VIONA-OPROEP VOOR EEN STUDIEOPDRACHT 14/05/2018 Terugverdieneffecten van het dienstenchequestelsel 1. Kenmerken van het onderzoek VIONA-luik : Beleidsuitdaging Onderzoeksdoeleinde: Beschrijvend Gewenste methodologie: Kwantitatief Soort opdracht: Studie
2. Probleemstelling Beleidscontext Het dienstenchequestelsel is één van de omvangrijkste maatregelen van het Vlaamse werkgelegenheidsbeleid. In 2016 hebben 668.066 Vlaamse gebruikers samen 81,8 miljoen dienstencheques gekocht bij 1.473 ondernemingen. Daarmee werden 88.334 dienstenchequewerknemers aan het werk gezet, gemiddeld gedurende 2,4 uur per week en per gebruiker. In totaal kostte het dienstenchequestelsel in 2016 1.296,5 miljoen euro, inclusief 177,3 miljoen euro voor de fiscale aftrek van dienstencheques. Recente gegevens over de terugverdieneffecten (via bijkomende inkomsten voor de sociale zekerheid en lagere uitgaven voor werkloosheidsuitkeringen), die in grote mate bij de federale overheid zitten, zijn niet gekend. Vroegere studies van Idea consult wezen uit dat deze terugverdieneffecten substantieel zijn. Het departement WSE bouwt volop de monitoring en de evaluatie van de maatregel dienstenchequestelsel uit (zie bv. het jaarrapport 2016, het rapport . Het doel is om op basis van evidenced based onderzoek inzicht te krijgen in de kostprijs (en de kostendrijvers), de effectiviteit en de efficiëntie van het stelsel. Een onderzoek naar terugverdieneffecten van het dienstenchequestelsel komt tegemoet aan de kennisbehoefte van het beleid en past binnen de uitrol van een kennisstrategie voor de maatregel dienstencheques op korte, midden en lange termijn.
Korte stand van zaken in verband met de aanwezige kennis De regionalisatie brengt een aanzienlijke monitorings- en evaluatieopdracht voor Vlaanderen met zich mee (zie bv. de DWSE Jaarevaluatie Dienstencheques 2015 en 2016). Het departement bouwt momenteel een kennisstrategie voor de verdere opbouw van datacapaciteit, monitoring en evaluatie rond de dienstenchequemaatregel op korte, midden en lange termijn. Vóór de regionalisatie publiceerde de federale overheid jaarlijks een evaluatierapport, waarin onder meer ook de terugverdieneffecten van het stelsel werden doorgerekend. De Vlaamse regering besliste om deze jaarlijkse studieopdracht (aan Idea Consult en de RVA ) niet te continueren maar om vanaf 2016 een eigen monitoring en evaluatiesysteem uit te bouwen.
Hoe vult het voorgestelde onderzoek de bestaande kennis aan? Vandaag bestaat er geen onderzoek voor Vlaanderen over de terugverdieneffecten van het dienstenchequestelsel. Met dit onderzoek vullen we deze lacune in en krijgen we meer inzicht in de kostprijs van het stelsel, de opbouw van de kostenelementen en in de kostendrijvers. Dit onderzoek past in een bredere kennisstrategie van het departement WSE, waarbij een onderzoeksagenda op korte, midden en lange termijn wordt uitgerold met als doel om op basis van evidenced based onderzoek inzicht te verwerven in de kost, de effectiviteit (het bereik van de drie doelstellingen van het stelsel) en de efficiëntie (bereik van de doelstellingen met een zo optimaal mogelijke inzet van middelen) van het dienstenchequestelsel.
