Skip to main content

Rendabiliteitsmonitor_Dienstencheques_rapport2020.pdf

Page 1

RENDABILITEITSMONITOR DIENSTENCHEQUES Rapport 2020 - cijfers 2019


INHOUD Managementsamenvatting ............................................................................................................................................................. 3 1 Situering en methodiek van het onderzoek ................................................................................................... 5 2 Situering van de dienstenchequebedrijven..................................................................................................... 6 2.1

Erkende ondernemingen in het Vlaams Gewest

6

2.2 2.3

Marktverdeling Jaarrekeningen onderzocht in dit rapport

7 8

3

Analyse van de jaarrekeningen van alle dienstencheque-ondernemingen met Vlaamse erkenning ………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………….10

3.1 3.2

Gepubliceerde jaarrekeningen van de dienstencheque-ondernemingen met een Vlaamse erkenning Resultaten van alle erkende dienstencheque-ondernemingen

10 11

3.3 3.4

Evolutie van de globale rendabiliteit van de erkende dienstencheque-ondernemingen in 2016 – 2019 Rendabiliteit per type organisatie in 2019

15 17

3.5 3.5.1

Financiële gezondheid van de erkende dienstencheque-ondernemingen Liquiditeit

19 20

3.5.2 3.6

Solvabiliteit Conclusie

22 23

3.6.1 3.6.2

Vaststellingen met betrekking tot de rendabiliteit Vaststellingen met betrekking tot liquiditeit en solvabiliteit

23 24

4

Analyse van de rendabiliteit van organisaties met uitsluitend dienstencheque-activiteiten 25

4.1

Geselecteerde jaarrekeningen

25

4.2 4.3

Globaal overzicht van de resultaten van de geselecteerde dienstenchequebedrijven Analyse van de rendabiliteit van de dienstenchequebedrijven in boekjaar 2019

28 31

4.3.1 4.3.2

Algemeen Volgens omvang van de organisatie

31 32

4.3.3 4.4

Volgens type organisatie Evolutie van de rendabiliteit 2016 – 2019

35 38

4.5

Conclusie

39

5 Analyse van de financiële gezondheid van organisaties met uitsluitend dienstenchequeactiviteiten .............................................................................................................................................................................................. 42 5.1

Volgens omvang van de organisatie

42

5.2 5.3

Volgens type organisatie Conclusie

43 45

6

Dalende marges: een blik op de toekomst .................................................................................................... 46

6.1

Loonkosten

46

6.2 6.3

Inkomsten Stagnatie in 2019, dalende marges in 2020

48 49

6.4

Coronacrisis

50

Bijlage 1 …………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………52 Bijlage 2 …………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………53

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 2 van 54

Rendabiliteitsmonitor 2020 DC-bedrijven

8.12.2020


MANAGEMENTSAMENVATTING In dit onderzoek hebben we een financiële analyse uitgevoerd van de sector van de dienstenchequebedrijven op basis van de jaarrekeningen die werden neergelegd bij de Balanscentrale van de Nationale Bank. We hebben in eerste instantie een globale analyse gemaakt van de neergelegde jaarrekeningen van alle erkende Vlaamse dienstencheque-organisaties. Vervolgens hebben we een selectie gemaakt van erkende ondernemingen die uitsluitend activiteiten uitvoeren in kader van dienstencheques en hoofdzakelijk actief zijn in Vlaanderen. Op basis van de jaarrekeningen van deze ondernemingen hebben we onderzoek gedaan naar de rendabiliteit en financiële gezondheid van de dienstenchequeactiviteiten. Op het einde van ieder hoofdstuk worden de belangrijkste conclusies samengevat. Hieronder geven we een overzicht van de belangrijkste algemene conclusies van het onderzoek. Uit de analyse van de jaarrekeningen van boekjaren 2016 tot en met 2019 blijkt dat de rendabiliteit van de dienstenchequebedrijven de voorbije jaren telkens globaal positief was maar dat de gemiddelde rendabiliteit daalde. Zowel uit de analyse van de jaarrekeningen van alle erkende dienstenchequebedrijven als uit de analyse van de jaarrekeningen van de organisaties met uitsluitend dienstencheque-activiteiten bleek ook dat het aantal verlieslatende dienstenchequebedrijven de voorbije jaren is toegenomen. De ondernemingen met enkel dienstencheque-activiteiten realiseerden in 2019 een netto-bedrijfsresultaat van gemiddeld 0,54 euro per dienstencheque, wat overeenkomt met een operationele marge van 2,28% ten opzichte van de bedrijfsopbrengsten. Het netto-bedrijfsresultaat is in absolute cijfers niet gewijzigd ten opzichte van 2018, al zijn zowel de bedrijfsopbrengsten per cheque als de bedrijfskosten toegenomen. Uit onze analyse van de jaarrekeningen blijkt dat er opmerkelijke verschillen zijn tussen verschillende types dienstenchequebedrijven waarbij PWA’s en VZW’s in het algemeen minder rendabiliteit vertonen dan handelsvennootschappen en waarbij grote dienstenchequebedrijven een betere rendabiliteit vertonen dan kleine en middelgrote dienstenchequebedrijven. De handelsvennootschappen realiseerden in 2019 gemiddeld een netto-bedrijfsresultaat van 0,55 euro per dienstencheque. Bij de VZW’s en PWA’s was dit respectievelijk slechts 0,08 euro en zelfs -0,38 euro per dienstencheque. De dienstenchequebedrijven met meer dan 1.000.000 cheques op jaarbasis realiseerden gemiddeld een netto-bedrijfsresultaat ten belope van 0,65 euro per dienstencheque. Bij de middelgrote (100K – 500K) en kleine (<100K) dienstenchequebedrijven was dit respectievelijk slechts 0,28 euro en 0,03 euro per dienstencheque. We stelden vast dat de rendabiliteit van de dienstenchequebedrijven vooral wordt bepaald door de omvang van de bedrijfskosten per dienstencheque en niet de bedrijfsopbrengsten per dienstencheque. De bedrijfskosten bestaan gemiddeld voor meer dan 90% uit loonkosten, waardoor de rendabiliteit van de organisaties vooral wordt bepaald door de omvang van de loonkosten per dienstencheque. De verschillen in rendabiliteit tussen VZW’s en PWA’s enerzijds en handelsvennootschappen en uitzendkantoren anderzijds, en tussen de grote en kleinere organisaties worden bijgevolg vooral verklaard door verschillen in de loonkost per dienstencheque. De loonkost per dienstencheque was het hoogst in de PWA’s (22,77 euro). De gewone VZW’s vertonen een iets lagere loonkost per cheque (22,17 euro). Bij de handelsvennootschappen (21,12 euro) en uitzendkantoren (20,12 euro) was de loonkost per cheque merkelijk lager. Bij deze laatste groep kan dit //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 8.12.2020

Rendabiliteitsmonitor 2020 DC-bedrijven

pagina 3 van 54


deels ook verklaard worden doordat een deel van hun administratie in een andere vennootschap is ondergebracht. De grootste dienstenchequebedrijven (>1M) hadden 20,64 euro loonkosten per dienstencheque terwijl deze loonkost bij de kleinste (<100K) dienstenchequebedrijven al 22,05 euro bedroeg. Uit vergelijking van de loonkosten met de gewerkte uren blijkt dat de hogere loonkost per dienstencheque wordt verklaard door een hogere loonkost per gewerkt uur en door een hoger aantal gewerkte uren waarvoor geen dienstencheque werd ingediend. Uit onze analyse van de balansen in de jaarrekeningen blijkt dat de dienstenchequebedrijven globaal een gezonde financiële structuur vertonen maar dat er ook op vlak van liquiditeit en solvabiliteit opmerkelijke verschillen zijn tussen de verschillende types dienstenchequebedrijven. Daarbij valt op dat de VZW’s en PWA’s, ondanks hun zwakkere rendabiliteit, gemiddeld een sterkere liquiditeits- en solvabiliteitsgraad vertonen dan de handelsvennootschappen. Dit kan mogelijks worden verklaard doordat de VZW’s en PWA’s in tegenstelling tot de handelsvennootschappen geen winst mogen uitkeren waardoor hun winsten in het verleden meestal integraal werden gereserveerd in de organisatie. Ten opzichte van 2018 wijzigen bovenstaande conclusies niet. We stellen enkel vast dat, ongeacht de grootte en het type onderneming, de bedrijfsopbrengst en de bedrijfskost per dienstencheque stijgt per groep. De bedrijfsopbrengst is overheen alle categorieën toegenomen van €23,33 in 2018 tot €23,68 in 2019 en het sterkst bij de grote ondernemingen (>500K) van €23,22 in 2018 tot €23,97 in 2019. De onderzochte dienstenchequebedrijven realiseerden de voorbije jaren een omzetgroei (+28,71% ten opzichte van 2016), maar de bedrijfskosten stegen relatief sneller dan de bedrijfsopbrengsten (+30,87% ten opzichte van 2016). Het netto-bedrijfsresultaat (resultaat voor uitzonderlijke kosten, financiële kosten en belastingen) daalde van 3,9% van de opbrengsten in 2016 naar 2,3% in 2019. Het netto-bedrijfsresultaat per dienstencheque vertoont globaal een daling van €0,75 in 2017 tot €0,54 in 2019 (stagnatie ten opzichte van 2018). Algemeen is de situatie binnen de dienstenchequesector in de loop van 2019 niet enorm verslechterd. Dit zal waarschijnlijk grotendeels verklaard worden door de ongewijzigde loonsvoorwaarden. Al zijn er wel enkele specifieke categorieën, de VZW’s, PWA’s en kleine en middelgrote ondernemingen, die gemiddeld slechter scoren. In het laatste hoofdstuk werpen we nog een blik op de toekomst. Al is het onmogelijk om nu al concrete cijfermatige uitspraken te doen over 2020, gezien het zeer moeilijk is om de impact van de coronacrisis op de rendabiliteit en de marges van de sector in te schatten. We kunnen wel nog steeds concluderen dat een structurele indexering van de inruilwaarde zich opdringt, om de dalende marges in de sector tegemoet te komen. De coronacrisis zal de nood aan een volledige indexering waarschijnlijk nog urgenter maken.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 4 van 54

Rendabiliteitsmonitor 2020 DC-bedrijven

8.12.2020


1 SITUERING EN METHODIEK VAN HET ONDERZOEK Begin 2020 werd voor de eerste maal door het Departement WSE een grootschalig onderzoek uitgevoerd van de ingediende jaarrekeningen van de in het Vlaams Gewest erkende dienstencheque-ondernemingen. Dit gebeurde op basis van de jaarrekeningen die neergelegd werden bij de Nationale Bank in 2019 en die de cijfers van 2018 bevatten. Dit rapport bevat de update van het vorig onderzoek, met de cijfers van 2019. Let wel dat door de coronacrisis alle ondernemingen uitstel kregen voor het goedkeuren van de jaarrekening door de Algemene Vergadering en dus ook voor het neerleggen van hun jaarrekening bij de Nationale Bank. Momenteel1 waren voor slechts 754 ondernemingen de cijfers reeds beschikbaar. Deze 754 ondernemingen vertegenwoordigen wel 86,9% van de uitbetaalde dienstencheques (76,2 mln. van de in totaal 87,7 mln. uitbetaalde cheques). Voor de update van het onderzoek wordt dezelfde methodiek toegepast als het rapport voor 2018. Deze wordt hierna herhaald. Activiteiten in kader van de Vlaamse dienstencheques worden uitgevoerd door organisaties die werden erkend als dienstenchequebedrijf door de Vlaamse overheid. Deze erkende dienstenchequebedrijven zijn erg divers en omvatten zowel commerciële organisaties als organisaties uit de non-profit. Het betreft onder meer uitzendkantoren, VZW’s, OCMW ’s, zelfstandige werkgevers,… De sector van de dienstenchequebedrijven omvat bovendien zowel organisaties die zich uitsluitend toeleggen op activiteiten die worden vergoed met dienstencheques als organisaties die daarnaast ook andere activiteiten uitvoeren. We hebben in eerste instantie een globale analyse gemaakt van de neergelegde jaarrekeningen van alle organisaties die werden erkend in het kader van de Vlaamse dienstencheques. Dit betreft niet uitsluitend organisaties met maatschappelijke zetel in Vlaanderen, maar ook alle organisaties met maatschappelijke zetel in Brussel of Wallonië die erkend werden om activiteiten uit te voeren met Vlaamse dienstencheques, al dan niet in combinatie met een erkenning als dienstenchequebedrijf in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of in het Waals Gewest. In deze globale analyse hebben we onderzocht in welke mate de erkende dienstenchequebedrijven financieel gezond zijn en voldoende rendabiliteit vertonen. Vervolgens hebben we een selectie gemaakt van erkende ondernemingen die uitsluitend activiteiten uitvoeren in kader van dienstencheques en hoofdzakelijk actief zijn in Vlaanderen (min. 50% Vlaamse dienstencheques). Op basis van een onderzoek van de jaarrekeningen van deze ondernemingen geven we inzage in de afzonderlijke rendabiliteit van de activiteiten die worden uitgevoerd in kader van het stelsel van de Vlaamse dienstencheques.

1

Cijfers werden laatst opgevraagd bij de NBB op 13 oktober 2020.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 8.12.2020

Rendabiliteitsmonitor 2020 DC-bedrijven

pagina 5 van 54


2 SITUERING VAN DE DIENSTENCHEQUEBEDRIJVEN 2.1 ERKENDE ONDERNEMINGEN IN HET VLAAMS GEWEST In onderstaande tabel en grafiek wordt de evolutie van het aantal erkende ondernemingen in het Vlaams Gewest weergegeven. Hierbij wordt een onderverdeling gemaakt naargelang het gewest van de maatschappelijke zetel van de onderneming. De aantallen op jaarbasis geven de situatie weer op het einde van het jaar. Tabel 1

Jaar

Aantal EO met maatschappelijke zetel in het Vlaams Gewest

2016 2017 2018 2019

916 892 831 786

Aantal EO met maatschappelijke zetel in een ander Gewest 937 867 591 496

Totaal erkende ondernemingen in Vlaanderen 1853 1759 1422 1282

Bron: Departement WSE

Figuur 1

Evolutie Erkende ondernemingen in Vlaams Gewest 2000 1500

937

867 591

1000 500

916

0 2016

892

831

2017

2018

496

786

2019

Aantal EO met maatschappelijke zetel in een ander Gewest Aantal EO met maatschappelijke zetel in het Vlaamse Gewest Bron: Departement WSE

Sinds de regionalisering van het dienstenchequestelsel in 2016, zien we het aantal erkende dienstenchequeondernemingen in het Vlaams Gewest sterk dalen. Dit heeft 2 belangrijke oorzaken: - Enerzijds zijn er veel ondernemingen waarvan de erkenning federaal werd toegekend en die initieel dus ook in Vlaanderen waren erkend, die nadien hun erkenning zijn verloren omwille van inactiviteit in Vlaanderen. - Anderzijds merken we een toenemende consolidatiebeweging in de markt, waarbij inefficiënte spelers uit de markt verdwijnen via een faillissement of door een overname. De grote sprong tussen 2017 en 2018 valt te verklaren doordat er pas begin 2018 gestart kon worden met het intrekken van erkenningen wegens inactiviteit, omwille van technische redenen. Daarnaast legt de wetgeving ook op dat de intrekking wegens inactiviteit moet gebeuren door de 12 maanden waarin geen //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 6 van 54

Rendabiliteitsmonitor 2020 DC-bedrijven

8.12.2020


dienstencheques worden ingediend te rekenen vanaf de datum van erkenning. Daardoor kan er pas sinds eind 2018, na verloop van een volledig jaar, een correcter en representatiever beeld gegeven worden van de ondernemingen die nog erkend zijn in Vlaanderen, maar met maatschappelijke zetel buiten het Vlaams Gewest.

2.2 MARKTVERDELING Om zicht te krijgen op de markt van de dienstencheques hebben we op basis van het aantal cheques per ondernemingsnummer het aantal ondernemingen en hun marktaandeel opgelijst. De indeling is gebaseerd op het totaal aantal Vlaamse cheques ingediend in 2019. Er zijn een aantal ondernemingen die nog erkend waren in 2019, maar geen cheques meer hebben ingediend, of ondernemingen die in de loop van 2019 nog cheques hebben ingediend maar waarvan tegen het einde van het jaar hun erkenning werd ingetrokken. Hierdoor wijken de cijfers af van bovenstaande erkenningscijfers op het einde van 2019. Hieronder worden alle bedrijven opgenomen die minstens 1 Vlaamse dienstencheque hebben ingediend in 2019, ongeacht de plaats van hun maatschappelijke zetel. Tabel 2

Aantal ingediende cheques per onderneming

Aantal ondernemingen

Marktaandeel ingediende dienstencheques

18 20 20 87 115 404 782 1446

39,3% 15,7% 7,9% 14,7% 9,2% 11,4% 1,8% 100%

> 1 mio 500K - 1mio 250K - 500K 100K - 250K 50K-100K 10K-50K < 10K Totaal

Marktaandeel ingediende dienstencheques (cumulatief) 39,3% 55,0% 62,9% 77,6% 86,8% 98,2% 100,0%

Bron: Sodexo, Bewerking Departement WSE

We stellen vast dat 38 ondernemingen reeds meer dan de helft van de dienstencheques genereren in Vlaanderen. Als we er bovendien nog eens rekening mee houden dat een aantal groepen (bv. Poetsbureau, Trixxo) hun werking hebben opgesplitst over meerdere ondernemingen kan men stellen dat de markt zeer sterk geconcentreerd is bij een beperkt aantal ondernemingen. Het marktaandeel van de groep met 100.000 à 500.000 dienstencheques op jaarbasis is met 107 ondernemingen nog aanzienlijk. Zij bestrijken immers 22,6 % van de markt. Bijna eenzelfde marktaandeel (20,6%) wordt bereikt door de ondernemingen die tussen de 10.000 en de 100.000 cheques realiseerden op jaarbasis. Hiervoor zijn echter wel bijna 5 keer meer ondernemingen nodig. De impact op het marktaandeel van de vele kleine ondernemingen met minder dan 10.000 cheques op jaarbasis kunnen we beschouwen als “marginaal” (1,8%). Het betreft hier waarschijnlijk voornamelijk ondernemingen die in een ander gewest gevestigd zijn, erkend zijn in Vlaanderen maar slechts een handvol cheques in Vlaanderen indienen. Daarnaast gaat het waarschijnlijk over enkele zeer kleine ondernemingen waarbij de zaakvoerder slechts een handvol werknemers tewerkstelt. Als we kijken naar het aantal ingediende dienstencheques per type onderneming in onderstaande tabel, dan is de groep van handelsvennootschappen opnieuw de grootste.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 8.12.2020

Rendabiliteitsmonitor 2020 DC-bedrijven

pagina 7 van 54


Tabel 3: Aantal terugbetaalde Vlaamse dienstencheques per type onderneming (2019)

Ondernemingstype

Aantal ingediende Dienstencheques

Aandeel

Gemeente

33.881

0,04%

Handelsvennootschap

69.516.666

79,24%

Natuurlijke persoon

886.356

1,01%

OCMW

2.164.408

2,47%

PWA

734.832

0,84%

Uitzend

6.782.923

7,73%

VZW

2.741.406

3,12%

VZW - social profit

4.864.756

5,55%

Totaal

87.725.228

100,00%

Bron: Sodexo, bewerking: DWSE

2.3 JAARREKENINGEN ONDERZOCHT IN DIT RAPPORT Zoals gezegd in de inleiding zijn er voor slechts 754 erkende ondernemingen reeds cijfers voor 2019 beschikbaar. Deze 754 ondernemingen verhouden zich tot de totale populatie erkende ondernemingen in Vlaanderen en het totaal aantal ingediende dienstencheques als volgt: -

Verdeling naar grootte van onderneming: de grootste ondernemingen zijn het best vertegenwoordigd ten opzichte van hun totale populatie in tabel 2. Tabel 4

Aantal ingediende cheques per onderneming > 1 mio 500K - 1mio 250K - 500K 100K - 250K 50K-100K 10K-50K < 10K Totaal

Aantal ondernemingen 18 19 17 72 87 191 350 754

Aandeel ten opzichte van totale populatie per groep 100,0% 95,0% 85,0% 82,8% 75,7% 47,3% 44,8% 52,1%

