dit najaar wordt de stad Leuven dus op vredelievende wijze bezet met verluchte handschriften, waarvan de organisatoren (stad Leuven, provincie Vlaams-Brabant, de K.U.Leuven en het Davidsfonds) vooral de adembenemende schoonheid willen belichten. In de Middeleeuwen bestond het onderscheid tussen religieus en profaan niet, evenmin de afstand tussen woord en beeld. Alles was immers de weerslag van het Woord van God. De tentoonstelling begint met de keizerlijke cultuur van Karel de Grote, die omstreeks 800 het Romeinse Keizerrijk in christelijke zin wilde heropbouwen. Het handschrift wordt opnieuw een belangrijk machtsinstrument, waarmee indruk werd gemaakt op de grotendeels analfabete bevolking (zelfs Karel de Grote kon niet lezen!). Uit deze vroege periode wordt een belangrijk handschrift uit de Koninklijke Bibliotheek getoond: de Bijbel
de vele behandelde onderdelen. Ook de mogelijke raakpunten met andere beleidsdomeinen worden vermeld. Kort wordt de mogelijke interactie tussen erfgoedbeleid en cultuur, onderwijs, toerisme, ruimtelijke ordening, milieu, huisvesting en werkgelegenheid toegelicht. Elk van deze hoofdstukken zou waarschijnlijk nog veel verder kunnen uitgewerkt worden. Hierin schuilt dan ook de beperkingen van de pocket; met name pogen om op een beperkt aantal pagina's reeds een ontzettend pakket aan mogelijke tips en informatie mee te geven. Alleen al over de mogelijke vertolking van erfgoedzorg binnen lokale ruimtelijke structuurplanning zou men een hele pocket kunnen vullen (mogelijkerwijs een volgende uitgave na enige ruimere ervaring op deze materie ?). Ofschoon deze pocket verschijnt in een reeks die eigenlijk bestemd is voor lokale besturen (we denken dan aan
Marjan Buy Ie
TENTQONSTFLLING MEESTERLIJKE
MIDDELEEUWEN. MINIATIJRFN V A N KARF1 DF n R O T F TOT KAREL DF STOUTF / 800-1475 Geen vluchtige webpagina's of flitsende televisiebeelden, maar met veel zorg en kundigheid uitgewerkte miniaturen waren in de Middeleeuwen de dragers van de menselijke cultuur. Als bewaarders van goddelijke, koninklijke, poëtische, spirituele en esthetische boodschappen waren boeken de meest betrouwbare bron van inlichtingen, maar anderzijds ook de gevaarlijkste. Ze konden immers opinies en ideeën bevatten, die strijdig waren met de 'officiële' en ze konden
Antifonarium van Beaupré, ca. 1825, Baltimore Walters Art Museum
M&L
B 1 N N E N K R A N T
Beschermingen
Marijke
Michiels
MONUMENTEN. LANDSCHAPPEN. STADS- EN DQRPSGEZICHTEN. BESCHERMD IN JUNI-DECEMBER 2QQ1
Getijdenboek, ca. 1300, Baltimore Walters Art Museum
van Xanten. De klassieke inspiratie is hier overduidelijk: de gepenseelde evangelist lijkt zo uit één of ander Romeins forum geplukt. De latere Ottoonse dynastie blijft trouw aan deze antieke idealen en vormen. De miniaturen uit deze periode zijn hoogst verfijnd en etherisch. Tijdens de romaanse periode in de 12^ eeuw worden de abdijen eilanden van spiritueel leven en dragen de monniken bij tot het doorgeven van de antieke cultuur. Als voorbeelden hiervan werden het Antifonarium van Beaupré (ca. 1290) uit het Walters Art Museum van Baltimore en het prachtvolle Cité de Dieu (ca. 1445) van Augustinus, een topwerk uit de Brusselse Koninklijke Bibliotheek, ontleend. Uit dit laatste werk werd geput voor de tentoonstellingsaffiche: een kleurige folio met een bijeenkomst van geleerden onder leiding van Augustinus, en een voorstelling van Clovis, de eerste koning van Frankrijk, dit alles gesitueerd in een grasgroen landschap met een minutieus uitgewerkte middeleeuwse stad op de achtergrond. In de gotiek komt een nieuw fenomeen op: dat van de kritische mens. Het geïndividualiseerd mensbeeld verdringt stilaan dat van de kloosters. Aan de universiteiten ontstaan de studieboeken. Auteurs uit de oudheid worden herontdekt. In de late Middeleeuwen is er een ware explosie van de handschriftenproductie. Aan de grote vraag van al maar meer geletterde
M&L
burgers zal tenslotte de boekdrukkunst tegemoet komen. Bij de tentoonstelling geeft de uitgeverij Davidsfonds/Leuven een rijkelijk geïllustreerd boek uit, in een toegankelijk geschreven maar uiteraard wetenschappelijk verantwoorde tekst. Van 5 tot en met 9 november organiseert het Studiecentrum Vlaamse Miniaturisten van de K.U.Leuven een congres: Manuscripts in Transition Recycling Manuscripts, Texts and Images in de Koninklijke Bibliotheek Brussel. Info: kris.callens@arts.kuleuven.ac.be
Leuven, Stedelijk Museum Vander Kelen-Mertens aan de Leopold Vander Keienstraat 30, van 21 september tot 8 december 2002. Open op maandag 13.30u tot 17.30u.; di, wo. en do. 9.30u tot 17.30u; vrijdag 9.30u tot 21.30u en zat. en zo. 13.30u tot 18.30u. Gesloten op 1 november. Inlichtingen en reservering van audiogidsen:016/22 45 64 of e-mail: infoOmm.Ieuven.be Voordelige B-dagtrip vanuit elk Belgisch NMBS-station.
WERVIK SPOORWEGSTATION N.M.B.S. Stationsstraat ZNR. Monument 14/06/2001 Klein station van het wederopbouwtype, opgetrokken ca. 1924 op de plaats van een ouder station. Opgericht in een baksteenarchitectuur met natuurstenen gevelelementen, waarvan het oorspronkelijke sanitair huisje nog is bewaard. KORTRIJK (Bissegem) SPOORWEGSTATION N.M.B.S. Vlaswaagplein +4 Monument 14/06/2001 Opgericht op de plaats van een ouder station, heeft dit klein station van het wederopbouwtype uit 1924 een uitbreiding van de dorpskern van Bissegem gegenereerd. ALKEN HOEVE Grootstraat 133 Monument 14/06/2001 Hoevecomplex bestaande uit twee evenwijdige vleugels met rechthoekig erf. Het woonhuis uit het begin van de 19de eeuw kende een uitbreiding ca. 1930. Dwarsschuur, inrijpoort en stallingen dateren uit de tweede helft van de 19de eeuw. De gebouwen zijn opgetrokken in traditioneel stijl- en regelwerk met gekalkte lemen vullingen.
B I N N E N K R A N T
ALKEN ONMIDDELLIJKE OMGEVING BOERDERIJ Dorpsgezicht 14/06/2001 De omgeving die reeds bij aanvang bij de hoeve hoorde, maakt integrerend deel uit van het hoevecomplex. TURNHOUT KANTOORGEBOUW BREPOLS Baron Frans du Fourstraat ZNR. Monument 18/06/2001 Gaaf bewaard modernistisch kantoorgebouw uit 1937 met een opmerkelijk functionalistisch interieur. Het pand maakt deel uit van de voormalige fabriek van Brepols, het oudste en grootste papierverwerkende en grafische bedrijf van Turnhout. BORGLOON (Kerniel) ABDIJSITE KOLEN-KOLENBERG Colenstraat ZNR. Landschap 29/06/2001 Dit ongeveer 25 ha. grote gebied maakt deel uit van het zachtglooiend vruchtbare landbouwgebied op de grens van droog en vochtig Haspengouw en is gesitueerd rond de abdij van Kolen, ook het Mariënlof genaamd, die in 1438 door de Kruisheren van Hoei gesticht werd. Ten westen van de abdijgebouwen bevindt zich de nutstuin, in het noorden, oosten en zuiden is de abdijsite omgeven door een omtuinde hoogstamboomgaard. Een historische holle weg verbindt de vallei van de Vilsterbeek met het plateau en de abdij. De asymmetrische vallei van de Kleine Herk met graften op de steilste helling en een amfitheatervormig dalhoofd, hoogstamboomgaarden, hagen en het panoramisch uitzicht van op de Kolenberg bieden een hoge visuele belevingswaarde. BILZEN GROENENDAAL-ZANGERHEI Landschap 29/06/2001 De gaafheid van het domeinencom-
plex Groenendaal en Zangerhei is een gevolg van de geïsoleerde ligging van deze aaneengesloten groene ruimte tussen Munsterbilzen en het Albertkanaal. In het gebied treft men het in classicistische stijl opgetrokken kasteel van Groenendaal en de in vierkantsvorm opgetrokken dienstgebouwen van het 19de-eeuwse kasteel Zangerhei, gelegen in een landschappelijk park. Het voorkomen van verschillende bodemseries met hun respectievelijke vochtklassen op een beperkte oppervlakte ligt aan de basis van de verscheidenheid aan biotopen. In de zure Eikenbossen leven planten kenmerkend voor het voedselarme Kempische Eiken-Berkenbos samen met Haspengouwse soorten. GEEL HET LANDSCHAP VAN BEL Landschap 29/06/2001 In het landschap van Bel herinneren zowel de algemene structuur en zonatie als de talrijke details aan het middeleeuws grondgebruik en de verdere ontwikkelingsgeschiedenis. Zo is het akkercomplex het "Belsveld" een prachtig voorbeeld van een openveldcomplex, vermoedelijk in de vroege middeleeuwen als gemeenschappelijke akker ontstaan. De Belseheide, nu een weidecomplex, is een voorbeeld van een recente heideontginning. Het paraboolduincomplex dat de Belseheide omsluit en de natuurlijke scheiding tussen het "Belsveld" en de Belseheide vormt, werd in dezelfde periode beplant met grove den. De twee paraboolduinen zijn, zeker in de Antwerpse Kempen, erg zeldzaam geworden. WACHTEBEKE OVERLEDEBRUG Meersstraat Monument 09/07/2001 Kleine ijzeren ophaalbrug met bakstenen bruggenhoofden uit ca. 1930, in 1945 ingevolge oorlogsschade hersteld. De brug maakt deel uit van een reeks bruggen die tijdens het interbellum over de in 1531 rechtgetrokken
Moervaart werden gelegd. Deze vaart was gedurende eeuwen een belangrijke handelsroute waarlangs ondermeer de bevoorrading van Gent in brandhout en turf geschiedde. MOERBEKE (WAAS) HEFBRUG T.H.V. DE SUIKERFABRIEK Monument 09/07/2001 Kleine ijzeren ophaalbrug uit ca. 1930 en in 1945 ingevolge oorlogsschade hersteld. Gelegen over de Moervaart als noodzakelijke verbinding tussen de bewoning en bedrijvigheid op de linkeroever en de agrarische gebieden op de rechteroever.
MOERBEKE (WAAS) TERWESTBRUG Monument 09/07/2001 Circa 1930 geconstrueerde ijzeren ophaalbrug, in 1945 ingevolge oorlogsschade hersteld.
B1N1SJE1MKRAMT
MOERBEKE (WAAS) COUDENBORNBRUG Monument 09/07/2001 Eén van de verschillende ophaalbruggen over de Moervaart die tot éénzelfde type behoren maar elk door eigen, specifieke details worden gekenmerkt. MOERBEKE (WAAS) DAMBRUG Damstraat Monument 09/07/2001 Kleine ijzeren ophaalbrug met kenmerkende - in hoofdzaak uit bakstenen metselwerk bestaande - bruggenhoofden.
nieuwe esthetische theorieën uit Nederland, zo is de detaillering van de trap duidelijk geïnspireerd door de Stijl en herinnert het gestructureerd glas in ijzeren profielframe aan de composities van Mondriaan. RIEMST (Kanne) ORGEL IN DE ST.-HUBERTUSKERK St.-Hubertusstraat 13 Monument 17/07/2001 Het orgel te Kanne getuigt van goed 19de-eeuws vakmanschap en is tevens representatief voor het orgelpatrimonium in Limburg. RIEMST (Val-Meer) ORGEL ST.-STEFANUSKERK Bampstraat 10 Monument 17/07/2001 Representatief instrument voor het orgelpatrimonium in Limburg.
ROESELARE HERENHUIS H. Consciencestraat 46 Monument 17/07/2001 Deze eerste kubistische realisatie in België - één van de zeldzame wederopbouwprojecten in modernistische vormentaal - toont hoe de nieuwe esthetische theorieën die Hoste in Nederland had opgedaan na W.O.I op bescheiden wijze ingang vinden. WERVIK IJZERWINKEL, -MAGAZIJN EN WOONHUIS Nieuwstraat 39 Monument 17/07/2001 In dit project van Huib Hoste werd voor de eerste maal in België een betonnen skelet in de winkelbouw toegepast. Tevens getuigt de woning van Hoste's kennismaking met de
HEUSDEN-ZOLDER (Zolder) ORGEL ST.-QUIRINUSKERK VIVERSEL Monument 17/07/2001 Het orgel te Viversel getuigt van goed 19de-eeuws vakmanschap en is tevens representatief voor het orgelpatrimonium in Limburg. MAASMECHELEN (Vucht) ORGEL ST.-REMIGIUSKERK Monument 17/07/2001 Het 19de-eeuwse orgel te Vucht is representatief voor het orgelpatrimonium in Limburg. WACHTEBEKE KALVEBRUG Monument 31/08/2001
HEERS (Horpmaal) ORGEL ST.-LAMBERTUSKERK
De kleine ijzeren ophaalbrug, met in hoofdzaak uit bakstenen metselwerk bestaande bruggenhoofden, werd ca. 1930 geconstrueerd en in 1945 ingevolge oorlogsschade hersteld.
Cartuyvelstraat 24 Monument 17/07/2001
VEURNE (Houtem) DE DORPSKOM VAN HOUTEM
Het orgel te Horpmaal is een zeldzaam relict van de orgelbouw uit de 17de-eeuwse Brabantse Goltfuss/Dekens-school. LANAKEN (Veldwezelt) ORGEL ST.-LAMBERTUSKERK Berenhofstraat 2 Monument 17/07/2001 Het orgel te Veldwezelt is een zeldzaam 17de-eeuws werk van de orgelbouw uit de Luikse school. BERINGEN (Koersel) ORGEL ST.-BRIGIDAKERK Monument 17/07/2001 Dit orgel, een zeldzaam exemplaar voor het orgelpatrimonium in Limburg, is een toonbeeld van goed 19de-eeuws vakmanschap in laatklassieke traditie.
Dorpsgezicht 10/09/2001 De huidige configuratie van deze gaaf bewaarde dorpskom gaat grosso modo terug op de 18de-eeuwse situatie zoals aangeduid op de Ferrariskaart (1770-1777). De dorpskom wordt enerzijds getypeerd door het nagenoeg rechthoekig plein, waarrond de parochiekerk met omringend kerkhof, omgevende losse bebouwing en open weilanden gegroepeerd liggen; anderzijds door een oostelijke uitloper - de Dorpsstraat - met aaneengesloten bebouwing. De gevarieerde landelijk architectuur heeft een voornamelijk 19de-eeuws karakter. ZWIJNDRECHT, MELSELE DE DEFENSIEVE DIJK Landschap 14/09/2001 De defensieve dijk, gelegen tussen het fort Zwijndrecht en fort Sinte-Marie,
B I N N E N K R A N T
is een intact relict van een deel van het Verschanst Kamp Linkeroever, dat tussen 1870 en 1880 werd opgericht bij de uitbreiding van de Vesting Antwerpen, Nationaal Reduit van België. Door het strakke profiel van het dijklichaam en de dijkgracht en van de lunet de Halve Maan is het een dominerend landschapselement. Op deze dijk komen voor Vlaanderen zeldzame, typische bloemrijke vegetaties voor. Een overgangszone waarborgt het behoud van de oorspronkelijk agrarische context waarin de dijk gelegen is. MALLE KAPELANIE Kasteellaan 29 Monument 14/09/2001 De kapelanie, waarvan de stichting minstens tot 1570 teruggaat, dateert in haar huidige vorm hoofdzakelijk uit de 19de eeuw. Dergelijke steeds schaarser wordende "architectura minor" belicht een aspect van de Vlaamse leef- en wooncultuur uit het verleden.
getuigt van een belangrijk liturgisch gebruik binnen het christelijke geloof tijdens de 12de eeuw. LEDEGEM HOEVE"OOSTHOVE" St.-Eloois-Winkelstraat 112 Monument 22/10/2001 KONTICH ST.-MARTINUSKERK Gemeenteplein ZNR. Monument 15/10/2001 De in 1572 afgebrande kerk met Romaanse westtoren werd in het begin van de 17de eeuw heropgebouwd en in 1826-1828 in classicistische stijl verbouwd naar ontwerp van A. De Wolf. In 1928-1929 onderging de kerk een ingrijpend restauratie en uitbreiding onder leiding van provinciaal architect E. Careels, die opnieuw bij de 17de-eeuwse gotische stijl aansloot. Tijdens deze restauratie werd de verbouwing van A. De Wolf ongedaan gemaakt en de oorspronkelijke noordelijke zijbeuk herbouwd. IEPER (Zillebeke) DOOPVONT IN ST.-KATHARINAKERK Zillebeke-DorpZNR. Monument 22/10/2001
••HB PUTTE PITSEMBURGHOEVE Vogelstraat 95 Monument 05/10/2001 De Pitsemberg- of Augustijnenhoeve, met een inplanting opklimmend tot de 18de eeuw, getuigt van de rol van de Teutoonse religieuze ridderorde in onze streken. Architectuurhistorisch sluit het gebouw aan bij de traditionele Kempense hoevebouw, een langgestrekte hoeve met schuur, stal en woonhuis onder één dak.
