Skip to main content

Vlaamse Raad WVG_IK_20220923_Ontwerpdecreet Leersteun_ADV DEF.pdf

Page 1

LEERSTEUNDECREET


Advies van de Vlaamse Raad voor Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, Wetstraat 34-36, 1040 Brussel W www.vlaamseraadwvg.be – T +32 2 209 01 11 – E info@vlaamseraadwvg.be

Adviesvraag

Ontwerp van decreet over leersteun

Adviesvrager

Ben Weyts - Vlaams minister van Onderwijs, Sport, Dierenwelzijn en Vlaamse Rand

Ontvangst adviesvraag

13 juli 2022

Decretale opdracht

adviesfunctie

Goedkeuring

Intersectorale kamer op 23 september 2022

Contactpersoon

Gunter Naets

gnaets@serv.be

Annick De Donder

addonder@serv.be


Inhoud Krachtlijnen

5

Advies

6

1.

Situering

6

2.

Inclusie in het onderwijs

6

2.1

Het realiseren van inclusief onderwijs

6

2.2

Commissie Inclusief onderwijs

7

3.

4.

5.

6.

Samenwerking onderwijs – welzijn

8

3.1

Samenwerken in de leersteun

8

3.2

Samenwerken met het beleidsdomein WVG

9

Samenwerking en mobiliteit tussen buitengewoon en gewoon onderwijs

9

4.1

Universal Design of Learning

9

4.2

Zorgzame mobiliteit tussen gewoon en buitengewoon onderwijs

10

4.3

Deeltijds naar buitengewoon en gewoon onderwijs

10

4.4

Overstap van buitengewoon naar gewoon onderwijs

10

4.5

Investeren in het buitengewoon onderwijs

12

Organisatie van de leersteun

12

5.1

Oprichten van een leersteuncentrum

12

5.2

Werkingsgebieden van het leersteuncentrum

13

5.3

Aansluiten bij een leersteuncentrum

13

5.4

De leersteunraad

14

5.5

Evaluatie van de leersteuncentra

14

5.6

Investeren in leersteun

15

Gepaste aandacht voor elk kind met een zorg- of ondersteuningsbehoefte

16


7.

6.1

Doelgroepen

16

6.2

Betrokkenheid van ouders en doelgroepen

17

6.3

Inschrijvingsrecht versus weigering

17

6.4

Klachten

18

Inwerkingtreding

Bijlage

18 20

Uittreksel uit het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap

20

4


Krachtlijnen De raad kijkt met gemengde gevoelens naar dit ontwerpdecreet over leersteun. Zo vindt de raad het onlogisch dat het ontwerp niet gestoeld is op een globale visie op inclusie in het onderwijs, maar deze visievorming voor zich uitschuift en onderbrengt in een nog op te richten commissie. In voorliggend ontwerpdecreet ontbreekt de ambitie om inclusie in het onderwijs echt waar te maken. Het lijkt immers alsof de Vlaamse Regering ervoor kiest om inclusief onderwijs veelal te willen onderbrengen in het buitengewoon onderwijs en niet langer in het gewoon onderwijs. Deze keuze kan de raad niet appreciëren, want het is een stap in de richting van minder inclusie in het onderwijs, een stap achteruit tegenover het M-decreet en in strijd met het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap1 en met de grondwet (art. 22ter2). Daarnaast is het voor de raad vandaag onduidelijk of dit ontwerpdecreet het M-decreet vervangt, dan wel slechts een andere invulling geeft aan de bestaande ondersteuning(snetwerken). Het is daarom noodzakelijk dat dit ontwerpdecreet ofwel gekaderd wordt binnen een bredere visie en beleid rond inclusief onderwijs (waarover een ruimer debat dient gevoerd te worden) ofwel wordt de scope van het ontwerpdecreet verkleind en de relatie met het M-decreet verduidelijkt. De raad merkt eveneens op dat in dit ontwerpdecreet de deur naar samenwerking tussen onderwijs en welzijn weliswaar op een kier wordt gezet, maar jammer genoeg niet volledig wordt opengezet. Dit is een gemiste kans voor expertisedeling en samenwerking met het oog op het welzijn en het beter includeren van (kwetsbare) kinderen met specifieke noden in het onderwijs. Een kind laat zich niet opdelen in beleidsdomeinen. De raad verwacht dat de Vlaamse Regering, die de volle bevoegdheid heeft inzake onderwijs en welzijn, hierin meer beleidsdomeinoverstijgende initiatieven neemt. De raad is tevreden dat het ontwerpdecreet voorziet in specifieke leerondersteuning voor bepaalde doelgroepen maar mist aandacht voor anderen zoals jongeren met een ernstig meervoudige beperking, jongeren met multiproblematisch gedrag, leerlingen met een chronische of langdurige ziekte en kansarme kinderen en jongeren. Het is een goede zaak dat voorzien wordt in de mogelijkheid tot overstap of terugkeer van het buitengewoon naar het gewoon onderwijs. Maar de raad benoemt in zijn advies wel zeven essentiële maatregelen en hefbomen om dit daadwerkelijk te realiseren. Tot slot stelt de raad vast dat de geplande datum van inwerkingtreding van dit nieuwe leersteundecreet (op 1 september 2023) niet realistisch noch wenselijk is. Er zal een implementatieperiode nodig zijn, waarbij de nodige tijd wordt voorzien om de operationalisering van het decreet voor te bereiden en maatregelen te treffen.

1

Zie bijlage bij dit advies.

2

Belgische Grondwet, art 22ter: Iedere persoon met een handicap heeft recht op volledige inclusie in de samenleving, met inbegrip van het recht op redelijke aanpassingen. De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen de bescherming van dat recht.

5


Advies 1. Situering De Vlaamse Regering wil dat elke leerling in Vlaanderen de juiste ondersteuning krijgt en streeft daarbij naar inclusief onderwijs. Dit was al de doelstelling van het M-decreet en wordt nu ingeschreven in het ontwerpdecreet leersteun. Dit ontwerpdecreet bevat maatregelen voor de leersteun voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften en hun leerkrachten in scholen voor gewoon onderwijs en voor buitengewoon onderwijs. Over deze regelgeving ontving de Vlaamse Raad voor Welzijn, Volksgezondheid en Gezin op 13 juli 2022 een adviesvraag van de Vlaamse minister van Onderwijs, Sport, Dierenwelzijn en Vlaamse rand, Ben Weyts. De adviesvraag is binnen de raad behandeld door de Intersectorale kamer, die het advies bij consensus goedkeurde op 23 september 2022. De raad bracht op 16 september 2021 reeds advies uit over de conceptnota ‘decreet leersteun’. In dat advies maakte de raad opmerkingen en deed suggesties bij deze conceptnota. Sommige van deze opmerkingen werden in het ontwerp van decreet dat nu voorligt voor advies opgenomen, vele niet. Daarom kijkt de raad met gemengde gevoelens naar dit ontwerpdecreet.

