Kalk voor de restauratie, renovatie en decoratie van ons patrimonium! UNILIT
CORIDECOR • CORICAL: een minerale verf op basis van vette luchthardende kalk, marmerpoeder en natuurlijke kleurstoffen
• Bindmiddelen op basis van natuurlijke hydraulische kalk om te metselen, voegen en pleisteren
• Marmerafwerkingen MARMOLUX, COR1STIL, DECORLUX, VENESTUK
• Kant en klare mortels op basis van natuurlijke hydraulische kalk
• Saneringsmortels tegen optrekkend vocht & vochtige muren • Thermische & akoestische isolatiemortels
HD SYSTEM
• Injectiemortels voor stabilisatie en statische verankering
GRUPPO TASSULLO spa
"hAiniere
2 Chris VOET Tel.: 052 46 02 43 Fax ; 052 46 35 77 GSM : 0475 26 72 89 K-mail : chris.voet'«;compaqnet.be
Maud BONNEVIE Tel ./Fax : 081 58 35 99 GSM : 0475 26 73 25 E-mail : maud.bonnevie'«sk>net.be
San c Rimedio
Arle Constructo bvba Molenberglei 18 B-2627 Schelle Tel.: 00 32 3 880 73 73 Fax : 00 32 3 880 73 70 E-mail infoWarteconstmclo.be Web : www.arteconstructo.be
Cow.' Alken, Bulsstraal 28. Zijgevel (foto 0, Pauvvels)
Abonnementsvoorwaarden 2005
Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving op rek. nr.091-2206040-95 van Monumenten £t Landschappen, Phoenix-gebouw, Albert ll-laan 19 (bus 3), 1210 Brussel met vermelding "MEtL-jaarabonnement 2005". U ontvangt dan alle nummers van het lopende jaar. E-mail: DianeP.torbeyns@lin.vlaanderen.be Zonder schriftelijke opzegging voor het einde van elk kalenderjaar, wordt een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang Tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd
4 ^?
Druk
Website Monumenten en Landschappen: www.monument.vlaanderen.be
Die Keure Oude Gentweg 108, 8000 Brugge Tel.; 050-47 12 72 - Fax: 050-34 37 68
Redactiecomité
België: 32 € (ook losse nummers verkrijgbaar voor 6 € ) . CJP'ers betalen: 27 € Buitenland: 49,50 €
n h o 11
Internet
Ere-voorzitter: E. Goedleven Voorzitter: L Tack Kernredactie: M. Buyle, M. Cells, L.. Tack, Herman Van den Bossche Redactie: A. Bergmans, J. Braeken, M. De Borgher, J. De Schepper, J. Gijselinck, E. Hofkens, C. Metdepenninghen, M. Michiels, D. Nuytten, G. Plomteux, S. Van Aerschot, Hedwig Van den Bossche, P. Van den Bremt, P. Van den Hove, Ch.Vanthillo, L. Wylleman
Verantwoordelijke uitgever Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Departement Leefmilieu en Infrastructuur Administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen Joris Scheers Afdeling Monumenten en Landschappen, Phoenix-gebouw Albert ll-laan 19 (bus 3) 1210 BRUSSEL Tel.: 02-553 16 13- Fax:02-553 16 12
Advertentiewerving J. Casier Maalsesteenweg 73, 8310 Sint-Kruis Tel.: 050-36 25 89 - Fax: 050-37 33 64 E-mail: casier.jan@tiscali.be - www.jancasier.be
De verantwoordelijkheid voor de gepubliceerde artikels berust uitsluitend bij de auteurs. Alle rechten voor het reproduceren, vertalen of herwerken zijn voorbehouden.
A
De restauratie van den Ezel, een gevel op de Grote Markt van Brussel Paulo Cordeiro en Marie-Noëlie Marrou
|
ÏB
1 5 Bedreigd erfgoed: vakwerkbouw in Limburg Jos Gyselinck
5 5 Raadsels en rafels rond het kasteel en het park van Veulen in Heers Chris D e Maegd
7 5 Summary
Loofde Heer,,, De vloerverrijzenis bestaat. Een oude natuursteen- of terracottavloer en een versleten parket zijn niet verloren. Solar nv renoveert vloeren en parket zonder breken. Het resultaat is vaak beter dan nieuw en toch blijven de kosten beperkt tot een fractie hiervan. Solar nv beschikt over het de producent van kaarten, databanken en luchtfoto's voor ruimtelijke ordening en stadsrenovatie historische kaarten: archief en reproducties
gespecialiseerde vakmanschap en hoogstaande technologie om uw vloer opnieuw in haar oorspronkelijke staat te brengen of te reanimeren met behoud van het historisch aspect.
m Bl^!
s
SCH INSTITUUT NATIONAAL GE INSTITUT GEOGRAPHIQUE NATIONAL
natuursteen-, terracotta- en parketvloeren... mat geworden, beschadigd, loopsporen,... Wij brengen Het verleden met glans terug V. BEL nu 03-766.11.66
slijpen - schuren - herpolijsten - kristalliseren - restaureren van natuursteen-, terracotta- en parketvloeren - wanden - trappen
m
Restauratie en Monumentenzorg
Dakwerken G. BOSCH
.» '*
f. f M l S^L-
- ^ ff
Algemene Dak- & Restauratiewerken Aartrijkestraat 109 - 8820 Torhout Tel. 050-21 10 85 - Fax 050-22 06 17 GSM: 0485-02 00 50 E-mail: geert@bvbabosch.be Site: www.bvbabosch.be
It."***'
Erkende aannemers onder nr. 24040 Reg. nr. 051511
Erkenning: Klasse 2 Ondercategorieën: D8 - D l 2 - D l 6 - D22 - D24
•
/^
Generiek Werelderfgoed gerestaureerd De Grote Markt van Brussel heeft zich sinds 1998 een plaatsje veroverd op de prestigieuze lijst van het Unesco Werelderfgoed. Reden genoeg voor de Stad Brussel om de barokke panden aan minutieus onderzoek en verantwoorde restauraties te onderwerpen. Paula Cordeiro en Marie-Noëlle Martou schetsen het verloop van het multidisciplinair onderzoek van de kleine gevel van den Ezel en de recente restauratie ervan.
Een huisje van hout en leem Snelle opbouw, goedkope materialen, eenvoudige hersteltechnieken en bovendien nog verplaatsbaar ook. Eeuwenlang waren niet alleen op het platteland, maar zelfs in de stadscentra huizen in vakwerkbouw alomtegenwoordig. De verstening van ons gebouwde patrimonium, vooral ingegeven door de angst voor het snel ontvlambare hout in stedelijke centra, zorgde voor een stille verdwijning van dit soort huizen. Jos Gyselinck trok zich terecht het lot aan van deze zeldzame relicten en presenteert enkele fraaie realisaties van met veel vakmanschap uitgevoerde restauraties.
Raadsels en rafels Chris Demaegd doet andermaal het verhaal van een historisch kasteeldomein in Zuid-Limburg: het kasteel en park van Veulen. Ondanks het overvloedig iconografisch en archivalisch materiaal is de interpretatie ervan eens te meer een werk van raadsels ontrafelen waarbij ook de lezer zijn verbeelding moet laten spreken.
Paula Cordeiro en Marie-Noëlle Mar to u
DE RESTAURATIE VAN DEN EZEL, EEN GEVEL OP DE GROTE MARKT VAN BRUSSEL • Voorgevel van het huis Den Ezel aan de Grote Markt in Brussel. na de restauratie
De Grote Markt
van Brussel groepeert
het gotische stadhuis huizen met aliure.
Het monumentaal
men dankzij
einde van de 17
heropbouw
op het de
eeuw en belangrijke
eeuwse restauraties.
In 1936 achtte
19 -
rijk genoeg om als monument Intussen ging de aandacht
te
belang-
beschermen.
van de markt
met de rijke gevels. In
volgde de bescherming 2002
erkenning
1977
Internationale
kwam er op 2 december
de inschrijving
kader
van alle gevels en in
deze van de interieurs.
1998
door de UNESCO van de
Werelderfgoed.
van het belang
van haar
erfgoed
en zich bewust van de snelle aftakeling, Stad Brussel in 1998
gaf de
aan haar Cel Historisch
Erfgoed (\) de opdracht
voor een aan de
bouwhistoriMarkt.
Doel was om aan de hand van een
objectief
overzicht
te komen
van de bewaringstoestand
tot een beter beheer van dit bijzonder
van de massa-
toerist vooral uit naar het prestigieuze
op de lijst van het
sche studie van de panden
men
alleen het stadhuis en het Broodhuis
Markt
Uitgaande
barokke
ensemble is er geko-
de ingrijpende de
rondom
met Crote
tecturaal
erfgoed
opklimmen
archi-
(2). Archiefdocumenten
tot het einde van de 19'''
die
eeuw
lieten toe om een inventaris
te maken
plattegronden
te tekenen van de
opeenvolgende interieurs.
en opstanden ingrepen
en
aan de gevels en de
•*
Oude opname van 1895 voor de grote restauraticcampagne ( © Stedelijk Museum en Stadsarchief Brussel)
•
De voorgevel
Opmetmgsplan van
Aanduiding van
vóór de restauratie
de verschillende
( © Stedelijk
de voorgevel door
Museum en
De Rons in 1737
Stadsarchief Brussel)
materialen en hun schadebeelden
barsten
^
]/
^
barsten op onzichtbare delen
^
(/ j /
schade op onzichtbare delen
^
^. ^
mossen op onzichtbare delen
ï
degradaties
herstellingen
1
iW
Vermits de Stad Brussel ingevolge een geschreven overeenkomst uit het einde van de 19 e eeuw (3) verantwoordelijk is voor de gevels van de Grote Markt, heeft zij onlangs een eerste geveldiagnose laten opstellen, met een identificatie van gebruikte bouwmaterialen, van verwering, van onregelmatigheden zoals scheurvorming, stuk springende natuursteen, oxyderende metalen onderdelen en de toestand van het voegwerk (4).
breuken
gedegradeerd hout
verroest metaal
Aansluitend op de geveldiagnose is een eerste gevelrestauratie aangevat van het stadseigendom den Ezel, gelegen Grote Markt 39. De smalle woning van twee traveeën en drie bouwlagen heeft een topgevel met gebogen fronton in laatbarokke stijl. Ter voorbereiding van de werf in 2001 - de restauratietechnieken moesten bepaald worden - werd wetenschappelijk en technisch onderzoek verricht naar de aard van de materialen, ziektebeelden en ingrepen en behandelingen uit het verleden. De restauratiewerf van nummer 39 staat trouwens model en geldt als pilootproject voor de restauratie van de
^n Reinigmgsproeven «J^C
en meting van de waterabsorptiegraad op de gereinigde delen
lic" J X' \ j - 1 ^
• Oude tekening
( © Stedelijk
van de gevel voor
Museum en
de bestelling van
Stadsarchief Brussel)
andere marktgevels. De werf van den Ezel ving aan in november 2003 en was afgewerkt in maart 2004.
stenen De gevel is opgebouwd uit diverse
KORT HISTORISCH DVFRZICHT
steensoorten: hier Balegemese steen met talri|ke sporen van herstellingen
Na het vernietigende bombardement van 1695 in opdracht van Lodewijk XIV bleven slechts een klein aantal funderingsmuren en overwelfde kelders en nog minder gevelopstanden overeind. Toch werden de panden aan de Grote Markt in een paar jaren heropgebouwd. O p het einde van de 19 dc eeuw kon men alleen maar vaststellen hoezeer de gebouwen onder tweehonderd jaar tumultueuze geschiedenis geleden hadden. Tijdens de doortocht van de sansculotten (6) in 1793 werden er panden geplunderd en gebeeldhouwde versieringen en inscripties verdwenen. Vooral het verwijderen van de topgevels en de niveauwijzigingen van de verdiepingen brachten de samenhang van de Markt in het gedrang. Burgemeester Karel Buis had reeds omstreeks 1850 oog voor de belabberde toestand van de marktgevels, maar het zou tot het einde van de 19 e eeuw duren vooraleer de stad een eerste restauratiecampagne van de gevels ondernam. De voorgevel van den Ezel werd naar aanleiding van deze campagne in 1913-1920 gedeeltelijk gereconstrueerd. Daarbij werden een reeks nieuwe bouwmaterialen en toepassingen geïntroduceerd. Zo werd het oorspronkelijke parement in Balegemse steen en hardsteen van het type Petit Grawrt gedeeltelijk gereconstrueerd in Gobertangesteen. De nieuwe dorpels, kalven en lateien werden gekapt in
M&L
Metalen verankering
Sondering die de
in de gemene muur:
precieze vorm
verdeelplaat zicht-
aangeeft van de
baar op de gevel
verankering
blauwe hardsteen. De ornamenten en het gebogen fronton van de gevelbekroning werden uitgevoerd in Euvillesteen. Men verstevigde het metselwerk enerzijds met ingewerkte stalen liggers om het gewicht beter te verdelen en anderzijds met zichtbare kleine, volle, vierkante metalen staven ter ondersteuning van de blauwe hardstenen lateien boven de raamopeningen. Tussen 1926 en 1966 herstelde men herhaaldelijk het schrijnwerk. In 1953 en 1954 werden gebeeldhouwde onderdelen van de gevel, die oorspronkelijk niet verguld waren, ongeacht de historische context, met het oog op de EXPO 58 toch met bladgoud belegd.
EERSTE BEVINDINGEN Na de historische studie volgde de fase van vergelijking van de archiefstukken - plannen, bestekken, meetstaten en dergelijke - met de gevel zelf. Zo kon een nauwkeurige lijst van de verschillende materialen opgesteld worden, met een volledige
beschrijving van de gevel. In die fase werden op verschillende plaatsen scheurmeters geplaatst. Er werd een stabiliteitsprobleem van de topgevel vastgesteld: de geveltop stond uit zijn lood en de steen was sterk aangetast. Dit was het gevolg van het inbrengen van metalen elementen tijdens de reconsttuctie van de gevel in 1913. Insijpelend water via openstaande voegen en beschadigde cementafdekkingen hadden het ijzer doen roesten en uitzetten met zware scheurvorming, stukspringend gesteente en structurele problemen tot gevolg. Behalve dit structureel probleem, was er ook de natuurlijke aftakeling van de natuursteen, veroorzaakt door blootstelling aan weer en wind en door luchtvervuiling. De natuursteensoorten waren in feite alle zwaar aangetast en hadden daarenboven elk een eigen patine gekregen als gevolg van verschillende verouderings- of erosieprocessen. De Balegemse steen, waarvan het oppervlak met de T Eenproefstaai
optische microscoop:
(huidige kleur),
Stratigrafische
eikenhouten schrijn-
uitvergroot van 25
bijna zwart bruin
donkerbruin (1953?), getinte vernislaag
sondering op het
werk
tot 4000 x in de
aan het oppervlak
glanzend bruinzwart
T
(1939?), originele
Drum getinte vernis waarschi|nti|k 2 lagen) venstermastiek
«M
r
5-7
H
M Observaties van de
CaCO,) 3. helder
doorsneden onder
geel (zwarte korrels,
optische microscoop:
witte en grote
7. metaalblad (Au),
doorschi|nende kor-
6. bruine transpa-
rels), 2. bruin-zwart
rante laag: mixtion
(zwarte, bruine, wit-
zonder toevoeging,
te en rode
5. bruine oker,
- vuilafzetting? -
4. fi|nc laag rood:
korrels), I. beige
kleine korrels geel
(groene en okeren
en rood (Fe|0j.
korrels)
jaren sterk erodeert, was moeilijk te identificeren omdat hij over het algemeen met een cementmortel plaatselijk gepleisterd was. Het parement in Gobertangesteen heeft een laagdikte van minder dan 15 cm, met zeer dunne voegen. Deze steen was erg door pollutie aangetast. Ingevolge inwerking van de zure regen was het gladde steenoppervlak ruw geworden door uitslijten van de zachtste zones. Daar zijn op regelmatige lagen verstoringen in het gesteente zichtbaar, veroorzaakt door levende organismen. De Euvillesteen was dikwijls erg bevuild en soms zwaar aangetast. Deze natuursteen is niet vorstgevoelig maar lijdt sterk onder de zwavelverbindingen die in stedelijke milieus geproduceerd worden. De aftakeling — het verkorrelen van de steen — manifesteerde zich onder de vorm van woekeringen, vooral op de uiteinden en uitspringende delen van de gesculpteerde elementen. Het beeldhouwwerk in Euvillesteen bleek zwaar geërodeerd en sterk vervuild. De niet beregende delen waren bedekt met zwarte korsten. Ook de vergulding op de ornamenten was in slechte staat. De blauwe hardsteen verkeerde daarentegen over het algemeen in goede toestand. Toch trof men stylolieten aan, een steengebrek dat vaak in kalkgesteente voorkomt als een grillig vertand grensvlak, ook brandlaag genoemd. De profileringen, de cordonlijsten en de hoofdgestellen waren sterker aangetast dan de vlakke stukken. De uitspringende delen waren over het algemeen afgedekt met een beschadigde of verdwenen cementlaag of bladlood.
M&L
VOQRBEREIDFNDE STUDIFS De voorbereidende studies namen 6 maanden in beslag. De samenwerking tussen diverse specialisten en de analyse van verschillende monsters lieten toe om alle bouwmaterialen te identificeren, hun bewaringstoestand te onderzoeken en de verschillende verouderingsprocessen te omschrijven.
Stabiliteitsstudie De stabiliteitsstudie van het gebouw wees uit dat de gevel geen direct gevaar opleverde, met uitzondering misschien van het bekronend boogvormig fronton dat uit zijn lood stond. De scheurmeters wezen echter uit dat de zettingen zich gestabiliseerd hadden. Nochtans noodzaakte de uitzetting door het verroest metaal het demonteren van de geveltop en de vervanging van de gecorrodeerde stalen liggers.
Analyse van de steensoorten, hun bewerking en hun merktekens De identificatie van de steensoorten door een deskundige in Belgisch gesteente bleek zeer interessant. Het verhaal van de blauwe hardsteen en de witsteen van de gevel bleek veel gevarieerder dan uit de eerste observaties bleek: een deel van de natuursteen was namelijk hergebruikt na het bombardement van 1695. De meeste blauwe hardsteen is van het gebruikelijke type van de Petit Gmnit, maar een klein gedeelte is van de variante Petit Gmnit du Bocq. Beide steensoorten zijn gefrijnd, zij het met kleine verschillen in de afwerking, namelijk in de regelmaat en de spatiëring van de frijnslag of in de breedte en evenwijdigheid van de randslagen. Bovendien werden op de vierkante sokkels van de balusters van de tweede verdieping grote ingekraste merktekens gevonden. Deze steenmerken lijken te verwijzen naar de initialen van steenkappers die in de overgangsjaren van de 17 L naar de 18 e eeuw actief waren. Ook bij de witsteensoorten bleek de realiteit complexer dan het archiefonderzoek had uitgewezen. Naast de Balegemse steen met zijn talrijke sporen van herstellingen, treft men - conform de beschrijvingen van de restauratie uit het begin van de 20''tc eeuw — Gobertange- en Euvillesteen aan. Maar de meeste vergulde kapitelen, volgens het bestek te vervangen door Balegemse of Gobertangesteen, bleken te bestaan uit een zeer fijnkorrelige krijtachtige steen, rijk aan glauconiethoudende kristallen, die doet denken aan Avesnessteen. Uit de archieven is gekend dat deze steensoort veelvuldig gebruikt werd voor de Grote Markt.
Deze vaststellingen laten toe te besluiten dat niet alle blauwe hardsteen vervangen is tijdens de restauratiecampagne van 1913-1920, maar dat sommige oorspronkelijke elementen werden bewaard of herplaatst. Hetzelfde geldt voor de parementen in Balegemse steen en waarschijnlijk ook voor kapitelen -wellicht in Avesnessteen- die uit de oude gevel gerecupereerd zouden kunnen zijn.
Microscopische analyse van de natuursteensoorten, reinigingsproeven en controle ter plaatse van het water opslorpend vermogen van de gereinigde oppervlakken Door kernboringen met diamanten gereedschap ( 0 50 mm) werden boormonsters genomen. De verschillende soorten witte steen werden geanalyseerd met macroscopisch en microscopisch onderzoek: de gevelparementen zijn in Balegemse en Gobertangesteen, beide kalkzandstenen die rijk zijn aan microfossielen, en de gesculpteerde delen van de gevel zijn in Euvillesteen, een kalksteen die rijk is aan fossielen van de zeelelie (crinoïden). Er werden proefreinigingen uitgevoerd met de wervelrotatietechniek onder lage druk en met de microzandstraal. Twee granulaten zijn uitgeprobeerd: kalkspaat (calciet) (Dural 130) en olivinezand van vulkanische oorsprong, bestaande uit magnesium en ijzer(neso)silicaten. Olivinezand leverde het beste resultaat op. O p de gereinigde proefvlakken werden absorptieproeven uitgevoerd om na te gaan in hoeverre een hydrofuge behandeling nodig was. De gebruikte meetmethode was overeenkomstig de internationale richtlijnen van het RILEM (7), met glazen pipetten en water onder lage druk. De meetproeven toonden aan dat de gevel wellicht eerder al een keer gehydrofobeerd was, waarschijnlijk naar aanleiding van een eerder gevelonderhoud. Die behandeling bleek tot op vandaag nog steeds
( . ' v: I É M M
1
hM
oude steenherstellingen aan op de Balegemse steen. Volgens de archieven gebruikte men daarvoor Bretagna, een toen veel aangewende metaalcement (8). Men heeft stalen genomen van de metselspecie waarmee de Balegemse en de Gobertangesteen opgetrokken zijn. Microscopisch onderzoek en chemische proeven wezen uit dat de samenstelling van de mortels visueel vergelijkbaar was en dat ook de chemische samenstelling overeenkwam. Men heeft een bastaardmortel gebruikt die bestaat uit circa 200 kilogram Portland cement (tussen 188 en 207 kilogram) en circa 240 kilogram gebluste kalk (van 242 tot 244 kilogram) per kubieke meter zand. De porositeit is eerder hoog: 30 % van het volume.
Lokalisatie van de stalen verankeringen in de gemene muren Het inbrengen van een nieuw stuk
afdoende. De goede waterafstotende eigenschap van de gevel verhindert nochtans geenszins latere toepassingen, op voorwaarde dat men producten op basis van organische solventen gebruikt.
Analyse van de gevelmortels Het gevelparement is opgebouwd uit verschillende witstenen en hardsteen zoals Balegemse steen, Gobertange en Euvillesteen en Petit Granit. Het voegwerk verschilt in dikte al naar gelang de steensoort. Men treft zoals hoger vermeld ook tal van
Met de metaaldetector kon het juiste aantal, de plaats en de lengte van de muurverankeringen ter hoogte van de gemene muren bepaald worden. Slechts enkele ankerplaten duiken op in de gevel. Steekproeven hebben de precieze vorm van het muurankers opgeleverd. Aan het ene uiteinde zit het anker met lood gevangen in een groot blok witsteen, dat in het baksteenmetselwerk van de gemene muur is ingewerkt. Aan het andere uiteinde is het platstaal van het muuranker progressief omgesmeed tot draadstang waarbij een moer de verdeelplaat in de gevel op zijn plaats houdt.
M&L
Analyse van de verf- en vernislagen op het houtwerk en van het verguldsel op het beeldhouwwerk Stratigrafisch onderzoek en puncties (vrijleggen van de oorspronkelijke laag) werden uitgevoerd op het schrijnwerk en op de decoratieve elementen in vergulde steen. Het stratigrafisch onderzoek van de afwerkingslagen van het eiken schrijnwerk bracht ondet een donkerbruine verflaag een oude, bruingetinte vernislaag aan het licht. Een zelfde onderzoek van de vergulde elementen leverde slechts één laag verguldsel op die volgens historische documenten waarschijnlijk uit 1953 dateert.
DF RESTAURATIFWERF De voorbereidende studie heeft mede de restauratieopties voor de gevel bepaald: conservering en maximaal behoud van de bestaande toestand en van alle sporen die de geschiedenis van de gevel illustreren. Een stuurgroep van experten en leden van de Koninklijke Commissie voot Monumenten en Landschappen volgden de werf. De restauratie zelf verliep in twee etappes: enerzijds de demontage van de geveltop en de restauratie van de onderdelen in het atelier en anderzijds de reiniging en het herstel in situ van de rest van de gevel. O m d a t de voorgevel van den Ezel op de Grote Markt uitgeeft, ging speciale aandacht naar de werfinrichting. Een zeil met een levensgrote kleurenreproductie van de Marktgevel werd aan de buitenstelling bevestigd.
M&L
Het demonteren van de geveltop Hieraan ging een gedetailleerde opmeting vooraf, waarbij ook alle stenen genummerd werden. Van elke gedemonteerde steen werd een fiche opgemaakt met foto's, een nauwkeurige opmeting en een beschrijving van de belangrijkste behandelingen (afwerking, invullingen, vervangingen, . . . ) . De natuurstenen waren geassembleerd met metalen, in lood verankerde doken die bij de demontage doorgezaagd werden. O m de vervanging van de gecorrodeerde stalen profielen mogelijk te maken werden de geveltop tot op dat niveau gedemonteerd. De gedemonteerde stukken werden afgevoerd naar het atelier om gerestaureerd of gedeeltelijk of geheel vervangen te worden. De te bewaren stukken werden ook met de lagedrukwervelrotatie techniek gereinigd. Twee aspecten zijn belangrijk voor de behandeling van de stenen: de vraag naar bewaren en/of vervangen en de bewaringstoestand van het materiaal an sich. Sterk verweerde steen wordt alleen vervangen als steenverharding en masticage het verder afbrokkelen van de steen niet kan verhinderen of slechts op korte termijn kan tegenhouden. De sterk aangetaste architecturale lijnen werden gereconstrueerd door de scherpe hoeken met restauratiemortel te modelleren of door invoeging van bewerkte nieuwe steen in de originele natuursteen. Omdat de enige nog overgebleven steengroeve geen Gobertangesteen van voldoende hoogte kan leveren werd vervangen met Massangissteen.
Bi|gewerkt kapiteel
Kapiteel tijdens het
vóór het vergulden
vergulden in sltu
Het gedecapeerde
A Het raam
derd raamwerk voor
raam tijdens het
na restauratie
de restauratie
vernissen
Een bruin geschil-
De stalen liggers werden vervangen door roestvrijstalen profielen. De roestvrijstalen doken werden vastgezet met chemische ankers. De stenen werden waterpas herplaatst zodat de geveltop nu loodrecht staat. Voor het metsel- en voegwerk werd een bastaardmortel gebruikt, waarvan de samenstelling door voorafgaande proeven bepaald werd. Het gesculpteerde fronton in Euvillesteen verkeerde in een dermate slechte staat dat op voorstel van de begeleidingscommissie beslist werd om het te vervangen door een identieke steensoort. Daartoe werden de oorspronkelijke verweerde blokken met de grootste zorg op basis van clichés uit het Brussels stadsarchief met plaaster bijgewerkt. De nieuwe blokken werden daarna volgens de pantograafmethode gerealiseerd, waarbij de ene arm het originele blok aftast en de andere het identiek in het nieuwe blok uitfreest. De nieuw gebeeldhouwde blokken werden daarna met torengoud verguld (9). De gesculpteerde delen van de gevel werden zorgvuldig met een hijskraan herplaatst.
De restauratie in situ Na de gevelreiniging kwamen de goede bewaringstoestand van het parement en de talrijke herstellingen uit de vorige restauraties duidelijk in beeld. De werkzaamheden richtten zich bijgevolg vooral op punctuele ingrepen. De verweerde profilerin-
gen, cordonlijsten en hoofdgestellen werden met restauratiemortel bijgewerkt. O p de horizontale vlakken van de uitspringende gevelonderdelen werd nieuw lood geplaatst. Ter hoogte van de eerste verdieping werden de blauwe hardstenen balusters gedemonteerd en in het atelier gerestaureerd. O m het stuk breken te vermijden zijn in de sterk gebarsten exemplaren ter versteviging roestvrijstalen draadstangen geïntegreerd, waarna de natuursteen met restauratiemortel is bijgewerkt. De gescheurde vensterlateien in blauwe hardsteen werden met kruiselings geplaatste roestvrijstalen stangen verstevigd. De kleine barsten werden geïnjecteerd met een epoxyhars met lage viscositeit. Stukken van de muurverankeringen in de gevel werden deels vervangen door roestvrij staal. Andere smeedijzeren onderdelen als muurankers, doken en metalen liggers werden zorgvuldig gezandstraald en behandeld met een antiroestmiddel. De niet gedemonteerde decoratieve onderdelen van de gevel werden met restauratiemortel geretoucheerd en ter plaatse verguld. Het oppervlak de nieuwe, de bewaarde of de verharde stenen werd met een hydrofuge oplossing op basis van methylalkoxiloxaan behandeld. De eikenhouten vensterramen werden erg zorgvuldig met een afbijtmiddel behandeld. Daarna werden hiaten in het raamwerk met nieuwe stukken in dezelfde houtsoort ingevuld. Tenslotte werd het geheel met een bruin getinte vernis, op basis van de
M&L
resultaten van het stratigrafisch onderzoek, afgewerkt. De mastiek die in goede staat verkeerde, werd in dezelfde kleur als het houtwerk geschilderd.
7. RILEM is het acroniem voor het in 1947 in Parijs opgerichte Reunion Internationale des Lahoratoires et Experts des Matértaux, Systèmes de Constructions et Ouvrages 8. Deze mortel was bedoeld om de voegen tussen de stenen hermetisch op te vullen, om beschadigde stukken te herstellen en zelfs
RESLUil
om gebreken te maskeren 9. Op twee lagen grondverf werd een mixtion op oliebasis en blad-
De historische studies, aangevuld met terreingegevens (opmeting van materialen, ziektebeelden, gegevens over recente zettingen) en wetenschappelijke analyses gaven een vrij goed beeld van de geschiedenis en de bewaringstoestand van de gevel van den Ezel vóór de restauratie. De voorafgaande onderzoeken waren belangrijk omdat zij de vaststaande opvattingen in vraag stelden en aanvulden en zo het uitgangspunt vormden van de restauratie. Zonder echt vernieuwend te zijn is deze werkmethode van fundamenteel belang zowel voor de restauratiepraktijk in het algemeen als voor het terreinwerk zelf. Toch wordt zij bij gebrek aan tijd en middelen nog steeds te weinig toegepast. Deze aanpak liet toe om de restauratie te focussen op het maximaal behoud van de gevelelementen. O p deze restauratiewerf werd de methodologie in de praktijk toegepast en kan aldus uitgebreid worden tot de andere gevels op de Grote Markt. (vertaling Herman Van den Bossche)
Paula Cordeiro en Marie-Noëlle Marton zijn architect bij de Cel Historisch Patrimonium, Stad Brussel
FINDNOTEN
goud van minstens 23,4 karaat aangebracht
Technische fiche Bouwheer: Stad Brussel Ontwerp en leiding van de werken: Stad Brussel, Departement Stedenbouw, Dienst Architectuur, Cel Historisch Erfgoed Voorafgaandelijke studies 2001 — Structurele analyse: Origin, M. Provost, M. Wertz — Visuele analyse van steentypes, -bewerking en merken: F. Tourneur — Microscopische analyse van de natuurstenen en controle in situ van de waterabsorptie op gereinigde oppervlakken: C S T C , A. Pien — Mortelanalyse: KULeuven, prof.dr.ir. K. Van Balen — Analyse van de metalen elementen: VUBrussel, prof.dr.ir. J. Vereecken, A. Roelandt — Stratigraftsche studie van het schrijnwerk en de vergulde stenen van de gevel: AAC se, M. Decroly
1. De Cel Historisch Erfgoed is in 1996 opgericht in de schoot van de dienst Architectuur van het departement Stedenbouw van de
Werf:
Stad Brussel
oktober 2003-mei 2004
2. De studie nam 2 jaar in beslag en mondde uit in een publicatie: HEYMANS, V. Les matsons de la Grand' Place de Bruxelles, CFC- Aannemer: éditions, Collection Lieux de Mémoire, 2001.
Galère s.a.
3. Ter gelegenheid van de restauratiecampagne aan het einde van de 19 ' eeuw legde de Stad Brussel in 1883 een erfdienstbaarheid op
Aanbestedingsbedrag: 229 014, 92 €
die haar toeliet alle wijzigingen aan de gevels op de Grote Markt aan een voorafgaande goedkeuring door haar diensten te onderwerpen 4. Inspecties vonden plaats in 2000, 2001 en in 2002 vanop een hoogtcwerker 5. Hiervoor werd een stelling tegen de gevel geplaatst 6. Sansculotten, bijnaam van de revolutionairen van de Franse revolutie
Met toelagen van: — Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest — Administratie van Ruimtelijke Ordening en Huisvesting — Directie Monumenten en Landschappen
Jos
Gyselinck
BEDREIGD EREGOED: VAKWERKBOUW IN LIMBURG
In de Demervallei ende landschap
en temidden
Voerstreek zijn gave en authentieke gebleven.
van het
van Haspengouw
glooi-
en de
kerken en kapellen,
kastelen
liggen kleinere en grotere lonerswoningen, constructies,
waaronder
temidden
landen en omhaagde
en
romantisch
rond
bouwhistorisch
watermolens
hoeves en dagveel
Dit bouwhistorisch mende slopingen,
erfgoed
wei-
Ook in de
Loonse steden zijn er nog heel wat tale relicten in stijl- en regelwerk
aspect,
(Brussel, Koninklijke
boomstammen.
Bibliotheek,
monteren van het
Hs. 9242, fol. 232)
houten skelet.
(gepubliceerd n M.
opvullen met
BUriE, T. COOHANS,
vlechtwerk en
J. ESTHER en L.-E.
pleister. Miniatuur
GENICOT, Gotische
uit Les dironiques de
orchitectuur m België,
Hoinout (1465-70)
Tielt, 1997, p. 186)
beton- en
weggelegd.
heeft niet alleen
een
maar is eerst en vooral
fenomeen
constructieprincipes steen-,
Guise
bewerking van de
waarvan
een
de
de basis vormen van de metaalbouw.
vakwerk-
van boomgaarden, moestuinen.
een taak is
Deze houtskeletbouw
bewaard
Verspreid of geconcentreerd
van Jacques de
dat hier voor Limburg en voor
monumentenzorg
landbouwlandschappen
dorpen en gehuchten
Vlaanderen,
De constructie van een vakwerkwoning:
monumenbewaard.
is ondanks
zo rijk en zo uniek
toenevoor
Hout- en leembouw is van alle tijden. De vroegste materiële restanten van met leem bestreken vlechtwerkwanden worden gelokaliseerd in de prehistorie. In de periode van de bandkeramiek (4500-4000 voor Christus) bouwt men woningen op rechthoekig grondplan, afgedekt met een dak dat gedragen was door drie rijen dikke palen. De buitenwand
Uit de inventarisatie van het bouwkundig erfgoed in Vlaanderen blijkt dat houtbouw of resten ervan in heel Vlaanderen voorkomen, maar dat alleen in Limburg nog vele honderden panden bewaard bleven. Houtbouw is aanwijsbaar in de Kempen, het Maasland, in Haspengouw en in de Voerstreek., telkens met een streekeigen densiteit, typologie, bouwwijze en leemtechniek. De rijkste relicten van vakwerkbouw treft men aan in Midden-Limburg. In vochtig-Haspengouw en in de alluviale vlakte van de Demer, waar de overgang van de leem- naar de zandleemstreek plaatsvindt, treft men de belangrijkste concentraties aan in de gemeenten Alken, Diepenbeek, Kortessem, Sint-Lambrechts-Herk, Stevoort, Wellen, Ulbeek, Zepperen. Dit historisch bestand aan vakwerkgebouwen neemt reeds eeuwenlang gestadig af, maar is vooral de laatste decennia zwaar bedreigd.