De Romaanse doopvont, bestaande uit een vierkante kuip op cilindrische sokkel, is het enige materiële relict van de middeleeuwse St.-Catharinakerk die tijdens W.O.I verwoest werd. Met zijn gestileerde ornamentiek in laag reliëf situeert de doopvont zich binnen de Doornikse school. LICHTERVELDE DOOPVONT IN ST.-JACOBUSKERK Kerkplein ZNR. Monument 22/10/2001 De doopvont, het oudst gekende voorbeeld uit de Doornikse school, is representatief voor het kunstambacht en de kunstmarkt tijdens de 12de eeuw. De vierkante kuip met zijn gestileerde symboliek in laag reliëf
De zogenaamde "Oosthove" o f " 't Goed te Wulfsdamme" was de centrale hoeve van een heerlijkheid die in 1236 door de cisterciënzerinnenabdij van Moorsele werd aangekocht. Op figuratieve kaarten uit de eerste helft van de 18de eeuw wordt de hoeve reeds afgebeeld als een omwalde site met poortgebouw en semi-gesloten opstelling. Het huidige hoevecomplex vertoont nog dezelfde opstelling en gaat grotendeels terug op het laatste kwart van de 18de eeuw. Typologisch is deze hoeve eerder uitzonderlijk voor het arrondissement Roeselare en sluit ze eerder aan bij de hoevebouw van Zuid-WestVlaanderen. LEDEGEM KAPEL St.-Eloois-Winkelstraat ZNR. Monument 22/10/2001 De bij de erfoprit van de Oosthove gelegen kapel met getoogd poortje tussen pilasters van gesinterde baksteen, is een beter voorbeeld van de landelijke kapellenbouw. Het laat18de-eeuws of vroeg-19de-eeuws kapelletje is gewijd aan O.-L-Vrouw van Bijstand. LEDEGEM "OOSTHOVE" OMLIGGENDE WEILANDEN St.-Eloois-Winkelstraat ZNR. Dorpsgezicht 22/10/2001 De omgeving tussen de straat en de achteringelegen hoeve bewaart een erg landelijk karakter. De Wulfsdambeek aan de straat lag oorspronkelijk achter de hoeve en werd na de Tweede Wereldoorlog verlegd. De verharde erfoprit geeft uit op een witgeschilderd poortgebouw met aansluitend
B I N l ^ E N K R A N T
een lange koeienstal. Ten zuidwesten van het erf bevindt zich een tweede sobere erftoegang, gemarkeerd door een bakstenen hekpijler. De omwalling met knotwilgen en -populieren bleef deels bewaard. LEDEGEM (St.-Eloois-Winkel) HOEVE "WATERPACHTGOED"POORTGEBOUW Waterpachtsgoedstraat 10 Monument 22/10/2001 Zowel op de Ferraris- als Poppkaart staat de hoeve, in kern opklimmend tot 1672, aangeduid met een achtvormige omwalling die het oppererf met boerenhuis en het neerhof met schuur en stallingen duidelijk onderscheidt. Vanaf 1890 wordt de omwalling geleidelijk gedempt, de walstructuur is echter nog duidelijk afleesbaar in de opstelling van de gebouwen. De twee ronde bakstenen torens met witgeschilderde uivormige bekroning - vermoedelijk daterend uit de tweede helft van de 19de eeuw - die de erfoprit flankeren, zijn als geromantiseerde architectonische uiting uniek in het arrondissement Roeselare.
LEDEGEM (Rollegem-Kapelle) HOEVE "WATERPACHTGOED"BOERENHUIS Waterpachtgoedsstraat 10 Monument 22/10/2001 Op het oppererf gelegen boerenhuis, opklimmend tot de 18de eeuw. Naast de witgeschilderde erfgevel op gepikte plint bevindt zich een lager tweeledig bakhuis. Op het neerhof een dwarsschuur met geïncorporeerd wagenhuis met een restant van vakwerkconstructie in de erfgevel.
LEDEGEM (St.-Eloois-Winkel) HOEVE "'T GROOT SCHARDOUW"
ROESELARE HOEVE
Groenedreef 1 Monument 22/10/2001
Dadizeleleenstraat 9 Monument 22/10/2001
Deze hoeve gaat terug op de heerlijkheid Scardauwe met als oudste archiefvermelding 1290. Het eigenlijke 18deeeuwse omwalde erf met poortgebouw werd aangevuld met een bijkomende schuur (ca. 1822), een stalling uit de tweede helft van de 19de eeuw en een laat-19de-eeuws witgeschilderd boerenhuis van negen traveeën. Een monumentale brede korfboogpoort met muurankers "1772" en sterk verweerd natuurstenen wapenschild van de familie Van der Gracht, markeert de erftoegang.
Hoevetje waarvan het boerenhuis teruggaat op een oude kern (1735), de schuur en kleine stalling zijn 19deeeuws. De losse, lage bestanddelen staan L-vormig gegroepeerd rondom een begrint erf met ten noorden een heraangelegde boomgaard en moestuin en ten westen een huisweide met meidoornhaag. In het boerenhuis bleef de interieurindeling met opkamer en voormalige weefkamer, evenals verscheidene interieurelementen zoals een uitgewerkte balkslof met jaartal en diamantkop, bewaard.
LEDEGEM (St.-Eloois-Winkel) KAPEL Groenedreef ZNR. Monument 22/10/2001
WERVIK KLOOSTERKAPEL VAN DE GRAUWE ZUSTERS
Tegenover de toegangsweg van de hoeve "'t groot schardouw" staat een 19de-eeuwse rechthoekige bakstenen kapel, gemarkeerd door versneden steunberen, met driezijdige absis en een leien zadeldak met fijn ijzeren kruis. De puntgevel is afgewerkt met vlechtingen en versierd met verweerde natuurstenen wapenschilden. In het interieur treft men een beeld van 0.L-Vrouw van Lourdes in rotsimitatie.
Grauwe Zusterstraat 2 Monument 05/11/2001 De kapel uit 1834 werd in een voor de regio zeldzame neoclassicistische stijl opgetrokken. De straat- en voorgevel vertonen typisch classicistische ornamenten, uitgewerkt in fraai metselwerk van streekeigen bouwmaterialen. Het neoclassicistisch interieur is eveneens zowel naar opstand als naar afwerking eerder uitzonderlijk te noemen voor de regio.
IZEGEM HOEVE "DE HOGE SCHUUR" Gaspaardstraat 46 Monument 22/10/2001 U-vormig hoevecomplex met semigesloten uitzicht en deels bewaarde omwalling, opgebouwd uit laat-18deeeuwse of vroeg-19de-eeuwse bestanddelen. De erfoprit geeft uit op een vrijstaand poortgebouw ca. 1778. Dit sober rechthoekig gebouwtje onder tentdak wordt gemarkeerd door een korfboogpoort en kapelletje in omlijsting van gesinterde baksteen. Ten oosten een imposante schuur met jaarsteen "Anno 1802", strak geritmeerd door middel van steunberen en asemgaten.
13/11/2001 De begrenzing van het kloosterdomein is beeldbepalend in de aanleg en het
B 1 N N E N K R A 1 \ T
straatbeeld van de stad Wervik. De muur staat reeds afgebeeld op de kaart van Sanderus uit 1641. BRUGGE (St.-Andries) KERK ST.-ANDRIES EN ST.-ANNA Gistelse Steenweg ZNR. Monument 13/11/2001 De parochiekerk met een westtoren uit 1530, werd in 1869 naar ontwerp van architect P. Buyck opgericht op de site van de voormalige St.-Andriesabdij, waarvan de stichting teruggaat tot 1117. in het bedehuis met fraai interieur worden een aantal belangrijke kerkschatten bewaard, waaronder kerkmeubilair van de hand van H. Pickery (1828-1894) en een uitgebreide verzameling aan edelsmeedwerk. BRUGGE (St.-Andries) OMGEVING KERK Gistelse Steenweg
Dorpsgez/c/7t 13/11/2001 Het omringende kerkhof, ondermeer getypeerd door graf- en oorlogsmonumenten, is van oudsher dé omkadering van de parochiekerk en een beeldbepalend component in de dorpskern.
langs een spoorlijn die in 1853 werd aangelegd. Samen met de stations te Wervik, Wevelgem, Komen en Bissegem bepaalt dit gebouw, opgericht in baksteenarchitectuur en voorzien van natuurstenen gevelelementen, het eigen architecturale karaktervan de lijn Kortrijk-Poperinge. GENT PRiNSENHOFSITE Stadsgezicht 13/11/2001 Het Prinsenhof is gelegen op de locatie van het 13de-eeuwse Hof ten Walle. Vanaf 1366 deed dit mottekasteel dienst als Gentse residentie van de graven van Vlaanderen. Onder impuls van Hertog Filips de Goede, dé grote bouwheer van het Prinsenhof, werd het complex tijdens twee bouwcampagnes in 1422-1429 en in 14411446 grondig verbouwd. De kern werd gevormd door het omwalde eiland waarop de hoofdgebouwen stonden. Samen met de waterpartijen, het voorplein met de dienstgebouwen en de verdere afhankelijkheden besloeg het ongeveer twee hectaren. Na het midden van de 16de eeuw trad het verval van het Prinsenhof in, tijdens de beeldenstorm en calvinistische republiek diende het complex geregeld als gevangenis. In 1649 werden de eerste delen van de site verkocht, in 1777 werden de resterende gronden en gebouwen openbaar verkocht.
GENT OMHEiNINGSMUUR PRiNSENHOF Monument 13/11/2001
IEPER (Viamertinge) SPOORWEGSTATiON N.M.B.S. Poperingseweg +33 Monument 13/11/2001 Klein station van het wederopbouwtype (ca. 1924) opgetrokken op de plaats van een ouder station dat door een privé-maatschappij was gebouwd
Restanten van de omheining van de in oorsprong middeleeuwse opperhof- en neerhofconfiguratie, later omgevormd tot grafelijke en vorstelijke residentie Prinsenhof. Van het groots opgevatte grafelijke kasteel bleef in het stadsbeeld slechts één poort, bekend als de Donkere Poort, herkenbaar bewaard. In de panden in de Rabotstraat, die zich op het tracé van de 15de-eeuwse omheiningsmuur bevinden, bleven relicten aan de achterzijde van de huizen bewaard.
GENT RESTEN PRINSENHOFKASTEEL Monument 13/11/2001 In verscheidene gebouwen bleven bouwsporen van het oorspronkelijke Prinsenhof bewaard, ondermeer in het achterdeel van het pand Prinsenhof 103, waar de restanten van het vierkante poortgebouw dat tot de Prinsenhofkern toegang verschaft aangetroffen werden. In Sanderswal 1 tot 13 bleven talrijke restanten bewaard, waaronder resten van het noordelijke galerijgebouw. GENT BIJGEBOUW IN DE KLOOSTERTUIN Burgstraat 46 Monument 13/11/2001 Het bijgebouw in de kloostertuin van de ongeschoeide karmelieten ontstond vermoedelijk tijdens de eerste kloosterfase kort na 1646. Het bak- en zandstenen gebouwtje is gelegen in de noordoosthoek van de tuin, met zijn oostmuur palend aan het voormalig Leeuwenhof. GENT KLUIZENHOF Burgstraat 46 Monument 13/11/2001 Kenmerkend voorbeeld van kloosterarchitectuur uit de periode van de contrareformatie, ook wat betreft de binneninrichting met cellen en kapel. Het klooster verwierf de terreinen die vroeger deel uitmaakten van het Prinsenhof via een vorstelijke schenking. GENT HERENHUIS BETHUNE Prinsenhof 71-73-75 Monument 13/11/2001 Het herenhuis is in oorsprong een 15de-eeuws onderdeel van het Prinsenhof, dat werd opgenomen in een groot woonhuis uit de late 18de of het begin van de 19de eeuw met een uit-
B 1 N N E N K R A N T
wendig goed bewaarde neoclassicistische architectuur. Jean Baptiste Bethune, promotor van de neogotiek, verbleef lange tijd in de woning en had hier ook zijn glazeniersatelier. In het pand bleef, naast exemplaren van neogotische glazenierskunst van de Bethune zelf, ook een uitzonderlijke reeks glasramen behorend tot de kunstproductie van Arthur Verhaegen bewaard. GENT HERENHUIS Prinsenhof 113-139 Monument 13/11/2001 De imposante woning werd in 1791 opgetrokken door meester timmerman en schrijnwerker Joachim Frans Colin, die het belendende Sastehuis bewoonde en met de bouw van dit huis de grond naast zijn woning beter wou laten renderen. In het pand werden enkele oudere resten van het Prinsenhof geïntegreerd. GENT HUIZENRIJ Prinsenhofplein 8-9-10/Prinsenhof 44 Monument 13/11/2001 Eenheidsbebouwing uit 1782, waarbij in elk van de vier huizen verschillende wooneenheden geconcipieerd werden, één van de vroegst bekende voorbeelden van een dergelijk architecturaal concept. De authentieke binnenstructuur en elementen van de interieuraankleding bleven bewaard. GENT DELEN VAN HET VOORMALIG LEEUWENHOF Prinsenhof 79 Monument 13/11/2001 Laatmiddeleeuwse bouwelementen die behoren tot het 15de-eeuwse Leeuwenhof, de wereldberoemde dierentuin die deel uitmaakte van het Prinsenhof en reeds in de Bourgondische tijd een curiosum was. Toen Karel V van een Bey uit Tunis enkele leeuwen ten geschenke kreeg, werden
de dieren aan de dierentuin toegevoegd en onder meer vereeuwigd door Albrecht Dürer. GENT DOMINICANENKERK Holstraat ZNR. Monument 13/11/2001 Deze oudste neogotische kerk van Gent uit 1852 is het meesterwerk van architect J.B. Van de Cappelle jr. en een schoolvoorbeeld van de romantische kerkenbouw tijdens de vroege neogotiek. Het interieur behield zijn oorspronkelijke aankleding met ondermeer een preekstoel van het huis Peeters-Divoort, glasramen uit het atelier van J.B. Capronnier en Camille Ganton-Defoin. De laatste toevoeging, een marmeren altaar uit 1929, breekt bewust met de neogotiek door zijn afwijkende art decovormgeving. WAASMUNSTER ST.-ANTONIUSKAPEL RodendriesZNR. Monument 13/11/2001 De in 1628 opgerichte eenbeukige en oorspronkelijk nagenoeg vierkante kapel, werd later vergroot en voorzien van een 19de-eeuwse sacristie. In het interieur een barokaltaar met getorste zuilen en beelden van St.-Cornelius, St.-Nicolaas van Tolentijn en het wapen van de stichters boven het altaar. WAASMUNSTER HUIS Rodendries 53 Monument 13/11/2001 Oorspronkelijk bakstenen hoevewoning uit het midden van de 17de eeuw, verbouwd in het laatste kwart van de 18de eeuw. Het exterieur is opgebouwd uit één bouwlaag onder pannenzadeldak, zijgevels met vlechtingen en schouderstukken, beluikte en getraliede kruiskozijnen, achtergevel met 17de-eeuwse korfboogdeur en een dakconstructie met 18de-eeuwse eikenhouten dakstoel. In het interieur bleven zowel elementen uit de 17de
als 18de eeuw bewaard, ondermeer stucco in Louis XV-stijl, geprofileerde houten panelen en een open haard betegeld met paars-bruine Delftse tegels. BRUGGE (Oostkamp, Assebroek) MEERSENGEBIED Landschap 19/11/2001 De oudste sporen van occupatie in het gebied gaan terug tot de prehistorie, met duidelijke bewoningspatronen tijdens het Mesolithicum. De merkwaardige circulaire site met drie concentrische grachten ten zuiden van de kerk van Ver-Assebroek verwijst vermoedelijk naar een middeleeuwse occupatie van het gebied. De authenticiteit van dit gebied vertaalt zich tevens in het historisch grondgebruik van de meersen, de bossen en de zandruggen en in de kleinschalige percelering van de gemene weiden. Het voorkomen van sterk wisselende bodemmilieus zorgt voor een grote variatie aan vegetatietypes en doet dienst als voedsel- en verblijfgebied voor diverse steltlopers, eendachtigen, zangvogels, roofvogels en uilachtigen. ST.-TRUIDEN STEDELIJKE BEGRAAFPLAATS Stadsgezicht 20/11/2001 De stedelijke begraafplaats, gelegen in het gehucht Schurhoven net buiten de vroegere stadsomwalling, werd ca. 1850 in gebruik genomen. De graftekens op de begraafplaats van S t Truiden variëren van eenvoudige en sobere gietijzeren grafkruisen tot pompeuze, romantische en sentimentele monumenten en geven een overzicht van de funeraire kunst en symboliek van omstreeks 1850 tot aan WO II. Op deze begraafplaats liggen voornamelijk vooraanstaande figuren uit de burgerij en clerus, die een rol hebben gespeeld in de geschiedenis van St.-Truiden op politiek, administratief, economisch en kerkelijk gebied. Dit zeldzaam homogeen deel van een landschappelijke begraafplaats wordt omkaderd door kwaliteitsvolle dreven en beplanting. In de volgende opsomming werden
B 1 N N E M K R A N T
slechts een aantal van de als monument beschermde graven opgenomen. ST.-TRUIDEN GRAFMONUMENT MINDERBROEDER ARCHANGELUS VENDRICX Monument 20/11/2001 Grafmonument van pater minderbroeder ArchangelusVendricx (1818-1893) in de vorm van een obelisk met aan de voorzijde een marmeren inscriptie en dito reliëf met kelk, aan de zijkanten rouwkransen opgehangen aan strikken. ST.-TRUIDEN GRAFMONUMENT PASTOOR JAN MEECKERS Monument 20/11/2001 Pastoor van de parochie St.-Maarten (+1910). Het met een ijzeren hekken omgeven grafteken draagt op de sokkel een reliëf met kelk en hostie in een stralenkrans rustend op de bijbel. Boven de inscriptie een buste met het portret van de overledene. Het werk is gesigneerd "Jos.Stas.statuaire.ST-Trond". ST.-TRUIDEN GRAFMONUMENT PASTOOR-DEKEN J.M. LENAERTS Monument 20/11/2001 Grafmonument van J.M. Lenaerts, pastoor-deken te St.-Truiden van 1881 tot 1904. Hoge sokkel versierd met bloemstukken, kelk en stola, kruikruis met IHS-monogram in doornenkroon, een werkstuk van de Truiense beeldhouwer J. Ferontjr. ST.-TRUIDEN GRAFMONUMENT PASTOOR-DEKEN CLÉMENT CARTUYVELS Monument 20/11/2001 Neogotisch grafmonument van deken Clément Cartuyvels (+1885), het werk is gesigneerd "J. Jamoulle, Liège" en werd wellicht ontworpen door de Luikse architect F. Lohest. Op de sokkel een inscriptie in imitatie gotische minuskels, een kelk en wapenschild
met devies "per aquam et ignem", bekroond met monumentaal kruis en versierd met bloeiende planten en bloemen. ST.-TRUIDEN GRAFMONUMENT PASTOOR ALFONS OUAKKELAAR Monument 20/11/2001 Grafmonument van Alfons Quakkelaar (+1926), pastoor van St.-Maarten. De sokkel met inscriptie, kelk en stola, is bekroond met kruikruis en koperen crucifix. ST.-TRUIDEN GRAFMONUMENT PASTOOR JOANNIS KEESEN Monument 20/11/2001 Grafmonument van Joannis Keesen (+1856), pastoor van Schurhoven, gesigneerd "O.Paternotte a Bruxelles". Neoclassicistisch grafteken met marmeren inscriptie en kelk. ST.-TRUIDEN GRAFKRUIS OUD-BURGEMEESTER TRUDO L SIMONS Monument 20/11/2001 Hardstenen grafkruis van Trudo L Simons (+1779),oud-burgemeester van St.-Truiden. ST.-TRUIDEN GRAFSTEEN FAMILIE STRAUVENSCHURHOVEN Monument 20/11/2001 Hardstenen grafplaat met wapenschilden en alliantiewapens van de familie Strauven-Schurhoven, bekroond met helm en dekkleed. De grafsteen is afkomstig uit de vroegere kerk van Schurhoven. ST.-TRUIDEN GRAFKRUIS RIDDER F.J. DE CREEFT Monument 20/11/2001 Twee naast elkaar geplaatste hardste-
nen grafkruisen van ridder FerdinandIgnace Guillaume de Creeft (17691852), die onder engelse vlag heeft gestreden op de Antillen en zijn echtgenote Renaud (+1850), geboren op het eiland Grenada en dochter van een Zwitsers koloniaal. Het ontwerp van de neogotische grafkruisen is ontleend aan TH.H. KING's "Les vrais principes de l'architecture ogivale ou chrétienne, avec des remarques sur leur renaissance au temps actuel", uitgegeven in 1850. ST.-TRUIDEN GRAFOMBE NOTARIS E. MOREAU Monument •20/11/2001 De eenvoudige arduinen graftombe bekleed met witmarmeren platen werd opgericht door Jeannette Vanham, weduwe van Eugène Moreau (1808-1850). Zij drukte haar verdriet uit met de inscriptie: "Mon Amour pour mes enfants a pu seul me retenir a la viel". ST.-TRUIDEN GRAFZERK J.A.N. VAN DEN BERCK Monument 20/11/2001 De grafzerk in de vorm van een lijkkist die schuin op een vierkante steen geplaatst is, werd opgericht ter nagedachtenis van de in 1851 overleden echtgenote van oud-burgemeester J.A.N, vanden Berck. De inscriptie luidt: "La mort nous a séparé; la mort nous réunira". Het romantisch karakter werd oorspronkelijk beklemtoond door een licht ijzeren constructie die het graf overkoepelde en waarlangs heesters opklommen. ST.-TRUIDEN GRAFTOMBE FAMILIE BERTRAND Monument 20/11/2001 De solitaire neogotische graftombe van de familie Bertrand, die sedert generaties uitbaters waren van de paardenpost, staat midden op de oude toegangslaan. Het monument werd in 1850 opgericht door Charles Bertrand voor zijn ouders, naar ontwerp van de
B 1 N N E N K R A N T
uit Henegouwen afkomstige architect Isidore Gérard, lid van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en onder wiens leiding de restauraties van de kerken van Zoutleeuw en Zepperen uitgevoerd werden. ST.-TRUIDEN GRAFMONUMENT E. LEZAN DE MALIZARD Monument 20/11/2001 Edmond Lezan de Malizard (18471907) liet dit imposante grafmonument, een hoge obelisk bekroond met een brandende olielamp en een rouwsluier, voor zichzelf en zijn voorouders oprichten. Lezan de Malizard was weldoener van de Burgerlijke Gasthuizen en van het Bureel van Weldadigheid te St.-Truiden. ST.-TRUIDEN GRAFMONUMENT FAMILIE STEYNEN Monument 20/11/2001 Grafmonument van de familie Steynen. Het kruis is bijna identiek aan dat van deken Cartuyvels en is van Luikse origine. Het voetstuk bevat de namen van de familieleden gestorven tussen 1848 en 1914 en is gesigneerd "E.Gielen". ST.-TRUIDEN GRAFSTEEN J.C. VANDENHOVE Monument 20/11/2001 Rechthoekige grafsteen van Joannes CarolusVandenhove ( t l 818) met lovend grafgedicht over de deugden en heiligheid van de overledene. IZEGEM BRANDWEERKAZERNE MET WOONHUIS Ommegangstraat 87/Krekelstraat 130 Monument 20/11/2001 Dit typisch voorbeeld van interbellumarchitectuur werd uitgevoerd naar een ontwerp van de Izegemse architect C. Beyaert. Het expressief baksteengebruik en de geometrische vormentaal
M&L
wijzen op een duidelijke invloed van de Amsterdamse school. IZEGEM WOONHUIS Baron de Pélichystraat 2 Monument 20/11/2001 Neogotische architectenwoonst naar ontwerp van Jules Vercoutere uit 1898. Door haar monumentaliteit en rijk uitgewerkte gevel met oog voor detail, is het pand een beeldbepalend element in het straatbeeld van de Baron de Pélichystraat. IZEGEM ST.-JOZEFSCOLLEGE Burgemeester Vandenbogaerdelaan 53 Monument 20/11/2001 Het schoolgebouw is één van de weinige voorbeelden van strakke art decoscholenbouw uit de jaren 1930 in West-Vlaanderen. De architect, Carlos Beyaert, schonk veel aandacht aan het bouwprogramma waarbij de accenten voornamelijk op gezondheid en hygiëne lagen. Dit uitte zich in de grote zorg die besteed werd aan de lichtinval, de luchtcirculatie en het gebruik van eenvoudig te reinigen materialen. In het vrij gaaf bewaarde interieur komt de aandacht die de architect aan kleur besteedde en die kenmerkend is voor deze periode, duidelijk naar voor.