Bron: Sodexo, Bewerking Departement WSE

-

Aantal uitbetaalde dienstencheques ten opzichte van het totaal aantal uitbetaalde dienstencheques, op basis van de grootte van de onderneming: de 754 ondernemingen met jaarrekening vertegenwoordigen in totaal 86,9% van de uitbetaalde dienstencheques (76,2 mln. van de in totaal 87,7 mln. uitbetaalde cheques). Als we kijken naar de grootte van de onderneming, vertaalt de grotere vertegenwoordiging van de grote ondernemingen zich in een evenredig hoog marktaandeel. Tabel 5

Aantal ingediende

Aantal ondernemingen

Marktaandeel ingediende dienstencheques ten opzichte van totaal aantal

Marktaandeel ingediende dienstencheques ten

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 8 van 54

Rendabiliteitsmonitor 2020 DC-bedrijven

8.12.2020


cheques per onderneming > 1 mio 500K - 1mio 250K - 500K 100K - 250K 50K-100K 10K-50K < 10K Totaal

ingediende DC per groep (%) 18 19 17 72 87 191 350 754

100,0% 95,8% 85,4% 83,0% 76,9% 50,6% 39,8% 86,9%

opzichte van totaal aantal ingediende DC (%) 39,3% 15,0% 6,8% 12,2% 7,1% 5,8% 0,7% 86,9%

Bron: Sodexo, Bewerking Departement WSE

Ondanks het beperkt aantal ingediende jaarrekeningen ten opzichte van het totaal aantal erkende ondernemingen in Vlaanderen in 2019 (52,1%), wordt wel 86,9% van de dienstenchequemarkt, op basis van het aantal ingediende dienstencheques, gevat. We kunnen dus stellen dat dit onderzoek wel representatief is. Voornamelijk van de kleinere ondernemingen, met minder dan 50.000 ingediende dienstencheques op jaarbasis, wordt minder dan 50% (in aantal) onderzocht. Qua aantal ingediende dienstencheques omvat deze groep echter slechts 13,2% van de totale markt, waarvan quasi de helft (6,5%) wel door dit onderzoek wordt gevat. Als we kijken naar het ondernemingstype in onderstaande tabel, dan zijn de PWA’s en VZW’s zeer licht ondervertegenwoordigd in het aantal ingediende cheques binnen de groep ondernemingen die al een jaarrekening hebben neergelegd ten opzichte van hun normale aandeel in het aantal ingediende cheques op sectorniveau (tabel 3). Maar dit is zeer beperkt en zal de bespreking hierna niet vertekenen. Tabel 6

Ondernemingstype

Aantal ingediende Dienstencheques

Aandeel

Handelsvennootschap

62.292.910

81,75%

PWA

472.527

0,62%

Uitzend

6.782.923

8,90%

VZW

1.782.001

2,34%

VZW - social profit

4.864.756

6,38%

Totaal

76.195.117

100,00%

Bron: Sodexo, Bewerking Departement WSE

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 8.12.2020

Rendabiliteitsmonitor 2020 DC-bedrijven

pagina 9 van 54


3 ANALYSE VAN DE JAARREKENINGEN VAN ALLE DIENSTENCHEQUE-ONDERNEMINGEN MET VLAAMSE ERKENNING 3.1 GEPUBLICEERDE JAARREKENINGEN VAN DE DIENSTENCHEQUEONDERNEMINGEN MET EEN VLAAMSE ERKENNING De 754 erkende ondernemingen die gevat worden door dit onderzoek van de jaarrekeningen van 2019, verhouden zich als volgt, per ondernemingstype en gewest (op basis van maatschappelijke zetel): Figuur 2

Bron: Departement WSE

Figuur 3

Bron: Departement WSE

In onderstaande tabel geven we een overzicht, opgesplitst naar type onderneming, voor de periode 2016 – 2019. Deze cijfers zijn verschillend van het vorig onderzoek, omdat enkel de jaarrekeningen werden opgevraagd op jaarbasis voor ondernemingen die in dat jaar een erkenning dienstencheques hadden. Bij het vorig onderzoek werden alle jaarrekeningen opgevraagd voor ondernemingen die op een gegeven moment in de periode 2016-2018 erkend waren als dienstencheque-onderneming. Tabel 7

Aantal jaarrekeningen Handelsvennootschap VZW PWA Uitzend VZW - social profit

2016 1.226 1.009 105 82 20 10

2017 1.190 981 101 80 18 10

2018 1.098 908 96 65 18 11

754 637 68 22 16 11

2019 100,0% 84,5% 9,0% 2,9% 2,1% 1,5%

Bron: Sodexo, Bewerking Departement WSE

De overgrote meerderheid van deze dienstenchequebedrijven neemt de rechtsvorm aan van een handelsvennootschap. De verhouding tussen het aandeel commerciële vennootschappen en VZW’s blijft

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 10 van 54

Rendabiliteitsmonitor 2020 DC-bedrijven

8.12.2020


vrij stabiel de afgelopen jaren (8,5 à 9%), met een oververtegenwoordiging van de commerciële vennootschappen. De meeste vennootschappen en verenigingen zijn verplicht om hun jaarrekening over het voorbije boekjaar neer te leggen bij de Nationale Bank volgens een standaardmodel. Het toepasselijke model van de jaarrekening verschilt evenwel naargelang de aard van de organisatie (vennootschap of vereniging) en de grootte. ‘Grote’ vennootschappen en ‘zeer grote’ verenigingen moeten hun jaarrekening neerleggen volgens een volledig schema, ‘kleine’ vennootschappen en ‘grote’ verenigingen volgens een verkort schema. Om een beeld te kunnen schetsen van de financiële gezondheid van alle dienstenchequebedrijven hebben we ons gericht op kengetallen die beschikbaar waren of konden worden afgeleid uit gegevens die zowel beschikbaar zijn voor organisaties die een volledige jaarrekening hebben neergelegd als voor organisaties die enkel een verkort schema van hun jaarrekening hebben gepubliceerd.

3.2 RESULTATEN VAN ALLE ERKENDE DIENSTENCHEQUE-ONDERNEMINGEN In onderstaande tabel geven we een globaal overzicht van het percentage winstgevende en verlieslatende dienstenchequebedrijven in boekjaren 2016 - 2019:

Figuur 4 Bron: NBB, Bewerking Departement WSE

Het aantal dienstenchequebedrijven met een negatief eindresultaat vertoont de voorbije drie boekjaren een relatieve stijging, behalve in 2019. Dit valt waarschijnlijk te verklaren doordat de kleinere dienstenchequebedrijven vaker verlieslatend zijn (zie hiervoor ook deel 4.3.2) en een aanzienlijk deel van deze ondernemingen voor 2019 nog geen jaarrekening hebben ingediend (zie ook tabel 3). In 2016 sloten 297 dienstenchequebedrijven, zijnde ongeveer een vierde van alle 1.226 dienstenchequebedrijven die een jaarrekening hebben neergelegd en erkend waren in dat jaar, het boekjaar af met een negatief eindresultaat. In 2018 sloten 340 dienstenchequebedrijven, zijnde ongeveer een derde van alle 1.098 dienstenchequebedrijven die een jaarrekening hebben neergelegd en erkend waren in dat jaar, hun boekjaar af met een negatief eindresultaat. In 2019 sloten tot nu 205 van de 754 dienstenchequebedrijven hun boekjaar af met een negatief eindresultaat. In onderstaande grafiek geven we een overzicht van de evolutie van het aantal winstgevende dienstenchequebedrijven (evolutie 2016 – 2019) per type organisatie:

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 8.12.2020

Rendabiliteitsmonitor 2020 DC-bedrijven

pagina 11 van 54


Figuur 5

Bron: NBB en Departement WSE, Bewerking Departement WSE

We stellen bij alle types dienstenchequebedrijven, een daling vast van het percentage winstgevende organisaties. Enkel voor 2019 merken we licht stijgende of stagnerende percentages op, wat te verklaren valt door het lager aantal beschikbare jaarrekeningen, waardoor er in verhouding meer winstgevende bedrijven zijn voor de verschillende ondernemingstypes. De kleinere, vaak meer verlieslatende ondernemingen, zijn momenteel nog ondervertegenwoordigd. Bij de handelsvennootschappen is de daling de voorbije jaren evenwel minder sterk dan in de andere categorieën. Vooral bij de VZW’s, social profit VZW’s en de PWA’s merken we een toename van het aandeel verlieslatende dienstenchequebedrijven. In onderstaande tabel geven we een meer gedetailleerd overzicht van het aantal winstgevende en verlieslatende dienstenchequebedrijven, gegroepeerd per omvang van het resultaat, voor de periode 2016 - 2019:

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 12 van 54

Rendabiliteitsmonitor 2020 DC-bedrijven

8.12.2020


Tabel 8

2016

Periode Aantal jaarrekeningen Aantal positief eindresultaat Winst >10M Winst 1M-10M Winst 500K-1M Winst 100K-500K Winst 50K-100K Winst 10K-50K Winst <10K Winst/verlies = 0 Aantal negatief eindresultaat Verlies <10K Verlies 10K-50K Verlies 50K-100K Verlies 100K-500K Verlies 500K-1M Verlies 1M-10M

2017

2018

2019

1.226

100%

1.190

100%

1.098

100%

754

100%

926

75,5%

868

73%

752

68%

547

73%

1 19 31 160 137 347 229 2

0,1% 1,5% 2,5% 13,1% 11,2% 28,3% 18,7% 0,2%

23 21 154 126 327 216 1

1,9% 1,8% 12,9% 10,6% 27,5% 18,2% 0,1%

18 17 131 110 278 198

1,6% 1,5% 11,9% 10,0% 25,3% 18,0%

19 20 106 82 189 131

2,5% 2,7% 14,1% 10,9% 25,1% 17,4%

297

24,2%

319

26,8%

340

31,0%

205

27,2%

113 123 29 21 7 4

9,2% 10,0% 2,4% 1,7% 0,6% 0,3%

119 132 35 25 3 5

10,0% 11,1% 2,9% 2,1% 0,3% 0,4%

116 139 42 33 6 4

10,6% 12,7% 3,8% 3,0% 0,5% 0,4%

77 83 20 20 2 3

10,2% 11,0% 2,7% 2,7% 0,3% 0,4%

Bron: NBB, Bewerking Departement WSE

Voor boekjaar 2019 wordt dit nog eens specifiek opgesplitst per type onderneming: Tabel 9

2019 Aantal jaarrekeningen Aantal positief eindresultaat Winst 1M-10M

Totaal

Handelsvennootschap

PWA

Uitzend

VZW

VZW - social profit

754

100%

637

100%

22

100%

16

100%

68

100%

11

100%

547

73%

470

73,8%

11

50,0%

15

93,8%

44

64,7%

7

63,6%

19

2,5%

6

0,9%

0,0%

6

37,5%

3

4,4%

4

36,4%

Winst 500K-1M

20

2,7%

11

1,7%

0,0%

2

12,5%

7

10,3%

0,0%

Winst 100K-500K

106

14,1%

86

13,5%

4,5%

6

37,5%

13

19,1%

0,0%

Winst 50K-100K

82

10,9%

76

11,9%

1

4,5%

Winst 10K-50K

189

25,1%

170

26,7%

6

27,3%

Winst <10K Aantal negatief eindresultaat Verlies <10K

131

17,4%

121

19,0%

3

13,6%

205

27,2%

165

25,9%

11

50,0%

77

10,2%

69

10,8%

3

13,6%

Verlies 10K-50K

83

11,0%

68

10,7%

5

Verlies 50K-100K

20

2,7%

14

2,2%

Verlies 100K-500K

20

2,7%

12

1,9%

Verlies 500K-1M

2

0,3%

2

Verlies 1M-10M

3

0,4%

1

0,0%

3

4,4%

2

18,2%

6,3%

11

16,2%

1

9,1%

0,0%

7

10,3%

1

6,3%

24

35,3%

1

6,3%

4

5,9%

22,7%

0,0%

8

11,8%

2

9,1%

0,0%

4

5,9%

1

4,5%

0,0%

6

8,8%

0,3%

0,0%

0,0%

0,0%

0,0%

0,0%

1

0,0% 4

0,0% 2

2,9%

18,2% 0,0%

1

0,0% 2

36,4%

9,1% 0,0%

1

9,1%

Bron: NBB, Bewerking Departement WSE

Iets meer dan een vierde van de 754 dienstenchequebedrijven met jaarrekening heeft boekjaar 2019 afgesloten met een negatief eindresultaat. Uit de opsplitsing per type organisatie valt op dat de

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 8.12.2020

Rendabiliteitsmonitor 2020 DC-bedrijven

pagina 13 van 54


uitzendkantoren relatief betere resultaten kunnen voorleggen, met voorlopig zelfs 93,8% van de ondernemingen die een positief eindresultaat voor 2019 kunnen voorleggen. Aan de andere kant van het spectrum bevinden zich de vroegere PWA-kantoren. De ex-PWA’s kunnen beduidend minder goede resultaten voorleggen: 50% van deze organisaties sloot boekjaar 2019 af met een negatief eindresultaat. De VZW’s en social profit ondernemingen scoren iets beter, respectievelijk 64,7% en 63,6% van de ondernemingen sluiten 2019 af met een positief eindresultaat. Door het grote aantal reguliere handelsvennootschappen, komt het aandeel organisaties met winst en verlies het best overeen met de algemene cijfers voor 2019. 25,7% van de handelsvennootschappen, net een vierde, sloot het boekjaar af met een negatief eindresultaat. Let wel dat de positieve evolutie in de procentuele verhoudingen in 2019 waarschijnlijk te wijten is aan het verminderde aantal ondernemingen die gevat worden door dit onderzoek. Doordat voornamelijk voor de kleinere ondernemingen de jaarrekeningen nog ontbreken, geven bovenstaande cijfers mogelijks een vertekend beeld, omdat de kleinere ondernemingen vaker verlieslatend zijn. Bij de beoordeling van de resultaten is het van belang niet enkel te kijken naar de omvang van het eindresultaat maar ook rekening te houden met de samenstelling van dit resultaat. Een organisatie kan bijvoorbeeld een positief eindresultaat realiseren maar toch een lage rentabiliteit vertonen omdat de winst werd gerealiseerd door uitzonderlijke of financiële opbrengsten. Daarom kijken we ook in detail naar het brutobedrijfsresultaat (= gewone bedrijfsresultaat (zonder financiële en uitzonderlijke resultaten) + afschrijvingen en waardeverminderingen (er terug bijnemen)). Dit geeft met andere woorden inzage in het resultaat van de organisaties zonder rekening te houden met afschrijvingskosten, waardeverminderingen, financiële en uitzonderlijke resultaten. In onderstaande tabel geven we een overzicht van het aantal organisaties met een positief of negatief brutobedrijfsresultaat in 2019:

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 14 van 54

Rendabiliteitsmonitor 2020 DC-bedrijven

8.12.2020


Tabel 10

Spreiding Brutobedrijfsresultaat Aantal Jaarrekeningen Aantal positief brutobedrijfsresultaat Winst 1M-10M Winst 500K-1M Winst 100K500K Winst 50K-100K Winst 10K-50K Winst <10K Aantal negatief brutobedrijfsresultaat Verlies <10K Verlies 10K-50K Verlies 50K-100K Verlies 100K500K Verlies 500K-1M Verlies 1M-10M

Totaal

Handelsvennootschap

PWA

Uitzend

VZW

VZW – social profit

754

100,0%

637

100,0%

22

100,0%

16

100,0%

68

100,0%

11

100,0%

629

83,4%

535

84,0%

17

77,3%

14

87,5%

53

77,9%

10

90,9%

42 38

5,6% 5,0%

12 29

1,9% 4,6%

8 1

50,0% 6,3%

17 7

25,0% 10,3%

5

1

0,0% 4,5%

45,5% 0,0%

164

21,8%

147

23,1%

1

4,5%

4

25,0%

10

14,7%

2

18,2%

118 205 62

15,6% 27,2% 8,2%

107 182 58

16,8% 28,6% 9,1%

3 10 2

13,6% 45,5% 9,1%

1

0,0% 6,3% 0,0%

6 11 2

8,8% 16,2% 2,9%

2 1

18,2% 9,1% 0,0%

125

16,6%

102

16,0%

5

22,7%

2

12,5%

15

22,1%

1

9,1%

59 46 8

7,8% 6,1% 1,1%

53 35 6

8,3% 5,5% 0,9%

0,0% 18,2% 4,5%

1

4 1

6,3% 0,0% 0,0%

5 7

7,4% 10,3% 0,0%

1

0,0% 0,0% 9,1%

9

1,2%

5

0,8%

0,0%

1

6,3%

3

2 1

0,3% 0,1%

2 1

0,3% 0,2%

0,0% 0,0%

0,0% 0,0%

4,4%

0,0%

0,0% 0,0%

0,0% 0,0%

Bron: NBB, Bewerking Departement WSE

Als we geen rekening houden met afschrijvingskosten, waardeverminderingen, financiële en uitzonderlijke kosten, kon 83,4% van alle dienstenchequebedrijven met jaarrekening een positief brutobedrijfsresultaat voorleggen in boekjaar 2019. Dit impliceert dat 83,4% van alle deze dienstenchequebedrijven voldoende omzet genereerde om de loon- en werkingskosten te kunnen dragen. Bij 16,6% van de dienstenchequebedrijven was de exploitatie evenwel reeds verlieslatend zonder rekening te houden met afschrijvingskosten en financiële kosten. Wat betreft het onderscheid naar type organisatie zijn de vaststellingen bij de analyse van het brutobedrijfsresultaat gelijklopend als bij de bespreking van het eindresultaat. Zowel de ex-PWA’s als VZW’s scoren het slechtst, al scoren de ex-PWA’s in verhouding wel iets beter dan als we louter kijken naar het eindresultaat. De social profit vzw’s scoren in verhouding ook beter dan wanneer we enkel kijken naar het eindresultaat.

3.3 EVOLUTIE VAN DE GLOBALE RENDABILITEIT VAN DE ERKENDE DIENSTENCHEQUE-ONDERNEMINGEN IN 2016 – 2019 In onderstaande tabel wordt de globale rendabiliteit (bedragen in euro) van de dienstenchequesector weergegeven voor de periode 2016 – 2019. De gehanteerde begrippen zijn: -

Brutomarge (9900): bedrijfsopbrengsten min aankoopkosten en kosten van diensten en diverse goederen Brutobedrijfsresultaat (9901 + 630.0 + 631.4): resultaat van de onderneming zonder rekening te houden met afschrijvingskosten, waardeverminderingen, financiële en uitzonderlijke resultaten.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 8.12.2020

Rendabiliteitsmonitor 2020 DC-bedrijven

pagina 15 van 54


-

Netto-bedrijfsresultaat/bedrijfswinst (9901): resultaat van de onderneming zonder financiële en uitzonderlijke resultaten Eindresultaat (9904): resultaat van het boekjaar na belastingen Te bestemmen resultaat van het boekjaar (9905)

Tabel 11

Periode Totaal Brutomarge Totaal Brutobedrijfsr esultaat Totaal Nettobedrijfsr esultaat Totaal Eindresultaat Totaal Te bestemmen resultaat

2016

2017

2018

2019

5.232.401.118

100%

5.596.886.015

100%

5.696.594.640

100%

5.323.246.805

100%

276.889.945

5,29%

270.951.810

4,84%

252.030.998

4,42%

257.634.131

4,84%

175.308.961

3,35%

167.027.849

2,98%

141.015.506

2,48%

138.524.140

2,60%

263.984.286

5,05%

119.319.620

2,13%

162.580.743

2,85%

102.947.309

1,93%

253.305.902

102.851.949

154.106.714

93.088.637

Bron: NBB, Bewerking Departement WSE

Door het lager aantal gecapteerde jaarrekeningen, moeten bovenstaande cijfers voor 2019 met de nodige voorzichtigheid geïnterpreteerd worden ten opzichte van voorgaande jaren. Zoals reeds eerder aangegeven, zijn vooral de kleinere ondernemingen nog niet gevat, wat in verhoudingen vaker de slechter presterende ondernemingen zijn. Alle erkende ondernemingen (met jaarrekening) realiseerden samen telkens een brutomarge van meer dan 5 miljard euro op jaarbasis. Deze totale brutomarge vertoont jaarlijks een stijging ten opzichte van het voorgaande jaar, behalve voor 2019, maar dat valt te verklaren door het lager aantal gevatte jaarrekeningen. De erkende ondernemingen realiseerden de voorbije 4 boekjaren ook telkens een positief eindresultaat, al neemt dit wel stelselmatig af van 5% van de brutomarge in 2016 tot 1,93% in 2019. We stellen vast dat het totale eindresultaat van de dienstenchequebedrijven op sectorniveau vertekend wordt door de omvang van de financiële resultaten bij een beperkt aantal bedrijven. Er werd in boekjaar 2016 bijvoorbeeld door één organisatie een niet-recurrente financiële opbrengst gerealiseerd van meer dan 115 miljoen euro. Ook in 2018 merken we in totaliteit hoge uitzonderlijke opbrengsten (96,6 mln.), wat de stijging van het eindresultaat grotendeels verklaart. Bij de beoordeling van de rendabiliteit van de erkende dienstenchequebedrijven baseren we ons daarom vooral op het brutobedrijfsresultaat en het nettobedrijfsresultaat. We stellen vast dat alle erkende ondernemingen samen een brutobedrijfsresultaat realiseerden van telkens meer dan 250 miljoen euro op jaarbasis in de periode 2016 – 2019 en een netto-bedrijfsresultaat tussen de 175 en 138 mln. Het brutobedrijfsresultaat vertoont zowel in absolute als in relatieve cijfers ten opzichte van de brutomarge een lichte toename in 2019, na 3 opeenvolgende jaren af te nemen. Het nettobedrijfsresultaat vertoont jaarlijks een daling ten opzichte van het voorgaande boekjaar in absolute cijfers. Relatief ten opzichte van de brutomarge merken we in 2019 wel een lichte toename van het nettobedrijfsresultaat tot 2,60%. Evenredig aan de totale brutomarge stijgen/dalen ook de totale loonkosten de voorbije jaren. Relatief merken we wel een fluctuerende beweging op, op jaarbasis. Aangezien de loonkost de belangrijkste kostendrijver is van de dienstencheque-ondernemingen (min. 94% van de brutomarge), fluctueert deze in dezelfde mate ten opzichte van de brutomarge als het bruto- en netto-bedrijfsresultaat. //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 16 van 54

Rendabiliteitsmonitor 2020 DC-bedrijven

8.12.2020


Tabel 12

Periode Totaal Brutomarge Totaal Bezoldigingen

2016

2017

2018

2019

5.232.401.118

100%

5.596.886.015

100%

5.696.594.640

100%

5.323.246.805

100%

5.051.612.901

96,54%

5.294.280.933

94,59%

5.423.317.920

95,20%

5.044.619.863

94,77%

Bron: NBB, Bewerking Departement WSE

Ondanks de algemeen toenemende loonkosten bleef de sector in zijn globaliteit niettemin winstgevend. Het totale eindresultaat van de voorbije 4 boekjaren is telkens positief, maar neemt wel sterk af, zowel in totaliteit als relatief ten opzichte van de brutomarge.

3.4 RENDABILITEIT PER TYPE ORGANISATIE IN 2019 Bovenstaande cijfers geven een globaal beeld van de sector in zijn totaliteit. Gezien de grote diversiteit aan dienstenchequebedrijven, zijn er echter ook grote verschillen in de rendabiliteit van de individuele dienstenchequebedrijven en per ondernemingstype. In onderstaande tabellen hebben we de rendabiliteit van boekjaar 2019 in kaart gebracht voor volgende types organisatievormen: uitzendkantoren, handelsvennootschappen (exclusief uitzendkantoren), VZW’s (exclusief PWA’s en social profit), de (ex)PWA’s en de social profit VZW’s. De eerste tabel toont de verhouding van de verschillende ondernemingstypes ten opzichte van de totale rendabiliteitscijfers op sectorniveau. De tweede tabel toont de verhouding van de verschillende resultaatsparameters per ondernemingstype ten opzichte van de brutomarge. Tabel 13

2019 (in K euro) Totaal Handels vennootschap PWA Uitzend VZW VZW social profit

5.323.247

Totaal Brutobedrijfs resultaat 257.634

Totaal Nettobedrijfs resultaat 138.524

100%

100%

100%

100%

100%

637

2.058.213

92.135

67.585

47.131

84,5%

38,7%

35,8%

48,8%

45,8%

22

27.336

1.018

681

- 343

2,9%

0,5%

0,4%

0,5%

-0,3%

16

1.503.311

50.466

44.029

31.024

2,1%

28,2%

19,6%

31,8%

30,1%

68

923.743

100.465

19.486

20.176

9,0%

17,4%

39,0%

14,1%

19,6%

11

810.644

13.550

6.744

4.959

1,5%

15,2%

5,3%

4,9%

4,8%

Aantal jaarrekeningen

Totaal Brutomarge

754

Totaal Eindresultaat 102.947

Bron: NBB, Bewerking Departement WSE

Er zijn grote verschillen tussen de winst en de brutomarge die werden gerealiseerd in de verschillende categorieën, zowel relatief als absoluut. De handelsvennootschappen omvatten 84,5% van alle erkende dienstenchequebedrijven met jaarrekening en als we algemeen kijken (tabel 3) 79% van de ingediende cheques in 2019, maar deze groep vertegenwoordigt slechts 38,7% van de totale brutomarge van de sector. Opvallend is wel dat ze in verhouding een hoger aandeel hebben in het nettoresultaat (48,8%) en eindresultaat (45,8%) van de totale sector. Wat betekent dat ze in verhouding lagere bedrijfskosten kennen, die voornamelijk bestaan uit loonkosten.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 8.12.2020

Rendabiliteitsmonitor 2020 DC-bedrijven

pagina 17 van 54


De uitzendkantoren omvatten slechts 2,1% van alle erkende dienstenchequebedrijven, maar wel 7,73% van de ingediende cheques. Ze vertegenwoordigen wel respectievelijk 28,2% van de brutomarge en 30,1% van de totale winst op sectorniveau. Deze ondernemingen hebben nog aanzienlijke andere bedrijfsontvangsten, niet gelinkt aan dienstencheque-activiteiten, die dit verschil verklaren. Verder in dit rapport blijkt immers dat er slechts 2 ondernemingen die als uitzendkantoor worden getypeerd binnen de selectie vallen. Hier geen uitschieters bij het nettoresultaat, maar eerder een opvallend laag brutobedrijfsresultaat in verhouding tot de totale sector. Wat betekent dat ze gemiddeld hogere afschrijvingskosten en waardeverminderingen hebben dan andere dienstencheque-ondernemingen. Ook de social profit vzw’s vertegenwoordigen in verhouding een hoger deel van de brutomarge (15,2%) dan het aantal ondernemingen en cheques, maar dragen relatief minder bij aan het eindresultaat van de sector (4,8%). De ex-PWA’s vertonen de zwakste rendabiliteit met globaal zelfs een negatief eindresultaat voor 2019, wat ook het geval was in 2018. Tabel 14

2019 (in K euro)

Aantal jaarrekeningen

Totaal Brutomarge

Totaal Brutobedrijfs resultaat

Totaal Nettobedrijfs resultaat

Totaal Eindresultaat

754

5.323.247

257.634

138.524

102.947

100%

100%

4,8%

2,6%

1,9%

637

2.058.213

92.135

67.585

47.131

84,5%

100,0%

4,5%

3,3%

2,3%

22

27.336

1.018

681

- 343

2,9%

100,0%

3,7%

2,5%

-1,3%

16

1.503.311

50.466

44.029

31.024

2,1%

100,0%

3,4%

2,9%

2,1%

68

923.743

100.465

19.486

20.176

9,0%

100,0%

10,9%

2,1%

2,2%

11

810.644

13.550

6.744

4.959

1,5%

100,0%

1,7%

0,8%

0,6%

Totaal Handels vennootschap PWA Uitzend VZW VZW - social profit

Bron: NBB, Bewerking Departement WSE

In bovenstaande tabel kijken we naar de verhouding van het brutobedrijfs-, nettobedrijfs- en eindresultaat ten opzichte van de brutomarge per ondernemingstype. De PWA’s halen het slechtste eindresultaat, met een negatief eindresultaat voor de hele categorie. Daarna scoren de social profit vzw’s in totaliteit het minst als we kijken naar het bruto- en nettobedrijfsresultaat in verhouding met de brutomarge. De vzw’s algemeen behalen daarentegen een hoog brutobedrijfsresultaat ten opzichte van hun brutomarge, maar slechts een beperkt nettoresultaat en eindresultaat. In onderstaande tabel hebben we de loonkosten vergeleken met de gerealiseerde brutomarge bij de verschillende types dienstenchequebedrijven Tabel 15

Ondernemingstype Handelsvennootschap PWA

Totaal Brutomarge 2.058.212.510 100% 27.336.235 100%

Totaal Bezoldigingen 1.958.970.112 95,18% 26.199.331 95,84%

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 18 van 54

Rendabiliteitsmonitor 2020 DC-bedrijven

8.12.2020


Uitzend VZW VZW - social profit Totaal

1.503.310.555 100% 923.743.233 100% 810.644.272 100% 5.323.246.805 100%

1.445.285.588 96,14% 818.070.078 88,56% 796.094.754 98,21% 5.044.619.863 94,77%

Bron: NBB, Bewerking Departement WSE

De loonkosten vertegenwoordigen globaal ongeveer 95% van de gerealiseerde brutomarge, maar bij de social profit vzw’s ligt dit 3% hoger dan bij de andere types dienstenchequebedrijven. Bij vzw’s ligt dit opvallend lager. Omdat er op individueel ondernemingsniveau grote uitschieters kunnen voorkomen, geven we in onderstaande tabel een overzicht van de mediaanwaarde van de gerealiseerde brutomarge en het resultaat per onderneming in de verschillende deelsegmenten: Tabel 16

Mediaan Brutomarge Mediaan Brutobedrijfs resultaat Mediaan Nettobedrijfs resultaat Mediaan Eindresultaat

VZW social profit

Handels vennootschap

PWA

Uitzend

VZW

1.154.150

834.922

24.290.799

2.358.415

43.143

18.522

848.364

100.875

237.066

44.281

27.255

6.271

507.145

16.617

64.222

27.068

15.220

-605

509.301

16.466

65.322

15.865

15.274.893

Totaal 1.229.597

Bron: NBB, Bewerking Departement WSE

De mediaan van de PWA’s kent een negatief eindresultaat. De uitzendkantoren kennen het hoogste mediaan eindresultaat, gevolgd door de social profit vzw’s.

3.5 FINANCIËLE GEZONDHEID VAN DE ERKENDE DIENSTENCHEQUEONDERNEMINGEN De continuïteit van een organisatie wordt in eerste instantie bepaald door haar rendabiliteit en haar liquiditeit: organisaties moeten over een minimum aan rendabiliteit beschikken en zij moeten over voldoende liquide middelen beschikken om de schulden op korte termijn te kunnen terugbetalen. Bij de beoordeling van de financiële gezondheid van de ondernemingen wordt vervolgens rekening gehouden met de solvabiliteitsgraad van de onderneming als financiële buffer. Volgende kerncijfers met betrekking tot de liquiditeit en de solvabiliteit werden afgeleid uit de neergelegde jaarrekeningen van alle erkende dienstenchequebedrijven:

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 8.12.2020

Rendabiliteitsmonitor 2020 DC-bedrijven

pagina 19 van 54


3.5.1 Liquiditeit Toegepaste formule: Quick Ratio/Acid test Ratio: (vorderingen <1 jaar + geldbeleggingen en liquide middelen) / vreemd vermogen op korte termijn Tabel 17

2016

2017

2018

2019

Totaal vorderingen < 1 jaar

848.435.439

890.127.689

933.213.098

801.546.355

Totaal geldbeleggingen

438.255.375

350.048.347

303.241.927

231.195.456

Totaal liquide middelen

765.147.600

694.272.448

651.848.394

606.697.145

Vlottende activa (berekend)

2.269.312.121

2.135.302.855

2.097.748.988

1.816.030.015

Schulden korte termijn

1.183.240.798

1.224.894.569

1.248.265.761

1.097.754.694

Liquiditeitsgraad

1,73

1,58

1,51

1,49

Bron: NBB, Bewerking en berekening Departement WSE

De liquiditeitsratio geeft aan in welke mate aan de kortlopende schulden (max. 1 jaar) kan voldaan worden met de vlottende activa die normaal gezien binnen een termijn van één jaar zullen worden omgezet in kasmiddelen, zonder rekening te houden met de voorraad. Hoe hoger de ratio, hoe sterker de liquiditeitspositie van de onderneming. In het algemeen kan worden gesteld dat de organisatie over voldoende liquiditeit beschikt indien de Quick ratio hoger is dan 1. De sector vertoont globaal een voldoende liquiditeitsgraad (quick ratio > 1) overheen de periode 2016-2019, al neemt deze wel af van 1,73 in 2016 tot 1,49 in 2019. Dit wijst op een groeiende moeilijkheid om korte termijn schulden af te lossen met kasmiddelen. Gezien de grote diversiteit aan dienstenchequebedrijven, zijn er echter ook grote verschillen in de liquiditeit van de individuele dienstenchequebedrijven. In onderstaande tabel geven we een overzicht van de liquiditeitsgraad per type organisatie op het einde van boekjaar 2019.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 20 van 54

Rendabiliteitsmonitor 2020 DC-bedrijven

8.12.2020


Tabel 18

Handelsvennootschap

PWA

Uitzend

246.601.804 24.815.534 246.708.749

2.569.014 1.258.332 10.502.069

192.651.356 1.855.577 106.412.039

VZW - social profit 245.070.068 114.654.113 100.608.739 102.657.274 127.266.183 115.808.105

596.694.176

15.003.895

309.262.586

557.736.033

337.333.325

399.231.613 1,30

3.995.106 3,59

264.798.426 1,14

291.666.873 1,62

138.062.676 2,41

Totaal vorderingen < 1 jaar Totaal geldbeleggingen Totaal liquide middelen Vlottende activa (berekend) Schulden korte termijn Liquiditeitsgraad

VZW

Bron: NBB, Bewerking en berekening Departement WSE

Alle deelsegmenten vertonen globaal een voldoende liquiditeitsgraad. Opvallende vaststelling is dat de social profit VZW’s, de gewone VZW’s en vooral de PWA’s op het vlak van liquiditeit beter scoren dan de handelsvennootschappen en uitzendkantoren. Dit kan mogelijks worden verklaard doordat VZW’s in tegenstelling tot de handelsvennootschappen geen winst mogen uitkeren waardoor hun winsten meestal integraal gereserveerd werden. Tabel 19

VZW Handelsvennootscha p PWA Uitzend VZW - social profit Totaal

0-0,5 2,9% 2 14,4% 92 0,0% 6,3% 1 0,0% 12,6% 95

0,5-1 11,8% 8 27,0% 172 4,5% 1 31,3% 5 9,1% 1 24,8% 187

1-1,5 19,1% 13 27,5% 175 4,5% 1 31,3% 5 0,0% 25,7% 194

1,5-2 19,1% 13 11,0% 70 9,1% 2 25,0% 4 18,2% 2 12,1% 91

>2 47,1% 32 20,1% 128 81,8% 18 6,3% 1 72,7% 8 24,8% 187

Bron: NBB, Bewerking en berekening Departement WSE

62,6% van de dienstenchequebedrijven vertoonden eind 2019 een voldoende liquiditeitsratio, wat aangeeft dat deze ondernemingen hun betalingsverplichtingen op korte termijn kunnen voldoen. Bij 24,8% van de dienstenchequebedrijven was de liquiditeitspositie evenwel verzwakt (ratio tussen 0,5 en 1) en bij ongeveer 13% was er sprake van een liquiditeitstekort (ratio <0,5). Ten opzichte van 2018 (66,2%) nam de groep ondernemingen met voldoende liquiditeit licht af. Als we kijken naar het ondernemingstype zijn het vooral handelsvennootschappen en uitzendkantoren die kampen met een liquiditeitstekort.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 8.12.2020

Rendabiliteitsmonitor 2020 DC-bedrijven

pagina 21 van 54


3.5.2 Solvabiliteit Toegepaste formule: Eigen middelen / Totaal Vermogen (balanstotaal) Tabel 20

Solvabiliteit Eigen vermogen Totaal passief

2016 48,3% 1.752.422.615 3.629.868.884

2017 47,6% 1.733.357.420 3.642.849.183

2018 47,3% 1.789.363.034 3.783.726.201

2019 47,8% 1.639.136.797 3.427.141.836

Bron: NBB, Bewerking en berekening Departement WSE

Deze ratio geeft aan in welke mate de organisatie wordt gefinancierd met eigen fondsen/eigen vermogen en dus financieel onafhankelijk is. Het eigen vermogen vormt de financiële buffer voor het opvangen van risico's. Hoe hoger de ratio, hoe beter de solvabiliteitspositie van de organisatie. In het algemeen kan worden gesteld dat deze ratio best minstens 20% bedraagt en dat een solvabiliteitsratio boven de 40% gezond is. De sector vertoont globaal een voldoende solvabiliteit (ratio > 40%), al neemt deze licht af sinds 2016. In onderstaande tabel geven we een overzicht van de solvabiliteitsgraad per type organisatie op het einde van boekjaar 2019. Tabel 21

Solvabiliteit Eigen vermogen Totaal passief

PWA

Uitzend

53,0%

Handels vennootschap 36,4%

57,0%

37,6%

VZW - social profit 60,7%

1.639.136.797

897.705.143

289.434.656

11.087.132

188.493.137

252.416.729

3.427.141.836

1.694.717.040

795.017.173

19.451.685

501.791.653

416.164.285

Totaal

VZW

47,8%

Bron: NBB, Bewerking en berekening Departement WSE

Alle deelsegmenten vertonen globaal een aanvaardbare solvabiliteitsgraad, maar voor de uitzendkantoren en handelsvennootschappen valt deze wel net onder de 40%-grens. Net als bij de bespreking van de liquiditeit stellen we vast dat ook op vlak van solvabiliteit de PWA’s en de VZW’s globaal een hogere solvabiliteitsgraad vertonen, wat mogelijks kan worden verklaard doordat deze groepen, in tegenstelling tot de handelsvennootschappen, geen winst mogen uitkeren waardoor hun winsten meestal integraal gereserveerd werden. Er zijn evenwel zeer grote verschillen tussen de individuele dienstenchequebedrijven. In onderstaande tabel stellen we vast dat 90,9% van de social profit VZW’s, 86,4% van de PWA’s, 66,2% van de VZW’s een solvabiliteit halen van meer dan 40%. Bij de handelsvennootschappen en bij de uitzendondernemingen is dit respectievelijk 33,8% en 18,8%. Ongeveer 25% van alle dienstenchequebedrijven vertonen een erg zwakke (<10%) solvabiliteitsgraad. Er zijn relatief meer handelsvennootschappen die kampen met een tekort aan eigen vermogen. 16,4% van alle erkende handelsvennootschappen vertonen een negatieve solvabiliteitsgraad, terwijl dit bij minder dan 6% van de VZW’s het geval is en amper voorkomt bij de PWA’s en social profit VZW’s (slechts 1 onderneming).

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 22 van 54

Rendabiliteitsmonitor 2020 DC-bedrijven

8.12.2020


Tabel 22

VZW Handels vennootschap PWA Uitzend VZW - social profit Totaal

>40%

25%-40%

10%-25%

0%-10%

<0%

66,2%

14,7%

10,3%

2,9%

5,9%

45

10

7

2

4

33,8%

17,3%

19,9%

12,6%

16,5%

80

215

110

127

86,4%

4,5%

4,5%

4,5%

105

19

1

1

1

18,8%

43,8%

31,3%

6,3%

3

7

5

1

90,9%

9,1%

0,0%

0,0%

0,0%

0,0%

10

1

38,7%

17,1%

18,6%

11,0%

14,6%

292

129

140

83

110

Bron: NBB, Bewerking en berekening Departement WSE

3.6 CONCLUSIE We hebben op basis van de neergelegde jaarrekeningen van boekjaar 2016 tot en met boekjaar 2019 een globale analyse gemaakt van de evolutie van de resultaten en van de financiële gezondheid van de sector van de dienstenchequebedrijven. Hierbij dient opgemerkt dat deze neergelegde jaarrekeningen steeds betrekking hebben op de volledige organisatie, waardoor de onderzochte cijfers niet alleen betrekking hebben op dienstencheque-activiteiten maar ook op andere activiteiten die mogelijks binnen dezelfde juridische entiteit plaatsvonden. Deze analyse van de jaarrekeningen geeft dus enkel inzicht in de globale rendabiliteit en financiële gezondheid van de dienstenchequebedrijven, maar niet in de rendabiliteit van hun afzonderlijke dienstencheque-activiteiten.