2. Inclusie in het onderwijs 2.1 Het realiseren van inclusief onderwijs De raad erkent dat met dit ontwerpdecreet een aantal pijnpunten die ontstaan zijn in de werking van de ondersteuningsnetwerken, worden wegwerkt. Maar hij mist een duidelijke lange termijnvisie van de Vlaamse Regering op een inclusief onderwijssysteem, waarin dit ontwerpdecreet kan worden ingebed. De visieontwikkeling op inclusief onderwijs wordt pas opgenomen door een onafhankelijke commissie wanneer het decreet al goedgekeurd zal zijn. Dit is onlogisch. De aanpassing van de regelgeving en de operationalisering zouden moeten voortvloeien uit een gedragen visie en niet omgekeerd. Bovendien ontbreekt niet alleen een gedragen visie op inclusief onderwijs, ook de ambitie om inclusie in het onderwijs echt waar te maken is er onvoldoende. Het realiseren van artikel 24 van het VN-verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap 3 dat op 1 augustus 2009 in werking trad in België, komt hierdoor niet (echt) dichterbij. Dit verdrag in het algemeen en artikel

3

Zie bijlage bij dit advies

6


24 in het bijzonder moeten nochtans de leidraad zijn om inclusie in het onderwijs waar te maken. Het is dan ook stuitend dat bepaalde beleidsbeslissingen in het ontwerpdecreet dreigen in te gaan tegen elementen uit dit verdrag. Zo wordt in het ontwerp van decreet vooral gewezen op de limieten van het gewoon onderwijs als een onvermijdelijk en onoverkomelijk gegeven, dat enkel kan opgelost worden met een versterking van het buitengewoon onderwijs. Wat dus helaas vooral doorklinkt in het ontwerpdecreet is dat leerlingen met een ondersteuningsnood het best op hun plaats zijn in het buitengewoon onderwijs en dat scholen voor gewoon onderwijs best zelf beslissen of leerlingen moeten doorverwezen worden naar het buitengewoon onderwijs. Jaarlijks stijgt het aantal leerlingen in het buitengewoon onderwijs. Vorig schooljaar zaten er meer leerlingen in het buitengewoon onderwijs dan voor de invoering van het M-decreet, terwijl nog honderden leerlingen met een beperking op de wachtlijst voor een buitengewone school stonden. Nu wordt er gewerkt aan een forse capaciteitsuitbreiding van dit onderwijs. Het is positief dat er een capaciteitsuitbreiding komt om de huidige wachtlijsten in het buitengewoon onderwijs weg te werken. Maar de raad mist een verbreding van de kijk op buitengewoon onderwijs en een inbedding in een overkoepelende visie op inclusief onderwijs. De middelen moeten maximaal geinjecteerd worden in een inclusief onderwijssysteem.

2.2 Commissie Inclusief onderwijs Zoals artikel 57 §3 van het ontwerpdecreet bepaalt, wordt er een onafhankelijke commissie van experten, academici, onderwijsprofessionals en ervaringsdeskundigen opgericht die de opdracht krijgt een advies te formuleren over een evolutie naar inclusief onderwijs en de rol van gewoon en buitengewoon onderwijs. Het is een goede zaak dat er binnen die commissie gewerkt wordt aan het opstellen van een visie over inclusief onderwijs. De commissie wordt opgericht vanaf 1 september 2023 en legt de resultaten van haar werk neer uiterlijk 30 juni 2024. De raad had liever gezien dat deze commissie zijn advies zou afleveren vooraleer de leersteun bij decreet geregeld wordt, zodat de leersteun integraal deel kan uitmaken van de gekozen weg naar inclusief onderwijs.

2.2.1

Advies van de commissie en implementatie

De output van de commissie zal slechts de eerste stap zijn in een beleid naar meer inclusief onderwijs. Het is voor de raad onduidelijk hoe richtinggevend en bepalend deze advisering zal zijn voor het toekomstige beleid. Het is evenmin duidelijk of en hoe de (volgende) Vlaamse Regering de visievorming zal finaliseren en omzetten in beleid, dan wel naast zich neer kan/zal leggen. In ieder geval is voor de raad het voorliggende ontwerpdecreet geen eindpunt om inclusief onderwijs waar te maken. Zoals gezegd zal er een visie moeten ontwikkeld worden en moet ook in de uitvoering van het ontwerpdecreet worden ingespeeld op die toekomstige visie. Het is dan ook raadzaam om bij de implementatie voldoende openheid in te bouwen voor het vervolgverhaal en de mogelijkheid open te houden om het decreet bij te sturen (indien wenselijk in het kader van de uitgewerkte visie over onderwijsinclusie). 7


2.2.2

Samenstelling van de commissie

De samenstelling van de commissie wordt bepaald in dit decreet en krijgt een concrete invulling door de Vlaamse Regering. De raad vraagt met nadruk om decretaal te bepalen dat ook vertegenwoordigers van het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin worden opgenomen om samen met het onderwijsveld een visie op inclusief onderwijs te kunnen ontwikkelen die ook voldoende wordt geïnspireerd door de ervaring en de kennis van het welzijnsveld.

3. Samenwerking onderwijs – welzijn De Vlaamse Raad WVG pleitte in zijn advies over de conceptnota leersteun meermaals en duidelijk voor een inclusieve samenwerking tussen onderwijs en welzijn. Deze samenwerking is zowel nodig met het oog op de noodzakelijke kennisdeling als met het oog op het feitelijk realiseren van integrale zorg en ondersteuning voor leerlingen met specifieke zorg- en ondersteuningsbehoeften in het onderwijs.