een woning gebouwd om de leerlingen de mogelijkheid te geven zich in een realistisch kader te bekwamen in huishoudelijke taken. INGELMUNSTER ST.-AMANDUSKERK EN OMGEVING Gravinnestraat ZNR. Monument 20/11/2001 De gaaf bewaarde classicistische pseudo-basilicale kerk is een beeldbepalend element in de kleine dorpskom van Ingelmunster. De kerk kwam tot stand in twee bouwfases: de laatbarokke toren dateert van 1739 en het sobere schip en koor van 17801783. De zogenaamde "baronie" als pendant van de sacristie wijst op de verwevenheid van kerk- en kasteelgeschiedenis. Het bepleisterd interieur met strenge ordonnantie en spaarzame stucornamentatie werd aangekleed met deels uit de oude kerk afkomstig laat-17de- en 18de-eeuws meubilair.
Restauraties
IZEGEM KLOOSTER VAN DE ZUSTERS VAN MARIA Gentsestraat 31 Monument 20/11/2001 Het klooster met kloosterschool en de voormalige molen met hostiebakkerij vormen een fraai voorbeeld van de 19de-eeuwse laatclassicistische stijl. Het interieur met ondermeer rijkelijk uitgewerkte kapellen en een gaaf bewaard art decosalon is van een hoogstaande kwaliteit. Het complex belichaamt de architecturale uitdrukking van het pedagogisch gedachtegoed over de opvoeding van meisjes in het begin van de 20ste eeuw. Zo werd
KQNINKIIIKF STADSSCHOUWRilRfi: RFSTAIIRATIE INTFRIFNR FN F X T F R I F U R In het kader van Brugge culturele hoofdstad 2002 werd de Koninklijke Stadsschouwburg, een realisatie van de Brusselse architect Gustave Saintenoy uit 1864-1869, onder handen genomen. Deze restauratiecampagne kan zowel wat de omvang van de werken als de kostprijs betreft als één van de omvangrijkste investeringen van de restauratiecampagne voor Brugge 2002 beschouwd worden.
B1NNENKRA1MT
Naast de restauratie van het exterieur met stabiliteitswerken, schilderen van gevels en schrijnwerk en herstel van de daken, ging de grootste aandacht naar het interieur. Hier kwamen diverse technieken van wandafwerking aan bod, gaande van gewone schilderwerken in de originele kleurstelling, natuursteenimitatie, veloutébehangpapier - dat opnieuw vervaardigd diende te worden - tot marouflages die gereinigd of opnieuw uitgevoerd dienden te worden. Er werd tevens geopteerd om een deel van het nog aanwezige oorspronkelijke meubilair, met name de stoelen, te restaureren en opnieuw te stofferen. Uniek aan deze complexe restauratie is de korte tijdspanne waarin de werken werden uitgevoerd. Ondanks deze beperking in tijd werd een hoogwaardige en kwalitatieve restauratie uitgevoerd die de hedendaagse bezoeker toelaat opnieuw zonder beperkingen in dit historisch kader van theater te laten genieten.
Architect: A. Dugardyn, K. Lantsoght en G. Vandenabeele Bouwheer: stadsbestuur Brugge Raming van de werken: 8,55 miljoen euro Restauratiepremie: 3,763 miljoen euro Investering stad Brugge: 3,769 miljoen euro Uitvoeringstermijn: mei 2001 - februari 2002
RFSTAURATIECAMPAfiNFS IN HFT KADFR VAN RRiinnF ?00? Ter gelegenheid van Brugge Culturele hoofdstad van Europa 2002 besloot de stad Brugge, in samenwerking met de Afdeling Monumenten en Landschappen van de Vlaamse Gemeenschap en de Provincie West-Vlaanderen, tot een uitgebreide restauratiecampagne van haar historisch erfgoed. De historische stad Brugge was inmiddels ook op de lijst van het werelderfgoed opgeno-
men, wat de betekenis van deze campagne nog vergrootte. Deze restauratiecampagne spitste zich toe op een aantal Brugse landmerken of bakens zoals de O.LV.-kerk en het begijnhof. Ook in het Brugse stadshart vonden een aantal belangrijke restauraties plaats, met name op de Burg, waar de bouwstijl varieert van Romaanse
bouwkunst tot classicisme. Tevens werden een aantal in een monument gevestigde cultuurlocaties onder handen genomen, zoals de Koninklijke Stadsschouwburg, de Stedelijke Academie en het Conservatorium. In onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de uitgevoerde werken.
OVERZICHT VAN DE WERKEN UITGEVOERD IN 2001-2002 MONUMENT
WERKEN toelage AML
O.LV.-kerk
2.904.351 Fase 2A gevel west Fase 2B gevels noord, west, zuid Fase 2C gevels noord, oost, sacristie FaseD vooronderzoek interieur Fase E onderzoek stabiliteit toren Fase torenspits
Brugse Vrije
Restauratie gevels
H. Bloedkapel
PREMIE (in euro) toelage aandeel Provincie stad Brugge 968.068
701.660
862.139
287.379
380.222
Bouw- en schilderwerken interieur Verwarming, lood- en zinkwerken Electriciteitswerken
118.220
39.407
79.453
Koninklijke Stadsschouwburg
Stabiliteitswerken inkom Artiestenloges Interieurwerken Vernieuwing dak Restauratie stoelen Brandcompartimentering Meubel foyer Meubilair, tapijt Verwarming, ventilatie, signalisatie, Sanitair
3.763.249
998.046
3.768.855
Stadhuis
Achtergevels Gotische zaal: muurschilderingen, gewelven, brandglazen
498.421
166.140
242.567
Stedelijke Academie Restauratie gevels
254.308
84.769
488.383
Conservatorium
132.178
44.059
41.194
394.591
128.263
595.700
412.135
137.378
93.119
Begijnhof Begijnhofkapel
Restauratie tuingevels Restauratie dak en plafond
Begijnhof nr. 6 Begijnhof nr. 8 Begijnhof nr. 20 Begijnhof nr. 22 Begijnhof nr. 30 nrs. 7-9,46-48, 52-54, "De Steert"
Onderhoud gevels en glas in lood Restauratie Restauratie Restauratie bezinningshuis Vernieuwen dakbedekking Gevels, daken, buitenschrijnwerk Diverse werken
Griffie
Restauratie gevels
TOTAAL
%
9.339.593 2.853.510 6.391.152 50,26 34,39 15,35
1VI&L
M&L
citaat
"Sinds de uitvinding van de fotografie geloof ik niet meer aan een mogelijk verdwijnen en machteloos worden van het grote... Ook de met roet bedekte en kwalijk bekladde monumenten kunnen - fe eniger tijd misschien alleen nog maar in afbeeldingen - meer dan ooit de kracht van openbaringen hebben. Er kan immers eens weer een versoberde, eenvoudig geworden mensheid opgroeien, niet meer nerveus, niet meer te rationeel en grootstedelijk denkend, die opnieuw door zulke werken in vervoering raakt."
(Jacob Burckhardt in een brief aan Heinrich Wölfflin, 24 september 1896)
Naast voorlopig (?) onleesbare krassen zijn verschillende namen, datums, figuratieve voorstellingen, wapenschilden en mogelijk zelfs enkele architectonische werktekeningen opgemeten. Drie inkrassingen zijn intussen geïdentificeerd als notarishandtekeningen (41). Gelijkaardige graffiti zijn ook aan-
getroffen op hergebruikte stenen in de fundering van het huidige portaal. De kennis van dergelijke graffiti is in onze streken zeer beperkt. Nochtans zijn ze een unieke getuigenis van de manier waarop men in de Middeleeuwen met de wanden van een religieus gebouw meende te mogen omgaan.
H. Rochus van Montpellier Tijdens de opgravingen in de H. Hubertus kapel werden uit een kuil onder de kapelvloer tweeëntwintig fragmenten van een stenen beeld bovengehaald. Uit de reconstructie bleek dat het om een H. Rochus van Montpellier gaat. De populaire pestheilige wordt op de klassieke wijze voorgesteld, als pelgrim, met naast hem een engel die zijn beenwonde verzorgt en een hond met een brood in de bek. Het beeld dat mogelijk uit de late 16de of vroege 17de eeuw dateert, is uitgevoerd in tufsteen van Maastricht, een lichte zandsteen die makkelijk afbrokkelt. De rugzijde is onbewerkt, waarschijnlijk omdat de sculptuur in een nis of tegen een wand stond opgesteld. De originele polychromie bleef bewaard. Het beeld werd door de archeologen naar het KIK overgebracht. Na de inventarisatie van de stukken werd het verder onder binoculair gereinigd en werd de polychromie gefixeerd. Omwille van de stabiliteit werden sommige stukken eerst aan mekaar gekleefd met PVA en steenpoeder. Tijdens de behandeling werden onder meer van de polychromie monsters voor verdere analyse van de pigmenten genomen. Er werd geopteerd voor een tentoonstellingswijze waarbij de fragmenten een samenhangend geheel vormen zonder daarvoor een volledige wedersamenstelling te moeten doorvoeren. A
Isabelle Leirens
Opgegraven beeld van de H. Rochus met een uitstekend bewaard gebleven polychromie (Koninklijk Instituut voor tiet Kunstpatrimonium) (foto IAP)
FEN MUURSCHILDERING [HERJONTDEKT Anna
Bergmans
O p de vierde zuil aan de noordzijde van het schip (te beginnen vanaf het oosten) werden tijdens de recente werken muurschilderingen ontdekt, bij het demonteren van de preekstoel. Dat was geen totale verrassing, voor wie met de 19de-eeuwse geschiedenis van het monument vertrouwd is (1). Reeds eerder namelijk, in 1866, waren tijdens de ontpleisteringswerken in het schip schilderingen ontdekt, op drie zuilen. In een brief van 27 oktober beschreef deken Jean-Léonard Reinartz de vondst. Als provinciaaal lid van de Koninklijke Commissie voor Monumenten richtte hij zijn verslag aan de gouverneur van Limburg (2). Deken Reinartz volgde de restauratiewerken van nabij. Onmiddellijk bij het opmerken van de kleursporen, was aan een beeldhouwer (.."«« de nos meilleurs ouvriers"...) gevraagd om de overdekkende kalklagen te verwijderen. Nadat ze waren blootgelegd, bleken de schilderingen fel beschadigd en zeer onvolledig bewaard. In het rapport van Reinartz worden ze als volgt beschreven. Links bij het binnenkomen van de kerk op de tweede zuil, bevonden zich twee figuren op twee van de vier lobben waaruit de schildering was samengesteld. De ene scheen de heilige Maagd voor te stellen (het personage had geen hoofd meer); zij was rechtstaand uitgebeeld, staande op een halve cirkel (wereldbol) en droeg het Jezuskind op de rechterarm. De andere figuur bevond zich ook op een halve cirkel en stelde een bisschop voor met koormantel en stola, met mijter en staf maar zonder enig ander specifiek attribuut. Reinartz vermoedde dat het om de heilige Maternus ging, de legendarische stichter van de kerk (h. l,35m, b. 0, 53m) die wel vaker samen met de heilige Maagd, patroonheilige van de kerk stond afgebeeld op voorwerpen in de kerkschat. O p de volgende zuil (en hij specifieert dat deze rond is) richting koor, waartegen toen ook de preekstoel stond, zag Reynartz in 1866 op dezelfde hoogte als de twee vorige schilderingen, opnieuw twee figuren. Van de ene restte enkel een hoofd met nimbus; de andere identificeerde hij als de heilige Agnes, met nimbus, palm en boek. Haar geijkte attribuut het schaap, sprong tegen de heilige op (h. 0,92m, b. 0,30m).
Daar recht tegenover op de zuil aan de zuidzijde was de Bekering van de heilige Hubertus voorgesteld, knielend voor het hert en in gezelschap van zijn paard en drie honden; twee dienaars bliezen op de jachthoorn; in de lucht waren vogels voorgesteld en een gevleugelde engel die zijn armen uitstrekte naar de bekeerling om hem in bescherming te nemen . De engel was gedeeltelijk verguld (knielende heilige h. 0,87m, b. 0,32m). O p dezelfde zuil lag een man uitgestrekt op zijn buik op de grond, terwijl de rest van de voorstelling verdwenen was. Reynartz dacht dat dit wel eens de bekering van Sint-Paulus zou kunnen voorgesteld hebben. O p de eerste ronde zuil bij het binnenkomen langs het zuidportaal las de deken fragmenten van een tekst in gotische majuskel. Ook op de andere zuilen zag hij sporen van oude schilderingen; hij meende dat de vier zijden van elke zuil beschilderd waren. De dominante zwarte kleur interpreteerde hij als sporen van de twee grote branden die het gebouw teisterden op het einde van de 16 eeuw en in 1677. De Koninklijke Commissie die ter plaatse kwam dacht dat de schilderingen niet ouder waren dan het einde van de 15 e eeuw en dat zij verbonden moesten geweest zijn met altaren die tegen de zuilen waren geplaatst. De schilderingen zouden als een soort retabel gefungeerd hebben. O m d a t de altaren verdwenen waren en er geen reden was om ze terug te plaatsen, meende de Commissie dat er ook geen enkele reden was om de schilderingen te restaureren noch ze te vernieuwen. "Elles nont d'ailleurs, quune valeur tres-sécondaire" (3). De Commissie stelde voor om een interessant verslag van deken Reinartz over de schilderingen te publiceren in haar Bulletin, om er toch een herinnering aan te bewaren. Wij vermoeden dat het hier ging om het rapport dat de deken naar de gouverneur gestuurd had en dat wij hierboven vermeld hebben. Het werd echter niet gepubliceerd. De schilderingen die in het rapport vermeld staan zijn verdwenen tijdens het decaperen van de kerk. Overigens was ook deken Reinartz niet van plan om de schilderingen te bewaren. In zijn reeds vermelde brief aan de gouverneur opperde hij namelijk de idee om op de zuilen muurschilderingen van de kruisweg te laten aanbrengen ... "par un peintre beige de premier ordre'. Hij hoopte hiervoor subsidies van de staat te ontvangen. Dit plan werd echter niet uitgevoerd.
