Skip to main content

M&L_29_1.pdf

Page 1

MONUMENTEN, LANDSCHAPPEN ANUARI-FEBRUARI 2010 *.

& AR

iLOGIE 2 9 / 1

T\

NDELIJ


hydraulische kalkmortels, kaliei en tadelaktbepleistering UNILIT buitengeveüsolatiesystemen LIMETICS kalkverven CORICAL siücaatverven CORISILK en KEIM merafwerkingen MARMOLUX, CORISTIL en DECORLUX stucco venetiano PLASTELUX en VENESTUK

Arte bio-ecologische bouwpartner

Arte Constructo bvba Molenberglei 18 - B-2627 Schelle - Belgium Tel. +32 (0)3 880.73.73 - Fax +32 (0)3 880.73.70 vww.arteconstructo.be - info@arteconstructo.'


ISSN 0770-4948 29 jaargang Nr. 1 januari-februari 2010

Tweemaandelijks tijdschrift van het agentschap Ruimte en Erfgoed

EN

UNUMblNirhN, LANDbLHAHPh N ARCHEOLOGIE

Redactie

Co^er; Een hdmduiker van de Kricgsmarinc (archief Dirk Termote)

i

Ruimte en Erfgoed Phoenix-gebouw Koning Albert ll-laan 19 (bus 3) 1210 BRUSSEL Tel. 02-553 16 13 - Fax 02-553 16 05 E-mail: luc.tack@rwo.vlaarderen.bc Voorzitter: Luc Tack Redactiesecretaris: Mieke Lauwaert Eindredactie: Marjan Buyle en Marcel M. Celis Fotografie: Oswald Pauwels Secretariaat: Diane Torbeyns

Internet

Abonnementsvoorwaarden 2010

Website: www.onroerenderfgoed.be

Redactiecomité*

België: 40 € (ook losse nummers verkrijgbaar voor 7 € ) . CJP'ers betalen: 28 € Buitenland: 65 € Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving op rek. nr. 091-2206040-95 van Monumenten & Landschappen, Phoenix-gebouw, Koning Albert ll-laan 19 (bus 3), 1210 Brussel met vermelding "M&L-jaarabonnement 2010". U ontvangt dan alle nummers van het lopende jaar. E-mail: diane.torbeyns@rwo.vlaanderen.be Zonder schriftelijke opzegging voor hel einde van elk kalenderjaar, wordt een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang Tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd

Ere-voorzitter: Edgard Goed leven Ere-leden: Jo De Schepper, Hedwig Van Den Bossche, Suzanne Van Aerschot Voorzitter: Luc Tack Kernredactie: Marjan Buyle, Marcel M. Celis, Luc Tack, Herman Van den Bossche, Peter Van den Hove Redactie: Anna Bergmans, Jo Braeken, Mare De Borgher, Piet Geleyns, Jos Gijselinck, Catheline Metdepenninghen, Dieter Nuytten, Oswald Pauwels, Greet Plomteux, Paul Van den Bremt, Christine Vanthillo, Linda Wylleman

* Het redactiecomité is samengesteld uit erfgoedconsulenten van het agentschap Ruimte en Erfgoed, en van het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed

Advertentiewerving J. Casier Maalsesteenweg 73, 8310 Sint-Kruis Tel.: 050-34 86 27 - Gsm: 0496 90 60 19 Tel.: 050-36 25 89 - Fax: 050-37 33 64 E-mail: jancasier.brugge@telenet.be www.jancasier.be

Druk Die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge Tel.: 050-47 12 72 - Fax: 050-34 37 68

Verantwoordelijke uitgever Ruimte en Erfgoed Luc Tack Phoenix-gebouw Koning Albert ll-laan 19(bus3| 1210 BRUSSEL Tel.: 02-553 16 13 - Fax:02-553 16 05 De verantwoordelijkheid voor de gepubliceerde artikels berust uitsluitend bij de auteurs. Alle rechten voor het reproduceren, vertalen of herwerken zijn voorbehouden.

1 nhoud Erfgoed onder water Maritieme archeologie vóór de Belgische kust Tomas Termote

2 3 Het voormalig 'kasteel van Groenendaal': herbestemming en restauratie naar een 18de-eeuwse ontwerptekening Petra Boekstal

4 3 "Une solitude aimable": Het landgoed Croenendael in Bilzen Chris D e Maegd

6 3 Summary


Wij hebben allemaal bescherming nodig, maar niet allemaal dezelfde!

Restauratie en Monumentenzorg

Duivenmest is door zijn agressieve chemische bestanddelen één van de belangrijkste oorzaken van onomkeerbare beschadigingen aan gebouwen en monumenten. Maar er is meer! De duif, maar vooral de duivenmest, brengt naast het cultuurpatriraonium ook onze gezondheid in gevaar door overbrenging van ziekten zoals ornithose, salmonella, psittacosis, e.a.,...

Nu is er echter BIRDEX (een gamma diervriendelijke afschrikkingsmiddelen dat de duiven voorgoed weg houdt van monumenten en gebouwen. Wilt u er meer over weten, neem dan vrijblijvend contact met ons op.

P.E.C. International n.v. Kleine Breedstraat 37, B-9100 St.-Niklaas Tel.: 03-776 84 39 - Fax: 03-777 35 09

p. Niis www.pnijs.be E3-LAAN 49 - 9800 Deinze TEL 09 386 07 63 - FAX 09 380 35 71 p.nijs.nv@pandora.be

m

Dakwerken G. BOSCH

Algemene Dak- & Restauratiewerken Aartrijkestraat 109 - 8820 Torhout Tel. 050-21 10 85 - Fax 050-22 06 17 GSM: 0485-02 00 50 E-mail: geert@bvbabosch.be Site: www.bvbabosch.be

Erkende aannemers onder nr. 24040 Reg. nr. 051511

Erkenning: Klasse 2 Ondercategorieën: D8 - D12 - D16 - D22 - D24


Generiek De zee als laatste toevluchtsoord Met ruim 300 tot op vandaag geïdentificeerde scheepswrakken werden de Vlaamse Banken en hun onderzees archief meer dan betrouwbaar gekarteerd. Belaagd door stormen, visserij en baggerwerken, corrosie en de voor houten zeilschepen fatale Teredo novalis, blijkt het behoud van dit archeologisch erfgoed op termijn een illusoire droom. Bij deze confronterende status questionis ziet Tomas Termote - naast krachtdadige beleidsmaatregelen en versneld intrusief onderzoek - derhalve geen valabel alternatief.

A l'usage des officiers de laforêt de Soigne Weinig materieels herinnert nog aan de voorbije luister van de augustijnerpriorij waar Jan van Ruusbroec ooit de pen hanteerde, tenzij de schamele resten van de kloosterkerk en ... het 'kasteel' van Groenendaal. In de late 18de eeuw ontstaan als wagenhuis, vond dit algauw een herbestemming als "woonstede voor de officieren van hetZoniënwoud", alvorens in de 19de eeuw nogmaals verminkt te worden tot hotel en restaurant. Steunend op het archivalisch onderzoek van Petra Boekstal herwon het classicistisch paviljoen nog maar onlangs zijn oude luister en, met het Agentschap Natuur en Bos als bevoorrechte gebruiker, ook zijn oorspronkelijke functie.

Ou l'on n 'est jamais désceuvré De etymologische betekenisvan Croendendael kon Chris De Maegd, spijts haar vertrouwdheid met historische kasteeldomeinen, niet achterhalen en archieven bleken onbestaand. Halverwege de 17de eeuw op een gravure naar Remade Leloup nog traceerbeer als een opperhof met neerhof, ondergingen het kasteel en bijhorend domein opeenvolgende metamorfoses, met een 19de-eeuws 'landschappelijk' hoogtepunt bewaard gebleven in La Belgiquepittoresque, tót hun gestage neergang in een nog maar recent verleden. De reconstructie van het wel en wee van deze "solitude aimable"wijst daarbij niet alleen op ongelukkige ontsporingen, maar tegelijk op de opmerkelijke sluimerende erfgoedwaarden.


Tomas

Termote

ERFGOED OMDER WATER. MARITIEME ARCHEOLOGIE VÓÓR DE BELGISCHE KUST Berging van de

Wjrpostenboot Prangenhofvoor Zeebrugge

•

(foto Maritieme

I

Toegang) I

De onderwaterwereld van de laatste

plaatsen

grote ontdekkingen Met de opkomst duiksport

wordt aanzien

als één

op aarde waar

kunnen worden

nog

gedaan.

en snelle ontwikkeling

is het verkennen

onder de zeespiegel

van

geen

van de

restanten

onmogelijkheid

meer. In 2009 kon een grondige

inventaris

bijna 280 sites in het Belgisch territoriaal gebied

voltooid

generaties

worden.

vastberaden

Het werk van amateurs

nele maritieme

onderzoekers,

en de Vlaamse

hydrografie.

en

bergers,

HET ONDERZOEKSGEBIED

van zee-

enkele professiovissers

Het continentaal zeegebied van België, gelegen in de zuidelijke Nootdzee, heeft de vorm van een techthoekige driehoek. Hierbij verloopt de korte zijde over de Vlaamse kust met het Zwingebied in het oosten tot De Panne in het westen. In open zee, aan het oostelijk deel, grenst een lange zijde aan Nederlands gebied en loopt in noordwestelijke richting langsheen de Vlakte van de Raan en de Thorntonbank. In het zeegebied ten westen grenzen de banken van de Oostdyck en Westhinder aan Franse wateren. De banken van de Noordhinder sluiten de punt van het gebied in het noorden af en grenzen aan de territoriale wateren van het Verenigd Koninkrijk (1).


Zichtbaarheid onderwater is veelal uiteenlopend en wordt beïnvloed door sterkte en richting van de wind, de getijden en de nabijheid van grote rivieren. Vooral de uitvloeiingen van IJzer, Schelde en Theems bepalen de helderheid van het water op zee. De zichtbaarheid onder water kan variëren van totale duisternis tot een tiental meter. Noordoostelijke wind zorgt voor een zware deining die stof en modder opwoelt en het water van de Scheldemonding zuidwaarts stuwt. Een zuidwestelijke wind zal het troebel water noordwaarts drijven en helder water met zich meebrengen in het kustgebied. Een week met volle maanstand zal een sterke stroming als effect hebben en ook de kans op helder water verminderen. Deze natuurlijke elementen spelen een grote rol bij de mogelijkheden om onderzoek op de zeebodem uit te voeren. De zeebodem bestaat uit zandduinen met een structuur van fijn tot grof korrelig zand en wordt ook de Vlaamse Banken genoemd. Het is een relatief ondiep zeegebied met dieptes die variëren tussen 5 en 50 meter. Het gebied is onderhevig aan een getijdenwerking, waarbij eb en vloed afwisselen in een ritme van 12 uur.

Satellietfoto van het Noordzeegebied. Bemerk het troebel water ter hoogte van de uitvloeiingcn van grote rivieren in zee (Google Earth)

DE WRAKKFN: ENKELE FEITEN Sinds 1866 is het de taak van de Vlaamse hydrografische dienst om een veilige doorgang te garanderen aan schepen die zich van en naar havens begeven

• Kaart van de Vlaamse Banken (MDK - Afdeling Kust - Vlaamse Hydrografie)

^gy.sa;^

s^JJL^ir-


». en zich Wrakstukken op het zeekaart strand van Oostende , . banken, na een zware

in vaarroutes bevinden. O p de huidige van de Vlaamse Banken zijn talrijke zand. . ,. .. r boeien, vaarroutes en diepteciirers r Dgemar'

noordoostelijke keerd. Maar het meest opvallend is de aanwezigheid storm v a n talrijke obstructies, wrakken en vuile gronden ( e eewac t| j ^ op ^e kaart zijn aangebracht als navigationele waarschuwing voor de scheepvaart. Bij het vinden van nieuwe obstructies wordt een melding gemaakt aan zeelui door middel van Berichten aan Zeevarenden. Het onderzoek met de hydrografische schepen Paster Pype en Ter Streep kon in de laatste 10 jaar bijna 200 wrakken in kaart brengen. Dit wrakkenbestand werd nog aangevuld met 80 sites die via privé-initiadeven zijn gelokaliseerd. Het feit dat vooral in de laatste 20 jaar heel wat meer informatie ingewonnen werd, komt door de snelle evolutie van hoogtechnische zoekmiddelen en eenvoudigere verkenningsmogelijkheden door de ontwikkeling van steeds betere duikapparatuur. Hoewel een groot aantal wrakken in Belgische wateren is geïdentificeerd, blijven toch 17 procent van de sites onbekend. Meer dan een derde (32 procent) van de gekende wrakken zijn resten van militaire schepen, voornamelijk daterend uit de twee grote conflicten van de 20 ste eeuw. Er zijn 50 wrakken (18 procent) die toegewezen kunnen worden aan vrachtschepen. Verder is er nog 7,5 procent van het wrakkenbestand dat houten zeilschepen en jachten betreft en 37 vaartuigen (13 procent) kunnen worden toegewezen aan verliezen bij de visserij. 7 procent van de wrakken zijn schepen met een uiteenlopende achtergrond. Het kleinste percentage (1,5 procent) betreft sites die niets met varend erfgoed te maken hebben, zoals stortstenen, verloren boeien, containers en vliegtuigen (2). Hoewel cijfers en percentages mooi ogen, is dit toch geen correcte weerspiegeling van alle schepen die tijdens de laatste duizend jaar vergaan zijn in ons zeegebied. Een groot deel van de wrakken blijft onontdekt en begraven onder de zeebodem of is volledig afgetakeld door de eroderende werking van de zee, inwerking van stormen en de vernielende kracht van sleepnetten. Er zijn tijdens de Tweede Wereldoorlog ook meerdere vliegtuigen in ons zeegebied terechtgekomen. De dagboeken van de Hafenkommandatur Ostende geven bijvoorbeeld weer dat in 1942, in de zone rondom de Oostendse haven alleen al, 9 geallieerde vliegtuigen in zee gestort zijn (3). Deze vliegtuigen zijn meestal door de impact met het wateroppervlak volledig uiteengeslagen. Grotere stukken zijn

IVI&L

later al of niet volledig verdwenen door de vernielende kracht van de boomkorvisserij die gebruikt is vanaf de jaren 1960 (4). De gekende restanten van 3 vliegtuigen zijn slechts een bovenlaag van tientallen toestellen die aan de kust en dieper in zee terecht gekomen zijn.

WRAKKEN CONTEXTUEEL BEKEKFN De sites van verloren schepen en vliegtuigen bevinden zich niet toevallig op een bepaalde locatie. Er is bij de meeste sites een logisch, contextueel verband met het gebied waarin ze zich bevinden en de oorzaak van hun vergaan. O p dit ogenblik is er geen uitgebreide kennis van de exacte hoeveelheid schepen die sinds de middeleeuwen tot het industrieel tijdperk op de Vlaamse Banken zijn terechtgekomen. We kunnen enkel vermeldingen terugvinden van scheepsrampen zoals bij geschiedschrijvers als Jacobus Bowens in zijn beschrijving van Oostende.

De driemaster Vil/e de Dieppe vergaat na een duikbootaanval (verz. T. Termote)

.i1*»»


Tijdens de jaarlijkse winterstormen, deden zich talrijke verliezen van handelsschepen voor in de rede, vlakbij de haven: "Op den 22 September 1671 gevoelde men op onze kusten een aldergruwelykste onweder van wind en regen, waer door'er veele benaerdeelt en ten alle kanten groot schaede veroorzaekt wierd. Verscheyde schepen strandden voor d'haven met verlies van man en muys." (5) De gevonden wrakken van zeilschepen bevinden zich voornamelijk in de nabijheid van een zandbank, een ankerplaats of een haventoegang. De zandbanken, zoals de Oostdyck, Buitenratel, Nieuwpoortbank en Stroombank waren dan ook veelal de oorzaak van hun ondergang. Bij stormweer of misrekening kwamen schepen terecht op de top van de bank, waarbij de kiel werd beschadigd, het vaartuig water maakte en verging. Het kon zijn dat het zeilschip hierna de bank afgleed en zo terecht kwam op de flank ervan of in de voor- of achterliggende dieptes. In 1993 signaleerde drijfnetvisser N.95 (6) dat hij zeebaars had gevangen op slechts vijf mijl ten noorden van Koksijde, een plaats waar normaal enkel een zanderige bodem zou moeten zijn. Zeebaars zal zich normaal groeperen bij obstakels waar zich concentraties aan fauna en flora bevinden. Dit bleek inderdaad zo te zijn en op een diepte van slechts 8 m werden de houten resten teruggevonden van een zeilschip van redelijke afmetingen. Het zeilschip, dat later als Loodsschip nr. 5 kon geïdentificeerd worden, lag aan de noordelijke kant van de Smalbank. De site bestond uit een houten kielbalk van 15 m lengte waarop, op regelmatige afstanden, ingeplante dwarsribben met bronzen bouten en houten tappen waren bevestigd. Delen van de masten en tuigage bevonden zich in het zand aan de stuurboordkant. Loodsschip nr. 5 was in 1857 bij zwaar stormweer vergaan tussen Oostende en Duinkerke met het verlies van alle opvarenden (7). Waarschijnlijk begaf hij zich langsheen de kust en wilde afdraaien ter hoogte van het Westdiep om naar zee te steken. Hierbij kwam het Loodsschip op de ondieper gelegen noordoostelijke kant van de Smalbank. Na schipbreuk geleden te hebben zou het van de bank gegleden zijn en vergaan. Dit wrak, hoewel van redelijke afmetingen, is niet gekend en staat niet vermeld op de zeekaart.

komen bij het verschuiven van een bank. Concentraties rondom de haven en rede van Oostende betreffen wrakken van zeilschepen die de havengeul misten en ten westen of ten oosten van de havenhoofden terechtkwamen en vergingen. We vinden geen concentraties van die aard terug te Zeebrugge, Nieuwpoort of Blankenberge. Zeebrugge groeide pas uit als haven rond 1900 en de andere twee havens waren te klein om grote schepen op te vangen. De grootste 'bijdrage' aan het onderwaterarchief van wrakken is toe te schrijven aan de verliezen tijdens de Eerste en de Tweede Wereldoorlog. Vlaanderen is tweemaal bezet geweest door Duitsland en vormde een uitvalsbasis voor hun kleine eenheden (8). Hierdoor vinden we veel wrakken terug van Duitse nationaliteit. Voor de periode 1914-1918 kennen we 8 U-boten, 7 Torpedoboten en 4 Vorpostenboten van de Duitse marine. De verloren U-boten waren op uit- of terugreis toen ze door mijnontploffing of torpedering verloren gingen. Drie liet men met opzet zinken bij de terugtrekking van de Duitse bezetter in oktober 1918. O p vallend is dat nagenoeg alle oppervlakteeenheden gezonken zijn in het zicht van de kust (9). Duitse eenheden voerden meestal korte bliksemaanvallen uit op Britse of Franse installaties en bleven zo lang mogelijk onder beschutting van de kustbatterijen. Daarnaast was hun functie voornamelijk defensief, in tegenstelling tot de Britse eenheden, die gekend waren voor offensieve tactieken. Rondom de havens van Oostende en Zeebrugge liggen enkele tientallen wrakken van oorlogsschepen van Britse herkomst. Het gaat vooral om schepen die mijnen legden in bezet gebied of de activiteiten van de vijand wilden bespieden. Bij twee grote aanvallen op de havens en Duitse installaties op

T Duikboten van de UB-klossem 1918 (verz. T. Termote)

Zandbanken behouden meestal hun ligging en structuur, maar soms verplaatsen ze zich ook lichtjes door stroming en storm. Zo kunnen wrakken voor eeuwen bedekt zijn en plotseling te voorschijn

M&L


A Duitse kanonneer-

Zicht op de boeg

boot

van een gezonken

(ver:. E.-J. Bakker)

23 april 1918 verloren de Britten 3 kanonneerboten, enkele torpedobootjagers, 3 antieke kruisers en een handvol blokschepen. Ook het einde van de Eerste Wereldoorlog bracht nog geen rust op zee: in 1919 verloren de Britten nog 4 schepen bij Oostende, op de mijnen van een niet geruimd veld (10). In de periode tussen het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in 1939 en de Blitzkrieg'm mei 1940 doen Duitse U-boten aanvallen op handelsschepen in het Westhinder- en Thorntongebied. U-9 en f / - / 7 k o n d e n bijna 10 schepen torpederen en doen zinken (11).

Een multibeam van een Landing Oafi Tanks, gezonken in 1944

Door de snelle opmars van het Duitse landleger en tanks werd het Britse expeditieleger in 1940 zware verliezen toegebracht en teruggedrongen tot Calais en Duinkerke. Tussen 26 mei en 4 juni 1940 had 'Operatie Dynamo' plaats, de grootschalige evacuatie van Britse en Franse soldaten via de haven van Duinkerke en de stranden van De Panne, door middel van allerhande vaartuigen. Een twaalftal schepen vergingen hierbij in Belgische wateren door mijnontploffing, torpedering of vliegtuigaanvallen.

(MDK - Afdeling Kust - Vlaamse Hydrografie)

M&L

De activiteiten en verliezen tussen 1940-1945 zijn in grotere mate te vergelijken met de spreiding van de wrakken die dateren uit 1914-1918, maar dan op grotere schaal. We vinden concentraties van wrakken van Duitse eenheden terug rond Nieuwpoort, Oostende en Zeebrugge (12). Het gaat meestal om omgebouwde vissersschepen en kleine patrouillevaartuigen die in dienst waren van

Sdinellboot (foto N. Mouchart) • Een Landing Oafi Tanks (Imperial War Museum A. 12356)


de Kriegsmarine. Deze schepen vergingen meestal nadat ze tegen mijnen waren gelopen in velden die zowel door de Britse als door hun eigen marine waren gelegd. Tijdens de periode 1944-1945 zijn er grote geallieerde verliezen in Belgisch gebied op te merken. Gedurende Operation Infatuate, de aanval op Walcheren, zijn twee landingsschepen gezonken ter hoogte van de Westhinder. Bij het openstellen van de route richting Antwerpen worden de konvooien, komende van de Verenigde Staten en GrootBrittannië, herhaaldelijk aangevallen door Duitse kanonneerboten. Mijnenvelden eisten ook hun tol op de geallieerde schepen en in het gebied van de Akkaert tot de Vlakte van de Raan tellen we ongeveer 15 wrakken. De wrakken van 5 Duitse kanonneerboten gelegen aan de Westhinder en op de rede van Oostende bewijzen dat de Britse konvooiescortes hard terugvochten. Het is natuurlijk niet enkel de oorlog die wrakken heeft veroorzaakt. Vóór de Eerste Wereldoorlog, tijdens het Interbellum en de naoorlogse periode zijn zeilschepen, viskotters, een lichtschip, verschillende vrachtschepen, kustvaartuigen en jachten

gekapseisd, gestrand, in brand gevlogen, op bestaande wrakken gevaren of lekgeslagen. Ook onze visserij heeft veel geleden, waarbij talrijke schepen vergingen. Dit is voornamelijk te wijten aan hoger vermelde oorzaken, maar in de naoorlogse periode kwamen ook mijnen en bommen in de netten terecht met alle gevolgen van dien. Netten kunnen ook aan wrakken blijven haperen en doen viskotters kapseizen en zinken.

MARITIFMF ARCHEOLOGIF Het professioneel onderzoek van wrakken is een complexe bezigheid. Er moet een zeewaardig en gekeurd vaartuig ter beschikbaar zijn. Aan boord moet het voorzien zijn van satelliet navigatiesysteem (GPS oi Global Positioning System), dieptemeter en indien het financieel haalbaar is, ook magnetometer en sidescan sonar (13). Met deze laatste kan door middel van akoestische beeldvorming het wrak 'gezien' worden op de zeebodem. Met dieptemeter en sidescan krijgen we enkel boven de zeebodem uitstekende obstakels te zien. Onder het zand begraven resten die metalen onderdelen hebben zoals een kanon, een anker of een motorblok,

•4 Het instrumentenpaneel aan boord van de AWMoh

Jong (foto T. Termote)

M&L


Een lading zilveren

1VI&L

't Wiegend Hort

muntgeld uit

(foto T. van der

het wrak van

Horst)

kunnen door middel van een magnetometer opgespoord worden. Contacten met de visserij, de hydrografische dienst en andere personen die een maritieme connectie hebben, leveren meestal heel interessante gegevens op. De bodem van de Vlaamse banken is veelal een zanderige vlakte met weinig of geen begroeiing. Wrakken vormen biotopen waar allerhande vissoorten en schaaldieren beschutting en voeding gaan zoeken. Vissers gaan zo dicht mogelijk langs de wrakken slepen, aangezien hun broodwinning ervan afhangt. De sleepnetvisserij zal proberen de wrakken te mijden om hier hun netten niet te scheuren ofte verliezen. Hierbij wordt een net, bevestigd aan een stalen boom met sleepschoenen, over de bodem gesleept. Vissers zullen wel de wrakken zo dicht mogelijk bevissen omdat er de kans op een rijkere vangst groter is. De drijfnetvissers gaan exacte posities van wrakken na en gebruiken deze ook omdat ze precies rondom die wrakken hun staande netten of drijfnetten uitzetten om vis te vangen. Heel wat van onze nieuwgevonden wrakken, zoals het 18 ''eeuwse zeilschip op de Buitenratel, zijn te danken aan de opsporingen van drijfnetvissers.

Een afgelijnde zone kan onderzocht worden met sidescan sonar en magnetometer en alle gevonden anomalieën beduiken tot men het doelwrak gelokaliseerd heeft. Deze werkwijze werd gebruikt door een Britse groep tijdens hun succesvolle zoektocht naar de 18 c -eeuwse Nederlandse Oostindiëvaarder 't Vliegend Hart'm de Vlakte van de Raan. 't Vliegend Hart v/zs een kuildekschip van 850 ton gebouwd in 1730 voor de Verenigde Oost-Indische Compagnie. Begin februari 1735 ging het samen met het zusterschip Anna Catharina verloren tijdens een hevige noordoostelijke storm. Aan boord bevonden zich victualiën, stukgoed, militaire voorraden en kisten muntgeld bestemd voor Batavia. Na het verlies van beide schepen werden enkele korte bergingspogingen ondernomen in 1736, maar door de weersomstandigheden en het ontbreken van zichtbaarheid moesten de pogingen gestaakt worden. Het was pas 250 jaar later dat Britse bergers het wrak met behulp van een magnetometer konden terugvinden. Gedurende 11 campagnes werd het wrak opgegraven, in samenwerking met het Rijksmuseum Amsterdam. Deze samenwerking tussen bergers en archeologen was een controversieel iets en lokte veel kritiek uit. Voor de bergers ging het om het muntgeld, voor de archeologen om zoveel mogelijk te documenteren en te behouden. Kritiek zal er altijd zijn, maar er moet vermeld worden dat dit het enige wrak was in het Belgisch zeegebied dat toen zorgvuldig werd opgemeten en gedocumenteerd (14).

Men kan ook omgekeerd te werk gaan en specifiek een bepaald wrak zoeken nadat men gegevens heeft verkregen via archivalisch onderzoek.

Alle elementen van het wrak, zoals ligging, beschadigingen, constructie, materiaal, afmetingen en objecten kunnen het wrak identificeren en meer gege-


Een 18 '-eeuws kanon uit de netten van een vissersschip (foto T. Termote)

M&L


DE BUITENRATEL-SITE: EEN VOORBEELD VAN SAMENWERKING TUSSEN VISSERS, DUIKERS EN ARCHEOLOGEN

T Een kuildekschip van de VOC (Rijksmuseum Amsterdam)

Het wrak, gekend als het Buitenratel wrak, werd per toeval gevonden door de drijfnetvisser N.95, toen deze met zijn netten bleef haperen aan een onbekend obstakel. O p de locatie werd regelmatig vis gevangen en het bewees dat het om meer dan een natuurlijke anomalie ging zoals een rotsformatie of duinen. In het voorjaar van 1996 werd de positie doorgegeven aan Fons Schoonis, schipper van het duikschip M.S. Aquarius, die tevens een ervaren wrakkenduiker was. Tijdens de eerste duiken vond men houten balken en verscheidene ankers die wezen op een vaartuig van redelijke ouderdom. Successieve duiken brachten musketkogels, staafkogels, fragmenten van aardewerk en flessen aan het licht. Er werd aanvankelijk gedacht aan een Spaans Armadaschip. Nadat de vondsten professioneel onderzocht werden bleek het wrak jonger te zijn, waarschijnlijk uit het midden van de 18e eeuw, wat even belangrijk kon zijn. O m het onderzoek in goede banen te laten verlopen, werd de vzw Noordzee Archeologisch Team Aquarius (NATA) opgericht. Er werd besloten om een compressor aan te kopen en een airlift (1) te construeren om onder het zand verder onderzoek op de resten te kunnen uitvoeren. Tijdens verlofdagen werd zoveel mogelijk tijd doorgebracht op de site en bij elk onderzoek werd een rapport bijgehouden. De gevonden voorwerpen werden gesitueerd op een rudimentair plan van de site. Het is een taak die de NATA al 13 jaar zo goed mogelijk tracht uit te voeren. Bij de opgravingen kwamen verscheidene voorwerpen aan het licht die deel uitmaakten van de vroegere lading of die gebruikt werden aan boord. De inventaris toonde een uiteenlopende selectie van kleipijpen, tinnen gebruiksvoorwerpen, sabels, wijnflessen en een gouden horloge. De lading van het schip bestond uit stalen latten, kanonskogels, staafkogels, koperdraad, rollen

M&L

lood, patroontassen en houten vaten met spijkers. De vzw had ook te kampen met ongewenste bezoekers die de site verstoorden. Desondanks werd het werk steeds voortgezet (2). Het wrak bevindt zich op een maximale bodemdiepte van 9 m op de top van de Buitenratel bank. Het meest prominente deel van de site meet 21 m op een breedte van 8 m en een gemiddelde hoogte van 0,8 m. Dit deel bestaat uit een centraal gelegen, zware kielbalk met enkele ribben. Boven de balken bevindt zich een deel van de lading bestaande uit ijzeren latten en gekoekte resten van houten tonnen met spijkers. Er liggen 2 grote en 2 kleine gestouwde ankers aan de stuurboordzijde van de kielbalk. In het zand, naar het achterschip toe, zijn sporadisch houten resten zichtbaar, maar meestal zijn die begraven door bewegend zand. In een straal van ongeveer 30 m langsheen de bak- en stuurboordkant en de achterzijde van het wrak werden boven de grond uitstekende resten teruggevonden via circulaire zoekpattonen. Deze bestonden uit houten ribben, rompplanken, fragmenten concretie, onderdelen van tonnen en ijzeren mastringen. Schipper Luk Louwagie wist de onderzoekers ook te vertellen dat regelmatig kleine, gesmede ankers in zijn tongnetten bleven haperen. Dit was in een zone 50 tot 100 m rondom het wrak.

Reeds bij de ontdekking was het duidelijk dat het een belangrijk vaartuig betrof. Dit werd aangetoond door de uiteenlopende kwaliteit van het vondstenmateriaal. De wijnflessen bewezen continentale en Engelse flessen te zijn met een datering tussen 1720 en 1750. De pijpen waren vooral afkomstig van de Nederlandse steden Gouda en Leiden. De belangrijkste vondst, een gouden horloge, werd aanvankelijk als een koperen deurknop aanzien. Het was van hooglopende kwaliteit en gevat in een gouden beschermingskast versierd met allegorische scenes. De horloge was gemaakt door Bernd Scalé van Amsterdam en kon gedateerd worden in 1741 (3). De lading van het schip wijst in de richting van gebruiksmaterialen en bewapening die bestemd waren voor de export naar de koloniën. Het wrak


Duikers doen opme-

Verkenningsduiken

tingen op het

op het wrak van

Buitenratelwrak

de Buitenrate!