3.6.1 Vaststellingen met betrekking tot de rendabiliteit De sector van de dienstenchequebedrijven vertoont globaal een positieve rendabiliteit, maar er zijn grote onderlinge verschillen tussen de verschillende dienstenchequebedrijven. Uit de jaarrekeningen blijkt een jaarlijkse stijging van het aantal dienstenchequebedrijven met een negatief eindresultaat. In boekjaar 2018 vertoonde 31% van alle neergelegde jaarrekeningen een negatief eindresultaat. In 2016 was dit nog 24,2%. In 2019 merken we een lichte daling van het aandeel bedrijven met een negatief bedrijfsresultaat tot 27,2%. Dit valt waarschijnlijk te verklaren door het beperkt aantal jaarrekeningen waarover we reeds beschikken. De kleinere ondernemingen, die vaker verlieslatend zijn, zijn sterk ondervertegenwoordigd in de reeds gepubliceerde jaarrekeningen. De globale rendabiliteit van de dienstenchequebedrijven vertoont een daling in de voorbije vier boekjaren. Alle erkende ondernemingen (met jaarrekening) realiseerden samen telkens een brutomarge van meer dan 5 miljard euro op jaarbasis. Deze totale brutomarge vertoont jaarlijks een stijging ten opzichte van het voorgaande jaar, behalve voor 2019, maar dat valt te verklaren door het lager aantal gevatte jaarrekeningen. De erkende ondernemingen realiseerden de voorbije 4 boekjaren ook telkens een positief eindresultaat, al neemt dit wel stelselmatig af van 5% van de brutomarge in 2016 tot 1,93% in 2019. //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 8.12.2020

Rendabiliteitsmonitor 2020 DC-bedrijven

pagina 23 van 54


Ondanks de algemeen toenemende loonkosten bleef de sector in zijn globaliteit niettemin winstgevend. Het totale eindresultaat van de voorbije 4 boekjaren is telkens positief, maar neemt wel sterk af, zowel in totaliteit als relatief ten opzichte van de brutomarge. De uitzendkantoren vertonen globaal een hogere winstgevendheid dan het sectorgemiddelde. Ze omvatten slechts 2,1% van alle erkende dienstenchequebedrijven, maar wel 7,73% van de ingediende cheques. Ze vertegenwoordigen wel respectievelijk 28,2% van de brutomarge en 30,1% van de totale winst op sectorniveau. Deze ondernemingen hebben nog aanzienlijke andere bedrijfsontvangsten, niet gelinkt aan dienstencheque-activiteiten, die dit verschil verklaren. De handelsvennootschappen omvatten 84,5% van alle erkende dienstenchequebedrijven met jaarrekening en als we algemeen kijken (tabel 3) 79% van de ingediende cheques in 2019, maar deze groep vertegenwoordigt slechts 38,7% van de totale brutomarge van de sector. Opvallend is wel dat ze in verhouding een hoger aandeel hebben in het nettoresultaat (48,8%) en eindresultaat (45,8%) van de totale sector. Wat betekent dat ze in verhouding lagere bedrijfskosten kennen, die voornamelijk bestaan uit loonkosten. Ook de social profit vzw’s vertegenwoordigen in verhouding een hoger deel van de brutomarge (15,2%) dan het aantal ondernemingen en cheques, maar dragen relatief minder bij aan het eindresultaat van de sector (4,8%). De (ex-)PWA’s vertonen de zwakste rendabiliteit met een globaal negatief eindresultaat in 2019.

3.6.2 Vaststellingen met betrekking tot liquiditeit en solvabiliteit De sector van de dienstenchequebedrijven vertoont globaal een financieel gezonde structuur met een voldoende liquiditeit en solvabiliteit, maar er zijn ook grote onderlinge verschillen tussen de dienstenchequebedrijven op het vlak van financiële structuur. De sector vertoont globaal een voldoende liquiditeitsgraad overheen de periode 2016-2019, al neemt deze wel af van 1,73 in 2016 tot 1,49 in 2019. 62,6% van de dienstenchequebedrijven vertonen per eind 2019 een voldoende liquiditeitsratio. Bij 24,8% van de dienstenchequebedrijven was de liquiditeitspositie evenwel verzwakt (ratio tussen 0,5 en 1) en bij ongeveer 13% was er sprake van een liquiditeitstekort (ratio < 0,5). Ten opzichte van 2018 (66,2%) nam de groep ondernemingen met voldoende liquiditeit licht af. De sector vertoont globaal een voldoende solvabiliteit (ratio > 40%), al neemt deze licht af sinds 2016. Ongeveer 25% van alle dienstenchequebedrijven vertonen een erg zwakke (<10%) solvabiliteitsgraad. De dienstenchequebedrijven met liquiditeitstekort en/of een verzwakte solvabiliteitsgraad betreffen vooral handelsvennootschappen en uitzendkantoren. De VZW’s, social profit VZW’s en vooral de (ex-)PWA’s vertonen globaal een sterkere liquiditeit en solvabiliteit dan de handelsvennootschappen. Dit kan mogelijks worden verklaard doordat deze organisaties geen winst mogen uitkeren.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 24 van 54

Rendabiliteitsmonitor 2020 DC-bedrijven

8.12.2020


4 ANALYSE VAN DE RENDABILITEIT VAN ORGANISATIES MET UITSLUITEND DIENSTENCHEQUE-ACTIVITEITEN Bovenstaande analyse van de jaarrekeningen van alle erkende dienstenchequebedrijven geeft zicht op de rendabiliteit en financiële gezondheid van alle organisaties die werden erkend om dienstenchequeactiviteiten aan te bieden in Vlaanderen. De rendabiliteit van deze organisaties kan echter ook deels het gevolg zijn van andere activiteiten die zij aanbieden naast hun activiteiten met dienstencheques. Om zicht te krijgen op de rendabiliteit van de afzonderlijke dienstencheque-activiteiten hebben we hieronder een analyse gemaakt van de jaarrekeningen van de organisaties die uitsluitend dienstencheque-activiteiten verrichten en hoofdzakelijk actief zijn in Vlaanderen. De cijfers in de sectie hiervoor zijn bovendien licht vertekend door het lagere aantal jaarrekeningen dat tot nu voor 2019 beschikbaar waren, wat in globaliteit leidt tot lagere totaalcijfers voor de sector, maar ook de verhouding tussen winstgevende en verlieslatende ondernemingen vertekent, door de ondervertegenwoordiging van de kleinere, vaak meer verlieslatende, ondernemingen. Bij de selectie van ondernemingen die uitsluitend dienstencheque-activiteiten uitvoeren hebben we ons beperkt tot de jaarrekeningen waarin de bedrijfsopbrengsten werden vermeld of waarvan de bedrijfsopbrengsten konden worden afgeleid op basis van andere gegevens in hun jaarrekeningen. We hebben de bedrijfsopbrengst in deze jaarrekeningen vervolgens vergeleken met het aantal dienstencheques dat de betreffende ondernemingen hebben ingediend bij het uitgiftebedrijf. Als de gerealiseerde bedrijfsopbrengst van het boekjaar 2019 in de buurt lag van de totale terugbetaalwaarde van de dienstencheques die werden ingediend voor prestaties van dat jaar, gaan we er van uit dat de activiteiten uitsluitend (of minstens hoofdzakelijk) betrekking hadden op dienstencheque-activiteiten. In boekjaar 2019 bedroeg de terugbetaalwaarde per dienstencheque 23,02 euro voor de cheques die werden uitgegeven na 1 september 2018 en 22,69 euro voor de cheques die werden uitgegeven voor die datum (en nog geldig zijn in 2019). Voor 2018 nemen we daarom als gewogen gemiddelde inruilwaarde (op basis van het aantal maanden) €22,80, voor 2019 nemen we €23,02. Rond deze inruilwaarde passen we telkens een marge toe van - €1 en + €4. Als de gemiddelde bedrijfsopbrengst per ingediende dienstencheque van een organisatie zich situeert tussen deze marges, gaan we er van uit dat de activiteiten van de onderneming hoofdzakelijk betrekking hadden op dienstencheques in het desbetreffende jaar. Daarnaast hebben we de selectie beperkt tot organisaties die minstens 50% van hun dienstencheques hebben ingediend voor prestaties in het Vlaams Gewest. De criteria die we in dit rapport toepassen om een selectie te bepalen, wijken licht af van de criteria die in het rapport van 2018 werden toegepast (bedrijfsopbrengst per dienstencheque tussen €22 en €27). Hierdoor merken we een lichte verschuiving op in de ondernemingen die in de selectie werden opgenomen voor 2018 (89 ipv 90 ondernemingen). Aangezien we in de toekomst bovenstaande methode zullen blijven toepassen, worden de cijfers van 2018 waar nodig herhaald voor de nieuwe selectie ondernemingen. Hierna wordt een korte beschrijving gegeven van de belangrijkste kenmerken van de geselecteerde ondernemingen.

4.1 GESELECTEERDE JAARREKENINGEN Op basis van bovenstaande criteria hebben we 72 organisaties kunnen weerhouden die in 2019 actief waren en waarvan de bedrijfsopbrengsten uitsluitend (of minstens hoofdzakelijk) betrekking hadden op //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 8.12.2020

Rendabiliteitsmonitor 2020 DC-bedrijven

pagina 25 van 54


dienstencheque-activiteiten in Vlaanderen. Voor deze organisaties hebben we de jaarrekeningen onderzocht van de voorbije vier boekjaren. In onderstaande tabel geven we een overzicht van het aantal onderzoeksobjecten per boekjaar en de totale omvang van deze selectie: - per ondernemingstype: Tabel 23

2016

2017

2018

2019

VZW

9

11

11

7

Handelsvennootschap

67

78

74

60

PWA

4

4

3

3

Uitzend

2

2

1

2

Totaal

82

95

89

72

Bron: Departement WSE

- op vlak van tewerkstelling en ingediende dienstencheques: Tabel 24

Aantal erkende ondernemingen Aantal cheques Vlaanderen Aantal gepresteerde uren

2016 82 28.144.458 36.630.327

2017 95 37.265.489 42.931.675

2018 89 40.411.726 44.897.139

2019 72 40.113.376 45.455.706

Bron: Sodexo, NBB en Departement WSE, Bewerking Departement WSE

Uit de gegevens van Sodexo blijkt dat er in totaal 87,7 miljoen Vlaamse dienstencheques werden ingediend voor prestaties in 2019. De geselecteerde 72 organisaties vertegenwoordigen iets minder dan 50% van het totaal aantal ingediende cheques. Ondanks dat de totale groep geselecteerde ondernemingen in 2019 aanzienlijk lager uitvalt, zijn alle types ondernemingen wel nog quasi even goed vertegenwoordigd. Enkel de groep VZW’s valt iets kleiner uit dan de voorbije jaren, maar dit verschil is te klein om het resultaat voor deze groep of het totaal te vertekenen. Hieronder geven we een meer gedetailleerd overzicht van de spreiding van deze organisaties in 2019 op vlak van grootte, tewerkstelling en organisatievorm.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 26 van 54

Rendabiliteitsmonitor 2020 DC-bedrijven

8.12.2020


Tabel 25

2019

Totaal

Aantal erkende 72 ondernemingen Aantal cheques 40.113.376 Vlaanderen Aantal gepresteerde 45.455.706 uren Aantal VTE 32.581 Gemiddeld 452,5 aantal VTE

Handels vennootschap

VZW 9,7%

83,3%

7

100%

724.305

1,8% 35.940.800 89,6% 301.764 0,8% 3.146.507

7,8%

100%

762.896

1,7%

38.668.653

85,1%

12,5%

100%

572

1,8%

28.445

87,3%

474,1

3

Uitzend

100%

81,7

60

PWA 4,2%

2

2,8%

332.145 0,7% 5.692.012 249 83

0,8%

3.315

10,2%

1.657,5

Bron: NBB, Bewerking en berekening Departement WSE

De onderzochte dienstenchequebedrijven zijn voor 83,3% handelsvennootschappen en voor 9,7% VZW’s. Er vallen ook 2 uitzendkantoren binnen de selectie. Daarentegen voldoet geen enkele social profit VZW aan de criteria. De handelsvennootschappen vertegenwoordigen bijna 90% van de totale tewerkstelling en ingediende cheques van de 72 onderzochte ondernemingen. De gemiddelde tewerkstelling in de VZW’s en PWA’s is merkelijk lager dan in de handelsvennootschappen. De uitzendkantoren kennen de grootste gemiddelde tewerkstelling, met 1.657,5 VTE. Bij de onderzochte handelsvennootschappen werden gemiddeld 474,1 VTE tewerkgesteld, ten opzichte van gemiddeld 81,7 VTE bij de gewone VZW’s en 83 VTE bij de PWA’s. Tabel 26

Handelsvennootschap

PWA

<50 VTE

14

1

Uitzend

3

Tussen 50 - 250 VTE

17

2

3

>250 VTE

29

Totaal

60

3

VZW

2

1

2

7

Bron: NBB, Bewerking en berekening Departement WSE

De handelsvennootschappen en uitzendkantoren kennen ook het grootste aantal ingediende dienstencheques. De helft van de handelsvennootschappen diende meer dan 250.000 dienstencheques in. Anderzijds zijn er ook een aanzienlijk aantal kleinere handelsvennootschappen. Een derde van de geselecteerde handelsvennootschappen diende minder dan 100.000 dienstencheques in in 2019. Alle geselecteerde VZW’s en PWA’s hebben maximaal een omzet van 500.000 dienstencheques. Tabel 27

Aantal cheques alle gewesten >1M 500K-1M 250K-500K 100K-250K 50K-100K 10K-50K 0-10K Totaal

Aantal cheques Vlaanderen >1M 500K-1M 500K-1M 250K-500K 250K-500K 100K-250K 50K-100K 10K-50K 0-10K

Handels vennootschap

PWA

11 12 1 7 9 8 11 1 60

Uitzend

VZW

1 1

1 2 4 2

1 3

2

7

Bron: Sodexo, Bewerking en berekening Departement WSE //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 8.12.2020

Rendabiliteitsmonitor 2020 DC-bedrijven

pagina 27 van 54


Door het kleiner uitvallen van de totale selectie, wat waarschijnlijk valt te verklaren door het beperkt aantal jaarrekeningen dat tot nu toe werd ingediend, merken we in onderstaande tabel wel dat de kleinere ondernemingen licht ondervertegenwoordigd zijn ten opzichte van eerdere jaren. Dit kan de algemene resultaten van de selectie voor 2019 wel licht vertekenen, want uit de analyse blijkt dat de kleinere ondernemingen (vanaf <250 K) in het algemeen een slechtere rendabiliteit voor de dag leggen. Aangezien de impact op de totale selectie van deze kleinere ondernemingen relatief beperkt is door hun beperkte omzet, zal dit echter niet resulteren in totaal verschillende conclusies. Tabel 28

Aantal cheques alle gewesten groepering >1M 500K-1M 250K-500K 100K-250K 50K-100K 10K-50K 0-10K Totaal

2016

2017

2018

2019

8 12 6 20 12 19 5 82

10 15 11 17 17 23 2 95

12 16 7 20 13 18 3 89

13 13 8 11 12 14 1 72

Bron: Sodexo, Bewerking Departement WSE

4.2 GLOBAAL OVERZICHT VAN DE RESULTATEN VAN DE GESELECTEERDE DIENSTENCHEQUEBEDRIJVEN Hieronder geven we een overzicht van de evolutie van het percentage winstgevende en verlieslatende dienstenchequebedrijven in de boekjaren 2016-2019. Figuur 6

65,3% van de geselecteerde dienstencheque-ondernemingen behaalde in 2019 een positief eindresultaat. In 2018 was dit nog bijna 75% van de geselecteerde dienstenchequebedrijven. Net als bij de analyse van alle erkende dienstenchequebedrijven stellen we ook bij de geselecteerde bedrijven een jaarlijkse daling vast van het percentage organisaties dat het boekjaar kon afsluiten met een positief eindresultaat. In onderstaande grafiek geven we een overzicht van de evolutie van het aantal winstgevende en verlieslatende dienstenchequebedrijven per type organisatie: //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 28 van 54

Rendabiliteitsmonitor 2020 DC-bedrijven

8.12.2020


Figuur 7

Uit de opsplitsing volgens type organisatie blijkt dat de handelsvennootschappen in 2019 veel vaker een positief eindresultaat behaalden dan de VZW’s en PWA’s. Bij de VZW’s vertoont meer dan de helft van de onderzochte organisaties in 2019 een negatief eindresultaat. Alle drie de geselecteerde PWA’s scoorden in 2019 een negatief eindresultaat. Daar tegenover staan de 2 uitzendkantoren die allebei een positief eindresultaat kenden. Zowel de VZW’s als de PWA’s kenden een sterke afname in het aantal winstgevende ondernemingen de voorbije jaren. Bij de groep handelsvennootschappen was de daling de voorbije jaren minder sterk, al merken we toch een aanzienlijke daling tussen 2018 (78,38%) en 2019 (70%). Deze vaststellingen sluiten aan bij de vaststellingen in onze eerdere analyse van de jaarrekeningen van alle erkende dienstenchequebedrijven. Ook daar stelden we vast dat de daling van het aandeel winstgevende bedrijven zich sterker toonde bij de VZW’s en (ex-)PWA’s. In onderstaande tabel hebben we voor boekjaar 2019 een verdere opsplitsing gemaakt naargelang de omvang van het behaalde eindresultaat.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 8.12.2020

Rendabiliteitsmonitor 2020 DC-bedrijven

pagina 29 van 54


Tabel 29

Spreiding eindresultaat 2019 Aantal jaarrekeningen 2019 Aantal positief eindresultaat Winst 1M-10M Winst 500K-1M Winst 100K-500K Winst 50K-100K Winst 10K-50K Winst <10K Aantal negatief eindresultaat Verlies <10K Verlies 10K-50K Verlies 50K-100K Verlies 100K-500K Verlies 500K-1M

Handels vennootschap

Totaal

PWA

Uitzend

VZW

72

100,0%

60

100,0%

3

100,0%

2

100,0%

7

100,0%

47

66,2%

42

71,2%

0

0,0%

2

100,0%

3

42,9%

4 3 16 9 10 5

5,6% 4,2% 22,5% 12,7% 14,1% 7,0%

3 2 16 9 8 4

5,1% 3,4% 27,1% 15,3% 13,6% 6,8%

1 1

50,0% 50,0%

2 1

28,6% 14,3%

24

33,8%

17

28,8%

4

57,1%

9 7 4 3 1

12,7% 9,9% 5,6% 4,2% 1,4%

7 5 2 2 1

11,9% 8,5% 3,4% 3,4% 1,7%

2 2

28,6% 28,6%

3

2 1

100,0%

0

0,0%

66,7% 33,3%

Bron: NBB, Bewerking en berekening Departement WSE

De meerderheid van de verlieslatende handelsvennootschappen beperkten hun verlies in 2019 tot €50 K. Bij de PWA’s loopt het verlies op tot meer dan €50 K in de 3 gevallen. Ook de verlieslatende VZW’s kunnen hun verlies beperken. De uitzendkantoren bevinden zich aan de andere kant van het spectrum met minstens €500 K winst. In de situering van de dienstenchequebedrijven hebben we aangetoond dat de markt van de dienstenchequebedrijven sterk geconcentreerd is bij een aantal grote bedrijven. Om na te gaan of schaalgrootte een bepalende factor is voor de rendabiliteit van de dienstencheque-activiteiten hebben we in onderstaande tabel de resultaten ook vergeleken op basis van het aantal ingediende Vlaamse dienstencheques op jaarbasis en op basis van het aantal gerapporteerde VTE. Tabel 30

Totaal

>1M DC

100,00% 12

500K-1M DC

100K - 500K DC

0 - 100K DC

Aantal jaarrekeningen

72

100,00%

13

100,00%

20

100,00%

27

100,00%

Aantal positief eindresultaat

47

66,2%

10

83,33%

13

100,00%

15

75,00%

9

33,33%

Winst 1M-10M

4

5,6%

4

33,33%

Winst 500K-1M

3

4,2%

2

16,67%

1

7,69%

Winst 100K-500K

16

22,5%

2

16,67%

Winst 50K-100K

9

12,7%

Winst 10K-50K

10

14,1%

1

8,33%

Winst <10K

5

7,0%

1

8,33%

Aantal negatief eindresultaat

24

33,8%

2

16,67%

Verlies <10K

9

12,7%

Verlies 10K-50K

7

Verlies 50K-100K

9

69,23%

4

20,00%

1

3,70%

2

15,38%

5

25,00%

2

7,41%

1

7,69%

5

25,00%

3

11,11%

1

5,00%

3

11,11%

5

25,00%

17

66,67%

1

5,00%

8

29,63%

9,9%

1

5,00%

6

22,22%

4

5,6%

3

15,00%

1

3,70%

Verlies 100K-500K

3

4,2%

1

8,33%

2

7,41%

Verlies 500K-1M

1

1,4%

1

8,33%

0

0,00%

Bron: NBB en Sodexo, Bewerking en berekening Departement WSE

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 30 van 54

Rendabiliteitsmonitor 2020 DC-bedrijven

8.12.2020


Tabel 31

Spreiding eindresultaat 2019 Aantal jaarrekeningen 2019 Aantal positief eindresultaat Winst 1M-10M Winst 500K-1M Winst 100K-500K Winst 50K-100K Winst 10K-50K Winst <10K Aantal negatief eindresultaat Verlies <10K Verlies 10K-50K Verlies 50K-100K Verlies 100K-500K Verlies 500K-1M

Totaal

Tussen 50 - 250 VTE

<50 VTE

>250 VTE

72

100,0%

18

100%

22

100%

32

100%

47

66,2%

5

29,4%

14

63,6%

28

87,5%

4 3 16 9 10 5

5,6% 4,2% 22,5% 12,7% 14,1% 7,0%

2 1 2

0,0% 0,0% 0,0% 11,8% 5,9% 11,8%

3 4 6 1

0,0% 0,0% 13,6% 18,2% 27,3% 4,5%

4 3 13 3 3 2

12,5% 9,4% 40,6% 9,4% 9,4% 6,3%

24

33,8%

12

70,6%

8

36,4%

4

12,5%

9 7 4 3 1

12,7% 9,9% 5,6% 4,2% 1,4%

8 3

47,1% 17,6% 0,0% 5,9% 0,0%

1

4 3 1

0,0% 18,2% 13,6% 4,5% 0,0%

3,1% 0,0% 3,1% 3,1% 3,1%

1

1 1 1

Bron: NBB, Bewerking en berekening Departement WSE

We stellen vast dat de kleinere dienstenchequebedrijven in de selectie vaker een negatief resultaat vertonen dan de middelgrote en grote bedrijven. Bij de dienstenchequebedrijven met meer dan 100.000 dienstencheques op jaarbasis behaalden slechts 15,55% een negatief eindresultaat, terwijl dit het geval was bij 66,67% van de kleinere dienstenchequebedrijven (<100K dienstencheques op jaarbasis).

