Skip to main content

Rapport_UAntwerpen_omgevingsrapportage.pdf

Page 1

Proces- en inhoudelijke ondersteuning bij de voorbereiding van de Omgevingsrapportage door het departement Omgeving Eindrapport omgevingvlaanderen.be


Studie Omgevingsrapportage Deze studie kadert in de omvorming van de milieu- en ruimterapportage (MIRA en RURA) naar een omgevingsrapportage, dat als taak werd toegewezen aan het Vlaams Planbureau voor Omgeving (VPO). Aan de hand van een stakeholderbevraging, een verkenning van goede praktijken in binnenen buitenland en de bevraging van een reflectiegroep wordt onderzocht hoe de omgevingsrapportage zowel procesmatig als inhoudelijk invulling kan krijgen. De studie reikt op basis hiervan reflecties en aanbevelingen aan die de opdrachtgever in staat stellen om de nodige rapportageprocessen vorm te geven.

Dit rapport bevat de mening van de auteur(s) en niet noodzakelijk die van de Vlaamse Overheid.

COLOFON Verantwoordelijke uitgever Peter Cabus Departement Omgeving Vlaams Planbureau voor Omgeving Koning Albert II-laan 20 bus 8, 1000 Brussel vpo.omgeving@vlaanderen.be www.omgevingvlaanderen.be Auteurs Ann Crabbé – Universiteit Antwerpen Axelle Meyermans – Universiteit Antwerpen Depotnummer D/2022/3241/042 Wijze van citeren Crabbé, A., & Meyermans, A. (2021) Proces- en inhoudelijke ondersteuning bij de voorbereiding van de Omgevingsrapportage door het departement Omgeving, in opdracht van het Vlaams Planbureau voor Omgeving, Departement Omgeving.

PARTNERS

omgevingvlaanderen.be


MANAGEMENTSAMENVATTING Deze studie kadert in de omvorming van de milieu- en ruimterapportage (MIRA en RURA) naar een omgevingsrapportage, een rapportagetaak die werd toegewezen aan het Vlaams Planbureau voor Omgeving (VPO). Aan de hand van een stakeholderbevraging, een verkenning van goede praktijken in binnen- en buitenland en de bevraging van een reflectiegroep werd onderzocht hoe de omgevingsrapportage zowel procesmatig als inhoudelijk invulling kan krijgen. De studie reikt op basis hiervan reflecties en aanbevelingen aan die de opdrachtgever in staat stellen om de omgevingsrapportage vorm te geven. In deze studie wordt de omgevingsrapportage opgevat als een oefening in het definiëren en ontwikkelen van zogenaamde ‘boundary objects’, met als doel wetenschappelijke robuuste kennis omtrent de Vlaamse omgeving beschikbaar te stellen aan het beleid en de samenleving. In dit perspectief wordt het VPO verantwoordelijk voor het opzetten van een ‘boundary organisation’ die instaat voor het door-vertalen van wetenschappelijke inzichten naar beleid en voor het in bredere zin managen van de grenzen tussen wetenschap, beleid en samenleving. Na een korte literatuurstudie waaruit blijkt wat er in academische literatuur te vinden is aan inzichten in boundary objects en boundary organisations (hoofdstuk 2), reflecteren we in hoofdstuk 3 over de omgevingsrapportage, geïnspireerd door de analyse van de interviews, de goede praktijken in binnen- en buitenland en de input die we verzamelden tijdens de reflectiegroepbijeenkomst. Het hoofdstuk bevat beargumenteerde en concrete adviezen voor de omgevingsrapportage, waarvan de belangrijkste zijn: -

-

-

-

Zorg voor voldoende capaciteit om de omgevingsrapportage op te starten en uit te bouwen. Wat betreft de personele capaciteit is de rol van mediators heel belangrijk. Investeer in hun training en opleiding, biedt tijd en ruimte om met de groep van rapporteurs na te denken over de missie en meerjarenplanning. Laat ruimte voor experiment en aanvaard dat falen hoort bij het proces van de ontwikkeling van de omgevingsrapportage. Extra personele capaciteit voor de omgevingsrapportage kan gevonden worden in een netwerk van zowel collega-ambtenaren (van VPO, in het departement en de agentschappen, van het eigen beleidsdomein en mogelijk ook andere beleidsdomeinen), maar ook bij universiteiten en kennisinstellingen met het oog op het aantrekken van intern nietbeschikbare kennis en expertise alsook voor de ontwikkeling/aanlevering van innovatieve concepten en modellen. Zorg voor vertegenwoordiging van de drie bijeen te brengen werelden in de boundary organiation die VPO zal opzetten voor de omgevingsrapportage, met vertegenwoordiging en actieve inbreng vanuit wetenschap, samenleving en beleid. Leg bewust verantwoording af aan die drie werelden over de te maken en gemaakte keuzes. Het zal ertoe bijdragen dat de output geloofwaardig (=wetenschappelijk correct), betekenisvol (=relevant en tijdig aangeleverd voor beleidsmakers) en legitiem is (=aanvaardbaar voor een set van uiteenlopende types stakeholders). De omgevingsrapportage moet producten maken met een speaking truth to power ambitie. Als we ervan uitgaan dat beleidsmakers beleid willen voeren geïnformeerd door wetenschappelijke kennis, dan zullen die beleidsmakers de primaire doelgroep zijn van de omgevingsrapportage, hoewel het (secundair) ook de ambitie mag zijn de boodschappen van de omgevingsrapportage toegankelijk te maken voor een breder publiek dan enkel beleidsmakers.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 3 van 136


-

-

Ontwikkel de omgevingsrapportage stapsgewijs. Het basiswerk waarin indicatoren geselecteerd, ontwikkeld en geactualiseerd worden, moet als eerste opgestart worden. Topicrapporten zijn een ideale ‘vingeroefening’ om de thematische integratie van milieu- en ruimterapportage uit te proberen, maar betreffen (inhoudelijk) ‘uitsnedes’ van het omgevingsbeleid, terwijl respondenten in de omgevingsrapportage liefst omgevingsbrede analyses zien gemaakt worden. Een systeembenadering en langetermijnperspectief zijn belangrijk, hoewel de focus ligt op het beschrijven van de huidige ‘state of the environment’ en het verklaren van trends en (in)effectiviteit door middel van beleidsevaluatie. Op termijn kunnen toekomstverkenningen en scenario-oefeningen een plaats krijgen in het productgamma van de omgevingsrapportage, maar op korte termijn zijn ze niet prioritair. Het maken van boundary objects vereist tijdens het proces van totstandkoming de actieve betrokkenheid van vertegenwoordigers van beleid, samenleving en wetenschap. Zoals in andere rapportageprocessen reeds met succes werd toegepast, is het belangrijk ook in de omgevingsrapportage te voorzien in divers samengestelde auteursteam (bv. met wetenschappers en inhoudelijke beleidsexperten), in lectorenteams of reviewpanels. Om reeds in een vroeg stadium rekening te (kunnen) houden met de wensen en verwachtingen van mogelijke gebruikers, kan de samenstelling van een gebruikersgroep nuttig zijn.

Na het reflectiehoofdstuk volgen hoofdstukken die inzicht bieden in de gegevens op basis waarvan de adviezen en aanbevelingen tot stand zijn gekomen, namelijk de interviewanalyse (hoofdstuk 4), het verslag van de reflectiegroepbijeenkomst (hoofdstuk 5) en de goede praktijk fiches (hoofdstuk 6).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 4 van 136


INHOUDSOPGAVE

1

Situering en Begrip van de opdracht .................................................................................... 7

1.1 1.2 1.3 1.3.1 1.3.2 1.3.3

Van milieu- en ruimterapportering naar omgevingsrapportage Doel en opzet van het onderzoek Procesverloop en methodologie Fase 1: Verkenning Fase 2: Onderzoek Analyse en validering

2 3

Literatuurstudie: omgevingsrapportage als ‘boundary work’............................................ 13 Omgevingsrapportage: reflecties en adviezen ................................................................... 19

3.1 3.1.1 3.2 3.2.1 3.3 3.3.1 3.4 3.4.1 3.5 3.5.1 3.6

Onze kijk op wat omgevingsrapportage is 19 Onze adviezen over de randvoorwaarden voor de organisatorische inbedding van de omgevingsrapportage in VPO 19 Voor wie een omgevingsrapportage? 21 Onze adviezen over de doelgroepen van de omgevingsrapportage 22 Type producten van de omgevingsrapportage 23 Onze adviezen over het type producten van de omgevingsrapportage 25 Thematische integratie in de omgevingsrapportage 25 Onze adviezen over de thematische integratie in de omgevingsrapportage 27 Proces van totstandkoming van (producten van de) omgevingsrapportage 27 Onze adviezen over de procesvoering van de omgevingsrapportage 28 Slotbeschouwing 29

4

Stakeholderbevraging: analyse .......................................................................................... 30

4.1 4.1.1 4.1.2 4.1.3 4.1.4 4.1.5 4.1.6 4.2 4.2.1 4.2.2 4.2.3 4.2.4

Inhoud en vorm van de omgevingsrapportage Wat is ‘omgevingsrapportage’? Drie deeltaken van de omgevingsrapportage Types van kennis en informatie in de omgevingsrapportage Doelgroepen Producten Verhouding tot andere rapportages Proces en organisatie van de omgevingsrapportage Randvoorwaarden voor een ‘deugdelijke’ omgevingsrapportage: wetenschappelijke kwaliteitsborging, onafhankelijkheid en transparantie Stakeholderbetrokkenheid Procesorganisatie van de omgevingsrapportage Communicatie

5

Verslag van reflectiegroepbijeenkomst.............................................................................. 65

5.1 5.2 5.3 5.4 5.5

Impact en relevantie van de omgevingsrapportage Types producten Thematische integratie Aandacht voor beleidsevaluatie Aandacht voor toekomstverkenning

6

Goede praktijk fiches .......................................................................................................... 84

6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6 6.7

Goede praktijk fiche: European environmental agency (EEA) Goede praktijk fiche: ESPON Goede praktijk fiche: Europese Commissie Goede praktijk fiche: Planbureau voor de leefomgeving (PBL) Goede praktijk fiche: Statistiek Vlaanderen Goede praktijk fiche: Scientific Foresight Service (STOA) Goede praktijk fiche: Vlaamse Regionale Indicatoren rapporten (VRIND)

7 7 8 9 11 12

30 30 37 40 44 46 49 51 51 51 57 59 63

68 72 75 78 81

84 93 95 98 112 117 124

Referenties ....................................................................................................................................... 126 /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 5 van 136


Bijlagen .......................................................................................................................................... 129 1. 2. 3.

Respondentenlijst Vragenlijst Informatiedocument gegevensbescherming

129 130 135

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 6 van 136


1 SITUERING EN BEGRIP VAN DE OPDRACHT In dit eerste hoofdstuk schetsen we de context, doelen, procesverloop en methodologische aanpak van deze opdracht.

1.1 VAN MILIEU- EN RUIMTERAPPORTERING NAAR OMGEVINGSRAPPORTAGE Door recente wijziging van het Decreet houdende Algemene Bepalingen inzake Milieubeleid, kortweg DABM (BS 16/12/2020), wordt de milieurapportage (MIRA) vanaf 1/1/2021 “omgevormd naar een permanente rapportage inzake omgeving en waarin minstens ruimtelijke ordening wordt meegenomen”1. Zoals beschreven staat in de Memorie van Toelichting bij het ontwerpdecreet “spoort deze integratie samen met de groeiende omgevingsuitdagingen en heeft het als doel het omgevingsbeleid wetenschappelijk te onderbouwen. Zoals MIRA blijft de omgevingsrapportage gebeuren aan de hand van drie deeltaken: toestandsbeschrijving, beleidsevaluatie en toekomstverkenning. Via analyse van kwantitatieve en kwalitatieve data en informatie, indicatoren en resultaten van ondersteunend onderzoek wordt de huidige en toekomstige toestand van de leefomgeving in Vlaanderen in kaart gebracht. Hierbij gaat de omgevingsrapportage in op systemische verbanden tussen minstens milieu en ruimte en onderzoekt het ook de rol van maatschappelijke aspecten op de fysieke leefomgeving”. De Memorie van Toelichting vermeldt daarnaast dat de omgevingsrapportage een combinatie is van producten en (leer)processen, waarbij de resultaten een ruime bekendheid moeten krijgen. Daarnaast kan de Vlaamse Regering vragen om over specifieke onderwerpen te rapporteren. Randvoorwaarden zoals maatschappelijke en wetenschappelijke betrokkenheid, transparantie en onafhankelijkheid zullen belangrijke randvoorwaarden zijn om te komen tot een beleidsrelevante omgevingsrapportage die het omgevingsbeleid mee vorm geeft. De omgevingsrapportage is een taak van het Departement Omgeving, specifiek toegewezen aan de afdeling Vlaams Planbureau voor Omgeving (VPO). De aanwezige expertise bij de verschillende agentschappen en instellingen binnen het beleidsdomein Omgeving moet hierbij maximaal worden benut. Daarnaast kan VPO in functie van de omgevingsrapportage samenwerkingsverbanden aangaan met relevante partners, binnen en buiten de Vlaamse overheid.

1.2 DOEL EN OPZET VAN HET ONDERZOEK Het doel van deze opdracht is om de afdeling Vlaams Planbureau voor Omgeving (VPO) procesmatig en inhoudelijk te ondersteunen bij de voorbereiding van de opdracht van Omgevingsrapportage, zoals bepaald in het DABM. We gaan op zoek naar de nodige onderbouwing van de omgevingsrapportage door bevraging van interne en externe stakeholders en een identificatie en beschrijving van goede (rapportage)praktijken in binnen- en buitenland. De resultaten van dit onderzoek zullen de opdrachtgever in staat stellen om de nodige rapportageprocessen vorm te geven en het uitvoeringsbesluit en het meerjarig werkprogramma, zoals bepaald in het DABM, tijdig uit te werken. 1

Memorie van Toelichting bij Ontwerp van decreet houdende aanpassing van diverse decreten met betrekking tot de omvorming van het Vlaams Energieagentschap tot het Vlaams Energie- en Klimaatagentschap, tot integratie van opdrachten inzake klimaat van het Departement Omgeving in dit Vlaams Energie- en Klimaatagentschap, tot integratie van opdrachten inzake lucht van het Departement Omgeving in de Vlaamse Milieumaatschappij en houdende rapportage door het Departement Omgeving.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 7 van 136


Het onderzoek is opgebouwd rond twee centrale onderzoeksvragen: 1. Hoe kan de omgevingsrapportage in Vlaanderen inhoudelijk en vormelijk uitgewerkt worden als wetenschappelijke onderbouwing van het omgevingsbeleid, enerzijds rekening houdend met bestaande bouwstenen en processen van de milieu- en ruimterapportage (zijnde website met indicatoren en publicaties zoals het Ruimterapport, de Milieuverkenning en MIRA topicrapporten, …) en anderzijds rekening houdend met het gegeven van ‘continue’ rapportage zoals vermeld in het DABM? 2. Hoe kunnen procesfactoren zoals maatschappelijke en wetenschappelijke betrokkenheid, transparantie, en onafhankelijkheid gewaarborgd worden? Governance verschuift de laatste decennia steeds meer van centrale, thematische top-downsturing naar processen waarbij verschillende beleidsniveaus, beleidsdomeinen en niet-overheidsactoren betrokken zijn. Betrokkenheid van deze actoren bij het proces van omgevingsrapportage is belangrijk om enerzijds kennisbehoeften te detecteren en impliciete kennis aan te boren en anderzijds het draagvlak voor en de doorwerking van de omgevingsrapportage te vergroten. Hoe kan het proces concreet georganiseerd worden binnen Vlaanderen, welke middelen en structuren kunnen hierbij ingezet worden? Deze hoofdvragen worden verder opgesplitst in verscheidene deelvragen en -onderwerpen, die als leidraad fungeerden tijdens de stakeholderbevraging en systematisch aan bod komen in het analysedeel van dit rapport.

1.3 PROCESVERLOOP EN METHODOLOGIE Het voorliggende rapport is het resultaat van een onderzoekstraject dat werd doorlopen van mei tot oktober 2021. De studie werd uitgevoerd door onderzoekers van het departement sociologie van de Universiteit Antwerpen, in opdracht van het Vlaams Planbureau voor Omgeving (VPO). Het onderzoek werd opgevolgd en begeleid door een begeleidingsgroep, samengesteld door VPO.2 Het onderzoeksproces kan opgedeeld worden in drie fasen: >

> >

Fase 1: Verkenning: verkennende bilaterale gesprekken met leden van het VPO-kernteam; selectie en uitnodigen van respondenten; documentenverkenning en eerste identificatie van de goede praktijken. Fase 2: Onderzoek: afname van online (solo/duo/trio) interviews; uitwisseling van de goede praktijk infofiches met de opdrachtgever. Fase 3: Analyse en validering: verwerking van interviews in ontwerprapport; organisatie en verslaggeving van de reflectiegroep-bijeenkomst; eindrapportage en presentatie van de onderzoekresultaten aan de opdrachtgever.

Regelmatige terugkoppelingsmomenten met de opdrachtgever werden voorzien in elke fase van het onderzoekstraject. Onderstaande figuur vat het procesverloop schematisch samen.

2

De begeleidingsgroep (VPO) was samengesteld uit, in alfabetische volgorde: Els Barnard, Ann Pisman, Igor Struyf, Stijn Vanacker, Erika Vander Putten, Floor Vandevenne, Ludo Vanongeval, Jana Van Hoyweghen, Marleen Van Steertegem en Patrick Wilmots.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 8 van 136


1.3.1

Fase 1: Verkenning

Inleidende bilaterale gesprekken Naast het maken van praktische afspraken omtrent de onderzoeksopdracht met de opdrachtgever, verrichtten we tijdens de verkennende fase van deze studie inleidende bilaterale gesprekken met de leden van de ‘kerngroep’ van VPO die de opdracht ondersteund en begeleid hebben. In zeven individuele gesprekken peilden we naar de ideeën van de kerngroepleden omtrent de omgevingsrapportage, zowel wat betreft de inhoud als het proces. Deze gesprekken gaven ons de kans om rekening te houden met verwachtingen en gevoeligheden voor de eigenlijke interviewronde. Daarnaast hebben deze gesprekken inspiratie geleverd wat betreft de eerste identificatie van goede (rapportage)praktijken in binnen- en buitenland, waarbij de kerngroepleden ons wezen op interessante documenten en/of respondenten. De resultaten van deze verkennende bilaterale gesprekken worden niet opgenomen in het analysedeel van dit rapport. Deze gesprekken fungeerden voornamelijk immers als een diepere kennismaking voor de onderzoekers met het onderzoeksthema en haar achterliggende context, en als een eerste opportuniteit om zicht te /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 9 van 136


krijgen op bepaalde verwachtingen of gevoeligheden die mogelijks van belang konden zijn voor het verdere onderzoeksverloop. Selectie van respondenten Rekening houdend met de input uit de inleidende bilaterale gesprekken en de voorgestelde respondentenlijst van de VPO-kerngroep werd er in de verkennende fase een selectie verricht van de respondenten voor de stakeholderbevraging. In totaal werden 27 respondenten uitgenodigd voor deelname aan een online (solo-, duo- of trio-) interview, waarvan 23 personen positief gereageerd hebben en bevraagd werden in 15 afzonderlijke gesprekken. Hieronder presenteren we een schematisch overzicht van de sectoren en organisaties waarvan de geselecteerde respondenten vertegenwoordigers zijn3. Deze schematische voorstelling in vier kwadranten geeft louter een indicatie van hoe wij de actoren positioneren aan de hand van vier verschillende ‘maatschappelijke sferen’ of ‘sociale werelden’ (Clarke & Star, 2008), en werd niet afgetoetst bij de bevraagde stakeholders zelf. Voor de volledigheid is het omgevingsrapportageteam als actor toegevoegd in het onderstaande schema, hoewel zij niet bevraagd werden in kader van de interviewronde maar wel in de voorafgaande bilaterale gesprekken.4

Onderzoek/ VPO/ collega-rapporteurs

Beleidsdomein Omgeving: management

Beleid

Scientific Foresight Service Unit (STOA) Europees Milieuagentschap (EMA) Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) Kabinet Zuhal Demir Landbouwrapportage (LARA) Vlaams parlement Natuurrapportage (NARA) Omgevingsrapportageteam Strategische adviesraden Academici en experten omtrent omgeving, milieu en ruimtelijke ordening

Kennisinstellingen

Samenleving

3

Een volledig overzicht van de uitgenodigde en bevraagde stakeholders is terug te vinden in bijlage 1 van dit rapport. Ter informatie: de term ‘omgevingsrapportageteam’ werd gekozen om in lijn te zijn met andere rapportage-initiatieven (NARA, LARA, etc.) waarin vaak een team van rapporteurs verantwoordelijk is voor de rapportage als opdracht. De term verwijst dus louter naar het feit dat een aantal mensen opdrachthouder van de taak ‘omgevingsrapportage’ zullen zijn. We maken verder geen voorafnames over de samenstelling, grootte, flexibiliteit of specifieke taakstellingen van dit omgevingsrapportageteam. 4

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 10 van 136


Documentenverkenning en identificatie goede praktijken Tijdens de verkennende fase gingen de onderzoekers op basis van een documentenverkenning op zoek naar interessante goede praktijken in binnen- en buitenland. Hierbij werd voornamelijk gekeken naar de mate van verwantschap en relevantie voor de omgevingsrapportage, wat betreft de inhoud (gelijkaardige thema’s en onderwerpen; indicatoren-rapportage; toekomstverkenningen; beleidsevaluaties; etc.) en proces (aandacht voor invulling van randvoorwaarden; stakeholderbetrokkenheid; netwerkorganisatie; etc.). Deze eerste lijst werd aangevuld met mogelijk inspirerende praktijken/documenten die door de kerngroepleden werden aangebracht in de inleidende bilaterale gesprekken. Daarnaast werden ook de respondenten tijdens de interviews gevraagd om goede praktijken in binnen- en buitenland te delen en werd de identificatie van verschillende goede praktijken op basis hiervan verder aangevuld en gevalideerd in loop van het onderzoek.

1.3.2

Fase 2: Onderzoek

Online (solo/duo/trio) interviews Tijdens de interviews werd een semi-open standaardvragenlijst5 gehanteerd die vooraf werd besproken met de opdrachtgever. Samen met een korte situering van de onderzoeksopdracht, achtergronddocumentatie en een privacy-verklaring6, werd de vragenlijst aan elke respondent bezorgd ter voorbereiding van het interview. De vragenlijst werd per interview lichtjes aangepast door de onderzoekers rekening houdend met onder meer de vertrouwdheid van de respondent(en) met de Vlaamse omgevingsrapportage (en de voorgangers MIRA en RURA), maar ook met de specifieke ervaringen of achtergrondkennis die zij kunnen inbrengen op basis van eigen ervaringen. Tijdens de interviews werd dan ook ruimte gelaten voor een natuurlijk gespreksverloop, erop lettend dat alle verschillende deeltopics tijdens elk interview voldoende aan bod kwamen. Elk interview werd daarnaast vooraf grondig voorbereid door middel van een verkennende documentenanalyse. Dit liet toe om de vragenlijst meer op maat te maken van de respondent(en). Per gesprek werden notities genomen en werd een audio-opname voorzien, op basis waarvan de notulen van elk interview werden opgesteld. De notulen zijn een combinatie van samenvattingen van de boodschappen van de respondenten en deels letterlijk uitgeschreven interviewonderdelen. De notulen van het interview bevatten de naam/namen van de respondent(en) en worden veilig bewaard op UA-servers. De notulen worden niet opgeleverd aan de opdrachtgever als output van het onderzoeksproject omwille van de vertrouwelijkheid van elk gesprek. Goede praktijk infofiches Tijdens de onderzoeksfase werd er voor elk van de eerder geïdentificeerde goede praktijken en inspirerende documenten een ‘informatiefiche’ opgesteld, op basis van desktop research (documentenanalyse) en informatie die werd verkregen uit de interviews. Deze korte en samenvattende infofiches7 stellen de opdrachtgever in staat om snel zicht te krijgen op een aantal basisgegevens van de goede praktijk (context en beschrijving), de sterktes en zwaktes van de praktijk

5

De volledige vragenlijst is terug te vinden in bijlage 2 van dit rapport. Dit informatiedocument in verband met de gegevensbescherming en privacy in deze studie is terug te vinden in bijlage 3. 7 Elk van deze infofiches werd bijgevoegd in hoofdstuk 6 van dit rapport. 6

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 11 van 136


of het document8, en een beschrijving van de redenen waarom deze goede praktijk al dan niet interessant is voor de Vlaamse omgevingsrapportage. De fiches werden opgesteld volgens een vaste structuur waarover met de opdrachtgever werd overlegd tijdens een kerngroepvergadering in juni. Dit zorgt ervoor dat elk van de daaropvolgende fiches zo goed mogelijk aansluit bij de informatienoden van de opdrachtgever. De ontwerpversies van de fiches werden tijdens de onderzoeksfase doorlopend aan de opdrachtgever bezorgd voor feedback en als inspiratie voor de werkprocessen van de opdrachtgever, namelijk ter voorbereiding van het uitvoeringsbesluit en het meerjarig werkprogramma.

1.3.3

Analyse en validering

In deze studie wordt de omgevingsrapportage opgevat als een oefening in het definiëren en ontwikkelen van zogenaamde ‘boundary objects’ (zie o.a. Star & Griesemer, 1989), met als doel onderbouwde kennis omtrent de Vlaamse omgeving beschikbaar te stellen aan het beleid en de samenleving. In dit perspectief wordt het VPO als een ‘boundary organisation’ verantwoordelijk voor het maken van deze doorvertaling van wetenschappelijke inzichten naar beleid en het in bredere zin managen van de grenzen tussen wetenschap, beleid en samenleving. Deze theoretische invalshoek, die verder uiteengezet wordt in de literatuurstudie (hoofdstuk 2), fungeert als een leidraad doorheen de analyse van de gegevens die werden verzameld tijdens de onderzoeksfase van deze studie. De interviewresultaten werden verwerkt aan de hand van een kwalitatieve data-analyse met behulp van de onderzoekssoftware Nvivo. De notulen van de interviews fungeerden hierbij als empirische basis. Het betreft een inductieve analyse, waarbij een samenvattende en geordende schets van de meningen en opinies van de respondenten omtrent de omgevingsrapportage centraal staat. Dit impliceert niet dat de onderzoekers zich automatisch ‘akkoord verklaren’ met alle zaken in deze analyse naar voren komen. De resultaten van de interviews, in combinatie met de goede praktijk fiches en resultaten uit de reflectiegroep, fungeren daarentegen als een bouwsteen voor een verdere reflectie over de omgevingsrapportage waarin onze concrete adviezen aangereikt worden. Na een korte literatuurstudie, vatten we het rapport aan met dit reflectiehoofdstuk (hoofdstuk 3) waarin we de gegevens uit de interviews, goede praktijk fiches en reflectiegroep samenleggen. We formuleren in dit hoofdstuk beargumenteerde en concrete adviezen voor de omgevingsrapportage. De gegevens op basis waarvan deze reflecties tot stand zijn kunnen komen, namelijk de interviewanalyse (hoofdstuk 4), het verslag van de reflectiegroepbijeenkomst (hoofdstuk 5) en de goede praktijk fiches (hoofdstuk 6) worden ter aanvulling en verdieping gepresenteerd in de daaropvolgende hoofdstukken.

8

Deze sterktes en zwaktes werden geformuleerd op basis van concrete input over de betreffende goede praktijk uit de inleidende bilaterale gesprekken en stakeholder-interviews. Daarnaast kreeg de opdrachtgever bij aflevering van elke fiche de opportuniteit om de sterktes en zwaktes te herformuleren, aan te vullen of te verwijderen.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 12 van 136


2 LITERATUURSTUDIE: OMGEVINGSRAPPORTAGE ALS ‘BOUNDARY WORK’ Met de omgevingsrapportage wil het VPO robuuste, wetenschappelijk onderbouwde en relevante kennis omtrent de Vlaamse omgeving beschikbaar stellen voor het beleid en de samenleving. Zoals uit de interviews naar voren komt, moet de omgevingsrapportage volgens verschillende stakeholders dan ook een ‘doorvertaling’ maken van wetenschappelijke inzichten naar beleid, zodat de aangeboden kennis nuttig kan worden aangewend door overheidsinstanties en eventueel ook door andere maatschappelijke actoren. De omgevingsrapportage wordt daarnaast ook geacht agenderend te werken en het maatschappelijk-politiek debat over de omgeving te voeden met betrouwbare, relevante kennis. De omgevingsrapportage situeert zich als dusdanig op de grens tussen wetenschap, beleid en samenleving en kan bekeken worden als een vorm van ‘boundary work’ (Gieryn, 1995). Om meer inzicht te vergaren in hoe de omgevingsrapportage kan fungeren als een ‘site of coproduction’ waar bruikbare kennis wordt ontwikkeld en beschikbaar gesteld, presenteren we in dit hoofdstuk een samenvattende literatuurstudie van de academische inzichten omtrent concepten zoals de ‘science-policy interface’, ‘boundary work’ en ‘boundary organisations’. Introductie tot ‘grenswerk’ In de omgevingsrapportage ontmoeten de verschillende sociale werelden (of ‘universes of discourse’, zie Clarke & Star, 2008) van wetenschap, beleid en samenleving elkaar en gaan de actoren uit deze sociale werelden aan grenswerk doen (‘boundary work’). Het concept van grenswerk verwijst naar het proces waarin kennisproducenten uit verschillende sociale werelden hun kennisclaims en -praktijken uitwisselen (Gustafsson & Lidskog, 2017). Men noemt dit grenzenwerk omdat men probeert de grens te trekken tussen ‘gezaghebbende kennis’ (wat meestal gelijk staat aan wetenschappelijke kennis) en andere kennis, waarbij men die andere kennis afwijst en kadert als minder robuust en betrouwbaar of als louter een mening (zie Gieryn, 1999; Jasanoff, 1990; Halffman, 2003). Toch omvat grenswerk, zoals Jasanoff (1990) aangeeft, niet enkel deze demarcatie-oefening waarbij gezaghebbende van andere kennis wordt gescheiden, maar ook coördinerende activiteiten waarbij actoren onderhandelen over wat aanvaardbare manieren zijn om interactie en uitwisseling tussen hun werelden tot stand te brengen. Om goede en bruikbare wetenschap beschikbaar te maken voor het beleid, bepleit Jasanoff (1990) een nauwe samenwerking tussen alle betrokkenen waarin een coproductie van kennis tussen wetenschap, beleid en samenleving centraal staat. Tegen een achtergrond van voortdurende inspanningen om te investeren in politieke neutraliteit en zaken zoals een evenwichtige samenstelling van het peer-reviewsysteem, een standaardisatie van protocollen en analytische methoden, enzovoort, kunnen wetenschappelijke adviesorganisaties, zoals VPO met de omgevingsrapportage, op deze manier ‘serviceable truths’ of dienstbare waarheden voortbrengen en aanbieden: “(…) there can be no perfect, objectively verifiable truth. The most one can hope for is a serviceable truth: a state of knowledge that satisfies tests of scientific acceptability and supports reasoned decision-making, but also assures those exposed to risk that their interests have not been sacrificed on the altar of an impossible scientific certainty.” (Jasanoff, 1990: 250)

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 13 van 136


Jasanoff beargumenteert hiermee kortom dat wetenschappelijke kennis allereerst overtuigend moet zijn om als een redelijke en aanvaardbare oplossing in de samenleving te kunnen functioneren. Boundary organisations Wetenschappelijke adviesorganen, zoals VPO, opereren in een grensgebied tussen sociale werelden en worden hierdoor vaak geconcipieerd als zogenaamde grensorganisaties of ‘boundary organisations’ die het tweerichtingsverkeer van informatie en kennis tussen wetenschap en beleid faciliteren (Guston, 2001; Lentsch & Weingart, 2011; Miller, 2001). Het concept ‘boundary organisation’ werd in 1999 door Guston geïntroduceerd en werd in 2001 door deze auteur verder verfijnd. Guston (2001) definieert een boundary organisation dan ook aan de hand van drie criteria: (1) zowel wetenschappelijk als politieke actoren nemen deel aan deze organisaties, net zoals professionals die een mediërende rol op zich nemen; (2) boundary organisations maken de gezamenlijke productie van ‘boundary objects’ mogelijk (Star & Griesemer, 1989); dit kunnen onder andere normen, rapporten of programma’s zijn; (3) aangezien ze werkzaam zijn op de grens van de twee verschillende sociale werelden van politiek en wetenschap, leggen boundary organisations verantwoording af aan beide werelden. Deze dubbele lijn van verantwoording maakt hun rol van mediator dan ook mogelijk (Boezeman, Vink & Leroy, 2013). Zoals eerder aangegeven door Jasanoff (1990), worden boundary organisations geacht dienstbare waarheden of ‘serviceable truths’ te produceren, namelijk waarheidsgetrouwe, wetenschappelijke kennis die de realisatie van beleidsdoelen ondersteunt (Bijker, Bal & Hendriks, 2019). Door actoren langs beide kanten van de wetenschap-beleid grens te betrekken, maakt de boundary organisation een coproductie van kennis mogelijk, wat resulteert in de ontwikkeling van boundary objects die dienstbare waarheden presenteren. Clark et al. (2011) achten deze output als effectief bruikbaar door beleid en wetenschap indien ze tegelijkertijd (1) geloofwaardig, en dus wetenschappelijk correct, is, (2) betekenisvol is, namelijk relevant en tijdig aangeleverd voor beleidsmakers en (3) legitiem is en dus aanvaardbaar voor een uiteenlopende groep van stakeholders. De vervulling van deze criteria, in combinatie met een streven naar epistemologische, sociale en politieke robuustheid (Lentsch & Weingart, 2011; Nowotny, 2003), zorgt ervoor dat de output aanvaard wordt door actoren uit de verschillende sociale werelden en weerbaar wordt voor hun kritiek en nazicht. Alhoewel het concept van de grensorganisatie een vernieuwde analyse van wetenschappelijke adviesorganisaties en de science-policy interface heeft toegelaten, blijft het niet gevrijwaard van kritiek. Zo vermelden onder andere Pesch et al. (2012) en Mørk et al. (2012) dat het concept de relaties tussen wetenschap en beleid in een organisatie te veel omschrijft als een permanente staat in plaats van een doorlopend proces. Andere auteurs (o.a. Miller, 2001; Wehrens et al., 2013) bekritiseren de verdeling die het concept maakt tussen wetenschap en beleid als twee afzonderlijke domeinen zonder rekening te houden met interne verschillen en vage grenzen tussen de domeinen. Hierbij aansluitend stellen ze ook in vraag of het concept de verantwoordingslijnen van de boundary organisation naar de verschillende stakeholders toe niet als te symmetrisch voorstelt, aangezien deze lijnen van verantwoording doorheen de tijd dynamisch zijn en scheefgetrokken kunnen worden door onevenwichtige machtsrelaties (o.a. Parker & Crona, 2012; Wehrens et al., 2013). Ten laatste wordt er gewezen op het feit dat boundary organisations vaak meer dan één grens en meer dan twee groepen van stakeholders omvatten, en hun interacties op verschillende schaalniveaus structureren (o.a. Cash & Moser, 2000; Cash et al., 2003; Hisschemöller & Sioziou, 2013; Klerkx & Leeuwis, 2008).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 14 van 136


Deze kritische beschouwingen in acht nemend, hebben auteurs zoals Miller (2001), Wehrens et al. (2013) en Parker en Crona (2012) nieuwe concepten geïntroduceerd die de betekenis en het gebruik van het originele concept van boundary organisation verder opentrekken en het dynamische karakter ervan benadrukken. Zo introduceert Miller (2001) het concept van ‘hybrid management’ waarmee hij benadrukt dat de boundary organisation geen duaal karakter heeft met vast afgebakende grenzen, maar dat deze verschillende wetenschappelijke en politieke elementen bijeenzet, uit elkaar haalt, tot stand brengt, behoudt en de activiteiten die plaatsvinden in diverse domeinen coördineert. In tegenstelling tot Guston (2001) die een eerder vaste rol toekent aan de betrokken actoren, beargumenteren Miller (2001) en Wehrens et al. (2013) zodoende dat boundary organisations in hybride ruimtes met specifieke kenmerken opereren en dat ze bepaalde processen doorlopen om productieve en dynamische relaties en managementstrategieën vorm te geven. Aangezien boundary organisations dus interageren met een dynamische set van actoren, moeten zij hun adviezen ook afstemmen op de dominante actoren, ideeën, verhalen en institutionele kenmerken van de verschillende betrokken sociale werelden (Boezeman et al., 2013). Parker en Crona (2012) introduceren het idee van ‘landscape of tensions’ om verder te benadrukken hoe deze (soms) tegenstrijdige eisen een ‘landschap van spanningen’ creëren waardoorheen de boundary organisation moet navigeren om alle betrokken stakeholders tevreden te kunnen stellen. In een context waarin de grenzen tussen stakeholders en hun verschillende verwachtingen voortdurend onderhandeld moeten worden, worden boundary organisations “ongoing, adaptive processes of navigating these dynamic tensions over time” (Parker & Crona, 2012: 273). Deze opvatting benadrukt kortom de flexibele organisatiestructuren en -activiteiten die een boundary organisation nodig heeft om dienstbare waarheden en boundary objects vorm te geven en af te stemmen op de verwachtingen van de diverse betrokken actoren. Terwijl bovenstaande concepten een meer dynamische visie op de boundary organisation mogelijk maken, ontbreekt er volgens Gustafsson en Lidskog (2017) een uitleg en analyse over welke organisationele structuren en ‘institutional designs’ een organisatie nu net een boundary organisation maken. Uit hun literatuuranalyse blijkt immers dat een amalgaam aan organisaties het label van boundary organisation opgeplakt krijgen, terwijl zij sterk van elkaar kunnen verschillen op diverse vlakken, zoals qua doelen, governance, institutionele affiliaties, lidmaatschapcriteria, hun productie van boundary objects, ouderdom en schaalniveau. Alhoewel verschillende studies aantonen dat de manieren waarop boundary organisations werken en zich organiseren een belangrijke invloed hebben op hun uitkomsten (o.a. Boezeman et al., 2013; Graham & Mitchell, 2016; Lidskog, 2014; Parker & Crona, 2012; Wehrens et al., 2013), lijken er dan ook geen duidelijke organisatorische criteria te bestaan om een organisatie als een ‘boundary organisation’ te bestempelen (Gustafsson & Lidskog, 2017). Dit zorgt er volgens Gustafsson en Lidskog (2017) voor dat het concept dan ook geen leidraden kan bieden in hoe de wisselwerkingen tussen wetenschap en beleid concreet geïnstitutionaliseerd en georganiseerd kunnen worden. De auteurs concluderen hieruit dat het concept van de boundary organisation niet verwijst naar een specifieke organisationele structuur (en zelfs riskeert om een black box te creëren omtrent de science-policy interfaces die zich afspelen binnen een organisatie), maar slechts gebruikt wordt als een empirisch label. Dit label beschrijft wel het doel van de organisatie om wetenschap-beleid relaties te mediëren, maar biedt als dusdanig geen theoretische basis waarmee verder verkend kan worden hoe de science-policy interface structureel georganiseerd en institutioneel uitgevoerd wordt (Gustafsson & Lidskog, 2017). De auteurs benadrukken in de plaats hiervan het ‘performatieve’ effect van het label boundary organisation aangezien de benaming alleen al interne en externe actoren kan leiden in hoe ze denken en handelen. Op deze manier kan de boundary /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 15 van 136


organisation zelf gaan functioneren als een ‘boundary object’, aangezien de adoptie van dit empirisch concept door een organisatie verwachtingen creëert bij de stakeholders over zowel haar doelen als haar institutionele vorm (zoals lidmaatschap-criteria, besluitvormingsprocessen, etc.) en inhoud. Tegelijkertijd laat de benaming voldoende ruimte voor interpretatieve flexibiliteit wat actoren uit verschillende sociale werelden met uiteenlopende belangen toelaat te interageren en hun inspanningen op elkaar af te stemmen. Voorbeeld van een boundary organisation: het IPCC Zoals de literatuurstudie van Gustafsson en Lidskog (2017) aangeeft, is het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) de internationale organisatie die het vaakst wordt aangedragen als een archetypisch voorbeeld van een boundary organisation. Aangezien het IPCC erin slaagt om geloofwaardige beoordelingen en richtlijnen voor beleidsbeslissingen omtrent het klimaatvraagstuk aan te bieden, is de organisatie door verschillende auteurs (o.a. Zehr, 2005; Humphreys, 2009; Hoppe & Wesselink, 2014) dan ook beschreven als een van de meest succesvolle boundary organisations. Toch geven andere auteurs (o.a. Cash et al., 2002; Heink et al., 2015) kritisch aan dat het IPCC niet altijd even succesvol is geweest in het zoeken naar dit evenwicht tussen wetenschap en beleid. Zij beargumenteren dat haar sterke nadruk op het creëren van wetenschappelijke geloofwaardigheid soms ten koste gaat van beleidsrelevantie en legitimiteit en ervoor zorgt dat de implementatie van haar beleidsaanbevelingen niet altijd even succesvol verloopt. Gustafsson (2019) vermeldt dat er binnen het IPCC bijvoorbeeld de opvatting leeft dat de geloofwaardigheid van de IPCC-rapporten voornamelijk bepaald wordt door de veelvuldige reviewprocessen van de vele betrokken klimaatexperten. Dit proces van wetenschappelijke kwaliteitsborging geeft uiteraard een boost aan de geloofwaardigheid van de rapporten, maar houdt geen rekening met de huidige sociale context waarin steeds meer verschillende actoren en organisaties interesse hebben in het werk van het IPCC en bijgevolg ook oordelen vellen over de geloofwaardigheid, relevantie en legitimiteit van haar rapporten. Wanneer zij geen toegang hebben tot de ‘backstage’ praktijken (bv. de reviewprocessen) van de totstandkoming van de IPCC-rapporten, is de kans groter dat de inhoud van deze rapporten niet voldoende aansluit bij hun noden en bezorgdheden, wat een succesvolle implementatie van de aanbevelingen in het rapport kan verhinderen. Als een exemplarische boundary organisation is het IPCC reeds vanuit veel verschillende perspectieven bestudeerd (Gustafsson & Lidskog, 2017). Verschillende aspecten van de organisatie, zoals haar geschiedenis, relatie met natiestaten, management van kritiek en legitimiteitscrisissen, uitdrukkingen van de coproductie van kennis en de epistemologische veronderstellingen die haar wetenschap-beleidsrelaties structureren, werden verder onder de loep genomen. Toch stellen Gustafsson en Lidskog (2017) vast dat weinig van deze studies zich expliciet richten op de institutionele en organisatorische arrangementen van het IPCC als boundary organisation. In een meerderheid van de studies over het IPCC wordt het concept van boundary organisation zodoende slechts gebruikt als een descriptief label, dat het IPCC positioneert als een brugorganisatie tussen wetenschap en beleid, zonder de institutionele en organisatorische elementen hiervan theoretisch verder uit te diepen (Gustafsson & Lidskog, 2017). Ook in geval van het IPCC werkt het concept van boundary organisation dus voornamelijk performatief: de expliciete labelling als boundary organisation legitimiteert de positie van het IPCC als epistemische autoriteit op het gebied van klimaatverandering en verhoogt de geloofwaardigheid en aanvaardbaarheid van haar ambitie om robuuste en beleidsrelevante kennis te produceren over deze thematiek (ibidem). Het label van ‘boundary organisation’ gidst externe wetenschaps- en beleidsactoren dus als het ware in hoe ze zich gedragen tegenover de organisatie, maar werkt eveneens door in hoe het IPCC intern /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 16 van 136


actief vorm geeft aan het beheren van de interfaces tussen wetenschap en beleid. De manieren waarop het IPCC deze wetenschap-beleidsrelaties organiseert worden door Gustafsson (2019) verder geanalyseerd aan de hand van een studie naar de reacties van het IPCC op het publieke debat naar aanleiding van Climategate. Deze ‘Climategate’ verwijst naar een incident in november 2009, waarbij duizenden bestanden van de Climatic Research Unit van de Universiteit van East Anglia illegaal openbaar werden gemaakt. Door de onthulling van fouten in het vierde IPCC beoordelingsrapport (AR4) raakte de organisatie betrokken in dit schandaal, met als gevolg dat haar reputatie als een betrouwbare en legitieme rapportage-organisatie in vraag werd gesteld. Het IPCC counterde de toenemende discussies over haar geloofwaardigheid, relevantie en legitimiteit aan de hand van twee strategieën (Gustafsson, 2019). Zo verbeterde de organisatie ten eerste haar communicatiestrategie zodat de lineaire relatie9 tussen de organisatie en de rest van de samenleving versterkt werd. Ten tweede werden zowel het werkingsproces als de organisationele transparantie van het IPCC herbekeken en verbeterd om collaboratieve kennisproductie en evaluatieprocessen beter mogelijk te maken. Het IPCC heeft zich doorheen deze veranderingsprocessen bovendien in toenemende mate opengesteld voor een flexibeler begrip over hoe de wetenschap-beleid relatie vormgegeven kan worden, waarbij deze relatie voor verschillende delen van het werkproces zowel meer lineair als eerder collaboratief vormgegeven werd. Ondanks de crisis van Climategate, heeft het IPCC zodoende haar positie als kennisproducent opnieuw kunnen versterken en is de organisatie een belangrijke rol blijven spelen als ‘knowledge broker’ in verscheidene beleidsprocessen en besluitvorming, zoals bijvoorbeeld in de totstandkoming van het Akkoord van Parijs in 2015 (Ourbak & Laurence, 2017). Doorheen haar analyse van deze veranderingen, toont Gustafsson (2019) aan dat verschillende en soms tegenstrijdige idealen over hoe het evenwicht tussen wetenschap en beleid vormgegeven moet worden naast elkaar bestaan en onderling interageren. Deze bijkomende ‘laag van spanning’10 (zie Parker & Crona, 2012) maakt het des te belangrijker voor een boundary organisation om reflexief na te denken over haar epistemische idealen en verwachtingen van kennisproductie (ibid.). Daarnaast vereist dit volgens Gustafsson (2019) een organisationele flexibiliteit waarbij de boundary organisation moet openstaan voor verschillende strategieën die in de diverse fasen van het kennisproductieproces en in relatie tot de verschillende actoren sterk van elkaar kunnen afwijken. De boundary organisation moet kortom flexibel kunnen inspelen op de soms divergente en veranderende verwachtingen die actoren op verschillende momenten doorheen de tijd aan de organisatie stellen. Boundary work in de toekomst Het beschikbaar maken van kennis voor beleid heeft met internationale organisaties, zoals het IPCC en het Intergovernmental Science-Policy Platform on Biodiversity and Ecosystem Services (IPBES), en initiatieven van eigen bodem, zoals de milieu- en ruimterapportage, een rijke geschiedenis achter de rug, maar wordt ook geconfronteerd met toekomstige uitdagingen. In het licht van urgente problematieken zoals klimaatverandering en biodiversiteitsverlies klinkt de nood aan het verbinden 9

Hiermee wordt een lineaire wetenschap-beleid relatie bedoeld, waarin de wetenschap haar positie van ‘speaking truth to power’ opeist. Deze positie is zeker niet nieuw voor het IPCC en sluit aan bij de kennistraditie op basis waarvan het IPCC werd opgericht en zich verder heeft ontwikkeld. Een groot deel van de werkprocessen van het IPCC volgt dan ook deze lineaire logica waarin een duidelijke grens tussen wetenschap en beleid gecultiveerd wordt (Gustafsson, 2019). Toch is deze logica doorheen de tijd aangevuld met het idee dat de sociale praktijken van wetenschap en beleid op een collaboratieve manier moeten samenwerken aan de productie van kennis en de creatie van sociale verandering. In deze visie vervaagt de harde grens tussen wetenschap en beleid en maakt daarentegen plaats voor samenwerkingen over deze grens heen. 10 Gustafsson toont aan dat de idealen van lineaire en collaboratieve wetenschap-beleid relaties, waarover vaak wordt gedacht dat ze elkaar überhaupt uitsluiten, bij het IPCC ook naast elkaar bestaan. Het bestaan van deze twee tegenstrijdige argumenten/visies binnen één organisatie creëert een extra spanning die doorheen de werkprocessen genavigeerd moet worden. Door naar aanleiding van Climategate een sterke mate van organisationele flexibiliteit aan de dag te (moeten) leggen, is het IPCC erin geslaagd om beide visies deel te laten uitmaken van (verschillende delen in) hun werkprocessen.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 17 van 136


van kennis aan actie steeds luider, maar zetten verscheidene ontwikkelingen dit grenzenwerk tegelijkertijd steeds meer onder druk. Cash en Belloy (2020) identificeren vier dynamieken die in toenemende mate een druk uitoefenen op het grenzenwerk van de toekomst: (1) een beter begrip dat schaal-overschrijdende interacties van cruciaal belang zijn (het verbinden van lokale, nationale en globale kennis en actie); (2) een toenemende druk om issues van gelijkheid en rechtvaardigheid meer volledig mee te nemen in de uitdagingen van duurzame ontwikkeling; (3) snel veranderende digitale technologieën en sociale media; (4) en de opkomst van een ‘post-truth world’. Alhoewel de criteria van geloofwaardigheid, relevantie en legitimiteit voor het aanbieden van ‘dienstbare waarheden’ (Clark et al., 2011) een robuust model zijn gebleken voor verschillende duurzaamheidsissues in diverse contexten, rijst de vraag of dit model ook bestand zal zijn voor de schokken die de snel veranderende wereld van informatie, kennis en technologie ons voorschotelt. In hun eerste verkenning van dit vraagstuk menen Cash en Belloy (2020) aanwijzingen te vinden dat het model van coproductie en de criteria van geloofwaardigheid, relevantie en legitimiteit wel degelijk overeind zullen blijven en adequate reacties op het veranderende ‘kennis-actielandschap’ mogelijk zullen maken. Een strategische implementatie van de criteria van relevantie en legitimiteit kan er bijvoorbeeld voor zorgen dat boundary organisations niet alleen meer aandacht hebben voor gelijkheid- en rechtvaardigheidsvraagstukken, maar de participatie van actoren en gemeenschappen die voorheen buiten het ‘kennis-actielandschap’ hebben gestaan ook concreet zouden kunnen versterken. Het criterium van geloofwaardigheid, en de hiermee gepaard gaande ontwikkeling van kwaliteitsborgingssystemen en communicatiestrategieën, kan dan weer een goed antwoord bieden op de specifieke uitdagingen die digitale technologieën en de ‘post-truth’ wereld naar voren schuiven. Toch blijft het volgens de auteurs erg belangrijk om deze drukfactoren op het boundary work goed op te volgen en in onderlinge interactie met elkaar te bekijken. Op deze manier kunnen zowel de wegversperringen als de nu nog verborgen paden voor een nog meer effectieve ‘kennis voor actie’-productie op tijd geïdentificeerd en uitgewerkt worden.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 18 van 136


3 OMGEVINGSRAPPORTAGE: REFLECTIES EN ADVIEZEN 3.1 ONZE KIJK OP WAT OMGEVINGSRAPPORTAGE IS Zoals kan afgeleid worden uit de aandacht die we eraan besteedden in de literatuurstudie, labelen we de omgevingsrapportage als een boundary object: een kennisproject dat de ambitie heeft relevant te zijn voor beleid en samenleving en dat wordt gemaakt op het snijvlak van drie werelden: de wetenschappelijke wereld, (overheids)beleid en samenleving. De kennis die de omgevingsrapportage aanreikt, is niet gelijk welke kennis. De omgevingsrapportage moet solide, robuuste, wetenschappelijke onderbouwde kennis te beschikking stellen, die geproduceerd is volgens gangbare wetenschappelijke standaarden en waarbij transparantie heerst over de wijze waarop die kennis tot stand is gekomen. De kennis die in de omgevingsrapportage wordt aangereikt moet nuttig zijn voor beleid en samenleving. De omgevingsrapportage moet niet utilitaristisch zijn in de zin van ‘gericht op onmiddellijk nut’, want voor operationele kennisnoden lanceren beleidsmakers zelf wel toepassingsgericht onderzoek. De omgevingsrapportage mag, zo blijkt ook uit onze dataverzameling, agenderend zijn, het strategisch debat over beleid voedend met betrouwbare kennis. Nog een belangrijk inzicht, mede op basis van de literatuurstudie: organisaties, zoals VPO en het team dat aan omgevingsrapportage gaat doen, kan maar beter een ‘boundary organisation’ opzetten waarin wetenschap, samenleving en beleid vertegenwoordigd zijn en er respect is voor de onderlinge verschillen. Guston (2001) noemt nog wat andere karakteristieken van een boundary organisation die relevant zijn. (1) Het maken van boundary objects zoals rapporten of andere producten zijn de aanleiding voor wetenschap, beleid en samenleving om samen te werken. (2) Er moeten ‘lines of accountability’ zijn: de boundary objects moeten voldoen aan de regels van het wetenschapsbedrijf, maar ze moeten ook voldoen aan de wensen van de politiek en andere beleidsmakers. (3) Mensen die een boundary organisation doen draaien zijn mediators: het zijn idealiter geen echte wetenschappers, maar ook geen klassieke ambtenaren. Wel personen met voeling met het wetenschapsbedrijf, geïnteresseerd in het opvolgen van nieuwe wetenschappelijke inzichten, maar ook met voldoende voeling met wat politiek en beleidsmatig speelt. Welk soort output produceert een boundary organisation? Een mooi antwoord op die vraag, komt van Clark en collega’s in een publicatie van 2011. Zij stellen: boundary organisations produceren dienstbare waarheden (serviceable truths): waarachtige wetenschappelijke kennis die het realiseren van beleidsdoelen ondersteunt. Wanneer wordt de output van een boundary organisation geacht effectief bruikbaar te zijn? Wanneer die output tegelijk geloofwaardig is (=wetenschappelijk correct), betekenisvol (= relevant en tijdig aangeleverd voor beleidsmakers) en legitiem (dat is: aanvaardbaar voor een set van uiteenlopende types stakeholders).

3.1.1

Onze adviezen over de randvoorwaarden voor de organisatorische inbedding van de omgevingsrapportage in VPO

Hierna volgen een aantal aanbevelingen, volgend op voorgaande reflecties en gebaseerd op inzichten die zijn gegroeid op basis van de interviews, de reflectiegroepbijeenkomst en analyse van de goede praktijken. De aanbevelingen weerspiegelen de mening van de auteurs en niet van de opdrachtgever. Dit geldt ook voor de adviezen en aanbevelingen die hierna in dit hoofdstuk worden geformuleerd.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 19 van 136


# De verantwoordelijken voor de omgevingsrapportage moeten nadenken hoe zij een boundary organisation op touw kunnen zetten op het snijvlak tussen wetenschap, beleid en samenleving, gezien omgevingsrapportages maken vereist dat er over de producten verantwoording wordt afgelegd aan vertegenwoordigers van beleid maar ook aan vertegenwoordigers van de wetenschap en de samenleving. Gezien de omgevingsrapportage wordt ontwikkeld in het VPO (een beleidsorganisatie), drukken veel respondenten erop dat de omgevingsrapportage idealiter beter kan worden gestuurd door een vaste stuurgroep die zowel in de strategische koersbepaling betrokken is (opstellen van het meerjarenplan en strategische keuzes inzake inhoud, doelgroep, producten), als inhoudelijk betrokken is (welke thema’s zijn relevant, met welke wetenschappelijke ontwikkelingen rekening houden?). Een (wetenschappelijke) adviesraad oprichten kan ook, maar heeft het nadeel ‘slechts’ adviezen op te leveren waarvan door VPO afgeweken kan worden, wat de perceptie versterkt dat de omgevingsrapportage te dicht tegen het beleid aanschurkt en onvoldoende onafhankelijk kan publiceren. Om toe te laten dat de omgevingsrapportage flexibel evolueert rekening houdend met veranderende omstandigheden, kan in een vaste stuurgroep gewerkt worden met in de tijd beperkte mandaatperiodes van voorzitters/leden en kunnen ad hoc experten worden toegevoegd voor de tijd dat hun input relevant is in de ontwikkeling van specifieke producten. # VPO als host-organisatie voor de omgevingsrapportage voert een personeelsbeleid dat het mogelijk maakt mediators in te zetten die de omgevingsrapportage voorbereiden, de totstandkoming ervan ondersteunen en de vereiste nazorg leveren om de doorwerking van de producten te maximaliseren. Zoals VPO begrepen heeft (getuige de profielbeschrijvingen van recent aangeworven medewerkers), zijn mediators zijn geen klassieke ambtenaren en ook geen echte wetenschappers, maar personen (met het statuut van ambtenaar) die voeling hebben met wetenschappelijk onderzoek en omgevingsbeleid, netwerkers die goede toegang hebben tot de diverse werelden, en getalenteerde schrijvers die het in zich hebben te voldoen aan de specifieke schrijfcompetenties van een ‘omgevingsrapporteur’. Mediators moeten geselecteerd worden op criteria zoals ervaring met wetenschappelijk onderzoek en een goede pen, maar er is zeker ook nood aan investering in opleiding en coaching én aan personeelsbeleid dat het voor hen aantrekkelijk maakt om te blijven. # Aanvullend op het werk van de mediators kunnen collega’s van VPO of andere afdelingen of departementen aangetrokken worden om bij te dragen aan concrete producten van de omgevingsrapportage, maar belangrijke succesvoorwaarden zijn dat deze mensen formeel tijd ter beschikking krijgen om mee te werken en dat zij goed gecoacht worden om teksten/producten op te leveren die passen in de ambities van de omgevingsrapportage. # VPO ondersteunt de omgevingsrapportage door (financiële/personele) ruimte te creëren om een onderzoeksprogramma specifiek voor omgevingsrapportage te ontwikkelen. De onderzoeksnoden van de omgevingsrapportage kunnen deels overlappen, maar vallen niet samen met de onderzoeksnoden van het departement. Er is geoormerkt budget nodig om onderzoeken specifiek voor de omgevingsrapportage mogelijk te maken, maar ook om verantwoordelijken voor omgevingsrapportage kansen te bieden zelf keuzes te maken over noodzakelijk (aan te besteden) onderzoek. De besteding van dit budget vereist minstens het advies, maar bij voorkeur de instemming van de stuurgroep die de omgevingsrapportage begeleidt (indien beslist wordt deze alsnog op te richten). # VPO ontwikkelt een dataverzamelingsstrategie die dienstbaar is voor de ontwikkeling en het up to date houden van de voor omgevingsrapportage relevante indicatoren. VPO ondersteunt actief de /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 20 van 136


inspanningen van de verantwoordelijken voor de omgevingsrapportage om samenwerking te creëren met dataleveranciers (uit het eigen beleidsdomein en daarbuiten). VPO kan verder bouwen op de (in de milieurapportage) historisch opgebouwde savoir-faire in het longitudinaal opvolgen en ontwikkelen van relevante indicatoren, maar er zijn substantiële investeringen nodig in (nieuwe) data-platforms, samenwerkingsakkoorden over data-aanlevering enz. # Indien mogelijk benut VPO opportuniteiten om de capaciteit voor omgevingsrapportage te vergroten. Reorganisaties waarbij ‘rapporteurs’ van andere velden en domeinen samengebracht worden in één rapportageteam, kunnen (essentiële) extra capaciteit opleveren voor de omgevingsrapportage. Een omgevingsrapportage heeft een minimale capaciteit aan mediators en medewerkers nodig om de rapportage-opdracht met degelijke kwaliteit te volbrengen. Welk deze minimale capaciteit is, is afhankelijk van de inhoudelijke keuzes voor het soort producten en organisatorische keuzes inzake het aantal producten en het tempo waarmee ze gepubliceerd worden.

3.2 VOOR WIE EEN OMGEVINGSRAPPORTAGE? Uit alle databronnen (interviews, reflectiegroepbijeenkomst, goede praktijken) blijkt dat de beleidsmaker als doelgroep vooral niet te eng mag bekeken worden. Naast de Vlaamse regering, zijn ook Vlaamse parlementsleden, collega-ambtenaren uit andere departementen en agentschappen… belangrijke adressanten van de omgevingsrapportage. Verder zullen de (secretariaten van de) strategische adviesraden rapportages dankbaar gebruik maken van de (op wetenschap gebaseerde) inzichten die in de rapportages verzameld worden op een voor hen toegankelijke manier. Gezien de raakvlakken tussen beleidsdomein omgeving en andere beleidsdomeinen, zijn beleidsmakers in deze andere beleidsdomeinen eveneens een belangrijke doelgroep van de omgevingsrapportage. Ons advies is om deze (brede) groep van beleidsmakers te blijven aanzien als de primaire doelgroep, goed beseffende dat de doorwerking van omgevingsrapportage op het (overheids)beleid vaak moeilijk te realiseren is. De ambitie van de omgevingsrapportage moet zijn minstens te proberen beleidsimpact te realiseren via de aan de Vlaamse overheid gelieerde organen, incl. departementen, agentschappen, strategische adviesraden enz. De verantwoordelijken voor de omgevingsrapportage moeten zichzelf een taak opleggen om opportuniteiten voor beleidsuptake (tijdig) op te sporen, alsook te documenteren waar en hoe de omgevingsrapportage opgepikt wordt, bv. wanneer ernaar gerefereerd wordt in beleidsdocumenten. Het is verder denkbaar dat de omgevingsrapportage zelf fora creëert om (beleids)doorwerking te stimuleren, bv. lezingen en aansluitende discussies over (beleids)relevante omgevingsthema’s, al dan niet in samenwerking met anderen. Het advies is ‘windows of opportunity’ te identificeren of zelf te creëren. Er zijn geen gouden regels hoe die opportuniteiten te vinden, maar sowieso belangrijk is de rol van de mediators die (al dan niet door bevraging van anderen) kunnen anticiperen op belangrijke mijlpaal-momenten in beleidsprocessen of -discussies, bv. een rapportage-moment in het implementatieproces van een Europese richtlijn of de vorming van een nieuw Vlaams regeerakkoord. We volgen het advies van de interviewees en de reflectiegroep om de boodschappen die de omgevingsrapportage biedt toegankelijk te maken voor een breder publiek dan enkel beleidsmakers. Deze taak heeft veel weg van wetenschapscommunicatie, een discipline die specifieke kennis en vaardigheden vereist. Om die reden is het belangrijk partnerschappen te creëren met experts in wetenschapscommunicatie en zorgvuldig te selecteren welke doelgroepen /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 21 van 136


men wil en kan bedienen op een manier die impact oplevert. Dit vereist een denkoefening over het type impact de omgevingsrapportage wil nastreven (instrumentele doorwerking, conceptuele doorwerking, agendering of ‘enlightenment’). Maar al bij al is het nastreven van maatschappelijke impact, naar onze inschatting, van secundair belang terwijl het nastreven van beleidsimpact de primaire doelstelling moet zijn. Wetenschapscommunicatie op basis van de omgevingsrapportage mag alleen aan de orde zijn, als er een merkbare leemte te vullen is. Er is geen nood aan communicatie over onderwerpen waar anderen al uitvoerig over communiceren, tenzij die communicatie onvolledig zou zijn of er andere redenen zijn om extra of nieuwsoortige communicatie-inspanningen te leveren. De communicatie moet ook een goede kans hebben om het maatschappelijk en/of beleidsdebat over een thema op een innovatieve manier met kennis te voeden. Omgevingsrapportage mag en moet zelfs agenderend zijn, wat betekent dat ze ook over thema’s publiceert die mogelijk gevoelig liggen bij de politiek of bij (andere) stakeholders. Belangrijk voor de legitimiteit is om: (a) stellingen of conclusies op een wetenschappelijk robuuste manier te presenteren, (b) naast probleemsituerend ook oplossingsgericht te schrijven en (c) waar mogelijk, stakeholders ook mee te nemen in een proces waarbij ze van bij de conceptontwikkeling, over de ontwikkeling van de rapportage tot in het natraject (bv. in post-publicatie seminaries) actief betrokken worden en kunnen meepraten. Omgevingsrapportage heeft tot doel kennis aan te leveren, met de bedoeling agenderend te zijn en waar mogelijk ook tot verandering aan te zetten, maar het is belangrijk realistische verwachtingen te koesteren over het vermogen om met toelevering van cognitieve kennis gedragsverandering en maatschappelijke verandering teweeg te brengen: wetenschappelijke inzichten over de actioncognition gap leren ons dat ‘iets weten’ vaak niet genoeg is om de gewenste (gedrags)verandering te realiseren.

3.2.1

Onze adviezen over de doelgroepen van de omgevingsrapportage

# Als we ervan uitgaan dat beleidsverantwoordelijken beleid willen voeren geïnformeerd door wetenschappelijke kennis, dan moeten zij de primaire doelgroep zijn van de omgevingsrapportage. Hoewel de ervaring met o.m. de milieu- en natuurrapportage leert dat beleidsverantwoordelijken niet altijd interesse tonen of luisteren naar boodschappen uit de rapportages, moet het team achter de omgevingsrapportage handelen met een speaking truth to power ambitie. Worden de boodschappen niet opgepikt door beleidsverantwoordelijken, dan mogelijk wel via andere beleidsactoren (zoals strategische adviesraden, sectororganisaties, NGOs…) die druk kunnen zetten op het overheidsbeleid om rekening te houden met de conclusies en ambities in de omgevingsrapportage. # Hoewel meerdere respondenten bepleiten dat de omgevingsrapportage actief werk moet maken van maatschappelijke doorwerking, is onze mening dat de omgevingsrapportage primair de Vlaamse beleidsactoren moet bedienen en – met de beperkte middelen die ze hebben – zich niet moeten toeleggen op wetenschapscommunicatie gericht op de burger of een specifieker publiek zoals leerlingen/studenten. Wat niet wegneemt dat mag/kan overwogen worden om in te gaan op specifieke vragen van bv. het departement onderwijs of onderwijskoepels, op voorwaarde dat deze vragen eenvoudig te beantwoorden zijn op basis van eerder geleverd werk. # Hoewel sommige respondenten voorstellen om actief de samenwerking op te zoeken met journalisten, moet het team achter de omgevingsrapportage opletten niet aanzien te worden als een militante groep die middels samenwerking met de pers de druk op de politiek wenst op te voeren. Uiteraard is het belangrijk dat de boodschappen uit de omgevingsrapportage toekomen bij /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 22 van 136


wie ze moeten horen, maar het is belangrijk deze communicatie zelf te sturen en niet uit handen te geven aan de pers. Wat niet wegneemt dat onderzoeksjournalisten wellicht dankbaar gebruik willen maken van de beschikbare kennis over omgeving. Die kennis kan uiteraard op vraag gedeeld worden, mits in acht name van de regels over correct refereren.

3.3 TYPE PRODUCTEN VAN DE OMGEVINGSRAPPORTAGE Verschillende respondenten hebben benadrukt dat de omgevingsrapportage moet bijdragen aan het strategische debat over omgevingsbeleid (in brede zin). Met welk type producten levert zij aan dat debat een zinvolle bijdrage? Voor de meeste respondenten en ook voor ons is het bijeenbrengen van indicatoren en onderliggende data een absolute prioriteit. De milieu- en natuurrapportering heeft een geschiedenis van bijeenbrengen van grote hoeveelheden data in indicatoren. Daarmee behoort het milieu- en natuurbeleid tot één van de best gedocumenteerde beleidsdomeinen; een kenmerk dat niet opgaat voor vele andere beleidsdomeinen en waarnaar vanuit deze andere beleidsdomeinen met afgunst wordt gekeken, bv. door beleidsvoorbereidende of -evaluerende ambtenaren en secretarissen van strategische adviesraden. Dit historisch gegroeide ‘asset’ van het milieu- en natuurbeleid is belangrijk om te koesteren en mag niet verwaarloosd worden of verloren gaan. Het indicatorenwerk wordt aanzien als basiswerk in de omgevingsrapportage, maar de inspanning die nodig is om dit basiswerk te verrichten mag niet geminimaliseerd worden. Meer nog, bij de opstart van de omgevingsrapportage zullen er veel tijd, energie en middelen in moeten geïnvesteerd worden: de set indicatoren moet herbekeken worden op relevantie, er zullen (nieuwe) afspraken moeten gemaakt worden met data-leveranciers over vlotte doorstroom van data voor de indicatoren, een online data-platform moet voorzien en uitgebouwd worden, enz. Het is belangrijk deze inspanningen goed af te stemmen met Statistiek Vlaanderen, dat statistieken beheert en publiceert. Ook afstemming met data-leveranciers uit andere beleidsdomeinen is essentieel. Respondenten onderlijnen de uitdaging maar ook het belang van het bijeenbrengen van data van verschillende (overheids)silo’s en het leggen van verbanden tussen die data. Respondenten raden aan om op regelmatige basis ‘een omgevingsrapport’ te publiceren. Enerzijds is die aanbeveling gestoeld op respect voor de lange traditie van publiceren van toestandsrapporten, waarin het MIRA-team beleidsdomein-breed maar ook beleidsdomein-overschrijdend rapporteerde over de state of the environment.11 Anderzijds wenst men met een omgevingsrapport de rapportage ook een ‘uniek product’ toe waarmee zij haar toegevoegde waarde kan tonen. Het format van de toestandsbeschrijving mag volgens de respondenten meegaan met de tijd. Misschien veeleer dan een dik referentiewerk publiceren, is het – passend in de MIRA-werkwijze – een goed idee te werken aan een website waar gebruikers omgevingsbreed (longitudinaal verzamelde) data kunnen terugvinden. Daarvan kunnen afgeleide producten gemaakt worden, zoals artikelen in een aan de omgevingsrapportage gewijd tijdschrift, infosheets over zorgvuldig geselecteerde deeltopics en social media publicaties voor een breed publiek waarin belangwekkende trends belicht worden. De net genoemde illustraties van afgeleide producten verschillen in omvang en tekstvolume, maar gezien vandaag almaar minder tijd is om lange teksten te lezen, worden visualisaties en het delen van kern-boodschappen belangrijker.

11

Ook de twee ruimterapporten die VPO publiceerde, de afgelopen zes jaar, mikten op een toestandsbeschrijving van de Ruimte in Vlaanderen.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 23 van 136


Respondenten geven terecht aan dat de omgevingsrapportage méér moet doen dan het bijeenbrengen en ontsluiten van objectieve data uit uiteenlopende bronnen. De informatie die de indicatoren aanleveren moeten duiding krijgen. Duiding waarmee die informatie betekenisvol wordt voor beleid en samenleving, en waarmee het zich ook onderscheidt van Statistiek Vlaanderen waar enkel statistische duiding wordt gegeven. Die duiding kan aangebracht worden door longitudinale trends te beschrijven en te verklaren, door de distance to target aan te geven en door te reflecteren over wat nodig is om tot doelbereiking te komen. Zo werkte de milieurapportering vroeger. Deze interpretatie- en vertaalslag zou ook de omgevingsrapportage moeten maken. Die opdracht is niet eenvoudig want ze vereist denkwerk over relevante schaalniveaus en over wat de indicatoren zeggen over het Vlaamse beleid. Er is grote eensgezindheid dat omgevingsrapportage moet bijdragen aan evidence-based policymaking. Dit betekent dat het team verantwoordelijk voor de omgevingsrapportage – al dan niet ondersteund door anderen – zal moeten bepalen wat de grote uitdagingen zijn voor het Vlaamse milieu-, natuur- en ruimtebeleid en zal moeten selecteren welke evidence potentieel een strategisch belangrijke bijdrage kan leveren aan het debat over omgevingsbeleid en de bijsturing ervan. In die zin moet de omgevingsrapportage ambities hebben om beleidsevaluatief werk te leveren, ondersteund door een solide basis van toestandsbeschrijving. De omgevingsrapportage kan verschillende soorten beleidsevaluatie opzetten om de doeltreffendheid, doelmatigheid en de proces- en organisatie-kwaliteit van het beleid te analyseren en te beoordelen. Een op resultaten geconcentreerde overheid moet beleidsevaluatie omarmen om te leren of een beleidsaanpak werkt (of niet) en waarom. Tegelijk is er geen onterechte zorg bij respondenten over het ongemak dat politiek en ambtelijk verantwoordelijkheden voelen bij beleidsevaluaties en de gevoeligheid van de resultaten. Hoewel beleidsevaluaties onvermijdelijk delicaat zijn, kunnen transparantie en overleg over de beleidsevaluatieve agenda van de omgevingsrapportage zorgen voor voorspelbaarheid over de timing en de bedoeling van de beleidsevaluaties. Aansluiting realiseren bij de Europese evaluatieen rapportagecycli kan helpen om beleidsevaluaties relevant in te zetten in het beleidsproces. Verder kan het evalueren van de inspanningen van alle diverse soorten beleidsactoren (overheid, markt, NGOs/sectororganisaties…) vermijden dat de Vlaamse regering of een departement zich geviseerd voelt. Naast toestandsbeschrijving (T) en beleidsevaluatie (BE), is scenario-ontwikkeling en toekomstverkenning (S) een derde type product dat door onze respondenten, maar ook decretaal, in verband wordt gebracht met de omgevingsrapportage. Hoewel diverse respondenten, vooral academische actoren en collega-rapporteurs, de waarde zien van scenario’s en toekomstverkenningen en bepleiten dat er geïnvesteerd wordt in verdere kennisopbouw daarvoor, blijken andere respondenten koele minnaars. Hoewel scenariorapporten en toekomstverkenningen nuttig en interessant kunnen zijn, vinden vooral vertegenwoordigers van de strategische adviesraden dat ze (op dit moment) geen prioriteit behoeven. Wij delen de mening dat de prioriteit voor de pril opstartende omgevingsrapportage ligt in het basiswerk om indicatoren te selecteren en te ontwikkelen, bij het rapporteren over de staat van de leefomgeving en bij het evalueren van de beleidsinspanningen en -prestaties van (diverse soorten) beleidsactoren. Scenario-ontwikkeling en toekomstverkenning zijn op korte termijn idealiter niet het eerste type op te leveren product, maar (voor)investeringen in de kennisopbouw ervoor zijn uiteraard wenselijk en van belang. De milieurapportage heeft het afgelopen decennium gewerkt aan topicrapporten, bv. over klimaat. Niettegenstaande het respect dat respondenten hebben voor het geleverde werk, plaatsen sommigen vraagtekens bij de wenselijkheid om dit type product prioriteit te geven in de /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 24 van 136


omgevingsrapportage. Topics kunnen trendgevoelig zijn (denk aan: stadslandbouw of aan het in Europese beleidsmiddens sterk aangewakkerde nature-based solutions discours), terwijl de omgevingsrapportage (volgens respondenten) beter investeert in het longitudinaal opvolgen van evoluties in de toestand van de omgeving. Topics betreffen uitsnedes van het omgevingsbeleid, terwijl respondenten liever de omgevingsrapportage brede analyses ziet maken (zijnde: betrekking hebbend op meerdere topics). Dat laatste sluit niet uit dat een topicrapport over klimaat bijvoorbeeld wel degelijk breed kan kijken, op de lange termijn. Het team achter de omgevingsrapportage moet, rekening houdend met de beschikbare capaciteit (personeel/tijd/financiën), afwegen of topicrapporten deel kunnen uitmaken van de prioritaire opdrachten en toetsen de wenselijkheid daarvan ook best vooraf af met hun stuurgroep (als die wordt voorzien), een klankbordgroep en/of met een gebruikersgroep.

3.3.1

Onze adviezen over het type producten van de omgevingsrapportage

# Rekening houdend met de (voorlopig) beperkte personeelscapaciteit en de investeringen die nodig zijn om de rapportage organisatorisch en inhoudelijk op de rails te zetten, is er nood aan pragmatisme in de keuzes die gemaakt worden over de types producten die de komende jaren gemaakt worden. # Er is nood aan een gefaseerde ontwikkeling en uitbouw van de omgevingsrapportage. Rome is niet op één dag gebouwd; de omgevingsrapportage ook niet. Zoals eerder gesteld, zou in eerste instantie moeten gewerkt worden aan de selectie en ontwikkeling van indicatoren. Dit is het basiswerk dat nodig is om vervolgens andere producten te ontwikkelen. Dit werk wordt vaak vanzelfsprekend geacht en krijgt niet altijd de aandacht die het verdient, maar is essentieel en prioritair. Pas nadat de indicatorenset is ontwikkeld, komt er ruimte voor andere opdrachten. Ook in die andere opdrachten is er een logische volgorde: eerst werken aan de toestandsbeschrijving en aansluitend de interpretatie, duiding en verklaring van de vastgestelde trends, en vervolgens maximaal proberen de toestand te koppelen aan de (al dan niet) geleverde beleidsinspanningen. Scenario-ontwikkeling, toekomstverkenningen en topicrapporten mogen (op de middellange termijn) niet ontbreken in het productgamma van de omgevingsrapportage, mits er draagvlak voor is (bv. bij de stuurgroep of gebruikersgroep) en mits de beschikbaarheid van voldoende interne capaciteit en expertise, die wellicht tegen dan nog verder zal moeten worden uitgebouwd. Ook voor aparte beleidsevaluatieve rapporten moet er ruimte worden gemaakt, onder dezelfde voorwaarden als vermeld voor scenarioontwikkeling en toekomstverkenning, misschien specifiek aangevuld met de voorwaarde dat de verantwoordelijken voor de evaluatie (zowel in het team voor de omgevingsrapportage als ev. externe evaluatoren) keuzes inzake opzet, uitvoering en conclusievorming onafhankelijk mogen maken.

3.4 THEMATISCHE INTEGRATIE IN DE OMGEVINGSRAPPORTAGE Sinds de oprichting van het beleidsdomein omgeving zijn er inspanningen geleverd om te definiëren wat omgeving is. Respondenten geven aan dat de omgevingsrapportage kansen biedt om ‘bottomup’ – in een samenwerkingsverband tussen ambtenaren die komen uit het voormalige beleidsdomein ruimte en uit het voormalige beleidsdomein leefmilieu, natuur en energie – conceptuele kaders te vinden die de term omgeving handen en voeten geven. Tegelijk dringen respondenten aan op pragmatisme. De omgevingsrapportage hoeft niet de druk te ervaren om omgeving of omgevingsbeleid te definiëren. De omgevingsrapportage dient zich te concentreren op het vinden van conceptuele denkkaders die toelaten om in de omgevingsrapportage zowel ruimte als leefmilieu aan bod te laten komen op een zinvolle manier, die ook vlot begrijpbaar is voor anderen. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 25 van 136


Problemen met milieukwaliteit en problemen met de ruimtelijke kwaliteit hangen vaak samen met externe drukfactoren, zoals het ruimtegebruik en de milieudruk van diverse sectoren zoals landbouw en mobiliteit. In de omgevingsrapportage, waar gerapporteerd zal worden over de staat van de omgeving, zal onvermijdelijk aandacht gaan naar beleid van andere beleidsdomeinen, zoals landbouw, mobiliteit, energie en huisvesting. Respondenten dringen er dan ook op aan dat, in lijn met de traditie die de milieurapportage heeft gecreëerd en in lijn met de inhoudelijke scoping van het tweede Ruimterapport, voldoende integraal te kijken naar de samenhang tussen problemen van milieu- en ruimtelijke kwaliteit én beleid gevoerd door andere beleidsdomeinen. Dit vereist idealiter samenwerking met die andere beleidsdomeinen, waarbij het belangrijk is partners te vinden die data (vanuit die andere beleidsdomeinen) kunnen helpen ontsluiten. Ook een mandaat van beleidsverantwoordelijken (in de Vlaamse regering en in het departement) om ‘over de muurtjes heen’ te kijken, is van belang. De verantwoordelijken voor de omgevingsrapportage staan voor de opdracht om een conceptueel kader te vinden dat toelaat structuur te creëren voor hun producten. Respondenten boden tijdens interviews diverse suggesties voor zo’n ‘conceptuele kapstok’, gaande van kaders voor omgevingsbrede analyses (zoals sociaalecologische systemen en ‘voorraden en stromen’benadering), over vandaag door een geïnformeerd publiek goed gekende concepten (zoals SDGs, donut economy en ecological footprint) tot denkkaders aangereikt door Europees beleid (zoals de European Green Deal en zijn onderdelen). De keuze voor een concept of een conceptueel kader moet liggen bij het team verantwoordelijk voor de omgevingsrapportage: zij moeten in onderling overleg verkennen welk concept past bij de publicatie-ambitie die ze hebben en overwegen of het voldoende structurerend kan werken en voldoende toegankelijk is voor het doelpubliek dat ze voor ogen hebben. Daarbij moet men zich goed bewust zijn dat elke publicatie een (weliswaar goed doordacht) experiment is. Uit de oefeningen die men maakt, zal men leren welke aanpak werkt en welke niet, net zoals ondertussen in de ontwikkeling van RURA2021 is geleerd over wat het betekent om ruimte en milieu samen te brengen in ‘omgeving’. Alleszins is het belangrijk, ook bij volgende publicaties, te erkennen dat er ruimte moet zijn om te experimenteren en dat falen en leren essentieel horen bij dat proces. Ook inhoudelijk zullen er keuzes moeten gemaakt worden voor (deel)thema’s die toelaten om in één rapport zowel milieu- als ruimtelijke uitdagingen aan bod te laten komen. Respondenten suggereerden publicaties met een focus op bv. klimaatadaptatie, het stikstofvraagstuk of de Blue Deal. Of de omgevingsrapportage op korte termijn zal inzetten op focusrapporten, is afhankelijk van de keuzes die men maakt. Niettegenstaande dat ons advies hiervoor was om niet in de valkuil van te trappen van te rapporteren over (te) ‘smalle’ uitsnedes van omgevingsbeleid (omdat de unique selling position van de rapportage ligt in brede, integrerende toestandsbeschrijvingen), kan een focusrapport op een deelthema zoals hiervoor genoemd wél kansen bieden om – milieu- en ruimtemensen samen, eventueel aangevuld met mensen uit andere beleidsdomeinen – na te denken over het zinvol samenbrengen van inzichten uit verschillende beleidsvelden en -domeinen. Geen betere manier om elkaar en elkaars inzichten te leren kennen en waarderen, dan samen een vingeroefening te maken rond een concreet (deel)thema. Een bedenking die een aantal respondenten maakte, ging over de geografische schaal waarover de omgevingsrapportage moet gaan. Gezien het beleidsdomein omgeving beleid ontwikkelt en uitvoert voor gans Vlaanderen, lijkt de omgevingsrapportage in eerste instantie een toestandsbeschrijving te moeten bieden voor Vlaanderen-breed. Dat laat onverlet de mogelijkheid om, bij een focus op specifieke deelthema’s, de aandacht te richten op deelgebieden in Vlaanderen. Zo kan een /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 26 van 136


(rivier)bekken als casus worden genomen om te schrijven over het onvermogen om watergevoelige gebieden vrij te houden van bebouwing of kunnen vervoersregio’s als illustratie dienen voor de druk van mobiliteitskeuzes op de omgeving. Tijdens de gesprekken kwam ook aan bod dat er nood is aan informatie over de omgevingskwaliteit op gemeentelijke schaal. De omgevingsrapportage zal keuzes moeten maken, maar gezien beleidsmakers op Vlaamse schaal de primaire doelgroep zijn, lijkt het ons – mede rekening houdend met de krappe beschikbare capaciteit - belangrijk om op de schaal Vlaanderen kennis te ontsluiten over de omgevingskwaliteit, wat niet uitsluit dat het mogelijk en relevant kan zijn om (beschikbare) kennis te ontsluiten op de regionale of lokale schaal.

3.4.1

Onze adviezen over de thematische integratie in de omgevingsrapportage

# Werken aan omgevingsrapportage biedt kansen om integratief te denken over omgevingsbeleid. Niet alleen laat omgevingsrapportage toe om milieu en ruimte samen te laten werken, maar het biedt ook potentieel om bruggen te slaan naar andere beleidssilo’s. Maar de omgevingsrapportage is pril en is gebaat bij een stapsgewijze benadering, waarbij eerst integratie tussen milieu en ruimte wordt nagestreefd en men best pas in een volgende fase de samenwerking met andere beleidsdomeinen intensifieert. Die samenwerking is bovendien afhankelijk van de beschikbaarheid van een mandaat tot ‘holistisch’ kijken naar omgevingskwaliteit, andere beleidsdomeinen betrekkend, én van het vinden van counterparts (mensen die toegang hebben tot relevante data en een mandaat hebben om mee te werken). # In het beleidsdomein omgeving leven ambities om omgevingsrapportage- en natuurrapportage te fuseren of minstens (voldoende) complementair aan elkaar te laten werken. Hoewel die ambities inhoudelijk verdedigbaar zijn, loont het de moeite rekening te houden met ervaringen van vertegenwoordigers van de milieu- en natuurrapportage die eerder al hebben gestreefd naar meer intense samenwerking of zelfs samensmelting. Naast verschillende decretale kaders achterliggend hun werk (DABM versus Natuurdecreet), zijn ook verschillende organisatiestructuren (departement versus wetenschappelijke instelling) en verschillende organisatieculturen te overwinnen hindernissen. Ons raad is om reorganisatie-ambities (van o.m. VPO en INBO) niet te laten leiden tot oponthoud en zich te concentreren op het inhoudelijk en organisatorisch op de rails zetten van de omgevingsrapportage. # Omgevingsrapportage wordt volgens ons het best opgesteld op de schaal Vlaanderen, gezien de primaire doelgroep de (breed gedefinieerde) Vlaamse beleidsmakers zijn. Informatie bundelen op anders schalen kan zinvol zijn en er is zeker vraag naar, maar in de afweging of dit kan, moet de beschikbare (personele/financiële/…) capaciteit voor de omgevingsrapportage meegenomen worden, alsook de eigen kennisnoden aan informatie op (kleinere) schaalniveaus.

3.5 PROCES VAN TOTSTANDKOMING VAN (PRODUCTEN VAN DE) OMGEVINGSRAPPORTAGE Met het oog op het realiseren van (beleids- of maatschappelijke) impact, moet er strategisch nagedacht worden op het proces waarmee producten van de omgevingsrapportage tot stand komen en uitgedragen worden na publicatie ervan. Zoals eerder toegelicht, lijkt het ons van belang dat er – voor de omgevingsrapportage overkoepelend - een orgaan is waarin vertegenwoordigers zetelen van het beleid, de wetenschap en de samenleving. Een orgaan dat, met de verantwoordelijken voor de omgevingsrapportage (bij /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 27 van 136


VPO), nadenkt over strategische keuzes, bv. de prioriteiten in het ontwikkelen van (diverse types) producten, wie betrokken moet zijn in het uitdenken van een concept voor het product (i.f.v. legitimiteitsopbouw), enz. Op deze manier creëren van betrokkenheid vanuit de diverse ‘werelden’ bij de omgevingsrapportage, in een stuurgroep of een wetenschappelijk adviesgroep, helpt het team om gedragen keuzes te kunnen uitvoeren. Ook de inhoudelijke invulling van producten van de omgevingsrapportage is idealiter gebaat met de betrokkenheid van diverse types stakeholders, vanuit beleid, samenleving en wetenschap. Dit kan gerealiseerd worden door het divers samenstellen van het auteursteam (incl. wetenschappers en inhoudelijke beleidsexperten bv.), maar ook door per product of per hoofdstuk/deelproduct divers samengestelde lectorenteams of reviewpanels of klankbordgroepen samen te stellen die hun kijk geven op de inhoud en suggesties geven tot verbetering, in de ontwikkelingsfase van het product. Voor het uitdragen van de boodschappen in de omgevingsrapportage na publicatie, kan het nuttig zijn om – zelfs van bij het pril uitdenken van het concept van een type product – mogelijke gebruikers te betrekken. Door hen tijdig vragen te stellen over inhoudelijke klemtonen, wenselijke producttypes en vormgeving, wordt het mogelijk te anticiperen op behoeftes en verwachtingen. Het team voor de omgevingsrapportage kan het zien als een verantwoordelijkheid voor zichzelf om, na de publicatiedatum, ‘nazorg’ te verlenen, bv. door resultaten te presenteren (fysiek, online, schriftelijk of mondeling), paneldebatten of seminaries te organiseren, al dan niet in nauwe samenwerking met de gebruikers (uit de gebruikersgroep).

3.5.1

Onze adviezen over de procesvoering van de omgevingsrapportage

# Niettegenstaande de bereidheid van de top van het departement omgeving en het VPO om de omgevingsrapportage steun en middelen te geven, is het onze overtuiging dat de omgevingsrapportage niet uitsluitend vanuit het beleid gestuurd mag worden. Omgevingsrapportage vereist het voorzien in een boundary organisation, waarbij wetenschappelijke legitimiteit verstrekt kan worden door academici actief te betrekken (naast beleidsverantwoordelijken) in een stuurgroep. Ook vertegenwoordigers vanuit de samenleving (bv. vanuit de strategische adviesraden) kunnen in die stuurgroep vertegenwoordigd worden. Het niet voorzien in een stuurgroep (of een strategisch samengestelde adviesgroep) maakt de omgevingsrapportage kwetsbaarder voor kritiek van buitenaf, rekening houdend met de perceptie dat departementen dicht(er) bij de politiek staan (dan bv. wetenschappelijke instellingen of zelfs agentschappen) en intrinsiek minder garanties bieden voor onafhankelijke rapportage, niettegenstaande de getoonde goodwill. # Een deelnemer aan de reflectiegroepbijeenkomst gaf mee aan de verantwoordelijken van de omgevingsrapportage dat het belangrijker is goed na te denken over de processen die men wil opstarten en voltooien, dan na te denken over het type product dat men wil opleveren. Niettegenstaande dat nadenken over producten kaderstellend kan zijn voor het bepalen van activiteiten die (op korte en middellange termijn) moeten ontplooid worden, is het belangrijk processen te initiëren waarin men – in overleg met diverse vertegenwoordigers van beleid, samenleving en wetenschap – nadenkt over de mogelijkheden. Rekening houdend met de interesses en capaciteiten van de mensen rond de tafel, kunnen gedragen en uitvoerbare beslissingen worden genomen over o.m. de te ontwikkelen producten. Zaak is dus alvast welwillende partners (uit de drie werelden) te zoeken en met hen af te stemmen welke de interesses en mogelijkheden zijn.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 28 van 136


3.6 SLOTBESCHOUWING De verantwoordelijken voor omgevingsrapportage staan voor een grote opdracht, die o.i. enkel kan slagen mits enkele belangrijke randvoorwaarden zijn vervuld. Voorgaande reflecties en adviezen wijzen op die randvoorwaarden; we gaan die hier niet hernemen. We willen tot slot benadrukken dat de ervaring met de milieu- en ruimterapportage leert dat er voldoende capaciteit nodig is (mensen, middelen voor onderzoek…), dat er geïnvesteerd moet worden in mediators (middels opleidings- en coachingstrajecten) en dat omgevingsrapportage zowel qua achterliggende structuren als werkprocessen moet getuigen van een bereidheid om over de grenzen van beleid-wetenschap-samenleving gedragen ‘boundary objects’ te maken. Alleen met wetenschappelijk robuuste producten die bijdragen aan evidence-based beleidsdiscussies en beleidskeuzes zal de omgevingsrapportage erin slagen om op termijn legitimiteit op te bouwen.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 29 van 136


4 STAKEHOLDERBEVRAGING: ANALYSE 4.1 INHOUD EN VORM VAN DE OMGEVINGSRAPPORTAGE In dit hoofdstuk beschrijven we de meningen en opinies van de respondenten omtrent de inhoudelijke en vormelijke bouwstenen en aspecten van de omgevingsrapportage in Vlaanderen. We brengen in dit hoofdstuk een inductieve analyse, wat betekent dat we meningen en opinies laten ‘opborrelen’ uit de interviews en ze naast elkaar plaatsen, zonder ze in verband te brengen met leerlessen die academici eerder al uit de werking van boundary organisations hebben getrokken (in hoofdstuk 2). Hier en daar voorzien we uitspraken van respondenten van extra toelichting, maar we hebben ervoor gekozen om de diversiteit aan opinies in alle transparantie weer te geven. Ook al betekent dit dat sommige uitspraken mogelijk haaks staan op de adviezen en aanbevelingen die we hiervoor, in hoofdstuk 3, hebben geformuleerd.

4.1.1

Wat is ‘omgevingsrapportage’?

We hebben stakeholders gevraagd naar hun algemene verwachtingen bij de omgevingsrapportage en de rol(len) die de omgevingsrapportage volgens hen op korte en lange termijn moet vervullen. Daarnaast hebben de respondenten hun meningen en ideeën geuit over welke thema’s of aspecten van omgeving opgenomen moeten worden in de omgevingsrapportage, en welke bruikbare conceptuele kaders en methodieken er bestaan om deze integratie van milieu en ruimte te benaderen. Duidelijke keuzes maken en doelen stellen Respondenten uit verschillende ‘werelden’ (cf. hoofdstuk 1) benadrukken het belang van het voeren van een tactisch-strategische discussie over de doelen, concepten en methodische benaderingen, en beoogde impact van de omgevingsrapportage, en het maken van duidelijke keuzes hieromtrent. Ze geven aan dat het belangrijk is dat er een algemene visie op de omgevingsrapportage uitgebouwd wordt en dat de doelen van rapportage duidelijk bepaald worden. Met het oog op de ontwikkeling van een gemeenschappelijke taal, is het aangewezen dat de meerjarenplanning12 een duidelijke richting in slaat waarbij een paar concrete keuzes worden gemaakt vanuit de gecombineerde aandacht voor en voorafgaande discussies over doelgroepen, inhoud, types producten, interne processen en samenwerkingen. Aansluitend bij deze eerder algemene opmerkingen, uiten de respondenten hun meningen over wat de primaire doelen van de omgevingsrapportage zouden moeten en kunnen zijn. Zowat alle stakeholders geven aan dat (milieu-, ruimte-, en nu omgevings-)rapportage een belangrijke schakel was en blijft in de vorming van evidence-informed en evidence-based beleid, waarbij de rapportage op basis van dataverzameling en -analyse, beleidsevaluaties en toekomstverkenningen aan bewustmaking doet bij het beleid13 en hen concrete instrumenten en adviezen aanreikt om oplossingen te bedenken. Bekeken als een belangrijke schakel binnen de cyclus van omgevingsbeleid 12

De respondenten bleven vrij algemeen in het omschrijven van hun verwachtingen van de meerjarenplanning en hebben geen concretere meningen geuit over de mate van flexibiliteit die op korte of lange termijn in de meerjarenplanning aan de dag gelegd moet worden (namelijk of de meerjarenplanning na het maken van enkele concrete keuzes op korte termijn ruimte moet creëren voor een dynamisch groeitraject op lange termijn of net eerder rigide bouwstenen op langere termijn/over verschillende legislaturen heen moet vastleggen). 13 In deze tekst wordt regelmatig verwezen naar de begrippen ‘het beleid’ en ‘beleidsmakers’. Beleid wordt uiteraard gevoerd en gemaakt door een breed scala aan actoren naast overheidsactoren, zoals door secretariaten van strategische adviesraden, bedrijven, sectorfederaties, middenveldorganisaties, etc., maar in deze tekst verwijzen deze begrippen in eerste instantie naar overheidsactoren (van meerdere bestuurslagen). Doorheen de tekst hebben we gepoogd om deze algemene begrippen steeds zo concreet mogelijk in te vullen, maar dit is niet altijd mogelijk omdat respondenten ook in deze algemene termen spreken over ‘het beleid’.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 30 van 136


op het vlak van beleidsvoorbereiding, blijven toestandsbeschrijving, beleidsevaluatie en agendering volgens de respondenten de belangrijkste functies van de omgevingsrapportage. Niet geformuleerd in vergelijking met de milieu- en ruimterapportering maar vanuit de algemene observatie dat de toestand van de Vlaamse omgeving sinds de jaren 80 nog te weinig verbeterd is, geven sommige respondenten aan dat de omgevingsrapportage sterk mag inzetten op beleidsagendering, namelijk het plaatsen van (onder andere) thema’s, perspectieven en kennis op de beleids- (en politieke) agenda. Volgens de respondenten kan deze agenderingsfunctie door de omgevingsrapportage vervuld worden door in te zetten op het brengen van synthese en integratie in verspreide data over de Vlaamse omgeving en door de rapportage hierover (deels) te sturen vanuit (potentiële) beleidsvragen. Voor een succesvolle agendering moet daarnaast ook de timing van de omgevingsrapportage goed zitten, waarbij een bepaald product wordt uitgebracht op een moment dat overheidsactoren meer open staan voor beïnvloeding (bij bijvoorbeeld verkiezingen of een machtswissel). Deze dynamiek in het politieke proces gaat eveneens vaak gepaard met een verhoogde media-aandacht, wat ervoor zorgt dat het betreffende omgevingsrapportage-product op die manier ook het publieke debat kan aanzwengelen. Wanneer de oppositie dit momentum aangrijpt om kritiek te uiten op de huidige regering, kan dit evenwel een impact hebben op de rapportage-instelling (nl. VPO binnen departement Omgeving). De regerende partijen kunnen bijvoorbeeld beslissen om te snoeien in budgetten of zullen de omgevingsrapportage proberen weg te zetten als ‘sprekend vanuit een bepaalde ideologische hoek’. De omgevingsrapportage kan zich beschermen tegen dit soort kritieken door wetenschappelijk robuuste kennis aan te dragen, die tot stand is gekomen in een transparant proces met diverse soorten stakeholders. De omgevingsrapportage mag zich niet laten afschrikken door mogelijk sterke reacties op publicaties waarin bruikbare, maar ongemakkelijke waarheden worden aangedragen, maar doet er goed aan zichzelf te beschermen door te investeren in wetenschappelijke kwaliteit en samenwerking (vanaf de conceptontwikkeling tot publicatie) met stakeholders uit wetenschap, samenleving en beleid. Verschillende vormen van doorwerking Carol H. Weiss (1998) introduceerde een typologie van de verschillende manieren waarop ‘evaluaties’ (en rapportage in brede zin) kunnen doorwerken in het beleid. Een eerste type is instrumentele doorwerking, waarbij de rapportage uitkomsten en inzichten produceert die concreet beïnvloeden hoe het beleid wordt vormgegeven (bv. het schrappen, wijzigen, uitbreiden, enz. van een bepaalde beleidsprogramma). Deze instrumentele doorwerking komt vaak voor indien volgende voorwaarden vervuld zijn: (1) de uitkomsten van de rapportage zijn relatief oncontroversieel; (2) de nodige beleidsveranderingen zijn relatief kleinschalig en niet al te ingrijpend; (3) de context waarin het beleidsprogramma wordt opgemaakt (of wordt gewijzigd) is relatief stabiel, zonder grote veranderingen qua budget, leiderschap, publieke opinies, enz. Een tweede type is conceptuele doorwerking. Indien de concrete context niet toelaat om bepaalde uitkomsten of voorgestelde oplossingen te implementeren, kunnen de bevindingen van de rapportage de opvattingen van beleidsmakers wel beïnvloeden en veranderen. Op langere termijn kunnen deze nieuwe conceptuele begrippen het beleid op een instrumentele manier veranderen. Een derde type van doorwerking is agendering, waarbij de bevindingen van de rapportage een bredere maatschappelijke steun voor een bepaalde beleidsverandering op gang brengt, en er op deze manier voor kan zorgen dat het thema op de beleidsagenda wordt geplaatst. Ten laatste kan rapportage zorgen voor “enlightenment”, waarbij de invloed van de rapportage zich uitstrekt naar andere instituten en gebeurtenissen buiten het beleid om. In dit geval doet de rapportage diverse actoren (maatschappelijk middenveld, bedrijven, lokale besturen, etc.) meer kennis vergaren, waarop zij hun praktijken gaan aanpassen. Deze accumulatie van kennis kan bijdragen aan grote veranderingen in denken, en daaropvolgend grote veranderingen in actie.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 31 van 136


Sommige stakeholders uit academische hoek geven aan dat de omgevingsrapportage naast agendering kan inzetten op conceptuele doorwerking in het beleid. Hierbij neemt de omgevingsrapportage zich de vrijheid om te rapporteren over onderwerpen en problematieken die niet meteen in wetten, decreten of beleidsnota’s terug te vinden zijn, maar op langere termijn wel een impact kunnen hebben op de beslissingen van beleidsmakers. Omdat er in dit geval, omwille van tijdsbeperkingen bijvoorbeeld, minder aandacht kan uitgaan naar thema’s die op de korte termijn beleidsagenda staan, is het mogelijk dat de omgevingsrapportage als minder beleidsrelevant wordt gezien door zowel beleidsmakers als eventuele andere stakeholders. Afhankelijk van de keuze die de omgevingsrapportage hieromtrent maakt (wat betreft de verschillende manieren waarop rapportage kan doorwerken in beleid, zie typologie van Weiss), zullen beleidsmakers en andere stakeholders de rapportage dan ook op een andere manier gaan percipiëren en behandelen.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 32 van 136


Goede praktijk: agendering en framing in de webreeks ‘Narratives for Change’ van het Europees Milieuagentschap De concepten van duurzaamheidstransities en systeemveranderingen zijn geleidelijk aan centraal komen te staan in wetenschap en beleid, en vormen steeds meer de kern van verschillende producten van het Europees Milieuagentschap (EMA). Dit werkt inspirerend voor de ontwikkeling van nieuwe beleidsinitiatieven zoals de Europese Green Deal. Tegelijkertijd groeit het bewustzijn dat incrementele veranderingen niet langer een optie zijn voor het bereiken van deze langetermijndoelen en dat meer fundamentele veranderingen waarschijnlijk nodig zijn om de duurzaamheidsdoelstellingen te bereiken. Met de online webreeks ‘Narratives for Change’ wil het EMA bijdragen aan de reflecties en het debat over de principes, paradigma’s en narratieven die collectieve en individuele acties vormgeven. Door nieuwe perspectieven te verkennen die mogelijk veranderingen teweeg kunnen brengen in de manieren waarop we denken en handelen, plaatst het EMA zich rechtstreeks in het beleidsdebat en confronteert het agentschap het doelpubliek met kritische reflecties over dominante beleidsnarratieven en de vraag of deze wel geschikt zijn voor het bereiken van de steeds meer gewenste systeemveranderingen. Op deze manier brengt de ‘Narratives for Change’ gedurfde, maar ook goed beargumenteerde boodschappen die de framing en agendering van problemen en oplossingen kunnen beïnvloeden, en beleidsmakers kunnen aansporen om hun eigen vooronderstellingen kritisch onder de loep te nemen. Gezien de wens van sommige stakeholders om de agenderende impact van de (omgevings)rapportage te versterken, biedt deze goede praktijk een doorkijkje in een mogelijke toekomstige rol van de omgevingsrapportage waarbij dominante beleidsdiscoursen en narratieven in vraag worden gesteld en alternatieve conceptualisaties worden voorgesteld. Door zulke producten toegankelijk te maken voor een breder doelpubliek zoals maatschappelijke organisaties en burgers, kunnen ze daarnaast een indirecte beleidsbeïnvloeding en -agendering tot stand brengen en de impact van de omgevingsrapportage als dusdanig verhogen. Toch blijft het de vraag of zulke eerder abstracte en kwalitatieve publicaties voldoende mensen aanspreken en beleidsmakers niet meer gebaat zijn met concrete oplossingsrichtingen en instrumenten. Daarenboven steunt het EMA bij de publicatie van de ‘Narratives for Change’-serie sterk op de gedegen reputatie die zij in de laatste decennia heeft opgebouwd. In vroeger jaren waren zulke kritische boodschappen hoogstwaarschijnlijk te delicaat geweest zijn en zou het de manier waarop het agentschap werd gepercipieerd in negatieve zin hebben aangetast. Meerwaarde van de omgevingsrapportage De omgevingsrapportage is slechts een radartje in een groter geheel aan verscheidene thematische rapportages en kennis over de Vlaamse (en bij uitbreiding Europese) omgeving. Toch geven de respondenten aan dat elk van de drie deeltaken (toestandsbeschrijving, beleidsevaluatie en toekomstverkenning) van de rapportage een specifieke meerwaarde in zich draagt en dat deze elkaar onderling kunnen versterken. Op het vlak van toestandsbeschrijving schuilt de meerwaarde van de rapportage in haar vermogen om trends in data en indicatoren weer te geven, te analyseren

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 33 van 136


en te verklaren14. Het opbouwen van tijdsreeksen van data en indicatoren en deze periodiek samenbrengen in een (al dan niet fysiek) omgevingsrapport (cf. onder andere het ‘State of the Environment Report’ (SOER) van het EMA) wordt dan ook bekeken als een absolute meerwaarde van de omgevingsrapportage. Daarnaast wordt aangegeven dat ook de permanente digitale rapportage van een dynamisch netwerk van indicatoren een kernproduct van de omgevingsrapportage kan worden dat haar toelaat om zich in de markt te zetten als een kwaliteitsvolle, volledige15 en toegankelijke bron van informatie over de Vlaamse omgeving. Een andere duidelijke meerwaarde van de omgevingsrapportage situeert zich in haar capaciteit om synthese te brengen in de verspreide data. Aan de hand van het samenbrengen van thematieken en (milieu-)compartimenten en het bekijken van ruimte en milieu in een breder verhaal, kan de omgevingsrapportage de samenleving een spiegel voorhouden met een wetenschappelijk kwaliteitsvolle weergave van de complexe realiteiten van de Vlaamse omgeving. Hierbij benadrukken sommige respondenten het vermogen van de omgevingsrapportage om op (middel)langetermijn nog breder te gaan dan de integratie tussen milieu en ruimte en een brug te slaan naar andere omgevingsdomeinen (niet per se deel uitmakend van het beleidsdomein omgeving, maar een impact hebbend op de Vlaamse omgeving), waaronder bijvoorbeeld milieu en gezondheid, natuur, energie, wonen, mobiliteit, landbouw/voeding, etc. Als een belangrijke schakel in de beleidsvoorbereiding en de totstandkoming van evidence-based beleid, wordt door de stakeholders ook aangegeven dat de omgevingsrapportage zichzelf een sterke rol kan toedichten op het vlak van beleidsevaluatie, ondersteund door een solide basis van toestandsbeschrijving. Als hulpmiddel om overheidsbeleid te verbeteren, kan de omgevingsrapportage verschillende vormen van beleidsevaluatie hanteren om de doelmatigheid van beleidsprocessen en hun impact op de toestand van de omgeving te onderzoeken en te evalueren. Om de impact van de rapportage te verhogen, kan hierbij volgens sommige respondenten worden ingespeeld op concrete beleids- of maatschappelijke vragen. De omgevingsrapportage kan volgens de respondenten ten laatste ook contextualisatie van de complexe samenhangen en langetermijnperspectief bieden. Systeemanalyses moeten bijdragen aan een brede scope. Toekomstverkenningen plaatsen evoluties (in de milieu- en ruimtelijke kwaliteit) in een langetermijnperspectief. Integratie ruimte – milieu: concepten en benadering Het is voor de respondenten voornamelijk van belang dat het begrippenkader van de omgevingsrapportage met zorg wordt uitgebouwd. De respondenten wijzen dan ook op een aantal aandachtspunten. Zo wordt aangegeven dat de integratie tussen ruimte en milieu geen “geforceerde oefening” mag worden waarbij er voor elk deelthema een integratie met het andere domein van milieu of ruimte wordt beoogd. Men beveelt dan ook aan dat de omgevingsrapportage zeker in haar beginfase de meerwaarde van het begrip ‘omgeving’ en van de integratie tussen milieu en ruimte duidelijk aantoont, maar dat specifieke milieu- en ruimte-thema’s die zich buiten deze doorsnede bevinden niet over het hoofd gezien mogen worden.

14

Toevoeging van VPO kerngroep: een voorbeeld hiervan is de Milieuverkenning 2018 van MIRA waarin in het bijzonder het eerste hoofdstuk op een gebrek aan en afvlakking van (positieve) trends duidde. Zulke toestandsbeschrijving kan ook in kader van de omgevingsrapportage de deuren openen naar andere deeltaken zoals (beleids)evaluaties en integrale assessments (o.m. systeemanalyses) die een verdere verklaring bieden voor het bestaan van deze trends. 15 Wat betreft de ‘volledigheid’ van deze permanente, digitale indicatoren-rapportage hebben de respondenten weinig uitspraken gedaan in termen van concrete aantallen. Aangezien een 80-tal indicatoren reeds verplicht Europees en internationaal gerapporteerd moeten worden, vermeldde één respondent dat het meenemen van minder dan een 120 tot 150 indicatoren niet zal lukken. Andere respondenten wijzen eerder vaag op vragen van haalbaarheid (welke selectie van indicatoren in kader van beperkte capaciteit?) en afstemming met andere entiteiten zoals bijvoorbeeld het VMM.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 34 van 136


Hieraan voegen sommige stakeholders toe dat het volwaardig en herkenbaar aan bod komen van alle facetten van milieu en ruimte (niet per se in één rapport, maar sequentieel in de verschillende producten), weerspiegeld moet worden in de keuze van concepten en methodieken. Daarnaast wordt aangegeven dat de omgevingsrapportage moet oppassen met het centraal stellen en verder uitwerken van modegevoelige concepten of topics; van sommige van deze buzzwords blijkt achteraf dat ze politiek toch te gevoelig liggen16 (of dit door publiek debat inmiddels geworden zijn). De respondenten benoemen de betonstop of het Vlaams Ecologisch Netwerk als voorbeelden. Opnieuw is het belangrijk te onderlijnen dat de omgevingsrapportage niet aan zelfcensuur moet doen en a priori van potentieel gevoelige thema’s weg moet blijven: de omgevingsrapportage moet aan het beleid en aan de samenleving bruikbare waardheden aanleveren, ook al zijn ze ongemakkelijk en lokken ze potentieel controverse uit (die controverse kan ook een katalyserende rol spelen). Toch is het nuttig vooraf voor- en nadelen van bepaalde thema’s of concepten af te wegen, anticiperend op mogelijke kritieken. De conceptuele kaders die door de omgevingsrapportage gekozen worden zullen alleszins zorgen voor een bepaalde framing; zo benadrukt het concept ‘sociaal-ecologische systemen’ bijvoorbeeld de wisselwerkingen tussen sociale en natuurlijke systemen terwijl de ‘planetary boundaries’-theorie de mens en maatschappij eerder binnen de grenzen van het ecologische systeem plaatst. De keuze voor een bepaald conceptueel kader kan bijgevolg analytisch misschien verhelderend zijn, maar kan er ook voor zorgen dat de rapportageproducten minder aansluiting vinden bij bepaalde doelgroepen. Het is hierbij belangrijk om te erkennen dat elk concept zijn blinde vlekken heeft en dat een goed intern proces ruimte creëert voor een debat waarin de sterktes en zwaktes van elk analytisch kader besproken kunnen worden. Ten laatste is een zekere mate van flexibiliteit en diversificatie aangewezen waarbij men de gehanteerde begrippenkaders mee laat evolueren met voortschrijdende wetenschappelijke inzichten.