De figuur die thans is blootgelegd (4) en die achter het rugbeschot van de preekstoel verborgen zat, lijkt evenwel niet met een altaar verbonden te zijn geweest. De altaren waren immers naar het oosten gericht en de schildering bevindt zich volledig op de zijde van de middenbeuk van het schip. De persoon op de zuil is vrij groot en slank en wordt voorgesteld met het gelaat naar het oosten (het hoofdaltaar) gericht (de schildering meet h. 1, 46m, b. 0,57m) . Hij draagt een rood kleed, aan de hals afgezet met een gouden boord en daarover een lichtkleurige schoudermantel met rode voering, die aan de rechterzijde een opvallend soepele plooienval vertoont. Achter zijn hoofd met tonsuur en met een krans van gekrulde grijze lokken is een gouden nimbus geschilderd. Het gelaat is zeer plastisch uitgewerkt. De figuur kijkt omhoog en heeft een baard. In zijn linkerhand (rechts op de schildering dus) draagt hij een boek met gouden accenten op de sluiting. Zowel het kleed als de mantel vertonen een fraai modelé met schaduw- en lichtpartijen. Stilistisch is de schildering dateerbaar in het begin van de 15de eeuw. Het personage vertoont de typische fysionomie van de heilige Petrus en draagt een boek, een attribuut van alle apostelen (5). Meestal heeft Petrus ook de sleutel van het Hemelrijk bij zich o f - voorgesteld als paus - draagt hij een kruisstaf. Het is niet onmogelijk dat de heilige op de zuil nog een tweede attribuut droeg in zijn rechterhand (thans niet leesbaar). Volgens de legende zou Petrus vanuit Rome de missionarissen Maternus, Eucherius en Valerius gezonden hebben naar Tongeren en in dat opzicht dus een specifieke belangrijke rol gespeeld hebben voor Tongeren. Misschien was er dan ook een band met de heilige op de zuil ernaast die Reinartz als een mogelijke Maternus identificeerde. Anderzijds maakte Petrus misschien deel uit van een apostelenreeks zoals die vanaf de hooggotiek courant op de zuilen van een kerkgebouw werd voorgesteld, zowel geschilderd als gesculpteerd (6). Deken Reinartz getuigde immers dat waarschijnlijk alle zuilen beschilderd waren en dit aan de vier zijden. De apostelen hebben het woord van Christus uitgedragen over de wereld en worden als het fundament van de Kerk beschouwd, terwijl de zuilen het fundament van het kerkgebouw symboliseren.
(1) Zie in dit verband: BERGMANS A., Middeleeuwse muurschilderingen in de 19de eeuw. Studie en inventaris van middeleeuwse muurschilderingen in Belgische kerken {KADOC Artes, 2), Leuven, 1998, p, 59-62. (2) TONGEREN, STADSARCHIEF, FONDS KERKBESTUREN, nr, 268, (3) Bulletin des Commissions Royales d'art et d'archéologte, jg. 8, 1869, p. 190. (4) De werken zijn uitgevoerd onder leiding van Hugo VandenBorre. Volgens her resrauratierapporr was de rhans zichrbare en geconserveerde schildering, bij de ontdekking bedekt met twee opeenvolgende jongere heiligenfiguren. Deze jongere beschilderingslagen werden om verschillende redenen verwijderd. De tekstbanderol met het woord SANCTUS die onderaan rechts zichtbaar is hoorde bij de rweede fase. VANDENBORRE H. (o.l.v.). Tongeren basiliek OLV-Geboorte. Onderzoek, conservatie en afscherming muurschilderingen (onmig. rapport 19.09.2001) (5) Zie BRAUNFELS W., Art. Petrus Apostel, Bisschofvon Rom, in KIRSCHBAUM E. en BRAUNFELS W. (eds.), Lexikon der christlichen ikonographie, dl. 8, Rome-Wenen, k. 158-174. Apostelen wotden blootvoets vootgesteld. De voeten van deze zuilfiguur zijn echter door lacunes niet te zien. (6) Naast talrijke verdwenen ensembles, zijn nog fragmenten van geschilderde reeksen te zien in de begijnhofkerk van Sint-Truiden (ca. 1300), de Sint-Odulfusketk in Borgloon (begin 15 ' eeuw), de Sint-Catharinakerk in Diegem (16' eeuw); de SintAmbrosiuskerk in Dilbeek (16 ' eeuw); de Sint-Martinuskerk in Meise (17 ' eeuw). Het fenomeen van de apostelsculpturen leeft ook nog door in de barok. Zie bijvoorbeeld in de Sint-Jan-deDoperkerk van het Groot Begijnhof in Leuven, de SintPauluskerk in Antwerpen, de Sint-Michielskathedraal in Brussel.
VOORLOPIGE CONCLUSIES Ondanks het feit dat het archeologisch onderzoek tot de westelijke helft van de kerk beperkt is, zijn we er toch in geslaagd om een eerste samenhangend overzicht van vijf eeuwen Romeinse stadsgeschiedenis en vijftien eeuwen kerkbouwgeschiedenis te maken. Onder het westelijk gedeelte van de O.L.V.Basiliek bevinden zich de resten van een uitgestrekte Romeinse stadswoning uit de tweede helft van de 2 c t en de eerste helft van de 3 e eeuw. Ook buiten de kerk - op het Vrijthof- zijn muren van dezelfde woning aangetroffen. In de loop van de 3 ' eeuw is dit gebouw door brand vernield. In de 4 l c eeuw wordt dwars door dit stadsareaal een nieuwe omwalling opgetrokken. Sporen van een vroegchristelijke bisschopskerk heeft het recent archeologisch onderzoek niet opgeleverd. Bewoningssporen uit de 4 t t eeuw blijven trouwens zeer schaars. Ten vroegste in de 5 e of 6 c eeuw werd een (eerste?) stenen kerkgebouw op de plaats én in de as van de huidige kerk opgericht. We vermoeden dat de monumentale apsis — in 1912 onder het transept ontdekt - tot dezelfde bouwfase behoort. Deze kerk is verschillende malen grondig herbouwd. De eerste verbouwing is tussen 550 en 650 te dateren. Een tweede dateert uit de 9dL of 10 dc eeuw. Mogelijk hangt deze tweede verbouwing samen met de oprichting van een kapittel te Tongeren, een stichting die vóór 964 moet hebben plaatsgehad. Er wordt in deze periode ook een nieuwe omwalling opgericht. O p het Vrijthof stond toen reeds de Sint-Maternuskapel. In de 11 c eeuw tenslotte wordt de kerk nogmaals volledig herbouwd.
In 1240 begon een gotische nieuwbouw. Het schip van deze kerk leunde lange tijd aan tegen de oude toren die westelijk met een kapel en noordelijk met een portaal werd uitbreid. Pas in 1529 werd de toren door het kapittel definitief opgegeven en verlengde men het kerkschip tot tegen de stadstoren, waarvan de bouw reeds in 1442 was begonnen. Het archeologisch onderzoek van de volgende restauratiefasen zal ongetwijfeld tot het bijstellen van dit eerste beeld leiden.
Opdrachtgever: Kerkfabriek O.L.V. Geboorte Restauratiepremie: Vlaamse Gemeenschap 6 0 % , provincie Limburg 2 0 % , stad Tongeren 2 0 % Ontwerper: Architectenbureau Janssen & Loix Begeleiding Monumenten en Landschappen: J. Gyselinck en Ch. Vanthillo Hoofdaannemer: Denys n.v. Studiebureau: Ingenieursbureau Libost-groep n.v. in samenwerking met J. Maertens bvba en Labo Reyntjens Archeologisch Onderzoek: Instituut voor het Archeologisch Patrimonium l4C-dateringen en conservering textiel en beeld: Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium
Vanaf de 7 e eeuw wordt er continu begraven rond de kerk. Het archeologisch onderzoek heeft nog geen bewijzen geleverd voor een nog oudere begraving, maar vermits niet alle skeletten zijn gedateerd mag ze ook niet uitgesloten worden. In de 12 c eeuw vinden grote bouwvetnieuwingen plaats. Naast een nieuwe kerk en kloostergebouwen wordt het monasterium ook van een nieuwe omwalling voorzien. De bouw van de Romaanse kapittelkerk betekende een definitieve breuk met de vorige kerkplattegronden. Overal worden nieuwe funderingen gestoken. Nergens worden oudere funderingen hergebruikt. In oorsprong had de Romaanse kerk een rechte westgevel. Pas in de late 12 e of vroege 13 e eeuw werd er een monumentale westertoren aan toegevoegd.
EINDNOTEN: (1) Met dank aan: M. Keichtermans, S. Willems, M. Schurmans. R. Van Laere, H. Van Rechem. het Stadsarchief van Tongeren en het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium. (2) Stadsarchief Tongeren (SAT), archief kapittel nr. 19, P195. (3) PAQUAY, J., Fouilles faites en l'église Notre Dame du 19 aoüt au 7septembre 1912. in Bulletin de la Sociéti Scientiftque et Littéraire duLimbourg,i\. 1913. p.109-110. (4) GEUKENS, B., Tongeren. Zestien eeuwen kerkbouw. Tongeren, 1990, p. 29-32.
(5)
VANVINCKENROYE, W.,
Tongeren Romeinse stad, Tielt,
(6)
(28) Traditioneel zou men een 'gesloten' toren verwachten die in een latere fase werd opengewerkt. Doordat echter een deel van deze
1985, p. 128-130. DE BOE, G., De archeologische getuigen van het eerste christendom
muur vóór het archeologisch onderzoek door de aannemer was
in de Cwitas Tungrorum, in Sint-Servatius. Bisschop van Tongeren-
weggebroken, konden we niet meer achterhalen of deze doorgang
Maastricht. Het vroegste Christendom in het Maasland, (Kunst en
origineel of een verbouwing was. Nochtans is een oorspronkelij-
Oudheden in Limburg, 28), Borgloon-Rijkel, 1986, p. 37-63.
ke hoofdingang in een westelijke torenmuur geen onbekend
(7)
Apologia secunda, 49, 1.
verschijnsel; LEMAIRE, R., De Romaanse bouwkunst in de Neder-
(8)
Chronicon 11,41-44.
landen, Leuven, 1954, p. 149.
(9)
COENEN, J., Is de stad Tongeren ook een bisschopsstad geweest'.,
(29) GEUKENS, B., ibidem, p.63, noot 27.
inUmburgii,
(30) Zie o.a. PAQUAY, ]., Tongeren voorheen, 1934, p. 87 en 89.
10-11, 1953, p. 186.
(10) Monumenta Germaniae Historica, Scriptores, t. 6, p. 279-286. (11) VANDERHOEVEN, A. en G. VYNCKIER, Archeologische kroniek van Tongeren: de opgravingen aan het Vrijthof, in Tongerse Annalen, 4, 1995, p. 59-62.
(31) DEN HARTOG, E., Romanesque Architecture and Sculpture in theMeuse Valley, Mechelen, 1992, p. 171 e.v. (32) Benoit Geukens maakt in zijn studie melding van een interessant historisch document: een topografische lijst van de belangrijkste
(12) BLAEU, Toonneel des Aertrycx, Eerste deel, tweede Stuck, p.lSv 0 .
gotische altaren en hun stichtingsdatum. Spijtig genoeg bleek dit
(13) Voor een overzicht: B. GEUKENS, ibidem, p. 37.
document in het huidige stadsarchief verdwenen te zijn.
(14) BAILL1EN, H., Vier onuitgegeven tekeningen betreffende de
(33) Deze boog wordt reeds in de bouwhistorische studie van Benoit
St.- Maternuskapel te Tongeren, in Het Oude Land van Loon, 6,
Geukens vermeld, maar door hem als een overblijfsel van de Romaanse bouw geïnterpreteerd.
1951, p. 178-181. (15) GEUKENS, B., ibidem, p.44-47. (16) VANDERHOEVEN, A., G. VYNCKIER en P. VYNCKIER,
(34) GEUKENS, B., ibidem, p. 63: porticus magnus B. Marie Magdalene.
Het oudheidkundig bodemonderzoek aan de Veemarkt te Tongeren,
(35) SAT, archief kapittel nr. 22, P4v 0 .
in Archeologie in Vlaanderen, 3, 1993 (1994), p. 129.
(36) SAT, archief Kapittel nr. 99a, P79v 0 .
(17) VANDERHOEVEN, A., G. VYNCKIER en P. VYNCKIER, Het oudheidkundig
bodemonderzoek aan de Kielenstraat te
Tongeren 1987, in Archeologie in Vlaanderen, 1. 1991, p. 121. (18) VANDERHOEVEN, A., G. VYNCKIER en P. VYNCKIER, Het oudheidkundig
bodemonderzoek aan de Hondsstraat te
Tongeren, in Archeologie in Vlaanderen, 1, 1992 (1993), p. 70. (19) VANVINCKENROYE, W., Tongeren Romeinse stad, Tielt, 1985, p. 128. (20) MERTENS, J., De laat-Romeinse stadsmuur van Tongeren, in Archaeologia Belgica, 196, 1977, p. 52. (21) VANDERHOEVEN, A., G. VYNCKIER, M. VANDENBRUAENE en A. ERVYNCK, Het oudheidkundig bodemonderzoek aan de jaminéstraat te Tongeren. Eindverslag 1995, in Archeologie in Vlaanderen, 5, 1995-1996, p. 85 e.v. (22) ROOSENS, H. en J. MERTENS, Grafvondsten uit de Romeinse
(37) Met dank aan de heer Patrick De Greef (zelfstandig historisch adviseur) voor zijn visie op deze bouwkundige ingreep. (38) BUYLE, M. en A. BERGMANS, Middeleeuwse muurschilderingen in Vlaanderen, Brussel, 1994, p. 46 e.v. (39) GEUKENS, B., ibidem, p. 109. (40) Het vrijleggen en afdekken van de graffiti werd door bvba Vandenborre-Lauwers uitgevoetd in opdracht van de kerkfabriek. (41) OOSTERBOSCH, J. (Algemeen Rijksarchief Brussel), VAN LAERE, R. (Provinciale Bibliotheek Hasselt). Mondelinge mededeling van de heer J. Oosterbosch. Met dank aan de heren J. Oosterbosch en R. Van Laere voor hun eerste visie op deze muurgraffiti. (42) Ook deze schildering werd door bvba Vandenborre-Lauwers vrijgelegd in opdracht van de kerkfabriek. (43) BUYLE, M. en A. BERGMANS, ibidem, p. 186.
en de Merovingische tijd te Tongeren, in Archaeologia Belgica, 116, 1970, p. 20. (23) Identificatie door het Munt- en Penningenkabinet van de provincie Limburg. (24) GYSSELING, M. en A.C.F. KOCH, Diplomata Belgica ante annum millesimum centesimum scripta, Brussel. 1950, p. 239. (25) PAQUAY, J., Tongeren Voorheen. Tongeren, 1934, p. 87-88.
De auteurs zijn als archeologen
(26) GEUKENS, B, ibidem, p. 65.
Instituut
(27) Mededeling van de heer Werner Wouters (IAP), waarvoor dank.
voor het Archeologisch
verbonden
aan het
Patrimonium
Thomas
Coomans
OP WEG NAAR BESCHERMING VAN 19 DE -EEUWSE KERKGEBOUWEN IN VLAANDEREN EEN STATUS-QUAEST10N1S Oe neogotische kapel van OnzeLieve-Vrouw van Gaverland m Beveren Melsele werd in twee bouwfasen opgetrokken: een achtzijdige centraalbouw met hoge dakruiter, verlengd door een dnebeukig schip met tweetorenfront. Omwille van haar buitengewone concept mag deze kapel zeker worden beschermd. Priester-architect Jean Auguste Clarysse, 1862 en 1870 (toestand in 2002. foto Kris Vandevorst)
De interactie voldoende
tussen kennis en monumentenzorg
geeft aanleiding
van een gebouw
of een
interieur
inventarisatie
en
restauratie.
