Skip to main content

Volkstuinen_eindrapport_Vlaanderen_2020_0.pdf

Page 1

E I N D R A P P O RT

EVALUATIESTUDIE VOLKSTUINEN Vlaanderen 2020


DEEL 1 Volkstuinen vandaag

INHOUD

managementsamenvatting

1.1 Beleids-, juridische & planologische context 1.2 Trends 1.3 Behoeftebepaling 1.4 Inventarisatie volkstuinen vandaag & enquête

2

Historiek en aanleiding onderzoek Terminologie Evaluatieontwerp Plan van aanpak

bronnenlijst + bijlage

31 39

04

DEEL 3 Case-onderzoek

KADER Introductie 0.1 0.2 0.3 0.4

24 26

10 10 11 18

225

3.1 3.2 3.3 3.4

Methodologie Case-selectie Resultaten case-onderzoek Impact VLM-volkstuinsubsidie

90 93 98 200


vooraf — Introductie Deze evaluatiestudie onderzoekt of de VLM-volkstuinsubsidie substantieel heeft bijgedragen aan een verbeterde werking van volkstuinen in Vlaanderen, zowel kwantitatief als kwalitatief. Om daarop te antwoorden doen we een uitgebreide toestandsbeschrijving van de volkstuinen en hun institutionele context in het (recente) verleden en op vandaag. De voornaamste onderzoeksmethoden die hierbij werden ingezet zijn: een literatuuronderzoek, een gebiedsdekkende enquête en een case-onderzoek met diepte-interviews. Dit rapport bundelt de resultaten van het evaluatieonderzoek.

DEEL 2 Doelmatigheid subsidieprocedure 2.1 2.2 2.3 2.4

Evolutie subsidiereglement Evolutie indienformulier Evolutie ingediende dossiers Evaluatie doelmatigheid

DEEL 1 — Volkstuinen vandaag

76 80 82 85

Dit deel bevat een uitgebreide toestandsbeschrijving van de actuele volkstuinen, maar ook van hun institutionele context. Daartoe worden eerst de beleids-, juridische en planologische context en vervolgens de trends onderzocht. Vervolgens wordt de theoretische behoefte bepaald, die in kaart brengt waar er nog (theoretische) tekorten zijn aan volkstuinen, en ook hoe het aantal volkstuinen en het volkstuinareaal de afgelopen decennia evolueerde. Tot slot worden de actuele volkstuinen geïnventariseerd en geënquêteerd. Bovenstaande aspecten vervolledigen ons beeld op de actuele volkstuinen en het kader waarin ze zijn ontstaan.

DEEL 2 — Doelmatigheid subsidieprocedure In het tweede deel van het rapport wordt het subsidiereglement onder de loep genomen en de weerslag daarvan op de ingediende dossiers. Daarvoor worden achtereenvolgens de evolutie van het subsidiereglement, de evolutie van de indienformulieren en de evolutie van de ingediende dossiers uitgebreid bestudeerd. Daaruit wordt als synthese de doelmatigheid van de subsidie­ procedure geëvalueerd.

DEEL 4 Blik vooruit

DEEL 3 — Case-onderzoek 210 214 216 220

Het derde deel behandelt het case-onderzoek. Eerst wordt de methodologie voorgesteld en de selectie van de 10 bestudeerde cases gemotiveerd. Vervolgens worden de 10 cases afzonderlijk beschreven in projectfiches a.d.h.v. 6 topics: concept, organisatiepartnerschappen, organisatie-dagelijks beheer, sociale dynamiek, de tuinier en de tuin. In het laatste hoofdstuk van deel 3 wordt de impact van de subsidie op alle topics, case-overschrijdend, geëvalueerd en geconfronteerd met de bevindingen uit de enquête.

DEEL 4 — Blik vooruit In het vierde en laatste deel worden de belangrijkste resultaten uit de verschillende onderzoeksdelen samengevoegd en wordt het antwoord op de centrale onderzoeksvraag stapsgewijs opgebouwd. Vervolgens blikken we vooruit met conclusies en aanbevelingen voor het volkstuinbeleid in Vlaanderen. Tot slot komen de beperkingen van het onderzoek en de pistes voor verder onderzoek aan bod.

VO O R L A ND

LEESWIJZER

4.1 Terugblik belangrijkste bevindingen 4.2 Conclusies 4.3 Aanbevelingen 4.4 Verder onderzoek

3


MANAGEMENT SAMENVATTING NL

Volkstuinen spelen traditioneel een belangrijke rol in het leven van mensen die willen moestuinieren, maar zelf over (te) weinig buitenruimte beschikken. Bovendien zijn volkstuinen ook sociale ontmoetingsplaatsen, zetten ze aan tot een gezondere levensstijl, zorgen ze voor natuurbeleving in de stad, en vervullen ze veel andere functies voor de buurt. Volkstuinen bestaan in de klassieke vorm al sinds het begin van de negentiende eeuw, maar de afgelopen 20 jaar kennen ze een opmars, waarbij de belangstelling groeit voor de uiteenlopende functies die volkstuinen kunnen opnemen. Dit vertaalt zich in een toename van verschillende nieuwe volkstuinconcepten of -types op het terrein, die elk een eigen accent leggen om een kwalitatief antwoord te bieden op de lokale maatschappelijke behoefte. De maatschappelijke noden en behoeften waarop volkstuinen in Vlaanderen een antwoord bieden, zijn de afgelopen decennia reeds uitgebreid onderzocht (UGent, 2007; UGent, 2010) en legden de basis voor de VLM-volkstuinsubsidiewerking tussen 2012 en 2018. In totaal werden in die periode 7 subsidierondes georganiseerd, waarbij ongeveer 2 miljoen euro is vrijgemaakt voor de inrichting van 166 volkstuinen. Na een opmerkelijke opmars sinds 2012, viel het aantal en de kwaliteit van de ingediende dossiers opmerkelijk terug tijdens de laatste subsidierondes. Vanuit die observatie achtte de VLM de tijd rijp om de VLM-volkstuinsubsidie te evalueren. Deze evaluatiestudie neemt daarom de VLM-volkstuinsubsidie onder de loep en bekijkt of de VLM-volkstuinsubsidie substantieel heeft bijgedragen aan de verbeterde werking van volkstuinen in Vlaanderen, zowel kwalitatief als kwantitatief. De centrale onderzoeksvraag waarop dit rapport een antwoord formuleert, luidt als volgt: ‘(Hoe) kan het beleid voor volkstuinen in Vlaanderen, waarvan het voornaamste uitvoeringsinstrument vandaag de subsidie is, worden geoptimaliseerd?’. Deze onderzoeksvraag wordt stapsgewijs beantwoord. De voornaamste onderzoeksmethoden die hierbij worden ingezet zijn: een literatuuronderzoek, een gebiedsdekkende enquête en een case-onderzoek met diepte-interviews.

4

In deel 1 van het onderzoek wordt een uitgebreide toestandsbeschrijving gemaakt van de volkstuinen en hun institutionele context in het (recente) verleden en op vandaag om de kwalitatieve noden en behoeften in kaart te brengen. Hoewel volkstuinen nog steeds niet hoog op de agenda staan, niet op beleidsmatig vlak, noch op juridisch of planologisch vlak en ze dus kwetsbaar zijn voor andere ruimteclaims, heeft dit de groei van het volkstuinareaal niet belemmerd. We zien dat nieuwe volkstuinen vandaag relatief gemakkelijk op verschillende planologische bestemmingen worden gerealiseerd. De trends leren ons dat volkstuinen al lang niet meer louter om voedselproductie draaien, maar op vandaag steeds meer verschillende functies


De behoeftebepaling becijferde dan weer dat er kwantitatief een nog grotere (theoretische) behoefte is aan volkstuinen dan 10 jaar geleden, ondanks de bijna verviervoudiging van het aantal volkstuinen in Vlaanderen. Na de uitgebreide contextschets, werd het actuele volkstuinbestand zelf bestudeerd en geënquêteerd. Er werden 371 volkstuinen geïnventariseerd, waarvan er 118 de enquête volledig invulden. De enquête polste onder meer naar het concept, de partnerschappen, het dagelijks beheer, de sociale dynamiek, het profiel van de tuiniers en de voorzieningen in de tuin zelf, en bevroeg ook de invloed van de VLM-volkstuinsubsidie op bovenstaande aspecten.

Deel 2 van de evaluatiestudie onderzoekt de doelmatigheid van de subsidieprocedure en bestudeert of de inhoud en het proces van de subsidie erin slagen om tot een gerichte selectie van gewenste volkstuinen te komen. Het subsidiereglement en de weerslag ervan op de ingediende dossiers worden onder de loep genomen. Uit het onderzoek blijkt dat het subsidiereglement sterk is geëvolueerd sinds 2012, en dat de eerder geïdentificeerde trends er ook in worden weerspiegeld. Er kan worden gesteld dat het subsidiereglement en bij uitbreiding het indienproces parallel geëvolueerd zijn met de trends, en dus met de veranderende noden en behoeften in volkstuinen.

Om ten slotte na te gaan wat de impact van de projectsubsidie is geweest, wordt in deel 3, als aanvulling op de enquête, een case-onderzoek uitgevoerd. Door middel van semigestructureerde interviews en plaatsbezoeken is er bij 10 cases, die zorgvuldig werden geselecteerd op basis van verschillende criteria (diversiteit, ouderdom, al dan niet verkrijgen van subsidies, concept, etc.), nagegaan of de subsidie ook de daadwerkelijke oorzaak is van de realisatie op het terrein als dusdanig. De impact van de subsidie wordt op alle topics, case-overschrijdend, geëvalueerd en geconfronteerd met de bevindingen uit de enquête. Omdat er een verschil is tussen de impact van de subsidieaanvraag enerzijds, die vooral wil inspelen op het creëren van de gewenste mindset van de volkstuinen in spe (inhoudelijke impuls), en de financiële middelen en hoe die worden ingezet (financiële impuls) anderzijds, worden die twee aspecten afzonderlijk belicht. Uit het case-onderzoek blijkt dat de subsidieaanvraag een belangrijk momentum creëert om het ontluikende volkstuinconcept effectief te realiseren. Over het algemeen kan worden gesteld dat de subsidieaanvraag (en het bijhorende subsidiereglement) geen verandering van ‘mindset’

teweegbrengt bij de (gewenste) volkstuinen op terrein. Het werkt eerder bevestigend. Bijgevolg hoeft de ‘mindset’ van het initiële volkstuinidee niet bijgesteld te worden om aan de subsidieaanvraag te kunnen voldoen. De verschillende aspecten (bv. sociale, ecologische, beheersmatige aspecten) opgenomen bij de focus van het subsidiereglement, zijn voor de aanvragers een evidentie. Toch blijkt uit de cases dat een subsidie essentieel is om de volkstuin effectief op te starten, wat overeenstemt met de enquêteresultaten.

Deel 4 tenslotte bundelt de belangrijkste inzichten omtrent de impact van de VLM-volkstuinsubsidie en beantwoordt de centrale onderzoeksvraag van het evaluatieonderzoek. Met concrete beleidsaanbevelingen en suggesties voor verder onderzoek wordt in dit laatste deel tevens vooruitgeblikt.

Samenvattend kunnen we stellen dat het huidige volkstuinbestand op kwalitatief vlak zeker aan de maatschappelijke noden en behoeften voldoet, maar er zijn nog steeds te weinig volkstuinen om te voldoen aan het gewenste volkstuinareaal. De rol die de VLM-volkstuinsubsidie en de bijhorende procedure hierin hebben gespeeld, is bijgevolg eveneens tweeledig. Het subsidiereglement is meegeëvolueerd met de algemene trends in de volkstuinwereld en dus ook met de verwachtingen en maatschappelijke noden. De vernieuwende concepten zoals warme tuinen en samentuinen zijn op het voorplan van de subsidieprocedure getreden en dit sluit aan bij de kwalitatieve behoeften. De vraag naar bijkomend volkstuinareaal is echter zeer groot, dus niet alle kwantitatieve behoefte is met de VLM-volkstuinsubsidie ingelost. Uit het onderzoek blijkt dat er een aantal elementen essentieel zijn om het volkstuinbeleid in Vlaanderen te optimaliseren. Vooreerst moet de term ‘volkstuin’ verder worden uitgedacht. Een weloverwogen begripskeuze en duidelijke afbakening van het beleidsvoorwerp zijn belangrijk. De term ‘eetbare buurt’ is zowel bij de enquête, de interviews en de klankbordgroep gehanteerd als mogelijk alternatief voor ‘volkstuin’ als beleidsvoorwerp. Bijkomend wordt er aanbevolen het volkstuinbeleid te verhelderen en te vervolledigen. Een langetermijnvisie en concrete doelstellingen op Vlaams niveau zijn noodzakelijk om vervolgens pas het geschikte instrument (al dan niet een subsidie) hierop af te stemmen. Een van de sleutelfactoren in de concretisering van het beleid is het onderscheid te maken tussen ‘volkstuinen als doel’ (focus op areaal uitbreiden) en ‘volkstuinen als middel’ (inzetten op tal van andere maatschappelijke noden en koppelkansen met de buurt die door volkstuinen kunnen worden ingelost). Door schaalniveaus en ambitieniveaus met elkaar te koppelen, kan een meer performant Vlaams volkstuinbeleid worden ontwikkeld.

MANAGEMENT SAMENVATTING

opnemen. Volkstuininitiatieven gaan steeds meer sociale engagementen aan (samentuinen, zorgtuinen, warme tuinen, …) en gaan daarvoor ook steeds meer en verschillende partnerschappen aan. Uit de trends kunnen de veranderende maatschappelijke noden worden afgelezen waar volkstuinen op heden een kwalitatief antwoord op bieden.

5


MANAGEMENT SUMMARY EN

Allotment gardens are typically of importance to those interested in vegetable gardening, that have (too) little outdoor space of their own. Apart from the food function, allotment gardens also act as social meeting places, while encouraging a healthier lifestyle, providing nature experiences in the city, and fulfilling many other functions for the neighbourhood. Allotment gardens have existed in their traditional form since the early nineteenth century. However, in the past 20 years there is a growing interest in the diverse functions that allotment gardens can perform. As a result, various new allotment garden concepts and types arose in the field. The social needs and requirements that allotment gardens in Flanders deal with have already been extensively researched over the past decades (UGent, 2007; UGent, 2010) and have served as a basis for the VLM-allotment garden grants from 2012 to 2018. During that period, seven rounds were organised, granting more than 2 million euro for the realisation of 166 allotment gardens. After a solid growth since the start of the project grant in 2012, the number and quality of submitted applications dropped remarkably during the last rounds. This observation urged for an evaluation of the VLM-allotment garden grant. This evaluation study takes a closer look at the VLMallotment garden grant and examines whether it has substantially contributed to the improved functioning of allotment gardens in Flanders, both qualitatively and quantitatively. The central research question is as follows: “How can the policy for allotment gardens in Flanders, of which the primary implementation instrument today is the subsidy, be optimised?” This research question is answered step by step, chapter by chapter. Therefore, the following research methods were applied: a literature study, an extensive survey and a case study with in-depth interviews.

6

Part 1 of the research presents a comprehensive description of the state of the allotment gardens and their institutional context in the (recent) past and today, in order to map the qualitative needs and requirements. Although allotment gardens are still not high on the policy agenda, neither at the policy level, nor at the legal or planning level, making allotments vulnerable to other spatial claims, this has not hindered the expansion of allotment garden area. Nowadays new allotment gardens are relatively easy to realise at various planning destinations. The trends demonstrate that allotment gardens provide for much more than just the food function. Allotment gardens are taking up an increasing number of other functions. Social aspects and commitments have become more and more central to the allotment gardens, which is sometimes reflected in the allotment garden’s name (care garden, collective


These trends uncover the changing social needs to which allotment gardens offer a qualitative answer. The theoretical quantitative need for allotment gardens was also assessed for Flanders. Despite the almost fourfold increase in the number of allotment gardens, there is an even greater (theoretical) need for allotment gardens than 10 years ago. After having elaborated the context, the current alltoment garden stock is mapped and surveyed. Out of the 371 existing allotment gardens, 118 completed our survey. The survey addresses the following six topics: the concept, the partnerships, the daily management, the social dynamics, the profile of the gardeners and the garden facilities. It also questions the specific influence of the VLM-allotment garden grant on the above aspects.

Part 2 examines the effectiveness of the grant procedure and analyses whether the content and process of the grant allows a focused selection of the desired allotment gardens. The grant regulations and resulting impact on the submitted files are examined. Since the establishment of the grant in 2012, the grant regulations have developed considerably and mirror the previously identified trends. We can conclude that both the grant regulations and the submission process have evolved in parallel with the trends, and thus meet the changing needs in allotment gardens.

To assess the impact of the project grant in part 3, a case study analysis was carried out supplementary to the survey. In 10 allotment gardens, that were carefully selected based on various criteria (diversity, age, whether or not to get subsidies, concept, etc.) we investigated whether the project grant was the actual cause of the realization in the field. Therefore, we visited the selected allotment gardens and applied a semi-structured interview approach. The impact of the project grant is evaluated on all topics, cross-case, and is afterwards confronted with the findings of the survey. Because of the difference between the impact of the grant application on the one hand, which mainly wants to set or influence the desired mindset of the arising garden initiatives (substantive impulse), and the financial means and how these are deployed (financial impulse) on the other hand, these two aspects are treated separately. The case study shows that the grant application creates an important momentum to effectively realize the upcoming allotment concept. In general, it can be said that the grant application and the accompanying grant regulations do not generate a change of ‘mindset’ in the allotment gardens, but rather have a reaffirming effect. Consequently, the ‘mindset’ of the initial allotment gardens does not need to be adjusted to comply

with the grant application. The central aspects (e.g. social, ecological, management) to the grant regulations are obvious to the applicants. Yet, the cases show that a grant is essential to effectively start up the allotment garden. This is in line with the survey results.

Finally, part 4 bundles the most important insights into the impact of the VLM-allotment garden grant and answers the central research question of the evaluation research. Specific policy recommendations and suggestions for further research are also presented in this last part.

In summary, we can state that the current allotment garden stock certainly meets the present social needs and requirements in terms of quality, but there are still too few allotment gardens to meet the quantitative needs (regarding the allotment garden area). Hence, the role of the VLM allotment garden grant and the associated procedure is twofold. The grant regulations have evolved in parallel with the general trends in the allotment garden landscape and therefore anticipate the evolving expectations and social needs. Innovative concepts such as ‘warm gardens’ and ‘communal gardens’ have been put forward by the grant procedure, as they suit the qualitative needs well. As the demand for additional allotment garden areas is very high, the quantitative need could not be met by the VLM-allotment garden grant. The research shows that several elements are essential to optimise the allotment garden policy in Flanders. First of all, the term ‘allotment garden’ needs to be further elaborated. A well-considered choice of term and a clear demarcation of the policy subject is important. The term ‘edible neighbourhood’ has risen in the survey, the interviews and the focus groups as a viable alternative for ‘allotment garden’ as a policy object. In addition, it is recommended to clarify and complete the allotment garden policy (with respect to the policy cycle). A longterm vision and concrete policy objectives at the Flemish level are necessary to adapt the appropriate instrument (whether or not a project grant) accordingly. One of the key factors in the policy’s concretisation is to distinguish between ‘allotment gardens as an aim’ (focus on expanding the area) and ‘allotment gardens as a means’ (focus on numerous other social needs and opportunities to connect with the neighbourhood that can be realised by allotment gardens). By linking scale levels and ambition levels, a more effective Flemish allotment garden policy can be developed.

MANAGEMENT SUMMARY

garden, etc.). This has led to the establishment of more and different partnerships in the field.

7


8


KADER Introductie

0.1 0.2 0.3

Historiek en aanleiding onderzoek Terminologie Evaluatieontwerp > e valuatieonderwerp en centrale onderzoeksvraag > evaluatiemethodiek > vier stappen 0.4 Plan van aanpak

9


0.1 HISTORIEK EN AANLEIDING ONDERZOEK

0.2 TERMINOLOGIE

Al van oudsher spelen volkstuinen een belangrijke rol in het leven van mensen die willen tuinieren maar zelf bijvoorbeeld over weinig buitenruimte beschikken. Vandaag zijn volkstuinen ook sociale ontmoetingsplaatsen, zetten ze aan tot een gezondere levensstijl, zorgen ze voor natuurbeleving in de stad, … Ze bestaan al sinds het begin van de negentiende eeuw (de eerste volkstuin in Vlaanderen is gestart in 1861 in Gistel), maar de afgelopen 20 jaar stijgt de belangstelling vooral voor de verschillende functies die volkstuinen kunnen opnemen.

De toestandsbeschrijving van volkstuinen in Vlaanderen uit 2007 (UGent, 2007) start met een begripsbepaling waarin wordt geduid dat er veel verschillende definities terug te vinden zijn voor het begrip volkstuin. Uit die verschillende definities worden vervolgens een aantal aspecten afgeleid, die op vandaag nog grotendeels gelden:

Gedurende deze periode is de nood aan volkstuinen aangetoond via de studies “Toestandsbeschrijving van de volkstuinen in Vlaanderen vanuit sociologische en ruimtelijke benadering” (UGent, 2007) en “Knelpunten en potenties van bestaande volkstuinparken” (UGent, 2010). Op basis van deze studies en het beschikbare cijfermateriaal, is beslist om op Vlaams niveau middelen vrij te maken voor de ondersteuning van lokale besturen en verenigingen die initiatieven willen nemen voor de inrichting van volkstuinen. In het actieprogramma van het Vlaams plattelandsbeleidsplan 2013-2015 worden daarom acties over volkstuinen geformuleerd om te streven naar voldoende aanbod en een duurzame inrichting en beheer van volkstuinparken (VLM, 2016). Op dat moment wonnen de volkstuinen aan populariteit in Vlaanderen.

> volkstuinen komen alleen of in groep voor.

Met de opstart van een rollend fonds voor de aankoop van gronden voor volkstuinen, gericht aan verenigingen en gemeenten, startte de eerste actie rond volkstuinen uit het plattelandsbeleidsplan. In een bevraging hierrond, gaf de doelgroep echter aan dat er meer nood was aan subsidies voor de aanleg en inrichting dan aan ondersteuning bij grondaankopen voor volkstuinen. Daarom besliste VLM om in plaats van het fonds lokale besturen en verenigingen via een projectoproep te ondersteunen bij de duurzame en innovatieve aanleg, inrichting en beheer van volkstuinparken. Aanvankelijk was dit eenmalig gepland in 2012, maar ondertussen heeft de Vlaamse overheid (VLM) gedurende 7 subsidierondes (2012 tot 2018), ongeveer 2 miljoen euro geïnvesteerd in de inrichting van meer dan 160 volkstuinen. In het vervolg van dit rapport zullen we verwijzen naar deze subsidie als de VLM-volkstuinsubsidie.

Sinds de studie uit 2007 zijn er verschillende andere functies die ook door volkstuinen worden opgenomen. Voornamelijk het sociale aspect treedt meer op de voorgrond, net als de hernieuwde focus op voedselproductie. Daardoor en omdat de term volkstuin soms als te ‘eng’ of te ‘klassiek’ wordt ervaren, hanteren recente volkstuinen vaak een andere naam om het verschil te onderstrepen. OVAM heeft het in zijn laatste rapport (2019) bijvoorbeeld over Vlaamse volks- en samentuinen.

Deze studie onderzoekt of de VLM-volkstuinsubsidie substantieel heeft bijgedragen aan de verbeterde werking van volkstuinen in Vlaanderen, zowel kwalitatief als kwantitatief. Hoe is de stand van zake van volkstuinen vandaag, en hoe kan het beleid voor volkstuinen in de toekomst worden geoptimaliseerd? De studie is gestart medio 2019 en wordt in de tweede helft van 2020 afgerond. Wanneer in het rapport over ‘vandaag’ wordt gesproken, verwijst dit naar de situatie bij de inventarisatie in 2019. 10

> e en volkstuin maakt geen deel uit van de grond waarop de woning van de gebruikers staat. In dat geval spreken we immers van een moestuin.

> o vernachtingsmogelijkheden zijn er niet in volkstuinen. Wanneer die er wel zijn, spreekt men van weekendhuisjes wat onder een andere wetgeving en beoordeling valt. > h et telen van voedings- en siergewassen in de volkstuin is niet op handel gericht. In 2007 wordt om die reden het fenomeen “tuinieren bij de boer” niet beschouwd als volkstuinieren. Vandaag kunnen we die redenering doortrekken en wordt ook CSA (community supported agriculture) niet beschouwd als een vorm van volkstuinieren vanwege de economische aspecten die eraan verbonden zijn.

> voedselaspect: eetbare buurten, voedselbossen, buurtmoestuinen, … > s ociaal aspect: samentuin, deeltuin, warme tuin, zorgtuin, schooltuin, … Deze ‘nieuwe’ vormen van tuinieren en bijhorende benamingen worden in dit rapport ook als volkstuin beschouwd, voor zover ze minstens de oorspronkelijke 4 aspecten, die hierboven werden opgesomd, in acht nemen. Wanneer we het in deze studie over volkstuinen hebben verwijzen we naar het volledige ‘volkstuinpark’, niet naar de individuele tuinen.


0.3 EVALUATIEONTWERP 0.3.1 Centrale onderzoeksvraag en evaluatieonderwerp Deze evaluatiestudie volkstuinen buigt zich over het resultaat en de impact van zeven jaar VLMvolkstuinsubsidies (2012-2018). De VLM vraagt zich af of deze subsidie substantieel heeft bijgedragen aan de verbeterde werking van volkstuinen in Vlaanderen, zowel kwalitatief als kwantitatief. Op basis van de resultaten uit het verleden, vraagt de VLM beleidsaanbevelingen om de komende jaren een geoptimaliseerd beleid voor volkstuinen na te streven. De centrale onderzoeksvraag van deze studie luidt bijgevolg: ‘Kan het beleid voor volkstuinen in Vlaanderen, waarvan het voornaamste uitvoeringsinstrument vandaag de subsidie is, worden geoptimaliseerd?’. Op basis van deze onderzoeksvraag kan het onderwerp van de evaluatiestudie concreet worden bepaald: > het gaat om Vlaamse volkstuinen, in de ruimste betekenis van de term volkstuin (zie eerder). In tegenstelling tot andere onderzoeken, worden de volkstuinen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest hier niet in rekening genomen. Deze komen immers niet in aanmerking voor de VLM-volkstuinsubsidie. > volkstuinen op gronden van de NMBS maken geen deel uit van de studie (geen informatie ter beschikking). > zowel gesubsidieerde als niet-gesubsidieerde volkstuinen worden onderzocht (de niet-gesubsidieerde volkstuinen gelden als controlegroep bij het bepalen van de impact van de subsidie).

0.3.2 Evaluatiemethodiek Om het evaluatieontwerp en de evaluatiemethodiek te bepalen, moeten verschillende elementen worden bekeken. Een eerste is het evaluatiemotief. Evaluatie wordt immers gedefinieerd als een “systematische en heldere bepaling van de (meer)waarde van beleid op basis van heldere criteria, om relevante informatie te verschaffen tot het evaluatiemotief.” (Terryn, 2016, p.29). Het evaluatiemotief van deze Evaluatiestudie Volkstuinen is duidelijk beleidsleren. Vanuit de analyse worden beleidsaanbevelingen geformuleerd over de optimalisatie van de subsidie of van andere instrumenten. De evaluatiestudie leert ons m.a.w. meer over de impact van 7 jaar VLM-volkstuinsubsidies om deze kennis vervolgens in te zetten in een optimalisatie van het beleid voor volkstuinen. Het evaluatiemotief bepaalt vervolgens welke evaluatiecriteria moeten worden geanalyseerd. Om op de centrale onderzoeksvraag te kunnen antwoorden, worden zowel de impact (kwantitatief én kwalitatief) als de doelmatigheid van de subsidie geëvalueerd. We zetten in de analyse verschillende methodieken in (afgestemd op de criteria), waarvan een enquête en case-onderzoek de belangrijkste en meest intensieve delen van het onderzoek vormen. We gaan dieper in op deze methodieken bij de beschrijving van de verschillende stappen in het onderzoek (zie verder). Elk van deze onderzoeksstappen gaan steeds gerichter op zoek naar een antwoord op de centrale onderzoeksvraag. Deze vier stappen in het onderzoek vormen ook de vier delen van het voorliggende rapport.

> DEEL 1 — Volkstuinen vandaag > ook de VLM-volkstuinsubsidie als instrument en de subsidieprocedure maken deel uit van de evaluatie. oelmatigheid van de subsidieprocedure > DEEL 2 — D

EEL 3 — Case-onderzoek > D

INTRODUCTIE

EEL 4 — Blik vooruit > D

11


De stappen in het onderzoek zijn gelinkt aan verschillende aspecten in de beleids-en beheerscyclus. Door gebruik te maken van de visualisatie van de beleids- en beheerscyclus als een open systeemmodel (De Peuter et al. 2007), kunnen we de achterliggende logica van het evaluatieontwerp illustreren (Terryn, 2016). Dit open systeemmodel plaatst de beleids- en beheerscyclus van de overheid in een maatschappelijke context (figuur 0.01). Het start linksboven met enkele noden binnen de samenleving die een beleidsinterventie vragen. Deze interventies starten normaliter met het bepalen van een aantal strategische en operationele doelstellingen. Deze maatschappelijke noden en behoeften voor volkstuinen, hebben geresulteerd in de opstart van een beleid rond volkstuinen. Het beleid dat de VLM heeft gevoerd is in het lichtgrijs aangeduid. De beleidsinput betreft de projectoproep inrichting volkstuinen (met subsidies), vervolgens is er een proces doorlopen met de oproep en een selectieproces van de indieners. De output van het beleid is vervolgens een scala aan volkstuinen die zijn gesubsidieerd met de VLMvolkstuinsubsidies (de beleidsout - zie stap 2). Vervolgens heeft dit beleid als ‘outcome’ een invloed gehad op het volkstuinareaal dat in de inventarisatie van 2019 is bepaald (zie stap 1). De uiteindelijke impact van het beleid, nl. ‘Resulteert dit beleid in meer en betere volkstuinen?’, weerspiegelt het uiteindelijke resultaat op lange termijn. Deze laatste vraag wordt in de delen 3 en 4 van het rapport opnieuw opgepikt.

1.3.3

Onderzoeksstappen

Elk van de vier onderzoeksstappen gaan steeds gerichter op zoek naar een antwoord op de centrale onderzoeksvraag. Op de volgende pagina’s worden deze 4 stappen toegelicht en met elkaar gerelateerd in een overkoepelend schema.

STAP 1

Toestandbeschrijving volkstuinen vandaag

STAP 2

Doelmatigheid van de subsidieprocedure

STAP 3

Impact van de VLM-volkstuinsubsidie

STAP 4

Beleidsaanbevelingen voor een toekomstgericht beleid voor volkstuinen

CONTEXT

IMPACT

MAATSCHAPPELIJKE NODEN &

meer én betere volkstuinen ?

BEHOEFTEN

BELEID VOLKSTUINEN VLM

BELEIDSINPUT

PROCES

BELEIDSOUTPUT

BELEIDSOUTCOME

Subsidies voor volkstuinen

Oproep en selectieproces indieners

Gesubsidieerde volkstuinen

Volkstuinareaal 2019

DOELSTELLING VLM

F I G 0 . 0 1 Beleids- en beheerscyclus als een open systeemmodel, toegepast op het volkstuinbeleid (naar: De Peuter et al., 2007, verwerking door Voorland & KU Leuven, 2020)

12


STAP 1 Volkstuinen vandaag TRENDS

In 2007 werd door UGent – AMRP een ‘Toestandsbeschrijving van de volkstuinen in Vlaanderen vanuit een sociologische en ruimtelijke benadering’ opgemaakt. Zowel dit onderzoek als de studie ‘Knelpunten en potenties van bestaande volkstuinparken’ (UGent, 2010) lagen aan de basis van de beslissing om middelen vrij te maken voor lokale besturen en verenigingen die initiatieven willen nemen voor de inrichting van volkstuinen. Vandaag wil de VLM het beleid dat ze sindsdien heeft gevoerd, evalueren. De VLM wil een zicht krijgen op het resultaat en de impact van zeven jaar VLMvolkstuinsubsidies. Deze evaluatiestudie onderzoekt of deze subsidie substantieel heeft bijgedragen aan een verbeterde werking van volkstuinen in Vlaanderen, zowel kwantitatief als kwalitatief. Om te weten of de VLMvolkstuinsubsidie heeft bijgedragen tot een verbetering van de volkstuinen sinds 2007, moeten we eerst zicht krijgen op de toestand van de volkstuinen vandaag en een beeld krijgen van de mogelijke verbetering. In de eerste stap van de evaluatiestudie maken we daarom, net als in 2007, een toestandsbeschrijving van de volkstuinen op. We vergelijken deze toestandsbeschrijving met deze van 2007 om te weten in welke mate en op welke vlakken er een verandering is t.o.v. 2007. Om de vergelijking tussen deze twee toestanden (2007 en nu) mogelijk te maken, baseren ons voor de huidige toestandsbeschrijving op de methodiek en parameters die ook in 2007 zijn gebruikt: de beleids- en juridische context, de inventarisatie en de behoeftebepaling. Dit wordt aangevuld met een aantal ‘trends’: Wat speelt er vandaag algemeen in de Vlaamse volkstuinen, en met welke uitdagingen en nieuwe noden worden ze geconfronteerd? Is hier eventueel een evolutie op te merken in vergelijking met vroeger? BELEIDS-/JURIDISCHE & PLANOLOGISCHE CONTEXT Als onderbouwing voor de beleidsaanbevelingen is het nodig om een actueel zicht te krijgen op de beleids- en juridische context voor volkstuinen in Vlaanderen. Sinds 2007 is de beleids- en juridische context immers op een aantal vlakken veranderd. Zo is niet het RSV maar wel de strategische visie van het BRV vandaag het kader voor de ruimtelijke planning op Vlaams niveau, is er sinds 2014 het decreet betreffende de landinrichting, zijn er regelmatig aanpassingen gebeurd aan het natuurinrichtingsdecreet, …

Op basis van vakliteratuur en wetenschappelijke artikels is er op zoek gegaan naar een aantal globale trends die zich ook manifesteren in het Vlaamse volkstuinlandschap. Thematieken als bewuste voedselproductie, ecologisch beheer, de sociale kant van het volkstuinverhaal, … worden hier behandeld en in perspectief geplaatst. Deze trends tonen welke maatschappelijke noden en behoeften er vandaag zijn (vnl. kwalitatief) in de Vlaamse volkstuinwereld, en hoe daarop wordt ingespeeld. BEHOEFTEBEPALING In 2007 (centrumsteden) en 2010 (40 kleinere gemeenten) is een theoretische behoeftebepaling gemaakt van de volkstuinen. Op basis van dezelfde methodiek is er in 2020 opnieuw een behoeftebepaling opgemaakt. Dit gaat om een kwantitatieve, theoretische behoeftebepaling op basis van bevolkingsdichtheden en doet geen uitspraken over het type volkstuin of de behoefte aan andersoortige volkstuinen. Die komen eerder uit de trends naar voren. INVENTARISATIE & ENQUÊTE De kwantitatieve inventarisatie van de volkstuinen resulteert uit een combinatie van de initiële lijst uit 2007 (UGent), de websites van koepelorganisaties Velt en Tuinhier, de resultaten uit studie in opdracht van OVAM (Berx et al, 2019) en de aanvraag- en subsidiedossiers van de VLM. Voor de specifieke verwerking hiervan verwijzen we naar deel 1 van het rapport. De geïdentificeerde volkstuinen zijn gegeorefereerd om een beeld van de volkstuinen in Vlaanderen anno 2019 te verkrijgen. De kwalitatieve inventarisatie van de volkstuinen is, net als in 2007, gebaseerd op enquêtes uitgevoerd met het programma SurveyMonkey. In de meeste gevallen zijn deze enquêtes ingevuld door de beheerders van de verschillende volkstuinen. Dit kan gaan om de beheerders van de lokale afdelingen van vzw Tuinhier, vzw Velt, de groenambtenaren van gemeenten die beheerder zijn van volkstuinen, … In de enquêtes bevragen we de volkstuinen naar de ruimtelijke en organisatorische gegevens (voorzieningen, specifieke reglementering, …) om onder meer de vergelijking met 2007 mogelijk te maken. Daarnaast zijn er ook een aantal criteria opgenomen die bevragen in hoeverre de doelstellingen van de subsidie zijn gehaald (sociale impact, duurzame inrichting, ecologisch beheer, welzijn en gezond leven, …). Bij de opmaak van deze enquêtes is de klankbordgroep ingeschakeld om in te schatten of de voorgestelde vragen op maat zijn van de respondenten, en deze vragen waar nodig te herstructureren of aan te passen.

INTRODUCTIE

ONDERZOEKSVRAAG STAP 1 ‘Wat is de huidige toestand van volkstuinen?’

13


STAP 1

1.1

VOLKSTUINEN VANDAAG Beleids-/juridische & planologische context

1.4 Inventarisatie volkstuinen enquête 2019 I N V E N TA R I S AT I E

A BC

X,Y?

GIS 2007

wetenschappelijke literatuur volkstuinen

GIS 2019

1.2 Trends T1

T3

T2

T4

ENQUÊTE

A ENQUÊTE

B C

literatuurstudie

+ NIEUWE NODEN?

X,Y?

1.3 Behoeftebepaling + straal 3 km + bevolkingsdichtheid

Synthese van de enquête

?

GIS 2019

(focus invloed VLMvolkstuinsubsidie)

STAP 2

DOELMATIGHEID SUBSIDIEPROCEDURE

2.1 Evolutie subsidiereglement 18 16 17 14 15

reglement 2012

doelstelling? X,Y?

12

14

15

16

17

18

2.4 Evaluatie DOELMATIGHEID

2.2 Evolutie indienformulier formulier

bijlagen 12

14

15

16

17

18

14

15

16

17

18

2.3 Evolutie ingediende dossiers

12

ingediende dossiers

14

< TERUGBLIK

|

HIER


STAP 3

STAP 4

CASE-ONDERZOEK

3.1 Methodologie

BLIK VOORUIT

4.1 Terugblik op de belangrijkste bevindingen

INTERVIEW 1 2 EFFECTIVITEIT? 3 4 NODEN?

topiclijst

sjabloon projectfiches

4.2 Conclusies

3.2 Case-selectie

4 3

2

1 10

C1 C2 C3

5 6 8

9

C1

7

4.3 Aanbevelingen

3.3 Resultaten case-onderzoek

X1 0 INTERVIEWS & SITEBEZOEKEN GEREALISEERDE VOLKSTUINEN + NIEUWE NODEN?

3.4 IMPACT projectsubsidie > cases

A1 A2 A3

koppelkansen

tussenschakel

subsidiemotor

4.4 Verder onderzoek

15

EN NU

|

VOORUITBLIK >


STAP 2 Doelmatigheid van de subsidieprocedure Het tweede deel van het onderzoek heeft de subsidieprocedure als onderwerp. De onderzoeksvraag hierbij luidt: ‘Slaagt het proces en inhoud van de subsidie erin om tot een gerichte selectie van volkstuinen te komen?’. Onder gerichte selectie wordt de selectie verstaand uit de ingediende dossiers, op basis van de vooropgestelde doelstellingen. Om hierop een antwoord te kunnen formuleren, wordt het onderzoek in verschillende onderdelen opgesplitst.

ONDERZOEKSVRAAG STAP 2.1 ‘Hoe is het subsidiereglement geëvolueerd? Wat zijn de veranderingen en verfijningen in het subsidiereglement?’

Als eerste stap tot de uiteindelijke evaluatie van de doelmatigheid van de subsidieprocedure, wordt de evolutie van het subsidiereglement in beeld gebracht a.d.h.v. desktopresearch. De verschillende subsidiereglementen, de jurytabel, gunningsverslagen, etc. worden doorgenomen en met elkaar vergeleken. Het subsidiereglement en de inhoudelijke criteria die door de jury zijn gehanteerd, zijn immers door de jaren heen steeds verder verfijnd en uitgepuurd, met soms een andere focus of thematische verfijning naar specifieke doelgroepen of biodiversiteit. De grootste verschilpunten en belangrijkste evoluties worden op een tijdlijn gesynthetiseerd. Op deze manier krijgen we heel bevattelijk en snel een overzicht van de belangrijkste veranderingen. Deze tijdlijn is op een verruimde stuurgroep ook besproken met de juryleden om ze af te toetsen aan hun ervaring met de verschillende gunningen.

ONDERZOEKSVRAAG STAP 2.2 ‘Hoe is het indienformulier geëvolueerd? ‘Welke inhoudelijke verwachtingen worden gevraagd bij het indienen van een subsidieaanvraag over de verschillende projectoproepen heen?’ ‘Hoe zijn de dossiers van de indieners geëvolueerd?’

16

Daarna wordt het indienformulier onder de loep genomen a.d.h.v. desktopresearch. De verschillende indienformulieren van alle projectoproepen worden naast elkaar gelegd en vergeleken. We onderzoeken de wijze van indienen, welke inhoudelijke thema’s worden aangehaald, en welke specifieke thema’s en verplichte bijlages verschillend zijn ten opzichte van andere projectoproepen. Deze verschillende aspecten worden ook weergegeven op een tijdslijn, om een duidelijk visueel beeld te hebben over de voornaamste veranderingen. Deze tijdslijn wordt wederom

besproken met de juryleden tijdens een verruimde stuurgroep.

ONDERZOEKSVRAAG STAP 2.3 ‘Hoe zijn de dossiers van de indieners geëvolueerd?’

Als laatste stap wordt een kwantitatief overzicht gemaakt van alle ingediende dossiers per projectoproep (aantal indieners, aantal gesubsidieerde volkstuinen, aantal nietontvankelijke dossiers, …) en identificeren we de indieners (wie zijn de projectpromotors). We bekijken niet alleen wie heeft ingediend en het wel of niet heeft gehaald, maar analyseren ook de rapportagedossiers van de projecten, om zo meer te weten te komen over de kwaliteit van de ingediende dossiers van volkstuinen die beroep wensen te doen op de subsidie.

ONDERZOEKSVRAAG STAP 2.4 ‘Wat is het verband tussen de veranderingen in de subsidieprocedure en de evolutie van (de kwaliteit van) de ingediende dossiers?’

Het aantal indieners tussen 2012 en 2018 is geëvolueerd van 90 naar 36. Bij de laatste oproep in 2018 werd ook vastgesteld dat de kwaliteit van de ingediende dossiers stagneerde ten opzichte van 2017, wat zich vertaalde in een groot aantal niet-ontvankelijke projectvoorstellen. De VLM wenst daarom te achterhalen waaraan de afnemende kwaliteit van de dossiers ligt. Moet het subsidiereglement beter afgestemd worden op de huidige noden? Om op deze vragen te antwoorden zijn in het laatste deel van het onderzoek rond doelmatigheid van de subsidieprocedure, de evoluties van het reglement en het indienformulier en de indieners met elkaar vergeleken en gerelateerd. De sleutelmomenten en mogelijke causale verbanden worden verduidelijkt.


STAP 3 Case-onderzoek

STAP 4 Blik vooruit

De derde en laatste onderzoeksstap behandelt de impact van de VLM-volkstuinsubsidie op het terrein. Op basis van case-onderzoek met semigestructureerde interviews en plaatsbezoeken, wordt er nagegaan of bij de daadwerkelijke realisatie ook de doelstellingen van de subsidie wordt gehaald en in hoeverre de subsidieprocedure hier een rol in heeft gespeeld.

Om te weten hoe het beleid geoptimaliseerd kan worden, moeten we in eerste instantie weten hoe de volkstuintoestand vandaag is. Pas daarna kunnen we de vertaalslag naar optimalisatie bekijken. We synthetiseren daarom In dit vierde deel van het rapport de resultaten en bevindingen uit de eerdere stappen van het onderzoek.

In deze stap is vooral onderzocht of de volkstuinen die zijn gerealiseerd met de subsidies ook daadwerkelijk een sociale impact hebben (belangrijkste criterium) of ze duurzaam zijn ingericht, ecologisch worden beheerd en/ of aanzetten tot een gezonde levensstijl. Welke rol heeft de subsidie hierin gespeeld? Het case-onderzoek behandelt 10 cases die een gevarieerd ‘gamma’ voorstellen van volkstuintypes. Op basis van de informatie uit de enquête, is er een diversiteit aan cases op vlak van ruimtelijke spreiding, gesubsidieerd/ niet-gesubsidieerd (controlegroep), realisatiejaar (oudere volkstuinen, ‘eerste subsidiegeneratie’ 2012-2015 en meer recente), … Ter voorbereiding van de interviews zijn vragen opgesteld die de realisatie, invloed van de subsidie en verbeterelementen bevragen én is een format van projectfiche opgemaakt. De interviews verlopen volgens een vooraf bepaalde structuur zodat ze toelaten om voor elke case een gelijkaardige projectfiche op te maken. Deze projectfiches gelden als verslag van de semigestructureerde interviews én van het plaatsbezoek. Ze bevatten ook fotomateriaal van elke volkstuin. Voor elke case is minimaal 1 persoon (projectpromotor) geïnterviewd en hebben tijdens het plaatsbezoek (waar mogelijk) ook gesprekken plaatsgevonden met de gebruikers van de volkstuin.

>  Voldoet de huidige VT-toestand aan de maatschappelijke noden en behoeften? >  Is het huidige subsidiereglement afgestemd op de huidige maatschappelijke noden en behoeften? Of m.a.w.: kunnen we met huidige subsidiewerking aan die noden voldoen? >  Worden door het gevoerde beleid met subsidiereglement volkstuinen gerealiseerd die aan de maatschappelijke noden en behoeften voldoen? Tot slot wordt het antwoord op de onderstaande, centrale onderzoeksvraag geformuleerd in de aanbevelingen.

HOOFDONDERZOEKSVRAAG ‘Kan het beleid voor volkstuinen in Vlaanderen, waarvan het voornaamste uitvoeringsinstrument vandaag de subsidie is, worden geoptimaliseerd?’

Het antwoord op deze vraag tot optimalisatie van het beleid bestaat uit drie aanbevelingen die de sleutelfactoren benoemen afhankelijk van de schaal- en ambitieniveaus.

INTRODUCTIE

ONDERZOEKSVRAAG STAP 3 ‘Beantwoordt de realisatie van de gesubsidieerde volkstuinen aan de vooropgestelde doelen (sociale impact – duurzame inrichting en beheer – welzijn en gezondheid)?’

Vervolgens worden ze met elkaar gekoppeld tot een aantal conclusies waarin de reflectie wordt gemaakt over de huidige werking met subsidies. Stapsgewijs, aan de hand van drie deelvragen, wordt hier de impact van de huidige subsidiewerking geëvalueerd.

17


0.4 PLAN VAN AANPAK 0.4.1 Timing de VLM-volkstuinsubsidie. De aanzet voor deze enquête is doorgesproken met de opdrachtgever op de tweede stuurgroep (SG2), om vervolgens behandeld te worden op de klankbordgroep eind september (KG1). Het doel van de eerste klankbordgroep is tweeledig: (1) Vervolledigen van de trends en uitdagingen: wat zijn de noden vandaag? (2) Verfijnen van de vragen van de opgestelde enquête: zijn dit de juiste vragen om een antwoord te kunnen bieden op de onderzoeksvragen, en kunnen deze vragen door de beheerders worden ingevuld? Na deze klankbordgroep is de enquête officieel verspreid door de VLM op woensdag 2 oktober 2019 en stond ze ongeveer 1 maand open.

Deze enquête peilt immers naar verschillende elementen en gaat ruimer dan de toestandsbeschrijving alleen. Er wordt bijvoorbeeld ook gevraagd naar de invloed van

In de vierde en verruimde stuurgroep (SG4) sluiten de juryleden van de subsidieoproep aan om de evolutie van de ingediende dossiers in detail te bespreken.

STAP 0 Evaluatieontwerp opmaak evaluatieontwerp

STAP 1 Toestandsbeschrijving

SG0

SG1

05.06

10.07

Dataverzameling toestandsbeschrijving 2019 Beleids- en juridische context

KG1

Behoeftebepaling Enquêtes Toestandsbeschrijving 2018

SG2

SG3

27.08

25.09

Vergelijking toestand 2007 en conclusies

STAP 2 Doelmatigheid subsidiereglement Evolutie subsidiereglement Evolutie brengen indiendossiers Evaluatie doelmatigheid

STAP 3 Impact projectsubsidie Bepalen selectiecriteria en selecties cases Opmaak vragen en sjabloon projectfiches Sitebezoeken gerealiseerde volkstuinen Opmaak projectfiches en conclusies

STAP 4 Beleidsaanbevelingen Aanbevelingen

18

Eindrapport

SG4 +

21.10

28.10

21.10

14.10

07.10

30.09

23.09

16.09

09.09

02.09

26.08

19.08

12.08

05.08

29.07

22.07

15.07

08.07

01.07

24.06

17.06

10.06

03.06

2019

Figuur 0.02 illustreert het onderzoeksproces dat voor deze evaluatiestudie is doorlopen. Dit schema is opgebouwd aan de hand van de vier stappen, die zich weerspiegelen in de vier hoofdstukken van voorliggend rapport. Voorafgaand aan deze vier stappen is het evaluatieontwerp opgemaakt door het onderzoeksteam waarin de onderzoeksmethode is opgesteld en de onderzoeksvragen verder zijn uitgediept. Op basis van de input van de stuurgroep (SG1) is deze methode of evaluatieontwerp verfijnd in juni 2019. Vervolgens is er parallel aan de verschillende onderzoeksstappen gewerkt, ter voorbereiding van de enquête.


Op SG6, maar vooral op de tweede klankbordgroep staat de vertaalslag naar algemene conclusies en aanbevelingen centraal. De tweede klankbordgroep is ingezet om op de eerste voorzet tot aanbevelingen te reflecteren vanuit de praktijk en vanuit de verschillende achtergronden en expertisevelden van de klankbordgroepleden.

Begin november is de derde stap in het onderzoek gestart, nl. het case-onderzoek waarin gefocust wordt op de impact van de VLM-volkstuinsubsidie. Op de stuurgroep van 18 november (SG5) wordt de case-selectie met de stuurgroep vastgelegd en worden de eerste bevindingen van de enquête besproken. Na deze stuurgroep en het voorbereidende werk wordt er een ‘winterpauze’ ingelast, om vanaf maart de case-bezoeken te kunnen doen wanneer er ook activiteit is op het terrein.

s

29.06

22.06

08.06

01.06

15.06

27.07

20.07

13.07

18.05

25.05

06.07

29.06

22.06

11.05

04.05

15.06 27.07

27.04

08.06 20.07

20.04

01.06 13.07

06.07

13.04 29.06

22.06

25.05

06.04

18.05

30.03

11.05

15.06

23.03 08.06

27.04

01.06

25.05

04.05

16.03

09.03

20.04

02.03

13.04

06.04

11.05

18.05

18.11

30.03 winterpauze

04.05

23.03

11.11

04.11

16.03 20.04

30.03

27.04

09.03

14.10 winterpauze 21.10 06.04 02.03 28.10 13.04

07.10

18.11

23.03

30.09 16.03

11.11

23.09

04.11

09.03

02.03

21.10

28.10

16.09

09.09

02.09

26.08

FIG 0.02

Onderzoeksproces en timing

KG1 SG2

SG3

27.08

25.09

SG2

SG3

27.08

25.09

27.07

20.07

13.07

06.07

29.06

22.06

15.06

08.06

01.06

25.09

25.05

SG3

18.05

11.05

SG2

27.08

04.05

KG1

27.04

20.04

13.04

06.04

30.03

23.03

16.03

09.03

KG1

02.03

winterpauze

18.11

SG4 +

21.10 SG4 +

SG5

SG4 +

18.11 SG5

SG5

18.11

winterpauze

18.11

SG6

16.06 SG6

16.06 SG6

16.06

KG2

SG7

22.06

09.07

KG2

SG7

22.06

09.07

SG6

16.06

SG

KG2 SG

stuurgroep

SG

stuurgroep

KG

klankbordgroep

SG7

22.06 stuurgroep 09.07

KG

klankbordgroep

vakantieperiode

KG

klankbordgroep

KG2

SG7

22.06

09.0

INTRODUCTIE

SG5

winterpauze

18.11

21.10

TIMING

es

winterpauze

21.10

es

winterpauze

11.11

10.07

14.10 winterpauze

07.10 18.11

30.09

19.08 04.11

11.11

12.08

23.09

28.10

05.08

16.09

21.10

29.07 14.10

09.09

22.07

02.09 07.10

30.09

23.09

16.09

10.07

26.08

15.07

08.07 SG1

19.08

12.08

01.07

24.06

05.08 09.09

29.07 02.09

SG1

17.06

10.06

22.07

15.07

19.08

05.06

26.08

01.07

08.07

03.06

2019

Door de uitbraak van de COVID-19 epidemie was het helaas onmogelijk om in maart deze terreinbezoeken ook effectief te organiseren, waardoor ze zijn uitgesteld tot mei. Op 16 juni zijn de resultaten van dit case-onderzoek tijdens de zesde stuurgroep (SG6 – virtueel) besproken en is de klankbordgroep van 22 juni gezamenlijk voorbereid.

SG0

12.08

24.06 05.08

29.07

17.06

10.06 22.07

04.11

g 2019

Het voorliggend rapport is in een draftversie besproken met de stuurgroep (SG7) op 9 juli 2020, om het vervolgens te finaliseren tegen half juli 2020.

vakantieperiode

19

vaka


0.4.2 Samenstelling stuurgroep

0.4.3 Samenstelling klankbordgroep

De stuurgroep (SG) volgt de opdracht inhoudelijk op. Ook praktische en administratieve aangelegenheden zijn in de stuurgroep besproken. Ze bestaat uit onderstaande leden:

De klankbordgroep (KG) bestaat uit de leden van de stuurgroep, aangevuld met verschillende experten. Het samenbrengen van een diversiteit aan expertises wordt nagestreefd, waarbij verschillende organisaties en overheidsinstanties samen zitten met de koepelorganisaties Velt en Tuinhier en met leden van de jury van de VLM-volkstuinsubsidie. Op de eerste klankbordgroep op 25 september 2019 was de opkomst en de input groot. Dit was helaas niet het geval tijdens de tweede klankbordgroep op 22 juni 2020. De digitale omgeving om een dergelijke klankbordgroep te organiseren (omwille van de COVID-19 maatregelen) functioneerde suboptimaal.

NAAM

ORGANISATIE

Els Hofkens

VLM

Simon Lox

VLM

Paul Van Der Sluys

VLM

Hans Leinfelder

KU Leuven

Marjolijn Claeys

Voorland

Els Terryn

Voorland

Emelie De Smedt

Voorland

Suzanne Van Brussel (vanaf SG 6)

Voorland Aanwezigen KG1 op 25/09/2019

Voor de vierde stuurgroep wordt deze kern verruimd met een aantal leden uit de jury van de subsidiewerking volkstuinen:

NAAM

ORGANISATIE

Eva Roeykens

VVP

Sylvie Danckaert

Dep. LV

Sandra Broothaers

Dep. Omgeving

An Rombaut

VLM

NAAM

ORGANISATIE

Geert Gommers

Velt

Nele Bal

OVAM

Fatma Kamas

Dep. Omgeving

Veerle Strosse

Dep. Omgeving

Daan Van De Vijver

Tuinhier

Anastasia Van den Bossche

Vicinia

Charlotte Prové

ILVO

Jeroen Vandemarliere

Omgevingsambtenaar Poperinge

An Lebacq

Vlaams Instituut Gezond Leven

Ludo Naessens

VLM

Aanwezigen KG2 op 22/06/2020

20

NAAM

ORGANISATIE

Geert Gommers

Velt

Nele Bal

OVAM

Veerle Strosse

Dep. Omgeving

Jeroen Vandermarliere

Omgevingsambtenaar Poperinge

An Lebacq

Vlaams Instituut Gezond Leven

Annick De Paepe

Limburg.net

Sylvie Danckaert

Dep. Landbouw en Visserij


21

INTRODUCTIE


22


DEEL 1 Volkstuinen vandaag

1.1 Beleids-, juridische & planologische context 1.2 Trends 1.3 Behoeftebepaling 1.4 Inventarisatie volkstuinen & enquête 2019

23


1.1 BELEIDS-, JURIDISCHE & PLANOLOGISCHE CONTEXT Om te begrijpen hoe volkstuinconcepten in Vlaanderen opstarten en functioneren, moeten we ze situeren binnen het hogerliggend kader voor Volkstuinen in Vlaanderen. Daarvoor bekijken we de positie van volkstuinen in achtereenvolgens de beleids-, de juridische en de planologische context, omdat ze elkaar ook in deze volgorde beïnvloeden.

trekkerschap volledig op zich, wat resulteert in een sterk gefragmenteerd volkstuinbeleid in Vlaanderen. Toch is er, hoewel er van een uitgewerkte langetermijnvisie met concrete doelstellingen voor volkstuinen nog steeds geen sprake is, intussen wel wat veranderd voor volkstuinen en is de VLM-volkstuinsubsidie een van de ondersteunende maatregelen. Deze maatregelen kwamen er in het kader van het Plattelandsbeleid en de verschillende opeenvolgende Plattelandsbeleidsplannen waarvan dorpenbeleid, landelijke mobiliteit, beleving, ondernemerschap, bestuurskracht van plattelandsgemeenten, doelgroepenbeleid, open ruimte, voedsel, energie en klimaat en omgevingskwaliteit de speerpunten zijn.

1.1.1 Beleidscontext Hoewel volkstuinen een lange geschiedenis kennen in Vlaanderen, bleek uit een eerdere studie van UGent (2007) dat ze in het verleden amper werden ondersteund vanuit de beleidscontext. Noch de voormalige departementen RWO of LNE (die tegenwoordig het Departement Omgeving vormen), noch het beleidsdomein Landbouw en Visserij hebben in het verleden een uitgewerkt volkstuinbeleid voor hun rekening genomen. In het voormalig ruimtelijk beleid in Vlaanderen, met name in de structuurplanning, ontbreekt een volkstuinbeleid nagenoeg volledig. In het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV) worden volkstuinen beschouwd als een vorm van hobbyland- en tuinbouw, wat impliceert dat ze enkel kunnen ingeplant worden in stedelijke landbouwgebieden. Ter bescherming van de ontwikkelingsmogelijkheden voor beroepsland- en tuinbouw kunnen ze immers niet ingeplant worden in agrarische gebieden. Voor stedelijke gebieden moeten ze zich bij voorkeur binnen de stedelijke afbakeningslijn situeren en voor woonkernen in het buitengebied kunnen ze aansluitend aan de kern voorkomen. Verdere richtlijnen m.b.t. stedelijke groenvoorzieningen worden niet geformuleerd. Ook de andere beleidsdomeinen hebben het aspect volkstuinen weinig of niet opgenomen. Vanuit het landbouwbeleid hebben volkstuinverenigingen wel subsidies gekregen voor het organiseren van vormingen en voordrachten over tuinieren en tuinonderhoud. Die subsidies dienden niet voor de realisatie of de inrichting van de volkstuin zelf. Uit de meer recente beleidsdocumenten blijkt dat volkstuinen nog steeds geen prominente plaats op de beleidsagenda hebben verworven. Zo worden volkstuinen noch in het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen (witboek), noch binnen het kader van het decreet landinrichting vernoemd. Het potentieel van volkstuinen krijgt (nog) niet overal de verdiende aandacht. Toch lijkt steeds duidelijker, ook vanuit de gehanteerde definities of zelfs concepten, dat volkstuinen een veel bredere functie invullen, dan het verschaffen van een tuin om eigen voedsel te kweken.

24

In realiteit neemt geen enkel beleidsdomein, departement of agentschap de volledige verantwoordelijkheid of het

In de publicatie ‘Platteland in beweging: 15 jaar plattelandsbeleid’ (VLM, 2020) blikt de VLM o.a. terug op de ondersteunende maatregelen die zijn opgenomen voor volkstuinen. Volkstuinen worden in het plattelandsbeleid beschouwd als ‘projecten’ en vormen tevens een belangrijk thema als onderdeel van het afstemmen van de doelstellingen tussen stad en platteland. “Volkstuinparken worden daarbij gezien als succesvolle voorbeelden waarbij mensen in gebieden met een hogere bevolkingsdichtheid en een lagere beschikbaarheid aan groene ruimte, samenkomen om te tuinieren en elkaar te leren kennen.” In het programma Plattelandsontwikkeling 2014-2020 (PDPO III, Departement Landbouw en Visserij) zijn ook maatregelen voorzien voor de aanleg van volkstuinparken en dit zowel als onderdeel van het pakket omgevingskwaliteit alsook als onderdeel van het pakket lokale voedselstrategieën. Daarnaast heeft de VLM ook geïnvesteerd in volkstuinen op de Gentse Floraliën in 2014, om volkstuinen onder de aandacht te brengen en inspiratie te bieden voor de aanleg van nieuwe volkstuinen (project Urban Gardening – urban agriculture).

1.1.2

Juridische context

Dat de magere ondersteuning voor volkstuinen vanuit de beleidscontext, zich doorvertaalt in een povere juridische bescherming, werd in eerder onderzoek al uitgebreid toegelicht (UGent, 2007). In tegenstelling tot andere sectoren zoals bosbouw (bosdecreet) en natuurbehoud (natuurdecreet), bestaat er niet iets zoals een ‘groendecreet’ voor stedelijke groenvoorzieningen. Noch het Natuurdecreet (1997), noch het decreet Landinrichting maken vermelding van volkstuinen als een interessante piste voor multifunctioneel (open)ruimtegebruik. Het Bosdecreet zou volgens de UGent (2007) via het artikel 4bis wel soelaas kunnen bieden. Dat artikel laat de Vlaamse Regering immers toe om naast bossen ook parken aan te duiden, en volkstuinen vertonen sterke gelijkenissen qua functie en gebruik met parken (volgens het decreet). De UGent stelde daarom dat “mits er ecologisch getuinierd zou worden, volkstuinen zouden kunnen worden verweven


met parken, waardoor juridische bescherming mogelijk wordt.” (UGent, 2007, p. 10). Uit diezelfde studie van UGent bleek dat, hoewel het is toegestaan om volkstuinen te organiseren binnen de minder gunstige bestemmingen, ongeveer 35% van de volkstuinen in Vlaanderen dreigden te verdwijnen op korte of middellange termijn, als gevolg van een minder gunstige bestemming en de afwezigheid van juridische bescherming. Dit is op vandaag nog steeds het geval. Er is vandaag geen juridisch coherent kader voor stedelijke groenvoorziening, aangezien er nog steeds geen Decreet Groenvoorziening is. Volkstuinen blijven bijgevolg ook vandaag zeer kwetsbaar voor andere ruimteclaims. Dit staat in fel contrast met landen zoals Duitsland, Oostenrijk en Denemarken, waar volkstuinen door een volkstuinwet een bijna onaantastbare status genieten.

F I G 1 . 0 1 Bestaans(on)zekerheid in volkstuinen (Bron: Gazet van Antwerpen)

Veel van de recente volkstuinen/-uitbreidingen zijn opgericht op een intussen via BPA of RUP herbestemd gebied. Soms maken volkstuinen daarbij deel uit van een groter geheel, een totaalvisie voor een gebied. De uiteenlopende planologische bestemmingen zijn alvast een constante gebleken. Enkele voorbeelden in onderstaande tabel illustreren dat volkstuinen kunnen aarden op verschillende planologische bestemmingen. In het recente RUP Windhoek in Waregem, dat de inrichting van een volkstuinpark concreet tot doel heeft, wordt zelfs gekozen voor een ruimere bestemming als ‘gemengd openruimtegebied’.

PLAATS

GEWESTPLANBESTEMMING

RUP/BPA

Antwerpen

gebieden voor dagrecreatie

recreatiegebied met parkachtig karakter

Ieper

gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbaar nut

zone voor volkstuinen met nabestemming parkzone met cultuurhistorisch waardevol karakter

Waregem

agrarisch gebied, reservegebied voor beperkte industriële uitbreiding

gemengd openruimtegebied

Deerlijk

woonuitbreidingsgebied

zone voor sport- en gemeenschapsvoorzieningen

Tongeren

woongebied

zone voor privaat groen, bufferzone, zone voor openbare wegenis

Zeebrugge

woongebied

zone voor volkstuintjes

Planologische context

Dat er over het algemeen weinig plaats is voor volkstuinen in beleidsvisies, vertaalt zich ook in de verschillende planologische bestemmingen die volkstuinen er op na houden. In slechts één gewestplan (Gewestplan AalstNinove-Geraardsbergen-Zottegem 1978) is er een aanvullend stedenbouwkundig voorschrift terug te vinden dat via het ‘kleintuingebied’ de volkstuin als bestemming beschermt. Onder ‘kleintuingebied’ wordt een gebied verstaan dat is bestemd voor de aanleg en exploitatie in georganiseerd verband van kleintuinbouw, waarbij het gebied dient omzoomd te worden met een groenscherm, en waarbij constructies die voor exploitatie nodig zijn en niet als woonbedrijf kunnen dienen, toegelaten zijn. Volkstuinen komen vandaag op zowat alle gewestplanbestemmingen voor (ongeacht de toetsing met andere

Hoewel de ‘harde’ sectoren als woongebied en bedrijventerreinen vaak een minder gunstige invloed hebben op de continuïteit van de volkstuin, zal later blijken dat de planologische situatie daarbij niet altijd even zwaar doorweegt. Het zijn vaak eerder of ook de reeds gemaakte publieke investeringen die een permanent karakter doen vermoeden. Bovendien maakt de VCRO het oprichten van volkstuinen via het ‘sociaal-cultureel’ of ‘recreatief’ medegebruik in de zachte bestemmingen (zoals gemengde openruimtegebieden, parkgebieden, etc.) bestemmingen wel mogelijk, en het aanbrengen van kleine constructies daartoe vergunbaar. Grotere constructies en tuinhuizen/materiaalopslagplaatsen zijn altijd vergunningsplichting.

VOLKSTUINEN VANDAAG

1.1.3

bestemmingsplannen). Opvallend is dat de helft van de huidige volkstuinen op het gewestplan als woongebied of woonuitbreidingsgebied zijn aangeduid. Verder is 17% als agrarisch gebied ingekleurd en 11% als parkgebied. Maar ook in de natuurgebieden, gebieden voor recreatie, gebieden voor gemeenschapsvoorzieningen en industriegebieden van het gewestplan komen volkstuinen voor.

25


1.2 TRENDS SYNTHESE Volkstuinen staan niet hoog op de agenda Volkstuinen waren in het verleden geen beleidsprioriteit en evenmin juridisch sterk verankerd in Vlaanderen. Dit is vandaag nog steeds het geval. Aangezien volkstuinen gelegen zijn in gebieden met uiteenlopende bestemmingen en het gebrek aan juridische bescherming in Vlaanderen, kan de bestaanszekerheid van volkstuinen op (middel)lange termijn in veel gevallen niet gegarandeerd worden. Volkstuinen zijn bijgevolg zeer kwetsbaar voor andere ruimteclaims (bv. volkstuinen gelegen in gebieden met bestemmingen zoals woongebieden). Hierbij merken we nog op dat ook (en vooral) de gemaakte investeringen door publieke actoren veel meer vertellen over de bestaanszekerheid of het permanent karakter van de volkstuin dan dat de planologische situatie dit doet. Ondanks deze juridische instabiele context en het ontbrekende beleidskader, worden volkstuinen toegelaten in verschillende bestemmingen, en is het dus relatief eenvoudig om nieuwe volkstuinen te organiseren. Op die manier kennen de volkstuinen de laatste jaren een duidelijke opmars (zoals verder in dit rapport ook zal blijken).

Naast de juridische en de beleidscontext, zijn er verschillende trends die vandaag in de Vlaamse volkstuinen spelen. De volgende vijf trends beschrijven de uitdagingen die de Vlaamse volkstuinwereld vandaag kent, en met welke noden ze worden geconfronteerd of waar ze op inspelen. De beschrijving van deze trends is gebaseerd op beleids- en juridisch documenten en (wetenschappelijke) literatuur en is dus voornamelijk theoretisch onderbouwd. Deze trends zijn afgetoetst met de experten uit de klankbordgroep. Een verdere check van de (theoretische) algemene trends met de bevindingen uit de enquête of van op het terrein komt later in dit rapport aan bod.

1.2.1 Trend 1: Volkstuinen blijven inzetten op de bewuste voedselproductie “De moestuin maakt een comeback in Vlaanderen. Mensen willen gezonde voeding uit eigen streek en gaan zelf aan de slag” Gezond uit eigen grond, Vlaamse overheid, (Team Omgeving en Gezondheid, gezonduiteigengrond.be)

Zowel in de grote steden als in kleinstedelijke gebieden of plattelandsgemeenten blijkt het aantal volkstuinen toe te nemen. Deze stijgende interesse in collectief tuinieren is voor een groot stuk te danken aan de groeiende belangstelling voor duurzaam leven en gezonde voeding (Departement Omgeving, 2018). Mensen lijken meer en meer bewust te kiezen voor wat ze eten en hebben de groeiende wens om te weten waar het voedsel dat ze consumeren, vandaan komt. Het is een trend waarbij bewust wordt gekozen voor gezond en lokaal geproduceerd voedsel (Agora 2013). Drijfveren om zelf aan de slag te gaan in een moestuin of volkstuin is verschillend van tuinier tot tuinier. Zo speelt tuinieren een belangrijke rol in de algemene gezondheid van de tuiniers: het zorgt voor een gezondere levensstijl doordat men in de buitenlucht aan de slag gaat, sociaal contact heeft en het (onbewust) extra lichaamsbeweging oplevert. Hoewel er ook heel veel jonge gezinnen de weg naar een volkstuin vinden, zijn de 65-plussers het actiefst in de volkstuinen, doordat deze leeftijdsgroep zich het meest bezig met gezondheid in het algemeen (input vanuit klankbordgroep 1, verder in dit hoofdstuk aangeduid als ‘KG1’).

26

Naast alle andere voordelen die een volkstuin kan meebrengen (ontspanning, sociale contacten, gezondheid, …) is het eindproduct, met name vers en kwalitatief voedsel, nog steeds de belangrijkste motivatie


“Het is veel lekkerder als het uit de tuin komt. En dan is het ook nog vers, het is niet een week geleden geplukt en in dozen gestopt voor de markt, ...” Romain, tuinier bij tuin George-vanier, Montreal (Pourias, 2016)

Ook in de Vlaamse volkstuinen is de focus op voedsel nog het meeste aanwezig, al is er wel langzamerhand een verschuiving naar een complexer concept. Er treedt met name de laatste jaren een verbreding op van voedselconsumptie in volkstuinen. Zo bestaan er naast de klassieke volkstuinen, vandaag ook volkstuinen in de vorm van voedselbossen, pluktuinen, buurtboomgaarden of zijn dieren (bv. kippen) vaak een vaste waarde op de volkstuin, enzovoort. De focus blijft echter wel op bewuste voedselproductie, ondanks deze diversifiëring (KG 1).