16

Op zich is het uiteraard geen probleem om te rapporteren over ‘politiek gevoelige’ concepten of topics (de onderliggende problematiek blijft inderdaad hetzelfde), maar omwille van de politieke gevoeligheid kan het wel zijn dat het product niet opgepikt wordt door de beleidsmakers en dat het, ondanks het vele harde werk eraan, in een lade verdwijnt. Erger nog kan de omgevingsrapportage door politieke actoren gepercipieerd worden als een vervelende ‘luis in de pels’ wat haar positie precair kan maken. De respondent (uit een strategische adviesraad) geeft eveneens aan dat voor hen discussies en beslissingen over conceptuele kaders in de stuurgroepen van MIRA en NARA te veel ingegeven worden vanuit marketing (‘wat zal goed vallen?’), en dat inhoudelijke discussies en een diversificatie qua concepten (‘niet te veel rond 1 of 2 concepten werken’) daarentegen moeten primeren.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 35 van 136


Goede praktijk: proces van integratie in kader van de eerste Balans van de Leefomgeving van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) Na navraag bij het PBL over hoe de integratie van natuur, milieu en ruimte tot het begrip ‘leefomgeving’ bij hen verliep in kader van de opmaak van de eerste Balans voor de Leefomgeving in 2010, geeft men aan dat men initieel was begonnen met de opmaak van een nieuw conceptueel kader omtrent leefomgeving aan de hand van verscheidene literatuurstudies. Gaandeweg kwam men hierbij tot het inzicht dat deze oefening hen niet veel verder bracht, en dat ze daarentegen meer moesten inzetten op de organisatie van formele (en informele) gesprekken in het projectteam. Zodoende werden in verschillende gespreksrondes diverse onderwerpen, gestructureerd volgens de inhoudelijke onderwerpen van de eerste Balans voor de Leefomgeving, onder de loep genomen waarin ruimte werd gecreëerd voor het aan bod komen van ieders perspectieven, analysemethoden, type van kennis en voor het bespreken van eventuele kennislacunes en problemen. Medewerkers van het PBL vermelden dat collega’s uit verschillende disciplines door deze intensieve gesprekssessies meer begrip voor elkaars concepten ontwikkelden en het besef van het bestaan van onderlinge verbanden en hun relevantie groter werd. Op basis hiervan werden er dan ook gezamenlijke concepten en een conceptenlijst ontwikkeld die fungeerden als een onmisbaar instrument in het afbakenen en opstellen van de concrete hoofdstukken van de eerste balans. Het concrete product van de Balans voor de Leefomgeving bood in geval van het PBL kortom de aanleiding voor een intern visievormingsproces waarin afstemming en doorleving werd bereikt over bepaalde integratieve concepten en methoden. De respondenten deden heel wat concrete voorstellen van conceptuele kaders en methodische benaderingen die relevant en bruikbaar kunnen zijn voor de integratie van milieu en ruimte in de omgevingsrapportage. We beperken ons hier tot een niet-exhaustief overzicht van de voorstellen van de respondenten, maar het gebruik van andere concepten/theorieën in de omgevingsrapportage is natuurlijk goed mogelijk. Vertrekkend van de definitie van het begrip ‘fysieke leefomgeving’, dat door Hans Leinfelder in een expertenadvies (2019) wordt omschreven als “het samenhangend systeem van lagen en van biotische en abiotische stromen tussen de voorraden in deze lagen”, wordt er uit academische hoek voorgesteld dat de omgevingsrapportage deze stromen zou kunnen proberen vatten. Hierbij aansluitend kan er gekeken worden naar de concepten van ‘environmental flows’ en ruimtelijke datastromen en -trends, wat geconcretiseerd kan worden in onderwerpen zoals de productieconsumptie keten, afvalstromen, circulaire economie, etc. Het beschrijven en analyseren van deze stromen zorgt eveneens voor kruisbewegingen met andere domeinen en sectoren (mobiliteit, landbouw, etc.) en kan op deze manier inspelen op het systemische karakter van deze issues. Toch is een andere respondent (eveneens uit de academia) van mening dat milieuproblemen in deze definitie te veel worden bekeken als problemen van de fysieke omgeving, terwijl zij net problemen zijn in de interactie tussen de mens en de niet-menselijke omgeving. Deze tegenstelling illustreert de nood aan een goede argumentatie bij elke conceptuele keuze van de omgevingsrapportage, net als ook recent geleerd is uit de recente ontwikkeling van RURA2021. De methodieken die MIRA reeds gebruikte om te kijken naar milieutrends en -problematieken (DPSIR-keten; de oorzaken van milieudrukken achterhalen door impacts van verschillende maatschappelijke sectoren en systemen in kaart te brengen) worden dan ook gezien als een goede /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 36 van 136


praktijk voor de omgevingsrapportage. Het vatten van integrerende gegevens en het bieden van verklaringen en oplossingen voor trends in deze data (aan de hand van de drie deeltaken van de omgevingsrapportage) worden bekeken als zaken die doorgetrokken moeten worden in de omgevingsrapportage. Respondenten geven aan dat concepten zoals ‘sociaal-ecologische systemen’ (1 respondent)17, ‘ecosysteemdiensten’ (1) en ‘planetary boundaries’ (1) de blik van de rapportage op de wisselwerkingen tussen maatschappij en milieu verder kunnen verruimen en bruikbaar kunnen zijn voor het in kaart brengen en verklaren van ‘omgevings-drukken’. Ook concepten zoals de ‘ecologische voetafdruk’ (2) , de ‘donut economy’ (1), ‘farm to fork’ (1) en ‘citizen science concepten’ (2) worden genoemd als mogelijk interessant en inspirerend voor de omgevingsrapportage. Er wordt eveneens vermeld dat de beleidsinitiatieven van de ‘sustainable development goals’ (1) en de Europese ‘Green Deal’ (1) de rapportage in de komende jaren interessante inhoudelijke handvaten zouden kunnen bieden voor het structureren en verbinden van de diverse rapportagelijnen.

4.1.2

Drie deeltaken van de omgevingsrapportage

De decretale verankering van de drie deeltaken toestandsbeschrijving, beleidsevaluatie en toekomstverkenning wordt door de meeste respondenten positief beoordeeld. Verschillende stakeholders geven aan dat het goed is dat deze onderdelen apart behandeld worden aangezien ze sterk kunnen verschillen qua inhoud en timing. Anderen zijn dan weer van mening dat de drie deeltaken aansluiten bij een ideaaltypische beleidscyclus die in de praktijk nog maar weinig wordt gehanteerd, wat maakt dat de scheiding tussen de verschillende onderdelen aan relevantie verliest. Hieronder gaan we in op deze meningen van de respondenten omtrent de rol van de drie deeltaken van de omgevingsrapportage en hun onderlinge verhoudingen. Toestandsbeschrijving in combinatie met beleidsevaluatie Een duidelijke meerwaarde van de omgevingsrapportage wordt door de bevraagde stakeholders gesitueerd in de capaciteit van de rapportage om trends in (omgevings)data weer te geven en te verklaren. Het is dan ook niet verwonderlijk dat het beschrijven van de toestand van de Vlaamse omgeving aan de hand van data en indicatoren door verschillende respondenten wordt benoemd als de ‘absolute basis’ van de omgevingsrapportage. Qua toestandsbeschrijving moet de rapportage een gestructureerde, geïntegreerde, regelmatige en doelgerichte verzameling en verwerking van data en indicatoren nastreven. Deze monitoring en toestandsbeschrijving kunnen volgens verschillende respondenten gekoppeld worden aan het inhoudelijke onderdeel van beleidsevaluatie. Om antwoord te vinden op de vraag of het beleid (in ruime zin bedoeld, zowel overheid als andere actoren) de toestand op positieve of negatieve manier heeft veranderd, komen we volgens een respondent immers altijd terug terecht bij een integratie van deze twee onderdelen. Een andere respondent vindt dat dit niet altijd het geval is omwille van de verschillende tijdhorizon van toestandsbeschrijving en beleidsevaluatie: omwille van het bestaan van lange termijn milieu- en ruimteproblematieken kunnen de resultaten van sommige beleidsingrepen pas tien jaar later zichtbaar worden in de toestandsbeschrijving. Beleidsevaluatie wordt dan ook gezien als een belangrijk aspect van de omgevingsrapportage waarin ambtenaren een belangrijke rol op zich kunnen nemen aangezien het een hulpmiddel is om het beleid te verbeteren. De rapportage moet de evaluatie maken van beleidsinstrumenten en 17

Het cijfer achter elk concept geeft aan door welk aantal respondenten dit concept werd voorgesteld. Hierbij valt ook op te merken dat sommige respondenten meerdere concepten hebben voorgesteld, terwijl anderen geen concrete voorstellen hebben gemaakt.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 37 van 136


maatregelen, waarbij zowel ex post-, ex nunc- als ex ante beleidsevaluatie deel uitmaken van het repertoire. Aangezien ex ante beleidsevaluatie beleidsinstrumenten en -maatregelen aan de hand van bepaalde criteria op voorhand beoordeelt, kan deze vorm van beleidsevaluatie erg van nut zijn als je in kader van de omgevingsrapportage nadenkt over welke richtingen het beleid zou moeten of kunnen uitgaan. Hier is uiteraard ook de link te leggen met de rol die scenario’s en toekomstverkenningen kunnen spelen in de omgevingsrapportage. Goede praktijk: ex ante beleidsevaluatie in de Kansrijk Beleid-reeks van PBL Met de publicatiereeks, Kansrijk Beleid, beoogt het Nederlandse Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) beleidsmakers te bereiken door hen voor verschillende beleidsdomeinen (landbouw- en voedselbeleid, mobiliteitsbeleid, woonbeleid) een ex ante evaluatie aan te bieden van mogelijke beleidsopties en -maatregelen. De reeks maakt op deze manier een bepaald thema toegankelijk voor beleidsmakers en politici, zodat zij de meest recente kennis tot hun beschikking hebben bij het voorbereiden van beleid en het opstellen van verkiezingsprogramma’s. De producten geven dan ook inzicht in de werking van potentiële beleidsopties, en kunnen daarmee de politieke partijen (in spe) helpen bij het maken van goed gefundeerde keuzes. In de Kansrijk Beleid publicaties worden zowel voorgestelde als mogelijke beleidsmaatregelen ex ante geëvalueerd aan de hand van verschillende criteria. Op basis van de beschikbare wetenschappelijke kennis over het betreffende onderwerp, brengt men ten eerste de effecten (causale richting, omvang en welvaartseffecten) van de beleidsmaatregelen in kaart. Daarnaast worden meer gedetailleerde criteria van effectiviteit of andere maatstaven om beleidsmaatregelen te evalueren, zoals capaciteiten die nodig zijn om de maatregel uit te voeren of de juridische legitimiteit van de maatregel, per beleidsterrein specifieker bepaald. De data en informatie die men gebruikt om de beleidsopties af te toetsen aan deze criteria kunnen per beleidsdomein sterk verschillen en uiteenlopen. Het rapport ‘Kansrijk landbouw- en voedselbeleid’ baseert zich bijvoorbeeld voornamelijk op kwalitatieve data aangezien informatie over de precieze effecten van elke maatregel te zeer afhangt van hoe de maatregel concreet geïmplementeerd wordt, terwijl de wetenschappelijke onderbouwing in ‘Kansrijk mobiliteitsbeleid’ voornamelijk gebaseerd is op kwantitatieve analyses met modellen op gebied van mobiliteit. Daarnaast werken ‘Kansrijk mobiliteitsbeleid’ en ‘Kansrijk woonbeleid’ met een basispad dat een bepaalde tijdshorizon in rekening neemt, waarbij de effecten van de maatregelen dus niet worden vergeleken met de huidige situatie in het beleidsdomein, maar met de verwachte toekomstige situatie gegeven het huidige beleid. De resultaten hiervan zijn interessante en relevante publicaties die een sterke afstemming proberen te bereiken met de noden en wensen van de beoogde doelgroep, namelijk beleidsmakers en politici, en die aansluiting proberen vinden bij de actuele politieke en maatschappelijke debatten die zich afspelen in de verschillende onderzochte beleidsdomeinen. Over de mate waarin en de manieren waarop de bevindingen van de Kansrijk Beleid publicaties door Nederlandse beleidsmakers en politici in de praktijk worden aangewend, hebben we geen bijkomende informatie.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 38 van 136


Daarnaast geven de respondenten aan dat het onderdeel van beleidsevaluatie nog op andere manieren verbreed zou kunnen worden. Zo kan de beleidsevaluatie zich niet enkel beperken tot ‘goal-based evaluation’ waarbij de resultaten van het gevoerde beleid aan vooropgestelde doelstellingen worden afgetoetst, maar ook ‘goal free evaluation’ op zich nemen door een evaluatie van de targets en mogelijke andere aspecten te verrichten. Daarnaast zou de noemer van beleidsevaluatie verbreed kunnen worden tot ‘inspanningsevaluatie’ aangezien milieubeleidsmaatregelen en -inspanningen geen zaak meer zijn van de overheid alleen en net door een amalgaam aan actoren worden bepaald en geïmplementeerd. De rapportage zou ook de inspanningen van deze actoren kunnen evalueren op basis van een aantal criteria die al dan niet in samenspraak met de actoren worden bepaald. De respondenten geven ten laatste aan dat er moet nagedacht worden over hoe de evaluatieopdracht van de omgevingsrapportage zich verhoudt tot beleidsevaluaties die elders gebeuren. Zo wordt vermeld dat er kan verder gebouwd worden op de Europese verplichtingen en initiatieven wat betreft rapportage en beleidsevaluatie, zoals de OESO-reviews, op basis waarvan de omgevingsrapportage een beleidsevaluatiekalender kan opbouwen, zodat verschillende stakeholders zicht kunnen krijgen op welke evaluaties wanneer gepland staan. Ook moet er bekeken worden hoe de beleidsevaluaties van de omgevingsrapportage relateren aan de andere evaluaties van het VPO in het team ‘onderzoek en evaluatie’; zijn er op dit vlak bepaalde synergiën of overlappen mogelijk (door afstemming van onderzoeksagenda’s bijvoorbeeld)? Toekomstverkenningen: perspectieven en voorwaarden De meerwaardes van toekomstverkenningen en scenario-ontwikkelingen zijn volgens de respondenten te situeren in het leren omgaan met onzekerheden, het vergaren van een langetermijnperspectief en het reflecteren over complexe samenhangen voor problematieken zoals klimaatverandering etc. Toekomstverkenningen banen de weg voor visievorming op lange termijn en voor het bedenken van oplossingsrichtingen en concrete oplossingen; scenario’s kunnen bijdragen door het doorrekenen van deze oplossingen. Toch hebben verschillende stakeholders, voornamelijk vanuit de strategische adviesraden, ook hun bedenkingen bij de deeltaak van toekomstverkenning en geven ze aan dat toestandsbeschrijving en beleidsevaluatie best de prioriteiten van de rapportage blijven. De respondenten stippen aan dat toekomstverkenningen vaak te abstract en kwalitatief blijven, terwijl ze ook zouden moeten berekenen waar verschillende beleidsrichtingen kwantitatief uitkomen en een doorvertaling zouden moeten maken naar concrete oplossingen. Ze dragen daarnaast het risico in zich om te ingewikkeld te worden waardoor de toekomstverkenningen moeilijk te communiceren zijn naar het doelpubliek toe en het eveneens moeilijk wordt voor beleidsmakers om er concreet op in te spelen. Het feit dat toekomstverkenningen veel flexibiliteit vereisen en onzekerheid bevatten draagt verder bij aan deze moeilijke communicatie. Het is immers niet altijd even gemakkelijk om de relevantie aan te tonen van de uitwerking van fictieve scenario’s waarvan de waarschijnlijkheid vaak niet hoog is, maar je wel op moet kunnen anticiperen. Ook de voorafnames achter toekomstverkenningen worden niet altijd even duidelijk weergegeven en beargumenteerd, wat er volgens sommige respondenten voor zorgt dat de aannames zelf gemakkelijk in vraag gesteld en zelfs onderuit gehaald kunnen worden. Ten laatste wordt er door de respondenten gewezen op een tekort aan mensen in Vlaanderen die de methodologieën van toekomstverkenning volledig onder de knie hebben. Toekomstverkenning wordt dan ook gezien als een verzameling aan methodologieën die in elke wetenschappelijke discipline ondergewaardeerd zijn en vooralsnog innovatief werk blijven. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 39 van 136


(Voornamelijk kwantitatieve) scenario’s kunnen volgens sommige respondenten evenwel een belangrijke bijdrage leveren aan de beleidsvoorbereidende functie van de omgevingsrapportage aangezien zij de gevolgen en impacts van maatschappelijke en politieke keuzes scherp stellen en de assumpties erachter duidelijk stellen. Toch moet er op dit vlak nog een traditie en routine ontwikkeld worden en is, voornamelijk volgens academische stakeholders, methodologische kennisopbouw nodig, die de omgevingsrapportage eventueel zou kunnen vinden in expertise van buitenaf. Daarnaast benoemen de respondenten een paar randvoorwaarden voor degelijke toekomstverkenningen zoals openheid van geest, transdisciplinariteit en breed kunnen nadenken over omgeving en haar verschillende aspecten. Ook toekomstverkenningen uit het buitenland en op Europese schaal zouden inspiratie kunnen bieden en zelfs ontsloten kunnen worden in de Vlaamse omgevingsrapportage, indien ze relevant worden geacht op Vlaams niveau. Gezien de verdeelde meningen over deze deeltaak, blijft het vooralsnog moeilijk om een sluitende conclusie te maken over de mate waarin de omgevingsrapportage op toekomstverkenningen moet inzetten. Academische actoren en collega-rapporteurs zien de waarde van deze deeltaak in en vinden dat er geïnvesteerd moet worden in kennisopbouw, terwijl sommige vertegenwoordigers uit de strategische adviesraden aangeven dat toekomstverkenningen, doch in bepaalde gevallen nuttig en interessant, voor hen momenteel geen prioriteit vormen. Goede praktijk: toekomstverkenningen bij de Scientific Foresight Service (STOA) Naast technology assessment projecten, zet STOA in op ‘scientific foresight’ studies die tot doel hebben de (ook onwaarschijnlijke) langetermijneffecten van relatief onbekende of onzekere techno-wetenschappelijke trends op een zo breed mogelijke manier te identificeren en te beoordelen. Dit stelt de doelgroep van STOA, Europese parlementsleden en beleidsmakers, in staat om beleidsmatig te anticiperen op deze ontwikkelingen en te werken aan een (door hen) gewenste toekomst. Multidisciplinariteit en de combinatie van kwantitatieve en kwalitatieve data en onderzoeksmethoden worden door een vertegenwoordiger van STOA benoemd als belangrijke voorwaarden om de mogelijke impacts van techno-wetenschappelijke trends en de manieren om hierop te anticiperen adequaat te kunnen onderzoeken. Het gebruik van methodologieën zoals STEEPED en het Futures Wheel (zie STOA-fiche in hoofdstuk 6) faciliteren de STOA-onderzoekers in het breed nadenken over en het zo volledig mogelijk (systemisch) analyseren van technologische en wetenschappelijke ontwikkelingen. Daarnaast worden ook openheid, onderling vertrouwen en het kritisch kunnen bekijken het eigen onderzoekswerk aangeduid als goede praktijken die de kwaliteit van het wetenschappelijk werk verhogen. De wetenschappelijke studies worden door STOA vertaald in concrete, toegankelijke producten zoals blogposts, een podcast, briefings, what if-publicaties (voorbeeld: “What if we chose new metaphors for artificial intelligence?”), etc., die zowel Europese beleidsmakers als wetenschapsjournalisten en andere stakeholders willen aanspreken. Ook de sociale media worden ingezet als een manier om deze doelgroepen te bereiken.

4.1.3

Types van kennis en informatie in de omgevingsrapportage

Verscheidene stakeholders geven aan dat de omgevingsrapportage verschillende soorten kennisbehoeften heeft en dat de bestaande diversiteit van kennis en expertise en /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 40 van 136


epistemologische variatie binnen het omgevingsrapportageteam gekoesterd moet worden. Men vindt eveneens dat de rapportage geen puur wetenschappelijk product mag blijven. De nadruk moet liggen op ‘making sense together’ waarbij de rapportage op zoek gaat naar een breder gedragen verhaal door netwerken uit te bouwen met verschillende stakeholders en hun perspectieven (naast het wetenschappelijke) in de publicaties te brengen18. Naast technische en wetenschappelijke kennis moeten mens en maatschappij dus ook een plaats krijgen in het verhaal en moet er verhoogde aandacht zijn voor de vertaalslag tussen zogenaamde transdisciplinaire en mode-2 kennis. Goede praktijk: ‘knowledge brokers’ in het Knowledge4Policy (K4P) platform van de Europese Commissie Knowledge4Policy (K4P) richt zich op de ondersteuning van evidence-based beleid en streeft hierbij naar het organiseren van wetenschappelijke kennis uit heel Europa voor beleidsmakers in heel Europa. Op hun online platform kunnen gebruikers verschillende types kennis en producten, zoals policy briefs, datavisualisaties en rapporten, over zeer diverse onderwerpen raadplegen. Om de inhoud en informatie in hun producten zo veel mogelijk af te stemmen op de doelgroep van (Europese) beleidsmakers, heeft K4P, naast het uitvoeren van in-depth publieksonderzoek, ook ‘knowledge brokers’ (of kennismakelaars) in dienst die zich hebben gespecialiseerd in het uitleggen van wetenschappelijke bevindingen aan beleidsmakers. Deze vertaalslag van wetenschap naar beleid komt de toegankelijkheid en relevantie van de producten voor deze specifieke doelgroep ten goede. Indicatoren (toestandsbeschrijving) als basiswerk van de omgevingsrapportage De nadruk van de respondenten op de meerwaarde van de epistemologische diversiteit binnen het omgevingsrapportageteam vertaalt zich verder in de inhoud van de rapportage. Zo geven verschillende stakeholders aan dat zowel indicatorenwerk als systeemanalyse deel moeten uitmaken van het repertoire van de omgevingsrapportage. Waar indicatoren worden bekeken als het absolute basiswerk voor toestandsbeschrijving, wordt systeemanalytisch onderzoek als een noodzakelijke aanvulling gezien die de basisdata in een ruimer plaatje plaatst en een meer holistische visie19 mogelijk maakt. Wat betreft het indicatorenwerk formuleren de respondenten een aantal uitdagingen en aandachtspunten. Zoals eerder aangegeven moeten de verzameling en verwerking van data en indicatoren in kader van de omgevingsrapportage op een gestructureerde, geïntegreerde, regelmatige en doelgerichte20 manier vorm krijgen. In het licht van haalbaarheid en capaciteitsbeperkingen is het voor de respondenten van belang dat er goed wordt nagedacht over de redenen om bepaalde indicatoren wel bij te houden of te ontwikkelen en andere niet. Afstemming met de bredere onderzoeksagenda van de omgevingsrapportage, maar ook met andere entiteiten in het beleidsdomein omgeving die reeds verantwoordelijk zijn voor de rapportage over 18

In kader van de reflectiegroep vulde Anik Schneiders hieromtrent aan dat bepaalde niches en oplossingsrichtingen zich reeds in de samenleving bevinden en dat de natuur-, maar ook de omgevingsrapportage de taak heeft om deze op te nemen in haar eindproducten. Dit sluit, onder andere, aan bij de MIRA Milieuverkenning 2018 waarin stakeholders via interviews en workshops bevraagd werden over de barrières en hefbomen die ze zien voor oplossingsrichtingen die aansluiten bij hun perspectief. Daarnaast kregen ze ook de kans om cijfers en studies over het duurzaamheidspotentieel van oplossingsrichtingen zelf aan te brengen. 19 Bijvoorbeeld: van de concrete problematiek van vermesting naar het bredere voedselsysteem. 20 Zo geformuleerd door vertegenwoordigers van het management van entiteiten binnen het beleidsdomein Omgeving, en doelend op het nastreven van beleidsrelevante kennisproductie.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 41 van 136


bepaalde indicatoren, zijn hierbij cruciaal. Er moet, kortom, goed nagedacht worden over welke data er reeds liggen (en bij welke entiteiten), hoe nieuwe data ontwikkeld kunnen worden en welke koppelingen er tussen data gemaakt kunnen worden. Net zoals MIRA een centrale instantie was met een website die de toegangspoort was tot allerhande, regelmatig geüpdatete data en indicatoren over milieu, verwachten de stakeholders van de omgevingsrapportage een regelmatige updating van de indicatoren. Hierbij kan de rapportage opgevat worden als een dynamisch portfolio van indicatoren dat permanent geactualiseerd en aangevuld wordt (cf. MIRA-website). Selectie van indicatoren In het licht van capaciteitsbeperkingen, gaven verschillende respondenten aan dat er goed nagedacht moet worden over de redenen om bepaalde indicatoren wel bij te houden of te ontwikkelen en andere niet. Verscheidene criteria zoals de mate van operationalisering (in hoeverre kan de indicator geoperationaliseerd worden?), mogelijke mate van afstemming met andere indicatoren-rapportages binnen het beleidsdomein Omgeving en haalbaarheid (wat is haalbaar met een beperkt budget en personeel?), werden door de respondenten in algemene termen geformuleerd. Concretere voorbeelden hiervan werden jammer genoeg niet gegeven. Naast deze criteria kunnen we vanuit de literatuur (van de Laak, Leroy & Goedman, 2018) zicht krijgen op eventuele andere leidraden voor indicatoren-selectie, zoals de verschillende functies die indicatoren kunnen hebben. De uitdaging is vaak om een goede balans te vinden tussen drie vaak tegenstrijdige functies van indicatoren: een empirisch-wetenschappelijke, een politiek/beleidsmatige en een communicatieve functie. Vanuit hun empirisch-wetenschappelijke functie is het van belang dat indicatoren betrouwbaar en valide zijn en daadwerkelijk meten wat ze moeten meten. Hierbij is de beschikbaarheid van goede data sterk van belang. Vanuit beleidsmatig oogpunt moeten indicatoren politiek acceptabel zijn en aansluiten bij beleidsambities. Communicatief gezien is de boodschap die met de indicatoren wordt gecommuniceerd bepalend voor de mate van maatschappelijke impact en draagvlak.

Daarnaast geven de respondenten aan dat de omgevingsrapportage nieuwe soorten integrerende gegevens kan proberen vatten waarvoor, onder andere, inspiratie gezocht kan worden bij Europese rapportage-initiatieven. Voorbeelden hiervan zijn recent ontwikkelde indicatoren over voedsel(productie) en stadslandbouw. In tegenstelling tot de meeste MIRA-indicatoren die op niveau van Vlaanderen werden opgesteld, kan er eveneens gestreefd worden naar meer ruimtelijke differentiatie van de indicatoren. Deze doorvertaling tot op het provinciale, stedelijke of gemeentelijke beleidsniveau zorgt ervoor dat er fijnmaziger gekeken kan worden naar bepaalde trends en problematieken21. Toch zijn enkele stakeholders van de strategische adviesraden van mening dat het een meerwaarde is dat de rapportage zich voornamelijk richt op het Vlaamse niveau. Omwille van de noodzaak om prioriteiten te stellen in een context van beperkte capaciteit, blijven de grotere cijfers en verhalen voor hen primair; het differentiëren komt dan best later.

21

Aanvulling met voorbeeld gegeven door VPO kerngroep: In het Ruimterapport werden indicatoren ontwikkeld voor ruimtelijk onderscheiden deelgebieden in Vlaanderen. Er werden typologieën ontwikkeld voor enerzijds verstedelijkte-randstedelijke en landelijke gebieden, en anderzijds kernenlinten en verspreide bebouwing. Op deze manier is het mogelijk om de differentiatie van een Vlaamse indicator binnen Vlaanderen weer te geven. Het ruimtebeslag is bijvoorbeeld voor heel Vlaanderen heel hoog en stijgt nog steeds, maar er zijn grote verschillen tussen de meer verstedelijkte en de meer landelijke delen van Vlaanderen.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 42 van 136


Goede praktijk: online indicatoren-rapportage in het Compendium voor de Leefomgeving en op het Klimaatportaal Naast de MIRA-website, die de respondenten aanduiden als hét referentiepunt wat betreft de digitale en dynamische rapportering van milieu-indicatoren in Vlaanderen, werden ook het Nederlandse Compendium voor de Leefomgeving (PBL) en het Vlaamse Klimaatportaal (VMM) benoemd als goede voorbeelden van rapportage over cijfers en indicatoren. Het Compendium voor de Leefomgeving is een website die wordt uitgegeven door het PBL, samen met het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en Wageningen University & Research (Wageningen UR), en tot doel heeft wetenschappelijk onderbouwde feiten en cijfers, namelijk een 600-tal indicatoren, beschikbaar te maken ter ondersteuning van maatschappelijke discussies en keuzes op het gebied van milieu, natuur en ruimte. Gelijkaardig aan de MIRA-website, presenteert het Compendium voor de Leefomgeving deze cijfers en indicatoren op zogenaamde indicatorenpagina’s, die steeds een vast formaat hebben: eerst de hoofdboodschap, dan een kaart, grafiek of tabel (de graadmeter) met een toelichting, de beleidsrelevantie en ten slotte referenties en relevante links. Via trefwoorden zijn de indicatoren ondergebracht in een dertigtal milieu-, natuur en ruimteonderwerpen. De indicatoren in het Compendium voor de Leefomgeving zijn wetenschappelijk onderbouwd en doorlopen een toetsingsproces alvorens te worden gepubliceerd. De gebruiker kan zich via een technische toelichting en links naar referenties op de hoogte stellen van de totstandkoming van elke indicator. De overzichtelijkheid en wetenschappelijke kwaliteit maken van het Compendium een toonaangevend product van het PBL. Toch moet er eveneens bewustzijn bestaan over de hoge personele kost daarvan en op de noodzaak van een uitstekend netwerk aan informatiebronnen. Klimaatportaal Vlaanderen is een website die werd gerealiseerd door de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM) en informatie biedt over mogelijke klimaatverandering, klimaateffecten en kwetsbaarheden op gemeentelijk en Vlaams niveau. Centraal op het Klimaatportaal staan de kaarten rond de verandering van de klimaattoestand (temperatuur, neerslag,…) en klimaateffecten zoals hitte, overstromingen en droogte. Deze informatie wordt verder verwerkt tot indicatoren over de klimaatimpact waarbij er tot op gemeentelijk niveau inzicht kan verkregen worden over de kwetsbaarheid van een bepaald gebied. De respondenten geven dan ook aan dat deze mate van ruimtelijke differentiatie de aangeboden informatie op het Klimaatportaal zeer relevant maakt voor lokale doelgroepen en beleidsactoren, zoals provincies en gemeenten. Het presenteren van deze informatie in de vorm van overzichtelijke kaarten zorgt volgens de respondenten daarnaast voor een verhoogde toegankelijkheid van het product. Systeemanalyse: opportuniteiten en valkuilen Wat betreft de bevraging van de respondenten over systeemanalyse, moet eerst en vooral opgemerkt worden dat zij hierover in vrij vage bewoordingen spraken en weinig concrete voorbeelden vermeldden. Er werd door hen wel meermaals verwezen naar de ‘systeemanalyses van MIRA’, terwijl ook in het Ruimterapport van 2018 een systeemanalyse is opgenomen. Diepgaande inhoudelijke analyses van concepten of methodieken voor systeemanalyse werden door de respondenten niet aangereikt; zij focusten zich eerder op het benoemen van wat zij zien als de vooren nadelen van systeemanalyse.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 43 van 136


Een meerderheid van de respondenten erkende het belang van systeemanalyse en vindt dat de omgevingsrapportage in de producten moet inzetten op zulke analyses; een enkele respondent benoemde dit zelfs als een “no-brainer”. Een eerste voordeel van systeemanalyses situeren de respondenten in het feit dat systeemanalyse toelaat om mechanismen en problemen van het beschouwde systeem in het licht van de maatschappij in haar geheel te plaatsen. Dit wordt door de respondenten benoemd als een meer ‘holistische visie’. Een tweede voordeel is dat een systeemanalyse de samenhang tussen de verschillende systeemelementen duidelijk maakt. Enkele respondenten benoemen dit concreter als ‘oorzaak-gevolg analyses’ of ‘trend-analyses’. Een derde voordeel zien de respondenten in het feit dat systeemanalyses inspirerend kunnen werken voor het identificeren en uitwerken van oplossingen. Ten vierde biedt systeemanalyse volgens de respondenten een manier om breder te kijken dan het eigen omgevingsdomein. De linken met sectoren zoals mobiliteit en landbouw maken systeemanalyses voor hen dan ook erg belangrijk. Ten laatste biedt systeemanalyse opportuniteiten voor inter- en transdisciplinariteit, wat het mogelijk maakt andere types kennis (mode-2) en andere perspectieven aan bod te laten komen in de omgevingsrapportage. Langs de andere kant geven verschillende respondenten aan dat systeemanalytisch onderzoek ook zijn beperkingen heeft. Ten eerste geven sommige respondenten aan dat systeemanalyses voor hen soms te abstract en te theoretisch zijn. Dit maakt het voor hen moeilijker om concrete beleidsveranderingen en oplossingsrichtingen uit de analyses te destilleren. Dit kan volgens hen leiden tot een gebrek aan beleidsrelevantie van deze rapportageproducten. Ten tweede kan het volgens sommige respondenten ook moeilijk zijn voor het beleid en andere niet-overheidsactoren om in te spelen op de resultaten van een systeemanalyse, aangezien de grenzen van een systeem vaak niet samenvallen met land- of regiogrenzen. Ten laatste werd er vermeld dat zogenaamde ‘systeemfouten’ dikwijls moeilijker op te lossen zijn en vaak vragen om een reeds verregaande mate van beleidsintegratie. Deze opsomming verwijst naar de nadelen van systeemanalyse zoals ze worden gepercipieerd door sommige respondenten (parlementsleden, vertegenwoordigers van strategische adviesraden en academici). Volgens enkele respondenten is het dan ook aan de omgevingsrapportage om te investeren in interne en externe expertise om deze gepercipieerde nadelen voldoende te kunnen ondervangen.

4.1.4

Doelgroepen

Beleidsmakers als primaire doelgroep van de omgevingsrapportage? Terwijl sommige respondenten (academici, vertegenwoordigers van strategische adviesraden en collega-rapporteurs) van mening zijn dat de omgevingsrapportage primair naar beleidsmakers gericht moet zijn, vinden anderen (academici, sommige vertegenwoordigers van strategische adviesraden, parlementsleden en collega-rapporteurs) dat de rapportage ook andere groepen in de samenleving moet dienen, zoals het maatschappelijk middenveld en de geïnteresseerde burger. Deze verdeelde meningen sluiten aan bij een bredere discussie over het belang van respectievelijk beleidsrelevantie en maatschappelijke relevantie, en over hoe deze twee aspecten zich tegenover elkaar verhouden. Vertrekkend vanuit hun ervaringen met MIRA22, geven sommige respondenten aan dat, hoewel de voornaamste doelgroep van MIRA uit beleidsmakers bestond, de sterke producten vrijwel vanzelf 22

Er werd door de respondenten niet verwezen naar voorbeelden vanuit RURA. De VPO kerngroep vult hieromtrent aan dat er in kader van RURA infographics werden opgemaakt waarvan geweten is dat ze ondermeer in het onderwijs sterk doorwerken. Er werd eveneens een specifieke poster gemaakt voor het onderwijs. Daarnaast werden sommige indicatoren overgenomen in de databank van Provincie in Cijfers waardoor deze voor een ruim

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 44 van 136


hun weg vonden naar andere actoren23. Zo vermeldt een respondent dat de indicatoren-website van MIRA, waarop basisdata en -indicatoren goed gedefinieerd en gepresenteerd werden aan de hand van tijdsreeksen, ook door sociale partners en wetenschappelijke onderzoekers werd geraadpleegd. Iemand anders deelt mee dat de MIRA-rapportage ook werd gebruikt door het middenveld en het parlement omwille van de onafhankelijkheid en gedragenheid van haar producten. Het streven naar beleidsrelevantie blijft voor deze respondenten dus het voornaamste doel, waarop de maatschappelijke relevantie vrij automatisch zal volgen. Andere respondenten geven dan weer aan dat het jammer is dat MIRA de vertaalslag van haar producten naar het brede publiek nooit expliciet heeft gemaakt. Voor hen is het dan ook belangrijk dat de omgevingsrapportage zich zal richten op de maatschappij en maatschappelijk relevant moet zijn. Dit hangt sterk samen met de agenderingsfunctie van de rapportage, aangezien maatschappelijke actoren door kennismaking met de producten een invloed kunnen uitoefenen op het beleid. Het risico hiervan is dan weer dat de omgevingsrapportage door een toegenomen maatschappelijke aandacht sneller in het oog van de storm terecht kan komen, met het gevaar haar legitimiteit en beleidsrelevantie te verliezen. Om als omgevingsrapportage beleidsrelevantie te verzekeren, zijn sommige respondenten van mening dat er institutionele zekerheden ingebouwd moeten worden. Zo wordt een gesteld dat een antwoordplicht van het beleid op de rapportage momenteel ontbreekt en dat, indien de omgevingsrapportage binnen de beleidscyclus moet passen, deze eigenlijk decretaal voorzien zou moeten worden. De omgevingsrapportage zou zich hierop kunnen afstemmen door haar producten te voorzien van een aantal vragen voor beleidsmakers of concrete aanbevelingen, waarop de regering dan expliciet moet antwoorden of moet motiveren waarom ze bepaalde aanbevelingen wel dan niet overnemen. Een andere optie kan zijn om de omgevingsrapportage te delen met de parlementaire commissies wat parlementair debat en het formuleren van resoluties naar de regering toe teweeg kan brengen. Ook een formeel moment van rapportoverhandiging aan de bevoegde minister (cf. MIRA) kan fungeren als een ijkpunt dat het werk van de administratie erkent en een krachtig signaal aan de minister zendt. Een geïnstitutionaliseerde rapportoverhandiging, die al dan niet fysiek gebeurt, wordt door sommige stakeholders dan ook gezien als een belangrijke goede praktijk voor de omgevingsrapportage. Het bereiken van andere doelgroepen Indien er door de omgevingsrapportage wordt gekozen om naast beleidsmakers ook andere doelgroepen aan te spreken, moet er worden nagedacht over de manieren waarop de rapportage dit doel kan bereiken. Sommige doelgroepen zijn immers wat moeilijker te bereiken dan andere. De vraag voor wie je het product schrijft, bepaalt dan ook de invulling en de taal van de analyses. Indien de rapportage een breed doelpubliek wil bereiken, zal men ook een bepaalde taal en methode moeten gebruiken om de boodschap over te brengen. Het Natuurrapport 2020 had bijvoorbeeld een hoge leesbaarheid, wat ervoor zorgde dat niet alleen de parlementaire commissie leefmilieu maar ook burgers en studenten vragen stelden over het rapport en bemerkingen hadden. Een andere mogelijkheid is om de concepten die in de rapportage worden gehanteerd aan te passen aan de verschillende doelgroepen. Om lagere sociaaleconomische klassen te kunnen bereiken, moeten publiek (onder andere de provincies en gemeentes) raadpleegbaar zijn. Voor het tweede RURA (publicatie eind 2021) werd er vanaf de start samengewerkt met een communicatiebureaus. Er werden ‘ambassadeurs’ geïdentificeerd die geïnteresseerd zijn in de boodschappen van het Ruimterapport. Samen met deze ambassadeurs (bijvoorbeeld BBL, de Ambrassade) zal er samengewerkt worden aan specifieke producten voor hun doelgroep. 23 Bemerking vanuit VPO kerngroep: de sterke producten van MIRA vonden in de praktijk niet meteen ‘vanzelf’ hun weg naar andere actoren dan beleidsmakers. Dit zorgt voor een nood aan tal van afgeleide producten en samenwerkingen met andere stakeholders die bepaalde producten verder kunnen uitwerken en kunnen verspreiden via moderne mediakanalen.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 45 van 136


complexe begrippen zoals ecosysteemdiensten vermeden worden en kan er aansluiting worden gezocht bij concrete gebeurtenissen zoals Werelddierendag. Sommige respondenten zijn van mening dat het niet de taak is van de omgevingsrapportage om zelf producten te ontwikkelen voor bijvoorbeeld het onderwijs of lokale besturen. Het kan wel een mogelijkheid zijn om samenwerkingen aan te gaan met de afdeling milieu- en natuureducatie of andere entiteiten die hier meer expertise over hebben. In kader van zulke constante wisselwerkingen kunnen de data en onderzochte problematieken van de omgevingsrapportage permanent doorsijpelen naar deze doelgroepen.

4.1.5

Producten

Afhankelijk van de relevantie, impact en doelgroepen die de omgevingsrapportage op het oog heeft, zal er gekozen moeten worden voor de ontwikkeling van bepaalde types producten en diensten. Het ‘omgevingsrapport’ In lijn met de toestandsbeschrijvende, evaluerende en agenderende functies van de omgevingsrapportage waarmee eerst en vooral een beleidsimpact wordt beoogd, beklemtonen diverse stakeholders het belang van een kernproduct dat op een gedragen manier wordt ontwikkeld (bijvoorbeeld aan de hand van een lectoren-systeem of hybride auteurschap), wetenschappelijk kwalitatief en beleidsrelevant is. Dit sterke product zou een baken van regelmaat moeten zijn waarin periodiek gerapporteerd wordt over ‘the state of the environment’ (in brede zin, met inbegrip van voor milieu en ruimte relevante dimensies). Samen met de ontwikkeling van een digitaal indicatoren-portfolio blijft dit ‘omgevingsrapport’ voor verschillende respondenten de kern van de omgevingsrapportage. De publicatie van zulk één-, twee- of meerjaarlijks standaardwerk is belangrijk voor het bewaren van overzicht over de verschillende dimensies van ‘omgeving’ en zal volgens verschillende stakeholders een grotere impact kunnen uitoefenen dan de kleinere meer digitaal georiënteerde producten. In tegenstelling tot websites, briefings of digitale factsheets, kan het omgevingsrapport dan ook formeel en eventueel fysiek overhandigd worden aan de minister. Alhoewel een gedegen, kwaliteitsvolle en gedragen invulling van dit rapport vanzelfsprekend centraal staat, vermelden de respondenten dat het rapport zelf wel leuk en toegankelijk opgesteld en geschreven kan worden, met ruimte voor illustraties, kaartmateriaal en infographics.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 46 van 136


Goede praktijk: kernproducten van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en het Europees Milieuagentschap (EMA) Balans van de Leefomgeving – PBL Als onderdeel van de wettelijk taak van het PBL om kabinet en parlement te informeren over de staat van de Nederlandse leefomgeving en het gevoerde leefomgevingsbeleid te evalueren, vormt de Balans van de Leefomgeving een sterk kernproduct van het PBL. Naast de tweejaarlijkse ‘Balans in boekvorm’, biedt de website ‘Balans van de Leefomgeving’ een actueel overzicht van de beleidsdoelen die relevant zijn voor de leefomgeving en de mate waarin deze doelen al dan niet worden bereikt. Sinds 2020 heeft deze Balans-website het nieuwe karakter gekregen van een permanente website die doorlopend wordt vernieuwd. Deze vernieuwde website wordt daarnaast aangevuld met nieuwe doelen en indicatoren die niet enkel meer afkomstig zijn uit de Balans maar ook uit andere PBL-producten. De Balans is een product van het PBL waarover binnen de organisatie eigenaarschap werd ontwikkeld en dat hen toelaat zich als invloedrijke actor te positioneren in het Nederlandse leefomgevingsbeleid op het vlak van beleidsbeïnvloeding en agendering. Het product blijkt dan ook niet enkel beleidsmakers te bereiken, maar werkt ook door tot in andere middens zoals het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties. SOER (State and Outlook on the European Environment) – EMA De vijfjaarlijks gepubliceerde SOER-rapporten staan gekend als een gedegen evaluatie van de stand van zaken en vooruitzichten voor het Europese milieu en als inspiratie voor de uitvoering en ontwikkeling van het EU-beleid. Het recent uitgebrachte SOER 2020 omvat zowel een lijvig rapport van 500 pagina’s als een website waarop de kernboodschappen en conclusies van het rapport op diverse wijzen worden gepresenteerd (korte artikels, video’s, infographics, visualisaties van de data, etc.). De bezoeker van de website krijgt ook de kans om een korte feedback survey in te vullen waaruit het EEA lessen kan destilleren voor de opmaak van het volgende SOER en kan daarnaast extra informatie raadplegen over het stakeholderinteractieproces van SOER 2020, evenals andere achtergronddocumenten of samenvattingen. Als kernproduct van het EMA zet SOER 2020 sterk in op beleidsbeïnvloeding en -agendering aan de hand van verschillende instrumenten en strategieën, zoals 1) een uitgebreid reviewproces waarin beleidsmakers betrokken worden; (2) het streven naar maatschappelijke impact door verschillende types producten te ontwikkelen die een ruimer doelpubliek kunnen aanspreken; (3) de organisatie van een stakeholderinteractieproces om de conclusies en beleidsimplicaties van het rapport te bespreken; (4) een kwalitatieve inhoud waarbij sector- en domeinoverschrijdende analyses worden gemaakt. Delen van SOER 2020 worden dan ook vermeld in de Europese Green Deal.

Diversificatie van en afgeleide producten Andere respondenten (sommige academici en een vertegenwoordiger van een strategische adviesraad) stellen de impact dat een dik ‘omgevingsrapport’ nog kan hebben in vraag en vinden dat de omgevingsrapportage wat betreft haar aanbod van producten en diensten “moet meegaan /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 47 van 136


met haar tijd” en moet inzetten op “hapklare” producten (digitaal, visueel sterk, kort en krachtig geschreven). Indien de rapportage zowel beleids- als maatschappelijke relevantie beoogt, zal een brede waaier aan producten (van topic-publicaties tot integrale rapporten) nodig zijn. De diversificatie van producten zou gestroomlijnd kunnen worden in een werkprogramma waarin verschillende outputs en oefeningen voorzien worden, die inhoudelijk verschillen en een andere termijn of horizon voor ogen houden. De milieurapportering heeft een traditie van innovatie in producttypes. Ook in de omgevingsrapportage kunnen naast (of in plaats van) klassieke rapporteringsvormen nieuwsoortige producten ontwikkeld worden. Idealiter zijn dat producten/producttypes die in het oog springen en meer impact genereren bij zowel het beleid als maatschappelijke actoren. Naast de permanente digitale rapportage over een dynamische set aan indicatoren op een digitaal (internet)platform toegankelijk voor tegelijk beleid en burger (wat door alle respondenten zeer noodzakelijk wordt geacht), geven de stakeholders een aantal concrete suggesties van rapportageproducten. De ontwikkeling van thematische rapporten (over bijvoorbeeld concrete ‘use cases’, een bepaalde regio of gebied, of een pertinente problematiek), position en policy papers, infographics, social media-berichten of interactieve producten zoals seminaries en webinars kunnen een manier zijn voor de rapportage om de doelgroepen op uiteenlopende wijzen te benaderen. Dit zorgt volgens de respondenten voor meer flexibiliteit en diversiteit, maar brengt ook een hogere werklast en een nood aan nieuwe expertise met zich mee. Er moet dan ook gezorgd worden dat de diversificatie van producten blijft passen in de bredere tactisch-strategische visie van de omgevingsrapportage en dat het streven naar een hoge wetenschappelijke kwaliteit van de producten te allen tijde centraal blijft staan. Er zal een zorgvuldige afweging moeten gemaakt worden tussen de beschikbare capaciteit (qua personeelsaantal en expertises) en het aantal producten, de diversiteit ervan en de kennis/kunde die nodig is om ze te maken. Indien de omgevingsrapportage ervoor zou kiezen om producten te ontwikkelen voor specifieke doelgroepen (het onderwijs bijvoorbeeld), raden enkele respondenten aan om hierbij vraaggestuurd te werken in plaats van een aanbod te voorzien. Het is de omgevingsrapportage gegeven om in te spelen op specifieke vragen van doelgroepen, bv. door abstractere zaken in de rapportage te concretiseren voor specifieke gebieden of doelgroepen, of door de eigen gegevens op een andere manier te bekijken. Dit moet echter steeds gebeuren, rekening houdend met de centrale missie en doelen van de omgevingsrapportage. Sommige stakeholders raden af al te toegespitste producten voor deze doelgroepen te maken. Een alternatief is samenwerkingen aan te gaan met de interne afdeling milieu- en natuureducatie en/of communicatiebureaus om de toegankelijkheid van de rapportage-producten te vergroten, zodat ze ook (vanzelf) geschikter worden voor de moeilijker te bereiken doelgroepen.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 48 van 136


Goede praktijk: infographics als een modern en toegankelijk product In licht van ontwikkelingen in ICT en sociale media grijpen steeds meer rapportages in binnen- en buitenland de toegenomen aandacht voor infographics en andere visualiseringstechnieken van feitenmateriaal aan om een andere blik te werpen op hun feiten en cijfers. Zo ontwikkelde het PBL het product ‘Nederland verbeeld’ waarin cijfermateriaal en inzichten over de drie domeinen van voedsel, energie en mobiliteit toegankelijk en aantrekkelijk worden weergegeven met infographics. Dit product kadert in een breder initiatief van het PBL om allerhande kennis en informatie op uiteenlopende manieren en met verschillende media te ontsluiten. Het doel van ‘Nederland verbeeld’ is dat de lezers een gevoel van ‘orde van grootte’ krijgen op basis van het gepresenteerde cijfermateriaal; wat betekent het bijvoorbeeld als Nederland op termijn een volledig duurzame energievoorziening zou nastreven? Details over alle samenhangen in de domeinen van voedsel, energie en mobiliteit zal de lezer dan weer niet terugvinden in dit product. Deze vereenvoudiging van de gepresenteerde informatie heeft als voordeel dat het product een vrij ruim doelpubliek kan bereiken, waartoe niet enkel beleidsmakers, onderzoeksinstituten en maatschappelijke organisaties zullen behoren, maar ook geïnteresseerde burgers en de media. Indien deze lezers meer diepgaande informatie over een bepaald thema willen raadplegen, kunnen ze gebruik maken van de suggesties in het ‘meer lezen’onderdeel waar elk hoofdstuk mee afsluit. Daarnaast wordt hen ook de mogelijkheid geboden om de verantwoording van de cijfers door te nemen via de aangegeven weblinks.

4.1.6

Verhouding tot andere rapportages

Een goede omgevingsrapportage mag zich niet beperken tot een enge blik op ‘omgeving’. Naast integratie van ruimte en milieu, mag en moet er breed/integratief/holistisch gekeken worden in een omgevingsrapportage. Dat vereist onder meer afstemming met andere thematische en geïntegreerde rapportage binnen en buiten het beleidsdomein Omgeving. Respondenten achten het niet wenselijk om andere rapportages (en hun inhoud) te integreren in de omgevingsrapportage. Enerzijds omdat het geen zin heeft om inhoudelijk dubbel te werk te verrichten. Anderzijds omdat ieder ook zijn rapportage-bevoegdheden heeft (en deze niet snel wil opgeven). Een afstemmingsoefening wat betreft de verzameling en rapportering van gegevens wordt daarentegen als hoogstnoodzakelijk ervaren. Zo geven verschillende respondenten aan dat het, in lijn met MIRA die eveneens beschikte over data van andere entiteiten binnen en buiten het beleidsdomein, mogelijk moet zijn voor de omgevingsrapportage om data van andere beleidsdiensten op te vragen, te verwerken en op te nemen in de rapportage24. Het wordt als zeer wenselijk en noodzakelijk gezien om toegangspoorten te ontwikkelen in functie van datauitwisseling, data-ontwikkeling en data-integratie over de organisatie-grenzen heen. Het beschikken over een kwaliteitsvolle, betrouwbare data-laag wordt hierbij gezien als de eerste prioriteit voor de omgevingsrapportage. De respondenten benoemen deze goede doorstroom van data, die nu verhinderd wordt door institutionele en juridische barrières zoals protocollen en GDPR-regels, als een grote uitdaging voor de omgevingsrapportage. Enkele respondenten stellen voor om hierin stap voor stap te werk te 24

De respondenten (en eveneens de deelnemers aan de reflectiegroep) maakten geen concrete verbetersuggesties wat betreft deze datadoorstroming.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 49 van 136


gaan, waarbij er na een eerste interne scherpstelling van de integratie tussen ruimte en milieu, vragen gesteld kunnen worden richting andere rapporten en rapportages en overleg gepleegd kan worden met de collega-entiteiten zodat zij ook hun inbreng en aandachtspunten kunnen communiceren. Dit is van belang voor de totstandkoming van een gedragen rapportage. Als de omgevingsrapportage eerst een duidelijk idee ontwikkelt over welke samenwerkingen nodig worden geacht, kan dit worden meegenomen in de bredere institutionele discussie over datadoorstroming die binnen de Vlaamse overheid hoogstwaarschijnlijk gevoerd zal moeten worden. In lijn met de eerdere intense samenwerkingen tussen MIRA, RURA en NARA en de huidige goede contacten tussen VPO en INBO, zien verschillende stakeholders opportuniteiten voor verdere inhoudelijke afstemming en samenwerking tussen NARA en de omgevingsrapportage. Zo kan er concreter gekeken worden naar, onder andere, de relaties tussen biodiversiteit en omgeving, of kan er rond specifieke thema’s, bijvoorbeeld circulaire economie, verder samengewerkt en gepubliceerd worden na afstemming wat betreft insteek en methoden. Hier voegen enkele respondenten aan toe dat bij NARA ook de nood groeit om biodiversiteit in relatie tot andere beleidsdomeinen te kunnen bekijken, maar dat het niet de sterkte is van INBO om rond andere beleidsdomeinen mandaten en data te verzamelen. Sommige van de aspecten en inzichten omtrent de relatie tussen biodiversiteit en de omgeving in brede zin kunnen dan ook beter opgepakt worden door een breder georiënteerde instelling (eventueel VPO en de omgevingsrapportage). Een vertegenwoordiger van NARA gaf aan dat een volledige inkanteling van NARA bij de omgevingsrapportage momenteel echter niet als gewenst wordt ervaren. (Het gevoel van) een verlies aan onafhankelijkheid is de belangrijkste reden hiervoor. Buiten het beleidsdomein Omgeving kan de omgevingsrapportage volgens een vertegenwoordiger van een agentschap buiten het beleidsdomein Omgeving verder afstemmen met Statistiek Vlaanderen, dat relevante statistieken uit verschillende beleidsdomeinen kan aanleveren25, en kan er eveneens gekeken worden naar een samenwerking of afstemming met sommige provinciale en gemeentelijke actoren die ook aan rapportage doen. Daarnaast is er een mogelijkheid om EUrapporten en andere Europese dataverplichtingen om te zetten naar producten die relevant zijn voor Vlaanderen, waarin onderwerpen behandeld kunnen worden die niet door andere specifieke rapportages in Vlaanderen worden opgenomen. Omwille van de sterke linken tussen landbouw en omgeving, is ook afstemming met LARA nodig. Hieromtrent wordt vermeld dat LARA een sterk sectorale benadering hanteert in haar rapportage en op deze manier beschikt over specifieke rapporteringscijfers van de landbouwsector die door de omgevingsrapportage eventueel opgevraagd kunnen worden. Sommige stukken van LARA zullen daarnaast overlappen met de omgevingsrapportage, wanneer het bijvoorbeeld gaat over de bredere uitdagingen voor de landbouwsector – al dan niet in het kader van het gehele voedingssysteem met name; hierin kan best afstemming gezocht worden om dubbel werk te vermijden. In het algemeen voegen de respondenten ten laatste toe dat verschillende onderwerpen ook heel andere manieren van samenwerken zullen vereisen. De synergiën die nodig zijn om indicatoren op elkaar af te stemmen bijvoorbeeld, zullen anders tot stand moeten komen dan samenwerkingen in kader van de integrerende en thematische rapporten.