Op hun beurt genereren die nieuwe en
lijk het beeld van het Hoe dynamisch de historische toevallige
gevarieerde
Zo vormt zich
geleide-
monumentenerfgoed.
dat ook verloopt, legitimering
een verjaardag,
nierswerk
tot bescherming
onderzoeksmogelijkheden.
restauratie,
cultuurhisto-
bekend. De kennis van de
rische waarde
is
toch
hangt
vaak af van een
vondst, een bedreiging,
een
dringende
enz. Daarentegen
een publicatie, stelt de
een wetenschappelijk
ter beschikking,
pio-
systematische werkinstrument
een eerste stap in de kennis en
een basis voor het beheer. De problematische exemplarisch
omgang
met neostijlen
voor dit proces. Dit artikel
balans op van dertig jaar onderzoek de
mentenzorg
omtrent
19 -eeuwse
architectuur
in Vlaanderen
(1).
is maakt
en monu-
kerkelijke
de
DF TOESTAND ROND 1970 Tot het begin van de jaren zeventig werd de vraag naar onderzoek en bescherming van 19 ^eeuwse kerkelijke architectuur nauwelijks gesteld. Enerzijds bestond er amper onderzoek rond neostijlen. Anderzijds waren kerkgebouwen toen meestal in goede toestand en functioneerden zonder grote problemen binnen de gemeenschap. Ze waren weinig bedreigd, zodat een eventuele bescherming niet aan de orde was. Aangezien het kerkelijke architectuurpatrimonium in sommige gebieden tijdens beide wereldoorlogen evenzeer was getroffen, moet deze vaststelling enigszins worden genuanceerd. In de jaren zeventig is men met name door toenemende ontkerkelijking en met het oog op vernieuwing begonnen met het slopen van aanzienlijke kerkgebouwen. Voordien was dat enkel het lot geweest van kapellen van scholen, kloosters, hospitalen en dergelijke. Reeds in 1971-1972 verdwenen de grote neogotische parochiekerk Sint-Jozef in Leuven, de neoromaanse jezuïetenkerk in dezelfde stad en de neogotische abdijkerk van Affligem (2). Deze drie voorbeelden tonen dat het fenomeen zich gelijktijdig in zeer verschillende milieus ontwikkelde: een parochie, een stedelijke kloostergemeenschap en een abdij op het platteland. Telkens was de
beslissing gemotiveerd door het verlangen naar vernieuwing. De gesloopte kerken werden vervangen door moderne en bescheiden kerkgebouw die, zo dacht men toen, beter aangepast waren aan de postconciliaire liturgie en kleinere gemeenschappen. De sloop van dergelijke 19 c -eeuwse monumenten gebeurde in een haast algemene onverschilligheid aangezien er geen wetenschappelijke kennis, noch belangstelling bestond vanuit de kant van de architectuur- en kunstgeschiedenis evenals van de monumentenzorg. In het in 1971 verschenen eerste boekdeel van de reeks Bouwen door de eeuwen heen komen de 19 c -eeuwse kerkgebouwen zelden aan bod. De twee bovenvermelde Leuvense kerken staan er niet in vermeld, terwijl die van Affligem nog net pro memorie in het tweede boekdeel is opgenomen (3). In de eerste en nog experimentele fase van de inventarisatie was trouwens een chronologische limiet vastgesteld op circa 1850, "refererend naar het veilige voorbeeld van naburige landen en de traditionele kunstgeschiedenis met de noodzakelijke '100 jaar afstand' voor een juiste evaluatie en objectieve studie"{A). Van bescherming kon er toen dus geen sprake zijn. Slechts twee 19 c -eeuwse kerken waren in Vlaanderen vóór 1970 als monument beschermd: de Onze-Lieve-Vrouwbasiliek van Dadizele (1939) en de Sint-Petrus en Pauluskerk in Oostende (1960). Vier 19 Zeeuwse kapellen stonden op de monumentenlijst omdat ze tot een ouder gebouwencomplex hoorden: de Heilig Kruiskapel, annex van de basiliek van het Heilig Bloed in Brugge (1938), de twee kapellen van het Sint-Antoniusgesticht in Gent (1943) en de kapel van de arme claren in Mechelen (1968). Twee andere kapellen maakten deel uit van een beschermd landschap: de OnzeLieve-Vrouw van Oudebergkapel in Geraardsbergen (1940) en de Begijnhofkapel in Turnhout (1962). Voorts waren er nog enkele 19 c -eeuwse kerken die, omwille van hun samenhang met één of ander middeleeuws deel, van diens bescherming genoten: de Sint-Bartholomeuskerk in Pollinkhove (1938) en de Sint-Servatiuskerk in Herselt (1938) bijvoorbeeld. Die zeldzame gevallen zijn eigenlijk "vergissingen" aangezien de beschermingen zich bijna altijd strikt beperkten tot de oude delen, met name een toren of een koorpartij. O p 20 februari 1939 werd de Onze-Lieve-Vrouwbasiliek van Dadizele op de beschermingslijst ingeschreven (5). Dat ze tijdens de Eerste Wereldoorlog diepgaande schade had geleden en daarna een gron-
De grote neogotische Slnt-Jozefskerk in Leuven werd in 1971-1972 gesloopt. Stadsarchitect Edouard Lavergne, 1860-1871 (toestand in 1958, foto KIK-IRPA, 171190 B)
De Onze-üeve-
bouwmeesters van
Vrouwbasiliek van
de neogotiek die
Dadizele is de
de kerk hadden
eerste 19'''-eeiJwse
gebouwd nog leven-
kerk die op de
dig: Jean-Baptiste
monumentenli|St
Bethune en Edward
werd ingeschreven,
Welby Pugin,
reeds in 1939. Toen
1859-1892
was de herinnering
(foto THOC,
aan de twee grote
|uli 1997)
dige restauratie had ondergaan kwam niet in aanmerking. Integendeel. Reeds in 1925 ergerde het West-Vlaams comité van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen zich op de niet respectvolle restauratie van de binnenbeschildering van de kerk die toen was beschouwd als "l'oeuvre historique du célebre architecte anglais Pugin et du maitre renommé Baron Jean-Baptiste de Bethune'. In 1933 gaf de minister de opdracht aan de Commissie om de basiliek te onderzoeken met het oog op een mogelijke klassering. In hun verslag concludeerden de neogotische beeldhouwer Victor Acke en baron Jean de Béthune, een kleinzoon van de bouwheer, dat de basiliek "ten volle de vernieuwing van hare rangschikking verdien f. De Commissie volgde unaniem het advies van de twee briefwisselende leden en beschermde hét meesterwerk van dé meester.
M&L
De Sint-Petrus- en Pauluskerk in Oostende, van 1897 tot 1907 gebouwd naar ontwerp van architect Louis Delacenserie, had schade geleden tijdens beide wereldoorlogen. Toch bleef men in Oostende ervan overtuigd dat de zogenaamde kathedtaal en haar koninginnekapel "één der fraaiste neo-gotische constructief van het land was. Reeds in 1957 vroeg het stadsbestuur aan de minister om de kerk te beschermen "ten einde dit prachtig kunststuk te vrijwaren tegen vernieling of verandering" {<Ö) . O p 30 december 1960 ondertekende de koning het beschermingsbesluit. Dat die kerk haar bescherming aan de aanwezigheid van de gedenkkapel van de eerste Belgische vorstin te danken had, is niet duidelijk aangezien de koninklijke neogotische grafkerk van Laken tot vandaag nog steeds niet beschermd is (7). Een gevolg van de postconciliaire liturgie was het herinrichten van de kerkinterieurs. Hoe verregaand deze ingreep was, hing af van de esthetische gevoeligheid van de clerus en de financiële mogelijkheden van de kerkfabrieken. Vanzelfsprekend was de plaatsing van een nieuw, naar het volk gericht dienstaltaar het absolute minimum, maar vaak werden ook voortaan 'nutteloze' meubelstukken zoals
•*
Reeds in 1957 vroeg het stadsbestuur van Oostende om de Sint-Pctrusen-Pauluskerk en de koninklijke kapel te beschermen, wat in I960 gebeurde. Architect Louis Delacenserie, 1897-1907 (toestand in 2002, foto Oswald Pauwels)
preekstoelen en communiebanken verwijderd, verplaatst of verbouwd. Meestal werden de muren en gewelven in een neutrale tint geschilderd ter vervanging van de polychromie die geassocieerd was met lelijkheid en verdachte religiositeit. Die versobering gebeurde soms op een vrij radicale manier, zodat er in een aantal gevallen kan worden gesproken van een ware beeldenstorm. Een groot aantal 19 c -eeuwse heiligenbeelden sneuvelde in die jaren. Toch mag men niet vergeten dat het proces van de liturgische vernieuwing officieel door de Kerk was bevorderd — doch zonder voorschriften met betrekking tot de omgang met het bestaande meubilair — en dat de ingrepen meestal met veel idealisme en enthousiasme werden uitgevoerd door een generatie die het aggiornamento beleefde als een bron van vernieuwing. Hier dient een onderscheid te worden gemaakt tussen parochies en kloostergemeenschappen. Laatstgenoemde waren geneigd om voor een diepgaande liturgische hernieuwing te koppelen aan het herdefiniëren van een aantal belangrijke elementen uit de traditie (hiërarchie, apostolaat, habijt, Latijn, clausuur enz). Kerken en kapellen kregen bijzondere aandacht als symbool van het klooster en als
plaats van de dagelijkse getijden. Reeds in de jaren vijftig was er in sommige abdijen en kloosters een reflectie aan de gang over moderne liturgie en religieuze kunst. Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat precies die milieus baanbrekend werk gingen verrichten, evenzeer door moderne herinrichting van hun interieurs als door sloop en nieuwbouw (8).
1 9 7 0 - 1 9 7 R : DF EFRSTE STENEN VAN EEN BEWUSTZIIN Het afstoten van een deel van het kerkmeubilair in de jaren na het Concilie had in kunsthistorische kringen reactie opgewekt. Veel werd vernield of in de handel gebracht. Als gevolg hiervan gaven de ministers van Cultuur reeds in 1967 aan het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium (KIK) de opdracht om een versnelde inventaris op te maken van het meubilair in de Belgische bedehuizen. Dit zou uitgroeien tot het opstellen van een omvangrijk wetenschappelijk werkinstrument, bestaande uit kunsthistorische identificaties en fotografische opnames. Het Fotorepertorium van het meubilair van de Belgische bedehuizen werd tussen
In 1873-1874
ten van Kortrijk.
Dit origineel en
bouwde de Franse
Willem Deumcns uit
gaaf interieur is
architect Francois
Venlo realiseerde de
uiteraard een
Henebiquc een neo-
merkwaardige
bescherming waard
romaanse kerk voor
interieurschildering
(toestand m 2002,
de paters passioms
in 1894-1895.
foto Kris Vandevorsl)
1967 en 1984 op wetenschappelijke wijze gerealiseerd (9). Toch kon dit werk, hoe systematisch het ook werd opgevat, geen volledigheid pretenderen. Ten gevolge van de smaak van de tijd werd veel minder aandacht besteed aan het meubilair uit de 19 en 20 ste eeuw. De inventaris beperkte zich tot openbare kerkgebouwen, dit wil zeggen de parochiekerken, en omvatte dus niet de kapellen en de kerken van kloosters, scholen en hospitalen. Ook werd alleen in zwart-wit gefotografeerd, wat een reële beperking is voor de weergave en de kennis van veel kunstobjecten, zoals glasramen, schilderijen en muurschilderingen. In het kader van die inventaris van het meubilair kregen de kerkgebouwen een minimale aandacht. Toch werden ze op een zeer systematische manier gefotografeerd; één buitenzicht en twee binnenzichten (naar het koor en naar het schip) om het meubilair in de ruimte te situeren. Het fotorepertorium van het KIK kan terecht worden beschouwd als dé eerste aanzet tot het bewustzijn inzake 19 e -eeuws kerkelijk kunstpatrimonium. Het is een uniek instrument voor het beleid en een basiswerk voor de wetenschap. Door het toegankelijk te stellen op het internet werd het fotorepertorium een nieuw leven ingeblazen (10).
Een ander werkinstrument, ook in het midden van de jaren zestig gestart in opdracht van beide ministers van Cultuur, is de reeks Bouwen door de eeuwen heen: inventaris van het cultuurbezit in België (Architectuur). Na het reeds vermelde aan het arrondissement Leuven gewijde boekdeel — in 1967 voltooid en in 1971 gepubliceerd — kwam het arrondissement Halle-Vilvoorde aan de beurt. Het tussen 1971 en 1975 gerealiseerde manuscript toont enigszins meer belangstelling voor de 19 e eeuw. Toch worden in de inleiding slechts vijf regels over de kerken in 'neogotische stijl' geschreven en werd geen enkele 19 e -eeuwse kerk als gevolg van de inventarisatie ter bescherming voorgesteld. Pas in juni 1975 zou de inventarisatie van een vaste structuur genieten en beter worden bemand (11).
Zo begon men nog vóór 1975, zij het op een schuchtere manier, enkele neogotische kerken als monument te beschermen. De grote kerk van OnzeLieve-Vrouw Bijstand der Christenen in SintNiklaas en de Sint-Martinuskerk in Desselgem werden reeds in 1973 beschermd. De Onze-LieveVrouw-Geboortekerk in Vivenkapelle volgde in 1975. Gebouwen in andere neostijlen kregen ook aandacht. Zo werden het Sint-Barbara en SintBeatrix Godshuis in Lier evenals de Onze-LieveVrouw-Hemelvaartkapel van het Hof Bladelin in Brugge, beide in neoclassicistische stijl, in 1974 op de lijst van de beschermde monumenten ingeschreven. Het geval van Antwerpen en het pionierswerk van Victor Blommaert verdient extra aandacht (12). In 1973 stelde het gemeentebestuur van Antwerpen de vraag aan het Antwerps comité van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen om de neoromaanse Sint-Michielskerk aan de
Afbreken of bescher-
zijn minst uiteen-
Provinciearchitect
men? In 1974
lopend. De neo-
Eugéne Gife, 1862-
waren de meningen
romaanse parochie-
1867
rond de toekomst
kerk werd uiteinde-
(toestand in 2002,
van de Antwerpse
lijk in 1979
foto Kris Vandevorst)
Sint-Jozefskerk op
beschermd.
O p 1 juni 1972 werd de Rijksdienst voor Monumenten- en Landschapszorg opgericht. Naast de opdracht van de inventarisatie, was een van zijn taken het voorbereidend werk voor de beschermingen over te nemen van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen. Ondanks de zware procedure van de wet van 7 augustus 1931 op het behoud van monumenten en landschappen, slaagde de jonge rijksdienst erin om het aantal beschermingen te doen stijgen.
M&L
• • De Sint-Jan-dc-
Zi| refereert naar de
mogen worden
Doperkerk werd als
Noord-Franse en
beschermd samen
nieuwe parochiekerk
Vlaamse architectuur
met een stads-
opgetrokken en
van de l ] * eeuw.
gezicht. Architect
staat centraal in
Dit meesterwerk
Jules Coomans.
een stadsuitbreiding
van de Sint-Lucas-
1909-mi
van Kortri|k.
neogotiek zou
(toestand in 2002, foto Kris Vandevorst)
Amerikalei als monument te beschermen. Commissielied Blommaert, architect en kunsthistoricus, maakte gebruik van die gelegenheid om acht belangrijke Antwerpse kerken uit de 19 e eeuw tot bescherming voor te stellen. In zijn verslag van maart 1974 legde hij niet alleen de nadruk op de stijlvariëteit en rijkdom van die kerken, maar bovenal op de stedenbouwkundige en cultuurhistorische betekenis van de hele krans nieuwe kerken op het na 1862 uitgebreide grondgebied van de stad binnen de fortengordel. Omdat hij het zinloos vond om ze afzonderlijk te behandelen, stelde hij een groepsbescherming voor. Zes andere kerken, gelegen in Berchem en Borgerhout (toen nog niet met Antwerpen gefuseerd), moesten ook in aanmerking komen. Dit voorstel kwam onmiddellijk in botsing met het ontwerp om de aan de punt van het Stadspark gelegen Sint-Jozefskerk te slopen. De kerkfabriek wou die vervangen door appartement-
gebouwen met een geïntegreerde kerk "waarbij het eigentijdse pastoraal gebeuren mogelijk wordt in het kader van de bestaande omgeving (sic). Na vijfjaar onderhandelen werd de Sint-Jozefskerk uiteindelijk op 18 december 1979 beschermd. Ondertussen waren de Sint-Joriskerk, de Sint-Willibrorduskerk en de Joodse synagoog van de Bouwmeestersstraat in 1976 op de monumentenlijst ingeschreven. De Sint-Michielskerk werd pas in 1983 beschermd; de Sint-Janskerk (Borgerhout) in 1987; de SintAmanduskerk in 1993; de kerk van de Jezuïeten aan de Frankrijklei in 1999. Eén kerk uit Blommaerts lijst, met name de Sint-Antoniuskerk op de Paardenmarkt, is anno 2002 steeds niet beschermd! Twee andere fenomenen dateren van de jaren 19741975. Enerzijds werden 19 e -eeuwse kerkgebouwen als deel van een landschap beschermd (13). Anderzijds kregen drie kerken waarvan de middeleeuwse torens reeds voor de Tweede Wereldoorlog waren beschermd, een uitbreiding tot hun 19 llc eeuwse delen (14). Conform aan de nieuwe inzichten over het erfgoed, zoals gedefinieerd in het Charter van Venetië (1964), en de wens om onderdelen niet meer te isoleren, werden ze als één geheel
beschouwd en als dusdanig beschermd. In Meer werd in 1974 naast de uitbreiding van de OnzeLieve-Vrouw-Bezoekingkerk als monument nog een ruim stuk dorpsgezicht als landschap beschermd. Men mag niet vergeten dat 1975, als Europees monumentenjaar, een enorme impuls heeft gegeven aan het collectieve bewustzijn van de variëteit in het monumentenerfgoed. Het staat buiten kijf dat de herwaardering van de neostijlen daarvan heeft geprofiteerd. Tot in de vroege jaren zeventig had de academische wereld weinig aandacht voor de 19 c -eeuwse architectuur, met uitzondering voor de art nouveau die één decennium eerder was herontdekt. Een verandering zou voor het eerst uit het Hoger Instituut voor Kunstgeschiedenis en Oudheidkunde (HIKO) aan de Rijksuniversiteit Gent komen, onder impuls van professor Firmin De Smidt en zijn toenmalige assistent Frieda Van Tyghem. Nog vóór 1975 studeerden kunsthistorici af met licentiaatsverhandelingen over architecten uit de 19 c eeuw (1 5).
1 9 7 8 - 1 9 8 8 : QNTWIKKEi INGSFASE EN EERSTE SYNTHESES Met 484 objecten was 1976 een recordjaar voor de aanwijzing van beschermde monumenten in Vlaanderen. Dertien daarvan betroffen 19 ^eeuwse kerkgebouwen, onder andere de Sint-Joriskerk en de Sint-Willibrorduskerk in Antwerpen, de abdijkerk van Tongerlo, de Onze-Lieve-Vrouw en Sint-Rochuskerk in Boom, de Sint-Mauruskerk in Holsbeek, de Onze-Lieve-Vrouwkerk in Leffinge, de Sint-Jozefskerk in Kapellen-Hoogboom en de Sint-Carolus Borromeuskerk in Ruislede-Doomkerke. Dit was een direct gevolg van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten, stads- en dorpsgezichten. Het decreet zorgde voor een versoepeling van de beschermingsprocedure en gaf namelijk de mogelijkheid om stads- en dorpsgezichten af te bakenen omwille van hun intrinsieke waarde of als bufferzone om een monument. Ook al zouden de volgende jaren niet meer zo hoog scoren als 1976, toch bleven de ministers tot en met 1987 regelmatig kerken en kapellen in neostijlen beschermen, als monument of als deel van een beschermd stads- of dorpsgezicht. In deze periode werden, naast de reeds vermelde Antwerpse kerken, kerkgebouwen beschermd als de Sint-Annakerk in
In 1983 werd de
1980 beschermd en
Slnt-Vlncentluskerk
het stadhuls In
in Eeklo als monu-
1943. Architect
ment beschermd en
Modeste De Noyette,
haar omgeving als
1878-1883
stadsgezicht.
(foto Kris
Het neogotische
Vandevorst)
orgel was reeds in
Gent (1980), de Ave Mariakapel van de zusters van Maria in Izegem (1981), de Sint-Bavokerk in Kanegem (1982), de Sint-Vincentiuskerk en de Paterskerk in Eeklo (1983), de Sint-Pieterskerk in Koksijde (1984), de kapel van de ursulinen in Wellen (1986), de Onze-Lieve-Vrouw van Lourdeskerk in Oostakker (dorpsgezicht 1987, monument 2001), de Sint-Pieterskerk in Rumst (1987), de kerk van de ursulinen in Onze-Lieve-Vrouw-Waver (1987, uitgebreid tot het hele schoolcomplex 1994) enz. Het decreet van 1976 gaf ook de mogelijkheid om roerende zaken te beschouwen als 'onroerend door bestemming' en die dientengevolge als monument te kunnen beschermen. Zo kwamen niet minder dan 188 orgels tussen 1978 en 1981 op de lijst van de beschermde monumenten te staan. Veel bevinden zich in niet beschermde 19 c -eeuwse kerken.
