w /EEMAANDEÜJKS
ifc-i
^
T/#: ^v;
-1.
•
-
^
iise*.
Monument Vandekerckhove N.V.
Herstelling m o n u m e n t e n en o p e n b a r e werken Tel. (51.) (051)3160 80 Telefax (051)30 22 37 e-mail: info@nnonunnent.be
Oostrozebekestraat 54 8770 Ingelmunster
Restauratie St.-Michiel en St.-Goedele Kathedraal, Brussel
GROUP
Afdelingen: Natuursteen Schrijnwerk Kunstsmeedwerk Gias-in-lood
Redactie Monumenten en Landschappen, Graaf de Ferraris-gebouw Albert ll-laan 20 - bus 7 1000 BRUSSEL Tel. (02)553 82 34 - Fax (02)553 80 95 E-mail: Luc.Tack@lin.vlaanderen.be Coördinatie: LucTack Fotografie: Oswald Pauwels Vormgeving en productie: LucTack Zetwerk en secretariaat: Diane Torbeyns
Coi'er; Bloeiende Fondante de Charneux ofLégipont, naar zijn ontdekker, waakt in zijn eentje over de vallei van de Voer in Sint-Pieters-Voeren.
Abonnementsvoorwaarden 2001
Internet
Druk
Website Monumenten en Landschappen: www.monument.vlaanderen.be
Die Keure Oude Gentweg 108, 8000 Brugge Tel.: (050)47 12 72 • Fax: (050)34 37 68
Redactiecomité
België: 1300 fr. (ook losse nummers verkrijgbaar voor 250 fr.). CJP'ers betalen: l l O O f r . Buitenland: 2000 fr. Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving op rek. nr.091-2206040-95 van Monumenten Et Landschappen, Graaf de Ferraris-gebouw, Albert ll-laan 20 - Bus 7, 1000 Brussel met vermelding "MöL-jaarabonnement 2001". U ontvangt dan alle nummers van het lopende jaar. E-mail: DianeP.torbeyns@lin.vlaanderen.be
Voorzitter: E. Goedleven. Leden: A. Bergmans, J. Braeken, M. Buyle, M. De Borgher, J. De Schepper, M. Fierlafijn, J. Gyselinck, A. Malliet, V. Meul, G. Plomteux, L Tack, S. Van Aerschot, Hedwig Van den Bossche, Herman Van den Bossche, P. Van den Bremt, Ch. Vanthillo, L Wylleman.
Advertentiewerving De Ganzerik, J. Casier Maalsesteenweg 73, 8310 Sint-Kruis Tel.: (050)36 25 89 - Fax: (050)37 33 64
Verantwoordelijke uitgever Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Departement Leefmilieu en Infrastructuur Administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen Luc Tack Afdeling Monumenten en Landschappen, Graaf de Ferraris-gebouw Albert ll-laan 20 - bus 7 1000 BRUSSEL Tel.: (02)553 82 36 - Fax: (02)553 80 95 E-mail: Luc.Tack@lin.vlaanderen.be De verantwoordelijkheid voor de gepubliceerde artikels berust uitsluitend bij de auteurs. Alle rechten voor het reproduceren, vertalen of herwerken zijn voorbehouden.
Zonder schriftelijke opzegging voor het einde van elk kalenderjaar wordt een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang Tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd
u
Loix O-U 6
Het f u n e r a i r oeuvre van Artus Quellinus de J o n g e Serge Landuyt • Malvina Buonocore
30
F r u i t t e e l t en h o o g s t a m b o o m g a a r d e n in Z u i d - L i m b u r g Ludo Roven • Hubert Bats Paul Van den Bremt
54
• Mare De Borgher
• Herman Van den Bossche
W o n i n g De Beir ( 1 9 2 4 - 1 9 2 5 ) te Knokke: de w e d e r g e b o o r t e van een 'Zwart H u i s ' Huib Hoste
—'v^iii.^-
72
Summary
Wij hebben allemaal bescherming nodig, maar niet allemaal dezelfde! Duivenmest is door zijn agressieve chemische bestanddelen één van de belangrijkste oorzaken van onomkeerbare beschadigingen aan gebouwen en monumenten. Maar er is meer! De duif, maar vooral de duivenmest, brengt naast het cultuurpatrimonium ook onze gezondheid in gevaar door overbrenging van ziekten zoals omithose, salmonella, psittacosis, e.a.,...
Nu is er echter BIRDEX (een gamma diervriendelijke afschrikkingsmiddelen dat de duiven voorgoed weg houdt van monumenten en gebouwen. Wilt u er meer over weten, neem dan vrijblijvend contact met ons op.
P.E.C. International n.v. Verbindingsstraat 2, B-9100 St.-Niklaas Tel.: (03)776 84 39 - Fax: (03)777 35 09
Uw patritnonitim,.. Vc^j,
ome zorg Reeds meer dan 20 jaar restaureren, renoveren en beschermen wij gebouwen en waardevolle monumenten. Reiniging, restauratie en renovatie van gevels Restauratie en conservatie van steen Traditionele zuivere kalkpieisters en kaleilagen Mineraalverven en silicaatpleisters Cement- en kunststofgebonden gevelpleisters Warmte-isolerende pleistersystemen Betonherstelling en -bescherming Duivenwering Houtworm- en zwambestrijding Polyhneerchemische houtrestauratie en -versteviging Brandremming op hout, beton en metaal Injectiewerken Vochtwering en waterdichting Renovatie- en verbouwingswerken
De p r o d u c e n t \ | van kaarten, databanken en luchtfoto's voor ruimtelijke ordening, stadsrenovatie en leefmilieu.
Referenties op aanvraag
Onze vaklui worden begeleid door gespecialiseerde ingenieurs en kunsthistorici
Solar Tel.: 03-766.11.66 - Fax: 03-777.35.09 Kleine Breedstraat 33 - B-9100 SINT NIKLAAS
(rjj/
Nationaal Geografisch Instituut
Erkend aannemer cat D kl 1. ocat D l kl 3. D21 kl 3, D24 kl 4
E v e n w i c h t tussen w e t e n s c h a p en v a k m a n s c h a p
Abdij ter Kameren I 3 B 1000 Brussel
fax (02)629 82 83 tel. (02)629 82 82
• •
website: http://www.ngi.be e-mail: sales@ngi.be
Kalk voor renovatie, restauratie en decoratie van ons patrimonium !
HD SYSTEM GRUPTO PM TASSULLO .,,
CORIDECOR kalkverven binnen- en buitendecoratie
natuurlijke hydraulische kalk mortels voor binnen en buiten
Uinien /i San %gmedio
Arte Arte Constructo bvba Molenberglei 18 B- 2627 Schelle (België) Tel.: 00.32.3/880.73.73 Fax: 00.32.3/880.73.70
Sb
1VI&L
ROFIEL RESTAURATIE & MONUMENTENZORG Oostveldkouter 26 • 9920 Lovendegem
#
\
Meubilair (wel en niet gepolychromeerd) Sculptuur (steen en hout) • Leder Bodemvondsten (hout en leder) Schilderijen (paneel en doek)
Dakwerken G. BOSCH
Dak-, Zink- & Roofingwerken Specialiteit: Restauratie van oude daken Aartrijkestraat 109 Tel. 050/21.10.85
ONDERZOEK & BEHANDELING
8820 Torhout Fax 050/22.06.17
Lauwers M.
09/372 63 03
Van Der Biest L.
03/771 44 66
Vandenborre H.
09/372 63 03
FAX
09/372 63 03
Reg. nr. 051511
Boehcnbon
Uitsluitend geldig voor M&L-abonnees en bij aankoop van het boek (via het tijdschrift M&L) "Het Martelaarsplein te Brussel"
(normale prijs2650,- tr.)
j
e r
waarde van:
-r «TELAAll
'>evenfion(Ccrdï/ijftig frcinfi
i BRUSSEI
naam:
abonneenr.:
f Ü Ui*,
, ü I * L£ H ii Tf^l ii ii ü <SM
Indien U deze boekenbon met vermelding van uw naam en abonneenummer terugzendt aan M&L, Koning Albert Il-laan20bus7te 1000 Brussel, ontvangt U hel boek tegen verminderde prijs
sikken
live Coatings G. Levisstraat 2 - 1 800 Vilvoorde TEL: 32(0)2/254.25.60 FAX: 32(0)2/254.22.96
Serge Landuyt en Malvina Buonocore
HET FUNERAIR OEUVRE VAM ARTUS QUELLUMUS DE JONGE,,, • fonm
van Anus
inhoudende den lol
Quellim de Jonge
van de vemaerste
door Coenrsed
schilders, archttecte,
Lauwers naar
beldthouwers,
I. De Duyti
ende plaetsnyders
(Uit Cornells de Bie, van dese eeuw, Het gulden cabinet,
Antwerpen 1661)
van de edele vry
(foto S. Landuyt)
schdder const
Artus Quellinus, bijgenaamd
de Jonge
vestigde onder andere als uitvoerder monumenten
een internationale
stierf bij het publiek Niettemin
een stille
Nederlanden.
In november
werd begraven.
vaardigd
reputatie,
maar
dood.
Naar aanleiding
de praalgraven
beeld-
Zuidelijke
2000 was het 300
geleden dat hij in de Antwerpse
jaar
Sint-jacobskerk hiervan
en epitafen
SITUERING
van graf-
was hij één van de belangrijkste
houwers uit de late 17de-eeuwse
dit artikel
(1625-1700),
brengt
die hij ver-
heeft, weer onder de aandacht.
(2)
Na het Twaalfjarig Bestand in 1609 kon men in Antwerpen, mede dankzij de gunstige conjunctuur, beginnen met de volledige rehabilitatie van kerken en kloosters. Deze waren door verschillende beeldenstormen zwaar toegetakeld en hadden onder andere behoefte aan nieuw kerkmeubilair en beelden. Meer nog dan vroeger moest de stoffering van deze bedehuizen een weerspiegeling zijn van het hemelse. Deze hulde aan de Schepper was voor vele kunsttakken een belangrijke impuls. De beeldhouwkunst kreeg een vooraanstaande rol toebedeeld in de nieuwe binneninrichting van de gebou-
EKENDO ADV: NOK \\1M1MH-\I ( « MIR e
wen. Rond het midden van de 17 e eeuw verwierf de Antwerpse beeldhouwersschool - in tegenstelling tot de eens zo vermaarde Antwerpse schildersschool die na Rubens' dood snel aan faam inboette een internationale reputatie die tot het midden van de achttiende eeuw standhield. Vermoedelijk om economische redenen vestigde Erasmus Quellinus (1584-1640), de uit Luik afkomstige oom van Artus Quellinus, zich reeds in het begin van de 17 c eeuw in Antwerpen. Artus Quellinus de Jonge zou zich later eveneens vanuit het Luikse naar Antwerpen begeven. Na enkele decennia leidde hij daar één van de toonaangevende beeldhouwersateliers, die de Antwerpse reputatie in het buitenland bevestigden. Over de jeugd van Artus Quellinus de Jonge en zijn opleiding tot beeldhouwer is nagenoeg niets bekend. Volgens bepaalde bronnen werd hij geboren in Sint-Truiden, toen gelegen in het prinsbisdom Luik (3). Alhoewel alle belangrijke auteurs 20 november 1625 citeren als geboortedatum, kon dit niet archivalisch worden bevestigd. Pas in 1650 werd hij als vrijmeester opgenomen in de Antwerpse Sint-Lucasgilde (4). Het is dus niet zeker dat hij zijn eerste scholing gekregen heeft bij zijn oudere, gelijknamige neef, Artus Quellinus de Oude (1609-1668), zoon van Erasmus Quellinus. In 1652 trouwde Artus Quellinus de Jonge met Anna Maria Gabron, een schildersdochter. In de jaren 1652-1654 was hij bij zijn zestien jaar oudere naamgenoot bedrijvig met de beelddecoratie van het stadhuis te Amsterdam. Mogelijk nam Artus de Jonge nadien tijdelijk de atelieractiviteiten van Artus de Oude in Antwerpen over tot 1665, omdat deze laatste tot dat jaar contractueel verbonden was aan de werken te Amsterdam. Het is onduidelijk of Artus de Jonge in navolging van zijn neef naar Italië afreisde om de antieke kunst te bestuderen. In zijn werk is wel een onmiskenbare invloed van de antieke kunst aanwezig (5). Zijn Antwerps poorterschap in 1663, dat soms als bewijs wordt aangehaald voor zijn terugkeer uit Italië, moet misschien eerder in verband worden gebracht met de uitbouw van zijn eigen atelier in de Scheldestad (6).
MM I •'•r , i>.
beperkte beweging met de zware plooienval, strak afgelijnd, plaatst het lichaam als tastbaar volume in de ruimte. De stijl van Artus Quellinus de Jonge wordt aanzien als één van de eerste die op het einde van de 17 e eeuw evolueert naar meer luchtige, sierlijke en gracieuze lichamen die zich nadrukkelijk op een theatrale wijze tonen. Behalve de praalgraven hebben nog andere bestaande werken bijgedragen tot de toenmalige faam van zijn atelier. We vermelden onder andere de communiebank voor de kerk van Leliëndael te Mechelen (1678), het beeld van God de Vader voor de Sint-Salvatorskathedraal te Brugge (1680) en het hoofdaltaar voor de Sint-Jacobskerk te Antwerpen (1685). Zijn beelden werden in 1661 door de kunstenaarsbiograaf Cornelis de Bie in een lofdicht gehuldigd voor hun getrouwe weergave van de werkelijkheid (7).
GRAFCÜLTUUR In de 17 e eeuw namen de opdrachten voor religieuze beeldhouwkunst, waaronder ook grafsculptuur, sterk toe door twee belangrijke factoren. Enerzijds was er een groter religieus engagement T van zowel kerk als gelovigen, waardoor een sacra- Het epitaaf van ment als de biecht centraal kwam te staan. Dit had Jacobus am'"] m de Sint-Jacobskerk (foto 0. Pauwels)
Alleszins werd via Artus Quellinus de Oude, die leerling van Frans du Quesnoy (1597-1643) was te Rome, de Antwerpse beeldhouwersschool doordrongen van een classicistische tendens. Mede door Rubens' invloed ontwikkelde de kunst van Quellinus de Oude zich tot een plastische vormentaal met een duidelijk afgebakende lijnvoering. Een
M&L
stuk de overleden schenker. Van Artus Quellinus de Jonge werden tot dusver geen dergelijke beelden overgeleverd (10). In tegenstelling tot deze epitafen, die niet zozeer een funeraire iconografie voorstonden, deed een ander type dat wel. Deze werden op verscheidene plaatsen in de kerk aangebracht. In de Sint-Jacobskerk van Antwerpen, die nog steeds over een ongemeen rijk interieur beschikt, bevinden zich twee marmeren epitafen naast elkaar in de zuidelijke kooromgang. Eén ervan werd besteld door de kinderen van burgemeester Johannes Nicolaas Roose ( t l 6 4 1 ) en zijn echtgenote Anna Fredericx van der Bouchorst ( t l 6 7 0 ) en het andere door pastoor en kanunnik Jacob Chanon (f 1714) (11). In de Verrijzeniskapel of Lecandèle/Vincquekapel, genoemd naar de rijke koopmansfamilies die haar interieur financierden, prijkt het marmeren epitaaf ter ere van Ludovicus Lccandèle en zijn echtgenote Catharina Vincque op de meest zuidelijke pijler (12). O o k in deze kerk hadden de kapelmeesters hun epitaaf tegen de oostelijke wand aan de Onze-Lieve-Vrouwekapel (13).
T Het epitaaf van Johannes Roose toont hoe de witmarmeren ornamentiek de zwartmarmeren structuur overheerst (foto 0. Pauwels)
ook te maken met een groeiend schuldbewustzijn, wat ervoor zorgde dat de gelovigen gemakkelijker in de buidel gingen tasten om hun kerk te versieren. Anderzijds was de kerk zelf, die zo'n sterke invloed uitoefende op de gegoede geloofsgemeenschap, een belangrijke opdrachtgever. Heel wat kooplieden zagen hun kans om via de bekostiging van hun grafmonument bij te dragen aan de kerkversiering en toch voor hun zielenheil te zorgen. O o k enige zelfaffirmatie was hier niet vreemd aan. De heraldische wapens alsook de opschriften op de grafmonumenten benadrukten immers de vrijgevigheid van de schenker (8). Een type epitaaf - dit is een gedenkteken aan de wand (9) - dat op deze wijze tot stand kwam zijn de pijlerbeelden. Deze beelden die samen een apostelenreeks vormden, pronkten bovenaan de pijlers van het schip of van het koor. Alhoewel de iconografie van deze beelden niet rechtstreeks naar de dood verwijst, gedenkt het opschrift op hun voet-
De epitafen ter ere van Jacob Chanon en Johannes Roose zijn vormelijk verwant aan elkaar en vertonen een rijke funeraire symboliek (foto 0. Pauwels)
Uit al deze voorbeelden blijkt hoe bepalend de machtspositie en de sociale status van de overledene was voor zowel de grootte, de plaatsing en de structuur als het materiaal van het monument. In de Zuidelijke Nederlanden lieten de hoogste edellieden in de 17 e eeuw een praalgraf oprichten, terwijl de lagere adel en de vooraanstaande patriciërsfamilies eerder een epitaaf bestelden. Dit staat in tegenstelling tot de gemeenschappelijke graven van de armen, die de overgrote meerderheid van de bevolking vormden. Naast het fundamentele recht van elke mens om begraven te worden, hield de christelijke begraving het geloof in de wederopstanding levend. Ook en vooral op 17 c -eeuwse graven in de katholieke Zuidelijke Nederlanden treft men een beeldentaal aan die daar rechtstreeks naar verwijst. De funeraire symbolentaal op deze monumenten vertoont een tweeledigheid waarbij de vergankelijkheidsgedachte gekoppeld wordt aan de wens het eeuwige leven te verkrijgen. Aan zowel de 17 ^eeuwse keuze van attributen als de graftypen ligt een eeuwenlange traditie van grafcultuur ten grondslag. Het gebruik om voorname overledenen in alle pracht en praal te begraven en voor hen een mooi grafmonument op te richten, stamt al uit de vroegste culturen. Het is geweten dat de eerste christenen gebruik maakten van de Romeinse heidense iconografie om hun
eigen geloofsopvattingen in beeld te brengen. Heel wat elementen van de 17 c-eeuwse funeraire gedenktekens gaan hierop terug. De funeraire iconografie van epitafen werd voornamelijk ingepast in de algemene gedachte van het contrareformatorische kerkinterieur. Praalgraven daarentegen zijn met hun complexere iconografie dragers van een bijkomende, dieperliggende betekenis, met een specifieke didactische en liturgische functie voor de parochiegemeenschap. Daarom behandelen we epitafen en praalgraven apart. Een bijkomende reden is dat aan de hand van de epitafen een algemene funeraire symbolentaal kan worden verduidelijkt die later bij het bespreken van de grote praalensembles kan worden toegepast. De structuur van deze wandepitafen met hun sterke funeraire beeldentaal werd voornamelijk opgevat als kleinarchitectuur. Deze vorm van architectuur diende enkel als kader voor het beeldhouwwerk. Hun constructie is dan ook veelal opgevat als een ornamentele structuur die centraal een tekst weergeeft ter nagedachtenis van de overledene(n). Het is logisch dat men zich hiervoor ging beroepen op de gangbare architecturale vormentaal. In analogie met andere kunstwerken is ook bij de epitafen een stijlmode zichtbaar. O m stilistische
tendensen te volgen inspireerden tal van beeldhouwers zich op onder andere bestaande altaararchitectuur of op architectuurstudiën en frontispiesen. In de vroege 17 ': eeuw is de structuur van deze epitafen elementair en strak geometrisch opgevat, maar door de complexere varianten, later in die eeuw, wordt het moeilijker om hun opbouw te doorgronden. De zwartmarmeren frontons zijn inmiddels geëvolueerd naar losstaande, geprofdeerde architectuurfragmenten die nog uitsluitend een omlijstende functie hebben. Ze zijn als het ware schijnarchitectuur. O p de naast elkaar gelegen epitafen van Jacobus Chanon en Johannes Nicolaas Roose wordt zelfs een tweede witmarmeren medaillon toegevoegd. Daarbij komt dat de monumenten veel meer nog dan tevoren worden overwoekerd door figuren, voorwerpen en bijkomende versieringen. O p de twee voornoemde epitafen is te zien hoe deze witmarmeren opsmuk het zwartmarmeren architecturaal kader volledig gaat overheersen. Toch bereiken deze beide ensembles een harmonie door hun perfecte symmetrische opstelling tussen enerzijds alle onderdelen en anderzijds het evenwichtig verdeelde kleurgebruik tussen wit en zwart marmer.
Heel wat van deze witmarmeren ornamenten houden verwijzingen in naar de dood. Bloemen of rook symboliseren bijvoorbeeld de kwetsbaarheid en de vergankelijkheid van de door God geschapen dingen. De vanitasgedachte schuilt eveneens in de gesluierde asurnen die als decoratief bekroningselement op het klauwstuk - dit is het versieringsstuk naast de geveltop in de vorm van een console - van het epitaaf van Roose staan. De spade waarmee aarde op de kist wordt gegooid, staat voor de rituele betekenis van de eigenlijke teraardebestelling. De schuilgaande gedachte dat het stof wederkeert naar de aarde en de levensgeest terug naar de Schepper, wordt verwoord in het Oude Testament (14). Bloemenslingers, die vaak voorkomen in het oeuvre van Quellinus, treffen we ook aan op al zijn epitafen. Ze staan meestal aan weerszijden van de grafteksten. O p het praalgraf van bisschop Capello in de Antwerpse kathedraal komen de bloemen- en vruchtenslingers diverse malen voor. Het Quellinusatelier maakt hier gebruik van slingers om het opschrift aan alle zijden te flankeren. Minuscule bloemenslingers zijn zelfs op de boord van de bisschopskoormantel te zien, daar waar de gehistoriseerde taferelen omkaderd zijn door architecturale constructies. Ook op het ontwerp van Artus
• Een detail van de koormantel op het graf van bisschop Capello in de Onzc-LicveVrouwekathedraal van Antwerpen (foto 0. Pauwels)
• Op vele funeraire
de idee dat de
monumenten van de
keuze voor de
I7 d ' eeuw bena-
zonnebloem op het
drukken gevleugelde
epitaaf Roose een
putti bepaalde ico-
met toevallige
nografische elemen-
betekenis heeft
ten. Het versterkt
(foto 0. Pauwels)
Quellinus voor het graf van Hans Schack worden deze in het midden mooi doorhangende festoenen gebruikt ter versiering van de sarcofaag.
•
Sommige bloemen kunnen duidelijk als zonnebloem of roos worden geïdentificeerd. De eigentijdse embleemboeken geven ons dikwijls een beter inzicht in hun betekenis. O p het epitaaf van de familie Roose vertolken de geïsoleerde zonnebloemen, als versiering van de voluut, de beschouwing van de door God geschapen natuur (15).
Jacobskerk met een
Het epitaaf van Louis Le Candcle en Cathanna Vincque in de Slntafgesleten opschrift (foto 0 . Pauwels)
De beenderen vertegenwoordigen de hoop op de wederopstanding zoals overgeleverd in het "dorrebeenderenvisioen" van Ezechiël (Ez. 37,3). De zandloper die het inmiddels belangrijk geworden tijdsbesef in de 17 c eeuw vertegenwoordigde, toont aan dat het leven kort is. Een doodshoofd met vleugels van zowel een vogel als een vleermuis verwijst naar de komst van de dood, die zowel overdag als 's nachts kan toeslaan. Dit motief siert de epitafen van Louis-Roger Lecandèle en van Jacob Chanon. In het testament van bisschop Capello, wiens graf verder wordt besproken, treft men de 17 c -eeuwse visie aan over de tijdelijkheid van het aardse bestaan: "(...) overdenckende de broosheyt der menschelycke natuere, en datter nyet sekerder en is als de doodt, en nyet onsekerder als de ure der selve f.. J " ( 1 6 ) . Het doodshoofd dat als symbool voor de dood in de Middeleeuwen verspreid raakte, werd in de 17 e eeuw door de jezuïet Ignatius van Loyola aanbevolen als geestelijke oefening bij de meditatie over de dood. Het gelauwerde doodshoofd op het epitaaf van Lecandèle verzinnebeeldt de zege van het nieuwe leven dankzij Christus' verlossingswerk. Bovenaan op hetzelfde monument wordt dit bijkomend verduidelijkt door centraal de met doornen gemartelde Christusbuste te tonen, met eronder twee bijkomende passiewerktuigen waaronder de geselroede. De blijvende groene kleur van de laurierbladen was voor de eerste christenen een aanleiding om dit element uit de bestaande Romeinse keizerscultus te lichten en te gebruiken als symbool voor het nieuwe, eeuwigdurende leven. Een gevlochten laurierkrans rond het opschrift op de aanpalende epitafen van de familie Roose en Jacob Chanon verwijst in deze context naar het eeuwige leven dat deze voorname mensen kregen voor hun godsdienstig verdienstelijke leven dat wordt geëxpliciteerd in de tekst. Enige eigenwaan zal hier waarschijnlijk niet vreemd aan zijn geweest.
Enkele andere symbolen zijn rechtstreeks ontleend aan de Romeinse grafkunst. De aanwezigheid van de gevleugelde kinderfiguurtjes is nog een restant van de heidense genii die als beschermgeest de ziel begeleidden tot het hiernamaals. Ze kregen in de christelijke beeldtraditie de taak om de goddelijke besluiten te helpen uitvoeren. Hoewel de putti meestal door middel van hun theatrale gebaren de bezoeker begeleidden bij de juiste interpretatie van de monumenten, werden ze ook nog in de enge betekenis van schilddragers aangewend. Dit motief treft men op de ensembles van Lamboy en Capello (zie verder). Ook de cornucopiae op het epitaaf Lecandèle/Vincque, die in de oudheid de welvaart van het keizerlijke beleid symboliseerden, kregen bij de christenen de verwijzing naar het paradijs. De omgekeerde toorts als zinnebeeld van het uit-
M&L
als skelet verklede figuranten. Deze herdenkingsplechdgheden groeiden uit tot pantomimes, waarbij de voltallige parochiegemeenschap als deelnemer en/of toeschouwer aanwezig was (20).
• Detail van het epitaaf Roose. Op de vergulde lijst
dovende leven, komt Romeinse graven.
eveneens voor
op
vele
van het opschrift is een fantastisch masker onopvallend aangehecht, (foto S. Landuyt)
De antieke schaapdrager is een duidelijk voorbeeld van een zich door de christenen toegeëigend thema om Christus als de Goede Herder te verbeelden. Doordat het graf mee werd toegewijd aan Christus kon de herdachte pastoor Chanon ook de metafoor van de Goede Herder op zichzelf toepassen (17). De vermelding onderaan 'PASTOR ET IUB OBYT' (Als herder/pastoor en jubilaris overleed hij) houdt een duidelijke verwijzing in. Zelfs in de opschriften is de antieke invloed te bespeuren. De openingsformule 'Siste Gradum Viator (Stop je stap reiziger!) van de epigraaf op het graf van abdis Lamboy, nu in de O.L.Vrouwekerk in Hasselt, kwam voor op graven langs de Romeinse wegen en verwoordde hier net als bij de Romeinen de hoop om voorbijgangers te laten stoppen bij het graf (18).
In de kerk werd de kist opgebaard in een katafalk, waarrond verschillende kaarsen brandden. De katafalk bestond uit een verhoog waarop de lijkkist op een lijkbaar werd tentoongesteld. Het gebruik om een piramidevorm op graven zoals dat van Hans Schack (zie verder) weer te geven, vindt waarschijnlijk zijn oorsprong in de ontzettend hoge, smalle piramides die op de vier hoeken van de katafalk werden geconstrueerd. O p deze constructie werden ontelbare kaarsen aangestoken. Boven op de epitafen en praalgraven zelf werd plaats voorzien voor kaarsen, die te gepasten tijde werden ontstoken. De belangrijkste taak voor een christelijke uitvaart was de werking van het gebed voor de zielsrust van de overledene. Er kon zelfs naar verwezen worden in de opschriften, zoals op dat van abdis Anna Catharina de Lamboy. Dikwijls treft men onderaan de grafteksten al dan niet in afgekorte vorm de spreuk 'Requisca(n)t in pace / RIP' (Dat hij/zij ruste(n) in vrede) aan. De
Achterzijde van het epitaaf Chanon vanuit het koor.
Ook aan het eigentijdse strakke begrafenisritueel werd ontleend voor vele iconografische attributen. Tal van beschrijvingen, vervolledigd door gravures en tekeningen van kunstenaars, geven blijk van de grote materiële gelijkenis tussen de werkelijke begrafenisplechtigheden en het grafmonument dat naderhand de herinnering aan dit evenement levendig moest houden. De grafmonumenten zijn de belangrijkste materiële bron voor ons inzicht in de grootse begrafenisplechtigheden van deze periode. De begrafenisluister was soms ontzagwekkend. De lijkkoets werd gevolgd door de lijkstoet die naar gelang van de sociale positie van de overledene groter was en samengesteld werd uit belangrijke mensen. Mensen uit diverse broederschappen en andere groeperingen waartoe de dode had behoord, stapten mee in de stoet (19). Andere figuren die bij de optocht of in de kerk de revue passeerden waren de
M&L
(foto S. Landuyt)
betekenis van het bidden mag zeker niet onderschat worden in deze context. Wanneer de overledene door zijn aardse tekortkomingen nog een wachttijd moest uitzitten in het vagevuur - zo dacht men kon het gebed deze termijn verkorten. De rechtstreekse ontlening aan deze slotformule van de requiemmis is dus een duidelijke aanwijzing voor de relatie die er bestond tussen de iconografische elementen op funeraire monumenten en het begrafenisgebeuren. Grote, zwarte gordijnen met gouden franjes, zoals er een over het graf van Louis-Roger Claris (thans verdwenen) was gedrapeerd, en wierookvaten en zandlopers, zijn zichtbaar op verscheidene gravures. Het volledige kerkgebouw werd bespannen met zwarte gordijnen. Met deze bedoeling werd dan ook geopteerd om het gordijn op het graf van Claris in zwart marmer - zoals blijkt uit de contracttekening - te laten vervaardigen (21). Conform het eigentijdse afleggingsritueel werden de doden met een lijkwade getooid en op stro gelegd dat over de grond was uitgestrooid. De opgerolde en met strikken geknoopte lijkwaden zijn aanwezig op de naast elkaar hangende epitafen van de familie Roose en Jacob Chanon. O p de beide monumenten — duidelijk op elkaar geïnspireerd zijn deze kleden aan weerszijden van de memorietekst vastgehecht. Deze lijkwaden zijn gebruikt om op het ene graf de heraldische kwartieren en op het andere enkele funeraire symbolen aan te knopen. Rond de benen van de putti, die op alle epitafen Omwerp met
waarmee de kerk
materiaal- en kleur-
getooid werd ti|dens
aanduiding voor het
een grootse bcgra-
praalgraf van Louis-
femsplechtigheid
Roger Claris.
(Brussel, Rijks-
Een zwartmarmeren
archief, T313,
draperie met
dossier familie
gouden franjes en
Helman, n. 82)
kwasten verwijst
(foto © KIR)
naar de gordijnen
Het theatrale motief van de treurende putto op het epitaaf Chanon als didactische leidraad voor de toeschouwer (foto S. Landuyt)
M&L
W'
geloofsopvatting die ze voorstonden tijdens hun leven. O p basis van de geschetste algemene funeraire iconografie wordt dit in enkele casestudies toegelicht.
HET GRAF VAN BISSCHOP CAPELLO In navolging van de bisschoppelijke kerken van Gent en Mechelen werd in het koor van de OnzeLieve-Vrouwekathedraal van Antwerpen een grafensemble geplaatst dat was uitgedacht in functie van het hoofdaltaar (23). Het vijfde en laatste praalgraf uit deze bisschoppelijke reeks is van Marius Ambrosius Capello (1597-1676).
De treurende vrouw
kardinaal de
van Artus Quellinus
Franckenberg.
de Jonge in de
Mensen gehuld als
Sint-Rombouts-
pleurant evoceerden
kathedraal te
ti|dens de begrafe-
Hechelen werd in
nisplechtigheid het
de 1 8 * eeuw
verdriet van de
geïntegreerd in het nabestaanden praalgraf van
(foto S. Landuyt)
aanwezig zijn, is eveneens een lijkwade aanwijsbaar. O p het epitaaf ter ere van kanunnik Chanon trekt de rechter putto zelfs het gewaad over zijn hoofd om zijn verdriet te tonen. Het is een anekdotische verwijzing naar de pleurant. In de SintRomboutskathedraal van Mechelen houdt op het graf van Jean-Henri kardinaal de Franckenberg (1759-1801) een pleuranthet portret van de overledene vast (22). Deze treurende figuur, bedekt met het kleed van de rouw, evoceert het gevoel van de nabestaanden. Tot besluit kan gesteld worden dat de besproken grafmonumenten een belangrijke commemoratieve functie bekleedden in de aardse nazorg voor de zielsrust van de overledene. Mede door onze vervreemding van het traditionele begrafenisritueel als gevolg van de wijzigingen in de liturgie met het Tweede Vaticaanse Concilie (1963), is ons inzicht in de betekenis van deze graven echter verzwakt. Het atelier van Quellinus paste de iconografie aan aan de functie die de mensen bekleedden of de
M&L
Het Concilie van Trente (1545-1563) bepaalde onder meer het gebruik van een ondubbelzinnige beeldtaal die de kunst met een soortgelijke taak als een armenbijbel belastte. Van groot belang hierbij was de exemplarische functie van het bisschoppelijk graf dat in het koor werd opgesteld. De bisschoppelijke graven onderstreepten door hun iconografische relatie met het hoofdaltaar het liturgische belang van de eucharistie als antwoord op de protestantse visie (24). Doordat in de kerk de beel-
den van het meubilair op elkaar worden afgestemd en in dialoog treden met de architectuur en de schilderkunst spreekt men van een totaalconcept. Anderzijds droeg dit pseudo-dynastieke karakter van de bisschopsreeks ook bij tot een politiek bewustzijn van de herovering van Antwerpen op de protestanten. Bedoeld wordt een soort nationalisme avant la lettre dat het samenhorigheidsbesef tussen de katholieken moest herstellen (25). De bisschoppen speelden hier een voortrekkersrol. Marius Capello was de zoon van een rijke Toscaanse patriciër die voor Filips II werkte als penningmeester. De vele overgebleven schilderijen, gravures en monumenten die hij had besteld, duiden hem als een belangrijke mecenas. In dit verband kan zijn persoonlijke bijdrage genoemd worden aan onder andere het hoofdaltaar van de SintPauluskerk in Antwerpen «(...) den wekken veele duysenden gecost heeft (...)». Over de ontstaansgeschiedenis is weinig met zekerheid geweten. Enkele literaire bronnen vermelden Artus Quellinus de Jonge als auteur, wat overeenstemt met het resultaat van een stilistische analyse. In de reisbeschrijvingen van tijdgenoot Nicodemus
iSi T
*^ffr: W
*****-% A De oudste grafische
romam imperii dat
bron voor het
door baron Jacques
bisschopsgraf van
Le Roy werd uitge-
Capello is weergege-
geven n 1678
ven in de Notitia
(foto S Landuyt)
marchionatus sacri
Tessin (1654-1728), een hoog aangeschreven Zweedse architect, leest men dat hij in 1687 te Antwerpen werd rondgeleid door Jan Erasmus Quellinus (1634-1715) en dat hij ook door Artus Quellinus de Jonge vriendelijk werd onthaald. Daarbij schrijft hij over het praalgraf: «(...) sonsten hat er [Artus Quellinus de Jonge] auch a NotreDame aufder rechten hand vom altar einen Bisschoff in marmor gemacht, der da liegend auf einen tombeau nach dem altar siehet (...)». Dit wordt als volgt bevestigd door de getuigenis van de zevenenzeventigjarige steenhouwersknecht Guilliam Paul in het proces tussen Jan-Peeter I van Baurscheit en de Dekens van de Vier Gekroonden (1718): «Den Bisschop Capello liggende op eene pederstaelen is in onse lieve vrouwe kercke gemaeckt van Quillien» (25).
