Jaarrapport sociale economie 2020 – Deel 1 Een globaal beeld van de sociale economie en de doelgroepwerknemers
INHOUD 1 2 3
Inleiding .................................................................................................................................................................................. 3 Methodologisch kader ................................................................................................................................................... 3 Omgevingsanalyse ........................................................................................................................................................... 5
3.1
De Vlaamse arbeidsmarkt in 2020
5
3.2
De impact van Covid-19 op de sociale economie
8
4
Globaal beeld van de sociale economie ............................................................................................................ 11
4.1 4.2
Budget Een globaal beeld van ondernemingen in de sociale economie
11 12
4.3
Een globaal beeld van de doelgroepwerknemers in de sociale economie
13
5
Profielkenmerken doelgroepwerknemers ...................................................................................................... 16
5.1 5.2
Verdeling naar geslacht Verdeling naar leeftijd
17 18
5.3 5.4
Verdeling naar studieniveau Migratieachtergrond
19 21
5.5 5.6
Weinig kennis Nederlands Provinciale spreiding naar woonplaats
23 25
6
Lijst met figuren en tabellen .................................................................................................................................. 27
6.1
Lijst met figuren
27
6.2 6.3
Lijst met tabellen Lijst met Focus-boxen
27 28
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 2 van 29
Jaarrapport Sociale Economie – Deel 1
19.11.2021
1 INLEIDING In dit rapport maken we een stand van zaken op van de sociale economie in 2020, een uitzonderlijk jaar voor de Vlaamse arbeidsmarkt door de impact van COVID-19 en de bijhorende lockdowns. We bespreken een aantal kerngetallen om een globaal beeld te kunnen geven van de verschillende maatregelen binnen de sociale economie. Daarnaast brengen we een analyse van de profielkenmerken van de doelgroepwerknemers binnen de sociale economie. In dit rapport behandelen we de volgende drie werkvormen: − Collectief maatwerk (MW) − Lokale diensteneconomie (LDE) − Arbeidszorg (AZ) Voor arbeidszorg maken we sinds 2018 een onderscheid tussen structurele arbeidszorg, experimentele arbeidszorg, en activerende arbeidszorg om zo een vollediger beeld te schetsen van de plaatsen arbeidszorg in de sociale economie.1 Dit rapport ziet er als volgt uit. In hoofdstuk twee bespreken we de methodologie en de begrippen die we gebruiken om de sociale economie in kaart te brengen. Hoofdstuk drie omvat een omgevingsanalyse die ons toelaat een beeld te vormen van de arbeidsmarkt waarvan de sociale economie een belangrijk deel uitmaakt. We besteden hier ook aandacht aan de impact van COVID-19 op de verschillende werkvormen van de sociale economie. In hoofdstuk vier schetsen we een globaal beeld van de sociale economie in Vlaanderen, waarbij we een aantal basisindicatoren die de sociale economie capteren in kaart brengen. In hoofdstuk vijf bespreken we het profiel van de doelgroepwerknemers aan de hand van een aantal achtergrond- of profielkenmerken. Dit rapport bevat geen analyse van de doorstroom van doelgroepmedewerkers en arbeidszorgmedewerkers. Deze analyse zal later opgeleverd worden in een jaarrapport deel 2, waar specifiek op dit thema de focus zal liggen, met een analyse van de populatie van 2019 en deels die van 2020.
2 METHODOLOGISCH KADER Sinds 2018 maken we gebruik van een nieuwe methodologie. Onze interne gegevens worden gekoppeld aan data van de VDAB voor alle gesubsidieerde werknemers die in 2020 tewerkgesteld waren in één van de maatregelen binnen de sociale economie. Iedere doelgroepwerknemer of arbeidszorgmedewerker die in 2020 prestaties leverde (ook tijdelijk) en gesubsidieerd werd, werd meegenomen.2 In dit rapport krijgen we zicht op de tewerkstelling van doelgroepwerknemers en deelname van arbeidszorgmedewerkers in de Vlaamse sociale economie in 2020 en hoe deze verdeeld zijn over de
In 2020 bestonden deze drie systemen van arbeidszorg en is het relevant voor dit jaarrapport om het onderscheid te maken. Vanaf 1 april 2021 werden deze plaatsen omgevormd tot arbeidsmatige activiteiten in de sociale economie. 2 Voor de profielkenmerken waarbij we rapporteren op basis van de VDAB-verrijking (studieniveau, arbeidshandicap, arbeidsbeperking, migratieachtergrond, kennis Nederlands en woonplaats) zijn er 3 personen binnen collectief maatwerk waarvoor VDAB geen gegevens kon aanleveren. Deze worden voor wat betreft die profielkenmerken dus niet in de analyse meegenomen. 1
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 19.11.2021
Jaarrapport Sociale Economie – Deel 1
pagina 3 van 29
verschillende sociale economie-maatregelen: collectief maatwerk, lokale diensteneconomie en arbeidszorg (structurele, experimentele, en activerende arbeidszorg). Op 1 januari 2019 is de regelgeving rond collectief maatwerk in voege gegaan, ter vervanging van het vroegere systeem van sociale en beschutte werkplaatsen. Het collectief maatwerk richt zich naar personen met een arbeidsbeperking: dat zijn werkzoekenden die omwille van persoonsgebonden factoren moeilijk toegang hebben tot de arbeidsmarkt. Concreet kan het gaan over mensen met een arbeidshandicap, en mensen met een multiple problematiek: mensen met een psychosociale problematiek, of langdurig werkzoekenden met een grote afstand tot de arbeidsmarkt of nood aan werkondersteunende maatregelen in een collectieve setting. Zij hebben behoefte aan specifieke begeleiding en ondersteuning op de werkvloer. Personen met een arbeidshandicap hebben een psychische of lichamelijke aandoening van langdurige aard (bv. autisme, slechthorendheid, rugklachten, …) waardoor ze het moeilijker hebben om werk te vinden of om een job uit te voeren. Een burger kan deze indicatie automatisch krijgen wanneer hij/zij over de nodige bewijzen beschikt (bv. medische attesten, bewijs van studie, recht op integratieuitkering), of na onderzoek door VDAB of een partner. Personen met een multiple problematiek hebben een psychosociale problematiek (bv. verslavingsverleden, zware financiële problemen, …) of zijn uiterst kwetsbaar omwille van een werkloosheidsduur van 2 jaar of langer én een begeleidingsnood. Deze problematieken maken het voor de burger moeilijk om werk te vinden of een job goed uit te voeren. Burgers kunnen deze indicatie krijgen na onderzoek door VDAB of een partner op basis van een ICFverslag (International Classification of Functioning, Disability and Health). Het decreet maakt verder een onderscheid tussen maatwerkbedrijven en maatwerkafdelingen.3 Maatwerkbedrijven zijn organisaties/ondernemingen die de tewerkstelling van doelgroepwerknemers als kerntaak hebben. De economische activiteiten worden daaraan aangepast. Een onderneming die haar economische activiteit als kerntaak heeft, maar wel bereid is om mee te werken aan een socialere economie, kan een maatwerkafdeling oprichten. De lokale diensteneconomie heeft twee hoofddoelstellingen: kansen bieden aan doelgroepwerknemers en tegelijk aansluiten bij lokale maatschappelijke noden. Binnen de lokale diensteneconomie wordt een competentieversterkend traject aangeboden aan mensen die (om diverse redenen) moeilijk uit de werkloosheid raken. Dit kan liggen aan persoonsgebonden factoren of de situatie waar ze zich in bevinden, denk aan personen in armoede, zeer langdurig werklozen, … Na maximum 5 jaar tewerkstelling wordt – begeleid – de stap gezet naar een job in de reguliere economie. De lokale diensteneconomie speelt niet enkel via haar tewerkstelling, maar ook via dienstverlening in op lokale, maatschappelijke noden en verankert in haar werking de principes van maatschappelijk verantwoord ondernemen. Arbeidszorg is een vangnet voor mensen die om persoons- of maatschappijgebonden redenen nog niet terechtkunnen in het reguliere circuit of het beschermde tewerkstellingscircuit. Deze mensen voeren begeleide activiteiten uit op een werkvloer in de sociale economie om zo de aansluiting met een werkcontext (opnieuw) te maken. In tegenstelling tot collectief maatwerk en lokale diensteneconomie zijn arbeidszorgmedewerkers geen werknemers, maar behouden ze tijdens de arbeidszorg hun uitkering. Ze maken kennis met gestructureerde arbeid in een realistische werkomgeving, maar zonder de druk van een betaalde baan en een arbeidscontract. In het ideale geval vormt arbeidszorg een opstap naar betaalde arbeid. De VDAB leidt potentiële arbeidszorgmedewerkers toe naar de arbeidszorgplaatsen. We onderscheiden drie vormen van arbeidszorg: −
3
Structureel kader: sinds 2002 bieden maatwerkbedrijven arbeidszorg aan via de regelgeving van sociale werkplaatsen. Deze erkenningen zijn van onbepaalde duur.
Zie voor definities: https://arvastat.vdab.be/help/arbeidsbeperking.html
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 4 van 29
Jaarrapport Sociale Economie – Deel 1
19.11.2021
−
Experimenteel kader: met het meerbanenplan kregen samenwerkingsverbanden waarbij minstens een maatwerkbedrijf betrokken was een erkenning om arbeidszorg aan te bieden.
−
Activerende arbeidszorg: in 2019 kregen projecten een erkenning binnen activerende arbeidszorg. Deze vorm van arbeidszorg richt zich meer expliciet op het begeleiden van de deelnemers met het oog op doorstromen naar tewerkstelling als doelgroepwerknemer binnen het maatwerkbedrijf.
Arbeidszorg binnen het structureel en het experimenteel kader kennen inhoudelijk meer gelijkenissen en richten zich vooral op het ontdekken van de latente functies van arbeid, zoals tijdsstructuur, gemeenschappelijke doelen, sociaal contact, status en activiteit, zonder de expliciete focus op doorstroom naar betaalde arbeid die binnen activerende arbeidszorg werd vooropgesteld met een tijdelijk traject.
3 OMGEVINGSANALYSE 3.1 DE VLAAMSE ARBEIDSMARKT IN 2020 2020 was voor de Vlaamse arbeidsmarkt een Coronacrisisjaar, waarbij opeenvolgende lockdowns het economische en maatschappelijke leven mee bepaalden. Vanaf 18 maart 2020 ging België in lockdown. Pas begin mei ging een deel van de bedrijven (B2B) terug open en het duurde tot midden mei voor hetzelfde gold voor andere bedrijven. De horeca moest nog wachten tot begin juni 2020. Vanaf midden oktober 2020 was er een tweede, ‘soepelere’ lockdown, met opnieuw eerst de sluiting van de horeca, en later ook de sluiting van niet-essentiële winkels en contactberoepen. Niet-essentiële winkels mochten eind november terug open, maar de beschermingsmaatregelen bleven tot in 2021 streng. Maatwerkbedrijven werden vanaf begin april erkend als essentiële activiteit door de federale overheid, waardoor ze bepaalde van hun activiteiten konden verder zetten rekening houdend met de beschermende maatregelen op de werkvloer. In de traditionele indicatoren toonde de Vlaamse arbeidsmarkt zich echter onder Corona erg veerkrachtig. De werkzaamheidsgraad (20-64 jaar) (Figuur 1) kende maar een zeer beperkte terugval, van 75,5% in 2019 tot 74,7% in 2020. De werkloosheidsgraad (15-64 jaar) (Figuur 2) kende dan weer een zeer beperkte stijging, van een historisch lage 3,3% in 2019 tot een nog steeds lage 3,5% in 2020.
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 19.11.2021
Jaarrapport Sociale Economie – Deel 1
pagina 5 van 29
Figuur 1 Evolutie werkzaamheidsgraad (%) (20-64 jaar), Vlaams Gewest, 2000-2020 75,5
76,0
74,6
74,0 71,9 72,0 70,0
69,7 68,9 68,6 68,6
74,7
73,0
72,3 71,5
72,1
71,8 71,5 71,9 71,9 71,9 72,0
70,4 70,6
68,1
68,0 66,0 64,0 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 Bron: Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium), Enquête naar de arbeidskrachten. Bewerking: Steunpunt werk & Departement WSE
Figuur 2 Evolutie van de werkloosheidsgraad (%) (15-64 jaar), Vlaams Gewest, 2000-2020 5,7
6,0 5,0
4,9 4,3
5,4
5,5 5,0
5,0
5,2
4,4 4,0
4,0
3,9
5,1 4,3
4,6
5,1
5,2
4,9 4,4 3,5
3,3
3,5
3,0 2,0 1,0 0,0 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 Bron: Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium), Enquête naar de arbeidskrachten. Bewerking: Steunpunt Werk & Departement WSE
Aan de oppervlakte leek de Coronacrisis dus weinig deining te veroorzaken op de Vlaamse arbeidsmarkt, maar onder de waterspiegel leek er dan weer wel veel meer te bewegen. Zo zagen we in 2020 maar een heel beperkte daling in het aantal jobs (-0,4%), maar wel een behoorlijke krimp in het aantal gewerkte uren (-13,6%).4 De kloof tussen beide kunnen we verklaren door de massale inzet van de maatregel ‘tijdelijke werkloosheid’. Tijdens april 2020, op het hoogtepunt van de inzet van tijdelijke werkloosheid, 4
Zie: https://www.dynamstat.be/nl/onder-de-waterspiegel-van-werk-en-werkloosheid
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 6 van 29
Jaarrapport Sociale Economie – Deel 1
19.11.2021
waren er in Vlaanderen bijna 700.000 tijdelijk werklozen (Figuur 3). Ook het aantal dagen dat men gemiddeld tijdelijk werkloos was kende in die maand, met 15,1, een hoogtepunt (Figuur 4). Doorheen 2020 bleef de tijdelijke werkloosheid hoog, al komen de cijfers na juni 2020 niet meer boven de 300.000 uit en daalden ook het gemiddeld aantal dagen tijdelijke werkloosheid per maand tot onder de 10. Figuur 3 Evolutie aantal tijdelijk werklozen, Vlaams Gewest, 2020 800 000 690 764
700 000 562 839
600 000
541 998
500 000 400 000
327 846 261 262
300 000 193 969
200 000
178 648
206 189
201 227
139 158
100 000 mrt/20
apr/20
mei/20
jun/20
jul/20
aug/20
sep/20
okt/20
nov/20
dec/20
Bron: RVA. Bewerking: Departement WSE Figuur 4 Evolutie van het aantal dagen tijdelijke werkloosheid per werknemer per maand, Vlaams Gewest, 2020 16,0
15,1
14,0 12,0 10,0
10,3 8,7
8,6
8,0
7,4
7,6
7,8
7,5
jul/20
aug/20
sep/20
okt/20
9,7
9,3
nov/20
dec/20
6,0 4,0 2,0 0,0 mrt/20
apr/20
mei/20
jun/20
Bron: RVA. Bewerking: Departement WSE
Tijdelijke werkloosheid maakte dus de relatieve stabiliteit in werkzaamheids- en werkloosheidsgraden mee mogelijk. Tegelijk mogen we niet uit het oog verliezen dat de impact van de Coronacrisis en de bijhorende lockdowns op bepaalde – vaak al kwetsbare – groepen groter was dan gemiddeld (Figuur 5).
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 19.11.2021
Jaarrapport Sociale Economie – Deel 1
pagina 7 van 29
Zowel jongeren (29,2%), 55-plussers (55,7%), kortgeschoolden (65,7%), personen geboren buiten de EU-28 (59,1%), en personen met een arbeidshandicap (46,0%) scoren allemaal veel lager dan de werkzaamheidsgraad voor de volledige bevolking tussen 20 en 64 (74,7%). Figuur 5 Werkzaamheidsgraad (%) kansengroepen vergeleken met de algemene werkzaamheidsgraad, Vlaams Gewest, 2020 80
74,7
65,7
70
59,1
55,7
60
46
50 40
29,2
30 20 10 0
15-24 jaar
55-64 jaar
Kortgeschoolden (25- Geboren buiten EU28 64 jaar)
Werkzaamheidsgraad kansengroepen
PMAH
Werkzaamheidsgraad 20-64 jaar
Bron: Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium), Enquête naar de arbeidskrachten. Bewerking: Steunpunt Werk & Departement WSE
Wanneer we vergelijken met 2019 zien we dat bij sommige van deze kwetsbare groepen of kansengroepen de werkzaamheidsgraad er ook sterker is op achteruitgegaan. Dit zien we in het bijzonder bij de jongeren, met een terugval van 4,2 procentpunt. We zien het ook bij kortgeschoolden (-1,7 procentpunt) en personen geboren buiten de EU-28 (-2,8 procentpunt). Deze groepen lijken dus in het bijzonder conjunctuurgevoelig. Bij 55-plussers zet de stijging in werkzaamheidsgraad van de afgelopen jaren zich wel door. Ook bij personen met een arbeidshandicap zien we een zeer lichte stijging, ook deze groep lijkt dus weinig gevoelig voor conjunctuurschommelingen.
3.2 DE IMPACT VAN COVID-19 OP DE SOCIALE ECONOMIE Ook de verschillende werkvormen binnen de sociale economie werden geconfronteerd met de impact van COVID-19 en de lockdowns. Voor het paritair subcomité (327.01) van de beschutte werkplaatsen, de sociale werkplaatsen en de maatwerkbedrijven hebben we vanaf maart 2020 zicht op de omvang van tijdelijke werkloosheid door de Coronacrisis (Figuur 6). We merken hier wel op dat de cijfers betrekking hebben op alle werknemers die onder dit paritair subcomité vallen, en dus niet enkel op gesubsidieerde doelgroepwerknemers met prestaties, zoals elders in dit rapport. De evolutie liep parallel met die op de Vlaamse arbeidsmarkt, met de hoogste cijfers naar aantal tijdelijk werklozen in april 2020, met daarna een geleidelijke daling en een tweede, beperktere piek in november 2020. Ook het aantal dagen tijdelijke werkloosheid per maand kende een gelijkaardig verloop aan dat van de Vlaamse arbeidsmarkt als geheel, met een piek in april (16,6 dagen) en daarna een daling tot november, wanneer we weer richting 9 dagen gaan (Figuur 7).
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 8 van 29
Jaarrapport Sociale Economie – Deel 1
19.11.2021
Figuur 6 Evolutie aantal tijdelijk werklozen in paritair subcomité 327.01, Vlaams Gewest, 2020 25000 20000
19 666
20 545
14 701
15000 10000
8 302 6 596 4 317
5000
3 561
2 852
4 287
3 953
0 mrt/20
apr/20
mei/20
jun/20
jul/20
aug/20
sep/20
okt/20
nov/20
dec/20
Bron: RVA. Bewerking: Departement WSE
Figuur 7 Evolutie van het aantal dagen tijdelijke werkloosheid per maand per werknemer in paritair subcomité 327.01, Vlaams Gewest, 2020 18,0
16,6
16,0 14,0 12,0 10,0
11,0 9,8
9,3
8,9 7,5
8,0
6,9
6,5
6,0
5,8
5,7
4,0 2,0 0,0 mrt/20
apr/20
mei/20
jun/20
jul/20
aug/20
sep/20
okt/20
nov/20
dec/20
Bron: RVA. Bewerking: Departement WSE
Op basis van de DmfA (Déclaration multifonctionelle/ multifunctionele Aangifte) gegevens die we ter beschikking hebben, kunnen we ook voor de werknemers van de sociale economie (en dan specifiek voor collectief maatwerk en de lokale diensteneconomie) de evolutie van tijdelijke werkloosheid in beeld krijgen, weergegeven in uren per kwartaal (Figuur 8). We zien hier zowel bij collectief maatwerk als LDE de grootste impact in het tweede kwartaal van 2020, met een sterke daling in kwartaal drie en terug een lichte stijging in kwartaal vier. In collectief maatwerk lag het aandeel werknemers dat getroffen werd door tijdelijke werkloosheid wel hoger dan in LDE, en dat gedurende alle kwartalen (Tabel 1).
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 19.11.2021
Jaarrapport Sociale Economie – Deel 1
pagina 9 van 29
Figuur 8 Evolutie van het aantal uren tijdelijke werkloosheid binnen collectief maatwerk en LDE, 2020Q2 – 2020Q4 b 3 500 000
Bron:
DmfA,
3 228 696
3 000 000 2 500 000 2 000 000 1 500 000 1 000 000 500 000
612 849
446 386
224 507
25 502
48 572
2020/3
2020/4
0 2020/2 CMW
LDE
Bewerking: Departement WSE
Tabel 1 Verhouding tussen werknemers in tijdelijke werkloosheid en niet in tijdelijke werkloosheid in collectief maatwerk en LDE, 2020Q2-2020Q4 LDE
Collectief maatwerk
2020/2
2020/3
2020/4
2020/2
2020/3
2020/4
% in tijdelijke werkloosheid
49,4%
15,9%
23,5%
76,8%
25,7%
35,7%
% geen tijdelijke werkloosheid
50,6%
84,1%
76,5%
23,2%
74,3%
64,3%
Bron: DmfA, Bewerking: Departement WSE
In Figuur 9 en Figuur 10 geven we de spreiding van het aantal uren tijdelijke werkloosheid grafisch weer in boxplots, en dat voor zowel collectief maatwerk als LDE. We stellen bij beide maatregelen vast dat de mediaan qua aantal uren tijdelijke werkloosheid het hoogste lag in kwartaal 2. Tegelijk stellen we vast dat er in kwartaal 3 en kwartaal 4 nog heel wat uitschieters zijn, personen die heel wat meer uren tijdelijk werkloos zijn dan de mediaan. De impact van de Coronacrisis op de sociale economie was dan ook sterk gebonden aan de specifieke activiteiten die een sociale economie onderneming uitvoert. Bedrijven die instonden voor toelevering aan zorg en farma-industrie kenden zo bijvoorbeeld veel minder impact dan ondernemingen die actief waren in de horeca of retailsector.
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 10 van 29
Jaarrapport Sociale Economie – Deel 1
19.11.2021
Figuur 9 Boxplot van het aantal uren tijdelijke werkloosheid per werknemer in collectief maatwerk per kwartaal, 2020Q2-2020Q4
Bron: DmfA, Bewerking: Departement WSE
Figuur 10 Boxplot van het aantal uren tijdelijke werkloosheid per werknemer in LDE per kwartaal, 2020Q22020Q4
Bron: DmfA, Bewerking: Departement WSE
4 GLOBAAL BEELD VAN DE SOCIALE ECONOMIE 4.1 BUDGET Voor 2020 werd in totaal 416 miljoen euro aan subsidies toegekend voor de verschillende sociale economie werkvormen (Tabel 2). Het grootste deel van het budget (386,3 mio) werd voorzien voor collectief maatwerk. De lokale diensteneconomie was goed voor 25,8 mio en arbeidszorg voor 3,8 mio.
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 19.11.2021
Jaarrapport Sociale Economie – Deel 1
pagina 11 van 29
Tabel 2 Sociale economie budget, 2019-2020 Maatregel
2019
2020
Collectief maatwerk
392,9 mio
386,3 mio
LDE
25,7 mio
25,8 mio
Arbeidszorg
4,5 mio
3,8 mio
TOTAAL
423,1 mio
416 mio
Bron: Departement WSE. Bewerking: Departement WSE
Bij collectief maatwerk ging 51,9% van het bestede budget naar de loonpremies, 31,3% naar begeleidingspremies, 13,3% naar organisatiepremies en 1,1% naar subsidies in kader van het VIA 5-akkoord. Er zijn voor 2020 twee éénmalige subsidies toegekend naar aanleiding van de COVID-19 crisis voor 2,4% van het budget. Het was verder ook mogelijk om de subsidie voor begeleiding in arbeidszorg niet te koppelen aan de effectieve prestaties van de arbeidszorgmedewerker aangezien deze omwille van de lockdown niet altijd mogelijk waren. Dit had als doel om de arbeidszorgorganisaties te ondersteunen tijdens de Coronacrisis.
4.2 EEN GLOBAAL BEELD VAN ONDERNEMINGEN IN DE SOCIALE ECONOMIE In 2020 waren er 154 maatwerkbedrijven en -afdelingen, 180 lokale diensteneconomie initiatieven en 53 initiatieven in de arbeidszorg. Bij maatwerk onderscheiden we 140 maatwerkbedrijven en 14 maatwerkafdelingen. Sommige bedrijven bieden meerdere tewerkstellingsvormen aan, waardoor er een overlap is tussen vooral collectief maatwerk en arbeidszorg (Figuur 11). Figuur 11 Aantal ondernemingen binnen de verschillende werkvormen van de sociale economie, 2020 200
180
180 160
154
140 120 100 80 53
60 40 20 0 CMW
LDE
AZ
Bron: Departement WSE, Bewerking: Departement WSE
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 12 van 29
Jaarrapport Sociale Economie – Deel 1
19.11.2021
Collectief maatwerk is het talrijkst aanwezig in Antwerpen en West-Vlaanderen (Figuur 12). Bij de lokale diensteneconomie springt ook Antwerpen eruit, terwijl we bij arbeidszorg de meeste initiatieven in WestVlaanderen kunnen aantreffen. We rapporteren hier op het niveau van de hoofdzetel van de onderneming. Bij ondernemingen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest kan het dus gaan om ondernemingen wiens zetel daar gevestigd is, maar waarbij de activiteiten uitgeoefend worden in het Vlaams Gewest. Figuur 12 Aantal ondernemingen binnen de verschillende werkvormen van de sociale economie, 2020
50 45 40 35 30 25 20 15 10 5 0
WestVlaanderen
OostVlaanderen
Vlaams Brabant
Brussels H Gewest
27
36
25
2
36
35
21
6
10
9
0
Antwerpen
Limburg
CMW
37
27
LDE
45
37
AZ
10
11
13 CMW LDE
AZ
Bron: Departement WSE, Bewerking: Departement WSE
4.3 EEN GLOBAAL BEELD VAN DE DOELGROEPWERKNEMERS IN DE SOCIALE ECONOMIE In 2020 waren er in totaal 28.079 doelgroepwerknemers actief in de sociale economie.5 Dit is minder dan in 2019, toen we 28.741 doelgroepwerknemers telden (Figuur 13 & Figuur 14). De meeste doelgroepwerknemers vinden we in collectief maatwerk (23.318), goed voor 83% van de doelgroepwerknemers. In LDE tellen we 2.559 doelgroepwerknemers, wat overeenkomt met 9,1%. Binnen arbeidszorg treffen we de meeste personen binnen de structurele arbeidszorg (1.194; 4,3%), gevolgd door experimentele arbeidszorg (673; 2,4%). Activerende arbeidszorg is de kleinste maatregel, met 335 personen (1,2%).
Niet al deze doelgroepwerknemers waren gedurende het volledige jaar 2020 actief. Het volstaat om minstens 1 dag een gesubsidieerde prestatie te hebben geleverd om te worden meegenomen in de populatie van dit jaarrapport. 5
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 19.11.2021
Jaarrapport Sociale Economie – Deel 1
pagina 13 van 29
Figuur 13 Overzicht van het aantal doelgroepwerknemers in de sociale economie (per maatregel), 2020 28 741 28 079
TOTAAL 23 447 23 318
CMW 2 635 2 559
LDE 829 673
Experimentele AZ
1 393 1 194
Structurele AZ
437 335
Activerende AZ 0
5 000
10 000
15 000 2019
20 000
25 000
30 000
35 000
2020
Bron: Departement WSE, Bewerking: Departement WSE
Figuur 14 Relatieve verdeling werkvormen/maatregelen, 2020 Structurele AZ; 4,3%
van
doelgroepwerknemers
over
de
verschillende
Activerende AZ; 1,2%
Experimentele AZ; 2,4% LDE; 9,1%
CMW; 83,0%
CMW
LDE
Experimentele AZ
Structurele AZ
Activerende AZ
Bron: Departement WSE, Bewerking: Departement WSE
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 14 van 29
Jaarrapport Sociale Economie – Deel 1
19.11.2021
We kunnen de tewerkstelling van doelgroepwerknemers ook uitdrukken in VTE (voltijds equivalent) (Tabel 3). We doen dit enkel voor collectief maatwerk en LDE, gezien er bij arbeidszorg geen betaalde prestaties worden geleverd en omrekening naar VTE dus niet mogelijk is. We rapporteren cijfers per kwartaal en een jaargemiddelde. Tabel 3 Tewerkstelling binnen de sociale economie in VTE, 2020 Maatregel
2020/1
2020/2
2020/3
2020/4
Jaargemiddelde
Collectief maatwerk
18 020
17 539
18 112
18 377
18 012
LDE
1 856
1 709
1 704
1 713
1 745
Bron: Departement WSE, Bewerking: Departement WSE
Specifiek voor collectief maatwerk kunnen we ook rapporteren over de werkondersteuningspakketten (WOP) die doelgroepwerknemers krijgen (Figuur 15). Het werkondersteuningspakket bestaat uit twee componenten, een loonpremie en een begeleidingsvergoeding. Het WOP wordt bepaald door VDAB en hangt samen met het soort indicatie dat de werkzoekende kreeg.6 Wanneer we naar de WOP’s kijken, zien we dat bepaalde types duidelijk veel meer voorkomen dan andere. Dit hangt samen met de overgangsbepalingen die bij de overgang naar collectief maatwerk van toepassing waren op zittende doelgroepmedewerkers in sociale en beschutte werkplaatsen. Zij kregen immers een specifiek WOP toegewezen, zijnde een WOP met hoge begeleidingsgraad en 60% loonpremie.7 Per onderneming wordt vanaf 2019 10% van de zittende doelgroepwerknemers geëvalueerd, met het oog op doorstroom, bij positieve evaluatie, naar een reguliere jobcontext. Na deze evaluatie kan het WOP ook aangepast worden. Voor doelgroepwerknemers aangeworven na 1 januari 2019, zijn de werkondersteuningspakketten maximaal vijf jaar geldig. Ook hier is vervolgens een verplichte evaluatie voorzien.8 Figuur 15 Verdeling van types WOP (loonpremie / begeleidingsgraad), 2020
Bron: Departement WSE, Bewerking: Departement WSE
Het gaat hier om de indicaties: PMAH (persoon met arbeidshandicap)6 en PSP (personen met een psychosociale arbeidsbeperking). Een zeer klein deel van de populatie is geïndiceerd als uiterst kwetsbaar. 7 Zie concreet art. 108 §2 maatwerkbesluit voor alle overgangsbepalingen. 8 Zie: https://partners.vdab.be/sociale-economie/collectief-maatwerk-wop#pakket 6
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 19.11.2021
Jaarrapport Sociale Economie – Deel 1
pagina 15 van 29
We geven hier ook weer hoeveel niet-werkende werkzoekenden, die niet in opleiding zijn, er momenteel geïndiceerd9 zijn voor collectief maatwerk en de lokale diensteneconomie (Tabel 4). Voor collectief maatwerk ging het eind december 2020 om 6.759 personen, voor LDE om 1.064 personen. Deze personen hebben dus een advies CMW of LDE, maar zijn momenteel niet aan de slag als doelgroepwerknemer en zijn nog steeds gekend bij VDAB als NWWZ. Tabel 4 Aantal NWWZ (niet in opleiding) met een advies voor tewerkstelling in de sociale economie, verdeeld naar WOP, 2020 Maatregel
Loonpremie %
Begeleidingsgraad
Aantal
Collectief maatwerk
45
laag
*
45
midden
1 450
45
hoog
351
55
hoog
*
60
midden
*
60
hoog
3 402
/
/
1 550
Totaal collectief maatwerk
6 759
Totaal LDE
1 064
Bron: VDAB, Bewerking: Departement WSE * te laag om te rapporteren
5 PROFIELKENMERKEN DOELGROEPWERKNEMERS Om een inschatting te kunnen maken van de profielkenmerken van de doelgroepwerknemers die in 2020 gesubsidieerd werden en prestaties leverden in de sociale economie, lieten we interne data verrijken met VDAB-gegevens die ons een beter beeld geven van het specifieke profiel van de doelgroepwerknemers. We maken telkens de vergelijking met de algemene werkende populatie. Hierbij gaat het over de totale groep werkenden tussen 20-64 jaar – tenzij anders aangegeven. Daarnaast maken we ook de vergelijking met de populatie zeer langdurig (> 2 jaar) niet-werkende werkzoekenden in het jaar 2020.10 Zo kunnen we zien in welke mate de sociale economie kwetsbare groepen bereikt.
In het kader van de decreten collectief maatwerk en lokale diensteneconomie is VDAB als arbeidsmarktregisseur bevoegd voor indicering van de doelgroepwerknemer. ICF is de methodiek die VDAB gebruikt om te indiceren. Indicering is het onderzoek dat nagaat of iemand erkend wordt als persoon met een arbeidsbeperking en die op basis hiervan adviezen kan krijgen. 10 Merk op dat we vanaf het volgende jaarrapport (2021) zullen werken me de nieuwe werkzoekendenindeling van VDAB; de werkzoekenden zonder werk (WZW). 9
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 16 van 29
Jaarrapport Sociale Economie – Deel 1
19.11.2021
5.1 VERDELING NAAR GESLACHT Binnen de sociale economie zijn mannen duidelijk oververtegenwoordigd (63,9%%) en dit opvallend meer dan in de gewone werkende bevolking (52,8%) en de populatie zeer langdurig werkzoekenden (55,6%). Deze oververtegenwoordiging merken we op in alle maatregelen. Ze is het hoogste binnen LDE (66% mannen en 34% vrouwen), en het laagste bij experimentele arbeidszorg (54,7% mannen en 45,3% vrouwen) (Figuur 16 & Tabel 5). Figuur 16 Verdeling naar geslacht (%) binnen de sociale economie maatregelen, 2020 100,0% 90,0% 80,0%
36,0%
34,0%
64,0%
66,0%
CMW
LDE
45,3%
70,0%
36,9%
36,7%
36,1%
63,1%
63,3%
63,9%
47,2%
44,4%
52,8%
55,6%
Werkende bevolking
> 2 jaar NWWZ
60,0% 50,0% 40,0% 30,0%
54,7%
20,0% 10,0% 0,0%
Experimentele Structurele AZ Activerende AZ AZ Man
TOTAAL
Vrouw
Bron: Departement WSE & VDAB, Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium), Enquête naar de arbeidskrachten. Bewerking: Departement WSE
Tabel 5 Verhouding mannen en vrouwen binnen de sociale economie maatregelen, absoluut en relatief, 2020 Maatregel
Mannen
Vrouwen
Collectief maatwerk
14 919
64,0%
8 399
36,0%
LDE
1 688
66,0%
871
34,0%
Experimentele arbeidszorg
368
54,7%
305
45,3%
Structurele arbeidszorg
753
63,1%
441
36,9%
212
63,3%
123
36,7%
17 940
63,9%
10 139
36,1%
Activerende arbeidszorg
TOTAAL sociale economie
Bron: Departement WSE & VDAB, Bewerking: Departement WSE
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 19.11.2021
Jaarrapport Sociale Economie – Deel 1
pagina 17 van 29
5.2 VERDELING NAAR LEEFTIJD Het aandeel 55-plussers is hoger in de sociale economie (22,2%) dan binnen de algemene werkende bevolking (17,6%), maar het is lager dan het aandeel 55-plussers in de populatie zeer langdurig werkzoekenden (43,2%). Ook tussen de sociale economie maatregelen onderling is er heel wat verschil. De lokale diensteneconomie vertegenwoordigt het grootste aandeel 55-plussers, met 26,6%, gevolgd door experimentele arbeidszorg (23,8%). Binnen deze maatregelen zal de vergrijzing de komende jaren een belangrijke impact hebben. Het kleinste aandeel 55-plussers vinden we bij activerende arbeidszorg (11,3%). Jongeren zijn binnen de sociale economie en de werkende bevolking bijna gelijk vertegenwoordigd (7,0% in de sociale economie tegenover 7,2% bij de werkende bevolking). De jongste populatie vinden we in de activerende arbeidszorg, daar is 17,3% jonger dan 25. Bij LDE vinden we het laagste aandeel jongeren, met 4,3% (Figuur 17 & Tabel 6). Figuur 17 Verdeling naar leeftijd (%) binnen de sociale economie maatregelen, 2020 100,0% 90,0%
21,9%
80,0%
23,8%
26,6%
11,3%
20,5%
17,6%
22,2%
43,2%
70,0% 60,0%
71,3%
50,0% 70,9%
40,0%
69,1%
70,3%
7,2%
4,3%
5,9%
CMW
LDE
72,4%
75,2%
70,8%
49,1%
30,0% 20,0% 10,0% 0,0%
17,3%
7,0%
Experimentele Structurele AZ Activerende AZ AZ < 25
25-54
7,0%
7,2%
7,7%
TOTAAL
Werkende bevolking
> 2 jaar NWWZ
55+
Bron: Departement WSE & VDAB, Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium), Enquête naar de arbeidskrachten. Bewerking: Departement WSE
Tabel 6 Verhouding naar leeftijd binnen de sociale economie maatregelen, absoluut en relatief, 2020 Maatregel
< 25
25-54
55+
Collectief maatwerk
1 675
7,2%
16 530
70,9%
5 113
21,9%
LDE
110
4,3%
1 768
69,1%
681
26,6%
Experimentele arbeidszorg
40
5,9%
473
70,3%
160
23,8%
Structurele arbeidszorg
84
7,0%
865
72,4%
245
20,5%
58
17,3%
239
71,3%
38
11,3%
Activerende arbeidszorg
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 18 van 29
Jaarrapport Sociale Economie – Deel 1
19.11.2021
TOTAAL sociale economie
1 967
7,0%
19 875
70,8%
6 237
22,2%
Bron: Departement WSE & VDAB, Bewerking: Departement WSE
Focus 1 Gedetailleerde verdeling naar leeftijd, 2020 <25
25-29
30-34
35-39
40-44
45-49
50-54
55-59
> 60
CMW
7,2%
10,3%
10,9%
11,2%
11,5%
12,7%
14,3%
14,9%
7,1%
LDE
4,3%
9,0%
10,4%
12,9%
11,5%
11,1%
14,2%
17,1%
9,5%
Experimentele arbeidszorg
5,9%
6,4%
8,6%
9,1%
12,0%
16,6%
17,5%
18,6%
5,2%
Structurele arbeidszorg
7,0%
8,1%
9,8%
11,1%
12,6%
12,8%
18,0%
15,6%
4,9%
Activerende arbeidszorg
17,3%
15,5%
12,2%
11,6%
11,3%
11,9%
8,7%
9,0%
2,4%
14,5%
15,1%
7,1%
TOTAAL sociale 7,0% 10,1% 10,8% 11,3% 11,6% 12,6% economie Bron: Departement WSE & VDAB. Bewerking: Departement WSE
Wanneer we de sociale economie als geheel overschouwen, behoort het grootste deel van de werknemers tot de leeftijdsgroep 55-59 (15,1%), gevolgd door 50-54 (14,5%). Bijna 30% van de doelgroepwerknemers en arbeidszorgmedewerkers zijn dus 50-plussers. Zestigers zijn veel minder vertegenwoordigd. Enkel in LDE (9,5%) en experimentele arbeidszorg (5,2%) raakt hun aandeel over de 5%. Activerende arbeidszorg springt eruit als maatregel met de jongste populatie, met bijna 1/3 jonger dan 30.
5.3 VERDELING NAAR STUDIENIVEAU Kortgeschoolden zijn zeer sterk oververtegenwoordigd in de sociale economie (81,5%), terwijl het aandeel kortgeschoolden in de algemene werkende bevolking (25-64 jaar) 14,7% bedraagt. Bij de zeer langdurig werkzoekende bevolking komt het aandeel kortgeschoolden neer op 53,7%. Het grootste aandeel kortgeschoolden vinden we bij het collectief maatwerk (83,7%) en de activerende arbeidszorg (83,3%). Het kleinste aandeel vinden we in de lokale diensteneconomie (68,5%). Middengeschoolden zijn sterk ondervertegenwoordigd in de sociale economie als geheel (16,3%). We vinden het hoogste aandeel in de lokale diensteneconomie (26,8%) en de structurele arbeidszorg (25,8%). In de algemene werkende bevolking vormen hooggeschoolden de grootste groep (42,1%), terwijl deze groep maar zeer beperkt vertegenwoordigd is binnen de sociale economie (2,3%). Het grootste aandeel hooggeschoolden vinden we terug in de lokale diensteneconomie (4,7%) (Figuur 18 & Tabel 7).
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 19.11.2021
Jaarrapport Sociale Economie – Deel 1
pagina 19 van 29
Figuur 18 Verdeling naar studieniveau (%) binnen de sociale economie maatregelen, 2020 100,0%
1,9% 14,4%
90,0% 80,0%
4,7%
3,1%
3,9%
26,7%
26,3%
25,8%
2,3%
3,0% 13,7%
15,2%
16,3% 42,1%
70,0%
31,1%
60,0% 50,0% 83,7%
40,0%
70,6%
68,5%
30,0%
83,3%
70,3%
81,5%
43,2% 53,7%
20,0% 10,0%
14,7%
0,0% CMW
LDE
Experimentele Structurele AZ Activerende AZ AZ Kortgeschoold
Middengeschoold
TOTAAL
Werkende bevolking
> 2 jaar NWWZ
Hooggeschoold
Bron: Departement WSE & VDAB, Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium), Enquête naar de arbeidskrachten. Bewerking: Departement WSE
Tabel 7 Verhouding naar studieniveau binnen de sociale economie maatregelen, absoluut en relatief, 2020 Maatregel
Kortgeschoold
Middengeschoold
Hooggeschoold
Collectief maatwerk
19 525
83,7%
3 357
14,4%
433
1,9%
LDE
1 754
68,5%
684
26,7%
121
4,7%
Experimentele arbeidszorg
475
70,6%
177
26,3%
21
3,1%
Structurele arbeidszorg
839
70,3%
308
25,8%
47
3,9%
279
83,3%
46
13,7%
10
3,0%
22 872
81,5%
4 572
16,3%
632
2,3%
Activerende arbeidszorg
TOTAAL sociale economie
Bron: Departement WSE & VDAB, Bewerking: Departement WSE
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 20 van 29
Jaarrapport Sociale Economie – Deel 1
19.11.2021
Focus 2 Gedetailleerde verdeling naar studieniveau, 2020 Lager 3e graad onderwijs 2e graad 2e graad 3e en 4e sec. 3e graad + 1e graad sec. sec. graad sec. algemeen sec. DBSO + sec beroeps andere beroeps + kunst technisch Leertijd
HBO + Bachelor
Master
CMW
31,1%
47,7%
2,7%
9,5%
2,6%
2,3%
2,3%
1,2%
0,7%
LDE
33,0%
23,3%
7,2%
16,6%
6,6%
3,6%
5,1%
3,4%
1,3%
4,5%
4,0%
2,5%
1,1%
AZ 24,1% 38,9% 5,3% 15,4% 4,2% Bron: Departement WSE & VDAB. Bewerking: Departement WSE
We splitsen hier de gegevens naar studieniveau verder uit. We rapporteren hier over de verschillende vormen van arbeidszorg samen. Bij collectief maatwerk (47,7%) en arbeidszorg (38,9%) zijn medewerkers met als hoogste diploma 2de graad secundair beroepsonderwijs in de meerderheid. Wie een getuigschrift BUSO heeft valt binnen deze groep, vandaar de sterke vertegenwoordiging. Bij LDE gaat het om mensen met ten hoogste een diploma lager onderwijs of eerste graad secundair onderwijs (33%). Op de derde plaats in alle werkvormen zien we personen met een diploma 3e of 4e graad secundair beroepsonderwijs.
5.4 MIGRATIEACHTERGROND Een persoon wordt door VDAB beschouwd als persoon met een migratieachtergrond als hij of zij een huidige of vorige nationaliteit heeft van buiten de EU en buiten de EVA-landen. Binnen de sociale economie als geheel heeft 17,9% van de doelgroepwerknemers een migratieachtergrond. Dit is ruim meer dan het dubbele van hun aandeel in de algemene werkende bevolking (7,0%). Het aandeel personen met een migratieachtergrond is echter nog groter bij de populatie zeer langdurig werkzoekenden (28,5%). Het grootste aandeel vinden we bij de lokale diensteneconomie (38,9%) en het kleinste aandeel vinden we bij structurele arbeidszorg (15,3%) (Figuur 19 & Tabel 8).
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 19.11.2021
Jaarrapport Sociale Economie – Deel 1
pagina 21 van 29
Figuur 19 Aandeel personen met een migratieachtergrond (%) binnen de sociale economie maatregelen, 2020 100,0% 90,0% 80,0% 70,0% 60,0%
61,1% 84,2%
84,2%
84,7%
15,8%
15,3%
50,0%
77,3%
82,1%
71,5% 93,0%
40,0% 30,0% 20,0% 10,0%
38,9% 15,8%
0,0%
Migratieachtergrond
22,7%
17,9%
28,5% 7,0%
Geen migratieachtergrond
Bron: Departement WSE & VDAB, Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium), Enquête naar de arbeidskrachten. Bewerking: Departement WSE
Tabel 8 Aanwezigheid van personen met een migratieachtergrond binnen de sociale economie maatregelen, absoluut en relatief, 2020 Maatregel
Migratieachtergrond
Geen migratieachtergrond
Collectief maatwerk
3 676
15,8%
19 639
27,2%
LDE
995
38,9%
1 564
61,1%
Experimentele arbeidszorg
106
15,8%
567
84,2%
Structurele arbeidszorg
183
15,3%
1011
84,7%
76
22,7%
259
77,3%
5 036
17,9%
23 040
82,1%
Activerende arbeidszorg
TOTAAL sociale economie
Bron: Departement WSE & VDAB, Bewerking: Departement WSE
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 22 van 29
Jaarrapport Sociale Economie – Deel 1
19.11.2021
Focus 3 Gedetailleerde verdeling naar migratieachtergrond, 2020 De origine van een werkzoekende is gebaseerd op de huidige en de vorige nationaliteit. VDAB krijgt deze gegevens uit het Rijksregister. Merk op dat we hier een licht andere definitie gebruiken dan in het afbakenen van de groep met migratieachtergrond, waar personen uit de EU en EVA-landen NIET meegenomen worden. CMW
LDE
AZ
TOTAAL
België
79,7%
52,3%
77,3%
77,2%
EU15 (muv België)
3,3%
5,9%
4,4%
3,7%
EU28 (muv EU15)
0,9%
2,3%
1,5%
1,1%
Rest Europa
1,2%
3,7%
1,1%
1,4%
Afrika
3,2%
7,6%
3,3%
3,6%
Azië
4,8%
14,8%
4,3%
5,7%
Maghreb – Turkije
5,2%
10,9%
6,8%
5,9%
Amerika
0,4%
0,4%
0,5%
0,4%
0,9%
1,1%
Onbekend 1,0% 2,0% Bron: Departement WSE & VDAB. Bewerking: Departement WSE
We stellen vast dat personen van Belgische origine dominant zijn in alle werkvormen, maar het minst in LDE (52,3%). Over de hele sociale economie zijn personen met origine in de Maghreb-landen en Turkije, met 5,7% de tweede groep. Dit heeft vooral te maken met het feit dat dit de tweede grootste originegroep is binnen collectief maatwerk (5,2%). Binnen LDE vinden we personen met origine Azië op de tweede plaats (14,8%).
5.5 WEINIG KENNIS NEDERLANDS In 2019 had 9,2% van de doelgroepwerknemers en arbeidszorgmedewerkers van de VDAB het label ‘weinig kennis Nederlands’ gekregen. Dit wil zeggen dat deze personen geen of een beperkte kennis van het Nederlands hebben Binnen de lokale diensteneconomie (15,0%) vinden we het grootste aandeel personen met weinig kennis van het Nederlands terug. Bij structurele arbeidszorg (5,9) liggen de cijfers het laagste (Figuur 20 & Tabel 9).
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 19.11.2021
Jaarrapport Sociale Economie – Deel 1
pagina 23 van 29
Figuur 20 Aandeel personen met weinig kennis Nederlands (%) binnen de sociale economie maatregelen, 2019 100,0% 90,0% 80,0% 70,0% 60,0%
91,3%
50,0%
85,0%
93,2%
94,1%
6,8%
5,9%
Experimentele AZ
Structurele AZ
86,0%
90,8%
14,0%
9,2%
Activerende AZ
TOTAAL
40,0% 30,0% 20,0% 10,0%
8,7%
0,0%
CMW
15,0% LDE
Weinig kennis Nederlands
Niet weinig kennis Nederlands
Bron: Departement WSE & VDAB, Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium), Enquête naar de arbeidskrachten. Bewerking: Departement WSE
Tabel 9 Aanwezigheid van personen met weinig kennis van Nederlands binnen de sociale economie maatregelen, absoluut en relatief, 2019 Maatregel
Weinig kennis Nederlands
Niet weinig kennis Nederlands
Collectief maatwerk
2 027
8,7%
21 288
91,3%
LDE
384
15,0%
2 175
85,0%
Experimentele arbeidszorg
46
6,8%
627
93,2%
Structurele arbeidszorg
70
5,9%
1 124
94,1%
47
14,0%
288
86,0%
2 598
9,2%
25 556
90,8%
Activerende arbeidszorg
TOTAAL sociale economie
Bron: Departement WSE & VDAB, Bewerking: Departement WSE
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 24 van 29
Jaarrapport Sociale Economie – Deel 1
19.11.2021
5.6 PROVINCIALE SPREIDING NAAR WOONPLAATS We gaven al eerder (zie 4.2) een overzicht van de provinciale spreiding van de sociale economiebedrijven zelf. Hier geven we ook een overzicht van de provinciale spreiding naar verblijfplaats van de doelgroepwerknemers en arbeidszorgmedewerkers in de sociale economie (Figuur 21 & Tabel 10). Figuur 21 Provinciale spreiding naar verblijfplaats van de doelgroepwerknemers binnen de sociale economie, 2020 Brussels H. Gewest; 0,8%
Andere; 0,4%
Provincie WestVlaanderen; 24,4%
Provincie VlaamsBrabant; 12,9%
Provincie Antwerpen; 25,6% Provincie Limburg; 15,2%
Provincie OostVlaanderen; 20,7%
Bron: Departement WSE & VDAB, Bewerking: Departement WSE
Tabel 10 Provinciale spreiding naar verblijfplaats van de arbeidszorgmedewerkers binnen de sociale economie maatregelen, 2020 Antwerpen Limburg
doelgroepwerknemers
OostVlaamsWestBrussels H. Vlaanderen Brabant Vlaanderen Gewest
en
Andere
CMW
25,7%
13,8%
20,6%
13,0%
25,7%
0,8%
0,4%
LDE
33,7%
22,8%
17,6%
11,8%
13,1%
0,9%
0,1%
Experimentele AZ
14,6%
25,0%
30,8%
11,1%
18,4%
0,1%
0,0%
Structurele AZ
16,9%
22,7%
28,9%
11,2%
19,9%
0,3%
0,0%
Activerende AZ
14,0%
5,7%
1,8%
31,3%
47,2%
0,0%
0,0%
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 19.11.2021
Jaarrapport Sociale Economie – Deel 1
pagina 25 van 29
TOTAAL sociale economie
25,6%
15,2%
20,7%
12,9%
24,4%
0,8%
0,4%
Bron: Departement WSE & VDAB, Bewerking: Departement WSE
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 26 van 29
Jaarrapport Sociale Economie – Deel 1
19.11.2021
6 LIJST MET FIGUREN EN TABELLEN 6.1 LIJST MET FIGUREN Figuur 1 Evolutie werkzaamheidsgraad (%) (20-64 jaar), Vlaams Gewest, 2000-2020 .................................................6 Figuur 2 Evolutie van de werkloosheidsgraad (%) (15-64 jaar), Vlaams Gewest, 2000-2020 ...................................6 Figuur 3 Evolutie aantal tijdelijk werklozen, Vlaams Gewest, 2020......................................................................................... 7 Figuur 4 Evolutie van het aantal dagen tijdelijke werkloosheid per werknemer per maand, Vlaams Gewest, 2020..................................................................................................................................................................................................................................... 7 Figuur 5 Werkzaamheidsgraad (%) kansengroepen vergeleken met de algemene werkzaamheidsgraad, Vlaams Gewest, 2020...............................................................................................................................................................................................8 Figuur 6 Evolutie aantal tijdelijk werklozen in paritair subcomité 327.01, Vlaams Gewest, 2020 ........................9 Figuur 7 Evolutie van het aantal dagen tijdelijke werkloosheid per maand per werknemer in paritair subcomité 327.01, Vlaams Gewest, 2020 ......................................................................................................................................................9 Figuur 8 Evolutie van het aantal uren tijdelijke werkloosheid binnen collectief maatwerk en LDE, 2020Q2 – 2020Q4 b....................................................................................................................................................................................................................10 Figuur 9 Boxplot van het aantal uren tijdelijke werkloosheid per werknemer in collectief maatwerk per kwartaal, 2020Q2-2020Q4 ................................................................................................................................................................................... 11 Figuur 10 Boxplot van het aantal uren tijdelijke werkloosheid per werknemer in LDE per kwartaal, 2020Q22020Q4 ............................................................................................................................................................................................................................. 11 Figuur 11 Aantal ondernemingen binnen de verschillende werkvormen van de sociale economie, 2020 .... 12 Figuur 12 Aantal ondernemingen binnen de verschillende werkvormen van de sociale economie, 2020 ... 13 Figuur 13 Overzicht van het aantal doelgroepwerknemers in de sociale economie (per maatregel), 2020. 14 Figuur 14 Relatieve verdeling van doelgroepwerknemers over de verschillende werkvormen/maatregelen, 2020................................................................................................................................................................................................................................... 14 Figuur 15 Verdeling van types WOP (loonpremie / begeleidingsgraad), 2020................................................................. 15 Figuur 16 Verdeling naar geslacht (%) binnen de sociale economie maatregelen, 2020 ........................................... 17 Figuur 17 Verdeling naar leeftijd (%) binnen de sociale economie maatregelen, 2020............................................... 18 Figuur 18 Verdeling naar studieniveau (%) binnen de sociale economie maatregelen, 2020 ...............................20 Figuur 19 Aandeel personen met een migratieachtergrond (%) binnen de sociale economie maatregelen, 2020.................................................................................................................................................................................................................................. 22 Figuur 20 Aandeel personen met weinig kennis Nederlands (%) binnen de sociale economie maatregelen, 2019 ................................................................................................................................................................................................................................... 24 Figuur 21 Provinciale spreiding naar verblijfplaats van de doelgroepwerknemers binnen de sociale economie, 2020 ......................................................................................................................................................................................................... 25
6.2 LIJST MET TABELLEN Tabel 1 Verhouding tussen werknemers in tijdelijke werkloosheid en niet in tijdelijke werkloosheid in collectief maatwerk en LDE, 2020Q2-2020Q4 ........................................................................................................................................10 Tabel 2 Sociale economie budget, 2019-2020 ......................................................................................................................................... 12 Tabel 3 Tewerkstelling binnen de sociale economie in VTE, 2020 ........................................................................................... 15 Tabel 4 Aantal NWWZ (niet in opleiding) met een advies voor tewerkstelling in de sociale economie, verdeeld naar WOP, 2020................................................................................................................................................................................... 16
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 19.11.2021
Jaarrapport Sociale Economie – Deel 1
pagina 27 van 29
Tabel 5 Verhouding mannen en vrouwen binnen de sociale economie maatregelen, absoluut en relatief, 2020................................................................................................................................................................................................................................... 17 Tabel 6 Verhouding naar leeftijd binnen de sociale economie maatregelen, absoluut en relatief, 2020 ....... 18 Tabel 7 Verhouding naar studieniveau binnen de sociale economie maatregelen, absoluut en relatief, 2020 .............................................................................................................................................................................................................................................20 Tabel 8 Aanwezigheid van personen met een migratieachtergrond binnen de sociale economie maatregelen, absoluut en relatief, 2020 ................................................................................................................................................... 22 Tabel 9 Aanwezigheid van personen met weinig kennis van Nederlands binnen de sociale economie maatregelen, absoluut en relatief, 2019 .................................................................................................................................................... 24 Tabel 10 Provinciale spreiding naar verblijfplaats van de doelgroepwerknemers en arbeidszorgmedewerkers binnen de sociale economie maatregelen, 2020...................................................................... 25
6.3 LIJST MET FOCUS-BOXEN Focus 1 Gedetailleerde verdeling naar leeftijd, 2020 ........................................................................................................................ 19 Focus 2 Gedetailleerde verdeling naar studieniveau, 2020 .......................................................................................................... 21 Focus 3 Gedetailleerde verdeling naar migratieachtergrond, 2020....................................................................................... 23
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 28 van 29
Jaarrapport Sociale Economie – Deel 1
19.11.2021
Colofon Samenstelling Vlaamse overheid Departement Werk en Sociale Economie Koning Albert II-laan 35 bus 20 1030 Brussel 02 553 42 56 beleid.wse@vlaanderen.be www.vlaanderen.be/departement-wse
Verantwoordelijke uitgever Dirk Vanderpoorten Secretaris-generaal
Uitgave november 2021 depotnummer D/2021/3241/351
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 19.11.2021
Jaarrapport Sociale Economie – Deel 1
pagina 29 van 29