M&L
Dezelfde toestand komt voor met enkele beschermde middeleeuwse retabels en doopvonten.
Een van de kapellen in het instituut der ursulinen in Onze-üeve-ïrouwWaver In 1994 werd ze samen met het volledige schoolcomplex beschermd. Onbekende architect, in 1862 gebouwd, in 1893 verbouwd, kort na
De inventarisreeks Bouwen door de eeuwen heen kende ook een versnelling dankzij de oprichting in juni 1975 van een afzonderlijk inventaristeam binnen de Rijksdienst. De basisopties voor het inventariswerk werden aangepast aan de hand van de ervaring van de twee eerste boekdelen en van het Europees Monumentenjaar. Naast de verruiming van het begrip 'monument', werd ook de chronologische limiet van circa 1850 naar circa 1940 opgeschoven: de volledige 19 e eeuw en het interbellum mochten dus in aanmerking komen. Twintig boekdelen verschenen tussen 1976 en 1987, onder andere die van Antwerpen en Gent. In de inventaris van het arrondissement Aalst verschenen voor het eerst grondplannen van 19 e -eeuwse kerken (16). Een afbeelding in kleur kwam er pas in 1979 met een binnenzicht van de reeds beschermde Sint-Joriskerk in Antwerpen. Dezelfde icoon van de neogotiek prijkte in 1983 op de cover van MdrL om een artikel te illustreren over... beschermingen in Vlaanderen (17). Ongetwijfeld heeft die keuze enigszins bijgedragen tot de moeizame herwaardering van de bonte kerkinterieurs.
1918 heringericht (foto THOC, april 2002)
ff' ^_
^_
JB?
»»•
.«»-
«.
«e
je
jar
JV
.ac
j£
ja
In de eerste jaargang van MdrL was reeds een artikel verschenen over de schitterende Sint-Julianakapel te Sint-Joost-ten-Node (18), maar men moet tot 1990 wachten vooraleer er een artikel over een Vlaamse neogotische kerk in MérLzon verschijnen (19). De oprichting van twee nieuwe instellingen — het Bethunianum en het K A D O C — zou sterk bijdragen tot de mentaliteitsverandering in de academische wereld. In december 1976 ontstond de vzw Bethunianum (Nationaal Centrum voor de Studie van de 19 eeuwse Kunst) in de schoot van het H I K O , met de bedoeling, "een aanvang te maken met de wetenschappelijke studie van de kunst van deze periode en deze aan een ruimer publiek te leren kennen . Jean van Cleven en hoogleraar Frieda Van Tyghem bezielden het Bethunianum en publiceerden samen met Guido Jan Bral en Hilde Lobelle in 1980 een belangrijke bijdrage in het tijdschrift Vlaanderen (20). In dat themanummer over 'Vlaamse neogotiek in Europees perspectief', wordt voor het eerst een kunsthistorische evolutie van de neogotiek in Vlaanderen geschetst. Een aantal topmonumenten krijgen daarna een afzonderlijke bespreking. Tot
De eclectische Sint-
De kerk is naar het
Gertrudiskerk in
westen gedraaid
het stadhuis. Nog met beschermd.
Weiteren uit de
zodat de rijzige
Architect Louis
bloei van het
toren naar de
Hinard. 1861-1867
Scheldestadje in de
markt gericht staat,
(foto Kris
I9 d ' eeuw.
recht tegenover
Vandevorst)
slot valt hiet een nogal somber beeld van de monumentenzorg inzake neogotische (kerk)gebouwen en interieurs te lezen. In 1986 verscheen een gelijkaardig themanummer in het tijdschrift Ons Heem (21). Het K A D O C (Katholiek Documentatie- en Onderzoekscentrum) werd in 1976-1977 opgericht als interfacultair centrum van de K.U.Leuven, met als doel de vrijwaring van het documentair erfgoed van de katholieke gemeenschap in Vlaanderen en de ontwikkeling van hoogstaand multidisciplinair onderzoek. Architectuur en kunstenaars maakten vrij snel deel uit van het onderzoek. De samenwerking tussen de twee genoemde onderzoekscentra zou op het veld van de neogotiek en in het bijzonder die van de Sint-Lucasscholen baanbrekend zijn. O p 18 oktober 1986 vond een studiedag in Loppem en Vivenkapelle plaats die de eerste zou worden van een lange reeks door heel Vlaanderen en tegelijk een belangrijk platform voor alle geïnteresseerden. In het voorjaar 1988 verscheen de eerste interdisciplinaire studie over de Sint-Lucasscholen en de neogotiek (22). Omwille
A De merkwaardige
Joseph de Hemptinne
binnendecoratie
in deze wijk alle
van de Gentse Smt-
touwtjes m handen
Jozefskerk in veel-
had. Nog steeds
kleurige baksteen
niet beschermd.
¥erwi|st naar een
Architect Auguste
Engelse stipvariant.
Van Assche, 1880-
Dat krijgt een bij-
1883; meubilair
zondere betekenis
van Matthias Zens
als men weet dat
(foto THOC,
opdrachtgever
maart 2002)
van het hoge niveau en de complementariteit van de verschillende invalshoeken heeft deze bundel bijgedragen tot een mentaliteitswijziging voor de neogotiek. Vijftien jaar later blijft hij nog steeds een veel gebruikt naslagwerk. Aansluitend bij de publicatie liep een bescheiden tentoonstelling in het Bijlokemuseum te Gent. Het jaar daarop verscheen de eerste en tot nu toe enige architectuurgids over de neogotiek in België (23).
M&L
19R9-199R: HERWAARDERING VAN DE SINT-LUCASNEQGQTIEK Na enkele jaren zonder nieuwe kerkbeschermingen, zijn vanaf 1994 regelmatig 19 c -eeuwse kerkgebouwen beschermd met een gemiddelde van ongeveer twaalf per jaar. Opvallend is dat die over het algemeen als monument zijn beschermd en af en toe worden omringd met een dorps- of stadsgezicht. Werden toen onder meer beschermd: de SintCatharinakerk in Maaseik (1991, in 1987 waren de
• T De hoge toren van de neoclassicistische Smt-Albanuskerk staat centraal in het dorpje Vlijtmgen. Kerk en interieur werden in I99S beschermd. Onbekende architect, 1845-1846 (toestand in 2002. foto Kris Vandevorst)
twee waardevolle codices van de kerkschat reeds beschermd), de kerk van het Sint-Barbaracollege in Gent (1994), de Sint-Ursulakerk in Lanaken (1994), de Sint-Elisabethkapel in Aarschot (1994), de Sint-Laurentiuskerk in H a m o n t (1994), de SintBavokerk in Wilrijk (1994), de Heilig-Hartkerk in Brugge (1994), de Sint-Janskerk in Vremde (1995), de kapel van het Allerheiligste Sacrament in Antwerpen (1995), de Sint-Albanuskerk in Vlijtingen (1995), de Sint-Stefanuskerk in Millen (1995), de Sint-Willibrorduskerk in Knesselare (1996), de Magdalenakerk in Brugge (1996), de Sint-Pieters Banden in Lommei (1996), de Sint-Jozefskerk in Aalst (1997), de Sint-Petruskerk in Leut (1996), de Sint-Vincentiusgasthuis in Antwerpen (1997), de Sint-Jan Berchmanskerk in Mechelen (1997), de kapel van de ursulinen in H a m o n t (1997), de SintHubertuskerk in Membruggen (1998), de SintAntonius van Paduakerk in Pokeren (1998), de Sint-Gerulfuskerk in Drongen (1998), de SintBernardusabdij in Bornem (1998). In de laatste jaren lopen inventarisatie en beschermingen vaak samen. Een politiek om de bescherming van de deels beschermde kerken systematisch te herbekijken en uit te breiden is niet aan de orde gekomen, evenmin als een actualisering van de eer-
De neoclassicistische
kerken hebben
tot het hele kerk-
Smt-Gerulfuskerk
gestaan. De I8 d '-
gebouw.
in Drongen werd
eeuwse toren werd
Architect F. Cardon
gebouwd op een
reeds in 1944
1858-1859
plaats waar n de
beschermd; in 1998 (foto Kris
loop der eeuwen
werd de bescher-
verschillende abdij-
ming uitgebreid
Vandevorst)
ste geïnventariseerde gemeenten. Van 1989 tot 1998 verschenen 22 nieuwe boekdelen in de reeks Bouwen door de eeuwen heen. Een merkwaardig fenomeen is de voorkeur voor neogotiek, in tegenstelling tot de andere neostijlen, met name neoclassicisme, eclecticisme en neoromaans. Dat heeft grotendeels te maken met het feit dat minder onderzoek werd gedaan naar de andere neostijlen. Die zijn ook niet altijd even herkenbaar als de neogotiek, en dan zeker die van de SintLucasscholen. In de jaren 1990 zou het onderzoek zich grotendeels beperken tot de Sint-Lucasneogotiek, met als gevolg dat de andere vormen van neogotiek (vóór Sint-Lucas, academisch, rationalistisch) evenals de andere neostijlen werden verwaarloosd. In het verlengde van de Sint-Lucasstudie uit 1988 verschenen tal van artikels in heemkundige tijdschriften, doch met meer aandacht voor kerkinboedel dan voor architectuur. Heel wat kunstenaars raakten op deze wijze uit de vergetelheid en in het algemeen groeide het bewustzijn van de waarde van dit patrimonium. De eerste wetenschappelijke inventaris van een fonds van 19 e -eeuwse architec-
• P.J.H. Cuypers, het
abdij in Achel is
boegbeeld van de
nog met beschermd,
katholieke neogotiek
Architect Pierre
in Nederland, bouw-
Cuypers, 1885-1887
de twee kerk en in
(foto Kris
Vlaanderen. Die van
Vandevorst))
de Sint-Benedictus-
tuurplannen verscheen in 1992 (24); enkele inventarissen van architecten en kunstenaarsateliers werden daarna door het K A D O C opgesteld (25). Sinds 1990 verschenen regelmatig belangrijke artikels rond kerkelijke en profane neogotiek, architectuur en restauratie, in M&L (26). De hoge kwaliteit van de illustraties heeft zeker bijgedragen om in een breed publiek een positief beeld te verspreiden van de kleurrijke neogotiek. Met de tentoonstellingen over Viollet-le-Duc in Parijs (1979-1980) en Pugin in Londen (1985 en 1994) als voorbeeld, werden grootse tentoonstellingen en publicaties in de jaren negentig gewijd aan de twee boegbeelden van de Sint-Lucasneogotiek: Jean-Baptiste Bethune en Joris Helleputte. In 1994 werd baron Bethune in Gent herdacht ter gelegenheid van de honderdste verjaardag van zijn overlijden. Het Bethunianum was de initiatiefnemer van dit project en zorgde voor de publicatie van een rijk geïllustreerd boek over alle toepassingen van de neogotiek (27). De tentoonstelling was een ware revelatie op het vlak van de toegepaste kunsten, maar bracht weinig nieuws voor de architectuur. Het onderzoek naar Helleputte was een langdurig en interdisciplinair project van het K A D O C dat in 1997 resulteerde in een reeks tentoonstellingen in Leuven, waarvan De ingenieuze neogotiek het meest architectuurgericht was. De nadruk lag op het feit dat de neogotiek méér was dan alleen traditie, stijl en decoratie, maar dat de stijl ook innoverend was geweest op bouwkundig vlak, inclusief kerkenbouw. Dat zorgde voor een hernieuwde kijk op de architectuur van Helleputte en zijn epigonen, die tot dan toe meestal negatief waren beoordeeld (28). Daarop volgde de publicatie van een uitvoerige en voorbeeldige biografie van Helleputte, die de verschillende facetten van de architect-politicus aan het licht bracht en ook een oeuvrecatalogus omvatte (29). In hetzelfde jaar 1997 organiseerde het K A D O C een internationaal colloquium dat de cultuurhistorische dimensie van het fenomeen neogotiek op Europees niveau bekeek. De handelingen geven een boeiend overzicht van de Gothic Revival in de architectuur (30), en tonen aan hoe sterk het onderzoek in het laatste decennium daartoe had bijgedragen (31). In 1998 verschenen twee belangrijke studies op het vlak van de monumentenzorg in de 19 ^ eeuw, als resultaat van doctoraatsthesissen die in 1991 en 1997 aan de K.U.Leuven werden verdedigd. Vanuit verschillende en complementaire invalshoeken
benaderen beide studies de vaak paradoxale relatie tussen restauratie en creatie in de 19'^-eeuwse monumentenzorg. Voor wat de kerkelijke architectuur betreft, staat het historicisme — in het bijzonder de neogotiek - centraal. In zijn Onvoltooid verleden tijd schrijft wijlen Herman Stynen de geschiedenis van Koninklijke Commissie voor Monumenten (en Landschappen) van 1835 tot 1940 (32). De Commissie besprak en volgde niet enkel de restauratieprojecten, maar moest ook alle ontwerpen voor nieuwe parochiekerken goedkeuren. Haar invloed op de kerkenbouw is bepalend geweest en de evolutie ervan blijkt duidelijk uit Stynens boek. Reeds in de jaren zeventig werd Anna Bergmans geconfronteerd met het probleem van 19 tc -eeuwse restauraties van middeleeuwse muurschilderingen, evenals het verdwijnen van kerkdecoraties door het decaperen of overschilderen van de polychromie. Zoals eerder gezegd was dit bij de herinrichting van kerken na het Concilie een zeer gevoelig punt. Ook is de grens tussen middeleeuwen en neomiddeleeuwen op dat vlak bijzonder subtiel. Daarom is de studie van Anna Bergmans veel meer dan een wetenschappelijke kijk op het verleden; het is een
In 1994 werd het
1998 hoort het
Architect Jean-
Groot Begi|nhof ïan
samen met een
Baptiste Bethune.
Smt-Amandsberg
groep|e Vlaamse
1873-1875
inclusief de kerk
begijnhoven tot
(toestand in 2002,
beschermd en sinds
het werelderfgoed.
foto Kris Vandevorst)
ware reflectie voor en over de hedendaagse monumentenzorg (33). Aan de hand van die expertises werden twee Vlaams-Nederlandse symposia georganiseerd waar onderzoekers, restaurateurs en monumentenzorgers hun ervaringen konden uitwisselen rond de erfenis van de 19 c eeuw (34). ISr'-eeuwse restauratiepraktijk en actuele monumentenzorg vond plaats in Leuven in 1996 (35), en werd gevolgd door Neostijlen in de lye eeuw: zorg geboden? in Enschede in 1999 (36). Het jaar 1998 heeft voor de Vlaamse neogotiek ook een symbolische betekenis. O p 2 december werd een groep van dertien Vlaamse begijnhoven op de lijst van het cultureel en natuurlijk werelderfgoed van de U N E S C O ingeschreven. Eén van de dertien is het neogotische Groot Begijnhof van SintAmandsberg, dat in een bijzonder gespannen politieke context (1873-1874) werd opgetrokken door Jean-Baptiste Bethune, Arthur Verhaegen e.a. Dat dit ensemble - pas in 1994 als monument beschermd — op de werelderfgoedlijst staat, bewijst dat neogotische gebouwen evenzeer gewaardeerd kunnen zijn als die uit de middeleeuwen of de baroktijd (37).
NA 1998: BEHOEFTE AAN EEN TOTAALBEELD EN RATIONFFI BEHEER Een gevolg van het Helleputte-project en het Gothic /few'tw/colloquium was het gevoel dat de strijd was gewonnen en dat het pionierswerk zich voortaan naar recentere periodes mocht verplaatsen. Het stappen in de 2 r c c eeuw zorgde ervoor dat de neostijlen plotseling tot een ouder verleden hoorden en de vorige eeuw - dit is de 20 ste - in de schijnwerper moest worden gezet. Maar het laatste woord over de neogotiek is nog lang niet geschreven: de andere neostijlen evenals de vroegere vormen van de neogotiek in Vlaanderen zijn nog steeds onderschat; nieuwe invalshoeken en vooral nieuwe onderzoeksgegevens over de architecten zijn wenselijk (38).
• Be neoromaanse
metselwerk met
Sint-Pleter-en-
verschilende steen-
orgel in 1981 De kerk en haar
Pauluskerk in
soorten, met name
omgeving zijn zeker
Neerijse integreert
In de lichtbeuk,
een bescherming
twee romaanse
refereert naar edel-
waard.
torens en is als
steenwerk. De twee
Architect Eugène
een groot schrijn
romaanse torens
Glfe, 1864-1867
geconcipieerd.
werden In 1938
(foto THOC,
Het monumentale
beschermd en het
juli 2001)
Uiteraard blijft het basisonderzoek lopen. In Bouwen door de eeuwen heen worden de beschrijvingen steeds uitvoeriger en gebruikt men ook vaak bouwplannen als illustratiemateriaal. De overheidsadministratie levert een extra inspanning om de inventaris in alle provincies af te ronden en die naar een breder publiek te richten via internet (39). Monografische studies over gebouwen in neostijlen en architecten blijven regelmatig in M&L verschijnen (40), en krijgen af en toe een boekvorm (41). Wat het veldwerk betreft, vestigt de aandacht zich meer op de inboedel - met een voorkeur voor glasramen — dan op de gebouwen zelf, zoals blijkt uit de vele bijdragen in heemkundige publicaties. Daarnaast komt de monumentenzorg in Vlaanderen deze laatste jaren voor een steeds moeilijkere situatie te staan op het gebied van kerkgebouwen (in neostijlen). Het bijzonder grote aantal parochiekerken, kloosters, kapellen, abdijen, scholen, hospitalen en andere gebouwen uit de 19 c eeuw vormt een enorme theoretische, praktisch-organisatorische en financiële uitdaging. Het fors afnemen van de kerkpraktijk enerzijds en de veroudering van de kerkgebouwen uit de tijd van het "katholieke reveil" anderzijds maken de problemen alleen groter.
opdracht gegeven om een methodologie voor het beheer te ontwikkelen. De combinatie van onderzoek en monumentenzorg vormt precies de kern van deze opdracht.