• Detail van het
zien zijn
schilderij met de
(Tongeren, stads-
brand van Tongeren
archief, foto Dienst
in 1677, waarop
Monumentenzorg
talrijke panden in
Tongeren)
houtleembouw te
VERSTENING
bestaat uit een rij lichtere palen met een vlechtwerk van takken met leem. Deze leembouw is ook aanwijsbaar in de Brons- en de Ijzertijd. Het streven naar een vaste constructievorm is een constante in de evolutie van vlechtwerk- naar vakwerkbouw. Het integreren van vlecht- en leemwerk in een houten skelet is eigenlijk het begin van de vakwerkbouw. Over het tijdstip waarop dit gebeurde, bestaan verschillende meningen. Bij opgravingen in Tongeren worden regelmatig restanten gevonden van leembouw uit de Romeinse periode (1). Wij mogen aannemen dat de vakwerkbouw in Vlaanderen ingang vindt tussen de 11 ': en de 15 t: eeuw en een hoogtepunt bereikt tussen de 14 c en de I 6 d c e e u w ( 2 ) .
Pand Dommers-
T
1VI&L
Pand De dry
volledig versteend
Dragonders in
vakwerk
Hasselt:
(foto J. Gyselinck)
hausen in Tongeren: versteende voorgevel (foto J. Gyselinck)
De geleidelijke verdwijning van de vakwerkbouw uit de stedelijke context werd vooral ingegeven door de reglementering en voorschriften inzake brandgevaar vanaf de tweede helft van de 1 T * en het begin van de 18 '; eeuw (3). Deze brandvoorschriften leidden tot een vooruitschrijdend versteningsproces en het systematisch verdwijnen van
schitterende vakwerkconstructies uit de Limburgse steden. De huidige waardering voor deze houten constructies is duidelijk niet van alle tijden, zoals blijkt uit een handgeschreven voetnoot aan het einde van een werk van Lambert de Heers (4): "In 1793 waeren de stadt Luyk en de klyne steden des lands soo als alle dorpen de lelykste plaetsen van gants Nederland... met daken als toorens, planken huysen veel met stroo gedekt, in de dorpen meest leeme en haute huysen met stroo gedekt, ware kotten. In St-Truyden waren noch gansche straten met houte huysen soo als ook te Hasselt".
Grote saneringsoperaties hadden plaats in de 19 e en de 2 0 ^ eeuw. J. Melchior (5) vermeldt in zijn onuitgegeven handschrift van 1920 over de geschiedenis van Hasselt een lijst van 76 vakwerkgebouwen waarvan 22 met overkraging. Hiervan resteren er momenteel nog amper een zevental. In landelijke gemeenten is de situatie anders. Zelfs in 1920-1930 wordt nog in vakwerk gebouwd, terwijl de eerste stenen gebouwen pas rond 1880 verschijnen. Bovendien hebben wij kunnen vaststellen dat het unieke landelijke vakwerkbestand in vochtigHaspengouw sinds de jaren '70 van de vorige eeuw, het slachtoffer werd van een gestage afbraak.
M&L
VFRDWIJNING Verschillende factoren liggen aan de basis van het systematisch verdwijnen van vakwerk. Een eerste oorzaak is te vinden in de opkomst van de baksteenbouw en de nood om een stenen huis te hebben. Zelfs nu nog wordt verteld dat men zich schaamde om in een lemen huisje te wonen. Niet te onderschatten is bovendien de achteruitgang van het timmermansambacht. Dit tekort aan hout- en leembouwvaklui wordt momenteel als schrijnend aangevoeld vooral bij de restauratie van dergelijke architectuur. Vervolgens is er de degradatie van de gebouwen, veroorzaakt door fysische en biologische factoren die het hout aantasten. Bouwfysische aspecten zijn: opstijgend vocht waardoor de muurplaten en de onderkant van de stijlen worden aangetast, belangrijke verzakkingen met breuk en uitbuiging tot gevolg, slecht uitgevoerde en niet veerkrachtige vullingen, niet waterdichte leemmengsels, uitgeregend leemwerk met steeds weerkerende onderhoudsproblemen, onvoldoende dichting van de vakvullingen. Dit is trouwens de reden waarom het leemvlechtwerk in de loop der tijden systematisch vervangen werd door steenmateriaal als baksteen en betonblokken. O p deze wijze wordt de constructie overmatig verzwaard, de elasticiteit van de houtconstructie en van de knooppunten aangetast en openingen gecreëerd voor insijpelend water. Er is bovendien de biologische aantasting van het hout door schimmels, zwammen en houtbotende insecten en dit niet alleen in het stijl- en regelwerk en het dakgebinte, maar ook in het vitswerk.
Borgloon, Markt 5:
oorspronkelijke
ankerbalk met pen
houten gevel
en pengat van
(foto J. Gysellnck)
korbeel wijst op
Er is vooral de druk vanuit de stedenbouwkundige hoek. De hoeves zijn opgenomen in woonzones waarbij de aanpalende percelen verkaveld worden en daardoor financieel renderen, terwijl de hoeve in kwestie ingesloten geraakt en de eigenaars tot verkoop en afbraak worden genoopt. Meestal liggen de gebouwen in een landbouwzone, zijn niet meer bruikbaar voor een modern landbouwbedrijf en gaat de landbouwfunctie achteruit of verdwijnt. De gebouwen worden zonevreemd. Alleen een wettelijke bescherming kan er toe bijdragen om dit bedreigd erfgoed te redden. Tenslotte is er bij de bewoners of bij de kandidaatkopers van dergelijke panden onvoldoende inzicht in de herbestemmings- en renovatiemogelijkheden: hoe restaureren, hoe isoleren, hoe wanden invullen, hoe aanpassen aan de hedendaagse noden, hoe eventueel uitbreiden? De meeste betrokkenen zijn niet overtuigd van de erfgoedwaarde, twijfelen aan de mogelijkheid van een verantwoorde renovatie, kennen geenszins de financiële implicaties of voeren neprestauraties uit waardoor de gebouwtjes onherstelbaar worden aangetast of verbouwd tot hopeloze 'fermettes'. Anderzijds kan men vaststellen dat vooral jonge mensen geïnteresseerd zijn in het behoud van deze gebouwen omdat ze hierin een vorm zien van ecologisch bouwen met natuurlijke materialen zoals hout en leem en omdat ze de kwaliteiten van houtbouw onderkennen.
BESCHERMING: STEDEN VERSUS PIATTELAND In de steden zijn de meeste houten gebouwen beschermd, voor zover ze niet verscholen zitten achter stenen gevels. Een doorgedreven bouwhistorisch onderzoek van panden in de steden zal nog heel wat restanten van houtbouw aan het licht brengen. In de stad Borgloon werd bij het onderzoek van verschillende panden in het centrum vastgesteld dat er nog veel houtbouw aanwezig is en dat alleen de voorgevel versteend was. Voorbeelden hiervan zijn het pand aan de Markt 5 dat reeds in de 17 ' eeuw een stenen voorgevel kreeg, de 18 ';eeuwse stadshoeve aan de Kortestraat 9 met 19 eeuwse voorgevel en Abbeelplein 13 met classicistische gevel (6). Het pand De vier seizoenen aan de Steenstraat 1 is het enige restant van een gebouw in overkraging. In de stad Hasselt is er nog een beperkte rijkdom aan vakwerkgebouwen; 't Sweert, Grote Markt 3,
M&L
•4 Maaseik, Grote Kerkstraat 6: zl|gevel van een 15'" eeuws diephms met overkragmg in voor- en achtergevel (foto 0. Pauwels)
'tLeerske, Havermarkt 4, Het Hemelrijk, Hemelrijk 13, De Molensteen, Hoogstraat 26, De Groote Pelicaen. Kapelstraat 43, De Pasteye, Maastrichterstraat 35 en De Dry Dragonders, Zuivelmarkt 2 en Boterm a r k t 2 8 (7). In opdracht van het stadsbestuur van Maaseik werd tussen 1992 en 2001 een bouwhistorische inventarisatie uitgevoerd van de bebouwing rond de Markt (8). Hierbij zijn relatief veel monumentale restanten van vakwerkhuizen aan het licht gekomen. Het zijn meestal gedeelten van gotische diephuizen daterend van de vroege 15 L tot de late 16 e eeuw die de stadsbrand van 1684 hebben overleefd: breedhuizen met de nok evenwijdig aan de straat, diephuizen met de topgevel aan de straat of diephuizen met een hoge dwarskap evenwijdig aan de straat. Recent kwam bij de afbraak van een pand aan de Grote Kerkstraat 6, de zijgevel vrij van een laatmiddeleeuws diephuis met overkraging in de voor- en achtergevel. Uit dendrochronologisch onderzoek van een houtstaai blijkt dat de boom gekapt werd in de winter van 1490/1491 (9), zodat
•4 Maaseik. Grote Kerkstraat 2: reconstructie op basis van aanwezige sporen; vergelijkbaar met de vorige gevel (reconstructietekening uit ft GLAUDF HANS, Verborgen vakwerk, p. 20)
: /
IEjM f/
ML
1
rmJÊÊ •
9^ >
i
het pand vermoedelijk dateert uit het einde van de 15 e eeuw. Duidelijk herkenbare en beschermde vakwerkconstructies zijn het gotische In tMoelevelt uit 1575-1580, gelegen op de hoek van de Bosstraat en de Halstraat, het 16 tc -eeuwse hoekhuis aan de Vullerstraat 37 en een 17 e -eeuwse stadsboerderij aan de Schillingstraat 35 (10). In Sint-Truiden werd een tiental jaar geleden in de Beekstraat een wettelijk beschermd vakwerkgebouw in overkraging wederrechtelijk afgebroken. In de binnenstad resteren nog een breedhuis in overkraging aan de Gootstraat 11-13-15, een aantal vakwerkgebouwen achter de zogenaamde Sint-
Martinusherberg aan de Tiense straat (11) en het 4 niet beschermde pand De Beek aan de Beekstraat. H In 't Noelevelt: In het Begijnhof liet het Provinciebestuur de laatste gotisch hoekpand schamele vakwerkhuisjes verkrotten en tenslotte (foto 0. Pauwels) slopen. Momenteel is er in het Begijnhof nog één gedeeltelijk versteend vakwerkgebouw in restauratie. Pand nr. 29 bestond oorspronkelijk uit een breedhuis en een vrijstaande schuur die dwars ten aanzien van het hoofdvolume is ingeplant en door voortdurende aanpassingen er een eenheid mee is gaan vormen. Vele andere panden in de binnenstad hebben nog een houten kern. Recent werd vastgesteld dat het pand op de Houtmarkt 21 een gedeeltelijk versteende vakwerkconstructie is.
CONSTRUCTIEWIJZE Een vakwerkconstructie is in essentie een houten skelet bestaande uit een huisstoel en een dakstoel en opgericht op een stenen fundament. Dit fundament, ook dwergmuur of plint geheten, diende het hout te beschermen tegen het opstijgend vocht en vormde reeds een eindpunt in een lange evolutie. Voorheen ging het immers om palenbouw met tussenin vlechtwerk waarbij de palen rechtstreeks in de grond werden ingeplant. O p het fundament liggen gebintstijlvoetplaten die met elkaar verbonden zijn met een halfhoutse overkeping. In de voetplaten zijn de gebintstijlen geplaatst en bovenaan afgedekt met een gebintplaat. De stijlen zijn verbonden met wandregels. Zo ontstaan de wandvakken die worden opgevuld met vlechtwerk en overdekt met leem. De
stijlen van de voor- en achtergevel worden met elkaar verbonden via dwarse ankerbalken zodat een raam ontstaat dat zijn stijfheid krijgt door het plaatsen van korbelen wanneer het gaat om tussengebinten zonder wand en door de plaatsing van gebintbalkschoren wanneer het gaat om een topgevelgebint of een tussengebint met wand. De dakstoel wordt gevormd door een variërend aantal gebinten, opgebouwd op de ankerbalken, ankerbalkgebinten genoemd, die te samen met de verticale wandstijlen de lengte en het aantal traveeën van een gebouw bepalen. O p de ankerbalk staat een ankerbalkstandjuk of een dekbalkjuk.
• Terminologie (tekening Marijke Willaert)
T Maquette Ridderstraat 10 in Alken (foto ClymansOederck)
1 2 3 4 5
stijlvoetploat gebintstijl gebinttussenstijt gebintbalkschoor onkerbalk
6 7 8 9 10
onderregel wandregel gebintplaat Jukstljl juktussenstijl
11 12 13 14 15
blokkeel jukstijlschoor nokstljlschoor nokstijl nokgording
M&L
In de binnenstad van Tongeren resteren nog het zogenaamde Spaans Huis, Muntstraat 13 en de panden genaamd Dommershausen, Maastrichterstraat 26-28, twee parallelle gotische diephuizen met stenen achtergevel (12). In het begijnhof worden in verschillende panden, tussengevels en binnenstructuren in vakwerk aangetroffen. Toen evenwel werd vastgesteld dat bijvoorbeeld in de landelijke gemeente Alken het in 1980 geïnventariseerde vakwerkbestand, dat toen nagenoeg 360 items bedroeg, twintig jaar later tot ongeveer de helft was gereduceerd en dat er van de vakwerkgebouwen in de gemeente Diepenbeek dat in 1975 circa 135 goede exemplaren telde, vijfentwintig jaar later nog slechts enkele kwalitatieve overblijven, hebben wij het initiatief genomen om de landelijke houtbouw systematisch doch selectief te beschermen. Slopingsaanvragen werden ongunstig geadviseerd en slopingsweigeringen werden gekoppeld aan beschermingsvoorstellen. Kandidaat-kopers of eigenaars dienden overtuigd van de mogelijkheden tot behoud en renovatie.
SELECTIECRITERIA VOOR BESCHERMING Bij de selectie van vakwerkgebouwen werden volgende criteria vooropgesteld: gaafheid, authenticiteit, zeldzaamheid en context- of omgevingswaarde. Gezien het hier gaat om skeletbouw, wordt met gaafheid in de eerste plaats de volledigheid van het vakwerkgeraamte beoogd. Daarnaast moet de gaafheid ook blijken uit de binnenindeling van de woning met inkom, woonkeuken en kamer met gemeenschappelijke schouw, opkamer en kelder, meestal afleesbaar in de gevelordonnantie. Belangrijk is bovendien de totaalconstellatie met bijgebouwen die in L- of U-vormige, semi-gesloten of gesloten aanleg voorkomen rond of aan een binnenerf en eventueel omgeven zijn door een buitenerf. Verbouwingen en aanpassingen, uitbreidingen of verkleiningen doen geen afbreuk aan de waarde van de constructie, doch zijn uitingen van de bouwevolutie. Er moet trouwens van uitgegaan dat nagenoeg alle vakwerkgebouwen in de loop van hun bestaan aan verbouwingen onderhevig zijn geweest. Het aan vakwerkbouw eigen reconstructieve potentieel, maakt verkeerde ingrepen omkeerbaar. Met authenticiteit wordt bedoeld dat het behoud van de oorspronkelijke functie dient nagestreefd. Hoevecomplexen die op een integrale wijze werden
herbestemd naar woonfunctie toe zonder rekening te houden met de eigenheid van de gebouwen of met de oorspronkelijke vakwerkstructuur - kortom tot fermettes verbouwd zijn - komen niet meer voor wettelijke bescherming in aanmerking. Zin voor realisme noopt ons er rekening mee te houden dat veel vakwerkgebouwen hun oorspronkelijke functie verliezen. Bij de renovatie dient er over gewaakt dat bij de herbestemming van deze gebouwen de ziel niet wordt aangetast. Zeldzaamheid heeft betrekking op gave en authentieke ensembles die vrij uniek zijn, op 16' c -, 17 tL en 18 e -eeuwse exemplaren of gebouwen met specifieke onderdelen, op vakwerkgebouwen met een gave context of omgeving, op schaars overgebleven exemplaren van grotere nederzettingen. Tenslotte zijn er de landschappelijke context en het oorspronkelijk nederzettingspatroon of de relicten ervan die een rol kunnen spelen bij de selectie. Gebouwen of ensembles van gebouwen, percelleringen, landschapsrelicten zijn meestal getuigen van een historisch ontwikkelingspatroon. Thans zijn er in de landelijke gemeenten in Midden-Limburg een honderdtal vakwerkgebouwen beschermd. Het betreft landelijke woningen, allerT Peer (Grotc-Brogel), Nelishof: detail pumgevel (foto J. Gyselmck)
Lommei, Grote Hoef:
Smt-Martens-Voeren,
overkragende
Veurs: concentratie
oostgevel
vakwerkgebouwen
(foto 0. Pauwels)
(foto 0. Pauwcis)
Slnt-Martens-Voeren. Veurs: concentratie vakwerkgebouwen (foto 0. Pauwels)
lei hoevetypes en drie kapellen, waarvan de grootste concentratie op het grondgebied van de gemeente Alken. De gemeente Alken was van oudsher bestuurlijk verdeeld in vier gehuchten {Dorp, Hemelsveld, Ter Linden, Over 't Water) en een kerndorp. Deze gehuchten zijn ontstaan op of aan kruispunten van wegen of langsheen een van de vele waterlopen die het grondgebied doorsnijden en aldus een invloed hebben uitgeoefend op het nederzettingspatroon. Vakwerkgebouwen komen voor in clusters die precies met deze oude kernen overeenstemmen. De voornaamste bebouwing was gesitueerd in het Alkense dorpscentrum, in de bocht van de Herk. Zoals alle typische woonkernen in de Leemstreek, is de structuur van deze dorpskernen vergelijkbaar: een kerk of kapel, een motheuvel met toren of een belangrijk cijns- of laathof of een kasteel en rondom een groep van vakwerkgebouwtjes. Rond de woonkern bevond zich een krans van omhaagde weilanden of hoogstammige fruitbomen; verderop lagen de akkerlanden. In de rand van het dorp bevond zich meestal een dorps- of banwatermolen (13). In het gehucht Dorp was dit de Dorpsmolen, in Over 't Water, de Groenmolen en de Gustingermolen en in het gehucht Ter Linden de Nieuwermolen. Al deze gegevens zijn reeds goed aanwijsbaar op de Ferrariskaart (1771-1777) en in de Buurtwegenatlas (1840-1844). In deze verschillende ker-
nen werden telkens een aantal vakwerkgebouwen beschermd als monument, samen met de nog relatief gave omgeving als dorpsgezicht. Hetzelfde principe werd gehanteerd voor de vakwerkbouw in de gemeenten Kortessem, Ulbeek en Wellen en zal worden toegepast in Diepenbeek, Herk-de-Stad en de gemeenten rond Hasselt.
M&L
In de Kempen zijn nog slechts schaarse exemplaren van vakwerkhoevetjes aanwezig zoals Berenheidestraat 6 en Luttelmeeuwen 32 in Meeuwen (14), Kraaikenshoftn Oude Weyerstraat in Peer (GroteBrogel), het 18 c -eeuwse Nelishofzan de Hoogstraat 5 in Peer (Grote Brogel) (15) en de Grote Hoef met 16 c -eeuwse overkragende oostgevel in Lommei. De Voerstreek is rijk aan vakwerkgebouwen. Enkele ervan zijn in procedure van bescherming. Een grote concentratie ervan komt voor in het gehucht Veurs in Sint-Martens-Voeren. Spijtig genoeg werden deze gebouwtjes overmatig en nogal reconstructief gerestaureerd waardoor hun authenticiteitswaarde grondig werd aangetast.
HERBESTEMMING Een steeds terugkerend probleem bij de bescherming en het behoud van vakwerkgebouwen is de (her)bestemming. Het probleem situeert zich niet op het vlak van de vakwerkbouw in de steden, omdat het hier meestal om vrij belangrijke en omvangrijke vakwerkconstructies gaat die perfect bewoning en handelsactiviteiten toelaten. De kleine, landelijke vakwerkwoningen die al dan niet gelegen zijn in landbouwgebieden en derhalve zonevreemd zijn, kunnen nog moeilijk aan de man gebracht worden; niet alleen zien ze er versleten uit, maar ze beantwoorden op geen enkele wijze aan het hedendaags comfort qua verlichting, isolatie, verwarming, plafondhoogte of nuttige oppervlakte. Bovendien is het niet altijd eenvoudig om aan verantwoorde comforteisen tegemoet te komen zonder het gebouw in zijn ziel aan te tasten. Hetzelfde geldt voor grotere agrarische complexen die steeds een landbouwfunctie gehad hebben, doch door de achter-
Opmetingstekening voorgevel Bulsstraat 116 (opmeting J. Segers)
uitgang in de landbouw en door de vooruitgang in de landbouwtechnologie hiervoor niet meer bruikbaar zijn. Door het feit dat ze ruimere mogelijkheden bieden naar bewoning toe, is het dan weer nodig een goed evenwicht te zoeken tussen de oorspronkelijke functie als landbouwbedrijf, de nieuwe uitgebreidere woonfunctie en de ingrepen nodig om het ensemble aan te passen aan de actuele woonen comforteisen.
BEHOUD EN RESTAURATIE Essentieel bij de studie van een vakwerkgebouw is een nauwkeurige archeologische opmeting en een bouwhistorische evaluatie waarbij het volledige gebouw in kaart gebracht wordt, vertrekkend van een horizontale en een verticale as, zodat elke verzakking, elke verbouwing, ieder constructiespoor zoals pengaten, toognagels en toognagelgaten, lassen en verbindingen geregistreerd worden. Bij dit vooronderzoek hoort eveneens het nagaan van de vitswijze, met andere woorden: gaat het hier om spijkerloos vlechtwerk met zichtbare regels of hebben wij te maken met gespijkerd vlechtwerk met verdoken regels? Wat is de samenstelling en eventueel de herkomst van de leemspecie? Is het gebouw gekaleid van bij de aanvang of later, werd gekaleid over de stijlen en de regels heen of heeft men zich beperkt tot de lemen vakken? Hoe is de afwerking langs de binnenzijde: werden de wanden geheel of gedeeltelijk gekalkt, bleven de vakwerkstructuren volledig of slechts partieel zichtbaar of werden ze overpleisterd? Hoe is het gesteld met de indeling en het gebruik van het gebouw? Antwoorden op al deze vragen zijn essentieel in functie van een verantwoorde restauratieve aanpak.
Hasselt, voorgevel van 't Sweert. De IT^-eeuwse ramen op de eerste verdieping werden gereconstrueerd op basis van aanwezige sporen (foto J. Gysellnck)
Alken,Oude Baan 87: opgevijzelde constructie (foto D. Nijsen)
Zoals bij elke valorisatie van een monument, wordt ook hier de vraag gesteld hoever men kan en soms moet gaan bij de restauratie van een vakwerkgebouw. Vooraf dient duidelijk gesteld dat voor een deskundig herstel de houten structuur niet gedemonteerd hoeft te worden. Dit is slechts aangewezen als elke andere oplossing onmogelijk is, door de grondige inwendige verbouwing die elke technisch verantwoorde aanpassing verhindert of door de zeer slechte toestand van het hout. Er dient van uitgegaan dat uitsluitend partiële demontages kunnen toegelaten worden. Houten structuren kunnen opgevijzeld worden zodat de fundering en de voetmuur kunnen hersteld of bij gebrek hieraan, kunnen gerealiseerd worden. Zeer dikwijls is de stijlvoetplaat zwaar aangetast evenals de onderkant van de verticale stijlen, zodat het in de eerste plaats nodig is om op de herstelde sokkel, een goede stijlvoetplaat te realiseren en de constructie opnieuw te laten zakken in de muurplaat. Het uitgangspunt bij de restauratie van vakwerkgebouwen is steeds het herstel van de hoofdstructuur bestaande uit muurplaat, verticale stijlen en horizontale regels, soms schoren en tenslotte het gebint dat rust op de bovenste muurplaat. Bij geen enkele andere restauratie kan het meer dan bij houtbouw, verantwoord zijn om reconstructief in te grijpen. Het gaat hier telkens om een basisstructuur van constructieve en dragende delen waarbij de wanden enkel invulling zijn. Deze structuur moet gezond en degelijk zijn, wil men nog van een vakwerkgebouw kunnen spreken, dat zonder enige hypothese
Hasselt (Godshelde), voorgevel van tiet Spaans Huis: reconstructie van ontbrekende delen (foto J. Gyselinck)
kan gereconstrueerd worden aan de hand van de talloze constructiesporen (pennen, pengaten, toognagels, toognagelgaten, lassen) die in de overgebleven houten constructie in een zeer logische opbouw nog aanwezig zijn. Het feit dat er bijvoorbeeld in een latere fase in de voorgevelordonnantie wijzigin-
M&L
Hasselt (Godshcide),
herbruikte schoor
Alken, Bulsstraat 28:
invulling van
binnenzijde van de
en regel
herstelling van
ontbrekende delen
(foto J. Gyselinck
beschadigde en
(foto 0. Pauwels)
schuur van het Spaans Huis:
1991)
gen zijn aangebracht of dat er waardeloze verbouwingen of toevoegingen zijn gebeurd die de gaafheid en de specificiteit van het gebouw in het gedrang brengen, is geen reden om het vakwerkgebouw in kwestie niet als waardevol te bestempelen. Bovendien dient aangegeven dat vakwerkgebouwen omwille van hun bouwtechniek die volledig uitneembaar was, als 'roerend erfgoed' werden beschouwd. Niet zelden werden ze verplaatst of na demontage gedeeltelijk hergebruikt. Dit kan trouwens gemakkelijk afgeleid worden uit het nazicht van de telmerken. Het blijkt vooral te zijn voorge-
Alken, Bulsstraat 28: een ingezet stuk (foto 0. Pauwels)
komen in periodes van schaarste en omwille van de hoge kostprijs van harde houtsoorten als eik. Een belangrijk punt bij de constructie van vakwerkbouw was de ambachtelijkheid waarmee timmerlieden een skelet in mekaar timmerden en hierbij gebruik maakten van allerlei verbindings- en vergaringstechnieken. Ook de hedendaagse vakman zal op ervaring en bouwtraditie gebaseerde timmermanstechnieken aanwenden. Bij de restauratie van een houten skelet dient hij immers, zoals bij elke restauratie, uit te gaan van een maximaal behoud en een minimale vervanging van het authentieke materiaal. Teneinde nieuwe stukken 'aan te lassen', in te werken of oud en nieuw met elkaar te verbinden, maakt de timmerman gebruik van lasverbindingen, pen- en gatverbindingen, randverbindingen en overkepingen. Eventueel kunnen hedendaagse technieken overwogen worden zoals houtverharding en polymeerchemische restauratie (16). Het volledig vervangen van onderdelen moet evenzeer kunnen, gezien het een handeling is eigen aan de houtbouw. Het probleem is evenwel het vinden van geschikte ambachtslui die de traditionele technieken beheersen en verantwoord toepassen.
LASVERBINDINGEN
^
PEN-
\?
v^^ o
n
^ -ü ^ ^ ^
EN GATVERBINDING
n
v
^-^Sv^ ^
1
n |l •v.
TANDVERBINDING
1'
i r ^ :::::^SL
r^
ii
II
il
Schuine liplas
n
I i'!i 11
n
}
•' M 1" i 1
il
'"
Rechte liplas
OVERKEPING
Haaklas
•
•
Houtverbindingstechnieken (tekeningen Marijke Willaert)
Bij het herstel van vakwerkgebouwen mag de leefbaarheid en de actuele bruikbaarheid niet uit het oog verloren worden. Omdat het dikwijls gaat om kleine daglonerswoningen met beperkte oppervlakte, wordt de vraag gesteld naar de uitbreidingsmogelijkheden van het bestaande volume. Vermits deze vakwerkwoningen meestal deel uitmaken of uitmaakten van een grotere groep vakwerkgebouwen waarbij in functie van noodzakelijkheid herhaaldelijk werd verbouwd en aangebouwd, moet
uitbreiding mogelijk blijven. Dit moet uiteraard gebeuren op een sobere, geïntegreerde wijze met kleinschalige volumes zonder het bestaande vakwerkvolume te overschaduwen. In functie van het realiseren van meer licht, geven we er de voorkeur aan om de bestaande, authentieke ramen te behouden of te herstellen. Binnen de bestaande vakken kunnen lichten aangebracht, bijvoorbeeld met een fijn stalen profiel dat de contouren van de opening volgt en ingevuld wordt met glas. Door repetitie
• Alken, Bulsstraat
Alken, Bulsstraat 28:
glaspaneel in
116: bescheiden
bovenlicht
metalen profiel
uitbreiding
I B * ecuws raam
(folo 0. Pauwels)
(foto 0. Pauwels)
ingevuld met
van deze glasvlakken kunnen zelfs mooie resultaten worden bereikt. Het lijkt ook logisch en verantwoord dat het gebruik van de zolderruimte geoptimaliseerd wordt. Er dient dan wel over gewaakt dat men niet vervalt in het creëren van dakvlakramen die onverenigbaar zijn met de typologie van de vakwerkwoning. De dakvlakken dienen zo gesloten mogelijk gehouden en niet ontsierd door dakramen
en -kapellen of glazen dakpartijen. Er zijn oplossingen mogelijk met glazen pannen die langs de zolderzijde geïsoleerd worden of via het bescheiden openwerken van de puntgevels met glazen invullingen.
TFCHNISCHE ASPECTEN Hout
Hasselt, De Pasteye: lichtmbreng via glaspartijen die de bestaande houtstructuur respecteren (foto 0. Pauwels)
Het is evident dat men zowel in de vakwerkbouw als in de steenbouw, gebruik maakte van streekeigen materialen die ter plaatse werden ontgonnen: hout en leem. Hout is het constructiemateriaal bij uitstek, dat bovendien het resultaat is van een natuurlijke groei. Het zou interessant zijn na te gaan welk hout in elk gebouw werd gebruikt en de plaatselijke bosbestanden toponimisch en cartografisch te onderzoeken. Archiefonderzoek (17) wees uit dat in de 18 c eeuw volgende boomsoorten aanwezig waren in de leemstreek: steeneik, gesteelde eik, haagbeuk, esdoorn, es en populieren in de beekvalleien. De door ons geïnventariseerde en bestudeerde vakwerkgebouwen in de steden, die voornamelijk dateren uit de 15 tot de 17 ' eeuw, zijn opgetrokken in eikenhout. In de 18 cc eeuw was er evenwel schaarste aan eik en ging men zachtere houtsoorten gebruiken. Eik is duurzaam, bestand tegen grote trekkracht en weinig gevoelig voor weersinvloeden. Traditioneel wordt aangenomen dat eikenhout
1VI&L
gedurende drie jaar gevlot en geloogd werd in stromend water om beter bestand te zijn tegen krimpen en zwellen. Uit recent onderzoek in Engeland blijkt dat men bij het optrekken van houten gebouwen gebruik maakte van unseasoned wood, met andere woorden hout dat onmiddellijk na het kappen van de boom, verwerkt werd (18). Het drogen gebeurde derhalve na de montage van de constructie. Deze stelling wordt trouwens bevestigd door dendrochronologisch onderzoek van houtconstructies in Maaseik waarbij wordt aangenomen dat het hout reeds na zes maanden gebruikt werd (19). Dezelfde vaststelling werd gedaan bij dendrochronologisch onderzoek van eikenhout, gebruikt voor retabels (20). O p het platteland werd minder gebruik gemaakt van hardhout. Hier worden diverse zachtere houtsoorten aangetroffen die uiteraard minder duurzaam en derhalve goedkoper waren: populier, fruithout, olm, notelaar en sporadisch naaldbomenhout en zelfs plataan. Populierenhout verschijnt in ons land op het einde van de 18 L eeuw en wordt vooral geliefd vanaf de tweede helft van de 19 e eeuw. Het is kwalitatief hout, maar rechtstreeks contact met de grond is nefast.
VITSWERK: Haspengouws type (a + b)
VITSWERK: Kempisch type (c + d)
Vitswerk De vakwerkpanelen werden gevuld met een systeem van vlechtwerk en leem, het zogenaamde vitswerk. Dit vitswerk is de drager van de leemspecie. Er bestonden twee systemen van vlechtwerk: spijkerloos vlechtwerk met zichtbare regels die in hetzelfde vlak liggen als de voorzijde van de stijlen (type Haspengouw) en gespijkerd vlechtwerk met verdoken regels die dieper liggen dan de stijlen (type Kempen). In het eerste geval werden de gepunte vitsstokken aangebracht in gaten die in de onderkant van de bovenste regel waren geboord en die onderaan in een gleuf in de bovenkant van de onderste regel werden getrokken. Het leemwerk beperkte zich derhalve tot de vakken: de houtstructuur bleef duidelijk zichtbaar aan de buitenkant. In de tweede casus liggen de wandregels terug ten aanzien van het voorvlak van de verticale stijlen. Lange vitsstokken worden hier genageld op de terugliggende regels. Na het lemen ziet men aan de buitenzijde nog enkel de verticale stijlen, terwijl aan de binnenzijde het houtwerk duidelijker voorhanden was. In het overgangsgebied tussen Kempen en Haspengouw komen de twee technieken voor. Bij de restauratie van het pand aan de Bulsstraat 116 in Alken werd vastgesteld dat beide technieken in hetzelfde gebouw aanwezig waren (cfr. infra: steekkaart).
Vitswerk Haspengouws type
Vitsstokken of-latten waren oorspronkelijk in eik, maar vanaf de 18 e eeuw ook in olm, es of populier. Tussen deze vitsstokken werd vlechtwerk gerealiseerd in soepele houtsoorten die gemakkelijk plooibaar waren zoals wilg, hazelaar, lijsterbes en berk. Wilg was vermoedelijk het vlechthout bij uitstek. Het vlechthout werd in water gelegd om gemakkelijk te kunnen verwerken.
(a en b): Kempisch type (c en d) (tekening Marijke Willaert / foto J. Gyselmck)
Leemwand Het vlechtwerk is de drager en derhalve de wapening van de leemspecie. Het leempakket wordt in twee lagen gerealiseerd. De specie wordt krachtig tegen het vlechtwerk geworpen zodat de leem er rond krult en zich hecht. Een eerste laag leem met veel stro wordt vooreerst op de binnenwand aangebracht en met een plakspaan tot een gelijkmatig
M&L
worden. Dit gebeurde op het eigen te bebouwen perceel, op een braakliggend terrein of gewoon langs de straatkant, hetgeen zowel doot archivalisch, toponimisch als door recent analytisch onderzoek bevestigd wordt. Uit archivalisch onderzoek uitgevoerd in verband met het vakwerkbestand in Zepperen bij Sint-Truiden, bleek dat er vaak een reglementering nodig was om misbruiken te voorkomen (23). Deze putten werden achteraf soms gebruikt als poel en gaven ontstaan aan toponiemen zoals de Leemkuilstraat in Alken. Het fysisch, chemisch-mineralogisch en granulometrisch onderzoek van leemmonsters uit bestaande leemwanden en uit grondstalen in de onmiddellijke nabijheid van dezelfde vakwerkgebouwen in de gemeente Alken, bracht niets anders aan het licht dan dat de leem voor het vakwerk afkomstig was van de grond waarop de woning staat (24).