(foto N. Houchart)

(foto T. Termote)

in kwestie is zeker een Nederlands, midden 18 <:eeuws, vaartuig dat op de uitvaart naar Oost-Indië in moeilijkheden is geraakt op de Vlaamse banken. Het is mogelijk dat het wrak, kort na het vergaan, een tijdlang boven het wateroppervlak uitstak en dat toen bergingspogingen ondernomen werden. Dit zou de aanwezigheid kunnen verklaren van kleine ankers, afkomstig van jollen en barkassen, die waarschijnlijk rondom het wrak geankerd waren. O o k het ontbreken van geschutsstukken en andere onderdelen van een lading kan wijzen op poging tot berging na het vergaan. Velen wilden onmiddellijk een identificatie aan het wrak toeschrijven als zijnde een KOC-schip, mogelijk de Barneveld o£ de Bethlehem. Het schip Barneveld v/zs in 1724 vanaf Texel voor haar achtste reis naar de Oost vertrokken. Aan boord waren 275 opvarenden en de lading bestond onder andere uit zilveren muntgeld. Het schip is terechtgekomen op de zandbanken van Grevelingen en Duinkerke en vergaan. Het is niet bekend of er een poging tot berging is geweest. De Bethlehem was in 1741 vanaf Texel voor haar vierde reis naar Ceylon vertrokken. Ze was nooit ver geraakt en strandde en verging op de zandbanken vóór Oostende. Ook van dit schip was er geen berging bekend (4). De aangegeven locatie van de Barneveld zou kunnen wijzen op het Buitenratel gebied, maar de datering is veel te vroeg. De Bethlehem zou ook een mogelijke kandidaat kunnen zijn - omwille van haar datering - maar de plaats van verlies zou redelijk ver verwijderd zijn van de plaats van ontdekking. Het belangrijkste element is dat we met een hoofdzakelijk Nederlandse inboedel te maken hebben op het

Buitenratel wrak, maar tot nu toe is op geen enkel voorwerp of onderdeel een eigendomsmerk van de VOC teruggevonden. Dit staat sterk in tegenstelling met de overvloed aan compagniemerken die aanwezig waren op voorwerpen gerecupereerd uit het wrak van 't Vliegend Hart (5). Het is noodzakelijk om een zekere vorm van scepticisme te behouden met betrekking tot de identificatie, totdat men meer doorslaggevend bewijs in handen heeft. Er worden op dit ogenblik geen verdere opgravingcampagnes meer gepland en dit totdat men met zekerheid weet wat er met de site zal gebeuren. Mogelijk zou de site beschermd kunnen worden. (1) Door middel van een aan boord gemonteerde luchtcompressor en een lengte flexibele buis, die tot de bodem reikt, wordt een zuigsysteem gecreëerd om zand van begraven resten weg te halen. (2) Later werd de auteur maritiem archeoloog bij de NATA, om hen werenschappelijke ondersteuning te kunnen geven - www.nata.be (3) Mondelinge mededeling van horlogespecialist Herman Bossink. (4) www.vocsite.nl (5) VAN DER HORST, A.]., Met geen irooge oogen om tesien. De ondergang van het VOC-retourschip 't Vliegend Hart in 1735, Amsterdam, 1991, p. 49.

•4 Schipper Luk Louwagie vond de resten van het Buitenratelwrak (foto T. Termote)

1VI&L


• Duikers van MV Mahjong meten het Buitenratelwrak op (foto N. Mouchart)

vens weergeven over het vergaan. Hoe we te werk gaan als onderzoeker op de site is afhankelijk van het wrak in kwestie. Resten van een wrak kunnen boven de bodem uitsteken en zullen gemakkelijk te verkennen zijn (15). Wanneer slechts sporadische onderdelen uitsteken of het wrak over een grote oppervlakte verspreid is, moeten andere zoekmethoden aangewend worden. Er kan een circulair zoekpatroon uitgevoerd worden. Hierbij wordt vanuit het markeringsgewicht of via een uitstekend wrakdeel gezocht naar andere resten in de onmiddellijke buurt. Het uiteinde van een touw wordt bevestigd aan het beginpunt en er wordt een cirkelvormig zoekpatroon afgezwommen in een straal van 360 graden. Zo kan men dichter of verder van het beginpunt gaan (16). Na de duik wordt de verkregen informatie zo goed mogelijk geïnterpreteerd en vastgelegd. Daarna kan men ook de gegevens proberen in verband te brengen met gekende, historische feiten.

BEWARINGSTOESTAND FN CONSERVATIE Gezonken schepen of vliegtuigen zijn meestal niet meer in hun originele toestand herkenbaar. Bij het vergaan zijn ze reeds beschadigd geraakt. Na verloop van tijd worden de restanten bedekt met zand

Een H e m t e / M / bommenwerper (verz. T. Termote)

• Sleepnetten leiden tot de vernietiging van vele sites (foto T. Termote)


De Brllse destroyer HMS Grafton (ven. T. Termote)

en overgroeid met anemonen, mosselen, oesters, zeepokken en zeewier. Natuurlijke elementen zoals stormen, stroming, elektrolyse, fauna, flora en zandverschuivingen zullen een invloed uitoefenen op de bewaring van het geheel. De opkomst van de sleepnetvisserij heeft geleid tot een versnelde vernieling van vele oudere sites. De boomkor en kettingverzwaringen van de netten werken als een ploeg op de zeebodem. Ze ontgraven houten structuren en trekken metalen wrakken aan stukken. Zelfs goed bevestigde geschutsstukken of zware luiken op het dek van een gezonken U-boot worden gewoon losgetrokken door haperende netten. Veel netten gaan ook verloren. Hierdoor zijn vele wrakken volledig omwikkeld door netten. Dit is niet alleen een gevaar voor een duiker, maar netten blijven meestal ook verder 'vissen' en vangen zo talloze dieren die een nutteloze dood tegemoet gaan. Het zorgt er ook voor dat bedekte onderdelen onherkenbaar worden en verzanden. Ter hoogte van Raversijde, op ongeveer 500 m van het strand, bevinden zich de resten van een Heinkel 111 bommenwerper. O p 23 juni 1941 moest het vliegtuig een noodlanding op het water maken. De 5-koppige bemanning kon zich met de rubberboot redden, maar het vliegtuig verging intact op een diepte van 7,5 m (17). Het wrak is na de oorlog voor het eerst in opspraak gekomen in 1963 bij de hydrografische dienst. De kustvisserij had bijzonder veel last met deze 'hapering' en twee vissers waren hun volledige vistuig ter plaatse verloren. Er werd zelfs een volledig stuk vleugel bovengehaald in de netten van een visser (18). Niettegenstaande er geen bergingsactie werd ondernomen duurde het tot 1989 vooraleer er weer klachten binnenkwamen. De Tijdelijke Vereniging van Bergingswerken (TVB) deed een onderzoek met sonar en duikers.

De resten hadden toen nog een lengte van 10 m, op een breedte van 2,5 m. In 1991 werd een opvolgend onderzoek uitgevoerd. De site was iets kleiner geworden, maar er lagen nog een landingsgestel, een vleugelfragment, een motorblok en een driebladig schroef (19). In 2007 werd een laatste, uitvoerig duikonderzoek verricht door Mah Jong submarien onderzoek. Het wrak was volledig onherkenbaar geworden en opgesplitst in drie kleine zones. De overblijvende vleugel, schroef en landingsgestel waren vernield en opgekord. Eén van de zones bestond uit de motorblok, een andere uit rompfragmenten en een derde uit een ophoping van boordmunitie. Het wrak is dus in 20 jaar tijd volledig vernield. Stalen wrakken met allerhande metalen onderdelen zullen meestal nog hoogopstaande, herkenbare resten hebben, maar die worden vlug aangetast door roest en elektrolyse. De levensduur is meestal beperkt tot ongeveer 50 jaar. Hierna zullen de resten uiteenvallen. De aftakeling van het wrak van de Britse torpedobootjager HMS Grafton, gelegen in het Akkaertgebied, kon over een periode van 20 jaar gevolgd worden. Het schip werd op 29 mei 1940 getorpedeerd gezonken door de Duitse U-69 (20). Tot 1990 bevond het bruggedeel zich in redelijk intacte toestand. Tien jaar later is er bijna niets meer als structuur herkenbaar. De lasnaden van het plaatijzer hebben het begeven en zodoende is alles uiteengevallen en geleidelijk bedekt door zandduinen. De meest herkenbare en duurzame onder de stalen wrakken zijn de onderzeeboten. Zelfs na bijna 100 jaar is de drukhuid nog tamelijk intact. De Duitse onderzeeboot UB-20 bevindt zich rechtop met een bodemdiepte van 27 m. Hoewel de buitenhuid is verdwenen, bevinden toren en periscoopstandaarden zich nog altijd bovenop het wrak,


alle sites in een beschermingsprogramma onder te brengen. Er dient dan ook een selectie gemaakt te worden van de belangrijkste historische wrakken, waarrond berging- en visactiviteiten tijdelijk of permanent verboden worden. Een stap naar het actief recupereren van wrakken en hun inhoud is iets dat goed doordacht moet gebeuren. Het bovenbrengen van een structuur of voorwerpen is een omvangrijke en moeilijke opdracht. De echte zorgen beginnen bij de conservering en de stockering op een verantwoorde wijze. Al wat uit zee komt is voor een deel of volledig doordrenkt met zouten. Door het aan de oppervlakte brengen zullen de aanwezige zouten kristalliseren en uitzetten. Een object in gietijzer kan volledig uiteenvallen, hout en leder krimpt en vervormt en glazen voorwerpen gaan schilferen. Indien we niet beschikken over de gepaste middelen om te bergen moeten overblijfselen in situ beschermd worden. Eens een object met lucht in aanraking komt begint de aftakeling en kan het proces niet meer teruggeschroefd worden. In situ bescherming van wrakken is iets dat in Nederland en op internationaal vlak in de voorbije 20 jaar met succes is uitgevoerd. Hierbij werden houten resten bedekt met polypropyleennetten en/of zandzakken om erosie en andere vormen van degradatie tegen te gaan (22).

WIE DOET WAT?

Verkenning van een gezonken duikboot op de Fairybank (foto H. Klerks)

bijna 100 jaar stormen en stroming trotserend. UB-20 was een UB-II klasse onderzeeboot en zonk na mijnontploffing aan de A-Zuid op 28 juli 1917. De duikboot deed een testvaart nadat herstellingen waren uitgevoerd op de werf te Brugge (21). Zeilschepen met houten constructies zullen kort na het vergaan al aangetast worden door de Teredo navalis of paalworm. Dit is één van de redenen voor het ontbreken van wrakken van goed bewaarde houten schepen in onze wateren. De activiteiten van de sleepnetvisserij hebben hierbij natuurlijk niet geholpen. Volledige sites worden gewoon doorploegd en vernield. Enkel diep begraven resten zullen deze destructie tijdelijk ontlopen. Naast het observeren en in kaart brengen van de wrakken is zowel passieve als actieve conservatie noodzakelijk. Het is uiteraard onmogelijk om

M&L

Vanuit officiële kant is het onderzoek op de wrakken slechts een deelfunctie van de Vlaamse Hydrografie. Dit instituut is voornamelijk betrokken bij het garanderen van veilige navigatie op zee en houdt zich niet bezig met de historische en archeologische achtergrond van de wrakken. In 1999 werd het Vlaams Instituut voor de Zee (VLIZ) opgericht en gevestigd in de vismijn te Oostende. Het is een autonoom instituut, met de rechtspersoonlijkheid van een vereniging zonder winstoogmerk, dat het Vlaams zeewetenschappelijk onderzoek wil bevorderen. Met het onderzoeksschip 'Zeeleeuw' wordt de kans gegeven aan mariene wetenschappers om de zee meer gedetailleerd te bestuderen. In 1992 werd het Verdrag van Malta ondertekend door de lidstaten van de Raad van Europa, waaronder ook België. Het verdrag beoogt het cultureel erfgoed dat zich in de bodem en onder water bevindt beter te beschermen. België liep tot voor


Boeg en dek van MVAIfonsoTercera (foto N. Mouchart)

Duikers gaan te water van op de MV Mo/i Jong (foto N Mouchart)

1VI&L


de huidige wrakkendatabase. Vissers geven posities door aan duikers, niet enkel om hun verloren netten te kunnen recupereren, maar ook omdat ze nieuwsgierig zijn naar wat er zich op die locatie bevindt. Het merendeel van de duikers ziet het wetenschappelijk belang in en het potentieel om meer te weten over bepaalde wrakken. Zo zijn er een aantal kustgebonden groepen die zich deeltijds en/of voltijds bezig houden met onderzoek op wrakken. Aan de westkust onderzoekt de vzw Westkust Archeologisch Duikteam (WAD) het wrakkenbestand in het De Panne-Duinkerkegebied. Deze kleine groep is mobiel en vertrekt meestal van het strand door middel van een zodiac rubberboot.

Opmetingen op het wrak van een Schnellfcoot aan de Westhinder (foto N. Mouchart)

• De MV Mahjong vaart uit voor

M&L

kort niet bepaald voorop in de regelgeving omtrent wrakken en vondsten op zee. O p 15 juli 2003 werd een maritieme cel opgericht bij het Vlaams Instituut van het Onroerend Erfgoed (VIOE). Deze dienst is geleidelijk aan meer betrokken geraakt bij het onderzoek op restanten onder de zeespiegel. Sinds 2007 is er een meldingsplicht voor gedane vondsten op sites en in de toekomst zal er ook een wettelijke bescherming komen voor geselecteerde wrakken (23). Hoewel er in de jongste jaren wat geld en mankracht is vrijgemaakt voor een beter beheer van ons onderwatererfgoed, toch blijft onze kennis gebaseerd op privé-initiatieven. Duikers, professionele bergers en vissers vormen de onderbouw van

In Nieuwpoort ligt de Blyth catamaran van de Allewerelt-familie die dezelfde zone onderzoekt, maar met verdere uitbreiding west- en noordwaarts. Een derde groep in Nieuwpoort betreft één van de pioniers uit de late jaren 1970. Fons Schoonis kon samen met beroepsvisser Luk Louwagie, schipper van N . 9 5 , veel wrakken lokaliseren en identificeren. Beiden waren onmisbaar in dit onderzoek en waren in hoge mate afhankelijk van elkaar. Een hoogtepunt was het terugvinden van het 18deeeuwse koopvaardijschip op de Buitenratelbank, een unieke site in Belgisch gebied. Hoewel geen van beiden een wetenschappelijke opleiding genoten, zagen ze er het belang van in om op een professionele manier tewerk te gaan en in 1996 werd de vzw NATA opgericht.

Duikers worden uit

onderzoek

het water gehaald

(foto N. Mouchart)

(foto N. Mouchart)


•4 Het hydrografisch schip Ter Streep laat een bijboot te water om sidescan onderzoek te verrichten (foto T. Tcrmote)

M&L


(25) waren tijdens de jaren 1980 verantwoordelijk voor de ontdekking van vele nieuwe wrakken in de kustgebonden regio. Toevalsvondsten werden voornamelijk gedaan bij de uitdieping van vaarroutes en de uitbouw van de haven van Zeebrugge. In hun vrije tijd ontdekten ze één van de oudste gekende wrakken aan onze kust, namelijk een Vlaamse kraak van circa 1510-1520. Nadat een visser was blijven haperen aan een obstakel op enkele mijl buiten Zeebrugge werd een gotische kandelaar in de netten teruggevonden. Beide duikers zagen het belang in van de site en er werd een opgraving verricht met de wetenschappelijke bijstand van het Groeninge Museum, Brugge (26). 20 jaar later zou het Maritieme Toegang worden die ontdekkingen deed bij grootschalige verdiepingswerken in het eerste scheepvaartpas en de toegang tot de Westerschelde (27).

BESLLUI

In Oostende werd het meeste onderzoek uitgevoerd met de boot Mah Jong (24). In de laatste dertig jaar is hun methode van werken geleidelijk >. aan geëvolueerd van plezierduiken tot systematisch De inplanting van wrakjjgn verkennen op een professionele wijze. Het windmolens op zee zal veel sites

•

i • i •

i

i

i

i

is

r

werkgebied is breed, 0gaande van de Kanaalengte, b 0

verstoren en verlo- over de Theemsmonding, de Britse oostkust tot het ren doen gaan Noordhindergebied en de Scheldemonding. Cen(oo . ermoe) t r a a [ o n d e ^ o e k i s hoofdzakelijk in Belgisch territoriaal gebied gelegen, met de Vlaamse Banken als onderwerp. Een vijfde groep bevindt zich eveneens te Oostende en bestaat uit een aantal vissers met interesse in de duiksport. Duikers Piet Lagast en Dirk van Mullem van de Tijdelijke Vereniging voor Bergingswerken Zeebrugge

De droom van iedere maritieme onderzoeker is om het gekend onderzees archief in zijn totaliteit te kunnen bewaren. Dit is een droom die niet realistisch is. Wrakken zijn onderhevig aan afbraak door natuurlijke elementen zoals storm, corrosie en blootstelling door de verplaatsing van zandbanken. De mens helpt mee aan de aftakeling door verwoestende visserijpraktijken, bergingswerken en verdiepingsacties. Het overblijvende patrimonium zal ook veel te lijden hebben door de versnelde bouw- en verdiepingsactiviteiten van de laatste jaren. Zo werkt de haven van Oostende aan een grote uitbreiding. De bouw van een nieuwe havendam en de verdieping van een toegangsgeul zal veel sites blootleggen en meteen ook vernietigen. Met de


komst van grotere en dieper liggende schepen zullen de vaarroutes richting Zeebrugge en Antwerpen noodgedwongen uitgegraven moeten worden. De uitbreiding van windmolenparken en de bijhorende bouw van kunstmatige eilanden zal veel nog niet onderzochte sites voor altijd doen verdwijnen.

EINDNOTEN (1)

Kaart D U , Vlaamse Hydrografie

(2)

TERMOTE T , Schatten en Scheepswrakken. Boetende onderwa-

(3)

BUNDESARCH1V, RM 45 IV/503, , Hafenkommandatur Os-

(4)

Boomkorvisserij is een visserij methode waarbij het schip aan

temrcheologie in de Noordzee, Leuven, 2009.

tende Kriegstagebuch 16/8/1942-15/02/1943.

De toenemende aftakeling van de wrakken is een duidelijke waarschuwing dat er dringend nood is aan meer bekwame mensen om ons patrimonium onder de zeespiegel gedetailleerder te bestuderen en waar nodig te beschermen. Nieuwe wetgevingen en internationale regels - zoals het Verdrag van Malta, maar ook de Unesco Conventie voor de bescherming van het onderwater erfgoed uit 2001 — pleiten voor een krachtig in situ beleid met mogelijkheden tot intrusief onderzoek dat aan strenge eisen gebonden is (28). O p zich bieden deze regels een houvast tot betere bescherming en beheer, maar dan moet er in Vlaanderen wel voldoende capaciteit zijn aan gekwalificeerde onderwaterarcheologen om die moeilijke taak te realiseren.

weerszijden een net kan voorttrekken. Deze schepen waren voorzien van stalen buizen of bomen waaraan langs weerszijden het trektouw van de netten liep. (5)

BOWENS J., Nauwkeurige beschryving der oude en beroemde zeestad Oostende, gelegen in Oostenryksch Vlaenderen, dl. I, Brugge, 1792, p. 143.

(6)

Signalement van Luk Louwagie, schipper van N.95, aan Mah Jong Submarien Onderzoek.

(7)

BAEYENS E., De verraderlijke zee. Scheepsrampen in de Noordzee,

(8)

Oostende was door de Kriegsmarine gekozen als uitvalsbasis voor

Tielt, 2002, p. 126.

de Schnellboote, of kanonneerboten, door de mogelijkheid om snelle aanvallen uit te voeren op scheepvaart voor de Britse oostkust en deTheemsmonding. Vetder waren ook Vorpostenboote en Sperrbrecher, (tot oorlogsschepen omgebouwde vissersschepen en kustvaarders), alsook in beslag genomen sleepboten, binnen-

Tomas Termote is martiem archeoloog, stichtend lid van de onderzoekseenheid Mah Jong Submarien Onderzoek en werkzaam als zelfstandig onderzoeker.

vaartschepen en jachten te Oostende, Nieuwpoort en Zeebrugge ondergebracht. Al deze schepen konden tot de "kleine eenheden" van de Duitse oppervlaktevloot gerekend worden. (9)

Slechts één enkele torpcdoboot, de G-96, verging buiten het zicht van de kust. Op 25 juni 1917 werd deze torpedoboot ge-


Klaar voor een duik in de Noordzee (foto N. Mouchart)

mijnd nadat ze op zoek was naar afgedreven doelwitboeien. BUNDESARCHIV, RM 56/135, bd. 2, p. 108. (10) HEPPER D., British Warship losses in the Ironclad Era 1860-

(20) TERMOTE T, Duinkerke en Dynamo. De evacuatie aan de hand van scheepswrakken voor de Belgische kust, Erpe-Merc, 2000, p. 59.

y?/?, Londen, 2006, p.142-143 (21) BENDERT H., Die UB-Boote der Kaiserlichen Marine 1914(11) BEZEMER K.W.L., Geschiedenis van de Nederlandse Koopvaardij 1918. Einsatz-Erfolge-Schicksal, Bonn, 2000, p. 47. in de Tweede Wereldoorlog, Amsterdam, 1990, dl 1, p. 135-137. (22) www.machuprojecr.cu - Het MACHU-project (Managing Cul(12) Het betreft hier in totaal 23 wrakken: 7 in Nieuwpoort, 11 in Oostende en 5 in Zeebrugge. (13) Sidescan sonar is een instrument waarbij meerdere geluidsgolven naar de bodem worden uitgezonden en een beeld weergeven op basis van terugkaarsing van het geluid onder een hoek. Harde reflecties tonen donker en geen reflectie toon wit, min of meer zoals de schaduwwerking van een zaklamp. Het is alsof van bovenaf een foto wordt verkregen van de zeebodem, met schaduwcontrasten. (14) VAN DER HORST A. J., Met geen drooge oogen om tesien, De ondergang van het VOC-retourschip 't Vliegend Hart tn 1735, Amsterdam, 1991, p. 11-26; Opgravingsverslag 't Vliegent Hart, VOC Anniversary Shipwreck Project 2000. (15) MILNE G., McKEWAN C. en D. GOODBURN (eds.). Nau-

tural Heritage Underwater) is een groots opgezet projecr dat in 2006 werd opgestarr russen 7 Europese landen met als doel een strategie te ontwikkelen om het erfgoed onderwater beter te beheren. (23) Wet van 9 april 2007 betreffende de vondst en de bescherming van wrakken, gepubliceerd in het Belgisch staatsblad op 21 juni 2007. Een uitvoeringsbesluit voor deze wet ontbreekt echrer nog steeds. (24) Mah Jong Submarien Onderzoek, de onderzoekseenheid van de auteur. (25) TVB bergingswerken werd opgericht door drie firma's: NV Dredging Inrernational, NV Baggerwerken Decloedt en Zoon en NV Ondernemingen Jan De Nul.

(26) PARMENTIERJ., Maritime Archaeology along the Flemish Coast. tical Archaeology on the Foreshore. Hulk recording on the Medway, The Case of the Zeehrugge-Wreck, in AGRIANTONI (ed.). MariSwindon, Royal Commission on the Historical Monuments of Engtime Technologies! Technologies Maritimes, Transactions of the 10th land 1998, s.l. (16) DEAN M., FERRARI B., OXLEY I., REDKNAP M. en K. WATSON (eds.). Archaeology Underwater. The NAS Guide to Principles and Practice, Londen, 1998, p. 128-143. (17) BUNDESARCHIV, RM 45 1V/502 bd. 2, Hafenkommandatur Ostende Kriegstagebuch 23/06/1941. (18) HYDROGRAFIE, Dossier, Wl/1, vliegtuigresten voor Mariakerke, 1963. (19) TIJDELIJKE VERENIGING VOOR BERGINGSWERKEN, wrakonderzoek vliegtuigresten BI 13/251, 18/04/1989.

International Conference ofTICClH (The International Committee for the Conservation ofIndustrial Heritage), June 1997. Athene: TICCIH (Greek Section), 1997, p. 233-237. (27) Dit zijn uiteindelijk maar enkele van de amateurs en professionelen uit de maritieme wereld die bijgedragen hebben aan de opbouw van onze huidige kennis van de wrakken. (28) De Vlaamse regering heeft het voorontwerp van decreet dat instemt met de UNESCO-conventie over de bescherming van het onderwatererfgoed intussen principieel goedgekeurd.


Petra

Boekstal

HET VOORMALIG 'KASTEEL VAM GROENENDAAL': HERBESTEMMING EN RESTAURATIE NAAR EEN 18de-EEUWSE ONTWERPTEKENING •

Gevelsteen met opschrift lapiim HtincposurtJ. Nuewens Procurator het chronogram is te dateren 1782 (foto 0. Pauwels)

Enkele maanden

vóór de oplevering

van het voormalige van Croenendaal, Croenendaal',

wagenhuls

van de priorij

gekend ah het 'kasteel

leidden

twee gevelstenen

tot dan onder de grond verborgen een exactere vroegste

en betrouwbare

bouwfase

De gevelstenen

In 2009

zijn voorzien

met een chronogram. stenen bevestigden

die

zaten,

datering

van het gebouw

Deze sluiten meer dan tweehonderd

later nog altijd perfect hoeften

van behuizing

jaar

aan bij de huidige van het

be-

Agentschap

voor Natuur en Bos.

tot

van de

SITUERING EN GEOGRAFIE

(1).

van een

Inscriptie

De data van deze de gegevens

van

tes.

uit de

geveleerdere

archiefvondsten.

Zowel de archieven als ont-

werptekeningen

uit de 18''' eeuw

Informeren

ons over de functies van de verschillende

ruim-

Croenendaal ligt aan de rand van het Zoniënwoud, op 7 km ten zuidoosten van Brussel. Het gehucht maakt deel uit van de gemeente Hoeilaart in Vlaams-Brabant. Het Zoniënwoud vormt zowel het meest uitgestrekte bos van de Brabantse Leemstreek, als het grootste beukenbos van België. De IJse ontspringt er op een diepte van circa 60 a 70 meter en deed aan de rand van het woud een


vallei ontstaan die ooit de naam Viridis Vallis droeg. Het zal duidelijk zijn dat de aanwezigheid van de IJse voor een vochtige omgeving zorgt. Het Zoniënwoud werd in 1959 beschermd omwille van de historische, esthetische en wetenschappelijke waarden (2).

DE TOESTAND VOOR DE HUIDIGE WERKEN

• Het Chateau de Groenendael, olieverfschilderij, gesigneerd Joseph Francois, 1912 (priïé bezit)

Toen de laatste huurders, de Brusselse Bridgeclub, in 2004 het Chateau de Groenendael verlieten, stond het gebouw er bouwvallig bij; de bescherming als monument op 1 oktober 1998 had dit niet kunnen verhinderen. Het pand was ongeveer 150 jaar verhuurd geweest, eerst aan een jachtvereniging en vervolgens aan de in de streek gekende familie Rose. Deze baatte het gebouw uit als restaurant, later ook als hotel. Tot 2004 hing er boven de trap in de hal van het voormalig 'kasteel' een fraai olieverfschilderij uit 1912, gesigneerd Joseph Francois (3). Het illustreerde hoe het kasteel destijds door de deftige Brusselaars bezocht werd als rustgevende plek die uitnodigde tot verpozing in het bos. In de loop der jaren vonden tal van verbouwingen plaats. Zo hadden de uitbaters tegen de gevel die uitkijkt op de Duboislaan een veranda en gietijzeren luifel laten oprichten. Aan de zuidzijde had men tegen het 18 e -eeuwse gebouw een nieuw volume opgetrokken, met daarin alle hotelkamers en sanitaire voorzieningen.

Bij de huidige herinrichting opteerde de bouwheer voor de sloop van de 20 ste -eeuwse toevoegingen en de terugkeer naar het 18 e -eeuws volume. Voor deze ingreep kon men zich namelijk baseren op betrouwbare historische bronnen. Na het vertrek van de bridgeclub liet de Vlaamse overheid diverse vooronderzoeken uitvoeren. De bouwhistorische studie vond plaats in 2004 en in de zomer van 2006 werd er, tijdens de verbouwingswerken, een noodopgraving uitgevoerd op de plaats waar een nieuwbouw zou worden opgericht.

DF QNSTAANSGESCHIFDENIS VAN DE PRIORIJ VAN GROFNFNDAAL De stichting van de priorij van Groenendaal gaat terug op een schenking van hertog Jan II van Brabant in 1304. De contemplatieve kanunniken van de priorij van Groenendaal volgden de orderegel van Sint-Augustinus. Traditioneel worden drie namen aan de stichting verbonden, namelijk deze van de kanunniken Vranck van Coudenberg, Jan Hinkaert en Jan van Ruusbroec (1293-1381) met wiens geschriften de roem van Groenendaal onlosmakelijk is verbonden (4). Uit de bronnen is bekend dat er kort na de stichting rond 1344 een kapel werd ingewijd. Waarschijnlijk vond er een geleidelijke bouwontwikkeling plaats, want pas vanaf circa 1400 stond er een kloosterkerk. In 1435 ging de priorij door onoplettendheid van één van de bewoners in vlammen op (5). Na de brand bracht men de verkoop van aflaten op gang om de nieuwbouw en wederopbouw van de priorij te helpen financieren. De kerk werd in de periode 1467-1483 vergroot (6).