25

Aanvulling vanuit VPO kerngroep: bij MIRA werden deze statistieken rechtstreeks door de andere beleidsdomeinen aangeleverd. Er zijn dan tegenargumenten voor dit voorstel: veel van de benodigde data worden niet verzameld door Statistiek Vlaanderen en Statistiek Vlaanderen als tussenschakel in het verkrijgen van data zou het proces onnodig vertragen.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 50 van 136


4.2 PROCES EN ORGANISATIE VAN DE OMGEVINGSRAPPORTAGE In dit tweede analysedeel bespreken we de opvattingen van de respondenten omtrent de randvoorwaarden en procesfactoren die nodig zijn voor het tot stand brengen van een wetenschappelijk onderbouwde, relevante, betrouwbare en toegankelijke omgevingsrapportage.

4.2.1

Randvoorwaarden voor een ‘deugdelijke’ omgevingsrapportage: wetenschappelijke kwaliteitsborging, onafhankelijkheid en transparantie

De organisatorische inbedding van de omgevingsrapportage binnen de afdeling VPO van het departement Omgeving wordt door de bevraagde stakeholders op verschillende wijzen bekeken en geëvalueerd. Sommige actoren uiten kritische bedenkingen bij de situering van de omgevingsrapportage binnen het departement Omgeving en vrezen dat de onafhankelijkheid van de rapportage, en de percepties die het brede publiek hierover heeft, onder druk kunnen komen te staan. Zo geeft een respondent aan dat de (beleids)relevantie van de rapportage mede wordt vormgegeven door haar vrijheid om af en toe ‘inconvenient truths’ tegenover het beleid en de maatschappij te kunnen poneren; een capaciteit die (tenzij voldoende garanties worden ingebouwd) volgens de respondent begrensd kan zijn door de organisatorische setting van de omgevingsrapportage. Een andere respondent vraagt zich dan af of de omgevingsrapportage voldoende onafhankelijk en objectief kan opereren bij het maken van evaluaties van het beleid dat door het departement Omgeving werd voorbereid en in sommige gevallen ook wordt geïmplementeerd. Andere stakeholders wijzen op de dubbele relatie tussen de onafhankelijkheid en de impact van de omgevingsrapportage. Enerzijds riskeert een meer onafhankelijke rapportage wereldvreemd te worden door een gebrek aan voeling en communicatie met het beleid, terwijl een omgevingsrapportage die in constante dialoog en overleg met het beleid staat anderzijds dan weer het gevaar loopt om aan onafhankelijkheid te moeten inboeten (waarbij het bijvoorbeeld niet mogelijk meer wordt om over beleidsgevoelige issues te rapporteren). De omgevingsrapportage moet hier een evenwicht in vinden. Een sterk contact met overheidsactoren en een goed begrip van hun noden kan de impact van de rapportage op het beleid verhogen, terwijl het inbouwen van bepaalde organisatorische randvoorwaarden, zoals een duidelijke en transparante onderzoeksagenda, (de perceptie van) onafhankelijkheid van de rapportage kan helpen opbouwen en garanderen. Vrijwel alle respondenten stellen, ook al wordt dit niet door iedereen als de grootste uitdaging voor de omgevingsrapportage bekeken, dat er bepaalde randvoorwaarden en procedures moeten ingebouwd worden om het potentieel van een deugdelijke en gedragen omgevingsrapportage ten volle te kunnen benutten. Bij het zoeken naar gepaste borgingsprocessen en -procedures moet er goed nagedacht worden over wat MIRA, RURA en NARA gezagsvol maakt en heeft gemaakt, en hoe dit de procesorganisatie van de omgevingsrapportage kan inspireren. Deze procedures voor de borging van wetenschappelijke kwaliteit, onafhankelijkheid en transparantie zullen immers fungeren als “cruciale ankerpunten” waarop de omgevingsrapportage in de toekomst en op lange termijn zal kunnen verder bouwen. Procedures op strategisch niveau De randvoorwaarden voor een deugdelijke omgevingsrapportage kunnen een meer concrete invulling krijgen door het inbouwen van verscheidene procedures op strategisch niveau. Sommige /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 51 van 136


respondenten stippen bijvoorbeeld aan dat een decretale verankering van bepaalde processen en randvoorwaarden noodzakelijk is, zodat de omgevingsrapportage in haar onderhandelingen met het beleid steeds kan terugvallen op een sterke autonome beginpositie en beschermd wordt tegen een te hoge mate van politieke volatiliteit. Hierbij geven enkele stakeholders aan dat het decretaal onderbouwen van het doel en de timing van de omgevingsrapportage eveneens kan bijdragen aan de transparantie en integriteit van de rapportage. Toch kan de meerwaarde van deze decretale verankering volgens verschillende respondenten eveneens in vraag gesteld worden en draagt het volgens hen niet meteen bij aan een betere borging van de randvoorwaarden. Zo wordt er vermeld dat er mits het bestaan van een stuurgroep, een wetenschappelijke adviesraad of een ander opvolgingsorgaan, geen grote nood is aan het decretaal vastleggen van de onafhankelijkheid en de transparantie van de omgevingsrapportage. Deze randvoorwaarden zullen hierbij immers gewaarborgd worden door andere processen en procedures op strategisch en operationeel niveau (stuurgroep, onderzoeksagenda, lectoren-systeem als proces van kwaliteitsborging, etc.). Voornamelijk respondenten die bij de totstandkoming van het eerste RURA betrokken waren geven aan dat het ontbreken van een decretale verankering niet betekent dat de omgevingsrapportage niet op een onafhankelijke, transparante en wetenschappelijk gedragen manier tot stand kan komen, aangezien dit voor RURA in het verleden ook geen probleem is geweest. Ongeacht het bestaan of het creëren van een meer uitgebreid wettelijk kader, benadrukken de respondenten dat het belangrijk is actief te streven naar processen van kwaliteitsborging, transparantie en onafhankelijkheid. Binnen- en buitenlandse voorbeelden (o.m. Statistiek Vlaanderen, Europees Milieuagentschap,…) illustreren dat – mits deugdelijke processen, transparantie en andere mechanismen die bijdragen aan de (perceptie van) onafhankelijkheid – het publiek draagvlak kan vergroten en ook rust kan brengen in politieke processen. Politici weten dan wanneer (of met welke periodiciteit) bepaalde producten rond bepaalde thema’s te verwachten zijn en voelen zich er niet door ‘overvallen’ en kunnen zich rustig voorbereiden op vragen over het thema. Ook omgekeerd vinden enkele respondenten dat er duidelijke criteria bepaald moeten worden voor het aanvaarden van vragen van de Vlaamse regering om over specifieke onderwerpen te rapporteren (dat de vraag bijvoorbeeld aansluit bij de bredere onderzoeksagenda van de omgevingsrapportage). Naast het al dan niet decretaal verankeren van bepaalde procedures en processen, geven de respondenten aan dat de aanwezigheid van een opvolgings- en ondersteuningsorgaan, zoals een stuurgroep, wetenschappelijk adviescomité of managementcomité, de randvoorwaarden van de omgevingsrapportage op een strategisch niveau kan ondersteunen. De aanwezigheid van een stuurgroep wordt gezien als een goede praktijk en een welgekende manier om de wetenschappelijkheid, onafhankelijkheid en gedragenheid van de omgevingsrapportage te waarborgen. Begeleiding door een wetenschappelijk adviescomité bestaande uit Belgische en Europese wetenschappers wordt eveneens beoordeeld als een goede manier om wetenschappelijke kwaliteit en onafhankelijkheid te verzekeren, terwijl een managementcomité van de leidend ambtenaren binnen het beleidsdomein omgeving dan weer heel wat deuren kan openen op het vlak van procesorganisatie (bijvoorbeeld het opzetten van een structuur voor data-overdracht tussen departement, agentschappen en wetenschappelijke instellingen van de overheid). Op de voor- en nadelen van elk van deze mogelijke opvolgingsorganen en hun concrete organisatie wordt dieper ingegaan in puntje 2.2.3 van dit hoofdstuk, aangezien we hier voornamelijk wilden aanstippen dat de respondenten zulke organen sterk van belang achten in het structureel waarborgen van de randvoorwaarden. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 52 van 136


Goede praktijk: criteria voor het beoordelen van externe rapportage- en studievoorstellen In het ontwerpdecreet wordt aangegeven dat “de Vlaamse Regering de mogelijkheid krijgt om de omgevingsrapportage te vragen om over specifieke onderwerpen specifiek te rapporteren”. Ook het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en de Scientific Foresight Service Unit (STOA) krijgen te maken met verzoeken en voorstellen voor studies en projecten van externe partijen zoals ministers, politieke partijen, parlementaire commissies en individuele Europarlementariërs. Om hun onafhankelijke positie en kwaliteit van het wetenschappelijke werk te garanderen, ontwikkelden deze organisaties dan ook een aantal criteria voor het aanvaarden dergelijke verzoeken. Het PBL accepteert een verzoek bijvoorbeeld alleen voor zover: (1) het om inhoudelijke redenen, zoals de beschikbare deskundigheid, voor de hand ligt dat het planbureau het verzoek uitvoert; (2) het verzoek niet afkomstig is van een commerciële organisatie; (3) het verzoek bijdraagt aan de versterking van de publieke taak van het planbureau; (4) het planbureau met de verzoeker zodanige afspraken maakt dat de inhoudelijke onafhankelijkheid van het PBL is veiliggesteld; (5) openbaarmaking van het resultaat van een geaccepteerd verzoek is gegarandeerd, tenzij het een verzoek betreft dat vertrouwelijk van aard is; (6) er capaciteit voor beschikbaar is. Voorstellen die bij STOA worden ingediend worden geëvalueerd door het STOA-panel op basis van de volgende criteria: (1) de relevantie van het onderwerp voor de werkzaamheden van het Parlement; (2) het wetenschappelijke en technologische karakter van het voorstel; (3) het strategisch belang van het voorstel en de aansluiting bij de door het STOA-panel vastgestelde prioriteiten; (4) de beschikbaarheid van wetenschappelijke informatie over het onderwerp.

Procedures op operationeel niveau De criteria van onafhankelijkheid en wetenschappelijke kwaliteitsborging kunnen daarnaast op operationeel niveau vormgegeven worden door het inbouwen van een lectoren-systeem en een hybride auteurschap van de omgevingsrapportage. Verschillende respondenten vermelden dat de onafhankelijkheid, neutraliteit en wetenschappelijke autoriteit die de omgevingsrapportage uitstraalt, versterkt kan worden door het inschakelen van externe wetenschappers en experten. Het systeem van externe reviewers en lectoren, dat ten tijde van MIRA en ook bij RURA sterk werd uitgebouwd, is volgens verschillende stakeholders (academici, strategische adviesraden, collegarapporteurs en parlementsleden) zeker het voortzetten waard. Zij geven aan dat dit niet alleen de wetenschappelijke kwaliteit en relevantie van de omgevingsrapportage zal verhogen maar ook een betrokkenheid van bepaalde stakeholders op gang zal brengen wat ervoor zorgt dat de omgevingsrapportage op een gedragen en legitieme manier tot stand kan komen. Wat betreft de concrete selectie van deze lectoren vermeldt een respondent dat er systematisch door de lijst van de lectoren voor de milieu- en ruimterapportages gegaan kan worden, waaruit een verdere selectie wordt gemaakt in het licht van de inhoud en onderwerpen van de omgevingsrapportage. Een hybride auteurschap van de omgevingsrapportage wordt eveneens bekeken als een goede praktijk die dezelfde voordelen kan bieden op het vlak van kwaliteitsborging, onafhankelijkheid en gedragenheid als het lectoren-systeem. Een gedeeld auteurschap tussen het omgevingsrapportageteam, andere interne experten binnen VPO en externe experten zorgt volgens sommige respondenten niet alleen voor een versterkte waarborging van de autonomie van de omgevingsrapportage, maar fungeert ook als een vangnet voor het ontbreken van specifieke /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 53 van 136


expertise en tijd binnen het rapportageteam. In het concrete proces van hybride auteurschap zouden de leden van het rapportageteam dan kunnen fungeren als procestrekkers die buitenshuis op zoek gaan naar de nodige en relevante expertise op basis van hun eigen inhoudelijke affiniteit met de onderwerpen en wetenschappelijke domeinen van de omgevingsrapportage. Het vrijmaken van voldoende budget om de experts die meeschrijven aan de rapportage adequaat te kunnen vergoeden wordt gedefinieerd als een belangrijke randvoorwaarde voor dit proces van gedeeld auteurschap. Naast onafhankelijkheid en kwaliteitsborging wordt ook transparantie over het proces van de omgevingsrapportage bekeken als een belangrijk mechanisme om het draagvlak voor de rapportage hoog te houden. Verschillende stakeholders geven hierbij aan dat er ruimte moet zijn voor een transparante communicatie over vaste ijkpunten in de processen van de omgevingsrapportage en de ontwikkeling van de producten: op welke momenten en manieren worden experts en onafhankelijke academici betrokken? Welke peer reviews of leescomités hebben plaatsgevonden tijdens de ontwikkeling van dit product? Op welke manier worden de genomen stappen in de ontwikkeling van de producten gepubliceerd? Etc. Ook de publicatie van een openbare onderzoeksagenda kan fungeren als een mooi hulpmiddel in de communicatie met andere stakeholders en kan, doordat ook beleidsmakers zicht krijgen op deze agenda, rapportage over eerder beleidsgevoelige issues mogelijk maken. Ten laatste kunnen deze verschillende vormen van transparante communicatie volgens sommige stakeholders een tegenwicht bieden aan mogelijke kritische bedenkingen over de mate van onafhankelijkheid die de omgevingsrapportage aan de dag kan leggen in de context van haar positie binnen het Departement Omgeving.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 54 van 136


Goede praktijk: de vaste publicatiekalender van Statistiek Vlaanderen De ontwikkeling van een vaste publicatiekalender waarin wordt aangekondigd welke indicator of datareeks op welk moment publiek beschikbaar wordt gemaakt, wordt door enkele respondenten benoemd als een mogelijke goede praktijk van transparante communicatie voor de omgevingsrapportage. Inspiratie voor de concrete vormgeving en belangrijke randvoorwaarden bij het opstellen van zulke vaste publicatiekalender kan gezocht worden bij Statistiek Vlaanderen. In overeenstemming met het principe van gelijke toegang uit de Europese praktijkcode voor statistieken, maakt Statistiek Vlaanderen in een vaste publicatieagenda vooraf de tijdstippen bekend waarop de updates van de Vlaamse openbare statistieken gepubliceerd worden. De publicatiedatum van een specifieke statistiek wordt gekozen door de entiteit die deze informatie aanlevert en in de weken voorafgaand aan de publicatie bevestigt de entiteit deze datum nog eens definitief. Indien de bevestigde datum alsnog wijzigt, wordt de reden van wijziging aangegeven (zoals problemen verbonden met het productieproces of met de kwaliteitscontrole). Voor de rapporten van Statistiek Vlaanderen bestaat er geen soortgelijke vaste publicatiekalender. Een uitzondering op het principe van gelijke toegang dat hier wordt gehanteerd is de beperkt voorafgaande toegang tot de statistieken voor ministers en hun kabinetten, die statistieken soms graag op voorhand raadplegen ter voorbereiding op vragen van de pers. Een voorwaarde voor deze voorafgaande toegang is dat zij wachten met communicatie over de nieuwe cijfers tot de statistieken gepubliceerd worden op de website van Statistiek Vlaanderen. De voorafgaande toegang blijft daarnaast beperkt in tijd (maximaal 24 uur) en in het aantal mensen dat voorafgaande toegang heeft. De transparantie wordt verder verzekerd door een lijst van entiteiten en soms zelfs de namen van personen die de cijfers eerder hebben kunnen raadplegen, te publiceren. Indien er toch misbruiken zouden zijn, kan de hoofdstatisticus de voorafgaande toegang ontzeggen.

Verschillende stakeholders die reeds ervaring hebben met rapportageprocessen of als wetenschapper actief zijn, benadrukken dat de borging van wetenschappelijke kwaliteit op operationeel niveau mede wordt vormgegeven door het tot stand brengen en verzorgen van een wetenschappelijke attitude en openheid binnen het omgevingsrapportageteam. Ze geven aan dat een sterke wisselwerking en communicatie tussen de rapportage en het (academisch) onderzoek essentieel is en dat er gebruik gemaakt moet worden van de mogelijkheden voor het complementair samenwerken met universiteiten, zodat het bredere onderzoekslandschap omtrent omgeving te allen tijde in beschouwing wordt genomen. De omgevingsrapportage moet ernaar streven om, net zoals MIRA, RURA en NARA, deel uit te maken van een internationaal kennisnetwerk om verder te kunnen bouwen op de kennis en inzichten die werden geproduceerd in andere Europese en internationale instituten. Hier gaat het niet alleen om het consolideren van reeds bestaande en uitbouwen van nieuwe expertisenetwerken, maar ook om deze kennis binnen VPO verder te internaliseren. Er wordt door enkele respondenten (collega-rapporteurs en managementleden van het beleidsdomein Omgeving) gesteld dat VPO momenteel vastzit in een uitbestedingsmodel, waardoor er volgens hen minder opportuniteiten zijn voor het complementair samenwerken met universiteiten en interne voeling met wetenschappelijk, academisch onderzoek verloren gaat.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 55 van 136


Het rapportageteam moet dan ook voldoende tijd kunnen steken in overleg met academici en experten, deelname aan wetenschappelijke conferenties, etc. Aansluitend voegen enkele respondenten toe dat de kennis over thema’s en concepten omtrent omgeving verder geïnternaliseerd moet worden binnen het VPO dat momenteel sterk vastzit in een uitbestedingsmodel. Daarnaast vermelden deze respondenten dat ook het ontwikkelen van een (omgevings)rapport een kunst is of toch iets dat de betrokken auteurs eerst onder de knie moeten krijgen. De respondenten zijn niet zeker of deze kennis en specifieke competenties van schrijven, synthetiseren en filteren voldoende aanwezig zijn binnen het VPO en of de afdeling de juiste organisatorische context kan bieden om deze vaardigheden tot stand te brengen. Hierbij vergelijken deze respondenten vaak met de rapportageprocessen van LARA en NARA waarbij een vaste kern van mensen zich telkens volledig op het schrijfproces kan inzetten. Hieromtrent raden ze verder een trainings- en intervisieprogramma aan om de opbouw van de omgevingsrapportage te begeleiden. Hierbij gaat het niet enkel om ‘rapporten leren schrijven’, maar ook over het opbouwen van kennis over concepten, milieu- en ruimtetheorieën, verscheidene disciplinaire benaderingen, het werken in een boundary organisation, criteria van wetenschappelijke kwaliteit en van relevantie, etc. Er wordt verder aangeraden om de rapportagetaken niet te verspreiden over de afdelingen van het departement heen, maar om in te zetten op het aanwerven van personeelsleden die zelf over de nodige competenties beschikken of externen kunnen begeleiden in het schrijven van de omgevingsrapportage-producten. Deze opinies worden door andere respondenten genuanceerd door te wijzen op de vaardigheden en kennis die de medewerkers van VPO hebben ontwikkeld sinds de totstandkoming van het eerste RURA en het momenteel lopende proces van het tweede RURA. Ten laatste wordt door diverse stakeholders aangegeven dat stakeholderbetrokkenheid op verschillende niveaus en momenten in de omgevingsrapportage eveneens kan fungeren als een mechanisme op operationeel niveau om het draagvlak, de onafhankelijkheid en transparantie van de rapportage te vergroten. De opinies van de respondenten omtrent welke stakeholders op welk moment in de omgevingsrapportage betrokken kunnen worden, wordt verder uitgezet in puntje 4.2.2 dat volledig is gewijd aan de doelen en mogelijkheden van stakeholderbetrokkenheid in de omgevingsrapportage. Structureel ingebouwde garanties Om te kunnen voldoen aan de hoge standaarden van wetenschappelijke kennisproductie en hierbij de vertaalslag te kunnen maken naar beleids- en maatschappelijk relevante omgevingsrapportageproducten, moet het rapportageteam kunnen terugvallen op enkele structureel ingebouwde garanties die een vlotte werking moeten verzekeren. Zo benadrukken enkele respondenten dat er duidelijkheid verkregen moet worden over de beschikbare financiële middelen om de omgevingsrapportage deels extern te kunnen uitbesteden en zodoende een hybride auteurschap tot stand te kunnen brengen. Daarnaast wordt aangegeven dat het rapportageteam moet kunnen beschikken over een kwaliteitsvolle, betrouwbare data-laag en een vlotte doorstroom van data binnen de entiteiten van het beleidsdomein omgeving. Ten laatste onderstrepen de respondenten dat de omgevingsrapportage ofwel moet kunnen steunen op een vast rapportageteam, ofwel als trekker moet kunnen functioneren van een rapportageproces dat project- en netwerkmatig verloopt en deels intern, deels extern wordt uitbesteed. In dit laatste geval wordt aangegeven dat de

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 56 van 136


coördinator van het rapportageteam het nodige mandaat moet verkrijgen om te kunnen eisen dat interne en externe medewerkers binnen een bepaalde tijd het gevraagde werk zullen afleveren26.

4.2.2

Stakeholderbetrokkenheid

Het betrekken van stakeholders in de omgevingsrapportageprocessen wordt door menig respondent aangeduid als absoluut noodzakelijk voor het opbouwen van draagvlak voor de rapportage en het verhogen van haar zichtbaarheid. De respondenten benadrukken hierbij dat de omgevingsrapportage een nieuw gegeven is waar in het begin kritisch naar gekeken zal worden, en dat het daarom erg van belang wordt dat de producten op een gedragen manier tot stand komen. Afhankelijk van het antwoord op de strategisch-tactische vraag welke soort van maatschappelijke relevantie de omgevingsrapportage beoogt, zal de omgevingsrapportage bepaalde partners willen vinden en specifieke stakeholders willen betrekken in de rapportageprocessen. Welke stakeholders betrokken moeten worden, hangt daarnaast ook af van de aard en inhoud van het rapportageproces waarin zij een eventuele rol kunnen spelen. Een respondent voegt hieraan toe dat er op niveau van de Vlaamse omgevingsrapportage eventueel opportuniteiten zijn voor het hanteren van een inclusieve benadering van stakeholderbetrokkenheid, waarbij niet enkel institutionele maar ook stakeholders uit andere groepen (kleinere burgerinitiatieven, inwoners van een bepaalde regio of gemeente, scholen, etc.) worden aangesproken. Een eerste mogelijkheid van stakeholderbetrokkenheid situeert zich in het inhoudelijke proces van de omgevingsrapportage, waarin stakeholders zowel betrokken kunnen worden als aanbieders van wetenschappelijke kennis en expertise (stakeholders uit wetenschappelijke instellingen, maar in het licht van transdisciplinariteit ook andere co-creatoren van praktijkkennis en ervaring), als een bron van empirische informatie en als gebruikers van de rapportage-producten. Zo kunnen stakeholders ten eerste als lector of als auteur een rol spelen in de ontwikkeling van specifieke rapportageproducten. Zoals eerder aangegeven bekijken verschillende respondenten deze betrokkenheid van externe lectoren en auteurs als een essentieel deel van de omgevingsrapportage dat haar integriteit en wetenschappelijke kwaliteit danig kan verhogen. De stakeholders die zich engageren als lector of auteur zullen voornamelijk uit onderzoeksinstellingen en universiteiten komen, maar enkele respondenten geven aan dat er hierbij ook plaats moet zijn voor actoren uit het maatschappelijk middenveld. Het bijeenbrengen van (eventueel afwisselende) actoren uit verschillende hoeken, wat kan zorgen voor een vollediger beeld, interessante ideeënuitwisselingen en de totstandkoming van een gedragen product, wordt dan ook gezien als een absolute meerwaarde.

26

Naast het kunnen afdwingen van deadlines, zijn er ook mogelijkheden om medewerkers te motiveren. Hierover werden door de respondenten jammer genoeg geen concrete suggesties gemaakt.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 57 van 136


Goede praktijk: stakeholderbetrokkenheid in de totstandkoming van SOER Om de wetenschappelijke kwaliteit van SOER 2020 te verzekeren en de impact van het rapport op het Europese milieubeleid te versterken, zette het EMA tijdens de productie van het rapport in op een uitgebreid peer review proces waarvan diverse partners uit beleid en wetenschap deel uitmaakten, zoals de Eionet-partners, de Europese Commissie, het wetenschappelijke comité van EMA en internationale deskundigen. De ontwikkeling van SOER 2020 ging daarnaast gepaard met een stakeholderinteractieproces waarbij een breed scala aan actoren werd betrokken in verschillende discussies over de conclusies van het rapport en de implicaties hiervan voor het beleid. Deze verschillende vormen van stakeholderbetrokkenheid hebben gezorgd voor de totstandkoming van een zeer gedragen SOER dat de legitimiteit heeft om moeilijkere boodschappen en zogenaamde ‘inconvenient truths’ over het Europese milieu te verkondigen. Omdat er in het productieproces sprake was van een constante conversatie met de Europese Commissie over de inhoud van SOER 2020, is het EMA zeer invloedrijk geweest in de agendasetting van de Europese Green Deal. Sommige delen van het rapport worden dan ook vermeld in de Green Deal teksten. Naast het mee aanbieden van wetenschappelijke kennis en expertise, kunnen stakeholders ook aangesproken worden als gebruikers van de omgevingsrapportage-producten. Zo kan er, in lijn met de lopende processen in kader van het volgende NARA-rapport, gewerkt worden met workshops om de gebruikers van een rapport of andere producten te betrekken bij de vormgeving en de verhaallijn van het betreffende product. Ten laatste kan de inhoud van een bepaald product of rapport verder uitgediept worden door stakeholders in de inhoudelijke processen te betrekken als een bron van empirische informatie. Bij de Scientific Foresight Service Unit (STOA) worden bepaalde studies bijvoorbeeld uitgediept door de ‘hopes and fears’ van alle stakeholders die belang hebben bij of gevolgen ondervinden van een bepaalde techno-wetenschappelijke ontwikkeling op te lijsten. Dit proces zorgt er niet alleen voor dat de sociaaleconomische en maatschappelijke aspecten van een bepaald onderwerp of thema inhoudelijk verder uitgediept worden, maar kan ook nuttig zijn in het licht van bepaalde beleidsbeslissingen en -communicatie. Het beleid krijgt via deze methode van ‘early engagement’ immers reeds zicht op de verwachtingen en bezorgdheden van bepaalde groepen in de samenleving, wat hen de mogelijkheid geeft om hier beleidsmatig en communicatief op te anticiperen. Daarnaast kan ook ‘citizen science’, als een robuuste en uitgebreide bron van dataverzameling, mogelijkheden bieden voor inhoudelijke verbreding en verdieping van de rapportage-producten. Vooralsnog blijven deze citizen science-processen veelal beperkt tot dataverzameling; het beantwoorden van de wetenschappelijke waarom- en hoe-vragen aan de hand van citizen science methoden vereist immers meer tijd en in-depth onderzoek. Naast het inhoudelijk betrekken van diverse stakeholders, kan stakeholderbetrokkenheid ook fungeren als een mechanisme op strategisch of operationeel niveau om het draagvlak, de onafhankelijkheid en de transparantie van de omgevingsrapportage te verhogen. Ten eerste vermelden respondenten dat het betrekken van stakeholders bij de opmaak van een meerjarenplan of jaarplannen als een mechanisme kan functioneren om het draagvlak van de omgevingsrapportage te vergroten. Ten tweede wordt het betrekken van stakeholders in een /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 58 van 136


stuurgroep die de krachtlijnen van de omgevingsrapportage mee uitzet en het bredere plaatje in het oog houdt, door verschillende respondenten bekeken als een goede praktijk die de gedragenheid en de legitimiteit van de omgevingsrapportage kan verhogen. Welke stakeholders deel moeten uitmaken van deze stuurgroep, is afhankelijk van de maatschappelijke- en beleidsimpact die de omgevingsrapportage beoogt. Hieromtrent geeft een respondent verder aan dat het steeds moeilijker is geworden om de pijler van burgers en samenleving mee te nemen in een stuurgroep omdat de maatschappij zo snel verandert. Dit is dan ook de reden dat er geen middenveldorganisaties meer zijn vertegenwoordigd in de stuurgroep van NARA. Deze bezorgdheid kan eventueel opgevangen worden door de (decretaal vastgelegde) betrokkenheid van de adviesraden, wat als voordeel heeft dat meteen een grote groep van stakeholders vertegenwoordigd wordt. Stakeholders kunnen ten laatste ook betrokken worden in thematische werkgroepen die zich focussen op meer specifieke producten of thema’s. Hierin kunnen middenveldorganisaties, afhankelijk van het betreffende thema of product, misschien een iets meer prominente plaats krijgen.

4.2.3

Procesorganisatie van de omgevingsrapportage

Nood aan een toezichts- of opvolgingsorgaan voor de omgevingsrapportage Betreffende de procesorganisatie van de omgevingsrapportage wijzen de respondenten ten eerste op het belang van een toezichts- of opvolgingsorgaan dat zowel de inhoudelijke als de organisatorische processen van de omgevingsrapportage kan ondersteunen. Dit opvolgingsorgaan kan verschillende vormen aannemen, maar voornamelijk de oprichting van een stuurgroep wordt door een meerderheid van de respondenten als een goede praktijk (van onder andere MIRA en NARA) beschouwd die de onafhankelijkheid en wetenschappelijkheid van de rapportage naar behoren kan garanderen en bewaken. De respondenten geven hieromtrent aan dat de stuurgroep qua samenstelling in de eerste plaats moet streven naar een goede mix tussen mensen uit de administratie en mensen uit de wetenschap. In de stuurgroep kunnen eventueel ook vertegenwoordigers uit het maatschappelijk middenveld zetelen, wat als voordeel heeft dat een brede maatschappelijke vertegenwoordiging in de omgevingsrapportage verzekerd is. Zoals eerder aangestipt, kan dit langs de andere kant ook nadelen met zich mee brengen, met name wanneer de omgevingsrapportage zich permanent moet aanpassen aan de snel veranderende maatschappelijke noden en vragen van de vertegenwoordigde middenveldorganisaties in de stuurgroep. Daarnaast wijzen de respondenten op het belang van een voldoende participatieve opzet van de stuurgroep, waarbij het orgaan inhoudelijk kan meewerken aan de opmaak van het meerjarenplan (en eventuele jaarplannen) en aan de rapportage-producten zelf. Deze dubbele taakstelling van de stuurgroep is van belang op strategisch niveau (opmaak van meerjarenplanning en strategische keuzes van de omgevingsrapportage betreffende inhoud, doelgroepen, producten, etc.) en op inhoudelijk niveau (sturing geven over de inhoud en themakeuze van de rapportage waarbij de dynamieken omtrent het grotere wetenschappelijke plaatje in het oog wordt gehouden). Hieraan wordt toegevoegd dat de stuurgroep ook kan bijdragen aan andere inhoudelijke of organisatorische zaken, zoals het verzekeren van een goede balans van lectoren of het voorzien van stakeholderparticipatie bij de uitwerking van de indicatoren-korf van de omgevingsrapportage. Naar aanleiding van de bepalingen in het ontwerpdecreet, vragen sommige respondenten zich toch af of het oprichten van een stuurgroep geen “onbegaanbaar pad” zou zijn dat voor conflicten kan /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 59 van 136


zorgen met het kabinet van de minister. Er wordt dan ook gevreesd voor een negatieve politieke reactie op deze eventuele keuze. Een alternatief hiervoor zou kunnen zijn om de stuurgroep niet decretaal te verankeren en flexibel te laten zijn. Zoals een respondent aangeeft, is het in kader van RURA immers gebruikelijk dat de stuurgroep ad hoc wordt vastgelegd, waarbij er per ruimterapport naar de gepaste wetenschappelijke en maatschappelijke vertegenwoordiging wordt gezocht. Dit kan als voordeel hebben dat de stuurgroep regelmatig van koers kan veranderen door een dominantie van bepaalde sterke wetenschappelijke of maatschappelijke figuren te vermijden. Een nadeel ervan is dat een ad hoc stuurgroep per product niet stuurt op de strategische koers van de omgevingsrapportage, waarin diverse soorten producten worden gemaakt (thematische rapporten, indicatorenkorf, policy briefs…). Ter vervanging van (of in sommige gevallen complementair aan) de oprichting van een stuurgroep, wijzen de respondenten erop dat er ook een gebruikersgroep, wetenschappelijk adviescomité of managementcomité in het leven geroepen kan worden. Een gebruikersgroep, waarin stakeholders zoals beleidsmakers en andere coproducenten van het beleid betrokken worden, kan ervoor zorgen dat de producten van de omgevingsrapportage nog sterker afgestemd kunnen worden op de noden en wensen van de vertegenwoordigde doelgroepen. Een respondent geeft hierbij aan dat er wel opgepast moet worden dat deze gebruikersgroep niet ontaardt in een machtsspel waarbij elke stakeholder enkel lobbyt voor zijn eigen belangen. De nood aan ondersteuning en begeleiding kan daarnaast ook opgevangen worden door een wetenschappelijke adviesraad bestaande uit Belgische en Europese wetenschappers die het geheel van de omgevingsrapportage opvolgen. Op deze manier staan ze mee borg voor de wetenschappelijke kwaliteitsborging en onafhankelijkheid van de rapportage. Opnieuw wordt er sceptisch gekeken naar een eventuele vertegenwoordiging van het maatschappelijk middenveld binnen deze adviesraad; zo geeft een respondent aan dat zij beter geen deel uitmaken van deze raad aangezien hun eigen agenda voor hen neigt te primeren. Door de respondenten werd ten laatste de oprichting van een structureel overleg van de leidend ambtenaren voorgesteld, in tandem met de andere overlegprocessen van de uitvoerende ambtenaren. Dit voorstel werd geformuleerd door respondenten die zelf binnen een entiteit van de Vlaamse overheid werkzaam zijn en ervaring hebben met de verzuiling van de administratie. In het licht van de data-overdracht die nodig zal zijn om een goede werking van de omgevingsrapportage te garanderen, werd het managementcomité voorgesteld als een manier om de andere entiteiten sterk en formeel te betrekken bij de rapportage op een hoog hiërarchisch niveau. Dit managementcomité zou kunnen helpen bij het opzetten van een structuur voor data-overdracht en zou een orgaan kunnen zijn waarin structureel-strategische zaken over de omgevingsrapportage aangekaart kunnen worden (zoals moeilijkheden met bepaalde samenwerkingsverbanden of hoe om te gaan met verregaande inhoudelijke overlappingen tussen de verschillende rapportages binnen het beleidsdomein). Een andere respondent vreest dan weer dat dit overleg het organisatorisch proces van de omgevingsrapportage te log en te zwaar dreigt te maken en dat het een risico op inmenging bevat. Netwerkorganisatie of een vast rapportageteam? Wat betreft de concrete organisatie van de omgevingsrapportage zijn verschillende respondenten van mening dat er nood zal zijn aan een netwerkmodel waarin de omgevingsrapportage-producten op een projectmatige wijze tot stand komen en concreet worden uitgewerkt door de (eventueel wisselende) leden van het netwerk. Naast een vast omgevingsrapportageteam bestaat dit netwerk /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 60 van 136


volgens de respondenten uit een ruimer team van mensen uit de verschillende entiteiten van het Beleidsdomein Omgeving, die eventueel als vol- of deeltijds gedetacheerden in een projectteam kunnen samenwerken. Op deze manier kan er per product of onderzoeksthema een team gecreëerd worden dat de facto constant samenwerkt en gemakkelijk naar de andere entiteiten kan stappen om informatie en interne expertise te raadplegen. Dit projectteam kan mogelijk ook externe experten bevatten aan wie bepaalde hoofdstukken, indicatoren of rapporten worden uitbesteed. Hiervoor kan voortgebouwd worden op de brede netwerken die MIRA en RURA reeds hebben en kan er gezocht worden naar nieuwe partnerschappen in functie van de bredere scope van omgeving. In dit netwerk moet het omgevingsrapportageteam volgens de respondenten een duidelijk rol op zich nemen. In een netwerkorganisatie worden de teamleden eerder trekkers van de rapportage en procescoördinatoren. Zij zullen dan bijvoorbeeld instaan voor het bijeenbrengen van wetenschappelijke expertise en de inhoudelijke opvolging van het rapportageproces, waarin ze zich voornamelijk concentreren op het integreren en afstemmen van de verschillende wetenschappelijke disciplines en expertises; hoe kan kennis over systeemanalyse bijvoorbeeld geïntegreerd worden in een specifiek thematisch rapport? Deze inhoudelijke opvolging bevat dan ook de begeleiding en het managen van de auteurs van de omgevingsrapportage, bijvoorbeeld door middel van het organiseren van opleidingen en overlegmomenten. Het kernteam staat daarnaast in voor de organisatie van het netwerk zelf en is verantwoordelijk voor het tot stand brengen en opvolgen van de samenwerkingen en synergiën met de andere entiteiten en externe experten. Ten laatste kan ook het organiseren van stakeholderconsultatie en -communicatie tot het takenpakket van het kernteam behoren. Alhoewel een netwerkmodel voor de omgevingsrapportage duidelijke voordelen biedt, zoals het tot stand brengen van samenwerkingen met andere entiteiten en de opportuniteit om diverse bronnen van expertise aan te boren, wijzen sommige respondenten ook op een andere kant van de medaille. Zij stellen zich de vraag of de leden van het netwerk wel voldoende kennis hebben van het format van een (omgevings)rapportage en de specifieke competenties (van het schrijven, synthetiseren en filteren) die nodig zijn voor de opmaak van een omgevingsrapport wel in afdoende mate bezitten. Daarnaast twijfelen deze respondenten aan de capaciteit van een netwerkorganisatie om voldoende overzicht te behouden over de grote lijnen in het wetenschappelijk onderzoek en om bepaalde hiaten in de bestaande kennis adequaat te kunnen detecteren. Dit kan vooral voor inhoudelijke onderdelen zoals toekomstverkenningen en het aannemen van een breed beleidsperspectief nadelen met zich mee brengen. Wanneer verschillende hoofdstukken van een omgevingsrapport daarnaast uitbesteed worden aan externe instellingen en entiteiten, is het eveneens de vraag in hoeverre het omgevingsrapportageteam (en bij uitbreiding VPO) hun eigenaarschap hierover kan behouden en of zij voldoende op de hoogte zijn van de inhoudelijke nuances die in het rapport worden geschetst (of net ontbreken in het rapport). In het netwerkmodel is het dan ook belangrijk dat een aantal voorwaarden vervuld worden om een goede werking van de omgevingsrapportage te kunnen waarborgen. Zo geven de respondenten aan dat er voldoende budget vrijgemaakt moet worden voor de uitbesteding van de rapportage aan externe experten en dat er voor de medewerkers vanuit de Vlaamse administratie genoeg tijd moet worden voorzien om een degelijke en diepgaande bijdrage aan de omgevingsrapportage te kunnen maken; voor hen moet er dan ook sprake kunnen zijn van een formele vol- of deeltijdse vrijstelling van hun andere taken. Daarnaast vermelden enkele respondenten dat deadlines moeilijker te halen zijn in een projectmatig samenwerkingsverband en dat er met de medewerkers goede afspraken gemaakt moeten worden wat betreft het oppikken van concrete taken omtrent de rapportage. Hieraan wordt toegevoegd dat bij de samenwerking met externe medewerkers, de coördinator van /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 61 van 136


het omgevingsrapportageteam eveneens een mandaat nodig heeft waardoor het afleveren van het werk binnen een bepaalde termijn kan worden afgedwongen. Omwille van bovenstaande bedenkingen, zijn sommige respondenten die ervaring hebben met andere Vlaamse rapportageprocessen van mening dat de omgevingsrapportage best opgenomen kan worden door een vast team. Zij wijzen hierbij op het feit dat een vast team een grotere vooruitgang kan boeken in het ontwikkelen van de vaardigheden die nodig zijn om aan rapportage te doen en dat er een groter eigenaarschap over de omgevingsrapportage tot stand kan worden gebracht. Verder geven ze aan dat dit team een meer diepgaande inhoudelijke kennis kan ontwikkelen over de grote wetenschappelijke lijnen en trends, en zodoende een beter oordeel kan formuleren over welke thema’s aan bod moeten komen in de rapportage en welke prioriteiten hierbij gelegd moeten worden. Goede praktijk: Statistiek Vlaanderen als een netwerkorganisatie Statistiek Vlaanderen is het netwerk van Vlaamse overheidsinstanties die openbare statistieken ontwikkelen, produceren en publiceren. De Vlaamse Statistische Autoriteit (VSA) staat in voor de coördinatie van dit netwerk dat verder wordt gestructureerd in het ambtelijk Coördinatiecomité voor Vlaamse Openbare Statistieken (CVOS) en de Raad voor Vlaamse Openbare Statistieken (RVOS). Het CVOS vertegenwoordigt de producenten van de Vlaamse openbare statistieken (vertegenwoordiging per beleidsdomein, meestal vanuit het departement) en komt een 6 tot 7 keer per jaar samen om de nodige beslissingen te nemen ter uitvoering van de decretale opdrachten. Dit omvat onder meer het opstellen van het jaarlijks Vlaams statistisch programma (VSP), dat naast de gecoördineerde statistiekontwikkeling, -productie en –verspreiding ook rekening houdt met het kwaliteitsbeleid, en de standpuntbepaling voor interfederale en internationale statistiekfora. Het overleg met de statistiekgebruikers wordt verzorgd door de RVOS. De leden van de Raad vertegenwoordigen de departementen en agentschappen, de lokale besturen, de Vlaamse Gemeenschapscommissie, de sociale partners, de middenveldorganisaties en de academische wereld. De Raad geeft advies over het jaarlijks Vlaams statistisch programma (VSP), inclusief het kwaliteitsbeleid. Daarnaast zijn er onder de RVOS een aantal themagroepen opgericht, waarin per statistisch thema gebruikers en producenten worden samengebracht. De statistiekproducenten binnen de Vlaamse overheid krijgen als netwerkleden dus een grote mate van autonomie in de statistiekontwikkeling en -productie, maar moeten hierbij eveneens voldoen aan de kwaliteitsvereisten zoals gesteld in het wettelijk kader omtrent openbare statistieken in Europa en Vlaanderen. Omdat ze daarnaast vertegenwoordigd zijn in het CVOS, verkrijgen ze een bepaalde mate van inspraak in de opmaak van bepaalde inhoudelijke en organisatorische procedures van Statistiek Vlaanderen, waaronder het VSP, de protocollen en de vaste publicatieagenda.

Interne visieontwikkeling en stapsgewijze aanpak Als opvolger van MIRA en RURA kan de omgevingsrapportage inhoudelijk, procesmatig en organisatorisch voortbouwen op de expertise, praktijken en netwerken die deze rapportages reeds /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 62 van 136


tot stand hebben gebracht. Toch geven de respondenten aan dat de omgevingsrapportage ook een nieuw gegeven is dat haar eigen stapsgewijze ontwikkeling zal moeten doorlopen. De omgevingsrapportage moet volgens verschillende respondenten voor zichzelf een haalbare start definiëren, waarbij er een toekomstig pad wordt uitgezet met verschillende opties en mijlpalen op een bepaalde termijn. Om dit te kunnen realiseren vermelden enkele respondenten dat het maken van grote strategische keuzes omtrent de doelen, inhoudelijke concepten, producten en doelgroepen van de omgevingsrapportage in de meerjarenplanning gepaard moet gaan met een interne organisatieontwikkeling en visievorming waarin deze keuzes en de gevolgen van elke keuze op een open manier doorgenomen kunnen worden. Het doel van zulke oefening is om een ‘common ground’ te ontwikkelen op basis waarvan het toekomstig traject van de omgevingsrapportage kan worden uitgestippeld. Een respondent geeft hierbij aan dat zulke interne vormingssessies eventueel verrijkt kunnen worden met de inbreng van buitenstaanders (mensen die zelf ervaring hebben rapportageprocessen of fungeren als belangrijke gebruikers van de rapportage) die hun input kunnen geven over wat juist nodig is om tot een goede omgevingsrapportage te komen. In dit proces zouden zowel politieke- en wetenschappelijke- als privé- en maatschappelijke partners betrokken kunnen worden. Een andere respondent voegt hieraan toe dat de omgevingsrapportage een interne toekomstverkenningsoefening zou kunnen doorlopen in functie van de uitbouw van de eigen procedures en processen. Aan de hand van scenario’s kunnen de gevolgen van het kiezen voor een bepaalde strategische richting scherp gesteld worden en kan er op die manier geanticipeerd worden op mogelijke toekomstige reacties of kritiek op de omgevingsrapportage. Een andere leuke oefening is de ‘Dailymail-test’ waarbij de teamleden zelf advocaat van de duivel spelen en proberen inschatten hoe de pers zou berichten over bepaalde keuzes van de omgevingsrapportage of de publicatie van een bepaald product. Als randvoorwaarde voor zulke interne oefeningen en processen duiden de respondenten op een nodige openheid van geest en een open communicatie onder de teamleden. In de interne ontwikkelingssessies moet het mogelijk zijn om alles op tafel te kunnen leggen; de sterktes, zwaktes, openstaande vragen, discussiepunten etc. Maar ook tijdens de verdere uitrol van de omgevingsrapportage blijft deze randvoorwaarde belangrijk. Met een onderlinge open communicatie over wat fout loopt en beter kan en mogelijkheden om deze bedenkingen helder op tafel te leggen aan een opvolgings- of adviesorgaan, kan het potentieel van de omgevingsrapportage dan ook ten volle benut worden.

4.2.4

Communicatie

Naast het bieden van wetenschappelijke kwaliteit en relevantie is een goede communicatie met haar partners en de media een basisvoorwaarde voor de omgevingsrapportage om zich te positioneren als een sterke actor in de agendering en voorbereiding van het omgevingsbeleid. De respondenten geven dan ook aan dat de communicatiestrategie en de manier waarop de media omgaat met de rapportageresultaten en -aanbevelingen, zeer goed gemanaged moet worden door het omgevingsrapportageteam. Er wordt gesteld dat er in de communicatie met de media (en bij een eventueel gebruik van de sociale media) omzichtig te werk gegaan moet worden, rekening houdend met bepaalde politieke en maatschappelijke gevoeligheden. Er mag niet “onnodig op tenen getrapt worden”, wat aangeeft dat de omgevingsrapportage volgens menig respondent niet te polariserend of controversieel uit de hoek mag of kan komen. Dit kan er immers voor zorgen dat /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 63 van 136


de omgevingsrapportage de controle over haar eigen communicatie verliest (waarbij bepaalde thema’s of bevindingen deel gaan uitmaken van een ongenuanceerd en polariserend mediadebat), wat een negatieve impact kan hebben op haar wetenschappelijke en maatschappelijke legitimiteit. Daarnaast is het belangrijk dat er vooraf goede afspraken worden gemaakt met het kabinet van de omgevingsminister wat betreft de communicatie van het omgevingsrapportageteam met de media en het brede publiek (in de vorm van populaire producten bijvoorbeeld). Hierbij moet er gezocht worden naar een evenwicht tussen enerzijds het potentieel van de omgevingsrapportage om maatschappelijke relevantie te kunnen bieden en de impact die zij beoogt op beleidsvoorbereidend vlak anderzijds. Politieke actoren moeten voldoende vertrouwen kunnen stellen in de producten en bevindingen van de omgevingsrapportage, zonder dat de externe communicatie van het omgevingsrapportageteam al te veel ‘gecensureerd’ kan worden door hiërarchische procedures of politieke inmengingen. Andere aandachtspunten in de externe communicatiestrategie van de omgevingsrapportage zijn het aanreiken van toegankelijk materiaal aan de moeilijker te bereiken doelgroepen en het tot stand brengen van eventuele (vraag-gestuurde) samenwerkingen met de pers27. Zo vermeldt een respondent dat de omgevingsrapportage mensen met een lage sociaaleconomische status zal kunnen bereiken door hen niet enkel producten aan te reiken over zeer concrete thema’s (zoals voeding of huisvesting), maar ook door in deze producten gebruik te maken van een andere vertelstijl dan de wetenschappelijke of wetenschappelijk-populariserende stijl. Om dit tot stand te brengen zou de omgevingsrapportage eventueel met ngo’s of vzw’s kunnen samenwerken die ervaring hebben met desbetreffende doelgroepen. Daarnaast heeft ook de pers nood aan toegankelijk materiaal zoals dynamische indicatoren en kaartenmateriaal. Hierbij kan de omgevingsrapportage eventueel inspelen op concrete vragen vanuit de media of kunnen er door middel van workshops of cursussen (bijvoorbeeld omtrent ‘fake news’ of media-impact) proactief samenwerkingen met journalisten tot stand gebracht worden28.

27

Dit werd vermeld door drie respondenten, allen afkomstig uit de academische wereld. Aanvulling vanuit VPO kerngroep: een concreet voorbeeld hiervan is het FRDO-evenement en bijhorende verslaggeving van ‘Van wetenschapscommunicatie tot fake news: de coronacrisis als oefening voor de klimaatcrisis' (zie https://www.frdo-cfdd.be/nl/externe/1011-vanwetenschapscommunicatie-tot-fake-news-de-coronacrisis-als-oefening-voor-de). 28

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 64 van 136


5 VERSLAG VAN REFLECTIEGROEPBIJEENKOMST Reflectiegroep: doel en opzet In kader van het onderzoeksproject omtrent de omgevingsrapportage in opdracht van het Vlaams Planbureau voor Omgeving (VPO) organiseerde Universiteit Antwerpen een ‘reflectiegroepbijeenkomst’. Deze bijeenkomst beoogde een verdieping en validering van de eerder vergaarde onderzoeksresultaten uit de interviews en de goede praktijk fiches. De hoofddoelen van de bijeenkomst omvatten dan ook een verdere captatie van meningen en argumenten omtrent de inhoud en organisatie van de omgevingsrapportage en het verkrijgen van inzichten omtrent de prioritering en ontwikkeling van de rapportage. De verschillende discussiethema’s van de reflectiegroep werden geselecteerd door de onderzoekers van Universiteit Antwerpen en een begeleidingsgroep van VPO op basis van de eerder vergaarde onderzoeksbevindingen en leidende onderzoeksvragen. In functie van de aankomende opmaak van een meerjarenplanning en uitvoeringsbesluit werden verschillende stakeholders bij de omgevingsrapportage uitgenodigd om samen na te denken en te reflecteren op de strategische keuzes waar de omgevingsrapportage voor staat. Er werd in deze bijeenkomst geen consensusvorming tussen de deelnemers onderling beoogd, maar een verzameling van de diverse standpunten en argumenten omtrent de toekomstige mogelijkheden en ontwikkeling van de omgevingsrapportage. In combinatie met de resultaten uit de interviews en goede praktijk fiches fungeert deze reflectiegroepbijeenkomst als input voor het expertenadvies dat de Universiteit Antwerpen tegen het einde van deze onderzoeksopdracht aan de opdrachtgevers zal opleveren. Deelnemers Aangezien de omgevingsrapportage als ‘boundary object’ zich op het snijvlak tussen de werelden van de wetenschap, het beleid en de samenleving bevindt, werd er bij de selectie van deelnemers voor de reflectiegroep gestreefd naar een evenwichtige samenstelling van vertegenwoordigers uit de samenleving, de wetenschap en de overheid/het beleid. Verschillende van deze deelnemers werden daarnaast reeds eerder bevraagd in een (solo-, duo- of trio-) interview. Ondanks onze ambitie om een evenwichtig aantal vertegenwoordigers van de universiteiten te werven voor de reflectiegroep, hebben wij jammer genoeg geen deelnemers uit ‘de wetenschap’ mogen verwelkomen. De opinies van de academici die we hebben bevraagd tijdens de eerdere interviews worden wel actief meegenomen in het expertenadvies en daarnaast zijn één of meerdere latere bevragingen van deze groep van stakeholders (door Universiteit Antwerpen of VPO zelf) niet uitgesloten. Hieronder vindt u de deelnemerslijst van de reflectiegroepbijeenkomst terug, evenals een overzicht van de verder verontschuldigde deelnemers. In totaal hebben 11 personen deelgenomen aan de reflectiegroep. SAMENLEVING SERV MINA raad MORA SALV WETENSCHAP

Peter Van Humbeeck Jan Verheeke Frank Van Thillo Koen Carels

* * * *

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 65 van 136


Geen deelnemers OVERHEID/BELEID Rapportage VLM (+ destijds dept. LV-LARA) INBO – NARA team Beleid Dept. OMG ANB Politiek Vlaams Parlement Vlaams Parlement *Interviewees

Dirk Van Gijseghem Wouter Van Reeth en Anik Schneiders

* *

Maarten Hens Carl De Schepper Chris Steenwegen Bruno Tobback

*

Bea Kayaerts

*

Claire Dupont Hans Leinfelder Tom Coppens Kobe Boussauw Ilse Loots Pieter Leroy Ellen Fobé Geert De Blust Patrick Meire Hans Van Dyck Fleur Marchand Hendrik Schoukens Liesbet Vranken

* *

Ivo Palmers

*

Peter Cabus Roeland Beerten

* *

Verontschuldigde deelnemers: SAMENLEVING SARO WETENSCHAP UGent KU Leuven UAntwerpen VUB UAntwerpen RU Nijmegen KU Leuven UAntwerpen UAntwerpen UCLouvain UAntwerpen/ILVO UGent KU Leuven OVERHEID/BELEID • Onderzoek VPO • Beleid Dept. OMG Statistiek Vlaanderen • Politiek Vlaams Parlement Kabinet Zuhal Demir Kabinet Zuhal Demir

* * *

Wilfried Vandaele Victor Dries Gaëtane Maes

De bijeenkomst werd gemodereerd door Ann Crabbé en Axelle Meyermans, Universiteit Antwerpen. Vanuit de begeleidingsgroep (VPO) hebben deelgenomen, in alfabetische volgorde: Els Barnard, Ann Pisman, Igor Struyf, Stijn Vanacker, Erika Vander Putten, Jana Van Hoyweghen, Marleen Van Steertegem, Patrick Wilmots. Ludo Vanongeval en Floor Vandevenne zijn verontschuldigd.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 66 van 136


Programma Het programma van de reflectiegroepbijeenkomst werd vooraf bezorgd aan de deelnemers en werd door de onderzoekers zo goed mogelijk opgevolgd tijdens de bijeenkomst zelf. Wegens tijdsgebrek is enkel het laatste discussieonderwerp, ‘maximaliseren van de beleidsrelevantie’, niet meer aan bod kunnen komen; dit thema kwam af en toe wel impliciet aan bod tijdens de andere discussierondes (zie verslaggeving). Hieronder vindt u het volledige programma van de bijeenkomst nogmaals terug.