Het grafmonument van bisschop Harms Ambrosius Capello werd door zijn huidige standplaats in de kooromgang ontzet uit zijn relatie tot het hoogaltaar, (foto 0. Pauwels)
In 1798, met de confiscatie van het kerkelijk patrimonium door de Franse revolutionairen, werd het graf geveild en voorbehouden voor de Ecole Centrale. Het enige niet stukgeslagen graf van het ensemble, dat van Capello, kon uiteindelijk, na teruggave aan de kathedraal van Antwerpen, weer bewonderd worden in de Sint-Ursulakapel, de huidige bewaarplaats (27). O p een zwartmarmeren voetstuk die op een roodmarmeren sarcofaag is geplaatst is de effigie van Capello, die uit één stuk marmer is vervaardigd, halfliggend op zijn linkerzijde weergegeven. Aan
1VI&L
zijn voeteneinde houdt een putto de toeschouwer zijn wapenschild voor. Evenwijdig met zijn lichaam zou destijds zijn bisschopsstaf hebben gelegen. Dit kan men veronderstellen aan de hand van een anonieme gravure in de Notitia marchionatus sacri romani imperii (1678) van baron Jacques Le Roy (1633-1719). Het is de oudst gekende grafische voorstelling van het graf met het opschrift. Het monument werd hoogstwaarschijnlijk besteld door de bisschop en nog geplaatst tijdens zijn leven. O p de gravure - in tegenstelling tot het graf - ontbreekt immers de overlijdensdatum, wat doet vermoeden dat het graf al vóór oktober 1676 - Capello's sterfdatum - bezocht en getekend kon worden in de kathedraal.
A Detail van de putto
... (foto S. Landuyt)
1VI&L
Dit bisschopsgraf past in een lange Europese traditie. Net zoals men bepaalde symbolen ontleende aan de antieke beeldtaal, zo werden ook graftypes overgenomen. Met de heropleving van de antieke cultuur in Italië tijdens de Renaissance werd ook j
r-i
j
voor de pauselijke graven teruggegrepen naar deze antieke beeldtaal. De rol van de maniëristische beeldhouwer Andrea Sansovino (1467-1529), die het type van de triomfalistische wandgraven verder uitwerkte, won tegen het einde van de 16 ': eeuw, dankzij de inbreng van Cornells Floris II (15141575), ook in de Zuidelijke Nederlanden aan
populariteit. Maar hier verkoos men een soberder graftype waardoor de liggende figuur op een sarcofaag uit de context van het wandgraf werd geïsoleerd en een eigen bestaan ging leiden. De overleden bisschop werd meestal liggend op zijn zijde afgebeeld op een sarcofaag. Het gemijterde hoofd werd ondersteund door een hand en de ogen waren gesloten. Het kussen - dat in feite een knielkussen was om op te bidden — geeft het geheel als het ware een betekenis alsof de bisschoppen in eeuwige slaap verzonken zijn. De vier verdwenen bisschopsgraven uit het koor van de Antwerpse kathedraal volgden dit schema (28). Ze werden in de eerste decennia van de 17de eeuw vervaardigd. Het graf van bisschop Capello, dat ongeveer veertig jaar later tot stand kwam, breekt met deze traditie. Het betrekken van een putto als schilddrager in de compositie was mogelijk een innovatie van Quellinus (29). Inmiddels had er zich ook een evolutie voorgedaan waarbij de overleden bisschop voor eeuwig het gebed zou voortzetten op een actieve wijze, in plaats van slapend. Bisschop Capello heeft zich op een waardige wijze — eigen aan het protocol van een bisschop — opgericht en naast zijn fluwelen gebedskussen verwijst de conventionele houding van de handen naar het gebed. In deze context spreekt men van een
'eeuwige aanbidding' (30). De dramatiek van deze vermoeiende pose wordt opgevoerd door de zware plooi van de koorkap die in het verlengde ligt van de voorste arm. Ook de spanning wordt opgevoerd doordat het lichaam van de bisschop optisch vervat ligt in een geometrische driehoek (31). Toch is hier niet dezelfde dynamiek in de compositie langs vooraanzicht aanwezig waarvan het graf van kardinaal Bagno, in de kerk van SS. Bonifazio en Alessio in Rome, is doordrongen. Dit monument, vanaf circa 1631 te bezichtigen aldaar, diende mogelijkerwijze als inspiratiebron (32). Het motief van de levende opkijkende bisschop versterkte de theatraliteit die de visuele link tussen het grafbeeld en het altaar ten goede kwam. De naturalistische uitwerking van de bisschop in al zijn details was een noodzaak om deze schijnvertoning te doen leven.
EEN PRAALGRAF VOOR ABDIS LAMBOY Een heel eigen karakter draagt het graf van abdis Anna Catharina de Lamboy (1609-1675) van het adellijke stift Herkenrode, dat het rijkste vrouwenklooster was in de Zuidelijke Nederlanden en het Prinsbisdom Luik (33).
A Het praalgraf van Abdis Anna Catharina de Lamboy in de Onze-
In navolging van de veranderingen in het interieur van bisschopskerken werden ook abdijkerken volgens de nieuwe voorschriften van Trente ingericht. Artus Quellinus kreeg in dit verband de opdracht om een graf te maken voor Anna Catharina de Lamboy, die abdis was van het adellijke stift Herkenrode (34). Dat een kloosterlinge zich op een
Lleve-Vrouwekerk te Hasselt. De ontbrekende vleugel van de geknielde engel verstoort het evenwicht van de harmonieuze compositie (foto 0. Pauwels)
• Een reliëf van Peeter Verbrugghen de Oude op het biechtgestoeltc aan de noordzijde in de Sint-Pauluskerk te Antwerpen, (foto © vzw SintPaulusvrienden)
M&L
^ Ik
Detail met het geïdealiseerde en
I
ongeschonden gelaat van Christus op het graf van Abdis Lamboy
i
-
(foto S. Landuyt)
(
-
1p—p-r^
F
Detail van het graf Lamboy. Op het zweetdoek lijn de gelaatstrekken van Christus zichtbaar (foto 0. Pauwels)
^
r
v
ËIk
»
dergelijke pralerige wijze liet vereeuwigen, is hoogst uitzonderlijk. Met de keuze voor een zelfde beeldhouwer en een zelfde graftype stelde ze zich gelijkwaardig aan haar mannelijke superieuren.
(1615-1686), op het biechtgestoelte in de noordelijke zijbeuk van de Sint-Pauluskerk te Antwerpen en die Artus Quellinus waarschijnlijk heeft gezien (36).
Enerzijds is hier de algemene contrareformatorische context van praalgraven in het koor van toepassing, maar anderzijds beschikt dit graf over een documentaire meerwaarde wat betreft de beeldwereld van religieuze vrouwen (35).
Zowel de zweetdoek als de stromat houden op dit graf een verwijzing in naar Christus' offerdood. Dit kan gesteld worden daar Christus in analogie van het eigentijdse begrafenisritueel op deze mat werd neergelegd. Het sudarium dat volgens de apocriefe literatuur gebruikt werd om het zweet van Christus' gelaat tijdens zijn kruisweg af te wissen, vertoonde achteraf zijn 'ware gelaat', namelijk zijn lijden.
O p een zwartmarmeren sarcofaag zijn in wit marmer een liggende Christus, rechts achter hem de abdis en links achter een engel weergegeven. Jezus, expliciet gemerkt door de nagels van het kruis en de nog bloedende wonde in zijn rechterzij, ligt op een stromat die onder zijn hoofd is opgerold. De abdis, op beide knieën gezeten, en de geknielde engel zijn in drie vierden naar elkaar gewend. De naar het leven getypeerde abdis is in gebedshouding weergegeven terwijl de engel de voorbijganger een sudarium met de gelaatstrekken van Christus voorhoudt. Een soortgelijke compositie is herkenbaar in een Bewening van Christus uit 1658, die wordt toegeschreven aan het atelier van Peeter Verbrugghen 1
De keuze van het thema houdt mogelijk verband met het feit dat vanaf de 15 L eeuw de uit Rome terugkerende bedevaarders dit thema op hun insignes droegen. Onder het abbatiaat van de Lamboy werd Herkenrode immers uitgebouwd tot een prestigieus bedevaartsoord (37). De aanspreking SISTE G R A D U M VIATOR kan op de voorbijtrekkende bedevaarders hebben gedoeld. De derde verwijzing naar de offerdood was meer dan waarschijnlijk het kruisbeeld dat abdis de Lamboy destijds in haar gevouwen handen hield. Belangrijk is dat door Christus' dood zijn volgelin-
gen werden verlost van hun zonden. In een funeraire context was deze kwijtschelding van de zonden noodzakelijk om het eeuwige leven te bereiken. De verbeelding van deze thematiek is echter verbonden aan dit van het altaar. In Herkenrode werd het Sacrament van Mirakel vereerd. Dit was een bloedende hostie, die symbool stond voor de belichaming van Christus tijdens de eucharistie {transsubstantiatie). In samenhang met het abdissengraf van Barbara de Rivière d'Arschot dat de Verrijzenis van Christus voorstelt en dat later recht tegenover dat van de Lamboy werd geplaatst, verbeeldden ze de metaforische gedachte van de graankorrel: "(...) zo de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft ze alleen; maar zo ze sterft, brengt ze een rijke vrucht voort" (Joh. 12, 24). Door het geloof in de transsubstantiatie was de ware betekenis van de graankorrel immers Christus' offer. Want net als de graankorrel was Christus eerst gestorven om nadien te kunnen verrijzen en zo de mensen te verlossen. Met andere woorden vormde het Sacrament van Mirakel de synthese van de twee grafmonumenten. O p een voor de contrareformatorische kunst typerende wijze wijzen de beelden van de twee graven dan ook naar de nis op het altaar waarin het Sacrament werd uitgestald.
De keuze om de abdis in gebedshouding weer te geven herinnert ons aan het dodengebed tijdens de begrafenis (38). De woorden van L. Augé zijn hier van toepassing: "La pierre immortalise leur prière" (39). De abdis lijkt daardoor de voorbijgangers te willen voorgaan in het gebed met de bedoeling hen voor haar zielenheil te laten bidden. Dit wordt dan ook expliciet verwoord in hetzelfde opschrift: E X T R E M U M H O C T E P R E C O R VIATOR. yETERNUM VT VIDEAM D E V M MIHI ADPRECARE (Om deze laatste gunst bid ik u reiziger. Bid voor mij dat ik God ten eeuwigen dage mag aanschouwen). Door de abdis als priant achter Christus op te stellen en aan de andere zijde de engel te plaatsen, lijkt
Detail met het portret ïan abdis Lamboy in profiel. De getrouwe weergave van de fysionomie Is essentieel voor de indruk van een momentopname (foto 0. Pauwels)
het tafereel eveneens een Bewening van Christus te verbeelden. Door het inpassen in de gebruikelijke beeldtraditie van de Bewening krijgt de abdis zelfs de bevoorrechte taak van de Moeder Gods. Door de aanschouwing van haar (abdis Lamboy) Verlosser tracht ze zich om het lijden van haar (Moeder Gods) zoon te bekommeren. In deze dubbelzinnigheid manifesteert zich de mystieke geloofswereld van religieuze vrouwen. Talrijke literaire bronnen van mysticae beschrijven hun sentimentele en aardse liefde voor God, waarbij het zogenaamde ware gelaat van het lijden van belang was. Dit leidde tot de mystieke eenwording met Christus.
HET GRAF VAN VELDMAARSCÜALK SCHACK Tot nu toe hadden we te maken met de graven van kerkelijke gezagsdragers. Een ander praalgraf waarvan de organisatie eveneens bij het atelier Quellinus lag, is te bewonderen in de Heilige Drievuldigheidskerk van Kopenhagen. Ook in het protestantse Noorden was in de loop van de 17 ^
eeuw een graftype ontstaan dat gebruikt werd om de roem van admiralen en veldheren te vereeuwiSchack. Het monugen. Terwijl de graven van Capello en Lamboy ment werd zwaar beschadigd bi| de gedomineerd worden door een symboliek die de brand van graven overstijgt, hebben de protestantse graven, Kopenhagen in de als een duidelijke ode aan de overledene, een meer I8 d ' eeuw. Een classicistische bescheiden iconografie (40).
Detail van het gra(
restauratie voorzag het beeld van een nieuw gezicht, (foto S. Landuyt)
Het grafmonument van veldmaarschalk Hans Schack (1609-1676), die ten dienste stond van de Deense koningen, bestaat uit een sarcofaag waarop de veldmaarschalk op een mat rust. De oorlogsheld is halfliggend weergegeven in staatsiekuras en met een allongepruik. Hij steunt op een kussentje met zijn linkerelleboog en is halfzittend met het gezicht naar de toeschouwer gekeerd. Het geheel, dat afsteekt tegen een groot veld van rood gejaspeerd marmer, wordt in het midden verdeeld door een zwarte obelisk. Hij wordt geflankeerd door witmarmeren zegetrofeeën, wapperende vaandels en verschillende krijgsattributen zoals harnassen. Kwartierwapens worden eveneens in de architecturale omkadering verwerkt. O p een tekening van Artus Quellinus blijkt dat bovenaan het graf oorspronkelijk ook enkele brandende urnen stonden, waardoor de compositie beter uitgebalanceerd is (41). O p het centrale plan van zijn graf bevinden zich aan weerszijden van de langwerpige piramide zegetekenen als verwijzing naar Athena. Links is een
Het praalgraf van
graftype dat in
Veldmaarschalk Hans
Noordelijk Europa
Schack in de
werd voorbehouden
Trinitatiskirke te
aan militaire helden
Kopenhagen.
en gezagsdragers
Het behoort tot een
(foto S. Landuyt)
kuras als centraal element bevestigd op een stok met eronder allerlei uitstekend wapentuig. De helm met vederbos die aan de rechterzijde hangt, verbergt gedeeltelijk een schild waarop een gestileerd Medusahoofd werd uitgewerkt. Het zijn allemaal attributen van Athena en dus een subtiele verwijzing dat Hans Schack op een beheerste wijze de overwinning en de erop volgende vrede wist te bedingen. De fasces — dit zijn de samengebundelde houten staven met lederen band die rond een bijl zitten - verwijzen naar het rechtvaardigheidsgevoel van de krijgsheer en verwijzen naar diens bevoegdheid om recht te spreken. De lijkkist van Hans Schack, die zich in een kelder onder het koor bevindt, bevestigt de iconografie van Athena. O p het deksel van de gestoffeerde kist is er een koperen medaillon met de personificatie van de overwinning. Het is de Griekse godin Nike die in opdracht van Athena naar de aarde afdaalde om winnaars van oorlogen te huldigen door de laurierkrans en de palmtak toe te kennen. Ze rent over een berg van wapens waarvan de meeste ook op het grafmonument zijn weergegeven. Aan haar voeten ligt de verslagen vijand. Het gelauwerde en gevleugelde doodshoofd op het praalgraf symboliseert de onsterfelijke roem van Schacks kwaliteiten als strateeg en veldheer die het Deense koninkrijk naar diverse overwinningen leidde. Het verklaart
M&L
Een gewassen en ingekleurde pentekening als ontwerp voor het graf Schack (foto © Rijksarchief Kopenhagen)
ook de aanwezigheid van zeer lange opschriften zowel op het monument als op de lijkkist met een gedetailleerd curriculum vitae van de militair, waardoor hij nooit vergeten zou kunnen worden. Gravures die begrafenisceremoniën van militaire hoogwaardigheidsbekleders tonen, kunnen het bewijs leveren van de parallellen die ook hier bestonden tussen de binneninrichting van de kerken en de graven zelf. Hans Schack zou een grootse begrafenisplechtigheid hebben gekregen (42). Een bijkomend bewijs dat het graf de herinnering was aan de begrafenis, vormt een rekeningenoverzicht waaruit blijkt dat Thomas Quellinus een houten constructie had gemaakt om boven het graf de rouwvaandels van de begrafenis te bevestigen. Uit een brief tussen een gevolmachtigde en de familie Schack blijkt de positieve reactie op het portret van de overleden graaf. Uit een andere brief
Jacques Foucquet
de kerkversiering bij (Uit: Beggild-
naar Nicodemus
een militaire begra-
Johannscn, Birgitte
Tessln de Jonge
lenii en bepaalde
en Hugo Johannsen,
(1654-1718)
iconografische
Kongens kunst, 1,
Dit Castrum Oohm
elementen op praal-
N/ Dansk kunsthis-
mor Karel XI toont
graven onder meer
torie, Kopenhagen,
het verband tuuen
het graf Schack
1993, p. 213)
leidt men af dat de opdrachtgevende familie wenste dat enkel de meester of zijn zoon Thomas Quellinus aan het portret van de overleden graaf werkte. De reeds aangehaalde Nicodemus Tessin de Jonge laat zich eveneens lovend uit over de portretten van Thomas Quellinus (43).
SIUL Het grote kunsthistorische belang dat gehecht kan worden aan bepaalde praalgraven met een beeltenis van de overledene, is dat de portretten ongetwijfeld door de meester werden gebeiteld. In tegenstelling tot veel beeldhouwwerk dat atelierproductie is, wordt dikwijls in de contracten van grafmonumen-
1VI&L
ten de exclusieve taak van het pottretteren voorbehouden aan de meester. Dat is vaak ook de drijfveer om een kunstenaar aan te spreken voor zijn/haar praalgraf. Quellinus bewees zijn uitzonderlijke artistieke kwaliteiten in de portretten van Lamboy en Capello. De door het leven getekende fysionomie van de abdis wordt door de eigenheid van het marmer zeer lichtjes geïdealiseerd. De manier waarop de wenkbrauwen, met enkele inkepingen om de haartjes te evoceren, bepaalde delen binnen de oogkassen overschaduwen, is geslaagd. De gezwollen oogleden zijn bovenaan vlijmscherp afgebakend terwijl ze onder-
Detail van het gelaat van abdis Lamboy. (foto S. Landuyt)
aan lichtjes uitsteken om op de oogbollen een donkere schaduw te laten inwerken. Ook de nauwgezette weergave van de neusrug, de nasolabiale plooien, de wangzakken en de dubbele onderkin geven dit portret een hoge werkelijkheidswaarde. Hoewel het gezicht zeer symmetrisch opgevat lijkt, geven het subtiel optrekken van de rechter wenkbrauw, de bovenlip die in het midden lichtjes over de onderlip hangt en ook de kromming naar links van de neus, het beeld een aardse dimensie. In het geval van bisschop Capello kan men voor de studie van de Zuid-Nederlandse 17 c -eeuwse beeldhouwkunst van een unicum spreken. De nog
bestaande iconografische bronnenschat van deze persoon telt naast enkele schilderijen en talrijke gravures liefst vijf gesculpteerde portretten, waaronder één in witte steen en één in terracotta en drie in wit marmer. Naast zijn eigen praalgraf, beschikt men in de kathedraal over een reliëfmedaillon op een epitaaf, dat post mortem werd vervaardigd. In de Antwerpse Sint-Pauluskerk op het hoogkoor treft men van hem een tweede volplastisch portret ten voeten uit aan. Voorts werd de kerkvader Ambrosius op het hoogaltaar van dezelfde kerk op een basement van de zuil in hoogreliëf afgebeeld met zijn gelaatstrekken. Er bestaat in privé-bezit een overschilderde en gerestaureerde terracottabuste van Capello. Door de grote gelijkenis met het grafportret in de kathedraal lijkt een stilistische toeschrijving van deze terracotta aan Artus Quellinus de Jonge houdbaar. In tegenstelling tot de voorstelling als hoogbejaarde op zijn graf in de kathedraal toont deze laatste buste de geestelijke op een jongere leeftijd. De onderkin is minder uitgezakt, de mondhoeken zijn minder afstaand, de wenkbrauwen komen nog niet zo sterk naar voren en van rimpels en kraaipootjes is nog geen sprake. Het verschil tussen deze twee portretten, dat niet noodzakelijk een stijlverschil hoeft in te luiden, manifesteert zich op het grafportret in de lichtjes overdreven uitwerking van de ouderdomsverschijnselen. Daarbij moet men zich wel rekenschap geven dat beelden van onderuit werden gezien en dat daardoor een optische correctie werd doorgevoerd. De zijdelingse afhangende haartooi bij beide is daarentegen zeer gelijkend. De op de terracotta weetgegeven haarlok die onder de kalot uitsteekt, maakt het geheel minder monumentaal. Ook de beheerste zijwaartse beweging van het gezicht doorbreekt het tijdloze karakter van de voor zich uit starende statische portretbustes.
werken van Quellinus - verder openbloeit en groter wordt, ook Quellinus' stijl rijper wordt (44). De complexiteit van een stijlanalyse blijkt duidelijk uit het feit dat de voet van de geknielde engel op het graf van Lamboy van inferieure sculpturale kwaliteit is in vergelijking met de uitwerking van de figuur van de abdis. Dergelijke zaken vormen het directe bewijs dat achter dit werk van Quellinus een ateliet schuilging dat zich inliet met de voorbereidende stappen van het beeld en dat zodoende de productiviteit — en vooral het rendement - van het beeldhouwetsbedrijf kon optimaliseren. Naast de technische begaafdheid om personen op een zo naturalistische wijze te verbeelden is een uitermate goede anatomische kennis vereist. Een mooi voorbeeld hiervan zijn enkele onopvallende details aan de gevleugelde schedel op het gtaf van Hans Schack. De natuutgetrouwe en correcte weergave blijkt uit het neusbeen maar ook uit de exacte weergave van de vier gaatjes ondet- (foramen infra orbitale) en bovenaan (foramen supra orbitale) de oogkassen. Ook achteraan in elke oogkas werden kleine gaatjes uitgespaard waarlangs de oogzenuw met het oog wordt verbonden.
MET DE DQQD BEDREIGD? We willen deze gelegenheid te baat nemen om in te gaan op de actuele problemen voor de instandhouding van grafmonumenten en epitafen. &
o
r
Portret in terracotta
Grafmonumenten en epitafen hebben een meer- van bisschop waarde ten opzichte van beelden in musea. Ze zijn CaPel10 ul1 * collectie Engelen te Leuïen. De aanwezige verflaag bemoeilijkt het stijlkritische onderzoek van de buste (foto S. Landuyt)
De artistieke kwaliteit van deze portretten is van belang voor het stijlvraagstuk, dat vanuit wetenschappelijke hoek te weinig op een systematische wijze werd benaderd, waardoor het niet gemakkelijk is werken in Quellinus' oeuvre te plaatsen. Verschillen worden te snel aangegrepen om van een stijlevolutie te spreken. Ook werd tot nu toe geen coherente synthese gebracht die een inzicht geeft in de 17 - en 18 c -eeuwse Antwerpse beeldhouwersateliers. Het ontbreken van de afzonderlijke monografieën van veel beeldhouwers is oorzaak van een nog te groot aantal toeschrijvingen op basis van 'connaiseurship'. Het is ietwat romantisch te stellen dat naarmate de roos — die dikwijls voorkomt op de
ÉÉi
(f
• W '•:
Detail met een
bisschop Capello
Imker zijaanzicht
op zijn gral
van het gelaat van
(foto S. Landuyt)
de bejaarde
namelijk in situ bewaard. In tegenstelling tot de musea beschikken de kerken maar uitzonderlijk over een wetenschappelijke staf die het eigen kunstbezit bestudeert. O o k voor de inrichting van een tentoonstelling in een museum, die een gelegenheid vormt voor diepere studie, is het verankerde kerkoeuvre onbruikbaar. Dankzij een recente verwerving van terracotta's uit de 17 ': en de 18 e eeuw uit de voormalige collectie Charles Van Herck door de Koning Boudewijnstichting beschikken het Koninklijke Museum voor Schone Kunsten van Antwerpen en het Antwerpse Plantijn-Moretusmuseum over een ongemeen rijke collectie Antwerpse laatbarokke beeldhouwkunst in bruikleen (45). Dit kan een stimulans zijn om ook de beelden in kerken bij het onderzoek te betrekken. Het grootste fysische probleem waarmee dit erfgoed te kampen heeft, is de langzame en onopvallende alteratie. Omdat de materialen vrij duurzaam zijn, vergen deze monumenten maar een minimaal onderhoud. Dikwijls is de verleiding groot om dit gelijk te stellen met 'geen onderhoud'. Het voorzichtig en regelmatig afstoffen voorkomt nochtans vuilinwerking en kan gecombineerd worden met een algemene inspectie naar losgekomen delen. Van belang is dat deze elementen geïdentificeerd en op een geschikte plaats bewaard worden. Zo brak in 1980 een vleugel van de geknielde engel op het grafmonument Lamboy in de Hasseltse OnzeLieve-Vrouwekerk. Achttien jaar later, ter gelegenheid van een langverwachte opruiming, werd het onderdeel bijna bij het vuil gegooid als 'oude rommel'. De afgebroken vingerkootjes van een ander abdissengraf ondergingen bijna hetzelfde lot maar werden gelukkig eveneens 'gered'. Een recent afgebroken vleugelpuntje van hetzelfde graf is nu echter spoorloos. Aan het grafmonument van bisschop Capello in de Antwerpse Onze-Lieve-Vrouwekathedraal moesten wij zelfs vaststellen dat er recent een gedeelte van de cartouche verdwenen is. Het is niet echt duidelijk waar deze elementen zich bevinden. Wanneer een onderdeel loskomt is een onmiddellijke fixatie door een gespecialiseerd restaurateur de beste garantie om de gaafheid van het kunstwerk veilig te stellen. Het kan het risico van verder vandalisme en van vervreemding van waardevolle onderdelen beperken. Goed georganiseerde dieven proberen wel eens aan de haal te gaan met
volledige monumenten. Zo zijn twee complete praalgraven van de familie Claris — waarvan één door Quellinus - uit de voormalige Augustijnenkerk van Brussel verdwenen. Ter gelegenheid van de reconstructie van deze kerk in Eisene werden de graven overgebracht naar het Jubelparkmuseum voor restauratie. In 1968 werden ze als vermist opgegeven (46). De wettelijke bepaalde mogelijkheden voor financiering van onderhoud en restauraties, zoals de verschillende premies die de Vlaamse regering toekent, worden nog onvoldoende benut. Ook de wettelijke verplichting om per kerkgebouw een inventaris op te stellen van het roerend en onroerend patrimonium moet nog beter worden nageleefd. Een dossier per kunstwerk met liefst recente foto's werkt niet enkel gemakkelijker bij een aangifte van diefstal, maar helpt ook de materiële evolutie van de kunstwerken nauwlettender in het oog te houden. Een laatste aandachtspunt zijn de grote inspanningen die de overheid de laatste tien jaar levert voor de beveiliging van kerkinterieurs. Een onbeveiligde kerk onbewaakt toegankelijk stellen is eigenlijk niet meer verantwoord.
SLOTBESCHOUWING De laatbarokke Antwerpse beeldhouwkunst die vandaag in nagenoeg alle grote musea aanwezig is, werd ook in de 17 e eeuw met veel respect bewonderd. Dit wordt bevestigd door de aanwezigheid van beelden, ivoren en terracotta's in belangrijke eigentijdse collecties. Gezien de laatbarokke kunstenaars vooral uitblonken in de portretkunde, was dat meteen de reden om hen te vragen een grafmonument te vervaardigen. Naderhand, toen de Antwerpse beeldhouwers zich in het buitenland gingen vestigen, werd een belangrijke invloed doorgegeven aan Franse, Duitse, Engelse, Scandinavische en Noord-Nederlandse beeldhouwersateliers. In vergelijking met deze beeldhouwersscholen kreeg de Vlaamse beeldhouwkunst maar weinig aandacht. Daarenboven is ook de cultuurhistorische getuigenis van de graven van groot belang voor ons inzicht in de 17 '-eeuwse mentaliteit over dood en begraving. Dit alles kan een stimulans zijn om de Antwerpse beeldhouwkunst uit de 17 e eeuw beter te gaan bestuderen, maar bovendien ook om ze beter te conserveren. O p beide terreinen is nog bijzonder veel werk te verrichten.
Familiestamboom Artus II Quellinus de Jonge
Quellinus Artus 3 beeldbouwer 0
13-9-1653
-{1686
x l Frances
Quellinus Guillioimus 0
II-S-I657
1 0.1.13
|
Quellinus Thomas Quellinus Artus 2
beeldhouwer
- ^
"17-3-1661 - {1709
beeldhouwer
Quellinus Arnoldus x I Morren Maria
'1625
<!>
xl Choquet Anna-Maria
1700
x I Gabron Anna-Maria t30-ll-l«52
Quellinus Maria-Anna
x2 Volders Cornelia
° 7-12-1662
f 25-8-1669
Quellinus Hendrikje 0
18-2-1664
Quellinus Theresia 0
Quellinus Erasmus 2 scWWer 0
|
D.2.1.1
|
Quellinus Jan-Erasmus schilder
19-11-1607 - b 22-11-1607
tl678
0
1634-11715
xl De Hemelaer Elisabeth Catharina x2 De Fren Francisca
Quellinus Erasmus (?)
5-10-1666
Quellinus Artus I beeldbouwer
°I560
b 30-8-1609 -
123-8-1668
xl Verdussen Margaretha f 1-8-1640
Quellinus Anna
b 25-5-161I
Quellinus Josina b3l-3-l6l3
Quellinus Elisabeth |
b2-3-l6l5
C.2.6 Quellinus Erasmus I beeldhouwer
''1584-11640 xl Van Uden Elisabeth
I
beeldhouwer
Quellinus Cornelia b 5-3-1617 -
D.2.6.1
Verbrugghen Peter 2
1648
1691
{1662
x l Verbrugghen Peter I beeldhouwer
114-8-1641
Verbrugghen Hendrik-Frans beeldbouwer 0
C.2.7
I 6 5 4 - {1686
Quellinus Hubertus
graveur 1619 -
bl5-8-l6l9 -
f 1687
Quellinus Josina 2 b30-ll-l62l
Quellinus Maria b 15-9-1625
Quellinus Jan b 19-6-1628
= geboren
Quellinus Catharina
b5-5-1651 x I De Saggere Franciscus
{1658
f
= gestorven
xl
= eerste huweli|l<
x2 = tweede huweh|l< b
= gedoopt
EINDNOTEN
boek der westerse architectuurgeschiedenis, Utrecht-Antwerpen, 1986, p. 126.
(1) Graag danken we in het bijzonder de volgende personen voor hun attente collegialiteit: Harald
(10) Van Anus Quellinus de Jonge wordt in de inmiddels gesloopte
Deceulaer, Ann Diels, Valérie
Sint-Walburgiskerk een marmeren Heilige Judas Thadeus (1666)
Herremans, Léon Lock, Madeleine Manderyck en Jan Van
ter ere van de overledenen Martin van Bisthoven en Cathearina
Damtne.
Greyns vernoemd. In de voormalige Sint-Joriskerk zouden de
(2) De meeste informatie over deze grafmonumenten is terug te
figuren van de heiligen Jacobus de Meerdere (1667) ter ere van
vinden in LANDUYT S., De funeraire monumenten van Anus
Ferdinand Wouters en Jacoba Michelson en Paulus ter ere van
Quellinus de Jonge (1625-1700).
Een kritische analyse van hun
geschiedenis, iconografie en stijl, onuitgegeven licentiaatsverhande-
Hendrik Erbery van dezelfde kunstenaar zijn geweest. In de begijnhofkerk van Lier wordt in het koor het witbeschilderde
ling, KUL, 1998. Voor een verdere studie van Quellinus' oeuvre
houten beeld van Anna Lamberti vernoemd dat Sint-Franciscus
bevindt zich achter in dit werk een voorlopige werkcatalogus met
van Assisi (1667) voorstelt. De werken worden besproken in
verdere verwijzingen per kunstwerk. Voor de studie van 17de-
Lawrence, o.c, respectievelijk onder de catalogusnummers 144;
eeuwse grafmonumenten in de Zuidelijke Nederlanden zijn ruw-
127, 129 en 301. Voor dit laatste beeld zie ook: GRIETEN S., G.
weg drie studies van groot belang: JANSEN A., Inleiding tot de
LEMMENS,
studie van de zeventiende eeuwse grafmonumenten, in Bulletin van
Bouwgeschiedenis en inventaris van het kunstpatrimonium van de
de Koninklijke Musea voor Kunsten Geschiedenis, 1968-1970, 40-
Sint-Margaretakerk, Lier, 1999, p. 178.
M. MEES e.a..
De begijnhofkerk van Lier.
42, p. 211-268; DURIAN-RESS S., Das barocke Grabmalin den
(11) LAWRENCE, o.c, respectievelijk catalogusnummers 86 en 110.
südlichen Niederlanden. Studiën zur Ikonographie und Typologie,
(12) Een epitaaf van Jacobus Demont en Paulus de Vlieghere aan een
in AachenerKunstbliitter, 1974,45, p. 235-330; LAWRENCE C ,
pijler van de Onze-Lieve-Vrouwekapel in de Antwerpse kathe-
Flemish Baroque Commemmorative Monuments 1566-1725, New
draal bestaat niet meer. Zie JANSEN A., Documentatie over
York, 1981. Een boeiende multidisciplinaire benadering over
Antwerpsche beeldhouwers, in Antwerpen's Oudheidkundige Kring,
grafkunst wordt gegeven in het themanummer Funeraire kunst, in Vlaanderen, 1999, 48, 5. Hierin vindt men heel wat nuttige bibliografische referenties over onder andere de dood, begrafenis, ceremoniën. (3) DE BIE C , Het gulden cabinet van de edele vry schilder const inhoudende den lof van de vermaerste schilders, architecte, beldthouwers, endeplaetsnyders van dese eeuw, Antv/etpen, 1661, p. 555. (4) ROMBOUTS P. en T. VAN LERIUS, De liggeren en andere historische archieven der Antwerpsche Sint-Lucasgilde, herdruk, Antwerpen-Den Haag, 1864-1876, p. 213. (5) Deze reis wordt door de meeste auteurs in de periode na Amsterdam verondersteld maar is twijfelachtig gezien hij in 1652 huwt en in 1653 en 1657 kinderen krijgt. Zie hiervoor LANDUYT S., O.c, p.21 noten 95 en 96.