F I G 1 . 0 2 ‘ Locally Grown’ (Bron: newspringenergy.ca)

1.2.2 Trend 2: De focus op ecologisch beheer blijft groeien in volkstuinparken

Gezonde voeding produceren in volkstuinen, zoals beschreven in de eerste trend, staat of valt bij een gezonde tuin. Zo kan een verontreinigde bodem, al dan niet door chemische meststoffen of historische vervuiling, schade veroorzaken bij de mens via de gekweekte voeding (Departement Omgeving, 2018). Tuiniers zijn zich hier ook meer en meer van bewust, en gaan de laatste jaren vaker uit eigen beweging te raad bij adviesinstanties zoals VELT en Tuinhier om tips te verzamelen rond de principes van ecologisch tuinieren. Ook vragen omtrent eventuele bodemverontreiniging en het duurzaamheidsaspect binnen de volkstuin komen vaker aan bod. Deze bewustwording is een belangrijk aspect binnen deze trend (KG 1). De focus ligt dus meer en meer op ecologisch beheer van de volkstuin. Hierbij kiest men bewust voor planten die geschikt zijn voor de bodem en het klimaat in de tuin, en teelt men groenten volgens het juiste seizoen. Bovendien probeert men in een ecologische tuin zoveel mogelijk problemen te voorkomen door bodemzorg, vruchtwisseling en natuurlijke vijanden te lokken en werkt men met organische bestrijdingstechnieken in plaats van chemische producten. Aandacht voor biodiversiteit, duurzaamheid en het verhogen van de omgevingskwaliteit staan hierbij centraal (VELT, 2020a). Om beheerders van volkstuinen nog meer te stimuleren om een milieuvriendelijke en gezonde tuin te onderhouden, werkt vzw Tuinhier sinds 2017 met het ‘ecologisch tuinkeurmerk’ waarbij aan de hand van een puntensysteem een beeld van natuurwaarde aan een volkstuin kan worden gegeven. De klemtoon ligt op het ontwerp, de inrichting, het beheer en de voorlichting. Dit tuinkeurmerklabel kan dan op zijn beurt een positieve uitstraling geven naar het grotere publiek (om op die manier een nieuwe doelgroep aan te trekken) of als voorbeeld dienen bij andere volkstuinen (Vilt, 2017a). De laatste jaren breidt het aantal volkstuinen met het ecologisch tuinkeurmerk van Tuinhier alleen maar uit (Tuinhier, 2020). Ook het aantal volkstuinen, aangesloten bij VELT vzw, vermeerdert sterk, wat een bevestiging is voor deze trend (Velt, 2020b). Velt (Vereniging voor Ecologisch Leven en Tuinieren) is een vzw die activiteiten en vormingen organiseert rond ecologisch tuinieren, en mensen ondersteunt die samen tuinieren op een ecologische manier en samen over het beheer van de tuin beslissen (Velt.be).

“... Door het principe ‘leef mee met de natuur en ga er niet tegen in’ heb ik geleerd preventief te werken. Met als resultaat dat ‘spuiten’ niet langer nodig is en het tuinieren er een stuk plezanter op geworden is” Wim Lybaert (in Velt, 2014)

FIG 1.03

Ecologische keurmerken bij Tuinhier en Velt

VOLKSTUINEN VANDAAG

voor tuiniers. Dit blijkt uit een internationale studie waarin de motivatie van 98 tuiniers uit Montreal en Parijs werd bevraagd (Pourias, 2016).

27


1.2.3 Trend 3: Verschuiving van sociale inclusie naar focus op specifieke doelgroepen “Je ziet die jongeren hier openbloeien en trots zijn. Je brengt hen natuurlijk ook iets bij over onze sector en ze leren bepaalde groenten kennen. Uiteindelijk verrijkt de warme tuin niet alleen onze kijk, maar zeker ook die van hen.” Evi Van Camp, Samentuin bij tuinbouwbedrijf Vercammen voor Jeugdzorg Ter Elst (Vilt, 2017b)

Dat het sociale aspect in volkstuinen een zeer belangrijk gegeven is, wordt in vrijwel elke publicatie met betrekking tot collectief tuinieren aangehaald. In sommige studies wordt zelfs gesteld dat de sociale functie primeert ten opzichte van de voedselproductie (Agora, 2013). In de studie van UGent (2007) bleek dat volkstuinen niet gebonden zijn aan bepaalde bevolkingsgroepen of leeftijdscategorieën en dat ze financieel laagdrempelig zijn, waardoor geen enkele bevolkingsgroep op basis van dit criterium wordt uitgesloten (Berx et al, 2019). Dit werkt dan ook een gezonde sociale mix en cohesie in de hand (UGent, 2007). De collectieve moestuin wordt op die manier vaak beschreven als een ontmoetingsplaats, waar iedereen binnen een bepaalde reikwijdte kan samenkomen en daar de mogelijkheid heeft om anderen te ontmoeten (Vicinia, 2018). In de praktijk blijkt het nastreven van deze sociale cohesie niet vanzelfsprekend. Hoewel er dikwijls de wil is vanuit de organisatie van de volkstuin om meer te diversifiëren, lijkt het mixen van sociale klassen, verschillende culturele achtergronden en socio-economische situaties niet vanzelf te gaan. Vaak bestaat het grootste deel van de groep uit mensen die de waarden van andere tuiniers delen of die op elkaar lijken. Dat werkt een groepsidentiteit in de hand en kan een sterk verbindend effect hebben. Aan de andere kant zorgt dit ervoor dat de minderheid, met name de mensen met een andere sociale klasse, andere culturele achtergronden of andere waarden, zich uitgesloten voelen en afhaken (Vicinia, 2018).

28

De laatste jaren is er dan ook meer de trend om te focussen op specifieke doelgroepen in plaats van te streven naar een meer algemene sociale inclusie (Vicinia, 2018; KG 1). Zo zien we in de literatuur (en praktijk) ook allerhande concepten terug die deze trend bevestigen: Volkstuinen voor “minima” bijvoorbeeld is een initiatief in Nederland waarbij kansarme gezinnen één jaar lang gratis (met uitzondering van een eenmalige contributie) mogen tuinieren op een braakliggend stuk terrein van een bestaande volkstuin (Stichting Clip, 2010). Ook zijn er meer

en meer concepten zoals “warme tuinen” of “zorgtuinen” terug te vinden in Vlaanderen. Dit type volkstuinen maken deel uit van een zorgvoorziening, waarbij op maat van bewoners van de zorginstelling (bv. rolstoelgebruikers, bewoners van woonzorgcentra, mensen met een mentale beperking, …) op een spontane manier contact kan worden gelegd met vrijwilligers om samen te tuinieren (Landelijke gilden, 2016). Ook andere doelgroepen zoals asielzoekers, personen in een arbeidszorgtraject of scholen (in functie van educatie) vinden hun weg meer en meer naar volkstuinen. Dit blijkt uit de praktijkverhalen “Diverse Wereldtuin Menen” en “Biodibap-projecten Wallonië”, zoals beschreven in de studie uitgevoerd door Vicinia (2018).

FIG 1.04

Warme tuin in woonzorgcentrum Ocura (Bron: Zorgneticuro.be)

1.2.4 Trend 4: De volkstuin is flexibeler in tijd en ruimte “In stedelijk gebied zien we ook nieuwe vormen van tuinieren, op een beperktere oppervlakte, zoals geveltuinieren of verticaal tuinieren.” Marc Nevens, projectbegeleider volkstuinparken van Tuinhier (Weekend Knack, 2015)

Zoals in de studie van UGent (2010) reeds werd geconcludeerd, houden de traditionele volkstuinstructuren steeds minder stand in een samenleving die gekenmerkt wordt door diversiteit en snelheid, waardoor een meer specifiek ingerichte volkstuin zich opdringt. Volkstuinen organiseren zich zodanig, dat het fysiek voorkomen van volkstuinen sterker overeenkomt met de specifieke doelgroep of tuiniers. Een goed voorbeeld hiervan zijn de zogenaamde tuintafels. Dit zijn moestuinbakken op hoogte, zodat rolstoelgebruikers ook kunnen tuinieren (Tuinhier, 2019a).


1.2.5 Trend 5: Meer samenwerkingen/ partnerschappen of organisatievormen “De uitwerking van de volkstuintjes gebeurt in samenwerking met diverse partners, de huidige tuiniers, Limburg.net, de Landelijke Gilden vzw en het Regionaal Landschap Haspengouw en Voeren. Iedere partner draagt vanuit zijn sterkte en expertise bij aan het project” Patrick Jans, Schepen van Milieu in Tongeren (Jans, 2017)

Het innemen van braakliggende of verlaten terreinen maakt anderzijds wel dat de organisatie van de volkstuin zich flexibeler moet opstellen op het vlak van tijdelijkheid. Dit is vaak het geval bij verkavelingen met een sterke fasering, onvoltooide woonuitbreidingsgebieden, leegstaande bedrijventerreinen, enzovoort. Op deze plekken worden dikwijls volkstuinen georganiseerd, maar vaak is dit engagement gebonden aan een concrete einddatum (Hanegreefs et al, 2011). De Tondelier-site in Gent is hier een mooi voorbeeld van. Op een oude betonnen fabrieksvloer werden gedurende 7 jaar o.a. 160 mini-moestuintjes, een serre in bakken op een oppervlakte van 1,5 ha, georganiseerd in afwachting van een nieuwe ontwikkeling van de woonwijk (Kenniscentrum Vlaamse Steden, 2016).

Waar in een klassieke volkstuin met individuele tuintjes de samenwerking soms helemaal niet bestaat of maximaal bestaat uit het delen van enkele gezamenlijke voorzieningen zoals werkmateriaal, tuinhuisjes, waterpomp, … gaat met het ontstaan van verschillende types volkstuinen (zie trend 3 en 4) ook een andere dynamiek binnen de organisatie van de volkstuin gepaard. In vernieuwde types volkstuinen, waarbij andere doelgroepen worden betrokken, gaat samenwerking centraal staan en worden er nieuwe organisatievormen en/ of partnerschappen opgezet (KG 1). Zo wordt bijvoorbeeld in een samentuin, warme tuin of zorgtuin samengewerkt met (zorg)instellingen of wordt een samenwerking aangegaan tussen met het onderwijs, verenigingsleven, lokale economie, … (Landelijke Gilden, 2016).

Hoewel dit project een publiek-private samenwerking was, verwacht de Stad meer en meer dat burgers zelf het initiatief nemen om een tijdelijke invulling te organiseren. Op die manier wordt vaak eerst een tijdelijke inname van grond gefaciliteerd aan een startende groep, om nadien te verhuizen naar een vast perceel (KG 1).

Op het gebied van beheer en organisatie wordt ook steeds meer beroep gedaan op andere partners. Zo worden adviesinstanties zoals Tuinhier vzw en Velt vzw sneller ingeschakeld voor advies bij de opstart van de volkstuin (op vlak van organisatie van de tuin en/of inrichting) of in een verdere fase in functie van de begeleiding van de tuiniers (Velt, 2020e). Daarnaast blijkt dat de meer recente volkstuinen vaker onderdeel zijn van een groter complex. Het is niet langer een geïsoleerd element binnen de gemeente, maar het wordt meer gelinkt met andere functies. Op die manier worden er meer (ruimtelijke) functies gekoppeld aan de volkstuin (bv. als toegangspoort van het groter complex, of een CSA-boerderij die is gekoppeld aan een volkstuin zodat daar een kruisbestuiving mogelijk is, zoals Samentuin “Schootsveld” met CSA-boerderij “Loof en Bezen” in Wommelgem) (KG1, Velt, 2020d). Ook op het vlak van eigendomsstructuren is de huidige trend om samen te werken met andere partijen. Het komt meer en meer voor dat burgers samenwerkingen aangaan met bv. bedrijven, overheden of het middenveld.

F I G 1 . 0 5 Tondelier, Gent (Bron: stadstuinieren.files.wordpress.com)

Door samenwerkingen ontstaan vaak ‘betere’ volkstuinen, en ook voor de partners biedt dit voordelen o.a. in functie van grondpositie (KG1).

VOLKSTUINEN VANDAAG

Maar ook de schaarste van de ruimte doet volkstuinen op een creatieve manier nadenken over hun locatie en inrichting (Hanegreefs et al, 2011). In deze studie worden enkele ideeën meegegeven, zoals het inrichten van een volkstuin op een parking of op een dak. Dit zien we o.a. ook in realiteit ‘Les Potageois’ in Oudergem, een volkstuin gesitueerd op het dak van een gemeentelijk sportcentrum (Vicinia, 2018). Naast deze opportuniteiten in stedelijke context zijn er ook heel wat kansen voor volkstuinen op het platteland, zoals het telen in volle grond. Met de moderne bedrijfsvoering en veranderingen binnen de agrarische sector zijn steeds meer lokale boeren bereid om een perceel ter beschikking te stellen voor de aanleg van een volkstuin. Dit werkt daarnaast ook dorpskernvernieuwing in de hand (KG1).

29


In een eerste fase gebeurt het dat de tuiniers hier pessimistisch tegenover staan, aangezien van het klassiek model (elk een eigen tuin en elk een tuinhuis) wordt afgestapt. Wanneer in een tweede fase de samenwerking effectief wordt uitgetest, is er vaak een algemene tevredenheid over de vernieuwde aanpak (KG1).

F I G 1 . 0 6 Samentuin Gent (Foto: F. De Heel, Velt, Bron: www.velt.be/nieuws/samentuinen-opmars)

30

SYNTHESE Vijf trends Volkstuinen nemen vandaag steeds meer functies op. Naast voedselproductie, spelen de sociale aspecten en welzijn een bijzondere rol en wordt met volkstuinieren ook het bewustzijn voor de natuur aangewakkerd. De trends zoals hierboven beschreven, reiken elk op een specifieke manier deze verschillende (maatschappelijke) doelen aan. Ondanks de vele bijkomende motivaties en doelen blijven volkstuinen inzetten op bewuste voedselproductie (1). Dit doen ze bovendien aan de hand van ecologisch beheer (2). Ook worden meer en meer specifieke doelgroepen betrokken, met oog op een sociale cohesie binnen de volkstuin en met de buurt (3). Daarnaast (en ook door deze vernieuwende types van volkstuinen) moet de organisatie van de volkstuin zich flexibeler kunnen opstellen, zowel in tijd als ruimte (4). Bovendien werkt dit meer samenwerkingen en partnerschappen in de hand met organisaties of brengt dit andere organisatievormen teweeg (5).


1.3.1

BEHOEFTEBEPALING Inleiding en methodologie

In 2007 en 2010 is voor de centrumsteden en 40 kleinere gemeenten een behoeftebepaling opgemaakt van de volkstuinen (UGent, 2007, 2010). Deze behoefte duidt op het belang of de nood aan volkstuinen in een bepaalde buurt. Voor het verder uitstippelen van het beleid rond volkstuinen, is het interessant om na te gaan hoe groot deze behoefte op vandaag (nog) is en vooral waar er grote tekorten zijn. Dit stelt ons vervolgens in staat om in te schatten hoe groot de behoefte aan volkstuinparken in de toekomst kan zijn. De inzet van dit hoofdstuk is daarom de inschatting van de behoefte aan bijkomende volkstuinen. Voor de huidige behoeftebepaling hanteren we dezelfde methodiek als uiteengezet in de eerdere studies, maar passen deze toe met de actuele, beschikbare gegevens. Deze behoeftebepaling is een theoretische oefening, die steunt op een aantal aannames die afgeleid werden uit eerder empirisch onderzoek omtrent volkstuinen (UGent, 2007). Onderstaande twee aannames vormen de basis voor de (theoretische) behoeftebepaling van volkstuinen: >  De nood aan (nieuwe) volkstuinen hangt nauw samen met de bevolkingsdichtheid. >  De nood aan (nieuwe) volkstuinen wordt ook beïnvloedt door de reikwijdte van een volkstuin (i.e. 3 km). De eerste assumptie, namelijk dat met een hogere bevolkingsdichtheid de behoefte aan volkstuinen stijgt, hangt samen met het feit dat er in dichtbevolkte buurten doorgaans minder privaat en publiek groen per inwoner beschikbaar is. In buurten met een lagere bevolkingsdichtheid wordt er gemiddeld genomen ruimer gewoond en beschikken woningen over een grotere tuin dan in de meer dichtbevolkte of verstedelijkte gebieden. Uit eerder onderzoek naar de behoefte van volkstuinen in Vlaanderen bleek dat de gemiddelde reikweidte van een volkstuin ongeveer 3 km bedraagt (UGent, 2007; 2010). Bij de methodiek voor de behoeftebepaling wordt daarom gekozen voor een ruimtelijke eenheid die deze 3 km-straal benadert. Een groter geaggregeerd niveau, zoals het niveau van de gemeente, is niet wenselijk, omdat in dat geval ook de lokale verschillen in bevolkingsdichtheden worden genivelleerd, die juist nodig zijn voor de behoeftebepaling. De statistische sectoren of districten benaderen de 3 km-straal en hebben als bestaande statistische eenheid tevens een streepje voor bij de gegevensverzameling- en verwerking. Ook werden ze bij de eerdere volkstuinbehoeftebepaling reeds als ruimtelijke eenheid gebruikt (UGent, 2007; 2010). Voor de actuele behoeftebepaling volgen we de methodiek die in eerder onderzoek werd toegepast (UGent, 2007).

Daarbij wordt de richtnorm voor het aantal volkstuinen gebaseerd op drie variabelen waartussen een statistisch aantoonbaar lineair verband is vastgesteld: (1) de bevolkingsdichtheid per statistische sector, (2) de relatieve dichtheid aan volkstuinen per statistische sector en (3) de druk op de wachtlijsten per statistische sector (uitgedrukt in het aantal wachtenden in verhouding tot het aantal beschikbare tuinen). Het bovenstaande lineaire verband laat zich het best vatten in de volgende vergelijking: y = 0,0003x – 0,0068. Daarbij is y het percentage van de oppervlakte van de statistische sector dat voor volkstuinen zou moeten worden voorzien om aan de (theoretische) vraag te voldoen. De x-waarde staat voor de bevolkingsdichtheid van de statistische sector. Uit dit theoretische verband, dat weerspiegeld wordt in bovenstaande vergelijking, kunnen twee zaken worden afgeleid (UGent, 2007, pp. 33-34): >  In statistische sectoren met een bevolkingsdichtheid lager dan 20 inwoners per hectare is er theoretisch geen behoefte aan volkstuinen; >  Door de oppervlakte van de statistische sector te vermenigvuldigen met de y-waarde kan de gewenste oppervlakte (in ha) aan volkstuinen worden berekend.

VOLKSTUINEN VANDAAG

1.3

31


1.3.2 Resultaten

BEVOLKINGSDICHTHEID ALS BASIS

LEGENDE BEVOLKINGSDICHTHEID PER S T A T. S E C T O R ( I N W. / H A )

F I G 1 . 0 7 Bevolkingsdichtheden per statistische sector (inw. /ha) (Bron: Statbel, 2019, verwerking Voorland & KU Leuven, 2020)

DE GEWENSTE OPPERVLAKTE VOLKSTUIN PER STATISTISCHE SECTOR

LEGENDE GEWENSTE V T O P P. P E R S T A T. S E C T O R (HA)

F I G 1 . 0 9 Gewenste oppervlakte volkstuin per statistische sector (in ha) (Voorland & KU Leuven, 2020)

32


Een eerste stap in de behoeftebepaling bestaat uit de bevolkingsdichtheid per statistische sector (figuur 1.07) . Op de figuur komen de stedelijke gebieden logischerwijs sterk naar voor, het zijn immers de dichtstbevolkte gebieden. Naast de stedelijke agglomeraties zijn er echter tal van kleinere vlekken te zien op kaart, die aangeven dat ook kleinere kernen beschik­ ken over dichtbevolkte gebieden, waar over het algemeen minder toegankelijke, groene ruimte aanwezig is. Driekwart van de statistische sectoren in Vlaanderen heeft een bevolkingsdichtheid die lager is dan 20 inwoners per hectare, deze kleuren neutraal wit op de kaart, er is immers geen theoretische behoefte aan volkstuinen in deze buurten. In het andere kwart van de statistische sectoren, nl. de meer verstedelijkte buurten, ontstaat er wel een behoefte aan volkstuinen. In het vervolg van deze oefening zal blijken dat er toch ook volkstuinen aanwezig zijn in de gebieden waar er volgens de theorie geen behoefte aan is. Hieruit blijkt dat de behoeftebepaling een theoretische oefening is die vasthoudt aan een aantal basisassumpties, maar die de werkelijkheid ook vereenvoudigd. Dat er toch volkstuinen aanwezig zijn in buurten die er theoretisch geen nood aan hebben, wijst erop dat een volkstuin ook inspeelt op andere behoeften en dus een uitgebreidere rol vervult dan enkel het voorzien van groene ruimte om in te tuinieren (sociale dynamiek, kennisuitwisseling, etc.) F I G 1 . 0 8 Aantal statistische sectoren per legendecategorie (Bron: Statbel, 2019, verwerking Voorland & KU Leuven, 202

Figuur 1.09 toont de gewenste oppervlakte aan volkstuinen voor de statistische sectoren waar er een theoretische behoefte aan volkstuinen is. De sectoren die in de vorige stap een bevolkingsdichtheid hadden lager dan 20 inwoners per hectare (zie figuur 1.07) worden hier dus niet meer meegenomen. Sommige statistische sectoren die een bevolkingsdichtheid hebben die net iets meer is dan 20 inwoners per hectare, komen een negatieve theoretische gewenste volkstuinoppervlakte uit. Ook deze statistische sectoren hebben dus geen theoretische behoefte aan volkstuinen en laten we verder bij deze behoeftebepaling buiten beschouwing.

F I G 1 . 1 0 Aantal stat. sect. met een theoretische behoefte aan volkstuinen naar gewenste volkstuinoppervlakte (Voorland & KU Leuven, 202)

Met deze berekening is het evident dat er in de grote steden, waar de bevolkingsdichtheid ook hoger ligt, meer nood is aan volkstuinen dan in kleinere gemeenten, zeker wat betreft oppervlakte. Figuur 1.10 toont het aantal van statistische sectoren per legendecategorie. Het merendeel van de statistische sectoren met een theoretische behoefte aan volkstuinen (nl. 1323 statistische sectoren of 67%) heeft slechts een behoefte aan een relatief kleine volkstuinoppervlakte van tussen 0 en 2300 m2. Verder hebben 421 of 21% van de statistische sectoren een gewenste oppervlakte van een kwart tot een halve hectare. In 166 of 8% van de sectoren is er wens naar 0,47 tot 0,85 hectare volkstuinoppervlakte. Tot slot zijn er ook 59 sectoren (3%) waar de behoefte aan volkstuinareaal oploopt van 0,85 tot wel anderhalve hectare.

VOLKSTUINEN VANDAAG

De gewenste volkstuinoppervlakte kan berekend worden uit de empirische richtnorm-formule, y = 0,0003x – 0,0068. Dit door y, nl. de gewenste oppervlaktedichtheid van volkstuinen in %, te vermenigvuldigen met de oppervlakte van de statistische sector.

33


SPREIDING VAN ACTUELE VOLKSTUINEN: WAAR DE VRAAG WORDT INGEVULD…

F I G 1 . 1 1 Overzicht van de actuele volkstuinen en hun ligging binnen statistische sectoren waar er geen of juist wel een theoretische behoefte is aan volkstuinen (Voorland & KU Leuven, 2020)

F I G 1 . 1 2 Spreiding van de volkstuinen over de legendecategorieën (Voorland & KU Leuven, 2020)

LEGENDE

Theoretische behoefte aan vT Geen theoretische behoefte aan vT

34

Nu we het theoretische gewenste volkstuinareaal hebben becijferd voor de statistische sectoren met een behoefte aan volkstuinen, kunnen we die kennis samenleggen met de locatie en gegevens van de bestaande volkstuinen. Zo krijgen we een inzicht in waar de behoefte al dan niet (deels) wordt ingevuld.

Dat hun spreiding niet louter terug te brengen is tot de minder groene en dichtbevolkte statistische sectoren met een vraag naar volkstuinen valt op in het taartdiagram in figuur 1.12. Dit diagram toont dat meer dan 60% van de volkstuinen in een statistische sector liggen waar er theoretisch gezien geen nood is aan volkstuinen.

Figuur 1.11 illustreert de spreiding van de 371 Vlaamse volkstuinen die er op heden zijn. In paragraaf 1.4 wordt er uitgebreid ingegaan op de inventarisatie van de volkstuinen en hoe het totaal aantal volkstuinen wordt bekomen.

Naast het gebrek aan een eigen tuin of toegankelijk groen, blijkt dus ook uit deze oefening dat er nog tal van andere motieven zijn voor het faciliteren of aanleggen van volkstuinen. Eerder in dit rapport zijn deze verschillende motieven al verduidelijkt.


INSCHATTING VAN DE BEHOEFTE PER STATISTISCHE SECTOR AAN BIJKOMENDE VOLKSTUINEN

F I G 1 . 1 3 De nood aan bijkomende volkstuinen: verschil van het actuele en het gewenste volkstuinareaal (Voorland & KU Leuven, 2020)

LEGENDE

geen behoefte

overschot

wel behoefte

onbekend

effectief tekort

Wanneer we de gewenste oppervlakte aan volkstuinen aftrekken van het huidige volkstuinareaal per statistische sector, bekomen we de actuele nood aan bijkomende volkstuinen per sector. De huidige oppervlakte van de volkstuinen is voor een groot deel (55%) van de volkstuinen niet beschikbaar. Om toch een eerste inschatting te kunnen maken van de behoefte aan bijkomende tuinen, is er gewerkt met verschillende categorieën (figuur 1.13): >  Rood: Er is in deze sectoren een theoretische behoefte aan volkstuinen en er is geen volkstuin aanwezig. >  Groen: er is een theoretische behoefte aan volkstuinen in deze sectoren en deze wordt opgevangen in de bestaande volkstuinen. >  Geel: in deze sectoren is er een theoretische behoefte aan volkstuinen, en deze behoefte wordt al (deels) ingevuld door bestaande volkstuinen. Doordat de huidige oppervlaktegegevens ontbreken, is het echter niet meetbaar of de theoretische behoefte al dan niet volledig wordt ingevuld. Deze legendecategorie kan mits inzetten op monitoring, weggewerkt worden. >  Wit: In deze statistische sectoren is er geen theoretische behoefte aan volkstuinen, daar de bevolkingsdichtheid er te laag is (cf. eerdere stappen).

Het taartdiagram in figuur 1.14 geeft het aantal statistische sectoren weer tot elk van bovenstaande categorieën en hoe de categorieën zich relatief tot elkaar en tot het totaal verhouden. Zoals eerder aangegeven is er in 79% van de sectoren geen theoretische behoefte aan volkstuinen. In 21% van de sectoren is er wel een theoretische behoefte. Voor die sectoren wordt verder bekeken in welke mate het aanbod wordt ingevuld (zie detail in rechter taartdiagram). In 93 % van de sectoren waar er effectief een theoretische behoefte is, wordt de vraag niet opgevangen met de bestaande volkstuinen. In 3,4 % van de sectoren volstaat het huidige aanbod aan volkstuinen aan de vraag. In 3,5% van de sectoren weten we niet of het gerealiseerde huidige volkstuinaanbod groot genoeg is om de vraag te dekken. Wanneer deze voorlopig nog ontbrekende oppervlaktegegevens worden aangevuld, verdwijnt deze onbekende tussencategorie en krijgt men een beter zicht op waar er al dan niet tekorten zijn, en waar deze tekorten het nijpendst zijn. Het systematisch monitoren van de oppervlaktes heeft op dit vlak weldegelijk zijn merites.

VOLKSTUINEN VANDAAG

F I G 1 . 1 4 Balans van de behoefte aan volkstuinen in Vlaanderen (Voorland & KU Leuven, 2020)

35


AFTOETSEN VAN HET TEKORT AAN VOLKSTUINEN D.M.V. WACHTLIJSTGEGEVENS

F I G 1 . 1 5 Spreiding van volkstuinen (respondenten van de enquête) naar het aantal personen op de wachtlijst (Bron: Enquête 2019, verwerking: Voorland & KU Leuven, 2020)

F I G 1 . 1 6 Aantal volkstuinen uit de enquête met (grijs) en zonder wachtlijst (rood) (Bron: Enquête 2019, verwerking: Voorland & KU Leuven, 2020)

LEGENDE

Aangezien de oppervlaktegegevens van de bestaande volkstuinen (nog) niet overal beschikbaar zijn, kunnen de wachtlijstgegevens onze inzichten van de behoefte aanvullen. Naast deze behoefteraming o.b.v. de beschikbare oppervlaktes vertellen ook de wachtlijsten die sommige volkstuinen hanteren voor hun lidmaatschap veel over de effectieve behoefte aan volkstuinen in de buurt. De wachtlijsten duiden immers op de expliciete vraag in de buurt. Afgaande op de wachtlijsten kan tevens vastgesteld worden of het aangeboden volkstuinareaal volstaat voor de vraag uit de buurt of niet.

36

In de enquête van 2019 heeft de helft van de volkstuinen aangegeven een wachtlijst te hanteren (figuur 1.16). Het betreft voornamelijk volkstuinen gelegen in de grote en middelgrote steden (zie figuur 1.15). Volgens de enquête staan vandaag in Vlaanderen in totaal 1121 personen op de wachtlijst voor een volkstuin. Bij de meeste volkstuinen is de wachtlijst beperkt tot minder dan 10 personen (figuur 1.17). In bijna 10% van de volkstuinen met een wachtlijst kan de wachtlijst oplopen tot 30 personen. In enkele stedelijke tuinen ligt het aantal wachtenden tussen de 60 en 100. Een tuin in Antwerpen spant de kroon met 150 wachtenden.

F I G 1 . 1 7 Aantal volkstuinen per legendecategorie ‘aantal personen op de wachtlijst’ (Bron: Enquête 2019, verwerking: Voorland & KU Leuven, 2020)


SYNTHESE Behoeftebepaling > BLIJVENDE BEHOEFTE AAN BIJKOMENDE VOLKSTUINEN In 2010 raamde UGent het gewenste volkstuinareaal op 283 hectare voor 10 centrumsteden en 40 kleinere gemeenten. Op dat moment vervulden de aanwezige volkstuinen voor die geselecteerde gemeenten samengeteld met hun 97 hectare ongeveer een derde van de behoefte. Wanneer we in 2019 dezelfde methodiek hanteren, maar toepassen op heel Vlaanderen en met de actuele volkstuingegevens, komen we aan een totale behoefte aan volkstuinen van 419 hectare voor heel Vlaanderen. Uit de inventarisatie blijkt dat de bestaande volkstuinen in Vlaanderen in totaal een areaal van minstens 152,61 hectare beslaan, dit is ongeveer een derde van het gewenste areaal. Maar in de praktijk is het aanbod groter, omdat voor 55% van de bestaande volkstuinen geen actuele oppervlaktegegevens beschikbaar zijn. Het eerder gevoerde onderzoek over de behoefte aan volkstuinen uit 2010 wordt anno 2019 bevestigd. De theoretische behoefte aan volkstuinen is nog steeds groot, zowel in de stedelijke als in een meer landelijke context (figuur 1.18). De theoretische behoefte in verstedelijkte en stedelijke omgevingen blijft wel het grootst. Hoewel deze omgevingen over heel wat volkstuinen beschikken, voldoen ze nog niet aan de theoretische behoefte aan volkstuinen. Dit is deels te verklaren door de toename van de bevolkingsdichtheid in de meeste verstedelijkte buurten over de afgelopen 10 jaar. Hierdoor is niet alleen de nood aan volkstuinen groot, maar ook de nood aan toegankelijk groen in het algemeen.

Meer dan 60% van de volkstuinen ligt in statistische sectoren zonder theoretische behoefte. Het feit dat er in deze sectoren ook volkstuinen voorkomen met wachtlijsten, bevestigt dat de theoretische behoefte niet alles zegt en dat de volkstuin meer en andere bestaansredenen heeft. Volkstuinen zijn dus niet alleen gewenst in drukbevolkte gebieden (waar de methodiek in deze behoeftebepaling zich op heeft gefocust). Deze andere bestaansredenen worden verder in dit rapport meer uitgebreid geanalyseerd. In het hoofdstuk ‘verder onderzoek’ wordt ook ingegaan op de behoeftebepaling.

F I G 1 . 1 8 Spreiding van de volkstuinen en het tekort/de overschot aan volkstuinen per statistische sector in de zone tussen Gent, Brussel en Antwerpen (boven) en Antwerpen (onder). Wit: geen behoefte, donkergroen: overschot, rood: effectief tekort, geel: onbekend. (Voorland & KU Leuven, 2020)

VOLKSTUINEN VANDAAG

> THEORETISCHE BEHOEFTE ZEGT NIET ALLES

37


F I G 1 . 1 9 De balans van tekort en overschot aan volkstuinen rekening houdend met een radius van 3km (Bron: Enquête 2019, verwerking: Voorland & KU Leuven, 2020)

> BELANG VAN MONITORING Om de behoeftebepaling op punt te zetten, is het systematisch monitoren van het volkstuinareaal een noodzaak. Alleen zo kan waarheidsgetrouw worden ingeschat of het bestaande volkstuinareaal de vraag volledig inlost of niet. Daarover tasten we nu voor sommige buurten nog in het duister. Wel staat vast dat er nog steeds een grote behoefte is aan bijkomende volkstuinen. We weten immers wel waar er zeker een tekort is aan volkstuinen, en ook waar de behoefte nu al wordt ingevuld.

> AFWEZIGHEID VAN NABIJE VOLKSTUINEN Om vanuit de gehanteerde methodiek toch aanbevelingen te kunnen geven, hebben we een aantal bewerkingen aan de oorspronkelijke methodiek toegevoegd. De actieradius van een volkstuin wordt over het algemeen op 3km genomen en is voor de behoeftebepaling benaderd door de statistische sectoren die als ruimtelijke eenheid goed bij die actieradius aansluit. Maar lang niet overal wordt de 3kmstraal zo goed benaderd door de statistische sectoren; de statistische sectoren zijn niet overal even groot en hebben in de stedelijke centrumbuurten soms een kleinere omvang. Bovendien is het niet noodzakelijk zo dat de vraag naar volkstuinen binnen de eigen statistische sector wordt opgevangen, maar bijvoorbeeld wel in de aanpalende sectoren. Vaak zijn deze sectoren, aan de rand van de stad of gemeente, ruimer en hebben die minder inwoners. De huidige behoeftebepaling houdt hiermee geen rekening. Om die reden is de theoretische straal van 3km vanuit de bestaande volkstuinen op kaart gezet. Zo krijgen we een overzicht van de buurten waar er een behoefte aan volks38

tuinen is, er vandaag geen volkstuin aanwezig is, maar ook de aanpalende buurten niet over een volkstuin beschikken. Daar waar de rode sectoren buiten een bestaande actieradius vallen, is er dus zeker een tekort aan volkstuinen (figuur 1.19).

> WAAR HET VOLKSTUINAANBOD VOLSTAAT In 3,5 % van de statistische sectoren met een theoretische behoefte aan volkstuinen, kunnen de bestaande volkstuinen die behoefte effectief opvangen. Daar lijkt het voorzien van bijkomende volkstuinoppervlakte minder prioritair. Toch hebben volkstuinen ook hier vaak nog mensen op de wachtlijst staan.

> STIJGEND AANTAL WACHTLIJSTEN EN KANDIDAAT-TUINIERS Voor een groot deel van de volkstuinen, voornamelijk de volkstuinen in de stad of stadsrand, bestaat vandaag een wachtlijst. Hoewel deze wachtlijst anno 2019 bij de meeste tuinen beperkt blijft tot minder dan 10 kandidaattuiniers, is het aantal wachtenden in de grote steden toch enorm toegenomen de afgelopen jaren, soms zelfs met een factor 10 of meer. Dit blijkt wanneer we het antwoord op de wachtlijstvraag vergelijken van enkele volkstuinen die zowel de enquête van 2007 en 2019 invulden. Over het algemeen hebben de afgelopen jaren meer volkstuinen een wachtlijst aangelegd, waarbij het gemiddeld aantal wachtenden licht is toegenomen. Ook is de range van het aantal wachtenden groter geworden, waar wachtlijsten in 2007 varieerden tussen 1 tot 86 wachtenden, werd die variatie groter in 2019 met 1 tot 150 wachtenden.


1.4

1.4.1

INVENTARISATIE VOLKSTUINEN VANDAAG & ENQUÊTE

Methodologie en representativiteit

volkstuinen worden verwijderd, of volkstuinen die niet werden overgenomen uit de UGent-lijst en toch nog bestaan, worden toegevoegd in de totale lijst.

KWANTITATIEVE INVENTARISATIE

Een eerste aangeleverde bron is de studie ‘Aanpak bodemverontreiniging in Vlaamse volks- en samentuinen’, opgemaakt in opdracht van OVAM (2019). Naast het rapport, was er ook een attributentabel in QGIS ter beschikking met alle volkstuinen in Vlaanderen anno 2018, die werd gebruikt bij de studie. Gezien de recente datum van het onderzoek, vormde de attributentabel waarin naam, adres en bron was gekend, het vertrekpunt voor de kwantitatieve inventarisatie (verder: OVAMlijst). Deze OVAM-lijst omvatte 208 volkstuinen. Na een grondige check bleek echter dat één volkstuin tweemaal was geïnventariseerd. Dit bracht de totale lijst op 207 volkstuinen. De studie in opdracht van OVAM had echter niet de intentie om volledig te zijn, ze ging voornamelijk op zoek naar interessante cases. Om die reden is er in deze studie op zoek gegaan naar een vervollediging van de OVAM-lijst. Een volgende stap in het onderzoek naar een volledige lijst aan volkstuinen was de inventaris die werd opgemaakt in de studie ‘Toestandsbeschrijving van de volkstuinen in Vlaanderen vanuit een sociologische en ruimtelijke benadering’ door de Universiteit Gent in 2007 (verder: UGentlijst), die als basis werd gebruikt voor de opmaak van de OVAM-lijst, te vergelijken met deze laatstgenoemde lijst. Op die manier konden eventueel dubbel geïnventariseerde

In de inventaris van UGent, weliswaar opgemaakt 13 jaar geleden, waren in totaal 114 volkstuinen opgenomen. Hiervan waren 14 volkstuinen gesitueerd in Brussel. Deze werden in de studie van OVAM bijgevolg niet meegenomen (deze komen dus niet voor in de OVAM-lijst) en dienen voor deze studie ook niet toegevoegd worden in de totale lijst, gezien zij geen recht hebben op een Vlaamse subsidie. 4 volkstuinen uit de UGent-lijst werden geclusterd naar 1 volkstuin in de OVAM-lijst, en 85 volkstuinen werden overgenomen. In totaal werden er 11 volkstuinen uit de UGent-lijst niet overgenomen in de OVAM-lijst, waarvan er 9 volkstuinen niet langer bestaan. De overige 2 volkstuinen bestaan echter wel nog, maar zijn niet opgenomen in de OVAM-lijst. Deze twee volkstuinen zijn nog toegevoegd aan de totale lijst, wat het aantal op 209 volkstuinen brengt in de totale lijst. Na de vergelijking tussen deze twee aangeleverde studies, is de volgende stap om de bijkomende volkstuinen uit de ledenlijsten van Tuinhier en Velt toe te voegen aan de totale lijst. Op dezelfde manier als bij de UGent-lijst, werden ook deze ledenlijsten vergeleken met de OVAM-lijst, om te vermijden dat volkstuinen dubbel geïnventariseerd werden in de totale lijst. Eerst werd de ledenlijst van Tuinhier onder de loep genomen (situatie 2019). Het betrof in totaal 69 volkstuinen. Na een vergelijking met de OVAM-lijst bleek dat er 62 volkstuinen van de ledenlijst van Tuinhier, al opgenomen waren in de OVAM-lijst. Overigens waren er 3 volkstuinen die reeds waren verdwenen op terrein, en 1 volkstuin uit de ledenlijst die wel al was opgenomen in de OVAM-lijst, maar ondertussen ook op het terrein bleek verdwenen te zijn. Hierdoor is deze ook verwijderd in de totale lijst (-1 volkstuin). 4 volkstuinen waren nog niet opgenomen in de OVAM-lijst. Bijgevolg werd de totale lijst aangevuld met 3 nieuwe volkstuinen, wat de totaalsom op 212 (= 209 -1 + 4) volkstuinen bracht. Vervolgens werd de ledenlijst van Velt zorgvuldig bestudeerd. De ledenlijst bedroeg in totaal 119 volkstuinen (situatie 2019). Hiervan waren 17 volkstuinen gesitueerd in Nederland en Brussel, waardoor deze niet werden opgenomen in de OVAM-lijst. 1 volkstuin was al opgenomen in de UGent-lijst, dus diende niet opnieuw worden toegevoegd, 2 volkstuinen uit de ledenlijst van Velt waren intussen verdwenen op terrein en 57 andere volkstuinen

VOLKSTUINEN VANDAAG

Een toestandsbeschrijving van volkstuinen vandaag is niet compleet zonder een inventarisatie van het huidig aantal volkstuinen in Vlaanderen. Het voornaamste doel van deze dataverzameling is meer zicht te krijgen op het aantal en de locatie van de bestaande volkstuinen. Uit de studie van UGent (2007) blijkt dat er in 2007 114 volkstuinen zijn. Hoe is de situatie vandaag? De voorliggende studie heeft niet de bedoeling om een exhaustief onderzoek te voeren, maar eerder om het bestaand datamateriaal als basis te gebruiken en waar nodig aan te vullen op basis van desktopresearch. Dit basismateriaal is aangeleverd door VLM. Het uiteindelijke resultaat is een totale lijst met de volkstuinen in Vlaanderen vandaag. De kans bestaat dat er een aantal volkstuinen door de mazen van het net geglipt zijn. Het zou dan voornamelijk gaan over volkstuinen die niet zijn aangesloten bij Tuinhier of Velt, die nooit VLM-volkstuinsubsidies hebben aangevraagd en die nog niet bestonden in 2007 op het moment van de initiële inventarisatie door de UGent (UGent, 2007).

39


F I G 1 . 2 0 Spreiding van de actuele volkstuinen (Voorland & KU Leuven, 2020)

waren al opgenomen in de OVAM-lijst. Hierdoor bleven van de 119 volkstuinen uit de ledenlijst van Velt 42 nieuwe volkstuinen over om toe te voegen aan de totale lijst. Dit brengt het aantal op 254 volkstuinen op de totale lijst. Vervolgens zijn de VLM-subsidie-aanvragen onderzocht die door volkstuinen jaarlijks zijn ingediend in de periode van 2012 tot en met 2018. Over deze jaren heen werden in totaal 335 aanvragen ingediend, waarvan er in totaal 176 aanvragen zijn goedgekeurd voor subsidie. Dit komt neer op 166 verschillende volkstuinen die een subsidie hebben gekregen en vandaag nog bestaan. (Dezelfde volkstuin kan meerdere keren subsidies krijgen.) Er zijn geen volkstuinen verdwenen die (in het verleden) subsidies van VLM hebben gekregen. Van deze 166 volkstuinen, zijn 73 volkstuinen al in de OVAM-lijst opgenomen. Van de 93 andere volkstuinen waren er al 17 opgenomen in de ledenlijst van Velt. In de totale lijst zijn er dus 76 nieuwe volkstuinen toegevoegd. Dit brengt het aantal op 330 volkstuinen in de totale lijst.

40

Ook de 159 aanvragen van volkstuinen die niet zijn geselecteerd voor subsidie, werden één voor één bekeken. Enerzijds om te onderzoeken of de volkstuinen vandaag effectief bestaan (in het geval dat de subsidie-aanvraag is ingediend bij de opstart van een nieuwe volkstuin), anderzijds om net zoals in de vorige stappen dubbele inventarisatie te vermijden. Aan de hand van deskresearch, werd bij elke aanvraag gekeken (via Google maps) of er op de opgegeven locatie vandaag een volkstuin aanwezig is. In totaal bleek dit over 70 volkstuinen te gaan die in realiteit ook bestaan. Van deze 70 volkstuinen waren al 20 volkstuinen opgenomen in de OVAM-lijst en 4 volkstuinen in de ledenlijst van Velt. 46 Nieuwe volkstuinen zijn dus toegevoegd aan de totale lijst, wat de totale som op 376 volkstuinen heeft gebracht.

Finaal is er nog een dubbelcheck uitgevoerd binnen de totale lijst. Na deze laatste check-up is gebleken dat er alsnog 5 volkstuinen dubbel waren geïnventariseerd en dat er 1 volkstuin ondertussen toch niet meer bestond. Ook werden in de UGent-lijst aanvankelijk de volkstuinen opgenomen die op gronden van NMBS gesitueerd waren. In de OVAM-lijst werden deze volkstuinen gewoon overgenomen, aangezien over deze volkstuinen geen nieuwe gegevens kon verkregen worden. Aangezien wij tijdens ons onderzoek, na herhaaldelijke pogingen, ook geen eenduidige gegevens konden verkrijgen over het al dan niet bestaan van volkstuinen op gronden van NMBS, leek het geen meerwaarde om deze 5 volkstuinen (reeds opgenomen in de totale lijst) verder te betrekken bij de studie en zou dit een vertekend beeld geven. Na het verwijderen van deze dubbel geïnventariseerde, verdwenen en geschrapte volkstuinen (376 – 5 – 1 – 5) bracht dit de totale lijst op het aantal van 365 volkstuinen. Bij het verwerken van de resultaten van de enquête (zie verder) bleek dat er nog 6 volkstuinen de bevraging te hebben ingevuld die nog niet in de totale lijst waren opgenomen. De uiteindelijke totale lijst bedraagt in totaal dus 371 volkstuinen in Vlaanderen die niet op NMBSgronden liggen (figuur 1.20).


KWALITATIEVE INVENTARISATIE

Middels de aangehaalde thema’s in de bevragingen van de studie van UGent (2007), aangevuld met mogelijke vragen in verband met de trends (uit de literatuur), is scherpgesteld welke vragen zeker in de enquête aan bod moeten komen. Uiteindelijk zijn de vragen in verschillende categorieën ingedeeld (vb. vragen over beheer van de volkstuin, over de voorzieningen, over sociale aspecten binnen de volkstuin, enz.) en opgelijst in een eerste draftversie. Deze draftversie is voorgelegd aan de stuurgroep en klankbordgroep, om feedback te krijgen over de logica van de opbouw van de enquête, en nog suggesties over eventuele vragen mee te nemen in de definitieve versie van de enquête, zodat deze mee een antwoord kunnen bieden op de onderzoeksvragen. Vanuit hun expertise was het voor de klankbordgroepleden iets eenvoudiger in te schatten welke vragen al dan niet binnen de kennis liggen van volkstuinbeheerders. Na de verwerking van de feedback bestaat de finale versie van de enquête in totaal uit 7 verschillende luiken. De concrete vragen zijn toegevoegd in bijlage. >  Algemene gegevens van de volkstuin bv. naam volkstuin, adres, oppervlakte, eigenaar, … >  Specifieke kenmerken van de volkstuin bv. type volkstuin, hoofddoelstelling, doelpubliek, … >  Voorzieningen bv. nutsvoorzieningen, andere voorzieningen >  Dagelijks gebruik van de volkstuin bv. dagelijkse leiding, begeleiding, reglementen, … >  Sociale aspecten binnen de volkstuin bv. leeftijdscategorieën, sociale mix, activiteiten, samenwerkingen, … >  Subsidies bv. subsidies van VLM, andere subsidies, geen subsidies, … >  Toekomstperspectief bv. bestaanszekerheid, toekomstige investeringen of ondersteuning, … Om de bevraging online te laten doorgaan, is er gebruik gemaakt van de online tool ‘SurveyMonkey’. Aan de hand van deze tool is de opgemaakte enquête gemakkelijk verspreid via allerhande platformen. In eerste instantie is de enquête verstuurd per e-mail naar alle beheerders van de volkstuinen uit de totale lijst. Dit kon gaan om de beheerders van de lokale afdelingen van vzw Tuinhier,

van vzw Velt, de groenambtenaren van gemeenten die beheerder zijn van volkstuinen of de contactpersoon opgegeven op de website van de volkstuin of eventueel de subsidieaanvraag. Daarnaast is de enquête ook gedeeld op sociale media, zoals de facebookpagina’s van VLM, Tuinhier en Velt.

FIG 1.21

Verspreiding van de enquête via de facebook van Velt vzw

Een bijkomend voordeel van het gebruik van Surveymonkey voor de enquête, is dat er gewerkt kan worden met een logica voor het overslaan van vragen: afhankelijk van het antwoord op het al dan niet gesubsidieerd zijn van de volkstuin, werden er andere vragen gesteld aan de respondenten. Zo kon de enquête zowel naar de gesubsidieerde volkstuinen als naar de ‘controlegroep’ gestuurd worden, waarbij de vraagstelling ervoor heeft gezorgd dat ze de juiste versie van de enquête hebben gekregen.

VOLKSTUINEN VANDAAG

De kwalitatieve inventarisatie van de volkstuinen is gebeurd, net zoals in de studie van UGent in 2007, aan de hand van enquêtes. Het doel van de enquête is om de toestand van volkstuinen in Vlaanderen anno 2019 beter te kunnen inschatten op vlak van voorzieningen, beheer, het profiel en de motivatie van de tuiniers, de sociale dynamiek en in welke mate een subsidie (in het bijzonder de subsidie voor inrichting van volkstuinen van VLM) hieraan heeft bijgedragen.

41


FIG 1.22

Indiendatum van de respondenten op de enquête (Bron: Enquête 2019, verwerking: Voorland & KU Leuven, 2020)

De enquête is door VLM officieel verspreid op woensdag 2 oktober 2019 en stond open tot zondag 4 november 2019 (figuur 1.22). Aan het invullen van de enquête was een beloning gekoppeld. Binnen de prijzenpot waren er 10 abonnementen van Tuinhier, 1 publicatie van Tuinhier en 3 boeken van Velt te winnen. De 14 gelukkige winnaars werden random geselecteerd uit de lijst van respondenten, en na afloop van de enquête gecontacteerd door VLM. Ook kreeg iedere respondent achteraf een terugkoppeling van de eerste resultaten die uit de enquête naar voren kwamen (figuur 1.23).

F I G 1 . 2 3 Terugkoppeling van de eerste resultaten van de enquête naar de respondenten (Voorland & KU Leuven, 2020)

REPRESENTATIVITEIT Van de 371 volkstuinen in Vlaanderen, hebben 129 respondenten de enquête ingevuld. Eén respondent vulde echter de enquête in voor 3 verschillende volkstuinen, voor 6 volkstuinen werd de enquête tweemaal ingevuld en voor 1 volkstuin werd de enquête driemaal ingevuld. Dit maakt dat de antwoorden uit de enquête gelden voor 123 verschillende volkstuinen, verspreid over Vlaanderen. Om correcte conclusies te kunnen trekken uit de enquête was een eerste ruwe verwerking van de antwoordformulieren nodig. Eerst werden de dubbele en driedubbele antwoorden (meerdere respondenten voor 1 volkstuin) geëlimineerd en werden de antwoorden van de dubbele antwoorden gegroepeerd in één antwoordformulier van de desbetreffende volkstuin. Het antwoordformulier dat voor drie volkstuinen samen werd ingevuld, werd opgesplitst naar drie aparte antwoordformulieren. Ook de enquêtes die onvolledig waren ingevuld (4 enquêtes werden vroegtijdig stopgezet), werden verwijderd. Op die manier waren er in totaal 118 volledige antwoordformulieren voor een bijhorende volkstuin (figuur 1.24). Concreet betekent dit dat ongeveer één op de drie volkstuinen in Vlaanderen de bevraging heeft ingevuld, waardoor de bevraging statistisch gezien representatief is met een betrouwbaarheidsinterval van 80% en een foutenmarge van 5% (om hieraan te voldoen waren er 114 respondenten nodig).

42

Uit de enquête blijkt dat 79 van de 118 volkstuinen reeds één of meerdere aanvra(a)g(en) voor een VLM-volkstuinsubsidie heeft ingediend. Dit betekent dat er 39 volkstuinen behoren tot de controlegroep: de volkstuinen die geen subsidieaanvraag voor een VLM-volkstuinsubsidie hebben ingediend. Dit, en het feit dat de enquête statistisch gezien representatief is, maakt het mogelijk om de uitkomsten en bevindingen vanuit de enquête (met o.a. de bevindingen over de subsidie van VLM) te extrapoleren naar alle volkstuinen. Bij de 371 volkstuinen zien we immers dezelfde verhouding tussen volkstuinen die de VLM-volkstuinsubsidie hebben aangevraagd en de controlegroep (figuur 1.25).


118

VOLKSTUINEN

79

39

ENQUÊTE

subsidieaanvraag VLM - volkstuinen

geen subsidieaanvraag VLM-volkstuinen

?

? 68 subsidie ontvangen

1x subsidie ontvangen 66 VT

2x subsidies ontvangen 2 VT

aantal subsidievragen

aantal subsidievragen

1x

48 VT

2x

17 VT

3x

1 VT

2x

2 VT

11 geen subsidie

8 andere subsidieaavraag

31 geen andere subsidieaanvraag

1x subsidieaanvraag 9 VT

4 kregen wel andere subsidie 4 kregen geen andere subsidie

2x subsidieaanvraag 2 VT

F I G 1 . 2 4 Respondenten van de enquête (118) en de verhouding tussen volkstuinen die een VLM-volkstuinsubsidie hebben aangevraagd (79), tegenover de controlegroep (39). Inclusief verdere detaillering van het aantal keer dat een (VLM-volkstuin)subsidie is aangevraagd en al dan niet ontvangen (Voorland & KU Leuven, 2020)

371

VOLKSTUINEN

236

IN TOTAAL

subsidieaanvraag VLM - volkstuinen

135

geen subsidieaanvraag VLM - volkstuinen

166 subsidie ontvangen

70 geen subsidie

1x subsidie ontvangen 156 VT

2x subsidies ontvangen 10 VT

1x subsidieaanvraag 61 VT

aantal subsidievragen

aantal subsidievragen

2x subsidieaanvraag 8 VT

1x

119 VT

2x

6 VT

2x

36 VT

3x

3 VT

3x

1 VT

4x

1 VT

3x subsidieaanvraag 1 VT

F I G 1 . 2 5 Overzicht van alle volkstuinen (371) en de verhouding tussen volkstuinen die een VLM-volkstuinsubsidie hebben aangevraagd (236), tegenover de controlegroep (135). Inclusief verdere detaillering van het aantal keer dat een (VLM-volkstuin)subsidie is aangevraagd en al dan niet ontvangen (Voorland & KU Leuven, 2020)

VOLKSTUINEN VANDAAG

?

43


1.4.2

Resultaten van de enquête

FIG 1.26

Geografische spreiding van de 118 respondenten (Bron: Enquête 2019, verwerking: Voorland & KU Leuven, 2020)

In dit onderdeel ‘resultaten’ worden de uiteindelijke resultaten uit de enquête toegelicht. Hiervoor is de structuur van de enquête (de 7 thema’s) losgelaten, maar zijn de resultaten gebundeld op basis van 6 topics (concept, organisatie: partnerschappen, organisatie: dagelijks beheer, sociale dynamiek, tuiniers, de tuin). Deze 6 topics zijn later ook bij de case-bezoeken gebruikt. (Voor de relatie tussen de 7 thema’s en de 6 topics, verwijzen we naar de methodiek van de interviews in deel 3 van dit rapport). Door de enquête te bespreken aan de hand van de 6 topics, kan later ook op eenvoudige wijze de koppeling worden gemaakt met de resultaten uit het case-onderzoek, die op dezelfde manier zijn verwerkt. Naast de zes topics heeft dit hoofdstuk twee bijkomende elementen: algemene informatie over de respondenten en toekomstperspectief.

ALGEMEEN

44

In eerste instantie is het interessant om enkele algemene zaken te weten over de respondenten (voor de volkstuinen waarvoor de enquête werd ingevuld). Het betreft zaken zoals de geografische verspreiding van de volkstuinen over de verschillende provincies, hoe lang ze reeds gesitueerd zijn op de huidige locatie en of ze eventueel subsidies hebben aangevraagd/ontvangen.

GEOGRAFISCHE SPREIDING Geografisch gezien, liggen de volkstuinen die de enquête hebben ingevuld, verspreid over Vlaanderen (figuur 1.26). Vooral in de grotere provincies (Antwerpen, West-Vlaanderen en Oost-Vlaanderen) zijn er heel wat respondenten. Opvallend is het laag aantal respondenten uit de provincie Limburg. De oorzaak hiervan is dat de volkstuinen in Limburg minder bereikt zijn bij de bevraging. Het aantal volkstuinen in Limburg is dus niet opvallend lager dan in andere provincies, maar het aantal respondenten wel. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat de enquête sterk is verspreid door de koepelorganisaties Velt en Tuinhier die hier minder actief aanwezig zijn. Limburg.net neemt een grote rol op in het Limburgse volkstuinverhaal, maar is niet actief aangesproken om de enquête mee te verspreiden.

PROVINCIE

AANTAL RESPONDENTEN

Antwerpen

39

Limburg

9

Oost-Vlaanderen

23

Vlaams-Brabant

15

West-Vlaanderen

32

Totaal

118


F I G 1 . 2 7 Jaar van oprichting van de volkstuin, totaal aantal respondenten: 112 (Bron: Enquête 2019, verwerking: Voorland & KU Leuven, 2020)

JAAR VAN OPRICHTING

Volkstuinen in Vlaanderen

V39 Heeft de volkstuin reeds subsidies Beantwoord: 64

Heeft de volkstuin reeds subsidies ontvangen?

80%

56% 56% 60% 40%

25% 25% 14% 14%

20%

OORDKEUZEN

0%

5% 5%

Ja, van VLM (inrichting volkstuinen)

Ja, van andere instantie

Ja, van VLM (inrichting volkstuinen) en andere instantie

F I G 1 . 2 8 Overzicht van het al dan niet ontvangen van een subsidie voor de volkstuinen met een stichtingsdatum van 2012 of later,

n VLM (inrichting volkstuinen) aantal respondenten: 64 - overgeslagen 15 (Bron: Enquête 2019,

n andere instantie

verwerking: Voorland & KU Leuven, 2020)

n VLM (inrichting volkstuinen) en andere instantie

AL

STATISTIEKEN

Neen

REACTIES 56% 14% 25% 5%

Vanaf 2012 zijn er duidelijke pieken (met de hoogste piek in 2015) van opgestarte volkstuinen (figuur 1.27). Als we inzoomen op de laatste zeven jaren, dan kan deze toename in aantal volkstuinen voor een groot deel gelinkt worden aan de VLM-volkstuinsubsidie, die in deze periode werd toegekend. Zo geeft 80% van elke volkstuin die is opgestart vanaf 2012 (absoluut cijfer: 70 volkstuinen) aan dat ze subsidies hebben aangevraagd. Hiervan heeft in totaal 81% (56% + 25%) een VLM-volkstuinsubsidie ontvangen (al dan36niet in combinatie met andere subsidies) (figuur 1.28). 9 16 3 64

VOLKSTUINEN VANDAAG

100%

Overgeslagen: 15

Het jaar van oprichting van de volkstuin is zeer uiteenlopend. De oudste volkstuinen waarvoor de enquête is ingevuld, dateren van 1896 (twee volkstuinen in totaal), en de jongste volkstuinen werden opgericht in 2019 (9 volkstuinen in totaal). Op de onderstaande grafiek is duidelijk SurveyMonkeyte zien dat het grootste aantal volkstuinen uit de enquête sinds 2009 is opgericht. Dit bevestigt de huidige trends in Vlaanderen, met name de ontvangen? stijgende populariteit om te tuinieren en de nood aan volkstuinen, aangetoond in de studie van UGent (2007).

45


Volkstuinen in Vlaanderen

SurveyMonkey

V38 Heeft de volkstuin reeds subsidies aangevraagd? Beantwoord: 117 100%

SUBSIDIE

Overgeslagen: 1

Heeft de volkstuin reeds subsidies aangevraagd? 68% 68%

80%

Bij de bevraging heeft 68% van alle respondenten 60% reeds een subsidie aangevraagd (figuur 1.29). Hiervan heeft slechts 6% geen subsidies 32% 32% 40% ontvangen (‘neen’ in figuur 1.30). Het grootste deel van de respondenten kreeg enkel VLM20% volkstuinsubsidies (53%) en 28% kreeg deze 0% VLM-volkstuinsubsidie in combinatie met Ja Nee andere subsidies (meestal van een andere Volkstuinen in Vlaanderen SurveyMonkey F I G 1 . 2 9 Verdeling volkstuinen die wel/geen subsidies hebben aangevraagd. ANTWOORDKEUZEN REACTIES Aantal respondenten: 117, overgeslagen: 1 instantie). De overige 14% van de respondenten (Bron: Enquête 2019, verwerking: Voorland & KU Leuven, 2020) 68% Ja (1) kreeg enkel subsidies van een andere instantie. V39 Heeft de volkstuin reeds subsidies32%ontvangen? De combinatie van het aantal respondenten Nee (2) TOTAAL Beantwoord: 80 Overgeslagen: 38 dat geen subsidies aanvroeg met het aantal respondenten dat geen VLM-volkstuinsubsidie BASISSTATISTIEKEN 100% Heeft de volkstuin reeds subsidies ontvangen? heeft ontvangen, maakt dat de controlegroep Minimum Maximum Mediaan Gemiddelde Standaardafwijking 80% groot genoeg is. 1.00 2.00 1.00 1.32 0.47

1

53% 53%

60%

De ‘andere instantie’ waar volkstuinen subsidies 28% 28% 40% van hebben gekregen uit figuur 1.30, zijn vaak 14% 14% de gemeente of de stad waar de volkstuin is 20% 6% 6% gesitueerd. Daarnaast zijn de voornaamste 0% Neen Ja, van andere Ja, van VLM Ja, van VLM andere partners: CERA, Limburg.net, Koning instantie (inrichting (inrichting Boudewijnstichting, Vlaamse overheid (ander volkstuinen) en volkstuinen) Volkstuinen in Vlaanderen SurveyMonkey andere instantie departement) of een Vlaamse, provinciale en/ F I G 1 . 3 0 Verdeling volkstuinen die al dan niet subsidies hebben ontvangen. REACTIES of Europese cofinanciering (LEADER). Andere ANTWOORDKEUZEN Aantal respondenten: 80, overgeslagen: 38 (Bron:reden Enquête 2019, verwerking: Voorland & KU Leuven,aangevraagd? 2020) 53% Ja, van VLM (inrichting volkstuinen) V59 Om welke zijn er nooit subsidies (meerdere instanties zoals ‘Cargill Care Council’, ‘Nationale 14% opties mogelijk) Ja, van andere instantie Loterij’ of ‘cvba Beauvent’ zijn specifieke 28% financierders of partners die bij bepaalde Beantwoord: 35 Overgeslagen: 83 Ja, van VLM (inrichting volkstuinen) en andere instantie volkstuinen een belangrijke (financiële) rol 6% Neen 100% Om welke reden zijn er nooit subsidies aangevraagd? hebben gespeeld. TOTAAL

42 11 22 5 80

80%

BASISSTATISTIEKEN

De reden waarom volkstuinen geen subsidies 60% Minimum Maximum Mediaan Gemiddelde Standaardafwijking hebben aangevraagd is zeer divers en is dus niet 1.00 1.00 1.88 1.02 29% 29% 4.00 40% 26% 26% 26% 26% volledig gerelateerd aan het subsidiereglement 17% 17% 17% 17% 20% of indienproces van de VLM-volkstuinsubsidie 1/1 (figuur 1.31). Wel geeft 17% van de respondenten 0% Andere reden We voldeden Te veel werk We waren Er was geen die geen subsidies hebben aangevraagd, aan niet aan de om dossier in niet op de behoefte aan selectiecrite orde te hoogte subsidies dat het te veel werk was om het subsidiedossier ria brengen in orde te brengen en 26% voldeed niet aan de ANTWOORDKEUZEN REACTIES F I G 1 . 3 1 Reden voor het niet aanvragen van subsidies (meerdere antwoorden mogelijk) selectiecriteria. Volkstuinen in Vlaanderen SurveyMonkey 29% 10 Aantal respondenten: 35, overgeslagen: 83 Er was geen behoefte aan subsidies

(Bron: Enquête 2019, verwerking: Voorland & KU Leuven, 2020)

We waren niet op de hoogte

26%

In de enquête werden de vragen m.b.t. de subsiTe veel werk om dossier in orde te brengen V42 Zou de volkstuin er ook gekomen zijn zonder17% de subsidie? dies opgesplitst volgens de verschillende subsi26% We voldeden niet aan de selectiecriteria diekanalen (enkel VLM-volkstuinsubsidie, enkel Beantwoord: 41 Overgeslagen: 1 17% andere instantie, zowel VLM-volkstuinsubsidie Andere reden 100% 35 Totaal aantal respondenten: Zou de volkstuin er ook gekomen zijn zonder de subsidies? als andere instantie(s) en geen subsidie). Zo kon de impact van de specifieke subsidies uit elkaarBASISSTATISTIEKEN80% worden geëvalueerd. Minimum Maximum Mediaan Gemiddelde Standaardafwijking 51% 51% 1.00

60%

Bij de groep volkstuinen die enkel de VLM-volkstuinsubsidie heeft ontvangen (figuur 1.32), gaf de helft aan dat de volkstuin niet zou opgestart zijn zonder de subsidies (51%). Slechts 10% zou op dezelfde manier zijn opgericht en 39% zou op een andere manier zijn opgericht.

40%

5.00

39% 39%

3.00 1 / 1

1.42

10% 10%

20% 0%

2.80

Ja, maar op een andere manier

Ja, op dezelfde manier

Nee

F I G 1 . 3 2 Invloed van subsidies op het ontstaan van de volkstuin (ingevuld door de REACTIES volkstuinen die enkel de VLM-volkstuinsubsidie hebben ontvangen) 39% Aantal Ja, maar op een andere manier (1) respondenten: 41, overgeslagen: 1 (Bron: Enquête 2019, verwerking: Voorland & KU Leuven, 2020) 10% Ja, op dezelfde manier (2)

ANTWOORDKEUZEN

46

51%

Nee (3) TOTAAL

1/1

BASISSTATISTIEKEN Minimum 1.00

Maximum 3.00

Mediaan 3.00

Gemiddelde 2.12

Standaardafwijking 0.94

9 6 9 6


Volkstuinen in Vlaanderen

SurveyMonkey

V43 Welke invloed heeft de subsidie gehad op de volkstuin? Beantwoord: 41 100%

Overgeslagen: 23

Bovendien geeft meer dan de helft van deze groep aan dat er meer is nagedacht over duurzaamheid (59%) en het betrekken van andere partners (56%) dankzij de VLM-volkstuinsubsidie (figuur 1.33). Een andere impact is dat de subsidie vaak de aanleiding was om de volkstuin uiteindelijk op te starten:

Welke impact heeft de subsidie gehad op de volkstuin?

80%

59% 59%

56% 56%

60%

34% 34%

40% 20% 0%

Er is meer nagedacht over duurzaamheid

Volkstuinen in Vlaanderen

Er is meer nagedacht over het betrekken van andere partners

Andere invloeden

“De projectoproep met subsidie is zeker een aanzet geweest voor de opstart 24 van de volkstuin. Wanneer dergelijke 23 VLM? projectoproep komt, wordt erover 14 nagedacht waar in de gemeente dergelijk project kan plaats vinden en krijgt dit veel sneller concrete vormen.”

SurveyMonkey

F I G 1 . 3 3 Impact van de subsidie op de volkstuin (ingevuld door volkstuinen gesubREACTIES sidieerd met VLM-volkstuinsubsidies). 59% Aantal respondenten: 41, overgeslagen: 23. Er is meer nagedacht over duurzaamheid (1) (Bron: Enquête 2019, verwerking: Voorland & KU Leuven, 2020)

ANTWOORDKEUZEN

V52 Zou de volkstuin er ook gekomen zijn zonder de subsidie56% van

Er is meer nagedacht over het betrekken van andere partners (2) Andere invloeden

Beantwoord: 22

34%

Overgeslagen: 42

Totaal aantal respondenten: 41 100%

Minimum 1.00

Zou de volkstuin opgericht zijn zonder de VLM-volkstuinsubsidies?

80%

Maximum 3.00 41% 41%

60%

Mediaan 2.00

Gemiddelde 1.84

55% 55%

Standaardafwijking 0.77

“Het heeft er ons toe aangezet om concreet te gaan nadenken wat er nodig is om een samentuin op te starten, waardoor we ook op bezoek geweest zijn bij gelijkaardige initiatieven.”

40% 20% 0%

5% 5%

Ja, maar op een andere manier

Ja, op dezelfde manier

Nee

ANTWOORDKEUZEN

REACTIES F I G 1 . 3 4 Invloed van VLM-volkstuinsubsidie op het ontstaan van de volkstuin (in- SurveyMonkey Volkstuinen in Vlaanderen

gevuld subsidies 41% Ja, maar op een andere manier (1) door de volkstuinen die naast de VLM-volkstuinsubsidie ook andere hebben ontvangen).

Ja, op dezelfde manier (2) Aantal respondenten: 22, overgeslagen: 42. Nee (3)

5%

(Bron: Enquête 2019, verwerking: Voorland & KU Leuven, 2020) V48 Zou de volkstuin er ook gekomen zijn zonder55% de subsidie? Beantwoord: 11

TOTAAL 100%

BASISSTATISTIEKEN Minimum 1.00

Overgeslagen: 0

Maximum 3.00

Mediaan 3.00

Gemiddelde 2.14

64% 64%

Standaardafwijking 0.97

60%

36% 36%

1/1

40% 20%

ANTWOORDKEUZEN

Ja, maar op een andere manier FIG 1.35

Ja, op dezelfde manier

Nee

Invloed van andere subsidies op het ontstaan van de volkstuinREACTIES (ingevuld

door(1) de volkstuinen die naast de VLM-volkstuinsubsidie ook andere subsidies 36%hebben Ja, maar op een andere manier ontvangen)

Ja, op dezelfde manier (2) Aantal respondenten: 11, overgeslagen: 0.

0%

Nee (3)

64%

(Bron: Enquête 2019, verwerking: Voorland & KU Leuven, 2020)

TOTAAL BASISSTATISTIEKEN Minimum 1.00

1

“Het 12 was vooral goed zodat de stad zelf niet 22 alles moet ophoesten qua kosten.”

Zou de volkstuin opgericht zijn zonder de andere subsidies?

80%

0%

“We zijn sneller van start kunnen gaan en het was gemakkelijker om de eigenaar 9 te overtuigen.”

Maximum 3.00

Mediaan 3.00

1/1

Gemiddelde 2.27

Standaardafwijking 0.96

In combinatie met andere subsidiekanalen, is de VLM-volkstuinsubsidie iets minder bepalend in vergelijking met de andere subsidiekanalen: 55% van de respondenten geeft aan dat de volkstuin mogelijks niet was opgestart zonder de subsidie van VLM, en 41% ging dit zonder subsidie op een andere manier doen (figuur 1.34). De subsidie van de andere instantie daarentegen, 4 64% van de respondenten die zowel heeft bij 0 VLM-volkstuinsubsidies als andere subsidies hebben 7 ontvangen, ervoor gezorgd dat de volkstuin is kunnen opstarten (figuur 1.35). Wel 11 zouden minder volkstuinen op een andere manier de tuin hebben gerealiseerd.

VOLKSTUINEN VANDAAG

BASISSTATISTIEKEN

47


Volkstuinen in Vlaanderen

SurveyMonkey

V53 Welke invloed heeft de subsidie van VLM gehad op de volkstuin? Beantwoord: 20

Dit zou erop kunnen wijzen dat de VLMvolkstuinsubsidie wel een bepaalde impact heeft op de realisatie van de volkstuin. Zo zorgt de VLM-volkstuinsubsidie (in combinatie met andere subsidies) bij 75% van de respondenten voor het meer betrekken van partners (figuur 1.36), terwijl dit bij de andere subsidies minder het geval is (60% in figuur 1.37).

