VIONA-OPROEP VOOR EEN STUDIEOPDRACHT, 3/5/2013 A R B E I DSM A R K T G E R I C H T E OPL E I DI NG SI NC E NT I V E S V OOR W E R K E NDE N
1. Probleemstelling Uit de benchmarkstudie 1 van Luc Sels (2009): “ Heeft Vlaanderen nood aan ‘meer ? Een evaluatie van instrumenten voor stimulering van opleidingsinspanningen” bleek dat Vlaanderen in de voorbije jaren reeds veel heeft uitgetest, ingevoerd, gewijzigd of afgevoerd. Een van de conclusies die getrokken konden worden op basis van eerdere inventarisaties was dat deze incentives zeer versnipperd zijn, waarbij de vraag gesteld kan worden of ze allen even doelgericht worden ingezet. Deze versnippering zorgt er ook vaak voor dat een werkende met een specifieke vraag niet altijd de gepaste ondersteuning vindt . Het succes van de diverse instrumenten is ook zeer wisselend. Gezien de nakende overdracht van het betaald educatief verlof naar Vlaanderen is het aangewezen om het verruimde geheel opnieuw in kaart te brengen. Op basis van een beschrijvende inventarisatie (fase 1) kunnen via een explorerende analyse hiaten, overlappingen, sterktes en zwaktes, samenhang in het hele stelsel, enz. worden geïdentificeerd (fase 2). Op het einde van fase 1 worden de resultaten gerapporteerd en besproken in de werkgroep Activering waarbij in overleg de domeinen voor de analyse van de efficiëntie en effectiviteit nader zullen worden ingevuld.
2. Onderzoeksvragen Fase 1 : inventarisatie van alle incentives (huidige + na de staatshervorming en met inbegrip van opleidingssteun aan ondernemingen) en invullen van de hele matrix op basis van type maatregel, doelgroep, soort opleiding, organisatievorm, kostprijs voor werkgever – werknemer, overheidstussenkomsten, benutting (kwantitatief) en globale bestedingen per maatregel. Ook de resultaten van reeds verricht onderzoek naar het gebruik, de efficiëntie of andere aspecten van (aparte) incentives dienen in de inventaris te worden verwerkt. Fase 2 : explorerende analyse van de matrix naar hiaten, overlappingen en sterktes en zwaktes in termen van efficiëntie en effectiviteit.
3. Beleidsrelevantie Het Pact 2020 schuift een gemiddeld participatiestreefdoel van 15 % aan levenslang leren naar voren, als katalysator van een sterk groeiende en innovatieve kenniseconomie. 1
Studie steunpunt WSE olv Luc Sels: “Heeft Vlaanderen nood aan ‘meer’? Een evaluatie van instrumenten voor stimulering van opleidingsinspanningen”. 3-05-2013 1 VIONA-oproep studieopdracht Arbeidsmarktgerichte opleidingsincentives voor werkenden
Vlaanderen behaalde in 2011 een deelnamecijfer aan permanente vorming van 7,5%. Het Europese gemiddelde ligt op 8,9%. Ondanks het feit dat Vlaanderen dus diverse opleidingsincentives heeft, tonen deze cijfers nog steeds geen positieve evolutie. Aansluitend wordt in het Pact 2020 ook gestreefd naar meer mensen aan de slag, in gemiddeld langere loopbanen en meer werkbare jobs. Met het Loopbaanakkoord worden een aantal concrete maatregelen naar voor geschoven en uitgewerkt om deze doelstelling te bereiken. Een van de actielijnen is de transitie van werk naar werk. Het loopbaanakkoord stelt dan ook dat om kwaliteitsvolle transities van werk naar werk, in het bijzonder deze inzake interne mobiliteit, mogelijk te maken, werkgevers moeten investeren in de competenties en inzetbaarheid van hun werknemers. Dit komt onder meer tot uiting in opleiding. Werkenden investeren op hun beurt ook in hun competenties in het kader van hun inzetbaarheid op de arbeidsmarkt. Het is dus belangrijk om na te gaan hoe de diverse opleidingsincentives hun steentje kunnen bijdragen aan een vlottere transitie van werk naar werk en meer inzetbaarheid van werkenden. Ook in het kader van de nakende staatshervorming is deze beschrijvende studie van belang. Ze vormt de basis voor een oefening op beleidsniveau in overleg met de sociale partners met het oog op het uittekenen van het toekomstig instrumentarium van de opleidingsincentives.