De Smt-Ghislenuskerk in Waarschoot werd geteisterd door een criminele brand in meuwlaarsnacht 2002. Alleen de middeleeuwse toren werd in 1936 beschermd. Architect Louis Minard. 1841-1844 (foto Kris Vandevorst)
De Stichting Vlaams Erfgoed kreeg in 1997 de opdracht om een eerste grondig onderzoek over het kerkelijk cultureel erfgoed te coördineren. Het project was door een externe stuurgroep begeleid, met daarin een vertegenwoordiging van diverse kerkelijke geledingen, Vlaamse overheid en monumentenverenigingen. O p 10 mei 1999 werden de resultaten van de vijf deelonderzoeken voorgesteld, met name; wet- en regelgeving, beheersstructuren, verenigingen, ontsluiting, medegebruik en herbestemming. Het syntheserapport Omtrent kerkelijk CultureelErfgoed\e.ve.rt het beeld op van de actuele toestand en de grote complexiteit van het probleem met talrijke deelaspecten en -domeinen (42). Niet enkel in dit rapport wordt de nadruk gelegd op de kwetsbaarheid van het roerend patrimonium (43). Het Belgisch comité van I C O M O S oordeelde dat het religieuze erfgoed vandaag het meeste bedreigde erfgoed is in België, en besloot met die problematiek bij te dragen aan het Herita?e@Risk Report 2001 van I C O M O S Internationaal (44). Ook de politiek van beschermingen lijdt hieronder. Enkele recente gevallen hebben duidelijk laten zien dat de bedreiging van een kerkgebouw niet de beste aanleiding vormt voor een serene afhandeling van de beschermingsprocedure (45). O m subjectieve en emotionele beslissingen te vermijden is een totaalbeeld van de 19 c -eeuwse kerkelijke architectuur in Vlaanderen niet alleen wenselijk, maar ook de noodzakelijke eerste stap voor een rationeel beleid. Met het oog op een verantwoorde beheerspolitiek heeft de Afdeling Monumenten en Landschappen van de Vlaamse Gemeenschap aan het K A D O C de
IVI&L
Het in april 2001 gestarte onderzoek wil zich niet beperken tot de neogotische kerkgebouwen, ook al domineren ze het doorsnee-beeld van de kerkelijke 19 e -eeuwse architectuur. De neoclassicistische, de neoromaanse én de eclectische gebouwen moeten eveneens in beschouwing worden genomen. Voorts zijn er ook talrijke kerken die tijdens de 19 e eeuw in verschillende stijlen werden gebouwd, verbouwd of uitgebreid. Daarom werd besloten het (neo)stijlendebat te verlaten en alle 19 c -eeuwse kerkgebouwen op te nemen in het project. In het kader van een monumentenbeheerspolitiek is een stijlendebat trouwens steriel. Voorlopig wordt het onderzoeksterrein afgebakend tot 1914, aangezien de wederopbouw van de verwoeste middeleeuwse en neomiddeleeuwse kerken in het interbellum een heel aparte problematiek vormt en tot een andere cultuurhistorische context behoort.
DE STATUS-QUQ VAN HET ONDERZOEK IN HET VOORJAAR 2002 Na ruim een jaar kan een tussenbalans worden opgemaakt. Aan de hand van de bestaande werkinstrumenten (inventarissen, databanken, literatuur, archief enz), werd een databank van de 19 ^eeuwse kerkelijke architectuur in Vlaanderen opgesteld. Voorlopig bestaat die uit 1494 items: 5 3 % parochiekerken, 1 3 % schoolkapellen, 1 1 % kerken en kapellen van religieuze gemeenschappen, 8% kapellen van verenigingen, 7% hospitaal- en gasthuiskapellen, 6% kasteel- en huiskapellen, 2 % diversen (protestantse kerken, synagogen, kapellen in gevangenissen, bijzondere kerkhofkapellen enz). De databank bevat statistische gegevens met betrekking tot de verspreiding in tijd en ruimte, de functies, de stijlevoluties, de reeds herbestemde gebouwen, de gave interieurs e.d. Al die gegevens zullen worden gekoppeld aan de erfgoeddatabank in opbouw van de Afdeling Monumenten & Landschappen. Ter illustratie van die vernieuwende en objectieve overzichten worden bij dit artikel vier grafieken gevoegd. • • • •
19 19 19 19
'-eeuwse nieuwe kerkgebouwen, per jaar en stijl, ''-eeuwse nieuwe parochiekerken, per jaar en stijl, c -eeuwse nieuwe kerkgebouwen, per stijl, '-eeuwse nieuwe kerkgebouwen, per provincie.
De databank biedt een interessant overzicht op de 19de-eeuwse kerkenbouw in Vlaanderen. Grafieken met betrekking tot functie, stijl, verspreiding en evolutie geven de huidige stand van zaken weer
Parochiekerken
Aantal nieuwbouw per functie
vormen de helft van het kerkelijk archi-
verenigingskapellen 8% (87)
diversen 2% (26)
gemeenschapskerken en • kapellen
tectuurpatrimonium uit de 19'' eeuw
11% (114) schoolkapellen 13% (138)
hospitaalkapellen 7% (79)
huiskapellen 6% (64)
parochiekerken 53% (567)
Parochiekerken per datum en stijl
Dat de voorkeur van de kerkenbouwers en -opdrachtgevers in de I9 d t eeuw naar de neogotische stijl ging, Is bekend. Bijna 60 % van de bewaarde kerkgebouwen horen tot die stijl. Het hoge aantal neoclassicistische kerken (nagenoeg 300) Is opvallend, evenals, in mindere mate, de lage aantallen neoromaanse en eclectische kerkgebouwen
^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ é ^ 4? ^ ^ ^ ^ ^ s# ^ ^ ^ ^ *? ^ ^ & ^ ^ s# s*0 ^ ^ ^ ^
• Verspreiding van
Aantal nieuwbouw per provincie
l9*-eeuwse nieuwe kerkgebouwen per provincie. Genen de
West-Vlaanderen 179(17%)
leemtes in de inventarissen Is het aantal gebouwen in
Antwerpen 237 (22%)
Vlaams-Brabant en West-Vlaanderen zeker onderschat
Vlaams-Brabant 144(13%)
Limburg 167(16%)
Oost-Vlaanderen 348 (32%)
Evolutie van bouw
Nieuwbouwen per jaar en stijl
en stijl van nieuwe parochiekerken tussen 1800 en 1914 D neogotisch 30
D neoclassicistisch • neoromaans • eclectisch D neo-Vlaamse-renaissance en neobarok • neobyzantijns D onbepaald
15
10
0
m nil] m Q] nfl D UijttllH
Jf
&
JP oSP
.w3
JrP
.«J
-Ov>
- ^
yVQ
.oV
_»P
_dP
_dP
-cV _c¥>
Beschermingen van 19^-eeuwse
kerkgebouwen
De evolutie van de beschermingen ver-
Verhouding beschermingen Kerken / Andere gebouwen
toont drie hoogtepunten (1976, 1981, 1994).
Aantal negentiende-eeuwse kerken
16 14 12 10 8 6 4 2
800
Met bijna honderd
• Negentiende-eeuwse kerken
beschermingen blijkt de periode 19942000 bijzonder
•
.1 .1 .1.1 ..1 • Il £ & #f &# ^^ ^é ^^^#
600
D Andere gebouwen
gunstig te zijn
l
geweest
i
400
300
100
_£L
• on
& && .^ # & & .# & ^ # ^ ^ ^ ^ ê & ^ & ^ ^ & & $
Vergeleken met
Aantal beschermingen nieuwe gebouwen per jaar
het totaal aantal beschermingen, volgt de bescherming van de I9 d '-
• Monument
eeuwse kerkgebou-
16
wen sinds 1976 de
• Landschap
algemene evolutie.
D Stadsgezicht
14
De piek van 1981 is door de massale
D Dorpsgezicht
orgelbeschermingcn
12
te verklaren. In de jaren 1988-1990 werd in het alge-
10
meen weinig beschermd. Een duidelijke verandering blijkt in de {aren 1997-2000; het algemeen aantal beschermingen daalt terwijl het aantal beschermingen van l9''-eeuwse kerken
L of ^
stijgt
IA
& & < % & & & ^
T^
K^
^V
'S».
IS»»
ttttV >v
^
erf & & & & & & & O Ï O ) ^
^S
'S.
r^
ï^
^
fr^
^
>v.
*S.
CD S ' S I S I S I S ' S I S I S I & X J S ^^
'S
'S
'S
'S
'S
'S,
rv
ÏV
ï1^
^**
''S
r^
• Vergeleken met de
Aantal beschermingen per provincie
grafiek van de 19 e-eeuwse nieuwe kerkgebouwen per provincie, vertoont die van de beschermingen een duide-
West-Vlaanderen 27(14%)
^ ^ ^
m
_ ^ ^ ^ ^^\.
lijk verschil, met
N.
name voor de provincies WestVlaanderen en Vlaams-Brabant
Antwerpen
J\ Vlaams-Brabant
15(8%)
/
56 (29%)
^ ^
/
^ B
^
^r ^
Oost-Vlaanderen 70 (35%)
^ r
Limburg 28 (14%)
^\^^ ^
Aantal nieuwbouw per stijl
onbepaalc j 70 (4,50% ) neoromaans 146 (9,40%) ^fl
1 ^
neogotisch 910(58,56%)
eclectisch 97 (6,24%)
neo-Vlaamserenaissance en neobarok 30(1,93%) neobyzantijns 2(0,13%)
neoclassicistisch 299(19,24%)
Oe neoclassicistische kapel van het SmtVlncentiusgasthuls In Antwerpen werd In 1997 beschermd. Onbekende architect, ca. 1870 (foto Kris Vandevorsl)
De gegevens met betrekking tot het oeuvre van architecten, de architectuurtypes en de uitbreidingsprocessen zijn bijzonder interessant. Zo komen voor de kerkelijke architectuur tussen 1800 en 1914 in Vlaanderen maar liefst 221 verschillende namen van architecten voor. Sommigen hebben meer dan tien kerken gebouwd en kunnen als echte kerkenbouwers worden beschouwd (46). Deskundige biografische studies van die architecten zijn voorlopig nog zeldzaam en de kennis beperkt zich in het beste geval tot biografische schetsen. Voorts blijven de architecten van 607 kerkgebouwen of kapellen uit onze telling onbekend, dit is bijna een kwart van het totaal. Voor de eerste helft van de 19 c eeuw is het percentage van onbekende architecten nog veel hoger. Kortom, er blijft op dat vlak veel werk te verrichten. Het terugvinden en ontsluiten van archieven is een voorwaarde om het werk van een architect diepgaand te kunnen bestuderen. Een woordenboek van Belgische architecten bestaat nog niet, maar zal in de loop van 2003 worden uitgegeven (47).
Een ander belangrijk aspect van de databank is gelegen op het gebied van de monumentenzorg. Voor het eerst is nu in één oogslag te zien welke 19 e -eeuwse kerkelijke gebouwen zijn beschermd en hoe die zijn beschermd. In vele gevallen zijn slechts de oude, met name de middeleeuwse delen van parochiekerken als monument beschermd. Meestal gaat het om een toren of een koorpartij. Soms maakt een kerk deel uit van een beschermd landschap, dorps- of stadsgezicht, maar is zij op zich niet als monument beschermd. De talrijke niet beschermde kerken waarin zich een beschermd orgel bevindt, vormen een aparte categorie. Kortom, alle denkbare situaties bestaan en ze geven evenzeer de evolutie van het begrip 'patrimonium' als de belangstelling voor de 19 e eeuw weer. Drie grafieken geven een sprekend overzichtsbeeld inzake beschermingen: * aantal beschermingen per jaar van 19 e -eeuwse nieuwe kerkgebouwen, • verhouding van beschermde 19 e -eeuwse nieuwe kerkgebouwen en totaal aantal beschermingen in Vlaanderen,
• verdeling van de beschermingen van 19' c -eeuwse nieuwe kerkgebouwen per provincie.
(11) Over de inventarisatie in Vlaanderen: VAN AIRSCHOT-VAN HAI \ i RUIK k S., Inventarisatie van het cultuurbezit in Belgi'é: een overzicht met toelichting van de huidige situatie in Vlaanderen, in
De status-quo zal enerzijds een aantal concrete richtlijnen opleveren voor de actualisering van de onvolledige beschermingen en anderzijds de belangrijkste leemten duidelijk maken. Een eerste urgentielijst werd al aan de Afdeling Monumenten en Landschappen voorgelegd.
Bulletin KNOB, jg. 82, nr. 5, 1983, p. 229-241; VAN HAEVERBtttK S., Inventaris van het bouwkundig erfgoed in België: een overzicht vanaf 1830 tot heden, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, K.U.Leuven, 1994; VERPOFST L., "Bouwen door de eeuwen heen": stand van het onderzoek in België, in Dl- MAEYER J. et al. (red.), I9de-eeuwse
restauratiepraktijk
en actuele
monumentenzorg
(KADOC-Artes, 3), Leuven, 1999, p. 32-41.
Een gezamenlijke aandacht voor architectuur en bouwhistorie, interieur en meubilair, omgeving en stedenbouw, bouwconcept en cultuurhistorische betekenis omtrent één gebouw en/in zijn context zou de basis van een wetenschappelijke methodologie moeten worden. Dat is het doel van het project waarvoor de databank slechts een werkinstrument vormt. Niet enkel de beschermingspolitiek, maar ook de waardebepaling van bedreigde kerkgebouwen en andere beleidsopties zullen in de toekomst moeten gebruikmaken van die methodologie.
(12) Archief AROHM-Antwerpen, Cel Monumenten & Landschappen, dossier Sint-Jozefskerk Antwerpen. (13) De neoclassicistische
Onze-Lieve-Vrouw-ten-Dootnkapel
in
Moregem (1975), en de Markt in l.ommcl (1974) waarde toren van de Sint-Pietersbandenkerk reeds in 1935 als monument was beschermd (in 1996 uitgebreid tot geheel). (14) Sint-Michielskerk in Weelde; Sint-Rumolduskerk in Stcenokkerzeel; Onze-Lieve-Vrouw-Bezoekingkerk in Meer. (15) Over: Louis Roelandt (C. Degels, 1967); Joseph Poelaert (M. Loiseau, 1970); Paul Hankar ( K Dutreeuw, 1971); Adolphe Pauli (L. Wylleman, 1973); Karel Van Rysselberghe (M. Struye. 1973); Jan August Clarysse (J. van Cleven, 1975); Jos Bascourt (M. Van den Btuel, 1976); Jules Coomans (A. Bulcke, 1977); Emiel Van Averbeke (W. Aerts, 1977); Louis Cloquet (H. Mouton, 1978) enz. Een monografische studie van een 19"-
EINDNOTEN
eeuwse ketk kwam echter later: Sint-Amanduskerk in Antwerpen (M. De Smet, 1979).
(1)
(2)
Met dank aan: Anna Bergmans, Jo Braeken, Francis Brenders,
(16) Sint-Pietersbanden in Welle, Sint-Paulus in Ottergem, BDEH.
Lieve Dhaene, Jan De Maeyer, Patrik Jaspers, Ineke Pey. Magda
5nl,
Pluvmers, Luc Schokkaert, Paul Van Lindt, Linda Van Sant-
Gertrudis in Sint-Antelinks, Sint-Martinus In Woubrechtegem,
1978, p. 215 en 261; Sint-Martinus in Herzeie, Sint-
voort, Luc Verpoest, Luc Vims en Linda Wylleman.
BDEH, 5n2, 1978, p. 499, 526 en 551; Sint-Joris in Antwerpen,
Sint-Jozef in Leuven: arch. Edouard Lavergne, 1860-187];
BDEH, 3nb, 1979, p. 309; Sint-Anna in Gent, BDEH. 4nb
jezuïetenkerk in Leuven: arch. Edward Leclef, 1864-1867; abdijkerk van Affligem: arch. Arthur Verhaegen en Eugène Nève,
N-O, 1979, p. 172-173. (17) DEMEY A. en GOEDLEVEN E., Vijftig jaar beschermingen in
1879-1882.
Vlaanderen, in M&L, jg. 2, nr. 2, januari 1983, p. 13-24; beeld
(3)
BDEH, 2n, Vkam-Brabant.
reeds gepubliceerd in BDEH, 3nb, 1979, PI. VIII.
(4)
VAN AI RSI HOI-VAN
Hdle-Vilvoorde, 1975, p. 256.
HAIVI-RHWK
S..
Inventarisatie
van
het
cultuurbezit in België: een overzicht met toelichting van de huidige situatie in Vlaanderen, in Bulletin KNOB, jg. 82, nr. 5. 1983, p. 232. (5)
Archief AROHM-West-Vlaanderen, Cel Monumenten & Landschappen, dossier Dadizele.
(6)
jg. l , n r . 5, 1982, p. 24-34. (19) GoosSENS M., De Onze-Lieve-Vrouw-Ceboorte en Heilige Philippuskerk te Vivenkapelle: de volmaakte neogotische dorpskerk, in Mef-i, jg. 9, nr. 5, 1990, p. 38-51. (20) VAN CLEVEN J., VAN TVCHEM F.. BRAI G.J. en Low.i u H., Vlaamse
Archief AROHM-West-Vlaanderen, Cel Monumenten & Land-
neogotiek in Europees perspectief, in Vlaanderen, jg. 29, nr. 174,
schappen, dossier Oostende.
januari-februari 1980, p. 1-42.
(7)
VAN HOM- J., Kerk van Laken is niet beschermd, in De Standaard.
(8)
De herinrichting van de door Jean-Baptiste Bethune gebouwde
Cultuur & media, 26 februari 2002, p. 11.
(21) VAN C I I U N J. e.a., Neogotiek in Vlaanderen, in Ons Heem, jg. 40. nr. 3-4, 1986, p. 86-147. (22) D E MAEVERJ. (red.), De Sint-Lucasscholen en de neogotiek. 1862-
neogotische abdijkerk van Maredsous in 1955-1957, naar ont-
1914 (KADOC-Studies,
werp van arch. Roger Bastin is daar een emblematisch voorbeeld
o.m. J. van Cleven, J. De Maeyer en L. Verpoest.
van. In 1957 bouwde arch. Paul Felix een volledig nieuw klooster voor de Clarissen in Oostende. (9)
(18) PMSMANS S., De Julianakapel te Sint-Joost-ten-Node, in M&L,
Fotorepertorium van het meubilair van de Belgische bedehuizen, 130 delen (voor Vlaanderen). Brussel, KIK, 1972-1984.