3.1 Samenwerken in de leersteun De raad waardeert dat er in artikel 14 vermeld wordt dat “een leersteuncentrum samenwerkingsrelaties uitbouwt voor het voorzien van leersteun, alsook voor expertiseontwikkeling en expertisedeling, met de scholen voor gewoon onderwijs, de betrokken centra voor leerlingenbegeleiding, de pedagogische begeleidingsdiensten, scholen voor buitengewoon onderwijs, welzijnspartners en andere relevante partners”. Maar deze bepaling is te minimalistisch om te kunnen spreken van een inclusieve samenwerking tussen onderwijs en welzijn. De raad uit dan ook kritiek op de beperkte betrokkenheid van de welzijnsactoren en het beleidsdomein WVG in het ontwerpdecreet. Zowel op micro- als op macroniveau zijn de linken te vrijblijvend en te weinig ingebed in het ontwerpdecreet. Zo moet voor de raad de betrokkenheid van de welzijnsactoren en het beleidsdomein WVG explicieter ingeschreven worden in het ontwerpdecreet. Dat kan bijvoorbeeld door de relevante welzijnsactoren expliciet te benoemen, zoals VAPH, Jeugdhulp, CAR en GGZ,… Daarnaast valt het de raad op dat er slechts voor de specifieke leersteuncentra type 4, 6, 7 expliciet in het ontwerpdecreet is ingeschreven dat zij verbinding moeten maken met de nodige welzijnspartners. Voor de andere types (gedragsmoeilijkheden, autisme,…) wordt deze samenwerking niet verplicht ingebouwd. Ook de link met de ervaring en de expertise van het buitengewoon onderwijs wordt hier losgelaten. De Vlaamse Regering motiveert deze keuze niet. Toch is het ook voor deze types (met hogere prevalentie en soms ‘onzichtbare’ beperking) even belangrijk om de opgebouwde knowhow te borgen en te delen. De raad wenst dat ook voor deze andere ‘types’ een verplichte samenwerking met de welzijnspartners tot stand komt met het oog op kennisdeling en het ontwijkkelen van de meest gepaste leersteun voor alle kinderen met een ondersteuningsnood.

8


3.2 Samenwerken met het beleidsdomein WVG Op dit moment loopt er een proces binnen het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin om te komen tot een conceptnota met betrekking tot kinderen en jongeren: “Vroeg en Nabij”. De raad mist afstemming tussen de evoluties inzake het leersteundecreet en “Vroeg en Nabij”. Om tot een inclusief beleid te komen, is het voor de raad evident dat er meer inspanningen geleverd worden door beide beleidsdomeinen (en al de betrokken agentschappen) om met elkaar in gesprek te gaan. Evoluties en beleidskeuzes in beide beleidsdomeinen moeten, waar zinvol en mogelijk, zo goed mogelijk op elkaar -afgestemd worden. Zo is er is bijvoorbeeld de vraag op welke manier er een link zal gelegd worden tussen de bovenlokale netwerken en de leersteuncentra en met de lokale netwerken en de scholen. Ook is niet duidelijk wat de rol is van de leersteuncentra in functie van de handelingsgerichte diagnostiek en hoe zich dat verhoudt ten opzichte van de rol van de welzijnspartners die ook een nieuwe kijk uitwerken op diagnostiek binnen “Vroeg en Nabij”. Mede hiervoor is het dus noodzakelijk dat welzijnspartners en scholen buitengewoon onderwijs niet slechts ‘kunnen’ maar ‘moeten’ betrokken worden in onder andere de leersteunraden. Bovendien bepleit de raad naast voldoende middelen voor onderwijs evenzeer voldoende uitbreiding binnen Welzijn om de opdracht als hefboom voor inclusie te kunnen waarmaken. Concreet denken we bijvoorbeeld aan een uitbreiding van de middelen GIO (Globale individuele ondersteuning voor minderjarigen) en het wegwerken van de PAB-wachtlijst. Nieuwe toegekende PAB-budgetten moeten altijd op korte termijn ter beschikking gesteld worden en inclusieve onderwijstrajecten moeten toegevoegd worden aan de PAB-prioriteringsvoorwaarden. Het al dan niet hebben van een PAB-budget mag het recht op inclusief onderwijs uiteraard niet beperken.

4. Samenwerking en mobiliteit tussen buitengewoon en gewoon onderwijs 4.1 Universal Design of Learning De raad stelt vast dat de Vlaamse Regering in dit ontwerpdecreet, net als in de voorafgaande conceptnota, blijft vasthouden aan een hokjesdenken en de opdeling in types. Ondanks de aanbeveling van de raad in zijn advies over de conceptnota wordt er niet vertrokken vanuit een Universal Design of Learning (UDL). Wanneer men uitgaat vanuit kwaliteitsvol inclusief onderwijs voor alle leerlingen, vanuit UDL, moet men in staat zijn om aan onderwijsnoden van alle leerlingen tegemoet te komen. Het valt de raad ook op dat klasgenoten van leerlingen met specifieke noden geen aandacht krijgen in dit ontwerpdecreet. Het gebeurt nog dat klasgenoten worden bekeken alsof ze de dupe zijn van zorgleerlingen, terwijl ze als ‘buddy’ een krachtige hefboom kunnen zijn in het zorg- en ondersteuningstraject. Dit wordt meestal ervaren als een win-winsituatie voor alle betrokkenen: de zorgleerling voelt zich aanvaard en krijgt extra ondersteuning, de leerkracht heeft extra 9


handen in de klas en in een zorgzame klas is er meer ruimte voor 'design for all' en minder voor pesten en uitsluiting. Daarom ook vraagt de raad specifieke aandacht voor het begeleiden van de klasgroep/klasgenoten bij het begrijpen van en het omgaan met de klasgenoot met specifieke ondersteuningsbehoeften. Peers kunnen enorm veel betekenen voor een klasgenoot maar dit vraagt een investering in een inclusief en warm klasklimaat. Het is teleurstellend dat pestgedrag door ouders en leerlingen nog al te vaak genoemd als een reden om te kiezen voor buitengewoon onderwijs als veilige omgeving, omdat diversiteit daar ‘de norm’ is.

4.2 Zorgzame mobiliteit tussen gewoon en buitengewoon onderwijs Vandaag zijn het buitengewoon en gewoon onderwijs vrij gesegregeerd georganiseerd. Er is daarom een bijkomende inspanning nodig om beide systemen beter op elkaar af te stemmen zodat naast kennis- en ervaringsoverdracht ook de leerlingen vlotter kunnen bewegen tussen beide onderwijssystemen. Hiervoor moeten de structuren flexibeler worden en moet de nodige ondersteuning voor de leerling en het onderwijs voorzien worden. Zo is er bij de overgang van het buitengewoon onderwijs naar het gewoon onderwijs een ‘doorgaande lijn’ nodig die meer flexibele overgangen mogelijk maakt en dit in functie van de noden en de ontwikkelingsfase waarin het kind/de jongere zich bevindt.