Hasselt (Godsheide), ïoorgevel van het Spaans Huis: leemwerk in uitvoering (foto J. Gyselmck)
vlak uitgestreken. De tweede, veel dunnere afstrijklaag wordt kort daarop uitgevoerd. Deze laag wordt aangemaakt met fijn gezeefde leem vermengd met fijn gehakt stro, hooi, vlas of gehakt koehaar. Een dag later kan het proces herhaald worden langs de buitenzijde. Hier wordt luchtkalk bijgevoegd die door contact met de lucht carboniseert en waterafstotend werkt. Er bestaan nogal wat onduidelijkheden en zelfs mythes rond de samenstelling van de stroleemspecie (21). De recepten die worden aangetroffen in het huidig ambachtelijk circuit blijken nogal eens af te wijken van wat vermoedelijk de oorspronkelijke samenstelling was en zelfs in die mate dat van stroleem geen sprake meer is. Allerlei Ingrediënten dienen, volgens ingewijden, toegevoegd om krimpscheuren of barstvorming te voorkomen, om een goede aanhechting te verkrijgen of om afdoende te isoleren. Met deze wetenschap voor ogen, hebben wij analyses laten uitvoeren van de leemspecie in historische vakwerkgebouwen en experimenteel onderzoek in functie van de reconstructie van deze leemmortel (22). Bij de bouw van een vakwerkwoning werd voor het winnen van leem een kuil uitgestoken in de onmiddellijke nabijheid van de plaats waar zou gebouwd
Analytisch en vergelijkend onderzoek (25) van wand- en grondstalen van en in de nabijheid van vakwerkwoningen in de verschillende provincies heeft aangetoond dat men bij de samenstelling van leemmortels in hoofdzaak proefondervindelijk tewerk ging. Het aanpassen van de samenstelling noemt men stabiliseren (26). In de onderzochte stalen werden verschillende stabilisatiemethodes al of niet bewust, maar in elk geval proefondervindelijk toegepast: verdichting, wapening met vezels, toevoeging van kalk, van dierlijke en plantaardige producten. Verdichting wordt bekomen hetzij door een goed kneden van de leem en derhalve het verwijderen van de lucht tussen de samenstellende korrels, hetzij door toevoeging van een andere grondsoort, bijvoorbeeld zand. Wapening met stro, dierlijke, minerale, synthetische of plantaardige vezels is een belangrijke stabilisator. Ze vergroten aanzienlijk de weerstand tegen barst- en scheurvorming omdat de vezels trekkrachten kunnen opnemen, de drukweerstand van de leem met 1 5 % verhogen en het gewicht van de leem verkleinen. Bovendien wordt het droogproces aanzienlijk versneld omdat het vocht via de vezels/stro gemakkelijk kan evacueren. Belangrijk is niet alleen de kwaliteit doch ook de kwantiteit van de vezels, gewoonlijk 20 tot 30 k g / m ' , die goed verspreid dienen te zijn over de leemmassa. Stro wordt het best in kleinere stukken van 4 tot 6 cm gekapt. Een belangrijke stabilisatiemethode is het toevoegen van kalk dat verschillende effecten kan genereren. Door opname van C O 2 uit de lucht, treedt een versterking op door carbonisering; toevoeging van een tot twee procent kalk zorgt voor een verminde-
Tongeren, Dommers hausen: lemen binnenwand (foto K. Vandevorst)
ring van krimp tot tien procent en tot het vermijden van zwelling; de trek- en de drukweerstand worden verbeterd. De aard van en de hoeveelheid toegevoegde kalk hangt af van het type klei dat in de leem aanwezig is. Er werd vooral gebruik gemaakt van nat gebluste luchtkalk. Dierlijke producten als bloed, urine, uitwerpselen, werden toegevoegd om het waterafstotend karakter van het oppervlak te vergroten. Er werd bijvoorbeeld vastgesteld dat leem met tien procent klei onder constante waterstraal na vier minuten wegspoelt, terwijl deze leem gestabiliseerd met 3,5 procent koemest gedurende vier uur weerstand biedt. Het zijn vooral de caseïne, de ammoniakverbindingen en de cellulose die hier stabiliserend werken. Het voorgaand onderzoek is nog niet afgerond, maar het wijst er nu al op dat de samenstellende elementen van de gebruikte leemspecie nagenoeg altijd dezelfde zijn, in verschillende verhoudingen naargelang de kwaliteit van de voorhanden leem. De toevoegingen gebeurden proefondervindelijk en niet in vaste verhoudingen. Bij wijze van typesamenstelling kan hiernavolgende compositie voorgesteld worden: tien delen leem-
zand (niet te kleiig) of vier delen leem en zes delen leemzand, drie delen luchtkalk, één deel schelpkalk, één deel vlasvezels of stro en één deel koehaar. Men moet zich goed realiseren dat ook in het verleden alle samenstellingen verschilden maar ook verwant waren aan elkaar en telkens het resultaat waren van proefondervindelijk zoekwerk. Ervaring heeft geleerd dat eigenaars van vakwerkgebouwen bezwaren hebben tegen het klassieke vitsen leemwerk wegens onvoldoende isolerend, problemen van onderhoud, het niet meet kunnen vinden van bekwame vakmensen, de hoge kostprijs. In feite is in al deze argumenten een grond van waarheid aanwezig. Het lijkt inderdaad niet meer haalbaar dat bewoners hun eigen leemwerk regelmatig bijwerken of jaarlijks kalken om alle windbarsten en krimpscheuren weg te schilderen. Het is anderzijds een moeilijke opgave om hen te overtuigen de vakken niet te vullen met steenmateriaal. Deze vullingen zijn niet plastisch en wegen zwaarder dan vlechtwetk met stroleem waardoor er verzakkingen optreden in de pen- en gatverbindingen. De knooppunten worden zeer kwetsbaar voor waterinsijpeling en verrotting.
•
PRINCIPE-DOORSNEDE
Hasselt, 't Sweert: vakïulllng met houtwelcementplaten (toto J. Gyselinck)
BUITENWAND
zijdelings afstrijken "kusseneffecc"
Tongeren, Spaans Huis: afgewerkte vakvulling (foto J. Gyselinck)
BUITEN KALKLEEMPLEISTER ± I5mm (met glasvezelnet in) HERACLITH 25mm ROTSWOL ISOLATIE ±50mm HERACLITH 25mm LEEMPLEISTER±l5mm (met glasvezelnet in) BINNEN
DICHTINGSLAT voegen en spleten af te dichten met elastische kit
Als alternatief werd gezocht naar een systeem dat minstens evenwaardig is als traditioneel vits- en leemwerk, hetzelfde uitzicht biedt, de vakwerkconstructie niet belast, beter isoleert en gemakkelijker in stand te houden is. Twee mogelijkheden dienen
M&L
Pnntipe-doorsnede vakwerkbuitenwand (tekening arch. M. Janssen)
zich aan, afhankelijk van het feit of het houten skelet aan de intetieurzijde zichtbaat was of niet. In principe wotdt de invulling getealiseerd binnen de dikte van de stijlen en de regels. In het vak wordt isolatiemateriaal aangebracht tussen twee houtwolcementplaten die elk met een smalle randlat worden vastgezet. O p de platen wordt al dan niet een hechtingsstructuur aangebracht en daarop wordt zowel binnen als buiten geleemd. In dit systeem blijft de vakwerkstructuur zowel binnen als buiten zichtbaar. Wanneer het vakwerk langs de binnenzijde niet zichtbaar was, zou men een drie tot vier centimeter brede spouw kunnen realiseren en voor het vakwerk een wand in gipsplaat opbouwen. Het eerste systeem werd voor de eerste maal toegepast in het Spaans Huis in Tongeren. Sindsdien werd bij de verschillende restauraties gezocht naar alternatieven, waarbij ofwel het isolatiemateriaal ofwel het plaatmateriaal, ofwel de hechtingsstructuur werd gewijzigd of waarbij de volledige opbouw werd aangepast. In het pand Dommershausen in Tongeren werd in de Sint-Andrieskruisen gewerkt met proppen stroleem, daarboven een hechtingsstructuur en afgewerkt met een leemkalkmortel. In de Rooiermolen in Diepenbeek werd gevitst en geleemd aan de buitenzijde; achter het vitswerk naar binnen toe, werd achtereenvolgens isolatiemateriaal, houtwolcementplaat en leemwerk geplaatst.
KALKEN EN KALEIEN VAN GEVELS Bij alle bewaarde en onderzochte vakwerkgebouwen werd vastgesteld dat het leemvlechtwerk gekalkt en/of bepleisterd is. In veel gevallen werd gekalkt en gepleisterd over het stijl- en regelwerk heen. T Wellen, molensitc:
en geteerd sti|l- en
hoevet|e aan de
regelwerk
Herk met wit
(foto J. Gyselmck)
gekalkte vakvulling
Met Voskuil en Eggen (27) mogen wij aannemen dat de vakwerkgebouwen oorspronkelijk geenszins gekalkt, laat staan bepleisterd waren. Onderzoek van iconografisch materiaal uit de late middeleeuwen bevestigt dit. Bevraging van ambachtslui die het van huize uit hebben geleerd en soms zelf in zo een vakwerkwoning werden grootgebracht en eigen onderzoek (28) van verschillende vakwerkgebouwen ter gelegenheid van restauratiewerken, bevestigen deze stelling. Ter illustratie kan verwezen worden naar het laat 16 c -eeuwse pand in de Bulsstraat 116 in Alken waar op de oorspronkelijke zijgevels waar in latere fase werd tegenaan gebouwd, geen spoor van kalklaag werd ontdekt. Het typische beeld van gekalkte gebouwtjes met geaccentueerde, dikwijls geteerde stijlen, is 19 eeeuws. Voor dit kalken kunnen meerdere redenen aangedragen worden. Mogelijk is de achteruitgang van de traditionele leembereiding een reden. Verarming en het gebruik van minder kwalitatief materiaal zijn beslist een andere reden. Dit geldt zeker voor het gebruikte hout dat vanaf de 19 e eeuw minder kwalitatief werd, wat zeker een verklaring is om het ganse gevelvlak te kalken of het houtwerk apart te schilderen en zelfs te teren. Het waren vaak schamele woningen waarbij de witsellaag de sociale armoede moest verstoppen. De meest voor de hand liggende reden is de bescherming van de lemen vullingen tegen allerlei weersomstandigheden. Leem barst door droogte en lost op door overvloedig water. Ver overstekende daken dienden trouwens om de gevels te beschermen. De kalklaag vormde een vettig laagje dat waterafstotend werkte en bescherming bood voor het leemwerk dat wateroplosbaar is. De waterwerende eigenschap werd soms verhoogd door toevoeging van caseïne aan de kalkverf. Het fungeerde bovendien als dichting voor barsten en spleten die ontstonden door de werking van het hout of het krimpen van de leemspecie.
de raampartijen, werden aangebracht. Dit is vooral merkbaar in de 19 c eeuw wanneer een streven naar meer licht resulteerde in het plaatsen van grote ramen zonder nog veel rekening te houden met de structuur van het vakwerk. Verbouwingssporen werden weg gekalkt. Vak per vak kalken is bovendien arbeidsintensief en het was wellicht eenvoudiger te kalken over het hout heen. De witselspecie was samengesteld uit gebluste luchtkalk aangelengd met water (kalkmelk). O m de hechting te vergroten werd er soms lijm of olie bijgevoegd. Door het toevoegen van caseïne (eiwit, kwark), kreeg kalk een hoger bindend vermogen. Het soms toevoegen van zout had als bedoeling om het verharden te vertragen en te voorkomen dat de witsellaag verpoedert.
Tongeren, Spaans Huis: bruine overschildering
De kalklaag werd dikwijls gekleurd met blauwsel (ultramarijn), met gele en rode oker. Het blauwsel was oorspronkelijk bedoeld om het wit als zuiver wit te laten voorkomen, doch na verloop van tijd ging het blauw doorschemeren alsof met blauw gewit werd.
(foto J. Gyselmck)
• Hasselt, 't Sweert: belgebruine overschildering (foto J. Gyselmck)
Zuiver praktische overwegingen als het buiten houden van tocht en koude die langs de kieren en de reten binnendrong, zullen eveneens een rol gespeeld hebben. Een ander element dat zeker meetelt, is het hygiënisch aspect, want een gewit pand oogt fris. Het witten van gebouwen werd dan ook elk jaar herhaald. Het basisch milieu dat door het kalken gecreëerd wordt, is bovendien dodelijk voor bepaalde organismen. Niet zelden stelt men vast dat vakvullingen en houtwerk gekalkt en zelfs bepleisterd werden vanaf het ogenblik dat er verbouwingen, bijvoorbeeld in
M&L
Het houten geraamte werd oorspronkelijk niet behandeld. Vanaf de 19 c eeuw werd het houtwerk niet zelden gezwart met een natuurlijke, zwarte kleurstof. Vanaf het begin van de 20SK eeuw werd hiervoor carbolineum gebruikt. Onderaan de gevel werd een zwarte plint aangebracht tegen opspattend vuil. Deze teerlaag is echter nefast voor het behandelde hout en zelfs voor de stenen plint, omdat het hout of de baksteen afgesloten worden van de lucht en niet meer kunnen ademen. Ter gelegenheid van restauratiewerken wordt deze teerlaag van het hout verwijderd door lichte zandstraling en wordt de teerlaag op de plint vervangen door een ademende zwartschildering. Het houtwerk van het pand 't Sweert te Hasselt en van het Spaans Huis te Tongeren waren overschilderd met een beigebruine tot bruine kleur, duidelijk met de bedoeling om de slechte toestand van het hout te verbergen. Wat de binnenafwerking betreft, kon worden vastgesteld dat in het laat 16 c -eeuws pand Dommershausen in Tongeren, in het Hof van Eggertingen in Riemst (Millen) en in de 16 e -eeuwse vleugel van het voormalige Agnetenklooster in Tongeren de vakwerkwanden gekalkt waren over de vakvulling en over de houtstructuur heen. Gezien deze kalkwitsellaag overal in het pand Dommershausen aanwezig was (behalve op de zolderruimte) en in het Agne-
Tongeren. Dommershausen: sporen van de originele binnenafwerking (foto K.Vandevorst)
A
tenklooster ook op de mergelstenen wanden voorkwam en gezien in de loop van de 18 '; eeuw het hele interieur werd bepleisterd over deze kalkafwerking heen, mag men aannemen dat deze afwerking er reeds was van bij het begin. In het laat 16 eeeuwse pand De Dry Dragonders in Hasselt werd vastgesteld dat de onderzijde van de moerbalken, bruinrood en de onderkant van de kinderbalken afwisselend, bruinrood en blauw geschilderd waren. Herzelfde werd waargenomen in de 15 c -eeuwse
Hasselt, De dry Dragonders: bruinrode en blauwe kleurlaag op onderzijde van balkenlaag als oudste afwerking, onder de I I * eeuwse troggewelven (foto J. Gyselinck)
ruimte op de eerste verdieping van 't Smeert te Hasselt waar het eikenhouten plafond helemaal geschilderd was in een bruinrode kleur.
GERENOVEERDE VAKWERKHUIZEN Ter illustratie volgt een bloemlezing met steekkaarten van vijftien vakwerkgebouwen die in de Provincie Limburg, met advies en onder de begeleiding van de Afdeling Monumenten en Landschappen, werden gerenoveerd. De eigenaars hebben in al deze gevallen kunnen rekenen op een financiële bijdrage van 2 5 % van de Vlaamse Gemeenschap, 7,5% van het Provinciebestuur en 7,5% van de respectievelijke gemeentes. De panden zijn uitgegroeid tot juwelen van pure ambachtelijkheid en strelen nu het oog van de voorbijganger die misschien ooit dacht 'weg met die rommel en plaats maken voor nieuwbouw'.
Alken, Bulsstraat 28 (Beschermd bij M.B. van 14 juni 2002). Restauratiewerken uitgevoerd in 2004-2005 naar ontwerp van architect Mare Jamaer (Hasselt). Dit bescheiden gebouwtje behoort te samen met het pand Bulsstraat nr. 116 tot een groep vakwerkgebouwen in het kwartier Over 't Water. Het woonhuis is het enige restant van een L-vormig ensemble met losse bestanddelen dat we terugvinden in de Atlas der Buurtwegen (1844) en dat vermoedelijk dateert uit het einde van de 18 ' eeuw. Haaks op deze woning is een bakstenen dienstgebouwtje opgericht. Voor de oostelijke zijgevel van de woning bevindt zich nog een waterput. Het gebouwtje is gelegen in een landbouwgebied en door zijn ligging 'zonevreemd' en niet te herbestemmen. Via de wettelijke bescherming werd het mogelijk het gebouw
Bulsstraat 28. toestand tijdens restauratie (foto 0. Pauwels)
te herstellen en het een woonfunctie te geven. Het aanpalend dienstgebouwtje werd vervangen door nieuwbouw om tezamen met de kleinschalige vakwerkwoning als een volwaardige woning herbestemd te kunnen worden. Het betreft een vakwerkgebouw van vier traveeën in eikenhouten stijl- en regelwerk. Bij de demontage van het dak is gebleken dat de nokstijlen oorspronkelijk hoger waren en dat ze in latere fase, vermoedelijk ingevolge verrotting, aan de bovenzijde werden ingekort zodat de dakhelling minder steil werd. In de zuidelijke langsgevel met inkom werden de sporen gevonden van twee houten kruisramen. Bij de restauratie werd de oorspronkelijke indeling met twee vertrekken behouden. De nokstijlen werden verlengd en het dak werd opnieuw steiler gemaakt; de kruisvensters werden hersteld en ingevuld met glasplaten zonder verdere onderverdeling en met respect voor de oorspronkelijke sponningen. Er werden een aantal lichtopeningen bijgemaakt door de vulling van enkele vakken te vervangen door glaspartijen. De aanleg rondom het gebouw zal zo sober mogelijk gehouden worden teneinde het landschappelijk aspect niet te verstoren.
Aiken, Bulsstraat 116 (Beschermd bij M.B. van 27 april 2001). Restauratiewerken uitgevoerd van september 2003 tot mei 2005 naar ontwerp van architect Jo Segers (Hoeselt) (29). De hoeve behoort tot een cluster vakwerkgebouwen in Over 't Water, het meest oostelijke kwartier van het grondgebied Alken. De eenbeukige hoeve in vakwerk omvat zes traveeën en anderhalve bouwlaag onder een mank zadeldak. De constructie bestaat in de voor- en achtergevel uit zeven gebintstijlen die via moerbalken met elkaar verbonden zijn. Uitzonderlijk is dat de verdieping zowel aan de langsgerichte zijde als aan de kopgevel overkraagt. Langs de langsgerichte oostzijde liggen de moerbalken dwars op de wandstijlen en worden zowel binnen als buiten ondersteund door korbelen. Over de koppen van de moerbalken ligt de wandplaat die de stijlen van de uitkragende verdieping draagt. Aan de zuidelijke kopgevel kraagt de verdieping uit op kinderbalken die uitsteken over de moerbalk en ligt de wandplaat die de bovenste verdieping draagt, over de koppen van de kinderbalken. Deze laatste worden ondersteund door uitkraagschoren waarvan de onderkant genageld is op de bovenste wandregel en op de bovenkant van het vierledig bovenlicht van het kruisvenster. Er zijn nog slechts enkele voorbeelden van gebouwen met overkragend ankerbalkgebint in situ aanwezig: Bilzen (Beverst), Begeveldstraat 20; Hasselt (Godsheide), Kiezelstraat 100; Riemst (Millen), Hof van Eggertingen; Voeren ('s Gravenvoeren), Mennekensput 226. Andere exemplaren werden afgebroken: Hasselt (Sint-Lambrechts-Herk), Kattendansstraat 11 of in het beste geval verhuisd naar Bokrijk: Sint-Truiden
Alken. Bulsstraat 116, toestand tijdens vooronderzoek
Alken. Bulsstraat 116. toestand tijdens
(Zepperen), Coemanswinning.De dakstoel is een typische stijlenkap waarbij twee verticale stijlen verbonden zijn door een ankerbalk en recht gehouden worden door schoren, die trouwens ook aan weerszijden van de priemstijl voorkomen.
restauratie (foto 0 . Pauwels)
Het kruisvenster in de zuidgevel is uitzonderlijk in de landelijke vakwerkarchitectuur. Het betreft een kruisvenster door één tussendorpel en zes stijltjes verdeeld in acht vakken met een vierledig bovenlicht. In de bovenlichten is de sponning waar ingeoliede dierlijke huid of glas-in-lood in bevestigd was, goed afleesbaar. In de onderste vakken zijn nog houten diefijzers aanwezig en gebeurde de afsluiting met houten luiken. Langs de binnenzijde zijn de ramen gebiljoend, wat wil zeggen dat de dagkanten afgeschuind werden. Voorbeelden hiervan worden teruggevonden in de stedelijke vakwerkbouw: 'tSweerten 't Leerske'm Hasselt, Dommershausen tn het Spaans Huis in Tongeren; 'tMoelevelt in Maaseik, Begijnhof 29 en Gootstraat 11 in Sint-Truiden en het landelijke Spaans huis in Riemst-Millen. Het is een typisch laat-16 e, vroeg-17 e -eeuwse constructiewijze van ramen.
(foto J. Gyselinck)
4H^ |H
Uit het onderzoek van het gebouw menen wij zelfs te mogen besluiten dat het gebouw in twee fasen werd opgetrokken, maar hieromtrent is geen duidelijkheid. Feit is dat er twee wandvullingstechnieken naast elkaar voorkomen. Het gebouw is een typische langgevelboerderij waar woonhuis en stal onder hetzelfde dak in eikaars verlengde liggen evenals het primitieve schuurtje dat later onder een lessenaarsdak tegen het woonstalhuis is aangebouwd. De woning was drieledig met achtereenvolgens een opkamer waaronder een gewelfde kelder, daarnaast een tweede kamer met als scheidingsele-
1V1&L
uitmondt in de Herk die de oostgrens uitmaakt. De hoeve maakt deel uit van een cluster van zestien vakwerkgebouwen waarvan er enkele opklimmen tot de 18 e eeuw. Het betreft een semi-gesloten hoeve, opgericht in 1907 gedeeltelijk met gerecupereerd materiaal, wat ondermeer blijkt uit de nummering van de spanten en uit het ontbreken van enkele ankerbalken. Het geheel is bovendien niet in één fase opgebouwd; het achterste deel van de schuur heeft een andere constructiewijze.
(foto 0. Pauwels)
spant door het dak steekt. De koestal was ondergebracht in de derde ruimte. Zowel de overkragingen als de gebiljoende raamkozijnen situeren dit pand in de late 16 c en vroege 17 e eeuw. Bij de restauratie werd geopteerd voor het behoud van alle waardevolle bouw- en verbouwingssporen. De houten onderdelen werden in de mate van het haalbare minimaal hersteld of vernieuwd, zonder demontage doch na opvijzeling van de constructie. Het raamgeheel in de zuidelijke kopgevel werd geconserveerd zonder aanpassingen, doch langs de binnenzijde werd een oplossing gezocht door de creatie van een voorgeplaatste glasconstructie. De hoofdstructuur van de achtergevel werd hersteld en een inwendig geplaatste glaswand diende de binnenruimte af te sluiten van de buitenruimte. De vakvullingen werden gerealiseerd via een alternatief systeem en afgewerkt met een kalk-zand-leemmortel met vermenging van koehaar of vlas. O m het gebouw leefbaar te maken werd de volumeuitbreiding half ondergronds gerealiseerd, teneinde het vakwerkgebouw niet te verstoren in zijn verschijningsvorm.
Alken, Oude Baan 87 (Beschermd bij M.B. van 13 november 2003). Restauratiewerken in uitvoering sinds januari 2005, naar ontwerp van architect Donald Nijsten van het architectenbureau Essense (Herentals). Het hoevetje is gelegen op de hoek van de Oude Baan en de Lokerstraat, in het noordelijk kwartier Ter Linden. Het omvat de zone langs de Kozenbeek die het territorium van west naar oost doorkruist en
De gebouwen in vakwerk zijn geschikt rondom een erf met versteend ingangsgebouw, links een dwarse schuur en stal en rechts een kleinere stal en woonhuis. Aan de achterzijde van het erf ligt een varkensstal en schob. Buiten het erf staat een bakhuis met bakstenen oven onder zadeldak. Bij de verstening van het poortgebouw, werden de eerste travee van de schuur links en het stalletje rechts aangepast. Voor het overige is de constructie vrij gaaf. Bij de herbestemming blijft de woonfunctie ondergebracht in de woning en wordt ze uitgebreid tot de stal aan de straatzijde en de hooizolder. In de schuur worden het atelier en de bureelruimte ondergebracht. O m een verbinding te maken tussen woon-, slaapruimte en burelen, wordt een glaswand gerealiseerd zodat het karakter van de inkomzone en van het woonhuis bewaard blijft. Teneinde voldoende licht te hebben in de woonruimte en zicht op de omgeving, wordt voor de vakwerkstructuur langs de binnenzijde van de woning een glazen wand geplaatst. In de daken wordt gewerkt met glazen dakpannen teneinde voldoende licht te brengen in de zolderruimte. Er wordt veel aandacht besteed aan de omgeving die zo sober mogelijk wordt ingericht teneinde het natuurlijk en oor-
• Alken, Oude Baan 87. ii werf ( f o t o ) . Gyselinck)
Nr. 133 Bijlage bij MetL 24/3 mei-juni 2005
<
&
PC
B 1 N 1 M E N K R A N T
Literatuur ]o
Braeken
DF KFIJ7F VAN MFfL
Philip Webb Pioneer of Arts ft Crafts Architecture Sheila Kirk Chichester, Wiley-Academy, 2005, 336 p., ISBN 0-47198-708-5 (hb), 0-47086-808-2 (pb) Baanbrekende, uitvoerig gedocumenteerde en fraai geïllustreerde monografie over Philip Webb (1831-1915), sleutelfiguur van de 'Arts and Crafts'beweging en protagonist van de kring van Pre-Raphaelieten, die inmiddels als één van de meest invloedrijke architecten van de 19de eeuw wordt beschouwd. In zijn ontwerpfilosofie huldigde hij een architectuur van het 'gezond verstand', eenvoudig, praktisch en waarachtig, expressief door materiaalkleur en textuur, wars van stijl of ornament, in harmonie met zijn omgeving, lokale bouwtradities en vakmanschap. Deze architectuur van strenge principes en grote individuele creativiteit, vond een eerste toepassing in het Red House in Bexleyheath, in 1858-59 ontworpen voor William Morris, dat met een kwarteeuw voorsprong de 'Arts and Crafts' definieerde, en Webb later canoniseerde tot pionier van de Moderne Beweging. In een combinatie van architectuurgeschiedenis en biografie schetst het boek een indringend beeld van de architect, zijn relatie met klanten, aannemers en artistieke tijdgenoten als Morris, Burne-Jones en Rossetti, zijn bijdrage aan de monumentenzorg en de restauratiepraktijk, zijn voeling met het socialisme, gelardeerd met levendige beschrijvingen van zijn gebouwen, van 'cottage' tot 'country house', die thematisch worden gegroepeerd.
M&L
Dominikus Böhm 1880-1955 Wolfgang Volgt en Ingeborg Plagge (red.) Tubingen, Wasmuth Verlag, 2005, 200 p., ISBN 3-8030-0646-5
Le Corbusier Un architecte et ses livres Catherine de Smet Wettingen, Lars Muller Publishers, 2005, 128 p., ISBN 3-03778-033-9
Monografie over de Duitse architect Dominikus Böhm (1880-1955), naar aanleiding van een tentoonstelling in het Deutsches Architektur Museum in Frankfurt. Böhm wordt als één van de belangrijkste vernieuwers van de religieuze architectuur beschouwd, die internationaal zijn invloed deed gelden op de kerkenbouw zowel tijdens het interbellum als in de naoorlogse periode. De diepgelovige, door de liturgische hervormingsbeweging geïnspireerde architect, behoorde tot de eersten die het altaar terug in het midden van de kerkgemeenschap plaatsten, een halve eeuw vóór het Tweede Vaticaans Concilie. Onder het motto "Raum istSehnsuchf ontwierp hij kerkgebouwen die zowel modern als mystiek wilden zijn, geladen met een stemmingsvolle, sacrale monumentaliteit op mensenmaat, en gekenmerkt door oorspronkelijke ruimteconcepten en een effectvolle lichtinval. Aan een uitgebreide oeuvrecatalogus met een kleine 400 notities gaan zes essays vooraf: een overzicht van leven en werk van Böhm in een bewogen tijdsgewricht, een dubbelportret van Böhm en de andere kerkvernieuwer Rudolf Schwarz, een analyse van zijn architectuurconcept, een bijdrage over een belangrijk stedelijk ensemble in het Silezische Zabrze, zijn invloed in de Verenigde Staten, en zijn relatie tot de toegepaste kunsten.
Bijzonder fraaie publicatie bij een tentoonstelling (Prato, Trento e Rovereto, Strasbourg 2005-06) gewijd aan de boekproductie van Le Corbusier (1887-1965), een voorpublicatie van een fragment van een ruimere studie door dezelfde auteur over dit onderwerp, die voor het najaar is aangekondigd. Voor Le Corbusier was het ontwerp van een boek zowel een intellectueel als een materieel project, waarvan hij de uitwerking van A tot Z in eigen hand hield. Voor iemand die volgens zijn identiteitskaart als 'homme de lettres' door het leven ging, kwam een belangrijk aandeel van zijn creatieve zoektocht tot stand in de geschreven cultuur, getuige zijn concept van "machine a habitet" of zijn lyrische definitie van de architectuur "lejeu savent, correct et magnifique des volumes sous la lumiére", die via zijn 'livre a sensation' Vers une architecture de wereld rond gingen. De productie van boeken vormt voor Le Corbusier een ononderbroken editoriaal proces van de brochure Étude sur le mouvemant d'art décoratifen Allemagne uit 1912 tot het autobiografische LAtelierde la recherche patiënte uit 1960. Het 40-tal boeken dat in deze tijdspanne het licht zag wordt uitvoerig in historische context gesitueerd, met aandacht voor uitgevers en medewerkers, opmaak en typografie, de rol in de verspreiding van het oeuvre, en de betekenis van het boek als een artistiek object.
B 1 N N E N K R A N T
Sert 1928-1979 Haifa Century of Architecture. Complete Work Josep M. Rovira (red.) Barcelona, Fundacio Joan Miro (distr. Actar), 2005, 384 p., ISBN 84-933928-7-1 Monografie en oeuvrecatalogus gewijd aan de Spaanse architect en stedenbouwkundige José Luis Sert (1901-1983), naar aanleiding van een overzichtstentoonstelling in Barcelona. Sert geldt als één van de voortrekkers van het modernisme, dat hij op jonge leeftijd in het republikeinse Barcelona introduceerde. Op de internationale scène manifesteerde hij zich van meet af aan tot in de naoorlogse periode als één van de meest actieve protagonisten van CIAM. Zijn oeuvre evolueerde van een uitgesproken rationalisme naar een nieuwe monumentaliteit, niet zelden gestoeld op een kritische interpretatie van de Mediterrane architectuur en cultuur. Het boek omvat drie delen, ook in de opmaak onderscheiden door een steunkleur, die samenvallen met de drie belangrijkste perioden in zijn leven en loopbaan: het radicalisme in Barcelona (1928-39), de grote stedenbouwkundige projecten in New York (1939-56) en de leerstoel aan Harvard in Cambridge (1956-79). Elk deel biedt een chronologisch overzicht van alle projecten, waarbij de belangrijkste zoals het appartementsgebouw Muntaner, Chimbote, de Fondation Maeght en Peabody Terrace ruimer worden behandeld, afgewisseld met korte essays over onder meer zijn aandeel in GATCPAC en CIAM, zijn relatie tot de kunst en Gaudi, zijn stedenbouwkundige principes en zijn leeropdracht.
Frans van Gooi Leven en werk Bernard Colenbrander Rotterdam, NAi Uitgevers, 2005, 288 p., ISBN 90-5662-411-3
L'imaginaire émergeant André Jacqmain Brussel, Archives d'Architecture Moderne, 2005, 180 p., ISBN 2-87143-156-6
Monografie over de Nederlandse architect Frans Van Gooi (1922), een subtiel geconstrueerde biografie op basis van archiefonderzoek en een reeks gesprekken met de architect. Verspreid over het hele boek wordt Van Gooi in eigen persoon opgevoerd als ruim tachtigjarige met scherpe blik terugkijkend op zijn leven en werk, meedogenloos niet in de laatste plaats jegens zichzelf, en toegankelijk voor een vrijmoedige verkenning van openlijke en verborgen ambities voor zijn architectuur. Dit persoonlijke document wordt afgewisseld met algemeen kritische beschouwingen en projectbeschrijvingen. Van Gooi begon zijn loopbaan bij Van den Broek en Bakema, waar hij mee vorm gaf aan de Lijnbaan in Rotterdam. Via de Gemeentelijke Woningdienst in Amsterdam kwam het in 1957 tot de oprichting van een eigen bureau, in diverse combinaties, dat in de jaren 1980 zou overgaan in de Architekten Cie. Van Gooi sloot in die jaren zijn carrière af als Rijksbouwmeester. Zijn oeuvre omvat grootschalige woningbouw onder meer in Osdorp en de Buikslotermeer, en een omvangrijke reeks kantoorgebouwen met, vanwege de controverse, als meest bekende het Duokantoor Weteringschans, in de volksmond 'Peper en Zout', tegenover het Rijksmuseum in Amsterdam.
Publicatie bij een gelijknamige tentoonstelling, die op uitnodiging van de Fondation pour l'Architecture door de Brusselse architect André Jacqmain (1921) zelf werd uitgewerkt, en waarin hij vanuit het geheugen op zoek gaat naar de bronnen van zijn verbeelding, zijn zinnebeelden, de wording van zijn denkwereld als architect. Het opzet van de tentoonstelling, samengesteld uit een 70-tal panelen met voor de gelegenheid gemaakte, becommentarieerde tekeningen en foto's, die vanuit een literaire, poëtische invalshoek het levensepos en het persoonlijke universum van Jacqmain belichten, vindt zijn echo in het boek. Jacqmain studeerde architectuur aan de Academie van Brussel bij Henri Lacoste, en ontwikkelde zijn artistieke persoonlijkheid in de ateliers van Groenhove met Carlo de Brouckère en de broers Strebelle, en in de ateliers van de Marais. Uit de associatie met Jules Wabbes ontstaat het Foncolingebouw en samen met Renaat Braem ontwerpt hij het Glaverbelgebouw. De villa ürvater, één van de krachtigste manifestaties van het brutalisme, is slechts één van de opmerkelijke privé-woningen die balanceren tussen het geometrische en het organische. Met het ontwerperscollectief Atelier de Genval realiseert hij vanaf 1967 een indrukwekkend oeuvre dat zich kenmerkt door diversiteit en een expressief lyrisme.