(10) www.kikirpa.be
5), Leuven, 1988. Met bijdragen van
(23) VERROEST L., Architectuurgids Neogotiek in België, AntwerpenBaarn, 1989. (24) COOMANS Th., Les plans des monuments belges rassemblës par Ie Service du Répertoire des Biens Culturels (1952-1960) et conserves aux Musées Royaux dArt etd'Histoire a Bruxelles (Archiefbestanden
De kerk van de benedictijnenabdii Sint-Andnes Zevenkerken bij Brugge is samengesteld uit zeven delen in telkens verschillende stijlen die naar de zeven patriarchale basilieken van Rome verwijzen. Dit unieke concept is zeker een bescherming waard. Architect pater Ludger Rmcklake, 1907-1910: centrale achthoek van Joseph Viénn, 1925-1935 (toestand in 2002. foto Kris Vandevorst)
M&L
in niet Rijksarchieven, 2), Brussel, Algemeen Rijksarchief, 1992.
schap, de Rijksdienst voor de Monumentenzorg, het KADOC en
Zie ook: COOMANS Th., Vlaamse en Brusselse monumenten in het
de Cuypersgenootschap.
plannenfonds van het Repertorium van het Cultureel Bezit, in M&L,]g. 11, nr. 1, 1992, p. 46-57.
LEEUWEN W. en VERPOEST L. (red.), lT-eeuwse
(25) VERMEIREN R. en BERGMANS A., Inventaris van het neogotisch tekeningenarchief Bressers-Blanchaert (ca. 1860-1914) Inventarissen en repertoria, 37), Leuven,
(KADOC
1993; MAHS K..
Inventaris van het plannenarchief jorts Helleputte (KADOC
(1852-1925)
Inventarissen en repertoria, 38), Leuven, 1993;
BFR(,MANS A., DECOMNCK E., SMEYERS M. en VERMHREN R. (ed.).
Inventaris van de archivalia van Jules Helbig (KADOCInventarissen
(35) D E MAEYI-R J., BERGMANS A., DENSLAGEN W., STYNEN FL, \AN
(1821-1906)
en repertoria, 51), Leuven, 1996.
en historiserend bouwmeester in de tweede helft van de ly
Vlaams symposium, Leuven 13-14 september 1996 (KADOC-Artes, 3), Leuven, 1999. (36) Handelingen in druk (KADOC-Artes, 7). (37) VAN AERSCHOT S. en Hl IRMAN M., Vlaamse begijnhoven. Werelderfgoed, Leuven, 2001. (38) MIHAII, B., i f gout du Moyen Age au XlXe siècle: reflexions autour d'un
(26) Onder andere: M R L V., Joseph Schadde, 1818-1894, academicus eeuw, in
M&L,
jg. 13, nr. 6, 1994, p. 8-61; BAK K M., Gethsemam 1841-
1991.
Het Instituut der religieuzen Ursulinen te Onze-Lieve-
restauratiepraktijk
en actuele monumentenzorg. Handelingen van het Nederlands-
livre sur Georges Helleputte (1852-1925),
in Belgisch
Tijdschrift voor Filologie en Geschiedenis, nr. 78, 2000, p. 535565; DIERKENS A. en MIHAII B., Kerk, katholieken en kunst, in KADOC Zilveren Nieuwsbrief, me\-\um 2002, p. 19-24. (39) www.inonument.vlaanderen.be
Vrouw-Waver, in Mcrl, jg. 10, nr. 6,1991, p. 21-44; BOLLEN G.,
(40) ORIENI M., Neogotische kerkbouw in Noord-Limburg. Samenwer-
Het Heilig Hartinstituut te Maasmechelen, in M&L, jg. 11, nr. 4,
king tussen bouwmeester Hyacinth Martens (1847-1919) en archi-
1992, p. 38-41; BRAEKIN J., 'Beth Haknesset'. Synagogen in België,
tect Vincent Lenertz (1864-1914), in M&L, jg. 18, nr. 1, 1999,
in MdrL, jg. 12, nr. 1, 1993, p. 13-45; SENNESAEI V., Italiaanse
p. 19-63; BAIELIEUL B. en LEEMAN K., De cisterciënzerinnenabdij
inspiratie: het Campo Santo van Mariakerke, in M&L, jg. 14,
Terhagen en de neogotiek, in M&L, jg. 18, nr. 4, 1999, 10-30;
nr. 6, 1995, p. 18-27; RAMBAUT A., De koorramen uit de kapel van
VERMEIREN R., Het archief van de ateliers Bressers en Blanchaert, in
de meisjescongregatie Onze-Lieve-Vrouw te Zottegem, in M&L,
M&L,]%. 19, nr. 6,2000, p. 52-62.
jg. 15, nr. 6, 1996, p. 4-17.
(41) M E U V., Van waterstaatkerk tot mijncité. Een historiek van het
(27) VAN C I H E N J., VAN TYGHEM F., Dt WILDE L, HOZEE R. e.a.,
(28) D E KEYSER B., VERPOESI L. en DE MAIM R J., De ingenieuse neogo-
tiek: techniek en kunst, 1825-1925, Leuven, 1997; VERPOEST L., Joris Helleputte. ingenieur en architect (1852-1925),
bouwen in Limburg door drie generaties provinciale bouwmeesters Jaminé(1832-1921),
Neogotiek in België, Tielt, 1994.
in M&L,
Hasselt, 1999; VAN CALOEN V., VAN CIEVEN
J. en BRAEI J., Het kasteel van Loppem, Zedclgem, 2001; BIISEN A. en ORLENT M., De Sint-Niklaaskerk van Neerpelt: geschiedenis en kunstbezit, Neerpelt, 2002.
jg. 16, nr. 4, 1997, p. 25-40; VERMEIREN R. en BESSEMANS L, Joris
(42) ROSSAERT L, Omtrent kerkelijk cultureel erfgoed, onuitgegeven
Helleputte en de Leuvense neogotische ateliers. Tentoonstellings-
syntheserapport, Brussel, Stichting Vlaams Erfgoed, 1999. De
catalogus, Leuven, 1997.
opdrachthouders van de vijf deelstudies waren: het Centrum
(29) DE MAEYER J. en VAN MOIIE L. (red.), Joris Helleputte, Architect
voor Religieuze Kunst en Cultuur (CRKC); het KADOC; de ver-
en politicus, 1852-1925. 1: Biografie. (KADOC-Artes, 1), Leuven,
enigingen en het kerkelijk cultureel erfgoed (uitgevoerd door de
1998; MAES K. (red.),yor« Helleputte. Architect en politicus. 1852-
Vlaamse Contactcommissie Monumentenzorg); Tijdsbeeld nv;
1925. 2: Oeuvrecatalogus KADOC Artes, 1), Leuven, 1998.
en ICOMOS Vlaanderen/Brussel. Opdrachtgever was Luc
(30) DE MAEYER J. en VERPOEST L. (red.), Gothic Revival. Religion,
Martens, Vlaams minister van Cultuur, Gezin en Welzijn, en
Architecture and Style in Western Europe, 1815-1914. Proceedings
bevoegd voor monumentenzotg. Voorzitter van de stuurgroep
of the Leuven Colloquium, 7-10 November 1997 (KADOC-Artes,
was Herman Stynen, de toenmalige voorzitter van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen.
5), Leuven, 2000. (31) In vergelijking h.v. met de Vlaamse bijdrage in een gelijkaardig colloquium in 1985: LOMBAERDE P. en LOMBAERDE-FABRI R., Le
style néo-gothique en Belgique (region Flamande): aspects architecturaux, artistiques et urbamstiques, in BOSSAGI IA R. en TERRAROI I V. (red.), // neogotico nel XIX e XX secolo. Atti del convegno "II
(43) GOEDLEVEN E., Liturgie en monumentenzorg, in Tijdschrift voor &»)giV, nr. 85, 2001, p. 45-52. (44) GOOSSENS M., Heritage@Risk. in M&L-Binnenkrant, jg. 20, nr. 5, oktober 2001, p. 11-12. (45) B.v.: kapel van Poortakker in Gent (monument, 1998), Domini-
neogotico in Europa nel secoli XIX e XX", Pavia 25-28 settembre
canerkerk in Gent (monument, 2000), Sint-Jozef-en-Francis-
/ m M i l a a n , 1989, p. 100-112.
cuskerk in Essenbeek (voorlopig beschermd, 2000), Minder-
(32) STYNEN H., De onvoltooid verleden tijd. Een geschiedenis van de monumenten- en landschapszorg in België 1835-1940.
Brussel,
broederskerk in Mechelen, Sint-Jozef Colomakerk in Mechelen, Dominicanerkerk in Antwerpen,
Onze-Lieve-Vrouw-Hemel-
vaartkerk in Doel enz.
SVE, 1998. eeuw.
(46) De voornaamste architecten waarover geen degelijke studie
Studie en inventaris van middeleeuwse muurschilderingen in
bestaat, zijn ongetwijfeld (in alfabetische volgorde): Ferdinand
Belgische kerken (KADOC-Artes, 2), Leuven, 1998.
Berckmans, Juliaan Pieter Bilmeyer, Leonard Blomme, Pierre
(33) BERGMANS A., Middeleeuwse muurschilderingen in de ly
(34) Georganiseerd door her Ministerie van de Vlaamse Gemeen-
Francois Buyck. Edouard Careels, Jules Carette, Pierre Nicolas
Croquison, Edmond de Perre-Montigny, J. De Somme-Semis, Ernest Dieltiens. joseph-Jonas Dumont, Hendrik Geirnaert, Isidore Gérard, Louis Gife, Jules Goethals, Louis Minard, Eugène Nève, Edmond Serrure, Henri Vaerwyck. J. Van Gastel, Chretien Veraert, Antonius Verbeke, J. Vinck en Matthias Woitets. (47) VAN LOO A. (red.), Repertorium van de architectuur in België 1830-2000, Antwerpen, Mercatorfonds, [2003].
Thomas Coomans is doctor in de kunstgeschiedenis en oudheidkunde.
Thans is hij als
werkzaam op het KADOCaan
onderzoeker
de K. U.Leuven, in
het kader waarvan hij het hier gepubliceerde artikel schreef.
SUMMARY In the course of the 4th century a new rampart was erected across this area. Part of this wall and a defensive tower were excavated on the Vrijthofsat. Traces of an early Christian bishop's church, whose presence has always been assumed, have not been discovered by the recent research. Traces of the 4th century occupation are scarce.
Archaeological excavations in Our Lady's basilica at Tongeren. Phase 1: 1999-2001 From August till May 2001 an archaeological rescue excavation has been carried out in Our Lady's basilica in Tongeren, induced by a large-scale renovation, with installation of afloorheating system and the construction of an underground museum. Our Lady's basilica, scheduled monument since 1936, is generally seen as one of the most important examples of our heritage in Limburg. Moreover, this church is set in the heart of one of the oldest urban centres of Belgium, which makes it overground as well as underground an important historical document. The ground surrounding the church and inside the basilica holds traces of more than 20 centuries of Roman occupation and Medieval ecclesiastical history. In 1996 and 1997, in consequence of the planned constructions, the Institute for the Archaeological Heritage carried out several preliminary examinations, showing that archaeological observation of the construction works was justified. Besides, in 1995 excavations had already been carried out on the neighbouring site Vrijthof displaying remains related to the traces underneath the basilica. During the first phase of the research only the last 5 bays of the church were archaeologically examined, whereupon a cellar and a floor heating system were constructed. In the mean time the church was divided into two halves, patted by a scaffolding, enabling the church to be in petmanent use. Beneath the western part of Our Lady's basilica lie the remains of a vast Roman house, dating from the second half of the 2nd century and the first half of the 3rd century AD. Outside the church, on the Vrijthof site, walls of the same house were found. Many fragments of wall paintings, a cistern, a large hall with apse and a private bath building point out the luxurious character of this residence. In the course of the 3rd century a fire destroyed the building.
M&L
During the 5th or 6th century a (first?) stone church was erected on this site and along the axis of the present church. We suspect that the monumental apse, discovered in 1912 beneath the transept, belongs to the same building phase. This church has been rebuilt several times. A first renovation dates from the 9th or 10th century AD, possibly connected to the erection of a chapter in Tongeren, which must have been founded before 964 AD. in this period a new rampart is erected, partly excavated on the Vrijthofsite. This defensive wall of the convent was observed to enclose the old Roman defensive tower as well. In that period the Saint Maternus chapel already must have stood on this site. This old building is only known from iconographical documents. In the course of the 11th century the church was again totally rebuilt. From the 7th century onwards people were continuously buried around the church. The archaeological research did not reveal evidence for older burial, but since not all skeletons have been accurately dated, earlier burial should not be excluded. The 12th century was marked by large renovations: apart from a church and religious buildings, a new rampart was erected, enclosing the cloister. The construction of a Romanesque chapter church meant a definitive break with earlier church ground-plans. Originally the Romanesque church showed a straight western facade. During the late 12th and 13th century a monumental western tower was added, possibly by order of the bishop, in accordance with the extensions, turning it into a fortified convent. In 1240 the consttuctions of a gothic church were statted. The nave of this church still leaned against the old tower, which was extended to the west by a chapel and to the notth by a hall. Not befote 1529 the towet was definitely given up by the chapter and the nave of the church was lengthened to lean against the city's defensive tower, whose construction had already started in 1442.
• II
Protecting Nineteenth Century Churches in Flanders History and Present State The three last decades have been decisive for the heritage policy. Broadening of the notion of monument, new legislation both regional and international, systematic survey by scientific inventories, increasing number of listed monuments, more budgets for restoration, research and publication, development of an heritage administration and growing interest from the public, characterize the evolving relationship between the society and its past. This article makes the point on one particulary sensitive component of the heritage, namely nineteenth century churches. Because of the demographic growth and the catholic revival, many new churches were built in Flanders during the nineteenth centuty. That makes the problem of the conservation of that category of churches very actual.
j I Unitil the early seventies, nineteenth century church architecture was despised by scholars and ignored by the inventories. Only two Neo-Gothic churches were listed (Dadizele and Ostend). The changing of liturgy following the second Vatican council had dramatic consequences for the furnishing and the inner decoration of many churches. In this context of renewal, some nineteenth-century churches were destroyed and replaced by functional buildings with luminous and clear spaces. Between 1970 and 1975 some people became aware of this situation. This lead to the first steps in the directoin of research and protection. One one hand, the new administration for monuments (1972) and its specific inventory team (1976), the international year of monuments (1975) and the new Flemish legislation (1976) were the foundations for a new regional heritage policy including a growing interest for recent periods. On the other hand, research on Neo-Gothic architecture and catholic revival was developed at the universities of Ghent and Leuven. The combination of both management and scholarship had good results on knowledge and protection.
•It
.r.
" JB
Despite the very positive balance of thirty uears of research and management on nineteenth century church architecture, the situation was never as complex as nowadays. Since 1998 a large part of research focused on twentieth century architecture, even though large parts of nineteenth century architecture - in other historical styles than Neo-Gothic - still are ignored. But the main problem is the increasing disaffection of churches and the urgent need of an overview of the complete nineteenth-century church architecture as well as a scientific metholdology for a rational management. In 2001 thr Flemish Region has commissioned a research in which context this article is written. At this point a data base of about 1500 church buildings built betwee 1800 and 1914, has been made. It includes parish parish churches as well as chapels of schools, hospitals, convents and abbeys. For the first time statistics can be made on this heritage: evolution of styles, works of architects, types and functions, building techniques, interior, surroundings, listing and options for management. Combining all those different categories in a broad overview will provide the basic criteria for the futute management methodology.
A first synthesis on Neo-Gothic architecture of the St-Lucas-schools was published in 1988. This reference work is a milestone in the revaluation of hisotiricism. The following decade, the increasing interest led to regular publication of articles in the M&L-journal as well as two important exhibitions around the two key-figures of Neo-Gothic in Belgium: baron Jean-Baptiste Bcthune (Ghent 1994) and Joris Helleputte (Leuven 1997). Also in 1997, an international colloquium put Belgian Neo-Gothic art in an international perspective. In 1998 two important studies were published on different aspects of nineteenth-century heritage polio,', both as a result of PhD tesearch. H. Steynen wrote a book on the role of the Royal Commission of Monuments and Landscapes from 1835 to 1940, whilst Anna Bergmans' study was devoted to nineteenth century restorations of medieval wall-paintings. The revaluation of NeoGothic art was accompanied by new protections of churches. Still in 1998, thirteen Flemish beguinages were registered on the Unesco World heritage list; one of these, the Great-Beguinage of SintAmandsberg close to Ghent, is a Neo-Gothic ensemble with a church in the middle of the enclosure.
M&L
^
-
<
tJ^l
F
>
voor informatie
<
Als U Lister tuinmeubilair koopt, koopt U kwaliteit. Anders dan bij menig
Importeur voor Benelux;
ander merk, zijn de teakhouten tuinveteranen van Lister écht bestand H1111 LAK ESTATE FURNITURI. nv
tegen weer en wind, tegen zon en vrieskou. Zo staan er in Engeland Lister
K. Loopoldlaan 119 B 3920 Lommcl België tel. + 3 2 ( 1 1 ) 54 40 01
banken, die al meer dan 100 winters hebben getrotseerd. Lister meubelen, ambachtelijk vervaardigd sedert 1883, zijn tuinmeubelen van waarde.
l.ix. + 32(11) 5441 73 http://www.heliteak.com
Daarom staat de naam Lister voor kwaliteit en lange levensduur.
C-t-l
v*r>
Polychroom schilderwerk en verguldingen Hotel Errero, Brussel.
V ' Efc»!
nm m
x^
Restauratie schilderwerk, koepel. Theater Du Porc, Brussel.
Restauratie gevel 18e eeuws "Goublomme" - Gent.
PROVO..
Situ fn w
jyuu
ffil
SCHILDERS-EN AFWERKINGSBEDRIJF ; B1 Br
gi.
i
if if w iir I
Restauratie en reconstructie sjablonen en schilderwerk, kapel van Vivekapelle.
IllltïTFW
Waar ambacht en kunst nog altijd, zoals vroeger, één geheel vormen. Figuratief schilderen op muren, doek en het restaureren ervan, decoratief hout- en marmerschilderen, vergulden, voorstudies, trompe-l'oeil schilderen, gevelrestauratie. Erkenningen: D5 klasse 2 D13 klasse 3 D23 klasse 3 D24 klasse 2 D25 klasse 3 SINT-JORISKAAI 7 9000 GENT TEL.
09/223.12.96
FAX 09/233.27.56 Ons kantoorgebouw anno 2001.
Ons kantoorgebouw anno 1900.
Maes biedt u de ideale oplossing om uw inspectie- en renovatiewerken in alle veiligheid uit te voeren.
^
i
^
\
\
\
„,_.-.. i
Jfl ir A
iw
Bovendien krijgt u sinds dit jaar 100% van uw inspectiekosten terugbetaald door de overheid!
Voor een volledig overzicht van ons gamma, vraag onze brochure aan tel. 03 484 62 62 of surf naar www.maeshoogwerkers.com
H O O G W E R K E R S E L E V A T E U R S Boudewijnlaan 5 B-2243 Pulle Tel.: 03 484 62 62 Fax: 03 484 37 57 info@maeshoogwerkers.com www.maeshoogwerkers.com