pleistering UNILIT kalkverven CORICAL silicaatverven CORISILK en KEIM marmera^erkingen MARMOLUX, CORISTIL en DECORLUX stucco venetiano PLASTELUX en VENESTUK
Aill Vil erkend V www.vibe.be - tnfo@vibe.be Tel. +32 (0)3 239.74.23
Arte Constructo bvba Molenberglei 18 - B-2627 Schelle - Belgium Tel. +32 (0)3 880.73.73 - Fax +32 (0)3 880.73.70 -arteconstructo.be - info@arteconstructo.be
Agentschap R-0 Vlaanderen Onroerend erfgoed Phoenix-gebouw Koning Albert ll-laan 19 (bus 3) 1210 BRUSSEL Tel. 02-553 16 13- Fax 02-553 16 12 E-mail: luc.tack@rwo.vlaanderen.be Voorzitter: Luc Tack Eindredactie: Marjan Buyle en Marcel Celis Fotografie: Oswald Pauwels Vormgeving en productie: LucTack Secretariaat: Diane Torbeyns
Cover: Ingangsportaal van het gastenkwanier van de abdij van Vlierbeek (foto O. Pauweis)
J. Casier Maalsesteenweg 73, 8310 Sint-Kruis Tel.: 050-36 25 89 - Fax: 050-37 33 64 E-mail: casicr.jan@tiscali.be - www.jancasier.be
Internet
Abonnementsvoorwaarden 2007 België: 35 € (ook losse nummers verkrijgbaar voor 6 € ) . CJP'ers betalen: 27 € Buitenland: 60 € Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving op rek. nr.091-2206040-95 van Monumenten & Landschappen, Phoenix-gebouw, Koning Albert ll-laan 19 (bus 3), 1210 Brussel met vermelding "M&L-jaarabonnement 2007". U ontvangt dan alle nummers van het lopende jaar. E-mail; diane.torbeyns@rwo.vlaanderen.be Zonder schriftelijke opzegging vóór het einde van elk kalenderjaar, wordt een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang. Tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd
n h o Li
Advertentiewerving
Website: www.onroerenderfgoed.be
Druk
Redactiecomité*
Die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge Tel.: 050-47 12 72 - Fax: 050-34 37 68
Ere-voorzitter: Edgard Goedleven Voorzitter: Luc Tack Kernredactie: Marjan Buyle, Marcel M. Celis, Luc Tack, Herman Van den Bossche, Peter Van den Hove Redactie: Anna Bergmans, Jo Bracken, Marc De Borgher, Jo De Schepper, Jos Gijselinck, Catheline Metdepenninghen, Dieter Nuytten, Greet Plomteux, Suzanne Van Aerschot, Hedwig Van den Bossche, Paul Van den Bremt, Christine Vanthillo, Linda Wylleman
Verantwoordelijke uitgever Agentschap R-0 Vlaanderen Onroerend erfgoed Luc Tack Phoenix-gebouw Koning Albert ll-laan 19 (bus 3) 1210 BRUSSEL Tel.: 02-553 16 13 - Fax: 02-553 16 05
• Het redactiecomité is samengesteld uit erfgoedconsulenten
De verantwoordelijkheid voor de gepubliceerde artikels berust uit-
van het Agentschap R-0 Vlaanderen, Onroerend Erfgoed,
sluitend bij de auteurs Alle rechten voor het reproduceren, vertalen
en van het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed
of herwerken zijn voorbehouden.
i
Bouwgeschiedenis en restauratie van het voormalige gastenkwartier van de abdijsite van Vlierbeek in Kessel-Lo Dieter Nuytten, Lode D e Clercq en Piet Stevens
30
De militaire domeinen in Vlaanderen, bewaarplaatsen van archeologische en landschapshistorische relicten Inge Verdurmen en Dries Tys
45
e-i- ;nc
De restauratie van de kroonluchter uit de kapel van Karel de Goede in de Sint-Salvatorskathedraal te Brugge Nicky Vergouwen, Evelien van Biezen en Catheline Metdepenninghen
59
Summary
Wij hebben allemaal bescherming nodig, maar niet allemaal dezelfde!
Restauratie en Monumentenzorg JÊt*.
Duivenmest is door zijn agressieve chemische bestanddelen één van de belangrijkste oorzaken van onomkeerbare beschadigingen aan gebouwen en monumenten. Maar er is meer! De duif, maar vooral de duivenmest, brengt naast het cultuurpatriraonimn ook onze gezondheid in gevaar door overbrenging van ziekten zoals ornithose, salmonella, psittacosis, e.a.,...
'•i^
!fe Nu is er echter BIRDEX (een gamma diervriendelijke afschrikkingsmiddelen dat de duiven voorgoed weg houdt van monumenten en gebouwen. Wilt u er meer over weten, neem dan vrijblijvend contact mei ons op.
^
w-
RE.C. International n.v. Kleine Breedstraat 37, B-9100 St.-Niklaas Tel.: 03-776 84 39 - Fax: 03-777 35 09
de producent van kaarten, databanken en luchtfoto's voor ruimtelijke ordening en stadsrenovatie historische kaarten: archief en reproducties
j
Silver-Stained Roundels and Unipartite Panels before the French Revolution Flanders, Vol. I: The Province of Antwerp door C J. Berserik en J.M.A. Caen xxv + 436 p., 510 z/w ills., 470 kleurenills., 230 x 315 mm, ISBN 978-1-905375-25-7, € 101
Deze "checklist" is het eerste volume in een reeks die de Belgische gebrandschilderde glasmedaillons en aanverwante kleine brandglasramen uit één stuk inventariseert. Het eerste deel behandelt de collecties in de Provincie Antwerpen. In volume twee komen Oost- en West-Vlaanderen aan bod. In volume drie Vlaams-Brabant. De boeken vormen de reeks Corpus Vitrearum Belgium, "Checklist" Series.
•M&L Generiek Een abdij aan de Fliederbeek Als geen ander kreeg de voormalige benedictijnenabdij van Vlierbeek in de loop van haar geschiedenis alle mogelijke (tegen)slagen te incasseren. Gesticht halverwege de 12de eeuw wordt de bloeiperiode vanaf de 16de eeuw gevolgd door financiële aderlatingen, plundering en brandstichting, uitdrijving van de monniken, verbeurdverklaring van de gebouwen, openbare verkoping en sloop. Behalve de kloosterkerk bleef desondanks ook het 18de-eeuwse gastenkwartier bewaard, een getuige van de heropflakkering onder de jansenitisch gezinde abt Pieter Paradaens en omwille van zijn barok inkomportaal door Plantenga geroemd als één der fraaiste in het hertogdom Brabant. Naar aanleiding van de restauratie in 2006 en geruggesteund door fors archiefmateriaal situeert Dieter Nuytten de jongste ingreep in de ruimere historische context.
Fossiele landschappen Het moge contradictorisch lijken, maar precies omwille van hun specifiek gebruik blijken de uitgestrekte militaire domeinen sinds de 19de eeuw behoorlijk ongerepte reservaten te zijn gebleven van elders verdwenen archeologisch en paleo-ecologisch erfgoed. Binnen de diverse bewaarde landschapstypes spannen heidelandschappen als door de mens gevormde cultuurlandschappen hierbij de kroon. Van neolithicum tot de 20ste eeuw bewaarden ze sporen van hun gestage evolutie naast een veelbelovend bodemarchief: voor Inge Verdurmen en Dries Tys voldoende redenen om, na een verkeende studie, te pleiten voor uitvoerig onderzoek en de uitwerking van een voor elkeen aanvaardbaar beheersmodel.
Geheel en gansch in gegoten koper De zaligverklaring van Karel de Goede in 1882 en de creatie door Jean Baptiste Bethune van een nieuw schrijn voor diens opnieuw populaire relieken in de Brugse Sint-Salvatorkathedraal zou de Sociëteiten van Sint FranciscusXaverius in 1885 aanzetten tot de bestelling van een monumentale, 4 meters 50 centimeters omspannende neogotische lichtkroon Delineante Petro Raoux en uitgevoerd door de Brugse kopergieter Franciscus Blondel. Ruim 120 jaar later bleek een grondige opknapbeurt niet overbodig: een operatie waar de uitvoersters Nicky Vergouwen en Evelien van Biezen, samen met Catheline Metdepenninghen gedetailleerde toelichting bij verstrekken.
. \
•:• L
1946
BUILDING U\U ±JL^U±iyy<J NV. ALGEMENE BOUWONDERNEMING
Op de abdij site van Vlierbeek restaureerden wij het interieur van de huizen drie en vier, en het interieur van de Onze Lieve Vrouwkerk.
Al dertig jaar is restauratie ons vak Steenhouwerij en Schrijnwerkerij
N.V. VAN LOY & CIE ALGEMENE RESTAURATIEWERKEN Restauratie van de abdijsite van Vlierbeek Kessel-Lo Buitengevels Dakwerken van het oude gastenkwartier en van het abtskwartier Binnenrestauratie van de pastorie Aanleg rioleringen en Bestratingswerken
Aarschotsesteenweg 4, 2230 Herselt Tel.: 014/54.43.97 - Fax: 014/54.72.72 bouw.vanloy@skynet.be
Dieter Nuytten, Lode De Clercq en Piet Stevens
B0UWGESCH1EDE1M1S EN RESTAURATIE VAN HET VOORMALIGE GASTENKWARTIER VAN DE ABDIJSITE VAN VLIERBEEK IN KESSEL-LO • Detail van de kroonlijst van het gastenkwartier (foto 0. Pauwels)
De abdij van Vlierbeek in Kessel-Lo, even
voor een groot deel het beeld van de abdij
buiten het stadscentrum van Leuven, heeft een
bepaalt, is eind 2006 afgerond. Aan de werken
woelige geschiedenis gekend. De site heeft
is materieeltechnisch onderzoek
perioden van intense bouwactiviteit
waarvan de resultaten mee hebben
zien
voorafgegaan, toegelaten
afwisselen met perioden van een bijna even
de restauratieopties
intense sloopwoede en biedt heden een inte-
kwartier is de belangrijkste getuige van de
te formuleren. Het gasten-
ressante staalkaart van verschillende bouw-
heropbouw van de abdij na de godsdienst-
kundige stijlen.
oorlogen in de late 16de eeuw. De architectuur van de voorgevel is een sprekend voorbeeld
De restauratie van het vroegere gasten-
wat soms als 'vroege classicerende barok'
kwartier, waarvan de gevel samen met de kerk
wordt
aangeduid.
tol
STICHTING VAN DE CEILA SANCTAE MARIAE IN HET FLIEDERBEEKSE MOERAS De abdij van Vlierbeek is een stichting van de orde der benedictijnen. De heilige Benedictus staat in de 7 c eeuw aan de oorsprong van een hervorming binnen het kloosterwezen van de katholieke kerk in het voormalige westelijke Romeinse rijk. Het kloosterleven volgens de regels van de heilige Benedictus is voor het eerst toegepast in het klooster van Monte Cassino in Italië, en wordt tegen het midden van de 8 ste eeuw algemeen ingevoerd in de West-Europese kloostergemeenschappen. De benedictijnerorde heeft bijgedragen tot de kerstening van WestEuropa en wordt beschouwd als de bewaarder van antieke geschriften en promotor der kunsten. In België zijn oude benedictijnenstichtingen bijvoorbeeld de kloosters van Lobbes, Sint-Truiden, SintBaafs te Gent, alle uit de 7 ': eeuw, Gembloers, SintLaurentius en Sint-Jacob te Luik uit de 10 e eeuw en Affligem uit de 11 e eeuw. Ook de eerste kloostergemeenschap in Leuven leeft volgens de regels van Benedictus. In het begin van de 12 e eeuw beschikt de toenmalige vorst, de graaf van Leuven, over een uitgestrekt terrein in de moerassige zone Fliederbeekoi Vliederbeek geheten, naar de naam van de beek die er loopt. Godfried-metde-Baard, graaf van Leuven (1095-1106) en hertog van Brabant (1106-1139) schenkt deze gronden aan de abdij van Affligem om er een kerk te bouwen waar een permanente mis te zijner zielenheil wordt opgedragen. Teneinde traditionele conflicten "inter Clericos et Monachos", tussen de priesters van de stad Leuven en de monniken, te vermijden, voorziet de schenkingsovereenkomst dat de graaf het patroonschap over de nieuwe kloostergemeenschap voor zichzelf en zijn erfgenamen behoudt. Daarnaast krijgen de monniken vrije toegang tot de grafelijke gebieden, bossen, weiden en vijvers. De abdij van Affligem sticht kort na de schenking een cella of gemeenschap, de Cella Sanctae Mariae in Fliderbeka, en zendt er enkele van haar monniken heen (1). De eerste kerk is gewijd aan de Heilige Maagd en Sint-Medardus. In 1137 vormt de nieuwe gemeenschap een klooster. De stichting wordt in 1147 door de bisschop van Luik, Hendrik van Leyen, bevestigd en een jaar later, in 1148, door de paus, Eugenius III. In een brief uit 1158, afkomstig van Godescalc, abt van Affligem, wordt de vestiging aangeduid als Monasterium in Fliderbaica. Het nieuwe klooster is daarmee een feit.
Hl *•*•"•
:LR6^;I-:N
OPKOMST VAN EEN BELANGRIJKE KLOOSTERGEMEENSCHAP
De abdij van Vlierteek in de kaart van Ferraris (FERRARIS, Corte de Cob/net des Poys-Bas
Enkele jaren later tracht het nog jonge klooster zich los te maken van haar moederabdij Affligem en haar onafhankelijkheid op te eisen. Deze ontvoogdingsstrijd speelt zich af tegen de achtergrond van het schisma in de katholieke kerk tussen de pausen van Rome en deze van Avignon. De tegenpaus Victor IV verheft per bul het klooster Vlierbeek tot abdij. Monnik Evrard wordt als abt aangesteld en op 18 augustus 1163 gewijd, ondanks hevig protest van de moederabdij Affligem. De abten van de abdij van het Park in Heverlee en van de abdij van Averbode krijgen van Victor IV het bevel om in te stemmen met de uitvoering van zijn bul. De afsplitsing wordt bevestigd door paus Alexander III, opponent van Victor IV, op voorwaarde dat de monniken van Vlierbeek hun abt uit de monniken van Affligem kiezen. De eerste verkiezing vindt plaats in 1173. Het domein van Vlierbeek breidt zich in de daaropvolgende jaren zo sterk uit dat paus Alexander IV in 1257 de laatste band van Vlierbeek met Affligem opheft. Voortaan kunnen de Vlierbeekse monniken hun abt uit hun eigen gemeenschap kiezen (2). De invloed van de abdij in de omgeving stijgt gestaag. Vlierbeek neemt de voogdij waar van de kloosters van Linden, Kortenaken, Heylissem, Hakendover, Willebringen en Oirbeek. De abdij levert ook, om beurt met het kapittel van de Sint-Denisabdij van Luik, de pastoors voor de parochies van Bets, Budingen en Zoutleeuw. Maar Vlierbeek wordt nooit een spiritueel centrum zoals andere grote benedictijnenkloosters, en ziet zich zelfs meermaals gedwongen om haar prelaat van bui-
Autric/iiens, Brussel, 1770-1778)
M&L
ten de eigen abdij te laten aanvoeren. Enkele prelaten worden door andere abdijen geleverd zoals Gembloers, Affligem, Sint-Truiden of Sint-Vaast (3). Na haar aanvankelijke bloei kent de abdij een duidelijke neergang, ondanks een korte herstelperiode in de loop van de 16 c eeuw. In 1532 verleent paus Clemens VII aan de toenmalige abt Jan van Panhuyse het recht om de mijter en andere tekens der prelatuur te dragen. Deze promotie veroorzaakt aanzienlijke kosten omdat de abdij voor dit voorrecht een omvangrijke som moet betalen aan de paus en aan de bisschop van Luik. Omdat zij kort daarvóór ook een grote lening heeft verleend aan Keizer Karel V om diens oorlog tegen de Turken te financieren, is de schatkist van Vlierbeek uitgeput. Dit noodzaakt de monniken om op 10 juli 1534 delen van hun landgoederen te verkopen, zodat de invloed van de abdij in de omgeving afneemt.
BRANDSCHATTING DOOR ORANJE IN 1572 O p 25 september 1572 beleeft de abdij een catastrofe. Bij de belegering van Leuven door de troepen van de prins van Oranje worden de abdijgebouwen geplunderd en in brand gestoken. De prelaat, Pieter Coels, wordt gevangen genomen en in de SintGeertrui abdij binnen de stadsmuren opgesloten
De abdl| van
1727. Vooral de ver- anonieme schilderi|
Vlierbeek Werbacum
schillende Invulling
(uit SANDERUS A.,
Antique Ordmis S.
van de tuin valt op
Oiorographia soera
Benedicti Abbotio
in vergelijking met
Brabontioe.
in een gravure van
de gravure van
Den Haag, 1727)
J. Harrewijn uit
ïostermans en het
om pas tegen betaling van een aanzienlijk losgeld terug te worden vrijgelaten. Bij de brandschatting zijn alle overlevende monniken gevlucht en de abdij ligt haast volledig in puin. De weinige restanten van de abdijgebouwen doen in 1597 dienst als hoeve. De overgebleven monniken vinden een tijdlang onderdak in hun Réfugié binnen de stadsmuren van Leuven, aan de Vismarkt. De Réfugié blijkt al gauw te klein en de monniken ruilen hun gebouw voor de ruimere Réfugié van de abdij van Sint-Truiden (4). In 1589 verleent de paus aan de overgebleven monniken van Vlierbeek en aan de monniken van het Bogaardenklooster de toelating om zich samen te voegen. Hierop verhuizen de resterende Vlierbeekse monniken naar het Bogaardenklooster aan de Mechelsestraat, dat zich voortaan de regel van de heilige Benedictus aanmeet. Van hieruit zet abt Pieter Scrips zich vanaf 1627 in voor de reconstructie van de abdijgebouwen te Vlierbeek. O p de oorspronkelijke abdijsite worden een gestaag nieuwe kerk en bijhorende kloostergebouwen opgetrokken en in 1642 verlaten de monniken Leuven om zich in de herrezen abdij te vestigen. De abdijgemeenschap kiest er voortaan voor elke wereldse werking te laten vallen en zich in hoofdzaak aan studie te wijden. Die keuze zal echter leiden tot nieuwe problemen.
VAN PERIKELEN IN DE 18DE EEUW TOT ZANG EN DRANK In het begin van de 18 ^ eeuw gaat de abdij gebukt onder de troebelen van het jansenisme dat vele aanhangers kent binnen de Leuvense Universiteit. Het jansenisme is een stroming in de geloofsleer genoemd naar Cornelius Jansen of Jansenius (Acquoy 28 oktober 1585 - Leuven 6 mei 1638), priester en theoloog, die theologie studeerde aan de universiteiten te Leuven, Parijs en Bayonne. In 1636 wordt hij door de Spaanse koning benoemd tot bisschop van leper maar overlijdt in 1638 aan de pest. In zijn werk Augustinus, sive doctrina Sti. Augustini de humanae naturae sanitate, aegritudine, medicina etc.-, postuum uitgegeven te Leuven in 1640, concludeert hij dat de menselijke natuur slecht is en hij plaatst de vrije wil van de mens in het kader van de predestinatieleer. Die stipuleert dat de gelovige zijn zielenheil niet zelf kan bekomen door bijvoorbeeld het stellen van goede daden, omdat dit in handen ligt van God. Deze leer staat daarmee lijnrecht tegenover de opvattingen uit het Concilie van Trente, geformuleerd in 1545, 1551 en 1563 onder de pausen Paulus III, Julius III en Pius IV. Hoewel,
wordt beschouwd als een bedreiging voor de kerkelijke eenheid in de Zuidelijke Nederlanden en paus Benedictus XIII en Keizer Karel VI sturen gezamenlijk de bisschop van Antwerpen met een gewapende garde naar de abdij. De abt wordt gevangen genomen en naar de abdij van Gembloers overgebracht, waar hij in 1728 overlijdt. In de abdij van Vlierbeek wordt het aan studie gewijde leven niet hernomen, en de monniken storten zich in wereldse geneugten, in die mate dat een student van de Leuvense universiteit, die op 19 augustus 1782 de abdij bezoekt, getuigt: "Je suis temoin oculaire que ceux de Vlierbeek s'occupent en vrais moines, c'est h dire a chanter et a boire".
„, = JèamfiimMAmèimmtl&InM.
t^Mm\\\\ *'
mede door inzet der jezuïten, Jansenius' boek al in 1642 wordt veroordeeld, blijven enkele bisschoppen de stellingen ervan verdedigen. Het Franse cisterziënzerklooster Port-Royal-des-Champs, zuidelijk van Parijs, wordt een belangrijk theologisch centrum van de Jansenisten. In 1653 veroordelen de pausen Innocentus X en Alexander VII enkele jansenistische leerstellingen als calvinistisch. Volgelingen van Jansenius hebben via de heruitgave van diens boek bijgedragen aan het voortbestaan van het jansenisme. De strijd om de veroordeling van hun leerstellingen duurt tot in de 18 e eeuw, vooral omdat leden van het Franse episcopaat vatbaar blijken voor het jansenisme, waarbij ook ketkpolitieke redenen mee een rol spelen. Ook de theologische faculteit van de universiteit van Leuven is een eeuw lang in de ban van de jansenistische strijd, die pas in 1713 officieel wordt afgesloten met de pauselijke bul Unigenitus van Clemens XI waarin de jansenistische moraal wordt veroordeeld (5). Dit in wezen scholastische dispuut heeft ook politieke wortels. In Frankrijk is het jansenisme gericht tegen de politiek van Lodewijk XIV en in de Zuidelijke Nederlanden tegen de Spaanse koning Karel VI die dan onder de invloed van de jezuïetenorde staat. Pieter Paradaens (1655-1728), de toenmalige abt van Vlierbeek, die tijdens zijn abbatiaat overigens verschillende abdijgebouwen laat herbouwen, is een gedreven jansenist en Vlierbeek vormt daarmee een spil in het Europese jansenisme. Paradaens
Bij de tweede inval van de troepen van de Franse Republiek in de Oostenrijkse Nederlanden, moeten de monniken van Vlierbeek opnieuw hun abdij verlaten (6). De wet van 15 fructidor van het jaar IV (1 september 1795) heft alle religieuze gemeenschappen op en de monniken worden manu militariu'a hun abdij verdreven op 11 januari 1797. De nieuwe overheid verkoopt in het openbaar de kloosterinboedel op 17 maart. De rijke bibliotheek, met vele 12 c- en 13 <:-eeuwse manuscripten, gaat onherroepelijk verloren en de zilveren abdijschat, waarvan de inventaris uit 1478 is bewaard, wordt omgesmolten. De abdijsite wordt op 26 april 1798 in twee loten openbaar verkocht te Brussel. Het eerste lot met de abdijgebouwen gaat voor één miljoen elf duizend pond naar Parijzenaar Jean Bourdon. Het tweede lot met de omliggende gronden, komt voor één miljoen en tweehonderd duizend pond toe aan Leuvenaar Jean-Marie De Becker, die ten voordele van de monniken optreedt. Enige tijd later koopt hij ook het eerste lot van Jean Bourdon op. Hierdoor is de abdij tot op heden kunnen blijven bestaan. Vanaf 1801 bewonen de overgebleven religieuzen opnieuw enkele delen van het complex. Daarmee zijn de troebelen niet voorbij. Tijdens de napoleontische oorlogen dient de abdij als militair hospitaal, eerst voor het Engelse (in 1809), later voor het Pruisische leger (in 1815).
DE BEWOGEN BOUWGFSCHIEDENIS VAN HET ABDIJCQMPLEX De turbulente geschiedenis van de abdij vertaalt zich in een bewogen bouwgeschiedenis. Over de abdijgebouwen van vóór de brandstichting in 1572 is weinig gekend. De oude kerk is in gotische stijl gebouwd met in haar interieur de graven van verschillende notabelen uit de omgeving, zoals de
Plan van de abdij van Vlierbeek in 1798 tijdens de Franse Revolutie, opgemaakt door P.J. De Rycke Pion de l'Abboye de Wierbeek du 5 ventose an VI (Brussel, Algemeen Rijksarchief, Kaarten en Plannen, nr.206)
de bouwgeschiedenis van het gastenkwartier beschreven aan de hand van gekende gegevens, aangevuld met de resultaten van bouwhistorisch en materieeltechnisch onderzoek dat is uitgevoerd door de auteurs, vóór en tijdens de restauratiewerken. Verder in dit artikel komt ook de restauratie van het gebouw aan bod.
DE BOUW VAN HET GASTENKWARTIER IN DE 17de EN VROEGE 1Rge EEUW
A Historische fotoopname vanuit het
heren van Rotselaar en Wezenmaal (7). De oude waarop duidelijk het gebouwen moeten in 1572 haast volledig verwoest schaalverschil blijkt geweest zijn en vervangen door nieuwbouw in tussen het gastenbarokke stijl vanaf 1642. Uit de eerste bouwtijd kwartier en de stammen vermoedelijk enkel nog delen van de wesIS^-eeuwse nieuwe terpoort en enkele kelders, ondermeer onder de kerk (IRPA-KIK nr.4800A) voormelde poort en onder het oude abtskwartier (8). De nieuwe gebouwen die tussen 1635 en 1642 worden opgetrokken, zijn relatief eenvoudig van grondplan en gedeeltelijk nog laatgotisch van opzet. De nieuwe kerk heeft één beuk met naast het koor, aan de noordzijde ervan, een klokkentoren. Later, in de 18 e eeuw, moeten delen van deze 17 e eeuwse constructies opnieuw plaats ruimen voor een ambitieus nieuwbouwproject dat echter door de geschiedenis zal ingehaald worden en onvoltooid blijven. De huidige gebouwen op de site dateren dus voornamelijk uit de 17 e en 18 e eeuw. Na de openbare verkoop in 1798 wordt de sloop van grote delen van de abdijgebouwen ingezet, met een spijtig hoogtepunt in de 19 e eeuw. Vandaag blijven Historische foto- enkel de volgende abdijgebouwen bewaard: een opname uit 1910 klein deel van het kloosterpand, het grootste deel met een zicht op van het gastenkwartier, de 18 c -eeuwse kerk, het de voorgevel van c het gastenkwartier ten dele gerealiseerde 18 -eeuwse abtskwartier en (Cl. Rahir, IRPA-KIK het 17 dc -eeuwse oude abtskwartier met enkele bijnrl309lE/20l63) gebouwen. O p 20 februari 1939 worden de kerk en de resterende abdijgebouwen als monument en de onmiddellijke omgeving als landschap beschermd. O p de site zijn tevens een aantal dienstgebouwen behouden, zoals de 16 e -eeuwse westerpoort, het IS^-eeuwse Koetshuis en enkele 18 e -eeuwse boerderijgebouwen. O p 4 augustus 1982 worden de noorderpoort, de voormalige boerderij en enkele tuinmuren beschermd. In wat hierna volgt, wordt zuidwesten uit 1893,
1VI&L
Eens door de westerpoort op de site aangekomen, wordt het beeld van de abdij bepaald door de voorgevel van het oude gastenkwartier. Dit is van bij de heroprichting van de abdijgebouwen in de 17' c eeuw ook de bedoeling geweest. Het volume van het gastenkwartier, dat de hoofdvleugel van de barokke abdij vormt en waarvan de constructie na de terugkeer van de monniken in 1642 aanvangt, is bewaard gebleven. De opvallende hoofdgevel is geleed door dertien verticaal gegroepeerde venstertraveeën, van elkaar gescheiden door pilasters van kolossale orde die een monumentaal balkgestel dragen. Aan kloosterzijde is de westelijke pandgang van het — op een kleine rest van de noordelijke pandgang na — verdwenen kloosterpand in het bouwvolume van de twee verdiepen hoge gastenvleugel geïncorporeerd. Hoewel de homogene architectuur van de voorgevel een ononderbroken bouwtijd doet vermoeden, is het gastenkwartier in drie onderscheiden bouwcampagnes opgetrokken (9). Hiervan getuigen de kappen (zie verder) en de twee massieve dwarse muren in het gebouw, die een tijd als eindgevels en
Ongedateerde histo-
portaal van het
mche foto-opname
gastenkwartler
(vermoedeli|k tussen
(IRPA-KIK
1910 en 1940) van
nr.i0885B)
het barokke mkom-
daarna als brandmuren dienen. De eerste bouwfase komt overeen met de vier noordelijke traveeën in de kap. De tweede fase start ongeveer een tiental jaar later en omvat de drie volgende traveeën, tot aan de tweede dwarse muur, die dan een tijd als buitengevel dienst doet. Bij de realisatie van deze fase wordt het raam met ijzerzandstenen rondstaafomlijsting naar de pandgang, hier dichtgemaakt. De zes zuidelijke traveeën worden in één geheel opgetrokken onder het abbatiaat van Petrus Paradaens met voltooiing in 1727. Dit laatste deel bevat de hoofdingang van het gebouw, zoals dit ook al op de gravure van Vostermans is aangeduid, zij het niet op dezelfde travee. Hieruit blijkt dat het van bij aanvang de bedoeling geweest is een lange vleugel te bouwen. Dit blijkt mee uit het feit dat de bouw is gestart aan de zijde het verst van de kerk gelegen. Uiteindelijk is de vleugel in drie bouwfasen tot stand gekomen. Plantenga roemt het inkomportaal van het gastenkwartler als één der mooiste barokportalen in het vroegere hertogdom Brabant (10). Van het oorspronkelijke 17 e en vroeg 18 ce -eeuwse interieur is zeer weinig bewaard gebleven, op een twee traveeën breed salon met rococo aankleding
• De neogotische
uit het midden van de 18 '; eeuw op het gelijkvloers na. Deze salon, die zich kenmerkt door de plafondafwerking met stuclijst en overhoekse rocaillemotieven, is vermoedelijk later, rond het midden van de 18 e eeuw ingebracht. De centrale moerbalk is hier met rocaille rosds versierd en rust op rocaille consoles. Uit het materieeltechnisch onderzoek blijkt dat het interieur bij voltooiing van de vleugel in 1727 opvallend gelijkvormig en uiterst sober moet zijn geweest. De oorspronkelijke afwerking betrof een eenvoudig laagje kalkwirsel op alle onderdelen. Alle plafonds van het gelijkvloers bestaan uit onversierde witgekalkte troggewelfjes
schouwmantel in de huidige pastorie, toestand na de restauratie (foto 0. Pauwels)
1VI&L
DE 17de-EEUWSE KAPPEN VAN HETGASTENKWARTIER Het gastenkwartier van de voormalige abdij van Vlierbeek bevat een homogene eikenhouten kap, in wezen opgebouwd uit zeven spanten met schaargebinten (12). De kap wijkt echter af van een traditionele kap met schaargebinten omdat de opbouw van de onderste gebinten asymmetrisch is: de gebinten worden naar de oostzijde toe verlengd om ook de (lagere) pandgang te overkappen. Het onderste spantbeen aan westzijde staat daarom schuin, zoals traditioneel het geval is bij dit soort kappen, maar aan oostzijde is een rechte stijl voorzien, geplaatst boven op de dragende muur die het gastenkwartier van de pandgang scheidt. De dekbalk, die de flieringen draagt, is verlengd in de richting van de pandgang en op lagergelegen hoogte is bijkomend een half schaarbint aangebracht met nog een fliering. Bovenop het onderste schaargebinte staat een traditioneel schaargebinte met schuine spantbenen, waarbij de symmetrie ten opzichte van de nok opnieuw wordt aangehouden. Alle houtverbindingen zijn pen- en gatverbindingen, gestabiliseerd met eikenhouten toognagels. De verbinding tussen de spantbenen en de dekbalken
• T Dwarsdoorsnede door het voormalige gastenkwartier,
Hel interieur van de huidige pastorie, huis nr. 2. toestand na de restauratie (foto. 0. Pauwels)
tussen kinderbalken. O p de eerste verdieping en op de lagere verdieping boven de pandgang is deze afwerking eveneens toegepast (11). Bij het onderzoek zijn in het interieur geen sporen van een rijkelijke stoffering aangetroffen. Er zijn op bepaalde plaatsen wel enkele 19 c -eeuwse aankledingen bewaard gebleven, zoals enkele neogotische schouwmanteltjes in de pastorie.
M&L
Zicht op de tweede bouwfase van de kap van het gastenkwartier, huis num-
toestand vóór
mer !, toestand
de restauratie
na de restauratie
(P. Stevens)
(foto 0. Pauwels)
die zij dragen, wordt hyperstatisch gemaakt met schuinstaande korbelen. In de langse richting wordt het windverband tussen spantbenen en fliering eveneens met schuine schoren verzekerd.