4. Timing Projectvoorstellen moeten uiterlijk op dinsdag 21 mei 2013 om 12u worden ingediend. De Stuurgroep VIONA zal in de eerste helft van de maand juni een advies formuleren over het te gunnen project aan de Vlaamse Minister bevoegd voor Werk. In de tweede helft van de maand juni zullen de projectindieners worden geĂŻnformeerd over de beslissing van de minister. We verwachten dat fase 1 (inventarisatie van alle incentives en invullen van de hele matrix) tegen einde augustus is afgerond. Uiterlijk op 31 oktober 2013 dient het definitieve eindrapport (m.i.v. de explorerende analyse van de matrix) te worden opgeleverd aan de opdrachtgever.
5. Kandidaatstelling Projectvoorstellen bevatten een inhoudelijk en een financieel onderdeel en beantwoorden aan de richtlijnen die u in bijlagen bij de oproep vindt. In die bijlagen vindt u tevens informatie over de selectiecriteria en -procedure en over de financiĂŤle en administratieve opvolging van het project.
6. Informatie Informatie over deze opdracht kan u krijgen bij de heer Erik Samoy, Departement Werk en Sociale Economie (02/553 40 27, erik.samoy@wse.vlaanderen.be).
3-05-2013
2 VIONA-oproep studieopdracht Arbeidsmarktgerichte opleidingsincentives voor werkenden
Bijlage 1 bij VIONA-projectoproepen voor studieopdrachten SITUERING EN GUNNINGSPROCEDURE
1.
HET VIONA-ARBEIDSMARKTONDERZOEKSPROGRAMMA
Het initieel opzet en doel van VIONA (Vlaams Interuniversitair Onderzoeksnetwerk Arbeidsmarktrapportering) werd destijds binnen het VESOC en in het kader van de Vlaamse werkgelegenheidsconferentie in het protocol van 17 maart 1993 als volgt vastgelegd: Het verwerven van wetenschappelijke betrouwbare kennis over de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt opdat men verantwoorde beleidskeuzes kan maken (vaststellen, registreren en onderzoeken van de ontwikkelingen op de Vlaamse arbeidsmarkt teneinde het arbeidsmarktbeleid in Vlaanderen de nodige wetenschappelijke ondersteuning aan te bieden). Een impuls geven aan wetenschappelijk onderzoek (komen tot een geïntegreerde en gecoördineerde aanpak van het beleidsgericht wetenschappelijk onderzoek op het domein van de arbeidsmarkt). Naar aanleiding van een nieuwe oproep voor de steunpunten beleidsrelevant onderzoek in 2011 (die leidde tot o.m. de erkenning van het nieuwe Steunpunt WSE), werd het model voor strategisch arbeidsmarktonderzoek in Vlaanderen (“Vlaams Programma Strategisch Arbeidsmarktonderzoek”) begin 2012 hertekend. Onder de adviserende bevoegdheid van de Stuurgroep VIONA respectievelijk de Stuurgroep Steunpunt WSE lopen twee complementaire initiatieven: het VIONA-arbeidsmarktonderzoeksprogramma en de werkpakketten binnen de vier thematische onderzoekslijnen (Arbeidsmarktmonitoring, Activerend Arbeidsmarktbeleid, Sociale Economie en Transitionele Loopbanen) van het Steunpunt Werk en Sociale Economie. Verder wordt ook onderzoek betreffende de overgang van onderwijs naar arbeidsmarkt van het Steunpunt Studie- en Schoolloopbanen en ander relevant strategisch arbeidsmarktonderzoek maximaal ontsloten binnen het Vlaamse programma. Binnen dit model worden de VIONA-middelen doorheen het jaar en op meerdere tijdstippen ingezet voor het uitbesteden van studieopdrachten (SO) of onderzoeks- en ontwikkelingsopdrachten (O&O) met het oog op wetenschappelijke ondersteuning van het werkgelegenheidsbeleid. Op het programma Werkgelegenheid is in 20123 in het kader van het VIONAarbeidsmarktonderzoeksprogramma 373.000 € beschikbaar voor SO en O&O-opdrachten. Die opdrachten zijn complementair aan de opdrachten die het Steunpunt WSE opneemt. De projectoproepen in het kader van het VIONA-arbeidsmarktonderzoeksprogramma worden beheerd door het departement Werk en Sociale Economie. De Vlaamse minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport, de heer Philippe Muyters, keurt -rekening houdend met het advies van de Stuurgroep VIONA- de VIONA-oproepen en -projecten goed.