4.3 Deeltijds naar buitengewoon en gewoon onderwijs Het halftijds combineren van gewoon en buitengewoon onderwijs wordt nu mogelijk in beide richtingen. Dat is een goede zaak. De raad heeft evenwel grote bedenkingen bij het feit dat voor deze leerlingen geen leersteun wordt voorzien. Hierdoor dreigt het resultaat van dit gecombineerd leren onder druk te komen of grotendeels te verdwijnen. Het is voor de raad niet duidelijk of het combineren van twee scholen betekent dat de leerling zich in beide scholen inschrijft, dan wel in één van beide scholen. De raad pleit er voor dat de leerling zich in beide scholen kan inschrijven zodat beiden beroep kunnen doen op lestijden, extra ondersteuning en werkingsmiddelen. Om dit gecombineerd les volgen tot een succes te maken voor leerling, medeleerlingen, leerkrachten en scholen is het voor de raad noodzakelijk dat er regelmatig overleg is tussen beide scholen. Om dit ten volle te kunnen waarmaken moet er voldoende ruimte en tijd ingebouwd worden zodat dit geen extra last betekent bovenop het andere werk.

4.4 Overstap van buitengewoon naar gewoon onderwijs De raad is tevreden dat de Vlaamse Regering wil inzetten op meer samenwerking en afstemming tussen gewoon en buitengewoon onderwijs om actief te werken aan de mogelijkheid tot overstap of terugkeer van het buitengewoon naar het gewoon onderwijs. Maar de raad mist in dit ontwerpdecreet de essentiële maatregelen en hefbomen om dit daadwerkelijk te realiseren.

10


•

Ten eerste zijn er in dit ontwerpdecreet te weinig concrete artikelen opgenomen om deze overstap te faciliteren.

•

Ten tweede is het noodzakelijk, zoals ook de Vlaamse Regering erkent, om de brede ondersteuning in het gewoon onderwijs op te drijven. Alleen op deze manier wordt een vruchtbare bodem gecreëerd om de overgang mogelijk te maken voor alle betrokkenen. Maar de uitbouw van de basiszorg en verhoogde zorg in het gewoon onderwijs mist concretisering in het ontwerpdecreet. In het decreet staat onder artikel 4 dat “de Vlaamse regering de modaliteiten bepaalt voor een verdere versterking van de brede basiszorg en verhoogde zorg in de scholen”. Richtlijnen voor een concretisering ervan staan nergens opgenomen in het decreet en er wordt dus ook geen garantie gegeven dat er iets zal veranderen/verbeteren. Dat is voor de raad een groot pijnpunt. Door de basis- en verhoogde zorg in scholen niet voldoende concreet uit te werken in dit decreet, ontstaat er versnipperde regelgeving die belemmert dat er in de praktijk een continuüm aan zorg beschikbaar is in de scholen. De belofte van de Regering om bijkomend in te zetten op het versterken van de brede basiszorg en de verhoogde zorg in het gewoon onderwijs mag dus zeker geen loze belofte zijn. Dit is immers een fundamentele en noodzakelijke voorwaarde voor het welslagen van de ‘uitbreiding van zorg’ via externe expertise uit de leersteuncentra. Ook voor de brede basiszorg en de verhoogde zorg zijn er voldoende middelen nodig en dient de Regering de bewustwording en een omslag in het pedagogisch-didactisch handelen van het schoolteam te faciliteren.

•

Ten derde is het voor de raad belangrijk dat, naast het hanteren van een gemeenschappelijke taal in het buitengewoon en het gewoon onderwijs, ook wordt ingezet op het beter leren kennen van en beter afstemmen van het gewoon onderwijs op het buitengewoon onderwijs. Hiervoor zou men bijvoorbeeld kunnen denken aan good practices zoals een snuffelstage.

•

Ten vierde is een overstap maar mogelijk als er voor zij-instromers voldoende plaatsen voorzien of gewaarborgd worden in het gewoon onderwijs. In het nieuwe inschrijvingsdecreet (dat van kracht is vanaf 1 september 2022 voor de inschrijvingen van het schooljaar 2023-2024) zouden daarom de rechten van kwetsbare jongeren uit het buitengewoon onderwijs best nog versterkt worden.

•

Ten vijfde moet volgens de raad het uitgangspunt zijn om drempels weg te werken bij de overstap van gewoon naar buitengewoon onderwijs en omgekeerd. Maar het is niet duidelijk hoe dit concreet zal gerealiseerd worden want al bij al blijft het ontwerpdecreet sterk hangen in het onderscheid tussen beide onderwijsvormen. Zo worden de onderwijstypes niet herbekeken. Het voorstel om te werken met een urenpakket op basis van de reële behoeften (cf. advies over de conceptnota, p. 14) is volgens de raad een beter mechanisme.

•

Ten zesde leest de raad in de memorie van toelichting bij artikel 85 dat een leerling uit het buitengewoon basisonderwijs de mogelijkheid krijgt om voltijds les te volgen in het gewoon basisonderwijs, maar wordt dit gekoppeld aan een periode van 2 jaar waarna de leerling onverkort recht heeft om zich in te schrijven in de school voor gewoon onderwijs. De overstap is op zich een goede zaak maar de raad wijst er wel op dat deze werkwijze mogelijks 11


perverse gevolgen heeft. Daarom stelt de raad voor om deze koppeling los te laten en er voor te zorgen dat leerlingen zo open en flexibel mogelijk kunnen bewegen tussen gewoon en buitengewoon onderwijs, los van tijd en vertrekkende vanuit wat het beste is voor de leerling in kwestie. •

Tot slot stelt de raad vast dat eens een kind in het buitengewoon onderwijs terecht komt, de weg terug niet eenvoudig is. Het is voor de raad dan ook noodzakelijk dat er effectief gemonitord wordt dat scholen voor buitengewoon onderwijs hier inspanningen voor leveren en hoeveel leerlingen deze beweging maken.

Concreet adviseert de raad om de zeven voorgaande aanbevelingen binnen het decreet verder uit te werken om de overstap of terugkeer naar het gewoon onderwijs te faciliteren.

4.5 Investeren in het buitengewoon onderwijs De raad herhaalt zijn aanbeveling uit zijn advies over de conceptnota om extra te investeren in het buitengewoon onderwijs om kwaliteitsvol onderwijs te kunnen aanbieden aan de leerlingen en om het personeel goed te kunnen omkaderen. Ook is het belangrijk om de expertise die hier bestaat niet verloren te laten gaan, en zo bij te dragen aan de intentie om buitengewoon en gewoon onderwijs beter te doen samenwerken.

5. Organisatie van de leersteun De raad leest in de memorie van toelichting dat dit ontwerpdecreet een vervanging is van het Mdecreet maar meent dat het in hoofdzaak gaat om een herstructurering van de ondersteuningsnetwerken bij het organiseren van de leersteun. De raad vraagt de Vlaamse Regering om hierin duidelijkheid te scheppen: ofwel wordt dit ontwerpdecreet toch gekaderd binnen een bredere visie en beleid rond inclusief onderwijs ofwel wordt de scope van het ontwerpdecreet verkleind tot de organisatie van de leersteun en de relatie met het M-decreet verduidelijkt.

5.1 Oprichten van een leersteuncentrum Dit ontwerpdecreet voorziet in het oprichten van maximaal 47 leersteuncentra, verdeeld over de verschillende onderwijsnetten. Alleen bestaande besturen zullen een nieuw leersteuncentrum kunnen oprichten. De raad leest deze passage alsof nieuwe initiatiefnemers binnen het onderwijs zullen uitgesloten worden om een nieuw leersteuncentrum op te richten. De raad stelt daarom de vraag of er toch ruimte kan worden gecreëerd voor eventueel nieuwe initiatieven? Naast de 47 leersteuncentra kunnen er ook specifieke leersteuncentra type 4, 6 of 7 worden opgericht die structureel samenwerken met de leersteuncentra voor de organisatie van leersteun type 4, type 6 of type 7. De raad is tevreden met deze mogelijkheid, maar vraagt waarom slechts deze drie types genoemd worden. De raad vraagt om deze lijst niet limitatief te maken en zo de mogelijkheid te voorzien dat ook specifieke leersteuncentra kunnen opgericht worden die zich op andere types richten en daarvoor de nodige kennis kunnen opbouwen en inzetten. 12


Voor de coördinatie van de leersteuncentra trekt men in het decreet 4 miljoen euro uit. De raad stelt zich de vraag of dit voldoende zal zijn. Mocht dit niet zo zijn, dan zijn bijkomende investeringen nodig zodat er geen verschuiving van de onderwijsmiddelen dient te gebeuren, die ten koste gaat van de effectieve ondersteuning van leerlingen.

5.2 Werkingsgebieden van het leersteuncentrum Voor de raad is het uitgangspunt dat alle leerlingen in Vlaanderen die nood hebben aan ondersteuning in hun onderwijstraject, hierop kunnen rekenen. De ondersteuningsnoden in elke regio/elk werkingsgebied moeten opgevangen worden. Dit vereist een goede geografische spreiding van het leersteunaanbod en de ondersteuningsexpertise. De raad vraagt om de regionale spreiding en de toegankelijkheid van de (specifieke) leersteun te bewaken en ervoor te zorgen dat de normering (o.a. qua personeelsaantallen) deze ondersteuning niet in het gedrang brengt. Het is ook sterk aangeraden om de werkingsgebieden van de leersteuncentra af te stemmen met de regio’s die in welzijn worden gehanteerd. De raad stelt immers vast dat het in het onderwijsen welzijnslandschap een enorme puzzel wordt voor scholen om de organisatie van leerlingenvervoer, CLB-ondersteuning, leersteunondersteuning,… rond te krijgen. Scholen krijgen immers te maken met CLB’s die een werkingsgebied hebben in Regionaal Overschrijdende Netwerkcentra. Die CLB’s moeten samenwerken met het welzijnsaanbod dat opgedeeld is in verschillende regio’s voor integrale jeugdzorg. Daarnaast heb je nog andere vervoersregio’s én onderwijszones. Daarbovenop komt dan nog de eigen inbedding van de leersteuncentra in het onderwijslandschap. Artikel 19 van het ontwerpdecreet geeft aan dat het bestuur van het leersteuncentrum de administratieve zetel van het centrum bepaalt. Het leersteuncentrum dat een afdeling is van een school voor buitengewoon onderwijs heeft als administratieve zetel de administratieve vestigingsplaats van die school. De raad vraagt of het adres van de administratieve zetel van het leersteuncentrum bepalend is voor het afstandscriterium op basis waarvan een school voor gewoon onderwijs kan geweigerd worden om toe te treden tot het leersteuncentrum?

5.3 Aansluiten bij een leersteuncentrum Een school voor gewoon onderwijs kan maar bij één leersteuncentrum aansluiten en kan niet rechtstreeks aansluiten bij een specifiek leersteuncentrum type 4, 6 of 7. Deze beperking kan dus de keuze van leersteuncentrum bepalen. De raad is van oordeel dat op deze wijze de vrije en gerichte keuze van leersteuncentrum wordt bemoeilijkt. Bovendien stelt er zich ook een praktisch probleem qua timing. Scholen moeten immers hun keuze van leersteuncentrum doorgeven op 1 februari maar leersteuncentra moeten pas hun samenwerkingsverbanden met specifieke leersteuncentra doorgeven op dezelfde datum. Het lijkt hier meer aangewezen dat de samenwerkingsverbanden met specifieke leersteuncentra sneller bekend worden gemaakt.

13


Naast de samenwerkingsverbanden van de leersteuncentra kan de afstand tot het leersteuncentrum leiden tot een beperking van keuze. Een leersteuncentrum kan een school immers weigeren op basis van afstand (art. 22). De raad vraagt welk afstandscriterium hier gehanteerd wordt en is van mening dat dit minstens uniform bepaald moet worden. Mits inachtneming van het voorgaande kunnen scholen zelf kiezen met welk leersteuncentrum ze samenwerken, de ouders kunnen dit niet. Het is voor de raad niet duidelijk wat er gebeurt als ouders niet tevreden zijn over de leerondersteuner van hun kind of de keuze van de school voor een bepaald leersteuncentrum. Het is ook niet duidelijk wat er gebeurt indien een school door een leersteuncentrum geweigerd wordt (op basis van het afstandscriterium). Is de ondersteuning van de leerling(en) die daar nood aan heeft/hebben, verzekerd?