T De abdij van Vlierbeek Werbocum kitiqua Ordinii S. Henedicti Abbatia in een gravure van Lucas Vostermans De jonge uit 1659 (uit SANDERUS A.. Choropaphia soera W/erboci, Brussel, 1659)
De kap is in drie opeenvolgende bouwcampagnes tot stand gekomen. Elk deel is gescheiden van de andere door een brandmuur in baksteenmetselwerk. De teimerken van de kap bevestigen deze bevinding. De merken zijn aan westzijde aangebracht en de tegenmerken aan oostzijde. De spanten zijn telkens oplopend genummerd van noord naar zuid, van / tot /// in het noordelijke bouwdeel, van / tot // in het middendeel en eveneens van / tot // in het zuidelijke bouwdeel. De noordelijke teimerken zijn getrokken merken, evenals deze in het middelste deel, terwijl de zuidelijke merktekens met de beitel zijn aangebracht. Dit staaft het vermoeden, op basis van de bouwdetails, dat de noordelijke en middelste bouwfase met slechts een relatief korte onderlinge interval in de tijd zijn gerealiseerd. De bouwpauze tussen de middelste en zuidelijke delen was dan vermoedelijk weer langer. De zuidelijke tussenmuur bevat namelijk een houten stijl die aan zuidzijde sterke verweringssporen draagt. Dit kan erop wijzen dat tussen het einde van de middelste bouwfase en de aanvang van de zuidelijke bouwfase toch een langere tijd is verlopen. De nokbalken van noordelijke en middelste bouwfase zijn bovendien met elkaar verbonden, wat tussen de nokken van de middenfase en de zuidelijke fase niet het geval is
DE GEVEI ARCHITFCTLJUR VAN HET GASTENKWARTIER De opmerkelijke gevel van het voormalige gastenkwartier doet oorspronkelijk dienst als hoofdgevel van de abdij. Zoals op de gravures van Vostermans in de Chorogmphia sacra Vlierbaci van Sanderus uit 1659 en van Harrewijn uit Sanderus' Chorogmphia sacra Brabantiae uit 1727 te zien is, ligt de gevel op één lijn met de kerkgevel, waarvan zij kolossale orde, kroonlijsthoogte en plinthoogte overneemt zodat een compact geheel ontstaat. Waar echter de gevelzuilen van de kerk, gewijd aan Onze-LieveVrouw, tot de Ionische orde behoren, zijn de pilasters van het gastenkwartier van dorische orde. Het belang van de gevel van het gastenkwartier voor het door de bouwers bedachte totaalbeeld van de abdij mag blijken uit het systematisch aanhouden van eenzelfde architectuurtaai tijdens de relatief lange bouwperiode van vermoedelijk 1642 tot 1727. Zoals op de gravures van Vostermans en Harrewijn is te zien, bevat de gevel oorspronkelijk hoge kruisramen, vermoedelijk met houten luiken onderaan en glas-in-lood in diagonale vatting bovenaan. Bij Harrewijn staat het luik van één der middelste ramen op de verdieping open. Opmerkenswaard is dat de gevel bij beide gravures slechts 11 traveeën telt, terwijl dit er in werkelijkheid 13 zijn. Het meest opvallende aspect aan de gevel van het gastenkwartier is het gebruik van de kolossale orde, wat haar een onverbloemde monumentaliteit en aanzien verschaft. Dergelijke opstelling verwijst al naar latere classicistische gevelschema's en wordt daarom soms ook wel als een 'classicerende barok' aangeduid. De kolossale pilasters dragen een uitgewerkt balkgestel waarvan de fries rijk versierd is zowel met trigliefen als met originele motieven. De meeste daarvan zijn geometrisch uitgewerkte patronen, die alle telkens van elkaar verschillen, maar er zijn ook figuratieve voorstellingen, waarvan de symboliek tot op heden nog raadselachtig blijft. Verschillende onderwerpen zijn er in uitgebeeld, zoals de zon, een bol, de maan, een kruis, een doodshoofd, een mijter,... Deze merkwaardige friesvulling, die duidelijk van lokale oorsprong is, staat wel in tegenstelling met de meer rigide bepalingen over de friesdecoratie met trigliefen en metopen van de dorische orde, zoals die in de latere classicerende barok in regel worden toegepast. In de zuidelijke traveeën is ook het jaartal van de constructie aangebracht (1727), en de woorden "/« hoc signo vinces"en "Resquiescat in pace", alsook de initialen "/?/?" van de opdrachtgever van dit deel van het gebouw, abt Petrus Paradaens.
Opmetingsplan van de voorgevel (westgevel) van het voormalige gastcnkwartier, toestand voor de restauratie (P. Stevens)
telen zijn weggebroken. Ook de raamkanten zijn geprononceerd uitgevoerd en verticaal verbonden, zodat er, achterliggend aan de kolossale pilasterorde in het eerste plan, een strakke rasterstructuur van horizontaal en verticaal lijstwerk ontstaat in het tweede plan, waarbinnen raamopeningen en baksteenparament elkaar in het derde plan afwisselen. De vensterverdeling met kruismonelen behoort nog tot het tweede plan. In de oostgevel aan pandzijde, op de verdieping van de pandgang, moeten de raamopeningen oorspronkelijk eveneens kruismonelen hebben bevat waarvan de horizontale verdeling dan aansluit op de aanwezige natuurstenen speklagen.
Vergelijkende tekening met links de huidige toestand en rechts een reconstructie van de oorspronkelijke toestand (Archief Heemkundige Kring Kessel-Lo)
DE OORSPRONKELIJKE AFWERKING VAN DE GEVEL
Bepalend voor de gevelarchitectuur is ook het strakke patroon van horizontale en verticale kordonlijsten. De boven elkaar geplaatste en over de ganse lengte van de gevel doorlopende horizontale kordonlijsten komen overeen met respectievelijk de hoogtes van de vroegere horizontale kruismonelen, de lintelen en de vensterdorpels van de ramen. Deze lijsten zijn tot heden nog aanwezig, behalve ter hoogte van de vier zuidelijke traveeën waar, bij de verbouwing naar pastorie in 1838, ook de oude lin-
Het materieeltechnisch onderzoek van Studiebureau De Clercq heeft aangetoond dat het oorspronkelijke kleurgebruik de architecturale geleding volgt. De pilasters en hun kapitelen worden rood geschilderd, het parament rood met witte voegen, het hoofdgestel wit en de sokkel in een bruine okertint. Deze onderzoeksresultaten zijn enigszins verrassend, aangezien in het algemeen pilaster en hoofdgestel een zelfde kleur krijgen terwijl de velden in een andere, vaak rode kleur worden gezet. Deze laatste versie is eveneens afgebeeld op het anonieme schilderij dat de 17 c -eeuwse abdijgebouwen voorstelt ten tijde van abt Robert Garesta. Alle elementen van de kolossale orde, pilasters én hoofdge-
1V1&L
A De abdij van Vlierbeek tijdens het abbatiaat van Garesta (1653-1680) in een
stel zijn er oker gekleurd en de velden rood, waarbij het witte voegwerk duidelijk is ingetekend.
anoniem schilderij uit omstreeks het midden van de 17
eeuw
(Kerkfabriek, pastorie Vlierbeek)
Opmetmgsplan van de achtergevel (oost- of pandgevel) van het voormalige gastenkwartier. toestand vóór de restauratie (P. Stevens)
M&L
In de 19 e eeuw ondergaat de gevel van het gastenkwartier zijn meest ingrijpende transformatie. Dit gebeurt vermoedelijk omstreeks de periode 18381842 als het gastenkwarder in drie eenheden wordt opgedeeld (13). De raamopeningen worden verlaagd en van hun kruismonelen ontdaan, een nieuw linteel in blauwe hardsteen alsook eikenhouten schrijnwerk worden ingebracht. Ook de vensterdorpel wordt verlaagd en vervangen door een exem-
De voorgevel van het gastenkwartier. toestand vóór de restauratie
Detail van de achtergevel van het gastenkwartier, toestand vóór de restauratie
plaar in blauwe hardsteen. Ondanks deze drastische wijzigingen blijven belangrijke delen van de oorspronkelijke gevelarchitectuur wel bewaard. De oorspronkelijk roodgeschilderde bakstenen velden van de gevel krijgen nu een groene pleisterlaag, en de achtergevel krijgt een okerkleurige schildering, die later nog verschillende keren hernomen wordt (14). Door het verlagen van de vensteropeningen komt het visuele zwaartepunt van de gevel lager te liggen, waardoor deze wat aan monumentaliteit inboet. Het doorbreekt tevens de strakke rasterstructuur zodat de onderlinge visuele band tussen de traveeën minder geprononceerd wordt en de gevel sterker verticaal wordt opgedeeld. Toch blijft het geheel van grote architecturale kwaliteit getuigen.
HERBESTEMMING EN TRANSEQRMATIE VAN HET GASTENKWARTIER IN DE 19de EEUW Na de openbare verkoop tijdens de Franse Revolutie nemen de overgebleven monniken opnieuw hun intrek in de nu veel te grote abdijgebouwen, die voortaan aan de nog jonge kerkfabriek van de Onze-Lieve-Vrouweparochie in de pas opgerichte gemeente Kessel-Lo toebehoren (15). De kerkfabriek beslist in de jaren dertig van de 19 e eeuw om het kloosterpand en de noordelijke en oostelijke vleugels van de abdijgebouwen af te breken. Dit gebeurt in opeenvolgende fasen tussen 1838 en 1842 (16). De overgebleven gebouwen krijgen gaandeweg een nieuwe bestemming. Het gastenkwartier blijft als enige van de vier pandvleugels van de sloop gespaard en wordt, na het overlijden van de laatste monnik in 1842, opgedeeld in twee woningen en een pastorie, waarbij de vroegere
l'W '
3
0 ./^,
1. Plan van it abdijsilt door [.G. Jeuller gdateerd l i dicfiribfr I8SS: Pion des biens du séminoire archiépiscopal de Malines e( dependant de l'anaenne abbaye de Wierbeek a Kessel-loo (Kerkfabriek, pastorie ïllerbeek)
2. Plan van de abdgsite door F.G. Keuller in 1857: Grondkoert ran de goederen der kerk von Kessel-loo (Kerkfabriek, pastorie Vllerbeek)
3. Historische foto-opname uit 1942 van de west- en zuidgevel van het gastenkwartier: m de zuidgevel (zijgevel) werd tijdens de I9 f -eeuwse transformaties een nieuwe toegang gemaakt (IRPA-KIK nr.33587A)
4. De sobere I9dc-eeuwse trap van de huidige pastorie, toestand na de restauratie (foto 0. Pauwels)
5. Schematisch plan der resterende abdijgebouwen in 1910 (plan in annex bi{ de verzekeringspolis von Assurantie Compograe von de Schelde. 1910, Kerkarchief ïlierbeek, nr.A.VI.161)
bouwfasen worden gerespecteerd. De woningen worden door de kerkfabriek aan particulieren verhuurd. Ter ontsluiting van de meest noordelijke woning wordt een nieuwe toegangsdeur in de voorgevel aangebracht, in een eenvoudige eigentijdse classiserende stijl. De andere woning, centraal in het bouwvolume, wordt ontsloten via het bestaande barokke inkomportaal. Het derde deel het dichtst bij de kerk dient als pastorie en krijgt een nieuwe toegangsdeur in de kopse gevel aan kerkzijde. Bij de conversie naar woningen omstreeks 1842 wordt het interieur van het vroegere gastenkwartier grondig verbouwd. Drie nieuwe eenvoudige trappen worden ingebracht, waarvan er twee zijn bewaard. De binnenruimte wordt herverdeeld volgens
het 19 e -eeuwse gangprincipe waarbij alle kamers via een gang worden ontsloten, in plaats van na elkaar te liggen en enfilade. Verschillende tussenmuren worden ingebracht en de pandgang wordt opgedeeld in kamers horende bij de woningen en pastorie. De meeste doorbrekingen in de pandmuur dateren dan ook uit deze verbouwingsperiode (17). De woningen krijgen nieuwe schouwmantels en schoorstenen die tegen de oude scheidingsmuren van de drie oorspronkelijke bouwfasen van het gastenkwartier worden aangebouwd (18). In het interieur van de pastorie worden in de late 19 e of vroege 20 src eeuw twee neogotische schouwmantels geïnstalleerd. Enkele van de eerste 19 e -eeuwse bewoners van het getransformeerde gastenkwartier zijn gekend dankzij een verzekeringscontract uit
y>
ji
TL
[n
n
iZl
H =
/i
j-ppu
--a
•
1
1
sJ
3
KELDERS GASTENKWAHTIER
L>
J
ABDIJ
VLIERBEEK
1910 (19). Bij het contract is een plan gevoegd, waarop de nieuwe opdeling van de abdijgebouwen is aangegeven. De pastorie dient nog kort als huisvesting voor de laatste monnik, een zekere Vaes, en daarna als pastoorswoning (20). Het noordelijke
huis, huis nummer 4, wordt vanaf 1846 tot 1870 gehuurd door de Leuvense jezuïeten die het als buitengoed gebruiken. Daarna bewonen eerst een zekere heer L. Vaes en later Alphons Van Kriekingen het huis (21). Het middelste huis, nummer 3,
^2
a
n
Ji
ü
_.i
n
:A
ib-
3
m
C
3
C
^?
4Q^^iJ
a -
=*<
I
ir
"1
LK
EERSTE VERDIEPING GASTENKWARTIEFl
J
ABDIJ
1999
VLIERBEEK
P.STEVENS
Opmetingsplan van de verdieping van het voormalige
dat ontsloten wordt door het barokportaal, is vanaf 1889 bewoond door Petrus Paulus Alberdingh-Thym (1827-1904), hoogleraar te Leuven uit Nederland, samen met zijn echtgenote en zijn dochter Elisabeth (1863-1952) (22).
okergele (plint) kalkschildering als afwerkingslaag gehad. Ook het karakteristieke onderliggende raster van horizontale en verticale lijsten heeft aanvankelijk een rode afwerking. De tussenliggende velden krijgen van bij het begin een baksteenrode schildering waarbij de voegen wit worden ingeschil-
gastenkwartier. toestand vóór de restauratie (P. Stevens)
derd (26).
RESULTATEN VAN HET MATERIEELTECHNISCH ONDERZOEK Het gastenkwartier is op vraag van de Entiteit Onroerend Erfgoed, toen nog Afdeling Monumenten en Landschappen geheten, in 1998 materieeltechnisch onderzocht door Studiebureau De Clercq in functie van de geplande restauratie door ingenieur-architect Piet Stevens (23). Uit deze studie blijkt dat de bakstenen dezelfde afmetingen hebben als deze van het oudere kloosterpand, namelijk 24,5x12x5,5cm (24). Bij het oudste, noordelijke deel van het gastenkwartier is in de voorgevel voor de pilasters, kroongestel en kordonlijsten Lediaanse steen en voor de basementen en plint vooral Brusseliaanse steen toegepast (25). Bij de tweede fase is hiervoor hoofdzakelijk Brusseliaanse steen gebruikt, net zoals in de derde fase. De natuurstenen delen hebben oorspronkelijk een witte (hoofdgestel en kroonlijst), een rode (pilasters en kapitelen) en een
De achtergevel heeft eveneens oorspronkelijk een rode afwerkingslaag gehad, zowel op de muurvlakken als op de vensteromlijstingen. De voegen zijn hier niet wit ingekleurd, maar de kroonlijst krijgt wel een witte afwerking net zoals aan de voorgevel (westgevel). Deze oorspronkelijke afwerking wordt later twee maal geheel of gedeeltelijk hernomen. De daaropvolgende derde afwerkingslaag valt samen met de hoger beschreven grondige verbouwing van het gebouw waarbij het interieur wordt opgesplitst. Bij deze transformatie worden ook alle vensters verlaagd en van hun kruismonelen ontdaan. De gevelvelden worden met een groene pleister afgewerkt, terwijl de natuurstenen delen van hoofdgestel en kroonlijst een daarbij aansluitende, licht groengrijze kleur krijgen (27). De gevelplint wordt met een donkerdere kleur geschilderd maar alle andere natuurstenen delen, met name de pilasters en het horizontale en verticale lijstwerk, worden van hun
1VI&L
afwerking ontdaan (28). In overeenstemming met dit nieuwe kleurenconcept krijgen ook de nieuwe deuromlijstingen in Gobertangesteen geen schildering.
ralen die het hoofdbestanddeel vormen van groene aarde. Glauconiet komt ook frequent voor in de zandlagen waarin een deel van onze kalkzandstenen (o.a. Lediaanse steen en Gobertingse steen) zijn gevormd (29). Dit pigment is goed bekend sinds de oudheid. In de middeleeuwen wordt celadoniet hoofdzakelijk gewonnen rond Verona, terwijl glauconiet uit Bohemen wordt ingevoerd (30). Er zijn nog andere vindplaatsen gekend, waar vele varianten zijn gewonnen.
DF GROENE PLEISTERLAAG VAN DE GEVEL: EEN BIJZONDERHEID
• De voorgevel (westgevel) van het gastenkwartier, toestand na de
Dankzij het stratigrafisch onderzoek is vastgesteld dat de gevel van het gastenkwartier in de eerste helft van de 19 ' eeuw, omstreeks 1837-'40, een nieuwe aankleding krijgt. Het blijkt dat de natuursteen, zoals dat ook voorheen vaak het geval was, met een eenvoudig witkalklaagje is afgewerkt. De vakken van borstweringen en dergelijke, aanvankelijk van een baksteenschildering voorzien, zijn in die fase afgewerkt met een in de massa gekleurde groene bepleistering. Deze groene pleister beperkt zich tot de bovenste afwerkingslaag, eronder is een traditionele raaplaag met haarwapening aangebracht. De dunne gepleisterde afwerkingslaag die op deze basislaag volgt, is in de massa gekleurd door toevoeging van groene aarde. Bij de laboratoriumanalyses is vastgesteld dat de groene kleur afkomstig is van de mineralen celadoniet en glauconiet, twee mine-
In het algemeen bestaat in Vlaanderen de traditie om bij het afwerken van gebouwen, door te schilderen of te pleisteren, te streven naar zowel een hogere afwerkingsgraad als een betere bescherming. Dikwijls zijn geschilderde of gepleisterde afwerkingen geconcipieerd uitgaande van de in het onderliggende parement voorkomende bouwmateriaal en staan ze in het verlengde van de eventuele daar voorkomende, structurele polychromie (31). Veel afwerkingen zijn gerealiseerd met verf op basis van een kalkbindmiddel, wat ervoor zorgt dat de pigmenten alkaliresistent moeten zijn en daardoor beperkt zijn tot aardepigmenten. De pigmenten zijn dus van natuurlijke minerale oorsprong, zoals
restauratie (foto 0. Pauwels)
••
n
i r «v
ze ook in de natuurlijke bouwmaterialen aanwezig zijn. Het werken met in de massa gekleurde pleisters is een techniek die bij ons pas sinds de 18 e eeuw verbreiding kent in de met gips gebonden en gepolijste kunstmarmers {scagliold) die uiteraard enkel in het interieur zijn toegepast. Daarnaast komen, zeker in de 16 e eeuw, ook in de massa gekleurde voegpleisters voor. Zo zijn de voegen tussen zichtbare elementen in blauwe hardsteen dikwijls grijs gepigmenteerd zodat ze versmelten met het geheel. Dit is bijvoorbeeld het geval in de laatgotische galerij van het Hof de Lalaing-Hoogstraten in Brussel. Van het toepassen van in de massa gekleurde en bijgevolg ook ongeschilderde pleisters, zijn tot op vandaag minder voorbeelden bekend. De toepassing in Vlierbeek is dan ook als vrij uitzonderlijk te beschouwen. Dat men zich door het in de massa pigmenteren nog specifieker op de overeenkomst met de onderliggende steensoort richt dan bijvoorbeeld met een olieverfschildering, ligt dan voor de hand. Naast de genoemde afstemming op de lokale glauconiethoudende kalkzandsteensoorten, zijn gelijksoortige ideeën rond kleurstellingen terug te vinden in de periode van de renaissance tot het classicisme (32). Zo blijkt uit onderzoek van Lange over het kleurgebruik in Rome dat het kleurgebruik in deze periode voor het grootste deel bepaald is door de grijsblauwe tot grijsgroene steenkleur van het veelgebruikte travertijn, en dat de gele en vooral de rode gevelafwerkingen er pas vrij recent zijn geïntroduceerd (33). Bij vele Romeinse monumenten, zoals het Quirinaal of de bebouwing van de piazza Sant'Ignazio, blijkt dat omlijstingen, structurele geledingen en gebosseerde plinten dikwijls in travertijn zijn uitgevoerd terwijl tussenliggende vlakken afgewerkt zijn met kalkpleister waarop een harmoniërende grijsblauwe kleur is aangebracht. Hoewel een zekere mate van bekendheid met deze Romeinse kleurtraditie niet valt uit te sluiten bij de veelbereisde Vlaamse kunstenaars en architecten van die periode, lijkt het toch eerder zo te zijn dat de grijsgroene steenimitatie van Vlierbeek verwijst naar de al genoemde inlandse bouwmaterialen. Dergelijke groene kleur komt in Mechelen voor, zoals op de gevel van het huis Het Vliegend Peert'm de Katelijnestraat (1772-1773) en op een lijstgevel uit 1814 op de Grote Markt (34). Dat een aanwending van 'grauwe steenkleuren' ook past in een breder architecturaal beeld, komt goed tot uiting in de architectonische kleurentheorie die Nicolaus Goldman in 1696 publiceert: "Voor het uitwendige van gebouwen geeft men de voorkeur aan monochrome schilderingen, bijvoorbeeld in een zwarte tint of grijs
Ingangsportaal van
en blauwachtig of in Messing-kleuren: want zulke kleuren schijnen een bouwwerk stevigheid te verschaffen. .. Het is niet alleen ongepast wanneer men de steen met buitenissige kleuren verft, maar het doet ook afbreuk aan het aspect. Inwendig kan men de muren met kleuren beschilderen (35).
het gastenkwartier (foto 0. Pauwels)
DE RESTAURATIE VAN HET GASTENKWARTIER Bij de recente restauratie van het gastenkwartier is er na zorgvuldige afweging voor geopteerd om de grotendeels nog bestaande, 19 c -eeuwse toestand als uitgangspunt te nemen. Hiervoor zijn meerdere argumenten voorhanden. De 19 e -eeuwse verbou-
1V1&L
De achtergevel (oost- of pandgevel) van het gastenkwartier, toestand na de restauratie (foto 0. Pauwels)
M&L
wingen hebben een zeer ingrijpend karakter en na deze fase kent het gebouw geen noemenswaardige wijzigingen meer, waardoor deze fase uit de geschiedenis van het gebouw relatief ongeschonden is gebleven. Het gebouw behoudt vandaag zijn 19 e eeuwse functie, te weten pastorie en woningen, waardoor de interne 19 e -eeuwse organisatie om redenen van herbestemming gehandhaafd blijft. De woningen worden nu na enkele jaren van leegstand, door de kerkfabriek aan particulieren verhuurd. De nog aanwezige interieurelementen zijn, op het 18 e -eeuwse salon na, ook tot de 19 ^eeuwse fase terug te voeren. Over de oorspronkelijke stoffering van het interieur is weinig meer geweten dan dat zij uitermate sober is geweest, met een haast karige afwerking. De wanden, gewelven en troggewelven zijn beschilderd met een lijmverf met krijtvulling met uitzondering van de 19 e -eeuwse salons van het gelijkvloers waar een olieverf is toegepast. Het schrijnwerk is voorzien van een imitatie houtschildering. In het interieur blijven de gangenstruc-
tuur en de overgebleven trappen bewaard, maar zijn storende aan- en inbouwsels verwijderd. Ook voor de restauratie van de voorgevel is de 19 eeeuwse toestand als referentie gebruikt. Dit betekent dat de huidige groene bepleistering in combinatie met de zichtbare presentatie van de natuurstenen delen gehandhaafd blijft. De bepleisterde vakken in goede staat zijn behouden en waar nodig lokaal geconsolideerd en aangevuld of herdaan met een tweelagige pleister identiek aan de 19 e -eeuwse pleister, gepigmenteerd met groene aarde die glauconiet en celadoniet bevat. Gezien de sterke erosie van enkele delen in Lediaanse steen, vooral aan de pilastersokkels van de vijf noordelijke pilasters, zijn deze vervangen door een duurzamere kalksteen (brusseliaan of bourgondische steen). Sommige aangetaste stenen zijn behouden via het fixeren met keramische of glasvezel dookjes. De natuursteen is eerst voorverhard en daarna gereinigd met een lage druk wervelstraal systeem, voor vlakke delen met
De pandgevel en de pandgang, waarvan de openingen In de pastorie opnieuw zijn opengemaakt, toesand na de restauratie (foto 0. Pauwels)
M&L
Ongedateerde historische foto-opname (vermoedelijk tussen 1910 en 1940) van de voorgevel van het gastenkwartier (IRPA-KIK nr.60884B)
een standaard rotatie spuitkop, voor gebeeldhouwde delen met een micro spuitkop. Na de reiniging is de gevel met water afgespoeld ter verwijdering van het resterende granulaat (calciet of dolomiet). Na droging, is de natuursteen en het behouden stucwerk verhard via een bevloeiing met kiezelzuurester (36). Na uitharden zijn de lacunes in de natuursteen aangevuld met een reparatiemortel op basis van natuurlijke hydraulische kalk. Het buitenschrijnwerk is vernieuwd naar bestaand 19 e eeuws model, maar in eik en met een dichtingsprofiel in de aanslag. De bestaande binnenluiken en het beslag zijn herbruikt net als zoveel mogelijk van het bestaande oud glas, aangevuld met nieuw getrokken glas waar nodig. Bij de restauratie van de achtergevel (oostgevel) aan de zijde van het vroegere kloosterpand, zijn enkele storende aanbouwsels verwijderd, zoals de pastoriekeuken, de aanbouw in de vroegere schooltuin en de tuinpoort uit 1916. De gevel is gereinigd met stoom onder lage druk en het voegwerk waar nodig bijgewerkt met kalkmortel. Ruw metselwerk is met een dunne kalkmortellaag geëgaliseerd zonder de verbouwingssporen uit te wissen. Een dichtgemaakte boogopening is opnieuw geopend en met schrijnwerk en glas ingevuld. De beide overgeble-
ven bogen van de verdwenen pandgang zijn terug opengewerkt. De gevel is herschilderd met een okergele kalkverf, de kleur die overeenkomt met de schildering van de achtergevel na de 19 -eeuwse transformatie- en herbestemmingswerken aan het gastenkwartier omstreeks 1839-1842.
BESLUI! De abdijsite van Vlierbeek heeft een bewogen geschiedenis gekend, die zich weerspiegelt in een woelige bouwgeschiedenis. Desondanks zijn enkele bijzondere gebouwen bewaard gebleven waaronder het voormalige gastenkwartier met zijn architecturaal sterk uitgewerkte gevel. Deze fijne barokke gevelgeleding heeft een ingrijpende wijziging ondergaan in de 19 e eeuw wanneer het gastenkwartier, als enig overgebleven kloostervleugel, wordt herbestemd en opgedeeld in drie eenheden. De ramen worden alle systematisch verlaagd en het interieur grondig gewijzigd. Na deze ingrijpende transformatie, overleeft het gebouw tot heden verder haast ongewijzigd, in tegenstelling tot de overige kloosterpanden die in de 19 e eeuw verder worden afgebroken. Bij de huidige restauratie van de gevel dient dan ook een moeilijke beslissing te worden geno-
men: opnieuw herstellen van de goed gekende en architecturaal hoogstaande oorspronkelijke toestand of bestendigen van de huidige toestand, die ook haar kwaliteiten heeft en onlosmakelijk deel uitmaakt van de geschiedenis van het gebouw? Voor dergelijke beslissingen bestaan geen evidente oplossingen. Aangezien, na jarenlang gebruik als schoolgebouw gevolgd door leegstand, de 19 c -eeuwse bestemming opnieuw wordt opgenomen met daarbij horend de haast integrale 19 c -eeuwse interne ruimteverdeling, wordt deze fase als uitgangspunt aangehouden, wat bovendien geen onomkeerbare ingrepen nodig maakt. Aan de toekomst om anders te oordelen.
Restauratiefiche gastenkwartier Opdrachtgever: Kerkfabriek OLV-Vlierbeek • Materieeltechnisch vooronderzoek studiebureau De Clercq, Antwerpen uitgevoerd in 1998 totale kostprijs excl. BTW: 288.500 BEF (€7151,73) restauratiepremie van de Vlaamse Overheid (60%), provincie Vlaams-Brabant (20%) en stad Leuven (10%) • Restauratie exterieur gastenkwartier en interieur pastorie (huis nr. 2) ontwerper: Piet Stevens in samenwerking met Rudi Mertens hoofdaannemer: nv VAN LOY, Herselt uitgevoerd van 2003 tot 2006 totale kostprijs excl. B T W en ereloon: € 772.798 restauratiepremie Vlaamse Overheid (60%), provincie Vlaams-Brabant (20%) en stad Leuven (10%)
• Schilderwerken interieur huis 4 in het gastenkwartier ontwerper: Piet Stevens hoofdaannemer: nv BUILDING, Herentals uitgevoerd van 2005 tot 2007 totale kostprijs excl. B T W en ereloon: € 55.951 betoelaagd met onderhoudspremie (40 %) van de Vlaamse Overheid. • Toezichthoudende en premieverlenende overheden Vlaamse Overheid, consulenten: Anna Bergmans en Karel Robijns (tot 2002), Dieter Nuytten (2002-2006); Provincie Vlaams-Brabant (Norbert Van den Hove); Stad Leuven (Roger Jacobs)
Piet Stevens (ingenieur-architect) was opdrachthouder voor de restauratie van het voormalige gastenkwartier. Lode De Clercq (bouwhistoricus) voerde het materieeltechnisch onderzoek uit voorafgaand aan de restauratie. Dieter Nuytten (ingenieur-architect) is erfgoedconsulent hij het agentschap R-0 Vlaanderen, Onroerend Erfgoed Vlaams-Brabant.
EINDNOTEN (1) VAN EVW E.., Louvain dans Ie passé et Ie présent, Leuven, 1895, p. 451. In een brief uit 1158, afkomstig van Godescalc, abt van Afflighem, wordt de vestiging aangeduid als Monastenum in Fliderbaica. SANDERUS, Monographia sacra Bmbantiae, Brussel 1659, p.57. Volgens Smeyers zou de stichting plaatsgevonden hebben in 1230. SMEYERS M., Vlierbeekse Kroniek Leuven, 1992. SMEYERS M., Ahhaye de Vlierbeek h Kessel-lo, in: Centre National de Recherches d'Histoire Religieuse, Monasticon Beige,
• Restauratie interieur huizen nr. 3 en 4 in het gastenkwartier ontwerper: Piet Stevens hoofdaannemer: nv BUILDING, Herentals uitgevoerd van 2004 tot 2005 totale kostprijs excl. B T W en ereloon:€ 372.438 zonder overheidstoelagen • Schilderwerken interieur huis 3 in het gastenkwartier ontwerper: Piet Stevens hoofdaannemer: nv BUILDING, Herentals uitgevoerd van 2005 tot 2007 totale kostprijs excl. B T W en ereloon: € 75.264 betoelaagd met onderhoudspremie (40 %) van de Vlaamse Overheid.
Tome IV: Province de Brabant, Vol.l, Luik, 1964, p. 81-110. (2) SANDERUS, op.at.. p.58-59. VAN EVEN E., op.at., p. 451. SMEYERS M.,o/..ot,p. 81-110. (3) In 1456 wordt bijvoorbeeld een monnik van Sint-Bertin, Leonardus van Griboval, als opvolger van prelaat Robert van Brussel aangesteld. Diens blijkbaar weinig voorbeeldige leiding geeft er echter aanleiding toe dat de Keizer van het Heilige Roomse Rijk, Maximiliaan van Oostenrijk, op 18 augusrus 1481 aan de abdij een externe algemeen beheerder voor de materiële leiding oplegt, Jean Marotton, deken van het Sint-Pieterskapittel van Luik, die zich aansluitend dan ook te Leuven komt vestigen. VAN EVEN E., op.cit., p. 450-451. TENT.CAT., Benedictus en zijn monniken in de Nederlanden, {tentoonstellingscataloog 25 okt. 1980 - 4 jan. 1981), Sint-Pietersabdij en Centrum voor Kunst en Cultuur, Gent, 1980.
(4) Deze Réfugié, gelegen aan de Voer in de Sint-Jacobsparochie
inwoners en vier parochies, waarvan de OLV-parochie van de
werd larer her kloosrer van de Engelse Nonnen. De ruil vond
voormalige abdijkerk de oudste is.
plaars op 26 juli 1574 russen Pierer Coels, de vrijgelaren abr van
(16) VAN EVEN E., Louvain dans Ie passé et Ie présent, Leuven, 1895,
Viierbeek, en Chrisrophe de Blocquerie, de abr van Sinr-Truiden.
p. 456: „Ie cloitre ou ,pand' que nous avons vu démoltr en majeur
IDEM, op.cit., p. 452.
partie, en 1842, était également d'une grand simplicité, comme Ie
(5) Volgens de rradirie had Jansenius een srudieverrrek re Leuven, in
prouvent les fragments qui en restent."
de naar hem genoemde roren. DE MAEGD C , DeJanseniustoren
(17) MABILDE R, e.a., op.cit, p. 3.
te Leuven, in M&L (Monumenten & Landschappen), jg.6, nr. 2, (18) STEVENS P. en MERTENS R., Restauratie gastenkwartier en 1987, p. 12-32. Nieuw abtskwartier abdij O.L.V Vlierbeek. Historische nota. diagnosenota, bestemming, verantwoordingsnota, onuitgeven document,
(6) Dir gebeurde op 26 juni 1794. De monniken vluchrren naar her Heilige Roomse Rijk. Ze kwamen rerug op 23 augusrus 1795
Veltem-Beisem 1999, p. 12. DE CLERCQ L, op.cit, p. 5.
(6 frucridor III) op bevel van volksverregenwoordiger Lefébure.
(19) Contracr van 2 juni 1910, Assuranrie Compagnie van de Schelde,
VAN EVEN E., op.cit., p. 450-451
Kerkarchief (Museum Vander Kelen-Mcrtens). (20) „ Twintig duizendfranken op de waarde van een huis met aanhoor-
(7) IDEM, o/..a>.,p. 451.
igheden, letter B van het plan, dienende voor pastory, gemaakt in
(8) Kelders onder enkele neerhofgebouwen. DE CLERCQ L., abdij
van Viierbeek. Bouwhistorisch vooronderzoek van het Oud-abtskwar-steen, gedekt met schallen, aanhechtigaan het gebouw artikel drie en tier, de bijhorende gebouwen en de resten van de noordelijke pand- bewoond door den heer pastoor" Bijlage aan contract van 2 juni 1910, Assuranrie Compagnie van de Schelde, Kerkarchief (Mu-
gang, (onuirgegeven rapporrering), Anrwerpen, 2004, p. 5-6.
seum Vander Kelen-Merrens).
(9) SMEYERS M, Vlierbeekse Kroniek (1125-1991), Leuven, 1992.