Frans van Gooi Leven en werk
r
rrr r
L'imaginaire émergeant André Jacqmain
oo
B 1 N N E N K R A N T
Art Nouveau ft Design Sierkunst van 1830 tot Expo 58 Claire Leblanc (red.) Tielt, Lannoo, 2005, 200 p., ISBN 90-209-6208-6 Catalogus van de tentoonstelling gewijd aan de Belgische sierkunst van 1830 tot de wereldtentoonstelling van 1958, georganiseerd door de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis naar aanleiding van de 175ste verjaardag van de Belgische onafhankelijkheid. Het boek is ingedeeld in drie delen, die de grote creatieve fasen van deze periode overspannen: de neostijlen, de art nouveau, de kunst van het interbellum en de naoorlogse kunst. Kunstvormen als glaswerk, meubels, edelsmeedkunst, keramiek en textiel, worden in een tiental ruim geïllustreerde bijdragen, via een toegankelijke synthese in historisch perspectief geplaatst. Het eerste deel gewijd aan de 19de eeuw belicht de industrialisatie van de decoratieve productie en schetst een overzicht van de neo-Vlaamse-renaissance en de neogotiek. Het tweede deel wordt ingeleid door een overzicht van art nouveau en art deco in internationaal perspectief, gevolgd door bijdragen gewijd aan de evolutie van beide stijlen in België. Onder de noemer 'Design' groepeert het derde deel na een algemene inleiding over het industrieel design, de bijdragen gewijd aan het modernisme tijdens het interbellum, het onderwijs en het streven naar een nationale kunstnijverheid onder impuls van Henry van de Velde en Terkameren, en het naoorlogse meubeldesign.
Openluchtscholen in Nederland Architectuur, onderwijs en gezondheidszorg 1905-2005 Dolf Broekhuizen Rotterdam, Uitgeverij 010, 2005, 240 p., ISBN 90-6450-546-2 Studie over de ontwikkeling van de openluchtscholen in Nederland, een schooltype waarin sociale en medische zorg, onderwijsvernieuwing en architectuur nauw met elkaar zijn verweven. Rond 1905 stuurden artsen voor het eerst lichamelijk en sociaal zwakke kinderen naar een buitenschool aan zee of in de bossen voor een kuur van gezonde voeding, medische zorg, volop beweging en zoveel mogelijk onderwijs in openlucht. Omstreeks 1930 ontstonden ook openluchtscholen voor gezonde kinderen, die ook dezen moesten behoeden voor ziekte en bovendien geacht werden de leerprestaties te bevorderen. Een lichamelijk sterk en hoogopgeleide bevolking gold als voorwaarde voor een op hoog niveau functionerende moderne maatschappij. De Openluchtschool van Duiker en Bijvoet in Amsterdam uit 1930, werd door de ranke betonconstructie, de bandramen en het revolutionaire verwarmingssysteem internationaal een icoon van de moderne architectuur. In chronologisch-thematisch ingedeelde hoofdstukken worden de veranderende opvattingen van architecten, artsen en onderwijshervormers over de openluchtscholen vanaf de pionierstijd tot heden geanalyseerd, aan de hand van een inventariserend overzicht van sleutelprojecten die representatief worden geacht voor een periode of een bepaalde typologie.
Monumentaal West-Vlaanderen Beschermde monumenten en landschappen in de provincie West-Vlaanderen. Deel III Arrondissementen Brugge, Diksmuide, Oostende en Veurne Jeroen Cornilly Brugge, Uitgeverij Van de Wiele, 2005, 288 p., ISBN 90-76297-27-6 Derde volume van een driedelige inventaris van het beschermd onroerend erfgoed in de provincie WestVlaanderen. Na de eerder verschenen delen 1 over de arrondissementen leper. Kortrijk, Roeselare en Tielt (2001), en 2 over de fusiegemeente Brugge (2003), rondt het huidige deel 3 over de arrondissementen Brugge, Diksmuide, Oostende en Veurne de reeks af. In de drie delen samen worden de meer dan 1000 vóór 2001 beschermde monumenten, stads- en dorpsgezichten in West-Vlaanderen in woord en beeld behandeld, geordend per gemeente en per straat. De goed gedocumenteerde artikels belichten de bouwkundige geschiedenis en de typologische kenmerken, de historische evolutie en de stedenbouwkundige of landschappelijke waarden, die ook aanleiding gaven tot de bescherming. In dit derde deel komen onder meer de Westhoek, een deel van de frontstreek, het Brugs ommeland en de volledige kustlijn aan bod, van de Godelieveabdij in Gistel tot het Casino van Oostende, de stadskernen van Lo en Damme, het Zwin, de Uzermonding en de duinen van de Westkust. Een inleidend essay analyseert de tendensen en evoluties van het beschermen in West-Vlaanderen van 1835 tot vandaag.
B I N N E N K R A N T
Vooralle reacties: Jozef.Braeken (3) lin.vlaanderen.be De boeken liggen ter inzage in de bibliotheekvan het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE) Koning Albert ll-laan 19 bus 5 1210 Brussel (tijdens de kantooruren)
Suzanne Van AerschotVan Haeverbeeck
BOUWEN DOOR DF EEilWFN HFFN IN VIAANDERFN Deel 18 n b. Stad Brugge. Middeleeuwse stadsuitbreiding Noord. Deel 18n b. Stad Brugge. Middeleeuwse stadsuitbreiding Zuid. Afgewerkt einde 2004 zijn beide delen in het Brugse Stadhuis aan de pers het talrijke publiek voorgesteld op 23 maart 2005 door Schepen voor Monumentenzorg Monique Boyden en Joris Scheers afdelingshoofd van de afdeling Monumenten en Landschappen. Met deze twee boekdelen wordt de inventarisatie van de Brugse binnenstad afgerond. Net zoals voor de vroeger behandelde steden Antwerpen (1976-1992) en Gent (1976-1983) is het materiaal fasegewijs gepubliceerd rekening houdend met de historischstedenbouwkundige ontwikkeling. Bij het heropstarten van de inventarisatie binnen de toenmalige Rijksdienst voor Monumenten-en Landschapszorg tijdens het Europees Monumentenjaar 1975 was Brugge geen prioriteit. De Stad zelf ontwikkelde er immers, mede onder impuls van toenmalig schepen Dries Van den Abeele, een monumentvriendelijk beleid en diende zich hiermee aan als voortrekker in dit vlak. In 1971 werd de Dienst Monu-
mentenzorg en Stadsvernieuwing (DMSA) opgericht; het Structuurplan, dat een voorbeeldfunctie heeft gehad voor de evenwichtige uitbouw van de historische stad, werd een jaar later aangevat. Bovendien zorgde de Provincie West-Vlaanderen in 1975 voor de tweede druk van het reeds in 1968 verschenen pioneurswerk van Luc Devliegher, met name "De huizen te Brugge", in haar reeks "Kunstpatrimonium van West-Vlaanderen". De draad werd opnieuw opgenomen in 1997-1998 toen Vlaams minister Luc Martens het Stadsbestuur voorstelde de inventarisatie van Brugge te laten verlopen als pilootproject voor de samenwerking van de betrokken regionale en stedelijke overheden. De DMSA had inmiddels een belangrijke basisdocumentatie verzameld bestaande uit plannen, notities en teksten voor tentoonstellingen, Open Monumentendagen enzovoort; ze zou hiermee worden ontsloten vermits ze van pas zou komen het voor- en bijkomend onderzoek dat aansluit bij het systematische veldwerk voor de inventarisatie van het bouwkundig erfgoed in Vlaanderen.
Het bouwkundig erfgoed van de nog duidelijk afgelijnde oudste stadskern van Brugge is opgetekend in het in 1999 verschenen deel 18n a. Het daaropvolgend onderzoek van de middeleeuwse stadsuitbreiding heeft zoveel materiaal opgeleverd dat het moest worden gesplitst in twee delen. De 18de-eeuwse Coupure en de 19deeeuwse Hoefijzerlaan leverden historisch en topografisch verantwoorde scheidingslijnen op voor de begrenzing van 18n b Brugge Noord 18n b Brugge Zuid. Voor de verdere indeling is rekening gehouden met de indeling, afbakening en benaming van de traditionele kwartieren die ook nog werden gehanteerd en verantwoord in het vermelde Structuurplan. Zo komen in Brugge Noord achtereenvolgens het Ezelskwartier, het SintGilliskwartier, het Seminarie- en het Lange Straatkwartier aan bod. Brugge Zuid behandelt het Magdalenakwartier, het Onze-Lieve-Vrouwekwartier en het West-Bruggekwartier.
Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 18nb Stad Brugge
MlddetentwK •tadsoHbrafdlBg
ZIJN)
Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 18nb Stad Brugge
VliddeleeiiMso stsdSttHiireféBilg
NOORD
Deze gebieden gevat tussen de poortstraten en hun segment van de haast volledig bewaarde tweede omwalling, hebben een eigen aanleg ontwikkeld die veelal verband houdt met hun oudste toen extra muros gelegen nederzettingen en hun bestemmingen. De evolutie van deze kwartieren stoelt op het verdere bodemgebruik, wisselende bestemmingen en functiever-
1VI&L
I;
B 1 N N E N K R A M T
schuivingen. Samen met de verhouding tussen gebouwde en ongebouwde omgeving verlenen ze hen tot op heden een eigen karakter. Het leek interessant deze aspecten te bestuderen in de algemene contextuele inleiding waarbij, aansluitend, de specifieke architecturale kenmerken van het behouden bouwkundig erfgoed worden geschetst. Oude kaarten als voornaamlijk deze van Marcus Gerards (1562) en de Poppkaart (1855 en 1865) brachten hiertoe interessant vergelijkingsmateriaal aan. In tegenstelling tot de "Bijbel" van L Devlieghers die de "Huizen te Brugge" behandelde komen hier, zoals gebruikelijk in de reeks, alle bouwtypes aan bod. De straatinleidingen belichten de historisch-stedenbouwkundige context en de, doorsneebebouwing met eventuele vermelding van afwijkende of uitzonderlijke types. De aparte items zijn geselecteerd op basis van hun historisch, architectuurhistorisch en typologisch belang. De toelichting is een synthese van de kritische analyse tijdens het plaatsbezoek en de gelijkaardige benadering van de diverse voorhanden bronnen onder meer deze verzameld door het DMSA. De op het Stadsarchief bewaarde bouwaanvragen zijn systematisch geraadpleegd voor de periode 1800-2002; voor de periode 1983-2002 is dit onderzoek aangevuld met de plannen van de Dienst infrastructuur en Ruimtelijke ordening. Naast de namen van architecten en bouwheren vermelden deze documenten ook jaartallen die niet noodzakelijk overeenstemmen met het bouwjaar; hierdoor leveren ze dus alleen een terminus post quem op.
Dankzij de bereidwilligheid van het Stadsarchief en de nu bestaande mogelijkheden van de kopieermachine konden een aantal van deze plannen worden gereproduceerd in het boekblok. Vermits ze meestal een tekening geven van de toestand vóór en na de aangevraagde bouw of verbouwing illustreren ze perfect het verbouwen en herbouwen, het wijzigen van details, gevelversiering of -type of het overgaan tot een zekere schaalvergroting. Ze tonen ook, buiten de verschil-
M&L
lende tekenwijzen, de evolutie aan van de vereiste plannen: de aanvankelijke geveltekeningen worden gaandeweg aangevuld met doorsneden van de nieuwe gevel, plattegronden en doorsneden en eventuele details van de architectonische ornamenten. Dit archiefmateriaal, dat op deze manier wordt ontsloten, visualiseert hiermee niet alleen de dynamische ontwikkeling van het stadsbeeld vanaf de 19de eeuw maar brengt ook een inzicht in de woonvormen met hun doorsneetypes en uitzonderingen. De talrijke foto's in het boekblok en in het fotoregister brengen een beeld van het Brugge van de eerste jaren van de 21ste eeuw. Ze vergelijken met het illustriemateriaal dat L Devliegher in 1968 en 1975 hoofdzakelijk ontleende aan de bestaande collectie van het Koninklijk Instituut van het Kunstpatrimonium toont aan welke weg sinds toen is afgelegd. Deze documentatie vult ook het beeld aan van het "klassieke Brugge" met zijn grote monumenten, trageveltjes, reien en bootjes en wijst op de grote diversiteit van zijn erfgoed.
Een zekere continuïteit in het stedelijk beleid sinds de jaren 1970 met voortzetting en verruiming van de sinds 1877 ingevoerde bijdragen voor "Kunstige Herstellingen" van Brugse gevels, heeft haar vruchten afgeworpen. De Vlaamse regering heeft hier ook toe bijgedragen met haar restauratie- en onderhoudspremies voor het sinds 2000, als gevolg van de inventarisatie, nog toegenomen aantal beschermde gebouwen. Deze overheidssteun is trouwens nog verhoogd tijdens de voorbereidingsperiode van Brugge 2002 Culturele Hoofdstad van Europa. Naar aanleiding van deze titel is de Stad met haar sinds 2000 als Werelderfgoed erkende historische binnenstad nog duidelijker bewust geworden van haar verantwoordelijkheid. Haar erfgoedvriendelijke politiek wil ze dan, aldus Burgemeester Patrick Moenaert, blijven koppelen aan haar betrachtingen om de leefbaarheid en de sociaalculturele sector prioritair te stellen. De afdeling Monumenten en Landschappen hoopt alvast dat de in boekworm gepubliceerde inventarisatie
van de Brugse binnenstad, ook te raadplegen op de databank www. monument.vlaanderen.be, zal bijdragen tot deze doelstellingen en ook de aandacht zal verdienen van de bewoners en bezoekers.
Deel 18na. Stad Oudste Kern, Turnhout, 1999 ( ISBN 90-5622-037-3). LXXXIX + 644 p., 324 foto's en LXXIII plannen in het boekblok, 8 kleurenplaten en fotoregister met 886 items. Auteurs: Stefanie Gilté en Aagje Vanwalleghem met medewerking van de Dienst Monumentenzorg en Stadsvernieuwing Stad Brugge (DMSA): Jan Esther en Patricia Van Vlaenderen Leiding en coördinatie: Suzanne Van Aerschot-Van Haeverbeeck Deel 18 n b. Stad Brugge. Middeleeuwse stadsuitbreiding Noord, Turnhout, 2004 (ISBN 90-5622-050-0). CXIV + 707 p., 346 zwart-wit foto's en LXXXIII plannen in het boekblok, 8 kleurenplaten, fotoregister met 713 items. Deel 18n b. Stad Brugge. Middeleeuwse stadsuitbreiding Zuid, 2004, (ISBN-90-5622-051-9) CXXX + 589 p., 310 zwart-wit foto's en LXX plannen in het boekblok, 8 kleurenplaten en fotoregister met 563 items. Voor deze beide delen Eindredactie: Suzanne Van AerschotVan Haeverbeeck Auteurs: Stefanie Gilté, Aagje Van Walleghem en Patricia Van Vlaenderen (DMSA) Voor de drie delen Plannen en Kaarten: Rufin De Meerleer en Thomas Wets (DMSA) Lexicon: Luc Verpoest en Thoms Wets (DMSA) Kafttekeningen: Paul Van Aerschot Foto's met medewerking van Oswald Pauwels en Kris Vandevorst. Engelse samenvatting: Marijke Hoflack
B 1 N N E N K R A N T
Beschermingen
9 WONINGEN V A N lAPOIJFS D Ü P U I S EN A I B F R T B O N T R I D D F R Elke architect probeert cl(i)e alchemie van ruimte en tijd waaruit het architecturale evenement bestaat, te bezweren en te beheersen. Om de ruimte te bouwen doet hij beroep op proportie, de gulden snede of de modular, gebaseerd op de menselijke proporties. Om de tijd te beheersen doet hij een beroep op de meetkunde. Het doel bestaat erin om in de mate van het mogelijke, op elk ruimtelijk punt en op elk moment van het parcours tot een synthese van het geheel te komen. Jacques Dupuis gaat op een gelijkaardige manier tewerk, maar blijkbaar zonder die rigiditeit van traditionele formules, hiërarchie en driehoeksmeetkunde die in de schoolboeken aangeleerd wordt. Zijn oeuvre vloeit voort uit de spanning van een gevoelig handschrift, merkbaar in de opeenvolging van de plannen en het profiel van de doorsneden. Die spanning onthult een spel van tegenstellingen tussen gestemd en ontstemd, tussen dissonanten welluidend, tussen ontvangend en afwijzend, tussen open en gesloten. Ze zoekt haar eigen weg, op elk punt tegelijkertijd trouw aan haar opzet en toch verrassend. Haar vrijheid is aan wetten noch toeval onderworpen, maar herschept naar eigen wil, en, paradoxaal genoeg, uit een diepe en geruststellende noodzaak. Albert Bontridder, 2000 (uit Cohen M. en Thomaes J., Jacques Dupuis. Architect, Antwerpen, de Singel, 2000, p. 7)
Jacques Dupuis wordt geboren in Quaregnon op 24 december 1914. Hij studeert architectuur aan het institut Supérieur des Arts Décoratifs 'La Cambre' in Brussel, waar hij in
1938 zijn diploma behaalt. Van 1945 tot 1950 is hij geassocieerd met Roger Bastin (1913-1983), met wie hij de basis legt voor één van de meest opmerkelijke oeuvres uit de jaren 1950 en 1960 in België. Hun realisaties geven enerzijds blijk van een verankering in de lokale bouwtraditie, gekenmerkt door witgeschilderde bakstenen muren en leien daken. Anderzijds doet zich de invloed gelden van de Scandinavische architectuur, die zij tijdens een reis naar Denemarken en Zweden bestuderen. Jacques Dupuis bouwt later zijn praktijk uit in samenwerking met Simone Guillissen-Hoa van 1953 tot 1955, en vervolgens vooral met Albert Bontridder vanaf 1956 tot midden jaren 1970. Zijn oeuvre is in hoofdzaak gewijd aan de vrijstaande woning, en wordt, onder invloed van Gunnar Asplund, gekenmerkt door een delicate verbondenheid met de site, een uitgebalanceerde vormelijke vrijheid, een doorgedreven lyrisme in de planopbouw die volkomen breekt met het orthogonale schema , een kunstzinnige detaillering, en aandacht voor de psychologische vereisten van het privé-leven.
Het oeuvre van Jacques Dupuis werd recent grondig bestudeerd door Maurizio Cohen en Jan Thomaes, een onderzoek dat in 2000 uitmondde in een overzichtstentoonstelling en een monografie. In de loopbaan van Jacques Dupuis zijn vijf perioden te onderscheiden. De eerste periode, van 1937 tot 1951, wordt vooral bepaald door het samenwerkingsverband met Roger Bastin. Sleutelwerken uit deze fase zijn de Sint-Alenakerk in Vorst, de kapellen van Bertrix, de tuinwijken en foyers voor de ESMA in Malmédy en Auvelais, het Maison du Port Autonome in Luik en de beschermde villa Le Parador in Sint-Pieters-Woluwe. De tweede periode, van 1952 tot 1956, waarin hij team vormt met Simonne Guillissen-Hoa, levert realisaties op als het Provinciaal Blindeninstituut in Ghlin, de kleuterscholen in Frameries en de inmiddels gesloopte vakantiewoning Jean Wittmann in Sint-Genesius-Rode.
De derde, drukste periode, van 1957 tot 1961, bepaald door het samenwerkingsverband met Albert Bontridder, wordt ingezet met een reeks paviljoenen voor Expo 58. Het is echter vooral in een gesofistikeerde reeks privéwoningen dat Dupuis' universum volmaakt tot uitdrukking komt. Hij lijkt de delicate formule ontdekt te hebben om het terrein optimaal te manipuleren. De schuin geplaatste muur en de knik overheersen onder meer in de 'paviljoenen' Mestdagh, de woningen van derVaeren, Marcel Wittmann, en De Landtsheere. De vierde periode, van 1962 tot 1968, vormt een periode van bevestiging, waarin Dupuis uitgroeit tot één van de leidende figuren van de Belgische architectuur. Bewijs hiervan zijn de themanummers die de toonaangevende architectuurtijdschriften aan zijn oeuvre wijden, en de lidmaatschappen van prestigieuze verenigingen als de Libre Académie de Belgique, de SBUAM en de SCAB. Ook in deze periode zijn het toch vooral de privé-woningen, ontstaan uit een nog geïntensifieerde samenwerking met Albert Bontridder, die het belangrijkste gedeelte van Dupuis' realisaties uitmaken, hoewel door het vermeerderen van het aantal opdrachten zich een zeker maniërisme en een herhalen van vroegere oplossingen doet gevoelen. Tot de sleutelwerken behoren de woningen van den Schrieck, Wéry en "Zeeëgel". In de laatste periode van zijn loopbaan, van 1969 tot 1984, een periode van fysieke en geestelijke ondermijning waarin het aantal opdrachten en projecten dramatisch afneemt, bereikt Jacques Dupuis nog slechts een enkele keer, met name in de woning van der Schueren, het niveau van zijn meest vruchtbare perioden. De productie van Jacques Dupuis in het Vlaanderen betreft uitsluitend privé-woningen. In de loop van zijn carrière zijn in totaal een 50-tal woningen naar zijn ontwerp gerealiseerd, evenredig gespreid over het Vlaamse, het Waalse en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Deze groep woningen behoort tot het meest oorspronkelijke wat er in de jaren 1950
B 1 N N E N K R A N T
en 1960 op het vlak van de privéwoning in België is geproduceerd. Ook elke woning afzonderlijk, groot of klein, getuigt van een doorgedreven individualiteit aangepast aan de gegeven omstandigheden of als onderdeel in een vormelijk ontwikkelingsproces. Op het grondgebied van het Vlaamse Gewest tellen we in totaal vijftien gerealiseerde woningen, die met het oog op bescherming aan een grondig onderzoek werden onderworpen. Eén woning werd enkele jaren terug gesloopt, drie woningen werden onvoldoende relevant geacht voor bescherming, drie woningen bleken al te ingrijpend verbouwd. De woning "Zeeëgel" werd als eerste als monument beschermd (MB van 16/01/2004) als onderdeel van een ruimer beschermingsdossier voor de gemeente Knokke. Recent werden nog eens zeven woningen samen met de eigen woning van Albert Bontridder als monument beschermd (MB van 24/04/2005 en 19/05/2005).
Woning Robert Mestdagh Léquimelaan 4, Sint-Genesius-Rode 1956-1958 i.s.m. Emile Fays De woning Robert Mestdagh vormde oorspronkelijk één geheel met een tweede bescheiden landhuis, ontworpen als één ruimtelijke compositie met een verzorgde grafische continuïteit. De middenlijn van het terrein liep door beide woningen en vormde telkens de scheiding tussen het terras met het dagverblijf aan de rechterzijde en de tuin met het slaapgedeelte aan de linkerzijde, waarbij een spel
M&L
van schuin geplaatste tuinmuren en dwarse wanden de expressieve interactie bepaalde. Aan de straatzijde werd het L-vormige volume van het grootste paviljoen ingeplant rond een kleine ingesloten tuin. Het kleine paviljoen achteraan het perceel was een eenvoudig rechthoekig volume met een relatief grote tuin er omheen, dat echter in 1997 werd verbouwd. De woning Robert Mestdagh luidt een periode van pregnant expressionisme in. De opeenvolgende slaapkamers, opgevat als cellen, worden onder het dakvlies verschoven, waardoor in de gevel een vertanding ontstaat. Een rij dwarse muren onder het doorlopende dak die de opeenvolgende vertrekken aangeven articuleert de inkomgevel. Een derde articulatie vormt de diametrale positionering van de twee zacht hellende dakvlakken. Het geheel is opgetrokken uit baksteen, witgeschilderd op de schouw en het aansluitend muurvlak na. De inkom met sas en enkele ramen aan de binnentuin zijn voorzien van gesmeed ijzeren hekken met een grafisch patroon. De binnentuin wordt van de straat afgeschermd door haaks ingeplante muurschermen. In de veelhoekige inkomhal vormen grote spiegelvlakken, geometrisch uitgesneden betonwanden opgevuld met smalle stroken gekleurd glas, de vloer in stroken gepolijst wit en zwart marmer en het zwevend houten latwerkplafond een schitterend spel van contrasten en reflecties. In de leefruimte presenteert de haard zich als een tweedimensionaal grafisch ontwerp van witte lijnen in een groot donker vlak van horizontale leistenen stroken, waarvan de tekening doorloopt in de vloer van de verlaagde haardhoek. Hierop sluit een expressieve, contrastrijke kastenwand aan. De zoldering wordt ondersteund door een opengewerkte stalen legger. De nog aanwezige eettafel met stalen onderstel en marmeren blad werd eveneens ontworpen door de architect.
Woning van der Vaeren Acacialaan 62, Herent 1959-1961 i.s.m. Albert Bontridder De woning van der Vaeren strekt zich uit op een ruim perceel, met aan de zuidkant een onbeperkt uitzicht op de wijde omgeving van Leuven. In een poging het zonlicht maximaal te vatten, volgt het lage langgerekte bouwvolume een convex profiel via onregelmatige lijnen, verankerd in de topografie van het licht golvend terrein. Witgeschilderd baksteenmetselwerk, breukstenen terrassen en zadeldaken met flauwe helling, waarvan de uitkragende delen luifels vormen rustend op metalen posten, bepalen de architectuur. In de opbouw van het plan zijn vijf parallelle stroken te onderscheiden, die de dynamische scenografie bepalen. Een manshoge muur, als een onregelmatig scherm tussen het landschap en het woonvolume, en een achterliggende voortuin met toegangspatio en waterpartij vormen de eerste twee stroken. Een onregelmatige inkomhal met gekleurde glaspanelen en spiegels, via een brede vitrine in visuele relatie met de leefkamer, vormt de derde strook.
De daaropvolgende strook met enerzijds de slaapkamers en anderzijds de leefkamer, wordt centraal gedomineerd door de haardhoek, een uitgediept cilindervormig torenvolume in blote, zachtroze baksteen, die ook uitwendig de horizontale lijnvoering met een krachtig accent articuleert. Deze zone is via 'picture windows' intens betrokken op het landschap.
B 1 N N E N K R A N T
Een 'tokonoma' scheidt de leefkamer van de eetkamer, waar de open hoekramen een visuele spanning oproepen. Het breukstenen terras met waterpartijen vormt de laatste strook, die als een sokkel de binnenruimte naar het landschap doortrekt. Het dak wordt hier ondersteund door geometrische betonnen sculpturen. Het interieur van de suite leefkamer, haardhoek bibliotheek en eetkamer, vormt een uitgesproken contrastrijk geheel. Inbouwelementen in natuurhout worden effectrijk afgewisseld met spiegels of wandvlakken in een oorspronkelijk felle kleurstelling. De bevloering in zwart en wit marmer met ingewerkt geometrisch motief, vindt een echo in de gelaagde, wit en zwart gelakte zwevende plafonds. De hoge cirkelvormige haardhoek met verdiepte vloer, vormt een dominant contrast. Deze intieme, in zichzelf besloten ruimte met omlopende zitbank, wordt bepaald door de centrale haard met een zwevende, kegelvormige rookvang in metaal.
Woning De Landtsheere Gaverlandstraat 69, Gent-Drongen 1961-1963 i.s.m. Albert Bontridder De woning de Landtsheere strekt zich uit op een lang maar tamelijk smal perceel, dat van een prachtig uitzicht geniet op de Leie. De opdracht gold een buitenresidentie voor een doktersechtpaar, als een toevluchtsoord dat rust moest verschaffen na lange werkdagen in de stad. Voor de interieurinrichting, inclusief meubilair, tafelgerei enz., werd Dupuis geassisteerd door Lou Bertot. De woning wordt gevat tussen twee parallelle en discontinue zijmuren die het huis van de buren isoleren en het tegen de wind beschermen. De interne circulatie volgt vanaf de inkom tot aan het terras een onregelmatig, diagonaal patroon in zigzagvorm, een magistrale scenografie van donker naar licht, die uitmondt bij het Leielandschap. De verbindingen met de natuur en het landschap benadrukken
doorloopt over de eethoek, is van de patio gescheiden door een lyrisch glas-in-loodraam in groene en blauwe tinten. De spectaculaire, zonovergoten woonkamer met een veelheid aan vista's, wordt bepaald door de haardhoek, een verdiepte hexagonale ruimte met een rechthoekig, zwart betegeld haardvolume, en een geometrische compositie van wandnissen met gele en rode beglazing.
Woning Marcel Wittmann Bruinborrelaan 27, Meise 1961 i.s.m. Albert Bontridder, assistent P. Calame-Rosset de psychologische dimensie van de woning, namelijk het zich terugtrekken in de rust van de natuur. De lage muurpartijen zijn opgetrokken uit baksteen, deels witgeschilderd, op een breukstenen sokkel, deels met leien bekleed. Het leien zadeldak met flauwe helling vormt luifels boven de inspringende raampartijen, ondersteund door rijen metalen posten. Krachtige plastische accenten vormen de hoog oprijzende schoorstenen, één vierkant, één hexagonaal, nog geaccentueerd door de zwarte geglazuurde tegelbekleding. De kern van de ruimtelijke compositie wordt gevormd door de opeenvolging van de hal met aansluitend een bibliotheek-zithoek en de eigenlijke woonkamer opgedeeld in een eet- en haardhoek, geopend naar het buitenterras. Links en rechts hiervan bevinden zich de zwartbetegelde keuken met houten ontbijthoek, office en dienstbodekamer, en de ouderslaapkamer met en suite badkamer. De kinderkamers zijn gegroepeerd in een aparte vleugel, die uitgeeft op een gesloten patio met een betonnen sculptuur. De juxtapositie van brede raampartijen, strategisch geplaatste spiegels en gesloten wanden, glanzend zwart gelakte plafonds en inbouwkasten, vloeren in arduin of zwart vasttapijt bepalen het spectaculaire effect van de ruimtes. De eerder donkere hal en bibliotheek-zithoek, met een afzelia lambrisering die
De woning Wittmann werd gebouwd voor Marcel Wittmann, medezaakvoerder van de bekende Brusselse juwelierszaak De Greef. Onmiddellijk daarna ontwierp Dupuis op hetzelfde perceel een kleinere woning voor zoon Paul Wittmann, die echter in 1997 grondig werd verbouwd. Ook hier ging het om een compositie van twee onderscheiden volumes die via de binnentuinen in dialoog stonden met elkaar en als geheel met het landschap. De woning Marcel Wittmann is ingeplant op het hoogste punt van het terrein, en maakt dankbaar gebruik van het topografisch profiel. De brede, drieledige straatgevel is nagenoeg volledig blind en via een lange inkomtrap en een ingebedde garageoprit verbonden met de straat. De meerderheid van de ruimtes is naar het zuiden en zuidoosten georiënteerd. De gevels zijn opgetrokken uit witgeschilderd
B I N N E N K R A N T
metselwerk, met uitzondering van de geaccentueerde schoorsteen, onder leien zadeldaken met flauwe helling, die luifels vormen op metalen posten. De L-vormige plattegrond wordt bepaald door de kracht van de schuine lijn en een opeenvolging van volumes verbonden door de dakhellingen. De raamindeling karakteriseert op autonome wijze de achterliggende ruimtes. De woning sluit aan op ommuurde terrassen. De slaapkamervleugel, ingeleid door een trapezoïdale hal met hemelsblauwe en oranje glasramen in een geometrisch abstract motief, is eerder conventioneel van opzet. De salon daarentegen is een veelvormige ondefinieerbare ruimte, bepaald door schuine en zwevende plafonds. De haardhoek, die later enigszins werd aangepast, vormt hierin een intiem element door gereduceerde dimensies en sombere tonen. Opmerkelijk zijn de glazen vitrines, die als een vrijstaand scherm of ingewerkt in de wand, samen met strategisch geplaatste spiegels, het bijzondere ruimtegevoel versterken. Het TV-toestel wordt aan het oog onttrokken door een door Dupuis zelf met een abstracte compositie beschilderd luik. Een doorgeefluik waarop een 'scène champêtre', verbindt de eetplaats met de keuken. In de ouderslaapkamer werd een nis uitgespaard waarin een markante witlederen kaptafel.
Woning van den Schrieck Grote Molenweg 73, Herent 1962-1965 i.s.m. Albert Bontridder
P li , « *
1VI&L
De villa voor het echtpaar van den Schrieck is één van de grotere woning die Jacques Dupuis en Albert Bontridder hebben gerealiseerd. Lou Bertot assisteert bij de inrichting. De villa, omgeven door groenwallen, is ingeplant op het hoogste punt van een riant, hellend perceel dat uitzicht biedt op een verbluffend panorama. De villa bestaat uit twee evenwijdige vleugels met de dag- en nachtverblijven aan weerszij van het smallere en lagere inkomgedeelte. De dakvolumes worden gekenmerkt door een dynamische, asymmetrische opbouw, die met name aan de tuinzijde overheerst. De continuïteit in de vormexpressie, wordt hier verlaten voor harde dissonanten en brutale contrasten. Aan de 40 m lange westzijde bekronen twee scherp afgetekende, met leisteen beklede volumes een expressief uitgewerkt wit gevelvlak, nog geaccentueerd door het klimmende perspectief vanuit de tuin. De 20 m brede zuidgevel oogt lager en informeler, onder een zacht afbellend dak, geaccentueerd door een hoog oprijzende schouw. Hiervoor strekt zich een door manshoge muren omsloten, meerzijdig patio-terras in 'flaxstone' uit, met in het midden een bescheiden, driehoekig zwembad. De oostelijke inkomzijde wordt ingeleid met een eenvoudige gaanderij en een 10 m lange dwars geplaatste luifel. Aan de noordzijde is de villa dubbel zo hoog, met boven de garagepoort drie tweezijdige erkers. Op twee slaapkamers na bevinden alle woonfuncties zich op éénzelfde niveau. De midden- en zuidvleugel herbergen de inkom en de leefruimten, de noordvleugel telt zes slaapkamers met een sobere inrichting en een bescheiden kantoor. In de geknikte inkomhal wordt de vestiaire omsloten door een halfronde wand. Eetkamer, woonkamer en haardhoek met afgeronde haard beslaan zowat 100 m2. De grootsheid van de dakkappen Is in de woonkamer en de eetkamer afleesbaar via twee brede openingen in de plafonds, in de eetkamer ellipsvormig uitgesneden. Een aantal wanden en de binnenzijde van de
hoge kappen, zijn afgewerkt in verguld Japans vezelpapier, in contrast met de zwart gelakte zwevende plafonds, de arduinen vloeren en de kastenwanden in afzelia. Ook in de verdere inrichting overheersen zwart en goud: in de woonkamer een cluster van drie halfronde nissen voor oosterse objecten in zwart fluweel en een staande lamp met een vergulde kap, in de eetkamer zwartgelakte schuifdeuren, ingewerkt in een kastenwand en een vergulde halfronde nis met een stellage voor antieke bierpullen. De ellipsvormige uitsnijding van het plafond wordt hier herhaald in de vorm van het marmeren tafelblad, verlicht door drie glazen Mangiarottiluchters.
Woning Robert Wéry Sint-Annalaan 146, Sint-GenesiusRode 1963-1965 i.s.m. Albert Bontridder De woning Robert Wéry ligt te midden van een verkaveling, discreet zichtbaar aan het einde van een lange toegangsweg. Een gearticuleerde compositie van elliptische muren en met vegetatie gevulde vlakken leidt de bezoekers naar het toegangsatrium, beschermd door een gebogen luifel. De woning heeft een onderbouw in zichtbare donkere steen die contrasteert met witgeschilderde muren. De bovenverdieping springt terug en accentueert de helling van het schuine dak met atypisch golvend silhouet, dat uitloopt op de verticale zuil van de schoorsteen in leisteen. De toegangsas bevindt zich tussen twee groepen kamers, zo gelegen dat ze op een imaginair punt in de tuin convergeren. Binnenin lopen de ruimtes vloeiend in elkaar over, benadrukt door het gelijklopend vloerniveau en het doorlopend verlaagd plafond met hoge witte vlakke kroonlijsten. De salon bestaat uit drie aangrenzende ruimtes, geordend rond een multifunctioneel inbouwmeubel in zwart gelakt hout met inklapbare schuifdeuren. Het doet dienst als bar en bibliotheek, als kast en scheidings-
B 1 N N E N K R A N T
wand. Het fungeert met de haard als een intern autonoom referentiepunt. Zo maakt de open haard in marmeren tegels en ingebed in twee gemetselde muren deel uit van een sober gearticuleerde wandcompositie met een .' console en geïntegreerde verlichting. De bekleding van de keuken bestaat uit Japanse porseleinen tegels van een ongewoon model. Op de verdieping bevinden zich de slaapkamers en een klein bureel. Enkele jaren later voegt Dupuis nog een sculpturaal scherm toe tussen de tuin en de toegangsruimte, dat het patroon van de vloertegels herhaalt.
Woning "Zeeëgel" Mager Schorrelaan 54, Knokke 1964-1965 i.s.m. Paul Rousseau De woning "Zeeëgel" is gebouwd als zomerresidentie voor de schrijver Thomes Owen, pseudoniem van Gérard Bertot die eveneens bekend is als romancier en kunstcriticus onder het pseudoniem Stéphane Rey. De opdracht gold een zomerverblijf met ruime ontvangstmogelijkheid in familiale sfeer en een werkkabinet op maat van de auteur. Met de naam "Zeeëgel" kapittelde Bertot de sfeer van zijn residentie "...rébarbativeau dehors, pleine de saveurs au dedans... une gentilhommière de l'insolite...". De woning "Zeeëgel" vormt een uitzondering binnen het oeuvre van Dupuis. Eerst en vooral is het zijn enige realisatie in de context van de kustarchitectuur. Bovendien koos Dupuis ervoor te werken met schijnbaar veel vóórkomende volumes, zich inspirerend op de traditionele Vlaamse
hoeve, waaraan hij een eigentijdse en persoonlijke interpretatie gaf. De woning "Zeeëgel" vertoont een Lvormige plattegrond bestaande uit twee rechthoekige volumes met een krachtig geprononceerde intersectie. Het perceel grenst met een ondiepe voortuin aan de straat en opent zich achteraan naar een tuin waarin een rij knotwilgen het perspectief bepaalt. De woning is opgetrokken uit witgeschilderde baksteen, waaraan een conische traptoren en een schoorsteen in donkere baksteen een sterk plastisch accent verlenen. De voor- en zijgevels vertonen een sober, sterk gesloten karakter. De zuidgevel daarentegen is ruim beglaasd naar de tuin toe, die van de westenwind wordt afgeschermd door een halfronde tuinmuur. Een ruime driehoekige dakkapel en twee regionaal geïnspireerde dakvensters verraden de bovenverdieping. Het interieur van de woning wordt bepaald door de ruime leefkamer, met dubbele bouwhoogte die doorloopt tot in de daknok. Het plafond bestaat uit blinkend, zwartgeschilderd eikenhouten latwerk. Rondom de open haard werd de vloer met 50 cm verlaagd, waardoor de ruimte intiemer wordt maar het volumetrisch contrast groter. Midden in de leefkamer geeft een trap via een dominante scheiboog toegang tot het werkkabinet, de belangrijkste ruimte van de woning, waarvan de mise-en-scène verband houdt met de
persoonlijkheid en de kunst van de bewoner. Dit vertrek wordt gedeeltelijk omringd met 1m30 hoge bibliotheekkasten waarop een omlopend tablet.
Woning van der Schueren Middenlaan 8, Kraainem 1972-1974 i.s.m. Albert Bontridder De villa voor het echtpaar Guy van der Schueren, een bedrijfsleider met een collectie oude meubelen en moderne kunst, behoort tot de laatste periode binnen het oeuvre van Dupuis. In deze periode die getekend wordt door fysieke en geestelijke ondermijning, geldt de woning van der Schueren als een laatste opflakkering van de grandeur en de elegantie van Dupuis' vroegere projecten. Het perceel is een vierkant stukje bos van aan de rand van het Zoniënwoud, 3 m verheven boven het niveau van de straat. Tot de opdracht behoorde tevens de aanleg van een 20 m lang zwembad. Het is de laatste opdracht die Dupuis in samenwerking met Bontridder heeft gerealiseerd. Het ontwerp van de tuin kwam tot stand in samenwerking met tuinarchitect Pierre Culot. De villa bestaat uit twee duidelijk onderscheiden vleugels, geïntegreerd in de helling van het terrein. Een rechthoekig volume van 20 m lengte, evenwijdig met de straat, herbergt
B 1 N 1 M E N K R A N T
vier slaapkamers, een badkamer en een bibliotheek/werkkamer op het woonniveau, een garage en een speelkamer op het straatniveau. De leefruimte annex keuken ligt in een grote piramidale ruimte die naar het westen gedraaid is, grenzend aan het terras en het zwembad. Tussen beide delen in ligt de inkom, die via een grote stalen draaitrap verbonden is met het woonniveau. In dit concept dat zich kenmerkt door de heldere aflezing van de samenstellende delen, weet Dupuis overtuigend vorm en symboliek te verenigen. Een smalle, duistere toegang leidt naar de beschutting van de woning, als een universum van licht en vuur gecentreerd rond de haard.
Eigen woning Albert Bontridder Léquimelaan 16A, Sint-Genesius-Rode 1959 Albert Bontridder neemt als dichter en architect een aparte plaats in binnen zijn generatie. Het merendeel van zijn werk kwam tot stand uit de samenwerking met Jacques Dupuis. Zijn persoonlijke oeuvre beperkt zich tot een handvol woningen voornamelijk voor kunstvrienden zoals Louis Paul Boon, Marcel Wauters en Mare Galle. De osmose van literatuur en architectuur resulteerde in vele essays over de rol en het karakter van een hedendaagse architectuur en was de aanleiding tot de eerste uitvoerige monografie van de moderne Belgische architectuur na 1900 "Dialoog tussen licht en stilte" (1963). Zijn persoonlijke werk sluit volkomen aan bij de benadering van Jacques Dupuis, zij het iets minder uitbundig, een poëtisch verzet tegen de massificatie en de uniformisering in de moderne maatschappij.
In zijn eigen woning heeft Albert Bontridder zijn ideaal gestalte gegeven van een moderne woonomgeving die, naar eigen zeggen "rekening houdt met de menselijke morfologie en De gevels zijn afgewerkt met een parement van gekloven betonblokken, met een fijn profiel als dakrand. De voorgevel is nagenoeg volledig blind. Een enge schemerzone tussen een decoratieve muur in gebroken porfiersteen en de overkragende uitbouw van de woning vormt de inkom. In de inkom valt het licht slechts binnen via het ronde trapgat. De vierkante leefruimte meet 10 m zijde, onder de 7 m hoge piramidekap met bovenlicht. Deze in grijs-beige tinten uitgevoerde ruimte wordt bepaald door de centrale haard in zichtbeton en is door brede raampartijen geopend zonder hoekstijl naar de omgeving. De met wandkasten ingerichte bibliotheek/werkkamer is volledig gehuld in zwart en rood. De inkomdeur is het werk van de Italiaanse beeldhouwer Arnoldo Pomodoro, de trap en de terrastafel zijn uitgevoerd door de smid Garavello.
M&L
hem wil verlossen uit een verkeerd gebouwd universum". Deze woning werd bekroond met de Eerste Vermelding (tweede prijs) van de Prijs Van de Ven editie 1960. De woning is ingeplant op een ommuurd perceel met een klimmend reliëf van 3 m, dat op speelse wijze in de interne gelaagdheid van de woning wordt geïncorporeerd. Het programma betrof enerzijds een woning voor een gezin met twee jonge kinderen, anderzijds een enigszins geïsoleerd werkvertrek voor de dichter-architect. De plattegrond beschrijft een onregelmatige rechthoek in U-vorm rond een centrale patio, en wordt bepaald door diagonale uitsprongen en versnijdingen. De volumes zijn opgebouwd uit witgeschilderd metselwerk onder lessenaarsdaken met flauwe helling. De woon- en slaapvertrekken zijn gelijkvloers gesitueerd. De werkvertrekken vormen de bovenverdieping van de achterste vleugel, deels boven de keuken, deels gebruikmakend van de terreinhelling. Tussen woon- en werkvertrekken bestaat een subtiele visuele relatie, die de fysieke scheiding compenseert.
De inkom achteraan geeft via een hal toegang tot de lager gelegen leef-
B 1 M 1 M E N K R A N T
kamer, geopend naar de patio, het scharnierpunt van de woning. De leefkamer is enerzijds verbonden met de keuken en anderzijds met de vleugel aan straatzijde, waar zich drie slaapkamers, een badkamer en een speelkamer bevinden. In de hal geeft een discrete trap toegang tot het ruime werkvertrek op de verdieping. Dit tweeledige vertrek met een hoger gelegen haardhoek wordt bepaald door ruime vensterpartijen en heeft een rechtstreekse toegang tot de tuin en vandaar via een buitentrap tot de patio. Een hoog oprijzende schouw vormt de bekroning. In het interieur treft het intieme ruimtegevoel, met verrassende perspectieven, en de intense betrokkenheid met de omringende tuin. Dit wordt ondersteund door een sober maar warm materiaalgebruik: witgeschilderd metselwerk, houten geknikte zolderingen, gelakte deuren en linoleum in contrasterende tinten. De zeer compacte keuken die een ontbijthoek en een voorraadberging incorporeert, is volledig betegeld met turkooisblauw glasmozaïek in kleurrijk contrast met de citroengeel gelakte inbouwmeubels. In 1971 werd de bovenverdieping naar ontwerp van Albert Bontridder op intelligente wijze uitgebouwd boven de inkom en de leefkamer, volkomen in harmonie met het bestaande volume. Hiervoor werd de oorspronkelijk verdiepte inkom met een luifel een kwartslag gedraaid in het vlak van de zijgevel. Aan de inkomhal werd een bescheiden trappenhuis toegevoegd, ter plaatse van een kleine binnentuin die hierbij werd gehalveerd.
Buitenkrant Madeleine
Manderyck
CONSERVATIE EN RESTAURATIE VAN GLASRAMEN Richtlijnen Corpus Vitrearum, Nürnberg 2004 In 1989 stelde het Internationaal Comité van het Corpus Vitrearum voor het eerst een aantal richtlijnen op voor de behandeling van historisch gebrandschilderd glas. Op het internationaal colloquium van het Corpus Vitrearum in Nürnberg (2004) werd een aangepaste versie van deze Guidelines for the Conservation and Restauration of Stained Glass goedgekeurd. Het Vlaams Comité Corpus Vitrearum zorgde in samenwerking met het Nederlands Comité voor de Nederlandse vertaling, die recent door het Internationaal Conservatiecomité van het Corpus Vitrearum werd goedgekeurd. De richtlijnen vormen de basis voor elke conservatie- of restauratiebehandeling van historisch gebrandschilderd glas. Daarbij wordt de samenwerking met een team van deskundigen aanbevolen. Onderzoek en documentatie van de glasramen wordt als voorwaarde gesteld bij elke behandeling. De nadruk wordt evenwel gelegd op de preventieve conservatie, waardoor conservatie- en restauratiebehandeligen minder noodzakelijk worden. Het aanbrengen van beschermende buitenbeglazing wordt in dat verband van cruciaal belang geacht. Overeenkomstig de hedendaagse deontologie inzake conservatie en restauratie van kunstwerken stellen de richtlijnen dat elke behandeling van historisch gebrandschilderd glas moet gebaseerd zijn op de principes van de minimale interventie en de reversibiliteit.
restauratie van glasramen, ongeacht de periode waarin deze glasramen zijn gemaakt. Ze vormen het referentiekader voor conservatoren/restauratoren en deskundigen en zijn bovendien een introductie en informatiebron voor individuen en organisaties die verantwoordelijk zijn voor het behoud en beheer van glasramen. 1.2 De richtlijnen werden in 1989 voor het eerst geformuleerd door het Internationaal Conservatiecomité van het Corpus Vitrearum en het Comité voor het Glasraam van ICOMOS. De originele versies van de huidige richtlijnen zijn in het Engels, Frans en Duits opgesteld. De richtlijnen worden vertaald onder de verantwoordelijkheid van de respectievelijke Nationale Comités van het Corpus Vitrearum en moeten goedgekeurd worden door het Internationaal Conservatiecomité. Het Corpus Vitrearum is een internationale wetenschappelijke organisatie die historische glasramen bestudeert en er publicaties over opstelt. Zijn Conservatiecomité bevordert de conservatie en de restauratie in overeenstemming met deze richtlijnen, coördineert onderzoek en moedigt professionele uitwisseling aan.
1. INLEIDING
1.3 Deze richtlijnen specificeren principes die eigen zijn aan het conserveren van glasramen en herformuleren niet de algemene conservatieprincipes die in andere internationaal erkende richtlijnen en ethische codes vooromen. Er wordt hiervoor verwezen naar onder meer het Internationaal charter voor de conservatie en restauratie van monumenten en landschappen (Charter van Venetië, ICOMOS, 1964), De conservator-restaurator: een definitie van het beroep (ICOM Conservatiecomité, Werkgroep "Conservatie-restauratieopleiding", Kopenhagen, 1984), de ICOM-code betreffende professionele ethiek (ICOM, Buenos Aires, 1986) en de Richtlijnen aangaande educatie en opleiding voor de conservatie van monumenten, ensembles en landschappen (ICOMOS, Colombo, 1993).
1.1 Deze richtlijnen vormen de ethische principes voor de conservatie en
1.4 In het kader van het huidig document wordt er onder de term glas-
M&L
B l N l ^ E N K R A N T
raam verstaan zowel gebrandschilderd glas als glas-ln-loodramen, glas-lnloodvlaklichten (legramen), in koperfolie gevat glas, glas-in-betonramen en alle andere types van architecturale beglazing in situ of, na demontage, in een museum of een private collectie. 1.5 De intrinsieke waarde van glasramen is gelijkwaardig aan eender welk ander type kunstwerk of cultureel erfgoed en het conserveren ervan verdient daarom, ongeacht ouderdom of geldwaarde, dezelfde graad van aandacht en professionalisme. Glasramen mogen niet geïsoleerd beschouwd worden. Hun historische en fysieke context, met inbegrip van de architecturale plaatsing en hun integratie in de omgeving, moeten mee opgenomen worden in de planning en uitvoering van alle conservatieprogramma's. Het conserveren van glasramen vergt samenwerking van een team van deskundigen met onder meer conservatoren/restauratoren, kunsthistorici, architecten, natuurwetenschappers, ingenieurs en indien bestaande, openbare instellingen die verantwoordelijk zijn voor de bescherming van het cultureel erfgoed. De keuze van de specialisten die betrokken zijn bij het conservatieproces moet gebaseerd zijn op hun opleidingsniveau, levenslang te leren en hun beroepservaring, waarbij kwaliteit steeds prevaleert boven financiële overwegingen. 1.6 Elk thema dat in dit document wordt behandeld is een essentieel onderdeel bij het conserveren van om het even welk glasraam. Hoewel sommige aspecten in bepaalde projecten minder relevant kunnen lijken kan geen enkel van de hiernavolgende richtlijnen a-priori uitgesloten worden en moeten ze allemaal integraal deel uitmaken van een holistische projectvisie.
2. ONDERZOEK EN DOCUMENTATIE 2.1 De eerste stap in een conservatieproject omvat de studie van de geschiedenis en de functie van het
glasraam en het onderzoek van materialen en technieken, de latere interventies en de actuele conditie. Dit correspondeert met het soort onderzoek dat op geregelde basis wordt uitgevoerd door het Corpus Vitrearum en het is daarom voor beide partijen nuttig om deze onderzoeken bij elkaar te laten aansluiten. Als dat wenselijk is moeten er ook technologische onderzoeken en natuurwetenschappelijke analyses van constituerende materialen en van verwerings- en afzettingsproducten uitgevoerd worden. De resultaten van het vooronderzoek vormen de basis van het conservatieconcept en definiëren niet enkel duidelijk de doelstellingen en de verschillende stappen van de conservatiebehandeling, maar ook een langetermijnbehouds- en beheersstrategie. Op basis hiervan worden de behandelingsspecificaties vastgelegd die ook zullen dienen als referentie voor evaluatie tijdens en na de interventies.
2.2 Een volledige documentatie van de onderzoeken en van alle stappen, methodes en materialen, die aan bod kwamen tijdens het behandelingsproces is verplicht. Een geschreven conditierapport, opgemaakt door een conservator/restaurator, moet altijd elk glasraam dat wordt uitgeleend, begeleiden. Het behoud en beheer op lange termijn van raadpleegbare documentatie moet gegarandeerd worden door de eigenaar, een openbare instelling, indien die bestaat en de conservator/restaurator.
3. PREVENTIEVE CONSERVATIE 3.1 Preventieve conservatie is van fundamenteel belang voor het behoud en beheer van glasramen, zowel wanneer ze zich in situ bevinden als wanneer ze uit hun architecturale context zijn verwijderd. Het creëren van een gepast en stabiel klimaat is een belangrijke doelstelling in dat verband. Regelmatige controle van het glasraam en zijn omgeving, en het implementeren van een gedetailleerd onderhoudsplan zijn essentiële onderdelen van de preventieve conservatie.
3.2 Beschermende Beglazing 3.2.1 Het aanbrengen van beschermende beglazing is cruciaal voor de preventieve conservatie van glasramen in een architecturale context, aangezien deze bijzonder kwetsbaar zijn voor mechanische en klimatologische schade en omgevingsinvloeden. De belangrijkste doelstelling bij het aanbrengen van beschermende beglazing is het glasraam niet langer te laten functioneren als afscherming tegen weersinvloeden, het te beschermen tegen mechanische en atmosferische schade en condensatie op het glasraamoppervlak te voorkomen. De plaatsing van elk raam is uniek en daarom moet bij de vormgeving van de beschermende beglazing rekening gehouden worden met de specifieke behoudsvereisten van het glasraam en zijn architecturale omgeving, evenals met de fysische en esthetische impact op het gebouw. Beschermende beglazingssystemen verschillen afhankelijk van die behoeften en kunnen variëren van buitenbeglazingen, geventileerd met buitenlucht, tot de isothermische beglazing, geventileerd met binnenlucht. Deze laatst genoemde optie is de meest effectieve methode die momenteel voorhanden is. Kennis aangaande het functioneren en de effecten van beschermende beglazing is noodzakelijk om de juiste beslissingen te nemen. Een beschermende beglazing kan de graad van interventie bij de conservatiebehandeling in belangrijke mate beperken of de noodzaak van die interventie zelfs opheffen en zal de demontage van glaspanelen in de toekomst vergemakkelijken. Horren of draadroosters kunnen voor extra bescherming zorgen tegen mechanische schade, alhoewel er rekening gehouden moet worden met de visuele impact die deze netten mogelijk veroorzaken.
3.3 Hanteren, Transport, Opslag en Presentatie 3.3.1 Glasramen moeten op een heel specifieke manier gehanteerd worden. Alleen speciaal daartoe opgeleide personen zullen panelen uit de ramen nemen of verplaatsen.
B 1 N N E N K R A 1 M T
3.3.2 Gedurende een transport is het aan te bevelen glasramen verticaal en ondersteund in kisten te verpakken. Panelen met een uiterst verzwakt loodnet of loslatende glasverf en kleine panelen en fragmenten kunnen horizontaal verpakt worden voor transport op voorwaarde dat ze onder hun volledige oppervlak ondersteund worden. Bij opslag is zowel een verticale als een horizontale positie mogelijk op voorwaarde dat de staande panelen volledig gesteund worden en de liggende panelen volledig ondersteund worden. 3.3.3 De keuze van de materialen voor het inpakken, opslaan en presenteren van glasramen moet gebaseerd zijn op de kennis van hun chemische stabiliteit, hun potentieel om gassen af te geven, vocht op te nemen en mechanische schade te veroorzaken. 3.3.4 Bij de presentatie in een museum moet er zorg voor gedragen worden dat het lichtvolume wordt beperkt en dat de warmte in en rond lichtbakken niet te hoog oploopt, aangezien dit uiterst nadelig is voor bepaalde conservatiematerialen. Glasramen moeten tegen het publiek beschermd worden door onder meer afdoende afsluitingen en afstandshouders te plaatsen.
4. ACTIEVE CONSERVATIE EN RESTAURATIE 4.1 Alle handelingen die ondernomen worden als onderdeel van een conservatie- en restauratiebehandeling moeten gebaseerd zijn op het zorgvuldig in acht nemen van de geschiedenis van het paneel, op het mogelijk maken van de conservatie voor lange termijn en op de planning van de preventieve conservatiemaatregelen. Behandelingen mogen nooit kritiekloos op een paneel in zijn geheel uitgevoerd worden. Tijd om te reflecteren, advies in te winnen en te documenteren moet gedurende het volledige proces in de conservatieplanning opgenomen worden.
4.2 Toegang, conservatie in situ en behandeling voor demontage 4.2.1 Om de veiligheid van glasramen in architecturale context te waarborgen gedurende onderzoek en behandeling in situ, moet er voor een geschikte bereikbaarheid gezorgd worden. In veel situaties veronderstelt dit aangepaste steigers aan beide zijden van het venster, alhoewel in bepaalde omstandigheden andere middelen om het glasraam te bereiken aanvaardbaar kunnen zijn. Afhankelijk van de aard en de omvang van de noodzakelijke behandeling en rekening houdend met het potentiële gevaar van extra schade tijdens een demontage, moet conservatie in situ overwogen worden als eerste optie. Als een paneel er desondanks uit wordt genomen, dan is het noodzakelijk het paneel op een volledig reversibele en niet-destructieve manier te stabiliseren.
4.3 Behandeling van het glasoppervlak 4.3.1 Elke behandeling van het glasoppervlak en zijn decoratieve bewerking moet voorafgegaan worden door een onderzoek om de originele materialen, de verwering en de verwerings- en afzettingsproducten te identificeren. In de regel worden corrosieproducten beschouwd als bewijsmateriaal van de materiële geschiedenis van het glas. De hoofddoelstelling bij het behandelen van het glas is de conservatie ervan en niet het herwinnen van transparantie door corrosieproducten en aanslag te verwijderen. Reiniging moet, indien nodig, steeds op een lokale en goed gecontroleerde wijze worden uitgevoerd, rekening houdend met de risico's die gepaard gaan met de aangewende methoden en materialen. Volledige panelen of een volledig stuk glas helemaal onderdompelen of volledig met kompressen behandelen moet vermeden worden. 4.3.2 Het consolideren van glasverf is enkel aan te bevelen als de verf volledig verloren dreigt te gaan. Als de glasverf niet erg stabiel is maar niet
afbladdert, zijn preventieve conservatiemethodes te verkiezen. Glasstukken verhitten of opnieuw branden is nooit toelaatbaar. 4.4 BEHANDELINGEN VAN ONTBREKENDE DELEN EN LATERE AANVULLINGEN 4.4.1 Lacunes, opvulstukken, herschikkingen en latere aanvullingen maken deel uit van de geschiedenis van het glasraam en moeten daarom ten volle bestudeerd worden in het kader van het onderzoek dat voorafgaat aan iedere conservatie- of restauratiebehandeling. Nieuwe stukken inpassen in het glasraam, het retoucheren en ontbrekende delen reconstrueren alsook herschikken of latere toevoegingen vervangen is alleen toegestaan als het volledig te rechtvaardigen is op basis van grondig kunsthistorisch en technisch onderzoek. Deze behandeling moet bovendien gebaseerd zijn op de principes van de minimale interventie en de reversibiliteit. Elk nieuw stuk glas dat ingepast wordt, moet gemerkt worden op een permanente manier op het glasstuk zelf, met een datum en een naam of andere identificatiesymbolen.
4.5 Structurele consolidatie 4.5.1 Het conserveren van glasramen behelst ook de behandeling van de structurele onderdelen en van de bouwstructuur als het glas zich in situ bevindt. Voor deze aspecten kan het noodzakelijk zijn om specialisten uit andere vakgebieden bij de behandeling te betrekken. 4.5.2 De dragende structuur van het glaspaneel kan bestaan uit profielen van lood, zink of een ander metaal, koperfolie, beton, stopverf of nog andere materialen. Ongeacht de ouderdom van deze structurele elementen, worden ze beschouwd als een integraal deel van het artistieke concept van een paneel en dragen ze bij tot de historische waarde ervan. Conservatie van deze dragende structuren is een essentieel doel alhoewel bepaalde interventies, met inbegrip van een vervanging, verantwoord
B 1 N N E N K R A N T
kunnen zijn als het verval te ver gevorderd is, of als de interventie noodzakelijk is voor de conservatie van het glas. Interventies kunnen ook gerechtvaardigd worden in uitzonderlijke gevallen, en dit alleen op een selectieve manier, als de leesbaarheid van het kunstwerk erdoor herwonnen wordt. Een gebogen of doorgezakt paneel moet op een zodanige wijze vlak gemaakt worden dat de bestaande dragende structuur behouden kan blijven, en niet vervangen hoeft te worden. Het onderdompelen in baden of het opwarmen van panelen is onaanvaardbaar. Het (opnieuw) aanbrengen van glaskit is niet steeds noodzakelijk of wenselijk en hangt af van de staat van het paneel en de toekomstige wijze van plaatsing. Als het toch moet gebeuren dan moet de glaskit handmatig aangebracht worden op een gelokaliseerde wijze. 4.5.3 Als gebroken stukken hersteld moeten worden, dan is het bij de keuze van de materialen van belang rekening te houden met hun veroudering en de toekomstige plaatsingsomstandigheden van het paneel.
5. Deze richtlijnen werden uitgewerkt door een werkgroep van het Internationaal Comité voor de Conservatie van Glasramen en werden goedgekeurd door de Algemene Vergadering van het Internationaal Corpus Vitrearum op het XXII. Colloquium in Nürnberg, Duitsland op 1 september 2004.
M&L
Marjan
Buyle
STUDIEDAGEN Op 27 en 28 oktober 2005 gaan de internationale BRK-APROA studiedagen door. Ze worden georganiseerd in samenwerking met het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE). Het thema van dit tweejaarlijks seminarie is "Lacunes in de conservatierestauratie". Het betreft de omgang met lacunes op vele verschillende objecten en materialen: meubelen, muurschilderingen, beelden, schilderijen, textiel, wetenschappelijke instrumenten, glasramen, interieurelementen, historische tuinen. Het volledig programma vindt u in het volgend nummer van MEtL en op de website van de beroepsvereniging: www.brk-aproa.be
Sonja
Willems
VIOF-RAPPORT 0 1 : ROMAN POTTFRY IN THF TONGEREN REFERENCE COI I ECTION: MORTARIA AND TOARSE WARES Dit eerste deel in de nieuwe reeks van het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed, dat de studie van monumenten, landschappen en archeologie verenigt en waarvan het voormalige Instituut voor het Archeologisch Patrimonium (IAP) nu deel uitmaakt, geeft zowel in het Nederlands als het Engels een overzicht van een deel van het Romeins aardewerk dat zich te Tongeren in de referentiecollectie van de buitendienst Limburg bevindt. Deze referentiecollectie bevat voorbeelden van alle soorten Romeins aardewerk die op een gemiddelde opgraving te Tongeren uit de grond tevoorschijn komen. Het aardewerk wordt zowel op basis van typologie als baksel (klei, baktechniek, afwerking) bestudeerd, met de bedoeling de herkomst te achterhalen zodat de studie
van bijvoorbeeld verspreiding en handel mogelijk wordt. Op deze manier worden in dit eerste deel de categorieën "wrijfschalen" en "gewoon aardewerk" per bakselgroep ingedeeld en besproken. Het boek is opgebouwd uit een aantal fiches, met telkens een algemene beschrijving van de groep, een macroscopische beschrijving van het baksel, informatie over herkomst en verspreiding, typologie en datering, een typologieplaat, een bakselfoto en een algemene foto. Het werk is bedoeld als praktische hulp bij de determinatie van Romeins aardewerk en geeft in bijlage tevens een sleutel tot determinatie en beschrijving van inclusies.
spronkelijk biotoop zoveel als mogelijk te behouden en te herstellen en een oase van groen te realiseren temidden van de oprukkende verkavelingswoede en nieuwbouwrage.
Alken. Vliegstraat 35, bestaande toestand stal, inrijpoort, |
dwarsschuren (foto 0. Pauwels)
Alken, Vliegstraat 35 (Beschermd bij M.B. van 10 december 2003). Restauratiewerken worden uitgevoerd in 2005 naar ontwerp van architect Wilfried De Wijngaert (Hasselt). Het pand is gelegen in het kwartier Hemelsveld, ten noordwesten van het kerndorp. In dit kwartier zijn er nog een dertigtal vakwerkgebouwen bewaard, waaruit wij een vijftiental gebouwen als monument hebben voorgedragen. Van de oude dorpskern resteren de beschermde Sint-Joriskapel en een driehoekige dries met poel.
Het betreft een goed bewaard gebouwencomplex op L-vormig grondplan, bestaande uit een straatvleugel met stal-inrijpoort-dwarsschuur en rechts een woonhuis. Het tweeledig gebouw komt reeds voor op de Ferrariskaart (1771-1775). Binnen de
Alken, Vliegstraat 35, gevel, plattegrond
Alken, Vliegstraat 35, gevel, plattegrond
bestaande toestand
nieuwe toestand
(arch. De Wijngaert)
voorgevel, achter-
(arch. De Wijngaert)
voorgevel, achter-
voorgevel 1 / 2 0 0
achtergevel
1/200
voorgevel 1/200
achtergevel 1 / 2 0 0
>-.^x^..^J
1VI&L
• Diepenbeek, Hoyermolen: interieur van de schuur na de restauratie
M&L
woning is de 18 ^ eeuwse kern nog goed te omschrijven als een éénbeukig gebouw van vier traveeën breed en twee traveeën diep. Tegen de achtergevel werd in de 19 c eeuw één travee met een aaneenschakeling van kamertjes bijgebouwd. Hierbij werden de gebintstijlen van de oorspronkelijke achtergevel en van het bovenste ankerbalkgebint opgehoogd en het achterste dakvlak in één helling doorgetrokken over de bijgebouwde travee. Het gebouw is volledig gerealiseerd in stijl- en regelwerk en de vakken zijn gevuld met stroleem. In de eerste fase zal de woning gerestaureerd worden. Hierbij zal zowel de houtstructuur als de binnenindeling behouden en hersteld worden. De bestaande, aangepaste gevelordonnantie wordt behouden. O m meer licht te brengen in de verschillende leefruimtes, zal binnen bepaalde vakken van het skelet, glas worden aangebracht hetzij in een dun metalen profiel hetzij gefixeerd met dunne glaslatten.
Diepenbeek, de Royermolen, Ginderoverstraat (Beschermd bij M.B. van 3 februari 1983 ) . Restauratiewerken uitgevoerd van 1999 tot 2003 naar ontwerp van Luc Van Royen en Victor Simoni (Hasselt) (30). De Royermolen maakt deel uit van een uitzonderlijk rijk watermolenbestand op de Herk en de Mombeek, bij rivieren van de Demer. Het betreft een U-vormig complex bestaande uit een watermolen met aanpalend molenhuis haaks op de Stiemer, parallel hiermee een stalling en een schuur aan de noordzijde van het erf. Deze 18 e -eeuwse vakwerkschuur is duidelijk verplaatst en heropgebouwd met vervanging van een aantal versleten constructie-elementen. Bij de renovatie van het molencomplex werd de vakwerkschuur herbestemd als woning. Hierbij
• Diepenbeek, achter-
toestand na de
Diepenbeek,
zijde van de schuur
restauratie
Royermolen.
restauratie
van de Royermolen,
(foto 0. Pauwels)
Erfzijde schuur.
(foto 0 . Pauwels)
Toestand na de
werd de poort en de achterliggende poortruimte getransformeerd tot nieuwe inkom die doorgaat tot in de daknok. Links ervan liggen de woonkamers, rechts de leef- en slaapruimte. Vakwerktussenwanden werden opnieuw gevitst, doch niet geleemd, waardoor de tussenwand een minder scheidend doch transparant en bindend karakter heeft. Lichtopeningen werden op een bescheiden wijze ingebracht in de gevelvakken en voor de tussenvloeren werd enkel gebruik gemaakt van hout. De vulling van de leemvakken gebeurde met een combinatie van vits-en leemwerk langs de buitenzijde en naar binnen toe rotswolisolatie, houtwolcementplaat en leemwerk.
•4 Ham (Oostham), toestand van de schuur in 1994 (foto's J. Gyselinck)
Ham, dwarsschuur van de pastorie in Oostham (Beschermd hij M.B. van 19 januari 1935). Restauratiewerken uitgevoerd van 28 september 1995 tot april 1996 naar ontwerp van architect Wilfried De Wijngaert.(Hasselt). Bij de voormalige pastorie van Oostham (16711680), gelegen in het gehucht Kwamol, behoort een kleine 'landbouwnederzetting', bestaande uit een bescheiden woonhuis met vakwerkkern en een schuur-potstal in stijl- en regelwerk. Het schuur-potstalgebouw is een eenlagig Kempisch gebouw van acht traveeën onder zadeldak met wolfseinden; de linkerzijgevel is met stro bedekt. De twee linkse traveeën werden ingenomen door de potstal met een lager gelegen vloer. Dan volgt de poorttravee met dorsvloer en rechts werd
^f.
Na de restauratie
IP
'ÉÊtk M&L
het stro opgeslagen. De vloeren bestonden nog uit aangestampte leem.Bij aanpassingswerken werden alle vakken tussen de stijlen vervangen door baksteen.Bij de restauratie van het gebouw werden de vakwerkstructuur en de dakstoel vakkundig hersteld en werden de vakken opnieuw gevitst en geleemd conform de Kempische werkwijze.
Hasselt, Spaans Huis in Godsheide, Kiezelstraat 100 (Beschermd bij M.B. van 12 januari 1987). Restauratiewerken uitgevoerd in 1992 naar ontwerp van het architectenbureau Nivelle (Hasselt). Het gehucht Godsheide is gelegen in de alluviale vallei van de Demer die de scheiding vormt tussen vochtig Haspengouw met leemachtige bodem en de schrale zandige Kempen. O p een mutatieschets van 1 840 vinden wij een semi-gesloten hoeve met losse bestanddelen geschikt rondom een rechthoekig erf. Van deze gebouwen resteren enkel het woonhuis ten noordwesten, de dwarsschuur ten zuidwesten.van het erf en de bakoven. De vakwerkwoning is een eenbeukig gebouw van vijf traveeën en twee bouwlagen op een lage, bakstenen stoel. Het gebouw heeft een eenzijdig overstekend ankerbalkgebint langs de erfzijde. De overkragende ankerbalken worden geschraagd door zes korbelen. Aan weerszijden van de vierde stijl, bevindt zich op het gelijkvloers een beluikt bolkozijn en op de verdieping telkens twee zolderluikjes aan weerszijden van de tweede en de vierde travee. De zijpuntgevel aan de straatzijde heeft een beschieting met Vlaamse pannen. In de erfzijdegevel zijn enkel de stijlen zichtbaar, terwijl de horizontale regels terugliggen en de vitsstokken genageld zijn op de horizontale regels. De vakken zijn gevuld met vitswerk en geleemd met stroleem.
A Tijdens de werken
Het grondplan toont twee kamers gescheiden door een dubbele wandhaard, en de 'nere'. Omstreeks 1873 werd tegen de langszijde van de woning een nieuw volume opgetrokken, volgens getuigenissen eveneens in vakwerk. Het gebouw had een zwakke fundering, de muurplaat was totaal verpoederd en de zolderverdieping helde zwaar door in de richting van de overkraging. Het dak was gedeeltelijk ingestort. Het gebouw werd hersteld in zijn eigenheid en typologie. Latere ingrepen die niet relevant waren, werden weggenomen. Bij de restauratie werd het gebouw niet gedemonteerd, doch opgevijzeld. Ontbrekende delen werden aangevuld en slechte gedeelten werden hersteld met de traditionele ambachtelijke technieken eigen aan de houtbouw. De vakken van het skelet werden opnieuw gevitst en geleemd. Zoals het pand aan de Bulsstraat 116 in Alken, dateert dit gebouw uit de late 16 '; of vroege 1 7 ' ' eeuw.
Hasselt, 't Sweert, hoek Markt en Kapelstraat (Beschermd bij M.B. van 13 oktober 1980). Restauratiewerken uitgevoerd van 1 5 september 1989 tot 21 juni 1991 naar ontwerp van ir. arch. Jo Spaes (Neerpelt) (30). 't Sweert \s één van de meest monumentale voorbeelden van stedelijke vakwerkbouw in Limburg en meer bepaald in Hasselt. Het gebouw is ingeplant op de hoek van de Markt en de Kapelstraat, naast het pand De Hoichbrugge dat als vakwerkgebouw verdween in 1620 toen de voorgevel versteend werd. Het huidige pand is ontstaan uit een eenbeukig, gotisch diephuis waarvan de noordelijke kopgevel,
nmm
Hasselt, 't Sweert, nummering, demontage en uitleg (foto J. Gyselinck)
vermoedelijk in dubbele overkraging, gesitueerd was langs de Kapelstraat. Uit deze vroeg-15 ^eeuwse fase (1426) dateert nog de gotische ruimte op de eerste verdieping langs de marktzijde. In 1657 (datum op de huidige voorgevel langs de marktzijde) liet Hendrick Van Ryckel het gebouw vergroten en aanpassen tot een decoratief vakwerkgebouw met een stenen pui. De 17 e -eeuwse kruisramen langs de marktzijde werden in de 19 e eeuw aangepast en de pui langs de Kapelstraat werd vernieuwd in 1936. In het kader van een globale restauratie werd het gebouw bouwhistorisch en bouwfysisch onderzocht en werd voor de eerste maal de volledige constructie in- en uitwendig archeologisch opgemeten. Gezien de slechte bouwfysische en inwendig sterk verbouwde toestand van het skelet, werd bij wijze van grote uitzondering besloten om de vakwerkgevels te demonteren. Hiertoe werden alle houten onderdelen genummerd volgens een coherent systeem. Dezelfde nummering werd aangebracht op de plannen. Het hele gebouw werd gefotografeerd, zodat controle achteraf mogelijk bleef. De gevels werden in grote vakken losgemaakt, versterkt met windverbanden en zo vervoerd naar het atelier van de aannemer waar ze werden uitgelegd op de
• Na de in gebruikneming (foto G. Charlier)
M&L
4 ^
F^ESwwy • - wat
TVI&L
grond. O p deze wijze kon elk onderdeel in detail onderzocht en zonodig hersteld worden. Er werd minimaal vervangen en hersteld en dit volgens de oude ambachtelijke technieken van de timmerlieden. Polymeerchemische herstellingen of verharders werden niet toegepast. Gezien het hier een stadspand betreft, werd rekening gehouden met het voortdurend terugkerende probleem inzake onderhoud van het leemwerk. Er werd getracht de isolatiewaarde te verhogen en een maximaal comfort te genereren door het vits- en leemwerk te vervangen door een alternatief systeem van houtwolcementplaten met isolatie. De traditionele stroleem die gemakkelijk uitregent en snel windbarsten en krimpscheuren vertoont, werd vervangen door een leem-zand-kalkmortel met toevoeging van koehaar en vlas.
Hasselt, De dry Dragonders, hoek Zuivel- en Botermarkt (Beschermd bij M.B. van 13 oktober 1980). Restauratiewerken Fase I uitgevoerd van 13 november 2000 tot 23 oktober 2001 naar ontwerp van architecten Frank Bertels en Jo Spaas (Hasselt) (32). Het pand De dry Dragonders is gelegen op de hoek van de Zuivel- en de Botermarkt en de Raamstraat. Ogenschijnlijk gaat het om een stenen hoekhuis met classicistische gevelordonnantie uit de tweede helft van de 18 e eeuw. Uit de bouwhistorische analyse is gebleken dat De dry Dragonders \ermoede\\]k uit drie panden of delen van panden is samenge-
Hasselt, De dry
voor de restauratie
Dragonders, toestand
(foto frank Bertels)
Toestand in 200S (foto 0. Pauwels)
steld. De houtstructuur van een eerste diephuis is herkenbaar met een kopgevel langs de Botermarkt en een zijgevel langs de Raamstraat. Dit pand is vermoedelijk ontstaan uit twee oudere panden waarvan restanten aan weerszijden van de monumentale haard. De overkragende topgevel aan de Zuivelmarkt, meteen de enige nog zichtbare vakwerkgevel aan straatzijde, is het restant van een tweede diephuis met een langsgevel langs de zijde van de Botermarkt. Deze langsgevel is in de 18 e eeuw vervangen door de huidige classicistische, stenen gevel. In de eerste fase van de restauratie van het gebouw werden de gevels aan de Zuivel- en de Botermarkt hersteld te samen met het gelijkvloers en een deel van de eerste verdieping. Hierbij was het uitgangspunt om de bouwhistorische evolutie te duiden en alle waardevolle restanten te behouden en ambachtelijk te herstellen. Dit gebeurde zo voor de nog aanwezige vakwerkwanden in het interieur, voor de houten plafonds met restanten van beschildering, voor de monumentale schouwmantel en voor het topgevelskelet. Anderzijds is gepoogd om via duidelijk hedendaagse ingrepen in staal een nieuwe raaminvulling te realiseren in de vakwerkgevel en in de achttiende eeuwse raamomlijstingen van de classicistische gevel. De inwendige structuur werd plaatselijk aangevuld en verduidelijkt met inbreng van enkele stalen profielen doch zonder daarbij de homogeniteit uit het oog te verliezen.
M&L
Hasselt, Het Leerske, Havermarkt (Beschermd bij M.B. van 22 juni 1984). Restauratiewerken uitgevoerd naar ontwerp van architect Erik Martens (Maaseik)en architect Bart Lens (Hasselt)( interieurafwerking, winkeluitrusting en nieuwbouw) (33). 't Leerske is gelegen op de Havermarkt, voorheen in de volksmond Koemerkt en zowat zes eeuwen geleden Joedenstraet genoemd. Vlak naast 't Leerske werd in 1550 De 5 / > / ^ / g e b o u w d , een pand dat onmiddellijk op de Markt aansloot. Westwaarts van 't Leerske' vloeide de Wenterbeeck of Joeden-
O p basis van archiefonderzoek kon de hele bewonersgeschiedenis gereconstrueerd worden. Belangrijk om weten is dat het pand in de 15 <: eeuw (1424) in handen was van een zekere Jan Dullaers en dat er een herberg zou gevestigd geweest zijn. In het archiefmateriaal is er evenwel een lacune van ongeveer twee eeuwen. Er is dan sprake van Aert van Ertryck die 't Leerske'm 1655 verbouwde. Uit de bouwhistorische analyse en uit waarnemingen tijdens de uitvoering van de restauratiewerken kan worden opgemaakt dat het pand oorspronkelijk een diephuis was met een overkragende oostgevel (huidige toestand) en met de kopgevel haaks op
Diephuis: toestand na de restauratie (foto 0. Pauwels)
Breedhuis, toestand na de restauratie (foto B, Lens)
de straat. Door de bouw van het pand rechts, kan de oorspronkelijke toestand van de westelijke buitengevel niet meer achterhaald worden. Het is mogelijk dat ook deze zijgevel op de verdieping uitkraagde. Merkwaardig is in elk geval de aanwezigheid op de eerste verdieping, zowel oost als west,van korbelen of wandstijlconsoles met ojiefvormige profdering. Rekening gehouden met de typologische kenmerken van de constructie en van de korbelen zou dit diephuis kunnen thuishoren rond het midden van de 16 c eeuw. Dendrochronologisch onderzoek van de houtstructuur zou dit kunnen preciseren. Bovendien zijn bij archeologisch onderzoek onder het diephuis vier vloerniveaus en de west-, oost- en zuidmuur van de kelder aan het licht gekomen. Vermoedelijk werden in het midden van de 17 e eeuw (1655 ?) de voorgevel en twee gebinten (cfr. de nog aanwezige sporen in de nokbalk) van het diephuis afgebroken en werd het huidige breedhuis in stijl- en regelwerk gebouwd haaks op het diephuis en langsheen de Maastrichterstraat. Bij de restauratie werd de oorspronkelijke, uitkragende voorgevel van het breedhuis ontpleisterd en hersteld gezien de oorspronkelijke vakwerkstructuur gaaf bewaard was gebleven. Het in de 18 <: eeuw en in latere periodes aangepaste gelijkvloers werd geherinterpreteerd met een hedendaagse etalageinvulling. Het interieur met ondermeer de houten spiltrap werden behouden en gerenoveerd. De oost- en de zuidgevel van het diephuis die vanaf de eerste vedieping bewaard zijn, werden vakkundig hersteld.
Kortessem, Dorpsstraat, toestand tijdens de werffase 1995 (foto J. Gyselinck)
eeuw, als eigen aan de overgang van vakwerk- naar baksteenbouw. Uit het onderzoek is trouwens gebleken dat de vakwerkconstructie reeds van bij de aanvang een stenen onderbouw had. In de onderzijde van de balkkoppen van de moerbalken die opliggen op de stenen onderbouw zijn trouwens geen sporen aanwezig van pengaten waarin verticale stijlen of korbelen bevestigd waren. In het archief van het kadaster (1840-1845) vinden wij dat in 1857 in de tuin een schuurtje of stal werd gebouwd. Bij de verbouwing van het naastliggende huis links in 1 889 verdween de linker vakwerkgevel van het hier bestudeerde pand. De linker hoekstijl werd verwijderd en de linker hoekstijlschoor werd afgezaagd. Het gebint werd ingewerkt binnen de aanpalende bouw. Toen werden vermoedelijk de vensters in de voorgevel op het gelijkvloers verT Huidige toestand (foto 0. Pauwels)
Kortessem, Dorpsstraat (Beschermd bij M.B. van 29 april 1976). Restauratiewerken uitgevoerd in 1995 -1996 naar ontwerp van architect Wilfried De Wijngaert (Hasselt). Deze eenvoudige dorpswoning is gelegen temidden van een langgerekte huizenrij die oorspronkelijk de kern uitmaakte van dit straatdorp. Meerdere huizen hebben hun houten kern bewaard, verborgen achter een bakstenen voorgevel. Het betreft een vrij gaaf bewaard voorbeeld van een eenbeukige vakwerkbouw. De voorgevel met bovenbouw in stijl- en regelwerk en met stenen onderbouw in baksteen met speklagen in mergel en rondboogdeur in een mergelstenen omlijsting, kan gesitueerd worden in de eerste helft van de 17 e
M&L
bouwd. In de wandplaat waren nog de pengaten aanwezig voor de bevestiging van de oorspronkelijke, houten kruiskozijnen. Ze werden in de 19 e eeuw vervangen door een ander raamtype. Bij die gelegenheid werd het metselwerk slordig verbouwd en werd men waarschijnlijk genoopt om de gevel te kalken, een toestand die tot 1983 bewaard bleef. De achtergevel in vakwerk werd grondig aangetast door uitbreiding van het volume in de richting van de achtergelegen tuin. Voor het overige waren vakwerk en timmer grotendeels authentiek. Bij de herbestemming van het pand, werd de banale achterbouw afgebroken. Er werd een parallel volume en een tussenvolume met beglaasd zadeldak gecreëerd waardoor de oorspronkelijke achtergevel binnengevel werd. Het vakwerk van de achtergevel werd in de mate van het mogelijke hersteld. O p deze wijze kon het oorspronkelijk vakwerkgebouw onaangetast blijven. In de voorgevel werden de versleten ramen op het gelijkvloers verwijderd en vervangen door ramen die de oorspronkelijke kruisramen suggereren. Het hele gebouw werd terug gevitst en geleemd.
Riemst, Hof van Eggertingen in Millen, Langstraat 29 (Beschermd bij M.B. van 14 oktober 1980)(34). Restauratiewerken starten in 2005 naar ontwerp van architect Michel Janssen (Tongeren). Het meest merkwaardige vakwerkgebouw in landelijke context in Limburg, is het zogenaamde Hof van Eggertingen, niet alleen door zijn voorkomen als monumentaal vakwerkgebouw in overkragend stijl- en regelwerk, maar ook door zijn ligging naast een middeleeuwse donjon waarmee het een eenheid vormt. Tegen de oostwand van de donjon uit de eerste helft van de 13 ': eeuw, bouwde Sr. Lambrecht van den Bosch omstreeks 1546 een prestigieus vakwerkgebouw waarbij de moerbalken en de gordingen in de mergelstenen wand werden ingelegd. De puntgevel telt vijf traveeën en drie bouwlagen (exclusief de kelder en de zolder) met overkraging van de tweede bouwlaag; afgeschoord stijl- en regelwerk en diagonaal kruisende schoren die meerdere vakken overdekken hebben vooral een constructieve, stabiliserende functie. O p het gelijkvloerse niveau zijn voldoende sporen van twee groepen zesvaklichten aanwezig. Hetzelfde herhaalt zich op het eerste niveau. De raamkozijnen zijn gebiljoend langs de binnenzijde. De beide zijgevels bestaan uit
zes traveeën.De linkerzijgevel was oorspronkelijk blind. Het gelijkvloers ervan werd uitgebroken omstreeks 1990 en vervangen door betonblokken. De rechterzijgevel werd rond 1900 voor de helft uitgebroken. In elk van de vier middelste traveeën bevonden zich oorspronkelijk, op dezelfde hoogte als in de voorgevel, zesvaklichten. De vakverdeling kan enerzijds gereconstrueerd worden aan de hand van aanwezige pengaten in de gebintbalk en in de bewaarde stijlen. Voor de achterste traveeën was achter de pleisterlaag de oorspronkelijke zesvakverdeling nog aanwezig met sporen van sponningen, diefijzers en luiken. In het interieur werd de hal die aansloot bij de linker zijgevel, sterk verbouwd rond 1990. Rechts van de gang liggen twee ruimtes achter elkaar, gescheiden door een dubbele gotische schouw geïntegreerd in een vakwerkwand. De vakwerkwand die deze ruimtes scheidt van de gang, is later ingebracht. Alleen de plaats van de oorspronkelijke trap (vermoedelijk een houten spiltrap) blijft tot nu toe onduidelijk. O p het eerste niveau herhaalt zich ongeveer hetzelfde scenario. Het dakspant is een stijlenkap met een haanbalk en een koningsstijl. De gordingen liggen op de sparstijlen. De koningsstijl en de sparstijlen zijn dubbel geschoord.
Rechter zljgevel,
aanbouw
verborgen achter
(foto M. Janssen)
"BEEI
fe"T'
Bij de restauratie van het gebouw zullen alle storende verbouwingsingrepen die de authenticiteit van de houtbouw hebben aangetast, verwijderd worden; de houtstructuur wordt plaatselijk hersteld en waar nodig, worden de ontbrekende stukken aangevuld. Er werd voor geopteerd om de bakstenen vullingen te verwijderen en te vervangen door leeminvullingen, gezien de lemen fase nog duidelijk aanwezig is in de zijgevels en in het interieur, gezien de bakstenen vullingen toch dienen gedemonteerd indien men de houtconstructie wenst te herstellen en omdat het behoud van de verstening een degelijke isolatie onmogelijk maakt als men bovendien de houtstructuur aan de binnenzijde wenst te behouden, zoals dit in het zestiende eeuwse interieur het geval was. De storende PVC ramen zullen verwijderd worden, de zeslichten hersteld en ingevuld met glasplaten. In het interieur zullen de gotische schouwmantels opnieuw geïntegreerd worden en de vakwerkwanden gekaleid over het stijl- en regelwerk heen.
Sint-Truiden, Gootstraat 11 (Beschermd bij M.B. van 2 februari 1996). Restauratiewerken starten in 2005 naar ontwerp van architect Wilfried De Wijngaert (Hasselt).
Rlemst (Mlllen), Hof van Eggertlngen,
T
toestand ïóór de restauratie 2005 (foto 0. Pauwels)
T Reconstructie-
De Gootstraat is gelegen in het hart van de Stad Sint-Truiden, vlak tegenover de Sint-Martinuskerk in de Stapelstraat en dicht bij de stadsomwalling.
Sint-Truiden. Gootstraat I I . 13 en 15. bestaande toestand
tekening voorgevel
voorgevel
(H. Janssen)
(arch. De Wlingaert)
—
~
M&L
"pmm^^MMm^^ A Bestaande toestand
Nieuwe toestand
achtergevel
achtergevel (idem)
(idem)
Achter dit gebouw en in aansluiting aan de SintMartinusherberg, is er een groepje vakwerkgebouwen aanwezig.
Nieuwe toestand voorgevel (idem)
i
JL
U
pmnmnm
ir
B
•
'//s/s/s/s/s/s/s/s/s/sSs/s/s/sSs/s/s/sSsSsSs/s/s/s.
M&L
i
rr
Het hier besproken gebouw van drie traveeën maakt tezamen met de belendende panden 13 en 15, deel uit van een 16 e -eeuws breedhuis van zeven traveeën met overkragende verdieping. In de voorgevel is enkel het stijl-en regelwerk van de verdieping oorspronkelijk, terwijl het gelijkvloers op de stijlen na, verbouwd is. Uit onderzoek is gebleken dat de moerbalken nog de oorspronkelijke balksleutelversiering hebben. Bovendien zijn er resterende elementen van gebiljoende kruisramen in de tweede rij horizontale wandvakken onder de kroonlijst. In de achtergevel zijn de stijlen nog aanwezig, de regels zijn verbouwd doch de oorspronkelijke pen- en toognagelgaten zijn nog afleesbaar. Inwendig werd een gang met een trap gemaakt met rechts ervan twee achter elkaar gelegen kleine ruimtes. De oorspronkelijke moerbalken met houten vloeren zijn nog voorhanden. Bij de restauratie wordt de vakwerkstructuur hersteld. O p de verdieping worden de oorspronkelijke
gebiljoende kruisramen bestaande uit driemaal drie lichten hermaakt op basis van de nog aanwezige pen- en toognagelgaten en met integratie van de nog aanwezige elementen. O p het gelijkvloers worden in de onderste twee wandvakken vaste, beglaasde panelen in een lichte metalen structuur gerealiseerd, teneinde licht te brengen in de leefruimte. In de achtergevel worden de regels vernieuwd in de bestaande pengaten. O p dezelfde hoogte als in de voorgevel zullen hier twee lichtstroken voorzien worden via een metalen kaderwerk, refererend aan de 16 e -eeuwse vormgeving maar actueel vertaald en rekening houdend met de vakwerkstructuur.
Tongeren, Spaans Huis, Muntstraat 13 (Beschermd bij K.B. van 25 juli 1942). Restauratiewerken uitgevoerd van 19 maart 1984 tot 9 juli 1985 naar ontwerp van architect Bernard de Schaetzen (Tongeren). Het Spaans huis is, naast de panden Dommershausen, een van de drie resterende vakwerkgebouwen binnen de stadskern van Tongeren. De panden De drie Rapen en De Graanbeurs werden afgebroken, respectievelijk op het einde van de 19 e eeuw en in 1928. c
Het betreft hier een laat-16 -eeuws breedhuis van vier traveeën en twee verdiepingen. De voorgevel van de benedenverdieping is versteend in de 18 c
eeuw en heeft drie kalkstenen kruiskozijnen en een deur. De overkragende verdieping in stijl-en regelwerk rust op vijf ankerbalken en bestaat uit vijf gebintstijlen met tussenstijlen en regels. In de wandvakken zijn Sint-Andrieskruisen aangebracht die behalve een verstijvende, ook een decoratieve functie hebben. In de twee middenste traveeën is er een gebiljoend zeslichtvenster aanwezig en daarboven -op zolderniveau- twee houten zolderluiken. De achtergevel was bij vroegere verbouwingswerken deels uitgebroken. O p het gelijkvloers treft men een grote onverdeelde ruimte aan met resten van een laatgotische open haard en in het plafond sporen van een trapgat (?). O p de verdieping zijn er twee kamers gescheiden door een vakwerkwand en in één ervan is er een intacte, laatgotische schouw aanwezig. •4 Tongeren,
Wegens de zeer slechte toestand van de houten 5paans ^jj voorgevel, werd deze na opmeting en nummering, Vóór de werken gedemonteerd en uitgelegd. Hierbij kon vastgesteld ' '• "y5™*) worden dat de hele constructie was aangetast door houtrot, meer bepaald in alle knooppunten van de Sint-Andrieskruisen, en dat de gebintplaat waar alle gebintstijlen op rustten, zwaar was aangetast en plat geduwd ingevolge verrotting. Bovendien werden tijdens de vorige restauratiecampagne in de twintiger jaren, onder leiding van architect Christiaens, een aantal houten weggezaagd en vervangen door houten die met een liplas werden opgenageld. Bij de restauratie werd, op enkele SintAndrieskruisen na, de hele voorgevel vernieuwd. De vakken werden opgevuld met isolatie tussen houtwolcementplaten en geleemd met een leemzandkalkmortel met koehaar waarin, na twintig jaar, geen barstvorming optreedt. De achtergevel werd deels gereconstrueerd en geïntegreerd als binnengevel. De vakken werden traditioneel gevuld met vits- en leemwerk.
Tongeren, panden Dommershausen, Maastrichterstraat 26-28 (Beschermd bij M.B. van 13 juni 2000). Restauratiewerken uitgevoerd in 2002 - 2003 naar ontwerp van architect Mare Jamaer (Hasselt). Twee aanpalende laatmiddeleeuwse diephuizen (35) in stijl- en regelwerk werden tezamen opgericht en vormden oorspronkelijk een dubbelhuis (gemeenschappelijke tussengevel, sporen van doorgangen in de gemene muur, verbinding tussen beide tongewelfde kelders, het ontbreken van een keldertrap in het rechtse pand, trapkoker alleen in het linkse pand). De panden dateren vermoedelijk uit late 16 e eeuw. Het linker diephuis had voor de restauratie een versteende topgevel in vakwerk met overkragende
tweede en derde bouwlaag die steunden op bewerkte consoles versierd met mascarons en diamantkoppen. In de tweede, derde en vierde bouwlaag werden in de negentiende eeuw grote ramen aangebracht; de vakwerkconstructie werd hierbij deels vernield. De pui werd verbouwd tot etalage. De getoogde deur met kalkstenen omlijsting en sluitsteen verwees naar de bouwfase van rond 1770. Het zichtbare gedeelte van de linker zijgevel was opgetrokken in dicht op elkaar volgende lagen van mergel en baksteen. De inwendige structuur in vakwerk was grotendeels behouden op de verdiepingen. Centraal op het gelijkvloers en aanleunend tegen de vakwerktussengevel, stond een wenteltrap in een veelhoekige trapkoker in vakwerk. Deze koker werd evenwel iets later aangebracht dan de hoofdconstructie, gezien uit één moerbalk een stuk was gehakt om de trap door te laten. O p de verdiepin-
A Tongeren, Dommershausen. voorgevel vóór (arch. H. Jamaer)
Voorgevel na
Doorsnede
Grondplan (vóór)
A
A
Achtergevel vóór
Voorgevel na
(foto J. Gysellnck)
(foto J. Gysellnck)
gen werd, ter hoogte van de koker, de ruimte telkens in twee kamers verdeeld, toegankelijk vanuit de trapkoker. Van de 16 e - en 18 c -eeuwse schouwmantels en troggewelvenplafonds was weinig overgebleven op het gelijkvloers; op de verdieping waren alleen de troggewelven nog aanwezig. Het rechterpand had nagenoeg dezelfde binnenstructuur, doch de houten voorgevel was in de 19' L eeuw vervangen door een stenen, neoclassicistische constructie. De verbouwde achtergevels waren oorspronkelijk twee identieke stenen trapgevels met mergelstenen kruisen kloosterkozijnen met afgeronde hoeken en accoladevormig geprofileerde lateien onder drielobbige ontlastingsbogen. Door de nauwkeurige opmeting van de houtconstructie met registratie van alle sporen, kon de linker voorgevel in vakwerk verantwoord gereconstrueerd worden met Sint-Andrieskruisen en twee stroken gekoppelde kruisramen met bovenlichten en onderaan luikjes. De sterk verbouwde pui werd
vervangen door een hedendaagse invulling met metalen profielen en een terug liggende glaspartij. Gezien het gebrek aan bouwhistorische kwaliteit van de rechter zijgevel, werd geopteerd voor een sobere nieuwe gevel waarin de bouwkwaliteit van het vakwerkpand wordt vertaald en waarin een perfecte symbiose ontstaat tussen de bestaande vakwerkconstructie en de gevel. Inwendig werd de vakwerkconstructie maximaal behouden en getracht de restanten van de verschillende bouwfasen te valoriseren. De nieuwe bestemming — een grootschalige winkel - doet evenwel afbreuk aan de kwaliteiten van deze restauratie.
Jos Gysellnck Is erfgoedconsulent en hoofd van de Cel Monumenten en Landschappen van ROHM Limburg.
M&L
FINDNDTEN
(16) Polymeetchemische restauratie: het verwijderen van een aangetast deel en het aangieten van een prothese bij middel van een
(1) Bij archeologische opgravingen in Tongeren wordt een geleidelijk
tweecomponentensysteem. Wij adviseren om dit in houtbouw
versteningsproces vastgesteld. Aanvankelijk wordt de vakwerk-
eerder sporadisch toe te passen, bijvoorbeeld voor balkkoppen
bouw geplaatst op lage stenen sokkels, later worden de buitenmu-
van ankerbalken, zodat ze niet hoeven gedemonteerd doch ter-
ren volledig in steen uitgevoerd, terwijl enkel de binnenmuren in
plaatse kunnen hersteld worden.
vakwerk zijn uitgevoerd. Dit blijkt uit archeologisch onderzoek
(17) DRIESEN W, De landelijke vakwerkbouw in het Vochtig-Haspen-
in de Onze-Lieve-Vrouwebasiliek in Tongeren waar momenteel
gouwse kerkdorp Zepperen. Constructie, typologie en configuratie
een Romeinse woning wordt opgegraven die in de 3" eeuw door
(onuitg.lic.verh.), Leuven, 1980, p.89.
brand werd vernield {mededeling Peter Van den Hove).
(18) Tot deze vaststelling kwamen de leden van het International Wood (2) VOSKUIL J.J.. Van vlechtwerk tot baksteen. Geschiedenis van de Committee, ondermeer bij het onderzoek van de middeleeuwse wanden van het boerenhuis in Nederland, Arnhem, 1979, p.16methodes naar aanleiding van de reconstructie van het 16 ' eeuw20.
se Globe Theater in Londen. Mededeling op het Icomos Wood
(3) In de meeste steden bouwde men na 1630 geen bouten huizen meer. In Hasselt werd door de ordonnanties van 1703 en 1706
Symposium in Zuid-Engeland in 1996. (19) Cfr. supra: onderzoek van David Houbrechts van de Universiteit
betreffende brandbestrijding, een begin gemaakt met het versteningsproces. In Maaseik werd, na de stadsbtand van 1684, het bouwen in steen verplicht en houtbouw verboden (GLAUDE-
van Luik. (20) Mededeling van Marjan Buyle (VIOE). (21) VANROS G., Studie van bouwfysische kenmerken van lemen vak-
MANSR.,cfr. infra, p. 15).
werkwanden (onuitg.lic.verh.), Leuven, 1981. Vanros deed een
(4) COOLEN L. en SPAAS J., Studie tot rehabilitatie van 'Het Sweert'
aanzet om de belangrijkste bouwfysische materiaalkarakteristie-
(onuitg. studie), p. 108. ken te bepalen door theotetisch en experimenteel onderzoek. (5) MELCHIOR J., Geschiedenis en beschrijving van Hasselt (onuitg. (22) CLYMANS J. en DECLERCK R., Restauratie van een vakwerkhandschrift), 1920. Rijksarchief Hasselt, Familie archieven, 2006 woning te Alken (onuitg.verh.), Gent, 2002-2003, p. 108. I-II-III. (23) DRIESEN W, op. at., p. 88. (6) Deze drie panden werden beschermd bij ministerieel besluit van (24) CLYMANS J. en DECLERCK R., op. at., p. 108. 8 maart 1995. (25) DEMONIE P en VERTRIEST T, Analyse van de leemvullingen (7) Deze panden werden beschermd, respectievelijk bij ministetieel die gebruikt worden bij de restauratie van lemen woningen in vitsbesluit van 13 januari 1980, 22 juni 1984, 13 oktober 1980. IMT/^ (onuitg.verh.). Gent, 1999-2000, p. 39-44. (8) GLAUDEMANS R., Verborgen vakwerk. 59 bouwhistorische ver(26) Ibidem kenningen in de binnenstad van Maaseik Maaseik, 2001. (27) VOSKUIL]., op.cit.,?. 123. EGGEN CVakwerkbouw in Lim(9) Het dendrochronologisch onderzoek werd uitgevoerd doot de burg, Weert, !989,p. 110-112. Heer David Houbrechts van de Universiteit van Luik. Deze (28) GYSELINCK J., Het kaleien van gevels. Praktische ervaringen in informatie werd ons bezorgd door Hubert Heymans, stadsconde provincie Limburg. Pleisters voor restauratie en renovatie. Studieservator Maaseik, waarvoor dank. dag 19 mei 2000 W.TA. Nederland-Vlaanderen. (10) Deze panden werden beschermd respectievelijk bij ministerieel (29) VANDEGEHUCHTE C , Bouwhistorische analyse van de vakbesluit van 16 decembet 1991, 23 december 1980 en 16 decemwerkhoeve 'Huis Timmermans' te Alken (onuitg. studie), Tessenber 1991. Panden Vullerstraat 37 en Schillingstraat 35 werden derlo, 2002. gerestaureerd naar ontwerp van architect Etik Martens (Maaseik).
(30) WAEGEMAN T, De Royermolen in Diepenbeek. Banmolen met
(11) Beschermd bij ministerieel besluit van 9 december 2003.
een eeuwenoud verleden. Bouwhistorisch vooronderzoek, (onuitg.
(12) Spaans Huis: beschermd bij koninklijk besluit van 25 juli 1942;
Studie), Hasselt, 1996.
Dommershausen: beschermd bij koninklijk besluit van 8 februari
(31) GYSELINCK J., Drie jaar monumentenbeleid, Brussel, 1991,
1946 (gevels) en ministerieel besluit van 13 juni 2000 (volle-
p.34 tot 37. COOLEN L. en SPAAS ]., op.cit.
(32) BERTELS F. en SPAAS J., Bouwhistorisch verslag in functie van de dig)restauratie {onuitg. studie). (13) DIRIKEN P. en VAN DE GENACHTE G., De landschapsken(33)VANDEGEHUCHTE C , Bouwhistorisch en archeologisch ondermerkenkaart Limburg. Het vademecum van de landschapselementen zoek in 'Het Leerske' te Hasselt (onuitg. studie). en -kenmerken (onuitg. eindrapport, Brussel, Vlaamse Gemeen(34) Verslag naar aanleiding van de samenstelling van het restauratieschap, 2000). Inhoudelijke verslagen gevoegd bij de bescherdossier (onuitg. document), Tongeren, 2004. mingsvoorstellen van de vakwerkbouw in Alken, opgesteld door (35) In Limburg zijn nog slechts vijf gotische diepbuizen bewaard Serge Defresne, erfgoedconsulent bij de Cel Monumenten en Landschappen Limburg. gebleven: de twee panden Dommershausen en het Munthuis in (14) VERLEENE K., Langgevelhoeven in Meeuwen (onuitg. scriptie PHAI), Diepenbeek, 2004-2005. (15) PAUWELS D., Inventaris van het bouwkundig erfgoed in Vlaanderen, kanton Peeren voorbereiding). Het Nelishof'm Grote-Brogel is beschermd bij ministerieel besluit van 3 november 2003.
Tongeren, het Sint-Michielshuis in Bree en In tMoelenvelt in Maaseik. Voor het overige komen er bij bouwhistorisch ondetzoek nogal wat gedeelten van vroegere diepbuizen aan het licht, zoals bijvoorbeeld 't Leerske in Hasselt of Markt 16 en 17 in Maaseik.
Chris De Maegd (l)
RAADSELS EN RAFELS ROMÜ HET KASTEEL EN HET PARK VAN VEULEN IN HEERS
• Het orthofotoplan (1981) met het domein van Veulen
Elke geschiedenis
laat sporen na. Die sporen
betrokken
zoeken, proberen
te lezen en te begrijpen
neerd, zijn nog niet geïnventariseerd
(3).
en dui-
Het kasteel ligt op een boogscheut
van dat
onder-
van Heers (4) en bezit een park in
landschap-
het resultaat
in zijn context plaatsen
den, is een boeiende zoek tot de laatste raadsels,
opgave.
Zonder
vezel en ondanks de vele
toch een geschiedenis
kasteeldomein stukje textiel
presenteren,
is als een nieuw
weven met slechts enkele
geëvenaard
rafels
verloren
Veulen, een domein dat
geleden van eigenaar
van de gebouwen
momenteel
voltooid
ha als onderdeel
We kwamen een
op het spoor en een
van E. Caloppin
van het park.
voor de
De problemen
van
de
18 -eeuws 20"e-eeuws uitbreiding
die deze docuvoor dit
arti-
kel. Parken en tuinen werden aangelegd
in
kort
functie van het kasteel en van de familie
die
de
en het park
worden (2). Het was nog
nooit eerder onderwerp
ontwerp
gedepo-
van
wisselde en waarvan
restauratie
tuinontwerp
hoewel
menten stellen zijn de aanleiding
wordt...
Dat is het geval voor deze geschiedenis het Limburgse
pelijk stijl van een 12-tal een groter domein.
van een
van het oude en toch hopen dat het origineel
en
familiearchieven,
van studie en de
ze bewoonden. toezien,
Ook dat stelt hier, bij
raadsels.
verbeelding geschiedenis
nader
Maar, al bij al, moet men de
ook niet haar plaats van een plek?
gunnen in de
Veulen (6) was sedert 1219 een Brabants leen dat juridisch tot het beroepshof van Vroenhoven behoorde en door de Vrede van Munster (1648) bij de Verenigde Provinciën werd ingedeeld, wat lang en tot het verdrag van Fontainebleau (1785) tot conflicten leidde. O p de Ferraris kaart (1774-1775) is Veulen (Fologne) dan ook als 'Hollandse enclave' aangeduid. De heerlijkheid zelf, waarvan Jan van Gutschoven ( t l 3 7 6 ) de eerst vermelde heer was, werd achtereenvolgens vererfd door de families de Merode, Berlo en Argenteau.
DF KASTEELHEREN Het domein ligt in een moerassige plek in de vallei van de Veulense of Heersebeek, die zich iets noordelijker in de Herk stort en de westelijke begrenzing van het goed vormde. De kasteelgrachten bezaten een eigen bron en waren (en zijn nog) met de beek verbonden. De waterbeheersing bleef trouwens een voortdurende bekommernis en een twistpunt met het stroomopwaarts gesitueerde kasteel van Heers (5).
• De kasteelgevel tussen de tweehoektorens en met de poorttravee (foto 0. Pauwels)
M&L
In 1712 werd Veulen verkocht door Florimond Claude de Mercy (1666-1734), veldmaarschalk in het Oostenrijkse leger, die zelf het goed had geërfd van zijn kozijn Robert Ernest d'Argenteau (11690), commissaris-generaal van militaire zaken in het Prinsbisdom Luik (7). De nieuwe eigenaar was Philippe Balthasar baron van Villers; echter niet voor lang want in 1735 kwam het goed weer in handen van Florimond Claude's adoptiefzoon Antoine Ignace Charles Auguste d'Argenteau (1692-1767) (8). Hij plaatste de Mercy voor zijn eigen naam, doorliep een succesvolle militaire carrière in dienst van de Oostenrijkse Habsburgers,
nam zo aan de vele veldtochten van de 18 e eeuw deel, ook aan de krijgsverrichtingen in de Zuidelijke Nederlanden in de periode 1745-1748. Zo moeide hij zich tussendoor - oorlogsvoering was toen geen full-time bezigheid — met het kasteel van Veulen, zijn wapensteen met het jaartal 1747 getuigen daarvan. Hij bezat hier te lande (in Argenteau (9) bijvoorbeeld) nog andere en ook belangrijker bezittingen dan Veulen. Tenslotte stierf hij door keizerin Maria Theresia tot veldmaarschalk benoemd, vredig op zijn landgoed in Hongarije. Zijn enige zoon Florimond Claude Charles de Mercy Argenteau (1727-1794) was zijn erfgenaam en werd heer van Veulen in 1767 (10). Hij was in diplomatieke dienst van het Oostenrijkse hof, was jarenlang zaakgelastigde van Wenen aan het Franse hof en verbleef daarom van 1766 tot 1790 haast onafgebroken in Parijs. Hij liet er een hotel bouwen dat in 1778 was voltooid en bezat in Chennevières bij Parijs een maison de campagne. Slechts de vier laatste jaren van zijn leven verbleef hij, omwille van de revolutionaire gebeurtenissen regelmatig in Veulen en hij stierf tijdens zijn laatste missie naar Londen. Zijn testament stelde een familielid, Francois Joseph de Mercy Argenteau (1780-1869), als universeel erfgenaam aan. De erfenis was zeer aanzienlijk, het testament werd juridisch aangevochten en zou pas drie jaar later rechtsgeldig worden verklaard, onder meer dank zij de inzet van de familie Claes, die al van in de 17 '; eeuw rentmeesters leverde voor het domein in Veulen (11). In 1815 wordt van Francois Joseph een profiel geschetst door de commissaris van koning Willem I, die op zoek is naar medewerkers voor zijn hof, zijn grondwet en zijn administratie. Francois Joseph de Mercy Argenteau wordt een enorm fortuin toegeschreven van 150.000 florijnen (een fameus bedrag), een hoog maatschappelijk aanzien, eerlijkheid en toewijding. Hij was ambassadeur geweest van Napoleon aan het Beierse hof en hij verenigde ' la facilité de s'exprimer et Ie meilleur ton'. Niet te verwonderen dus dat hij ondanks zijn 'Franse' verleden benoemd werd tot Groot Kamerheer aan het Oranjehof (12). In 1830 bij de creatie van België trok hij zich terug op het voorvaderlijk kasteel van Argenteau. Veulen, toen gelegen in het departement van de Nedermaas, bezat hij sedert 1803 en had hij al in 1809 verkocht. De nieuwe eigenaar was Joseph André de Donnea, ridder, handelaar en lpropriétaire' gevestigd te Luik (1772-1836). Hij behoorde tot een familie die
A De formele 18deeeuwsc toegang met
sedert 1606 in Luik was gevestigd en bedrijvig was in de ijzerverwerkingen handel (13). In 1836 kwam het door vijf generaties verzamelde patrimonium samen in handen van Joseph Andre's broer Charles de Donnea (1776-1857). Bij zijn dood in 1857 kon die elk van zijn zes kinderen een kasteel nalaten. Veulen en het voorvaderlijk hotel in Luik waren het erfdeel van zijn oudste zoon Alexis (1811-1880), die al vanaf 1836 het beheer van Veulen waarnam. Zijn nakomelingen bewoonden het kasteel tot het in 2001 in nieuwe handen overging.
het gerestaureerde, I9de-eeuwse neoclassicistische kasteelhek (foto 0. Pauwels)
DE TOEGANGEN De toegangen tot het kasteeldomein zijn gediversifieerd en reveleren op zich al een stukje ontwikkelinsgeschiedenis van het domein. Er zijn vandaag twee toegangen aan de L-vormige Kasteelstraat, één ten oosten en één ten zuiden, allebei 18 ^-eeuws, plus één aan de Veulenstraat, gerealiseerd na de noordelijke uitbreiding van het park in het eerste kwart van de 20I'te eeuw. Aan de Veulenstraat is de oprit aangegeven door een smeedijzeren hek tussen vier lage bakstenen pijlers met vlakke deksteen. De vaste hekken zijn van eenvoudig stijl- en regelwerk met gepunte onderspijltjes en ronde spijlen met lanspunten; het brede poorthek onderscheidt zich door de getorste onderspijltjes en een kleine krul ter ondersteuning van de bovenregel.
M&L
Ai.
c « •
>Hv
- - -, ïl
?
i I •
Environs de St. Tpond.
Chateau de Fologne
A
• Het kasteel van
(Brussel. Koninklijke
Ansichtkaart
laurieren n kuip
Veulen rond 1800,
Bibliotheek,
(midden 20ste
(Archief
zoals Philippe de
Prentenkabinet)
eeuw) vanuit het
Monumenten en
Corswarem het zag
noordoosten, met bij Landschappen) de gevel de rij
Rond 1880, vermoedelijk parallel met de interieurvernieuwing, kreeg de 18 Zeeuwse formele toegang aan de Kasteeistraat een typisch kasteelhek in neoclassicistische stijl. De inrijpoort en de afsluithekken aan weerszijden, zijn gevat tussen vier hekpijlers en vormen samen een kleine excedra die de inrit voor rijtuigen moest vergemakkelijken. De T De poorttravee
vertrekken rechts
verdeelt het kasteel
(Archief
in een herenverbli|f
Monumenten en
links en dienst-
Landschappen)
vaste hekken en de poortvleugels volgen hetzelfde model: vierkant stijl- en regelwerk van smeedijzer voorzien van een krul tussen de dubbele onderregels en van lelies op de spijlen. De hekpijlers zijn van baksteenmetselwerk met sokkel, speklagen, deksteen en bekronende vazen van witte natuursteen met typische classicistische decoratiemotieven, vandaag geheel gerestaureerd. De poortpijlers zijn beveiligd door geprofileerde schampstenen van blauwe hardsteen. De oude rechte oprit naar de kasteelpoort vertrekt als dreef, loopt over een 18 lL eeuwse bakstenen boogbrug over de oude wal, verankerd met zware boogstenen van gebouchardeerd arduin, en is beschaduwd door enkele hoge bomen. De dreef eindigt niet zoals op de tekening van Philippe de Corswarem (1759-1839) bij de kasteelpoort, maar bij het grasveld. De tweede toegang aan de Kasteelstraat, maar ten zuiden, ook kort, recht en 18 c -eeuws, wordt begeleid door de nog steeds open oostelijke, smalle grachtarm en leidt naar de inrijpoort in de zuidelijke neerhofvleugel. In deze 18 e -eeuwse opsplitsing van toegangen is Veulen een vroeg voorbeeld. Kastelen met een middeleeuws verleden — wat in Veulen het geval is, hoewel niets zichtbaars daarvan overbleef - bezaten doorgaans de neerhof-opperhofstructuur, waarbij het kasteel slechts over het neerhof bereikbaar was. Pas halfweg de 19 t c eeuw werden gemeenschappelijke opritten gesplitst en kregen kastelen een afzonderlijke toegang, meestal een lange oprijlaan door het park, gecreëerd ter gelegenheid van de verlandschappelijking van de omgeving en van een heroriëntering van het kasteel zelf (14).
HET KASTEEL VANDAAG Het kasteel heeft de allure van een herenhoeve (15) en bestaat uit vier vleugels en twee hoektorens in late Maasstijl rond een geplaveide binnenkoer. Het uniforme gebruik van baksteen, blauwe hardsteen en leien, gootlijsten op houten klossen en overhoekse muizentand voor de hoevegebouwen, zorgen voor een homogeen uitzicht; dat is bedrieglijk, want er is een oudere kern aanwezig (16). Ook grepen er einde 19 c eeuw aanpassingen plaats waarbij de uniformiteit misschien wel werd nagestreefd en een handje geholpen. Die homogeniteit werd rond 1880 - 1900 verzekerd door een witte afwerkinglaag op de gevels met zichtbaar gelaten natuursteen - gedocumenteerd door foto's - ; deze witte afwerking zorgde er voor dat het kasteel vanuit het park en van op de straat oplichtte in zijn groene omgeving en er een dialoog ontstond tussen architectuur en natuur. In de eerste helft van de 20 s a eeuw, toen tegen de ramen met achtruiters een kleine roedeverdeling werd geplaatst en ook het metsel- en voegwerk plaatselijk werd vernieuwd, kwam er een verhullende, rode afwerkinglaag. O p haar beurt verdween dit rode aspect bij de huidige restauratie die opteerde voor blote baksteen en nieuw voegwerk.
De datering van de gebouwen is op het eerste zicht voor de hand liggend (17), maar bij nader toezien toch problematisch (18). De oostelijke vleugel van twee bouwlagen onder een leien zadeldak met wolfseinden, herbergt de woning en onderscheidt zich door de hoektorens die drie bouwlagen tellen onder een mansardedak met uibekroning en smeedijzeren windvaan met een uitsparing voor het wapenschild Mercy Argenteau. De voorgevel wordt geaccentueerd door de poortdoorgang, beveiligd door schampstenen. De poort bezit een classicistische omlijsting in blauwe hardsteen met ingediepte voegen en haar geringde pilasters op sokkels lopen in de bovenverdieping door, onderbroken door een kroonlijst boven de poort. Het gietijzeren kruis (19) op de dakkapel boven de poorttravee maakt duidelijk dat hier de huiskapel ligt. Ze wordt verlicht door twee rechthoekige venstertjes, aan weerszijden van een wapensteen met het gekroonde en tussen twee griffioenen gevatte wapen Mercy Argenteau (20). Het is omringd door een reeks militaire attributen (sabel, trompet, kanon, stamper, lans, vlag, hellebaard, klaroen en spade) met in de benedenhoeken het jaar 1747. Toen was Antoine Ignace Charles de Mercy Argenteau heer van Veulen.
Het kasteeldomein van Veulen op de
Deze poort verdeelt de woonvleugel in twee: links het herenverblijf van negen traveeën plus de zuide-
kaart van Ferraris (1774-1775),
. . . . .
de oriëntatie moet
i
i
i
-
.
i •
lijke hoektoren en rechts de dienstwoning van drie |j(:ht naar rC(.hts traveeën plus d e h o e k t o r e n . Links bleven d e kruis- gecorrigeerd worden en kloosterkozijnen bewaard. In het herenverblijf is dit niet het geval, hier verdwenen de kruisen en werden de vensters verlaagd en sommige omlijstingen zouden wel eens hergebruikt materiaal kunnen zijn. Dat de wijzigingen niet samen gebeurden illustreert Philippe de Corswarems tekening (21). Daarop zijn de kruisen al wel verdwenen maar slechts één venster werd tot deurvenster verlaagd; raar genoeg tekende hij de wapensteen van 1747 niet, maar van op enige afstand valt die echter moeilijk te onderscheiden. In de zuidelijke hoektoren is een wapensteen'ingemetseld met het inschrift Ian Francois Baron Dargentiau / Agnes Ernestine Contes De Rivir A 0 1669 (22). Hij zou afkomstig zijn van de watermolen "Wijngaerde" die begin van de 20 stc eeuw werd gesloopt en bij de heerlijkheid Veulen hoorde. Hij reveleert een huwelijksband met de familie van het naburig kasteel van Heers.
BOUWACTIVITEITEN Uit een boedelinventaris van het kasteel, gedateerd 15 november 1730 (23), krijgt men de indruk van een vrij klein huis met een neerhof, en van een nog niet helemaal voltooide bouwcampagne. Het huis bestaat beneden uit een ' Sael, een voorkamer, een cabinet, een nieuwe keuken; boven links een voorkamer, een achterkamer en een grote kamer uitgevend op een portaal of gang en rechts een tweede kamer; verder zijn er twee 'oude' kamers, een 'oude' zolder en een kamertje (vermoedelijk allemaal
C\
T Detail van het neoclassicistisch behangpapier in de kleine salon
M&L
De schouw van het
haardplaats en
De schouw in het
behang van
grote salon met de
neoclassicistische
kleine salon met
Revaillon
wapensteen in de
houten decoratie
het hergebruikt
boven), en beneden nog een ' voorhuys, een 'oude coockeuckeri, een kelder en een wijnkeldertje. Het zijn heel wat minder vertrekken dan in de lange woonvleugel van vandaag en hun distributie noch hun inboedel geven blijk van enige moderniteit. Bij het neerhof worden een oven, een koetshuis, een schuur, een kamer naast de poort en een 'nieuw Trw/'j/vermeld. Te oordelen naar de bouwmaterialen die in verschillende vertrekken opgetekend wer-
den (bakstenen, blauwe natuurstenen, blauwe vloerstenen, eiken timmerhout, eiken planken en rijshout) is de vernieuwing - bevestigd door de formulering van oude en nieuwe vertrekken - nog niet voltooid. In 1730 was baron de Villers de eigenaar, maar vijfjaar later komt Veulen weer in handen van de familie die hem in 1712 het domein had verkocht. Rond 1740 wordt Veulen beschreven in Les Délices du pays de Liége (24), maar de Saumery publiceert er helaas geen tekening bij en vermeldt niets over ruïneuse gebouwen of nieuwbouw. Hij beschrijft wel de ligging in een zeer vruchtbare streek en ook de wegen er naar toe: "... telle est la situation du chateau de Fologne dansun terroir assezbas, quenferme un large fossé plein d'eau. De longues alées de haute futaie bordent les chemins quiy conduisent et lui donnent laparence d'un bois; quoique ce chdteau ne soit plusaujourd'hui la demeuredeses maitres ...". En hij vermeldt dat generaal majoor graaf d'Argenreau, erfgenaam van veldmaarschalk Florimond-Claude de Mercy er de eigenaar van is. Die generaal majoor is de reeds vermelde Antoine Ignace Charles de Mercy Argenteau, de latere veldmaarschalk.
Een opname van
de gracht; de
rond 1880-1900
gebouwen zijn
van de oprit naar
witgekalkt
het erf als een dyk
(Archief
tussen de twee
Monumenten en
haalse armen van
Landschappen)
In geschreven documenten is er in 1747 sprake van een herenkwartier (25) en de pachtvoorwaarden van Veulen zijn anders na dan vóór 1747; de pacht wordt van dan af ook verhoogd van 1600 naar 1700 fl. In het contract dat in 1743 werd afgesloten liep de pacht voor "chateau, cense, jardin"tic. Na 1747 wordt wel Ha demeure du censier contractueel vermeld, maar worden het ' quartier de maitre' en de 'grand jardin' (daarmee wordt doorgaans een parterretuin bedoeld) expliciet uitgesloten. In 1752 zijn de bossen, het herenkwartier, de remise en de paardenstallen naast de schuur en de grote tuin, niet inbegrepen in de pacht. In een nog later, niet gedateerd document suggereert de rentmeester dat de graaf "Ie quartier de maitre au chateau de Fologne avec la chasse, la pêche, Ie grand jardin et les étang? afzonderlijk zou kunnen verhuren om de inkomsten van Veulen te verbeteren; Veulen werd kort daarop, in 1809 verkocht (26). Men mag dus besluiten dat er een substantiële wijziging gebeurde tussen 1743 en 1747, allicht een afronding van de vernieuwing die al vóór 1730 was gestart, maar waarvan in Les Délices niet wordt gerept. Dat er in Veulen in de jaren 1740, maar ook later, in de jaren 1779-1793, enige bouwactiviteit was, blijkt ook uit de correspondentie van Antoine Ignace Charles (eigenaar sedert 1735) en van Florimond Claude Charles de Mercy Argenteau (eigenaar sedert 1767) met hun rentmeesters Claes. Daarin is sprake van plannen, bouwmaterialen en
instructies voor vernieuwingen (27). In deze twee perioden kunnen inderdaad de hoevegebouwen met hun steekboogvormige of rechthoekige omlijstingen, gedateerd worden; de torens en de woonvleugel met hun kruisvensters zijn daar echter te archaïsch voor, die hernemen allicht een oudere typologie. De distributie van de en suite salons op het gelijkvloers en de inrichting van de bovenverdieping behoren tot vandaag echter tot de 18 eeeuwse typologie. De kamers boven geven ook nu nog alle uit op dezelfde lange gang met vensters op de binnenkoer; ze bezitten een bedalkoof tussen het cabinet de toilette en de garderobe in eenvoudig timmer- en schrijnwerk. Het interieur van de kapel met haar marmerschildering en haar stucwerk in de zoldering, is laat 18 '-eeuws. O p de Ferrariskaart (1774-1775 voor het Land van Luik) - de oriëntatie van de gebouwen moet worden gecorrigeerd: de twee hoektorens liggen in werkelijkheid ten noordoosten en ten zuidoosten —, vertoont het kasteel de configutatie van vandaag maar het kreeg niet het bijschrift chAteau. Het goed situeert zich ten westen van het dorp, links van de omgrachte pastorie en heeft tuinen binnen zijn grachten; er zijn geen tuinen weergegeven aan de voet van de woonvleugel waar vandaag het vroeg 19 '-eeuwse parkje ligt.
HET KASTEELINTERIEUR Bij de eerste kadastrale schatting in 1841 (28) wordt het kasteel als volgt beschreven: ' Goed en wel ingerigt, geheel in steenen gebouwt en met schallien gedekt, hebbende beneden een vestibule leidende links naar een voorkamer, van daar naer eene schoone eetkamer en vervolgens naer eene fraeye zael, waer agter nog drie vertrekken zijn; aen den regter kant bevind zich eenen schoonen keuken, eene waschplaets, eene badkamer en twee andere vertrekken; in de vestibule vind men eenen fraeyen trap die naer boven leid, alwaer men links 7goede kamers heeft en regts twee en een kapel; boven de eerste verdieping is het zolder. Verders is er een goed koetshuis en stal voor 8 paerden, waerboven drie vertrekken, dienende voor knechts, boven die vertrekken hooizolder; het is op eenen laegen en vochtigen grond gelegen. Sedert de beschrijvingen van 1730 en 1744 is er dus wel één en ander veranderd. De salons op het gelijkvloers kregen rond 1880 een nieuwe aankleding in neoclassicistische stijl, eigen aan de second empire-x\)d: marmeren schouwen met hoge spiegels en decoratief houtsnijwerk op de boezem, lage lambrizeringen, rondlopende plafondlijs-
ten, muurpanelen omlijst met stucwerk en reliëfs in de supraportevan de dubbele deuren. In de panelen van het kleinere salon werd het behangpapier hergebruikt uit een slaapkamer met het daarvoor passend thema Afrodite en Eros; het is papier in arabesken stijl met boeketten, vogeltjes en slingers, geproduceerd vanaf 1789 in Parijs in het atelier van Jean Baptiste Reveillon (1725-1811), dat na de Franse revolutie werd verder gezet door de firma Jaquemart et Benard (29). Voor de decoratie en de aanpassing aan de heersende mode werden de plafonds en de vloeren verlaagd, de kelders werden met afbraakmateriaal dichtgegooid (30), en ook werden de vensters (de kruisen waren voorheen al verdwenen) en hun omlijstingen aangepast; tegen één venster werd een opengewerkt gietijzeren trapje geplaatst en één raam werd tot deurvenster verlaagd; hetzelfde gebeurde in de torenkamer. Dankzij deze deurvensters werd rechtstreeks contact met het park mogelijk, een uiting van een andere houding tegenover en een nieuwe beleving van de natuur. Een 19 tL -eeuwse eretrap links naast de poortdoorgang en een 18 e -eeuwse kleinere diensttrap met mooie trappaal en balusterspijlen bij de zuidelijke toren, leiden naar de bovenverdieping en de zolder. De bovenverdieping werd ongemoeid gelaten. De traveeën rechts van de poort behielden hun kelder en hun kruisvensters. Deze herinrichting naar de heersende mode van rond 1880 liep vermoedelijk parallel met de meer permanente bewoning van het kasteel door de familie de Donnea. Het pachterhuis, in de zuidoostelijke hoek, werd toen ook aanzienlijk vergroot (31). De hele oostelijke vleugel was aanvankelijk slechts één kamer diep; vandaag is dit niet meer het geval, want door een uitbreiding ten koste van de binnenkoer werden in 1910-1912 de en-suite sihons in het herenverblijf ook via een brede gang bediend (32). Opnieuw een aanpassing aan nieuwe woonnormen.
HET NEERHQF De functionele opdeling van de toegang, vond de eerste jaren van de 19 ^ eeuw een echo op de gekasseide binnenkoer. Het neerhof (33) bediende de schuur, de stalvleugels en het pachterhuis en het kasteel had na de verwerving door de Donnea, zijn
eigen erfje in de noordoostelijke hoek. Het bediende de kasteelpoort, het wagenhuis en de paardenstal, exclusieve functies voor de heer. O p het perceelsplan van 1810 met de bezittingen van de Donnea, bewaard in het huisarchief (34), bestaat deze scheiding nog niet. O p het enkele jaren jonger Vóór-primitief kadastraal plan bestaat de afscheiding deels uit een L-vormige muur, een gebouwtje in het midden van de binnenkoer en misschien een ronde waterput boven een bron (met afwatering naar de beek). O p het Primitief kadasterplan (35) is de scheiding aangeduid door een doorlopende lijn (een muur of een hek). De kadastrale schatting beschrijft het kasteel en het neerhof afzonderlijk (36); het neerhof is een 'goede sterke in steenen gebouwde hofstede aan het kasteel gelegen met schallien gedekt, hebbende 3 beneden plaetsen en 2 boven slaepkamers, verders stallingen en schuur in steen en met leyen gedeki. Tot voor kort bestond de scheiding uit bijgebouwen en een smeedijzeren poorthek, die bij de huidige restauratie verdwenen. Zo wordt het einde van het boerenbedrijf ruimtelijk vertaald en het nieuwe hagentuintje op de plaats van de mesthoop maakt de verschuiving in gebruik afleesbaar. De zuidelijke vleugel bevat naast de inrijpoort en het pachterhuis ook de koestal. Een mooie foto van een levering van steenkool aan de neerhofpoort documenteert hier de toestand van vóór 1912, het jaar waarin de onlangs gesloopte open stelplaats en de lage varkensstal, links en rechts van de oprit, kadastraal werden geregistreerd (37). De oprit zelf is een dijk tussen de twee haakse, korte armen van de oude ringgracht die doodloopt op twee tenietlopende bakstenen keermuren. De oostelijke muur schermt tegelijk ook het kasteelpark af en determineert een gekasseid voor-erfje (38) aan de voet van het pachterhuis. Deze muur, die nog bestaat en een deurtje naar het park bezit en steunberen aan de parkzijde, was op Philippe de Corswarems tekening blijkbaar nog in aanbouw. De schuur met haar drie poorten op het erf, een ongewone dispositie, ligt op de westelijke zijde. Het dakgebinte van het middendeel werd bij de wederopbouw na een brand in 1930 verlaagd (39), zodat de hoeken nu overkomen als twee hogere paviljoenen; dit wordt nog versterkt door hun gewolfd zadeldak met loden pirons en dezelfde gietijzeren windwijzers en geajoureerd wapenschild als op de hoektorens. De blinde westgevel werd benut als fruitmuur voor leiperen, waarvan in 2002 nog enkele exemplaren bewaard bleven. De noordelijke vleugel herbergt de remise, naast de reeds vermelde paardenstalling en het wagenhuis.
Het ruime brouw- en bakhuis met grote haard (40) en zes zeilgewelven (een schitterend staaltje van baksteenmetselwerk) vormt de symmetrische tegenhanger van het pachterhuis. Het ligt buiten de neerhofpoort, maar leunt er wel bij aan, vermoedelijk omdat tijdens het ancien régime alle dorpelingen hier hun bier brouwden. In 1865 (41) verliest de brouwerij haar eigen perceelnummer om samengevoegd te worden met de boerderij; we interpreteren dat - het kadaster is immers een instrument voor de inning van belastingen - als het einde van de eigen huisbrouwerij, waar 4 a 5 maal per jaar voor eigen gebruik werd gebrouwd (42).
FFN LAAT 1«DE-EEUWS TUINONTWFRP Er bestaat een anoniem, niet gedateerd en niet uitgevoerd tuinontwerp getiteld 'Plan et projette des batimant et jardins pour les chateau des Folognes appartenants a S.E.M Ie comte de Mercy Argenteau' (43). Hoewel de oriëntatie van de plattegrond correct is, zijn de letters ( S , 0 , 0 , M ) bij de windroos verwarrend: het noorden ligt boven (al moet het een tiental graden meer naar het oosten liggen dan de S). De oostelijke grens wordt gevormd door de 'Nouveau chemin a Mettecoveri (de huidige Kasteel-
straat) en ten noorden liggen de dan nog niet tot het domein horende gronden. De schaalaanduiding is in Luikse maten. Het kasteeldomein beschrijft grosso modo een L waarin het vierkant van de gebouwen en de uitspringende torens duidelijk herkenbaar zijn. In de noordwestelijke arm van de L, door een kanaal in de lengte verdeeld en ook door een kanaal omgeven (de oostelijke arm van de rineeracht is de gekanaliseerde beek die vandaag nog bestaat) wordt ongeveer een vierde van de oppervlakte ingenomen door
^ Het niet uitgevoerd e ceuws " (bewaarplaats onbekend), met een
een grasveld met enkele groepjes bomen en solitai- '0',Ie wlndroos ,.,....
i
•
i
•
i
P 1 " "oorden moet
ren, duidelijk een aanleg in de nieuwe onregelma- , tige of 'Engelse' stijl. De rest is vrij archaïsch van opvatting, maar met de kronkelende lijn als toegeving aan de nieuwe stijl. De beplanting bestaat uit struikgewas afgewisseld met bomen; ze wordt doorsneden door talrijke waterpartijen (44) (sommige nog geometrisch van vorm) die onderling door kronkelende kanaaltjes verbonden zijn en begeleid worden door smalle paadjes. De aanwezigheid van water is zo dominant, dat drooglegging en waterbeheersing misschien wel de aanleiding voor de opdracht en de inspiratiebron voor de ontwerper kunnen geweest zijn. Het deel ten oosten is anders. De slotgracht die de Saumery in Les Délices vermeldt, is een losser getekende, plaatselijk zelfs vijverachtige gracht die in een wijde boog het kasteel omringt en die ten zui-
•• >
DE BOMEN IN VEULEN De waardevolste solitairs en bomengroepen groeien in het oudste gedeelte van het park, ze dateren hoogstwaarschijnlijk uit de tweede helft 19de eeuw. De voornaamste werden opgemeten zoals: de monumentale solitaire zomereik (Quercus robur) (428 cm) op het knooppunt van de drie parkzones, in een ver verleden geknot op een hoogte van 250 cm, nu opnieuw met een mooie evenwichtige kroon van circa 22 meter doorsnede; een monumentale bomengroep van zes gewone platanen (Platanus x hispanica) (dikste exemplaar 455 cm), aangeplant in een ovaal langs het oostelijke ingangsdreefje bij de brug; een monumentale gewone esdoorn met purperrode bladonderzijde (Acer pseudoplatanus 'Purpureum') (475 cm) eveneens bij de brug langs het ingangsdreefje; verder nog twee platanen (Platanus x hispanica) (424 cm) in de bomenrand langs de zuidelijke grachtarm; een solitaire plataan (Platanus x hispanica) (417 cm) in het gazon ten zuidoosten van het kasteel; De rest van het bomenbestand is in een latere fase aangeplant zoals: drie bruine beuken (Fagus sylvatica 'Atropunicea') (372 cm, 388 cm en 330 cm)
links en rechts van het wandelpad in de noordoost hoek van het oudste parkgedeelte; een solitaire zilverlinde (Tilia tomentosa) (463 cm) (is in 2003 echter tijdens een storm omgewaaid) en zwarte den (Pinus nigra Austriaca') (372 cm en 388 cm) in het gazon, eveneens in de noordoost hoek van het oudste parkgedeelte; een mooie solitaire haagbeuk (Carpinus betulus) (205 cm) langs het wandelpad ten noorden van het kasteel; In de noordelijke uitbreiding van het park: witte paardekastanje (Aesculus hippocastanum), gewone taxus (Taxus baccata). Canadapopulier (Populus x canadensis), treurwilg (Salix alba 'Tristis'), treures (Fraxinus excelsior 'Pendula'); In de voormalige nutstuinen: een rij kerstdennen (Picea abies)langs de noordelijke grachtarm, een bruine beuk (Fagus sylvatica Atropunicea') (293 cm) en een massief van boerenjasmijn (Philadelphus sp.) ten noorden van het kasteel en tot slot de mooie solitaire hazelaar (Corylus avellana) in de zuidwestelijke hoek. Myriam Van den Broeck
Potloodschets met het bomenbestand in I9IS door Fernand de Donnea
\
- ;
• A I-
'.,/«/<
'/u^
mm A Het Primitief kadasterplan van
den (net zoals vandaag) uitloopt in smalle, beekbrede armen die de oprit naar het neerhof omsluiten. De oostelijke zone is eveneens en aan beide zijden van de vijvergracht beplant met bomen en struikgewas, doorsneden door kronkelpaadjes; die verbinden ronde en ovale open plekken, de 'bosquets', 'salles'of 'cabinets de verdure uit de klassieke, door Dézallier d'Argenville (45) gepropageerde barokke tuinaanleg. Hun distributie en vorm vertonen een zekere symmetrie, links en rechts van de oprit naar de kasteelpoort. Die oprit doorsnijdt een ruim leeg gehouden grasveld, waarvan de klassieke spiegelboogvorm enigszins is afgerond. Een strakkere, niet ingevulde open plek ligt tussen de gracht en de noordelijke vleugel; zou hier niet de 'grandjardin' te. situeren zijn waarvan in de pachtcontracten van 1747 en 1752 sprake was? Tegen de nieuwe straat ligt een kleine driehoekige moestuin en ten westen en ten zuiden (zoals ook later het geval zal zijn) strekken zich ruime moestuinen uit, bestemd voor respectievelijk de heer en de boer. Het plan moet dus zijn opgesteld met een bewoning door de eigenaar voor ogen. Te oordelen naar de stijl zou het plan, dat archaïsche elementen met nieuwe combineert, van rond 1780 kunnen dateren, de periode waarin Florimond Claude Charles de Mercy Argenteau (17271794) in Parijs verbleef en heer van Veulen was.
Het nog figuratief
vóór 1815
getekende Vóór-
(Hasselt, Archief van
primitief
het kadaster)
het kadaster)
kadasterplan,
(opname Kris
(opname Kris
vermocdeli)k van
ïandevorst)
Veulen vóór 1830 (Hasselt, Archief van
Vandevorst)
REGELMATIG. ONREGELMATIG Het ontwerp is ongetwijfeld een vastelandse interpretatie van wat een 'jardin anglo-chinois wordt genoemd, het vroegste type van onregelmatige tuin in onze gewesten. Deze vroegste Engelse tuin was geïnspireerd door Chinese modellen en werd gepropageerd door de publicatie van William Chambers' Designs of Chinese Buildings (1757) en yl Dissertation on Oriental Gardening {\772){AG). Het ontwerp staat ver af van de Engelse tuin in de meer 'natuurlijke' Capability Brown-stijl die op dat moment in Engeland gangbaar was en slechts langzaam het vasteland zal veroveren. De ontworpen tuin is van het type dat de ergernis opwekte van Thomas Blaikie, een tuinman met Schotse roots en een Engelse opleiding die voornamelijk in de streek rond Parijs bedrijvig was in het laatste kwart van de 18 e eeuw. Hij ontwierp en legde tuinen aan voor de Franse adel (Monceau, Bagatelle), was geïnteresseerd in botanie en bemiddelde zelfs voor Engels huis- en tuinpersoneel; er heerste toen immers in Frakrijk een ware anglomanie. Als onderdeel van hun domein vroegen zijn opdrachtgevers hem een Jardin anglais te creëren naast hun klassieke parterretuinen. In zijn dagboeken leest men Blaikie's onverbloemde mening over de eerste continentale versie van de Engelse tuin: dat er in Frankrijk niet het minste besef heerst van
M&L
Het plan van I8S2 mei het ingetekend en voor zijn tijd typische parkje (het noorden ligt
links)
De kaart van het
eerste kadaster-
Depot de la guerre
kaarten
(1871) geeft voor
(Brussel. Nationaal
het kasteeldomein
Geografisch
van Veulen weinig
Instituut)
verschil met de
;
% | ^ ^
war een Engelse tuin is, dat er geen aandacht bestaat voor de relatie tussen huis en tuin, dat er geen oog is voor uitzichten en perspectieven, dat de wandelpaadjes er te smal, te talrijk en volstrekt zinloos zijn, dat men vergeet dat een domein één geheel vormt. Over zijn opdrachtgever in Bagatelle voegde hij er nog aan toe dat 'au fondle comte d'Artois'meet in vrouwen dan in tuinaanleg was geïnteresseerd (47). In zijn commentaar op een door Jean Marie Morel (1728-1810) aangelegde tuin hoort men hoe hij het ziet (48): '... eenvoudige hellende gazons door schapen onderhouden, een waterpartij in de vorm van een rivier in een landelijke omgeving, een aangename oprit en een uitgestrekt park voor wandelingen met kleine rijtuigjes ...' (49). Dat is in Veulen niet het geval.
• Een opname van rond 1880-1900 met het kasteel, de blinde achtergevel van de serre rechts ervan en hat park op de voorgrond (Archief Monumenten en Landschappen)
De overgang naar de nieuwe landschappelijke stijl in de tuinkunst gebeurde in stappen en de eerste (hier rond 1780) is blijkbaar het samengaan in één domein, van de oude, regelmatige stijl (dus parterretuinen met broderiewerk, gesnoeide hagen en bosquets) met de nieuwe, onregelmatige stijl (een 'Engelse' tuin met gras, kronkelpaden, losse struiken, bloeiende heesters en fabriekjes). Dat valt in dit ontwerp voor Veulen vast te stellen, maar ook in het privé kasteeldomein van prins-bisschop Charles Francois de Velbruck in Hex (Heks, Heers) (50). Her contrast tussen beide tuinen, de verrassing van her nieuwe en het ongewone, de verwondering over de uiteenlopende vormen van de natuur tijdens één en dezelfde wandeling, moet tot de attractiepunten hebben behoord die de opdrachtgevers en hun ontwerpers hebben nagestreefd.
HFT KADASTER ALS BRON Kort na de aankoop liet Francois Joseph de Donnea een perceelsgewijs plan van zijn bezittingen in Veulen opmaken; het is nu bewaard in her huisarchief (51) en gesigneerd door ene Chevallerie, gedateerd 1810 en correct georiënteerd. Er zijn slechts minieme verschillen met de Ferrariskaart. De twee toegangen bleven onveranderd en ook de strakke grachten. De tuinen, verdeeld in strakke rechrhoeken met ten westen een cirkelvorm op het snijpunt van de kruisende paden, liggen tussen de grachten en de drie boerderijvleugels. Er is een kleine, niet meer bestaande uitbouw aan de noordoosrelijke toren en de nog bestaande uirbouw van de noordelijke vleugel was er nog niet. De opsplitsing van de binnenkoer was nog niet gerealiseerd, evenmin de
muur en het erfje bij het pachterhuis. Het perceel ten oosten is nog boomgaard, maar enkele potloodlijnen vormen een slingerende wandeling tussen stuikgewas, links en rechts van de oprit, vermoedelijk de voorbereiding van het vroeg-landschappelijk parkje dat kort daarop zal worden aangelegd op het terrein dat in het 18 eeuwse ontwerp leeg is. Het Vóór-primitief kadasterplan - dat we 18101815 dateren en dat een andere oriëntatie bezit (het noorden ligt rechts) toont aan dat er in deze periode een eenvoudige vroeg-landschappelijke aanleg gebeurde en dat de functionele scheiding op de binnenkoer en de afbakening van het erfje toen werden gecreëerd. Het Primitief plan (het noorden ligt links) dateren we vóór 1830, het jaar van de kadastrale Verzamelkaart (52). Dankzij de primitieve leggervan 1841 kennen we het grondgebruik (53), dat slechts van het plan van 1810 verschilt voor perceel nr. 233; dat is geëvolueerd van boomgaard naar 'lusttuin', één van de termen waarmee het kadaster vroege landschappelijke parkjes aanduidt. Het domein bevindt zich tussen een grote boomgaard (nr. 219, meer dan 6 ha) en de dorpsbebouwing. De ringgrachten (percelen nr. 223 en 224, als vijver), zijn strak en hoekig, maar in de oostelijke hoek valt er een 'verslapping' van de vorm te bespeuren, bedoeld als vijver in het vroeg-landschappelijk parkje, situatie die tot vandaag bestaat. Binnen de grachten is er een duidelijke functionele opdeling. Ten oosten van het kasteel (nr. 232) strekt zich (net zoals vandaag) de lusttuin uit (nr. 233 en 235) en de wandelweg die er nu doorloopt herkennen we in de stippellijnen op de Vóór-Primitieve kaart. Die lijnen volgen een U-vorm, die vertrekt van de kasteelpoort, eindigt bij de brug van de ingangsdreef en in de oksel bij de vijver over een (nog bestaande) kleine verhevenheid (met een prieeltje?) loopt. De toegangsdreef reikt op het Vóór-primitief plan tot bij de kasteelpoort, zoals de Corswarem het tekende. De bedrijfsgronden, namelijk een boomkwekerij (nr. 225, als tuin), een moestuin (nr. 226) en een bouwlandje (nr. 227) beslaan de zone aansluitend bij de boerderijvleugels (nr. 229) met het pachterhuis en het brouw- en bakhuis (respectievelijk nr. 231 en 230). Zoals het in de kadastrale stukken ter voorbereiding van de schattingen heet, was de moestuin 'met vijvers omringd, bezorgd door eenen tuinman, op goeden grond gelegen en eigen tot het teelen van alle soorten van fijne groenten (54). Verder is er nog weide en hooiland (nr. 264 en 265). Het plan van 1810 en het Vóór-primitief kadasterplan illustreren ook goed
k. Het ontwerpplan gesigneerd E. Galoppm
het belang van bomen: ze zijn in enkele of dubbele rij geplant langs de eigendomsgrens ten oosten en ten westen, langs de gekanaliseerde rechte beek en langs een deel van de grachten. De boomkwekerij en het bouwland (nr. 221 en 222), in hun eigen grachten (nr. 220, als vijver) vormden voorheen nog samen één grote boomkwekerij die als perceel (met enige goede wil) een verre echo is van de 'watertuin' op het ontwerpplan; het gegeven is echter te schamel om het te interpreteren als een aanzet van realisatie. Tenzij het een overblijfsel is van een oudere toestand die de drie 19 c -eeuwse perceelsplannen en het 18 c -eeuwse tuinontwerp gemeen
(Privé-bezit de Donnea)
hebben? Het huisarchief bewaart ook een documentair interessant kadastraal plan van 1852 gesigneerd L. Lejeune. Rond het kasteeldomein liggen nog steeds boomgaarden, men herkent de ringgrachten en de oostelijke vijver met de brug over de oprit, de omgrachte boomkwekerij, de gekanaliseerde beek en haar parallelle loop op de eigendomsgrens, de moestuinen nu met een dienstgebouw en tenslotte het gedetailleerd getekende parkje. Het vertoont een typische aanleg voor het midden van de 19 e eeuw. De groene, golvende rand van struiken en geboomte wordt op de hoeken benadrukt door treurwilgen. Golvende paden determineren een rond gazon, geaxeerd op het kasteel en aan weerszijde twee secundaire grasveldjes met respectievelijk ovale en ronde bloemenperken. Hierin kan men zich de als tapijtwerk uitgeplante veelkleurige éénjarigen voorstellen, de gebruikelijke bloemencorbeilles van die tijd. Dezelfde sfeer spreekt ook uit een foto van het begin van de 20 stc eeuw, genomen uit het oosten. Men
M&L
' ^
i? V
^o?
•
"T\
>A
u )
k^
^M
:^->
m
ximr
-^i
•r-^i -
.
'
.
•
^
-1
:<'
Ir •••M^^t'^n»
V
v.^
^
^
k
i -^
ziet enkele oranjeboompjes in kuip en een gevulde bloemenrand tegen de witgekalkte bakstenen gevel van het kasteel, rechts achteraan de blinde achtergevel van het serretje in de moestuin en op het voorplan de bomenrand en het grasveld van het park. O p de kaart van het Depot de la guerre van 1871 en op die van het Institut Carthographique Militaire van 1904 is het kasteeldomein in oppervlakte, structuur en samenstelling nauwelijks veranderd. Maar het 8-vormig pad in het oostelijk parkje is anders dan op de kaart van 1852. Werd het in de tussentijd - bijvoorbeeld rond 1880 toen ook de binnenhuisinrichting werd aangepast - , nog eens hertekend? of bestond ook de schets van 1852 enkel op papier?
GAIOPPIN, GALOPPIN! Het grondbezit van de familie de Donnea in Veulen was tegen 1912 aangegroeid tot 113 ha (55). Het kasteeldomein reikt nu, dankzij de verwerving van de percelen die in 1841 (56) nog toebehoorden aan verschillende boeren, dagloners en kleine ambachtslieden uit het dorp, tot aan de Veulenstraat. Fernand de Donnea (1867-1949), die in 1911 Veulen erfde, moet voor deze noordelijke uitbreiding een aanlegplan hebben besteld en als voorbereiding zelf een opmeting (57) van de aanwezige bomen in het oostelijk parkje hebben gemaakt, gedateerd 'Fologne, 15 december 191S• Een groot aantal bomen die hij situeerde (maar niet heeft opgemeten, helaas) bestaat trouwens nog en ze behoren tot de oudste van het domein, opklimmend tot tweede helft van de 19 e eeuw. De bomen werden aangeduid op een potloodschets met de 8-vormige weg waarop ook de kasteeltoegang aan de Veulenstraat in zijn vormgeving van ca 1880 herkenbaar is. Werd rond 1880 ook het parkje herzien? De opmeting van 1915 lezen we als een voorbereiding op het niet gedateerd 'Plan de la propriété appartenant a Monsieur Ie chevalier de Donnea Chateau de Fologne h Heers, en onderaan:'dressépar Ie soussigné architecte paysagiste E. Galoppin met zijn handtekening (58). Ook deze informatie stelt ons voor raadsels. Emile Edmond Galoppin (1851-1919), hoofd van de gemeentelijke beplantingsdienst in Schaarbeek, is bekend als de ontwerper van het landgoed Groenenberg te Sint-Pieters-Leeuw (59), van de Ambiorixsquare, het Leopoldspark en het Josaphatpark alle drie in Eisene. Edmond Galoppin (dezelfde?) was actief in Waals Brabantse kastelen en ook in
de domeinen van Massogne (Ciney) et Senenne •* (Anhée) (60) Ook in het Gasthuisbos in Schulen De brug en de (Herk-de-Stad) wordt de bestaande laat-19 c -eeuwv
se aanleg toegeschreven aan E. Galoppin (61). Jean Joseph Antoine Galoppin (1864-1941), tekende in 1917 het ontwerp voor het park van Kerkom i i i\ i (Kerkstraat te Lubbeek) en rond 1930 een ontwerp voor De Leenberg, een ander domein in Lubbeek. De ontwerp- en tekenstijl van het Veulense plan is erg verwant met dat van Kerkom (62). Toch is het Veulens plan (uit dezelfde periode als dat van Kerkom) niet ondertekend door J.J.A. maar door E. Galoppin! O m de verwarring te vergroten: er was begin 19 L eeuw in het Luikse nog een familie van die naam als plantenkwekers actief; ze leverde bijvoorbeeld planten voor het kasteel van Houx in 1836-1838 (63). Behoorde de Veulense E. Galoppin misschien tot deze familie? Er bestaat een grote overeenkomst tussen het Galoppinplan (het noorden ligt links) en het orthofotoplan van 1984, dat haast niet verschilt met de toestand vandaag. Men herkent de constanten in het domein: de smalle zuidelijke grachten; de noordelijke grachtarm die om de aansluiting tussen oud en nieuw te verzekeren, een deel van zijn tracee is verloren, zoals op het plan voorzien; de lossere, als vijver opgevatte oostelijke gracht; en de rechte laan naar de kasteelpoort. De 8-vormige paden in het oude parkje werden in het ontwerp overgenomen. Verder valt op dat ook de overzijde van de Kasteelstraat en van de Veulenstraat in het ontwerp werden betrokken; de oostelijke oprit zou als dreef verder oostwaarts worden doorgetrokken en de bestaande demi lune va.n 1880 zou een repliek krijgen aan de overzijde van de straat. Aan de Veulenstraat werd de reeds beschreven nieuwe noordelijke toegang gecreëerd met een gebogen oprit naar het kasteel, tussen de beboomde nieuwe grasvelden. Een wandelweg met ruime bochten slingert door het terrein, doet er alle onderdelen van aan en verbindt de nieuwe oprijlaan en de reeds bestaande paden in het oude oostelijk parkje. Zo vormen zich verschillende grasvelden met afgeronde vormen. In de rand en op het snijpunt van de paden worden struikmassieven, solitaire bomen en, dichter bij het huis, kleurrijke bloemperken voor éénjarigen voorzien. Bij het ontwerp werd geen gedetailleerd aanplantingsplan geleverd, de keuze van de bomen gebeurde veeleer volgens goeddunken van de opdrachtgever, rekening houdend met de conditie van het terrein, dat vooral ten westen erg nat is en dat plaatselijk een erg dunne vruchtbare laag bezit. Sommige bomen, zoals de eiken bij de nieuwe toegang bijvoorbeeld, zijn kwekelingen van het kasteel van
grachtarm die als
landschappelijke vijver dienst doet in ^ " ^ un ^ Kasteelstraat
Jannée (Haversin), vanwaar de echtgenote van Fernand de Donnea, Galoppins opdrachtgever, afkomstig was (64).
HET KASTEELPARK VANDAAG Het park valt vandaag uiteen in drie ook visueel duidelijk te onderscheiden zones: het oostelijk parkje, de nutstuinen ten westen van de gebouwen en de noordelijke uitbreiding. Hun raakpunt is gemarkeerd door de monumentale solitaire zomereik met respectabele stamomtrek, veilig op enige afstand van de noordoostelijke hoektoren. Hij heeft een mooi uitgegroeide kruin en speelt in het park de hoofdrol. De oostelijke parkruimte aan de Kasteelstraat is het vroeg- landschappelijk parkje, uit het begin van de 19 eeuw, al is de begroeiing en het uitzicht waarschijnlijk niet meer helemaal dezelfde als toen. De behouden grachtarm, aanvankelijk door een bron gevoed en ondergronds in verbinding met de andere armen, doet dienst als vijver. Die hoort, samen met de 18 -eeuwse brug en de beeldbepalende oudste bomen tot de attractiepunten. Ook de zuidelijke, smalle gracht en haar haakse oostelijke arm bleven
bewaard. De grachten en de vijver werden onlangs ontslibd. Het ruime grasveld aan de voet van het kasteel, wordt zoals eertijds in twee gesneden door de toegangsdreef en heeft in de rand bij het kasteel uitgespaarde plantenbedden voor rozen (65). Het wandelpad van begin 19 e eeuw bestaat nog steeds en maakt deel uit van het 8-vormig padenpatroon. O p het heuveltje in de zuidoostelijke hoek stond een sokkel, die bedoeld was voor een Diana waar aan de overkant van de vijver een Apollo met boog en pijlkoker aan beantwoordde. Beide beelden waren in terracotta en sneuvelden de laatste jaren van de ZO"5 eeuw (66). Bij het noordelijk wandelpad (deels overgroeid met gras), ligt een ovaal perk van oude, maar regelmatig geknotte vederesdoorn {Acer negundo), een zeldzaamheid. Van de gebogen wandelpaden in de uitbreiding blijft enkel de oprijlaan over. De randen zijn ook hier beboomd, zodat men van bij het kasteel en over de weiden een mooi en breed perspectief heeft op de gevarieerde vormen en kleuren. De huidige toestand wijkt af van Galoppins voorstel: er zijn geen struiken meer en de noordoostelijke hoek die voorzien was als een doorzicht omkaderd door twee kleine constructies, is nu dicht beboomd. Anderzijds is er wel naar het noordwesten een doorzicht
EINDNOTEN (1) We zijn dank verschuldigd aan: mevrouw N. de Harlez de Deulin, collega G. Paesmans, de heren Fr. en F. de Donnea, de heer C. Engelen, de heer J. Vogel, voor: steekproeven in de archieven, inlichtingen, aanvullingen, uitleningen en correcties en niet in het minst ook aan collega Myriam Van den Broeck, met wie we samenwerken in het arrondissement Borgloon voor de Inventaris Historische Tuinen en Parken in Limburg, waarvan dit artikel een herwerkte versie is. (2) Ansichtkaart
De gevels en bedakingen van het kasteel van Veulen met het herenverblijf en de hoeve werden als monument beschermd en de
knooppunt van de
(midden 20ste
drie tuinen
omgeving (omvattende park, vijvers en moestuin, voor zover ze
eeuw) vanuit het
(Archief
binnen de grachten zijn gelegen), als landschap, op 23 juni 1960.
noordoosten, met de Monumenten en eik op het
landschappen)
(3)
Verder gericht onderzoek over Veulen dringt zich op in de archieven van de familie Mercy, Argenteau en Claes, verspreid in verschillende fondsen in de Rijksarchieven van Luik en Namen en in de Verenigde Staten. Ook in het kasteel van Tillier (Fernel-
op het agrarisch landschap, omlijst door twee bruine beuken. De voor de helft bewaarde noordelijke gracht is omringd door een weelderige begroeiing, onder meer een rij van acht fijnsparren en een taxushaag (Taxus baccatd). Hazelaars groeien bij de schuur. De voormalige moestuin met hekje is nu een grasveld, waarin een rij van tweemaal zes hoge rozenstaanders van smeedijzer overblijven. Samen met de muren (met mooi afgewerkt oculus) van de reeds gesignaleerde kleine serre, herinneren ze aan de hoogdagen van de moes- en bloementuinen in kasteeldomeinen, een tijd die ook voor Veulen voorgoed voorbij is.
mont) zou archief van de familie de Mercy over Veulen, afkomstig van hun renrmeesrers, bewaard zijn, zie j . PURAYE (ed.), Paris, ce 10 germinal an V, Lettres de Gilbert Claes a son père h Fologne. 1797-1799, Paris, 1957. Steekproeven gebeurden door N. de Harlez de Deulin en J. Vogel. (4)
Zie C. DE MAEGD, Het kasteeldomein van Heers, een boeiend
(5)
Heers, Huisarchief Kasteel van Veulen, "Copie pour rester d
mosument, in M&L, 22, 2003, nr. 5, p. 4-24.
Fologne de l'inventaire des régistres, documents, papiers et lettrages de la ferme, seigneurie et chateau de fologne. hem du moulin de Wijngarde avec ses prairies et terres et en sus de 2 rentes, dont celle de fl. 464.55 ma été remboursée et des Acquets", niet chronologisch geordende inventaris gedateerd 1820 met latere aanvulling. De huidige, rechte loop van de beek is vermoedelijk het resultaat van een kanalisatie. (6)
Bouwen door de eeuwen heen. Inventaris van het cultuurbezit in België. Architectuur. Deel 14N4, Brussel, 1999, p. 341-245. B. SELFSLAGH, Historische nota, in L. VAN HERCK, Restauratie-
Chris De Maegd is erfgoedconsulente bij de Afdeling Monumenten en Landschappen
dossier. Restauratie daken. Herenhuis kasteel van Veulen, 1985 (Archief Monumenten en Landschappen), overgenomen door architectenbureau B. VAN LOON, Restauratie van het kasteel van Veulen, 2001. (7)
I. DE STEIN D'ALTENSTEIN, Annuaire de la Noblesse de Belgtque, 1877, p. 61-64, 77, 81. E. POSWICK, Histoire de la seigneurie libre et impériale dArgenteau, Brussel, 1905, p. 107. Zie ook voetnoot 22.
(8)
Biographic Nationale, 1897, kol. 455-458; E. POSWICK, Histoire de la seigneurie libre et impériale dArgenteau, Brussel, 1905, p. 144-151.
(9)
In RL. DE SAUMERY (?), Les Délices du pays de Liége, deel 4, Luik, 1744, p. 56 beschreven als een kasteel 'dans legout moderne met dubbele enfilade van zes vertrekken met vestibule en belangrijke tuinen.
(10) Biographic Nationale, 1897, kol. 462-495; E. POSWICK, Histoire de la seigneurie libre et impériale dArgenteau, Brussel, 1905, p. 151-160.
I
II
/*&:•*
De monumentale Zomereik speelt een belangrijke rol in het park (foto 0. Pauwels)
(11) Biographic Nationale, 1897, kol.462-495. J. PURAYE (ed.),
(15) In de inventaris (zie voetnoot 5) is vernield onder nummer 116:
Varis. ce 10 germinal an V. Lettres de Gilbert Claes a son p'ere a
"25 september 1809; Vente de la ferme, bots et seigneurie de
Fologne. 1797-1799, Paris, 1957. Biographie Nationale, 1897,
Fologne ... ". Opvallend is dat er geen sprake is van een kasteel.
kol.462-495.
(16) L. VAN HERCK, Restauratiedossier 1985, o.c, p. 6.
(12) EG.C. BETERAMS, The High society helgo-luxembourgeoise au(17) Zie Bouwen, o.c, p. 341. déhut du gouvernement de Guillaume I roi des Pays-has 1814-1815,(18) Sporen van gedichte vensteropeningen en herstellingvan metsel-
M&L
Wetteren, 1973, p. 382, 395, 396. Biographie Nationale, 1897,
werk vindt men in de bovenbouw van de torens en in de erfzijde-
kol.495-496.
gevels; het metselwerk rechts van de poorttravee is anders dan
(13) D. DE DONNEA, Les Donnea, mattres des forges et négofiants en
links en ook inwendig verschillen de baksteenformaten. De fun-
fer au pays de Liege au 17, IS et 19 sikles, in Lc Parchemin,
dering van de niet onderkelderde zuidelijke toren is als hoekmas-
speciaal nr., december 1978, p. 213, 221, 240, 248, 315.
sicf aanwezig in de naburige kelder; de noordelijke toren is wel
(14) Zie Historische Tuinen en Parken van Vlaanderen. Provincie Lim-
onderkelderd. De richting van de brede bakstenen gordelbogen,
burg: Gingelom, Halen, Herk-de-Stad. Nieuwerkerken, Sint-Trui-
die de keldergewelven ritmeren in een snelle opeenvolging, loopr
den, Brussel, 2003, p. 26.
anders in het linker dan in het rechter deel. Ook in her dak-
gebinte treft men verschillend geconstrueerde spantbenen aan en
(38) ld.. Primitief perceel nr. 228, als weide.
sporen van oude herstellingen en van een votige restauratie.
(39) Informatie van de heer Fr. de Donnea.
(19) Na de restauratie verwijderd en opgeslagen.
(40) In 2002 was het gebouw ruïneus, vandaag is het hersteld, de res-
(20) Hetzelfde wapen, zonder militaire attributen vindt men ook op een haardplaat in een schouw met mantel van ca 1880. (21) Hij was, volgens zijn aantekening, in Veulen toen de Donnea al
tauratie van de gewelven is gepland, maar de schouw werd afgebroken. (41) Hasselt, AK, Opmetingsschets 1865 nr. 1. (42) ld., Artikelsgewijze legger.
eigenaar was. (22) Hun zoon Robert Ernest d'Argenteau, heer van Veulen, was in
(43) De bewaarplaats van het origineel is onbekend. De familie de
1690 de erflater van Florimond Claude de Mercy. Zie E. POS-
Donnea ontving jaren geleden een foto van het plan via wijlen
WICK, Histoire de la seigneurie libre et impériale d'Argenteau,
ridder Laminne de Bex (Gotem, Borgloon), waarvan nu een scan
Brussel, 1905, p. 107.
bestaat.
(23) Maastricht, Gemeentearchief, Processen, Archief van de Bra-
(24) RL. DE SAUMERY (?), Les Délices du pays de Ltége. deel 4, Luik, 1744, p. 240. (25) Rijksarchief Luik, Fonds de familie Mercy-Aigenteiu,
(44) Dat is tenminste onze, op een zwart-wit foto gebaseerde interpretatie, die door het origineel misschien kan ontkracht worden.
bantse Commissarissen-Deciseurs 397.
(45) A.J. DEZALLIER D'ARGENVILLE, La theorie et la pratique du jardinage ou l'on traite a fond des beaux jardins ..., (1709); we
voorlopig
raadpleegden de heruitgave van de tweede editie van 1749, Parijs,
nummer II IRC 2789. Niet gedateerd document met een over-
2003. Tussen 1709 en 1769 kende Dezallier 16 heruitgaven, wat
zicht van de pachtvoorwaarden van 1743 tot 1775.
de populariteit ervan tot voorbij halfweg de 18 ' eeuw bewijst. In
(26) ID., in de koop van 1809 waren begrepen de hoeve, vijvers, landerijen, weiden en bos, samen 76 ha, en ook de watermolen Wijngaarde met zijn aanhorigheden en 8 ha land. Expliciete vermelding van een kasteel is er niet.
de tweede helft van de 18 c eeuw werd het pas verdrongen door talrijke werken over de 'Engelse' ruinen. (46) In de inleiding op dir laatste werk vermeldt de auteur dat de Engelse tuinstijl, maar dan misverstaan, ingang begint te krijgen
(27) J. PURAYE (ed.). Paris, ce 10 germinal an V. Lettres de Gilbert
op het vasteland. We raadpleegden de recente Franse vertaling:
Claes a sonp'ere a Fologne. 1797-1799, Paris, 1957, p. 12-14. En
W. CHAMBERS, Dissertation sur Ie jardinage de l'orient, Saint-
steekproef in het Rijksarchief te Luik. (28) Hasselt, AK, Bundel Veulen, 'Voorbereidend werk tot de schatting, Tabel', 27 mei 1841.
Pierre-de-Salerne, 2003. G. JELLICOE e.a., The Oxford companion to gardens. Oxford, New-York, 1986, p. 298-299; M.-H. BENETIERE, Jardin -
(29) C. DÜREN-VIGNAUX, Un papier peint du XVIILe siècle au
vocabulaire typologique et technique, Paris, 2000, p. 49. Een nog
chateau de Fologne, in Maisons d'hier et d aujourd'hui, 1994,
bestaand vroeg voorbeeld van een dergelijke tuin is het Groot
nr. 4, p.27-31. In de slaapkamer was het papier op doek gema-
Asdonk in Tessenderlo (deels in de provincie Brabant, deels in
roufleerd; mogelijk is het door Florimond C.C. de Mercy Argen-
Limburg), opgenomen in C. DE MAEGD (red.). Historische Tui-
teau uit Parijs meegebracht.
nen en Parken van Vlaanderen. Provincie Limburg, deel 2 (uitgave
(30) De kelder onder het groot salon werd niet dichtgegooid, maar kreeg haaks op de gevel gemetselde muurtjes waarop de nieuwe vloer rust, ter vervanging van de oorspronkelijke brede gordelbogen (zie voetnoot 17). (31) Hasselt, Archief van het Kadaster (AK), Opmetingsschets 1885 nr. 1. (32) ld., Opmetingsschets 1912 nr. 2. Toen ook werd de schouw in neo-Vlaamse renaissancestijl in de vestibule geplaatst. (33) ld.. Primitief perceel nr. 231. (34) Zie voetnoot 51. (35) Hasselt, AK, Vóór-primitief plan 'Fologne, Section A dite a l'ouest', niet gedateerd, geen naamvermelding en beschadigd. Primitief
in productie) en ook in het Vlaams Brabantse deel van de inventaris onder redactie van R. DENEEF. (47) T BLAIKIE, Sur les terres d'un jardinier. Journal de voyages, 17751792, Besanpn, 1997. Vertaling uit het Engelse origineel van enkele van zijn commentaren, alle uit de jaren 1777-1789: "quelle pitié ..., de nombreuses absurdités..., cette affaire ridicule... pas de gout pour les points de vue ...", p. 166, 178, 189, 194; 198 en 202. (48) In casu de tuinen van Guiscard. Morel is auteur van Theorie des Jardins (MIG). Ook de ruinen van Ermenonville, waaraan Morels naam eveneens verbonden was, droegen Blaikies goedkeuring weg.
plan, Veulen, Sectie A enig blad door C. Moers, 'kweekeling
(49) T BLAIKIE, o.c, p. 195.
(landmeter in opleiding), niet gedateerd. Verzamelplan van Veu-
(50) Artikel in voorbereiding.
len door A.J. Modave, op herland geëindigd 28 Maart 1830, dus
(51) Gekleurd plan met opschrift links "Plan géométrique de la com-
de datum antequem voor het sectieplan. Er is een tweede, niet
mune de Fologne leve et dessiné par mr Chevallerie an 1810' en
gedateerd Verzamelplan met een andere oriëntatie door dezelfde
boven de tabel rechts: 'Designation des propriétes appartenantes it
landmeter, vermoedelijk uit de herzieningsperiode van het kadas-
monsieur Joseph André Dedonnea de Fologne et leur contenance".
ter in 1841.
De percelen zijn genummerd; de omcirkelde nummering is die
(36) ld.. Bundel Veulen, Voorbereidend werk tot de schatting, Tabel, 27 mei 1841. (37) ld., Opmetingsschets 1912 nr. 2.
van het Primitief kadasterpian en moet naderhand zijn toegevoegd. (52) Zie voetnoot 35.
(53) We citeren de perceelnummers van het Primitief plan. (54) Hasselt, AK, Bundel Veulen, 'Voorbereidend werk tot de schatting. Tabel', 27 mei 1841. (55) ld., Attikelsgewijze legger, art. nr. 726.
(61) Zie C. DE MAEGD (red.) e.a.. Historische Tuinen en Parken. Inventaris Limburg: Gingelom, Halen, Herk-de-Stad, Nieuwerkerken, Sint-Truiden, Brussel, 2003, p. 100 en 102. (62) Gepubliceerd in R. DENEEF (red.) e.a.. Historische tuinen en
(56) ld.. Primitieve perceelsgewijze legger.
parken van Vlaanderen. Inventaris Vlaams-Brabant: Bierbeek,
(57) De paraaf D. staat onder de datering in de rechterbovenhoek.
Boutersem, Glabbeek en Oud-Heverlee, Brussel, 2004, p. 16.
(58) Ingekaderd in het bezit van de heer F. de Donnea. Naar verluidt (63) Informatie van N. de Harlez de Deulin. gebeurde de aanleg volledig manueel, tijdens de oorlogsjaren en (64) Informatie van de heer Fr. de Donnea. door enkele dorpsbewoners. (59) Zie R. DENEEF (red.) e.a.. Historische tuinen en parken van Vlaanderen. Inventaris Vlaams-Brabant. Onuitgegeven deel. (60) Informatie van N. de Harlez de Deulin.
O
"CEPRO", DE NIEUWE NAAM VOOR EEN HISTORISCHE TRADITIE. Gebruiksklare pleistermortels op basis van zuivere, natuurlijk hydraulische kalk.
Kasteel te Wannegem - Lede
Traditionele kaleimortel "Cepromill" op basis van zuivere, natuurlijk hydraulische kalk.
Verrebeekmolen te Brakel
I Kalkverf "Fresco"op basis van geselecteerde vette luchtkalk en inerte pigmenten.
t
Bijgebouwen, Klein Seminarie te Sint-Niklaas
_ - en metselmortels, basispleisters, afwerkpleisters, zoutbestendige, vochtregtderende en isolerende pleistersystemen. Traditionele afwerkingen: Marmorino, Arriecio, Silicato, Silicantverf, ... P.E.C. INTERNATIONALr Voor informatie over onze Cepro producten of projectaclvies, neem vrijblijvend contact op:
j 1 . f ) O / " T T / t QA 'XQ l©l«« v O / / / 0 . 0 * K 0 7
(65) De hier tot 2002 opgestelde sokkels en de betonnen vazen aan de voet van het kasteel, afkomstig van de balustrade van de gaanderij van 1910, zijn nu verwijderd en opgeslagen. (66) Informatie van de heer Ft. de Donnea.
SUMMARY The restoration of Den Ezel (The Donkey), a fagade on the Brussels Grote Markt/Grand Place T h e Brussels Grand Place unites a number of baroque inspired buildings around the Gothic town-hall. The monumental ensemble was created following the reconstruction in the late 17th century and some drastic restorations in the 19th century. In 1977 the facades were protected and in 2002 all of the interiors. In 1998 the Brussels Grand Place was listed by the U N E S C O as part of the World Heritage. The restoration of den Ezel's facade, Grand Place 39, was carried out following a written agreement from the late 19th century whereby the city of Brus-
of this endangered heritage is therefore necessary. Follow-
sels took the responsibility for the fa9ades of the Grand
ing criteria were taken into consideration/used for the se-
Place. Den Ezel-was chosen because it is owned by the city
lection: soundness, authenticity, rareness and environ-
of Brussels. It has three building levels and a top with a
mental value.
broken fronton. Prior to the restoration a historical study
T h e archaeological measurements, the architectural and
was conducted, as well as a diagnose of the facade and
building physical research are essential in view of the
scientific analyses. Not only did this supply a clear view
restoration of a building in half-timbering. For the repairs
on the facade before the restoration, it also was the start-
there is in principle no disassembly, the restoration of the
ing point of the restoration. This approach made it
skeleton is essential, and it needs to be done according to
possible to focus the restoration on the maximum preser-
traditional methods by experienced carpenters and fol-
vation of the fagade's elements. This method will also be
lowing traditional joint and gathering techniques. A
applied for the restoration of the other facades on the
building should be inhabitable, actually functional, and
Brussels Grand Place.
•
an expansion of the existing volume should be possible. In view of the inhabitability it should be possible to make skylights within the wooden structure in a modern way.
Endangered heritage: half-timbering in Limburg Limburg, other than the rest of Flanders, counts numerous buildings in half-timbering, wooden skeletons built on a stone plinth, and consisting of house and roof trusses. T h e wall frames are filled with plaiting and then loamed. Nowadays, numerous wooden constructions or remnants thereof can be found in cities as well as in the countryside, in the Demer valley, in "wet" Haspengouw and the Voeren area. Timber framing was introduced between the 11th and 15th century, reaching its high between the 14th and 16th century. T h e disappearance of half-timbering from towns is mainly noticeable as of the late 17th and early 18th century following regulations concerning fire hazard and because of housing improvement measures during the 19th and 20th century. In rural areas houses with timber framing are still built until 19201930. Other reasons for the disappearance of half-timbering are the degradation of wood- and mud construction because of physical and biological elements, the pressure of urbanization by allotments, location in agricultural zones, insufficient insight in possibilities for new destinations or renovation and not in the least, the lack of appreciation of the heritage's value. Legal protection
An essential element in the technique of timber framing is the loaming on a reinforcement of wooden plaiting. A lot of research has been done with regard to the loam mortar. Analytical and comparative research has proven that the loam had always been gathered in the immediate environment of the building site. The modification of the composition was done in an experiential way. W h e n preparing the mortar, different methods for stabilization were used: compression, reinforcement with fibers, adding lime, or animal and vegetable products. With restorations the goal is to modify the composition in such a way that shrinking cracks and wind cracks can be prevented, that the mortar has a good cohesion, permeability and most of all has a long durability. We have searched for alternatives which do not burden the construction, which insulate well, create the same outlook and are easy to maintain. Research has proven that originally the loam was not whitewashed. T h e typical image of limewashed buildings dates mainly from the 19th century. Limewashing was done for several reasons, often in order to hide building traces or defects. For the interior one whitewashed across the loam-, framework. O n tie beams and smaller beams remnants of blue and red paint have been discovered. In order to illustrate the story, some fifteen restorations are being described.
M&L
-\e*
J. B. Réveillon, were remodeled in neoclassic style in 1880. An expansion took place in 1910 and today the restoration is being completed. T h e castle is situated in a 10 hectare domain that consists of three distinct parts: in the east there is the early landscaped park and in the west there are the former gardens, both on land that since the 18th century belongs to the moated property. In the north there is an extension laid out in the early 20th century. And here too, the historical data and interpretation are not straightforward. There exists a very interesting plan for a redesign of the garden, most likely commissioned by Florimond Claude de Mercy Argenteau (1727 - 1794) but never executed. T h e plan nicely illustrates the shift from a regular to a more irregular garden around 1780 when both styles coexisted in the same domain. For the extension an undated design exists
Mysteries and frays of the parks of the castle of Veulen (Heers)
signed by E. Galloppin. Is this the same designer of a few Brussels parks Edmond Emile Galoppin (1851-1919)? But then there is the remarkable similarity with the drawing and design style of the plans for the park of
M&L
T h e castle of Veulen in Heers in the province of Limburg
Kerkom
which used to be the seat of a medieval domain, now
Galoppin (1864-1941)!
(Lubbeek)
signed
by Jean Joseph
Antoine
looks more like a manor with a square courtyard bordered
Despite all these unanswered questions and without in
by buildings. Despite its homogeneous appearance and a
depth research we present here our analysis of this domain.
dated heraldic stone (1747) above the main gate, putting
This paper should be viewed as a piece of fabric woven
an exact date on the castle is far from trivial. Reports of
with frays and with holes in the result. Those holes will be
construction activities around 1730, 1740 and in the
filled by the research of the unordered archives of the
period 1779-1793 suggest there at least must be an older
families de Mercy, Argenteau, de Mercy Argenteau and de
center. Moreover, the salons, draped with reused wall
Donnea who were the owners in the 18th, 19th and 20th
paper produced after 1789 in the Paris work shop of
century.