5.4 De leersteunraad Het bestuur van het leersteuncentrum richt een leersteunraad op waarin de aangesloten scholen vertegenwoordigd zijn. Aangezien de leersteunraad een nieuwe beslissingsraad is die met dit decreet geïnstalleerd wordt, moet die ook opgenomen worden in de lijst van definities en afkortingen van het decreet (art. 5). Bovendien moet veel duidelijker omschreven worden welke bevoegdheden de leersteunraad heeft, wie er op welke manier in zetelt, hoe er beslist wordt, … Ook de haalbaarheid ervan moet bewaakt worden. De leersteunraad kán andere partners betrekken bij zijn werkzaamheden (bv. CLB, PBD, scholen voor buitengewoon onderwijs, welzijnspartners, vertegenwoordiging van ouders, vertegenwoordiging van leerlingen). De raad vindt tweede bepaling te vrijblijvend en vraagt om de betrokkenheid van onder andere de welzijnspartners decretaal te verplichten. De raad is immers van oordeel dat met het oog op het aanbieden van kwaliteitsvolle leersteun op maat van de leerling elk leersteuncentrum een structurele band moet hebben met de welzijnspartners, net zoals dit – tot tevredenheid van de raad - geregeld is voor de specifieke leersteuncentra en bepaalde scholen voor buitengewoon onderwijs die een aantoonbare, structurele, intensieve en nauwe samenwerking moeten hebben met welzijnspartners. Voorts kan de raad zich niet vinden in artikel 12 dat bepaalt dat elke leersteunraad een afzonderlijk inschrijvingsbeleid kan voeren. Het is beter om uniform te bepalen op welke wijze aanvragen tot leersteun worden gesteld, op welke wijze de aanvragen worden opgenomen en op welke wijze leersteun kan worden geboden. Deze uniformiteit is nodig opdat scholen en ouders niet met verschillende procedures worden geconfronteerd.

5.5 Evaluatie van de leersteuncentra Elk leersteuncentrum moet ook tegemoet komen aan de kwaliteitsverwachtingen, opgenomen in het referentiekader kwaliteitsvolle leersteun dat wordt vastgelegd door de Vlaamse Regering (memorie van toelichting bij artikel 120). Daarnaast ontwikkelt de onderwijsinspectie op basis van het referentiekader een toezichtskader om de kwaliteit van de leersteun via doorlichting van de 14


leursteuncentra te monitoren. Het zou goed zijn om de evoluties in het aantal leerlingen in de verschillende types mee te nemen in de monitoring. Meer algemeen herhaalt de raad zijn vraag uit zijn advies over de conceptnota wie deze referentie- en toezichtskaders zal valideren. Ook de vraag om bij de inspecteurs de nodige professionalisering te voorzien en hen de tijd voor de implementatie te gunnen, blijft bestaan. De raad stelt vast dat na een slechte beoordeling door de inspectie een leersteuncentrum toch nog tot het einde van het schooljaar verder kan werken gezien de continuïteit in ondersteuning. Op zich is het goed om die continuïteit te voorzien, maar het lijkt de raad opportuun om dat leersteuncentrum in tussentijd extra te ondersteunen. Hierover zijn geen bepalingen opgenomen. Het zou goed zijn om een begeleidingstraject te voorzien voor slecht functionerende leersteuncentra tijdens deze periode.

5.6 Investeren in leersteun De raad is tevreden dat de Vlaamse Regering een budgettaire inspanning doet om dit leersteundecreet uit te voeren, maar vraagt zich af of deze inspanning toereikend is om alle doelstellingen van het ontwerpdecreet te realiseren. De raad onderschrijft dan ook de opmerkingen die de Inspectie van Financiën maakte, zoals over de indexering en investeringen die nodig zijn voor onder meer de huisvesting van de leersteuncentra. Ook door het toepassingsgebied te verruimen naar onder andere Syntra voor wat de duale structuuronderdelen en aanloopstructuuronderdelen betreft, wordt de doelgroep aan leerlingen en leerkrachten voor potentiële ondersteuning uitgebreid, zonder hiervoor de nodige bijkomende middelen te genereren binnen de brede types. Verder stelt de raad vast dat er nieuwe keuzes gemaakt worden voor de verdeling van de middelen (memorie van toelichting, p.7-8). De raad vraagt om te bekijken of men met het gekozen verdelingsmechanisme nu werkelijk tegemoet komt aan alle noden van leerlingen met een ondersteuningsbehoefte. Ook extra investeren in de ondersteuning van leerkrachten is meer dan ooit noodzakelijk. Leerkrachten zijn de motor van het hele onderwijsgebeuren. De raad maakt zich evenwel zorgen over de verhoogde werkdruk. Er is meer bijscholing en overleg nodig en tegelijkertijd moeten leerkrachten grote en diverse klassen managen en ruimte kunnen geven aan elkeen in de groep. Openstaan voor inclusie is in deze omstandigheden niet evident, laat staan er effectief ruimte voor kunnen maken. Daarom roept de raad op om meer in te zetten op werkbare en haalbare les- /schoolopdrachten en op voldoende daadwerkelijke ondersteuning in de klas en op school. Daarnaast benadrukt de raad zijn tevredenheid over het feit dat leerondersteuners nu een echt statuut krijgen. Tot slot vraagt de raad erover te waken dat inclusie niet iets exclusief wordt. De raad wijst hiervoor op een belangrijke drempel voor ouders, met name de extra kosten voor leerlingen met bijzondere onderwijsnoden in het gewoon onderwijs. De investering in een sterke basiszorg en verhoogde zorg moet van die aard zijn dat ouders de rekening van inclusief onderwijs nooit zelf 15


moeten betalen. De meerkost voor inclusief onderwijs/buitenschoolse ondersteuning in het gewoon onderwijs staat haaks op het recht op redelijke maatregelen. Ouders investeren vandaag zelf nog heel veel (financieel, tijd, energie, deeltijds werken) in allerhande vormen van ondersteuning, bijles, therapie om hun kinderen die extra ondersteuning te geven die in het buitengewoon onderwijs gratis voorhanden is. Deze extra kosten zijn nog onvoldoende onderzocht, en worden ook onvoldoende erkend als reële drempel om het recht op inclusief onderwijs uit te oefenen. Ook de digitale ontwikkelingen (Digisprong) op school kunnen veel meer inzetten op aangepast lesmateriaal en ondersteuning bij leer- en ontwikkelingsproblemen. De raad vraagt hieromtrent duidelijke engagementen.

6. Gepaste aandacht voor elk kind met een zorg- of ondersteuningsbehoefte 6.1 Doelgroepen De raad is tevreden dat het ontwerpdecreet voorziet in specifieke leerondersteuning voor bepaalde doelgroepen in het kader van de leersteuncentra die worden opgericht voor type 4, 6 en 7. In de memorie van toelichting wordt terecht aandacht besteed aan de doelgroep van makkelijk lerenden of hoogbegaafde kinderen. Maar de raad mist in het ontwerpdecreet de noodzakelijke aandacht voor andere doelgroepen. Het gaat bijvoorbeeld om jongeren met een ernstig meervoudige beperking of jongeren met multiproblematisch gedrag. Bij deze doelgroepen is er vaak nood aan alternatieve trajecten, omdat er tijdelijk/permanent geen deeltijds/voltijds traject kan gelopen worden. Hiervoor zouden in samenspraak met de welzijnsactoren linken kunnen worden gelegd naar TOAH, POAH, NAFT, dagbesteding VAPH, dagcentra in de jeugdhulp, … Ook aan de leerlingen met een chronische of langdurige ziekte wordt in dit ontwerpdecreet voorbijgegaan. Uiteraard bestaan er voor deze doelgroep vandaag al heel wat hulpmiddelen (BedNet, ziekenhuisscholen, tijdelijk onderwijs aan huis, …) als ze thuis moeten blijven en is er de mogelijkheid om te voorzien in aanpassingen of spreiding in/van het lesprogramma. Daarvoor bestaat andere regelgeving. Maar veel van deze leerlingen gaan nog regelmatig naar school, en dat is ook de te prefereren situatie. In dat geval zijn er specifieke noden waarvoor het leersteundecreet een oplossing zou kunnen bieden. Zo zou het goed zijn dat dit leersteundecreet ook kan inspelen op het feit dat aandoeningen vaak onzichtbaar en onvoorspelbaar zijn, wat dikwijls leidt tot onbegrip enerzijds maar anderzijds ook tot nood aan flexibele aanpassingen in hun ondersteuningsnoden. Ook hun leerkrachten kunnen ondersteuningsnoden hebben bij het inschatten/begrijpen van de impact van ziekte op het functioneren van een leerling en het vaak wisselende verloop hiervan, het begeleiden van (specifieke aspecten van) hun onderwijsleerproces en socio-emotioneel 16


functioneren en het begeleiden van de klasgroep/klasgenoten bij het begrijpen/omgaan met de klasgenoot. Tot slot is het voor de raad onbegrijpelijk dat in dit ontwerpdecreet geen aandacht besteed wordt aan kansarme kinderen en jongeren. Zo wordt er geen enkele inspanning geleverd om de structurele oververtegenwoordiging van kwetsbare groepen in het buitengewoon onderwijs aan te pakken. De raad roept de Regering op om dringend een beleid en structurele maatregelen uit te werken om dit probleem aan te pakken. Zo denkt de raad aan het versterken van leerkrachten en scholen om voor deze doelgroep aan kwaliteitsvolle studiekeuze- en onderwijsloopbaanbegeleiding te doen. Tegelijkertijd vraagt de raad dat alle scholen voor deze leerlingen een onderwijsloopbaanbeleid uitbouwen en aandacht schenken aan hun zelfontwikkeling. Eveneens roept de raad op dat ook de leersteuncentra aan deze doelgroep specifieke aandacht besteden.

6.2 Betrokkenheid van ouders en doelgroepen De raad waardeert dat dit ontwerpdecreet voorziet in een actieve betrokkenheid van ouders bij de invulling van de leersteun maar dit mag nog sterker en concreter ingebed worden. Een actieve betrokkenheid en het installeren van een brugfiguur is aangewezen. Ouders moeten gehoord en gezien worden in het proces dat ze met hun kind lopen. De raad is daarom tevreden over het decretaal inschrijven van de steun aan de vereniging Ouders voor inclusie. De raad is wel bezorgd over het gebrek aan ondersteuning van minder mondige/geïnformeerde/opgeleide ouders en roept de Vlaamse Regering hieraan tegemoet te komen. De voorgestelde maatregelen zijn te beperkt en vrijblijvend. Er is nood aan een onafhankelijk aanspreekpunt voor ouders. Daarnaast stelt de raad vast dat ook het opstellen van regelgeving niet zonder de inspraak van betrokken belangenorganisaties mag gebeuren. Dit principe is onvoldoende gerespecteerd bij het tot stand komen van dit ontwerpdecreet.

6.3 Inschrijvingsrecht versus weigering Het VN-verdrag bepaalt het recht op redelijke aanpassingen en het recht op inschrijven in een school voor gewoon onderwijs. De vrijheid van ouders om hun kind naar de school van hun keuze te laten gaan, waar ze kwaliteitsvol onderwijs kunnen krijgen met voldoende en kwaliteitsvolle ondersteuning is voor de raad essentieel. Het moet in elk geval aan de scholen en aan de toezichthoudende overheid voldoende duidelijk worden gemaakt dat het krijgen van redelijke aanpassingen een recht is en dat het weigeren ervan discriminatie is. Scholen in het gewoon onderwijs hebben de mogelijkheid om leerlingen te weigeren wanneer de aanpassingen disproportioneel zijn. Indien dit meermaals voorvalt, wordt er ondersteuning opgezet richting de school om haar basisaanbod inclusiever te maken. Zoals ook aangegeven in het advies op de conceptnota, denkt de Vlaamse overheid daarbij teveel vanuit de mogelijkheid om te weigeren. Dit is een stap achteruit in vergelijking met de inclusiegedachte voor het gewoon onderwijs van het M-decreet. De raad is bovendien van mening dat ook bij die eerste weigering 17


reeds ondersteuning zou moeten worden opgestart en niet pas na meerdere weigeringen. Er is nood aan een laagdrempeligere monitoring. Momenteel volgen nog heel wat scholen niet het vastgelegde proces en leveren ze ook niet de noodzakelijke documenten af waardoor veel onder de radar blijft. De klassenraad krijgt een zeer grote rol in het beslissingstraject om een leerling al dan niet in te schrijven in een school. De raad vraagt dat voor deze opdracht de dialoog en adviesverlening van ouders en welzijnspartners een plaats krijgt. Tot slot herhaalt de raad de bedenking dat met ‘ieder kind op de juiste plaats’ en met de uitbreiding van het buitengewoon onderwijs de Vlaamse Regering aangeeft dat buitengewoon onderwijs de regel is en inclusie de uitzondering. Dit terwijl het M-decreet uitging van inclusie en buitengewoon onderwijs de uitzondering moest worden…

6.4 Klachten Leersteuncentra zullen fungeren als een informatiepunt voor ouders, en zullen ook in een klachtenprocedure voor ouders voorzien. De raad heeft vragen bij de onafhankelijkheid van deze leersteuncentra. Scholen kunnen immers kiezen met welk centrum ze willen samenwerken. Hoe kunnen deze centra dan tegelijk voluit de belangen van ouders en leerlingen verdedigen en hun goede verstandhouding met scholen bewaken? Daarnaast stelt de raad dat niet enkel informatie en klachtenprocedures, maar ook bemiddeling essentieel is. Ouders willen liever geen formele stappen ondernemen tegen scholen waar hun kind(eren) later mogelijks nog zal/zullen schoollopen.

7. Inwerkingtreding Dit nieuwe decreet treedt in werking op 1 september 2023. Deze timing is echter niet realistisch gezien het nog af te leggen legistieke traject. Nadat het een jaar kostte om van een conceptnota naar een ontwerpdecreet te gaan, schat de raad in dat het nog eens een jaar zal duren vooraleer het ontwerp van decreet plenair gestemd wordt in het Vlaams parlement. Wanneer het decreet vlak vóór het zomerreces van 2023 door de Vlaamse Regering bekrachtigd en afgekondigd wordt, moet de implementatie in het onderwijsveld nog starten. De reorganisatie van de ondersteuningsnetwerken tot leersteuncentra kan niet tijdens de grote vakantie van 2023 op enkele weken tijd gebeuren om op 1 september 2023 operationeel te zijn. Wellicht zijn er op dat moment ook nog niet de nodige Besluiten van de Vlaamse Regering om concreet te weten waar men op het terrein aan toe is. Dit zal voor alle betrokkenen (scholen, CLB, ondersteuners, ouders en leerlingen, …) heel wat chaos en onzekerheid inhouden, terwijl men van het onderwijs mag verwachten dat zij met de meest kwetsbare leerlingen heel zorgzaam omgaan. Keuzeprocessen voor gewoon of buitengewoon onderwijs, de keuze voor een bepaalde school met of zonder internaat/verblijf in een multifunctioneel centrum, de keuze voor een bepaald studie-aanbod of voor een bepaald curriculum (gemeenschappelijk of individueel aangepast), … gebeuren weloverwogen tijdens het voorafgaande schooljaar in overleg met een multidisciplinair 18


team (leerling, ouders, klassenraad, opvoeders leefgroep, CLB, …). Daar is (reflectie)tijd voor nodig. Omdat alle betrokken actoren het recht hebben om te weten waar ze aan toe zijn, moet er dus voldoende tijd zijn om de transitie mogelijk te maken. Dit betekent dat er binnen het decreet rekening moet worden gehouden met een implementatieperiode waarbij de nodige tijd wordt voorzien om de operationalisering van het decreet voor te bereiden en maatregelen te treffen.

19


Bijlage Uittreksel uit het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap Artikel 24 Onderwijs 1. De Staten die Partij zijn erkennen het recht van personen met een handicap op onderwijs. Teneinde dit recht zonder discriminatie en op basis van gelijke kansen te verwezenlijken, waarborgen Staten die Partij zijn een inclusief onderwijssysteem op alle niveaus en voorzieningen voor een leven lang leren en wel met de volgende doelen : a) de volledige ontwikkeling van het menselijk potentieel en het gevoel van waardigheid en eigenwaarde en de versterking van de eerbiediging van mensenrechten, fundamentele vrijheden en de menselijke diversiteit; b) de optimale ontwikkeling door personen met een handicap van hun persoonlijkheid, talenten en creativiteit, alsmede hun mentale en fysieke mogelijkheden, naar staat van vermogen; c) het in staat stellen van personen met een handicap om daadwerkelijk te participeren in een vrije maatschappij. 2. Bij de uitoefening van dit recht waarborgen de Staten die Partij zijn dat : a) personen met een handicap niet op grond van hun handicap worden uitgesloten van het algemene onderwijssysteem, en dat kinderen met een handicap niet op grond van hun handicap worden uitgesloten van gratis en verplicht basisonderwijs of van het voortgezet onderwijs; b) personen met een handicap toegang hebben tot inclusief, hoogwaardig en gratis basisonderwijs en tot voortgezet onderwijs en wel op basis van gelijkheid met anderen in de gemeenschap waarin zij leven; c) redelijke aanpassingen worden verschaft naar gelang de behoefte van de persoon in kwestie; d) personen met een handicap, binnen het algemene onderwijssysteem, de ondersteuning ontvangen die zij nodig hebben om effectieve deelname aan het onderwijs te vergemakkelijken; e) doeltreffende, aan het individu aangepaste, ondersteunende maatregelen worden genomen in omgevingen waarin de cognitieve en sociale ontwikkeling wordt geoptimaliseerd, overeenkomstig het doel van onderwijs waarbij niemand wordt uitgesloten. 20


3. De Staten die Partij zijn stellen personen met een handicap in staat praktische en sociale vaardigheden op te doen, teneinde hun volledige deelname aan het onderwijs en in het gemeenschapsleven op voet van gelijkheid te vergemakkelijken. Daartoe nemen de Staten die Partij zijn passende maatregelen, waaronder : a) het vergemakkelijken van het leren van braille, alternatieve schrijfwijzen, het gebruik van ondersteunende en alternatieve communicatiemethoden, -middelen en -vormen, alsmede het opdoen van vaardigheden op het gebied van oriëntatie en mobiliteit en het vergemakkelijken van ondersteuning en begeleiding door lotgenoten; b) het leren van gebarentaal vergemakkelijken en de taalkundige identiteit van de gemeenschap van doven bevorderen; c) waarborgen dat het onderwijs voor personen, en in het bijzonder voor kinderen, die blind, doof of doofblind zijn, plaatsvindt in de talen en met de communicatiemethoden en -middelen die het meest geschikt zijn voor de desbetreffende persoon en in een omgeving waarin hun cognitieve en sociale ontwikkeling worden geoptimaliseerd. 4. Teneinde de uitoefening van dit recht te vergemakkelijken, nemen de Staten die Partij zijn passende maatregelen om leerkrachten aan te stellen, met inbegrip van leerkrachten met een handicap, die zijn opgeleid voor gebarentaal en/of braille, en leidinggevenden en medewerkers op te leiden die op alle niveaus van het onderwijs werkzaam zijn. Bij deze opleiding moeten de studenten worden getraind in het omgaan met personen met een handicap en het gebruik van de desbetreffende ondersteunende communicatie en andere methoden, middelen en vormen van en voor communicatie, onderwijstechnieken en materialen om personen met een handicap te ondersteunen. 5. De Staten die Partij zijn waarborgen dat personen met een handicap, zonder discriminatie en op voet van gelijkheid met anderen, toegang verkrijgen tot het tertiair onderwijs, beroepsopleidingen, volwassenenonderwijs en een leven lang leren. Daartoe waarborgen de Staten die Partij zijn dat redelijke aanpassingen worden verschaft aan personen met een handicap.

21


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Vlaamse Raad WVG_IK_20220923_Ontwerpdecreet Leersteun_ADV DEF.pdf by Vlaanderen-be - Issuu