DE CLERCQ L., Vlierbeek. gastenkwartier. Materieel-Technisch (21) „Vijftien duizend franken op de waarde van een huis met aanhooronderzoek, (onuirgegeven rapporrering) Anrwerpen, 1998, p. 2-3.
igheden, letter Dvan het plan, gebouwd in steen gedekt met schallen,
Smeyers geefr reeds aan dar her gasrenkwarrier in verschillende
staande nevens voorgaande genummerd 6 en in gebruik door Mr.
fasen is opgerrokken. Hij vermoedde dat de eersre bouwcam-
Alphons Van Kriekingen" Bijlage aan contract van 2 juni 1910,
pagne aan noordzijde vijf rraveeën bevar, war nu dus dankzij her
Assurantie Compagnie van de Schelde, Kerkarchief (Museum
kaponderzoek wordr verfijnd ror de vier noordelijke rraveeën.
Vander Kelen-Merrens).
(10) PLANTENGA J.H., L'architecture religteuse dans Tanden Duché(22) „ Vijftien duizendfrankenop de waarde van een huis met aanhoorde Brabant depuis Ie r'egne des Archiducs jusqu 'au gouvernement igheden, gebouwd in steen, gedekt met schallen, aangehechtig aan het gebouw artikel vier, genummerd N04 en in gebruik door Mej. Alher-
Autrichien (1598-1713), Den Haag, 1926, p. 160-161. (11) DE CLERCQ L, op.cit., p. 5, p. 9-11.
dingh- Thym zonder beroep, letter C van het plan" Bijlage aan con-
(12) NUYTTEN D., Middeleeuwse dakkappen in het voormalige her-
tracr van 2 juni 1910, Assurantie Compagnie van de Schelde,
togdom Brabant, in M&L (Monumenten, Landschappen & Archeologie), jg.24, nr. 4, 2005, p.22-36.
Kerkarchief (Museum Vander Kelen-Merrens).
(23) Her onderzoek ter plaarse werd uitgevoerd door Lode De Clercq
(13) De pasrorie komr overeen mer de vier zuidelijke traveeën, de mid-
en Louis Deconinck.
denwoning mer de vier daarop aansluitende traveeën mer roegang
(24) Dir baksteenformaat bleef langere tijd in gebruik en komt ook
via her barok inkomporraal. De noordelijke woning beslaar de
elders voor re Leuven in de loop van de 17 c (o.m. aan het Huis
vijf daarop volgende rraveeën: rer ontsluiting ervan werd een
De Spiegel) en 18 '' (o.m. aan de Sint-Norbertuspoort te Hever-
nieuwe toegangsdeur aangebracht.
lee) eeuw. DE CLERCQ L., op.cit., p. 2, noot 3.
(14) MABILDE P., SILVERANS L, LOONBEEK S. en VANHESTE
(25) Voor de pilasterbasemenren is ook nog Lediaan gebruikt, dat ech-
K., Studie van het gastenkwartier in de voormalige Benedictijnerabdij van Vlierbeek, (onuitgegeven pracricum, postgraduaat
ter sterk aan erosie onderhevig bleek. Zie verder in dit artikel onder paragraaf ,AïMaraft> van het gastenkwartier.
monumentenzorg, hogere opleidingen voor sredenbouw, monu-
(26) DECLERCQL, »/).«>., p. 5.
menrenzorg, technologie en economie van het gemeenschaps-
(27) Uir her SEM onderzoek (chemisch onderzoek) bleek dat de
onderwijs), Anrwerpen, 1998-1999, p. 4. (15) De gemeenre Kessel-Lo werd in 1829 onder Hollands Bewind
groene kleur nier afkomstig was van enige toevoeging van pigmenten en dus eerder her gevolg was van een verkleuring (orga-
gevormd uir de samenvoeging van de gehuchten Kessel en Lo.
nische afkomsr ?).
Kessel was voordien een gehucht binnen de gemeente Linden. Lo
Zie: VAN BOS M. en GLAUDE C , Afwerkingslagen hoofdgestel
maakte voordien deel uir van Pellenberg. De nieuwe gemeenre
voorgevel, analyse van verflagen, KIK., Brussel, 2005. Zie ook: DE
Kessel-Lo was bij haar oprichting 1336 ha. groor en relde 1.285
CLERCQ L., abdij van Viierbeek. Oud gastenkwartier. aanvullend
zielen. Bij de alroeping van de Belgische Onafhankelijkheid het jaar nadien werd op her gemeenteplein een lindeboom gepland, die er nog sreeds staar. Door de gunstige ligging langs de spoor-
onderzoek (onuitgegeven nota), Antwerpen, 2005-2006. (28) IDEM, Viierbeek. gastenkwartier. Materieel-Technisch onderzoek, (onuitgegeven rapportering) Anrwerpen 1998, p. 7.
lijn, nam Kessl-Lo volop deel aan de indusrriële ontwikkeling in
(29) De laboraroriumanalyses werden uirgevoerd door het Koninklijk
de 19 ' en 20Me eeuw waardoor het bevolkingscijfer groeide van
Instituut voor her Kunsrparrimonium (KIK.) o.l.v. dr. E. De
9.762 in 1910 tor 20.008 in 1961. Heden relr Kessel-Lo 27.383
Witte.
(30) THOMPSON D.V., The material and techniques of medieval (32) Door de verwering geeft het glauconiet na enige tijd een gele painting. New York, 1956, p. 162-163. BRACHERTTh., Lexi-
kleur aan de sreen.
con historischer Maltechniken, Quellen- Handwerk - Technologie - LANGE B., / Colon dt Roma, Spazi urhani efacciate dalRinasci(33) Alchemie, München, 2001, p. 106.
mento ad oggi, Rome, 1990.
(31) DE CLERCQ L. en MACLOT P., Zorg en zin voor kleur te Ant- (34) GROOTAERS ].,De restauratie van 'Het Vliegend Teert' (1772werpen, Open Monumentendag 8 september 1996. Zie verder
1773) in Mechelen, in M&L. (Monumenten & Landschappen), jg.
voor de imitatie van bak- en natuursteen als uitgangspunt voor
5,nr. 2, 1986, p. 15-25.
afWerkingslagen: DENSLAGEN W.F. en DE VRIES A, Kleur op
(35) DENSLAGEN W.F. en DE VRIES A., op. cit., p. 37.
historische gehouwen. De uitwendige afwerking met pleister en verf (36) De retouches aan het pleisterwerk werden vóór de verharding tussen 1200 en 1940, 's- Gravenhage, 1984.
uitgevoerd.
Inge Verdurmen en Dries Tys
DE MILITAIRE DOMEINEN IN VLAANDEREN. BEWAARPLAATSEN VAN ARCHEOLOGISCHE EN LANDSCHAPSH1STOR1SCHE RELICTEN De heide op het Groot Schietveld te Brasschaat (foto H. Van Gils)
De militaire domeinen in Vlaanderen zijn in de
12 militaire domeinen door de Vakgroep
eerste plaats gekend als uitgestrekte
Kunstwetenschappen
domeinen met diverse interessante
natuurlandschaps-
& Archeologie van de
Vrije Universiteit Brussel (VUB). Dit onderzoek
types zoals heidevlakten en bossen.
gebeurde in opdracht van de toenmalige
Deze militaire domeinen zijn echter niet enkel
Afdeling Monumenten en Landschappen,
belangrijk voor het behoud van een aantal
nu omgevormd tot het Agentschap Ruimtelijke
unieke ecosystemen; ook het bodemarchief is
Ordening - Onroerend Erfgoed Vlaanderen
van onschatbare waarde voor archeologen en
(R-0 Vlaanderen). De resultaten van deze
historici. Om de bestaande leemten in de hui-
studie werden gebundeld in een recent
dige archeologische en landschapshistorische
verschenen VIOE-rapport en kunnen dienen als
kennis van de militaire domeinen in te vullen,
inhoudelijke basis voor het beheer van nog
werd in 2005 in het kader van het LIFE project
bestaande landschappen en landschaps-
een verkennende studie uitgevoerd voor
relicten (1).
• Nr. 147 Bijlage bij MEtL 26/6 nov.-dec. 2007
B 1 N N E N K R A N T
Literatuur
HE KEUZE VAN M£tL
Gotische Architektur im mittleren Europa 1220-1340 Von Wien bis Metz Mare Carel Schurr Berlijn, Deutscher Kunstverlag, 395 p., ISBN 978-3-422-06661-8 Architectuurhistorisch overzicht van de ontwikkeling van de Duitse kerkelijke bouwkunst uit de 13de en de vroege 14de eeuw. Het onderzoek werd geografisch toegespitst op de stroomgebieden van Rijn en Donau, die tijdens de middeleeuwen in hun politieke, economische en culturele samenhang de ruggengraat van het Heilig Roomse Rijk vormden, over de huidige landsgrenzen van Duitsland, Oostenrijk en Frankrijk heen. De onderzochte periode valt samen met de introductie en de doorbraak van de van oorsprong Franse gotiek, die in het oude Rijk een radicale omwenteling van de bouwkundige tradities teweeg bracht, een proces van innovatie waarvan het verloop en de achtergrond in deze studie worden verklaard. Zonder volledigheid na te streven werd de studie beperkt tot ruim zeventig gebouwen, die door hun
M&L
religieuze, politieke of artistieke betekenis als sleutelmonumenten kunnen worden beschouwd en een geldige synthese over de bouwkundige ontwikkeling in het betroffen gebied toelaten. Deze werden onderzocht op methodologische basis van een vormen stijlanalyse, niet volgens een deterministisch ontwikkelingsmodel, maar om de artistieke vervlechtingen bloot te leggen die achter de netwerken van bouwloodsen, ambachtslui en opdrachtgevers schuil gaan. Het boek is chronologisch opgedeeld in drie perioden, de vroegste voorbeelden tot 1250 zoals Toul, Trier, Marburg, Haina en Naumburg, de doorbraak van het gotische model tot 1280 zoals in Metz, Keulen, Straatsburg, Halberstadt en Xanten, en de rijkdom en verscheidenheid van de 14^ eeuw zoals in Regensburg, Erfurt, Freiburg, Mainz en Wenen. Als deelaspect werden de zuilbases voor vergelijkend onderzoek opgemeten en in een afzonderlijk catalogusdeel toegevoegd.
P.J.H. Cuypers (1827-1921) Het complete werk Hetty Berens (red.) Rotterdam, NAi Uitgevers, 2007, 400 p., ISBN 978-90-5662-573-3 Prestigieuze oeuvrecatalogus van de Nederlandse architect P.J.H. Cuypers (1827-1921), uitgegeven naar aanleiding van de inventarisatie van het omvangrijke Cuypers-archief, gelijktijdig met een tweeledige overzichtstentoonstelling (NAi Rotterdam en Maastricht). Met bouwwerken die tot het nationale bewustzijn behoren, honderden gebouwen en vele katholieke kerken in neogotische stijl, heeft Pierre Cuypers gedurende zeventig jaar niet alleen een kwantitatief maar ook een kwalitatief stempel gedrukt op de gebouwde omgeving in Nederland in de aanloop naarde moderne tijd. Zijn opvattingen over restauratie, de internationale context waarin hij zijn ideeën ontwikkelde, zijn pleidooi voor een herwaardering van de gotiek, de vele leerlingen en zijn invloed op H.P. Berlage en Michiel de Klerk maken hem tot de belangrijkste Nederlandse architect van de tweede helft van de
P.J.H. Cuypers (1827-1921) Het complete werk
ïiiSL-ï
iqp|i 19 eeuw. Over de betekenis van Cuypers als hekkensluiter van de historiserende stijl of als wegbereider van het rationalisme brak het debat nog tijdens zijn leven uit. Deze ruim gedocumenteerde en bijzonder fraai ogende publicatie, biedt een boeiende kijk op de diversiteit en de betekenis van Cuypers bijdrage aan het Nederlandse architectuurlandschap. De oeuvrelijst omvat 457 projecten, waarvan de vijfenvijftig belangrijkste zoals de sleutelprojecten Rijksmuseum en Centraal Station in Amsterdam, kasteel De Haar, de restauratie van Sint-Servaas in Maastricht en de Catharinakerk in Eindhoven, met een uitvoerige, de andere met een summiere beschrijving worden toegelicht en geïllustreerd met archiefdocumenten. In de inleidende essays wordt het oeuvre gepositioneerd in de nationale en internationale context, en komen vijf deelaspecten aan bod voortkomend uit het archief: de rol van de architectuurtekening in het ontwerp, het Amsterdamse woonhuis Leyerhoven, de eetzaal van kasteel De Haar, reizen en fotografie.
Pierre Cuypers architect 1827-1921 A.J.C, van Leeuwen Zwolle, Waanders Uitgevers, 2007, 344 p., ISBN 978-90-400-8401-0 Monografie gewijd aan de Nederlandse architect P.J.H. Cuypers (18271921), uitgegeven ter gelegenheid van het 'Cuypersjaar', dat naast publicaties en overzichtstentoonstellingen een uitgebreid programma van lezingen.
B I N N E N K R A N T
debatten en andere activiteiten omvat (zie ook hierboven). Leven en werk van Pierre Cuypers worden in deze eerste biografie behandelt aan de hand van vier thema's, ruim geïllustreerd overwegend met historische foto's en prachtige actuele kleurenopnamen naast tal van archiefdocumenten, waardoor deze publicatie zowel inhoudelijk als visueel de perfecte aanvulling vormt op P.J.H. Cuypers (18271921) Het complete werk wan het NAi. Cuypers komt hieruit naar voor als de gedreven bouwmeester die op zoek was naar de essentie van de architectuur en het beeld van Nederland in de 19de eeuw bepaalde, en als de eigenzinnige kunstenaar die weliswaar midden in de maatschappij stond, maar zich tegelijk het meest thuis voelde in het 'Gesamtkunstwerk' van zijn eigen, zelf geschapen gotische wereld. Het thema Relaties laat zien hoe de architect als organisator en netwerker om ging met vrienden en familieleden, werknemers en opdrachtgevers, en zo het model ontwikkelde voor het moderne architectenbureau. Het thema Ruimte toont zijn persoonlijke omgang met de architectonische ruimte, hoe hij met openbare gebouwen en kerken zijn invloed deed gelden op het beeld van stad en land. Het thema Tijd geeft inzicht in de maakbaarheid van het verleden, zijn creatief vermogen om het ideaalbeeld van een voorbije wereld te gebruiken voor het scheppen van nieuwe vormen, waarmee ook historische monumenten opnieuw tot leven werden gewekt. Het thema Nalatenschap behandelt zijn materiële en geestelijke erfenis, lof en kritiek tijdens en na zijn leven.
het moeizame proces van sloop en herwaardering van zijn oeuvre, en zijn betekenis voor vandaag. Een chronologie en bibliografie sluiten het boek af.
Hans Poelzig Architekt Lehrer Künstler Wolfgang Pehnt en Matthias Schirren (red.) München, Deutsche Verlags Anstalt, 2007, 272 p., ISBN 978-3-421-03623-0 Monografie over de Duitse architect Hans Poelzig (1869-1936), uitgegeven naar aanleiding van een overzichtstentoonstelling (Berlijn, Frankfurt, 2007-2008). In de eerste decennia van de 20ste eeuw behoorde Poelzig naast Peter Behrens en Theodor Fischer tot de protagonisten van de oudere generatie architecten in Duitsland. Hij rekende zich noch tot de traditionalisten, noch tot de radicale modernisten, maar "So dazwichen", waardoor hem zowel een eredoctoraat aan de traditiegetrouwe Stuttgarter Schule als een selectie voor de experimentele WeiBenhofsiedlung ten deel viel. Hij liet een veelzijdig oeuvre na van privé-woningen, woonwijken en fabrieken, tot grootstedelijke programma's als warenhuizen, kantoorgebouwen, theaters, bioscopen, beurshallen en omroepgebouwen. Zijn architectuur onderscheidde zich door een plastische volumewerking, een letterlijke 'zwaarte' en een dynamisch vibrerende gevelhuid eenduidig van het 'klassieke' modernisme van Gropius of Mies van der Rohe. Hij ging monumentaliteit nooit uit de weg en bleef ook in de jaren 1920 nog trouw aan het paradigma van de bouwkunst als 'symbolische Form'. Tot zijn bekendste werken behoren de tijdelijke tentoonstellingsen watertoren in Posen, het GroBes Schauspielhaus voor Max Reinhardt, het Haus des Rundfunks en het I.G.Farben-Verwaltungsgebaude in Berlijn. Daarnaast was hij een virtuoos tekenaar en schilder van rauw expressionistische doeken, en bracht zijn passie voor muziek en theater hem tot het ontwerp van toneeldecors en filmsets met name voor de UFA-klassieker
Der Golem. Dit prachtig geïllustreerde boek omvat een tiental essays die een overzicht van leven, werk en theorie bieden en diverse aspecten - leertijd, industriearchitectuur, theater, film, schilderkunst en onderwijspraktijk nader belichten, gevolgd door een keuze uit geschriften en een oeuvrecatalogus van ruim 180 projecten.
Adolf Loos Works ft Projects Ralf Bock Milaan, Skira, 2007, 304 p., ISBN 978-88-7624-643-2 Monografie over de Oostenrijkse architect Adolf Loos (1870-1933), die als aanvulling op de talrijke reeds bestaande overzichtswerken, het gebouwde oeuvre zelf als uitgangspunt neemt. Loos architectuur wordt gekenmerkt door een ongekend vermogen tot het scheppen van ruimte van een verrassende compactheid, een obsessie met de architecturale leegte en haar fysieke en symbolische betekenis, de materiële rijkdom van zijn interieurs, de gesofistikeerde inplanting zowel in stedelijk verband of in relatie met tuin en landschap, een uiterste zin voor detail die het gebouw tot een menselijke schaal terugbrengt, en de stereometrische kwaliteit van vlakken en volumes in een gestrenge compositie. Om inzicht te verwerven in de complexiteit van deze ontwerpen, werden een dertigtal gerealiseerde gebouwen waaronder het Haus am Michaelerplatz, de Kartner Bar, Haus Scheu, de Villa's Moller en Muller, en
B 1 N N E N K R A N T
oskar strnad 1879-1935
het woningproject voor Josephine Baker, opnieuw opgemeten op basis van de oorspronkelijke plannen, foto's en een analyse van de gebouwen zelf. Het boek omvat beknopte inleidende essays over Loos' biografie en theoretisch discours, en een viertal essays waarin de gebouwen vanuit een typologische invalshoek worden geduid: de winkels, cafés en bars, de appartementen, de villa's met tuin en de tuinwijken. Vervolgens worden de gebouwen in chronologische volgorde gepresenteerd enerzijds aan de hand van een beknopte steekkaart met feitelijke gegevens over opdrachtgevers, typologie, constructiewijze, afmetingen en de gebruikte materialen in het interieur, anderzijds aan de hand van een uitgebreide iconografie. Deze omvat archieffoto's en fraaie recente kleurenopnamen, en de volledige set plannen met per gebouw zowel de verschillende gevelopstanden en plattegronden, als de langs- en dwarsdoorsnede.
Oskar Strnad 1879-1935 Iris Mederen Evi Fuks Wenen, Verlag Anton Pustet, 2007, 144 p., ISBN 978-3-7025-0553-0 Eerste monografie over Oskar Strnad (1879-1935), Oostenrijks architect en theoreticus van Joodse origine, die geldt als één van de belangrijkste zij het minder bekende vertegenwoordigers van het vroege Weense modernisme. Samen met Josef Frank legde Strnad de basis voor de 'Wiener Schule' die zich distantieerde van het esthetiserende ideaal van de Wiener
Werkstatte, en in haar ondogmatische architectuurbenadering eerder aanleunde bij Adolf Loos. Strnad debuteerde kort voor de Eerste Wereldoorlog met enkele spraakmakende, klassiek geïnspireerde landhuizen zoals Haus Wasserman, om in de vroege jaren 1930 te eindigen met een modernistische dubbelwoning in de Weense Werkbundsiedlung. Hij nam deel aan architectuurwedstrijden voor synagogen en crematoria, leverde ontwerpen voor collectieve woningbouw onder meer in hoog- en terrasbouw, en was actief als meubel- en interieurontwerpen. Daarnaast leverde hij een bijdrage tot de vernieuwing van het toneeldecor met onder meer de Oostenrijkse première van Wozzeck, en experimenteerde hij met nieuwe vormen van theaterbouw met name in opdracht van Max Reinhardt en Willem Royaards. Het boek belicht in een reeks overwegend korte essays zijn leven en werk, en de diverse aspecten van zijn veelzijdige zij het relatief korte loopbaan: zijn opleiding, de architectuurwedstrijd voor de synagoge van Triest, zijn talrijke ontwerpen voor Joodse grafmonumenten, zijn experimenten met het ringtoneel, zijn toneel- en filmdecors, en zijn onderwijspraktijk aan de Weense Kunstgewerbeschule. Daarnaast omvat het een keuze uit zijn theoretische geschriften, een oeuvrecatalogus, een lijst van toneelontwerpen en een bibliografie.
The Villas of Le Corbusier and Pierre Jeanneret 1920-1930 Tim Benton Basel, Birkhauser, 2007, 272 p., ISBN 978-3-7643-8406-7 Heruitgave van een destijds baanbrekende studie (oorspronkelijke uitgave: Les villas de Le Corbusier et Pierre Jeanneret 1920-1930, Parijs, Philippe Sers, 1984) gewijd aan de reeks villa's die Le Corbusier en zijn neef Pierre Jeanneret tussen 1920 en 1930 in en rond Parijs tot stand brachten, en die hun reputatie als protagonisten van het modernisme hielpen vestigen. Via het ontwerp van deze villa's ontwikkelden Le Corbusier en Jeanneret een vocabularium en een synthaxis die de internationale architectuur gedurende een halve eeuw zouden beïnvloeden. In deze zin kunnen zij worden geïnterpreteerd als een laboratorium van introspectie en innovatie, waarvan de genese in deze studie uit 1984 voor het eerst werd gereconstrueerd op basis van onderzoek in het archief van de Fondation Le Corbusier. Een grondige analyse van de vele schetsen en ontwerpen, de correspondentie met de opdrachtgevers en de bouwdossiers liet toe dit 'geduldige' creatieve ontstaansproces te ontrafelen, en de materialisatie in gebouwde vorm te duiden. Twaalf woningen en twee ongerealiseerde projecten worden in chronologisch typologische volgorde behandeld: de puristische villa's Berque en Besnus, en de atelierwoning Ozenfant, de 'promenade architectu-
B I N N E N K R A N T
ral' in de villa La Roche en JeanneretRaaf, en het woningproject Marcel, Casa Fuerte en Mongermon, de complexe programma's van de atelierwoning Lipchitz en Miestchaninoff, de woningen Ternisien en Planeix, en de 'klassieke' iconen villa Church, het villaproject Meyer, de villa's Cook, Stein-de Monzie en Savoye en het appartement Beistegui. De oorspronkelijke tekst is in deze heruitgave integraal hernomen, aangevuld met een naschrift met nieuwe interpretaties en feiten die sinds de publicatie uit het intensief gevoerde Le Corbusier-onderzoek naar voor zijn gekomen, en bijkomend geïllustreerd met nieuw archiefmateriaal.
Der Architekt Hugh Stubbins Amerikanische Moderne der Fünfziger Jahre in Berlin Steffen de Rudder Berlijn, Jovis Verlag, 2007, 192 p., ISBN 978-3-939633-23-5 Studie over de Amerikaanse architect Hugh Stubbins (1912-2006) en zijn meest spraakmakende realisatie, de Kongresshalle, één van de symbolen van het naoorlogse West-Berlijn. De Kongresshalle was de Amerikaanse bijdrage aan de Interbau 57, de Internationale Bouwtentoonstelling van 1957 die aanleiding was voor de bouw van het Hansaviertel. Opgericht nabij en in het zicht van de sectorgrens met Oost-Berlijn, moest dit geschenk van de Verenigde Staten symbool staan
voor de 'Freedom of Speech' en democratie van de Westerse Wereld, en uitdrukking geven aan de hoop op de hereniging van Berlijn. Het expressieve, uitgesproken dynamische karakter van zijn architectuur, met een trappenpodium en zwevend schaaldak in de vorm van een hyperbolische paraboloïde, een 'reflecting pool' en geënsceneerde belichting, maakte de Kongresshalle tot een demonstratief en monumentaal 'showpiece' van de Amerikaanse civiele bouwkunde en de 'International Style'. Door een botsing van de pragmatische 'trial and error'houding van de Amerikanen en het Duitse 'Sicherheitsdenken', werd het gedurfde, door Stubbins ontworpen schaaldak uiteindelijke als een hybride constructie uitgevoerd. Deze geveinsde relatie tussen vorm en constructie gaf indertijd al aanleiding tot verhitte debatten, maar bleek ironisch genoeg in 1980 ook de oorzaak van de instorting van het gebouw, dat in 1987 alsnog in gecorrigeerde vorm werd heropgebouwd. Het boek omvat een overzicht van leven en werk van Stubbins, en een analyse van de architectonische en iconografische eigenheid van het gebouw, maar biedt bovenal een indringende kijk op de politieke totstandkoming van een architecturaal en cultureel prestigeproject als instrument van de Koude Oorlog. Eveneens in Engelstalige versie (ISBN 978-3-939633-24-2).
Topologies The Urban Utopia in France, 1960-1970 Larry Busbea Cambridge, MIT Press, 2007, 230 p., ISBN 978-0-262-02611-6 Opmerkelijke studie over het 'urbanisme spatial', een utopische beweging van avant-garde architecten, kunstenaars, schrijvers, theoretici en critici, die in het Frankrijk van de woelige jaren 1960 vorm gaven aan de denkbeeldige stad van de mogelijke toekomst. Hun projecten waren een reactie op de ruimtelijke planningspolitiek van de Franse overheid en haar verstarde, autoritaire instellingen en Kafkaiaanse bureaucratie. De utopische
'cité spatial' of 'ville cybernétique' manifesteerde zich daarbij veelal als een immens raster of netwerk dat boven de aarde werd gespannen. In deze megastructuur bewogen de onderdelen en bewoners zich in een zacht en synchroon ritme, en vormde de straten, gebouwen en cellen een gigantische plastisch kunstwerk of een interactieve machine. Technologie en automatisering werden in deze nieuwe stedelijke wereld als positieve krachten aangewend, zowel om in alle materiële noden te voorzien als om tijd en ruimte te scheppen voor vrijheid en ontspanning. Zelfs als 'fantasme' bracht de Franse utopie van de stad een sociale transformatie in beeld, die cultuurfilosofen en sociologen nog maar pas waren beginnen beschrijven. Hoe progressief het 'urbanisme spatial' in de jaren 1960 ook gold, toch werd zijn ideologische basis aan het einde van het decennium in vraag gesteld. De studie brengt de concrete en metaforische topologie van deze stroming in kaart, door het beschrijven en documenteren van tal van projecten en theorieën, die in de internationale context van de experimentele architectuurpraktijk van bij voorbeeld de Internationale Situationisten, de Metabolisten of Archigram worden gesitueerd. Zowel projecten van Yona Friedman, Nicolas Schöffer, David Georges Emmerich, Chanéac en Paul Maymont, als theorieën van Michel Ragon en Victor Vasarely komen hierbij aan bod.
B 1 1 M 1 M E N K R A N T
Wie zaait zal maaien Antverpia en Sint-Mariaburg Anne-Mie Havermans Antwerpen, Provincie Antwerpen, 2007, 96 p., ISBN 978-90-7609-972-9 Zesde deel in de reeks erfgoedgidsen van de Provincie Antwerpen, gewijd aan Sint-Mariaburg, een residentiële wijk op het grondgebied van het Antwerpse district Ekeren en Brasschaat. Sint-Mariaburg was het levenswerk van Antoon Van den Weyngaert, stichter van de verzekeringsmaatschappij Antverpia die omstreeks 1900 een snelle en lucratieve groei kende. De maatschappij bouwde kerken, huizen, villa's en legde wegen aan, en trachtte met een zwembad, een velodroom, ontspanningslokalen en een uitgebreid verenigingsleven de Antwerpse burgerij naar dit landelijke paradijs te lokken. De erfgoedgids gaat uitvoerig in op de ontstaansgeschiedenis van Sint-Mariaburg en het leven zoals het was, evenals op de bedrijfsgeschiedenis van de verzekeringsmaatschappij en haar bestuurders. In een tweede deel komt de architectuur aan bod, de typische cottagevilla's uit de beginjaren en de modernistische woningen uit het interbellum, met een bijzondere rol voor de huisarchitecten van Antverpia FlorisVerbraeken, ook ontwerper van de kerken, het kantoorgebouw en de kasteeltjes van de stichter en zijn kinderen, en Pierre Backer Overbeek. Ook de 'Glazen Villa' uit 1929 van Dom Constantinus en een woning van Renaat Braem uit 1953, worden besproken.
Vooralle reacties: Jozef.BraekenfS) rwo.vlaanderen.be De boeken liggen ter inzage in de bibliotheek van het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE) Koning Albert ll-laan 19 bus 5 1210 Brussel (tijdens de kantooruren)
Tentoonstellingen
belangrijkste Europese collecties van architectuurtekeningen en biedt een kijk op de vindingrijkheid en diversiteit van de Belgische architectuur tussen 1860 en 2007. Hieruit werden voor deze tentoonstelling opnieuw 200 tekeningen en maquettes, ware kunstwerken op het vlak van tekentechniek en kleurgebruik, geselecteerd. Met deze tentoonstellingen geeft de Fondation pour lArchitecture de aanzet tot een permanente presentatie van de uitzonderlijke collecties van de Archives d'Architecture Moderne. De tentoonstelling groepeert de meest opmerkelijke tekeningen van bijna honderd architecten, rond thema's die kenmerkend zijn voor de opeenvolgende architectuurperioden van de latere 19de en de 20ste eeuw.
Jo Braeken
M£HiIECTUURlANDSPHAPPEN. I R n 1AAR TEKENINGEN VAN BELGISCHE
ARCHITECTEN In 1986 werd op initiatief van de architect Philippe Rotthier de Fondation pour/'Architecture opgericht. De openingstentoonstelling Architectuurlandschappen bracht een thematische selectie van de meest opmerkelijke tekeningen en maquettes uit de collectie van de Archives d'Architecture Moderne. Twintig jaar later is deze collectie aanzienlijk uitgebreid en omvat vandaag bijna twee miljoen documenten. Ze is één van de
Het thema Architectuur L+eren belicht het architectuuronderwijs in de Academies voor Schone Kunsten rondom het concept van de vormstudie. De meest briljante studenten nemen deel aan de Grand Prix de Rome die verbeeldingsoefeningen beloont. Als studenten van La Cambre, de Academies van Brussel, Antwerpen of Luik, of de École des Beaux-Arts in Parijs, tonen Charles De Meutter, Maxime Brunfaut, Gustave Herbosch, Servais Mayné, Emile Van Leemputten en Paul Mignot hun ontwerpen aan de hand van verbluffende tekeningen. Als 'Don Juans der stijlen' bevrijden op het einde van de 19de eeuw veel Belgische architecten zich van de nationale stijl, de Vlaamse Renaissance, om te proeven van de geneugten van het eclecticisme met zijn stijlenmozaïek. De architecten van het eclecticisme zijn onder andere Alban Chambon, Joseph Bascourt in de wijk rond de Cogels-Osylei in Antwerpen, Max Winders en Jules Jacques Van Ysendyck. Dankzij de 'zweepslaglijn' ontstaat een nieuwe dynamiek in de architectuur - de art nouveau is geboren. Victor Horta is een van de eersten om met kracht de nieuwe lijn te beheersen, zowel in metaal, hout als steen. In zijn voetspoor proberen ook andere getalenteerde architecten, zoals
B 1 N N E N K R A M T
kubussen en prisma's, wordt toegepast in heldere villa's, hotels, bioscopen, garages, stadhuizen en flatgebouwen, waar de architecten Paul Hamesse, Antoine Courtens, Maurice Gaspard, Henry Lacoste en Gaston Ide in uitblinken.
Jean Hendrickx, ontwerp vooreen vliegveld bovenop vier wolkenkrabbers, circa 1918 (®AAM]
Ernest Blérot, Ernest Jaspar, Richard Pringiers en Jules Brunfaut te ontwerpen in dit nieuwe vocabularium. Na de oorlog is de heropbouw van de vernielde steden één van de grootste kopzorgen. De Belgische architecten, waaronder Antoine Pompe, Lucien Francois, en Jean Jules Eggerickx, zoeken inspiratie in Engeland en Nederland, en opteren voor het tuinwijkmodel als dubbele oplossing voor de heropbouw en de nood aan arbeiderswoningen.
Le Corbusier beschouwt de stad als een landschap dat moet geordend worden, 'een woonmachine' die samengesteld is uit autonome functies die door groenzones van elkaar afgescheiden worden. Hij wil een compacte stad, in de hoogte gebouwd, met veel wolkenkrabbers. Begin jaren '30 tekent Renaat Braem, een leerling van Le Corbusier, ontwerpen voor een lijnstad van 100 km lang tussen Antwerpen en Luik. Andere aanhangers van het rationalisme die de stad een nieuw gezicht geven zijn Gaston Brunfaut, Georges Ricquier, Lucien De Vestel en Victor Bourgeois. Na de angst voor een derde wereldwijd conflict, haalt in de jaren '50 optimisme opnieuw de bovenhand met de eerste naoorlogse Wereldtentoonstelling. Er ontstaat een "58-stijl", gekenmerkt door het verwerpen van de vooroorlogse monumentale symmetrie, het toepassen van schuine en gebogen wanden, het gebruik van glas, gladde en gekleurde materialen als Eternit, en de opkomst van verlijmde spanten en hyperbolische
Renaat Braem, ontwerp voor het gemeentehuis van Boom, 1952 (®AAM)
schelpen. Architecten die spectaculaire gebouwen ontwerpen zijn opnieuw Renaat Braem, Emile Goffay, Sta Jasinski, Maxime Brunfaut en Charles Van Nueten. Als Europese hoofdstad in 1958, moet Brussel zich aan haar nieuwe internationale opdracht aanpassen. Slechts weinigen schatten de gevolgen in van de inplanting van de Europese instellingen aan de Wetstraat nabij het Jubelpark. De in autonome gemeenten onderverdeelde hoofdstad is niet klaar om aan dermate grote veranderingen het hoofd te bieden. Elke burgemeester droomt van zijn eigen wolkenkrabber die het stadhuis, een abdij of een openbaar park verplettert. In het kader van de uitbreiding van de Europese
In de jaren '20 focussen de modernistische architecten hun aandacht op het probleem van de privé-woning onder het motto "Weesmodem.''. Het gaat hoofdzakelijk over kleine rijwoningen op een perceel met een gevelbreedte van 5 a 6 meter. LouisHerman De Koninck, Jean Canned en Charles Colassin bouwen hun eigen huis als een modernistisch manifest, geconcipieerd als minimumwoning. De art deco zegt de Belle époque vaarwel, en komt tegemoet aan het verlangen naar pronkzucht en huiselijk comfort van een kosmopolitische bourgeoisie, verleid door de Parijse luxe op de Exposition des Arts décoratifs in 1925. De taal van de art deco, met de typische in elkaar grijpende
Charles Colassin, woning voor de heer en mevrouw Lubin-Dambremé, Generaal Van Haelenlaan, Brussel, 1925 (mAM)
Alban Chambon, ontwerp voorde uitbreiding van het kasteel van Roumont in Ochamps, gevels van het museum en de kapel, 1911-1919 (eAAM)
B 1 N 1 \ E N K R A N T 8 ^
_
l
instellingen, bedacht de stad Brussel vanaf de jaren '70 een inrichtingsplan
1
•t-Üifc-T-
voor projectontwikkelaars. Het Manhattan-project, dat de volledige Noordwijk in beslag neemt, is als een zakendistrict bedacht. De bezoekers kunnen voor het eerst de immense maquette (3x6 meter) van de 'Noordruimte' zien, die uitzonderlijk door de groep CDP uitgeleend wordt.
1
8»-*i_^Jrial
Chris De Maegd
j^
IMP*»^" VAN T STAPT EN SCHOONF RUYTFIMS
jp£LlijMCa^ • j^wm^ ¥•w ^
Dit is de titel van een tentoonstelling en van een boek, die allebei de moeite waard zijn.
gaans vermeld worden, documenteren de foto's uitvoerig zijn oeuvre in die periode.
Over Ferdinand-Joseph Derons (17001762), zoon van een organist en in Brussel geboren, zijn niet zo veel gegevens bekend. Wel is zeker dat hij nauwe banden had met Andreas Martin, die misschien wel zijn vennoot was. Hij was bij diens late huwelijk in 1754 getuige en is gestorven in diens huis. Andreas Martin (1699-1763) was de zoon en de broer van een kleermaker maar was zelf schilder: in 1721 wordt hij vermeld als André de Martien, meester-schilder. Het vermelde huis lag in de Sint-Annastraat en was Martins' bezit, maar het was ook hun beider woning, hun atelier en wellicht hielden ze er ook een handelsfunctie op na, getuige de verkoop die er in 1742 doorging van kunstwerken (vooral op papier), boeken, rariteiten en zelfs meubelen.
Fondation pour /'Architecture, De presentatie van deze iconografie - prentbriefkaarten, folders, uitnodigingskaarten - in het Hortamuseum wil de aandacht vestigen op het publicitaire gebruik dat Hector Guimard met de prenttkaart trachtte te ontwikkelen bij de aanvang van de 20ste eeuw. Het was dan ook een modern en goedkoop middel om afbeeldingen te verspreiden van een herkenbaar maar
Kluisstraat 55, 1050 Brussel www.fondationpourlarchitecture.be infoOfondationpourlarchitectu re.be Open van 13 november 2007 tot 20 april 2008; dinsdag tot vrijdag 12u tot 18u; zaterdag en zondag 10.30u tot 18u; gesloten op maandag, 25 december en 1 januari. Ticket volwassenen: € 4 ; Vermindering: architecten, leerkrach-
bevreemdend concept: "Le Style Guimard". Guimard herhaalt zijn experiment omstreeks 1910, met het vastgoedproject voor de La Fontaine-, Gros- en Agarstraten, waarbij hij er zelfs in slaagt om op een aantal prentbriefkaarten de plannen van appartementsgebouwen te reproduceren. Zijn laatste bijdrage tot dit soort publiciteit betreft het gemeentehuis van het 'Franse dorp' op de Exposition des Arts
ten, senioren: € 3; studenten, werklozen, VIPO-kaart: € 2; gratis: -12 jaar. schoolgroepen: € 1 / kind / vanaf middelbaar: € 2 pp. geleide bezoeken: € 60 (week) / € 70 (nocturne en weekend) / € 3 pp. info en reservaties: 02.642.24.80
Martin bezat een kunstkabinet dat samen met de collecties van Karel van Lorreinen, de prins de Ligne, de hertog van Arenberg en die van enkele eerbare burgers vermeld wordt in Le peintre amateur et curieux, dat G.P. Mensaert uitgaf in 1763. Dat is het overlijdensjaar van Martin en op 2 mei 1763 wordt de openbare verkoop gehouden van zijn collectie gravures. In de prentencollectie van kanunnik Pierre Wouters, die als bibliothecaris onder meer de befaamde 'Bourgondische' bibliotheek en ook de keizerlijke bezittingen beheerde, komen ook een vijftigtal tekeningen van Derons voor; ze zijn vermeld in de verkoopcatalogus van zijn verzameling in 1797. Daarna kwamen ze terecht in het kabinet van de hertog van Arenberg en toen die een kleine 10 jaar geleden in Brussel werd gevijld kon men er een aantal van verwerven voor het Prentenkabinet van de Koninklijke Bibliotheek en voor de Brusselse Musea.
Décoratifs van 1925. 1 Marcel
M. Cells
1
Guimard was niet de enige architect die dit medium gebruikte. Niettemin is hij diegene die zich het meest persoonlijk investeerde. Het verklaart mede waarom voor de Franse art nouveauarchitectuurzijn oeuvre intensiever dan dat van zijn confrateres werd gereproduceerd.
HECTOR GUIMARD. ALBUM VAN EEN VERZAMELAAR Ter gelegenheid van de eerste Exposition de l'Habitation, in het Grand Palais, Parijs 1903, gaf Hector Guimard voor eigen rekening een reeks prentbriefkaarten uit. Ze toonden een selectie van zijn realisaties, en getuigden van de eigenzinnigheid van zijn stijl en van zijn vermogen om actief deel te nemen aan de vernieuwende beweging in de architectuur en de sierkunsten. Deze nauwelijks bekende en onderbenutte iconografie was niet steeds het initiatief van de architect, maar daar zijn naam en hoedanigheden door-
Album van een verzamelaar. Postkaarten van Hector Guimard. Een tentoonstelling van de Cercle Guimard, Parijs, in het Hortamuseum, Amerikaansestraat 25, 1060 Brussel (Sint-Gillis). Open: dagelijks (uitgezonderd op maandag en feestdagen) van 14u tot 17u30, van 7 november 2007 tot 13 januari 2008. 1
M&L
Deze aankoop en het inventariseren van de prenten waren blijkbaar de 1
B 1 1 \ N E 1 M K R A N T
iWJ kff/- fWsfrèi
i'atK t-rlatV&S*?
Wt
*«W
cft
E-J. Derons, het voormalig hertogelijk kasteel in Vilvoorde (Koninklijke Bibliotheek van België)
aanleiding voor de tentoonstelling en het boek. De uitgave is het vierde nummer van de reeks Fontes Bruxellae. De eerste blikvanger op de tentoonstelling is het anonieme Grand plan de Bruxelies uit rond 1750 uit het stadsarchief van Brussel dat hier als facsimile een hele muur bekleedt. Het is een schitterend plan, vol informatie over de stadwallen en de boerkooistuintjes aan de voet er van, de stadspoorten en het stratenpatroon, de kerken en kloosters, de Zenne en het hof van de Coudenberg en enkele woningen van belangrijke families als van Arenberg of Bournonville, allebei in de Wolstraat. In het boek bekleedt dit plan de beide kanten van de binnenflap; het is dus goed leesbaar, een welkom geschenk voor de Brusselse erfgoedonderzoeker. De tekeningen van Derons en de schaarse schilderijtjes van Martin zijn boven elkaar gehangen en vormen een lang register van ingelijste originele prenten, af en toe vervangen door een facsimile. Minder geslaagd is dat boven of zelfs onder dit register foto's of zelfs fotomontages hangen van het huidig uitzicht van de site. Deze foto's zijn ook in het boek opgenomen en daar vormen ze de storende factor tussen al die interessante en mooie tekeningen. Derons' tekeningen hebben een hoge documentaire waarde voor de architectuur en het uitzicht van Brussel in
de periode 1720-1760. Derons tekende niet alleen plekken en gebouwen in de stad, maar ook kastelen en buitenplaatsen in de onmiddellijke omgeving van Brussel. Op de meeste komt een jaartal voor en de identificatie van het onderwerp, soms met vermelding van de eigenaar. Dikwijls voegde hij er ook zijn initialen of naam aan toe. Zijn handschrift op prenten zonder auteursnaam uit deze periode laat een toeschrijving aan Derons toe. In elk geval is Derons een meester in de minutieuze voorstelling van de architectuur. Hij tekende de huizen van de Grote Markt vóór de verwoesting van 1695 en zijn prent was de inspiratiebron voor de latere restauratie. De barokke architectuur van deze huizen vormt wel een uitzondering, want -met uitzondering van de kloosters en kapellen, de Brusselse stadspoorten en de burcht van Vilvoordebehoren zijn gebouwen tot wat we de traditionele bak- en zandsteenstijl noemen. In haar essay (p.19) dat al in 2002 elders gepubliceerd werd, noemt Krista De Jonge ze opgetrokken "up die manier van Braban". Is de gedetailleerde voorstelling van de architectuur misschien de reden waarom meerdere architecten uit het einde van de 19de en het begin van de 20 5tt eeuw tekeningen van Derons bezaten -de traditionele stijl als inspiratiebron voor de neo-stijl van hun tijd? Derons tekent ook nauwgezet de tuinen bij de kastelen en buitenhuizen en zijn
weergave van het neerhof toont het belang daar van aan; zonder deze dienstgebouwen was het leven op het land gewoon niet mogelijk. De siertuinen worden getoond met hun strakke indeling in parterres, hun soms dubbele dreven en bomenlanen, hun mooi gevlochten hagen, hun hoog opgesleunde boompjes, hun strakke indeling in parterres met daarin de obligate snoeivormen, hun hekken en monumentale tuinpoorten, hun waterbekkens en fonteintjes, de boomparterres soms in stervorm vertonen, al eens een zonnewijzer op sokkel, een tuinpaviljoen, een duiventil op voet, het lattenwerk van een bersauw, het leifruit tegen de tuinmuren maar ook tegen de huisgevels. Deze siertuinen verschillen in aanleg en karakter duidelijk van de moestuin van bvb de papiermolen van Sint-Genesius-Rode die Derons In 1749 tekende. Die tuin ligt achter het molenaarshuis en is er van gescheiden door een hek op een muur; de lange rechthoekige kweekbedden liggen aan weerszijden van een met boompjes onderlijnd middenpad en tegen de tuinmuren en huisgevels is leifruit getekend.
Het begeleidend boek bevat de catalogus van alle getoonde werken. Men moet het aanschaffen alleen al om het grote "plaisirdes yeux"zn de documentaire waarde van de prenten. De teksten in het boek verdienen minder lovende woorden. Er was wel een wetenschappelijk comité aan het werk, maar er is weinig resultaat van te zien. Bijvoorbeeld: waar vandaan komt eigenlijk die mooie titel Van 't stadt en schoone buytens, toch duidelijk een citaat? De gravures in Leroy en Cantillon komen hier en daar wel ter sprake, maar echt vergelijken en kijken is niet gebeurd. Evenmin werd Sanderus geraadpleegd - en die publiceerde midden 17de eeuw toch talrijke gravures van kastelen en buitenhuizen in Brabant - en evenmin de kaart uit rond 1600 van Mathieu Bollin met de loop van de Zenne, die onder meer een oudere toestand weergeeft van het in 1733 door Derons getekende "Jesuiten goeljcken bij de Laecken brughen" (p. 127). Tenslotte was een vergelijking met de tekeningen van
B l N N E l ^ K R A N T
veel groter programma, dat de WeensAmsterdamse historieschilder Georg Sturm (1855-1923) voor het negentiende eeuwse Rijksmuseum van architect P.J.H. Cuypers samenstelde. Onderdeel van de tentoonstelling is VAN TSTADTENSCHOONEBUYTENS. een presentatie die Stichting RestauEen kijk op Brussel en omgeving in de ratie Atelier Limburg (SRAL) samen 18de eeuw. Tekeningen en schilderijen met het Nederlands Architectuur van F.-J. Derons enA. Martin [Fontes Instituut heeft gemaakt. De restauraties zijn live te volgen (di t/m vrij) in Bruxellae. 4), Brussel, 2007. De tentoonstelling loopt nog tot het open restauratieatelier dat de 13 januari 2008 op de Grote Markt in SRAL in het museum heeft ingericht. De schilderijen dateren uit de jaren Brussel in de twee gelijkvloerse zalen 1882-1890 en tonen onder andere van het stadhuis. De toegangsprijs is € 5 en het boek is daar voor levensgrote personificaties, ambachten. allegorieën en hoogtepunten uit de € 39 mee te nemen. Openingsuren: alle dagen van 10 tot Nederlandse geschiedenis. Er zijn 4 paren van traditionele ambachten te 17 u, behalve op maandag; gesloten zien, zoals graveurs en fijnschilders. op 24, 25 en 31 december 2007 Op de grotere doeken zijn allegorieën en 1 januari 2008. op menselijke deugden verbeeld. De Zelfopoffering bijvoorbeeld, is voorgesteld als een vrouw die twee kinderen tegelijk de borst geeft, geRemade Leloup uit 1744 verschenen in Les Délices du Pays de Liège uit meer dan een oogpunt interessant geweest.
(I
Marjan
VERDER MET CUYPERS EN STURM Dit is een origineel tentoonstellingsen restauratieconcept, waarbij het publiek de vorderingen van de restauratie kan volgen. Het Bonnefantenmuseum toont zestien monumentale neogotische wandschilderingen uit het Rijksmuseum Amsterdam. De doeken maken deel uit van een
M&L
1
i
1
•
a_
1••1
^A>v.«
}M
V ' '. -M.
De tentoonstelling loopt in het Bonnefantenmseum in Maastricht, avenue Céramique 250, van 23 november 2007 tot 17 februari 2008. Op 15 minuten loopafstand van het station. Dinsdag t/m zondag van 11u tot 17u. De kassa sluit om 16.30 uur.
tl
z^swëm
•- 'r
decoratie was immers ook vlak. Daarom omlijnde Sturm zijn figuren en gaf maar nauwelijks diepte aan. Hiermee werd het beoogde grafische effect bereikt. Sturm werkte vaker mee aan de creaties van P.C. Cuypers. Zo voorzag hij de Koninklijke wachtkamer in het Centraal Station van Amsterdam van zijn decoratie. Ook de wandschilderingen in de Statenzaal van het Drents Museum in Assen en in de Statenzaal van de huidige bibliotheek van Zwolle zijn gemaakt door Georg Sturm en zijn assistenten.
iv. S r i
1
I
f/:
wsm r^
I
flankeerd door het christelijke voorbeeld van de pelikaan die zich in de borst prikt om haar jongen te voeden met haar bloed. Ondanks het feit dat Sturm zijn schilderijen op doek vervaardigde, waren ze bedoeld als wandschildering. Cuypers en Sturm streefden ernaar de muurschildering zoveel mogelijk te integreren in de architectuur en de geschilderde decoratie, dus het kleurenschema sloot daar nauw bij aan. Ook mochten de muurschilderingen niet te driedimensionaal lijken, de
Buy Ie
ït
1
-
•
ür r i ^ >
|
^
B I N N E N K R A N T
Marjan
Buyle
IFAN DFL COUR In 2007 herdenkt men de 300ste verjaardag van de dood van één van de belangrijkste vertegenwoordigers van de barokke sculptuur: Jean Del Cour (1631-1707). De Stad Luik greep, samen met de vzw Les Musées de Liége en het Musée d'Art religieux et d'ArtMosan, de gelegenheid aan voor een gepast hommage aan deze meester in de vorm van een overzichtstentoonstelling van zijn oeuvre. Niet minder dan 147 werken worden getoond, waaronder ook schetsontwerpen, bozzetti (ontwerpen op klein formaat) in terracotta en uiteraard zijn eigen werken en die van zijn atelier en school. Del Cour was een leerling van de Romeinse grootmeester Gianlorenzo Bernini en dit is ook duidelijk in zijn werken waar te nemen.
De tentoonstelling is onderverdeeld in vijf luiken: • Luik en Rome: het Italiaanse avontuur van Del Cour wordt hier gepre-
senteerd in de vorm van een voorstelling van beide steden ten tijde van Del Cour. • Van idee tot werk: Del Cour werkte in hout en steen. Daarom moest hij zich ook onderwerpen aan de reglementering van de beroepen van de schrijnwerkers en de metsers. Het ontstaansproces wordt hier geïllustreerd vanaf de ontwerptekening tot het modelleren en de uiteindelijke uitvoering in hout of steen. • De vernieuwing (1661-1677): na zijn terugkeer uit Rome introduceert Del Cour in Luik de lyrische barokstijl van Bernini. Hij wordt hierin al snel door velen nagebootst. • De ontplooiing (1677-1700): in deze bloeiperiode vindt Del Cour zijn eigen persoonlijke uitdrukkingswijze • De laatste werken en zijn erfenis (1700-1707): in deze laatste periode werkt Del Cour samen met zijn enige leerling Jean Hans. Men merkt duidelijk hoe de navolgers van Del Cour zijn stijl assimileerden. De tentoonstelling wordt gehouden in de Saint-Barthélémy-kerk in Luik, die opvalt door de kleurige reconstructie
Engelen en cherubijnen, kerk de la Sarte in Hoei, 1669 f® Michel Lefftz)
Detail van een lindenhouten beeld van de heilige Jacobus, kerk Saint-Jacques in Luik, circa 1690-1691 (® Michel Lefftz)
van haar buitenpolychromie. Een niet te missen meesterwerk in de kerk is bovendien de doopvont van het begin van de 12de eeuw.
Jean Del Cour, in de Saint-Barthélémy kerk in Luik, tot 3 februari 2008, van maandag tot zaterdag van 10 tot 17u en op zondag van 13-17u. Inkom € 7,50 , kortingen mogelijk. Voor € 10 hebt u een combinatieticket voor de tentoonstelling, de doopvont, de Schatkamer van de kathedraal, het Musée d'ort religieux et d'Art Mosan en het Musée d'Ansembourg. B-excursie van de NMBS: vervoer en toegang inbegrepen. Info: info@lesmuseesdeliege.be. www.expodelcour.be. tel. 04 221 42 25.
1V1&L
B l N N E l ^ K R A N T
Beschermingen Marcel M. Celis
FRANSF MIIITAIRF BFGRAAFPIAATSFN Bijna negentig jaar na de Eerste Wereldoorlog hield Vlaams Viceminister-president Dirk Van Mechelen, naar aanleiding van de jongste 11 november-herdenking, een vurig pleidooi om de sporen van ons oorlogsverleden op een gepaste wijze te beschermen en toegankelijk te maken, opdat niemand ooit de gruwel van de wereldbranden zou vergeten. De herinnering aan de vreselijke loopgravenoorlog is nog altijd levendig en actueel. De vele militaire begraafplaatsen zijn daarvan de meest zichtbare getuigen; zij confronteren ons met de zinloosheid van de oorlog. Maar ook de dagelijkse tosfPosfaan de leperse Menenpoort of een bezoek aan één van de slagvelden zorgen telkens opnieuw voor een gevoel van bewustwording. Men mag echter niet uit het oog verliezen dat voor nieuwe generaties jongeren de Eerste Wereldoorlog stilaan thuishoort in de geschiedenisboeken. Oorlog wordt meer en meer ervaren als iets dat ver van ons bed gebeurt en dreigt via de dagelijkse radio en tv-verslaggeving banaal te worden. DE ACHTERGROND In het kader van de Inventaris 19142014, een grootschalig inventarisatieen beschermingsproject van het WO I-erfgoed in Vlaanderen dat uiteindelijk moet leiden tot de erkenning van de slagvelden uit de Eerste Wereldoorlog als Unesco-werelderfgoed, komen in 2007 prioritair de militaire begraafplaatsen aan bod. Na de Belgische militaire begraafplaatsen startte de minister nu de beschermingsprocedure op voor de drie Franse begraafplaatsen in Vlaanderen. Net zoals dat voor sommige andere mogendheden het geval was hebben
ook de Fransen hun gesneuvelden vanaf 1920 deels gerepatrieerd, deels gegroepeerd herbegraven op speciaal aangelegde begraafplaatsen. In Vlaanderen bleven er drie begraafplaatsen over: het ossuarium van de Kemmelberg (Heuvelland), de begraafplaats Saint Charles de Potyze (leper) en de verzamelbegraafplaats van Machelenaan-de-Leie (Zulte). De Franse corrés militaires, op een aantal andere militaire en burgerlijke begraafplaatsen, worden later meegenomen bij het themadossier van kerkhoven en begraafplaatsen. Vanaf het Interbellum werden de Franse begraafplaatsen onderhouden door de Belgische vereniging A/os Tombes/Onze Graven; sinds het midden van de jaren '70 ligt de verantwoordelijkheid bij de attaché de defense wan de Franse ambassade. De Franse militaire begraafplaatsen op ons grondgebied verschillen doorgaans van de klassieke militaire begraafplaatsen in Frankrijk, die aan strikte eisen moeten voldoen. De begraafplaatsen bij ons zijn doorgaans veel soberder. Tekenend is de aanwezigheid van een monumentaal gedenkteken en een Franse en Belgische vlag. Ook de Fransen kozen voor uniforme graftekens, zonder onderscheid van rang of stand. Oorspronkelijk ging het om houten exemplaren, maar in het Interbellum werden deze geleidelijk vervangen door betonnen of gietijzeren modellen. In de jaren '70 en '80 van de vorige eeuw kwamen er nieuwe graftekens in een composietmateriaal met marmerpartikels. Afhankelijk van de geloofsovertuiging van de gesneuvelde werd een aangepast model ter beschikking gesteld: kruisjes voor Christenen, hoefijzerachtige steles voor moslims, steles met een Davidster voor Joden en segmentbochtige steles voor vrijzinnigen. De grafplaatjes vermelden de naam en de voornamen, de rang en eenheid, "Mort pour la France", de sterfdatum en het grafnummer. In tegenstelling tot bijvoorbeeld de begraafplaatsen van het Gemenebest werd de niet-geïdentificeerde soldaten bijgezet in een massagraf en niet in individuele graven.
EEN WOORDJE UITLEG • Machelen-aan-de-Leie Hier liggen de graven van 750 soldaten die voornamelijk gesneuveld zijn tijdens het Geallieerde bevrijdingsoffensief van 1918. Het merendeel kwam om het leven tijdens de gevechten tussen de Leie en de spoorweg Gent-Kortrijk.
Opvallend voor deze sobere begraafplaats met haar vele aanplantingen (rozenstruiken, yucca's e.a.) is de grote afwisseling van graftekens die de verschillende geloofsovertuigingen weerspiegelen. Andere opvallende vaststelling zijn de vele graven voor soldaten uit de kolonies, een categorie die ten onrechte vaak wat vergeten wordt. Op de begraafplaats staan een gedenkkruis en een gedenkmuur met sculptuurwerk van de Franse beeldhouwster Bayser-Gratry. • Saint Charles de Potyze (leper) Op deze begraafplaats liggen 3593 individuele graven en een massagraf met 616 onbekende soldaten. Vooral de gesneuvelden uit de regio leperPoperinge, de kustzone en het IJzerfront werden hier gegroepeerd. Wanneer vandaag nog nieuwe stoffelijke resten van Franse soldaten worden ontdekt op de vroegere slagvelden worden die hier bijgezet.
B 1 N N E N K R A N T
ii
De begraafplaats is strak symmetrisch aangelegd met een monumentale ingangspartij geflankeerd door zuilen met militaire symboliek (een zwaard als symbool van kracht, laurier als symbool van de overwinning), een opvallende beeldengroep in donkere steen door J. Fréour met een Bretoense vormentaal (als eerbetoon aan de vele Bretoenen die in Vlaanderen het leven lieten) en een massagraf gemarkeerd door een monumentale obelisk. • Ossuaire op de Kemmelberg Het ossuarium of massagraf op de Kemmelberg is de grootste Franse militaire begraafplaats in Vlaanderen. Hier liggen 5.294 soldaten begraven, waarvan er slechts 57 geïdentificeerd konden worden. De meeste soldaten sneuvelden tijdens de slag om de Kemmelberg in het voorjaar 1918, maar ook van andere plaatsen werden soldaten naar hier overgebracht. Het ossuarium is geometrisch aangelegd in een driehoekig ommuurd park op de westflank van de Kemmelberg. Blikvanger op de begraafplaats is een obelisk, bekroond met een Gallische haan. Ook de Engel op de top van de Kemmelberg, en dus buiten de begraafplaats gelegen, wordt mee beschermd. Op de zuil, een obelisk met gevleugelde overwinningsgodin in Grieks gewaad, staan de eenheden vermeld die bij de slag om de Kemmelberg betrokken waren en die er vaak nog zeer zware verliezen leden.
Inventaris
I
Inventaristeam Afdeling R-O West-Vlaanderen Onroerend Erfgoed
B O U W E N DOOR DE E E U W E N H F F N IN V L A A N D E R E N Overzicht van inventarisatie van het bouwkundig erfgoed in West-Vlaanderen in de periode 2 0 0 5 - 2 0 0 7 In het kader van de geografische inventarisatie van het bouwkundig erfgoed in Vlaanderen werd in de periode 2005-2007 door de erfgoedconsulenten van de Afdeling R-0 West-Vlaanderen - Onroerend Erfgoed de inventarisatie voltooid van de Brugse deelgemeenten Dudzele, Lissewege en Zeebrugge en van de fusiegemeenten Deerlijk, Dentergem, Houthulst, Oostrozebeke, Oostkamp, Tielt, Torhout en Zwevegem. De opzet en methodologie van de inventarisatie blijft nog steeds gehandhaafd, met name het optekenen van het bouwkundig erfgoed in een ruime geografische en historische context als uitgangspunt voor de selectie van het te beschermen bouwkundig erfgoed en voor de uitbouw van een lokaal erfgoedbeleid. Tevens is het een gids voor de architectuur in de streek en de basis voor verder wetenschappelijk onderzoek. In functie van de sensibilisering en raadpleegbaarheid kennen de inventarissen intussen een ruime verspreiding bij de lokale en regionale besturen en bij diverse bibliotheken, universiteiten, archiefinstellingen en erfgoedverenigingen of-trefpunten. De laatste drie geïnventariseerde deelgemeenten van Brugge, m.n. Dudzele, Lissewege en Zeebrugge, zijn verzameld in één inventarisdocument. DUDZELE gaat terug op een bewoningskern gesitueerd op een kunstmatige hoogte in het landschap en ontstaan in de loop van de 9de eeuw. De eerste bewoners bouwen er hoeves op een terp omgeven door een ring-
Brugge Noord: deelgemeenten Dudzele, Lissewege, en Zeebrugge
wal, waarvan er tot op heden nog een 22-tal zijn bewaard. Centraal in het kleine historische dorpscentrum is de tot de middeleeuwen opklimmende parochiekerk met romaanse torenruïne. De huidige, voornamelijk landelijke bebouwing wordt getypeerd door boerderijen bestaande uit losse bestanddelen. De industrie, uitloper van de Zeebrugse haven, is geconcentreerd langs het Boudewijnkanaal en het kanaal van Schipdonk. Lissewege is gedurende het ancien régime een heerlijkheid afhankelijk van de Burg van Brugge. Aangezien het dorp mee profiteert van de succesrijke Brugse lakenhandel, groeit het in de middeleeuwen uit tot één van de meest welvarende dorpen uit de omgeving van Brugge. De aanwezigheid van de cisterciënzerabdij Ter Doest met imposante tiendenschuur van circa 1275 verwijst naar de belangrijke rol van de religieuze instellingen bij de ontginning van gronden gewonnen op de zee. Voor de realisatie van de baksteengebouwen, waarbij o.m. Brugge een belangrijke afnemer is, wordt klei ontgonnen in de onmiddellijke omgeving. Door deze kleiwinning ontstaan laaggelegen en moerassige gebieden. Thans behoudt de dorpskern grotendeels zijn authentiek karakter, getypeerd door traditionele woningen in lokaal gebakken en veelal witgekalkte baksteen. Landbouw is nog steeds een belangrijke activiteit. Ten zuiden
B 1 M M E N K R A 1 M T
van de dorpskom en in de omgeving van Ter Doest is het oude cultuurlandschap nog herkenbaar, o.m. opgenomen in het natuurreservaat De Monnikenmoere. De bebouwing en ruimtelijke structuur van Zeebrugge is onlosmakelijk verbonden met de haven die werd opgericht vanuit Brugge en uitgebouwd is tussen 1895 en 1907. De eerste bebouwing, gesitueerd rond de Visartsluis, is geënt op het zee- en visserijleven. Vanaf het begin van de 20ste eeuw wordt ingespeeld op de toeristische ontwikkeling met o.m. de bouw van hotels zoals het Palace Hotel (circa 1914). De grootste bouwcampagne dateert echter uit het interbellum en voorziet in cité-jardins voor vissersfamilies en werknemers van de ondertussen in Zeebrugge gevestigde fabrieken. DEERLIJK, een woongemeente aan de zuidelijke rand van de sterk verstedelijkte en geïndustrialiseerde as MenenKortrijk-Waregem, is een belangrijk textielcentrum met een beperkte landbouwactiviteit vnl. in het zuidelijke deel van de gemeente. De dorpskern, die zich situeert ten noorden van de Gaverbeek, wordt gekenmerkt door 19de- en 20steeeuwse bebouwing van vnl. arbeidersen burgerwoningen met veelal eenvoudige bakstenen lijstgevels, al dan niet verfraaid door sierbaksteen of arduinen sierelementen. Van de 18de-
Gemeente Deerlijk
eeuwse bebouwing blijven slechts enkele voorbeelden bewaard, zoals de beschermde parochiekerk Sint-Columba en het geboortehuis van René Declercq. Ook de voormalige pastorie langs de Pontstraat heeft een oudere, vermoedelijk 18de-eeuwse kern. Hoofdzakelijk langs de centrumstraten bevinden zich een aantal interessante eind 19de- en begin 20ste-eeuwse burger- en herenhuizen die industriëlen lieten optrekken. Tijdens het interbellum worden tal van woningen opgetrokken in lokale geometrische art-decostijl. Het landelijk gebied wordt gekenmerkt door hoeves en kleinschalige bebouwing. Deerlijk kende oorspronkelijk een rijk hoevebestand doordat een groot deel van het grondgebied werd ontgonnen door de Gentse Sint-Pietersabdij tijdens de ontginningsperiode van het Medelewoud in de 11de en 12de eeuw. Zeldzame hoeves herinneren nu nog aan dit rijke verleden. Het huidig bewaarde hoevebestand dateert meestal uit de 19de en 20ste eeuw, met slechts enkele voorbeelden voorzien van een oudere 17de- of 18de-eeuwse kern. Door de steeds toenemende industrialisatie van de gemeente en de groeiende bevolking verdween in het laatste kwart van de 20ste eeuw een groot deel van het landelijke patrimonium van de gemeente. Het grondgebied wordt tevens gekenmerkt door talrijke wegkapellen waarvan enkele teruggaan op oudere stichtingen; de meeste dateren evenwel uit de 19de eeuw. Eén van de belangrijkste kapellen is de kapel ter Ruste, gebouwd in 1639 en in neogotische stijl verbouwd op het eind van de 19de eeuw. Sporen van bewoning in de fusiegemeente DENTERGEM gaan terug tot de prehistorie. Archeologische opgravingen van twee 'paaldorpen', ontdekt rond het begin van de 20ste eeuw in de omgeving van de Peperlaarbeek, documenteren een bewoningsgeschiedenis van het neolithicum tot in de middeleeuwen. Deze bewoningskern aan de grens van Dentergem en Markegem wordt echter verlaten. De bebouwing van de hoofdgemeente
Gemeente Dentergem: deelgemeenten Markegem, Oeselgem en Wakken
Dentergem situeert zich voornamelijk rond de parochiekerk, gewijd aan Onze-Lieve-Vrouw en Sint-Stephanus (beschermd als monument), een neogotisch gebouw met laatgotische toren van ca. 1613. Het bouwkundig erfgoed ontstaat als gevolg van een bloeiperiode vanaf de tweede helft van de 19de eeuw, getuige de imposante herenhuizen in het begin van de toen pas aangelegde Statiestraat. Hiernaast domineren de gebouwen van brouwerij RIVA vanaf het einde van de 19de eeuw de dorpskern. Buiten de dorpskern getuigt de verspreide bebouwing van het belang van de landbouw, waarbij enkele hoeves teruggaan tot het einde van de 18de eeuw. Markegem is de kleinste der deelgemeentes en heeft in de dorpskern het 19de-eeuwse karakter in de vorm van lage dorpswoningen grotendeels behouden. Het goed ferHoyen vormt een overblijfsel van de vroegste geschiedenis van het dorp. Het gaaf bewaarde geheel heeft een opperhofneerhofstructuur met bewaarde omwalling en 18de-eeuwse hoevegebouwen op het neerhof. Op het opperhof, de vroegere site van het kasteel van de Gentse familie Uutenhove, staat een gebouwtje dat dienst heeft gedaan als bakhuis, gevangenis en cichoreiast en vermoedelijk opgetrokken is uit resten van het vroegere kasteel.