9:30 – 9:40 9:40 – 10:00

Programma reflectiegroepbijeenkomst omgevingsrapportage Brussel, vrijdag 8 oktober 2021 Welkom door opdrachtgever (Vlaams Planbureau Omgeving) Inleiding (Ann Crabbé, Universiteit Antwerpen) Deze inleiding situeert omgevingsrapportage als een ‘boundary object’, een kennisproduct op de grens van wetenschap, samenleving en beleid, dat de ambitie heeft robuuste kennis toegankelijk en bruikbaar te maken voor (diverse vormen van) beleid. Geïnspireerd door academische publicaties over sciencepolice interface en hoe deze te organiseren, maar ook geïnspireerd door opinies die we daarover noteerden tijdens de interviews, leggen we de basis voor de discussie.

10:00 – 11:00

Discussie – deel 1 Tijdens het eerste deel van de discussie zijn drie discussierondes voorzien van telkens ±20’.

(1) Impact en relevantie van de omgevingsrapportage Welk soort impact wil de omgevingsrapportage realiseren, beleidsimpact (vanzelfsprekend), maar mogelijk ook maatschappelijke impact. Waar ligt de prioriteit? Vloeit maatschappelijke impact ‘spontaan’ voort uit het nastreven van beleidsimpact of mikken we best ook specifiek op andere dan ‘beleidsdoelgroepen’?

(2) Types producten Welk type producten moet in de omgevingsrapportage geproduceerd worden, rekening houdende met organisatorische beperkingen van tijd, capaciteit en (andere) middelen? Is het primaire product een document met een omgevingsbrede analyse, of willen we topicrapporten die thematisch breed of eng insteken? Of willen we nog iets anders?

(3) Thematische integratie Een omgevingsrapportage ambieert milieukennis en kennis over de ruimte samen te brengen in één rapportage. Welke (deel)thema’s laten toe deze integratie-oefening te maken? En moeten we niet breder streven naar integratie, niet alleen tussen milieu en ruimte, maar ook naar andere relevante maatschappelijke en beleidsdomeinen (bv. landbouw, mobiliteit)?

11:00 – 11:20 11:20 – 12:20

Koffiepauze Discussie – deel 2 Ook tijdens het tweede deel van de discussie zijn drie discussierondes voorzien van telkens ±20’.

(4) Aandacht voor beleidsevaluatie

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 67 van 136


De decretale onderbouw voor de omgevingsrapportage laat ruimte voor beleidsevaluatie, maar hoe zien we die beleidsevaluatieve output? Als verklarende factor in de beschrijving van de toestand? Als apart product? Is beleidsevaluatie een prioriteit, en zo ja: welke randvoorwaarden zien we?

(5) Aandacht voor toekomstverkenning Een omgevingsrapportage kijkt idealiter ook naar de toekomst, via de ontwikkeling van kwantitatief doorgerekende scenario’s of via eerder kwalitatieve toekomstverkenningen. Hoe prioritair is dit type product, en welke randvoorwaarden dienen vervuld te zijn, in het geval er wordt gekozen voor ‘kijken naar de toekomst’.

(6) Maximaliseren van beleidsrelevantie Omgevingsrapportage beoogt kennis relevant te maken voor (overheids)beleid. We bespreken inhoudelijke en organisatorische randvoorwaarden om de relevantie voor beleidsverantwoordelijken te maximaliseren. Welke zijn de hefbomen? Welke zijn de valkuilen en drempels?

12:20 – 12:30

Uitleiding en dankwoord (Universiteit Antwerpen & VPO) De uitleiding beoogt geen synthese en wil de discussie niet afsluiten met een conclusie, maar dient om te bedanken, vooruit te blikken naar wat nog komt en de mogelijkheden aan te geven om (ook na deze bijeenkomst) uw feedback te bezorgen.

Verslaggeving van de bijeenkomst Deze verslaggeving29 presenteert een samenvatting van de reflectiegroepbijeenkomst en is gestructureerd per discussieronde.

5.1 IMPACT EN RELEVANTIE VAN DE OMGEVINGSRAPPORTAGE De onderzoekers van Universiteit Antwerpen leiden het eerste discussiethema kort in door een samenvatting van de interviewresultaten te presenteren: ▪

▪

Meerwaardes van een omgevingsrapportage ▪ Vorming van evidence-informed en evidence-based beleid ▪ Agendering en conceptuele doorwerking Voor wie/wat moet de omgevingsrapportage relevant zijn? ▪ Beleidsrelevantie vanzelfsprekend ▪ Welke mate van maatschappelijke relevantie nastreven, en op welke manier? • Maatschappelijke relevantie volgt uit beleidsrelevantie, mits aantal proces- en organisatievoorwaarden • Maatschappelijke relevantie moet actief beoogd en vormgegeven worden

29

Het verslag werd eveneens ter commentaar voorgelegd aan de deelnemers van de reflectiegroepbijeenkomst. Hun opmerkingen bij dit verslag werden verwerkt in de versie die in dit rapport gepresenteerd wordt.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 68 van 136


Deze presentatie werd opgevolgd door een korte pollbevraging van de deelnemers over bovenstaande thema’s waarin de volgende resultaten bekomen werden (de pollvraag werd beantwoord door 7 deelnemers): • 1 deelnemer volgt stelling A, namelijk dat ‘maatschappelijke relevante volgt uit beleidsrelevantie, mits een aantal proces- en organisatievoorwaarden’ • 5 deelnemers gaan akkoord met stelling B, namelijk dat ‘maatschappelijke relevantie actief beoogd en vormgegeven moet worden’ • 1 deelnemer heeft een ‘andere mening’ Na deze pollbevraging peilen de onderzoekers aan de hand van een plenaire bevraging verder naar de redenen van de deelnemers om voor een bepaalde stelling te kiezen. Vraag: wat is die maatschappelijke relevantie? Waar zitten de doelgroepen die we actief moeten proberen te benaderen en te bedienen met robuuste en betrouwbare kennis? Bruno Tobback geeft aan dat hij in de poll voor optie B heeft gekozen voornamelijk omwille van het laatste deel van de zin ‘moet actief beoogd en vormgegeven worden’. Voor hem gaat het in dit opzicht niet enkel over het verzamelen van relevante en betrouwbare informatie voor klassieke beleidsactoren zoals kabinetten en studiediensten van partijen, maar ook over het effectief toegankelijk maken en vertalen van die informatie naar een breder publiek toe. Zeker als het over een thema zoals omgeving gaat, wordt het maken van deze vertaalslag des te urgenter. Het gaat immers over zaken zoals luchtkwaliteit, biodiversiteit, ruimtegebruik, enz. die van belang zijn voor een groot publiek en naar hen toe actief vertaald moeten worden in begrijpelijke en toegankelijke producten. Dit is immers de beste manier om ook beleidsrelevant te zijn (omdat het publiek druk kan uitoefenen op het beleid). Vraag: is dit dan de taak van de mensen die mediator zijn in de boundary organisation (VPO), of schuif je dit door naar andere instanties (externen, andere diensten binnen departement omgeving, etc.)? Denkend aan het onderwijs als doelgroep, vermeldt Maarten Hens dat we ons moeten afvragen in welke mate de ‘informatie’ (in brede zin) van de omgevingsrapportage wordt opgepikt door bijvoorbeeld deze doelgroep. Bij de Metaforum denktank van de KU Leuven zie je bijvoorbeeld dat maatschappelijke relevantie hier voor een stuk leeft en vormgegeven wordt. Wat betreft de status van het product omgevingsrapportering binnen zulke organisatie, denkt Maarten Hens dat dit eerder laag is aangezien de focus van omgevingsrapportage voornamelijk bij beleidsrelevantie ligt. Dit brengt met zich mee dat het belang van maatschappelijke relevantie onderschat wordt, zeker omdat het gaat over zulke belangrijke informatie. De doorwerking hiervan laat momenteel nog te wensen over. Chris Steenwegen wijst op zijn ervaring met het gebrek aan valorisatie van de rijke informatie in gelijkaardige rapportages. Om deze valorisatie tot stand te brengen heb je ook andere mensen met andere competenties en vaardigheden nodig. Je hebt mensen nodig die goed kunnen nadenken over welke interessante inhoud en informatie op welke manieren verder vertaald en breed beschikbaar gemaakt moeten worden voor een zeer anders publiek dan de beleidsmakers. Het is immers jammer te constateren dat heel wat informatie uit zulke rapporten nooit verder geraken dan dit beperkte publiek, terwijl het wel de moeite zou lonen om deze informatie verder te ontsluiten.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 69 van 136


Anik Schneiders benadrukt het belang van doorwerking van de omgevingsrapportage in andere beleidsdomeinen dan enkel het omgevingsbeleid. De omgevingsrapportage zou moeten kunnen doorwerken in de plannen, visievormingen die worden opgemaakt in andere beleidsdomeinen, zoals mobiliteit, landbouw, huisvesting, enzovoort. Dit is volgens Anik Schneiders een belangrijk effect van de rapportage als ‘boundary object’, namelijk dat het moet doorwerken in producten van andere beleidsdomeinen, zeker op het vlak van beleidsvorming en -planning. In tegenstelling tot de eerdere focus van de andere deelnemers op de output van de omgevingsrapportage, start voor Peter Van Humbeeck de maatschappelijke relevantie van de omgevingsrapportage bij wat er gebeurt en wat er wordt onderzocht en beschreven. Dit is misschien belangrijker dan vragen over de output van de rapportage en hoe deze doorwerkt; alhoewel dit ook een belangrijke kwestie blijft en er, in lijn met wat Chris Steenwegen hierover zei, inderdaad moet gekeken worden naar mensen die hier specifieke competenties voor hebben. In het licht van de omgevingsrapportage als ‘boundary work’, is een andere vraag of de omgevingsrapportage een bredere rol ambieert in het grotere netwerk van onderzoek (aan universiteiten en elders) omtrent omgeving waarbij de omgevingsrapportage inspanningen doet om dit onderzoek kenbaar te maken ook al betreft het hier geen producten van eigen makelij. Hoe de omgevingsrapportage haar onderzoeksagenda zal moeten opmaken hangt verder ook samen met welke soort van beleidsrelevantie er wordt beoogd en hoe dit wordt geïnterpreteerd: bekijken we beleidsrelevantie op een eerder ‘enge’ manier (op basis van het regeerakkoord, beleidsnota, etc.) of gaat het ruimer waarbij je ook maatschappelijke inspraak vanuit het parlement en de oppositie meeneemt (ruimte voor agendering)? Vraag: we voelen een spanning tussen wetenschapspopularisering en het toegankelijk maken van de informatie voor de gewone burger enerzijds en de potentieel belangrijke agenderende rol van de omgevingsrapportage anderzijds. De omgevingsrapportage kan immers strategische discussiepunten op tafel leggen op een solide, onderbouwde manier, maar om dit succesvol te doen hebben we dan weer andere specifieke competenties en vaardigheden nodig. Waar ligt de klemtoon? Waar moet de omgevingsrapportage op inzetten? Maarten Hens geeft hieromtrent aan dat de omgevingsrapportage niet de enige en meest belangrijke bron van agendering is. Ze maakt deze rol momenteel niet waar, maar kan deze natuurlijk wel ambiëren. Hiervoor moet de omgevingsrapportage goed op de hoogte zijn van de andere agenderingsmechanismen en van hieruit nadenken over hoe zij zich hierin kan positioneren. Vraag: hoe kan de omgevingsrapportage deze rol dan beter invullen? Hoe kan zij dit waarmaken? Qua output van de omgevingsrapportage, vraagt Dirk Van Gijseghem zich af welke concrete producten we in het hoofd hebben; is dit een boek (het omgevingsrapport), een variatie aan rapporten of een website? Dit is een belangrijk punt wanneer we nadenken over de manieren die je actief beoogt om deze producten te laten doorwerken en vorm te geven. Dirk Van Gijseghem vindt dat er meer nodig is dan enkel een omgevingsrapport, namelijk ook een variatie aan rapporten rond verschillende thema’s. Jan Verheeke geeft aan dat hij optie C geantwoord heeft. Voor maatschappelijke relevantie bereikt kan worden, is het de vraag hoe de omgevingsrapportage de ambitie van een ‘boundary object’ te zijn waarmaakt. Hoe krijgt deze agenderende rol van de omgevingsrapportage vorm? Hoe wordt het inhoudelijk concreet ingevuld zodat het ‘boundary karakter’ daaruit kan spreken? Zodra dit karakter in de producten aanwezig is, zal de maatschappelijke relevantie snel tot stand komen. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 70 van 136


Wat betreft optie B (actief beogen en vormgeving van maatschappelijke relevantie), geeft Jan Verheeke daarnaast aan dat het omwille van de diversiteit in onze maatschappij niet gemakkelijk is om te bepalen wat deze ‘actieve vormgeving’ net inhoudt. De omgevingsrapportage moet misschien gepopulariseerd worden, maar misschien is dit ook maar een secundaire zorg. Waar zeker op moet gelet worden bij de vormgeving van het ‘boundary karakter’ van de omgevingsrapportageproducten, is dat er in de maatschappij ook veel levensbeschouwelijke tegenstellingen zijn over milieukwesties (voorbeeld gegeven van huidige controverse over de wolf). Omgevingsrapportage wordt geconfronteerd met verschillende drukkingsgroepen, met elk hun eigen onderliggende opinies over milieu - opinies die zeer beslissend zijn voor de manier waarop zij de kennis die de rapportage aanbiedt, zullen percipiëren. De standaard ambitie van de milieurapportering om zonder meer kennis te verspreiden en zo “verlichting” te brengen, is dus bewonderenswaardig maar niet voldoende als je kijkt naar de huidige levensbeschouwelijke tegenstellingen in de maatschappij omtrent milieukwesties. Als je dit soort tegenstellingen niet in rekening brengt, dan kom je nergens en loop je kans je zelfs onsympathiek te maken door te focussen op kennisaanbod. Vraag: we delen het achterliggend denkbeeld dat de omgevingsrapportage wetenschappelijk robuuste en betrouwbare kennis moet produceren en aanbieden zodat we ten minste een solide basis hebben waarop verdere discussies gevoerd kunnen worden. De vraag is dan wel hoe vatbaar het politieke debat momenteel is voor op wetenschap gebaseerde argumenten en of de omgevingsrapportage in staat is om bepaalde (politieke) controverses te overwinnen? Bruno Tobback geeft aan dat we moeten oppassen met het creëren van een valse tegenstelling tussen wetenschappelijke robuustheid en maatschappelijke relevantie. Langs de ene kant moet het mede door de overheid gefinancierde wetenschappelijke onderzoek omtrent omgeving op wetenschappelijk vlak alle toetsen van betrouwbaarheid en robuustheid doorstaan, en langs de andere kant heeft deze wetenschappelijke robuustheid enkel nut als deze inzichten ook vertaald worden in begrijpelijke informatie voor een breder publiek. Carl De Schepper vermeldt dat het ook sterk gaat over de ambities die de omgevingsrapportage heeft. Op deze vraag bestaat er geen goed of fout antwoord; dit hangt vooral af van je taakstelling en wat je net wilt bereiken met de omgevingsrapportage (gaat het over toestandsbeschrijving, beleidsevaluatie, scenario-ontwikkeling of ingrijpen in maatschappelijke processen en zo veranderingen tot stand brengen?). Je moet van alles wat gaan doen, maar als het gaat over de prioriteiten van de omgevingsrapportage, geeft Carl De Schepper aan dat dit voor hem beleidsrelevantie is. Wouter Van Reeth associeert een rapport of een andere informatiedrager die kennis over wil brengen meteen met het informeren van en het leggen van een wetenschappelijke basis voor debatten en besluitvorming. Als je daarnaast maatschappelijke relevantie doortrekt tot op het niveau van maatschappelijke processen die je niet enkel wilt informeren, maar ook wilt triggeren en transformeren, dan moet je beseffen dat maatschappelijke gedragingen niet tot stand komen of niet veranderen door cognitieve, kennis-gerelateerde processen. Maatschappelijke gedragingen zijn daarentegen ingebed in cultuur, attitudes, gewoontes en tradities, en die ga je met cognitieve producten niet bijsturen. Als we het dus over maatschappelijke relevantie hebben en het communiceren met maatschappelijke stakeholders, moeten we niet verwachten dat er met cognitieve kennis alleen grote maatschappelijke veranderingen aangezwengeld en tot stand gebracht kunnen worden. Zo ver reikt de arm van de omgevingsrapportage dan ook niet, maar zij

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 71 van 136


kan wel helpen in het zichtbaar maken van bepaalde inzichten, die een eventuele voorbeeldfunctie kunnen hebben, voor een groter publiek. De ambitie van de omgevingsrapportage om besluitvorming te informeren is kortom niet hetzelfde als het faciliteren van maatschappelijke veranderingen (op het terrein, in de praktijk); dit laatste zal een omgevingsrapportage dan ook steeds moeilijk tot stand kunnen brengen.

5.2 TYPES PRODUCTEN Ook het tweede discussiethema wordt kort ingeleid door de onderzoekers van Universiteit Antwerpen: ▪ ▪

Types producten en diensten afhankelijk van beoogde relevantie, impact en doelgroepen Met welk type producten primaire doelgroep van beleidsmakers het best ‘bedienen’? ▪ Basisproduct: hét omgevingsrapport (cf. SOER, Balans voor de Leefomgeving) ▪ Topicrapporten • met focus op een brede uitdaging (cf. ‘grote opgaven in een beperkte ruimte’) • met focus op specifieke onderwerpen (cf. ‘urban sustainability’, ‘healthy environments’) ▪ Afgeleide producten van basiswerken en topicrapporten (infographics, policy papers, webinars, social media, etc.)

Deze presentatie werd wederom opgevolgd door een korte pollbevraging van de deelnemers over bovenstaande thema’s waarin de volgende resultaten bekomen werden (de pollvraag werd beantwoord door 11 deelnemers): Vraag: “met oog op de voorbereiding van het meerjarenprogramma, welke type product moet de omgevingsrapportage het eerst maken? Welke zijn daarnaast secundair, tertiair, enzoverder?” Gemaakte rankschikking: 1 – Hét omgevingsrapport als basiswerk (cf. SOER, Balans) 2 - Topicrapporten met focus op een brede uitdaging (cf. ‘grote opgaven in een beperkte ruimte’) 3 - Topicrapporten met focus op specifieke onderwerpen (cf. ‘urban sustainability’, ‘healthy environments’) 4 - Afgeleide producten van ‘basiswerken’ en topicrapporten 5 - Een ander type product Na deze pollbevraging peilen de onderzoekers aan de hand van een plenaire bevraging verder naar de redenen van de deelnemers om deze rankschikking te maken. Anik Schneiders geeft aan dat zij bij stakeholderbevragingen over de natuurrapportering ervaren dat, om geaccepteerd te worden als een relevante kennisbasis, het inderdaad belangrijk is om regelmatig naar buiten te komen met een rapport waarin de cijfers worden samengevat en een toestandsbeschrijving wordt gemaakt. Dit basiswerk blijft belangrijk. Aan de andere kant heeft zij eveneens het gevoel dat er te veel top-down wordt gedacht over de verschillende producten, namelijk dat een team eerst een basisproduct maakt waarop een afgeleid product volgt dat dan daarna verder gepopulariseerd kan worden. Anik Schneiders denkt daarentegen dat zelfs in het basisrapport veel kennis uit de maatschappij verweven kan worden. Zeker als het gaat over transities en veranderingen in de maatschappij, zijn er veel goede voorbeelden die je als team hieruit /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 72 van 136


kan oppikken en kan gaan verwerken in de ‘top-producten’. De niches en oplossingsrichtingen zitten reeds in de samenleving en die moet je oppikken om mee te verwerken en op te nemen in de eindproducten. Het is dus niet enkel een kwestie van kennis te populariseren richting de bredere maatschappij, maar ook om kennis die leeft in de samenleving zelf op te nemen in de rapportage. Chris Steenwegen voegt hieraan toe dat zij als groep ook bevooroordeeld zijn door hun eigen ervaringen en dat de maatschappelijke impact van hun werk niet overschat mag worden. Zo heeft bijvoorbeeld ‘donderdag veggiedag’ waarschijnlijk meer impact gehad op het maatschappelijk debat over voedingsgewoonten dan verschillende rapporten over voeding, landbouw en de impacts hiervan. Als we hier twintig jongeren zouden zetten, zouden we misschien anders kijken naar de informatie en types producten die een omgevingsrapportage moet aanbieden om maatschappelijke processen te kunnen voeden. Peter Van Humbeeck geeft aan dat het woord ‘rapport’ hem ietwat stoort aangezien er hier nog een belangrijke stap voor zit, namelijk de data. Het ter beschikking stellen van actuele data voor het beleid en de samenleving is dan ook erg belangrijk. Op een bepaald moment moet er inderdaad een boek of rapport geschreven worden dat een bepaald verhaal naar voren brengt, maar de actuele data erachter blijven zeer belangrijk. Peter Van Humbeeck maakt hierbij de vergelijking met hoe de rapportage omtrent werkgelegenheid gestructureerd is door onder andere de VDAB en het Steunpunt werk. Dit maakt ook duidelijk dat vragen omtrent het ter beschikking hebben van een onderzoeksprogramma beantwoord moeten worden: in welk kader worden verschillende topicrapporten ontwikkeld en is er geld beschikbaar om deze studies te financieren? In dit opzicht moeten de topicrapporten ook niet noodzakelijk geschreven worden door het omgevingsrapportageteam zelf, maar kan het ook de wetenschappelijke wereld zijn die deze kennis aanlevert. Voor het thema van werkgelegenheid, gebeurt dit bijvoorbeeld door het VIONAprogramma en het ESF die onderzoek bij elkaar brengen en publiceren. Ten laatste moeten we ook stilstaan bij hoe men deze informatie gaat verspreiden. Voor publicaties omtrent werk en werkgelegenheid bestaat er bijvoorbeeld een halfjaarlijks tijdschrift dat producten van het Steunpunt werk en het VIONA-programma bij elkaar brengt. Op eenzelfde wijze kan je een centraal publicatiekanaal tot stand brengen dat niet enkel producten van de omgevingsrapportage zelf zou verspreiden maar ook een netwerk of community omvat dat beleidsrelevante informatie en kennis over de omgeving verzamelt en ontsluit. Bij dit idee gaat de omgevingsrapportage verder dan enkel het publiceren van een basiswerk en/of topicrapporten en worden er ook ‘andere types producten’ aangeboden, namelijk data, onderzoeksprogramma’s en valorisatie via een tijdschrift bijvoorbeeld. Wat Wouter Van Reeth in de framing van deze vraag omtrent de types producten van de omgevingsrapportage mist, is het proces. Hij vraagt zich dan ook af welke resultaten we zouden bekomen indien er wordt gevraagd naar de soort van processen waarmee de omgevingsrapportage zich zou moeten bezighouden. Zo wordt er bijvoorbeeld regelmatig teruggekomen op doorwerking van de omgevingsrapportage in de samenleving; dit heeft volgens Wouter Van Reeth meer te maken met het proces dat aan een specifiek product voorafgaat dan met het product zelf. Bij het doordenken over deze vraag omtrent de types producten, moet er volgens hem dan ook gekeken worden naar producten én processen, waarbij het proces veel bewuster deel uitmaakt van de reflecties en strategische keuzes waar de omgevingsrapportage voor staat. De rangschikking van types producten moet gemaakt worden met het oog op deze proceskeuzes: zo kan de doorwerking van een basisrapport nog doorlopen na de publicatie van dit specifieke product wat bijvoorbeeld een bijkomend proces van nazorg zal vereisen, terwijl er langs de andere kant ook rekening wordt gehouden met de doorwerking in de ontwikkelingsfase van het product door verschillende types actoren mee rond de tafel te brengen. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 73 van 136


Bruno Tobback geeft aan dat hij ‘omgevingsrapport als basiswerk’ op nummer één in de rankschikking heeft geplaatst. De voornaamste meerwaarde van de omgevingsrapportage is dan ook dat het een meerjarenprogramma is dat daardoor tijdsreeksen en vergelijkbaarheid van omgevings-gegevens kan opbouwen. Op nummer twee zette Bruno Tobback de afgeleide producten, want dit is volgens hem het proces van vertalen, uitleggen en voortbouwen dat na de publicatie van het basiswerk moet komen. Wat betreft het ontwikkelen van topicrapporten vreest hij dat men op deze manier te snel in een modieus programma terechtkomt dat weinig continuïteit kent en daardoor haar wetenschappelijke meerwaarde kan verliezen. Koen Carels is van mening dat de maatschappelijke relevantie van de omgevingsrapportage versterkt kan worden door, zoals Peter Van Humbeeck aangaf, goed gebruik te maken van de data die zich achter de concrete producten bevinden. Curieuzeneuzen is hier een goed voorbeeld van: wanneer mensen data over luchtvervuiling in hun eigen straat verzamelen, wordt het rapport dat hierover verschijnt ook meer gedragen en beter ontvangen. Indien je zulke input benut, je datanetwerk vergroot en indicatoren op een meer maatschappelijke relevante manier definieert, biedt het volgens Koen Carels dan ook meerwaarde om je rapport hierrond op te bouwen. Vraag: in welke mate is het een uitdaging om deze data beschikbaar te krijgen? Is dit momenteel nog een groot issue of loopt dit daarentegen reeds goed? Anik Schneiders geeft aan dat databeschikbaarheid bij de natuurrapportering zeker nog een heel belangrijk issue is, en dan voornamelijk het samenbrengen van gevalideerde data op de schaal van Vlaanderen als basis voor de rapportering. Daarnaast voegt Anik Schneiders aan het eerder aangehaalde punt over de meerwaarde van het meerjarenprogramma van de omgevingsrapportage toe dat er vroeger een sterke logische link was tussen de milieurapportering en het milieubeleidsplan, terwijl het milieubeleidsplan ondertussen geschrapt is. Dit maakt de nood aan een soort ‘kapstok’ waar de omgevingsrapportage en haar meerjarenplanning zich aan kunnen ophangen des te groter: welke belangrijke thema’s liggen er op welk moment op tafel? Dit kan bijvoorbeeld de Europese Green Deal zijn en alle grote Europese programma’s die hieraan vasthangen, maar we kunnen ons ook afvragen of er terug ruimte gemaakt moet worden voor de ontwikkeling van een omgevingsbeleidsplan. Vraag: is Europa een goede kapstok voor de omgevingsrapportage? Jan Verheeke vindt dit alleszins een onontwijkbare en goede kapstok voor de omgevingsrapportage, maar vraagt zich wel af of deze het meest geschikt is om in te gaan op de eerder specifieke uitdagingen waar de Vlaamse omgeving en maatschappij voor staat. De gegevens omtrent omgeving (en dan voornamelijk natuur, bijvoorbeeld rapportage over de instandhoudingsdoelstellingen) worden wel reeds gegenereerd in functie van deze Europese kapstok, maar ook hier is een extra stap van omzetting naar de Vlaamse uitdagingen nodig om het maatschappelijk- en beleidsrelevant te maken op het Vlaamse niveau. Maarten Hens geeft aan dat ook hij het omgevingsrapport in de poll op nummer één heeft gezet, maar wel in de veronderstelling dat dit ingebed is in een geheel van indicatoren en data. De sterktes van de milieu- en natuurrapportering zijn dan ook dat zij beschikken over en ingebed zijn in een zeer uitgebreide set van indicatoren, waarbij er goed nagedacht wordt over de schalen waarop deze data en indicatoren zich bevinden en hoe deze relevant zijn voor het Vlaamse niveau. Europese rapportageverplichtingen zijn zeker een belangrijke aandrijver voor het opzetten van een /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 74 van 136


systematische zoektocht naar data en indicatoren zodat je op een evidence-based manier kan bekijken wat de uitdagingen zijn voor de Vlaamse natuur, milieu en ruimte. Omgevingsrapportage moet dus ingebed zijn in een data-driven en een Europese context, wat een onlosmakelijk deel uitmaakt van eindproducten zoals een omgevingsrapport. Betreffende databeschikbaarheid voegt Jan Verheeke verder toe dat het tijdschrift-idee (aangehaald door Peter Van Humbeeck) zou kunnen fungeren als een soort van stofzuiger om mensen aan te trekken die bezig zijn met data. Nu wordt deze niche ingevuld door tijdschriften van privéorganisaties; voorbeelden hiervan zijn ‘Natuur.Focus’, VRP, etc. Ten tweede wijst Jan Verheeke op het probleem van validering en ook van het verbanden leggen tussen de verspreide data. Als voorbeeld haalt hij het advies aan dat zij onlangs hebben opgesteld omtrent het OVAM-plan ‘Vlaanderen circulair bouwen 2050’. Om hier gegevens over los te krijgen, moest er te rade worden gegaan bij het energiebeleid, materialenbeleid, woonbeleid en ruimtelijk beleid. Er moet dus bij vier afzonderlijke silo’s gekeken worden welke data beschikbaar zijn en dan moet je zelf nog de verbanden tussen deze data gaan leggen; dit is niet gemakkelijk maar wel heel belangrijk.

5.3 THEMATISCHE INTEGRATIE Dit discussiethema werd mondeling kort ingeleid door de onderzoekers van Universiteit Antwerpen: ▪ ▪ ▪

Meerwaarde in integratie van milieu en (minstens) ruimte Conceptuele onduidelijkheid over begrip ‘omgeving’: uitklaren of pragmatiek? Geen ‘geforceerde oefening’ + aandacht voor specifieke milieu- en ruimtethema’s Conceptuele kaders van de omgevingsrapportage ▪ Concepten voor omgevingsbrede, integrerende analyses (bv. sociaalecologische systemen, ‘voorraden en stromen’-benadering, etc.) ▪ Diversificatie van concepten (bv. SDGs, donut economy, ecological footprint, etc.), afgestemd op thema en doelgroep

Vraag: is het belangrijk voor de omgevingsrapportage om op het vlak van thematische integratie meteen over de muren heen te kijken naar ook andere beleidsdomeinen buiten milieu en ruimte? En, indien we eerder vertrekken vanuit het begrip omgeving, welke zijn dan eventueel interessante topics die aan bod zouden moeten komen om dit integratietraject op gang te brengen? In welke mate moet men integrerend werken? Maarten Hens geeft aan dat thematische integratie zeer belangrijk is en dat er topics en vraagstukken genoeg zijn binnen het beleidsdomein omgeving waar deze thematische integratie pertinent en broodnodig is. Voorbeelden hiervan zijn thema’s zoals klimaatadaptatie, het stikstofvraagstuk, de Blue Deal; dit zijn een voor een uitdagingen waar zowel de milieukwaliteit als de ruimtelijke componenten ervan onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Al gaandeweg gaan we hier beleidsmatig mee om, maar het is eveneens belangrijk om genoeg concrete thema’s te hebben waar ruimte en milieu elkaar kunnen ontmoeten en een ‘omgevingsdenken’ kan worden aangevat. Bruno Tobback voegt toe dat de milieurapportering reeds veel aandacht heeft gehad voor thematieken zoals natuurversnippering, de relaties tussen lucht- en waterkwaliteit en de verweving van functies, etc. Er zijn onrechtstreeks dus al een aantal verbindingen en qua omgeving zijn er vrij veel gestructureerde data over de aparte beleidsdomeinen (natuur, ruimte, milieu). Bruno Tobback /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 75 van 136


zou deze apart houden, maar er moeten wel bruggen gemaakt worden tussen deze data door te kijken naar de effecten die ze op elkaar hebben. Dit heeft het ruimtelijkeordeningsbeleid bijvoorbeeld nooit gedaan: er is nooit een studie geweest van de effecten die het gewestplan zou hebben op natuurversnippering, lucht- of waterkwaliteit. De omgevingsrapportage geeft een gelegenheid om dit wel te doen met waarschijnlijk dramatische vaststellingen tot gevolg. Frank Van Thillo vermeldt dat er in zijn departement en beleidsdomein mobiliteit een acuut gebrek is aan consistente data, terwijl de impacts van milieu en ruimte op mobiliteit en omgekeerd ontegensprekelijk aanwezig zijn. Naast het topic mobiliteit is er natuurlijk ook sprake van een geografische gelaagdheid; voor mensen die werken rond mobiliteit is het bijvoorbeeld belangrijk om meer te spreken in termen van bereikbaarheid en dit ook beleidsmatig te decentraliseren zodat er in onze mobiliteitsrapporten ook met andere geografische lagen rekening wordt gehouden. We moeten dus vooral op zoek gaan naar data over de effecten van ruimtelijke- of mobiliteitsbeslissingen op de omgeving, zodat er meer degelijke input is voor de beslissingen die genomen moeten worden om dit te remediëren. Als je het mobiliteitsbeleid meer decentraliseert, moet je dan ook meer zicht geven op wat de effecten zijn van bijvoorbeeld gecombineerd vervoer, oplaadpunten, etc. op de ruimtelijke ordening. De behoefte aan een transversale koppeling is volgens Peter Van Humbeeck zeer duidelijk, zowel wat betreft ruimte en milieu als andere beleidsdomeinen zoals landbouw en mobiliteit. Maar ervaringen met de milieurapportering leren ons dat er vaak sprake was van ofwel dubbel werk, ofwel spanningen omtrent het betreden van een ander beleidsdomein. De vraag is dus hoe je dit kan organiseren; je moet samenwerken met andere beleidsdomeinen, maar er is niet altijd sprake van een gelijkwaardige speler binnen elk domein. Op zich is de omgevingsrapportage dan ook nog altijd een symptoom van de verkokering; er werden twee kokers bij elkaar gezet, maar het gaat eigenlijk over nog een grotere koker. In Nederland werd er omtrent leefomgeving bijvoorbeeld tot een veel ruimere set aan bevoegdheden gekomen, dus het blijft ook de vraag over welk mandaat de omgevingsrapportage beschikt om over de andere muurtjes heen te kunnen kijken; laten de ministers van de andere beleidsdomeinen dit toe? Vraag: moet het VPO dan ook een boundary organisation zijn om die beleidsdomeinen meer tot actie aan te drijven? Hoe kan ze dit doen, met welk mandaat en hoever kunnen ze hierin gaan? Carl De Schepper vermeldt dat de collega’s van Statistiek Vlaanderen de ambitie hebben om hierin de spil te zijn. Wouter Van Reeth voegt hieraan toe dat hun doelen wel beperkt blijven tot het aanleveren van geobjectiveerde basisdata, terwijl ze de beleidsdoorvertaling overlaten aan andere entiteiten. Anik Schneiders vindt dat het omgevingsbeleid logischerwijs altijd al een faciliterend en integrerend beleidsdomein is geweest. Daarnaast zijn er verschillende rapporteringslijnen omtrent omgeving in Vlaanderen die zelf reeds in een bepaalde mate integrerend zijn en ook naast elkaar mogen blijven bestaan om elk vanuit hun eigen expertise en invalshoeken omgevingsthema’s te kunnen beschouwen. Maar het bouwen van bruggen tussen deze verschillende rapportages is daarnaast erg belangrijk. Je moet zien dat je over dezelfde basisdata beschikt, dat er sprake is van kennisoverdrachten en dat je integrerend werkt om andere doorsnedes te kunnen maken van eenzelfde maatschappelijke problematiek. Vraag: moet voor het bouwen van deze bruggen een formele instructie gegeven worden? Moet hier een top-down kader voor gecreëerd worden? /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 76 van 136


Jan Verheeke antwoordt dat dit bijvoorbeeld reeds bestaat voor bijvoorbeeld het klimaatbeleid, waarin er sprake is van een instructie van de regering voor samenwerking omtrent de uitvoering van de klimaatplannen. Maar dergelijke instructies gelden enkel voor afzonderlijke transitietrajecten en veranderen niet veel aan de problematiek van de bredere structuren van uitwisseling en integratie. De omgevingsrapportage zou verder bijna haar diensten moeten aanbieden aan andere domeinen waar nodig en nuttig, maar deze dienstbaarheid naar andere sectoren mag ook niet te toegeeflijk worden. Het is dubbel: de omgevingsrapportage moet haar diensten aanbieden, maar mag ook haar eigenheid en eigen missie niet uit het oog verliezen. De dienstbaarheid van de omgevingsrapportage zit in haar savoir-vivre en jarenlange ervaring met het binnentrekken van zeer verschillende soorten gegevens over gemeenschappelijke belangen en met de systematische presentatie van deze gegevens. In het domein omgeving is deze knowhow sterker aanwezig dan in andere sectoren. Dirk Van Gijseghem vraagt zich hieromtrent verder af in welke andere domeinen nog boundary organisations aanwezig zijn. In het beleidsdomein omgeving hebben we het VPO, maar bij andere entiteiten zijn er niet vaak gelijkaardige afdelingen aanwezig die op dezelfde manieren werken om data te verzamelen en in interactie te gaan met wetenschappers om hun kennis wetenschappelijk te onderbouwen. In het beleidsdomein landbouw bijvoorbeeld zijn mensen die vroeger met de landbouwrapportering bezig waren nu ook meer verspreid en wordt de rapportage op een heel andere manier georganiseerd. Het ILVO zou dit eventueel verder kunnen opnemen, maar doet dit momenteel niet en heeft hier ook geen mandaat voor. Wat betreft de andere beleidsdomeinen, heeft het MOW bijvoorbeeld ook geen gelijkaardige boundary organisation, terwijl het wel belangrijk is dat er bij andere entiteiten toch vanuit eenzelfde filosofie naar rapportage en wetenschappelijke onderbouwing gekeken wordt. Chris Steenwegen geeft aan dat hij het verhaal van Peter Van Humbeeck volledig volgt. In een eerste fase is het zeker goed om de twee domeinen van ruimte en milieu verder te integreren, maar er zal gestuit worden op belangrijke impacts die van elders komen. Het zou dan ook erg zijn als de omgevingsrapportage deze impacts niet meeneemt omdat zij zich eerst willen concentreren op de eigen integratie in functie van ‘omgeving’, en dan voornamelijk omdat deze integratie toch niet kan gebeuren zonder het beschouwen van de externe impacts (dit hangt allemaal samen). Dit ‘bekritiseren’ van andere sectoren blijft natuurlijk moeilijk liggen en vormt ook een reden voor de afschaffing van de milieubeleidsplanning. De vraag blijft dus hoe dit georganiseerd moet worden. Maarten Hens deelt de mening dat integratie van ruimte en milieu inderdaad op korte termijn op de agenda staat en dat er vanuit deze constellatie voorzichtig kan worden gestreefd naar bredere samenwerkingen. Toch moeten we het beeld voor ogen houden dat er daar op beperkingen gestuit kan worden. Verder is het volgens Maarten Hens eigenlijk vreemd dat er binnen het beleidsdomein omgeving sprake is van een aparte omgevings- en natuurrapportage. Binnen het INBO is er bijvoorbeeld het team ‘natuur en samenleving’ wat op de grens zit met omgeving. Als je van een wit blad zou vertrekken, zou je immers zien dat omgeving in al haar breedte een kennisinstelling of planbureau nodig heeft dat nog verder kan gaan op het vlak van integratie. Er moet alleszins een progressie in deze richting tot stand komen. Vraag: we kunnen alleszins reeds beginnen met het tot stand brengen van een netwerk, maar de vraag is dan ook hoe je ervoor zorgt dat de mensen binnen dit netwerk ook tijd krijgen om aan de rapportage te werken? Hoe kan dit gefaciliteerd worden? /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 77 van 136


De vraag is hier volgens Chris Steenwegen welk mandaat deze mensen hiervoor krijgen. In hoeverre krijgen zij de vrijheid van spreken en in welke mate is er engagement van het beleidsdomein om dit proces mogelijk te maken? Indien er hier geen sprake van is, worden de resultaten van het proces niet aanvaard en niet geïmplementeerd. Maarten Hens vindt het denkbaar om de plannen van het natuurrapport eens naast het omgevingsrapport te leggen om tot gecombineerde producten te komen. Een ander voorbeeld is dat er voor de Blue Deal wordt samengewerkt over vier beleidsdomeinen. Hier is ook sprake van een externe groep die verantwoordelijk is voor impact monitoring en data acquisitie over de breedte van het programma heen. Dit geeft ook een context om over die vier beleidsdomeinen heen tot een gezamenlijk rapport of product te komen waarin de impact van zo breed te werken goed gedocumenteerd wordt. Dit kan ook fungeren als een kapstok om thematische rapporten vorm te geven, maar waarbij dan tegelijkertijd vertrokken wordt van een actieve betrokkenheid van de verschillende beleidsdomeinen. Het kan een meerwaarde zijn dat het product omgevingsrapportering zich hierop verder gaan enten en zulke brede thema-rapporten als casus zou nemen (bijvoorbeeld: het transitievraagstuk, shift in het waterbeleid).

5.4 AANDACHT VOOR BELEIDSEVALUATIE Dit discussiethema werd mondeling kort ingeleid door de onderzoekers van Universiteit Antwerpen: ▪

Beleidsevaluatie: essentieel onderdeel van de omgevingsrapportage ▪ Logische koppeling tussen toestandsbeschrijving en beleidsevaluatie • Draagt het beleid effectief bij aan het (nog niet) bereiken van beleidsambities rond die toestand? ▪ Aparte beleidsevaluatieve rapporten met aandacht voor andere aspecten/invalshoeken • Ex post, ex nunc, ex ante beleidsevaluaties • Goal free evaluation • Inspanningsevaluatie • Afstemming op beleidsevaluaties elders (Europees, internationaal)

Vraag: is het voor jullie voldoende om een toestandsbeschrijving op tafel te leggen en hier beleidsmatige verklaringen aan te koppelen (waarom verbetert of verslechtert de toestand)? Of verdient beleidsevaluatie ook aparte producten? Chris Steenwegen geeft aan dat de omgevingsrapportage enkel nuttig aangewend kan worden door het beleid als de rapportage ook een evaluatie van het beleid presenteert. Hij is persoonlijk voorstander van aparte beleidsevaluatieve rapporten, maar dit kan eventueel ook in combinatie met toestandsbeschrijving. Maar het meenemen van een evaluatie in de rapportage is alleszins het minimum als je wilt dat haar resultaten door het beleid nuttig opgenomen en gebruikt worden. Gezien de gevoeligheden die een apart beleidsevaluatief rapport met zich mee kan brengen, denkt Maarten Hens dat beleidsevaluatie eventueel kan ingesloten kan worden in het format van de thema-rapporten die een specifieker verhaal naar voren brengen. Dan krijg je per thema de mogelijkheid om niet enkel de rol van beleid in nauwe zin te bekijken maar ook alle andere processen en sturende factoren rond dit specifiek thema in beeld te brengen.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 78 van 136


Als Wouter Van Reeth kijkt naar de reeks natuurrapporten waar hij heeft aan meegewerkt en naar de evaluaties van deze rapporten bij de doelgroepen, merkt hij dat de verwachtingen van deze doelgroepen omtrent beleidsevaluatie eerder richting het aanbieden van oplossingen gaat dan naar het presenteren van de meer klassieke distance-to-target evaluaties. Als de rapporten voornamelijk zulke distance-to-target evaluaties presenteren, worden ze immers al snel gepercipieerd als ‘naming and blaming’. Betreffende de aanrijking van deze oplossingen, verwacht Wouter Van Reeth zeker niet dat de rapporteurs zich opstellen als diegene die hét antwoord in pacht hebben, maar beleidsevaluatie zou wel zeker een oplossingsgerichte insteek moeten hanteren en naast het voorhouden van een spiegel aan het beleid ook richtingsaanwijzers moeten aanleveren. Bruno Tobback vermeldt dat je beleidsevaluatie ook kan opzetten per concreet beleidsinstrument. Dit begint bij het beleid zelf waarbij er aan bepaalde doelstellingen bepaalde instrumenten gekoppeld worden die zo duidelijk geëvalueerd kunnen worden. Hij is dan ook voorstander van het koppelen van monitoring aan specifieke beleidsinstrumenten zodat er helder geëvalueerd kan worden waarom iets niet of net wel lukt en hoe dit dan bijgesteld kan worden. Deze eerste stap ontbreekt momenteel en maakt beleidsevaluatie dan ook lastig omdat je in het amalgaam aan beleidsmaatregelen moet zoeken naar de specifieke verklaringen voor de huidige toestand. Anik Schneiders vermeldt dat er voor beleidsevaluaties, waarbij je wilt doorgronden waarom de implementatie van een bepaalde beleidsdoelstelling of -maatregel op het terrein maar niet lukt, daarnaast ook andere onderzoeksmethoden en manieren van werken nodig zijn. Beleidsevaluatie heeft dus een zekere eigenheid die een aparte expertise en onderzoeksmethode vraagt. Daarom kan het soms interessant zijn om er een apart rapport of studie over te maken, maar dit hoeft ook niet per se. Het kan ook in eenzelfde rapport, maar het vereist wel andere methodieken en analyses. Vraag: wat is jullie mening omtrent goal-free evaluation, waarbij je de vrijheid neemt om het beleid af te toetsen tegen een criterium dat nog gedefinieerd moet worden? Maarten Hens geeft aan dat we vandaag de dag steeds meer werken rond integrerende thema’s over verschillende entiteiten heen, waarbij tegelijkertijd de beleidscyclussen van deze thema’s nog niet scherp werden vastgelegd (bijvoorbeeld voor het materialenbeleid en circulaire economie). Als je kijkt naar de diversiteit aan beleidscycli, door welke entiteiten deze lopen en welke instrumenten en regelgevingen er gebruikt worden, dan kan het nuttig zijn om dit alles eens omvattend in beeld te brengen (‘het maken van een geavanceerde foto’). Het is een meerwaarde om voor het omgevingsbeleid deze stand op te maken en het helder te gaan visualiseren. Dit past volgens Maarten Hens dan ook bij de rubriek van goal-free evaluation, aangezien dit een hulpmiddel zou zijn om het omgevingsbeleid te verbeteren. Volgens Jan Verheeke kan goal-free evaluation ook van toepassing zijn voor de producten in je schuif waarvan je weet dat ze ooit relevant en nuttig gaan zijn; een soort van voorbereidende investering die soms op of net naast de kwestie zal landen. Hij observeert daarnaast dat de ‘echte’ beleidsevaluaties (iemand evalueert en trekt hier beleidsmatig conclusies uit) ofwel gebeuren in de schoot van de regering ofwel in de parlementaire onderzoekscommissies. Een voorbeeld van zulke parlementaire evaluatie is de PFOS-onderzoekscommissie waarin momenteel feiten worden verzameld om na te gaan wat er net is misgelopen. En de regering heeft volgens Jan Verheeke dan weer de grootste evaluatieve actie ondernomen in de afgelopen jaren, met name “de grote heroverweging”, wat een doorlichting is van alle budgetten om verouderde instrumenten en uitgaven te kunnen schrappen. Jan stelt verder vast dat in dit rapport over de grote heroverweging nog te weinig influx van kennis te vinden is die voorbereid is geweest door de beleidsevaluatie/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 79 van 136


actoren vanuit de administratie. Beleidsevaluaties gebeuren enerzijds dus door de administraties op basis van min of meer vaste routines, maar anderzijds ook door beleidsmakers die gaan evalueren in functie van hun concrete beslissingstrajecten. Een koppeling van deze twee types beleidsevaluaties dringt zich op. Dit is dus niet alleen een issue van timing, maar het is ook van belang om een goal-free oriëntatie te hebben in functie van de concrete beleidstrajecten die er nog zullen komen; deze thematische evaluatieve rapporten moet je dus alvast klaar hebben liggen. Bruno Tobback voegt hieraan toe dat deze goal-free evaluation zich voor een deel reeds bevindt in de meerjarenreeksen die de omgevingsrapportering aanbiedt. De echte beleidsevaluatie vindt plaats wanneer het beleid bepaalde beleidsmaatregelen heeft vastgelegd, waarop deze targets geëvalueerd worden en er verklaringen worden geboden over waarom bijvoorbeeld de klimaatdoelen of de doelstellingen van het mestactieplan wel of niet gehaald worden. Vraag: moeten we beleidsevaluatie toespitsen op overheidsbeleid of moeten we het breder opentrekken en kijken naar ieders rol en verantwoordelijkheid? Bij het antwoorden op de waarom-vraag (waarom een bepaalde toestand verbetert of verslechtert), zijn er volgens Wouter Van Reeth niet veel gevallen waarin de antwoorden zich beperken tot wat enkel de overheid heeft gedaan. Ook bij het evalueren van de redenen waarom een bepaalde overheidsmaatregel al dan niet succesvol niet, zal je altijd terecht komen bij een multi-actor setting waarin de overheid slechts één actor is naast een hele groep andere maatschappelijke actoren. Net om die reden spreken we vandaag over ‘governance’ in plaats van ‘governement’. De omgevingsrapportage kan volgens Peter Van Humbeeck daarnaast ook verschillende ambities hebben wat betreft de beleidsevaluaties; wil zij deze zelf ontwikkelen of is het de ambitie om een beleidsevaluatie-agenda in het beleidsdomein omgeving te organiseren? Aangezien er steeds zeer veel verschillende aspecten geëvalueerd kunnen worden, lijkt het dan ook moeilijk om dit bijvoorbeeld in de context van een topic-rapport allemaal zelf te doen. Daarom kan het interessanter zijn om enerzijds hiaten in het onderzoek bloot te leggen die je dan zelf gaat opvullen en anderzijds te kijken naar wat er al werd geschreven over bepaalde thema’s. Het gaat dan over het maken van een meta-analyse over het wat er reeds is geweten over een bepaald domein waarbij bepaalde kennisvragen komen opborrelen en verder uitgewerkt worden. Hiervoor heb je dan wel een soort van beleidsevaluatie-agenda nodig, die eveneens rekening houdt met de evaluatie-initiatieven en opdrachten van andere diensten. De beleidsevaluatie in termen van doelen zit volgens Maarten Hens in de praktijk niet bij de actoren die aan omgevingsrapportage doen. Veel concrete beleidsopvolging, voortgangscontrole en targetmonitoring wordt niet verricht binnen het departement omgeving, maar door mensen die op het beleid zelf werken. Daarnaast vindt Maarten Hens dat de beleidsevaluatie breder moet gaan dan het overheidsbeleid en dat er inderdaad gekeken moet worden naar de inspanningen van velerlei actoren. Het is dan ook een misvatting om de rol van de regering en het beleid gelijk te stellen aan de rol van andere maatschappelijke processen in de samenleving. Een aanbeveling hieromtrent is om een concreet thema vast te pakken dat je dan in zijn totaliteit kan bekijken en waarbij je zowel de rol en verantwoordelijkheid van het beleid kan identificeren als de rol van andere maatschappelijke actoren in deze processen. Chris Steenwegen geeft aan dat hij het moeilijk heeft met de negatieve connotatie van (beleids)evaluatie, aangezien deze evaluatie een onmisbaar onderdeel van de beleidscyclus is. Je kan als beleid dan ook geen vooruitgang boeken zonder dat je constructieve feedback hierover /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 80 van 136


ontvangt. Dit kan doorgetrokken worden naar de goal-free evaluation waarbij de vaststelling dat er geen doelen zijn op zich ook al een interessante en leerrijke evaluatie kan vormen. Wouter Van Reeth geeft een concreet voorbeeld over de bosteller van het Agentschap Natuur en Bos. Zij geven aan de hand van verschillende indicatoren en cijfermateriaal informatie over de voortgang van de bosuitbreiding in Vlaanderen, maar dit blijft volgens Wouter een zeer onvolledig verhaal aangezien er qua bosbedekking op het terrein zaken gebeuren die niet door deze data gedekt worden. Hoe zal het omgevingsrapportageteam hiermee omgaan bij het opmaken van beleidsevaluaties? Wie gaat de validiteit en volledigheid van zulke informatie checken en op welke manieren, en hoe zal dit werk verdeeld worden? Bruno Tobback vult aan dat beleidsevaluatie voor hem niet alleen betekent dat je naar de verantwoordelijkheden van de overheid kijkt, maar ook andere factoren in beschouwing neemt. Dit kan breder gaan dan enkel voor specifieke domeinen, aangezien het net de meerwaarde is van een brede omgevingsrapportage en haar beleidsevaluatie dat je linken kan leggen tussen de verschillende factoren en actoren over meerdere beleidsdomeinen heen en met behulp van meetbare en betrouwbare informatie op deze manier kan verklaren waarom bepaalde zaken wel of net niet lukken.

5.5 AANDACHT VOOR TOEKOMSTVERKENNING Dit discussiethema werd mondeling kort ingeleid door de onderzoekers van Universiteit Antwerpen: ▪ ▪

▪

Meerwaarde: lange termijn visievorming en zicht krijgen op oplossingen Vragen van respondenten omtrent bruikbaarheid van uitkomsten en methodologie ▪ Te abstract en kwalitatief – moeilijk te communiceren en moeilijk voor beleidsmakers om concreet op in te spelen ▪ Bevatten een hogere mate van onzekerheid ▪ Voorafnames soms niet duidelijk weergegeven of beargumenteerd ▪ Voldoende kennis over toekomstverkenningen in Vlaanderen? Toekomstverkenning wordt in verhouding minder prioritair geacht

Vraag: wat is jullie mening over de prioriteit van toekomstverkenning binnen het bredere plaatje van de omgevingsrapportage? Anik Schneiders is van mening dat het heel belangrijk is voor het beleid om voorbereid te zijn op een onzekere toekomst, net zoals het leren communiceren over een onzekere toekomst en de bandbreedte die hierop kan zitten. Voor veel mensen ligt dit moeilijk, maar we moeten dit zeker blijven doen. Lettend op de debatten en wisselende meningen van experts tijdens de coronacrisis, is het leren communiceren over en omgaan met onzekerheid dan ook een absolute prioriteit voor het beleid. Bruno Tobback voegt hier het voorbeeld van de IPCC-rapporten aan toe, waarbij je kan constateren dat veel van de voorspellingen in deze rapporten eigenlijk fout waren. Alhoewel je dus moeilijk accurate voorspellingen kan maken over wat er binnen twintig jaar zal gebeuren, wil dit niet zeggen dat je deze concrete voorspellingen niet mag maken. Het uittekenen van de mogelijkheden met de kennis van vandaag is uiteindelijk dan ook wat het beleid drijft. Het belangrijkste blijft of je de richting van de evolutie juist hebt kunnen aangeven, wat in de meeste toekomstverkenningen wel degelijk het geval is. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 81 van 136


Vraag: op welke termijn beogen we relevant te zijn en kunnen we een doelpubliek identificeren dat hiermee aan de slag wil gaan? Chris Steenwegen is van mening dat zulke toekomstverkenningen en het denken op langere termijn zich voornamelijk op de grotere maatschappij richten; waar willen we als maatschappij naartoe en wat is de droom die we hebben voor onze samenleving? Dit is alleszins iets dat veel mensen zou kunnen aanspreken, maar het is misschien niet meteen toepasbaar in het beleid. In dit opzicht kan toekomstverkenning gebruikt worden om het debat aan te zwengelen en een maatschappelijke agendering tot stand te brengen. Wouter Van Reeth voegt hieraan toe dat ook administraties de resultaten van toekomstverkenningen en visievormingen soms niet meteen bruikbaar vinden en dat het dus heel wat inspanningen vraagt om zulke producten te laten landen bij deze doelgroep. Naar andere doelgroepen toe kunnen deze producten dan weer heel wat gemakkelijker gecommuniceerd worden, zoals bijvoorbeeld een regionaal landschap dat aangaf dat zij de toekomstverkenning omtrent natuur in Vlaanderen verwelkomen en gebruiken. Toekomstverkenningen maken is volgens Maarten Hens inderdaad moeilijk en vereist kennis over de verschillende methodieken (modelleringen, scenario’s, toekomstbeelden, etc.) die je toelaten om met deze onzekerheden om te gaan. Dit is een discipline apart en bij de Vlaamse overheid zijn we pas gaandeweg kennis aan het maken met deze technieken. Het departement omgeving slaagt er momenteel bijvoorbeeld niet in om een goede backcasting-oefening te maken waarbij een bepaald eindbeeld wordt vastgepakt en er terug in de tijd wordt gekeken naar welke concrete beleidsveranderingen en -maatregelen nodig zijn om dit beeld te bereiken. De cultuur van scenariodenken en van het in de toekomst projecteren van beleid is nog niet voldoende aanwezig, en alhoewel de milieu- en natuurrapportage al goede stappen hebben gemaakt in het ontwikkelen van deze methodes, zien we dat deze aanpak en inzichten niet doorstromen naar de mensen die verantwoordelijk zijn voor de ontwikkeling en voorbereiding van het beleid. Het proces waarin deze mensen zich de kennis over toekomstverkenningen en scenario-ontwikkeling eigen maken zou dan ook versneld kunnen en moeten worden. Dit gaat dan niet zozeer over het concrete resultaat van de toekomstverkenningen maar wel over een ontwikkeling van de werkwijze en technieken die je inzet om het beleid verder te ontwikkelen. Toekomstverkenning is daarnaast ook iets waarin je heel integrerend kan werken en waarmee je kan aantonen dat verschillende zaken met elkaar samenhangen, wat de beleidsvorming op zijn beurt op een bepaalde manier zal voeden. Frank Van Thillo geeft aan dat hij wat sceptischer staat tegenover toekomstverkenningen en de beleidsontwikkeling die hieruit kan volgen. De Mobiliteitsvisie 2040 als voorbeeld nemend, blijft het immers moeilijk om beleidsconclusies te trekken uit toekomstverkenningen en zie je dat de doorvertaling naar het beleid minimaal blijft. Ten opzichte van het mobiliteitsplan dat tien jaar eerder enkel met behulp van experten tot stand is gekomen, heeft de nieuwe visie waar eerst een toekomstverkenning met input van verschillende maatschappelijke actoren aan voorafging dan ook weinig meerwaarde en was er sprake van een minimale doorvertaling naar het beleid toe. Toekomstverkenningen kunnen kortom wel zinvolle oefeningen zijn, maar de beleidsagenda kan evengoed op een andere manier vastgelegd zonder zulke complexe oefening eraan vooraf te laten gaan. Jan Verheeke vindt de in het DABM gehanteerde formulering van het luik toekomstverkenning in de opdrachtbepaling van de omgevingsrapportage nog niet zo onzinnig ‘een beschrijving van de /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 82 van 136


verwachte ontwikkeling van het milieu en ruimtelijke ordening bij ongewijzigd beleid en bij gewijzigd beleid volgens een aantal relevant geachte scenario's’. De vraag is dus om ex-ante te voorspellen wat het resultaat zal zijn van ongewijzigd beleid, en dan scenario’s te introduceren waarmee je kan bekijken bij welke toestand je uitkomt als het beleid op deze of zulke manier verandert. Deze formulering in het DABM kan de bestaande scepsis over de relevantie van toekomstverkenningen voor beleidsontwikkeling counteren. Peter Van Humbeeck geeft aan dat hij volledig op dezelfde lijn zit als Jan en dat het inderdaad een logische stap is om data te gaan doortrekken en doorrekenen in de tijd. Dit is immers bijzonder beleidsrelevant. De andere soorten toekomstverkenning worden door SERV of de Minaraad dan weer veel minder gebruikt en spelen een minimale rol in het verder aanzwengelen van het maatschappelijk debat. Jan Verheeke voegt toe dat de Minaraad wel een ruimer opgevatte toekomstverkenning heeft gebruikt bij de opmaak van zijn meerjarenprogramma, maar dan eerder om de toekomstige beslissingen van beleidsactoren te kunnen inschatten en een zicht te krijgen op welke regelgeving er op komst is. Als achtergrondoefening is dit zeker relevant, maar op de voorgrond moet staan wat er in het decreet staat, namelijk een ex ante evaluatie van wat je mogelijk zou kunnen doen; een verkenning en doorrekening van toekomstige beleidsopties. Bredere toekomstverkenningen kunnen zodoende als achtergrondgegeven helpen om op de voorgrond bij de scenario-opbouw voor ex ante evaluatie de meest ‘zinnige’ hypothesen te kunnen formuleren. Het maken van waarschijnlijkheidsscenario’s, zoals onder andere het IPCC doet, is volgens Bruno Tobback inderdaad zeer nuttig en dient vooral om aan de overheid te tonen welke zaken ze in de toekomst vooral niet onmogelijk mogen maken en welke zaken nu reeds gefaciliteerd moeten worden. Of dit een deel moet uitmaken van de omgevingsrapportage is dan weer een andere vraag. Peter Van Humbeeck voegt toe dat veel van deze toekomstverkenningen ook afhankelijk zijn van scenario’s die buiten het omgevingsdomein gemaakt worden, bijvoorbeeld wat betreft de evolutie van de bevolking, van de mobiliteit, etc. Hiervoor heb je dan weer andere boundary organisations nodig die naast het VPO de toekomstige ontwikkelingen van de ‘drivers’ van milieu-impacts kunnen capteren.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 83 van 136


6 GOEDE PRAKTIJK FICHES Goede praktijken: overzicht European Environmental Agency (EEA)

ESPON Europese Commissie Planbureau voor de Leefomgeving (PBL)

Statistiek Vlaanderen Scientific Foresight Service (STOA) at the European Parliamentary Research Service (EPRS) Vlaamse Regionale Indicatoren rapporten (VRIND)

• • • • • • • • • • • •

Organisatie en processen: algemeen Product: SOER 2020 Product: Narratives for Change - webreeks Product: policy briefs Product: policy briefs Organisatie en processen: algemeen Product: Kansrijk Beleid publicaties Product: Nederland verbeeld (infographics) Product: digitaal platform ‘Compendium voor de Leefomgeving’ Product: Balans van de Leefomgeving 2020 Organisatie en processen: algemeen Organisatie en processen: algemeen

•

Product: VRIND 2017

6.1 GOEDE PRAKTIJK FICHE: EUROPEAN ENVIRONMENTAL AGENCY (EEA) Algemene informatie Het Europees Milieuagentschap of European Environment Agency (EEA) is een agentschap van de Europese Unie, met de taak om betrouwbare en onafhankelijke informatie over het milieu te verstrekken. Door op het juiste moment gerichte, relevante en betrouwbare informatie te verstrekken aan beleidsmakers en het publiek, ijvert het EEA voor het beduidend en meetbaar beter maken van het milieu in Europa. Beleids- en regelgevende context Het EEA werd in 1990 opgericht als een onafhankelijk EU-agentschap bij Verordening (EEG) nr. 1210/90 van de Raad. De verordening voorzag eveneens in de oprichting van het Europees milieuobservatie- en -informatienetwerk (Eionet) als partnerschap tussen 33 (nu 32) lidstaten en zes samenwerkende landen. Het mandaat van het EEA is om met Eionet te werken aan het verstrekken van informatie en kennis over het milieu, zodat de relevante belanghebbenden in de EU-instellingen en de Eionet-landen weloverwogen beslissingen kunnen nemen over het verbeteren van het Europese milieu en het streven naar duurzaamheid. Daarnaast staat het EEA eveneens in voor de coördinatie van het Eionet-netwerk teneinde tijdige, nationaal gevalideerde en kwaliteitsvolle data over het milieu van de individuele landen te kunnen verkrijgen. Het EEA heeft een aantal verplichte rapportage-activiteiten, waaronder de vijfjaarlijkse opmaak van een State of the Environment Report (SOER) en verscheidene ‘distance to target’ beleidsevaluaties. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 84 van 136


Organisatorische werking en structuren Het EEA wordt bestuurd door een raad van bestuur (Management Board) en een bureau, ondersteund door de adviezen van het wetenschappelijk comité (Scientific Committee). De uitvoerend directeur van het EEA legt verantwoording af aan de raad van bestuur en draagt de verantwoordelijkheid voor de implementatie van de programma’s en de dagelijkse werkzaamheden van het EEA. De raad van bestuur van het EEA bestaat uit een vertegenwoordiger van elk van de lidstaten, twee vertegenwoordigers van de Commissie en twee door het Europees Parlement benoemde wetenschappelijke experten. De taken van de raad van bestuur bestaan uit het goedkeuren van het meerjarenwerkprogramma, de jaarlijkse werkprogramma’s en rapporten, het benoemen van de uitvoerend directeur en het aanwijzen van de leden van het wetenschappelijk comité. Het bureau bestaat uit de voorzitter, maximaal vijf vicevoorzitters, een vertegenwoordiger van de Commissie en een van de leden die werd aangewezen door het Europees Parlement. Het bureau is gemachtigd tot het nemen van tussentijdse bestuurlijke besluiten die nodig zijn voor het effectief functioneren van het EEA. Het wetenschappelijk comité adviseert de raad van bestuur en de uitvoerend directeur. De belangrijkste taken van het comité zijn: (1) beoordelen van de meerjaren- en jaarlijkse programma’s van het EEA; (2) aan de uitvoerend directeur haar standpunt kenbaar maken wat betreft de rekrutering van wetenschappelijk personeel voor het EEA; (3) advies verlenen of oordelen over elke wetenschappelijke kwestie met betrekking tot de activiteiten van het EEA. Het wetenschappelijk comité bestaat uit maximaal 20 wetenschappers uit verschillende disciplines. De leden van het comité worden telkens benoemd voor een periode van vijf jaar; dit mandaat kan eenmalig verlengd worden. De voorzitter van het comité fungeert eveneens als observerend lid in de raad van bestuur. Naast de missie en visie van het EEA, schetst de EEA-Eionet Strategy de strategische doelstellingen en werkgebieden voor de periode 2021-2030. De meer gedetailleerde plannen over welke producten gepland werden doorheen de tijd worden uiteengezet in een vijfjaarlijks meerjarig werkprogramma (Multiannual Work Programma; MAWP). Voordelen van dit MAWP zijn onder andere de mogelijkheden die het creëert voor een grotere coherentie tussen de strategische programmadocumenten van de Europese Commissie en de rapportageplanning van het EEA, en de transparantie die het biedt over de toekomstige informatie- en datanoden in kader van de geplande producten. Het MAWP wordt aangevuld en verder geconcretiseerd in de vorm van de jaarprogramma’s, die een overzicht bieden van de jaarlijkse prioriteiten van het EEA. Zoals eerder aangegeven, is het EEA verantwoordelijk voor het ontwikkelen van het Eionet-netwerk en het coördineren van haar activiteiten. Hiervoor werkt het EEA nauw samen met de ‘National Focal Points’ (NFPs); dit zijn voornamelijk nationale milieuagentschappen of milieuministeries. Deze instituten zijn verantwoordelijk voor het coördineren van de Eionet-activiteiten op nationaal niveau. Daarnaast hebben de NFPs de taak om nationale bronnen van informatie te identificeren, om data en informatie van andere activiteiten vast te leggen en te verwerken, om het EEA te helpen bij het analyseren van bepaalde informatie en om hulp te bieden bij het verder verspreiden van de EEAinformatie naar de eindgebruikers in de lidstaten. Types producten en doelgroepen Het EEA voorziet analyses en informatie in de vorm van rapporten, korte briefings en artikels, persberichten en een gevarieerd aanbod van onlineproducten en diensten. Deze producten omvatten beschrijvingen van de milieutoestand, huidige trends en milieudrukken, economische en sociale ‘driving forces’, evaluaties van de beleidseffectiviteit, en identificatie van toekomstige trends met behulp van scenario’s en andere technieken. Deze kennis wordt op grote schaal beschikbaar

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 85 van 136


gesteld via de EEA-website en vormt de basis van zowel thematische als geïntegreerde milieubeoordelingen. Aangezien deze informatie ter ondersteuning kan dienen van milieubeheerprocessen, milieubeleidsvorming en -beoordeling, evenals burgerparticipatie, zijn de producten van het EEA gericht op een vrij brede doelgroep. Belangrijke doelgroepen van het EEA zijn de instituties van de Europese Unie, namelijk de Europese Commissie, het Europees Parlement en de Raad, net zoals de lidstaten en samenwerkende landen. Naast deze centrale groep van Europese beleidsactoren, zijn de producten ook gericht op andere EU-instituten zoals het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) en het Europees Comité van de Regio’s. Daarnaast zijn ook bedrijven, onderzoeksinstellingen, Ngo’s en andere delen van het maatschappelijk middenveld belangrijke gebruikers van de informatie van het EEA. In het algemeen wordt er door het EEA gestreefd naar een tweerichtingscommunicatie met de doelgroepen zodat hun informatiebehoeften correct worden geïdentificeerd en de verstrekte informatie door hen begrepen en opgenomen wordt. Ten laatste verkent het EEA de laatste tijd de mogelijkheden om sterker in contact te treden met de geïnteresseerde burger aan de hand van nieuwe communicatietools en producten. Zo probeert men om meer toegankelijke producten, zoals infographics en interactieve visualisaties van data, via de (sociale) media tot bij de burger te krijgen. Dit hangt samen met de inhoudelijke en strategische ambitie van het EEA om haar rol in de agendasetting en framing van milieu-issues te versterken. Dit uit zich niet enkel in een inhoudelijke verbreding van de kernproducten, zoals in SOER 2015 waarin beleidsevaluatie verder werd getrokken dan enkel de ‘distance to target’-evaluaties, maar ook in een nood aan betere communicatietools om met een breder publiek in dialoog te kunnen gaan. Wetenschappelijke toetsing en kwaliteitsborging Zoals eerder aangegeven, ontwikkelt en coördineert het EEA een netwerk van nationale milieuinstituties, Eionet, en steunt de organisatie hierbij sterk op de National Focal Point (NFPs). De door het EEA verstrekte informatie komt dan ook uit een breed scala aan bronnen aangezien het Eionet bestaat uit meer dan 300 nationale instellingen verspreid over Europa. Om de verzameling, beheer en analyse van gegevens verder te ondersteunen, beheert het EEA daarnaast zes ‘European Topic Centres’ (ETCs) die de belangrijkste milieudomeinen en werkgebieden zoals aangegeven in het werkprogramma bestrijken. De ETCs zijn netwerken, bestaande uit zo’n 90 gespecialiseerde milieuinstituten in de verschillende lidstaten. Steunend op deze robuuste onderbouw van data voor toestandsbeschrijving en beleidsevaluatie, heeft het EEA de laatste jaren – voornamelijk met elk SOER-rapport dat is uitgekomen vanaf 2010 – sterk ingezet op systeemanalyse en transitiedenken, waarbij de (sociaaleconomische) drivers van milieuveranderingen en -degradaties benadrukt worden. Deze systeem- en transitiebenadering heeft eveneens de discussie op gang gebracht over het includeren van mogelijke oplossingen voor milieuproblemen in de rapportage. Zoals aangegeven door een lid van het wetenschappelijk comité is dit zeer nieuw werk en blijft het vooralsnog uitdagend, aangezien het EEA soms worstelt met gegevens en methodieken waar ze minder ervaring mee hebben, zoals casestudies en experimenten. Omwille van deze nieuwe benaderingen en methodieken, wordt het verzekeren van wetenschappelijke robuustheid en kwaliteitscontrole voor het EEA extra van belang. Om het vertrouwen van de doelgroepen in de wetenschappelijke kwaliteit van de rapportageproducten te allen tijde op een zeer hoog niveau te houden, werkt het EEA dan ook volgens bepaalde principes van kwaliteitsborging en transparantie. Zo steunt het EEA niet enkel op de adviezen en reviews van de leden van het wetenschappelijk comité, maar is er ook sprake van veelvoudige, iteratieve beoordelingsprocessen waarin allerlei stakeholders betrokken worden, zoals leden van het EIONET en vertegenwoordigers van de Europese Commissie. Daarnaast zorgen de meerjarige werkprogramma’s van het EEA voor een hoge mate van transparantie over de verschillende producten die gepland staan doorheen de tijd, wat een lang /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 86 van 136


proces van dataverzameling, -verwerking en kwaliteitscontrole toelaat. Deze doelstelling van transparantie wordt eveneens nagestreefd in relatie tot de onderwerpen en studies die veel onzekerheid in zich dragen, zoals evoluties van menselijk gedrag of van beleid en politiek die zich niet altijd even gemakkelijk laten modelleren. In deze gevallen tracht het EEA om telkens aan te geven waarom er sprake is van onzekerheid en hoe ze hiermee zijn omgegaan in het desbetreffende product (wat betreft het dataverzamelingsproces, data-triangulatie, soort van analyse, etc.). Ook het transparant communiceren over openstaande vragen of noden voor verder onderzoek maakt hier deel van uit. Onafhankelijkheid en transparantie Aangezien het EEA werd opgericht als een onafhankelijk EU-agentschap dat geen inbedding kent in de Europese Commissie of het Europees Parlement, heeft het agentschap zich in de loop van de jaren steeds meer vrijheid genomen om zich te mengen in bepaalde beleidsdebatten, dominante narratieven in vraag te stellen en zogenaamde ‘inconvenient truths’ te verkondigen. Om fraude en belangenvermenging tegen te gaan, heeft het agentschap de ‘Code of Good Administrative behaviour’ geadopteerd waarin de beginselen van behoorlijk bestuur worden vastgelegd die alle personeelsleden moeten respecteren tijdens (en na) hun tewerkstelling bij het EEA. Aanvullend bestaan er een ‘Policy for the management and prevention of conflicts of interest’30 en een ‘Antifraud strategy’31. Stakeholderbetrokkenheid Naast het Eionet, zijn ook andere Europese en internationale organisaties belangrijke partners en informatiebronnen van het EEA, zoals onder andere Eurostat, JRC, OECD, UNEP, FAO en WHO. Het EEA werkt nauw samen met deze organisaties voor de productie van informatie en evaluaties voor hun cliënten en doelgroepen. Het EEA neemt daarnaast ook deel aan en treedt op als het secretariaat voor het informele netwerk van ‘Environmental Protection Agencies’ (EPA network) in Europa. Zoals een lid van het wetenschappelijk comité aangeeft, zet het EEA in op zeer intense processen van stakeholderbetrokkenheid, bijvoorbeeld in kader van het SOER 2020 waar de drie à vier jaren van stakeholderbetrokkenheid voorafgaand aan de publicatie ervoor hebben gezorgd dat dit rapport op een gedragen manier inhoudelijk zeer kritisch kon zijn voor het EU-beleid. Voor het EEA zijn de relevante stakeholders talrijk en divers: onderzoeksinstellingen en universiteiten, milieuagentschappen en -ministeries in de lidstaten, de politieke instituties op EU-niveau, etc. Toch is er binnen het EEA geen stakeholdergemeenschap die inzet op het betrekken en engageren van geïnteresseerde burgers; het agentschap probeert wel met hen te communiceren maar betrekt hen niet op een actieve manier bij de productprocessen. Omwille van de omvangrijke territoriale schaal waarover het EEA rapporteert, is de organisatie niet in staat om een geïntegreerde benadering van stakeholderbetrokkenheid te hanteren waarbij de stakeholders ruimer gedefinieerd en geïncludeerd worden dan enkel de kernactoren of institutionele stakeholders. Op niveau van de Vlaamse omgevingsrapportage kunnen de opportuniteiten voor een systematisch en integraal proces van stakeholderbetrokkenheid wellicht groter zijn, waarvan de geïnteresseerde burger eventueel een deel kan gaan uitmaken. Zoals het lid van het wetenschappelijk comité vermeldt, is het hierbij belangrijk dat: (1) er voldoende tijd wordt uitgetrokken voor het bediscussiëren van een onderwerp in al zijn complexiteit en; (2) dat het uitwisselingsproces zich niet enkel richt op het verhogen van bewustwording of draagvlak, maar ook de ruimte geeft aan de participanten om

30

Policy for the management and prevention of conflicts of interest: https://www.eea.europa.eu/about-us/documents/administrativedocuments/policyfor-the-management-and/view 31 Anti-fraud strategy: https://www.eea.europa.eu/about-us/documents/administrativedocuments/eea-anti-fraud-strategy

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 87 van 136


vanuit de eigen kennis en achtergrond, met behulp van wetenschappelijke kennis, het probleem (en de oplossingen) te ontleden en samen te bediscussiëren. Interne en externe communicatie Zoals een lid van het wetenschappelijk comité aangeeft, is de rol die het EEA opneemt sterk afhankelijk van de Europese politieke setting, en van hoe en wanneer de rapportages van het EEA het beleidsproces kunnen binnentreden en beïnvloeden. Zo vormt bijvoorbeeld de Europese Green Deal een grote opportuniteit voor het EEA om haar producten, analyses en kennis meer deel te laten uitmaken van het politieke en publieke debat. Een groot deel van de communicatiestrategie van het EEA is dan ook gericht op het beïnvloeden van diverse beleidsactoren op niveau van de EU en de lidstaten. Het EEA produceert briefings en organiseert workshops en informele meetings ter ondersteuning van het Europees Parlement, en neemt op verzoek ook deel aan hoorzittingen. Daarnaast werkt het agentschap nauw samen met het ‘Committee for Environment, Public Health and Food Safety’ en is er eveneens sprake van samenwerking met veel van de andere 22 commissies. Verder wordt de uitvoerend directeur van het EEA regelmatig uitgenodigd om informele bijeenkomsten van de EU-milieuministers bij te wonen en ondersteunt het EEA de milieubeleidsactiviteiten van het EU-voorzitterschap door op verzoek rapporten op te stellen of workshops en seminars te organiseren. Opportuniteiten voor Vlaamse omgevingsrapportage - Mogelijkheid van een wetenschappelijk comité dat het geheel van de omgevingsrapportage zowel strategisch als inhoudelijk opvolgt en adviseert. - In de opmaak van het meerjarenprogramma (en eventueel jaarlijkse werkprogramma’s) streven naar een coherentie met Vlaamse en Europese (omgevings-)beleidsprogramma’s, teneinde de beleidsrelevantie van de omgevingsrapportage te verzekeren en te verhogen. - Om de kwaliteitsborging te garanderen, kan de omgevingsrapportage veelvoudige, iteratieve beoordelingsprocessen inbouwen waarin diverse stakeholders vertegenwoordigd zijn. Dit zijn intense reviewprocessen, maar uiteindelijk zorgen zij wel voor een kwalitatief en gedragen product (dat omwille van deze gedragenheid ook een aantal ‘inconvenient truths’ kan poneren). - De producten van het EEA worden mede beoordeeld door vertegenwoordigers van de Europese Commissie; het zou een mogelijkheid kunnen zijn voor de omgevingsrapportage om Vlaamse beleidsmakers te betrekken in de reviewprocessen. - … Product 1: SOER 2020 Basisgegevens European Environment Agency (2019). The European environment – state and outlook 2020. Knowledge for transition to a sustainable Europe. Copenhagen: European Environment Agency. Weblink: https://www.eea.europa.eu/soer/2020 Context van het product Een van de hoofdtaken van het mandaat van het EEA is het om de 5 jaar publiceren van een rapport over de toestand, trends en toekomst van het milieu in Europa. SOER 2020 is het 6e gepubliceerde SOER sinds het eerste rapport in 1995. De SOER-rapporten staan sindsdien gekend /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 88 van 136


als een gedegen evaluatie van de stand van zaken en vooruitzichten voor het Europese milieu en inspiratie voor de uitvoering en ontwikkeling van het EU-beleid. Net als alle rapporten van het EEA is SOER gebaseerd op de kennis van het Europees milieuobservatie- en -informatienetwerk (Eionet). Een lid van het wetenschappelijk comité geeft aan dat SOER in de loop van zijn bestaan een evolutie heeft gekend in scope, doeleinden en types kennis die in het rapport aan bod komen, wat samenhangt met de evoluerende rol van het EEA zelf. Vanuit de observatie dat de impact van de SOER-rapporten op het beleid beperkt bleef en de ambitie van het EEA om een sterkere agendasetting- en framing-rol te vervullen, werd er met SOER 2015 voor het eerst ruimte gemaakt voor vormen van beleidsevaluatie die verder gingen dan de klassieke ‘distance-to-target’benadering, en voor een meer holistische benadering van scenario-analyse en toekomstverkenning. Ook systeemanalyse en transitiedenken maakten hun intrede in SOER. Volgens het lid van het wetenschappelijk comité is het EEA hierbij eveneens meer gaan inzetten op geïntegreerde analyses en mixed method benaderingen. Het EEA is georganiseerd in verschillende thematische programma’s (programma voor marine biologie, programma voor milieu en gezondheid, etc.) die voor de distance-to-target-evaluaties in zuilen naast elkaar werken, maar in kader van de SOER-rapporten hun expertise combineren en integreren. Dit gebeurt onder impuls van een overkoepelend programma dat de verantwoordelijkheid draagt voor SOER en de andere programma’s hiervoor bij elkaar brengt. Dit integrerende werk dat sterk inzet op interdisicplinair denken en mixed method benaderingen is een groeiend werkveld van het EEA. Werknemers van het EEA worden dan ook aangemoedigd om verder te kijken dan hun eigen discipline en om kwantitatieve en kwalitatieve benaderingen en data elkaar te laten versterken. Om de wetenschappelijke kwaliteit van SOER te verzekeren en om de impact van het rapport op het Europese beleid te versterken, wordt er tevens ingezet op een uitgebreide peer review door Eionet, de Europese Commissie, het wetenschappelijk comité van het EEA en internationale deskundigen. Daarnaast ging SOER 2020 gepaard met een stakeholderinteractieproces waarbij een breed scala aan actoren werd betrokken bij de discussie over de conclusies van het rapport en de implicaties hiervan voor het beleid. Op deze manier is het EEA zeer invloedrijk geweest in de agendasetting voor de Europese Green Deal, omdat er sprake was van een constante conversatie met de Europese Commissie over SOER 2020. Sommige delen van het rapport worden dan ook vermeld in de Green Deal teksten.

Type product Zoals eerder aangehaald, heeft het EEA een sterke ambitie ontwikkeld wat betreft beleidsbeïnvloeding en agendering. Hierbij aansluitend is het agentschap ook zijn doelgroepen en types producten gaan verruimen. Het EEA vraagt zich onder meer af hoe ze geïnteresseerde burgers kunnen benaderen en ontwikkelen producten die hiertoe kunnen dienen. Zo bestaat SOER 2020 niet enkel uit een dik rapport van 500 pagina’s, maar werd er ook een SOER 2020-website ontwikkeld, waarop de kernboodschappen en conclusies van het rapport op diverse wijzen worden gepresenteerd. Naast het volledige rapport kan het publiek op de website ook de managementsamenvatting en persberichten terugvinden die werden vertaald in de verschillende Europese talen. Daarnaast kan de bezoeker ook de ‘SOER at a glance’-pagina raadplegen waarop de belangrijkste boodschappen van het rapport in een online artikel (van 5 minuten leestijd) worden gepresenteerd. Op de website zijn verder ook video’s, infographics en visualisaties van de data in SOER 2020 terug te vinden. De lezer krijgt eveneens de kans om een korte feedback survey in te vullen waaruit het EEA lessen kan destilleren voor de opmaak van het volgende SOER. Ten laatste kan de bezoeker extra informatie raadplegen over het stakeholderinteractieproces, evenals andere achtergronddocumenten of samenvattingen.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 89 van 136


Doelgroepen De uitgebreide beoordeling van de staat van het Europese milieu in SOER 2020 dient zowel ter ondersteuning van het beleid als ter voorlichting van het publiek (burgers, maatschappelijke organisaties, bedrijven, etc.). SOER heeft dus een ruime doelgroep, maar beoogt eerst en vooral beleidsbeïnvloeding en -agendering. Korte inhoud Een samenvatting van het gehele SOER 2020 overstijgt het doel van deze fiche. Kort gesteld constateert SOER 2020 grote discrepanties tussen de huidige toestand van het milieu en de bestaande EU-beleidsdoelstellingen voor de korte en lange termijn. Aan de hand van een integrale benadering waarbij de complexe factoren en de gevolgen van veranderingen in het milieu worden erkend, beschouwt SOER 2020 de mondiale context die de ontwikkeling van Europa vormgeeft (deel 1), de milieu- en sectorale trends en vooruitzichten in Europa (deel 2), de factoren die ingrijpende veranderingen in gang zetten (deel 3), en de manieren waarop Europa zijn aanpak kan veranderen om een duurzame toekomst te realiseren (deel 4). De kernboodschap hierbij luidt dat het Europese beleid doeltreffender is gebleken in het verminderen van de druk op het milieu dan in het beschermen van de biodiversiteit en de ecosystemen, en de gezondheid en het welzijn van de mens. De aanhoudende problemen en de vooruitzichten voor het milieu in Europa in de komende decennia blijven dan ook ontmoedigend. Toch stelt het rapport dat er te midden van een groeiend publiek bewustzijn over de nood aan duurzame transities, technologische innovaties, nieuwe gemeenschapsinitiatieven en EU-beleid zoals de Europese Green Deal, reden blijft voor hoop, maar dat verdere ambitieuze beleidsacties nodig zijn. Sterktes - SOER 2020 zet sterk in op beleidsbeïnvloeding, agendering en framing aan de hand van verschillende middelen en strategieën, namelijk (1) een uitgebreid reviewproces waarin beleidsmakers betrokken worden; (2) het streven naar maatschappelijke impact door verschillende types producten te ontwikkelen die een ruimer doelpubliek kunnen aanspreken; (3) de organisatie van een stakeholderinteractieproces om de conclusies en beleidsimplicaties van het rapport te bespreken; (4) een kwalitatieve inhoud waarbij sector- en domeinoverschrijdende analyses worden gemaakt. Delen van SOER 2020 worden dan ook vermeld in de Europese Green Deal. - Het rapport speelt in op de huidige maatschappelijke context waarin valse informatie en ‘fake news’ schering en inslag zijn. Zo zorgt men voor transparantie door middel van uitvoerige verwijzingen naar de wetenschappelijke bevindingen en door te communiceren over de kwaliteitsaspecten, onzekerheden en kennishiaten. - De SOER-rapporten zorgen ervoor dat het EEA zichzelf in de markt kan zetten als een betrouwbare, kwaliteitsvolle en kritische schakel in het Europese beleid. - … Zwaktes - … Opportuniteiten voor Vlaamse omgevingsrapportage - Ontwikkeling van een sterk kernproduct dat over de toestandsbeschrijving, beleidsevaluatie en de toekomst van omgeving en omgevingsbeleid in Vlaanderen rapporteert op regelmatige basis. - Inhoudelijke focus op integratie, holisme en systeemanalyse verderzetten in een overkoepelend omgevingsrapport (dat verschillende ruimte- en milieuthematieken samenneemt en integreert).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 90 van 136


-

-

Inzetten op een uitgebreid reviewproces waar beleidsmakers deel van uitmaken om tot een gedragen en impactvol eindproduct te komen. Dit kan gepaard gaan met een stakeholderinteractieproces waarin de conclusies en beleidsimplicaties van het omgevingsrapport extra besproken en gevalideerd kunnen worden. Het omgevingsrapport niet enkel uitbrengen in boekvorm, maar ook aanvullen met interactieve of digitale producten zoals een website, video’s, een feedbackformulier, etc. Transparant en duidelijk communiceren over eventuele onzekerheden en kennishiaten in de rapportage. …

Product 2: Narratives for Change – webreeks Basisgegevens ‘Narratives for Change’ is een webreeks van het EEA die, in kader van het denken over systeemveranderingen en transities, nieuwe perspectieven op de voorgrond wil brengen en maatschappelijke dialogen over de alternatieven voor dominante paradigma’s tot stand wil brengen. Weblink: https://www.eea.europa.eu/themes/sustainability-transitions/drivers-of-change/about-the-series Het eerste product van de Narratives for Change serie is de briefing ‘Growth without economic growth’; een publicatie die ongebreidelde economische groei in vraag stelt en alternatieve economische concepten voorstelt en bespreekt. Weblink: https://www.eea.europa.eu/publications/growth-without-economic-growth/growthwithout-economic-growth Context van het product De concepten van duurzaamheidtransities en -transformaties zijn geleidelijk aan centraal komen te staan in wetenschap en beleid, en vormen steeds meer de kern van verschillende producten van het EEA. Op Europees niveau heeft het transitieverhaal dan ook bijgedragen tot het uitgebreide beleidskader van de European Green Deal. Voortbouwend op het zevende milieuactieprogramma (7e MAP) streeft de Green Deal naar het mainstreamen van duurzaamheid in alle EUbeleidsmaatregelen en het behalen van klimaat- en milieudoelstellingen tegen 2030 en 2050. Tegelijkertijd groeit het bewustzijn dat incrementele veranderingen niet langer een optie zijn voor het bereiken van deze langetermijndoelen en dat meer fundamentele (sociaaleconomische) veranderingen waarschijnlijk nodig zullen zijn om de duurzaamheidsdoelstellingen te bereiken. In kader van de nood aan zulke fundamentele transformaties wil de online-serie ‘Narratives for Change’ bijdragen aan de reflecties over de principes, paradigma’s en narratieven die collectieve en individuele acties vormgeven. De serie verkent nieuwe perspectieven die mogelijk veranderingen teweeg kunnen brengen in de manieren waarop we denken en handelen. Met deze serie plaatst het EEA zich rechtstreeks in het beleidsdebat, door het doelpubliek te confronteren met de narratieven die dominant zijn in het beleid en met de vraag of deze wel geschikt zijn voor het bereiken van de systeemverandering die steeds meer als noodzakelijk wordt ervaren. Zoals een lid van het wetenschappelijk comité aangeeft, is dit een vrij nieuwe evolutie binnen het EEA waarbij er /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 91 van 136


inhoudelijk wordt verder gebouwd op wat er al eerder werd gerapporteerd omtrent systeemverandering en transitiedenken, en wordt er hierbij gesteund op de sterke reputatie die het EEA in de laatste decennia heeft opgebouwd. Vroeger zouden zulke kritische boodschappen immers te delicaat geweest zijn en zou het de manier waarop het agentschap werd gepercipieerd in negatieve zin hebben aangetast. De publicatie ‘growth without economic growth’ is het eerste product uit de webreeks. De online briefing stelt de compatibiliteit tussen economische groei en duurzaamheid in vraag en verkent verschillende alternatieve ideeën van economische vooruitgang. Type product De ‘Narratives for Change’-serie omvat de online publicatie van verschillende narratieven die telkens in de vorm van een briefing worden gepresenteerd op de website van het EEA. De publicatie van elk van de narratieven in de serie zal aangevuld worden met webinars waarin diverse perspectieven en expertises worden samengebracht om de narratieven voor verandering verder te verkennen en te bediscussiëren. Doelgroepen Aangezien het hier over een vrij laagdrempelig en toegankelijk product gaat (online beschikbaar, korte publicatie), kan worden gesteld dat dit product een diverse doelgroep heeft, van beleidsmakers tot maatschappelijke organisaties en de geïnteresseerde burger. Korte inhoud De briefing ‘Growth without economic growth’ is de eerste narratief van de serie, en stelt in vraag of we de duurzaamheidsdoelen zullen kunnen bereiken binnen het huidig gehanteerde kader van economische groei. Zoals de briefing aangeeft, is economische groei sterk gelinkt aan een toename van productie, consumptie en het gebruik van hulpbronnen, wat op zijn beurt schadelijke effecten met zich mee brengt voor het milieu en de menselijke gezondheid. De publicatie beargumenteert dat een langdurige en volledige ontkoppeling van economische groei en milieudrukken en -effecten op wereldschaal waarschijnlijk niet mogelijk zal zijn en dat er daarom nood is aan het herdenken van de concepten van ‘groei en vooruitgang’ en hun verhouding tot het streven naar duurzaamheid. Concepten zoals ‘doughnut economics’, ‘post-growth’ en ‘degrowth’ worden verder verkend en besproken als mogelijke alternatieve visies op groei en menselijke vooruitgang. Sterktes - ‘Narratives for Change’ brengt gedurfde, maar tegelijkertijd noodzakelijke boodschappen die de framing en agendering van problemen en oplossingen kunnen beïnvloeden, en beleidsmakers kunnen aansporen om hun eigen vooronderstellingen kritisch onder de loep te nemen. - Korte, toegankelijke publicaties die een brede doelgroep kunnen aanspreken en via deze maatschappelijke relevantie eventueel ook politieke druk kunnen uitoefenen. - … Zwaktes - De publicaties zijn abstract, kwalitatief en bijna filosofisch van aard. Spreekt dit voldoende mensen aan en hebben beleidsmakers niet meer nood aan concrete oplossingsrichtingen en tools? - Is het enkel mogelijk om dit soort kritische boodschappen te geven vanuit een reeds opgebouwde, sterke reputatie van wetenschappelijke kwaliteit en onafhankelijkheid? - …

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 92 van 136


Opportuniteiten voor Vlaamse omgevingsrapportage - Inkijk in een mogelijke rol van de omgevingsrapportage waarbij beleidsdiscoursen en narratieven kritisch in vraag worden gesteld en alternatieve conceptualisaties worden voorgesteld. Dit kan een manier zijn om de impact van de rapportage te verbreden door ook andere doelgroepen (bijvoorbeeld maatschappelijke organisaties) aan te spreken die kritischer en vernieuwender kunnen zijn in hun standpunten en doelen, en zo beleidsmakers kunnen beïnvloeden. - Korte en gemakkelijk leesbare briefings kunnen een interessant type van product zijn voor de omgevingsrapportage. - …

6.2 GOEDE PRAKTIJK FICHE: ESPON Product: Policy brief(s) Basisgegevens In deze fiche bespreken we de ‘policy briefs’ van ESPON als een goede praktijk voor de Vlaamse omgevingsrapportage. Aangezien ESPON jaarlijks een heel aantal policy briefs publiceert, kunnen we deze in kader van deze beperkte goede praktijk fiche niet allemaal onder de loep nemen. Er werd daarom gekozen om een specifieke, recente policy brief te bespreken als voorbeeld en in context van de andere ESPON policy briefs. ESPON EGTC. (2021). Policy brief. Territorial evidence and policy advice for the prosperous future of rural areas. Luxembourg: ESPON.32 Context van het product De ESPON EGTC is een Europese groepering voor territoriale samenwerking (EGTC – European Grouping on Territorial Cooperation). ESPON begon in 2002 en bouwt sindsdien verder aan een panEuropese kennisbasis met betrekking tot territoriale dynamieken. Het ESPON-programma verricht toegepast onderzoek ter ondersteuning van de beleidsformulering voor territoriale ontwikkeling in Europa. Daartoe produceert het programma uitgebreide en systematische gegevens over Europese territoriale trends die verband houden met verschillende economische, sociale en milieuaspecten, met het oog op het identificeren van het potentieel van steden, regio’s en ruimere gebieden, en de economische uitdagingen waarmee ze worden geconfronteerd. De activiteiten van ESPON bestrijken alle EU-lidstaten en een paar andere Europese landen, en er zijn meer dan 130 instanties over het hele continent bij betrokken. Deze verrichten verschillende soorten onderzoek (thematisch, beleidsimpact, thema-overschrijdend, wetenschappelijke netwerken, capaciteitsopbouw) en produceren zodoende territoriale gegevens in de vorm van statistieken, analyses en kaarten. Het doel is om deze informatie toegankelijk en begrijpelijk te maken voor Europese, nationale, regionale en lokale beleidsmakers. Op EU-niveau vormen de resultaten van ESPON eveneens een bron van vergelijkbare informatie die kan worden gebruikt om het competitieve voordeel en de duurzame ontwikkeling van de EU te versterken. 32

Online raadpleging van de policy brief via de website van ESPON: https://www.espon.eu/rural

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 93 van 136


Het huidige ESPON 2020-programma, dat de ESPON 2013- en ESPON 2006-programma’s opvolgt, is gericht op het ondersteunen en bevorderen van Europese territoriale ontwikkelingen en samenwerkingen door middel van het verstrekken van wetenschappelijke informatie, kennisoverdracht en beleidsleren aan overheidsinstanties en andere beleidsactoren op verschillende niveaus. Het voornaamste doel van ESPON 2020 is het versterken van de doeltreffendheid van de EU Cohesion Policy en andere sectorale beleidslijnen en programma’s in kader van de Europese structurele investeringsfondsen (ESI-fondsen) en in kader van ander nationaal en regionaal beleid voor territoriale ontwikkeling. Naast ‘policy briefs’ en ‘policy papers’ als kernproduct, produceert ESPON eveneens casestudies, landenfiches en zogenaamde handboeken. Deze ‘ESPON-handboeken’ hebben als doel het gebruik van de ESPON-resultaten door beleidsmakers te ondersteunen. De handboeken bevatten de essentie van de ESPON-studies en bieden beleidsmakers een stapsgewijze begeleiding in het maken van Europees territoriaal beleid. Type product De ESPON policy briefs zijn korte publicaties (rond de 20 pagina’s) die steeds focussen op een specifiek beleidsthema en hierover territoriale data en analyses voorzien. In de policy briefs worden ook telkens concrete beleidsaanbevelingen gegeven. De manieren waarop deze beleidsaanbevelingen concreet tot stand komen verschillen per policy brief. In de meeste gevallen werken allerlei beleidsdocumenten (rapporten, formele communicatie van de commissie naar het parlement, werkdocumenten, etc.) van de Europese Commissie als zeer sturend in de opmaak van deze beleidsaanbevelingen. Doelgroepen ESPON geeft aan dat hun primaire doelgroep voornamelijk bestaat uit beleidsmakers op Europees, nationaal, regionaal en lokaal niveau. Hierbij stemt ESPON haar producten vooral af op beleidsmakers die verantwoordelijk zijn voor territoriale cohesie, ontwikkeling en planning enerzijds en andere relevante sectorale en thematische beleidslijnen anderzijds. ESPON definieert eveneens een reeks secundaire doelgroepen die als belangrijke gebruikers en ontvangers van de ESPON-producten beschouwd worden. Dit zijn: organisaties die regionale en/of stedelijke belangen op EU-niveau bevorderen, universitaire academici, en de privésector en een breder Europees publiek. Hieraan wordt toegevoegd dat academici en wetenschappelijke onderzoekers als leveranciers van onderzoekscapaciteit en wetenschappelijke kwaliteit zeer belangrijk zijn voor de ESPON-resultaten en -studies, en dat de activiteiten en producten van ESPON indirect dus ook de Europese wetenschappelijke gemeenschap op het gebied van territoriaal onderzoek ten goede komen. Korte inhoud De recente policy brief van ESPON, “Territorial evidence and policy advice for the prosperous future of rural areas”, heeft tot doel de discussies over de toekomst van Europese plattelandsgebieden te ondersteunen en sluit op deze manier aan bij de agenda en prioriteiten van het Portugese voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie. De policy brief presenteert enerzijds territoriale data over het platteland en identificeert anderzijds langetermijntrends op een geïntegreerde en intersectorale wijze. Door complexe territoriale interacties vanuit een strategisch perspectief te benaderen, geeft ESPON in deze policy brief beleidsaanbevelingen voor de langetermijnontwikkeling van plattelandsgebieden. Hierbij streeft men naar een koppeling met de prioriteiten en beleidsmaatregelen die werden gestructureerd in de zes transversale domeinen van de Territoriale Agenda 2030, met als doel een duidelijke territoriale dimensie af te bakenen en op

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 94 van 136


deze manier de beleidsdiscussies omtrent de toekomstige ontwikkeling van plattelandsgebieden adequaat te ondersteunen. Sterktes - De policy briefs van ESPON zijn vrij korte publicaties die enerzijds de wetenschappelijke data en theorie op samenvattende wijze weergeven (vaak aan de hand van kaartmateriaal, figuren en tabellen), en anderzijds duidelijke beleidsaanbevelingen formuleren. Op deze manier is de policy brief een format dat sterk is afgestemd op de primaire doelgroep, namelijk beleidsmakers op verschillende niveaus, maar dat bij uitbreiding ook andere doelgroepen kan aanspreken. - De policy briefs gaan soms gepaard met een meer uitgebreide thematische paper of policy paper, waarin wetenschappelijke data en inzichten gedetailleerder uiteengezet worden. Dit kan een meerwaarde zijn voor bepaalde lezers, zoals bijvoorbeeld academici en wetenschappelijk personeel. - … Zwaktes - Policy briefs zijn voornamelijk gericht op beleidsmakers. Het is dan ook de vraag of policy briefs ook geraadpleegd en gelezen worden door een breder publiek van geïnteresseerde burgers. - … Opportuniteiten voor Vlaamse omgevingsrapportage - Policy briefs kunnen een interessant product van de Vlaamse omgevingsrapportage zijn, dat voornamelijk beleidsmakers als primaire doelgroep kan aanspreken door het verstrekken van informatie die door hen relevant en toegankelijk wordt geacht. - …

6.3 GOEDE PRAKTIJK FICHE: EUROPESE COMMISSIE Product: Policy brief(s) Basisgegevens De Europese Commissie publiceert jaarlijks heel wat policy briefs. Daarom werd er gekozen om ook in deze fiche een specifieke, recente brief verder uit te lichten en te bespreken in context van het bredere kennisplatform, Knowledge4Policy, van de Europese Commissie. The European Commission’s Knowledge Centre for Global Food and Nutrition Security (EC-KCNFS). (2020). Weather and climate extremes impact on food security. Brussels: EC-KCNFS.33 Context van het product De policy brief, “Weather and climate extremes impact on food security”, werd gepubliceerd door het Knowledge4Policy (K4P) platform van de Europese Commissie. K4P richt zich op de ondersteuning van ‘evidence-based policymaking’. Hierbij geven 33

Online raadpleging van de policy brief via de website van de Europese Commissie: https://knowledge4policy.ec.europa.eu/node/10717_nl

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 95 van 136


ze aan te streven naar het organiseren van wetenschappelijke kennis uit heel Europa voor beleidsmakers in heel Europa; ze beperken hun activiteiten dus niet tot de wetenschappelijke kennis en de beleidsmakers die zich binnen de Europese Commissie bevinden. De database van wetenschappelijke kennis van K4P richt zich specifiek op beleidsmakers en wordt aangemaakt en beheerd door een tiental verschillende wetenschappelijke teams, de zogenaamde “Knowledge Services”. Er zijn twee types Knowledge Services: (1) de Knowledge Centres waar je als beleidsmaker terecht kan indien je specifieke informatie nodig hebt over een bepaald beleidsdomein; (2) de Competence Centres die tools aanreiken voor het analyseren van wetenschappelijke kennis die beleidsmatig nuttig kan zijn. De Knowledge Services zijn multidisciplinaire teams die worden geleid door het Europese Joint Research Centre (JRC), de interne wetenschaps- en kennisdienst van de Europese Commissie. Bij elke Knowledge Service zijn daarnaast meerdere afdelingen van de Commissie betrokken (de directoraten-generaal of DG’s), wat K4P een platform voor de hele EU maakt. Type product K4P produceert verschillende types kennis en producten, zoals policy briefs, rapporten, datavisualisaties, projecten etc. Naast zelf gecreëerde producten, bevat de database van K4P ook publicaties van andere auteurs en organisaties die gescreend worden op kwaliteit en relevantie. De producten van K4P kunnen geraadpleegd worden in de Knowledge Base op hun website34; hier kan via de zoekfunctie gezocht worden op type van product en onderwerp. Daarnaast heeft elke Knowledge Service zijn eigen ‘Landing page’ op de K4P-website waarop men meer thematisch specifieke producten kan raadplegen. Bijna alle producten van de Knowledge Services bevinden zich daarnaast ook in de gedeelde Knowledge Base van K4P. Ten laatste heeft K4P ook een blog35 waarop nieuwe ontwikkelingen, activiteiten en projecten van K4P gedeeld worden. Doelgroepen K4P geeft aan zich met hun producten eerst en vooral te richten op (Europese) beleidsmakers als doelpubliek. Naast het uitvoeren van een in-depth publieksonderzoek36 om te ontdekken wat het doelpubliek net wilt en nodig heeft aan informatie, maakt het kennisplatform gebruik van andere hulpmiddelen en maatregelen om hun producten zo veel mogelijk af te stemmen op de doelgroep. Zo bevatten de Knowledge Services niet enkel wetenschappers, maar ook ‘knowledge brokers’ (of ‘kennismakelaars’) die gespecialiseerd zijn in het uitleggen van wetenschappelijke bevindingen aan beleidsmakers. Daarnaast zijn de webpagina’s van elke Knowledge Service meer dan enkel een zoekmachine. Sinds 2020 zijn er binnen elke Knowledge Service interfaces geïntroduceerd die de beleidsmakers moeten helpen om snel policy briefs, datavisualisaties en andere publicaties terug te vinden. K4P zet eveneens in op het versterken van communicatie met hun doelpubliek, in de vorm van de ontwikkeling van ‘online communities’. In deze online communities kunnen gebruikers zelf kennis indienen bij K4P, vragen stellen en commentaar geven op de kennis die ze raadplegen en samenwerken met de Knowledge Services om wetenschappelijke kennis over te dragen naar het openbaar beleid. Korte inhoud De policy brief “Weather and climate extremes impact on food security” die in deze fiche besproken wordt, is een product van het Knowledge Centre for Global Food and Nutrition Security en bespreekt in zo’n drie pagina’s het wetenschappelijk bewijs dat aantoont dat klimaatverandering nu al gevolgen heeft voor de globale landbouw en voedselzekerheid. Aan de hand van cijfer- en 34

K4P website: https://knowledge4policy.ec.europa.eu/home_en K4P blog: https://medium.com/knowledge4policy 36 Meer informatie over dit publieksonderzoek is terug te vinden in volgende blogpost van K4P: https://medium.com/knowledge4policy/evidence-basedpolicymaking-a-story-emerges-from-audience-research-8d77234e1338 35

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 96 van 136


kaartmateriaal wordt aangetoond dat landen met landbouwsystemen die zeer gevoelig zijn voor extreme weersfenomenen, zoals extreme regenval, temperatuurschommelingen en ernstige droogte, in de toekomst sterk getroffen zullen worden op het vlak van voedselvoorziening. Daarnaast wordt ook de invloed van klimaatveranderingen en extreme weersomstandigheden op de visserijproductiviteit besproken die naar verwachting op lange termijn vooral negatief zal evolueren in de tropen, zij het met grote regionale verschillen. Sterktes - De activiteiten en producten van K4P zijn gericht op de specifieke doelgroep van beleidsmakers. Dit geeft de organisatie de mogelijkheid om haar middelen en kennis hierop af te stemmen en een specifieke inhoud te ontwikkelen. Daarnaast wordt er via de consultatie van deze doelgroep gewerkt aan het verbeteren van de toegankelijkheid van de producten (website, zoekfuncties, blogposts, etc.). - Niet enkel wetenschappers, maar ook zogenaamde ‘knowledge brokers’ maken deel uit van de Knowledge Services. Deze ‘kennismakelaars’ hebben een specifieke expertise in het uitleggen van wetenschappelijke resultaten aan beleidsmakers, wat de toegankelijkheid en relevantie van de producten voor deze specifieke doelgroep ten goede komt. - K4P heeft een sterke online aanwezigheid en onderneemt heel wat initiatieven om het gebruiksgemak en de toegankelijkheid van haar producten te verhogen. De organisatie maakt dan ook gebruik van bepaalde interfaces om het doelpubliek te helpen met het vlotjes terugvinden van informatie op de website. - … Zwaktes - Aangezien K4P een specifieke doelgroep bedient, kunnen we veronderstellen dat er veel minder wordt ingezet op de verspreiding van haar producten en activiteiten naar andere, bredere doelgroepen toe. Dit zou als gevolg kunnen hebben dat er minder sprake is van beleidsbeïnvloeding vanuit het middenveld of andere maatschappelijke organisaties, omdat zij minder vlot hun weg vinden naar de producten van K4P. - … Opportuniteiten voor Vlaamse omgevingsrapportage - K4P brengt de noden en wensen van haar doelgroep met betrekking tot de inhoud en het format van de producten in kaart via publieksraadplegingen. Ook de Vlaamse omgevingsrapportage zou kunnen inzetten op het organiseren van consultaties van een of meerdere specifieke doelgroepen zodat de vorm en inhoud van de producten afgestemd kunnen worden op de verwachtingen van bepaalde doelgroepen. - De omgevingsrapportage zou kunnen samenwerken met ‘knowledge brokers’ (of deze expertise via opleidingen zelf kunnen ontwikkelen) om de toegankelijkheid en relevantie van haar producten te verhogen. - Inzetten op de ontwikkeling van een sterke en toegankelijke website waarop de verschillende doelgroepen gericht en snel de voor hen relevante informatie en producten kunnen terugvinden (ontwikkeling van interfaces of online communities bv.). - …

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 97 van 136


6.4 GOEDE PRAKTIJK FICHE: PLANBUREAU VOOR DE LEEFOMGEVING (PBL) Algemene informatie Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) is het Nederlandse instituut voor strategische beleidsanalyse op het gebied van milieu, natuur en ruimte. Het PBL werkt beleidsgericht en verricht zijn analyses, evaluaties en verkenningen primair als input om de kwaliteit van de besluitvorming van kabinet en parlement in Nederland te bevorderen. Daarnaast richt het onderzoek van PBL zich ook op andere overheden, internationale organisaties en maatschappelijke organisaties. Zoals aangegeven op hun website, heeft het PBL de volgende kerntaken: 1. Het in beeld brengen van de actuele kwaliteit van milieu, natuur en ruimte en het evalueren van het gevoerde beleid; 2. Het verkennen van de toekomstige maatschappelijke ontwikkelingen die van invloed zijn op de kwaliteit van milieu, natuur en ruimte, en het ex-ante evalueren van mogelijke beleidsopties; 3. Het signaleren en agenderen van maatschappelijke vraagstukken die van belang zijn voor milieu, natuur en ruimte; 4. Het identificeren van mogelijke strategische opties voor het bereiken van overheidsdoelen op het gebied van milieu en natuur en ruimte. Beleids- en regelgevende context Het PBL is in 2008 ontstaan door een samenvoeging van het Ruimtelijk Planbureau (RPB) en het Milieu- en Natuurplanbureau (MNP), en is een organisatorisch onderdeel van de Nederlandse Rijksoverheid, namelijk het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Gezien deze bijzondere positionering, is de inhoudelijke onafhankelijkheid van het PBL en de collega-planbureaus CPB en SCP gewaarborgd in de Aanwijzingen voor de Planbureaus (Staatscourant 3200, 21 februari 2012)37. Deze bevatten onder meer een juridische verankering van de onafhankelijkheid, het werkprogramma en onderzoeksverzoeken, en de financiële grondslag van het PBL. Zoals aangegeven in de Aanwijzingen vallen de Nederlandse planbureaus onder het gezagsbereik en de verantwoordelijkheid van de eerstverantwoordelijke minister. Dit betekent dat de minister beleidsmatige en beheersmatige (met name de financiële en personele aspecten) zeggenschap heeft over de verantwoordelijkheid voor het planbureau. Daartegenover staat bepaald dat de minister (of staatssecretaris) het planbureau geen aanwijzingen kan geven over de te hanteren onderzoeksmethoden of de inhoud van de rapportages. Als onderdeel van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, ontvangt het PBL jaarlijks een vast budget uit de departementale begroting waarvan de omvang over een langere periode vrijwel constant wordt gehouden en dat niet gerelateerd is aan specifieke opdrachten. De werkzaamheden die het PBL uitvoert worden minimaal 80% begrotingsgefinancierd en maximaal 20% extern gefinancierd. Organisatorische werking en structuren Het PBL telt een 250-tal personeelsleden en is onderverdeeld in twee stafbureaus en zeven inhoudelijke sectoren.