BEKNOPTE BOUWGESCHIEDENIS VAN DE PRIORIJ De priorij kreeg voor haar uitbouw uitgebreid steun van de hertogen van Brabant. Zowel in de 15 e als 16 L eeuw kwamen meermaals hooggeplaatste gasten op bezoek. Bezoekende vorsten bedeelden de priorij dan ook rijkelijk en zo werd de priorij niet alleen grootgrondbezitter maar groeide zij ook uit tot een belangrijk intellectueel centrum in Brabant. Ook Keizer Karel was een regelmatige gast in Groenendaal. Tijdens zijn laatste verblijf in 1556 was hij er in het gezelschap van zes gekroonde hoofden (7). Filips van Kleef, heer van Ravenstein, zorgde er voor dat de vele hooggeplaatste gasten in Groenen-

M&L


Het grootste deel van de priorij werd dus in 1786 gesloopt. De uitgebreide registratie van te verhandelen bouwmaterialen vormt een interessante bron van informatie. In 1787 wilden twee slopers hun contractuele verplichting tot afbraak van de kerk nakomen, maar het politieke klimaat in de Zuidelijke Nederlanden was intussen zo veranderd dat er verzet rees tegen de opheffing van de priorij. Een ingewikkelde situatie ontstond, waarbij dankzij de tussenkomst van prior Van Wilder de sloop van de kerk verhinderd kon worden.

daal in een passend gebouw ondergebracht konden worden. In 1519-1520 liet hij er de aula impemtoris, de keizerszaal of 'huis van Ravenstein' oprichten. Deze zaal lag in het verlengde van de kerk en verschafte via een smalle doorgang directe toegang tot het koor van de kerk. Vanaf 1570 gebruikte men de keizerszaal steeds minder, waardoor deze langzaam in verval geraakte. De aartshertogen Albrecht en Isabella bezochten Groenendaal regelmatig en droegen bij tot de herstelwerkzaamheden aan diverse gebouwen, waaronder het huis van Ravenstein (8). Vanaf het eind van de 17 c eeuw raakte het klooster in verval. In 1728 werd de keizerszaal gesloopt. Een zelfde lot trof de kleine pandhof van het klooster: het exacte tijdstip van die afbraak is niet bekend maar op de Ferrariskaart uit 1777 staat deze niet meer ingetekend. De sloop is dus niet aan de opheffing van het klooster in 1784 toe te schrijven. Het is onder de laatste prior, Andreas Van Wilder, dat de monumentale priorij in opeenvolgende stadia wordt afgebroken (9). De eerste opheffing van de priorij van Groenendaal vond plaats onder Oostenrijks bewind, in uitvoering van het edict van Jozef II van 17 maart 1783 die besliste dat dit een nutteloos klooster van een contemplatieve orde was (10). Aangezien er niet direct een herbestemming voor de gesupprimeerde priorij voorhanden was, ging men over tot de ontmanteling van een aantal bouwsels. Slechts enkele panden kregen een nieuwe bestemming, waaronder een gebouw dat als verblijf voor de inspecteur en de boswachters van het Zoniënwoud ingericht werd.

Tijdens de Franse Republiek werd het klooster op 26 februari 1795 voor de tweede maal opgeheven. O p 16 oktober 1798 werd er een proces-verbaal opgemaakt van veiling van het nationaal domein, met inbegrip van de priorij van Groenendaal. Tien dagen later kocht ene M. Mercier uit Brussel het domein aan voor 408.000 gulden. Enkele jaren later verkocht Mercier het goed aan de Brusselse notaris Coppyn. Vanaf 1822 was het domein samen met het woud eigendom van de Algemene Nederlandse Maatschappij, de A N M . Met de onafhankelijkheid van België in september 1830 werd de A N M omgevormd tot Generale Maatschappij van België. Deze bleef tot 1842 eigenaar van het Zoniënwoud, inclusief de voormalige priorij. Datzelfde jaar droeg de Generale Maatschappij van België het woud over aan de Belgische staat.

RECENTE GESCHIEDENIS Ingevolge de staatshervorming van 1980 dienden delen van het Zoniënwoud (onder andere het Park van Tervuren, de Renbaan van Groenendaal en het 'Kasteel van Groenendaal') aan het Vlaamse Gewest overgedragen te worden. Deze overdracht liet lang op zich wachten, niet in het minst omdat op het 'Kasteel van Groenendaal' een uitzonderingsregel van toepassing was (11). O p 17 juli 2001 werd het domein door een verkoop eindelijk eigendom van de Vlaamse overheid, meer bepaald de Administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer, Afdeling Bos en Groen (12). Het agentschap Natuur en Bos huist sinds het voorjaar 2009 in het gerestaureerde 'kasteel'.

EEN GRAVURE UIT 1649 O m een idee te krijgen van het gebouwenbestand vóór de opheffing van de priorij, wordt een representatieve afbeelding uit de hoogtijdagen van de

De oulo im()erotoris of het huis ran Rovenstein of. De geaquarelleerde tekening illustreert de werken rond l623-'24 ( © ARAB, Ouvrages de ia Cour 360) (foto 0. Pauwels)


vulgi> dotntmiadi Momderium OixünisCinoBicorumReguWiam S. Auguftini in Sjrlv* J

"'Vim .IL

-# «• M—iirt * f t » « * ( C*m«»« R ^ m A J AK^W», * I M k B«I de Soigne. Cl fit tr"*"*"*

Primitui Eretnitomun fait Joïnnis i Befn, cui Joanno II Brabantia: I

f » ™ * * ' * ' * ^ t T ' ï ' B H - V i t t i . . pmwl^k C t M ^ t b , n cco KU»A<r .ui dt Orden dei Rfg-ulr-m Kjno» I

-.'Hl-;,,.

Vji'luiioa!)

i-ag. 06. 67.

Prent van Hollar (1649) uitWautcrs, A., Histoire des Emwons de Bruxefa, livre 96, Brussel, 1973, p. 538-539 (foto H. Denis)

priorij besproken: de 17 e -eeuwse gravure van Hollar uit 1649, waarop de verschillende gebouwen aan de hand van de legende kunnen geïdentificeerd worden. In het centrum van de afbeelding staat de kerk (nr. 1) met ernaast een kloostergang (nr. 2) waarin de bibliotheek ondergebracht is. Ten noorden van de kerk ligt het grote kloosterhof met eronder het kleine kloosterhof. De aula imperatoris kan achter de kerk en langs de vijver herkend worden. Enkele brandgevoelige gebouwen zoals de keuken (nr. 9) en de brouwerij (nr. 18) bevinden zich iets verder af van de hoofdgebouwen, in de nabijheid van de boomgaard.

De plaats van het neerhof rechts op het voorplan is belangrijk omdat op die plek later het wagenhuis zal gebouwd worden. O p deze prent is te zien dat het neerhof uit vier gebouwen bestaat, waaronder het poortgebouw aangeduid met nr. 19. Het gebouw (nr. 20) noemt men korenschuur en (nr. 21) is aangeduid als schuur (13).

DF FFRRARISKAART VAN 1777 O p de kabinetskaart van graaf de Ferraris, een chorografische kaart van de Oostenrijkse Nederlanden, is het domein van Groenendaal goed herkenbaar.


Plan des Bötiments du Prieuré Su/)f)rimé de Graenendol,

il

te dateren omstreeks l783-'86 ( © ARAB, Kaarten, plannen in handschrift (eerste recks), 2171) (foto 0. Pauwels)

3

_lBw miiwuwflmi iï

iir • *

*» «t- J *

I

"

I ;

I •

N 4-

%

• Ar// 't w * Kiliiiit IL

f':' h IJL.J

.,

II ,

M&L


EEN EERSTE ANONIEM, NIET GEDATEERD PLAN ci

N 4-

6 •»

I

u

J 6 'i

• Detail van het wagenhuis met knechtenverblijf uit het Pion des Bötiments du Prieuré Supprimé de Groenendol (foto O.Pauwels)

Ook de landerijen van de priorij en de verschillende vijvers zijn in kaart gebracht. O p de plaats of in de nabije omgeving van de plek waar het wagenhuis komt te staan, kunnen een aantal volumes waargenomen worden, maar over de exacte vorm bestaat onduidelijkheid. Dikwijls suggereren auteurs op basis van de Ferrariskaart dat het classicistische gebouw aan het einde van de jaren 1770 gebouwd moet zijn (14). Door de vondst van het hoger vermelde chronogram weet men echter dat het initiële gebouw rond 1782-1783 opgericht is. De archieven tonen tevens aan dat het gebouw in 1786 nog niet voltooid was. Aangezien het wagenhuis, het latere 'kasteel van Groenendaal', rond de jaren 1782 gebouwd is, ligt de nadruk op het 18 e -eeuwse iconografische materiaal (15). De verbouwingswerken in het classicistische gebouw kunnen namelijk tot in de kleinste details geïllustreerd worden aan de hand van drie ontwerptekeningen uit die periode.

M&L

Drie plannen verschaffen interessante gegevens over de bouw- en sloopfasen van de priorij. Een belangrijk, ongedateerd (circa 1784-1786?) en niet gesigneerd plan illustreert welke gebouwen er kort na de opheffing van de priorij nog stonden (16). Het plan heeft als opschrift Plan des Biïtiments du Prieuré Supprimé de Groenendal (17). De legende licht ons in over de aard van de gebouwen. Het wagenhuis met knechtenverblijf (nr. 6) werd gebruikt als dienstgebouw voor paarden, koetsen en personeel. O p deze tekening is te zien dat het langgerekte pand uit twee entiteiten bestaat. Het oostelijk gedeelte van het gebouw sluit aan op een uitspringend rechthoekig volume. In dit gedeelte zijn geen binnenmuren aanwezig. De openingen bevinden zich aan de zuidkant; de noordkant van het gebouw bestaat uit een gesloten muurvlak. Tussen het oostelijke en het westelijke deel van het gebouw is een opening zichtbaar, waarschijnlijk de doorgang voor koetsen. Het westelijke deel van het gebouw is opgedeeld in vijf binnenruimten en wordt aan de noordkant afgesloten door een uitspringende rechthoek. De vorm is niet identiek aan die van de monumentale toegang in het oosten. De openingen van het westelijke bouwvolume bevinden zich aan de noordkant en er lijkt meer aandacht aan de binnenafwerking geschonken te zijn. Een aantal moeilijk waarneembare potloodlijnen geven aan dat men toen al veranderingen in dit volume wenste aan te brengen. Deze eerste tekening in potlood en akwarel geeft tevens een idee van de aard van de gebouwen die destijds nog tot het gebouwenbezit van het opgeheven klooster behoorden. O p dit plan staat genoteerd dat een aantal bijgebouwen in de nabijheid van het wagenhuis gesloopt moesten worden. Dit was ondermeer het geval voor de volumes ten noorden en zuiden van het wagenhuis aangeduid met nr. 18. Enkele andere nieuwe elementen richten zich op de omheiningmuur met een opening aan de zuidkant en verder zien wij het achthoekig bassin (nr. 5) op de cour d'Entrée. Dankzij dit plan weten wij dat het classicistische dienstgebouw werd opgericht door de kloostergemeenschap. O p basis van de teruggevonden inscripties (chronogrammen) mogen wij nu aannemen dat het gebouw in 1782 werd opgericht. Als stichters worden zowel prior Van Wilder als de pro-


curator of financiële beheerder J. Nuewens vermeld. De inscriptie waarop Van Wilder genoemd wordt bevindt zich op een prominentere plaats, aan de noordoostkant van de monumentale uitbouw van het oostelijke gebouw.

EEN TWEEDE NIET GEDATEERD ANONIEM PLAN Het tweede ongedateerde en ongesigneerde document is een aquarel. Zoals ook uit de titel van het werk blijkt Carte thopographique Du prieuré Supprimé de Groenendal et de les Environs, is het document gemaakt ten tijde van de opheffing van het klooster, mogelijk rond 1783-'86. Deze grote afbeelding geeft zowel een beeld van het gebouwenbestand binnen de ommuring van de priorij, als van het landschap erbuiten (18). De kaart vormt een betrouwbare bron. Ten noorden van gebouw B {Bcitiment neuf pour des Remises) loopt een pad (nr. 5) langs At jardinpotager zzngtAmA met nummer 6 (19). Het valt op dat gebouw B hier als één gebouw is afgebeeld. De brouwerij en schuur onder C beschreven als Vieille Brasserie en Grange a démolir moeten volgens de legende gesloopt wor-

den. O p deze topografische kaart schenkt men veel aandacht aan de vijvers. Daarnaast had de kaartmaker oog voor de aanleg van de tuin, waarbij vooral het zigzagpatroon van de barok aandoende hellingbanen op het talud naar een open plek in het hoger gelegen bos opvallen. Ook de dreef van Onze-Lieve-Vrouw van Loreto die logischerwijze naar de kapel van Onze-Lieve-Vrouw van Loreto voert, is prominent afgebeeld.

EEN DERDE NIET GEDATEERD ANONIEM PLAN In het rijksarchief in Brussel bevindt zich het interessante Plan d'une partie du terrain du prieuré supprimé de Groenendael, waarvan de mogelijke datering rond 1786 nauw aansluit bij de hierboven beschreven afbeelding (20). De tekening geeft het terrein en de gebouwen op het voorhof, de cour d'Entrée weer. Het gebouw aangeduid met de nummers 2 en 3 vormt het onderwerp van deze bijdrage. Er staat expliciet vermeld dat het gebouw onder nummer 2 nieuw is en nog niet afgewerkt. In een brief, gedateerd 29 april 1786, staan de verschillende waarden van de grond en de gebouwen geno-

• Corte thopograp/iique Du prieuré Supprimé de Groenendol et de les Environs, te dateren omstreeks l783-'86 ( © ARAB, Kaarten, plannen in handschrift (eerste reeks), 2172) (foto 0. Pauwels)

-

V

1

k

^*~?*

• IV i

_

1VI&L


- J

Plan ö'un portie du terra/n du pneuré suppnme de Groenendoel, te dateren omstreeks 1786 ( © ARAB, comité voor de rellgiekas, 406) (foto 0. Pauwels)

• Pion d'un Botiment déstiné a l'usoge des officiers de la foret de Soigne et aia logement d'un

teerd. De waarde voor het gebouw met nummer 2 bedraagt \2Q0 florins. Het aanpalende gebouw onder nummer 3 werd slechts op 60 florins geschat en zou bovendien gereed zijn om gesloopt te worden. Dit is merkwaardig aangezien wij door de twee chronogrammen weten dat beide gebouwen in hetzelfde bouwjaar 1782 gedateerd kunnen worden (21). Twee zaken vallen hierbij op. Ten eerste wordt hier expliciet over twee gebouwen gesproken en ten tweede is er een significant verschil in waarden tussen de gebouwen. Bovendien noteerde men dat gebouw nummer 3 gesloopt zou moeten worden. Deze tekening werpt daardoor een nieuw licht op het westelijke te slopen volume (22). De drie 18 -eeuwse kaarten informeren ons over het domein, de functie van het wagenhuis en de nabij gelegen gebouwen. De drie hierna te bespreken onrwerpschetsen tonen op een gedetailleerde manier de verbouwingen die plaatsvonden aan het wagenhuis.

inspecteur et d'un forestier. Dit werk is getekend in inkt en toont het volledige gebouw, inclusief de veranderingen op de

DRIE ONTWFRPSrHFTSEN UIT DE PERIODE 1 7 R f i - 1 7 8 8

eerste verdieping van het hoofdgebouw ( © ARAB, Omrages de La Cour, 364) (foto 0. Pauwels)

M&L

Er bestaan drie ontwerpen die de verschillende fasen van de verbouwingen aan het wagenhuis nauwgezetter illustreren. De tekeningen zijn andermaal niet gesigneerd of gedateerd en werden in verschil-

lende technieken uitgevoerd. De vroegste en voor dit gebouw interessantste en belangrijkste ontwerptekening draagt het opschrift Plan d'un Batiment déstiné a l'usage des officiers de la foret de Soigne et aux logement d'un inspecteur et d'un forestier (23). Het document is getekend in inkt en toont het volledige gebouw, inclusief de veranderingen op de eerste verdieping van het hoofdgebouw. Het gebruik van kleuren verduidelijkt bovendien de oprichting of afbraak van muren: de roodroze kleur verwijst naar bestaande muren, de gele kleur verwijst naar nieuw op te richten muren. Dit belangrijk ontwerp verschaft veel informatie en het lijkt daarom gegrond deze tekening meer in detail te bespreken (24). Bij de behandeling van het Plan des Bdtiments du Prieuré Supprimé de Groenendal werd al gesuggereerd dat het gebouw uit twee volumes bestond. Uit dit ontwerp blijkt dat er in deze tijd in het oostelijke gebouw vooral binnenmuren worden opgericht. Hierdoor ontstaan er nieuwe ruimtes in het oostelijk deel van het gebouw die te identificeren zijn aan de hand van hoofdletters. De hoofdletters verwijzen naar de opeenvolgende vertrekken. A is de vestibule met een trap die in verbinding staat met de verdieping waar zich de slaapkamer van de commissarissen bevindt. B is de kamer voor de commissarissen en C is de ruimte


A Bt'Tl

}• <»•

H . f

/

•

XL MN

S

"f"'- 3*t* $ meX ,S/^ i £

Tj

?• & S. T

•

/

<< i

.».

« t » « i * , V< / z

cj . . - ' , ' . ^ , ,

li ,

VI

Hi

.;

il-

n /

-> N


•i

voor het personeel. D is de ruimte voor de koetsen, E is de houtopslag voor de inspecteur, F is de paardenstal, G de keuken van de inspecteur en H de trap naar de zolder en kelder. Aan de noordkant (Duboislaan) van het gebouw bevonden zich vier gevelgeledingen in de muur in ruimte D, F en E. O m d a t deze niet over de volledige muurbreedte doorlopen, weten we dat het hier niet om ramen ging. De huidige restauratie heeft deze toestand na de sloop van de veranda en luifel op een gelijkaardige wijze gereconstrueerd.

T

De ingrijpende veranderingen die op de eerste verdieping van het hoofdgebouw uitgevoerd moesten worden, staan links op de tekening afgebeeld en de kamers worden er aangeduid met kleine letters. O p deze verdieping worden veel tussenmuren opgericht. Door deze nieuwe indeling ontstond er nood aan schouwen en ramen. In de kamers a, b, c, d, e, f konden de woudcommissarissen, de officieren en hun personeel wonen voor de duur van hun opdrachten in het Zoniënwoud. De toegang naar de eerste verdieping verliep via het trappenhuis A op de begane grond. Op deze verdieping is een korte gang (h) zichtbaar die verlicht wordt door een drietal ramen. Kamer (i) bevond zich aan de westkant van de eerste verdieping en was voorbestemd als kamer voor de inspecteur. De toegang tot deze ruimte, was slechts mogelijk via de op de begane grond gelegen trap (h) aan de westkant van het eerste gebouw.

O p het plan staan de cijfers X en XI vermeld in het oostelijk deel van het gebouw. De cijfers verwijzen naar de afdekking en afwerking van de verdieping, zoals: mais il ni a ni gittes, niplanches, ni chassis, ni partes. Daaruit kan met enige stelligheid afgeleid worden dat de bovenverdieping van het gebouw in de voorafgaande periode nog in gebruik was. De letter T verwijst naar de plaats waar een waterpomp geplaatst moest worden, omdat daar een bron aanwezig was. Deze waterput is nog altijd in situ aanwezig (25).

VERDERE FUNCTIES VAN DE KAMERS IN HET WESTEIMK AANPALENDE LAGERE GEBOUW

In de ruimte op de begane grond waar zich op dit ontwerp de kamers J en K bevinden, plaatste men destijds een nieuwe tussenmuur; deze omgeving komt overeen met de ruimte die op het Plan des Batiments du Prieuré Supprimé de Groenendal als koetsopening werd geïnterpreteerd.

Deze tekening informeert ons ook over de functies van de kamers in het westelijk deel van het gebouw. Over dit gebouw schrijft 'de architect' dat het dient als huisvesting voor de inspecteur en boswachter. Boven de begane grond van dit gebouw zou alleen een zolderverdieping komen.

Het voormalig koetshuis met het in leisteen herlegde dak en de nieuwe schouwkanalen, de opnieuw opengemaakte doorgangen en het laadvenster in de noordelijke gevel (foto 0. Pauwels)

M&L


^^^H^HH^^ '^

Nr. 159 Bijlage bij MaL 29/1 jan.-feb. 2010

^^|

• 1

Ir K

H

| —

|K

' *_

•

m%;-y^

Sf.k. ï

iB^ffn

^ <

P^ ^

^

(ü m*}

r J David Oyens, De teekening, olieverf op doek, privéverzameling ( © Peter Cox)

^

^ •••••

Pü


B1NNENXRA1MT

Ruimte en Erfgoed Sarah de Meyer VLAAMSE MONUMENTENPRUS

?nio OPROEP TOT KANDIDATEN Met de Vlaamse Monumentenprijs valt elk jaar een persoon, een privéof openbare instelling in de prijzen voor een recente verwezenlijking op het vlak van monumentenzorg, landschapszorg of archeologie. In elke provincie wordt een laureaat geselecteerd die een bedrag van 2.500 euro wint. De uiteindelijke winnaar van de Vlaamse Monumentenprijs ontvangt daarbovenop een bedrag van 12.500 euro en krijgt de verdiende mediaaandacht. Minister Bourgeois heeft de Vlaamse Monumentenprijs vorig jaar toegekend aan de restauratie en renovatie van het stedelijk zwembad De Veldstraat in de Antwerpse Stuivenbergwijk. Dit art-deco complex werd kwaliteitsvol gerestaureerd tot een modern zwembad en uitgebreid met een hamam en badenhuis. Door een respectvolle integratie van moderne technieken in een historisch kader werd voldaan aan de hedendaagse eisen op gebied van veiligheid en hygiëne. Het project getuigt van een harmonieuze combinatie van oud en

Winnaar2009: totaalrestauratie van het Antwerpse zwembad en stoombadencomplex De Veldstraat (^Frederik Vercruysse)

M&L

nieuw, met behoud van de sociale en recreatieve functie en aandacht voor de monumentale waarde van het gebouw. De andere laureaten waren de ontsluiting van de site van de duizendjarige eik te Lummen, de herinrichting van de castrale motte De Hoge Wal te Evergem, de restauratie van de sacristie van de Sint-Servatiuskerk te Grimbergen en het project rond de luchtfotografische prospectie in de gemeente Zedelgem. Bij de beoordeling gaat bijzondere aandacht naar duurzame realisaties met verdiensten op de volgende terreinen: • goed beheer van het onroerend erfgoed (door onderhoud, restauratie, consolidatie en herstel); • een evenwichtig en multifunctioneel gebruik, aandacht voor een duurzame, territoriale ontwikkeling; • een hedendaagse omgang met het onroerend erfgoed, bijvoorbeeld door een gepaste nieuwe bestemming, het gebruik van nieuwe technieken, de interactie met een nieuw ontwerp; • brede ontsluiting van het onroerend erfgoed en speciale aandacht voor sensibilisering en educatie; • interactie van het onroerend erfgoed met andere beleidsdomeinen zoals cultuur, ruimtelijke ordening, leefmilieu en toerisme. De projecten worden beoordeeld op basis van de kandidatenfiche die u vindt op www.onroerenderfaoed.be of aanvraagt op onderstaand adres. Kent u een project dat volgens u de Vlaamse Monumentenprijs verdient? Stuur deze fiche dan, volledig ingevuld en samen met minstens 8 representatieve foto's van de toestand voor en na de ingrepen (bij voorkeur digitaal), naar: Departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed Afdeling Stedenbouwkundig Beleid en Onroerend Erfgoedbeleid Koning Albert ll-laan 19 bus 10 1210 BRUSSEL E-mail: onroerenderfaoedbeleidO) rwo.vlaanderen.be Deelnemen kan tot en met 12 maart 2010.

Meer informatie over het reglement en het verdere verloop van deze wedstrijd vindt u op www.onroerenderfgoed.be of via 02/553.83.34

Literatuur Marjan Buyle

KERK EN KAPITTFI VAN TONGEREN Over deze belangrijke basiliek is uiteraard al één en ander verschenen. De auteur Anne-Marie Scheepers focust in deze twee lijvige boekdelen op de periode vanaf 1677, het jaar van de Grote Brand van Tongeren, tot aan de Franse revolutie aan het einde van de 18de eeuw. Het imposante bouwwerk, de oudste kathedraal van het eerste bisdom van de Nederlanden, is tevens de eerste Mariakerk die opgericht werd ten noorden van de Alpen. De geschiedenis van de kerk en het kapittel in de 17de en 18de eeuw wordt verankerd in de politieke en maatschappelijke context. Van oudsher behoorde Tongeren tot het prinsbisdom Luik, dat deel uitmaakte van het Heilig Roomse Rijk der Duitse Natie. De recente opgravingen, waarover in 2009 uitgebreid bericht werd in MEtL, jg. 28, nr. 1, januari-februari 2009, leverden al enorm veel gegevens op over de vroegere bouwsels op die plek van de Romeinse periode tot en met de huidige gotische kerk. De geschiedenis van de kerk wordt gestoffeerd met talloze archiefvermeldingen, zowel over het gebouw als over de rijke inboedel en aankleding van het interieur. Hier komen zowel het verdwenen doksaal als de klokken, koorbanken, altaren en tochtportalen aan bod. In het tweede deel wordt vooral ingegaan op de eredienst en op de voorwerpen die daarbij horen: kalenders en muziekboeken, liturgisch textiel en vaatwerk. Terecht wordt


B 1 N N E N K R A N T

grondig ingegaan op de belangrijke reliekenschat van de basiliek, met bijhorende reliekhouders in metaal en textielen. Een aantal relieken werd tijdens luisterrijke processies aan het volk getoond.

Joost Caen

GEBRANDSCHIIDFRDF MEDAILLONS

Ook de structuur en de werking van hetTongerse kapittel in die periode wordt onderzocht aan de hand van archieflijsten, reglementen, heraldische wapens en portretten. Al in de 13de eeuw vertrokken de kanunniken uit het klooster en betrokken mooie grote huizen in de stad zelf. Nog steeds zijn een tiental van deze indrukwekkende en typische kanunnikenhuizen bewaard. Beide boekdelen zijn overvloedig gestoffeerd met mooie illustraties en archiefbeelden. Vooral de reliekenverzameling bewaart zeldzame en merkwaardige kunstvoorwerpen in hout, metaal, email, textiel, die nog veel te weinig gekend zijn. De plannen voor het inrichten van een aangepaste schatkamer kunnen dus alleen maar toegejuicht worden. De combinatie hiervan met de aangekondigde museumkelder zullen dit centrale bouwwerk van de Tongerse binnenstad nog meer luister geven.

SCHEEPERS A.-M., Tussen brand en revolutie. De collegiale kerk en het kapittel van Onze-Lieve-Vrouw te Tongeren 7677-7797, 2 dln., Tongeren, 2009.

naam van de eigenaar, de locatie en zo mogelijk een foto.

joost.caen@skynet.be en/of k.berserik@ziggo.nl.

Herman van den Bossche

RFTWFFN GARDEN AND CITY

De inventarisatie van gebrandschilderde medaillons en ander kleinglas in het Vlaamse Gewest, van de 15de tot het einde van de 18de eeuw, kadert in de activiteiten van het Corpus Vitrearum en geniet de steun van de Vlaamse Overheid. Een eerste deel van deze inventaris werd reeds besproken in MEtL, jg. 27, nr. IJanuari-februari 2008, Binnenkrant, p. 5-6. Deze kleine glasraampjes (meestal is de grootste maat niet meer dan 25 cm) hebben veelal een religieuze voorstelling. Ook mythologische thema's en personificaties komen voor. Verder zijn er ook veel ruitjes met volkse taferelen en wapenschilden. Hun vorm is aanvankelijk rond, maar later duiken ook rechthoekige, ruitvormige en ovale medaillons op. Ook andere vormen treft men sporadisch aan. Joost Caen en Cees Berserik, de auteurs van deze inventaris, doen hierbij een oproep om dergelijke ruitjes via E-mail te signaleren, samen met de

In Between Garden and City onderzoekt Dorothée Imbert de carrière van de Belgische landschapsarchitect Jean Canneel-Claes (1909-1989), waarbij ze hem zijn terechte plaats geeft in de Moderne Beweging. Met zijn theoretische stellingnamen en vernieuwende ontwerpen probeerde Canneel de opkomende landschapsarchitectuur op één lijn te brengen met de architectuur en de stedenbouw. Hij probeerde ook de mogelijkheden aan te tonen die de landschapsarchitectuur biedt om aan de noden van de moderne maatschappij tegemoet te komen. Canneel studeerde aan de La Cambre - Imbert beschouwt La Cambre als het Belgische equivalent van het Bauhaus - bij de landschapsurbanist Louis van der Swaelmen en haalde in 1931 als eerste het diploma van landschapsarchitect. In zijn ijver om architectuur en tuinarchitectuur dichter bij elkaar te brengen liet hij Le Corbusier een ontwerp voor zijn eigen woning maken dat hij niet liet uitvoeren en werkte hij nauw samen met de prominente Belgische architecten uit de moderne Beweging als Louis Herman De Koninck, Huib Hoste en Victor Bourgeois. Omdat hij de tuin als onderdeel van een groter ontwerpgeheel zag, breidde Cancel zijn werkterrein uit tot stedelijk groen en stadsplanning.

Hij leerde zijn Britse evenknie Christopher Tunnard kennen en samen richtten zij in 1938 de International Association of Modernist Garden Architects en verspreidden zij het landschapsmodernisme doorheen Europa.

1V1&L


B 1 N N E N K R A N T

cus Hans Hahnloser. Sinds 1956 wordt het Corpus Vitrearum gepatroneerd door de Internationale Academische Vereniging, die de werking en de publicaties van de nationale comités ondersteunt.

Colloquia

Madeleine

Manderyck

IHE ART OF COLLABORATION. STAINFD-niASS rnNSFRVATION IN THE ? 1 S T CENTURY

Twee jaar later paste Canneel zijn theorie van de functionele tuin toe op begraafplaatsen, sportterreinen, stadsplantsoenen. Canneel werd niet vervolgd voor zijn professionele activiteiten tijdens de oorlogsjaren, een werkte een aantal jaren in Belgisch Kongo waar hij tuinen van koloniale, stedelijk groen en tuinsteden ontwierp. Op de achterflap schrijft Jean-Louis Cohen van het Institute of Fine Arts van New York University: "An original work that sheds light on the overlooked modernist Belgian scene, focusing on the work of the remarkable landscape architect Jean Canneel-Claes. Thnaks to Dorothée Imbert's solid new interpretation and the exciting visual materials found in the archives, the genealogy of the modernist landscape in Europe is significantly clarified." Jane Amidon van de Ohio State University schrijft: "Canneel's practice reveals the impact of sociopolitical forces on the design and planning professions in pre- and postwar Europe. Imbert writes with a clear, compelling, fluid style that is incisive, instructive, and makes it a pleasure reading this book."

Dorothée Imbert, Between Garden and City. Jean Canneel Claes and Landscape Modernism, University of Pittsburgh Press, Pittsburgh, 2009, 277 p., ISBN 978-0-8229-4370-9 www.upress.pitt.edu

1VI&L

Van 31 mei tot 4 juni 2009 vergaderden in New York het Forum for the Conservation and Restoration of Stained-Glass Windows en het International Committee of the Corpus Vitrearum for the Conservation of Stained Glass. De idee voor de oprichting van een Corpus Vitrearum, de inventaris van de glasramen, is ontstaan naar aanleiding van de demontage van de meeste historische glasramen in Europa in de aanloop van de Tweede Wereldoorlog. De naoorlogse restauraties en enkele tentoonstellingen (Rotterdam 1952 en Parijs 1953) brachten het historische glasraam in de belangstelling. Het project Corpus Vitrearum MediiAevi werd op Europees vlak opgezet onder impuls van de Zwitserse kunsthistori-

New York, St.-Patrick's Cathedral, architect James Renwick, 1864-1865. Glasramen uit de jaren 1870, reeds oorspronkelijk geconcipieerd met beschermende buitenbeglazing

Omdat samenwerking tussen historici, restauratoren, chemici en natuurwetenschappers onontbeerlijk is, werd er in 1965 in de schoot van het Corpus Vitrearum ook een International Committee for the Conservation of Stained Glass, kortweg Conservation Committee (CC) opgericht, sinds 1984 parallel met het ICOMOS International Glass Committee. De nieuwe inzichten en onderzoeksresultaten worden op de tweejaarlijks gehouden forums aan het internationale publiek voorgesteld. Dit jaar was het de beurt aan het American Committee of the Corpus Vitrearum om samen met het International Conservation Committee het forum te organiseren. Dit had plaats van 29 mei tot 4 juni in het New Yorkse Metropolitan Museum of Art, dat de tweede belangrijkste glascollectie ter wereld bezit na het Victoria Et Albertmuseum in Londen. Het forumthema was The Art of Collaboration, de interdisciplinaire samenwerking als noodzakelijke voorwaarde voor een verantwoorde conservatierestauratieaanpak. De locatie was goed gekozen aangezien het museum recent nog een bijzondere inspanning deed om de glaskunst onder de aandacht te brengen: bij de restauratie van The Charles Engelhard Court en de herinrichting tot American Wing werden heel wat monumentale glasensembles uit de vroegkoloniale periode geïntegreerd en vragen de prachtige realisaties met speciaal opalineglas van de bekende Amerikaanse ateliers Tiffany en Lafarge alle aandacht.