2.
MODALITEITEN EN GUNNINGPROCEDURE
2.1
De deelnemers
3-05-2013
3 VIONA-oproep studieopdracht Arbeidsmarktgerichte opleidingsincentives voor werkenden
Oproepen voor studieprojecten staan open voor onderzoekers en onderzoeksgroepen uit de universiteiten en hogescholen én voor andere (onderzoeks)instellingen. 2.2 De projectvoorstellen Een projectvoorstel dient deze elementen te bevatten: 1) titel van het studieproject 2) vermelding van de promotor(en): naam, instelling, onderzoekseenheid, contactadres, telefoonnummer en e-mailadres 3) een omschrijving van het studieproject (max. 5 blz) 4) een gedetailleerd tijdschema 5) een financieel plan per kalenderjaar en een verduidelijking van de additionele financiering (facultatief); de financiering van studieopdrachten door VIONA bedraagt altijd minder dan 65.000 euro (exclusief BTW) Voor deze studieopdracht wordt als richtprijs een bedrag van maximaal 60.000 euro (inclusief BTW) vooropgesteld. 6) een beschrijving van de wijze waarop de studieresultaten zullen worden gevaloriseerd en bekend gemaakt; in de begroting moet expliciet een bedrag voor de valorisatie worden voorzien 7) een beknopt curriculum vitae van de onderzoeksverantwoordelijken (max. 3 blz. per persoon), met vermelding van de relevante lopende onderzoeksprojecten (met naam van de financierende organisatie en einddatum van het onderzoeksproject) en de vijf belangrijkste publicaties. 2.3 Evaluatie en selectie van de projectvoorstellen De ingediende voorstellen worden beoordeeld op hun beleidsmatige relevantie. De beoordeling van de beleidsmatige relevantie gebeurt door de Stuurgroep VIONA. Die Stuurgroep bestaat uit de volgende stemgerechtigde leden: de Vlaamse regering (afgevaardigden van de Vlaamse Minister bevoegd voor Werk en de Vlaamse Minister bevoegd voor Sociale Economie), de sociale partners (ABVV, ACV, ACLVB, VOKA, UNIZO en BB) en het Vlaamse departement Werk en Sociale Economie. De evaluatie en selectie verlopen als volgt: - de stemgerechtigde stuurgroepleden krijgen alle projectvoorstellen toegestuurd en scoren de projectvoorstellen op basis van vier criteria (aansluiting bij de onderzoeksvragen uit de oproep, helderheid van de aanpak en de planning, beleidsrelevantie en kwaliteit van de valorisatievoorstellen); - de stuurgroepleden drukken over elk projectvoorstel een globaal oordeel uit in één eindscore gaande van A tot C: A: zeer goed, met daarbinnen een kopgroep (A1), ter onderscheiding van andere zeer goede projecten (A2) B: goed, met daarbinnen ook weer een onderscheid tussen B1 en B2 C: onvoldoende Bovendien staat het de stuurgroepleden vrij om bij elk voorstel, ongeacht de score, suggesties voor bijsturing te formuleren.