37

Aanwijzingen voor de Planbureaus (Staatscourant 3200, 21 februari 2012): https://www.pbl.nl/sites/default/files/rest/cms/Aanwijzingen_Planbureaus_2012.pdf

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 98 van 136


Jaarlijks stelt de directeur van het PBL een werkprogramma38 vast waarin wordt aangegeven welke structurele producten, strategische thema’s, overige voorgenomen onderzoeksprojecten en externe dienstverlening dat jaar opgenomen zullen worden. Aangezien dit werkprogramma ter advies wordt voorgelegd aan het Begeleidingscollege PBL waarin met een uiteenlopende expertise zetelen (maatschappelijk middenveld, bedrijfsleven, het beleid, etc.), wordt de maatschappelijke- en beleidsrelevantie van dit document op deze manier verzekerd. Het werkprogramma bevat eveneens meer algemene informatie omtrent de kwaliteitsborging en samenwerkingsverbanden39. Sinds 2020 brengt het PBL geen apart jaarverslag meer uit, maar bevat het werkprogramma een terugblik op het vorige jaar. De leidende strategische thema’s in het onderzoek van het PBL werden vastgesteld in het Werkprogramma 2017 en lopen vandaag nog steeds door: klimaatverandering en energietransitie; circulaire economie; voedsel, landbouw en natuur in transformatie; en stad en regio in ontwikkeling. Deze strategische thema’s geven aan over welke grote en urgente maatschappelijke opgaven het PBL de komende jaren relevante analyses en verkenningen van mogelijke opties voor beleid wil maken, maar dekken ook niet het hele onderzoeksveld van het PBL. Regelmatig terugkerende onderdelen van het PBL-werkprogramma zijn daarnaast hun kernproducten, zoals de tweejaarlijkse Balans van de Leefomgeving, de periodieke toekomstverkenningen op het gebied van ruimte, natuur en milieu, en het Compendium voor de Leefomgeving. Het werkprogramma wordt vastgesteld door de directeur van het PBL, na afstemming met het directeuren-generaal-overleg PBL en het Begeleidingscollege PBL en, conform de Aanwijzingen voor de Planbureaus, na te zijn besproken in de Ministerraad. Het werkprogramma wordt dus opgesteld in overleg met verschillende stakeholders, maar het uiteindelijke besluit blijft aan de directeur van het PBL. Een belangrijke actor in dit proces is het Begeleidingscollege PBL dat, naast het verstrekken van advies over het jaarlijkse werkprogramma, ook andere essentiële rollen op zich neemt. Het Begeleidingscollege PBL fungeert immers als een onafhankelijke toezichthouder op zowel de wetenschappelijke kwaliteit als de maatschappelijke relevantie van het PBL-werk. De leden van het Begeleidingscollege worden steeds benoemd voor een periode van 4 jaar, met de mogelijkheid van verleningen. Het Begeleidingscollege heeft momenteel zes leden met een uiteenlopende expertise in het onderzoek, het bedrijfsleven, het maatschappelijk middenveld en/of het beleid40. Het Begeleidingscollege komt gemiddeld drie keer per jaar bijeen en heeft de volgende taken: - Toezicht houden op de wetenschappelijke kwaliteit door de zorg voor de periodieke visitaties op zich te nemen, door toezicht te houden op de hoofdlijnen van het kwaliteitsbeleid, en door het jaarlijks bespreken van een beperkt aantal afzonderlijke producten wat betreft hun kwaliteit en relevantie. - Toezicht houden op de maatschappelijke relevantie aan de hand van het verstrekken van advies over het jaarlijkse werkprogramma en als sparringpartner te fungeren voor de directie van het planbureau, zodat er kan worden gereflecteerd op de werkwijze en inhoud van het werk van PBL. - Waar nodig treedt het Begeleidingscollege daarnaast op als gesprekspartner voor de minister van Infrastructuur en Waterstaat wat betreft het functioneren van het PBL.

Types producten en doelgroepen

38

Werkprogramma 2021: https://www.pbl.nl/sites/default/files/downloads/pbl_wp2021_def.pdf Betreffende de informatie over de samenwerkingsverbanden in het Werkprogramma: dit is eerder een samenvattend overzicht van de belangrijkste partners van het PBL dan een gedetailleerde weergave van de samenwerkingen in de context van concrete projecten of rapporten. Er worden voor specifieke publicaties (Compendium voor de Leefomgeving, Balans voor de Leefomgeving, etc.) dus afzonderlijke samenwerkingsovereenkomsten opgesteld. 40 Voor een overzicht van de leden van het huidig Begeleidingscollege PBL, raadpleeg: https://www.pbl.nl/over-het-pbl/begeleidingscollege 39

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 99 van 136


Gezien de personele en financiële capaciteit van het PBL, is de organisatie in staat om een zeer divers scala aan producten uit te brengen, gaande van rapporten tot websites, (academische) artikels en infographics. Daarnaast is er sprake van een aantal terugkerende en permanente producten, waarover het PBL al dan niet verplicht is om te rapporteren. Het Compendium voor de Leefomgeving (website) is bijvoorbeeld een permanent product waarop een 600-tal indicatoren over ruimte, milieu en natuur doorlopend up-to-date gehouden worden. Een bevattelijk overzicht en interpretatie van deze gegevens worden voorzien in de Balans voor de Leefomgeving, die het PBL tweejaarlijks moet voorzien. De klimaat- en energieverkenning moet elk jaar worden uitgebracht naast een aantal andere toekomstverkenningen die om de vier jaar moeten worden opgemaakt (is wettelijk bepaald). Ten laatste is de 6-jaarlijkse Europese rapportageverplichting over de staat van instandhouding van de Natura2000-gebieden uitbesteed aan het PBL. Zoals op de website vermeld staat, werkt het PBL eerst en vooral beleidsgericht en zijn hun producten bijgevolg primair gericht op de beleidsmaker in brede zin; zowel de nationale als de lokale overheidslagen vallen onder deze noemer. Bij het PBL geeft men daarnaast aan niet voor andere specifieke doelgroepen te werken, maar wel veel aandacht te investeren in de toegankelijkheid van hun verschillende producten. Aangezien ook bedrijven, maatschappelijke organisaties of burgers interesse hebben in de producten van het PBL, worden er in sommige rapporten verschillende lagen van gedetailleerdheid en diepgang ingebouwd. Daarnaast krijgen bezoekers van de PBL-website of het Compendium voor de Leefomgeving zelf tools aangereikt om te bepalen hoe ze geïnformeerd kunnen en willen worden (aan de hand van filters, doorwijslinks, overzichtspagina’s, etc.). Het PBL heeft eveneens een eigen communicatiedienst ter beschikking die voor diverse producten een balans probeert te vinden tussen woord, beeld en getallen, zodat de producten ook interessant materiaal kunnen vormen voor andere doelgroepen dan beleidsmakers. Wetenschappelijke toetsing en kwaliteitsborging Het onderzoek bij het PBL kenmerkt zich door integrerend denken, het maken van verbinding tussen biofysische en institutionele dimensies, en het oog hebben voor de wisselwerking tussen overheid en samenleving en waar mogelijk voor regionale verschillen en de internationale dimensie. Er wordt dan ook sterk multidisciplinair gewerkt. Bij het PBL situeert men zijn sterkte en relevantie vooral in het verbinding brengen tussen politieke dossiers en de mogelijkheid voor beleidsmakers om aan de hand van het PBL-onderzoek hun werk in een bredere context te plaatsen. Een cruciale voorwaarde hiervoor is het garanderen van de wetenschappelijke kwaliteit van het PBL-werk. Het PBL heeft dan ook een beleid voor kwaliteitsborging ontwikkeld en onderneemt in dit kader een aantal activiteiten om de wetenschappelijke kwaliteit te borgen, zowel binnen afzonderlijke projecten als breed voor het hele planbureauwerk: 1. Het PBL besteedt een substantieel deel van zijn budget aan strategische kennisontwikkeling. Het doel hiervan is om kennis te vergaren en methoden te ontwikkelen die het onderzoek van het PBL op lange termijn wetenschappelijk verantwoord en maatschappelijk relevant houden. Deze kennisontwikkeling vindt voor het grootste deel plaats binnen de strategische meerjarenprogramma’s. 2. Het Begeleidingscollege PBL bewaakt de wetenschappelijke kwaliteit van het werk van het planbureau, evenals de beleidsrelevantie en maatschappelijke legitimiteit hiervan. In het bijzonder adviseert het Begeleidingscollege over het werkprogramma van het PBL en het werkprogramma van de Chief Scientist (zie hieronder). 3. Het PBL heeft een deeltijdse Chief Scientist (CS) in dienst, die tevens hoogleraar is aan een Nederlandse universiteit. Het is de taak van de CS om de kwaliteitsborging van het wetenschappelijke onderzoek te helpen organiseren en om de PBL-medewerkers inspiratie en raad te bieden over hoe ze kwaliteitsbewust, wetenschappelijk relevant en impactvol te werk

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 100 van 136


4.

5.

6.

7. 8.

kunnen gaan41. De huidige CS is Prof. Dr. Bas Arts, die in deze functie verantwoording aflegt aan de directie en aan het Begeleidingscollege PBL. Het PBL is om de vijf jaar het onderwerp van een externe, internationale visitatie. Het rapport van de meest recente visitatiecommissie werd in 2018 gepubliceerd, samen met een reactie vanuit het PBL. De visitatiecommissie heeft het PBL beoordeeld op drie punten: wetenschappelijke kwaliteit, relevantie en toekomstbestendigheid. De relevantie en toekomstbestendigheid werden als zeer goed beoordeeld, en de wetenschappelijke kwaliteit van het PBL-werk als excellent. Interne seminars waarin PBL-onderzoekers elkaar kritisch bevragen over het lopende werk, vormen eveneens een belangrijk onderdeel van het kwaliteitsbeleid. In deze seminars staat een kritische toetsing van de aanpak, voortgang en conclusies van het wetenschappelijk onderzoek centraal. Zeer regelmatig nemen ook deskundigen van buiten het PBL deel aan deze debatten. Het PBL geeft aan te werken volgens de Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit42. Daarnaast hanteert het PBL een Klachtenregeling Wetenschappelijke Integriteit (KWI)43 en zijn ze aangesloten bij het Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit (LOWI). Bij grote onderzoeken of onderzoeken van groot belang wordt een wetenschappelijke klankbordgroep ingesteld die moet toetsen of met geschikte, dan wel de best beschikbare onderzoeksmethoden wordt gewerkt, en of analyses op de juiste wijze worden uitgevoerd. Daarnaast vraagt het PBL regelmatig hoogleraren en/of andere externe deskundigen om een oordeel over een concept-rapport te geven. Het PBL investeert in het onderhouden en vergroten van de kennis en vaardigheden van zijn medewerkers. Het PBL heeft dan ook een Academie die lezingen en cursussen organiseert. Om zijn medewerkers daarnaast te ondersteunen in het wetenschappelijk correct toepassen van diverse analysemethoden en modellen, stelt het PBL zogenaamde handreikingen op, die door het PBL zelf of in samenwerking met partnerinstituten ontwikkeld worden. Bij het PBL geeft men aan dat het belangrijk is dat medewerkers heel gericht informatie kunnen terugvinden in deze handreikingen en dat het verhogen van het interne gebruik van de handreikingen vooralsnog een uitdaging blijft.

Onafhankelijkheid en transparantie Aangezien het PBL een organisatorisch onderdeel is van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, geeft men aan dat het borgen van onafhankelijkheid essentieel is voor het PBL. De organisatie stelde dan ook een notitie44 op waarin wordt aangegeven hoe de onafhankelijkheid van het PBL concreet wordt gewaarborgd. Aan de hand van drie dimensies van onafhankelijk onderzoek, zoals onderscheiden in een rapport van de Nederlandse Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV), schetst het PBL een beeld van hoe onafhankelijkheid bij hen concreet vorm krijgt. Onafhankelijkheid in positie: de onafhankelijkheid van de positie van het PBL wordt gewaarborgd in de Aanwijzingen voor de Planbureaus (Staatscourant 3200, 21 februari 2012). Zo leggen de Aanwijzingen vast dat het PBL zelf kan beslissen over en verantwoordelijk is voor de onderwerpkeuze en onderzoeksvragen, de te hanteren onderzoeksmethoden en het openbaar maken van de onderzoeksresultaten (ook wat betreft timing). Een minister of staatssecretaris kan het planbureau dus geen aanwijzingen geven over de te hanteren

41

Alle taken van de CS kunnen teruggevonden worden in het werkprogramma van de Chief Scientist: https://www.pbl.nl/sites/default/files/downloads/pbl-2019-werkprogramma-cs-4011.pdf 42 Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit: https://www.vsnu.nl/files/documenten/Nederlandse%20gedragscode%20wetenschappelijke%20integriteit%202018.pdf 43 Klachtenregeling Wetenschappelijke Integriteit (KWI): https://www.pbl.nl/sites/default/files/downloads/pbl-klachtenregeling-wetenschappelijkeintegriteit.pdf 44 Notitie borging onafhankelijkheid: https://www.pbl.nl/sites/default/files/rest/cms/borging%20onafhankelijkheid%20pbl.pdf

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 101 van 136


onderzoeksmethoden of over de inhoud van de rapportages45. Niettegenstaande kunnen externe partijen (ministeries, politieke partijen, de Staten-Generaal, internationale organisaties, etc.) het PBL wel verzoeken om bepaalde rapportages te maken; in dit geval gelden er bepaalde criteria46 voor het aanvaarden van dergelijke verzoeken. Daarnaast zorgt de vaststelling van het jaarlijks werkprogramma er enerzijds voor dat het PBL ruimte heeft voor onderzoek op eigen initiatief ten einde haar agenderende functie te kunnen vervullen, anderzijds blijft het PBL niet doof voor signalen van buiten aangezien het werkprogramma steeds wordt opgesteld na bespreking in de Ministerraad. Onafhankelijkheid in de oordeelsvorming: het is van belang dat de leiding en de medewerkers van het PBL zich ook echt onafhankelijk kunnen opstellen in hun oordeelsvorming. Dit vraagt onder meer bewustwording van zelfcensuur en tunnelvisie. Indien een medewerker externe druk, interne druk of de noodzaak van zelfcensuur zou ervaren, heeft het PBL een aantal afspraken vastgelegd over wat te doen: • Er is aandacht voor een open cultuur, waarin medewerkers zich veilig en vrij voelen om hun zorgen en twijfels over integriteitsissues te delen, en waarin zaken als normativiteit, bewustzijn van de eigen rol en omgaan met externe druk een regelmatig onderwerp van gesprek zijn. • De KNAW-verklaring van wetenschappelijke onafhankelijkheid wordt expliciet onderschreven en nageleefd. • Als een medewerker concreet ongewenste beïnvloeding ervaart, is het aangewezen dat dit meteen met de betrokkenen besproken worden, inclusief de Chief Scientist en de directie. • Medewerkers hebben rechtstreeks toegang tot een (externe) vertrouwenspersoon wetenschappelijke integriteit. Onafhankelijkheid in de beeldvorming: naast de feitelijke onafhankelijkheid van het PBL, is het eveneens van belang of de maatschappij het PBL-onderzoek ervaart als onafhankelijk. Het PBL geeft aan dat de volgende elementen hieraan bijdragen: • Het openbaar gepubliceerde jaarlijkse werkprogramma laat op hoofdlijnen zien waar het onderzoek van PBL zich op gaat richten. • Tijdens het onderzoeksproces worden de onderzoeksresultaten regelmatig met externen (beleid, wetenschap en samenleving) besproken of voor commentaren voorgelegd. Dit helpt om een kokervisie of gekleurde oordeelsvorming te voorkomen. • PBL-onderzoekers schrijven regelmatig wetenschappelijke artikelen in peer-reviewed tijdschriften. • Het PBL besluit zelf over het tijdstip van publicatie en over eventuele optredens in de media. • Alle onderzoekswerk wordt openbaar gemaakt op de website van PBL. Daarnaast wordt ook steeds meer gedeeld via sociale media. • Als externen een inhoudelijke klacht over PBL-werk indienen, onderzoekt het PBL deze klacht zorgvuldig en reageert er vervolgens open en transparant op. • PBL-medewerkers zijn soms actief op sociale media; hierbij is professioneel gedrag vereist. • Het PBL organiseert regelmatig bijeenkomsten over grote onderzoeksrapporten, waarbij het gesprek wordt aangegaan met vakgenoten en met experts uit het maatschappelijk veld. Ten laatste is het waard te vermelden dat de visitatiecommissie in 2018 wat betreft het onafhankelijk opereren van het planbureau in het bijzonder heeft verwezen naar de stabiele 45

Het Begeleidingscollege PBL bevat bijgevolg ook geen leden die ondergeschikt zijn aan de eerstverantwoordelijke minister of aan een andere belanghebbende minister. De andere leden van het Begeleidingscollege werden niettegenstaande wel benoemd door de minister van Infrastructuur en Waterstaat. 46 Het PBL accepteert een verzoek alleen voor zover: (1) het om inhoudelijke redenen, zoals de beschikbare deskundigheid, voor de hand ligt dat het planbureau het verzoek uitvoert; (2) het verzoek niet afkomstig is van een commerciële organisatie; (3) het verzoek bijdraagt aan de versterking van de publieke taak van het planbureau; (4) het planbureau met de verzoeker zodanige afspraken maakt dat de inhoudelijke onafhankelijkheid van het PBL is veiliggesteld; (5) openbaarmaking van het resultaat van een geaccepteerd verzoek is gegarandeerd, tenzij het een verzoek betreft dat vertrouwelijk van aard is; (6) er capaciteit voor beschikbaar is.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 102 van 136


financieringspositie van het PBL; zij noemt deze “essentieel voor onafhankelijk – inclusief ongevraagd – onderzoek over een breed terrein”, en verzoekt het PBL deze onafhankelijkheid te behouden onder veranderende omstandigheden. Stakeholderbetrokkenheid Het PBL staat in contact met tal van andere (internationale) instellingen, zoals universiteiten, de Europese Commissie en de OESO, en met binnen- en buitenlandse instituten die vergelijkbaar werk doen. Naast deze samenwerkingen, geeft men bij het PBL aan dat men op steeds meer niveaus en momenten plaats maakt voor het betrekken van stakeholders. Zo zorgt de vertegenwoordiging van externe stakeholders uit het bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties en het beleid in het Begeleidingscollege ervoor dat maatschappelijke relevantie en beleidsrelevantie worden nagestreefd in de onderzoeks- en rapportage-activiteiten van het PBL en in het jaarlijks werkprogramma. Ook de directie treedt in kader van de opmaak van het werkprogramma naar buiten voor consultatie met externe stakeholders. Voor grote en complexe onderzoeksprojecten wordt er daarnaast soms een klankbordgroep met externe stakeholders opgezet, waarin zij de ruimte krijgen om mee te denken en suggesties te maken. Ook op het niveau van andere concrete onderzoeksprojecten treedt men steeds meer in contact met stakeholders uit het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties. Op die manier krijgt het PBL een breder zicht op het palet aan doelgroepen en wordt er meer werk gemaakt van een gedegen vraagarticulatie (waar worstelt een bepaalde doelgroep net mee?). Ten laatste organiseert men regelmatig participatieve processen in kader van bepaalde onderzoeksprojecten. De ontwikkeling van scenario’s kan bijvoorbeeld ondersteund worden door het betrekken van vertegenwoordigers van burgergroepen in workshops. Dit kan zowel gebeuren op nationaal als op regionaal niveau. Interne en externe communicatie Het PBL beschikt over een aparte communicatie-afdeling en besteedt dan ook aandacht aan de toegankelijkheid van zijn producten. Het streefdoel is om alle informatie zo aan te bieden dat iedereen deze kan vinden, gebruiken en bekijken. Daarom schenkt het PBL bij beheer en doorontwikkeling van websites aandacht aan gebruiksvriendelijkheid, toegankelijkheid, bouwkwaliteit en vindbaarheid, zodat de websites door alle doelgroepen beter gebruikt kunnen worden. Bij het PBL geeft men verder aan dat er qua communicatie twee tegenstrijdige bewegingen aan de gang zijn. Langs de ene kant komen duurzaamheidsvraagstukken steeds hoger op de politieke agenda te staan en weet de media de onderzoeken en rapportages van PBL steeds beter te vinden en te gebruiken. Langs de andere kant is er sprake van maatschappelijke polarisatie en populisme waardoor bepaalde doelgroepen steeds slechter bereikt kunnen worden. Aangezien heel wat PBLmedewerkers actief zijn op de sociale media, wordt er bij het PBL ook nagedacht hoe hierop ingespeeld kan worden – moeten we in debat gaan met klimaatontkenners of niet? Sociale media, zoals Twitter en Facebook, worden alleszins permanent in de gaten gehouden. Daarnaast staat het PBL vrij om persberichten aan de media te bezorgen. Hierover kan vermeld worden dat het ministerie wel op de hoogte is van deze persberichten, maar hier geen invloed op kan uitoefenen. Dit wordt immers gezien als een belangrijk aspect van de agenderende functie van PBL. Ten laatste beschikt het PBL over een intern productvolgsysteem waarin de medewerkers aangeven welke publicatie ze wanneer zullen maken en uitbrengen. In het periodiek overleg van het PBL met het ministerie wordt de lijst met publicaties van de volgende drie maanden telkens voorgesteld. Bij het PBL stipt men wel aan dat de discipline van de medewerkers om hun producten steeds in te voeren in dit systeem soms tekortschiet.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 103 van 136


Opportuniteiten voor Vlaamse omgevingsrapportage Duidelijke criteria en concrete afspraken omtrent kwaliteitsborging en onafhankelijkheid vaststellen in een (formele) nota. Noodzaak van een onafhankelijke toezichthouder, cf. Begeleidingscollege PBL. Leidende strategische thema’s vaststellen die sturend kunnen werken in de opmaak van (jaarlijkse) werkprogramma’s. Terugkerende en permanente kernproducten voorzien, naast een breder scala van afgeleide producten. Beleidsmakers als primaire doelgroep behouden, maar aandacht besteden aan de toegankelijkheid en beschikbaarheid van de kern- en afgeleide producten. Opportuniteiten voorzien voor stakeholderbetrokkenheid op verschillende niveaus en momenten (op niveau van strategie, evaluatie, vraagarticulatie en concrete onderzoeksprojecten). ‘Controle behouden over communicatie’: persberichten en sociale media als mogelijkheden voor externe communicatie (en het versterken van de agenderingsfunctie), maar steeds omzichtig mee omspringen. Een stabiele financieringspositie waarborgen. … Product: Kansrijk Beleid publicaties Basisgegevens Muilwijk, H., Boezeman, D. & Tiktak, A. (2020). Kansrijk landbouwen voedselbeleid. Analyse van beleidsopties voor de Tweede Kamerverkiezingen van 2021 vanuit verschillende perspectieven. Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving. Verrips, A. & Hilbers, H. (2020). Kansrijk mobiliteitsbeleid 2020. Den Haag: Centraal Planbureau en Planbureau voor de Leefomgeving. CPB / PBL (2016). Kansrijk Woonbeleid. Den Haag: Centraal Planbureau en Planbureau voor de Leefomgeving.

Context van de producten De serie Kansrijk Beleid wordt uitgegeven door het Nederlandse Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), en voor sommige publicaties fungeert het Nederlandse Centraal Planbureau (CPB) als medeuitgever. De serie richt zich op potentiële beleidsopties waarvoor overtuigende wetenschappelijke kennis over de effectiviteit beschikbaar is. De serie geeft daarmee de huidige stand van kennis weer en bevat geen nieuw onderzoek. De kennislacunes geven wel aan waar nieuw onderzoek relevant lijkt. De reeks heeft als doel kennis over een bepaald thema toegankelijk te maken voor beleidsmakers en politici, zodat zij de meest recente kennis tot hun beschikking hebben bij het voorbereiden van beleid, en meer specifiek voor het opstellen van verkiezingsprogramma’s. De Kansrijk-rapporten geven inzicht in de werking van potentiële beleidsopties, en kunnen daarmee de politieke partijen (in spe) helpen bij het maken van goed gefundeerde keuzes.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 104 van 136


Type product Rapporten, gemiddeld 150 tot 200 pagina’s. Doelgroepen Voornamelijk beleidsmakers en politici. Bij uitbreiding ook andere doelgroepen zoals maatschappelijke organisaties, bedrijven of geïnteresseerde burgers. Korte inhoud In elk van de Kansrijk-rapporten worden verschillende beleidsopties, zowel voorgestelde als mogelijke maatregelen, op een rijtje gezet en geëvalueerd aan de hand van bepaalde criteria. Op basis van de beschikbare wetenschappelijke kennis over het betreffende onderwerp, brengt men de effecten van de beleidsmaatregelen in kaart. Wanneer zij het over ‘effecten’ hebben, verwijst dit naar de volgende drie soorten effecten: (1) men zoekt bewijs over de richting van een effect, namelijk of een bepaalde maatregel een causaal effect teweeg zal brengen; (2) men verzamelt eveneens bewijs over de omvang een effect, bijvoorbeeld bewijs dat de werkgelegenheid waarschijnlijk zal dalen met een bepaalde omvang ten gevolge van een bepaalde maatregelen; (3) en men zoekt bewijs over de welvaartseffecten van een maatregel, waarbij het gaat om welvaart in brede zin en zowel de effecten op de kwaliteit van leven hier en nu, als elders en later, omvat. Meer gedetailleerde criteria van effectiviteit of andere maatstaven om beleidsmaatregelen te evalueren, zoals capaciteiten die nodig zijn om de maatregel uit te voeren of de juridische legitimiteit van een maatregel, worden per beleidsterrein specifieker bepaald. Ook de diverse bronnen van informatie verschillen sterk per studie. Het rapport ‘Kansrijk landbouw- en voedselbeleid’ baseert zich bijvoorbeeld voornamelijk op kwalitatieve data aangezien informatie over de precieze effecten van elke maatregel te zeer afhangt van hoe de maatregel concreet geïmplementeerd wordt, terwijl de wetenschappelijke onderbouwing in ‘Kansrijk mobiliteitsbeleid’ voornamelijk gebaseerd is op kwantitatieve analyses met modellen op gebied van mobiliteit. Daarnaast werken ‘Kansrijk mobiliteitsbeleid’ en ‘Kansrijk woonbeleid’ met een basispad dat een bepaalde tijdshorizon in rekening neemt, waarbij de effecten van de maatregelen dus niet worden vergeleken met de huidige situatie in het beleidsdomein, maar met de verwachte toekomstige situatie gegeven het huidige beleid. Sterktes - Sterke afstemming op de doelgroep van de rapporten: zo kiest het PBL in ‘Kansrijk landbouwen voedselbeleid’ voor een bredere aanpak waarin verschillende maatschappelijke waarden het uitgangspunt vormen, zodat ze kunnen aansluiten bij politieke partijen die hun programma’s meer waardengestuurd in willen richten. - De rapporten spelen in op de actualiteit: in ‘Kansrijk landbouw- en voedselbeleid’ werden de beleidsmaatregelen gegroepeerd in vier thema’s die sterk aansluiten bij het actuele maatschappelijke en politieke debat over landbouw en voedsel. De rapporten ‘Kansrijk landbouw- en voedselbeleid’ en ‘Kansrijk mobiliteitsbeleid’, beiden verschenen in volle coronacrisis, gaan de eventuele (lange termijn) impact van de coronacrisis niet uit de weg en wijden hier dan ook een (kort) deel van het rapport aan. - Behapbare en goed geschreven samenvatting aan het begin van elk rapport. - … Zwaktes - ?? Opportuniteiten voor Vlaamse omgevingsrapportage /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 105 van 136


-

-

Publicaties met een sterke afstemming op de noden van een bepaalde doelgroep, met name beleidsmakers en politici. Publicaties met een duidelijk doel voor ogen, zoals het in kaart brengen van de gevolgen van het maken van bepaalde beleidskeuzes. Eventuele mogelijkheid om in kader van deze publicaties, politiekers en beleidsmakers proactief en op vaste tijdstippen te bevragen over welk type informatie zij nodig hebben over welke beleidssectoren en -maatregelen. Toch blijft het hierbij ook belangrijk om aandacht te hebben voor de specifieke prioriteiten van de omgevingsrapportage en op te letten voor het creëren van verwachtingen die later niet vervuld kunnen worden. Het kan een mogelijkheid zijn te werken met duidelijk criteria of een kader waarbinnen deze bijdrages van beleidsmakers gestructureerd kunnen worden (bv. een werkprogramma). …

Product: Nederland verbeeld. Een andere blik op vraagstukken rond de leefomgeving Basisgegevens PBL (2012). Nederland Verbeeld. Een andere blik op vraagstukken rond de leefomgeving. Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving. Onder redactie van Filip de Blois, Laurens Brandes, Anton van Hoorn, Hiddo Huitzing (projectleider), Marjolijn Mercx, Kersten Nabielek, Arthur Petersen, Bas Husslage Weblink: www.pbl.nl/nederlandverbeeld Context van het product Zoals aangegeven in het voorwoord van ‘Nederland verbeeld’, is er door de ontwikkeling in ICT en sociale media de laatste tijd meer aandacht voor infographicsvisualiseringstechnieken van feitenmateriaal. Met ‘Nederland verbeeld’ wil het PBL een andere blik werpen op hun feiten en cijfers, voor de drie domeinen van voedsel, energie en mobiliteit. Naast het aanreiken van cijfermateriaal en inzichten aan de hand van een nieuwe, aansprekende visualiseringstechniek, is ‘Nederland verbeeld’ ook bedoeld als een ‘handreiking’47 om snel een aantal verbanden te kunnen doorgronden. Daarnaast geeft het PBL aan dat dit product niet geheel op zichzelf staat, maar kadert in een breder initiatief om kennis en informatie op uiteenlopende manieren en met verschillende media te ontsluiten. Zo ontwikkelde het PBL in 2012 bijvoorbeeld een app bij het ‘Roads from Rio+20’rapport, en werd het rapport eveneens geïllustreerd met gefilmde interviews met stakeholders (www.pbl.nl/roadsfromrio). Ook voor het digitale platform van het Compendium van de Leefomgeving en het digitale portaal van de Balans van de Leefomgeving maakt het PBL gebruik van nieuwe technieken (www.clo.nl en www.pbl.nl/balans2012). Het product ‘Nederland verbeeld’ won in november 2013 de Infographic Jaarprijs 2013 van de BNO (Beroepsvereniging Nederlandse Ontwerpers) en NVJ (Nederlandse Vereniging van Journalisten). 47

Met het oog op kwaliteitsborging, ontwikkelt PBL, al dan niet in samenwerking met partnerinstituten, zogenaamde ‘handreikingen’. Dit zijn normenkaders of leidraden die door medewerkers van het PBL, of andere planbureaus en onderzoeksinstellingen, gebruikt kunnen worden om methoden en modellen op een wetenschappelijk correcte manier te kunnen toepassen. (zie: https://www.pbl.nl/over-het-pbl/kwaliteitsborging)

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 106 van 136


Het PBL bracht in respectievelijk 2014 en 2015 eveneens de publicaties ‘Bereikbaarheid verbeeld’ en ‘De stad verbeeld’ uit. Type product Presentatie van cijfermateriaal en bijhorende inzichten aan de hand van infographicsvisualeringstechnieken; gepubliceerd in een boekje.

Doelgroepen Zoals vermeld in het voorwoord, presenteert ‘Nederland verbeeld’ niet de details van alle samenhangen in de domeinen van voedsel, energie en mobiliteit. Het heeft daarentegen als doel dat iedereen een gevoel van ‘orde van grootte’ krijgt op basis van het gepresenteerde cijfermateriaal (bijvoorbeeld: wat betekent het eigenlijk als Nederland op termijn een volledig duurzame energievoorziening nastreeft?). Het doelpubliek van dit product kan daarom vrij ruim gedefinieerd worden, en reikt volgens ons van beleidsmakers, onderzoeksinstituten en maatschappelijke organisaties tot geïnteresseerde burgers en de media. Korte inhoud ‘Nederland verbeeld’ presenteert cijfermateriaal over de domeinen van voedsel, energie en mobiliteit op een bevattelijke en aantrekkelijke manier met behulp van infographics. Elk hoofdstuk begint met een inleidende infographic en een korte, algemene uitleg over de toestand en belangrijkste uitdagingen van elk domein. De infographics zelf presenteren uiteenlopende thema’s binnen elk domein; op het vlak van voeding wordt er bijvoorbeeld gekeken naar zowel het aandeel import en export van voedingsproducten in Nederland als naar de mestproblematiek. Waar nodig worden de infographics aangevuld met een kort woordje geschreven tekst. Elk hoofdstuk eindigt met een ‘meer lezen’-onderdeel waarlangs de lezer meer gedetailleerde informatie over de gepresenteerde thema’s kan bekomen. Ook wordt de mogelijkheid geboden om de verantwoording van de cijfers door te nemen via de aangegeven weblink. Sterktes - Omwille van de begrijpbaarheid en aantrekkelijke visualisatie van de informatie heeft ‘Nederland verbeeld’ een brede doelgroep. De publicatie kan door verschillende actoren begrepen en gebruikt worden. - De lezer wordt doorverwezen naar meer gedetailleerde informatie over de verschillende thema’s die aan bod komen in de publicatie. - … Zwaktes - Nog te moeilijk voor de laaggeschoolde lezer? - Cijfers niet altijd even duidelijk te interpreteren – wat betekent het cijfer juist? Soms te weinig uitleg. - … Opportuniteiten voor Vlaamse omgevingsrapportage - Inzetten op nieuwe visualisatietechnieken om informatie bevattelijk en aantrekkelijk voor te stellen, en een bredere doelgroep te bereiken. - Infographics gebruiken om het onderzoek via de (sociale) media te verspreiden en eventueel maatschappelijk debat op gang te brengen. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 107 van 136


Product: digitaal platform ‘Compendium voor de Leefomgeving’

Basisgegevens Het Compendium voor de Leefomgeving is een website met feiten en cijfers over milieu, natuur en ruimte in Nederland. Het is een uitgave van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en Wageningen University & Research (Wageningen UR). Weblink: https://www.clo.nl/ Context van het product Het Compendium voor de Leefomgeving ontstond in 2009 door een samenvoeging van het Milieuen Natuurcompendium, de Monitor Nota Ruimte en de Ruimtemonitor. De website heeft als doel wetenschappelijk onderbouwde feiten en cijfers (een 600-tal indicatoren) beschikbaar te maken ter ondersteuning van de maatschappelijke discussies en keuzes op het gebied van milieu, natuur en ruimte. Het redactieteam van CBS, PBL, RIVM en Wageningen UR ontsluiten in het Compendium zowel gegevens die zij zelf beheren, als gegevens die beschikbaar worden gesteld door andere partijen. Type product Website met zogenaamde ‘indicatorpagina’s’ voor een 600-tal indicatoren. Doelgroepen Het Compendium voor de Leefomgeving is een vrij toegankelijke website en heeft dus een brede doelgroep: beleidsambtenaren bij departementen, provincies, gemeenten en waterschappen, belangenorganisaties, wetenschappers, studenten, journalisten en geïnteresseerde burgers. Alle informatie op de website (tekst, figuren en onderliggende cijfers) is vrij beschikbaar en kan worden gedownload. Korte inhoud Het Compendium voor de Leefomgeving presenteert de cijfers en feiten op zogenaamde indicatorpagina’s. Een indicatorpagina heeft een vast formaat: eerst de hoofdboodschap, dan een kaart, grafiek of tabel (de graadmeter) met een toelichting, de beleidsrelevantie en ten slotte referenties en relevante links. Via deze links worden dwarsverbanden gelegd naar gerelateerde informatie, zowel binnen als buiten het Compendium. Via trefwoorden zijn de indicatoren ondergebracht in een dertigtal milieu-, natuur en ruimteonderwerpen. Deze onderwerpen hebben een zeer brede range: van afval tot klimaatverandering en van bereikbaarheid tot biodiversiteit. De indicatoren in het Compendium voor de Leefomgeving zijn wetenschappelijk onderbouwd en doorlopen een toetsingsproces alvorens te worden gepubliceerd. De gebruiker kan zich via een technische toelichting en links naar referenties op de hoogte stellen van de totstandkoming van elke indicator.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 108 van 136


Het Compendium bevat geen evaluaties van het beleid, maar de informatie uit het Compendium wordt gebruikt in andere (beleidsevaluatie-)publicaties, zoals de tweejaarlijkse Balans van de Leefomgeving en diverse monitoring- en beleidsstudies. Sterktes - De website biedt een overzichtelijke, volledige en up-to-date samenvatting van de toestandsbeschrijving van natuur, milieu en ruimte in Nederland. - PBL gaat samenwerkingen aan met andere partners waardoor meer verschillende data samengebracht kunnen worden. - Bij elke indicator wordt extra informatie toegevoegd, namelijk referenties, een technische toelichting en het archief van de indicator. - Gebruiksvriendelijk: indicatoren zijn gegroepeerd in bredere thema’s en onderwerpen waardoor ze gemakkelijk zijn terug te vinden. - Rubriek ‘in de media’ biedt een overzicht van de meest recente mediaberichten waarin gebruik is gemaakt van informatie uit het Compendium. - …

Zwaktes - Geen vaste publicatiekalender voor de updates van de verschillende indicatoren. Er is wel een aparte rubriek ‘vernieuwd’ waar een overzicht wordt gegeven van indicatoren waarvan de informatie recent werd geactualiseerd. - … Opportuniteiten voor Vlaamse omgevingsrapportage - Toegankelijk overzicht creëren van indicatoren voor toestandsbeschrijving van ruimte en milieu in Vlaanderen. - Samenwerkingen aangaan/ netwerk opbouwen met partnerinstellingen om een volledig overzicht van relevante data in kader van toestandsbeschrijving tot stand te brengen. - … Product: Balans van de Leefomgeving 2020 Basisgegevens PBL (2020). Balans van de Leefomgeving 2020. Burger in zicht, overheid aan zet. Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving. Auteurs: Jetske Bouma, Pieter Boot, Hendrien Bredenoord, Frank Dietz, Martha van Eerdt, Hans van Grinsven, Maikel Kishna, Willem Ligtvoet en Ries van der Wouden (allen PBL), Marlies Sanders (WUR). Onder supervisie van: Rob Weterings, Bas Arts, Hans Mommaas Context van het product De Balans van de Leefomgeving wordt elke twee jaar uitgebracht door het PBL en is onderdeel van de wettelijke taak van het PBL om kabinet en parlement te informeren over de staat van de leefomgeving en het gevoerde leefomgevingsbeleid te evalueren. De Balans van de Leefomgeving bestaat uit twee delen, namelijk de tweejaarlijkse ‘Balans in boekvorm’, met daarin een beschrijving /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 109 van 136


van de staat van de leefomgeving en het leefomgevingsgebied, en de website ‘Balans van de Leefomgeving’ met een overzicht van de beleidsdoelen die relevant zijn voor de leefomgeving en in welke mate deze doelen naar verwachting worden bereikt. Tot 2010 werden er aparte balansen voor milieu en natuur uitgebracht. Sinds 2010 zijn deze samengevat in één publicatie, die in de vorm van een rapport en een website uitgebracht wordt. Bij het PBL geeft men aan dat deze overgang van een aparte milieu- en natuurbalans tot een geïntegreerde balans voor de leefomgeving er kwam op vraag van de toenmalige minister die aangaf geen behoefte meer te hebben aan een jaarlijkse, aparte milieu- en natuurbalans. Wij hebben bij het PBL navraag gedaan over hoe deze integratie van natuur, milieu en ruimte tot leefomgeving bij hen verlopen is in kader van de opmaak van de eerste Balans voor de Leefomgeving in 2010. Geconfronteerd met verschillende paradigma’s vanuit de domeinen van natuur, milieu en ruimte was men initieel begonnen met de opmaak van een nieuw conceptueel kader omtrent leefomgeving aan de hand van allerlei literatuurstudies. Het PBL geeft aan dat men hierbij gaandeweg tot het inzicht kwam dat deze oefening hen niet veel verder bracht, en dat ze daarentegen meer moesten inzetten op de organisatie van formele (en informele) gesprekken in het projectteam. Zodoende heeft men in verschillende gespreksrondes diverse onderwerpen onder de loep genomen waarbij telkens ruimte werd gemaakt voor ieders perspectieven, analysemethoden, types van kennis, lacunes, problemen, enzoverder. Door deze intensieve gesprekssessies hebben de medewerkers uit verschillende disciplines meer begrip voor elkaars concepten ontwikkeld en werd het besef van het bestaan van onderlinge verbanden (en hun relevantie) groter. Op basis hiervan werden er dan ook gezamenlijke concepten en een conceptenlijst ontwikkeld die fungeerde als een onmisbare tool in het afbakenen en opstellen van de concrete hoofdstukken van de eerste balans. Hoewel deze integratieve oefening als geslaagd wordt beschouwd, geeft men bij het PBL aan dat er eveneens organisatorische en inhoudelijke problemen optreden bij de opmaak van de tweejaarlijkse, geïntegreerde balans, en dat ze hier initieel dan ook geen voorstander van waren. Zo vermeldt men bij het PBL dat de continuïteit van het interne productieproces sterker verzekerd was bij de opmaak van een jaarlijkse in plaats van tweejaarlijkse balans. Waar bij een jaarlijkse balans de kennis en vaardigheden top-of-mind bleven bij een vast team van medewerkers, moet men nu elke twee jaar een (deel van het) projectteam samenstellen dat zich telkens opnieuw moet inwerken en inlezen. Men geeft aan dat dit niet alleen het productieproces minder efficiënt maakt, maar ook een minder diepgaande inhoud met zich mee brengt. Doordat de domeinen van milieu, ruimte en natuur bij elkaar gevoegd werden, ervaart men eveneens de druk om bondiger te rapporteren over elk onderwerp. Om een voldoende gefundeerde afweging te kunnen maken bij de beslissingen over wat en hoe te snoeien in de balansen, benadrukt men het belang van een klankbord- of gebruikersgroep voor input en afstemming hierover. Wat betreft het huidige interne productieproces van de balans, geeft men bij het PBL aan dat er telkens – elke twee jaar – twee projectleiders worden aangesteld, waarbij de ene de verantwoordelijkheid draagt voor de organisatie en de andere voor de inhoud. Elke twee jaar wordt slechts een van deze twee projectleiders vervangen, opdat er steeds een historisch geweten in het team aanwezig zou zijn. Verder is er een vast projectteam voor de balans dat bestaat uit een 6 à 7 mensen, dat elke twee jaar wordt versterkt met 15 extra medewerkers die thematisch worden geselecteerd en elk een (deel)hoofdstuk voor hun rekening nemen. Deze projectmedewerkers gaan in eerste instantie op zoek naar kennisdragers binnen het PBL, maar gaan, waar nodig tijdens het productieproces, ook extern te rade bij andere instituten zoals het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en Wageningen University & Research (WUR). De geraadpleegde medewerkers binnen het PBL krijgen voldoende tijd voor hun medewerking aan de balans gereserveerd in hun werkpakketten.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 110 van 136


Over de samenwerking met externe partners worden eveneens formele afspraken gemaakt en is er soms sprake van financiële compensatie. Type product Naast het tastbare Balans van de Leefomgeving-rapport, is er een website Balans van de Leefomgeving48 met een actueel overzicht van de beleidsdoelen die relevant zijn voor de leefomgeving en de mate waarin deze doelen al dan niet worden bereikt. Vanaf 2020 heeft deze Balans-website het nieuwe karakter gekregen van een permanente website die doorlopend wordt vernieuwd. De eerdere, beperkte set van doelen en indicatoren zal worden aangevuld met nieuwe doelen en indicatoren, die niet enkel meer uit het rapport Balans van de Leefomgeving komen, maar ook uit andere PBL-publicaties zoals de Klimaat- en Energieverkenning (KEV) en de Integrale circulaire economie rapportage (ICER). Doelgroepen De Balans van de Leefomgeving richt zich primair op het kabinet en parlement, maar bij het PBL geeft men aan dat de Balans eveneens wordt gelezen en gebruikt door andere doelgroepen zoals onderzoeksinstituten, bedrijven en maatschappelijke organisaties. Korte inhoud In de Balans van de Leefomgeving 2020 staan vier grote leefomgevingsopgaven centraal: klimaatverandering en energie; landbouw, voedsel en natuur; ruimtelijke ontwikkelingen en circulaire economie. Daarnaast is er in de Balans 2020 voor het eerst onderzoek gedaan naar de betrokkenheid van burgers bij de leefomgeving en bij het leefomgevingsbeleid. Uit de analyse blijkt dat, alhoewel er de afgelopen jaren belangrijke stappen zijn gezet in het leefomgevingsbeleid, de uitvoering ervan nog voor een groot deel op gang getrokken moet worden. Het onderzoek naar de betrokkenheid van burgers bij leefomgeving en het beleid toont dat burgers zorg voor de leefomgeving belangrijk vinden, maar ook dat een deel van de burgers zich zorgen maakt over de kosten van het leefomgevingsbeleid. Verder geeft de vernieuwde Balans-website naast het doelbereik ook aan hoe de indicatoren zich de afgelopen vijf jaar trendmatig hebben ontwikkeld. Als aan een indicator een concreet beleidsdoel gekoppeld is, geeft het PBL op de website de voortgang van het doelbereik weer met een kleurcode (stoplicht-systeem). Daarnaast hebben alle actieve indicatoren ook een trendscore gekregen, en is er voor enkele indicatoren zelfs enkel een trendscore beschikbaar indien er voor de specifieke indicator geen helder gekwanitificeerd beleidsdoel voorhanden is. De website wordt steeds bijgewerkt, zodra nieuwe informatie over de indicatoren beschikbaar is. Sterktes - De Balans voor de Leefomgeving is een sterk kernproduct van het PBL waarover binnen de organisatie eigenaarschap werd ontwikkeld en dat hen toelaat zich als invloedrijke actor te positioneren in het Nederlandse leefomgevingsbeleid op het vlak van toestandsbeschrijving, beleidsevaluatie, toekomstverkenning en agendering. Het product blijkt dan ook niet enkel beleidsmakers te bereiken, maar werkt ook door tot in andere middens zoals het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties. - De vernieuwde Balans-website voorziet een permanente en doorlopende rapportage over de doelen en indicatoren. Het stoplicht-systeem dat hierbij wordt gehanteerd (cf. MIRA-website), wordt door PBL zelf aangegeven als een sterkte. Daarnaast kan het nieuwe gegeven van een ‘trendscore’ eveneens inspirerend werken, vooral voor die indicatoren waar geen

48

https://themasites.pbl.nl/balans-leefomgeving/

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 111 van 136


-

gekwantificeerd beleidsdoel aan gekoppeld is. Het is eveneens opmerkelijk dat de vernieuwde website zal worden aangevuld met nieuwe doelen en indicatoren, die niet enkel meer afkomstig zijn uit de Balans van de Leefomgeving maar ook uit andere PBL-producten. …

Zwaktes - Zoals aangegeven door PBL zelf, hebben de verplichting tot 2-jaarlijkse in plaats van 1-jaarlijkse rapportage en de organisatie van het interne productieproces een bepaalde mate van negatieve invloed op de inhoudelijke verdieping die kan worden bereikt in de Balans voor de Leefomgeving. - … Opportuniteiten voor Vlaamse omgevingsrapportage - Ontwikkeling van een sterk en permanent kernproduct dat over toestandsbeschrijving en beleidsevaluatie van omgeving en omgevingsbeleid in Vlaanderen rapporteert op regelmatige basis. - Deze kernrapportage combineren met een toegankelijke en overzichtelijke indicatoren-website (cf. MIRA-website). - Beleidsmakers als doelgroep: kernproduct dat een sterke signaalfunctie heeft naar het primaire doelpubliek toe. - Concreet product dat de aanleiding kan bieden voor een intern visievormingsproces waarin afstemming en doorleving wordt bereikt van concepten en methoden voor omgevingsrapportage. - (Diversiteit van) kennis binnen VPO optimaal benutten aan de hand van een flexibele aanvulling van het vaste projectteam binnen de afdeling. - …

6.5 GOEDE PRAKTIJK FICHE: STATISTIEK VLAANDEREN Algemene informatie Statistiek Vlaanderen is het netwerk van Vlaamse overheidsinstanties die openbare statistieken ontwikkelen, produceren en publiceren. Statistiek Vlaanderen voert een gecoördineerd statistiekbeleid, met als doel inhoudelijk breed gaande kerncijfers over Vlaanderen en de onderliggende data via één portaalsite toegankelijk te maken voor diverse doelgroepen. Deze Vlaamse openbare statistieken worden ontwikkeld in overeenstemming met de wettelijke bepalingen en internationale principes rond kwaliteit, relevantie en onafhankelijkheid. De Vlaamse Statistische Autoriteit (VSA) is een entiteit binnen het Departement Kanselarij en Buitenlandse Zaken, en vormt het coördinerend centrum van het netwerk Statistiek Vlaanderen. De VSA is verantwoordelijk voor (1) de uitwerking en invoering van een openbaar statistiekbeleid bij de Vlaamse overheid; (2) de coördinatie van het netwerk van openbare statistiekproductie, verspreiding en -analyse in samenspraak met statistiekproducenten in de Vlaamse overheid; (3) de productie en ontsluiting van statistieken en analyses voor een zo breed mogelijke gebruikersbasis. De hoofdstatisticus – momenteel is dit Roeland Beerten – staat aan het hoofd van de VSA. Beleids- en regelgevende context

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 112 van 136


De werking van Statistiek Vlaanderen steunt op een uitgebreid wetgevend kader, bestaande uit de Europese Statistiekverordening, de daaruit voortvloeiende Praktijkcode voor Europese Statistieken, en het decreet Vlaamse openbare statistieken. Zo schrijft de Europese praktijkcode 4915 beginselen voor die betrekking hebben op het institutionele kader van statistiekontwikkeling, het statistische productieproces en de statistische output. De Verordening werd op 29 april 2015 aangepast om de governance in het Europese statistische systeem te versterken, de geloofwaardigheid ervan te behouden en te voorzien in de gegevensbehoeften die het gevolg zijn van de versterkte coördinatie van het economisch beleid in de Europese Unie. Een van de aanpassingen is de ondertekening door elke lidstaat, vertegenwoordigd door zijn regering, van een “Vertrouwensverbintenis voor de Statistiek50”. In België werden de principes uit de praktijkcode van de Europese statistiek door een Samenwerkingsakkoord toepasselijk gemaakt op alle openbare statistieken die worden opgemaakt door de statistische autoriteiten van de federale staat, de gewesten en gemeenschappen. De principes en werkwijzen uit de decretale en Europese regelgeving werden eveneens meer gedetailleerd uitgewerkt in de protocollen51 van Statistiek Vlaanderen. De protocollen bevatten een aantal gedragslijnen die van toepassing zijn op alle openbare statistieken en op elke entiteit van het netwerk die ze produceert, en op de bredere ambtelijke en politieke context ervoor. Ze werden eveneens goedgekeurd door de Vlaamse regering. Het besluit Vlaamse openbare statistieken van 22 april 2016 geeft uitvoering aan het decreet, en geeft meer toelichting over de organisatie van de VSA en de rol van de hoofdstatisticus. Het uitvoeringsbesluit verduidelijkt eveneens hoe de coördinatie van de statistiekontwikkeling, productie en -verspreiding georganiseerd wordt met de Vlaamse statistiekproducenten door een Coördinatiecomité voor Vlaamse Openbare Statistieken (CVOS), en hoe de statistiekgebruikers inspraak krijgen via een Raad voor Vlaamse Openbare Statistieken (RVOS). Organisatorische werking en structuren Het netwerk Statistiek Vlaanderen wordt aangestuurd door het ambtelijk Coördinatiecomité voor Vlaamse Openbare Statistieken (CVOS) en de Raad voor Vlaamse Openbare Statistieken (RVOS) voor de uitvoering van de decretale opdrachten. De Vlaamse Statistische Autoriteit (VSA) werd in het decreet opgericht om dit netwerk te organiseren, en vervangt hiermee de vroegere Studiedienst van de Vlaamse regering. In het geval van Statistiek Vlaanderen kunnen we dus spreken van een formeel vastgelegde netwerkorganisatie, waarvan de oprichting en samenstelling werd bepaald in het besluit Vlaamse openbare statistieken van 22 april 2016. Het ambtelijk Coördinatiecomité voor Vlaamse Openbare Statistieken (CVOS) vertegenwoordigt de producenten van Vlaamse openbare statistieken en komt een 6 tot 7 keer per jaar samen om de nodige beslissingen te nemen ter uitvoering van de decretale opdrachten. Dit houdt onder meer in: het opstellen van het jaarlijks Vlaams statistisch programma (VSP), dat naast de gecoördineerde statistiekontwikkeling, -productie en –verspreiding ook rekening houdt met het kwaliteitsbeleid, en de standpuntbepaling voor interfederale en internationale statistiekfora. In CVOS is vertegenwoordiging voorzien per beleidsdomein. In de meeste gevallen wordt het beleidsdomein vertegenwoordigd door het departement. Binnen omgeving is dat dan ook het departement Omgeving.

49

Online raadpleging van de Europese praktijkcode: https://ec.europa.eu/eurostat/documents/4031688/9394211/KS-02-18-142-NL-N.pdf/580e523c-85a4406d-9ad29a78f5820fc6?t=1542711714000#:~:text=De%20Praktijkcode%20voor%20Europese%20statistieken%20vormt%20de%20hoeksteen%20van%20het,statistis che%20procedures%20en%20statistische%20output. 50 Online raadpleging van de Vertrouwensverbintenis voor de Statistiek: https://www.statistiekvlaanderen.be/nl/vertrouwensverbintenis--voor-destatistiek 51 Elk van deze protocollen zijn online raadpleegbaar (in één document) via de volgende link: https://www.statistiekvlaanderen.be/sites/default/files/atoms/files/SV-protocollen-praktijkcode.pdf

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 113 van 136


Het overleg met de statistiekgebruikers wordt verzorgd door de Raad voor Vlaamse Openbare Statistieken (RVOS). De leden van de Raad vertegenwoordigen de departementen en agentschappen, de lokale besturen, de Vlaamse Gemeenschapscommissie, de sociale partners, de middenveldorganisaties en de academische wereld. De Raad geeft advies over het jaarlijks Vlaams statistisch programma (VSP), inclusief het kwaliteitsbeleid. Daarnaast zijn er onder de RVOS een aantal themagroepen opgericht, waarin per statistisch thema gebruikers en producenten worden samengebracht. Zo wordt er bediscussieerd welke statistieken op de lijst in het VSP moeten komen, maar ook welke statistieken er aan de horizon zouden kunnen komen in de toekomst (horizonscanning). Het jaarlijks Vlaams statistisch programma (VSP) komt tot stand door middel van een iteratief proces tussen RVOS en CVOS. CVOS is verantwoordelijk voor het opstellen en opvolgen van het VSP en legt het na advies van RVOS ter goedkeuring voor aan de Vlaamse regering. Indien CVOS bij de opmaak van het programma afwijkt van bepaalde adviezen gegeven door RVOS, moet dit door hen gemotiveerd worden. Het VSP bevat vier elementen: (1) de opmaak van een voorstel voor de lijst van Vlaamse openbare statistieken, met inbegrip van de nog te ontwikkelen statistieken (horizonscan); (2) de opmaak van protocollen, gebaseerd op de Europese praktijkcode voor openbare statistieken; (3) de opmaak van de lijst van samenwerkingsaanvragen; (4) de opmaak van een evaluatie van het kwaliteitsbeleid en van de uitvoering van het Vlaams statistisch programma. We voegen hier nog aan toe dat er momenteel een wijziging van het decreet wordt voorbereid waarin onder andere voorzien wordt om het jaarlijks Vlaams statistisch programma te vervangen door een meerjarig programma. De entiteiten van het netwerk Statistiek zijn verantwoordelijk voor de openbare statistieken die relevant zijn voor hun thematische werking. Vertegenwoordigers per beleidsdomein zijn aanwezig in het CVOS en werken mee aan het opstellen van werkbare protocollen die kunnen gehanteerd worden op Vlaams niveau. Eens deze door CVOS worden goedgekeurd, wordt er verondersteld dat ze worden toegepast binnen de entiteiten van de verschillende beleidsdomeinen. Een goede doorstroom van informatie tussen de vertegenwoordigers van de statistiekproducenten in CVOS en de entiteiten van de Vlaamse overheid is hiervoor noodzakelijk. In overeenstemming met het principe van gelijke toegang uit de Europese praktijkcode voor statistieken, maakt Statistiek Vlaanderen in een vaste publicatieagenda vooraf de tijdstippen bekend waarop de updates van de Vlaamse openbare statistieken gepubliceerd worden. De publicatiedatum van een bepaalde statistiek wordt gekozen door de producerende entiteit en wordt in de weken voorafgaand aan de publicatie definitief bevestigd. Indien de bevestigde datum alsnog wijzigt, wordt de reden van deze wijziging aangegeven (zoals problemen verbonden met het productieproces of met de kwaliteitscontrole). Een uitzondering op het principe van gelijke toegang is de beperkt voorafgaande toegang tot de statistieken voor ministers en hun kabinetten, die statistieken soms graag op voorhand raadplegen ter voorbereiding op vragen van de pers. Zij moeten wachten met communicatie over de nieuwe cijfers tot de statistieken gepubliceerd zijn op de website van Statistiek Vlaanderen. De voorafgaande toegang blijft beperkt in de tijd (maximaal 24 uur) en wat betreft het aantal mensen dat voorafgaande toegang heeft. Ook transparantie wordt verzekerd door de lijst van entiteiten en soms zelfs de namen van personen die de cijfers eerder hebben kunnen raadplegen, te publiceren. Indien er toch misbruiken zouden zijn, kan de hoofdstatisticus de voorafgaande toegang ontzeggen.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 114 van 136


Types producten en doelgroepen De primaire focus van Statistiek Vlaanderen is de publicatie van de statistieken op hun portaalsite waarbij elke statistiek een afzonderlijke webpagina heeft met bijhorende grafieken en uitleg, zijnde statistische duiding. Daarnaast produceert Statistiek Vlaanderen ook secundaire producten, namelijk de onderliggende datasets van de verschillende statistieken die als open data beschikbaar worden gemaakt en rapporten die bepaalde statistieken thematisch samenbrengen. Wat betreft de thematische rapporten, beperkt de VSA zich tot de thema’s waarover zij expertise en bevoegdheid hebben, namelijk demografie en economie. De rapportage over andere thema’s valt immers binnen de bevoegdheid van de betreffende beleidsdomeinen. Omdat Statistiek Vlaanderen deel uitmaakt van het Europees Statistisch Systeem (ESS) is het wel mogelijk dat departementen en agentschappen van andere beleidsdomeinen via het netwerk Statistiek Vlaanderen een Eurostat grant kunnen bekomen voor ontwikkeling van nieuwe statistieken. Aangezien de Vlaamse openbare statistieken via één portaalsite voor iedereen toegankelijk worden gemaakt, heeft Statistiek Vlaanderen een vrij brede doelgroep die reikt van burgers, organisaties en bedrijven tot beleidsmakers. Aan de hand van het overleg met de statistiekgebruikers in de RVOS kunnen noden en wensen van verschillende groepen stakeholders in rekening worden genomen. Daarnaast speelt Statistiek Vlaanderen ook actief in op het beleid en de beleidsnoden, zonder aan eigen onafhankelijkheid in te boeten. Zo is er bijvoorbeeld voldoende speelruimte voor Statistiek Vlaanderen om naast een indicator die door de Vlaamse regering werd voorgesteld ook een andere statistische maat van hetzelfde fenomeen te publiceren. Wetenschappelijke toetsing en kwaliteitsborging De wetenschappelijke kwaliteit van de statistiekontwikkeling en -productie in Europa en Vlaanderen kan steunen op een uitgebreid juridisch kader. Zo bevat de Europese Praktijkcode heel wat principes omtrent kwaliteit die Statistiek Vlaanderen verplicht moet opvolgen; dit zijn onder andere richtlijnen over technische kwaliteit, statistische betrouwbaarheid, coherentie en vergelijkbaarheid doorheen de tijd. Via het Samenwerkingsakkoord werden de principes uit de Praktijkcode toepasselijk gemaakt op alle openbare statistieken geproduceerd door de Vlaamse overheid. Daarnaast zorgt ook de ondertekening van de ‘Vertrouwensverbintenis voor de Statistiek’ ervoor dat de Vlaamse regering de fundamentele principes en hoge kwaliteit van de openbare statistiek expliciet erkent en garandeert. Verder werden de principes van wetenschappelijke kwaliteitsborging door Statistiek Vlaanderen gedetailleerd uitgewerkt in een protocol dat de kwaliteitsstandaarden van de Vlaamse openbare statistieken garandeert en op 11 december 2020 door de Vlaamse regering werd goedgekeurd. Binnen Statistiek Vlaanderen geeft men aan dat voornamelijk het huidige personeelstekort (35 personeelsleden bij VSA) een bedreiging vormt voor de toekomstige verzekering van de wetenschappelijke kwaliteit en kwaliteitsverbetering. Een meer gestructureerde samenwerking met de statistiekproducenten in de verschillende departementen en agentschappen met betrekking tot het verhogen van de kwaliteit van databronnen wordt dan ook gezien als een van de eerste prioriteiten. Onafhankelijkheid en transparantie Ook wat betreft onafhankelijkheid kan Statistiek Vlaanderen rekenen op een sterk wetgevend kader (de Europese Praktijkcode en het decreet Vlaamse openbare statistieken) dat de principes van onafhankelijke statistiekontwikkeling, -productie en -verspreiding voorschrijft. Deze principes werden eveneens geëxpliciteerd in een protocol dat de onafhankelijkheid van de Vlaamse openbare statistieken garandeert. Binnen Statistiek Vlaanderen geeft men aan dat deze wetgeving enerzijds kan fungeren als een stok achter de deur in de onderhandelingen met kabinetten en ministers, die /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 115 van 136


aan de hand hiervan gewezen kunnen worden op hun verantwoordelijkheid voor het vrijwaren van onafhankelijke statistiekproductie. Anderzijds vormt de wetgeving eveneens een inspiratie en fundament voor het ontwikkelen van argumenten omtrent het vertrouwen van de bevolking in de openbare statistieken. De voordelen die dit met zich mee kan brengen voor het beleid fungeren dan eerder als de wortel in de discussies met beleidsmakers. Een mooi voorbeeld hiervan is de vaste publicatieagenda die per statistiek de voorziene publicatiedatum bevat. Aangezien deze hoge mate van transparantie vrij nieuw is in Vlaanderen, werd de publicatieagenda in het begin gemengd onthaald door de politiek. Maar nu de agenda eenmaal in werking is, ziet men politiek ook de voordelen hiervan: de vaste publicatiedata brengen immers een zekere rust in het politieke proces en het systeem van voorafgaande toegang verzekert dat kabinetten en ministers zich eveneens voldoende kunnen voorbereiden op debatten en vragen van de pers. Stakeholderbetrokkenheid Aangezien Statistiek Vlaanderen een netwerk is van Vlaamse overheidsinstanties die openbare statistieken produceren en publiceren, is stakeholderbetrokkenheid sterk verankerd in de dagelijkse werking van het netwerk. De stakeholders die instaan voor de productie van de statistieken zijn vertegenwoordigd in CVOS, terwijl de gebruikers betrokken worden via vertegenwoordiging in RVOS. Er zijn eveneens protocollen die deze stakeholderbetrokkenheid en organisatorische werking formeel regelen, namelijk een protocol voor het betrekken van gebruikers bij Vlaamse openbare statistieken en een protocol dat het organisatorische kader voor de productie van Vlaamse openbare statistieken vastlegt. Interne en externe communicatie Interne communicatie binnen het netwerk Statistiek Vlaanderen verloopt gestructureerd via de werking van CVOS en RVOS. Daarnaast heeft Statistiek Vlaanderen op het vlak van externe communicatie goede (informele) contacten met de pers, die de vertaalslag van de openbare statistieken naar de brede bevolking kunnen maken. Statistiek Vlaanderen zet eveneens in op het verhogen van statistische geletterdheid aan de hand van workshops voor journalisten, kabinetten, etc. omtrent de correcte interpretatie van cijfermateriaal. Opportuniteiten voor Vlaamse omgevingsrapportage Statistiek Vlaanderen kan steunen op een sterk wettelijk kader dat het belang van principes zoals wetenschappelijke kwaliteit, onafhankelijkheid en transparantie onderschrijft en voorschrijft. Binnen Statistiek Vlaanderen geeft men dan ook aan dat dit als een stok achter de deur kan worden gebruikt in onderhandelingen met beleidsmakers. Ook het feit dat deze principes worden toegepast door andere lidstaten van de Europese Unie, kan in kader van de Vlaamse ambitie om een koploperstatus te verwerven binnen de EU gebruikt worden als een argument naar de politiek toe. Bij omgevingsrapportage ontbreekt het dan wel aan soortgelijk sterk regelgevend kader, maar ook voor de omgevingsrapportage kunnen goede praktijken uit het binnen- en buitenland fungeren als een argument binnen discussies met beleidsmakers (in de zin dat Vlaanderen niet kan achterlopen op andere Europese landen). Daarnaast kunnen goede praktijken en principes van rapportage fungeren als inspiratie bij het ontwikkelen van argumenten die beleidsmakers tonen dat er ook voor hen voordelen zijn aan principes van wetenschappelijke robuustheid, onafhankelijkheid en stakeholderbetrokkenheid. Statistiek Vlaanderen functioneert als een netwerkorganisatie, waarin de VSA een sterk coördinerende rol op zich neemt. De statistiekproducenten binnen de Vlaamse overheid krijgen als /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 116 van 136


netwerkleden een grote mate van autonomie in statistiekontwikkeling en -productie, maar moeten hierbij eveneens voldoen aan de kwaliteitsvereisten zoals gesteld in het wettelijk kader omtrent openbare statistieken in Europa en Vlaanderen. De leden van het netwerk zijn daarnaast vertegenwoordigd in het CVOS en krijgen dus medezeggenschap over onder andere het jaarlijkse VSP en de opmaak van de protocollen. Omwille van de thematisch brede inhoud van het begrip ‘omgeving’, zou de omgevingsrapportage eveneens uitgebouwd kunnen worden als een netwerkorganisatie, waarin VPO een coördinerende rol kan opnemen en de netwerkleden regelmatig samengebracht worden in een overlegorgaan (cf. CVOS). De (eventuele) vraag naar autonomie en speelruimte van de netwerkleden kan ondervangen worden door hen inspraak te geven in de opmaak van inhoudelijke en organisatorische procedures (cf. VSP, protocollen en publicatieagenda).

6.6 GOEDE PRAKTIJK FICHE: SCIENTIFIC FORESIGHT SERVICE (STOA) Algemene informatie Het Panel voor de toekomst van wetenschap en technologie (STOA) is door het Bureau van het Parlement in het leven geroepen om projecten op het gebied van technische beoordeling uit te voeren. De activiteiten van STOA vormen een integrerend onderdeel van de officiële werkzaamheden van het Europees Parlement en leveren een bijdrage aan de discussie en regelgeving betreffende wetenschappelijke en technische kwesties van bijzonder politiek belang. STOA heeft de volgende taken: - de parlementaire commissies en de andere betrokken parlementaire organen voorzien van onafhankelijke, hoogwaardige en wetenschappelijk neutrale studies omtrent de beoordeling van nieuwe technologieën; - de organisatie van discussieplatforms waar politici en vertegenwoordigers van wetenschappelijke organisaties of van de maatschappij discussiëren over wetenschappelijke en technische ontwikkelingen; - het bevorderen van een werkelijke dialoog tussen leden van het Europees Parlement, de wetenschappelijke wereld en journalisten, via opleidingen en verspreiding van kennis; - de ondersteuning en coördinatie van initiatieven ter versterking van de activiteiten in de EUlidstaten op het gebied van parlementaire technologiebeoordeling. De thematische prioriteiten van STOA voor de 9e zittingsperiode (2019-2024) van het Europees Parlement zijn de volgende: (1) Artificial intelligence; (2) de Green Deal; (3) Quality of life. Daarnaast heeft STOA horizontale beleidsprioriteiten, namelijk: (1) wetenschap, technologie en innovatie; (2) sociale en ethische uitdagingen; (3) economische uitdagingen; (4) wettelijke uitdagingen. Beleids- en regelgevende context Na een besluit van het Bureau van het Europees Parlement werd STOA officieel gelanceerd in 1987, eerst als een proefproject maar vanaf 1988 als een permanent orgaan. In 2003 keurde het EP-bureau de STOA-regels52 goed waarin de aard van STOA wordt gedefinieerd, de STOA-organen worden beschreven en de randvoorwaarden voor STOA-projecten worden vastgesteld. Hierin staat onder andere bepaald dat STOA zijn activiteiten op zodanige wijze uitvoert dat de resultaten ervan van belang zijn voor het Europees Parlement, en dat de werkzaamheden van STOA gebaseerd zijn op 52

STOA-regels: https://www.europarl.europa.eu/cmsdata/185295/1184799_nl.pdf

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 117 van 136


langetermijndoelstellingen en hierbij als dusdanig verschillen van de onderzoeksdiensten van het secretariaat, die specifieke sectoriële onderzoeken of studies op korte termijn verrichten. Organisatorische werking en structuren De administratie van STOA valt onder de verantwoordelijkheid van het directoraat-generaal Parlementaire Onderzoeksdiensten (DG EPRS), dat binnen zijn afdeling Wetenschappelijke Toekomstverkenningen een secretariaat en een wetenschappelijk team voor STOA heeft opgezet. Het budget van STOA wordt bepaald in de begroting van het Europees Parlement en wordt beheerd door het EPRS. Het STOA-panel vormt een integrerend onderdeel van de structuur van het Europees Parlement en draagt de politieke verantwoordelijkheid voor het werk van STOA. Het STOA-panel bestaat uit 27 leden van het Europees Parlement (MEP’s), die worden genomineerd door elf permanente parlementscommissies. De leden worden voor de duur van een verlengbare periode van tweeënhalf jaar benoemd. Het STOA-panel neemt besluiten over alle activiteiten van STOA. In zijn vergaderingen beluistert het panel presentaties van lopende of recent afgeronde projecten, en beoordeelt het de vooruitgang hieromtrent. De bijeenkomsten van het panel zijn openbaar en te volgen via webstreaming; alle Europese parlementsleden worden uitgenodigd om hieraan deel te nemen, maar enkel de panelleden kunnen stemmen. De administratie van STOA werkt mee aan de voorbereiding en opmaak van de vijfjarenplanning van STOA waarin de activiteiten en prioriteiten van de organisatie bepaald worden. Hierbij wordt er sterk gekeken naar de opdrachten van de Europese commissarissen, zoals bijvoorbeeld de Green Deal of Digital Europe. Deze zaken worden gebundeld, gestructureerd en vertaald in de thematische en horizontale beleidsprioriteiten van STOA. De vijfjarenplanning moet worden goedgekeurd door het STOA-panel. Types producten en doelgroepen STOA verricht twee types van studies: 1. Technology-assessment: deze projecten beoordelen de effecten van relatief bekende en begrepen wetenschappelijke en technologische vernieuwingen, waarbij de uitdagingen en kansen op middellange tot lange termijn geïdentificeerd worden. Het belangrijkste resultaat van deze TA-projecten zijn empirisch onderbouwde beleidsopties voor het verantwoord inzetten van bestaande en opkomende technologieën. 2. Scientific foresight: deze projecten identificeren en beoordelen de (ook onwaarschijnlijke) langetermijneffecten van relatief onbekende of onzekere techno-wetenschappelijke trends op een zo breed mogelijke manier. Binnen deze projecten wordt bestaande wetgeving geanalyseerd in relatie tot de mogelijke toekomstige trends en de gevolgen daarvan. Dit stelt de Europese parlementsleden in staat om te anticiperen op deze ontwikkelingen en te werken aan de gewenste toekomst. Een belangrijke doelgroep van STOA bestaat dus uit de Europese parlementsleden die men concrete beleidsopties wilt aanreiken, evenals de mogelijkheid om beleidsmatig te anticiperen op belangrijke techno-wetenschappelijke trends. Daarnaast richten de producten van STOA zich ook op wetenschapsjournalisten en andere stakeholders die mogelijks impact kunnen ondervinden van nieuwe techno-wetenschappelijke ontwikkelingen. Zoals men bij STOA aangeeft, kan deze groep van stakeholders zeer breed gaan. Om dit brede doelpubliek te kunnen bereiken, heeft STOA sterk ingezet op het ontwikkelen van toegankelijke en begrijpbare producten. Het eindresultaat is dat STOA voor elke studie de vertaalslag van wetenschappelijke rapportage naar verstaanbare informatie probeert te maken met behulp van hun multidisciplinair team. Verder wilde men de connecties met de geïnteresseerde burger versterken door voor bepaalde types van producten te kiezen. Zo vertaalt STOA elke studie /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 118 van 136


naar een korte blogpost53, en heeft de dienst ook een Twitteraccount54, een YouTube-account55 en een podcast56. Recentelijk heeft STOA bijvoorbeeld ook een Facebook-dialoog georganiseerd met universiteitsstudenten, waarbij complexe onderwerpen en vragen succesvol door de studenten werden bediscussieerd en beantwoord. Wetenschappelijke toetsing en kwaliteitsborging STOA-projecten zijn gericht op het voorzien van wetenschappelijk onderzoek en bewijs ter onderbouwing van beleidsbeslissingen, gebaseerd op een state-of-the-art overzicht van transversale onderwerpen met een wetenschappelijke of technologische dimensie. Voorstellen voor studies en projecten kunnen ingediend worden door de verschillende parlementaire commissies en door individuele Europarlementariërs. De ingediende voorstellen worden door het STOA-panel beoordeeld op basis van de volgende criteria: - de relevantie van het onderwerp voor de werkzaamheden van het Parlement; - het wetenschappelijke en technologische karakter van het voorstel; - het strategisch belang van het voorstel en de aansluiting bij de door het STOA-panel vastgestelde prioriteiten; - de beschikbaarheid van wetenschappelijke informatie over het onderwerp. Bij het beoordelen van een voorstel kan het STOA-panel, indien zij dit noodzakelijk achten, ook beroep doen op externe wetenschappelijke deskundigen. STOA blijft soeverein bij de uiteindelijke keuze van onderwerpen en bij het opstellen van de projectspecificaties. Daarbij kan het STOA-panel voorstellen van commissies of parlementsleden accepteren, wijzigen, samenvoegen of afwijzen. STOA voert de besluiten van het STOA-panel uit, meestal met de hulp van externe contractanten die worden geselecteerd op basis van de nodige expertise en in overeenstemming met de financiële regelgeving van de EU-instellingen. De externe contractanten kunnen onderzoeksinstituten, universiteiten, laboratoria, adviesbureaus of individuele onderzoekers zijn. Verder kan het STOA-panel voor elke nieuwe zittingsperiode van het Europees Parlement een internationale adviesraad aanwijzen, bestaande uit vooraanstaande wetenschappers of individuele vertegenwoordigers van de diverse EU-instellingen die actief zijn op het gebied van wetenschap, technologie en media, zodat zij kunnen meedenken over de toekomstige koers van STOA of advies kunnen verstrekken over bepaalde inhoudelijke en methodologische kwesties. Bij STOA benadrukt men het belang van multidisciplinariteit in wetenschappelijke analyse en de combinatie van kwantitatieve en kwalitatieve data en onderzoeksmethoden. Hieronder geven we een kort overzicht van een aantal onderzoeksmethoden die als belangrijke handvaten fungeren in het onderzoek van STOA. We beperken ons hier tot een zeer korte beschrijving van elke methodologie; een visuele representatie van de methoden kan teruggevonden worden in de bijlage van dit document, evenals een vermelding van de bronnen waarop meer informatie over de methoden geraadpleegd kan worden. 1. STEEPED: dit is een methode die STOA gebruikt voor het maken van systeemanalyses. Aangezien mensen, en ook wetenschappers, heel wat blinde vlekken hebben, biedt STEEPED zeven verschillende analytische lenzen aan om naar een bepaalde topic te kijken en het te gaan analyseren. Deze lenzen of domeinen worden verder opgesplitst in verschillende aspecten, met het oog op het zo volledig mogelijk analyseren van het betreffende onderwerp of ontwikkeling 2. Bias Wheel: deze figuur geeft een overzicht van de verschillende biases die wetenschappers en niet-wetenschappers ervaren wanneer ze nadenken over een bepaalde topic, technologie, wetenschappelijke ontwikkeling, etc. Het is een hulpmiddel voor wetenschappers om zich 53

STOA-blog: https://epthinktank.eu/author/stoablogger/ Twitteraccount van STOA: https://twitter.com/ep_sciencetech 55 YouTube-kanaal van STOA: https://www.youtube.com/user/MySTOA 56 Voorbeeld van een STOA-podcast (eveneens op YouTube): https://www.youtube.com/watch?v=McfLzteWrEo 54

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 119 van 136


bewust te worden van de eigen vooroordelen en voorafnames die eventueel ongewild een rol kunnen spelen in de wetenschappelijke studie. 3. Futures Wheel: dit is een veel gebruikte methode bij STOA, waarbij een bepaalde technowetenschappelijke oplossing of ontwikkeling in het midden van de cirkel wordt gezet en je daarrond gaat kijken naar de verschillende impacts van deze technologie. Wanneer de onmiddellijke impacts zijn beschreven en bestudeerd, kan je gaan kijken naar de impacts in de tweede, derde, vierde graad enzoverder. Het doel van deze methode is om zowel de kwantitatieve als kwalitatieve effecten van een technologie of wetenschappelijke ontwikkeling op brede schaal in kaart te brengen. Onafhankelijkheid en transparantie In de STOA-regels staat vermeld dat STOA-studies worden uitgevoerd als open wetenschappelijk onderzoek en niet worden beïnvloed door enig gevestigd belang dat de objectiviteit ervan kan aantasten. De resultaten van de studies worden niet goedgekeurd of aan stemming onderworpen. De resultaten van de STOA-studies weerspiegelen bijgevolg niet noodzakelijkerwijs de visie van de meerderheid in het Europees Parlement. Alle studies die door STOA worden uitgevoerd worden eveneens publiek gepubliceerd via de verschillende kanalen van STOA (website, blogposts, etc.). Een vertegenwoordiger van STOA vult hierbij aan dat onafhankelijkheid in de praktijk eveneens neerkomt op het gebruiken van informatie uit onafhankelijke bronnen en het zo onbevooroordeeld onderzoeken van techno-wetenschappelijke ontwikkelingen op een integrale manier (waarbij je de impacts op de maatschappij zo volledig probeert in te schatten). De methoden die hierboven werden geschetst kunnen hiervoor een handig hulpmiddel zijn. Stakeholderbetrokkenheid STOA is actief in ‘science & technology’-beleidsnetwerken op een internationaal niveau. Daarnaast is STOA een van de oprichters van het European Parliamentary Technology Assessment (EPTA)netwerk en werkt het actief samen met Europese instellingen en organisaties, waaronder het Joint Research Centre (JRC) van de Europese Commissie en DG Onderzoek en Innovatie (DG RTD). Internationaal gezien heeft STOA sterke banden met het STS-forum (Science and Technology in Society), het EuroScience Open Forum (ESOF) en het World Science Forum. Daarnaast besteedt STOA aandacht aan het betrekken van een bredere groep van stakeholders in hun wetenschappelijke analyses. Bij het bestuderen van de impacts van een bepaalde technowetenschappelijke ontwikkeling wordt er bijvoorbeeld gepoogd om alle ‘hopes and fears’ op te lijsten van de verschillende stakeholders die een belang hebben bij of een impact kunnen ervaren van de betreffende ontwikkeling. Hierbij wordt er gestreefd naar een goede representatie van de verschillende stakeholders (bijvoorbeeld wat betreft GGO’s worden zowel de industrie als anti-GGO organisaties betrokken). Dit maakt het proces zeer interessant, maar ook altijd heel delicaat. Toch benadrukt een vertegenwoordiger van STOA het nut hiervan voor beleidsmakers in kader van het maken van bepaalde beleidsbeslissingen en de communicatie hieromtrent, aangezien zij via stakeholder engagement op voorhand zicht kunnen krijgen op hoe sommige groepen zullen reageren op een bepaalde beleidsbeslissing. Interne en externe communicatie Binnen STOA wordt er veel aandacht besteed aan het kritisch kunnen bekijken van het eigen onderzoekswerk, evenals aan bewustwording over biases en voorafnames die studies kunnen beïnvloeden en aan openheid tegenover collega’s die anderen hierop wijzen. Zo gebruikt men bij STOA een aantal speelse oefeningen die openheid en onderling vertrouwen veronderstellen en gericht zijn op het kritisch kunnen bekijken van eigen activiteiten. Naast het gebruik van interne feedbackloops, doet STOA regelmatig de zogenaamde ‘Dailymail-test’ waarbij de medewerkers /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 120 van 136


proberen in te schatten wat kranten zouden kunnen schrijven over bepaalde (beleids- of onderzoeks)beslissingen door zelf advocaat van de duivel te spelen. Daarnaast werkt STOA veel met ‘what if-vragen’ en maken ze hier ook elke maand een publicatie over. Het hanteren van een open blik en onderling vertrouwen tussen de medewerkers zijn noodzakelijk bij het reflecteren over deze what if-scenario’s. Wat betreft externe communicatie, zet STOA enerzijds in op het gebruik van sociale media, zoals Twitter, Facebook en een blogpagina. Anderzijds werkt STOA samen met wetenschapsjournalisten door hen cursussen aan te bieden omtrent journalistieke impact en fake news. Verder betaalt STOA ook journalisten om populaire (kranten)artikels te schrijven over de STOA-studies en onderzoeksresultaten. Opportuniteiten voor Vlaamse omgevingsrapportage - Inzetten op het gebruik van verschillende (sociale) media voor de verspreiding van onderzoeksbevindingen en -inzichten, zoals Twitter, podcasts, YouTube-video’s, etc. Er kan eveneens samengewerkt worden met (wetenschaps-)journalisten en de klassieke media, in de vorm van uitbestedingen of via het geven van vormingssessies aan deze doelgroep. - Naast onafhankelijkheid in positie, ook nadenken over hoe onafhankelijkheid in wetenschappelijke oordeelsvorming vormgegeven kan worden en wat hierbij belangrijke criteria zijn. Het bias wheel zou hierbij een handig hulpmiddel kunnen zijn. - Een lijst van criteria opstellen op basis waarvan onderzoeksvoorstellen en -vragen van de Vlaamse Regering geëvalueerd kunnen worden. - Analyses van stakeholderopinies en -bekommernissen (bijvoorbeeld ‘hopes and fears’) deel laten uitmaken van de inhoud van de omgevingsrapportage, en in het kader hiervan eventueel participatieve processen organiseren. - Oprichting van een wetenschappelijke adviesraad (cf. internationale adviesraad STOA) die kan meedenken over de koers van de Vlaamse omgevingsrapportage en over wetenschappelijke kwesties. - Gebruik maken van laagdrempelige, meer speelse oefeningen om een open organisatiecultuur te bekomen waar collega’s in een context van onderling vertrouwen elkaars werk kritisch onder de loep kunnen nemen. - …

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 121 van 136


Bijlagen: STEEPED, Bias Wheel & The Futures Wheel

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 122 van 136


/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 123 van 136


6.7 GOEDE PRAKTIJK FICHE: VLAAMSE REGIONALE INDICATOREN RAPPORTEN (VRIND) Basisgegevens Studiedienst Vlaamse Regering. (2017). VRIND 2017. Vlaamse Regionale Indicatoren. Brussel: Departement Kanselarij en Bestuur. Context van het product De Vlaamse Regionale Indicatoren (VRIND) rapporten werden tot 2017 jaarlijks gepubliceerd door de Studiedienst van de Vlaamse Regering, dat deel uitmaakt van het departement Kanselarij en Bestuur van de Vlaamse overheid. Het jaarrapport gaf aan de hand van statistisch cijfermateriaal een beeld van wat de Vlaamse overheid doet, op welke beleidsdomeinen ze actief is en met welke resultaten. De cijfergegevens werden voorafgegaan door een schets van de recente sociaalculturele, economische, demografische en institutionele ontwikkelingen in Vlaanderen. Aan de hand van talrijke beleids- en omgevingsindicatoren omtrent de thema’s van welvaart, welzijn, cultuur en vrije tijd en omgeving gaven de publicaties een zo volledig mogelijk beeld van de Vlaamse samenleving. Type product De Vlaamse Regionale Indicatoren werden gepresenteerd in een rapport van ongeveer 500 pagina’s lang, dat online geraadpleegd kon worden via de website van de Vlaamse overheid. Op deze website kon de lezer eveneens de cijferreeksen en metadata van de gepresenteerde indicatoren in VRIND consulteren via de rubriek Statistieken.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 124 van 136


Doelgroepen Aangezien het jaarlijkse VRIND-rapport thematisch zeer uitgebreide indicatoren en cijferreeksen presenteerde, had het rapport geen specifieke doelgroep voor ogen. Het statistisch cijfermateriaal kon zowel van nut zijn voor beleidsmakers als voor wetenschappers, middenveldorganisaties, bedrijven en de burger. Korte inhoud Zoals eerder aangegeven bracht het VRIND-rapport cijfermateriaal en indicatoren bijeen uit verschillende Vlaamse beleidsdomeinen. Na het schetsen van een algemeen referentiekader van de sociaal-culturele, macro-economische, demografische en institutionele context in Vlaanderen, werden de indicatoren in verschillende clusters (welvaart, welzijn, cultuur en vrije tijd, omgeving) weergegeven. Per cluster werden specifieke thema’s (sterk overeenkomend met de verschillende beleidsdomeinen) dan telkens verder verkend en uitgediept. Sterktes - Zoals een respondent uit de interviewronde aangaf, was het jaarlijkse VRIND-rapport een toegankelijke en overzichtelijke bron van informatie waarin de lezer gericht cijfermateriaal over Vlaanderen kon raadplegen (met de zekerheid dat het gezochte cijfermateriaal hoogst waarschijnlijk terug te vinden zou zijn in het rapport). De respondent vermeldt hierover verder dat de weergave van het cijfermateriaal in verschillende hoofdstukken (en deelhoofdstukken) handig was om ook meteen het bredere plaatje (de context achter de cijfers) te vatten. De lezer kon daarnaast gemakkelijk ‘hoppen’ over verschillende thema’s heen, wat maakte dat je ook iets kon opsteken over de andere domeinen in Vlaanderen. Ten laatste drukte de respondent ook een waardering uit tegenover de korte samenvattingen die tussen het cijfermateriaal door werden weergegeven. - De cijferreeksen en indicatoren werden gepresenteerd aan de hand van duidelijke figuren en tabellen, telkens vergezeld van een woordje uitleg over de cijfers. - Geïnteresseerde lezers konden de ruwe cijferreeksen en metadata online raadplegen via de website. Dit verhoogt de transparantie van het product. - … Zwaktes - ? Opportuniteiten voor Vlaamse omgevingsrapportage - De Vlaamse omgevingsrapportage kan inzetten op het ontwikkelen van een sterk kernproduct (rapport of website) dat cijfermateriaal en indicatoren over omgeving overzichtelijk en behapbaar weergeeft (cf. MIRA-website), zodat de verschillende doelgroepen meteen weten waar ze terecht kunnen indien ze nood hebben aan bepaalde informatie. De gepresenteerde indicatoren kunnen, naast ruimte en milieu, uitgebreid worden tot cijfermateriaal van andere beleidsdomeinen die een impact hebben op de omgeving, zoals landbouw, mobiliteit en energie. - …

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 125 van 136


REFERENTIES Bijker, W.E., Bal, R., & Hendriks, R. (2009). The Paradox of Scientific Authority: The Role of Scientific Advice in Democracies. MIT Press: Cambridge, MA. Boezeman, D., Vink, M., & Leroy, P. (2013). The Dutch delta committee as a boundary organization. Environ. Sci. Policy, 27, 162-171. Cash, D.W., & Moser, S.C. (2000). Linking global and local scales: designing dynamic assessment and management processes. Global Environ. Change, 10, 109–120. Cash, D.W., & Belloy, P.G. (2020). Salience, Credibility and Legitimacy in a Rapidly Shifting World of Knowledge and Action. Sustainability, 12, 7376; doi:10.3390/su12187376. Cash, D., Clark, W., Alcock, F., Dickson, N., Eckley, N., & Jäger, J. (2002). Salience, Credibility, Legitimacy and Boundaries: Linking Research, Assessment and Decision Making. KSG Working Papers Series RWP02-046. Cash, D.W., Clark, W.C., Alcock, F., Dickson, N.M., Eckley, N., Guston, D.H., Jäger, J., & Mitchell, R.B. (2003). Knowledge systems for sustainable development. PNAS, 100 (14), 8086–8091. Clark, W.C., Tomich, T.P., van Noordwijk, M., Guston, D., Catacutan, D., Dickson, N.M., & McNie, E. (2011). Boundary work for sustainable development: natural resource management at the Consultative Group on International Agricultural Research (CGIAR). Proceedings of the National Academy of Science, http://dx.doi.org/10.1073/pnas.0900231108. Clarke, A., & Star, S.L. (2008). The social worlds framework: a theory/methods package. In E.J. Hackett, O. Amsterdamska, M. Lynch, J. Wajcman (Eds.), The Handbook of Science & Technology Studies. 3rd ed. MIT Press (pp. 113–137). Cambridge. Gieryn, T.F. (1995). Boundaries of science. In S. Jasanoff, G. Markle, J. Petersen, T. Pinch (Eds.), Handbook of Science and Technology Studies (pp. 393-443). Sage: Thousand Oaks. Gieryn, T.F. (1999). Cultural Boundaries of Science: Credibility on the Line. University of Chicago Press: Chicago. Graham, A., & Mitchell, C.L. (2016). The role of boundary organizations in climate change adaption from the perspective of municipal practitioners. Clim. Change. http://dx.doi.org/10.1007/s10584016-1799-6. Gustafsson, K.M. (2019). Learning from the Experiences of the Intergovernmental Panel on Climate Change: Balancing Science and Policy to Enable Trustworthy Knowledge. Sustainability, 11, 6533; doi:10.3390/su11236533. Gustafsson, K.M., & Lidskog, R. (2018). Boundary organizations and environmental governance: Performance, institutional design, and conceptual development. Clim. Risk Manag., 19, 1-11.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 126 van 136


Guston, D.H. (2001). Boundary organizations in environmental policy and science: an introduction. Sci. Technol. Hum. Values, 26(4), 399-408. Halffman, W. (2003). Boundaries of Regulatory Science: Eco/toxicology and Aquatic Hazards of Chemicals in the US, England, and the Netherlands, 1970–1995. (PhD thesis). University of Amsterdam: Amsterdam. Heink, U., Marquard, E., Heubach, K., Jax, K., Hugel, C., Neßhöver, C., Neumann, R.M., Paulsch, A., Tilch, S., Timaeus, J., & Vandewalle, M. (2015). Conceptualizing credibility, relevance and legitimacy for evaluating the effectiveness of science-policy interfaces: challenges and opportunities. Sci. Publ. Policy 42 (5), 676–689. Hisschemöller, M., & Sioziou, I. (2013). Boundary organisations for resource mobilization: enhancing citizens’ involvement in the Dutch energy transition. Environ. Politics, 22 (5), 792–810. Hoppe, R., & Wesselink, A. (2014). Comparing the role of boundary organizations in the governance of climate change in the EU member states. Environ. Sci. Policy, 44, 73–85. Humphreys, D. (2009). Working across boundaries: science–policy interfaces and international forest politics. J. Integr. Environ. Sci., 6 (3), 163–174. Jasanoff, S. (1990). The Fifth Brach. Science Advises and Policymakers. Harvard University Press: Cambridge, Ma. Klerkx, L., & Leeuwis, C. (2008). Delegation of authority in research funding to networks: experiences with a multiple goal boundary organization. Sci. Publ. Policy, 35 (3), 183-196. Leinfelder, H. (2019). Expertenadvies ‘Beleidsplanning voor omgeving – reflecties vanuit een ruimtelijk beleidsperspectief’. KU Leuven-P.PUL (15 januari 2019). Lentsch, J., & Weingart, P. (2011). Quality control in the advisory process: towards an institutional design for robust science advice. In J. Lentsch, & P. Weingart (Eds.), The Politics of Scientific Advice: Institutional Design for Quality Assurance (pp.353-374). Cambridge University Press: Cambridge. Lidskog, R. (2014). Representing and regulating nature: boundary organisations, portable representations, and the science–policy interface. Environ. Politics, 23 (4), 670–687. Milieurapportage (MIRA). (2018). Milieuverkenning 2018: Oplossingen voor een duurzame toekomst. MIRA: Brussel. Miller, C. (2001). Hybrid management: boundary organizations, science policy, and environmental governance in the climate regime. Science, Technology & Human Values, 26, 478-450. Mørk, B.E., Hoholm, T., Maaninen-Olsson, E., & Aanestad, M. (2012). Changing practice through boundary organizing: a case from medical R&D. Hum. Relat., 65 (2), 263–288. Nowotny, H. (2003). Democratising expertise and socially robust knowledge. Science and Public Policy, 30, 151–156.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 127 van 136


Ourbak, T., & Laurence, T. (2017). Changing the game: The Paris Agreement and the role of scientific communities. Clim. Policy, 17, 819–824. Parker, J., & Crona, B. (2012). On being all things to all people: boundary organizations and the contemporary research university. Soc. Stud. Sci., 42 (2), 262–289. Pesch, U., Huitema, D., & Hisschemöller, M. (2012). A boundary organization and its changing environment: the Netherlands Environmental Assessment Agency, the MNP. Environ. Plann. C: Government Policy, 30, 487–503. Star, S.L., & Griesemer, J.R. (1989). Institutional Ecology, ‘Translations’ and Boundary Objects: Amateurs and Professionals in Berkeley’s Museum of Vertebrate Zoology, 1907–39. Social Studies of Science, 19, 387-420. van de Laak, P., Leroy, P., & Goedman, J. (2018). Dashboard voor stedelijke regio’s. Een essay. Romagazine, maart 2018. Retrieved from: https://www.stedeling.nl/publicatie-dashboard-voorstedelijke-regios-een-essay/ Wehrens, R.L.E., Bekker, M.P.M., & Bal, R.A. (2013). Hybrid management configurations in joint research. Sci. Technol. Hum. Values, 39 (1), 6–41. Weiss, C.H. (1998). Have we learned anything new about the use of evaluation? American Journal of Evaluation, 19 (1), 21-33. Zehr, S. (2005). Comparative boundary work: US acid rain and global climate change policy deliberations. Sci. Publ. Policy, 32 (6), 445–456.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 128 van 136


BIJLAGEN 1. RESPONDENTENLIJST Respondenten van het solo-/duo/trio-interview

Organisatie(s)

Datum

Pieter Leroy Roeland Beerten Lieve Van Woensel

o.a. Stuurgroep MIRA Statistiek Vlaanderen Scientific Foresight Service Unit (STOA) o.a. Scientific committee EEA SERV & Minaraad

3 juni 2021 8 juni 2021 11 juni 2021

KU Leuven Universiteit Antwerpen & KU Leuven

21 juni 2021 25 juni 2021

PBL SALV, SARO & MORA

25 juni 2021 28 juni 2021

Vlaams parlementslid (Groen) NARA

28 juni 2021 29 juni 2021

VMM, INBO & Dep. Omgeving

7 juli 2021

VLM VPO Kabinet Zuhal Demir

14 juli 2021 14 juli 2021 Verontschuldigd

Vlaamse parlementsleden

Verontschuldigd

Claire Dupont Peter Van Humbeeck & Jan Verheeke Ellen Fobé Ilse Loots & Hans Leinfelder Ed Dammers & Nico Hoogervorst Koen Carels, Bea Kayaerts & Frank Van Thillo Chris Steenwegen Kris Verheyen, Anik Schneiders & Wouter Van Reeth Bernard De Potter, Maurice Hoffmann & Peter Cabus Dirk Van Gijseghem Ivo Palmers Bob Van Den Broeck, Victor Dries & Gaëtane Maes Steven Coenegrachts (Open VLD) & Wilfried Vandaele (N-VA)

15 juni 2021 16 juni 2021

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 129 van 136


2. VRAGENLIJST WAT (DOELEN EN VERWACHTINGEN)? Vragen Wat zijn de algemene verwachtingen voor de omgevingsrapportage, op korte en lange termijn, welke rol(len) moet de omgevingsrapportage vervullen? Wat is de de niche van de omgevingsrapportage t.o.v. andere bestaande rapportages (toestand, evaluatie en toekomstverkenning) binnen en buiten het beleidsdomein?

Opmerkingen Algemene vraag als inleiding

Hierbij aansluitend: kan het een meerwaarde zijn om gezamenlijke rapportages te maken, al dan niet als evenwaardige partners? Zo ja, voor welk type rapportage, hebt u concrete suggesties hiervoor? Hoe kunnen de drie decretale taakstellingen van toestandsrapportering, evaluatie, toekomstverkenningen) ingepast worden in deze doelen en verwachtingen? Wat is de rol van de inhoudelijke ‘onderdelen’ toestandsbeschrijving, beleidsevaluatie en toekomstverkenning in de omgevingsrapportage en hoe verhouden deze drie onderdelen zich tot elkaar?

VOOR WIE (DOELGROEPEN VRAAGZIJDE) (EN WAT)? Vragen Welke doelgroepen moet de omgevingsrapportage bedienen? Politici, beleidsmakers (welke beleidsniveaus en -domeinen, strategisch niveau en/of domeinexperten), middenveld, ngo’s economische sectoren?

Opmerkingen Cf. lijst van doelgroepen/gebruikers, incl. nieuwe doelgroepen

Wie zijn de primaire doelgroepen? Zijn er ook ‘nieuwe’ doelgroepen zoals lokale of bovenlokale overheden, bv. gemeenten die steeds meer taken zullen opnemen en die vaak informatie ontbreken / /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 130 van 136


bestuursregio’s, net ontwikkeld, die belangrijke taken zullen opnemen? Vinden jullie onderwijs een doelgroep voor omgevingsrapportage? Idem dito voor de burger? Wat met de mogelijke rol van intermediairen? Wat zijn de verwachtingen van de verschillende gebruikers: - waarover is informatie nodig? (thematisch); - welke soort informatie? (bv. wetenschappelijk of populariserend, verhalende kennis of ‘harde’ kwantitatieve kennis of beide?); - op welke manier kan geïnformeerd te worden (procesmatig).

Verdieping van de inleidende vraag over algemene verwachtingen Openstaande vraag: Is het relevant om de verwachtingen van doelgroepen te bevragen anders dan de doelgroep waartoe de respondent behoort? Lijkt relevant te zijn bij bepaalde respondenten/experten.

WAAROVER (THEMATISCHE KEUZES) VIA WELK TYPE PRODUCTEN? Vragen We stellen voor om de ‘fysieke leefomgeving’ als onderwerp te stellen voor de omgevingsrapportage. Met de fysieke leefomgeving wordt bedoeld cf. https://omgeving.vlaanderen.be/omgevingsbeleidin-vlaanderen. Wat is je mening hierover (opportuniteiten, beperkingen, …), gekoppeld aan het op te stellen toekomsttraject.

Opmerkingen

Welke thema’s of aspecten van de fysieke leefomgeving moeten worden opgenomen in de omgevingsrapportage? Wat zijn bruikbare conceptuele kaders en methodische benaderingen voor integratie van milieu en ruimte? We zien een trend om het te hebben over systeemveranderingen en over maatschappelijke drivers achter (het gebrek aan) systeemveranderingen, cf. SOER van EEA. Wat is je mening hierover? Welke rol heeft de omgevingsrapportage in de verschillende onderdelen van de beleidscycli, zijnde agendering, beleidsvoorbereiding, beleidsuitvoering en evaluatie?

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 131 van 136


Welk type informatie moet aangeleverd worden voor welk onderdeel, geef voorbeelden van mogelijke onderwerpen? Welke types producten en diensten wordt gedacht? Wat zijn de voor- en nadelen van elk van deze types producten en diensten?

Te doen: Lijst opmaken van ‘soorten’ van informatie, met voorbeelden RURA en MIRA.

Bv. ‘Thematische rapportages met helicopterperpectief’: inleidend, toegankelijk voor breed publiek; politiek niet zo gevoelig. Voorwaarden: digitaal/papier, visueel aantrekkelijk, laagdrempelig. Doelgroep: het brede publiek, studenten, leerlingen… Bv. Fiches met cijfers (indicatorrapportage) op de website: veel detail, moeilijker toegankelijk… Maar mogen er ook conclusies getrokken worden? Doelgroep: vakspecialisten. Bv. Short briefings and articles: samenvattend, toegankelijk voor breed publiek, informerend. Voorwaarden: digitaal/papier, visueel aantrekkelijk, laagdrempelig. Doelgroep: het brede publiek… Bv. Press material, incl. persteksten, tweets, facebook posts… Bv. Online producten en diensten. Welke soort informatie in RURA en MIRA moet behouden en/of uitgebreid worden; wat ontbreekt nog en waarom?

WANNEER (MILESTONES)? Vragen Naar welke mijlpalen schrijf je toe, in functie van verschillende producten?

Opmerkingen Zowel externe als interne mijlpalen

Mogelijke mijlpalen = memoranda politieke partijen, sleutelmomenten/deadlines voor Europese of internationale rapportageverplichtingen …? Voor het brede publiek interessante data om ‘overzicht’ te krijgen, bv. Wereldwaterdag? Of ‘eigen mijlpalen’, bv. op basis van beschikbaarheid van data…?

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 132 van 136


HOE ORGANISEREN (RANDVOORWAARDEN EN PROCESSEN)? Vragen De randvoorwaarden van onafhankelijkheid, wetenschappelijkheid, maatschappelijke inbedding en transparantie zijn van essentieel belang voor de acceptatie en doorwerking van de omgevingsrapportage. Hoe kunnen/moeten de processen van de omgevingsrapportage geregeld worden zodat de verschillende randvoorwaarden vervuld worden?

Opmerkingen Voorstel om te vertrekken van de randvoorwaarden uit SERV-advies en zelf interpretatie uitwerken en voorleggen aan respondenten, met de vraag naar aanvullingen en voorbeelden (goed/slecht). PBL hanteert drie vrij algemeen aanvaarde succescriteria voor SOER: relevantie, geloofwaardigheid/wetenschappelijkheid, en legitimiteit (cf: https://www.pbl.nl/over-hetpbl/kwaliteitsborging ) en in PBL-rapport ‘Kennis met impact’ is ‘onafhankelijkheid’ als vierde criterium toegevoegd. Optie om het grootste deel van de bevraging (over proces?) te structureren rond randvoorwaarden.

Maatschappelijke betrokkenheid: - Wanneer doelgroepen betrekken? In welke fase van het rapportageproces? En wie? - Op welke manier doelgroepen betrekken? - Zijn de vroegere MIRA en RURA procedures en aanpak ‘kopieerbaar’ om de maatschappelijke en - wetenschappelijke betrokkenheid te garanderen (nl. goede selectie van auteurs en lectoren). - Welke samenwerkingsvormen zijn er nodig/mogelijk? Hoe kan ervoor gezorgd worden dat de resultaten van de omgevingsrapportage geaccepteerd worden en impact hebben (bv. joint fact finding en cocreatie van kennis met betrokken actoren, verschillende visies en wereldbeelden evenwaardig aan bod laten komen, framing problemen). Bij EEA spreken ze van “knowledge co-creation, sharing and use, meaning building and maintaining the networks of people and information systems that form the backbone and sine qua non of our reporting”. Hoe omgaan met ‘wickedness’ en onzekerheid bij rapportage over complexe problemen waarin multiple actoren een rol te spelen hebben, met diverse beleidsdomeinen betrokken en verschillende bestuurslagen; kortom: de lastigheid van systeemdenken. Hoe kan gezorgd worden voor doorwerking van de resultaten van de omgevingsrapportage. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 133 van 136


Bv. publicatie rapport koppelen aan een publiek event? Zelf actief werk maken van gezamenlijke ‘betekenisgeving’ van de resultaten, bv. faciliteren dialoog met interne en externe stakeholders?

GLUREN BIJ DE BUREN Vragen Welke goede praktijken in binnen- en buitenland zijn nuttig om te kennen voor omgevingsrapportage? Welke documenten zijn belangrijk om te bekijken/lezen en wie zijn contactpersonen om te bevragen m.b.t. deze processen/documenten? Waarom zijn ze interessant/relevant?

Opmerkingen Kan interessante aanvulling zijn bij eigen documentenanalyse

Wat zijn eventueel minder goede praktijken voor de omgevingsrapportage in Vlaanderen? Wat zijn de goede praktijken bij PBL of bij EEA i.v.m. het zorgen voor outreach?

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 134 van 136


3. INFORMATIEDOCUMENT GEGEVENSBESCHERMING Onderzoeksproject: Omgevingsrapportage – Vlaams Planbureau voor Omgeving (VPO) Informatiedocument: verwerking van persoonsgegevens Het onderzoeksproject ‘Omgevingsrapportage’ heeft tot doel de afdeling Vlaams Planbureau voor Omgeving (VPO) procesmatig en inhoudelijk te ondersteunen bij de voorbereiding van de opdracht van Omgevingsrapportage. Het onderzoeksteam van Universiteit Antwerpen bezorgt inspiratie voor de omgevingsrapportage door interpretatie en toepassing van gericht literatuuronderzoek over omgevingsrapportages elders en door bevraging van interne en externe stakeholders. In het kader van deze bevraging nodigen wij u uit om deel te nemen aan een interview waarin we peilen naar uw ideeën en verwachtingen omtrent de inhoud en het proces van de omgevingsrapportage. In dit informatiedocument bieden wij u graag duidelijkheid en transparantie over de verwerking van uw persoonsgegevens57 en de gegevensbescherming in dit onderzoeksproject. De verantwoordelijke onderzoekers, die in het kader van dit onderzoeksproject uw persoonsgegevens zullen verzamelen en verwerken, zijn Ann Crabbé (ann.crabbe@uantwerpen.be) en Axelle Meyermans (axelle.meyermans@uantwerpen.be), beiden werkzaam als onderzoeker aan de Faculteit Sociale Wetenschappen, Universiteit Antwerpen. De Data Protection Officer voor de Universiteit Antwerpen is Koen Pepermans (koen.pepermans@uantwerpen.be). U zal bevraagd worden over de omgevingsrapportage in een interview dat online zal plaatsvinden en eveneens opgenomen zal worden. De opnames worden bewaard op de beveiligde server(s) van de Universiteit Antwerpen en zijn enkel toegankelijk voor hiervoor vermelde onderzoekers. Indien u deelneemt aan het onderzoek, geeft u impliciet toestemming dat de genoemde onderzoekers de onderzoeksresultaten uit het interview intern mogen verwerken. De opnames worden bewaard tot maximum 5 jaar na afloop van het onderzoeksproject. De opnames dienen als back-up voor de notities van de onderzoekers en zullen niet verder verspreid worden binnen of buiten de organisatie. Naar onze huidige verwachting zal het finale onderzoeksrapport geen citaten uit de interviews bevatten. Indien er ter verheldering van de onderzoeksresultaten toch een geanonimiseerd citaat zou moeten worden opgenomen, zullen wij eerst uw expliciete toestemming vragen. Wij verwerken uw persoonsgegevens met een specifiek verwerkingsdoeleinde, namelijk in kader van een bevraging van interne en externe stakeholders over de inhoud en het proces van de omgevingsrapportage, met als doel de opdrachtgever in staat te stellen de nodige rapportageprocessen vorm te geven. Daarnaast heeft de verwerking van uw persoonsgegevens verschillende rechtsgronden: - Door deelname aan het onderzoek geeft elke betrokkene expliciet toestemming voor de verwerking van zijn persoonsgegevens, waarbij de betrokkene ten allen tijden recht heeft om zijn toestemming in te trekken. - Dit onderzoek wordt tevens uitgevoerd in het algemeen belang. Dit wil zeggen dat het onderzoek zal leiden tot een vermeerdering van de kennis en inzicht die de maatschappij (direct of indirect) ten goede komt. De resultaten zullen dan ook publiek kenbaar gemaakt worden. - De verwerking is ten laatste noodzakelijk voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de Universiteit Antwerpen en van de opdrachtgever van het onderzoek, aangezien de

57

Persoonsgegevens zijn alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon. Naast gegevens met voor de hand liggende 'identificatiegegevens', zoals naam en geboortedatum, omvat dit ook genetische, biometrische, locatie en online gegevens die uniek zijn voor een persoon (zoals een e-mailadres of IP-adres). Daarnaast kan ook een combinatie van variabelen ervoor zorgen dat personen geïdentificeerd kunnen worden.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 135 van 136


verwerking van persoonsgegevens de onderzoekers in staat stelt de doelstellingen van de gegunde onderzoeksopdracht te behalen. Ten laatste informeren wij u graag over de verschillende rechten die u heeft ten opzichte van uw persoonsgegevens en die u in het kader van dit onderzoeksproject kan uitoefenen: - Recht op informatie: elke betrokkene wordt op een duidelijke en transparante manier geïnformeerd indien er persoonsgegevens van hem/haar verwerkt worden - Recht op inzage: een betrokkene mag altijd vragen of er gegevens over hem worden verwerkt, welke gegevens dit zijn, waarom deze worden verwerkt en met wie ze gedeeld worden. - Recht op correctie: als de gegevens niet correct zijn, mag de betrokkene vragen om deze te corrigeren. - Recht op gegevenswissing: onder bepaalde omstandigheden (bv. het intrekken van toestemming in het kader van de AVG58) heeft de betrokkene het recht om zijn persoonsgegevens te laten wissen. Op dit recht gelden in onderzoeksverband uitzonderingen voor zover het bedoelde recht de verwezenlijking van de doeleinden van die verwerking onmogelijk dreigt te maken of ernstig in het gedrang dreigt te brengen. - Recht op beperking van de verwerking: de betrokkene mag vragen om te stoppen met de gegevensverwerking. - Recht op overdraagbaarheid van gegevens: de betrokkene mag vragen om zijn gegevens mee te krijgen, in een gemakkelijk leesbaar en hanteerbaar formaat. - Recht op het indienen van een klacht bij de toezichthoudende autoriteit: indien de betrokkene van mening is dat zijn privacy niet gerespecteerd werd, mag deze klacht indienen bij de gegevensbeschermingsautoriteit. Wij danken u alvast voor uw medewerking aan het onderzoeksproject ‘Omgevingsrapportage’. Voor verdere vragen en/of opmerkingen in verband met de verwerking van uw persoonsgegevens en gegevensbescherming in kader van dit onderzoek, kan u terecht bij Ann Crabbé (ann.crabbe@uantwerpen.be) en Axelle Meyermans (axelle.meyermans@uantwerpen.be).

58

Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) (Engels: General Data Protection Regulation (GDPR))

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 136 van 136


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook