Skip to main content

Verslagboek_Raad_betwistingen_werkjaar_2005.pdf

Page 1

Raad voor examenbetwistingen/Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen

Verslag over de werkzaamheden 2005


Inhoudstafel p. 2

1. Inleiding

2. De Raad voor examenbetwistingen/Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen

p. 5

2.1 Samenstelling Raad

p. 5

2.2 Statistische gegevens

p. 6

2.3 Procedure/Werking van de Raad

p. 11

2.3.1 Bespreking van de bepalingen uit het decreet

p. 11

2.3.2 Verloop van de zittingen

p. 17

3. Overzicht en analyse van de beslissingen van de Raad

p. 18

3.1 Ontvankelijkheid

p. 18

3.2 Gegrondheid

p. 19

3.3 Beroepsmogelijkheden

p. 21

3.4 Verder gevolg van de uitspraken

p. 21

4. Aanbevelingen door de Raad

p. 22

4.1 Samenstelling van de Raad

p. 22

4.2 De procedure

p. 22

Jaarlijks verslagboek 2005 – Raad

1


1. Inleiding 1.1 Op 19 maart 2004 werd het decreet betreffende de rechtspositieregeling van de student, de participatie in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen goedgekeurd (het Aanvullingsdecreet). In dit decreet werd onder andere de rechtspositie van de student duidelijk bepaald en in een transparante, dubbele rechtsbescherming voorzien bij betwistingen inzake examenbeslissingen. Daartoe werd een eigen administratief rechtscollege opgericht: de Raad voor examenbetwistingen. Deze Raad trad in werking op 1 januari 2005. Vanaf het academiejaar 2005-2006 veranderde de Raad voor examenbetwistingen in de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen. Deze naamswijziging is het gevolg van een uitbreiding van zijn bevoegdheden door het decreet van 30 april 2004 betreffende de flexibilisering van het hoger onderwijs in Vlaanderen en houdende dringende hogeronderwijsmaatregelen (het Flexibiliseringsdecreet). Van januari 2005 tot de start van het academiejaar 2005/2006 was de Raad bevoegd voor beroepen ingesteld tegen examenbeslissingen en examentuchtbeslissingen: 1) Examenbeslissing: elke beslissing die een eindoordeel inhoudt over het voldoen voor een opleidingsonderdeel, meer opleidingsonderdelen van een opleiding, of een opleiding als geheel ; 2) Examentuchtbeslissing: een sanctie opgelegd naar aanleiding van examenfeiten. Vanaf het academiejaar 2005/2006 werd de Raad bevoegd voor beroepen ingesteld tegen studievoortgangsbeslissingen: 1) een examenbeslissing: elke beslissing die, al dan niet op grond van een deliberatie, een eindoordeel inhoudt over het voldoen voor een opleidingsonderdeel, meer opleidingsonderdelen van een opleiding, of een opleiding als geheel ; 2) een examentuchtbeslissing: een sanctie opgelegd naar aanleiding van examenfeiten ; 3) de toekenning van een bewijs van bekwaamheid, dat aangeeft dat een student op grond van eerder verworven competenties of eerder verworven kwalificaties bepaalde competenties heeft verworven ; 4) de toekenning van een vrijstelling: de opheffing van de verplichting om over een opleidingsonderdeel, of een deel ervan, examen af te leggen ; 5) een beslissing waarbij het volgen van een schakel- en/of voorbereidingsprogramma wordt opgelegd en waarbij de studieomvang van dergelijk programma wordt vastgesteld ; 6) het opleggen van een maatregel van studievoortgangsbewaking, bedoeld in artikel 52 van het decreet van 30 april 2004 betreffende de flexibilisering van het hoger onderwijs in Vlaanderen en houdende dringende hogeronderwijsmaatregelen .

Jaarlijks verslagboek 2005 – Raad

2


Iedere student ingeschreven aan een universiteit, hogeschool of andere ambsthalve geregistreerde instelling kan een verzoekschrift tot beroep indienen bij de Raad wanneer hij een studievoortgangsbeslissing wil betwisten. Ook personen die een bekwaamheidsonderzoek aanvragen bij een validerende instantie in de schoot van een associatie (artikel 38 van het Flexibiliseringsdecreet) worden beschouwd als studenten en kunnen terecht bij de Raad. De Raad toetst of de aangevochten beslissingen in overeenstemming zijn met: - de decretale en reglementaire bepalingen - de onderwijs- en examenregeling van de betrokken instelling, met inbegrip van de reglementen op faculteits- of departementsniveau - algemene administratieve beginselen en kan de volgende beslissingen nemen: 1. de gemotiveerde afwijzing van een beroep op grond van de onontvankelijkheid en/of de ongegrondheid ervan 2. de gemotiveerde vernietiging van de onrechtmatig genomen examen(tucht)beslissing, in welk geval de Raad het bestuur kan bevelen een nieuwe beslissing te nemen, onder door de Raad te stellen voorwaarden De Raad kan op korte termijn tot een uitspraak komen, zodat de student weet of hij en onder welke voorwaarden hij het volgende jaar kan aanvatten. De beslissingen van de Raad kunnen aangevochten worden bij de Raad van State door een administratief cassatieberoep. 1.2 Vóór de start van het werkjaar 2005 kwam de Raad driemaal samen om de nodige werkafspraken te maken en om een huishoudelijk reglement op te stellen waarin een aantal werkingsregelen ter aanvulling van de decretale bepalingen werden opgenomen. De leden van de Raad hebben als lid van een administratief rechtscollege de eed afgelegd bij de bevoegde rechtbank. Ook de secretarissen hebben de eed afgelegd. De eedaflegging had plaats op 11 januari 2005 in het vredegerecht van Sint-Joostten-Node. Ter informatie van alle belanghebbenden werden informatiebrochures opgesteld en verspreid via de onderwijsinstellingen. De eerste informatiebrochure betrof enkel de eerst helft van het werkjaar. Voor de start van het academiejaar 2005/2006 werd een nieuwe brochure ontworpen om rekening te houden met de uitbreiding van de bevoegdheden van de Raad. Deze nieuwe brochure werd ook vertaald in het Engels en op de website gepubliceerd. Op de website van het departement onderwijs is een link gelegd naar de website van de Raad (www.ond.vlaanderen.be/hogeronderwijs). Op deze website vindt men naast de informatiebrochure over de Raad ook het regelgevend kader, de contactgegevens en het huishoudelijk reglement van de Raad.

Jaarlijks verslagboek 2005 – Raad

3


Na behandeling van de zaken worden de uitspraken, zoals decretaal voorzien, geanonimiseerd gepubliceerd op de site en ook voorliggend jaarverslag zal in te kijken zijn op de website. Via deze website worden ook belangrijke mededelingen van de Raad bekendgemaakt aan de instellingen en aan de student. Gedurende het eerste werkingsjaar van de Raad moest een volledig procedureel kader uitgewerkt worden. De Raad stelde een werkbare procedurekalender op die ter informatie op de website werd gepubliceerd. Verder werd er voorzien in een gepast archiveringssysteem dat de vertrouwelijke behandeling van de dossiers waarborgt. Het secretariaat stelde ook een uitgebreide databank samen met de belangrijkste gegevens over iedere zaak. In deze databank worden de verzoekschriften bij ontvangst ook geregistreerd. In 2005 behandelde de Raad 48 verzoekschriften. In dit verslag krijgt u meer details over de werking van de Raad en over de behandelde zaken. De decretale voorschriften betreffende de procedure worden getoetst aan de ervaringen tijdens het werkjaar. Het verslag sluit af met aanbevelingen door de leden van de Raad voor een nog optimalere werking in de toekomst.

Jaarlijks verslagboek 2005 – Raad

4


2. De Raad voor examenbetwistingen/de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen 2.1 Samenstelling Raad 2.1.1 De Raad is samengesteld uit een werkend voorzitter, een plaatsvervangend voorzitter, twee werkende bijzitters en twee plaatsvervangende bijzitters. Zij werden benoemd bij besluit van de Vlaamse regering houdende benoeming van de leden van de Raad voor examenbetwistingen bevoegd voor het hoger onderwijs van 4 juni 2004. Voor de samenstelling werd gekozen voor een model waarbinnen juridische en onderwijskundige competenties samengaan. Het mandaat van de leden duurt 6 jaar en is hernieuwbaar. De Raad is als volgt samengesteld: Voorzitter: de heer Marc Boes Plaatsvervangend voorzitter: de heer Jean Dujardin Werkend bijzitter: de heer Luc Van de Velde mevrouw Jacqueline Hellemans Plaatsvervangend bijzitter: mevrouw Christiane Vanvinckenroye de heer Jean Laenens De Raad kan slechts geldig zetelen en beraadslagen als een voorzitter en twee bijzitters aanwezig zijn. Elk werkend bijzitter kan vervangen worden door elk plaatsvervangend bijzitter. De Raad wordt praktisch en administratief ondersteund door een secretariaat. Het secretariaat wordt waargenomen door twee personeelsleden van de administratie hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek van het departement Onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap. In 2005 werd het secretariaat verzorgd door Els Barbé en Karla Van Lint. 2.1.2 De Raad werd steeds samengesteld naar gelang de beschikbaarheid van de leden. In bepaalde gevallen dienden sommige leden zich te onthouden omdat zij verbonden waren met de onderwijsinstelling tegen wie de klacht was ingediend. In de loop van het eerste werkjaar hebben er geen wrakingen plaatsgevonden op vraag van de partijen. De Raad behandelde vorig jaar 48 zaken. Professor Boes zetelde in 44 zaken, plaatsvervangend voorzitter professor Jean Dujardin in 4 zaken. Professor Jacqueline Hellemans zetelde in 41 zaken, de heer Luc Van de Velde in 10 zaken, Professor Jean Laenens in 14 zaken en mevrouw Christiane Vanvinckenroye in 31 zaken. 2.1.3 Het secretariaat kon niet steeds even gemakkelijk een rechtsgeldig samengestelde Raad bijeenbrengen. Voornamelijk tijdens de vakantieperiode was dit geen gemakkelijke opdracht. De leden van de Raad kunnen immers niet zetelen Jaarlijks verslagboek 2005 – Raad

5


wanneer hun eigen onderwijsinstelling betrokken partij is. Bovendien moet men rekening houden met de zeer korte proceduretermijn waarbinnen de Raad tot een uitspraak moet komen en met de drukke agenda’s van de raadsleden. Vanaf academiejaar 2005-2006 wordt daarom decretaal (ontwerp van decreet tot instelling van een aantal maatregelen tot herstructurering en flexibilisering van het hoger onderwijs in Vlaanderen) de mogelijkheid geboden om de Raad met een bijkomend aantal plaatsvervangers uit te breiden. 2.2 Statistische gegevens De Raad kreeg het afgelopen jaar heel wat informatievragen te verwerken. De meeste vragen werden telefonisch gesteld. Van de daartoe speciaal gecreëerde postbus werd minder gebruik gemaakt. Via de reguliere post kwamen er 8 vragen binnen. Bij de aanvang van de werkzaamheden en na het afsluiten van het werkingsjaar was er ook belangstelling van de pers.

22

8

Telefoons Mails via postbus

274

Brieven

Telefoons per maand 70 60 50 40 30 20 10 0

Aantal

Januari

Februari

Maart

April

Mei

Juni

Juli

7

3

2

2

8

63

56

Jaarlijks verslagboek 2005 – Raad

Augustus September 40

48

Oktober 14

November December 23

8

6


In 28 gevallen diende een mannelijke student een verzoekschrift in, in 20 gevallen betrof het vrouwelijke studenten. Twintig studenten kwamen uit de provincie Antwerpen, 13 uit Oost-Vlaanderen, 7 uit Vlaams Brabant, 6 uit Limburg en 2 uit West–Vlaanderen.

Verdeling m an-vrouw

Vrouw 42% Man 58%

Aantal per provincie w oonplaats student

25

20

15

10

5

0 Aantal

Antw erpen

Oost-Vlaanderen

Brabant

Limburg

West-Vlaanderen

20

13

7

6

2

In 2005 behandelde de Raad 48 zaken. In 13 zaken werd een beroep ingesteld tegen een universiteit, in 35 zaken tegen een hogeschool.

Universiteit 27%

Hogeschool 73%

Jaarlijks verslagboek 2005 – Raad

7


Verschillende studiegebieden kwamen in de verzoekschriften aan bod en de verzoekers bevonden zich ook in verschillende stadia van hun studieloopbaan. studiegebied Hogeschool Architectuur Architectuur Audiovisuele en beeldende kunst Audiovisuele en beeldende kunst Audiovisuele en beeldende kunst Gezondheidszorg Handelswetenschappen en bedrijfskunde Industriële wetenschappen en technologie, en nautische wetenschappen Industriële wetenschappen en technologie, en nautische wetenschappen Onderwijs Onderwijs Sociaal-agogisch werk Universiteit Rechten, notariaat en criminologische wetenschappen Rechten, notariaat en criminologische wetenschappen Psychologie en pedagogische wetenschappen Economische en toegepaste economische wetenschappen Economische en toegepaste economische wetenschappen Economische en toegepaste economische wetenschappen

soort opleiding

aantal

Basisopleiding 1 cyclus Basisopleiding 2 van 2 (*) Professioneel gerichte bachelor Basisopleiding 1 van 2 (*) Basisopleiding 2 van 2 Professioneel gerichte bachelor Basisopleiding 1 cyclus Academisch gerichte bachelor Basisopleiding 1 cyclus Professioneel gerichte bachelor Initiële lerarenopleiding Basisopleiding 1 cyclus

1 1 4 2 5 1 4 2 1 4 9 1

Academisch gerichte bachelor Basisopleiding 2e cyclus Basisopleiding 2e cyclus Academisch gerichte bachelor Basisopleiding 1e cyclus Basisopleiding 2e cyclus Academische initiële lerarenopleiding Wetenschappen Geneeskunde Basisopleiding 1e cyclus ( * basisopleiding 1 van 2 betekent dat de student in de eerste cyclus van een twee-cycli opleiding is ingeschreven (kandidatuursjaren). Basisopleiding 2 van 2 betekent dat de student in de tweede cyclus is ingeschreven (licentiejaren)).

4 3 1 1 1 1 1 1

Uit de tabel blijkt dat de meeste verzoekers nog in het begin van hun studieloopbaan zaten en vooral in het studiegebied onderwijs en in het kunstonderwijs waren ingeschreven. Uit onderstaande tabel blijkt dan ook dat de verzoekschriften in 14 gevallen tegen stagebeslissingen werden ingesteld en in 8 gevallen tegen beslissingen in verband met praktijkvakken. Dit heeft te maken met het feit dat de prestaties in verband met stages en praktijk blijkbaar minder éénduidig te beoordelen zijn en dus ook sneller aanleiding geven tot betwistingen. soort opleidingsonderdeel stage praktijk theorie praktijk + proefschrift theorie + stage niet van toepassing

aantal 14 8 15 1 4 6

Uit onderstaande tabel blijkt ook dat het vaak om verzoekschriften ging van studenten die zich al meerdere malen voor een opleidingsonderdeel hebben ingeschreven. aantal inschrijvingen voor opleidingsonderdeel 1 1 2 2 niet van toepassing

Jaarlijks verslagboek 2005 – Raad

zittijden per inschrijving opleidingsonderdeel 1e zittijd 2e zittijd 1e zittijd 2e zittijd niet van toepassing

aantal 16 11 9 6 6

8


In 38 gevallen werd door de student een examenbeslissing aangevochten. Slechts éénmaal betrof het een examentuchtbeslissing. Vanaf het begin van het academiejaar 2005-2006 werden er, gezien de uitbreiding van de bevoegdheden van de Raad, ook andere studievoortgangsbeslissingen betwist. studievoortgangsbeslissing Examenbeslissing Examentuchtbeslissing Toekenning vrijstelling Maatregel studievoortgangsbewaking Toekenning vrijstelling + examenbeslissing

aantal 38 1 2 6 1

Na behandeling van de zaken besliste de Raad in twee gevallen dat het verzoek van de student volledig gegrond was. In zeven gevallen werd het verzoekschrift deels gegrond bevonden. In 12 gevallen heeft de Raad zich niet kunnen buigen over de grond van de zaak wegens de onontvankelijkheid van het verzoekschrift of wegens het feit dat het verzoek in de loop van de procedure zonder voorwerp werd. Op de 36 zaken waar de Raad kon ingaan op de gegrondheid werden dus 9 zaken volledig of deels gegrond verklaard. Dat betekent een verhouding van 1 op 4.

ontvankelijkheid - gegrondheid 30 25 20 15 10 5 0

aantal

volledig ontvankelijk - volledig gegrond

2

volledig ontvankelijk - niet gegrond

26

volledig ontvankelijk - deels gegrond

7

deels ontvankelijk - niet gegrond

1

niet ontvankelijk - nvt

6

nvt - nvt

6

Jaarlijks verslagboek 2005 – Raad

9


alle ontvankelijke zaken en hun gegrondheid

3%

6%

19%

72% volledig ontvankelijk - volledig gegrond

volledig ontvankelijk - niet gegrond

volledig ontvankelijk - deels gegrond

deels ontvankelijk - niet gegrond

De onderwijsinstellingen deden in 23 van de 48 gevallen een beroep op een raadsman. De student liet zich in 26 gevallen bijstaan door een raadsman. raadsm an student

25 20 15 10 5 0

aantal

Ja, advocaat

Ja, andere raadsman

Neen

16

10

22

raadsm an instelling

25 20 15 10 5 0 aantal

Ja

Neen

23

25

Jaarlijks verslagboek 2005 – Raad

10


2.3 Procedure / Werking van de Raad 2.3.1 Bespreking van de bepalingen uit het decreet Hoofdstuk III van het Aanvullingsdecreet betreft de rechtsbescherming bij examen/studievoortgangsbeslissingen. Aan de hand van de bepalingen in dit hoofdstuk toetsen we de werkzaamheden en ervaringen van de Raad gedurende het afgelopen werkjaar. Afdeling 1 betreft een specifieke procedure in geval van ‘materiële vergissingen’(artikel II.12) Voor materiële vergissingen geldt een afzonderlijke procedure op instellingsniveau. Betwistingen over materiële vergissingen behoren in principe niet tot de bevoegdheid van de Raad. De decreetgever heeft niet omschreven wat een materiële vergissing precies is. Uit de ervaringen met de studenten bleek wel dat het voor de student niet altijd van meet af aan duidelijk was of het een louter materiële vergissing betrof. In één enkel geval is naar aanleiding van een procedure voor de Raad gebleken dat er een materiële vergissing was gebeurd bij het vastleggen van de punten. De student bleek in plaats van afgewezen geslaagd te zijn. Het verzoek bij de Raad werd bijgevolg zonder voorwerp verklaard. Afdeling 2 betreft de procedure bij andere onregelmatigheden •

Onderafdeling 1 Intern beroep (artikel II.13 en II.14)

Onregelmatigheden moeten in eerste instantie voorwerp uitmaken van een interne beroepsprocedure waarvan de vormen zijn vastgelegd in de onderwijs- en examenregeling van de instelling. Uit de communicatie met de studenten is duidelijk gebleken dat de modaliteiten van deze interne procedure niet altijd gemakkelijk te achterhalen waren. Studenten wisten niet in welk reglement ze moesten kijken, bij wie ze terecht konden voor advies,…. Het gevolg was dat het voor de student in verscheidene gevallen te laat was om nog een geldig intern beroep in te stellen, en dat wegens het overtreden van termijn- en vormvoorschriften het verder beroep van de student bij de Raad onontvankelijk werd bevonden. Als een student éénmaal heeft besloten een kwestie voor te leggen moet hij niet zijn hoofd breken over de vraag naar wie hij moet of hoe de procedure is. Toegankelijkheid en laagdrempeligheid zijn essentiële vereisten om van het intern beroep een volwaardig middel van rechtsbescherming te maken. Daarom zou men, zoals in het voorstel van wet op het hoger onderwijs en onderzoek in Nederland is voorgeschreven, de instellingen kunnen adviseren om het voorleggen van een geschil of een klacht op een toegankelijke manier te laten plaatsvinden op eenzelfde plaats binnen de instelling (de zogenaamde één loketgedachte).

Jaarlijks verslagboek 2005 – Raad

11


De transparantie van de onderwijs- en examenreglementen vormt een ander belangrijk aspect van de toegankelijkheid voor de student. Er is een veelheid aan examenreglementen. Samenwerking tussen instellingen kan leiden tot een stroomlijning. In het ontwerp van decreet tot instelling van een aantal maatregelen tot herstructurering en flexibilisering van het hoger onderwijs in Vlaanderen wordt opgelegd om op niveau van de associaties een zekere éénvormigheid te garanderen, en een algemeen reglement op te stellen met uitwerking van een aantal minimale beginselen waarop de reglementen van de instellingen moeten geënt worden. Op die manier zal in de toekomst meer samenhang en mogelijk zelfs een zekere uniformisering van de reglementen ontstaan. Het decreet bepaalt een vervaltermijn van vijf kalenderdagen voor het instellen van een intern beroep. De decreetgever heeft geopteerd voor een zeer korte termijn om ervoor te zorgen dat de instelling snel aandacht besteedt aan het probleem van de student. Het intern beroep geeft in de eerste plaats de kans om de student een beter inzicht te verlenen in de motieven die tot de studievoortgangsbeslissing hebben geleid. Het intern beroep is erop gericht om de student en de instelling aan te zetten tot overleg. De interne procedure moet dus bij voorkeur mediërend in plaats van confronterend opgevat worden. Vanuit het veld is er kritiek: de termijn van vijf kalenderdagen is veel te kort, de studenten hebben te weinig tijd om rustig na te denken vooraleer te beslissen een intern beroep in te stellen. Men wil voorkomen dat de verhoudingen tussen student en instelling voortijdig en nodeloos gejuridiseerd worden door een formele klacht. Hierboven werd al gemeld dat de interne procedure juist gericht is op bemiddeling; veeleer dan een formele klacht is het intern beroep eerder een uitnodiging om samen tot een oplossing te komen. Het decreet laat aan de instelling vijftien dagen om de interne klacht te behandelen. Deze termijn is ruim genoeg om een oplossing te vinden. Een verlenging van de termijnen van de interne beroepsprocedure zou automatisch tot gevolg hebben dat als er een beroep bij de Raad wordt ingesteld, de Raad zelf ook later zal beslissen, wat vooral na de septemberzittijd bezwaarlijk is. Te lang talmen zou de student in onzekerheid laten over de mogelijkheden en de wijze waarop hij zijn studies kan verderzetten en zou zijn studieloopbaan in gevaar kunnen brengen. Het decreet legt enkel een termijn vast maar laat de instellingen vrij wat de modaliteiten van het intern beroep betreft. De Raad heeft tijdens zijn eerste werkingsjaar vastgesteld dat het intern beroep in de meeste gevallen wordt behandeld door de voorzitter van de examencommissie. Die kan bezwaarlijk als een onafhankelijk persoon worden aanzien. Om de bemiddelingsfase vlot te laten verlopen en de rechten van de student te vrijwaren is het aangewezen dat deze taak wordt ingevuld door een onafhankelijk persoon die bij het tot stand komen van de initiële beslissing niet was betrokken. Het algemeen reglement op associatieniveau kan in die zin richtlijnen voorschrijven.

Jaarlijks verslagboek 2005 – Raad

12


•

Onderafdeling 2 De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen (artikel II.15 tot II.43)

Aanhangigmaking Het decreet schrijft voor dat beroepen bij de Raad moeten worden ingesteld binnen een vervaltermijn van vijf kalenderdagen en aan een minimum aantal vormvereisten moet voldoen. Deze voorschriften bepalen mee de ontvankelijkheid van het verzoekschrift. Om een snelle afhandeling van het beroep mogelijk te maken en aldus het beoogde doel van rechtszekerheid te bereiken, voorziet de decreetgever ook in de externe beroepsprocedure in een korte beroepstermijn van vijf kalenderdagen. Uit de behandelde zaken blijkt dat de studenten niet altijd even zorgvuldig met dit voorschrift omsprongen. In communicatie met de student werd nochtans steeds uitdrukkelijk gemeld dat het niet naleven van dit voorschrift leidt tot de onontvankelijkheid van het beroep. De Raad heeft deze bepaling dan ook zeer strikt toegepast. Uit het onderzoek van bepaalde dossiers bleek echter niet altijd even gemakkelijk de datum van kennisname van de beslissing op intern beroep te achterhalen. Deze datum is echter beslissend voor de aanvang van de vervaltermijn van vijf kalenderdagen. De Raad heeft telkens een termijn in acht genomen waarbinnen de post rederlijkerwijze de beslissing op intern beroep aan de student kon bezorgen. In verschillende gevallen werd het beroep in principe buiten de geldige termijn ingesteld. Omdat de instellingen in deze gevallen echter verzuimden om de beroepsmogelijkheden bij de Raad en de modaliteiten hiervoor te vermelden in hun beslissing op intern beroep, kon de beroepstermijn van vijf dagen niet geldig aanvangen (artikel 35 van het Openbaarheidsdecreet) en werden de verzoekschriften als ontvankelijk beschouwd. Ook wanneer de interne beroepsprocedure uit meerdere fases bestaat moet de instelling in haar beslissing duidelijk de volgende stap in de beroepsmogelijkheid meedelen. Om te vermijden dat beroepsprocedures ook geruime tijd na afsluiting van het intern beroep nog worden ingesteld, werd door een mededeling op de website en een mailing naar de algemeen directeurs van de hogescholen en de rectoren van de universiteiten onder de aandacht gebracht dat in de beslissing op intern beroep ook moet worden vermeld dat beroep kan worden ingesteld bij de Raad, met inbegrip van de termijn en vormvereisten. Na deze mededeling is uit de verdere zaken gebleken dat de instellingen de vermelding van de verdere beroepsmogelijkheden duidelijk in hun beslissingen hebben opgenomen. Het decreet schrijft slechts één vormvereiste op straffe van onontvankelijkheid voor: de ondertekening van het beroep door de verzoeker of zijn raadsman. De decreetgever wil een strikt formele rechtsgang vermijden en op een flexibele en snelle manier tot een oplossing komen. Daarom werden de formaliteiten tot een minimum beperkt.

Jaarlijks verslagboek 2005 – Raad

13


De verzoekschriften werden op zeer uiteenlopende manier opgesteld. In het verzoekschrift moet de student duidelijk aangeven om welke redenen hij een beroep instelt. Het wordt niet vereist dat het verzoekschrift juridisch omlijnde middelen omvat maar de beweerde onregelmatigheid moet wel van meet af aan duidelijk aangegeven worden. Dit is niet altijd even zorgvuldig gebeurd. Een onvoldoende onderbouwd verzoekschrift maakt weinig kans van slagen, en in het algemeen is het niet mogelijk om nieuwe argumenten bij te brengen nadat de instelling de oorspronkelijke klacht heeft beantwoord: de procedureregeling en de korte termijn waarbinnen de klacht moet worden behandeld laten niet toe dat de instelling op deze klachten nog antwoordt. Het is dus van groot belang de klachten van meet af aan zo volledig en duidelijk mogelijk in het beroep weer te geven. Ook wat het toevoegen van stukken bij het verzoekschrift betreft waren niet alle ingediende dossiers even volledig. Het secretariaat heeft herhaaldelijk de studenten moeten aanmanen om het bewijs mee te delen dat zij een intern beroep hadden ingesteld. Samenstelling dossier Uit de ingediende dossiers blijkt dat de instellingen de procedure bij de Raad ter harte nemen. De instellingsbesturen stelden de Raad steeds in het bezit van een uitgebreid en gedetailleerd dossier. De Raad kon zich op deze manier terdege voorbereiden op de zitting. Het enige document dat geregeld ontbrak was een recent onderwijs- en examenreglement. Het secretariaat heeft slechts zeer uitzonderlijk de instelling moeten aanmanen de stukken mee te delen. Procedurekalender Na het registreren van de verzoekschriften en het opvragen van de stukken werd door het secretariaat een procedurekalender bezorgd aan de partijen waarin de termijnen werden vastgesteld voor de indiening van antwoordnota en wederantwoordnota en ook een datum van zitting werd aangegeven. Tenzij de partijen onmiddellijk reageerden werd deze kalender als definitief beschouwd. Dit verliep meestal zeer vlot. Slechts in een beperkt aantal gevallen werd gevraagd om een wijziging. Daarop werd enkel ingegaan door de Raad als een afdoende reden kon aangehaald worden en beide partijen hiermee akkoord gingen. Dat een advocaat niet aanwezig kon zijn op de zitting en daarom uitstel vroeg werd niet als een afdoende reden beschouwd, gelet op de korte termijn waarbinnen de Raad uitspraak moet doen. Partijen klaagden wel geregeld over de korte termijn waarbinnen zij hun nota moesten indienen, maar ook hier is de reden dat de Raad zelf ook binnen een korte termijn uitspraak moet doen. De procedurekalender werd zoals decretaal voorgeschreven bij aangetekend schrijven aan de partijen bezorgd. Het secretariaat bezorgde de kalender ook via

Jaarlijks verslagboek 2005 – Raad

14


e-mail met daarbij de vermelding waar het volledige dossier kon worden ingekeken na afspraak. In geen enkel geval vroegen de partijen om inzage. Ook de rest van de procedure werd voornamelijk elektronisch afgehandeld wat ook noodzakelijk was gezien de korte behandelingstermijn. Getuigen en wraking De Raad kan, op schriftelijk en gemotiveerd verzoek van de partijen, getuigen horen. De Raad beslist zelf over de toelaatbaarheid van een getuigenverhoor. Slechts in één geval werd door de student uitdrukkelijk verzocht getuigen te horen en werden zelfs verklaringen van deze getuigen aan het verzoekschrift toegevoegd. De Raad besloot niet in te gaan op de vraag getuigen te horen omdat zowel de vraag tot het horen van getuigen als de verklaringen van deze aangezochte getuigen te algemeen en vaag waren en niet ingingen op de precieze feiten. In geen enkele zaak werd op vraag van de partijen een lid van de Raad gewraakt. Zitting en uitspraak De zittingen van de Raad zijn openbaar. Toch waren er maar in heel uitzonderlijke gevallen toehoorders aanwezig en ging het bovendien om familieleden of kennissen van de verzoeker of extra vertegenwoordigers van de onderwijsinstelling. Slechts in 2 gevallen werd de zitting voor zeer korte tijd opgeschort. Eénmaal om kennis te nemen van een belangrijk nieuw document in het dossier, éénmaal om te beraadslagen over een vraag tot uitstel van de behandeling van de zaak. Het decreet bepaalt dat bij regelmatige oproeping de afwezigheid van de partijen of één van de partijen de geldigheid van een zitting niet belet. Ten laatste twee dagen voor de zitting werd ter herinnering steeds een uitnodiging naar beide partijen verstuurd. Bij 40 van de 53 zittingen waren beide partijen aanwezig. In 5 gevallen was geen enkele partij aanwezig omdat het beroep zonder voorwerp was geworden en er in die zin een besluit werd opgesteld. In 2 gevallen heeft de verzoekende partij uitdrukkelijk de toestemming gegeven om de zaak buiten haar aanwezigheid te behandelen, in 1 geval deed de verwerende partij dit. Driemaal was één van de partijen of beide partijen niet aanwezig wegens aangekondigd uitstel van de zaak; éénmaal was de verzoekende partij niet aanwezig wegens overmacht, éénmaal de verwerende partij. Het decreet schrijft voor dat de beraadslaging en beslissing over de uitspraak achter gesloten deuren gebeurt. De Raad is opgericht om op zeer korte termijn uitspraak te doen zodat studenten, en ook de instellingen, snel duidelijkheid hebben. De Raad heeft dan ook telkens onmiddellijk na de beraadslaging zijn besluiten genomen. Op die manier konden de besluiten meestal al daags nadien bezorgd

Jaarlijks verslagboek 2005 – Raad

15


worden aan de partijen, zowel via aangetekend schrijven als bij e-mail indien de partijen dit wensten. De Raad spreekt zich uit binnen een ordetermijn van vijftien kalenderdagen, termijn die ingaat de dag na die waarop het beroep werd ingeschreven op het register. De termijn van 15 kalenderdagen is kort, dit met het oog op een snelle rechtsbedeling. Het is wel een termijn van orde wat betekent dat in noodgevallen de termijn kan overschreden worden zonder dat dit tot gevolg heeft dat de uitspraak ongeldig zou zijn. De Raad deed in 14 van de 48 gevallen een uitspraak binnen de ordetermijn. Dit getal moet evenwel in de juiste context bekeken worden: Zoals te verwachten viel werden de meeste verzoekschriften ingediend tijdens de vakantieperiode (juli en augustus). Tijdens deze periode is de beschikbaarheid van alle partijen echter minder vanzelfsprekend. In 13 zaken werd de ordetermijn om deze reden dan ook overschreden. De zaken werden bovendien zoveel mogelijk gebundeld op dezelfde zittingsdagen. Vijf besluiten werden buiten de ordetermijn behandeld wegens een uitdrukkelijke schorsingsaanvraag door de instelling. In twee zaken werd de aangevochten beslissing tijdens de beroepsprocedure bij de Raad ingetrokken door de instelling en werd het beroep zonder voorwerp. Nog in twee zaken nam de student tijdens de beroepsprocedure deel aan de tweede zittijd, en gaven de partijen er de voorkeur aan de septemberdeliberatie af te wachten. Ook in deze gevallen werden de beroepen zonder voorwerp. In 1 zaak was het de uitdrukkelijke wens van de student de zaak pas later te behandelen wegens een verblijf in het buitenland. Hoewel de Raad niet verplicht was om uitstel toe te staan in de voormelde gevallen, besloot hij daartoe omdat dit in het belang was van beide partijen en van een goede rechtsbedeling. Tweemaal werd de zitting om procedurele redenen met instemming van beide partijen naar een latere datum verschoven. Dat betekent dat de ordetermijn slechts in 9 gevallen zonder aanwijsbare reden werd overschreden. Bijstand door een raadsman De partijen kunnen zich bij een procedure voor de Raad laten bijstaan door een raadsman. Deze raadsman kan zowel een advocaat zijn als een deskundige vertrouwenspersoon naar keuze. De onderwijsinstellingen deden in 23 van de 48 zaken een beroep op een raadsman, in alle gevallen ging het om een advocaat. In de gevallen waar de instelling geen beroep deed op een advocaat als raadsman werd de instelling mede vertegenwoordigd door een jurist van de instelling. Dat de instellingen de zaken bij de Raad erg ter harte nemen blijkt ook uit het feit dat zij zeer dikwijls met een uitgebreide delegatie naar de zitting kwamen.

Jaarlijks verslagboek 2005 – Raad

16


In 26 zaken deed de verzoeker een beroep op een raadsman: 16 keer betrof het een advocaat, 10 keer een deskundige vertrouwenspersoon naar keuze (meestal een familielid). De dossiers waarin een advocaat optrad waren doorgaans meer juridisch ingekleed. Dit heeft niet tot gevolg dat studenten zonder advocaat geen gelijk konden behalen bij de Raad. In 4 van de 9 gegronde zaken werd de student niet bijgestaan door een advocaat. Schorsing der werkzaamheden Ten aanzien van beroepen die in juli of augustus worden ingeschreven op het register, kan het bestuur van de onderwijsinstelling de Raad verzoeken rekening te houden met een gestaafde onderbezetting van de instelling ten gevolge van de jaarlijkse vakantie van het personeel. Vier instellingen vroegen een schorsing der werkzaamheden aan. De Raad besliste in alle gevallen in te gaan op de verzoeken en de termijnen gedurende de aangevraagde periode te schorsen. 2.3.2 Verloop van de zittingen Iedere zitting van de Raad vindt plaats in het Hendrik Consciencegebouw (zetel van de Raad), in een lokaal dat daarvoor werd ingericht. Elke zaak neemt gemiddeld drie kwartier in beslag. Omdat de zittingen openbaar zijn wordt de deur van het lokaal steeds opengelaten. De partijen worden onthaald in een wachtzaal en daar opgehaald door de secretaris van de Raad. Zowel de leden van de Raad en de secretarissen als de beide partijen ondertekenen voor de aanvang van de debatten een presentielijst. Na opening van de zitting door de voorzitter, pleiten de beide partijen in elkaars aanwezigheid. Eerst krijgt de verzoekende partij het woord, nadien de verwerende partij. Als dat nodig is kunnen de partijen nog verder reageren. De mondelinge pleidooien van beide partijen worden, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, beperkt tot een kwartier (artikel 9 van het huishoudelijk reglement van de Raad). Dat is mogelijk omdat er heel wat documenten van te voren zijn ingediend en de leden van de Raad dus op voorhand reeds de documenten grondig kunnen bestuderen. De voorzitter sluit de zitting na de pleidooien en deelt de partijen mee dat de zaak in beraad wordt genomen. De voorzitter deelt mee dat de beslissing zo snel als mogelijk zal worden genomen en bij aangetekend schrijven zal worden betekend aan beide partijen. Wie het besluit ook per mail wil ontvangen deelt dit mee, de secretaris acteert dit op het zittingsblad. De partijen verlaten de zaal en de Raad gaat over tot de beraadslaging. Dit gebeurt achter gesloten deuren. Van iedere zitting wordt een zittingsblad opgemaakt waarop de plaats, datum en begin- en einduur van de zitting worden vermeld. De secretaris vermeldt ook wie het woord heeft gevoerd voor beide partijen. Meestal werden, voor zover dit mogelijk was, meerdere zaken op één zittingsdag gegroepeerd. In 2005 waren er 12 zittingsdagen.

Jaarlijks verslagboek 2005 – Raad

17


3. Overzicht en analyse van de beslissingen van de Raad In 2005 behandelde de Raad 48 zaken. In 35 zaken oordeelde de Raad dat het beroep van verzoeker ontvankelijk was. In 6 zaken werd het verzoek onontvankelijk verklaard. Wat de ontvankelijke zaken betreft oordeelde de Raad in 2 zaken dat de klachten van de student volledig gegrond waren en in 7 zaken deels gegrond. Tijdens de procedure bij de Raad werden 5 zaken zonder voorwerp verklaard. In één zaak werd de behandeling uitgesteld in afwachting van een bijkomende beslissing van de instelling. Deze zaak is nog hangende bij de Raad. In de zaken waar de Raad over de grond van de zaak heeft kunnen oordelen werd het verzoek van de student in één op de vier gevallen volledig of gedeeltelijk gegrond verklaard. Hierbij moet rekening gehouden worden met het feit dat de bevoegdheden van de Raad beperkt zijn. Het komt de Raad niet toe zijn appreciatie in de plaats te stellen van die van de examencommissie. De Raad kan enkel de bestreden beslissing vernietigen wanneer zij in strijd is met de decretale en reglementaire bepalingen, de onderwijs en examenregeling en de algemene administratieve beginselen of wanneer een beslissing ‘kennelijk onredelijk’ is. Veel studenten vechten bijvoorbeeld een examenbeslissing aan op grond van tekorten in de begeleiding vanuit de onderwijsinstelling. Een tekort in de begeleiding is op zich geen voldoende grond om een examenbeslissing te vernietigen. 3.1 Ontvankelijkheid De onontvankelijkheid van verzoekschriften kan opgedeeld worden in drie soorten: de onontvankelijkheid wegens het niet toepassen van de vormvoorschriften, de onontvankelijkheid wegens laattijdigheid en de onontvankelijkheid wegens onbevoegdheid van de Raad. In 35 van de 48 zaken oordeelde de Raad dat het beroep van verzoeker ontvankelijk was. In 6 zaken hoefde de Raad niet meer over de ontvankelijkheid te oordelen omdat 5 beroepen zonder voorwerp werden verklaard en de behandeling van 1 zaak tot nader order werd uitgesteld om procedurele redenen. Zes beroepen werden onontvankelijk verklaard: - tweemaal omdat het beroep werd ingesteld buiten de termijn - éénmaal omdat het beroep buiten de termijn werd ingesteld én het intern beroep niet volledig werd uitgeput - éénmaal omdat de aangevochten beslissing dateerde van voor de inwerkingtreding van de Raad. - tweemaal omdat de verzoekende partij geen intern beroep had ingesteld. Één beroep werd deels onontvankelijk verklaard omdat een bepaalde klacht uit het verzoekschrift buiten de bevoegdheden van de Raad viel.

Jaarlijks verslagboek 2005 – Raad

18


3.2 Gegrondheid De Raad oordeelde in twee gevallen dat het verzoek van de student volledig gegrond was. In de twee gevallen betrof het geen examenbeslissing maar een beslissing die de studievoortgang van de student betrof. - In het eerste geval werd een klacht ingediend wegens weigering van inschrijving (het opleggen van een maatregel van studievoortgangsbewaking). De student diende een aanvraag in voor een trisinschrijving met een examencontract. De Raad heeft op grond van artikel 52,§2 van het Flexibiliseringsdecreet geoordeeld dat een student die zich wenst in te schrijven met een examencontract niet kan worden geweigerd. Dit ligt in het verlengde van de regeling die voorheen gold voor de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap waarbij de student zich een onbeperkt aantal keren kon inschrijven. De Raad heeft dan ook beslist de weigeringsbeslissing van de instelling te vernietigen en de instelling op te leggen opnieuw te beslissen over de aanvraag van de student binnen een door de Raad vastgelegde termijn. - In het tweede geval tekende de student beroep aan tegen de beslissing tot het niet verlenen van credits en overdrachten (toekenning van een vrijstelling). Deze student had eerder al een beroep ingesteld dat wegens het niet volledig uitputten van het intern beroep onontvankelijk werd verklaard. De student was ingeschreven als een examenstudent. De Raad oordeelde op grond van artikel 97 van het Flexibiliseringsdecreet dat de student recht had op credits voor al de opleidingsonderdelen waarop ten minste 10 op 20 werd behaald en oordeelde dat bij het beoordelen van de aanvraag tot inschrijving met deze credits diende rekening te worden gehouden. De Raad oordeelde in 7 gevallen dat het beroep deels gegrond was. - In het eerste geval diende de student een klacht in over zijn cijfer voor het opleidingsonderdeel onderwijspraktijk. Dit opleidingsonderdeel bestond uit twee deelopleidingen. De Raad oordeelde dat beide deelresultaten niet tot uitdrukking kwamen in het globale resultaat. De Raad legde de examencommissie op om opnieuw te beraadslagen over het globale resultaat van de student binnen een daartoe opgelegde termijn en het opnieuw vastgelegde resultaat te motiveren. De klachten in verband met de eindevaluatie van de stage werden niet gegrond verklaard door de Raad. - In het tweede geval werden verscheidene middelen aangevoerd om de vernietiging van de beslissing van de examencommissie te vorderen. Een gedeelte van deze middelen werd als niet gegrond beschouwd wegens het ontbreken van voldoende bewijzen. Een deel van de middelen werd gegrond verklaard wegens onvoldoende gemotiveerde evaluatie van bepaalde opleidingsonderdelen. De Raad besliste dan ook dat de examencommissie binnen een vooropgestelde termijn opnieuw moest

Jaarlijks verslagboek 2005 – Raad

19


delibereren over het globale resultaat waarbij de evaluatie diende gemotiveerd te worden. - In het derde geval vroeg de student in zijn verzoekschrift om een nieuwe beoordeling van een praktijkonderdeel door een onafhankelijke jury (examenbeslissing). De Raad oordeelde dat de quotering onvoldoende gemotiveerd was, maar ging niet in op de vraag van de student om het opleidingsonderdeel opnieuw te laten beoordelen door een onafhankelijke jury. De Raad legde de examencommissie op om opnieuw te beraadslagen binnen een vastgelegde termijn, nadat de bevoegde examinatoren het resultaat opnieuw op gemotiveerde wijze hadden vastgelegd. - In het vierde geval betwistte de student een examenbeslissing wegens onregelmatige samenstelling van de examencommissie en wegens niet vooraf meegedeelde examenvorm (examenbeslissing). De Raad oordeelde dat de examencommissie in voorliggend geval wel regelmatig was samengesteld en een geldige beslissing kon nemen. Hij volgde de student wel wat de examenvorm betrof. De Raad legde de examencommissie op om binnen een vastgestelde termijn opnieuw te beraadslagen op grond van de juiste examenvorm. - In het vijfde geval diende de student een algemeen verzoek in tegen de beslissing van de examencommissie (examenbeslissing) en klaagde de student aan dat hij in het kader van de interne beroepsprocedure geen inzage had gekregen in zijn examendossier hoewel hij dat uitdrukkelijk gevraagd had in zijn intern beroepschrift. De Raad zag geen reden om de initiële beslissing van de examencommissie te vernietigen maar was wel van oordeel dat de beslissing op intern beroep niet in stand kon blijven. De Raad besliste dat de verzoekende partij inzage diende te krijgen in zijn examendossier en dat de interne beroepsinstantie binnen de vooropgestelde termijn een nieuw besluit moest nemen. - In het zesde geval werden verschillende middelen opgeworpen om een heroverweging van de examenbeslissing te vragen (examenbeslissing). De Raad verklaarde enkel het middel gegrond met betrekking tot de samenstelling van de jury. De Raad besliste dat de examencommissie opnieuw diende te delibereren binnen een opgelegde termijn nadat de instelling ofwel zou hebben aangetoond dat de jury regelmatig was samengesteld, in welk geval de evaluatie van de jury behouden bleef, ofwel een regelmatige jury zou hebben samengesteld die het werk van de student opnieuw moest evalueren. - In het zevende geval werden ook verscheidene middelen aangehaald, ditmaal om een beslissing tot weigering van inschrijving (opleggen van een maatregel van studievoortgangsbewaking) te betwisten. De Raad oordeelde dat het verzoek niet gegrond was in zoverre de instelling geweigerd had de student in te schrijven als diplomacontractstudent en wel gegrond in zoverre de instelling geweigerd had de student in te schrijven als een examencontractstudent. De Raad vernietigde in die mate het besluit.

Jaarlijks verslagboek 2005 – Raad

20


Uit het voorgaande blijkt dat de Raad telkens besloten heeft tot vernietiging van de initieel genomen beslissing. De Raad stelde op één geval na telkens een termijn vast waarbinnen een nieuwe beslissing moest worden genomen en beval in de meeste gevallen ook een betere motivering. De Raad heeft nooit opgelegd dat de student in afwachting van een nieuwe beslissing voorlopig werd ingeschreven. 3.3 Beroepsmogelijkheden Tegen de uitspraken van de Raad is een beroep bij de Raad van State mogelijk overeenkomstig artikel 14, §2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Dit beroep dient schriftelijk en aangetekend te gebeuren binnen de zestig dagen na kennisgeving van deze beslissing. De uitspraken van de Raad zijn jurisdictioneel van aard, wat betekent dat zij slechts vatbaar zijn voor administratief cassatieberoep bij de Raad van State. Tot op heden werd de Raad niet in kennis gesteld van enig beroep bij de Raad van State. 3.4 Verder gevolg van de uitspraken Informatie hierover is niet beschikbaar. De instellingen noch studenten zijn verplicht om aan de Raad te laten weten welk gevolg aan de uitspraken van de Raad werd gegeven. Voor de Raad is die informatie nochtans belangrijk om te weten of de wijze waarop hij zijn uitspraken formuleert in de praktijk ook uitvoerbaar is, of op bepaalde moeilijkheden stuit. Als een student niet tevreden is met het resultaat van bijvoorbeeld een herdeliberatie dan kan hij eventueel opnieuw een verzoek indienen bij de Raad. Op deze manier is er wel een beperkte opvolging mogelijk. In drie gevallen hebben studenten na een eerste gegronde beslissing van de Raad opnieuw een verzoek bij de Raad ingesteld. Deze verzoeken werden door de Raad tweemaal ongegrond verklaard en eenmaal onontvankelijk verklaard. Eén student heeft na een onontvankelijk verzoek (wegens het nog niet volledig uitputten van het intern beroep) een tweede verzoek ingesteld dat dan gegrond is verklaard. Eén student diende tweemaal een verzoekschrift in bij de Raad: 1 na eerste zittijd en 1 na tweede zittijd. Beide beroepen werden als ongegrond beoordeeld. De verzoeken bij de Raad die ‘zonder voorwerp’ zijn verklaard betreffen studenten die in de loop van de procedure met de instelling tot een oplossing zijn gekomen of die intussen in de tweede zittijd geslaagd zijn voor het betreffende opleidingsonderdeel.

Jaarlijks verslagboek 2005 – Raad

21


4. Aanbevelingen door de Raad 4.1 Samenstelling van de Raad Het is gebleken dat de organisatie van zittingen in de vakantieperiode (juli-augustus) niet altijd gemakkelijk is. De organisatie van zittingen hangt af van de data waarop klachten worden ingediend, en zijn dus niet goed voorspelbaar. Men kan moeilijk van de leden van de Raad verwachten dat ze voortdurend beschikbaar zijn om op gelijk welke dag te zetelen. Het verdient dan ook aanbeveling meer plaatsvervangende leden te benoemen, en tevens te bepalen dat elke plaatsvervangende bijzitter elk van de werkende bijzitters kan vervangen. Om dezelfde reden is het aangewezen een bijkomende plaatsvervangende voorzitter te benoemen. 4.2. De procedure Het verdient aanbeveling dat de associaties werk maken van het opstellen van examenreglementen die dan door de aangesloten instellingen worden overgenomen. Ook al moet elke instelling op grond van haar specifieke noden dit reglement kunnen aanpassen, het is duidelijk dat een grotere uniformiteit in de examenreglementen een goede zaak is voor de studenten, voor de instellingen zelf en voor de Raad. Daardoor wordt de interne procedure transparanter, en is het voor alle betrokkenen gemakkelijker om de regels te kennen. Voor zover dit nog niet een standaard praktijk is, dienen de instellingen erover te waken dat bij elke beslissing op intern beroep aan de student wordt meegedeeld dat hij of zij in beroep kan komen bij de Raad, met aanduiding van het adres, de termijn en de vereiste formaliteiten. De Raad heeft op zijn website een bruikbare formule geplaatst.

Jaarlijks verslagboek 2005 – Raad

22


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Verslagboek_Raad_betwistingen_werkjaar_2005.pdf by Vlaanderen-be - Issuu