In de Verenigde Staten waren in de 19^ en 205te eeuw talrijke verzamelaars die belangrijke collecties Europees middeleeuws glas aankochten, niet alleen glasramen uit Vlaanderen, Duitsland, Engeland maar ook uit Saint-Denis, Troyes en Auxerre, hoogtepunten uit de Franse gotiek. Zo verzamelde John Pierpont Morgan een enorme hoeveelheid historisch


B I N N E I M K R A N T

glas, die later in The Cloisters belandde. Er was zelfs een soort van concurrentie tussen het Londense VEtA en het Metropolitan Museum van New York. Tot in de jaren 1960-1980 kon dit museum nog oude glasramen aankopen uit Oostenrijk. The Cloisters, als museum geopend in 1938, werd de laatste jaren verrijkt met de plaatsing van een aantal historische glas-inloodramen uit de historische collectie van het Metropolitan. Er waren talrijke sprekers. Stefan Trümpler (Vitrocentre Romont, lange tijd voorzitter van het Conservation Committee) plaatste het thema van het colloquium in de context van de restauratie van de koorramen van de Munsterkerk in het Zwitserse Bern. Al in 1946 werd samengewerkt met restauratoren en kunsthistorici waaronder prof. Hahnloser, om deze middeleeuwse glasramen te beschermen. Niet alleen omwille van condensatieproblemen, maar ook door de oorlogsdreiging werden de ramen toen beschermd met een isothermische beglazing. De samenwerking werd uitgebreid voor de belangrijke restauratiewerkzaamheden aan het beroemde roosvester van Lausanne uit circa 1200, waar een omvattend onderzoek zowel van het binnenklimaat van de kerk als van de bewaringstoestand van de glasramen vanaf de jaren 1990 gestart werd. De spreker benadrukte zeer sterk het belang van de beschermende buitenbeglazing voor de preventieve conservering van historische glasramen en verwees daarvoor tevens naar het Europese VIDRIO-project, waarbij de noodzaak van beschermende beglazing voor historisch gebrandschilderd glas duidelijk naar voor kwam. Sarah Brown {University of York) toonde aan de hand van de restauratiegeschiedenis van de beroemde glasramen van de York Minster aan dat de interdisciplinaire samenwerking de conditio sine qua non is voor een goede restauratie. De ramen werden al in 1860 van beschermende beglazing voorzien (waarschijnlijk het oudste voorbeeld in Europa) maar werden in 1940 gedemonteerd en door twee glazeniers onder leiding van de Deon 'behandeld'.

Glas-in-loodraam in het Imre Kiralfy-memoriaal (ca 1919), Green-M/oodCemete/y, New York

Later kwam men gelukkig tot andere inzichten en werd er gaandeweg veel aandacht besteed aan de monitoring van het binnenklimaat. Thans wordt er veel terughoudender gerestaureerd met het behoud van het oude loodnet en van de breukloden. Een meer restauratieve aanpak werd voorgesteld door Sophie Lagabrielle (Musée Cluny, Paris): bij een omvattende restauratiecampagne van de glasramen van de Sainte Chapelle in 2000-2004 werden de glaspanelen die in het Musée Cluny waren ondergebracht op een zeer interveniërende manier behandeld: medaillons werden na volledige herloding tot vierpassen hermaakt.

Interessant was de bijdrage van Manfred Torge (Bundesanstalt für Materialforschung und Prüfung) waar een internationale begeleidingscommissie zowel van kunsthistorici, fysici, chemici als van restauratoren (voor ons land Aletta Rambaut) de restauratie en de herplaatsing van de middeleeuwse koorramen in de Marienkirche in Frankfurt/ Oder opvolgde. De glasramen waren in de jaren 1930 uitgenomen en door de oorlogsomstandigheden in het Hermitagemuseum in Leningrad terechtgekomen. De kerk werd verwoest in de Tweede Wereldoorlog, maar na de reconstructie werden de glasramen teruggeschonken, gerestaureerd en herplaatst tussen 2002-2007.

1VI&L


B 1 N N E N K R A N T

Heel interessant en toepasselijk voor een colloquium in New York was de bijdrage van Jean-Fran^ois Luneau (Université Blaise Pascal, ClermontFerrand, Frankrijk) over Louis Tiffany (1848-1933), een schilder die via Lafarge geïnteresseerd geraakte aan glas en in 1880 een patent op het maken van "glass tiles" bekwam. Tiffany werkte daarvoor samen met Louis Heidt (1835-1901), een glasblazer die in 1859 uit Frankrijk geïmmigreerd was. Zij experimenteerden, maakten flessen en vroegen in 1885 een patent voor "glass sheets". Later werkte ook Jimmy Stewart in het atelier en begon speciale glassoorten te vervaardigen, onder meer "verre draperie" en opalescent glas. In 1892 opende Tiffany vervolgens zijn glasfabriek. De producten kenden wereldwijd succes.

Laurence Cuzange (restaurateur Debitus Tours, Frankrijk) lichtte een onderzoeksproject toe opgezet door de Laboratoires de Recherche des Monuments Historiques voor de in situ restauratie van glasbouwstenen in de Socré Coeurte Audrincourt. Vaak wordt glas-in-beton niet gerestaureerd maar wordt het beton hergoten. Er werd onderzoek gedaan naar de schadebeelden en naar de mogelijkheden van ontzouten en van polymere kleefmiddelen. Het glas-in-beton van de Saint Eloiln Roscanvel (1951), Sainte Thérèse in Metz (1937-1954) en de Sainte Trinité in Menneval (1947, met kristal) werden eveneens getoond. Keith Barley (restaurateur Engeland) gaf een historisch overzicht van het gebruik van beschermende beglazing. Het hem oudst bekende voorbeeld is de Holy Trinity Church in Tatteshall (Lincolnshire, Engeland) waar in 1804 reeds een beschermende beglazing werd aangebracht. Talrijke voorbeelden tonen dat voorzetbeglazing effectief is gebleken voor de bescherming van gebrandschilderd glas. In New York werd het principe reeds vanaf circa 1859 courant toegepast bij de bouw van nieuwe kerken! Dit kon ook vastgesteld worden tijdens de bezoeken aan de talrijke neogotische kerken in New York, in de eerste plaats de Saint Patrick's Cathedral met een

schitterende reeks neogotische glasramen uit de jaren 1888-1889 vooral uit Franse ateliers (de katholieke priesters kwamen waren toen veelal afkomstig uit Frankrijk) aangevuld later met glasramen uit Engeland en Boston. In de kathedraal liep er ook een omvattend onderzoeksproject naar de impact van buitenbeglazing op het binnenklimaat. Er werd hierbij vastgesteld dat de spouwbreedte te klein was, dat binnenventilatie beter is dan buitenventilatie en dat er vaak UV filters noodzakelijk zijn. Voor de buitenbeglazing werd enkel glas vervangen door gelaagd glas.

BRK-VinFrOIIOQUIiJM Op 19 en 20 november 2009 ging in Brussel het tweejaarlijkse BRK-VIOE congres door, met meer dan tweehonderd deelnemers. Dat het thema Reflex of reflectie? Actoren en besluitvorming in de conservatie-restauratie leeft in de wereld van de restaurateurs en de erfgoedzorgers in de brede zin van het woord, bleek uit de zeer geanimeerde discussies tijdens de vragenrondes. Het was voor het eerst dat het VIOE een volwaardige partner in de organisatie van dit succesrijk evenement was. In de loop van dit jaar verschijnen de Postprints, waarin alle lezingen volledig worden opgenomen. Voor de afsluitende conclusies werd beroep gedaan op de expertise van de eminente kunsthistorica Catheline Périer-D'leteren, die de wereld van de restauratie grondig kent. Als smaakmaker publiceren we hier alvast haar bevindingen. "Het is niet eenvoudig om besluiten te formuleren van een tweedaags congres dat zo rijk was aan lezingen over gevarieerde thema's en objecten. In de eerste plaats zou ik willen terugkomen op de oordeelkundige keuze van het congresthema en op wat dit

weerspiegelt: 'reflex of reflectie' geeft blijk van een steeds toenemende bewustwording door de conservatorsrestaurateurs van de gedeelde verantwoordelijkheid (specifiek voor elk geval) voor de cultuurgoederen en de behoefte om deze te delen. Het besluitvormingsproces (wie neemt de beslissingen?) is een vraagstelling waarop Paul Philippot al in de jaren '70 antwoordde door te bevestigen, tot verbijstering van de museumconservators, dat dit de rol was van de restaurateurs. Zij hebben inderdaad een essentiële verantwoordelijkheid omdat zij het zijn die ten slotte aan de objecten werken. Vandaag hebben de conservator-restaurateurs, na een moeizame weg vol valkuilen, aan autonomie gewonnen, maar ze moeten deze delen met een groeiend aantal actoren tot ver buiten de kring van het eerste driemanschap, waaraan we door Salvador Muhoz Vihas werden herinnerd, namelijk de kunsthistoricus, de wetenschapper en de conservator-restaurateur. Hoewel dit land nog geen erkenning van het beroep heeft, is de mentaliteit toch al veranderd en wordt er sinds het Document van Pavia (1997) meer geluisterd naar het advies van de conservatorrestaurateur. ICCROM realiseerde zich de moeilijkheidsgraad van deze besluitvorming en was de eerste die in 2002 een pilootcursus organiseerde voorde internationale gemeenschap met als titel 'Sharing Conservation Decisions', die omwille van het groot succes gevolgd werd door een programma met hetzelfde thema in 2008 (Veerle Meul). Deze cursussen werden voorafgegaan in 2000 door 'Sharing Conservation Science'. Deze beide aspecten zijn complementair zoals vele lezingen duidelijk hebben aangetoond.

Sindsdien hebben de attitudes betreffende besluitvorming zich verder ontwikkeld. Salvador Muhoz Vihas, die instond voor de inleidende lezing, leverde alvast veel stof tot debat. Hij is van oordeel dat het advies van de eigenaar van het werk (de klant) zwaarder moet doorwegen. Isabelle Brajer brengt het belang van de perceptie van het werk door het publiek ter sprake. Momenteel


B 1N N E N KR A N T

bemerken we een tendens om meer belang te hechten aan het behoud van de inhoud van het werk dan aan zijn authenticiteit. Overigens worden de ingrepen of de gekozen materialen vaak bepaald in functie van het beschikbare budget. Er zijn vaak conflicten in de uiteindelijke beslissing. Hoofdzaak blijft het zoeken naar een gemeenschappelijke taal tussen alle betrokken partijen om een methodologie voorde interdisciplinaire benadering van het te behandelen object, waarbij iedereen zijn specificiteit bewaart en tegelijkertijd het andere laat meeprofiteren van zijn specialisatie. Dit was het geval bij de restauratie van de muzikale klok uit de groothertogelijke verzameling van Luxemburg (Charles Indekeu Muriel Prieur, Derk Stomps, Michael van Gompen en Bob Van Wely). Dit bewijst eens te meer de grote vooruitgang die sinds enkele jaren gezet is naar een efficiënte plurisdisciplinaire samen werking. Een tweede belangrijke doelstelling is het stellen van vragen op basis van de onderzoeken en voorafgaande discussies en daarop te antwoorden door het formuleren van voorstellen over het gewenste eindresultaat, met inachtneming van de restauratiedeontologle en de materiële geschiedenis van het werk. In het geval van historische interieurs is multidisciplinaire samenwerking de beste garantie voor adequate interventiebeslissingen, zoals aangetoond door Anne van Grevenstein over Kasteel de Haar (Nederland): een samenwerking die op dezelfde stelling conservators-restaurateurs en ambachtslieden of conservatorsrestaurateurs en architecten of aannemers verenigt. Het openstellen van een historische woonst brengt ook problemen van preventieve conservatie mee, waarover moet nagedacht worden om een duurzaam project te realiseren. De juiste beslissingen nemen vooreen historisch ensemble, rijk aan objecten en gevarieerde betekenissen, vereist een open dialoog tussen alle partijen als men de eenheid van het historisch geheel wil behouden. Als de waaier van mogelijke interventieopties groot is, moeten het doel van

de ingreep, de boodschap die we willen meegeven en het uiteindelijke aspect dat we willen bereiken, de keuze bepalen. Aldus bepaalde de goede materiële bewaringstoestand van het portret van Nicolaes van Bambeeck door Rembrandt, gerestaureerd door Hélène Dubois en Frangoise Rosier, de aard van de ingreep op de drager - het is het enige werk van de meester dat nooit verdoekt werd - en op de verflaag die onleesbaar geworden was door een dikke vernislaag, maar die nooit drastische reinigingen had ondergaan. De voorzichtige behandeling was toch, zoals we hoorden, het onderwerp van discussies tussen conservators-restaurateurs binnen een commissie van internationale deskundigen. De discussies breidden zich zelfs uit tot de impact van het kader, die een zodanig belangrijke rol speelt in de presentaties van een schilderij, zoals Cesore Brandi al zei. De gekozen oplossing is bijzonder geslaagd.

De verscheidenheid aan parameters die een mispelen in restauratiebeslissingen is groot, zoals zo treffend werd aangetoond door Muriel Prieur. Bij dezen hoort ook de religieuze dimensie van een object, evenals de devotie die het oproept. Deze aspecten worden al te vaak niet in overweging genomen.

Als een belangrijke wijziging om de oorspronkelijke toestand te benaderen verschilt van het beeld zoals het in het geheugen staat gegrift en vereerd wordt, dan moeten we het publiek voorbereiden op deze verandering door een bewustmakingscampagne. Wij onthouden ook nog een volgens mij ook belangrijke parameter, namelijk deze van de functie van het object in zijn oorspronkelijke omgeving. De factor tijd speelt ook een rol in de besluitvorming. Moeten we alles behouden?Zelfs het erfgoed dat bijna vernield is? Welke beslissingscriteria moeten we aannemen? Wat zal de toekomst zijn van een goede restauratie die uitgevoerd is volgens de huidig toegestane regels?Zal het uitzicht van het cultuurgoed gewijzigd worden en hoe zal deze restauratie zich op lange termijn gedragen met betrekking tot de smaak en de socio-economische vereisten? Carola Van den Wijngaert kaart deze problematiek aan betreffende het religieus erfgoed, dat gedeeltelijk bestemd is om te verdwijnen ofte worden herbestemd tot functies die zeer verschillend zijn van de oorspronkelijke. Marjan Buyle bracht deze problematiek ook ter sprake met de zeer bewogen materiële geschiedenis van

M&L


B 1 N N E N K R A 1 M T

het paviljoen De Notelaer in Hingene, grondig gewijzigd in de 1Sre eeuw door de interventies van de opeenvolgende eigenaren. Welke restauratieoptie moeten we vandaag kiezen: een status quo of een gedeeltelijke restauratie? Dit leidt ons eens te meer tot de huidige houding ten opzichte van de historische dimensie, zoals gedefinieerd door Cesare Brandi. De graad van interventie bepalen in een restauratie roept uiteraard meer vragen op en het is wellicht in dit type van besluitvorming dat interdisciplinaire samenwerking de belangrijkste rol speelt. Dit vermogen om samen te werken en gemeenschappelijke beslissingen te nemen heeft met opleiding te maken en moet dus aangeleerd worden. Dit was de doelstelling van het proefproject van de restauratie van portiekaltaren op het eiland Lopud, voorgesteld door Charles Indekeu en Georges Dewispelaere. De studenten konden hier discussiëren over de evolutie van het concept van minimale interventie naar een gematigde ingreep, binnen het kader van een discussie tussen diverse instellingen van internationaal niveau. Zo konden ze ook wennen aan de verschillende gevoeligheden van land tot land.

De opties tot interventie moeten uiteraard ook worden bepaald door de vooronderzoeken, maar ze moeten in de loop van de werken kunnen gewijzigd worden in functie van toevallige vondsten of technische vereisten. Het is dan belangrijk om een geloofwaardige argumentatie op te bouwen om de wijziging van de initiële beslissing te verantwoorden, hetgeen niet evident is, zoals bleek uit de tussenkomst van Nicole Goetghebeur. Het kan ook gebeuren dat restauratieopties per ongeluk veranderen tijdens de uitvoering van een project, hetgeen te maken heeft met een gebrek aan opvolging of om economische redenen of gewoon om redenen van gemakkelijkheid, zoals Johan Grootaers ons vertelde. Anne van Grevenstein stelt zelfs voorde mogelijkheid van mogelijke koerswijzigingen in het bestek te laten opnemen teneinde gemakkelijker groen licht te krijgen van de opdrachtgevers.

In het kader van de vooronderzoeken van schilderijen kunnen zones die op het eerste gezicht overschilderingen of herschilderingen blijken, in werkelijkheid retouches door de kunstenaar zelf zijn, met andere woorden hernemingen door de auteur, zoals voorgesteld door Marie Postec. Dit wijst op de voorzichtigheid die men bij de diagnose moet betrachten en ook op de rol van de ervaring die wordt opgebouwd en vooral op het feit -en hier komen we rechtstreeks op het onderwerp van dit congres terecht- dat we niet vanuit een reflex moeten handelen, maar na zorgvuldige observatie en op basis van objectieve gegevens, eventueel de geldende opvattingen opnieuw in vraag moeten durven stellen. Een ander mooi voorbeeld van deze aanpak is gegeven door het portret van Rembrandt. Inderdaad, de gegevens van een gespecialiseerd onderzoek van een zo bekend en zo bestudeerd werk leidden naar afwijkende conclusies dan deze van de experten, zowel wat het formaat van het schilderij als de handtekening van de meester betreft.

De keuze van de restauratietechnieken en de problematiek van de authenticiteit vormen op hun beurt een breed domein op het niveau van interventiebeslissingen. Het is zelfs, om het woorden van Isabelle Brajer te gebruiken, vaak het onderwerp van 'dissension' (tweedracht). Als voorbeeld stelt ze een experiment van een nieuwe retoucheermethode van muurschilderingen voor, die ze de camouflagetechniek noemt, in contradictie met het axioma van Brandi dat stelt dat retouches herkenbaar moeten zijn. Deze methode spreekt aan omdat ze probeert een manier te vinden om soms belangrijke lacunes in een ensemble harmonieus te integreren, en het resultaat lijkt, althans op de gepresenteerde foto's, overtuigend. We passeren hier het overwicht van de theorie naar de praktijk. Dit toont eens te meer aan hoe Brandi's theorieën een reflectiekader bieden ter beschikking van de beleidsmakers om het debat te stimuleren. Moet men deze theorieën volgen of niet, en zo niet, is het essentieel om zijn keuze te argumenteren. Of moet hij zich vandaag permitteren om deze

theorieën en axioma's op bepaalde punten aan te vullen, gezien de evolutie van de reflectie in de conservatierestauratie, als men de steeds grotere verscheidenheid in te behandelen cultuurgoederen en het publiek (in ruime zin) in overweging moet nemen. De terminologie 'camouflage', zoals Frangoise Rosier opmerkte, zou echter moeten gewijzigd worden omdat het een negatieve connotatie heeft. Deze overwegingen leiden ons naar de interventie-houdingen die variëren afhankelijk van het type van cultuurgoed en het belang dat de beleidsmakers er aan hechten. De sgraffitischilderingen bijvoorbeeld zijn tot nu toe stiefmoederlijk behandeld in de restauratie, zoals Bernard Delmotte aantoonde. Hun statuut van decoratieve kunst, beschouwd als minderwaardig aan die van het kunstwerk, heeft zijn consequenties bij de restauratiebehandelingen. Toch moet hier het project van de Koning Boudewijnstichting vermeld worden, die de eigenaars wil sensibiliseren om dit erfgoed in stand te houden. Textiel, dat bij uitstek fragiel is, vereist minimale ingrepen zoals aangetoond door Peter De Groof. Helaas, vaak door onwetendheid van hun waarde, genieten deze 'religieuze vodden'vaak niet van maatregelen van aangepaste preventieve conservatie maatregelen en verslechtert hun toestand, met vaak onherstelbare schade tot gevolg. Ten slotte genieten ook de archeologische sites nog niet van een specifieke reflectie wat hun conservatie betreft, zoals Marleen Martens aanhaalde. Veel van deze 'onzichtbare'sites moeten nog op het terrein gesitueerd worden om te worden beschermd. Zo eindigt deze poging om in een paar zinnen een symposium samen te vatten dat zo rijk was aan reflectie. De problemen, die geval per geval opgelost moeten worden, zijn talrijk en vernieuwen zich in functie van de vooruitgang van onderzoek en ervaring. Hoeveel van deze onderwerpen, die vandaag besproken werden, waren al niet het onderwerp van reflectie 5 of


B I N N E I V J K R A N T

Wjaar geleden? Dit voorspelt nieuwe boeiende debatten over de gegrondheid van genomen beslissingen of over de controversen die ze oproepen. Het thema gekozen door de beroepsvereniging BRK-APROA toont de volwassenheid van deze vereniging en het dynamisme van haar leden, die altijd klaar zijn voor de uitdaging om samen een stap verder na te denken. In deze context zou ik graag volgende tekst van Georges Hulin de Loo in herinnering brengen: "Vermits ik een aandeel had in het stichten van verwarring, is het niet meer dan billijk dat ik mijn best doen om deze op te lossen. Niets is meer in strijd met de wetenschappelijke geest die koppigheid in de dwaling: elk wetenschappelijk onderzoek in een wetenschap die observeert wordt op de tast gedaan: al diegenen die veel onderzoek gedaan hebben, hebben zich meer dan één keer vergist... Alleen zij die nooit een persoonlijke mening naar voren brachten kunnen zeggen dat ze zich nooit vergist hebben; en zij die zich onduidelijk of al te voorzichtig hebben uitgelaten zodat later elke interpretatie mogelijk is (dit is een speciaal talent van sommige administraties); en zij tenslotte die, eenmaal ze iets hebben geponeerd, zo verblind zijn door hun eigen uitstraling dat ze blind geworden zijn voorde werkelijkheid en in de onmogelijkheid verkeren om op hun stappen terug te keren. God beware ons zo lang mogelijk van de seniele kinderachtigheid die de pretentie van onfeilbaarheid op het gebied van de wetenschap is."

Er blijft mij alleen nog de organisatoren van dit evenement te feliciteren voor hun wetenschappelijke houding en hun gastvrijheid en hen te bedanken voor het vertrouwen dat ze in mij stelden voor het opmaken van deze conclusies." (vertaling uit het Frans, M. Buylej

Archeologie

Hans

Mestdagh

V E R D R A G V A N VALETTA De voorgeschiedenis Op 2 oktober gaf de Vlaamse regering haar principiële goedkeuring van het ontwerp van decreet houdende instemming met het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (herzien), opgemaakt in Valletta op 16 januari 1992 en ondertekend op 30 januari 2002. Met deze principiële goedkeuring wordt de laatste rechte lijn voor de definitieve goedkeuring van het verdrag door België aangevat. In de jaren zestig resulteerde de problematiek van clandestiene opgravingen voor een alert optreden van de Raad van Europa. Op 6 mei 1969 initieerde de Raad van Europa het Europees in Londen het Verdrag betreffende de bescherming van het archeologisch erfgoed opgemaakt. Nog hetzelfde jaar ondertekende en ratificeerde België dit Verdrag. Het trad op 20 november 1970 in werking. Het Verdrag van Londen geeft vooral richting aan archeologische opgravingen en de verworven archeologische informatie. Door de toenemende economische ontplooiing van de Europese landen en de hiermee gepaard gaande bouwen infrastructuurprojecten plaatsten het archeologische beheer in de jaren 7 0 en '80 voor nieuwe uitdagingen. De Raad van Europa kon en wou hieraan niet voorbijgaan. In oktober 1988 kwam de Raad van Europa dan ook tot de vaststelling dat deze nieuwe uitdagingen een herziening van het Verdrag van Londen rechtvaardigde. Het voorstel om een herzien verdrag uit te werken en het Verdrag van Londen op te heffen, werd binnen de Raad van Europa goedgekeurd door het Comité van Ministers, het hoogste

beslissingsorgaan binnen de Raad van Europa. Binnen de schoot van de Raad van Europa werkten vanaf juni 1990 experts uit verschillende lidstaten van de Raad van Europa aan deze herziening. Het ontwerpverdrag werd door het Comité van Ministers goedgekeurd en op 16 januari 1992 werd het Verdrag opengesteld voor ondertekening tijdens de derde Europese conferentie van ministers bevoegd voor monumentenzorg in de Maltese hoofdstad Valletta. Het parcours van Valletta in België In België zette de conventie van Valletta via het Ministerie van Buitenlandse zaken zijn procedureel parcours naar ondertekening, goedkeuring en implementatie verder. In zijn vergadering van 19 maart 1997 legde de Werkgroep Gemengde Verdragen (WGV), adviesorgaan van de Interministeriële Conferentie Buitenlands Beleid (ICBB), het gemengde karakter van het Verdrag vast. Een gemengd karakter betekent dat het verdrag betrekking heeft op federale, gemeenschaps- én gewestbevoegdheden. De federale overheid is bevoegd voor de federale wetenschappelijke en culturele instellingen. De gemeenschappen zijn bevoegd voor het roerend erfgoed, de musea, de depotwerking en de andere wetenschappelijke en culturele instellingen. De gewesten hebben de bevoegdheid betreffende het behoud en beheer van monumenten, landschappen en de archeologische vindplaatsen. Vanuit de vaststelling, dat het 'in situ' behoud van archeologische vindplaatsen een belangrijk uitgangspunt vormt, zijn de gewesten zonder twijfel de belangrijkste partner. De beslissing van het ICBB werd op 20 januari 1998 bekrachtigd.

Tijdens haar vergadering van 12 oktober 2001 (VR/PV/2001/40 - punt 20) besliste de Vlaamse Regering haar goedkeuring te hechten aan het Verdrag en machtiging te verlenen aan de federale vertegenwoordiger om het mede namens de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest te ondertekenen op voorwaarde dat zulks onder de handtekening van de gemachtigde vermeld werd. De fede-


1

B l l ^ N E N K R A N T

rale overheid werd ook gemachtigd om gelijktijdig met de ratificatie van het Verdrag van Valletta, het Verdrag van Londen op te zeggen. Nadat de federale overheid, alle gemeenschappen en gewesten hun goedkeuring tot ondertekening gaven, vond de officiële Belgische ondertekening plaats in Straatsburg op 30 januari 2002. Deze ondertekening door België was nog maar de eerste formele stap in de toepassing van de conventie in Vlaanderen. Elk ondertekenende lidstaat van de Raad van Europa kan na zijn ondertekening nog overgaan tot de uitdrukkelijke goedkeuring, ook wel de ratificatie genoemd. Later of gelijktijdig vinden de bepalingen uit het verdrag in elke lidstaat hun weg vinden naar de regelgeving. Dit wordt ook wel de 'implementatie' genoemd. Het parcours van ratificatie en implementatie Opdat België haar uitdrukkelijke goedkeuring hechten aan het Verdrag dienen alle betrokken parlementen het verdrag uitdrukkelijk goed te keuren o f t e ratificeren. Op 20 mei 1994 keurde het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest als eerste dit herziene Verdrag goed. Het Waalse Gewest, de Franse Gemeenschap en de Duitstalige Gemeenschap keurden het Verdrag goed bij de decreten van respectievelijk 10 april 2003, 17 december 2003 en 28 januari 2008. De federale instemmingswet werd op 23 juni 2008 bekrachtigd en afgekondigd.

heeft dit ontwerp niet veel om het lijf. Het meldt enkel dat Vlaanderen uitdrukkelijk akkoord gaat met de bepalingen van het Verdrag van Valletta, houdelijk Het ontwerp van decreet voor de goedkeuring van het Verdrag van Valletta bevat onder meer adviezen van de Inspectie van Financiën, de Minaraad en de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen. Op 2 oktober 2009 keurde de Vlaamse regering dit ontwerp van decreet principieel goed. In haar principiële goedkeuring verzocht de Vlaamse regering de Strategische Adviesraad Ruimtelijke Ordening-Onroerend Erfgoed, de Strategische Adviesraad internationaal Vlaanderen en de Raad van State hun advies uit te brengen. Als al deze adviezen aan de Vlaamse regering zijn bezorgd, kan de regering het ontwerp definitief goed. Dan pas kan het ontwerp van decreet op de agenda van het Vlaamse Parlement worden geplaatst. Wanneer het Vlaamse Parlement met het decreet heeft ingestemd, kan België als lidstaat van de Raad van Europa de formele stap tot uitdrukkelijke goedkeuring of ratificatie nemen. De afkondiging van dit instemmingsdecreet en de implementatie zullen conform de beleidsnota onroerend erfgoed 2009-2014 gelijktijdig verlopen met het nieuwe decreet onroerend erfgoed.

Mededeling Een parlementaire goedkeuring in Vlaanderen kan in Vlaanderen via een goedkeuring van decreet in het Vlaamse parlement. In Vlaanderen worden decreten doorgaans door de Vlaamse regering in het parlement geagendeerd. Eerst bespreekt de Vlaamse regering een ontwerp van decreet. Een ontwerp van decreet, zoals "het ontwerp van decreet houdende Instemming met het Europees Verdrag Inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (herzien), opgemaakt In Valletta op 16 januari 1992 en ondertekend op 30 januari 2002" bevat doorgaans een aantal adviezen, dia al dan niet vereist zijn. Inhoudelijk

M&L

ARCHEOLOGISCH

FORUM

2Q1Q Ook in 2010 organiseert het Forum Vlaamse Archeologie (FVA) naar jaarlijkse gewoonte weer het Archeologisch Forum. Het Forum Vlaamse Archeologie wenst met deze dag een forum aan te bieden aan alle Vlaamse archeologen, waarbij men eikaars werk kan beschouwen en kan debatteren over de archeologische actualiteit. Deze editie zal plaatsvinden op zaterdag 24 april in Brugge en zal in

het teken staan van het maatschappelijk draagvlak: "Moeten we onze pijlen naast het brede publiek ook niet richten op de politiek en op de economische sector? Wat is het belang van het onderwijs, waar de archeologen van morgen worden gevormd, en van de media die een belangrijke rol spelen In de creatie van de publieke opinie? Zien zij de archeologie als een meerwaarde of lasten waar liggen volgens hen de spanningsvelden? Moeten we zelf als sector wel Ijveren voor een draagvlak en moeten we wel iedereen willen overtuigen van het nut en de plaats van archeologie binnen het maatschappelijk bestel? En hoe ziet het publiek dit zelf? Is de samenleving gebaat met de geldbesteding aan archeologisch onderzoek?'

De dagindeling behoudt haar vertrouwde structuur. Personen of organisaties die op de contactdag bijzonder onderzoek als 'blikvanger' willen presenteren, kunnen zich hiervoor tot 15 maart aanmelden. Daarnaast wil het Archeologisch Forum een breed overzicht bieden van de Vlaamse archeologie van het afgelopen jaar in de vorm van een postersessie. Terwijl een werkgroep volop bezig is met het uitwerken van het thema en het zoeken van thema-sprekers, nodigt het FVA iedereen alvast uit op deze dag.


B1N1ME1MKRANT

Tentoonstellingen Persmededeling

FTFN FN DRINKFN IN DF STIILKAMFRS Keukenschorten uit de modecollectie, een groentenkar geschilderd door Isaac Israels, een theemuts ontworpen door Piet Zwart en een aardappelvorkje gefotografeerd door Niels Schumm. In navolging van de succesvolle thematentoonstellingen vogels en nacht, staan de stijlkamers ditmaal geheel in het teken van eten en drinken. De smaakvolle opstelling kleedt de verschillende ruimtes aan in thema's als keuken, picknicken, kamperen en de markt en brengt hierdoor de prachtig gedecoreerde kamers tot leven. Uit de collectie van het Gemeentemuseum in Den Haag zijn de meest uiteenlopende kunstwerken gehaald om in deze presentatie een rol te spelen. Er wordt gerefereerd aan de Bruynzeelkeuken van Piet Zwart, maar ook aan zijn reclamewerk dat hij voor bijvoorbeeld mosselen maakte. Ook zijn

er oude reclames voor cacao en koffie en diverse stillevens met groenten, vissen en gedekte tafels, en dat alles gepresenteerd op een verrassende en originele wijze. De bijbehorende kindertour Smakken en slurpen neemt de bezoeker met zijn mee langs de hoogtepunten en vertelt gaandeweg van alles over eten, drinken, tafelmanieren en ook nog over kunst! Tegelijkertijd openen in de aangrenzende zalen van de stijlkamers drie kunstnijverheid-tentoonstellingen die ook raakvlakken hebben met het overkoepelende thema eten en drinken. Zo zijn er delftsblauwe vazen en borden te zien in de tentoonstelling Delftsaardewerk.nl, naar aanleiding van de nieuwe website www. delftsaardewerk.nl die de bezoeker langs de digitale snelweg leidt. En \n Zilver op tafel is bijzonder 18de -eeuws Haags zilver opgesteld, waaronder een prachtige collectie van de bekende zilverkenner en verzamelaar J.W. Frederiks (1889-1962) die onlangs in langdurig bruikleen is gegeven door de ING. Deze belangrijke stukken waaronder een visschotel, suikerstrooiers, kandelaars en dienbladen, worden aangevuld met kannen

en bestek van Frederiks zelf en zijn vader J.A. Frederiks die zich al in de collectie van het museum bevonden.

De tentoonstelling loopt nog tot 11 april 2010 in het Gemeentemuseum Den Haag. Het museum ligt aan de Stadhouderskade 41 en is vanaf het Centraal Station bereikbaar met bus 24 of tram 17, halte Gemeentemuseum. Open van dinsdag tot zondag van 11 u tot 17u.

Persmededeling

HF WONDFRF WFRFI D

VAN DE TSJECHISCHSLOWAAKSE GLASKUNST Een groot aantal hoogtepunten uit de indrukwekkende glascollectie van Sam Jonker en Valentine Zaremba die het Gemeentemuseum Den Haag in langdurig bruikleen kreeg, zijn sinds november 2009 in het museum te zien. De verzameling bestaat uit abstractgeometrische optische glaskunst, een vorm die in voormalig Tsjecho-Slowakije hoogtij vierde. De minimalistische, kleurrijke objecten spelen met licht, vorm en weerspiegeling en verrassen daardoor vanaf iedere kant van waaruit ze bekeken worden. De tentoonstelling is een eerbetoon aan de onlangs overleden Sam Jonker (1930-2009) die samen met Valentine Zaremba in dertig jaar een grote collectie Tsjechisch glas opbouwde. De werken zijn gemaakt van optisch glas. Als geen ander weten de TsjechischSlowaakse glaskunstenaars de vergrotende, verkleinende en verkleurende effecten van het glas uit te buiten. Door de werking van licht en de verandering van gezichtspunt levert één object vele verschillende verschijningsvormen op. In de collectie is het werk van Vaclav Cigler uiteraard ruimschoots vertegenwoordigd. Deze toonaangevende

M&L


B 1 N 1 \ E N K R A N T

David Oyens, De teekening, olieverf op doek, privéverzameling P Peter Cox)

kunstenaar richtte in 1965 de afdeling Glas in architectuur op aan de kunstacademie in Bratislava en legde hiermee de basis voor de abstractgeometrische richting van de optische glaskunst. Een mooi voorbeeld van de architectonische kwaliteiten van zijn werk is het object Pyramid uit 1987. De glassculptuur is samengesteld uit een tweetal piramidale vormen, waarvan de kleinste met zijn spitse bovenkant als een naaldhak op de grond rust en de grootste piramide ondersteunt. Beide vormen zijn opgebouwd uit een groot aantal verlijmde lagen van metaal gespiegeld vensterglas. Een ander kunstwerk dat zijn optische kwaliteiten toont is Two Half Eggs. Dit werk uit 1994 bestaat uit twee halve eivormen waarvan de bovenkanten zijn afgeschuind met een spiegelend vlak. Binnenin lijken glasslierten en andere 'ongerechtigheden' een eierdooier te vormen.

De collectie van Jonker en Zaremba, die ruim honderd objecten telt, is uniek voor Nederland en geniet ook internationaal een grote reputatie. Het Gemeentemuseum Den Haag, dat een uitzonderlijke glascollectie heeft vanaf het eerste glas uit de Oudheid tot het meest recente glas, is om die reden bijzonder blij dat de Stichting Modern Glas deze unieke collectie Tsjechisch-Slowaakse glaskunst aan

het museum in langdurig bruikleen heeft gegeven. ING Nederland heeft besloten hun aanvullende, bijzondere collectie Tsjechisch-Slowaaks glas in langdurig bruikleen te geven aan het Gemeentemuseum. Het Gemeentemuseum Den Haag beschikt dankzij deze twee verzamelingen over de belangrijkste Nederlandse collectie glas uit het voormalige Tsjecho-Slowakije.

De tentoonstelling loopt nog tot 30 mei 2010 in het Gemeentemuseum Den Haag. Het museum ligt aan de Stadhouderskade 41 en is vanaf het Centraal Station bereikbaar met bus 24 of tram 17, halte Gemeentemuseum. Open van dinsdag tot zondag van Hu tot 17u.

Marcel M. Celis

DE GFBRDFDERS OYENS Na het gemeentemuseum in Den Haag (zie MEtL, jrg. 27, nr. 2, maart-april 2008, Binnenkrantp. 7-9) is nu het de beurt aan het Charliermuseum in Sint-Joost-ten-Node, om de eerste grote retrospectieve tentoonstelling

in België sinds 1907 te brengen van het werk van De Gebroeders Oyens. Het brengt hiermee, na een eerdere terugblik op Vogels, Van Strydonck en Smits, opnieuw miskende en ondergewaardeerde meesters van rond de eeuwwisseling onder de aandacht. Begrip van het oeuvre van David en Pieter Oyens werpt licht op de toenmalige stijlontwikkelingen en uitwisselingen tussen kunstenaars, verzamelaars, critici en organisatoren in Brusselse kunstkringen. Zoals op de tentoonstelling in Den Haag twee jaar geleden, zijn een honderdtal doeken en panelen, aquarellen en tekeningen te zien, veelal afkomstig uit privé-verzamelingen en uit enkele grote openbare collecties uit België en Nederland. David (1842-1902) en Pieter Oyens (1842-1894) zien het levenslicht in Amsterdam. Een carrière in de familiale bank interesseert hen niet, de tekenlessen die ze sinds hun achtste volgen bij Veldhuysen des te meer. Op hun achttiende verhuizen ze naar Brussel om er avondcursussen antieke figuur en historische compositie te volgen - Pieter haalt er hogere quoteringen voor tekenen dan zijn broermaar na twee jaar houden ze het op de Academie voor bekeken. Minstens even belangrijk voor hun ontwikkeling tot kunstschilder is hun


B I N N E N K R A N T

bezoek aan het vrije atelier van Portaels. Portaels, een befaamd oriëntalist, beschikt over de zeldzame kracht om jong talent te vormen zonder het te verstikken: een beleid dat hij vanaf 1877 zal voeren aan de Brusselse Academie. De broers zijn er vrij om hun vertrouwdheid met de oud-Hollandse genre- en portretschilderkunst een persoonlijke toets te geven. Tijdens de lessen fe/cenennoor mode/ontmoeten ze de mediterrane vrouwen die nadien in hun atelier model zullen staan. Ze maken er ook kennis met Edouard Agneessens, Henri van der Hecht, Emile Verdyen, Isidore Verheyen, Ernest Blanc-Garin en André Hennebicq, tijdgenoten op zoek om realistische en impressionistische tendensen in portretten en landschappen te integreren. Het worden vrienden voor het leven en de wederzijdse waardering is groot.

op tentoonstellingen in onder andere Venetië, Wenen en Sint-Petersburg. Pieter en David hebben met volle teugen van hun verblijf in Brussel genoten. Na het vroegtijdige overlijden van Pieter is ook voor David het creatieve vuur getemperd. De band van de onafscheidelijke eeneiïge tweeling, uniek in de kunstgeschiedenis, is verbroken. Emile Verhaeren vat in 1892 hun kunstenaarsschap als volgt samen:"despeintres contents de la vie, faisant un art bourgeois mêlé d'épicurisme, aimant beaucoup a déguster des regards des ripailles des tonalités, ouvrant leur sens au bonheur d'etre artiste."

Het oeuvre van de broers is doordrongen van de natuurlijkheid en lichtwerking van de grote Hollandse meesters Hals en Rembrandt. Pieter bestudeert hun werk wanneer hij musea in Brussel, Parijs of Nederland bezoekt. De geroemde 17de-eeuwse Hollandse landschapsschilderkunst inspireert hen daarentegen niet. Met hun warm koloriet, genretoneeltjes en bij wijlen gedurfde penseeltoets balanceren ze tussen moderniteit en traditie. Hun werk is realistisch maar niet sociaal-realistisch. Ze tonen niet de donkere zijden van het proletarisch bestaan, al staan gewone stervelingen model: in de eerste plaats

Pieter Oyens, De kunstliefhebber, 1877, olieverf op doek, privéverzameling (® Peter Cox)

Het volwassen leven van David en Pieter speelt zich, met uitzondering van korte verblijven in Nederland en studiereizen naar Duitsland en Parijs, haast volledig af in Sint-Joost-tenNode: na zijn huwelijk met zijn landgenote Elisabeth Voute, vestigt David zich in 1866 in de Vooruitgangsstraat. De broers delen twaalf jaar lang een atelier in de Dwarsstraat en vanaf 1883 werken ze in één van de grote ateliers van Felix Mommen in de Liefdadigheidsstraat (te herkennen op Hef portret van Augusta Krupp). Na tien jaar zwoegen, onbekroonde inzendingen op Parijse en Belgische salons, deelname aan Arti et Amicitiae in Amsterdam en de Brusselse Cercle artistique et Littéraire -toonaangevend tot halverwege de jaren '70 en verzamelplaats voor Nederlandse schilders-en-ex//- komt hun stijl tot volle rijpheid. Camille Lemonnier roemt begin de jaren '70 hun werk, wanneer hij het opmerkt in het atelier van Agneesens, en Emile Verhaeren schrijft in 1882 "LesOyenssontpeintres de forte race". Ook Maus en Picard smaken het, zoals blijkt uit het portret van Picards zoontjes. In 1880 wordt Davids Teekening op het driejaarlijks salon bekroond met een gouden medaille. Hun werk verkoopt en is te zien

1VI&L


B

B 1 N N E N K R A 1 M T

Lodewijk XVI- en Empirestijl, Brusselse en Oudenaardse wandtapijten, beeldhouwwerken, zilverwerk, horloges, europees en aziatisch ceramiek. Ter gelegenheid van de tentoonstelling verscheen de begeleidende catalogus De Gebroeders Oyens, met bijdragen van Saskia De Bodt, hoogleraar illustratie te Utrecht, en van Fred Hendriks. De catalogus is een uitgave van het Charliermuseum, telt 192 p. en kost 25 € . Ook het boek Taverne du passage van Saskia De Bodt, Frank Hellemans en Luc Devoldere over de werkzaamheden van Nederlandse kunstenaars in België in de 19deeeuw wordt aan de balie te koop aangeboden.

PieterOyens, In het café, olieverf op paneel, privéverzameling ( s Peter COX)

zijzelf, kunstliefhebbers, dienstmeisjes en kroeggangers. Hun oeuvre, doorgaans op klein formaat, is mede door eikaars aanwezigheid tot stand kunnen komen., al zijn er verschillen: David schildert sneller en impulsiever, Pieter hecht meer belang aan compositie en tekening. Zijn aquarellen - zelfstandige werkjes en geen studies - zijn compositorisch en technisch sterk en worden tentoongesteld bij de Société des Aquarellistes. Het Charliermuseum Het Charliermuseum is gevestigd in een uitzonderlijk 19de-eeuws herenhuis, aan de Kunstlaan 16, in Sint-Joost-ten-Node. Eigenaar en kunstliefhebber Henri Van Cutsem gaf in 1890 aan de beginnende architect Victor Horta opdracht het gelijkvloers

M&L

te verbouwen tot tentoonstellings- en ontmoetingsruimte. De kunstverzamelaar nam als mecenas jonge, veelbelovende kunstenaars onder zijn hoede, zo ook de Brusselse sociaal bewogen beeldhouwer Guillaume Charlier. Vanaf 1904 zet Charlier als belangrijkste erfgenaam het levenswerk van zijn dierbare vriend verder. In het museum is een uitgelezen keuze van de 19de-eeuwse Belgische schilderkunst te bewonderen: portretten van Wiertz, Gouweloos en Agneessens; realistische en impressionistische landschappen van Boulenger, Baron, Heymans, R. en J. Wytsman; sociaal bewogen werken van Laermans, Oleffe en Frédéric, maar ook van omtrent de eeuwwisseling vernieuwende kunstenaars zoals Ensor, Vogels, Smits en Ramah. Men ontdekt er een rijk meubilair in Lodewijk XV-,

De Gebroeders Oyens, in het Charliermuseum, Kunstlaan 16, Sint-Joostten-Node, van 10 maart tot 30 mei 2010. Open maandag tot donderdag van 12-17u; vrijdag van 10-13u. Uitzonderlijk open tijdens de weekends van 27-28 maart, 24-25 april, 29-30 mei, telkens van 10-17u. Toegangsprijs: volwassenen 6 € ; seniors en studenten, OMNIO en inwoners van Sint-Joost-ten-Node 5 € ; CJP 3 € ; - 1 8 gratis. Rondleidingen: groepen (op aanvraag) 38 € + 6 € per persoon; individuen 6 € op maandag 15 maart, zondag 28 maart, zaterdag 24 april en woensdag 19 mei, telkens om 14u; donderdag 6 mei om 15u. Inschrijven: mail info@charliermuseum.be of tel 02 220 28 19


B l l V J N E N X R A N T

AGENTSCHAP

Varia

R n - V I A A N n F R F N WORDT •RUIMTF FN ERFfiOFD 1 Marcel M. Celts

TE KQQP: EEN HUIS VAN

Brucq, Elyseese Veldenstraat 50, Eisene, van 3 april 1956.

OASTON F Y ^ F I I N C K De Gentse architect Gaston Eysselinck bouwde deze woning aan de Vogelvangstlaan 13, in WatermaalBosvoorde (Brussels Hoofdstedelijk Gewest), in opdracht van mevrouw Denis Goegebeur, Vanderstichelenstraat 108, Sint-Jans-Molenbeek. Een eerste voorontwerp dateert van 20 december 1934; op 1 februari 1935 werd de bouwaanvraag door het schepencollege goedgekeurd. Reeds op 6 april 1936 volgde een goedkeuring voor de verbouwing van het buitenterras tot slaapkamer, van de overdekte ingang tot rommelhok en van de garage tot spreekkamer. In opdracht van de heer en mevrouw Willem Rombouts werd geruime tijd later een nieuwe garage toegevoegd, naar het ontwerp van architect F. de

De huidige eigenaars stellen de woning te koop, doch met een uitgesproken voorkeur voor liefhebbers die respectvol wensen om te gaan met dit modernistisch onroerend erfgoed.

Meer weten? tel. 0476 99 47 88

'Ruimte en Erfgoed' is de nieuwe naam van het Agentschap RO-Vlaanderen sedert 1 januari 2010. Aangezien de oude naam nogal eens voor verwarring zorgde, RO werd immers gelezen als Ruimtelijke Ordening en zo ging het volledige aspect Onroerend Erfgoed verloren, werd geopteerd om na 4 jaar werking het agentschap een nieuwe naam te geven. Daarom houden wij met trots 'Ruimte en Erfgoed' boven de doopvont.

RUIMTE

brigitte.libois@gmail.com

U kan ons bereiken op volgende adressen: Ruimte El Erfgoed Koning Albert II laan 19 bus 3 1210 Brussel Tel 02/553.18.50 ruimte.erfgoed@rwo.vlaanderen.be Afdeling Oost-Vlaanderen Gebrs. Van Eyckstraat 4-6 9000 Gent Tel 09/265.45.11 ruimte.erfgoed.ovl (8) rwo.vlaanderen.be Afdeling Vlaams-Brabant Blijde Inkomststraat 103-105 3000 Leuven Tel 016/24.98.18 ruimte.erfaoed.vbr@row.vlaanderen.be Afdeling Antwerpen Anne-Bijnsgebouw Lange Kievitstraat 111-113 bus 52 2018 Antwerpen

Tel 03/224.65.20 ruimte.erfaoed.ant@rwo.vlaanderen.be Afdeling West-Vlaanderen Werkhuisstraat 9 8000 Brugge Tel 050/44.28.11 ruimte.erfaoed.wvl@rwo.vlaanderen.be

Watermaal-Bosvoorde, Vogelvangstlaan 13, architect Gaston Eysselinck 1935, toestand vóór de verbouwing van 1936.

Watermaal-Bosvoorde, Vogelvangstlaan 13, architect Gaston Eysselinck 1935, huidige toestand.

Afdeling Limburg Hendrik Van Veldekegebouw Koningin Astridlaan 50 bus 1 3500 Hasselt Tel 011/74.21.00 ruimte.erfaoed.lim@rwo.vlaanderen.be

1VI&L


MÜL

citaat

"Waar de geest van den beeldhouwer zich steeds gedrongen voelt om tot de fysieke werkelijkheid weer te keeren, waardoor hij enkel zijn gedachten uit te drukken vermag, dringen de eischen zijner kunst hem daarentegen soms naar idealere concepties. Zijn hoofddoel moet tenslotte blijven: het weergeven van de menschenfiguur, in de kracht of de gratie van haar naaktheid. Maar hoe tot weergave van die werkelijkheid te geraken, bij gebreke aan een geschikt model? Er zijn waarschijnlijk geen streken, behalve in de warmste van Afrika, waar 't gewoonte is om zonder eenige kleedij rond te wandelen. In Griekenland was zoo het kostuum van kampvechters en van goden. De goden zijn van ons heengegaan, de athleten zijn gebleven, doch de preutschheid onzer dagen gedoogde niet dat ze zich op het stadium vertoonden in het Olympisch gewaad hunner antieke voorgangers. Maar wat dan? De beginneling beeldhouwer, die de eerzucht koestert om zijn kennis van het lichaam in de schepping eener naakt figuur te openbaren - heldhaftig naakt - bevindt zich in de pijnlijkste verlegenheid. De oude fabelen zijn uit de mode, de allegorische abstracties, schijnen en zijn inderdaad, ledig van belang en emotie. De kunstenaar moet echter een, overigens in de meeste gevallen zeer onschuldig voorwendsel vinden, dat academische naaktheden wettigt. Dit voorwendsel, uitgedrukt in den titel van het werk, geeft dikwijls den indruk of de artist het achteraf had gevonden - of hij het zoo maar had gekozen, omdat hij er toevallig een noodig had. De reden is bijv. tamelijk moeilijk te bevroeden waarom het pleister van den heer Behets: twee vrouwen, de eene gezeten, de andere staande, die, zooals voor vrouwen gepast is, samen zitten te babbelen, de 'twee Droomen', moet worden genoemd. Hetzelfde verwijt zou den heer G. Huygens kunnen treffen. Zijn 'Melancholie', indien ze ons al niet door haar plastische kwaliteiten verbaast, verrast ons evenmin door den naam haar door den maker gegeven: Een vrouw met hangende haren knielt in een allerongemakkelijkste houding op de punt van een scherpe rots; geen wonder dat ze melancholiek is! Hetzij echter verre van ons om met moedige, eervolle pogingen van jeugdige kunstenaars te willen spotten, enkel zijn we van meening, dat het beter ware voor henzelf en wellicht ook voor hun kunst, zoo ze er van afzagen om hyperbolische namen aan hun naaktstudies te geven, die evengoed als zoodanig konden worden betiteld."

Arnold Goffin, De driejaarlijks tentoonstelling te Brussel, 1914, in Onze Kunst,'jrq.13, nr. 10, oktober 1914, p. 102, II Beeldhouw- en penningkunst.


De verbouwingen in het westelijk deel van het gebouw, betroffen de kamers met de letters J, K, L, M, N , O, P, Q , R en S. In dit westelijke deel schijnen minder ingrijpende werken uitgevoerd te zijn, want zoals reeds hoger werd gesteld, stonden er in dit deel van het gebouw al binnenmuren. Het oostelijke deel van dit westelijke gebouw werd opgedeeld in vier kamers (L, M, N , O). Hier worden op de begane grond twee nieuwe deuren aangeduid met een romeins cijfer V en tevens worden er twee nieuwe ramen opgetekend, herkenbaar aan de cijferaanduiding Vi. Er worden in de kamers J, L, P, S ook meerdere schouwen opgericht, wat blijkt uit de lijnen in gele kleur (nieuw op te richten). De schouw in kamer S is nog altijd

aanwezig; tijdens de ontmanteling van het gebouw werden met behulp van dit plan tevens andere oude schouwen teruggevonden. In het westelijk volume staan de hoofdletters voor de volgende functies van de kamers: J is de kamer van de inspecteur; K, L, M en N zijn de kamers voor een inspecteur; O is het kabinet voor een boswachter; P is de kamer voor een boswachter; Q is de keuken voor een boswachter; ruimte R is de vestibule; kamer S is de ruimte voor een boswachter. Over de indeling van de kamers kan het volgende opgemerkt worden: in kamer S bevond zich in deze periode slechts één venster aan de noordkant, wat impliceert dat zowel het venster in de noordoostelijke muur als in de westelijke muur latere toevoe-

Detail van de voorkamer van het gebouw voor de officieren van het Zoniénwoud. mogelijk te dateren rond 1788 ( © ARAB, OiMoges de Lo Cour, 364) (foto 0. Pauwels)

( v

<

> N

1V1&L


• Detail, uitgewerkt in potlood, van de

voorkamer van het gebouw voor de officieren van het Zoménwoud ( © ARAB, Ouvrages

de La Cour, 364) (foto 0. Pauwels)

-• N

gingen zijn. Verder plaatste men tussen de kamers P en Q een tussenmuur en richtte men in de kamer P voor de boswachter een schouw op. Uit de legende bij het plan p. 31 kan tevens worden opgemaakt dat men de intentie had om vanuit de vestibule R een trap te maken naar de zolder. Bij de

restauratie heeft men op basis van deze notities op de tekening op die plaats een trap gemaakt, die nu uitkomt bij de burelen op de eerste verdieping. Indien de kamers naargelang de graad van de verschillende gebruikers -officier, commissaris, inspec-


teur, boswachter- zouden worden ingekleurd, ontstaat een goed beeld van de afzonderlijke circulatie in de twee gebouwen. De commissaris gebruikt de voorste kamer (B) en kon naar zijn hoger gelegen privé vertrekken via de trap in ruimte A. Doordat het koetshuis en de stallen grenzen aan ruimte C, heeft hij echter een beperkte bewegingsvrijheid op de begane grond. De commissaris beschikte evenmin over een eigen keuken, wat later als een gemis zal worden beschouwd. In het achterste gedeelte van het oostelijk volume huisde een inspecteur. Hij bezat een afzonderlijke toegang in de zuidelijke muur (via ruimte E) en beschikte over een eigen keuken (G) en kelder; verder kon hij door middel van een trap (H) naar zijn kamer (j) op de eerste verdieping. Het meest westelijke deel van de tweede woning heeft ook een aparte toegang (R), een keuken (Q) en kelder, verder een kamer met kabinet en een tweede kamer eveneens voorzien van een kabinet (P en O ) . Al deze ruimtes waren bestemd voor een boswachter. De twee andere detailtekeningen op p. 33-34 werpen een beter licht op veranderingen die men later wenste uit te voeren; mogelijk werden deze schetsen rond 1788 getekend, een kleine twee jaar na voormeld ontwerp (26). De kleuren op de volgende ontwerpschets hebben een andere betekenis dan de kleuren op het eerder behandelde overzichtsplan. Rood staat hier voor de bestaande situatie, grijs duidt de veranderingen aan en geel verwijst naar de af te breken muren (27). Brieven in de archieven maken gewag van het ontbreken van een kelder, zolder, keuken en een toilet, noodzakelijke elementen voor een goede woonst (28). Derhalve vindt men het noodzakelijk ter plaatse te gaan en een bestek voor de werken op te maken om het logement voor de directeur te verbeteren (29). O p de tekening p. 33 is te zien dat het koetshuis gehalveerd wordt, zodat er een keuken met schouw en een kamer in kunnen worden ingericht. Een andere verwijzing op deze schets geeft instructies voor de oprichting van een scheidingswand op zolder. De aanduiding met de letters E verwijst naar de plaats waar deze scheidingswand moest komen. Als materiaal suggereerde men het gebruik van een beplanking of halve bakstenen wand. In twee teksten gaat men nader in op het feit dat het opgeheven gebouw van de priorij aangepast en vergroot moest worden om de directeur van de boomkwekerij en aanplanting van het Zoniënwoud te kunnen onderbrengen. Zo schrijft men in de

vroegste tekst dat het bouwen van een keuken, een kabinet, een kelder en een trap die voor de verbinding naar de zolder zorgt, noodzakelijk zijn (30). Tevens noemt men nog enkele andere elementen die ontbreken en die zeker toegevoegd moeten worden. De tweede detailtekening p. 34 voor dezelfde locatie is in potlood uitgevoerd. Hier heeft de tekenaar in vergelijking met het hiervoor behandelde ontwerp de kamer in het voormalig koetshuis iets verbreed en de schouw verplaatst. Bovendien is er een trap getekend die waarschijnlijk de keuken met de kelder moest verbinden. Het is niet mogelijk deze tekening nauwkeuriger te dateren.

EEN BESTEK EN ONTWERPTEKENING VAN INSPECTEUR BAUDQUR OF ARCHITECT NIVQY? In een tekst van 20 maart 1789 wordt gewag gemaakt van twee bestekken, met verwijzing naar begeleidende plannen; beide bestekken hebben te maken met de verbouwingen in het logement van de directeur Zinner (31). Eén bestek zou ingediend zijn door inspecteur Baudour, belast met de werken aan het hof en verantwoordelijk voor het toezicht en de begeleiding van de sloop van het klooster. Het tweede bestek werd gemaakt door de architect Nivoy. In het bestek opgemaakt door Nivoy werd 980 florins in rekening gebracht, terwijl het bestek van Baudour iets hoger ligt en 1169 yZorz'w bedroeg. Het verschil van 184 florins mag echter geen belemmering voor de selectie vormen. Verder staat dat de verbeteringen zoals voorgesteld op plan no.l publiekelijk bekend gemaakt moeten worden en de opdracht aan de inschrijver met de laagste prijs wordt toegekend (32). Door deze maatregel lijkt het denkbaar dat Nivoy de verbeteringen aan het classicistische gebouw uitgevoerd moet hebben, wat niet automatisch betekent dat hij ook het uitgebreide eerste ontwerp getekend heeft. In de archiefteksten verwijst men daar namelijk niet naar. Door middel van een hierboven al aangehaalde tekst, kunnen de werken voor Zinner tot in de kleinste details geïnterpreteerd worden (33). Wij mogen het als uitzonderlijk beschouwen, dat de veranderingen die men nodig achtte voor deze laat 18 c -eeuwse kleine verbouwing, op zo'n gedetailleerde wijze gereconstrueerd kunnen worden.


BOUWHISTORISCHE GEGEVENS UIT DE ARCHIVALIA Door het naar voren gebrachte iconografische materiaal is het mogelijk een beeld te geven van de veranderingen die werden uitgevoerd aan het wagenhuis, of anders gezegd aan het gebouw dat later bekend zou staan als woonstede voor de officieren van het Zoniënwoud en nog later vermaard werd onder de naam Kasteel van Groenendaal. Met behulp van de laat 18 e -eeuwse archiefbronnen zal er nu in detail gekeken worden naar een aantal specifiek vernoemde elementen van het gebouw, met de nadruk op de verbouwingen tussen 1786 en 1788.

1RDE-EEUWSE ARCHIVALIA De architect of bouwmeester van het wagenhuis In de bronnen uit de periode 1779 tot 1788 worden de namen van meerdere architecten vermeld, maar het is niet onmiddellijk duidelijk voor welke gebouwen deze hebben gewerkt. De priorij stond bijvoorbeeld nog in het krijt bij Guillaume de Brucq. In de teruggevonden rekening verwijst men naar een aantal posten zoals het maken van een plan, het uitvoeren van ander werken de oprichting van de hoeve, het huidige Bosmuseum (34). In de religiekas schrijft men ook over een uitbetaling aan architect Vandenkerckhove, die verschillende werkzaamheden voor het klooster zou hebben uitgevoerd tussen 17 juli 1780 en 13 april 1784. Deze factuur is een stuk hoger dan de rekening van Guillaume de Brucq, maar dit betekent niet dat daar onmiddellijk een conclusie aan verbonden kan worden (35). In de bronnen was meermaals sprake van de naam architect Vandenkerckhove en qua datering komt de periode goed overeen met de tijd waarin het wagenhuis of dienstgebouw opgericht moet geweest zijn. Aangezien er geen gedetailleerde verwijzingen naar deze werken werden gemaakt, kan de bouw van het wagenhuis hem nochtans niet met zekerheid worden toegeschreven. In een brief van advocaat Deudon, beheerder van de goederen van de priorij, aan de religiekas komen de namen van twee architecten voor (36). Ene Livois zou een tekening van het klooster gemaakt hebben en zou dit ontwerp nog bezitten. Volgens deze bron werden de tekeningen van het gasten-

kwartier van het klooster echter door een andere architect gemaakt, namelijk door een zekere Folt, die blijkbaar overleden was. Volgens architect Livois, zou het vier tot vijf dagen duren om de ontwerpen opnieuw te tekenen (37). Een artikel van M. Erkens gaat nader in op de namen van deze twee architecten; de auteur suggereert dat er hier sprake zou kunnen zijn van een verwarring tussen spreek- en schrijftaal (38). Bij de naam Folt zou het volgens hem handelen om de architect met de naam Faulte, geboren in 1726 en gestorven in 1766. Deze architect was vanaf 1752 directeur des ouvrages de la cour en is vooral bekend gebleven door de bouw van het Paleis van Karel van Lorreinen, aan het huidig Museumplein in Brussel. Volgens de onder eindnoot 37 geciteerde tekst zou Folt het Gastenkwartier in Groenendaal gebouwd hebben. Deze informatie illustreert dat Folte nauw betrokken was bij bouwactiviteiten aan het klooster, maar gezien zijn vroege sterfdatum, lijkt zijn deelname aan de bouw van het wagenhuis onwaarschijnlijk. Voor de naam Livois stelt Erkens dat het hierbij wellicht ging om de architect Nivoy, die een aantal gebouwen in de classicistische stijl in Brussel bouwde. De naam Nivoy komt herhaaldelijk voor in de archieven, maar werd in bijna alle gevallen correct geschreven. Wellicht mogen wij er bij Livois derhalve van uitgaan dat het een andere persoon betreft. Een andere tekst sluit qua onderwerp nauw aan bij het in eindnoot 37 getranscribeerde archiefstuk. In deze brief vraagt Deudon toestemming om een nieuwe tekening te laten maken door een landmeter of een architect (39). Omdat deze informatie aansluit bij de vroegere bemerkingen over de tekeningen van het klooster, lijkt het waarschijnlijk dat deze tekening kort na 19 september 1786 vervaardigd werd. Hierbij vragen wij ons natuurlijk af of het daarbij om het anonieme plan met het opschrift Plan des Bdtiments du Prieuré Supprimé de Groenendal zou kunnen handelen? Een ander interessant document dat al eerder ter sprake werd gebracht draagt het opschrift "Plan d'un partie du terrain du prieuré supprimé de GroenendaeP. Een brief van inspecteur Baudour geeft inzicht in de verschillende waarden van de gebouwen en laat toe de detailtekening nauwkeuriger te dateren (40). De belangrijkste gegevens betreffen de waarde van de gebouwen en stukken grond:


waarde gebouw 1 = 150 guldens; waarde gebouw 2 = 1200 guldens; waarde gebouw 3 = 60 guldens; waarde gebouw 4 - 300 guldens; grond onder nr. 5 en 6= 1300 guldens (29 avril 1786) H.Baudour &].Philippart

(41).

De tekst maakt duidelijk dat de oprichting van het gebouw, geruime tijd voor deze datum moet hebben plaatsgevonden: de opheffing van het klooster vond namelijk plaats in 1784. Verder blijkt uit de opschriften op de tekening dat het gebouw nog niet was afgewerkt en dat de verbouwingen dus uitgevoerd werden in de maanden die volgden op de datum van ondertekening (29 april 1786) van deze brief. Een ander opvallend aspect betreft de lage waarde {60 florins) en de bemerking te slopen van het gebouw vermeld onder nummer 3. Dit is het nog altijd bestaande westelijke lagere volume, maar de appreciatie voor dit gebouw was in 1786 dus minimaal. Indien wij aannemen dat het oostelijke en westelijke aanpalende lagere gebouw, op een goed moment (1782) als één geheel werd uitgewerkt, strookt dit slecht met het feit dat men enkele jaren later het westelijke gebouw (gebouw 3 in de correspondentie) wenst af te breken (42). O p basis van de archivalische bronnen kunnen er samengevat vijf namen van architecten naar voren worden gebracht. Deze van Vandenkerckhove, Baudour en Nivoy lijken qua bouwperiode het beste aan te sluiten bij de werken aan het classicistische gebouw.

BOUWMATERIALEN EN BQUWVERANDERINGEN Baudour was als inspecteur van de werken aan het hof belast met het toezicht en de begeleiding van de sloop van het klooster. Er werden verscheidene lijsten opgemaakt om de verkoop van de sloopmaterialen op een correcte wijze te laten verlopen. Zowel inspecteur Baudour als de architecten Montoyer en Nivoy kwamen meermaals naar Groenendaal. De heren onderzochten in Groenendaal de aanwezige materialen en gaven inspecteur Baudour advies bij het vaststellen van de prijs voor de bouwmaterialen. Bovendien kreeg Montoyer de vrije hand om alle materialen mee te nemen die hij zou kunnen gebruiken bij de bouw van het gebouw voor de nieuwe regeringsraad in Brussel (43). Daarnaast werden er ook afspraken gemaakt over de exploitatie van de sloopmaterialen voor de gebouwen die in het woud worden opgericht.

De inventarissen verduidelijken welke materialen nodig waren voor de voltooiing en veranderingen aan het classicistische gebouw en het aanpalende lagere gebouw. Een belangrijke lijst geeft een inzicht in de beschikbare bouwmaterialen voor het classicistische gebouw en voor een aantal andere gebouwen voor de boswachters (44). Een aantal bouwhistorische elementen werden reeds besproken bij de behandeling van de iconografie; uit de opsomming van materialen onder eindnoot 44 blijkt onder meer dat er veel leien beschikbaar waren. Tevens werden de bakstenen van het klooster op grote schaal gerecupereerd: waarschijnlijk gebruikten men deze in de oprichting van de binnenmuren. De lijst gaat verder in op de deuren uit sparrenhout en vermeldt dat er drie trappen uit een overeenkomstige houtsoort zijn samengesteld. De genoemde witte en blauwe tegels van één voet, werden op een aantal plaatsen in het gebouw teruggevonden (hal, kamer van de commissaris en vestibule). Hoewel er veel werken en verbouwingen in de correspondentie van de Ouvrages de La Cour (de werken aan het hof) worden besproken, is het niet eenvoudig om de exacte plaatsen van de geleverde inspanningen te traceren. Voor de plaatsaanduidingen geeft men namelijk naar onze maatstaven vage aanwijzingen. In een ander document stipuleert men dat de woning voor de boswachters bewoonbaar gemaakt moesten worden. Dit is een logische gevolgtrekking van het feit dat het gebouw eerder werd gebruikt als paardenstal, koetshuis en personeelsruimte. Het hof geeft dan ook opdracht om het schrijnwerk van deuren en ramen te schilderen en een verhoogd trottoir aan te leggen rond de gebouwen. Tevens dienen er drie gemakken (lieux d'aisance) voorzien te worden, uitgerust met een afvoer. Andere opgesomde werken verwijzen naar het herstel van de ommuring en de vergroting van een kamer voor een boswachter in het kleine gebouw. Onder deze kamer moest bovendien een voorraadkelder aangelegd worden. Ook de broodovens worden expliciet vermeld. De in deze bron aangehaalde voorraadruimte zou kunnen verwijzen naar de kelder in het westelijke gebouw (45). Een brief gericht aan 'het bureau van de werken aan het hof', gedateerd op 13 juli 1786 verwijst uitdrukkelijk naar een bijgevoegd plan met uitleg. De toelichting handelt over de bestaande situatie en gaat in op de delen die verbouwd moesten worden om het gebouw aan te passen aan de bestem-


ming als kwartier voor de officieren. In dit kwartier diende zowel een huisvesting voor de inspecteur als een slaapplaats voor twee boswachters te worden voorzien. In de brief verwijst men naar de volgende materialen: 35 bois de charpente, chassis, 25 partes, grillage, 3 escaliers tous les grillages etplancher tous les pavement toutes les Briques et pierre de Tailles, touts la charpent grosse charpent toutes les ardoises. Vervolgens merkt men op dat al deze materialen uit de sloop van het klooster verkregen konden worden en dat er dus slechts kosten moesten worden gemaakt voor kalk, spijkers, werkuren en koetsen. Veel van deze materialen stonden ook al in de hiervoor gereproduceerde lijst (eindnoot 44) vermeld.

Het gerestaureerde voormalig koetshuis met de nieuwbouw vanuit het noordwesten (foto 0. Pauwels)

M&L

olie, mastiek en Waalse kalk betreffen, als handelen over de geleverde prestaties van de mannen. Meester plafonneerder De Smet onderschrijft dat hij alle plafonds van de boswachterwoningen in het Zoniënwoud voorzien heeft van een latten onderstructuut en daarna geplafonneerd heeft met de overeengekomen twee lagen (47). Tevens noemt hij in deze rekening het witkalken van de buitenmuren, wat meteen een belangrijke aanwijzing voor het originele 18 e -eeuwse kleurgebruik op de buitengevels is.

In één document uit 1786 maakt men prijsafspraken met de meester uitvoerders. Zo wordt er geschreven over vaste prijzen voor de metselaars, de plafonneerders, de schilders en de dakwerkers (46).

Een factuur van meester leidekker Grimberghe illustreert dat hij vanaf 12 augustus 1786, weken na elkaar aan het dak van het eerste deel van het gebouw werkt (48). Waarschijnlijk gaat het hierbij om het dak van het classicistische gebouw. De dakwerken en het herleggen van de leien namen ook tijdens de restauratiewerkzaamheden in 2007-2008 ruim zes maanden in beslag.

GEDETAILLEFRDF VERMELDINGEN VAN DE VERBOUWINGEN

TERUGKEER VAN DE KANUNNIKEN NAAR HET KLOOSTER

De verbouwingen aan het gebouw vinden plaats van juli tot december 1786. Van augustus tot oktober werken de arbeiders aan zaken die met de afwerking van het gebouw te maken hebben. Uit die periode zijn er meerdere rekeningen overgeleverd die zowel de levering van producten zoals gekookte

Over het verdere verloop van de bouwgeschiedenis in de late 18 c eeuw zijn minder gedetailleerde gegevens bekend. Historisch blijft het een onrustige tijd waarbij de Oostenrijkse macht wordt afgelost door die van de Franse bezetter. De verwerping van het edict van


A De nieuwe oculus

Jozef II betreffende de contemplatieve kloosters, biedt de monniken een mogelijkheid om naar de priorij terug te keren. Een bron vermeldt dat de religieuzen vanaf 1790 werkten aan de wederopbouw van het klooster om er vervolgens hun herintrede te doen. Daarbij noteert Zinnet dat de kerk bijna voorzien is van een dak en dat nu het interieur van het gebouw aan de beurt is. Van de oude gebouwen rest er een klein huisje (mogelijk het huidig boswachtershuis) waar een bewaker van het klooster woont en un autre corps de logis detaché alwaat drie kanunniken hun intrede zouden hebben gedaan. Het is niet duidelijk wat wij onder de beschrijving van het gebouw met een losgekoppeld corps de logis moeten verstaan (49). Een opsomming van de schulden van het klooster, illustreert dat er in de periode van 1790 tot 1796 ondethoudswerken werden uitgevoerd, maar de korte beschrijvingen van de verschillende werken geven nauwelijks plaatsbepalingen, waardoor deze informatie niet verder kan geïnterpreteerd worden (50).

SLOOP FN RFSTAURATIE

in de oostelijke classicistische gevel, draagt veel bi) aan

Bij de recente restauratie heeft architect Bart Lens er voor gekozen de 20 ste -eeuwse bijgebouwen aan de noord- en zuidzijde van het oostelijke en westelijke gebouw te slopen (51). Dit was een ingrijpende onderneming, waarbij er allerlei nieuwe openingen in het gebouw ontstonden. Aan de hand van de 18 e -eeuwse ontwerptekening konden raam- en deuropeningen in het 18 e -eeuwse classicistische volume gerestaureerd worden; weliswaar werd daar een eigentijdse invulling aan gegeven. Tevens wist men door het teruggevonden iconografische materiaal hoe de gevels en het dak er aan de noord- en zuidzijde tot in de late 19 e eeuw hadden uitgezien. Het herleggen van het dak in leisteen in plaats van dakpannen, zorgt ervoor dat de oorspronkelijke dakvorm weer goed tot zijn recht komt. De nieuw gemetselde schouwkanalen, het recent opgerichte laadvenster (noordkant) en het hedendaagse ossenoog {oeil-de-boeufi in de monumentale oostelijke

het classicistisch uiterlijk van het gebouw (foto auteur)


dakgevel stemmen overeen met de 19 c -eeuwse ico-

schappelijke waarde van her geheel gevormd door het Zoniën-

nografische bronnen en zorgen ervoor dat de mo-

woud en het Kapucijnenbos gelegen op het grondgebied van de

numentale gevel weer meer van haar 'oorspronke-

gemeenre Oudergem, Duisburg, Hoeilaart, Terhulpen, Ukkel,

lijke' classicistische uiterlijk heeft teruggekregen.

Waterloo, Watermaal-Bosvoorde en Sint-Pieters-Woluwe. Door de bescherming als landschap gelden er een aantal erfdienstbaar-

De nieuw gecreëerde doorgang tussen het oostelijk

heden:

en westelijk gebouw werd overgenomen van het

- her is verboden nieuwe gebouwen op re richten of aan de be-

Plan des Bdtiments du Prieuré Supprimé de GroOTf «-

staande gebouwen andere dan wijzigingen voor onderhoud

dal waarop het kasteel van Groenendaal nog in ge-

aan re brengen, rerwijl dit verbod niet slaat op de schuilplaats

bruik was als wagenhuis

knechtenverblijf.

voor de werklieden en de bergplaats voor het materieel, noch

Deze indeling stamt dus uit de tijd dat het gebouw

op de gebouwen welke dienen voor de warerbedeling door de

met

nog in gebruik was als dienstgebouw van het kloos-

Brusselse Intercommuncale Maatschappij voor Watervoorzie-

ter.

ning - de plannen voor deze gebouwen dienen vooraf ter advies aan

Voor de indeling van de ruimtes in het gebouw

de afdeling Monumenten en Landschappen en aan het be-

deed men grotendeels beroep op het iets latere Plan

voegde college van Burgemeester en Schepenen te worden

d'un Batiment déstiné a l'usage des officiers de laforet

voorgelegd

de Soigne et aux logement d'un inspecteur et d'un

- het is verboden de aarde der beboste terreinen te veranderen,

forestier waarbij er na de opheffing van de priorij

de vorm der vijvers te wijzigen, afval te storten of gelijkaatdige

een nieuwe bestemming aan de gebouwen werd ge-

ovetblijfselen te laten bestaan of om het even wat te doen

geven. De huidige bestemming sluit naadloos aan

waardoor het uitzicht van het landschap kan gewijzigd worden

bij deze van destijds. Medewerkers van het Agent-

(3) De bridgeclub heeft het schilderij meegenomen in de mening dar

schap voor Natuur en Bos, inclusief de boswach-

er overnamekosten voor dit werk waren betaald. Het schilderij is

ters, hebben nu hun kantoren in dit gebouw. Bij

geschilderd om boven de traphal te hangen en het is jammer dar

het vinden van een bestemming voor een be-

het niet langer op die plek te bewonderen is

schermd gebouw komt het maar zelden voor dat deze identiek is aan die uit het verleden.

(4) Ruusbroec verwoordde zijn ideeën in het Diets (de Brabantse volkstaal) omdat hij meende op die manier ook de ruime groep van leken en kleine geestelijken te bereiken die geen Latijnse vor-

Afgaande op de resultaten van het kleurenonder-

ming hadden genoten. Het zal duidelijk zijn dat dat een moderne

zoek besloot men de gevel te kaleien in een gebro-

manier van denken was in de 14 'eeuw.

ken witte tint. Niet zozeer omdat de voormalige priorij in de Vlaamse Rand ligt maar vooral omdat het oude gebruik van het gebouw hersteld is, heeft men er bij het kaleien van de gevels voor geopteerd de naam Chdteau de Groenendael, die de familie de Rose aan het gebouw gaf, niet meer aan te brengen.

(5) ERKENS M., Drie Augustijnerpriorijen in Zoniën, in Eigen Schoon en de Brabander, jg. 64, 7/8/9, 1981, p. 21. (6) JANSSENS L. en PERSOONS E., Lesprteurés enforêt de Soignes (Val-Duchesse, Groenendael, Rouge-Cloitre, Sept-Fontaines et Ter Cluysen) (tent.cat.), Brussel, 1989, p. 25. (7) DE RIDDER P, ERKENS M. en PERSOONS E., De luister van Groenendael Ruusbroec, Brussel, 1993, p. 66. Namelijk de zoon van Karel, Filips II, zijn zuster Eleonora, vrouw van Frans I van

Petra Boekstal is zelfstandige

bouwhistorica

Frankrijk en Maria van Hongarije, zijn broer groorhertog Ferdinand van Oostenrijk en diens vrouw en zijn beschermeling Muley-Hassan uit Tunesië. (8) ARAB, Ouvrages de La Cour, 360: dit archief handelt volledig over de resraurariewerken aan het huis van Ravenstein in 1623-

EINDNOTEN

24 en bevat ondermeer een onrwerptekening in kleur. (9) Ingetreden in 1755 en gekozen tot prior in 1779.

(1) Het wagenhuis droeg tor in 2006 de naam Chateau de Groenen- (10) Het edict van Jozef II werd ingevoerd op 17 maarr 1783 maar de dael en de benaming kasreel wordt dus ook voor het vroegere wagenhuis gebruikr. (2) Vanaf 19 juli 1984 nam men dir gebied ook op op het bijzonder

uitvoering van het edict geschiedde pas één jaar larer. Vandaar dat er verschillende data in de tekst naar voren worden gebracht. (11) Onroerende goederen kunnen alleen graris overgedragen wor-

plan van aanleg (BPA). Door deze maarregelen staat men slechts

den, indien deze onmisbaar zijn voor de uitoefening van de be-

verbouwingen toe die in het belang geachr worden van her

voegdheden van het gewest. Doordat het kasteel vethuurd was,

natuurbehoud. Voor de sire gelden dus meerdere beschermings-

kon er geen aanspraak op deze regel gemaakr worden, en diende

besluiten. De bescherming als landschap (KB van 2 december

de Vlaamse overheid de Staat te onteigenen om hierna tot de

1959) omwille van zijn geschiedkundige, esthetische en weten-

aankoop van het gebouw te kunnen overgaan.


(12) In het kader van een Beter Bestuurlijk Beleid (BBB) van de Vlaamse Gemeenschap in 2007 hernoemde men de afdeling Bos en Groen tor het Agentschap voor Naruur en Bos, dat deel uitmaakt van het Ministerie van Leefmilieu, Natuur en Energie.

woud domineren. (25) De letter T bevindt zich ter hoogre van kamer F aan de buitenzijde van het gebouw. (26) Dat wil zeggen nadat het 'Plan d'un Bailment destine a l'usage des

Her Agenrschap voor Natuur en Bos (ANB) is de fusie van de

officiers de laforet de Soigne et aux logement d'un inspecteur et d'un

afdelingen Natuur en Bos & Groen van her vroegere AMINAL.

yèröttVrgerealiseerd was.

(13) Achrer het gebouw met nr.21 staat nog een tweede gebouw met

(27) Op her 'Plan d'un Batiment déstiné a l'usage des officiers de laforet

een torentje. Bij opgravingen in 2006 diende deze iliusrrarie als

de Soigne et aux logement d'un inspecteur et d'un forestier stond

iconografische bron voor het archeologisch onderzoek naar mo-

daatentegen de gele kleur voor de nieuw op te richten muren.

gelijke funderingen. De opgegraven fragmenten van een fundering bleken echter niet overeen te komen met de oriëntering van het gebouw op het plan van Hollar en de afgebeelde inplanting van de gebouwen.

(28) ARAB, Ouvrages de La Cour, 364 en Algemene regeringsraad, 1404. (29) Hier gaat her om Zinner, een Oosrenrijkse tuinier en direcreur van het Zoniënwoud die deze ruimte (dit is kamer B die uirzicht

(14) GOFFIN Y., Groenendaah de overblijfselen van de oude priorij der Augustijnen gezien dooreen nieuwe bril, in Zomen, Geschiedkundig tijdschrift voorljse en Laneland, jg. 21, nr. 3, 1997, p. 103. (15) Andere benamingen die tijdens de 18 e en 19 e eeuw voor het classicistische gebouw gebruikt werden zijn: het wagenhuis met knechtenverblijf rond 1780-1783; woonstede voor de officieren,

had op de kerk) toegewezen kreeg. (30) ARAB, Ouvrages de La Cour. 364, 25 juli 1788. (31) ARAB, Algemene Regeringsraad, 1404. (32) Spijtig genoeg weten we niet naar welke tekening nr.l men hier verwijst. (33) ARAB, Ouvrages de La Cour, 364: deze tekst bevindt zich naast

commissaris, inspecteur en boswachter van het Zoniënwoud

de detailtekening p. 33 voor de verbouwingswerken voor Zinner.

vanaf 1786; het grote en kleine gebouw; huisvesting voor Zinner

(34) ARAB, Religiekas, 199, nr. 420 : «Item a Guillaume De Brucq

vanaf 1788-1789; soms spreekt men foutief over de woning van de prior (rond 1790); vanaf 1855 spreekt men over de zetel van de jachtvereniging; Colla Rose in verband met de naam van de familie Rose uitbater vanaf het einde van de 19

c

eeuw tot in

1977.

pour avoir fait Ie Plan, et autres devoirs, pour construire la cense pres de Couvent. Ie 7janvier 7779 (bedrag) 51,10» (35) ARAB, Religiekas, 199, nr. 444 : «Item a B: Vandenkerckhoven architecte, pour differens devoirs faits pour Ie couvent depuis 17juillet mOjusqu

au 13 avril 1784 (bedrag) 1485»

(16) Mogelijke datering 1784-1786.

(36) ARAB, Religiekas, 407.

(17) ARAB, Gids 13, Kaarten, plannen in handschrift (eerste reeks),

(37) ARAB, Religiekas, 407: "Messieurs Satisfaisant a ce qui mest en-

2171

jointpar lettre du 30 Septembre dernier j'ai l'honneur de remettre a

(18) ARAB, Gids 13, Kaarten, plannen in handschrift (eerste reeks),

ma lettre du 19 du dit mois, et étant chargé de rendre mon avis sur

2172. (19) Op dit plan werd de noordpijl verkeerd aangeduid: hij wijsr naar

la maniere la plus avantageuse de procéderais a la vente du Couvent, je crois qu 'il conviendrait de vendre chaque Batiment détaché séparé-

het westen. (20) ARAB, GiéA

vos Setgneuries la veille carte figurative du Couvent mentionnée dans

128, Religiekas, 406.

ment et Ie couvent en différentesparties afin de trouverplus aisement

(21) Op de noordoostzijde van gebouw nr. 2 kon een deel van een

des acheteurs; et pour effectuer ce projet, il me paroit qu 'il convien-

inscriptie herkend worden: HIC ME CON....UXT (de mid-

drait de faire lever Ie plan du Couvent sans elevation ni profil dans

delste letters lijken weggekapr re zijn) mogelijk srond er oor-

lequel on designera chaque partie a vendre separement; j'ai parlé a

spronkelijk 'con(str)ux (i?)t Van Wilder'. Zoals bekend was Van

l'architecte livois qui a fait Ie plan du Cloitre et qui a encore les es-

Wilder de laatste prior van Groenendaal. Indien de benadrukre

quisses de ce plan, mais il na point celles du quartier d'hotes dont Ie

hoofdletters omgezet worden in cijfers lezen wij her jaarral

plan a été fait par un nommé FOKT qui est mort; et Ie dis Livois ma

1782. Op de noordwesthoek van gebouw nr. 3 werd eveneens

dit que c'etait l'ouvrages de 4 ou 5 jours pour achever Ie plan du

een inscriptie herkend. Daarop staat het volgende: LAPIDEM

couvent en entier si vos Seigneunes Ie trouverait convemr Groenen-

H U N G POSUIT J. NUEWENS PROCURATOR. Procuratot

dael Ie 5 octobre 1785 "•

J. Nuewens heeft deze steen gelegd, volgens het chronogram eveneens re dateten in 1782. (22) Het lijkt er sterk op dat het absoluut niet de bedoeling was om dit volume te bewaren.

(38) ERKENS M., Architecten in Hoeilaart Faulte &Nivoy, in Zoniën. Geschiedkundig tijdschrift voor IJse en Laneland, jg. 22, 2, 1998, p. 75-79. (39) ARAB, Religiekas, 407: «Messieurs Etant chargé par lettre du 14 de

(23) ARAB, Ouvrages de La Cour, 364.

ce mois de remettre d vos Seigneuries Ie plan du couvent de Groenen-

(24) De functie van het gebouw in de tweede helft van de 18 e eeuw

dael j'ai fait demander au Procureur s'il y avait un plan de ce

doet 220 jaar larer opnieuw zijn intrede in het monument in het

Couvent, qui ma fait répondre qu'il nëxistait qu'un vieille Carte

Zoniënwoud. Het mag zeker aangemoedigd worden dat een

figurative sur laquelle Ie couvent se trouve figure tel qu'il était an-

overeenkomstige herbesremming voor dit pand werd gevonden.

ciennement ainsijeprie vos Seigneuries de niautoriser a faire lever ce

Het lijkt uitzonderlijk dat meer dan twee eeuwen later de bos-

plan par un arpenteur ou architecte. Deudon Bruxelles Ie 19 Sep-

wachters en inspecteurs op deze plaats nog altijd het Zoniën-

tembre 1786».


(40) Baudour was in dienst bij het Bureau des Ouvmges de la Courvzn 1776 tot 1794.

36partes en sapin avec serrure 12fenetm de grenier

(41) ARAB, Religiekas, 406.

3 escalier en bois evalues ensemble

(42) ARAB, Religiekas, 406. Aanwijzingen voor een dergelijke uitwer-

600 bottes de salie a plafonnes chaque contenant 50 latte

king zijn zichtbaar in de vorm van de kops geplaatste westelijke

1200 de plomb la livre a

gevel en in de geriemde vensters in het noordoostelijke en weste-

8 barreaux de cheminée en f er

lijke uitspringende volume. Maar ook het natuurstenen cordon

8 lattes idem la piece

van het eerste gebouw, die continueert als kroonlijst in het twee-

32 crockets de toc...(?) la piece».

de gebouw kunnen als belangrijke elementen in een gezamenlijk ontwerp worden gezien. (43) ARAB, Religiekas, 406. (44) ARAB, Ouvrages de La Cour, 364: «240.000 Bnques

(45) Dit menen we te kunnen opmaken op basis van het feit dat het om een kamer in het kleine gebouw (= tweede gebouw) gaat met een kelder. (46) ARAB, Ouvrages de La Cour, 364. (47) Er zijn onder andere aanwijzingen (ARAB, Ouvrages de La Cour,

7000 Briquettes Bleues Ie mille

364) voor de oprichting van boswachtetswoningen in L'Espinette,

150pierre de Battu Blanche

in Rooijklooster. Notre Dame au Bois, La Hulpe en Trois Fontai-

1000pavés Bleus et Blanc d'un pied

nes. De materialen van de sloop van Groenendaal werden dus

4000pteds de paveau pierre hlanche

over een uitgebreide streek in het woud gebruikt.

800 carreau rouges

(48) ARAB, Ouvrages de La Cour, 364.

300 pieds de pierres dites ourdons

(49) ARA, Leuven, 14602, Kerkarchief, Etat des biens des revenus et de

48.000 ardoise

charges du prieuré, fourni aux Domaines an IV.

110 fetissures en terre cuite

(50) ARA, Leuven, 14602, Kerkarchief. Enkele voorbeelden illustre-

9 verges depavés la verge

ren het karakter van deze schulden: a M. Nohmen maitre menusier

33092 pieds de gttte

a Bruxellespour ouvrages faites depuis 1793 a La Veuve Vanderkeck-

2600 pieds de plance de Sapin 12.500pieds de planche de Bois Blanc 42 chasis a vitre

hoven macon a Bruxelles pour ouvragefait depuis 8 avril 1796. (51) Architectuurbureau Lens0Ass, Dr. Willemsstraat 26, 3500 Hasselt.


Chris De

Maegd

ii

U/VB SOLITUDE AIMABLE": HET LANDGOED CROEIMEIMDAEL IN BILZEN

rjlMfê^

Kasteel Croenendaal, in Bilzen (foto 0. Pauwels)

KSfl

Ey__;

:

' / $ %

l^if

B^^jr^r

||Mj

Wlt'i W fï r

%r Ür mlÉÉI B

^

¥

•

s

D/t landgoed Waltwilder,

in het Limburgse

kende een ontwikkeling

DE HEREN VAN CROENENDAEL

dorpje

nu een deelgemeente

van Bilzen,

die exemplarisch

voor menig kasteeldomein

in

is

Limburg.

De namen van Loonse, later Luikse families als Joncholt, Elderen, Lamboy, Crady en Rosen zijn er mee verbonden.

Croenendael

op tot de middeleeuwen eigenlijk

klimt dan ook

en zijn geschiedenis is

nog ongeschreven.

We ontrafelen

hier

één en ander uit het verleden ervan, niet op basis van het huisarchief - het is niet den -, maar voornamelijk de beschikbare literatuur

cartografie,

vertrekkend iconografie

en geholpen door een

de visu confrontatie in de streek (1).

met

De betekenis van de naam Croenendael blijft duister, het is geen verschrijving voor Groenendael zoals nog wel voorkomt - ondermeer op de militaire stafkaart - want plaatselijk bestaat de verbastering tot Krundel, wat niet vertrokken moet zijn van Groenendaal.

voorhanvan en

jarenlange

kasteeldomeinen

Tijdens het ancien régime was Croenendael een Loonse heerlijkheid die samen met Hoelbeek en Joncholt in handen was van de heren van Joncholt. De dood van Jan van Joncholt betekende het einde van deze eenheid, want zijn erfenis werd verdeeld tussen zijn twee dochters. Joncholt en Hoelbeek werd het erfdeel van Beatrix die met Hendrik van Guigoven huwde; Croenendael kwam in 1418 toe aan Aleidis en haar echtgenoot Godenoel van Elderen die in 1420 het leenverhef op nam. Toen


-•-«•'S;

• mXw I f

'»»*• r

-


Johanna van Elderen halfweg de 15 c eeuw in het huwelijk trad met Aert Lamboy ging Croenendael over naar de Lamboy's. Willem III de Lamboy die in de 17 e eeuw als veldheer enige roem verwierf, werd eerst baron, later graaf en voegde 'de Croenendael' aan zijn naam toe. Dat deed ook ridder Michel Albert Joseph de Grady de Croenendael (1785-1857), die tot een familie behoorde die al sinds de 17 c eeuw in Luik aanzien bezat. Zijn voorzaten waren achtereenvolgens Michel Joseph (1684-1758), Jean Charles (17181761) en Michel (1753-1800) de Grady (2). Zelf was Michel Albert Joseph van 1831 tot zijn dood burgemeester van Waltwilder. Zijn grondbezit in het dorp bedroeg volgens de Primitieve kadastrale legger in 1844 meer dan 105 ha en daartoe behoorde ook de ruïne van de middeleeuwse burcht van Joncholt (3). Tijdens de 18 c eeuw beschikte de familie over het fortuin om het kasteel naar de smaak van die tijd aan te passen, wat halfweg de 19 e eeuw ook is gebeurd voor de gronden die een aanleg kregen in landschappelijke stijl. Na de dood van Michel Albert Joseph de Grady volgt in 1861 de verkoop. Zijn ten kadaster gekende erfgenamen waren de in Kirchberg (Pruisen) gedomicilieerde ridder Albertus de Grady de Croenendael en diens niet nader geïdentificeerde broer en zussen. De nieuwe eigenaar sedert 28 mei 1861 is baron Emile Florent de Rosen de Borgharen (1822-1895), rentenier te Luik die zoals de Grady's behoorde tot een bekende Luikse familie en een verre neefis (4). De ruïne van Joncholt ging mee over in zijn handen. Het wapenschild van de vorige bezitters in het fronton van het kasteel liet hij vervangen door het zijne en dat van zijn echtgenote Julie de Sauvage Vercour (1821-1887). Hun nakomelingen behielden het landgoed tot de dood van baron Pierre de Rosen de Borgharen in 1990. Daarna volgen drie verkopingen die een einde maakten aan de adellijke bewoning van het kasteel. Bij de eerste verkoop in 1992 werd de boerderij gescheiden van het kasteel. De familie Beuls die ze al decennia lang in pacht had, verwierf ze en baat ze nu als zelfstandig landbouwbedrijf uit. De koper van het kasteel en het park was een Canadees die, hoewel slechts kortstondig eigenaar, weinig goeds teweeg bracht: hij haalde het kasteel grotendeels leeg en sloopte interessante bijgebouwen (5). Enkele jaren later werd op hun plaats een wagenhuis en een jachthuis opgetrokken, realisaties van de volgende eigenaar, de Limburgs industrieel Eelen,

Luchtopname met Croenendael in

een gepassioneerde jager en collectioneur van oldtimers. De Nederlandse minimalistische binnenhuisontwerper Jan des Bouvrie kreeg van hem in 1993 de opdracht voor de vernieuwing en inrichting van het kasteel. Bij de derde verkoping, in september 2007 kwam het 45 ha tellende landgoed met het kasteel en het park in handen van de Ier Darragh McCarthy en zijn Limburgse echtgenote Katrien Roppe. Zij beogen de herwaardering van het kasteel in stijl en het onderhoud van het park, dat met zijn uitgestrekte vijver op de ruimtelijke plannen van de Vlaamse overheid ingekleurd staat als natuurgebied.

1986. vanuit het zuidoosten. Sedertdien zi|n de bijgebouwen bij de moestuin - rechts tussen het kasteel en de boerderij gesloopt en kreeg de omgeving van het kasteel een nieuwe aanleg. De schuin ingeplante hangaar bij de boerderij respecteert de oostelijke ganzenteen en bepaalt de vorm van de moestuin

Samen met het naburige landgoed Zangerhei — de parken en bossen lopen in elkaar over — werd Croenendael op 29 juni 2001 als landschap beschermd, een statuut dat helaas te laat kwam voor de maximale vrijwaring van de authenticiteit: in Croenendael werden de interessante, classicistische aanhorigheden gesloopt, in Zangerhei verdween het door de classicistische bouwmeester Joseph Ghislain Henry ontworpen kasteel en zijn de dienstgebouwen zwaar gehavend door de ravage van weer en wind, nadat de al ver gevorderde werken een 10-tal jaar geleden stilgelegd werden. Ze waren immers zonder vergunning aangevat en bovendien was de herbestemming volgens het gewestplan zonevreemd. De enige weg om de interessante gebouwen in classicistische stijl, vermoedelijk ook van Henry, toch te bewaren en de herbestemming te vergunnen is een bescherming als monument. Daarvoor loopt sedert 11 mei 2009 de procedure (6).

(Archief OE Hasselt)

0. Pauwels)

1VI&L


vruchtbaarheid van de jacht en visvangst. Dat alles maakt Croenendael tot "une solitude aimable, ou l' on nest jamais désceuvré". Het is het bezit van mijnheer de Grady, oud burgemeester van Luik, raadsheer en bestendig afgevaardigde bij de Staten van Luik en het graafschap Loon" (7).

Vergezicht uit het westen, met over de

,....._

„ F r kasteel

" / J A / E SOLITUDE

_ _ , . _ . . _ _

. . . . . n i ^ »

AIMABLE"

Croenendael

(oto . auwes)

IVI&L

j n ^ t v i e r c l e deel van Pierre-Lambert de Saumery's Les Délices du païs de Liège uit 1744 wordt Croenendael met een gravure naar de tekening van Leloup geïllustreerd en als volgt beschreven - we vertalen: "Het water van de omliggende landerijen komt hier samen in verschillende uitgestrekte vijvers omringd door bossen en vette weiden. Het kasteel zelf ligt in een grote, visrijke wal en is bereikbaar via een in het water gebouwde brug van steen met een eerste ophaalbaar deel naar het neerhof en een tweede naar de poort van het kasteel. Die poort bevindt zich in de strakke gevel met het fronton waarin het wapenschild van de heer met smaak is verwerkt. Het woongedeelte vormt een L op het vierkante erf dat afgesloten is met enkele dienstgebouwen die tegen een stevige muur aanleunen. De belangrijkste aantrekkingskracht van de plek ligt in de lengte van haar dreven, de schoonheid van de bomen en de

Remacle Leloup tekent duidelijk de neerhofopperhofsituatie, die voor onze streken het klassieke schema voor kastelen met een middeleeuws verleden is. Het kasteel of opperhof, weergegeven vanuit het westen, is opgetrokken op een eiland in het water en om het te betreden moet men eerst voorbij de hoevegebouwen die op het vaste land zijn gebouwd en waarnaar vanuit het zuidoosten een toegangsdreef leidt. Beboomde dijken omringen de uitgestrekte kasteelvijver en twee vijvers vormen ook de voorgrond. Het neerhof bestaat uit een hoge schuur met twee uilgaten in de geveltop, er tegenover een boerenhuis (waarvan de schoorsteen zichtbaar is) met een aanleunend gebouwtje in vakwerk en nog een losstaande constructie. De brug met de drie bogen van metselwerk in het water en de beide ophaalbare delen - pure statussymbolen zonder nut - zijn duidelijk getekend, evenals de twee pijlers met bolbekroning die de brug aanzetten. Het kasteel heeft een hoger middendeel met drie niveaus, een fronton en een schilddak met wolfseinden en topbekroningen, zoals vandaag nog steeds het geval is. De twee lagere delen van twee bouwlagen tellen elk twee traveeën. De toegangspoort ligt niet centraal, maar in het oostelijke deel dat dus het poortgebouw is. Het westelijke deel is haaks verlengd en maakt dat — zoals in Les Délices wordt vermeld - het kasteel een L beschrijft. De gevels vertonen het bekende zebrapattoon eigen aan de Maasstijl en de getekende vensters suggereren duidelijk de kruisvensters en kloosterkozijnen die i n d e 16de en 17 e eeuwgebruikelijk waren en zoals blijkt nog frequent voorkwamen in de eerste helft van de 18 c eeuw. Twee dakkapellen op de zuidzijde verlichtten de zolders en de verschillende schoorstenen wijzen op een hoog wooncomfort. PierreLambert de Saumery kon dus terecht schrijven dat Croenendael een "aantrekkelijke buitenplaats" was "waar men zich nooit verveelde". De eigenaar waar naar hij in 1744 verwijst, moet op dat ogenblik Michel Joseph de Grady (1684-1758) geweest zijn.

Het centrale deel op Leloups tekening is wellicht een verbouwde donjon of woontoren, het gebruikelijke ingrediënt bij woonplaatsen van feodale oorsprong. De allure, het volume, het ontbreken van een toegang in dit bouwdeel en het feit dat de


—

fy-tlt, ïcc^tTsr, fc/z,^^

£

comic

<L fvo

•4 Remade Leloup maakte deze tekening vanuit het zuidwesten rond 1740, toen Croenendael nog het neerhof-opperhofschema volgde. De toegangsdreef (rechts) leidt naar het neerhof en via een dubbele ophaalbrug over de kasteelvijver bereikt men de toegangspoort tot het kasteel in de rechter vleugel. Het hogere deel met fronton is wellicht een donjon (luik, Bit)Wiè()ue Les Oiiraux, Sol/e Ul/sse Copltome, foto K. ïandevorst)

vensters niet op de zelfde hoogte liggen als in de zijvleugels, wijzen in die richting. De muren met speklagen van mergel die ook vandaag nog boven de bedaking van de lagere delen uitsteken, zijn er de zijgevels van. De verbouwing van de middeleeuwse burcht tot het door Remacle Leloup getekende residentiële gebouw moet in de 18 e eeuw gebeurd zijn, maar ook naderhand bleef het gebouw niet ongemoeid (8). Zo werden sommige gevels voorzien van een nieuw parement zonder speklagen en werden de kruis- en kloosterkozijnen na 1744 vervangen door steekboogvormige vensters. Ze komen in alle gevels (ook de oudere) voor en hun omlijstingen van blauwe hardsteen vertonen overal dezelfde frijnslag.

op de tekening als vandaag, is misleidend want bij toevoegingen en verbouwingen werd klaarblijkelijk uniformiteit nagestreefd. Materieel en bouwhistorisch onderzoek zouden misschien meer klaarheid brengen, maar hier is dat helaas niet mogelijk, want werken die een partiële blootlegging zouden vereisen, zijn zinloos geworden door de substantiële vernieuwing in de jaren 1990. De technische uitrusting werd toen gemoderniseerd, alle keidermuren werden voorzien van een dikke, nieuwe pleisterlaag, alle kamers werden grondig aangepakt, sommige delen van het dakgebint werden ingebouwd, de gevels werden van hun afwerklaag

T Het kasteel was in de jaren 1990 in werf (Archief 0E Hasselt)

ZORG VOOR UNIFORMITEIT Het kasteel beschrijft vandaag geen L meer zoals in 1744, maar een U omdat de toen vermelde, tegen de muur aanleunende dienstgebouwen vervangen zijn door een woonvleugel in het verlengde van de oude poortvleugel. Dat gebeurde vóór 1813, misschien deels al in de tweede helft van de 18 c eeuw. Dat er verschillende bouwcampagnes geweest zijn staat buiten twijfel; daarop wijzen ondermeer de verschillende vormen van muurankers. De bouwfasen willen dateren, is zich op glad ijs begeven. Het vrij uniforme uitzicht van het kasteel, zowel

M&L


?

1

3

2 4 1. De grote vestibule met zijn kenmerkende decoratie ïan I8d'-eeiiws Luiks stucwerk (foto 0 . Pauwels)

2. Eén der salons behoudt de vier aan Henn Deprez toegeschreven supraporte met mythologische thema's (foto 0 . Pauwels) 3. Ook de boezem van één der schouwen In een ander salon is voorzien van verfi|nd stucwerk (foto 0. Pauwels) 4. De trap met uitgesneden trappaal en balusterspipen bevindt zich in de kleine vestibule in de I8de-eeuwse oostelijke vleugel (foto 0. Pauwels)

M&L

ontdaan, opnieuw gevoegd en voorzien van nieuwe ramen (9). Omdat ook het huisarchief niet voorhanden is, blijft men om meer inzicht te krijgen in de bouwgeschiedenis, aangewezen op de puur visuele analyse van het gebouw, op de iconografie en op de cartografie, met risico voor foute conclusies. Behalve het feit dat het kasteel in 1797 verzegeld werd wegens de emigratie van de kasteelheer over de Rijn en dat het hout van de bossen van Croenendael in 1801 door de overheid werd verkocht, zijn de lot-


KT

A Het kasteel gezien

Dat er later in de

van de vertrekken

Kasteel Croenendael

vanuit dezelfde

18* eeuw verbou-

en hun decoratie

met de boerderij op noordwesten

zuidwestelijke hoek

wingen gebeurden is bevestigd

als op de tekening

duidelijk en wordt

van Leloup.

door de distributie

de achtergrond

gezien vanuit het (foto 0. Pauwels)

(foto 0. Pauwels)

gevallen van het kasteel tijdens de opstandige jaren van de Franse revolutie onbekend (10). Men weet amper iets over de aanpassingen aan de mode in de wooncultuur tijdens de 19 e en het begin van de 20 stc eeuw, jaren waarin de stijlen van vroeger in trek waren, de stielman nog de kennis en het kunnen van zijn ambacht meesterlijk beheerste en de oude fortuinen nog overeind stonden. Naar de restauraties voorafgaand aan die van de jaren 1990 heeft men eveneens het raden. Zeker is de vernieuwing in de tweede helft van de 18 e eeuw. Daartoe behoort de sloping van de in Les Délices vermelde dienstgebouwen en hun vervanging door de huidige oostelijke vleugel. Ook de voorgevel werd aangepast: de poort verdween en werd vervangen door een nieuwe steekboogvormige deur centraal in de gevel en in de as van een nieuwe brug en een nieuw voorhof, waarover later meer. O m d a t de toegang niet meer die is van op Leloups tekening, is het zeker dat de distributie van de vertrekken na 1744 werd herzien. Graaf Joseph de Borchgrave d'Altena, een eminente kunsthistoricus en conservator van de Musea voor Kunst en Geschiedenis in Brussel, dateerde verschillende interieurelementen stilistisch ca 1770-1780 (11). Hij verwijst naar het decor van zeer fijn uitgevoerd stucwerk in de bekende Luikse stijl met rankwerk, vazen en guirlandes in de vestibule. Vier supraporte met mythologische thema's in een salon schrijft hij toe aan de Luikse schilder Henri Deprez (17201797). Hij signaleert een schouw in Louis XVl-stijl in een ander salon en verder nog ornamenten in

classicistische stijl. De hergebruikte, uitgesneden trappaal laat hij onvermeld. De herschikkingen in het binnenhuis hadden gevolgen voor de gevels, maar over hun homogeen uitzicht werd wel gewaakt. Alle kruis- en kloosterkozijnen, — ook in de westelijke gevel die op Leloups tekening nog een erg gesloten karakter bezat —, zijn nu vervangen door een uniforme reeks steekboogvormige vensters in omlijstingen van blauwe hardsteen. De dakranden zijn overal uniform afgewerkt met een gekloste kroonlijst van mergelblokjes. De tot voor kort nog aanwezige egale, dunne pleisterlaag op de gevels verhoogde die homogeniteit. Samen met de achtruiters in de ramen en de in traditioneel groen geschilderde (nu verdwenen) vensterluiken was het resultaat een bichroom karakter en een classicistische uitstraling. Het kasteel kon zo vanuit de verte, vanaf de oprijlaan of vanuit het park als een bleke silhouet oplichten. In de 19 e eeuw en de eerste helft van de 20 ste eeuw, toen elk kasteel omringd was door een park in landschappelijke stijl, was dit in elk geval het nagestreefde beeld. Prentkaarten, maar ook de lithografie van Croenendael in La Belgique pittoresque uit 1872 illustreren dit effect voluit (12). Door de ontpleistering in de jaren 1990 is het baksteenmetselwerk met zijn littekens nu overal in de gevels zichtbaar: pokdalige bakstenen, bouwnaden, verspringende steenlagen, gekwetste mergel, speklagen van mergelsteen in de oudere gevels in Maasstijl, de jongere gevels zonder.

M&L


In 1897 werd in de oostelijke gevel een uitspringende erker gebouwd en tegen de beide noordelijke gevels een kleine uitbouw onder mansardedak, weer met respect voor de homogeniteit (13) . Naast de erker werd een tweede deur tot het huis gecreëerd - nu de gebruikelijke toegang via de kleine vestibule - , die bekroond is door een Onze-Lieve-Vrouwekapel in barokstijl, gedateerd M C M X L (1940).

HET EINDE VAN HET NEERHQF-QPPERHQFSCHEMA De Ferrariskaart geeft het landgoed weer 30 jaar na Les Délices. Prins-bisschop Frangois-Charles de Velbriick gaf pas einde 1774 aan de militaire landmeters van graaf de Ferraris de toelating voor de werkzaamheden in het Land van Luik en voor Limburg geeft de kaart dus de toestand weer in 17741775. Croenendael bezit dan nog zijn waterkasteel, dat op de kaart getekend is als een rechthoekje op een eiland met boomgaarden en ten westen tuinen, waar in 1744 nog vijvers lagen. Het goed ligt ten zuiden van de kaarsrechte weg die vanuit Munsterbilzen naar het oosten loopt. Er is geen neerhof-opperhofstructuur meer te zien, een ingrijpende wijziging die ongeveer alle kastelen vroeg (tweede helft 18 c eeuw) of laat (midden 19 e eeuw) hebben doorgemaakt. De heer en zijn pachter hadden van toen af elk hun eigen toegang, een belangrijke stap in de ontwikkeling van een landgoed. Voortaan werd het kasteel niet meer bereikt

• De Ferrariskaart (1774-75) geeft voor Croenendael

I

een configuratie die

I

met door andere bronnen wordt bevestigd (Brussel, Koninklijke

M&L

Bibliotheek. Kaarten

|

en Plannen)

|

via het neerhof, maar had het een eigen voorhof in de as van het kasteel met een nieuwe, vaste brug naar de nieuwe voordeur. De grote toegangspoort en de ophaalbrug waren verleden tijd, een duidelijk en definitief eindpunt van de middeleeuwen, een uiting van een nieuwe relatie met de wereld, met de natuur en de komst van een nieuwe wooncultuur die meer persoonlijke privacy, licht en comfort eiste. Die breuk moet hier zijn gerealiseerd tussen 1744 en 1774, en wellicht is dan het jaartal 1761 dat uitgesneden is in het windvaantje op de noordelijke poort van de boerderij, niet zonder betekenis. O p de kaart herkent men de kasteelboerderij in het meest zuidelijke van de twee complexen met een binnenkeer ten oosten van het kasteel; bij allebei liggen tuinen en parallelle losstaande gebouwtjes. O o k vandaag nog liggen de vier vleugels van de kasteelboerderij rondom een gesloten erf en ongetwijfeld is er in kern nog een deel van het oudere neerhof aanwezig, misschien in het deel met de nu versteende vakwerkbouw. De opstelling van de verschillende ingrediënten en het volumespel van het geheel (in acht genomen de verlaging van de schuur) beantwoorden aan de 18 e -eeuwse typologie: de schuur en de woonvleugel tegenover elkaar, de overluifelde veldpoort en het poortgebouw onder mansardetentdak tegenover elkaar, allebei tussen de stallen in de kortere vleugels. Wel onderging de hoeve na 1761 nog veel wijzigingen in functie van de uitbating en de evolutie van de


Dat op de Ferrariskaart een tweede complex wordt getekend, noordelijker dan de boerderij, moet een vergissing zijn. Er zijn tenminste geen aanwijzingen voor het bestaan ervan en het is trouwens niet de enige fout in de omgeving. Bijvoorbeeld waar Op Hommeien wordt gesignaleerd, moet eigenlijk Joncholt staan en het verder onbekende " Cleyn Zangarif wordt dan weer aangeduid waar Op Hommeien in feite lag (15). De twee gebouwtjes op de Primitieve kadasterkaart die samen een L vormen in de boomgaard ten oosten van de boerderij, zouden wel de restanten kunnen zijn van het tweede op de kaart gesignaleerde complex, maar daarover later meer.

landbouw. Onder meer werden er stallen ingericht in het dichtgemaakte poortgebouw, werd de schuur na de brand in 1938 verlaagd en verbouwd en werd de huisvleugel geschikt gemaakt voor de bewoning door de drie broers en hun gezin die de hoeve nu uitbaten. Vanzelfsprekend heeft dat gevolgen gehad voor de bewaringstoestand (14).

A De boerderij met verlaagde schuur, vanuit het kasteel gezien. De nieuwe muur en haag benadrukken de scheiding van de oude eenheid (foto 0. Pauwels)

DE GEOMETRISCHE AANLEG IN 1R13 Het Primitief kadas-

Zoals elk landgoed was Croenendael ook een economisch bedrijf dat zijn heer van inkomsten moest voorzien. De hoeve, de brouwerij, de boomgaarden en de moestuinen maakten het leven op het kasteel

terplan uit 1813 met de strak geometrische aanleg; het noorden ligt boven (Hasselt, Archief van het Kadaster)

W A L T W ILDKIV

- 51.R

\ \

"v^

^

^, /

•

'

.

,

/

-

ij |

m " 1VI&L


een ganzenvoet (ook nr. 19) die obligaat vanuit het kasteel vertrekt. De twee buitenste lanen ervan bestaan tot vandaag toe. De westelijke loopt naar Bilzen. De kortere centrale laan, in de as van de voorhof, gaat door akkerland (perceel nr. 26 en 28) en eindigt op een bosperceel (nr. 25). De oostelijke teen is de oude bomenlaan die door Leloup werd getekend en via het neerhof naar de ophaalbrug leidde. Als verbinding tussen Croenendael en de heerlijkheden Joncholt en Hoelbeek (weliswaar na een knik), was die laan niet zonder belang, want ze materialiseerde de vroegere eenheid.

De architecturaal verzorgde westelijke gevel van de boerderijvleugel, een mooi voorbeeld van de laat classicistische stijl (foto auteur)

mogelijk en zorgden ook voor de bevoorrading van de stedelijke residentie van de familie. De dreven en de bossen met hun hout en wild, de vijvers met hun vis en riet, de bouwlanden met hun graan, de weiden voor het vee en de hooilanden verzekerden de eigenaar van goede inkomsten. Al deze percelen werden door het kadaster in 1813 opgemeten, hun grondgebruik en de wijzigingen werden in registers genoteerd (16). O p het kadasterplan kan men de inplanting van de gebouwen aflezen, de ligging van de omhaagde tuinen en de boomgaarden. In vergelijking met de situatie in 1774-75 is de structuur van het landgoed anders en is de geometrische aanleg duidelijk. De oost-west lopende laan ten zuiden van de boerderij verdeelt het landgoed in twee naar bestemming gedifferentieerde delen met de kenmerkende rechtlijnigheid van deze aanleg. De kern van het landgoed, in het noordelijke deel, beschrijft nagenoeg een vijfhoek (de percelen nr. 3 tot en met 18) en de gronden daarbuiten zijn doorsneden door lange, rechte dreven (allemaal nr. 19). Het zuidelijke deel wordt op klassieke wijze doorsneden door

M&L

De kern van de vijfhoek zelf is het kasteel, een Uvorm op een rechthoekig eiland (nr. 4) met in de as een brug die men bereikt via de axiale voorhof (nr. 16 als weide). O p zijn lange zijden is dit voorhof begrensd aan de oostkant door de westelijke gevel van de kasteelboerderij (nr. 13) en ten westen door de haag van een ruime tuin (nr. 17), waarin we de klassieke parterretuin in 'Franse' stijl vermoeden. Deze tuin is verder begrensd door de toen verlande burchtvijver en een L-vormig kanaal (nr. 18). De korte zijden van het voorhof beschrijven een spiegelboog, wellicht in opstand gevormd door een balustrade met een toegangshek. Enkele pijlers van blauwe hardsteen die mogelijk van zo'n balustrade afkomstig kunnen zijn, kan men vandaag op het terrein aantreffen. Twee monolithische vierkante pijlers met sokkel en deksteen staan bij de toegang tot het erf aan de voet van de westelijke boerderijvleugel en in een houten hek loodrecht er op dienen twee kleinere exemplaren als poortpijlertjes. In de restanten van het moestuinhek ziet men er nog twee van het kleiner formaat, twee grotere duiden de in onbruik geraakte noordelijke toegang via het parkbos aan en enkele andere exemplaren maken deel uit van het hek aan de 19 c -eeuwse oprit naar het kasteel, waarover later meer. Zijn die pijlers de relicten van die balustraden of werden ze later in de 19 c eeuw vervaardigd, bijvoorbeeld specifiek voor de parkaanleg?

De boerderij werd meermaals verbouwd en aangepast, met uitzondering van de beter bewaarde westelijke gevel die uitkijkt op het axiale voorhof van het kasteel en daarom allicht architecturaal uitzonderlijk verzorgd is. Het is de achtergevel van de westelijke vleugel die de bestemming van pachterhuis combineerde met die van wagenhuis, oranjerie, koetsier- en knechtenkamers voor het kasteel. Dat verklaart het contrast tussen de gevel aan de erfzijde — eenvoudig baksteenmetselwerk met houten deur- en vensterkozijnen — en de uitgesproken


classicistische stijl aan de achterzijde, waarlangs de toegang naar het kasteel verliep. Deze gevel is door geprofileerde lisenen van mergelsteen verdeeld in vijf ongelijke traveeën. Het bredere en hogere middenrisaliet met drie rondbogen en waaiervormige metalen roeden, drie bolkozijnen er boven en een fronton met een zonnewijzer in een mergelstenen medaillon, was destijds de oranjerie waar ook een druivenserre tegenaan leunde. De traveeën aan weerszijden hebben elk een deur met bovenlicht tussen twee vensters, waarvan slechts één enkel als kloosterkozijn bewaard is. De beide hoektraveeën waren wagenhuizen, elk met hun rondboogpoort (17). Ze hebben opvallend mooie bovenlichten in waaiervorm, een weerkerend thema in het kasteel (aan de noordzijde), in de boerderij en in de gesloopte gebouwen. Laat de kwaliteit van deze gevel niet toe er de hand van een bouwmeester in te zien? En gaan we te ver als we denken aan de bemoeienissen van bouwmeester Joseph Ghislain Henry (1754-1820) in het naburige Zangerhei, in het niet zo veraf gelegen kasteel van Bovelingen (Heers) en in de aanleg van de Engelse tuin van het nabije Alden Biesen (Bilzen) (18)?

Het grootste deel van de vijfhoek wordt ingenomen door perceel nr. 3 (meer dan 4 ha groot), dat volgens de legger in 1844 een weide is, maar voordien de burchtvijver was en vandaag de parkvijver is. Zou het een fout zijn in de legger of liet men die vijver in 1844 misschien doelbewust verlanden met het oog op de nieuwe aanleg die enkele jaren later is gerealiseerd?

DE AANLEG IM LANDSCHAPPELIJKE STIJL De mutatie in landschappelijke zin van dit perceel wordt in 1848 geregistreerd (19). Het is dan verdeeld in een lusttuin aansluitend bij het kasteel (perceel nr. 3a), een grillig getekende parkvijver (nr. 3b) met over de vijver een schaapsweide (nr. 3c) en een veel kleinere (bron)vijver (nr. 7a)

In 1848 werd de

streerd, met het

wordt door een

ge tuin rechts van

eerste fase van de

classicistische voor-

grote en kleine vi)-

de boerden)

landschappelijke

hof in de as van de ver. De oostelijke

(Hasselt, Archief van

aanleg van

toegang tot het

ganzenteen loopt

het Kadaster.

Croenendael geregi-

kasteel dat omringd

naast de dnehoeki-

Hutatieschetsj

M&L


rr '\

en vond navolging bij menig kasteelheer. Eén van deze promotoren was de kasteelheer in Gingelom, Louis Erasme Surlet de Choquier, de regent van België in afwachting van de komst van de eerste koning. Hij zou de eerste zijn geweest die hier de merino's introduceerde en hij was ook de stichter van een vereniging die de verbetering beoogde van het kweken van merinoschapen en van de productie van wol (21).

• :I ^/.,.VN

Op de Oepolkaart van 1871 is de

landschappelijke tussen de zuidoostelijke hoek van het kasteel en de aanleg van het deel boerderij. Het L-vormige kanaal bij de tuin is ge," , , , dempt, maar het kasteel wordt nog steeds orthogokasteel en park vol-

r

. . .

r

tooid; in het deel n a a l benaderd via de classicistische voorhof. Deze ten zuiden met de veranderingen in vorm en grondgebruik hebben ^retlitli|nigheid ' l « * oude te maken met de aanleg in landschappelijke stijl. behouden Verschillende bospercelen (nr. 21a, 22a, 23a en (Brussel, Nationaal 33) zijn schaapsweiden geworden (20). De gazons, Geografisch eigen aan de nieuwe stijl, werden in Croenendael Instituut) door schapen begraasd en deze teelt, vooral dan van merino's, werd in het jonge België erg gepromoot

De nieuwe aanleg in Croenendael heeft in 1848 nog niet zijn eindpunt bereikt. Dat zal wel het geval zijn in 1871, het jaar van de terreinopname voor de Militaire kaart van het Depot de la guerre. De oost-westelijke laan ten zuiden van de boerderij verdeelt dan, zoals in 1813 en zoals tot vandaag toe, de gronden in twee delen met een andere aanlegstijl. Het deel ten noorden, met het kasteel en het park, vertoont een nieuwe aanleg in landschappelijke stijl, terwijl in het zuidelijke deel de oude rechtlijnigheid van de lanen ongewijzigd blijft. In het noordelijke deel in nieuwe stijl bevinden zich het park met de vijvers, enkele weiden en de bossen die ten oosten overlopen in het landgoed Zangerhei in Eigenbilzen (22). De gebogen lijnen van de kernvijfhoek van Croenendael vervangen de vroegere rechte lijnen en zijn nu opgenomen in het netwerk van paden dat de verschillende ingrediënten van de aanleg verbindt. De vijver vertoont een grillige vorm, er liggen twee eilandjes in en er loopt een rondweg rond die net als de nieuwe oprit naar het kasteel, deel uitmaakt van dat netwerk.


i" Het classicistische voorhof en de westelijke parterretuin zijn in 1848 nog ongemoeid gebleven, maar ze hebben tegen 1871 plaats gemaakt voor één ruim gazon waar doorheen de oprijlaan naar het kasteel loopt. Die oprit vertrekt waar de oostwestelijke laan de westelijke ganzenteen kruist en op dat snijpunt werd het voor die tijd obligate kasteelhek geplaatst (23). Het hek beschrijft een spiegelboog gevormd door twee rechte en zeven gebogen traveeën aan weerszijden van het poorthek. Het smeedijzerwerk heeft ronde spijlen gevat tussen een sokkel van natuursteen en een vierkante boven- en onderregel, elke travee is voorzien van gekruiste schoren met een centraal schijfmotief, dat het geheel een classicistisch karakter verleent. Het geheel is gevat tussen zes vierkante monolitische pijlers op neuten en met een kwartrond profiel als overgang naar de deksteen die zelf eindigt op een diamantpunt, alles van blauwe hardsteen. Zoals de elders op het terrein aangetroffen exemplaren van deze pijlers, zouden ze eventueel hergebruikt kunnen zijn van de balustrade van het oude voorhof.

Het resultaat van deze nieuwe toegang is dat het kasteel niet langer orthogonaal benaderd wordt, maar zijdelings en dat het ingekaderd wordt door een idyllisch landschap van water, bossen, hooiweiden, boomgroepen, struiken en goed geplaatste solitaire, uitgelezen bomen, geheel volgens de geest van de tijd. De nieuwe relatie met de in 'natuurlijke' stijl aangelegde omgeving blijkt ook in de omgang met het kasteel. De gevels wordt door een boordbeplanting een groene voet gegeven, de brede ramen in de erker van 1897 in de oostgevel laten een weidse uitkijk toe en de bordestrappen tegen de beide noordergevels maken een rechtstreekse toegang tot het noordelijke grasveld mogelijk. De gravure in La Belgique pittoresque van 1878 geeft een goed tijdsbeeld, dat op de latere prentkaarten onveranderd blijft. Sommige bomen en boomgroepjes, jonge exemplaren op de prentkaarten, herkent men vandaag nog.

A De classicistische

naar het kasteel. Een stopplaats kortbij de buitenplaats was inderdaad erg geliefd bij hun eigenaar, die desnoods zijn politieke invloed inzette om de inplanting te beïnvloeden. Bijvoorbeeld schonken de eigenaars van het kasteel van Bokrijk de nodige grond aan de spoorwegmaatschappij in ruil voor een eigen halte kortbij. In Gingelom ontstond over het tracé een twist tussen de plaatselijke kasteelheer en die van het naburige Niel en toen de trein te ver van het kasteel van Gingelom passeerde, werd in de kasteelmuur een uitkijktoren gebouwd om onder meer van het spektakel te genieten. Dankzij zo'n halte werd een buitenplaats gemakkelijker bereikbaar, zowel voor de familie zelf als voor de visite. Tot een eind voorbij de eerste wereldoorlog was gasten ontvangen en bezoek afleggen een belangrijke activiteit in het maatschappelijke leven van de welvarende klasse. In het goede seizoen speelden kastelen en buitenhuizen daarin een niet geringe rol en de spoorwegen maakten een einde aan de lange, pijnlijke ritten per rijtuig langs - zeker in Limburg - bar slechte, onverharde wegen.

uitstraling van het kasteel met zijn witte gevels en beluikte vensters wordt geïllustreerd door deze gravure uit het kastelenboek van de Damseaux. In het bomengroepje staan zowel jonge als iets oudere bomen (Namen, Universiteitsbibliotheek)

• De in de jaren 1990 gesloopte bijgebouwen zijn gedocumenteerd dankzij foto's (Hasselt. Archief OE)

In het zuidelijk deel met de bedrijfsgronden, is het gebogen tracé van de nieuwe spoorlijn HasseltMaastricht van 1855 de enige uitzondering op de rechtlijnigheid. Sindsdien ligt Joncholt over de spoorweg en is de ruimtelijke verbondenheid met Croenendael definitief verbroken (24). De ruïne moet voordien, - toen de interesse van de 19 e eeuw voor het verleden haar hoogtepunt bereikte in de passie voor ruïnes - , een attractief element in het landgoed zijn geweest. De kaarten signaleren de halteplaats van de trein en de laan van daar

M&L


DE BOMENLIJST IN HET KASTEELPARK Myriam

Van Den

Broeck

Dreef van zomereik (Quercus robur, stamomtrek van 310 cm). Aan het einde van de graasweide ten noorden van de huidige toegangsdreef, vier solitaire zomerlinden ( Tiliaplatyphyllos, 360 cm ), geënt net boven het maaiveld, twee exemplaren staan in de weide, de overige twee aan de overzijde van de onverharde weg, één exemplaar met stormschade. Een solitaire groep van 7 gewone plataan (Platanus x hispanica niet gemeten) in de weide langs toegangsdreef.

vatica, 165 cm) en een verwaarloosde loofgang van haagbeuk {Carpinus betulus) langs de oude noordelijke toegang. Een groep van tiental bruine beuken {Fagus sylvatica 'Atropunicea', 379 cm) aan de oostelijke vijverrand; langs de vijver ter hoogte van de bijgebouwen een breed uitgegroeide solitaire Japanse zelkovastruik {Zelkova serratd). O p het grasveld tussen het kasteel en de boerderij, een solitaire moerascipres {Taxodium distichum, 371 cm).

Aan de vijver, een solitaire moerascipres {Taxodium distichum, 305 cm). Amerikaanse eiken {Quercus rubra, 324 cm), een uitgegroeide haag van haagbeuk {Carpinus hetulu,s 60 a 96 cm) en twee beuken [Fagus syl-

Twee gemengde bomenmassieven ter hoogte van de huidige inrijpoort naar het kasteel met o.a. zomerlinde {Tilia platyphyllos), gewone robinia {Robiniapseudoacacid), zomereik {Quercus robur) en witte paardekastanje {Aesculus hippocastanum).

De Zelkova, een vrij zeldzaam aangeplante struik aan de rand van de vi|ver (foto 0. Pauwels)

DE BOOMfiAARDEN, DE MOESTUINEN EN DE KELDER Even noodzakelijke ingrediënten voor het kasteelleven zijn de boomgaard, de moestuin en de dienstgebouwtjes. In 1813 besloeg de boomgaard drie percelen (perceel nr. 5, 7 en 10), gescheiden door een dreef van fruitbomen (nr. 6). De drie con-

structies die het kadaster er signaleert zijn volgens de legger een schuur (nr. 8), een brouwerij (nr. 9) en een iandgebouw zonder meer (nr. 11). In 1848 worden de eerste twee vergroot en vernieuwd tot een L-vorm, gevolgd in 1 853 door de opheffing van de brouwerij functie (25). Een tweede uitbreiding volgt in 1907. Het oude gebouw bezat, zoals uit de bewaarde foto's blijkt, verzorgde architecturale


details in de classicistische stijl die ook de noordelijke en de westelijke gevels van de kasteelboerderij vertonen. De uitbreiding was een gebouw in vakwerk met bakstenen vulling die aan het geheel een U-vorm gaf. Ondanks de architecturale kwaliteit die uit hun foto's spreekt, werden deze gebouwen helaas gesloopt en door de garage voor oldtimers vervangen (26). In die laatste werd wel een deel van de oude spanten hergebruikt. In 1813 waren er ook drie moestuinen: twee kleine (nrs. 14 en 15) aan weerszijde van de zuidelijke toegang van de kasteelhoeve en een grotere (nr. 12) achter de schuur, die door de ligging aan de oostelijke ganzenteen driehoekig van vorm was. Hierin wordt in 1907 een nieuwe constructie gesignaleerd, later als broeikas vermeld (27). De kleinere waren allicht bestemd voor de pachter en het personeel, de grote moet de kasteelmoestuin zijn. Geen van deze moestuinen bestaat nog, evenmin als de boomgaarden en de dienstgebouwen. O p de 'regularisatieopmeting' verschijnen de oude en nieuwe situatie van de betrokken percelen tegelijk (28). Ontstond misschien pas in 1920 de nu in gras omgezette kasteelmoestuin? Hij is onregelmatig van vorm: op de noordzijde (waar de schuur-brouwerij stond en nu de garage) en op de afgeronde oostzijde wordt de tuin begrensd door bakstenen muren met vernieuwd voegwerk, uitstekende lisenen en een afdekking van rijen zwarte pannen in zadeldakvorm, mogelijk van rond 1920. De derde zijde valt samen met een moderne hangaar van de boerderij die op het tracé van de ganzenvoet werd gebouwd en dus (op vraag van de kasteelheer) de schuine inplanting overneemt (29). Het moestuinhek (vandaag gedemonteerd) op de westzijde stond in een meidoornhaag, waarvan enkel nog relicten overblijven. Naar verluidt vormden voorheen een reeks van vier metalen rondbogen in de as van het hek een rozentunnel en waren de muren begroeid met leifruit, onder meer perziken en peren. De oude leipeer tegen de noordelijke gevel van de boerderij is vandaag een zeldzaam overblijfsel en een getuige van de tijd dat elk kasteeldomein zijn fruitmuren bezat. De (recente) zwarte pannen op de tuinmuur van de moestuin zijn een relict daarvan, want zo'n afdekking belette dat het jonge fruit door de regendrop zou worden gekwetst. In veel in onbruik geraakte moestuinen treft men ook nog de nagels en het rijshout aan waarmee het leifruit langs de muren werd geleid.

Achter de moestuin, in de hoek met de hangaar die het tracé van de oostelijke ganzenteen respecteert

en op korte afstand van de gedempte vijver, treft men nog een relict aan uit de tijd vóór de koelkasten. Het is een ruime kelder in baksteenmetselwerk die als gebouw (perceel nr. 11) al genoteerd is op de Primitieve kadasterkaart van 1813 en toen in een boomgaard lag. Gezien zijn omvang en zijn latere ligging bij de moestuin, was het vermoedelijk eerder een groente- dan een ijskelder, of tenminste een ijskelder die evolueerde naar groentekelder. De toegangsdeur is verdwenen, maar de omlijsting in blauwe hardsteen bleef bewaard. Een 10-tal brede treden dalen af naar de kelder waarvan het getoogde gewelf geritmeerd wordt door vier brede gordelbogen. In de achterwand werden nissen uitgespaard. Zoals gebruikelijk en bij wijze van isolatie werd boven de constructie een aarden ophoging geworpen. Naderhand werd hierop een dienstgebouw onder een pannen zadeldak opgetrokken, eigenaardig genoeg zonder gebruik te maken van de kelder als fundering. Dit schuurtje telt twee afzonderlijke ruimten, de eerste toegankelijk via een deur met een houten kozijn in de noordelijke puntgevel, de andere via een bredere toegang in de zuidelijke.

DF HUIDIGF AANLEG Decennia lang gebrek aan onderhoud maakt dat het park nu erg verruigd is. Dat het door de overheid bestemd werd als natuurgebied en navenant wordt beheerd, komt het parkkarakter vanzelfsprekend niet ten goede. De paden bleven jarenlang onbetreden, er wordt niet meer gewandeld, ze zijn niet bereden. Overjaarse bomen en struiken worden niet vervangen, niet opgeruimd. De bersauw krijgt niet langer zijn noodzakelijke vormsnoei. De kleine vijver werd gedempt ... Met de komst van de nieuwe eigenaars ziet de toekomst van het landgoed en het park er evenwel hoopvol uit. Het park zelf moet kort na de aanleg veel subtieler zijn geweest, zoals de nog interessante relicten laten vermoeden. Volgt men de rondweg rond de vijver dan merkt men bijvoorbeeld opeengestapelde rotsblokken bij de bron die hem voedt of een sluisje bij de overloop. Verderop is er een doorgeschoten dubbele rij haagbeuken van een verwilderde bersauw (berceau, loofgang). Hier en daar treft men een sokkel van natuursteen aan bestemd voor een verdwenen beeld of een verloren vaas die de plek karakter en eigenheid gaven. Het gietijzeren reliëf van een oude man met een vuurpot, dat tegen het nieuwe bijgebouw aanleunt tot het zijn oude plaats op de sokkel terugvindt, moet voorheen het eind-


waren wellicht hakhoutstoven, een restant van en een verwijzing naar de bosbouwkundige exploitatie van het landgoed. Een moerascipres groeit bij de vijver, een andere bij de kleine bronvijver die later gedempt werd. Er bij staat nu nog een mooie gietijzeren waterpomp met een sierlijke top in chinoiseriestijl. Ze bezat volgens een foto van 1993 een klein stortbekken in schelpvorm, dat nu verdwenen is. Het water van de bron die deze vijver voedde, wordt nu in buizen naar de grote vijver geleid, die opnieuw vergroot is en maar één eiland meer telt. Bij de grote vijver, niet zo ver van de huidige toegangsdeur van het kasteel, groeit een oude Japanse Zelkovastruik, een specimen dat eerder zeldzaam is.

•Yl/toOp deze prentkaart uit hel noordoosten zijn de kleine uitbreidingen aan deze zijden van het kasteel gerealiseerd en is het park met zijn volwassen bomen op zijn hoogtepunt

punt zijn geweest van een nu verstoorde zichtlijn vanuit het kasteel naar het noorden. Het verpersoonlijkt de Winter en is op de sokkel gesigneerd Evrard a Liege., de niet onbekende beeldhouwer uit het prins-bisdom Luik Guillaume Evrard (17091793) (30).

Van de zorgvuldige parkaanleg van Croenendael, waar de hand van een ontwerper voelbaar is - Fuchs zowel als Keilig waren rond 1870 door kasteelheren erg gesolliciteerde tuinarchitecten - blijven enkele mooie bomen over. De losse groep van een 10-tal bruine beuken met een stamomtrek van 379 cm aan de rand van de vijver, dateren vermoedelijk uit de aanlegperiode van het park.

(Prentkaartencollectie Coosemans, Alken, foto 0. Pauwels)

•

•

Dat de parkaanleg aanvankelijk subtie-

De oude noordelijke toegang van het park raakte in onbruik, maar er bleef wel een spoor van bewaard in twee hekpijlers van het zelfde model als in het hek aan de huidige toegang ten westen. Ze zijn de aanzet van een laan van Amerikaanse eik die begeleid wordt door een haag van een 30-tal haagbeuken en twee beuken.

ler was blijkt onder meer uit deze bersauw in het noordelijke parkgedeelte en uit de sokkel voor het beeld van de Winter (foto's 0. Pauwels)

M&L

Het park loopt ten noorden van de vijver geleidelijk over in een parkbos dat veel zomereik, haagbeuk, en kastanje bevat en een onderbegroeiing heeft met veel varens. Een groepje van haagbeuken

Ten westen van het kasteel, tussen de oprijlaan en de vijver, staat een bosje met een onderbegroeiing van klimop. Het telt hoofdzakelijk zomerlinden, telkens per twee samen geplant, met aan de rand gewone robinia, zomereik en tamme kastanje. Naast het hek treft men nog enkele witte paardenkastanjes aan. O p het grasveld rechts van het hek, tussen de oprijlaan naar het kasteel en de oost-westlopende laan die nu naar de boerderij leidt, groeien nog vermeldenswaardige exemplaren van zomereik, haagbeuk en bruine beuk in een mooi uitgegroeid bosplantsoen met op de kop witte paardenkastanje.


Het door Guillaume

als een ouderling

Evrard gesigneerde

met vuurpot

beeld ïan de

(foto 0. Pauwels)

Winter, voorgesteld

De volwassen beuken m het noordelijke deel van het park (foto 0. Pauwels)

Tijdens de herfst zorgen deze beide bomengroepjes voor een kleurrijke omkadering van de toegang en de oprijlaan. Ook buiten de grenzen van het park semu strictu blijkt de zotgvuldige aanleg van het landgoed: de huidige toegangsweg naar Croenendael is een dreef van zomereik met een stamomtrek van 310 cm en op de weide naast de dreef groeien een 7-tal mooie platanen. O p de oprit naar het inrijhek staan vier zomerlinden twee in de weide met de platanen, en twee aan de overkant, nu in het gezelschap van een banale bank en een vuilbak, de bekende aanwijzingen van door de overheid gestuurde recreatie. De hand van de minimalistische ontwerper Jan des Bouvrie, die vooral in Nederland bekendheid geniet, is zichtbaar in de strakke stijl van de zones rond het kasteel. In het grasveld ten noorden, dat in een zachte helling naar de vijver loopt, werd op het verhoogde niveau en in de as van de binnenkeer tussen de twee zijvleugels, een zeer ruim, volledig betegeld terras aangelegd. De toegangstrappen en

de hoge, stenen voet, breder dan het kasteel worden aan het oog onttrokken door een begroeiing. De opgestelde tuinvazen zorgen voor enige dramatiek of leiden de blik naar de eye-catcher'm de verte, een wit tuinbeeld opgesteld in de as van het kasteel, tegen een halfcirkelvormige haag bij de vijverrand. De met dolomiet verharde oprijlaan loopt tussen stroken kassei en betonnen boordstenen. Ze wordt begeleid door een reeks lage lantaarnpalen, wat indruist tegen het historisch karakter van de plek en het privé-statuut van het kasteel. Bij de voorgevel werd als eindpunt een halfrond voorplein gecreëerd waarop ook de dienstweg vertrekt naar de nieuwe gebouwen, i.e. de garage en het houten jachtpaviljoen. Het voorplein wordt aan de zuidkant gedefinieerd door een buxushaag die een halve cirkel beschrijft en, tegen de voorgevel, door twee balken van strak gesnoeide hagen. Het middelpunt wordt aangegeven door een terracottavaas waarvan de sokkel in een cilinder van gesnoeide buxus staat. Het ronde perk zelf is omgeven door een dubbele cirkel van hagen, waartussen plaats is voor doorlevende


en éénjarige bloemen. In de as van het kasteel en nagenoeg op de plaats van het oude voorhof werd in het gazon een haag geplant die een rechthoekige ruimte afbakent en helaas de mooie westgevel van de boerderij aan het zicht onttrekt. Ook de noordelijke gevel van de boerderij is voor de kasteelbewoners afgeschermd door een meterslange nieuwe bakstenen muur. Daarvoor verdween de hondenren, een kenmerkend ingrediënt in landgoederen waar de jacht steeds tot het tijdverdrijf behoorde en het bezit van een kennel dus noodzakelijk was. Volgens de foto die er van bestaat, was de ren afgezet met een spijlenhek van smeedijzer op een bakstenen muur en toegankelijk via een deurtje onder fronton. Deze visuele scheidingen, weliswaar nodig om de eigendomsgrens duidelijk te maken, zijn tegelijk ook de uiting van de sociale afstand tussen kasteel en boerderij. Ten tijde van de adellijke bewoning van Croenendael, toen rijkdom bestond uit grondbezit en heerlijke rechten, was het buurtschap, de dagelijkse confrontatie noch het gezicht op de levensnoodzakelijke boerderij een punt: boer en heer leefden immers allebei van het land.

EINDNOTEN (1)

De mooie gietijzeren pomp van één van Bouwen door de eeuwen heen. Inventaris van het cultuurbezit in de bronnen die de België. Architectuur. Deel I4N3, Provincie Limburg. Arrondis- vijvers voeden, staat scment Tongeren. Kantons Bilzen-Maasmechelen, Turnhout, H «* genipte 1996, p. 162-164. GENICOT L.-F. (ed.). Het groot kastelenboek

kleine vijver (foto 0 . Pauwels)

van België. Deel 2: Kastelen en buitenplaatsen, Brussel, 1977, p. 279. (2)

PAQUAY ] . , Bilzen voorheen. Geschiedkundige schets. Tweede verbeterde druk aangevuld door]ef Simoens, Bilzen, 1977. J. PAQUAY, Limburgse heerlijkheden. Schoonbeek en Croenendael in Bilsen, in Verzamelde Opstellen, deel 6, Hasselt, 1930, p. 21-33.

(3)

Hasselt, Archief van het kadaster, Waltwilder Sectie A 1ste blad, 1813, herzien in 1842; één exemplaar door Classens, het andere door Dehayer; perceel nr. 1 e.v. ; Aanwijzende rafel, art. 99.

(4)

Hasselt, Archief van het kadaster, Eigenaarslegger, art. 729.

(5)

Hasselt, Archief van het kadaster, Opmetingsschets 1993 nr. 1.

(6)

Hasselt, Cel Onroerend Erfgoed, Archief Monumententen en Landschappen.

(7)

DE SAUMERY P.L., Les Déltces du pais de Liege, deel 4, Luik, 1744. Met Leloup op reis. Limburg met een 18de-eeuwse bril bekefc«. Tentoonstellingscatalogus, Hasselt, 1993, p. 49.

(8)

PAQUAY J. (1930), p. 30 vermeldt in voetnoot dat het kasteel werd verbouwd in 1702-1703 zonder bronopgave.

(9)

Het gebinte, dat duidelijk in meerdere fasen tot stand kwam is slechts gedeeltelijk zichtbaar en blijkt bij een eersre aanblik samengesteld uit hergebruikt materiaal. Met dank aan ir.-arch. Dieter Nuytten voor deze mededeling.

•*

Oe foto van de verdwenen kennel herinnert er aan dat de jacht een belangrijk tijdverdrijf was voor de eigenaars van een buitenplaats (Archief 0E, Hasselt)

1VI&L


Ktate

BROECK M., Historische Tuinen en Parken. Inventaris Limburg.

i Ctoea«ncL»aJ

Deel 3: Alken, Borgloon, Heers, Kortessem, Wellen (M&L Cahiers n. 15), Brussel, 2008, p. 180-190. (19) Hasselt, Archief van het Kadaster, Opmetingsschets 1848 nr. 1. (20) Voor deze en andere percelen wordt de wijziging in grondgebruik (changement de nature de culture) in 1847 en 1848 genoteerd. Hasselt, Archief van het kadaster, Artikelsgewijze legger, art. 99. (21) Op spotprenten kreeg hij zelfs de toenaam Merinos n0 1! Zie AUMAN E, VANDENGHOER C , e.a., Baron Surlet de Cho-

il H l i l lii

kier, regent van België. Mens en mythe. 1769-1839, Tentoonstellingscatalogus, Gingelom, 1989, p. 138,156-159. GEOR1S M., Le premier souverain de Belgique: Ie régent Surlet de Chokier, Brussel, 2001, p. 25-26.

m- •***•:.

(22) De omgeving van het door architect Ghislain Joseph Henry in 1814 ontworpen classicistische kasteel, dat eveneens een voor-

.

ganger had met neerhof-opperhofschema in een strakke aanleg, werd ook in landschappelijke stijl herzien. DUQUENNE

A.

X., Het park van Wespelaar. De Engelse tuin in België in de 18r'

Deze prentkaart met de hooiende

eeuw, Brussel, 2001, p. 52. Hasselt, Archief van het Kadaster,

knecht illustreert

(10) PAQUAYJ. (1977), p. 229 en PAQUAYJ. (1930), p. 33.

Gemeente Eigenbilzen, Secte A 2de blad, 1812, herzien 1842;

(11) de BORCHGRAVE d' ALTENA J„ Decors anciens d' intérieurs

Opmetingsschets 1849 nr. 1.

dat de grasvelden bi{ het kasteel nuttige hooiweiden waren en de gemillimeterde gazons nog een ver ideaal (Prcntkaartencollectie Coosemans, Alken, foto 0. Pauwels)

mosans, Luik, 1932-1934, p. 113-114.

(23) Deze wijziging is niet in een opmetingsschets genoteerd, wel vindt men in de Artikelsgewijze legger, art. 729 (i.e. Pierre de

(12) DE DAMSEAUX E., La Belgique pittoresque. Album illustré des chateaux. Provinces d'Anvers, de Limhourg et de Luxembourg,

Rosen) voor perceel nr. 30 in 1873 de registratie 'construction

Mons, 1872, s.p.

d' un chemin'.

(13) Hasselt, Archief van het kadaster, Opmetingsschets 1897 nr. 1.

(24) Hasselt, Archief van het Kadaster, Opmetingsschets 1855 nr. 1.

(14) Met dank aan deze families voor de kostbare inlichtingen.

(25) Hasselt, Archief van het Kadaster, Gemeente Waltwilder, Sectie

(15) De identificaties zijn gebaseerd op de kadastrale verzamelkaart

A, Primitief plan 1813, perceel nummer 8 (gebouw) en 9 (brou-

van de gemeente Eigenbilzcn uit 1813 en op de latere stafkaar-

werij). Primitieve legger 1844. Artikelsgewijze legger art. 99. Op-

ten. Het terreinbezoek en het kadasteronderzoek gebeurden in de

metingsschets 1848 nr. 1, 1853 nr. 1. Sloping genoteerd in schets

zomer van 2008, samen met erfgoedconsulente Myriam Van den Broeck, die onze tekst ook zorgvuldig nalas, waarvoor dank.

1993 nr. 1. (26) ld., Opmetingsschets 1907 nr. 1 (in de Artikelsgewijze legger als

(16) Hasselt, Archief van het kadaster, Waltwilder Sectie A 1ste blad

schuur vermeld) en 1993 nr. 1. De sloop en de vervanging door

door Dehayer, zonder jaartal; tweede exemplaar door Classens,

de huidige bijgebouwen werd kadastraal niet geregistreerd. De

gedateerd 1813, herzien in 1842. Primitieve legger van 1844 en

foto's zijn bewaard in het archief van het Agentschap Onroerend

Opmctingsschetsen.

Erfgoed Hasselt.

(17) Bij de vernieuwing van de poorten trof men op de middelste het

(27) ld., Artikelsgewijze leger, art. 818 (Arthur de Rosen).

jaartal 1801 (of 1901?) aan. De 2de en de 4de travee waren iden-

(28) ld., Opmetingsschets, 1920 niet genummerde schets.

tiek tot de herbestemming. Links werd het vloerniveau van het

(29) ld., Opmetingsschets 1979 nr. 1.

vertrek verhoogd met als gevolg de toevoeging van trappen bij de

(30) De Winter maakte deel uit van een reeks met de Vier Seizoenen,

deur en verbouwing van de vensters. Rechts bleef de deur met

waarvan meerdere exemplaren werden gegoten. In Hex (Heks,

bovenlicht en één kloosterkozijn van de oorspronkelijke ordon-

Heers) het door prins-bisschop Velbruck (1715-1784) gecreëerde

nantie over. Met dank aan de familie Breuls voor deze inlichtin-

landgoed, bezit men eveneens een reliëf van de Winter, zonder

gen.

signatuur. Zie DE MAEGD C , Hex. Een prinselijk landgoed ont-

(18) Over Henry zie DUQUENNE X., Het park van Wespelaar. De

sluierd Brussel, 2007, p. 96, ill. p. 97. In het kasteel van Theux

Engelse tuin in België in de Itr eeuw, Brussel, 2001, p. 43-56.

bezit men de volledige reeks, zie DE HARLEZ DE DEULIN

Over Alden-Biesen zie DE MAEGD C , De tuinen van Alden

N. e.a., Pares etjardins histonques de Wallonië. Vol. 4. Province de

Biesen: drte tuinstijlen geïllustreerd, in M&L, 2007, nr. 3, p. 26-

Liige. Arrondissements de Liège, Verviers, Namur, 2001, p. 171, ill.

48. Over Bovelingen zie C. DE MAEGD (red.) en VAN DEN

244-245.


SUMMARY Heritage beneath the waves. IVIaritime Archaeology in Belgian waters T h e world beneath the sea is considered one of the last places on earth where major discoveries can still be made. T h e fast evolution of diving has made it possible to study underwater sites quite easily. An extensive inventory of nearly 280 sites in the Belgian territorial sea-area could be completed by private initiative in 2009. This concerns information recovered by the Flemish hydrographic office, generations of salvage companies, data relating to fisherman's snags and the efforts of amateur and professional researchers. T h e Belgian territorial sea comprises a small, triangular area, which lies in the centre of major shipping lanes oriented north to south and vice versa. The sea-floor holds a large range of wrecked ships and other sites spanning nearly a thousand years of maritime history. A third of the wrecks concern military remains, not only of ships, but also those of numerous aircraft. Another third is taken up by merchant ships, schooners, fishing vessels, lost cargoes and sunken buoys. T h e remainders are unidentified sites, which might be identified in due course. Active as well as passive conservation of the sites prove to be a necessity. Besides nature having a destructive impact on archaeological sites at sea with its storms, strong tides, corrosion and decay due to fauna and flora there is also man's hand at the degradation of most sites. Modern fishing methods, the deepening of shipping lanes and the construction of windmill farms and larger harbors threaten the very existence of our maritime heritage. Until recently Belgium was not among the forerunners of wreck preservation. In 2003 a maritime department was created within the Flemish Institute of Immobile Heritage (VIOE), which is slowly trying to get to grips with the management of sunken and floating heritage. But our present knowledge is owed mostly to the untiring efforts of private initiatives researching underwater sites and providing historical background information. These are mainly coastal diving groups, fishermen and salvage companies who realize the importance of a scientific approach for their activities.

A new use and restoration of the Groenendaal Castle based on an 18th century design In 2004 the Flemish Community commissioned a study of the Groenendaals building history. Groenendaal is part of the municipality of Hoeilaart, in the Zoniën forest more or less seven kilometres to the southeast of Brussels. T h e Groenendaal castle originally belonged to the

Groenendaal priory. T h e foundation of the priory goes back to the donation by the duke Jan II of Brabant in 1304. The priory owes its reputation to the mystic Jan van Ruusbroec (1293-1381), who earned international fame with his writings. T h e monastery lived its prime period in the 16th and the early 17th century. By the late 17th century the cloister fell into decay and several buildings, like the Ravenstein House and the small courtyard were demolished. During the Austrian reign, the cloister's first shutdown took place, with his edict from March 17, 1783 Joseph II decreed that there was nu use for this monastery. As there did not seem to be a new meaningful use for the abolished priory, a number of buildings were dismantled. Other, still useful buildings were sold. In order to lead this sale into the right lines, several drawings were made of the monastery's possessions, with notes of the intentions they had for each of the buildings. Only a few buildings were given a new destination. T h e building which had been constructed around 1782 as a wagon shed and servants' quarters would only a few years thereafter get a new use as residence for the inspector and foresters of the Zoniën forest. The necessary adjustments are extensively described in the archivalia. Furthermore, the interventions from around 1786-1788 are illustrated on the drafts. The earliest and for this building most interesting and important draft is titled "Plan d'un Batiment destine a l'usage des officiers de laforet de Soigne et aux logement d'un inspecteur et d'un forestier" {design of a building to be used by the Zoniën forest officers and quarters of an inspector and a forester). It is an ink drawing showing the complete building, including the renovation on the main building's first floor. T h e notes on this design explain all the rooms' destination and the period of the alterations. Two later small designs of the building's main room make clear that improvements proved necessary in order to adapt the building to the needs of the Zoniën forest's new director. These two drafts are therefore at the basis of the monument's recent restoration and renovation campaigns. As these drawings revealed the building's original 18th cen-

1VI&L


tury volume, it was decided to demolish all more recent additions and annexes in order to return to the original building. The architect and owner also based the interior lay-out on this historical drawing. It can only be applauded that after more than two hundred years, the new use is the same as the prior function of the building (quarters for the officers, inspectors and foresters of the Zoniën forest). Since the spring of 2009 the Natuur en Bos (nature and forest) agency is accommodated in this restored monument.

"L/ne solitude aimable": The Croenendael estate in Bilzen Families from the Loon region, later from Liège, are connected with the Croenendael estate in the Limburg village Waltwilder (Bilzen). Names like Loncholt, Elderen, Lamboy, Grady and Rosen, the latter having sold the domain in the 1990's. The first buyers did not amount to much good, but since the actual young owners with Irish roots have good intentions with the estate, the future once again looks bright. The history of the domain was never studied and the house archives are not available. We therefore mainly describe the evolution of the castle and park

1VI&L

since the mid 18th century, based on site investigation, research of land registry, cartography and iconography. The drawing by Remade Leloup and the text in Les Délices du Pais de Liège by de Saumery, from the mid 18th century are crucial in this aspect. From the comparison with more recent documents, among others the surveys by the land registry in 1813 and 1848, it appears that Croenendael, like most estates with a mediaeval history, has a double courtyard layout with a keep at the centre of the water castle. Another conclusion was that the buildings and their layout have undergone drastic changes during the second half of the 18th century. The 1871 military map shows the transformation to a landscaped layout, the first phase of which had already been recorded by the land registry in 1848. There are still sufficient relicts of this layout to conclude that the initial planning must have been much more subtle than is the case today. As the previous owner made thorough renovation works in the castle (plasterwork, wiring and piping, floors), there is no more need for works enabling research of the material and building history which could provide interesting data, leaving us with a lot of guesswork. No doubt there there have been different building campaigns, but these always pursued uniformity, thus complicating the analyses. During the second half of the 18th century the interior was rearranged and redecorated the taste of the times. This decoration remained unaltered in the latest renovation but completed during the previous owner's renovation and completed in the minimalist style typical for the Dutch designer Jan des Bouvries. His influence also appears in the layout of the grounds near the house the castle's immediate environment. The sale during the 1990's also implied the separation of the farm with its more ancient core, renovated in 1761 following fire damage and adapted for farm managerial requirements and the accomodation of three families. The western fa9ade of the living quarters, looking out over the castle's front yard, is still extraordinary with its fine, late classic style. The icehouse and the site of the former kitchen garden with traces of espalier trees against the fruit walls are also valuable remainders of a richer "vie de chateau". Some of the former buildings like the brewery and the the kennel, pictures of which still exist, also refer to this.


!.

EH

h

^f

.V

1f

* «H

1 ^^V

i

ftSTf; v- ' *S| 'v.- •

ri

Mi J /

. *-%£

f

'MS-/ 7 1 ;

'•ari*

T^tfjjf*

I^M

... j ^ L 'MS • N - * ^

w ^

#

•

tJ

K /x1

•J&l

Ml.

l l & L r-—^ ^r*^' * » jïf

'f

^ I t f c M ^ Iv*

ILISB

BLI 'J^^HHI^I HgSiWlr ..,, |

•^i

ifej

:sr fl

^

^

^IS?*'

If

,WÖl.

J

^


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
M&L_29_1.pdf by Vlaanderen-be - Issuu