1938, 14, p.101. (13) LANDUYT S., O.c, 1, 1998, Gr 1. (14) Pr. 12,7 (15) Deze connotatie is een gevolg van de eigenschap dat de bloem zich naar de zon richt. Deze betekenis treft men ook in de gedrukte literatuur aan. Zie De Sonne-Bloeme oft van de over-eencominge van den Menschelnken wille met de Godtliicke. In 't laüjn gemackt door den Eerw. P. Hieremia Drexelius en de nu in de Neder-Duysche tale overgheset door de Eerw. P. Francisc de Smidt bey de Priesters der Societeyt lesu, Antwerpen, 1638. (16)THEUNISSENS L., Testaments de premiers évêques d'Anvers, in Analectespour servir a Thistoire ecclésiasiique de la Belgique, 1878, 15, p. 119-36. (17) Ter verdere verduidelijking van het thema is bovenaan in de ron-
(6) De reden dat iemand poorter werd had alles te maken met het
ding van het medaillon het opschrift Ego sum pastor bonus lees-
verkrijgen van bepaalde voorrechten: men kon zich daardoor
baar. Aan de achterzijde van dit medaillon staat lesuspastor bonus
eventueel als vrijmeester laten inschrijven, men kreeg soms een
(Jezus de Goede Herder). Volgens het Nieuwe Testament paste
vrijstelling voor bepaalde tollen of belastingen en men genoot op
Jezus het beeld van de Goede Herder op zichzelf toe: "ft ben de
juridisch vlak dikwijls bijkomende bescherming. Het is aanneme-
goede herder. De goede herder geeft zijn leven voor zijn schapen"
lijk dat Quellinus zich dus in 1663 inschreef als poorter voor hij
(Joh. 10,11). Langs de kantlijn kunnen enkele gegevens uit
een eigen atelier opstartte. Enkele werken die waarschijnlijk door
recent onderzoek misschien een genuanceerd licht op de zaak
hem werden vervaardigd vóór 1663 kunnen in dat geval evenwel
werpen. De eerwaarde die eveneens een niet onbelangrijke positie
verklaard worden in dienstverband bij een ander atelier, dat van
als protonotarius bekleedde en uitmuntte in een wonderbare wel-
zijn neef bijvoorbeeld. (7) D E B I E C , O.c.p. 554, 556. (8) THIJS A., Van Geuzenstad tot katholiek bolwerk. Antwerpen en de contrareformatie, [Turnhout], 1990, p. 112-113.
bespraaktheid - zoals op zijn epitaaf vermeld staat - was niet zelden een bron van ergernis voor zijn parochianen en de schepenen van Zwijndrecht waar hij als pastoor tot 1680 werkzaam was. Hij zou eenmaal de boekhouding van zijn parochie in evenwicht heb-
(9) Volgens Van Dale zijn er twee betekenissen voor het woord
ben gebracht door met het batig saldo van de tiendenrekening
epitaaf. 1. grafschrift en 2. grafsteen, tombe. Ook een gedenk-
zijn persoonlijke financiën te saneren. Hij durfde ook wel eens de
teken dat in de kerk aan een muur of een kolom is vastgehecht en
offerblokken te ledigen zonder getuigen. Meermaals was hij laat
waar de persoon niet ver vandaan begraven ligt, is een epitaaf. Zie
voor de vroegmis of was er eenmaal op twee volgende zondagen
HASL1NGHUIS E., Bouwkundige termen. Verklarend woorden-
geen vroegmis. Op Sacramentsdag liet hij mensen in zijn tuin
werken en soms sprak hij verkeerde gebeden uit. Nadat de sche-
benadering, onuitg. lic.verh., RUG, 1986, p. 458-60. Ook J. VAN
penen zich hadden beklaagd bij de toenmalige bisschop Van
DER SANDEN (1726-1799), secreraris van de Antwerpse
Beughem werd hij een jaar later overgeplaatst naar de Sint-
Academie voor Schone Kunsten, vermeldt het beeld in zijn auto-
Jacobskerk in Antwerpen waar zich zijn epiraaf bevindt. Zie
grafische Oud Konst-Tooneel van Antwerpen (1770): "/« den
VEREIST D., Geschiedenis van Zwijndrecht, z.pl., 1990,
Choor Cathedrael een Biscop rust verheven. In eel en groots gewaet:
p. 443-4.
Het marmer schynd te leven! Een engel toond den Schild en groot aelmoessenier, Capello door Quellyn afgebeld met veel swier!"
(18) Het is waarschijnlijk dat men de aanspreking bij Lamboy letterlijk moest nemen doordar her graf zich op een bedevaartsweg
(27) De Onze-Lieve-Vrouwekathedraal van Antwerpen, 3, Inventaris
bevond. Niet toevallig is de iconografie in verband te brengen met
van het kunstpatrimonium van de provincie Antwerpen, o.l.v.
het Heilig Sacrament van Mirakel, waarvoor men als pelgrim via Herkenrode kwam. Voor een uiteenzetting van het funeraire
Stefaan Grieten en Joke Bungeneers, 1996, p. 127. (28) Weliswaar treedt er een evolutie op van de eerste twee naar de
gedachtengoed bij de antieken zie: BACHOFEN J., Usimbolismo
volgende twee graven. Op deze laatste graven wordt de bisschop
funerario degli antichi, Napels, 1989.
op zijn rug tegen een steun met daarop een kussen geplaatst.
(19) Figuren van de moderne tijd. Geschiedenis van het Persoonlijke (29) DURIAN-RESS S., O.c, p. 279. leven, o.l.v. Georges Duby en Philippe Ariès, vertaald uit het
(30) DURIAN-RESS S., O.c, p. 324 (noot 133).
Frans, Amsterdam, 1993, p. 75-6.
(31) Het principe waarbij men vertrekt van een geometrische figuur
(20) S' JACOB H , Beschouwingen over Christelijke grafkunst voorna-
- de driehoek - waarbinnen het beeld vervat ligt om een span-
melijk in Frankrijk en Italië, Leeuwarden, 1950, p. 179-180.
ningsveld te creëren, paste men reeds toe in de Assyrische en
(21)CASTEELS M , Een onbekend werk van Arnoldus Qtiellien de
Hellenistische kunst. Dezelfde toepassing kende een Romeinse
Jonge voor de vroegere augustijnenkerk te Brussel, in Miscellanea kopie van de Stervende Galliër dat zich in de Musei Capitolini te jozef Duverger. Bijdrage tot de Kunstgeschiedenis der Nederlanden, Rome bevindt en dat in de 17de eeuw werd opgegraven en een enorme populariteit kende. Zie HASKELL F. en N. PENNY
2, Genr, 1968, p. 633. In de transcriptie van het contract staat een legende voor de kleuraanduiding op de tekening waaronder A:
Taste and the Antique. The Lure of Classical Sculpture 1500-1900,
zwart marmer; B:wit marmer en C: verguld.
New Haven-Londen 1994, p. 224-7.
(22) Her beeld dat volgens bepaalde auteurs door Quellinus werd vervaardigd, is afkomstig van een verdwenen grafmonument.
(32) DURIAN-RESS S., Ox., p. 276. (33) MOONS J., De rijkdom van Herkenrode aan het einde van het
LANDUYTS., Ox, 2, 1998.V13.
Ancien Régime, in Herkenrode 800jaar, tent. cat., 1982, p. 39. (34) Het grafmonument bevond zich vroeger tegen de zuidelijke wand
(23) DURIAN-RESS S., Ox, p. 238. (24) DURIAN-RESS S., Ox, p. 238, 319 (noot 12)
van het koor in de inmiddels gesloopre abdijkerk. In 1803 tijdens
(25) Lawrence onderstreept het belang van de zogenaamde 'sepulchra-
de Franse overheersing kon het monument, door toedoen van
le' geschiedenis als onbewust hulpmiddel bij de transformatie van
enkele welwillende Hasselaren, samen met het andere abdissen-
Antwerpen tot contrareformatorisch centrum. Zie: Lawrence,
graf van Barbara de Rivière d'Arschot en het hoofdaltaar, overge-
O.c, p. 15. In dit opzicht is de titel van het boek van Augustin
bracht worden naar de Onze-Lieve-Vrouwekerk in Hasselr.
Thijs van toepassing: Thijs, A.K.L., Van geuzenstad tot katholiek (35) VANDENBROECK P., Hooglied De beeldwereld van religieuze bolwerk. Maatschappelijke betekenis van de kerk in Contrareforma- vrouwen in de Zuidelijke Nederlanden. Vanaf de Ij' eeuw, tent. torisch Antwerpen, Turnhout, 1990.
Gat., [Gent], 1994. Deze tentoonstelling behandelde de belang-
Voor Tessins reisbeschrijving zie: Upmark 1900, p. 199; voor
rijke documentaire waarde van kunstwerken voor de geloofs-
de volledige versie van Guilliam Paul's getuigenis zie: Iris
uiting van religieuze vrouwen. De meestal artistiek mindere wer-
Kockelbergh,
Constbeeldthouwer'
ken, waaronder veel textiel, schilderijen en beelden, worden
Henricus-Franciskus Verbrugghen (1654-1724). Een monografi-
meestal als oninteressante devotionalia afgeschilderd. Maar gezien
sche benadering, onuitg. lic.verh., Rijksuniversireit Gent, 1986,
de doorgaans interne functie was de artistieke kwaliteit van veel
p. 458-60. Ook Jacob Van der Sanden (1726-1799), secretaris
van deze werken van ondergeschikr belang. Precies door de hoog-
van de Antwerpse Academie voor Schone Kunsten, vermeldt het
staande afwerking van het graf van Lamboy wordt het te makke-
beeld in zijn autografische Oud Konst-Tooneel van Antwerpen
lijk als louter kunstwerk bestudeerd, losgerukt uit zijn spiriruelc
De Antwerpse Meester
(1770): "/« den Choor Cathedrael een Biscop rust verheven. In eel context. Daardoor verliest het aan betekenis. en groots gewaet: Het marmer schynd te leven! Een engel toond den (36) DURIAN-RESS S., Ox., p. 286 en 326 (noot 160). Schild en groot aelmoessenier, Capello door Quellyn afgebeld met(37) veelDe Lamboy, die in 1653 tot abdis werd benoemd, bouwde swier!" Herkenrode uit tot een presrigieus bedevaartsoord voor de vere(26) Voor Tessins reisbeschrijving zie: UPMARK G., Ein Besuch in
ring van het Sacrament van Mirakel. De verering van deze bloe-
Holland in 1687 aus den Reiseschilderungen des schwedischen
dende hostie, het symbool voor Christus, werd opgedreven zodat
Architekten Nicodemus Tesstn d. ƒ., in Oud Holland, 1900, 18,
er vanaf 1663 nood was aan een rweede jaarlijkse processie.
p. 199; voor de volledige versie van Guilliam Paul's getuigenis zie
Binnen deze politiek voorzag de abdis in een uitbreiding van de
KOCKELBERGH L, De Antwerpse Meester Constbeeldthouwer'
kloosterinfrastructuur waardoor enerzijds meer kloosterzusters en
Henricus-Franciskus Verbrugghen (1654-1724). Een monografische anderzijds meer bedevaarders konden worden opgevangen.
(38) Uit de middeeleeuwse prie-Dieu die hetzij lezend hetzij opkij-
(44) KEHRER H., Über Anus Quellin den Jüngeren, in
kend van zijn getijdenboek een eigen leven leidt, ontwikkelt zich
Kunstdenkmaler. Vom Anfang des sechzehnthen bis zum Ende des
de ptiant die een strenge concentratie op het zich omringende
achtzehnthen Jahrhunderts, 2. uitg. door P. Clemen, München,
eucharistisch gebeuten opeist. (39) Vertaald: "De steen maakt hun gebed onsterfelijk". AUGE L, Les tomheaux, z.pl., 1879, p. 88. (40) SCHOLTEN F., De dode op zijn graf, 1400-1700, in Naar het lijk. Het Nederlandse doodsportret 1500-heden, 1998, p. 61. (41) In 1728, tijdens de brand van Kopenhagen, werd het praalgraf
1923, p. 264. (45) Naar aanleiding van deze verwerving werd van 12 maarr tot 4 juni 2000 een dubbeltentoonstelling georganiseerd in het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen (terracotta's) en in het Museum Plantin-Moretus / Stedelijk Prentenkabinet (tekeningen). (46) CASTEELS M., O.c, p. 638-639.
bedolven onder de neergestorte gewelven van de kerk. Het schattingsverslag van 1780 dat een classicistische restauratie voorafgaat wijst op de enorme ravage die aan het monument werd aangericht. (42) ROCKSTROH K., Hans Schoei, in Dansk biografisk Leksikon, 3deuitg., 13, Kopenhagen, 1983, p. 15-17. (43) In de private archieven van het Kopenhaagse Rijksarchief bevindt zich een uitgebreide briefwisseling over dit graf. Enkele documenten werden getranscribeerd door THORLACCIUSUSS1NG V., Billedhuggeren Thomas Quellinus, Kopenhagen, 1926, p. 16-27. Deze werden overgenomen en aangevuld met transcripties van de andere documenten in LANDUYT S., O.c, 2, bijlagen 6-24 en 26-42.
Serge Landuyt en Malvina B. zijn beide kunsthistorici.
Ludo ROYEN, Herman
m.m.v.
VAN DEN
Hubert
BOSSCHE
BATS,
Mare DE
& Paul VAN DEN
BORGHER, BREMT
FRUITTEELT EN HOOGSTAMBOOMG AARDEN IN ZU1D-L1MBURG Barrier, opgroeiende
authentieke boom-
meidoornhaag,
gaard. Op de
verspreide hoog-
'T|enneberg' achter
stammige vrucht-
de kapel van
bomen: de basis-
Helshoven (Heers).
elementen van de
Vruchtenpitten
of -stenen uitzaaien
nooit dezelfde fruitvariëteit teit gaat in principe afsterven
vrijwel
op. Elke goede
automatisch
van de vruchtboom.
verandering
levert
varië-
verloren met het
Daarin
komt
wanneer de mens de idee uittest
lekkere fruitvariëteiten
om
op andere exemplaren
van
dezelfde soort over te zetten via enten (1). Met hoogstamboomgaarden een tweeledig
had men
als nevenactiviteit, Men oogstte
duidelijk
doel voor ogen: een combinatie
weide voor melkvee en kalveren met
van
fruitaanplant
buiten het bereik van het vee.
voor eigen verbruik,
markt en voor de siroop- of de
Onze fruitvariëteiten en boomgaarden hebben hun oorsprong in de Caucasus, de landstreek tussen de Zwarte en de Kaspische zee. De oudste vondst van vruchtgebruik door de mens in Noordwest-Europa dateert van ongeveer 6000 tot 6500 jaar geleden.
voor de lokale azijnindustrie.
O m specifieke variëteiten verder te telen moeten ongeslachtelijke voortplantingstechnieken worden gebruikt, het enten. Feniciërs, Egyptenaren en Carthagers pasten deze techniek reeds toe en ook in China was het al vroeg een ingeburgerde werkwijze. O m de hoogstamteelt volledig te begrijpen is een overzicht van de evolutie van de teelt nodig: tussen het tijdstip dat de vruchtenetende mens interessante wildelingen rond zijn woning begint aan te planten en vandaag zijn heel wat stappen gezet.
DE ROMFINFN FN DE VROEGE MIDDFIEEUWEN De oudste beschrijvingen van fruitteelt zijn te vinden bij Griekse en Romeinse auteurs. Theophrastes in 287 voor Chr., Theocritos in 246 voor Chr. en Dioscorides in de 1ste eeuw na Chr., vermelden samen zeven appelrassen, waaronder de honingzoete Melimela. De Romeinse auteur Cato beveelt in 178 voor Chr. in zijn De Re rustica aan om in de boomgaarden de Musteum aan te planten, de Melimela uit Griekenland. Marcus Terentius Varro (116-26) schrijft: "In de loop van mijn leven werden steeds meer boomgaarden aangeplant, wat mijn onmiddellijke omgeving het uitzicht had gegeven, eerst van een fijn geleverde tuin, daarna van een flink hehladerd hos en tenslotte van een mooi groen woud waarin ook de perenbomen goed vertegenwoordigd waren." Palladius schrijft in de 2de eeuw: "Appelen hebben graag een krachtige rijke bodem, voldoende door de natuur vochtig gehouden. Neem bij het snoeien het droge en wilde hout weg. Hangen er te veel appeltjes op de boom, dan doet men er goed aan de slechtste weg te nemen. De tijd van veredelen is februari-maart. De grote pitten zaait men bij voorkeur in november. Men ent de edele eenjarige twijgen op wilde houtpeer of appelstruik. De wilde zaailing, uit perenzaad ontloken, verliest door het enten zijn doornen, zijn wilde haren. Op kweepeer geënt geeft de boom reeds na 3 jaar mooie vruchten, waar men vroeger 10 tot 12 jaar geduld moest oefenen". Nu nog liggen deze principes aan de basis van onze fruitteelt.
In de volgende eeuwen van onzekerheid en invallen van volkeren uit het Oosten stuikte de fruitcultuur langzaam maar zeker in elkaar en verwilderen en verdwenen vele goede fruitrassen.
DE MIDDFLEEUWFN In 812 vaardigde Karel de Grote het Capitulare de Villis vel Curtis Imperii uit met voorschriften inzake het beheer van zijn domeinen. Hierin werden slechts een viertal primitieve appelsoorten en enkele perenrassen vermeld; een magere erfenis van het rijke Romeinse verleden. Vooral de cisterciënzerabdijen brachten met geduld en overleg de teelt en de verspreiding van goede rassen opnieuw op gang. Hun stichtingen in onze contreien beschikten ook over goed entmateriaal. In de Middeleeuwen vinden wij bij ons perensoorten terug als Vuystperen (een zware peer van duidelijk Romeinse origine). Peren van Hastinelen en Peren van Angoysen (een worgpeer met steencellen om te braden). Aan de Loire verschijnt de Bon Chretien d'Hiver-'pe.er en in Normandië de Kortstelige Court-Pendu-2üppe\. De verspreiding van goede fruitrassen nam zo'n vaart dat vanaf 1271 de verkoop ervan aan de gespecialiseerde gilde der fruyteniers werd toevertrouwd. Vanaf de 14de eeuw waren de appel en de peer de favoriete vruchten van zowel kasteelheren en abten als gewone lieden. Het Pelzbuch (van impel-
De Romeinen kenden zowat 36 appelsoorten (o.a. de Spadonid) en een 45-tal perensoorten, variëteiten die zij niet benoemen en meestal als wildelingen gevonden hadden en verder teelden door zaaien en enten. Zij kenden ook specifieke methoden van bewaren, drogen en wijn maken. Via hun veroveringstochten verspreidde de kennis zich naar onze gewesten.
De hoeveboomgaard komen ook buiten de fruiutreken voor (Sml-Pieters-Brugge).
M&L
litare = achter de schors enten of impellere = binnendrijven) van Gottfried van Franken gaf voor het eerst opnieuw precieze aanwijzingen voor een geslaagd veredelen. Al in de loop van de 14de eeuw waaide de hovenierskunst vanuit abdijen en kloosters via burchten en steden schoorvoetend naar het platteland over. Zelfs in de 15de eeuw kende de fruitteelt nog opgang. In Frankrijk verscheen de Reinette, de appel van de koningin, ten tonele. Renetten behoren nog steeds tot de beste appelrassen. De fruitteelt brak tenslotte definitief uit zijn burcht-, klooster-, abdij- en stadsvoegen en rukte op naar het platteland. De boeren legden steeds vaker een kleine boomgaard voor eigen gebruik aan. Het overschot ging naar de markt.
DE 16DE EN DE 17DE EEUW De belangrijke vernieuwingen van de 16de eeuw, met vooral de opgang van de boekdrukkunst, gaven ook aan de studie der vruchten een nieuwe dimensie. Prachtige fruitkundige werken of Pomologieën met accurate afbeeldingen en smaakbeschrijvingen rolden van de pers. Charles Estienne schreef deel III van zijn Agriculture et maison rustique (uitgave 1564): " O w peren van Angoissen, of Parmain of
• In de winterperiode toont de hoogstamboomgaard zijn typiiche vorm. Een laatste ll|nelement in een kaalgekapt landschap.
k
' x^
• M_, • --v^s^r^ jÊffllr%^'££i
-&3iis
Saincte-Rieule een h twee maand vroeger te laten dragen moet ze afenten op kweepeer". In de tweede helft van de I7de eeuw, onder Lodewijk XIV, bereikten kennis en kundigheid een hoogtepunt in de 'potager du roi' van Versailles. Jean de la Quintinye, koninklijk hovenier, verhief het enten en snoeien van een kunde tot een kunst. De vader van de snoeischaar knipte perenbomen in verticale vlakke vormen en plaatste ze in de meest uiteenlopende leivormen tegen muren en rond groente- en bloemenperken. Jean Merlet maakte in zijn L'abrégé des bons Fruits (1667-1690) bijvoorbeeld melding van niet minder dan 700 perenrassen, waarvan er volgens hem toch waardevolle vruchten tussenzaten. O p het platteland nam de oppervlakte boomgaard nog toe en de toepassingen van fruitverwerking vermeerderden zienderogen. Boomgaarden leverden in de eerste plaats appelen op en in mindere mate peren, pruimen, noten en mispels. Meer vraag veronderstelt vanzelfsprekend een evenredig aanbod van entmateriaal en jonge bomen: een opdracht voor de kloosters en de abdijen. Aan de vooravond van de Franse revolutie beschikte het kartuizerklooster van Parijs over een kweektuin van 27,5 ha met honderden variëteiten waaronder de Trierappel, de Boonappel maar ook de Gravensteiner.
Ook in onze regionen waren abdijen en kloosters omgeven door goed verzorgde boomgaarden, veilig achter hoge muren verscholen en gekoesterd als kleinoden. Eindelijk was de fruitteelt ook op het buitengoed en de hoeve het voorwerp van meer liefde en betere verzorging geworden. Gesteund door de ervaringen van Jean de la Quintinye ontstonden in verschillende landen publicaties die de oofiteelt propageerden. De Friese pomoloog Johan Herman Knoop publiceerde in 1753 zijn befaamde Hovenierskonsten liet in 1760 een monument na met de Pomologia, een werk met accurate beschrijvingen en natuurgetrouwe afbeeldingen van de voornaamste fruitsoorten van zijn tijd.
DE NIEUWE FN DE NIEUWSTE TIJDEN In het eerste kwart van de 19de eeuw kenden Vlaanderen en de verenigde Limburgen vooral veel kleine boerenboomgaarden. Na 1830 ontstonden in de omgeving van Sint-Truiden rond de drie vermaarde kastelen Duras, Nieuwenhoven en Speelhof, boomgaarden die de impuls zouden geven tot de huidige fruitgordel in Zuid-Limburg. Zo telde de gemeente Engelmanshoven ten zuidwesten van Sint-Truiden in 1844 niet minder dan 40 boomgaarden. Vóór de ingebruikname van het spoor hadden teelt en handel van dessertfruit, zelfs in de onmiddellijke omgeving van de grotere bevolkingscentra, maar een geringe betekenis. Het gebrekkige transport dwong gebieden, die uitermate geschikt waren voor de fruitteelt, zich te beperken tot de bevoorrading van de lokale bevolking. In jaren met grote opbrengst ging een aanzienlijke hoeveelheid van de productie verloren wegens transport- en exportproblemen. Pas in de tweede helft van de 19de eeuw raakten de vruchten beter van de boomgaard naar verder afgelegen verbruikerscentra. Zo werd in 1871 voor 276.286 boisseaux (3) fruit met een waarde van 2.395.550 frank naar Engeland geëxporteerd. In 1882 was de export - na het rampjaar 1879 met de meest gure winter van de eeuw — reeds verdubbeld, met ook uitvoer naar Duitsland en Rusland. Maar België exporteerde vooral naar Engeland. De Koolstok, een uiterst vroege, maar slechts matig smakende worgpeer, die in Limburg algemeen aan-
geplant was, werd er met wagonladingen geïmporteerd. Niet zozeer de smaak maar de vroegrijpheid en het fraaie uitzicht maakten haar op de Londense Covent Garden-markt tot een gezochte specialiteit. Onder de gunstige marktinvloeden nam de teelt van hoogstamfruitbomen een hoge vlucht. Rond elk hoeve, rond elke buitenplaats ontstonden boomgaarden, die grote gordels rond dorpen en steden vormden. Hier werd de basis gelegd van de boomgaardlandschappen uit de eerste helft van de 20ste eeuw. Fruitteelt in hoogstamboomgaarden werd in België op ruime schaal beoefend. Bedroeg het areaal in 1846 reeds 45.734 ha, in de jaren na de Eerste Wereldoorlog was de beplante oppervlakte haast verdubbeld. Limburg en Luik waren de provincies met de grootste aaneengesloten oppervlakte hoogstamboomgaarden. In Brabant en Oost-Vlaanderen was het eveneens aanzienlijke boomgaardareaal meer over de hele provincie verspreid. De steeds grotere vraag naar kwaliteitsfruit veroorzaakte niet enkel een toename van de beplante oppervlakte, maar leidde tevens tot het ontstaan van een merkwaardige soortenvariatie. Alleen al in Haspengouw kende men meer dan 300 lokaal en regionaal aangepaste appels, peren en kersen. Elke variëteit had haar bijzonderheden. De vruchten van de ene variëteit rijpten vroeg, van de andere laat. De ene soort verkoos lager gelegen gebieden, de andere hogere. Sommige waren beter aangepast aan losse, drogere, armere gronden, andere hadden behoefte aan rijke leemgronden. De ene stond graag beschut, de andere deed dienst als windkering. Er ontstond stooffruit, oplegfruit, droogfruit, dessertfruit, bewaarfruit, siroopfruit...
REGIONALE VERSCHEIDENHEID Zoals ook nu nog het geval is, waren boomgaarden regionaal erg verscheiden: van overwegend appelen tot pruimen of zoete kersen. Zelfs van dorp tot dorp kon de hoofdtoon sterk verschillen. Zo was Vliermaal bekend om zijn pruimenboomgaarden, Sint-Truiden om zijn kersen en Vochtig Haspengouw om zijn grote appelvariatie. In 1940 was 73.000 ha of 4 % van de landbouwgrond met fruitbomen beplant. Hiervan was 72.000 ha beplant als hoogstamboomgaard. Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog werd een beplante oppervlakte gerealiseerd van 75.880 ha, waarvan 73.699 als hoogstamcultuur en 1.289 als laagstamteelt. De boomgaarden waren ongelijk
over de verschillende provincies verdeeld; het oosten van het land telde er het meest. Luik had 20.000 ha, Limburg 12.000 ha, Oost-Vlaanderen 10.000 ha, Brabant 8.500 ha, West-Vlaanderen 6.000 ha. Namen 5.000 ha, Luxemburg 2.000 ha en Antwerpen 1.000 ha, samen goed voor 36.000 ha appelen, 18.500 ha peren, 9.500 ha pruimen en 8.000 ha kersen. De voornaamste fruitregio's waren LandegemSleidinge (peren), Ath-Lessines (peren), SintTruiden-Borgloon-Tongeren (kersen en appelen), Hageland (pruimen). Land van Waas (peren en kersen), Visé-Moelingen en omgeving (kersen en pruimen) en de Maasvallei bij Namen (pruimen en appelen). In Haspengouw concentreerde zich het mooiste boomgaardencomplex van het Vlaamse land. De kantons Borgloon (4.575 ha), Sint-Truiden (3.161 ha). Tongeren (2.097 ha) en Bilzen (1.895 ha) vertegenwoordigden samen 11.728 ha hoogstamboomgaard. Dat was ongeveer de totale oppervlakte hoogstamboomgaard die in ons land net vóór de rooipremiewet overbleef.
nog intact was. Hoogstamboomgaarden met een ondercultuur waren toen algemeen verbreid. De opgang van de tractor liet de boer toe steeds grotere percelen tarwe, maïs en bieten te verbouwen. Vruchtbomen in de akker vormden daarbij tijdrovende obstakels. Dit leidde tussen de jaren 1930 en 1950 tot een scherpe aflijning tussen akkerland en fruitaanplantingen.
HQOfiSTAM VERSUS LAAGSTAM Vlak vóór de Tweede Wereldoorlog ontstonden in het proefstation van East Mailing in Kent de eerste laagstamaanplantingen, ontwikkeld op zwak groeiende onderstammen. Het idee was niet nieuw: Jean de la Quintinye had reeds de Zoete Paradijs., de Doucin en de Kwee als groeiremmende onderstammen voor leivormen gebruikt. Nieuw was de inzet van de laagstam in de intensieve fruitteelt. De troeven waren: productie op erg jonge leeftijd, gemak-
Waar ook, telkens
Voor het antwoord op de vraag vanwaar die plotselinge terugval moeten wij naar de beginjaren van de 20ste eeuw, toen de fruitgordel in Zuid-Limburg
haag, de hoge
weer accentueert óe perenbometi als hoogstamboomgaard
windvang aan de
het kleinschalig
rand, de naar bin-
landschap: de strak
nen geplaatste bol-
gesnoeide meidoorn-
ronde appelbomen.
:
I ' >E***tihlkim-* I
tmm*.
Tlf
' i f
mt
xmm
kelijke verzorging en vlotte oogst door de goede bereikbaarheid. Het vrij beperkte assortiment bleek veel gevoeliger voor ziektes en plagen, maar dat werd door de naoorlogse chemische industrie met de productie van allerhande bestrijdingsmiddelen verholpen. De weg naar deze economisch meer rendabele teelt was definitief vrijgemaakt.
DE RQOIPREMIES De grote verscheidenheid van variëteiten bleef een doeltreffende plantenbescherming bemoeilijken en de gespreide oogst betekende een blijvende meerkost voor de plantages met laagstambomen. Ook de trends in de markt konden met hoogstamculturen niet worden bijgebeend: grotere partijen van een zelfde soort, sortering op grootte en vorm en vooral ook de vlekkeloosheid. De verbruiker begon namelijk vooral met de ogen te kopen. Door deze samenloop van omstandigheden ging de markt- en de handelsbetekenis van de hoogstamboomgaarden definitief verloren. De interesse van landbouwers en fruittelers voor hoogstamcultuur werd verlegd naar laagstamteelt. De doodsteek kwam er in het begin van de jaren 1970 met de beruchte EEGrooipremiewet voor hoogstammige fruitbomen. Elke fruitkweker ontving een tegemoetkoming van ongeveer 300 BF per boom. Het effect was verbijs-
terend: duizenden, nog volop levenskrachtige fruitbomen werden gerooid. In één jaar tijd bleek het hoogstamareaal gehalveerd. Het landschap lag er opengereten bij. In ijltempo verdwenen heel wat waardevolle oude en lokale fruitrassen van de aardbodem. Wie Haspengouw omstreeks 1950 gekend heeft, moet toegeven dat het landschap meer dan ingrijpend gewijzigd is. In 1944 bedroeg het hoogstamareaal voor heel Limburg nog 15.383 ha, in 1976 bleek het geslonken tot 2.101 ha. Een oppervlakte, die gezien de kadastrale en de fiscale weerslag voor eigenaars, in feite onderschat is. Vandaag hebben wij het niet meer over hectaren maar over aantallen bomen. Vooral appelen, peren en in mindere mate ook pruimen gingen dramatisch achteruit. De kersenboomgaarden wisten tot op heden best weerstand te bieden, maar ook hierin komt snel verandering: de hoge plukkosten en de opkomst van zwak groeiende onderstammen voor een kersenteelt in struikvorm zijn vege en weinig bemoedigende tekens aan de wand. Een lichtpunt is evenwel de gesubsidieerde aanplanting van jonge hoogstamboomgaarden in enkele Limburgse gemeenten zoals Aalst, Bilzen, Halen en Hoeselt.
FRUIT IN DE HOOGSTAMBOOMGAARD: EEN BIJZONDERE TFFIT De hoogstamfruitboom is het product van een typische teeltvorm. Over het algemeen bestaat hij uit drie duidelijk onderscheiden delen. Naar aloude traditie wordt vertrokken van een gezaaide wildeling die als onderstam het wortelgestel levert en in het specifieke geval van de kerselaar ook de stam vormt. Voor andere fruitsoorten zoals appel, peer en pruim wordt de wildeling zelden als stam benut. O p 10 tot 15 cm boven het maaiveld wordt de wildeling omgeënt met een geschikte stamvormer. Bij appelen gebruikte men daarvoor veelvuldig de Keuleman en de Rabau (in de volksmond Oude Grijskens). Bij peren waren dat variëteiten als de Curé {Pastoorspeer), Saint-Remy, Bruine Kriekpeer {Poire Cerise Brune) en bij pruimen was de Enkele Altesse {Enkele Bakpruini) in trek. Elk van die stamvormers beschikt over typerende kenmerken. Zo wordt de Keuleman-stam zelfs op vochtige standplaatsen haast niet door kanker aangetast. De Rabau-stam is zo stevig dat stokoude.
1VI&L
ENTEN Wanneer een appelpit of een kersensteen wordt uitgezaaid, levert dat haast nooit een identieke vrucht op. Uit een Sterappelpit groeit geen Sterappe/boom, maar een nieuwe, afwijkende kruisingvorm. Fruitvariëteiten zijn namelijk niet zaadecht. O m ze onveranderd te behouden moeten ze op een of andere ongeslachtelijke wijze vermeerderd worden: door afleggers, door stekken of door enten. Enten of griffelen (van het Franse greffer) bestaat erin dat een leefbaar gedeelte van een over te houden plant (bv. een knop of een twijg) overgeplant wordt op een andere plant, die als drager of'onderstam' fungeert. De drager zorgt voor het wortelgestel en bij kersen ook de stam. Het geënte plantendeel staat in voor de kruin en de vruchten en soms ook voor de stam. Planten uit verschillende families zijn niet met elkaar te verenigen - kers, pruim, appel of peer zal op populier niet aanslaan - maar binnen een zelfde plantenfamilie ligt dit anders en is vereniging vaak mogelijk. De Grieken kenden reeds een elementaire vorm van enten: zij dreven de puntig aangesneden ent in een boorgat van de onderstam waarna het geheel met bijenwas verzegeld werd. Enkel wanneer de levenslagen van de ent en de onderstam elkaar raakten, kon de combinatie vergroeien. De Romeinen waren reeds zeer bedreven in deze techniek. In de loop der eeuwen zijn honderden vormen van transplantatie uitgeprobeerd. Enkele hebben hun deugdelijkheid bewezen en worden tot op heden nagenoeg onveranderd toegepast. Neem bijvoorbeeld de oudst toegepaste entwijze in Haspengouw. De onderstam werd op de gewenste hoogte enigszins ingekliefd, waarna een beitelvormig aangesneden enthout, een eenjarige scheut van de gewenste variëteit, in de spleet werd ingebracht. De beide vettige levenslagen, die onder de schors lagen, namelijk het cambium, werden daarbij zo precies mogelijk met elkaar in contact gebracht. De wonde werd met graszode omwikkeld of later met entwas luchtdicht afgelakt om te voorkomen dat de spleet verder zou opengapen. Eenieder zwoer bij zijn eigen recept van entwas: meestal een mengsel van hars of pek, bijenwas, oker (klei met ijzeroxide) en
lijnolie. De verschillende stadia overlopend is het duidelijk waarom deze entwijze onder de naam spleetenting de geschiedenis is ingegaan. Maar ook een schuin aangesneden twijg achter de schors van een geschikte onderstam aanbrengen, de kroonenting, is — vooral bij omenten van bestaande variëteiten - nog steeds een goede en toegepaste methode. Het plaatsen van één oog achter de schors van de onderstam, het oculeren (afgeleid van oculus = oog) is een entwijze die in de zomer vooral op zeer jonge plantjes kan worden toegepast. Het nemen van het enthout zelf is ook aan strikte voorwaarden verbonden. Het moet van goed dragende, gezonde bomen in de winterperiode (eind december) worden geknipt. Goed enthout komt van eenjarige scheuten uit de top of de buitenkant van de kroon. Het wordt op een koele, vochtige plek bewaard tot het gepaste tijdstip van enting in het voorjaar (maart). Het enthout is nog in winterrust terwijl de onderstam reeds volop in sapstroom is, hetgeen de vereniging bevordert. De aloude vakkundigheid van verbinden en samenvoegen heeft van het enten een ware kunst gemaakt: de kunst om een variëteit met een andere plant te laten vergroeien en vrucht te laten zetten. Zonder enttechnieken zouden de fruitteelt en haar teeltvormen zich niet hebben kunnen ontwikkelen. Een geschikte variëteit zou met het afsterven van de plant steeds verdwenen zijn. Enting bezorgde variëteiten theoretische onsterfelijkheid. Dank zij enting kennen wij vandaag de rijke Court Pendugroep uit de 12de eeuw, de Grijze Reinetten uit de 14de eeuw en de talloze 18de-eeuwse variëteiten van de Boterpeer {Beurré d'Hardenpont, Beurré de Mérode...) Tijdens speurtochten van de Nationale Boomgaardenstichtingmzï oude fruitvariëteiten in boomgaarden werden deze handelingen van het nemen van enthout en enting honderden malen toegepast zodat het voortbestaan van menig verloren gewaande variëteit verzekerd is. Wie zich in deze technieken wil bekwamen, kan zich inschrijven op de jaarlijkse entlessen in het kader van de Nationale Boomgaarden Stichting lessencyclus.
Nr. 107 Bijlage bij M&L 20/1 januarifebruari 2ÜÜ1
B 1 N N E N K R A N T
Literatuur Marjan
Buy Ie
DE OUDE CISTFRCIENZERARDIl VAN VIIIFRS-EN-RRABANT De ruïnes van de oude cisterciënzerabdij van Villers-en-Brabant vormen ongetwijfeld het meest indrukwekkende middeleeuwse monastieke ensemble van ons land. Met het verdrijven van de monniken in 1796 werd het langzame verval ingezet en verviel het stilaan in puin. Twee restauratiecampagnes (1893-1914 en vanaf 1984) probeerden de restanten met respect voor hun ruïnekarakter te bewaren. Tijdens deze laatste campagne deed zich de nood gevoelen een nieuwe synthese, die zou uitgevoerd worden volgens een vernieuwende analytische methode (bouwhistorie; Bauforschung; building investigation) en getoetst aan de recente studies van cisterciënzerbouwwerken elders in Europa. Deze analytische en vergelijkende methodologie werd aangewend voor elk onderdeel van de abdij. Boven- en ondergrondse archeologie worden gebruikt om de gebouwen te 'lezen': bouwnaden, zichtbare sporen van nieuwe vensters, andere deuropeningen, restanten van oude muurafwerking enz. Dit wordt gecombineerd met enkele gerichte opgravingen. Bij het archief- en het bronnenonderzoek wordt gezocht naar alle mogelijke verwijzingen naar de gebouwen. Het archief van de 19de-eeuwse restauratie-architect Charles Licot bleek hierbij van onschatbare waarde. Zijn oorspronkelijke bedoeling was eigenlijk een latere volledige reconstructie van de abdijgebouwen uit te voeren. Er liep zelfs een voorstel om de kerk herop te bouwen op het plateau van Koekelbergl Met de iconologische methode wordt de rol van de opdrachtgever onderzocht. Bij de vergelijkende methode werden de gelijkenissen tussen de verschillende cisterciënzerabdijen duidelijk, maar eveneens de eigen specificiteit van elk
IVI&L
ensemble.Het voorliggende boek is een bewerking van de doctoraatsverhandeling van Thomas Coomans, met als titel Villers-en-Brabant. Analyse archéologique d' une abbaye. De architecturale problematiek, gesteld door de ruïnes van Villers, behelst vier belangrijke punten: de chronologie van de gebouwen, de morfologie (vorm en configuratie van de gebouwen, opbouw en decoratie, structuur en materialen), de betekenis en het gebruik van de gebouwen en hun functie. Hoe werd in deze abdij geleefd? Welke liturgie werd aangewend? Welke wijzigingen en herbestemmingen van gebouwen hebben plaatsgevonden (de 16de-eeuwse bierbrouwerij bijvoorbeeld was oorspronkelijk gebouwd als gastenhuis)? Hoe was deze maatschappij georganiseerd? Hoe zijn ze in de loop der tijden geëvolueerd? De basis is uiteraard altijd 'het spiritueel leven in gemeenschap' geweest. Het algemeen besluit van deze omvangrijke studie onderscheidt vier belangrijke fazes in de architecturale evolutie van deze abdij: het klooster van abt Charles (Villers UIA); de grote gotische abdij van de 13de eeuw (Villers IIIB); de abdij op het einde van de middeleeuwen en tenslotte Villers op het einde van de 18de eeuw. Het belang van deze abdij heeft te maken met haar volledigheid (alle middeleeuwse componenten zijn, weliswaar in ruïneuze toestand, nog aanwezig
en documenteerbaar), de architecturale kwaliteit van de belangrijkste gebouwen zoals de kerk en het refectorium en dan de interessante bijgebouwen zoals de abtsgebouwen, het gebouw van de lekenbroeders, het gastengebouw, de molen, het lavatorium, de zaal van de monniken, de keukens, de infirmerie, de gevangenis en de archiefruimte. De imposante voorbouw wijst op haar functie als Brabantse necropool, die de abdij haar juiste naam verleende: Villers-en-Brabant. De monografie over Villers is al even monumentaal geworden als de site zelf. Dit boekwerk van 624 pagina's met talloze historische en recente foto's, plans en tekeningen is uiterst overzichtelijk ingedeeld. Zelden werd een gebouw in dit land zo grondig en volledig bestudeerd. Het overvloedige illustratiemateriaal is voor het grootste gedeelte nooit eerder gepubliceerd. In één woord een indrukwekkende realisatie!
Thomas COOMANS, Uabbayede Villers- en-Brabant. Construction, configuration et signification d'une abbaye cistercienne gothique, Brussel, 2000. Uitgegegeven door Editions Racine en Citeaux. Comentarii cistercienses (Studia et documenta, XI).
B 1 M 1 M E N K R A N T
Barockrezeption zwischen Historismus und Moderne Die Architekturdiskussion in Prag 1890-1914
DF KFM7E VAN
MM
Romaanse architectuur in België Laurent Deléhouzée, Johnny De Meulemeester, Marie Christine Laleman, Albert Lemeunier, André Matthys en Mathie Piavaux Tielt, Lannoo, 2000, 200 p., ISBN 90-209-3893-2 Laatste in de nu achtdelige reeks Architectuur in België, ditmaal gewijd aan ons vroegste bouwkundig erfgoed Overzicht van de Romaanse architectuur, typologisch opgedeeld in religieuze, burgerlijke en militaire architectuur, en telkens opnieuw regionaal ingedeeld met bijdragen over respectievelijk het Maasland, de Scheldestreek en het kustgebied, overvloedig geïllustreerd met historisch beeldmateriaal, recente opnamen door Oswald Pauwels, reconstructietekeningen en plattegronden.
Het laatste meesterwerk van Hendrik Petrus Berlage De geschiedenis en restauratie van het Gemeentemuseum Den Haag Dick Valentijn, Jonneke van Es, Job Roos en Suzy Lemmens Zwolle, Waanders Uitgevers, 2000, 176p., ISBN90-400-9344-X Monografie over het Haagse Gemeentemuseum, het laatste bouwwerk (1931-35) van H.P. Berlage dat bij de voltooiing tot de meest geavanceerde en moderne musea ter wereld werd gerekend. De algehele en complexe restauratie (1995-98) geldt als de grootste en kostbaarste van een jong monument in Nederland. Achtereenvolgens wordt ingegaan op de ontwerp- en de bouwgeschiedenis, de oorsprong en de evolutie van de collecties en hun weerslag op het gebouw, waarna uitgebreid verslag wordt gedaan van de restauratie.
Alena Janatkova Zurich, gta Verlag, 2000, 213 p., ISBN 3-7861-2400-0 Studie over de wisselwerking van kunstgeschiedenis, architectuurtheorie, monumentenzorg en architectuurpraktijk in het Praag van rond de eeuwwisseling, waar de dreiging van kaalslag een 'erfgoed'-bewustzijn veroorzaakte, dat ook de herontdekking inhield van de Praagse barok als een 'nationale' stijl. Aanvankelijk slechts een voorbeeld voor imitatie, vormde de breuk met het 'klassieke' die aan de barok werd toegedicht gaandeweg een inspiratiebron voor het Praagse architectuurkubisme. Vergezeld van een anthologie van oorspronkelijke teksten die dit debat dragen.
Inside Le Corbusier The machine for living George H. Marcus New York, The Monacelli Press, 2000, 184 p., ISBN 1-58093-076-X Fraai vormgegeven monografie over Le Corbusiers ideeën en realisaties op het vlak van het woninginterieur en het meubel, vanaf het Esprit Nouveau-pavWjoen over de Villa Savoye tot de Unite d'Habitation, met ruime aandacht voor het kleurgebruik en de ontstaans- en productiegeschiedenis van meubelmonumenten als de grand confort en de chaise longue. Confrontatie van een reputatie gebaseerd op de retoriek van functionalisme en standaardisatie, en een rationele aanpak gekneed door menselijke ervaring.
R.M. Schindler Bouten und Projekte Michael Darling en Elizabeth A.T. Smith (red.) Ostfildern-Ruit, Hatje Canz Verlag, 2001, 284 p., ISBN 3-7757-1006-X
Verzorgde, ruim geïllustreerde monografie over R. M. Schindler (18871953), leerling van Wagner en Loos in Wenen, in 1914 geëmigreerd naar de Verenigde Staten en vervolgens assistent van F.L Wright. Ontwerper van voornamelijk privé-woningen in Californië, waarin hij een provocatieve volumetric en ruimtelijkheid ontwikkelt met dezelfde middelen zij het als antipode van de 'Internationale Stijl', in intense wisselwerking met de omgeving. Catalogus bij een lopende overzichtstentoonstelling (Los Angeles, Washington, Wenen).
De Stijl Toen/JJ.P. Oud nu De bijdrage van architect J.J.P. Oud aan herdenken, herstellen en bouwen in Nederland (1938-1963) Dolf Broekhuizen Rotterdam, Nai Uitgevers, 2000, 384 p., ISBN 90-5662-193-9 Studie over het late werk van de Nederlandse architect J.J.P. Oud (1890-1963), die prominent wordt geassocieerd met De Stijl en met de modernistische woningbouw, maar wiens ontwerpen na 1933 ten prooi vielen aan internationale verguizing. Van elf naar functie en omvang uiteenlopende projecten wordt het ontwerpproces gereconstrueerd en betrokken op Ouds veelal polemische publicaties, waaruit onder meer zijn verzet tegen de bureaucratisering van
B 1 N N E N K R A N T
de maatschappij, en de vercommercialisering van het bouwbedrijf naar voor komt.
Housing for the Millions John Habraken and the SAR (1960-2000) Koos Bosma, Dorine van Hoogstraten en Martijn Vos Rotterdam, Nai Publishers, 2000, 376 p., ISBN 90-5662-178-5
maatstaf van culturele vooruitgang, in de Amerikaanse samenleving gedurende de laatste eeuw. Essays schetsen de beeldvorming van het kantoor in onze cultuur, de evolutie van het kantoor als werkplek in relatie tot productiviteit en ergonomie, design en architectuur van het kantoor als weerspiegeling van de 'corporate identity' en het geldende bedrijfsmodel, overvloedig geïllustreerd met historisch en eigentijds beeldmateriaal.
Tentoonstellingscatalogus gewijd aan het fenomeen 'kantoor', microkosmos van maatschappelijke hervorming en
Entwicklung der Holzverbindungen Manfred Gerner Stuttgart, Fraunhofer IRB Verlag, 2000, 132 p., ISBN 3-8167-4728-0 Handig compendium van de diverse technieken voor houtvergaring die in de bouw worden gebruikt vanaf de vroegste tijden tot vandaag, op basis van jarenlang bouwhistorisch onderzoek. Achtereenvolgens komen de primitieve houtverbindingen, de ambachtelijke vergaringstechnieken en de bouwkundige houtconstructies aan bod, telkens geïllustreerd met werkfoto's en constructietekeningen.
Studie over de Stichting Architecten Research en de filosofie van de oprichter en eerste directeur John Habraken. Als onderzoeksinstelling opgericht in 1965 en actief tot begin jaren '90, streefde de SAR naar een alternatief voor de massawoningbouw in Nederland, met de ambitie de productiewijze ingrijpend te veranderen, leidend tot concepten en spelregels voor de gehele bouwcyclus, van architectonisch ontwerp tot en met productontwikkeling.
On the Job Design and the American Office Donald Albrecht en Chrysanthe B. Broikos (red.) New York, Princeton Architectural Press, 2000, 162 p., ISBN 1-56898-241-0
het industrieel verleden als monumentaal en historisch erfgoed gedurende de laatste honderd jaar, en de ontwikkeling van een methodiek om het voortbestaan ervan te verzekeren
Denkmale des Industriezeitalters Von der Geschichte des Umgangs m/f Industriekultur Alexander Kierdorf en Uta Hassler Tubingen, Ernst Wasmuth Verlag, 2000, 313 p., ISBN 3-8030-0604-X
Elysium Britannicum, Or the Royal Gardens John Evelyn, John E. Ingram (red.) Philadelphia, University of Pennsylvania Press, 2001, 492 p., ISBN 0-8122-3536-3
Omvattende studie over de ontwikkeling van theorie en de praktijk in de omgang met industrieel erfgoed in Duitsland, opgevat als een omvangrijke reeks korte bijdragen, chronologisch en thematisch gegroepeerd en gecomplementeerd door eigentijdse tekstbronnen. Overzicht van de geleidelijke erkenning van de relicten van
Integrale transcriptie van het manuscript van de Elysium Britannicum, 'magnum opus' van de Engelse schrijver-filosoof John Evelyn (1-16), opgevat als een encyclopedische anthologie van de 17de-eeuwse kennis en kunde met betrekking tot tuinaanleg en horticultuur, waaraan veertig jaar lang in een snel evoluerend cultureel
B 1 N N E N K R A N T
klimaat werd gewerkt, maar dat tot op heden nooit werd gepubliceerd. Geïllustreerd met tal van ontwerpen en schetsen van de hand van Evelyn zelf.
Jardin Vocabulaire typologique et technique Marie-Hélène Bénetière Parijs, Editions du patrimoine, 2000, 428 p., ISBN 2-85822-358-0 Fraai uitgegeven, geïllustreerd en becommentarieerd lexicon met zowat 3000 termen en woorden met betrekking tot de tuinkunst. Eerste deel gewijd aan de typologie, de onderdelen, de architecturale elementen en het meubilair, tweede deel aan de techniek van de horticultuur en de beplanting. Elke term wordt gedefinieerd en historisch geïnterpreteerd, en gaat vergezeld van verwijzingen naar historische bronnen en synoniemen.
Beveiliging Edgard
Goedleven
DIAMANT- FN ORGELSPEL IN DE SINT-PAIJIUSKFRK TE ANTWERPEN Op vrijdag 2 februari 2001 werd de kunstkamer van de Sint-Pauluskerk te Antwerpen plechtig in gebruik genomen in aanwezigheid van Vlaams minister Johan Sauwens en de gouverneurs van de provincies Antwerpen, Limburg, Oost- en West-Vlaanderen. De beveiliging en ontsluiting van de kerkschat van Sint-Paulus is de bekroning van een restauratiecampagne die vijftien jaar in beslag nam en die een van de belangrijkste realisatie is van de monumentenzorg in Vlaanderen. De Vlaamse Gemeenschap heeft sinds 1986, op de jaren 1987, 1988 en 1997 na, elk jaar één of meer en in het totaal 36 restauratiepremies toegekend voor de Antwerpse Sint-Pauluskerk. In het totaal bedroeg het aandeel van de Vlaamse Gemeenschap ruim 260 miljoen. De verschillende
fasen van de restauratiewerkzaamheden volgden mekaar ononderbroken op in telkens beheersbare en betaalbare pakketten. Ze werden toegekend door vier verschillende ministers, die elk voor zich hebben bijgedragen tot het schitterende resultaat dat we vandaag kunnen bewonderen. De eerste subsidie van 18 miljoen voor de toren werd in 1975 toegekend door minister Rika De Backer. Vlaams minister Patrick Dewael, thans minister-president van de Vlaamse regering, kende twee restauratiepremies toe voor een bedrag van de Vlaamse Gemeenschap van 33 miljoen frank. Zijn opvolger, Louis Waltniel, kende vijf premies toe voor samen 51 miljoen frank. In de periode toen minister Johan Sauwens voor het eerst bevoegd was voor monumenten en landschappen van begin 1992 tot half 1995, kende hij zeventien premies toe, wat een bijdrage betekende van de Vlaamse Gemeenschap van ruim 100 miljoen frank. Zijn opvolger, Luc Martens, kende acht premies toe voor nagenoeg 50 miljoen frank. Tijdens de huidige regeerperiode, waarin Johan Sauwens terug bevoegd werd voor monumenten en landschappen, kende hij nog vier premies
Alle boeken, een greep uit de recente aanwinsten, liggen ter inzage in de Bibliotheek Monumenten en Landschappen Graaf de Ferrarisgebouw Koning Albert ll-laan 20 - bus 7 1000 Brussel (tijdens de kantooruren) Tel. 02/553.82.27 - Fax. 02/553.82.05 E mail: Jozef.Braeken@lin.vlaanderen.be
M&L
B I N N E N K R A N T
1. De wijdingsacte van september 1276, gegeven door Albertus Magnus, Dominicaanse bisschop van Keulen. Het betreft een origineel stuk op perkament met zegel, opgesteld bij de wijding van de eerste Romaanse kerk. 2. De monstrans met de Bekering van de Heilige Paulus, een monumentale zonnemonstrans van blank en verguld zilver (105 cm hoog, gewicht 10,5 kg, ca. 200 diamanten), gemaakt door de bekende Antwerpse zilversmid Johannes Verschuylen in 1839.
toe, onder meer voor de beveiliging van de kerkschat, voor nog eens 10 miljoen frank. Een van de indrukwekkendste verwezenlijkingen van deze restauratiecampagne is de openstelling van de kerkschat. Deze is een schitterende getuige van de lange en bewogen geschiedenis van dit monument. Veel ging verloren, maar veel is er ook bewaard gebleven. Een indrukwekkende hoeveelheid aan zilveren en gouden cultusvoorwerpen, schilderijen, beelden en kostbare gewaden, geschonken door de broederschappen die hier tijdens het Ancien Regime gevestigd waren, hebben de tand des tijds goed doorstaan. Als integraal onderdeel van het rijke erfgoed van deze kerk, moest deze schat op passende wijze onder de aandacht van het publiek gebracht worden. De kerkschat is ondergebracht in een ruimte aan de zuidkant van het koor. Ze biedt onderdak aan de kerkschat en voldoet aan de strengste eisen op het vlak van beveiliging. Daarnaast wordt het interieur van de kerk in zijn totaliteit beschermd tegen schade door vuur, rook en diefstal.
Op het vlak van de mechanische en van elektronische vereisten, werden door Rob Buelens van de afdeling Monumenten en Landschappen een aantal specifieke beveiligingstechnieken ontwikkeld en verwezenlijkt. Een belangrijk onderdeel van de mechanische beveiliging zijn de speciaal voor de beveiliging van de waardevolle kunstschat ontworpen vitrines.
3. De reliekhouder van de Heilige Doorn. Henri II de Valois, koning van Frankrijk, schonk in 1548 aan zijn biechtvader. Magister Ertborne, die later prior van de Dominicanen werd, een doorn uit Christus doornenkroon, die door Lodewijk IX naar Parijs was meegebracht naar aanleiding van een van de Kruistochten. In 1648-49 liet de Broederschap van de Soeten Naem Jesus voor die reliek een reliekhouder van zilver maken door Abraham Lissau. 4. De zilveren kelk, deels verguld, door Jan Anthoni Lepies, gemaakt in 1707 voor de Broederschap van Onze-Lieve-Vrouw van de Rozenkrans. 5. Heilige Geestjuweel, een kleine vroeg-17de-eeuwse gouden hangjuweeltje in de vorm van een duif met op de wit en groen geëmailleerde vleugels vijf gefaceteerde roosdiamantjes.
De vitrines zijn opgebouwd uit 12 mm staalplaat, voorzien van brandkofferdeuren, 25 mm dik kogelwerend glas en hydraulisch bedienbare bodems. Omwille van conservatoire redenen werden de vitrines voorzien van een optische verzelverlichting, die alle storende ultraviolet en infrarood filtert en de lichtintensiteit onder controle houdt. De lichtbron is op afstand gemonteerd waardoor geen warmte ontstaat in de vitrines. De belichting is opgebouwd uit twee rijen lichtpunten om alle mogelijke storende invloeden van schaduwwerking weg te werken, waardoor onder meer de oorspronkelijke wijdingsakte van 1276 op een optimale manier beveiligd en tentoongesteld wordt.
Voor de beveiliging van dit uitzonderlijk diamantjuweel met oud-geslepen diamant, een van de topstukken van de kerkschat, werd een bijkomende beveiliging voorzien, bestaande uit een dubbele laag glas in combinatie met policarbonaat, dat kogelwerend, kleurloos, niet-spiegelend is en geen ultravioletstraling doorlaat. Deze beglazing werd reeds met succes toegepast voor de beveiliging van "Het Laatste Avondmaal" van Dirk Bouts in de Sint-Pieterskerk te Leuven en in "Hotel Errera" te Brussel.
Een tachtig topstukken van de kerkschat worden in de beveiligde ruimte tentoongesteld. De belangrijkste zijn:
Zowel de diefstal- als de brandbeveiliging werd in overleg met de brandweer en de politie geoperationali-
B 1 N N E N K R A 1 M T
seerd. Bij gelijk welk alarm, wordt elk signaal onmiddellijk doorgegeven aan een permanent bemande meldkamer, die op haar beurt aan de hand van de binnengekomen signalen en op basis van vooraf geprogrammeerde interventies onmiddellijk de juiste personen ter plaatse stuurt. Tijdens de plechtigheid schonk de heer Paul Goris, voorzitter van de Antwerpse diamantbank, een briljant in hartvorm geslepen met 58 facetten, met een gewicht van 1,4 karaat, als verrijking aan de kerkschat. De plechtigheid werd opgeluisterd met orgelspel door organist Jan Van Mol, titularis van het orgel van de Sint-Pauluskerk. Door de stofontwikkeling die gepaard ging met sommige restauratiewerkzaamheden in de kerk, moest het orgel ontstoft en opnieuw geïntoneerd worden. De firma Nys, die de werkzaamheden uitvoerde, behaalde een schitterend resultaat.
De Sint-Pauluskerk en de kunstkamer is in de zomerperiode vrij toegankelijk vanaf 14 april tot 30 september, alle dagen van 14.00 tot 17.00 uur. Buiten deze periode is de kunstkamer enkel te bezoeken op afspraak, tel. 03/231.31.48.
Heraldiek
Restauratie Herman
WAPEN VAN PRIVE-PERSONFN FN I N S T F I I I N G F N De belangstelling voor heraldiek in Vlaanderen blijft bijzonder levendig. Na de fusies van 1977 kregen de Vlaamse gemeenten officieel erkende wapens en vlaggen (decreet van 28/01/1977) gevolgd door de vijf Vlaamse provincies (decreet van 03/02/1994). Talrijke privé-personen, verenigingen, burgerlijke en kerkelijke instellingen, scholen, hebben in het verleden meermaals te kennen gegeven dat zij hun identiteit symbolisch tot uiting wensen te brengen. Met het decreet van 3 februari 1998 (BS 21/03/1998) biedt de Vlaamse regering thans aan privé-personen en instellingen de mogelijkheid officieel een wapen aan te nemen. Ze neemt hiertoe een besluit, na advies van de Vlaamse Heraldische Raad (VHR). Aan dergelijke wapenerkenning of -verlening zijn geen voordelen of voorrechten verbonden, tenzij het recht op het wapen te voeren. De Vlaamse regering legde de uitvoeringsmodaliteiten van dit decreet vast op 17 juli 2000 (BS 01/09/2000). Zopas publiceerde de afdeling Monumenten en Landschappen in brochurevorm een handleiding metals titel "Vaststelling van het wapen van privé-personen en instellingen". Deze brochure beschrijft de te volgen procedure, van aanvraag tot registratie.
Geïnteresseerden kunnen terecht op het Secretariaat Vlaamse Heraladische Raad. T.a.v. dhr. Basiel Eeckhout, Graaf de Ferraris-gebouw, 3de verdieping. Koning Albert H-laan 20 bus 7 te 1000 Brussel
van den Bossche
DF R F S T A U R A T I F V A N HFT
PARK VAN BRUSSEL De restauratie van het Park van Brussel kadert in het project 'Koninklijke Route' van het koninklijk kasteel van Laken naar het koninklijk paleis te Brussel en situeert zich binnen het samenwerkingsakkoord van 15/09/1993 tussen de federale staat en het Brussels hoofdstedelijk gewest. Het dossier wordt administratief opgevolgd door het Ministerie van Verkeer en Infrastructuur Administratie van Wegverkeer en Infrastructuur, Directie Werken met Federale Financiering in samenwerking met de stad Brussel (Plantsoenendienst en Onderhoud, Dienst Architectuur, Politie) en het gewest (Plantsoendienst en Dienst Monumenten en Landschappen). Uiteindelijk doel van de restauratieve ingreep is geworden de elementen uit de 200-jarige evolutie van het park te consolideren, die een kwalitatieve bijdrage geleverd hebben. Werken inzake vegetatie, verhardingen, leidingen, verlichting en uitrustingen moeten uiteindelijk leiden tot de restauratie en opwaardering van te behouden elementen, hun handhaving in de toekomst en tenslotte de aanpassing aan de geldende behoeften. Bijzondere aandacht wordt besteed aan de maximale openstelling van het park tijdens de werkzaamheden en het bannen uit het park van zwaar aannemersmaterieel (grote vrachtwagens en opleggers,) Een aantal werken zijn reeds met zorg uitgevoerd: de restauratie van de omheining (blauwe hardsteen en giet- en smeedijzer), het sanitair, de toegangspaviljoens en van de parksculpturen en hun sokkels en de kiosk (gedeeltelijk en te herdoen). Er is in de studie veel aandacht besteed aan de 'vegetatie' en met
M&L
B 1 N 1 M E N K R A N T
M&L
B l ^ J N E N K R A N T
name het bomenareaal en de grasvelden. Er dienden keuzes gemaakt tussen het heraanplanten met de 'oorspronkelijke' boomsoorten uit 1774 of de consolidatie en vormsnoei van waardevolle boomsoorten uit het recenter verleden. Een goed voorbeeld is de 'Allee des Bailies' (de laan die van het rond bassin naar het Koningsplein loopt). Oorspronkelijk beplant met grootbladige of zomerlinde handhaaft men de monumentale witte paardekastanjes. In de 'Allee des Palais' (de middenlaan) worden de niet oorspronkelijke kleinbladige of winterlinde heraangeplant maar worden de kruinen van de gewone platanen onderin met 1/3 vakkundig ingekort. De monumentale gewone platanen rondom het rond bassin krijgen een behandeling tegen bodemverdichting. Daarnaast worden in de bosketten nogal wat bomen gesnoeid, ingesnoeid of gekapt. De 'gazonaden' of 'tapis verts' in de lanen vergen een bijzondere aanpak. De problemen door beloop, joggers, lichtgebrek door kruinschaduw, verzakkingen, afkalvingen van de randen situeren zich op het vlak van de bodemverbetering van het substraat, de kantopsluiting, de versteviging van de aanzetten, de bescherming van de aanzetten tegen vrachtwagens en massaal beloop tijdens happenings.
Toch een paar bedenkingen bij de bodemverbetering en kantopsluiting en de versteviging van de aanzetten. Blijkbaar wordt ook hier nog geopteerd voor een rijke 'vettige' grasmat als oplossing voor een groot beloop, waar de green keepers van voetbalvelden en vooral ook golfbanen reeds enkele jaren streven naar een zo schraal mogelijke grasmat op een harde, goed doorlatende ondergrond. Het gras ziet er minder groen uit maar is zoveel taaier en dus resistenter. En een kantopsluiting met bandstaai is te verkiezen boven een met betonnen boordstenen, ook al zijn deze laatste erg smal: gemetalliseerd bandstaal van 6mm x 15cm (met een slag) plaatst gemakkelijk met stalen pinnen, zonder zware fundering in zandcement zoals boordstenen. Versteviging van de aanzetten de gazonaden met
cellenblokken levert steeds een dambord van dor en groen gras op: cement werkt hygroscopisch en onttrekt alle vocht aan de teelaarde tussenin. Een betere oplossing is misschien de plaatsing van gras op lavasteen en gruis vermengd met teelaarde en zand. In combinatie met een schraal grasmengsel is het een beproefd systeem.
Buitenkrant
Het behoud van de 'Laprade'-masten met dito armatuur is de enige verantwoorde optie inzake openbare verlichting: architect Victor Horta stelde ze zelf voor als lid van de Koninklijke Commissie voor Monumenten. Het werd meteen een Belgische primeur: de eerste openbare verlichting van een stadspark aangesloten op het elektriciteitsnet.
Na de laatste KADOC-studiedagen "De jaren '30 in Antwerpen" en "In het spoor van Huygh en Van Reeth", die de vernieuwing in de religieuze kunst en architectuur in en om Antwerpen belichtten, richten we onze blik op een andere regio. Op zaterdag 17 maart gaan we naar Limburg om er het fenomeen van de "mijnkathedralen" te bestuderen. Het wordt een interessante kennismaking met unieke, prestigieuze interbellum realisaties.
De restauratie van het bestaand zitmeubilair is eveneens een terechte keuze. De banken gaan terug tot het historisch model, zitten comfortabel en ogen zo mooi. Nog een woordje over de architectuur van het buffetpaviljoen en het paviljoen voor het sanitair en bewakerslokaal: zonder kennis van de materialen, mijns inziens een schot in de roos. De Frans ogende lichte architectuur met zijn beluikte raampartijen past bijzonder goed bij de sfeer van het Park van Brussel. Onder een moeilijk gesternte gestart, vanuit bedenkelijke uitgangspunten, met initieel een veel te zwaar programma, is het dossier toch dermate aangepast en verfijnd dat het eindresultaat als een schoolvoorbeeld kan gelden.
Luc Tack
MI1NKATHEDRAIFN IN I I M R M R n
KATHOLIEKEN. KUNST EN MODFRNITEIT
Na verwelkoming van de deelnemers door prof. dr. Jan De Maeyer, directeur van het KADOC, volgen er in de voormiddag twee voordrachten. Eerst komt historicus Bert Van Doorslaer, verbonden aan het Provinciaal Centrum voor Cultureel Erfgoed van de provincie Limburg, aan het woord. Hij staat stil bij de sociaaleconomische en politieke context waarin de Limburgse mijnen tot stand kwamen en werkten en schetst het ontstaan van de nieuwe "mijndorpen". Daarna gaat kunsthistoricus, Patrik Jaspers, momenteel als onderzoeker verbonden aan de K.U.Leuven, departement ASRO, dieper in op het fenomeen van de Limburgse mijnkathedralen als prestigeprojecten van de verschillende bouwheren. Naast hun specifieke ontstaans- en bouwgeschiedenis belicht hij hun inrichting en ruimtelijke organisatie en gaat hij na of en in welke mate de kerken te plaatsen zijn in de nieuwe liturgische beweging. Onder zijn kundige leiding worden aansluitend drie mijnkathedralen bezocht. In de late voormiddag wandelen we naar de Sint-Theodarduskerk van
Bl^NENKRANT
Beringen-Mijn (1939-1943). Naast kerkgebouw met voorplein ontwierp architect Henri Lacoste hier een uniek complex bestaande uit pastorij, twee kapelanijen, feestzaal, patronaatszaal, catechesezaal en fiestenstalling. Ook het interieur werd volledig naar zijn ontwerp uitgevoerd en bleef in de kerk grotendeels bewaard. Na het middagmaal in het Provinciaal Centrum voor Muziek Casino Beringen brengt de bus ons naar de SintBarbarakerk (1934-1936) in Eisden. Dit monumentale kerkgebouw, waarvan de decoratieve baksteenarchitectuur aan de buitenzijde niet laat vermoeden dat het geheel volledig in beton is opgetrokken, is een ontwerp van architect A. Van den Nieuwenborgh. De volgende halte is de ChristusKoningkerk (1935-1936) in Waterschei. Architect Gaston Voutquenne ontwierp er een modern kerkgebouw dat qua detaillering aanleunt bij de Art-Deco. Voor de uitwerking en uitvoering van het interieur is beroep gedaan op de ateliers van Maredsous en is naast Albert Van huffel ook en vooral dom Sebastiaan Braun geraadpleegd. In de late namiddag keren we met de bus terug naar Beringen, waar in de foyer van het Provinciaal Centrum voor Muziek Casino een receptie de studiedag afsluit.
Voor meer informatie en een inschrijvingsfolder kan u terecht op het KADOC Tel. 016/32.35.00; fax 016/32.35.01; e-mail: postmaster@kadoc.kuleuven.ac.be
M&L
Francis
Strauven
RFNAAT BRAFM Antwerpen, 29 augustus 1 9 1 0 Fssen. 31 januari 2 0 0 1 Renaat Braem was ongetwijfeld de meest authentieke vertegenwoordiger van de moderne beweging in het naoorlogse België. Hij bracht markante gebouwen tot stand waarmee hij België vanaf de jaren '50 op de kaart van het internationale modernisme plaatste. En hij ontwikkelde een bijzonder oorspronkelijke, ideologisch gefundeerde architectuuropvatting die hij onvermoeibaar in tal van publicaties uiteenzette. Het bijzondere van zijn visie was dat hij architectuur niet, zoals gebruikelijk, als een louter vormelijke en technische discipline beschouwde, maar tevens als de uitdrukking en draagster van een maatschappijopvatting. Reeds in zijn studietijd aan de Antwerpse Academie voor Schone Kunsten (1926-35) definieerde hij architectuur als 'de kunst van het organiseren van het menselijk milieu' ten behoeve van 'een zo groot mogelijk aantal mensen'. Vrijzinnig opgevoed, kwam hij door zelfstudie tot het inzicht dat architectuur niet slechts een kwestie is van kunstzinnig vormgeven aan bepaalde functies, maar dat ze, op grotere schaal beschouwd, tevens de ruimtelijke
organisatie vormt van de menselijke samenleving. Architectuur en stedenbouw brengen tot uitdrukking hoe een samenleving in elkaar zit en geven haar tevens een bepaalde structuur. Dit inzicht, vandaag gemeengoed maar toen heel ongewoon, leidde Braem tot radicale consequenties en stellingnamen. Overtuigd socialist, keek hij uit naar de komst van een nieuwe klasseloze samenleving, en wilde hij hiervan met zijn projecten een voorafbeelding bieden. Architectuur en stedenbouw moesten met geheel nieuwe, harmonische vestigingsvormen vooruitgrijpen op de verwachte socialistische cultuur, om zo tot haar opbouw bij te dragen. Hij vatte de architectuur op als een 'sociale hefboom', een instrument om de mens te bevrijden uit de hiërarchische structuren van de traditionele woonvormen in de bestaande steden en dorpen. Deze visie, die Braem in 1934 voor het eerst uiteenzette (in een reeks artikelen gepubliceerd in KMBA], was op dat moment volstrekt uitzonderlijk en zou dit nog lang blijven. In feite formuleerde hij een van de grondgedachten waaruit de moderne beweging was ontstaan, maar tijdens het interbellum was het modernisme er geleidelijk van vervreemd. Zelfs bij coryfeeën als Mies, Gropius en Le Corbusier was de ideologische grondslag gereduceerd tot een latent bewustzijn of geheel verdwenen. Hetzelfde jaar dat Braem zijn visie formuleerde, gaf hij ze tevens vorm in een groots plan, zijn project van een lineaire stad tussen Antwerpen en Luik. De opzet van dit plan was alle toekomstige bouwactiviteiten van de omgevende regio te concentreren in een langgerekte, 500 meter brede zone langs het Albertkanaal. De 'lijnstad' bestond uit een aantal parallelle stroken: een voor transport (het Albertkanaal met ernaast een spoorweg en een autosnelweg), een voor de industrie, een groenzone (als buffer) en een woonstrook. Het was een even simpel als revolutionair concept dat verscheidene voordelen bood: een lineaire schakeling van de industrieën volgens het principe van de productieketen, een drastische rationalisatie
B 1 N N E N K R A N T
van het transport, een korte verbinding tussen werken en wonen, in de regel op loopafstand, een op de natuur betrokken wonen voor allen, en het behoud van het bestaande landschap. Braem is zijn visie zijn leven lang gestand gebleven. Hij bleef ze door dik en dun verdedigen, en met des te meer overtuiging naarmate ze in strijd was met de heersende ideologische conjunctuur. Zo was hij in de jaren '50 nagenoeg de enige architect in België die een doortastende kritiek leverde op het beleid dat ten grondslag lag aan de wet-De Taeye en de wildgroei die erdoor werd ingeluid. Zijn kruistocht tegen de ruimtelijke wanorde in België bereikte een hoogtepunt toen hij zijn vaderland in 1968 met een opzienbarend pamflet als 'het lelijkste land ter wereld' brandmerkte. De architecturale vormgeving waarmee Braem zijn visie concretiseerde vertoont een bewogen evolutie, balancerend tussen een naturalistisch expressionisme en een zuiver geometrisch rationalisme. Hierbij bleef hij zich oriënteren op een belangrijk referentiepunt: het werk en de persoonlijkheid van Le Corbusler. Hoewel Braem Le Corbusler in zijn vroege geschriften scherp kritiseerde, en hem met name een gebrek aan ideologisch bewustzijn verweet, voelde hij zich zozeer aangetrokken door diens poëtische visie en de conceptuele vormkracht dat hij er stagiair ging bij werken (In 1936-37). Van zijn kant toonde Le Corbusler een uitgesproken waardering voor de 'lijnstad' van zijn jonge Vlaamse collega, waarin hij affiniteiten met zijn eigen 'vllle radleuse' onderkende. Braem, die door Le Corbusler werd geïntroduceerd In CIAM, zou levenslang een overtuigd verdediger blijven van de stedenbouwkundige doctrine van het Charter van Athene. En in zekere zin heeft Braem in Vlaanderen een plaats ingenomen vergelijkbaar met die van Le Corbusler in Frankrijk. Net als Le Corbusler heeft Braem zijn leven lang de aandacht van de publieke opinie gevestigd op de afwezigheid van stedenbouwkundige bewustzijn in zijn land, heeft hij in woord en daad geijverd voor een
doorbraak van een modernisme dat erop gericht was 'les joies essentielles', het genot van zonlicht, ruimte en groen in het bereik van elke woning te brengen. Net als zijn Franse voorbeeld heeft hij zich, naast de architectuur, vrijwel dagelijks toegelegd op schilderen en beeldhouwen, en heeft hij een aantal monumentale woningbouwcomplexen tot stand gebracht. Niet dat Braem Le Corbusler ooit kopieerde. Hij wilde een moderne architectuur tot stand brengen met eigen regionale Vlaamse wortels en karaktertrekken. Toen hij in 1953 de Unite d'Habitation van Marseille in zijn tijdschrift Bouwen en Wonen publiceerde stelde hij: 'Wijwensen een architectuur van nu en hier. Wij kunnen de boodschap van Le Corbusler niet voorbijgaan. Maar het oppervlakkige nabootsen van deze vormentaal leidt tot een formalistisch kosmopolitisme vreemd aan onze aard. Onze taak is een even bewust hedendaagse architectuur te scheppen, beantwoordend aan de vereisten en de aard van ons volk, ons klimaat, ons landschap. Wij moeten aanknopen met de goede voorbeelden uit ons eigen verleden, niet door onmachtige kopie, maar door de functie van het gebouw te beantwoorden op dezelfde trouwhartige, stoere manier als de bouwers van Domme, Lissewege en TerDoest' Deze intentie is voelbaar in de woonblokken van het Kiel te Antwerpen (1950-54), de wijk Sint-Maartensdal te Leuven (1957-67) en vooral in het administratief centrum van de stad Antwerpen, een kantoortoren die hij opvatte als een eigentijds belfort. Braems grote woningbouwcomplexen waren tevens bedoeld als stellingnamen tegen de heersende vorm van bouwen en wonen, ze waren bewust ontworpen als het gebouwde tegendeel van de in België gangbare en van overheidswege gestimuleerde particuliere woningbouw. Als zodanig staan ze vaak letterlijk en figuurlijk haaks op hun gebouwde context. Dit geldt met name voor de Modelwijk op de Brusselse Heysel, een ensemble van woonblokken gearticuleerd rond een Monument aan de Rechte Hoek, een geometrisch geordende enclave die zich met een honderd meter lange
'woningenwal' afzet tegen de woekering van het individuele wonen in de directe omgeving. In de loop van de jaren '60 keerde Braem zich geleidelijk af van dit 'polemische' functionalisme om een genereus, biomorf idioom te ontwikkelen. Hij ging zijn gebouwen opvatten als organismen die, analoog aan schelpen of planten, hun inwendige energie tot uitdrukking brengen in organische vormen. De natuurstudies waarmee Braem zijn schetsboeken vanaf toen voltekende geven blijk van zijn intentie zich in te leven in de morfologie van de natuur, ten einde deze in zijn werk toe te passen en vormen tot stand te brengen waarin de mens zich zou terugvinden als 'een bewust deel van de natuur'. Ook in deze intentie voelde Braem zich gesterkt door het werk van Le Corbusler, in het bijzonder de kapel van Ronchamp. Wat dit gebouw voor hem betekende verwoordde hij kernachtig in een vergelijking met de kapel die Mies van der Rohe omstreeks dezelfde tijd op de IIT-campus van Chicago ten uitvoer bracht: 'Stel het starre formalisme van Mies van der Rohe tegenover de uitbundigheid van Le Corbusler, dan voelt ge het verschil in de verhouding tot de mens: bij Mies van der Rohe, fanatieke wil tot volmaakte maar zelfgenoegzame vorm, los van de bestemming. Bij Le Corbusler: een in honderd vormen zich uitdrukkend zoeken van contacten, steeds opnieuw u aansprekend als vriend. Enerzijds de triomf ener mensenvreemde rationalisatie der industriële producten. Anderzijds de niet afgevende mens die rijkdom ziet, niet in dollars, maar in innerlijke waarden. Want dit is onmiskenbaar: de zichtbare liefde waarmee de vormen tot een ontroerend geheel worden samengebracht, van de totale massagroepering tot de door Le Corbusler zelf geschilderde glasramen en inkomdeuren: een kus aan het Heelal!' (1956) In dezelfde zin vatte Braem zijn architectuur op als 'een liefdevolle voortzetting van de natuur', als een liefdesverklaring voor de bewoners die ze zou huisvesten. De ontwikkeling van zijn biomorf idioom ging gepaard met een heropleving van zijn visionair denken. Hij greep terug naar zijn
B 1 M N E N K R A N T
1
Lijnstad uit 1934 en breidde ze uit tot de Bandstad België, een keten van lijnsteden die zich moesten uitstrekken tussen de grote Belgische steden. Hij stelde voor alle gebouwen voortaan in de voorgestelde banden te concentreren, en het inmiddels reeds aanzienlijk aangetaste landschap te restaureren. Dit plan dat eertijds als een utopische grap werd weggelachen, blijkt ondertussen profetisch te zijn geweest. Het 30 jaar later tot stand gekomen Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen is nagenoeg op dezelfde opzet uitgedraaid, zij het dan, na zoveel jaren ongebreidelde bouwdrang, noodgedwongen minder radicaal.
PRIIS I O U I S PAUI
MIFTFNS
Het Fonds Louis Paul Baron Suetens, dat beheerd wordt door de Koning Boudewijnstichting, lanceert een oproep om kandidaturen voor de tweede editie van de Prijs Louis Paul Suetens. Deze tweejaarlijkse prijs bekroont een vernieuwende studie of project waarbij de kwaliteit van de leefomgeving centraal staat. Bij elke editie van de Prijs wordt een thema vastgelegd. Voor 2001 is dat het "Behouden beheer van het ruraal erfgoed". Aan de Prijs, een initiatief van het Fonds Louis Paul Baron Suetens, is een bedrag van 200.000 frank (4958 € ) verbonden. Het begrip leefomgeving wordt voor de Prijs ruim geïnterpreteerd en heeft minimaal betrekking op de aandachtsvelden milieu, ruimtelijke ordening, bouwkundig, landschappelijk en natuurlijk erfgoed. Het inhoudelijk, organisatorisch of juridisch vernieuwende kan zowel slaan op het beleid als op de praktijk. Kunnen ingediend worden: • al of niet gepubliceerde recente studies, opgesteld in het Nederlands; • projecten op het terrein, in Vlaanderen (eventueel met grensoverschrijdende werking); • een combinatie van een studie en een project dat ermee verbonden is. Wat de projecten op het terrein
M&L
betreft, wordt voor deze editie onder meer gedacht aan beheersformules of -plannen die een doeltreffend behoud en beheer van het ruraal erfgoed beogen. Daarbij wordt wel een integrale aanpak verondersteld, wat betekent dat het project rekening houdt met de ruimere omgeving en met de behoeften van de diverse gebruikers. In dit verband onderstreept het bestuurcomité van het Fonds het belang van interactie tussen de diverse belanghebbende sectoren en een goede communicatie met alle betrokkenen. De ingediende projecten hoeven niet voltooid te zijn, maar wel ver genoeg gevorderd om de kwaliteit ervan te kunnen beoordelen. De studies kunnen het ruraal erfgoed vanuit diverse wetenschappelijke invalshoeken benaderen. Zo komen werken in aanmerking die betrekking hebben op economie, wet- en regelgeving, geografie, ecologie, landbouw, toerisme en uiteraard erfgoedzorg. Deze studies moeten wel voltooid zijn. Ook bij de studies vormen een integrale benadering en aandacht voor interactie een pluspunt. Het bestuurscomité wijst hierbij op de specifieke spanningsvelden waarmee het behoud en beheer van het ruraal erfgoed wordt geconfronteerd. Het gaat onder meer om de spanningsvelden tussen enerzijds monumentenzorg en anderzijds ruimtelijke ordening of natuurbescherming. Vaak raken ook andere sectoren, zoals landbouw en toerisme. hierbij betrokken via de bestemmingsproblematiek. De wetgeving, de beleidsorganisatie en de intersectorale communicatie spelen bij dit alles een belangrijke rol. Nog meer spanningsvelden worden veroorzaakt door de sociale, economische en demografische ontwikkelingen die de context van ruraal erfgoed voortdurend wijzigen.
Hoe deelnemen? Belangstellenden vragen zo snel mogelijk een inschrijvingsformulier aan op het telefoonnummer 070/233.065, of op faxnummer 070/233.727 of op het e-mailadres publi@kbs-frb.be.
Men kan het formulier ook downloaden van de website van de Koning Boudewijnstichting: www.kbs-frb.be. Het inschrijvingsformulier moet samen met de studie of het projectdossier ten laatste op 31 mei 2001 ingeleverd zijn bij de Koning Boudewijnstichting. De Prijs wordt in het najaar 2001 uitgereikt tijdens een academische zitting.
•
Edgard
Goedleven
1
IN M E M O R I A M MEVROUW JOSEPHA V E R M E U I F N Op 11 december 2000 overleed Josepha Vermeulen-Van Humbeeck na een langdurige ziekte. Vanaf 1975 was zij actief in de monumentenzorg in het secretariaat van het succesrijke Europees Jaar van het bouwkundig erfgoed. Na een periode als medewerker van het kabinet van minister Lydia De Pauw, vervulde ze bij de afdeling Monumenten en Landschappen de functie van directiesecretaresse. Ze was er het algemeen aanspreekpunt en verzorgde daarenboven het secretariaat van de Vlaamse Heraldische Raad. Josepha was een markante, stijlvolle en sterke persoonlijkheid, die steeds met grote waardigheid en nauwgezetheid haar taak vervulde en het steeds opnam voor al wat waarde had en van kwaliteit getuigde. Ik heb dit persoonlijk tijdens de vele jaren van intense samenwerking ten zeerste kunnen waarderen. Ook buiten haar beroepsbezigheden was ze zeer actief. Op de eerste plaats als pleitbezorger voor het oeuvre van haar echtgenoot, kunstschilder Noël Vermeulen. Ze was van zeer nabij betrokken bij het Vlaams cultuurleven te Brussel,
B 1 N N E 1 M K R A N T
PROVINCIAIF SUBSIDIE VOOR HFT nNnFRHOUD VAN NIFT-RFSrHFRMDE. W A A R D F V O I I F GEBOUWFN
De Antwerpse provincieraad keurde een nieuw subsidiereglement voor het onderhoud van niet-beschermde waardevolle gebouwen goed.
maar was hierdoor niet minder bekend en gewaardeerd in kunstmiddens in het hele land, niet in het minst bij Franstaligen. In september 1997 bij haar oppensioenstelling, nam de afdeling Monumenten en Landschappen op een feestelijke wijze van haar afscheid, in de vaste overtuiging dat ze nog lang actief zou zijn en verder zou genieten van het leven, van reizen, en van de kunst die haar zo ter harte ging. De monumenten- en landschapszorgers zullen met grote dankbaarheid haar blijvend indachtig zijn.
Door het tijdig uitvoeren van onderhoudswerken wordt het verval van waardevolle - en nog niet-beschermde - gebouwen voorkomen en kunnen ingrijpende en dure herstellings- en restauratiewerkzaamheden worden vermeden. De provincie Antwerpen vindt dan ook dat het de taak is van de overheid om deze onderhoudswerken aan te moedigen en financieel te ondersteunen. Het subsidiereglement voor het onderhoud van niet-beschermde waardevolle gebouwen dat gisteren door de provincieraad werd goedgekeurd bepaalt dat de provincie een subsidie geeft voor onderhoudswerken aan waardevolle gebouwen in de provincie Antwerpen. Zo kan de subsidie bijvoorbeeld gebruikt worden voor het onderhoud, herstellen of vervangen van dakgoten, muren, funderingen, daken, gebroken of gebarsten ruiten, deuren, poorten, enz. Volgende gebouwen komen in aanmerking : • gebouwen die van belang zijn omwille van hun artistieke, historische, wetenschappelijke, volkskundige, industrieelarcheologische of andere sociaal-culturele waarde; • gebouwen waarvan de aanvrager - in een gemotiveerd verslag - het waardevol karakter kan aantonen; • gebouwen die mee het beeld bepalen van beschermde stads- en dorpsgezichten; • gebouwen opgenomen in de inventaris "Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen", uitgegeven door het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap voor zover deze door ongewenste ingrepen hun waardevol karakter nog niet hebben verloren.
Bijkomende voorwaarde is wel dat het gebouw (nog) niet door de Vlaamse overheid beschermd werd als monument. De subsidie die de provincie verleent, bedraagt: • 30% van de uitgaven voor de onderhoudswerken die de 500.000 BEF niet overschrijden; • 15% van de uitgaven voor de onderhoudswerken boven de 500.000 BEF, maar die het bedrag van 1.000.000 BEF niet overschrijden. Voor het gedeelte van de uitgaven boven de 1.000.000 BEF wordt geen subsidie toegekend. Subsidies van minder dan 30.000 BEF worden niet uitbetaald. Tenslotte bepaalt het reglement dat de subsidie niet kan worden toegekend voor werken die reeds beëindigd of in uitvoering zijn op het ogenblik van de aanvraag. De bestendige deputatie kent de onderhoudssubsidies toe tot de uitputting van het krediet (3 miljoen BEF in 2001). De behandeling van de dossiers gebeurt in volgorde waarop de dossiers werden ingediend.
Het volledige subsidiereglement kan u bekomen bij : provincie Antwerpen dienst Cultureel Erfgoed Koningin Elisabethlei 22,2018 Antwerpen, tel. 03/240 55 70 e-maih cultureelerfgoed@admin.provant.be
M&L
B 1 M N E N K R A N T
Beschermingen
LEUVEN OMGEVING VAN DE ABDIJ VAN VLIERBEEK Dorpsgezicht 8/09/2000
MONUMENTEN. l A N D S C H A P P F N . S T A D S - FN DORPSGEZICHTEN. B E S C H E R M D V A N JUNI TOT B E G I N D F C F M R F R ? n n n
ZOTTEGEM (Zwalm) TWEELAAGS WOONHUIS Machelgemstraat 60 Monument 17/07/2000 Tweelaags woonhuis van het stedelijk type uit de tweede helft van de 19de eeuw. Vijf traveeën breed, onder een afgewolfd pannendak met in rotscement afgewerkte gevels, voorzien van imitatiepilatsers in rotseer- en effen bezetwerk, vensteromlijstingen in pleisterwerk en een arduinen deuromlijsting. Bakstenen annexen onder een pannenschilddak omsluiten een binnenhof. In een van deze constructies bevindt zich een kleine nis met zesdelig raampje en klokvormige omlijsting in pleisterwerk waarin de initialen GZJC(GezegendZijJesus Qirisfusjwerden aangebracht. ZOTTEGEM (Zwalm) ONMIDDELLIJKE OMGEVING Machelgemstraat 60
Het gebied van circa 60 hectare in de vallei van de Molenbeek, behoorde tot de primaire leefruimte van de abdij van Vlierbeek. Het is opgebouwd uit een complex van gebouwen, tuinen, vijvers, beemden, akkers en bossen. Een belangrijk onderdeel zijn de percelen die tot het einde van de 18de eeuw de vijvers van de abdij vormden, evenals het patroon van dijken, grachten en kanalen die samen met de Molenbeek het waterpeil in stand hielden. Zowel kadastraal als landschappelijk is dit historische systeem van waterhuishouding nog herkenbaar. In het gebied treft men nog sporen van een echte bosflora. GENT HOEKHUIS Hoogstraat 71 Monument 16/11/2000 Gaaf bewaard voorbeeld van een voornaam 19de-eeuws stadshuis in neoclassicistische stijl. Opgetrokken in opdracht van brouwer HeughebaertVan Loo (bouwplan van 1892). Bepleisterde gevels met bijzondere decoratieve vormgeving en stijlornamenten in arduin. Voor het rijk gestoffeerde interieur werd geput uit diverse historiserende stijlen.
Dorpsgez/c/if 17/07/2000 De wijk gelegen te Zwalm-Roborst is gegroepeerd rond een voormalige watermolen, in de kern opklimmend tot de 16de eeuw en gelegen aan de Zwalmbeek. Deze wijk vormt een goed bewaard voorbeeld van hoofdzakelijk 19de-eeuwse bebouwing, gekenmerkt door onder meer een met rotscement bezette tweelaagse woning, een hoeve, het overblijfsel van een brouwerij en een rij smalle dorpshuisjes,
AALST (Herdersem) OUDE SACRISTIE MET KERKHOF Alfons de Cockstraat, z.n. Monument 17/11/2000 De bak- en zandstenen sacristie behoort tot de 18de-eeuwse bouwfase van de gesloopte 17de-18deeeuwse parochiekerk van Onze-LieveVrouw Hemelvaart, waarvan de kern tot de 12de eeuw opklimt. In een latere fase werd de sacristie met 18de-eeuwse grafstenen en een 19de-eeuwse calvarie bekleed. Een grote treurbeuk zorgt voor een sfeervolle noot op het voormalig kerkhof van de gesloopte kerk.
AALST (Herdersem) KAPEL VAN ONZE-LIEVE-VROUW Broekstraat, z.n. Monument 17/11/2000 De neogotische bakstenen wegkapel van Onze-Lieve-Vrouw van Altijddurende Bijstand werd in de late 19de eeuw opgericht op de plaats van een oudere kapel. In een onder een spitsboog gevatte nis boven de inkom werd een Onze-Lieve-Vrouwbeeldje geplaatst ter vervanging van een 18de-eeuws terracotta-origineel uit de vroegere kapel. AALST (Herdersem) KAPEL VAN ONZE-LIEVE-VROUW Grote Baan, z.n. Monument 17/11/2000 Deze kleine wegkapel, ook 'Koortskapelleken' genoemd, dateert uit de eerste helft van de 19de eeuw. Een bepleisterde baksteenbouw op een geteerde plint, afgedekt met pannenzadeldak en rondboogvormige inkom vormen de voornaamste architecturale elementen. In de kapel bevindt zich achter een smeedijzeren hekwerk in een 18de-eeuwse behuizing een originele altaaraankleding bestaande uit twee engelenfiguurtjes met een laatbarokke omlijsting. AALST (Herdersem) KAPEL VAN ONZE-LIEVE-VROUW Pontweg, z.n. Monument 17/11/2000 Neogotische bakstenen kapel daterend van 1873, met driezijdige sluiting, steunberen, spitsboogramen, geplaatst onder een zadeldak en bekroond met een dakruiter boven de puntgevel. De voorgevel werd uitgewerkt met een patroon van geglazuurde bakstenen. In een aangebouwd klokkentorentje hangt een kleine klok die door Andreas Van Den Gheyn in 1769 te Leuven vervaardigd werd voor de toren van de oude kerk. In het interieur een gepolychromeerde neogotische calvarie.
B I N ^ E N K R A M T
AALST (Herdersem) KAPEL VAN DE HEILIGE BARBARA Pontweg, z.n. Monument 17/11/2000 Kleine, laat-19de-eeuwse wegkapel van wit bepleisterde baksteen met een zandstenen spitsboog rond de inkom, als driepas met hartvormen uitgewerkt bovenlicht en een met golvende belijning en hartvorm versierde uitkragende houten windveer. In de kapel staat het 18de-eeuws terracottabeeld van de H. Barbara. KNOKKE-HEIST KERK O.H.M. £t ST-MARGARETHA: ORGEL Monument 29/11/2000 Uiterst zeldzaam orgel uit de eerste helft van de 17de , een periode waarin de Vlaamse orgelbouwproductie een hoog kwalitatief gehalte bereikte. Van het oeuvre van N. Helewout uit Brugge, de oorspronkelijke auteur van dit orgel, is nagenoeg niets anders bewaard. OOSTKAMP (Waardamme) PAROCHIEKERK H. BLASIUS Monument 01/12/2000 Eerder zeldzaam voor de regio is deze waardevolle kruiskerk, opgetrokken in een classicerende stijl. Het 18deeeuws schip met oudere kern werd eind 18de-begin 19de eeuw uitgebreid met transept, koor en een westpartij met toren gedateerd 1878. Het bedehuis bezit een waardevolle kerkschat en een merkwaardig interieur. OOSTKAMP (Waardamme) OMGEVING PAROCHIEKERK Dorpsgezicht 01/12/2000 De kleine dorpskom van Waardamme toont een vrij gaaf bewaarde dorpskern, waarvan de huidige toestand grosso modo teruggaat op de 18deeeuwse situatie zoals afgebeeld op de Ferrariskaarten (1770-1778). De georiënteerde parochiekerk omge-
ven door het kerkhof, het omlopend kerkpad en de oostelijk gelegen kerkhofmuur vormen samen met de vroegere pastorie met bijbouw en het achterliggend gekassied plein het beeldbepalend element van de dorpskern. ZEDELGEM PAROCHIEKERK SINT-LAURENTIUS Monument 01/12/2000 De parochiekerk is een architectuurhistorisch waardevol gebouw met een westtoren uit de 14de eeuw. Naar een ontwerp van provinciaal architect P. Buyck werden in 1846 het neoclassicistisch schip en koor opgetrokken. Het bedehuis bezit een fraai interieur en talrijke kerkschatten, waaronder een merkwaardige romaanse doopvont uit de tweede helft van de 12de eeuw, een 17de-eeuwse biechtstoel en zijaltaren in renaissancestijl, het orgel van 1743 en een uitgebreide verzameling aan edelsmeedwerk. ZEDELGEM OMGEVING PAROCHIEKERK SINT-LAURENT Dorpsgezicht 01/12/2000 Het bedehuis, lapidarium, oorlogsmonumenten- en graven en de afzomende beplanting maken integrerend deel uit van de historische kerksite. TORHOUT VOORMALIG HOSPITAAL TEN WALLE Monument 01/12/2000 Het voormalig hospitaal Ten Walle is een historisch gegroeid complex waarvan de stichting teruggaat tot de 13de eeuw. Heden resten een 17de -eeuwse vleugel en kapel, een 18de-eeuws gedeelte en een kapel daterend van 1890. De site kende verschillende bestemmingen. Na teloorgang in de 16de eeuw, werd het hospitaal in 1661 heropgericht. In 1840, na een periode van onderbreking veroorzaakt door de Franse Revolutie, kreeg het gebouw een
nieuwe functie als ouderlingentehuis. Sinds 1970 is er een stedelijk onderwijscentrum gevestigd. OOSTENDE VILLA "EDITH" Monument 01/12/2000 Dit pand uit de belle epoque beantwoordt, zowel wat indeling, opstand en architecturale uitwerking betreft, volledig aan het type van de eclectische stadsvilla. Het gebouw vormt een representatief voorbeeld uit de elitaire periode van het kusttoerisme. In de binnenruimte is de doorgedreven vormgeving van het nog bewaarde halinterieur van belang.
M&L citaat
"De Onze-Lieve-Vrouwekerk te Antwerpen is buitengewoon groot, zodat men er veel missen tegelijk kan zingen zonder dat de ene de andere verstoort. Elk altaar wordt er verzorgd door een rijke stichting en men beschikt er over de beste musici die er maar bestaan. De kerk heeft een rijk religieus meubilair, beeldhouwwerk en een bijzonder fraaie toren. Ik ben ook in de rijke Sint-Michielsabdij geweest. In het koor is er een prachtig uit steen gebeeldhouwd gestoelte. In Antwerpen kijken ze voor die dingen op geen kosten want, daar is geld genoeg."
(Uit het reisverhaal "door de Nederlanden" van Albrecht Dürer. Hij reisde van 12 juli 1520 tot 12 juli 1521 door de Nederlanden en verbleef in augustus 1520 een tijdlang in Antwerpen).
volledig ingerotte stammen nog enorme kruinen blijven torsen. De Bruine Kriekpeer-stam met zijn mooi gladde, bleekbruine schors en de Dubbele Flip met zijn in kleine blokjes verdeelde stam, springen van ver in het oog, vooral ook door hun kaarsrechte groei. Het zijn hardvezelige houtsoorten. Bij de Enkele Altesse is de zeer smalle stam karakteristiek: een gevolg van de erg smalle jaarringen. De ermee veredelde variëteiten met bredere jaarringen en zeker gulzige groeiers als Monsieur Hdtif vertonen al na tien jaar een opvallende verbreding ter hoogte van de entplaats, die met de jaren uitgroeit tot een heuse entknobbel. Die entknobbel is onder meer typerend voor Monsieur Hdtifen voor Bigaro van Schrieck. Hij verraadt al van op grote afstand hun identiteit. De kroon tenslotte wordt gemaakt door het enten boven op de stam van de gewenste variëteit (de gewenste vruchten), die zelf geen goede stam kan vormen. Oogstappel, Court Pendu, Franse Reinette, Doyenné du Cornice en Josephine de Malines zijn hiervan goede voorbeelden. Hoewel de stamlengte van de hoogstam in de regel 2,25 m bedraagt, leert de inventaris dat de hoogte veelal bepaald werd door de reikwijdte van de hand en dus de lengte van enter.
HQQGSTAMFRUIT TEGEN fiFVELS EN MUREN Naast de boomgaarden was het de traditie om elke beschikbare plaats voor de fruitteelt aan te wenden. Gevels en muren van woningen, stallingen en schuren werden met fruitbomen, vooral peren, bekleed. Dat gebeurde ook voor hun gevelbeschermende en -afschermende functie. Intussen zijn de woningen, waar leivormen van hoogstamfruit de gevels tot aan de nok sieren of kunstig rond deuren en vensters geweven zijn, zeldzaam geworden. Met leivormen beklede gevels zijn nochtans een ware lust voor het oog. In haar finesse leidde de toepassing van deze vorm van fruitteelt tot fraaie fruithagen, gevelpalmetten (4) en loofgangen. Pittoreske schoonheid is echter één zaak, opbrengst een andere. Het kwaliteitsfruit dat aan dergelijke gevels geteeld werd, stelde de huurders van een bescheiden woning vaak in staat om de huurprijs te betalen.
MARKANTE VRUCHTBOMEN Markante bomen markeren markante plaatsen. De Okkernoot, als probaat middel tegen agressieve muggen, komt doorgaans voor vlakbij de hoeve met het onafscheidelijk zitbankje in de avondzon. Zeldzaam zijn de fruithoogstammen in dreefver-
•*
Hoogstam versus laagstam. De extensieve, seml-natuurlljke teeltwijze geeft de hoogstamboomgaard een ecologische meerwaarde in tegenstelling tot de chemisch zwaai behandelde plantages van laagststamfruit.
• Ook tegen gevels randen hoogstammige perenbomen een praktische en nuttige standplaats. Heden gekapt (Dadizele).
band. Voorbeelden zijn de Okkernotendreef die uitgeeft op de Matiapoort en het Apostelhuis van de Landcommanderij Alden Biesen in Rijkhoven, Opgenomen worden en de Noordkriekendreef in het geheel van Desseneer in Kortessem.
bij de
kasteelhoeve
grasland, stammen. takken en bladeren: dat gevoel kan
enkeieenwandeimg Een ' R o n d e v a n V l a a n d e r e n ' v a n onderkrumen s t r e e k g e b o n d e n f r u i t v a r i ë t e i t e n bieden.
O p het vlak van fruitvariëteiten vertegenwoordigen hoogstamboomgaarden nog steeds een enorme genetische rijkdom en variatie in vergelijking met de laagstam. In Limburg zijn vooral de boomgaarden uit Vochtig Haspengouw enorm rijk aan typische, streekgebonden variëteiten. Maar ook het Pajottenland, het Waasland, het Hageland, het Land van Aalst en West- en Oost-Vlaanderen getuigen van een merkwaardige eigenheid en diversiteit. Zo vonden wij in Oost-Vlaanderen de appelvariëteit Pladei, in het gebied Landegem-Sleidinge de Trezeke Meyers, in de omgeving van Sint-Niklaas de Keiing, in het Brabantse Dworp de Spekaert. In Sleidinge was de Sleidingse of Bruine Kriekpeer algemeen verspreid. Wie kent nog de Hondekop of de Kattekop, de bonkige Ossekoppenoide fijne Reinette
de Fumes. In Haspengouw trof men vele types van Keuleman aan naast de Pomme de Rose, de Yzerappel, de Klumpkens en de Belle-fleurs. Het Hageland beschikte over typische pruimenvariëteiten als de Kersbeekse Witte en Pallokes. Emile Laurent behandelde in zijn werk 'De boomgaarden van Haspengouw' (1900) reeds de Prune de Vliermael, of Oogstpruim uit Vliermaal. Wie kent nog de Sleidingse Keizerin, de Tafelpeer, de Brusselse Jefkespeer, de Vlaanderse Cooremans, Herselossen [Hasselaressen), Spikkelperen... Bij de kersen werden de Vroege van Gelmen, de Kaaskers met integraal geel uitzicht en vruchtvlees, de Belle de Saint-Trond, de Brugse Kortsteel en de Schaarbeekse Kriek overtroffen door de Kernielse Zwarte, die de tanden kleurde. In vele Limburgse boomgaarden kwamen variëteiten voor waarvan de afkomst niet meer te achterhalen is: de Glazen (kleine minderwaardige soort), de Witte Kraaibekken, de Waalsche, de Ossekoppen, de Kastanjekers. Ook in de andere kersenstreken werden lokale variëteiten geteeld: de Lokerse Kers en de Blinkaers uit het Waasland, de Wijnschijterkers, de Sinksenkers, de Blaremans en de Sloorkers uit de Brabantse kersenstreek rond Asse. In het Meetjesland trof men onder meer de Bellemse Kers aan naast de Lindekers, de Maaskers en de Tipkers.
Er zijn nog tientallen andere oude, al dan niet beschreven variëteiten, die bestemd waren voor de consumptie of de siroopketel. Zij putten hun bestaan uit hun specifieke voorkomen, reuk en smaak. Het veelzijdige soortenspectrum van de hoogstamfruitbomen votmt een onschatbaar reservoir van erfelijk materiaal. De oude, robuuste, deels wilde soorten bevatten nog de genetische informatie over weerstandsvermogen, resistentie tegen ziekten en plagen, aanpassing aan standplaats, lokale geschiktheid, smaakvariatie, kortom al die kwaliteiten die het huidige laagstamassordment zozeer mist. Oude hoogstamboomgaarden onderscheidden zich van de huidige, intensieve laagstamfruitplantages niet alleen door de aanplanting van meerdere varië-
teiten van een zelfde fruitsoort maar tevens door de variatie van fruitsoorten. Rond de eeuwwisseling zag het perenassortiment er merkelijk anders uit: de nadruk lag vooral op stevige groeiers met machtige rustieke, zwaarbeladen kruinen en een jaarlijkse productie van meer dan 1000 kg per boom. De ongeschiktheid van hun veelal ondermaatse vruchten als dessertfruit deed de hele opbrengst bij de artisanale verwerking tot siroop of azijn belanden. Van deze 'kloeke jongens' zijn nog tal van lokale types bekend en teruggevonden. Zij staan vandaag, samen met robuuste appel-, pruimen- en kersenvariëteiten, opgeplant in een van de 20 boomgaarden die de Nationale Boomgaardenstichting beheert.
DF STERRENET QF STERAPPEL Als vertegenwoordiger van de oude hoogstamvariëteiten doet de Sterappel het op fruitveilingen nog steeds zeer goed. Samen met de onverslijtbare Court Pendu is hij dé prijsmaker op kerstveilingen, met prijzen die de 100 BF/kg vaak ver overstijgen. Opgeboende vruchten zijn in de periode van Sinterklaas tot Kerstmis een lust voor het oog van jong en oud. De Sterappel is nog steeds populair en geliefd.
Herkomst Door zijn enorme verspreiding en vele plaatselijke benamingen is het onmogelijk zijn juiste herkomst op te sporen. Toch bestaat het vermoeden dat zijn oorsprong in de omgeving van Sint-Truiden, Luik of Maastricht moet worden gezocht. Het is alleszins een variëteit die in Vlaanderen kan bogen op een rijk verleden. Zij werd evenwel pas in 1830 voor het eerst beschreven. Nog steeds duiken oude synoniemen op. Ons interesseren lokale namen als Sterappel, Binnenrooikens, Wijnappeltjes, Sint-Niklaasappeltjes, maar over heel Europa is de variëteit onder nog meer dan vijftig andere namen gekend.
Beschrijving De appel is rond, renetvormig met een mooie, heldere karmijnrode kleur, veelvuldig met stervormige
bruingrijze stippen bezet. Het vruchtvlees is wit met een rode gloed vanuit de schil, vandaar de naam Binnenrooikens. Hij heeft een aangenaam zoet-rinse smaak met specifieke aroma's van kaneel en anijs.
Rijpheidstijdstip De vruchten rijpen in de tweede helft van september en moeten dan - omdat zij nogal gevoelig zijn voor vroegtijdige vruchtval - vlug worden geplukt. Daarom werden en worden de vruchten vóór de volledige kleuring geplukt. O m hun typische rode kleur te krijgen, werden zij vroeger op een laag stro uitgespreid en in de boomgaard 'te bleken' gelegd. Na enkele dagen werden zij met een 'keerborstel' omgedraaid, wat zo nodig na een drietal dagen werd herhaald. Na één tot twee weken werden zij, gelijkmatig rood geworden, verzameld en verpakt. De Sterappel bloeit laat en is zelfsteriel. Kruisbestuiving is dus noodzakelijk en levert met bestuivers als Court Pendu, Eisdener Klumpke, Golden Noble, Melanie Moerman, Lombarts Calville, Brabantse Bellefleur, Dijkmanszoet, Zoete Bloemée en The Queen een bevredigende vruchtzetting. Van de Sterappel bestaan verschillende subtypes en afwijkende vormen. Tussen de meer dan tien door de Nationale boomgaardenstichting gevonden vormen lijkt trouwens de Dubbele Sterappelhc\oittvo\.
1VI&L
• Een voorbereide aanslag op de dorpskom van Zeik (Zelem) legde in enkele uren het werk van jaren plat.
A Deze 100 jaar oude perenboom bij de kasleelhoeve van de landcommanderij
NOBELE ERFENIS
Alden Biesen is een toonbeeld van vitaliteit, gezondheid en
Ons land heeft óók op het vlak van fruitselectie en -teelt een historische positie te verdedigen. Vele van de meest gewaardeerde fruitvariëteiten, vooral peren, zijn het resultaat van het inzicht en de selecteerkunst van Belgische kwekers en liefhebbers. De eerste generatie van liefhebbers uit de streek tussen Bergen en Doornik dateert uit de late 18de eeuw. Tuinier D. Le Clerq uit Doornik vond in 1770 tussen zijn zaailingen de befaamde Calehasse a la Reine, de later alom gewaardeerde Wijnpeer. Apotheker Capiaumont uit Bergen kweekte in 1787 de vermaarde Beurré Capiaumont. Allen vonden echter hun meerdere in de persoon van pastoor Nicolas Hardenpont (1705-1774) uit Bergen, die al in 1758 een 12-tal nieuwe perenvariëteiten had geïntroduceerd. In een tijd waarin enkel harde, knapperige peren gekend waren, onderscheidden zij zich door hun boterzacht, smeltend vruchtvlees en lagen zij aan de basis van de talloze Beurré- of Boterperen. Zijn variëteiten als Beurré d'Hardenpont, Passé Colmar, Délice d'Hardenpontstaan nog steeds als excellent bekend. In het voetspoor van Hardenpont experimenteerde in Leuven apotheker en professor scheikunde Van
M&L
groeikracht (Rijkhoven).
Mons (1765-1842), de meester-zaaier onder de veredelaars. Zijn selectietheorie, die erin bestond systematisch de pitten van zijn nieuwe selecties te zaaien, leverde uiteindelijk ongeveer 500 nieuwe variëteiten op waaronder de peren Dubbele Flip, Nee Plus Meur is. Cons eilier a La Cour, Nouveau Poiteau, Comte de Flandres en de appelen Reinette Bauman en Reinette de Geer. Van Mons gaf een enorme impuls aan de creatie van uitstekende perensoorten en zijn invloed reikte tot ver in de 19de eeuw. Waren er in 1805 beschrijvingen van ongeveer 120 goede peren, 25 jaar na Van Mons' dood waren dat er 915. Martin Légipont selecteerde omstreeks 1800 op zijn goed in Charneux de beroemde Légipond-peer. Alexandre Bivort verkreeg uit zaailingen van Van Mons de pruim Belle de Louvain. In 1843 won Simon Bouvier de beroemde peer Triomphe de Jodoigne. In Mechelen selecteerde Majoor Esperen in het begin van de 19de eeuw een 40-tal peren-
variëteiten, waaronder de onvergetelijke Soldat Laboureur, Josephine de Malines, Bergamotte Esperen, Seigneur Esperen. Bij de vele pruimenvariëteiten onderscheidden zich van zijn hand de Reine Claude de Bavay en de Drap d'Or Esperen. De verwoede amateur Grégoire Nelis uit Jodoigne stelde op de Wereldtentoonstelling van 1867 in Parijs niet minder dan 265 nieuwe perenrassen voor, waaronder Madame Grégoire, Nouvelle Eulvie, Jules d'Airolles, Winter Nelis. Spannen de Belgische telers zonder meer de kroon op het terrein van de perenselecties, ook op het vlak van de andere fruitsoorten lieten zij zich niet ongemoeid. Signaleren wij bij de appelen de Reinette Descardre en de Reinette de Chènée van Benoit Descardre uit Chênée. De perziken Madame Gaujard van Jozef Dervaes uit Wetteren en Delespaul uit Waregem. Talrijk, maar veelal niet beschreven, zijn echter de plaatselijk gewonnen en geteelde variëteiten die elke regio zo typisch maken.
GEEN KERMIS ZONDER VLAAI' Bakkemuzevlaai is een van de oudste fruittaarten uit de Limburgse Kempen. Zij wordt bereid op basis van in de bakoven gedroogde peren, meestal de Bergamotte, die in gedroogde toestand gedurende jaren bewaart. De naam bakkemuze is afgeleid van de grauwgrijze, gedroogde vruchten, die er enigszins als muizen uitzien. Ter voorbereiding zet men de gedroogde pruimen een nacht in lauwwarm water te weken om ze vervolgens in een bodem water murw te koken en door een zeef te duwen of door de 'passe-vite' te draaien. Ze worden gemengd met een weinig suiker, een lepel siroop en een weinig kaneel en alles wordt tot een donkere, homogene massa, eufi genoemd, gekookt. Deze euftv/ordt over het bereide vlaaideeg uitgespreid en in de oven afgebakken.
WERK IN DE BOOMGAARD Het werk in de hoogstamteelt beïnvloedde het doen en laten van hele gezinnen en in de fruitgebieden ook hele dorpsgemeenschappen. In de winter werd er gesnoeid en werd het snoeihout, mutsaerts of mutsaards genoemd, opgemaakt (gebusseld) of gesjanst voor de bakoven. Ook het sleunen (zwaardere, achterstallige snoei) of het hakken van afgeleefde bomen tot brandhout was winterarbeid. Stammen van kers en okkernoot waren en zijn nog steeds als meubelhout en -fineer bijzonder in trek. Bij slecht weer werden de plukladders onderhouden en hersteld, werden plukkorven gevlochten en fruitkisten hersteld. In de lente kregen de afsluitingen een nazicht en de hagen een snoeibeurt. Meteen werden de stutten of stippen voor de latere ondersteuning van de zwaar beladen takken aangevoerd.
Een struise, getorste
devolle landschaps-
perenstam, mel-
elementen.
doornvruchtjes aan
Boomgaard op de
de haag, een water-
'Tjenneberg' achter
put in onbruik . . .
de kapel van
samen kleine, waar-
Helshoven (Heers)
1VI&L
M
Wü
>£
i.« K i*i
i^ V-iT,,
s. -• . '•• .rei. i
^***5
•5!' r- •
:. b J ^
•
•*' •
"" --'S* f^lJ'<
' -\S-iï?' Ik , -
K
MvS
d£l w ^ « .1 /=»
. ^ -^^i
•
> IMl < B |
|
^•-'5*.. •
• ..-i
iS3
•4 De aloude pruimen-
enlknobbel ter
de Enkele Altesse.
variëteit Monsieur
hoogte van de
Hier de boomgaard
Hatif vormt bij
veredelingsplaats:
op het Kamp in de
veredeling op stam
een jaarring van
landcommanderij
van Enkele Altesse
Monsieur Hatif is
Alden Biesen
of Enkele bakpruim
namelijk tweemaal
(Rijkhoven).
een omvangrijke
zo dik als deze van
In de zomer kwam de activiteit pas goed op gang. Zo zorgde de kersenoogst in Borgloon — Sint-Truiden voor heroïsche taferelen waarbij hele gezinnen en aanzienlijke aantallen seizoenwerkers betrokken waren. Uit de omliggende dorpen trokken de 'echte' plukkers vanaf het eerste ochtendgloren naar de boomgaarden, elkaar met hun prestaties de loef afstekend. Men was 'ne goeie' als men 100 kg kersen per dag plukte; men was 'ne crack' als men in goede omstandigheden 150 kg kersen per dag kon vergaren. Het verplaatsen van de vaak 10 m hoge fruitladders was een prestatie die meer met handigheid dan met kracht te maken had. Maar ook ónder de kruinen was het werken geblazen. Vrouwen en kinderen hielpen sorteren, wegen en verpakken. De allerkleinsten moesten de afgevallen vruchten verzamelen. Afgevallen en gebarsten kersen waren als bakfruit voor eigen gebruik en voor de lokale bakker bestemd: een in het deeg gedrukte gebarsten kers leverde een even lekkere vlaai op dan een gebak met ongeschonden kersen. Als de plukkers de fruiteigenaar mochten geloven dan waren de gebarsten kersen de beste om onmiddellijk op te eten omdat zij precies door hun rijpheid en hoog suikergehalte gebarsten zouden zijn. O m te verhinderen dat de plukkers al te veel kersen binnenspeelden, verplichtten sommige fruiteigenaars hun volk te 'fluiten' tijdens de pluk. In vergelijkbare omstandigheden volgden de pluk van pruimen, appelen en peren.
BLEKEN De niet of onvoldoende rood aangelopen Sterappels werden gedurende enkele dagen op een bed van stro in de boomgaard 'gebleekt'. Zo brachten ze enkele franken meer per kilogram op de lokale markt op.
SIRQQPBEREIDING Hoewel siroop uit veel fruitsoorten bereid kan worden, gebruikt men in ons land vooral appelen en peren. Bij peren leverden vooral de harde, wrange, droge soorten na het koken een hoog rendement op. Tot in de Tweede Wereldoorlog werden hiervoor lokale, als dessertfruit ongeschikte, perenrassen gebruikt. Zij leverden een siroop met bijzondere kwaliteiten als een mooie rode kleur en een goede smaak en rekbaarheid. Variëteiten zoals de Légipondpeer en de Gracioen-'pe.e.t leveren een siroop die blijft narekken oi draden, andere zoals Dubbel Flip, Waterzakken en Straatperen gaven een brokkelig, weinig rekbare of korte siroop. Siroop werd dus doorgaans bereid volgens eigen, angstvallig geheim gehouden, recepten uit korte en rekkende perenvariëteiten. Conférence, Doyenné du Cornice en Durondeau gaven een goed smeerbare, zoete stroop met weinig karakteristieke smaak die bijmenging met zuurdere appels zoals Keuleman en Ijzerappel {Marie-Joseph d'Othée) noodzaakte. Neutrale peren zoals de Koningspeer, de Herselosse, de Franse Peeren de Korsoneispeer gaven een siroop met een goede smaak en rekbaarheid. De Brusselse Dame leverde met minder sap toch een echte millésime onder de perensiropen en de siroop van de Kanapin- of Juffrouwpttv was specifiek schuimig en gaf een mousseachtig eindproduct.
Bij de appels moesten de variëteiten een goede sapopbrengst combineren met een hoog pectinegehalte. Vooral hoogstamvariëteiten zoals Keuleman, Boskoop, Ijzerappel {Marie-Joseph d'Othée), Jacques Lebel, Klumpke en de Bellefleurs waren ideale siroopappelen. Uit de siroopbereiding blijkt dat er geen waardeloze fruitvariëteiten bestaan: iedere vrucht heeft typische kwaliteiten en bruikbare eigenschappen. Hebben de nog in de handel verkrijgbare siropen een toekomst? Niet met moderne appelvariëteiten als Golden Delicious en Mutsu die door hun te laag pectinegehalte ongeschikt zijn voor siroopverwerking.
M&L
INKUILEN Voor winterappels als Keuleman, Ijzerappel {MarieJoseph d'Othée) en Klumpke was inkuilen in de grond, analoog aan de bieten- en aardappelkuilen, de bewaarmethode bij uitstek. De opbouw van de kuil was eenvoudig: op een in de winter droog blijvende plek werd een sleuf van ongeveer een halve meter diep uitgespit. Door het ophopen van die grond naast de sleuf ontstond een kuil van ongeveer 0,80 tot 1 m diep. Bodem en wanden werden vervolgens met roggestro bedekt. Hooi was niet geschikt omdat het snel 'verduft', beschimmelt en onaangename geuren en smaken aan de vruchten afgeeft. O p dit strobed werden de gave vruchten uitgegoten, over de hele lengte opgehoopt en met stro en grond afgedekt. In Haspengouw werden kuilen van duizenden kilo's Keuleman voor de winterhandel ingelegd. In die silo's kon Keuleman tot in mei sappig bewaard worden en hoewel het maar om een middelmatige dessertappel ging, was hij in het voorjaar, bij gebrek aan beter, toch best te genieten. Waar of niet, een in april ontkuilde Keuleman smaakte meer fris zuur-zoet en zeker minder scherp.
Achterstallig onderhoud en niet aanvullen van de open-
DE ARTISANALE INDUSTRIE EN REBUT-FRUIT
gevallen plekken zl|n momenteel de grootste bedreiging voor de hoogstamboomgaard.
De lokale industrie en handel waren afgestemd op de hoogstamfruitteelt: het transport van het fruit, eerst met paard en kar, later met vrachtwagens; de verkoop op de lokale markt, later op de 'coöperatieven' en de veiling (net over de taalgrens nog steeds 'Ie veiling') met haar venters, kopers, verkopers, laders en lossers. Talrijk waren de kleine ambachtelijke bedrijven die rechtstreeks van de hoogstamfruitteelt afhingen: de laddermakerijen, kuiperijen, kistenmakerijen, manden-vlechterijen, smederijen. Ook de imkers maakten deel uit van het bedrijf. In de verwerking van appelen en peren speelde het rebut-fruit (uitraap of kroet) een belangrijke rol. Vooral in de omgeving van Borgloon wemelde het van artisanale siroopstokerijtjes die naarstig het gevallen en uitraapfruit opkochten en tot een gezond boterhambeleg — siroop — verwerkten. Dat werd meestal als voedingsmiddel van de minder begoeden beschouwd, en zo waren de siroopverwerking en -handel een belangrijk onderdeel van de welvaart in het gebied. De inwoners van Borgloon danken er hun bijnaam aan: strooplikkers.
M&L
Verkopers trokken van dorp naar dorp met houten siroopvaten of stanzen, later met blikken 5 kg-bussen van peren-, gemengde of fantasiestropen. Een boterham met siroop, smalend stroopkotelette genoemd, was vóór de Eerste Wereldoorlog maar al te vaak dé hongerstiller. Maar ook de grote siroop- en conservenfabrieken hingen in belangrijke mate af van deze teelt. Het laatste, nog intacte bedrijf, de Siroopfabriek Wijnants in Borgloon, staat helaas te verkommeren. Dit patrimonium verdient het om als industrieel-archeologisch monument beschermd te worden. Siroop wordt bereid door vruchten in te koken. Bij het persen van de gaar gekookte vruchten komen alle vruchtensappen samen met de pectine vrij. Wordt dit sap tot de helft van het volume verdampt, dan spreekt men van diksap, bijvoorbeeld appeldiksap. Verder inkoken tot 1 5 % van het volume levert dan de siroop of stroop op.
[ANDSrHAPPELIJKE BETEKFNIS In verschillende delen van ons land vormen hoogstamboomgaarden een karakteristieke en waardevolle component van het landschap. Sterk landschapsdominerend als zij zijn en oud als zij kunnen worden, bepalen zij decennialang het uitzicht. Zo waren in en om Sint-Truiden, bij onder meer de kasteeldomeinen van Nonnemielen, Nieuwenhoven, Ter Kelen, Ter Biest en in mindere mate in heel Haspengouw, hectaren grote hoogstamboomgaarden gekadastreerd, die generaties lang nauwelijks van uitzicht veranderden. De boomgaarden bezorgden de dorpen een typische beslotenheid en kleinschaligheid; aan hofsteden gaven zij traditioneel een sierlijke inkleding en camoufleerden zij storende bijgebouwen. In Vochtig Haspengouw en het Hageland begeleidden hoogstamboomgaarden het bodemreliëf in een aantrekkelijke afwisseling met de begroeiing op de hellingen. H u n traditionele omkadering met mei-
doornhagen gaf het landschap zijn typisch besloten karakter. In erosiegevoelige gebieden zijn boomgaarden met hun grazige onderbegroeiing uitermate bodemstabiliserend, zeker wanneer zij omgeven zijn door hagen. Het gesloten bladerdek mildert de neerslag, de grasmat houdt het water vast en verhindert samen met de hagen dat de bodem uitspoelt. De enorme bladmassa van de bomen en de grazige onderbegroeiing kunnen grote hoeveelheden water verdampen zodat een regulerende invloed uitgeoefend wordt op de waterhuishouding.
HQQGSTAMVARIETEITEN IN DE BOOMGAARDEN VAN ONZE FRUITREGIO'S IN DE i q P F EN DE ^OSTE EEUW Omstreeks de eeuwwisseling was het perenassortiment in onze hoogstamboomgaarden merkelijk anders. De nadruk lag toen vooral op kloeke stevige groeiers die machtige, rustieke kruinen ontwikkelden en jaarlijks met meer dan 1000 kg vruchten, afgeladen vol hingen. De minderwaardige kwaliteit als dessertfruit en hun geringe grootte maakten dat ze haast steeds voor de artisanale verwerking tot siroop of azijn bestemd waren. Van deze 'kloeke jongens' zijn nog heel wat lokale variëteiten bekend gebleven en gelukkig ook teruggevonden. Momenteel wordt een groot deel ervan in de collecties van de Nationale Boomgaarden Stichting bewaard. Niet zo maar als een struikje in een fruittuin, maar in hun authentieke hoogstamvorm in één van de twintig boomgaardgebieden die de Nationale Boomgaarden Stichting beheert. Een soortgelijke vaststelling geldt voor de appel-, pruimen- en kersenvariëteiten. Ook hier hadden lokale eigenheden de bovenhand en dank zij hun robuustheid, hun goede aanpassing aan de streek en vaak ook hun grote resistentie, konden zij een mindere kwaliteit goedmaken. Misschien herinneren namen of opvallende fysische kenmerken in dit artikel nog aan bomen en/of boomgaarden uit eigen streek of gemeente. Mogelijk helpen ze u op weg om bij een heraanplant een eigen streeksortiment samen te stellen.
1VI&L
Boomgaarden en hagen bieden het vee beschutting tegen weer en wind. Tijdens warme zomerdagen bieden zij koelte en beschermt het bladerdek tegen rechtstreekse zonnestraling. Zij hebben, met andere woorden, een behoorlijke klimaatverzachtende werking.
• Het witkalken van de stammen werd met enkel als afdoend middel tegen het innestelen en overwinteren van insecten aangewend maar ook tegen het optreden van zonnehrand. De stedelijke boomgaard in het begijnhof van Antwerpen.
De geringe rustverstoring dank zij het extensieve beheer — een hoogstamboomgaard behoeft slechts sporadisch mechanische bewerkingen —, het minimum gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen en kunstmest, de aanwezigheid van oude, soms deels afgestorven bomen, de grote variatie van fruitsoorten, het frequent voorkomen van hagen als afsluiting rond de boomgaard, zijn de voornaamste elementen die bijdragen tot de belangrijke ecologische waarde van hoogstamfruitbomen. Zij fungeren niet alleen als stand- of verblijfplaats voor een aantal planten- en diersoorten maar ook als natuurverbindingsgebied tussen natuurgebieden en maken aldus samen met andere landschapselementen deel uit van de ecologische infrastructuur. Voor de fauna betekenen hoogstammen, naast bossen, vaak een toevluchtsoord van de laatste kans in onze grootschalige akkerbouwgebieden.
Stammen en zware gesteltakken van vooral appel en okkernoot (Juglans regio) kunnen een gevarieerde epifytenflora (5) herbergen van algen (wieren), mossen en korstmossen. Korstmossen zijn gevoelig voor luchtverontreiniging (zwaveldioxide ammoniak) en kunnen dus ook goed als indicator voor vervuilde lucht fungeren. Het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen decimeert verder hun vestigingsmogelijkheden. Hoogstammen zoals appel en okkernoot dragen dus bij tot het behoud van een gevarieerde epifytenflora zij het in iets mindere mate dan boomsoorten zoals onze eik, beuk, es en iep. Doorgaans zijn vrijstaande bomen en bomen in breed plantverband (dreven, boomgaarden) in afwezigheid van een struiketage wel soortenrijker dan bosbomen. Een typische halfparasiet op onze hoogstamfruitbomen is de maretak (Viscum album: plaatselijk ook vogellijm of mistletoe genoemd) (6). Vóór de massale opkomst van populierenaanplantingen kwam deze plant haast uitsluitend op hoogstammen voor. Onderzoek in de omgeving van Bilzen (Castro 1987) en in Nederlands-Limburg (Degraef 1980) toont aan dat de Maretak voor 7 4 % op Canadapopulier, maar nog steeds voor 2 0 % op hoogstamappel is aangewezen. In andere bomen komt deze halfparasiet zelden voor. Ook werd er een positief verband aangetoond tussen de verspreiding van de maretak, het voorkomen van de Grote lijster {Turdus viscivorus), een kalkrijke bodem en insecten als bestuivers. Het verdwijnen van de hoogstamappel en de steeds snellere kapcycli van de huidige populierenrassen zijn de voornaamste redenen voor de teloorgang van het kenmerkende landschapsbeeld van boomkronen met maretakken. Hoogstamboomgaarden met hun vrij lage bemestingsgraad dragen ook bij tot het behoud van enkele plantensoorten die gebonden zijn aan relatief lichtrijke situaties. Het ruime plantverband van de hoogstambomen ligt aan de oorsprong hiervan. Soorten zoals de zeldzaam geworden Gulden sleutelbloem {Primula veris), en de wat meer algemene Margriet {Leucanthemum vulgaré) en Veldzuring {Rumex acetosd) die men vaak associeert met graslanden en betere wegbermen, kunnen er nog gedijen. O p nattere standplaatsen (bron- en kwelzones) van vooral de leemstreek groeit nog de relatief zeldzame Reuzenpaardestaart (Equisetum telmateid). Waar hoogstamboomgaarden palen aan oud bos en oude houtkanten kan men er zelfs een bosplant vinden zoals de Eenbes {Paris quadrifolia). De glorietijd van boomgaarden op kalkrijke bodems van zui-
M&L
delijk geëxposeerde hellingen, met de tot de verbeelding sprekende zeldzame orchideesoorten eronder, is al een tijdje voorbij. Hier en daar is er nog een relict van te vinden. En dit heeft alles te maken met de afwezigheid van zware bemesting en het niet-gebruiken van herbiciden, gecombineerd met extensieve landbouw (lichte begrazing, hooien en/of sikkelen). Elders, in de sterk bemeste en met herbiciden behandelde graslanden, zijn deze kruiden al lang verdwenen.
de Kleine bonte specht {Dendrocopos minor) of de algemenere Grote bonte specht (Dendrocopos major) en aan diverse mezensoorten of aan de ook vrij zeldzame mierenetende Groene specht {Picus viridis) en de Gekraagde roodstaart [Phoenicurus phoenicurus). De Grauwe vliegenvanger (Muscicapa striata) en de Boomkruiper [Certhia brachydactyla) stellen zich vaak tevreden met vrij smalle spleetvormige holten, verborgen achter stukken loskomende schors.
Omdat het klassieke extensieve landbouwbeheer op veel plaatsen is weggevallen ziet men in de huidige hoogstamboomgaarden steeds meer ruigtekruiden opduiken zoals de Gewone berenklauw (Heracleum sphondylium).
Vogels zoals de Putter {Carduelis carduelis), in Vlaanderen nog vaak gekend onder de naam Distelvink, en de (Bot)Vink {Fringilla coelebs) bouwen hun nest in de takken. Eertijds was dit ook het geval met de Klapekster (Lanius excubitor). O p de bodem nestelende vogels zijn in de meer intensief onderhouden boomgaard vrij zwak vertegenwoordigd maar in wat verwaarloosde, nogal verruigde boomgaarden is hun aanwezigheid gelijk aan die in vergelijkbare graslanden.
Ook voor tal van vogels is het hoogstammenlandschap zeer in trek. Vooral voor vogels van open bos is dat een vervangbiotoop. Hier vinden zij nog een geschikte leefruimte in de kroon, in boomholten, zeker wanneer de (oude) boomgaarden nog omringd worden door hagen. Zo'n veertig vogelsoorten broeden regelmatig in boomgaarden. De helft ervan bestaat uit holenbroeders. Denk maar de Steenuil {Athene noctud).
Borgloon van oudsher tussen hoogstamboomgaarden mgeduffeld, wordt langzaam maar zeker van zijn 'fruit-
De hoogstamboomgaard biedt trouwens niet enkel nestgelegenheid maar ook voldoende voeding. Zo is er niet alleen de relatie tussen Grote lijster en Maretak die al vernoemd werd. De Boerenzwaluw
aureool' ontdaan: het restant van de eens zo prachtige pruimenboomgaard op de zuidflank van de Motvallei in Borgloon.
1VI&L
{Hirundo rusticd) en de Grauwe vliegenvanger gaan er op insectenjacht. Spechten en boomkruipers bemachtigen er enorme hoeveelheden ongewervelde organismen in en onder de boomschors, terwijl mezen en vinken hun voedsel vooral tussen het gebladerte opzoeken. De Buizerd (Buteo buteo) en eertijds de Klapekster gebruiken de boomgaardbomen als uitkijkpost voor de jacht. De Spreeuw (Sturnus vulgaris) voedt zich dan weer op de bodem. Hoewel geen enkele vogelsoort uitsluitend de boomgaarden benut, wijzen talrijke vaststellingen erop dat vele soorten verminderden of plaatselijk verdwijnen doordat de boomgaarden uit het landschapsbeeld verdwenen zijn. Dat geldt onder meer voor de Klapekster, de Steenuil en de Gekraagde roodstaart, de Grote lijster en in mindere mate de Zanglijster {Turdus philomelos). Ook van de Grauwe vliegenvanger zijn de aantallen drastisch afgenomen in gebieden waar de boomgaarden massaal verdwijnen. Laagstamaanplantingen, ook al zijn ze rustig gelegen, trekken de vogels niet in dezelfde mate aan als hoogstammige boomgaarden. De rijke broedvogelbevolking van hoogstamboomgaarden is voor een groot deel het gevolg van een overvloedig voedsel-
Doorheen de dreef van Dubbele Flippen wordt een blik gegund op de landcommanderi] Alden Biesen met links het boomgaardencomplex van het Kamp en op de achtergrond het Engels Park (Ri|khoven).
1VI&L
aanbod van kleine, ongewervelde organismen. Dit is op zijn beurt het gevolg van het extensieve beheer en het uitblijven van herbiciden, pesticiden en andere in de laagstamaanplantingen benutte bestrijdingsmiddelen. Hoogstamboomgaarden hebben ook een sentimentele betekenis. De vruchten van hoogstamfruitbomen die door de grootouders zijn aangeplant, worden nog vaak door de kleinkinderen geoogst. Zij verbinden generaties van mensen. Meermaals informeren kleinkinderen of de fruitvariëteit bij de woning van hun grootouders nog te verkrijgen is. Het hebben van de fruitvariëteit uit hun jeugd is al erg betekenisvol. Maar de band met de boom en met de boomgaard van de ouders of de grootouders is nog veel sterker, vooral als ze zich realiseren dat hun voorouders soms 100 jaar geleden identiek dezelfde handeling hebben gesteld. Toeristisch zijn de resterende bloeiende boomgaarden nog steeds een sterke aantrekkingspool. Gestimuleerd door de plaatselijke toeristische diensten en streek-VW's blijven bloesemtochten een revelatie. Met de huidige terugloop van het areaal kan men echter bezwaarlijk nog van boomgaardbestanden
gewagen. De resterende hoogstammen zijn herleid tot kleine landschapselementen. Het voorbeeld van het Zuid-Limburgse Sint-Huibrechts-Hern spreekt boekdelen: van de aaneengesloten hoogstamboomgaarden blijven nog slechts enkele fragmentarische percelen over. Men kijkt er over kale, aan weer en wind blootgestelde akkers heen naar de omliggende dorpskernen. Tussenin is er alleen maar storende lintbebouwing.
HUIDIGE TOESTAND De leeftijdsopbouw van hoogstamboomgaarden is een belangrijk criterium bij de evaluatie van het huidige areaal. Met hun middelmatige tot hoge leeftijden scoren zij niet goed. Als oorzaak geldt de desinteresse van de eigenaars, de handel en de industrie. Vooral hoogstamboomgaarden die deel uitmaken van een landbouwexploitatie zijn er slecht aan toe. Representatieve steekproeven onder meer in Limburg toonden aan dat er haast geen verjongingsaanplant voorkomt. Meer nog dan in de afgelopen decennia door rooiacties, leidt dit in combinatie met de natuurlijke uitval tot het decimeren van het resterende areaal.
De ontbrekende aandacht voor hoogstamboomgaarden valt ook af te leiden uit de matige tot slechte toestand waarin zij veelal verkeren. Het fruit wordt niet meer geoogst, de bomen niet meer verzorgd, de uitval niet meer vervangen. Vele jarenlang waardevolle, maar veronachtzaamde bomen zijn op sterven na dood. Het onderhoud van de hoogstamboomgaard komt qua behandeling van de fruitbomen vrij goed overeen met dat van laagstamculturen: zorg voor de stamvoet, de stam, de gesteltakken en de kruin. De graad van verwaarlozing is het best zichtbaar aan de boomkruinen. Afwezige onderhoudssnoei levert doorgaans te zware en te dichte kruinen op met te weinig jong hout. Een ander opvallend aspect van verwaarlozing is de verruiging van de onderbegroeiing: bij verwildering evolueert die van gras uiteindelijk tot bos. De best onderhouden boomgaarden zijn te vinden waar extensieve hoogstamteelt samengaat met intensieve laagstamcultuur. In dergelijke gemengde fruitbedrijven krijgen de hoogstamboomgaarden doorgaans nog de verzorging die zij vereisen en die - het mag gezegd - minder zwaar maar moeilijker uitvoerbaar is. Vooral hoogstamteelten met een goede afzetmarkt voor de opbrengst, bijvoorbeeld de hoogstamboomgaarden met succesvariëteiten
•
'^i
HI
DE BARRIER In de loop van de 19de eeuw won de fruitkweek in het vruchtbare Haspengouw aan belang. Tot dan toe bestonden er naast de spalieren in de moestuin, ook koeienweiden, kleinveeweiden en ossenweiden, die men met hoogstamfruitbomen beplantte. Zo was de fruitteelt tot de 19de eeuw eigenlijk een nevenproduct van de veeteelt. Met de ontwikkeling van nieuwe rassen en de verbetering van de kweektechnieken kwam daar verandering in, maar ook de betere verbindingen, over het spoor en over de weg, naar de stad - het afzetgebied bij uitstek — had er een aandeel in. De boomgaarden evolueerden van weiland met hoogstamfruitbomen naar fruitweiden met onderbegra-
van dessertfruit als Sterappel en Court-Pendu, wisten zich te handhaven. Ook boomgaarden met fruitsoorten met een specifieke verwerking tot siroop (perensoorten), sap of cider (appelsoorten) blijken vooralsnog economisch renderend en bijgevolg goed onderhouden. Waarom blijft men trouwens bij ons jaarlijks tonnen appelen uit het GrootHertogdom-Luxemburg invoeren om het verwerkingskwantum op peil te houden? Steenvruchten doen het beter dan pitvruchten. De kersenboomgaarden in de omgeving van SintTruiden konden een groot deel van hun oppervlakte behouden omdat de teeltwijze op halfstam en op zwak groeiende struikvormen nog niet ingeburgerd zijn.
IVI&L
zing door vee. Deze boomgaarden waren omhaagd en voorzien van een monumentaal poorthek, waarvoor in de fruitstreek een specifiek woord werd gebruikt: de 'barrier'. Zoals moestuinen waren boomgaarden vitaal en hun uitgestrektheid bepaalde mee de status van de eigenaar, of die nu kasteelheer, herenboer of kleine landbouwer was. Ook de barriers droegen daartoe bij. Samen met de hagen moesten die het vee op de weide houden en de oogst beschermen. Barriers kunnen dus eenvoudige, kleine hekken zijn, maar soms hebben ze mooie, verfijnde decoraties, die getuigen van kundig ambachtswerk. De vierkante pijlers, verzwaard met een soms geprofileerde deksteen, hebben duimen waarin het hek ophangt. Ze zijn gemetseld van baksteen, soms gespekt met natuursteen maar ze kunnen ook bestaan uit mooi geprofileerde zuilen van
DE TOEKOMST? Wat houdt de overheid en de ondergeschikte besturen tegen om, in navolging van landen als Duitsland, Zwitserland en Oostenrijk, wettelijke en bestuursmaatregelen te treffen voor het behoud van de hoogstamboomgaard als belangrijke, cultuurhistorische landschapscomponent? Vooral Nederlands-Limburg heeft de voorbije vijfjaar een achtenswaardige inhaaloefening gemaakt door achterstallig onderhoud bij te sturen en tientallen hectaren opnieuw aan te planten. Twijfelt men in Vlaanderen nog steeds aan de landschappelijke waarde van dit belangrijke cultuurgoed? Gedetailleerd onderzoek naar de graad van onderhoud van de hoogstamboomgaarden per gemeente zou ook
[IS Mill
gietijzer. De poort zelf is van smeed- en gietijzer, en bestaat uit verticale stijlen en horizontale regels waartussen de ronde spijlen en onderspijltjes het ritme aangeven. Zowel de stijlen als de makelaar zijn wel eens versierd met een gietijzeren pijnappel, een sierpot of een reukvaasje. De makelaar is soms hoger, soms lager dan de hekstijlen en verleent zodoende een oplopend dan wel afnemend beloop aan de poortvleugels. Ter versteviging is er dan een krul of een voluut aangebracht. De spijlen en spijltjes zijn gewoon gepunt of lopen uit op een eenvoudige speerpunt of hebben een meer versierde lanspunt.
laatste jaren slinkt hun aantal en belanden ze bij de bouwantiquairs. Zoals steeds is dat het gevolg van maatschappelijke veranderingen die sinds de late jaren 1950 voelbaar zijn en geleidelijk het uitzicht en het karakter van het Haspengouwse landschap wijzigen. Weer hebben de evolutie van de kweektechniek, de mechanisatie in de landbouw en het industriële karakter van de fruitteelt ermee te maken. De fruitweiden zijn nu plantages van laagstammen geworden die worden bewerkt met landbouwmachines. De barriers, berekend op de doorgang van hoogstens een paard met kar, staan in de weg en worden opgeruimd.
In het landschap van de fruitstreek moeten de barriers ooit zeer talrijk zijn geweest en het welvaren van boer en kasteelheer hebben uitgestraald. De
Chris Demaegd, kunsthistorica en adjunct van de directeur AML
bij ons op de verschillende bestuursniveaus kunnen leiden tot een toekomstgericht beleid en een aangepast beheer. Als hanteerbare waardesleutel kan bijvoorbeeld de onderhoudstoestand van de boomkruin gelden.
EINDNOTEN
Voor de privé-grondbezitter, die niet op pachtrisico's door verhuring is gesteld, kan de aanplanting van hoogstamboomgaarden een realistisch alternatief betekenen. De lagere opbrengst van kwaliteitsfruit en het aanzienlijke volume van uitraapfruit {kroet, rebut), gekoppeld aan vrij beperkt onderhoud, kan toch een aanvaardbare winst opleveren. Alle andere aspecten, zoals landschapsbeeld, geschiedenis, natuurlijke teeltmogelijkheid, extensief beheer en een gevarieerde flora en fauna, zijn pluspunten die hij er zo maar bij krijgt.
(1) Enten bestaat erin een knop, twijg of eender welk leefbaar deel van een planr (fruirvariëteit) over te planten op een gescbikte draagplant (onderstam). Dit overplanten moet zo gebeuren dat ze samen vergroeien en een gemeenschappelijk leven voortzetten. (2) Verkoolde appelresten in Heibronn am Neckar (Duitsland). (3) Oude maat: ongeveer 13 liter. (4) Palmet: leiboom waarvan de gesteltakken op regelmatige afstanden van elkaar, en evenwijdig aan elkaar opgekweekt zijn. (5) Epifyt: plant die op planten van een andere soort groeit zonder er voedsel aan te onttrekken. (6) De voortplantingscyclus van de maretak bedraagt ongeveer 10 jaar.
Foto's: Oswald Pauwels
M&L
De dubbele functie, grasland en fruitteelt die de hoogstamboomgaard in onze gewesten bestaansrecht verschafte.
RFKNOPTE BIBLIOGRAFIE
- DIRECTIE TUINBOUW, Onrendabele Fruitteelt, Min. van Landbouw en Visserij, serie Tuinbouwvoorlichting nr. 9, 's Gravenhage,
- ANONIEM, Natur in Hessen. Streuobstbau, Min. Rir Land-
-DODOENS, R., Histoire des plames, 1554, Heruitgave, 1978.
wirtschaft, Forsten und Naturschutz, 1987. - ANONIEM, Schützt die Obstwiesen, Minister für Umwelt, Raumordnung
und
Landwirtschaft
Nordrhein-Westfaien,
Düsseldotfl986. -ANONIEM, Hoogstam in Limburg... Hoe lang nog?, Roermond 1987. - BAUSCHMANN, e.a. Lebensraum Obstwiese, Naturschutzzentrum Hessen, Wetzlar, 1988, 24 p. - BERTEN, R., Hoogstamboomgaarden in Limburg, besluiten onderzoek toestand hoogstamboomgaarden in Z. Limburg, Lisec, Genk, 1990. - BERTEN, R., De verspreiding van de Maretak in Limburg, Natura Limburg, nr. 130, p. 264. - BRAND, J.M., Hoogstamvruchtbomen, stichting LONL, Utrecht, 1985. - BURVENICH, F., Snoei der Eruitbomen, Gent, 1897. - CS.P.O., Les Verger Tradidonels - refuges de vie, Birmensdorf, 1983. - CAMMAN, J.P.M., De Eruitteelt in de Betuwe, Tijdschrift Tuinbouw 2, 1896, p. 110-160. - CAROLUM BATTUM (Carel Baten), Medecyn-Boec met KockBoeck, 1593. - DIETMANN, Lebensraum Streuobstbestand, Bayerisches Staatsministerium für Landesenrwicklung und Umweltfragen, München, 1988, 23 p.
1961. - DUBUQUAY, M., Le Verger Moderne, Gembloux, 1929. - DUFOUR, F., Volledig handboek over fruitboomteelt, Oostende. Fruitkeuringen in 1934. - GABRIELS, J., Atlas van de broedvogels in Limburg. B.N.V.R. i.s.m. Lisec, Genk, 1985. - GILBERT, K., Naamlijst der Belgische Fruiten, 1890. - GILLEKENS, E.G., Arbres Fruitiers, Bruxclles, 1901. -HIEMELEERS, J., VANDERHASSELT P., Fruitteelt, Leuven, 1947. - ICKX, H.J., Voordrachten over Fruitboomteelt, Donck, 1908. - 1DEMA, L., Verdwenen
appel- en perenrassen,
RIVRO,
Wageningen, 1983. - JONKERS, D.A., De Vogelbevolking van een laagstamboomgaard. Het Vogeljaar 30/5, 1982, p. 80-282. -JOSSA, M., Een bijdrage tot de studie van de fruitteelt in ZuidLimburg, Licendaatsthesis V.U.B., Brussel. 1984. - KE1PERT, K., Alte Apfel - und Birnensorten, Landwirtschaftskammer Rheinland, Bonn 1987, 24 p. - KREEMERS, T., Hoogstamboomgaarden in Limburg, 1KL, 1986. - KUITERT, W. & FRERIKS, ]., Hovenierskunst in palmet en pauwenstaart, Rotterdam, 1994. - LAURENT, E., Boomgaarden in Haspengouw, 1900. - LEROY, A., Dictionnaire de pomologie contenant l'histoire, la description lafiguredes fruits anciens et des fruit modernes les plus
généralement connus et cultives, 3 delen. Paris, 1867-1873. - LOCHT, B., Hoogstamboomgaarden - Kleine landschapselementen in Limburg nader bekeken, 1KL, Roermond, 1990, 47 p. - MEERDERE AUTEURS, Ükologie der Streuobstwiesen, Naturschutz heute, Heft nr. 4, Naturschutzzentrum Hessen, Wetzlar, 1988, 54 p. - MICHIELS, G., Les Emits de Choix, Soc. Beige de Librairie, Bruxelles, 1889. -MICHIELS, G. et Erères, Prairies Vergers, Bruxelles 1888, p. 166 e.v. - N.B.S, Europese Fruitvariëteiten en Recepten-Europom, 1989. - Nationale Boomgaarden Stichting, Fruitvariëteiten en hun gebruik van verleden tot heden, Hasselt 1986. - Nationale Boomgaarden Stichting, De Boomgaard: zijn fruit en functies van verleden tot heden, Hasselt, 1987. - NOTERMANS, S., De Hoogstamboomgaarden in het ZuidLimburgse landschap: verleden, heden en toekomst. Thesis RHSTL, Boskoop, 1984, 94 p. - POMOLOGIA, Kwartaalblad van de Nationale Boomgaarden Stichting Postbus 49 3500 Hasselt, sinds 1985. - POPULIER, C , Liste des anciennes variétés belges de poles et pommiers, ota 3/23, Gembloux 1979. - PRACTICUS, De Boomgaard, Misset, Doetinchem, 1944. - PROVINCIALE POMOLOGISCHE VERENIGING W. BRABANT, Verslag. - ROYEN, L., Hoogstamboomgaarden, in Natuurreservaten, 1983,
-TONGEREN-BILZEN-BORGLOON - 1933 - ' T HAGELAND -1934 -ANTWERPEN-1935 -TYBERG, S., Alles ovet de Appel, 1984. -VAN DE WESTERINGH, W., Hoogstamboomgaarden in ZuidLimburg: Historie, Ligging, Bodemgesteldheid en Landschappelijke waarde, Natuurhistorisch Maandblad 64/8, 1975, p.91-92. -VAN CAUWENBERGHE, E., Pomologie, Tome II -PommesCours dArboculture Fruitière, 1943. - VAN DEN BERGH, L., Hoogstamboomgaarden - Verdwijnende vogelparadijzen in het rivierengebied. Her Vogeljaar 30/5. 1982, p. 272-278. -VAN DEN ENGEL, J.B., Gerichte snoei vormt de basis voor behoud van hoogstamvruchtbomen. Tuin en Landschap 22, 1981, p. 20-22. -VAN CAUWENBERGHE, E., Emitboomteelt, Vilvoorde, 1956. -VAN CAUWENBERGHE, E., Fruitvariëteiten: hun aard en kenmerken, Brussel, 1954. -VANDERIJST, SCHREIBER, HENNUS, Le Verger-Création et entretien. Concours de verges organise par FUnion Horticole de Tongres, Theelen-Michiels, Tongeren, 1890. - VAN HOUTTE, L, Pomone I- Nos Poires, Gent, 1873. -VOGELJAAR 1982. Themanummer over avifauna en hoogstamboomgaarden, oktober 1982, p. 233-294. - WERTHEIM, S.J., Van Boerenboomgaard naar beddenteelt. Het Vogeljaar 30/5, 1982, p. 234-240.
p. 140-147. - SCHEERLINCK, H., Ennemis des plantes horticoles, Les editions Erasme, Bruxelles, 1949. - SCHIMMEL, H.J.W., J.G. de MOLENAAR, Hoogstamboomgaarden, Het Vogeljaar 30, 1982, p. 252-257. - SEGAL, S., A Fruitfull Past: a survey of the fruit stilllifes of the Northern and Southern Netherlands from Breughel till van Gogh, Gallery P. de Boer, Amsterdam, 1983. - STICHTING HOOGSTAMBOOMGAARDEN IN LIMBURG, De Hoogstamboomgaarden in her Zuid-Limburgse Landschap: verleden, heden en toekomst, 1986. - STICHTING RECREATIE, Boomgaarden in Nederland, rapport van de beraadsgroep "Recreatie en Landbouw", Den Haag, 1971.
Ludo ROYEN (de Nationale Boomgaardenstichting, v.z.w. Vliermaal-Root) m.m.v. Hubert BATS, Mare DE BORGHER, Herman VAN DEN BOSSCHE & Paul VAN DEN BREMT, Afdeling Monumenten en Landschappen
VeerIe Meul
WONING DE BE1R ( 1 9 2 4 - 1 9 2 5 ) TE KNOKKE: DE WEDERGEBOORTE VAN EEN 'ZWART HUIS' Een zwarte vlek in het straatbeeld. Een alleenstaande woning in ongerept duinengebied en traditioneel residentieel Knokke (Brussel. SmtLucasarchief)
Het woonhuis
voor dokter De Beir, een
ontwerp
van de Brugse architect
Huib Hoste, werd
daags na de voltooiing
in 1925 'het zwarte
gedoopt stelling
en vaak pejoratief tot de eigentijdse
internationale
getoonzet,
huis'
in tegen-
vermeldingen
en nationale
bijna
in de
ronduit
A. Sartoris...,
negatief
woonhuis
was de lokale
(1). Het woonhuis
niet aan de verwachtingen
van een
in Knokke, een mondaine
aan de Belgische noordkust. bekritiseerde
in het bijzonder
iets zwaarmoedigs vreedzame
in het harmonisch te midden
levenslust.
van de
geheel, algemene
Laten wij hopen dat de
sombere vlek spoedig zal verdwijnen, op bevel van de bevoegde overheid"
desnoods (2).
architectuurpers,
zoals door j.C. Wattjes, E. Taelemans, j. Danigrand,
"een echte wanklank
En deze hoop werd werkelijkheid: receptie
eerst gesanctioneerd
beantwoordde
De woning
residentieel
vergrijzing,
badplaats
De plaatselijke
pers
de zwarte gevels als
De zwarte
door de
onderging
geleidelijk
zowel inwendig schandvlek
als
'modernen'
te
werd
goegemeente. aan een
totale
uitwendig.
verdween uit het
geheugen en leek ten onrechte de kleurloze
de kleur
collectieve
het drogbeeld
bevestigen.
van
En toch werd de woning De Beir in mei 2000 als voorbeeld van een kleurrijk jong monument in de kijker gesteld op het Docomomo-seminarie onder de titel Modern Colour Technology. Ideals and Conservation (3). Dat was dankzij de resultaten van een beperkt vooronderzoek en van restauratiewerken die aan de gang waren. Deze bijdrage is echter allerminst exemplarisch, want ze is beperkt door de noodgedwongen pragmatische aanpak. Dit modernistische topmonument is een gedegen en omvattend vooronderzoek zeker waard, maar dat is jammer genoeg geen verworvenheid. Het minimale spoedonderzoek door de Cel Monumenten en Landschappen West-Vlaanderen, dat plaatsgreep tijdens onderhoudswerken aan de woning, staat ver af van een ideaal onderzoeksscenario met bouwhistorische ontleding, waardestelling, exhaustief kleurenonderzoek, bouwtechnische analyse en diagnostiek. Ook de restauratievisie, -planning of-fasering, en de herbestemmingsproblematiek worden alleen zijdelings aangeraakt. Deze bijdrage is opgevat als een eerder itemgerichte en selectieve rapportage van enkele voorlopige bevindingen van het beperkte vooronderzoek naar de kleurige afwerking van - in hoofdzaak - het exterieur. Ondanks de beperkingen gaven de detailwaarnemingen ter plaatse een vernieuwd beeld van de woning De Beir en leidden de onderhoudswerken onder leiding van architect G. Vanhamme in de richting van een restauratieve aanpak, een hoofdmonument van het Modernisme in België waardig. Het eenvoudige herstel van het exterieur wilde bovendien de hefboom zijn naar meer begrip voor en waardering van dit gebouw en het pad effenen voor een geschikte ingebruikname.
WONING DE BEIR, EEN BESCHERMD MONUMENT?
•4 Huib Hosiv', perspectief van "Villa a MonslerHollande cormruite en béton granuleux "Korrelbeton", Revue La Cité (uit l'Habitation a bon marché. 4. 2, 1924, p. 50)
huis schiet geen 50% meer over na drie verbouwingen", "het strookt niet met karakter van de wijk", "is goedkoop gebouwd, niet tijdsbestendig"; "heeft een slechte huisverdeling", "is gevaarlijk gebouwd - een huis van Hoste stortte in te Brugge (5). Het dak en de ramen waren 'doornen in het oog' en de woning zou van miniem belang zijn in het oeuvre van Hoste. De voormalige bewoonster beschreef in haar bezwaarschrift — Overwegingen van een huisvrouw bij het huis van Huib Hoste- 'onleefbare' omstandigheden zoals motten in de kasten, potten en pannen om het condensatiewater onder de ramen op te vangen, extreme temperatuurschommelingen. Zij besloot: "na de inspanningen die wij gedaan hebben om het huis wat leefbaarder te maken zou ons een groot onrecht aangedaan worden, niet alleen op financieel maar vooral op moreel gebied" (6). Bewogen door zo veel huisvrouwenleed annuleerde de toenmalige minister de bescherming van het huis, "structureel niet van aard om het gebouw voor het nageslacht te bewaren .
T Tweejaarlijks dienden de gevels opnieuw geteerd te worden. Exterieur-opname 1925-1930 (Brussel, SmtLucasarchlel)
De beperkingen in het verhaal van het behoud, het vooronderzoek en de restauratie van de woning De Beir zijn enerzijds de lotgevallen van de bescherming als monument - een tragedie in drie bedrijven - en anderzijds de ermee samenhangende problematische beheersaspecten. Het eerste bedrijf begon in 1980, toen het Bestuur voor Monumenten en Landschappen het huis voorlopig beschermde als monument (4). In het bezwaarschrift van de gemeente dook een cruciaal speculatief tegenargument op: de woning De Beir ligt in een BPA-zone die voorziet in een woonzone voor gesloten bebouwing met zes bouwlagen. De eigenaars opperden andere bezwaren: "van Hostes
M&L
•* Zijgevel woning De Ben (Brussel. Sint-Lucasarchief)
In 1987 werd de woning De Beir voor de tweede maal voorlopig beschermd, maar amper vier jaar later werd, naar aanleiding van een aanvraag voor sloop, het Ministerieel Besluit voor de bescherming getekend. Een voorstel om de woning De Beir te transformeren en te incorporeren in een glazen hotel van zes verdiepingen, kon afgewend worden, maar hiermee was de reële bedreiging door leegstand en verval nog niet verijdeld. In 1997 startten contacten voor de uitvoering van hoogstnoodzakelijke onderhoudswerken, maar eind 1999 werd het beschermingsbesluit vernietigd door de Raad van State wegens procedurefouten. Voor de derde maal moest de voorlopige bescherming worden gemotiveerd, die inging op 14 maart 2000. Dit alles kwam het overleg over beheer en restauratie tussen de eigenaar en de Cel Monumenten en Landschappen West-Vlaanderen niet echt ten goede. Tijdens het spoedonderzoek naar dit probleemmonument was de administratie afwisselend wel en niet bevoegd op de werf.
De plintbekleding met "Boomse plavuyzen" en dievenstaven aan de
M. Smets, J. Vandenbreeden en L. Verpoest, is niet meer te negeren dat woning De Beir een van de belangrijkste exponenten is van modernistische architectuur in Vlaanderen (8). Zij wordt beschouwd als de eerste uiting van consistent Modernisme in België, een van de meest getrouwe interpretaties van de Nederlandse Stijlbeweging en Hostes belangrijkste realisatie tussen 1918 en 1930. Vanaf 1910 onderging Hoste vooral de invloed van Berlage, die de weg toonde naar een architectuur 'als ware kunst van de ruimte' (9). Tijdens de Eerste Wereldoorlog verbleef Hoste in ballingschap in Nederland, waar zijn contacten met de architecturale scene intensifieerden. In 1916 werd hij architectuurcriticus en correspondent voor De Telegraaf en haalde hij als een van de eersten de eerste editie van De Stijl enthousiast in (10). In Nederland realiseerde Hoste slechts één bouwwerk, het Belgische Monument in Amersfoort uit 1917, in samenwerking met landschapsarchitect en
HQSTES WONING DE BEIR: FEN UNIEKE VERTEGENWOORDIGER VAN DE STIJL IN BELGIË
benedenvensters; zicht op de ii|gevel, ca. 1925 (Brussel,
Ontwerpgeschiedenis
Sint-Lucasarchief)
Aan internationale architectuurhistorische erkenning van deze realisatie van Hoste ontbreekt het volstrekt niet. Al in 1965 namen A. en P. Smithson de woning De Beir op onder de 'heroic relies' in Architectural Design ij). Ook in België, dankzij de recente publicaties van M. Dubois, N . Poulain,
m
••^ï
.-.*•, • f
f4^5
De betonnen ramen (onderaan met dievenstaven)
Een trotse familie De Beir op het balkon. Woning De
maken een geheel
Beir in opbouw.
uit van de mono-
1924-1925 (Brussel,
Hete muren.
Sint-Lu casarchief)
urbanist Louis Van der Swaelmen jr. De Belgische arts De Beir bemiddelde in de toewijzing van dit ontwerp, dat de dankbaarheid van de centrale Commissie der Werkscholen van geïnterneerde Belgen aan de Nederlandse staat en het volk uitdrukte. De Beir was arts in het kamp in Zeist waar duizenden Belgische soldaten geïnterneerd waren na de Slag bij Antwerpen. Hij was een amateurschilder en kunstliefhebber en tot zijn vriendenkring behoorden onder meer Francois Gos, Wies Moens, Floris Jespers en Constant Permeke. Terug in Brugge werd Hoste belast met projecten voor wederopbouw en sociale huisvesting. Vanaf 1923 liep het aantal overheidsopdrachten terug en legde Hoste zich - zoals vele architecten - uitsluitend toe op privé-opdrachten. Dokter De Beir verzocht hem een ruime en goedkope woning te bouwen voor zijn familie, gekoppeld aan een dokterspraktijk, in de Dumortierlaan, op een vijftigtal meter van de Lippenslaan, de hoofdstraat van Knokke. De persoonlijke bijdrage van de bouwheer — die evenzeer vertrouwd was met de Nederlandse Stijlscene — in het ontwerpproces, blijft voorlopig onduidelijk, maar kan cruciaal zijn bij een verdere duiding van de woning De Beir. Hoste stelde dat "woning en bewoner in dezelfde toonaard moeten gesteld zijn, dat zij een harmonieus geheel moeten uitmaken (11). De woning De Beir zou een 'manifesto van het wonen' worden. Zij werd opgetrokken met een redelijk budget, en beoogde praktisch, pragmatisch, functioneel en dus mooi te zijn. De originele ontwerpen van Hoste voor de constructie van het huis zijn onbekend. O p een beschikbare
perspectieftekening van Hoste is het begrip decompositie bijzonder aanschouwelijk. Het volume bestaat uit hoofdvlakken, de gevels, met secundaire vlakken, zoals de vensterregisters en de plint, en secundaire volumes, zoals het balkon en de schouw. O p dakniveau zijn de gevels apart gearticuleerd. De dakplaat springt aan de zijgevel uit tussen de voorgevel en de schouw (12). In menig opzicht wordt de woning in verband gebracht met het Schroederhuis van Gerrit Rietveld, dat rond dezelfde tijd ontstond "door de plaatsing vooraan in het huizenblok, door de plattegrond die wordt uitgewerkt vanuit het zenitaal verlichte trappenhuis en door de
Dr. De Beir in de woonkamer van het Moste huis (Brussel. Smt-Lucasarchief)
• Zijgevel "De Beir",
Achtergevel
1925-1930 (Brussel,
"De Bcir",
Sint-Lucasarchiel)
1925-1930 (Brussel, Sint-Lucasarchie()
ruimtelijkheid van de woonkamer, die zich op de bel-etage bevindt" (13). De architecturale ruimte kon enkel tot stand komen door pragmatisch gebruik te maken van nieuwe, experimentele en gestandaardiseerde bouwmaterialen en -technieken. Vanaf 1920 was Hoste een voorvechter van standaardisatie voor de economische voordelen en de mogelijkheden om urbane landschappen te creëren. Gekende voorbeelden zijn de arbeidershuizen in Zelzate (de tuinstad van Klein Rusland, i.s.m. Van der Swaelmen, 19211923) en Sint-Lambrechts-Woluwe (Kapelleveld, i.s.m. Van der Swaelmen A. Pompe, P. Rubbers en J.F. Hoeben 1923-1926). De betonconstructie was een essentiële katalysator tot een nieuwe vormgeving; een nieuwe esthetiek van de moderne woning en tuinwijk. ledere beschouwing van de woning De Beir dient de bijzonderheid van de toegepaste bouwmaterialen en constructietechnieken aan te raken. J. Vandenbreeden stelde dat door "het ongewoon gebruik van gestandaardiseerde materialen en het toepassen van doodeenvoudige technieken ... een vreemde en nieuwe esthetiek ontstond" (14).
Gestandaardiseerde bouwmaterialen Het sintelbeton Essentieel voor het 'voorkomen' en de textuur van het modernistische volume van de woning De Beir was het gebruik van het sintelbeton (15). Hoste leverde hiermee een bijdrage aan de ontwikkeling
M&L
en de ruimere toepassing van deze nieuwe techniek in de particuliere woningbouw. De bouwmeester bezat een uitvoerige technische documentatie over huizen in gestort beton en was vermoedelijk de auteur van diverse verslaggevingen in De Telegraaf wan studiebezoeken aan Frankrijk vanaf 1921 (16). F. Seroen rapporteerde in La Cité de Belgische onderzoeken naar de toepassing van dit bouwmateriaal, ondernomen door de Soeiété Nationale des Habitants et Logements a bon marché (17). De maatschappij, die ernaar streefde de kostprijs van de sociale woning te drukken, leidde een experimentele bouwwerf voor alternatieve bouwmaterialen en technieken onder leiding van architect Jean Eggericx. Daar werd de internationale bouwtechnische scene met systemen van 'béton maigre' grondig bestudeerd en beproefd (18). De Soeiété prefereerde het Haagse 'Korrelbeton'-systeem van ir. W. Greve jr. (19). Seroen beschouwde enkel een kaleilaag op basis van cement, aangebracht met de borstel o( 'cement gun', die de typische structuur van het monolithische materiaal niet verdoezelt, geschikt als afwerking. Een dikke cementbepleistering daarentegen werd als schadelijk beschouwd. Theoretisch werd schade door opstijgend grondvocht in de betonwanden uitgesloten, maar opspattend regenwater en modder bleken funest. De auteur vermeldde Nederlandse remedies zoals de bekleding van de plinten met steengoedtegels en teer. De Belgische overheid stimuleerde het perfectioneren van deze constructiemethode. De minister van Economische Zaken droeg in 1923 ir. Fernand Michel op een gestandaardiseerd bekistingssysteem te ontwikkelen. De Belgische Staat nam een patent
De vraag lijkt opportuun of de woning De Beir uit 1924-1925 de eerste toepassing is van dit systeem in de particuliere woningbouw. Hoste specificeerde de samenstelling in het bewaard gebleven bestek: 900 1 hoogovenslakken, 900 1 sintels en 150 kg Portland cement (22). Ramen en deurkaders werden in de glijdende bekisting geplaatst die na vijf dagen verwijderd werd (en hergebruikt). De uitspringende luifels en balkons en de zuilen, die uiteindelijk de vernieuwende volumewerking tot stand brachten, zijn vervaardigd van gewapend beton. De vloeren werden gevormd door holle Hennuyères-elementen, verankerd en volgestort met cement.
(_^rrr
Livi na Qoor-i
liiiMjiHiiHijiiiinirr]
[mnnri^ijiiiiUiil
BALCOn
Plattegrond Livmgsalle a manger met meubelarrangement (uit Encyclopédie des Hétiers d'Art. Decoration moderne, dl. I, p. 80)
op dit systeem, 'Celtic' genaamd, dat voor het eerst werd toegepast in Kapelleveld (20). Ook het Ministerie van Industrie en Arbeid bestudeerde in 1924 het gebruik van béton maigre in de constructie van goedkope woningen. De chronique des travauxpublics publiceerde over de economische voordelen van deze bouwwijze in vergelijking met de traditionele constructies. De prijs van een kubieke meter baksteen was tussen 1914 en 1924 vertienvoudigd. De brandvrije en hygiënische aspecten van dit bouwmateriaal trokken eveneens de aandacht van de Cornell supérieur d'hygiene publique. De toenmalige architecten hadden een ongelimiteerd geloof in dit bouwmateriaal. Het economisch gebruik van materialen en handenarbeid was tevens een voorname zorg van Hoste. In Van Woningen Bouwen uit 1930 propageerde hij nog steeds het sintelbeton (21). Hij stelde dat de monolithische muren hygiënisch zijn, vuurvast, poreus, condensvocht-absorberend, geluids- en temperatuurisolerend en 'makkelijk nagelbaar', wat belangrijk was voor de interieurinrichting.
De schouw werd in baksteenmetselwerk opgetrokken. Hoste gebruikte tevens een traditioneel bouwmateriaal voor de bekleding van de betonnen plint, 'Boomse plavuyzen'. Volgens het bestek zou een gespoten of geworpen in de massa gekleurde cementlaag het sintelbeton afdekken. Ramen De grote vensterpartijen bestaan uit een combinatie van gestandaardiseerde raamkaders, in Hostes bestek gespecificeerd als 'Cimarmé'-ramen. De catalogus uit 1924 van het bedrijf Cimarmé in Loth toont de diverse types van gewapend beton, couranter toegepast in de bouw van fabrieken en sociale huisvesting (23). Doordat ze in de bekisting geplaatst worden, vormen de ramen een constructieve eenheid met de monolithische muur. De geprofileerde ijzeren ramen in de betonnen kaders werden door dezelfde firma verdeeld. Het glas in de grote ramen werd beschreven als gepolijst glas van A M G E C . Het heldere spiegelglas van de Association des Manufactures de Glaces de l'Europe continentale liet overvloedig daglicht binnen (24). De bovenlichten werden beglaasd met een 'halfdubbel ondoorzichtbaar glas\ onmiddellijk gemastiekt in de betonnen ramen. Ventilatieroosters dichtten enkele bovenlichten af (25). De openende ramen zijn traditioneel vervaardigd in rode 'Noorse' den en eikenhouten onderdorpels. Voor de veiligheid hadden de vensters van de begane grond smeedijzeren tralies, met een speels kubusvormig element.
Plattegronden en inrichting De betonnen vloeren en pijlers boden onbeperkte mogelijkheden voor een vrije invulling van de plattegrond. De bewoners werden verondersteld de kamers naar believen bijeen te voegen of op te
- 4i3P^* Souterrains.
Rez-de-chaussée.
Villa a Knocke.
1" étage.
2me étage.
Arch. H. Hoste.
Plattegronden Villa De Ben,
M&L
(Le Document, delen. De oorspronkelijke plattegronden werden Brussel. 7e serie, 3, gepubliceerd (26). Hoste beschreef de algemene lay-out en de inrichting van de woonkamer in Opbouwen, een maandblad dat hij in 1928 had opgericht (27). O p de begane grond liggen de dienstruimten. De keuken bedient de eetkamer op de eerste verdieping via een spijzenlift. De dokterspraktijk is toegankelijk via de achterzijde van het huis. De centrale traphal is rijkelijk zenitaal verlicht en verbindt werken, wonen en slapen. Licht is cruciaal in Hostes woningconcept. Een nachtopname toont enerzijds de nadruk op kunstlicht en moest anderzijds aantonen dat de woning overdag overvloedig daglicht kon binnenlaten (28). De eetkamer, de woonkamer en het kantoor vormen een grote, L-vormige living room met een geïntegreerd balkon, dat het exterieur in het interieur binnenbrengt. De multifunctionele ruimte wordt gescheiden van de achterliggende ouderlijke slaapkamer en de badkamer door een aantal treden. O p de tweede verdieping liggen de speelkamer en
de slaapkamers van de kinderen en de gasten, met comfortabele inbouwkasten. Voor het ontwerp van de wanddecoratie van de living room tekende interieurarchitect en kunstschilder Victor Servranckx (1897-1965), die beschouwd wordt als de eerste Belgische abstracte schilder. De uitvoering van een ontwerp voor de gang en het trappenhuis werd om financiële redenen afgelast (29). Enkel de veelkleurige geometrische wanddecoratie in de living room is voorlopig met zekerheid aan Servranckx toe te schrijven. Hoste voorzag aanvankelijk een granitovloer, maar uiteindelijk werd geopteerd voor een keramische tegelvloer met 'Schiedam-tegels' (10cm x 10cm), die ook de meubelsokkel bekleden (30). Mogelijk is deze wijziging naar een polychrome vloer met geometrisch patroon toe te schrijven aan Servranckx. Hoste stond garant voor het concept van het meubilair. "De meubels van het woonhuis te Knocke werden met het woonhuis gekoncipieerd ... Het is geïntegreerd, architecturaal, onverplaatsbaar". De spijzen-
lift met omkasting "werkt als een los voluum, dat tevens dienst doet als windscherm bij de deur die vlak ernaast staaf (31). Een plattegrond met een volledig meubelplan van de living room werd gepubliceerd" . Volgens het bestek werd het meubilair vervaardigd uit okoumé triplexplaat en olmenhout (33). Hoste vermeed het camoufleren van functionele elementen: de ventilatoren in de ramen, de onbedekte ribbenradiatoren, vernikkelde witmetalen deurknoppen en spanjoletten zijn prominent aanwezig (34). Kleur, wand en meubel vormen één plastisch geheel, 'de architecturale ruimte'.
Van uitbreiding naar vergrijzing en banalisering
• Uitbreiding door arch. Verbrugh. in Clartè, ca. 1930
Zes jaar lang was de woning De Beir, geconcipieerd als een hoekhuis, een open bebouwing. De blinde zijgevel, een wachtgevel, was voorlopig met de andere gevels zwart afgewerkt. In 1930 werd de woning naar ontwerp van architect Florimont Vervalcke uitgebreid met een nieuw volume op het openliggende aangrenzende perceel. Het vormde een eenheid met het huis van Hoste en was een waardevol voorbeeld van begeleidende invularchitectuur. Toen dit huis in het voorjaar van 2000 gesloopt werd om plaats te maken voor een appartementsgebouw van zes bouwlagen, betekende dat een bijkomende aanslag op de belevingswaarde van de woning De Beir. Na de dood van dokter De Beir in 1945 werd het huis bewoond door zijn dochter, Godelieve, en haar echtgenoot, mondarts Eugène Mattelaer. Zij pasten het aan hun behoeften aan. In 1949 maakte Hoste het ontwerp op om de ramen in de zijgevel van de benedenverdieping te wijzigen, gekoppeld aan de herverdeling van de begane grond (35). O m ongekende redenen werd Hoste bedankt voor zijn diensten en de familie Mattelaer-De Beir wendde zich tot een andere architect, August Verbrugh, die de opdracht kreeg het huis drastisch te transformeren. In 1949-1950 werden de gevels bekleed met een zwaar getextureerde, dikke grindcementering. Even ingrijpend was het voornemen alle betonnen ramen uit te breken en te vervangen door stalen lintelen en houten ramen. Dankzij moeilijkheden bij de vervanging van de vensters met dievenstaven op de begane grond, werd van deze aanpak afgezien voor de verdiepingen. Uiteindelijk werd ook de betegeling van de gevelplint verwijderd en vervangen door een blauwe hardstenen bekleding. Een derde praktijk breidde het gebouw aan de achter-
{Clarté, juli 1933, p. 12)
zijde uit. O p het balkon aan de achterzijde werd een pergola geplaatst en werd de raampartij met het Frans venster van de ouderlijke slaapkamer vervangen. Het ijzeren vensterraam van de living room aan de balkonzijde werd verlaagd en vervangen door een houten raamwerk. Ook de trappenhal werd
T H. HOSTE, Volumeschets/ perspectief woning De Beir, 1924 (Leuven, Universiteitsarchief, Archief van Huib Hoste)
M
Gestandaardiseerde betonnen ramen m de Cimarmécatalogus van 1924
gewijzigd en het interieur onderging een heuse ontkleuring, in een poging het te conformeren aan het uitzicht van een doorsneewoonhuis. Hoste zou in 1952 bij een huisbezoek wanhopig hebben uitgebracht: "dit huis is mijn huis niet meer, het werd volledig verbouwd"{'bG). Ook de eigentijdse wetenschappelijke literatuur stelt wat pessimistisch dat het interieur van Hoste en Servranckx volledig verloren is gegaan.
VOORONDERZOEK Bij de voorbereiding van de onderhoudswerken van het exterieur bracht architect G. Vanhamme (bureau GUS, Brussel) oorspronkelijkheid en wijziging van de gevels van de woning De Beir in kaart. Dit resulteerde in reconstructieschema's van de voor- en de zijgevel, gebaseerd op de beschikbare iconografische bronnen, de gepubliceerde plannen en het bewaarde bestek van Hoste. Maar enkele lacunes bleven bestaan in deze configuraties en het kleurenschema bleef een open vraag aangezien expliciete gegevens volledig ontbraken. Enkele belangrijke vragen, in hoofdzaak over de kleurige afwerking, werden beantwoord in het (door voornoemde omstandigheden) beperkte spoedonderzoek dat zich niet enkel op de verflagen toespitste maar op alle gevelaspecten die kleur, textuur en structuur aan de gevels verlenen. Het vooronderzoek in situ was gericht op het waarnemen, detec-
teren, vrijleggen, bemonsteren en identificeren van de diverse gevelmaterialen en verflagen (37). Dit werd getoetst aan de bestaande literatuur en verder selectief archief- en iconografisch onderzoek. De vondst van fotografische opnames uit de periode 1924-1949 was hierbij cruciaal (38).
De betegelde plint Een van de eerste vraagstellingen spitste zich toe op de aard van de originele plint. De betegelde plint markeerde het onderscheid tussen het werk- en het woongedeelte van het huis, maar was door Hoste wellicht op de eerste plaats functioneel bedoeld, als bescherming van de sokkel naar voormelde Nederlandse gewoonte. De kleur van de plint van de woning De Beir was het onderwerp van de eerste 1999 Interbellum-tAmz, waarbij de vertwijfeling over geel of rood geschetst werd (39). Een eigentijdse bron vermeldde evenwel "un placage de carreaux rouges mat de grand formaf (40). Een deel van de originele plintbekleding bleef bewaard aan de achterzijde, wit overschilderd. De betegeling bestaat uit vloertegels in rood ongeglazuurd aardewerk van 20 x 20 x 3 cm, algemeen bekend als 'Boomse plavuizen'. De scherf is bijzonder onzuiver van structuur en kleur (variatie van rood naar bruin). Ze werden in halfsteens verband geplaatst in een cementmortelbed met een lichtokerkleurige voeg (bastaardmortel). Gezien het aanzienlijke pakket verflagen moest worden nagegaan of de tegels
^ • » i
5
* •
%
i
j
-4A Analyse afwerking aardewerktegel. Electronenmlcroscopic met 5 waarneembare afwerklagen. I en 2 zijn de baksteenrode afwerking (Uit E. DE WITTE, Knokke-Heist. Villa De Beir. Analyse
-^i'—<..4^- 'r.^',; '
afwerklagen (onuit-
^^*£?TR
geg. Analyserapport
•rvs
Baksteen
oorspronkelijk afgewerkt waren. Het verslag van de laboratoriumanalyse stelde dat de eerste baksteenkleurige tweelagige afwerking (aanwezig op scherf en voeg) van meet af aan de tegels bedekte (41). Haast alle iconografische documenten van de jaren 1920 en 1930 gaven het tegendeel aan: markante lichte voegen en kleurenvariatie van een onbedekte scherf zijn duidelijk zichtbaar. Pas vanaf de veranderingswerken aan de gevel omstreeks 1950 kan op de fotografische opnames een schildering van de plint vastgesteld worden.
Gevelafwerking Tot nog toe werd geen analyse uitgevoerd van het sintelbeton en zijn afwerking in cement. Het vrij-
:«-
KIK). Brussel, 2000)
.v j
leggen van de originele cementcoating onder de grindcementering van circa 1950 is geen sinecure en waarnemingen gebeurden enkel binnen lacunes in de toplaag. Er werd geen gekleurde cementering aangetroffen conform Hostes lastenboek, maar wel een zwarte afwerking op een dunne ongekleurde cementmortel. Commentatoren van toen gewaagden van een enduit noir die 'het zwarte huis' zijn gestalte gaf (42). De fotografische opnames tonen de onstabiliteit van deze zwarte afwerking. Mondelinge bronnen stelden dat iedere twee jaar het huis opnieuw gezwart werd met een geborstelde teerlaag. In situ werden belangrijke restanten van een filmogene zwarte afwerking teruggevonden, in hoofdzaak onder de lekdrempels van de vensters. Laboratoriumonderzoek wees bitumen als hoofdbestanddeel uit (43).
In de eigentijdse en de hedendaagse literatuur over de woning De Beir wordt gesteld dat de witte vensters dramatisch contrasteerden met de zwarte geveloppervlakken. Andere kleurnuances bleven onvermeld. Bij het spoedonderzoek werden alle houten, betonnen en ijzeren onderdelen van de ramen gesondeerd.
• Exterieuropname voorgevel woning De Beir in 1997 (folo Monumenten en Landschappen West-ïlaanderen)
De originele afwerking van de betonnen ramen bleek inderdaad een witte verflaag op een dunne egaliserende cementmortel (44). Ook de ijzeren raamdelen waren wit afgewerkt (45). Laboratoriumanalyse geeft titaanwit aan als pigment van de eerste witte afwerkingslaag. Deze witte kleurstelling werd een vijftal keer herhaald met onder meer lithopoon en zinkwit. Een markante afwijking van dit kleurenschema was een aluminiumverf die zowel op de betonnen en de houten als de ijzeren ramen aangebracht werd. Het onderzoek van de brede raampartij van de eerste verdieping leverde anderzijds opvallende kleuraccenten op. De diepe dagkanten van de vierkante ramen waren origineel menierood afgewerkt met een witte boord (46). Dit kon tevens opgemerkt worden op enkele fotografische opnames uit circa 1924-25.
• Exterieuropname njgevel woning De Beir in 1997
De steekproeven en bemonsteringen van het verflagenpakket op de houten ramen wezen uit dat de eerste afwerking een groene oliegebonden verf was (47). Dit gold ook voor de houten raamvleugels op de tweede verdieping. Foto's kunnen deze groene kleurstelling voorlopig niet confirmeren. Tot nog toe tasten we tevens in het duister over de eventuele kleurenvariatie van het gestructureerde glas in de bovenlichten.
(foto Nonumenten en Landschappen West-Vlaanderen)
O p de luifels, de kroonlijst en het balkon werd geen spoor van de zwarte afwerking aangetroffen; enkel een recente witte verflaag. Mogelijk moest de originele gladde cementering met een lichtoker, rozige kleurzweem in de massa onafgewerkt blijven en contrasteren met de zwarte, zwaarder getextureerde parementcementering. Anderzijds lijken enkele vroege opnames een verweerde lichtgekleurde verflaag op het balkon te suggereren. Het lijkt eveneens plausibel dat de afwerking van het balkonvolume meeging met de okergele kleurstelling van de ingangstravee.
Ingang Hoste besteedde bijzondere aandacht aan de articulatie van het ingangsportaal, als een okergeel volume in het gevelvlak geschoven. Het gele baksteenparement (staand verband) was afgewerkt met een okergele voegschildering. Dezelfde okerkleur was markant op het betonnen linteel boven de toegangsdeur.
Algemeen kleurenschema Kleurschema van de ramen Ook over het kleurenschema van de ramen zwijgt het bestek; het stipuleert enkel dat de verf aangemaakt moest worden met natuurlijke grondstoffen.
Het beperkte vooronderzoek levert een beeld van een gevelkoloriet op waarin naast zwart en wit primaire kleuren domineren, met enkele accenten in een complementaire kleur: de groene ramen tegen de rode dagkanten. De origine van dit kleurencon-
cept blijft voorlopig onbekend en werd nergens toegelicht noch in het lastenboek, noch in latere geschriften van Hoste over de woning. Hoger werd reeds gesteld dat de rode plint wellicht veeleer om functionele redenen bestond, dan wel om esthetische beschouwingen. Ook de vraag naar het waarom van de zwarte gevelafwerking blijft onbeantwoord. Voldeed de dunne cementlaag qua aspect of qua waterdichtheid niet? Het staat vast dat de gevel bij de voltooiing gezwart was, dus was dit wel Hostes concept. Er moet afgewogen worden of de zwarte teerlaag voor de waterdichting van het geheel bestemd was, dan wel een zuiver esthetisch kleureffect beoogde. De onstabiliteit van deze laag verklaart wellicht waarom later een grindcementering werd aangebracht, waarmee getracht werd de door de bewoners gesignaleerde vochtproblematiek te verhelpen. De kleur van de gevels blijkt bij de bronnenstudie van de ontwerp- en uitvoeringsgeschiedenis eerder een nevenaspect van Hostes concept. Misschien was de waterdichting een hoofdbekommernis en gold uiteindelijk ook daar: wat functioneel is, is bijgevolg ook mooi (48). Kleur is immers niet losmakelijk, noch willekeurig, van de architectuur als structuur, als systeem. In Hostes beschouwingen over de woning De Beir stond steeds het interieur van de living room centraal, nooit de afwerking van het exterieur.
Interieur Door de voortschrijdende exterieurwerken werd de afwerking van het raamschrijnwerk aan de binnenzijde prioritair gesondeerd, met name op de vierkante ramen met diepe dagkanten die sterk in het interieur inspringen. De houten ramen en de vensterbanken aan de binnenzijde waren grafietzwart gelakt. O p de tweede verdieping waren alle houten vensterbanken aanvankelijk in basaltgrijs geschilderd, de raamvleugels en de betonnen monelen in beige. O p zoek naar de in de literatuur aangehaalde muurschildering van Servranckx werden de wanden van de living room zeer beperkt gesondeerd. Onder een aantal witte synthetische verflagen werd een turkooisgroene latexverf vrijgelegd, aanwezig op alle wanden en het nog aanwezige meubilair en binnenschrijnwerk. Deze afwerking correspondeert met de mondelinge (en verder na te trekken) informatie dat kunstschilder Floris Jespers dokter De Beir in de jaren 1930 adviseerde zijn collectie expressionistische schilderijen te presenteren tegen een groene muur. Onder deze verffilm werden geen
• Wanddecoratie in
Pari|se tentoonstel-
behangselpaplcr in
llng Arts Décoratifs
bureau-fumoir i.s.m.
van I92S (Brussel,
Servranckx op de
Smt-Lucasarctilef)
1VI&L
muurschilderingen aangetroffen, enkel egaal gekleurde behangselpapieren, gelijmd op de binnenbepleistering. Werd de door zwart-witfoto's rijk geïllustreerde geometrische wanddecoratie uitgewerkt in behangselpapieren? Hoste maakte gewag van een muurdecoratie naar ontwerp van Servranckx, nooit van muurschilderingen (49). Relevant was tevens dat Van Tonderen in een artikel over 'het hedendaagse interieur' in Opbouwen een oproep deed om een geschilderde, kleurvaste, gemakkelijke en afwasbare muurdecoratie te vinden, die het gebruik van het nadelige behangselpapier zou vervangen (50). Redacteur Hoste merkte hierbij op dat behangselpapier "niet de gedroomde oplossing (is). In afwachting van beter oplossingen hebben wij vaak het behangselpapier in vlakke kleuren aangebracht... In de Hoste-archieven in Brussel wordt een papiermonster van identieke samenstelling bewaard. Bovendien blijkt bij gedetailleerde waarneming van fotografische opnames van Hostes bureau-fumoir op de Parijse tentoonstelling Arts Décoratifs van 1925, Servranckx' wanddecoratie ook uit banen behangselpapier te bestaan. Hoste schreef over het bureau fumoir dat de "muren zodanig behandeld (waren) dat er geen enkel schilderij bij van pas kwam "(51). Verder onderzoek dient zich aan naar deze papieren wanddecoratie, die wellicht niets te maken heeft met Servranckx' ontwerpactiviteit van 1917 tot 1925 voor de behangselfabriek UPL (Usines PetersLacroix, Haren): (veelal kleinschalige) patronen voor een geïndustrialiseerde behangselproductie (52). De muurdecoratie van de woning De Beir betreft een unieke compositie van gekleurde papiervlakken, een eenmalig abstract kunstwerk. Piet Mondriaan liet omstreeks 1919 tegen de wanden van zijn Parijse en later zijn New Yorkse atelier, gekleurde kartonnen vierkanten en rechthoeken aanbrengen. N . Poulain meent dat dit type van wanddecoratie bezwaarlijk als 'behang' bestempeld kan worden (53).
Naast de vaststelling van de aanwezigheid van de originele muurdecoratie was de ontdekking van de tegelvloer, waarvan aangenomen werd dat ze weggebroken was, tevens een verrassing. Aan de balkontrede werd onder het parket van 1950 en de ondervloer een ombergrijze tegelvloer aangetroffen, in steengoedtegels van 10 x 10 cm. Ook de bibliotheekkast en de inbouwkasten van de living room blijken na onderzoek vrijwel intact bewaard. Verder vooronderzoek zal wellicht nog meer licht werpen op het authentieke voorkomen van het Hoste-Servranckx-interieur én op zijn verborgen materiële aanwezigheid.
Interieur bureelzijde
Achter-en zijgevel
living room met
woning De Beir
bibliotheekkast,
zomer 1999
2000
((oto Monumenten
(foto Monumenten
en Landschappen
en Landschappen
West-Vlaandcren)
West-ïlaanderen)
• Eetkamer met langse buffetkast en
VAN QNDERHQUDSWERKFN NAAR EEN RESTAURATIE VAN DF KI FURIFiF VERSCHIJNING
spljzenllft, op tegelplint (1925-1930) (Brussel, SintLucasarchlef)
De onderhoudswerken gingen aanvankelijk uit van het herstel en de renovatie van de dakbedekking en de goten, de stabilisatie van de barsten in de buitenmuren en het herstel van de cementering. Uiteindelijk bleek na het beperkte vooronderzoek met evaluatie van de latere ingrepen, de optie voor de reconstructie van het uitwendige van Hostes 'zwarte huis' haalbaar en opportuun. Deze werken gebeurden volledig in eigen beheer van de eigenaar, zonder overheidssubsidie. De gevelconfiguratie, waarin de vensterregisters cruciaal zijn, werd hersteld. De betonramen op de benedenverdieping en de verdwenen ramen op de verdiepingen van de achtergevel werden gereconstrueerd en de bestaande hersteld. Enkel de dievenijzers op de benedenverdieping werden niet gereconstrueerd. De betegelde plint werd getrouw heruitgevoerd in nieuwe rode Boomse aardewerktegels. Enkele minder omkeerbare en functionele transformaties bleven behouden, zoals de uitbreiding met de tandartspraktijk aan de achterzijde van het huis. De pergola werd van het balkon weggehaald en de balustrade ervan onderbroken om het onderscheid tussen origineel en uitbreiding te beklemtonen. Ook de afwerking benadrukt de eigenheid van deze achterbouw; de grindcementering bleef onafgewerkt in haar grijze tonaliteit.
M&L
•J H H I Hi WÊÊt • Inkompartij achter-
Detail onder lek-
werking (4), gnnt-
Hoste-vloer met
gevel, tegelplint met
drempel venster
cementermg jaren
Schiedam-tegels
pakket afwerklagen
voorzijde ( I ) ; sintel-
•50 (5)
onder parket en
(foto Monumenten
betonoppervlak (2),
(foto Monumenten
ondervloer
en Landschappen
cementermg (3),
en Landschappen
(foto Monumenten
West-Vlaanderen)
restanten zwarte af-
West-ïlaanderen)
en Landschappen West-ïlaanderen)
Voor Hostes gevels werd resoluut en consequent voor een reconstructie van het originele kleurenpalet gekozen. Aanvankelijk werd de kleur met behulp van standaardkleurenwaaiers RAL en N C S gecodeerd op de stratigrafieën. Ook de textuur en andere materiaaltechnische aspecten werden genoteerd om de authentieke lagen zo goed mogelijk te omschrijven. De resultaten werden gevisualiseerd door inkleuring van de geveltekeningen. Na de laboratoriumanalyses werd vooral de kleur van de rode dagkanten aangepast aan de onderzoeksresultaten en meer naar een loodmenierood gebracht. Er werd met moderne verfproducten gewerkt. Diverse proefvlakken werden op grote schaal uitgezet en uiteindelijk werd een kleurcodering vastgelegd als referentie voor toekomstig onderhoudsschilderwerk. Het verwijderen van de harde grindcementering uit 1950 bleek meer nadelen dan voordelen op te leveren en er werd geopteerd ze zwart af te werken, om het originele uitzicht van een dunne teerlaag te benaderen. Een zwartbruine siloxaanverf koppelde dit visuele aspect aan verbeterde technische eigen-
schappen. De betonnen ramen werden selectief afgeschuurd met behoud van de oudste afwerklagen en overschilderd in de originele contrasterende kleurstelling. De vernieuwde houten ramen en de behouden stalen ramen werden tevens in hun originele kleurstelling gebracht. Het 'zwarte huis' herrees uit zijn as. En lokt opnieuw felle reacties uit. De restauratiewerken werden genomineerd voor de Vlaamse Monumentenprijs; een onverwachte wending van een zorgelijk monument, een zwart schaap in de Vlaamse monumentenzorg. Maar door onzekerheden over de bestemming bleef de prioritaire vraag naar het maximale behoud van het interieur onbeantwoord. Het vooronderzoek, de voltooiing van de restauratiewerken met reconstructie van Hostes gevelconfiguratie en kleurenpalet en de aandacht van de pers en omwonenden hiervoor werden de gangmakers naar een constructieve samenwerking met de eigenaar en ontwerper voor de aanpak van het interieur (54). Een geschikte gebruiker voor huis "De Beir", ooit een ontmoetingsplaats voor Vlaamse prominente kunstenaars, is gevonden in een galerijhouT
•
M&L
T
Kleuronderzoek eerste afwerklaag
rand, groen vast en
Detailopname
voegschildermg
Detailopname
inkompartij voor-
(foto Monumenten
inkompartij voor-
(foto Monumenten
vierkant raam;
opengaand raam-
gevel: gele baksteen
en Landschappen
gevel: okerkleunge
en Landschappen
buiten: rode dag-
kader; binnen:
met okerkleunge
West-Vlaanderen)
betonlmteel
West-Vlaanderen)
kanten met witte
zwart raamwerk
De woning na de restauratiewerken (foto 0. Pauwels)
De woning na de restauratiewerken (foto 0. Pauwels)
''''WWWP?gWg m w , r i V l .,,. > : , •SeoTw
der, die er Vlaamse hedendaagse kunst in combinatie met modernistisch meubilair wil exposeren. De intrinsieke waarden en kwaliteiten van het Hoste-interieur overtuigden de ontwerper, eigenaar en gebruiker van eenzelfde restauratieve benadering. Het maximale behoud, herstel en restauratie van de oorspronkelijke circulatie, de plattegronden, de interieurelementen (schrijnwerk, meubi-
lair, radiatoren, verlichtingsarmaturen, sanitair, glas, ...) en het inwendig kleurenpalet is deel geworden van deze theoretische stellingname. Bovendien fungeert het interieur als attractieve blikvanger binnen de nieuwe monumentgerechte herbestemming; een nieuwe invulling die een unieke gelegenheid schept tot een bredere herwaardering met artistieke accenten.
FINDNOTEN
tekenaars van het eerste manifest, naar aanleiding van een nega-
(1) J.G. WATTJES, Moderne architectuur in Noorwegen, Zweden,
Amsterdammer {29-7-1918). ZieJ. VANDENBREEDEN en F.
tief onthaalde commentaar van de Bruggeling in De Nieuwe Finland, Denemarken, Duitschland, Tsjechoslowakije, Oostenrijk, VANLAETHEM, 1996. (11) H. HOSTE, De Woning, Antwerpen, 1948. Zwitserland, Frankrijk. België, Engeland en Ver. Staten v. Amerika, Amsterdam, 1927. foto 237; E. TAELEMANS, l'Hahitation
(12) De hoekoplossing werd gewijzigd bij de uitvoering.
privée en Belgique, in Le Document, reeks 7, v. 3, nr. 70, 1930, (13) J. VANDENBREEDEN en F. VANLAETHEM, 1996, p. '. z.p.; J. DAN1GRAND, Le home d'été au littoral, in Clarté, 6, 7, (14) Idem. 1933, p. 12; J.G. QUE1LLE, Villas et casinos, in Batir, 7, 1933, (15) Uirwisselbaar met 'sintelbeton' hanteerde Hoste ook de termen p. 253; G. EYSSELINCK, Hapert er iets', in Opbouwen, 4, 10,
'slakkenbeton' of'assenbeton. Sintels zijn afvalproducten: (half)-
1934, p. 149.; A. SARTOR1S, Gli elementi dell'architettura
verbrande kolen of kolenslakken.
funzionale, Milaan, 1932, p. 622; AN., Antoine Pompe et l'effort (16) ARCHIEF K.U.LEUVEN, Archief van Huib Hoste, P 64, Doos modene en Belgique 1890-1940, Eisene, 1940, p. 139; AN.,
42, mappen Sintelbeton-Slakkenbeton-Assebeton.
Encyclopédie des Métiers dArt, Decoration Moderne, Parijs, z.d., dl. (17) IDEM: F.SEROEN, A propos de l'emploi des matériaux de substiI, plaat 80.
tution dans la construction de maisons d'habitations, in La Cité, 4,
(2) M. SMETS, Huib Hoste, Voorvechter van een vernieuwde architec/««r, Brussel, 1972, p. 17-18.
1, 1923, pp. 1-20.
(18) 'Béton maigre'; beton met m3 minder dan 300 kg (def. Seroen).
(3) Zie hierover het themanummer van M&L, 19, 4, 2000.
Seroen schreef dar in het zuidoosten van Frankrijk (omgeving
(4) BRUGGE, ARCHIEF MONUMENTEN EN UNDSCHAP-
Saint-Etienne) vanaf de 18de eeuw huizen opgetrokken werden uit gestampte sintels. Het Duitse 'non plus' sintelbetonsysteem
PEN WEST-VLAANDEREN, levend archief beschermde monumenten, Map Knokke, De Beir: administratieve correspondentie
(Merzbourg) werd tevens geanalyseerd. Er werden twee
1980-2000.
Nederlandse systemen beproefd: Het Rotterdamse 'Kossel'-systeem en het Haagse Korrelbetonsysteem.
(5) Er wordt hier verwezen naar Hostes noodlottige bouwwerf van een schoolgebouw in Brugge dat instortte in 1926 en waar 5 men-
(19) P. en W. Greve realiseerden in deze techniek arbeiders- en semi-
sen de dood vonden. De bouwmeester werd veroordeeld voor
permanente woningen in Den Haag. Ook werden Haagse villa's
onvrijwillige doodslag, slagen en verwondingen.
(gesitueerd 'Laan van Poot' en woning arch. Koch) vermeld en een villa in Monsrer (arch. K. Meyer en Rademaker). In
(6) BRUGGE, ARCHIEF MONUMENTEN EN LANDSCFiAPPEN WEST-VLAANDEREN, Levend archief beschermde monumenten.
Amstetdam wetd
Map Knokke, De Beir; Godelieve Mattelaer-De Beir, overwegin-
Korrelbetonsysteem uitgevoetd.
gen, 7-5-1980.
een project
van 54 huizen
in het
(20) ARCHIEF K.U.LEUVEN, Archief van Huib Hoste, P 64, Doos 42, map Sintelbeton-Slakkenbeton: F. MICHEL, Mémoire
(7) A. en P. SMITHSON, The heroic period of Modern Architecture,
descriptif joint au brevet n°311336 pour un système coffrage a
in Architectural Design, 35, 12, 1965, p. 622.
Panneaux interchangeables. Gestandaardiseerde bekistingen voor
(8) De aanslag op het modernismellAttentat au modernisme, Brussel, 1990; M. DUBOIS, Fen jong monument bedreigd, in Interbellum,
de constructie van monolithische muren die 40 a 50 maal herge-
1, 3, 1981; M. DUBOIS, Belgische badplaatsdynamiek bedreigt
bruikt dienden te worden.
jonge monumenten, in Wonen-TAIBK, 18, 1981, p. 2; N. POU- (21) H. HOSTE. Van Wonen en Bouwen, Brugge, 1930, p. 118-119. LAIN, Wtfj de sokkel geel ofrood'l Een literatuuronderzoek naar de
Hij verkoos het sintelbeton ter plaatse gestort boven de prefab-
oorspronkelijke kleuren van woning De Beir, het 'zwarte huis', in
blokken, omwille van het geëlimineerd transport en handenarbeid.
Interbellum, 19, 1, 1999, p. 5-7; M. SMETS, Huib Hoste,
(22) BRUSSEL, ARCHITECTENBUREAU GUS, Transcriptie lasVoorvechter van een vernieuwde architectuur, Brussel, 1972; M. tenboek H. Hoste 21-6-1924 en ook ARCHIEF K.U.LEUVEN,
SMETS, De architectuur van het interbellum, in Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen, 25, 4, 1987, p. 149; J. VANDENBREEDEN en F. VANLAETHEM, Art Déco en Modernisme in
Archief van Huib Hoste, P 64, Doos 83, map Prijzen Materialen: H. HOSTE, meetstaat Woning De Beir, z.d. (23) Met dank aan N. Poulain, voor het ter beschikking stellen van
België, Tielt, 1996; L. VERROEST, Huib Hoste's woning voor Dr.
kopies van deze catalogus. De gewapende betonramen waren
De Beir in Knokke, in M&L, 10, 2, 1991, pp. 44-49.
gebrevetteetd door ir.-arch.W. Fontaine.
Zie ook: M. LIEVENS, Huib Hoste en het Vlaamse Modernisme. (24) ARCHIEF K.U.LEUVEN, Archief van Huib Hoste, P 64, map De dokterswoning De Beir te Knokke, 1924, (onuitgeg. verband.
Glas: adverrenriemateriaal van AMGEC. Volgens het lastenboek
Sint-Lucas Brussel), 1992.
waren deze 'spiegelruiten 7 mm dik.
(9) H. HOSTE, De roeping der Moderne Architectuur, in De Stijl, 1, (25) In het bestek van Hoste gespecificeerd als: glasventilatoren (a 8, 1918, p. 85-87. (10) Hoste verheugde zich over de aandacht die de redactie van De
reglettes) met wiel en schroef. De kap van olmenhout, gebeitst en tweemaal gevernist.
Stijlaan architectuur besteedde. In juni 1918 publiceerde hij zijn
(26) E. TAELEMANS, 1930, z. p.
eerste en enige artikel in het tijdschrift. Ondanks het gemeen-
(27) H. HOSTE, Bouwkunst. Wooninrichting, in Opbouwen, 4, 1928,
schappelijke gedachtegoed hoorde Hoste niet bij de zeven onder-
p. 184.
(28) G. EYSSELINCK, 1939, p. 149.
EDX. De eerste witte laag bevat zink en titaan. De daaropvolgen-
(29) SINT-LUCASARCHIEF, Brussel, Hoste-archief: Brief van Hoste
de witte lagen bevatten o.m. lithopoon. (45) M. VAN BOS, 2000. Monster 7 ijzeren raam zijgevel: analyse
aan Servranckx 4-10-1925.
SEM-EDX. De eerste laag is een titaanhoudende laag; titaanwit.
(30) Hoste voorzag in het bestek granito met kruisen, maar beschrijft
Daarop bevinden zich tevens lithopoonwitte verven.
deze tegelvloer in Opbouwen, 1928. Een advertentie van n.v. Tegelfabriek Schiedam bewaard in ARCHIEF K.U.LEUVEN,
(46) M. VAN BOS, 2000. Monster 1 aansluiting vensterdagkant en
Archief van Huib Hoste, P 64, Doos 42, map Sintelbeton-
houten raam: analyse SEM-EDX.
Slakkenbeton: advertentie tegels.
De rode laag bevat hoofdzakelijk loodmenie met daarin korrels silicium en sporadisch aluminium en kalium.
(31)H. HOSTE, 1928, p. 184.
(32) Encyclopédie des Métiers d'Art. Decoration Moderne, Parijs, z.d.,(47) M. VAN BOS, 2000. Monster 1 aansluiting vensterdagkant en houten raam: analyse SEM-EDX.
dl. I, plaat 80.
Een eerste helgroene laag, enkel aangerroffen op deze sonderings-
(33) Ook de binnendeuren uit rood 'Noors' grenenhout werden met triplexplaten bekleed, gebeitst en tweemaal gevernist. De trap van
plaats, bevat Ba en S (bariumsulfaat, zwaarspaat), Zn (zinkwit),
de begane grond naar de eerste verdieping, werd door de bouw-
Cr (chroomoxidegroen?) en K. De tweede groene laag, een dui-
heer geleverd en diende door de aannemer gelijkaardig te worden
delijke afwerklaag, bevat Cu en As (het erg giftige koperarsenaat
afgewerkt. De deurstijlen werden geschilderd. Kleuronderzoek
(smaragdgroen) of Schweinfurtergroen). Aangezien de rode
bevestigt de uitvoering van deze besteksinstructies.
afwerking van de dagkanten hierop voorkwam in de stratigrafische opbouw, en gezien het beperkt voorkomen van de lichter
(34) Hoste formuleerde dit ondubbelzinnig in: H. HOSTE, 1930,
groene eerste laag wordt met de nodige reserves aangenomen dar
p. 118.
het koperarsenaatgroen de uiteindelijke groene afwerking was in
(35) H. HOSTE, Ontwerpschets verbouwing begane grond, 1949
de bichrome kleursrelling met de rode dagkanten. De groene
(SINT-LUCASARCHIEF, Brussel, Hoste-archief).
afwerking was overruigend aanwezig op de raamkaders, maar
(36) BRUGGE, ARCHIEF MONUMENTEN EN LANDSCHAPPEN WEST-VLAANDEREN, Levend archief. Map Knokke, De
bleef bij de raamvleugels, die grondiger afgeschuurd waren, enkel
Beir: Bezwaarschrift Mevr. Mattelaer 28-4-1980.
op sommige mastieken en in de houtverbindingen bewaard. Werd deze groene laag zo grondig verwijderd omdat ze bijzonder
(37) Diverse sonderingen naar verflagen gebeurden in situ met scalpel
giftig is?
en glasvezelstift: vrijleggingen, trapsgewijze stratigrafische steekproeven en puncties. Steekkaart met diverse waarnemingen per
(48) Met dank aan collega architect Anne Malliet voor deze observatie.
afwerking; kleuren geïdentificeerd met kleurenkaart NCS en
(49) H.HOSTE, 1928, p. 184.
RAL-codes. Dit kleuronderzoek werd aangevuld met laborato-
(50) VAN TONDEREN, Het hedendaagse interieur in Opbouwen,
riumanalyse (zie verder).
1928. In ARCHIEF K.U.LEUVEN, Archief van Huib Hoste, P 64, Doos 54, Map Modern interieur.
(38) SINT-LUCASARCHIEF, Brussel, Hoste-archief. Met bijzondere dank aan J. Vandenbreeden.
(51)H.HOSTE, 1930, p. 118-119.
(52) De visu lijkt het gesondeerde donkergroene papier te bestaan uit (39) N. POULAIN, Was de sokkel geel of rood? Een literatuuronderzoek naar de oorspronkelijke kleuren van woning De heir, het 'zwarte
een houthoudend tweelagig papier met als toplaag een in de massa
huis', in Interbellum, 19, 1, 1999, p. 5-7.
gekleurd laagje met houtvezels. Wellicht kwam het geometrische patroon tot stand door collagetechniek van diverse egale papieren,
(40) AN., Deux traveauxdel'architecteH. Hoste, in Clarté, z.d., p. 144-
eerder dan het schilderen op banen papier.
145 (in ARCHIEF K.U.LEUVEN, Archief van Huib Hoste, P 64, Doos 20).
(53) N. POULAIN, Belgisch behangselpapier uit het Interbellum, in
(41) E. DE WITTE, Knokke-Heist, Villa De Beir. Analyse afwerklagen
Interbellum-Cahier, 8, Gent, 1996, p. 7.
(onuitgeg. Analyserapport KIK), Brussel, 2000. De eerste lagen
(54) Deze positieve impulsen en de tijdsdruk voor de heringebruik-
bevatten volgende pigmenten (X-stralen fluorescentie): litho-
name bespoedigden van het vooronderzoek in het interieur. De
poon, silicium, ijzer- en zinkhoudende pigmenten. Het bindmid-
voorlopige resultaten van stratigrafisch onderzoek op de wanden,
del kon niet eenduidig geïdentificeerd worden (FT-IR speerro-
lambrisering, deuren en ander binnenschrijnwerk zijn alleszins
scopie): wellicht alkydverf, misschien olieverf. Er werd gesteld dat
opzienbarend te noemen. De resultaten van dit onderzoek en de
het een originele afwerking betreft op basis van de optimale
interieurrestauratie komen ongetwijfeld in een verdere bijdrage
adhesie en de afwezigheid van een vuilhorizon. Misschien is dit te
aan bod.
wijten aan de constante natuurlijke 'zandstraling' van de tegels door het omliggende duinenzandr (42)J.G. QUEILLE, 1933, p. 253 en AN., Deux traveaux... (43) VAN BOS, M., Analyse verfmonsters, Knokke, Dumortiedaan, woning De Beir (onuitgeg. Analyserapport KIK), Brussel 2000. Een FT-IR spectroscopie werd uitgevoerd en de referentiecurve van bitumen aangegeven. (44) VAN BOS, M., 2000. Monster 3 betonnen raam: analyse SEM-
SUMMARY The many symbols and attributes on this monument refer to the goddess Athena and represent the exultation of his many victories. The funerary monuments produced by Queiiinus and his workshop share one outstanding feature, which is that the master himself always sculpted the portrait of the deceased. His portraying talent was likely a decisive factor for a commissioner to select him. Unfortunately these pieces of priceless heritage are endangered by neglect and lack of attention. The marble used for these monument demands only a bit of dusting once in a while. Combined with a regular check-up of loose or weak pieces, this can prevent much damage and vandalism.
Artus 11 Queiiinus the Younger Arms 11 Queiiinus the Younger belonged to an important generation
The residence of Dr. De Beir by Huib Hoste in Knokke, 1924
of Baroque sculptors in Antwerp from the second half of the seven-
1VI&L
teenth century. This article draws attention to the arr historical value
The residence of Dr. De Beir in Knokke, built in 1924 to the designs
of in particular Queiiinus' sepulchral monuments, on the occasion
of Huib Hoste (1881-1957), is considered to be one of the first
of the 300* anniversary of his death in 1700.
expressions of early-Modernism in Flanders and one of the purest
To understand the meaning of these monuments one must consider
interpretations of the Dutch De Stijl-movement in Belgium. This
the context in which they were created. In the Southern Netherlands
'manifesto of living', outstanding in Hostes oeuvre from 1918 to
from the seventeenth century sculpture as an artistic medium played
1930, makes pragmatic use of standardized modern building mate-
a crucial role in the confirmation of Roman Catholic dogma's and
rials such as concrete windowframes and cast cinder concrete walls.
in the expression of the renewed Catholic zeal. Both the clergy and
Colour has always been one of the main issues in describing, appre-
the pious commissioned several religious works of art, including
ciating or criticising the construction. The eyecatcher, rhe black rar
commemorative monuments.
finish of the exterior, nicknamed it 'the black house'. But this essen-
These memorials were rich in funerary symbols, some of which had
tial and provocative characteristic went lost by a disguising white
their origin in antiquity, such as putti, cornucopiae, torches and
and grey coating in the 1930s. The surroundings changed dramati-
laurel wreaths. Others like the shovel, the winged skull and the hour-
cally and the building fell prey to severe transformations. It was
glass, referred to the transitory character of life on earth. Others yet
stated that more than 50% of the Hoste building was destroyed and
were stone images of real objects used during funeral ceremonies.
that the interior, designed by the painter Victor Servranckx (1897-
On some larger commemorative monuments specific iconographic
1965), disappeared completely.
themes are illustrated. In the case of the monument for the Antwerp
The present limited contribution tries to refine these pessimistic
bishop Marius Ambrosius Capello, we should bear in mind that
statements by focusing on several aspects of original building mate-
what we see now is only a fragment of what once was a complete
rials andfinishingsof the De Beir house. Nevertheless this proved to
ensemble of five bishops' sepulchres and the high altar in the
be a difficult task, due to the perils in putting (and keeping) this
Annverp cathedral. The work had both a commemorative and
building on the list of protected monuments on the one hand and to
exemplary function, as the representation of a virtuous man in
the limitations of the preliminary examinations on the other hand.
eternal prayer.
The investigation on the spot was reduced to the minimum but
Likewise, the abbess Anna Catharina de Lamboy had commissioned
aimed at detecting and registering original material and finishing
a monumenral work of art that was conceived with a pendant tomb
aspects of all exterior elements and included some probes in the
connected with the high altar. But here the attention was focused on
interior. This colour research was extended with laboratory analysis
the Miraculous Sacrament. The bleeding host was the object of
and the confrontation with iconographical material, archives and
intense adoration on behalf of seventeenth century pilgrims. At the
contemporary publications.
same time, the specific iconography of de Lamboy gives us a glimpse
A complicated and unusual colour scheme was revealed, modifying
of the mystical experience, characreristic of religious women at the
the knowledge of the outlook and appearance of the De Beir resi-
time.
dence. What took off as maintenance works of the exterior, becomes
A third monumental sepulchre is that of fieldmarshal Hans Schack
today an important restorarion of a key Modernist building, under
who had been at the service of the Danish kings. His tomb conforms
the direction of architect G. Vanhamme (GUS, Brussels), bringing
to a North-European iconography of triumphant military heroes.
back the original colourful appearance.