3. Onderzoeksvragen De centrale onderzoeksvraag in dit onderzoek is de vraag naar de kost van het dienstenchequestelsel. Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen de bruto-kost en de netto-kost van het stelsel, waarbij rekening wordt gehouden met terugverdieneffecten. De bruto kost voor het stelsel van de dienstencheques bestaat uit: - de directe tussenkomst bij de dienstencheques zelf, - de omkaderingskost in de administratie en - de kost van de fiscale aftrek. Om de netto kost van het stelsel te berekenen dient rekening gehouden te worden met belangrijke terugverdieneffecten van het stelsel. De directe terugverdieneffecten hebben betrekking op de creatie van bijkomende jobs in het dienstenchequestelsel, die zorgen voor besparingen in de sociale zekerheid (minder werkloosheidsuitkeringen, ziv-uitkeringen en leeflonen) en voor méér inkomsten in de sociale zekerheidsbijdragen en personenbelasting. Anderzijds kunnen er ook meer uitgaven zijn voor loonkost verminderde maatregelen, in de mate dat bepaalde werknemers tijdens hun tewerkstelling als dienstenchequewerknemer hierop ook recht hebben. Daarnaast spelen er ook indirecte terugverdieneffecten. De indirecte terugverdieneffecten van eerste orde verwijzen naar de oprichting van nieuwe dienstencheque-ondernemingen, die vennootschapsbelasting opleveren enerzijds en die door de tewerkstelling van personeel voor de omkadering van dienstenchequewerknemers zorgen voor minder sociale uitkeringen en meer inkomsten via sociale bijdragen en personenbelasting. De indirecte tewerkstellingseffecten tweede orde hebben betrekking op de impact van het systeem ten gevolge van de vervanging van werknemers in hun voormalige jobs; de aanpassing van het gedrag van gebruikers zowel in de participatie (gaan de gebruikers meer werken ?) op de arbeidsmarkt als het langer thuis blijven (blijven oudere personen langer thuis dankzij de dienstencheques?) en in de verhoogde consumptie (en hogere BTW) van dienstencheque- en omkaderingswerknemers omwille van hogere lonen.
Een voorbeeld van berekening van terugverdieneffecten voor België vinden we in de jaarlijkse Idea Consult evaluatierapporten van het stelsel van dienstencheques voor buurtdiensten en banen (België, diverse jaargangen 2005-2014). Zo blijkt uit deze rapporten dat de terugverdieneffecten zeer aanzienlijk zijn en kunnen oplopen tot 44% van de totale bruto kostprijs (federale cijfers voor 2013). Naast een berekening van de terugverdieneffecten, stelt zich de vraag aan welke overheid de terugverdieneffecten ten goede komen. De terugverdieneffecten zitten vooral geconcentreerd bij de federale overheid in de vorm van minder sociale uitkeringen en méér RSZ bijdragen en personenbelasting. Het onderzoek dient na te gaan of en welke terugverdieneffecten er voor Vlaanderen bestaan. Zo denken we aan de bijzondere financieringswet (aangepast i.k.v de zesde staatshervorming) met bepaalde herverdelingsmechanismen tussen de overheden. Naast de inkomsten uit de eigen gewestbelastingen, kan de Vlaamse overheid bv. opcentiemen heffen op de federale personenbelasting (dus als Vlaanderen x% van de personenbelasting ontvangt, dan ontvangen we ook x% van de terugverdieneffecten uit de personenbelasting). Nog een voorbeeld: wanneer er minder werklozen zijn in Vlaanderen door het stelsel van dienstencheques dan zal er ook een verminderde begeleidingskost zijn voor deze werkloze. Met het oog op de terugverdieneffecten vragen we aan de onderzoekers te beschrijven hoe de terugverdieneffecten i.k.v het dienstenchequestelsel naar Vlaanderen vloeien. Tenslotte vragen we de onderzoekers om via deskreseach/literatuurstudie meer inzicht te verschaffen in de kostendrijvers, die de evolutie van de bruto en de netto kosten beïnvloeden. Samengevat luidt de onderzoeksopdracht als volgt: -
-
-
Update en verfijning van een kostenmodel van bruto en netto kosten, rekening houdend met de terugverdieneffecten voor Vlaanderen (verfijning bv. via uitbreiding naar alle sociale uitkeringen voor Vlaanderen, opnemen van eerste en tweede orde effecten; desgevallend werken met proxies indien de data die dienen als input in het model niet beschikbaar zijn). Aan welke overheid komen de terugverdieneffecten ten goede ? Nagaan welke overheid (federaal, de gewesten) geniet van welke terugverdieneffecten en een analyse van de instituties hierachter (bv. de rol van de financieringswet, die zorgt voor opbrengsten van de gewesten en gemeenschappen via de personenbelasting). Wat zijn de kostendrijvers in de consumptie van dienstencheques (de gebruikers) op basis van literatuurstudie. Wat leert ons (buitenlands) onderzoek naar soortgelijke gesubsidieerde diensten die huishoudelijke activiteiten ondersteunen ?
4. Beleidsrelevantie De regionalisatie brengt een aanzienlijke monitorings- en evaluatieopdracht voor Vlaanderen met zich mee. Vóór de regionalisatie publiceerde de federale overheid jaarlijks een evaluatierapport, waarin onder meer ook de terugverdieneffecten van het stelsel werden doorgerekend. De Vlaamse regering besliste om deze jaarlijkse studieopdracht niet te continueren, maar om vanaf 2016 een eigen monitoring en evaluatiesysteem uit te bouwen. Een lacune vandaag is dat voor Vlaanderen er geen model bestaat van bruto en netto kosten en er geen zicht is op de terugverdieneffecten van het dienstenchequestelsel. Dit onderzoek vult dit hiaat in. Het departement bouwt zo zijn data-, monitoring- en evaluatiecapaciteit rond de dienstenchequemaatregel verder uit .
5. Timing Projectvoorstellen moeten uiterlijk op maandag 11 juni 2018 om 13u worden ingediend. De Stuurgroep VIONA zal eind juni een advies formuleren over het te gunnen project aan de Vlaamse Minister bevoegd voor Werk. De projectindieners zullen in de loop van de maand juli worden geïnformeerd over de beslissing van de minister. Het project dient uiterlijk in september 2018 op te starten. Het ontwerp van eindrapport dient eind augustus 2019 te worden opgeleverd. Uiterlijk eind september 2019 dient het definitieve eindrapport dwingend aan de opdrachtgever te worden opgeleverd.
6. Kandidaatstelling Projectvoorstellen bevatten een inhoudelijk en een financieel onderdeel en beantwoorden aan de richtlijnen die u in bijlagen bij de oproep vindt. In die bijlagen vindt u tevens informatie over de selectiecriteria en -procedure en over de financiële en administratieve opvolging van het project.
7. Informatie Informatie over deze opdracht kan u krijgen bij mevrouw Lieve De Lathouwer, Departement Werk en Sociale Economie (0486/99 99 58, lieve.delathouwer@wse.vlaanderen.be). De indieners van projectvoorstellen zullen desgevallend uitgenodigd én gehoord worden tijdens een hoorzitting die op maandag 25 juni 2018 in de namiddag (vanaf 14u) in het Ellipsgebouw zal plaatsvinden, en dit enkel in het geval van fundamentele onduidelijkheden, betwistingen, ex aequo ’s en/of minieme verschillen tussen de (beste) offertes. U wordt hiervan uiterlijk op vrijdag 22 juni op de hoogte gebracht indien uw aanwezigheid gewenst is.
Bijlage 1 bij VIONA-projectoproepen voor studieopdrachten Situering en gunningsprocedure 1. Het VIONA-arbeidsmarktonderzoeksprogramma Het initieel opzet en doel van VIONA (Vlaams Interuniversitair Onderzoeksnetwerk Arbeidsmarktrapportering) werd destijds binnen het VESOC en in het kader van de Vlaamse werkgelegenheidsconferentie in het protocol van 17 maart 1993 als volgt vastgelegd: - Het verwerven van wetenschappelijke betrouwbare kennis over de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt opdat men verantwoorde beleidskeuzes kan maken (vaststellen, registreren en onderzoeken van de ontwikkelingen op de Vlaamse arbeidsmarkt teneinde het arbeidsmarktbeleid in Vlaanderen de nodige wetenschappelijke ondersteuning aan te bieden). - Een impuls geven aan wetenschappelijk onderzoek (komen tot een geïntegreerde en gecoördineerde aanpak van het beleidsgericht wetenschappelijk onderzoek op het domein van de arbeidsmarkt). Naar aanleiding van een nieuwe oproep voor het Steunpunt Werk in 2015, de nieuwe bevoegdheden na de Zesde Staatshervorming en de toegenomen stroomlijning inzake beleidsevaluatie, werd het model voor strategisch arbeidsmarktonderzoek in Vlaanderen (“Vlaams Programma Strategisch Arbeidsmarktonderzoek”) midden 2016 hertekend om maximale complementariteit met het Steunpunt Werk te bereiken. Onder de adviserende bevoegdheid van de Stuurgroep VIONA werden de volgende aanpassingen uitgevoerd: - VIONA-onderzoeken worden voortaan ingedeeld in twee categorieën: beleidsevaluerend onderzoek en beleidsuitdagend onderzoek. Deze indeling heeft een dubbele doelstelling: het versterken en stroomlijnen van de evidence basis van het Vlaamse arbeidsmarktbeleid en het behouden van de capaciteit van het huidige VIONA-programma om beleidsvernieuwing te stimuleren. - Elk voorstel voor een onderzoeksthema wordt voortaan onderworpen aan een screening door de Dienst Studie en Beleidscoördinatie van het departement WSE om de realiseerbaarheid en het wetenschappelijke gehalte van de maatregel te toetsen. - Er worden wetenschappelijke criteria geïntegreerd in de beoordeling van de onderzoeksvoorstellen. Op het programma Werkgelegenheid is in 2018 in het kader van het VIONA-arbeidsmarktonderzoeksprogramma 373.000 € beschikbaar voor studie- en O&O-opdrachten. Die opdrachten zijn complementair aan de opdrachten die het Steunpunt Werk opneemt. De projectoproepen in het kader van het VIONA-arbeidsmarktonderzoeksprogramma worden beheerd door het departement Werk en Sociale Economie. De Vlaamse minister van Werk, Economie, Innovatie en Sport, de heer Philippe Muyters, keurt -rekening houdend met het advies van de Stuurgroep VIONAde VIONA-oproepen en -projecten goed.
2.
Modaliteiten en gunningsprocedure
2.1
De deelnemers
VIONA-oproepen staan open voor onderzoekers en onderzoeksgroepen uit de universiteiten en hogescholen én voor andere (onderzoeks)instellingen.
2.2
De projectvoorstellen
Een projectvoorstel dient deze elementen te bevatten:
1) 2)
3)
4) 5)
6) 7)
8)
titel van het project vermelding van de promotor(en): naam, instelling, onderzoekseenheid, contactadres, telefoonnummer en e-mailadres Indien de opdrachtnemer een beroep wenst te doen op één of meerdere experten extern aan de onderzoeksploeg, moet een indicatie worden gegeven van de aard van de experten (indien mogelijk met de namen), hun expertise (juridisch, fiscaal, economisch, …) en dient geduid te worden hoe die expertise in het onderzoek kadert. een uitgebreide omschrijving van het projectvoorstel dat minstens volgende elementen bevat o Situering van het thema o Conceptueel, theoretisch of beleidsmatig analysekader o Toelichting over hoe de wetenschappelijke kwaliteitscriteria bewaakt zullen worden. Onder “wetenschappelijke kwaliteitscriteria” worden hier betrouwbaarheid, interne validiteit (indien van toepassing), externe validiteit (indien van toepassing) en constructvaliditeit verstaan. o Methodologie een gedetailleerd tijdschema een financieel plan per kalenderjaar en een verduidelijking van de additionele financiering (facultatief) Voor deze studieopdracht wordt als richtprijs een bedrag van maximaal 80.000 euro (inclusief overhead en/of BTW) vooropgesteld. Projectvoorstellen dienen steeds de totale kostprijs inclusief én exclusief BTW (indien deze van toepassing is) aan te geven. een beschrijving van de wijze waarop de resultaten zullen worden gevaloriseerd en bekend gemaakt; in de begroting moet expliciet een bedrag voor de valorisatie worden voorzien een beknopt curriculum vitae van de onderzoeksverantwoordelijken (max. 3 blz. per persoon), met vermelding van de relevante lopende onderzoeksprojecten (met naam van de financierende organisatie en einddatum van het onderzoeksproject) en de vijf belangrijkste publicaties. Een bondige omschrijving van het project.
Maximale lengte: de uitgebreide omschrijving van het projectvoorstel (zie 3), het tijdspad (zie 4) én de begroting (zie 5) mogen maximaal 12 pagina’s in beslag nemen. De bondige omschrijving van het project mag maximaal 2 bladzijden omvatten.
2.3
Evaluatie en selectie van de projectvoorstellen
De ingediende voorstellen worden beoordeeld op hun algemene en wetenschappelijke relevantie. De evaluatie en selectie verlopen als volgt: De beoordeling van de algemene relevantie gebeurt door de Stuurgroep VIONA, die uit de volgende stemgerechtigde leden bestaat: de Vlaamse regering (afgevaardigden van de Vlaamse Minister bevoegd voor Werk en de Vlaamse Minister bevoegd voor Sociale Economie), de sociale partners (ABVV, ACV, ACLVB, VOKA, UNIZO en BB) en het Vlaamse Departement Werk en Sociale Economie. Elk stuurgroeplid kan (per onderzoeksvoorstel) een advies uitbrengen op een schaal van 1 tot 5 op basis van een aantal vooraf geformuleerde algemene deelcriteria, waaraan verschillende gewichten werden toegekend, zoals in onderstaande tabel weergegeven. De algemene quotering is een aggregatie van die gewichten (op een schaal van 1 (zeer slecht) tot 5 (uitstekend)), en er wordt gevraagd om een algemene toelichting van de beoordeling te voorzien. Het betreft hier dus max. 10 beoordelingen waarvan een gemiddelde genomen wordt per criterium.
De beoordeling op algemene criteria door de stuurgroepleden telt mee voor 90 punten. Algemene criteria
90
Aansluiting bij onderzoeksvragen Duidelijkheid van de praktische aanpak Realiseerbaarheid van de praktische aanpak Productie van nieuwe informatie Aanwezige kennis over het beleidsthema Valorisatie
20 20 20 20 5 5
De beoordeling van de wetenschappelijke criteria wordt opgenomen door een panel van wetenschappelijke beoordelaars in de studiediensten van het departement WSE, van de VR en evt. van de VDAB. Zij beoordelen het onderzoeksvoorstel op een schaal van 1 (zeer slecht) tot 5 (uitstekend) op basis van onder meer de hierna volgende deelcriteria en geven een globaal oordeel waarvan een gemiddelde wordt genomen. De beoordeling op wetenschappelijke criteria door de wetenschappelijke beoordelaars telt mee voor 10 punten. Wetenschappelijke criteria Betrouwbaarheid van de te gebruiken gegevens Conclusie validiteit Interne validiteit Constructvaliditeit Externe validiteit ‌.
10
Het best gekwalificeerde projectvoorstel met een minimale score van 60/100 punten zal dan voor gunning aan de minister worden geadviseerd, met dien verstande dat in het geval van fundamentele onduidelijkheden, betwistingen, ex aequo ’s in de punten of nauw aanleunende resultaten de mogelijkheid wordt ingebouwd om mondelinge of schriftelijke vragen te stellen aan de indieners van de (beste) offertes (zie ook punt 7). Indien de minister akkoord gaat met het advies, wordt het projectvoorstel gegund volgens de regels van de overheidsopdrachten.
2.4
Kandidaatstelling
De projectvoorstellen dienen het departement Werk en Sociale Economie elektronisch via mail (Word) (willem.deklerck@wse.vlaanderen.be + johan.troch@wse.vlaanderen.be) uiterlijk te bereiken op het tijdstip vermeld in de oproep.
Bijlage 2 bij VIONA-projectoproepen voor studieopdrachten Financieel plan en rapportering In deze bijlage worden de richtlijnen voor de budgetplanning van projectvoorstellen en de inhoudelijke en financiële rapportering door de promotoren toegelicht.
1.
Kwalificatie van de opdracht
Binnen het VIONA-onderzoeksprogramma maken we een onderscheid tussen twee soorten dienstenopdrachten, nl. studieopdrachten en O&O-opdrachten. Deze oproep betreft een studieopdracht. Bij studieopdrachten in antwoord op beleidsvraagstukken verwachten we dat de opdrachtnemer een voorstel van analyse en oplossing van een specifiek probleem formuleert met behulp van bestaande kennis binnen een korte termijn. Het voorstel en de analyse moet praktisch bruikbaar zijn voor het beleid. Voor deze studieopdracht wordt een bedrag van maximaal 80.000 euro (inclusief overhead en/of BTW) vooropgesteld.
2.
Financiële planning en rapportering
In het financieel plan en de financiële rapportering van VIONA-projecten maken we een onderscheid tussen drie soorten kosten. - Loonkosten wetenschappelijk personeel: raming in het financieel plan op basis van geschatte onderzoekersmaanden en bij afrekening op basis van bewijsstukken van de personeelskost voor wetenschappelijk personeel dat daadwerkelijk werd ingezet op het project. - Persoonsgebonden werkingskosten: werkingsmiddelen, administratieve ondersteuning en universitaire overhead. De persoonsgebonden werkingskosten worden forfaitair begroot en afgerekend op maximaal 33% van respectievelijk de begrote en de reële personeelskosten wetenschappelijk personeel en omvat de overhead van maximum 10% die de universiteiten gewoonlijk aanrekenen. - Projectspecifieke werkingskosten: exceptionele en projectspecifieke werkingsmiddelen (bv. kosten voor een grootschalige survey (postenquête, webbevraging, …), kosten buitenlandse studiereis,…). Het betreft uitzonderlijke kosten waarvoor een specifiek budget moet worden uitgewerkt. Die kosten zijn inherent aan de opdracht en zijn altijd te bewijzen. Ze worden in detail begroot in het voorstel en afgerekend op basis van bijhorende bewijsstukken. Bij de afrekening wordt de mogelijkheid voorzien van een transfer van de persoonsgebonden werkingskosten naar de loonkosten wetenschappelijke personeel ten bedrage van maximum 10 % van de oorspronkelijk voorziene werkingsmiddelen en dit op voorwaarde dat het globaal aanvaarde projectbudget behouden blijft. Bv.: voor een VIONA-project met een aanvaarde projectbegroting van 99.750 euro bestaande uit 75.000 euro aan personeelskosten en 24.750 euro (33% van 75.000 euro) aan werkingskosten, mag maximaal 2.475 euro worden getransfereerd van de werkingsmiddelen naar de personeelskosten. Op
die manier kunnen hogere personeelskosten dan begroot worden opgevangen, bijvoorbeeld na aanwerving van een meer gekwalificeerde en ervaren onderzoeker dan aanvankelijk verhoopt. De opdrachtnemer zal aan de opdrachtgever na afloop van het project (dit is de einddatum in het contract) een financiële eindrapportering (schuldvordering met kopie van de gevraagde bewijsstukken) bezorgen. Tussentijdse uitbetaling is enkel mogelijk voor projecten die meer dan 12 maanden doorlooptijd in beslag nemen en gebeurt op basis van een tussentijdse financiële en inhoudelijke rapportering. De tussentijdse financiële rapportering (schuldvordering met kopie van de gevraagde bewijsstukken) moet na afloop van de eerste fase aan de opdrachtgever worden bezorgd. Indien het onderzoek door meerdere instanties wordt uitgevoerd, treedt één instantie op als opdrachtnemer. De opdrachtnemer moet alle facturen en interne verrekeningen bundelen en bij de opdrachtgever indienen. Voor de loonkosten wetenschappelijk personeel moeten bij de betalingsaanvraag de namen worden vermeld en worden gestaafd d.m.v. loonfiches (indien intern personeel) of facturen én betalingsbewijzen (indien extern personeel). Uitsluitend kosten gemaakt binnen de uitvoeringsperiode, die is bepaald in de overeenkomst, worden aanvaard.
3.
Inhoudelijke rapportering
De opdrachtnemer zal aan de opdrachtgever na afloop van het project (dit is de einddatum in het contract) een inhoudelijke eindrapportering bezorgen, samen met een Nederlandse én Engelstalige samenvatting. De inhoudelijke rapportering dient minimaal volgende elementen te bevatten: a) Inleiding en situering. b) Analysekader. Ingeval het om een evaluatieonderzoek gaat, dienen de relevante evaluatiecriteria hierin toegelicht te worden. c) Uitgebreide beschrijving van de gebruikte methodologie. d) Uitgebreide beschrijving van de resultaten van het onderzoek. e) Conclusies. f) Beleidsaanbevelingen. Het concept van eindrapport dient eind augustus 2019 te worden opgeleverd en zal worden besproken op en goedgekeurd door de werkgroep die belast is met de opvolging van het VIONAproject. Uiterlijk eind september 2019 dient het definitieve eindrapport dwingend aan de opdracht-gever te worden opgeleverd. De Nederlandse samenvatting (met opzet, bevindingen, aanbevelingen en valorisatie) telt minimaal 2 en maximaal 5 bladzijden. De Engelstalige samenvatting telt een 2-tal bladzijden. Van het eindrapport en van de samenvatting wordt ook een elektronische versie geleverd met het oog op de mogelijke verspreiding via de VIONA-website. Van dit inhoudelijke eindrapport worden dertig gedrukte exemplaren aan het Departement WSE bezorgd. De opdrachtnemer verbindt er zich toe, tegelijkertijd met de indiening van het eindrapport, de voorgeschreven samenvattingen van het onderzoeksproject te bezorgen.
In het geval van tussentijdse uitbetaling moet een tussentijdse inhoudelijke rapportering samen met een financieel rapport na afloop van de eerste fase van het project aan de opdrachtgever worden bezorgd. In die tussentijdse inhoudelijke rapportering dienen ook eventuele bijsturingen in het project te worden weergegeven. Deze rapportering wordt verspreid aan al de leden van de werkgroep die belast is met de opvolging van het VIONA-project. De verspreiding gebeurt via het VIONA-secretariaat.
4.
Contactpersonen
Financiële en inhoudelijke rapporten moeten worden ingediend op het volgende adres, op de wijze zoals hierboven beschreven: Vlaams Ministerie van Werk en Sociale Economie Departement Werk en Sociale Economie – Dienst Studie en Beleidscoördinatie t.a.v. de heer Willem De Klerck (diensthoofd) Koning Albert II-laan 35, bus 20 - 16de verdieping 1030 Brussel Inhoudelijke vragen over de concrete opdracht: Informatie over deze opdracht kan u krijgen bij mevrouw Lieve De Lathouwer, Departement Werk en Sociale Economie (0486/99 99 58, lieve.delathouwer@wse.vlaanderen.be). Contactpersoon m.b.t. de procedure en inhoudelijke en financiële rapportering: Departement Werk en Sociale Economie, Koning Albert II-laan 35, bus 20 - 16de verdieping, 1030 Brussel Johan Troch, tel. 02/553 44 18, johan.troch@wse.vlaanderen.be