B 1 N N E N K R A 1 M T
De evolutie van deelgemeente Oeselgem hangt nauw samen met de Leie. Enerzijds brengt de strategische ligging aan de rivier zware schade tijdens beide Wereldoorlogen met zich mee. Vooral de St.-Martinuskerk uit 1720, maar ook het oude gemeentehuis in de Deinzestraat, dragen hier nog de littekens van. Anderzijds vormt de Leie ook een belangrijke bron van kleinschalige industriële activiteit: de talrijke woningen annex vlasschuur uit het interbellum zijn typerend voor deze deelgemeente. Wakken is historisch gezien welvarender dan de omliggende gemeenten. Reeds in 1561 wordt er een markt georganiseerd. In de 19de eeuw versterkt Wakken haar rol als economisch centrum, getuige de aanwezigheid van talrijke fabrieken en de romp van een stenen windmolen (beschermd als monument) in de dorpskern. Het bouwkundig erfgoed uit de 19de eeuw is dan ook aanzienlijk, zowel wat betreft hoeveelheid als kwaliteit, o.a. het vroegere gemeentehuis uit het begin van de eeuw, het kasteel van ca. 1840 en de westelijke pleinzijde van de Wapenplaats uit de tweede helft van de 19de eeuw.
Het bouwkundig erfgoed van de fusiegemeente HOUTHULST wordt getypeerd door de vernietiging van de Eerste Wereldoorlog en de daaropvolgende wederopbouwarchitectuur uit de jaren 1920. Houthulst en JonkersGemeenfe Houthulst: deelgemeenten Jonkershove, Klerken en Merkem
hove zijn historisch gelegen in de kern van het zogenaamde "Vrijbos" en kenden een bevolking van 'boskanters'. Houthulst gaat als parochiestichting terug op de jaren 1850, een ontwikkeling die grotendeels gestuurd werd door de Klerkense burgemeester JanPieter Cassiers. Een zelfde ontwikkeling kende Jonkershove in de jaren 1850-1860, hier ten gevolge van een testamentaire beschikking van een missionaris in Noord-Amerika, afkomstig uit het naburige Woumen. Houthulst wordt gemarkeerd door de wederopbouwarchitectuur van zijn kerk - waarbij niet gestreefd werd naar een historische reconstructie van de neogotische kerk -, gemeentehuis en de kleine huisjes van landarbeiders en leurders. Tevens vallen er de oorlogsgedenktekens op die refereren aan het eindoffensief rond het Bos van Houthulst'\n 1918. Verder vormen het kasteel van Houthulst, het bos en de Lourdesgrot belangrijk bouwkundig erfgoed. Voor Jonkershove zijn vooral de kerk, de pastorie en enkele grotere hoeves nog representatief voor de wederopbouwarchitectuur. Klerken en Merkem gaan terug op oude dorpsstichtingen, wellicht in de 9de en 10de eeuw. Klerken wordt het 'dorp op de heuvel' genoemd vanwege zijn ligging op de 'rug van Westrozebeke'. De beschermde Vandemoorteles molen vormt een baken in het landschap en fungeerde tijdens de Eerste Wereldoorlog als Duitse observatiepost. Merkem wordt gemarkeerd door een gave dorpsstructuur met aaneengesloten bebouwing. Markerende wederopbouwpanden zijn de voormalige gemeenteschool en -huis, het kloostercomplex, de voormalige brouwerij Sint-Andries en de naar vooroorlogs model heropgebouwde SintBavokerk (beschermd als monument). Tevens spelen enkele herbergen, burgerhuizen en de pastorie met ommuurde tuin een belangrijke rol in het gave dorpsbeeld. Het kasteel van Merkem - met bewaarde parksite - sluit reeds aan bij de kastelengordel rond het leperse. In de hele fusiegemeente getuigen de oorlogsgedenktekens en de (restanten van) militaire constructies van de Eerste Wereldoorlog. Vermeldens-
waardig hierbij zijn ook de 'vredesmolen' van Klerken en het Belgische Militaire kerkhof van Houthulst. Het watergebonden erfgoed met het leperleekanaal en daaraan gekoppeld het als monument beschermde Fort de Oiodrezijn evenals het hoger genoemde oorlogserfgoed gemeentegrensoverschrijdend. Ze vormen samen met het bos van Houthulst en het akkerlandschap van Klerken een belangrijk cultuurhistorisch en landschappelijk potentieel binnen de lokale erfgoedzorg. Het bouwkundig erfgoed van de fusiegemeente OOSTKAMP wordt voornamelijk gekenmerkt door een opvallend aantal kasteeldomeinen verspreid over de verschillende deelgemeenten. Het voorkomen van deze imposante woningen is vooral te wijten aan de gegoede burgerij die zich in de bosrijke omgeving ten zuiden van Brugge graag een buitenverblijf laat bouwen. Reeds in de 14de eeuw zou de familie Adornes een buitenhuis laten optrekken dat later verbouwd wordt met o.m. een middeleeuwse toren en dat circa 1865 vermoedelijk zijn huidige vorm (kasteel Nieuwburg) aanneemt. Kastelen zoals het reeds beschermde Schoonhove en Macieberg z\\n ontstaan als 18de-eeuwse hofsteden. In de eind 18de eeuw aangelegde bossen worden in het begin van de 19de eeuw imposante herenwoningen gebouwd in classicistische stijl, zoals
Gemeente Oostkamp
B I N N E N K R A N T
De Herten, De Cellen en Beukenpark; deze worden in het begin van de 20ste eeuw aan de toen gangbare mode aangepast of deels verbouwd. Kasteel Gruuthuse, dat reeds wordt vermeld als kasteel van de heren van Gruuthuse circa 1200, wordt volledig herbouwd in neo-Vlaamse renaissancestijl in 1888. Hertsberge is ontstaan door de aanwezigheid van de zeker in de 12de eeuw al bestaande proosdij, afhankelijk van de Franse abdij van Cysoing, die na de Franse Revolutie wordt uitgebreid met een kasteel in neoVlaamse renaissancestijl. Buiten de dorpskernen met voornamelijk kleinschalige architectuur is Oostkamp eveneens rijk aan historische hoeves waarvan de ontstaansgeschiedenis in sommige gevallen opklimt tot de 13de eeuw. Typologisch sluiten deze veelal aan bij het hoevetype met losse bestanddelen. De kern van OOSTROZEBEKE, die zich situeert rond de Sint-Amanduskerk, de Markt en het Gemeenteplein, bewaart geen historische resten. Kenmerkend is de langgerekte nederzettingsstructuur, ontstaan parallel met de Mandelvallei die de gemeente van west naar oost doormidden snijdt. Doorheen het centrum loopt de N357 die samen met het kanaal van Roeselare naar de Leie in het zuiden van de gemeente functioneren als economische slagaders van de gemeente.
Gemeente Oostrozebeke
Enkele bewoningskernen vormen de gehuchten de Ginste en Verre Ginste in het noorden en Otteca in het uiterste zuidwesten. Deze laatste wordt vanaf 1863 afgezonderd van de rest van Oostrozebeke door de aanleg van het kanaal van Roeselare naarde Leie. Door de aanwezigheid van een station sedert 1868 langs de spoorlijn Ingelmunster-Anzegem (opgegeven in de jaren 1970) ontstaat ook een uitbreiding van de woonkern in zuidelijke richting. Op de Ginste wordt de SintJozefsparochie in 1942 opgericht. In de loop van de 20ste eeuw ontwikkelt de dorpskern, mede door toedoen van de toenemende vlasindustrie, zich verder tot een aaneengesloten woonen nijverheidsgebied. Hierlangs en langs het kanaal van Roeselare naar de Leie ontplooit zich hoofdzakelijk de vaak historisch gegroeide industriële activiteit. De dorpskern wordt voornamelijk getypeerd door aaneengesloten bebouwing o.m. bestaande uit burgeren arbeiderswoningen waarvan de oudste in kern kunnen opklimmen tot het einde van de 18de eeuw. De SintAmanduskerk, herbouwd in 1936 naar ontwerp van architect Alfons Van Coillie (Roeselare), ligt opvallend aan de Markt op het kruispunt met de Hoogstraat en de Stationsstraat. Enkele woonuitbreidingen, ingezet vanaf de jaren 1960, situeren zich rond de dorpskern. Ten zuiden van de dorpskom ontstaan de wijken Govers en Driehoek en ten noorden Sterhoek. Het platteland wordt gekenmerkt door intense landbouwactiviteiten met enkele historische hoeves die teruggaan tot de middeleeuwen en bewaren in de gebouwen eventueel nog een 18de-eeuwse kern. De meeste boerderijen dateren uit de 19de of het begin van de 20ste eeuw maar zijn dikwijls verbouwd, vernieuwd of aangepast. Voorts zijn een groot aantal gebouwen historisch gelinkt aan de vlasindustrie rond de Mandel. De weinig bewaarde open ruimte in Oostrozebeke, dat een relatief hoge bevolkingsdichtheid heeft en onder verstedelijkingsdruk vanuit Kortrijk en Roeselare staat, is gelegen in de omgeving van de Ginste en Verre Ginste.
De groene zones beperken zich tot de vallei van de Mandel die zich als een groen lint met afwisselend bomenrijen, bosjes, weilanden en poelen door de gemeente slingert. De oude spoorwegbedding, herkenbaar als groen lint in het landschap, is gedeeltelijk door de landbouw gerecupereerd en krijgt nu een bestemming als parkgebied. TIELT, een stad van oudsher gekend om zijn textielnijverheid, bezit bouwkundig erfgoed dat opklimt tot de middeleeuwen doch veelal in de loop van de 19de of 20ste eeuw werd aangepast, o.m. het belfort met de halle, de voormalige vleugel van het Alexianenhospitaal, de laatgotische SintPieterskerk en het klooster van de Minderbroeders met barokke kerk die dateert van 1707. In de centrumstraten, die straalsgewijs vertrekken vanuit het centraal gelegen marktplein, bevinden zich vele laat- of neoclassicistische herenof burgerhuizen, waarvan enkele in de loop der tijd voorzien werden van winkelpuien. Het herenhuis Nieuwstraat 7 in late rococostijl dateert van 1769 en wordt nog steeds beschouwd als de oudst bewaarde privéwoning in de stad. Opvallend zijn enkele getuigen van de lokale interpretatie van de empirestijl, ondermeer het herenhuis Mulle de Terschueren in de leperstraat, het hoekpand Markt 20-21 en enkele herenhuizen in de Hoogstraat. Langs-
Gemeente Tielt:stad Tielt (straten A-R)
B I N I M E N K R A N T
heen de uitvalswegen bevinden zich enkele statige eclectische panden opgetrokken door fabrikanten, nijveraars of gegoede burgers. Opmerkelijk is het pittoreske pand Oud Thielt in de Krommewalstraat met middeleeuwse kern en achterliggende feestzaal waar tijdens de Eerste Wereldoorlog filmvertoningen plaats hebben. Met het stadhuis op de Markt realiseerde provinciaal bouwmeester Pierre Nicolas Croquison in 1872-1874 een uiterst academisch voorbeeld van het neoclassicisme. Het Gildhof\n de Sint-Michielstraat en het voormalige postgebouw in de Kortrijkstraat zijn representatieve bouwwerken in neoVlaamse renaissancestijl, respectievelijk naar ontwerp van Henri Vanden Broucke en Gustaaf Hoste, twee belangrijke Tieltse bouwmeesters werkzaam tijdens de eeuwwisseling. Tielt kent een historisch gegroeid breed aanbod van onderwijsinstellingen met als oudste bewaarde voorbeelden de laatclassicistische gebouwen van de voormalige Sint-Mariaschool - later herbestemd tot Sint-Andrieskliniek - in de Krommewalstraat en van het Sint-Jozefscollege in de Kortrijkstraat. Een imposant eclectisch schoolcomplex is het Heilige FamilieInstituut aan het Hulstplein. Zowel in het stadscentrum als in het buitengebied en de deelgemeenten bevinden zich vele kloosters en voormalige kloosterscholen; enkele zijn gebouwd op initiatief van de Zusters van het Geloof wiens hoofdklooster gelegen is langs de Ruiseleedsesteenweg. Sporen van gemechaniseerde industrie zijn vnl. terug te vinden in de stationsbuurt, o.m. enkele fabrieksgebouwen en rijen werkmanshuizen. Tevens blijven de vestigingen bewaard van een stoommelkerij, van een in 1905 gestichte gasfabriek met directeurswoning en van Injextru Plastics, het gerenommeerde Tieltse plastiekbedrijf dat in de loop van de 20ste eeuw een enorme expansie kent. Tot het complex van de gekende drukkerij-uitgeverij Lannoo behoren een villa in cottagestijl en een bedrijfsgebouw uit de jaren 1920. Het industrieel erfgoed in de deelgemeenten omvat een klein melkerijgebouw te Kanegem en res-
tanten van cichoreiasten te Kanegem en Aarsele. Een van de hoogtepunten van de lokale interbellumarchitectuur is de Onze-Lieve-Vrouwekerk in de Stationstraat, gebouwd in 1936-1938 naar ontwerp van architect Gerard Vande Weghe in samenwerking met beeldhouwer-kunstenaar Maurice Vander Meeren. Ook de Gentse architect Charles Hoge is vrij productief in de stad met zowel nieuwbouw- als verbouwingsprojecten. De vele bombardementen die Tielt teisteren tijdens de Tweede Wereldoorlog verklaart de hoge concentratie aan wederopbouwarchitectuur aan de noordzijde van het stadscentrum, met ondermeer de Stanislaspoort die aan de Markt wordt opgericht ter herinnering aan de Poolse bevrijders. Opmerkelijk is het groot aantal kwalitatieve naoorlogse realisaties van vrijstaande eengezinswoningen waarbij het architectenbureau Konstrukto een vooraanstaande en inspirerende rol speelt, met als uithangbord de eigen woonsten van architecten Georges Vandenbussche en Mare Verkest. Beeldbepalend voor het omringend agrarisch gebied van Tielt is de Poelberg met op de top de gelijknamige houten staakmolen. Van de talrijke, nog in bedrijf zijnde landbouwbedrijven, kennen enkele een zeer oude geschiedenis als centrum van een voormalige heerlijkheid of achterleen, met als belangrijkste de hoeves Gruuthuse, Willekomme, Goed te Karels en Groot Tomme. Ook in de deelgemeenten gaan vele relatief gaaf bewaarde historische hoeves terug tot een feodaal verleden, waarvan de oudste, met kernen die opklimmen tot de 16de eeuw, zich bevinden op Kanegems grondgebied, zoals o.m. het Groot Goet ten Broucken, het Strichtensgoed en het Groof Goet te Viggezele; daarnaast zijn er het Notelarengoed te Aarsele en het Hooithofte Schuiferskapelle. Typerend voor de streek is de half ondergrondse, koepelvormige aardappelkelder als onderdeel van de losse bestanddelen omheen het erf, het meest voorkomende hoevetype in de streek. Het landelijk gebied wordt verder nog gekenmerkt door vele wegkapellen en weg- of herdenkingskruisen.
Kenmerkend voor de deelgemeenten is de aanwezigheid van enkele 19deeeuwse stenen windmolens op oudere molensites: de Delmerensmolen te Aarsele, de Mevrouwmolen te Kanegem en de Capellemolen te Schuiferskapelle. Het compacte dorpscentrum van Kanegem wordt overheerst door het ensemble van de Sint-Bavokerk, pastorie, onderpastorie, congregatiezaal en Heilige Geestkapel, alle gebouwd op het einde van de 19de begin van de 20ste eeuw onder impuls van de plaatselijke dorpsherder. Opvallend is de aanwezigheid van 18de- en 19de-eeuwse {neo-)classicistische herenhuizen in het dorpscentrum van Aarsele. Het bouwkundig erfgoed van TORHOUT wordt getypeerd door enerzijds het historische stadscentrum en anderzijds door een nog uitgestrekt landelijk gebied. Uit een vergelijking van historische kaarten blijkt dat het historische stadscentrum doorheen de eeuwen een grote evolutie kent. Zo toont de kaart Thorhoudtanno 1700 een belangrijke evolutie van de middeleeuwse marktpleinen. Van de drie omwalde sites aan de stadsrand op deze kaart zijn op vandaag het Goed ten Walle en de site 's Gravenwinkel als groene sites in de stadskern bewaard. Het zeker vanaf 1700 vrij gesloten stadsbeeld wordt in de tweede helft van de 20ste eeuw ontmanteld.
Gemeente Torhout
B 1 N M E 1 M K R A N T
Het beschermde vroeg 18de-eeuwse barokke stadhuis en de Sint-Pietersbandenkerk (toren beschermd) komen hierbij vrij te staan waardoor het huidige open marktplein ontstaat. De kerktoren is in 1922-1923 historiserend heropgebouwd in veldsteen naar het model van de vernietigde romaanse toren. Tevens zijn een aantal burgerhuizen en winkelpanden uit de 19de eeuw en het begin van de 20ste eeuw bewaard. Het aan de rand van de stad gelegen Hof de Brouckère wordt pas verkaveld ca. 1870 voor de aanleg van het Conscienceplein en de bouw van het Vredegerecht. Dit plein met neoclassicistisch geïnspireerde architectuur is gaaf bewaard. Rond de kerk, op de site van het voormalige kerkhof, zijn 19de-eeuwse tuinmuren bewaard. De begraafplaats van 1834 aan de rand van de stad is omringd met hagen en beukenrijen en vormt een merkwaardig funerair gegeven met interessante grafstenen. De aanleg van de steenwegen in het midden van de 18de eeuw heeft een grote impact op zowel het stadscentrum als op het buitengebied. De beschermde herberg In 't Hof van fnge/ond (steenweg naar Oostende) van ca. 1770-1780 speelt een belangrijke rol bij de 19de-eeuwse paardenmarkten. Ook de beschermde Peerdenposterij wordt in verband gebracht met de verkeersevolutie in de tweede helft van de 18de eeuw - eerste helft van de 19de eeuw. De lintbebouwing van burger- en arbeidershuizen langsheen de invalswegen - maar ook enkele panden in het stadscentrum wordt getypeerd door gecementeerde lijstgevels uit het eerste kwart van de 20ste eeuw, gemarkeerd door schijnvoegen of imitatiebanden en sierlijke sluitstenen met 'gezichtjes'. Van de bouwkeramiek die in de tweede helft van de 19de eeuw geproduceerd werd te Torhout zijn nog enkele zogenaamde 'gevelplaten Maes' bewaard. Buiten het stadscentrum bewaart Torhout nog een landelijk en agrarisch karakter met akkerland en weiden. De hoeves worden getypeerd door een opstelling met losse bestanddelen en soms door lindebomen en/of een kapelletje bij de erftoegang. Een aantal gaaf bewaarde 18de- en 19de-
eeuwse boerenhuizen werden opgetekend. Typisch voor het "Houtland' zijn een tiental bewaarde dwarsschuren met een houten beplanking van de (erflgevels en nog slechts twee houten wagenschuren. Voor de 19de eeuw zijn vrij veel wagenhuizen, geïncorporeerd in een houten of bakstenen schuur, bewaard. Representatief voor de hoevebouw uit de tweede helft van de 18de eeuw tot ca. de jaren 1860 zijn de roodbakstenen gebouwen met geelbakstenen hoekkettingen, vensteromlijstingen en/of aanduiding van het bouwjaartal in gele baksteen. Een opmerkelijk vrij uitgestrekt groendomein aan de rand van het grondgebied is het beschermde kasteel- en boscomplex van Wijnendale. Dit in zijn huidige vorm 19de-eeuwse kasteel gaat terug op een omwalde middeleeuwe burcht, gesticht door de graven van Vlaanderen. Rondom het kasteeldomein treft men nutsgebouwen aan zoals o.m. de hoeve, de ijskelder, de woning van de jachtmeester en de herberg met voormalige smidse, alle in de tweede helft van de 19de eeuw gebouwd door de kasteelheer. Het kasteel d'Aertrycke en het domein Groerjhove ontstaan in de 19de eeuw vanuit de ontginningen van de als nationale goederen verkochte veldgebieden. Het kasteel d'Aertrycke is ca. 1870 gebouwd naar ontwerp van architect Jozef Schadde, het park is ontworpen door tuinarchitect Louis Fuchs. Merkwaardig zijn eveneens de bewaarde nutsgebouwen en de tuinpaviljoentjes. Aan de Steenveldstraat zijn het eind 19de-eeuws pachtgoed en de boswachterijwoning van het kasteel bewaard. In de tweede helft van de 19de eeuw wordt op het domein Groenhoeve aan de oostelijke stadsrand het jachtpaviljoen Groenhove gebouwd. Ca. 1955 wordt dit vervangen door het diocesaan bezinnings- en vormingscentrum Virgo Fidelis met kerk en residentiële vleugels naar ontwerp van architect AJ. Degeyter. ZWEVEGEM bevindt zich net als Deerlijk aan de zuidelijke rand van de sterk verstedelijkte en geïndustrialiseerde as Menen-Kortrijk-Waregem en is in de eerste plaats een woon- en
Gemeente Dentergem: deelgemeenten Markegem, Oeselgem en Wakken
industriegemeente met in het oosten en zuiden een beperkte landbouwactiviteit. De huidige vrij uitgestrekte dorpskern wordt gekenmerkt door eind 19de- en begin 20ste-eeuwse bebouwing van voornamelijk burger- en arbeiderswoningen met eenvoudig bakstenen parement. Van de 18de-eeuwse bebouwing blijven slechts enkele voorbeelden bewaard, o.m. de woningen Kortrijkstraat 2 en Kasteelstraat 4. De 19de-eeuwse woonhuizen hebben veelal eenvoudige bakstenen lijstgevels en, in mindere mate, ook bepleisterde en beschilderde lijstgevels. Ca. 1900 doen ook in Zwevegem de neostijlen hun intrede en worden verscheidene burgerwoningen opgetrokken met neo-Vlaamse-renaissance- en neogotische stijlkenmerken. Tijdens het interbellum worden nieuwe straten aangelegd waarvan de bebouwing qua stijl aansluit bij de eenvoudige vooroorlogse baksteenarchitectuur enerzijds en bij de geometrische art-decostijl anderzijds. De deelgemeenten Heester, Moen, Otegem en Sint-Denijs hebben een overwegend landelijk uitzicht en worden getypeerd door verspreide landelijke bebouwing. De kleine dorpskernen behouden hun laat-middeleeuws stratenpatroon en worden gekenmerkt door lintbebouwing van burger- en arbeiderswoningen daterend uit de tweede helft van de 19de eeuw en het begin van de 20ste eeuw.
B I N N E N K R A N T
Van een groot aantal historische hoeves gaan de vermeldingen vaak terug tot in de middeleeuwen. Typologisch sluiten ze zowel aan bij het gesloten type als bij het type met losse bestanddelen. De Kasteelhoeve met renaissancepoortgebouw is één van de belang-
rijkste sites van Zuid-West-Vlaanderen. Overige historische hoeves die getuigen van het rijke verleden van de gemeente zijn Hoeve Ter Burcht, Het Goed te Erembodegem, Hoeve TerBrucq, het Stokerijgoed en Ferme de l'Arbre. Het Banhoutbos, één van de oudste
bosrelicten van het huidige arrondissement Kortrijk, is met bijhorend kasteel, koetshuis, duiventoren en boswachterswoning eveneens een belangrijke historische site in Zwevegem.
Bouwen door de eeuwen heen m Vlaanderen. Inventaris van het Bouwkundig Erfgoed. Provincie West-Vlaanderen. Overzicht van de verschenen delen (2005-2007)
GEMEENTE BRUGGE Deelgemeenten Dudzele, Lissewege en Zeebrugge - inventarisatieperiode mei 2005 - maart 2006. tot. 254 p.; 99 straatinleidingen, 456 opgenomen items. Auteurs: Stefanie Gilté, Patricia Van Vlaenderen en Aagje Vanwalleghem met medewerking van Karel Dendooven GEMEENTE DEERLIJK inventarisatieperiode augustus 2006 - maart 2007. tot. 176 p.; 81 straatinleidingen, 272 opgenomen items. Auteur: Ann De Gunsch met medewerking van Toon Gallens en Sofie Moeykens GEMEENTE DENTERGEM inventarisatieperiode april 2006 november 2006. tot. 261 p.; 75 straatinleidingen, 230 opgenomen items. Auteurs: Patricia Van Vlaenderen en Martien Vranckx GEMEENTE HOUTHULST en deelgemeenten Jonkershove, Klerken en Merkem - inventarisperiode april 2005 -januari 2006. tot. 222 p.; 77 straatinleidingen, 250 opgenomen items. Auteurs: Halewijn Missiaen en Pol Vanneste met medewerking van Femke Gherardts
GEMEENTE OOSTKAMP en deelgemeenten Hertsberge, Ruddervoorde, Waardamme inventarisatieperiode april 2006 mei 2007. twee delen, tot. 670 p.; 340 straatinleidingen, 566 opgenomen items. Auteurs: Aagje Vanwalleghem met medewerking van Silvie Creyf GEMEENTE OOSTROZEBEKE inventarisatieperiode december 2006 - mei 2007. tot. 135 p.; 52 straatinleidingen, 176 opgenomen items. Auteurs: Patricia Van Vlaenderen en Martien Vranckx GEMEENTE TIELT en deelgemeenten Aarsele, Kanegem en Schuiferskapelle - inventarisatieperiode maart 2006 - mei 2007. twee delen, tot. 888 p.; 251 straatinleidingen, 707 opgenomen items. Auteurs: Gonda Callaert en Pieter Santy met medewerking van Benjamin Boone, Kristien Devooght en Sofie Moeykens GEMEENTE TORHOUT inventarisatieperiode maart 2006 mei 2007. tot. 311 p.; 122 straatinleidingen, 388 opgenomen items. Auteur: Pol Vanneste met medewerking van Toon Gallens en Sofie Moeykens
GEMEENTE ZWEVEGEM en deelgemeenten Heestert, Moen, Otegem en Sint-Denijs inventarisatieperiode april 2005 december 2005. tot. 307 p.; 153 straatinleidingen, 548 opgenomen items. Auteurs: Ann De Gunsch en Sofie De Leeuw met medewerking van Toon Gallens
De inventarissen zijn in gedrukte versie (8 €/deel) en op cd-rom (2,5 € / stuk) verkrijgbaar bij het Agentschap R-Q Vlaanderen (via els.braem@rwo. vlaanderen.be - tel. 050 44 29 55 of dianep.torbeyns@rwo.vlaanderen.be tel. 02 553 16 13). De inventarisgegevens zijn tevens opgenomen in de databank van het bouwkundig erfgoed die kan geraadpleegd worden op de website van het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (www.vioe.be).
B 1 N N E N K R A N T
Elise Hooft
1
PLAATSNAMFNRFGISTFR Rl) DF RFFKS BOUWFN DOOR DF FEUWEN HEEN IN VIAANDFREN Het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE) biedt in een nieuwe publicatie een plaatsnamenregister bij de reeks Bouwen door de Eeuwen Heen in Vlaanderen aan. Hiermee hoopt het VIOE de 55 boekdelen van de inventaris van het bouwkundig erfgoed vlotter bruikbaar te maken. In 2006 presenteerde minister Dirk Van Mechelen de laatste drie boekdelen van de reeks Bouwen door de Eeuwen Heen in Vlaanderen. Dit grootscheepse inventarisatieproject van het bouwkundig erfgoed werd opgestart eind jaren 1960 door de Rijksdienst voor Monumenten- en Landschapszorg en later voortgezet door de Afdeling Monumenten en Landschappen van de Vlaamse Gemeenschap. Sinds 2001 werkt het Agentschap R-0 de inventarisatie van de provincies Oost- en West-Vlaanderen verder af met aparte bundels per gemeente. Voor Vlaanderen werden op deze manier ca. 70.000 items verzameld. Het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE) maakt een prioriteit van het ontsluiten van deze gegevens. Toen mevrouw Yvonne De Maeyer, verbonden aan de stadsbibliotheek van Maastricht, een compleet plaatsnamenregister van de boeken-
Plaatsnamenregister i I I
bij de reeks Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen Inventarii von h»t cultuyrbeïil 'n België ArcNt«ciwr T971-2005
reeks aanbood, besloot het VIOE dit uit te geven. Het register bevat alle plaatsnamen van Vlaanderen, zowel fusie- als deelgemeenten en gehuchten, en verwijst telkens naar het juiste boekdeel en de pagina. De nieuwe publicatie bevat ook een historische schets van het inventarisatieproject in Vlaanderen, geschreven door voormalig redactrice van de reeks Suzanne Van Aerschot-Van Haeverbeeck, en de toekomstvisie van het VIOE betreffende de inventaris.
Plaatsnamenregister bij de reeks Bouwen door de Eeuwen Heen in Vlaanderen. Inventaris van het cultuurbezit in België. Architectuur. 1971-2005. Brussel, VIOE, 2007, 115 p. (ISBN 9789075230246). Het Plaatsnamenregister kost € 8 + verzendingskosten België: € 4 - Europa: € 8 Stuur uw bestelling met naam en adres naar anne.seyscS)rwo.vlaanderen.be of Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed, t.a.v. Anne Seys, Phoenixgebouw, Koning Albert ll-laan 19 bus 5, 1210 Brussel. Tel. 02-553 16 56, Fax: 02-553 16 55. U ontvangt van ons een factuur. Zodra die betaald is, wordt de bestelling opgestuurd.
Elise Hooft
DF O N D F R 7 0 F K S B A I A N S O N R O E R E N D ERFGOED In 2007 is het project Onderzoeksbalans Onroerend Erfgoed opgestart. Het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE) neemt de coördinatie van de onderzoeksbalans ter harte vanuit haar missie verantwoordelijkheid te dragen voor het onderzoek, het kennisbeheer en de kennisverspreiding over het onroerend erfgoed. De onderzoeksbalans wil een bundeling bieden van kennis en actuele onderzoeksvragen met betrekking tot het onroerend erfgoed in Vlaanderen,
M&L
tot stand gebracht door specialisten uit de gehele erfgoedsector. De Onderzoeksbalans zal duidelijk maken wat, waar en door wie onderzocht wordt, en bevordert op die manier de transparantie van het wetenschappelijk onderzoek. Kennisvermeerdering wordt efficiënter doordat de Onderzoeksbalans contacten tussen onderzoekers vergemakkelijkt en het stellen van complementaire doelen mogelijk maakt. Het is ook de bedoeling dat het document kan fungeren als platform voor uitwisseling van opvattingen en inzichten van onderzoekers, adviseurs en uitvoerders. De Onderzoeksbalans bestaat uit 3 onderdelen: Archeologie, Bouwkundig Erfgoed en Landschap. Elk onderdeel is op maat gemaakt van de behoeftes eigen aan de sector, met zoveel mogelijk aandacht voor coherentie en complementariteit met de andere sectoren. De Onderzoeksbalans wordt opgemaakt door specialisten uit de gehele erfgoedsector en is ter beschikking van iedereen. De mensen die zich dagelijks toeleggen op erfgoedonderzoek, zijn het best geplaatst om een stand van zaken van het onderzoek op te maken, hiaten vast te stellen en bakens uit te zetten die richtinggevend kunnen zijn voor toekomstig onderzoek. Het document zal geen bindend karakter hebben voor de erfgoedsector, maar wil vooral inspirerend werken. Het document wenst dan ook te kunnen bijdragen tot de uitbouw van een lange termijn beleidsvisie van de overheid. Verder hoopt de Onderzoeksbalans aanknopingspunten te bieden voor het maken van beleidskeuzes. De uitwerking van de Onderzoeksbalans Onroerend Erfgoed is een ambitieus project, dat meerdere jaren in beslag zal nemen, en dat bovendien een dynamisch document zal blijven. Publicatie op internet moet ervoor zorgen dat het document blijft evolueren. De 4nul-versie4 wordt in juni 2008 digitaal beschikbaar gemaakt. Het VIOE wil coördinerend en faciliterend werken, maar heeft nood aan de inbreng van externe expertise om van
B l N M E N K R A l ^ T
de Onderzoeksbalans een document te maken dat een correct wetenschappelijk beeld geeft van het onderzoek. Alleen door een brede samenwerking kan het document de nodige autoriteit verwerven. Het VIOE hoopt dan ook een beroep te mogen doen op een ruime medewerking. Geïnteresseerden vanuit de erfgoedsector kunnen voor meer informatie en eventuele medewerking contact opnemen met de coördinatoren binnen het VIOE; Marleen.Martens@rwo.vlaanderen.be ofLeen.Meganck@rwo.vlaanderen.be
Inventaris van het bouwkundig erfgoed in de Onderzoeksbalans: oproep Binnen het onderdeel Bouwkundig Erfgoed is een hoofdstuk Geografische en thematische inventarisatie van bouwkundig erfgoed voorzien. Concreet beoogt dit hoofdstuk de opmaak van een 'inventaris van de inventarissen'. Er zal worden gestreefd naar een volledig overzicht van alle inventarissen over bouwkundig erfgoed in Vlaanderen die ooit werden opgemaakt of die in opmaak zijn. Het betreft hier bouwkundig erfgoed in de ruimst mogelijke zin van het woord. Wij denken aan gebouwen, gebouwengroepen, complexen, bijhorende interieurs en interieurelementen, infrastructuur, klein erfgoed, straatmeubilair, monumentale beeldhouwwerken enz. Ook willen we onder de noemer "bouwkundig erfgoed' het varend erfgoed en de tuinen en parken een plaats geven. De term "inventarif willen we hier eveneens zo ruim mogelijk interpreteren. Alle mogelijke geografisch en thematisch opgevatte inventarissen komen aan bod: inventarissen, architectuurgidsen, databanken, beeldbanken, catalogi, oeuvrelijsten van architecten, overzichtslijsten enz. Wij denken niet alleen aan digitale databanken, maar ook aan publicaties die systematisch overzicht bieden van een segment van het bouwkundig erfgoed. Niet uitgegeven inventarissen zullen vanzelfsprekend ook aan bod komen, zolang die op één of andere manier kunnen geconsulteerd worden.
Buitenkrant
ANTQON FAUCQNNIER. FX-FRFfiOFDrONSillFNT Bil HET AGENTSCHAP RO VLAANDFREN Op 31 oktober 2007, enkele dagen na zijn 65st!: verjaardag, trok Antoon Fauconnier de deur in het Phoenixgebouw, Brussel, definitief achter zich dicht, op weg naar het onvermijdelijke pensioen. In 1973 was hij in dienst getreden bij de piepjonge Rijksdienst voor Monumenten- en Landschapszorg die op dat moment nog maar een 10-tal personeelsleden-vakspecialisten in dienst had; voordien was Antoon gedurende enkele jaren actief geweest als ontwerper-orgeldeskundige, leraar en organist in de grote kerk te Zele. De functie van 'orgeldeskundige' bestond eigenlijk al "avant-la-lettre" want toenmalig kabinetschef Johan Fleerackers (een gedreven orgelliefhebber) had, nog vóór de oprichting van de Rijksdiensten 1972, een orgelspecialist in dienst genomen om enerzijds de KCML (Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen) te adviseren bij de behandeling van orgeldossiers en anderzijds een orgelinventarisatie te starten; deze 'voorloper-orgeldeskundige' verkoos echter in 1973 zelf de hand aan de ploeg te slaan (hij startte een orgelmakerij) en verliet het ministerie. Dat Antoon Fauconnier hem zou opvolgen stond als het ware in de sterren geschreven: reeds tijdens zijn studietijd aan het Lemmensinstituut, in Mechelen en aansluitend in Leuven, vertoonde Antoon een buitengewone interesse én inzicht in alles wat met orgelbouw te maken had, in zoverre dat zelfs de als autoritair bekend staande directeur hem tersluiks om advies vroeg bij bepaalde kwesties (of dat advies dan ook gevolgd werd is
een vraag die we stilzwijgend terzijde laten). Na vrijwel één jaar was de naam Fauconnier reeds een begrip in orgelkringen, maar dan vooral in die middens die het tot dan toe niet erg nauw genomen hadden met de toepassing van de restauratieprincipes zoals die internationaal opgang begonnen te maken. Nochtans deed Antoon Fauconnier niet meer of niet minder dan het loyaal navolgen van de principes die door de gehele Rijksdienst gehuldigd werden. Dat dit sommigen (zowel aannemers als zelf-verklaarde deskundigen) die tot dan toe vrij spel hadden wegens afwezigheid van overheidstoezicht minder goed uitkwam spreekt vanzelf. Het is in die eerste jaren -en eigenlijk zijn hele carrière door- voor Antoon Fauconnier een niet-aflatende opdracht geweest om al deze argwaan en voorbehoud ten opzichte van de Rijksdienst (later Bestuur of Afdeling Monumenten Et Landschappen) het monumentenbeleid (vooral wat betreft orgels en later ook wat betreft het beiaarden-erfgoed) te weerleggen, het overheidsbeleid toe te lichten en met overvloedige argumenten het standpunt van monumentenzorg te verdedigen; daarbij werden steeds overvloedig voorstellen en probleemoplossingen aangereikt, geheel in overeenstemming met de plicht tot effectieve dienstverlening vanwege de overheid. Hoewel deze noodzaak tot steeds opnieuw argumenteren voor Antoon Fauconnier -zoals trouwens voor velen onder zijn collega's- een calvarieweg was, moet er aan toegevoegd worden dat hij zich net op zijn best voelde wanneer hij met veel vuur en slaande argumenten zijn mening - die overigens meestal de juiste is - de bovenhand kon doen halen; vooral zijn onvoorstelbare vakkennis, verhoogd met jarenlange terreinervaring vormen een gegeven waartegen niet op te tornen viel. Aangezien de opdracht van Antoon Fauconnier, die zowel bestond uit dossierbehandeling als uit systematisch inventarisatiewerk, snel uit haar
B 1 ^ N E 1 \ K R A N T
voegen barstte, kreeg hij in 1974 een medewerker in de persoon van ondergetekende. Ruim 35 jaren hebben wij samen een goed geolied team gevormd waarbij de ene de andere steeds met de eigen vaardigheden aanvulde en indien nodig steeds onvoorwaardelijk voor de andere in de bres sprong. Een paar duizend orgels hebben wij samen onderzocht, een paar honderdduizend kilometer hebben wij op de Vlaamse wegen afgehold, van de grootste kathedraal tot de kleinste dorpskerk; zowat een half mensenleven hebben wij samen doorgebracht, gewapend met brooddoos en thermosfles en heel af en toe halt houdend aan een of andere trappistenabdij waar men zich zowel op spiritueel als op 'ander vlak' kan laven. Het zal niet enkel voor Antoon Fauconnier en zijn collega (thans bij het VIOE ondergebracht) een grote verandering zijn na 31 oktober: ook de hele orgelwereld in Vlaanderen stelt zich met spanning de vraag "En wat nu?' Volgens Antoon zelf moet er niet meteen gevreesd worden voor een catastrofe: er is op 35 jaar een soliede basis gelegd die niet zomaar zal eroderen door het wegvallen van één persoon, en het goede nieuws is dat er reeds een beloftevolle opvolger in dienst getreden is, met name Michel Lemmens, die tijdens een 15-jarige carrière als ontwerper-orgeldeskundige de nodige ervaring opgedaan heeft en bovendien steeds een geapprecieerde loyauteit met de bevoegde overheidsdiensten betoond heeft. Een afscheidreceptie werd op 22 oktober gehouden in de Sint-Pauluskerk te Antwerpen, die een bijzondere plaats inneemt tussen de diverse realisaties waarbij Antoon betrokken geweest is. Het was van in aanvang zijn droom geweest om de restauratie van het Sint-Paulusorgel - het grootste historisch orgel van Vlaanderen te kunnen begeleiden én er actief aan mee te werken, een droom die eindelijk in de jaren 1992-1996 werkelijkheid is geworden. De viering werd bijgewoond door een zeer gevarieerd gezelschap, van collega's bij het ministerie tot ontwer-
pers en aannemers (zelfs vanuit Nederland), organisten en de redactie van Vlaanderens grootste orgeltijdschrift. Na het welkomwoord van de gastheer, de Kerkfabriek Sint-Paulus, en van wnd. afdelingshoofd Luc Tack namens het Agentschap RO, kreeg de bijeenkomst zowaar de allures van een Academische Zitting: door collega Madeleine Manderyck werd de geschiedenis geschetst van de restauratiewerken in de laatste decennia. Uiteraard moest die dag het orgel centraal staan: ondergetekende liet het tot ver over de grenzen befaamde instrument weerklinken in twee korte orgelwerken en gaf vervolgens een woord uitleg over het orgel. Ondertussen had de feesteling zelf plaats genomen aan de klavieren en demonstreerde diverse klankkleuren van het orgel aan de hand van de koraalpartita "Ach wie nichtig, ach wie flüchtig ist der Menschen Leben!' van Georg Böhm (1661-1733). Om met een luchtige noot te eindigen had oud-afdelingshoofd Edgard Goedleven een speeldoos uit zijn muziekinstrumentenverzameling meegebracht, waarbij de aanwezigen op het oeuvre van Johann Strauss de kerk konden uit walsen. Met een huidewoord door administrateur-generaal Gilbert Kolacny, gevolgd door een receptie in de crypte, werd het evenement afgesloten.
STUmFTWFFDAAGSF RFIiniFUS FRFfiOFD ?? FFBRMARI FN 4 MAART 9 0 0 » Het beheer, de nevenbestemming en de herbestemming van het waardevolle religieuze erfgoed van Vlaanderen is een uitdaging voor kerkelijke overheden, lokale en provinciale besturen, erfgoedverenigingen en andere betrokkenen. In 1997 stond de VCMontmoetingsdag in dit teken. Begin 2008, iets meer dan tien jaar later.
maken zij de balans op, samen met het Agentschap R-0 Vlaanderen Onroerend Erfgoed en Team Vlaams Bouwmeester. Ook het Agentschap voor Binnenlands bestuur, bevoegd voor de niet- beschermde kerken en het Agentschap Kunsten en Erfgoed, bevoegd voor het roerend erfgoed, leveren een bijdrage. Wat werd sinds 1997 bereikt, wat is vandaag mogelijk, maar vooral welke uitdagingen resten nog voor de toekomst? Sprekers uit binnen- en buitenland delen hun expertise op dit vlak. Het programma en de praktische informatie zijn te vinden op www.onroerenderfgoed.be.
B 1 N N E N K R A 1 M T
lAARIIIKF UITRFIKINfi VAN WAPFNBRIEVFN De nieuwste vijftien houders van wapenbrieven moeten bij de Binnen/;ran(berichtgeving in de jongste M&L 26/5 van september laatstleden, p. 11-12 wel even met de ogen hebben geknipperd: de bijgevoegde foto toonde immers ten onrechte hun voorgangers van 2006. Niet alleen oud-minister Paul Van Grembergen zal hierbij enige moeite hebben gehad om zichzelf tussen de gelukkigen te herkennen. De fout weze bij dezer rechtgezet.
De families Noblesse, Sas, Peeters, Collaert, Bauwens, Van Baelen, Haus, Finet, Van Grembergen, Van Caelenberghe, De Cooman, De Deyne, Van Ingelgem en Daens voeren voortaan een door de Vlaamse regering erkend wapen. Na het poseren voor de groepsfoto werd een receptie aangeboden in de indrukwekkende spiegelzaal van het hotel Errera.
"Hid away in a charming glen among the Green Mountains of Vermont, in a little rural Cemetery, stands a Grecian Tomb, destined from the solidity of its Construction, to endure till the ruthless hand of Time shall have reduced to viewless atoms the massive blocks of granite ofwich it is built; and in some future age, when all that is of life to-day has passed to silence and pathetic dust, and been forgotten. Some hoary antiquarian will pause in silent contemplation at this mortuary pile, and wonder in what age 'twas built."
Beschrijving door de ontwerper van het Laurel Glen Mausoleum in Cuttingsville, Vermont, 1880, geciteerd in Thomas C. Mann ft Janet Greene, Over their Dead Bodies. Yankee Epitaphs ft History, The Stephen Green Press, Brattleboro, Vermont, 1962.
EEN KIJKDOOS IN DE 19 DE EFUW Het LIFE-project
Veel van de militaire domeinen omvatten haast gefossiliseetde landschappen uit het begin van de 19de eeuw. Doot hun inrichting als militair domein, werden deze gebieden onttrokken aan de 19de- en 20ste-eeuwse antropogene dynamieken en processen die de ruimte buiten de domeinen zou transformeren tot slaapsteden, industrieterreinen of verkavelingswijken. De 'landschappelijke gaafheid' van deze militaire gebieden biedt zo de mogelijkheid om inzicht te verkrijgen in het uitzicht van de 19 ':eeuwse heide-, veld- en bosgebieden in Vlaanderen. Daarenboven heeft het militaire gebruik van deze complexen een relatief beperkte en kleinschalige impact gehad op het landschap, waardoor ook het archeologisch en paleo-ecologisch erfgoed sinds de 19 e eeuw nauwelijks verder aangetast is.
LIFE is een fonds dat sinds 1992 tal van milieu, natuur- en ontwikkelingsprojecten fincanciert binnen de Europese Unie. Binnen LIFE loopt D A N A H , een gezamenlijk initiatief van het Ministerie van Landsverdediging en het Agentschap voor Natuur en Bos. Het betreft een groots heideherstelproject waarbij er binnen een periode van 5 jaar natuurherstelwerkzaamheden worden uitgevoerd op 12 militaire domeinen in Vlaanderen. De geselecteerde domeinen vormen belangrijke schakels in de realisatie van Natura 2000, een netwerk in opbouw van Europese natuurgebieden waarbij gestreefd wordt naar harmonie tussen militaire activiteiten en natuurontwikkeling.
EEN INTERDISCIPLINAIRE STUDIE O m een zo volledig mogelijk beeld te schetsen van de archeologische en historische waarden en mogelijkheden van de militaire domeinen werd een brede waaier aan bronnen geraadpleegd.
tie met de topografie en de hydrografie en het Digitaal Hoogtemodel Vlaanderen ( D H M ) (2). De database van de CAI leverde een eerste overzicht van zowel het karakter als de kwaliteit van de tot nu toe gelokaliseerde archeologische sites en vondsten in en rond de verschillende militaire domeinen. Door hun ontoegankelijkheid vormen de militaire gebieden echter min of meer witte vlekken in de archeologische verspreidingskaarten met uitzondering van enkele oude vondstmeldingen.
Archeologie Het archeologisch luik van het onderzoek werd gebaseerd op de Centrale Archeologische Inventaris (CAI) van het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE), de bodemkaart in combina-
De twaalf militaire domeinen die deel uitmaken van het DANAH-project ( © 2005 LIFE project DANAH)
1
Het Vloethemveld
2.
Het Munitiedepot
3
Het W/egve/d te Ursel
4.
te Zedelgem
5.
te Houthulst
De Voormalige
Britse Basis
te Grobbendonk 6.
Het Oefenvliegveld
9
Het Vliegveld van Weelde te Ravels
10. Het Schietveld van Houthalen van Malle
Helchteren
Het Klein en Groot Schietveld
7.
Tielen Kamp te Kasterlee
11
Het Kamp Beverlo te Leopo/dsburg
te Brasschaat/Brecht
8.
De Tielenheide te Turnhout
12.
De Molenheide
te Zonhoven
• Spreiding van de archeologische vondslen op en rondom het Vliegveld van Weelde gepro|ecteerd op het DHM-Vlaanderen ( © AHINAL Afdeling Water. AWZ,AGIV)
perimeter militair domein
Neoliticum
if
Romeinse tijd
•
Metaaltijd onbepaald
[X]
Middeleeuwen
9 ^ ^ ^ ^ ^ waarde fin m|
IC""" waarde (in m) 25,0
- — huidige waterlopen •
Steentijd onbepaald
•
Bronstijd
•
Mesoliticum
•
Uzertijd
onbepaald O
O p basis van de bodemkaart, de hydrografie en de topografie kon het gebrek aan informatie enigszins gecompenseerd worden. Door de gegevens van deze verschillende bronnen te combineren, konden bepaalde landschappelijke zones worden geselecteerd, waar in het bijzonder met betrekking tot de prehistorie bepaalde type-contexten en -sites verwacht kunnen worden. Het D H M werd ingeschakeld om gunstige locaties voor het inplanten van prehistorische nederzettingen op te sporen of te bevestigen ter voorbereiding van terreinobservaties. In de heidedomeinen wordt in de eerste plaats gezocht naar bewoningssporen in de contactzones van stuifzandruggen met natte en lage gebieden als vennen en beekdalen. Vochtige beekdalen, oude moerassen, venresten en veen zijn bovendien belangrijk voor de bewaringsmogelijkheden die ze bieden voor archeologische en paleo-ecologische gegevens zoals organische resten en de aanwezigheid van sporen van off-site activiteiten zoals de jacht (3). Eveneens belangrijk zijn complexen van laatglaciale en holocene stuifzanden, vaak in combinatie met uitgestoven depressies. Ook podzolbodems op dekzandruggen en -koppen worden beschouwd als zones met een mogelijk archeologisch potentieel.
500 m
l , j , i i
De analyse van de verschillende bodemtypes kan ook diverse aspecten van de 'historische' ruimtelijke evolutie belichten en oude landschapselementen en -patronen detecteren. Zo kunnen concentraties van plaggenbodems rondom de oudste nederzettingen waardevolle paleo-ecologische, archeologische en historische informatie bevatten.
Cartografie en toponymie Voor het historisch luik van deze studie werd vooral gesteund op de beschikbare historische kaarten. Door het onderling vergelijken van het cartografisch materiaal uit verschillende periodes, werd getracht de evolutie van het landschap te schetsen en de meest ingrijpende landschapswijzigingen tussen het heden en het einde van de 18 e eeuw aan het licht te brengen. Het vertrekpunt was de kabinetskaart van Ferraris uit circa 1770. Het landschap op de Ferrariskaart, werd vergeleken met de Vandermaelenkaart uit 1846-1854 en de topografische kaarten van het Depot de la Guerre uit 1860-1862, beide op 1/20000. Vervolgens werden ook de topografische kaarten van het Nationaal Geografisch Instituut, toen nog Militair Geografisch Instituut, uit de periode 1860-1885 geraadpleegd op 1/10000 en 1/20000. Een laatste con-
Podzol versus plaggen
Profil de bruyir*
Podzolen zijn uitgeloogde bodems op zandig materiaal. Onder invloed van de vegetatie, meestal heide of dennen, verzuurt de bovengrond en worden fijne organische en minerale deeltjes uit de bovengrond uitgespoeld en iets verder weer afgezet. O p die manier ontstaat eerst een witte uitlogingshorizont met daaronder een zwarte humus- en bruine ijzeraanrijkingshorizont (4). Deze aanrijkingshorizont kan licht gecementeerd zijn, waardoor de beworteling beperkt blijft tot de bovenste decimeters van de bodem en het insijpelend water blijft staan. O m deze gronden in te schakelen voor de landbouw moest in het verleden deze laag eerst gebroken worden met bepaalde bewerkingstechnieken, zoals het spitten tot twee spadesteken diep. Het belang van deze bodems bestaat erin dat zij zich vaak ontwikkeld hebben vanaf het neolithicum tot nu en dus goede bodems zijn om nog eventuele onverstoorde resten van prehistorische occupatie aan te treffen. Het fenomeen van de plaggenbodems in Vlaanderen concentreert zich voornamelijk in de Antwerpse en Limburgse Kempen. Plaggenbodems hebben een zeer homogene humusrijke antropogene laag of A-horizont. Ze zijn vermoedelijk ontstaan als resultaat van het eeuwenlang aanvoeren van een mengsel van heideen/of graszoden en dierlijke mest om op de zandige akkergronden een hogere vruchtbaarheid te creëren. Na de vertering van het organische materiaal blijft een residu van klei en zand achter. Door de herhaling van dit proces ontstaat een ophoging van het terrein die zelfs tot 80 cm kan gaan. Plaggenbodems wijzen op een intensieve akkerbouw en worden vaak beschouwd als oude cultuurgronden. Het principe van de plaggenbemesting werd van de middeleeuwen tot de 20st<: eeuw toegepast, hoewel enkele voorbeelden aangeven dat dit systeem ook in de Romeinse periode gebruikt werd (5). Door de ophoging van de gronden ging de ploeg na verloop van tijd de originele, onderliggende bodem, niet meer raken. Eventuele sites bleven met andere woorden gevrijwaard van de herhaaldelijke fysische verstoring door de landbouw.
humut da turtac» L— horizon de iMilvag* gril-cendre horizon d'BCcumulation d'humus horizon d'accumulatlon da far matérlau-tupport
A Vorming van de
trole gebeurde op basis van de kadasterkaart uit de 20ste eeuw en de moderne topografische kaart. Het opsporen van relevante toponiemen op deze kaarten vormde een belangrijk aspect van het cartografisch onderzoek. Toponymie kan immers een interessante bron zijn voor archeologisch en historisch landschaps- en nederzettingsonderzoek. Wegens tijdgebrek werden enkel de plaatsnamen van de militaire domeinen die het meest waardevol zijn voor landschapsreconstructie geselecteerd en kort toegelicht.
bodem op zandgronden (uit Schcys I., Les Mes
a bruyère
dans k passé in Revue de ('Agriculture, nr. 1.35, 1982)
Twee casestudies Binnen de beperkte onderzoeksopdracht was het onmogelijk om een volledige archeologische en landschapshistorische inventaris van alle domeinen op te stellen. Daarom werd gekozen om twee militaire gebieden namelijk Brasschaat en Leopoldsburg eruit te lichten om als testgebied verder uit te diepen en tot voorbeeld te dienen van een geïntegreerde methodologische aanpak. De keuze voor deze twee domeinen werd deels ingegeven door het feit dat over beide militaire domeinen reeds uitvoerig onderzoek was verricht, wat de mogelijkheid bood om gedetailleerder te werk te gaan (6). Het verschil in militair gebruik - Brasschaat als schietveld en Leopoldsburg als oefenterrein - zorgde voor een extra dimensie bij de onderlinge vergelijking van beide domeinen, omdat dit ook een verschil in bewaring van en impact op het aanwezige erfgoed met zich mee brengt.
M&L
ting verkregen werd om beperkt archeologisch onderzoek uit te voeren, kon enkel voor de casestudies een aantal specifiek geselecteerde zones op het terrein bezocht worden. Voor het Kamp Beverlo in Leopoldsburg werd de zone rondom de Zwarte Beek uitgekozen en gedurende twee dagen verkend onder leiding van Joel Burny (7). In het Groot Schietveld in Brasschaat werden door de archeologen Mare De Bie en Marijn Van Gils (VIOE) enkele gebieden uitgezocht die een grote kans op intacte steentijdsites boden.
• De ontginning Groenendael op de Ferrariskaart ( © Kabmetskaart van de Oostenrijkse Nederlanden, Welde I2S/4, Gemeentekrediet)
HEIDELANDSCHAP EN -LANDBOUW De militaire domeinen omvatten een waaier aan landschapstypes waarvan het heidelandschap een van de meest interessante is. Heidelandschappen zijn belangrijke cultuurlandschappen, voor en door de mens in het verleden gevormd. Door de toewijzing van veel van deze gronden aan het Ministerie van Defensie in de 19 c eeuw, zijn nog aanzienlijke oppervlakten van deze unieke fase bewaard. De evolutie van het heidelandschap in de militaire gebieden kan onderverdeeld worden in een drietal belangrijke fasen.
Fase 1: van bos naar heide. Van het neolithicum tot de vroege middeleeuwen
• Toponymische vemijzingen naar Groenendael op de moderne kadasterkaan (©RADSUMGIV. VLM)
Voortgezet onderzoek Voor het vergaren van detailinformatie over de twaalf militaire domeinen en om de historische achtergrond van de gebieden te doorgronden, werd literatuuronderzoek verricht naar hun institutionele achtergrond en meer specifiek naar de periodegebonden landinrichting van de heide. In het bijzonder werd uitgekeken naar informatie over de belangrijkste bestuurlijke entiteiten in het verleden en de relatie met de kleine en grotere heideboeren die afhankelijk waren van het gemeenschappelijke gebruik van de heidevlakten. Een terreinverkennend onderzoek was aangewezen om de landschapselementen in hun hedendaagse ruimtelijke context te kunnen bestuderen. Aangezien slechts in de laatste fase van het project toela-
M&L
Met de komst van de eerste landbouwers werden de oude uitgestrekte bosgebieden beetje bij beetje ontgonnen. Vermits de zandige percelen weinig vruchtbaar waren bleven ze na enkele jaren van bewerking weer braak liggen, ten prooi aan zandverstuivingen. O p dit uitgeputte braakland liet men vooral schapenkudden grazen zodat het bos geen kans kreeg om zich te herpakken en heidestruiken hun opmars maakten. Overbeweiding van het vee in de vochtige rivierdalen en verderschrijdende brandcultuur leidden samen met de droogte tot een verdere terugdringing van het bosbestand en het ontstaan van heidevlakten. Het merendeel van de eerste boerderijtjes uit de steen- en metaaltijden werd gekenmerkt door een gemengde landbouw met de nadruk op extensieve veeteelt in de uitgestrekte woeste gronden. Het agrarisch systeem was in de eerste plaats gericht op het tegemoetkomen aan de interne demografische groei; van export was weinig of geen sprake (8). De heidevelden bleven sterk onderbevolkt. In de vroege middeleeuwen werden de grote heidevelden ingeschakeld in de economie van een open gebruikersgemeenschap van plaatselijke landbouwers die lange tijd vooral op zelfvoorziening was
land zorgvuldig afgelijnd en werden de gebruiks- ^ rechten, gebonden aan een tijd en ruimte, juridisch Het topomem Kolk I J
gericht. Door beweiding, afbranden, het steken van heideplaggen en andere ontginningsactiviteiten, werd de heide steeds vernieuwd en bestendigd en de herinname van deze gronden door het bos verhinderd. In de toponymie zijn vaak nog aanwijzingen terug te vinden over de relatie tussen topografie en de extensieve activiteiten die men er uitoefende. Zo verwijst het toponiem Kalk Hoven in het militair domein van Grobbendonk naar de vroegere ontginningsactiviteit en aanwezigheid van een kalkoven in de heide.
Fase 2: heide als onderdeel van de economie. Van de vroege middeleeuwen tot het midden van de 17de eeuw Vanaf de 12 c eeuw vond er in de Kempen en Zandig Vlaanderen een totaal verschillende ontwikkeling van de heidegebieden plaats. Waar de ontginning van de 'wildernis' in de Kempen slechts traag op gang kwam, was er in Zandig Vlaanderen sprake van een grootschalige ontginning van de heide. Vooral het verschil in bodemkwaliteit heeft ervoor gezorgd dat de Vlaamse velden uiteindelijk bijna allemaal ontgonnen werden terwijl de Kempen tot in de 19 e eeuw een uitgesproken heidegebied met een vrijwel onveranderd 'middeleeuws' uitzicht bleef. Aanzienlijke stukken heideland werden door de hertogen van Brabant aan kerkelijke instellingen zoals cisterciënzers en norbertijnen geschonken of verkocht (9). Deze abdijen en kloosters zouden delen van de heide privatiseren, ontginnen en inrichten in uithoven en abdijboerderijen. Ten gevolge van deze ontginningsbeweging eisten de plaatselijke landbouwers van de hertog garanties om hun rechten op gemeenschappelijk heideland, dat een wezenlijk onderdeel was van de bedrijfsvoering, te beschermen en te consolideren. Zo werden grote delen van de heide als gemeenschappelijk
j
j •
i
Horen op de
vastgelegd en gegarandeerd m geschreven overeen. , . komsten zoals vroentebrieven (10). i(aart In de loop van de 15 e en 16 e eeuw gingen sommige (© KADSCAN, AGIÏ, boeren onder druk van onder meer de intensivering ' van de landbouw, bepaalde stukken heide privatiseren, aankopen en inrichten als privé-heide, omgeven door een wal en/of ingericht in percelen (11). Zo ontstonden gesloten, privé blokken heide (heiblokken of heihoeven genoemd), waarmee boeren zich verzekerden van eigen extensieve bedrijfsvoering. Ook de kleine gehuchten aan de rand van de heidevlakten breidden stelselmatig hun complex cultuurland uit door kleine percelen heide te ontginnen en met hagen en wallen te omgeven. Hierdoor kreeg het landschap het uitzicht van een lappendeken. Met de Franse Revolutie werden alle religieuze instellingen opgedoekt en veel eigendommen openbaar verkocht. Wat betreft de uitgestrekte heidevelden, haalden de gemeenten het eigendomsrecht naar zich toe zodat de gemeenschappelijke heide nu 'gemeenteheide' werd.
Heide of veld? In de literatuur worden de termen heide en veld vaak door elkaar gebruikt maar toch is er een belangrijk verschil in betekenis. Het merendeel van de 'heide' in Vlaanderen situeert zich op de zandgronden in de Noorderkempen en op het Kempisch Plateau. Toch zijn ook in Oost- en West-Vlaanderen nog heiderelicten terug te vinden. Hier is er echter sprake van zogenaamde 'veld'-zones. De term 'veld' duidde in de 18 c eeuw alle niet verkavelde gronden aan die buiten het landbouwareaal lagen en in aanmerking kwamen voor gemeenschappelijk gebruik. De heidezones vormden ongetwijfeld een groot aandeel in deze velden die in vroegere periodes ook met termen als wastina of bruyère werden aangeduid (12). Deze gebieden hadden vaak een problematische waterhuishouding waardoor de bodem in de zomer kurkdroog was en men in de winter te kampen had met wateroverlast. Indien een veld lange tijd aan zijn lot werd overgelaten, evolueerde het door opslag van bomen en dergelijke naar een veldbos en nog later naar een bos. In Vlaanderen was dus geen sprake van een uitgestrekte 'heide' zoals in de Kempen, maar kende men een gevarieerd landschap met heide, grassen, veldbos en bos.
• Het Loetem Veldt op de Ferranskaart ( © Kabmetskaart van de Oostenrijkse Nederlanden, Zedelgem IS/I. Gemeentekrediet)
• Detad uit een figuratieve kaart van het Vloethemveld uit 1769 door landmeter Timotheus David Hiujsseune (uit Cappon G., Beschermd Londschop. HetWoethemveldinjoböekeen Zedelgem in In de Steigers. Monumentenmeuws uit West-Vloonderen. nr.3.2. I W )
^ f e
V
%.
'lent
y.^ M&L
< Onze-üeve-Vrouw De Troon op de Ferranskaarl
Abdijen en kloosters waren, zeker tijdens de middeleeuwen, financiële en spirituele grootmachten die hun blijvende stempel drukten op het landschap, zo ook op het heidelandschap ten tijde van de ontginningsbeweging. Temidden van de uitgestrekte heide werd een gunstige locatie uitgekozen om een abdij hoeve op te richten als centrum van een zelfbedruipend landbouwbedrijf dat de omliggende heide vruchtbaar moest maken. Vaak werden drogere gronden nabij een beek of rivier uitgekozen om de onderneming toch enigszins levensvatbaar te maken. Deze omvangrijke groene eilanden temidden van de heidevelden oefenden een grote aantrekkingskracht uit zodat zich hier vaak een kleine woonkern ontwikkelde die kon uitgroeien tot een volwaardig dorp. In de eerste plaats waren deze abdijhoeven bedoeld om de bezittingen van de moederorde uit te breiden vermits de abdij op deze gronden vaak geen tienden hoefde te betalen. De ontginningen temidden van de onvruchtbare heide dienden echter ook als machtsvertoon tegenover concurrerende abdijen of andere machtspersonen. Tenslotte waren de heideontginningen ook een manier om de religieuze macht van de abdij te verstevigen en uit te breiden, vaak ten koste van het geestelijke gezag van de dorpspastoor.
j
\
i'Tp Vrfl
A' ' V ••
Li^-
g
(© Kabinetskaart ™ de Ooste Oostenrijkse Nederlanden, Herenthals 108/2, II Gemeentekrediet)
In en rondom de heidegebieden van de militaire domeinen zijn talrijke voorbeelden terug te vinden van abdijboerderijen zoals de Priorij van O.-L.-Vrouw-Ten-Troon in Grobbendonk, Spiekelspade in Hechtel-Eksel, de Blommerschothoeve in Malle en de Kelchter- en Hengelhoeve in Houthalen-Helchteren.
•
Fase 3: van heide naar bos. Van 1650 tot het begin van de 20 ste eeuw De derde en laatste fase luidt de periode van de ontginning en uiteindelijk herbebossing op grote schaal in. Door de sterke bevolkingsgroei tussen 1650 en 1750 kreeg ook land van mindere kwaliteit financiële waarde en ging de Centrale Overheid de ontginning van woest land stimuleren, om de landbouw verder te kunnen ontwikkelen tot een commerciële landbouweconomie. De ordonnantie van 25 juni 1772 van Keizerin Maria-Theresia, die de
Ongedateerde
privatisering en ontginning van de vroenten en gefiguratieve kaart mene gronden in het Hertogdom Brabant gebood, van Onze-LieveVrouw De Troon bleef aanvankelijk zonder grote gevolgen (13). Pas na de Belgische onafhankelijkheid werden her- (ul o e s < : " x J Gesch/ederas ran nieuwde inspanningen verricht om de heidegebieGrobbendonk, den te ontginnen. Hoogstraten, De kapitaalkrachtigen vonden de landbouw op de troosteloze droge vlakte een te gewaagde onderneming maar zagen wel brood in de grootschalige aanleg van dennenbossen om in te spelen op de vraag naar mijnhout (14). De heidegronden leen-
1897-1899)
1VI&L
•
Hel Gemeenten Bosch in het mih tait domein van Leopoldsburg op de Vandermaelenkaart ( © Carte topographique de la Belgique. Peer, NGI/ AGIV)
den zich goed tot het systematisch aanplanten van dennenbossen die een snel en hoog tendement hadden. Deze boszones werden gekenmerkt door een systematische en geometrische aanleg via een systeem van rechte dreven en percelen. Het dambordvormig patroon dat hierdoor ontstond, was het kenmerk bij uitstek van de grote herbebossingsbeweging die vanaf het midden van de 19 e eeuw in gang werd gezet. Van de grote naaldbossen uit de 19 e eeuw is een aanzienlijk deel bewaard gebleven ondanks de uitbreiding van het residentiële wonen en de industrialisering. Het gedeeltelijk verdwijnen van de grote naaldbossen en de omzetting ervan in akker- en weiland kan als een vierde fase in de landschappelijke evolutie worden beschouwd.
ONDERZOEKSRESULTATEN Uit het onderzoek blijkt dat een aantal archeologische en landschapshistorische elementen en contexten in het merendeel van de militaire domeinen aanwezig zijn.
Archeologische relicten Door het uitblijven van grootschalige bodemingrepen en de aanwezigheid van een beschermende deklaag van stuifzanden en plaggenbodems, hebben archeologische sites uit alle periodes een zeer goede kans om in onverstoorde context aanwezig te zijn in de militaire domeinen. Sites uit de steen- en metaaltijden, de Romeinse periode en de vroege en volle middeleeuwen worden duidelijk gekenmerkt door dezelfde specifieke inplanting in het landschap. De aanwezigheid van water vormt een constant element bij vrijwel alle archeologische sites; de randen van de valleien werden intensief bewoond. Toch moet dit zeer ruim gezien worden vermits veel off-site-gegevens vrijwel
overal kunnen aangetroffen worden, wat het voorspellen waar en waar niet archeologische sites kunnen verwacht worden zeer moeilijk maakt. Ook de lokale topografie is een belangrijke factor vermits men een duidelijke voorkeur ontwikkelde voor de hogergelegen, droge plaatsen van waaruit de omgeving kon geobserveerd worden. Vooral de militaire domeinen in de Antwetpse en Limburgse Kempen beschikken over een hydrografie en topografie die op bepaalde plaatsen zodanig gecombineerd zijn dat ze uitermate gunstige locaties voor bewoning in het verleden opleveren.
De site van het 'Moerken' op het Groot Schietveld in Brasschaat Onder begeleiding van Mare Schuermans van het Agentschap voor Natuur en Bos werd samen met de archeologen Mare De Bie en Marijn Van Gils een beperkt archeologisch terreinbezoek georganiseerd op het Groot Schietveld. O p basis van de topografische kaart en de hydrografie werden een aantal zones geselecteerd om boringen uit te voeren. De selectiecriteria waren de aanwezigheid van een gematigde zandrug en de nabijheid van (voormalig) water. De meest interessante resultaten leverde de zone rondom het moerasgebied van het Moerken, in de noordwestelijke hoek van het militaire domein. Deze veenzone wordt geflankeerd door een lange zandrug die ver doorloopt en de scheiding vormt tussen het veen en de heide. De site ligt in het brongebied van een kleine rivier wat dit gebied extra interessant maakt voor prehistorische bewoning. O p de smalle zandrug was de heidebegroeiing over een redelijke oppervlakte afgeplagd in het kader van natuurbeheerwerken. Bij het prospecteren van deze zone in het kader van het project, werden talrijke vuurstenen artefacten aangetroffen aan de oppervlakte. Vermoedelijk heeft winderosie ervoor gezorgd dat de bovenste zandlagen verstoven en de
^
•4 De prospectievondsten nabij het Moerken op de topografische kaart ( © Topografische kaart, zwart-wit, NGI/AGIÏ,ÏLM)
perimeter militair domein — huidige waterlopen A Prospectievondsten terreinbezoek - ^ , x , ^ ^ - - ^ ^ - , /
onderliggende artefacten bloot kwamen te liggen. Tijdens een meer systematische waarderingscampagne door het V I O E in de zomer van 2006, bleek deze rug een hele keten aan concentraties van steentijdartefacten te herbergen (15). De afplaggingswerken illustreren de schade die gelijkaardige onderhoudswerken kunnen toebrengen aan het archeologische patrimonium. Door de bovenste laag heidebegroeiing weg te nemen, wordt de oude bodemlaag blootgesteld aan weer en wind en lopen de archeologische artefacten die in deze laag aanwezig zijn risico op beschadiging en verplaatsing.
Cultuurhistorische relicten De kleine en grote gehuchten en dorpen die oorspronkelijk aan de rand van de heide lagen, waren de belangrijkste actoren die het hedendaagse landschap gevormd hebben. Vanuit deze woonkernen ontstonden wegen door de heide, werden de beekvalleien ontgonnen en werd het akkerareaal geleidelijk uitgebreid ten koste van de heide. Als resultaat hiervan ontstond rondom de gehuchten een brede gordel van gronden die a.h.w. getekend waren door de menselijke aanwezigheid. H e t zijn deze [„yj sj|ex artefa(:. zones, die vaak kleinere uitlopers hadden tot diep tf" als resultaat in de heide, waar vandaag de belangrijkste relicten i
j
r-\
•!•
,an or 18en en
"
praspstlis nabij het
en relictzones mogen verwacht worden. De mrh- ff0^m taire gebieden liggen vaak in de periferie van deze (foto H. Dems)
M&L
cultuurlandschappen zodat ook hier waardevolle zones kunnen afgebakend worden. De abdijboerderijen drukten eveneens een blijvende stempel op het landschap. Aangezien zulke ontginningshoeven steeds grondig werden uitgebouwd en over een rijk en gevarieerd cultuurareaal beschikten, vormen ze vaak uitzonderlijk goed gedocumenteerde sites met een waaier aan landschappelijke en archeologische relicten.
De verdwenen landbouwontginning 'Spiekeispade' in Hechtel-Eksel
Figuratieve, foutief georiënteerde kaart van de ontginning Pipelsfxien uit 1661 1680 door Cornells Lowies (uit Van Ermen E., Het koortboek ran AverMe
A Restant van de oude wal rondom de ontginning van Spiekelspode (foto 1. ïerdurmen)
Deze wal was veel groter dan een gewone perceelsrandwal en grensde meteen aan de vroegere vijvers. Bij het terreinbezoek werden deze vijvers op het oude domein van Spiekeispade als vochtige graslanden langs de beek teruggevonden. De oude wallen waren nog zichtbaar evenals de greppeltjes voor de aan- en afvoer van water uit de beek.
Landschappelijke relicten Er moet een duidelijk onderscheid gemaakt worden tussen de bosgebieden zoals de domeinen in O.- en W.-Vlaanderen enerzijds en de heidegebieden van de Antwerpse en Limburgse Kempen anderzijds. Deze gebieden hebben een andere historische evolutie doorgemaakt waardoor het hedendaagse uitzicht ook grondig van elkaar verschilt.
(650-
1680. Brussel, 1997)
M&L
De landbouwbedrijven van Spiekeispade en Kleine Hoef in de vallei van de Zwarte Beek, behoorden sinds de 12 e eeuw tot het grondbezit van de Norbertijnerabdij van Averbode (16). Spiekeispade wordt voor de eerste maal vermeld in 1160 als curia conversorum of lekenbroederboerderij. Het belang van deze abdijhoeve vertaalde zich o.a. in een brede zandweg die via Spiekeispade dwars door de heide naar Hechtel, Peer en Bree liep. Een belangrijke bron voor de bezittingen van Averbode in Spiekeispade vormt de atlas van de goederen van het klooster die in 1661-1680 door landmeter Lowies is samengesteld (17). Hieruit blijkt dat het merendeel van de gronden onderverdeeld was in grote blokpercelen met grote zones heide eromheen. De boerderijen vormden een gemengd bedrijf maar de klemtoon lag ongetwijfeld op schapenteelt omwille van de uitgestrekte graasgronden. Tijdens de tweedaagse excursie onder leiding van Joel Burny werd in de eerste plaats gezocht naar sporen van de inrichting van het landschap door de mens in het verleden. Waar de Zwarte Beek de grote heide doorkruist liggen de restanten van het middeleeuwse gehucht Spiekeispade. Heel het domein is omgeven door een brede randwal met greppel waarvan nog sporen zichtbaar zijn in het landschap.
Onder de bosgebieden zelf is er daarenboven een belangrijk verschil tussen het echt historisch bos zoals het Bos van Houthulst enerzijds en de tot veldzones gedegenereerde bosgebieden zoals het Vloethemveld en het Drongengoedbos nabij het Maldegemveld anderzijds. Bij deze laatste was er zelfs sprake van een totale landschapsinversie. O m de vaak uitgestrekte, maar economisch weinig bruikbare veldgebieden toch rendabel te maken ging men immers over tot herbebossing. Dit resulteerde in systematisch aangelegde bospercelen, vaak met een netwerk van dreven in functie van de ontginning van deze bossen. Zowel het Drongengoedbos als het Vloethemveldbos bevat nog sporen van deze bebossingfase en vormt in dit opzicht een
•4 De
VhedhmVM
bosschen op de Vandermaelenkaart ( © Carte topographique de la Belgique, Jabbeke, NGI/AGIV)
momentopname die getuigt van de noden tijdens een bepaalde periode en de oplossingen die hiervoor werden bedacht. De militaire domeinen in de Limburgse en Antwerpse Kempen worden gedomineerd door uitgestrekte heidegebieden en naaldbossen die hoewel ze samen voorkomen elk een eigen ontstaansverleden hebben. Gedurende verschillende opeenvolgende periodes waren de onvruchtbare heidegebieden prominent aanwezig in het landschap en hebben ze in zekere mate het doen en laten van de mens beïnvloed en geconditioneerd. Zo is duidelijk te zien hoe in de Kempen de belangrijkste nederzettingen werden ingeplant nabij de waterlopen waarbij de beekvalleien intensief werden verkaveld en rondom een complex van akkergronden werd uitgebouwd. Met de grote bevolkingstoename in latere periodes, was men genoodzaakt deze grens telkens weer op te schuiven en meer heide te cultiveren. Het feit dat deze manier van landbouw zeer arbeidsintensief was en een constante financiële inbreng vereiste, heeft ervoor gezorgd dat al vlug werd overgeschakeld op bosbouw. De uitgestrekte naaldbossen die een onmisbaar kenmerk zijn van de Kempense heide zijn met andere woorden grotendeels ontstaan in de periode tussen de 18 e en de 20SK eeuw wat hen tot een vrij recent fenomeen maakt. Dit verklaart ook waarom de kenmerken van deze bosaanplan-
Restantcn van bos-
1 j - j p - i u r u L tingen vaak nog duidelijk herkenbaar zijn in het hedendaagse bos. Ondanks de grootschalige herbebossing van de heide bleven de resterende heidegebieden intensief gebruikt tot in de 19 e en zelfs 20 stc eeuw zodat deze gebieden tal van sporen omvatten die herinneren aan deze periodes.
aanplantingen op het mi|itair d|)mein
van Leopoldsburg 'foto IVeriiurmen)
WERK VOOR DE TOEKOMST Het beperkte terreinonderzoek in het kader van het project heeft aangetoond dat zowel archeologische
M&L
als landschapshistorische relicten overvloedig aanwezig zijn in de militaire domeinen en zonder al te veel moeite kunnen opgespoord worden in het landschap. Wat betreft verder onderzoek dringen zich een aantal uitbreidingen op in de gehanteerde methodologie. Onder de traditionele bronnen vragen vooral de archieven om een grootschalig voortgezet onderzoek. Zeker voor de landschapshistorische relicten kan gedetailleerd bronnenonderzoek nog een veelheid aan gegevens opleveren omtrent specifiek landgebruik, landbezit, landindeling en de invloed van de omliggende gehuchten op de grote heidegebieden. Ook het terreinonderzoek moet een hoofdrol spelen, zowel voor het gedetailleerd in kaart brengen van bestaande en nieuwe sites, als voor bodemonderzoek en paleo-ecologische studies. Daarenboven moet meer aandacht besteed worden aan de analyse en interpretatie van nieuwe gegevens, bijvoorbeeld de DHM-beelden. Vooral wat betreft steentijdsites, worden de militaire domeinen zeer hoog geschat omwille van de specifieke combinatie van hydrografie en topografie die in het verleden bijzonder
gunstig was voor het inplanten van bewoningssites. Veldprospectie- en boorcampagnes kunnen dergelijke sites opsporen. Deze locaties bleven aantrekkelijk voor bewoning in latere perioden zodat hier ook sporen uit de mctaaltijdcn, Romeinse periode en vroege middeleeuwen mogen verwacht worden. Deze bodemsporen kunnen niet zo snel opgespoord worden als een prehistorische site zodat hun aanwezigheid soms wordt vergeten. Specifiek voor dit type archeologische sporen is het noodzakelijk alle bodemverstorende activiteiten op te volgen.
NAAR EEN EVENWICHTIG BFHFFR Een belangrijke doelstelling van dit project was het evalueren van de militaire gebieden als belangrijke bewaarplaatsen van archeologisch en landschappelijk-historisch erfgoed en vervolgens richtlijnen te geven voor verder beheer. De kennis van het vroegere landschap in al zijn facetten kan immers dienen als inhoudelijke basis voor het beheer van nog bestaande landschappen en landschapsrelicten. Ook het heel concrete terreinbeheer kan baat hebben bij die kennis.
Voorbeeld van een afgcplagde zone nabij het Moerken op het Groot Schietveld te Brasschaat [foto I.Verdurmen)
..
Een eerste probleem is de herkenbaarheid van de sporen. Door het tekort aan informatie zijn veel terreinbeheerders zich immers niet bewust van de potentiële aanwezigheid van waardevol bodemarchief en worden vaak pas maatregelen genomen wanneer de site reeds vergraven is. Een tweede probleem is dat de aanwezigheid van waardevol bodemarchief soms als een bedreiging wordt ervaren die eventuele natuurinrichtingsmaatregelen in de weg zou staan. Ook het bodemarchief heeft echter een intrinsieke waarde die niet strijdig is met de waarden die doorgaans voor natuur- en bosgebieden voorop staan. Integendeel, beide waarden kunnen complementair zijn en elkaar versterken. Vooral het afplaggen van de heide en het afgraven van vennen vormen twee activiteiten die bijzonder schadelijk zijn voor het bodemarchief en veel archeologische en paleo-ecologische relicten definitief vernietigen. Voor alle militaire domeinen is het in de eerste plaats belangrijk dat zware bodemingrepen of verschillen in landgebruik zoveel mogelijk worden vermeden. De beste manier om archeologische relicten te bewaren is immers een zo volledig mogelijke en constante afdekking. Ook restanten van historisch landgebruik zijn gebaat bij zo min mogelijk verstoring. Toch is het zuiver passief bewaren van een relictzone evenmin ideaal; zo geraken oude drainagegreppels door een gebrek aan onderhoud uiteindelijk verstopt waardoor oude akkers onder water lopen. Behoud en onderzoek gaan a.h.w. hand in hand. Het vinden van een evenwicht tussen hedendaagse landinrichting en landschapsbeheer enerzijds en de gunstigste bewaaromstandigheden van archeologische en historische relicten anderzijds is cruciaal voor een in alle opzichten vruchtbaar beheer van de militaire domeinen. Omwille van de enorme uitgestrektheid van de militaire domeinen is het vrijwel onmogelijk om alle bestaande relictzones nauwgezet op te volgen, laat staan de potentiële relictzones. Een goede onderlinge samenwerking met de beheerders van de militaire gebieden is dus onontbeerlijk. Door deze mensen uitgebreid te informeren over de verschillende mogelijkheden aan sites die specifiek gebonden zijn aan elk domein op zich en door hen in te schakelen bij het herkennen en opsporen van waardevolle gebieden, wordt een geïntegreerd beheer van de militaire domeinen mogelijk.
BESLUIT Deze studie was er in de eerste plaats op gericht om de bestaande leemten in de kennis over de militaire domeinen enigszins op te vullen. Door een brede waaier aan bronnen te combineren kon een grote hoeveelheid informatie verzameld worden die toelaat de militaire gebieden in een historische context te plaatsen en mogelijke pistes voor toekomstig onderzoek bloot te leggen. Door de beperkte tijdsduur van het project en de enorme omvang van het studiegebied, kon er slechts sprake zijn van een eerste verkenning waarbij tot nu toe enkel de grote krachtlijnen en complexen werden aangestipt. Daarnaast is de studie van de militaire domeinen een eerste aanzet tot een beter beheer van historische, landschappelijke en archeologische relicten. De grote variatie onder de militaire domeinen zelf, vraagt in feite een gedetailleerd interdisciplinair onderzoek per gebied met aandacht voor de kleinschalige evoluties en nuances die nu veel minder aan bod gekomen zijn. Een belangrijke rol moet hierbij weggelegd worden voor archeologisch onderzoek omwille van de unieke bewaringscontext in deze gebieden en de schat aan informatie die hier verborgen ligt. Maar ook gedetailleerd landschapshistorisch onderzoek kan belangrijke aspecten van de ruimtelijke en landschappelijke dynamiek van deze gebieden aan het licht brengen. Door onderling overleg tussen de verschillende belanghebbende partijen kan een beheersmodel worden uitgewerkt waarbij de archeologische, historische en landschappelijke waarden geïntegreerd worden in de bestaande en nog uit te voeren inrichtingsprojecten. De wisselwerking tussen het hedendaagse gebruik van de militaire gebieden enerzijds en hun erfgoedwaarde anderzijds moet hierbij centraal staan.
Inge Verdunnen is archeologe en historica en is als projectmedewerker verbonden aan de Vakgroep Kunstwetenschappen en Archeologie van de Vrije Universiteit Brussel (VUB). Prof Dr. Dries Tys is docent Middeleeuwse Archeologie en Landschapsgeschiedenis in de Vakgroep Kunstwetenschappen en Archeologie van de Vrije Universiteit Brussel (VUB).
EINDNOTEN
(10) Zo was het maaien van heide enkel toegelaten op vastgestelde dagen in het jaat en waren de beemden vaak van de lente tot de
(1) VERDURMEN I. & TYS D, CAI-III. De archeologische waarde
herfst verboden terrein voor de veekudden, om de hooioogst te
van militaire heidedomeinen. Stand van zaken en richtlijnen voor
beschetmen. Vooral tegen het plaggen werden strenge verbodsbe-
toekomstig beheer, VIOE-Rapporten 3, Brussel, 2007.
palingen uitgevaardigd vermits een afgeplagd veld zich maar traag kon herstellen. KNAEPEN R., De economische betekenis van de
(2) Het Digitaal Hoogtemodei Vlaanderen bestaat uit een raster- of puntenbestand dat de hoogtewaarden op maaiveldhoogte bevat
heide in Het Oude Land van Loon, jg. 34, 1979, pp. 272-275.
voor het volledige Vlaamse grondgebied. Hierdoor geeft het
(11) DEMOOR M, Common land and common rights in Flanders, in
DHM een beeld van alle reliëfverschillen en oneffenheden in het
DE MOOR M, SHAW-TAYLOR L. & WARDE P. (eds.). The
landschap.
management of common land in North West Europe, ca. 1500-1850 (Corn-Publication Series, 8), Turnhout, 2002.
(3) Oj^-J/Vf activiteiten zijn niet-locatiegebonden activiteiten.
(4) DE BLUST G. & SLOOTMAEKERS M., De Kalmthoutse Heide, (12) BEERNAERT E, Evolutie van 'veld' en hos tussen Brugge en Torhout (onungMc.verh.), RUGent, 1978, p. 63.
Leuven, 1997, pp. 25-26. (5) Zo zijn er in Nederland een aantal voorbeelden van Romeinse
(13) Deze ordonnantie vetplichtte de gemeenten hun braak liggende
huizen met vetdiepte staldelen die vetmoedclijk als potstal heb-
gronden binnen 6 maand te verkopen ter ontginning. Al wie
ben gefunctioneerd. VAN BEURDEN L., Botanisch onderzoek in
heidegebieden ontgon, kreeg voor 30 jaar vrijstelling van alle
het Maas-Demer-Scheldegebied, in FOKKENS H. & JANSEN J.,
publieke lasten, indien de gronden werden omgezet in bos- of
2000 jaar bewoningsdynamiek. Brons- en ijzertijdbewoning in het Maas-Demer-Scheldegebied, Leiden, 2002, p. 300. (6) Voor de omgeving van Leopoldsburg en Brasschaat werd al veel
landbouwgrond.
(14) De rechte stammen van de grove den waren ideaal om de mijngangen te stutten. BRONDERS E, Heide en weide in Midden-
archiefonderzoek gedaan door respectievelijk V. Mennen en
Limburg (De open ruimte in Vlaanderen, 6), Wonimeigem, 1987,
K.A.H. Leenders.
p.7.
(7) Joel Burny is vaste medewerker van het Vlaams Bezoekerscentrum De Watersnip te Koetsel-Beringen. (8) Dit systeem staat in contrast met de latere Romeinse en middeleeuwse landbouweconomie waarbij de veeteelt erg marktgericht
(15) Deze site vet toont alle typische kenmerken van een mesolithische vindplaats in de Kempen: zeer uitgestrekt en gelegen op een langgerekte zandige rug ten NW van een natte deptessie. VAN GILS M. & DE BIE M., Karteringen waardering van een nieuw mesoli-
was en externe afzetgebieden werden bevoorraad. THEUWS F.
thisch site-complex te Wuustwezel Het Moerken. Intern Rapport,
en ROYMANS N , Land and Ancestors. Cultural dynamics in the
Brussel, 2007, p. 12.
urnfield period and the Middle Ages in the southern Netherlands (16) MENNEN V, Toponymie van Hechtel (Nomina Geographica (Amsterdam Archaeological Studies, 4), Amsterdam, 1999, p. 4. Flandrica. Monografieën XX}, Leuven, 2004, p. 30 en p. 71. (9) STEURS W., Abbayes et défrichements en Campine. Notes sur les(17) In opdracht van de abt stelde landmeter Lowies een lijst op van exploitations cisterciennes et norbertinnes dans le Brabant seprentn- alle onroerende goederen van de abdij, de pastotijen en hun onal aux 12 et / ƒ siecles in Tijdschrift van de Belgische Vereniging bijhorende goederen. JACQUES E., Bijdrage tot de geschiedenis voor Aardrijkskundige Studies, nr. 2, 1996.
van Hechtelin Het oude Land van Loon, jg. 17, 1962, p. 276.
Nicky
Vergouwen,
en Catheline
Evelien
van
Biezen
Metdepenninghen
DE RESTAURATIE VAN DE KROONLUCHTER UIT DE KAPEL VAN KAREL DE GOEDE IN DE S1NT-SALVAT0RSKATHEDRAAL TE BRUGGE
De kroonluchter is neergelaten op de tafel voor de behandeling. De luchter is bedekt met een dikke laag stof (foto N.VergouwenE. van Biezen)
In de kapel van Karel de Goede in de SintSalvatorskathedraal
te Brugge bevindt
een indrukwekkende
neogotische
daterend
uit 1885.
geschonken
lichtkroon
De kroonluchter
door de Westvlaamse
werd Sociëteiten
van Sint Franciscus Xaverius ter ere van de zalige Karel de Goede. Uit opschriften een steendruk
blijkt
dat de luchter
werd door Pieter Raoux en gegoten
en uit
getekend door Frans
Brondel. Deze kroonluchter gerestaureerd.
werd in
Dit artikel
van deze boeiende
2004-2005 vormt de
restauratie.
DE DEVOTIE VAN KAREL DE GOEDE
zich
neerslag
De Vlaamse Graaf Karel de Goede werd in 1127 in de preromaanse Sint-Donaaskerk te Brugge vermoord (1). De verering van zijn relieken, in 1606 door de Brugse bisschop Karel-Filip de Rodoan ingezet, kende een opmerkelijke heropleving in de 19 c eeuw. Paus Leo XIII verklaarde Karel de Goede zalig door een decreet van 9 februari 1882. O p 14 december 1882 werd Karel de Goede ook uitgeroepen tot tweede patroon van de stad en van het bisdom Brugge. Hierop vroegen barones Savina van Caloen-de Gourcy Serainchamps (2), Elisa Verhulst (3) en graaf F.-L. Waldbott de Bassenheim (4) op 30 mei 1883 aan de bisschop van Brugge de toelating om giften in te zamelen voor een nieuw
• De engel houdt het schild met het chronogram vast. Deze toren is reeds behandeld (foto N.VergouwenE. van Biezen)
schrijn voor Karel de Goede. Het schrijn werd in 1884 ontworpen door Jean Baptiste Bethune (18211894). De Gentse edelsmid Armand Bourdon (1818-1903) ving de werken aan; wegens wrevel bij de Bruggelingen omtrent de keuze van de uitvoerder werd ook de Brugse edelsmid Eugeen Vandamme (1831-1915) bij het werk betrokken. De maquettes voor de beelden en beeldjes werden door Leopold Blanchaert (1832-1913) gemaakt. De relieken werden pas op 22 augustus 1886 in het schrijn neergelegd, alhoewel het schrijn reeds begin 1885 voltooid was (5). Het schrijn werd in de vroegere Barbara- of Jozefkapel geplaatst die hiermee toegewijd werd aan de zalige Karel de Goede (6).
• Steendruk van
DE SCHENKING VAN DE KRQQNLU£HI£R
P. Raoux met de voorstelling van de kroonluchter (collectie van de Provinciale Bibliotheek WestVlaanderen, foto Hugo Maertens, Brugge)
In 1885 werd een monumentale neogotische lichtkroon geschonken door de Westvlaamse Sociëteiten van Sint Franciscus Xaverius aan de kapel van de zalige Karel de Goede. Dit genootschap werd in 1854 in Brussel opgericht door de Brugse jezuïet Louis van Caioen. Deze katholieke arbeidersvere-
niging ontstond in het kader van de toenemende sociale ontvoogdingsstrijd van de arbeiders. De katholieke meerderheid was zich bewust van de ellende van de arbeidersklasse en wou het sociale vraagstuk door caritatieve initiatieven oplossen. Met hun paternalistische visie beoogden ze vooral de morele en religieuze verheffing van de arbeiders en het behoud van de klassenvrede. De kerkelijke hiërarchie steunde dit werk en het kende dan ook een enorme verspreiding in België en buiten de landsgrenzen. De Brugse afdeling van dit genootschap werd opgericht in 1868. De jezuïet Van Heffen was de diocesane proost van dit genootschap. Baron Charles van Caioen (1815-1896), de echtgenoot van de reeds vermelde Savina de Gourcy Serainchamps en broer van de jezuïet Louis van Caioen, was een grote weldoener van de Brugse Sociëteit Sint-Franciscus Xaverius. Hij schonk het genootschap een kapel en vergaderlokaal, ontworpen door Jean Baptiste Bethune omstreeks 1875, en gelegen in de tuinen van de gesloopte Eekhoutabdij te Brugge. Het gebouw werd in 1877 in gebruik genomen door de Sociëteit; sinds 1994 maakt dit pand deel uit van het Groeningemuseum (7).
Op een geïllustreerde steendruk van de hand van de ontwerper van de luchter (8), de Bruggeling Pieter Raoux, staat de volgende uitleg over de kroonluchter: "Kroonluchter door de Sociëteiten van St Franciscus Xaverius van West-Vlaanderen opgeofferd aan den Gelukzaligen Karel den Goede, Graaf van Vlaanderen en Patroon van de Stad en van het Bisdom van Brugge, op 23 Oogst 1885. Die Kroonluchter is geheel en gansch in gegoten koper, hij heeft in den omtrek 4 meters 50 centimeters, en draagt 35 lichten, hij is verdeeld door vijf uitspringende kapellekens in de welke vijf koperen engels staan. Elk engel draagt eene schilde waarop prijkt: 10. Het bovenstaande f aarschrift. 2°. Het wapen van Z:H: den Paus Leo XIII. 3°. Het wapen van Z:D:H: ].]. Faict, Bisschop van Brugge. 4°. Het wapen van Vlaanderen. 5°. Het wapen van de Xaverianen. Op de klimmende deelen van de kleine kroon heeft men daarenboven van binnen gansch de geschiedenis van de kroonluchter in 't kort gegraveerd, te weten : Solventibus Xaverianis. (op kosten der Xaverianen) Dirigente R:P: Van Heffen ZSJ. (onder het bestuur van den E:P:Van Heffen S.f.) DelineantePetro Raoux. (naar de tekening van Petrus Raoux) Me fecit Brugis anno 1885. (heeft mij gemaakt te Brugge, ten jare 1885) Franciscus Brondel" Zoals verklaard door Raoux prijkt er op de lichtkroon naast de vier wapenschilden ook een vijfde
^arcl-Dcn-Öocöir öintEranri^ru^ Xaticriujö.. K^
jBtVoonluchter | /».' % I boor ^c óocUtcUcn van ^ ' f r a u c i s c u s Vai'crius vxa ll 1 cst Vlaaubercu opgeofferd a a n ^cu ÖcluU^aUijcu l ^ a r c l b c u - Ö o e i i ; , © r a a f v a n ^ l a a a b é r e u en p a t r o o u ran bc <Stab en van lu-t t i i s b o m »an i3rua,ac. ^p 23 O o a s i i^rt;-». D i o Krcouhuljtcv is geheel en gatutd) m ^c^otcu koper, luj beep in ben omtrek f nieters 3o icutimctcrs , cu M-aaijt 33 Udncu. Inj is vcrbcclb boer vi)| uitspriu^ciibc kapeUckens in bc u'dkc vijf koperen cuijcls staan C:lk euivcl braaijl ccuc 5ilnlbc waarop prijkt: l' t v t bovenstaaube "jaarsebri^ Ü' lïct wapcu van ^ : t i ben p a u s lioo X1I1 31 tiet wapen ran ^ " D i Ó : l . T l ? a u t . i3isscbop van i 3 r u a 4 c . 4"" ©«t wapen van Ulaanbercn i'. Óct wapen bcv V a v c n a n c n . j O p bc klimmende bcelen van bc kleine kroon beeft men d a a r e n b o v e n van Innncu ijanscb bo (jcsclncbcius van ben kroonhulUcr in't kort ^caraveei-bte welen : jBüluciltibue XaUfnatli.ö.l op bc kosten bcr X'avcriaucu] D t r i u n i l c R : P / V a i l I ) f | f i r i i J5. J. | onber bet bestunr van ben ê : P ; l \ \ n n e f f e u ó l l D f l t i i f a u t c P c t r o I^aon.X. (naar bc teckciun-j van p e t r u s Ixaouv I dïc |Crit B f u a i ö atlllü 1885.1 liccft mij .jemaakt te B r u a j e . t e n
jare iö83) .Bfauriöcu& B r o t i ö r l . I,
f\
/< ;.
/ l-t
r />
f s
t-».
schild voorzien van het chronogram 1885: Karel den Goede de Sociëteiten van Sint Franciscus Xave-
PIETER RAQLJX FN FRANS BRQNDEL
• De kroonluchter in de SintSalvatorkatheóraal, na behandeling (foto 0. Pauwels)
De opschriften op de beugels van de kleine kroon maken duidelijk dat Pieter Raoux de lichtkroon tekende en dat kopergieter Frans Brondel de kroonluchter vervaardigde.
De kunstschilder en graveur Pieter Raoux (Assebroek 1845-Brugge 1917) volgde een opleiding aan de Vrije academie van Brugge. Vervolgens leerde hij de grondbeginselen van het steendrukken van Jacob Petyt (1822-1871) die sinds 1844 een lithografieatelier in Brugge had. Vanaf 1864 legde dit bedrijf zich toe op het uitgeven van prentjes in neogotische stijl voor de Heilige Beeldekensgilde (9). Vervolgens liep Raoux stage in Parijs, waar hij zich specialiseerde in de chromolithografie. Daarna bestudeerde hij in Italië de oude meesters. Tijdens dit verblijf werd hij financieel gesteund door J.B. Bethune. Bij zijn terugkeer in België in december 1878 stelde Bethune voor om bij hem in Gent tekenlessen te volgen zodat hij daarna de leiding zou kunnen nemen over de lithografische afdeling van de Brugse Sint-Augustinusdrukkerij - Desclée de Brouwer. Deze Brugse afdeling van Desclée de Brouwer was in 1877 opgericht en hun drukwerk volgde de neogotische stijl van de Sint-Lucasscholen. Daar de overste van de broeders die Raoux, mogelijk een weeskind, grootgebracht hadden, wou dat hij zich onmiddellijk in Brugge zou vestigen, kon Raoux geen tekenlessen in Gent volgen. In 1879 richtte hij een eigen kleursteendrukkerij op, eerst in de Waalsestraat en vanaf 1 882 in de Noordzandstraat 85 te Brugge (10). Hij vervaardigde talrijke prenten en affiches en dankzij zijn gedegen kennis van de lithografie werd hij een belangrijke concurrent van de Sint-Augustinusdrukkerij. In de catalogus van de Brugse nijverheidstentoonstelling van 1881 worden de diploma's, prenten en titelbladzijden die hij ontworpen heeft uitvoerig geprezen. Ook het boek uit 1884 met lithografieën van de stoet ter ere van Karel de Goede werd in zijn drukkerij gedrukt. In 1889 kwam Raoux uiteindelijk toch aan het hoofd te staan van de lithografische afdeling van de Brugse Sint-Augustinusdrukkerij - Desclée De Brouwer. In deze afdeling werden de tekeningen van de ontwerpers op de steen overgezet. Zijn werk bleef echter aan het toezicht van Bethune onderworpen, die er artistiek directeur was en die er talrijke heiligenprentjes, tekeningen voor diploma's, frontispices en kalenders ontwierp. Ook het verbeteren van de proefdrukken werd door Bethune uitgevoerd. Van 1886 tot 1917 was Raoux ook leraar aan de Stedelijke Academie voor Schone Kunsten te Brugge (11).
Frans Brondel (Brugge 1 830-1909) was een telg van een bekende Brugse kopergietersfamilie die sinds 1624 in Brugge werkzaam was. Het atelier aan de Wijngaardstraat vervaardigde heel wat dagelijkse gebruiksvoorwerpen zoals haardschermen, kapstok-
•
•4
De bovenste stang hangt door de gewelfsleutel
Glazen bol
na reiniging
na reiniging
(foto N. Vergouwen-
(foto N.Vergouwen-
•
Houten bol
E. van Biezen)
(foto N. Vergouwen E. van Biezen)
E. van Biezen)
ken en kroonluchters (12). Net als Raoux was ook Brondel sterk door Bethune beïnvloed (13). De Onze-Lieve-Vrouwekerk te Brugge bezit twee geelkoperen neogotische kroonkandelaars die in 1873 vervaardigd werden door Brondel naar ontwerp van Florimond Van de Poele (1832-1875) (14). In 1875 en 1877 leverde hij koperen kandelaars aan de familie van Caloen voor het kasteel van Loppem (15). De kathedraal bezit een verzilverde koperen godslamp van 1876 van zijn hand (16) en twee bronzen klokken gegoten door Frans Brondel in 1869 voor het Kapucijnenklooster in de SintClarastraat te Brugge bevinden zich heden in het Brugse Gruuthusemuseum (17).
messing hulzen - vastgehaakt wordt. Deze tien lange stangen haken zich aan de binnenzijde van de grote ring van de lichtkroon vast. De eigenlijke lichtkroon is opgebouwd uit vijf zijspannen, telkens voorzien van zes bloemen. Tussen elk zijspan bevindt zich een toren met een engel die een wapenschild vasthoudt. O p de toren staat één kaarsenhouder en op elk zijspan staan telkens zes kaarsenhouders. De zijspannen en de torens zijn aan een grote, ijzeren ring bevestigd door middel van bouten en moeren.
DE VERSCHILLENDE MATERIALEN EN HUN BEWARINGSTOESTAND
DE OPBOUW VAN DE LUCHTER De luchter hangt op aan een ijzeren haak die doorheen de sluitsteen van het gewelf loopt; in de dakkap is deze haak aan een dwarsstang bevestigd. Tussen het gewelf en de kroonluchter bevinden zich vijf beschilderde en gedeeltelijk getorste smeedijzeren staven die met elkaar verbonden worden door vier roodgeschilderde houten sierbollen met goudkleurige sierbanden. In de haak van de onderste staaf is de messing haak van de kleine kroon bevestigd. Vanuit elk van de vijf bevestigingspunten aan de binnenzijde van deze kroon vertrekt telkens een korte ijzeren stang in een messing huls die via een glazen bol aan twee lange stangen — eveneens in
Het merendeel van de vijfhonderd onderdelen is vervaardigd in messing. Deze stukken werden door de firma Brondel door middel van de zandgietmethode bekomen (18). Hierbij wordt een model in een mengsel van zand en klei gedrukt, waarna het metaal in de ontstane holte gegoten wordt. Na het gieten hebben deze onderdelen een ruw oppervlak, de giethuid. Deze huid wordt weggeschuurd en vervolgens wordt het oppervlak gepolijst. Het geheel wordt meestal voorzien van een beschermlaag in de vorm van een vernis, om zo het oppervlak af te sluiten tegen schadelijke stoffen uit de atmosfeer. De gehele kroonluchter was bedekt met een dikke laag stof en vuil. O p diverse plaatsen waren groene
•L__ Mum y
• 5 Op de achtem|de
|
van de engel :i|n
PM .3
de groene corrosie- « T ! vlekken duidelijk
|
zichlbaar
J
(foto N. Vergouwen- S R E. van Biezen)
*^t
f^ 1 ?
i
ü Jrj - r y
•IMR• •^ '-
* t
Ai ^Bf^OPaffil %
Jt.
i
P
^B^'^'^Ï -..-
'-'J^&mÊk
x9\
mSÊ ejol.
Sffl
mik ,
MFM m/'-f^
•f'
DE RESTAURATIEQPTIE
^•^•^HhJ-luo
: '
* \ yn^>
H
Vóór de demontage van de kroonluchter werd nagegaan welke onderdelen er ontbraken. Het betrof één volledige kaarsenhouder (stang, schotelhouder, kom en knop), twee knoppen, één kom en vier kaarsen.
Mi /(
fH
corrosievlekken zichtbaar op de messing onderdelen. Daarnaast werd op één van de kaarsenhouders, waarop nog kaarsvet aanwezig was, rode en zwarte kopercorrosie waargenomen. Deze zones vertonen hier en daar ook putjes. De kroonluchter leek op het eerste gezicht te hangen aan messing staven met gegoten messing ooghaken. Na demontage in het atelier bleken het messing hulzen te zijn, waarin smeedijzeren stangen geschoven werden waarvan de uiteinden in de messing ooghaken geschroefd zijn. Sommige van deze stangen bevonden zich in een (vermoedelijk) slechte staat. Er zijn vijf korte stangen, waarvan er vier aangetast waren en er zijn tien lange stangen, waarvan er twee aangetast waren. De aantasting bestond uit dwarse scheuren in het metaal. O p sommige plaatsen bevinden zich lacunes in het metaal. O p enkele stangen was lokale roestvorming ontstaan, doordat de verflaag er plaatselijk verdwenen was. De vijf wapenschilden zijn telkens voorzien van een tekst of afbeelding ingevuld met kleurpigmenten. Over het algemeen bevinden deze pigmenten zich nog in een vrij goede staat maar de kleuren zijn dof geworden onder invloed van stof en vuil. Ook de glazen bollen waren zodanig bedekt met een dikke laag oppervlaktevuil dat het materiaal onherkenbaar geworden was. Bij één van de bollen is een stuk glas afgebroken. Het afgebroken deel is niet meer aanwezig. De houten sierbollen zijn voorzien van een rode en goudkleurige polychromie. De bollen zijn nog in een vrij goede staat maar ook hier zijn de kleuren dof geworden door stof en vuil.
Het uitgangspunt van deze opdracht was een conserverende ingreep waarbij de luchter ontstoft werd en gereinigd. Daarnaast diende de gedegradeerde vernis vernieuwd te worden daar er corrosie ontstaat op de plaatsen waar de vernis van het messing verdwenen is. Het verwijderen van de vernis ging gepaard met een behandeling tegen de corrosie. De ijzeren elementen dienden een anti-roest behandeling te ondergaan. O m technische redenen werd er geopteerd om vervormde delen recht te buigen. O o k dienden enige ontbrekende elementen bijgemaakt of aangepast te worden omwille van stabiliteitredenen. Uit esthetisch oogpunt werd er overgegaan tot enkele restauratieve ingrepen, met name het bijmaken van de ontbrekende delen die de ritmering van de luchter verstoorden. Aangezien de luchter bestaat uit een herhaling van elementen, waren er voldoende onderdelen die als model konden dienen.
DE BEHANDELING De ontmanteling Daar de luchter in het gewelf van de kerk is bevestigd, was het nodig om een stelling te laten plaatsen met een hoogte van twaalf meter om op deze manier de bovenste stang los te kunnen koppelen. De stelling werd rondom de kroonluchter opgebouwd, zodat er vanaf een platform boven de luchter gewerkt kon worden. Voor het neerlaten van de luchter diende een zachte ondergrond gecreëerd te worden. Hiervoor werd een stevige tafel onder de luchter geplaatst, met daarop een dikke mousse (matras). Aan de hand van een vooraf opgesteld schema met nummering werden al een groot aantal onderdelen voorzien van een label voor de luchter werd neergelaten. Rond de glazen bollen werd uit voorzorg bubbelfolie aangebracht om eventuele schade bij het loskoppelen van de stangen te voorkomen. O p vier plaatsen werden touwen aan de luchter bevestigd. Vervolgens werd de luchter door vier personen voorzichtig aan deze touwen opgehesen, zodat de ijzeren stangen zich min of meer vanzelf
loskoppelden. Hierna werd de luchter op een gelijkmatige manier neergelaten op de tafel. De overige delen werden vervolgens systematisch tot in het gewelf ontmanteld. Voor het transport was het noodzakelijk om de zijspannen en de torens van de grote ring af te nemen. De verdere demontage van alle onderdelen vond plaats in het atelier. Bij de ontmanteling van de luchter bleken verschillende onderdelen genummerd. Aan de hand van deze nummering werd een tekening gemaakt met de aanduiding hoe de originele nummering zou geweest zijn. Uit deze tekening is gebleken dat er in het verleden al onderdelen verwisseld zijn. Dit zou erop kunnen duiden dat de kroonluchter in het verleden al eens behandeld is geweest.
Analysen en proeven O m een aantal specifieke problemen beter te kunnen inschatten, werden analysen uitgevoerd in het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium door Helena Wouters en Steven Saverwyns (dossier 2004.08474). O p vraag van de opdrachtgever werd de samenstelling van de legering bepaald. Niet-destructieve XRF analyse wijst op koper-zink legering (= messing). De verhoudingen liggen tussen 6 5 % Cu - 3 5 % Zn en 7 0 % Cu - 30 % Zn. Vervolgens werden ook de verschillende corrosievormen geanalyseerd. De groene corrosie bestaat uit kopersulfaat. Bij één kaarsenhouder, waarop nog kaarsvet aanwezig is, worden de rode en zwarte kopercorrosievlekjes geanalyseerd. De aanwezigheid van Cu (koper) en O (zuurstof), maar ook een sporenhoeveelheid van C (koolstof) en Cl (chloride) wordt gemeten. De rode en zwarte korrels zijn toe te schrijven aan cupriet en tenoriet (meest voorkomende koperoxiden). De sporenhoeveelheid chloor is waarschijnlijk afkomstig van de paraffine, daar het nergens anders aanzet heeft gegeven tot de vorming van koperchloriden. Het merendeel van de bruin-zwarte zones op de kaarsenhouder vertonen hier en daar putjes, die het gevolg zijn van beginnende oxidatie van de legering. Deze zones zijn niet meer bedekt met een afwerkingslaag en zijn dientengevolge sterker onderhevig aan corrosie. De identificatie van de vernis werd uitgevoerd op twee bloemmotiefjes. De vernissen werden geanalyseerd met gaschromatografie-massaspectroscopie of kortweg G C M S . Uit de testresultaten is gebleken dat het hoofdbestanddeel damar is. Daarnaast werd in een aanzienlijk lagere concentratie een olie (mogelijk walnootolie) gedetecteerd, naast een
spoor van een naaldboomhars en eventueel een spoortje sandarac hars. Deze drie laatste componenten zijn echter in minimale hoeveelheden aanwezig in vergelijking met damar. Dit type vernissen werd in de 19 e en begin 20 ste eeuw op het Europese vasteland vaak gebruikt op schilderijen en werd zoals uit deze analyses blijkt ook toegepast op andere objecten. Voor de determinatie van de kleurpigmenten in de wapenschilden werd het pauselijk schild gekozen omdat hier alle kleuren voorkomen. De analyse gebeurde aan de hand van niet-destructieve microRamanmetingen, er diende dus geen monster genomen te worden. De resultaten zijn als volgt: menie in de rode zone; in de blauwe zone Pruisisch blauw (dit is het eerste synthetische pigment, ontdekt in 1704) gecombineerd met loodwit; in de witte zone loodwit; de groene zone bestaat uit chroomgroen, dit is een mengeling van Pruisisch blauw en chroomgeel. Dit laatste is eveneens een synthetisch pigment, voor het eerst gesynthetiseerd in 1809. In de groene zone werd sporadisch ook bariumwit gemeten. In de zwarte zone worden koolstofhoudende elementen gemeten (grafiet, houtskool, ...). Zoals reeds aangehaald, waren een aantal ijzeren stangen aangetast. Deze aantasting bestond uit kleine dwarse scheurtjes in het metaal. De oorzaak hiervan is ongekend. Zijn de scheuren ontstaan doordat het zware gewicht van de kroonluchter aan de stangen trekt en deze als het ware uiteengetrokken worden? Of zijn de scheuren ontstaan tijdens de vervaardiging? Het is mogelijk dat bij het 'koud trekken' van stangen een dergelijke aantasting ontstaat. De kern van het metaal is dan nog flexibel, terwijl de buitenste laag hard is en scheurt doordat deze uiteen getrokken wordt. Er werd besloten om op slechts één van de stangen een trekproef uit te laten voeren, terwijl voor de overige stangen de voorkeur uitging naar hergebruik. De test moest bepalen hoeveel draagkracht de aangetaste stangen nog kunnen verdragen vooraleer deze zouden breken. De proef werd uitgevoerd door het Onderzoek Centrum voor Bouwkunde (OCB, Brugge). Hieruit is gebleken, dat bij een aangetaste stang pas breuk optreedt bij een kracht van 18,2 kN. Aangezien deze waarden zijn berekend voor één enkele stang en het gewicht van de gehele luchter wordt verdeeld over meerdere stangen, mag men concluderen dat het veilig is om de huidige stangen te gebruiken. Uiteraard diende er na dit onderzoek één stang vervangen te worden.
A De kroon wordt
De kroon na de
afgestoft bij de
volledige
aanvang van de
behandeling
behandeling
(foto N. Vergouwen-
(foto N.Vergouwen-
E. van Biezen)
E. van Biezen)
De reiniging De reiniging van de messing onderdelen wordt aangevat met een oppervlaktereiniging. Deze bestaat uit het verwijderen van stof met een zachtharige borstel en een ontvetting, doorgaans met solventen zoals aceton en white spirit. Daarna worden de resten van de vernis verwijderd met ethanol. O m de corrosie op het metaal te verwijderen werd het messing in een EDTA (19) bad gedompeld. EDTA is een complexvormer en vormt een 'tang' rond het corrosieproduct waardoor het in de oplossing terechtkomt. Dit wordt zichtbaar doordat de oplossing in het bad groen kleurt. Zeer belangrijk na deze behandeling is, dat er zeer goed gespoeld wordt met gedemineraliseerd water om alle EDTAresten te verwijderen. Indien er residu achterblijft, kan dit in de toekomst opnieuw corrosie veroorzaken. Alle gespoelde onderdelen worden vervolgens 'gedroogd' in ethanol. O m alle onderdelen een uniform aspect te geven, werden ze nog nagepolijst met een commercieel polijstmiddel ( C u l 3 , Le Lion Brussel). Alle kleine onderdelen werden gepolijst op de polijstmachine met een polijstborstel in combinatie met dit neutraal commercieel poetsmiddel. De grote onderde-
len zoals de zijspannen, de torens en de messing hulzen werden manueel gepolijst eveneens met dit poetsmiddel en katoenwatten. Na het polijsten moeten alle onderdelen weer grondig worden gereinigd met aceton om te voorkomen dat er polijstmiddel achter zou blijven. Vervolgens werd elk onderdeel afzonderlijk gedroogd in ethanol. Tenslotte werd het oppervlak voorzien van een acrylaatvernis (Incralak, in twee lagen op het oppervlak gespoten). Vanwege de aanwezigheid van een verflaag was het niet mogelijk om de gehele wapenschilden ondet te dompelen in een EDTA-bad daar dit de kleuren zou beschadigen, daarom werd EDTA in de vorm van een gel gebruikt. Deze werd voorzichtig op het messing oppervlak aangebracht, zonder de pigmenten te raken. De werking hiervan is gelijk aan die van een EDTA-oplossing in een bad. Na ongeveer een kwartier wordt de gel weer verwijderd en wordt het oppervlak op dezelfde manier nabehandeld als de andere messing onderdelen. De kleurpigmenten werden enkel opgehelderd met behulp van enzymen (speeksel) en gedemineraliseerd water in combinatie met katoenwatten. O p
tannaat. Hierdoor krijgt het oppervlak een donker uiterlijk. O m het oppervlak te beschermen tegen nieuwe roestvorming werden twee lagen microkristallijne was aangebracht, dit op alle ijzeren onderdelen.
De corrosie op de toren wordt verwijderd in het EDTA-bad (foto N.VergouwenE. van Biezen)
Zoals eerder vermeld, werd voor de trekproef één smeedijzeren stang opgeofferd. Deze stang hebben we laten bijmaken, voorzien van aangepaste schroefdraad, maar tevens diende de stang ook nog op maat te worden gemaakt, omdat de diameter van de oude stangen niet overeenkomt met de huidige standaardmaten. De nieuwe stang werd over de gehele lengte afgeschuurd tot op de exacte, oorspronkelijke diameter. Ook deze stang werd preventief ter bescherming voorzien van tannine en twee lagen microkristallijne was.
•*
Een onderdeel wordt manucel gepolijst (foto N.VergouwenE. van Biezen)
Voor de behandeling van de glazen bollen hebben wij advies gevraagd aan glasrestaurateur Jeroen Maes. Deze wist ons te vertellen dat de bollen ver-
Er worden twee lagen acrylaatvernis op het oppervlak gespoten (foto N.VergouwenE. van Biezen)
Het schild wordt met EDTA-gel behandeld.
deze kleurvlakken werd geen beschermlaag aangebracht, enkel op het messing werden twee lagen acrylaatvernis (Incralak) met een penseel aangebracht. Alle ijzeren onderdelen (stangen en in veel gevallen schroefdraad) werden eerst ontstoft en ontvet met aceton. In geval van de beschilderde smeedijzeren stangen werd enkel een droge ontstoffing uitgevoerd, dit om de verflaag niet onnodig te beschadigen. Vervolgens werden de nier-beschilderde ijzeren onderdelen behandeld met een roestomvormer. Het vormt de actieve ijzercorrosie om tot stabiel ijzer-
Onderaan is al gel aangebracht (foto N.VergouwenE. van Biezen)
Bijmaken van ontbrekende onderdelen Deze kaarsenhouder,
De onbrekende messing onderdelen (kaarsenhouder, knoppen en kom) werden bijgegoten door de professionele metaalgieterij G.J. van de Bergh uit het Nederlandse Schoonhoven. Ze werden vervaardigd volgens de verloren was-techniek. Na het gieten dienen deze onderdelen nog afgewerkt te worden. Dat houdt in dat de giethuid verwijderd wordt door deze af te vijlen en te schuren. De onderdelen worden vervolgens gepolijst op de polijstmachine met een polijstborstel in combinatie met het neutraal commercieel poetsmiddel. Tenslotte werden ook op deze stukken twee lagen acrylaatvernis aangebracht.
knop en kom werden bijgcmaakt (folo N.VergouwenE. van Biezen)
vaardigd zijn uit sodakalk glas. De bewaringstoestand werd in orde bevonden. Alleen het reinigen van het oppervlak met aceton of ethanol was gewenst. Et wetd ook besloten om de lacune in de beschadigde bol niet aan te vullen daat de bol nog altijd voldoende stevigheid bezit. O p aanraden van houtrestaurateur Anton Venhuizen werd het oppervlaktevuil van de houten bollen voorzichtig verwijderd met white spirit en katoenwatten of eventueel met enzymen (speeksel) en katoenwatten. Alleen al door deze behandeling kwamen de kleuren opnieuw tot hun recht. Nadien werd het oppervlak voorzien van een laag microkristallij ne was.
1VI&L
De vier ontbrekende kaarsen met druiprand konden niet in de handel gevonden worden. Daarom werd van een kaars een mal van siliconenrubber gemaakt en werden ze vervolgens gegoten in paraffine.
Montage In de omgekeerde volgorde van de demontage werd de luchter weer gemonteerd. Een groot deel daarvan werd in het atelier uitgevoerd (de kroon, de torens, de zijspannen met de bloemversiering, de messing hulzen rond de smeedijzeren stangen), terwijl de grotere delen in de kerk zelf aan elkaar bevestigd werden. Tijdens de montage kwamen er nog wat kleine problemen aan het licht. Vóór de behandeling zat de kroonluchter vol stof, vuil en corrosie. Hierdoor
•
T
De behandelde
Een zijspan na
onderdelen van de
reiniging en na het
zijspannen voor de
terugplaatsen van
montage
de kandelaars
(foto N.ïergouwen-
(foto N.ïergouwen-
E. van Biezen)
E. van Biezen)
• De beschermde
stangen
De kroonluchter is
getrokken
glazen bollen
(foto N. Vergouwen-
bevestigd aan
(foto N. Vergouwen-
worden gemonteerd
E. van Biezen)
touwen en wordt
E. van Biezen)
aan de smeedijzeren
leken alle onderdelen goed vast te zitten. Na de behandeling is gebleken, dat in enkele gevallen de verschillende onderdelen als gevolg van het wegnemen van dit vuil en de corrosie niet meer zo goed vastdraaiden. Het was voor enkele kaarsenhouders dan ook noodzakelijk om de schroefdraad aan te passen, zodat deze opnieuw stevig vastgedraaid konden worden. Bij de torens hadden we hetzelfde probleem. Tijdens de montage werd geconstateerd, dat het bovenste gedeelte van de toren onstabiel was. O m dit probleem op te lossen werd er langs de onderzijde een dun messing plaatje tussen de moer en het grondvlak gemonteerd om zo het draagvlak te vergroten en het geheel veel meer stevigheid te geven. In de kathedraal is de kroonluchter eerst op een tafel volledig in elkaar gezet. Deze opbouw gebeurde stap voor stap rond de grote ijzeren ring. Vervolgens moest de kroonluchter weer op zijn plaats worden gehangen. Er werd op dezelfde manier te werk gegaan als bij de demontage. Allereerst werden de smeedijzeren stangen met daartussen de houten sierbollen op hun plaats gehangen. Aan de onderste smeedijzeren stang kon dan de kroon worden ingehaakt. Tevens werden de smeedijzeren stangen met daartussen de glazen bollen (opnieuw
naar boven
beschermd met bubbelplastiek) aan de kroon bevestigd. Aan de kroonluchter werden, net zoals bij het neerlaten, op vier punten touwen bevestigd. Het verschil met het neerlaten van de luchter was dat er nu gewerkt werd met een handbediende kettingtakel met een draagkracht van 500 kg. De lussen van de vier touwen werden aan de haak van deze kettingtakel bevestigd en vervolgens werd de luchter voorzichtig opgetakeld (de kettingtakel was op zijn beurt weer bevestigd aan de stelling en werd vanaf het plateau bediend). Nadat de luchter voldoende hoogte had bereikt, konden de smeedijzeren stangen ingehaakt worden. Als laatste werden alle kaarsen teruggeplaatst.
Nicky Vergouwen en Evelien van Biezen zijn restaurateurs van metalen voorwerpen en zaakvoerders van de firma Van Biezen-Vergouwen. Catheline Metdepenninghen is erfgoedconsulent bij het agentschap R-O Vlaanderen, Onroerend erfgoed West-Vlaanderen.
h
V
n
'><»M ""
^ir fc*w B • ^s
?
ia* ^.. > * * %
V ï^ IIÖi Tir*l
H
f^'L-*
*V
^
Restauratiegeneriek Opdrachtgever: Kathedrale kerkfabriek Sint-Salvator Brugge Uitvoerders: Nicky Vergouwen en Evelien van Biezen Architect: Luc Vermeersch Advies en werfopvolging: Vlaamse Overheid, Agentschap R-O Vlaanderen, Onroerend erfgoed West-Vlaanderen: Catheline Metdepenninghen Kostprijs: %\m euro excl. B T W Betoelaging: Vlaamse Overheid 60 %, Provincie West-Vlaanderen 30 % Periode: 3 november 2004 - 16 maart 2005
(1892, 1893 en 1894). GOETINCK M , MEULEMEESTER
^
J.L., Karel de Goede 1127-1977. Catalogus tentoonstelling 13 au-
De
gustus - 2 oktober 1977, vol. 2, Brugge, 1977, p. 60.
,,
0
(5)
B6 >
DEVLIEGHER L , Kunstpatrimonium
>r
Deel 8, De Smt-Salvatorskathedraal te Brugge, Inventaris, Tielt, C010 O- Pauwels) 1979, p. 233-234. VAN CALOEN V, VAN CLEVEN J.F. en BRAET J., Het Kasteel van Loppem, Oostkamp, 2001, p. 114115. HELBIG J., Le Baron Bethune, Fondateur des Ecoles SaintLuc, Etude Biographique, Brugge, 1906, p. 355. (6)
Het gaat biet om de noordwestelijke kranskapel. De kapel was tot circa 1578 aan de Heilige Barbara toegewijd, vanaf 1595 aan Onze-Lieve-Vrouw en in de 17 c eeuw aan de Heilige Jozef. In 1827 werd de kapel van de familie de Deckere, ook SintLievenskapel genaamd, toegewijd aan Karel de Goede toen men
paneel) plaatste. In 1878 liet men er een nieuw altaar plaatsen waarin de relieken gezet werden. Het nieuwe schrijn ontwotpen
EINDNOTEN
door Bethune paste echter niet in het altaar en men week uit naar de Babarakapel. In 1885 werd de lichtkroon in deze voormalige
De moord op Karel de Goede, geliefd om zijn rechtschapenheid
Barbarakapel geplaatst. Op dat moment werd Karel de Goede in
en liefdadigheid, was een gevolg van een conflict met de clan der
twee kapellen vereerd.
Erembalden, en in het hijzonder met Bertulf, proost van Sint-
A. Duclos bracht in 1935 alle zaken die aan de zalige herinnerden
Donaas. Dit proostschap was sinds 1089 verbonden met de func-
in 1 kapel, met name in de kapel de Deckere. De kroonluchtet
tie van kanselier van Vlaanderen. Hierbij vergaarde hij grote
bleef echter op zijn oorspronkelijke plaats hangen.
rijkdommen, echter vaak via ongeoorloofde praktijken. Zijn bui-
Pas in 2003 werd het Bethune-schrijn opnieuw in de Barbara-
tensporige macht, invloed en misbruiken werden voor veel men-
kapel/Jozefkapel geplaatst onder de luchter.
sen onaanvaardbaar. In 1126 besloot Karel de Goede Bertulf tot
GOETINCK M. en MEULEMEESTER J.L, op.at., vol. 1,
ontslag te dwingen en aldus de macht van de Erembalden te beknotten. Hij beriep zich hiervoor op de onvrije afkomst van de
p. 113-119. (7)
Erembalden. Hierop werd Karel de Goede door een neef van Bertulf in de Sint-Donaaskerk neergestoken. De moordenaars en
moord ontstond een machtsvacuüm, daar Karel de Goede geen
(8)
Door 'beeldekens' of prentjes te verspreiden die de grondbeginselen van de Christelijke kunst ten volle respecteren, wil deze vereniging de kunstzin van het Vlaamse volk aanscherpen. De gilde was opgericht door kanunnik A. Duclos, Louis Grosse, de pries-
februari 1128 een opstand los die escaleerde tot een burgeroor-
ter J. Neurath en de Engelse kunstenaar J. Buckley. DEMAREST
log. Deze gebeurtenissen hadden blijvende gevolgen voor Brugge.
H., Brugse Devotieprenten van Onze-Lieve-Vrouw ten tijde van G.
De stad kreeg een stadskeute en een college van schepenen. Tevens
Gezelle, Sint-Andries-Brugge, 1982, p. 57; VANHOONACKER
werd Brugge omwald met grachten en poorten (RYCKAERT M.
S., Geschiedenis van de uitgeverij-drukkerij Desclée De Brouwer, (onuitg.lic.verhand.), KUL, 1984, p. 92. (10) MICHIELS G., De Brugse School, Brugge, 1990, p. 73; VAN-
Samen met haar echtgenoot Charles van Caloen opdrachtgeefster
DEN ABEELE A., Drukkers en uitgevers in Brugge. 1800-1914,
van het kasteel van Loppem naar ontwerp van J.B. Bethune.
http://users.skynet.be/sbl76943/AndriesVandenAbeele/
De Brugse familie Verhulst was de opdrachtgever voor het neogotische complex in Vivenkapelle naar ontwerp van J.B. Bethune (1855-1867).
(4)
(9)
den om het graafschap brak vooral in Gent en omstreken in
en VANDEWALLE A. e.a., Brugge, De geschiedenis van een faro-
(3)
Deze prent wordt bewaard in de Provinciale bibliotheek WestVlaanderen te Brugge.
opvolger had aangeduid. Door de machtsstrijd van de buurlan-
/ ^ « a ^ T i e l t , 1999, p. 31-33). (2)
VAN CALOEN V, VAN CLEVEN J.F. en BRAET J., op.cit., p.17.
hun clan verschansten zich in de burcht. Tijdens de langdurige belegering leed ook de Sint-Donaaskerk zware schade. Door de
Salvatorkathedraal,
van West-Vlaanderen, na behandeling
er de relieken van Karel de Goede en zijn portrer (uitgesneden
(1)
kroonluchter
AVDA295.htm, p i l (11) BONNEURE F., Raoux Pieter, in BONNEURE F, DEMEESTER B., FONTIER J. en LE LOUP W. (red.), Lexikon van de
Graaf Waldbott de Bassenheim (1844-?) vestigt zich in 1878 te
Westvlaamse beeldende kunstenaars, deel 4, 1995, Brugge, p. 109.
Brugge en in 1881 in Sint-Andries. In 1884 werd hij voorzitter van
DEMAREST H., op.ctt. p. 70. GOETINCK M. en MEULE-
het inrichtend comité van de Karel de Goede stoet. Drie jaar later
MEESTER J.L., op.cit., vol. 2, p. 55 en 90; VANHOONACKER
stichtte hij het Sint-Raphaëlsgenootschap dat tot doel had de vele
S, op.cit., p. 82-88.
Vlaamse emigranten naar de Verenigde Staten en Canada te hel-
(12) LE LOUP W., Brondel Frans, in BONNEURE F., DEMEESTER
pen. Hij had een actieve rol in de sociale congressen te Luik (1886,
B., FONTIER J. en LE LOUP W. (red.), Lexikon van de West-
1887 en 1890) en de congressen van de Belgische Volksbond
vlaamse beeldende kunstenaars, deel 6, 1997, Brugge, p. 57;
BLAUWET J., Het kunstambacht in Brugge, Koperhewerking, een(16) DEVLIEGHER L, op.cit., Tielt, 1979, p. 240. familietraditie, in Brugge die Scone, 1981, nr. 4, p. 13. (13) VAN CLEVEN J., VAN TYGHEM E, DE WILDE I., HOOZEE R. e.a., Neogotiek in België, Tielt, 1994, p. 193. (14j Ibidem, p. 101. Van de Poele was een van de meest getalenteerde medewerkers/leerlingen van Bethune. (15) VAN CALOEN V, VAN CLEVEN J.E en BRAET ]., op.cit, p. 102.
(17) AWOUTERS M , DE KEYSER I. en VANDENBERGHE S., Catalogus van muziekinstrumenten Gruuthusemuseum Brugge, Brugge, 1989, p. 24. (18) Deze informatie werd ons verstrekt door E.H. S. Van Outryve d'Ydewalle, voormalig deken van de Sint-Salvatorskathedtaal. (19) Ethyleendiaminetetra-azijnzuur, 3% met pH 8.
SUIVIIVIARY BUILDING HISTORY AND RESTORATION OF THE FORMER GUESTHOUSE OF THE ABBEY SITE VLIERBEEK IN KESSEL-LO T h e former Benedictine abbey Vlierbeek in Kessel-Lo was founded in the 12th century by the Duke of Brabant in marshland just outsideLouvain. It had a quite turbulent history. Periods of intense building activity alternated with evenly intense times of demolition. T h e restoration of the former guesthouse was finished by the end of 2006. Its monumental baroque facade, together with the classicistic church, make up the main aspect of the actual abbey site. Before and during the restoration campaign, the authors have carried out material-technical research as well as to its building history. T h e results of this research are explained in this article. After an early success period, the Vlierbeek abbey clearly had a decline with financial troubles. The absolute low was the pillaging and destruction by the troops of William of the house of Orange during the siege of Louvain in 1572. After the reorganisation of the remaining monastic community in 1589, a new abbey complex was built between 1627 and 1642, when the monks left their refuge within Louvain's city walls to return to their original site in Vlierbeek. In the early 18th century the abbey was involved in the religious conflict concerning Jansenism, which had a large number of followers within the University of Louvain. This scholastic dispute also had a political aspect, turning against the reign of Louis XIV in France and the Spanish king Charles VI in the Southern Netherlands, and it was only officially closed in 1713 by a papal bull convicting the Jansenistic morality. During these times Vlierbeek lived its climax as a centre of European Jansenism. The abbot Pieter Paridaens (1655-1728) had several abbey buildings rebuilt. By the end of the 18th century more extension works were started, but during the French Revolution the Vlierbeek monks were once again forced to leave their abbey. It was then sold at a public auction in 1798 and the valuable library, with numerous 12th and 13th century manuscripts, was lost for all eternity. Then started the demolition of the abbey, with a sad climax in the 19th century. Luckily, the former guesthouse, the main wing of the 17th century abbey, was preserved. Typical for the building is a remarkable baroque fa9ade, with a monumental row of columns. Although the homogenous architecture suggests a continuous building history, it appeared from research of the roof timbers that this wing was built in three separate building phases. Very little was preserved from the original 17th and early 18th century interior, but research proved that at its completion in 1727, this wing was extremely sober. In the 19th century the building was given a new function and was completely transformed and divided into three separate, functional parts with a scope to rent it out. T h e facade was
thoroughly changed, whereby the high baroque windows were lowered and the typical green plaster was applied. Over the past few decades the guesthouse was mainly vacant and the buildings condition rapidly deteriorated. After the recent restoration, the building could once again be occupied by three new tenants, following the 19th century lay-out. Research had revealed the original position, finishing and colour scheme of the facade. T h e current conservatory restoration nevertheless preserved the 19th century function, with the 19th century condition as a reference.
THE SIGNIFICANCE OF MILITARY DOMAINS IN FLANDERS REGARDING ARCHAEOLOGY, HISTORY AND LANDSCAPE In 2005 an investigating archaeological and historical study was made of 12 military domains. This was done within the framework of the heath restoring campaign LIFE by the VUB (Free University Brussels) commissioned by the former division of Monuments & Landscapes. As these were designed as military domains, they were not affected by the 19th and 20th century processes which transformed the surrounding landscapes. Thus these areas include nearly fossilized forest and heathland from the early 19th century which makes them archaeologically and historically valuable. Especially the heathland has been marked by the different phases of deforestation, heath development, exploitation and afforestation, each leaving their traces in the culture landscape. T h e archaeological research was based on the data of the Central Archaeological Inventory (CAI), completed with soil map, hydrography and topography as well as the results of the Digital Height Model Flanders ( D H M ) . For the historical part of this study, the available historical maps have been compared starting from the Ferraris map (circa 1770). O n top of that the main toponyms for the landscape's reconstruction were selected and analyzed.
M&L SSP;.
'•tif i
Research of additional literature was to provide more information regarding the institutional background and the historical arrangement of the military domains. Because of the short time span of this research and the vastness of the domains, two test areas were selected and studied in detail, namely Brasschaat and Leopoldsburg. In these two areas an investigating terrain research could also
•*'•'•
e carried out. Because of the lack/absence of large-scale soil works on military domains, archaeological sites from all eras stand a fairly good chance to be preserved in an undisturbed cons t like the prehistoric site the Moerken in Brasschaat. As for the cultural history a lot of attention is paid to the relic zones near small and larger settlements and villages, originally situated on the rim of heathland and the abbey farms. T h e Spiekelspaede site is a fine example of an extremely well documented site with a whole range of relics. As concerns the landscape relics, the vast areas of heathland as well as the systematically planted coniferous forests have their specific story of development, the traces of which can still be seen in the actual landscape. As for the future, there is on the one hand a need for a large-scale archival research in order to get a clear view on the use, property, division etc. of the land. O n the other hand the terrain research should be prominent in the study of military domains. Together with the first evaluation of the heritage value of these military domains, instructions could be given regarding the specific management of the domain. This information on the former landscape can indeed serve as a basis for the management of existing landscapes. T h e balance between modern landscape management and favourable conditions for archaeological and historical relics is essential.
•EMM
M&L
IKJ^W
THE RESTORATION OF A NEO-GOTHIC CHANDELIER In Charles the Good's chapel in Bruges Saint Salvator's cathedral, there is an impressive Neo-Gothic chandelier from 1885. T h e chandelier was donated by the West Flemish Societies of Saint Francis Xaverius in honour of the blessed Charles the Good. It appears from writings and from a lithograph that it was designed by Pieter Raoux and cast by Frans Brondel. T h e chandelier was restored in 2004-2005. T h e entire construction, hanging at a height of 12 meters, needed to be demounted on site. Scaffolding was built around the chandelier, and subsequently the larger components were disassembled. Further dismantlement was done in a workshop. Treatment of the different parts was determined by the type of material: brass, iron, glass and wood. Once cleaned, the surface was treated with a protective layer, being varnish for the brass, micro-crystalline wax for the iron and wood. In order to assess correctly a number of specific problems, analyses were carried out. Smaller parts were reassembled in the workshop, the larger components were fitted on site.
WOdTÏM S C H I L D E R S B E D R I J F
1 £
ISO 9001
Schildersbedrijf W O U T I M nv Nijverheidsstraat 7 Industrieterrein 'BOKT' 3990 Peer
Tel.: 011-61 08 08 Fax: 011-61 08 09
Website: www.woutim.be info: info@woutim.be
VCA*