4.3 ANALYSE VAN DE RENDABILITEIT VAN DE DIENSTENCHEQUEBEDRIJVEN IN BOEKJAAR 2019 4.3.1 Algemeen In onderstaande tabel hebben we een vergelijking gemaakt tussen de opbrengsten en kosten per dienstencheque volgens de rendabiliteit van de organisaties, zijnde de verhouding tussen het gerealiseerde netto-bedrijfsresultaat en de bedrijfsopbrengsten in boekjaar 2019. Let wel dat er vanaf hier dus rekening wordt gehouden met het totaal aantal ingediende dienstencheques in alle Gewesten. Tabel 32

Totaal

<-4%

<-2% >-4%

<0% - >-2%

>0% - < 2%

>2% - < 4%

> 4%

Aantal cheques alle gewesten

43.387.423

214.090

412.003

5.259.143

13.973.815

11.727.952

11.800.420

Aantal ondernemingen

72

4

4

14

21

18

11

Bedrijfsopbrengsten

23,68

23,78

24,23

23,60

23,88

23,68

23,46

Bedrijfskosten

23,14

25,18

24,75

23,83

23,66

23,07

22,17

1,90

1,39

1,89

1,66

1,93

2,42

1,47

Bezoldigingen

21,02

23,31

22,67

22,02

21,36

20,48

20,61

Afschrijvingen

0,15

0,43

0,10

0,11

0,22

0,16

0,05

0,01

0,02

0,00

0,00

0,04

0,00

0,00

Aankopen diensten en diverse goederen

Waarde verminderingen

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 8.12.2020

Rendabiliteitsmonitor 2020 DC-bedrijven

pagina 31 van 54


Netto-bedrijfsresultaat

0,54

-1,40

-0,52

-0,23

0,22

0,61

1,29

Resultaat boekjaar

0,38

-1,50

-0,46

-0,25

0,15

0,39

0,99

Bron: NBB en Sodexo, Bewerking en berekening Departement WSE

Het netto-bedrijfsresultaat is het resultaat van de onderneming zonder rekening te houden met financiële en uitzonderlijke opbrengsten en kosten en belastingen. Het verschil tussen het netto-bedrijfsresultaat en het eindresultaat wordt vooral bepaald door de belastingen op het resultaat. Er kan geen lineair verband worden vastgesteld tussen het resultaat per dienstencheque en de omvang van de bedrijfsopbrengsten per dienstencheque. De meest winstgevende dienstenchequebedrijven boekten gemiddeld een bedrijfsopbrengst van 23,46 euro per dienstencheque, wat lager is dan de bedrijfsopbrengst per dienstencheque van de organisaties die boekjaar 2019 hebben afgesloten met een negatief bedrijfsresultaat. Er kan wel een verband worden vastgesteld tussen de omvang van de bedrijfskosten per dienstencheque en het eindresultaat. Het resultaat per dienstencheque evolueert nagenoeg evenredig met de omvang van de bedrijfskosten per cheque. Bij de categorieën winstgevende dienstenchequebedrijven situeert de totale bedrijfskost zich tussen 22,17 euro en 23,66 euro per dienstencheque. Bij de verlieslatende categorieën bedraagt de gemiddelde kost tussen de 23,83 euro en 25,18 euro per cheque. De totale bedrijfskosten bestaan voor meer dan 90% uit loonkosten (€21,02 van de €23,14). Het is dan ook vooral de omvang van de loonkost per dienstencheque die bepaalt of een onderneming rendabel of verlieslatend is. Bij de winstgevende dienstenchequebedrijven situeerde de totale loonkost zich tussen 20,48 euro en 21,36 euro per dienstencheque. Bij de verlieslatende organisaties bedroeg de gemiddelde loonkost tussen 22,02 euro en 23,31 euro per cheque. De categorie van de meest verlieslatende bedrijven vertoont naast een relatief hoge loonkost per dienstencheque ook een uitzonderlijk hoge afschrijvingskost. Als we deze cijfers vergelijken met de cijfers uit het rapport van 2018 dan stellen we vast dat het nettobedrijfsresultaat (€0,54/DC) en het eindresultaat per cheque (€0,38/DC) op sectorniveau exact hetzelfde bedraagt. Wel merken we een toename zowel in de bedrijfsopbrengsten (€23,33/DC in 2018) als in de kosten (€22,79/DC in 2018)

4.3.2 Volgens omvang van de organisatie Uit onderstaande tabel blijkt dat er grote verschillen zijn tussen de rendabiliteit van de dienstenchequeactiviteiten naargelang de grootte van de organisatie, gebaseerd op het aantal ingediende dienstencheques. Tabel 33

Totaal >1M 500K-1M 100K - 500K 0-100K

Bedrijfsopbrengsten

Bruto marge

1.027.390.969 100,00% 649.458.194 100,00% 234.621.919 100,00% 111.822.089 100,00% 31.488.767 100,00%

944.847.644 91,97% 592.723.737 91,26% 219.562.804 93,58% 103.303.317 92,38% 29.257.786 92,91%

Bruto Bedrijfsresultaat 30.573.912 2,98% 20.932.749 3,22% 7.294.152 3,11% 2.057.774 1,84% 289.237 0,92%

Netto Bedrijfsresultaat 23.608.269 2,30% 17.901.507 2,76% 4.356.332 1,86% 1.314.609 1,18% 35.821 0,11%

Eindresultaat 16.671.640 1,62% 13.398.610 2,06% 2.896.806 1,23% 876.478 0,78% - 500.254 -1,59%

Bron: NBB en Sodexo, Bewerking en berekening Departement WSE

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 32 van 54

Rendabiliteitsmonitor 2020 DC-bedrijven

8.12.2020


De verhouding tussen de bedrijfsresultaten en de bedrijfsopbrengsten vertoont een correlatie met de omvang van de dienstencheque-activiteiten: de bruto- en netto-bedrijfsresultaten in verhouding tot de bedrijfsopbrengsten stijgen nagenoeg evenredig met de omvang van de dienstenchequebedrijven. De ondernemingen met meer dan 500K cheques op jaarbasis behaalden in totaal een brutobedrijfsresultaat ten belope van 3,19% van hun bedrijfsopbrengsten. Bij de middelgrote ondernemingen (100-500K cheques op jaarbasis) was dit nog 1,84% en bij de kleinere ondernemingen (<100K cheques op jaarbasis) bedroeg het brutobedrijfsresultaat nog slechts 0,92% van de bedrijfsopbrengsten. De brutomarge ten opzichte van de bedrijfsopbrengsten bij de ondernemingen met meer dan 1 miljoen ingediende dienstencheques wijkt wel af, wat kan wijzen op hogere overheadkosten voor deze grote ondernemingen (verschil tussen brutomarge en bedrijfsopbrengsten = Aankopen Diensten en Diverse goederen). In onderstaande tabellen hebben we de bedrijfsopbrengsten en -kosten per dienstencheque in kaart gebracht per grootte van de organisaties (aantal ingediende cheques). Tabel 34

Aantal organisaties Totaal aantal DC Per dienstencheque: Bedrijfsopbrengsten Bedrijfskosten Aankopen DG en D Loonkosten Afschrijvingen Waardeverminderingen Netto-bedrijfsresultaat Resultaat boekjaar

Totaal 72 43.387.423

>1M 13 27.664.635

500K-1M 13 9.787.027

100K - 500K 19 4.627.971

0-100K 27 1.307.790

23,68 23,14 1,90 21,02 0,15 0,01 0,54 0,38

23,48 22,83 2,05 20,64 0,10 0,01 0,65 0,48

23,97 23,53 1,54 21,57 0,26 0,04 0,45 0,30

24,16 23,88 1,84 21,84 0,15 0,01 0,28 0,19

24,08 24,05 1,71 22,05 0,19 0,01 0,03 -0,38

Bron: NBB en Sodexo, Bewerking en berekening Departement WSE

De bedrijfsopbrengst per dienstencheque blijkt niet lineair te evolueren met de grootte van de organisatie. De grootste organisaties (>500K cheques op jaarbasis) realiseerden de laagste bedrijfsopbrengst per dienstencheque (respectievelijk €23,48 en €23,97 per cheque). Dit lijkt er op te wijzen dat kleinere organisaties eerder geneigd zijn om bijkomende kosten aan hun gebruikers aan te rekenen en waarschijnlijk ook andere subsidies ontvangen. De gemiddelde bedrijfskost per dienstencheque daalt daarentegen evenredig met de grootte van de organisatie. Bij de grootste organisaties was de totale bedrijfskost per dienstencheque respectievelijk €22,83 (>1M) en €23,53 (>500K), tussen de €0,5 en €1 per cheque lager dan bij de organisaties die minder dan 500K cheques indienden. Uit de opsplitsing van de totale bedrijfskosten blijkt dat het verschil in totale bedrijfskost per cheque kan worden verklaard door een lagere loonkost per dienstencheque bij de grootste organisaties. De grootste dienstenchequebedrijven hadden 20,64 euro loonkosten per dienstencheque terwijl deze loonkost bij de kleinste dienstenchequebedrijven al 22,05 euro bedroeg. Bij de andere bedrijfskosten is het onderscheid tussen de verschillende categorieën minder uitgesproken. Al zijn de kosten voor ‘Aankopen Diensten en Diverse Goederen’ zoals eerder aangegeven wel hoger bij de grootste ondernemingen, wat gelinkt kan worden aan hogere overheadkosten. De impact van deze kostenpost op het algemene resultaat van deze groep ondernemingen is wel eerder beperkt. //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 8.12.2020

Rendabiliteitsmonitor 2020 DC-bedrijven

pagina 33 van 54


Door de lagere loonkost per dienstencheque realiseerden de grootste dienstenchequebedrijven (>500K) – ondanks een lagere bedrijfsopbrengst per cheque – betere resultaten dan de middelgrote en kleine dienstenchequebedrijven. Ten opzichte van 2018 wijzigen bovenstaande conclusies niet. We stellen enkel vast dat, ongeacht de grootte van de onderneming, per groep de bedrijfsopbrengst en de bedrijfskost per dienstencheque stijgt. De bedrijfsopbrengst is overheen alle categorieën toegenomen van €23,33 in 2018 tot €23,68 in 2019 en het sterkst bij de grote ondernemingen (>500K) van €23,22 in 2018 tot €23,97 in 2019. Aan de hand van de gegevens in de jaarrekeningen en de sociale balansen hebben we nagegaan wat de verklarende factoren zijn voor de lagere loonkost per dienstencheque bij de grootste dienstenchequebedrijven. We hebben de loonkosten vergeleken met het aantal gewerkte uren dat wordt vermeld in de sociale balansen van de betreffende organisaties. Tabel 35

Totaal >1M 500K-1M 100K - 500K 0-100K

Aantal erkende ondernemingen

Aantal cheques alle gewesten

Aantal Bezoldigingen gepresteerde uren

72

43.387.423

911.985.205

45.455.706

13

27.664.635

570.961.497

28.766.721

13

9.787.027

211.119.017

10.399.127

19

4.627.971

101.065.351

4.897.849

27

1.307.790

28.839.340

1.392.009

Loonkost per gewerkt uur

Loonkost per dienstencheque

20,06 100,00% 19,85 98,93% 20,30 101,19% 20,63 102,85% 20,72 103,26%

21,02 100,00% 20,64 98,19% 21,57 102,62% 21,84 103,89% 22,05 104,91%

Bron: NBB en Sodexo, Bewerking en berekening Departement WSE

Uit bovenstaande tabel blijkt dat de lagere loonkost per dienstencheque bij de grootste dienstenchequebedrijven deels kan worden verklaard door een lagere loonkost per gewerkt uur. Bij de dienstenchequebedrijven met meer dan 500K cheques op jaarbasis lag de gemiddelde loonkost per gewerkt uur respectievelijk €0,87 (>1M) en €0,42 (>500K) euro lager dan bij de bedrijven die minder dan 100K cheques indienden. De hogere loonkost per gewerkt uur is evenwel niet de enige verklaring gezien het verschil in loonkost per dienstencheque groter is dan het verschil in loonkost per gewerkt uur. In onderstaande tabel hebben we het totaal aantal gewerkte uren vergeleken met het aantal ingediende dienstencheques.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 34 van 54

Rendabiliteitsmonitor 2020 DC-bedrijven

8.12.2020


Tabel 36

Aantal cheques alle gewesten 43.387.423

Totaal

Aantal gepresteerde uren 45.455.706

95,45% 27.664.635

>1M

28.766.721

96,17% 9.787.027

500K-1M

10.399.127

94,11% 4.627.971

100K - 500K

4.897.849

94,49% 1.307.790

0-100K

1.392.009

93,95%

Bron: NBB en Sodexo, Bewerking en berekening Departement WSE

Bij de grootste dienstenchequebedrijven werd het hoogste aandeel van de gewerkte uren (96,17%) vergoed met een dienstencheque. Bij de kleinste bedrijven was dit aandeel het laagst (93,95%). Het aantal nietproductieve uren ligt dus hoger bij kleinere ondernemingen. Dit kan eventueel het gevolg zijn van meer opleidingsuren, maar ook aan het minder efficiënt kunnen inplannen van vervangingen en geannuleerde prestaties bij de kleine ondernemingen, alsook hoger ziekteverzuim, doordat er vaker zwakkere doelgroepen worden tewerkgesteld. Bovenstaande conclusies liggen in lijn met deze uit het rapport van 2018. Alleen is de loonkost per gewerkt uur, overheen alle categorieën toegenomen (€19,88 in 2018 t.o.v. €20,06 in 2019) en het sterkst bij de middelgrote ondernemingen (€20,32 in 2018 t.o.v. €20,63 in 2019).

4.3.3 Volgens type organisatie Tabel 37

Aantal EO Totaal

72

Handels vennootschap

60

PWA

3

Uitzend

2

VZW

7

Bedrijfs opbrengsten 1.027.390.969

Bruto marge 944.847.644

Bruto Bedrijfsresultaat 30.573.912

Netto Bedrijfsresultaat 23.608.269

Eindresultaat boekjaar 16.671.640

100,00%

91,97%

2,98%

2,30%

1,62%

871.746.161

805.812.148

26.940.157

20.166.263

14.909.778

100,00%

92,44%

3,09%

2,31%

1,71%

7.336.952

6.821.937

- 70.844

- 114.667

- 570.664

100,00%

92,98%

-0,97%

-1,56%

-7,78%

131.221.780

115.943.344

3.516.141

3.496.215

2.306.061

100,00%

88,36%

2,68%

2,66%

1,76%

17.086.076

16.270.215

188.458

60.458

26.465

100,00%

95,22%

1,10%

0,35%

0,15%

Bron: NBB en WSE, Bewerking en berekening Departement WSE

Uit bovenstaande tabel blijkt dat er grote verschillen zijn tussen de rendabiliteit van de dienstenchequeactiviteiten naargelang het type organisatie. De 72 onderzochte bedrijven realiseerden in totaal een resultaat van 16.671.640 euro. Deze winst kan voor 90% worden toegeschreven aan de 60 onderzochte handelsvennootschappen. De PWA’s behaalden globaal een negatief eindresultaat. De vzw’s realiseerden samen slechts een winst van 26.465 euro. De 2 uitzendkantoren stonden in voor 13,83% van de winst van de selectie. //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 8.12.2020

Rendabiliteitsmonitor 2020 DC-bedrijven

pagina 35 van 54


Uit vergelijking van het bedrijfsresultaat blijkt dat de handelsvennootschappen globaal een operationele winstmarge (netto-bedrijfsresultaat in % van de bedrijfsopbrengsten) behaalden van 2,31% van de bedrijfsopbrengsten. Een lichte afname ten opzichte van 2018 (2,62%). Bij de VZW’s was de operationele winstmarge nog net positief, bij de PWA’s negatief. De vaststellingen uit de analyse van de 72 geselecteerde bedrijven met uitsluitend dienstenchequeactiviteiten sluiten aan bij de resultaten van ons globale onderzoek van alle erkende dienstenchequebedrijven. Ook in het globale onderzoek stelden we vast dat de handelsvennootschappen en uitzendkantoren in boekjaar 2019 globaal voldoende winstmarge vertoonden om hun loonkosten te kunnen dragen maar dat de marges bij de VZW’s en PWA’s erg verzwakt waren. In onderstaande tabellen hebben we de bedrijfsopbrengsten en -kosten per dienstencheque in kaart gebracht per type dienstenchequebedrijf. Tabel 38

Total

Handels vennootschap

PWA

Uitzend

VZW

43.387.423

36.784.886

301.044

5.576.872

724.621

72

60

3

2

7

Bedrijfsopbrengsten

23,68

23,70

24,37

23,53

23,58

Bedrijfskosten

23,14

23,15

24,75

22,90

23,50

Aantal cheques alle gewesten Aantal ondernemingen Per dienstencheque:

Aankopen DG en D

1,90

1,79

1,71

2,74

1,13

Loonkosten

21,02

21,12

22,77

20,12

22,17

Afschrijvingen

0,15

0,17

0,15

0,00

0,18

Waardeverminderingen

0,01

0,02

Netto bedrijfsresultaat

0,54

0,55

- 0,38

0,63

0,08

Resultaat boekjaar

0,38

0,41

- 1,90

0,41

0,04

0,00

Bron: NBB en WSE, Bewerking en berekening Departement WSE

De dienstenchequebedrijven realiseerden in 2019 gemiddeld 23,68 euro bedrijfsopbrengsten per dienstencheque en €23,14 bedrijfskosten. Dit is een toename ten opzichte van de resultaten in het rapport van 2018: €23,33 bedrijfsopbrengsten en €22,79 bedrijfskosten. De gemiddelde bedrijfsopbrengst per cheque ligt het hoogst bij de PWA’s (€24,37) en het laagst bij de uitzendkantoren (€23,53). Bij de handelsvennootschappen lag de gemiddelde bedrijfsopbrengst per dienstencheque er tussen in (€23,70). De totale bedrijfskosten bedroegen gemiddeld 23,14 euro per dienstencheque, zijnde 97,7% van de gemiddelde opbrengst per cheque. Deze verhouding blijft stabiel ten opzichte van het rapport van 2018. De bedrijfskosten bestonden gemiddeld voor 90,84% uit loonkosten en voor 8,2% uit kosten van aankopen, diensten en diverse goederen. De totale bedrijfskost per dienstencheque is hoger bij de VZW’s en PWA’s dan bij de handelsvennootschappen en uitzendkantoren. Bij VZW’s bedroeg de totale bedrijfskost 99,66% van de gerealiseerde bedrijfsopbrengst, waardoor deze dienstenchequebedrijven gemiddeld bijna geen winstmarge hebben gerealiseerd in 2019. Bij de PWA’s stellen we zelfs algemeen een negatieve marge vast. De bedrijfskosten liggen er gemiddeld hoger dan de bedrijfsopbrengsten. Bij de handelsvennootschappen en uitzendkantoren bedroeg de totale bedrijfskost telkens ongeveer 97,5% van de bedrijfsopbrengst per cheque, zodat deze bedrijven gemiddeld een netto-bedrijfsresultaat konden realiseren van 2,5% van de //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 36 van 54

Rendabiliteitsmonitor 2020 DC-bedrijven

8.12.2020


bedrijfsopbrengsten per cheque, respectievelijk €0,55 per cheque voor handelsvennootschappen en €0,63 per cheque voor uitzendkantoren. De hogere bedrijfskost bij de VZW’s ten opzichte van de handelsvennootschappen wordt verklaard door een hogere loonkost per dienstencheque. De loonkost per dienstencheque was het hoogst in de PWA’s (22,77 euro). De gewone VZW’s vertonen een iets lagere loonkost per cheque (22,17 euro). Bij de handelsvennootschappen (21,12 euro) en uitzendkantoren (20,12 euro) was de loonkost per cheque merkelijk lager. Voor alle categorieën stellen we wel een toename vast ten opzichte van het rapport van 2018. De andere werkingskosten (aankoopkosten, diensten en diverse goederen) waren het hoogst bij de handelsvennootschappen en uitzendkantoren en het laagst bij de VZW’s. Dit verschil was echter onvoldoende groot om de hogere loonkost te kunnen compenseren zodat de totale bedrijfskosten van de VZW’s merkelijk hoger bleven dan de totale bedrijfskosten van de handelsvennootschappen en uitzendkantoren. Uit bovenstaande analyse blijkt dat de lagere rendabiliteit van de VZW’s ten opzichte van handelsvennootschappen vooral wordt verklaard door een hogere loonkost per dienstencheque. Aan de hand van de gegevens in de jaarrekeningen en de sociale balansen hebben we nagegaan wat de verklarende factoren zijn voor deze hogere loonkost per cheque. We hebben de loonkosten vergeleken met het aantal gewerkte uren dat wordt vermeld in de sociale balansen van de betreffende organisaties. Tabel 39

43.387.423

Aantal gepresteerde uren 45.455.706

36.784.886

38.668.653

776.831.231

301.044

332.145

6.855.663

5.576.872

5.692.012

112.231.431

724.621

762.896

16.066.880

Aantal cheques alle gewesten Totaal Handels vennootschap PWA Uitzend VZW

Bezoldigingen 911.985.205

Loonkost Loonkost per per gewerkt dienstencheque uur 20,06 21,02 100,00% 100,00% 20,09 21,12 100,13% 100,47% 20,64 22,77 102,88% 108,34% 19,72 20,12 98,28% 95,74% 21,06 22,17 104,97% 105,49%

Bron: NBB, Sodexo en WSE, Bewerking en berekening Departement WSE

Uit bovenstaande tabel blijkt dat de hogere loonkost per dienstencheque bij de VZW’s en PWA’s deels kan worden verklaard door een hogere loonkost per gewerkt uur. Bij de PWA’s lag de loonkost per gewerkt uur 0,55 euro hoger dan bij de handelsvennootschappen. Bij de gewone VZW’s was de loonkost per gewerkt uur 0,97 euro hoger dan bij de handelsvennootschappen. De hogere loonkost per gewerkt uur is evenwel niet de enige verklaring gezien het verschil in loonkost per dienstencheque groter is dan het verschil in loonkost per gewerkt uur. Vooral bij de PWA’s ligt de loonkost per dienstencheque aanzienlijk hoger dan de loonkost per gewerkt uur. Dit kan wijzen op meer onproductieve uren, bv. opleidingen, maar ook door het minder efficiënt inplannen van vervangingen en annulaties, alsook hoger ziekteverzuim, doordat er vaker zwakkere doelgroepen worden tewerkgesteld. In onderstaande tabel hebben we het totaal aantal gewerkte uren vergeleken met het aantal ingediende dienstencheques.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 8.12.2020

Rendabiliteitsmonitor 2020 DC-bedrijven

pagina 37 van 54


Tabel 40

43.387.423

Aantal gepresteerde uren 45.455.706

95,45%

100,00%

36.784.886

38.668.653

Aantal cheques alle gewesten Totaal Handelsvennootschap PWA Uitzend VZW

95,13%

100,00%

301.044

332.145

90,64%

100,00%

5.576.872

5.692.012

97,98%

100,00%

724.621

762.896

94,98%

100,00%

Bron: NBB, Sodexo en WSE, Bewerking en berekening Departement WSE

Hieruit blijkt dat bij de handelsvennootschappen en vooral bij de uitzendkantoren een hoger aandeel van het totaal aantal gewerkte uren werd vergoed met een dienstencheque dan bij de VZW’s en vooral de PWA’s. Dit kan bijvoorbeeld worden verklaard door een relatief hogere personeelsinzet voor omkadering of opleidingstijd bij de PWA’s en minder efficiënte vervangingen bij het wegvallen van prestaties.

4.4 EVOLUTIE VAN DE RENDABILITEIT 2016 – 2019 In onderstaande tabel worden voor de periode 2016 – 2019 de belangrijkste rendabiliteitscijfers weergegeven voor de ondernemingen die geselecteerd werden op basis van de criteria in de inleiding van dit hoofdstuk besproken. Tabel 41 2016

2017

2018

2019

Aantal cheques alle gewesten

32.413.840

41.222.374

42.894.131

43.387.423

Aantal EO

82

95

89

72

Bedrijfs

798.246.652

100%

948.952.051

100%

1.000.443.624

100%

1.027.390.969

100%

Bedrijfskosten

767.090.457

96,10%

917.856.091

96,72%

977.464.862

97,70%

1.003.782.700

97,70%

Aankopen DG en D

63.088.334

7,90%

71.890.293

7,58%

74.785.539

7,48%

82.549.801

8,03%

Loonkosten

698.378.770

87,49%

838.516.576

88,36%

892.494.076

89,21%

911.985.205

88,77%

Afschrijvingen

4.034.442

0,51%

4.630.008

0,49%

6.372.852

0,64%

6.319.304

0,62%

267.121

0,03%

226.262

0,02%

754.430

0,08%

646.339

0,06%

31.156.193

3,90%

31.095.965

3,28%

22.978.757

2,30%

23.608.269

2,30%

22.916.762

2,87%

22.555.156

2,38%

16.044.711

1,60%

16.671.640

1,62%

opbrengsten

Waarde verminderingen Nettobedrijfsresultaat Resultaat boekjaar

Bron: NBB, Sodexo en WSE, Bewerking en berekening Departement WSE

De groep geselecteerde ondernemingen omvat in 2019 slechts 72 ondernemingen. Toch hebben deze 72 ondernemingen in 2019 meer cheques ingediend dan de grotere groepen geselecteerde ondernemingen de

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 38 van 54

Rendabiliteitsmonitor 2020 DC-bedrijven

8.12.2020


jaren voordien. Naast een algemene groei van het dienstenchequestelsel, wijst dit ook op een groeiende consolidatie in de markt. De onderzochte dienstenchequebedrijven realiseerden de voorbije jaren een omzetgroei (+28,71% ten opzichte van 2016), maar de bedrijfskosten stegen relatief sneller dan de bedrijfsopbrengsten (+30,87% ten opzichte van 2016). Het netto-bedrijfsresultaat (resultaat voor uitzonderlijke kosten, financiële kosten en belastingen) daalde van 3,9% van de opbrengsten in 2016 naar 2,3% in 2019. In bijlage 1 en 2 wordt de evolutie van de opbrengsten en kosten per dienstencheque in de periode 2017 – 2019 weergegeven, respectievelijk opgesplitst naar type onderneming en grootte (op basis van het aantal ingediende dienstencheques). We beschikken niet over het correcte aantal ingediende dienstencheques per onderneming voor de periode 2016 omwille van de regionalisering en het gelijktijdig bestaan van federale en gewestelijke cheques. Het netto-bedrijfsresultaat per dienstencheque vertoont globaal een daling van €0,75 in 2017 tot €0,54 in 2019 (stagnatie ten opzichte van 2018). Voor alle types ondernemingen stellen we ook een daling vast, maar deze is het meest opvallend bij de PWA’s, die globaal negatief scoren in 2019, en de VZW’s die nog net een licht positief netto-bedrijfsresultaat per dienstencheque boeken. Voor alle categorieën stijgen zowel de bedrijfsopbrengsten per cheques als de bedrijfskosten. De bedrijfskosten per cheque stegen in alle gevallen echter sterker dan de opbrengsten waardoor de rendabiliteit daalde. Bij de PWA’s stellen we wel vast dat het negatieve bedrijfsresultaat per dienstencheque het voorbije jaar niet verslechterd is ten opzichte van 2018. Als we kijken naar de omvang van de dienstenchequebedrijven op basis van het aantal ingediende dienstencheques. Dan merken we dat vooral de rendabiliteit van de kleine ondernemingen (<100K) enorm verslechterd is met zelfs een quasi nihil netto-bedrijfsresultaat in 2019. De afnemende rendabiliteit stelt zich iets minder sterk bij de grotere ondernemingen (>500K en >1M). Voor alle categorieën stijgen zowel de bedrijfsopbrengsten per cheques als de bedrijfskosten. De bedrijfskosten per cheque stegen in alle gevallen echter sterker dan de opbrengsten waardoor de rendabiliteit daalde.

4.5 CONCLUSIE Om inzage te krijgen in de rendabiliteit van de afzonderlijke dienstencheque-activiteiten hebben we een analyse gemaakt van de jaarrekeningen van de dienstenchequebedrijven waarvan de bedrijfsopbrengsten aansluiten bij het aantal ingediende dienstencheques en die hoofdzakelijk in Vlaanderen actief zijn. Bijna 65,3% van de geselecteerde dienstenchequebedrijven behaalden in 2019 een positief eindresultaat. In 2018 was dit nog bijna 75% .We stellen sinds 2016 een jaarlijkse daling vast van het aandeel dienstenchequebedrijven dat het boekjaar kon afsluiten met een positief eindresultaat. De daling van het aandeel winstgevende dienstenchequebedrijven situeert zich vooral bij de PWA’s, die allemaal negatief scoren, en VZW’s en in mindere mate bij de handelsvennootschappen. Bij de handelsvennootschappen bleef het percentage winstgevende bedrijven de voorbije jaren relatief stabiel, maar wel met een iets sterkere daling van 78,38% naar 70% in 2019. We stellen vast dat de kleinere dienstenchequebedrijven in de selectie vaker een negatief resultaat vertonen dan de middelgrote en grote bedrijven. Bij de dienstenchequebedrijven met meer dan 100.000 dienstencheques op jaarbasis behaalden slechts 9,72% een negatief eindresultaat, terwijl dit het geval was bij 66,67% van de kleinere dienstenchequebedrijven (<100K dienstencheques op jaarbasis). De ondernemingen met enkel dienstencheque-activiteiten realiseerden in 2019 een netto-bedrijfsresultaat van gemiddeld 0,54 euro per dienstencheque, wat overeenkomt met een operationele marge van 2,28% //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 8.12.2020

Rendabiliteitsmonitor 2020 DC-bedrijven

pagina 39 van 54


ten opzichte van de bedrijfsopbrengsten. De ondernemingen met enkel dienstencheque-activiteiten realiseerden in 2019 gemiddeld 23,68 euro bedrijfsopbrengsten per dienstencheque en 23,14 euro bedrijfskosten per dienstencheque. Beide zijn gestegen ten opzichte van 2018. Er kan geen lineair verband worden vastgesteld tussen het resultaat per dienstencheque en de omvang van de bedrijfsopbrengsten per dienstencheque. De meest winstgevende dienstenchequebedrijven boekten gemiddeld een bedrijfsopbrengst van 23,46 euro per dienstencheque, wat lager is dan de bedrijfsopbrengst per dienstencheque van de organisaties die boekjaar 2019 hebben afgesloten met een negatief bedrijfsresultaat. Er kan wel een verband worden vastgesteld tussen de omvang van de bedrijfskosten per dienstencheque en het eindresultaat. Het resultaat per dienstencheque evolueert nagenoeg evenredig met de omvang van de bedrijfskosten per cheque. De totale bedrijfskosten bestaan voor meer dan 90% uit loonkosten (€21,02 van de €23,14). Het is dan ook vooral de omvang van de loonkost per dienstencheque die bepaalt of een onderneming rendabel of verlieslatend is. Als we kijken naar de verschillende ondernemingstypes, stellen we vast dat de handelsvennootschappen en uitzendkantoren een betere rendabiliteit vertonen dan de VZW’s. De PWA’s scoren globaal een negatief eindresultaat. De handelsvennootschappen realiseerden in 2018 gemiddeld een netto-bedrijfsresultaat van 0,55 euro per dienstencheque. Bij de VZW’s en PWA’s was dit respectievelijk slechts 0,08 euro en zelfs 0,38 euro per dienstencheque. De totale bedrijfskost per dienstencheque is hoger bij de VZW’s en PWA’s dan bij de handelsvennootschappen en uitzendkantoren. Bij de handelsvennootschappen en uitzendkantoren bedroeg de totale bedrijfskost telkens ongeveer 97,5% van de bedrijfsopbrengst per cheque, zodat deze bedrijven gemiddeld een netto-bedrijfsresultaat konden realiseren van 2,5% van de bedrijfsopbrengsten per cheque. Bij de VZW’s bedroeg de totale bedrijfskost 99,66% van de gerealiseerde bedrijfsopbrengst, en bij de PWA’s stellen we zelfs algemeen een negatieve marge vast. De rendabiliteit wordt bepaald door de omvang van de bedrijfskosten per dienstencheque. De handelsvennootschappen hadden gemiddeld minder bedrijfskosten per dienstencheque dan de VZW’s en PWA’s. De totale bedrijfskosten bestaan voor meer dan 90% uit loonkosten, waardoor de rendabiliteit vooral wordt bepaald door de omvang van de loonkost per dienstencheque. De verschillen in rendabiliteit tussen VZW’s en PWA’s enerzijds en handelsvennootschappen en uitzendkantoren anderzijds worden vooral verklaard door verschillen in de loonkost per dienstencheque. De loonkost per dienstencheque was het hoogst bij de PWA’s (22,77 euro) en VZW’s (22,17 euro). Bij de handelsvennootschappen en uitzendkantoren was dit slechts respectievelijk 21,12 euro en 20,12 euro. Als we kijken naar de omvang van de ondernemingen, stellen we vast dat de grote dienstenchequebedrijven een betere rendabiliteit vertonen dan de kleine en middelgrote organisaties. De gemiddelde rendabiliteit stijgt nagenoeg evenredig met de omvang van de dienstencheque-activiteiten. De dienstenchequebedrijven met meer dan 500K cheques op jaarbasis realiseerden gemiddeld een nettobedrijfsresultaat tussen de 0,45 euro en 0,65 euro per dienstencheque, bij de middelgrote en kleine dienstenchequebedrijven was dit respectievelijk slechts 0,28 euro en 0,03 euro per dienstencheque. De bedrijfsopbrengst per cheque blijkt ook omgekeerd evenredig te evolueren met de grootte van de organisatie, waarbij de grootste dienstenchequebedrijven gemiddeld een lagere bedrijfsopbrengst per cheque realiseerden dan de kleinere organisaties. Dit lijkt er op te wijzen dat vooral kleinere organisaties

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 40 van 54

Rendabiliteitsmonitor 2020 DC-bedrijven

8.12.2020


of bedrijven met een krappere rendabiliteit geneigd zijn om bijkomende kosten aan te rekenen aan de gebruikers. De rendabiliteit wordt bepaald door de omvang van de bedrijfskosten per dienstencheque. De gemiddelde bedrijfskost per dienstencheque daalt met de grootte van de organisatie. Bij de grootste organisaties was de totale bedrijfskost per dienstencheque respectievelijk €22,83 (>1M) en €23,53 (>500K), tussen de €0,5 en €1 per cheque lager dan bij de organisaties die minder dan 500K cheques indienden. De verschillen in rendabiliteit tussen de grote en kleinere organisaties worden vooral verklaard door verschillen in de loonkost per dienstencheque. Uit de opsplitsing van de totale bedrijfskosten blijkt dat het verschil in totale bedrijfskost per cheque kan worden verklaard door een lagere loonkost per dienstencheque bij de grootste organisaties. De grootste dienstenchequebedrijven hadden 20,64 euro loonkosten per dienstencheque terwijl deze loonkost bij de kleinste dienstenchequebedrijven al 22,05 euro bedroeg. Uit vergelijking van de loonkosten met de gewerkte uren blijkt dat de hogere loonkost per dienstencheque wordt verklaard door een hogere loonkost per gewerkt uur en een hoger aantal gewerkte uren waarvoor geen dienstencheque werd ingediend. Ten opzichte van 2018 wijzigen bovenstaande conclusies niet. We stellen enkel vast dat, ongeacht de grootte en het type onderneming, de bedrijfsopbrengst en de bedrijfskost per dienstencheque stijgt per groep. De bedrijfsopbrengst is overheen alle categorieën toegenomen van €23,33 in 2018 tot €23,68 in 2019 en het sterkst bij de grote ondernemingen (>500K) van €23,22 in 2018 tot €23,97 in 2019. De onderzochte dienstenchequebedrijven realiseerden de voorbije jaren een omzetgroei (+28,71% ten opzichte van 2016), maar de bedrijfskosten stegen relatief sneller dan de bedrijfsopbrengsten (+30,87% ten opzichte van 2016). Het netto-bedrijfsresultaat (resultaat voor uitzonderlijke kosten, financiële kosten en belastingen) daalde van 3,9% van de opbrengsten in 2016 naar 2,3% in 2019. Het netto-bedrijfsresultaat per dienstencheque vertoont globaal een daling van €0,75 in 2017 tot €0,54 in 2019 (stagnatie ten opzichte van 2018). Voor alle types ondernemingen onderling stellen we ook een daling vast, maar deze is het meest opvallend bij de PWA’s, die globaal negatief scoren in 2019, en de VZW’s die nog net een licht positief nettobedrijfsresultaat per dienstencheque boeken. De bedrijfskosten per cheque stegen in alle gevallen echter sterker dan de opbrengsten waardoor de rendabiliteit dus daalde. Als we kijken naar de omvang van de dienstenchequebedrijven op basis van het aantal ingediende dienstencheques. Dan merken we dat vooral de rendabiliteit van de kleine ondernemingen (<100K) enorm verslechterd is met zelfs een quasi nihil netto-bedrijfsresultaat in 2019. De afnemende rendabiliteit stelt zich iets minder sterk bij de grotere ondernemingen (>500K en >1M).

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 8.12.2020

Rendabiliteitsmonitor 2020 DC-bedrijven

pagina 41 van 54


5 ANALYSE VAN DE ORGANISATIES MET ACTIVITEITEN

FINANCIËLE GEZONDHEID VAN UITSLUITEND DIENSTENCHEQUE-

In onderstaande tabellen geven we een overzicht van de liquiditeit en solvabiliteit van de 72 organisaties waarvan de bedrijfsopbrengsten uitsluitend (of minstens hoofdzakelijk) betrekking hadden op dienstencheque-activiteiten in Vlaanderen en waarvan hun dienstencheque-activiteit uit minstens 50% Vlaamse dienstencheques bestond.

5.1 VOLGENS OMVANG VAN DE ORGANISATIE Bij de opsplitsing volgens omvang van de dienstencheque-activiteiten valt op dat de kleinere organisaties globaal de sterkste financiële structuur vertonen, zowel qua liquiditeit als solvabiliteit. De middelgrote ondernemingen (500K – 1M) scoren het slechtst, zowel op vlak van solvabiliteit als liquiditeit. Deze groep scoort gemiddeld zelfs net niet boven de 40%-grens die als gezond wordt beschouwd qua solvabiliteit. Alle categorieën vertonen globaal een voldoende liquiditeit, al is het opnieuw bij de categorie middelgrote ondernemingen (500K – 1M) nipt, met een liquiditeitsratio van slechts 1,02. Tabel 42 Aantal cheques

Aantal EO

Totaal

72

>1M

13

500K-1M

13

100K - 500K

19

0-100K

27

Vorderingen op ten hoogste 1 jaar 96.972.881

Geld beleggingen 6.589.005

Liquide middelen 135.784.140

Vlottende activa 285.931.450

Schulden op ten hoogste 1 jaar 158.915.749

100,00%

100,00%

100,00%

100,00%

100,00%

62.950.809

813.987

100.092.645

198.908.651

103.738.168

64,92%

12,35%

73,71%

69,57%

65,28%

20.710.884

198.887

16.168.708

45.472.354

36.398.359

21,36%

3,02%

11,91%

15,90%

22,90%

9.527.538

4.824.475

13.362.101

28.650.320

15.105.533

9,82%

73,22%

9,84%

10,02%

9,51%

3.783.650

751.656

6.160.686

12.900.125

3.673.689

3,90%

11,41%

4,54%

4,51%

2,31%

Liquiditeits graad 1,51 1,58 1,02 1,83 2,91

Bron: NBB en Sodexo, Bewerking en berekening Departement WSE

Tabel 43 Aantal cheques

Aantal EO

Totaal

72

>1M

13

500K-1M

13

100K - 500K

19

0 - 100K

27

Eigen vermogen

Totaal passief

157.248.130

339.909.197

100,00%

100,00%

110.206.626

232.173.122

70,08%

68,30%

20.320.562

58.730.102

12,92%

17,28%

16.685.986

33.952.746

10,61%

9,99%

10.034.956

15.053.227

6,38%

4,43%

Solvabiliteitsgraad 46,26% 47,47% 34,60% 49,14% 66,66%

Bron: NBB en Sodexo, Bewerking en berekening Departement WSE

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 42 van 54

Rendabiliteitsmonitor 2020 DC-bedrijven

8.12.2020


In onderstaande tabellen geven we de evolutie weer van de liquiditeit- en solvabiliteitsgraad volgens grootte van de organisatie in de voorbije vier jaar. Tabel 44

Liquiditeitsgraad

2016

2017

2018

2019

>1M

1,89

2,03

1,30

1,58

500K-1M

1,10

1,21

1,04

1,02

100K - 500K

1,52

1,48

1,87

1,83

0 - 100K

2,61

2,75

3,11

2,91

Bron: NBB en Sodexo, Bewerking en berekening Departement WSE

Tabel 45

Solvabiliteitsgraad >1M

2016 51,34%

2017 54,91%

2018 39,35%

2019 47,47%

500K-1M

32,57%

34,07%

29,26%

34,60%

100K - 500K

40,22%

39,57%

50,90%

49,14%

0 - 100K

52,33%

58,33%

63,84%

66,66%

Bron: NBB en Sodexo, Bewerking en berekening Departement WSE

De liquiditeitsratio was elk jaar voldoende in alle categorieën. De solvabiliteitsgraad is voor de groep ondernemingen met 500K – 1M cheques reeds sinds 2016 onder de gezonde grens van 40%, maar blijft wel altijd voldoende (>20%). Bij de kleinste dienstenchequebedrijven (<100K en <500K)) stellen we zowel op vlak van liquiditeit als solvabiliteit een stijging vast ten opzichte van 2016, maar wel telkens een daling ten opzichte van 2018. De grote ondernemingen (>500K en >1M) kennen een daling van de liquiditeitsgraad ten opzichte van 2016, maar wel een lichte toename van de solvabiliteitsgraad ten opzichte van 2018.

5.2 VOLGENS TYPE ORGANISATIE Alle deelsegmenten vertonen globaal een gezond financieel evenwicht, qua liquiditeit en solvabiliteit. Als we kijken naar de liquiditeitsgraad, valt op dat, net als bij de analyse van alle erkende bedrijven, ook bij de geselecteerde ondernemingen de VZW’s en gemeentelijke VZW’s globaal een sterkere liquiditeitsgraad vertonen dan de handelsvennootschappen. De 2 geselecteerde uitzendkantoren vertonen ook een uitzonderlijk sterke liquiditeitspositie. Tabel 46

Type

Aantal EO

Totaal

72

Handels vennootschap

60

PWA

3

Uitzend

2

VZW

7

Vorderingen op ten hoogste 1 jaar

Geld beleggingen

Liquide middelen

Schulden op ten hoogste 1 jaar

96.972.881

6.589.005

135.784.140

158.915.749

100,00%

100,00%

100,00%

100,00%

83.873.711

5.836.734

82.803.148

137.771.044

86,49%

88,58%

60,98%

86,69%

513.205

485.668

1.052.648

1.037.460

0,53%

7,37%

0,78%

0,65%

10.663.870

-

46.487.729

18.143.488

11,00%

0,00%

34,24%

11,42%

1.922.095

266.603

5.440.615

1.963.757

1,98%

4,05%

4,01%

1,24%

Liquiditeits graad 1,51 1,25 1,98 3,15 3,89

Bron: NBB en WSE, Bewerking en berekening Departement WSE

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 8.12.2020

Rendabiliteitsmonitor 2020 DC-bedrijven

pagina 43 van 54


Tabel 47

Totaal

72

100,00%

Handels vennootschap 60 100,00%

>2

24

33,33%

14

23,33%

1,5-2

9

12,50%

9

15,00%

Totaal

Liquiditeit

1-1,5

18

25,00%

17

28,33%

0,5-1

19

26,39%

18

30,00%

0-0,5

2

2,78%

2

3,33%

PWA

Uitzend

VZW

3

100,00%

2

100,00%

7

100,00%

2

66,67%

1

50,00%

7

100,00%

0,00% 0,00% 1

1

0,00%

0,00%

50,00%

0,00%

33,33%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

Bron: NBB en WSE, Bewerking en berekening Departement WSE

70,83% van de dienstenchequebedrijven vertoonden per eind 2019 een voldoende liquiditeitsratio, wat aangeeft dat deze ondernemingen hun betalingsverplichtingen op korte termijn kunnen voldoen. Bij 26,39% van de dienstenchequebedrijven was de liquiditeitspositie evenwel verzwakt (ratio tussen 0,5 en 1) en bij 2 ondernemingen (2,78%) was er sprake van een liquiditeitstekort (ratio < 0,5). Het zijn vooral handelsvennootschappen die kampen met een verzwakte liquiditeitspositie. 33,33% haalt een onvoldoende liquiditeitsgraad (< 1). De geselecteerde VZW’s, PWA’s en uitzendkantoren behalen daarentegen op 1 na allemaal een liquiditeitsratio > 2. Tabel 48 Type

Aantal

Totaal

72

Handelsvennootschap

60

PWA

3

Uitzend

2

VZW

7

Eigen vermogen

Totaal passief

157.248.130

339.909.197

100,00%

100,00%

108.278.291

268.109.373

68,86%

78,88%

1.609.351

3.423.281

1,02%

1,01%

39.694.235

57.936.939

25,24%

17,04%

7.666.253

10.439.604

4,88%

3,07%

Solvabiliteitsgraad 46,26% 40,39% 47,01% 68,51% 73,43%

Bron: NBB en WSE, Bewerking en berekening Departement WSE

Ook bij de solvabiliteitsgraad kunnen we concluderen dat de geselecteerde VZW’s en PWA’s opnieuw beter scoren dan de handelsvennootschappen. Ook de geselecteerde uitzendkantoren kennen een uitzonderlijke hoge solvabiliteit. Tabel 49

Solvabiliteit

Totaal

Handels vennootschap 60 100,00%

3

100,00%

2

100,00%

7

100,00%

2

66,67%

1

50,00%

7

100,00%

1

50,00%

0,00%

PWA

Totaal

72

100,00%

>40%

35

48,61%

25

41,67%

25%-40%

15

20,83%

14

23,33%

0,00%

Uitzend

VZW

10%-25%

8

11,11%

8

13,33%

0,00%

0,00%

0,00%

0%-10%

11

15,28%

11

18,33%

0,00%

0,00%

0,00%

<0%

3

4,17%

2

3,33%

33,33%

0,00%

0,00%

1

Bron: NBB en WSE, Bewerking en berekening Departement WSE

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 44 van 54

Rendabiliteitsmonitor 2020 DC-bedrijven

8.12.2020


Alle VZW’s en 2 van de 3 PWA’s hebben een solvabiliteitsgraad van meer dan 40%. Bij de handelsvennootschappen is dit slechts 41,37%. 19,45% van de dienstenchequebedrijven vertonen een erg zwakke (<10%) solvabiliteitsgraad. Dit zijn, op 1 PWA na, allemaal handelsvennootschappen. De dienstenchequebedrijven uit de non-profit sector zijn ondanks hun lagere winstgevendheid relatief sterker gekapitaliseerd dan de handelsvennootschappen waardoor deze organisaties in hun totaliteit over een ruimere financiële buffer beschikken om eventuele toekomstige verliezen te kunnen opvangen. Dit kan mogelijks worden verklaard doordat de VZW’s in tegenstelling tot de handelsvennootschappen geen winst mogen uitkeren en hun winsten meestal integraal gereserveerd werden. In onderstaande tabellen geven we de evolutie van de liquiditeit- en solvabiliteitsgraad per type organisatie weer in de voorbije drie jaar. Tabel 50

Type

2016

2017

2018

2019

Totaal

1,67

1,73

1,34

1,51

Handelsvennootschap

1,25

1,35

1,33

1,25

PWA

6,37

2,20

2,50

1,98

Uitzend

4,76

5,26

1,02

3,15

VZW

4,06

4,45

5,29

3,89

Bron: NBB en WSE, Bewerking en berekening Departement WSE

Tabel 51

Type

2016

2017

2018

2019

Totaal

46,62%

48,78%

40,05%

46,26%

Handelsvennootschap

35,89%

39,60%

41,19%

40,39%

PWA

56,00%

55,42%

56,68%

47,01%

Uitzend

78,83%

80,82%

4,17%

68,51%

VZW

69,44%

71,39%

74,37%

73,43%

Bron: NBB en WSE, Bewerking en berekening Departement WSE

Algemeen merken we een dalende tendens op in de liquiditeits- en solvabiliteitspositie van de geselecteerde dienstencheque-ondernemingen sinds 2016, maar met grote fluctuaties tussen de verschillende jaren. Binnen de verschillende categorieën stellen we zelfs een toename vast van de liquiditeits- en solvabiliteitsgraad bij de handelsvennootschappen.

5.3 CONCLUSIE De bedrijven met enkel dienstencheque-activiteiten vertonen globaal een gezonde financiële structuur, met enkele neerwaartse uitschieters. Uit de opsplitsing volgens grootte blijkt dat de kleinere organisaties gemiddeld een sterkere financiële structuur vertonen dan de grote dienstenchequebedrijven, maar ook de grote organisaties vertonen gemiddeld nog een voldoende financieel evenwicht op vlak van liquiditeit en solvabiliteit. De middelgrote organisaties scoren het slechtst. We stellen ook vast dat de VZW’s en PWA’s een sterkere liquiditeits- en solvabiliteitsgraad vertonen dan de handelsvennootschappen.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 8.12.2020

Rendabiliteitsmonitor 2020 DC-bedrijven

pagina 45 van 54


6 DALENDE MARGES: EEN BLIK OP DE TOEKOMST Er zijn meerdere redenen die een daling van de rendabiliteit van een onderneming kunnen veroorzaken. In reguliere ondernemingen kijkt men dan vaak naar een resem aan factoren als productiviteit, aankoopen verkoopprijs, vaste kosten, loonkosten,… Bij dienstencheque-ondernemingen zijn de mogelijkheden van de ondernemingen beperkter om de rendabiliteit te versterken via een verhoging van de omzet of verlaging van de kosten. De omzet wordt immers in belangrijke mate bepaald door de inkomsten en dus de terugbetaalwaarde van de dienstencheques. Binnen de kostenstructuur merken we uit bovenstaande analyse dat de loonkosten doorslaggevend zijn. In dit deel kijken we meer in detail naar de evolutie van de bepalende elementen binnen de bedrijfskosten, nl. de loonkost, en de bedrijfsinkomsten, nl. de terugbetaalwaarde van de dienstencheque.

6.1 LOONKOSTEN De loonkosten vallen uit elkaar in verschillende deelfactoren. Zo zijn er in eerste instantie de brutolonen van de huishoudhulpen, waarbij vzw’s in social profit en in publieke sector (soms) werken met hogere loonbarema’s dan de private bedrijven onder PC 322.01. De brutolonen zijn onderhevig aan de automatische loonindexering, waardoor bij overschrijding van de spilindex de lonen automatisch met +2% stijgen. Daarnaast telt voor een werkgever de loonkost, die mede bepaald wordt door de taxshift. Deze heeft de generieke werkgeversbijdrage verlaagd van 33% naar 25%, alsook de structurele vermindering. Naast deze loonkost verlagende mechanismen zal ook het gebruik van de doelgroepverminderingen een verdere verlaging van de loonkost betekenen. Ook het ziekteverzuim van het personeel drukt op de loonkosten. In de dienstenchequesector wordt het stijgend aantal zieken als een groeiend probleem ervaren met een aanzienlijke impact op de bedrijfskosten2. In geval van kortdurig ziekteverzuim (<1 jaar) komen de kosten van het gewaarborgd loon immers rechtstreeks ten laste van de werkgever. Kennis over ziekteverzuim bestaat vandaag enkel op basis van enquêtes. Gecentraliseerde administratieve statistieken over ziekteverzuim bij dienstenchequewerknemers is volgens onze kennis niet beschikbaar.3 Tenslotte blijkt het aantal gewerkte uren per dienstenchequewerknemer ook een invloed te hebben op de verhouding tussen loonkost en andere kosten. Er is immers een verband tussen het aantal gewerkte uren per dienstenchequewerknemer en de rendabiliteit4. Zo zal een onderneming, die hetzelfde aantal dienstencheques krijgt terugbetaald als een andere onderneming, maar die minder werknemers telt omdat deze gemiddeld meer uren werken, in overigens gelijkblijvende omstandigheden, gemiddeld minder Idea Consult studie 2018 Bij arbeiders (meeste DC-werknemers zijn arbeider) dient de werkgever gedurende de eerste maand het maandloon degressief te waarborgen (de eerste week volledig loonwaarboring; de tweede week voor ca. 86% en de laatste 2 weken slechts 25% beperkt tot een bepaalde loongrens. Bij bedienden is er volledig gewaarborgd loon de eerste maand. Ziektecijfers bestaan vandaag enkel o.b.v. enquêtes. In een enquête iov VORMDC ((Idea Consult, Studie Wendbaar en Werkbaar werk 2018) bij 36 bedrijven onder PC 322.01, uitgevoerd bij dienstenchequewerknemers in de periode 30 november 2017 tot 9 januari 2018 bleek dat 69% van de huishoudhulpen het laatste jaar afwezig was wegens ziekte. Voor 53% betrof het de eerste maand en voor 16% was dat langer dan 1 maand. Onderzoek op basis van de Vlaamse werkbaarheidsmonitor bevestigt dat het ziekteverzuim in de dienstenchequesector in Vlaanderen gemiddeld hoog ligt. 16% was in het voorbije jaar frequent (minstens 3 keer) afwezig op het werk door ziekte of ongeval, terwijl dat op Vlaamse arbeidsmarkt gemiddeld slechts 9% is. Op basis van cijfers van SD Worx bleek dat in 2016 63% van de werknemers in alle sectoren minstens een dag afwezig was. Voor de dienstenchequesector bedraagt dit aandeel 69% (met wellicht een onderschatting gezien de ondervertegenwoordiging van langdurige zieken in de enquête). 2

3

4

Idea Consult studie 2018

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 46 van 54

Rendabiliteitsmonitor 2020 DC-bedrijven

8.12.2020


omkaderingskosten hebben voor begeleiding en coaching van huishoudhulpen en voor administratieve opvolging van de cheques. Bij een goede administratieve omkadering kan een bedrijf ook het aantal niet productieve uren drukken. Dit zijn het aantal uren waarvoor toch loon moet betaald worden maar waar geen inkomsten tegenover staan, bv. het organiseren van vervangingen bij ziekte van de huishoudhulp. Naast personeelskosten zouden ook de schaalvoordelen en digitalisering als een belangrijke factor voor de rendabiliteit van de DC ondernemingen kunnen worden beschouwd. Schaalvoordelen drukken de vaste kosten en digitalisering kan leiden tot een efficiëntere inzet van personeel. Maar zoals eerder gezegd, ook in de voorgaande analyse in dit rapport, wordt de kostenzijde dus doorslaggevend bepaald door de loon(kost)evoluties. Hierna maken we een aantal analyses op basis van standaardsimulaties. In deze simulaties houden we rekening met de stijging van het bruto CAO-loon (bij het nieuw sociaal akkoord met +0,8% begin 2020) uit PC 322.01, de taxshift en het automatisch loonindexeringsmechanisme. Een indexering van de lonen betekent immers een bijkomende stijging van de loonkost. Zo werden de CAO-lonen geïndexeerd in juni 2016; juni 2017; 1 september 2017 en op 1 november 2018 en op 1 maart 2020. We houden ook rekening met een gemiddeld verbruik van de doelgroepverminderingen, die de loonkosten verder doen dalen. Deze laatste gegevens zijn gebaseerd op werkelijke RSZ gegevens, maar enkel die werkgevers die er effectief gebruik van maken, zullen deze loonkostdaling voelen. Uit cijfers voor het 2 de kwartaal 2019 weten we dat gebruik wordt gemaakt van een doelgroepvermindering voor 1 op 4 dienstencheque werknemers. Het gaat dan vooral over doelgroepverminderingen voor aanwerving en aan het werk houden van oudere werknemers (Vlaamse bevoegdheid). De tweede meest gebruikte doelgroepvermindering is de collectieve arbeidsduurvermindering (federale bevoegdheid). Deze doelgroepverminderingen komen neer op een bijkomende subsidie (bovenop de WSE subsidie) aan de dienstenchequesector die op jaarbasis om en bij de 3 mln. euro bedraagt (cijfers 2de kwartaal 2019 geëxtrapoleerd voor gans 2019). We houden in de standaardsimulatie geen rekening met ziektekosten. Tabel 52:

Bruto CAO uurloon (*)

Generieke RSZ werkgeversbijdrage

Structurele verminderingen

DGV PC 322.01

Totale loonkost

Berekening

Berekening

Observatie****

Berekening

2015

10,68

3,46

1,16

0,36

12,62

2016

10,77

3,23

1,46

0,34

12,20

2017

11,02

3,31

1,43

0,36

12,54

2018

11,24

2,81

0,93

0,38

12,74

**2019

11,46

2,87

1,04

0,35

12,94

***2020 11,78 2,95 0,99 0,35 13,39 *ongewogen gemiddelde van de vier anciënniteitsbarema’s in het CAO loon **+2% indexering sinds 1 november 2018, geen indexering in 2019 ***simulatie indien +2,8% loonsverhoging (+0,8% sociaal akkoord en + 2% indexering vanaf 1 mei 2020) ****gebaseerd op RSZ cijfers van Vlaamse en federale (enkel de collectieve arbeidsduurvermindering) doelgroepverminderingen. De vermindering wordt hier uitgedrukt per uur per VTE (62 werkdagen x 7,6 uren per werkdag = 471,2u/VTE kwartaal), gegeven dat er in Q2 43.479 VTE dienstenchequewerknemers waren, waarvan 11.013 recht hadden op een doelgroepvermindering voor een totaal kwartaal bedrag van 7.601 mln. euro.

De CAO lonen PC 322.01 stegen tussen 2015-2018 met + 5,2% terwijl de loonkost slechts steeg met ca. +1%. De loonkost binnen PC 322.01, waar meer dan 90% of de overgrote meerderheid van dienstenchequewerknemers onder vallen, steeg in deze periode dus aanzienlijk minder sterk dan de brutolonen en dit omwille van de taxshift. Wanneer we de afgesproken +0,8% loonstijging simuleren voor 2020 houden we in bovenstaande tabel rekening met het feit dat per 1 maart 2020 ook een nieuwe //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 8.12.2020

Rendabiliteitsmonitor 2020 DC-bedrijven

pagina 47 van 54


loonindexering van +2% wordt doorgevoerd. Samen komt dit neer op een loonstijging met +2,8%. Concreet zouden de CAO lonen PC 322.01 van 12,94 naar 13,39 euro/uur stijgen of uitgedrukt met +0,45 euro per cheque. Volgens de prognoses van het Federaal Planbureau zal de volgende overschrijding van de spilindex plaatsvinden in november 2021. Dit betekent dat de lonen pas zullen geïndexeerd worden vanaf 1 februari 2022. De uitgiftewaarde van de dienstencheque zal wel al geïndexeerd worden vanaf 1 december 2021. Er is nog geen zicht op een nieuw sectoraal akkoord voor de lonen binnen PC 322.01 voor 2021. Door de toenemende vergrijzing en jobanciënniteit zullen de bedrijfskosten hoogstwaarschijnlijk wel blijven toenemen. Het lijkt er bovendien op dat de coronacrisis ook in 2021 nog zal doorwegen, met meer annulaties door gebruikers en hoger ziekteverzuim door de werknemers.

6.2 INKOMSTEN Terwijl de CAO lonen van 12,94 naar 13,39 euro/uur stijgen in 2020, stijgt de inruilwaarde slechts van 23,02 naar 23,36 euro/dienstencheque (+0,34 euro per cheque). Dit zijn de belangrijkste bedrijfsinkomsten van een dienstencheque-onderneming. De inkomsten per cheque bestaan uit het gebruikersaandeel, dat €9/dienstencheque bedraagt, en de overheidssubsidie, die €14,36/dienstencheque bedraagt. We hebben geen empirisch zicht op andere inkomsten, maar we vermoeden dat deze beperkt blijven. Zo weten we op basis van enquêtes dat ca. 12% van de gezinnen vandaag een bijkomende kost aangerekend krijgt van zijn dienstencheque onderneming bovenop de aankoopprijs van een cheque5. De inruilwaarde van een cheque wordt door de Vlaamse overheid geïndexeerd telkens de spilindex wordt overschreden, maar er bestaat slechts een onvolledig indexeringsmechanisme. In art 8§1 van het KB van 12/12/2001 met betrekking tot de dienstencheques wordt vermeld dat bij de overschrijding van de spilindex het bedrag van de inruilwaarde “verhoogt met 2% van 73% [van de som van de aanschafprijs van de dienstencheque en de daaraan gekoppelde tegemoetkoming]”. Bij elke indexering wordt de kost volledig gedragen door de overheid, terwijl de bijdrage voor de gebruiker niet stijgt (€9/dienstencheque, onveranderd sinds 2014). De federale overheid heeft aanvankelijk dit mechanisme geïntroduceerd en de Vlaamse overheid heeft dit sinds de regionalisering overgenomen. In de andere gewesten werd ondertussen een verschillend beleid ingevoerd: Wallonië kent sinds 2016 een 100% indexeringsmechanisme; Brussel sinds 2017 een voorwaardelijk mechanisme met een basisindex van 2% van 73% + een “bijkomende” indexatie tot 100% onder voorwaarden6. In onderstaande tabel wordt weergegeven welke inkomsten de bedrijven reeds verloren hebben sinds 2016, omwille van de Vlaamse onvolledige indexering, alsook hoeveel ze extra zullen verliezen bij een volgende indexering bij niet aangepast beleid. De ‘inkomstenderving‘ per cheque in vergelijking met een 100% indexering liep bij elke onvolledige indexering verder op van €0,12 in 2016 tot €0,50 per dienstencheque vanaf 1 maart 2020. Vanaf 1 januari 2021 wordt een correctie doorgevoerd op de laatste onvolledige indexering van maart 2020 en wordt de subsidiewaarde voor nieuw uitgegeven cheques verhoogd met €0,12 per dienstencheque tot €14,48 per dienstencheque, wat de subsidie zou geweest zijn bij een volledige indexering van de inruilwaarde in maart 2020. Idea Consult, Studie Dienstencheques 360 graden, 2018 Er zijn in Brussel drie voorwaarden: a) een vormingsplan wordt ingediend door de DC-onderneming, b) minstens 60% van de dienstenchequewerknemers, die in de loop van het jaar worden aangeworven, moeten werkzoekende of begunstigde van het leefloon zijn en c) een ondertekend « Brussels diversiteitscharter in de dienstenchequesector wordt ingediend door de DC onderneming. 5

6

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 48 van 54

Rendabiliteitsmonitor 2020 DC-bedrijven

8.12.2020


Ook bij alle toekomstige indexeringen blijft bij ongewijzigd beleid de inruilwaarde van de cheques verder dalen in vergelijking met een 100% indexering. Bij een vierde indexering zou (t.o.v. de waarde in 2016) de achterstand al zijn opgelopen tot bijna één euro per dienstencheque. Tabel 53

Indexering vanaf Januari 2016 Juni 2016 Juni 2017 September 2018 Maart 2020 Voor alle toekomstige indexeringen Januari 2021 ste 1 indexering 2e indexering 3e indexering 4e indexering

Inruilwaarde Inruilwaarde Verlies aan inkomsten 73% indexering 100% indexering (73% vs 100%) 22,04 22,36 22,69 23,02 23,36

22,48 22,93 23,39 23,86

0,12 euro/cheque 0,24 euro/cheque 0,37 euro/cheque 0,50 euro/cheque

23,48 23,82 24,17 24,52 24,88

24,33 24,82 25,32 25,82

0,63 euro/cheque 0,82euro/cheque 0,93 euro/cheque 1,07 euro /cheque

Bedrag indien indexering aan 100% vanaf 1 januari 2021

23,95 24,43 24,92 25,42

6.3 STAGNATIE IN 2019, DALENDE MARGES IN 2020 Het rendabiliteitsonderzoek in dit rapport focust zich op de resultaten van 2019. Zoals uit bovenstaande tabellen blijkt, waren er in 2019 geen wijzigingen van de loonsvoorwaarden (kosten) nog van de inruilwaarde per dienstencheque (opbrengsten). De evolutie van de marges lijkt dus voornamelijk het gevolg te zijn van andere elementen, zoals de toenemende jobanciënniteit (max. CAO brutoloon vanaf 3 jaar anciënniteit), de toenemende vaste kosten (zie ook tabel 40 en bijlage 1 en 2 – vaste kosten worden berekend als het verschil tussen de totale bedrijfskosten en de loonkosten) en het toenemend ziekteverzuim. Het feit dat het netto-bedrijfsresultaat per dienstencheque gelijk blijft in absolute cijfers lijkt hier dus een logisch gevolg van te zijn. Relatief ten opzichte van de brutomarge, worden de marges wel uitgehold, Voor 2020 wijzigt de situatie aanzienlijk. Een verhoging van de brutolonen met +2,8% betekent een stijging van de loonkost van 12,94 naar 13,39 euro/uur, ofwel +0,45 euro/uur. Naast de loonkosten volgt een indexering ook op een stijging van de andere vaste kosten (huur, elektriciteit, water, verzekeringen,...). Deze worden op €2,12/cheque geraamd of een 9,16% van alle bedrijfskosten in 2019 (een toename ten opzichte van 2018: €1,98/cheque (8,7%)). Bij een indexering met 2% stijgt de vaste kost per cheque met 0,04 euro/cheque. Samen met de loonkost dus een stijging van +0,49 euro/uur. Anderzijds steeg de inruilwaarde vanaf 1 maart 2020 na een (onvolledige) indexering van 23,02 naar 23,36 euro/uur ofwel +0,34 euro/cheque. Bij onvolledige indexering blijft de stijging van de inkomsten van de onderneming dus achter op de stijging van de uitgaven voor loonkosten en andere vaste kosten (verschil 0,15 cent/cheque). Wanneer we weten dat in het boekjaar 2019 op basis van de jaarrekeningen er nog een netto bedrijfswinst was van gemiddeld 0,54 euro/cheque wordt de marge dus verder uitgehold doordat de inkomsten achterblijven ten opzichte van de uitgaven voor lonen en andere vaste kosten. //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 8.12.2020

Rendabiliteitsmonitor 2020 DC-bedrijven

pagina 49 van 54


Let wel dat de loonkosten in bovenstaande berekeningen enkel betrekking hebben op de private sector. In zoverre de social profit en de publieke sector hogere loonschalen hanteren, is de afstand tussen inkomsten en loonkosten nog nadeliger voor deze twee sectoren. Dit is ook reeds zichtbaar in de resultaten van het gevoerde rendabiliteitsonderzoek voor 2018 – 2019 (bv. in hoofdstuk 4.3.3). We wijzen er ook op dat de loonkost geen één op één relatie kent met de inruilwaarde. De dienstenchequewerknemers worden niet betaald per uur geleverde dienstenchequeprestatie, maar o.b.v. een arbeidscontract voor een bepaalde arbeidsduur. Voor elk niet productief uur (=uren waartegenover geen prestatie staat en dus geen inruilwaarde wordt geïnd terwijl het loon wel blijft doorlopen) wegens bv. opleiding, ziekte of het niet vervangen van een weggevallen uur bij de gebruiker ontvangt de onderneming geen dienstencheque en zijn er dus enkel kosten en geen inkomsten. Hierbij dient wel opgemerkt te worden dat we in de berekening hiervoor er van uit gaan dat alle kosten met 2% zullen stijgen. We maken hierbij dus abstractie van het feit dat de sterk winstgevende ondernemingen vaak efficiënter georganiseerd zijn en minder vaste kosten hebben, waardoor het verlies iets getemperd wordt, en dat er bij sommige kosten, zoals afschrijvingen, geen effect is van indexatie. We kunnen concluderen dat het indexeringsmechanisme dat momenteel in de wetgeving ingeschreven staat op korte tijd zal leiden tot een verdere stijging van het aantal verlieslatende organisaties en op langere termijn de rendabiliteit van alle ondernemingen structureel verder zal doen afnemen. Bij elke onvolledige indexering zullen de marges immers verder uitgehold worden. Voor de groep ondernemingen die nu al aan zeer beperkte marges functioneren, zal hun rendabiliteit in de toekomst waarschijnlijk onvoldoende zijn. Voor 2021 werd al een eenmalige correctie doorgevoerd van de laatste onvolledige indexering (€0,12/dienstencheque). Hiervoor werd 11 mln. euro extra budget uitgetrokken. Dit zal de ondernemingen een beetje extra ademruimte geven, maar is geen oplossing voor toekomstige indexeringen.

6.4 CORONACRISIS Sinds maart 2020 is de situatie door de start van de coronacrisis nog op een ander vlak aanzienlijk veranderd voor de dienstenchequesector. Vanaf het begin van de eerste lockdown halverwege maart, was de impact op de dienstenchequesector enorm. In de 2e helft van maart en in de maand april lag de sector quasi volledig plat, met slechts 10% van de normaal gepresteerde uren. In mei herstelde de sector zich gedeeltelijk (60%) en sinds juni (97%) normaliseerden de activiteiten zich quasi volledig. Sinds oktober merken we terug een neerwaarts effect op van de 2e golf, al is dit minder groot dan tijdens de 1egolf, met een daling tussen de 10% en 20% sinds de 2e helft van oktober en voor november. De activiteiten vielen terug enerzijds omwille van het uitvallen van de werknemers (ziek of quarantaine) en anderzijds omdat gebruikers prestaties annuleerden (uit voorzorg of quarantaine). Voor een deel van deze uren konden de werknemers op tijdelijke werkloosheid geplaatst worden. Maar dit stelsel kan enkel toegepast worden voor volledige dagen en is dus bij laattijdige annulaties door de gebruiker niet altijd meer mogelijk. Ondernemingen proberen dit zoveel mogelijk op te vangen door werknemers de nodige vervangingen te laten uitvoeren. Maar op korte termijn is dit niet altijd haalbaar en zorgt het ook voor bijkomende administratieve lasten. Om de sector extra te ondersteunen worden er bijkomende subsidies gegeven voor prestaties tussen 16 maart en 30 juni en tussen 1 november en 31 december 2020. Deze extra middelen zijn enerzijds bedoeld om ondernemingen te ondersteunen om hun werknemers te kunnen voorzien van de nodige veiligheidsmiddelen. Maar anderzijds ook om de bijkomende kosten door de coronacrisis op te vangen. Dit gaat dan onder meer over het hoger ziekteverzuim (met gewaarborgd loon), de toegenomen //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 50 van 54

Rendabiliteitsmonitor 2020 DC-bedrijven

8.12.2020


verplaatsingskosten omwille van suboptimale lokalisatie van klanten door enerzijds het uitvallen van poetshulpen en het wegvallen van normale prestaties en anderzijds het verminderd aanbod van het openbaar vervoer. Ten slotte moet de onderneming ook nog de nodige financiële middelen ter beschikking hebben om de bijdragen voor het jaarlijks vakantiegeld, bijkomende premies,… te betalen, alsook andere vaste kosten (huur, elektriciteit,…), terwijl de normale bedrijfsopbrengsten op jaarbasis aanzienlijk lager zullen liggen. Het is zeer moeilijk om nu al cijfermatig in te schatten wat het effect van de coronacrisis op de rendabiliteit van de dienstenchequebedrijven zal zijn. De situatie in 2020 is dermate afwijkend en we hebben voorlopig onvoldoende zicht op de nodige cijfers (bv. tijdelijke werkloosheid). Er zullen ook grote verschillen zijn tussen de ondernemingen in de manier waarop werd gereageerd in het begin van de coronacrisis op het uitvallen van werknemers en het wegvallen van prestaties. De extra subsidies zullen een deel van de weggevallen inkomsten en bijkomende kosten opgevangen hebben. Bij sommige bedrijven waren dit zeer hoge bedragen aan extra subsidies, waardoor de impact van de coronacrisis voor deze waarschijnlijk beperkt zal zijn. Om zomaar algemeen te besluiten dat de verminderde dienstencheque-omzet de druk op de marges zal doen toenemen, is dus voorlopig te voorbarig. Al kunnen we niet ontkennen dat de bedrijven die reeds in 2019 in moeilijkheden zaten, in 2020 weinig verbetering zullen gekend hebben.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 8.12.2020

Rendabiliteitsmonitor 2020 DC-bedrijven

pagina 51 van 54


BIJLAGE 1 2017 Handelsvennootschap

PWA

Uitzend

VZW

Totaal

Aantal cheques alle gewesten

35.890.431

261.744

4.162.809

907.390

41.222.374

Aantal ondernemingen

78

4

2

11

95

Bedrijfsopbrengsten

23,06

23,29

22,64

23,22

23,02

Bedrijfskosten

22,27

24,66

21,94

22,77

22,27

Per dienstencheque

Aankopen DG en D

1,64

1,62

2,74

1,21

1,74

Loonkosten

20,45

21,54

19,15

21,36

20,34

Afschrijvingen

0,12

0,29

0,00

0,13

0,11

Waardeverminderingen

0,01

-

0,00

-

0,01

Netto Bedrijfsresultaat

0,78

- 1,37

0,70

0,45

0,75

Resultaat boekjaar

0,57

- 1,31

0,44

0,53

0,55

Handelsvennootschap

PWA

Uitzend

VZW

Totaal

Aantal cheques alle gewesten

40.582.598

263.005

1.149.290

899.238

42.894.131

Aantal ondernemingen

74

3

1

11

89

Bedrijfsopbrengsten

23,32

24,25

23,11

23,33

23,32

Bedrijfskosten

22,78

24,64

22,24

23,48

22,79

Aankopen DG en D

1,76

1,55

1,38

1,39

1,74

2018

Per dienstencheque

Loonkosten

20,77

22,68

20,72

21,86

20,81

Afschrijvingen

0,15

0,31

0,00

0,17

0,15

Waardeverminderingen

0,02

-

-

-

0,02

Netto Bedrijfsresultaat

0,55

- 0,39

0,87

- 0,15

0,54

Resultaat boekjaar

0,38

- 0,71

0,59

0,06

0,37

2019 Handelsvennootschap

PWA

Uitzend

VZW

Totaal

Aantal cheques alle gewesten

36.784.886

301.044

5.576.872

724.621

43.387.423

Aantal ondernemingen

60

3

2

7

72

Bedrijfsopbrengsten

23,70

24,37

23,53

23,58

23,68

Bedrijfskosten

23,15

24,75

22,90

23,50

23,14

Aankopen DG en D

1,79

1,71

2,74

1,13

1,90

Loonkosten

21,12

22,77

20,12

22,17

21,02

Per dienstencheque

Afschrijvingen

0,17

0,15

0,00

0,18

0,15

Waardeverminderingen

0,02

-

0,00

-

0,01

Netto Bedrijfsresultaat

0,55

- 0,38

0,63

0,08

0,54

Resultaat boekjaar

0,41

- 1,90

0,41

0,04

0,38

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 52 van 54

Rendabiliteitsmonitor 2020 DC-bedrijven

8.12.2020


BIJLAGE 2 2017 >1M

500K-1M

100K - 500K

0-100K

Totaal

Aantal cheques alle gewesten

20.965.467

11.849.721

6.429.235

1.977.951

41.222.374

Aantal ondernemingen

10

15

28

42

95

Bedrijfsopbrengsten

22,84

23,13

23,22

23,62

23,02

Bedrijfskosten

21,85

22,63

22,59

23,47

22,27

Aankopen DG en D

1,80

1,43

2,07

1,97

1,74

Per dienstencheque

Loonkosten

19,95

20,93

20,31

21,10

20,34

Afschrijvingen

0,07

0,16

0,15

0,15

0,11

Waardeverminderingen

0,00

- 0,00

0,04

0,00

0,01

Netto Bedrijfsresultaat

1,00

0,49

0,63

0,16

0,75

Resultaat boekjaar

0,77

0,29

0,41

0,12

0,55

2018 >1M

500K-1M

100K - 500K

0-100K

Totaal

Aantal cheques alle gewesten

22.970.078

12.714.966

5.603.339

1.605.748

42.894.131

Aantal ondernemingen

12

16

27

34

89

Bedrijfsopbrengsten

23,17

23,42

23,65

23,65

23,32

Bedrijfskosten

22,47

23,05

23,25

23,64

22,79

Per dienstencheque

Aankopen DG en D

1,81

1,62

1,80

1,65

1,74

Loonkosten

20,49

21,09

21,23

21,62

20,81

Afschrijvingen

0,13

0,18

0,14

0,10

0,15

Waardeverminderingen

0,01

0,02

0,05

0,00

0,02

Netto Bedrijfsresultaat

0,70

0,37

0,40

0,01

0,54

Resultaat boekjaar

0,49

0,25

0,27

0,00

0,37

2019 >1M

500K-1M

100K - 500K

0-100K

Totaal

Aantal cheques alle gewesten

27.664.635

9.787.027

4.627.971

1.307.790

43.387.423

Aantal ondernemingen

13

13

19

27

72

Bedrijfsopbrengsten

23,48

23,97

24,16

24,08

23,68

Per dienstencheque Bedrijfskosten

22,83

23,53

23,88

24,05

23,14

Aankopen DG en D

2,05

1,54

1,84

1,71

1,90

Loonkosten

20,64

21,57

21,84

22,05

21,02

Afschrijvingen

0,10

0,26

0,15

0,19

0,15

Waardeverminderingen

0,01

0,04

0,01

0,01

0,01

Netto Bedrijfsresultaat

0,65

0,45

0,28

0,03

0,54

Resultaat boekjaar

0,48

0,30

0,19

- 0,38

0,38

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 8.12.2020

Rendabiliteitsmonitor 2020 DC-bedrijven

pagina 53 van 54


Colofon Samenstelling Vlaamse overheid Departement Werk en Sociale Economie Koning Albert II-laan 35 bus 20 1030 Brussel 02 553 42 56 dienstencheques@vlaanderen.be www.vlaanderen.be/departement-wse

Verantwoordelijke uitgever Dirk Vanderpoorten Secretaris-generaal

Uitgave December 2020

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 54 van 54

Rendabiliteitsmonitor 2020 DC-bedrijven

8.12.2020


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Rendabiliteitsmonitor_Dienstencheques_rapport2020.pdf by Vlaanderen-be - Issuu