3-05-2013
4 VIONA-oproep studieopdracht Arbeidsmarktgerichte opleidingsincentives voor werkenden
Enkel voorstellen met een gemiddelde score B+ of meer worden aan de Stuurgroep VIONA voorgelegd. De Stuurgroep beslist via schriftelijke procedure of tijdens een vergadering en rekening houdend met de beleidsscore welk voorstel ze aan de minister voor gunning adviseert. Voorstellen kunnen een hoger gewicht krijgen al naargelang de geplande valorisatie-initiatieven. Indien de minister akkoord gaat met het advies, wordt het voorstel gegund volgens de regels van de overheidsopdrachten. 2.4 Kandidaatstelling De voorstellen dienen het departement Werk en Sociale Economie elektronisch via mail (Word) (ann.vandencruyce@wse.vlaanderen.be + erik.samoy@wse.vlaanderen.be + johan.troch@wse.vlaanderen.be) te bereiken uiterlijk op het tijdstip vermeld in de oproep.
3-05-2013
5 VIONA-oproep studieopdracht Arbeidsmarktgerichte opleidingsincentives voor werkenden
Bijlage 2 bij VIONA-projectoproepen voor studieopdrachten
FINANCIEEL PLAN EN RAPPORTERING
In deze bijlage worden de richtlijnen voor de budgetplanning van projectvoorstellen en de inhoudelijke en financiële rapportering door de promotoren toegelicht. 1.
KWALIFICATIE VAN DE OPDRACHT
Binnen het VIONA-onderzoeksprogramma maken we een onderscheid tussen twee soorten dienstenopdrachten, nl. studieopdrachten en O&O-opdrachten. Deze oproep betreft een studieopdracht. Bij studieopdrachten in antwoord op beleidsvraagstukken verwachten we dat de opdrachtnemer een voorstel van analyse en oplossing van een specifiek probleem formuleert met behulp van bestaande kennis binnen een korte termijn. Het voorstel en de analyse moet praktisch bruikbaar zijn voor het beleid. Studieopdrachten kunnen maximum 8 onderzoekersmaanden in beslag nemen en de financiering door VIONA bedraagt altijd minder dan 65.000 euro (exclusief BTW). Voor deze studieopdracht wordt als richtprijs een bedrag van maximaal 60.000 euro (inclusief BTW) vooropgesteld.
2.
FINANCIËLE RAPPORTERING
In het financieel plan en de financiële rapportering van VIONA-projecten maken we een onderscheid tussen drie soorten kosten. -
Loonkosten wetenschappelijk personeel: raming in het financieel plan op basis van geschatte onderzoekersmaanden en bij afrekening op basis van bewijsstukken van de personeelskost voor wetenschappelijk personeel dat daadwerkelijk werd ingezet op het project.
-
Persoonsgebonden werkingskosten: werkingsmiddelen, administratieve ondersteuning en universitaire overhead. De persoonsgebonden werkingskosten worden forfaitair begroot en afgerekend op maximaal 33% van respectievelijk de begrote en de reële personeelskosten wetenschappelijk personeel en omvat de overhead van maximum 10% die de universiteiten gewoonlijk aanrekenen.
-
Projectspecifieke werkingskosten: exceptionele en projectspecifieke werkingsmiddelen (bv. kosten voor een grootschalige survey (postenquête, webbevraging, …), kosten buitenlandse studiereis,…). Het betreft uitzonderlijke kosten waarvoor een specifiek budget moet worden uitgewerkt. Die kosten zijn inherent aan de opdracht en zijn altijd te bewijzen. Ze worden in detail begroot in het voorstel en afgerekend op basis van bijhorende bewijsstukken.
3-05-2013
6 VIONA-oproep studieopdracht Arbeidsmarktgerichte opleidingsincentives voor werkenden
Bij de afrekening wordt de mogelijkheid voorzien van een transfer van de persoonsgebonden werkingskosten naar de loonkosten wetenschappelijke personeel ten bedrage van maximum 10 % van de oorspronkelijk voorziene werkingsmiddelen en dit op voorwaarde dat het globaal aanvaarde projectbudget behouden blijft. Bv.: voor een VIONA-project met een aanvaarde projectbegroting van 99.750 euro bestaande uit 75.000 euro aan personeelskosten en 24.750 euro (33% van 75.000 euro) aan werkingskosten, mag maximaal 2.475 euro worden getransfereerd van de werkingsmiddelen naar de personeelskosten. Op die manier kunnen hogere personeelskosten dan begroot worden opgevangen, bijvoorbeeld na aanwerving van een meer gekwalificeerde en ervaren onderzoeker dan aanvankelijk verhoopt. De opdrachtnemer zal aan de opdrachtgever na afloop van het project (dit is de einddatum in het contract) een financiële eindrapportering (schuldvordering met kopie van de gevraagde bewijsstukken) bezorgen. Tussentijdse uitbetaling is niet mogelijk voor studieopdrachten. Indien het onderzoek door meerdere instanties wordt uitgevoerd, treedt één instantie op als opdrachtnemer. De opdrachtnemer moet alle facturen en interne verrekeningen bundelen en bij de opdrachtgever indienen. Voor de loonkosten wetenschappelijk personeel moeten bij de betalingsaanvraag de namen worden vermeld en worden gestaafd d.m.v. loonfiches (indien intern personeel) of facturen én betalingsbewijzen (indien extern personeel). Uitsluitend kosten gemaakt binnen de uitvoeringsperiode, die is bepaald in de overeenkomst, worden aanvaard. 3.
INHOUDELIJKE RAPPORTERING
De opdrachtnemer zal aan de opdrachtgever na afloop van het project (dit is de einddatum in het contract) een inhoudelijke eindrapportering bezorgen, samen met een Nederlandse én Engelstalige samenvatting. Het concept van eindrapport wordt besproken op en goedgekeurd door de werkgroep die belast is met de opvolging van het VIONA-project. De Nederlandse samenvatting (met opzet, bevindingen, aanbevelingen en valorisatie) telt minimaal 2 en maximaal 5 bladzijden. De Engelstalige samenvatting telt een 2-tal bladzijden. Van het eindrapport en van de samenvatting wordt ook een elektronische versie geleverd met het oog op de mogelijke verspreiding via de VIONA-website. Van dit inhoudelijke eindrapport worden vijftig gedrukte exemplaren aan het Departement WSE bezorgd. De opdrachtnemer verbindt er zich toe, tegelijkertijd met de indiening van het eindrapport, de voorgeschreven samenvattingen van het VIONA-project te bezorgen.
3-05-2013
7 VIONA-oproep studieopdracht Arbeidsmarktgerichte opleidingsincentives voor werkenden
4.
CONTACTPERSONEN
Financiële en inhoudelijke rapporten moeten worden ingediend op het volgende adres, op de wijze zoals hierboven beschreven: Vlaams Ministerie van Werk en Sociale Economie Departement Werk en Sociale Economie – Afdeling Werkgelegenheidsbeleid t.a.v. mevrouw Ann Van den Cruyce (afdelingshoofd) Koning Albert II-laan 35, bus 20 - 16de verdieping 1030 Brussel Inhoudelijke vragen over de concrete opdracht: Informatie over deze opdracht kan u krijgen bij de heer Erik Samoy, Departement Werk en Sociale Economie (02/553 40 27, erik.samoy@wse.vlaanderen.be). Contactpersoon m.b.t. de procedure en inhoudelijke en financiële rapportering: Departement Werk en Sociale Economie, Koning Albert II-laan 35, bus 20 - 16de verdieping, 1030 Brussel Johan Troch, tel. 02-553 44 18
3-05-2013
8 VIONA-oproep studieopdracht Arbeidsmarktgerichte opleidingsincentives voor werkenden