100%

Overgeslagen: 44

Welke invloed heeft de VLM-subsidie gehad op de volkstuin? 75% 75%

80%

50% 50%

60% 40%

20% 20%

20% 0%

Er is meer nagedacht over duurzaamheid

Er is meer nagedacht over het betrekken van andere partners

Andere invloeden (geef nadere toelichting)

De impact bij de groep volkstuinen die enkel F I G 1 . 3 6 Invloed VLM-volkstuinsubsidie (in combinatie met andere subsidies) subsidies kregen van een andere instantie is ANTWOORDKEUZEN REACTIES Aantal respondenten: 20, overgeslagen: 44. Volkstuinen in Vlaanderen SurveyMonkey 50% echter nog groter op vlak van het nadenken over Er is meer nagedacht over duurzaamheid (1)2019, verwerking: Voorland & KU Leuven, 2020) (Bron: Enquête het betrekken van andere partners (78% in figuur 75% Er is meer nagedacht over het betrekken van andere partners (2) 1.38). Over duurzaamheid ligt het cijfer dan weer 20% Andere invloeden (geefWelke nadere toelichting) (3) heeft de subsidie gehad op de volkstuin? V49 impact beduidend lager (33% in figuur 1.38 ten opzichte Totaal aantal respondenten: 20 Beantwoord: 10 Overgeslagen: 1 van 50% in figuur 1.36 en figuur 1.37). BASISSTATISTIEKEN

100%

Een eenduidige conclusie kan hieruit dus niet getrokken worden. Hoe deze impact van de subsidie zich effectief vertaalt in de werking van de volkstuin zelf, wordt hieronder verder uitgediept per topic.

Minimum 1.00

Welke impact heeft de subsidie gehad op de volkstuin? Maximum 3.00

80%

Mediaan 2.00 60% 60%

Gemiddelde 1.79

10

15

4

Standaardafwijking 0.66

50% 50%

60% 40%

20% 20%

20% 0%

ANTWOORDKEUZEN

Er is meer nagedacht over duurzaamheid

FIG 1.37

Er is meer nagedacht over het betrekken van andere partners

Andere invloeden (geef nadere toelichting)

Invloed andere subsidie (in combinatie met VLM-volkstuinsubsidies).

Volkstuinen in Vlaanderen Aantal respondenten: 10, overgeslagen: 1.

REACTIES

SurveyMonkey

Er is meer nagedacht over duurzaamheid (Bron: Enquête(1)2019, verwerking: Voorland & KU Leuven, 2020)

50%

5

Er is meer nagedacht over het betrekken van andere partners (2)

60%

6

V58 Welke impact heeft deze subsidie gehad op de volkstuin? 20% Andere invloeden (geef nadere toelichting) (3) Beantwoord: 18

Totaal aantal respondenten: 10

Welke impact heeft de andere subsidie op de volkstuin?

100%

BASISSTATISTIEKEN Minimum 1.00

2

Overgeslagen: 100

78% 78% Mediaan 2.00

Maximum 3.00

80%

Gemiddelde 1.77

Standaardafwijking 0.70

1/1

60%

33% 33%

40%

17% 17% 20% 0%

Er is meer nagedacht over duurzaamheid

Volkstuinen in Vlaanderen

Er is meer nagedacht over het betrekken van andere partners

Andere invloeden

SurveyMonkey

Invloed andere subsidie (niet in combinatie met VLM-volkstuinsubsidies) Aantal respondenten: 18, overgeslagen: 100. (Bron: Enquête Er is meer nagedacht over duurzaamheid (1)2019, verwerking: Voorland & KU Leuven, 2020) FIG 1.38

ANTWOORDKEUZEN

REACTIES 33%

V12 Welke beschrijving hoort het best bij jullie volkstuin? 78%

Er is meer nagedacht over het betrekken van andere partners (2)

Beantwoord: 118

Andere invloeden Totaal aantal respondenten: 100% 18

Overgeslagen: 0

17%

6

14

3

Welke beschrijving hoort het best bij jullie volkstuin?

BASISSTATISTIEKEN 80% Minimum 1.00

57% 57% 60%

Maximum 3.00

40%

Mediaan 2.00 21% 21%

20% 0%

ANTWOORDKEUZEN

48

Klassieke volkstuin

Samentuin

Standaardafwijking 0.61

1/1 5% 5%

Klassieke volkstuin

Gemiddelde 1.87

Zorgtuin

13% 13%

Warme tuin

REACTIES F I G 1 . 3 9 Beschrijving van de volkstuin. Aantal respondenten: 118, overgeslagen: 0. 57% (Bron: Enquête 2019, verwerking: Voorland & KU Leuven, 2020)

4% 4% Overige

67

Samentuin

21%

Zorgtuin

5%

6

Warme tuin

13%

15

Overige

4%

TOTAAL

25

5

118


Volkstuinen in Vlaanderen

SurveyMonkey

V12 Welke beschrijving hoort het best bij jullie volkstuin? Beantwoord: 64 100%

Overgeslagen: 0

CONCEPT

Welke beschrijving hoort het best bij jullie volkstuin?

80%

BESCHRIJVING 44% 44% 27% 27%

40% 20% 0%

6% 6%

5% 5%

Klassieke volkstuin

Samentuin

Zorgtuin

Warme tuin

Beschrijving van de gesubsidieerde volkstuinen

ANTWOORDKEUZEN

FIG 1.40

Klassieke volkstuin

44% Aantal respondenten: 64, overgeslagen: 0. (Bron: Enquête 2019, verwerking: Voorland & KU Leuven, 2020)

Zorgtuin

Overige

REACTIES

Volkstuinen in Vlaanderen die VLM-volkstuinsubsidies hebben ontvangen.

Samentuin

Uit de enquête blijkt dat slechts 57% van alle bevraagde volkstuinen zichzelf omschrijft als een klassieke volkstuin. De andere 43% beschrijven zichzelf als een samentuin, warme tuin, zorgtuin of een combinatie van deze concepten (figuur 1.39).

19% 19%

SurveyMonkey

27%

V12 Welke beschrijving hoort het best bij 5% jullie volkstuin? Beantwoord: 5

Warme tuin Overige

100%

TOTAAL

Overgeslagen: 0

19% 6%

80% 80%

Welke beschrijving hoort het best bij jullie volkstuin?

80%

BASISSTATISTIEKEN 60%

Minimum 1.00

Maximum 5.00

40%

Mediaan 2.00

Gemiddelde 2.17

20% 20%

20% 0%

Klassieke volkstuin

Samentuin

Zorgtuin

Warme tuin

Beschrijving van de volkstuinen die geen subsidiesREACTIES

ANTWOORDKEUZEN

FIG 1.41

Klassieke volkstuin

Aantal respondenten: 5, overgeslagen: 0. (Bron: Enquête 2019, verwerking: Voorland & KU Leuven, 2020)

hebben ontvangen, maar er wel hebben aangevraagd bij VLM. Volkstuinen in Vlaanderen 80% 0%

Samentuin Zorgtuin

20%jullie V12 Welke beschrijving hoort het best bij

Warme tuin Overige

Beantwoord: 37

80%

Minimum 1.00

60%

Overgeslagen: 0

0% 0%

100%

Welke beschrijving hoort het best bij jullie volkstuin?

TOTAAL BASISSTATISTIEKEN

Standaardafwijking 1.33

28

Als we enkel de respondenten bekijken die 17 aangeven een VLM-volkstuinsubsidie te hebben 3 gekregen (al dan niet in combinatie met 12 andere subsidies), dan zien we dat er minder 4 klassieke volkstuinen zijn (13% minder klassieke 64 volkstuinen). Er is een verschuiving naar meer samentuinen (+6%), warme tuinen (+6%) of een combinatie van samentuin, zorgtuin of warme tuin (+2%) (figuur 1.40).

84% 84% Maximum 3.00

De omgekeerde verschuiving zien we in figuur 1.41 en 1.42 bij de volkstuinen die eerder in de Overige bevraging aangeven dat ze wel subsidies hebben aangevraagd, maar geen subsidies hebben ontvangen (5 volkstuinen) of geen subsidies SurveyMonkey 4 hebben aangevraagd (37 volkstuinen). Bij deze eerste0 groep zien we dat 80% een klassieke 1 volkstuin is en 20% een zorgtuin (figuur 1.41). Bij volkstuin? 0 de tweede groep zijn 84% klassieke volkstuinen, 8% samentuinen, 5% warme tuinen en 3% 0 overige 5 (ofwel een combinatie van categorieën) (figuur 1.42).

Mediaan 1.00 1 / 1

Gemiddelde 1.40

Standaardafwijking 0.80

Mediaan 1.00 1 / 1

Gemiddelde 1.35

Standaardafwijking 0.94

Hoewel het uit bovenstaande grafieken lijkt dat door de VLM-volkstuinsubsidie er meer andere concepten dan de klassieke volkstuin ontstaan, 8% 8% 20% 5% 5% 3% 3% moet er een belangrijke nuance gemaakt worden. 0% Zo zijn er bijvoorbeeld bij de groep volkstuinen Klassieke Samentuin Zorgtuin Warme tuin Overige volkstuin die enkel een subsidie hebben ontvangen van een andere instantie (11 volkstuinen) F I G 1 . 4 2 Beschrijving van de volkstuin die geen subsidies heeft aangevraagd ANTWOORDKEUZEN REACTIES Volkstuinen in Vlaanderen SurveyMonkey Aantal respondenten: 37, overgeslagen: 0. meer31samentuinen dan klassieke volkstuinen 84% Klassieke volkstuin (Bron: Enquête 2019, verwerking: Voorland & KU Leuven, 2020) ontstaan, maar zijn er ook zorgtuinen (9%) en 8% 3 Samentuin warme tuinen (9%) (figuur 1.43). De omgekeerde V12 Welke beschrijving hoort het best bij jullie volkstuin? 0% 0 Zorgtuin redenering kan ook worden aangetoond: van 2 Beantwoord: 11 Overgeslagen: 0 5% Warme tuin alle volkstuinen die zichzelf als “klassieke 3% 1 Overige 100% Welke beschrijving hoort het best bij jullie volkstuin? volkstuin” beschouwen, hebben er 42 % VLMTOTAAL 37 volkstuinsubsidies ontvangen. 80% 40%

BASISSTATISTIEKEN Minimum 1.00

60% 40%

36% 36% Maximum 5.00

45% 45%

20% 0%

ANTWOORDKEUZEN Klassieke volkstuin

Klassieke volkstuin

Samentuin

9% 9%

9% 9%

Zorgtuin

Warme tuin

F I G 1 . 4 3 Beschrijving van de volkstuin die enkel subsidies REACTIES heeft ontvangen van een andere instantie. 36% Aantal respondenten: 11, overgeslagen: 0. (Bron: Enquête 2019, verwerking: Voorland & KU Leuven, 2020)

Overige

Er kan bijgevolg geconcludeerd worden dat volkstuinen die geen subsidies hebben aangevraagd, eerder klassieke volkstuinen zijn. De VLM-volkstuinsubsidie op zich heeft niet meteen impact op de verscheidenheid aan concepten, maar wel het feit dat de volkstuin een subsidie heeft ontvangen (ongeacht van welke instantie). 4

45%

5

Zorgtuin

9%

1

Warme tuin

9%

1

Overige

0%

Samentuin

TOTAAL

0 11

VOLKSTUINEN VANDAAG

60%

49


Volkstuinen in Vlaanderen

SurveyMonkey

V14 Met welke hoofddoelstelling is de volkstuin opgestart? (Max. 2 aanduiden) Beantwoord: 118 Met welke hoofddoelstellingOvergeslagen: is de volkstuin0opgestart? (max. 2 aanduiden)

HOOFDDOELSTELLING 100%

Op de vraag: “Met welke hoofddoelstelling is de volkstuin opgestart”, konden de respondenten maximaal 2 antwoorden aanduiden. 118 respondenten hebben de vraag over de hoofddoelstelling beantwoord, waarbij in totaal 214 antwoorden zijn verzameld. Dit toont dat de meeste tuinen twee hoofddoel­ stellingen hebben aangeduid.

81% 81%

80%

50% 50%

60% 40%

25% 25%

20% 20%

20% 0%

4% 4% Voedselproduc tie

Volkstuinen in Vlaanderen

Gezondheid en welzijn

Sociale functie

Educatieve functie

Andere

SurveyMonkey

De voornaamste hoofddoelstellingen van alle beF I G 1 . 4 4 Hoofddoelstelling bij de opstart van de volkstuin (alle respondenten) ANTWOORDKEUZEN REACTIES Aantal respondenten: 118, overgeslagen: 0. vraagde volkstuinen bij de opstart (figuur 1.44) zijn in 50% Voedselproductie (Bron: Enquête 2019, verwerking: Voorland & KU Leuven, 2020) eerste instantie de sociale functie (81%), gevolgd doorV14 Met welke hoofddoelstelling is de volkstuin opgestart? 25% Gezondheid en welzijn de voedselproductie (50%), maar ook gezondheid en aanduiden) 81% Sociale functie welzijn en de educatieve functie worden als belangBeantwoord: 64 Overgeslagen: 0 20% Educatieve functie rijke doelstellingen vooropgesteld (respectievelijk Met welke hoofddoelstelling is de volkstuin opgestart? (max. 2 aanduiden) 4% 100% 25% en 20%). In de categorie ‘andere’ (4%) wordtAndere Totaal aantal respondenten: 118 het ‘nuttig of slim ruimtegebruik van braakliggende 80% 86% 86% grond’ aangehaald, alsook ‘een zinvolle dagbesteding BASISSTATISTIEKEN 60% voor de doelgroep’. 41% 41% Minimum 1.00

Maximum 5.00

40%

25% 25%

Mediaan 3.00

Gemiddelde 2.47 27% 27%

5

(Max. 2

Educatieve functie Andere zijn

Bij slechts 5% van alle bevraagde volkstuinen Totaal aantal respondenten: 64 de hoofddoelstellingen bijgesteld sinds de opstart. 80% 83% 83% 83% 83% Belangrijk hierbij is dat dit voornamelijk volkstuinen BASISSTATISTIEKEN 60% zijn die een VLM-volkstuinsubsidie hebben gekre1/1 Minimum Maximum Mediaan Gemiddelde 33% 33% 1.00 5.00 3.00 2.59 gen: 3 volkstuinen kregen enkel een VLM-volkstuin­ 40% subsidie, 1 kreeg naast de VLM-volkstuinsubsidie # ANDERE20% HOOFDDOELSTELLING (GEEF NADERE TOELICHTING) ook andere subsidies en 2 volkstuinen vroegen geen 1 zinvolle dagbesteding voor mensen met een beperking in een inclusief kader 0% subsidies aan. 2

100%

Voedselproduc zinvolle functie van het domein tie

Gezondheid en welzijn

Sociale functie

27%

60%

Standaardafwijking 1.04 DATE 6/15/2020 6:23 PM

Educatieve functie

Andere

6/15/2020 4:12 PM

50

50% 50%

50% 50%

Maximum 4.00

33% 33%

Mediaan 1/1 3.00

Gemiddelde 2.33

Op die manier zou kunnen gesteld worden dat 40% VLM-volkstuinsubsidie een zekere impact heeft op 20% het scherpstellen van de hoofddoelstellingen. Dit is 0% eerder een voorzichtige aanname, gezien het aantal Voedselproduc Gezondheid Sociale Educatieve volkstuinen die een VLM-volkstuinsubsidie ontvintie en welzijn functie functie gen waarbij een verandering van doelstelling opANTWOORDKEUZEN te F I G 1 . 4 7 Bijgestelde hoofddoelstelling van de volkstuin (volkstuinen waarbij de hoofddoelstelling is bijgestuurd). merken is, eerder beperkt is (absoluut cijfer: Voedselproductie (1) Aantal respondenten: 6, overgeslagen: 0. 4 volkstuinen). (Bron: Enquête 2019, verwerking: Voorland & KU Leuven, 2020)

Standaardafwijking 1.18

Andere

REACTIES 50%

Gezondheid en welzijn (2)

33%

Sociale functie (3)

67%

Educatieve functie (4)

50%

Andere

0%

Totaal aantal respondenten: 6

2

2

1

5

1

3%

F I G 1 . 4 6 Initiële hoofddoelstelling bij de opstart van de volkstuin De hoofddoelstellingen van deze volkstuinen dieANTWOORDKEUZEN REACTIES (volkstuinen waarbij de hoofddoelstelling is bijgestuurd). Volkstuinen in Vlaanderen SurveyMonkey Aantal respondenten: 6, overgeslagen: 0. bij de opstart primeerden (figuur 1.46) (met name 83% Voedselproductie (Bron: Enquête 2019, verwerking: Voorland & KU Leuven, 2020) sociale functie en voedselproductie (beide 83%) en 0% Gezondheid en welzijn educatieve functie (33%)) zijn nu iets meer verdeeld V16 Wat is vandaag de hoofddoelstelling? (Max. 2 aanduiden) 83% Sociale functie (figuur 1.47): de sociale functie blijft de belangrijkste Beantwoord: 6 Overgeslagen: 0 33% hoofddoelstelling (67%), voedselproductie en deEducatieve functie Wat is vandaag de hoofdoelstelling? 0% 100% Andere (max. 2 aanduiden) educatieve functie staan even hoog op de ladder Totaal aantal respondenten: 6 (50%) en gezondheid en welzijn (33%) wordt ook 80% 67% 67% een hoofddoelstelling. BASISSTATISTIEKEN

Minimum 1.00 de

9

Standaardafwijking 1.08

Om de impact van de VLM-volkstuinsubsidie te kun# ANDERE20% HOOFDDOELSTELLING (GEEF NADERE TOELICHTING) DATE 3% 3% nen inschatten is het daarnaast interessant om de 1 nuttig gebruik van een openbare braakliggende grond van het OCMW 6/17/2020 6:16 PM vergelijking te maken met de hoofddoelstellingen bij 0% Voedselproduc Sociale Educatieve Andere 2 Slim ruimtegebruik in nieuw projectGezondheid 6/17/2020 6:00 PM de groep volkstuinen die reeds een VLM-volkstuin­ tie en welzijn functie functie Volkstuinen in Vlaanderen SurveyMonkey 3 buurtcompost 6/17/2020 5:09 PM subsidie ontvingen (al dan niet in combinatie met F I G 1 . 4 5 Hoofddoelstelling bij de opstart van de volkstuin (gesubsidieerde volkstuinen) ANTWOORDKEUZEN REACTIES 4 zinvolle dagbesteding voor mensen met een beperking in een inclusief kader 6/15/2020 6:23 PM Aantal respondenten: 64, overgeslagen: 0. andere subsidies, cf. figuur 1.45). Hierbij zien we dat 41% Voedselproductie Enquête 2019, verwerking: Voorland & KU Leuven, 2020) 5 zinvolle functie(Bron: van het domein 6/15/2020 4:12 PM voornamelijk de sociale functie en de educatieve functieV14 Met welke hoofddoelstelling is de volkstuin opgestart? (Max. 2 25% Gezondheid en welzijn toenemen (respectievelijk een stijging van 5% en 7%). aanduiden) 86% De voedselproductie is dan meer ondergeschikt (-Sociale 9%). functie Wat is vandaag hoofdoelstelling? Beantwoord: 6 deOvergeslagen: 0 (max. 2 aanduiden)

3


Volkstuinen in Vlaanderen

SurveyMonkey

V18 Wie was het doelpubliek bij de opstart? (meerdere opties mogelijk) Beantwoord: 58 100%

Overgeslagen: 60

Wie was het doelpubliek bij de opgestart? (meerdere opties mogelijk)

SPECIFIEK DOELPUBLIEK

80%

28% 28%

40%

41% 41%

28% 28%

24% 24%

20% 0%

ANTWOORDKEUZEN Zorgbehoevenden Kinderen/jongere

Zorgbehoevend en

Kinderen/jong ere

Ouderen

Maatschappeli jk kwetsbare groepen

F I G 1 . 4 8 Doelpubliek bij de volkstuinen die bij de opstart een specifiek doelpubliek voor ogen hadden. Aantal respondenten: 58, overgeslagen: 60. (Bron: Enquête 2019, verwerking: Voorland & KU Leuven, 2020)

Ander doelpubliek

REACTIES 28% 24%

Ouderen

28%

Maatschappelijk kwetsbare groepen

50% 41%

Ander doelpubliek

Wie was het doelpubliek bij de opgestart? (meerdere opties mogelijk)

Totaal aantal respondenten: 58 BASISSTATISTIEKEN Minimum 1.00

Maximum 5.00

Mediaan 4.00

Gemiddelde 3.31

Standaardafwijking 1.40

F I G 1 . 4 9 Doelpubliek bij de volkstuinen met VLM-volkstuinsubsidies die bij de opstart een specifiek doelpubliek voor ogen hadden. Aantal respondenten: 39, overgeslagen: 25. (Bron: Enquête 2019, verwerking: Voorland & KU Leuven, 2020)

Had de volkstuin een specifiek doelpubliek voor ogen?

1/2

F I G 1 . 5 0 Selectie van de respondenten die VLM-volkstuinsubsidies hebben gekregen en opgestart zijn vanaf 2016. Aantal respondenten: 12, overgeslagen: 0. (Bron: Enquête 2019, verwerking: Voorland & KU Leuven, 2020)

Wie was het doelpubliek bij de opgestart? (meerdere opties mogelijk)

F I G 1 . 5 1 Doelpubliek bij de 6 volkstuinen, opstart sinds 2016, met VLM-volkstuinsubsidies die bij de opstart een specifiek doelpubliek voor ogen hadden. Aantal respondenten: 6, overgeslagen: 6. (Bron: Enquête 2019, verwerking: Voorland & KU Leuven, 2020)

Ongeveer de helft van de bevraagde volkstuinen (49%) is gestart met een specifiek doelpubliek voor ogen. Het doelpubliek zelf is zeer divers. De grootste doelgroep is maatschappelijk kwetsbare groepen (50%), gevolgd door de categorie ‘ander doelpubliek’ (41%). Binnen deze categorie werden hoofdzakelijk buurtbewoners aangegeven. Zorgbehoevenden, kinderen/jongeren en ouderen staan ongeveer op gelijke hoogte (figuur 1.48). 16 14

Bij de groep die reeds VLM-volkstuinsubsidies 16 (evt. in combinatie met andere subsidies) heeft 29 ontvangen, is er wel een opvallend resultaat 24 specifiek doelpubliek (zie figuur 1.49): inzake ruim 61% van deze selectie volkstuinen is met een specifiek doelpubliek opgestart. Dat is 11% meer i.v.m. de volledige groep respondenten. Wat de specifieke doelgroepen betreft, zien we dat de maatschappelijk kwetsbare groep nog steeds de belangrijkste groep is (59%) maar dat de andere categorieën op gelijke hoogte komen (zorgbehoevenden 33%, ander doelpubliek (= vnl. buurtbewoners) 33%, kinderen/jongeren 31% en ouderen 31%). Gezien het betrekken van een specifieke doelgroep een hoger aandeel kent bij de selectie van enkel volkstuinen die VLM-volkstuinsubsidies hebben ontvangen (al dan niet in combinatie met andere subsidies) ten opzichte van de totale groep van bevraagde volkstuinen, zou kunnen geconcludeerd worden dat de VLM-volkstuinsubsidie hier een zekere invloed op heeft. We gaan hier wat dieper op in. Binnen de selectie van de volkstuinen met VLMvolkstuinsubsidies, zijn nu enkel de volkstuinen geselecteerd die zijn opgestart vanaf 2016 (figuur 1.50). Deze 12 volkstuinen dienden rekening te houden met het subsidiereglement dat toen van kracht was (zie verder). Hier zien we dat slechts 50% effectief een doelgroep voor ogen had bij de opstart van de volkstuin. De specifieke doelgroepen die wel werden betrokken, zijn voornamelijk ‘maatschappelijk kwetsbare groepen’, ‘ouderen’ en ‘ander doelpubliek’ (= buurtbewoners). ‘Zorgbehoevenden’ en ‘kinderen/jongeren’ werden in mindere mate betrokken (figuur 1.51). Hieruit kan worden besloten (opnieuw zeer genuanceerd, gezien het lage aantal respondenten binnen de selectie (12)) dat de VLM-volkstuinsubsidie een beperkte invloed heeft op het al dan niet betrekken van een specifieke doelgroep.

VOLKSTUINEN VANDAAG

50% 50%

60%

51


ORGANISATIE: PARTNERSCHAPPEN

Wie heeft initiatief genomen om de volkstuin op te starten?

INITIATIEFNEMER De belangrijkste initiatiefnemers zijn een organisatie of overheid (57%), zoals de gemeente of een plaatselijke vereniging, vzw, school, woonzorgcentrum, …. Een groep burgers die zelf het heft in handen nemen komt in mindere mate voor (22%). Ook een combinatie van partnerschappen die het initiatief neemt, geldt slechts in 21% van de gevallen. Het gaat in de meeste gevallen in de combinatie van een overheid of burgers met de lokale afdeling van Velt of Tuinhier (figuur 1.52).

F I G 1 . 5 2 Initiatiefnemer van de volkstuin (alle respondenten). Aantal respondenten: 117, overgeslagen: 1. (Bron: Enquête 2019, verwerking: Voorland & KU Leuven, 2020)

Bij de groep volkstuinen die reeds VLM-volkstuinsubsidies hebben ontvangen (al dan niet in combinatie met Wie heeft initiatief genomen om de volkstuin op te starten? andere subsidies) zien we het opvallende resultaat dat de groep burgers nog minder zelf initiatief nemen (gedaald naar 11%) en dat het initiatief meer bij de overheid of organisatie ligt (61%) of bij een combinatie van partnerschappen (28%) (figuur 1.53). Deze laatste categorie is opnieuw voornamelijk een overheid of organisatie in combinatie met de lokale afdeling van Velt of Tuinhier. Een kanttekening hierbij is dat de subsidie niet kan worden aangevraagd door een F I G 1 . 5 3 Initiatiefnemer van de volkstuin (volkstuinen met VLM-volkstuinsubsidies) ‘feitelijke vereniging’. Een groep burgers die zich niet Aantal respondenten: 64, overgeslagen: 0. SurveyMonkey heeft verenigd tot bijvoorbeeld een vzw, komt niet inVolkstuinen in Vlaanderen (Bron: Enquête 2019, verwerking: Voorland & KU Leuven, 2020) aanmerking voor de VLM-volkstuinsubsidie.

V11 Wie is/zijn de eigenaar(s) van de grond van de volkstuin? Beantwoord: 118

GRONDEIGENAAR 100%

Overgeslagen: 0

Wie is/zijn de eigenaar(s) van de grond van de volkstuin?

In meer dan de helft van de bevraagde volkstuinen is 80% de gemeente de eigenaar van de grond (figuur 1.54). Eén 54% 54% 60% kwart van de respondenten geeft aan dat de eigenaar behoort tot de categorie ‘Andere’. De aangegeven eige40% 18% 18% naars binnen deze categorie zijn voornamelijk ’vzw’s 20% waarmee de volkstuin samenwerkt (of de vzw van de 2% 2% 1% 1% volkstuin zelf), sociale huisvestingsmaatschappijen, 0% Gemeente VZW Velt VZW OCMW Kerkfabri scholen of hogere overheden (zoals Agentschap Natuur Tuinhier ek & Bos, Departement Maritieme Toegang, Waterwegen F I G 1 . 5 4 Grondeigenaar van de volkstuin ANTWOORDKEUZEN Aantal respondenten: 118, overgeslagen: 0. en Zeekanaal). Vzw Velt en vzw Tuinhier zijn nauwelijks Gemeente (Bron: Enquête 2019, verwerking: Voorland & KU Leuven, 2020) eigenaar van de grond, evenals de Kerkfabriek. Ook het VZW Velt aandeel private eigenaars is beperkt (15%).

DAGELIJKSE LEIDING

Private eigenaar

Andere

REACTIES 54%

64

0%

0

VZW Tuinhier

1%

1

OCMW

18%

21

Kerkfabriek

2%

Private eigenaar

52

25% 25% 15% 15%

2

Wie neemt de dagelijkse leiding van de volkstuin op zich?

De dagelijkse leiding van de volkstuin valt in grote Andere mate terug op een groep tuiniers, al dan niet actief Totaal in aantal respondenten: 118 het bestuur van de volkstuin (57% van de bevraagde BASISSTATISTIEKEN volkstuinen, zie figuur 1.55). De categorie ‘andere’ Minimum Maximum Mediaan Gemiddelde representeert hier vooral de dagelijkse leiding 1.00 7.00 4.00 3.50 vanuit vzw’s verschillend van Velt of Tuinhier (21%). Hoewel de opstart van de volkstuin vaak gebeurt in samenwerking met Velt of Tuinhier, gebeurt de F I G 1 . 5 5 Dagelijkse leiding van de volkstuin (alle respondenten) dagelijkse leiding veel minder door deze twee vzw’s Aantal respondenten: 117, overgeslagen: 1. (respectievelijk 7% en 11%). (Bron: Enquête 2019, verwerking: Voorland & KU Leuven, 2020)

15%

18

25%

29

Standaardafwijking 2.55


BEGELEIDING “De stuurgroep organiseert maandelijkse gezamenlijke In ruim 77% van de bevraagde volkstuinen is er begeleiding voor de tuiniers of het bestuur voor organisatorisch advies, technisch advies en/ of vorming (vb. advies of opleiding geven voor ecologisch tuinieren, het organiseren van een oogstfeest, organiseren van een zadenbeurs,…). Bij de groep bevraagde volkstuinen die reeds VLM-volkstuinsubsidies hebben ontvangen (al dan niet in combinatie met andere subsidies) stijgt dit percentage tot maar liefst 89%.

werkmomenten, jaarlijkse BBQ enzomeer. De twee leden van Velt Netevallei zorgen voor technisch advies en vorming in verband met ecologisch tuinieren en verzorgen ook een voorbeeld tuintje.” “ vzw Tuinhier: Start to tuinier of tuinieren voor dummies, individuele hulp, …” “Tijdens de eerste 2 opstartjaren was er begeleiding en opleiding door Velt vzw voorzien”

Hoewel de dagelijkse leiding niet terugviel op vzw Velt of vzw Tuinhier, kan er wel besloten worden (o.a. uit de antwoorden van de open vraag in de enquête) dat de begeleiding in grote mate vanuit deze hoek komt. Ook heeft de VLMvolkstuinsubsidie een zekere invloed op het voorzien van begeleiding.

“Tuinhier Waregem is steeds te contacteren – reeds 2 x een voordracht ter plaatse” “Er was een goede begeleiding vanuit Tuinhier voor de opstart van het volkstuinpark” “De gemeente zorgt voor vormingen en materialen, organiseert mee feest”

SAMENWERKING

“ 2 keer per jaar is er een vergadering met de leden en de toezichthouders. De toezichthouders hebben veel kennis.” Volkstuinen in Vlaanderen

Wat samenwerking met andere partners/ verenigingen betreft, geeft slechts 26% van de respondenten aan geen samenwerking te hebben (figuur 1.56). Als er bij de overige 74% specifiek wordt ingezoomd op welke partners vaak beroep wordt gedaan, springt daar geen enkele categorie uit. De categorieën “School”, “Natuurorganisatie” en “Andere” scoren ongeveer gelijk (respectievelijk 36%, 32%, 36%). Deze laatste categorie betreft voornamelijk een combinatie van verschillende partners, vaak de lokale overheid in combinatie met één van de ander genoemde categorieën of vzw Velt of vzw Tuinhier.

SurveyMonkey

V37 Met welke verenigingen is er een samenwerking? (meerdere opties mogelijk) Beantwoord: 117 100%

Overgeslagen: 1

Met welke verenigingen is er een samenwerking? (meerdere opties mogelijk)

80% 60%

36% 36%

0%

26% 26% 15% 15%

12% 12%

20%

36% 36%

32% 32%

40%

In de groep van volkstuinen die reeds VLMvolkstuinsubsidies hebben ontvangen (al dan niet Volkstuinen in Vlaanderen SurveyMonkey in combinatie met andere subsidies), zijn de drie F I G 1 . 5 6 Samenwerking met andere partners of verenigingen (alle respondenten) WOORDKEUZEN REACTIES Aantal respondenten: 117, overgeslagen: 1. opvallendste categorieën dezelfde (tevens nog 12% 14 (Bron: Enquête 2019, verwerking: Voorland & KU Leuven, 2020) steeds ongeveer gelijk), maar wordt opgemerkt V37 Met welke verenigingen is er een samenwerking? (meerdere opties 36% 42 ol dat de categorie ‘geen samenwerking’ een lager mogelijk) 32% 38 urorganisatie percentage kent (-9%) (figuur 1.57). School

Beantwoord: 64

n samenwerking 100%

Lokaal Dienstencen trum

Geen samenwerkin g

Overgeslagen: 0

Andere

15%

18

Met welke verenigingen is er een samenwerking? 26%

30

36%

42

al Dienstencentrum

re

Natuurorgan isatie

(meerdere opties mogelijk)

80%

al aantal respondenten: 117 60%

42% 42%

SSTATISTIEKEN

mum

40% 20% 0%

WOORDKEUZEN

20% 20% Maximum 6.00

WZC

School

39% 39%

39% 39% Mediaan 3.00

Natuurorgan isatie

22% 22%Gemiddelde 17% 17% 3.73

Lokaal Dienstencen trum

Standaardafwijking 1.68

Geen samenwerkin g

Samenwerking met andere partners of verenigingen (volkstuinen met VLM-volkstuinsubsidies) Aantal respondenten: 64, overgeslagen: 0. (Bron: Enquête 2019, verwerking: Voorland & KU Leuven, 2020) FIG 1.57

Er kan worden geconcludeerd dat de VLMvolkstuinsubsidie een kleine, maar zekere invloed heeft met betrekking tot het aangaan van samenwerkingen of partners.

Andere

REACTIES 20%

13

42%

27

urorganisatie

39%

25

al Dienstencentrum

22%

14

17%

11

39%

25

ol

samenwerking

re

VOLKSTUINEN VANDAAG

WZC

53


Volkstuinen in Vlaanderen

SurveyMonkey

V7 Wordt er een jaarlijkse huurprijs/lidgeld gevraagd aan de tuiniers? Beantwoord: 118

ORGANISATIE: DAGELIJKS BEHEER

100%

Overgeslagen: 0

Wordt er een jaarlijkse huurprijs/lidgeld gevraagd aan de tuiniers?

80%

58% 58% 60%

LIDGELD

40%

26% 26%

16% 16% In bijna 75% van de bevraagde volkstuinen wordt lidgeld 20% gevraagd (lidgeld en huurgeld samen gerekend) (figuur 1.58). Gemiddeld gezien is dit ongeveer €36 lidgeld per jaar. Hier0% Ja, de huurprijs/het Ja, het betreft een Neen, er wordt geen van vraagt het grootste deel een vast bedrag. Bij 16% van de lidgeld is variabel vast bedrag huur of lidgeld gevraagd bevraagde volkstuinen is dit bedrag variabel. In deze gevalVolkstuinen in Vlaanderen SurveyMonkey F I G 1 . 5 8 Vraag om lidgeld en/of huur (alle volkstuinen) ANTWOORDKEUZEN REACTIES len hangt de prijs vaak af van de grootte van het gehuurde Aantal respondenten: 118, overgeslagen: 0. 26% lidgeldEnquête gevraagd perceel of wordt er extra lidgeld gevraagd in functieNeen, vaner wordt geen huur of (Bron: 2019, verwerking: Voorland & KU Leuven, 2020) V7 Wordt er een jaarlijkse huurprijs/lidgeld gevraagd aan 16%de tuiniers een abonnement/lidmaatschap bij Velt of Tuinhier. Ja, de huurprijs/het lidgeld is variabel

Beantwoord: 64

Ja, het betreft een vast bedrag

Bij de groep volkstuinen die de VLM-volkstuinsubsidie TOTAAL 100% (al dan niet in combinatie met andere subsidies) hebben BASISSTATISTIEKEN 80% ontvangen, is deze verhouding iets verschillend. Eén derde Minimum van de volkstuinen vraagt geen lidgeld en bij 23% van 1.00 60% de volkstuinen wordt een variabel bedrag aangerekend 40% (figuur 1.59). Deze aangepaste prijzen zijn naar alle waarschijnlijkheid gerelateerd met de maatschappelijk 20% kwetsbare doelgroep die bij deze volkstuinen meer 0% aanwezig is.

INDIVIDUEEL VERSUS COLLECTIEF

Overgeslagen: 0

58%

Wordt er een jaarlijkse huurprijs/lidgeld gevraagd aan de tuiniers?

Maximum 3.00

Mediaan 3.00

Gemiddelde 2.31

44% 44%

33% 33% 23% 23%

Ja, de huurprijs/het lidgeld is variabel

Neen, er wordt geen huur of lidgeld gevraagd

Ja, het betreft een vast bedrag

F I G 1 . 5 9 Vraag om lidgeld en/of huur (volkstuinen met VLM-volkstuinsubsidies) REACTIES Aantal respondenten: 64, overgeslagen: 0. 33% Neen, er wordt geen huur of (Bron: lidgeldEnquête gevraagd 2019, verwerking: Voorland & KU Leuven, 2020)

ANTWOORDKEUZEN

Ja, de huurprijs/het lidgeld is variabel 12% van de bevraagde volkstuinen (116 respondenten) Ja, het betreft hebben geen individuele tuinen, en gaat enkel collectief te een vast bedrag TOTAAL werk. Omgekeerd zijn er in 36% van de bevraagde volkstuinen (114 respondenten) enkel individuele tuinen. Dit maakt Verschillende formules BASISSTATISTIEKEN dat bij bijna 2/3 van alle bevraagde volkstuinen één of >  Huur 1€per m2 + lidgeld Tuinhier 21€ Minimum Maximum Mediaan Gemiddelde 1.00 meerdere collectieve tuinen worden bewerkt. >  1€/m2 3.00 voor de eerste 50 2.00 m2 en 0,75€/m22.11 >  voor de 51 tot 100 m2 en voor de m2 boven de 100 Als er individuele tuinen aanwezig zijn, dan zijn dit er ge0,50 €/m2 1/1 middeld 40 per volkstuin. De gemiddelde grootte van zo’n >  Lidgeld: 8€/jaar. Huurgeld: 0,20 €/ m2 individuele tuin bedraagt 60 m2, waarbij de kleinste individuele tuin 1 m2 bedraagt en de grootste 465 m2.

Als er collectieve tuinen aanwezig zijn in de tuin, dan zijn dit er gemiddeld twee. De gemiddelde grootte is ook beduidend groter dan de gemiddelde individuele tuin, met name 663 m2. De kleinste collectieve tuin is 1 m2 en de grootste collectieve tuin is 2 ha. Bij volkstuinen die gesubsidieerd zijn door VLM (al dan niet in combinatie met andere subsidies) liggen deze cijfers bij individuele tuinen lager: gemiddeld 24 individuele tuinen en gemiddeld 57 m2 groot. Bij de collectieve tuinen liggen deze cijfers ook net iets lager: er zijn gemiddeld 1,8 collectieve tuinen met een gemiddelde grootte van 651 m2.

54

Standaardafwijking 0.86

Bij volkstuinen die nooit subsidies hebben aangevraagd, liggen de cijfers echter veel hoger bij individuele tuinen en beduidend lager bij collectieve tuinen. Er zijn gemiddeld 47 individuele percelen met een gemiddelde grootte van 95 m2 en 0,7 collectieve tuinen met een gemiddelde grootte van 250 m2.

In alle volkstuinen

aantal

gemiddelde opp. (m2)

Individuele tuinen

40

60

Collectieve tuinen

2

663

Volkstuinen: VLM-volkstuinsubsidies

aantal

gemiddelde opp. (m2)

Individuele tuinen

24

57

Collectieve tuinen

1,8

651

Volkstuinen: nooit subsidies aangevraagd

aantal

gemiddelde opp. (m2)

Individuele tuinen

47

95

Collectieve tuinen

0,7

250

1/1

23% 44%

Standaardafwijking 0.87


ONGEBRUIKTE PERCELEN In de enquête werd gepeild naar het aantal ongebruikte percelen in de volkstuinen. Hierbij werd een onderscheid gemaakt tussen de individuele percelen en collectieve percelen. In totaal zijn er in 23 volkstuinen 203 individuele percelen niet in gebruik (112 respondenten). Bij de ongebruikte collectieve percelen ligt dit aantal veel lager. Binnen deze categorie zijn er slechts 6 tuinen niet in gebruik in 5 volkstuinen (107 respondenten).

WACHTLIJSTEN Daarnaast werden ook de wachtlijsten opgevraagd. De som van alle wachtlijsten binnen de bevraagde volkstuinen bedraagt in totaal 1155 potentiële tuiniers. Gemiddeld zijn dit ongeveer 10 wachtende tuiniers per bevraagde volkstuin. Dit bevestigt de behoeftebepaling en de hoge nood aan extra volkstuinen. Voornamelijk rond de stedelijke gebieden zijn de wachtlijsten het hoogst (met name Gent en Antwerpen).

>  Boterlaer 3 (Deurne): 150 potentiële tuiniers op de wachtlijst >  Slotenkouter (Sint-Amandsberg): 100 potentiële tuiniers op de wachtlijst >  Galgenberg (Mechelen): 90 potentiële tuiniers op de wachtlijst >  Boerse Poort (Gent): 75 potentiële tuiniers op de wachtlijst

Een volkstuin bestaat uit meer dan enkel individuele of collectieve tuinen. Vaak zijn er ook gemeenschappelijke delen, zoals een groene omheining, de tussenliggende paden, een grasveldje, de centrale ontmoetingsplaats, de kantine etc. In 81% van de bevraagde volkstuinen is/zijn de persoon/ personen die de dagelijkse leiding van de volkstuin opnemen, ook verantwoordelijk voor het onderhoud van deze collectieve delen. Indien toch iemand anders instaat voor dit onderhoud, wordt vaak beroep gedaan op de rechtstreekse partnerschappen (zoals scholen of de gemeente). In de meeste gevallen is dan de groendienst van de gemeente verantwoordelijk voor het onderhoud van de collectieve delen.

“ Iedere huurder moet zijn deel van de gemeenschappelijke paden onderhouden. Er wordt ook beroep gedaan op de leerlingen van een nabijgelegen tuinbouwschool als praktijkoefening voor de leerlingen.”

VOLKSTUINEN VANDAAG

ONDERHOUD COLLECTIEVE DELEN

55


Volkstuinen in Vlaanderen

SurveyMonkey

V31 Rond welke thema's zijn er reglementeringen/overeenkomsten met de tuiniers? Beantwoord: 93

REGLEMENTEN

100%

70% 70%

80%

Van de bevraagde volkstuinen heeft 4/5 een reglement. 70% van deze volkstuinen heeft een reglement dat ecologisch tuinieren stimuleert (figuur 1.60). Een kwart van de respondenten geeft aan een huishoudelijk reglement te hebben. In dit huishoudelijk reglement zijn vaak meerdere afspraken opgenomen:

Overgeslagen: 25

Rond welke thema’s zijn er reglementeringen/overeenkomsten met de tuiniers?

60% 40%

25% 25%

20% 0%

5% 5%

Afspraken omtrent openingstijden

Reglement dat ecologisch tuinieren stimuleert

Andere reglementen (vb. huishoudelijk reglement)

F I G 1 . 6 0 Onderscheid tussen de verschillende soorten reglementen bij volkstuinen met een reglement.

ANTWOORDKEUZEN

REACTIES

“ reglement over wat mag en wat niet Afspraken omtrent openingstijden Aantal respondenten: 93, overgeslagen: 25. (Bron: Enquête 2019, verwerking: Voorland & KU Leuven, 2020) mag geteeld worden, openingstijden, Volkstuinen in Vlaanderen Reglement dat ecologisch tuinieren stimuleert ecologisch tuinieren, constructies in de Andere reglementen (vb. huishoudelijk reglement) tuintjes,…”

5%

SurveyMonkey 6 70% 25%

2

TOTAAL

9

V31 Rond welke thema's zijn er reglementeringen/overeenkomsten met de tuiniers?

“vooral op gebied van onderhoud, verbod op kamperen en overnachting, toegestane teelten, betreden park, gedrag gebruiker”

Beantwoord: 66

BASISSTATISTIEKEN Minimum 1.00

Overgeslagen: 16

Rond welke thema’s zijn er reglementeringen/overeenkomsten met de tuiniers? Gemiddelde Maximum Mediaan 3.00 2.00 2.19

100%

75% 75%

80%

Standaardafwijking 0.51

62% 62%

60%

“ reglement over huurprijs, gebruik van perceel, onderhoud perceel, schade, toegang, ziektebestrijding, …”

32% 32%

40% 20%

20% 20% 6% 6%

0%

5% 5%

Q14: Voedselproductie

Afspraken omtrent openingstijden

Als er wordt vergeleken met de volkstuinen die eerder in de enquête hebben aangegeven dat ze als hoofddoelstelling ‘voedselproductie’ of Q14: Voedselproductie ‘gezondheid en welzijn’, zien we dat deze laatste Q14: Gezondheid groep duidelijk meer belang hecht aan het en welzijn stimuleren van ecologisch tuinieren (figuur 1.61). Totaal aantal respondenten

56

Reglement dat ecologisch tuinieren stimuleert

Andere reglementen (vb. huishoudelijk reglement) F I G 1 . 6 1 TypeREGLEMENT reglement, gekoppeld aan de hoofddoelstellingen AFSPRAKEN OMTRENT DAT ECOLOGISCH ANDERE REGLEMENTEN (VB. OPENINGSTIJDEN‘voedselproductie’ TUINIEREN STIMULEERT HUISHOUDELIJK REGLEMENT) en ‘gezondheid en welzijn’ van de volkstuin.

Aantal respondenten: 66, overgeslagen: 16. 6% 62% (Bron: Enquête 3 2019, verwerking: Voorland & KU Leuven,332020) 5% 1 3

BASISSTATISTIEKEN 75% van de groep volkstuinen die reeds subsidies hebben ontvangen van VLM (al dan niet in Q14: Voedselproductie combinatie met andere subsidies) heeft een reglement, waarvan 75% een reglement dat en welzijn Q14:is Gezondheid ecologisch tuinieren stimuleert. Anderzijds heeft 92% van de volkstuinen die nooit subsidies hebben aangevraagd ook een reglement, waarvan 61% een reglement omtrent ecologisch tuinieren betreft. In dat opzicht heeft de VLMvolkstuinsubsidie een zekere impact gehad op vlak van ecologisch tuinieren (of toch zeker het opnemen van ecologisch tuinieren in het reglement.

Deze conclusie wordt bevestigd door een andere vraag in de enquête. Bij de groep volkstuinen die enkel VLM-volkstuinsubsidies heeft ontvangen, zet 60% zijn VLM-volkstuinsubsidies in voor ecologische aspecten (aangeduid in het grijs op figuur 1.62). In combinatie met andere subsidies stijgt dit percentage nog tot 77% (figuur 1.63) (waarbij de andere subsidie duidelijk minder wordt ingezet op deze ecologische aspecten (36% op figuur 1.64)).

Q14: Gezondheid en welzijn

32% 17

75% 15 43

TO

20% 4 20

1/2 MINIMUM

MAXIMUM

MEDIAAN

GEMIDDELDE

STANDAARDAFWIJKING

1.00

3.00

2.00

2.26

1.00

3.00

2.00

2.15

1/2


Waarvoor zijn de subsidies van de VLM ingezet? (meerdere opties mogelijk)

AANDACHT VOOR THEMA’S ROND GEZONDHEID, TEELTTECHNIEKEN, BODEM, … Er is in de enquête ook bevraagd of er aandacht was voor thema’s rond gezondheid, teelttechnieken, bodem, …. Dit is bij ongeveer 2/3 van de bevraagde volkstuinen het geval (63%). Dit uit zich op volgende manieren:

“Wij hebben een cursus, open informatie en samen-doe-activiteiten rond al die thema’s.”

F I G 1 . 6 2 Inzet van de VLM-volkstuinsubsidie bij volkstuinen die enkel VLM-volkstuinsubsidies hebben ontvangen Aantal respondenten: 42, overgeslagen: 76. (Bron: Enquête 2019, verwerking: Voorland & KU Leuven, 2020)

“Er zijn verschillende workshops: voorzaaien in serre, wisselteelt, vaste planten en eenjarige groenten, plantgoed in volle grond uitplanten, natuurlijke bestrijding van onkruid, oogstfeest, composteren, gastsprekers volgens thema.”

Waarvoor zijn de subsidies van de VLM ingezet? (meerdere opties mogelijk)

“ Er wordt enkel biologisch geteeld, water wordt met de hand opgepompt uit regenput, soms komt een gastspreker spreken over gezonde voeding.” F I G 1 . 6 3 Inzet van de VLM-volkstuinsubsidie bij volkstuinen die naast de VLM-volkstuinsubsidie ook andere subsidies hebben ontvangen. Aantal respondenten: 22, overgeslagen: 96. (Bron: Enquête 2019, verwerking: Voorland & KU Leuven, 2020)

Volkstuinen in Vlaanderen

SurveyMonkey

“ We organiseren workshops rond ecologisch en seizoensgebonden koken. We zijn zeer gedreven op het vlak van bodemzorg en ecologische teelttechnieken.”

V46 Waarvoor zijn deze subsidies ingezet? (meerdere opties mogelijk) 100%

Overgeslagen: 107

Waarvoor zijn de andere subsidies ingezet? (meerdere opties mogelijk)

80%

55% 55%

60%

55% 55% 36% 36%

36% 36%

40%

9% 9%

20% 0%

Aanleg van nieuwe volkstuinen

Voorzien van nutsvoorzie i

Voorzien van extra voorziening

Aanpassinge n voor de doelgroep

Ecologische aspecten

Andere

F I G 1 . 6 4 Inzet van de andere subsidies bij volkstuinen die naast de VLM-volkstuinsubsidie ook andere subsidies hebben ontvangen Aanleg van nieuwe volkstuinen Aantal respondenten: 11, overgeslagen: 107. (Bron: Enquête 2019, verwerking: Voorland & KU Leuven, 2020)

REACTIES

ANTWOORDKEUZEN

Bij de groep volkstuinen die reeds VLM-volkstuinsubsidies hebben ontvangen (al dan niet in combinatie met andere subsidies) ligt dit percentage noemenswaardig hoger (77%). Dit is een interessante conclusie, als men weet dat de groep die aangaf ‘Gezondheid en welzijn’ als hoofddoelstelling te hebben, slechts in 66% van de gevallen bijzondere aandacht schenkt aan deze thema’s. De subsidie heeft vermoedelijk enige invloed op volkstuinen om deze thema’s in de kijker te zetten.

55%

6

Voorzien van nutsvoorzieningen

36%

4

Voorzien van extra voorzieningen

55%

6

Aanpassingen voor de doelgroep

0%

0

Ecologische aspecten

36%

4

Andere

9%

1

Totaal aantal respondenten: 11 BASISSTATISTIEKEN Minimum 1.00

Maximum 6.00

Mediaan 3.00

Gemiddelde 2.76

VOLKSTUINEN VANDAAG

Beantwoord: 11

Standaardafwijking 1.57

57


Volkstuinen in Vlaanderen

SurveyMonkey

V29 Welke inspanningen worden gedaan om de omgevingskwaliteit te verhogen ? (meerdere antwoorden mogelijk) Beantwoord: 114

100%

VERHOGEN VAN OMGEVINGSKWALITEIT

Overgeslagen: 4

Welke inspanningen worden gedaan om de omgevingskwaliteit te verhogen? (meerdere antwoorden mogelijk) 81% 81%

80%

82% 82%

86% 86%

60% 60%

60% 60% Slechts 4 respondenten hebben aangegeven geen inspan60% ningen te doen voor het verhogen van de omgevingskwa29% 29% 40% liteit. Algemeen kan dus geconcludeerd worden dat in 18% 18% vrijwel alle bevraagde volkstuinen inspanningen worden 11% 11% 20% geleverd. De meest voorkomende inspanningen zijn: com0% posteren (86%), landschappelijke inkleding (82%) en het Verhardin Bodemverd Composter Opvangen Landschap Infoborde Andere g ichting en van pelijke n opvangen van regenwater (81%). Ook gebeuren bij bijna voorkomen voorkomen regenwate inkleding 2/3 van de respondenten maatregelen omtrent het voorkoVolkstuinen in Vlaanderen F I G 1 . 6 5 Inspanningen voor het verhogen van de omgevingskwaliteitREACTIES bij alleSurveyMonkey ANTWOORDKEUZEN men van verharding. volkstuinen. Aantal respondenten: 114, overgeslagen: 4. (Bron: Enquête 2019, verwerking: Voorland

De categorie ‘andere’ (11%) omvat heel specifieke inspanningen. Bijvoorbeeld:

18% V29 Welke inspanningen worden gedaan om de omgevingskwaliteit te 86% verhogen ? (meerdere antwoorden mogelijk) Composteren Bodemverdichting voorkomen

81%

Opvangen van regenwater

“ nieuwere initiatieven zoals hopteelt en paddenstoelen kweken”

60%

& KU Leuven, 2020)

Verharding voorkomen

Beantwoord: 64 gedaan Overgeslagen: Welke inspanningen worden om de 0omgevingskwaliteit te verhogen? (meerdere antwoorden mogelijk) 82%

Landschappelijke inkleding 100% Infoborden

81% 81% 92% 92%

80%

29%

89% 89%

59% 59%

Andere

11%

60%

“waterzuivering door riet”

Totaal aantal respondenten: 114

34% 34%

40%

25% 25%

BASISSTATISTIEKEN

“er wordt veel met recupmateriaal gewerkt”

14% 14%

20%

Minimum 1.00

0%

Maximum 8.00

Mediaan 5.00

Verhardin Bodemverd Composter en ichting g voorkomen voorkomen

Opvangen van regenwate

Gemiddelde 4.45 Landschap pelijke inkleding

Standaardafwijking 1.95

Infoborde n

Andere

F I G 1 . 6 6 Inspanningen voor het verhogen van de omgevingskwaliteit bij volkstuinen REACTIES Wanneer er wordt gefocust op de groep volkstuinenANTWOORDKEUZEN die met VLM-volkstuinsubsidies. Aantal respondenten: 64, 59% Verharding voorkomen overgeslagen: 0. (Bron: Enquête 2019, verwerking: Voorland & KU Leuven, 2020) reeds subsidies van VLM (al dan niet gecombineerd met 25% Bodemverdichting voorkomen andere subsidies) hebben ontvangen, verandert de ver92% Composteren houding tussen de verschillende categorieën van inspan81% Opvangen van regenwater ningen voor het verhogen van de omgevingskwaliteit niet Welke inspanningen worden gedaan om de omgevingskwaliteit 89% Landschappelijke inkleding (cf. figuur 1.65 en figuur 1.66). De lichte stijging of daling te verhogen? (meerdere antwoorden mogelijk) 34% van het percentage bij iedere categorie kan verwaarloosd Infoborden 14% worden (met uitzondering van de categorie ‘composteren’ Andere Totaal aantal respondenten: 64 en ‘landschappelijke inkleding’, deze categorieën kennen 1/2 wel een stijging van respectievelijk 6% en 7%). BASISSTATISTIEKEN

Minimum

Maximum

Mediaan

Gemiddelde

38 16 59 52 57 22 9

Standaardafwijking

1.00 8.00 5.00 4.48 1.96 Daartegenover staan de cijfers van de volkstuinen die nooit een subsidie hebben aangevraagd (figuur 1.67): hoewel er nog steeds heel wat inspanningen worden gedaan, liggen de percentages binnen verschillende categorieën lager (bv. bodemverdichting voorkomen (9%), F I G 1 . 6 7 Inspanningen voor het verhogen van de omgevingskwaliteit bij nietVolkstuinen in Vlaanderen SurveyMonkey gesubsidieerde volkstuinen (meerdere antwoorden mogelijk) Aantal respondenten: 34, composteren (76%), landschappelijke inkleding (89%), overgeslagen: 3. (Bron: Enquête 2019, verwerking: Voorland & KU Leuven, 2020) infoborden (15%), andere (9%)). Op vlak van het voorkomen van verharding en opvangen van regenwater scoren deV29 Welke inspanningen worden gedaan om de omgevingskwaliteit te verhogen ? (meerdere antwoorden mogelijk) niet-gesubsidieerde volkstuinen iets beter.

Bij de volkstuinen die enkel subsidies kregen van een andere instantie (en dus niet van VLM) zien we dat er geen enkele volkstuin inspanningen doet op vlak van ‘bodemverdichting voorkomen’ of ‘andere’ (figuur 1.68). Wel scoren deze volkstuinen zeer hoog op alle andere categorieën, en doet elke volkstuin een inspanning op vlak van landschappelijk inkleding (100%).

Welke inspanningen worden gedaan om de omgevingskwaliteit Beantwoord: 11 Overgeslagen: 0 te verhogen? (meerdere antwoorden mogelijk) 100%

73% 73%

80%

73% 73%

100% 100%

55% 55%

60%

55% 55%

40% 20% 0%

58

1/2

Uit deze cijfers kan worden geconcludeerd dat subsidies invloed hebben op het verhogen van de omgevingskwaANTWOORDKEUZEN liteit in volkstuinen, maar dat de VLM-volkstuinsubsidie Verharding voorkomen specifiek, daar weinig invloed op heeft. Composteren

Verharding voorkomen

Composteren

Opvangen van regenwater

Landschappeli jke inkleding

Infoborden

F I G 1 . 6 8 Inspanningen voor het verhogen van de omgevingskwaliteit bij volkstuinen REACTIES die niet gesubsidieerd zijn met de VLM-volkstuinsubsidie, maar wel met een andere 55% subsidie. Aantal respondenten: 11, overgeslagen: 0. (Bron: Enquête 2019, verwerking: Voorland & KU Leuven, 2020) 73%

6

8

Opvangen van regenwater

73%

8

Landschappelijke inkleding

100%

11

Infoborden

55%

6

Totaal aantal respondenten: 11 BASISSTATISTIEKEN


WAT GAAT GOED/SLECHT OP VLAK VAN DAGELIJKS BEHEER >  “We zijn een heel fijne en sociale groep die een

Veel terugkerende positieve reacties gaan over de motivatie van de tuiniers en de goed draaiende samenwerkingen met alle partners van de volkstuin:

verloederd stuk grond opnieuw opgewaardeerd hebben. De eigenaar die aan dementie lijdt voelt zich nu opnieuw thuis in zijn tuin. Maar de oppervlakte is te groot voor het aantal tuinders.” >  “De continuïteit van de “trekkers” van de volkstuin

>  “Na 4 jaar tuinieren is er een vrij stabiele groep tuiniers die heel enthousiast tuinieren.” >  “Er is een goede sfeer onderling en dagelijks komen meerdere mensen, waaronder ook jonge mensen, ouderen en vreemdelingen”. >  “De moestuin is een fantastisch initiatief! De kinderen genieten enorm en groeien spelenderwijs

is een probleem. Er vallen mensen weg en er komen mensen bij die zich willen inzetten. Het bereiken van de mensen van de doelgroep is niet evident.” >  “Wij maken ons zorgen over de opvolging van de wijkcompostering doordat personeel bij de gemeente niet vervangen wordt.”

op met de natuur als leermeester. Ze worden betrokken bij elke stap van het groeiproces, van het zaaien tot de uiteindelijke oogst.” >  “Het is een plezier om te tuinieren bij de bewoners

Ook de communicatie onderling verloopt soms iets moeizamer:

van het woonzorgcentrum. Ook de samenwerking met de naburige school is fijn.” >  “Er is veel goesting bij alle deelnemers om samen naar een mooi resultaat te werken.” >  “de samenwerking met de gemeentelijke diensten loopt van een leien dakje.”

>  “Het met elkaar communiceren blijft een moeilijk punt.” >  “Door de diversiteit in tuinders is het soms moeilijk om alle neuzen in dezelfde richting te krijgen. Het dagelijks bestuur wordt soms als bestraffend orgaan gezien aangezien zij mensen aanspreken

Ook op vlak van het navolgen van het reglement en het tuinieren zelf zijn er positieve reacties:

als men zich niet aan de regels houdt. Voor de leden van het dagelijks bestuur is dit niet altijd gemakkelijk omdat zij enerzijds vrienden moeten zijn en anderzijds bestraffend moeten optreden.”

>  “De individuele percelen liggen er verzorgd bij. Een aantal ‘trekkers’ zorgen voor een goed beheer van de tuin.” >  “Het bodembeheer, de compostering en het

>  “We zijn nog op zoek naar betere structuur om te communiceren over wat wanneer zeker moet gebeuren.” >  “Het probleem is wel de taalbarrière met bv.

oogsten gaat goed, daar is er een duidelijke visie

Syriërs. Jammer dat we niet meer beroep kunnen

over.”

doen op een tolk.”

>  “Tuiniers spreken onderling af om op bepaalde tijdstippen samen te tuinieren om de

Anderzijds zijn er ook een aantal zaken die minder vlot verlopen met betrekking tot het dagelijks beheer, zoals het tekort aan vrijwilligers of trekkers binnen de volkstuin:

Vaak zijn er enkelingen die het dagelijks beheer onderschatten:

>  “Een goed beheer is tijdsintensief zowel voor de vrijwilligers als voor het aanspreekpunt. De ambities dienen vaak afgestemd te worden aan de realiteit.”

>  “Een permanente coördinator is nodig om de

>  “Enkelingen onderhouden onvoldoende hun

gemengde doelgroep (maatschappelijk kwetsbare

perceel. Ook de gemeenschappelijke tuintjes zijn

doelgroep en buurtbewoners) aan te sturen.

niet goed genoeg onderhouden. Op een werkdag

Verzelfstandiging zit er niet in als we blijven kiezen voor een samenzijn.” >  “De groep verkleint na een tijd, de afspraken voor de nieuwe mensen zijn niet altijd duidelijk (ligt aan het tekort in tijd van de begeleiding), de zomer

zijn ook steeds dezelfde vrijwilligers aanwezig.” >  “Sommige tuinders hebben graag een grote tuin, maar hebben te weinig tijd om deze te bewinnen/ onderhouden.” >  “Teveel beginnende tuiniers weten nog niet goed

is een drukke periode voor de groep en dan zit je

dat een tuin wekelijks meerdere malen onderhoud

net met vakanties van iedereen,…”

nodig heeft, dus er zijn veel afhakers.”

VOLKSTUINEN VANDAAG

gemeenschappelijke delen goed te onderhouden.”

59


Volkstuinen in Vlaanderen

SurveyMonkey

V21 Is het een afgesloten entiteit of is de volkstuin publiek toegankelijk? Beantwoord: 118

SOCIALE DYNAMIEK

100%

Overgeslagen: 0

Is het een afgesloten entiteit of is de volkstuin publiek toegankelijk?

80%

Het topic ‘sociale dynamiek’ is in mindere 60% mate kunnen bevraagd worden in de enquête, 42% 42% 36% 36% aangezien dit zeer gedetailleerd/verschillend is 40% 23% 23% voor iedere volkstuin of voor elke individuele 20% tuinier, en waardoor er moeilijker algemene 0% conclusies uit kunnen getrokken worden. Afgesloten entiteit Er is passage De volledige Deze topic komt wel uitgebreid aan bod bij mogelijk door de volkstuin is publiek volkstuin toegankelijk de case-bezoeken. Een paar aspecten, zoals Volkstuinen in Vlaanderen SurveyMonkey F I G 1 . 6 9 Toegankelijkheid van de volkstuinen ANTWOORDKEUZEN REACTIES toegankelijkheid naar de buurt toe of de Aantal respondenten: 118, overgeslagen: 0. 42% 49 (Bron: Enquête 2019, verwerking: Voorland & KU Leuven, 2020) activiteiten die plaatsvinden in de volkstuin,Afgesloten entiteit (1) 23% 27 konden wel worden bevraagd in de enquête.Er V21 is passage door de afgesloten volkstuin (2) Ismogelijk het een entiteit of is de volkstuin publiek toegankelijk? De volledige volkstuin is publiek toegankelijk (3)

Beantwoord: 64

36%

Overgeslagen: 0

TOTAAL

TOEGANKELIJKHEID

42 118

100%

Is het een afgesloten entiteit of is de volkstuin publiek toegankelijk?

BASISSTATISTIEKEN Minimum De toegankelijkheid van de bevraagde 1.00 volkstuinen is verdeeld als volgt: 42% is volledig afgesloten, 23% is deel toegankelijk doordat er passage mogelijk is en 36% is volledig publiek toegankelijk (figuur 1.69).

80% 60% 40%

Maximum 3.00

Mediaan 2.00

Gemiddelde 1.94

50% 50%

Standaardafwijking 0.88

34% 34% 16% 16%

20% 0%

De volledige Afgesloten entiteit Er is passage Als er enkel gekeken wordt naar de antwoorden volkstuin is publiek mogelijk door de toegankelijk volkstuin van de respondenten die aangeven een sociale hoofddoelstelling te hebben, is er ANTWOORDKEUZEN F I G 1 . 7 0 Toegankelijkheid van de volkstuinen die VLM-volkstuinsubsidies hebbenREACTIES ontvangen Volkstuinen in Vlaanderen SurveyMonkey Aantal respondenten: 64, overgeslagen: 0. een minimaal verschil op te merken voor deAfgesloten entiteit (1) 34% (Bron: Enquête 2019, verwerking: Voorland & KU Leuven, 2020) verschillende categorieën (respectievelijk 44%, 16% Er is passage mogelijk door de volkstuin (2) 24% en 32%). Op basis van deze cijfers kan dusV21 Is het een afgesloten entiteit of is de volkstuin publiek toegankelijk? 50% De volledige volkstuin is publiek toegankelijk (3) Beantwoord: 11 Overgeslagen: 0 algemeen geconcludeerd worden dat de sociale TOTAAL hoofddoelstelling geen invloed heeft op het al Is het een afgesloten entiteit of is de volkstuin publiek toegankelijk? 100% dan niet afsluiten van de volkstuin. BASISSTATISTIEKEN

Minimum 1.00

80%

Maximum

Mediaan

Gemiddelde

60

10

32

64

Standaardafwijking

3.00 2.50 2.16 0.91 In tegenstelling tot deze laatste groep, is er wel 60% 45% 45% een opvallend verschil bij de groep volkstuinen 1/1 27% 27% 27% 27% 40% die reeds een VLM-volkstuinsubsidie hebben ontvangen (al dan niet in combinatie met ander 20% subsidies): binnen deze groep is de helft volledig 0% publiek toegankelijk en 16% deels toegankelijk De volledige Afgesloten entiteit Er is passage volkstuin is publiek mogelijk door de voor passage (figuur 1.70). In tegenstelling toegankelijk volkstuin hiermee, zijn de volkstuinen die enkel subsidies F I G 1 . 7 1 Toegankelijkheid van de volkstuinen die enkel subsidies ANTWOORDKEUZEN REACTIES hebben ontvangen van een andere instantie, hebben ontvangen van een andere instantie. 45% Aantal respondenten: 11, overgeslagen: 0. minder toegankelijk voor externen: 45% vanAfgesloten entiteit (1) (Bron: Enquête 2019, verwerking: Voorland & KU Leuven, 2020) 27% Er is passage mogelijk door de volkstuin (2) deze volkstuinen is volledig afgesloten (figuur 27% De volledige volkstuin is publiek toegankelijk (3) 1.71). Omgekeerd zijn de resultaten ook opvallend: TOTAAL van de volkstuinen die nooit subsidies hebben aangevraagd, is de helft niet toegankelijk, bij 27% Is het een afgesloten entiteit of is de volkstuin publiek toegankelijk? BASISSTATISTIEKEN is er passage mogelijk en slechts 19% is volledig Minimum Maximum Mediaan Gemiddelde Standaardafwijking toegankelijk (figuur 1.72). Hieruit kan afgeleid1.00 3.00 2.00 1.82 0.83 worden dat de VLM-volkstuinsubsidie de grootste impact heeft op de toegankelijkheid van de 1/1 volkstuinen.

Als de koppeling wordt gemaakt met het type volkstuin, is een eerste vaststelling dat bij de (deels) afgesloten entiteiten de klassieke volkstuinen het hoogste scoren (figuur 1.73). Daarnaast zijn concepten zoals samentuinen en

22

F I G 1 . 7 2 Toegankelijkheid van de volkstuinen die geen subsidies hebben aangevraagd Aantal respondenten: 37, overgeslagen: 0. (Bron: Enquête 2019, verwerking: Voorland & KU Leuven, 2020)

5 3 3 11


kstuinen in Vlaanderen

SurveyMonkey

V12 Welke beschrijving hoort het best bij jullie volkstuin? Beantwoord: 118 100%

Overgeslagen: 0

80%

65% 65%

63% 63%

60%

43% 43%

40%

26% 26% 16% 16%

20% 0%

24% 24%

8% 6% 6% 8% 4% 4%

7% 7% 4% 4%

Afgesloten entiteit

Klassieke volkstuin

KLASSIEKE VOLKSTUIN

5% 5%

De volledige volkstuin is publiek toegankelijk

Er is passage mogelijk door de volkstuin

Samentuin

21% 21% 7% 7%

Zorgtuin

Warme tuin

SAMENTUIN

Overige

ZORGTUIN

F I G 1 . 7 3 Toegankelijkheid van de volkstuinen per type volkstuin 65% 0. 16% Aantal respondenten: 118, overgeslagen: 32 (Bron: Enquête 2019, verwerking: Voorland & KU Leuven,82020)

titeit

warme tuinen het meest toegankelijk. Het feit dat de VLM-volkstuinsubsidie mede ervoor heeft gezorgd dat er meer van deze types volkstuinen zijn opgestart, verklaart meteen ook de bovenstaande grafieken over toegankelijkheid.

Welke beschrijving hoort het best bij jullie volkstuin?

WARME TUIN

OVERIGE

“De samentuin staat altijd open als 1 of meerdere tuinders aanwezig zijn. We hebben vaak bezoekers die een praatje komen slaan of informatie komen vragen over de werking ofTOTAAL het telen van groenten en dergelijke.”

6% 3

8% 4

4% 2

42% 49

mogelijk door de volkstuin

63% 17

26% 7

0% 0

7% 2

4% 1

23% 27

olkstuin is publiek toegankelijk

43% 18

24% 10

7% 3

21% 9

5% 2

36% 42

67

espondenten

25

6

15

5

ACTIVITEITEN 118

een combinatie tussen een klassieke volkstuin en een samentuin (rolstoeltoegankelijk)

In 48% van de bevraagde volkstuinen (99 respondenten) worden er verplichte activiteiten georganiseerd. Het gaat voornamelijk over 1.15 activiteiten in functie van de organisatie van 1.06 de volkstuin zoals een (jaarlijkse) algemene vergadering 1.32 of startvergadering en activiteiten in functie van het onderhoud in de volkstuin DATE zoals (samen)werkdagen voor het onderhoud 6/18/2020 4:25 PM van de gemeenschappelijke delen. Het zijn 6/17/2020 6:02 PM bovendien vaak activiteiten die vermeld staan DATE in het huisreglement of worden beschouwd als 6/17/2020 6:17 PM een basis engagement om deel uit te maken als DATE tuinier van de volkstuin. 6/17/2020 3:27 PM

combinatie van alle bovenstaande soorten

10/3/2019 8:51 PM

TIEKEN MINIMUM

MAXIMUM

MEDIAAN

GEMIDDELDE

titeit 1.00

5.00

1.00

1.69

1.00

5.00

1.00

1.63

1.00

5.00

2.00

2.21

mogelijk door de volkstuin

olkstuin is publiek toegankelijk

Q21: AFGESLOTEN ENTITEIT combinatie van klassieke volktuin en warme tuin combinatie van de klassieke volkstuin en warme tuin Q21: ER IS PASSAGE MOGELIJK DOOR DE VOLKSTUIN voedselbosconcept - eetbaar park voor huidige en komende generaties Q21: DE VOLLEDIGE VOLKSTUIN IS PUBLIEK TOEGANKELIJK

STANDAARDAFWIJKING

1/1

“Maandelijks is er een werkdag om gemeenschappelijke zaken te onderhouden, compost zeven, … jaarlijks doen we een bbq, een aantal keer per jaar voordrachtavond, …” “ Onze Samentuin is meer dan moestuinieren alleen. Het verbindt de deelnemers door samen te tuinieren, te koken, te vergaderen, … Per jaar zijn er ongeveer een 12-tal activiteiten. We betrekken de bevolking van de gemeente bij ons project (vb. startdag, kook- en kruidenworkshop), laten klassen op bezoek komen en werken samen met lokale verenigingen.”

In de groep volkstuinen die reeds VLMvolkstuinsubsidies heeft ontvangen, organiseert 40% verplichte activiteiten in de volkstuin en elke volkstuin vrijwillige activiteiten (100%). Bij de volkstuinen die nooit een subsidie hebben aangevraagd, organiseert 61% verplichte activiteiten en 93% vrijwillige activiteiten. Deze cijfers liggen dus in beide groepen zeer hoog, al kan er wel worden gesteld dat de volkstuinen met VLM-volkstuinsubsidie iets meer verplichtingen opleggen bij de tuiniers, en zo meer sociale dynamiek trachten te bereiken door het organiseren van deze activiteiten.

VOLKSTUINEN VANDAAG

In 97% van de bevraagde volkstuinen (99 respondenten) zijn er ook vrijwillige activiteiten zoals open tuindagen, oogst- en tuinfeesten, workshops, planten- en ruilbeurzen, sociale activiteiten (zoals kaartavonden, of kantinebezoeken, …). Het zijn informele momenten voor tuiniers om elkaar beter te leren kennen.

61


TUINIERS

LEEFTIJD Aandeel verschillende leeftijdscategorieën

De gemiddelde leeftijd van de tuiniers is moeilijk te bepalen (vaak wordt dit niet opgevraagd bij inschrijving). Wel kan een inschatting gemaakt worden van het gemiddeld aandeel tuiniers per leeftijdscategorie. Vandaag is de grootste leeftijdscategorie nog steeds zestigers of ouder (42%). Het aandeel ‘jeugd’ en ‘twintigers en dertigers’ blijven in kleinere mate aanwezig te zijn in de volkstuinen. Ten opzichte van de toestandsbeschrijving van de volkstuinen in 2007 (UGent), is er wel al een sterke daling van het aandeel zestigers (en ouder) ingezet. In 2007 was nog 57% van de tuiniers zestig of ouder, vandaag is dat 42% (met de andere leeftijdscategorieën kan geen vergelijking worden gemaakt aangezien deze in de studie van UGent niet werden bevraagd). Bij de volkstuinen die een VLM-volkstuinsubsidie hebben ontvangen (al dan niet in combinatie met andere subsidies) zien we dezelfde verdeling. Ook de volkstuinen die nooit een subsidie hebben aangevraagd heeft dezelfde verdeling, al kunnen we wel uit de grafiek afleiden dat het aandeel jeugd zeer laag is.

F I G 1 . 7 4 Gemiddelde leeftijdsspreiding bij tuiniers (in alle volkstuinen) Aantal respondenten: 118, overgeslagen: 0. (Bron: Enquête 2019, verwerking: Voorland & KU Leuven, 2020)

SOCIALE MIX

Is er een sociale mix in de volkstuin?

Ruim 95% van de bevraagde volkstuinen geeft aan dat er een sociale mix aanwezig is in de volkstuin (figuur 1.75). Vervolgens is er onderzocht of dit hoog percentage in elk type buurt dezelfde is (figuur 1.76). Uit de grafiek blijkt dat elke specifieke situering een zeer hoog tot maximaal percentage heeft wat de sociale mix betreft. Hieruit kan geconcludeerd worden dat de sociale mix in F I G 1 . 7 5 Sociale mix in de volkstuin. de volkstuin niet buurtafhankelijk is, en datVolkstuinen dit in in Vlaanderen Aantal respondenten: 116, overgeslagen: 2. vrijwel iedere volkstuin aanwezig is. (Bron: Enquête 2019, verwerking: Voorland & KU Leuven, 2020) Vervolgens werd gekeken of de sociale mix even groot is bij volkstuinen die reeds subsidies van VLM (al dan niet in combinatie met andere subsidies) hebben ontvangen en de volkstuinen die nog nooit een subsidie ontvingen. Bij deze eerste groep (volkstuinen met subsidies) werd door 97% van de respondenten aangegeven dat er een sociale mix aanwezig is. Bij de tweede groep (volkstuinen zonder subsidies) ligt dit percentage iets lager, met name 89%.

62

Uit deze cijfers zou kunnen geconcludeerd worden dat de VLM-volkstuinsubsidie een In een bebouwde omgeving bijdrage heeft bij de aanwezigheid van een

V34 Is er een sociale mix in de volkstuin? Beantwoord: Overgeslagen: 1 Is er een108 sociale mix in de volkstuin? 100% 80%

100% 100%

95% 95%

100% 100%

93% 93%

60% 40% 20% 0%

7% 7%

5% 5%

In een bebouwde omgeving

Ja

Deel van een grotere groenstructuur

In landbouwgebied

Bij een sportcomplex

Nee

JA (1) per type buurtNEE (2) F I G 1 . 7 6 Sociale mix in de volkstuin Opdeling Aantal respondenten: 108, overgeslagen: 1. 95% (Bron: Enquête 2019, verwerking: Voorland & KU Leuven, 2020) 72

Deel van een grotere groenstructuur In landbouwgebied Bij een sportcomplex Totaal aantal respondenten

SurveyMonkey

103

TOTAAL 5% 4

70% 76

100% 29

0% 0

27% 29

93% 14

7% 1

14% 15

100% 7

0% 0

6% 7

5

108


Volkstuinen in Vlaanderen

SurveyMonkey

35 Hoe groot is de afstand die de meerderheid van de tuiniers aflegt tussen de volkstuin en woning? Hoe groot is de afstand die de meerderheid van de tuiniers aflegt tussen de volkstuin en woning?

Beantwoord: 109

Overgeslagen: 0

sociale mix in de volkstuin. Als echter de cijfers bekeken worden van volkstuinen die door een andere instantie zijn gesubsidieerd, blijkt dat elke volkstuin een sociale mix heeft (100%). Er kan gesteld worden dat subsidies een beperkte invloed hebben op de aanwezigheid van een sociale mix in de volkstuin, en dat dit niet afhankelijk is van het subsidiekanaal.

100% 80%

72% 72%

87% 87%

71% 71% 60% 60%

60%

40% 40%

13% 13%

20% 0%

29% 29%

28% 28%

40%

In een bebouwde omgeving

0-3 km

Deel van een grotere groenstructuur

In landbouwgebied

meer dan 3 km 0-3 KM (1)

bebouwde omgeving

Bij een sportcomplex

MEER DAN 3 KM (2)

Gemiddelde afstand woning – volkstuin per type omgeving van de volkstuin. 87% 13% Aantal respondenten: 109, overgeslagen: 0. 67 10 (Bron: Enquête 2019, verwerking: Voorland & KU Leuven, 2020)

AFSTAND 71% 77

1.00

2.00

1.00

1.13

1.00

2.00

1.00

1.28

In de studie van UGent (2007) werd de gemiddelde afstand woning – volkstuin bevraagd. 14% Hieruit bleek dat 17% van de tuiniers minder 15 dan één km aflegt, 72% legt 1 – 5 km af en 10% 6% 7 meer dan 5 km. In deze enquête werden andere 109 afstandscategorieën gebruikt, met name 0 – 3 km (80%) of meer dan 3 km (20%), omdat deze afstanden ook in de behoeftebepaling werden 0.34 gebruikt (zie eerder). De twee resultaten kunnen 0.45 bijgevolg moeilijk vergeleken worden.

1.00

2.00

1.00

1.40

0.49

1.00

2.00

1.00

1.29

0.45

72% 21

28% 8

dbouwgebied

60% 9

40% 6

n sportcomplex

71% 5

29% 2

an een grotere groenstructuur

TOTAAL

FIG 1.77

88

aantal respondenten

21

SSTATISTIEKEN MINIMUM

MAXIMUM

MEDIAAN

GEMIDDELDE

STANDAARDAFWIJKING

bebouwde omgeving

an een grotere groenstructuur

27% 29

dbouwgebied

n sportcomplex

De koppeling tussen het type locatie van de volkstuin en de gemiddelde afstand die naar de volkstuin wordt afgelegd, wordt gemaakt in figuur 1.77. Zoals verwacht, legt de grootste groep een afstand van meer dan 3 km naar de volkstuin af bij de volkstuinen die zijngelegen in landbouwgebied (40%). Omgekeerd de afstand in de bebouwde omgeving tussen de volkstuin en de woning het kleinst. Hier legt slecht 13% van de tuiniers een afstand af van meer dan 3 km.

VOLKSTUINEN VANDAAG

1/1

63


Volkstuinen in Vlaanderen

SurveyMonkey

TUIN

V20 Waar situeert de volkstuin zich? (meerdere opties mogelijk) Beantwoord: 118

TOTALE OPPERVLAKTE 100%

Uit de bevraging blijkt dat de kleinste volkstuin een totale oppervlakte van 21 m2 heeft (in 2007: 50 m2), terwijl de grootste volkstuin een totale oppervlakte omvat van maar liefst 5,4 ha (in 2007: 1000 m2). De gemiddelde totale oppervlakte bij de bevraagde volkstuinen bedraagt ongeveer een 0,5 ha (in 2007: 261 m2) en de mediaan van alle opgegeven oppervlaktes is 1800 m2. In de enquête is er bijgevolg een grote variatie in grootteorde.

80%

Overgeslagen: 0

Waar situeert de volkstuin zich? (meerdere opties mogelijk) 65% 65%

60% 40%

25% 25% 13% 13%

20% 0%

In een bebouwde omgeving

Deel van een grotere groenstructuu

In landbouwgebie d

6% 6%

Bij een sportcomplex

F I G 1 . 7 8 Locatie van de volkstuin ANTWOORDKEUZEN Volkstuinen in Vlaanderen

Aantal respondenten: 118, overgeslagen: 0. (111 In een bebouwde omgeving (Bron: Enquête 2019, verwerking: Voorland & KU Leuven, 2020)

10% 10%

Overige

REACTIES SurveyMonkey

65% 77 De som van alle opgegeven oppervlaktes 25% 29 volkstuinen) is ongeveer 55,8 ha. In de studieDeel van een grotere groenstructuur V19 Welk gebruik had de grond voor de oprichting van de volkstuin? van UGent (2007) werd dit voor 114 volkstuinen 13% 15 In landbouwgebied ook bevraagd, maar daar bedroeg de bruto Bij een sportcomplex Beantwoord: 117 Overgeslagen: 1 6% 7 oppervlakte in totaal 136,93 ha. Dit grote verschil 10% 12 100% Overige Welk gebruik had de grond voor de oprichting van de volkstuin? in totale oppervlakte kan verklaard worden Totaal aantal respondenten: 118 80% doordat de respondenten bij de enquête niet BASISSTATISTIEKEN allemaal dezelfde waren dan bij de bevraging 60% 44% 44% Minimum Maximum Mediaan Gemiddelde Standaardafwijking in de studie van UGent in 2007, en dit dus een 1.00 5.00 1.00 1.91 1.27 29% 29% 40% vertekend beeld geeft bij de totale oppervlakte.

20% 20%

20%

4% 4%

3% 3% Uiteraard moet er ook rekening worden 0% gehouden met het feit dat slechts één derde van Natuurgebied Ander gebruik Braakland Landbouwgrond Restgrond naast alle bestaande volkstuinen (2019) de enquête (spoor)wegen heeft ingevuld. Aangenomen dat de gemiddelde F I G 1 . 7 9 Oorspronkelijke bestemming van de grond, voor de inrichting van de volkstuin. REACTIES volkstuin in Vlaanderen 0,5 ha groot is, zou ANTWOORDKEUZEN er Aantal respondenten: 117, overgeslagen: 1. 44% Braakland (1) (Bron: Enquête 2019, verwerking: Voorland & KU Leuven, 2020) theoretisch gezien (en dus naar schatting voor 20% 371 volkstuinen) een totale oppervlakte van Landbouwgrond ruim (2) 185 ha aanwezig moeten zijn in Vlaanderen.Restgrond Dit 4% naast (spoor)wegen (3) betekent een groei van 35% volkstuinareaal Natuurgebied ten 3% (4) opzichte van 2007. 29% Ander gebruik TOTAAL

SITUERING

23

5

3

34

117

BASISSTATISTIEKEN

1/1

Minimum 1.00

Maximum 5.00

Volkstuinen zijn overal in Vlaanderen terug te vinden (zie inventarisatie). De specifieke locatie werd daarom nagevraagd in de enquête. De meeste bevraagde volkstuinen (65%) zijn terug te vinden in een bebouwde omgeving (bv. stedelijke context, dorpskern, wijk of verkaveling, zie figuur 1.78). Een kwart maakt deel uit van een grotere groenstructuur (zoals een park of natuurgebied), 13% is terug te vinden in landbouwgebied en 6% ligt bij een sportcomplex. In de categorie “overige” (10%) zijn vooral zeer specifieke locaties opgegeven:

Mediaan 2.00

Gemiddelde 2.52

Waar situeert de volkstuin zich? (meerdere opties mogelijk)

1/1 Locatie van de volkstuin met VLM-volkstuinsubsidies. Aantal respondenten: 11, overgeslagen: 0. (Bron: Enquête 2019, verwerking: Voorland & KU Leuven, 2020) FIG 1.80

64

52

Standaardafwijking 1.71


>  “In woonuitbreidingsgebied waar later woningen zullen komen. Een stuk ervan wordt groenzone en de tuintjes zijn een deel ervan.”

hebben gekregen van andere instanties. In deze laatste groep is minder ingezet op volkstuinen in een bebouwde omgeving (27%), maar eerder als deel van een grotere groenstructuur (36%) en in landbouwgebied (27%). Bij deze vaststelling dient wel een kanttekening gemaakt te worden, m.n. het laag aantal respondenten binnen deze groep.

>  “Op de bovenste verdieping van een leegstaande parkeertoren.”

VOLLE GROND

>  “Langs een spoorweg”

>  “KMO-zone”

In de meeste gevallen was de grond, voordat het als volkstuin werd ingericht, een braakliggend stuk terrein (44% in figuur 1.79). Eén op 5 was oorspronkelijk een landbouwgrond. Enkele volkstuinen zijn opgericht op restgrond naast (spoor)wegen (4%) of in natuurgebied (3%).

Van alle bevraagde volkstuinen tuiniert 95% in volle grond. De overige 5% gaat te werk in bakken (in absoluut cijfer: 6 volkstuinen). Hoewel de volkstuinen in bakken allemaal zijn ontstaan na 2014, is er geen concrete link met de VLMvolkstuinsubsidie. Deze volkstuinen zijn soms niet gesubsidieerd, of met andere subsidiekanalen (bv. stad of gemeente).

Bijna één derde van de bevraagde volkstuinen had ander gebruik dan de voorziene categorieën. Het gaat voornamelijk over tuinen (privé, in scholen, in een zorginstelling, …), park, weide of grasveld, maar ook de meer specifieke gebruiken kwamen aan bod:

>  “Onbewoonbaar verklaarde noodwoning met grote tuin in de dorpskern” >  “Het was vroeger de site van een suikerfabriek.” >  “Een leegstaande parkeertoren”

>  “loods” >  “schapenwei”

Bij de groep volkstuinen die reeds een VLM-volkstuinsubsidie hebben ontvangen (figuur 1.80), zien we (op een paar procenten na) dezelfde verdeling bij het voorafgaande gebruik van de grond. Wel zien we dat er iets meer volkstuinen zijn gesitueerd in een bebouwde omgeving (72%). Dit is minder het geval bij volkstuinen die subsidies

VOLKSTUINEN VANDAAG

>  “Niet gebruikte schooltuin (grasland)”

65


VOORZIENINGEN Uit de enquête blijkt dat volkstuinen uit meer bestaan dan enkel afgebakende tuinen en de tussenliggende paden. Zo zijn in meer dan de helft van de bevraagde volkstuinen collectieve tuinhuizen (61%), collectief werkmateriaal (61%), collectieve composteerplekken (69%), zitbanken (60%) en een bijenkast of een insectenhotel (58%) aanwezig (figuur 1.81). Bij (ongeveer) meer dan één derde van de volkstuinen zijn picknicktafels (47%), ontmoetingsruimte (37%), fietsenstalling (36%), sanitair (36%), kippen (35%), één of meerdere serres (33%) en een boomgaard (31%) aanwezig. Er zijn in mindere mate ook nog andere voorzieningen aanwezig, zoals individuele voorzieningen (zoals tuinhuizen 25% of compost 19%) of een BBQ en vijver. Het klassieke beeld van volkstuinen met individuele tuinhuizen wordt hier dus zeker niet bevestigd.

Welke andere voorzieningen zijn aanwezig? (meerdere antwoorden mogelijk)

Bij de groep volkstuinen die VLMvolkstuinsubsidies hebben ontvangen (figuur 1.82), zien we over het algemeen dat alle mogelijke categorieën van aanwezige voorzieningen een (lichte) stijging kennen in percentage (t.o.v. alle respondenten). Slechts twee categorieën dalen: ‘individuele tuinhuisjes’ (van 25% naar 9%) en ‘individueel composteren’ (van 19% naar 16%). De categorieën die de sterkste stijging kennen zijn voornamelijk voorzieningen die sociale interactie in de hand werken (collectief tuinhuis, collectief werkmateriaal, ontmoetingsruimte, zitbanken, collectief composteren, …). In de volkstuinen die enkel subsidies kregen van een andere instantie (figuur 1.83), zijn de voorzieningen in de volkstuin gelijkaardig als het algemene beeld van alle volkstuinen. Opvallend is dat volkstuinen zonder subsidies, algemeen veel minder voorzieningen in de tuin hebben. Verhoudingsgewijs hebben de nietgesubsidieerde tuinen veel meer individuele tuinhuizen (49%) en veel minder collectieve voorzieningen. Dit sluit aan bij het feit dat 80% van de niet-gesubsidieerde volkstuinen, een klassiek volkstuinconcept hebben (figuur 1.42).

F I G 1 . 8 1 Voorzieningen in de volkstuin, algemeen Aantal respondenten: 118, overgeslagen: 0. (Bron: Enquête 2019, verwerking: Voorland & KU Leuven, 2020)

66


F I G 1 . 8 2 Voorzieningen in de volkstuinen met VLM-volkstuinsubsidies Aantal respondenten: 64, overgeslagen: 0. (Bron: Enquête 2019, verwerking: Voorland & KU Leuven, 2020)

Welke andere voorzieningen zijn aanwezig? (meerdere antwoorden mogelijk)

F I G 1 . 8 3 Voorzieningen in de volkstuinen die geen subsidies hebben ontvangen Aantal respondenten: 37, overgeslagen: 0. (Bron: Enquête 2019, verwerking: Voorland & KU Leuven, 2020)

VOLKSTUINEN VANDAAG

Welke andere voorzieningen zijn aanwezig? (meerdere antwoorden mogelijk)

67


Volkstuinen in Vlaanderen

SurveyMonkey

V23 Welke nutsvoorzieningen zijn aanwezig in de volkstuin? (meerdere antwoorden mogelijk) Qua nutsvoorzieningen is bij twee derde van de bevraagde volkstuinen een collectieve watervoorziening aanwezig (figuur 1.84). Elektriciteit is slechts bij 31% van de bevraagde volkstuinen aanwezig (in 2007 was dit 7%). Verlichting (17%), individuele watervoorziening (14%) en gasvoorziening (2%) zijn in mindere mate aanwezig.

Beantwoord: 118 Overgeslagen: 0 Welke nutsvoorzieningen zijn aanwezig in de volkstuin? (meerdere antwoorden mogelijk)

100%

69% 69%

80% 60%

31% 31%

40%

17% 17% 20%

14% 14%

19% 19%

2% 2%

Volkstuinen in 0% Vlaanderen

SurveyMonkey Op het vlak van nutsvoorzieningen zijn de Er zijn Individuele Verlichting Gasvoorzien Collectieve Elektricite geen ing watervoorzi watervoorzi itsvoorzien volkstuinen die VLM-volkstuinsubsidies hebben nutsvoorzie ening ening ing ningen... ontvangen, meer voorzien (figuur 1.85). Vooral V23 Welke nutsvoorzieningen zijn aanwezig in de volkstuin? (meerdere F I G 1 . 8 4 Nutsvoorzieningen van de volkstuin het aantal met elektriciteit en collectieve waterANTWOORDKEUZEN REACTIES Aantal respondenten: 118, overgeslagen: 0. antwoorden mogelijk) (Bron: Enquête 2019, verwerking: Voorland & KU Leuven, 2020) voorziening in de volkstuin is toegenomen. Net 31% 36 Elektriciteitsvoorziening (1) Beantwoord: 64 Overgeslagen: 0 zoals bij de algemene voorzieningen, is het nuts17% 20 Verlichting (2) Welke nutsvoorzieningen zijn aanwezig in de volkstuin? voorzieningenniveau bij de niet-gesubsidieerde (meerdere antwoorden mogelijk) 100% 2% 2 Gasvoorziening (3) volkstuinen veel lager. Bij de gesubsidieerde volk75% 75% 69% 82 80% stuinen zonder VLM-volkstuinsubsidies geeftCollectieve 36% watervoorziening (4) 14% 17 Individuele watervoorziening (5) aan dat er geen nutsvoorzieningen aanwezig zijn 60% 44% 44% 19% 23 Er zijn geen nutsvoorzieningen aanwezig (6) (figuur 1.86). Bij de niet-gesubsidieerde volkstui40% Totaal aantal respondenten: 118 nen heeft 27% van de volkstuinen geen nutsvoor20% 20% 14% 14% 13% 13% ziening (figuur 1.87). 20% 3% 3%

BASISSTATISTIEKEN

Minimum dat 1.00

0%

Maximum Elektricite6.00 Verlichting

Mediaan 4.00 Gasvoorzien

Gemiddelde

Standaardafwijking

Over het algemeen kan dus gesteld worden 3.52 Individuele 1.62 Er zijn Collectieve geen ing watervoorzi watervoorzi itsvoorzien de VLM-volkstuinsubsidie impact heeft gehad nutsvoorzie ening ening ing ningen... op de algemene en op de nutsvoorzieningen in de volkstuinen. Een omgekeerde redenering F I G 1 . 8 5 Nutsvoorzieningen van volkstuinen met VLM-volkstuinsubsidies. ANTWOORDKEUZEN REACTIES Aantal respondenten: 64, overgeslagen: 0. bevestigt dit (figuur 1.88): bij de volkstuinenElektriciteitsvoorziening die 44% (1) (Bron: Enquête 2019, verwerking: Voorland & KU Leuven, 2020) subsidies hebben ontvangen van VLM, heeftVerlichting 74% (2) 20% de subsidie gebruikt voor het voorzien van extra 3% Gasvoorziening (3) voorzieningen, en 31% voor het voorzien van Welke nutsvoorzieningen zijn aanwezig in de volkstuin? 75% Collectieve watervoorziening (4) (meerdere antwoorden mogelijk) nutsvoorzieningen. Individuele watervoorziening (5) Er zijn geen nutsvoorzieningen aanwezig (6) Enkele voorbeelden waarvoor de subsidie van Totaal aantal respondenten: 64 VLM concreet is gebruikt:

68

13

2

48

14%

9

13%

8

1/1

BASISSTATISTIEKEN Minimum 1.00

28

Maximum 6.00

Mediaan 4.00

Gemiddelde

Standaardafwijking

>  “Hekwerk, banken, serre, verhoogde 3.19 1.60 bakken, plantmateriaal zoals bomen, haaggoed, zaaigoed, bloembollen, kleinfruit,…, werkmateriaal zoals Volkstuinen in Vlaanderen SurveyMonkey F I G 1 . 8 6 Nutsvoorzieningen van gesubsidieerde volkstuinen kruiwagens en tuingereedschap, zonder VLM-volkstuinsubsidies. grondwaterpompen, educatieve Aantal respondenten: 11, overgeslagen: 0. (Bron: Enquête 2019, verwerking:zijn Voorland & KU Leuven, 2020) V23 Welke nutsvoorzieningen aanwezig in de volkstuin? (meerdere begeleiding, aankoop werkmateriaal antwoorden mogelijk) en inrichtingselementen (houten Beantwoord: 37 Overgeslagen: 0 hekwerk, verhoogde bakken, Welke nutsvoorzieningen zijn aanwezig in de volkstuin? grondwaterpompen,…).” 100% (meerdere antwoorden mogelijk) >  “aanleg paden, schuilplaats, 68% 68% 80% materiaalhok, watervoorziening composteren, aankoop compost” 60% 1/1 >  “duurzame inrichting, waterpomp op 40% 27% 27% zonneenergie, bergingen, fietsenstalling, 11% 11% 11% 11% 11% 11% verhoogde bakken, bodemanalyse” 20% >  “tuinhuis, omheining, toegangspoort, 0% fietsenstalling, houtenberging, Er zijn Individuele Verlichting Gasvoorzien Collectieve Elektricite geen watervoorzi ing watervoorzi itsvoorzien compostbakken, composttoilet, nutsvoorzie ening ening ing ningen... tuinmateriaal, energiepunt, infobord, advies en begeleiding velt, begeleiding ANTWOORDKEUZEN F I G 1 . 8 7 Nutsvoorzieningen van niet-gesubsidieerde volkstuinen. REACTIES Aantal respondenten: 37, overgeslagen: 0. 11% tuinders” Elektriciteitsvoorziening (1) (Bron: Enquête 2019, verwerking: Voorland & KU Leuven, 2020)

4

Verlichting (2)

11%

4

Gasvoorziening (3)

0%

0

Collectieve watervoorziening (4)

68%

25

Individuele watervoorziening (5)

11%

4

Er zijn geen nutsvoorzieningen aanwezig (6)

27%

10


Waarvoor zijn de subsidies van de VLM ingezet? (meerdere antwoorden mogelijk)

TOEKOMSTPERSPECTIEF

TIJDELIJKHEID Bij ruim 85% van de bevraagde volkstuinen heeft de volkstuin een permanent karakter. De overige 15% heeft dus eerder een tijdelijk karakter. Deze 18 volkstuinen zijn voor het grootste deel gelegen op braakland (56%) figuur 1.89) en in een bebouwde omgeving (61%) (figuur 1.90).

F I G 1 . 8 8 Overzicht van de aspecten waarvoor de VLM-volkstuinsubsidie is ingezet. Aantal respondenten: 42, overgeslagen: 22. (Bron: Enquête 2019, verwerking: Voorland & KU Leuven, 2020)

De tijdelijkheid was bij de volkstuinen voor het grootste deel wel de intentie (61%).

>  “Het complex ligt in woonuitbreidingsgebied. Het kan dus zijn dat er ooit (niet in de nabije toekomst) ontwikkeling op deze plaats gebeurt” >  “De parkeertoren waar de volkstuin is gesitueerd, bevindt zich aan een leegstaand ziekenhuis, dat wordt afgebroken. Er komt nieuwbouw.” Volkstuinen in Vlaanderen

SurveyMonkey

V19 Welk gebruik had de grond voor de oprichting van de volkstuin? Beantwoord: 18 100%

>  “Het gebruik van het braakliggende perceel slechts tijdelijk werd toegewezen.”

Overgeslagen: 0

Bij één derde van de volkstuinen met een tijdelijk karakter was dit niet de intentie van bij de start.

Welk gebruik had de grond voor de oprichting van de volkstuin?

80%

56% 56% 60% 40%

22% 22%

17% 17%

20%

6% 6%

Braakland

Landbouwgrond

Restgrond naast (spoor)wegen

Natuurgebied

Ander gebruik

Volkstuinen in Vlaanderen

Braakland (1)

SurveyMonkey

F I G 1 . 8 9 Oorspronkelijk gebruik van de grond in volkstuinen met een tijdelijk karakter. REACTIES Aantal respondenten: 18, overgeslagen: 0. 56% (Bron: Enquête 2019, verwerking: Voorland & KU Leuven, 2020)

V20 Waar situeert de volkstuin zich? (meerdere opties 22%

Landbouwgrond (2)

Restgrond naast (spoor)wegen (3) Natuurgebied (4)

Beantwoord: 18

Overgeslagen: 0

0% 6%

100%

Waar situeert de volkstuin zich? (meerdere opties mogelijk)

Ander gebruik TOTAAL

80%

17%

3 18

61% 61%

>  “Het is bouwgrond, dus als wij hier vertrekken wordt het een woonwijk.”

BASISSTATISTIEKEN 60% Minimum 1.00

Maximum 5.00

40%

22% 22%

Mediaan 1.00

20%

Gemiddelde 2.06

6% 6%

0%

10

Gezien de meeste volkstuinen met een tijdelijk 4 mogelijk) karakter in een stedelijke context zijn gesitueerd, is de 0mogelijke invulling die de grond na de 1 volkstuin zal krijgen ook eerder stedelijk gericht.

In een bebouwde omgeving

Deel van een grotere groenstructuu

In landbouwgebie d

11% 11%

Bij een sportcomplex

Standaardafwijking 1.51

11% 11%

>  “Het wordt vermoedelijke geïntegreerd in een sportpark”

Overige

Hoewel er een einddatum boven het hoofd van de volkstuinen hangt, blijft men wel optimistisch over 11 de bestaanszekerheid:

Ligging van de volkstuinen met een tijdelijk karakter. Aantal respondenten: 18, overgeslagen: 0. In een bebouwde omgeving (Bron: Enquête 2019, verwerking: Voorland & KU Leuven, 2020)

REACTIES

Deel van een grotere groenstructuur

22%

4

In landbouwgebied

6%

1

Bij een sportcomplex

11%

2

Overige

11%

2

ANTWOORDKEUZEN

FIG 1.90

Totaal aantal respondenten: 18

61%

VOLKSTUINEN VANDAAG

0%

ANTWOORDKEUZEN

>  “Wij zijn pas recent te weten gekomen dat er gebouwd zal worden.” >  “De werken die nu gepland zijn bestonden niet bij de oprichting van de volkstuin.”

69


>  “Bij succes van de volkstuinen zal uiteraard de volkstuinsite blijven bestaan. Er werd ook een gemeenschappelijk gebouw geplaatst met nutsvoorzieningen en houten lockers, waardoor dit niet zomaar op korte termijn zal verdwijnen. Enkel bij wanbeleid of geen interesse in volkstuinen zou de bestaanszekerheid in bedreiging komen.” >  “Hopelijk krijgen we een vernieuwing van de gebruiksperiode.”

Van alle tijdelijke volkstuinen die de bevraging invulden, heeft meer dan de helft subsidies gekregen, waarvan iedereen subsidies kreeg van VLM (als dan niet gecombineerd met andere subsidiekanalen). 40% geeft echter aan dat de volkstuin niet zou bestaan zonder de subsidie. In die zin heeft de VLM-volkstuinsubsidie weldegelijk een impact gehad op het bestaan van tijdelijke volkstuinen.

NODEN EN BEHOEFTEN In de enquête is ook bevraagd in welke mate er ondersteuning of investering nodig is voor de goede werking van de volkstuin. De voornaamste zaken die hierin terugkwamen zijn voornamelijk nood aan blijvende begeleiding en opleidingen (om tuiniers goed te kunnen opvolgen) en de financiële behoefte in geval van uitbreiding van de volkstuin of het vernieuwen van werkmateriaal.

“Aangezien Buurtwerking ’t Lampeke met kwetsbare mensen werkt, is permanente opvolging door een professional noodzakelijk.” “Subsidies voor inrichting en kosten voor onderhoud (na een x aantal jaren komen er kosten)” “Extra financiële middelen zijn welkom voor de aankoop van degelijk gereedschap en voor een goede publiciteit en promotie mogelijk te maken.”

70

De stad of gemeente is hierbij de meest gewenste partner. Ook vzw Velt en vzw Tuinhier worden in de context van begeleiding meermaals vernoemd.


1.4.3 Synthese van de enquête (focus op de invloed van de VLM-volkstuinsubsidie)

ALGEMEEN Binnen de bevraging zijn de meeste volkstuinen waarvoor een enquête werd ingevuld, opgericht na 2012. Het is echter geen toeval dat vanaf dat jaar ook de projectsubsidie voor de inrichting van volkstuinen is gestart. Ruim twee derde van alle respondenten binnen de bevraging heeft een subsidie aangevraagd. Hiervan kreeg 53% de VLM-volkstuinsubsidie toegekend, en 28% kreeg de VLM-volkstuinsubsidie in combinatie met subsidies van andere instanties. De helft van deze volkstuinen gaf bovendien in de enquête aan dat ze niet konden opstarten zonder deze subsidie. Kwantitatief (de invloed op het aantal volkstuinen) heeft de projectoproep ‘inrichting volkstuinen’ een grote invloed gehad. Uit de enquête blijkt daarnaast dat subsidies ook een invloed hebben op de kwaliteit van de volkstuin, maar dit is ongeacht de subsidiërende instantie. Dit wordt meer in detail besproken in de onderstaande topics.

reden kan geconcludeerd worden dat “een” subsidie invloed heeft op het concept van de volkstuin, voornamelijk richting minder klassieke volkstuinen. De sociale functie en voedselproductie zijn de voornaamste hoofddoelstellingen binnen de volkstuin. Dit is ook zo bij de volkstuinen die VLM-volkstuinsubsidies hebben ontvangen. Slechts 5% van de bevraagde volkstuinen geeft aan dat deze hoofddoelstellingen sinds de opstart van de volkstuin zijn veranderd. Dat deze bijsturing het gevolg is van de projectoproep ‘inrichting volkstuinen’ (bestaande volkstuinen die een VLM-volkstuinsubsidie hebben ontvangen voor modernisering of uitbreiding), is eerder een voorzichtige aanname dan een conclusie. De enquête bevestigt de trends op vlak van doelgroepen. Ongeveer de helft van de bevraagde volkstuinen heeft een specifiek doelpubliek. Vooral de ‘maatschappelijk kwetsbare groep’ blijkt het meest betrokken naast de buurtbewoners. Dit is nog meer het geval bij de volkstuinen die VLM-volkstuinsubsidies hebben ontvangen. Bij de volkstuinen opgestart na 2016, die rekening hebben gehouden met het subsidiereglement waarbij een specifieke doelgroepen betrekken een selectiecriterium was (zie verder), heeft slechts de helft een specifieke doelgroep van bij de opstart van de volkstuin. In dat opzicht heeft de projectoproep ‘inrichting volkstuinen’ slechts een beperkte invloed gehad.

CONCEPT

Uit de bevraging blijkt dat er meer diverse concepten ontstaan bij volkstuinen die subsidies hebben (onafhankelijk welke subsidie). Om die

ORGANISATIE

> partnerschappen De belangrijkste initiatiefnemer voor de opstart van volkstuinen is een overheid of lokale organisatie. Verder is de gemeente/stad ook in de meeste gevallen de eigenaar van de gronden. Hoewel de lokale overheid dus een belangrijke rol speelt in de opstart van de volkstuin (als initiatiefnemer en/of toekennen van de locatie), valt in grote mate de dagelijkse leiding binnen de volkstuin terug op een groep tuiniers. Wel

VOLKSTUINEN VANDAAG

Hoewel de klassieke volkstuin nog steeds de dominante vorm van volkstuin is binnen de bevraging, is er steeds meer een verschuiving naar andere concepten zoals de samentuin en warme tuin. Dit is niet het gevolg van de projectoproep ‘inrichting volkstuinen’ maar eerder een bevestiging van de trends (zie eerder) waarbij de laatste jaren de volkstuin meer en meer andere vormen aanneemt en er meer samenwerkingen of organisatievormen worden aangegaan.

71


worden de tuiniers hierbij vaak geholpen door vzw Velt of vzw Tuinhier (in iets grotere mate bij de volkstuinen die VLM-volkstuinsubsidies hebben ontvangen). Ruim 89% van deze gesubsidieerde volkstuinen doen beroep op deze vzw’s voor organisatorisch of technisch advies en/of vorming. De enquête bevestigt ook de trend ‘meer partnerschappen/samenwerkingen en organisatievormen’. Slechts één vierde van de respondenten heeft geen samenwerkingen. De partnerschappen zijn bovendien zeer divers. Bij de groep volkstuinen die de VLMvolkstuinsubsidie heeft ontvangen, zijn er minder volkstuinen zonder partners. De invloed van de projectoproep is hier (in beperkte mate) zichtbaar.

stimuleert. Dit percentage is zelfs hoger (75%) bij volkstuinen die een VLM-volkstuinsubsidie hebben ontvangen (in tegenstelling tot de volkstuinen die nooit een subsidie hebben aangevraagd (61%)). Deze conclusie wordt bevestigd door het aantal volkstuinen die het subsidiebudget inzetten voor ecologische aspecten. Ook is er in 2 op 3 volkstuinen aandacht voor thema’s rond gezondheid, teelttechnieken, bodem,.. (met opnieuw een hoger percentage voor de volkstuinen die VLMvolkstuinsubsidies hebben ontvangen). In vrijwel alle volkstuinen worden er inspanningen geleverd voor het verhogen van de omgevingskwaliteit. Na vergelijking met de volkstuinen die nooit een subsidie hebben aangevraagd, blijkt dat eerder “een” subsidie invloed heeft op het verhogen van de omgevingskwaliteit, ongeacht de subsidieverlenende instantie.

> dagelijks beheer Bij drie kwart van de bevraagde volkstuinen wordt lidgeld gevraagd aan de tuiniers. Gemiddeld gezien is dit €36 per jaar. Bij volkstuinen die reeds subsidies hebben ontvangen, wordt in mindere mate lidgeld gevraagd, of is het lidgeld variabel. Deze aangepaste prijzen zijn mogelijk gerelateerd met de maatschappelijk kwetsbare doelgroep die bij deze volkstuinen meer aanwezig is. De volkstuin bestaat vandaag niet uit enkel individuele tuinen. Bij ruim twee derde van de bevraagde volkstuinen zijn collectieve percelen aanwezig. Het gemiddeld aantal individuele volkstuinen is bij volkstuinen met VLMvolkstuinsubsidies beduidend lager in vergelijking met het gemiddeld aantal bij alle respondenten. Dit kan wijzen op het feit dat de projectsubsidie een bepaalde invloed heeft op meer collectiviteit in de volkstuin. De algemene voorzieningen bevestigen dit: gesubsidieerde volkstuinen hebben meer collectieve voorzieningen dan nietgesubsidieerde volkstuinen.

72

In 80% van de bevraagde volkstuinen is er een reglement van kracht, waarvan 70% een reglement betreft dat ecologisch tuinieren

SOCIALE DYNAMIEK Hoewel een groot deel van de volkstuinen volledig of gedeeltelijk toegankelijk is voor het publiek, blijken volkstuinen eerder in te zetten op een interne sociale dynamiek, en minder op het betrekken van de buurt. Wel zorgt de VLM-volkstuinsubsidie voor meer toegankelijke volkstuinen. Hiermee gekoppeld is het feit dat o.a. door de projectsubsidie meer concepten zoals samentuinen en warme tuinen zijn opgestart, en deze ook meer toegankelijk zijn. In de meeste volkstuinen zijn vrijwillige activiteiten de norm. Ze gebeuren in functie van de betere sociale contacten tussen de tuiniers. Het zijn informele momenten zoals een barbecue, workshops of planten- en ruilbeurzen. In iets minder dan de helft van de volkstuinen zijn er ook verplichte activiteiten, in functie van de organisatie of het onderhoud van de volkstuin. Bij volkstuinen die VLM-volkstuinsubsidies hebben ontvangen ligt dit percentage van verplichte activiteiten hoger (61%).


De meest aanwezige leeftijdscategorie blijft, net zoals in 2007, nog steeds ‘zestiger of ouder’ (42%). Wel is er al een sterke verjonging gebeurd in de volkstuinen (in vergelijking met de studie van UGent, 2007). Het al dan niet gesubsidieerd zijn van de volkstuin heeft geen invloed op de gemiddelde leeftijdscategorie. Hoewel 95% van de bevraagde volkstuinen aangeeft dat er een sociale mix aanwezig is in de volkstuin, lijkt deze sociale mix niet buurtafhankelijk te zijn. Ook is de sociale mix niet bereikt door de VLM-volkstuinsubsidie maar eerder door “een” subsidie. De gemiddelde tuinier woont binnen een straal van 3 km tot de volkstuin. Indien de volkstuin gelegen is in landbouwgebied legt de tuinier wel gemiddeld meer afstand af in vergelijking met de afstand tot de volkstuin die is gelegen in een meer stedelijke omgeving.

TUIN De totale oppervlakte van de bevraagde volkstuinen varieert van 21 m2 tot 5,4 ha. Bijgevolg is er een grote variatie in grootteorde. Het grootste deel van de bevraagde volkstuinen zijn gesitueerd in een bebouwde omgeving. De meeste bevraagde volkstuinen zijn opgericht op een braakliggend stuk terrein. In ruim 95% van de volkstuinen wordt er in volle grond getuinierd. Over het algemeen zijn er al heel wat (nuts) voorzieningen aanwezig in de volkstuin. De VLM-volkstuinsubsidie heeft voor een toename gezorgd bij deze (nuts)voorzieningen. Voornamelijk voorzieningen die sociale interactie in de hand werken (collectief tuinhuis, collectief werkmateriaal, ontmoetingsruimte, zitbanken, collectief composteren, …) kennen een toename. Verhoudingsgewijs zijn er minder volkstuinen

met individuele tuinhuisjes en individueel composteren bij de volkstuinen die een VLMvolkstuinsubsidie hebben ontvangen.

TOEKOMSTPERSPECTIEF Ruim 85% van de bevraagde volkstuinen heeft een permanent karakter, en is zeker van zijn bestaan. De overige 15% is voornamelijk gelegen in een bebouwde omgeving en op braakland, en is minder bestaanszeker en/of tijdelijk. Van alle tijdelijke volkstuinen die de bevraging hebben ingevuld, heeft meer dan de helft subsidies gekregen, waarvan iedereen subsidies kreeg van VLM (al dan niet gecombineerd met andere subsidiekanalen). 40% van de tijdelijke volkstuinen geeft aan dat de volkstuin niet zou bestaan zonder de subsidie. In die zin heeft de VLM-volkstuinsubsidie een invloed gehad op het bestaan van tijdelijke volkstuinen. De toekomstige noden en behoeften zijn beperkt tot twee vaak terugkerende zaken: nood aan blijvende begeleiding en opleidingen (om tuiniers goed te kunnen opvolgen) en de financiële behoefte in geval van uitbreiding van de volkstuin of het vernieuwen van werkmateriaal. Hierbij is de lokale overheid de meest gewenste partner.

VOLKSTUINEN VANDAAG

TUINIERS

73


74


DEEL 2 Doelmatigheid subsidieprocedure

2.1 2.2 2.3 2.4

Evolutie subsidiereglement Evolutie aavraagformulier Evolutie ingediende dossiers Evaluatie doelmatigheid

75


2.1 EVOLUTIE SUBSIDIEREGLEMENT INLEIDING

Voorafgaand aan de VLM-volkstuinsubsidie (2011) was er reeds een budget voorzien om de grondaankoop voor de aanleg van volkstuinen te faciliteren. De VLM werkte dit uit als een rollend fonds, waar steden en gemeenten beroep op konden doen. Op verzoek van de geïnteresseerde gemeenten kon de VLM de verwerving van geschikte gronden coördineren en de aankoop prefinancieren met de bedoeling deze gronden nadien - tegen aankoopprijs (met inbegrip van de verwervingskosten) - over te dragen aan de gemeente of desgevallend aan de vereniging die de volkstuinen zou beheren. Uit de respons van de gemeente bleek dat daar geen nood aan was, waarop er een ander programma is uitgedacht om de volkstuinen te ondersteunen. Sinds 2012 heeft de VLM subsidies toegekend aan gemeenten en verenigingen voor de inrichting van volkstuinen. De algemene doelstellingen van de subsidies waren hierbij om enerzijds een boost te geven voor de aanleg van nieuwe volkstuinen om zo aan de stijgende vraag tegemoet te komen en anderzijds modernisering in de hand te werken van bestaande volkstuinen of uitbreiding van bestaande volkstuinen (bv. afbouw van gebruik van pesticiden en meer evolueren richting ecologisch beheer, uitbouw gemeenschappelijke delen, …). Vanaf 2016 wordt hierbij ook expliciet vermeld dat de (nieuwe, uitgebreide of gemoderniseerde) volkstuinen als doel hebben om de specifieke doelgroep(en), met name jongeren en/of de welzijnssector, te betrekken. Het bijhorend subsidiereglement is doorheen de jaren zes keer gewijzigd (in 2013 werd hetzelfde subsidiereglement gehanteerd als in 2012). Om in dit onderzoek de verschillende subsidiereglementen op een gestructureerde manier te vergelijken, is elk subsidiereglement opgesplitst in verschillende categorieën:

>  de uitsluitingscriteria: elementen die ervoor zorgen dat men wel of niet in aanmerking komt voor de subsidie >  de focus: elementen die aangeven welke richting de volkstuinen moeten uitgaan om beroep te kunnen doen op de subsidie >  de selectiecriteria: de verschillende aspecten waarop de jury let bij het bekijken van het indienformulier, met oog op het geven van punten op een objectieve manier. 76

2012-2013

uitsluitingscriterium Bij de eerste projectoproep die werd gelanceerd, waren de uitsluitingscriteria iniet erg strikt bepaald: de locatie van de volkstuin moest vastliggen, er moest aangetoond worden dat er een huurovereenkomst was of dat de onderhandelingen daarover reeds bezig waren (meegeven van de timing en nodige stappen om de huurovereenkomst in orde te brengen). Er werd wel een onderscheid gemaakt tussen een stabiele situatie (bv. gemeente is in bezit van percelen en er zijn geen concrete plannen voorzien) en een nietstabiele situatie (bv. huur van percelen of tijdelijke volkstuin), waarbij bij deze laatste categorie het subsidiebedrag wordt geplafonneerd (onbepaald welk bedrag). Het maximale subsidiebedrag is €15.000. Voor elk project werd een projectpromotor aangeduid (een gemeentebestuur, OCMW-bestuur of vzw).

focus De focus van het subsidiereglement lag in eerste instantie op sociale aspecten. Dit hield concreet in dat volkstuinen sociale cohesie in de hand moesten werken (als een ontmoetingsplek tussen verschillende generaties en culturen) en dienden als plek waar een goede groepsdynamiek werd gecreëerd, met een zelfstandig voortbestaan als eindstreven. De focus lag daarnaast ook op voeding, m.n. terug voeling krijgen met gezonde voeding, smaken en eigen productie van voedsel. Ook was er de focus van een actieve levensstijl waarbij leven in de buitenlucht en tuinieren als alternatieve vormen van lichaamsbeweging centraal staan.

selectiecriteria De ingediende projecten werden getoetst aan volgende criteria: >  de stabiliteit van de eigendomssituatie >  de stand van zake inzake vergunningen >  bijdrage tot de verhoging van de omgevingskwaliteit >  het project heeft een voorbeeldfunctie >  het is realiseerbaar op 3 jaar De jury kon op basis van bovenstaande criteria punten toekennen aan de verschillende ingediende projecten en zodoende een rangschikking bepalen.


uitsluitingscriterium Vanaf 2014 zijn de uitsluitingscriteria eenduidiger bepaald: indien er een onstabiele eigendomssituatie is, zal het maximale subsidiebedrag worden geplafonneerd tot maximaal €7000 (bv. huurovereenkomsten of tijdelijke volkstuin zonder vastgestelde termijn). Bij een stabiele eigendomssituatie is dit €15000. Bij twijfel over verschillende percelen, wordt het dossier niet ontvankelijk verklaard. Opnieuw wordt een projectpromotor aangeduid per project: dit is ofwel een gemeentebestuur, OCMW-bestuur of vzw.

focus De focus van het subsidiereglement is niet ingrijpend veranderd ten opzichte van het vorige subsidiereglement. De focus ligt nog steeds op sociale aspecten, voeding en een actieve levensstijl. Wel wordt voor het eerst ‘tuinieren in bakken’ vermeld (in functie van de grondanalyse).

selectiecriteria De jury hanteerde opnieuw een puntensysteem met selectiecriteria om de rangschikking van de ingediende projecten te bepalen: >  de stand van zaken inzake vergunningen >  de reële behoefte aan volkstuinen (bv. wachtlijsten of intentieverklaringen die een (beginnende) groepsdynamiek aantonen) >  de verhoging van de omgevingskwaliteit >  het project heeft een voorbeeldfunctie >  het is realiseerbaar op 3 jaar De verschillen in vergelijking met het voorgaande subsidiereglement zijn eerder details (voornamelijk een aanvulling met voorbeelden). Bv. bij “verhoging van de omgevingskwaliteit” wordt nu, naast het betrekken van specifieke doelgroepen ook specifiek ‘sociale inclusie’ vermeld (het is echter een suggestie, en wordt dus niet opgelegd). Sommige zaken zijn verduidelijkt in vergelijking met het vorige subsidiereglement (bv. ‘landschappelijke inkleding’ wordt aangevuld met voorbeelden: bloemenweide, gemengde haag, paadjes in houtsnippers (niet in beton), insectenhotel, minimale verstoring van het landschap, afstemming van de perceelindeling op het landschap en de omgeving, …). Het subsidiereglement van de projectoproep in 2015 is exact hetzelfde (met uitzondering van data) als dat van de projectoproep in 2014.

2016

uitsluitingscriterium Het subsidiereglement in 2016 gaat bij de uitsluitingscriteria meer in detail: het budget van subsidie hangt vast aan de eigendomssituatie. Stabiele projecten hebben nog steeds recht op maximaal €15.000, onstabiele projecten maximaal €7000. Vanaf een overeenkomst langer geldig is dan 10 jaar, wordt het project als stabiel beschouwd (dit geldt nu ook voor huurovereenkomsten of tijdelijke volkstuinen met een overeenkomst langer dan 10 jaar). De projectpromotor kan vanaf nu eender welk rechtspersoon zijn, zoals een scholengroep of een organisatie, naast een overheidbestuur, OCMW-bestuur of vzw. Waar tot in 2015 enkel dossiers onontvankelijk konden verklaard worden bij twijfel over verschillende percelen (en de precieze locatie), wordt nu ook het dossier onontvankelijk verklaard bij het ontbreken van een geldige bodemanalyse.

focus De focus van het subsidiereglement is vanaf 2016 vooral gericht op het betrekken van specifieke doelgroepen, m.n. samenwerking met jongeren en/ of met de welzijnssector (de ouderen, mindervaliden, gezinnen, … worden niet langer specifiek benoemd). Ook het duurzaam beheer krijgt meer klemtoon, doordat nu expliciet staat vermeld dat dossiers niet ontvankelijk worden verklaard bij het ontbreken van een bodemanalyse.

selectiecriteria Bij het rangschikken van de verschillende projecten baseert de jury zich in 2016 nog steeds op dezelfde selectiecriteria als bij het subsidiereglement van 2015 (voorafgaand worden wel de onontvankelijke dossiers uitgesloten): >  stand van zaken van vergunningen >  de reële behoefte aan volkstuinen >  de verhoging van de omgevingskwaliteit >  het project heeft een voorbeeldfunctie >  het project is realiseerbaar op 3 jaar De nuances, gemaakt in het subsidiereglement van 2015, zijn in dit reglement overgenomen.

DOELMATIGHEID SUBSIDIEPROCEDURE

2014-2015

77


2017

uitsluitingscriterium De uitsluitingscriteria in het subsidiereglement van 2017 zijn duidelijk: de eigendomssituatie wordt als stabiel beschouwd wanneer de percelen in eigendom zijn van de projectpromotor en er de komende 10 jaar geen andere plannen zijn met de grond (geldt ook voor huurovereenkomsten, erfpachtregelingen, …). Bij een stabiele eigendomssituatie is het maximale subsidiebedrag €15.000. Is de overeenkomst vastgelegd op minder dan 10 jaar, dan is dit een niet-stabiele eigendomssituatie en is er een plafondbedrag van €7000. Net zoals in het subsidiereglement van 2016 is een dossier onontvankelijk als er twijfel is tussen verschillende percelen en indien de bodemanalyse ontbreekt. In dit reglement is de projectpromotor eveneens eender welk rechtspersoon (bv. een lokaal bestuur, OCMW-bestuur, scholengroep, organisatie of vzw). Particulieren kunnen geen promotor zijn, wat een beperking kan vormen op terrein (bv. enthousiaste groep, maar geen rechtspersoon).

focus De focus in het subsidiereglement is overgenomen van het subsidiereglement in 2016.

selectiecriteria De selectiecriteria zijn gelijklopend met die uit het subsidiereglement van 2016, al zijn er een paar toevoegingen: >  de reële behoefte aan volkstuinen >  de stand van zaken inzake vergunningen >  bijdrage tot de verhoging van de omgevingskwaliteit >  het project geeft op een verfrissende, innovatieve manier invulling aan het concept volkstuinen en werkt daarbij inspirerend voor andere initiatieven. >  het project is realiseerbaar op drie jaar >  het project legt de klemtoon op de specifieke doelgroepen (samenwerking met jongeren en/of met welzijnssector)

78

2018

uitsluitingscriterium De uitsluitingscriteria in het subsidiereglement zijn overgenomen van deze in het subsidiereglement van 2017, al zijn er hier en daar belangrijke nuances gemaakt. Zo moet de projectpromotor kunnen aantonen met een officieel document dat de grond(en) als volkstuin voor minstens 10 jaar gegarandeerd is, in het andere geval zal het dossier onontvankelijk verklaard worden. Ook worden bij de voorbeelden van rechtspersonen naast lokale besturen, OCMWbesturen, scholengroepen, organisatie of andere vzw’s nu ook cvba’s met een sociaal oogmerk aangehaald.

focus De focus in dit subsidiereglement ligt nog steeds bij de sociale aspecten op samenwerking met jongeren en/of met de welzijnsorganisaties. Op vlak van duurzaam beheer wordt de focus uitgebreid met aandacht voor biodiversiteit en het inzetten van bestuivers. Indien het project deel uitmaakt van een lokale voedselstrategie, vormt dit een meerwaarde.

selectiecriteria Op vlak van selectiecriteria is er geen verschil met het voorgaande subsidiereglement: >  de reële behoefte aan volkstuinen >  de stand van zaken inzake vergunningen >  bijdrage tot de verhoging van de omgevingskwaliteit >  het project geeft op een verfrissende, innovatieve manier invulling aan het concept volkstuinen en werkt daarbij inspirerend voor andere initiatieven. >  het project is realiseerbaar op drie jaar >  het project legt de klemtoon op de specifieke doelgroepen (samenwerking met jongeren en/of met welzijnssector)


SYNTHESE

uitsluitingscriterium De uitsluitingscriteria in het subsidiereglement hebben een zekere evolutie meegemaakt doorheen de jaren, maar de eigendomssituatie is een constante: de locatie van de volkstuin moet vastliggen. Deze duidelijke (en stabiele) eigendomssituatie blijft een belangrijk gegeven, aangezien het subsidiebedrag naar verloop van tijd hieraan wordt gekoppeld, en uiteindelijk zelfs een reden kan vormen om het dossier onontvankelijk te verklaren. Hoewel in de beginjaren het tijdelijk aspect van een volkstuin een beperking vormde in het krijgen van middelen (plafondbedrag van €7000 bij onstabiele eigendomssituatie), evolueert dit naar een stabiele eigendomssituatie met 10 jaar als richtduur.

Voeding is in de beginjaren (t.e.m. 2015) ook een belangrijke focus binnen het subsidiereglement: de volkstuin levert de mens gezonde voeding en geeft opnieuw voeling met het productieproces van voeding. Vanaf 2016 komt dit minder expliciet naar voren in het subsidiereglement. In 2018 wordt de focus op voedsel terug aangereikt: een volkstuin als onderdeel van een voedselstrategie is in dit reglement een meerwaarde.

De projectpromotor is eveneens een constante, ook al is dit in de beginjaren niet zo expliciet benoemd. Het subsidiereglement richtte zich in eerste instantie enkel tot een gemeentebestuur, OCMW-bestuur of vzw, maar breidde uit tot het bereik van alle rechtspersonen (bv. cvba’s met sociaal oogmerk). Hoewel op die manier redelijk veel instanties toegang hebben tot de subsidie, vormt dit een beperking voor een of enkele initiatief­­nemers zonder dit statuut als ‘rechtspersoon’.

selectiecriteria De selectiecriteria blijven doorheen de verschillende subsidiereglementen nagenoeg dezelfde. De meeste toevoegingen zijn bij het laatste subsidiereglement gebeurd:

focus De focus op sociale aspecten blijft een constante in elk subsidiereglement. In de beginjaren (subsidiereglement 2012 t.e.m. 2015) wordt de volkstuin gezien als een ontmoetingsplek om sociale cohesie in de hand te werken tussen verschillende culturen en generaties en om een goede groepsdynamiek te creëren. Het zelfstandig voortbestaan was het oogmerk. Vanaf 2016 wordt deze focus van brede doelgroep verlegd en wordt de klemtoon gelegd op het betrekken van specifieke doelgroepen, meer bepaald jongeren en de welzijnssector. De focus op het beheer is ook steeds aanwezig in elk subsidiereglement, maar vanaf 2016 wordt dit meer expliciet en concreet benoemd: in 2016 en 2017 ligt het accent op aspecten zoals duurzaamheid, waarna in 2018 de aandacht meer wordt gevestigd op het belang van biodiversiteit en het inzetten van bestuivers.

>  De reële behoefte aan volkstuinen moet kunnen aangetoond worden: bv. aan de hand van wachtlijsten of intentieverklaringen van een gemotiveerde groep, … >  De stand van zaken inzake vergunningen: de project­ promotor moet duidelijk aangeven welke vergunningen nodig zijn, welke stappen hiervoor nog moeten gebeuren om de vergunningen in orde te krijgen. >  De volkstuin moet bijdragen tot een verhoging van de omgevingskwaliteit. >  Het project geeft een verfrissende, innovatieve manier invulling aan het concept volkstuinen en werkt daarbij inspirerend voor andere initiatieven (ze hebben een bepaalde voorbeeldfunctie voor andere volkstuinen). >  Het project is realiseerbaar op drie jaar. >  Het project focust op de samenwerking met jongeren en/of welzijnsorganisaties.

conclusie Het subsidiereglement veranderde doorheen de jaren, parallel aan de evoluerende trends in volkstuinen, en met oog op het creëren van de gewenste ‘mindset’ (concept, doelgroep, beheer, … (zie verder)). De evolutie die het reglement doormaakte, werd onderzocht aan de hand van 3 verschillende facetten: de uitsluitingscriteria, de focus en de selectiecriteria.

DOELMATIGHEID SUBSIDIEPROCEDURE

De bodemanalyse vormt ook een belangrijk aspect als uitsluitingscriterium: hoewel dit in het reglement van 2012, 2014 en 2015 niet expliciet is vermeld, is het ontbreken van dit document in het dossier één van de belangrijkste redenen om het onontvankelijk te verklaren. Vanaf het reglement van 2016 wordt dit wel duidelijk gecommuniceerd.

De focus op een actieve levensstijl is in de beginjaren (t.e.m. 2015) nog sterk op de voorgrond, maar wordt vanaf 2016 losgelaten.

79


2.2 EVOLUTIE INDIENFORMULIER

2012-2013

wijze van indienen Aanleveren van papieren projectfiche

inhoud van het formulier

wijze van indienen Aanleveren van papieren projectfiche

inhoud van het formulier

2016

wijze van indienen Aanleveren van papieren projectfiche

inhoud van het formulier

Identificatie >  algemene gegevens van het project (vb. vzw/gemeente) >  gegevens van de projectpromotor

Identificatie >  algemene gegevens van het project (vb. vzw/gemeente) >  gegevens van de projectpromotor

Identificatie >  algemene gegevens van het project (vb. vzw/gemeente) >  gegevens van de projectpromotor

Projectbeschrijving >  naam project >  lokalisatie >  eigendomssituatie >  vergunningen >  bodemkwaliteit >  inhoudelijke omschrijving projecten (+ stappenplan) >  beoogde resultaten >  samenwerking met partners (+ taakverdeling) >  financiëringsplan

Projectbeschrijving >  naam project >  lokalisatie >  eigendomssituatie >  vergunningen >  bodemkwaliteit >  inhoudelijke omschrijving projecten (+ stappenplan) >  beoogde resultaten >  samenwerking met partners (+ taakverdeling) >  financiëringsplan

Projectbeschrijving >  naam project >  lokalisatie >  eigendomssituatie >  vergunningen >  bodemkwaliteit >  inhoudelijke omschrijving projecten (+ stappenplan) >  beoogde resultaten >  samenwerking met partners (+ taakverdeling) >  financiëringsplan >  beschrijving van de doelgroep van het project

verplichte bijlagen >  foto’s van het project >  vergunningen (indien vergunningsplichtig)

80

2014-2015

verplichte bijlagen >  foto’s van het project >  vergunningen (indien vergunningsplichtig) >  eigendomssituatie (officiële documenten)

verplichte bijlagen >  foto’s van het project >  vergunningen (indien vergunningsplichtig) >  eigendomssituatie (officiële documenten) >  bodemanalyse >  bodemattest (of bodemhistoriek)


SYNTHESE

wijze van indienen Digitaal formulier indienen via e-Plattelandsloket

inhoud van het formulier Aanvrager >  gegevens van de aanvrager >  contactgegevens binnen de organisatie Partners >  partnerinformatie + rol >  contactgegevens van de partner Projectinformatie >  begin- en einddatum >  doelstellingen en omschrijving >  motivatie subsidie Thema’s >  aanleg nieuwe volkstuin/ uitbreiding/ modernisering bestaande volkstuin Projectlocatie >  situering >  eigendomssituatie Vergunningen, Projectplanning Financiering >  financiële informatie >  subsidies aangevraagd? >  gedetailleerde kostenopgave >  financieringstabel

verplichte bijlagen >  samenwerkingsovereenkomst met partners >  aangevraagde vergunningen en/of attesten >  investeringsproject / overeenkomst met eigenaar >  advies kwaliteitskamer >  financiële tabel - overeenkomsten met derden en andere subsidies >  kaarten ter verduidelijking van projectlocatie >  extra bijlagen toegevoegd door aanvrager

wijze van indienen In de beginjaren werd de subsidieaanvraag aangeleverd aan de hand van een papieren projectfiche (en werd een versie doorgestuurd via e-mail). Dit was tot en met de projectoproep van 2016 het geval. Vanaf 2017 en 2018 veranderde de wijze van indienen grondig, en moest de subsidie aangevraagd worden via het Plattelandsloket (e-loket) van de Vlaamse Land Maatschappij. Om een projectvoorstel te initialiseren, moesten indieners zich eerst registreren en een profiel aanmaken op de website van VLM. Nadien kon men van start gaan met het online indienformulier.

inhoud formulier De inhoud van het formulier is tot de projectoproep van 2016 ongeveer gelijk. In eerste instantie wordt gevraagd naar de identificatie, zijnde de algemene gegevens van het project en de gegevens van de projectpromotor (kan iemand zijn van het gemeentebestuur, OCMW-bestuur, vzw of vanaf 2016 eender welke rechtspersoon). Daarna volgt een projectbeschrijving waar allerhande zaken zoals de naam van het project, lokalisatie, eigendomssituatie, vergunningen en bodemkwaliteit worden opgenomen. Ook is een inhoudelijke omschrijving (met stappenplan), de beoogde resultaten en samenwerkingen met partners (met de taakverdeling) gevraagd. Tot slot moet ook een financieringsplan worden toegevoegd. In het indienformulier van 2016 wordt nog een extra beschrijving van de doelgroep gevraagd. Vanaf 2017 is er een uitgebreider online indienformulier. In principe bevat het formulier wel dezelfde thema’s als voordien, maar worden bepaalde thema’s uit het voorgaande indienformulier opgesplitst in deelvragen. Op die manier dient het online formulier meer als leidraad om tot een goed en volledig dossier te komen. Eerst worden algemene gegevens gevraagd van de aanvrager, de partners en over het project (zoals begin- en einddatum, doelstellingen, motivatie

voor subsidie). Ook het type project (nieuw, uitbreiding, modernisering) moet worden doorgegeven. De projectlocatie, vergunningen en de inhoudelijke omschrijving (projectplanning) worden vervolgens nagevraagd en tot slot moet een financieringsplan worden toegevoegd. In het nieuw online formulier wordt niet expliciet naar de beschrijving van de doelgroep gevraagd.

verplichte bijlage In het papieren indienformulier zijn er weinig verplichte bijlagen, die de indiener bovendien zelf moet benoemen. Bij het indienformulier van 2012 worden enkel foto’s en vergunningen (indien vergunningsplichtig) gevraagd. In dat van 2014 en 2015 komt daar enkel een officieel document van de eigendomssituatie bij. Pas in het formulier van 2016 wordt de verplichte bodemanalyse expliciet gevraagd, terwijl dit eigenlijk een belangrijk uitsluitingscriterium is. In het digitaal formulier worden de verplichte bijlagen aangeduid met een (*), en staat elke bijlage benoemd in het formulier, zodat het gemakkelijk geüpload kan worden. Het betreft de samenwerkingsovereenkomsten met de verschillende partners, de vergunningen, de overeenkomst met de eigenaar of investeringsproject, het advies van de kwaliteitskamer, een financiële tabel inclusief overeenkomsten met derden en andere subsidies, kaarten ter verduidelijking van de projectlocatie en eventuele extra bijlagen toegevoegd door de indiener.

conclusie Net zoals bij het subsidiereglement, is het proces van indienen doorheen de jaren sterk gewijzigd. De evolutie in het indienformulier is onderzocht aan de hand van 3 aspecten: de wijze van indienen, de inhoud van het formulier en de verplichte bijlagen.

DOELMATIGHEID SUBSIDIEPROCEDURE

2017-2018

81


= 2.3 EVOLUTIE

INGEDIENDE DOSSIERS

VZW: 44% OVERHEID: 56%

VZW: 25% OVERHEID: 75%

VZW: 44% OVERHEID: 56%

90

53

65

DOSSIERS

DOSSIERS

DOSSIERS

€300 000

€345 000

2012 A

€514 000

12

no

25

53

€234 000 2012 A

no

2012 B

21

j

f

m

a

m

40

09

no

17

no

05

38

10

35

j

j

a

s

o

n

d

2012-2013

82

08

Na een 1e projectoproep in 2012 die 5 maanden liep (van nov ‘12 tot april ‘13), dienden 90 indieners een aanvraag in (44% ingediend door vzw’s, 56% door een overheid). Hiervan werden 25 dossiers goedgekeurd (budget van €300 000 in de eerste ronde van 2012) en 12 dossiers onontvankelijk verklaard (wegens het ontbreken van bepaalde info in het dossier). De overige dossiers werden niet geselecteerd, ook al gaf de jury aan dat er nog veel waardevolle projecten tussen zaten. Uit de 65 niet-geselecteerde dossier na de eerste ronde (met een tweede kans om te vervolledigen) werden in een tweede ronde (2012b) 21 dossiers geselecteerd (€234 000), en 9 niet-ontvankelijk verklaard. In totaal zijn met de projectoproep van 2012a én b 28 nieuwe volkstuinen ontstaan, 14 bestaande volkstuinen gemoderniseerd en 11 uitgebreid.

j

f

m

a

m

j

j

a

s

o

n

d

2014 Bij de 2e projectoproep in 2014, die liep van februari tot september 2014 (ca. 6,5 maanden), zijn in totaal 53 dossiers ingediend (25% ingediend door vzw’s, 75% door een overheid). Halverwege de indienperiode werd een inspiratiedag georganiseerd, om de indieners te begeleiden bij hun subsidieaanvraag. Uiteindelijk zijn 40 dossiers geselecteerd, goed voor een budget van €514 000, waarvan er 11 bij de vorige projectoproep ook indienden (en dus nu voldoende verbeterd waren). In totaal zijn 8 dossiers niet-ontvankelijk verklaard. Deze projectoproep was goed voor 31 bijkomende volkstuinparken, 9 moderniseringen van bestaande volkstuinen waarvan er 6 een uitbreiding van capaciteit betreffen.

j

f

m

a

m

j

j

a

s

o

n

d

2015 De 3e projectoproep in 2015 liep van juni 2015 tot september 2015 (3 maanden). Het totaal aantal ingediende dossiers is na deze indienperiode afgeklopt op 65 dossiers (44% ingediend door vzw’s en 56% door een overheid), wat beduidend meer is dan bij de vorige projectoproep. De jury merkte wel op dat de kwaliteit van de dossiers lager lag dan in 2014: in totaal zijn 38 dossiers geselecteerd (goed voor een budget van €345 000), en 17 dossiers onontvankelijk verklaard. Deze projectoproep heeft in totaal 17 nieuwe volkstuinen opgebracht, 9 volkstuinen zijn kunnen uitbreiden en 4 volkstuinen hebben een modernisering kunnen uitvoeren.


PRO*: 51% OVERHEID: 49%

PRO*: 56% OVERHEID: 44%

PRO*: 81% OVERHEID: 19%

57

32

36

DOSSIERS

DOSSIERS

DOSSIERS

€223 000

€201 333

€320 000

25

j

f

m

a

m

09

no

23

j

j

a

s

16

o

n

d

2016 In 2016 werd voor een vierde keer een projectoproep uitgestuurd (van juni tot eind augustus 2016, ca. 3 maanden). 57 dossiers werden ingediend, waarvan 51% door privaatrechtelijke organisaties en 49% door een overheid. Dit aantal is iets lager in vergelijking met de vorige projectoproep, maar de kwaliteit was daarentegen volgens de jury meer dan behoorlijk (o.a. door enkele innovatieve bijdragen n.a.v. de focus op het betrekken van jongeren en/of de welzijnssector). In totaal zijn 25 dossiers goedgekeurd (goed voor een budget van €320 000) en 9 dossiers niet-ontvankelijk verklaard. Door deze projectoproep zijn 20 nieuwe volkstuinen opgestart, 3 bestaande volkstuinen hebben zich kunnen uitbreiden en 2 volkstuinen hebben zich gemoderniseerd.

j

f

m

a

m

09

no

07

j

j

a

s

o

13

19

n

d

2017 De 5e projectoproep was de eerste oproep waarbij digitaal (via e-loket) ingediend moest worden. Het platform stond open vanaf begin juni tot midden september 2017 (ca. 3,5 maanden). Voor het eerst bleek het beschikbare budget voldoende om het aantal “goede” projecten te selecteren. Van de 32 dossiers (waarvan 56% door privaatrechtelijke organisaties en 44% door een overheid) die werden ingestuurd, zijn 9 dossiers niet-ontvankelijk verklaard, en 16 dossiers geselecteerd (goed voor een totaal budget van €223 000). In totaal zijn met deze oproep 11 nieuwe volkstuinen ontstaan, 2 bestaande volkstuinen gemoderniseerd en 3 uitgebreid.

j

f

m

a

m

4

j

j

a

s

o

n

d

2018 Bij de 6e en laatste projectoproep in 2018 was het online platform opengesteld voor 4,5 maanden (april tot aug. 2018). Er waren in totaal 36 dossiers ingediend (81% van privaatrechtelijke organisaties en 19% van een overheid). De kwaliteit van de dossiers was volgens de jury gestagneerd (i.v.m. de vorige projectoproep), wat zich vertaalt in meer onontvankelijke dossiers (13). Slechts 19 dossiers zijn geselecteerd (goed voor een budget van €201 333, ondanks het hoger beschikbaar budget van €250 000). Deze laatste projectoproep heeft in totaal 14 nieuwe volkstuinen opgebracht, 2 volkstuinen zijn kunnen uitbreiden en 3 volkstuinen hebben een modernisering kunnen uitvoeren.

DOELMATIGHEID SUBSIDIEPROCEDURE

no

*PRO: PRIVAATRECHTELIJKE ORGANISATIE

83


SYNTHESE Evolutie ingediende dossiers In totaal zijn er zes projectoproepen uitgestuurd, in de periode van 2012 tot 2018, waarbij VLM over alle jaren heen €2.137.333 heeft besteed aan de inrichting van volkstuinen.

FIG 2.1: verhouding aantal subsidieaanvragen ingediend door overheid en privaatrechtelijke organisaties, per projectoproep (Voorland & KU Leuven, 2020)

Sedert de eerste projectoproep tot de laatste projectoproep zijn er in totaal 333 dossiers ingediend waarvan 184 dossiers zijn geselecteerd. Door de projectoproepen zijn bijgevolg 121 nieuwe volkstuinen kunnen opstarten, 33 dossiers zijn goedgekeurd voor de uitbreiding van een volkstuin en 30 dossiers voor de modernisering van volkstuinen zijn goedgekeurd. Geen enkele volkstuin die de VLM-volkstuinsubsidie heeft ontvangen, is ondertussen reeds verdwenen. De dossiers werden tijdens de eerste jaren voornamelijk ingediend door een overheid. Vanaf 2016 waren dit gemiddeld gezien meer privaatrechtelijke organisaties.

FIG 2.2: verhouding aantal ingediende dossiers en aantal gesubsidieerde dossiers (met procentuele trendlijn), per projectoproep (Voorland & KU Leuven, 2020)

84

FIG 2.3: bovenaan evolutie van de kwaliteit van de ingediende dossiers per projectoproep, onderaan het aantal niet-ontvankelijke dossiers bij de ingediende dossiers per projectoproep (Voorland & KU Leuven, 2020)

Als we kijken naar de verhouding van het aantal ingediende dossiers en het effectief aantal gesubsidieerde dossiers, zien we dat dit gemiddeld rond de helft ligt. In 2014 zijn 75% van de ingediende dossiers effectief gesubsidieerd terwijl dit in 2016 slechts voor 44% van de ingediende dossiers het geval was. In eerste instantie zou het dalend aantal gesubsidieerde dossiers gerelateerd kunnen zijn met het beschikbare budget. Dit was ook het geval: tot de projectoproep van 2016 volstond het beschikbare budget niet om de goede dossiers allemaal te kunnen subsidiëren. Meerdere nietgeselecteerde dossiers waren nochtans van voldoende kwaliteit om geselecteerd te kunnen worden (maar scoorden net iets minder dan de geselecteerde groep volkstuinen). Pas vanaf 2017 was er voldoende budget om alle (kwalitatieve) geschikte dossiers goed te keuren. Over het algemeen waren er niet alleen minder ingediende subsidiedossiers vanaf de projectoproep van 2017, ook lag het aantal niet-ontvankelijke dossiers veel hoger in vergelijking met andere jaren. De jury was van oordeel dat de algemene kwaliteit van de dossiers achteruitging, bv. te weinig concreet en onvoldoende uitgewerkte plannen om ze te kunnen beoordelen. Dit was ook het geval in 2018. Het aantal niet-ontvankelijke dossiers (en de toename in de tijd) heeft voor een groot deel te maken met hoe de jury heeft gequoteerd. In het begin was de jury milder in vergelijking met enkele oproepen later (hoe meer ervaring in het beoordelen van dossiers, hoe kritischer de beoordeling).


2.4 EVALUATIE DOELMATIGHEID

1  Laaghangend fruit is geplukt? Een eerste mogelijke aanname voor het verminderd aantal ingediende dossier bij de laatste twee projectoproepen is dat de projecten die voldoen aan de selectiecriteria en dus passen binnen het plaatje van het subsidiereglement, reeds hun subsidie hebben gekregen en/of al gerealiseerd zijn (eventueel met behulp van andere instantie, bv. lokale overheid, CERA of Koning Boudewijnstichting). De meeste initiatieven, of deze die het makkelijkst te bereiken zijn, zijn ondertussen bereikt met de subsidiewerking. Dit is een realistische aanname, wetende dat er in 2007 slechts 100 volkstuinen waren in Vlaanderen en er met de VLMvolkstuinsubsidie in totaal 184 volkstuinen zijn bijgekomen.

2  Te strikt subsidiereglement? Het subsidiereglement is inhoudelijk heel sterk meegeëvolueerd met de algemene trends op volkstuingebied, maar een aantal ‘praktische’ elementen kunnen een drempel vormen voor een aantal partijen: Doordat het subsidiereglement steeds meer heeft gefocust op bepaalde specifieke groepen, zijn volkstuinen zonder een focus op doelgroepen doorheen de jaren heen, meer uit de boot gevallen. Door bepaald resticties in het reglement, zijn er een aantal nieuwe concepten die niet in het reglement passen, maar die vandaag wel aan populariteit winnen (bv. CSA-boerderij omwille van de financiële logica). Zij kunnen geen beroep doen op de VLM-volkstuinsubsidie. Door de positieve evolutie van het reglement, zijn steeds meer nieuwe concepten deel geworden van het aspect ‘volkstuin’. Maar ziet de beheerder van dit nieuwe concept dit ook zo? Voelt hij/zij zich aangesproken met een subsidiewerking rond ‘volkstuinen’? Ook het feit dat enkel organisaties met rechtspersoonlijkheid of overheden een aanvraag konden indienen, zorgt voor een beperking bij de indieners. Zo kunnen enthousiaste buurtbewoners met een idee (bv. vrij perceel in de straat als tijdelijke buurttuin) geen beroep doen op de VLM-volkstuinsubsidie vanwege het ontbrekend statuut.

3  Proces van indienen Een andere aanname voor het verminderd aantal ingediende dossiers bij de laatste twee projectoproepen is het feit dat de wijze van indienen in 2017 is gewijzigd naar een online e-plattelandsloket (digitaal dossier).

DOELMATIGHEID SUBSIDIEPROCEDURE

Bij de evaluatie van de doelmatigheid is een verband gezocht tussen de veranderingen van de subsidieprocedure en de evolutie van (de kwaliteit van) de ingediende dossiers. Om deze onderzoeksvraag te beantwoorden, zijn naast het onderzoek naar de evolutie van het subsidiereglement, het indienproces en de ingediende dossiers ook gesprekken gevoerd met o.a. enkele koepelorganisaties en juryleden die de dossiers een voor een (en voor verschillende projectoproepen) hebben beoordeeld. Een algemene conclusie uit de evolutie van de ingediende dossiers (2.2) is de dalende trend van het aantal indieners sinds de projectoproep van 2016. Om de exacte verklaring te kennen waarom er steeds minder indieners zijn, is een marktbevraging nodig. Dit kon echter niet gebeuren met de voorziene tijd en middelen binnen dit onderzoek, wat dus een beperking vormt voor het onderzoek (zie verder onderzoek). Op basis van al de verzamelde informatie, zijn er een paar vaststellingen omtrent de doelmatigheid van de VLM-volkstuinsubsidie naar voren gekomen. Ze werden gebundeld in vijf mogelijke verklaringen voor het verminderd aantal indieners in relatie met het geëvolueerde subsidiereglement:

85


Rekening houdend met het oudere publiek die de subsidieaanvragen regelt bij volkstuinen (zie enquête), kan dit online inlogsysteem een drempel vormen om de subsidies effectief aan te vragen. Aangezien er ook infosessies waren, waar demo’s werden getoond om de indiener te begeleiden bij de aanvraag, is deze aanname niet volledig sluitend, al toont de ervaring van de jury vanuit andere uitvoeringsinitiatieven wel aan dat online indienen weldegelijk een drempel vormt.

4  Timing van projectgroep Ook de tijd tussen de bekendmaking van de projectoproep en het moment van indienen van het subsidiedossier is bepalend voor zowel het aantal dossiers per projectoproep als de kwaliteit van de dossiers. De duur van de indienperiode varieerde van 3 maanden (2015 en 2016) tot 6,5 maanden (2012). Deze tijdsspanne is hoe dan ook vrij kort om én een concept uit te werken én daarbij ook alle nodige partners waarmee men wenst samen te werken te contacteren en te overhalen om mee in het project te stappen. Naast deze korte indienperiode blijkt ook dat de maanden waarin ingediend kon worden, bij vrijwel elke projectoproep (m.u.v. 2012) voor het grootste deel plaatsvond tijdens de zomermaanden. Dit zijn juist de maanden waarin sommige partners moeilijker bereikbaar zijn (bv. Woonzorgcentra (minder personeel), vakantieperiode scholen, …) en veel tuiniers hun handen vol hebben. Deze zaken kunnen ervoor gezorgd hebben dat aanvragers een minder kwalitatief dossier konden opmaken

86

5  Niet-ontvankelijke dossiers Niet-ontvankelijke dossiers zijn een eerste indicatie voor de kwaliteit van de dossiers. Zo zijn de jaren waarin de jury de kwaliteit van de dossiers als ondermaats beoordeelt, net de jaren met het meeste niet-ontvankelijke dossiers (bv. 2015, 2017 en 2018) (zie figuur conclusie 2.2). Omgekeerd zien we ook dat de dossiers in 2014 juist van betere kwaliteit waren, en minder nietontvankelijke dossiers telden. Dit kan gelinkt worden aan de inspiratie-dag die dat jaar werd georganiseerd, om de subsidieaanvrager te begeleiden in de opmaak van hun dossier en zo te voorzien van een ‘inspirerend sausje’ (zie selectiecriteria, 2.1 evolutie subsidiereglement). Ook in andere jaren was er een telefoonnummer vermeld bij de handleiding van het indienformulier, zodat indieners de mogelijkheid hadden om vragen te stellen. Deze contactpersoon werd echter nauwelijks gecontacteerd. Begeleiding inschakelen heeft anderzijds ook een negatief effect: in de projectoproepen werden de aanvragers expliciet doorverwezen naar de vzw’s Velt of Tuinhier om zich te laten begeleiden, wat heeft geleid tot standaarddossiers met weinig differentiatie. Hierdoor gaat de ‘bevlogenheid’ van een project soms verloren en vergeet men zich te onderscheiden van andere projecten, wat leidde tot meer niet-ontvankelijke dossiers of een ondermaatse kwalitatieve score, en dus nietgeselecteerde dossiers.


87

DOELMATIGHEID SUBSIDIEPROCEDURE


88


DEEL 3 Case-onderzoek

3.1 3.2 3.3 3.4

Methodologie Case-selectie Resultaten case-onderzoek Impact VLM-volkstuinsubsidie

89


3.1

METHODOLOGIE

Na de toestandsbeschrijving van volkstuinen (deel 1) en de evaluatie van de doelmatigheid (zowel kwalitatief als kwantitatief) van de subsidies (deel 2) is de volgende stap in het onderzoekstraject het evalueren van de effectieve impact van de projectsubsidie op de volkstuinen (deel 3). Om de impact van de projectsubsidie beter te kunnen nagaan, zijn als aanvulling op de enquêtes, die zijn ingevuld door ruim één derde van alle Vlaamse volkstuinen, ook 10 interviews afgenomen om onder meer argumenten of achtergronden te vinden bij de uitkomsten van de enquêtes, maar ook om bepaalde aspecten te achterhalen die niet in de enquête zijn bevraagd. Om enerzijds genuanceerd en gedetailleerd en anderzijds ook efficiënt en doelgericht een antwoord te krijgen op de onderzoeksvragen, is er gekozen voor de methodiek van semigestructureerde interviews met een topiclijst. Deze interviews zijn zowel bij een beheerder als bij een tuinier van de geselecteerde volkstuin afgenomen, gevolgd door een terreinbezoek. Om de impact van de subsidies nog beter te kunnen inschatten en controleren, werden naast volkstuinen die de VLM-volkstuinsubsidie hebben ontvangen, ook volkstuinen bezocht die niet zijn gesubsidieerd (of geen subsidies hebben aangevraagd), of die van een andere instantie dan VLM, subsidies hebben ontvangen (i.e. de controlegroep). Het semigestructureerde interview is opgebouwd a.d.h.v. zes kapstokken of grote lijnen, waarrond het gesprek vrij zijn gang kon gaan. De topiclijst geeft een overzicht van eventuele bijvragen die ter aanvulling nog zijn gesteld, wanneer de geïnterviewde bepaalde aspecten niet had belicht. Bij de interviewstructuur (zie onder) wordt hier dieper op ingegaan. De rol en de impact van de subsidies op bepaalde evoluties in de volkstuin, vormden de kern van het gesprek. Op het einde van de gesprekken werd de focus opnieuw verbreed en werd er gepolst naar de algemene of specifieke toe­ komstige noden in de toekomst. Achteraf is de reflectie gemaakt of subsidies hiervoor het juiste instrument vormen. Het is immers mogelijk dat individuele project­ subsidies (in de huidige vorm) niet de meest geschikte oplossing bieden voor bepaalde problemen of uitdagingen. De gesprekken met de beheerders en de tuiniers werden opgenomen, maar werden enkel voor intern gebruik, in functie van het verdere onderzoek, gehanteerd. Ze werden noch getranscribeerd, noch aan de opdrachtgever overgemaakt. Wel zijn citaten uit de interviews, al dan niet anoniem, gebruikt in de rapportage.

90

De verwerking van de interviews gebeurde in de eerste plaats in een projectfiche per bezochte volkstuin. Deze projectfiche

heeft meerdere doelen voor ogen. Allereerst is het een middel om op een grafisch heldere manier in één oogopslag de belangrijkste eigenschappen van de volkstuin weer te geven (soort ID). De fiches laten toe de volkstuinen onderling te vergelijken. De algemene conclusies, over de cases heen, zijn niet opgenomen in de projectfiches, maar in hoofdstuk 3.4. De interviews en terreinbezoeken zijn doorgegaan in mei 2020. Hoewel de meeste interviews en terreinbezoeken ter plaatse zijn kunnen doorgegaan, heeft de covid-19 pandemie die volop uitbrak bij de start van het tuinjaar, toch een duidelijke schaduw geworpen op het reilen en zeilen in de volkstuinen. Veel tuinen zijn pas later dit jaar opgestart, en zijn over het algemeen veel beperkter toegankelijk (minder tuiniers tegelijk of vooraf aanmelden). Verschillende sociale/educatieve activiteiten of evenementen werden tevens afgelast. We zijn dus voornamelijk afgegaan op het woord van de geïnterviewde beheerder en tuinier om de sociale dynamiek in de tuin en de link met de buurt te kennen. Op het terrein was die minder zichtbaar dan anders.

3.1.1

Interviewstructuur

De grote structuur van de interviews is gebaseerd op (a) het subsidiereglement, (b) de reeds geformuleerde trends en (c) de structuur die is gehanteerd in de online enquêtes. Bij het opmaken van de enquête werd met een brede klankbordgroep over de grote thema’s en structuur gediscussieerd. Al deze verschillende structuren hebben geleid tot zes grote topics waar elk onderdeel van het subsidiereglement, de trends en de kapstokken van de online enquête kan worden ondergebracht.

De zes topics zijn: >  Concept: de uitstraling, het concept, de visie, de ambities waarmee de volkstuin zich vereenzelvigt en zichzelf in de markt zet; >  Organisatie (dagelijks beheer): de organisatiestructuur en afsprakenkaders die zich vertalen in de algemene werking en het voortbestaan van de volkstuin; >  Organisatie (partnerschappen): de samenwerkingsverbanden met andere partners; >  Sociale dynamiek: de cultuur van samenwerken en ontmoeten in de tuin, de sociale dynamiek die voortkomt uit de organisatiestructuur en de vooropgestelde ambitie; >  De tuiniers: samenstelling, het profiel en de motivatie van de groep tuiniers; >  De tuin: invulling en inrichting van de tuin, de aanwezige voorzieningen.

Om de gesprekspartners optimaal te betrekken in het interview, zijn de vragen meer op maat gesteld. Zo zijn


bepaalde topics voor een groot deel beantwoord door beheerders, terwijl andere topics uitvoerig zijn aangehaald door de tuiniers. Bij volkstuinen die subsidies hebben ontvangen, konden we dieper ingaan op de impact van de subsidie dan bij de andere waarbij we enkel naar noden of aspiraties konden polsen. Om die reden werden de hoofdvragen (of de aanvullende vragen erop) die enkel voor de gesubsidieerde volkstuinen van toepassing zijn, in cursief weergeven bij het interviewformat (zie verder).

3.1.2

Het interview

In dit onderdeel wordt de interviewstructuur uitgezet. Zoals eerder vermeld bestaat deze uit zes grote inhoudelijke lijnen met telkens een hoofdvraag en een topiclijst voor bijvragen. Deze zes topics worden aangevuld met een aantal toekomstgerichte vragen ter afronding van het interview. De cursieve vragen zijn enkel bij gesubsidieerde volkstuinen gesteld.

CONCEPT Welke concepten hanteren jullie in de volkstuin? Sinds 2017 focust het VLM-subsidiereglement op een verfrissende en innovatieve invulling van het volkstuinconcept. (Hoe) heeft het subsidiereglement een rol gespeeld bij een andere, innovatieve invulling van het concept?

Topiclijst: >  Hoofddoelstelling (Wat) >  Doelgroep (Wie) >  Motief, plan, concept (Waarom, Hoe) >  Voedselstrategie (CSA, korte keten) >  Voortrekker, vooruitstrevende teelt/manier van samenwerken

>  Rol van de betrokken partners >  Indien meerdere subsidies: is er een bepaalde subsidie die hierin een grotere doorwerking heeft gekend? Actie: >  Teken de organisatiestructuur en relatie met partners

ORGANISATIE — DAGELIJKS BEHEER Kent het wel/niet werken met partners een doorwerking in het dagelijks beheer van de volkstuin? Kan je wat meer vertellen over dat dagelijks beheer? Is het dagelijks beheer anders door de VLM-volkstuinsubsidies?

Topiclijst: >  Draagvlak (vb. bij de gemeente) >  Specifieke reglementen & afsprakenkaders (cf. tuin en tuiniers) >  Participatie, betrokkenheid van tuiniers (cf. tuin en beheer) >  Wachtlijst, + gemiddelde duur wachtlijst (doorstroming tuiniers?) >  Algemeen tuinbeheer >  Groepsregels (wat is expliciet, en wat is impliciet (organisch gegroeid)) >  Permanent/tijdelijk karakter en invloed op werking >  Planologisch initiatief eigendomsstructuur >  Totale geraamde kostenplaatje (grootteorde) >  Verhouding van subsidies daarin >  Administratielast (vb. drempel tot subsidies aanvragen)

SOCIALE DYNAMIEK ORGANISATIE — PARTNERSCHAPPEN

Topiclijst: >  Deel van een groter geheel en link met subsidie >  Huidige betrokken partners (en koepelorganisaties zoals Velt, Tuinhier, Limburg.net, …) >  Actoren of toekomstige partners (vb. gemeente, …)

Sociale dynamiek wordt overal in de samenleving belangrijker. Hoe zit die dynamiek hier? Wordt er veel georganiseerd? Heeft de subsidie hierin een rol gespeeld?

Topiclijst: >  Toegankelijk, zichtbaarheid/uitstraling naar buurt >  Vriendschappen ook buiten de tuin? >  Activiteiten, frequentie en initiatief >  Spontane, informele initiatieven (kennisuitwisseling, samenwerking, etc.) >  Formele initiatieven, doelbewust vastgelegde activiteiten >  Communicatie naar tuiniers, tussen tuiniers onderling >  Social media

CASE-ONDERZOEK

Met de VLM-volkstuinsubsidie is er door de jaren heen steeds meer ingezet op het aangaan van partnerschappen. Is dat ook bij jullie het geval? In welke mate is de organisatiestructuur van jullie tuin daarin door de subsidie geëvolueerd? En zijn er door die samenwerking opportuniteiten ontstaan voor de volkstuin of zelfs voor het ontstaan van de volkstuin?

91


OVER DE TUINIERS

DE TUIN

In het subsidiereglement kwam de nadruk de afgelopen jaren naast de sociale cohesie en het persoonlijk welzijn van de tuinier, meer en meer te liggen op het betrekken van of samenwerken met specifieke doelgroepen (jongeren, zorgbehoevenden, etc.).

Is de tuin geschikt om de meeste gewassen te telen (ligging, bodem, lichtinval en oriëntatie, …) en biodiversiteit te bereiken? Welke voorzieningen zijn er in de volkstuin aanwezig? Welke daarvan zijn te danken aan subsidies en specifiek de VLM-volkstuinsubsidie? Zouden deze voorzieningen er ook zijn zonder deze subsidie? Welke voorzieningen achten jullie nog nuttig/nodig naar de toekomst toe? Vinden jullie de volkstuin een aantrekkelijke plek in/voor de buurt, waarom wel/niet?

Hoe is dat in jullie volkstuin? Wat is het gemiddelde profiel van de tuinier? Waarom komen ze naar hier? In hoeverre wordt/werd daar bij jullie (al) op ingezet? En in hoeverre weerspiegelt zich dat ook effectief in de tuiniers en hun motieven om te komen tuinieren in de volkstuin?

Topiclijst: >  Sociale mix (leeftijd, opleidingsniveau, (migratie) achtergrond, al dan niet zorgbehoevend) >  Persoonlijke motivatie >  Voedselproductie (eten van eigen kweek, …) >  Psychologische gezondheid >  Fysieke gezondheid >  Contact met de natuur >  Sociaal-culturele relaties > Educatie > Inclusie >  (g)een eigen tuin — welke meerwaarde zoeken ze dan specifiek in de volkstuin? >  Waarden die de tuinier drijven/motiveren: verhogen biodiversiteit, lokale voedselproductie, … >  Frequentie en intensiteit van tuinieren >  Interacties en sociale contacten (evt. buiten de volkstuin) >  Locatiekeuze (invloed van voorzieningen?) >  ‘Recruteringsgebied’: afstand tot woning en hoe komen ze? >  Doorstroming tuiniers, wachttijd >  Gemiddelde leeftijd van tuiniers en evolutie doorheen tijd?

Topiclijst: >  Aanwezige voorzieningen en tevredenheid >  Eigenschappen van de locatie, bereikbaarheid >  Vormgeving en doorwaadbaarheid >  Bodem (kwaliteit, eigenschappen) >  Onderhoud collectieve delen >  Specifieke toekomstplannen Actie: >  Duid op de luchtfoto de specifieke voorzieningen aan (infrastructuur, gemeenschappelijke delen, toekomstige intenties, …) >  Rondgang in de tuin en foto’s nemen

DE TOEKOMST Wat zijn de grootste kantelmomenten geweest voor de volkstuin en waarom? Heeft de subsidie daarin het verschil gemaakt?

Topiclijst: >  Verbeterpunten >  Noden >  Toekomstperspectief Acties: >  Duid op de luchtfoto de specifieke voorzieningen aan (infrastructuur, gemeenschappelijke delen, toekomstige intenties, …) >  Rondgang in de tuin en foto’s nemen

92


3.2 CASE-SELECTIE De interviews kaderen binnen een groter case-onderzoek waarbij 10 cases onder de loep werden genomen. Een caseonderzoek biedt namelijk wel die mogelijkheid om meer in de diepte te gaan, zij het bij een bepaalde selectie van volkstuinen. In dit onderdeel wordt dieper ingegaan op het selectieproces van de 10 cases.

3.2.1 Van het volledige ‘gamma’ aan volkstuinen tot een longlist Op basis van verschillende bronnen is in deel 1 van de evaluatiestudie een toestandsbeschrijving opgemaakt van de volkstuinen vandaag. Het ‘gamma’ van volkstuinen bestaat vandaag uit 371 volkstuinen (figuur 3.01). Dit was de basis waarvan we zijn vertrokken om een uiteindelijk selectie-voorstel te maken van 10 cases. Deze selectie gebeurde in verschillende rondes. De uiteindelijke selectie is tijdens de verschillende rondes aangeduid met een *.

F I G 3 . 0 1 Spreiding van de actuele volkstuinen (Voorland & KU Leuven, 2020)

RONDE 1 – ENQUÊTE Een eerste selectie-criterium was het al dan niet invullen van de enquête. Op de enquête hebben 129 respondenten gereageerd, en na grondige selectie (bv. verwijderen van dubbele antwoorden en verwijderen van onvolledige antwoorden) bleven nog 118 volkstuinen over (figuur 3.02).

RONDE 2 – INSPIRERENDE VOORBEELDEN

Hierbij dient wel nog een kanttekening gemaakt worden: De inspirerende voorbeelden die ook de enquête hebben ingevuld, zijn voornamelijk in het westen van het land gelegen. In de uitgebreide lijst van inspirerende voorbeelden waren weldegelijk ook meer volkstuinen geselecteerd, gesitueerd in het oosten van het land. Deze volkstuinen vulden echter de enquête niet in, waardoor deze niet konden worden geselecteerd in de tweede ronde.

F I G 3 . 0 2 Spreiding van de volkstuinen die de enquête invulden (Voorland & KU Leuven, 2020)

F I G 3 . 0 3 Inspirerende voorbeelden (Voorland & KU Leuven, 2020)

CASE-ONDERZOEK

In de tweede ronde focusten we op gesubsidieerde volkstuinen. De intentie was om bij de uiteindelijke caseselectie 6 cases over te houden die zijn gesubsidieerd met de VLM-volkstuinsubsidie. Over deze gesubsidieerde volkstuinen heeft de VLM zelf een goed overzicht. Vanuit de subsidie-werking voor volkstuinen, werd daarom door de VLM een reeks volkstuinen gesuggereerd, waarvan de volgende 14 volkstuinen de enquête hebben ingevuld (figuur 3.03).

93


Inspirerende volkstuin, met

Gemeente

VLM-volkstuinsubsidie

Budget

Jaar

ronde 1

Budget

Jaar

Andere subsidies

ronde 2

T(H)OF van Rozenberg

Oostrozebeke

15000,00

2012

Volkstuinpark ‘Overakker’*

Deerlijk

0,00

2014

15000,00

2015

Prov. W-Vl

Samentuin De Tandem*

Brugge

15000,00

2015

15000,00

2017

Stad Brugge

Volkstuinen Ten Rozen

Aalst

15000,00

2016

Volkstuinpark Deinze

Deinze

0,00

2012

8006,25

2015

Samentuin Hoeve Vercaemer

Lendelede

6675,86

2017

Ninove

15000,00

2014

Poelkapelle

15000,00

2012

0,00

2018

Sint-Niklaas

0,00

2012

15000,00

2014

Samentuin De Kanteling*

Herzele

15000,00

2017

Torenoogst

Oostende

6525,00

2018

Kon. Boudewijn-stichting

Boerse Poort*

Gent

15000,00

2013

Stad Gent

Het Tuinspoor

Zwevegem

15000,00

2012

Oeze lochting

Avelgem

0,00

2012

Graafland — Volkstuinencomplex Burchtdam Volkstuintjes De Boomgaard* Koninklijk Werk voor de Volkstuin Sint-Niklaas vzw*

Deze lijst van gesubsidieerde volkstuinen vormde de eerste ‘longlist’ om uiteindelijk tot een selectie van 6 gesubsidieerde cases te komen. Op basis van de ingevulde enquête is er in bovenstaande tabel meteen ook aangevuld welke volkstuinen ook op andere subsidies konden rekenen. Het leek aangewezen om een variatie aan subsidiekanalen op te nemen in de geselecteerde projecten, om op die manier ook te kunnen inschatten of subsidies elkaar versterken of verzwakken. Daarom werd voorgesteld om: >  1 case te selecteren die twee keer VLM volkstuinsubsidies heeft ontvangen: Samentuin De Tandem (in 2015 en 2017), >  ten minste 1 case te selecteren die tweemaal de subsidie heeft aangevraagd, maar die maar eenmaal heeft ontvangen, >  minstens twee cases op te nemen die geen andere subsidies hebben ontvangen, >  1 case op te nemen waarbij de 3-jarige periode tot realisatie een uitdaging bleek te zijn: Volkstuinpark Overakker (subsidie-aanvraag 2014, realisatie 2019), >  voornamelijk cases te selecteren waarbij de realisatie na (met) de subsidie zeker zichtbaar kan zijn op het terrein (subsidiejaar voor 2016).

94

15000,00

2014

Stad Sint-Niklaas


RONDE 3 – CONTROLEGROEP 1 (AANGEVRAAGDE MAAR NIET TOEGEKENDE VLM-VOLKSTUINSUBSIDIE)

Volkstuin die geen VLM-volkstuinsubsidie heeft ontvangen,

Gemeente

wel aangevraagd

Andere subsidies ontvangen

Hoezekouter

Aalst

Plotertuin

Ternat

De spitvork

Knokke-Heist

Lokerse volkstuintjes/ Koninklijke vereniging Werk van den Akker

Lokeren

Koninklijk Werk der volkstuinen — Afdeling Gentbrugge

Gent

Zilveren vingers

Ardooie

Volkstuin Drakenhof

Deurne

Warme tuin Jeugdzorg Ter Elst*

Lier

CERA

Volkstuin “De Labbelaer”

Bree

Limburg.net

Bioploeg Molenveld/ Samentuin Molenveld

Bornem

Volkstuin aan de Wijkstraat*

Tongeren

LEADER

Volkstuinen Brasschaat (Votubra), van militaire tuin tot buurtvolkstuin

Brasschaat

Gemeente

Volkstuintjes Ingelmunster — de Drevetuintjes

Ingelmunster

Overzicht controlegroep 1 (Voorland & KU Leuven, 2020)

Om de impact van de subsidies te kennen, is het uiteraard ook interessant om met een controlegroep te werken van volkstuinen die niet voor de VLM-volkstuinsubsidie zijn weerhouden. De intentie was om 4 volkstuinen van dit type op te nemen. Daarbij was het interessant om een onderscheid te maken tussen niet-gesubsidieerde volkstuinen die wel een VLM-volkstuinsubsidie hebben aangevraagd (controlegroep 1), en een categorie die geen VLM-volkstuinsubsidies heeft aangevraagd (controlegroep 2). Van de 118 volkstuinen die de enquête geldig hebben ingevuld, zijn er 13 volkstuinen die geen VLM-volkstuinsubsidie hebben ontvangen, maar deze subsidie wel hebben aangevraagd (figuur 3.04). Uit de enquête bleek, dat vier daarvan wel andere subsidies hebben ontvangen. Er werd beslist om uit deze eerste controlegroep twee volkstuinen met andere subsidies te selecteren.

CASE-ONDERZOEK

FIG 3.04

95


RONDE 4 – CONTROLEGROEP 2 (GEEN AANVRAAG VLM-VOLKSTUINSUBSIDIES)

aangevraagd. De redenen daarvoor variëren van ‘het niet voldoen aan de selectiecriteria’, ‘te veel werk’, ‘niet op de hoogte van de subsidiemogelijkheden’. Daarnaast waren er ook 9 volkstuinen die geen behoefte hadden aan subsidies. Het leek interessant om ook 1 van deze 9 volkstuinen te onderzoeken (figuur 3.05). Vier van deze volkstuinen zijn ook al opgenomen in de inventaris van 2007 die is opgemaakt door UGent. Dit kan een waardevolle vergelijkingsbasis betekenen.

Een tweede controlegroep betreft de volkstuinen die geen VLM-volkstuinsubsidies hebben aangevraagd (dus ook niet ontvangen). Dit gaat om 40 volkstuinen. Van deze 40 volkstuinen zijn er voor 9 volkstuinen wel subsidies aangevraagd via een ander kanaal. Vier van deze 9 volkstuinen hebben deze subsidies ook ontvangen. Het leek interessant ten minste 1 van deze cases op te nemen. Vervolgens zijn er 30 volkstuinen die in de enquête hebben aangegeven dat ze geen subsidies hebben

Volkstuin die geen VLM-volkstuinsubsidie heeft aangevraagd,

96

Andere

wel subsidie via ander kanaal

Gemeente

subsidiekanaal

Samentuin Caputsteenpark

Mechelen

Stad Mechelen

Velt Samentuin Koudenborm

Moerbeke

?

Dorpstuin Vurste

Gavere

Biodroom 2.0*

Antwerpen

Stad Antwerpen

Niet-gesubsidieerde volkstuin

Gemeente

Inventaris 2007

Galgentuin

Eeklo

Werk voor Volktuinen Oudenaarde VZW

Oudenaarde

Volkstuin Zeebrugge*

Brugge

Volkstuin Het Slekkepark/ Windhoek

Waregem

Volkstuin Peter Benoitpark

Sint-Niklaas

x

Volkstuin De Volksakker / Kluitenduikers

Middelkerke

x

Sombeke samentuin

Waasmunster

Volkstuin Velt Brasschaat

Brasschaat

Volkstuinen Clementwijk

Sint-Niklaas

FIG 3.05

Overzicht controlegroep 2 (Voorland & KU Leuven, 2020)

Koning Boudewijnstichting

x

x


3.2.2 Van longlist tot case-selectie

Categorie

Gesubsidieerde volkstuinen met VLM-volkstuinsubsidies controlegroep 1 met volkstuinen die VLM-volkstuinsubsidies hebben aangevraagd maar deze niet hebben ontvangen

Aantal cases in

Aantal cases te

deze categorie

selecteren

14

6

13

2

4+9

1+1

40

10

controlegroep 2 met volkstuinen die geen VLM-volkstuinsubsidies hebben aangevraagd. 4 daarvan hebben wel andere subsidies ontvangen, 9 geven aan dat ze geen subsidies nodig achten. Totaal

Op basis van voorgaande analyse kwamen we tot een longlist met 40 volkstuinen. De categorieën waarin de longlist is opgedeeld worden geïllustreerd in bovenstaande tabel.

CASE-ONDERZOEK

In de voorgaande ‘rondes’ werd er voornamelijk rekening gehouden met de verschillende subsidiekanalen en het feit of volkstuinen al dan niet zijn gesubsidieerd, om tot een longlist te bekomen. Om van de longlist met 40 volkstuinen te komen tot 10 geselecteerde cases (figuur 3.06), werden voornamelijk sociale en ruimtelijke aspecten opgenomen. Onder meer de verschillende ‘trends’ die we zien verschijnen in volkstuinen, en de evolutie die de subsidieprocedure van de VLM-volkstuinsubsidie heeft doorgemaakt, speelden hierin een grote rol.

Op basis van de antwoorden in de enquête is er tussen de cases gevarieerd in: >  stichtingsjaar >  geografische spreiding en relatieve ligging (stad – kleine kern — …) >  dagelijkse leiding >  grootte van de volkstuin + aantal individuele/ gezamenlijke tuinen >  aandacht voor het gezondheidsaspect en bewuste voedselconsumptie (trend 1) >  ecologisch en duurzaam beheer (trend 2) >  soort volkstuin en doelgroep (trend 3) >  tijdelijk of permanent karakter (trend 4) >  partnerschappen en samenwerkingen (trend 5)

FIG 3.06

Definitieve case-selectie (Voorland & KU Leuven, 2020)

97


3.3 RESULTATEN CASE-ONDERZOEK In het voorgaande luik (3.2) staat beschreven hoe we precies tot een zorgvuldige selectie van 10 cases zijn gekomen. In dit deel van het rapport gaan we uitgebreid in op die cases. We beschrijven ze eerst in een aantal samenvattende tabellen, waarbij in het vet nog eens wordt gemarkeerd waarom ze precies als case werden geselecteerd. Op de volgende pagina’s wordt elke case uitgebreid beschreven in een projectfiche, waarvan het sjabloon vooraf bepaald is.

De fiches vormen een grafische vertaling van het ‘paspoort’ van de volkstuin, maar ook interne vergelijking is voor de lezer mogelijk. De algemene conclusies van het caseonderzoek, over de cases heen, zijn niet opgenomen in de projectfiches, maar in een apart hoofdstuk “Impact VLMvolkstuinsubsidies – conclusies uit het case-onderzoek”.

ALGEMENE GEGEVENS Naam

Gemeente

stichtings

Dagelijkse leiding

jaar

indiv.

Coll.

percelen

percelen

42

3

Vzw tuinhier + de Volkstuinpark ‘Overakker’

Deerlijk

2019

Waak en groendienst voor collectief

Samentuin De Tandem

Brugge (Sint-Kruis)

2010

tuiniers

0

1

Volkstuintjes De Boomgaard

Poelkapelle

2014

WZC

9

0

Sint-Niklaas

1896

tuiniers

122

0

2

1

Koninklijk Werk voor de Volkstuin Sint-Niklaas vzw Samentuin De Kanteling

Herzele (Woubrechtegem)

Grondeigenaar (vzw

2017

leefboerderij)

Boerse Poort

Gent

2013

Tuiniers

100

14

Volkstuin Zeebrugge

Brugge (Zeebrugge)

1959

Vzw Tuinhier

15

1

Biodroom 2.0

Antwerpen

2019

Tuiniers

30

1

Volkstuin aan de Wijkstraat

Tongeren

1900

Gemeente

36

0

2015

Jeugdzorg Ter Elst

0

1

Warme tuin Jeugdzorg Ter Elst

Lier (Koningshooikt)

SUBSIDIËRING

Naam

VLM

Jaar

Jaar

Andere subsidies

2018 - Prov. W-vl (groen)

subsidie

subsidie Volkstuinpark ‘Overakker’

0,00

2014

15000,00

2015

Samentuin De Tandem

15000,00

2015

15000,00

2017

Volkstuintjes De Boomgaard

15000,00

2012

0,00

2018

geen

2014

2016 - Stad Sint-Niklaas

(uitbreiding)

17000

Koninklijk Werk voor de Volkstuin

15000,00

2015, 2017 Stad Brugge 5000,00

0,00

2012

Samentuin De Kanteling

15000,00

2017

2017 LEADER

Boerse Poort

15000,00

2013

2013 - Stad Gent 15000

Volkstuin Zeebrugge

/

/

geen

Biodroom 2.0

/

/

Volkstuin aan de Wijkstraat

0,00

2015

2017 LEADER

Warme tuin Jeugdzorg Ter Elst

0,00

2014

2015 CERA 2500

Sint-Niklaas vzw

98

VLM volkstuin-

volkstuin-

2019 - Stad Antwerpen 8200


TRENDS Naam

Gezondheid en beweging

Ecologisch en

Soort volkstuin en doelgroep

duurzaam Volkstuinpark

Duurzaam en “zo

Volle grond, ook CSA,

ecologisch gedeelte met poel, speelzone

‘Overakker’

ecologisch mogelijk”

verplicht bio

voor kinderen, nieuwe groenzone voor gemeente, 60% twintigers-dertigers

Samentuin De Tandem

‘Tijdelijk’ (15j, mogelijk verlengbaar) – bestaan bedreigd

Tuinhier, gemeente, provincie W-Vl,

Samentuin: zorgbehoevenden, kinderen,

Gezondheid: workshops, advies over

Partnerschappen

permanent Klassiek, geen spec. doelgroep,

Gezondheid:

Tijdelijk of

Volle grond

wisselteelt, composteren

maatschappelijk kwetsbare groep, 50%

Permanent

School, natuurorganisaties

veertigers-vijftigers

Gezondheid en welzijn Volkstuintjes De

als hoofddoelstell.,

Volle grond, reglement:

Boomgaard

maar geen bijzondere

verplicht ecologisch

Tuin WZC, bewoners WZC

Permanent

WZC, natuurorg., lokaal dienstencentrum

begeleiding

de Volkstuin Sint-

Volle grond, maximaal Geen hoofddoelstell.

Niklaas vzw Samentuin De Kanteling

wordt gestimuleerd

of ontspanningstuin. Doelgroep: maatschappelijk kwetsbare groep

Permanent

Volle grond

bewoners zorgvoorziening. Sociaal

vormingen

Volle grond, ecologisch

Samentuin, buurtbewoners, lange

Permanent,

tuinieren gestimuleerd

wachtlijst

uitbreiding nodig

voor educatieve functie

Volle grond, ecologisch

en gezondheid + gezonde

tuinieren gestimuleerd

Klassiek, groep rijkswachters

Permanent, bestaan bedreigd

verpl. Biodroom 2.0 Volkstuin aan de Wijkstraat

Deel van grotere

Niet in volle grond,

Samentuin: kinderen, jongeren,

groenstructuur,

volledig bio, ecologisch

maatschappellijk kwetsbare groep, 70%

natuurgebied

tuinieren gestimuleerd

zestigers of ouder

Cursussen

Volle grond

Warme tuin

Gezondheid en Welzijn als

Jeugdzorg Ter Elst

hoofddoelstell.

Klassiek, kinderen, jongeren, maatschappellijk kwetsbare groep

Permanent, bestaan bedreigd Permanent

Zorgtuin, kinderen en jongeren, Volle grond

maatschappelijk kwetsbare groep (100% jeugd)

dienstencentrum, vzw leefboerderij

Vandaag meer aandacht Volkstuin Zeebrugge

onderhoud collectief School, lokaal

Permanent

contact primeert. 80% jeugd groenstructuur,

Tuinbouwschool voor

(initieel) Warme tuin, buurtbewoners en

Workshops velt Deel van grotere

Boerse Poort

ecologisch en duurzaam

Klassiek: voedselproductie en rust-

School, natuurorganisatie

School, lokaal dienstencentrum, Vlaams Gewest is eigenaar

/

School, natuurorganisatie Landelijke Gilden Duffel,

Permanent

Tuinbouwbedrijf, Jeugdzorg

CASE-ONDERZOEK

Koninklijk Werk voor

99


PROJECTFICHE

VOLKSTUIN OVERAKKER Deerlijk

TYPE

locatie Tapuitstraat 8540 Deerlijk

eigenaar Gemeente

startjaar 2019

klassieke volkstuin

‘Da’s hier eigenlijk onze dorpel, hier kunnen we elkaar ongedwongen ontmoeten’

Reden selectie De volkstuin werd zeer recent opgestart met een eerder klassieke insteek, waarbij individueel tuinieren vooropstaat, maar veel ruimte is voor sociale contacten met andere tuiniers en met de buurtbewoners. Het volkstuinpark is gekoppeld aan Tuinhier en wordt er sterk door ondersteund. Naast het volkstuinpark is een CSA-boerderij gelegen, die van de voorzieningen in het volkstuinpark gebruik kan maken.

LOCATIE Deerlijk West-Vlaanderen

context — woonzone

TUIN

1.155 m2 — totale opp.

TUINIERS

SUBSIDIES

42 0 100

individuele tuinen 95% collectief tuinieren 5%

actieve tuiniers/ huishoudens

geen wachtlijst nog 7 percelen vrij

15.000 totaal VLM-volkstuinsubsidiebudget


lidgeld/huurgeld EUR 60,00

initiële doelgroep geen specifieke doelgroep

basis voorzieningen elektriciteit verlichting gas water collectief water individueel geen extra voorzieningen individuele tuinhuisjes collectief tuinhuis ontmoetingsruimte barbecue, pizzaoven, … picknicktafels zitbanken fietsenstalling sanitair serre boomgaard collectief composteren individueel composteren sportvoorzieningen vijver/poel bijenkast/insectenhotel kippen / andere dieren

CONTEXT

bibliotheek

planologische bestemming zone voor sport- en gemeenschapsvoorzieningen

toegankelijkheid rolstoelgebruikers

speeltuin / zandbak

continuïteit tijdelijk

FOCUS

— overzicht subsidies

voedselproductie sociale functie VLM Gemeente Deerlijk

CASE-ONDERZOEK

permanent, de gemeente investeerde investeerde zeer veel voor de aanleg van het terrein en de faciliteiten

Provincie West-Vlaanderen 101


‘Start to Tuinier’ & ‘Trottoirtuinieren’ —e cologisch tuinieren buiten het volkstuinpark

‘Het duurde lang om het er te zetten, maar de tuin is nu wat het moest zijn’ — concept

01

102

concept

TUINIERS

TUIN

Het volkstuinpark is een eerder klassiek volkstuinpark in een nieuw jasje. Met klassiek wordt bedoeld dat er hoofdzakelijk op individuele percelen wordt getuinierd en dat het park zich niet specifiek richt tot bepaalde doelgroepen, maar op iedereen uit de buurt. Weliswaar gebeurt dit alles met oog voor duurzaamheid en ecologie. De lokale initiatiefnemers hebben voor het concept en de organisatie hun licht opgestoken bij vele andere volkstuinparken om het volkstuinpark Overakker in Deerlijk mee vorm te geven als een duurzaam en open volkstuinpark.

Het volkstuinpark oogt uniform en overzichtelijk en heeft een open karakter. De tuin omvat 42 percelen, die men individueel en op biologische wijze bewerkt. Het volkstuinpark werd natuurlijk aangelegd en heeft nauwelijks verharde oppervlakken. Het open karakter van de volkstuin, door afwezigheid van harde perceelsgrenzen en koterijen, werkt de sociale ontmoetingen tussentuiniers onderling en met de buurt in de hand. Veel tuiniers vinden dit enorm belangrijk. Een gedeelte van het volkstuinpark werd dan ook aangelegd als park, met een aangelegde natuurlijke speeltuin en vijver. De faciliteiten van het volkstuinpark worden tevens gebruikt door de landbouwers van de zelfoogstboerderij het Bokkeslot, die gelegen is achter het volkstuinpark.


PROCES Het volkstuinpark ging pas in 2019 officieel van start, nadat de VLM-subsidie was toegekend in 2015. Dankzij de subsidie nam de lokale afdeling van Tuinhier in Deerlijk samen met de gemeente het initiatief voor de opstart van een ecologisch en duurzaam volkstuinpark. De effectieve aanleg en start had heel wat voeten in de aarde o.a. vanwege het archeologisch onderzoek en de structurele heraanleg van het terrein (nivelleren van de gronden, wegwerken van dijk, aanleg beekstructuren en wadi). Tegelijk met de aanleg volkstuinpark nam het Bokkeslot het initiatief om op de gronden achter de volkstuin een zelfoogstboerderij op te starten.

CASE-ONDERZOEK

INITIATIEF Het idee speelde al langer in de gemeente om ruimte vrij te maken om te moestuinieren, maar er was oorspronkelijk weinig vraag naar. Toen de projectoproep subsidie volkstuinen werd gelanceerd, namen Tuinhier en de gemeente Deerlijk het initiatief voor de subsidieaanvraag en was de kiem voor de volkstuin geplant. Er werd een bevraging gedaan bij bewoners uit de gemeente om te polsen naar de specifieke noden in de buurt die konden worden meegenomen in het volkstuinpark.

103


02

organisatie

Prov. WestVl.

is iets waar Tuinhier Deerlijk immers nog sterker op wil inzetten. Tuinhier Deerlijk

Gemeente Deerlijk

DAGELIJKS BEHEER Gebruikers - algemene vergadering

Tuinhier

...

VT-keurmerk school

mensen met

CSA

beperking

Bokkeslot

Tuinhier Deerlijk De lokale afdeling van Tuinhier staat in voor het dagelijks beheer en organisatie van het volkstuinpark.

OCMW

ALGEMEEN TUINBEHEER

PARTNERSCHAPPEN Gemeente Deerlijk De gemeente heeft een zeer sterke rol gespeeld bij de opstart, heeft ook de grootste kost op zich genomem bij de aanleg van de terreinen. De wisselwerking tussen gemeente en Tuinhier Deerlijk verloopt heel vlot en gemoedelijk. De gemeente zorgt voor het groter onderhoud van het parkgedeelte en Tuinhier voor het kleiner onderhoud. Provincie West-Vlaanderen De Provincie West-Vlaanderen financierde de aanplanting van bomen en struiken in het volkstuinpark (rondom en ook het parkgedeelte).

104

Zelfoogstboerderij Bokkeslot De zelfoogstboerderij maakt gebruik van de (sanitaire) voorzieningen van het volkstuinpark. Zelf heeft de boerderij grotere machinerie die ook af en toe in de volkstuin kan worden ingezet voor compost verwerking of onderhoud van gemeenschappelijke delen van de tuin. Het Bokkeslot, waartoe ook de zelfoogstboerderij hoort, organiseert zomerkampen die eventueel in de toekomst ook gelinkt kunnen zijn aan het volkstuinpark. Het educatieve aspect en het betrekken van de buurt

ecologie In het volkstuinpark staat duurzaamheid en biologisch tuinieren voorop. Dit wordt bewaakt door de tuiniers bij de aankoop van compost of bij het bewerken van de tuinen. engagement De tuiniers nemen vrijwillig bijkomende engagementen op (naast het verzorgen van hun eigen perceel). Bij het jaarlijks lidgeld voor het volkstuinpark zit een lidmaatschap bij Tuinhier Deerlijk en een abonnement op Tuinhier magazine inbegrepen. Dit geeft hen al enig inzicht en basisprincipes mee om te tuinieren. Er wordt verwacht dat de percelen voldoende onderhouden worden en wanneer het onkruid overwoekerd en in het zaad staat zal de tuinier hierop worden aangesproken.

GROEPSREGELS vrijwillig engagement De taakverdeling voor het onderhoud van de tuin en de gemene delen verloopt zeer gemoedelijk. Daarvoor worden gezamelijke werkdagen georganiseerd. De tuiniers nemen ook zelf initiatief om kleine of grote zaken te organiseren en onderling te communiceren.


bezoekers De tuin is vrij toegankelijk en heeft ook een parkgedeelte met speeltuin. Er wandelen dan ook frequent buurtbewoners doorheen het volkstuinpark. tuiniersreglement Er is een gebruikersovereenkomst die het gebruik en de voorwaarden van het werken in de volkstuin formeel regelt. Maar het is eerder een stok achter de deur voor mocht het ergens mislopen. In de praktijk ervaren de tuiniers nog zeer veel vrijheden, ze weten ook goed waar het volkstuinpark voor staat.

tuinier

MVX De tuiniers vormen een sociale mix, die een goede afspiegeling vormt van de buurt, dit zowel naar gender, leeftijd als migratieachtergrond.

LEEFTIJD — EVOLUTIE

10

BUDGETTEN

20

30

40

50

60

70

80

90

De leeftijd van de tuiniers varieert tussen 14 en 65 jaar. Vooral de actieve bevolkingsgroep en de pas gepensioneerden komen tuinieren in het volkstuinpark.

werkingsbudget Het werkingsbudget is zeer klein, onderhoud wordt met CSA of gemeente geregeld, compost is gratis, veel van de werkmaterialen werden gratis geschonken aan de volkstuin.

Verscheidene tuiniers bewerken hun perceel met het hele gezin.

subsidies De volkstuin kreeg een VLM-subsidie van 15 000 euro in 2015 om het volkstuinpark te realiseren

MOTIEF

lidgeld en huurgeld Het lidgeld bedraagt 60 euro per jaar, een lidmaatschap bij Tuinhier en een aansluiting op Tuinhier magazine is hierin inbegrepen. acties en andere inkomsten Er zijn weinig specifieke acties of activiteiten die voor geld in het laatje zorgen.

Bij de meeste tuiniers in Overakker staat het proces van het kweken voorop. Het actief bezig zijn in de tuin en het doormaken van het groeiproces van de gewassen is belangrijker dan de oogst. Ook de sociale contacten die ongedwongen plaatsvinden in de tuin vormen een grote meerwaarde voor de tuiniers. Ze leren ook de mensen uit de buurt beter kennen in de tuin.

AFSTAND WONING IMPACT Zonder de subsidie was het volkstuinpark nooit opgestart.

De meeste moestuiniers wonen in de buurt, sommige zelfs vlakbij. Ze komen frequent naar de volkstuin, van verschillende keren per week tot zelfs dagelijks.

CASE-ONDERZOEK

03

105


04

sociale dynamieken

COMMUNICATIE Kennismakingsfolder Volkstuinpark Het volkstuinpark Overakker heeft een folder waarin het concept en de belangrijkste principes en activiteiten in het volkstuinpark worden meegedeeld.

Website — sociale media Via de website van Tuinhier Deerlijk worden algemene oproepen gedaan, ook naar de losse leden van Tuinhier. Onder de volkstuingebruikers wordt er vooral gecommuniceerd via whatsapp, mail of ad valvas in de tuin zelf. Via de website van de gemeente en de gemeentekrant wordt ook reclame gemaakt voor het volkstuinpark.

ACTIVITEITEN Oogstfeest Eind augustus wordt er een oogstfeest georganiseerd met barbecue waarop de tuiniers en hun gezinsleden elkaar beter leren kennen.

Educatie — workshops Via Tuinhier worden demonstraties of workshops georganiseerd voor de hele buurt, de volkstuingebruikers kunnen daarbij ook aansluiten. ‘Start to Tuinier’ en ‘Trottoirtuinieren’ zijn hiervan voorbeelden.

106


BUURTWERKING / RELATIE Open en toegankelijk karakter De tuin is vrij toegankelijk, wat passage van buurtbewoners toelaat. Ze kunnen de hond uitlaten al wandelend door de moestuin, of de kinderen kunnen spelen in de natuurlijke speeltuin. Mensen uit de buurt leren elkaar kennen in de volkstuin.

Zelfoogstboerderij het Bokkeslot Sommige buurtbewoners die zich aansloten bij de zelfplukboerderij, waagden de sprong naar het zelf tuinieren en werden tuinier in het volkstuinpark. De omgekeerde beweging is echter ook mogelijk, wie het werk in de tuin onderschat en vooral voor de oogst gaat, verwisselt de volkstuin voor de naburige zelfoogstboerderij.

NOOD/VRAAG

CASE-ONDERZOEK

In de buurt is nood aan toegankelijke aan veilige, zachte verbindingen en groene (speel)ruimte. De meeste buurtbewoners beschikken slechts over een kleine tuin en wonen aan een drukke weg.

107


05

tuin

P

Ee w sp m

01 — Ingang/toegankelijkheid De volkstuin ligt naast een drukke (sluip)weg en een industriële site. De volkstuin is toegankelijk voor iedereen, en wordt niet afgesloten. Er is een parking en fietsenstalling. Het volkstuinpark is natuurlijk aangelegd en weinig verhard. De tuin heeft een open karakter en is zeer overzichtelijk.

03

02

P

02 — Voorzieningen Dichtbij de ingang van de tuin werd het tuinhuis geplaatst, dat de tuiniers voorziet van een kleine keuken, sanitair en gedeelde werkmaterialen. Er zijn twee steenputten met manuele pomp als watervoorziening.

01

IMPACT Zonder de subsidie was het volkstuinpark nooit opgestart.

03 — Park en speeltuin Een groot deel van het volkstuinpark werd natuurlijk aangelegd als park, met speeltuin en vijver. Buurtbewoners én tuiniers kunnen hiervan gebruik maken. Het wordt door de tuiniers en de gemeente onderhouden. 04 — Zelfoogstboerderij Bokkeslot De landbouwers van zelfplukboerderij het Bokkeslot maken gebruik van de voorzieningen van het volkstuinpark. Ze staan het volkstuinpark regelmatig bij voor onderhoud. De zelfplukboerderij zorgt ook voor socale controle.

108

05 —Buurtbewoners Buurtbewoners kunnen door de tuin en in het park wandelen. Zo maken de tuiniers kennis met de buurtbewoners. De meeste huizen in de buurt hebben geen (grote) tuin. Deze extra buitenruimte is zeer welkom is voor de buurt.

05

Buurtbewoners

De tuin is toegankelijk voor de buurt, buurtbewoners komen er wandelen en maken kennis met de tuiniers


Park

en groot deel van het volkstuinpark werd natuurlijk aangelegd als park, met peeltuin en vijver. Buurtbewoners én moestuiniers kunnen er zalig toeven.

KANTELMOMENTEN 2015 subsidie goedgekeurd De subsidieaanvraag en toekenning betekent de start van het volkstuinproject en het uitwerken van het concept en het uittekenen van het ontwerp van de tuin.

Zelfoogstboerderij Bokkeslot

Er is een comfortabele wisselwerking tussen het volkstuinpark en de zelfoogstboerderij Bokkeslot gelegen op de terreinen achter de volkstuin.

2019 start volkstuinpark Na een lang realisatieproces, kunnen in 2019 de eerste gebruikers van start gaan op hun perceel.

04

VRAGEN / NODEN verdere uitbreiding terrein Voorlopig heeft de tuin voldoende ruimte, en zijn er nog enkele percelen vacant. Er zijn geen uitbreidingsmogelijkheden meer.

Expertise De bodem is zwaar om te bewerken maar met de juiste expertise in huis en vormt ook dat geen probleem. Alleen de waterhuishouding kan op termijn nog voor problemen zorgen.

CASE-ONDERZOEK

concept zit goed Het duurde lang om de volkstuin op te starten en effectief aan te leggen, maar nu hij is aangelegd is hij perfect zoals hij is. Alles werkt naar behoren.

109


PROJECTFICHE

SAMENTUIN DE TANDEM Sint-Kruis (Brugge)

TYPE

locatie Leopold Debruynestraat 56 8310 Sint-Kruis (Brugge)

eigenaar Scholengroep Impact (GO!)

startjaar 2010

samentuin

‘Wanneer ik de kinderen afhaal van school ga ik nog eens met hen naar de samentuin. Met een beetje geluk nemen we dan een vers groentje mee naar huis’

Reden selectie Samentuin De Tandem werd in eerste instantie geselecteerd omdat ze in de periode van 2012 t.e.m. 2018 tweemaal de VLM-volkstuinsubsidie hebben ontvangen (de eerste keer als nieuwe volkstuin, de tweede keer in functie van een uitbreiding). Hierbij ontvingen ze ook subsidies van een andere instantie. Het behoort dus niet tot de controlegroep. De samentuin is gelegen op de terreinen van een Freinetschool, wat dus een belangrijke partner is voor de samentuin. Daarnaast zijn de tuiniers opvallend jonger in vergelijking met andere samentuinen.

LOCATIE Sint-Kruis West-Vlaanderen

context — woonzone

TUIN

1.155 m2 — totale opp.

TUINIERS

SUBSIDIES

25 10 110

individuele tuinen 0% collectief tuinieren 100%

actieve tuiniers/ huishoudens

10 potentiële tuiniers/ huishoudens

30.000 totaal VLM-volkstuinsubsidiebudget


initiële doelgroep kinderen/jongeren

lidgeld/huurgeld EUR 35,00 (lidgeld Velt)

basis voorzieningen elektriciteit verlichting gas water collectief water individueel geen extra voorzieningen individuele tuinhuisjes collectief tuinhuis ontmoetingsruimte barbecue, pizzaoven, … picknicktafels zitbanken fietsenstalling sanitair serre boomgaard collectief composteren individueel composteren sportvoorzieningen vijver/poel bijenkast/insectenhotel kippen / andere dieren

CONTEXT

bibliotheek

planologische bestemming woongebied continuïteit

toegankelijkheid rolstoelgebruikers

tijdelijk

speeltuin / zandbak

— overzicht subsidies

FOCUS

sociale functie educatieve functie voedselproductie VLM Stad Brugge (€10 000)

CASE-ONDERZOEK

permanent

111


‘In de samentuin breng je gelijkgestemde mensen bij elkaar. Dat zorgt voor een vlotte samenwerking.’ — s amen tuinieren

‘De tuin is hier een familiegebeuren. De kinderen komen mee om te helpen, en als ze willen spelen kan dat op de speelplaats van de school.’ — locatie

‘Sinds kort communiceren we onderling via een whatsapp-groep. Het afspreken in de tuin of verdelen van de oogst verloopt nu allemaal iets vlotter.’ — communiceren

01

112

concept

TUINIERS

TUIN

De tuiniers zijn ouders van kinderen die naar de Freinetschool De Tandem gaan of buurtbewoners. Het zijn gelijkgestemden die samen voedsel willen produceren en waarbij voornamelijk het sociaal contact belangrijk is. Kennis uitwisselen is een belangrijk aspect. In totaal zijn er 25 tuiniers (of gezinnen) actief in de samentuin. De wachtlijst om toe te treden in de samentuin neemt meer en meer toe: de teller staat vandaag op 10 potentiële tuiniers (of gezinnen).

De tuin is gelegen op de site van de Freinetschool De Tandem. Er wordt gezamenlijk ecologisch getuinierd. In het begin waren er een aantal rechthoekige bakken, waarna samen met een landschapsarchitect en met inspraak van de tuiniers tot een ontwerp werd gekomen van onregelmatige vormen van tuinbakken. Er werd gelet bij het ontwerp dat dezelfde natuurlijke materialen van de schoolsite terugkwamen in de samentuin om de eenheid te bewaren.


PROCES In het begin was de volkstuin elders gelegen en anders van concept (focus enkel op kinderen). Het huidige concept voor de samentuin werd pas echt concreet toen in 2014 de VLMvolkstuinsubsidie werd goedgekeurd. Het plan was om een volkstuin aan te leggen op een verwaarloosd stuk terrein (vroeger containerparkje) van de school. Na twee jaar heeft men een tweede keer een subsidieaanvraag ingediend, in functie van een uitbreiding gezien de grote wachtlijst. De uitbreiding werd in 2018 gerealiseerd.

CASE-ONDERZOEK

INITIATIEF De moestuin werd in eerste instantie opgericht in 2010 vanuit de school. De kinderen wilden graag een braakliggend stukje terrein opfleuren en kregen de kans om hier hun eigen moestuintjes aan te leggen. De focus op enkel kinderen als tuiniers was geen groot succes (te weinig vraag naar), waardoor de focus werd uitgebreid naar gezinnen en buurtbewoners.

113


02

organisatie

Freinetschool De

Stad

Tandem

Brugge

KERNGROEP SAMENTUIN

+

VLM

VELT (Pieter Castelein)

teeltverantwoordelijke Kruiden Wortelgewassen Vruchtgewassen

DE TUINIERS

DAGELIJKS BEHEER Kerngroep Het dagelijks beheer wordt gecoördineerd door Pat Van Hecke, de drijvende kracht achter de volkstuin. Sinds kort zijn er ook 12 teeltverantwoordelijken aangesteld onder de tuiniers die de groep kan begeleiden in de teelt van de specifieke gewassen.

Koolgewassen ...

ALGEMEEN TUINBEHEER

PARTNERSCHAPPEN Velt Brugge Pieter Castelein van de lokale afdeling van Velt Brugge was de eerste drie jaar na de opstart van de samentuin vaak aanwezig in de tuin om het ecologisch beheer aan te leren bij de tuiniers. Ook in het verleden speelde hij een belangrijke rol in de samentuin. Zo hielp hij de kerngroep met de opmaak van het subsidiedossier voor de VLM-volkstuinsubsidie. Freinetschool De Tandem De Freinetschool De Tandem is een belangrijke partner, aangezien ze de locatie faciliteren. Ook heeft de school de financiën van de samentuin onder controle (de school heeft een vzw, waardoor via de school een subsidieaanvraag kon gebeuren). In ruil vraagt de school nu en dan een educatief aanbod in functie van de kinderen. Stad Brugge Stad Brugge is puur een financiële partner. Ze gaven het nodige bedrag om de eigen inbreng van 25% te dragen in functie van het verkrijgen van de VLM-volkstuinsubsidies.

114

ecologie Het tuinieren gebeurt op een ecologische manier: er wordt geen gebruik gemaakt van pesticiden, planten worden gezaaid volgens een doorschuifsysteem, waardoor de grond niet uitgeput geraakt. engagement Het tuinieren gebeurt steeds gezamenlijk, waarbij elke tuinier wel vrij is om te komen wanneer hij of zij wil. Gemiddeld wordt er 6 à 7 zondagen per seizoen afgesproken om samen te tuinieren. Dit wordt ook vaak gecombineerd met iets gezelligs eten (bv. soep gemaakt met groenten uit de samentuin).

GROEPSREGELS tuiniersreglement Er is een reglement, maar daar wordt niet veel aandacht aan geschonken. Alles verloopt zeer gemoedelijk en organisch. Er is wel een duidelijke afspraak waarbij tuiniers enkel mogen oogsten wat voor eigen gebruik nodig is. Sinds kort wordt hierover gecommuniceerd via Whatsapp, wat veel vlotter loopt in vergelijking met vroeger. Ook is er de regel dat de laatste het terrein afsluit met het slot (dit als barrière voor vandalisme of diefstal).


03

tuinier

MVX

werkingsbudget De budgetten worden beheerd door Pat Van Hecke, en wordt via de vzw van de school gecoördineerd. Indien tuiniers zaden, planten of andere zaken aankopen, moet het bonnetje steeds doorgegeven worden, zodat de boekhouding klopt. Dit is soms lastig tijdens de zomermaanden, als de school gesloten is. subsidies De volkstuin kreeg een VLM-volkstuinsubsidie van 15 000 euro in 2015 en nogmaals (i.f.v. de uitbreiding van 155 are) om het volkstuinpark te realiseren. Hierbij kregen ze ook steun van stad Brugge (in totaal 2 keer €5000). lidgeld en huurgeld Het lidgeld bedraagt 35 euro per jaar, waarmee de tuiniers direct ook een lidmaatschap bij Velt aangaan. Er is ook een sociaal tarief voor mensen in financieel moeilijkere situaties. acties en andere inkomsten Er zijn weinig specifieke acties of activiteiten die voor geld in het laatje zorgen.

IMPACT Zonder de subsidie was het concept voor een samentuin op de school nooit verder uitgewerkt.

De verscheidenheid bij de groep tuiniers is groot: er zijn klassieke gezinnen, maar evengoed ouderen, koppels met/zonder kinderen, nieuw samengestelde gezinnen, mensen met een migratieachtergrond,...

LEEFTIJD — EVOLUTIE 10

20

30

40

50

60

70

80

90

De leeftijd van de tuiniers varieert sterk maar de grootste groep zijn wel veertigers en vijftigers, wat opvallend is, in vergelijking met andere volkstuinen. Er is ook veel jeugd aanwezig in de samentuin.

MOTIEF De meeste tuiniers zijn actief in de samentuin vanwege de sociale en educatieve aspecten, zoals kennis uitwisselen over het telen van zaden en planten.

AFSTAND WONING De meeste tuiniers wonen in een straal van 500 meter rondom de samentuin. Ze komen dan ook voornamelijk te voet of met de fiets om te tuinieren. CASE-ONDERZOEK

BUDGETTEN

115


04

sociale dynamieken

COMMUNICATIE Interne communicatie De onderlinge communicatie over praktische zaken (bv. teelt X is klaar om te oogsten) gebeurt sinds kort via Whatsapp. Hierdoor gaat alles veel vlotter en zijn er minder voedseloverschotten, doordat iedereen op de hoogte is dat er mag geoogst worden. Ook om samen af te spreken in de tuin wordt gebruik gemaakt van de groep. Website — sociale media Er is ook een gesloten en open facebookpagina waar het reilen en zeilen over de samentuin wordt gedeeld met de buitenwereld. Ook op de schoolsite wordt de samentuin vermeld.

ACTIVITEITEN Workshops Er zijn reeds verschillende workshops georganiseerd i.s.m Velt rond tuinieren. Zo is er al een snoeiles geweest, een les improvisatiekoken, of . Hoewel dit steeds veel animo krijgt, zijn niet alle tuiniers hier even enthousiast over.

Potluck In september wordt er steeds een potluck georganiseerd waarbij elke tuinier iets meeneemt en op die manier een feestmaaltijd wordt gecreëerd. Opendeurdag Af en toe wordt de tuin opengesteld voor het grote publiek op een opendeurdag. Zo kan de buurt eens de sfeer opsnuiven en zien hoe de samentuin in elkaar zit. 116


Openlucht Filmavond Op het einde van de zomer werd al tweemaal een openlucht filmavond georganiseerd vanuit het initiatief van de samentuin. De vertoning ging door op de speelplaats van de school. De thema’s van de films waren steeds gelinkt met ecologie, dieren, natuur, ... : ‘Demain’ (vertoond in 2017) en ‘The biggest little farm’ (vertoond in 2019).

BUURTWERKING / RELATIE Verbeterde relatie In het begin waren de directe buren tegen de komst van de samentuin. Het zou teveel drukte geven in de straat en rommelig ogen (toen was de plek nochtans ook een vergeten stukje op de site van de school met afvalcontainers). Toen de samentuin volgens het nieuwe ontwerp was gerealiseerd, en de buurt meer en meer zag hoe de samentuin was georganiseerd, kwamen de positieve reacties. De relatie tussen de buren en de school zijn er alleen maar beter op geworden.

NOOD/VRAAG Om workshops te realiseren is er vaak een keuken nodig. Dit heeft kan dit tevens niet aanbieden. Men is nu op zoek naar een oplossing hiervoor.

CASE-ONDERZOEK

de samentuin niet, en de school

117


05

tuin

01 — Ingang/toegankelijkheid De samentuin ligt op een vergeten hoekje van de school (vroeger een afvalplaats van de school) aan de straatkant. De zichtbaarheid naar de buurt is dus groot. In de nabije toekomst wordt een snoephaag van fruit geplant, om op die manier de connectie te vergroten met de buurtbewoners.

02 — Freinetschool De Tandem De samentuin is gesitueerd op de site van de Freinetschool De Tandem. Het grote schoolcomplex te midden van een woonwijk is zeer groen aangelegd en ingericht met natuurlijke elementen. De samentuin is een aangename overgangsbuffer richting de woonwijk.

IMPACT Zonder de subsidie was er nooit een samentuin ontstaan op deze plek. Door de tweede VLM-volkstuinsubsidie kon de grote vraag opgevangen worden met een uitbreiding langs het schoolgebouw aan de straatkant.

02

03 — Speeltuin De speeltuin op de site van de Freinetschool De Tandem mag gebruikt worden na de schooluren door de samentuinders. Dit zorgt ervoor dat veel gezinnen hier rustig kunnen tuinieren terwijl de kinderen spelen op de speeltuin.

118

0

P


2010 volkstuin voor kinderen van Freinetschool De Tandem Eerst was er een volkstuin op een andere locatie waar de kinderen van de Freinetschool konden tuinieren. Dit was geen succes. 2015 toewijzing VLMvolkstuinsubsidie Na de toewijzing van de subsidies kon men overgaan tot de realisatie van de samentuin en voor de eerste keer tuinieren. 2017 2e toewijzing VLMvolkstuinsubsidie Dankzij de tweede subsidie kon de uitbreiding gerealiseerd worden van 155 are.

VRAGEN / NODEN keuken Men is aan het bekijken om het probleem rond de workshops en het gebrek aan een keuken op te lossen. Men droomt hierbij van een buitenkeuken of een mobiele keuken dat ergens kan gestockeerd worden.

01

Buurtbewoners

Er is een goede relatie met de nabije buren . De buurtbewoners worden veel betrokken bij de samentuin bij allerhande activiteiten. De meeste tuiniers wonen in een straat van 500m rond de samentuin.

CASE-ONDERZOEK

03

KANTELMOMENTEN

119


PROJECTFICHE

VOLKSTUIN DE BOOMGAARD Langemark

TYPE

locatie Lekkerboterstraat 1 8920 Langemark

eigenaar Gemeente, OCMW

startjaar 2014

zorgtuin

‘De wisselwerking tussen de buurtbewoners en de bewoners van het woonzorgcentrum zorgt voor een warme sfeer.’

Reden selectie Volkstuin De Boomgaard is gelegen in de tuin van een zorgcampus, waarbij ook bewoners van het woonzorgcentrum actief deelnemen in het bewerken van de tuin. Gezondheid en welzijn staan als hoofddoelstelling centraal, maar hierbij is er geen bijzondere begeleiding voorzien. Ook de sociale interactie is een belangrijk aspect (contact tussen bewoners van WZC en buurtbewoners). Het tuinieren gebeurt verplicht ecologich en in volle grond. Er werden voor deze volkstuin twee keer subsidies aangevraagd bij VLM (2012 en 2018), waarbij enkel de eerste aanvraag werd goedgekeurd.

LOCATIE Langemark West-Vlaanderen

context — rand van de gemeente

TUIN

114 m2 — totale opp.

TUINIERS

9 120

individuele tuinen 100% collectief tuinieren 0%

actieve tuiniers/ huishoudens

SUBSIDIES

0 geen wachtlijst

15.000 totaal VLM-volkstuinsubsidiebudget


initiële doelgroep bewoners van een woonzorgcentrum en de buurtbewoners

lidgeld/huurgeld EUR 25,00

basis voorzieningen elektriciteit verlichting gas water collectief water individueel geen extra voorzieningen individuele tuinhuisjes collectief tuinhuis ontmoetingsruimte barbecue, pizzaoven, … picknicktafels zitbanken fietsenstalling sanitair serre boomgaard collectief composteren individueel composteren sportvoorzieningen vijver/poel bijenkast/insectenhotel

CONTEXT planologische bestemming woonuitbreidingsgebieden continuïteit

kippen / andere dieren bibliotheek speeltuin / zandbak toegankelijkheid rolstoelgebruikers

tijdelijk

— overzicht subsidies

FOCUS

gezondheid en welzijn sociale functie

CASE-ONDERZOEK

permanent

VLM 121


‘Moest die subsidie van VLM er niet geweest zijn, dan ging de volkstuin er niet gekomen zijn. Of toch niet in dit formaat, waarbij ook buurtbewoners worden betrokken. ’ — subsidie

‘Tussen de bewoners zijn er heel wat boeren. Dikwijls kan er wel discussie ontstaan over de manier waarop de tuiniers aan het werk zijn. Wat ook wel een toffe wisselwerking geeft.’ — ontmoeten

‘Ik wil er niet meer zelf in werken, maar ik zie dat wel graag als de andere tuiniers daar in bezig zijn.’ — plezier

01

122

concept

TUINIERS

TUIN

Volkstuin De Boomgaard is een volkstuin, specifiek bedoeld voor inwoners van de gemeente Langemark-Poelkapelle. Daarnaast zijn ook de bewoners van woonzorgcentrum De Boomgaard actief in de tuin. Oorspronkelijk was het de bedoeling om ook scholen te betrekken bij het tuinieren in de volkstuin, maar ondanks het enthousiasme kwam daar geen samenwerking uit voort. Daarnaast verwijst de sociale dienst van Langemark soms mensen door naar de volkstuin. Zo heeft er al een project gelopen van de sociale dienst rond gezonde voeding om eigen groentjes te kweken als gezin samen met de kinderen.

Voordat de volkstuin was aangelegd, was het gewoon een stuk gras in de tuin van de woonzorgcampus. Na aanleg bestaat de tuin in totaal uit 9 volkstuinen, met elk een oppervlakte van 16 m2. 8 tuintjes worden bewerkt door buurtbewoners, en huren deze tuintjes voor €25 per jaar. Eén tuintje (perceel 1) wordt bewerkt door de bewoners van het WZC zelf. Er zijn ook verhoogde bakken, die makkelijker bereikbaar zijn met een rolstoel. De verschillende tuintjes worden afgebakend met boordstenen. Ook zijn er verschillende fruitbomen geplant. Er is een berghok geplaatst met collectief werkmateriaal en er is een regenton voor water aanwezig.


PROCES In 2012 diende het woonzorgcentrum (in samenwerking met de sociale dienst van Langemark-Poelkapelle) een subsidie-aanvraag in bij VLM, wat het startschot betekende van volkstuin De Boomgaard. Het volkstuinpark ging in 2014 officieel van start met 9 volkstuinen. CASE-ONDERZOEK

INITIATIEF De aanleiding voor de aanleg van een volkstuin was het feit dat WZC De Boomgaard in een nieuw gebouw terecht kwam met een grote tuin, en ze in eerste instantie wouden tuinieren met de bewoners van het WZC. Bovendien speelde de vraag hoe het WZC zich meer kon engageren in de gemeente, en de buurtbewoners meer konden betrokken worden bij het WZC, om zo meer passage voor de bewoners te creëren. Een volkstuin was dus ideaal om beide ideeën concreet samen te brengen.

123


02

organisatie

WZC De Boomgaard

DAGELIJKS BEHEER

Velt Poelkapelle

Volkstuin De Boomgaard

Lagere school

Sociale dienst

WZC De Boomgaard De coördinatie en dagelijkse werking van de volkstuin wordt opgevolgd door Jelle Delombaerde (dienst animatie WZC). Indien de tuinier zijn tuin niet voldoende onderhoudt, wordt er snel gecommuniceerd en ingegrepen. De gemiddelde tuinier komt om de twee dagen naar de tuin, maar er kan gesteld worden dat elke tuinier zeker 2 keer in de week zijn moestuin onderhoudt.

Langemark-Poelkapelle

ALGEMEEN TUINBEHEER

PARTNERSCHAPPEN Sociale dienst Langemark-Poelkapelle Het volkstuinproject is ontwikkeld onder leiding van de directeur van het woonzorgcentrum De Boomgaard, in samenwerking met de sociale dienst van Langemark-Poelkapelle. In 2012 maakten zij het subsidiedossier op, waardoor de volkstuin van start kon gaan. vzw Velt In de eerste maanden na de opstart van de volkstuin was Velt (afdeling Poelkapelle) actief in de tuin om begeleiding (vb. tips op vlak van ontwerp van de tuin) en workshops (vb. over composteren en fruitbomen snoeien) te geven. Dit is op dit moment minder aanwezig in de tuin.

ecologie In het volkstuinpark staat duurzaamheid en biologisch tuinieren voorop. Dit wordt bewaakt door de tuiniers bij de aankoop van compost of bij het bewerken van de tuinen. Daarnaast is o.a. het gebruik van plastiek enkel in beperkte mate toegestaan en worden chemische mesten sproeistoffen verboden. Voorts zijn er composteerbakken aanwezig en een kippenren. Er is daarnaast ook bewust gekozen voor het niet voorzien van elektriciteit. Ook wordt getracht om preventief te werk te gaan door met aangepaste teeltmaatregelen ziekten en plagen te voorkomen. Monocultuur is verboden.

GROEPSREGELS Lagere school Het was ook de bedoeling om van in het begin lagere scholen van in de buurt te betrekken. Hoewel er rond deze samenwerking veel enthousiasme was, kwam er nog geen concrete samenwerking van de grond.

124

tuiniersreglement Er is een afsprakennota opgemaakt waarin wordt duidelijk gemaakt dat de volkstuin enkel bestemd is voor de ecologische teelt van groenten en kleinfruit. Dit wordt goed nageleefd.


03

BUDGETTEN werkingsbudget Het werkingsbudget is puur het geld, ontvangen door het lidgeld. subsidies In 2012 heeft de volkstuin €15.000 ontvangen via de subsidie van VLM. Ze dienden een tweede subsidieaanvraag in bij VLM, met het oog op het verbeteren van de toegankelijkheid van de volkstuin (voor bewoners die niet goed te been zijn) maar ontvingen deze niet. lidgeld en huurgeld De volkstuin is gelegen op de grond van het WZC, dus er moet geen huurgeld betaald worden voor de grond of het terrein. Wel wordt er 25€ lidgeld betaald door de tuiniers. In deze prijs is het gebruik van het aanwezige tuinmateriaal en water inbegrepen, en met de rest van dit budget wordt nieuw werkmateriaal aangekocht of kapot materiaal hersteld of vervangen. Het OCMW kan voor personen, die in begeleiding zijn bij de sociale dienst van het OCMW LangemarkPoelkapelle vrijstelling van deze kostprijs verlenen. acties en andere inkomsten Er is ook een projectsubsidie aangevraagd bij de Koning Boudewijnstichting, maar dit heeft het project niet gehaald.

tuinier

LEEFTIJD — EVOLUTIE

10

20

30

40

50

60

70 70

80 80

90

De gemiddelde leeftijd in de groep ligt rond 60-65 jaar, er zijn enkele jonge gezinnen maar evengoed ook mensen rond 30-40 jaar oud. Een gezonde mix dus. Daarnaast zijn de bewoners van het woonzorgcentrum ook actief in de tuin. In totaal zijn er 79 bewoners, waarvan uiteraard niet iedereen even actief is in de tuin.

MOTIEF Er zijn tuiniers jonger dan 18 jaar die vooral komen tuinieren om te leren van tuiniers met kennis, er zijn tuiniers met een andere cultuur (en die andere kruiden en groenten kweken), er zijn mensen vanuit het fedasil die komen tuinieren om hun steentje bij te dragen als vrijwilliger. De meeste tuiniers zijn actief in de tuin omdat hun privétuin niet groot genoeg is om zelf te tuinieren. De voedselproductie staat dus vrij centraal, maar ook het sociale aspect is een zeer belangrijke motivator.

IMPACT

Zonder de subsidie, was er geen volkstuin geweest, maar enkel een tuin voor het woonzorgcentrum.

De meeste moestuiniers wonen in de buurt, sommige zelfs vlakbij. Ze komen frequent naar de volkstuin, van verschillende keren per week tot zelfs dagelijks.

CASE-ONDERZOEK

AFSTAND WONING

125


04

sociale dynamieken

COMMUNICATIE Infoflash De oproep naar buurtbewoners bij de opstart van de volkstuin gebeurde via de infoflash (plaatselijke gemeentebrief). Ook werden flyers en een infobrief met foto’s naar de scholen in de buurt opgestuurd.

Sociale media Vandaag is er een facebookgroep voor de communicatie naar de buitenwereld. Interne communicatie naar de tuiniers gebeurt via e-mail of telefonisch.

ACTIVITEITEN Openingsreceptie Het eerste seizoen na de opstart van de volkstuin werd een receptie georganiseerd waarbij hapjes werden gemaakt door de tuiniers vanuit de eignen tuin. Educatie — workshops Ook werden er af en toe workshops georganiseerd door VELT (vb. bomen snoeien). Aan andere activiteiten zoals vormingen (op regelmatige basis) hebben de tuiniers minder behoefte aan. Opendeurdag Op de opendeurdag van het woonzorgcentrum staat de volkstuin wel altijd in de kijker, en jaarlijks wordt er ook een familiedag georganiseerd, waarbij de familie van de bewoners van het woonzorgcentrum vaak een bezoek brengt aan de volkstuin.

126


BUURTWERKING / RELATIE Minder toegankelijk karakter Er is in mindere mate een echte buurtwerking of relatie met de omgeven bewoners van het woonzorgcentrum.

NOOD/VRAAG

CASE-ONDERZOEK

Men wil de tuin van het woonzorgcentrum in de toekomst (rolstoel)toegankelijker maken (als park).

127


05

tuin

Buurtb

De vele den nog in de vo

01 — Ingang/toegankelijkheid De volkstuin ligt in de tuin van het woonzorgcentrum. Het is gesitueerd aan de rand van de gemeente Langemark-Poelkapelle. De volkstuin is toegankelijk voor de tuiniers en de bewoners (en bezoekers) van het woonzorgcentrum. De volkstuin is natuurlijk aangelegd en weinig verhard. De tuin heeft een open karakter en is zeer overzichtelijk. 02 — Voorzieningen De voorzieningen zijn redelijk basis: de verschillende tuinen zijn afgebakend met boordstenen, er zijn fruitbomen en er is een gemeenschappelijk berghok met veel werkmateriaal. Er zijn ook regentonnen aanwezig.

P 01

IMPACT Zonder de subsidie was het volkstuinpark nooit opgestart.

03 — Woonzorgcentrum De bewoners van het woonzorgcentrum onderhouden samen één perceel in de volkstuin, en geven af en toe tips aan de minder ervaren tuiniers in de volkstuin. Het zorgt voor een goede wisselwerking. 04 —Buurtbewoners Er zijn heel wat buurtbewoners rondom de volkstuin. Deze buurtbewoners vinden nog te weinig de weg naar de volkstuin of het WZC. 05 — Open ruimte De volkstuin is omgeven door open ruimte (weiland en akkers). Dit is een extra rustgevende factor om te ontspannen in de volkstuin en te genieten van de rust.

128

03


bewoners

04

KANTELMOMENTEN 2012 VLM-volkstuinsubsidie goedgekeurd De subsidieaanvraag en toekenning betekent de start van het volkstuinproject en het uitwerken van het concept en het uittekenen van het ontwerp van de tuin. 2014 start volkstuinpark Na een vlot realisatieproces, kunnen in 2014 de eerste gebruikers van start gaan op hun perceel.

02

2018 tweede aanvraag VLMvolkstuinsubsidie (afgekeurd) Een tweede subsidieaanvraag werd bij de VLM aangevraagd, in functie van het verbeteren van de connectie met de buurt (door te integreren in een park).

VRAGEN / NODEN 05

Volkstuin omgeven door akkers en weiland

Open ruimte als rustgevende factor in de volkstuin.

verdere uitbreiding terrein Voorlopig heeft de tuin voldoende ruimte, en is nog een perceel vrij op dit moment. Er is geen behoefte naar uitbreiding van het aantal volkstuinen. Wel wil men de tuin meer openstellen naar de buurt en inrichten als park. Deze financiële last kan het woonzorgcentrum niet alleen dragen. concept zit goed De bewoners van het woonzorgcentrum zijn enthousiast over de volkstuin. Er is meer passage in de tuin, en ook de bewoners kunnen actief deelnemen bij het kweken van groenten en kruiden.

CASE-ONDERZOEK

buurtbewoners worg te weinig betrokken olkstuin.

129


PROJECTFICHE

KONINKLIJK WERK VOOR DE VOLKSTUINEN SINT-NIKLAAS VZW Sint-Niklaas TYPE

locatie Lindenstraat 98A 9100 Sint-Niklaas

eigenaar VZW Koninklijk Werk Voor De Volkstuinen Sint-Niklaas

startjaar 1896

klassieke volkstuin

‘Sinds de uitbreiding van de volkstuin is er wel een verjonging opgetreden in de volkstuin’

Reden selectie De volkstuin is van alle bezochte volkstuinen de oudste. Het heeft een eerder klassieke insteek, aangezien het geen enkel collectief perceel aanbiedt. De volkstuin is gelegen in een binnengebied in centrum Sint-Niklaas, wat zeer uniek is. Het heeft via de VLM-volkstuinsubsidie een uitbreiding kunnen realiseren, en behoort dus niet tot de controlegroep. Verder is er een zeer nauwe samenwerking met de stad Sint-NIklaas.

LOCATIE Sint-Niklaas Oost-Vlaanderen

context — binnengebied woonblok

TUIN

26.338 m2 — totale opp.

TUINIERS

SUBSIDIES

122 16 130

individuele tuinen 100% collectief tuinieren 0%

actieve tuiniers/ huishoudens

wachtlijst van 16 tuiniers/ huishoudens

15.000 totaal VLM-volkstuinsubsidiebudget


lidgeld/huurgeld EUR 50,00 (afhankelijk van grootte perceel)

initiële doelgroep buurtbewoners

basis voorzieningen elektriciteit verlichting gas water collectief water individueel geen extra voorzieningen individuele tuinhuisjes collectief tuinhuis ontmoetingsruimte barbecue, pizzaoven, … picknicktafels zitbanken fietsenstalling sanitair serre boomgaard collectief composteren individueel composteren sportvoorzieningen vijver/poel bijenkast/insectenhotel kippen / andere dieren

CONTEXT planologische bestemming woongebied continuïteit

bibliotheek speeltuin / zandbak toegankelijkheid rolstoelgebruikers

tijdelijk

FOCUS

— overzicht subsidies

voedselproductie sociale functie VLM Stad Sint-Niklaas (€17 000)

CASE-ONDERZOEK

permanent, ondanks de druk op het binnengebied door geïnteresseerde projectontwikkelaars

CERA (€2500) 131


‘Men gaat hier eerder koriander kweken voor heel de familie in plaats van groenten uit eigen noodzaak.’ — drijfveer

‘Er is wel de evolutie dat men hier zo ecologisch mogelijk probeert te tuinieren. Dat is de laatste jaren sterk vermeerderd.’ — ecologisch tuinieren

‘We hebben een ideale ligging in centrum Sint-Niklaas. Projectpromotoren zijn hier aan het uitkijken, maar deze gronden moeten steeds een sociale invulling krijgen en de stad staat achter ons. We zijn hier wel nog eventjes hoor.’ — ligging

01

132

concept

TUINIERS

TUIN

De volkstuin was oorspronkelijk bedoeld door inwoners van Sint-Niklaas die wilden moestuinieren (vnl. grote gezinnen), om op die manier in hun eigen levensonderhoud te voorzien. Naar verloop van tijd werd het minder noodzakelijk om te moestuinieren, maar werd het voor de tuiniers meer en meer een hobby. Vandaag is er geen specifieke doelgroep betrokken, maar worden wel enkel tuiniers die inwoner zijn van Sint-Niklaas toegelaten.

De oorspronkelijke volkstuin telde een 90 tal percelen. In 2016 breidde de volkstuin uit met een aanpalend terrein, goed voor nog 30 bijkomende tuinen. De gronden zijn eigendom van de VZW Koninklijk Werk van den akker Sint-Niklaas. De volkstuin zelf is gelegen in een ruim binnengebied, in het centrum van Sint-Niklaas en is niet zichtbaar vanop de omliggende straten. De tuin bestaat uit uitsluitend individuele percelen. In totaal zijn er 122 percelen van gemiddeld 150 à 200 m² die worden bewerkt door 119 tuiniers (officieel).


PROCES Over het proces hoe de volkstuin is opgestart is weinig geweten, aangezien dit dateert van ongeveer 125 jaar geleden.

CASE-ONDERZOEK

INITIATIEF De volkstuin is in 1896 opgestart, omwille van een schenking van de SintVincentiusgemeenschap, die de gronden ter beschikking stelden om volkstuinen op te starten. Verdere informatie over het initiatief van de volkstuin wisten de beheerders niet te vertellen, gezien het al zo ver in het verleden ligt.

133


02

organisatie

Raad van Bestuur (8 personen) voorzitter penningmeester secretaris 3 bestuursleden

samenwerkingen met een nabijgelegen technische school (VTS), waar de tuinbouwrichting het praktijkgedeelte deels in de tuin kan uitoefenen.

...

Algemene vergadering (60 verkozen leden)

Leden van de vzw (tuiniers)

PARTNERSCHAPPEN VZW Koninklijk Werk voor de Volkstuin Sint-Niklaas De structuur van de volkstuin is zeer hiërarchisch en centraal staat de VZW. De raad van bestuur, bestaande uit 8 personen (voorzitter, secretaris, penningmeester, ondervoorzitter, opzichter, …), heeft relatief veel voor het zeggen, en zijn niet allen tuinier binnen de muren van de volkstuin. Ze worden verkozen op de jaarlijkse Algemene Vergadering. Hierop zijn 60 vaste (verkozen) leden uitgenodigd. De andere gebruikers zijn toegetreden leden, die niet deelnemen aan de algemene vergadering. Via een kandidatuurstelling kan men vacante plaatsen in de Algemene vergadering invullen. Naast de volkstuingebruikers zijn er ook losse leden (die enkel een abonnement hebben op het ledenblad van Tuinhier). Stad Sint-Niklaas Er is een goede, maar geen formele, wisselwerking met de stad Sint-Niklaas. Het is voornamelijk een financiële partner van de volkstuin.

134

Technische school (VTS) Daarnaast zijn er ook regelmatig

DAGELIJKS BEHEER Het dagelijks beheer van de volkstuin gebeurt individueel. Elk perceel wordt afzonderlijk bewerkt en ingericht. Ook is er geen gemeenschappelijk werkmateriaal voorzien. Indien een perceel door meerdere personen wordt bewerkt, is een aanmelding bij het bestuur verplicht.

ALGEMEEN TUINBEHEER engagement Er zijn geen werkdagen, noch gezamenlijke klussen. Tuiniers kunnen zelf een initiatief nemen om voordrachten of vormingen te organiseren, maar dit gebeurt amper in de praktijk.

GROEPSREGELS tuiniersreglement Er is een reglement dat door tuiniers wordt ondertekend bij de start. Hierin staan o.a. regels omtrent teelt, inrichting en onderhoud. Zo is men verplicht de composteerbak, serre en tuinhuis achterin het perceel te plaatsen, en ten minste 1 meter vooraan van bloemen te voorzien. Daarnaast moet men 10 verschillende gewassen telen, ter bestrijding van ziektes enzovoort. Het perceel en de aanpalende gemeenschappelijke paden dienen onderhouden te worden, zoniet wordt de tuinier herhaaldelijk gewaarschuwd (eerst mondeling, dan schriftelijk, dan aangetekend schrijven), waarna de samenwerking wordt stopgezet. Bemesting en bestrijdingsmiddelen zijn bij voorkeur


03

tuinier

biologisch.

MVX

Hoewel het reglement zeer uitgebreid is, wordt het niet altijd even goed nageleefd.

De tuiniers van de volkstuin vormen een goede afspiegeling van de bevolkingssamenstelling van de binnenstad (op vlak van migratieachtergrond, sociaal-economische situatie, …).

BUDGETTEN

subsidies In totaal kreeg de volkstuin heel wat subsidies: €15000 van VLM (2014), €17000 van de stad Sint-Niklaas (2016) en €2500 van CERA (2016). Hiermee werd de uitbreiding van de volkstuin gerealiseerd (gedeelte Breedstraat). Hiervoor was ook nog een deel eigen middelen nodig (ca. € 4000). lidgeld en huurgeld De grond is in eigendom van de VZW, dus hiervoor dienen geen kosten gemaakt worden. Gemiddeld betaalt de tuinier €50 à €60 per jaar (afhankelijk van de grootte van het perceel). Losse leden betalen €8 per jaar (kost van het tuinhier magazine). acties en andere inkomsten De kantine vormt een belangrijke bron van inkomsten. Deze is ieder weekend open op zaterdagvoormiddag van 10u tot 13u, waar consumptie mogelijk is aan schappelijke prijzen.

IMPACT Zonder de subsidies was de uitbrei-

LEEFTIJD — EVOLUTIE

10

20

30

40

50

60

70 70

80 80

90

De gemiddelde tuinier in deze volkstuin is 50 à 65 jaar. Het merendeel van de tuiniers is dus gepensioneerd en kan hierdoor heel wat tijd doorbrengen in de volkstuin (vaak dagelijks). Bij de uitbreiding van de volkstuin sloten ook meer jonge gezinnen/tuiniers aan.

MOTIEF De motieven om te tuinieren in de volkstuin verschillen van tuinier tot tuinier. Wel draait het voornamelijk over het resultaat, met name groenten van eigen kweek. Ook het sociale aspect speelt een rol in de volkstuin en het bezig zijn in de buitenlucht.

AFSTAND WONING Alle tuiniers zijn afkomstig van het centrum van Sint-Niklaas. Ze komen bijgevolg voornamelijk te voet of met de fiets.

CASE-ONDERZOEK

werkingsbudget Het werkingsbudget bestaat uit €500 van Tuinhier en de kleine subsidie van Sint-NIklaas (€150) + inkomsten van lidgelden. Hiermee wordt het onderhoud en herstellingen van werkmateriaal (bosmaaier en hakselaar, het enige gemeenschappelijke materiaal) gefinancierd. De grond is in eigendom van de VZW, dus hiervoor dienen geen kosten gemaakt worden.

ding niet gerealiseerd. 135


04

sociale dynamieken

COMMUNICATIE Mondeling De communicatie gebeurt in eerste instantie in de volkstuin zelf (mond aan mond) of via e-mail. Degene die daardoor niet bereikt kunnen worden, krijgen een brief in de bus. Er is ook een infobord buiten en binnen de kantine.

ACTIVITEITEN Kantine Iedere week is de kantine open op zaterdagvoormiddag. Hier zijn meestal een vaste groep tuiniers aanwezig. Maandelijkse activiteit Daarnaast wordt er maandelijks een activiteit georganiseerd, meestal in de kantine, waardoor de groep deelnemers beperkt is: nieuwjaarsreceptie, voordracht, ontbijt, algemene vergadering, bbq of wok-avond, busuitstap, mosselavond, breugelavond of kaasavond, …. Inschrijven is een must want de plaatsen zijn snel ingevuld.

136


BUURTWERKING / RELATIE Gesloten karakter De buren zijn nauwelijks of niet betrokken (indien ze er zelf niet tuinieren). De volkstuin is niet zichtbaar vanuit de buurt en de overlast vanuit de tuin is beperkt. Wel zijn er enkele buren die vanuit hun tuin een toegang voorzien naar de volkstuin, wat niet de bedoeling is.

NOOD/VRAAG Ze zouden graag nog een omheining plaatsen op het stuk dat nog niet is

CASE-ONDERZOEK

afgesloten.

137


05

tuin

01 — Ingang/toegankelijkheid De volkstuin ligt in het centrum van Sint-Niklaas in een binnengebied tussen de Lindenstraat, Hogenakkerstraat en Breedstraat. Ondanks deze centrale ligging, is de toegankelijkheid zeer beperkt. De ingang is een smal steegje dat uikomt op een kleine parking. 02 — Kantine Links van de ingang is er een kantine dat het kloppend hart is van de volkstuin op zaterdag.

IMPACT Dankzij de subsidies is de uitbreiding van de volkstuin er kunnen komen

02

01

P

(04). Hoewel men niet echt de meerwaarde ziet van de centrale ontmoetingsplaats (04) werd dit opgelegd vanuit de VLM-volkstuinsubsidie. 03 — Individuele percelen De volkstuin bestaat uit individuele percelen, elk met zijn eigen tuinhuis, werkmateriaal en compost. Van uniformiteit in de volkstuin is geen sprake. 04 — Recente uitbreiding volkstuin De uitbreiding bestaat uit 30 bijkomende percelen, waarvan één collectieve ontmoetingsplaats (centraal perceel met picknickbank). Buurtbewoners

De tuin is volledig omgeven door buurtbewoners, maar heeft een zeer gesloten karakter naar de buurt toe.

138

03


KANTELMOMENTEN

Bedrijvenzone

John Bean Technologies NV (JBT FoodTech) als rechtstreekse buur van de volkstuin.

1896 opstart volkstuin De volkstuin werd bijna 125 jaar geleden opgestart met oog op het faciliteren van groenten kweken voor bewoners van de stad Sint-Niklaas. 2012 aanvraag VLMvolkstuinsubsidie In 2012 vroeg het bestuur voor een eerste maal subsidies aan voor de uitbreiding van de volkstuin, maar het dossier werd niet goedgekeurd. 2014 VLM-volkstuinsubsidie ontvangen In 2014 werd hetzelfde dossier, na aanpassingen op de inspiratiedag, goedgekeurd. 2016 Uitbreiding volkstuin In 2016 kon de uitbreiding gerealiseerd worden door het groter budget, verkregen bij de stad en via CERA.

VRAGEN / NODEN Op het eerste zicht is er geen nood aan bepaalde dingen. Door de uitbreiding is de vraag al iets meer opgevangen (ondanks dat er nog steeds een wachtlijst is). Mocht er toch iets moeten veranderen, dan is het meer uniformiteit in de volkstuin creëren (bv. uniforme tuinhuizen en materialen). Ook wil men de omheining rond de tuin volledig afwerken.

CASE-ONDERZOEK

04

139


PROJECTFICHE

SAMENTUIN DE KANTELING Herzele

TYPE

locatie Molenstraat 51 9550 Woubrechtem (Herzele)

eigenaar VZW Leefboerderij De Kanteling

startjaar 2017

warme tuin

‘‘Ze genieten van de rust, de ruimte en het bezig zijn op hun tempo, naargelang wat ze kunnen en graag doen. Het geeft hen voldoening op alle vlak.’’ Reden selectie Deze volkstuin werd geselecteerd omdat het een warme tuin is, waarbij buurtbewoners en lagere schoolkinderen van een school uit de buurt samen tuinieren met personen met een zorgvraag. Hier primeert het sociale en educatieve aspect, en is de oogst een bijkomstig voordeel. Bovendien was er bij de opstart van de volkstuin een intense samenwerking met Velt. Ook vandaag zijn er af en toe nog workshops van Velt. Bovendien behoort de volkstuin tot een groter geheel, met name de leefboerderij De Kanteling.

LOCATIE Herzele Oost-Vlaanderen

context — langs woonlint

TUIN

80 m2 — totale opp.

TUINIERS

8 140

individuele tuinen 34% collectief tuinieren 66%

actieve tuiniers/ huishoudens

SUBSIDIES

0 geen wachtlijst

15.000 totaal VLM-volkstuinsubsidiebudget


initiële doelgroep zorgbehoevenden, kinderen/jongeren, maatschappelijk kwetsbare groepen

lidgeld/huurgeld EUR 0,00

basis voorzieningen elektriciteit verlichting gas water collectief water individueel geen extra voorzieningen individuele tuinhuisjes collectief tuinhuis ontmoetingsruimte barbecue, pizzaoven, … picknicktafels zitbanken fietsenstalling sanitair serre boomgaard collectief composteren individueel composteren sportvoorzieningen vijver/poel bijenkast/insectenhotel kippen / andere dieren

CONTEXT

bibliotheek

planologische bestemming landschappelijke waardevolle agrarische gebieden

toegankelijkheid rolstoelgebruikers

speeltuin / zandbak

continuïteit tijdelijk

— overzicht subsidies

FOCUS

sociale functie educatieve functie VLM Buurten op den buiten (€5000)

CASE-ONDERZOEK

permanent

141


‘Het feit dat er geen pesticiden mochten gebruikt worden was voor ons een evidentie.’ — ecologie

‘De sociale interactie en de spontane babbels dat de kinderen en deelnemers uit De Kanteling hebben met elkaar zijn echt wel een meerwaarde.’ — inclusie

‘Er zijn buurtbewoners die elkaar ook buiten de tuin ontmoeten, zoals samen naar de yoga of afrikaanse dans gaan. Misschien is dit ook niet echt onlogisch, want de samentuin brengt gelijkgezinden bij elkaar.’ — sociale dynamiek

01

142

concept

TUINIERS

TUIN

Samentuin De Kanteling is een volkstuin waar buurtbewoners, sympathisanten, vrijwilligers en lagere klassen van Herzeelse scholen (voornamelijk leerlingen van het derde en vierde leerjaar) samen tuinieren, en dit met bijstand van de deelnemers in De Kanteling. Deelnemers van De Kanteling zijn o.a. volwassenen met een beperking, voornamelijk met een verstandelijke beperking maar ook enkelen met een fysieke beperking (vb. mensen met een halfzijdige verlamming, een beperkte fijne motoriek,...). Rolstoelgebruikers zijn er niet in de samentuin, mede door het gebrek aan goede toegang tot de volkstuin. Daarnaast is het ook een plek waar mensen met gedragsstoornissen zoals ADHD, Autisme,... welkom zijn, alsook mensen met psychische kwesties (vb. na therapie of bij burn-out).

Samentuin De Kanteling is een goed voorbeeld van een warme tuin: een volkstuin die zich inzet op het sociale contact tussen buurtbewoners en bewoners van een zorgvoorziening. Het sociale contact in een warme tuin is belangrijker dan de grootte van de oogst. De tuin is gelegen op Leefboerderij De Kanteling, een dagbesteding voor mensen met een bepaalde ondersteuningsnood. Het is een samentuin van om en bij 80 m2 en is niet toegankelijk voor buitenstaanders. Er zijn naast collectieve percelen ook enkele individuele percelen. Deze laatste worden bewerkt door 3 tuiniers/gezinnen. De andere worden collectief en in samenwerking met de dagbesteding De Kanteling bewerkt.


PROCES Het idee speelde reeds om een samentuin op te starten, maar het effectieve duwtje in de rug was dankzij het krijgen van de VLMvolkstuinsubsidie in 2017 (€15 000) en middelen vanuit het project Buurten op den buiten in 2019 (€5000). Met deze middelen kon de ondersteuning vanuit vzw Velt gefinancierd worden, wat belangrijk was naar concrete uitvoering bij de opstart van de tuin, bv. om de eerste vergadering voor te bereiden.

CASE-ONDERZOEK

INITIATIEF De volkstuin is opgestart omwille van de verschillende functies die een samentuin heeft voor de tuiniers. Voor de kinderen uit de lagere school is het educatieve aspect van bijzonder belang. Voor de buurtbewoners en vrijwilligers primeert het sociale belang. Maar vooral het inclusief aspect van de deelnemers van de leefboerderij is een overkoepelend doel van de tuin. Zo komen mensen met een zorgvraag op een bepaalde manier in contact met de buitenwereld.

143


02

organisatie

Leefboerderij De Kanteling

Samentuin De Kanteling

DAGELIJKS BEHEER

samentuinders

...

basisschool

maatschappelijke

thuiszorgdiensten

vzw Velt Vanaf de opstart van de volkstuin is vzw Velt betrokken geweest bij de samentuin, vnl. in functie van begeleiding in de organisatie van de samentuin als de kennis rond het ecologisch tuinieren.

OCMW

werkers

PARTNERSCHAPPEN Individuele aanmelding Een samenwerking met een concrete instelling in de buurt is er niet. De aanmelding van potentiële tuiniers gebeurt eerder via doorverwijspersonen, maatschappelijke werkers, ouders, thuiszorgdiensten, ... OCMW Herzele Er is wel een samenwerking met OCMW Herzele. Toen hun volkstuin werd opgedoekt, konden de mensen die actief waren op de volkstuin (vnl. sociaal kwetsbare groep) aansluiten bij de samentuin. Dit kan vandaag nog steeds. Basisschool Daarnaast is er ook een samenwerking met de basisscholen van Herzele, zodat klassen op bezoek kunnen komen in de samentuin om bij te leren over tuinieren en het zelf produceren van voedsel.

ALGEMEEN TUINBEHEER ecologie In samentuin De Kanteling wordt er ecologisch getuinierd. Het is dus een evidentie dat pesticiden niet worden gebruikt. Ook wordt er gebruik gemaakt van zaadvaste rassen, wordt er gecomposteerd en wordt de mest van de paarden en ezels van de leefboerderij gebruikt als mest. keuze zaden De tuiniers kunnen kiezen welke zaden worden geplant, maar dan wel volgens een wisselteeltplan. De beslissingen worden gemaakt tijdens een vergadering. Een bijkomend doel is hierbij dat er zo weinig mogelijk zaden worden aangekocht, maar wordt verkregen door zaad te winnen. oogst Oogsten gebeurt op twee manieren. Enerzijds wordt er op een alternatieve manier geoogst zoals drogen, fermenteren, ... Dit gebeurt o.a. samen met de kinderen van de lagere school. Anderzijds blijft een deel van de oogst staan om te kunnen opschieten, en op die manier het jaar nadien het zaad te kunnen gebruiken voor volgend jaar. De oogst wordt gedeeld onder alle samentuinders.

GROEPSREGELS

144

engagement zonder druk Het engagement bij de tuiniers is eerder


vrijblijvend. De achterliggende doelstellingen primeren op de oogst, zodus is het veel belangrijker om principes zoals ‘al doende, leert men’ mee te kunnen geven, en te tonen tot wat de tuiniers zelf in staat zijn. Hierbij wordt nooit een bepaalde druk opgelegd. tuiniersreglement Er is een gebruikersovereenkomst die bepaalde afspraken in de volkstuin verduidelijkt, zoals het verbod op roken in de tuin, of het feit dat er zorg moet gedragen worden voor het werkmateriaal (en dus steeds op de juiste plaats teruggelegd moet worden),... Daarnaast geeft het reglement ook mee dat er altijd wordt samengewerkt met mensen met een beperking. Bij de collectieve percelen wordt er ook samengewerkt met kinderen/lagere school.

BUDGETTEN werkingsbudget De kost van de zaden wordt gedeeld onder alle tuiniers van de gemeenschappelijke tuin. De tuiniers actief in de individuele tuinen betalen zelf de zaden. subsidies De samentuin kreeg een VLM-volkstuinsubsidie van 15 000 euro in 2017 om het volkstuinpark te realiseren. Deze middelen werden enerzijds gebruikt voor de aanleg van de tuin en de aankoop van werkmateriaal, en anderzijds voor de begeleiding van Velt. lidgeld en huurgeld Er wordt geen lidgeld gevraagd maar wel een eenmalige waarborg van €25. De Leefboerderij heeft de grond ter beschikking gesteld en is dus gratis. acties en andere inkomsten Via de Koninging Boudewijnstichting en VLM kreeg de samentuin ook middelen vanuit het project ‘Buurten op den buiten’ (€5000).

IMPACT Zonder de VLM-volkstuinsubsidie was het volkstuinpark nooit opgestart.

tuinier

MVX Het profiel van de samentuinder is heel gevarieerd: van gepensioneerd, tot heel actief, mensen met een burn-out of kinderen.

LEEFTIJD — EVOLUTIE

10

20

30

40

50

60

70 70

80

90

De leeftijd van de tuiniers varieert tussen 14 en 65 jaar. Vooral de actieve bevolkingsgroep en de pas gepensioneerden komen tuinieren in het volkstuinpark. Verscheidene tuiniers bewerken hun perceel met het hele gezin.

MOTIEF Elke samentuinder heeft zo zijn redenen om te tuinieren: sommige komen tuinieren om de eenzaamheid tegen te gaan, anderen omdat ze weinig tijd hebben maar wel achter het biologische idee staan (en dus niet alleen een tuin kunnen onderhouden), anderen doen het puur voor het sociale engagement dat ze aangaan.

AFSTAND WONING De meeste moestuiniers wonen in de buurt, sommige zelfs vlakbij. Ze komen frequent naar de volkstuin, gemiddeld 2 à 3 keer in de week.

CASE-ONDERZOEK

03

145


04

sociale dynamieken

COMMUNICATIE Praktische zaken De praktische zaken worden steeds op verschillende manieren gecommuniceerd: er is een uithangbord aan de ingang van de Leefboerderij, maar daarnaast wordt er ook allerhande informatie doorgemaild. Vaak gebeurt de communicatie ook face-to-face.

Website — sociale media Leefboerderij De Kanteling is actief op Facebook en heeft een website, waarbij evenementen worden gedeeld met de volgers, en achteraf ook de foto’s. Naast de activiteiten op de leefboerderij worden ook de activiteiten die specifiek doorgaan op de samentuin hierop gecommuniceerd. Ook de werving van nieuwe samentuinders gebeurt via deze kanalen.

ACTIVITEITEN Rondleidingen De samentuin krijgt regelmatig specifiek de vraag van organisaties of groepen voor rondleidingen. Opendeurdag Er is al eenmalig een opendeurdag geweest waarop de leefboerderij en de samentuin werden opengesteld voor het grote publiek. Op die manier konden buurtbewoners of andere geïnteresseerden kennis maken met De Kanteling waardoor de betrokkenheid werd vergroot. De tweede keer waarop de leefboerderij en de samentuin werden opengesteld was eerder voor het dichte netwerk van de tuiniers. Er is bewust gekozen om dit niet jaarlijks te herhalen, om te vermijden dat er op termijn een verminderende belangstelling is. 146


BUURTWERKING / RELATIE

CASE-ONDERZOEK

toegankelijkheid Hoewel de activiteiten op de samentuin zich buiten het zicht van de buurt afspelen, is de communicatie naar de buitenwereld wel zeer toegankelijk, wat maakt dat de buurt min of meer wordt betrokken. Op de georganiseerde evenementen, acties of andere speciale gelegenheden wordt de buurt vaak uitgenodigd.

147


05

tuin

01 — Ingang/toegankelijkheid De volkstuin ligt te midden van de leefboerderij De Kanteling en is niet zichtbaar vanop straat. Er is geen aparte ingang voorzien voor de samentuin. Om binnen te gaan kunnen de samentuinders steeds aanbellen.

02 — Leefboerderij De Kanteling Leefboerderij De Kanteling is een plek voor dagbesteding voor jongeren of volwassenen met een zorgvraag. Er zijn allerlei dieren die verzorging nodig hebben, maar ook de moestuin is een belangrijk aspect binnen de dagbesteding.

IMPACT Zonder de VLM-volkstuinsubsidie was de samentuin nooit opgestart.

01

03 — Buurtbewoners De tuin is minder toegankelijk voor de buurt, aangezien de activiteiten zich steeds achter de muren van de leefboerderij afspelen. De samentuinders komen wel steeds vanuit de buurt. 04 — Agrarisch gebied De omgeving van de samentuin wordt gekenmerkt door landschappelijk waardevol agragrisch gebied. Het open landschap doet de leefboerderij extra opgaan in de open ruimte wat voor extra rust zorgt bij de tuiniers.

148

03

P


04

KANTELMOMENTEN 2017 subsidie goedgekeurd De toekenning van de VLMvolkstuinsubsidie betekende een effectieve realisatie van het idee van een samentuin op de leefboerderij. Met behulp van begeleiding van Velt kwam de samentuin tot stand.

VRAGEN / NODEN Verdere uitbreiding terrein Er is weinig nood aan meer of nieuwe infrastructuur en de inrichting van de tuin is goed zoals het vandaag is. Wel speelt de ambitie om een verder uit te breiden. Hiervoor zijn extra financiële middelen wel een must.

02

CASE-ONDERZOEK

03

149


PROJECTFICHE

VOLKSTUIN BOERSE POORT Gent

TYPE

locatie Mahatma Ghandistraat 9000 Gent

eigenaar Gemeente

startjaar 2013

samentuin

‘Er is hier altijd wel iemand om een praatje met te slaan. En als ik een vraag heb kan ik die gerust stellen.’

Reden selectie De reden waarom de Boerse Poort is geselecteerd is omwille van het feit dat het deel uitmaakt van een grotere groenstructuur, het een enorme grootte en een groot aantal tuiniers heeft en dit in stedelijke context. Ook is er een lange wachtlijst, en is er vraag naar uitbreiding. Het is een samentuin, waarbij buurtbewoners samen kunnen tuinieren in volle grond en op een ecologische manier. De volkstuin kon beroep doen op zowel de VLMvolkstuinsubsidies als subsidies van Stad Gent. De Boerse Poort behoort bijgevolg niet tot de controlegroep.

LOCATIE Gent Oost-Vlaanderen

context — rand van groengebied

TUIN

30.000 m2 — totale opp.

TUINIERS

SUBSIDIES

325 60 150

individuele tuinen 88% collectief tuinieren 12%

actieve tuiniers/ huishoudens

60 potentiële tuiniers/ huishoudens

15.000 totaal VLM-volkstuinsubsidiebudget


initiële doelgroep buurtbewoners

lidgeld/huurgeld EUR 1/m2

basis voorzieningen elektriciteit verlichting gas water collectief water individueel geen extra voorzieningen individuele tuinhuisjes collectief tuinhuis ontmoetingsruimte barbecue, pizzaoven, … picknicktafels zitbanken fietsenstalling sanitair serre boomgaard collectief composteren individueel composteren sportvoorzieningen vijver/poel bijenkast/insectenhotel kippen / andere dieren

CONTEXT

bibliotheek

planologische bestemming gebieden voor verblijfrecreatie/ natuurgebied/park

toegankelijkheid rolstoelgebruikers

speeltuin / zandbak

continuïteit tijdelijk

— overzicht subsidies

FOCUS

voedselproductie sociale functie VLM-volkstuinsubsidie Stad Gent (€15 000)

CASE-ONDERZOEK

permanent

151


‘Er gebeurt hier naast tuinieren ook allerlei andere zaken, zoals champignons kweken of bier brouwen. Ook imkers zijn hier actief!’ — randactiviteiten

‘Als de werkdagen geen succes zijn en er weinig tuiniers aanwezig zijn dan is dat zo. We gaan daar niet over klagen en zagen. Dan besteden we dat uit, zeer eenvoudig.’ — engagement

‘Op ons passief huis zijn we wel zeer trots! Samen met een groepje tuiniers hebben we dat hier gezet.’ — collectief tuinhuis

01

152

concept

TUINIERS

TUIN

Bij de opstart van de volkstuin was het de bedoeling om zoveel mogelijk buurtbewoners te betrekken. Uit de ledenlijst blijkt dat 99% van de tuiniers die vandaag actief zijn in de volkstuin afkomstig is uit de wijk ‘Brugse Poort’. Hoewel slechts 1% van elders komt, en de samenstelling van de groep zeer divers is (van jonge gezinnen tot gepensioneeerden en een mix van nationaliteiten), zijn de tuiniers geen afspiegeling van de bevolking in de Brugse Poort. Binnen de volkstuin primeert de voedselproductie, met daarnaast de sociale aspecten.

De volkstuin is de eerste ecologische tuin met passief collectief tuinhuis. Dit passief huis werd met enkele tuiniers opgebouwd. Een bodemonderzoek wees uit dat er heel wat historische vervuiling was op de site (vuilnisbelt scherven, industriële vervuiling). Hierdoor moest er worteldoek komen en de bodem opgehoogd worden. Verder is het sociale aspect ook van enorm belang, waardoor individuele koterijen en constructies niet toegelaten zijn. De nadruk ligt op samenwerken, waardoor er geen omheining rond de percelen is, De meeste percelen (in totaal 80) worden wel individueel bewerkt, maar er zijn ook 8 collectieve percelen die door een groep tuiniers samen wordt bewerkt. De kleinste tuin is 50m2 en de grootste tuin is 150m2.


PROCES De effectieve opstart van de volkstuin begon bij het vinden van de juiste locatie. Hierbij heeft de groendienst een belangrijke rol gespeeld, door het aanduiden van de huidige locatie. De stad zag dit als een win-win (gratis gebruik van het terrein in ruil voor het groenbeheer). De volledig verkregen subsidiepot werd gebruikt voor het gebruikklaar maken van de tuinen (ophogen van de grond), het bouwen van het passief gemeenschappelijk tuinhuis en de aankoop van het collectief werkmateriaal.

CASE-ONDERZOEK

INITIATIEF De volkstuin is opgestart vanuit de noodzaak aan meer groen in de Brugse Poort. Er waren met het project ‘zuurstof aan de Brugse Poort’ al heel wat initiatieven opgestart, zoals de stadsimkerij en groentenbakken bij Trafiek in het Pierkenspark. Mensen die bij deze projecten elkaar heel snel hadden gevonden, kwamen met het plan om een volkstuin op te starten. Er kwam dus ook initiatief vanuit de wijk zelf (topdown en bottum-up tegelijkertijd).

153


vv

02

organisatie

Stad Gent

VLM €

DAGELIJKS BEHEER Tuiniers op gelijke hoogte met bestuur (informele hiërarchie)

Bestuur In de volkstuin is er een bestuur aangeduid, maar dit is eerder informeel, en gebeurt om wettelijk in orde te zijn. Er is in de praktijk dus geen voorzitter of kasbeheerder, ... Men is heel snel gebotst op een werkbaar model waarbij elke tuinier op gelijke hoogte staat en evenveel verantwoordelijkheid draagt voor de volkstuin. Indien men bij elkaar opmerkt dat de tuin niet wordt bewerkt of juist te rijp worden (en in zaad schieten), krijgt met een waarschuwing.

ALGEMEEN TUINBEHEER

PARTNERSCHAPPEN Stad Gent Er zijn weinig concrete partnerschappen bij volkstuin Boerse Poort, maar de Stad Gent heeft wel een belangrijk aandeel gehad bij de opstart van de volkstuin en de huidige werking. Zo heeft de stad in 2013 voor een financiële impuls gezorgd en een locatie aangereikt via erfpacht. De grote onderhoudswerken worden ook opgenomen door de stad. Jaarlijks krijgt de volkstuin nog extra financiële steun (milieusubsidie in het kader van educatieve doeleinden). Er is een goede samenwerking (er is een win-win-situatie voor zowel de volkstuin als stad Gent). VLM De VLM-volkstuinsubdsidie bracht in 2012 meer budget in de pot voor de realisatie van het passief collectief tuinhuis. Zonder deze bijdrage zou het tuinhuis nooit gebouwd kunnen worden en bijgevolg het hart van de volkstuin niet gerealiseerd zijn. Dit maakt dat de VLM puur een financiële partner was, maar wel een belangrijke in functie van de opstart.

154

ecologie De volkstuin was de eerste ecologische volkstuin in Vlaanderen. Het algemeen tuinbeheer verloopt dan ook volgens de regels van het ecologisch tuinieren: het bewerken van het land gebeurt zonder diepe grondbewerking, met maximale bodembedekking. Compost en humus vormen de basis voor een voedingsrijk bodemleven voor het telen van groenten. Er worden geen schadelijke bestrijdingsmiddelen gebruikt en de bewerkingsmethode tracht de bodem en het milieu zo weinig mogelijk uit te putten. Er wordt gestreefd naar een zo groot mogelijke diversiteit in en rond de tuinen. Lokale soorten mee in stand houden draagt daar toe bij.

GROEPSREGELS werkdagen Maandelijks wordt een werkdag georganiseerd, gecombineerd met een kookinitiatief, wat maakt dat er meer tuiniers op de werkdagen aanwezig zijn. Op de werkdagen wordt er gekuist, worden de paden vrijgemaakt van de gemeenschappelijke delen (beheer van het klein groen). Het groot onderhoud (bv. als een boom dreigt te vallen) gebeurt door de stad.


03

tuinier

MVX tuiniersreglement Er is een reglement waarin is opgenomen dat er ecologisch moet worden getuinierd en dat constructies in de volkstuin niet toegelaten zijn. Ook het belang van het gemeenschappelijk overleg en de toegankelijkheid voor de buurt wordt hier in geduid. Dit wordt zonder al te grote problemen opgevolgd door de tuiniers.

BUDGETTEN subsidies De volkstuin kreeg de VLM-volkstuinsubsidie van 15 000 euro in 2012 en een bijkomend bedrag van 15 000 euro van Stad Gent (in 2013) om het volkstuinpark te realiseren, in het bijzonder het passief collectief tuinhuis. lidgeld en huurgeld Er wordt 1€lidgeld gevraagd per m2 per jaar. Gemiddeld komt dit neer op min. 60€ tot max. 150€ per jaar. De gronden zelf van de volkstuin zijn in erfpacht (voor een periode van 33 jaar bij de stad Gent). acties en andere inkomsten De volkstuin krijgt jaarlijks van Stad Gent een milieusubsidie, goed voor een bedrag van €1700. Dit wordt geïnvesteerd in workshops of vormingen met educatieve doeleinden.

Er is een sociale mix aanwezig in de volkstuin maar het kan beter. De groep tuiniers is geen afspiegeling van de Brugse Poort.

LEEFTIJD — EVOLUTIE

10

20

30

40

50

60

70

80

90

Naast de oudere tuiniers (gepensioneerden) zijn er ook heel wat jonge gezinnen en veertigers of vijftigers actief op de volkstuin. De laatste jaren zijn er als maar meer jongere tuiniers die zich aanmelden op de wachtlijst.

MOTIEF De motivatie van de tuiniers is in deze volkstuin voornamelijk gericht op voedselproductie. De meerwaarde zit in de sociale aspecten van de volkstuinen (bv. uitwisselen van kennis of zaden/planten) en het feit dat er niet moet geïnvesteerd worden in werkmateriaal.

IMPACT Zonder de VLM-volkstuinsubsidie en de subsidie van Stad Gent was er nooit een passief gemeenschappelijk tuinhuis kunnen gebouwd worden en was er geen “kloppend hart” voor de volkstuin.

99% van de tuiniers wonen in de Brugse Poort. Deze wijk ligt op een boogscheut van de volkstuin, wat maakt dat de meeste tuiniers binnen een straat van 3 km rond de volkstuin wonen. De meeste tuiniers komen dan ook met de fiets.

CASE-ONDERZOEK

AFSTAND WONING

155


04

sociale dynamieken

COMMUNICATIE Boerenbrief Op onregelmatige basis wordt een nieuwsbrief verstuurd (via e-mail) met het reilen en zeilen van op de volkstuin en de geplande activiteiten. Deze ‘boerenbrief’ wordt geschreven door iemand die daar op dat moment zin in heeft (het is dus geen toegewezen of verplicht postje).

Website — sociale media De Boerse Poort is ook actief op Facebook en deelt naar de buitenwereld toe nu en dan een bericht over de voorbije activiteiten met bijhorende foto’s. Ook de geplande evenementen komen hier aan bod, of allerlei weetjes over tuinieren worden gedeeld.

ACTIVITEITEN Algemene vergadering Eén maal per jaar wordt de algemene vergadering georganiseerd, waarop alle tuiniers zijn uitgenodigd. Het is de gelegenheid om problemen aan te kaarten of behoeftes te duiden (bv. meer compost). Frietfeest Jaarlijks gaat er een frietfeest door op de volkstuin voor de tuiniers. Het is de ideale gelegenheid om de groep tuiniers beter te leren kennen. Knotdag op tweede Kerst Op tweede Kerst komen de tuiniers samen om de knotwilgen gezamenlijk te snoeien. Het is op die dag altijd nog een beetje feest.

156


BUURTWERKING / RELATIE

CASE-ONDERZOEK

Toegankelijkheid Hoewel de volkstuin gericht is op extra groen voor de Brugse Poort is de volkstuin net gelegen buiten de Brugse Poort, op een iets afgelegen plek vlak naast een groengebied. Dit maakt dat het geen open karakter heeft (je moet de volkstuin weten zijn). Eenmaal men de locatie van de volkstuin kent, is het een mooie plek om te passeren of er door te wandelen (stuk met collectieve delen) en vormt het een mooi vertrekpunt voor een wandeling door de Bourgoyen-Ossemeersen.

157


05

tuin

04 Nabijgelegen groenstructuur De volkstuin als buffer voor de nabijgelegen groenstructuur

01 — Ingang/toegankelijkheid De volkstuin is gelegen achter een doortrekkersterrein van Stad Gent aan de rand van een groengebied. De volkstuin is bereikbaar via een grintwegel, waardoor de plek eerder verscholen is dan zichtbaar naar de buurt. De volkstuin zelf heeft een open karakter en is zeer overzichtelijk. Het is vrij toegankelijk als iemand van de tuiniers aanwezig is. 02 — Individuele percelen en passief collectief tuinhuis Het passief collectief tuinhuis is het kloppend hart van de volkstuin. Hier is een keuken met de mogelijkheid om iets te drinken, sanitair, per perceel een opbergkast en een collectiefopbergkast voor al het werkmateriaal. 03 — Collectieve percelen Meer geïntegreerd met de groenstructuur zijn de collectieve percelen terug te vinden. Ze worden bewerkt door meerdere tuiniers samen. Hier wordt ook meer geëxperimenteerd met andere teelttechnieken, bv. permacultuur. 04 — Nabijgelegen groenstructuur De volkstuin is gelegen op de rand van een groengebied, BourgoyenOssemeersen, en vormt de buffer van dit groengebied ten opzichte van de stedelijke infrastructuur (hoofdzakelijk wegenis en bebouwing). 05 — Doortrekkersterrein Stad Gent Vlakbij de volkstuin is een doortrekkersterrein van Stad Gent gelegen. Hier staan nu en dan woonwagens van rondtrekkende woonwagenbewoners. De overlast voor de volkstuin is hier beperkt, al heeft men wel het sanitair moeten sluiten.

158

02


KANTELMOMENTEN 2012 VLM-volkstuinsubsidie goedgekeurd De toewijzing van de VLMvolkstuinsubsidie heeft ervoor gezorgd dat het idee om een volkstuin te realiseren voor de Brugse Poort mogelijk werd. Ook heeft dit bijgedragen tot de bouw van het passief collectief tuinhuis.

03

2013 Subsidie Stad Gent De subsidie, gekregen via Stad Gent, heeft ertoe bijgedragen dat de realisatie van het passief collectief tuinhuis een werkelijkheid werd.

01

VRAGEN / NODEN

Doortrekkersterrein Stad Gent

Het terrein biedt plaats aan maximaal 25 woonwagens in functie van rondtrekkende woonwagenbewoners.

P

Verdere uitbreiding terrein De volkstuin heeft een enorme wachtlijst. Deze is zo lang, dat ze werd afgesloten om gemotiveerde tuiniers niet te ontmoedigen. Er is dus zeker vraag naar een uitbreiding van de volkstuin. Qua voorzieningen zit het volgens de tuiniers meer dan goed.

CASE-ONDERZOEK

05

159


PROJECTFICHE

VOLKSTUIN ZEEBRUGGE Zeebrugge

TYPE

locatie Hoek Veerbootstraat met Venetiëstraat, 8380 Zeebrugge

eigenaar Vlaams Gewest - Departement Maritieme Toegang

startjaar 1959

klassieke volkstuin

‘Dit is mijn tuin. Ik ben hier dagelijks! Ik eet geen groenten meer uit de supermarkt, geef mij maar mijn eigen courgetten.’

Reden selectie De volkstuin in Zeebrugge bestaat al zeer lang (sinds 1959) en is een klassieke volkstuin. Ook hebben ze nog geen subsidies aangevraagd, noch bij VLM als bij andere instanties (omdat er geen nood aan was). Deze volkstuin behoort dus tot de controlegroep. Hoewel de volkstuin al lang op dezelfde locatie is gelokaliseerd, wordt ze vandaag bedreigd door infrastructuurwerken, en is ze bestaansonzeker.

LOCATIE Zeebrugge West-Vlaanderen

context — woonzone

TUIN

3.000 m2 — totale opp.

TUINIERS

SUBSIDIES

16 10 160

individuele tuinen 100% collectief tuinieren 0%

actieve tuiniers/ huishoudens

10 potentiële tuiniers/ huishoudens

0 totaal VLMvolkstuinsubsidiebudget


initiële doelgroep Groep rijkswachters uit de buurt

lidgeld/huurgeld EUR 23,00 (incl. jaarabonnement op Tuinhiermagazine (€23,00))

basis voorzieningen elektriciteit verlichting gas water collectief water individueel geen extra voorzieningen individuele tuinhuisjes collectief tuinhuis ontmoetingsruimte barbecue, pizzaoven, … picknicktafels zitbanken fietsenstalling sanitair serre boomgaard collectief composteren individueel composteren sportvoorzieningen vijver/poel bijenkast/insectenhotel kippen / andere dieren

CONTEXT planologische bestemming zone voor volkstuinen (BPA) continuïteit

bibliotheek speeltuin / zandbak toegankelijkheid rolstoelgebruikers

tijdelijk

— overzicht subsidies

FOCUS

voedselproductie sociale functie VLM Stad Brugge

CASE-ONDERZOEK

permanent, maar wel bestaansonzeker op de huidige locatie.

161


‘Een reglement is hier in feite niet nodig hoor, de meesten onderhouden hun perceel goed. Maar je weet nooit natuurlijk.’ — reglement

‘Op zich is dat niet slecht dat alle communicatie nog op papier gebeurt. Zo is iedereen ten minste op de hoogte!’ — communicatie

‘De wedstrijd rond de mooiste bloemenweide is geweldig. De concurrentie is groot, maar het brengt ons wel heel erg samen!’ — sociale dynamiek

01

162

concept

TUINIERS

TUIN

De volkstuin had initieel als doelgroep de rijkswachters van in de buurt, maar dit is vandaag geëvolueerd naar buurtbewoners. De meeste tuiniers komen bijgevolg voornamelijk van +/- 2 km uit de buurt. Er worden wel soms partners betrokken bij de volkstuin, maar deze zijn niet actief aanwezig in de volkstuin.

Om de volkstuin gebruikensklaar te maken moest het oneffen, drassig rietveld worden opgehoogd met grond uitgegraven uit het SintFilipsdok. Dit maakte dat de grond zeer rijk was aan voedingsstoffen (door de fossielen) om te tuinieren. Er is ook geen historische vervuiling. Er zijn sinds de start 6 tuinen bijgekomen (van 10 percelen naar 16 percelen), die individeel worden bewerkt. De grootte van de percelen variëren, maar zijn gemiddeld 200 m2 groot. De volkstuin is vrij toegankelijk, en heeft een vrij open karakter, al zijn er toch hier en daar individuele tuinhuizen die het zicht over de volledige volkstuin beperken.


PROCES De eerste jaren na de opstart van de volkstuin werd deze zeer intens gebruikt om voedsel te produceren. Vanaf de jaren ‘70-’80 was de volkstuin zeer verwaarloosd en volgebouwd met parasietgebouwen. In de jaren ‘90 werd de volkstuin opgeknapt en opgefrist door de dienst Maritieme Toegang (waartoe de gronden behoorden) en werd het een stadsgedragen project. Sindsdien verkeert ze in de staat zoals ze vandaag is. Er wordt nu gekeken voor een uitbreiding en/of een herlokalisatie, afhankelijk wat de plannen zijn m.b.t. de naburige infrastructuurwerken voor de uitbreiding van de zeesluis.

CASE-ONDERZOEK

INITIATIEF De volkstuin is in 1959 opgestart, in functie van voedselproductie en met als doelgroep de rijkswachtersbrigade van in de nabijgelegen commissariaat. De insteek was oorspronkelijk puur voedselgericht, maar is geleidelijk aan geëvolueerd naar ontspanning en sociale aspecten van de volkstuin. Het tuinieren gebeurt dan ook individueel, maar het sociale aspect is zeker aanwezig.

163


02

organisatie

Stad Brugge (€)

ALGEMEEN TUINBEHEER

Tuinhier Zeebrugge

Gebruikers - algemene vergadering

KABA

PARTNERSCHAPPEN vzw Tuinhier (afdeling Zeebrugge) Vzw Tuinhier is de katalysator van de volkstuin, de lokale afdeling van Tuinhier (afdeling Zeebrugge) is de beheerder van de volkstuin. Sociale kruidenier de KABA Een andere partners die word betrokken bij de volkstuin is de KABA, een sociale kruidenier dat deel uitmaakt van een samenwerkingsverband tussen het OCMW Brugge, de Stad Brugge en CAW Noord-West-Vlaanderen. Voedseloverschotten vanuit de volkstuin worden aan hen geleverd waarna confituur of gelei wordt gemaakt, of gerechten, gemaakt van de overschotten worden diepgevroren.

DAGELIJKS BEHEER

164

Bestuur Er is een bestuur met voorzitter, maar die is niet zo allesoverheersend. Er is eerder een vlakke structuur bij het beheer van de tuin, die moet toelaten dat iedereen zijn ding kan doen. De voorzitter van de volkstuin is eerder het aanpsreekpunt voor de buitenwereld.

ecologie In het volkstuinpark staat ecologisch tuinieren voorop. Daarnaast worden dode materialen zoals stenen, verhardingen, kunststof, etc. zoveel mogelijk geweerd in de tuin. engagement Niemand wordt met de vinger gewezen, maar er is wel sociale controle. Tuiniers die hun tuin niet voldoende onderhouden worden daar vriendelijk op aangesproken en er wordt samen naar oplossingen gezocht. Er is eerder een vlakke organisatiestructuur bij het beheer van de tuin, die moet toelaten dat iedereen zijn ding kan doen. Tuiniers komen gemiddeld 3 à 4 keer in de week voor een tweetal uur, sommige komen iets minder frequent maar wel telkens voor een halve dag tuineren.

GROEPSREGELS vrijwillig engagement Van de tuiniers wordt verwacht dat ze engagement tonen door zich in te schrijven bij Tuinhier. Verder worden de tuiniers in hun initiatieven ondersteund. Iedereen neemt op zich waartoe hij/zij zich het meest geroepen voelt. Iemand die graag uitstapjes organiseert zal zich bijvoorbeeld ontfermen over de jaarlijkse busreis. Iemand die graag vormingen organiseert, kan gerust een workshop regelen in de volkstuin als hiervoor interesse is. tuiniersreglement Er is momenteel een gebruikersovereenkomst in opmaak, opgebouwd rond de waarden en normen van de tuin: openheid binnenin de tuin, maar ook naar buiten toe om de link met de buurt te versterken (bv enkel aanplanten van lage hagen) . Deze gebruikersovereenkomst is niet ontstaan vanuit slechte ervaringen of


malpraktijken in de tuin, maar komt er om in de toekomst meer zekerheid te bieden aan de tuiniers omtrent de waarden en het gebruik dat in de tuin wordt nagestreefd. Ingeval van nood biedt het ook meer zekerheid aan de tuiniers en iets om op terug te vallen bij een conflict of misverstand.

BUDGETTEN werkingsbudget Er is een grote financiële pot van het stedenfonds waar de volkstuin steeds op beroep kan doen. Hierdoor zijn de financiële zorgen veraf. subsidies De volkstuin heeft tot op heden nog geen subsidies aangevraagd (en dus ook geen gekregen). Dit omwille van het feit dat er geen noodzaak aan is. lidgeld en huurgeld Het lidgeld bedraagt 23 euro, maar hierbij is een lidmaatschap op Tuinhier en een abonnement op Tuinhier magazine (kostprijs €23) inbegrepen. Het gebruik van de grond (in eigendom van de Dienst Maritieme Toegang) is gratis.

tuinier

MVX Vroeger was het tuinieren vooral een mannenaangelegenheid, op vandaag zijn de meeste tuiniers nog steeds mannen. Hoewel daar wel langzaam verandering in komt.

LEEFTIJD — EVOLUTIE 10

20

30

40

50

60

70

80 80

90

De gemiddelde leeftijd van de tuiniers ligt tussen de 50 en 60 jaar, sommigen zijn nog actief anderen zijn met pensioen. Er zijn ook ouderen van rond de 70 à 80. Tevens zijn er ook jongere tuiniers van rond de 30 a 40 jaar.

MOTIEF De voornaamste motieven om te tuinieren zijn omdat het ontspannend is, omdat de tuinier zelf een te kleine tuin heeft of om bezig te zijn. Hierbij is de oogst vaak mooi meegenomen, maar vormt de voedselproductie niet het hoofdmotief. Als tuiniers stoppen, is dit vaak omdat ze zijn verhuisd of omdat ze fysiek of vanwege gezondheid niet meer in staat zijn de tuin te onderhouden.

AFSTAND WONING De meeste tuiniers wonen in de buurt en komen voornamelijk te voet of met de fiets naar de tuin. De tuiniers wonen niet verder dan 2km van de tuin vandaan.

CASE-ONDERZOEK

03

165


04

sociale dynamieken

COMMUNICATIE Dagelijkse communicatie De communicatie met de tuiniers gebeurt over het algemeen mond aan mond, via e-mail of per brief; er zijn immers heel wat tuiniers die niet per e-mail te bereiken zijn, hoewel hun aantal sterk afneemt.

Tuinhier magazine Via dit ledenblad komen de tuiniers heel wat te weten over tuinieren in het algemeen. Dit geeft tuiniers al enig inzicht en basisprincipes mee om te tuinieren op eigen houtje in de volkstuin.

ACTIVITEITEN Jaarlijkse busuitstap Jaarlijks wordt eeen busuitstap georganiseerd. Dit is vaak educatief ingekleed, zoals bv. een uitstap naar Terneuzen waarbij een kaasboerderij wordt bezocht, of een diner met seizoens- en streekproducten wordt georganiseerd.

Educatie — workshops Er worden regelmatig lezingen en workshops georganiseerd niet alleen de tuiniers maar ook de losse leden en buurtbewoners kunnen daarbij mee aansluiten.

Snoeidemonstraties en bebloemingswedstrijd Om de tuiniers te ondersteunen worden er af en toe snoeidemonstraties gehouden. Dankzij de bebloemingswedstrijd worden tuiniers gestimuleerd om de tuin ook naar de buurt toe een beetje meer kleur te geven. 166


Ledenbijeenkomst De ledenbijeenkomst of algemene ledenvergadering vindt plaats de laatste week voor carnaval (i.e. tussen eind januari en eind februari) en wordt meestal voorafgegaan door een ledenmis, waarbij de overleden tuiniers worden herdacht. Op de bijeenkomst, die doorgaans bijgewoond wordt door een 80-tal leden, wordt een overzicht gegeven van de afgelopen activiteiten, van de toekomstige plannen en activiteiten, het kostenplaatje wordt geschetst en het kasboek wordt ter inzage voorgelegd. Het is tevens de ‘officiële’ start van het nieuwe werkjaar in de tuin.

BUURTWERKING / RELATIE

CASE-ONDERZOEK

Open en toegankelijk karakter De tuin is vrij toegankelijk, wat passage van buurtbewoners toelaat. Ook de activiteiten die georganiseerd worden in de tuin worden steeds ook vermeld in de buurtkrant, zodat de buurt meer betrokken is bij de volkstuin. Er wordt in de toekomst meer geïnvesteerd in lagere hagen en struiken zodat de buurt nog meer visueel betrokken is bij de volkstuin.

167


05

tuin

01 — Ingang/toegankelijkheid De tuin wekt een open indruk. Er zijn wel hagen, maar die laten af en toe openingen zodat de tuin heel permeabel lijkt. Je kan gemakkelijk vanop de straat in de tuin, zonder een hekken of poort te passeren. In de toekomst wil men de hagen nog verder verlagen zodat het zicht en het contact met de buurt nog directer wordt. De doorwaadbaarheid zal naar toekomst nog versterkt worden: koterijen worden verder afgebouwd, gangpaden worden doorgetrokken tot op de straatkant en tuinruimte zal nog optimaler worden benut. Er is in de straten rondom de volkstuin een ruime mogelijkheid om te parkeren.

01

P 01

02 — Mogelijke uitbreiding van de volkstuin Men heeft plannen gemaakt voor de uitbreiding van de tuin met 1 500 m2² (50%), maar hiervoor is toestemming nodig van de dienst maritieme toegang die eigenaar is van de betreffende grond voor de uitbreiding.

03 — Politiekantoor Het politiekantoor, waar de vroegere rijkswachtbrigade was gelokaliseerd is gelegen recht tegenover de volkstuin. Dit zorgt mede voor sociale controle in functie van eventueel vandalisme of diefstallen in de volkstuin.

buurtbewoners

De tuin is toegankelijk voor de buurt, buurtbewoners kunnen kennis maken met de tuiniers

168


KANTELMOMENTEN 1959 opstart volkstuin opstart volkstuin met als doelgroep de rijkswachtbrigade.

buurtbewoners

De tuin is toegankelijk voor de buurt, buurtbewoners kunnen kennis maken met de tuiniers

01

02

2020? herlokalisatie of uitbreiding volkstuin? De volkstuin zit vandaag op de wip door de eventuele uitbreiding van de zeesluis in Zeebrugge. In 3 van de 8 varianten loopt de sluis door de volkstuin. Stad Brugge voorziet hiervoor een plan b waarbij op een andere locatie in de buurt een publiekspark kan gerealiseerd worden met centraal volkstuinen. Anderzijds kan de volkstuin ook uitbreiden als het toestemming krijgt van Dienst Maritieme Toegang (en de zeesluis niet door de volkstuin loopt). Het is nu afwachten welke variant er wordt gekozen voor de verbreding van de zeesluis.

VRAGEN / NODEN sanitair Er zijn geen sanitaire voorzieningen in de tuin en ook een centrale zit- en ontmoetingsplaats ontbreekt voorlopig. Er liggen wel plannen op tafel voor een uitbreiding waarbij deze noden ook zouden beantwoord worden. verdere uitbreiding/herlokalisatie volkstuin In functie van de plannen voor een uitbreiding of herlokalisering van de volkstuin is men vragende partij voor snellere communicatie en concrete plannen in verband met de verbreding van de zeesluis in Zeebrugge.

CASE-ONDERZOEK

03

169


PROJECTFICHE

VOLKSTUIN BIODROOM 2.0 Antwerpen

TYPE

locatie Willem Gijsselsstraat 2050 Antwerpen

eigenaar Gemeente

startjaar 2019

samentuin

‘Het tuinieren in bakken lukt schitterend! Vooral tomaten, courgetten en pompoenen zijn onze grootste specialiteit.’

Reden selectie De voornaamste reden waarom Biodroom 2.0 werd geselecteerd was omwille van het feit dat er niet in volle grond wordt getuinierd, maar in bakken. Bovendien heeft het een permanent bestaan, maar is er toch de bestaanszekerheid die onzeker is. Verder heeft de volkstuin geen beroep gedaan op de VLM-volkstuinsubsidie; de volkstuin behoort dus tot de controlegroep. De volkstuin is gesitueerd in (of grenzend aan) een natuurgebied, maar is anderzijds gelegen aan de rand van een woonwijk. Dit alles samen maakt dat deze case een bezoek waard is.

LOCATIE Antwerpen Antwerpen

context — rand van woonwijk

TUIN

2.500 m2 — totale opp.

TUINIERS

SUBSIDIES

45 0 170

individuele tuinen 5% collectief tuinieren 95%

actieve tuiniers/ huishoudens

geen wachtlijst

0 totaal VLM-volkstuinsubsidiebudget


initiële doelgroep geen specifieke doelgroep

lidgeld/huurgeld EUR 5,00

basis voorzieningen elektriciteit verlichting gas water collectief water individueel geen extra voorzieningen individuele tuinhuisjes collectief tuinhuis ontmoetingsruimte barbecue, pizzaoven, … picknicktafels zitbanken fietsenstalling sanitair serre boomgaard collectief composteren individueel composteren sportvoorzieningen vijver/poel bijenkast/insectenhotel kippen / andere dieren

CONTEXT planologische bestemming natuurgebied continuïteit

bibliotheek speeltuin / zandbak toegankelijkheid rolstoelgebruikers

tijdelijk

— overzicht subsidies

FOCUS

sociale functie educatieve functie VLM Stad Antwerpen (€8200)

CASE-ONDERZOEK

permanent, maar de bestaanszekerheid is bedreigd indien de subsidies van stad Antwerpen niet jaarlijks worden uitgereikt.

171


‘Genieten, werken en kletsen. Gezellig toch !’ — ontmoeten

‘Bezig zijn in de buitenlucht doet een mens goed. Tuinieren is dan ook een gezonde hobby’ — motivatie

‘Hoe je de volkstuin nu ziet, is hoe ik het vijf jaar geleden in mijn hoofd had.’ — ontwerp

01

172

concept

TUINIERS

TUIN

Biodroom 2.0 te Antwerpen is een samentuin om buurtbewoners van Linkeroever en de binnenstad samen te brengen en te tuinieren. Er wordt niet gewerkt met een wachtlijst, vanuit het principe dat iedereen welkom is. De volkstuin heeft als doel om diverse sociale achtergronden samen te brengen rond ecologisch tuinieren. Dit geeft de buurt de ruimte om samen buiten bezig te zijn en bij te leren. In totaal zijn er 40 à 50 tuiniers per jaar, maar er is veel verloop.

Aangezien de bodem op de locatie van de volkstuin vervuild is met zware metalen en waterverontreiniging door afkomst (opgespoten slib van de Schelde), kon niet in volle grond getuinierd worden. Dit werd opgelost door te tuinieren in bakken. In totaal zijn er 180 bakken (1mx1m) die collectief worden bewerkt. Daarnaast is het ook de mogelijkheid om in privébakken (max. 2 per tuinier) te tuinieren. Dit wordt door zo’n 50 tuiniers gedaan.


PROCES Toen in 2016 de stad Antwerpen op de locatie van samentuin Biodroom, toen in het kader van een kunstproject, een stadscamping wou realiseren, verhuisde de tuin naar de huidige locatie een beetje verderop. De opstart op de huidige locatie onder de noemer Biodroom 2.0 duurde ruim anderhalf jaar, volgens hetzelfde concept in tuinbakken. De realisatie van de volkstuin is te danken aan de subsidies van de stad Antwerpen.

CASE-ONDERZOEK

INITIATIEF Het initiatief voor een samentuin op linkeroever is gestart in het kader van een kunstproject van Bruno Herzele. Het concept van het project was om een visionaire tuin op te bouwen rond een centrale koepel met tuinbakken errond. Voor de exploitatie van die tuin werd toen samengewerkt met het ecohuis in Borgerhout en met 25 vrijwilligers uit de buurt (2009). In 2012 stopte het ecohuis, en hebben van die vrijwilligers 10 mensen het tuinproject in eigen beheer verdergezet.

173


02

organisatie

STAD ANTWERPEN (subsidies)

Bestuur (6 personen)

DAGELIJKS BEHEER Tuiniers

...

Atlas

Werkgestraften

Buurtbewoners

...

PARTNERSCHAPPEN Bestuur Centraal staat het bestuur, bestaande uit 6 vrijwilligers, die aanspreekpunt zijn in de tuin. Er is geen rigiede hiërarchische structuur, de beheerders staan op gelijke hoogte met de tuiniers. Daarnaast is er ook veel participatie met andere instanties. Atlas In de zomer is er een samenwerking met Atlas (stadsdienst voor inburgering) om mensen al tuinierend een taalbad te geven. Scholen Er worden regelmatig schoolkinderen rondgeleid in de tuin. Werkgestraften Voor de aanleg van de tuin werd een aantal keer beroep gedaan op werkgestraften. Er is geen samenwerking met Velt of Tuinhier. Dit is een bewuste keuze, aangezien de vrijwilligers van bij het begin ondersteund werden door het Ecohuis en zo de ecologische kennis in huis hadden om daarna op eigen benen te staan. 174

Het beheer van de tuin verloopt via een tijdelijke vereniging en heeft in principe een tijdelijk karakter. Maar de vele zware investeringen die al gemaakt doen iets anders vermoeden. De tuin wordt opengesteld voor de tuiniers op vaste momenten: vrij-za-zo van 14h-17h. Daarbuiten is de tuin afgesloten. De beheerders zijn echter frequenter aanwezig en tuiniers uit de buurt kunnen ook bijspringen. Het werkmateriaal wordt gemeenschappelijk ter beschikking gesteld en het meeste plantgoed wordt gemeenschappelijk aangekocht. In totaal zijn er 180 tuinbakken, waarvan er 50 individueel worden bewerkt.

ALGEMEEN TUINBEHEER Ecologie Het tuinieren gebeurt in bakken op een volledig biologische manier. Er zijn kippen in een kippenhok aanwezig (met de mogelijkheid tot vrijlopen), de paden tussen de bakken zijn aangelegd met houtsnippers, het tuinhuis bedekt met zonnepanelen en er is een ecologisch toilet.

GROEPSREGELS vrijwillig engagement Het samen tuinieren verloopt organisch en er is weinig vooraf gepland. Tuiniers nemen zelf het initiatief. Er zijn geen afgesproken werkdagen en tuiniers komen wanneer het voor hen past. Wie komt werken, kan een deel van de oogst meenemen naar huis.


tuiniersreglement Er is een reglement dat ervoor moet zorgen dat de organische organisatie wat structuur geeft. Zo geeft het reglement o.a. mee dat het gedeeld materiaal moet worden verzorgd en dat er niet mag getuinierd worden in de privébakken.

BUDGETTEN werkingsbudget Er is geen werkingsbudget. De volkstuin is volledig afhankelijk van subsidies en het weinig gevraagde lidgeld. subsidies De volkstuin ontving in 2019 van de stad Antwerpen een budget van €8200 voor de aanleg van de tuin (m.n. de 180 houten bakken en 2 containers voor opvang van regenwater). Daarnaast kan de volkstuin nog eens 4 keer per jaar beroep doen op een kleine subsidie (max. €400) voor werkmateriaal en de inrichting van de tuin, zoals worteldoeken, hout voor bakken,... lidgeld en huurgeld Het lidgeld bedraagt 5 euro voor deel te nemen aan de samentuin en nog eens 5 euro (per bak) indien men wenst gebruik te maken van een privé tuinbak. acties en andere inkomsten De beheerders kunnen creatief omspringen met subsidies om de kas aan te vullen, bv. subsidie voor buurtfeest. Hierdoor brachten het opstarten zomerfeest in het verleden reeds €1000 op. Daarnaast wordt de volkstuin ook gesteund door de stad Antwerpen in materiële zaken: het gemeenschappelijke tuinhuis, de 2 serres en waterputten werden geschonken.

IMPACT Zonder de steun van de stad Antwerpen was er geen volkstuin.

tuinier

MVX De tuiniers vormen een afspiegeling van de sociale mix in de buurt. Meer dan de helft van de tuiniers heeft een migratieachtergrond.

LEEFTIJD — EVOLUTIE

10

20

30

40

50

60

70 70

80

90

Het grootste deel van de tuiniers is gepensioneerd (65-85 jaar). Het bestuur wenst echter een verjonging in de tuin en wil dit ook verwezenlijken.

MOTIEF Gezien de meerderheid van de tuiniers op een appartement woont zonder tuin, primeert het bezig zijn in open lucht in de tuin op het belang van de voedselproductie. Ook de sociale interactie in de tuin vormt voor velen een meerwaarde. De tuinier komt gemiddeld éénmaal per week naar de tuin.

AFSTAND WONING De meeste tuiniers wonen in de buurt en komen met de fiets of te voet. Toch zijn er ook tuiniers die van verder komen, bv. vanuit Merskem (met tram). Niemand komt met de auto naar de tuin.

CASE-ONDERZOEK

03

175


04

sociale dynamieken

COMMUNICATIE Mondeling De communicatie naar de tuiniers gebeurt face-to-face in de volkstuin zelf. Website — sociale media Er is ook een facebookpagina die zorgt voor communicatie met de buurt.

ACTIVITEITEN Opstart- en zomerfeest In het begin van het tuinseizoen wordt een opstartfeest georganiseerd waar zich ook nieuwe tuiniers aanmelden. Zo meldden zich vorig jaar 25 nieuwe tuiniers aan via dit event. Tijdens de zomer wordt er ook een feest georganiseerd. Van oktober tot maart is de tuin gesloten voor de tuiniers, maar komt het bestuur wel wekelijks samen op vrijdag voor het algemeen onderhoud van de tuin en soms het verderzetten van de teelt.

176


BUURTWERKING / RELATIE Afgelegen karakter Sociale controle is nodig door de afgelegen locatie van de tuin (de tuin ligt achter de speelvelden van een korfbalclub). Dit wordt door de bestuurders en sommige tuiniers uit de buurt voldoende opgenomen. Open karakter Aangezien de volkstuin een samentuin is, en de oogst verdeeld wordt uit de collectieve bakken, is er geen wachtlijst (het aantal tuiniers is nog binnen het draagvlak van de volkstuin). Het feit dat iedereen welkom is, en het feit dat er regelmatig activiteiten onder de naam van buurtfeest worden georganiseerd, maakt dat de volkstuin welbekend is in de buurt.

NOOD/VRAAG Er is nood aan verjonging in de volkstuin en men wil hier gericht op inzetten bij de jongere bevolking in

CASE-ONDERZOEK

de buurt.

177


05

tuin Natuurgebied

De omgeving van de volkstuin is natuurgebied. Het is eerder een verlaten gebied,

01 — Ingang/toegankelijkheid De volkstuin ligt aan de rand van een wijk in Linkeroever, achter de speelvelden van een korfbalclub. Aan de ingang is er een parking voorzien. De volkstuin is afgesloten met een poort, maar staat open indien iemand van het bestuur aanwezig is.

02 — Voorzieningen De volkstuin zelf bestaat uit 180 uniforme bakken, een kippenhok, serres, tuinhuis met regentonnen en gemeenschappelijk werkmateriaal.

03 — Korfbalclub De volkstuin is gelegen achter de velden van een korfbalclub.

04 — Vorige locatie volkstuin Hier was de vorige volkstuin ‘Biodroom’ gesitueerd, als onderdeel van een kunstproject. Nadien is het concept iets verderop voortgezet door een selecte groep vrijwillgers. (aangezien er geen recentere luchtfoto is, staat de oude opstelling van de volkstuin er nog op).

01

P

IMPACT

De subsidies en materiële giften van stad Antwerpen waren essentieel voor de opstart van de tuin (in functie van de aankoop van werkmateriaal en de aanleg van de volkstuin).

02

03

178


KANTELMOMENTEN 2009 opstart kunstproject In 2009 werd de Biodroom (volkstuin gelegen op ‘04’) opgestart in het kader van een kunstproject in samenwerking met het ecohuis. 2012 ecohuis stopt Na 3 jaar stopte het ecohuis, waarop enkele vrijwilligers de volkstuin zelf verderzetten. 2016 bedreiging van stadscamping Stad Antwerpen wou een stadscamping organiseren op de plaats van Biodroom. Er moest een andere locatie gezocht worden.

04

2019 start Biodroom 2.0 Na het verkrijgen van subsidies bij de stad Antwerpen, kon Biodroom 2.0 van start gaan op de naburige ligging naast de korfbalclub.

Buurtbewoners

De tuin is toegankelijk voor de buurt, buurtbewoners komen er wandelen en maken kennis met de tuiniers

Financiële steun Hoewel de volkstuin als permanent wordt beschouwd (er zijn al te veel investeringen gebeurd door de stad Antwerpen, om het project zomaar af te breken), is er wel een bedreiging op vlak van bestaanszekerheid. Gezien de weinige inkomsten via lidgeld, is de volkstuin volledig afhankelijk van subsidies bij het voortzetten van de volkstuin. Financiële steun in functie van werkmateriaal en voorzieningen is dus de meest urgente vraag.

CASE-ONDERZOEK

VRAGEN / NODEN

179


PROJECTFICHE

VOLKSTUIN AAN DE WIJKSTRAAT Tongeren

TYPE

locatie Wijkstraat 3770 Tongeren

eigenaar Private eigenaar

startjaar 1900

klassieke volkstuin

‘Ik ben hier 20 jaar geleden terechtgekomen zonder kennis van tuinieren, maar ik werd veel geholpen en ik heb veel geleerd, en nu kan ik het op mijn beurt doorgeven aan de jongere generatie.’ Reden selectie De volkstuin is geselecteerd aangezien het een klassieke volkstuin is die reeds lange tijd op deze locatie is gesitueerd en tevens geen beroep deed op de VLM-volkstuinsubsidie in het kader van de modernisering en uitbreiding, maar gefinancierd werd via LEADER (2017). Deze volkstuin behoort dus tot de controlegroep. De volkstuin grenst aan een groengebied, waarmee de koppeling is gemaakt bij de modernisering/uitbreiding. Er wordt geteeld in volle grond en er zijn partnerschappen met scholen en natuurorganisaties.

LOCATIE Tongeren Oost-Vlaanderen

context — stadsrand

TUIN

26.000 m2 — totale opp.

TUINIERS

SUBSIDIES

42 41 180

individuele tuinen 100% collectief tuinieren 0%

actieve tuiniers/ huishoudens

potentiële tuiniers/ huishoudens

0 totaal VLM-volkstuinsubsidiebudget


initiële doelgroep kinderen/jongeren, ouderen, maatschappelijk kwetsbare jongeren

lidgeld/huurgeld EUR 5,00

basis voorzieningen elektriciteit verlichting gas water collectief water individueel geen extra voorzieningen individuele tuinhuisjes collectief tuinhuis ontmoetingsruimte barbecue, pizzaoven, … picknicktafels zitbanken fietsenstalling sanitair serre boomgaard collectief composteren individueel composteren sportvoorzieningen vijver/poel bijenkast/insectenhotel kippen / andere dieren

CONTEXT planologische bestemming zone voor privaat groen (BPA) continuïteit

bibliotheek speeltuin / zandbak toegankelijkheid rolstoelgebruikers

tijdelijk

FOCUS

— overzicht subsidies

voedselproductie sociale functie VLM Stad Tongeren (€87 000)

CASE-ONDERZOEK

permanent

LEADER (€150 000) 181


‘De groep is sinds de vernieuwing veel groter en dat geef wel meer sfeer en uitwisseling van kennis. We doen vaker een babbeltje.’ — s ociaal contact

‘De kwaliteit van de producten zit hem voornamelijk in de versheid, en dat heb je alleen als je een eigen tuin hebt: je haalt het uit je tuin en je maakt het klaar.’ — gezonde en verse voeding

‘Besproeien doen we niet. De beste manier is nog steeds om de coloradokevers te vangen met de hand.’ — ecologisch tuinieren

01

182

concept

TUINIERS

TUIN

De volkstuin is in eerste instantie bedoeld voor de inwoners van Tongeren. Gezien de volkstuin al lange tijd bestaat, zijn al heel wat van de tuiniers op leeftijd. Zo bewerkt tuinier François, het 91-jarig icoon van de volkstuin, ruim 55 jaar zijn volkstuin in Tongeren en kreeg hij een beschermde zwarte populier naar hem vernoemd in de volkstuin. Sinds de vernieuwing/ uitbreiding in 2017 is de gemiddelde leeftijd van de tuiniers iets gedaald, en zijn er meer vrouwen en gezinnen toegetreden. De meeste tuiniers komen uit het centrum van Tongeren (niet van de omliggende dorpen). Iedereen tuiniert individueel, maar sociale interactie is hier zeker aan de orde.

Sinds 1900 is de volkstuin reeds actief aan de stadsrand van Tongeren. De grond, in eigendom van Barones De Bonhomme, werd voor een zeer kleine prijs gehuurd door de stad. In 2017 heeft de stad een opruimactie doorgevoerd. Het aantal percelen is sindsdien ongeveer verdubbeld, en de gemiddelde perceelsgrootte is iets verkleind, zodat er meer tuiners een plek konden vinden in de tuin. In de tuin is er een reglement van kracht, en wordt gehandhaafd via de sociale controle van de tuiniers. De vraag is groot naar een volkstuin, want ruim 41 potentiële tuiniers/gezinnen staan op de wachtlijst.


PROCES In 2017 werd beslist om de volkstuin aan de wijkstraat volledig op te ruimen. De aanleiding hiervoor was de toekenning van LEADER-subsidies, die naast de financiering voor de modernisering en uitbreiding van de volkstuin ook het project van het openbreken van de Jeker kon financieren. Dit integrale project was een verbetering voor de volledige omgevingskwaliteit. Fietsers en wandelaars die de volkstuin nu passeren op weg naar het naburig groengebied De Kevie, staan dikwijls stil om te zien wat zich daar allemaal afspeelt. De toegankelijkheid naar de buurt is compleet veranderd.

CASE-ONDERZOEK

INITIATIEF De aanleiding voor de start van de volkstuin was in eerste instantie een win-win voor de baronnes en de bewoners van Tongeren. De baronnes had zekerheid dat haar gronden (bestemd als privaat groen) werden beheerd, en de inwoners van Tongeren hadden ruimte om te tuinieren en voedsel te produceren. Naar verloop van tijd was de volkstuin geëvolueerd naar een louche plek: de staat van de volkstuin was zeer bouwvallig (veel barakken, vuil en plastiek). Daarom besliste het stadsbestuur om de plek op te ruimen, zodat er opnieuw kwalitatieve ruimte kon ontstaan dat in harmonie is met de naburige groengebied De Kevie.

183


02

organisatie

Limburg.net

Landelijke

Regionale

gilden

landschap

Stad Tongeren

Kerngroep

Groep tuiniers

PARTNERSCHAPPEN Limburg.net Voor de aanlevering van houtsnippers en compost hebben ze een samenwerking met limburg.net, een afvalintercommunale dat ook projecten rond moestuinieren ondersteunt. Ook heeft Limburg.net de volkstuin gesteund bij de modernisatie: o.a. met de steun bij het opruimen van de site, ze stelden containers ter beschikking , ... Regionale Landschap Henegouwen & Voeren Ze hebben de volkstuin bijgestaan over de aanpak om de gesloten volkstuin meer open te trekken naar de buurt. Ook de waterproblematiek is iets wat in de toekomst nog samen met de stad Tongeren zal bekeken worden. Landelijke gilden De landelijke gilden hebben een demotuin in de volkstuin, waar tuiniers kunnen bijleren over de teelt van bepaalde zaden en planten aan de hand van workshops.

184

DAGELIJKS BEHEER Kerngroep In de volkstuin zijn er een paar tuiniers binnen de groep die het aanspreekpunt zijn (François, Nolleke en Jos). Zij communiceren op hun beurt door naar de gemeente (Wendy). Wendy Houben (Stad Tongeren) Wendy Houben ontfermt zich over de dagelijkse organisatie en zorgt ervoor dat alles in goede banen loopt. Alles is meer georganiseerd en ze heeft vanuit de gemeente ook een bepaalde afstand en meer autoriteit.

ALGEMEEN TUINBEHEER Engagement Het engagement bestaat erin om het eigen perceel geregeld te bewerken en te onderhouden. Indien iemand zijn perceel laat verwilderen, wordt er een verwittiging uitgestuurd. Nadien wordt het perceel toegewezen aan iemand op de wachtlijst.

GROEPSREGELS Tuiniersreglement Er is een reglement van kracht dat wordt gehandhaaft via sociale controle onderling. Zo wordt erop toegezien of men biologisch tuiniert, dat het grootste deel van het perceel een moestuin is (en geen siertuin), dat het perceel is onderhouden (indien niet volgen er sancties en dat de individuele tuinhuizen nog in goede staat zijn. Het aantal kippen moet ook binnen de perken blijven.


03

tuinier

MVX BUDGETTEN Subsidies Met de LEADER-subsidie ontving de stad Tongeren in 2019 het ruime bedrag van €149 642. Met dit budget werd de volkstuin gemoderniseerd en uitgebreid, en werd de Jeker opgelegd, waarnaast een jaagpad nu de verbinding maakt langs de volkstuin richting het groengebied De Kevie. Lidgeld en huurgeld Het lidgeld voor elke tuinier bedraagt €0,03/m2 wat neerkomt om ongeveer 5 euro lidgeld per jaar. Het huurgeld dat aan de stad wordt betaald bedraagt €15. Acties en andere inkomsten Er zijn weinig specifieke acties of activiteiten die voor geld in het laatje zorgen.

Er is een zekere mix aanwezig, zeker sinds de uitbreiding van de volkstuin en de groep is gegroeid. De vriendschap is zeer groot onderling.

LEEFTIJD — EVOLUTIE

10

20

30

40

50

60

70 70

80 80

90 90

Er is een spreiding over alle leeftijden: van 12 tot 92 jaar. Sinds de uitbreiding is de verjonging van de tuiniers zeer opmerkelijk: gezinnen met jonge kinderen, tuiniers met een leeftijd midden de twintig, ...

MOTIEF

Zonder de subsidie was het integrale project van het openbreken van de Jeker niet direct gerealiseerd en was een modernisering en uitbreiding van de volkstuin financieel nog niet aan de orde.

Waar vroeger de voedselproductie primeerden bij de tuiniers, is dat nu meer en meer geëvolueerd naar sociale contacten. Het draait wel nog om de verse, kwalitatieve producten maar de interactie en kennisdeling zijn een meerwaarde aan de volkstuin.

AFSTAND WONING De meeste tuiniers wonen in het centrum van Tongeren (en dus niet in de omliggende dorpen), wat maakt dat de afstand van volkstuin tot woning zeker beperkt is tot 3 km. Ondanks deze fietsbare afstand, wordt wel vaak de auto gebruikt als vervoersmiddel tot de volkstuin.

CASE-ONDERZOEK

IMPACT

185


04

sociale dynamieken

COMMUNICATIE Face-to-face De communicatie tussen de tuiniers gebeurt onderling mondeling. Iedereen komt met iedereen overeen, dus via de informele weg wordt informatie verder verspreid.

Website — sociale media De volkstuin van Tongeren is niet actief op sociale media.

ACTIVITEITEN Receptie In de tuin worden weinig specifieke activiteiten georganiseerd. Wel is er vorig jaar een receptie in de volkstuin georganiseerd uit het initiatief van de stad Tongeren. Er was toen vraag naar een BBQ, maar dit initiatief moet vanuit de tuiniers zelf komen. Workshops Er worden regelmatig workshops georganiseerd in de demotuin, in functie van het aanleren van specifieke technieken en om nadien zelf te kunnen toepassen in de tuin.

186


BUURTWERKING / RELATIE Open en toegankelijk karakter Sinds de modernisering en uitbreiding is het karakter van de volkstuin veel meer open en toegankelijker ingericht. Er is een lage haag en het pad langs de Jeker zorgt voor veel passage van fietsers en wandelaars op weg richting natuurgebied De Kevie.

NOOD/VRAAG Er is nood aan een waterput voor een collectieve watervoorziening, maar dit is niet mogelijk gezien dit

CASE-ONDERZOEK

niet vergunbaar is voor recreatie.

187


05

tuin

01 — Ingang/toegankelijkheid De volkstuin is bereikbaar via een grote groene poort, en een brede centrale laan (‘de dreef’ genoemd, naar verwijzing van de toestand voor de modernisering van de volkstuin). Op deze centrale ‘dreef’ kan geparkeerd worden. 02 — Jeker met jaagpad Het natuurlijke tracé van de Jeker werd terug opengelegd dankzij de LEADERsubsidie. Het jaagpad langs de Jeker vormt nu een verbinding richting het natuurgebied De Kevie, en zorgt voor meer zichtbaarheid vanuit de volkstuin naar de omgeving.

IMPACT Zonder de subsidie was de volkstuin nooit gemoderniseerd en/of uitgebreid, en was er geen jaagpad aangelegd langs de volkstuin.

03 — Groengebied De Kevie Het uitgestrekt natuurgebied ten zuid-oosten van Tongeren is sinds de openlegging van de Jeker en de vernieuwing/uitbreiding van de volkstuin verbonden met de binnenstad langs een jaagpad. Dit trekt veel recreanten aan (fietsen, wandelen) en voor een sociale dynamiek langs de volkstuin. 04 — Braakliggend perceel OCMW Een eventuele uitbreiding van de volkstuin zou kunnen gerealiseerd worden op het braakliggend perceel van OCMW Tongeren ten noorden van de volkstuin. Dit ligt echter nog niet concreet op tafel.

188

Stad Tongeren

0

De volkstuin is gelegen aan de rand van de stad Tongeren. De meeste tuiniers zijn hier ook van afkomstig.

01

P

02


KANTELMOMENTEN 2015 mogelijkheid subsidies Een eerste kantelmoment was de mogelijkheid om subsidies aan te vragen. Dit zette aan om de eerste concepten voor het project verder uit te denken tot een concreet voorstel. Dit voorstel had na een eerste vergadering draagvlak vanuit de tuiniers. Iedereen was overtuigd van de meerwaarde van het openleggen van de Jeker. 2019 Toekenning subsidies De toekenning van de subsidies betekende de start van de uitvoering van het project, met een mooi resultaat tot gevolg. De volkstuin herleeft als nooit tevoren.

04

VRAGEN / NODEN verdere uitbreiding terrein Gezien de lange wachtlijst is men op zoek naar een locatie om uit te breiden. Het braakliggend terrein ten noorden van de volkstuin (bezit van OCMW Tongeren) lijkt hiervoor ideaal, maar dit ligt momenteel nog niet op tafel. waterproblematiek Het tekort aan water is een probleem in de volkstuin. Men zou graag een waterpomp willen boren, maar dit is gezien de recreatieve aard van een volkstuin niet meer toegelaten. Hiervoor moet er een oplossing gevonden worden.

CASE-ONDERZOEK

2

03

189


PROJECTFICHE

VOLKSTUIN TER ELST Lier

TYPE

locatie Tallaart 2500 Koningshooikt (Lier)

eigenaar Private eigenaar

startjaar 2015

zorgtuin

‘Het is fijn om de jongeren hier te zien openbloeien in de tuin. Ze stralen als ze de geslaagde oogst meenemen naar de instelling!’

Reden selectie De reden waarom ‘Warme tuin Jeugdzorg Ter Elst’ is geselecteerd, is omwille van het feit dat ze geen subsidie hebben aangevraagd bij VLM, maar wel een subsidie ontvingen van CERA (in 2015). De volkstuin behoort dus tot de controlegroep binnen dit onderzoek. Daarnaast is het een zorgtuin, waarbij 100% van de tuiniers kinderen en jongeren zijn van een maatschappelijk kwetsbare groep. Ook is de permanente volkstuin ontstaan uit een samenwerking van partnerschappen, met name landelijke gilden Duffel, Tuinbouwbedrijf vercammen en jeugdzorg Ter Elst.

LOCATIE Lier Antwerpen

context — open ruimte

TUIN

1.155 m2 — totale opp.

TUINIERS

SUBSIDIES

10 0 190

individuele tuinen 0% collectief tuinieren 100%

actieve tuiniers/ huishoudens

geen wachtlijst

0 totaal VLM-volkstuinsubsidiebudget


initiële doelgroep Kinderen/jongeren, maatschappelijk kwetsbare groepen

lidgeld/huurgeld EUR 0,00

basis voorzieningen elektriciteit verlichting gas water collectief water individueel geen extra voorzieningen individuele tuinhuisjes collectief tuinhuis ontmoetingsruimte barbecue, pizzaoven, … picknicktafels zitbanken fietsenstalling sanitair serre boomgaard collectief composteren individueel composteren sportvoorzieningen vijver/poel bijenkast/insectenhotel kippen / andere dieren

CONTEXT planologische bestemming agrarisch gebied continuïteit

bibliotheek speeltuin / zandbak toegankelijkheid rolstoelgebruikers

tijdelijk

FOCUS

— overzicht subsidies

VLM CERA (€2500)

Jeugdzorg Ter Elst

gezondheid welzijn sociale functie

CASE-ONDERZOEK

permanent

191


‘Hier in de open ruimte, weg van de instelling zie je pas dat de jongeren veel meer nood hebben aan wat rust en groen.’ — motivatie

‘Niet alle teelten lukken. Het is een leerschool voor de jongeren om te leren omgaan met mislukkingen’ — oogst

‘Het liefste wat ik doe in de tuin is de eieren zoeken bij de kippen. Maar de mindere taakjes zoals onkruid wieden neem ik er met plezier bij.’ — tuinieren

01

concept

TUINIERS

TUIN

Het is een volkstuin van en voor maatschappelijk kwetsbare kinderen en jongeren die verblijven in de jeudinstelling Ter Elst. Van de 100 jongeren die in Ter Elst verblijven, zijn er 10 à 15 jongeren die actief meewerken aan de volkstuin. Samen met 1 of 2 begeleiders gaan ze in kleine groepjes (van 3 à 4 jongeren) op basis van een beurtrol naar de volkstuin om te tuinieren.

Volkstuin Ter Elst is veruit de kleinste volkstuin die werd bezocht tijdens de case-bezoeken. De tuin bestaat uit 3 bedden van 10 m2, een gemeenschappelijk tuinhuis met werkmateriaal en een kippenhok. De tuin is gelegen op zo’n 5 km van de jeugdinstelling, op het terrein van landbouwbedrijf Vercammen, dat tevens ook een zorgboerderij is, en waar ook een hoevewinkel is gelokaliseerd.

Bij aanvang was er ook de ambitie om naast Jeugdzorg Ter Elst ook scholen, de landelijke gilden en buurtbewoners te betrekken bij de volkstuin, maar dit was organisatorisch te veeleisend waardoor dit niet is doorgegaan. 192


PROCES De aanleiding voor de aanleg van de volkstuin was de oproep rond warme tuinen door de landelijke gilden van Duffel waarbij ze contact opzochten met het tuinbouwbedrijf Vercammen. Zij waren reeds bezig met een zorgboerderij. Een begeleidster van jeugdinstelling Ter Elst ving dit (via het bestuur van de zorgboerderij waarin ze actief was) op, en was op dat moment op zoek naar partners voor een alternatief schooltraject voor jongeren die niet in staat zijn voltijds school te lopen. Na een jaar voorbereidingen treffen en organiseren (o.a. subsidieaanvragen indienen) kon de volkstuin van start gaan in het voorjaar van 2014.

CASE-ONDERZOEK

INITIATIEF De volkstuin is opgestart na een oproep vanuit de landelijke gilden om een warme tuin op te starten in Duffel. Op dat moment was de jeugdinstelling op zoek naar een alternatief schooltraject voor jongeren die niet in staat zijn om voltijds school te lopen. Bovendien is het vandaag ook een vrijetijdsproject voor de jongeren van Ter Elst die gemotiveerd zijn om te tuinieren. De volkstuin is een plek voor de jongeren om tot rust te komen in de openlucht (weg van de instelling), en tegelijk bij te leren over voedselproductie van zaaien tot oogsten.

193


02

organisatie

Tuinbouwbedrijf/zorgboerderij Vercammen

DAGELIJKS BEHEER

Ter Elst

Het dagelijks beheer gebeurt zelfstandig, los van het landbouwbedrijf of de landelijke gilden, door enkele gemotiveerde jongeren (10 à 15) uit verschillende leefgroepen van de jeugdinstelling Ter Elst, begeleid door Inge Rummes.

Inge Rumes Tuiniers: jongeren Ter Elst Dagbesteding

Vrije tijd

PARTNERSCHAPPEN Landelijke Gilden van Duffel Ter Elst heeft de opstart van de volkstuin te danken aan de Landelijke Gilden van Duffel. Vooral tijdens het voorbereidend jaar en het eerste jaar na de opstart waren zij zeer actief betrokken. Dit werd in het tweede jaar na opstart rustig afgebouwd. Landbouwbedrijf en zorgboederij Vercammen Naast de landelijke gilden heeft Ter Elst ook steun en hulp vanuit het landbouwbedrijf en zorgboerderij Vercammen. Voor specifieke vragen over het beheer kunnen ze daar steeds terecht. Inge Rummes Tevens zit Inge Rummes (begeleidster bij Ter Elst) ook in het bestuur van de zorgboerderij. Inge is de drijvende kracht van de volkstuin, en is vaste begeleidster van de jongeren op de volkstuin. Ze wordt nu en dan wel vervangen door 3 collega’s.

194

Vanaf de paasvakantie tot en met de herfstvakantie is de volkstuin “open” en komen de jongeren 1 keer in de week tuinieren. Aangezien er telkens maar 2 à 3 jongeren meekunnnen per begeleider (tot max. 4 jongeren) moeten de jongeren in de zomer vaak enkele weken wachten op hun beurt.

ALGEMEEN TUINBEHEER ecologie De warme tuin wordt ecologisch beheerd. Zo wordt er gewerkt met bodemverbeteraar, geen pesticiden, … motiverend De keuze van zaden wordt gemaakt met oog op haalbaarheid (slaagkans van oogst), om zo de jongeren gemotiveerd te houden. Ook wordt er rekening gehouden dat het proces niet te lang duurt, zodat er snel resultaat is (vb. radijzen, courgetten, …).

GROEPSREGELS vrijwillig engagement De taakverdeling voor het onderhoud van de tuin en de gemene delen verloopt zeer gemoedelijk. In beurtrollen mogen de gemotiveerde jongeren vanuit verschillende leefgroepen in de tuin komen meehelpen. bezoekers De tuin is vrij toegankelijk en er gaan nu en dan ook klanten van het landbouwbedrijf Vercammen kijken naar de volkstuin.


03

tuiniersreglement Er zijn wel enkele afspraken rond het beheer van de tuin (er moet ecologisch getuinierd worden) maar een echt reglement is er niet.

tuinier

MVX De tuiniers zijn zowel jongens en meisjes van verschillende leeftijden en verschillende leefgroepen.

BUDGETTEN werkingsbudget Jaarlijks wordt er een budget vrijgemaakt van €400 vanuit zorginstelling Ter Elst voor de aankoop van zaden, herstellingen van werkmateriaal en derglijke. Zolang er geen duur werkmateriaal kapot gaat, is dit budget voldoende. In het andere geval is dit budget zeer beperkt. subsidies De CERA subsidie, goed voor €2500, werd in 2014 aangevraagd in samenwerking met de landelijke gilden. Hiermee werd het voornaamste werkmateriaal aangekocht. Ook de omheining, de regenton en het tuinhuis. Het was een essentieel budget voor de opstart. lidgeld en huurgeld Aangezien de tuiniers enkel de jongeren uit zorgcentrum Ter Elst zijn, wordt er geen lidgeld gevraagd. Ook het gebruik van de grond van de volkstuin is gratis. acties en andere inkomsten Er zijn weinig specifieke acties of activiteiten die voor geld in het laatje zorgen.

LEEFTIJD — EVOLUTIE

10

20

30

40

50

60

70

80

90

De gemiddelde leeftijd varieert naargelang de aard van de groep. De jongeren die komen tuinieren in functie van schoolvervangende activiteiten zijn gemiddeld 14 jaar, de jongeren uit de instelling die tijdens de vakantie als ontspanning komen moestuinieren zijn gemiddeld 12 jaar.

MOTIEF De reden waarom de jongeren graag tuinieren is omdat ze in de tuin en in de buitenlucht tot rust komen. Ook vinden ze het leuk om het proces van het zaaien tot oogsten op te volgen. Zelfs de mindere taakjes, zoals het onkruid wieden, nemen ze (nu en dan) graag op.

IMPACT

De CERA-subsidie was essentieel voor de opstart van de tuin (in functie van aankoop van het voornaamste werkmateriaal). Zonder deze subsidie was er geen volkstuin geweest, gezien het weinige budget in de zorg.

De tuin ligt op zo’n 5 km van de instelling. De jongeren dienen steeds gebracht te worden met de auto (te gevaarlijke route om met de fiets af te leggen, en geen openbaar vervoer). Het was een bewuste keuze om de volkstuin niet op de site van de jeugdinstelling te verwezenlijken, maar echt buiten de muren van de instelling om zo een andere dynamiek te hebben (het is niet zichtbaar verbonden met de zorginstelling).

CASE-ONDERZOEK

AFSTAND WONING

195


04

sociale dynamieken

COMMUNICATIE Sociale media Er is een facebookpagina van de jeugdinstelling waarop af en toe berichten worden geplaatst in verband met de volkstuin. Interne communicatie Ook is er interne communicatie over de volkstuin in het boekje van Ter Elst.

ACTIVITEITEN Openingsreceptie Bij de opening van de volkstuin is er een kleine receptie georganiseerd. Restaurant de Draaiboom Met de oogst wordt vaak een maaltijd klaargemaakt in de instelling. Ook zijn de jongeren al eens mogen zelf mogen gaan koken in de keuken van restaurant de Draaiboom van in de buurt, om de oogst zelf te verwerken. Markt voor het goede doel In functie van de warmste week (Studio Brussel) wordt er jaarlijks ook een markt georganiseerd (vb. verkoop pompoensoep) voor een interne verkoop bij de medewerkers van de instelling.

196


BUURTWERKING / RELATIE

CASE-ONDERZOEK

Open en toegankelijk karakter Doordat de volkstuin gelegen is naast de hoevewinkel van tuinbouwbedrijf (en zorgboerderij) Vercammen, is er heel wat passage en zichtbaarheid naar de buurt, ondanks de afgelegen locatie van de tuin. Naast zichtbaarheid promoot het tuinbedrijf ook de zorgmoestuin.

197


05

tuin

01 — Volkstuin De volkstuin zelf bestaat uit drie bedden waarin gezaaid kan worden. De tuin is omgeven door een houten omheining en bessenstruiken als kader voor een verzorgde tuin (door de nabijheid van de hoevewinkel en dus de vele passage, moet de tuin goed verzorgd zijn). Achter de volkstuin is er een groot kippenhok 02 — Tuinbouwbedrijf Vercammen De volkstuin ligt op de gronden van tuinbouwbedrijf Vercammen. De volkstuin is toegankelijk voor iedereen, en wordt niet afgesloten. Er is een parking gelegen vlak aan de hoevewinkel.

Tuinbouwbedrijf (en zorgboerderij) Vercammen Er is een comfortabele wisselwerking tussen de volkstuin en tuinbouwbedrijf Vercammen gezien de vlakbij gelegen ligging.

02

03 — Voorzieningen Grenzend aan de parking van de hoevewinkel is er een collectief tuinhuis met gemeenschappelijk werkmateriaal, een bijenhotel en een regenton. Dit tuinhuis wordt ook gedeeld met het tuinbedrijf Vercammen. 04 — Paardenweide Naast de volkstuin is een paardenweide gelegen.

03

04

IMPACT

De CERA-subsidie was essentieel voor de opstart van de tuin (in functie van de aankoop van werkmateriaal en de aanleg van de volkstuin). 05 —Buurtbewoners Buurtbewoners die initieel voor de hoevewinkel zijn gekomen, kunnen ook de bezigheden zien in de volkstuin. Er is dus geregeld passage langs de volkstuin, wat de sociale vaardigheden van de jongeren aanwakkert.

198

01


KANTELMOMENTEN 2014 VLM-subsidie aangevraagd In 2014 werd bij VLM de volkstuinsubsidie aangevraagd. Het indiendossier werd echter niet geselecteerd. 2015 toekenning CERA-subsidie In 2015 krijgt zorginstelling Ter Elst een subsidiebudget van €2500 voor de aanleg van een volkstuin. Dit betekent de start van de volkstuin. Het werkingsbudget wordt vanaf dat jaar jaarlijks begroot op €400 vanuit de zorginstelling.

P

VRAGEN / NODEN Financiële noden Financiële noden zijn er op dit moment niet, tenzij er materiaal sneuvelt. Indien er toch een nood zou moeten vermeld worden, zouden ze graag een serre hebben. De aankoop wordt echter uitgesteld vanwege de grote kost.

Agrarisch gebied

De tuin is voor het grootste deel omgeven door akkers en weilanden. De open ruimte zorgt voor rust bij de jongeren die komen tuinieren.

Begeleiding Aangezien de kennis over tuinbeheer steeds vlakbij is (tuinbedrijf Vercammen), is extra begeleiding vanuit instanties zoals Velt of Tuinhier ook niet van toepassing.

CASE-ONDERZOEK

Uitbreiding Er zijn geen plannen om uit te breiden.

199


3.4 IMPACT VLM-VOLKSTUINSUBSIDIE In de voorgaande fiches zijn de 10 cases individueel toegelicht. Om nu conclusies te trekken uit dit case-onderzoek, grijpen we in eerste instantie terug naar de centrale onderzoeksvraag van dit derde deel van het rapport, met name: ‘Beantwoordt de realisatie van de gesubsidieerde volkstuinen aan de vooropgestelde doelen (sociale impact, duurzame inrichting en beheer, welzijn en gezondheid)?’. Of met andere woorden: welke impact heeft de VLM-volkstuinsubsidie gehad bij de uitwerking van het concept van volkstuinen en bij de uitvoering op terrein? De VLM-volkstuinsubsidie kan hierbij op twee manieren impact hebben (figuur 3.07). Enerzijds kan de subsidiewerking (dus de subsidieaanvraag) invloed hebben op de manier van denken, de ‘mindset’ in de gesubsidieerde volkstuin. De vraag is hier in hoeverre de ‘mindset’ op terrein is beïnvloed door de ‘mindset’ zoals beschreven in het subsidiereglement, parallel aan de evoluerende trends. Anderzijds zijn er de financiële middelen, die heel wat volkstuinen in de periode van 2012 tot 2018 hebben ontvangen. Hier stelt zich de vraag op welke manier de groep volkstuinen, die VLM-volkstuinsubsidies hebben ontvangen, gerealiseerd zijn op terrein in vergelijking met de controlegroep, die geen VLM-volkstuinsubsidies hebben ontvangen. In welke mate heeft de subsidie (financiële middelen) dus bijgedragen tot de realisatie op van de volkstuin zoals die er vandaag uitziet? In deel 1, bij de resultaten van de enquête, zijn reeds uitspraken geformuleerd over de impact van de VLM-

volkstuinsubsidies vanuit de bevindingen van de respondenten. In dit laatste hoofdstuk van deel 3 koppelen we de resultaten van het case-onderzoek over de impact van de subsidiewerking, met die resultaten uit de enquête.

METHODOLOGIE Om conclusies te trekken uit de case-onderzoeken en zo de impact van de VLM-volkstuinsubsidie te achterhalen, is er eerst een synthese gemaakt over de 10 cases heen. Voor elk van de zes topics die zijn behandeld in het interviews, zijn drie onderwerpen onderzocht (figuur 3.08): >  Wat is de huidige invulling van het topic in de volkstuin (bv. in welke mate is er een sociale dynamiek aanwezig in de volkstuin?) >  In welke mate heeft de VLM-volkstuinsubsidie daartoe bijgedragen of impact gehad (bv. is het door de VLMvolkstuinsubsidie dat deze sociale dynamiek werd bereikt of versterkt?) >  Welke specifieke toekomstplannen zijn er binnen het topic voor de desbetreffende volkstuin (bv. wat zijn de noden en behoeften op vlak van sociale dynamiek binnen de volkstuin?). Deze drie onderwerpen zijn in eerste instantie voor de 10 cases individueel beantwoord. Aan de hand van post-it’s werd zo een overzicht gecreëerd dat case-overschrijdend werkt (figuur 3.09).

Impact subsidie

SUBISIDIE

SUBSIDIE

aanvraag

middelen

? mindset

200

€

? realisatie op terrein

F I G 3 . 0 7 Impact van de VLM-volkstuinsubsidie op twee manieren: het onderscheid tussen de aanvraag en middelen (Voorland & KU Leuven, 2020)


huidige invulling toekomst plannen

concept

partnerschappen

dagelijks beheer

sociale dynamiek

de tuinier

de tuin

F I G 3 . 0 8 Synthese case-onderzoek: 6 topics waarvoor telkens drie aspecten zijn onderzocht (Voorland & KU Leuven, 2020)

CASE-ONDERZOEK

huidige invulling

F I G 3 . 0 9 Conclusies case-onderzoek per case en per topic (Voorland & KU Leuven, 2020)

201


3.4.1 Impact van de subsidieaanvraag (mindset) Onderstaande conclusies zijn opgebouwd per topic, en dit voor zowel de impact van de subsidieaanvraag (mindset) als die van de subsidies zelf (financiële middelen). Hierbij wordt steeds de terugkoppeling gemaakt met de resultaten vanuit de enquête.

CONCEPT De tien volkstuinen die in functie van het case-onderzoek werden bezocht, hebben een uiteenlopend concept: een klassieke volkstuin, een samentuin gelegen op de terreinen van een school, een zorgtuin voor jongeren uit een jeugdinstelling, een samentuin aan de rand van de stad, enzovoort. Ook bij de controlegroep (de groep die geen VLM-volkstuinsubsidie heeft ontvangen) komen de minder traditionele volkstuinconcepten zoals een samentuin of zorgtuin voor. Deze controlegroep is nooit (of in beperkte mate) in contact gekomen met de subsidieprocedure. Hieruit kan afgeleid worden dat niet alleen de subsidieprocedure invloed heeft op het concept van de volkstuin. De subsidieaanvraag bevestigt eerder de initiatiefnemers in hun initieel (ambitieus) concept. De insteek of het concept van de volkstuin zat al helemaal in lijn met de vooropgestelde ‘mindset’/ambities van het reglement en hoefde bijgevolg niet bijgesteld te worden omwille van de subsidieaanvraag. Het toekomstperspectief rond het concept van de volkstuin is bovendien vrij onveranderlijk. De verschillende volkstuinen van de case-bezoeken gaven aan geen grote veranderingen of conceptwijzigingen door te willen voeren in de (nabije) toekomst. Deze conclusie ligt ook in lijn met de conclusies uit de enquête (en wordt dus bevestigd door de grotere groep respondenten). Uit de enquête bleek bijvoorbeeld dat er steeds meer een verschuiving is naar andere concepten, ongeacht het subsidiekanaal. Het concept van de volkstuin volgt dus eerder de trends, dan dat dit concept het gevolg is van de projectoproep ‘inrichting volkstuinen’.

partners die de locatie voorzien of tuiniers naar de volkstuin trekken. De voornaamste partners zijn lokale overheden, vzw Velt of vzw Tuinhier of de partner die gebonden is aan de locatie van de volkstuin (bv. school, woonzorgcentrum, CSA boerderij,…). In dat opzicht heeft het subsidiereglement geen impact gehad op het betrekken van partners in functie van de subsidieaanvraag, het bevestigt hen alleen daarin. De meeste volkstuinen geven aan dat ze alle gewenste samenwerkingen reeds aangegaan zijn en geen nieuwe partners in de toekomst willen betrekken. Als een volkstuin toch nog een partner wil betrekken in de toekomst, is dit een naburige partner (bv. een school in functie van rondleidingen op de tuin voor klassen). De enquête bevestigt de conclusie met betrekking tot het aangaan van partnerschappen: slechts 25% van de respondenten heeft geen samenwerkingen met andere partners. De voornaamste partners die ook in de enquête werden genoemd zijn lokale overheden of organisaties en vzw Velt en/of vzw Tuinhier. Wel worden in de enquête bij de toekomstige noden van de volkstuin andere partners vermeld waarmee een samenwerking gewenst zou zijn. Het gaat voornamelijk over lokale overheden.

ORGANISATIE: DAGELIJKS BEHEER Het dagelijks beheer gebeurt bij alle volkstuinen die zijn bezocht op een duurzame, ecologische of biologische manier. Dit is in de meeste gevallen ook vastgelegd in een reglement. Het gaat over zowel volkstuinen die VLMvolkstuinsubsidies hebben ontvangen, als over volkstuinen uit de controlegroep. De tuinen worden dus niet ‘beter’ of ‘extra’ ecologisch beheerd omdat dit was opgenomen in het subsidiereglement. De ecologische/biologische ‘mindset’ is op terrein reeds een evidentie. Zeven op de tien bezochte volkstuinen heeft één of meerdere collectieve percelen (waarvan twee volkstuinen volledig collectief zijn) en acht op de tien bezochte volkstuinen vraagt lidgeld. Ook hier geeft elke volkstuin aan dat de subsidieaanvraag hier geen invloed op heeft gehad (er is tevens geen verschil op te merken met de controlegroep wat betreft het vragen van lidgeld of de aanwezigheid van collectiviteit).

ORGANISATIE: PARTNERSCHAPPEN

202

Tijdens de case-bezoeken werd aangehaald door de volkstuinen die de VLM-volkstuinsubsidie hebben ontvangen dat ze geen andere of nieuwe partnerschappen zijn aangegaan omwille van de subsidieaanvraag. Dit wordt nochtans wel aangeraden in het subsidiereglement en is vanaf 2016 zelfs opgelegd (met name een samenwerking met jongeren en/of de welzijnssector). In de praktijk houden de meeste volkstuinen er reeds verschillende partners op na van bij de start van de volkstuin. Naast puur financiële partners zijn er ook

Over het algemeen zijn er bij de bezochte volkstuinen geen drastische veranderingen rond het dagelijks beheer voorzien. Wel zijn er een aantal die nog meer inspanningen willen leveren om het dagelijks beheer nog ecologischer aan te pakken (bv. omgevingskwaliteit verhogen door de individuele tuinhuizen af te bouwen of het zicht van op straat te verbeteren). De enquête bevestigt deze conclusie: 4 op de 5 volkstuinen heeft in de enquête aangegeven dat er een reglement van kracht is, waarvan 70% met betrekking tot ecologische aspecten (bij de volkstuinen die de VLM-volkstuinsubsidie hebben ontvangen, ligt dit percentage hoger).


SOCIALE DYNAMIEK Bij de bezochte volkstuinen is de sociale dynamiek inherent verbonden aan de volkstuin. De sociale interactie in de tuin en de interactie met de buurt of omliggende organisaties en doelgroepen wordt tevens als een belangrijke meerwaarde beschouwd. De lokale en biologische voedselproductie blijft echter het bindmiddel dat tuiniers samenbrengt. Het proces en het samen zijn “op den buiten” primeert vaak op de uiteindelijke oogst. Maar ook de georganiseerde activiteiten in de tuin zorgen voor een interne sociale dynamiek. Dit is niet alleen het geval bij de volkstuinen die de VLM-volkstuinsubsidie hebben gekregen, maar ook bij de volkstuinen in de controlegroep. De subsidieaanvraag zorgt zodoende niet per se voor meer inzet op sociale dynamiek. Dit wordt opnieuw bevestigd in de enquête: de sociale dynamiek is heel sterk in volkstuinen, al zal er wel eerder ingezet worden op een interne sociale dynamiek (tussen de tuiniers) en minder op het betrekken van de buurt. Bij de case-bezoeken komt de mate van betrokkenheid van de buurt en openheid naar de buurt toe ook als werkpunt naar voren (m.b.t. toekomstperspectief).

TUINIERS De verschillende volkstuinen bereiken reeds hun gewenste doelpubliek. De voornaamste tuiniers zijn naast de buurtbewoners ook vaak sociale doelgroepen uit de buurt. Deze link met de buurt is sterk aanwezig (zowel bij volkstuinen die de VLM-volkstuinsubsidie hebben ontvangen als de controlegroep), en vaak cruciaal. Zo zijn de ouders van schoolgaande kinderen een belangrijk doelpubliek bij een volkstuin gelegen op de schoolsite, maar evengoed zijn de directe buurtbewoners van groot belang bij een volkstuin gelegen op de site van een woonzorgcentrum, om de bewoners van het WZC te integreren met de inwoners van de buurt. De grootste groep tuiniers zijn gepensioneerden, al blijkt uit de case-bezoeken dat bij uitbreiding van volkstuinen, er een verjonging optreedt bij de groep tuiniers en dat de sociale mix erop vooruitgaat. Deze sociale mix blijft wel een uitdaging. Vaak zijn de volkstuinen geen afspiegeling van de buurt waarin de volkstuin is gelegen. De VLMvolkstuinsubsidie heeft daar over het algemeen binnen dit topic geen of weinig aandeel in.

In de enquête worden dezelfde conclusies bevestigd: ongeveer de helft van de bevraagde volkstuinen heeft een specifiek doelpubliek (naast buurtbewoners voornamelijk maatschappelijk kwetsbare groepen). Dit wordt in mindere mate bepaald door de VLM-volkstuinsubsidie. Daarnaast blijkt ook uit de enquête dat er een sterke verjonging is opgetreden (sinds 2007) waarbij eerder “een” subsidie hierin een aandeel heeft. Dit geldt ook voor de sociale mix in de volkstuin.

DE TUIN Bij de opstart van de tuin vertaalt men het concept (hoe men de volkstuin had uitgedacht) naar de tuin. Dit concept sluit volledig aan bij de “mindset” van de subsidie waardoor geen aanpassingen nodig waren omwille van de subsidieaanvraag. De subsidieaanvraag heeft er bijgevolg niet voor gezorgd dat andere ingrepen, voorzieningen of materiaal werden aangevraagd. Ook naar de toekomst toe staan hier geen speciale veranderingen gepland. Het topic ‘over de tuin’ werd vanuit de focus van de subsidieaanvraag niet bevraagd in de enquête.

SYNTHESE In het algemeen kan worden gesteld dat de subsidieaanvraag (en het bijhorende subsidiereglement) geen verandering van ‘mindset’ teweegbrengt bij de (gewenste) volkstuinen op terrein. Het werkt eerder herbevestigend. Bijgevolg hoeft deze ‘mindset’ van het initiële volkstuinidee niet bijgesteld te worden om aan de subsidieaanvraag te kunnen voldoen. De verschillende aspecten (bv. sociale, ecologische, beheersmatige aspecten) opgenomen bij de focus van het subsidiereglement (zie eerder), zijn voor de aanvragers een evidentie. Dit blijkt o.a. uit de volkstuinen behorende tot de controlegroep, die zich ook kwalitatief ontwikkelen zonder sturing van het subsidiereglement (cf. de trends, keurlabels,…). Hoewel de subsidieaanvraag van de VLM-volkstuinsubsidie inhoudelijk (op vlak van invulling van de topics in de volkstuinen) weinig verschil heeft gemaakt, is er wel een belangrijke vaststelling bij de case-bezoeken: door de projectoproep ‘inrichting volkstuinen’ en het feit dat hiervoor een subsidieaanvraag moest worden ingediend, is er vaker de stap gezet naar het verder uitdenken van wat oorspronkelijk slechts een idee of vaag plan was om een volkstuin op te starten. In die zin heeft de VLM-volkstuinsubsidie een belangrijke rol gespeeld, aangezien het vaak de trigger was of als momentum werd aangegrepen om een kwalitatief volkstuinconcept te realiseren.

CASE-ONDERZOEK

Ook worden vrijwel in alle volkstuinen inspanningen geleverd voor het verhogen van de omgevingskwaliteit. Hierbij is het eerder “een” subsidie die een impact heeft gehad, wat bij de case-bezoeken minder prominent naar voren komt. In de enquête wordt ook aangegeven dat in 2/3e van de volkstuinen collectieve percelen aanwezig zijn en dat de VLM-volkstuinsubsidie hier een bepaalde invloed op heeft. Dit komt bij de bezochte cases minder naar voren.

203


3.4.2 Impact van de subsidie (financiële middelen)

ORGANISATIE: DAGELIJKS BEHEER

De impact van de subsidie (middelen) is slechts bij enkele topics van toepassing. Zo heeft de subsidie enkel zijn doorwerking gekend bij de organisatie en de inrichting van de tuin zelf. Uit de case-bezoeken bleek dat de financiële middelen geen invloed hebben gehad op het concept, de sociale dynamiek en de doelgroep (tuiniers). Bijgevolg worden enkel de relevante topics hieronder besproken:

DE TUIN Uit de interviews tijdens de case-bezoeken met de volkstuinbeheerders blijkt dat, wanneer er financiële middelen beschikbaar zijn (bv. VLM-volkstuinsubsidie), die in eerste instantie worden ingezet voor de aanleg van de tuin of om technische ingrepen door te voeren (bv. grondanalyse). Ook de aanschaf van werkmateriaal gebeurt met het budget. Vaak zijn de financiële middelen voor deze zaken essentieel (zonder middelen zou de volkstuin niet kunnen worden ingericht).

Dit wordt ook bevestigd vanuit de enquête: de VLMvolkstuinsubsidie wordt voornamelijk gebruikt voor de aanleg van nieuwe volkstuinen, het voorzien van extra voorzieningen en ecologische aspecten.

F I G 3 . 1 1 Demotuin rond composteren en kringlooptuinieren in Volkstuin aan de Wijkstraat in Tongeren (foto: Voorland, 2020)

Daarnaast worden de financiële middelen ingezet bij de opstart van de volkstuin voor de organisatie van kennisuitwisseling, voordrachten, etc. Het zijn vaak partners zoals vzw Velt en vzw Tuinhier die mee op de kar springen bij de opstart van de volkstuin, om de initiatiefnemers (bv. groep burgers zonder veel kennis van zaken) te begeleiden in het ontwerp van de volkstuin en te sturen in welke voorzieningen en technische ingrepen essentieel zijn in functie van een ecologische volkstuin. Vaak worden de eerste jaren na de opstart deze begeleiders nog ingeschakeld om de tuiniers voordrachten of vormingen te geven over het reilen en zeilen in een ecologische volkstuin. Dit wordt ook bevestigd in de enquête: De categorie “ecologische aspecten” scoort hoog bij het geïnvesteerde budget van de VLM-volkstuinsubsidie (al dan niet gecombineerd met andere subsidies). Hieronder vallen ook de georganiseerde workshops (van o.a. vzw Velt en vzw Tuinhier) die de tuinier aanzetten tot het ecologisch tuinieren. De focus op de VLM-volkstuinsubsidie was tijdens de case-bezoeken minder aanwezig, aangezien ook de volkstuinen die geen of andere subsidies kregen, beroep deden op vzw Velt of vzw Tuinhier.

F I G 3 . 1 0 Gemeenschappelijk tuinhuis en kantine in de Boerse Poort te Gent (foto: Voorland, 2020)

204


ORGANISATIE: PARTNERSCHAPPEN

SYNTHESE

Uit de case-bezoeken bleek overigens dat de volkstuinen waaraan subsidies werden toegekend, vaak ook eenvoudiger (een) andere partner(s) over de streep konden trekken om mee te investeren in het volkstuinproject (bv. gemeenten). Het feit dat er al een basisbudget was waarmee een project kon gelanceerd worden, was het vaak een kleinere stap om nog middelen vrij te maken.

Algemeen kan worden geconcludeerd dat tijdens de case-bezoeken duidelijk is geworden dat subsidies essentieel zijn voor het opstarten van een volkstuin. Hoewel de subsidieaanvraag het momentum creëert om het concept van de volkstuin verder uit te werken, vormt het toekennen van “een” subsidie (en het verkrijgen van middelen) de ultieme trigger om tot realisatie van een volkstuin (of een uitbreiding van een bestaande volkstuin) over te gaan. Daarin speelt de subsidieverlener of het subsidiekanaal een minder grote rol. Wanneer een volkstuin meerdere subsidies heeft ontvangen (bv. VLM-volkstuinsubsidie en subsidie toegekend door lokale overheid), vormen deze subsidies samen één groot budget waarmee de plannen kunnen worden gerealiseerd (uiteraard rekening houdend met de subsidievoorwaarden).

F I G 3 . 1 2 Volkstuin Overakker in Deerlijk gelinkt met CSA-boerderij Bokkeslot. Toekomstige verbindingen tussen verschillende groengebieden in Deerlijk en omstreken (foto: Voorland, 2020)

De VLM-volkstuinsubsidies zijn in de cases voornamelijk ingezet voor het realiseren van nieuwe volkstuinen of voor de uitbreiding van bestaande volkstuinen. Ze zijn nauwelijks gebruikt voor modernisering van bestaande volkstuinen. Tijdens de case-bezoeken kwam immers naar voren dat de noden of behoeften van bestaande volkstuinen eerder beperkt zijn tot begeleiding en enkel een (kleine) financiële behoefte in functie van de aankoop van werkmateriaal of uitbreiding van de volkstuin (wat verklaart waarom er weinig modernisering a.d.h.v. VLMvolkstuinsubsidies is). De huidige VLM-volkstuinsubsidiewerking heeft voornamelijk een verdere uitbreiding van het volkstuinareaal gestimuleerd, wat zich vertaalt op terrein in meer oppervlakte aan volkstuinen. Dit wordt bevestigd in de resultaten van de enquête. CASE-ONDERZOEK

Door deze andere partner, in de meeste gevallen de lokale overheid, is de kans groter dat het volkstuinproject wordt ingebed in een grotere visie of gebiedsstrategie (bv. een link met een CSA, integreren in een toekomstig park, …). Dit werkt op diens beurt ook de bestaanszekerheid in de hand.Gezien de invloed van de subsidie op partnerschappen niet werd bevraagd in de enquête, kan dit niet afgetoetst worden.

205


IMPACT

3.4.3 Conclusies impact van VLM-volkstuinsubsidie Om een antwoord te formuleren op de centrale onderzoeksvraag van dit deel: ‘Beantwoordt de realisatie van de gesubsidieerde volkstuinen aan de vooropgestelde doelen (sociale impact, duurzame inrichting en beheer, welzijn en gezondheid)?’ grijpen we terug naar de resultaten van de enquête en de case-bezoeken. De resultaten uit deze onderzoeken geven namelijk een weerspiegeling van de toestand van volkstuinen in Vlaanderen op vandaag, waarbij ook is opgenomen of de desbetreffende volkstuin al dan niet een VLM-volkstuinsubsidie heeft ontvangen. Op die manier kan achterhaald worden welke rol deze subsidie hierin heeft gespeeld. Algemeen kan gesteld worden dat de gerealiseerde volkstuinen die de VLMvolkstuinsubsidie hebben ontvangen, een zekere sociale dynamiek hebben. Zo vormt bij de meeste volkstuinen het betrekken van de buurt of omliggende organisaties en specifieke doelgroepen een belangrijke meerwaarde, maar ook de georganiseerde activiteiten in de tuin zorgen voor een interne sociale dynamiek. Dit is echter niet alleen het geval bij volkstuinen die de VLM-volkstuinsubsidie kregen, maar evengoed bij de controlegroep. Daarnaast zijn de gesubsidieerde volkstuinen (met de VLM-volkstuinsubsidie) duurzaam ingericht en worden ze ecologisch beheerd. Dit is ook bij de controlegroep het geval, maar uit de enquête bleek dat de door VLM gesubsidieerde volkstuinen meer budget inzetten op ecologische aspecten binnen de volkstuin. Begeleiding door vzw Velt of vzw Tuinhier is hierbij een belangrijk aspect. Ook is er in 2 op 3 volkstuinen aandacht voor thema’s rond gezondheid, teelttechnieken, bodem,… (bij volkstuinen die subsidies hebben ontvangen van VLM ligt dit aantal net iets hoger).

206

Het verschil tussen de volkstuinen die een VLM-volkstuinsubsidie hebben ontvangen en de controlegroep is dus weinig zichtbaar. Een algemene conclusie is dat eerder “een” subsidie essentieel is bij de realisatie van een volkstuin, en dat gesubsidieerde volkstuinen algemeen genomen ook minder “klassiek” zijn. Het is echter niet zo dat de VLM-volkstuinsubsidie helemaal geen impact heeft gehad. Hoewel het subsidiereglement (in functie van de subsidieaanvragen) weinig rechtstreekse impact heeft gehad op het concept van volkstuinen en de kwalitatieve invulling (het was reeds ‘een evidentie’ op terrein), heeft het wel vaak een momentum gecreëerd om een bestaand idee verder uit te werken en om te zetten tot realisatie. Verder heeft de subsidie (financiële middelen) wel impact gehad op het aantal bijkomende volkstuinen of uitbreiding van de bestaande volkstuinen, dus de uitvoering op terrein. Als antwoord op de vraag: welke impact heeft de VLM-volkstuinsubsidie gehad bij de uitwerking van het concept van volkstuinen en bij de uitvoering op terrein? kunnen we samenvattend stellen dat de VLMvolkstuinsubsidies voornamelijk een (financiële) impact hebben gehad op de effectieve realisatie op het terrein. De subsidies hebben gezorgd voor een grotere kwantiteit. Daarbij zijn de subsidies ingezet voor een kwalitatieve inrichting en beheer van de volkstuinen, met reeds hoge ambities. De VLM-volktuinsubsidie heeft als instrument de reeds hoge ambities hierin niet verder kunnen verhogen. De VLMvolkstuinsubsidies hebben met andere woorden minder inhoudelijke impact gehad op het concept van de volkstuinen.


207

CASE-ONDERZOEK


208


DEEL 4 Blik vooruit

Terugblik belangrijkste bevindingen Conclusies Aanbevelingen Verder onderzoek

BLIK VOORUIT

4.1 4.2 4.3 4.4

209


4.1 TERUGBLIK OP DE BELANGRIJKSTE BEVINDINGEN In dit vierde deel van het rapport worden de resultaten en bevindingen uit de eerdere stappen van het onderzoek gesynthetiseerd (4.1). Vervolgens worden ze met elkaar gekoppeld tot een aantal conclusies waarin de reflectie wordt gemaakt over de huidige werking met subsidies (4.2). Stapsgewijs, aan de hand van een aantal deelvragen, wordt hier de impact van de huidige subsidiewerking geëvalueerd. Tot slot wordt in 4.3 het antwoord op de centrale onderzoeksvraag ‘(Hoe) kan het beleid voor volkstuinen in Vlaanderen, waarvan het voornaamste uitvoeringsinstrument vandaag de subsidie is, worden geoptimaliseerd?’ geformuleerd door het benoemen van een aantal sleutelfactoren voor optimalisatie van het beleid rond volkstuinen. Volkstuinen spelen traditioneel een belangrijke rol in het leven van mensen die willen moestuinieren, maar zelf over (te) weinig buitenruimte beschikken. Bovendien zijn volkstuinen ook sociale ontmoetingsplaatsen, zetten ze aan tot een gezondere levensstijl, zorgen ze voor natuurbeleving in de stad, en vervullen ze veel andere functies voor de buurt. Volkstuinen bestaan in de klassieke vorm al sinds het begin van de negentiende eeuw, maar de afgelopen 20 jaar kennen ze een opmars, waarbij de belangstelling groeit voor de uiteenlopende functies die volkstuinen kunnen opnemen. Dit vertaalt zich in een stijging van het aantal verschillende nieuwe volkstuinconcepten of -types op het terrein, die elk een eigen accent leggen om een kwalitatief antwoord te bieden op de lokale maatschappelijke behoefte. De maatschappelijke noden en behoeften waarop volkstuinen in Vlaanderen een antwoord bieden, zijn de afgelopen decennia reeds uitgebreid onderzocht (UGent, 2007; UGent, 2010) en legden de basis voor de VLMvolkstuinsubsidiewerking tussen 2012 en 2018. In totaal werden in die periode 7 subsidierondes georganiseerd, waarbij ongeveer 2 miljoen euro is vrijgemaakt voor de inrichting van meer dan 160 volkstuinen. Na een opmerkelijke stijging sinds 2012, viel het aantal en de kwaliteit ingediende dossiers opmerkelijk terug tijdens de laatste subsidierondes. Vanuit die observatie achtte men de tijd rijp de VLM-volkstuinsubsidie te evalueren. Deze evaluatiestudie neemt daarom de VLMvolkstuinsubsidie onder de loep en bekijkt of de VLMvolkstuinsubsidie substantieel heeft bijgedragen aan de verbeterde werking van volkstuinen in Vlaanderen, zowel kwalitatief als kwantitatief.

4.1.1 De context en de maatschappelijke noden en behoeften Het onderzoek is gestart met het bestuderen van de ‘volkstuinen vandaag’ via de context waarbinnen volkstuinen worden opgestart (Deel 1) en de identificatie van de voornaamste trends die zich in volkstuinen lieten optekenen. Hoewel volkstuinen nog steeds niet hoog op de agenda staan, niet op beleidsmatig vlak, noch op juridisch of planologisch vlak en ze dus kwetsbaar zijn voor andere ruimteclaims, heeft dit de groei van het volkstuinareaal niet belemmerd. We zien dat nieuwe volkstuinen vandaag relatief gemakkelijk op verschillende planologische bestemmingen worden gerealiseerd. Bij het analyseren van de trends in het volkstuinlandschap, valt het op dat de volkstuinen vandaag steeds meer functies opnemen. Vijf trends zijn daarbij geïdentificeerd. Terwijl de voedselproductie nog steeds centraal staat (1), stijgt daarnaast de aandacht voor ecologisch beheer (2) en is er een verschuiving naar de specifieke doelgroepen tot wie de volkstuin zich richt (3). Tevens houden de traditionele volkstuinstructuren minder stand in een samenleving die gekenmerkt wordt door diversiteit en snelheid, waardoor een meer specifiek ingerichte volkstuin zich opdringt, die zich ent op de doelgroep of de locatie (vb. tuinieren in bakken). Volkstuinen stellen zich dus noodzakelijkerwijs flexibeler op in tijd en ruimte, wat zich soms vertaalt in andere, meer tijdelijke of dynamische vormen van tuinieren of zelfs andere volkstuinconcepten (4). Ook stijgt het aantal samenwerkingen met andere partners, wat zich vertaalt in uiteenlopende organisatievormen in de praktijk (5). Deze trends in het volkstuinlandschap geven aan hoe volkstuinen ingezet kunnen worden om de huidige maatschappelijke noden kwalitatief in te vullen. Naast deze kwalitatieve behoefte, is ook de kwantitatieve behoefte aan volkstuinen geanalyseerd, a.d.h.v. de theoretische behoeftebepaling zoals die ook in eerder onderzoek werd uitgevoerd (UGent, 2007, 2010). De behoeftebepaling leert ons vandaag dat er nog steeds nood is aan bijkomende volkstuinen, voornamelijk — maar niet uitsluitend — in de stedelijke en verstedelijkte gebieden. Uit de behoeftebepaling is immers gebleken dat 60% van de actuele volkstuinen in statistische sectoren ligt met een lage bevolkingsdichtheid. Dit laat ons inzien dat lang niet alleen mensen uit een stedelijke context zonder eigen tuin behoefte hebben aan een volkstuin, maar dat ook elders volkstuinen gewenst zijn om verschillende andere redenen.

4.1.2 Volkstuinareaal 2019

210

Wanneer we de volkstuinen vandaag inventariseren, tellen we een volkstuinbestand van 371 tuinen verspreid over heel


Het merendeel kan beschouwd worden als ‘klassieke volkstuin’, waarbij hoofdzakelijk op individuele percelen wordt getuinierd, maar ook andere volkstuinconcepten zijn aan een opmars bezig (cf. samentuinen, zorgtuinen, warme tuinen, etc.). Over het algemeen stijgt ook het aantal (deels) collectieve tuinen. In 2/3 van de bevraagde volkstuinen wordt op één of meer gemeenschappelijke percelen samen getuinierd. Niet alle ‘klassieke volkstuinen’ zijn dus even ‘klassiek’. Bij het overlopen van de enquêteresultaten laten de geïdentificeerde volkstuintrends zich er sterk in lezen. We kunnen daaruit besluiten dat de geïdentificeerde (internationale) trends relevant zijn voor de Vlaamse context en dat de volkstuinen vandaag een antwoord bieden op de hedendaagse maatschappelijke noden en behoeften. We illustreren daarom de belangrijkste enquêteresultaten a.d.h.v. bovengenoemde trends. Dat de sociale functie doorheen de tijd aan belang heeft gewonnen, valt in de enquête af te leiden uit de bevraagde hoofddoelstellingen bij de opstart van de volkstuin. In 81 % van de volkstuinen bleek de sociale functie te domineren. Toch blijft ook voedselproductie een belangrijk doelstelling (50%) en winnen ook gezondheid en welzijn, en de educatieve functie daarnaast als doelstelling aan belang (resp. 25% en 20% van de volkstuinen). Op het vlak van ecologisch beheer en omgevingskwaliteit kunnen we stellen dat in vrijwel alle bevraagde volkstuinen inspanningen worden geleverd, met als voornaamste maatregelen: composteren (86%), landschappelijke inkleding (82%) en het opvangen van regenwater (81%). Tevens wordt verharding in tweederde van de tuinen geminimaliseerd. Ongeveer de helft van de bevraagde volkstuinen is gestart met een specifiek doelpubliek voor ogen. De doelgroepfocus evolueerde van gericht op sociale inclusie, naar het betrekken van specifieke doelgroepen. Als vijfde trend kwam naar voor dat er meer samenwerkingen of partnerschappen en alternatieve organisatievormen ontstaan om recente volkstuinen te realiseren. Uit de enquête blijkt dat in iets meer dan de helft van de volkstuinen een lokale overheidsinstantie of een plaatselijke vereniging, vzw, school, woonzorgcentrum, etc. de belangrijkste initiatiefnemer is. Tevens blijkt dat in meer dan de helft van de bevraagde volkstuinen de gemeente de grond in eigendom heeft. In slechts 22% van de gevallen nam een groep burgers het heft in handen. Het gaat in de meeste gevallen om een combinatie van een overheid of burgers die het initiatief nemen samen met de lokale afdeling van Velt of Tuinhier. Hoewel de opstart van de volkstuin vaak gebeurt in samenwerking met de vzw’s Velt en Tuinhier, gebeurt de dagelijkse leiding veel minder door deze twee vzw’s (resp. 7% en 11%).

De conclusie is dat er meer én betere volkstuinen zijn gerealiseerd de afgelopen jaren. Het aantal volkstuinen is toegenomen van 100 in Vlaanderen in 2007 tot 371 vandaag. ‘Betere’ volkstuinen houdt hier in dat ze een antwoord bieden op de maatschappelijke noden en behoeften, die ook weerspiegeld worden in de eerder beschreven trends.

4.1.3 De subsidieprocedure Sinds 2012 werkte VLM binnen haar beleid een subsidiewerking uit om de geschikte mindset te installeren waarbinnen volkstuinen zouden worden opgestart. Kortom om volkstuinen nog meer af te stemmen op de maatschappelijke noden en behoeften. Er werden zeven subsidierondes georganiseerd, die in totaal hebben gezorgd voor de inrichting van 166 volkstuinen of -uitbreidingen. In totaal werden er over de verschillende subsidierondes 333 dossiers ingediend waarvan 184 dossiers zijn geselecteerd. Van die 184 geselecteerde dossiers zijn er 121 dossiers voor nieuwe volkstuinen, 33 voor volkstuinuitbreidingen, en 30 dossiers voor modernisatie van bestaande volkstuinen. De VLM-volkstuinsubsidies zijn dus voornamelijk ingezet voor het realiseren van nieuwe volkstuinen of voor de uitbreiding van bestaande volkstuinen. Ze werden veel minder gebruikt voor modernisering van bestaande volkstuinen. Deze subsidies zijn essentieel gebleken. In de enquête gaf 51% van de volkstuinen die naast de VLM-volkstuinsubsidie geen andere financiering hebben genoten aan dat zonder deze subsidie de volkstuin niet zou zijn opgestart. Bij de analyse van het volkstuinareaal 2019 blijkt dat er meer én betere volkstuinen zijn, maar valt dit ook toe te schrijven aan de VLM-volkstuinsubsidie en bijhorende procedure? Slaagt het proces en de inhoud van de subsidie erin om tot een gerichte (gewenste) selectie van volkstuinen te komen? Met andere woorden heeft het subsidiebeleid ervoor gezorgd dat de mindset van volkstuinen in spe werd bijgesteld? Voor het onderzoeken van de doelmatigheid van de VLM-volkstuinsubsidie bij het realiseren van volkstuinen, werd in deel 2 van dit rapport de evolutie van de subsidieprocedure uitgebreid geanalyseerd, zowel de evolutie van het subsidiereglement, de indienformulieren als de ingediende dossiers. Het subsidiereglement is sterk geëvolueerd sinds 2012, en de grotere trends worden er ook in weerspiegeld. Er kan worden gesteld dat het subsidiereglement en bij uitbreiding het indienproces parallel geëvolueerd zijn met de trends. Zo valt bijvoorbeeld op dat de voedselproductiefunctie t.e.m. 2015 een belangrijke focus binnen het subsidie­ reglement heeft gevormd, terwijl die in 2016 iets meer op

BLIK VOORUIT

Vlaanderen. Van die 371 volkstuinen vulden 117 volkstuinen de enquête volledig in.

211


het achterplan is geraakt. Om uiteindelijk in 2018 weer naar de voorgrond te worden gehaald, waarbij de volkstuin als onderdeel van een voedselstrategie werd gestimuleerd. Ook de focus op het ecologisch beheer, de tweede trend, komt van bij het begin voor in het subsidiereglement en is de laatste jaren nog geconcretiseerd en aangescherpt met o.a. het accent op aspecten van duurzaamheid. De derde grote trend die focust op de sociale aspecten, blijft een constante in elk subsidiereglement. Daar waar het in de eerste jaren vooral draaide rond sociale cohesie tussen verschillende generaties en culturen en het verbreden van de doelgroep, werd dit aspect wel vernauwd vanaf 2016 tot het betrekken van specifieke doelgroepen (jongeren, welzijnssector). Ook werd bij de evolutie van het subsidiereglement bij de selectiecriteria steeds meer ingezet op samenwerkingen tussen de volkstuin en specifieke doelgroepen of welzijnsorganisaties, waarbij men andere partnerschappen wenste te stimuleren. De indienformulieren evolueerden logischerwijs mee met het veranderende subsidiereglement, waarbij het formulier inhoudelijk zwaarder werd, en meer inhoudelijk bewijs moest worden aangeleverd (van bv. doelgroepen). Ook het aantal verplichte bijlagen nam navenant toe. Sinds 2017 werd het indienen mogelijk gemaakt via een online platform. Wanneer we de evolutie van het aantal ingediende dossiers bekijken, valt een daling op sinds 2016. De exacte verklaring voor die daling kon binnen het bestek van deze evaluatiestudie niet nader worden onderzocht, maar is voer voor verder onderzoek. Wel kunnen we een aantal veronderstellingen maken daaromtrent. Een eerste mogelijke aanname voor het verminderd aantal ingediende dossier bij de laatste twee projectoproepen is dat het laaghangend fruit misschien wel is geplukt … De projecten of ideeën die voldoen aan de selectiecriteria en dus passen binnen het plaatje van het subsidiereglement, hebben in die veronderstelling reeds hun subsidie gekregen en/of zijn al gerealiseerd (eventueel met behulp van andere instantie, bv. lokale overheid, CERA of Koning Boudewijnstichting). De meeste initiatieven, of deze die het makkelijkst te bereiken zijn, zijn ondertussen bereikt met de huidige subsidieprocedure. Dit is een realistische aanname, wetende dat er in 2007 slechts 100 volkstuinen waren in Vlaanderen en er met de projectsubsidie in totaal 121 volkstuinen zijn bijgekomen. Maar even goed kan de oorzaak gezocht worden bij het zeer strikte subsidiereglement en de selectiecriteria die hier en daar voor drempels hebben gezorgd (focus op doelgroepen, formele organisatie noodzakelijk, etc). 17% van de respondenten die geen subsidies hebben aangevraagd, heeft in de enquête aangegeven dat het te veel werk was om het subsidiedossier in orde te brengen en 26% voldeed niet aan de selectiecriteria.

212

4.1.4 Impact Om ten slotte na te gaan wat de impact van de project­ subsidie is geweest, werd aanvullend een case-onderzoek uitgevoerd. Door middel van semigestructureerde interviews en plaatsbezoeken is er nagegaan of de subsidie ook de daadwerkelijke oorzaak is van de realisatie op het terrein als dusdanig. Omdat er een verschil is tussen de impact van de subsidieaanvraag enerzijds, die vooral in wil spelen op het creëren van de gewenste mindset van de volkstuinen in spe (inhoudelijke impuls), en de financiële middelen en hoe die worden ingezet (financiële impuls) anderzijds, behandelden we deze twee apart. Over het algemeen kan worden gesteld dat de subsidieaanvraag (en het bijhorende subsidiereglement) geen verandering van ‘mindset’ teweegbrengt bij de (gewenste) volkstuinen op terrein. Het werkt eerder herbevestigend. Bijgevolg hoeft deze ‘mindset’ van het initiële volkstuinidee niet bijgesteld te worden om aan de subsidieaanvraag te kunnen voldoen. De verschillende aspecten (bv. sociale, ecologische, beheersmatige aspecten) opgenomen bij de focus van het subsidiereglement (zie eerder), zijn voor de aanvragers een evidentie. Dit blijkt o.a. uit de volkstuinen behorende tot de controlegroep, die zich ook kwalitatief ontwikkelen zonder sturing van het subsidiereglement (cf. de trends, keurlabels,…). Wanneer we de impact van de financiële middelen beschouwen, kunnen we uit de cases concluderen dat subsidies essentieel zijn. Hoewel de subsidieaanvraag het momentum creëert om een concept verder uit te werken, vormt het toekennen van “een” subsidie (en het verkrijgen van middelen) de ultieme trigger om tot realisatie van een volkstuin (of een uitbreiding van een bestaande volkstuin) over te gaan. Hierbij speelt de subsidieverlener of het subsidiekanaal een minder grote rol. In het geval een volkstuin meerdere subsidies krijgt (bv. VLMvolkstuinsubsidie en subsidie toegekend door lokale overheid), vormt dit samen één groot budget waarmee de plannen kunnen worden gerealiseerd (uiteraard rekening houdend met de subsidievoorwaarden). We stellen dus vast dat de huidige VLM-volkstuin­ subsidiewerking vooral een financiële impuls en minder sterk een inhoudelijke impuls heeft gegeven. Ze heeft voornamelijk een verdere uitbreiding van het volkstuinareaal gestimuleerd, wat zich vertaalt op terrein in meer oppervlakte aan volkstuinen. Deze vaststelling kan zeer negatief worden geïnterpreteerd, wat niet de intentie is van dit rapport. De VLM-volkstuinsubsidie heeft weldegelijk een belangrijk verschil gemaakt, en daartoe zijn de volgende punten opgesomd:


1 Door de projectoproep ‘inrichting volkstuinen’ en het feit dat hiervoor een subsidieaanvraag moest worden ingediend, is er vaker de stap gezet naar het verder uitdenken van wat oorspronkelijk slechts een idee of vaag plan was om een volkstuin op te starten. In die zin heeft de VLMvolkstuinsubsidieprocedure een belangrijke rol gespeeld: de subsidie heeft vaak een momentum gecreëerd om een bestaand idee verder uit te werken en om een kwalitatief volkstuinconcept te realiseren.

2 Verder heeft de subsidie (wat betreft de financiële middelen) wel een effectieve impact gehad op het aantal bijkomende volkstuinen en de uitbreiding van de bestaande volkstuinen, dus de uitvoering op terrein. De subsidie heeft dus voornamelijk een (financiële) impact gehad op de effectieve realisatie op het terrein. De subsidies hebben gezorgd voor een grotere kwantiteit. Daarbij zijn de subsidies ingezet voor een kwalitatieve inrichting en beheer van de volkstuinen, met reeds hoge ambities. Een kanttekening is dat de VLMvolktuinsubsidie als instrument de reeds hoge ambities bij de volkstuinen niet verder heeft kunnen verhogen.

3 Vergelijken we de spreiding over de types volkstuinen bij alle volkstuinen met de spreiding bij de volkstuinen die (o.a.) de VLM-volkstuinsubsidie ontvingen, dan zien we dat er bij de gesubsidieerde 13% minder klassieke volkstuinen zijn (van 57% naar 44%), ten voordele van een toenemend aandeel samentuinen (+6%) en warme tuinen (+6%). De VLM-volkstuinsubsidie heeft dus voor een piek en een grotere diversiteit gezorgd in het soort volkstuinen, doordat het subsidiereglement is meegeëvolueerd met de algemene trends in de volkstuinwereld en dus ook met de verwachtingen en de maatschappelijke noden. De vernieuwende concepten zoals warme tuinen en samentuinen zijn op het voorplan van de subsidieprocedure getreden en dit sluit aan bij de kwalitatieve behoeften. De subsidie heeft dus inhoudelijk niet noodzakelijk voor ‘betere’ volkstuinen gezorgd (Waarom zou een nieuw volkstuinconcept beter zijn dan een klassiek?), maar wel voor ‘andere’ volkstuinen.

4 Uit de enquête en op het terrein bleek dat wanneer er verschillende subsidies voorhanden waren, de VLM-volkstuinsubsidie steevast werd ingezet voor het ecologische beheer van de tuin.

BLIK VOORUIT

213


4.2 CONCLUSIES

4.2.1 H uidig volkstuinbestand: een antwoord op maatschappelijke noden en behoeften? Om te weten hoe het beleid geoptimaliseerd kan worden, moeten we in eerste instantie weten hoe de volkstuintoestand vandaag is. Pas daarna kunnen we de vertaalslag naar optimalisatie bekijken. We kijken daarvoor of volkstuinen op vandaag aan de maatschappelijke noden en behoeften voldoen. Een eerste deelvraag luidt daarom: Voldoet de huidige volkstuintoestand aan de maatschappelijke noden en behoeften? Om deze vraag visueel te ondersteunen, grijpen we terug naar de schematische voorstelling van de beleids- en beheers­cyclus als open systeemmodel, waarbij we de drie deelvragen uit dit hoofdstuk hebben aangeduid (figuur 4.01). We moeten ons bij bovenstaande onderzoeksvraag zowel buigen over het kwantitatieve aspect, als over de kwalitatieve invulling van die noden en behoeften. In de behoeftebepaling zagen we reeds dat er heel wat volkstuinen zijn bijgekomen in Vlaanderen t.o.v. tien jaar geleden. Ondanks de geleverde inspanningen, blijft de theoretische behoefte aan volkstuinen groot en kunnen we dus stellen dat er kwantitatief nog steeds een tekort is. Belangrijk om weten is dat het merendeel van de volkstuinen zich bevindt buiten statistische sectoren waar er theoretisch nood is aan volkstuinen, en dat veel volkstuinen, zelfs in die laatste sectoren, een wachtlijst hebben aangelegd. De theoretische behoeftebepaling is dus een nuttige oefening, maar vertelt zeker niet alles, en vat de effectieve en vaak kwalitatieve behoeften die volkstuinen invullen, niet volledig. Bovendien is het niet omdat er een volkstuin aanwezig is, dat die ook automatisch aan de wensen voldoet.

214

Of de kwalitatieve behoefte wordt ingevuld, blijkt uit de analyse van het huidige volkstuinbestand. Uit de beschrijving van de trends in volkstuinen en de resultaten van de enquête krijgen we een overzicht van het actuele zeer diverse volks¬tuinlandschap en de verschillende functies die volkstuinen vandaag vervullen, de noden die er leven, etc. Wat zich ook vertaalt in bepaalde partnerschappen, samenwerkingen, activiteiten met de buurt (sociale dynamiek), etc. We kunnen stellen dat de meeste volkstuinen mee-evolueren met de geïdentificeerde trends, noden en behoeften. De volkstuinen bieden dus een kwalitatief antwoord op de maatschappelijke noden en behoeften. Als antwoord op de onderzoeksvraag kunnen we dus bevestigen dat waar er behoefte is aan volkstuinen, die kwalitatief wordt ingevuld, maar dat er areaal te kort is om aan de kwantitatieve behoefte te voldoen.

Wel moet hierbij nog de kanttekening gemaakt worden, dat we in deze evaluatiestudie de focus legden op de impact van de VLM-volkstuinsubsidie, waardoor het onderzoek zich vooral concentreerde op volkstuinen die de subsidie toegekend kregen. De niet-gesubsidieerde aanvragen die niet hebben geresulteerd in de realisatie van een volkstuin, of de volkstuin-ideeën die zelfs nooit tot een subsidieaanvraag, geraakt zijn, laat staan gerealiseerd, werden niet geanalyseerd. Voorlopers op bepaalde trends, of atypische en innovatieve volkstuinconcepten (die zichzelf niet meteen volkstuin zouden noemen) vormen een kennislacune. Ze geven immers een antwoord op een vraag of behoefte waar we geen zicht op hebben.

4.2.2 D e VLM-volkstuinsubsidie: afgestemd op die maatschappelijke noden en behoeften? We weten nu dat het actuele volkstuinbestand de behoefte wel kwalitatief invult, maar kwantitatief, ondanks de geleverde inspanningen, de grote vraag naar volkstuinen niet kan bijhouden. Om te weten of die kwalitatieve invulling van volkstuinen te danken is aan de subsidiewerking, toetsen we eerst nog af of de subsidiewerking afgestemd is op de maatschappelijke noden en behoeften. Als dit niet zo is, kunnen we de hoofdvraag immers al negatief beantwoorden. De deelvraag waarover we ons dus eerst nog buigen luidt: Is het huidige subsidiereglement afgestemd op de huidige maatschappelijke noden en behoeften? Maw.: kunnen we met huidige subsidiewerking aan die noden voldoen? Ook deze vraag behoeft een tweeledig antwoord. Eerst focussen we op de kwalitatieve afstemming, ten tweede op kwantitatieve invulling. Om te weten of de subsidiewerking kwalitatief is afgestemd op de huidige noden, is in deel 2 van het rapport de subsidieprocedure geanalyseerd, en teruggekoppeld met het eerste onderzoeksdeel waarin de noden en behoeften en de trends in kaart zijn gebracht. De evolutie van het subsidiereglement en de veranderende klemtonen vertonen veel parallellen met de eerder beschreven algemene trends in volkstuinen. Terwijl het proces van het voedsel kweken nog steeds de basis of het verbindende element vormt in de volkstuin, toch zijn er heel wat diverse volkstuinconcepten bijgekomen die elk bijkomende eigen klemtonen leggen (vb. samentuinen, zorgtuinen, etc.). Dit weerspiegelt zich ook in het subsidiereglement. Hoewel volkstuinen ondersteund worden vanuit het plattelandsbeleid, en meer bepaald vorm hebben gekregen in de schoot van de voedselproductiepeiler, zien we toch dat het VLM-volkstuinsubsidiereglement ook steeds meer


CONTEXT

MAATSCHAPPELIJKE

3

NODEN & BEHOEFTEN

1

IMPACT

meer én betere volkstuinen ?

2 BELEID VOLKSTUINEN VLM

BELEIDSINPUT

PROCES

BELEIDSOUTPUT

BELEIDSOUTCOME

Subsidies voor volkstuinen

Oproep en selectieproces indieners

Gesubsidieerde volkstuinen

Volkstuinareaal 2019

DOELSTELLING VLM

F I G 4 . 0 1 Beleids- en beheerscyclus als open systeemmodel toegepast op het volkstuinenbeleid met aanduiding van de drie deelvragen uit dit hoofdstuk, deze figuur wordt uitgebreid toegelicht in deel 0 (figuur 0.01) (Voorland & KU Leuven, 2020)

4.2.3 G esubsidieerde volkstuinen: afgestemd op de noden en behoeften dankzij de VLM-volkstuinsubsidie? Nu we hebben geconcludeerd dat zowel het huidige volkstuinaanbod als het subsidiereglement een antwoord bieden op de huidige maatschappelijke noden, toch wat betreft het kwalitatieve aspect, kunnen we bekijken of het precies dankzij het subsidiereglement is dat het volkstuinaanbod daadwerkelijk zo kwalitatief werd ingericht. We beantwoorden hier dus de deelvraag: Worden door het gevoerde beleid met subsidiereglement volkstuinen gerealiseerd die aan de maatschappelijke noden en behoeften voldoen? Deze laatste vraag gaat het verband na tussen het gerealiseerde volkstuinbestand enerzijds en het

subsidiereglement anderzijds. Is het precies door het subsidiereglement dat de volkstuinen beantwoorden aan die noden en behoeften en dat ze kwalitatief beter worden? Ook op die vraag is het antwoord tweeledig. Door de subsidies zijn er inderdaad meer én betere volkstuinen gekomen, maar uit de casestudies is gebleken dat de ambities in de tuinen al hoog lagen en de mindset al goed zat. De volkstuinconcepten mikten bijvoorbeeld al op ecologisch tuinieren, op het bereiken van een sociale mix d.m.v. het betrekken van verschillende doelgroepen en ze zetten al in op verschillende partnerschappen. Deze volkstuinen kunnen we dus beschouwen als het laaghangend fruit, dat met de subsidie geoogst kon worden: dankzij de subsidie konden zij gerealiseerd worden. Meer nog: uit de enquête en de casestudies bleek dat de meeste volkstuinen zonder subsidie nooit zouden zijn ontstaan. De VLM-volkstuinsubsidieaanvraag bleek een momentum te vormen voor effectieve opstart, en een trigger om cofinanciering op te starten. Dat de tuinconcepten de lat voor zichzelf al hoog legden, is ongetwijfeld ook het indirecte resultaat van het traject dat er voor volkstuinen de afgelopen jaren is uitgestippeld. De cases uit de controlegroep, die geen subsidie hebben ontvangen, leren ons dat de kwalitatieve invulling van volkstuinen ook geschiedt zonder subsidies. Op vandaag is de impact van de subsidie vooral dat er effectief gerealiseerd wordt (kwantiteit), het verschil zit hem dus veel meer in de kwantiteit dan in de kwaliteit die wordt gerealiseerd. De vraag die we ons hierbij stellen is, of de Vlaamse overheid en de VLM als uitvoerende instantie van volkstuinen, de ambitielat niet nog hoger kunnen leggen. Waar kan de subsidie in de toekomst dan wel het verschil maken? In de volgende paragraaf bij de aanbevelingen wordt hier uitgebreid op ingegaan.

BLIK VOORUIT

aanstuurde op andere aspecten, zoals sociale aspecten als inclusiviteit, etc. Het VLM-volkstuinsubsidiereglement is daarmee de trends gevolgd, die de veranderende (en verruimde) noden weerspiegelen waarop volkstuinen een antwoord bieden. We kunnen dus concluderen dat de inhoud van het VLM-volkstuinsubsidiereglement perfect aansluit bij de noden en behoeften in de volkstuin. Als we de kwantitieve afstemming van de subsidiewerking op de maatschappelijke noden bekijken, is het antwoord op de vraag negatief. Veel subsidie-aanvragen die niet gesubsidieerd werden, hebben uiteindelijk niet tot realisatie van bijkomende volkstuinen geleid. En zeker niet alle niet-gesubsidieerde aanvragen behelzen slechte ideeën of concepten… Bovendien blijkt ook uit de behoeftebepaling dat er nog sectoren zijn waar er een theoretische behoefte is en geen volkstuinaanbod.

215


4.3 AANBEVELINGEN 4.3.1 Beleidsvoorwerp afbakenen: ‘volkstuinen’ Uit het onderzoek blijkt dat er een aantal elementen zijn om het volkstuinbeleid voor Vlaanderen te optimaliseren. Vooreerst moeten we ons de vraag durven stellen of het beleidsvoorwerp onder de noemer ‘volkstuin’ nog wel voldoende de lading dekt. De volkstuinen van vandaag kennen een zeer diverse invulling (klassieke volkstuinen, warme tuinen, samentuinen, zorgtuinen, etc.). We moeten ons ervan bewust zijn dat de conceptuele afbakening, de definitie van een volkstuin, doorslaggevend is (o.a. voor sensibilisering naar subsidiedoelgroep, als naar andere overheidsinstanties). De ‘volkstuin’ als term heeft een zekere anciënniteit - opgebouwd en is wijdverspreid. Men weet wat een volkstuin is. Tegelijkertijd zijn volkstuinen tegenwoordig juist zeer divers en beogen ze tal van maatschappelijke functies die de meeste mensen (nog) niet met een volkstuin associëren. De meeste (recente) volkstuinen zijn geëvolueerd naar samentuinen, deeltuinen, zorgtuinen, warme tuinen, etc. Veel van dergelijke nieuwe concepten, elk met hun eigen accenten, zijn ontstaan in het volkstuinkader. Maar daarbuiten zijn er ook andere concepten of plekken die binnen de context van volkstuinen zouden kunnen worden gefaciliteerd. Alleen leggen die nu (nog) niet noodzakelijk de link met het volkstuinbeleid. Hanegreefs et al. (2011) stelden in hun ‘handleiding voor volkstuinen’ in het verleden al voor aan lokale overheden om de blik op volkstuinen te verruimen.

216

Een weloverwogen begripskeuze en duidelijke afbakening van het beleidsvoorwerp zijn belangrijk, om er zeker van te zijn dat alle initiatieven die relevant zijn, meegenomen worden in het beleid. Deze begripskeuze en afbakening van het beleidsvoorwerp zijn afhankelijk van het ambitieniveau van het gevoerde beleid (zie verder). Uit het onderzoek is gebleken dat volkstuinen immers verschillende rollen (kunnen) opnemen, veel meer dan het moestuinieren alleen. Daarom wordt er aanbevolen te zoeken naar een ruimer begrip dat een bredere invulling suggereert en er de nadruk op legt dat de volkstuin ook een middel kan zijn om bijvoorbeeld op een gezonde levensstijl, meer groene ruimte, sociale cohesie, lokale voedselproductie of een combinatie ervan in te zetten in een bepaalde buurt. In het geval van lokale voedselproductie en sociale cohesie zou men ook kunnen spreken van ‘eetbare buurt’ (vb. Velt studiedag ‘eetbare buurt’ in 2017), waarbij een ruimere invulling beoogd wordt. Niet alleen een volkstuin, maar tevens een buurtboomgaard, een voedselbos of een permacultuurtuin komen dan in aanmerking. Door de term ‘buurt’ worden de sociale aspecten en de toegankelijkheid naar de buurt nog sterker weerspiegeld.

Het beleidsvoorwerp afbakenen, en dus de scope van o.a. een eventueel subsidie-instrument bepalen, kan echter slechts wanneer ook de doelstellingen en de langetermijnvisie van het beleid gekend zijn. Hierbij is het niet onbelangrijk om te kijken welke initiatieven/ concepten al voorwerp zijn van ander beleid en eventueel al vanuit die weg worden gestimuleerd. Dit met het oog op het zo efficiënt mogelijk inzetten van de middelen.

4.3.2 Nood aan een helder en volledig volkstuinbeleid In opdracht van de Vlaamse overheid heeft VLM middelen ter beschikking gekregen om via haar plattelandsbeleid uitvoering te geven aan het volkstuinenbeleid. Zonder dat er daarvoor vanuit de hogere overheid een langetermijnvisie of kader is uitgebouwd. Hoewel volkstuinen meermaals vernoemd worden in verscheidene beleidsvisies op verschillende niveaus, worden de ideeën over het potentieel van volkstuinen en het inzetten van volkstuinen als instrument nergens au fond uitgewerkt. De tweede aanbeveling om tot optimalisatie van het beleid te komen, is bijgevolg dit beleid zelf te verhelderen en te vervolledigen. Een langetermijnvisie en concrete doelstellingen op Vlaams niveau zijn essentieel om vervolgens pas het geschikte instrument (al dan niet een subsidie) hierop af te stemmen. Het beleid voor volkstuinen op Vlaams niveau is, gelet op de verschillende fasen van de beleidscyclus (zie figuur 4.02), op vandaag nog niet in zijn volledigheid uitgewerkt. De beleidscyclus, die de verschillende fasen (in de totstandkoming) van het beleid weerspiegeld, bevat vier fasen die elkaar cyclisch beïnvloeden: de beleidsvoorbereiding, de beleidsbepaling, de beleidsuitvoering en de beleidsbeoordeling. Het huidige volkstuinbeleid is zeer uitvoeringsgericht. Er wordt ingezet op procesevaluatie en doelmatigheid, terwijl een gedegen beleidsvoorbereiding (met agendavorming), beleidsbepaling en monitoring ontbreken. Een aanbeveling is dan ook om het volkstuinbeleid in zijn geheel meer aandacht te geven, en met name de beleidsvoorbereidende en beleidsbepalende fasen waarbij de langetermijnvisie wordt uitgezet en de doelstellingen op Vlaams niveau worden scherp gesteld. Pas als we weten waar we naartoe willen met volkstuinen, kunnen we de meest geschikte instrumenten kiezen en die inzetten waar nodig.


Beleidsvoorbereiding

Probleemanalyse, oorzakenanalyse, profilering, belangen

Agendavorming Conclusies Beleidsbeoordeling Meten doelbereik, verklarende analyses (doelmatigheid), procesevaluatie, verantwoording, lessen en verbetering

Beleidsbepaling Beleidskeuze

Politieke interventies Monitoring van proces, output en outcome, procesevaluatie

Probleemstelling, varianten van beleidsdoelstellingen en -strategieën, toetsing beleidsontwerpen, onderhandelen

Beleidsuitvoering F I G 4 . 0 2 Evaluatie in relatie tot de beleidscyclus (Terryn, 2016, o.b.v. Hanemaayer, 2012)

4.3.3 K oppeling tussen schaal- en ambitieniveau In de vorige paragraaf werden randvoorwaarden gesteld aan de onderzoeksvraag om ze te kunnen beantwoorden: de term volkstuinen moet doordacht worden gekozen en/ of afgebakend, afhankelijk van de concrete beleidsdoelstellingen en er is nood aan een helder en volledig volkstuinbeleid. Het antwoord op de hoofdonderzoeksvraag: “(Hoe) kan het beleid voor volkstuinen in Vlaanderen, waarvan het voornaamste uitvoeringsinstrument vandaag de subsidie is, worden geoptimaliseerd?” is afhankelijk van het gekozen schaalniveau waarop het beleid wordt uitgerold. Het antwoord ligt bovendien grotendeels buiten de subsidiewerking an sich. In deze paragraaf leggen we aanbevelingen voor die vanuit het onderzoek naar voor kwamen, en dit per schaalniveau in de uitvoering van het beleid. Bij het bepalen van de beleidsdoelstellingen voor volkstuinen zijn er verschillende pistes die kunnen worden bewandeld. Wil het beleid focussen op het realiseren van meer volkstuinen en het volkstuinareaal vergroten? Of wil het beleid inzetten op volkstuinen als hefboomplekken om een geïntegreerd antwoord te bieden op gebiedsspecifieke noden? Of is een én-én verhaal wenselijker? Hoewel dit laatste waarschijnlijk het geval is, en men een én-

én verhaal wil schrijven met volkstuinen, is het toch interessant om even stil te staan bij de twee uiterste pistes. Ze illustreren namelijk het verschil tussen het beschouwen van een volkstuin als een doel op zich (focus op areaal uitbreiden) of als een middel (om in te zetten op tal van andere maatschappelijke noden in de buurt). In de tweede klankbordgroep gingen we hier uitgebreid op in. In werkelijkheid is het uiteraard geen zwart-wit verhaal. De behoeftebepaling en de wachtlijsten tonen aan dat er een stijgende behoefte is aan volkstuinen, bijgevolg is het realiseren van meer volkstuinen wenselijk. Tegelijk vormt het realiseren van die bijkomende volkstuinoppervlakte een belangrijke opportuniteit om de ambities voor die specifieke plek nog hoger te tillen en meer koppelkansen in te vullen: volkstuinen als middel om andere doelstellingen te bereiken. Deze ‘doel/middel’ dualiteit is sterk afhankelijk van het schaalniveau waarop ze wordt bekeken.

A. HOOGSTE SCHAAL- EN AMBITIENIVEAU: KOPPELKANSEN EN NIEUWE PARTNERSCHAPPEN Bij de bewustwording omtrent lokale voedselproductie kan de link bovendien worden gelegd met de ‘vergeten groenten’ van de streek, waarbij de lokale heemkundekring betrokken kan worden. Het uitwisselen van kennis rond uitheemse gewassen en kruiden versterkt dan weer de integratie van diverse culturen (link met horeca, andere doelgroepen). Op gewestelijk niveau werd daarbij gedacht aan het Agentschap Integratie en Inburgering voor wat

BLIK VOORUIT

Onder meer een uitgebreide probleemanalyse, marktonderzoek, kartering en monitoring van het volkstuinbestand vormen op vandaag ontbrekende elementen om een gericht beleid te voeren.

217


betreft de kansen voor integratie, en aan het departement Landbouw en Visserij voor de link tussen landbouw en hobbylandbouw (in de volkstuinen). De verschillende doelstellingen en koppelkansen sluiten nauw bij elkaar aan. Zo kan bijvoorbeeld een gezonde levensstijl als hoofddoelstelling naar voor geschoven worden, waarbij bovenstaande koppelkansen eveneens aan bod komen. Ook rond zorg en anti-vereenzaming werd voor de volkstuin nagedacht over verschillende koppelkansen en partnerschappen. Vandaag zijn er al heel wat zorgtuinen en warme tuinen die daarop een lokaal antwoord formuleren en al heel wat specifieke partnerschappen aangaan met het Agentschap Zorg en Gezondheid, jeugdzorg, dienst samenlevingsopbouw, Terra Therapeutica, … Budgettair is het belangrijk dat er enerzijds middelen worden gereserveerd voor volkstuinprojecten die meerlagigheid opzoeken en koppelkansen maximaliseren. Anderzijds mag dit niet betekenen dat alle financiële middelen enkel naar de grotere, meer complexe projecten gaan, en de kleine (soms eerder informele) initiatieven op het achterplan verdwijnen. Bovendien komen de meerlagige projecten ook vaak in aanmerking voor andere financieringskanalen. Beide types van initiatieven hebben elk een belangrijke impact op hun omgeving, en de schaal staat daarbij niet garant voor meer kwaliteit. De subsidies zelf zouden ook gedifferentieerd kunnen worden toegepast. In het beste geval houden ze ook rekening met andere financieringsmogelijkheden. De koppeling met andere beleidsvelden dient gemaakt te worden, als hun doelstellingen worden gerealiseerd kunnen zij immers mee worden ingeschakeld voor de subsidies.

B. I NTERMEDIAIR NIVEAU: TUSSENSCHAKEL EN KOPPELING VAN VRAAG EN AANBOD Wanneer het maximaliseren van koppelkansen hét strategische doel wordt van volkstuinen op Vlaams niveau, kan de subsidiëring blijven (zie C.), maar is er vooral een extra tussenschakel nodig. Deze ‘tussenschakel’, ‘intermediaire instantie’ of dit ‘aanspreekpunt’ moet ervoor zorgen dat die strategische doelstelling zich kan vertalen op het terrein, in bijkomende volkstuinen (die deze koppelkansen nastreven). De tussenschakel moet de (kwantitatieve en kwalitatieve) vraag en het aanbod aan elkaar koppelen, en ze optimaliseert de inzet van het subsidieinstrument. We zetten de mogelijkheden aan de vraag- en aanbodszijde hier op een rijtje en bekijken de weerslag op de financiële middelen. > V RAAGZIJDE PRIKKELEN: SUBSIDIEDOELGROEP VERRUIMEN

218

Door het overzicht van vraag en aanbod te centraliseren en een soort van loketfunctie aan te bieden, zou men een doelgroepverruiming kunnen realiseren. Dit aanspreekpunt

of loket kan eerder passief zijn en weinig arbeidsintensief, zoals een internetplatform of geoloket waarop alle informatie te vinden is. Vanuit het idee dat het al belangrijk is dat er voor volkstuinen een aanspreekpunt/plaats is, waartoe iedereen zich kan wenden met vragen of initiatieven. De koppeling tussen vraag en aanbod kan echter ook op een meer proactieve wijze gemaakt worden, via intermediaire organisaties als De Landgenoten, limburg. net, etc. Deze tussenschakel gaat dan actief op zoek naar potentieel aanbod, door bv. (publieke) grondeigenaars aan te spreken in de buurt en in contact te brengen met de potentiële initiatiefnemers. Deze aanbeveling, nl. het voorzien van een aanspreekpunt, is niet nieuw. In 2007 werd het instellen van een aanspreekpunt op gewestelijk niveau reeds naar voor geschoven (UGent, 2007). Dit aanspreekpunt moet het terrein effenen voor dienstverlening naar middenveldorganisaties en lokale overheden. Zo’n aanspreekpunt op gewestelijk niveau is ook vandaag nuttig, om bijvoorbeeld het volkstuinbestand te monitoren en op gewestelijk niveau een beeld te hebben van vraag en aanbod. Vooraleer nieuwe organen of functies op te richten, om te kunnen makelen of schakelen tussen vraag en aanbod, kan zeker worden gekeken naar bestaande samenwerkingsverbanden of organisaties die al sterk betrokken zijn. Op vandaag wordt deze schakelfunctie al ingevuld op verschillende schaalniveaus, bv. door de gemeentelijke ambtenaar of door limburg.net. Tijdens de tweede klankbordgroep is de rol die limburg.net op vandaag al opneemt als een vorm van makelaar, als een voorbeeldfunctie besproken. Budgettair mag het installeren van een tussenschakel niet betekenen dat het subsidiebudget voor het realiseren van volkstuinen kleiner wordt, integendeel. De tussenschakel moet net worden gezien als bijkomend instrument, om de subsidie nog optimaler te kunnen inzetten en op die manier het ambitieniveau verder op te krikken. Vandaar dat er extra middelen moeten worden vrijgemaakt of FTE’s worden verschoven om de tussenschakel/makelarij vorm te geven en de subsidiewerking te optimaliseren. > V ERRUIM HET AANBOD In de handleiding volkstuinen uit 2011 wordt al gesproken over het verruimen van het aanbod door nieuwe mogelijkheden te exploreren. Dit hangt nauw samen met de verbreding van het concept volkstuinen (zie hoger) en het zoeken naar koppelkansen (zie A.). Men kan voor het verruimen van het aanbod vanuit kansrijke locaties vertrekken (link met woonzorgcentra, ziekenhuizen, begraafplaatsen, etc.) of juist vanuit restlocaties (Hanegreefs et al. 2011). Men kan ook (publieke) grondeigenaars aanspreken, bedrijfsterreinmanagers en projectontwikkelaars proberen te betrekken om het aanbod — zij het eventueel slechts tijdelijk — te verruimen.


F I G 4 . 0 3 Koppeling tussen schaal- en ambitieniveau voor een meer performant subsidiebeleid voor volkstuinen (Voorland & KU Leuven, 2020)

C. L OKAAL NIVEAU: SUBSIDIEMOTOR ALS TROEF OM GROEIENDE BEHOEFTE TE BEANTWOORDEN Op het lokale schaalniveau zien we dat de subsidiemotor (de financiële impuls) nodig is om op het terrein het verschil te maken en volkstuinen effectief opgestart te krijgen. De lokale initiatiefnemers, vaak steden of gemeenten, maar even goed buurtorganisaties en burgerinitiatieven, hebben nood aan deze stimulans, en gaan dankzij de subsidie actief op zoek naar geschikte locaties en nieuwe mogelijkheden voor volkstuinen. Het vereenvoudigen van de subsidieaanvraag en de subsidiewerking zou bij de realisatie van volkstuinen een rechtstreeks voordeel bieden. Aangezien de subsidieaanvraag vaak als een administratieve last en een logge procedure wordt beschouwd, is het belangrijk om in te zetten op laagdrempeligheid. Dit om alle geëngageerde initiatiefnemers aan boord te houden en niet exclusief

te zijn voor de reeds met de procedures vertrouwde indieners. Ook mensen die niet het geijkte jargon spreken, zullen dan hun weg vinden naar de subsidieaanvraag en de subsidieaanvraag wordt toegankelijker. Zo zullen ook kleine initiatieven overblijven. Het verlagen van de drempel tot het aanvragen van een subsidie, betekent niet dat het ambitieniveau in de volkstuin minder hoog moet zijn. De lat moet minstens even hoog, en bij voorkeur zelfs hoger liggen. Een andere drempel schuilt in het feit dat initiatieven zich formeel moeten organiseren, waardoor er heel wat kleine buurt- en of jongereninitiatieven uit de boot vallen. Ook hieraan kan als voorwaarde gesleuteld worden. In het voorstel met drie schaalniveaus (figuur 4.03), kunnen de financiële middelen dus verder zoals vandaag worden ingezet, maar worden de voorwaarden van de subsidieprocedure vereenvoudigd. Het subsidiereglement en de -aanvraag worden bijgevolg aangepast. Hierdoor worden de ingediende dossiers bij voorkeur slanker, en wordt het juryproces ook minder intensief. Bijkomend kan er worden gewerkt met een soort ‘pitch’sessie, waarbij de initiatiefnemers hun voorstel kort komen voorstellen en de jury zo het engagement beter kan inschatten. Een belangrijke suggestie of aanbeveling hierbij is om als Vlaamse overheid, deze subsidiemotor eerder op lokaal niveau te faciliteren. De tussenschakel is hierbij de sleutelfiguur om de link tussen de Vlaamse doelstellingen en lokale behoefte te bewaken.

BLIK VOORUIT

Belangrijk bij het opbouwen van het draagvlak voor koppelkansen, en ze te kunnen maximaliseren, is dat de koppelkansen (instelling, locatie, …) nabij zijn, bij voorkeur zelfs zichtbaar. De tuin moet bij een koppelkans rond zorg en anti-vereenzaming bijvoorbeeld vlakbij de zorginstelling liggen, en liefst nog zichtbaar zijn vanuit de instelling. Wanneer de afstand vergroot, groter wordt dan 500m, wordt de drempel voor de koppelkans groter (KG2).

219


4.4 VERDER ONDERZOEK Eerder werd al aangegeven dat het karteren en monitoren van het volkstuinaanbod een belangrijke aanbeveling is om de evolutie van het volkstuinbestand te analyseren en het beleid te kunnen evalueren. Ook bij toekomstige inventarisaties en enquêtes zal die monitoring zijn vruchten afwerpen. Bij de inventarisatie voorafgaand aan de enquête in dit onderzoek, is gebleken dat geen enkele instantie of organisatie zicht heeft op totale volkstuinbestand. Elke koepelorganisatie houdt zijn eigen ledenlijsten bij, maar niet alle volkstuinen zijn aangesloten bij een koepelorganisatie. Het feit dat na het samenleggen van alle circulerende ledenlijsten en overzichten, toch nog 7 nieuwe volkstuinen reageerden op de opengestelde enquête, illustreert dit. Eventuele innovatieve volkstuinconcepten of ‘volkstuinachtige’ concepten zoals het tuinieren op daken of tuindelen zijn in deze studie bijvoorbeeld niet meegenomen in de inventarisatie. Toch kan het relevant zijn om deze initiatieven mee te nemen in het beleid. Monitoring, sensibilisering en dit gecombineerd met een heldere begripsafbakening kan deze onduidelijkheid en vermoedelijke onderschatting bij de inventarisatie verhelpen in de toekomst. Via de monitoring zou men ook kunnen nagaan welke volkstuinen van de radar verdwijnen en om welke reden. Daar zit nog een belangrijke bron van informatie over de mogelijke bedreigingen inzake bestaanzekerheid van volkstuinen.

220

Ook werd reeds geconstateerd dat de theoretische behoeftebepaling niet alles zegt: we zagen dat 60% van de volkstuinen buiten statistische sectoren ligt waar er een theoretisch behoefte aanwezig is. Binnen het bestek van deze opdracht was het niet gevraagd, maar ook niet mogelijk om de methode voor de behoeftebepaling te verfijnen. Bovendien was dit ook niet wenselijk, omwille van de vergelijking met de eerdere toestandsbeschrijving in 2007. We volgden daarom dezelfde methode, maar we moeten vaststellen dat het wenselijk is dat er een uitgebreider onderzoek wordt gedaan naar welke factoren precies de effectieve vraag of behoefte beïnvloeden. De kloof tussen de theoretische en de effectieve behoefte (wachtlijstgegevens) zou meer gedicht moeten kunnen worden. Hoe komt het bijvoorbeeld dat er ook heel wat behoefte is aan volkstuinen buiten de stedelijke gebieden? Om hier een gedegen antwoord op te krijgen is een uitgebreider onderzoek nodig naar mogelijke indicatoren die de methode van de behoeftebepaling fijner en de resultaten nauwkeuriger maakt. Een uitgebreid marktonderzoek is daarbij wenselijk. Deze aanbeveling leunt ook nauw aan bij het beter monitoren van de volkstuinen (oppervlakte, wachtlijsten, etc.). Via dergelijk marktonderzoek wordt bovendien inzicht verkregen omtrent de initiatieven die wel indienden voor de subsidie, maar ze niet hebben ontvangen en vervolgens geen volkstuin hebben opgestart, en omtrent de initiatieven die geen weet hebben van subsidie en geen volkstuininitiatief genomen hebben.

Naast het bestuderen van de volkstuinen, is het tevens interessant om de evolutie van het tuiniersprofiel uitgebreider te onderzoeken. Dit profiel vertelt immers veel over de kwalitatieve behoeften die men in een tuin zoekt. Er zijn intussen heel wat nieuwe volkstuinconcepten ontstaan, waarbij voornamelijk sociale aspecten vooropgesteld worden. Terwijl nog steeds 50% van de tuinen een eerder ‘klassiek’ profiel hebben, geeft 80% van de volkstuinbeheerders aan dat één van de twee hoofddoelstellingen een sociale doelstelling is (het samenbrengen van mensen). Dit betekent dat zowel nieuwe types volkstuinen als klassieke volkstuinen de ontmoeting tussen tuiniers belangrijk vinden. Het toekomstig beleid moet dus niet alleen afgestemd zijn op het type tuin, maar ook op het profiel van de tuinier om die ontmoeting te faciliteren. In 2007 is een eerste keer het profiel van de klassieke tuinier onderzocht door middel van een enquête. Het zou zeer interessant zijn om diezelfde enquête vandaag opnieuw af te nemen in dezelfde volkstuin en de evoluties op te tekenen. Voor het case-onderzoek zijn 10 cases geselecteerd die tevens de enquête hebben ingevuld. Op een totaal van 371 volkstuinen zijn 10 cases eerder beperkt. De cases werden geselecteerd zodat een maximale diversiteit qua concept, oppervlakte, startjaar, etc. werd bereikt (zie hoofdstuk caseselectie). Het is evenwel niet de ambitie van de casestudyanalyse om de gemiddelde Vlaamse volkstuin te analyseren, wel om bij tien volkstuinen in het bijzonder te kunnen inzoomen en scherpstellen op de effectieve impact van de subsidieprocedure. Als zodanig vormen de casestudies een zeer belangrijke aanvulling op de meer algemene resultaten van de enquête. Dat we de cases hebben geselecteerd uit diegene die de enquete hebben ingevuld, doet misschien vermoeden dat we enkel vernieuwende, geëngageerde tuinen hebben geselecteerd. Dit is niet het geval. De keuze om tussen de respondenten van de enquête te kiezen, heeft te maken met het verkrijgen van contactgegevens. Door het gebrek aan centrale monitoring is het immers moeilijk om contactgegevens te verkrijgen van volkstuinen die de enquête niet invulden.Tijdens het interview en terreinbezoek bleek de diversiteit en ingesteldheid zeer groot bij de geselecteerde cases. De geïnterviewde beheerder en tuinier waren in de meeste gevallen ook niet degenen die de enquête hadden ingevuld. De resultaten van het case-onderzoek zijn dus niet ‘positiever’ dan de gemiddelde volkstuin.


221

BLIK VOORUIT


222


Bronnen en bijlage

223


224


Agora (2013). Buurtmoestuinen in kaart. An. (2015). Volkstuintjes zijn weer hip. Knack Weekend. Laatst geraadpleegd op 1 juli 2020 via https:// weekend.knack.be/lifestyle/maatschappij/ volkstuintjes-zijn-weer-hip/article-normal-586443. html?cookie_check=1589531396. Berx, C., Reynaert, S., Elsen. A., De Smet, A., Meysmans, G. (2019). Aanpak verontreiniging in volks- en samentuinen in Vlaanderen. Onderzoek in opdracht van OVAM. Departement Omgeving (2018). Strategische visie Beleidsplan Ruimte Vlaanderen. Decr.Vl. 13 juni 1990 Bosdecreet, BS 28 september 1990. Decr.Vl. 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, BS 10 januari 1998. Decr.Vl. 28 maart 2014 betreffende de landinrichting, BS 22 augustus 2014. Departement omgeving (2018). Gezond uit eigen grond. Geraadpleegd via https://do.vlaanderen.be/ campagne-gezond-uit-eigen-grond. Hanegreefs, G., Leinfelder, H., & Pisman, A., Allaert, G. (2011). Handleiding voor gemeenten over de aanleg van een volkstuinenpark. Gent: Universiteit Gent. Afdeling Mobiliteit en Ruimtelijke Planning. Jans, P. (2017). Opwaarderen volkstuintjes. Laatst geraadpleegd op 1 juli 2020 via https://tongeren. openvld.be/. Kenniscentrum Vlaamse Steden (2016). Tijdelijk gebruiken. Geraadpleegd via http://www.tijdelijkgebruiken.be/ Paginas/Tondelier-of-De-site-Gent.aspx. Landelijke gilden (2016). Warme tuin. Laatst geraadpleegd op 1 juli 2020 via https://www.landelijkegilden.be/ warmetuin. New spring energy (2014). Buy local produce – Canadians benefit from stricter agricultural regulations. Geraadpleegd via https://newspringenergy.ca/buylocal-produce-canadians-benefit-stricter-agriculturalregulations/. Pourias, J., Aubry, C., Duchemin, E., (2016). Is food a motivation for urban gardeners? Multifunctionality and the relative importance of the food function in urban collective gardens of Paris and Montreal. Stichting CLIP (2010). Volkstuinvitaminen, participatieproject voor minima. Geraadpleegd via http://www.volkstuinvitaminen.nl/download/ Volkstuin%5bWEB%5d.pdf. Terryn, E. (2016). De situationele benadering. Een onderzoek naar de betekenis en mogelijkheden van beleidsevaluatie in de ruimtelijke planning. In Planning.

Tuinhier (2019a). De tuin als diversiteitsmotor. Geraadpleegd via http://www.tuinhier.be/nl/nieuws/13161/de-tuinals-diversiteitsmotor. Tuinhier (2019b). Ledenlijst. Laatst geraadpleegd op 20 augustus 2019 via http://www.tuinhier.be/nl/ werking-afdelingen. UGent (2007). Toestandsbeschrijving van de volkstuinen in Vlaanderen vanuit sociologische en ruimtelijke benadering. UGent (2010). Toestandsbeschrijving van de volkstuinen in Vlaanderen vanuit een sociologische en ruimtelijke benadering: knelpunten en potenties van bestaande volkstuinparken. Velt (2014). Handboek ecologisch tuinieren. Geraadpleegd via https://velt.nu/handboek-ecologisch-tuinieren. Velt (2020a). Een ecologische moestuin. Laatst geraadpleegd op 1 juli 2020 via https://velt.be/ecologischemoestuin. Velt (2020b). Ledenlijst Velt. Laatst geraadpleegd op 20 augustus 2019 via website Velt (2020c) Over Velt. Laatst geraadpleegd op 1 juli 2020 via https://velt.nu/over-velt. Velt (2020d). Samentuin Schootsveld. Laatste geraadpleegd op 1 juli 2020 via https://www.velt.nu/ecotuindagen/ samentuin-schootsveld. Velt (2020e). Wat is een samentuin?. Laatst geraadpleegd op 1 juli 2020 via https://www.velt.be/samentuinen/wateen-samentuin. VICINIA (2018). Sociale dynamieken in collectieve moestuinen. Ervaringen uit Brussel, Vlaanderen en Wallonië. Vilt (2017a). Eerste volkstuinpark behaalt ecologisch tuinkeurmerk. Laatst geraadpleegd op 1 juli 2020 via https://www.vilt.be/eerste-volkstuinpark-behaaltecologisch-tuinkeurmerk. Vilt (2017b). Landelijke Gilden zet ‘Warme tuinen’ in de kijker. Geraadpleegd via https://www.vilt.be/landelijkegilden-zet-warme-tuinen-in-de-kijker. Vlaamse Gemeenschap, afdeling Ruimtelijke Planning (1997). Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen. Vlaamse overheid, Departement Landbouw en Visserij (2015). Vlaams programma voor plattelandsontwikkeling 2014-2020, PDPO III. VLM (2016). Vlaams plattelandsbeleidsplan. Eindverslag actieprogramma 2013-2015. VLM (2020). Platteland in beweging. 15 jaar Vlaams plattelandsbeleid.

BRONNEN EN BIJLAGE

BRONNEN

225


226

Met vriendelijke groet, Het VLM volkstuinen-team

Hartelijk dank voor uw deelname.

Het invullen van de enquête zal 20 tot 30 minuten duren. Heeft u vragen? Dan kunt u contact opnemen met volkstuinen@vlm.be

Indien u beheerder bent van meerdere volkstuinen, vragen wij u om de enquête voor elke volkstuin apart in te vullen. De gegevens worden strikt vertrouwelijk behandeld en na de verwerking van alle enquêtes stellen we U op de hoogte van de resultaten. Er worden ook tien prijzen verloot tussen de ingezonden enquêtes.

Deze enquête is een belangrijk onderdeel van het onderzoek dat wordt gevoerd naar de actuele toestand en behoeften van volkstuinen in Vlaanderen. Uw opinie over en uw ervaring met het beheer van een of meerdere volkstuin(en) is voor ons van groot belang. Ook Velt en Tuinhier kijken met grote interesse naar de uitkomsten van deze studie. We stellen uw medewerking dan ook bijzonder op prijs.

Beste beheerder,

1. Welkom!

226

1

Ja, het betreft een vast bedrag

Ja, de huurprijs/het lidgeld is variabel (er bestaat een apart tarief voor bepaalde doelgroepen)

Neen, er wordt geen huur of lidgeld gevraagd

7. Wordt er een jaarlijkse huurprijs/lidgeld gevraagd aan de tuiniers?

Gemiddelde grootte per tuin (m²)

Aantal

6. Hoeveel collectieve tuinen zijn er in de volkstuin? (percelen worden gezamenlijk met de groep tuiniers bewerkt)

Gemiddelde grootte per tuin (m²)

Aantal

5. Hoeveel individuele tuinen zijn er in de volkstuin? (percelen worden individueel bewerkt, tuiniers moeten zich niet engageren in collectief project)

Oppervlakte (m²)

4. Wat is de totale oppervlakte van de volkstuin?

Jaartal

3. Sinds wanneer bevindt de volkstuin zich op deze locatie?

E-mailadres

Postcode

Plaats

Adres

* 2. Waar is de volkstuin gelegen en hoe kunnen we u contacteren?

Naam

* 1. Wat is de naam van de volkstuin?

2. Algemene gegevens van de volkstuin

BIJLAGE > ENQUÊTE

2


Kerkfabriek

Private eigenaar

VZW Velt

VZW Tuinhier

BRONNEN EN BIJLAGE

Andere (vb. samenwerkingsverband, school, bedrijf, andere vzw, ...)

OCMW

Gemeente

11. Wie is/zijn de eigenaar(s) van de grond van de volkstuin?

* 10. Hoeveel mensen staan er op de wachtlijst?

Aantal collectieve ongebruikte tuinen

Aantal individuele ongebruikte tuinen

9. Hoeveel ongebruikte tuinen zijn er?

8. Hoeveel bedraagt de jaarlijkse huurprijs of het lidgeld?(€)

3. Algemene gegevens van de volkstuin

227

227

3

Warme tuin: een volkstuin die inzet op het sociale contact tussen buurtbewoners en bewoners van een zorgvoorziening. Het sociale contact in een warme tuin is belangrijker dan de grootte van de oogst.

Zorgtuin: een tuin gericht op een specifieke doelgroep, nl. zorgbehoevenden (mensen met autisme, mensen met een beperking, ...).

neen

ja

15. Zijn deze doelstellingen vandaag nog dezelfde?

Andere hoofddoelstelling (geef nadere toelichting)

Educatieve functie

Sociale functie

Gezondheid en welzijn

Voedselproductie

* 14. Met welke hoofddoelstelling is de volkstuin opgestart? (Max. 2 aanduiden)

Een combinatie van partnerschappen (geef nadere toelichting)

Een organisatie/ overheid

Een groep burgers

13. Wie heeft het initiatief genomen om de volkstuin op te starten?

Overige (geef nadere toelichting)

Samentuin: een volkstuin waarbij iedereen samen op de volledige oppervlakte van de tuin werkt.

Klassieke volkstuin: volkstuinen die zijn bedoeld voor de eigen productie van groenten en fruit (niet op handel gericht) of als rust- of ontspanningstuin.

* 12. Welke beschrijving hoort het best bij jullie volkstuin?

4. Specifieke kenmerken

4


228 Ander doelpubliek (geef nadere toelichting)

Andere hoofddoelstelling (geef nadere toelichting)

5

Maatschappelijk kwetsbare groepen

Educatieve functie

Neen

De volledige volkstuin is publiek toegankelijk

Er is passage mogelijk door de volkstuin

Afgesloten entiteit

21. Is het een afgesloten entiteit of is de volkstuin publiek toegankelijk?

Overige (geef nadere toelichting)

Bij een sportcomplex

In landbouwgebied

Deel van een grotere groenstructuur (park, natuurgebied)

In een bebouwde omgeving (stedelijke context, dorpskern, wijk of verkaveling)

* 20. Waar situeert de volkstuin zich? (meerdere opties mogelijk)

Ander gebruik (geef nadere toelichting)

Natuurgebied

Restgrond naast (spoor)wegen

Braakland Landbouwgrond

Ja

19. Welk gebruik had de grond voor de oprichting van de volkstuin?

Ouderen

Sociale functie

17. Is de volkstuin opgestart met een specifiek doelpubliek voor ogen?

Zorgbehoevenden Kinderen/jongeren

Voedselproductie

18. Wie was het doelpubliek bij de opstart? (meerdere opties mogelijk)

6. Specifieke kenmerken

Gezondheid en welzijn

* 16. Wat is vandaag de hoofddoelstelling? (Max. 2 aanduiden)

5. Specifieke kenmerken

228

6


Neen

Ja

BRONNEN EN BIJLAGE

22. Wordt er in volle grond geteeld?

229

229

7

Sportvoorzieningen (vb. petanqueveld, fit-o-meter, ...)

Zitbanken

Overige (geef nadere toelichting)

Speeltuin en/of zandbak Aangepaste voorzieningen i.f.v. rolstoelgebruikers (vb. verhoogde moestuinbakken, aangepaste verharding,…)

Collectieve composteervoorziening Individuele composteervoorziening

Bibliotheek

Boomgaard

Ontmoetingsruimte Barbeque, pizzaoven, ...

Kippen en andere dieren

Serre

Collectief werkmateriaal

Picknicktafels

Vijver / poel Bijenkast of insectenhotel

Fietsenstalling Sanitair

Individuele tuinhuisjes Collectief tuinhuis

* 24. Welke andere voorzieningen zijn aanwezig? (meerdere opties mogelijk)

Er zijn geen nutsvoorzieningen aanwezig

Individuele watervoorziening

Collectieve watervoorziening

Gasvoorziening

Verlichting

Elektriciteitsvoorziening

* 23. Welke nutsvoorzieningen zijn aanwezig in de volkstuin? (meerdere antwoorden mogelijk)

7. Voorzieningen

8


230

Ja, op welke manieren?

Nee

28. Is er bijzondere aandacht voor thema's rond gezondheid (zoals gezonde voeding en beweging), teelttechnieken, bodem,... ?

Ja, op welke manieren?

Nee

27. Is er begeleiding voor de tuiniers of het bestuur voor organisatorisch advies, technisch advies en/of vorming? (vb. advies of opleiding geven voor ecologisch tuinieren, het organiseren van een oogstfeest, organiseren van een zaadbeurs,...)

Nee (Wie staat wel in voor het beheer van de collectieve delen van de volkstuin?)

Ja

26. Staan zij ook in voor het beheer van de collectieve delen in de volkstuin?

Andere (geef nadere toelichting)

VZW Tuinhier

VZW Velt

Gemeente

Groep tuiniers

Grondeigenaar

25. Wie neemt de dagelijkse leiding van de volkstuin op zich?

8. Dagelijks gebruik van de volkstuin

230

9

Nee

Ja

30. Zijn er bindende afspraken met de tuiniers? (vb. overeenkomst, contract, reglement,...)

Andere (geef nadere toelichting)

10

Infoborden over duurzaam bodem- en waterbeheer (vb. over bodemleven en organische koolstof, goed composteren, duurzaam gebruik van bemesting, bewust gebruik van plantenbeschermingsmiddelen en mogelijke nadelen ervan, ...)

Aandacht voor de landschappelijke inkleding (vb. bloemenweide, gemengde haag, insectenhotel,...)

Opvangen van regenwater (vb. dak tuinhuis, regenton,...)

Recycleren van organisch materiaal (vb. compostvoorziening)

Opvangen van resten van pesticiden (vb. centrale fytobak)

Opheffen van bestaande bodemverdichting of preventieve maatregelen nemen om bodemverdichting te voorkomen

Voorkomen van verharding (vb. waterdoorlatende percelen)

29. Welke inspanningen worden gedaan om de omgevingskwaliteit te verhogen ?(meerdere antwoorden mogelijk)


BRONNEN EN BIJLAGE

32. Wat gaat er goed en wat gaat er niet goed op vlak van dagelijks gebruik/ beheer?

11

Andere (geef nadere toelichting)

Er is geen samenwerking

Lokaal Dienstencentrum

Natuurorganisatie

School

Woonzorgcentrum

* 37. Met welke verenigingen is er een samenwerking? (meerdere opties mogelijk)

Vrijwillige activiteiten:

Verplichte activiteiten:

36. Welke activiteiten worden samen georganiseerd? (vb. werkdagen, workshops, lezingen, tuinfeest, planten- en ruilbeurs, sociale activiteiten zoals kaartavonden, kantinebezoek,...)

meer dan 3 km

0-3 km

35. Hoe groot is de afstand die de meerderheid van de tuiniers aflegt tussen de volkstuin en woning?

Nee

Ja

34. Is er een sociale mix in de volkstuin?

Zestigers en ouder:

Aandeel veertigers en vijftigers:

Aandeel twintigers en dertigers:

Reglement dat de tuiniers stimuleert om ecologisch te tuinieren

Andere reglementering (geef nadere toelichting)

Aandeel jeugd:

33. Wat is de verdeling naar leeftijdscategorieën van de groep tuiniers? (in %, bij benadering)

10. Sociale aspecten binnen de volkstuin

Afspraken omtrent openingstijden/periodes van sluiting (zoals winterstop)

31. Rond welke thema's zijn er reglementeringen/overeenkomsten met de tuiniers?

9. Dagelijks gebruik van de volkstuin

231

231

12


232

13

Nee

Ja, van zowel VLM voor de inrichting van de volkstuin als van een andere instantie

Ja, van VLM voor de inrichting van de volkstuin Ja, van een andere instantie dan VLM

Nee

* 39. Heeft de volkstuin reeds subsidies ontvangen?

12. Subsidies

Ja

* 38. Heeft de volkstuin reeds subsidies aangevraagd?

11. Subsidies

232

14


0

BRONNEN EN BIJLAGE

5

* 44. Hoe tevreden bent u met de huidige subsidiewerking van de VLM voor de inrichting van volkstuinen?

Andere invloeden (geef nadere toelichting)

Er is meer nagedacht over het betrekken van andere partners

Er is meer nagedacht over duurzaamheid

43. Welke invloed heeft de subsidie gehad op de volkstuin?

Nee

Ja, op dezelfde manier

Ja, maar op een andere manier

42. Zou de volkstuin er ook gekomen zijn zonder de subsidie?

41. Geef een concrete omschrijving van de voorzieningen die gesubsidieerd zijn:

Andere (geef nadere toelichting)

Ecologische aspecten (duurzame inrichting, bodemanalyse,...)

Aanpassingen voor de doelgroep

Voorzien van extra voorzieningen (vb. tuinhuisjes, serres, fietsenstalling, sanitair, picknicktafels,...)

Voorzien van nutsvoorzieningen (vb. elektriciteitsvoorziening, watervoorziening,...)

Aanleg van nieuwe volkstuinparken

* 40. Waarvoor zijn de subsidies van de VLM ingezet? (meerdere opties mogelijk)

13. Subsidies van VLM

233

233

15

Andere invloeden (geef nadere toelichting)

Er is meer nagedacht over het betrekken van andere partners

Er is meer nagedacht over duurzaamheid

49. Welke impact heeft de subsidie gehad op de volkstuin?

Nee

Ja, op dezelfde manier

Ja, maar op een andere manier

48. Zou de volkstuin er ook gekomen zijn zonder de subsidie?

47. Geef een concrete omschrijving van de voorzieningen die gesubsidieerd zijn:

Andere (geef nadere toelichting)

Ecologische aspecten (duurzame inrichting, bodemanalyse,...)

Aanpassingen voor de doelgroep

Voorzien van extra voorzieningen (vb. tuinhuisjes, serres, fietsenstalling, sanitair, picknicktafels,...)

Voorzien van nutsvoorzieningen (vb. elektriciteitsvoorziening, watervoorziening,...)

Aanleg van nieuwe volkstuinparken

* 46. Waarvoor zijn deze subsidies ingezet? (meerdere opties mogelijk)

In welk jaar kreeg de volkstuin deze subsidies?

Welk bedrag heeft de volkstuin ontvangen?

Van welke instantie heeft de volkstuin subsidies ontvangen?

45. Over de andere subsidies:

14. Andere subsidies

16


234

In welk jaar kreeg de volkstuin deze subsidies?

Welk bedrag heeft de volkstuin ontvangen?

Van welke instantie heeft de volkstuin subsidies ontvangen?

54. Over de andere subsidies:

Andere invloeden (geef nadere toelichting)

Er is meer nagedacht over het betrekken van andere partners

Er is meer nagedacht over duurzaamheid

53. Welke invloed heeft de subsidie van VLM gehad op de volkstuin?

Nee

Ja, op dezelfde manier

Ja, maar op een andere manier

52. Zou de volkstuin er ook gekomen zijn zonder de subsidie van VLM?

51. Geef een concrete omschrijving van de voorzieningen die gesubsidieerd zijn door VLM:

Andere (geef nadere toelichting)

Ecologische aspecten (duurzame inrichting, bodemanalyse,...)

Aanpassingen voor de doelgroep

Voorzien van extra voorzieningen (vb. tuinhuisjes, serres, fietsenstalling, sanitair, picknicktafels,...)

Voorzien van nutsvoorzieningen (vb. elektriciteitsvoorziening, watervoorziening,...)

Aanleg van nieuwe volkstuinparken

* 50. Waarvoor zijn de subsidies van de VLM ingezet? (meerdere opties mogelijk)

15. Subsidies van VLM en andere instantie ontvangen

234

17

Andere invloeden (geef nadere toelichting)

Er is meer nagedacht over het betrekken van andere partners

Er is meer nagedacht over duurzaamheid

58. Welke impact heeft deze subsidie gehad op de volkstuin?

Nee

Ja, op dezelfde manier

Ja, maar op een andere manier

57. Zou de volkstuin er ook gekomen zijn zonder deze subsidie?

56. Geef een concrete beschrijving van de voorzieningen die gesubsidieerd zijn door deze instantie:

Andere (geef nadere toelichting)

Ecologische aspecten (duurzame inrichting, bodemanalyse,...)

Aanpassingen voor de doelgroep

Voorzien van extra voorzieningen (vb. tuinhuisjes, serres, fietsenstalling, sanitair, picknicktafels,...)

Voorzien van nutsvoorzieningen (vb. elektriciteitsvoorziening, watervoorziening,...)

Aanleg van nieuwe volkstuinparken

* 55. Waarvoor zijn deze subsidies ingezet? (meerdere opties mogelijk)

18


19

Tijdelijk karakter

We waren niet op de hoogte van subsidiemogelijkheden

BRONNEN EN BIJLAGE

Andere reden (geef nadere toelichting)

We voldeden niet aan de selectiecriteria

Het was te veel werk om het dossier in orde te krijgen

Permanent karakter

* 60. Heeft de volkstuin een permanent of tijdelijk karakter?

17. Toekomstpersectief

Er was geen behoefte aan subsidies

59. Om welke reden zijn er nooit subsidies aangevraagd? (meerdere opties mogelijk)

16. Geen subsidies aangevraagd

235

235

20


236

Van wie verwacht je dat?

Welke ondersteuning of investering is er nog nodig voor de goede werking van de volkstuin?

64. Over ondersteuning of investering (vb. betere opleidingen voor de tuiniers, grondverwerving, subsidies voor inrichting, ...)

Nee

Ja

63. Is de bestaanszekerheid van de volkstuin bedreigd?

62. Wat wordt de volkstuin nadien?

Nee, omdat:

Ja, omdat:

61. Was het tijdelijk karakter van de volkstuin van bij de start de intentie?

18. Toekomstperspectief

236

21

65. Wil je nog graag iets kwijt? Vertel het hier!

19. Bedankt!

22


Studie in opdracht van de Vlaamse Landmaatschappij (VLM), uitgevoerd door Voorland & KU Leuven.

ONDERZOEKSTEAM

Emelie De Smedt, Suzanne Van Brussel, Els Terryn, Marlies Nachtergaele (Voorland) en Hans Leinfelder (KU Leuven) > VOORLAND

Dok-Noord 4 C102 9000 Gent www.voorland.be info@voorland.be > KU LEUVEN P.PUL

KU Leuven - Departement Architectuur Onderzoeksgroep P.PUL Hoogstraat 51 9000 Gent hans.leinfelder@kuleuven.be > CONTACTPERSOON

Els Terryn els@voorland.be

OPDRACHTGEVER

Vlaamse overheid, Beleidsdomein Omgeving Vlaamse Landmaatschappij. > CONTACTPERSOON

Verwijzen naar dit rapport gebeurt als volgt: Voorland & KU Leuven, 2020, Evaluatiestudie volkstuinen, in opdracht van de Vlaamse Landmaatschappij

COLOFON

Simon Lox simon.lox@vlm.be

237


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook