Skip to main content

milieujaarprogramma_2005.pdf

Page 1

mjp2005 voorwerk-deel 1corr

19-05-2005

23:29

Pagina 1

milieujaarprogramma2005


mjp2005 voorwerk-deel 1corr

19-05-2005

23:29

Pagina 2


mjp2005 voorwerk-deel 1corr

19-05-2005

23:29

Pagina 3

3

Inhoud Inleiding 5

deel 1. Algemeen kader 7

deel 2. Themabeleid 29 1. Verdunning van de ozonlaag 31 2. Verandering van het klimaat door het broeikaseffect 35 3. Verontreiniging door fotochemische stoffen 41 4. Verzuring 49 5. Vermesting 54 6. Verspreiding van milieugevaarlijke stoffen 60 7. Verontreiniging en aantasting van de bodem 68 8. Verontreiniging door afvalstoffen 76 9. Verstoring van watersystemen 84 9a. - Integraal waterbeleid 84 9b. - Verontreiniging van oppervlaktewater 89 9c. - Verdroging 96 10. Hinder 100 10a. - Verstoring door geluid 101 10b. - Verstoring door geur 104 10c. - Verstoring door licht 106 11. Versnippering 108 12. Verlies van biodiversiteit 114

deel 3. Gebiedsgericht beleid 129

deel 4. Actoren 139 1. Doelgroepen 141 2. Burgers 145 3. Maatschappelijke organisaties 148


mjp2005 voorwerk-deel 1corr

19-05-2005

23:29

Pagina 4

Milieujaarprogramma

4

2005

deel 5. Geïntegreerd overheidsbeleid 151 1. Geïntegreerd overheidsbeleid: organisatie 153 2. Geïntegreerd overheidsbeleid: externe integratie 155 3. Samenwerking met andere gewesten en gemeenschappen en met de federale overheid 164 4. Samenwerking met lokale overheden 168

deel 6. Internationaal beleid 171

deel 7. Instrumenten 181 1. Beleidsvoorbereiding, -evaluatie en -opvolging 183 2. Beleidsonderbouwing: kennisverwerving 187 3. Beleidsonderbouwing: informatiebeheer 191 4. Beleidsonderbouwing: rapportering 195 5. Beleidsuitvoering: sociale instrumenten 198 6. Beleidsuitvoering: economische instrumenten 203 7. Beleidsuitvoering: juridische instrumenten 205

deel 8. Kosten en financiering 211

Bijlagen 219


mjp2005 voorwerk-deel 1corr

19-05-2005

23:29

Pagina 5

5

Inleiding Algemeen Het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (verder het dabm genoemd), bepaalt dat het milieubeleid in Vlaanderen gestalte krijgt door de milieubeleidsplanning waarvan de hoekstenen het milieurapport, het milieubeleidsplan en de milieujaarprogramma’s zijn. Het milieurapport (mira) is de wetenschappelijke onderbouwing van het milieubeleid. De opdracht van de milieurapportering is: het beschrijven van de kwaliteit van het leefmilieu (mira-t), aangeven hoe die kwaliteit zich zou kunnen ontwikkelen en via welke beleidsinterventies die ontwikkeling kan worden verbeterd (mira-s), en onderzoeken in welke mate en op welke wijze het beleid tot nu toe tot veranderingen in de milieukwaliteit heeft geleid (mira-be). Hiermee zijn de milieurapporten complementair aan het milieubeleidsplan en de milieujaarprogramma’s. In juni 2003 verscheen het eerste mira-be rapport. Het recentste mira-t dateert van december 2004. Het milieubeleidsplan bepaalt de hoofdlijnen van het milieubeleid dat door het Vlaamse Gewest, alsmede door de provincies en gemeenten in aangelegenheden van gewestelijk belang, dient te worden gevoerd. Het plan beoogt enerzijds de bescherming en het beheer van het milieu en anderzijds de doeltreffendheid, de efficiëntie en de interne samenhang van het milieubeleid op alle beleidsniveaus te bevorderen. Het wordt o.m. op basis van het scenariorapport opgesteld en om de vijf jaar door de Vlaamse Regering vastgesteld. Het huidige milieubeleidsplan 2003-2007 werd vastgesteld door de Vlaamse Regering op 19 september 2003. De milieujaarprogramma’s dienen ter uitvoering en operationalisering van het milieubeleidsplan. Zij geven op het operationele niveau een nadere invulling aan het milieubeleidsplan. Nadruk ligt hierbij op de organisatie, het tijdpad en de prioriteitenstelling van de verschillende maatregelen. De milieujaarprogramma’s worden jaarlijks door de Vlaamse Regering vastgesteld. Een milieujaarprogramma moet volgens de bepalingen van het dabm minstens het volgende bevatten: - een verslag van de stand van uitvoering van het geldende milieubeleidsplan en de Europese milieuwetgeving; - een verslag van de stand van zaken aangaande de goedkeuring van internationale overeenkomsten; - een opgave van de door het Vlaamse Gewest in het komende jaar te verrichten activiteiten en te nemen maatregelen ter uitvoering van het geldende milieubeleidsplan; - een overzicht van de in het ontwerp van begroting geraamde inkomsten en uitgaven ter uitvoering van het milieubeleidsplan; - een lijst met alle geplande en lopende onderzoeken en herstelprogramma’s. Procedureel wordt elk milieujaarprogramma verankerd aan de begrotingscyclus. De Vlaamse Regering stelt jaarlijks een ontwerp-milieujaarprogramma op, dat samen met het ontwerp van begroting aan het Vlaamse Parlement wordt bezorgd. Zowel de serv als de MiNa-Raad brengen binnen de maand aan de Vlaamse Regering en aan het Vlaamse Parlement advies uit. Na de goedkeuring van de begroting stelt de Vlaamse regering het milieujaarprogramma definitief vast.


mjp2005 voorwerk-deel 1corr

19-05-2005

23:29

Pagina 6

Milieujaarprogramma

6

2005

Milieujaarprogramma 2005 Het Milieujaarprogramma 2005 is het tweede volwaardige programma in uitvoering van het Milieubeleidsplan 2003-2007. Veel energie ging naar het opzetten van een uitvoeringsstructuur voor het mina-plan 3. De uitgangspunten voor de organisatie van de uitvoering werden goedgekeurd, projectverantwoordelijken en themacoรถrdinatoren werden aangeduid. De taakverdeling en de communicatie tussen de diverse betrokkenen is geregeld. Concrete afspraken zijn gemaakt voor de uitvoering en de opvolging van het Milieubeleidsplan. Een projectmethodologie werd ontwikkeld zodat uitvoering, rapportering en opvolging van de 41 projecten van het mina-plan 3 op een gelijklopende manier kan gebeuren. De meeste projecten zijn opgestart.


mjp2005 voorwerk-deel 1corr

19-05-2005

23:29

Pagina 7

deel 1

algemeen kader


mjp2005 voorwerk-deel 1corr

19-05-2005

23:29

Pagina 8


mjp2005 voorwerk-deel 1corr

19-05-2005

23:29

Pagina 9

algemeen kader

9

deel 1

Algemeen kader Milieubeleid en langetermijnplanning Opvolging en evaluatie aan de hand van indicatoren Milieuproblemen zijn complex en hardnekkig. De aanpak ervan vraagt een volgehouden beleid, waarbij de koers voor een langere termijn wordt vastgelegd. Om dit beleid te kunnen evalueren, wordt een kernset van een dertigtal indicatoren gehanteerd. Hierbij wordt gefocust op de strategisch belangrijkste domeinen en thema’s, o.a. gebaseerd op de doelstellingen van het dabm en op internationale strategieën en doelstellingen. In de selectie werden ook thema’s / activiteiten opgenomen die geheel of gedeeltelijk buiten de leefmilieubevoegdheid vallen (bv. energiegebruik, ruimtegebruik, transport, landbouw,…), maar een belangrijke invloed op de druk en de toestand van milieu en natuur hebben. In de onderstaande tabel zijn deze sleutelindicatoren opgenomen met vermelding van de recentste trend. Een uitgebreide rapportering van de toestand van milieu en natuur in Vlaanderen, en de evolutie ervan, is voorwerp van mira en nara. De meeste van de indicatoren uit onderstaande kernset komen dan ook aan bod in deze rapporten. Bij de selectie van de sleutelindicatoren werd immers gestreefd naar een inhoudelijke afstemming met de indicatoren uit de milieu- en natuurrapportering. Thema

Indicator

Tr e n d

Totale hoeveelheid geproduceerde

+

Duurzaam gebruik van hulpbronnen Afvalstoffen

De totale hoeveelheid geproduceerde huishoudelijke

huishoudelijke afvalstoffen per

afvalstoffen per inwoner nam toe van 405 kg in

inwoner

1991 tot 559 kg in 2001, waarna er een geleidelijke afname plaatsvond. In 2003 bedroeg de afvalproductie 535 kg/inwoner (- 24 kg/inw. t.o.v. 2001).

Energiegebruik

Bruto binnenlands energiegebruik

––

Hoewel de energie-intensiteit van de Vlaamse economie sinds 1998 verbeterde, nam het absolute energiegebruik de voorbije jaren geleidelijk toe. In 2003 is het bruto binnenlands energiegebruik met 36,6% gestegen t.o.v. 1990 (sinds 1998 schommelt dit rond 1600 PJ per jaar).

Watergebruik

Leidingwatergebruik

+/-

Het totale drinkwaterverbruik schommelde in de periode 1995-2000 rond 400 miljoen m3 en vertoont een stijgende trend vanaf 2001. Het drinkwaterverbruik door de bevolking bleef de laatste jaren op een vergelijkbaar niveau. In 2002 gebruikte de bevolking ca. 228 miljoen m3 leidingwater of 109 liter per persoon en per dag.

Grondstoffengebruik

Totale materialenbehoefte

–

Over de periode 1991-2003 bedroeg de jaarlijkse totale materialenbehoefte (TMB) gemiddeld 127 ton/inwoner. In 2003 bedraagt de TMB 139 ton/inwoner, een lichte toename t.o.v. 2002.


mjp2005 voorwerk-deel 1corr

19-05-2005

23:29

Pagina 10

Milieujaarprogramma Thema

10

2005

Indicator

Tr e n d

Duurzaam gebruik van hulpbronnen (vervolg) Ruimtegebruik

Bebouwde oppervlakte

––

In 2002 nam bebouwd Vlaanderen 2.266 km2 in beslag. Dit komt neer op 16,8% van de totale oppervlakte. In de periode tussen 1991 en 2002 is de bebouwde oppervlakte toegenomen met gemiddeld 39 km2 per jaar.

Bescherming van het milieu Klimaat

Emissies van broeikasgassen

––

In 2003 waren de broeikasgasemissies gestegen tot 91 Mton CO2eq, oftewel met 5% t.o.v. 1990.

Luchtkwaliteit

Uitstoot van verzurende stoffen

++

– verzurende stoffen

De totale potentieel verzurende emissie verminderde in de periode 1990-2003 met 42% tot 10.181 miljoen Zeq. De daling is vooral toe te schrijven aan een sterke afname van de SO2emissies (-60%). Ook de NOx-emissie nam geleidelijk af (-17%) en vanaf 2000 werd een aanzienlijke NH3-emissiereductie gerealiseerd (-35%).

+

Kwaliteit van het

Percentage meetplaatsen van

Ondanks de daling van het aantal meetplaatsen

oppervlaktewater

het oppervlaktewatermeetnet

die aan de basiskwaliteit voldoen in 2003 t.o.v.

dat voldoet aan de basiskwaliteit

2002 (weersomstandigheden), wordt in de periode

voor biochemisch zuurstof-

1990-2003 een duidelijke verbetering van de

verbruik (BZV)

toestand vastgesteld. In 2003 voldeden 37% van de meetplaatsen aan de basiskwaliteit voor BZV.

Percentage meetplaatsen van het

+

In 2003 voldeden 29% van de meetpunten aan

oppervlaktewatermeetnet met een

de basiskwaliteitsnorm. Een vergelijking met de

–score op de Belgisch Biotische

eerste bepaling (1989) geeft aan dat de toestand

Index van tenminste 7

op 30% van de meetplaatsen is verbeterd; op tweederden van de meetplaatsen bleef de toestand nagenoeg onveranderd; op 5% ging de toestand achteruit.

Kwaliteit van het grondwater

Kwaliteit van de bodem

Percentage meetplaatsen van

…

De eerste bemonstering van het uitgebreide

het MAP-grondwatermeetnet

grondwatermeetnet (voorjaar 2004) geeft aan dat

met overschrijding van de

op ca. 36% van de meetlocaties de nitraatnorm

nitraatnorm van 50 mg/l

van 50 mg/l wordt overschreden.

Overschot op de stikstofbalans

++

– nutriënten

In de periode 1990-2003 is het overschot op de stikstofbalans met 45% gedaald tot 152 kg N/ha in 2003 (t.o.v. 276 kg N/ha in 1990).

Verspreiding van zware metalen

Emissie van zware metalen naar

+

het oppervlaktewater

Voor de prioritaire metalen werden tussen 1985 en 1998 goede reducties gerealiseerd. Van 1998 tot 2003 is de belasting van het oppervlaktewater voor de meeste zware metalen verder gedaald, tussen 4% (Cd) en 30% (As en Ni). Voor Hg werd in deze periode een emissiereductie van 52% gerealiseerd.

Verspreiding van chemicaliën

Gebruik van bestrijdingsmiddelen

++

Gewasbeschermingsmiddelen: In de periode 1990 – 2002 daalde het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, uitgedrukt in verspreidingsequivalenten (Seq), met 47%.


mjp2005 voorwerk-deel 1corr

19-05-2005

23:29

Pagina 11

algemeen kader Thema

Indicator

Tr e n d

Aantal dagen met overschrijding

––

11

deel 1

Milieu en gezondheid Luchtkwaliteit – omgevingslucht

van de ozon drempelwaarde van 120

Los van de belangrijke jaarfluctuaties en sterke regionale verschillen inzake ozonoverlast, blijft het

µg/m3

aantal dagen met overschrijding van de ozondrempel voor de bescherming van de volksgezondheid hoog. In 1995, 1999 en 2003 werden meer dan veertig dagen genoteerd, in 1996, 1997 en 2001 meer dan dertig. Het glijdend 3-jaargemiddelde steeg in 2003 naar 40 dagen met overschrijding.

Stedelijke luchtkwaliteitsindex

–

Zowel in Antwerpen als in Gent wordt in de periode 1996-2000 een geleidelijke verbetering van de luchtkwaliteit vastgesteld. Vanaf 2001 zet deze trend zich niet meer door. In de periode 2001-2002 was de luchtkwaliteit in Gent middelmatig tot en met zeer slecht op gemiddeld 40% van de dagen; in Antwerpen was dit op 47% van de dagen. In 2003 (weersomstandigheden) steeg dit tot respectievelijk 54% en 60% van de dagen.

Gezondheidsschade

Gezondheidsimpact van zwevend

+/-

Het aantal verloren gezonde levensjaren (DALY’s)

stof - Disability Adjusted Life Years

ten gevolge van blootstelling aan zwevend stof

(DALY)

wordt geschat op ongeveer 40 DALY’s per 10.000 inwoners en per jaar. De situatie is de laatste jaren niet significant onveranderd. Bij ongewijzigde concentraties zwevend stof speelt de Vlaming gemiddeld één derde van een gezond levensjaar kwijt.

Hinder

Percentage van de bevolking dat

+/-

In 2003 was ongeveer 18% van de bevolking

potentieel ernstig wordt gehinderd

potentieel ernstig gehinderd door geluid.

door geluid

De situatie is vrijwel onveranderd sinds 1990.

Natuurbehoud Beschermde gebieden

Oppervlakte gebieden onder

++

effectief natuurbeheer

De oppervlakte aan gebieden onder effectief natuurbeheer nam toe van 28.698 ha begin 2002 naar 32.682 ha midden 2004.

Biodiversiteit

Rode Lijst-soorten

…

In de periode 1994-2004 werden 16 Rode Lijsten opgesteld waardoor de status van 3.479 soorten bekend is. Toestand: van 984 (29%) van de soorten is bekend dat ze het gevaar lopen om op termijn te verdwijnen. Er is nog geen trend beschikbaar.

Integratie

Transport Volume personenvervoer

––

In de periode 1990-2003 is het personenvervoer met 22% toegenomen. Het gemotoriseerd wegvervoer (auto/moto) neemt in 2003 zo’n 90% voor zijn rekening, doch neemt niet meer toe vanaf 2000. Sinds 1997 is er een toename van het gebruik van het openbaar vervoer waar te nemen.

Energievoorziening

Aandeel groene stroom in de distributieleveringen van elektriciteit

+

In 2003 bedroeg het aandeel groene stroom in de elektriciteitsleveringen 0,60%. Dit is een vertienvoudiging ten opzichte van 1998, doch het aandeel blijft zeer klein.


mjp2005 voorwerk-deel 1corr

19-05-2005

23:29

Pagina 12

Milieujaarprogramma Thema

12

2005

Indicator

Tr e n d

Eco-efficiëntie van de industrie

+

Natuurbehoud (vervolg) Industrie

Terwijl de productie-index van de industrie steeg tussen 1990 en 2003, daalde de emissie van verzurende stoffen en van CZV en zware metalen in oppervlaktewater, wat op een verbetering van de eco-efficiëntie wijst. De afvalproductie steeg daarentegen sneller dan de productie-index; het energiegebruik en de CO2-semissies blijven de laatste jaren ongeveer status-quo.

Bevolking

Aandeel selectief ingezameld

++

huisvuil

De selectieve fracties in het totaal van het huishoudelijk afval zijn sterk gestegen van 34% in 1995 naar 70% in 2003.

Landbouw

–

Areaal biologische landbouwproductie

Het areaal biologische landbouw is sinds 1991 (493 ha) sterk toegenomen tot 4.026 ha in 2001, waarna de trend terug dalend is. In 2003 was dit nog 3.444 ha (minder dan 1% van de totale landbouwoppervlakte in Vlaanderen).

Samenwerking en draagvlak Draagvlak - bereidheid burgers

Bereidheid tot financiële inspan-

+/-

ningen ten aanzien van het milieu

Zowel in 1996 als in 2000 gaf 53% van de Vlamingen aan minstens deels bereid te zijn om een financiële bijdrage te leveren ten voordele van milieu.

Draagvlak - gedrag burgers

Feitelijk gedrag ten aanzien van

+/-

het milieu

Het percentage Vlamingen die consistent altijd of dikwijls milieuvriendelijk consumeren bleef in 2000 (13%) nagenoeg onveranderd ten opzichte van 1996 (12,5%).

Politiek draagvlak

Aandeel uitgaven van de Vlaamse

–

overheid voor milieu

In de periode 1997-2002 steeg het aandeel leefmilieukredieten in het totaal van de Vlaamse (vastleggings)kredieten van 4,3% tot 5,0%. Vanaf 2003 daalt dit aandeel opnieuw geleidelijk tot 4,3% voor het jaar 2005.

Samenwerking - lokaal

Ondertekeningen samenwerkings-

+

237 Vlaamse gemeenten hebben de Samen-

overeenkomst gemeenten –

werkingsovereenkomst ondertekend (situatie eind

Vlaams Gewest

2003). Hiervan zijn er 156 ondertekeningen voor niveau 1 (basis) en 81 voor niveau 2.

Samenwerking - internationaal

Bekrachtiging van internationale

+

milieuverdragen

Ongeveer 70% van de internationale milieuverdragen waarbij Vlaanderen betrokken is, werden door de Vlaamse Regering bekrachtigd.

Legende trendevolutie: +++: zeer gunstige trend;

++: gunstige evolutie;

+: voorzichtig positieve trend;

+/-: toestand nagenoeg ongewijzigd;

-: licht negatieve trend;

– –: negatieve evolutie:

– – –-: zeer negatieve evolutie;

…: geen trend beschikbaar


mjp2005 voorwerk-deel 1corr

19-05-2005

23:29

Pagina 13

algemeen kader

13

deel 1

Het mina-plan 3 legt de hoofdlijnen van het milieubeleid vast voor de middellange termijn, tot 2007. Hierbij wordt de langetermijnkoers vertaald naar concrete doelstellingen voor de planperiode. Om opvolging van het themabeleid mogelijk te maken werden de plandoelstellingen in het mina-plan 3 zoveel mogelijk meetbaar geformuleerd. De opvolging ervan gebeurt met behulp van de bijhorende indicatoren in de themahoofdstukken van dit Milieujaarprogramma. Om de link met het beleid op lange termijn te versterken, werd bij de keuze van de indicatoren een goede afstemming met de hoger vermelde sleutelindicatoren nagestreefd. Ruim de helft van de indicatoren uit de kernset zijn terug te vinden als indicator bij één van de plandoelstellingen uit het themabeleid. In deze gevallen wordt de sleutelindicator verder toegelicht (met focus op genomen / te nemen beleidsmaatregelen) in de respectievelijke themahoofdstukken. Per thema worden evenwel ook indicatoren opgevolgd die niet aan bod komen in de kernset. In onderstaande tabel worden een aantal van deze indicatoren weergegeven. De keuze viel op de indicatoren die niet voorkomen in de kernset doch waarvoor het bereiken van de plandoelstelling belangrijke inspanning vereist, zoniet vermoedelijk een knelpunt vormt. Voor een bespreking van alle indicatoren wordt naar deel 2 van dit Milieujaarprogramma verwezen. Thema MINA-plan 3

Indicator

Tr e n d

Verdunning van de ozonlaag

Emissie van ozonafbrekende stoffen

++

De uitstoot van ozonafbrekende stoffen werd in 2003 reeds met 47% teruggedrongen ten opzichte van de emissies van 1999. Blijvende inspanningen zijn nodig om deze gunstige tendens voort te zetten tijdens de planperiode.

Vermesting

Op landbouwgrond opgebrachte

++

hoeveelheid dierlijk mest

De hoeveelheid dierlijk mest die opgebracht wordt vertoont een aanzienlijke daling in 2003 (54 miljoen kg P2O5) ten opzichte van voorgaande jaren.

Verspreiding van

Jaargemiddelde concentratie

milieugevaarlijke stoffen

fijn stof (PM10)

––

De jaargemiddelde concentratie fijn stof vertoont, na een gunstige evolutie in de periode 1996-1998 en een eerder ongewijzigde trend in de periode 1999-2002, opnieuw een stijging in 2003 in alle gebieden (in voorstedelijk en industrieel gebied waarden boven 40 µg/m3).

Verontreiniging en aantasting van de bodem

Aantal gronden met sanerings-

++

Het aantal gronden waarop de sanering minstens

noodzaak waarop de sanering

is opgestart neemt jaarlijks toe. Eind 2003 is

minstens is opgestart

de sanering van 14% (1.535 gronden) van de gronden met saneringsnoodzaak opgestart.

Aantal hydraulische en ecologische

+

Het aantal sanerings-/ruimingsprojecten alsook

ruimingen op onbevaarbare

de geruimde/gesaneerde volumes nam in de periode

waterlopen van 1ste categorie.

2001-2003 toe. Eind 2004 bedraagt de hoeveelheid geruimde specie ca. 535.000 m3.

Verontreiniging door afvalstoffen

Totale hoeveelheid primair

+/-

geproduceerde bedrijfsafvalstoffen

De productie van primair bedrijfsafval nam toe van 12,7 miljoen ton in 1992 tot 18,4 miljoen ton in 1998, en bleef nadien nagenoeg stabiel tot en met 2002.

Verontreiniging van oppervlaktewater

Zuiveringsgraad van de huishoudens

+

In de periode 1990 tot midden 2004 is de zuiveringsgraad toegenomen van 30% naar nagenoeg 62%.


mjp2005 voorwerk-deel 1corr

19-05-2005

23:29

Pagina 14

Milieujaarprogramma

14

2005

Thema MINA-plan 3

Indicator

Tr e n d

Versnippering

Percentage gesaneerde

…

vismigratieknelpunten

In totaal zijn 48 van de 821 (6%) knelpunten gesaneerd. Een versnelling van de uitvoering is vereist om de doelstelling (75% knelpunten gesaneerd) te halen.

Verlies van biodiversiteit

Oppervlakte VEN en natuur-

+

verwevingsgebied dat afgebakend is

In 2003 is 84.764 ha VEN afgebakend. Hiernaast via een eerste reeks RUP’s in totaal 811 ha GEN en 768 ha natuurverwevingsgebied vastgesteld.

Totale oppervlakte groengebied

+

op de bestemmingsplannen

Tussen 1994 en 2002 is de oppervlakte natuurgebied (en reservaatgebied) toegenomen met 8.641 ha. Via de goedgekeurde RUP’s werd bijkomend 811 ha natuurgebied gerealiseerd. Tussen 1994 en november 2003 is de oppervlakte bosgebied met 1.395 ha toegenomen.

Legende trendevolutie: +++: zeer gunstige trend;

++: gunstige evolutie;

+: voorzichtig positieve trend;

+/-: toestand nagenoeg ongewijzigd;

-: licht negatieve trend;

– –: negatieve evolutie:

– – –-: zeer negatieve evolutie;

…: geen trend beschikbaar

Naast de opvolging van de langetermijntrend (kernset) en de realisatie van de plandoelstellingen worden in het milieujaarprogramma de verwachte beleidsrealisaties systematisch, en waar mogelijk kwantitatief door middel van outputindicatoren, opgevolgd. Per thema of deel werd hiertoe een tabel met indicatoren opgenomen.

De uitvoering van het MINA-plan 3 Organisatie

Het dabm geeft het planningsteam de opdracht om vijfjaarlijks een mina-plan en jaarlijks een milieujaarprogramma (mjp) voor te bereiden. Het planningsteam bestaat bij besluit uit de leidend ambtenaren van aminal, vlm, vmm en ovam (en aps): het gmo of Gewestelijk Milieu-overleg. Het gmo coördineert ook de uitvoering van het geldende Milieubeleidsplan. Het gmo heeft een deel van haar taken gedelegeerd aan een projectleider en een planningsgroep, waartoe één of meerdere vertegenwoordigers van elke entiteit behoren. Voor de uitvoering en de opmaak van milieubeleidsplannen en jaarprogramma’s werd een gestructureerd en gedragen netwerk opgebouwd, dat bestaat uit het gmo, de planningsgroep, de planningsverantwoordelijken, de thema/deel/hoofdstukcoördinatoren en de projectverantwoordelijken. Coördinatoren en projectverantwoordelijken werden aangewezen; de uitgangspunten inzake taakverdeling, verantwoordelijkheden en communicatie werden goedgekeurd door de Beleidsraad. De coördinatoren coördineren de uitvoering van het hun toegewezen thema, deel of hoofdstuk. Voor de 41 projecten van het plan werd een projectwerking opgezet. De projectverantwoordelijke zorgt voor de uitvoering van het project, hierin bijgestaan door een groep medewerkers. Zowel projectverantwoordelijken als coördinatoren werken vanuit de eigen instelling/ afdeling en worden in eerste instantie van daaruit gemandateerd en aangestuurd, binnen de globale afspraken die gelden in het uitvoeringsnetwerk. De projectverantwoordelijke rapporteert ook regelmatig aan de coördinator.


mjp2005 voorwerk-deel 1corr

19-05-2005

23:29

Pagina 15

algemeen kader

15

deel 1

Belangrijk in dit netwerk is de betrokkenheid van de lijnmanagers. De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de onderdelen van het mina-plan ligt bij het afdelingshoofd van de respectievelijke thema-, deel- of hoofdstukcoördinator. Ook voor de projectverantwoordelijken geldt dat de afdelingshoofden de verantwoordelijkheid dragen, binnen de context van de uitvoeringsstructuur. De planningsgroep waakt over de inpasbaarheid in het mina-plan, de timing en de afstemming tussen de projecten en verzorgt de rapportage voor Beleidsraad/gmo. Om een gelijklopende wijze van uitvoering, rapportering en opvolging van de 41 projecten toe te laten, werd een projectmethodologie op punt gesteld. De gmo-databank werd op diverse punten aangepast om een vlotte opvolging van en rapportering over de plandoelstellingen en het verloop van de projecten mogelijk te maken. Via een specifieke overlegstructuur m.b.t. planning en uitvoering - het Permanent Planningsoverleg of ppo- worden afspraken gemaakt m.b.t. clusteroverschrijdende aangelegenheden en procedurele aspecten van de diverse cycli, en wordt informatie doorgegeven. Aan het ppo nemen de coördinatoren, de planningsverantwoordelijken, een vertegenwoordiger van de rapportering (mira/nara) en de planningsgroep deel. De planningsverantwoordelijken verzorgen de vlotte doorstroming van informatie binnen de instellingen, in overleg met de leidend ambtenaar. Zij spelen ook een cruciale rol in de afstemming tussen algemene beleidsplannen en -programma’s en instellingsspecifieke operationele plannen. Afstemming van de planningscycli

De Vlaamse Regering hanteert een eigen planningscyclus, die start met de opmaak van een regeerakkoord. In uitvoering hiervan maakt elke minister een beleidsnota op die de regeringsperiode overspant. Deze beleidsnota wordt jaarlijks geconcretiseerd via een beleidsbrief. Deze planningscyclus en de bijhorende documenten overlappen met de milieubeleidsplanningscyclus. Er is nood aan afstemming tussen beide. Een betere afstemming in de tijd is een eerste vereiste. Het mina-plan 3 loopt van 2003 tot en met 2007, de beleidsnota geldt voor de periode 2005-2009. Dit is verre van ideaal. Om in de toekomst een betere afstemming te bekomen, wordt ervoor geopteerd om een volgend milieubeleidsplan op te stellen na de opmaak van een volgende beleidsnota. Midden 2004 werd een nieuwe Vlaamse Regering gevormd. De bijdrage voor het regeerprogramma voor het beleidsdomein Leefmilieu en Natuur, die door de administratie werd voorbereid, maakte in ruime mate gebruik van het mina-plan 3, wat uitdagingen, knelpunten en prioriteiten voor het toekomstige beleid betreft. Voor de omgevingsanalyse kon daarnaast geput worden uit de milieurapporten. Een volgende belangrijke uitdaging is het bereiken van een afstemming tussen het lopende milieubeleidsplan en de beleidsnota van de nieuwe minister van Leefmilieu. De nieuwe accenten zullen worden doorvertaald in de milieujaarprogramma’s en in de verdere uitwerking van de projecten. De bindende doelstellingen van het mina-plan 3 blijven hierbij uiteraard van kracht. Ook een afstemming op niveau van de jaarlijkse cycli (mjp, beleidsbrief en begroting) dringt zich op. In essentie bevatten een milieujaarprogramma en een beleidsbrief dezelfde elementen zodat inhoudelijke afstemming vrij vlot moet gerealiseerd kunnen worden. Omwille van het verkiezingsjaar 2004 zal dergelijke afstemmingsoefening pas in 2005 opnieuw aan de orde zijn. Anders ligt het voor de afstemming met de begroting. Idealiter biedt het ontwerp-mjp het inhoudelijk en budgettair kader voor de opmaak van de begroting, sporen de cijfers in de begroting en de tekst van het mjp samen en hanteert de toelichting bij de begroting de terminologie uit het mina-plan.


mjp2005 voorwerk-deel 1corr

19-05-2005

23:29

Pagina 16

Milieujaarprogramma

16

2005

Sinds 2003 werden reeds grote inspanningen geleverd om het mjp inhoudelijk af te stemmen op de begroting. De gedane en voorziene uitgaven worden daarbij zo goed mogelijk gekoppeld aan de maatregelen in het plan. Door bij de instructies voor de begrotingsopmaak 2005 expliciet naar een enting op het mina-plan 2003-2007 te vragen, kon een bijkomende stap gezet worden in de richting van een betere afstemming. Het is daarnaast de bedoeling om in het mjp voor elk thema en deel het verband met de begroting aan te geven, in die zin dat wijzigingen inzake kredieten of een gewijzigde besteding van middelen duidelijk in verband te brengen zijn met de voorziene uitvoering van maatregelen en projecten. Een eerste aanzet hiertoe is terug te vinden in dit mjp.

Begroting en financiering In de onderstaande tabel 1 wordt een overzicht gegeven van de beleidskredieten (inclusief deel gefinancierd uit de eigen ontvangsten van de voi) die in de periode 19972005 voorzien werden voor milieu-uitgaven. Uit deze tabel blijkt dat er in absolute cijfers in de periode 1997-2003 een duidelijke trend was om jaarlijks meer beleidskredieten te voorzien voor het beleidsdomein Leefmilieu. In deze periode was er zelfs sprake van een groei in beleidskredieten van meer dan 50%, zodat er sprake is van een piek aan leefmilieumiddelen in 2003 met 1001 miljoen eur. In 2004 werden er echter 9 miljoen eur minder aan middelen voorzien voor milieu. In 2005 verminderde dit verder, aangezien de totale milieu-uitgaven in absolute cijfers teruggebracht zijn tot 923 miljoen eur. Tabel 1: Evolutie van het aandeel van de uitgaven voor het beleidsdomein Leefmilieu t.o.v. de totale Vlaamse uitgaven in de periode 1997-2005 (in beleidskredieten) To t a l e u i t g a v e n V l a a m s e o v e r h e i d (incl. FFEU – incl. bestaansmiddelen – incl. eigen ontvangsten VOI)

in miljoen EUR

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

655

687

711

790

897

927

1 001

992

923

591

610

627

665

801

790

887

821

777

0

0

0

0

0

62

37

25

0

waarvan bestaansmiddelen***

32

33

40

47

51

59

55

55

55

waarvan uit eigen ontvangsten VOI***

32

44

45

79

44

16

22

91

91

Totale uitgaven voor het milieu waarvan leefmilieubegroting* waarvan FFEU**

Andere beleidsdomeinen

13.000 13. 536 14. 149 14. 587 15. 501 15. 947 16. 422 16. 910 17. 501

Totale uitgaven Vlaanderen

13.955

14.223

14.860

15.377

16.398

16.874

17.423

17.902

18.424

Aandeel in %

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

4,7 %

4,8 %

4,8 %

5,1 %

5,5 %

5,5 %

5,7 %

5,5 %

5,0 %

90 %

89 %

88 %

84 %

89 %

85 %

89 %

83 %

84 %

waarvan FFEU**

0%

0%

0%

0%

0%

7%

4%

3%

0%

waarvan bestaansmiddelen***

5%

5%

6%

6%

6%

6%

5%

6%

6%

waarvan uit eigen ontvangsten VOI***

5%

6%

6%

11 %

5%

2%

2%

9%

9%

95,3 %

95,2 %

95,2 %

94,9 %

94,5 %

94,5 %

94,3 %

94,5 %

95,0 %

Totale uitgaven voor het milieu waarvan leefmilieubegroting*

Andere beleidsdomeinen


mjp2005 voorwerk-deel 1corr

19-05-2005

23:29

Pagina 17

algemeen kader

17

deel 1

Relatief ten opzichte van de andere beleidsdomeinen nam het aandeel van leefmilieu in de totale Vlaamse uitgavenbegroting gestaag toe van 4.7% in 1997 tot 5.7% in 2003 (zie tabel 1). Nadien kwam ook hier een knik in de stijgende trend van de milieuuitgaven, met een aandeel in de totale Vlaamse uitgaven van 5.5% in 2004. In 2005 daalde dit aandeel opnieuw naar het niveau van voor 2000, namelijk tot 5.0%. In tabel 2 is te zien dat van die totale beleidsruimte voorzien voor leefmilieu, in 2005 (net zoals in de voorgaande jaren trouwens) het merendeel (circa 71%) voorzien is voor de thema’s oppervlaktewaterverontreiniging ( 471 miljoen eur of 57%) en biodiversiteit (113 miljoen eur of 14%). Tabel 2: Overzicht van de beleidskredieten per thema in de periode 2001-2005 in beleidskredieten (exclusief financiering vanuit eigen ontvangsten VOI en inclusief interdepartementale bestaansmiddelen en FFEU) Thema’s en doelen

2001 in K.EUR

Oppervlaktewater-

2002 in %

2003

2004

2005

in K.EUR

in %

in K.EUR

in %

in K.EUR

in %

in K.EUR

in %

417.226

48,78 % 432.612

47,56 %

548 094

55,77 %

545 753

60,60 %

471 338

57,03 %

130.825

15,29 % 127.872

14,06 %

117,715

11,98 % 122.047

13,55 % 113.469

13,73 %

verontreiniging Biodiversiteit Verdroging

67.186

7,85 %

72.722

8,00 %

45.463

4,63 %

33.583

3,73 %

31.164

3,77 %

Vermesting

58.548

6,84 %

77.397

8,51 %

55.556

5,65 %

25.685

2,85 %

25.790

3,12 %

Afvalstoffen

46.637

5,45 %

34.342

3,78 %

43.272

4,40 %

35.800

3,98 %

39.740

4,81 %

Bodem

37.774

4,42 %

54.463

5,99 %

51.815

5,27 %

21.189

2,35 %

20.653

2,50 %

Gebiedsgericht beleid

32.770

3,83 %

37.357

4,11 +

38.598

3,93 %

36.887

4,10 %

33.967

4,11 %

Instrumenten

22.449

2,62 %

23.108

2,54 %

18.980

1,93 %

18.085

2,01 %

17.632

2,13 %

Overheden en

19.004

2,22 %

25.939

2,85 %

24.204

2,46 %

19.145

2,13 %

33.056

4,00 %

Lucht algemeen

8.221

0,96 %

8.490

0,93 %

9.594

0,98 %

9.823

1,09 %

9.925

1,20 %

Versnippering

3.798

0,44 %

3.832

0,42 %

4.765

0,48 %

6.264

0,70 %

4.135

0,50 %

Actoren

3.750

0,44 %

3.766

0,41 %

5.015

0,51 %

6.038

0,67 %

5.521

0,67 %

Internationaal Beleid

2.123

0,25 %

2.149

0,24 %

2.200

0,22 %

1.909

0,21 %

1.602

0,19 %

Integraal Waterbeleid

1.973

0,23 %

2.052

0,23 %

12.718

1,29 %

13.479

1,50 %

13.648

1,65 %

Gevaarlijke stoffen

881

0,10 %

905

0,10 %

1.841

0,19 %

2.223

0,25 %

2.268

0,27 %

Verzuring

495

0,06 %

507

0,06 %

598

0,06 %

334

0,04 %

320

0,04 %

Fotochemie

744

0,09 %

772

0,08 %

763

0,08 %

715

0,08 %

725

0,09 %

Geurhinder

290

0,03 %

293

0,03 %

136

0,01 %

135

0,02 %

124

0,02 %

Kosten en Financiering

250

0,03 %

263

0,03 %

455

0,05 %

389

0,04 %

387

0,05 %

Klimaat

172

0,02 %

295

0,03 %

454

0,05 %

458

0,05 %

426

0,5 %

Ozon

141

0,02 %

147

0,02 %

158

0,02 %

336

0,04 %

326

0,04 %

Geluidshinder

125

0,01 %

172

0,02 %

313

0,03 %

228

0,03 %

222

0,03 %

23

0,00 %

91

0,01 %

87

0,01 %

83

0,01 %

78

0,01 %

100 % 826.516

100 %

Geïntegreerd beleid

Lichthinder Eindtotaal

855.406

100 % 909.546

100 % 982.792

100 % 900.592


mjp2005 voorwerk-deel 1corr

19-05-2005

23:29

Pagina 18

Milieujaarprogramma

18

2005

Het grootste deel van de middelen voor leefmilieu gaat naar een beperkte groep van maatregelen uit het Milieubeleidsplan. Uit vergelijking van tabel 2 en tabel 3 blijkt dat het zelfs zo is dat de 10 maatregelen uit het Milieubeleidsplan, waar de meeste middelen naartoe gingen, in 2003 instonden voor bijna 70% van de totale leefmilieumiddelen, zijnde 689 miljoen eur. Tabel 3: Overzicht van de 10 maatregelen uit het Milieubeleidsplan waar de meeste middelen naartoe gingen Omschrijving 10 duurste maatregelen MBP

Thema

Grootteorde voor ziene middelen BC 2003 in VK in K.EUR (excl. bestaansmiddelen 99,10)

Betrokken begrotingsposten Alg.

Alg.

uitgaven-

1 Investeringsprogramma’s: opmaken masterplan

Oppervlaktewater-

uitgaven-

begroting

Minafonds

-

361B4100 AWA

ja

361B6102 AWA

(2002)

verontreiniging

voor de bovengemeente-

361B1105 AWA

lijke waterzuiverings-

361B1276 AWA

infrastructuur (deel Aquafin)

361B1220 AWA

2 Subsidiëringsprogramma’s bijsturen en de subsidies

Oppervlaktewater-

61,5 63,01

361B6322 AWA

verontreiniging

FFEU begroting

ja

Minafonds

FFEU

TOTAAL

0

364 .747

0 364 .747

50.000

65.764

12 395

128.159

637

49.938

0

50.575

0

34.480

12.395

46.875

(2002,

voor de gemeentelijke

2003)

rioleringen en gemeentelijke KWZI’s verhogen (excl. TWOL) 3 15 000 ha natuur- en

Biodiversiteit

-

bosgebieden verwerven

361B7005 ANA

neen

361B7003 ABG

tegen 2008

361B5214 ANA 361B6324 ABG 361B7110 DG 361B5320 ANA

Duurzaam beheer

Biodiversiteit

uitvoeren in de natuur-

61,3 63,61

361B7005 ANA

61,3 50,62

361B7003 ABG

en bosgebieden in

neen

361B1207 ANA

eigendom of in beheer

361B1233 ANA

(excl. personeelskosten

361B1232 ABG

AMINAL en excl. TOL) 4 Versnellen ambshalve

Bodem

- 361B4144 OVAM

ja

361B6147 OVAM

(2002,

bodemsanering (excl. personeels-

2003)

en werkingskosten) 5 Afbouw van de veestapel

Vermesting

-

361B4110 VLM

neen

0

24.789

0

24.789

Verdroging

61,5 12,10

-

0

22.901

0

0

22.901

stimuleren 6 Waterlopen goed beheren en onderhouden

61,5 12,11 64,6 73,02 (51 %) 61,5 74,05 (97%)


mjp2005 voorwerk-deel 1corr

19-05-2005

23:29

Pagina 19

algemeen kader

Omschrijving 10 duurste maatregelen MBP

7 Nieuwe samenwerkings-

Thema

Geïntegreerd

overeenkomst ontwikkelen

overheids-

en opvolgen (GSO + PSO)

beleid

8 Overstromingsgebieden

Betrokken begrotingsposten

19

Grootteorde voor ziene middelen BC 2003 in VK in K.EUR (excl. bestaansmiddelen 99,10)

Alg.

Alg.

uitgaven-

uitgaven-

begroting

Minafonds

-

361B4212 DG

deel 1

FFEU begroting

Minafonds

FFEU

TOTAAL

neen

0

21.402

0

21 .402

ja

0

0

12.395

12 .395

361B4322 DG

Verdroging

0

0

afbakenen en inrichten

(2002, 2003)

9 Subsidies in uitvoering

Afvalstoffen

-

361B3121

neen

0

9.486

0

9 .486

Vermesting

-

361B4143 VLM

neen

0

7. 814

0

7 .814

van decreet betreffende voorkoming en beheer van afvalstoffen (o.a. dierlijk afval, dierenmeel en slachtafval): nog toe te wijzen aan een maatregel 10 Vergoedingen en beheersovereenkomsten toepassen

Maar bovenstaande uitgaven dienen uiteraard ook gefinancierd te worden. Binnen het domein Leefmilieu kan op meerdere financieringsbronnen teruggevallen worden (i.e. algemene middelen, milieuheffingen, ffeu, diverse andere inkomsten aminal en voi). In tabel 4 wordt een beeld geschetst van de manier waarop het milieubeleid de laatste jaren gefinancierd werd. Uit tabel 4 blijkt dat veruit de meeste eigen middelen van het milieubeleid voortvloeien uit de milieuheffingen en dan meer bepaald de afvalwaterheffing (74% uit milieuheffingen en 57% alleen uit de afvalwaterheffing). Opmerkelijk in dit verhaal is nog het dalende aandeel van de milieuheffingen (wat gezien het niveau van de heffingsvoeten wijst op een inkrimpende belastbare basis en dus een succesvol milieubeleid) en de toenemende nood aan algemene middelen. Tabel 4: Financiering van het milieubeleid: inkomstenbronnen in de periode 2000-2005 1. Inkomsten MINAfonds Bron: Begroting Minafonds na begrotingscontrole (= aangepaste begroting), in MIO EUR

in miljoen EUR Milieuheffingen Afvalheffing Afvalwaterheffing Mestheffing Grondwaterheffing

2001

2002

2003

2004

2005bo

331,1

326,6

341,8

339,3

303,5

79,3

66,8

53,7

50,0

38

231,3

234,9

240,3

239,5

235,5

5,0

4,8

11,5

21,8

10

15,6

20,1

36,3

28,0

20


mjp2005 voorwerk-deel 1corr

19-05-2005

23:29

Pagina 20

Milieujaarprogramma

20

2005

Andere ontvangsten MINAfonds

10,5

9,7

9,6

14,5

-

-

-

-

Bossencompensatiefonds

0,5

-

-

-

Ontvangsten uit beheer patrimonium ABG, AMINABEL

1,6

1,6

1,6

2,0

2,2

Diverse ontvangsten (terugstorten geld- en rente voorschotten

0,3

0,3

0,2

0,2

0,2

FinanciĂŤle bijstand EU (i.v.m. verordeningen 2078 en 2080

0,4

0,0

0,0

0,0

0,0

Dividenden Vlaamse Milieuholding

5,3

5,3

5,3

5,3

5,3

VLAREM dossiertaks

0,4

0,5

0,5

0,5

0,5

Jachtverloven en jachtvergunningen

2,0

2,0

2,0

2,0

2,0

-

-

-

4,5

0,0

341,7

336,3

351,4

353,8

313,7

Retributies bodemattesten

10,2

en terugstorten van lonen)

Ontvangsten i.k.v. federale wetgeving verwerking landbouwkrengen Totaal eigen ontvangsten MINAfonds

2 . I N K O M S T E N a d m i n i s t r a t i e v e m i d d e l e n b e g r o t i n g i . v. m . L e e f m i l i e u Bron: Begroting Minafonds na begrotingscontrole (= aangepaste begroting), in MIO EUR

in miljoen EUR

2001

2002

2003 2004(BO) 2005(BO)

pm

0,000

0,000

0,450

0,900

pm

0,000

0,000

0,000

0,000

1,522

1,248

1,453

0,000

0,000

-

-

-

0,225

0,000

Bossencompensatiefonds- bosbehoudsbijdrage

0,000

0,496

1,393

2,500

2,500

Visserijverloven (visserijfonds decreet 21.12.1990)

0,694

0,750

0,750

0,600

0,800

Fonds landinrichting: ontvangsten uit wetten ruilverkaveling

2,300

2,548

2,343

2,555

2,615

pm

pm

pm

0,000

0,000

0,000

0,000

0,425

pm

pm

EOGFL-inkomsten i.k.v. de waterhuishouding

0,178

0,000

0,000

0,063

0,040

Inkomsten i.k.v. waterhuishouding

0,074

0,074

0,074

0,090

0,090

4,8

5,1

6,4

6,5

6,9

2001

2002

2003

44,5

16,2

22,4

91,4

91,4

1 + 2 + 3 TOTALE EIGEN INKOMSTEN beleidsdomein LEEFMILIEU 386,1

352,5

380,3

451,7

412,0

Departement EWBL, ANRE Ontvangsten fonds hernieuwbare energiebronnen (decreet 17.7.2000) Ontvangsten energiefonds (decreet 17.7.2000) EOGFL-tegemoetkomingen landbouw (decreet 06.07.1994) Departement LIN, AMINAL Ontvangsten m.b.t. Fonds voor de controle op uitvoerende taken van brander- en stookolietechnici

en landinrichting (decreet 07.07.1998) EOGFL-tegemoetkomingen ruilverkaveling en landinrichting (decreet 07.07.1998) Inkomsten i.k.v. Grondwaterwinning (decreet schadefonds 12.12.1990)

(decreet Fonds waterhuishouding 22.11.1995) Totaal eigen ontvangsten alg. administratieve middelenbegroting

3. INKOMSTEN VOI Eigen ontvangsten VOI bestemd voor voeren milieubeleid

2004 2005(BO)


mjp2005 voorwerk-deel 1corr

19-05-2005

23:29

Pagina 21

algemeen kader

21

deel 1

In elk thema/deel/hoofdstuk wordt kort iets gezegd over de beschikbare middelen in het luik ‘Begroting’.

Globale voortgang van de projecten Het mina-plan 3 bevat 41 projecten, waarin een aantal prioritaire maatregelen zijn opgenomen. Deze projecten worden voornamelijk geformuleerd waar een belangrijke verandering of doorbraak en een instellingsoverschrijdende aanpak noodzakelijk is. Voor alle projecten werd door de projectverantwoordelijke een projectplan opgemaakt waarin de projectorganisatie wordt toegelicht en de aanpak wordt geschetst voor de volledige uitvoeringsperiode, en meer gedetailleerd op jaarbasis. Het verband wordt ook gelegd met de maatregelen vermeld in het mina-plan 3. Telkens wordt ook gepoogd relevante mijlpalen en indicatoren te identificeren die moeten toelaten de voortgang van het project te toetsen. Een aantal projecten hebben betrekking op reeds lopend beleid, en bouwen verder op vroeger opgestarte strategische projecten. Andere projecten betreffen eerder nieuw beleid, dat soms nog nader moet vorm krijgen in wisselwerking met processen zoals Beter Bestuurlijk Beleid. Bijna alle projecten zijn eind 2004 opgestart. Hierna wordt bij wijze van voorbeeld een korte toelichting gegeven over de voortgang van enkele projecten. De nadruk ligt op realisaties in 2003 en 2004. • In 2004 is het project ‘voorraadbeheer ’ definitief uit de startblokken geraakt. In het kader van de oeso tip-activiteit monit (monitoring and implementing horizontal innovation policy) met als doel horizontale innovatiebeleid te stimuleren werd samen met het iwt en serv een analyse gemaakt van het duurzame ontwikkelingsbeleid en het innovatiebeleid in Vlaanderen. Voorstellen werden ontwikkeld om een betere afstemming te bevorderen. Deze analyse wordt verder getoetst met externen. Als resultaat van de ondernemersconferentie die in december 2003 werd afgesloten, werd een milieu- innovatieplatform naar voor geschoven als hefboom voor milieutechnologie. De Vlaamse overheid trekt de nodige subsidies uit om dit te financieren. Het voorstel werd o.a. uitgewerkt door vito. In mei 2004 heeft de regering het Milieuinnovatieplatform goedgekeurd. Betreffende het luik ‘transitiemanagement’ werd een beleidsvoorbereidende studie i.v.m. transitiemanagement in de afvalsector opgestart. De voorbereiding van het experiment transitiemanagement toegepast op de case ‘duurzaam bouwen en wonen’ is in de laatste fase van de procedure en is in juli 2004 van start gegaan. • Het project ‘klimaatbeleid ’ streeft naar een actieve deelname van alle bevoegdheidsdomeinen in het klimaatbeleid. In 2004 was een belangrijke stap in dit proces de opmaak van een voortgangsrapport waarin het Vlaams klimaatbeleid anno 2004 werd geëvalueerd. De ongunstige evolutie van de broeikasgasemissies in het voortgangsrapport vraagt duidelijk om een meer ambitieuze beleidsvisie en bijkomende maatregelen. • In het project ‘emissiereductiebeleid lucht ’ werden de resultaten van een eerste deel van de studie rond de inzetbaarheid van economische instrumenten m.b.t. SO2 en NOx voorgesteld op een symposium in het Vlaams parlement. Op basis van de eerste studieresultaten en het maatschappelijk debat dat hierop volgde werd één economisch instrument geselecteerd voor het reductiebeleid voor SO2 en NOx. Vervolgens wordt een stappenplan uitgewerkt voor de implementatie ervan. Er loopt ook een studie voor het opstellen van een methodologie voor een intersectorale afweging. Emissiereducerende maatregelen werden reeds ingevoerd voor de raffinaderijen en de stookinstallaties via een door de regering goedgekeurde aanpassing van de vlarem-voorwaarden. Met de elektriciteitssector werd een milieubeleidsovereenkomst afgesloten.


mjp2005 voorwerk-deel 1corr

19-05-2005

23:29

Pagina 22

Milieujaarprogramma

22

2005

• In uitvoering van het project ‘bodemsanering ’ werden 30 besluiten tot ambtshalve bodemsanering opgesteld. Ook werd een alternatieve aanpak voor ‘complexe verontreinigingen’ uitgewerkt. Begin 2004 startten een beperkt aantal proefprojecten en werd een vernieuwde leidraad ‘brownfieldontwikkeling’ ter beschikking gesteld. In het kader van de Samenwerkingsovereenkomst werd gemeenten de mogelijkheid geboden van een financiële ondersteuning in het kader van de herontwikkeling van brownfieldterreinen. Verder is gewerkt aan de opvolging van de 20 lopende brownfieldprojecten. Ook werden tot medio 2004 30 woonzoneprojecten opgestart en 5 projecten afgerond. Op basis hiervan is het draaiboek woonzones verder aangepast. • In het project ‘bodembescherming ’ werd de juridische basis voor bodembescherming verder voorbereid en werd een voorontwerp van decreet tot aanvulling van het dabm met een titel bodembescherming afgewerkt. Een intensieve opvolging van het Europese bodembeleid vond plaats. Gemeenten werden begeleid in het kader van het subsidiebesluit ‘kleinschalige erosiebestrijdingsmaatregelen’ en de eerste dossiers werden goedgekeurd. Gelijklopend werd praktijkervaring opgebouwd in het kader van de opvolging van kleinschalige erosiewerken. Twee nieuwe Interreg-projecten rond erosiebestrijding startten begin 2003. Voorbereidingen werden getroffen om beheerovereenkomsten inzake erosiebestrijding te kunnen aanbieden aan landbouwers, i.h.k.v. het uitvoeringsbesluit voor beheerovereenkomsten erosiebestrijding. • In het project ‘afvalvoorkoming ’ werden campagnes gevoerd om bedrijven aan te zetten tot een meer eco-efficiënte bedrijfsvoering. Het Presti-4 programma is verder gezet en het Presti-5 programma is in zijn tweede uitvoeringsjaar. Informatieverlening en sensibilisering vond onder meer plaats via stip (Steunpunt en Informatiecentrum voor Preventie van Afval) en Factor 10 (Vlaams Informatiepunt voor Ecodesign). Een project ‘Eco-efficiëntie indicatoren’ startte met als doel sectorspecifieke handleidingen te generen die bedrijven kunnen helpen efficiënter om te gaan met deze kengetallen. • In uitvoering van het project ‘uitvoeringsplan huishoudelijke afvalstoffen ’ vond de opstart plaats van 2 proefprojecten voor gedifferentieerde tarifering (diftar). Selectieve inzameling werd versneld via een geografische uitbreiding en gemeenten startten diverse proefprojecten om inzamelscenario’s te evalueren die afwijken van het Fost-Plusscenario. Een verdere uitbouw van kringloopcentra vond plaats en een vijfjarige samenwerkingsovereenkomst met de Koepel van Vlaamse Kringloopcentra (kvk) werd opnieuw afgesloten. Ook startten proefprojecten ter stimulering van herbruikbare drankverpakking. Het gebruik van herbruikbare drinkbekers op evenementen werd onderzocht en gepromoot. Stimulering van thuiscompostering gebeurde via het netwerk van compostmeesters, structureel ondersteund door vlaco. • Via het project ‘planning integraal waterbeleid ’ wordt het integraal waterbeleid op stroomgebied-, bekken- en deelbekkenniveau concreet ingevuld. De centrale spil hierin is de recent opgerichte Coördinatiecommissie Integraal Waterbeleid (ciw). Er werd volop gewerkt aan de analyses op stroomgebiedniveau, als element voor de opmaak van internationale stroomgebiedbeheersplannen en maatregelenprogramma’s. Een Vlaamse waterbeleidsnota, waarin de visie op het integraal waterbeleid voor het Vlaamse Gewest in zijn geheel en per stroomgebied afzonderlijk wordt vastgelegd, is in opmaak. De eerste bekkenbeheersplannen zijn afgewerkt. Wisselwerking en afstemming met de deelbekkenbeheerplannen is een permanent aandachtspunt. • Belangrijk in het project ‘ruimte voor natuur ’ was de goedkeuring door de Vlaamse Regering van de werkwijze voor de verdere invulling van de gebieden van de natuurlijke structuur (onder andere het ven). Deze beslissing ging gepaard met een gelijktijdige en gelijkwaardige afbakening van de gebieden van de agrarische structuur. Voordien werd de eerste fase in de afbakening van het ven definitief vastgesteld. In de eerste helft van 2004 werden, onder leiding van de afdeling Ruimtelijke Planning, administratiegrensoverschrijdende processen opgestart ter voorbereiding van een visie op de gewenste


mjp2005 voorwerk-deel 1corr

19-05-2005

23:29

Pagina 23

algemeen kader

23

deel 1

structuur. In de tweede helft van 2004 werden overlegprocessen opgestart met de betrokken gemeentes en provincies, belangengroepen en andere Vlaamse administraties om te komen tot één gedragen visie, waaruit grup kunnen worden ontwikkeld. In 2003 werd het besluit betreffende de natuurrichtplannen en tevens het ondersteunende besluit houdende de maatregelen ter uitvoering van het gebiedsgericht natuurbeleid goedgekeurd. Op basis van deze besluiten werd het proces en de methodiek voor de opmaak van een natuurrichtplan voorbereid, via o.a. een draaiboek. In mei werden de eerste natuurrichtplanprocessen, in elke provincie één, op gang getrokken. • In het kader van het project ‘soortendiversiteit ’ ligt een ontwerptekst voor het uitvoeringsbesluit Soortbescherming klaar ter bespreking. Een aantal maatregelen ten gunste van soortenbescherming werden tot nu toe ad hoc toegepast (zoals het formele gebruik van Rode Lijsten, soortenbeschermingsplannen, schaderegeling). Met dit project worden nu een aantal maatregelen bestendigd. De verspreidingskaarten van soorten(groepen) van internationaal belang werden verfijnd en aangevuld. Naast de opvolging van Rode Lijsten en planning van de evaluatie ervan, werden nieuwe indicatoren getoetst. De criteria om te bepalen voor welke soorten een soortenbeschermingsplan nodig is werden uitgewerkt en een aantal prioritaire soortengroepen vastgelegd. Tevens werd de blauwdruk voor het inhoudskader van een soortenbeschermingsplan uitgewerkt en bekendgemaakt. • In uitvoering van het project ‘bosbeleid ’ werden de besluiten inzake de nieuwe subsidieregelingen voor openbare en privébossen, de herwerkte regeling inzake beheerplannen en het besluit inzake de criteria duurzaam bosbeheer - allen in uitvoering van het Bosdecreet - definitief goedgekeurd door de Vlaamse Regering. Deze nieuwe wetgeving wordt volop geïmplementeerd bij openbare en privé-bosbeheerders. De beheervisie voor de openbare bossen wordt verder verfijnd en op punt gesteld aan de hand van nieuw opgedane kennis en ervaringen. Nieuwe subsidieaanvragen door openbare en privé-boseigenaars worden begeleid, opgevolgd en behandeld. Tevens wordt het proces ‘opstellen van beheerplannen’ zowel voor de eigen domeinbossen als voor derden intensief begeleid. Ook het uitvoeringsbesluit voor de erkenning van de bosgroepen werd in 2003 goedgekeurd. In het verleden werden twaalf pilootprojecten bosgroepen opgestart. Momenteel zijn er twee bosgroepen volgens het besluit omgevormd naar erkende bosgroepen en plannen vijf andere een erkenningaanvraag in te dienen. Vijf bosgroepen hebben werkgelegenheidsprojecten lopen. Het besluit van de ‘groenjobs’ werd in 2004 goedgekeurd en kan geïmplementeerd worden, al dan niet in combinatie met projectsubsidies voor erkende bosgroepen. Het Vlaamse Gewest streeft ernaar tegen 2005 een operationeel groepscertificeringssysteem voor de eigen bossen te hebben. De voorbereidingen daarvoor zijn van start gegaan met o.a de aanduiding van een definitieve groepsstructuur (aanduiding betrokkenen), het uitwerken van procedures aangaande het functioneren van het groepsschema en de opmaak van een draaiboek, dat de interpretatie van de certificeringstandaard weergeeft op het terrein. • In het project ‘instrumenten voor het buitengebied ’ werd in 2003 en 2004 gewerkt aan de optimalisatie van de inrichtingsinstrumenten. Ruilverkaveling wordt niet langer beschouwd als een autonoom planvormingsinstrument, maar wordt geheroriënteerd tot een uitvoeringsinstrument om elders gevormde visies te realiseren op het terrein. De procedure van landinrichting werd geactualiseerd en aangepast aan de beleidsmatige en maatschappelijke ontwikkelingen: het vroegere richtplan waarin inhoudelijk uitgebreid en gebiedsdekkend een geïntegreerde visie op inrichting van een gebied wordt geformuleerd, wordt vervangen door een planprogramma. Landinrichting heeft door deze actualisatie ook de flexibiliteit om te werken in een groter gebied (één planprogramma, verschillende inrichtingsprojecten met elk één of meerdere inrichtingsplannen) of om een specifieke vraag aan te pakken. De Vlaamse Regering heeft het ontwerp van decreet betreffende het oprichten van de Vlaamse Grondenbank definitief goedgekeurd. Dit decreet maakt het mogelijk dat alle overhe-


mjp2005 voorwerk-deel 1corr

19-05-2005

23:29

Pagina 24

Milieujaarprogramma

24

2005

den die ressorteren onder het beleidsdomein Leefmilieu vrijwillig beroep kunnen doen op de Vlaamse Grondenbank om hen te helpen in de uitvoering van hun grondbeleid. • Het project ‘stedelijk milieubeleid ’ boekte veel vooruitgang met betrekking tot interne afstemming (via een overlegstructuur) en extern met groot- en regionale steden (via een netwerk). Een ontwerp van een geïntegreerde beleidsvisie stedelijk milieubeleid werd opgemaakt. Er wordt bekeken hoe die visie een draagvlak kan krijgen binnen de milieuadministraties. aminal startte begin 2004 een onderzoek met de bedoeling een voorstel uit te werken voor het afbakenen en classificeren van stedelijk groen in Vlaanderen. Ook inzake het ontwikkelen van indicatoren werd vooruitgang geboekt: in het kader van de stadsmonitor werden vier indicatoren ontwikkeld die interessant zijn in functie van stedelijk groen en natuur in de stad. • Het project ‘doelgroepenbeleid ’ beoogt een betere afstemming tussen de rollen van de overheid, bedrijven, huishoudens en andere groepen in de samenleving bij het realiseren van een goede milieukwaliteit. Tijdens de planperiode wordt zo goed mogelijk rekening gehouden met wijzigende organisatieomstandigheden. Ook de doelgroepen zelf hebben een inbreng bij de uitbouw van het doelgroepenbeleid. Per doelgroep wordt dus gewerkt aan: het opvolgen en afstemmen van reeds bestaan doelgroepenoverleg; het verruimen van gestructureerd doelgroepenbeleid; het verder verfijnen van het gevoerde doelgroepenbeleid. Dit vergt ook dat intern voor de organisatorische voorwaarden voor een afgestemd en gestructureerd doelgroepenbeleid gezorgd wordt. • Met de uitvoering van het project ‘samenwerking met milieu- en natuurverenigingen en andere maatschappelijke organisaties ’ wordt er gewerkt aan een versterking van de rol die milieu- en natuurverenigingen in het beleid kunnen spelen . Daartoe werd een grondige hertekening van het subsidielandschap voorbereid, in overleg met de sector. Een nieuw besluit inzake erkenning en subsidiering regelt de structurele ondersteun-ing van deze verenigingen. Een projectenfonds zal de huidige lopende mina-projecten en van projecten rond duurzaam lokaal beleid en rond nme ondersteunen. De samenwerking tussen ngo’s en lokale overheden wordt gestimuleerd via een samenwerkingsovereenkomst met de bbl en vodo. Aandacht ging ook naar de ondersteuning van de milieuwerking van de vakbonden. Er werd een onderzoek gevoerd over nme voor volwassenen. • Het project ‘milieu en mobiliteit ’ integreert alle milieuaspecten met betrekking tot de mobiliteitsector. Een belangrijke realisatie is de opname van gekwantificeerde milieudoelstellingen in het Mobiliteitsplan Vlaanderen. Met behulp van een plan-mer werden de effecten van voertuigstromen berekend voor de disciplines lucht, geluid, natuur en water, monumenten en landschappen en gezondheid. Deze plan-mer wordt als basis gebruikt voor het uitwerken van een monitoringsysteem. Ontsnipperingsprojecten, ecologisch bermbeheer en verminderd biocidengebruik maken steeds meer deel uit van wegen- en waterwerken en -onderhoud. Via een cluster ‘mobiliteit’ in de Samenwerkingsovereenkomst met lokale overheden wordt afstemming bereikt tussen het milieu- en mobiliteitsbeleid op lokaal vlak. • Het project ‘aanspreekpunt lokale overheden ’ behelst de stroomlijning van de samenwerking met lokale overheden (gemeenten, steden, provincies en samenwerkingsverbanden tussen lokale overheden). De eerste fase van de Samenwerkingsovereenkomst is geëvalueerd en heeft de basis gevormd voor de tweede fase die begin 2005 zal ingaan. Parallel aan de Samenwerkingsovereenkomst met lokale overheden werden twee steunpunten opgericht die de werking van natuur- en milieuverenigingen ondersteunen. Een projectenfonds is opgericht, waarlangs duurzame lokale milieuprojecten financieel ondersteund kunnen worden (zie ook project ‘samenwerking met natuur- en milieuverenigingen en andere maatschappelijke organisaties’). • De resultaten van de wereldtop over duurzame ontwikkeling in Johannesburg werden


mjp2005 voorwerk-deel 1corr

19-05-2005

23:29

Pagina 25

algemeen kader

25

deel 1

geconcretiseerd tijdens de elfde bijeenkomst van de Commission on Sustainable Development (csd 11). Deze agendasetting werkte ook door in de agenda’s en begrotingen van andere vn-organen, financiële instellingen en van overheden op verschillende niveaus. In uitvoering van het project ‘internationaal milieubeleid ’ participeerde het Vlaams Gewest aan deze csd- en aanverwante processen op vlak van geïntegreerd waterbeleid, sanitatie en menselijke nederzettingen. Een Vlaamse Werkgroep Duurzame Ontwikkeling en het Vlaams Partnerschap Water voor Ontwikkeling (een aandachtspunt tijdens de oeso ministerconferentie leefmilieu van april 2004) werd opgericht. Ook speelde Vlaanderen een sturende rol in het interregionaal netwerk voor duurzame ontwikkeling. Wat het Europese milieubeleid betreft, vertegenwoordigen de gewesten (i.p.v. de federale overheid) sinds juli 2003 België tijdens de Europese ministerraden Milieu. Ter voorbereiding van deze gewijzigde situatie werden een aantal succesvol gebleken werkwijzen en structuren - ontwikkeld tijdens het Belgisch voorzitterschap van de Europese Unie - verder uitgebouwd. • In het kader van het project ‘interne milieuzorg ’ werd een implementatieplan uitgewerkt voor de invoering van milieuzorg binnen alle entiteiten van de Vlaamse overheid. Dit plan vertrekt vanuit een centrale aansturing en een decentrale invulling op niveau van de entiteiten. Er werden vier milieuzorgniveaus gedefinieerd die gebaseerd zijn op het principe van zelfcontrole en de hierop volgende bijsturing door het management. Op basis van de resultaten van het vooronderzoek en na overleg met de betrokken entiteiten werd in een nieuwe beslissing van de Vlaamse Regering voor elke entiteit een milieuzorgniveau vastgelegd. Deze entiteiten voeren hun eerste actieplan milieuzorg (2004) uit en de evaluatie ervan vormt de basis voor de opmaak van het volgende actieplan. Op centraal niveau werd de opdracht voor de evaluatie van het gehele project opgestart. Tevens is er een evaluatie van de communicatieacties en werd de optimalisatie van imas afgerond. Verschillende vormingen voor de aanspreekpunten vonden plaats en een themacampagne 2004 rond afval ging van start. Tot slot werden in de drie grote administratieve gebouwen in Brussel werkgroepen milieuzorg opgericht en werd met dab catering samengewerkt. • In het project ‘kosten en financiering ’ werd onder meer het Milieukostenmodel voor Vlaanderen (mkm) opgestart en begeleid. Dit zal er toe leiden dat, voor de milieucompartimenten water en lucht, kosten van potentiële maatregelen kunnen berekend worden voor bepaalde economische sectoren en bepaalde polluenten. Er werd in 2004 veel energie gestoken in het bepalen van de methodiek om de databank van het mkmlucht te vullen. Er is beslist hoe dit zal gebeuren opdat via het mkm-lucht de meest kosteneffectieve verdeling van de inspanningen in het kader van de nec-richtlijn tot stand komt. Begin 2004 werd een case (Netebekken) voor het mkm-water opgestart die moet leiden tot het samenstellen van een kosteneffectief maatregelenpakket voor de verschillende doelgroepen. Later wordt bekeken of de resultaten van deze case extrapoleerbaar zijn naar andere Vlaamse bekkens. Er werd daarnaast een methodologie ontwikkeld voor de economische waardering van parken. In het kader van de uitvoering van de eu-richtlijn Verhandelbare Emissierechten voor CO2 werd het Vlaams beleid inzake flexibiliteitsmechanismen verder uitgewerkt. Ook werd een bijdrage geleverd aan het nationaal allocatieplan.


mjp2005 voorwerk-deel 1corr

19-05-2005

23:29

Pagina 26

Milieujaarprogramma

26

2005

Algemeen kader Inleiding Dit is een wat bijzonder deel. Hierin worden de krijtlijnen geschetst waarbinnen het milieubeleid zich afspeelt. Recente internationale en Vlaamse ontwikkelingen worden beschreven, het milieubeleid wordt geplaatst in het kader van duurzame ontwikkeling en een kernset van indicatoren gepresenteerd. Het hoofdstuk wordt afgesloten met twee projecten, die mikken op de lange termijn. Voor de opvolging van de algemene aspecten wordt verwezen naar de inleiding bij het mjp. Uitsluitend de opvolging van de beide projecten komt hier aan bod.

Projecten en maatregelen Toelichting en evaluatie tot 2004 De projecten ‘Beleid gericht op voorraden’ en ‘Risicobeheer’ zijn nieuw in de Vlaamse context. Beide projecten moesten begin 2004 nog volledig opgebouwd worden. Het laatste project wordt in grote mate vooruit geschoven naar 2005. Voorbereidend werd wel reeds een studie uitgevoerd naar niet-ioniserende electromagnetische straling (nis). Die resulteerde in een lijst van alle mogelijke nis-bronnen, zowel binnenshuis als buitenshuis, en hun potentiële impact op de gezondheid van de mens. Het eerste project is in 2004 gestart. In het kader van een oeso-activiteit voor het stimuleren van het horizontale innovatiebeleid werd een analyse gemaakt van het beleid voor duurzame ontwikkeling en het innovatiebeleid in Vlaanderen. Daarnaast werd naar aanleiding van de ondernemersconferentie door de Vlaamse regering in 2004 een Milieu-innovatieplatform opgericht. M.b.t. het luik transitiemanagement werd gestart met twee casussen ‘transitie duurzaam materialenbeleid’ vanuit het beleidsveld afvalstoffen en ‘transitie duurzaam bouwen en wonen’. In de meer dan 20 jaar dat het beleidsveld afvalstoffen zich heeft ontwikkeld, heeft zich ook een transitie voorgedaan van afvalverwijdering naar integraal afvalbeheer. De ervaring leert dat dit beleidsveld tegen haar grenzen aanzit. In de eerste helft van 2004 werd nagegaan of afvalbeleid via een transitiebenadering kan ontwikkelen naar een duurzaam materialenbeleid. Met materialenbeleid, als opstap tot ‘verruiming en vernieuwing’ wordt o.m. aansluiting gezocht bij het denken in voorraden en stromen. De verkenning resulteerde in een aantal aanbevelingen om tot een procesmatige sturing te komen in het traject voor de volgende jaren. In de tweede helft van 2004 werd gestart met de casus rond ‘duurzaam bouwen en wonen’. Dit onderwerp leent zich tot een benadering via transitiemanagement door het complexe en maatschappelijke karakter en de roep om duurzame ontwikkeling op dat gebied. Bovendien sluit het goed aan bij de wens van velen om een onderzoeksproject rond duurzaam bouwen op te zetten.


mjp2005 voorwerk-deel 1corr

19-05-2005

23:29

Pagina 27

algemeen kader

27

deel 1

Opvolging mijlpalen en indicatoren Mijlpalen

Oorspronkelijke verwachting

Status

Discussienota risicobeheer is klaar

2004 EINDE

op schema

Geldende milieunormen zijn geëvalueerd

2005 EINDE

op schema

Huidige verwachting

Aanpak jaar 2005 Project: Beleid gericht op voorraden

Het project zal ook in 2005 bepaalde aspecten die een antwoord bieden voor het voorraadbeheer binnen de milieugebruiksruimte, op een geïntegreerde manier verkennen: bepalen van de milieugebruiksruimte, het voorbereiden van toekomstverkenningen, systeeminnovatie, en het concept transitiemanagement. In het kader van het voorraadbeheer binnen de milieugebruiksruimte zal in 2005 het onderzoek naar langtermijndoelstellingen lopende zijn. Een verdere aanpak zal afhangen van de resultaten van deze studie. Verschillende ervaringen i.v.m. toekomstverkenningen zullen verder worden opgevolgd en afgesteld (zoals de ervaring van aps en viWTA, Vlaams Instituut voor Wetenschappelijk en Technologisch Aspectenonderzoek, iwt en de toekomstverkenning platteland). Systeeminnovatie: Er zal vanaf 2005 onderzocht worden in welke mate de verschillende milieubeleidsinstrumenten het innovatiebeleid al dan niet stimuleren. Zo kan ook de milieuwetgeving gescreend worden op de belemmeringen die het nu inhoudt voor technologische innovatie en is het de bedoeling concrete voorstellen te formuleren voor verbetering/aandachtspunten. Deze analyse maakt het mogelijk de opportuniteiten die de instrumenten bevatten m.b.t. het stimuleren van het innovatiebeleid optimaal te benutten. In 2005 zal het Milieu-innovatieplatform (mip) normaal gezien operationeel zijn. Er zal een afstemming gezocht worden tussen de verschillende initiatieven opgestart vanuit het milieubeleid (transitiemanagement, studies m.b.t. innovatie) en het mip. Concept transitiemanagement en uitwerken gevalstudies: De casus ‘transitie duurzaam bouwen en wonen’ en de casus ‘transitie duurzaam materiaalbeleid’ zullen beiden in 2005 verder worden uitgevoerd, de eerste als onderzoeksproject tot eind 2006 en de tweede als uitvoering van het vervolgtraject van een eerste transitieronde tot eind 2007. Beide casussen hebben een gemeenschappelijk doel: de eerste ervaringen met transitiemanagement te evalueren, de mogelijkheden en beperkingen van de aanpak enerzijds in algemene zin en anderzijds voor Vlaanderen in te schatten en zo nodig bij te sturen (de leerdoelstelling). Daarnaast zal voor elke afzonderlijke casus een eerste transitieronde worden geëvalueerd en zal op basis van de eerste resultaten uit deze eerste transitieronde een geïntegreerd beleid en integrale aanpak voor duurzaam bouwen en wonen enerzijds en voor duurzaam materialenbeleid anderzijds worden ontwikkeld (de inhoudelijke doelstelling). Eventueel inhoudelijke raakvlakken tussen beide casussen kunnen worden geïdentificeerd.


mjp2005 voorwerk-deel 1corr

19-05-2005

23:29

Pagina 28

Milieujaarprogramma

28

2005

Project: Risicobeheer

A. Theoretische verkenning Case-study m.b.t. nis In opvolging van de inventarisatiestudie die werd uitgevoerd in 2004 zal de gecumuleerde nis-straling worden gemeten, met specifieke aandacht voor nis-bronnen waarover weinig of geen meetgegevens in Vlaanderen beschikbaar zijn of welke een potentieel gevaar voor de gezondheid van de burger kunnen inhouden. De keuze en de aard van de metingen is gebaseerd op de resultaten van de voorafgaande inventarisatiestudie van nis in Vlaanderen. Deze metingen zouden o.a. moeten toelaten de gecumuleerde stralingsbelasting van de Vlaamse burger te bepalen. Bijkomend is het de bedoeling de snelle toename van nieuwe ontwikkelingen op dit domein beter te kunnen opvolgen en te komen tot een meer gefundeerde kennis van de effectieve blootstelling aan nis. De meetresultaten kunnen dienen als het begin van een tijdreeks. B. Praktijkgerichte aftoetsing Evaluatie van geldende milieunormen naar hun doelstelling van bescherming van de bevolking In 2005 zal een selectie gemaakt worden van verder te onderzoeken normen die relevant zijn voor blootstelling van de mens. Deze normen zullen dan geëvalueerd worden inzake de mate van bescherming van de bevolking. Case-study(‘s) m.b.t. milieugevaarlijke stoffen Uit de voorgaande studie zal blijken voor welke milieugevaarlijke stoffen de huidig geldende milieunorm moet herzien worden. Doelstelling is om voor minstens één van deze stoffen de milieukwaliteitsnorm te herdefiniëren aan de hand van het hiervoor door de vito opgestelde draaiboek.

Begroting In het kader van de twee projecten worden een aantal onderzoeksprojecten opgestart. Het gaat om een beperkt budget, dat voornamelijk beschikbaar wordt gesteld vanuit de middelen voor thema-overschrijdende initiatieven of strategisch onderzoek.


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 29

deel 2

themabeleid


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 30


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 31

themabeleid

31

deel 2

1. Verdunning van de ozonlaag Inleiding De stratosferische ozonlaag bevindt zich op een hoogte van vijftien tot dertig kilometer Ze vormt een beschermend schild tegen de schadelijke uv(b) straling van de zon. De verdunning of de aantasting van de stratosferische ozonlaag is het gevolg van de emissies van bepaalde chloor- en broomhoudende verbindingen. De belangrijkste ozonafbrekende stoffen zijn: chloorfluorkoolstoffen (cfk’s), halonen, tetrachloorkoolstof, 1,1,1-trichloorethaan, methylbromide en chloorfluorkoolwaterstoffen (hcfk’s). Op mondiaal niveau zijn er afspraken vastgelegd in het protocol van Montreal. Voor Europa zijn deze afspraken in 2000 verder aangescherpt in een verordening betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen. De verordening bevat uitfaseringsdata voor de productie, het op de markt brengen en het gebruik van de verschillende ozonafbrekende stoffen. De verordening regelt tevens de invoer en de uitvoer van deze stoffen en bevat bepalingen voor gebruikers van ozonafbrekende stoffen met betrekking tot de ontmanteling van apparatuur die deze stoffen bevat, de verplichte terugwinning van deze stoffen en het nemen van emissiereducerende maatregelen. Het Vlaamse beleid rond ozonafbrekende stoffen werkt op twee sporen: het gebruik van alternatieven stimuleren en waar ozonafbrekende stoffen nog worden gebruikt, de emissies zoveel mogelijk beperken. Bij de totstandkoming van het Vlaams beleid rond ozonafbrekende stoffen wordt bovendien steeds een emissiereductie van gefluoreerde broeikasgassen beoogd (gefluoreerde broeikasgassen worden vaak als alternatief voor ozonafbrekende stoffen gebruikt).

Opvolging van de plandoelstellingen ++

| De emissies van ozonafbrekende stoffen terugdringen met ten minste 70% ten opzichte van de emissies in 1999

De emissies van ozonafbrekende stoffen werden in 2003 met 47% teruggedrongen ten opzichte van de emissies van 1999. Deze emissiereductie is voornamelijk te wijten aan de gefaseerde afbouw van het gebruik van ozonafbrekende stoffen zoals deze wordt bevolen door de Europese verordening. De aanscherping van de vlarem-reglementering rond de uitbating van koelinstallaties en de gevoerde milieu-inspecties moeten deze afbouwende tendens in de toekomst nog verder versterken.

+

| In 2007 mogen ozonafbrekende stoffen nog slechts in 11 toepassingen worden gebruikt ten opzichte van 15 toepassingsgebieden in 2002

Het is de eu-verordening 2037/2000 met betrekking tot stoffen die de ozonlaag aantasten die bepaalt in welke toepassingsgebieden ozonafbrekende stoffen nog mogen worden gebruikt. Sinds 1 januari 2004 mogen halonen enkel nog worden aangewend om te worden gebruikt in een zeer beperkt aantal kritische toepassingen. Sinds 1 januari 2004 is ook het gebruik van ozonafbrekende stoffen in de productie van kunststofschuimen verboden, behoudens in uitzonderlijke omstandigheden. Vanaf 2004 is het aantal toepassingsgebieden principieel beperkt tot 13.


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 32

Milieujaarprogramma

32

2005

Projecten en maatregelen Toelichting en evaluatie tot 2004 Op 14 maart 2003 zijn verscherpte voorwaarden voor de uitbating van koelinstallaties door de Vlaamse Regering goedgekeurd en in het vlarem ii opgenomen. Op 14 mei 2004 werd een ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering inzake de certificering van koeltechnici principieel door de Vlaamse Regering goedgekeurd. Dit ontwerpbesluit inzake de certificering van koeltechnici voorziet dat personen die werkzaamheden aan koelinstallaties uitvoeren (waarbij emissierisico van ozonafbrekende stoffen en/of gefluoreerde broeikasgassen optreedt) in het bezit moeten zijn van een certificaat van bekwaamheid in de koeltechniek. Om dit certificaat te verkrijgen moeten deze personen slagen in een specifiek examen inzake koeltechniek. Het ontwerp van besluit voorziet dat deze certificaten van bekwaamheid enkel zullen mogen worden afgeleverd door certificatie-instellingen die hiervoor door belcert zijn geaccrediteerd. belcert accrediteert instellingen die producten, kwaliteitssystemen of personen certificeren en streeft een internationale erkenning na voor deze certificaten. Daartoe moeten de certificatie-instellingen voldoen aan een internationaal erkende kwaliteitsnorm. In 2004 worden bijkomende initiatieven rond emissiereductie van ozonafbrekende stoffen en gefluoreerde broeikasgassen gebundeld in een emissiereductieplan. Hoewel de tekst van het plan nog moet worden gefinaliseerd is in 2004 met de uitvoering van dit plan gestart. Zo werd begin 2004 een onderzoeksopdracht opgestart die moet leiden tot een grondige analyse van lekkage-oorzaken uit koelinstallaties. De resultaten van de studie moeten onder meer mogelijke emissiereducerende maatregelen bevatten die voldoende zijn onderbouwd zodat deze kunnen worden aangewend bij de ontwikkeling van verdere beleidsmaatregelen zoals b.v. een voorstel van verdere verscherping van de bestaande wetgeving inzake de uitbating van koelinstallaties. In 2004 werden koelinrichtingen verder gecontroleerd op de naleving van de milieuvoorschriften. Het aantal geïnspecteerde koelinrichtingen is constant gebleven als gevolg van de beperkt inzetbare middelen bij de milieu-inspectie. De onderzochte koelinstallaties die één of meerdere koelgaslekken vertonen blijven nagenoeg constant. Het gemiddelde van de ingeschatte relatieve lekverliezen der koelinstallaties blijft een veelvoud hoger dan het vlarem-objectief van 5% per jaar. Meer toezicht en controle moet worden overwogen ten einde te komen tot een betere naleving van de regelgeving. Een grotere impact van de inspectiecampagne mag enkel worden verwacht mits inzet van bijkomende middelen. In 2004 heeft er ook een uitgebreide inventarisatie-oefening plaats gevonden naar de nog in omloop zijnde hoeveelheden halonen. Halonen werden als blusmiddel aangewend in brandblusinstallaties maar sinds 1/1/2004 moeten in principe alle blusinstallaties halonvrij zijn. De effectieve stopzetting van het gebruik ervan wordt dan ook nagegaan (enkel in een zeer beperkt aantal kritische toepassingen kan het gebruik van halonen nog worden toegestaan).


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 33

themabeleid

33

deel 2

Opvolging mijlpalen en indicatoren Mijlpalen

Oorspronkelijke verwachting

Status

Huidige verwachting

Wettelijk kader erkenningsregeling koeltechnische bedrijven

2003 EINDE

vertraagd

2004 EINDE

Afvoerplan halonen

2004 BEGIN

gerealiseerd

Reductieplan ozonafbrekende stoffen en gefluoreerde

2004 BEGIN

vertraagd

2004 EINDE

Realisatie

Doelstelling

0 (2004)

100 (2007)

broeikasgassen

Indicatoren Aantal gecertificeerde personen t.o.v. totaal aantal bevoegde technici

Aanpak jaar 2005 Invoering van de erkenningsregeling voor koeltechnici

In de loop van 2005 wordt de goedkeuringsprocedure voor de regelgeving rond de certificering van koeltechnici nauwgezet verder opgevolgd. In 2005 zullen in overleg met de betrokken sectoren richtlijnen met betrekking tot onder meer de aflevering van de certificaten, de organisatie van de examens en het toezicht op de gecertificeerden worden opgesteld. In de loop van 2005 kan de effectieve implementatie van de certificering worden verwacht als de eerste kandidaat-certificatie-instellingen een aanvraag zullen indienen om te worden geaccrediteerd als certificatie-instelling. Monitoring van de stopzetting van het gebruik en de afvoer van halonen

In de loop van 2005 zal door de toezichthoudende overheden extra aandacht worden besteedt aan de naleving van het verbod op het gebruik en het bezit van halonen in brandblusapparatuur. Controle op het gebruik van ozonafbrekende stoffen

In 2005 worden koelinrichtingen verder gecontroleerd op het gebruik van verboden koelmiddel en emissiebeperking van koelgas wordt afgedwongen. Er wordt ook opgetreden tegen niet-naleving van verordening 2037/2000 in andere exploitaties dan koelinrichtingen. Toezicht wordt uitgeoefend op de ontmanteling van niet-kritische haloninstallaties en de reguliere afvoer van gerecupereerd halon. Reductieplan ozonafbrekende stoffen en gefluoreerde broeikasgassen

In 2005 wordt de uitvoering van dit plan verdergezet. Zo zullen de resultaten van de in 2004 uitgevoerde studie naar lekkage-oorzaken van koelmiddelen uit koelinstallaties moeten leiden tot concrete initiatieven om deze emissies verder te beperken. Ook zal overleg met de federale overheid over mogelijke emissiereducerende maatregelen voor de emissies van gefluoreerde broeikasgassen in mobiele airconditioning worden opgestart. Daarnaast worden subsidiemogelijkheden voor het gebruik van een milieuvriendelijk koelmiddel onderzocht en wordt er gezocht naar mogelijkheden om het gebruik van milieuvriendelijke alternatieven te stimuleren.


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 34

Milieujaarprogramma

34

2005

Begroting In 2005 wordt een klein gedeelte van de begrotingspost voor uitgaven m.b.t. nme, ntmb informatie en sensibilisering, voorzien voor de uitvoering van sensibiliserende activiteiten rond de invoering van de certiďŹ catie voor koeltechnici. Een gelijkaardig budget wordt voorzien voor de uitvoering van de inspectiecampagne.


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 35

themabeleid

35

deel 2

2. Verandering van het klimaat door het broeikaseffect Inleiding De aanwezigheid van broeikasgassen in de atmosfeer zorgt voor een natuurlijk broeikaseffect: een gemiddelde temperatuur van 15°C in plaats van -18°C maakt leven op aarde mogelijk. Gedurende de laatste 100 jaar hebben menselijke activiteiten de concentratie van broeikasgassen in de atmosfeer verhoogd. Het broeikaseffect wordt zo versterkt, met een verhoging van de gemiddelde aardtemperatuur en een globale klimaatverandering tot gevolg. De belangrijkste broeikasgassen zijn koolstofdioxide (CO2), methaan (CH4) en lachgas (N2O) met respectievelijk een aandeel van 83%, 8% en 9% in het Vlaamse emissietotaal. Met de ratificatie van het kaderverdrag inzake klimaatverandering van de Verenigde Naties (unfccc, 1992) verplichten de deelnemende partijen zich ertoe om hun broeikasgasemissies te stabiliseren op een niveau dat niet interfereert met het natuurlijk klimaatsysteem. Het bijhorende protocol van Kyoto zet voor de industrielanden concrete reductiedoelstellingen voorop voor de periode 2008-2012. België heeft zich volgens het Europese akkoord rond de lastenverdeling geëngageerd tot een emissiereductie van 7,5% ten opzichte van de uitstoot in 1990. Bij de opmaak van het nationaal Klimaatplan 2002-2012 heeft de Vlaamse regering zich in een eerste fase voorwaardelijk verbonden tot het stabiliseren van de broeikasgasemissies in 2005 op het niveau van de uitstoot in 1990. Het Vlaams Klimaatbeleidsplan 2002-2005 dat op 28 februari 2003 werd goedgekeurd door de Vlaamse Regering, zet de krijtlijnen uit van een geïntegreerd Vlaams klimaatbeleid. Drie belangrijke strategielijnen werden gedefinieerd: de strategische onderbouwing van het klimaatbeleid met de taskforce Klimaatbeleid als motor, het vastleggen van een sectorale aanpak en de inzet van flexibiliteitsmechanismen.

Opvolging van de plandoelstellingen ––

| Stabiliseren van de broeikasgasemissies in 2005 t.o.v. 1990 (beslissing van de Vlaamse regering van 21 april 2001)

In 2003 bedroeg de totale uitstoot van broeikasgassen in Vlaanderen 91.005 kton CO2 equivalent. Vergeleken met de uitstoot in 1990, 86.727 kton CO2 equivalent, betekent dit een toename van 5%. Voorzichtige prognoses stellen dat, zonder trendbreuk, deze stijging zich zal doorzetten in 2005. De projecten en maatregelen uit het Vlaams Klimaatbeleidsplan zijn momenteel niet voldoende om de stabilisatiekloof tegen 2005 te dichten. Er wordt dan ook voortdurend gezocht naar bijkomende emissiereducerende beleidsmaatregelen.

+

| Bereiken van 2% groene stroom in de leveringen van elektriciteit tegen 2004 en 6% tegen 2010, met een maximale invulling van het haalbaar potentieel aan hernieuwbare warmte (Elektriciteitsdecreet en Vlaams Klimaatbeleidsplan)

In 2003 bedroeg het aandeel groene stroom in de elektriciteitsleveringen 0,60%, wat gelijk staat met 292 GWh. Dit is een forse toename ten opzichte van 1998, toen groene stroom slechts 0,06% (27 GWh) uitmaakte van de elektriciteitsleveringen. Vanaf


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 36

Milieujaarprogramma

36

2005

1 januari 2002 is het systeem van groenestroomcertificaten met succes van start gegaan, waarvan er 291.568 werden uitgereikt in 2003. Dit systeem moet een extra motor vormen voor het realiseren van de doelstelling in 2004.

++

| Tegen 2012 het economisch potentieel aan kwalitatieve wkk realiseren (1832 MW) (Elektriciteitsdecreet en Vlaams Klimaatbeleidsplan)

Het totaal opgesteld wkk-vermogen bedroeg 858 MWe in 2003. Het uitgestippelde en berekende beleidspad werd tot nu toe gevolgd. Naar het voorbeeld van de groenestroomcertificaten wordt de oprichting van een systeem van wkk-certificaten voorbereid, waarbij voor elke 1000 KWh warmtekrachtbesparing gerealiseerd in een kwalitatieve wkk een certificaat wordt toegekend aan de producent. Dit systeem zal begin 2005 in werking treden.

Opvolging van de richtinggevende doelstellingen nvt

| Tegen 2004 het energieverbruik in de honderd meest energie-intensieve gebouwen van de Vlaamse overheid met gemiddeld 10% verminderen t.o.v. 1999-2000 (Resolutie van het Vlaams Parlement van23/05/01).

In 255 gebouwen werd een energieboekhouding opgestart, waarover in december 2003 werd gerapporteerd aan het Vlaams parlement. Voor 5 gebouwsites werden audits uitgevoerd. Een cijfermatig overzicht van mogelijks geleverde energiebesparingen is nog niet beschikbaar.

++

| Tegen 2005 een energiebesparing van 15% realiseren in de glastuinbouw t.o.v. 1990 (Vlaams Klimaatbeleidsplan)

Het klimaatactieplan voor de landbouw geeft aan dat de CO2-emissies ten gevolge van het energieverbruik in de glastuinbouw tussen 1990 en 2003 gedaald zijn van 1689 kton naar 1286 kton (-23,9%).

––

| Tegen 2010 de uitstoot van CO2 door verkeer t.o.v. het referentiejaar 1990 stabiliseren (ontwerp Mobiliteitsplan en Vlaams Klimaatbeleidsplan)

De CO2-emissies in de transportsector zijn in 2003 gestegen tot 14,41 Mton, wat een stijging van 24% betekent t.o.v. het jaar 1990.

––

| Beperken van de stijging van de CO2-emissies van de huishoudens over de periode 1990-2005 tot 8% (Vlaams Klimaatbeleidsplan)

In 2003 bedroeg de CO2-uitstoot van de huishoudelijke sector ten gevolge van brandstofgebruik 13.827 kton. In 1990 lag deze uitstoot op 11.765 kton, wat over de periode 1990-2003 resulteert in een stijging van 18%.

+/-

| Beperking van de stijging van de CO2-emissies in de tertiaire sector in 2005 met 5% t.o.v. de verwachte emissies (bau = Business As Usual).

De CO2-emissies voortkomend uit het brandstofgebruik in de tertiaire sector bedroegen 3921 kton in 2003, ongeveer gelijk aan bau.


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 37

themabeleid

37

deel 2

Projecten en maatregelen Toelichting en evaluatie tot 2004 Het Vlaams Klimaatbeleidsplan werd definitief goedgekeurd begin 2003. Inmiddels werd het tweede Voortgangsrapport vora04 definitief goedgekeurd op 11 juni 2004. Voor een gedetailleerde evaluatie van het Vlaams klimaatbeleid wordt verwezen naar dit Voortgangsrapport 2004. Het realiseren van de stabilisatiedoelstelling wordt volgens het voortgangsrapport 2004 niet gehaald. Met de bestaande maatregelen kan slechts 35% van de kloof gedicht worden. Vertraging op de implementatie van de geplande projecten, een gebrek aan nieuwe projecten met extra emissiereductiepotentieel en nieuwe inventarismethodieken verklaren ondermeer het magere resultaat. Een belangrijke randvoorwaarde voor de Vlaamse stabilisatiekloof is evenwel de uitvoering van federale emissiereducerende acties op het vlak van fiscaliteit, mobiliteit en productbeleid. De interne lastenverdeling van de Kyoto-doelstelling werd onder de Nationale Klimaatcommissie vastgelegd, waarbij Vlaanderen -5.2% heeft opgenomen als reductieinspanning. De werkgroepen onder de Taskforce zijn in 2004 veelvuldig samengekomen. De subwerkgroep richtlijn Emissiehandel van de werkgroep flexibiliteitsmechanismen zorgde voor de implementatie van de Europese richtlijn met de opmaak van een Vlaams toewijzingsplan als onderdeel van het nationaal allocatieplan, in overleg met de andere gewesten en de federale overheid. De subwerkgroep ‘ji/cdm’ maakte referentietermen op voor de opstart van zulke projectgebonden mechanismen met mogelijke financieringsmechanismen. De eerste oproep naar ji/cdm-projecten verscheen in september 2004. Beide werkgroepen bogen zich ook over een algemene visietekst inzake flexibiliteitsmechanismen, die in het Vlaams toewijzingsplan werd opgenomen. Specifiek voor het beleidsdomein leefmilieu werd in 2004 het volgende verwezenlijkt: In 2003 werd gestart met de opvolging van de opmerkingen naar aanleiding van een audit van de Vlaamse emissie-inventaris en een doorlichting van de nationale broeikasgasrapportering door een internationaal expertteam van de vn in 2003. Het besluit tot opname van reg-verplichtingen (energiebeheersing) in vlarem werd op 14 mei 2004 definitief goedgekeurd. De meetprocedures voor N2O en NH3-emissies bij mestverwerking werden opgesteld en bijkomend onderzoek naar mogelijkheden om de emissies van CH4, N2O en NH3 uit de bodem te beperken werd opgestart. De reglementering inzake onderhoud en nazicht van huishoudelijke stooktoestellen werd vastgelegd in een besluit van de Vlaamse Regering. De maatregelen uit het ontwerp mobiliteitsplan werden (voorzichtig) doorgerekend naar CO2-reductiepotentieel om de nood aan acties te onderstrepen. De mogelijkheden om bijkomende reducties te realiseren in de aardgasdistributiesector werden onderzocht maar blijken erg beperkt. Overleg met de salpeterzuursector inzake mogelijke reducties werd heropgestart. Meer interne reductiemogelijkheden voor de verschillende klimaatrelevante sectoren werden in het kader van het Vlaams toewijzingsplan verder onderzocht en voorgelegd aan de Vlaamse Regering. Ze zullen nader bestudeerd worden in het kader van de opmaak van het vkp 2006-2012 . Op 1 oktober 2004 nam de Vlaamse Regering een uitgebreide beslissing over het Vlaams toewijzingsplan inzake verhandelbare emissierechten en over de ambitieuze en volledige uitvoering van de interne klimaarprojecten uit het vkp 2002-2005. Tweemaal per jaar zal een korte stand van zaken van uitvoering van de projecten uit het vkp voorgelegd worden aan de vr. De vr besliste eveneens om op termijn een passend financieringsmechanisme op te richten voor de financiering van projectgebonden


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 38

Milieujaarprogramma

38

2005

mechanismen en bijkomende interne maatregelen. Op basis van de huidige prognoses zullen er tegen eind 2012 voor ongeveer 24 Mton CO2-eq emissiekredieten aangekocht worden. Het project ‘Klimaat’ streeft naar een actieve deelname van alle bevoegdheidsdomeinen in het klimaatbeleid. Het definieert evenwel twee belangrijke taken voor de bevoegdheid leefmilieu, namelijk het streven naar een maximale inzet van eigen instrumenten en maatregelen om de uitstoot van broeikasgassen te beperken én het blijvend en acties. De drie strategische pijlers van het Vlaamse klimaatbeleid vormen daarbij de leidraad. In 2004 was een belangrijke stap in dit proces de opmaak van een voortgangsrapport waarin het Vlaams klimaatbeleid anno 2004 werd geëvalueerd. De ongunstige evolutie van de broeikasgasemissies in het voortgangsrapport vraagt duidelijk om een ambitieuzere beleidsvisie en bijkomende maatregelen.

Opvolging mijlpalen en indicatoren Mijlpalen

Oorspronkelijke verwachting

Status

2005 EINDE

op schema

2004 BEGIN

gerealiseerd

2004 MIDDEN

gerealiseerd

Energie- en broeikasgasprognoses tot 2030

2004 EINDE

op schema

Opmaak Vlaams Inventarissysteem als onderdeel van het

2005 EINDE

op schema

2004 MIDDEN

op schema

Evaluatie benchmarkingconvenant

2005 BEGIN

nieuw

Opname aspect CO2-emissies in milieuvergunning

2004 EINDE

op schema

Opname energiebeheersing in VlAREM

2004 BEGIN

gerealiseerd

Opmaak reductieplan aardgasdistributiesector

2004 EINDE

op schema

Reductieplan salpeterzuurproductie

2004 EINDE

op schema

2004 MIDDEN

vertraagd

Evaluatie klimaatactieplan landbouw

2004 BEGIN

gerealiseerd

Nota stortgasvalorisatie

2004 BEGIN

vertraagd

2005 MIDDEN

op schema

2004 MIDDEN

gerealiseerd

Visietekst inzet flexibele mechanismen

2004 EINDE

op schema

Voorstel draaiboek inzet projectgebonden mechanismen

2004 BEGIN

gerealiseerd

Evaluatie Vlaams Klimaatbeleidsplan (VORA) en opzet

Huidige verwachting

tweede plan (VKP 2006 - 2012) Opmaak VORA04 tegen februari 2004 Opmaak Vlaams allocatieplan 2005-2007 voor de implementatie EU richtlijn verhandelbare emissierechten als onderdeel van het nationaal allocatieplan

Nationaal Inventarissysteem van broeikasgasemissies Eerste voorstel uitwerking sectorale doelstellingen

Plan voor efficiënt onderhoud van particuliere

2004 EINDE

stookinstallaties

Opname rapportering m.b.t. bebossing, ontbossing en herbebossing in Vlaamse emissieinventaris Omzetting in Vlaamse wetgeving van richtlijn van Verhandelbare Emissie Rechten en CDM/JI amendement hierop

2004 EINDE


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 39

themabeleid Indicatoren

39

Realisatie

Afname gietijzeren en asbestcementen leidingen t.o.v. 1990

0 (2004)

Aantal leefmilieuprojecten waarvoor planning gerespecteerd wordt

7 (2004)

Aantal JI/CDM-projecten volgens Vlaamse criteria

Doelstelling

-25 (2002)

Aantal leefmilieuprojecten waarvan de reductiedoelstelling bereikt is

Aantal uitgereikte groenestroomcertificaten (GSC) in kader van stortgasvalorisatie

deel 2

9 (2004)

15432 (2004) 0 (2004)

6 (2007)

Aanpak jaar 2005 Project: Klimaatbeleid

Het jaar 2005 is het laatste uitvoeringsjaar van het eerste Vlaams Klimaatbeleidsplan. Het voortgangsrapport 2005 zal dan ook bestaan uit een grondige evaluatie van dit plan en zal de basis vormen voor het tweede Vlaams Klimaatbeleidsplan 2006-2012. Dit plan wordt verwacht tegen oktober 2005 en zal specifieke aandacht geven aan het verder uitbouwen van een politiek en maatschappelijk draagvlak voor klimaatmaatregelen, aan identificatie van bijkomende interne maatregelen, bewustmaking en voor de voorbereiding van het post-Kyototijdperk. Inspanningen op het vlak van innovatie en ontwikkeling zullen eveneens de nodige aandacht krijgen. Naar het unfccc toe moet België tegen januari 2006 een rapport opstellen over de meetbare vooruitgang (‘demonstrable progress’) die het tot nog toe geboekt heeft met betrekking tot de reductie van broeikasgasemissies, evenals een 4e nationale mededeling. De Vlaamse bijdrage zal vanuit de Taskforce opgemaakt worden. Inventarisatie en prognoses van broeikasgasemissies optimaliseren

Het jaar 2005 is het laatste uitvoeringsjaar van het eerste Vlaams Klimaatbeleidsplan. Het Voortgangsrapport 2005 zal dan ook bestaan uit een grondige evaluatie van dit plan als basis voor vkp 2006-2012. De resultaten van de prognosestudie evenals de resultaten van het werk van de werkgroep ‘emissies en prognoses’ vormen een belangrijke bouwsteen van dit nieuwe plan. In 2005 zal het Vlaams inventarissyteem, in overeenstemming met de Europese regels, afgerond worden. Sectorale aanpak

Verschillende bevoegdheidsdomeinen worden bij het klimaatbeleid betrokken. Het bevoegdheidsdomein leefmilieu streeft ernaar om klimaat als één van de sturende principes op te nemen bij de beleidsbepaling. Het zoeken naar bijkomende reductiemogelijkheden en het beter in kaart brengen van de emissies wordt voor de verschillende sectoren voortgezet. Sectoren waarvoor nog geen grondige doorlichting naar reductiepotentieel werd doorgevoerd zullen in deze oefening, uit te voeren in het kader van de opmaak van het Vlaams klimaatbeleidsplan 2006-2012 en de opvolging van het toewijzingsplan opgenomen worden. Specifieke aandacht gaat voorts naar het integreren van projecten vanuit andere thema’s in het Vlaams klimaatbeleid. Acties en maatregelen uit de thema’s “Verdunning van de ozonlaag”, “Verzuring” en “Mobiliteit” kunnen immers ook een effect hebben op de uitstoot van broeikasgassen. Om juridische redenen besliste de Vlaamse Regering begin oktober principieel dat vanaf 1 januari 2005 de gratis distributie van groene stroom wordt stopgezet. Een onderzoek moet tegen juni 2005 evalueren welke juridische en praktische belemmeringen voor groenestroomproductie er (nog) zijn, aangevuld met beleidsvoorstellen om deze op termijn ongedaan te maken.


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 40

Milieujaarprogramma

40

2005

Uitwerken van beleidskader flexibele mechanismen

De Europese handel in emissierechten van broeikasgassen tussen bedrijven gaat van start op 1 januari 2005. Het boekhoudsysteem voor de emissierechten zal functioneel zijn opdat alle uitgaven en transacties van emissierechten bijgehouden kunnen worden. Tegelijkertijd zal moeten gestart worden met de opmaak van het toewijzingsplan voor de handelsperiode 2008-2012. De eerste pilootprojecten inzake cdm zullen opgestart worden, in opvolging van de responsen op de oproep die eind september 2004 gepubliceerd werd. De ervaring hiervan wordt vertaald in een duidelijke Vlaamse beleidsaanpak, afgestemd op de Europese richtlijn rond ji en cdm. Het respecteren van de milieu-integriteit van het Kyotoprotocol en de principes van duurzame ontwikkeling moeten daarbij de belangrijkste beleidscriteria vormen. Op 20 oktober 2004 hechtte de Europese Commissie haar goedkeuring aan het ingediende ontwerp van het Belgisch toewijzingsplan, waarvan het Vlaamse plan deel van uitmaakt. De definitieve goedkeuing van het Vlaams toewijzingsplan wordt voorzien voor begin 2005.

Begroting In 2005 wordt opnieuw ongeveer 80.000 euro voorzien voor de Vlaamse bijdrage aan het Permanent Secretariaat van de Nationale Klimaatcommissie. Dit is een engagement in het kader van het Samenwerkingsakkoord tussen de federale en regionale overheden met betrekking tot het klimaatbeleid. Er wordt een deel van de begrotingspost voor uitgaven m.b.t. nme, ntmb, informatie en sensibilisering voorzien voor de uitvoering van informerende en sensibiliserende activiteiten en voor de uitvoering van onderzoek naar het CO2-reductiepotentieel bij procesemissies in diverse industriële sectoren. Van de dotatie aan de vmm voor de uitbouw van meetnetten water en lucht, de werkingsdotatie van de vmm en de investeringsdotatie van de vmm wordt ook telkens een percentage besteed aan de luchtthema’s.


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 41

themabeleid

41

deel 2

3. Verontreiniging door fotochemische stoffen Inleiding Fotochemische luchtverontreiniging is de verontreiniging van de omgevingslucht met chemische stoffen die een oxiderende werking hebben. Deze stoffen ontstaan in aanwezigheid van stikstofoxiden (NOx) en vluchtige organische stoffen met uitzondering van methaan (nmvos), onder invloed van zonlicht op warme dagen. De belangrijkste nmvos-bronnen zijn industrie en verkeer & vervoer met bijdragen van 40% en 29% in de nmvos-emissies. Sommige nmvos hebben ook een direct effect (bv. toxisch of kankerverwekkend). Het auto-oil programma legt op Europees niveau grenswaarden op voor emissies van personenwagens en vrachtwagens en kwaliteitsnormen voor benzine en diesel. Onder invloed van Europese reglementering en bbt wordt het damprecuperatiesysteem voor benzinestations ingevoerd. Voor de industrie is de Europese solventrichtlijn van belang die in 2001 in vlarem wetgeving werd geïmplementeerd. De Solventrichtlijn legt voor verschillende industriële installaties emissiegrenswaarden op voor geleide en diffuse emissies en/of totale emissies. Daarnaast legt de nec-richtlijn nationale emissieplafonds op voor de emissies van NOx en nmvos. Sinds 2002 is ook de nieuwe eg-richtlijn betreffende ozon in de lucht in werking getreden. Deze richtlijn legt nieuwe immissiewaarden op voor ozon in de omgevingslucht en is afgestemd op de resultaten die moeten behaald worden op Europees vlak door toepassing van de bovenvermelde nec- en Solventrichtlijn en het auto-oil programma. Vlaanderen pakt de emissies aan op drie fronten, met name door emissiereductieprogramma’s voor de industrie, de beperking van huishoudelijke nmvos-emissies en maatregelen in verkeer en vervoer. Bijkomende prioriteiten zijn een verhoogde opvolging van het internationaal beleid, het verder uitbouwen van een emissie-inventaris en de integratie tussen mobiliteits- en milieubeleid. De plandoelstellingen in dit thema zijn gebaseerd op de eu-richtlijn Nationale Emissiemaxima (nec-richtlijn). Bij de verdeling van de internationaal opgelegde emissieplafonds voor België werden enkel de emissies van de stationaire bronnen opgesplitst; de emissies van verkeer werden als één cijfer voor heel België behouden gezien de federale overheid een belangrijke bevoegdheid heeft op dit vlak. Om toch een idee te krijgen van het aandeel van Vlaanderen in de transportemissies werden de cijfers voor de transportsector voor dit Vlaams programma verdeeld over de Gewesten op basis van de procentuele verdeling van de emissiecijfers. Bij de uitwerking van het Milieubeleidsplan 2003-2007 gebeurde dit op basis van de emissiecijfers uit 1995. Ondertussen is gebleken dat in 1995 de drie Gewesten niet dezelfde methodologie gebruikten om hun emissies te berekenen. Vanaf 1999 is dit wel het geval. Daarom worden er nieuwe cijfers voor de transportsector als doelstelling naar voor geschoven, nl. 42,67 kton NOx en 20,96 kton vos. Het betreft hier nog steeds indicatieve cijfers. Deze wijziging in de indicatieve doelstellingen voor transport hebben ook tot gevolg dat de totale Vlaamse emissiedoelstellingen (transport + huishoudens + industrie) wijzigen, nl. 100,97 kton NOx en 91,86 kton vos.


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 42

Milieujaarprogramma

42

2005

Opvolging van de plandoelstellingen ––

met een hoogste | Verminderen van het aantal dagen per kalenderjaar 3 8-uurgemiddelde van meer dan 120 µg/m tot maximaal 25 (gemiddeld over drie jaar)

Het aantal dagen, waarop het hoogste 8-uursgemiddelde van de dag de drempelwaarde van 120 µg/m3 overschrijdt is in 2002 naar 20 dagen gedaald. In 2003 werd deze drempel echter op 65 dagen ergens in Vlaanderen overschreden. Het hoog aantal overschrijdingen is te wijten aan de uitzonderlijk hoge temperaturen die Vlaanderen kenmerkte tijdens de eerste helft van augustus 2003. Het glijdend 3-jaargemiddelde steeg in 2003 naar 40 dagen overschrijding per kalenderjaar. In de nieuwe Ozonrichtlijn 2002/3/eg is de kortetermijndoelstelling hiervoor 25 dagen tegen 2010 en is de langetermijndoelstelling gelijk aan nul, wat snel duidelijk maakt dat een trendbreuk nodig, maar niet evident is. De langetermijnmaatregelen die Vlaanderen in het kader van nec-richtlijn moet implementeren, zijn de belangrijkste wegom het ozonprobleem duurzaam op te lossen.

+

| De totale NOx-emissie verminderen tot maximum 100,97 kton (er wordt gestreefd naar een verdere reductie tot 87,2 kton)

De emissie van NOx daalde geleidelijk sinds 1990, met in 2003 een emissie van 176,5 kton. Weliswaar blijft de te reduceren hoeveelheid NOx nog aanzienlijk en blijven verdere inspanningen nodig.

++

| De totale vos-emissie verminderen tot maximum 91,86 kton (er wordt gestreefd naar een verdere reductie tot 75,35 kton)

De nmvos-emissies voor Vlaanderen lagen 44% lager in 2003 dan in 1990 maar bedroegen toch nog 123,1 kton. De invoering van een emissiemaximum voor Vlaanderen van 91,86 kton nmvos tegen 2010 (in het kader van de Europese richtlijn Nationale Emissiemaxima) en de invoering van de Solventrichtlijn in Vlaanderen (2001) zullen tot verdere reducties leiden, voornamelijk door inspanningen van de industrie. Een emissiereductieprogramma voor de diverse industriële deelsectoren is in opmaak en zal mee de plandoelstelling helpen realiseren.

++

| Vermijden van3 plaatselijke overschrijding van de aot40ppb-vegetatie-waarde van 18.000 (µg/m uren) (gemiddeld over vijf jaar)

Gemiddeld blijft aot40ppb - vegetatie sinds 1991 onder de plandoelstelling, maar ze ligt nog ver boven de langetermijndoelstelling van 6000 (µg/m3).uren. In 2003 bedraagt de aot40ppb 15.017 µg/m3. Het glijdend 5-jaargemiddelde van de seizoensoverlast voor gewassen en semi-natuurlijke vegetatie vertoont een duurzame daling sinds 1994 en heeft in 2003 een waarde van 11.121 µg/m3. De eerste evaluatie van de ozonconcentraties volgens de nieuwe richtlijn is verplicht voor 2005 maar zal reeds in 2004 worden uitgevoerd en, indien nodig, acties omvatten om de doelstellingen voor de bescherming van vegetatie te halen.


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 43

themabeleid

43

deel 2

Opvolging van de richtinggevende doelstellingen +/-

| De emissies van de huishoudens verminderen tot maximaal 12 kton NOx en 10,5 kton vos

Zowel de vos-emissie door het gebruik van verf als door het gebruik van andere solventhoudende producten blijft over de periode 1990-2003 zo goed als stabiel. De ‘overige huishoudelijke producten’ worden (door gebrek aan betere gegevens) ingeschat met één emissiefactor voor alle jaren, met name ca. 1,76 kg vos/inwoner/jaar. Hierdoor is er natuurlijk geen emissiereductie te bespeuren in de emissiecijfers. Voor het ‘huishoudelijk’ gebruik van verf is er geen noemenswaardige reductie gerealiseerd in de laatste 10 jaar. Dit zal wel het geval zijn in de periode 2004 - 2010 door toedoen van een nieuwe productrichtlijn, die in 2004 gepubliceerd werd en in 2007 effectief van kracht zal worden. De NOx-emissies van deze sector zijn tussen 1990 en 2003 gestegen van 11,1 kton tot 14,5 kton, ten gevolge van het stijgend energieverbruik. In 2004 werd een k.b. gepubliceerd ter beperking van (onder meer) de NOx-emissies door branders met een vermogen van minder dan 400 kW. Gezien de vervanging van de bestaande branders een geleidelijk proces is, zal dit k.b. resulteren in een geleidelijke daling van de NOxemissies door deze sector.

+

| De emissies van de industrie verminderen tot maximaal 46,3 kton NOx en 60,4 kton vos

De procesemissies voor vos zijn wel aanzienlijk gedaald, van 91 kton in het jaar 1990 tot 55 kton in het jaar 2003. Dit is m.a.w. een reductie van ca. 40%, ondanks een stijgende productie. Deze reducties zijn gerealiseerd door verbeterde technologieën en emissiereductiemaatregelen.

–

| De emissies van het verkeer verminderen tot maximaal 42,67 kton NOx en 20,96 kton vos

Dankzij de steeds strengere normen van voertuigen dalen de emissies. De vos-emissies naderen de doelstelling voor 2010 (25,4 kton in 2003). De NOx-emissies daalden ook maar liggen nog ver boven de te bereiken doelstelling. De verdieselijking die zich verder zet, bemoeilijkt het behalen van de doelstelling nog meer. Bovendien bleek dat de werkelijke emissies van vrachtwagens hoger lagen dan de geraamde emissies. Hierdoor werden de emissieberekeningen bijgesteld, wat tot hogere NOx-emissies leidde (95,3 kton in 2003), waardoor de doelstelling nog verder buiten bereik lijkt te liggen.

Projecten en maatregelen Toelichting en evaluatie tot 2004 Voor de industriële sectoren zullen, door de introductie van de Solventrichtlijn en de verplichting tot damprecuperatie in benzinetankstations in 2001, de komende jaren belangrijke emissiereducties gerealiseerd worden. In het kader van het project ‘Emissiereductiebeleid lucht’ (zie thema ‘Verzuring’) werden maatregelenpaketten samengesteld op basis van de bbt-studies (bbt: best beschikbare technieken) waardoor de bbt via vlarem uiterlijk in 2010 verplicht worden. Voor een hele reeks sectoren is/was er echter onvoldoende informatie voorhanden en worden/werden sectorstudies uitgevoerd. De studies voor de sectoren metaalontvetting, grafische, raffinaderijen en chemie werden eind 2002 afgerond. Tevens werd begin 2003 een studie over de aanpak


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 44

Milieujaarprogramma

44

2005

van fugitieve procesemissies in chemie en petrochemie afgerond, die leidt tot de verplichting van het uitvoeren van een meet- en beheersprogramma. Voor de reductie van de emissie van het huishoudelijk gebruik van oplosmiddelhoudende producten is de totstandkoming van een Europese ontwerp kaderproductrichtlijn een belangrijke stap. Voor de productengroepen decoratieve verven en carrossierverven zullen in 2007-2010 maximumgehalten voor vos worden opgelegd. De Lijn rust haar bussen gaandeweg uit met crt-roetfilters. Om ook de NOx-emissies aan te pakken, werden begin 2004 emissiemetingen uitgevoerd op een bus uitgerust met gecombineerde NOx/pm-nabehandelingssysteem. Midden 2004 kwam de uitwerking van een ecoscore voor alle voertuigen – waarmee op basis van de emissies en het brandstofverbruik bepaald wordt hoe milieuvriendelijk een voertuig is – in een belangrijke fase. De methodologie voor personenwagens werd voorgelegd aan de stakeholders samen met een aantal maatregelen om het gebruik van milieuvriendelijke voertuigen te bevorderen. Bij de gemeenten worden steeds meer acties uitgewerkt om hun wagenpark milieuvriendelijk uit te bouwen en de bevolking te sensibiliseren dankzij de cluster mobiliteit binnen de Samenwerkingsovereenkomst. Ook de rob-campagne wordt zowel door de gemeenten als door Vlaamse overheid verder gezet om de bevolking aan te zetten milieuvriendelijk te rijden. Daarnaast werd de federale overheid er toe aangezet de principes milieuvriendelijk en energiezuinig rijgedrag op te nemen in de rijopleidingen. Tot slot werd midden 2004 een studie afgerond waarmee de knelpunten als gevolg van het verkeer voor het behalen van de internationale luchtkwaliteitsdoelstellingen voor NO2 en fijn stof in kaart werden gebracht en oplossingen werden aangereikt. In 2003 werd de methodologie voor de emissie-inventaris nmvos verder aangepast en geactualiseerd (1990-2002) aan de hand van de resultaten van de verschillende sectorstudies. Verdere stappen werden ondernomen in 2004 naar de informatieleveranciers toe om de inputgegevens te verfijnen en uit te breiden. Half 2004 werd de voorbereidende studie ter ontwikkeling van de emissiemodules spoor en scheepvaart afgerond. In 2003 werd ook het ozonvoorspellingsmodel smogstop uitgebreid met een kortetermijnmodule die in de loop van de dag zelf preciezere voorspellingen van kansen op normoverschrijdingen in België oplevert. Eind 2003 werd het ozonbeleidsmodel (beleuros), waarmee scenario’s kunnen worden doorgerekend, operationeel gemaakt en begin 2004 werd een modelvalidatie uitgevoerd. Tot slot werden de nodige ozonmeetstrategie-aanpassingen doorgevoerd. Ook de nieuwe rapporteringsvereisten werden in 2003 en 2004 intergewestelijk op ircel-niveau geïmplementeerd.

Opvolging mijlpalen en indicatoren Mijlpalen

Oorspronkelijke verwachting

Status

2004 EINDE

vertraagd

2005 MIDDEN

op schema

Maatregelenpakket chemische industrie (VOS)

2004 EINDE

op schema

Maatregelenpakketten raffinaderijen, grafische sector,

2003 EINDE

vertraagd

2004 EINDE

Maatregelenpakketten verfindustrie, auto-mobiel, diverse

2004 MIDDEN

vertraagd

2004 EINDE

Omzetting productrichtlijn decoratieve en carrossierverven

2004 MIDDEN

op schema

Methodologie intersectorale afweging Berekeningen emissieplafonds 2015-2020 uitgevoerd

Huidige verwachting

op- en overslag (VLAREM-wijziging) (VOS)

in nationale wetgeving


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 45

themabeleid Mijlpalen (vervolg)

45

deel 2

Oorspronkelijke verwachting

Status

Huidige verwachting

Methodologie ecoscore voertuigen uitgewerkt

2004 BEGIN

gerealiseerd

2004 MIDDEN

Rekenblad voor vloothouders, inclusief aanbevelingen

2005 EINDE

op schema

2004 MIDDEN

vertraagd

2004 EINDE

Actieprogramma milieuvriendelijk rijgedrag klaar

2003 EINDE

gerealiseerd

2004 BEGIN

Definitieve versie emissiemodule gekoppeld aan

2005 EINDE

op schema

2004 BEGIN

vertraagd

2004 EINDE

Ontwikkeling emissiemodule spoor en binnenvaart

2004 EINDE

vertraagd

2005 EINDE

Convenant mobiliteit en milieu met bedrijven uitgewerkt

2004 EINDE

op schema

Beleidsmodel BELEUROS operationeel

2003 EINDE

gerealiseerd

Meet- en beheersprogramma fugitieve emissies in VLAREM

2003 EINDE

vertraagd

Verruiming ozonvoorspellingstool naar andere polluenten

2004 EINDE

op schema

aankoop voertuig, hernieuwd Uitbouw draagvlak voor maatregelen milieuvriendelijke voertuigen

verkeersmodel TRIPS Evaluatienota inzake knelpunten en maatregelen verkeer voor bereiken internationale luchtkwaliteitsdoelstellingen

Indicatoren

2004 EINDE

Realisatie

Doelstelling

Aantal industriĂŤle sectoren in kaart gebracht (VOS)

11 (2004)

11 (2004)

Aantal gemeenten die deelnemen aan de ROB-campagne

126 (2004)

130 (2005)

Aantal bussen uitgerust met CRT-roetfilter

328 (2004)

765 (2005)

Aantal gemeenten ingetekend op cluster mobiliteit (totaal)

187 (2004)

205 (2005)

Aanpak jaar 2005 Verhoogde opvolging van het internationaal beleid

In de nec-richtlijn wordt voor elke Europese lidstaat, en dus impliciet ook voor Vlaanderen, een vos-emissieplafond opgelegd. De Europese Comissie zal in 2006 nieuwe emissieplafonds voorstellen voor de periode na 2010. Ter voorbereiding van dit commissievoorstel zal het Oostenrijkse instituut iiasa, in opdracht van de commissie, met behulp van het rains model trachten te bepalen welke reducties nodig zijn in de verschillende lidstaten om bepaalde milieudoelstellingen te kunnen realiseren. Om rekening te houden met technische en economische randvoorwaarden wordt gebruikt gemaakt van een technisch-economische databank op lidstaatniveau. Vlaanderen zal midden 2005, in onderling overleg met de andere gewesten, door bilateraal overleg met iiasa trachten tot een zo betrouwbaar mogelijke dataset te komen, zodat voor BelgiĂŤ realistische emissieplafonds kunnen berekend worden. Productbeleid sturen

Daar de totale vos-emissie in Vlaanderen wordt gekenmerkt door de vele kleine bronnen die samen het te grote totaal vormen, is het cruciaal dat in alle sectoren de nodige maatregelen worden getroffen. In de huishoudelijke sector is nog een belangrijk reductiepotentieel aanwezig en is een federale of Europese productnormering het aangewe-


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 46

Milieujaarprogramma

46

2005

zen instrument. Voor het gebruik van verf is in 2004 een Europese productrichtlijn verschenen. Maar ook voor andere oplosmiddelhoudende huishoudelijke producten zal de mogelijke inzet van een productnormering onderzocht worden. Dit gebeurt in nauw overleg met de doelgroepen, de gewestelijke en de federale overheid. Europees beleid opvolgen

De Europese Unie legt doelstellingen vast voor de luchtkwaliteit en vaardigt richtlijnen uit waarmee emissieplafonds aan de verschillende lidstaten worden opgelegd. Europa heeft ook wetgeving voor sectoren ontwikkeld. Het belangrijkste instrument om de emissies van de transportsector terug te dringen, zijn b.v. de normen voor voertuigen en brandstofkwaliteit. Aangezien het Vlaamse emissiereductiebeleid in sterke mate door Europese ontwikkelingen bepaald wordt, is het van groot belang die van nabij op te volgen en actief te participeren in de Europese beleidsvorming. In 2005 komt dit proces in een cruciale fase. Midden 2005 wordt de thematische strategie inzake luchtverontreiniging verwacht, waarin voorstellen zullen geformuleerd worden voor nieuwe voertuignormen. In 2005 gaat er eveneens veel aandacht naar de uitwerking van nieuwe plafonds voor 2015 en 2020. Op Belgisch niveau worden de besprekingen tussen de verschillende gewesten over Europese maatregelen m.b.t. milieuvriendelijke voertuigen verder gezet. Dit, in 2004 opgestart, overleg heeft er voor gezorgd dat België duidelijke standpunten wist te formuleren over de maatregelen die op Europees vlak nodig zijn om luchtverontreinigende emissies, de uitstoot van broeikasgassen en geluidsemissies van voertuigen te verbeteren. Gebruik van milieuvriendelijke voertuigen en brandstoffen stimuleren

Begin 2005 wordt de ontwikkeling van een ecoscore en bijhorende maatregelen om het gebruik van milieuvriendelijke voertuigen te bevorderen, afgerond. Op basis hiervan zal het overleg met andere beleidsdomeinen, de andere gewesten en de federale overheid starten. Op basis van het ecoscore-project, worden in 2005 gidsen verspreid met informatie over milieuvriendelijke voertuigen. Het programma Milieutoetsing Voertuigenpark wordt aangepast en moet vloothouders toelaten hun vloot te evalueren en door vervanging van voertuigen een milieuvriendelijke vloot uit te bouwen. Ondertussen wordt ook werk gemaakt van de integratie van milieuvriendelijke voertuigen in de interne milieuzorg van de Vlaamse overheid. Ook maatregelen ter vergroening van de private vloten worden voorgesteld. Emissieniveaus voertuigen huidige & nieuwe technologie opvolgen

In 2005 wordt het scrt project bij De Lijn verder gezet. Een tweede systeem van een gecombineerde NOx/pm-nabehandeling wordt getest op zijn effectiviteit. Daarnaast worden ook metingen uitgevoerd op het eerste systeem dat in 2004 werd uitgetest. Hierbij wordt nagegaan of er geen veroudering optreedt en het gecombineerde systeem even goed blijft werken en er worden ook voor de eerste maal geurmetingen uitgevoerd. Een milieuvriendelijk rijgedrag bewerkstelligen

In 2005 gaat er aandacht naar het vrachtverkeer. Concrete maatregelen zijn de aanbevelingen voor de aanpassing van de rijopleiding, bijkomende (na)scholingscursussen (o.a. via de ontwikkeling van internetapplicaties, de inzet van rijsimulatoren,...), sensibiliseringscampagnes, campagnes waarbij het verbruik wordt opgevolgd, enz. Om automobilisten aan te zetten energiezuinig te rijden, wordt de rob-campagne ook in 2005 verder gezet. Daarnaast maakt energiezuinig rijden deel uit van het project ‘Interne milieuzorg’ binnen de Vlaamse overheid.


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 47

themabeleid

47

deel 2

Integratie van het milieubeleid en het mobiliteitsbeleid bevorderen

Mobiliteitsmaatregelen, alsook indicatoren en modellen, worden in overleg met het mobiliteitsbeleid uitgewerkt. In 2005 worden in samenspraak scenario’s uitgewerkt voor mira-s, worden de haalbare emissieplafonds voor de transportsector in kaart gebracht, worden de emissiemodellen voor wegverkeer geoptimaliseerd en wordt een model ontwikkeld om de emissies van luchtverontreinigende stoffen door spoorverkeer en scheepvaart te berekenen. Daarnaast zullen de aanbevelingen uit de studie waarmee de knelpunten als gevolg van het verkeer voor het behalen van de internationale luchtkwaliteitsdoelstellingen voor NO2 en fijn stof in kaart werden gebracht, in beleidsacties worden omgezet. Beoordeling, bewaking en rapportering ozon optimaliseren

De eerste evaluatie van de ozonconcentraties volgens de nieuwe richtlijn zal worden uitgevoerd. Deze beoordeling zal, indien nodig, acties omvatten om de doelstellingen voor de bescherming van de gezondheid en de vegetatie te halen. Emissie-inventaris uitbouwen

In 2005 zal de mogelijkheid verder onderzocht worden tot het uitbouwen van de nodige modulaties (b.v. tijdsdimensie, geografische spreiding) en aanverwante elementen (bv. omgevingstemperatuur) die de fotochemische verspreidingsmodellen vereisen. In 2005 zal de informatieverzameling m.b.t. bronnen van nmvos-emissies verder worden uitgebreid en geoptimaliseerd i.s.m. de betrokken sectoren b.v. solventcoating en latexeren. Daarnaast zal een emissiemodel voor spoor en scheepvaart worden ontwikkeld zodat de emissies van luchtverontreinigende stoffen en broeikasgassen vrij gedetailleerd in kaart kunnen gebracht worden. Instrumenten ozonbeleid uitbouwen op diverse schalen

In 2005 wordt de Beleuros-gridverfijningsmodule verfijnd. Beleuros is een model waarmee de ozonconcentraties in België kunnen voorspeld worden. In 2005 zal er ook een studie worden uitgevoerd naar het effect van de menglaaghoogte op de eindresultaten van de voorspellingen. De menglaaghoogte is afhankelijk van de weersomstandigheden en bepaalt of de schadelijke stoffen laag bij de grond blijven hangen of gemakkelijk worden afgevoerd. Indicatoren schade menselijke gezondheid en vegetatie verfijnen

Naast de gezondheidsimpactindicator die reeds enkele jaren gebruikt wordt (vermindering fev1, zie mira-t’s) wordt nu getracht een mortaliteits en/of morbiditeitsimpact van de ozonoverlast op de volksgezondheid te bepalen. Beter technisch-wetenschappelijk inzicht fotochemische verontreiniging

In 2005 wordt er een trendanalyse uitgevoerd van een aantal ozonindicatoren. Hiermee kunnen de lange termijn effecten beschreven worden in de algemene populatie. Een aantal maatregelen van het thema “Fotochemische verontreiniging” en het thema “Verzuring” werd samengebracht in één project “Emissiereductiebeleid lucht”. De aanpak voor het jaar 2005 voor dat project wordt beschreven bij het thema “Verzuring”.


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 48

Milieujaarprogramma

48

2005

Begroting In 2005 zal globaal het aandeel voor dit thema wat verminderen ten voordele van andere luchtthema’s waarvoor in 2004 geen budgetten beschikbaar waren. Er zal ook minder aandacht gaan naar verkeersmodellen en meer naar industrie. Daarnaast was er in 2004 budget voor de actualisatie van smogstop en Beleuros. Dit dient ook de volgende jaren voorzien te worden. Een deel van de begrotingspost voor uitgaven m.b.t. nme, ntmb, informatie en sensibilisering wordt benut voor de uitvoering van onderzoek naar de impact van emissiereducties op de concurrentiekracht, onderzoek naar prognoses en scenario’s en onderzoek naar een opleidingsprogramma voor lokale milieu-overheden rond milieu en mobiliteit. Van de dotatie aan de vmm voor de uitbouw van meetnetten water en lucht, de werkingsdotatie van de vmm en de investeringsdotatie van de vmm wordt ook telkens een percentage besteed aan de luchtthema’s.


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 49

themabeleid

49

deel 2

4. Verzuring Inleiding Verzuring staat voor de gezamenlijke effecten van zwavel- en stikstofhoudende verbindingen die via de atmosfeer worden aangevoerd en waaruit zuren (zwavelzuur en salpeterzuur) gevormd kunnen worden. Hoofdoorzaak ervan is de verontreiniging van de lucht door emissies van zwaveldioxide (SO2 – vnl. van dieselverkeer en industrie), stikstofoxiden (NOX – vnl. van verkeer en verbrandingsprocessen) en ammoniak (NH3 – vnl. van landbouw). Tegen 2010 wil de eu de door kwetsbare ecosystemen bedekte oppervlakte, waar de kritische belasting voor verzuring in 1990 werd overschreden, halveren. De ozonoverlast voor de volksgezondheid moet met twee derden worden verminderd en de ozonoverlast voor vegetatie met een derde. Met het rains-model (Regional Air Pollution Information and Simulation model) dat beheerd wordt door het Oostenrijkse onderzoeksinstituut iiasa werd berekend welke reducties in elke lidstaat nodig zijn voor het bereiken van deze milieudoelstellingen. Dit heeft geleid tot de nec-richtlijn (2001/81/eg) waarin voor NH3, NOx, SO2 en vos voor alle lidstaten emissieplafonds worden opgelegd. Een andere richtlijn legt emissiegrenswaarden en meetstrategieën op voor stookinstallaties met een vermogen van minstens 50 MW. Op nationaal niveau werden in 2004 naar aanleiding van deze twee Europese richtlijnen de emissiegrenswaarden voor raffinaderijen, stookinstallaties en stationaire motoren verscherpt. Met de elektriciteitssector werd een milieubeleidsovereenkomst afgesloten waarin de sector zich engageert tot het verder reduceren van zijn SO2- en NOx-emissies. In uitvoering van de Europese richtlijn Nationale Emissieplafonds, richt het beleid zich voornamelijk op het verder reduceren van de NH3-, NOX- en SO2-emissies. Andere prioriteiten zijn de ontwikkeling en operationalisering van een depositiemeetnet en het uitvoeren van de regeling rond emissiearme stallen. De plandoelstellingen in dit thema zijn gebaseerd op de eu-richtlijn Nationale Emissiemaxima (nec-richtlijn). Bij de verdeling van de internationaal opgelegde emissieplafonds voor België werden enkel de emissies van de stationaire bronnen opgesplitst; de emissies van verkeer werden als één cijfer voor heel België behouden gezien de federale overheid een belangrijke bevoegdheid heeft op dit vlak. Om toch een idee te krijgen van het aandeel van Vlaanderen in de transportemissies werden de cijfers voor de transportsector voor dit Vlaams programma verdeeld over de Gewesten op basis van de procentuele verdeling van de emissiecijfers. Bij de uitwerking van het Milieubeleidsplan 2003-2007 gebeurde dit op basis van de emissiecijfers uit 1995. Ondertussen is gebleken dat in 1995 de drie Gewesten niet dezelfde methodologie gebruikten om hun emissies te berekenen. Vanaf 1999 is dit wel het geval. Daarom worden er nieuwe cijfers voor de transportsector als doelstelling naar voor geschoven, nl. 42,67 kton NOx en 1,25 kton SO2. Het betreft hier nog steeds indicatieve cijfers. Deze wijziging in de indicatieve doelstellingen voor transport hebben ook tot gevolg dat de totale Vlaamse emissiedoelstellingen (transport + huishoudens + industrie) wijzigen, nl. 100,97 kton NOx en 67,05 kton SO2.


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 50

Milieujaarprogramma

50

2005

Opvolging van de plandoelstellingen +

| De totale NH3-emissie verminderen tot maximum 45 kton (er wordt gestreefd naar een verdere reductie tot 40,7 kton)

De NH3-emissie wordt voor meer dan 95% veroorzaakt door landbouwactiviteiten en daalde van 83,3 kton in 1990 tot 54,0 kton in 2003. Tussen 1999 en 2003 nam de NH3emissie met ca. 19 kton af. Dit is het gevolg van het in voege treden van een vernieuwde onderwerkingsplicht inzake mest, waardoor de theoretisch berekende emissie afneemt. Er worden nog maatregelen voorzien (o.m. m.b.t. voeder- en staltechnieken) die momenteel worden uitgewerkt.

+

| De totale NOx-emissie verminderen tot maximum 100,97 kton (er wordt gestreefd naar een verdere reductie tot 87,2 kton)

De emissies van NOx daalden geleidelijk sinds 1990, met in 2003 een emissie van 176,5 kton (waarvan 54% door het verkeer). Weliswaar blijft de te reduceren hoeveelheid NOx nog aanzienlijk en blijven verdere inspanningen nodig. In het kader van de nec-richtlijn werd een emissiereductieplan opgesteld waarin voor de betrokken sectoren maatregelen werden uitgewerkt.

++

| De totale SO2-emissie verminderen tot maximum 67,05 kton (er wordt gestreefd naar een verdere reductie tot 60 kton)

De SO2-emissie is tussen 1990 en 2003 gedaald van resp. 252,5 kton per jaar tot 101,3 kton per jaar (waarvan 31% door de industrie). Deze daling situeert zich zowel bij de industrie als bij het wegverkeer en de residentiële sector. Ook hier blijven aanzienlijke inspanningen nodig om de doelstellingen te halen. Ook hiervoor werd een reductieplan uitgewerkt.

Projecten en maatregelen Toelichting en evaluatie tot 2004 De aanpak van de NOx-emissies afkomstig van het verkeer komen in het thema ‘Verontreiniging door fotochemische stoffen’ aan bod. Het beleid rond NH3 komt zowel hier als in het thema ‘Vermesting’ ter sprake. Voor de voornaamste industriële sectoren werd het reductiepotentieel voor emissies naar de lucht in kaart gebracht. In het kader van de nec-richtlijn (2001/81/eg) werd een emissiereductieprogramma tot 2010 voor o.m. SO2, NOx en NH3 uitgewerkt en goedgekeurd door de Vlaamse regering. De vlarem-voorwaarden voor stookinstallaties, stationaire motoren en de raffinaderijsector werden aangepast. Tussen de elektriciteitssector en de Vlaamse overheid werd een milieubeleidsovereenkomst afgesloten lopend van begin 2004 tot eind 2008 en verlengbaar tot eind 2013. Op federaal niveau werd een kb gepubliceerd inzake productnormering voor lage NOx-branders in residentiële toepassingen. Een eerste luik van de studie omtrent de toepasbaarheid van economische instrumenten in het reductiebeleid werd afgerond. Een studie voor het opstellen en uitwerken van een methodologie voor een intersectorale afweging van de haalbaarheid en kostenefficiëntie van mogelijke maatregelen werd opgestart. Er werd een depositiemeetnet opgestart op 10 meetplaatsen (waarvan de fractie natte depositie sinds 2001 wordt gemeten). Aanvullend werd het ops-model dusdanig aangepast dat er berekeningen kunnen uitgevoerd worden voor heel Vlaanderen. Op basis van de meetresultaten uit het meetnet zal het ops model gevalideerd worden. Om gebiedsgerichte uitspraken te doen zijn evenwel nog bijkomende aanpassingen aan het model noodzakelijk.


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 51

themabeleid

51

deel 2

Om de NH3-emissies in de landbouw te beperken, werden de toegelaten aanwendingstechnieken beperkt tot mestinjectie, onderwerking binnen de twee uur en sleepslangtechniek. Er werd een wijziging van vlarem ii goedgekeurd waarin bepaald wordt dat elke nieuw te bouwen varkens- en pluimveestal emissiearm dient uitgevoerd te worden. Ter ondersteuning van een gebiedsgericht beleid werden signaalkaarten voor verzuring voor het ven en de groengebieden opgesteld. Pilootprojecten werden opgestart om gebiedsgerichte milieukwaliteitsnormen te bepalen. Eind 2003 werd de brochure ‘Adem diep in’ uitgegeven en verspreid via o.m. infozuilen en krantenwinkels. Hierin worden tips gegevens over hoe elkeen zijn steentje kan bijdragen aan de bestrijding en terugdringing van milieuproblemen als zure regen, te hoge ozonconcentraties en het broeikaseffect. De tips worden onderverdeeld in tips over mobiliteit, tips voor thuis en in de tuin en tips om milieuvriendelijk om te gaan met energie.

Opvolging mijlpalen en indicatoren Mijlpalen

Oorspronkelijke verwachting

Status

Beoordelingsrichtlijn emissiearme stallen opgesteld

2004 BEGIN

gerealiseerd

Certificeringsprocedure mestverwerkingsinstallaties

2003 BEGIN

op schema

2005 MIDDEN

op schema

2004 BEGIN

vertraagd

2003 EINDE

gerealiseerd

Richtlijn Grote Stookinstallaties omgezet

2004 BEGIN

gerealiseerd

Keuze van een economisch instrument – uitwerken van

2004 EINDE

op schema

Maatregelenpakket voor de chemische sector

Huidige verwachting

2004 EINDE

(verzurende emissies) Maatregelenpakket voor de ijzer- en staalsector

2005 BEGIN

en de non-ferro sector Maatregelenpakket voor de keramische sector, industriële stookinstallaties en emissiearme stallen

een stappenplan

Indicatoren

Realisatie

Doelstelling

Aantal industriële sectoren in kaart gebracht (verzuring)

8 (2004)

8 (2007)

Aantal beleidsovereenkomsten met industrie

2 (2004)

2 (2004)

Aanpak jaar 2005 Project: Emissiereductiebeleid lucht

De methodologie voor een intersectorale afweging van reductiemaatregelen die wordt uitgewerkt zal in 2005 worden gebruikt om, samen met de resultaten van de verschillende sectorstudies, te komen tot een sectorale verdeling van de emissieplafonds uit de nec-richtlijn. Op basis hiervan zullen verder maatregelen worden uitgewerkt voor het terugdringen van de emissies van vos, NOx, SO2 en NH3. Bestaande instrumenten zoals de vlarem-wetgeving, individuele milieuvergunningen, milieueffectenrapporten en inspectiecampagnes worden daarbij gericht ingezet.


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 52

Milieujaarprogramma

52

2005

In het nec-reductieprogramma dat op 12 december 2003 door de vlaamse Regering werd goedgekeurd, worden voor de sectoren met relevante vos emissies de mogelijke nog in te voeren emissiereducerende maatregelen in kaart gebracht.

• • • •

Er zal aansluitend op het voorbereidend werk van voorgaande jaren (o.a. sectorstudies, overleg met sectoren) verder gewerkt worden aan de concrete uitwerking van deze maatregelen. Volgende sectoren komen hierbij zeker aan bod: chemische en petrochemische sector: in hoofdzaak beperking van niet-geleide-emissies de op- en overslag van vloeibare, vluchtige producten de grafische sector het aanbrengen van bedekkingsmiddelen Uit het overleg met de betrokken sectoren zal moeten blijken welk de aangewezen instrumenten (vlarem, milieuvergunning of mbo) zijn die hiervoor gebruikt zullen worden. Voor de sectoren waarvoor in 2004 nog geen maatregelen werden uitgewerkt of ingevoerd voor verzurende emissies, worden de besprekingen die in 2004 werden opgestart verder gezet (glasproductie, ijzer- en staalproductie, non-ferro), voor andere sectoren worden de besprekingen opgestart in 2005 (b.v. chemie). Op basis van de eerste resultaten van de studie over de inzetbaarheid van economische instrumenten in Vlaanderen en het maatschappelijk debat dat hierop volgde, werd één instrument geselecteerd voor het reductiebeleid voor SO2 en NOx. In 2005 wordt het stappenplan voor de invoering hiervan verder uitgewerkt en zal ook de maatschappelijke en politieke discussie hierrond verder gevoerd worden. Ammoniakemissiereductie uit de landbouw

Er werd een commissie van deskundigen (administratie en wetenschappelijk) opgericht voor het evalueren van (nieuwe) emissiearme staltechnieken a.d.h.v. een beoordelingsrichtlijn. Gezien het belang van mangagement bij emissiearme stalsystemen is het oprichten van een permanente meet- en controleploeg voor emissiearme stallen essentieel in het kader van bijsturing en beleidsondersteuning. Er wordt een prototypekeuring/certificeringsprocedure voor mestverwerkinginstallaties opgesteld waarin de efficiëntie van de installatie naar NH3-emissie een belangrijke rol speelt. Afhankelijk van de uitkomst van de milieubeleidsovereenkomst betreffende de nutriëntarme voeders kunnen in 2005 informatiecampagnes opgezet worden rond het stimuleren van NH3 reductie op stalniveau door voedertechnische maatregelen Gebiedsgericht verscherpt emissiereductiebeleid opstarten

Er zijn in dit kader geen specifieke maatregelen voorzien; er kan wel worden verwezen naarde maatregel ‘actieplannen milieukwaliteit’ uit het thema ‘Verlies aan biodiversiteit’. Verdere ontwikkeling depositiemeetnet verzuring (NH3, SO2 en NOx)

Natte depositie: Wekelijkse monsterneming loopt door op 10 meetplaatsen van het meetnet. Droge depositie: De meetstrategie voor droge depositie wordt verder gecontroleerd op inzetbaarheid en implementatie in het meetnet d.m.v. een studieopdracht ‘Inferential method’. Afhankelijk van de resultaten en de beschikbare financiële middelen kan deze methodiek nadien (2005-2006) in het gehele meetnet geïmplementeerd worden. Een eerste rapportering van meetresultaten is dan voor 2007 (meetjaar 2006). Occulte depositie: De eerste testresultaten van het prototype mistcollector worden besproken met de fabrikant. Planning is dat deze op basis van de resultaten het toestel verder aanpast en ontwikkelt, om dan opnieuw ter test aan te bieden. Tegelijk zal een


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 53

themabeleid

53

deel 2

uitgebreide literatuurstudie worden uitgevoerd om na te gaan of nog andere meetmethoden of meetapparatuur beschikbaar zijn. Eind 2005 zou dan een meetstrategie kunnen opgemaakt worden, en kan beslist worden welke apparatuur kan aangekocht worden ter implementatie in het meetnet. Dit is ten vroegste voor eind 2006. De eerste meetresultaten kunnen dan gerapporteerd worden in 2008 (meetjaar 2007). Depositie aërosolen: In de loop van 2002-2003 werden de eerste voorbereidingen getroffen om de in de meetstrategie weerhouden meetmethode voor verzurende aërosolen, zijnde surrogaat substraten, op te starten. Verder onderzoek hieromtrent wordt uitgevoerd. Indien uit het bijkomend onderzoek blijkt dat deze methodiek, al dan niet in aangepaste vorm, realiseerbaar is, zal in 2005-2006 een oriënterend onderzoek gevoerd worden naar de implementatie van de meetmethodiek. Tegelijk kan een aangepaste meetstrategie worden uitgewerkt. Eigenlijke implementatie is voorzien voor ten vroegste 2007. Eerste meetresultaten kunnen dan gerapporteerd worden in 2008 (meetjaar 2007). Verfijning OPS-model met lokale bronnen en invloed ruwheden landschap

Het ops-model vereist een continue aanpassing, zodat uiteindelijk de berekeningen nauwer aanleunen bij de meetresultaten (d.i. modelvalidatie). Om te kunnen beschikken over gebiedsgerichte meetresultaten is het nodig om bijkomende meetplaatsen in te richten die meer gebiedsgerichte metingen opleveren. Hiervoor dienen eerst de nodige financiële middelen te worden vrijgemaakt vooraleer deze metingen kunnen worden opgestart. In 2004-2005 zal het ops worden uitgebreid met een meteoprocessor en eventueel de import voorzien worden van externe meteogegevens (aladin) teneinde een nog correctere modelberekening te genereren voor heel Vlaanderen.

Begroting Vanwege de verbondenheid met het thema fotochemische verontreiniging kan ook hier gesteld worden dat een deel van de begrotingspost voor uitgaven m.b.t. nme, ntmb, informatie en sensibilisering wordt benut voor dit thema. Het betreft de uitvoering van onderzoek naar de impact van emissiereducties op de concurrentiekracht, onderzoek naar prognoses en scenario’s en onderzoek naar een opleidingsprogramma voor lokale milieu-overheden rond milieu en mobiliteit. Van de dotatie aan de vmm voor de uitbouw van meetnetten water en lucht, de werkingsdotatie van de vmm en de investeringsdotatie van de vmm wordt ook telkens een percentage besteed aan de luchtthema’s. Bij dit thema komt daarbij nog een fractie van de werkingsdotatie van de vlm.


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 54

Milieujaarprogramma

54

2005

5. Vermesting Inleiding De verhoging van de nutriëntenconcentratie in bodem, grond- en oppervlaktewater in Vlaanderen is een gevolg van historische en huidige ontwikkelingen, waarbij de intensivering van de landbouw, industrialisatie en urbanisatie de belangrijkste zijn. Het beleid richt zich vooral op de vermindering van de mestoverschotten in de landbouwsector, de afvalwaterzuivering (zie thema ‘Verontreiniging van oppervlaktewater’), de reductie van de uitstoot van NOx door verkeer en industrie (zie thema ‘Verzuring’). In het mestbeleid lag de nadruk aanvankelijk op de spreiding van de mestoverschotten over Vlaanderen. In de volgende fase (map 2bis) werden o.a. strengere bemestingsnormen uitgevaardigd en werd de nutriëntenhalte en de mestverwerkingsplicht ingevoerd. De huidige prioriteiten in het vermestingsbeleid worden weergegeven in het driesporenbeleid: het verminderen van de dierlijke productie (stimuleren van de afbouw van de veestapel, het handhaven van een vergunningenstop en de invoering van de nutriëntenhalte), het stimuleren van de mestverwerking en het oordeelkundig benutten van mest op de bodem.

Opvolging van de plandoelstellingen +

| De totale NH3-emissie verminderen tot maximum 45 kton tegen 2010, er wordt gestreefd naar een verdere reductie tot 40,7 kton

De NH3-emissie wordt voor meer dan 95% veroorzaakt door landbouwactiviteiten en daalde van 83,3 kton in 1990 tot 54,0 kton in 2003. Tussen 1999 en 2003 nam de NH3emissie met ca. 19 kton af. Dit is het gevolg van het in voege treden van een vernieuwde onderwerkingsplicht inzake mest, waardoor de theoretisch berekende emissie afneemt. Er worden nog maatregelen voorzien (o.m. m.b.t. voeder- en staltechnieken) die momenteel worden uitgewerkt.

+

| In 2007 voldoet 40% van de meetplaatsen van het oppervlaktemeetnet aan de basiskwaliteit voor orthofosfaat (0,3 mg P/l)

In 2003 voldeden 24% van de meetpunten aan de basiskwaliteitsnorm voor orthofosfaat. Sinds 1990 (1%) is dit percentage continu gestegen. Er wordt verwacht dat deze positieve trend zich in de toekomst verderzet, gezien de genomen maatregelen sinds map2bis om het mestoverschot weg te werken. Bovendien is de dierlijke fosfaatproductie afgenomen door het gebruik van fosforarme voeders waardoor de fosfaatbelasting op het milieu afnam.

| Geen overschrijdingen meer van de maximale nitraatnorm van 50 mg/l in grondwater

Het aantal meetplaatsen uit het map-grondwatermeetnet met overschrijding van de nitraatnorm van 50 mg/l bedroeg in 2000 32%. De beschikbare cijfers laten niet toe een gebiedsdekkende uitspraak te doen voor heel Vlaanderen. Daarom werd in 2003 concreet gewerkt aan de uitbreiding van het grondwatermeetnet teneinde een beter beeld te krijgen van de omvang en de spreiding van het probleem. Uit de eerste voorlopige resultaten van het grondwatermeetnet blijkt dat op 36 % van de meetplaatsen de nitraatnorm van 50 mg/l overschreden wordt (voorjaar 2004).


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 55

themabeleid

++

55

deel 2

| In 2007 wordt maximaal 55 miljoen kg P2O5 uit dierlijke mest op Vlaamse landbouwgrond opgebracht

Globale berekening van de op landbouwgrond opgebrachte hoeveelheid dierlijk mest toont aan dat deze in 2003 54 miljoen kg P2O5 bedroeg, wat een daling is ten opzichte van de voorgaande jaren, en dit dankzij de vermindering van de dierlijke mestproductie als gevolg van afbouw van de veestapel (9,5 miljoen kg P2O5, waarvan 2 miljoen kg P2O5 door warme sanering) en de vermindering van de productie door voedermaatregelen (12,5 miljoen kg P2O5). Mestverwerking (4,1 miljoen kg P2O5) is gestegen in 2003 tov 2002 en de mestexport (3,1 miljoen kg P2O5) lag in 2003 iets lager dan in 2002. De doelafstand voor mestverwerking blijft groot. Niettemin zal het accent in 2004 en 2005 liggen op de stimulering van de afbouw van de veestapel, het gebruik van nutriëntarme voeders en de mestverwerking (inclusief verhoging netto export van mest). Rekening houdend met acceptatiegraden van de landbouwbedrijven (afgeleid uit het gebruiksgedrag van dierlijke mest in 2003) daalt de bemestingsruimte tot 50 miljoen kg P2O5 (in tegenstelling tot de doelstelling van 55 zoals bij opmaak van het plan bepaald). De plandoelstelling komt dus in zicht maar is nog niet gehaald.

++

| Overschot op de bodembalans is maximaal 70 kg N/ha in 2007 Het overschot op de stikstofbalans (bodembalans) bedroeg 152 kg N/ha in 2003. Hoewel er een duidelijke daling wordt geconstateerd, dient de hoeveelheid stikstof die op de Vlaamse bodem terechtkomt verder te verminderen. Belangrijkste actiepunten zijn de vermindering van de dierlijke mestproductie gekoppeld aan een verhoging van de netto uitvoer van mest (al dan niet met mestverwerking) en de sensibilisering m.b.t. bedrijfsvoering (o.a. gebruik nutriëntenbalansen en nitraatresidumetingen in het najaar).

+

| Voldoen aan de grenswaarde van 10 mg N/l (nitraat en nitriet) en geen over-

schrijdingen meer van de maximale nitraatnorm van 50 mg /l in oppervlaktewater (11,3 mg N/l) Het aantal meetplaatsen uit het map-meetnet oppervlaktewater met overschrijding van de nitraatnorm van 50 mg/l nam in de periode 1/7/2003 tot 31/5/2004 terug toe tot 44 % van het totaal aantal meetplaatsen. Als mogelijke oorzaak kunnen de weersomstandigheden aangehaald worden (extreem droge zomer van 2003). Ondanks de gunstige trend van de voorbije jaren, zullen blijvend inspanningen nodig zijn om de doelstelling te halen. Vermindering van de opbrenging van nutriënten uit dierlijk mest op de bodem (o.a. via de afbouw van de veestapel, het gebruik van efficiëntere voedertechnieken en nutriëntenarme voeders, het verwerken en exporteren van mestoverschotten en het toepassen van de nieuwe afbakening van kwetsbare gebieden) en een verdere uitbouw van de sensibilisering inzake oordeelkundige bemesting zijn belangrijke actiepunten. Het aantal meetplaatsen uit het oppervlaktewatermeetnet met overschrijding van de grenswaarde van 10 mg N/l (nitraat en nitriet) nam in de periode 2000 tot 2003 af tot 26%.


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 56

Milieujaarprogramma

56

2005

Projecten en maatregelen Toelichting en evaluatie tot 2004 In uitvoering van het Stopzettingsdecreet, in voege sinds 2001, werd voor een periode van drie jaar (2001-2003) 100 miljoen euro voorzien voor bedrijven die vrijwillig, volledig en definitief stoppen met het houden van dieren. Deze afbouw gaf aanleiding tot een aanzienlijke vermindering van de dierlijke fosfaatproductie (zie opvolging plandoelstellingen). In 2003 was er ongeveer 50 miljoen euro beschikbaar voor het stopzetten van veeteeltbedrijven. De uitvoering van het Stopzettingsdecreet werd in dat jaar ook uitgebreid naar andere diersoorten (pluimvee en rundvee). In 2004 werd met het overschot van de 100 miljoen euro een nieuwe en laatste stopzettingsronde gelanceerd. Begin 2004 werd een onderzoek opgestart naar de actualisatie van de uitscheidingscijfers voor pluimvee. Inzake mestverwerking werd een ruimtelijk afwegingskader voor de inplanting van mestverwerkingsinstallaties opgesteld en werden de milieuvergunningsvoorwaarden, waaraan deze initiatieven moeten voldoen, vastgelegd in vlarem ii. In juli 2004 waren 259 vergunningen verleend voor een totale verwerkingscapaciteit van ruim 5 miljoen ton mest. De geraamde operationele verwerkingscapaciteit ligt evenwel veel lager. Het betreft voornamelijk initiatieven van mestverwerking op niveau van het landbouwbedrijf. Tevens werd de export van mest (al dan niet na be/verwerking) verder gestimuleerd. In 2002 werd 280.000 ton mest verwerkt en/of geëxporteerd. In 2003 nam de hoeveelheid verwerkte en/of geëxporteerde mest toe tot 350.000 ton (voornamelijk pluimveemest). In 2004 werd een certificeringsprocedure opgesteld voor mestverwerkingsinstallaties. Via het nitraatresidu in de bodem in het najaar wordt oordeelkundige bemesting gestimuleerd. In 2002 werd een onderzoek afgerond dat bepaalt hoe de huidige nitraatresiduwaarde van 90 kg N/ha in een perceelsgewijzecontroleerbare norm verder kan vertaald en verfijnd worden. In 2003 werd echter geen nitraatresiduwaarde vastgelegd. Ook op niveau van de bedrijfsvoering kunnen nog bijkomende maatregelen genomen worden teneinde de nutriëntenverliezen te beperken. Het gebruik van de nutriëntenbalansen op bedrijfsniveau werd hiertoe als sensibiliserend instrument gepromoot. In 2003 werden op een beperkt aantal bedrijven nutriëntenbalansen bijgehouden. In 2003 werd ook een besluit uitgewerkt dat de invoer van nutriëntenbalansen op landbouwbedrijven als onderdeel van een ruimere milieumodule stimuleert. Dit besluit is in werking getreden vanaf 2004. In 2002 werden bijkomende kwetsbare gebieden in het kader van de Nitraatrichtlijn afgebakend, welke via een uitvoeringsbesluit op het Mestdecreet van toepassing werden vanaf 1 januari 2003. In deze gebieden mag maximaal 170 kg stikstof uit dierlijk mest per hectare toegediend worden. Een wetenschappelijk onderbouwde aanvraag tot derogatie van deze norm in de bijkomende kwetsbare gebieden water werd in 2003 decretaal ingeschreven. Gebiedsgerichte bemestingsbepalingen zijn ook vastgelegd in de beheerovereenkomsten type water en natuur. In 2004 gingen na goedkeuring door Europa de horizontale vergoedingen in natuurgebieden,andere dan de beheersovereenkomsten, van start. De vergoeding is van toepassing voor de periode 2003-2006 voor percelen gelegen in kwetsbare zones natuur met een bemestingsverbod. De administratieve vereenvoudiging is tevens een belangrijk aandachtspunt. In 2004 werd verder samengewerkt met vmm (gemeenschappelijke verzending mestbankaangifte en wateraangifte) en werd een pilootproject inzake de eenmalige perceels-


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 57

themabeleid

57

deel 2

registratie door de landbouwers gestart. Dit is cruciaal voor de uitbouw van een geïntegreerde landbouwdatabank. De samenwerking met Sanitel (een geïnformatiseerd identificatie- en registratiesysteem voor nutsdieren) werd eveneens bestendigd. Ongeveer 20 % van de rundveehouders maken gebruik van de mogelijkheid om hun rundveestapel via een automatische uitwisseling aan te geven bij de Mestbank. Tijdens de eerste helft van 2004 werd door de vlm ook verder gewerkt aan het evalueren van het huidige mestbeleiden het schrijven van een beleidsvisie ter voorbereiding van een map3. Uitvoering ammoniakreductieplan: zie thema ‘Verzuring’.

Opvolging mijlpalen en indicatoren Mijlpalen

Oorspronkelijke verwachting

Status

Meetnet grondwater is operationeel

2003 EINDE

gerealiseerd

Vernieuwd mestbeleid

2006 BEGIN

nieuw

Huidige verwachting

Indicatoren

Realisatie

Doelstelling

Aantal afgesloten beheersovereenkomsten (type water en natuur)

22.318 (2004)

22.500 (2005)

30 (2003)

50 (2007)

Aantal bedrijven waarop nutriëntenbalansen worden ingevoerd in bedrijfsvoering Aantal vergunde dierplaatsen die definitief verdwijnen Aantal verleende vergunningen voor mestverwerkingsinstallaties Areaal waarop gebiedsgerichte maatregelen van toepassing zijn (in ha)

117.746 (2002) 259 (2004) 311.885 (2003)

Aanpak jaar 2005 Mestoverschot wegwerken

Ter ondersteuning van de afbouw van de veestapel wordt verder gewerkt aan de opmaak van een databank van de vergunde dierlijke productie. Inzake mestverwerking worden bijkomende stappen ondernomen om de verwerking te stimuleren. Meer specifiek zal de aandacht gaan naar de labeling en/of certificering van de eindproducten van mestverwerking teneinde de export te stimuleren, naar de certificering van mestverwerkingsinstallaties teneinde de bouw ervan te stimuleren en het verhogen van de zekerheid voor de mestverwerkingsplichtige bedrijven, en naar de valorisatie van de resteffluenten in de landbouw, o.a. via een onderzoek dat in 2004 afloopt. Verder zullen mogelijkheden voor export van verwerkte mest verder onderzocht worden. Naar aanleiding van de decreetswijziging i.v.m. mestverwerking in 2003 wordt een Milieubeleidsovereenkomst (mbo) tussen de landbouwsector en de overheid verder uitgewerkt in 2005. Deze dient verdere maatregelen ter vermindering van de nutriënteninhoud in veevoeders en maatregelen betreffende mestverwerking en oordeelkundige bemesting te bevatten teneinde een aantal decretaal vastgelegde doelstellingen te halen. De invoering van het gebruik van nutriëntenbalansen op bedrijfsniveau zal bevorderd worden. Via een groep van voorbeeldbedrijven, welke nutriëntenbalansen in de praktijk toepassen, zullen de resultaten worden gecommuniceerd naar de sector. Het


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 58

Milieujaarprogramma

58

2005

besluit betreffende toekenning van subsidies aan bedrijfsleidingsdiensten voor het milieukundig adviseren van land- en tuinbouwbedrijven dat in werking is sinds begin 2004 (zie hoger) zal vermoedelijk een positief effect hebben op het gebruik van de nutriëntenbalansen. Handhaving versterken

Via het jaarlijks controleactieplan van de Mestbank wordt breed gesensibiliseerd en gericht gesanctioneerd. Net zoals in 2004 zal in 2005 tijdens het bemestingsseizoen een actie opgezet worden onder de vorm van een verhoogde aanwezigheid van de inspectiediensten op het terrein om de waterkwaliteit positief te beïnvloeden. Heffingen innen

Regulerende heffingen en superheffingen (mestverwerking, nutriëntenhalte) worden geïnd. Vermindering van het meststoffengebruik in de tuinbouw

In een studie die in 2004 opgestart werd, zullen stand van zaken en reductiemogelijkheden van nutriëntengebruik in de tuinbouw nagegaan worden. Sensibiliseren inzake mestproblematiek

Tevens worden de sensibiliserende acties naar landbouwers toe verder gezet op basis van de meetresultaten in grond- en oppervlaktewater. In 2004 waren de eerste resultaten van het grondwatermeetnet, dat eind 2003 operationeel werd, ter beschikking. In 2005 zullen verdere grondwatermetingen ter beschikking komen. Vergoedingen en beheerovereenkomsten toepassen

In 2005 zal de vergoeding in natuurgebieden andere dan de beheerovereenkomsten uitbetaald worden voor het productiejaar 2005. De vergoeding is van toepassing voor de periode 2003-2006 voor percelen gelegen in kwetsbare zones natuur met een bemestingsverbod. Bemestingsvoorwaarden meer gebiedsgericht maken

In het kader van de afbakening van de bijkomende kwetsbare gebieden zal de controle op de derogatie uitgebouwd worden. Ondersteunend beleid

De actualisatie van de uitscheidingscijfers voor pluimvee (2004 - 2006) moet toelaten om de dierlijke stikstof- en fosfaatproductie voor pluimvee te evalueren. Tevens staat in 2005 onderzoek voorop waarbij de technisch-economische mogelijkheden voor de vermindering van de stikstofuitscheiding en ammoniakuitstoot via voedermaatregelen (rundvee) nagegaan wordt. Daarnaast wordt nagegaan in hoeverre ondersteunend onderzoek in 2005 voor de aanpak van de vermestingsproblemen in de tuinbouwsector en voor de bodembalans noodzakelijk is. Verder wordt er in 2005 verdergewerkt aan de uitbouw van de landbouwdatabank gekoppeld met de milieudatabank (éénmalige perceelsregistratie, geïntegreerd aangifteformulier). Hiervoor is er een nauwe samenwerking tussen verschillende landbouw- en milieuadministraties noodzakelijk. In het kader van de administratieve vereenvoudiging in de mestadministratie en e-government is na mtil (Mesttransportinternetloket) en mil (Mestinternetloket) ook smil (Staalnamemeldinginternetloket) in 2005 operationeel.


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 59

themabeleid

59

deel 2

Uitvoeringsplan Organisch biologische Afvalstoffen

Het Uitvoeringsplan Organisch-Biologische Afvalstoffen behandelt de stromen gft- en groenafval en organisch-biologisch bedrijfsafval. Thema’s als preventie, selectieve inzameling, verwerking (diervoeding, compostering, vergisting...) en afzet van compost komen aan bod. Er wordt gestreefd naar een evenwicht tussen afvalverwerking en bodemverbetering. Dit laatste kan bekomen worden door compost van goede kwaliteit. Om de kwaliteit te verzekeren, wordt er gewerkt met certificering. Sensibilisering van de sector blijft noodzakelijk. Organisch-biologische afvalstromen kunnen ook worden ingezet voor energieproductie. De discussie hierover is gestart en loopt verder. Ook de Europese verordening inzake dierlijke bijproducten omvat bepaalde inputstromen voor compostering en vergisting. Dit heeft o.a. als gevolg dat er strengere hygiëneeisen worden opgelegd. Bestaande installaties hebben echter een uitstel verkregen tot eind 2005. Daartegen zou er een Europese richtlijn moeten opgesteld worden die deze stromen en de verwerking reglementeert, zodat ze buiten het toepassingsgebied van de verordening worden gesteld. Uitwerken van een vernieuwd mestbeleid (MAP3)

Er wordt ook gewerkt aan de evaluatie van het mestbeleid en de voorbereiding van een vernieuwd mestbeleid (map3). Hiertoe zal in 2005 een uitgebreide consultatieronde van de stakeholders georganiseerd worden. Dit vernieuwd mestdecreet dient geïntegreerd, vereenvoudigd, flexibel, meer resultaatgericht en in overeenstemming met de Europese milieudoelstellingen te zijn.

Begroting Er is geen verandering opgetreden van het totale budget voor de beheersovereenkomsten doelstelling botanisch beheer en kwetsbare gebieden water, voor de horizontale vergoeding beheer kwetsbare zones natuur, voor de staalnames en analyses van het nitraatresidu. De werkingsdotatie voor de Mestbank blijft ongeveer hetzelfde, met een lichte stijging van ongeveer 200 keuro (voor opvangen extra personeelkosten wegens cao).


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 60

Milieujaarprogramma

60

2005

6. Verspreiding van milieugevaarlijke stoffen Inleiding De verspreiding van milieugevaarlijke stoffen kan de ecologische kwaliteit in de compartimenten lucht, water en bodem sterk beïnvloeden. De vorige planperiode resulteerde in de onderbouwing en opmaak van maatregelenprogramma’s voor de stofgroepen metalen, bestrijdingsmiddelen, pop’s (pcb’s, pak’s en dioxines) en asbest. De prioriteiten in de huidige planperiode zijn de verdere aanpak inzake bestrijdingsmiddelen, asbestrisico’s en de diffuse verontreiniging met metalen, dioxines en pak’s. Vanuit de invalshoek milieu en gezondheid wordt over de problematiek hormoonverstoring en de problematiek fijn stof in lucht, nader onderzoek gevoerd en het beleid ontwikkeld. Centraal staat de uitvoering van de kaderrichtlijnen Water en Lucht voor de aspecten gevaarlijke stoffen.

Opvolging van de plandoelstellingen

| Bestrijdingsmiddelen: reduceren van verspreidingsequivalenten met 50%

+++

(2005 t.o.v. 1990)

De som van de jaarlijkse verspreidingsequivalenten van de gewasbeschermingsmiddelen gebruikt in Vlaanderen daalde in de periode 1990-2002 reeds met 47%. In 2002 is dus 94% van de doelafstand overbrugd. Een eliminatiebeleid voor de meest risicovolle stoffen in navolging van het Europees pesticiden- en biocidenbeleid heeft een belangrijke invloed op het verder dalen van de verspreiding.

+/-

| Zwevend3 stof: vermijden van overschrijdingen van een pm10-concentratie van 40µg/m (jaargemiddelde) (2005)

In 2002 werden op zestien meetstations drie overschrijdingen opgemeten van 40 µg/m3 fijn stof (jaargemiddelde pm10). In 2003 werd deze waarde op negen van de twintig meetpunten overschreden, maar hier speelden hoogstwaarschijnlijk meteorologische condities mee.

| Dioxines: reduceren van de emissies naar lucht tot maximaal 100 g teq/jaar (2010)

+++

De emissie van dioxines naar lucht daalde in de periode 1990-2003 van 521 tot 84 g teq. Recent verbeterde emissieberekeningen, gekoppeld aan een terugrekening over de voorbije jaren, tonen dat de doelstelling van 100 g per jaar teq reeds in 2000 werd bereikt en niet langer meer relevant is als plandoelstelling. Een verdere daling van de dioxine-emissies wordt evenwel gepland via een verderzetting van de sanering van de grootste dioxinepunten, informatiecampagnes, maatregelenpakketten voor dioxinebeladen afvalstromen en gebouwenverwarming en een juridische verankering van de richtinggevende doelstelling inzake depositie.

+/-

| pak’s: reduceren van de emissie naar de lucht tot maximaal 192 ton (2010) De pak-emissie naar lucht daalde in de periode 1990-2001 van 460 tot 329 ton. Sindsdien is er een relatief beperkte stijging gemeten (= emissie van 346 ton in 2003). De grote afname die op industrieel vlak gerealiseerd werd, wordt gedeeltelijk teniet gedaan door de toenemende pak-emissie door de huishoudens. Zonder bijkomende maatregelen voor deze doelgroep is de doelstelling niet haalbaar.


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 61

themabeleid

+

61

deel 2

| Zware metalen, lucht: reduceren van emissies met 70% (2010 t.o.v. 1995) Voor wat betreft de emissie van zware metalen in lucht is de doelstelling in 2003 behaald voor Cd, Cr en Pb. De doelafstand in 2003 is het grootst bij Hg. Daarna volgen Cu, Zn, Ni en As. De laatste jaren is de trend gunstig voor Zn, ongunstig voor Hg en eerder stabiel voor Cu, Ni en As. Sectorstudies dienen uit te wijzen hoe en waar de meeste reducties nog mogelijk zijn.

+

| Zware metalen, water: reduceren van emissies met 50% (2010 t.o.v. 1998) De emissie van zware metalen naar oppervlaktewater vertoont een dalend verloop in de periode 2001-2003. Voor Hg is de doelstelling bereikt in 2003. De gerichte aanpak van diffuse verontreiniging (zie thema ‘Verontreiniging van oppervlaktewater’) moet de doelstelling korter binnen bereik brengen.

Opvolging van de richtinggevende doelstellingen +

| Dioxines: reduceren van de depositie tot maximaal 26 µg/m2.dag (maandgemiddelde) tegen 2005

De dioxinedepositie vertoont een dalende trend in de periode 1993 - 2001, gevolgd door een stabilisatie tot 2003. In de periode april - december 2003 werd bij maandelijkse metingen 7 maal een waarde hoger dan 26 µg gemeten. Een verbeterde handhaving van puntbronnen gekoppeld aan een aanpak voor diffuse verontreiniging dient de depositie in de toekomst te verminderen.

––

| Fijn stof: reduceren van de pm10-concentratie tot 20 µg/m3 (jaargemiddelde) tegen 2010

Het jaargemiddelde concentratie fijn stof (pm 10) vertoont de laatste jaren, na een gunstige evolutie in de periode 1996-1998, een schommelend verloop. In 2003 liggen de gemeten pm 10-concentraties in Vlaanderen opnieuw boven deze van 1998 (voor industrieel en voorstedelijk gebied waarden boven 40 µg/m3). Uit modellering op eu-niveau blijkt nu echter dat België tegen 2010 nog steeds zal behoren tot de hotspotgebieden van Europa en dat deze doelstelling niet haalbaar blijkt te zijn.

Projecten en maatregelen Toelichting en evaluatie tot 2004 Water

In uitvoering van het Reductieprogramma Gevaarlijke Stoffen (implementatie van richtlijn eg/76/464) werd in 2003 een eerste voorstel tot aanpassing van de milieukwaliteitsnormen water afgewerkt. Dit voorstel werd begin 2004 geactualiseerd en overgemaakt aan het kabinet. Een studie naar aangepaste normen voor metalen en pak werd afgerond. Teneinde het Reductieprogramma Gevaarlijke Stoffen in te passen in de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water werd beslist om het bestaande programma te bevestigen en te verlengen tot september 2005.


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 62

Milieujaarprogramma

62

2005

De opvolging van de Europese initiatieven terzake werd van nabij opgevolgd via een tijdelijke detachering van een Vlaamse ambtenaar naar de Europese Commissie. De totstandkoming van de toekomstige dochterrichtlijn wordt van nabij opgevolgd via het Expert Advisory Forum. Het reductieplan bestrijdingsmiddelen dat door gemeenten en andere openbare besturen voor het eerst moest ingediend worden voor 1 juni 2003 werd tijdens de tweede helft van het jaar geëvalueerd en ambtshalve goedgekeurd. Om de inhoud en procedure van het reductieprogramma de nodige juridische draagkracht te geven werd een uitvoeringsbesluit uitgewerkt. Dit werd door de Vlaamse regering definitief goedgekeurd op 14 juli 2004. De tweede golf reductieplannen van gemeenten is reeds geëvalueerd. Tevens zijn de voorbereidingen getroffen voor de organisatie van het steunpunt en werden 300 meetpunten geselecteerd voor de bemonstering van het grondwater. Het Europees beleid bestrijdingsmiddelen wordt van dichtbij opgevolgd. Lucht

Een verdere daling van de dioxinedepositie en de dioxineconcentratie in de lucht werd doorgevoerd via een reeks maatregelen. Voorstellen met betrekking tot de aanscherping van sectorale emissiegrenswaarden voor de sectoren metallurgie, raffinaderijen en vcm-productie evenals voorwaarden inzake dioxinebeladen afvalstromen zijn begin 2003 uitgewerkt. Begin 2004 werd een vlarem-wijziging met betrekking tot verscherpte controlevoorwaarden voor de metallurgische sector goedgekeurd. Via de omzetting van rl 2000/76/eg zijn begin 2004 tevens voorwaarden voor dioxinebeladen reststromen in afvalverbrandingsinstallaties opgenomen in vlarem. Een juridische verankering van de plandoelstelling inzake depositie werd begin 2004 uitgewerkt in een ontwerp besluit milieukwaliteitsnormen. Eind 2003 werd een informatiecampagne rond correct gebruik van huishoudelijke verwarmingstoestellen op vaste brandstoffen opgestart en in het kader van de geplande vlarem-herziening zijn midden 2003 eveneens voorstellen ingediend tot wijziging van de sectorale voorwaarden voor de sectoren houtverduurzaming, scheepsbouw en asfaltcentrales met het oog op bijkomende pakemissiereducties. De methodiek van de emissie-inventaris lucht werd verder geoptimaliseerd en de actualisatie voor 2001 en 2002 volledig uitgevoerd. Het meetnet fijn stof werd uitgebreid met 8 pm 10 monitoren en 3 pm 2.5 monitoren, waarbij ook in de stedelijke gebieden van Gent en Antwerpen stedelijke achtergrondconcentraties worden gemeten. Een eerste saneringsplan fijn stof is afgewerkt eind 2004.

Opvolging mijlpalen en indicatoren Mijlpalen

Metalen: maatregelenpakketten diffuse verontreiniging

Oorspronkelijke verwachting

Status

Huidige verwachting

2004 EINDE

vertraagd

2005 EINDE

2003 EINDE

gerealiseerd

2004 MIDDEN

gerealiseerd

2004 EINDE

gerealiseerd

2004 BEGIN

gerealiseerd

zijn opgesteld Dioxines: actieplan aanpak reststromen is opgesteld PAK: aanvang uitvoering PAK van de POP-nota Bestrijdingsmiddelen: ingediende reductieprogramma’s openbare besturen (deel gemeenten) zijn geëvalueerd Asbest: voorstel van luchtkwaliteitsnormen en van veilige behandelingen en verbod op agressieve bewerkingen is opgesteld


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 63

themabeleid Mijlpalen (vervolg)

63

Oorspronkelijke verwachting

Status

2004 BEGIN

gerealiseerd

2005 MIDDEN

op schema

2005 MIDDEN

op schema

2003 BEGIN

gerealiseerd

2006 MIDDEN

op schema

2004 EINDE

op schema

2006 MIDDEN

op schema

Studiewerk hormoonverstoring opgestart

2004 EINDE

op schema

PAK: stofstroomanalyse beschikbaar

2006 EINDE

op schema

PCB’s: voorstel aanvaardingsplicht elektrische en

deel 2 Huidige verwachting

elektronische apparaten is goedgekeurd (selectief demonteren van PCB-houdende onderdelen) Actualisering reductieprogramma i.k.v. uitvoering RL 76/464 is klaar Impactanalyse van het voorstel van de Europese Commissie Voorstel eerste herziening milieukwaliteitsnormen is opgesteld Voorstel tweede herziening milieukwaliteitsnormen water is opgesteld Fijn stof: saneringsplan is opgemaakt Ontwerp strategie hormoonverstoring is klaar

Indicatoren

Realisatie

Doelstelling

0 (2004)

33 (2007)

Aantal prioritaire stoffen waarvoor een substitutiebeleid is opgestart

0 (2003)

6 (2007)

Aantal stoffen waarvoor een volledige stofstroomanalyse is uitgevoerd

3 (2003)

4 (2006)

Aantal afgewerkte stofdossiers in voorbereiding op de uitvoering van de kaderrichtlijn Water

Aanpak jaar 2005 Project: Beleid milieugevaarlijke stoffen

Gericht op de uitbouw van een gevaarlijke stoffenbeleid water zal in juni 2005 een geactualiseerd reductieprogramma voor goedkeuring overgemaakt worden aan de Vlaamse minister. Deze actualisatie zal vertrekken van de analyses in functie van het decreet Integraal Waterbeleid, het Scaldit-project en het nieuwe Europese voorstel van richtlijn inzake Prioritaire Stoffen. Inhoudelijk moeten hiermee de actuele beleidslijnen voor milieukwaliteitsnormering, het oppervlaktewatermeetnet en de vergunningsverlening verder duidelijkt worden. De diverse onderdelen van het nieuwe Europese voorstel van richtlijn inzake Prioritaire Stoffen zullen onderzocht worden op hun gevolgen voor het Vlaamse Gewest. Hiervoor is een verdere aanpassing van het meetnet (o.a. onderzoek van opgeloste metalen) noodzakelijk als onderdeel van de op te stellen stofdossiers. Daarnaast zullen pak en een aantal bestrijdingsmiddelen een bijzondere aandacht vragen. De bespreking van het voorstel in Raad en Parlement dienen, naast de activiteiten van het eaf (Expert Advisory Forum), van nabij opgevolgd te worden. Een eventueel voorstel van de commissie m.b.t. tot aanpassing van de lijst van prioritaire stoffen zal onderzocht worden op de mogelijke gevolgen.


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 64

Milieujaarprogramma

64

2005

Voor wat betreft het verder uitbouwen van een gevaarlijke stoffenbeleid lucht worden in 2005 optimalisaties voorzien van de methodiek voor emissie-registratie en inspanningen geleverd om de emissies voor pm10 en pm2,5 geografisch toe te kennen (gemeente, km2). De emissie-inventaris van zware metalen door de industrie wordt op basis van de milieujaarverslagen en de bijschatting ‘collectief industrie’ (methodiek ontwikkeld door vito) in kaart gebracht. Daarnaast wordt ook de inbreng van het wegverkeer berekend. In 2005 zal het aandeel van andere bronnen zoals spoor en scheepvaart worden ingeschat. Inzake monitoring wordt onderzoek uitgevoerd door bijkomende metingen en chemische en fysische karakterisatie van fijn stof in Evergem en Roeselare. Complementaire data voor het meetnet worden gegenereerd uit de studie ‘Modellisatie zwevend stof’. Hg-metingen in de omgevingslucht worden verdergezet en metingen met automatische monitoren zullen op twee plaatsen worden opgestart. Inzake de opmaak van saneringsplannen en beleidsvoorbereiding worden pm10, Pb en benzeen behandeld in de geldende dochterrichtlijnen luchtkwaliteit. Voor benzeen worden zes gebieden met een gemodelleerde overschrijding van de toekomstige grenswaarde (2005) via monitoring gescreend op effectieve overschrijdingen. Effectieve overschrijdingen zullen saneringsplannen tot gevolg hebben. Voor pm10 wordt er op basis van de studie ‘Immissieproblematiek ten gevolge van het verkeer: knelpunten en maatregelen’, de studie ‘Evaluatie van het reductiepotentieel voor fijn stof emissies naar het compartiment lucht in een aantal sectoren in Vlaanderen’ en diverse aanvullende sectorstudies, gestart met de opmaak van een reductieplan. Dit is onder meer bedoeld voor de officiële rapportering op Europees niveau in functie van de overschrijding van de toekomstige grenswaarden (2005) (extern saneringsplan) en anderzijds in functie van het opstellen van (een) intern saneringsplan(nen) (= gedetailleerder plan voor de concrete uitvoering in Vlaanderen) in uitvoering van de eerste dochterrichtlijn lucht. Het plan zal een onderdeel vormen van een fijn stof dossier dat een overzicht bevat van de bronnen en hun bijdrage, de gemeten concentraties in de buitenlucht, buitenlandse en binnenlandse bijdrage, de samenstelling van fijn stof, Europees beleid, het huidig Vlaamse beleid en voorstellen voor bijkomend beleid. In het kader van dit dossier wordt een onderzoek opgestart teneinde de huidige leemte in de kennis betreffende diffuse bronnen van fijn stof (en de erop aanwezige zware metalen, pak, dioxines en andere micropolluenten) in Vlaanderen op te vullen. De resultaten van de onderzoeken naar de stofbronnen in de gebieden waar in 2002 overschrijdingen van de stofgrenswaarde gesommeerd met de overschrijdingsmarge werden vastgesteld en naar de diffuse bronnen van fijn stof in Vlaanderen zullen een substantiële bijdrage leveren tot de ontwikkeling van een stofreductiebeleid. Doorlopend worden de onderhandelingen op internationaal niveau opgevolgd in het kader van de opname van fijn stof in het lrtap-protocol. Dit impliceert meer concreet dat de ontwerp kostencurven voor België worden geanalyseerd op haalbaarheid en er opmerkingen worden geformuleerd. Als basis hiervoor dienen de emissie-inventaris en de sectorstudies. Er wordt verder onderzoek geïnitieerd naar de ecologische relevantie van hormoonverstoring. De aflijning van het onderzoek gebeurde aan de hand van een interne bespreking met vmm-experten en het volgen van een driedaagse workshop. De resultaten van dit onderzoek zullen vrijkomen in 2006 en als basis dienen voor het formuleren van beleidsaanbevelingen in een later stadium. Doorlopend wordt de wetenschappelijke kennis ter zake opgevolgd evenals de uitvoering van de Europese Strategie.


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 65

themabeleid

65

deel 2

De bestaande methodologie voor de opmaak van stofstroomanalyses wordt verder op punt gesteld voor pak. De stofboekhouding voor het compartiment lucht zoals opgenomen in het pak-reductieprogramma kan hierbij als input dienen. In 2005 zal bijkomend een pak-inventaris voor het compartiment water opgesteld worden. Op basis van deze stofboekhoudingen en de beschikbare gegevens voor de andere compartimenten (bodem, afval en biota)zal dan een stofstroomanalyse opgestart worden. In de interpretatiefase zullen aan de hand van het overzicht van stofstromen en voorraden van pak’s conclusies getrokken worden ter ondersteuning van het in het reductieprogramma uitgestippelde pak-beleid. In een tweede luik zal een analyse uitgevoerd worden van de emissiereductie en kosten van de voorgestelde maatregelen. Een onderzoeksprogramma Milieugevaarlijke Stoffen wordt opgezet (zie ook Project ‘Wetenschappleijk onderzoek’). Als basis fungeert een voorbereidende studie die de onderzoeksnoden ter zake duidt. Door een gebrek aan financiële middelen, zal het onderzoeksprogramma rond milieugevaarlijke stoffen ten vroegste in 2006 mogelijk zijn. In het kader van het nieuwe eu beleid inzake chemische stoffen (reach) wordt een Europees substitutiebeleid uitgestippeld. Voor milieugevaarlijke stoffen (cmr’s, pbt’s, vPvB, ...) is een substitutieluik voorzien in de reach-vergunningprocedure. De rol van de lidstaten in het substitutiebeleid is in de ontwerpverordening beperkt tot het indienen van dossiers voor stoffen die aan een vergunningsplicht moeten onderworpen worden. In 2005 wordt deze ontwerpverordening in een eu ad hoc werkgroep in detail besproken. Daarnaast wordt in opdracht van de federale overheid een studie uitgevoerd met betrekking tot de bevoegdheidsverdeling voor de reach-verordening. Het Vlaams Gewest zal hoogstwaarschijnlijk gevraagd worden in de stuurgroep van deze studie te zetelen. Op basis van de uitkomst van deze eu-discussies en de federale studie zal in 2005 onderzocht worden in hoeverre het Europees beleid ruimte laat voor (aanvullende) Vlaamse beleidsacties. Metalen

Op basis van studiewerk over de bekkengerichte kwantificering van diffuse bronnen van metalen worden concrete maatregelen geformuleerd in een beleidsnota over de sanering van specifieke diffuse bronnen van metalen (zie aspecten diffuse verontreiniging bij thema ‘Verontreiniging van oppervlaktewater’) tegen eind 2005. Daarnaast wordt de kwantificering van diffuse bronnen verfijnd, bv. voor metalen in erosie. De diffuse bronnen worden nu reeds aangepakt via productregelgeving en op vrijwillige basis i.k.v. de convenants met de lokale besturen. Specifiek wordt, in uitvoering van het uitvoeringsplan Slib (zie thema ‘Verontreiniging door afvalstoffen’), de problematiek van metalen in slib aangepakt. De puntbronnen water worden meegenomen in het Vlaams Reductieprogramma Gevaarlijke Stoffen waarvoor een actualisering voorzien is in 2005 (zie ‘Uitvoering kaderrichtlijn Water (art. 16), aspecten gevaarlijke stoffen’). In functie van een gerichte aanpak van puntbronnen lucht worden sectorale studies uitgevoerd (zie eerder ‘Uitvoering kaderrichtlijn Lucht, aspecten gevaarlijke stoffen’). Dioxines

De procedure van de reeds ingediende vlarem-voorstellen met betrekking tot dioxines wordt verder opgevolgd. Hierin zit tevens een voorstel voor het juridisch verankeren van de plandoelstelling.


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 66

Milieujaarprogramma

66

2005

Op basis van de Europese normen voor verwarmingstoestellen op vaste brandstoffen wordt in 2005 in samenwerking met de federale overheid, de overige gewesten en de sector een kb verder uitgewerkt met betrekking tot het rendement, de CO-emissie en de kwaliteit van de vaste brandstoffen. Dit kb zal ook leiden tot een verdere reductie van de emissies van o.a. pak’s, dioxines en fijn stof. De sensibilisering van de bevolking omtrent de problematiek van de particuliere afvalverbranding en verwarming met vaste brandstoffen wordt verdergezet met behulp van de bestaande brochures. Handhaving van de maatregelen voor de industrie, voor de afvalverbranding en voor de kleinere bronnen (o.a. kleine stookinstallaties, gieterijen) is op regelmatige basis voorzien. Inzake emissie-inventarisatie wordt voor een bestaande methodologie voor dioxines de mogelijke uitbreiding naar pcb’s en pak’s nagegaan. PAK’s

De uitvoering van de pop-nota omvat zowel een dioxine- als pak-programma. Deze nota zal tevens fungeren als Vlaamse insteek voor het nationaal actieplan pak en dioxines dat in 2005 zal worden opgesteld in het kader van een aantal internationale popverplichtingen zoals de eu-verordening, het unep-pop verdrag en het lrtap-pop protocol. In 2005 worden bijkomende maatregelenpakketten gepland voor de verdere reductie van de pak-uitstoot door het gebruik van producten. Voor de vordering en planning van de emissie-inventaris pak wordt verwezen naar het project ‘Beleid milieugevaarlijke stoffen’. Bestrijdingsmiddelen

Het Steunpunt Afbouw Pesticiden, ter ondersteuning van de openbare besturen wordt verder uitgebouwd. Gelijklopend hiermee wordt een externe adviseringstructuur opgezet waar het steunpunt beroep op kan doen. Een doorlopende evaluatie van de ingediende reductieprogramma’s (en jaarlijkse rapportering) door de openbare besturen, evenals een nulmeting wordt voorzien. De nulmeting zal de overheid in staat stellen de doelstelling van het decreet houdende de vermindering van het gebruik van bestrijdingsmiddelen bij openbare diensten op te volgen. Voorts worden een tiental opendeurdagen georganiseerd bij diensten die het gebruik aan pesticiden reeds verregaand gereduceerd of volledig stopgezet hebben. Zo kan een uitwisseling van ervaring plaatsvinden. De parameterset die opgevolgd wordt in het oppervlaktewater wordt geëvalueerd in het kader van rl 91/414/eeg en aangepast. Een bekkengerichte inschatting van de diffuse verontreiniging van oppervlaktewater met bestrijdingsmiddelen wordt aan de hand van het septwa-model uitgevoerd. De eerder aangevoelde noodzaak om de Vlaamse mogelijkheden voor een gebruiksheffing te onderzoeken werd intussen voorbijgelopen door een aantal federale initiatieven ter zake. Het kb van 14/11/2003 betreffende autocontrole, meldingsplicht en traceerbaarheid in de voedselketen preciseert de regels rond de meldingsplicht; het besluit voorziet in de traceerbaarheid van de producten (waaronder bestrijdingsmiddelen) die bestemd zijn voor de landbouwsector. Voor bestrijdingsmiddelen gebruikt buiten de landbouwsector wordt in het ontwerp van het federale pesticidenreductieprogramma gepleit een algemene verplichte, totale traceerbaarheid via de richtlijn 91/414/eg te bekomen.


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 67

themabeleid

67

deel 2

In datzelfde ontwerp worden er ook speciale heffingen voorzien gebaseerd op basis van de gevarencategorie waartoe een product behoort. De invulling van het federaal pesticidereductieprogramma wordt van dichtbij opgevolgd. Om het effect van beleidsmaatregelen in te schatten is er indicatorenonderzoek nodig. Jaarlijks wordt de evolutie van de seq-indicator die de impact van bestrijdingsmiddelen op waterorganismen inschat, opgevolgd. Bijkomend studiewerk naar een uitgebreidere indicator die ook de impact in andere milieucompartimenten inschat, wordt opgestart en verder opgevolgd in 2005. Het Europees beleid aangaande bestrijdingsmiddelen (rl 91/414/eeg, rl 98/8/eg en de thematische strategie rond duurzaam pesticidengebruik, prioritaire stoffen van de kaderrichtlijn Water, ...) wordt nauw opgevolgd. Daarnaast wordt meegewerkt aan het federale pesticiden-reductieprogramma door onder andere deelname aan vergaderingen en werkgroepen. Ook het overleg binnen de Vlaamse milieu-administratie en het overleg tussen de Vlaamse leefmilieu- en landbouwadministratie wordt in 2005 verder onderhouden. Asbest

In uitvoering van de Beleidsnota Asbest en via de eerder voorgestelde aanpassingen in een vlarem-herziening, worden de specifieke risicosituaties aangepakt. Het betreft hier de afbraak en het reinigen van asbest, de afbraak van losgebonden toepassingen bij particulieren en de verbetering van de situatie op containerparken en bij breekinstallaties. Kleine hoeveelheden gevaarlijk asbesthoudend afval van particulieren zullen mogelijk kunnen verzameld worden op een containerpark, zoals voorzien in eerdere voorstellen tot aanpassing van vlarea. De sensibiliseringscampagne voor particulieren wordt verder gezet en uitgebreid naar andere risicosituaties. Doorlopend wordt handhaving van de asbestwetgeving uitgevoerd. PCB’s

Doorlopend wordt de uitvoering van het pcb-verwijderingsplan verder opgevolgd. Er wordt gefocust op de schrootsector en de kleinere condensatoren. Metingen van pcb’s in de omgevingslucht worden verdergezet. Hiervoor wordt de aandacht gericht op locaties in de nabijheid van schrootverwerkende bedrijven in o.m. Menen, Gent, Genk en Willebroek

Begroting Het totale krediet voor de uitvoering van dit thema in 2005 blijft nagenoeg gelijk t.o.v. 2004.


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 68

Milieujaarprogramma

68

2005

7. Verontreiniging en aantasting van de bodem Inleiding Bodemverontreiniging heeft betrekking op situaties waarbij door menselijke activiteiten milieugevaarlijke stoffen in de bodem terechtkomen en de kwaliteit ervan nadelig beïnvloeden. Het bodemsaneringsbeleid richtte zich in uitvoering van het bodemsaneringsdecreet vooral op de opvolging van de vrijwillige en verplichte bodemsaneringen en op het sturen van de grondstromen bij het gebruik van uitgegraven bodem. Het beleid zal geprofileerd worden door het kaderen van bodemsanering in duurzame ontwikkeling (sanering van brownfields, woonzones en complexe verontreinigingen), het uitwerken van alternatieve financieringen, het bijsturen van de regelgeving, het effectiever maken van bodemsanering door prioriteitsstelling en het voorrang geven aan het verwijderen van de risico’s . Waterbodemverontreiniging betreft de opname en vrijstelling van milieugevaarlijke stoffen in relatie tot de draagkracht en de kwaliteitsdoelstellingen van het aquatische milieu (in situ). Verder komt ook de problematiek van de ruimingsspecie aan de orde (ex situ). Beleidsprioriteiten zijn de afwerking van een sectoraal uitvoeringsplan Bagger- en Ruimingsspecie, het ruimen en saneren van waterlopen, slibverwerking volgens het batneec-principe en het beter onderbouwen van het waterbodembeleid. Bodemaantasting heeft betrekking op het verlies aan bodemkwaliteit als gevolg van onder meer bodemerosie, verlies van organisch materiaal, bodemafdichting, bodemverdichting, verzilting en verminderde diversiteit van bodemfauna en -flora. Op Europees niveau werd de ‘soil communication’ in juli 2002 goedgekeurd door de Europese Raad en werd de opmaak van een thematische strategie rond bodembescherming voorzien in het map 6. In 2003 kreeg het bodembeschermingsbeleid in Vlaanderen verder gestalte met het uitvoeren van de eerste erosiebestrijdingswerken en het voorbereiden van enerzijds wetgeving rond bodembescherming en anderzijds beheerovereenkomsten voor erosiebestrijding. Prioritair is de ontwikkeling van een beleidskader voor erosiebestrijding en een beleids- en juridisch kader voor bodemaantasting.

Opvolging van de plandoelstellingen ++

| 30% (± 22.500 gronden) van de gronden met potentieel bodembedreigende inrichtingen of activiteiten is onderzocht

Het aantal onderzochte gronden met potentieel bodembedreigende inrichtingen of activiteiten nam in 2003 toe met ongeveer 1.400. Eind 2003 was 25% (± 18.700 gronden) van de gronden onderzocht. De vooropgestelde doelstelling is haalbaar indien jaarlijks ongeveer 1.000 gronden met potentieel bodembedreigende inrichtingen of activiteiten worden onderzocht. In 2005 zal bijkomend onderzoek plaatsvinden van een aantal gronden i.k.v. woonzones en/of brownfields.


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 69

themabeleid

++

69

deel 2

| De sanering van 23% (± 2.450 gronden) van de gronden met historische

bodemverontreiniging is minstens opgestart (d.w.z. een project is conform verklaard) Het aantal gronden met potentieel bodembedreigende inrichtingen of activiteiten waarvan de sanering minstens is opgestart, neemt nog steeds per jaar toe met 292 in 2001, 315 in 2002 en 426 in 2003. Eind 2003 is de sanering van reeds 14% (1.535 gronden) van de gronden opgestart. De vooropgestelde doelstelling is haalbaar indien jaarlijks ongeveer 230 bodemsaneringsprojecten worden conform verklaard. Gelet op voorgaande jaren zal deze doelstelling gehaald worden.

+

waterlopen van eerste categorie is van de historische achter| Voor de onbevaarbare 3 3 stand ± 600.000 m aan ruimingen van hydraulische aard en ± 1.000.000 m aan saneringen van ecologische aard weggewerkt (geactualiseerde cijfers op basis v/h sup)

De hoeveelheid specie afkomstig van hydraulische ruimingen en saneringen van de onbevaarbare waterlopen van eerste categorie neemt jaarlijks toe met 86.000 m3 in 2001, 122.000 m3 in 2002, 180.000 m3 in 2003 en 147.000 m3 in 2004. Dit brengt het totaal eind 2004 naar schatting op 535.000 m3. Voor 2005 wordt een toename verwacht van 180.000 m3 specie.

+

| Minimaal 1.000.000 m3 van de hoeveelheid specie afkomstig van hydraulische ruimingen en ecologische saneringen is verwerkt volgens batneec (geactualiseerde cijfers op basis v/h sup)

De hoeveelheid specie afkomstig van ruimingen en saneringen van de onbevaarbare waterlopen van eerste categorie en verwerkt volgens batneec, neemt jaarlijks toe met 55.000 m3 in 2001, 54.000 m3 (incl. 6.400 m3 hergebruik als bodem) in 2002, 156.700 m3 in 2003 (incl. 7.700 m3 hergebruik als bodem) en 132.000 m3 in 2004. Dit brengt het totaal eind 2004 naar schatting op 398.000 m3. Opmerking: de hoeveelheid aan deponering op de oevers bedroeg 26.500 m3 in 2001, 68.000 m3 in 2002, 23.000 m3 in 2003 en 15.000 m3 in 2004 of 132.500 m3 in totaal. Voor 90% van de gemeenten met erosieknelpunten zijn erosiebestrijdingsplannen opgesteld De eerste goedgekeurde gemeentelijke erosiebestrijdingsplannen worden begin 2005 verwacht. Ter voorbereiding werden reeds een aantal dossiers voor de opmaak van een gemeentelijk erosiebestrijdingsplan goedgekeurd voor financiering (zie tabel met outputindicatoren). De ondersteuning van de gemeenten wordt voortgezet in 2005.

+

| Voor minimaal 20% van de actuele erosieknelpunten zijn erosiebestrijdings-

maatregelen op het terrein uitgevoerd en voor minimaal 5% van de potentiële erosieknelpunten is de huidige situatie op het terrein bestendigd. Ter voorbereiding van de uitvoering van erosiebestrijdingsmaatregelen op het terrein werden tot op heden een aantal dossiers voor het uitvoeren van kleinschalige erosiebestrijdingswerken goedgekeurd voor financiering (zie tabel met outputindicatoren). Voor de actuele knelpunten zijn reeds een aantal projecten op het terrein uitgevoerd. Met de bestendiging van de huidige situatie voor potentiële knelpunten wordt vermoedelijk in 2005 gestart.


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 70

Milieujaarprogramma

70

2005

Projecten en maatregelen Toelichting en evaluatie tot 2004 Bodemverontreiniging

Doorlopend vond de opvolging plaats van vrijwillige en verplichte bodemsaneringen. In 2003 werden ook dertig besluiten tot ambtshalve bodemsanering opgesteld. De verdere uitvoering van deze besluiten verliep in functie van de beperkte beschikbare budgetten voor de zgn. ambtshalve versnelling van bodemsanering. Naast de toepassing van de bestaande procedure (aanmaning, ingebrekestelling en besluit ambtshalve) om een versnelde ambtshalve sanering te realiseren, werd als bijzondere doelstelling voor 2003 een alternatieve aanpak ‘complexe verontreinigingen’ uitgewerkt. Begin 2004 werd gestart met een beperkt aantal proefprojecten. Om het essentiële belang van communicatie en participatie van diverse betrokkenen in de aanpak van brownfields nog sterker in de verf te zetten, werd begin 2004 een vernieuwde versie van de leidraad brownfieldontwikkeling (ook leidraad brownfieldmanagement genoemd) beschikbaar gesteld (www.ovam.be). In 2003 werd in het kader van de Samenwerkingsovereenkomst aan de gemeenten de optie geboden om een een financiële ondersteuning bij ovam aan te vragen voor het uitwerken van concepten en plannen bij de herontwikkeling van een brownfieldterrein. De gemeenten kunnen dit aanwenden voor het uitwerken van concepten en plannen bij de herontwikkeling van een brownfieldterrein. Verder is gewerkt aan de opvolging van de twintig lopende projecten. Op basis van de wijzigingen van het Bodemsaneringsdecreet (bsd) m.b.t. de sitegebonden aanpak van bodemverontreiniging en de systematiek voor prioriteitsbepaling voor aanpak van woonzones werden tot nu toe dertig woonzoneprojecten opgestart. Op basis hiervan is het draaiboek woonzones verder aangepast. In het kader van alternatieve financiering werden de financieringsbehoeften ingeschat en alternatieve financieringsmiddelen verder uitgewerkt. Het Fonds voor Benzinestations (Bofas) werd erkend door de Interregionale Bodemsaneringscommissie (ibc) begin 2004. De oprichting van twee andere sectorale fondsen voor bodemsanering is nog in voorbereiding nl. Fonds voor de Stookolietanks (Premaz) en de Droogkuissector . Een eerste wijzigingsbesluit van het vlarebo werd van kracht en een bijkomend wijzigingsbesluit definitief goedgekeurd. Vanaf 1 juli 2004 zijn de nieuwe bodemsaneringsnormen in voege (wijziging vlarebo van 14 juni 2002). De regelgeving rond het gebruik van uitgegraven bodem werd geïmplementeerd. Een voorstel tot wijziging van het Bodemsaneringsdecreet werd gefinaliseerd. Waterbodems

In de loop van 2002 en 2003 werd voor het wegwerken van de historische achterstand inzake ruimingen en de (eind)verwerking van de vrijgekomen specie intensief gewerkt aan de opmaak van het ontwerp sectoraal uitvoeringsplan Bagger- en Ruimingsspecie (sup) en het bijhorende analysedocument. Een regeling werd voorbereid (= afstemming van o.a. vlarebo, vlarea en vlarem) die een evenwicht zoekt tussen de bescherming van milieu, natuurontwikkeling en het nuttig gebruik van bagger- en ruimingsspecie conform het batneec-principe. Het doel ervan is om een belangrijk deel van het slib via behandelingstechnieken herbruikbaar te maken als bodem of bouwstof.


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 71

themabeleid

71

deel 2

De voorbije jaren werden zeshonderd meetplaatsen van het waterbodemmeetnet eenmaal bemonsterd. Op basis van deze gegevens wordt de waterbodemkwaliteit bepaald. Begin 2004 werd gestart met de bemonstering (volgens een opgesteld plan) van honderdvijftig meetpunten in 2004. In de periode 2004-2007 worden nl. opnieuw zeshonderd bemonsteringen voorzien. In 1999 werd ook gestart met de uitbouw van een sedimentmeetnet. Hiervoor worden in het voorjaar van 2004 tien nieuwe meetposten in het zuidelijke Demerbekken gebouwd die eind 2004 operationeel zullen zijn. Dit meetnet moet aangeven waar zich de belangrijkste sedimentbronnen bevinden als uitgangspunt voor het uitwerken van erosiewerende maatregelen. Een aantal pilootprojecten werd opgestart in de Vlaamse Ardennen met in totaal negen operationele meetposten. Bodemaantasting

De juridische basis voor bodembescherming werd verder voorbereid en een voorontwerp van decreet tot aanvulling van het dabm met een titel bodembescherming werd afgewerkt. Een intensieve opvolging van het Europese bodembeleid vond plaats met onder meer de voorbereiding van de eu-raadsconclusies (Soil policy) en deelname (driemaal) aan het Advisory Forum and Chair van de werkgroep Erosie. Om bodembescherming in het landbouwbeleid te integreren, werden verschillende voorstellen gedaan. Er werd nauw samengewerkt met het beleidsdomein landbouw om de “goede landbouw- en milieucondities” voorzien in de herziening van het landbouwbeleid mee vorm te geven. Hierbij werd gewerkt rond erosie, organische stof en bodemstructuur. In het kader van het subsidiebesluit ‘kleinschalige erosiebestrijdingsmaatregelen’ vond de begeleiding van gemeenten plaats en werden de eerste dossiers in 2002 goedgekeurd. Gelijklopend wordt praktijkervaring opgebouwd in het kader van de opvolging van kleinschalige erosiewerken. Twee nieuwe Interreg-projecten rond erosiebestrijding startten begin 2003. Verder werden voordrachten gehouden voor landbouwers, intensieve contacten onderhouden met gemeenten met erosieproblemen en voorbereidingen getroffen om beheerovereenkomsten erosiebestrijding te kunnen aanbieden aan landbouwers. Het uitvoeringsbesluit voor beheerovereenkomsten erosiebestrijding werd inmiddels gepubliceerd in het BS. Eind 2001 werd een code van goede praktijk voor het opmaken van een gemeentelijk erosiebestrijdingsplan opgesteld. Deze code wordt actueel gehouden op basis van de opgedane ervaring.

Opvolging mijlpalen en indicatoren Mijlpalen

Oorspronkelijke verwachting

Status

2005 MIDDEN

op schema

2004 BEGIN

gerealiseerd

2005 MIDDEN

op schema

Draaiboek aanpak woonzones is afgewerkt

2003 EINDE

gerealiseerd

Voorstel alternatieve financiering via Algemeen Fonds

2004 EINDE

op schema

Voorstel van gewijzigd Bodemsaneringsdecreet ingediend

2003 BEGIN

gerealiseerd

Een definitief ontwerp-SUP is opgesteld

2003 EINDE

gerealiseerd

Actieplan “Clusteraanpak voor bodemonderzoeken van bedrijven terreinen” is opgesteld Leidraad brownfieldontwikkeling is afgewerkt Afronding van een eerste omvangrijk woonzoneproject

Bodemsanering is ingediend

Huidige verwachting


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 72

Milieujaarprogramma

72

2005

Mijlpalen (vervolg)

Oorspronkelijke verwachting

Status

2004 EINDE

op schema

2003 MIDDEN

gerealiseerd

Beheerovereenkomsten-erosie worden operationeel

2005 MIDDEN

op schema

Voorstel beheerovereenkomsten-erosie goedgekeurd door

2003 MIDDEN

gerealiseerd

Code van goede praktijk voor ecologische saneringen

Huidige verwachting

en hydraulische ruimingen is uitgewerkt Voorstel van een titel “bodembescherming” in het DABM is ingediend

de Europese commissie

Indicatoren

Realisatie

Doelstelling

Aantal betrokken gezinnen woonzoneprojecten

11.300 (2003)

12.500 (2007)

Aantal dossiers waarvan de versnelde ambtshalve bodemsanering is opgestart

85 (2004)

200 (2007)

Aantal opgestarte woonzoneprojecten

30 (2004)

44 (2007)

Aantal operationele meetposten sedimentatie

19 (2004)

21 (2005)

Aantal opgestarte projecten brownfields waar OVAM zelf uitvoerende taken 8 (2003)

25 (2007)

op zich neemt Aantal opgestarte projecten brownfields waarbij OVAM enkel begeleidend optreedt

5 (2003)

25 (2007)

24 (2004)

40 (2005)

62 (2004)

75 (2005)

Aantal opgestelde waterbodemsaneringsprojecten

2 (2004)

5 (2007)

Totaal areaal met vlakbedekkende erosiebestrijdingsmaatregelen

0 (2004)

125 (2007)

1 (2004)

11 (2007)

Aantal goedgekeurde dossiers voor het uitvoeren van kleinschalige erosiebestrijdingswerken Aantal goedgekeurde dossiers voor de opmaak van een gemeentelijk erosiebestrijdingsplan

(verplicht of via beheerovereenkomsten) (ha) Aantal opgestelde waterbodembeheerplannen

Aanpak jaar 2005 Project: Bodemsanering

Wat betreft ambtshalve versnelling kan, mits goedkeuring van het gevraagde budget, de vooropgestelde doelstelling gehaald worden. De opstart van enkele proefprojecten “complexe verontreinigingen” wordt voorzien. De lokale overheid wordt ondersteund bij de uitwerking van brownfieldprojecten via de samenwerkingsovereenkomsten die gemeenten kunnen afsluiten met het Vlaamse Gewest. Projectvoorstellen die kaderen in het lokaal milieubeleid en tegelijkertijd een geïntegreerde aanpak en een maatschappelijke meerwaarde nastreven kunnen in aanmerking komen voor een financiële ondersteuning. De gemeenten wiens voorstel in aanmerking komt, worden verder begeleid bij de uitwerking van hun project. Verder wordt intensief prospectie gevoerd naar potentieel verontreinigde woonzones, waarbij verschillende mogelijkheden van aanpak worden onderzocht. Randvoorwaarde voor de opstart van de geplande dossiers “complexe verontreiniging” en projecten van woonzones is de goedkeuring van de nodige budgetten.


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 73

themabeleid

73

deel 2

Vanaf 2005 zal bijzondere aandacht gaan naar (1) het geven van aanzetten om de beschikbare middelen, zowel bij de overheid als bij de saneringsplichtigen optimaler in te zetten. Hiertoe zal ook het bodemsaneringsdecreet geëvalueerd worden, (2) de integratie van bodemsanering in een ruimer maatschappelijk kader, waarbij enerzijds voorstellen worden uitgewerkt om de bodemsanering meer af te stemmen op maatschappelijke en bedrijfsprocessen en anderzijds de vroegere doelstellingen rond brownfields en woonzones hierin te integreren. Specifiek zullen hierbij ook concepten uitgewerkt worden voor beheersstrategiën voor complexe bodemverontreinigingen en voor waterbodemsanering, (3) realiseren van een meer billijke verdeling van de saneringslast met een verdere uitwerking van het luik “alternatieve financiering” waarin de mogelijkheid onderzocht werd om de financiële last voor diverse saneringsplichtigen te solidariseren, (4) ontwikkelen van operationele middelen om gesaneerde gronden met restverontreiniging, alsook om verontreinigde gronden waarop sanering niet noodzakelijk is, te beheren. Wat betreft ambtshalve versnelling kan, mits goedkeuring van het gevraagde budget, de vooropgestelde doelstelling gehaald worden. De opstart van enkele proefprojecten “complexe verontreinigingen” wordt voorzien. Project: Waterbodemverontreiniging

De planmatige aanpak voor de sanering en ruiming van waterlopen met een Triadekwaliteitsbeoordeling 3 en 4 die werd uitgewerkt via een waterbodembeheerprogramma (met waterbodembeheerplannen met waterbodemsanerings- en ruimingsprojecten) wordt verdergezet in 2005. Deze waterbodembeheerplannen maken deel uit van de (deel)bekkenbeheerplannen. Het bekkenbeheerplan van de Nete wordt begin 2005 voltooid. De deelbekkenbeheerplannen voor het Dender- en het Ijzerbekken zullen midden 2005 gefinaliseerd worden. Zie verder ook het thema ‘Integraal waterbeleid’. Project: Bodembescherming

Inzake bodemaantasting wordt medewerking verleend aan de voorbereiding van het Europese bodembeleid. De ontwikkeling van een structuur voor een gegevensdatabank en indicatoren is voorzien. Een onderzoek wordt opgestart naar de eigenschappen en het voorkomen van waardevolle bodems. In het kader van erosiebestrijding worden de activiteiten verder gezet in het kader van het subsidiebesluit inzake de uitvoering van kleinschalige erosiebestrijdingsmaatregelen door gemeenten. Dit omvat onder meer het begeleiden, evalueren en bijsturen van de opmaak en uitvoering van erosiebestrijdingsplannen. Een code van goede praktijk wordt voorbereid voor het uitvoeren van kleinschalige erosiebestrijdingswerken. Ook wordt verder nagegaan hoe erosiebestrijding kan geïntegreerd worden in andere beleidsdomeinen zoals landbouw en ruimtelijke ordening. Een kader voor het verwijderen van in erosiepoelen en achter dammetjes opgevangen grond wordt ontwikkeld en verdere sensibilisering van onder meer landbouwers en gemeenten is gepland. Beheersovereenkomsten erosie met landbouwers worden operationeel. Een coördinatie van verschillende erosiebestrijdingsinitiatieven (o.a. Interreg-projecten, provincies) is voorzien. Ook is onderzoek naar efficiëntie, nieuwe ontwikkelingen en schaalgrootte van erosiebestrijding gepland en worden gegevens over de toestand van actuele erosie op het terrein verder verzameld. De uitbouw van een Steunpunt inzake Erosiebestrijding wordt voorzien.


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 74

Milieujaarprogramma

74

2005

Maatregelen naast het project ‘Bodemsanering’

Doorlopend vindt de opvolging van de vrijwillige en verplichte bodemsaneringen plaats en het sturen van de grondstromen bij het gebruik van uitgegraven bodem. Als bijzonderheden onder deze algemene maatregel kan o.a. de ondertekening van het addendum I op de convenant m.b.t. bodemsanering van de in het Vlaamse gewest gelegen Union Miniere vestigingen, worden vermeld. Ook de regeling van het grondverzet die sinds 1 april 2004 voor iedereen van kracht is, wordt vanaf heden onder deze maatregelen vermeld (vroeger verfijning wetgeving, zie ook uitbreiding formulering algemene maatregel). Het verder onderbouwen van de regeling zelf en het bijsturen van bestaande procedures en van de codes van goede praktijk voor het werken met uitgegraven bodem is voorzien en een planmatige aanpak voor het grondverzet binnen potentieel verontreinigde regio’s dringt zich op. Inzake alternatieve financiering wordt de oprichting van het Algemeen Fonds inzake Bodemsanering verder voorbereid. Verder wordt het Fonds voor de Financiering van de Droogkuissector uitgewerkt. Voor de financiering van de sanering van particuliere stookolietanks vinden besprekingen plaats tussen de drie gewesten en het federale niveau. Inhoudelijke ondersteuning voor het dabm en het Europese bodembeleid m.b.t. bodemverontreiniging is voorzien. Inzake handhaving worden pv’s opgesteld bij manifeste gevallen van inbreuk op de regelgeving voor bodemsanering en voor deze specifieke gevallen zal intensieve opvolging voorzien worden. Maatregelen naast het project ‘Waterbodemverontreiniging’

In de (deel)bekkenbeheerplannen wordt een prioritering voor ruimingen en saneringen van waterbodems uitgewerkt. De regelgeving inzake hergebruik van specie wordt gefinaliseerd. Ook de opmaak van een besluit overde erkenning van labo’s voor de bemonstering en analyse van waterbodems is voorzien. De tweede reeks van bemonsteringen van waterbodems op zeshonderd meetplaatsen wordt verder gezet met honderdvijftig meetplaatsen in 2004 en 150 in 2005. De keuze van de honderdvijftig monsters is telkens afhankelijk van mogelijke uitgevoerde saneringswerkenzoals effectieve bagger- of ruimingswerken, afsluiten van belangrijke lozingen, ... Dit waterbodemmeetnet wordt uitgebreid met extra parameters zoals dikte van de sliblaag, breedte van de bedding, schattingen van hoeveelheden. Bovendien wordt de mogelijkheid voorzien analyseresultaten te toetsen aan verschillende normeringskaders (bv. Triade, Uniforme gehalte toets uit de vierde nwh, vlarea). Alle gegevens worden opgenomen in de Waterbodemdatabank en voor alle waterloopbeheerders toegankelijk gemaakt. Verder wordt een onderzoeksproject voorzien waarbij het ecologisch herstel van een gesaneerde waterbodem onderzocht wordt. Het verspreidingsrisico en de ecologische risico’s van verontreinigde ruimingsspecie op de oevers van onbevaarbare waterlopen wordt verder onderzocht. Maatregelen naast het project ‘Bodembescherming’

Via advisering van de instrumenten plan- en project-mer en stedenbouwkundige vergunningen (± tienduizend dossiers per jaar in het agrarisch gebied) worden de inrichtingen, constructies of activiteiten die mogelijk bodemaantasting kunnen veroorzaken beoordeeld en desgevallend bijgestuurd.


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 75

themabeleid

75

deel 2

Begroting Voor het thema in zijn globaliteit wordt in 2005 voorzien in iets meer dan 20.000 keuro aan beleidskredieten. Bodemverontreiniging

In 2005 zijn er twee nieuwe begrotingsposten voorzien, waarin een krediet van 1.550 keuro staat ingeschreven voor de convenant met umicore en een kapitaaloverdracht van 300 keuro aan de openbare besturen. Waterbodems

Het beschikbare krediet voor 2005 is gereduceerd t.o.v. 2004 zodat minder grote slibruimingen zullen kunnen worden uitgevoerd. Bodemaantasting

Het beschikbare krediet voor 2005 is in vergelijking met het krediet in 2004 gereduceerd voornamelijk voor subsidies aan gemeenten i.k.v. erosiebestrijding (van 2.412 naar 1.799 keuro).


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 76

Milieujaarprogramma

76

2005

8. Verontreiniging door afvalstoffen Inleiding Productie van afval betekent verlies van grondstoffen, energie en ruimte. De opslag, het transport en de verwerking, of kortweg het afvalbeheer, kan diverse vormen van verontreiniging veroorzaken. Het is bovendien nauw verbonden met het energie- en grondstoffenvraagstuk. Ongeveer 90 % van de totale afvalhoeveelheid zijn bedrijfsafvalstoffen. Het aandeel gevaarlijke afvalstoffen is bovendien grotendeels van bedrijfsmatige oorsprong. De klemtoon van het Afvalstoffendecreet en uitvoeringsbesluiten – gebundeld in het Vlaams reglement inzake Afvalvoorkoming en -beheer (vlarea) – is door herhaalde wijzigingen verschoven van definitieve verwijdering naar het voorkomen en nuttig toepassen van afvalstoffen. Het zwaartepunt van de beleidsvoorbereiding verschuift naar het Europese niveau, waarbij wordt gestreefd naar een minimale verstoring van zowel het milieu als de interne markt. Prioritair in dit jaarprogramma blijft preventie, hergebruik en recyclage van afvalstoffen. Verder ligt de klemtoon op een maximale energieterugwinning uit hoogcalorisch afval, een sterkere profilering op Europees niveau en handhaving.

Opvolging van de plandoelstellingen

| Bedrijfsafvalstoffen: de hoeveelheid afval verminderen t.o.v. 2002 De totale productie bedrijfsafval – de som van primair en secundair bedrijfsafval – vertoont een stijgende trend. De totale hoeveelheid primair geproduceerde bedrijfsafvalstoffen – primair afval ontstaat op het moment dat een product voor het eerst afval wordt – nam globaal toe van 12,7 miljoen ton in 1992 tot 18,4 miljoen ton in 1998 maar bleef sindsdien t.e.m. 2002 vrij stabiel. Voor een trendbepaling na 2002 (= referentiejaar) zijn nog onvoldoende gegevens beschikbaar. Preventie van bedrijfsafval zal blijvend worden gestimuleerd vooral door maatregelen m.b.t. sensibilisering, informatieverlening en subsidiëring o.a. voorzien in het project ‘Afvalvoorkoming via proces- en productbeleid’. Aandacht gaat hierbij zowel naar kwantitatieve als kwalitatieve preventie. De hoeveelheid secundair afval – afkomstig van afvalverwerkende bedrijven – blijft globaal toenemen (8,0 miljoen ton in 2002). Een belangrijke oorzaak van deze stijging is dat steeds meer afval geconditioneerd wordt. Het ondergaat een aantal uiteenlopende voorbehandelingsstappen vooraleer het zijn definitieve bestemming in recyclage of verwijdering vindt. Aangezien elke stap het afval opsplitst in verschillende fracties of het van aard en samenstelling doet veranderen, moet de output van al deze voorbehandelingsstappen meegeteld worden. Hierdoor kan het totaalcijfer stijgen.

| Bedrijfsafvalstoffen: de productie van afval blijft meer achter op de economische groei t.o.v. 2002

De totale hoeveelheid primair geproduceerde bedrijfsafvalstoffen is tussen 1992 en 2002 sneller gestegen dan het Bruto Regionaal Product (brp = Vlaams bbp). De productie van primair bedrijfsafval is voor deze periode nog niet losgekoppeld van de economische groei. Voor een trendbepaling vanaf 2002 (= referentiejaar) zijn nog onvoldoende gegevens beschikbaar.


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 77

themabeleid

–

77

deel 2

| Bedrijfsafvalstoffen: de hoeveelheid definitief verwijderd afval vermindert met minstens 20% t.o.v. 2000 (2010)

De totale hoeveelheid gestorte bedrijfsafvalstoffen nam af van 5,56 miljoen ton in 1992 tot gemiddeld 3 miljoen ton in de periode van 1997 t.e.m. 2000. In 2002 was er een stijging tot 4,1 miljoen ton. Hoewel verbranden de voorkeur geniet boven storten, werd in 2002 nog steeds meer bedrijfsafval gestort (14,0% van het bedrijfsafval) dan verbrand (1,4 miljoen ton of 5,1%). Aanvullend aan de aanpak inzake hergebruik en preventie wordt een daling nagestreefd d.m.v. heffingen op storten, stort- en verbrandingsverboden voor recycleerbare afvalstoffen, de regelgeving inzake secundaire grondstoffen, het exportverbod voor te verwijderen afval, de aanvaardingsplichten en de wet op de ecotaks. Selectieve inzameling van afvalstromen bij bedrijven zal verder worden gestimuleerd.

+

| Huishoudelijke afvalstoffen: de totale hoeveelheid afval blijft minstens gelijk of vermindert t.o.v. 2000

De totale hoeveelheid geproduceerde huishoudelijke afvalstoffen per inwoner nam toe van 405 kg in 1991 tot 559 kg in 2001. In 2003 was er een afname van ongeveer 24 kg per inwoner t.o.v. 2001. De trendbreuk naar een vermindering van de huishoudelijke afvalberg lijkt dus ingezet. Het aandeel selectief ingezameld afval steeg hierbij van 67,7% in 2001 naar 70% in 2003 en gaat nagenoeg volledig naar hergebruik of wordt gerecycleerd of gecomposteerd. In het uitvoeringsplan Huishoudelijke Afvalstoffen (2003-2007) gaat extra aandacht naar preventie, hergebruik, compostering en recyclage. Een preventieve aanpak wordt bijkomend uitgewerkt in het project ‘Afvalvoorkoming via proces- en productbeleid’. Prioritaire maatregelen zijn het stimuleren van milieubewustwording, het verminderen van het aanbod aan wegwerpverpakkingen en het hergebruik ervan stimuleren, het hergebruik van producten bevorderen evenals de stimulering van thuiscompostering.

+

| Huishoudelijke afvalstoffen: de productie van afval blijft meer achter op de groei van de consumptie t.o.v. 2000

De productie van huishoudelijke afvalstoffen per consumptie-eenheid in de periode 1996 - 2001 vertoont een dalende trend. De resultaten geven de start aan van een ontkoppeling tussen de afvalproductie en consumptie.

| Huishoudelijke afvalstoffen: de hoeveelheid definitief verwijderd afval vermindert

+++

tot gemiddeld 150 kg per inwoner

De totale hoeveelheid gestorte en verbrande huishoudelijke afvalstoffen per inwoner verminderde aanzienlijk van 325 kg in 1995 tot 161 kg in 2003. Positief is ook dat het aandeel verbranden (85% in 2003) verder is toegenomen t.o.v. het aandeel storten (15% in 2003). Belangrijke gerealiseerde maatregelen in dit verband zijn de hogere heffingen voor storten van huishoudelijke afvalstoffen, het instellen van stortverboden op bepaalde afvalstoffen, een verbeterde invulling en een uitbreiding van de beschikbare capaciteiten bij verbrandingsinstallaties en het nauwgezet opvolgen van de afwijkingen op de stortverboden. Het uitvoeringsplan Huishoudelijke Afvalstoffen 2003-2007 blijft deze aanpak volgen. Zo wordt onder meer voorgesteld om de capaciteit voor storten verder te beperken en af te bouwen.


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 78

Milieujaarprogramma

78

2005

Projecten en maatregelen Toelichting en evaluatie tot 2004 In het kader van een beleidsondersteunende studie is een lijst van prioritair aan te pakken bedrijfsafvalstoffen opgesteld. Campagnes werden gevoerd om bedrijven aan te zetten tot een meer eco-efficiënte bedrijfsvoering. Het presti-4 programma is verder gezet en het presti-5 programma is in zijn tweede uitvoeringsjaar. Informatieverlening en sensibilisering vond onder meer plaats via stip (Steunpunt en Informatiecentrum voor Preventie van Afval) en Factor 10 (Vlaams Informatiepunt voor Ecodesign). Een project ‘Eco-Efficiëntie indicatoren’ startte met als doel sectorspecifieke handleidingen te generen die bedrijven kunnen helpen efficiënter om te gaan met deze kengetallen. In het kader van de voorbereiding van het sectoraal uitvoeringsplan (sup) ‘houtafval’ werd een onderdeel preventie uitgewerkt. In het kader van het sup ‘slib’ treffen de sectoren voorbereidingen voor het opstellen van een code van goede praktijk om het ontstaan van slib te voorkomen en de kwaliteit van het slib te verbeteren. Stimulering van preventie van huishoudelijke afvalstoffen gebeurde onder meer via sensibiliseringscampagnes. Ook werd een actieplan voor afvalpreventie op school uitgevoerd, gebruiksklare info over milieuvriendelijke producten aangeleverd over milieuzorg bij openbare besturen, een handboek milieuvriendelijk consumeren verspreid en tuinaannemers gesensibiliseerd in samenwerking met vlaco. Een set preventie-indicatoren werd ontwikkeld. De uitvoering van een pakket aan preventieve acties vond verder plaats in het kader van het sup ‘huishoudelijke afvalstoffen’. Wat betreft bedrijfsafvalstoffen werd via het sup ‘bouw- en sloopafval’ een aanpak voor selectief slopen uitgewerkt. Nieuwe initiatieven omtrent selectieve inzameling werden eveneens voorbereid in het kader van het sup ‘gescheiden inzameling van bedrijfsafval van kleine ondernemingen’. Binnen de samenwerkingsovereenkomst betreffende de preventie en het beheer van verpakkingsafval werd een actieplan voor kleine ontpakkers goedgekeurd. De regelgeving over het gebruik van afvalstoffen als secundaire grondstoffen werd aangepast en uitgebreid. In het kader van het sup ‘huishoudelijke afvalstoffen’ startten twee proefprojecten voor gedifferentieerde tarifering (diftar). Selectieve inzameling werd versneld via een geografische uitbreiding. Gemeenten startten diverse proefprojecten om inzamelscenario’s te evalueren die afwijken van het Fost-Plusscenario. Een verdere uitbouw van kringloopcentra vond plaats en opnieuw werd een vijfjarige samenwerkingsovereenkomst met de Koepel van Vlaamse Kringloopcentra (kvk) afgesloten. Proefprojecten ter stimulering van herbruikbare drankverpakking werden opgestart. Het gebruik van herbruikbare drinkbekers op evenementen werd onderzocht en gepromoot. Stimulering van thuiscompostering gebeurde via het netwerk van compostmeesters, structureel ondersteund door vlaco. Optimalisatie van de milieubeleidsovereenkomsten (mbo) vond plaats om hergebruik en recyclage – en waar mogelijk preventie – van afvalstoffen te bevorderen. Voor de mbo afvalbanden werd een akkoord bereikt met de beroepsorganisaties voor een nieuwe mbo. Voor batterijen en loodstartbatterijen is een mbo afgesloten. Inzake vervallen geneesmiddelen is met de sector een overeenkomst afgesloten in afwachting van een nieuwe mbo. Een sensibiliseringscampagne vond plaats. Energierecuperatie bij verbranden werd planmatig uitgewerkt in een sup ‘hoogcalorisch afval’, dat startte in 2004. Een voorstel van vlarem-wijziging inzake afvalverbranding werd goedgekeurd en is in werking getreden op 13 februari 2004. Een nieuwe richtlijn


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 79

themabeleid

79

deel 2

inzake storten gaf aanleiding tot herziening van alle stortvergunningen. Verder vond een campagne plaats om particuliere afvalverbranding tegen te gaan. Ter voorbereiding van het sup ‘bagger- en ruimingsspecie’ (zie ook thema ‘Verontreining en aantasting van de bodem’) werd een analysedocument opgemaakt en een studie naar de beschikbare verwerkingstechnieken uitgevoerd. Na de openbare inspraakprocedure is het aan de Vlaamse Regering om het aangepaste ontwerp sup goed te keuren. Voor de verwijdering van asbest en pcb wordt verwezen naar het thema ‘Verspreiding van milieugevaarlijke stoffen’. Een aanpak werd uitgewerkt inzake het verwijderen van krengen, dierlijk afval en ander organisch-biologisch afval ten gevolge van calamiteiten op het vlak van hygiëne en volksgezondheid (bse, pcb/dioxines en mpa-vervuilde stroop). Een reeds gedeeltelijk vernieuwd financieringssysteem voor veehouders inzake krengenophaling werd uitgewerkt. En ter uitvoering van het Belgisch (federaal-regionaal) protocol inzake dierlijk afval dat vrijkomt in slachthuizen en slagerijen, startte de praktische uitwerking en omzetting in Vlaamse wetgeving. Dit protocol wordt verder geactualiseerd naar aanleiding van de Europese Verordening (Nr.) eg 1774/2002 van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten. In het kader van het sup ‘organisch-biologisch’ afval werd door de federale bevoegde overheid een definitief verbod ingevoerd op vervoederen van keukenafval en etensresten. Talrijke terreincontroles werden uitgevoerd in functie van de lopende mbo’s. Een actieprogramma om het zwerfvuil te verminderen werd opgestart in het kader van het sup ‘huishoudelijke afvalstoffen’. Een inventarisatie en controle van de ophalers en smelters van gebruikte frituurvetten en -oliën vond plaats. Verscherpte controles op de toepassing van het verlaagd tarief voor het verbranden en storten van recyclageresidu’s werden uitgevoerd. Wat betreft in- en uitvoer werd een onderzoek afgerond naar afvaltransporten die gewestgrenzen overschrijden. Een proefproject voor afvalmeldingen via internet werd gestart (zie ook deel ‘Instrumenten’). Beleidsevaluatie vond plaats op niveau van projecten of uitvoeringsplannen. Een onderzoeksrapport over de Europese Verordening inzake dierlijke bijproducten werd opgemaakt. In uitvoering van de richtlijn inzake ontvangst en verwerking van scheepvaartafvalstoffen is een afvalbeheersplan in voorbereiding in overleg met de sector.

Opvolging mijlpalen en indicatoren Mijlpalen

Oorspronkelijke verwachting

Status

2007 MIDDEN

op schema

2004 MIDDEN

gerealiseerd

2005 MIDDEN

op schema

Start eco-efficiëntiecampagne

2004 EINDE

op schema

Subsidiebesluit lokale overheden is geactualiseerd

2003 EINDE

gerealiseerd

Nieuw subsidiëringsprogramma ter ondersteuning van

2003 BEGIN

gerealiseerd

2003 EINDE

gerealiseerd

Definitief actieprogramma voor vier prioritaire bedrijfsafvalstoffen (dierlijk, textiel/ productiegebonden slib, gemengd ongedifferentieerd, zuren/basen) Finalisering studie en publicatie i.v.m. indicatoren eco-efficiëntie Ontwikkeling eco-efficiëntiescan

de kringloopcentra is goedgekeurd door VR Gewijzigd VLAREA is goedgekeurd door VR

Huidige verwachting


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 80

Milieujaarprogramma

80

2005

Mijlpalen (vervolg) Aanpassing wetgeving inzake dierlijke bijproducten

Oorspronkelijke verwachting

Status

2005 MIDDEN

op schema

2005 MIDDEN

op schema

Huidige verwachting

(dierlijk afval) Actieprogramma scheepvaartafvalstoffen is opgesteld

Indicatoren Aantal goedgekeurde PRESTI-5 projecten Jaarlijkse omzet kringloopcentra (miljoen euro) Aantal goedgekeurde MBO’s Aantal thuiscomposteerders (% van de bevolking) Aantal uitgereikte milieucharters aan bedrijven i.k.v. PRESTI-4 Aantal gescreende bedrijven d.m.v. een eco-efficiëntiescan Afwijkingen op stortverboden op jaarbasis (som van HA en BA-cat.2 x 1000 ton)

Realisatie

Doelstelling

23 (2004)

28 (2005)

15,5 (2004)

17,8 (2005)

6 (2004)

12 (2007)

34 (2003)

40 (2007)

549 (2004)

640 (2005)

0 (2004)

100 (2006)

650 (2004)

200 (2007)

Aanpak jaar 2005 Organisatie en planning van de beleidsvoorbereiding en - uitvoering

Voor hoogcalorisch afval (zie project ‘Hoogcalorisch afval’), huishoudelijke afvalstoffen (zie project ‘Uitvoeringsplan Huishoudelijke afvalstoffen’) en een aantal bedrijfsafvalstoffen (hout, organisch biologisch, slib, bouw – en sloopafval, bedrijfsafval van kleine ondernemingen en bagger - en ruimingsspecie) wordt een verdere (jaarlijkse) programmering van het afvalstoffenbeleid voorzien in het kader van sectorale uitvoeringsplannen (zie bijgevoegd schema). Aanvullend aan deze sectorale plannen met bijhorende programmering, worden specifieke actieprogramma’s (zie ‘actieprogramma scheepvaartafvalstoffen’) en maatregelen (die al dan niet deel uitmaken van een project) voorzien. De nodige beleidsvoorbereiding inzake verruiming en vernieuwing van het afvalstoffenbeleid wordt verdergezet om tegemoet te komen aan de bestaande trend (op het vlak van preventie en recyclage, eco-efficiëntie, duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen, beleidsintegratie, etc.) van verschuiving van afvalbeheer naar een integraal of duurzaam materialenbeleid (zie ook algemeen kader, project ‘Beleid gericht op voorraden’). Sectorale uitvoeringsplannen (SUP) afvalstoffen 2003

2004

2005

2006

2007

Project ‘Hoogcalorisch afval’ • opmaak plan

• start uitvoering

• opmaken en uitvoeren van jaarlijkse actieprogramma’s

• openbaar onderzoek • goedkeuring door VR

• voortgangsrapport

Project ‘Huishoudelijke afvalstoffen (2003-2007)’ • opmaken en uitvoeren van jaarlijkse actieprogramma’s • voortgangs-rapport

• voortgangsrapport

• evaluatierapport


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 81

themabeleid 2003

81

deel 2

2004

2005

2006

• start uitvoering

• opmaken en uitvoeren van jaarlijkse actieprogramma’s

2007

Houtafval • opmaak plan • openbaar onderzoek • goedkeuring door VR

• voortgangsrapport

Organisch biologisch • Voortgangsrapport 2002-2003

• Evaluatie o.a. voortgangsrapport

• openbaar onderzoek • goedkeuring VR

2004-2005

• opmaken en uitvoeren van jaarlijkse actieprogramma’s

• start opmaak plan Slib • opmaken en uitvoeren van jaarlijkse actieprogramma’s • voortgangsrapport

• voortgangsrapport

Bouw- en sloopafval • evaluatie

• openbaar onderzoek

• opmaak nieuw plan

• goedkeuring door VR • opmaken en uitvoeren van jaarlijkse actieprogramma’s • voortgangsrapport

Gescheiden inzameling van bedrijfsafval van kleine ondernemingen • opmaak GISTI-programma (*) • voortgangsrapport Bagger- en ruimingsspecie • goedkeuring door VR

• opmaken en uitvoeren van jaarlijkse actieprogramma’s • voortgangsrapport(*)

Gescheiden inzameling stimulerend programma - voorbereiden opstart incontinentieafval in Rust en Verzorgingstehuizen (RVT’s).

Project: Prioritaire bedrijfsafvalstoffen

Dierlijk afval, gemengd ongedifferentieerd bedrijfsafval, textielafval en productiegebonden slib, zuren en basen en het slib van oppervlakte behandeling van metalen zijn geselecteerd om bij prioriteit planmatig te worden aangepakt. Voor deze geselecteerde bedrijfsafvalstoffen zullen, indien nodig kwantitatieve doelstellingen voor preventie, hergebruik en recyclage in overleg met de betrokken sector(en) worden vastgelegd. Een voorstel van instrumentenmix – al dan niet gestructureerd in een uitvoeringsplan – zal worden opgemaakt. Dit geldt onder meer voor de regelgeving i.v.m. het gebruik van afvalstoffen als secundaire grondstof. De mogelijkheden van een verhoogd gebruik van gerecycleerde materialen en hun afzetmarkt worden onderzocht. Het gebruik van gerecycleerde materialen zal worden gestimuleerd door gericht onderzoek, kennisopbouw samen met de nodige stimulering. Project: Hoogcalorisch afval

Acties zijn voorzien voor een verbeterde selectieve inzameling van hoogcalorisch afval. De instrumenten om het storten van hoogcalorisch afval tegen te gaan zoals heffingen, exportverbod en het verbod op storten van ongesorteerd afval, worden effectiever gemaakt. Gelijktijdig worden de (economische) instrumenten operationeel voor de realisering van de meest geschikte verwerkingscapaciteit en een doeltreffende energiewinning. De financiële tussenkomst dient gradueel te zijn in functie van de hoogte van de energieprestatiemaat (epm). De mogelijkheden van meeverbranden van hoogcalorisch afval worden verder onderzocht.


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 82

Milieujaarprogramma

82

2005

Handhaving van de stortverboden en exportverbod op verwijdering zullen bijdragen tot het verhogen van de effectiviteit. Project: Afvalvoorkoming

Een nieuwe mediacampagne over eco-efficiëntie in bedrijven wordt gevoerd. Deze zal waarschijnlijk in het teken geplaatst worden van een nieuw op te starten programma (E2-scan) dat tot doel heeft om eco-efficiëntie te stimuleren bij kmo’s. presti-5 wordt verder gezet en mambo verder verspreid. Via de eco-efficiëntiewerking wordt de bedrijfswereld verder geïnformeerd en gesensibiliseerd. Het overleg met de federale overheid rond productbeleid wordt verder geïntensiveerd. Een stimulatie van de bewustwording en gedragsverandering van de doelgroepen is verder ook gepland via het zgn. doelgroepenbeleid (zie deel ‘Actoren’). Project: Uitvoeringsplan Huishoudelijke Afvalstoffen

Het uitvoeringsplanplan omvat 131 acties i.f.v. preventie, hergebruik, selectieve inzameling, recyclage en eindverwerking van huishoudelijke afvalstoffen. In de uitvoering worden volgende accenten gelegd: de acties ter bevordering van preventie en hergebruik zijn rechtstreeks gericht naar de consument (zowel fractiegebonden als doelgroepgebonden acties) of onrechtstreeks via de producent/invoerder. Inzake preventie worden deze doelgroepen verder bewust gemaakt van hun verantwoordelijkheid, hun rol en de mogelijkheden van preventie. Het principe ‘de vervuiler betaalt’ wordt na onderzoek en overleg verder ingevuld via een voorstel van gepaste financieringssystemen. De bewustwording en gedragsverandering van de doelgroepen verder gestimuleerd waarbij informatievoorziening, sensibilisering en het afsluiten van vrijwillige overeenkomsten centraal staan. Zo wordt de toepassing van de producentenverantwoordelijkheid geoptimaliseerd via aanvaardingsplichten en mbo’s. De aanpak inzake verpakkingsafval wordt vooral interregionaal (ivc) gerealiseerd door de invulling van de nieuwe erkenning van Fost Plus, met aandacht voor hervulbare verpakkingen en zwerfvuil (o.a. handhaving). Een accent inzake hergebruik ligt op herstelarbeid en de sortering van grofvuil i.f.v. herbruikbaarheid, met de kringloopcentra als spil. vlaco wordt verder uitgebouwd als een kennis- en coördinatiecentrum voor zowel professioneel- als thuiscomposteren en kringlooptuinieren. Handhaving van de stortverboden en exportverbod op verwijdering zullen bijdragen tot het verhogen van de effectiviteit. Voor de restfractie van het huishoudelijk afval, categorie-2-bedrijfsafval en hoog-laagcalorische fracties uit voorbehandelingsinstallaties (zie sup hoogcalorisch afval voor de verwerking van de hoogcalorische fracties ), wordt de stort- en verbrandingscapaciteit verder planmatig aangepakt. Het beheer- en opvolgingssysteem en/of online beschikbare informatie over vraag en aanbod worden verder verfijnd. Ook de milieuheffingen worden aangepast (zie ook deel ‘Instrumenten’) voornamelijk in functie van een verbetering van het energierendement. Gericht onderzoek en kennisopbouw

Het twol-programma zal meer gericht worden op strategisch onderzoek. Er wordt een globaal onderzoekskader uitgewerkt. De onderzoekslijnen hebben betrekking op beleidsvoorbereidend onderzoek, de efficiëntie en effectiviteit van het gevoerde beleid en meer stroomgebonden onderzoek.


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 83

themabeleid

83

deel 2

Implementatie verordening dierlijke bijproducten

Dit nieuwe Europese beleidskader voor dierlijke bijproducten ( waaronder afvalstoffen van dierlijke oorsprong vallen) heeft als doel de voedselveiligheid in brede zin te maximaliseren op basis van o.a. risico-analyse, transparantie en naspeurbaarheid (traceerbaarheid) van de verschillende schakels in de keten (van productie tot en met eindverwerking). Hoewel de verordening rechtstreeks toepasbaar is, wordt een herziening voorbereid van het Afvalstoffendecreet, het besluit van de Vlaamse Regering betreffende de ophaling en de verwerking van dierlijk afval en het vlarem. Een verdere planmatige opvolging, overleg en communicatie is voorzien. In 2004 wordt verder een inventarisatie, analyse en eerste evaluatie van de ingevoerde wetgeving gepland. Actieprogramma scheepvaartafvalstoffen

Naast de omzetting van de richtlijn 2000/59/eg betreffende havenontvangstvoorzieningen voor scheepsafvalstoffen en ladingsresiduen in het vlarea onderafdeling xii Afval van scheepsvaart, zal een actieprogramma voor de aanpak van scheepvaartafvalstoffen worden opgemaakt. Dit zal gebeuren op basis van een analyse van de huidige afvalstoffen, het wettelijk kader en gedetecteerde knelpunten onder meer m.b.t. tot de uitvoering van het ‘Verdrag inzake inzameling, afgifte en inname van afval van Rijn- en binnenvaart’. Dit actieprogramma wordt opgesteld tegen midden 2005 en zal zich richten naar de binnenvaart, pleziervaart, visserij en koopvaardij.

Begroting De beschikbare kredieten voor dit thema zijn voor 2005 toegenomen t.o.v. 2004. De bijkomende middelen gaan onder meer naar de verwijdering van dierlijk afval (4.470 keuro extra), eco-efficiëntiedoorlichtingen (655 keuro extra) en de subsidiëring van lokale overheden voor preventiemaatregelen (342 keuro extra). Voor de ondersteuning van kringloopcentra wordt 923 keuro voorzien (initiatief werd verschoven van 2004 naar 2005). Voor de subsidiëring i.k.v. de presti-5 werking zijn de beschikbare kredieten sterk gereduceerd met 525 keuro (t.o.v. 873 keuro in 2004). Verder zijn ook de investeringssubsidies voor selectieve inzameling verminderd met 2.021 keuro (t.o.v. 7.500 keuro in 2004).


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 84

Milieujaarprogramma

84

2005

9. Verstoring van watersystemen 9a. Integraal waterbeleid Inleiding Integraal waterbeleid beoogt het gecoördineerd en geïntegreerd ontwikkelen, beheren en herstellen van watersystemen. Dit met het oog op het bereiken van de randvoorwaarden die nodig zijn voor het behoud van dit watersysteem als zodanig, en met het oog op het multifunctionele gebruik. Hierbij worden de behoeften van de huidige en komende generaties in rekening gebracht. Het thema ‘Integraal waterbeleid’ brengt de juridische, organisatorische en planmatige aspecten van het integraal waterbeleid in beeld. Hierbij wordt ook ingegaan op de milieudoelstellingen voor het watersysteem en de uitbouw en afstemming van de watersysteemkennis.

Projecten en maatregelen Toelichting en evaluatie tot 2004 Op 18 juli 2003 werd het decreet Integraal Waterbeleid door het Vlaams parlement goedgekeurd. Via dit decreet wordt de Europese kaderrichtlijn Water omgezet in Vlaamse wetgeving. Er werd een brochure bij het decreet opgemaakt. Een uitvoeringsbesluit bij het decreet Integraal Waterbeleid werd voor de eerste maal principieel goedgekeurd dd. 28 mei 2004. Hiermee werden onder meer nadere regels vastgelegd voor de samenstelling en de werking van de organisatiestructuren op de verschillende niveaus (het Vlaamse Gewest, het bekkenniveau en het deelbekkenniveau). Voor de werking van de organisatiestructuren op Vlaams en op bekkenniveau zijn bijkomende middelen en personeel noodzakelijk. Eind 2002 werden de bestaande verdragen van de icbs en de icbm vervangen door nieuwe verdragen. In het kader van de ratificatieprocedure werden deze verdragen unaniem goedgekeurd door het Vlaams Parlement op 29 april 2004. De nieuwe Internationale Scheldecommissie (isc) en Internationale Maascommissie (imc) werken als gevolg hiervan niet enkel meer aan de verbetering van de oppervlaktewaterkwaliteit in de hoofdrivier, maar rond alle aspecten van het waterbeheer binnen het betreffende stroomgebiedsdistrict. Het zijn deze commissies die de coördinatie op zich nemen voor de opmaak van de internationale stroomgebiedbeheerplannen. Voor het Scheldestroomgebieddistrict werd het ambitieuze project Scaldit opgestart. Het project loopt van 1 januari 2003 tot 31 december 2005 en wordt mee gefinancierd door Interreg. De doelstelling van het project is om met alle oeverstaten van de Schelde te komen tot een transnationale karakterisering van het stroomgebieddistrict met als leidraad de informele handleidingen ontwikkeld op Europees niveau. Eén van de gevolgen van het decreet is dat de coördinatie van het integraal waterbeleid, die tot nu toe in handen lag van het Vlaams Integraal Wateroverleg Comité (viwc), overgenomen werd door de Coördinatiecommissie Integraal Waterbeleid (ciw). De installatievergadering vond plaats op 17 maart 2004. De ciw is het overlegorgaan inzake integraal waterbeleid tussen de gewestelijke administraties en de lokale waterbeheerders. De voorzitter van de ciw is de leidend ambtenaar van de vmm. De website van de ciw is consulteerbaar op www.ciwvlaanderen.be.


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 85

themabeleid

85

deel 2

Binnen de ciw werd midden 2004 een voorontwerp van waterbeleidsnota goedgekeurd. De Vlaamse Regering stelde dit voorontwerp van waterbeleidsnota principieel vast op 7 januari 2005. Binnen Vlaanderen is de ciw de bevoegde autoriteit voor de uitvoering van de krlw, aangezien de ciw dient in te staan voor de opmaak van de stroomgebiedbeheerplannen voor de Schelde en de Maas (Vlaams deel) en de rapportering daarvan aan de Europese Commissie. Een werkgroep binnen de ciw bereidt de verdere omzetting van de kaderrichtlijn Water binnen Vlaanderen technisch en inhoudelijk voor, stuurt deze omzetting en volgt ze op. Er werd een aanzet gegeven voor de afbakening van de waterlichamen en de aanduiding van de sterk veranderde waterlichamen, waarvoor minder strenge ecologische doelstellingen gelden. Als voorbereiding voor de bepaling van de goede toestand werden voor grondwater alle watervoerende lagen gekarteerd. Tegen eind 2004 werden de analyses op stroomgebiedniveau (karakterisering, druk en impact en economische analyse) uitgewerkt. Hierbij werd eveneens een beoordeling gemaakt van de kans dat bepaalde waterlichamen de goede toestand tegen eind 2015 niet zullen bereiken. Er wordt tevens gewerkt aan een herziening van de huidige milieudoelstellingen zodat ze in overeenstemming zijn met de goede toestand van oppervlaktewater en grondwater, zoals bepaald in de kaderrichtlijn Water. Op Europees niveau werd in dit kader een interkalibratie-oefening opgestart. De verdere operationalisering van de bekkenwerking werd voorbereid binnen een werkgroep van de ciw. In elk bekken staan planningsverantwoordelijken in voor de opmaak van de bekkenbeheerplannen. Eind 2004 was het bekkenbeheerplan van de Nete beschikbaar. Midden 2003 werden de deelbekkens afgebakend en werden deze gegevens doorgestuurd naar de lokale overheden. Op basis van deze afbakening en de code van goede praktijk inzake opmaak DuLo-waterplannen werken de lokale overheden en polders en wateringen verder aan de opmaak van deelbekkenbeheerplannen. Deze moeten passen binnen de bekkenbeheerplannen. Het aantal informatievragen die aan het Waterloket gesteld worden, blijft verder stijgen. In 2004 werden een 5000-tal vragen verwerkt. De website www.waterloketvlaanderen.be registreerde sinds ze online ging (22 maart 2003) een 80.000 bezoekers. Informatiesessies over praktische en technische aspecten van duurzaam omgaan met water behandelden niet alleen de klassieke thema’s zoals regenwatergebruik en individuele behandeling van afvalwater, maar meer en meer ook andere zaken zoals groendaken en infiltratievoorzieningen. Binnen elke Vlaamse provincie werd een studiedag ‘Water op het landbouwbedrijf’ georganiseerd. Aan elke studiedag was een bedrijfsbezoek gekoppeld.


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 86

Milieujaarprogramma

86

2005

Opvolging mijlpalen en indicatoren Mijlpalen

Oorspronkelijke verwachting

Status

2004 EINDE

gerealiseerd

2006 EINDE

op schema

2006 EINDE

op schema

Afgewerkte analyses op stroomgebiedniveau

2004 EINDE

gerealiseerd

Goedgekeurde waterbeleidsnota

2004 EINDE

op schema

Omgevings- en sectorale analyse van alle niet prioritaire

2004 EINDE

op schema

Ontwerp bekkenbeheerplan Nete afgewerkt

2004 EINDE

vertraagd

2005 BEGIN

Ontwerp bekkenbeheerplannen van IJzer en Dender

2004 EINDE

vertraagd

2005 MIDDEN

2004 EINDE

vertraagd

2005 EINDE

2005 MIDDEN

vertraagd

2006 BEGIN

2004 EINDE

gerealiseerd

Operationele structuren voor integraal waterbeleid op

Huidige verwachting

Vlaams (CIW) niveau Klassegrenzen tussen hoge, goede en matige ecologische toestand van oppervlaktewater liggen vast Afbakening van waterlichamen en aanduiding van sterk veranderde en kunstmatige waterlichamen

bekkens afgewerkt

afgewerkt Methodologie van de opmaak van de deelbekkenbeheerplannen is goedgekeurd Openbaar onderzoek van alle deelbekkenbeheerplannen loopt samen met het openbaar onderzoek van de bekkenbeheerplannen Beschikbaarheid eerste Vlaams grondwatermodel

Indicatoren Aantal afgewerkte bekkenbeheerplannen Aantal meetpunten freatisch nitraatmeetnet Aantal opgestarte operationele bekkenmodellen

Realisatie

Doelstelling

1 (2004)

11 (2006)

2254 (2004)

2354 (2005)

1 (2004)

2 (2005)

Aanpak jaar 2005 Project: Planning integraal waterbeleid

De Vlaamse bijdrage aan de stroomgebiedbeheerplannen moet eind 2009, als onderdeel van de internationale stroomgebiedbeheerplannen, vastgesteld en bekendgemaakt worden. De analyses die eind 2004 op stroomgebiedniveau uitgevoerd werden, dienen als basis. De eerstvolgende mijlpaal bij de opmaak van de eerste stroomgebiedbeheerplannen is eind 2006 waarbij de inspraak over de wijze van aanpak en de timing voor de opmaak van de stroomgebiedbeheerplannen dient georganiseerd te worden. Aan de waterbeleidsnota wordt in 2005 ruime bekendheid gegeven. De waterbeleidsnota legt de krachtlijnen van de visie van de Vlaamse Regering op het integraal waterbeleid vast en dient als kader voor de opmaak van de bekkenbeheerplannen tegen eind 2006 en de opmaak van de stroomgebiedbeheerplannen tegen eind 2009.


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 87

themabeleid

87

deel 2

Het ontwerp bekkenbeheerplan van de Nete wordt afgewerkt. Dat van het IJzer- en Denderbekken volgen midden 2005. Voor de niet-prioritaire bekkens werkt men de visie en het actie- en maatregelenprogramma uit. Volgens het decreet Integraal Waterbeleid zouden de deelbekkenbeheerplannen afgewerkt moeten zijn in 2005. Juridische en organisatorische basis voor integraal waterbeleid

Op Europees niveau wordt er verder actief geparticipeerd in de gemeenschappelijke implementatiestrategie. Op niveau van de internationale riviercommissies wordt de nieuwe structuur van de isc en imc geëvalueerd. Er wordt onderzocht hoe de meerwaarde van het Scaldit-project voor de werking van de isc kan gecontinueerd worden. In 2005 wordt de werking van de ciw en het secretariaat/de planningscel verder uitgebouwd. De verdere operationalisering van de bekkenstructuren zal doorgezet worden. In eerste instantie zullen de bekkencoördinatoren en planningsverantwoordelijken per bekken aangesteld worden. Aan de organisatie van de waterschappen op deelbekkenniveau zal vanuit het Vlaamse Gewest geparticipeerd worden. De Vlaamse Regering zal medio 2005 nadere regels vaststellen voor de uitvoering van het instrument watertoets, zoals ingevoerd met het decreet Integraal Waterbeleid. Op basis van de eerste ervaringen zullen deze zo nodig herzien worden. In eerste instantie zal de ciw praktische richtlijnen voorstellen ten behoeve van vergunningverlenende overheden. Voor de toekenning van de functies aan de waterlichamen wordt binnen de ciw in 2005 een visie en handleiding uitgewerkt. Geïntegreerde milieudoelstellingen vastleggen voor watersystemen

Het voorbereidende werk voor het definiëren van de goede toestand voor oppervlaktewater en grondwater wordt verder gezet. De verschillende ecologische beoordelingssystemen voor oppervlaktewateren zullen op een selectie van meetplaatsen toegepast worden. Er zal ook een evaluatiesysteem voor de hydromorfologische structuur uitgewerkt zijn. Tegen eind 2006 zullen de verschillende ecologische milieudoelstellingen voor oppervlaktewater vastgelegd worden, waarbij de grens zal gedefinieerd worden tussen hoge, goede en matige ecologische toestand. Geïntegreerde analyses voor watersystemen opmaken

Over de analyses op stroomgebiedniveau, die vanaf eind 2004 beschikbaar zijn, zal een samenvattende brochure worden opgemaakt. Leemtes die bij de opmaak van de analyses werden gedetecteerd, dienen in de komende jaren opgevuld te worden zodat voldoende gegevens beschikbaar zijn voor de opmaak van de stroomgebiedbeheerplannen. Watersysteemkennis verder uitbouwen

De voorbereiding van de monitoringprogramma’s, die in uitvoering van de krlw tegen eind 2006 dienen operationeel te zijn, zal verdergezet worden. Het grondwatermeetnet wordt permanent geëvalueerd en verder uitgebouwd naar kwantiteit en kwaliteit. Naast nitraat worden ook andere parameters gemeten, zoals bestrijdingsmiddelen, ionenbalans en zware metalen. In het kader van de overstromingen is de uitbouw van operationele bekkenmodellen noodzakelijk.


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 88

Milieujaarprogramma

88

2005

Begin 2006 zal een congres rond watersysteemkennis gehouden worden. Sensibiliseren rond duurzaam waterbeheer en -gebruik

In 2005 zal het Waterloket haar dienstverlening verder zetten. Tevens wordt onderzocht hoe de communicatiekanalen van de ciw en het Waterloket naar het ruime publiek kunnen worden afgestemd. De campagne ‘Water. Elke druppel telt!’ krijgt een nieuwe impuls. Het accent ligt op het duurzaam beheer van de watervoorraden (zie ook thema ‘Verdroging’). Publieke participatie gecoördineerd aanpakken

Bij de analyses en plannen die op de verschillende niveaus worden opgemaakt zal er gestreefd worden naar een grote participatie van het publiek. Zoals reeds aangegeven zal in 2005 bekendheid gegeven worden aan de waterbeleidsnota en de analyses op stroomgebiedniveau. Bij de opmaak van de bekken- en deelbekkenbeheerplannen wordt interactieve besluitvorming als een essentieel element beschouwd.

Begroting De kredieten voor het opmaken van bekkenbeheerplannen en ecologische studies blijven ongewijzigd (1.040.000 euro).


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 89

themabeleid

89

deel 2

9b. Verontreiniging van oppervlaktewater Inleiding De verontreiniging van het oppervlaktewater wordt veroorzaakt door emissies van huishoudens, industrie, landbouw en van diffuse bronnen. Het naleven van de Europese richtlijn Stedelijk Afvalwater en de implementatie van de Europese kaderrichtlijn Water zijn de belangrijkste randvoorwaarden voor de verdere bijsturing van het waterzuiveringsbeleid. Daarnaast zal de hervorming van de organisatie en de financiering van het waterzuiveringsbeleid (met inbegrip van de hernegotiatie van de overeenkomst met Aquafin nv) prioritair in uitvoering gaan, in toepassing van het decreet van 24 december 2004 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting. Bij de sanering van bedrijfsafvalwater wordt de omzendbrief inzake de beoordeling van de verenigbaarheid van de lozing van bedrijfsafvalwater in de riolering met de beleidsaanpak inzake rwzi-exploitatie bijgestuurd. De sanering van de diffuse bronnen zal met het systematisch wegwerken van de puntbronnen steeds meer aandacht krijgen. Voor de sanering van de verontreiniging door de landbouw wordt verwezen naar het thema ‘Vermesting’ en voor de problematiek van de bestrijdingsmiddelen naar het thema ‘Verspreiding van milieugevaarlijke stoffen’.

Opvolging van de plandoelstellingen +

| Biologische oppervlaktewaterkwaliteit: het aantal meetplaatsen dat voldoet aan de biologische kwaliteitsnorm verhogen tot 40%

In 2003 voldeden 29% van de meetplaatsen aan de biologische kwaliteitsnorm (bbiscore van tenminste 7) . Dit is hetzelfde percentage als in 2002 ondanks de droge zomer. Een vergelijking van de bbi voor 2003 met de eerste bepaling sinds 1989 toont aan dat de biologische waterkwaliteit op 30% van de meetplaatsen is verbeterd. Op tweederden van de meetplaatsen is de kwaliteit niet of niet noemenswaardig gewijzigd, terwijl in 5% de kwaliteit achteruitging. De biologische kwaliteit wordt niet alleen bepaald door de waterkwaliteit, maar ook door de structuurkenmerken van de waterloop en de chemische kwaliteit van het sediment. Om tegen 2015 in alle watersystemen een goede toestand te kunnen halen, zijn naast de sanering van de verontreinigende oppervlaktewateren en de waterbodems, ook de herinrichting van het waterlopenstelsel en andere maatregelen in het kader van integraal waterbeleid noodzakelijk.

––

| Biologische oppervlaktewaterkwaliteit: op maximaal 25% van de meetplaatsen met een goede of zeer goede biologische kwaliteit (situatie 2001) is de toestand verslechterd in 2007

In 2001 behoorde 25% van de meetplaatsen tot de kwaliteitsklasse goed of zeer goed en voldeed hiermee aan de basiskwaliteitsnorm voor biologische waterkwaliteit (een bbi van tenminste 7). Op de helft van de meetplaatsen die eerder wel een goede score haalden, werd de basiskwaliteitsnorm in 2001 echter niet meer gehaald. De bescherming van de waterlopen met een goede biologische kwaliteit blijft een belangrijk aandachtspunt.


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 90

Milieujaarprogramma

+

90

2005

| Chemische oppervlaktewaterkwaliteit: het aantal meetplaatsen dat voldoet aan de basiskwaliteit voor biochemisch zuurstofverbruik (bzv) verhogen tot 66%

Het aantal meetplaatsen dat in 2002 voldeed aan de basiskwaliteit voor bzv bedroeg 47%. De evolutie van de laatste 10 jaar wijst op een aanzienlijke verbetering. In 2003 ligt het percentage lager dan in 2002 (37%). Deze achteruitgang is te wijten aan de droge, warme zomer. De evolutie in de belasting van het oppervlaktewater verschilt sterk naargelang de verantwoordelijke actor. De meest opvallende daling werd gerealiseerd door de industrie, die erin slaagde haar lozingen te reduceren tot 19 % van de bzv-vracht en 48 % van de n-vracht ten opzichte van 1992. De bzv-vracht afkomstig van huishoudelijke belasting van het oppervlaktewater daalde tot 57% t.o.v. de vracht in 1992. Als gevolg van de verstrengde lozingsnormen opgelegd in de milieuvergunningen, de betere handhaving van deze normen, de invoering van schonere productiewijzen en de stijging van de heffingstarieven, hebben heel wat bedrijven forse inspanningen geleverd. De zuiveringsrendementen van de rwzi’s zijn voor bzv en nutriënten geoptimaliseerd. De huishoudelijke vuilvrachten kunnen nog aanzienlijk gereduceerd worden door de uitvoering van de reeds goedgekeurde investeringsprogramma’s en subsidiëringsprogramma’s. Door een stringenter beleid inzake vrachtverwijderingspercentages dient de effectiviteit van de rwzi’s systematisch verbeterd te worden. De impact van de overstorten dient verminderd te worden door de progressieve afkoppeling van relevante lozingen van hemelwater en gezuiverde bedrijfsafvalwaters.

+

| Zuivering afvalwater: verhogen van de zuiveringsgraad van de huishoudens tot 80%

Medio 2004 bedroeg de zuiveringsgraad van de huishoudens bijna 62%. De voorbije 10 jaar zijn in Vlaanderen heel wat inspanningen geleverd om de achterstand in de waterzuivering zo snel mogelijk in te lopen. Er wordt verwacht dat de zuiveringsgraad naar 80% kan opklimmen tegen 2007 nadat de goedgekeurde en aan Aquafin nv opgedragen investeringsprogramma’s en gemeentelijke subsidiëringsprogramma’s zijn uitgevoerd. Dit is afhankelijk van de wegwerking van de achterstand met betrekking tot de reeds opgedragen investeringsprogramma’s, de goedgekeurde subsidiëringsprogramma’s en gerichte acties inzake het toezicht op naleving van de aansluitingsplicht.

Projecten en maatregelen Toelichting en evaluatie tot 2004 De huishoudelijke belasting van het oppervlaktewater is sinds 1990 duidelijk afgenomen. Ondanks deze vooruitgang behoort Vlaanderen nog tot de achterblijvers in Europa, en werd tegen België op 08 juli 2004 een eerste veroordeling uitgesproken. De investeringen die nodig zijn om te voldoen aan de richtlijn Stedelijk Afvalwater zijn opgenomen in de goedgekeurde investeringsprogramma’s (ip’s). Via het ip 2005 (goedgekeurd in december 2003) werden de laatste investeringsprojecten in agglomeraties van meer dan 2.000 IE opgedragen. Na uitvoering ervan zal de zuiveringsgraad in Vlaanderen 80% bedragen. Vanaf 2004 werd overgegaan tot de opmaak van optimalisatieprogramma’s (op’s) ter verbetering van de bestaande zuiveringsinfrastructuur in agglomeraties van meer dan 2.000 IE en voor de verdere sanering van het buitengebied.


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 91

themabeleid

91

deel 2

In het kader van de ontwikkeling van een zoneringsmethodiek werd een eerste ontwerp van procedure uitgetest bij een tiental proefgemeenten. Dit proefproject liep ten einde begin 2004. Uit de evaluatie ervan is gebleken dat zowel de procedure als de methodologie moest worden bijgestuurd. Op 17 september 2004 keurde de Vlaamse Regering een plan van aanpak goed om een aantal hangende problemen met betrekking tot de Aquafin nv en de organisatie en financiering van de waterzuivering in Vlaanderen coherent aan te pakken. De juridische basis hiervoor werd in 2004 gelegd met het decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting van 24 december 2004. Dit decreet laat toe een aantal doelstellingen van de beslissing van de Vlaamse Regering van 17 september 2004 uit te voeren, zoals: • de integrale aanpak van de waterketen door het invoeren van de saneringsplicht voor de drinkwatermaatschappijen; • het creëren van een ééngemaakte waterfactuur; • het vormgeven aan een economische en ecologische toezichthouder. In uitvoering van die beslissing van 17 september 2004 is een projectgroep gestart met het uitschrijven van een nieuw beheerscontract tussen Aquafin nv en het Vlaamse Gewest. In dit beheerscontract wordt voorzien dat Aquafin nv het ondernemingsrisico draagt en dat zij haar opdracht tegen marktconforme prijzen uitvoert. Hiermee komt de Vlaamse Regering tegemoet aan de bezwaren van de Europese Commissie. In uitvoering van het regeerakkoord wordt voorzien in een duidelijke scheiding tussen enerzijds de gewestelijke opdracht van collectering en zuivering van het afvalwater (opdracht toevertrouwd aan Aquafin nv) en de gemeentelijke opdracht om in te staan voor de inzameling van het afvalwater via de rioleringen. Voor de subsidiëring van gemeentelijke rioleringen en kwzi’s werden in 2004 vier kwartaalprogramma’s goedgekeurd. Om de budgettaire achterstand weg te werken, werd de subsidie opgetrokken. Tegelijk besliste de Vlaamse Regering op 17 september 2004 dat in de schoot van de vmm een ecologische en economische toezichtsfunctie wordt uitgebouwd die zal waken over de behaalde ecologische resultaten van Aquafin nv en over de economisch efficiëntie van de wijze waarop die resultaten behaald worden. In het kader hiervan wordt een ecologisch evaluatiesysteem per zuiveringsgebied ontwikkeld. Hiertoe werd een selectie gemaakt van verschillende indicatoren voor de kwaliteit van de werking van rioleringsstelsels en van de rwzi’s op basis van bestaande gegevensbronnen. Voor de uitbouw van het ecologisch evaluatiesysteem werd begin 2003 een meetnet riooloverstorten opgestart, waarvan de eerste resultaten beschikbaar waren in 2004. In 2004 wordt het meetnet verder geëxploiteerd en uitgebouwd tot bij benadering 175 meetpunten. In het kader van de lozing op particulier domein werd een verkennende inventarisatiestudie midden 2004 afgerond. Deze studie hield voornamelijk het evalueren van de mogelijke scenario’s voor het ontwikkelen van een inventaris van de lozingssituatie op particulier domein in. Inzake de inventaris van de riolerings- en lozingssituatie op het openbaar domein werd begin 2003 een samenwerkingsovereenkomst opgesteld met Aquafin nv. De concrete uitwerking en realisatie van een geschematiseerde rioleringsdatabank verloopt minder vlot dan verwacht, enerzijds omwille van diverse inhoudelijke bemerkingen en tekortkomingen, anderzijds omwille van technische problemen. Om de rioleringsdatabank verder te verfijnen met gegevens van het openbaar domein en eventueel tot op het niveau van de individuele woning kregen de gemeenten een aantal softwarepakketten ter beschikking.


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 92

Milieujaarprogramma

92

2005

Het regeerakkoord voorziet dat in overleg met alle betrokken actoren de omzendbrief m.b.t. de afkoppelingsplicht wordt bijgestuurd om te komen tot win-win akkoorden met een correcte kostenaanrekening. De administratieve opvolgingscommissie afvalwater (adopa), die op een gestructureerde wijze uitvoering moet geven aan de ministeriële omzendbrief is sedert begin 2002 operationeel. De doorlichting van de zuiveringsgebieden is gefinaliseerd zodat er een volledige inventaris ter beschikking is van de relevante bedrijven die saneringsstappen dienen te nemen. Eind 2003 werd een evaluatie opgemaakt van de werking van adopa en werd een geactualiseerde lijst van P-bedrijven ter beschikking gesteld. Daarnaast werd eind 2003 een verstrengde rwzi-normering goedgekeurd, die gefaseerd zal omgezet worden in de vergunningen van de rwzi’s > 10.000 IE. De beslissing van de Vlaamse Regering van 17 september 2004 voorziet in de omvorming van de bestaande afvalwaterheffing tot een vergoeding voor de kosten van de zuivering van het geloosde afvalwater. De inning van deze vergoeding zal worden toevertrouwd aan de drinkwatermaatschappijen. Deze omvorming maakt het mogelijk om de btw op de facturen van de waterzuiveraar Aquafin NV aftrekbaar te maken in hoofde van de bedrijven en terug te brengen tot 6% voor particulieren. Op die manier komen middelen vrij om de uitvoering van de nodige rioleringswerken te versnellen. In het kader van de heffingen grootverbruikers werd de huidige sectorindeling kritisch geëvalueerd en werd een methodologie opgemaakt voor het herbepalen van de omzettingscoëfficiënten van de grootverbruikers die hun heffing laten berekenen via de vereenvoudigde berekeningswijze. Teneinde de methodologie verder uit te testen en te verfijnen werd in 2004 een vervolgstudie uitgevoerd. Deze vervolgstudie kende een tweeledige aanpak. Enerzijds werd de uitgewerkte methodologie kritisch geëvalueerd en anderzijds werden de bestaande omzettingscoëfficiënten van de heffingssectoren slachterijen en vleesverwerking onder de loep genomen. Een kwantificering van de diffuse bronnen is beschikbaar voor nutriënten, bestrijdingsmiddelen en zware metalen. Voor nutriënten zijn met behulp van het sentwa-model (model voor de diffuse verontreiniging van stikstof en fosfor door de landbouw) zowel een consistente tijdreeks als beleidsrelevante scenario’s doorgerekend. Bijkomend onderzoek om de resultaten van het sentwa-model beter te kunnen vergelijken met de metingen van het map-meetnet en een betere koppeling met de waterkwaliteitsmodellen (simcat en Pegase) te kunnen verwezenlijken loopt eind 2004 af. De studieopdracht om het septwa-model (model voor een bekkengerichte inschatting van de diffuse verontreiniging met bestrijdingsmiddelen) uit te bouwen werd afgerond. Eind 2004 start een studieopdracht waarin de bijdrage van metalen in erosie aan de belasting van oppervlaktewater grondiger gekwantificeerd wordt. In het kader van de opmaak van de emissie-inventaris water loopt een studie m.b.t. de ontwikkeling van een methodologie en de toepassing ervan in een stofboekhouding voor zware metalen. Voor de zeven beschikbare waterkwaliteits (simcat-)bekkenmodellen (Dender, IJzer, Nete, Demer, Bovenschelde, Dijle-Zenne en Leie ) worden nieuwe pre- en postprocessingtools ontwikkeld. Voor het stroomgebied van de Schelde is het pegase-model gereviseerd en zijn simulatieresultaten beschikbaar voor de huidige toestand en een toekomstscenario. Het pegase-model van het Albertkanaal, de Zuid-Willemsvaart en de Kempische kanalen wordt geactualiseerd, waardoor een koppeling wordt mogelijk gemaakt tussen de stroomgebieden van de Schelde en de Maas.


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 93

themabeleid

93

deel 2

Opvolging mijlpalen en indicatoren Mijlpalen

Zoneringsmethodiek is verankerd in de wetgeving Agglomeraties groter dan 2000 IE beschikken over

Oorspronkelijke verwachting

Status

2005 MIDDEN

op schema

2005 EINDE

vertraagd

2004 EINDE

op schema

2004 MIDDEN

gerealiseerd

2004 EINDE

gerealiseerd

2004 MIDDEN

vertraagd

Huidige verwachting

een opvang- en behandelingssysteem Methodiek ecologische regulering Aquafinoperatie is klaar Alle zuiveringsgebieden zijn door ADOPA doorgelicht Stofboekhouding zware metalen is klaar Coherente beleidsvisie inzake septisch materiaal is klaar

Indicatoren

Realisatie

Doelstelling

Aantal gemeenten waarvoor zoneringsplannen zijn goedgekeurd

20 (2004)

308 (2007)

Aantal meetpunten overstortmeetnet

158 (2004)

600 (2006)

Aantal herziene vergunningen P-bedrijven

108 (2003)

120 (2005)

Aanpak jaar 2005 Project: Zuivering huishoudelijk afvalwater

Het decreet van 24 december 2004 belast de drinkwatermaatschappijen vanaf 1 januari 2005 met de sanering van het afvalwater dat ontstaat na gebruik van het door hen geleverde leidingwater, waarbij ze ofwel zelf de sanering organiseren, ofwel een beroep doen op een derde, zijnde: • de gemeente, gemeentebedrijf, intercommunale of intergemeentelijk samenwerkingsverband voor wat de gemeentelijke saneringsverplichting betreft; • Aquafin nv voor wat de bovengemeentelijke saneringsverplichting betreft. Op basis van de bijgestuurde methodologie voor de zoneringsmethodiek zullen in de loop van 2005 de zoneringsplannen voor alle Vlaamse gemeenten worden opgemaakt. De plannen zullen, in afwachting van de verankering in de wetgeving, worden toegelicht aan die gemeenten, in eerste instantie aan de gemeenten die hier expliciet om vragen. In 2005 wordt de beheersovereenkomst met Aquafin nv definitief uitgewerkt met een volwaardige resultaatsverbintenis op basis van prestatie-indicatoren. De organisatie van het ecologisch toezicht op Aquafin nv wordt verder uitgebouwd. De methodologie voor het ecologisch evaluatiesysteem die in het kader hiervan werd ontwikkeld, zal eventueel bijgestuurd worden op basis van de testen op een aantal pilootgebieden. In een later stadium zal deze gefaseerd toegepast worden (verschillende ambitieniveaus) in functie van de beschikbaarheid van de nodige (meet)gegevens. Vanaf 1 januari 2005 worden de taken van de vmm uitgebreid met: • het ecologisch en economisch toezicht op de uitbouw en het beheer van de saneringsinfrastructuur; • het toezicht op de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk m.b.t. de verrekening van de kosten verbonden aan de saneringsverplichting. In 2005 wordt het overstortmeetnet verder uitgebouwd met minstens 30 meetpunten.


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 94

Milieujaarprogramma

94

2005

Het subsidiebesluit voor gemeentelijke rioleringen wordt herzien en bijgestuurd met het oog op een verhoging van de aansluitingsgraad van gemeentelijke rioleringen op de rioolwaterzuiveringstations. Steeds meer gemeenten doen beroep op intergemeentelijke samenwerkingsverbanden om de rioleringsproblematiek aan te pakken. De verkoop van de participatie van het Vlaams Gewest in de vmw dient de aanzet te vormen voor de creatie van samenwerkingsverbanden tussen de drinkwaterdistributiemaatschappijen en andere maatschappijen die instaan voor de inzameling van het vuile water op provinciaal niveau. Tegen eind januari 2005 zal een voorontwerp van decreet betreffende een overeenkomst met de vmw voorgelegd worden aan de Vlaamse Regering. In 2005 wordt de inventarisatie van de riolerings- en lozingssituatie op het openbaar domein verdergezet. Het zuiveringsinfrastructuurnetwerk wordt verder doorgelicht ter opsporing van knelpunten en ter verfijning van de bestaande inventarisatie in functie van de eventuele bijsturing van geplande investeringen. Conform de bepalingen van het regeerakkoord, vastgelegd in het decreet van 24 december 2004, zal de bestaande afvalwaterheffing voor kleinverbruikers omgevormd worden. Vanaf 2005 wordt één geïntegreerde factuur voorzien waarin naast de drinkwaterfactuur ook een vergoeding voor de zuivering van het geloosde afvalwater is opgenomen. De inning van deze vergoeding wordt verzekerd door de drinkwatermaatschappijen. Project: Emissiereductiebeleid bedrijfsafvalwater

De omzendbrief inzake afkoppeling zal in 2005 worden bijgestuurd in functie van het regeerakkoord om te komen tot win-win akkoorden met een correcte kostenaanrekening. In 2005 zal de adopa zich blijven concentreren op de omzetting van de saneringsstappen in concrete vergunningsbepalingen voor de bedrijven. Hierbij zal maximaal afgestemd worden met de verstrengde vlarem-effluentnormering voor de rwzi’s. Voor P-bedrijven wordt een rollend herzieningsprogramma voor de milieuvergunning uitgevoerd. De lijst met P-bedrijven wordt jaarlijks geactualiseerd en er wordt systematisch gerapporteerd over de evolutie van de impact van deze P-bedrijven. Bovendien wordt gestart met de aanpassing van het zelfcontroleprogramma van de bedrijven en wordt de realisatie van het integraal milieujaarverslag getest. De uitwerking van bbt-studies wordt opgevolgd en uitgewerkt in de milieuvergunningen. Dit staat nu reeds op stapel voor grondreinigingsinstallaties, luchtzuivering, hemelwaterinfiltratie, glastuinbouw, composteringsinstallaties en kunststofverwerking. Verder zal aandacht besteed worden aan de systematische afstemming van de vergunde lozingen op betaalde en gemeten lozingen. In een verstrengde vlarem-effluentnormering voor de rwzi’s worden én de effluentnormen én de reductiepercentages van toepassing gesteld. Voor ieder rwzi zal zonodig een saneringsplan worden vastgesteld waarbij de verantwoordelijkheid van iedere actor zal geduid worden. Tegelijk wordt een sluitende beleidsvisie inzake het hergebruik van het rwzi-effluent opgemaakt. Per rwzi zal ook een saneringsprogramma voor het influent worden vastgesteld dat betrekking heeft op bedrijfsafvalwater en hemelwater. De acties m.b.t. gevaarlijke stoffen uit het uitvoeringsplan Slib worden opgestart en een beleidsvisie inzake septisch materiaal wordt opgemaakt.


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 95

themabeleid

95

deel 2

Overige maatregelen ‘Bedrijfsafvalwater’

In uitvoering van het decreet van 24 december 2004 werd de heffing op de verontreiniging van oppervlaktewater omgevormd, voor de rioollozers tot een vergoeding voor het collecteren en zuiveren van het geloosde afvalwater, voor de zelfzuiverende oppervlaktewaterlozers tot een regulerende heffing. De ontwikkeling en toepassing ervan vereist bijkomend studiewerk. Aanpak diffuse bronnen

De betere kwantificering van diffuse bronnen moet toelaten gerichte maatregelen te ontwikkelen voor nutriënten, metalen en bestrijdingsmiddelen. Het aanvullend onderzoek met het sentwa-model loopt eind 2004 af. De resultaten zullen dienen ter onderbouwing van het nutriëntenbeleid. Aanvullend kwantificeringswerk over bepaalde diffuse bronnen van metalen is voorzien in overleg met de emissie-inventaris water. Een beleidsnota met de mogelijkheden tot sanering van specifieke diffuse bronnen van metalen wordt opgemaakt (zie thema ‘Milieugevaarlijke stoffen’). Efficiënt ondersteunend beleid uitbouwen

In het kader van de uitbreiding van de emissie-inventaris water is de publicatie van de stofboekhouding voor zware metalen voorzien. Een verdere gebiedsgerichte kwantificering van diffuse bronnen moet het mogelijk maken om het aandeel van deze bronnen op de totale druk op het oppervlaktewater in kaart te brengen. De aandacht gaat hierbij in eerste instantie naar emissies afkomstig van atmosferische depositie, bouwmaterialen, houtverduurzamingsmiddelen en verkeer. In 2005 wordt een onderzoek gepland naar het watersysteem in poldergebieden in functie van de waterkwaliteitsmodellering ervan. De uitbouw van de verschillende onderbouwende systemen voor het meetnet afvalwater en waterbodem, het overstortmeetnet en de emissie registers water en lucht dient te worden verdergezet. Ook het opbouwen van de nieuwe awis-databank (Afvalwater InformatieSysteem), als hoeksteen voor het uitbouwen van de ecologische toezichtsfunctie op Aquafin nv, zal worden aangevat. De verdere uitbouw van de avos-databank (Advisering Vergunningen OpvolgingsSysteem) en de ontsluiting ervan voor participanten wordt verder uitgewerkt. Integratie van de vermelde databanken met het in uitbouw zijnde datawarehouse van de vmm en de verdere optimalisatie van het rapporteringsysteem zijn van cruciaal belang en dienen verder te worden uitgewerkt.

Begroting De grote uitgaven m.b.t. de waterzuivering blijven ongeveer constant (zonder ffeu). Voor de bovengemeentelijke zuiveringsinfrastructuur wordt in 2005 ca. 370 miljoen euro voorzien. De gemeenten (en intergemeentelijke samenwerkingsverbanden) kunnen opnieuw rekenen op meer dan 65 miljoen euro aan subsidies voor de uitbouw van het rioleringsnetwerk.


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 96

Milieujaarprogramma

96

2005

9c. Verdroging Inleiding Onder verdroging wordt hier verstaan: de verstoring van de waterinhoud en -cyclus van grondwaterlagen, waterlopenstelsel en bodem door menselijke beïnvloeding. Het waterbeheer evolueert steeds meer naar een geïntegreerde benadering. Die sluit zo dicht mogelijk aan bij het natuurlijk watersysteem. Ook het grondwater maakt deel uit van die waterkringloop. Er is een aanzet tot het erkennen van watersystemen als één van de ordenende principes in de ruimtelijke planning, o.a. in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (rsv), het mina-plan 2 en 3 en in het decreet Integraal Waterbeleid. Op die manier kan de overstromingsproblematiek efficiënt aangepakt worden. Het decreet (8 mei 2001) betreffende water bestemd voor menselijke aanwending beoogt een duurzame watervoorziening en een duurzaam watergebruik.

Opvolging van de plandoelstellingen +/-

afname van drinkwatergebruik bij de bevolking | Duurzaam watergebruik: 3 tot 215 miljoen m (ca. 98 liter per persoon per dag)

In 2002 gebruikte de bevolking ca. 228 miljoen m3 leidingwater (ca. 109 l/p.dag). Naast de uitvoering van het decreet betreffende water bestemd voor menselijke aanwending is ook een blijvende sensibilisatie nodig rond duurzaam watergebruik om de doelstelling te kunnen bereiken.

+

| Duurzaam watergebruik: afname industrieel watergebruik exclusief koelwater

Het industrieel watergebruik exclusief koelwater bedroeg in 1997 452 miljoen m3. De sterke daling van 1998 tot 2000 (315,2 miljoen m3) zette zich niet door. In 2001 werd opnieuw meer dan 400 miljoen m3 water gebruikt (402,8 miljoen m3). Voor 2002 bedroeg dit 395,8 miljoen m3.

| Duurzaam watergebruik: afname van het totaal watergebruik voor de landbouw 3 (varkens-, rundvee-, pluimvee- en glastuinbouwsector) tot 43 miljoen m

In 1999 gebruikte de landbouwsector 50,5 miljoen m3 water. Verschillende nieuwe pistes worden uitgewerkt om eind 2005 gegevens voor het jaar 2004 te hebben.

+

| Bijkomend beschermen van 200 ha oeverzones waarvan minstens 50% wordt gerealiseerd door verwerving

In 2004 bedraagt de oppervlakte oeverzone via aankoop (getekende onteigeningsbesluiten) 44 ha. In 2002 zijn voor 120 ha aan beheersovereenkomsten afgesloten. Er zijn nog geen recentere gegevens voorhanden.

+

stijging van het hemelwatergebruik bij de bevolking | Duurzaam watergebruik: 3 tot 30 miljoen m

Het hemelwatergebruik steeg tussen 1991 en 1999 van 2,8 miljoen m3 tot ca. 19,3 miljoen m3. Recentere cijfers zijn niet beschikbaar. Verschillende mogelijkheden voor het bekomen van nieuwe cijfers worden onderzocht.


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 97

themabeleid

+/-

97

deel 2

| Verbeteren van de structuurkwaliteit van de waterlopen (verhogen van het percentage waardevolle trajecten, verminderen van de slechte)

Vanaf augustus 2003 zijn er gegevens voor tien waterlopen van eerste categorie. De eerste evaluatie van de verschillende projecten blijkt een status quo van de toestand ten op zichte van 1994. Om de doelstelling te bereiken wordt bij het uitvoeren van projecten en werken aan waterlopen systematisch aandacht besteed aan het verbeteren van de structuurkwaliteit.

| Watervoorraden: het waterpeil in de watervoerende lagen blijft minstens statusquo

Voor alle watervoerende lagen wordt een indicator ontwikkeld op basis van de stijghoogte (waterpeil) in de peilputten. De gegevens van het huidige meetnet wijzen nog steeds op een daling van het waterpeil van de Sokkel en de Kolenkalk.

Projecten en maatregelen Toelichting en evaluatie tot 2004 Het project ‘Strategische visie watervoorziening en watergebruik’ heeft tot doel een visie te ontwikkelen rond het duurzaam beheer van de watervoorraden in Vlaanderen. De beschikbaarheid van water wordt bepaald en gedifferentieerd naar onder meer gebied, oorsprong (grondwater, oppervlaktewater, opvang hemelwater) en kwaliteit. Deze gegevens zullen vervolgens geplaatst worden naast de prognose van de vraag, eveneens gedifferentieerd naar gebied, type, aanwending, vereiste kwaliteit, e.d. Ondertussen is er een uitgebreide prognose inzake watergebruik in Vlaanderen opgesteld. De huidige toestand van de watervoerende lagen is in kaart gebracht. Naast het project wordt de verdrogingsproblematiek aangepakt op de drie hierna besproken terreinen. Wat de natuurlijke werking en hydromorfologische structuur van watersystemen betreft, krijgen vooral in gebieden met als hoofdfunctie natuur, maar ook in andere gebieden, de waterlopen meer ruimte door aankoop van oeverzones, aanleg overstromingsgebieden en herstel van de natuurlijke vallei. Hydrologische en hydraulische modellering is daarbij een belangrijk instrument. Onder andere langs de Aabeek, de Winge en de Kalkense vaart werden percelen aangekocht. Overstromingsgebieden zijn in aanleg langs de Molenbeek te Geraardsbergen, Zwalm, de Leibeek-Molenbeek (regio Mechelen), de Kemmelbeek, de Vrouwvliet, de IJse, de Velpe, de Maarkebeek, de Herk & Mombeek. Wat het herstel van de natuurlijke structuur betreft zijn bijkomende projecten opgestart of al in de uitvoeringsfase. Dit is o.m. het geval langs de Zwalm, Poekebeek, Aabeek, Winge, Kalkense vaart, de IJse, Noordede. Voor een ecologisch herstel van de rivieren en beken is een gesaneerde waterbodem in vele gevallen noodzakelijk. Deze ecologische ruimingen zijn vervat in het project ‘Waterbodemverontreiniging’. In vele waterlopen is er echter ook een overvloedige kruidgroei. De alternatieve kruidruiming op de Aa gaf positieve resultaten. Daarnaast wordt de infrastructuur om wateroverlast te voorkomen geoptimaliseerd.


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 98

Milieujaarprogramma

98

2005

In 2002 werd gestart met overleg tussen verschillende watergebruikers om standplaatsverdroging door waterwinning of overmatige drainage tegen te gaan, daar waar de natuurwaarden hoog zijn. Hierbij zijn ingrepen op het oppervlaktewaterstelsel nodig om de natuurlijke grondwaterstanden te herstellen. Dit gebeurt o.m. in de speciale beschermingszones Stropersbos (Stekene, Sint-Gillis-Waas), Hannecartbos (Koksijde), Zammels Broek (Geel), Groot Schietveld (Brecht, Wuustwezel) en Demerbroeken (Scherpenheuvel-Zichem). In het kader van de bescherming en het herstel van de watervoorraden is er een analyse gemaakt van de huidige toestand van de watervoerende lagen. Daaraan gekoppeld werd gewerkt aan een visie over de toekomstige ontwikkelingen. In 2002 keurde het Vlaams parlement het decreet betreffende water bestemd voor menselijke aanwending goed. Het duurzaam watergebruik vormt - samen met een uitgebreide controle op de kwaliteit van het drinkwater - één van de speerpunten van dit decreet. De oprichting van een reguleringsinstantie is in voorbereiding. Een subsidiebesluit voor stimuleren van het gebruik van tweedecircuitwater werd goedgekeurd op 11 juni 2004. Om een beter inzicht te krijgen van de mogelijkheden in de industrie en de landbouw om duurzaam om te gaan met water, worden een aantal wateraudits doorgevoerd. De meeste waren eind 2004 afgewerkt.

Opvolging mijlpalen en indicatoren Mijlpalen

Oorspronkelijke verwachting

Status

Huidige verwachting

2004 EINDE

vertraagd

2005 MIDDEN

2004 EINDE

vertraagd

2005 EINDE

2004 MIDDEN

vertraagd

2005 EINDE

Operationele reguleringsinstantie

2004 EINDE

vertraagd

2005 EINDE

Subsidiebesluit over gebruik tweedecircuitwater in werking

2004 EINDE

gerealiseerd

Lancering website ecologisch herstel en inrichting van watersystemen - eerste fase Risicokaarten overstromingen beschikbaar (definitieve versie) Afgewerkte visie over watervoerende lagen

Indicatoren

Realisatie

Doelstelling

40 (2004)

80 (2007)

Aantal uitgewerkte herstelprogramma’s voor watervoerende lagen

1 (2004)

10 (2007)

Regionale grondwatermodellen

1 (2004)

5 (2005)

Aantal waterlopen met afgebakende en of ingerichte overstromingsgebieden

Aanpak jaar 2005 Project: Strategische visie watervoorziening en watergebruik

Vertrekkend van de interne kennis wordt in 2005 verder gewerkt aan de inventarisatie van de noodzakelijke gegevens rond watervoorraad en watergebruik, beide gedifferentieerd naar oorsprong en gebied. Midden 2005 is een eerste ontwerp strategische visie af.


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 99

themabeleid

99

deel 2

Natuurlijke werking en structuur van watersystemen

In de meeste toekomstige projecten wordt waterberging gekoppeld aan ecologisch herstel. Langs de Oude Kale (Caele), Poekebeek, Zwalm, Mandel, Poperingevaart en Noordzuidverbinding staan aankoopprojecten op het programma. Ecologische herstelprogramma’s zijn er o.a. voor de Jeker, Zwalm, Mark, Kleine Nete, Aabeek. Afbakening en inrichten van overstromingsgebieden wordt voorbereid langs o.a. de Voer, Jeker, Maarkebeek, IJse, Barebeek, Herk, Winge, Mark en Vliet. De alternatieve kruidruiming in blok wordt uitgebreid. In een vernieuwd standaardbestek 250 staan de bestekbepalingen omschreven voor alternatief (ecologisch) oeverherstel en ruimingsmethodes. Om het ecologisch waterbeheer verder te promoten, zal in 2005 een website ecologisch herstel en inrichting van watersystemen worden gelanceerd. Daaraan gekoppeld worden provinciale infosessies voorzien, gericht naar de lokale waterbeheerders: provincies, gemeenten, polders en wateringen. De noodzakelijke infrastructuur om wateroverlast te voorkomen wordt verder geoptimaliseerd. Bescherming en herstel van watervoorraden

De beschrijving van de toestand per grondwaterlichaam, beschikbaar vanaf eind 2004, vormt de basis voor het uitwerken van de visie voor de watervoerende lagen. Naarmate de visie vordert, en met behulp van grondwatermodellering, wordt gewerkt aan herstelprogramma’s voor bedreigde en verontreinigde watervoerende lagen. Jaarlijks worden op die manier twee grondwatersystemen aangepakt. Gelijktijdig wordt voor deze grondwatersystemen het sturend vergunningen- en heffingenbeleid uitgewerkt. Er wordt gewerkt aan een voorstel voor een concrete invulling van de factoren voor het bepalen van de grootte van de grondwaterheffing (regio/ laag waar uit opgepompt wordt) en van de quota van de grondwatervergunning. Uit de grondwatermodellering volgt ook de afbakening van de infiltratiegebieden en kwelzones. Duurzaam watergebruik

Op basis van de uitgevoerde wateraudits worden in 2005 concrete richtlijnen uitgewerkt zowel voor de industrie als voor de landbouw. Sensibilisatie en informatieverstrekking over duurzaam watergebruik zijn eveneens voorzien.

Begroting Voor het thema wordt in 2005 voorzien in iets meer dan 30.000 keuro aan beleidskredieten.


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 100

Milieujaarprogramma

100 2005

10. Hinder Inleiding Hinder omvat de verstoring door geluid, geur en licht. De bronnen van geluids- en geurhinder zijn in eerste instantie verkeer, buren en industrie. Kenmerkend voor verstoring is het lokale karakter ervan. Het hinderfenomeen speelt zich meestal af binnen een afstand van enkele honderden meter van de bron en hoe verder men er zich van verwijdert, hoe kleiner het effect. Door de historisch gegroeide ruimtelijke ordening in Vlaanderen is er meestal geen scheiding tussen potentiële hinderbronnen en gevoelige zones. Op een ogenblik waarop het rsv invulling krijgt via de ruimtelijke uitvoeringsplannen dient vermeden te worden dat nieuwe hindersituaties ontstaan. Om integratie van het hinderbeleid in de ruimtelijke ordening te bewerkstelligen werd een project opgestart.

Projecten en maatregelen Toelichting en evaluatie tot 2004 Begin 2004 werd een projectplan opgesteld. Het bestaat voorlopig uit twee deelactiviteiten, m.n. 1) een screening van de juridische en organisatorische mogelijkheden van integratie in de ruimtelijke ordening en in het woonbeleid uit het oogpunt van hinderbestrijding, 2) de ontwikkeling van een ruimtelijke beleidsvisie voor hinderaspecten van verkeer en industrie. Het bestek voor het onderzoek naar de mogelijke juridische en organisatorische ingangspoorten in de wetgeving ruimtelijke ordening en stedenbouw (deelactiviteit 1) is opgesteld. De eerste resultaten van deze studie mogen verwacht worden eind 2005. Als onderbouwing van deelactiviteit 2 werd in 2003 wat betreft geluidshinder een uitgebreide wetenschappelijke studie i.v.m. gevelisolatie afgerond. Wat betreft geurhinder werd een onderzoek naar de inschatting van cumulatie-effecten bij geurhinder afgerond. De resultaten ervan werden geïntegreerd in het visiedocument ‘De weg naar een duurzaam geurbeleid’, dat voor consensusvorming is besproken met de betrokken overheidsdiensten.

Opvolging mijlpalen en indicatoren Mijlpalen

Door de milieu-administratie gedragen visiedocument

Oorspronkelijke verwachting

Status

Huidige verwachting

2004 EINDE

op schema

2004 EINDE

2005 MIDDEN

vertraagd

2005 EINDE

2004 EINDE

vertraagd

2005 BEGIN

2004 EINDE

op schema

2004 EINDE

geurbeleid klaar Eindrapport studie over juridische en organisatorische mogelijkheden van integratie hinderbeleid in RO en in woonbeleid klaar Informatie i.v.m. geluidsisolatie is verspreid via brochure en studiedag Overzichtsrapport buitenlandse luchthavens klaar


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 101

themabeleid

101 deel 2

Aanpak jaar 2005 Project: Integratie hinderbeleid

Uitgaande van de resultaten van de screening van de juridische en organisatorische mogelijkheden voor een verhoogde integratie van het hinderbeleid in het ruimtelijke ordeningsbeleid en het woonbeleid wordt in 2005 een selectie gemaakt van pistes die verder worden uitgebouwd en dit via samenwerking met de administraties ruimtelijke ordening en huisvesting. In eerste instantie zal voor de luchthavens onderzocht worden welke de mogelijke opties zijn voor geluidsmaatregelen in het domein van de ruimtelijke ordening. Een overzichtsrapport over de geluidsmaatregelen (inbegrepen de ruimtelijke ordeningsmaatregelen) rond buitenlandse luchthavens zal als basis dienen. De studie over geluidsisolatie wordt vertaald naar een informatiebrochure voor administraties en geĂŻnteresseerden. Het visiedocument ‘de weg naar een duurzaam geurbeleid’ wordt voor advies voorgelegd aan de Vlaamse adviesraden. In het kader van de uitvoering van dit visiedocument zal de implementatie van geurkwaliteitsdoelstellingen en afstandsregels worden getoetst op mogelijke implicaties op de ruimtelijke ordening. De invulling van het concept milieuzonering zal kunnen uitmonden in een richtlijnennota, die, samen met voormelde toetsing, de basis kan vormen van het overleg met de beleidsmakers uit het domein ruimtelijke ordening.

10a. Verstoring door geluid Inleiding Het verkeer is de belangrijkste bron van geluidshinder: zowel weg- als trein- en luchtverkeer dragen bij tot het probleem. Ook economische activiteiten (industrie, handel en diensten) en luidruchtige recreatie kunnen veel geluid produceren. Het feit dat een grote groep mensen op een relatief kleine oppervlakte samenwoont, zorgt op zich al voor een belangrijke hinder door burengeluid. Op federaal niveau en in de verschillende gewesten heeft de lawaaihinder van luchthavens tot diverse beleidsinitiatieven geleid. Geluidshinder van industrie en van sommige recreatieve activiteiten wordt in Vlaanderen bestreden aan de hand van de bepalingen in vlarem ii. Ook internationaal zijn een aantal zaken in beweging: de geluidsemissie van buitenshuis gebruikt materieel (2000/14/eg), het bandengeluid (2001/43/eg) en de geluidsemissie van vliegtuigen (92/14/eeg, na 01.04.2002) werden recent Europees geregeld. Over de milieubijdrage van richtlijn 2002/30/eg (regels en procedures i.v.m. geluidgerelateerde exploitatiebeperkingen op luchthavens) zijn de meningen verdeeld. De richtlijn omgevingslawaai (2002/49/eg) is de eerste in de reeks die de bescherming van de mens en het milieu als uitgangspunt heeft.

Opvolging van de plandoelstellingen +/-

maken over een totale oppervlakte aan stiltegebieden van minstens | Afspraken 2 300 km

Het gebied Dender-Mark heeft als stiltegebied een oppervlakte van 28 km2 en fungeert als pilootproject om beleidsmaatregelen rond stiltebehoud uit te werken.


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 102

Milieujaarprogramma

+/-

102 2005

| In 2007 ligt het aantal potentieel ernstig gehinderden door geluid niet hoger dan 15% van de bevolking

Het percentage van de bevolking dat potentieel ernstig gehinderd wordt door geluid bedraagt ongeveer 18% en is in 2003 niet significant gewijzigd, net zomin als in de jaren daarvoor. De doelgroep verkeer en vervoer levert veruit de belangrijkste bijdrage (54%). Binnen deze groep zorgt wegverkeer voor drie vierden van de hinder en luchtverkeer voor een vijfde. Industrie, handel en diensten, bouw en sloop, recreatie en burenlawaai zijn verantwoordelijk voor de andere helft van de potentieel ernstig gehinderden. Ruimtelijk gezien situeren de knelpunten voor lawaai zich voornamelijk ter hoogte van de stadskernen en in het gebied van de Vlaamse ruit. Met de implementatie van de nieuwe eu-richtlijn Omgevingslawaai wordt prioritair de geluidshinder van belangrijke wegen, spoorwegen, luchthavens en grotere industriële vestigingen aangepakt, met bovendien grote agglomeraties als belangrijk aandachtspunt.

Projecten en maatregelen Toelichting en evaluatie tot 2004 De omzetting van de eu-richtlijn Omgevingslawaai is vervat in het ontwerpbesluit Milieukwaliteitsnormen, dat aan het kabinet werd bezorgd. Een eerste screening van bestaande inputgegevens voor de opmaak van de strategische geluidskaarten is gebeurd. De politieke akkoorden en het nieuwe spreidingsplan voor de luchthaven van Zaventem werden begeleid en onderbouwd door het deelnemen aan overleg, aan de werkzaamheden van de Adviescommissie, en het uitvoeren van meetactiviteiten en prognoseberekeningen. Hiervoor werden bijkomende mobiele meetopstellingen gerealiseerd. Het overzichtsrapport 2003 van de Adviescommissie geeft hiervan de weerslag. Recente meetgegevens worden via de website ter beschikking gesteld. Een ontwerp wijzigingsbesluit van vlarem hfst 5.57 werd opgesteld. Daarnaast is gezorgd voor gegevensuitwisseling en werd deelgenomen aan de overlegcommissie in uitvoering van het technisch samenwerkingsprotocol over Bierset. Een eerste evaluatierapport is uitgebracht. In het kader van het pilootproject Dender-Mark is in 2004 een studie opgestart die voor het gebied een beleidsvisie moet uitwerken waarin ruimtelijke ordening, mobiliteit en akoestiek geïntegreerd worden bekeken. De actuele informatie rond stiltegebieden is op een website raadpleegbaar.

Opvolging mijlpalen en indicatoren Mijlpalen

Oorspronkelijke Ve r w a c h t i n g

Status

Huidige verwachting

2004 MIDDEN

vertraagd

2005 BEGIN

Rapport RO luchthavens is klaar

2004 EINDE

op schema

Website meetgegevens luchthaven Zaventem operationeel

2003 EINDE

gerealiseerd

Brochure geluidsisolatie is klaar

2004 EINDE

vertraagd

2005 BEGIN

Handleiding stiltegebieden is klaar

2005 EINDE

op schema

2005 EINDE

Rapport beleidsvisie stiltegebieden is klaar

2005 EINDE

op schema

2005 EINDE

Juridische omzetting richtlijn Omgevingslawaai is gebeurd


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 103

themabeleid Indicatoren

103 deel 2

Realisatie

Doelstelling

Aantal opgestelde geluidrapporten

22 (2004)

29 (2007)

Aantal rapporten adviescommissie zaventem

2 (2004)

4 (2007)

Aantal samenwerkingsprotocols stiltegebieden

1 (2004)

9 (2007)

Aanpak jaar 2005 EU-richtlijn Omgevingslawaai invoeren en uitvoering voorbereiden

De uitvoering van de eu-richtlijn wordt aangevat in samenwerking met awv, mobiliteitscel, nmbs, stad Antwerpen,..... De eerste rapporten aan de eu-Commissie worden opgesteld: bevoegdheden, bestaande wetgeving, inventaris van wegen, spoorwegen, luchthavens en agglomeraties. Er wordt gestart met de opmaak van de strategische geluidskaarten. Een informatiebrochure wordt samengesteld. Geluidshinderbeleid m.b.t. luchthavens uitwerken en implementeren

Naast de werkzaamheden binnen het kader van de Adviescommissie en de opvolging van de akkoorden rond Bierset, zullen verder ondersteunende werkzaamheden nodig zijn i.v.m. het overleg over geluidsnormen (met het Brussels gewest), een nieuw isolatieprogramma, enz. Geluidsisolatienormen uitwerken en toepassen

Medewerking wordt verleend aan de activiteiten van de bin-Commissie voor de herwerking van geluidsisolatienormen. Teneinde de resultaten van een eerder uitgevoerde studie over gevelisolatie bekendheid te geven, wordt een workshop georganiseerd waarop gemeenten, leden van actiegroepen, enz... worden uitgenodigd. Samenwerking tussen betrokken actoren structureren

Voor geluidsmaatregelen rond de luchthavens zal onderzocht worden welke de mogelijke opties zijn in het domein van de ruimtelijke ordening. De uitgevoerde studie naar gevelisolatie wordt vertaald naar een informatiebrochure voor administraties en geïnteresseerden. Binnen het kader van project 17 (‘Integratie hinder’) loopt een studie naar juridische en organisatorische mogelijkheden i.v.m. ruimtelijke ordening en woningbouw. Het overleg rond de implementatie van de eu-richtlijn mgevingslawaai wordt gestructureerd. Beleid stiltegebieden ontwikkelen en uitvoeren

We trachten nieuwe samenwerkingsprotocols te finaliseren. Via de Werkgroep DenderMark worden nieuwe initiatieven in het pilootgebied begeleid. De in 2004 opgestarte studie wordt afgerond. Deze zal als basis dienen voor een handleiding rond stiltegebieden. Er wordt, indien mogelijk, een overkoepelende structuur voor de stiltegebieden in Vlaanderen opgericht. Beleidsondersteuning

Het geluidmeetnet en de geluidsdatabank worden verder uitgebouwd. De meetgegevens in verband met de luchthavenproblematiek worden openbaar gemaakt door middel van publicatie op een website.


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 104

Milieujaarprogramma

104 2005

Begroting In uitvoering van de eu-richtlijn Omgevingslawaai wordt in 2005 oa. het eerste deel van de geluidskaarten opgemaakt, waarvoor een bedrag van ca. 200 keuro wordt voorzien.

10b. Verstoring door geur Inleiding Geurhinder treedt op als mensen een geur, die ze in hun leefomgeving waarnemen, als onaangenaam en/of schadelijk voor hun welzijn beoordelen. Vanuit beleidsstandpunt wordt over geurhinder gesproken van zodra de hinder een gevolg is van een herhaalde blootstelling aan een hinderlijke geur. Ruim 15 % van de bevolking in Vlaanderen is anno 2004 op ĂŠĂŠn of andere manier gehinderd door geurtjes afkomstig van allerlei activiteiten, waarbij de belangrijkste in volgorde van afnemend belang zijn: straatverkeer, uitspreiden van mest, verbranding van afval door particulieren, schoorsteenafvoer, huisdieren, riolering, chemische industrie, varkenshouderijen, waterlopen, luchtverkeer, slachterijen, composteringsinstallaties, horeca, de opslag van afval door particulieren en de voedings- en drankenindustrie. Met het eerste decretale milieubeleidsplan werd een belangrijke aanzet gegeven tot de onderbouwing van het beleid inzake geurhinder. In het mina-plan 3 worden voor het eerst ook instrumenten geĂŻntroduceerd en kwantitatieve doelstellingen voor het Vlaamse Gewest vooropgesteld.

Opvolging van de plandoelstellingen ++

| Minimaal het aantal gehinderden gelijkhouden ten opzichte van 2001 Een nieuw schriftelijk leefomgevingsonderzoek (slo-1) dat het percentage door geur gehinderde burgers in Vlaanderen zal bepalen werd uitgevoerd begin 2004. Er is een positieve evolutie voor deze doelstelling merkbaar. T.o.v. 2001 is in 2004 alvast een daling van het aantal gehinderden geconstateerd.

++

| Verminderen van het aantal ernstig gehinderden ten opzichte van 2001 Ook het percentage van de bevolking ernstig tot extreem gehinderd door geur is in dalende lijn. In 2004 is nog 5,2% van de Vlamingen ernstig tot extreem gehinderd door geur, dit is alvast een daling t.o.v. 2001 met bijna 2 %

| Verminderen van het aantal geurbronnen boven het aanvaardbaarheidsniveau Van zodra het milieuklachten registratie- en opvolgingsysteem mkros volledig operationeel is, zal het aantal bronnen van geurklachten gelinkt aan vergunningsplichtige inrichtingen ingeschat kunnen worden. Aangezien de implementatie van nieuwe regelgeving via de milieuvergunning pas voorzien is vanaf 2004, wordt voorlopig nog geen merkbare daling verwacht.


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 105

themabeleid

105 deel 2

Projecten en maatregelen Toelichting en evaluatie tot 2004 Centraal stond de implementatie van de beleidsinstrumenten en de analyse van onderzoeksresultaten als voorbereiding op de implementatie ervan in beleid en regelgeving. In dit licht werd verdergewerkt aan het visiedocument ‘De weg naar een duurzaam geurbeleid’. Er ging vooral veel aandacht uit naar het administratief overleg over dit document. Aanvullend op de ontwikkelde methodiek voor het opstellen van geurnormen voor geïsoleerd gelegen geurbronnen, werd de methodiek uitgebreid voor bronnencomplexen (ongelijksoortige geuren) en bronnenclusters (gelijksoortige geuren). Het onderzoek naar de monetaire waardering van geurhinder werd, zoals voorzien, opgestart in 2004. Tijdens de eerste helft van 2004 werd een schriftelijk leefomgevingsonderzoek uitgevoerd bij ruim 5000 respondenten. De resultaten ervan maakten een eerste beleidsevaluatie mogelijk midden 2004. Een derde versie van mkros werd ontwikkeld.

Opvolging mijlpalen en indicatoren Mijlpalen

Oorspronkelijke verwachting

Status

Huidige verwachting

2004 EINDE

vertraagd

2005 MIDDEN

2004 MIDDEN

gerealiseerd

2005 MIDDEN

op schema

2004 BEGIN

vertraagd

2004 MIDDEN

gerealiseerd

Studieresultaten sectorale geurnormering omgezet in regelgeving Visiedocument ‘De weg naar een duurzaam geurbeleid’ afgewerkt Code van goede praktijk Geurmetingen opgemaakt Ingebruikname MKROS versie 3 SLO-1 afgerond en verwerkt

Indicatoren

2004 EINDE

Realisatie

Doelstelling

Percentage gemeenten die MKROS als operationele databank gebruiken

10 (2004)

80 (2005)

Aantal gemeenten die ingetekend hebben op cluster hinder uit SO

181 (2004)

190 (2005)

Aanpak jaar 2005 Introduceren van regelgeving inzake geurhinder

Op basis van de onderzoeken die de voorbije jaren werden uitgevoerd moet het mogelijk zijn een onderbouwde aanpak van het hinderaspect rond veestallen in de dossiermatige beoordeling bij de vergunningverlening te bevorderen. Hiervoor zal een leidraad worden opgemaakt die als omzendbrief kan worden verspreid naar de vergunningverleners. De juridische verankering van de geuraudit en het geurbeheersplan zal worden voorbereid. Alvorens het overleg met bepaalde sectoren hierover wordt opgestart, zal worden onderzocht welke de repercussies zullen zijn van implementatie van geurnormering voor die sectoren.


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 106

Milieujaarprogramma

106 2005

Codes van goede praktijk inzake Geurmetingen opstellen

In 2005 wordt, in samenspraak met de betrokken overheidsdiensten, een code van goede praktijk opgesteld inzake het uitvoeren van geurmetingen en geuronderzoeken. Tevens zal op basis van de huidige inzichten de nodige input worden gegeven aan het mer-richtlijnenboek. Ondersteunen van het beleid

In uitvoering van de Samenwerkingsovereenkomst tussen het Vlaamse Gewest en de gemeenten wordt versie 3 van mkros, na gedurende drie maanden uitgetest te zijn bij 10 gemeenten, volledig operationeel. Er wordt verder gewerkt aan het stappenplan voor implementatie van mkros, waarbij kritische succesfactoren zoals de potentiĂŤle inbreng van milieu-inspectie en politie worden aangepakt. Het gebruik van mkros door toezichthoudende diensten zal verder aangemoedigd worden via info- en demosessies van versie 3 van mkros.

Begroting Het merendeel van het onderzoekswerk is intussen afgerond. Voor het onderzoeken van de repercussies van het invoeren van een geurnormering, wat moet toelaten de implementatie van de regelgeving volledig te kunnen inzetten, is een bedrag van 75.000 euro voorzien.

10c. Verstoring door licht Inleiding Overmatig gebruik van kunstlicht ’s nachts leidt tot lichtvervuiling. Allerlei bronnen kunnen aanleiding geven tot lichtvervuiling en lichthinder: straatverlichting, verlichting van openbare ruimten, parkeerruimten, sport- en recreatieterreinen en industrieterreinen, klemtoonverlichting bij monumenten en gebouwen, sky-tracers bij bioscopen e.d., lichtreclame en verlichte uitstalramen, serreverlichting in de glastuinbouw, verlichting van tuinen en opritten. Lichthinder is een nieuw thema in het minaplan 3. Wel werd in 1997 het Vlaams urgentieplan betreffende maatregelen om de lichtvervuiling te beperken goedgekeurd. Het aantal concrete maatregelen is echter beperkt gebleven. vlarem ii geeft slechts algemene voorschriften ter beperking van lichthinder, zowel voor ingedeelde als niet-ingedeelde inrichtingen. Er bestaan geen internationale afspraken of richtlijnen in verband met lichthinder.

Opvolging van de plandoelstellingen

| Nieuwe lichtvervuiling voorkomen en bestaande lichtvervuiling verminderen Dit zal gebeuren via sensibilisering en doorgedreven samenwerking met andere overheden en administraties. Er bestaat momenteel geen goede indicator voor het opvolgen van lichthinder. Onderzoek hiernaar is wenselijk.


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 107

themabeleid

107 deel 2

Opvolging van de richtinggevende doelstellingen

| In 2007 komen geen gebieden meer voor met een kunstmatige hemelluminantie groter dan negen keer de natuurlijke hemelluminantie (tussen 0u30 en 5 uur): dit is de categorie gebieden waar de kunstmatige hemelgloed nu het grootst is Er zijn geen nieuwe gegevens beschikbaar.

Projecten en maatregelen Toelichting en evaluatie tot 2004 De voorlichtingsbrochure ‘Wegverlichting zonder lichthinder’ werd verspreid bij gemeenten en belanghebbenden. Via een bbt-studie rond glastuinbouw wordt de lichthinder van serres nader bekeken. In samenwerking met vito werd een databank opgestart die voor diverse toepassingen onderzoekt welke verlichtingstoestellen best geschikt zijn vanuit het gezichtspunt lichthinder. Dit gebeurde gecoördineerd met de uitvoering van het Dulomi-project rond sensibilisering van lokale overheden. De informatie rond lichthinder is raadpleegbaar op de website van de sectie Geluid, Trillingen en Niet-ioniserende stralingen (www.milieuhinder.be).

Opvolging mijlpalen en indicatoren Mijlpalen

Oorspronkelijke verwachting

Status

Databank verlichtingstoestellen is actief

2005 EINDE

op schema

Nieuwe voorlichtingsbrochure lichthinder

2005 EINDE

op schema

Brochure ‘Wegverlichting zonder lichtvervuiling’ klaar

2003 EINDE

gerealiseerd

Huidige verwachting

Aanpak jaar 2005 Samenwerking met andere overheden organiseren

Via de bbt-studies, projecten voor lokale overheden, overleg reg, klimaatplan, enz. wordt de problematiek van lichthinder verder onder de aandacht gebracht. De stuurgroep die voor de studies werd opgericht fungeert voorlopig als klankbordgroep. Sensibiliseren

Op basis van de bbt-studie glastuinbouw en de uitgewerkte databank verlichtingstoestellen worden de lokale overheden en de actoren verder gesensibiliseerd. Beleidsondersteuning licht

Het algemeen beleidsonderbouwend onderzoek (o.a. mogelijkheid van donkertegebieden, relatie verlichting, criminaliteit en veiligheid, aandeel bronnensoorten in de lichthinderproblematiek) zal worden voorbereid. Technische richtlijnen zullen opgemaakt worden.


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 108

Milieujaarprogramma

108 2005

11. Versnippering Inleiding Versnippering vormt in Vlaanderen ĂŠĂŠn van de belangrijkste oorzaken voor de achteruitgang van de natuurwaarden. Het wordt gedeďŹ nieerd als een proces waarbij ruimtelijke en functionele entiteiten (bv. biotopen, landschappen, grondwaterstromen) worden verbrokkeld of verstoord. Het vormt een milieuprobleem wanneer de samenhang tussen deze entiteiten zodanig wordt verstoord dat het functioneren ervan gevoelig verslechtert. Versnippering is in onze contreien vooral een probleem voor soorten met een gering kolonisatievermogen. Het beleid heeft hierop vooral ingespeeld door bestaande versnipperingsknelpunten weg te werken (bv. d.m.v. natuurtechnische milieubouw, aanmaak van een prioriteitenatlas voor te ontsnipperen weginfrastructuren) en nieuwe te voorkomen (bv. d.m.v. versnipperingsproblematiek in de mer-plicht op te nemen). Bovendien zal naar de toekomst toe enerzijds veel aandacht besteed worden aan het wegwerken van de vismigratieknelpunten om aldus te kunnen voldoen aan de Benelux-beschikking en het decreet Integraal Waterbeleid, en anderzijds aan de afbakening en inrichting van de natuurverbindingsgebieden door de provincies.

Opvolging van de plandoelstellingen

| Saneren van 75% van de bestaande vismigratieknelpunten op het netwerk van prioritaire waterlopen voor vismigratie en het zoveel mogelijk voorkomen van nieuwe knelpunten

In totaal zijn 48 van de 821 (6%) knelpunten gesaneerd. Een versnelling van de uitvoering is vereist om tegen 2010 een vrije migratie te kunnen realiseren.

| Bevorderen van de mogelijkheden van migratie tussen en binnen leefgebieden voor bepaalde (land)doelsoorten

Het percentage versnipperingspunten dat weggewerkt moet worden kan nog niet met juistheid bepaald worden. Er zal in de loop van de planperiode werk gemaakt worden om deze indicator opvolgbaar te maken. Er zullen, in het kader van de natuurtechnische landbouw, een aantal strategische en vernieuwende ontsnipperingsingrepen worden uitgevoerd.Ook in het kader van de methodologische studie voor afbakening en inrichting van de natuurverbindingsgebieden zullen prioriteiten van te ontsnipperen locaties worden aangeduid.

Projecten en maatregelen Toelichting en evaluatie tot 2004 Afbakening en inrichting van Natuurverbindingsgebieden

De afbakening van de natuurverbindingsgebieden is een taak van de provincies waarbij de Vlaamse overheid ondersteuning biedt. Dit is o.a. gebeurd via een onderzoeksrapport die de methodologie voor de afbakening en inrichting van natuurverbindingsgebieden (nvbg) heeft onderzocht en deze werd eind 2004 ter beschikking gesteld. In het kader van deze activiteit werd een overlegplatform opgericht om de verdere


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 109

themabeleid

109 deel 2

afbakening en inrichting van de nvbg inhoudelijk en ruimtelijk om mekaar af te stemmen en ervaringen tussen de provincies uit te wisselen. Dit overlegplatform bestaat uit de milieu- en natuurdiensten van de provincies, aminal Afdeling Natuur, de Vlaamse Landmaatschappij en het Instituut voor Natuurbehoud. De laatste drie instanties ondersteunen het project. Begin juni 2004 ging een eerste overlegvergadering door. Er werd een voorstudie uitgewerkt voor het gebied ‘Demer tussen Diepenbeek en Hasselt’. De tweede verbinding waarmee gestart wordt, ligt in Haspengouw. In september werden voor het eerste projectafspraken gemaakt over de aanpak van de afbakening en inrichting aan de hand van ruimtelijke uitvoeringsplannen (rup) en natuurrichtplannen. Hierbij werden ook vertegenwoordigers van ruimtelijke ordening betrokken. In de provincie Antwerpen is men gestart met de voorstudie ‘Langs vallei van de Aa en langs het beekdal van de Laarbeek – Holle Beemdenbeek’. In de provincie Oost-Vlaanderen werd gestart met twee pilootprojecten, met name ‘’Landbouwgebied Meetjesland’ en ‘Heuvelrug getuigenheuvels Vlaamse Ardennen’. In de provincie Vlaams-Brabant werd het provinciaal structuurplan eind mei goedgekeurd. Daarom kon nog niet met een afbakeningsproces gestart worden. In de provincie West-Vlaanderen werden voorlopig nog geen processen opgestart. De bestaande kwetsbaarheidskaarten m.b.t. biotoopverlies en barrière-effect konden voorlopig niet worden geactualiseerd. Natuurtechnische milieubouw

Er zijn een aantal strategische en vernieuwende ontsnipperingsingrepen, in het kader van de natuurtechnische milieubouw uitgevoerd. Deze projectmatige aanpak is aangevuld met een procesmatige benadering van het probleem. De ontsnipperingsstrategie van awv, met vijf verschillende manieren van aanpak, zal hiervoor een integrale en vaak zeer specifieke en complementaire aanpak bieden. Er zijn verschillende studies opgestart om bermen van wegen en waterlopen (samen met restgronden) aangepast in te richten en te beheren voor de vlinderfauna. O.m. voor de Ring rond Brussel (R0) is een studie afgerond waarin na vier jaar een eerste evaluatie werd opgesteld van het lopende bermbeheersplan en bovendien wordt gekeken hoe het bestaande beheer kan worden bijgesteld in relatie tot een aantal fauna-elementen. Ook voor een aantal gewestwegen zijn bermbeheersplannen voorbereid. Voorbeelden van dergelijke gewestwegen zijn de N60, de N49, de N73 en de gewestwegen in de buurt van Diest, Aarschot en Geel. De omvangrijke strategische en vernieuwende dossiers (E19, E314, E34, N25, E313) zijn verder uitgewerkt. Nieuwe dossiers zijn: • plaatsing van bijkomende rasters langs de E314 • natuurtechnische aanpassing van bestaande onderdoorgangen als faunapassages onder de E314 en de N78 • doorpersing van dassentunnels in Voeren, Tongeren en Hoeselt Het overleg rond ontsnippering tussen de beleidsdomeinen binnen de federale en Vlaamse overheid en met de lokale overheden is verder uitgebouwd en geformaliseerd. Het proefproject ‘Autovrij maken van de Mechelse heide’ is verder uitgewerkt. Een deel van de N730 is definitief afgesloten voor gemotoriseerd verkeer. De brug van de N730 over de E314 is ingericht als ecoveloduct. Later zullen ook andere wegen in de Mechelse heide worden omgebouwd tot fiets- en wandelpaden. Hierrond is met de gemeente Maasmechelen en een aangelande (met economische activiteiten) een tijdsplanning afgesproken.


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 110

Milieujaarprogramma

110 2005

Vrije vismigratie

Het herstel van vismigratie werd als doelstelling opgenomen in het decreet betreffende het integraal waterbeleid. In 2004 werd verder gewerkt aan de realisatie van een vrije vismigratie in het netwerk van 3000 km prioritaire waterlopen. De saneringen kunnen worden onderscheiden volgens de categorie van de waterloop. De werken voor de realisatie van herstelprojecten op de Boven-Schelde worden uitgevoerd. Tevens werd door awz een uitvoerings- en financieringsplan opgemaakt om op de prioritaire waterlopen herstel van vismigratie te kunnen verwezenlijken. De beheerders van de waterlopen van eerste categorie hebben een aantal herstelprojecten in uitvoering (Mark, Weerijs, Grote Nete in Meerhout). Tegen eind 2004 zullen in totaal 29 van de 185 (16 %) herstelprojecten gerealiseerd zijn op prioritaire waterlopen. Tevens lopen nog tal van ontwerpstudies voor projecten op andere waterlopen van eerste categorie. Naast de echte concrete projecten ter voorbereiding van de uitvoering wordt van elke waterloop een ecologische visie opgemaakt. De herstelmogelijkheden voor vismigratie worden in een ruimere visie op het ecologisch herstel van het watersysteem en haar vallei onderzocht. In 2004 worden de projecten herinrichting van de IJse in het Dijlebekken en de herinrichting van de Voer in het Maasbekken opgestart waarbij zowel ecologische doelstellingen als waterkwantiteitsdoelstellingen gerealiseerd zullen worden. Van de waterlopen tweede categorie werden in 2004 een 10-tal projecten gerealiseerd en werden nieuwe projecten opgestart. Zesenveertig knelpunten van de vierhonderdachttien (11%) zijn aangepakt. Op de waterlopen van derde categorie hebben de beheerders nog geen van de negentig knelpunten aangepakt. Vele gemeenten hebben zich wel geëngageerd om rond vismigratie te werken door het ondertekenen van de Samenwerkingsovereenkomst met gemeenten en provincies. Ook de polders en wateringen hebben een aantal projecten opgestart. Zowel op waterlopen van eerste als tweede categorie worden visdoorgangen gemonitored. Recent werden bijkomende initiatieven genomen. In de Samenwerkingsovereenkomst met gemeenten en provincies werd de subsidiëring van herstelprojecten opgenomen, alsook in het recente subsidiebesluit voor polders en wateringen. Bijkomend werd de opmaak van een handleiding voor de sanering van vismigratieknelpunten uitbesteed en wordt gewerkt aan de opmaak van een uitvoeringsbesluit vismigratie. Overleg met de afdeling Monumenten en Landschappen voor een geïntegreerde aanpak van het herstel van watermolens en de sanering van vismigratieknelpunten werd opgestart. Een voorontwerp van uitvoeringsbesluitbesluit van de Vlaamse regering in het kader van het decreet Integraal waterbeleid bevat maatregelen ter bevordering van de vrije vismigratie. Hierdoor zal het uitwerken van oplossingen voor vismigratieknelpunten ook wettelijk ondersteund worden.


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 111

themabeleid

111 deel 2

Opvolging mijlpalen en indicatoren Mijlpalen

Oorspronkelijke verwachting

Status

2004 BEGIN

gerealiseerd

2004 BEGIN

gerealiseerd

Proefproject autovrij maken Mechelse heide voltooid

2004 EINDE

op schema

Goedkeuring uitvoeringsbesluit vismigratie

2004 EINDE

vertraagd

Handleiding voor de sanering van vismigratieknelpunten

2004 EINDE

vertraagd

Methododlogische studie voor afbakening en inrichting

Huidige verwachting

van de natuurverbindingsgebieden is afgewerkt Overleg tussen beleidsdomeinen en beleidsniveaus en andere sectoren is opgestart 2007 EINDE

is gepubliceerd

Indicatoren Aantal uitgewerkte ecologische visiestudies voor waterlopen en valleigebieden

Realisatie

Doelstelling

20 (2004)

42 (2007)

Aanpak jaar 2005 Project: Prioriteiten ontsnippering

Natuurtechnische milieubouw 1. Bevorderen van de mogelijkheden van migratie tussen en binnen leefgebieden voor bepaalde (land)doelsoorten De goedgekeurde ontsnipperingsstrategie zal door awv in de praktijk worden gebracht op zowel beleids- als projectniveau. Ook zal door awz een ontsnipperingsstrategie worden opgesteld (voor de oversteekbaarheid van bijvoorbeeld kanalen door allerlei diersoorten). Uit de nog niet afgeronde studie ‘Onderzoek naar de mogelijke ‘verbindingen’ tussen het Grensmaas, het Kempisch Plateau en het Stamprooierbroek’ en het proces van de afbakening van de ecologische infrastructuur in de Antwerpse haven kunnen nuttige gegevens worden gehaald in verband met verschillende manieren van werken om ontsnippering planmatig en concreet aan te pakken. De prioritering van te ontsnipperen locaties moet hoe dan ook gezien worden in relatie tot deze verschillende manieren. Zo kunnen de bevindingen van verschillende vlina-projecten rond ontsnippering verfijnd worden en afgestemd worden op mogelijke uitvoeringen op het terrein. De resultaten van verschillende studies rond vlinderfauna zullen worden omgezet in uitvoeringsgerichte bepalingen in het beheer van een aantal bermen en restgronden langs wegen en waterlopen. De resultaten van de evaluatie van het bermbeheer van de ring rond Brussel (R0) in verband met de macrofauna zal in de mate van het mogelijke worden geïmplementeerd in het bestaande beheersplan. De resultaten van de studies ter voorbereiding van de bermbeheersplannen voor de N60, de N49, de N73 en een aantal gewestwegen in de omgeving van Diest, Aarschot en Geel zullen worden omgewerkt tot onderhoudsbestekken. Uiteraard moeten hiervoor eventuele afwijkingen van het Bermbesluit worden goedgekeurd.


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 112

Milieujaarprogramma

112 2005

2. Verder uitvoeren van andere lopende en nieuwe ontsnipperingsdossiers De omvangrijke strategische en vernieuwende dossiers (N25, E314, E19, E34, E313) worden verder uitgewerkt. In2005 zullen de eerste ecoducten van de projecten N25, E314 en E 19 afgewerkt of opgestart zijn. Nieuwe dossiers zijn onder meer: • voorbereiden van de plaatsing van fauna-uitstapplaatsen voor dassen en reeën in de oevers van verschillende kanalen in de Antwerpse en Limburgse Kempen; • inrichtingen van een niet meer in gebruik zijnde spoorwegbrug over het Albertkanaal (Lanaken) als dassenecoduct; • uitwerken van de concrete ontsnippering van de E34 tussen Turnhout en de grens met Nederland (binnen een grensoverschrijdend project met Rijkswaterstaat). 3. Uitbouwen en formaliseren overleg

• • • •

Het overleg rond ontsnippering tussen de beleidsdomeinen binnen de federale en Vlaamse overheid en met de lokale overheden wordt verder uitgebouwd en geformaliseerd. Volgende activiteiten worden verder opgevolgd: implementeren van de goedgekeurde ontsnipperingsstrategie van awv; concretiseren van het bestaande overleg tussen de beleidsafdelingen van awz en aminal; concretiseren van de bepalingen uit de beleidsconclusies van het ontwerp-Mobiliteitsplan Vlaanderen en uit de beleidsvoornemens van dat ontwerpplan; uitbouwen van een gestructureerde samenwerking tussen de cel ntmb en tuc-Rail en nmbs. Proefproject inzake tijdelijk autoluw maken van gebieden door bundeling van verkeerstromen Het proefproject ‘Autovrij maken van de Mechelse heide’ wordt verder gezet. Buiten de N730 zullen ook andere wegen in de Mechelse heide worden omgebouwd tot fiets- en wandelpaden. Hierrond is met de gemeente Maasmechelen en een aangelande (met economische activiteiten) een tijdsplanning afgesproken. Een studie over een gebiedsdekkende ontsnippering zal worden opgestart vanuit awv. Op basis hiervan zal, uiteraard in overleg met de betrokken lokale besturen, een globale aanpak met inbegrip van het eventueel (tijdelijk) autoluw maken van (gevoelige) gebieden, bekomen worden. Ook zal gekeken worden in hoeverre in het kader van land- en natuurinrichtingsplannen en in het kader van ruilverkavelingen kan gewerkt worden aan het (tijdelijk) autoluw maken van (gevoelige) gebieden. In eerste instantie zal een inventaris moeten worden opgestart van reeds uitgevoerde projecten en van de behaalde resultaten. Op basis van de bevindingen kan verder worden gewerkt aan nieuwe (eventueel) grotere projecten. Bovendien kunnen die ervaringen ook in andere omstandigheden worden toegepast. Sanering van prioritaire vismigratieknelpunten Het voorontwerp van waterbeleidsnota, goedgekeurd door de Vlaamse Regering op 7 januari 2005, voorziet dat er een uitvoeringsbesluit op het Waterdecreet zal worden gemaakt met betrekking tot de vrije vismigratie. Voor 2005 wordt de voorbereiding en uitvoering van projecten en wetenschappelijke ondersteuning verder gezet en worden nieuwe projecten opgestart. De realisatie van een groot aantal projecten (40-tal) wordt verder voorbereid. Nieuwe herstelprojecten worden maximaal gekoppeld aan andere projecten zoals de inrichting van oeverzones of overstromingsgebieden (zie ook thema ‘Verdroging’). Er wordt vertrokken vanuit een ruimere, ecologische visie op het valleigebied. De onder-


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 113

themabeleid

113 deel 2

bouwing van deze projecten wordt uitgewerkt in het kader van ecologische visiestudies voor waterlopen en bijhorende valleigebieden. Deze ecologisch visies zullen worden meegenomen bij de opmaak van bekken en deelbekkenbeheersplannen. Nieuwe dossiers zijn ondermeer: de herinrichting van de IJse en de herinrichting van de Voer. In deze studies zal integraal te werk gegaan worden waarbij de realisatie van waterberging, herstel vismigratie, ecologisch inrichting aan elkaar gekoppeld wordt. De projecten op de Velpe, Poekebeek, Winge, Mangelbeek, Abeek, Mark, Grote Nete en Kleine Nete zullen verder voorbereid worden en indien mogelijk gerealiseerd in 2005. Nieuwe op te starten dossiers zijn ondermeer: de Dijle, hermeandering (en herstel vismigratie) op de Dommel, de Herk, de Zwartebeek. Ook zullen de reeds aangelegde visdoorgangen verder worden geëvalueerd. Verbetering van de toepassing van de m.e.r.-plicht

Deze maatregel zal niet van start gaan in 2005. Toepassen en verfijnen van de preventieve instrumenten

Er worden geen specifieke initiatieven genomen m.b.t. deze maatregel in 2005. Tegengaan bouwzones met potentieel sterk versnipperend effect

Deze maatregel zal niet van start gaan in 2005. Opmaak van een atlas Ruimtelijke Versnippering voor Vlaanderen

In 2005 zullen de provincies worden ondersteund, om mits inachtname van bepaalde randvoorwaarden de opmaak van ruimtelijke uitvoeringsplannen (rup) en natuurrichtplannen (nrp) voor de nvbg in een stroomversnelling te krijgen. De provincie Limburg heeft reeds een beslissing genomen om tegen 2008 tien nvbg te realiseren. Gelijkaardige doelstelling worden gestimuleerd voor de andere provincies. Bijkomend worden de provincies verder begeleid bij de bepaling van de prioritering van de nvbg. Aanleg en verbetering van randzones

Er worden geen specifieke initiatieven genomen in 2005. Verbetering van indicatoren voor versnippering

Er wordt een onderzoek opgestart om bruikbare indicatoren te ontwikkelen om de versnipperingstoestand op diverse ruimtelijke niveaus en voor verschillende doeleinden (beleidsmatig, wetenschappelijk...) te kunnen monitoren. Waarschijnlijk zal het nodig zijn om verschillende indicatoren’sets’ te ontwikkelen, die het meest bruikbaar zijn voor een bepaald toepassingsgebied.

Begroting Voor het thema wordt in 2005 voorzien in iets meer dan 4.000 keuro aan beleidskredieten, voornamelijk voor het wegwerken van vismigratieknelpunten. Dat budget werd gereduceerd van 5.700 naar 3.000 keuro. Dit zal allicht een vertraging veroorzaken in het bereiken van de doelstellingen.


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 114

Milieujaarprogramma

114 2005

12. Verlies aan biodiversiteit Inleiding In uitvoering van het gewijzigd decreet Natuurbehoud en van het Bosdecreet werden in de loop van 2003 en 2004 verschillende uitvoeringsbesluiten inzake gebiedsgerichte maatregelen goedgekeurd. Hierdoor is een belangrijke stimulans gegeven aan een doelgerichtere en efficiëntere gebiedsspecifieke planning en uitvoering op terrein. Bij ministrieel besluit werd de opmaak van vijf natuurrichtplannen opgestart. Ook voor het soortenbeleid werd een juridisch kader voorbereid en voor het aspect exoten een plan van aanpak ontwikkeld. Monitoring wordt gericht op internationale verantwoordelijkheden en op beheer- en, beschermingsmaatregelen. Inzake het bosbeleid werden tal van voorstellen uit het ontwerp-actieplan bos geoperationaliseerd en gerealiseerd. Om er echter in te slagen het verlies aan biodiversiteit tegen 2010 stop te zetten (zoals gesteld tijdens wssd in Johannesburg) of zelfs om te keren (zoals gesteld door de eu) dient de integratie van biodiversiteit in de andere beleidsdomeinen, uitvoering op terrein en het maatschappelijk draagvlak voor natuurbehoud enorme versterking te krijgen.

Opvolging van de plandoelstellingen +

| Het afbakenen van 125.000 ha ven en 150.000 ha natuurverwevingsgebieden De Vlaamse Regering heeft op 18 juli 2003 de eerste fase van de afbakening van het ven (84.764 ha) definitief goedgekeurd. De afbakening is in werking getreden op 31 oktober 2003. De afbakening op basis van het decreet Natuurbehoud had betrekking op gebieden die binnen een groene of een daarmee vergelijkbare bestemming op de gewestplannen lagen en waarover consensus voor opname in het ven bestond. Daarnaast werden gebieden die geen groene bestemming hadden maar waarover eveneens consensus bestond, via een bestemmingswijziging naar natuurgebied met overdruk gen (grote eenheden natuur), geno (te ontwikkelen grote eenheden natuur) of natuurverwevingsgebied in gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen afgebakend. Via beslissingen van de Vlaamse Regering van 20 februari 2004 en 17 december 2004 werden vijfentwintig gewestelijke rup’s (ruimtelijke uitvoeringsplannen) definitief vastgesteld. Hiermee werd in totaal 2008 ha gen en 768 ha natuurverwevingsgebied vastgesteld. Op 17 oktober 2003 besliste de Vlaamse Regering om de tweede fase van de afbakening op te starten. In deze tweede fase zullen de resterende delen van de gebieden van de natuurlijke en de agrarische structuur afgebakend worden in gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen op basis van gebiedsgerichte en geïntegreerde ruimtelijke visies op de natuurlijke en agrarische structuur. Vlaanderen is hiervoor opgedeeld in vijftien buitengebiedregio’s. De opmaak van een geïntegreerde ruimtelijke visie moet garant staan voor een gelijktijdige en gelijkwaardige afweging tussen landbouw, natuur en bos. De Vlaamse Regering besliste te starten met twee pilootprojecten m.n. de buitengebiedregio’s Haspengouw-Voeren en Kust-Polders-Westhoek. De verkenningsfase werd eind november 2004 in bespreking gebracht met alle actoren. Op 17 december 2004 besliste de Vlaamse Regering over de manier van werken en de timing voor de andere regio’s m.b.t. de afbakening van de gebieden van de agrarische en natuurlijke structuur. De planningsprocessen zullen in pakketten van drie tot vijf buitengebiedregio’s van start gaan, gespreid over 2005. De eindvoorstellen van gewenste ruimtelijke structuur en programma’s voor uitvoering zullen aan de Vlaamse Regering worden voorgelegd respectievelijk in juli 2005, januari 2006, juli 2006 en januari 2007.


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 115

themabeleid

+

115 deel 2

| De totale oppervlakte groengebied doen stijgen met 38.000 ha natuur en 10.000 ha bosgebied en bosuitbreidingsgebied ten opzichte van begin 1994

Tussen 1994 en 2002 is de oppervlakte natuurgebied (en reservaatgebied) netto toegenomen met 8.641 ha. In februari en december 2004 werden vijentwintig ruimtelijke uitvoeringsplannen (rup’s) vastgesteld, waarbij 2.008 ha bijkomend natuurgebied is gerealiseerd. De oppervlakte bosgebied is tussen 1994 en november 2003 toegenomen met 1.395 ha. De oppervlakte overig groen (park- en buffergebieden in de gewestplannen) is in dezelfde periode met 518 ha afgenomen. Hier zal een inhaalbeweging nodig zijn om terug op het niveau van 1994 te komen. De volgende fase van de afbakening van de natuurlijke structuur is opgestart in het kader van de buitengebied-rup’s waarin ook extra bestemmingswijzigingen naar natuur- en reservaatgebied zullen doorgevoerd worden.

++

| 50.000 ha onder effectief natuurbeheer (erkend, Vlaams en/of bosreservaat en/of natuurgebieden met een goedgekeurd beheersplan)

Midden 2004 zijn er achtenzeventig Vlaamse natuurreservaten aangewezen met een gezamenlijke oppervlakte van 5.367 ha. Het aantal erkende natuurreservaten bedraagt tweehonderdnegentig met een totale oppervlakte van 9.539 ha. In 2003 werd 1.020,7 ha nieuw natuurreservaat erkend en 364,2 ha nieuw Vlaams natuurreservaat aangewezen. Jaarlijks zouden beide oppervlakten elk met 1.000 ha moeten toenemen. De totale oppervlakte bosreservaat bedraagt 2.102 ha. De samenwerking met defensie voor de beheerplanning en -uitvoering van 9.416 ha natuur- en bosgebied op de militaire domeinen krijgt een sterke impuls via het Lifeproject. Ook voor de natuurcompensatiegebieden in het havengebied van Antwerpen (550 ha) en in Kruibeke-Basel-Rupelmonde (650 ha) wordt natuurontwikkeling en natuurbeheer verder projectgewijs voorbereid. Naast de erkende of aangewezen natuurreservaten bestaat nog geen type van beheersplanning en -opvolging voor natuurgebieden. Via informeel overleg door privé-eigenaars of lokale besturen werd echter reeds voor meer dan 1.000 ha natuurgebied een natuurbeheerplan goedgekeurd. Ook voor deze aanpak wordt een formeel kader uitgewerkt en mogelijkheid tot subsidiëring nagegaan. In bovenstaande reservaten of natuurgebieden in eigen beheer dient het natuurbeheer te beantwoorden aan de ecologische vereisten van de in stand te houden habitats en soorten waarvoor de gebieden in aanmerking werden genomen om te kunnen bijdragen aan de bescherming en herstel van biodiversiteit. Het zijn deze gebieden die meegerekend worden in de realisatie van deze plandoelstelling. De oppervlakte van de gebieden met effectief natuurbeheer omvat dus: gebieden in eigendom: 6.314 ha en opp. in beheer door afdeling natuur 4.327 ha. – is dus in totaal ongeveer 10.641 ha waarvan 5.367 ha Vl. natuurreservaat), erkende natuurreservaten van de verenigingen (9.539 ha), bosreservaten (2.102ha), de gebieden in beheer op militair domein (9.416 ha), de oppervlakte met goedgekeurd beheerplan via lokale besturen (1.000 ha) voor een totaal van 32.698 ha. Daarnaast bestaan ook beheerplannen voor openbare en private bossen. Voor 5.350 ha openbaar bos en ongeveer8.440 ha privé-bos (erkende bosgroeperingen) bestaat er een uitgebreid beheerplan opgemaakt volgens het oude uitvoeringsbesluit. Tegen eind 2005 zal voor 4.500 ha domeinbos, 3.500 ha privébos in ven en 5.000 ha ander openbaar bos een uitgebreid beheerplan opgesteld worden (volgens het vernieuwd besluit rond beheerplannen). In het kader van dit vernieuwd besluit werd nu ook een toetsing voor de natuurwaarden opgenomen.


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 116

Milieujaarprogramma

+

116 2005

| Het jaarlijkse aankoopritme van natuur- en bosgebied doen stijgen tot 3.000 ha In 2003 is door de verenigingen 877,5 ha natuurgebied gekocht. Het Vlaamse Gewest kocht 656,2 ha natuur en 707,1 ha bos en te bebossen gronden . Het totale aankoopritme lag bijgevolg op 2.240 ha, een 400 ha minder dan in het jaar 2002. Het vrijwillige aanbod van gronden kon echter gezien budgettaire beperkingen niet gevalideerd worden. De globale doelstelling valt ook voor de komende jaren richtinggevend uiteen in telkens 1.000 ha.

+

| Inrichten van 20.000 ha natuur via natuurinrichting, bosuitbreiding en natuurontwikkeling

Eind 2003 zijn er twintig natuurinrichtingsprojecten opgestart voor een totale oppervlakte van 7.084 ha. In 2004 worden drie projecten afgerond waardoor het totaal op vier komt voor een totale oppervlakte van 593 ha. Er werd één nieuw project ingesteld, de Blankaert. Daarnaast zijn er nog een veertiental nieuwe projectgebieden waarbinnen nagegaan wordt of natuurinrichting kan toegepast worden. De bijkomende oppervlakte waar natuurontwikkeling werd uitgevoerd bedroeg ca. 6.000 ha. Sinds 1994 werd 1.847 ha gronden bebost of aangekocht voor bosuitbreiding.

–

| Milieukwaliteit afstemmen op de ecologische vereiste van de kwetsbare soorten en habitats in gebieden in het ven, de groen-, park-, buffer- en bosgebieden en in de speciale beschermingszones

In het kader van vijf pilootprojecten worden gegevens verzameld om inzake bodemkwaliteit grens- en streefwaarden te bepalen voor een aantal natuurdoeltypen. Inzake depositiewaarden wordt een verzuringsnetwerk uitgetest en voor metingen van waterkwaliteit worden gevoeligere detectiemethodes uitgewerkt. De relatie van de milieukwaliteitgegevens, randvoorwaarden en natuurdoeltypen met de natuurgebiedendatabank zal dan toelaten om gebiedsgericht specifieke maatregelen uit te voeren om milieucondities te verbeteren. Mogelijke indicator: populatiedensiteit en -verspreiding van meest kwetsbare of gevoelige soorten (indicatorsoorten) of vegetatie-associaties van elk natuurdoeltype en relatie met terreincondities.

–

| Het soortenbeleid versterken: stopzetten van het verlies aan biodiversiteit De Rode Lijsten worden voor de meeste soortengroepen slechts om de 5 à 10 jaar geëvalueerd zodat het moeilijk is om op kortere termijn trends te kunnen aantonen. Om hieraan tegemoet te komen worden in de toekomst nieuwe indicatoren getoetst: de Soortgroep Trend Index (beschrijft de trend van afzonderlijke soortgroepen of deelsets daarvan vanaf een vast vergelijkingsjaar) en de Rode Lijst Indicator (beschrijft de mate waarin een hele soortgroep zich richting uitsterven beweegt). In de eerste plaats zullen de bestaande Rode Lijsten gebruikt worden om deze indicatoren te toetsen. Daarnaast wordt nagegaan hoe de monitoring gerichter kan ingezet worden om trends duidelijker aan te tonen.

+/-

| De oppervlakte met beheerovereenkomsten voor natuurgerichte maatregelen doen toenemen tot 16.500 ha

In oktober 2003 waren voor 3.551 ha natuurgerichte beheersovereenkomsten afgesloten en 160 km heggen aangelegd. Het merendeel hiervan had betrekking op de zogenaamde beheersovereenkomst ‘natuur’.


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 117

themabeleid

+/-

117 deel 2

| Instellen van een gebiedsdekkend systeem van wildbeheerseenheden (200) en bosgroepen (19)

Er werden tot nu toe honderdeenenvijftig wbe’s erkend. Er werden tot nu toe twaalf pilootprojecten bosgroepen opgestart, waarvan er twee sinds 1 januari 2004 erkend zijn.

–

| Verbeteren van de ondersteuning van lokale besturen Er werd nog geen natuurverbindingsgebied afgebakend en dus ook geen natuurrichtplan voor een dergelijk gebied goedgekeurd. (zie thema ‘Versnippering’)

Projecten en maatregelen Toelichting en evaluatie tot 2004 Ruimte voor natuur

Nadat op 18 juli 2003 de eerste fase in de afbakening van het ven definitief werd vastgesteld, en nadat voor bepaalde consensusgebieden via een bestemmingswijziging naar natuurgebied met overdruk gen, geno of natuurverwevingsgebied in gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen, een tweede deel van ven en ivon werd afgebakend, besliste de Vlaamse Regering op 17 oktober 2003 om de tweede fase van de afbakening op te starten. In de eerste helft van 2004 werden daartoe onder leiding van de afdeling Ruimtelijke Planning administratieoverschrijdende processen opgestart met de afdelingen Natuur, Bos en Groen, Land, Water van aminal, Monumenten en Landschappen van arohm, de vlm en de alt ter voorbereiding van een visie op de gewenste structuur voor Vlaanderen. In de tweede helft van 2004 werden overlegprocessen opgestart met de betrokken gemeentes en provincies, belangengroepen en andere Vlaamse administraties om te komen tot één gedragen visie, waaruit acties waaronder gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen kunnen worden ontwikkeld. Op 17 december 2004 besliste de Vlaamse Regering over de manier van werken en de timing voor de andere regio’s van de afbakening van de gebieden van de agrarische en natuurlijke structuur. De planningsprocessen zullen in pakketten van drie tot vijf buitengebiedregio’s van start gaan, gespreid over 2005. De eindvoorstellen van gewenste ruimtelijke structuur en programma’s voor uitvoering zullen aan de Vlaamse Regering worden voorgelegd resp. juli 2005, januari 2006, juli 2006 en januari 2007. In 2003 werd het besluit betreffende de natuurrichtplannen en tevens het ondersteunende besluit houdende de maatregelen ter uitvoering van het gebiedsgericht natuurbeleid goedgekeurd. Op basis van deze besluiten werd het proces en de methodiek voor de opmaak van een natuurrichtplan voorbereid. Het draaiboek werd volledig afgewerkt in 2004. In mei ging de formele opmaak van de eerste natuurrichtplanprocessen, in elke provincie één, van start. Een belangrijk onderdeel van deze processen is het overleg met lokale overheden en belanghebbenden, waarvoor samengewerkt wordt met externe specialisten. Het ministrieel besluit waarbij elk van deze natuurrichtplannen werden ingesteld geeft het specifieke plangebied weer, de ven en sbz speciale beschermingszones) die hierin gelegen zijn en de betrokken gemeenten weer. Voor de opmaak van de instandhoudingsdoelstellingen van sbz werd, op basis van de rapporteringsvereisten voor Europa, een matrix per habitat uitgewerkt met de beschrijving van de ecologische kenmerken en de verspreiding in Vlaanderen om de staat van instandhouding te kunnen beoordelen. De vertaling van deze gegevens op gebiedsniveau zal toelaten om doelstellingen te formuleren. Het herwerkte Reservatenbesluit is in werking gegaan op 1 januari 2004. De uitvoering zal toelaten om één enkel erkenningsdossier door te voeren voor gebiedencomplexen


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 118

Milieujaarprogramma

118 2005

in plaats van per gebiedje. Bij de informatiecampagne die hierover werd gehouden werd specifieke aandacht gegeven aan de subsidiëring van eenmalige inrichtingsprojecten in de natuurreservaten. De meer dan vijftig nieuwe projectvoorstellen die hiervoor dan werden ingediend zullen echter pas in 2005 kunnen worden behandeld indien de financiële ruimte hiervoor is toegekend. Voor het werkjaar 2002 werd een recordoppervlakte private natuurreservaten erkend, namelijk 1.240 ha. In 2003 werd 1.021 ha natuurreservaat erkend en 364 ha Vlaams natuurreservaat aangewezen. Het onderdeel beheer van visiegebieden en beheer van percelen werd reeds geïmplementeerd in de natuurgebiedendatabank. Het onderdeel erkenning/ aanwijzing wordt getest en later opgestart. De mogelijkheden tot uitgaven voor het normale beheer zowel als voor investering en éénmalige inrichting werden door de Vlaamse Regering in 2003 en 2004 ten opzichte van 2002 wezenlijk teruggeschroefd waardoor het instandhoudingsbeheer vertraagt en verschillende éénmalige inrichtingen in Vlaamse natuurreservaten worden uitgesteld of gespreid over meerdere jaren. Voor de provincie Limburg werd een databanksysteem ontwikkeld om het natuurbeheer op eigen terreinen en terreinen in beheer op effectieve wijze te kunnen plannen en opvolgen. Voor het beheer van militaire domeinen (protocol met de federale overheid) werd een nieuwe financiering van de eu goedgekeurd (life-project 2004-2008). Dit samenwerkingsproject bevat beheersplanning en -uitvoering van een 9.416 ha natuurgebied in de militaire domeinen, vegetatiekartering, monitoring, sensibilisering en educatie. In het kader van de uitvoering van het Validatiedecreet van eind 2001 wordt de inrichting en beheer van de natuurcompensaties voor het Deurganckdok en het historisch passief op de Linkeroever verder uitgevoerd. De beheersvisie voor de gebieden op Linkeroever is opgemaakt, inrichtingsmaatregelen en beheer van gebieden (zoals begrazing) zijn opgestart. In aanvang werd ambitieus gestart met de instelling van een achttal natuurinrichtingsprojecten per jaar. Gaandeweg werd het accent echter verschoven van kwantiteit naar kwaliteit van de projecten. Het aantal jaarlijks ingestelde projecten is hierdoor in de loop der jaren gedaald: in 2002 werden slechts twee nieuwe projecten ingesteld (totaal 572 ha) en één om procedurele redenen heringesteld. In 2003 en in 2004 werd slechts één nieuw natuurinrichtingsproject (400 ha en 150 ha respectievelijk) ingesteld. Het uitvoeringsbesluit rond natuurinrichting wordt grondig herwerkt en later voorgelegd aan de Vlaamse Regering. In uitvoering van de principes harmonisch park- en groenbeheer in de eigen domeinen is het herzien van het huidige beheer van het parkdomein Vordenstein te Schoten (in functie van het aanwijzen van parken) gestart en worden initiatieven genomen om ook het beheer van de andere domeinen te kaderen binnen de principes. Soortenbescherming

Een ontwerptekst voor het uitvoeringsbesluit Soortbescherming ligt klaar ter bespreking. Een aantal maatregelen ten gunste van soortenbescherming werden tot nu toe ad hoc toegepast (zoals het formele gebruik van Rode Lijsten, soortenbeschermingsplannen, schaderegeling). Met dit project worden nu een aantal maatregelen bestendigd. De verspreidingskaarten van soorten(groepen) van internationaal belang werden verfijnd en aangevuld. Naast de opvolging van Rode Lijsten en planning van de evaluatie ervan, werden nieuwe indicatoren getoetst. De criteria om te bepalen voor welke soorten een soortenbeschermingsplan nodig is werden uitgewerkt en een aantal prioritaire soortengroepen vastgelegd. Tevens werd de blauwdruk voor het inhoudskader van een soortenbeschermingsplan uitgewerkt en bekendgemaakt.


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 119

themabeleid

119 deel 2

Een aantal acties ter uitvoering van de soortenbeschermingsplannen ‘vleermuizen’, ‘das’, ‘hamster’ werden of worden verder uitgevoerd of opgestart. Een studie rond de snoek werd opgestart die zal resulteren in een soortenbeschermingsplan. Het subsidiebesluit voor de ondersteuning van Vlaamse vogelopvangcentra werd goedgekeurd. Zorg voor natuur

Vanaf 2002 werd de Samenwerkingsovereenkomst met gemeenten en provincies opgestart (zie ook deel ‘Geïntegreerd overheidsbeleid’). Het hogere ambitieniveau t.o.v. voorheen blijkt in de praktijk moeilijk overbrugbaar. Dit geldt zeker voor de cluster ‘natuurlijke entiteiten’, waarin een integratie van natuur, bos, groen en landschap ingevoerd wordt. Het aantal gemeenten dat deze entiteit ook ondertekende is gestegen tot 220 en het aantal goedgekeurde projecten tot veertig. Momenteel is een tweede evaluatieronde voor projecten lopende. Het afbakenen van natuurverbindingsgebieden moet door de provincies gebeuren, maar de coherentie tussen de provincies en het Vlaamse kader van ven en natuurverwevingsgebieden moet gegarandeerd worden. Er is een methodologie uitgewerkt en er wordt een project opgezet om de provincies te ondersteunen voor de toepassing ervan. (zie thema ‘Versnippering’) Communicatiecampagnes en vormingssessies zijn vooral gefocust op de belangrijke aspecten rond afbakening van ven, speciale beschermingszones en het opstellen van natuurrichtplannen. Er werden provinciale, gemeentelijke en algemene informatiesessies gehouden over de wijzigingen in het decreet Natuurbehoud en de gebiedsgerichte maatregelen voor ven en de speciale beschermingszones. In samenwerking met gis-Vlaanderen werd naast het geoloket Natura 2000 nu ook een geoloket voor ven-ivon opgezet. Samen met de start van de opmaak van de eerste natuurrichtplannen, wordt ook het communicatieplan dat hiermee samenhangt, in uitvoering gebracht. Dit gebeurt zowel in het kader van formele vergaderingen in uitvoering van het besluit als informele overlegmomenten. Daarnaast loopt ook de gewone gebiedsgerichte communicatie door via folders, brochures, infoborden en geleide wandelingen, en infodagen in de bezoekerscentra. Voor de samenwerking met de jeugdsector werd een protocol ondertekend. Gelijkaardige samenwerkingsovereenkomsten zijn in voorbereidering met de sector toerisme en recreatie en met de landeigenaars. Rond het nieuw besluit inzake beheersovereenkomsten werd een communicatieplan uitgewerkt dat begin 2004 in uitvoering werd gebracht. Voor een ruimere toepassing van beheersovereenkomsten is in 2004 een nieuw besluit goedgekeurd. Nieuwe pakketten voor het botanisch beheer van graslanden en akkers en voor erosiebestrijding worden mogelijk. Afhankelijk van de politiek-juridische besluitvorming kunnen vanaf 2005, contracten gesloten worden voor hamsterbescherming De erkenning van wbe’s is lopende en wordt voortgezet. De eerste verlengingen na vijf jaar bestaan worden eind 2004 doorgevoerd. Het uitvoeringsbesluit voor de erkenning van bosgroepen werd definitief goedgekeurd en kan op basis van de lopende pilootprojecten meteen in uitvoering gebracht worden. In 2004 wordt de opleiding van lesgevers harmonisch park- en groenbeheer verder gezet. Bosbeleid

Aandachtsgebieden voor bosuitbreiding werden geselecteerd op basis van de gewenste bosstructuur. Naast de 10.000 ha netto bosuitbreiding moeten er nog 3.900 ha compensatiebossen worden gerealiseerd (totaal 13.900 ha). Ter realisatie hiervan zijn reeds ver-


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 120

Milieujaarprogramma

120 2005

schillende projecten gepland (wenselijke oppervlakten), al dan niet met een lopende lokalisatiestudie, of zijn deels gerealiseerd. Begin 2003 werd voor een oppervlakte van 5.205 ha stadsbossen (inclusief compensatiebossen) gepland met eventueel een lopende lokalisatiestudie. Geen enkel stadsbosproject is reeds volledig gerealiseerd. Daarnaast zijn er nog andere projecten zoals de regionale bossen, historische bosgebieden met een totaal van 8.695 ha (inclusief compensatiebossen) gepland en of in uitvoering/ gerealiseerd. Momenteel loopt de integratie van deze projecten binnen het proces ‘afbakening van het buitengebied’. In de periode 1994-midden 2004 heeft het Vlaams Gewest in totaal 1.847 ha gronden bebost of aangekocht met het oog op bosuitbreiding. De geplande subsidieregeling voor verwerving van te bebossen terreinen voor openbare besturen is momenteel nog in voorbereiding. Begin 2002 werd de nieuwe regeling goedgekeurd betreffende de subsidiëring van de bebossing van landbouwgronden. Voor de periode begin 2002 tot midden 2004 werden 200 dossiers ingediend, goed voor een oppervlakte van een 258 ha. Sinds het begin van deze subsidieregeling in 1994 werd in Vlaanderen reeds voor een 920 ha bebost. Op 27/06/03 werden de besluiten in uitvoering van het Bosdecreet inzake de nieuwe subsidieregelingen voor openbare en privébossen, de herwerkte regeling inzake beheerplannen en het besluit inzake de criteria duurzaam bosbeheer definitief goedgekeurd door de Vlaamse Regering. Hierna volgde een uitgebreide informatieronde voor zowel eigen personeel, bosgroepcoördinatoren, openbare en privébosbeheerders, studiebureaus, het brede publiek, opstellers van natuurrichtplannen, ... onder de vorm van studiedagen, brochures, workshops, ... Deze nieuwe wetgeving wordt volop geïmplementeerd bij openbare en privébosbeheerders. Vooral ook de bosgroepen spelen een cruciale rol in de toepassing van de criteria duurzaam bosbeheer. De beheervisie voor de openbare bossen wordt verder verfijnd en op punt gesteld aan de hand van nieuw opgedane kennis en ervaringen. Nieuwe subsidieaanvragen door openbare en privéboseigenaars worden begeleid, opgevolgd en behandeld. Tevens wordt het proces ‘opstellen van beheerplannen’ zowel voor de eigen domeinbossen als voor derden intens begeleid (o.a. aanbieden formats basisinventarisatie). In het proces van duurzaam bosbeheer vervullen beheersplannen een belangrijke rol als toetsingskader. Een goedgekeurd beheersplan met duidelijk gestelde doelen en middelen vormt de leidraad voor de uitvoering van het bosbeheer. In Vlaanderen worden verschillende beheersniveaus onderscheiden: de beheersvisie voor openbarebossen, de criteria duurzaam bosbeheer en het basisniveau. Om aan de criteria duurzaam bosbeheer of aan het basisniveau te voldoen is respectievelijk een uitgebreid of een beperkt beheersplan nodig. Tussen 1990 en 2002 kreeg 5.350 ha openbaar bos een uitgebreid beheerplan, wat overeenkomt met 12% van de 45.000 ha openbaar bos (excl. reservaten). In privé-bos werd voor dezelfde periode voor een totale oppervlakte van 24.500 ha, ongeveer 25% van de totale oppervlakte privé-bos, een beperkt beheerplan opgesteld. Ongeveer 33% privé-bos (erkende bosgroeperingen) bezit een uitgebreid beheerplan. In de periode 2003 tot half 2004 werd bijkomend voor een totale oppervlakte van 1.579 ha een beperkt bosbeheerplan, voor 819 ha een uitgebreid beheerplan (openbare bossen en bosgroeperingen) en voor 120 ha een uitgebreid beheerplan (volgens het nieuwe besluit beheerplannen) goedgekeurd. Het uitvoeringsbesluit voor de erkenning van de bosgroepen werd in 2003 goedgekeurd en de lopende pilootprojecten worden omgevormd naar zelfstandige, erkende bosgroepen. In het verleden werden twaalf pilootprojecten bosgroepen opgestart. Momenteel zijn er twee bosgroepen volgens het besluit omgevormd naar erkende bosgroepen en plannen vijf andere een erkenningsaanvraag in te dienen in 2004. De andere pilootprojecten hebben als doel deze erkenningsaanvraag voor te bereiden zodat in heel Vlaanderen zelfstandige bosgroepen erkend kunnen worden. Zes bosgroepen hebben


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 121

themabeleid

121 deel 2

in 2004 werkgelegenheidsprojecten lopen. Het besluit van de groenjobs werd in 2004 goedgekeurd en kan nu geïmplementeerd worden, al dan niet in combinatie met projectsubsidies voor erkende bosgroepen. Het Vlaamse Gewest streeft ernaar tegen 2005 een groepscertificeringsysteem voor de eigen bossen operationeel te hebben. Hierbij staat de integratie van het concept certificering in het huidige Vlaamse bosbeleid centraal. Een uitgebreide voorbereidingsfase gaat hieraan vooraf. Zo werd gewerkt aan een definitieve groepsstructuur (aanduiding betrokkenen), procedures aangaande het functioneren van het groepsschema werden uitgewerkt en de opmaak van een draaiboek, dat de interpretatie van de certificeringstandaard weergeeft op het terrein. De uitbouw van een intern controlesysteem zal aan deze groepscertificering gekoppeld worden om de nodige kwaliteitsbewaking binnen het groepsschema te kunnen garanderen. Wat het herstel en behoud van stabiele bosecosystemen betreft, werd de initiële oppervlaktedoelstelling om 3.000 ha bosreservaat tegen eind 2002 te realiseren, niet gehaald. De achterstand heeft in de eerste plaats te maken met de tijdrovende procedure om de dossiers in te dienen en op te volgen. Anderzijds dient opgemerkt dat deze procedure, waarin een adviescommissie voor de bosreservaten een essentiële rol speelt, tot inhoudelijk goed uitgewerkte en door een ruime groep mensen gedragen voorstellen leidt. Ook door de tijdrovende aankoopprocedures kunnen een aantal dossiers voor nieuwe bosreservaten of uitbreidingen van bestaande reservaten vertraging oplopen. Tenslotte dient opgemerkt dat de afhandeling van bosreservaatdossiers bij privé-eigenaars vaak nog extra tijd in beslag neemt. Eens de reservaten aangewezen zijn, gebeurt een goede opvolging qua planning en beheer. Drieëntwintig beheerplannen voor de bosreservaten werden reeds via een ministerieel besluit goedgekeurd. Tien beheerplannen zitten in fase van eindredactie en negen beheerplannen bevinden zich in een ontwerpfase en zeven beheerplannen bevinden zich in een opstartfase. Voor een eerste luik van een langlopend monitoringproject voor de bosreservaten wordt momenteel de basisinventarisatie van acht bosreservaten uitgevoerd. Een eerste, noodzakelijke stap in het behoud en beheer van autochtone genenbronnen is een gebiedsdekkende inventarisatie van de nog resterende populaties en relicten in Vlaanderen. De houtvesterijen Hechtel, Bree, Hasselt, Leuven, Antwerpen en Turnhout zijn reeds geïnventariseerd, alsook de regionale landschappen Vlaamse Ardennen en West-Vlaamse heuvels. De inventarisatie van West en Oost-Vlaanderen wordt momenteel afgewerkt. Een volgende stap is de vermeerdering en verspreiding van bosplantsoen, rekening houdend met de in februari 2004 afgebakende herkomstgebieden. Deze stap bevindt zich in een beginfase: enerzijds wordt reeds voor sommige regio’s het inzamelen van zaad gecoördineerd via het contactpunt, anderzijds is de aanleg van de eerste zaadboomgaarden in 2002 van start gegaan. Eind 2002 keurde de Vlaamse Regering het besluit houdende de erkenning van kopers en exploitanten van hout goed. Het gaat om een nieuwe regeling die in het bijzonder vanwege de betrokkenen in de bosuitbatingssector een inspanning vraagt. Om die reden zal de invoering van de erkenningsregeling ook geleidelijk gebeuren. Zo worden reeds gerichte terreincontroles uitgevoerd van de exploitanten met als bedoeling om enerzijds de exploitanten te sensibiliseren voor de komende regeling en anderzijds om een soort van nulmeting uit te voeren van de toepassing van arbeidsveiligheid in het bos. Internationaal beleid

In het kader van de conventie voor trekkende diersoorten (Bonn, 1979) werden twee nieuwe overeenkomsten geratificeerd: eurobats voor de vleermuizen en aewa voor watervogels. Er werden verscheidene projecten opgestart die passen in het kader van conventies en overeenkomsten, zowel op regionaal als internationaal niveau: Europese


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 122

Milieujaarprogramma

122 2005

Nacht van de Vleermuis, bijdragen in de Conferenties ‘Global Flyway of waterbirds’ en iucn ‘World Conservation Congres, project ‘Harmonisering van biodiversiteitrapportering’. Voor de rapporteringen in uitvoering van de diverse internationale conventies en overeenkomsten werd i.s.m. het Instituut voor Natuurbehoud een systeem uitgewerkt voor gerichtere en efficiëntere aanlevering van gegevens. Het Vlaams impulsprogramma tropisch bos werd officieel opgestart in 2002. Eind 2002 werden acht dossiers door ngo’s en instituten in kader van een duurzaam bosbeheer in de tropen, ter subsidie goedgekeurd waaronder onder andere de ondersteuning van het Raoni-Instituut, waar tevens een directeur-coördinator vanuit Vlaanderen werd tewerkgesteld. Eind 2003 werden opnieuw elf dossiers ter subsidie goedgekeurd. De projectstructuur ter opvolging van de projecten is uitbesteed aan een consortium bestaande uit drie ngo’s (wwf-Belgium, vbv en Groenhart vzw). In 2004 werden twaalf projecten goedgekeurd, ingediend door ngo’s en instituten in het kader van duurzaam bosbeheer in de tropen.

Opvolging mijlpalen en indicatoren Mijlpalen

Oorspronkelijke verwachting

Status

Huidige verwachting

Informatiesets van Natuurgebiedendatabank uitgebreid

2004 EINDE

vertraagd

2005 BEGIN

Natuurgebiedendatabank operationeel

2003 EINDE

gerealiseerd

2004 BEGIN

Goedkeuring besluit houdende de maatregelen ter

2003 EINDE

gerealiseerd

2003 MIDDEN

gerealiseerd

Vijf buitengebiedsvisies in het kader van RUP goedgekeurd

2004 EINDE

vertraagd

Technische vademeca principes harmonisch park- en

2007 EINDE

op schema

2004 EINDE

gerealiseerd

Uitvoeringsbesluit soortenbescherming goedgekeurd

2004 EINDE

vertraagd

Gebiedsdekkende inventarisatie inheemse boom- en

2005 EINDE

op schema

2004 EINDE

vertraagd

2005 MIDDEN

2004 MIDDEN

vertraagd

2005 MIDDEN

Code goede natuurpraktijk herzien en goedgekeurd

2004 EINDE

vertraagd

2005 EINDE

Operationeel set indicatoren inzake draagvlak voor

2004 EINDE

gerealiseerd

Leidraad monitoring beheer natuurgebieden voltooid

2005 BEGIN

op schema

Monitoring van 8 bosreservaten

2004 EINDE

gerealiseerd

2004 MIDDEN

gerealiseerd

2004 EINDE

vertraagd

uitvoering van het gebiedsgericht natuurbeleid Goedkeuring van VEN eerste fase

2005 EINDE

groenbeheer klaar Vademecum principes harmonisch park en groenbeheer klaar 2005 MIDDEN

struiksoorten Vlaanderen Erkenningsregeling bosexploitanten is volledig operationeel Ontwerpbesluit ‘toegankelijkheidsregeling’ is uitgewerkt

natuurbeleid

Eerste grondenbank (stadsbos Gent) operationeel Subsidieregeling ‘aankopen van te bebossen gronden door lokale besturen’ is klaar

2005 BEGIN

2005 EINDE


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 123

themabeleid Groepscertificeringssysteem domeinbossen operationeel

123 deel 2

2005 BEGIN

op schema

2005 BEGIN

2004 MIDDEN

vertraagd

2005 MIDDEN

Realisatie

Doelstelling

0 (2004)

350 (2007)

33 (2004)

150 (2007)

220 (2004)

308 (2007)

920 (2004)

1664 (2008)

80 (2004)

120 (2007)

0 (2004)

2 (2006)

182 (2004)

162 (2004)

Aantal soortenbeschermingsplannen in opmaak

3 (2004)

3 (2004)

Aantal soortenbeschermingsplannen waarvan de uitvoering is opgestart

4 (2004)

7 (2007)

Lange Termijn Plan Bosbouw en actieplan Bosbouw zijn goedgekeurd

Indicatoren Aantal erkende bosexploitanten Aantal gemeenten met een project Harmonisch park- en groenbeheer Aantal gemeenten die de cluster ‘natuurlijke entiteiten’ van de Samenwerkingsovereenkomst ondertekenen Aantal ha landbouwgrond met goedgekeurd dossier voor bebossing sinds 1997 Aantal nieuw gecreëerde groenjobs voor verenigingen Aantal nieuw opgestelde Rode Lijsten Aantal nieuwe minawerkers bij gemeenten

Aantal subsidiedossiers toegankelijkheid

10 (2004)

Aantal beheersplannen voor eigen parkdomeinen

0 (2004)

3 (2005)

Aantal goedgekeurde natuurrichtplannen

0 (2003)

5 (2004)

Aanpak jaar 2005 Project: Ruimte voor natuur

De bedoeling is tegen 2007 ven en ivon volledig af te bakenen en ruimtelijk veilig te stellen in ruimtelijke uitvoeringsplannen. Het proces wordt uitgevoerd in samenwerking met arohm en, voor de natuurverbindingsgebieden, in samenwerking met de provinciebesturen. Voor een gebiedsspecifieke invulling worden natuurrichtplannen opgemaakt op basis van een gebiedsvisie en in overleg met de aanwezige doelgroepen. Beheerplanning en -uitvoering worden projectmatig verdergezet. De uitvoering van inrichtingsprojecten zit op kruissnelheid. Via Lifeprojecten kan natuurontwikkeling en beheer in sommige gebieden versneld doorgevoerd worden. Ruimelijk veilig stellen van gebieden In 2005 worden de ruimtelijke visies op de vijf gekozen buitengebiedregio’s verder afgewerkt en worden de planningsprocessen voor de andere tien regio’s opgestart. Binnen deze buitengebiedregio’s wordt voor de onderdelen van de natuurlijke structuur (planregio’s) een visie vanuit het natuurbehoud uitgewerkt. Deze visies worden als basis gebruikt voor de concrete invulling van de grup (gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen) en natuurrichtplannen. De eerste natuurrichtplannen worden goedgekeurd. Aan de hand van de opgedane ervaring wordt het draaiboek geëvalueerd en waar nodig bijgestuurd. In elke provincie wordt een tweede natuurrichtplan opgestart; waar praktisch haalbaar een derde. De nadruk bij de opmaak ligt op het proces, de participatie eraan en de communicatie erover. Voor de sbz (speciale beschermingszones)worden de instandhoudingsdoelstellingen verder voorbereid.


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 124

Milieujaarprogramma

124 2005

Verwerving en erkenning natuurgebieden De planning van de aankopen zijn erop gericht om de voorziene doelstellingen van mina-plan 3 te realiseren, namelijk 3.000 ha/jaar – indien de financiële mogelijkheden dit toelaten. Er zal getracht worden om de oppervlaktetrend van erkenning/aanwijzing van natuurreservaten van 2002 aan te houden. Ook wordt er naar gestreefd om de erkennings-/ aanwijzingstermijn verder terug te schroeven met één à twee maanden. In 2005 wordt verder gewerkt aan het inhalen van de achterstand met betrekking tot de aanwijzing van Vlaamse natuurreservaten. Beheer van gebieden In 2005 wordt verder gewerkt aan het inhalen van de achterstand met betrekking tot de opmaak van de beheersplannen van de aan te wijzen Vlaamse reservaten. Hiertoe werd in 2003 een nieuwe richtlijn uitgevaardigd. Deze richtlijn schakelt de inhoud van de beheersplannen van erkende en Vlaamse natuurreservaten gelijk waardoor versneld beheersplannen kunnen worden opgemaakt. Op basis van het pilootproject in afdeling Natuur Limburg voor beheerplanning en -opvolging via een geografisch databanksysteem wordt een gelijkaardige werkwijze ingevoerd bij de andere buitendiensten. Beheer van militaire domeinen wordt versneld en projectmatig aangepakt in het kader van een nieuw life-project. Een beheersvisie voor kbr (Kruibeke-Basel-Rupelmonde) wordt afgewerkt en in uitvoering gebracht, de beheersmaatregelen en natuurontwikkeling op Linkeroever worden verder gezet. In uitvoering van het nieuwe besluit inzake groene jobs wordt de aanwerving en inzet van de eerste 120 groenjobs afgerond en een evaluatie uitgevoerd. Vanaf 2005 wordt een inzet van 175 groene jobs per jaar vooropgesteld. De functie en opname van parken in de natuurlijke structuur, specifiek nvwg (natuurverwervingsgebieden) en nvbg (natuurverbindingsgebieden) is nog onvoldoende uitgewerkt, evenals de relatie tussen de natuurlijke structuur en stedelijke gebieden. Hiertoe zijn initiatieven opgestart in 2004. Het ontwerpbeheerplan voor het parkdomein Paelsteenveld te Bredene is klaar in de loop van 2005. De ontwerpbeheerplannen voor Vordenstein te Schoten en Groenenberg te Sint-Pieters-Leeuw zijn klaar in 2004. Natuurlijke structuur en inrichtingsinstrumenten Er wordt prioriteit gegeven aan de afwerking van vier natuurinrichtingsprojecten. Afhankelijk van de vorderingen hierin kunnen één tot twee nieuwe projecten ingesteld worden. Daarnaast blijft veel aandacht gaan naar het verder kwaliteitsvol uitwerken van de reeds ingestelde projecten. Inspraak en communicatie zijn hierbij belangrijke aandachtspunten. Op basis van vragen van openbare besturen of particulieren zal voor nieuwe gebieden nagegaan worden of natuurinrichting hier kan ingezet worden en een meerwaarde oplevert. De verdere aanpassing en vereenvoudiging van de regelgeving rond natuurinrichting blijft een punt van aandacht. Afstemming op andere wetgeving en optimaal inzetten van het instrument staan hierbij centraal. Voor stroomminnende vissoorten worden twee pilootprojecten opgestart voor herstel en inrichting van de specifieke habitat. Voor kwabaal, serpeling en kopvoorn worden soortenherstelprogramma’s opgemaakt. Er worden verder acties opgezet om het draagvlak voor de principes harmonisch parken groenbeheer, waaronder biodiversiteit, te verhogen. Deze kennis en informatie wordt in het bijzonder aangeboden aan de lokale besturen gezien ook zij een belang-


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 125

themabeleid

125 deel 2

rijke rol vervullen in het aanpassen van het groenbeheer en communiceren over de initiatieven ten behoeve van de biodiversiteit. Project: Soortendiversiteit

De acties in uitvoering van reeds opgestelde Soortenbeschermingsplannen zullen verdergezet worden, met in 2005 speciale aandacht voor de hamster. Er zullen ook specifieke maatregelen voor vleermuizen, de das, gentiaanblauwtje, nachtzwaluw en de hamster verder gezet worden in 2005, waarbij de nadruk wordt gelegd op de uitwisseling van informatie en samenwerking tussen de verschillende beheerders. Daarnaast zal er specifieke aandacht gegeven worden aan de educatie en de sensibilisatie van doelgroepen in het kader van een betere soortenbescherming. Voor de monitoring van soorten wordt de aandacht toegespitst op een aantal doelsoorten(groepen) en soorten van internationaal belang. De ontwerptekst voor het uitvoeringsbesluit inzake soortenbescherming ligt ter bespreking. Er wordt naar gestreefd om het uitvoeringsbesluit in 2005 gepubliceerd te hebben en hierrond vorming en sensibilisering te organiseren. Er worden pilootprojecten opgestart voor bestrijding van exoten. Volgens het natuurdecreet en het bosdecreet is exotenbestrijding in reservaten verboden, tenzij men een ontheffing heeft via het goedgekeurd beheersplan. Daarom wordt in 2005 een Ministerieel besluit ter goedkeuring voorgelegd bij de minister om exotenbestrijding mogelijk te maken in de reservaten. Er wordt een studie opgestart naar de nauw verwante kroeskarper (zeldzame inheemse vissoort) en giebel (exoot) met voorstellen naar het beheer van deze soorten. Vanaf 2005 worden de opvangcentra voor vogels en wilde dieren jaarlijks gesubsidieerd conform de bepalingen van het besluit. In 2005 wordt een nieuwe Rode Lijst opgesteld van zoogdieren en een Rode Lijst van broedvogels. Project: Bosbeleid

10.000 ha bosuitbreiding realiseren Het aankoopprogramma 2005 bosuitbreiding wordt voorbereid. Geplande projecten (zowel stadsbos als overige), de projecten waar reeds een lokalisatiestudie voor werd uitgevoerd en de reeds deels gerealiseerde projecten (zowel stadsbos als overige) worden verdergezet. Indien opportuun zullen nieuwe projecten worden opgestart. De integratie van deze projecten in het proces ‘afbakening van het buitengebied’ wordt verdergezet. ‘Instrumenten voor bosuitbreiding’ en de ontwikkeling van een bos-o-meter (een permanente barometer inzake bosuitbreiding) worden uitgewerkt. Het Vlaamse bosbeleid bereidt tevens een studie voor die de beleidsvisie m.b.t. o.a. bosuitbreiding en compensatie verder wetenschappelijk onderbouwt als input voor het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen 2, dit als onderdeel van een grondige beleidsmatige en analyserende studie naar de rol van het bos en de bosbouw in Vlaanderen (naar analogie met een gelijkaardige studie verricht in 1991).


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 126

Milieujaarprogramma

126 2005

Duurzaam bosbeheer uitvoeren in gebieden in eigendom of beheer De communicatie in kader van de nieuwe uitvoeringsbesluiten op het Bosdecreet (subsidieregelingen voor openbare en privé-bossen, herwerkte regeling inzake beheersplannen, nieuwe regeling inzake bosgroepen en het besluit inzake de criteria duurzaam bosbeheer), de concrete implementatie van deze nieuwe richtlijnen en de begeleiding hierbij van openbare en privébosbeheerders worden intensief verdergezet. In 2004 werden de eerste bosgroepen erkend volgens het nieuwe besluit. Omdat de ervaringen leren dat de totstandkoming van een zelfstandige vereniging van bosbeheerders een proces van lange adem is, worden ook nog nieuwe pilootprojecten bosgroepen opgestart in samenwerking met lokale partners. Deze pilootprojecten zullen systematisch omgevormd worden naar erkende bosgroepen (negentien tegen 2006). Erkende bosgroepen kunnen beroep doen op een aantal subsidies. In combinatie met het besluit van de groenjobs zullen een deel van deze subsidies aangewend worden voor onrendabele boswerkzaamheden uitgevoerd via sociale tewerkstellingsprojecten. In een eerste fase zal in 2005 gestart worden met de opbouw van een groepscertificaat naar model van FSC-certificering voor de domeinbossen met als groepsleden de houtvesters van de afdeling Bos en Groen. In een latere fase wordt ook het groepscertificaat voor (grotere) privé-eigenaars en het groepscertificaat voor openbare besturen opgestart. De module via het instrument bosgroepen wordt actief gezien in een latere fase. Zodra er gezamenlijke beheersplannen (op boscomplexniveau) conform de criteria duurzaam bosbeheer zijn afgewerkt, kan met groepscertificering bij de bosgroepen van start worden gegaan. Organisatie en planning bosbeleid Lange Termijn Plan Bosbouw en Actieplan Bosbouw worden voorgelegd aan de bevoegde minister met verzoek een parlementair debat te initiëren. Bestaande bossen vrijwaren en beschermen tegen vernietiging Er wordt verdergewerkt aan de ontwikkeling van de bosdatabank. De ontbossingsregeling wordt conform de overeenkomstige dienstnota geïmplementeerd. Project: Zorg voor natuur

Na de goedkeuring van een besluit dienaangaande wordt een ruimere toepassing van beheersovereenkomsten mogelijk met nieuwe pakketten. Het werk rond communicatie en draagvlakverbreding wordt voortgezet met de huidige accenten en werkwijze. De nadruk op de afbakening van ven en speciale beschermingszones en de natuurrichtplannen blijft behouden. Specifieke inzet is voorzien in de communicatie-aspecten ter ondersteuning van het planproces bij de opgestarte natuurrichtplannen. De integratie van de natuurzorgplicht in andere beleidsdomeinen zal verder uitgebouwd worden in overleg met de betrokken actoren. De lopende onderhandelingen en overleg met andere beleidsvelden en niveaus wordt verdergezet en de afspraken worden uitgevoerd. Er werden onderhandeling met de federale overheid opgestart om voor luchtvaart een overeenkomst te sluiten. Meer specifiek overleg en voorbereiding van afspraken loopt met de sectoren jeugd, toerisme en recreatie en de doelgroep landeigenaars. Met elke groep wordt een samenwerkingskader voorbereid. Ook wordt het onderdeel natuur van code goede landbouwpraktijken uitgewerkt en zal verder overleg plaatsvinden via de pas opgestarte werkgroep doelgroepenbeleid landbouw. Met de


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 127

themabeleid

127 deel 2

visserijsector worden via overleg codes van goede praktijk opgesteld voor diverse visserijdisciplines. De code goede natuurpraktijk wordt geactualiseerd en uitgebreid. De contracten voor samenwerkingsovereenkomsten met provincies, gemeenten en ngo’s lopen eind 2004 af. In 2004 wordt zoals elk jaar de evaluatieprocedure doorlopen De intentie bestaat om de samenwerkingsovereenkomsten te laten verder lopen tot 2007. Om die reden werd een nieuwe contracttekst voorbereid die nog in mei 2004 zou moeten bekrachtigd worden. De studie om een methodologie uit te werken voor de natuurverbindingsgebieden werd in het voorjaar van 2004 afgerond. Om deze methodologie dan ook toe te passen werd een project opgesteld betreffende de technische ondersteuning aan de provincies voor de voorbereiding en realisatie van de afbakening van natuurverbindingsgebieden. (zie thema ‘Versnippering’) Actieplannen milieukwaliteit

De bedoeling is tegen 2007 voor de prioritaire gebieden van de natuurlijke structuur bijzondere milieukwaliteitsnormen in te stellen en maatregelen in te voeren om een milieukwaliteit te behalen die het mogelijk maakt de beoogde natuurdoelen te realiseren. De sterkste bedreiging voor verlies aan biodiversiteit is een slechte milieukwaliteit. Bovendien is de gevoeligheid voor een slechte milieukwaliteit sterk afhankelijk van het natuurtype en de natuurlijke abiotische kenmerken van een gebied. Veelal volstaat het niet een algemene milieukwaliteit te bereiken om een aantal specifieke soorten, natuurtypes en ecosytemen te beschermen. De wetenschappelijke basis voor de uitwerking van gebiedsgerichte verscherping van de milieukwaliteitsnormen binnen de natuurlijke structuur is essentieel voor de opmaak van natuurrichtplannen. De invoering van bijzondere milieukwaliteitsnormen voor prioritaire gebieden van de natuurlijke structuur is gebaseerd op wetenschappelijke onderbouwing. Een overzicht van de andere maatregelen met betrekking tot natuurgerichte milieukwaliteit zal uitgewerkt worden in 2005. Handhavingsbeleid verscherpen

In het kader van de voorbereiding van het vernieuwde handhavingsbeleid dient nog een integratie van natuuraspecten te gebeuren. Door vorming en sensibilisering van lokale overheden en natuur- en boswachters wordt gestreefd naar een effectievere controle op overtredingen. Zaadbomenbanken voor de inheemse boom- en struiksoorten opzetten

Met betrekking tot autochtone genenbronnen worden de laatste inventarisaties (Voeren en Groenendaal) gepland in 2005, zodat gekomen wordt tot een gebiedsdekkende inventarisatie van Vlaanderen. Verder wordt de aanleg van regionale zaadboomgaarden verder opgevolgd, en wordt een communicatiestrategie uitgewerkt en opgestart. Certificering van herkomst van bosplantsoen uitbreiden

Het aantal erkende lokaties wordt verder uitgebreid. Het contactpunt voor opvolging zaadoogst en opkweek zaad zal worden opgevolgd en uitgewerkt.


mjp2005 deel 2corr

19-05-2005

23:30

Pagina 128

Milieujaarprogramma

128 2005

Steunmaatregel voor de bebossing van landbouwgronden

De dossiers ingediend in het kader van de bebossing van landbouwgronden worden verdergezet. Natuur- en bosgebieden toegankelijker maken

In 2005 wordt een nieuw toegankelijkheidsbesluit verwacht met als voornaamste doelstelling een identieke regelgeving inzake toegankelijkheid aan te bieden voor de Vlaamse bossen en natuurreservaten (o.a. via een uniforme bebording). Voor de uitbouw van de toegankelijkheid van natuurreservaten gebeurt de subsidiëring reeds onder de beheersubisidies, luik ‘openstelling’. Voor bosgebieden dienen hiervoor specifieke subsidie-aanvragen te gebeuren. Organisatie en planning natuurbeleid

De hoofdlijnen van het natuurbeleidsplan zijn opgenomen in dit thema. Een verdere detaillering van het natuurbeleid werd in 2002-2003 uitgewerkt in de vorm van een uitvoeringsplan dat bestaat uit vijf deelplannen zoals voorzien in het Decreet Natuurbehoud. Gezien echter nog geen beslissing werd genomen inzake de status van dergelijk uitvoeringsplan werden geen actualiseringen meer doorgevoerd. Beleidsvoorbereidende informatie wordt aangeleverd door nara- en mira-rapporten en door rapporteringen voor internationale conventies en overeenkomsten. Het kennissysteem over natuur wordt verder geoperationaliseerd, integratie en interrelatie van databanken blijft hierbij een probleem. De monitoringsprogramma’s zijn verder toegespitst op de vereisten voor internationale rapporteringen, meer in bijzonder de speciale beschermingszones en de soorten van internationaal belang. Op basis van een objectieve evaluatie worden de instrumentenmix en de budgetten voor het natuur- en bosbeleid geoptimalieseerd en gebiedsgericht ingezet. Hiertoe kan aangesloten worden bij nara en mira-be en voor zover toepasselijk, bij de methodologie van de reguleringsimpactanalyse. Versterking deelname internationaal natuur- en bosbeleid

De ondersteuning van internationale samenwerkingsprojecten wordt voortgezet. Waar mogelijk wordt een actieve participatie in de besprekingen van de programma’s van de conventies en overeenkomsten versterkt. Ook zal er bijkomende aandacht gaan naar een effectievere opvolging van en rapportering over conventies en overeenkomsten en een verbeterde communicatie over internationale processen. In het kader van het Vlaams impulsprogramma tropisch bos zal opnieuw een projectoproep gelanceerd worden naar o.a. ngo’s en instituten.

Begroting Voor het thema in zijn globaliteit wordt in 2005 voorzien in iets meer dan 113.000 keuro aan beleidskredieten.


mjp2005 deel 3corr

19-05-2005

23:32

Pagina 129

deel 3

gebiedsgericht beleid


mjp2005 deel 3corr

19-05-2005

23:32

Pagina 130


mjp2005 deel 3corr

19-05-2005

23:32

Pagina 131

131 deel 3

Gebiedsgericht beleid Inleiding Het deel gebiedsgericht beleid behandelt enerzijds het beleid waarbij men de milieuproblemen aanpakt op het niveau van specifieke gebieden om er tot de specifiek vereiste milieukwaliteit te komen en anderzijds het beleid met als doel een verbeterde afstemming tussen de (conflicterende) functies van het gebied te bewerkstelligen. Hierbij staat de inbreng en afweging in het kader van de ruimtelijke ordening tussen de diverse functies en doelstellingen van een gebied (leven, wonen, werken, vervoer, industrie, natuur...) en de milieudoelstellingen centraal. Gebiedsgericht beleid richt zich zo in hoofdzaak op drie typen gebieden: gebieden waar een betere dan de algemene milieu- of natuurkwaliteit vereist is, gebieden waar een achterstand moet worden ingehaald om de basismilieukwaliteit te bereiken (stedelijke gebieden, economische knooppunten) en gebieden met een grote verwevenheid van functies. Tevens gaat het ook over gebieden met zgn. complexe problematieken, d.w.z. waar verschillende functies en beleidsdomeinen eerder conflicteren. Hier wordt de methodiek geïntegreerde gebiedsgerichte aanpak toegepast. Wat betreft het buitengebied zijn de centrale instrumenten enerzijds het inrichtingsinstrumentarium (landinrichting, ruilverkaveling en natuurinrichting die vraaggestuurd via een modulair systeem zullen worden ingezet) en anderzijds het grondbeleid (onder meer door onroerende goederen op het meest geschikte ogenblik tegen billijke voorwaarden ter beschikking te stellen aan de daartoe meest geschikte personen). Het stedelijk milieubeleid is enigszins nieuw, waarbij daarom vooral visievorming en pilootwerking centraal staan.

Opvolging van de plandoelstellingen

| Versterken en verbeteren van de milieukwaliteit en ruimtelijke kwaliteit in de

beoogde gebieden door een gedifferentieerde aanpak van milieuproblemen en maatwerk op niveau van gebied

Projecten en maatregelen Toelichting en evaluatie tot 2004 Optimaliseren en afstemmen van het inrichtingsinstrumentarium voor het buitengebied. In 2003/2004 werd verder gewerkt aan de optimalisatie van de inrichtingsinstrumenten. De inrichtingsinstrumenten worden daartoe bijgesteld in functie van de nieuwe visie op inrichting. Elk project dat wordt opgezet doorloopt verschillende fasen: probleemidentificatie, probleemanalyse, planvoorbereiding, planontwerp, uitvoering, en monitoring/follow up. Deze fasen zijn universeel voor alle types van projecten. In de huidige praktijk bestaan er zowel projectvoeringen waarbij spelers en spelregels in regelgeving zijn vastgelegd (planprogramma’s landinrichting, ruimtelijke structuur- en uitvoeringsplannen, natuurrichtplannen, bekkenbeheerplannen, andere beheerplannen...) als projectvoer-


mjp2005 deel 3corr

19-05-2005

23:32

Pagina 132

Milieujaarprogramma

132 2005

ingen waarvan de spelers en spelregels afgesproken worden tijdens het projectverloop (bv. de huidige initiatieven rond bosuitbreidingsprojecten, strategische plannen voor de Vlaamse zeehavens, ontwikkelingsschets Schelde-estuarium, ggb-projecten, ...). Essentieel is dat de spelers die relevant zijn voor de ontwikkeling van een gebied tot een gezamenlijke en gedragen visie komen. In die zin werd, voortgaande op de evaluatienota en visietekst aangaande een hernieuwde aanpak van het inrichtingsinstrumentarium, in 2003 en 2004 het ruilverkavelingsinstrument beleidsmatig geherprofileerd tot een vraaggestuurd en uitvoeringsgericht instrument voor plattelandsinrichting. In een brief aan de voorzitters van de coördinatiecommissies en ruilverkavelingscomité’s en aan de vlm stelde de bevoegde minister dat ruilverkaveling niet langer beschouwd wordt als een autonoom planvormingsinstrument, maar geheroriënteerd wordt tot een uitvoeringsinstrument om elders gevormde visies te realiseren op het terrein. Ruilverkaveling is m.a.w. een middel en geen doel. De ruilverkaveling is daarmee uitgegroeid tot een instrument voor de multifunctionele en eigentijdse inrichting van plattelandsgebieden met een eigen identiteit en met bijzondere aandacht voor de ondersteuning van de landbouw als één van de belangrijke dragers. In de nieuwe aanpak wordt tevens, waar mogelijk, geopteerd voor een voortraject buiten de ruilverkavelingsprocedure. De procedure van landinrichting werd geactualiseerd en aangepast aan de beleidsmatige en maatschappelijke ontwikkelingen (aanpassing besluit van de Vlaamse Regering houdende nadere regelingen met betrekking tot landinrichting). Het vroegere richtplan waarin inhoudelijk uitgebreid en gebiedsdekkend een geïntegreerde visie op inrichting van een gebied werd geformuleerd, wordt vervangen door een planprogramma. De opmaak van een dergelijke geïntegreerde visie is minder aan de orde, gezien door anderen uitgebreide visies zijn geformuleerd (ruimtelijke structuurplannen en uitvoeringsplannen, bekkenbeheerplannen, plattelandsontwikkelingsplannen, ...). In het planprogramma worden mogelijke inrichtingsprojecten gemotiveerd. Bij de motivatie wordt vooral in overweging genomen waar het instrument landinrichting een meerwaarde kan bieden (bv. waar integratie van verschillende vragen voor inrichting aan de orde is). De subsidieregeling voor provincies en gemeenten wordt ook aangepast zodat provincies en gemeenten hun verantwoordelijkheid kunnen opnemen en worden gestimuleerd tot initiatieven die leefbaarheid, kwaliteit en vormgeving in plattelandsgebieden bevorderen.Het besluit van de Vlaamse Regering is definitief goedgekeurd op 28 mei 2004 (bs 16 september 2004). Naar verwachting kunnen dit jaar de eerste planprogramma’s worden goedgekeurd. Een aanpassing van het besluit van de Vlaamse Regering dat onder meer nadere regels vaststelt met betrekking tot natuurinrichting werd in april 2004 principieel goedgekeurd door de Vlaamse Regering. Hierdoor worden snellere en meer gedragen realisaties op terrein mogelijk (zie ook thema ‘Biodiversiteit’). Vlaamse Grondenbank

De vorige Vlaamse Regering heeft het ontwerp van decreet betreffende het oprichten van de Vlaamse Grondenbank definitief goedgekeurd. Dit decreet maakt het mogelijk dat alle overheden die ressorteren onder het beleidsdomein milieu vrijwillig beroep kunnen doen op de Vlaamse Grondenbank om hen te helpen in de uitvoering van hun grondbeleid. Daarnaast dienen alle rechten van voorkoop en koopplichten gecentraliseerd bij de Vlaamse Grondenbank aangeboden te worden. De rechten van voorkoop en koopplichten binnen het beleidsdomein milieu worden door de Vlaamse Grondenbank (na verzoek daartoe door de betrokken administraties) in eigen naam en voor eigen rekening uitgeoefend. Voorkooprechten en koopplichten buiten het beleidsdomein worden ofwel door de


mjp2005 deel 3corr

19-05-2005

23:32

Pagina 133

gebiedsgericht beleid

133 deel 3

begunstigde zelf uitgeoefend, respectievelijk vervuld of deze begunstigde kan de beslissing tot uitoefening van een voorkooprecht of de beslissing tot vervulling van een koopplicht in haar naam en voor haar rekening laten uitvoeren door de Vlaamse Grondenbank. Bij grote projecten werd er via een combinatie van een lokale grondenbank (om een aanbod van compenserende gronden te voorzien) en mogelijkheden tot gebruiksruil een herstructureringsaanbod voor landbouw mogelijk. Voorbeelden hiervan zijn o.m. natuurcompensatie in Doel, gecontroleerde overstromingsgebieden in Kruibeke, Parkbos Gent en De Blankaart. Dit maakt het mogelijk om deze projecten te realiseren en tegelijkertijd de impact voor eigenaars en gebruikers te beperken. Een uniek loket (www.rechtvanvoorkoop) over alle decretale rechten van voorkoop in het Vlaamse Gewest wordt operationeel gemaakt. Verdere uitbouw van het geïntegreerd plattelandsbeleid

Een voorstel van beleidsnota geïntegreerd plattelandsbeleid werd begin 2003 aan de bevoegde minister voorgelegd en is in september 2004 ter beschikking gesteld van de minister-president, tevens minister bevoegd voor plattelandsbeleid. Centraal staat hierbij een interdepartementale Vlaamse aansturing van het plattelandsbeleid en een gebiedsgerichte coördinatie van de uitvoering van het plattelandsbeleid door provincies en gemeenten. In het kader van het kerntakendebat werd hierover een consensus bereikt met de provincies en gemeenten. In 2004 heeft de bevoegde minister een denkcel platteland en een interbestuurlijk overleg platteland opgericht voor uitvoering van de beleidsnota. Voor 2004 werden in het kader van het pdpo 78 projecten goedgekeurd. Vlaanderen voorziet hiervoor 10% medefinanciering. Stedelijk milieubeleid

Inzake het stedelijk milieubeleid werd een netwerk uitgebouwd met vertegenwoordigers van de milieudiensten van alle groot- en regionale steden. De personen binnen dit netwerk worden selectief ingeschakeld in functie van de voorliggende vragen (afbakeningsplannen, rup’s, bpa’s, Europese communicatie inzake urban environment, ...) De interne overlegstructuur werd opengesteld voor andere administraties die op stedelijk niveau bezig zijn: arohm (arp) en het project stedenbeleid (administratie binnenlandse aangelegenheden) zetelen voortaan als betrokkenen op dit overleg. Een ontwerp van een geïntegreerde beleidsvisie stedelijk milieubeleid werd opgemaakt en er wordt bekeken hoe die visie een draagvlak kan krijgen binnen de milieuadministraties. aminal – afdeling Bos & Groen heeft begin 2004 volgend onderzoek opgestart: “Afbakening en classificatie van stedelijk groen”. Voor het stedelijk gebied Kortrijk wordt hierbij nagegaan welke relevante gegevens kunnen worden gedetecteerd via satellietbeelden m.b.t. stedelijk groen (pilootproject). Hieruit wordt een voorstel gemaakt voor het afbakenen en classificeren van stedelijk groen in Vlaanderen. Het eindrapport is voorzien voor eind 2004. In mei 2004 werd de studie ‘Economische waardering van parken” afgerond. Deze studie-opdracht reikt instrumenten aan om een onderbouwde economische waarde toe te kennen aan groen en meer bepaald aan parken. De resultaten vormen een objectieve, wetenschappelijke voedingsbodem voor de economische waarde van groen in het kader van conflicten over ruimtegebruik. De jaarlijkse oproep van de afdeling Bos & Groen voor het indienen van voorbeeldstellende en vernieuwende groenprojecten in het kader van Harmonisch Park- en Groenbeheer heeft geleid tot het starten van de realisatie van zes nieuwe groenprojecten


mjp2005 deel 3corr

19-05-2005

23:32

Pagina 134

Milieujaarprogramma

134 2005

in de verstedelijkte omgeving. In het kader van de stadsmonitor, een initiatief van stedenbeleid ewbl, werden 4 indicatoren ontwikkeld die interessant zijn in functie van stedelijk groen en natuur in de stad: de groenindruk, de oppervlakte groen, de oppervlakte waardevolle natuur en de spreiding van bereikbaar openbaar groen op buurtniveau en stadsdeel niveau. (Voor informatie over stadsbossen zie project ‘Bosbeleid’, thema ‘Verlies aan biodiversiteit’) Concentratiegebieden van economische activiteiten

Vanuit het milieubeleid wordt nog steeds actief meegewerkt aan de opmaak van strategische plannen voor de zeehavens en andere ruimtelijk-economische structuren zoals het economisch netwerk Albertkanaal. Getracht wordt de coördinatie van allerlei aspecten (natuur en ecologische infrastructuur, luchtkwaliteit, geluids- en geurhinder,...) te koppelen aan elementen van leefbaarheid en instrumenten ter reductie van eventuele hinder (milieuzonering, bufferbeleid, ...). De uitvoering van de strategische plannen voor de zeehavens vormt een integraal onderdeel van de lopende processen. Bij de opmaak van een langetermijnvisie voor deze poorten wordt de economische ontwikkeling afgestemd op diverse randvoorwaarden vanuit milieu, natuur en veiligheid. Hiervoor wordt onder meer gebruik gemaakt van het eigen instrumentarium zoals de plan-mer en het ruimtelijke veiligheidsrapport. De eerste ontwerpen van strategische plannen voor de diverse havens werden in 2004 afgewerkt. Door de creatie van een breed draagvlak onder de betrokken stakeholders is de aandacht voor diverse milieu- en natuuraspecten aanzienlijk toegenomen. Dergelijke pro-actieve aanpak maakt het concreet zoeken van een evenwicht tussen economie en ecologie een stuk makkelijker. Geïntegreerde gebiedsgerichte beleidsaanpak

Vanuit de strategische plannen van de zeehavens wordt verdere info verkregen over de succesfactoren en zwakke punten van een ggb-aanpak (geïntegreerde gebiedsgerichte beleidsaanpak). Via diverse andere kanalen (o.m. het Pegasusproject van de eu, dat poogt een dergelijk aanpak op Europees niveau uit te werken) wordt de ggb-aanpak verder getoetst aan andere gebiedsgerichte initiatieven. Op die manier wordt info verzameld voor een grondige evaluatie later in de planperiode.

Opvolging mijlpalen en indicatoren Mijlpalen

Opstellen nieuw programmeringsdocument

Oorspronkelijke verwachting

Status

Huidige verwachting

2005 MIDDEN

op schema

2005 EINDE

op schema

2005 EINDE

op schema

2004 BEGIN

vertraagd

2005 EINDE

2004 MIDDEN

vertraagd

2005 MIDDEN

2004 EINDE

gerealiseerd

Oorspronkelijke

Status

plattelandsontwikkeling Opstellen visie op het platteland en Vlaams plattelandsbeleidsplan Uitbouw van indicatoren voor opvolging van kwaliteit en leefbaarheid van plattelandsgebieden Grondenbank is operationeel Het decreet Grondenbank wordt gepubliceerd Loket recht van voorkoop wordt uitgebouwd

Mijlpalen

Huidige


mjp2005 deel 3corr

19-05-2005

23:32

Pagina 135

gebiedsgericht beleid (vervolg)

135 deel 3

verwachting

Uitbouw consulteerbare databank

2005 MIDDEN

verwachting op schema

(LMIS, landmanagementinformatiesysteem) Goedkeuring samenwerkings - en afsprakennota

2005 MIDDEN

tussen VLM en RL door beide partijen Visie stedelijk beleid is klaar

2003 EINDE

vertraagd

De groennormen zijn uitgewerkt

2005 EINDE

op schema

Uitwerken indicatoren groen op gewestelijk en lokaal niveau

2004 EINDE

gerealiseerd

Indicatoren

2004 EINDE

Realisatie

Doelstelling

Aantal gefinancierde plattelandsprojecten per jaar

80 (2004)

80 (2005)

Aandeel goedgekeurde plattelandsprojecten dat rechtstreeks bijdraagt tot 25 (2004)

50 (2005)

het milieubeleid Aantal ha verworven via de Vlaamse Grondenbank t.b.v. inrichtingsprojecten

0 (2004)

1.450 (2007)

Aantal ha verworven via de Vlaamse Grondenbank voor lokale grondenbanken

60 (2004)

130 (2005)

(ruilgronden)

Aanpak jaar 2005 Project: Instrumenten voor het buitengebied

Het geherprofileerde voortraject ruilverkaveling zal verder technisch uitgewerkt en bijgestuurd worden. Ook voor deze technische aanpassing van de inzet van het ruilverkavelingsinstrument zal een brief van de bevoegde minister aan de voorzitters van de coördinatiecommissies en ruilverkavelingscomité’s en aan de vlm worden gericht. Deze brief wordt voorbereid tegen einde 2004 - begin 2005. Wat betreft de landinrichting zal per inrichtingsproject een planbegeleidingsgroep worden opgericht waarvan de samenstelling wordt bepaald in functie van het specifieke project. Hierdoor zijn het telkens de echte betrokkenen die het project begeleiden. Landinrichting heeft door deze actualisatie ook de flexibileit om te werken in een groter gebied (één planprogramma, verschillende inrichtingsprojecten met elk één of meerdere inrichtingsplannen) of om een specifieke vraag aan te pakken ( een planprogramma motiveert één inrichtingsproject en wordt uitgevoerd in één inrichtingsplan). Hierdoor kan snel met realisaties op terrein worden gestart. De eerste inrichtingsplannen in het kader van de goedgekeurde planprogramma’s worden opgestart. Lopende prioritaire natuurinrichtingsprojecten worden op vraag verder opgevolgd en uitgevoerd: Blankaart, havengebieden (Rechterscheldeoever, Linkerscheldeoever, Zeebrugge, Gentse Kanaalzone), ondersteuning bij stadsbossen en bosuitbreiding (o.m. Parkbos Gent). Eventueel nieuwe prioritaire projecten worden opgenomen (prioritair bij Vlaamse Regering, minister of één van de Vlaamse overheidsinstanties): Grensmaas, Schelde-estuarium. (Voor meer informatie: zie thema ‘Biodiversiteit’). De beleidsnota plattelandsbeleid wordt geoperationaliseerd. Naast de denkcel en het interbestuurlijk overleg kan ook het interdepartementaal overleg van start gaan. Een beleidsvisie platteland kan worden opgesteld, een regeling m.b.t. de financiering kan worden uitgewerkt en nieuwe voorstellen voor pdpo 2007-2013 kunnen worden ingebracht. Het interbestuurlijk overleg platteland en de denkcel zullen de Vlaamse Regering hierbij de nodige ondersteuning geven. In 2005 zal een nieuwe reeks platte-


mjp2005 deel 3corr

19-05-2005

23:32

Pagina 136

Milieujaarprogramma

136 2005

landsprojecten op het terrein worden uitgevoerd. Deze projecten worden in het najaar van 2004 geselecteerd. Door een meer uitgebreide inzet van Vlaamse cofinanciering kunnen meer vernieuwende projecten worden gestimuleerd. Er worden initiatieven ontwikkeld om de rol en doelstellingen van de regionale landschappen in het Vlaamse milieubeleid verder te verduidelijken. Na de goedkeuring van het ontwerpdecreet in het voorjaar 2004 wordt verwacht dat de besluitvorming rond het decreet Vlaamse Grondenbank zal gefinaliseerd worden tegen midden 2005. De projectgebonden grondenbanken worden inmiddels door middel van overeenkomsten in lopende en eventueel nieuwe prioritaire projecten ingezet. De Vlaamse Grondenbank wordt binnen drie maanden na publicatie in het Belgisch Staatsblad operationeel gemaakt voor wat betreft het verwerven, beheren en overdragen van onroerend goed voor de overheden van het Vlaamse Gewest. De regeling m.b.t. de koopplichten en de voorkooprechten treedt pas in werking zes maanden na de publicatie van het decreet in het b.s. Vermoedelijk kunnen vanaf eind 2005 de decretale koopplichten vervuld worden en de decretale rechten van voorkoop uitgeoefend worden door de Vlaamse Grondenbank. Het uniek loket recht van voorkoop (www.rechtvanvoorkoop.be) wordt verder uitgebouwd. Ook de verdere ontwikkeling van het land management informatiesysteem, zoals voorzien in het decreet Vlaamse Grondenbank, is gepland. Project: Stedelijk milieubeleid

Het overleg rond stedelijk milieubeleid verhogen De overlegstructuur wordt verder uitgebouwd, niet enkel intern maar ook naar de steden toe. Nadruk wordt gelegd op informatie-aanbieding aangaande de stedelijk rup’s (ruimtelijke uitvoeringsplannen) en de aansluiting op de natuurlijke structuur. Inzake het extern overleg op Vlaams niveau wordt verder aansluiting gezocht bij de reeds bestaande overlegstructuren om een actieve inbreng vanuit het beleidsdomein leefmilieu te kunnen doen. Opmaken van een geïntegreerde beleidsvisie stedelijk milieubeleid Het uitwerken van een groenvisie voor de stedelijke gebieden is noodzakelijk als insteek voor de steden en gemeenten die gelegen zijn in deze gebieden. Dit gewestelijk initiatief heeft als bedoeling overleg tussen deze steden en gemeenten te bevorderen en vereenvoudigen, informatie aan te bieden voor de gemeentelijke rup, om het groenbeheer aan te passen en aansluiting op de natuurlijke structuur mogelijk te maken. Deze visies zullen tevens informatie bevatten over strategische projecten die noodzakelijk zijn in deze stedelijke gebieden en hun relatie met het algemene milieubeleid, ruimtelijke ordening, ... Er is een budget nodig voor het realiseren van strategische projecten die zodanig complex zijn dat een extra ondersteuning vanuit het gewest nodig is om tot realisatie over te gaan. Uitbouwen van kennis omtrent stedelijk milieu Een tweede Masterclass netwerking stedenbeleid zal in 2005 ingericht worden voor nieuwe stedelijke en Vlaamse ambtenaren uit verschillende entiteiten betrokken bij concrete stedelijke cases. De groenvisies voor steden worden verder uitgewerkt. Deze visies zullen bijhorende actieplannen bevatten. Daarbij wordt speciaal gefocust op de relatie tussen algemeen milieubeleid, ruimtelijke ordening, water, natuur... (geïntegreerde visie).


mjp2005 deel 3corr

19-05-2005

23:32

Pagina 137

gebiedsgericht beleid

137 deel 3

Er worden tevens initiatieven genomen voor het verder uitwerken van groennormen en er wordt onderzocht hoe deze kunnen geïntegreerd worden in de ruimtelijk ordening. Indicatoren voor groen worden uitgewerkt op gewestelijk en lokaal niveau. Er zal worden onderzocht of deze vier reeds ontwikkelde indicatoren in het kader van de stadsmonitoring voldoende zijn of dienen aangevuld te worden. Groennormen zijn momenteel enkel beschikbaar m.b.t. bereikbaarheid van groene ruimte: de afstand is de belangrijkste factor voor het bezoek van groene ruimte. Gebiedsspecifieke normen zijn niet voorhanden. Het uitwerken van groennormen gebeurt vooral in relatie tot het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen ii (waarbij de diversificatie tussen stedelijke gebieden meer gedetailleerd wordt ingevuld). Indicatoren voor groen zijn noch op gewestelijk, noch op lokaal niveau voorhanden. Deze laatste worden uitgewerkt in het kader van de Samenwerkingsovereenkomst. Deze indicatoren zullen toelaten om op te volgen of de groennormen bereikt worden en welke vorderingen worden gemaakt (kwantitatief), maar ook kwalitatief (in de eerste plaats het soort beheer). Concrete voorbeeldprojecten rond stedelijk milieubeleid opstarten Net zoals in 2004 kan de projectgroep omwille van budgettaire redenen zelf geen voorbeeldprojecten opstarten. Daarom zullen ook dit jaar enkel bestaande projecten opgevolgd worden. Regionale Landschappen afstemmen op gebiedsgerichte instrumenten

Overleg over de verschillen en overlappingen van de inrichtingsactiviteiten tussen de Regionale Landschappen (rl) en de inrichtingsactiviteiten (vlm) resulteerde in een standpuntennota. In de loop van 2005 wordt deze opnieuw met de Regionale Landschappen besproken en eventueel bijgesteld. Op basis van deze afstemming zal een concrete samenwerkingsnota worden opgemaakt, waarbij duidelijke afspraken worden gemaakt. Ook wordt een geregeld overleg nagestreefd. Concentratiegebieden van economische activiteiten

De planprocessen rond de Vlaamse zeehavens zullen ook in 2005 verder lopen. Het accent zal zich echter veel minder op het planvormingselement situeren, maar eerder op een uitvoeringsgericht niveau. Te denken valt aan de inrichting van specifieke deelgebieden zoals buffer- en koppelingsgebieden. Afhankelijk van de middelen die kunnen ingezet worden vanuit het Vlaamse beleid zullen ook infrastructurele maatregelen geconcretiseerd worden. Een blijvende aandacht voor milieu- en natuurkwaliteiten is noodzakelijk. Inzake de realisatie op het terrein van ecologische infrastructuur binnen de zeehavens worden samenwerkingsverbanden overeengekomen. Via de strategische planningsprocessen slagen we er makkelijker in om draagvlak te vinden voor de implementatie van Europese milieu- en natuurrichtlijnen, zoals de Vogel- en Habitatrichtlijn of de richtlijn Nationale Emissiecriteria. Lopende GGB-processen opvolgen en overleg voortzetten

De methodiek van het geïntegreerd gebiedsgericht beleid (ggb) wordt toegepast in de strategische planningsprocessen van de Vlaamse zeehavens (Antwerpen, Gentse Kanaalzone, Zeebrugge en Oostende). Ook in andere gebiedsgerichte processen (voornamelijk in de ruimtelijk-economische sfeer) herkennen we elementen van de ggbmethodiek. Via een open discussie wordt gezocht naar een breed draagvlak voor gebiedsvisie en bijhorende acties en maatregelen. De processpecifieke voorwaarden, die spelen bij de toepassing van de ggb-methodiek in de Vlaamse zeehavens, werden


mjp2005 deel 3corr

19-05-2005

23:32

Pagina 138

Milieujaarprogramma

138 2005

opgelijst. De resultaten van deze interne oefening werden gepubliceerd in diverse tijdschriften. Toetsing van bestaande gebiedsgerichte initiatieven aan de GGB-aanpak

Tot op heden werd er geopteerd om geen externe studies op te starten. Wel werden elementen van de ggb-methodiek gebruikt om aanpassingen voor te stellen aan het eigen instrumentarium. Met name inzake het inrichtingsinstrumentarium (ruilverkaveling, landinrichting) werden een aantal elementen overgenomen. Deze spelen in op de wens om meer exibiliteit en een meer vraaggestuurde inrichting uit te tekenen. Ondersteuning van gebiedsgericht werken van lokale overheden

Via de Samenwerkingsovereenkomst met provincies en gemeenten kunnen deze overheden gebiedsgerichte projecten (de zogenaamde niveau-3 projecten) indienen bij het Vlaams Gewest. Kern van dergelijk gebiedsgericht project is een complexe gebiedsgebonden problematiek die enkel met de samenwerking tussen verschillende actoren kan opgelost worden. Ook dienen diverse milieufactoren meegenomen te worden in de ontwikkeling van een visie en acties voor het gebied: natuur, mobiliteit, energie, hinder,... Voor 2004 werden diverse projecten ingediend, onder meer door de provincie WestVlaanderen (Oudlandpolder) en de gemeente De Panne. Uitbouw van een informatienetwerk voor eerstelijnszorg voor Vlaanderen

Er worden geen speciďŹ eke initiatieven genomen in 2005.

Begroting Voor het thema in zijn globaliteit wordt in 2005 voorzien in iets minder dan 34.000 keuro aan beleidskredieten.


mjp2005 deel 3corr

19-05-2005

23:32

Pagina 129

deel 3

gebiedsgericht beleid


mjp2005 deel 3corr

19-05-2005

23:32

Pagina 130


mjp2005 deel 3corr

19-05-2005

23:32

Pagina 131

131 deel 3

Gebiedsgericht beleid Inleiding Het deel gebiedsgericht beleid behandelt enerzijds het beleid waarbij men de milieuproblemen aanpakt op het niveau van specifieke gebieden om er tot de specifiek vereiste milieukwaliteit te komen en anderzijds het beleid met als doel een verbeterde afstemming tussen de (conflicterende) functies van het gebied te bewerkstelligen. Hierbij staat de inbreng en afweging in het kader van de ruimtelijke ordening tussen de diverse functies en doelstellingen van een gebied (leven, wonen, werken, vervoer, industrie, natuur...) en de milieudoelstellingen centraal. Gebiedsgericht beleid richt zich zo in hoofdzaak op drie typen gebieden: gebieden waar een betere dan de algemene milieu- of natuurkwaliteit vereist is, gebieden waar een achterstand moet worden ingehaald om de basismilieukwaliteit te bereiken (stedelijke gebieden, economische knooppunten) en gebieden met een grote verwevenheid van functies. Tevens gaat het ook over gebieden met zgn. complexe problematieken, d.w.z. waar verschillende functies en beleidsdomeinen eerder conflicteren. Hier wordt de methodiek geïntegreerde gebiedsgerichte aanpak toegepast. Wat betreft het buitengebied zijn de centrale instrumenten enerzijds het inrichtingsinstrumentarium (landinrichting, ruilverkaveling en natuurinrichting die vraaggestuurd via een modulair systeem zullen worden ingezet) en anderzijds het grondbeleid (onder meer door onroerende goederen op het meest geschikte ogenblik tegen billijke voorwaarden ter beschikking te stellen aan de daartoe meest geschikte personen). Het stedelijk milieubeleid is enigszins nieuw, waarbij daarom vooral visievorming en pilootwerking centraal staan.

Opvolging van de plandoelstellingen

| Versterken en verbeteren van de milieukwaliteit en ruimtelijke kwaliteit in de

beoogde gebieden door een gedifferentieerde aanpak van milieuproblemen en maatwerk op niveau van gebied

Projecten en maatregelen Toelichting en evaluatie tot 2004 Optimaliseren en afstemmen van het inrichtingsinstrumentarium voor het buitengebied. In 2003/2004 werd verder gewerkt aan de optimalisatie van de inrichtingsinstrumenten. De inrichtingsinstrumenten worden daartoe bijgesteld in functie van de nieuwe visie op inrichting. Elk project dat wordt opgezet doorloopt verschillende fasen: probleemidentificatie, probleemanalyse, planvoorbereiding, planontwerp, uitvoering, en monitoring/follow up. Deze fasen zijn universeel voor alle types van projecten. In de huidige praktijk bestaan er zowel projectvoeringen waarbij spelers en spelregels in regelgeving zijn vastgelegd (planprogramma’s landinrichting, ruimtelijke structuur- en uitvoeringsplannen, natuurrichtplannen, bekkenbeheerplannen, andere beheerplannen...) als projectvoer-


mjp2005 deel 3corr

19-05-2005

23:32

Pagina 132

Milieujaarprogramma

132 2005

ingen waarvan de spelers en spelregels afgesproken worden tijdens het projectverloop (bv. de huidige initiatieven rond bosuitbreidingsprojecten, strategische plannen voor de Vlaamse zeehavens, ontwikkelingsschets Schelde-estuarium, ggb-projecten, ...). Essentieel is dat de spelers die relevant zijn voor de ontwikkeling van een gebied tot een gezamenlijke en gedragen visie komen. In die zin werd, voortgaande op de evaluatienota en visietekst aangaande een hernieuwde aanpak van het inrichtingsinstrumentarium, in 2003 en 2004 het ruilverkavelingsinstrument beleidsmatig geherprofileerd tot een vraaggestuurd en uitvoeringsgericht instrument voor plattelandsinrichting. In een brief aan de voorzitters van de coördinatiecommissies en ruilverkavelingscomité’s en aan de vlm stelde de bevoegde minister dat ruilverkaveling niet langer beschouwd wordt als een autonoom planvormingsinstrument, maar geheroriënteerd wordt tot een uitvoeringsinstrument om elders gevormde visies te realiseren op het terrein. Ruilverkaveling is m.a.w. een middel en geen doel. De ruilverkaveling is daarmee uitgegroeid tot een instrument voor de multifunctionele en eigentijdse inrichting van plattelandsgebieden met een eigen identiteit en met bijzondere aandacht voor de ondersteuning van de landbouw als één van de belangrijke dragers. In de nieuwe aanpak wordt tevens, waar mogelijk, geopteerd voor een voortraject buiten de ruilverkavelingsprocedure. De procedure van landinrichting werd geactualiseerd en aangepast aan de beleidsmatige en maatschappelijke ontwikkelingen (aanpassing besluit van de Vlaamse Regering houdende nadere regelingen met betrekking tot landinrichting). Het vroegere richtplan waarin inhoudelijk uitgebreid en gebiedsdekkend een geïntegreerde visie op inrichting van een gebied werd geformuleerd, wordt vervangen door een planprogramma. De opmaak van een dergelijke geïntegreerde visie is minder aan de orde, gezien door anderen uitgebreide visies zijn geformuleerd (ruimtelijke structuurplannen en uitvoeringsplannen, bekkenbeheerplannen, plattelandsontwikkelingsplannen, ...). In het planprogramma worden mogelijke inrichtingsprojecten gemotiveerd. Bij de motivatie wordt vooral in overweging genomen waar het instrument landinrichting een meerwaarde kan bieden (bv. waar integratie van verschillende vragen voor inrichting aan de orde is). De subsidieregeling voor provincies en gemeenten wordt ook aangepast zodat provincies en gemeenten hun verantwoordelijkheid kunnen opnemen en worden gestimuleerd tot initiatieven die leefbaarheid, kwaliteit en vormgeving in plattelandsgebieden bevorderen.Het besluit van de Vlaamse Regering is definitief goedgekeurd op 28 mei 2004 (bs 16 september 2004). Naar verwachting kunnen dit jaar de eerste planprogramma’s worden goedgekeurd. Een aanpassing van het besluit van de Vlaamse Regering dat onder meer nadere regels vaststelt met betrekking tot natuurinrichting werd in april 2004 principieel goedgekeurd door de Vlaamse Regering. Hierdoor worden snellere en meer gedragen realisaties op terrein mogelijk (zie ook thema ‘Biodiversiteit’). Vlaamse Grondenbank

De vorige Vlaamse Regering heeft het ontwerp van decreet betreffende het oprichten van de Vlaamse Grondenbank definitief goedgekeurd. Dit decreet maakt het mogelijk dat alle overheden die ressorteren onder het beleidsdomein milieu vrijwillig beroep kunnen doen op de Vlaamse Grondenbank om hen te helpen in de uitvoering van hun grondbeleid. Daarnaast dienen alle rechten van voorkoop en koopplichten gecentraliseerd bij de Vlaamse Grondenbank aangeboden te worden. De rechten van voorkoop en koopplichten binnen het beleidsdomein milieu worden door de Vlaamse Grondenbank (na verzoek daartoe door de betrokken administraties) in eigen naam en voor eigen rekening uitgeoefend. Voorkooprechten en koopplichten buiten het beleidsdomein worden ofwel door de


mjp2005 deel 3corr

19-05-2005

23:32

Pagina 133

gebiedsgericht beleid

133 deel 3

begunstigde zelf uitgeoefend, respectievelijk vervuld of deze begunstigde kan de beslissing tot uitoefening van een voorkooprecht of de beslissing tot vervulling van een koopplicht in haar naam en voor haar rekening laten uitvoeren door de Vlaamse Grondenbank. Bij grote projecten werd er via een combinatie van een lokale grondenbank (om een aanbod van compenserende gronden te voorzien) en mogelijkheden tot gebruiksruil een herstructureringsaanbod voor landbouw mogelijk. Voorbeelden hiervan zijn o.m. natuurcompensatie in Doel, gecontroleerde overstromingsgebieden in Kruibeke, Parkbos Gent en De Blankaart. Dit maakt het mogelijk om deze projecten te realiseren en tegelijkertijd de impact voor eigenaars en gebruikers te beperken. Een uniek loket (www.rechtvanvoorkoop) over alle decretale rechten van voorkoop in het Vlaamse Gewest wordt operationeel gemaakt. Verdere uitbouw van het geïntegreerd plattelandsbeleid

Een voorstel van beleidsnota geïntegreerd plattelandsbeleid werd begin 2003 aan de bevoegde minister voorgelegd en is in september 2004 ter beschikking gesteld van de minister-president, tevens minister bevoegd voor plattelandsbeleid. Centraal staat hierbij een interdepartementale Vlaamse aansturing van het plattelandsbeleid en een gebiedsgerichte coördinatie van de uitvoering van het plattelandsbeleid door provincies en gemeenten. In het kader van het kerntakendebat werd hierover een consensus bereikt met de provincies en gemeenten. In 2004 heeft de bevoegde minister een denkcel platteland en een interbestuurlijk overleg platteland opgericht voor uitvoering van de beleidsnota. Voor 2004 werden in het kader van het pdpo 78 projecten goedgekeurd. Vlaanderen voorziet hiervoor 10% medefinanciering. Stedelijk milieubeleid

Inzake het stedelijk milieubeleid werd een netwerk uitgebouwd met vertegenwoordigers van de milieudiensten van alle groot- en regionale steden. De personen binnen dit netwerk worden selectief ingeschakeld in functie van de voorliggende vragen (afbakeningsplannen, rup’s, bpa’s, Europese communicatie inzake urban environment, ...) De interne overlegstructuur werd opengesteld voor andere administraties die op stedelijk niveau bezig zijn: arohm (arp) en het project stedenbeleid (administratie binnenlandse aangelegenheden) zetelen voortaan als betrokkenen op dit overleg. Een ontwerp van een geïntegreerde beleidsvisie stedelijk milieubeleid werd opgemaakt en er wordt bekeken hoe die visie een draagvlak kan krijgen binnen de milieuadministraties. aminal – afdeling Bos & Groen heeft begin 2004 volgend onderzoek opgestart: “Afbakening en classificatie van stedelijk groen”. Voor het stedelijk gebied Kortrijk wordt hierbij nagegaan welke relevante gegevens kunnen worden gedetecteerd via satellietbeelden m.b.t. stedelijk groen (pilootproject). Hieruit wordt een voorstel gemaakt voor het afbakenen en classificeren van stedelijk groen in Vlaanderen. Het eindrapport is voorzien voor eind 2004. In mei 2004 werd de studie ‘Economische waardering van parken” afgerond. Deze studie-opdracht reikt instrumenten aan om een onderbouwde economische waarde toe te kennen aan groen en meer bepaald aan parken. De resultaten vormen een objectieve, wetenschappelijke voedingsbodem voor de economische waarde van groen in het kader van conflicten over ruimtegebruik. De jaarlijkse oproep van de afdeling Bos & Groen voor het indienen van voorbeeldstellende en vernieuwende groenprojecten in het kader van Harmonisch Park- en Groenbeheer heeft geleid tot het starten van de realisatie van zes nieuwe groenprojecten


mjp2005 deel 3corr

19-05-2005

23:32

Pagina 134

Milieujaarprogramma

134 2005

in de verstedelijkte omgeving. In het kader van de stadsmonitor, een initiatief van stedenbeleid ewbl, werden 4 indicatoren ontwikkeld die interessant zijn in functie van stedelijk groen en natuur in de stad: de groenindruk, de oppervlakte groen, de oppervlakte waardevolle natuur en de spreiding van bereikbaar openbaar groen op buurtniveau en stadsdeel niveau. (Voor informatie over stadsbossen zie project ‘Bosbeleid’, thema ‘Verlies aan biodiversiteit’) Concentratiegebieden van economische activiteiten

Vanuit het milieubeleid wordt nog steeds actief meegewerkt aan de opmaak van strategische plannen voor de zeehavens en andere ruimtelijk-economische structuren zoals het economisch netwerk Albertkanaal. Getracht wordt de coördinatie van allerlei aspecten (natuur en ecologische infrastructuur, luchtkwaliteit, geluids- en geurhinder,...) te koppelen aan elementen van leefbaarheid en instrumenten ter reductie van eventuele hinder (milieuzonering, bufferbeleid, ...). De uitvoering van de strategische plannen voor de zeehavens vormt een integraal onderdeel van de lopende processen. Bij de opmaak van een langetermijnvisie voor deze poorten wordt de economische ontwikkeling afgestemd op diverse randvoorwaarden vanuit milieu, natuur en veiligheid. Hiervoor wordt onder meer gebruik gemaakt van het eigen instrumentarium zoals de plan-mer en het ruimtelijke veiligheidsrapport. De eerste ontwerpen van strategische plannen voor de diverse havens werden in 2004 afgewerkt. Door de creatie van een breed draagvlak onder de betrokken stakeholders is de aandacht voor diverse milieu- en natuuraspecten aanzienlijk toegenomen. Dergelijke pro-actieve aanpak maakt het concreet zoeken van een evenwicht tussen economie en ecologie een stuk makkelijker. Geïntegreerde gebiedsgerichte beleidsaanpak

Vanuit de strategische plannen van de zeehavens wordt verdere info verkregen over de succesfactoren en zwakke punten van een ggb-aanpak (geïntegreerde gebiedsgerichte beleidsaanpak). Via diverse andere kanalen (o.m. het Pegasusproject van de eu, dat poogt een dergelijk aanpak op Europees niveau uit te werken) wordt de ggb-aanpak verder getoetst aan andere gebiedsgerichte initiatieven. Op die manier wordt info verzameld voor een grondige evaluatie later in de planperiode.

Opvolging mijlpalen en indicatoren Mijlpalen

Opstellen nieuw programmeringsdocument

Oorspronkelijke verwachting

Status

Huidige verwachting

2005 MIDDEN

op schema

2005 EINDE

op schema

2005 EINDE

op schema

2004 BEGIN

vertraagd

2005 EINDE

2004 MIDDEN

vertraagd

2005 MIDDEN

2004 EINDE

gerealiseerd

Oorspronkelijke

Status

plattelandsontwikkeling Opstellen visie op het platteland en Vlaams plattelandsbeleidsplan Uitbouw van indicatoren voor opvolging van kwaliteit en leefbaarheid van plattelandsgebieden Grondenbank is operationeel Het decreet Grondenbank wordt gepubliceerd Loket recht van voorkoop wordt uitgebouwd

Mijlpalen

Huidige


mjp2005 deel 3corr

19-05-2005

23:32

Pagina 135

gebiedsgericht beleid (vervolg)

135 deel 3

verwachting

Uitbouw consulteerbare databank

2005 MIDDEN

verwachting op schema

(LMIS, landmanagementinformatiesysteem) Goedkeuring samenwerkings - en afsprakennota

2005 MIDDEN

tussen VLM en RL door beide partijen Visie stedelijk beleid is klaar

2003 EINDE

vertraagd

De groennormen zijn uitgewerkt

2005 EINDE

op schema

Uitwerken indicatoren groen op gewestelijk en lokaal niveau

2004 EINDE

gerealiseerd

Indicatoren

2004 EINDE

Realisatie

Doelstelling

Aantal gefinancierde plattelandsprojecten per jaar

80 (2004)

80 (2005)

Aandeel goedgekeurde plattelandsprojecten dat rechtstreeks bijdraagt tot 25 (2004)

50 (2005)

het milieubeleid Aantal ha verworven via de Vlaamse Grondenbank t.b.v. inrichtingsprojecten

0 (2004)

1.450 (2007)

Aantal ha verworven via de Vlaamse Grondenbank voor lokale grondenbanken

60 (2004)

130 (2005)

(ruilgronden)

Aanpak jaar 2005 Project: Instrumenten voor het buitengebied

Het geherprofileerde voortraject ruilverkaveling zal verder technisch uitgewerkt en bijgestuurd worden. Ook voor deze technische aanpassing van de inzet van het ruilverkavelingsinstrument zal een brief van de bevoegde minister aan de voorzitters van de coördinatiecommissies en ruilverkavelingscomité’s en aan de vlm worden gericht. Deze brief wordt voorbereid tegen einde 2004 - begin 2005. Wat betreft de landinrichting zal per inrichtingsproject een planbegeleidingsgroep worden opgericht waarvan de samenstelling wordt bepaald in functie van het specifieke project. Hierdoor zijn het telkens de echte betrokkenen die het project begeleiden. Landinrichting heeft door deze actualisatie ook de flexibileit om te werken in een groter gebied (één planprogramma, verschillende inrichtingsprojecten met elk één of meerdere inrichtingsplannen) of om een specifieke vraag aan te pakken ( een planprogramma motiveert één inrichtingsproject en wordt uitgevoerd in één inrichtingsplan). Hierdoor kan snel met realisaties op terrein worden gestart. De eerste inrichtingsplannen in het kader van de goedgekeurde planprogramma’s worden opgestart. Lopende prioritaire natuurinrichtingsprojecten worden op vraag verder opgevolgd en uitgevoerd: Blankaart, havengebieden (Rechterscheldeoever, Linkerscheldeoever, Zeebrugge, Gentse Kanaalzone), ondersteuning bij stadsbossen en bosuitbreiding (o.m. Parkbos Gent). Eventueel nieuwe prioritaire projecten worden opgenomen (prioritair bij Vlaamse Regering, minister of één van de Vlaamse overheidsinstanties): Grensmaas, Schelde-estuarium. (Voor meer informatie: zie thema ‘Biodiversiteit’). De beleidsnota plattelandsbeleid wordt geoperationaliseerd. Naast de denkcel en het interbestuurlijk overleg kan ook het interdepartementaal overleg van start gaan. Een beleidsvisie platteland kan worden opgesteld, een regeling m.b.t. de financiering kan worden uitgewerkt en nieuwe voorstellen voor pdpo 2007-2013 kunnen worden ingebracht. Het interbestuurlijk overleg platteland en de denkcel zullen de Vlaamse Regering hierbij de nodige ondersteuning geven. In 2005 zal een nieuwe reeks platte-


mjp2005 deel 3corr

19-05-2005

23:32

Pagina 136

Milieujaarprogramma

136 2005

landsprojecten op het terrein worden uitgevoerd. Deze projecten worden in het najaar van 2004 geselecteerd. Door een meer uitgebreide inzet van Vlaamse cofinanciering kunnen meer vernieuwende projecten worden gestimuleerd. Er worden initiatieven ontwikkeld om de rol en doelstellingen van de regionale landschappen in het Vlaamse milieubeleid verder te verduidelijken. Na de goedkeuring van het ontwerpdecreet in het voorjaar 2004 wordt verwacht dat de besluitvorming rond het decreet Vlaamse Grondenbank zal gefinaliseerd worden tegen midden 2005. De projectgebonden grondenbanken worden inmiddels door middel van overeenkomsten in lopende en eventueel nieuwe prioritaire projecten ingezet. De Vlaamse Grondenbank wordt binnen drie maanden na publicatie in het Belgisch Staatsblad operationeel gemaakt voor wat betreft het verwerven, beheren en overdragen van onroerend goed voor de overheden van het Vlaamse Gewest. De regeling m.b.t. de koopplichten en de voorkooprechten treedt pas in werking zes maanden na de publicatie van het decreet in het b.s. Vermoedelijk kunnen vanaf eind 2005 de decretale koopplichten vervuld worden en de decretale rechten van voorkoop uitgeoefend worden door de Vlaamse Grondenbank. Het uniek loket recht van voorkoop (www.rechtvanvoorkoop.be) wordt verder uitgebouwd. Ook de verdere ontwikkeling van het land management informatiesysteem, zoals voorzien in het decreet Vlaamse Grondenbank, is gepland. Project: Stedelijk milieubeleid

Het overleg rond stedelijk milieubeleid verhogen De overlegstructuur wordt verder uitgebouwd, niet enkel intern maar ook naar de steden toe. Nadruk wordt gelegd op informatie-aanbieding aangaande de stedelijk rup’s (ruimtelijke uitvoeringsplannen) en de aansluiting op de natuurlijke structuur. Inzake het extern overleg op Vlaams niveau wordt verder aansluiting gezocht bij de reeds bestaande overlegstructuren om een actieve inbreng vanuit het beleidsdomein leefmilieu te kunnen doen. Opmaken van een geïntegreerde beleidsvisie stedelijk milieubeleid Het uitwerken van een groenvisie voor de stedelijke gebieden is noodzakelijk als insteek voor de steden en gemeenten die gelegen zijn in deze gebieden. Dit gewestelijk initiatief heeft als bedoeling overleg tussen deze steden en gemeenten te bevorderen en vereenvoudigen, informatie aan te bieden voor de gemeentelijke rup, om het groenbeheer aan te passen en aansluiting op de natuurlijke structuur mogelijk te maken. Deze visies zullen tevens informatie bevatten over strategische projecten die noodzakelijk zijn in deze stedelijke gebieden en hun relatie met het algemene milieubeleid, ruimtelijke ordening, ... Er is een budget nodig voor het realiseren van strategische projecten die zodanig complex zijn dat een extra ondersteuning vanuit het gewest nodig is om tot realisatie over te gaan. Uitbouwen van kennis omtrent stedelijk milieu Een tweede Masterclass netwerking stedenbeleid zal in 2005 ingericht worden voor nieuwe stedelijke en Vlaamse ambtenaren uit verschillende entiteiten betrokken bij concrete stedelijke cases. De groenvisies voor steden worden verder uitgewerkt. Deze visies zullen bijhorende actieplannen bevatten. Daarbij wordt speciaal gefocust op de relatie tussen algemeen milieubeleid, ruimtelijke ordening, water, natuur... (geïntegreerde visie).


mjp2005 deel 3corr

19-05-2005

23:32

Pagina 137

gebiedsgericht beleid

137 deel 3

Er worden tevens initiatieven genomen voor het verder uitwerken van groennormen en er wordt onderzocht hoe deze kunnen geïntegreerd worden in de ruimtelijk ordening. Indicatoren voor groen worden uitgewerkt op gewestelijk en lokaal niveau. Er zal worden onderzocht of deze vier reeds ontwikkelde indicatoren in het kader van de stadsmonitoring voldoende zijn of dienen aangevuld te worden. Groennormen zijn momenteel enkel beschikbaar m.b.t. bereikbaarheid van groene ruimte: de afstand is de belangrijkste factor voor het bezoek van groene ruimte. Gebiedsspecifieke normen zijn niet voorhanden. Het uitwerken van groennormen gebeurt vooral in relatie tot het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen ii (waarbij de diversificatie tussen stedelijke gebieden meer gedetailleerd wordt ingevuld). Indicatoren voor groen zijn noch op gewestelijk, noch op lokaal niveau voorhanden. Deze laatste worden uitgewerkt in het kader van de Samenwerkingsovereenkomst. Deze indicatoren zullen toelaten om op te volgen of de groennormen bereikt worden en welke vorderingen worden gemaakt (kwantitatief), maar ook kwalitatief (in de eerste plaats het soort beheer). Concrete voorbeeldprojecten rond stedelijk milieubeleid opstarten Net zoals in 2004 kan de projectgroep omwille van budgettaire redenen zelf geen voorbeeldprojecten opstarten. Daarom zullen ook dit jaar enkel bestaande projecten opgevolgd worden. Regionale Landschappen afstemmen op gebiedsgerichte instrumenten

Overleg over de verschillen en overlappingen van de inrichtingsactiviteiten tussen de Regionale Landschappen (rl) en de inrichtingsactiviteiten (vlm) resulteerde in een standpuntennota. In de loop van 2005 wordt deze opnieuw met de Regionale Landschappen besproken en eventueel bijgesteld. Op basis van deze afstemming zal een concrete samenwerkingsnota worden opgemaakt, waarbij duidelijke afspraken worden gemaakt. Ook wordt een geregeld overleg nagestreefd. Concentratiegebieden van economische activiteiten

De planprocessen rond de Vlaamse zeehavens zullen ook in 2005 verder lopen. Het accent zal zich echter veel minder op het planvormingselement situeren, maar eerder op een uitvoeringsgericht niveau. Te denken valt aan de inrichting van specifieke deelgebieden zoals buffer- en koppelingsgebieden. Afhankelijk van de middelen die kunnen ingezet worden vanuit het Vlaamse beleid zullen ook infrastructurele maatregelen geconcretiseerd worden. Een blijvende aandacht voor milieu- en natuurkwaliteiten is noodzakelijk. Inzake de realisatie op het terrein van ecologische infrastructuur binnen de zeehavens worden samenwerkingsverbanden overeengekomen. Via de strategische planningsprocessen slagen we er makkelijker in om draagvlak te vinden voor de implementatie van Europese milieu- en natuurrichtlijnen, zoals de Vogel- en Habitatrichtlijn of de richtlijn Nationale Emissiecriteria. Lopende GGB-processen opvolgen en overleg voortzetten

De methodiek van het geïntegreerd gebiedsgericht beleid (ggb) wordt toegepast in de strategische planningsprocessen van de Vlaamse zeehavens (Antwerpen, Gentse Kanaalzone, Zeebrugge en Oostende). Ook in andere gebiedsgerichte processen (voornamelijk in de ruimtelijk-economische sfeer) herkennen we elementen van de ggbmethodiek. Via een open discussie wordt gezocht naar een breed draagvlak voor gebiedsvisie en bijhorende acties en maatregelen. De processpecifieke voorwaarden, die spelen bij de toepassing van de ggb-methodiek in de Vlaamse zeehavens, werden


mjp2005 deel 3corr

19-05-2005

23:32

Pagina 138

Milieujaarprogramma

138 2005

opgelijst. De resultaten van deze interne oefening werden gepubliceerd in diverse tijdschriften. Toetsing van bestaande gebiedsgerichte initiatieven aan de GGB-aanpak

Tot op heden werd er geopteerd om geen externe studies op te starten. Wel werden elementen van de ggb-methodiek gebruikt om aanpassingen voor te stellen aan het eigen instrumentarium. Met name inzake het inrichtingsinstrumentarium (ruilverkaveling, landinrichting) werden een aantal elementen overgenomen. Deze spelen in op de wens om meer exibiliteit en een meer vraaggestuurde inrichting uit te tekenen. Ondersteuning van gebiedsgericht werken van lokale overheden

Via de Samenwerkingsovereenkomst met provincies en gemeenten kunnen deze overheden gebiedsgerichte projecten (de zogenaamde niveau-3 projecten) indienen bij het Vlaams Gewest. Kern van dergelijk gebiedsgericht project is een complexe gebiedsgebonden problematiek die enkel met de samenwerking tussen verschillende actoren kan opgelost worden. Ook dienen diverse milieufactoren meegenomen te worden in de ontwikkeling van een visie en acties voor het gebied: natuur, mobiliteit, energie, hinder,... Voor 2004 werden diverse projecten ingediend, onder meer door de provincie WestVlaanderen (Oudlandpolder) en de gemeente De Panne. Uitbouw van een informatienetwerk voor eerstelijnszorg voor Vlaanderen

Er worden geen speciďŹ eke initiatieven genomen in 2005.

Begroting Voor het thema in zijn globaliteit wordt in 2005 voorzien in iets minder dan 34.000 keuro aan beleidskredieten.


mjp2005 deel 4corr

19-05-2005

23:59

Pagina 139

deel 4

actoren


mjp2005 deel 4corr

19-05-2005

23:59

Pagina 140


mjp2005 deel 4corr

19-05-2005

23:59

Pagina 141

actoren

141 deel 4

1. Doelgroepen Inleiding Het Vlaamse natuur- en milieubeleid stelt nieuwe uitdagingen voor vele doelgroepen. Hoewel het beleidsdomein leefmilieu en natuur reeds op vele terreinen intensief interageert met de doelgroepen blijft de behoefte om dit op een sterker gecoördineerde en meer consistente wijze te doen zodat de betrokkenheid meer bevredigende resultaten oplevert, zowel voor de doelgroep als voor de milieuoverheid, en dit bij de voorbereiding en uitvoering van het beleid. Het nieuwe Milieubeleidsplan bouwt in deze verder op ‘Het uitbouwen van een organisatiestructuur voor het doelgroepenbeleid’ (actie uit het mina-plan 2). Het project ‘Beter Bestuurlijk Beleid’ heeft deze actie in 2002-2003 versterkt door de grondslag te leggen voor een structurele verankering van een gecoördineerd doelgroepenbeleid.

Opvolging van de plandoelstellingen

| Via een optimale betrokkenheid van doelgroepen en andere maatschappelijke actoren het draagvlak voor het beleid en de inhoudelijke kwaliteit van de beleidsinstrumenten verhogen

| Een grotere responsabilisering en verinnerlijking van de milieuverantwoordelijkheden door de doelgroepen bereiken

| De milieubelasting van de sectoren waarvoor in de planperiode een actief

doelgroepenbeleid werd verder gezet of opgezet, verminderen en daarmee bijdragen tot de thematisch vastgelegde milieudoelstellingen (doeltreffendheid beleid verhoogt)

Projecten en maatregelen Toelichting en evaluatie tot 2004 Het accent van de uitvoering van dit project van het Milieubeleidsplan ligt in de eerste fase volledig op de doelgroepen industrie, landbouw en consumenten. Door de tussentijdse evaluatie van oktober 2003 werden de modaliteiten van het pilootproject voor de voedingsnijverheid en de staalindustrie, inclusief het vlimo overleg (zie http://www.mina.be/dgbpiloot.html) bijgestuurd. Binnen het pilootproject met de voedingsnijverheid ging de meeste aandacht naar de uitwerking, als test, van een integrale milieuanalyse - die de milieutoestand van de doelgroep beschrijft, van een ‘integrale milieutaakstelling’ - die een overzicht geeft van de milieubeleidsdoelstellingen op het niveau van die doelgroep, en tenslotte het potentieel van een doelgroepprogramma. Dit alles werd op een workshop in maart 2004 met industrievertegenwoordigers en ambtenaren besproken en later in 2004 verder in detail uitgewerkt. Binnen de Vlaamse milieuoverheid werkten werkgroepen voorstellen uit ter concretisatie van het doelgroepenbeleid leefmilieu en natuur voor de industrie en voor de landbouw. Deze worden in de tweede jaarhelft van 2004 intern verder verfijnd om vervolgens te worden voorgelegd aan de vertegenwoordigers van deze doelgroepen. Voor het verruimen van een gestructureerd doelgroepenbeleid naar de consumenten


mjp2005 deel 4corr

19-05-2005

23:59

Pagina 142

Milieujaarprogramma

142 2005

werd na een interne analyse van de betrokkenheid bij het beleid een omgevingsanalyse uitgevoerd aan de hand van de standpunten en memoranda van organisaties die de belangen van de consumenten beleidsmatig willen vertegenwoordigen. Er wordt ook een verkennende gespreksronde gedaan bij enkele van deze organisaties om naar hun verwachtingen/mogelijkheden in dit kader te peilen. Bij deze ontwikkeling is afstemming met o.a. project 26 voorzien.

Opvolging mijlpalen en indicatoren Mijlpalen

Oorspronkelijke verwachting

Status

2004 EINDE

op schema

2004 MIDDEN

gerealiseerd

2004 MIDDEN

vertraagd

2004 EINDE

vertraagd

2004 EINDE

vertraagd

Pilootproject afgerond en geëvalueerd door betrokkenen

2004 EINDE

vertraagd

Verdiepingsfase pilootproject

2004 EINDE

vertraagd

2004 EINDE

op schema

2004 EINDE

vertraagd

Goedkeuring leidinggevenden beleids- en

Huidige verwachting

implementatieplan ‘industrie’ en ‘landbouw’ Nieuwe projectplanning consumenten ontwikkeld en goedgekeurd Prioritaire doelgroepen voor verruimen van

2005 EINDE

gestructureerd doelgroepenbeleid geïdentificeerd IMA versie 2 pilootproject voedingsnijverheid goedgekeurd Voor één operationele doelgroep is communicatiestrategie goedgekeurd

(toetsing model IMA-IMT-DGP) uitgevoerd De betrokkenheid van de doelgroep “verkeer en vervoer” is geanalyseerd Document overzicht inspraakkanalen voor het brede publiek is opgesteld

Aanpak jaar 2005 Project: Doelgroepenbeleid

In 2005 blijft de focus liggen op de doelgroepen industrie, landbouw en consumenten. Voor industrie en landbouw wordt voor de weerhouden voorstellen van concrete acties (rond drie basisprocessen, nl.: overheidsinterne samenwerking en overleg t.a.v. die doelgroep, kennisopbouw, en organisatie van de betrokkenheid van de doelgroep bij het beleid) na bespreking met de doelgroep en omzetting in een implementatieplan, gestart met uitvoering op het terrein. Wat de doelgroep landbouw betreft vergt dit samenwerking met het beleidsdomein landbouw en visserij. Verruimen van gestructureerd doelgroepenbeleid De selectie van prioritaire doelgroepen wordt in 2005 onderbouwd door een multicriteria analyse op een lijst van doelgroepen aan de hand van een lijst van criteria (voorstel tot twol 2005 studie-opdracht ingediend).


mjp2005 deel 4corr

19-05-2005

23:59

Pagina 143

actoren

143 deel 4

Industrie en landbouw • Het pilootproject voedingsnijverheid en staalindustrie wordt, als pilootproject, afgerond met een eindevaluatie. • De verruiming van een gestructureerde aanpak gaat stapsgewijs. Voor de weerhouden voorstellen van concrete acties (rond drie basisprocessen, nl.: overheidsinterne samenwerking en overleg t.a.v. die doelgroep, kennisopbouw, en organisatie van de betrokkenheid van de doelgroep bij het beleid) wordt na bespreking met de doelgroep en omzetting in een implementatieplan, gestart met uitvoering op het terrein. Wat de doelgroep landbouw betreft vergt dit samenwerking met het beleidsdomein landbouw en visserij. Het valt te verwachten dat reorganisatie van overlegstructuren doorgevoerd wordt in samenhang met de reorganisatie van overheidsstructuren. Consumenten Fase 1 (juni 2004-juni 2005) van het plan van aanpak voor de doelgroep consumenten voorziet het verfijnen van de omgevingsanalyse, ontwikkeling van doelgroepbeleid zowel op instellingsintern als instellingsoverschrijdend niveau en een globaal initiatief waarmee de gezamenlijke inhoudelijke prioriteiten kunnen worden bepaald. Verdere verfijning van doelgroepenbeleid De uitwerking van de maatregel ‘efficiënter maatwerk door specifieke doelgroepkennis uit te breiden’ wordt vooral gericht op prioritaire sectoren (zie maatregel ‘Verruimen’), zodat doelgroepkennis binnen de overheid doelgericht wordt opgebouwd. Een ima en imt voor consumenten wordt al voorbereid. Voor de industrie en landbouw zijn nog geen prioritaire sectoren geïdentificeerd. Coördinatie van overleg met representatieve organisaties is reeds een feit voor de pilootsectoren maar voor andere sectoren hangt afstemming tussen de vier beleidsorganisaties van het beleidsdomein leefmilieu en natuur sterk samen met de verdere reorganisatie. Het project ‘Beter bestuurlijk beleid’ heeft op dit vlak in 2003 gezorgd voor een nieuw model van samenwerking tussen een departement en agentschappen, maar dit is nog niet van kracht. In 2005 kunnen ongetwijfeld stappen gezet worden naar een betere coördinatie die de overlegefficiëntie en -transparantie verhoogt voor de overheid en de doelgroepen. De ontwikkeling van een geïntegreerde communicatiestrategie voor een prioritaire doelgroep heeft enige vertraging opgelopen. Dit vormt alleszins een onderdeel van een meer strategische planning van de milieucommunicatie die door de communicatieverantwoordelijken wordt nagestreefd. Onderzoek van het juridisch instrumentarium om resultaten vast te leggen gebeurt op verschillende vlakken: • in het pilootproject, d.m.v. het ‘test doelgroepprogramma’, • extern academisch onderzoek van milieubeleidsovereenkomsten. Hierover wordt in 2005 actieve kennisuitwisseling bevorderd (voorstel: infonamiddag). Organisatorische voorwaarden voor doelgroepenbeleid vervullen De reorganisatie van de Vlaamse overheidsadministratie (naar een departement en agentschappen) betekent ook een stap naar een gezamenlijk doelgroepen- en communicatiebeleid, zoals voorzien in de decreten waarmee de voi in agentschappen worden omgevormd. In het departement staat een centrale entiteit ‘doelgroepen- en communicatiebeleid’, met aanspreekpunten of doelgroepverantwoordelijken in voor de coördinatie van com-


mjp2005 deel 4corr

19-05-2005

23:59

Pagina 144

Milieujaarprogramma

144 2005

municatie en interactie. Verder zal de reorganisatie de drijfveer vormen voor de realisatie van een coherent advies- en overlegstelsel met complementaire rollen voor de strategische adviesraad, de andere adviesorganen en de overlegfora. Daarbij dient er vooral aandacht gegeven te worden aan de doelgroepen die een belang hebben bij de bestaande Hoge Raden en bij de stuurgroep Vlaamse Mestproblematiek. Opvolgen en afstemmen van reeds bestaand doelgroepenoverleg Opvolgen en begeleiden De eerder gemaakte analyses van het bestaande doelgroepenoverleg en -beleid wordt enkel nog verďŹ jnd indien daartoe een concrete aanleiding bestaat. Het project volgt belangrijke thematische overlegprocessen op en helpt, op vraag, bij opzet en organisatie. Dit geldt b.v.. voor processen zoals: de ontwikkeling van integrale milieuvoorwaarden voor bedrijfssectoren, de interacties met sectoren i.v.m. het integraal milieujaarverslag, ... Uitwerken van voorstellen tot afstemming. • Door het centrale overzicht van informatie over interacties is het projectteam goed geplaatst mogelijkheden tot afstemming te detecteren en te signaleren. PotentiĂŤle voorstellen worden in dit verband altijd eerst met interne betrokkenen afgetoetst.

Begroting In het kader van het project wordt een onderzoeksproject opgestart. Het gaat om een beperkt budget, dat beschikbaar wordt gesteld vanuit de middelen voor thema-overschrijdende initiatieven of strategisch onderzoek.


mjp2005 deel 4corr

19-05-2005

23:59

Pagina 145

actoren

145 deel 4

2. Burgers Inleiding Via de parlementaire representatie heeft de burger een stem in het beleid. Toch is dit maar een heel beperkte manier om de burger te betrekken bij het beleid en het te legitimeren. Daarom doet de overheid extra inspanningen, ze vraagt de mening van de burger en stimuleert zijn betrokkenheid en participatie door bijkomende instrumenten in te zetten: inspraakprocedures voor bepaalde plannen en instrumenten, adviesraden op gemeentelijk vlak, enquĂŞtes, referenda, comitĂŠs met omwonenden voor bepaalde gebiedsgerichte instrumenten (ruilverkaveling, landinrichting), informatie (openbaarheid van beleid), medewerking op basis van vrijwilligheid, partnerschap, enzovoort. De voorbije planperiode stond vooral in het teken van de omzetting van het verdrag van Aarhus. Naar de toekomst toe zal dit verdrag verder getoetst worden aan de verschillende inspraakmogelijkheden bij het Vlaamse milieubeleid. Naast deze juridische vorm van participatie zal er ook gezocht worden naar meer interactieve vormen van beleidsvorming. Verschillende experimenten zullen worden opgezet of verdergezet.

Opvolging van de plandoelstellingen

| Het draagvlak voor het milieubeleid en de kwaliteit van het beleid verhogen Projecten en maatregelen Toelichting en evaluatie tot 2004 Na de goedkeuring van het Milieubeleidsplan 2003-2007, werd een communicatiecampagne opgestart. Weliswaar is deze niet zo grootschalig als bij het openbaar onderzoek, maar werd gekozen voor een beperkter aantal maar gerichte producten. Zo werd een bevattelijke synthese van het plan gemaakt, die dezelfde structuur heeft zodat de lezer vlot meer informatie in het volledige plan kan opzoeken. Tevens zijn nog een aantal doelgroepgerichte brochures voorzien. Voor de lokale overheden werden informatiesessies georganiseerd. In het kader van het verdrag van Aarhus werd een inventaris opgesteld van alle procedures waarbij een openbaar onderzoek bestaat en in tweede instantie wordt de coherentie met de bepalingen van het verdrag van Aarhus nagegaan. Wat het luik openbaarheid betreft, werd gewerkt aan het uitvoeringsbesluit inzake milieuinformatie voor het begin 2004 goedgekeurde decreet betreffende de openbaarheid van bestuur.


mjp2005 deel 4corr

19-05-2005

23:59

Pagina 146

Milieujaarprogramma

146 2005

Opvolging mijlpalen en indicatoren Mijlpalen

Oorspronkelijke verwachting

Status

2005 MIDDEN

nieuw

2004 BEGIN

gerealiseerd

2005 MIDDEN

nieuw

2005 BEGIN

nieuw

Afwerken internationale/ nationale case interactief beleid

2004 EINDE

vertraagd

Onderzoeksrapport “Het abc van interactief beleid”

2003 EINDE

gerealiseerd

Interne evaluatie openbaar onderzoek

Huidige verwachting

Milieubeleidsplan 2003-2005 opgemaakt Inventaris van beleidsprocessen met inspraakprocedure is afgewerkt Brochure over Milieubeleidsplan voor doelgroep industrie gepubliceerd Brochure over het Milieubeleidsplan voor doelgroep landbouw gepubliceerd 2005 EINDE

is afgewerkt

Aanpak jaar 2005 Openbaar onderzoek en inspraakprocedures gewestelijk MBP

In 2005 wordt een interne evaluatie van het openbaar onderzoek n.a.v. het Milieubeleidsplan 2003-2007 opgemaakt, zodat de ervaring en de beoordeling ook kunnen worden meegenomen bij de voorbereiding van het volgende milieubeleidsplan. Inspraakprocedures bij andere beleidsinstrumenten

De inventaris van beleidsprocessen waarbij een openbaar onderzoek/inspraak vereist is wordt verder geactualiseerd, en bestaande procedures worden getoetst en eventueel aangepast in functie van het verdrag van Aarhus. In 2005 zal een studie uitgevoerd worden naar de juridische aspecten van de implementatie van de participatiepijler van het Verdrag van Aarhus voor programma’s en plannen. In de eerste helft van 2005 wordt een uitvoerig verslag van de ervaringen met het openbaar onderzoek n.a.v. het Milieubeleidsplan 2003-2007 opgemaakt. Informatieverstrekking rond voortgang beleid

Na de goedkeuring van het Milieubeleidsplan door de Vlaamse Regering werd een meer doelgroepgerichte en in de tijd gespreide informatiecampagne gestart. De website www.milieubeleidsplan.be wordt geactualiseerd en alle beschikbare producten worden op de website beschikbaar. In 2004 werd reeds een bevattelijke synthesetekst opgemaakt die het lijvige plan toegankelijker maakt voor geïnteresseerden met enige voorkennis. In de loop van 2004 en 2005 worden in samenwerking met de cel Doelgroepenbeleid brochures ontwikkeld die gericht zijn op de doelgroepen consumenten, landbouw, industrie. De brochure voor consumenten was eind 2004 klaar, die voor landbouw is gepland begin 2005, die voor industrie volgt daarna. Deze aanpak past in een algemene benadering om de communicatie meer op maat van de verschillende doelgroepen te oriënteren. Enquête bij de bevolking

Dit jaar krijgt deze maatregel geen bijzondere aandacht.


mjp2005 deel 4corr

19-05-2005

23:59

Pagina 147

actoren

147 deel 4

Experimenten met interactieve beleidsvorming opzetten

Na de afwerking van het kader ‘Het abc van interactief beleid’ afgewerkt door het Steunpunt Milieubeleidswetenschappen, is de geplande workshop uitgesteld. Mogelijk wordt deze in 2005 georganiseerd. In 2005 wordt een case rond natuurrichtplannen uitgewerkt.


mjp2005 deel 4corr

19-05-2005

23:59

Pagina 148

Milieujaarprogramma

148 2005

3. Maatschappelijke organisaties Inleiding Maatschappelijke organisaties vervullen een belangrijke scharnierfunctie tussen de overheid en de burger. In dit hoofdstuk komen vooral de milieu- en natuurverenigingen aan bod. Ook de thematische verenigingen die zich bezig houden met ruimere en aanverwante thema’s zoals duurzame ontwikkeling of duurzaam bouwen worden behandeld. Dergelijke verenigingen spelen een actieve rol in het beleid. De overheid ondersteunt hun werking met subsidies.

Opvolging van de plandoelstellingen

| De actieve rol van de milieu- en natuurverenigingen versterken binnen het natuuren milieubeleid

| Maatschappelijke organisaties bij het beleid betrekken Projecten en maatregelen Toelichting en evaluatie tot 2004 In het kader van het project “Samenwerking met milieu- en natuurverenigingen en andere maatschappelijke organisaties” werd gewerkt aan een versterking van de rol, die milieu- en natuurverenigingen in het beleid kunnen spelen. Ter ondersteuning van de samenwerkingsovereenkomsten met de lokale overheden werden eind 2002 ook samenwerkingsovereenkomsten met de lokale overheden afgesloten. Deze samenwerkingsovereenkomsten werden verder opgevolgd en geëvalueerd in voorbereiding van de tweede fase (2005-2007). De overeenkomsten werden op basis van deze evaluatie bijgestuurd. De samenwerkingsovereenkomsten 2005-2007 werden op 28 mei 2004 door de Vlaamse Regering goedgekeurd. Een nieuw besluit (goedgekeurd door de vr op 10 oktober 2003) inzake erkenning en subsidiëring regelt de structurele ondersteuning van deze verenigingen. Naast de structurele ondersteuning van de ngo-sector is projectmatige ondersteuning voorzien via een nieuw projectenfonds. Er zijn vier modules voorzien waarvoor milieuen natuurverenigingen jaarlijks (op 1 januari) projecten kunnen indienen: dulomi, bijzondere mina-projecten, nme en pps. Aandacht ging ook naar het betrekken van socio-economische verenigingen bij het beleid, in de eerste plaats door ondersteuning van de milieuwerking van de vakbonden. Er vonden reeds verschillende vormingsactiviteiten plaats en er werden in totaal veertien pilootprojecten opgestart. Tevens werd er een onderzoek gevoerd waarbij een zestigtal sociaal-culturele en natuur- en milieuorganisaties werden bevraagd omtrent het aanbod, de knelpunten en de behoeften op vlak van nme voor volwassenen. Dit resulteerde in een rapport en een meerjarenplan met concrete acties. Daarvan werd de uitbouw van een webstek met het nme-aanbod voor volwassenen en socioculturele en andere organisaties gerealiseerd.


mjp2005 deel 4corr

19-05-2005

23:59

Pagina 149

actoren

149 deel 4

Bovendien werd ook het jeugdwerk gestimuleerd en ondersteund om milieusparender aan de slag te gaan. De dubbelpublicatie ‘Loslopend wild’ m.b.t. milieusparender kamperen en de opstart van het milieuzorgproject ‘Ecospot’ voor jeugdhuizen kaderen hierbinnen.

Opvolging mijlpalen en indicatoren Mijlpalen

Oorspronkelijke verwachting

Status

2003 EINDE

gerealiseerd

2004 BEGIN

gerealiseerd

Overeenkomst BBL/VODO verlengd door Vlaamse Regering

2004 MIDDEN

gerealiseerd

IInventaris subsidies socioculturele organisaties afgewerkt

2004 EINDE

vertraagd

Netwerk verder uitgebouwd

2005 EINDE

nieuw

(Reguliere subsidiëring van milieu- en natuurverenigingen)

Huidige verwachting

Erkenningsbesluit definitief goedgekeurd (milieuprojectenfonds:) Projectenfonds is operationeel

2005 BEGIN

Aanpak jaar 2005 Project: Samenwerking met maatschappelijke organisaties

Er zal een overzicht opgemaakt worden van de initiatieven die op dit vlak lopende zijn. Op basis van deze inventaris zal ook een strategie ontwikkeld worden. Volgende initiatieven worden alvast hierin opgenomen: door de goedkeuring door de Vlaamse Regering van het nieuwe erkennings- en subsidiebesluit kunnen milieu-, natuur- en andere thematische verenigingen subsidieaanvragen doen. De nieuwe regeling voorziet een vaste personeels- en werkingstoelage en zal professionalisering bevorderen. De samenwerkingsovereenkomsten met vodo en bbl zullen worden opgevolgd en geëvalueerd. Ook de projecten die ingediend werden in het kader van het projectenfonds worden verder opgevolgd. De projectsubsidie aan de vakbeweging die voorzien was voor twee jaar, loopt af eind maart 2005. De opstart van de pilootprojecten vergt evenwel behoorlijk wat tijd, zodat de vakbonden in overleg met de stuurgroep in de komende maanden zullen nagaan in hoeverre een eventuele verlenging aangewezen en mogelijk is. De mogelijkheden worden onderzocht om in de bestaande programma’s van sociaalculturele organisaties nme-aspecten te integreren. Een doorlichting (duurzaamheidsscan) van de milieusituatie en -intenties in jeugdhuizen zal de basis vormen voor een intensieve begeleiding van een aantal pilootjeugdhuizen, uitgaande van de behoeften en dynamiek van de doelgroep. nme-accenten zullen binnen de kadervorming van de diverse jeugdwerkorganisaties ingebracht of uitgebreid worden. Op basis van een inventarisatie en bevraging van de doelgroep, zullen diverse nme-themamodules worden uitgewerkt. Er worden nme-lespakketten en -vormingen voor de lesgevers van de negenentwintig centra voor basiseducatie gerealiseerd op basis van de vastgelegde ontwikkelingsdoelen en trajecten (o.a. wonen, milieubewust consumeren, ...) Goede praktijkvoorbeelden en subsidiemogelijkheden inzake nme en milieuzorg voor volwassenen(organisaties) worden in kaart gebracht en bekend gemaakt.


mjp2005 deel 4corr

19-05-2005

23:59

Pagina 150

Milieujaarprogramma

150 2005

Hervorming adviesraden

De hervorming van het adviesradenlandschap wordt verder voorbereid. Dit proces loopt parallel met de hervorming van de Vlaamse administratie (zie hiervoor het deel ‘Geïntegreerd overheidsbeleid’, onderdeel ‘Organisatie’).

Begroting De middelen voor subsidies aan milieu- en natuurverenigingen blijven behouden. Een deel van de middelen voor het Milieuprojectenfonds werden geheroriënteerd.


mjp2005 deel 5corr

19-05-2005

23:34

Pagina 151

deel 5

geĂŻntegreerd overheidsbeleid


mjp2005 deel 5corr

19-05-2005

23:34

Pagina 152


mjp2005 deel 5corr

19-05-2005

23:34

Pagina 153

geïntegreerd overheidsbeleid

153 deel 5

1. Interne en externe integratie binnen de Vlaamse overheid: organisatie Inleiding Hier wordt de klemtoon gelegd op de organisatorische en structurele aspecten van integratie. In dit opzicht is ook de nakende hervorming van de Vlaamse administratie belangrijk.

Opvolging van de plandoelstellingen

| Verbeteren van de samenwerking tussen de administratieve entiteiten in het beleidsdomein Leefmilieu en Natuur

| Verhogen van de samenwerking met de andere beleidsdomeinen binnen de Vlaamse bevoegdheid

Projecten en maatregelen Toelichting en evaluatie tot 2004 In de eerste helft van 2004 werd een uitvoeringsnetwerk uitgetekend voor het minaplan 3 dat werd goedgekeurd door de Beleidsraad. Dit punt komt verder aan bod in het project ‘Planningscyclus’ in het deel ‘Instrumenten’. Er werd gewerkt aan de interdepartementale integratie via de overlegfora over gezondheid, economie, ruimtelijke ordening en interne milieuzorg. Hierop wordt verder ingegaan in het hoofdstuk ‘Externe integratie: voorbeelden’ en voor wat interne milieuzorg betreft, bij het deel ‘Instrumenten’. Veel energie ging naar het uittekenen en detailleren van een nieuwe structuur van de milieuadministratie, en van de wijze van samenwerking en de taakafbakening binnen deze nieuwe structuur. Op 17 december 2003 werd het dossier met alle documenten van het departement Leefmilieu en Natuur voor de globale consolidatie van bbb bezorgd aan de minister. Wat duurzame ontwikkeling betreft werd er begin 2003 een informeel ambtelijk overleg opgericht van waaruit een gecoördineerde inbreng van Vlaamse standpunten in bovengewestelijke processen wordt verzorgd. Er werd ook inbreng geleverd bij het uittekenen van het federale beleid inzake duurzame ontwikkeling. De Werkgroep Duurzame Ontwikkeling (wgdo) werd in het voorjaar van 2004 door de Vlaamse Regering goedgekeurd en kreeg daarmee een formeel karakter. Ook het hoofdstuk ‘Samenwerking met de andere gewesten en de federale overheid’ besteedt aandacht aan deze werkgroep.


mjp2005 deel 5corr

19-05-2005

23:34

Pagina 154

Milieujaarprogramma

154 2005

Opvolging mijlpalen en indicatoren Mijlpalen

Oorspronkelijke verwachting

Status

Vernieuwde uitvoeringsstructuur MINA-plan 3 (operationeel)

2004 BEGIN

gerealiseerd

Vlaamse strategie voor duurzame ontwikkeling

2004 EINDE

vertraagd

Afronding voorbereiding BBB

2003 EINDE

gerealiseerd

Huidige verwachting

2005 MIDDEN

Aanpak jaar 2005 Project: Geïntegreerd overheidsbeleid

Het bestaande overleg tussen de afzonderlijke departementen wordt verder gestructureerd en geïntensiveerd. Er zal nagegaan worden welke instrumenten er voorhanden zijn om de integratie en afstemming met andere beleidsdomeinen te bevorderen en hoe de coördinatie van de Vlaamse inbreng in materies waarvoor integratie met andere beleidsdomeinen verwacht wordt, gerealiseerd kan worden. In een tweede, hoofdzakelijk verkennende fase zal de samenwerking uitgebreid worden naar andere beleidsdomeinen. Met betrekking tot het project Beter Bestuurlijk Beleid wordt vastgesteld dat er nog heel wat onduidelijkheden zijn. Op een aantal punten moeten eerst cruciale beslissingen genomen worden die bepalend zullen zijn voor de verdere invulling. Volgende aspecten dienen daarbij in rekening gebracht te worden: (1) de afbakening van taken en bevoegdheden en (2) beleidsdomeinoverschrijdende materies. Eind 2005 zou de nieuwe organisatiestructuur een feit moeten zijn. Werking GMO en uitvoeringsstructuur uitdiepen

De vernieuwde uitvoeringsstructuur zal volledig geactiveerd worden. Opvolging en rapportering over doelstellingen en projectuitvoering zal op een eenvormige wijze kunnen via de aangepaste gmo-databank. Werken aan duurzame ontwikkeling

De bovengenoemde integratie is een wezenlijk onderdeel om tot duurzame ontwikkeling te komen. Een verdere verkenning voor de opmaak van een Vlaamse strategie voor duurzame ontwikkeling zal worden doorgevoerd. Dit opmaakproces zal gecoördineerd worden door het kabinet van de minister-president en mee vorm worden gegeven door de opgerichte werkgroep Duurzame Ontwikkeling. Dit overlegorgaan zal ook nadien een positieve bijdrage kunnen leveren bij de uitvoering van deze strategie.


mjp2005 deel 5corr

19-05-2005

23:34

Pagina 155

geïntegreerd overheidsbeleid

155 deel 5

2. Externe integratie binnen de Vlaamse overheid: voorbeelden Inleiding Omdat de ervaringen met externe integratie op Vlaams niveau tot nu toe eerder beperkt gebleven zijn, werden vijf beleidsdomeinen uitgekozen waarvoor integratie met het milieubeleid belangrijk is. De gezondheid van de mens is in belangrijke mate afhankelijk van de milieukwaliteit van zijn leefomgeving. Ruimtelijke aspecten zijn onlosmakelijk verbonden met de milieuthema’s. Ook de beleidsdomeinen Economie en Energie, Landbouw en Mobiliteit hebben belangrijke raakvlakken met het milieubeleid.

Projecten en maatregelen Toelichting en evaluatie tot 2004 Gezondheid

De opvolging van het milieu- en gezondheidsbeleid gebeurt op Vlaams niveau door de administratie Gezondheidszorg en de administratie Milieu- Natuur-, Land- en Waterbeheer (aminal). Vanuit de administratie Gezondheidszorg werd werk gemaakt van het integreren van de zorg voor milieugerelateerde gezondheid in de gezondheidswetgeving. Het decreet betreffende het Preventieve Gezondheidsbeleid werd op 3 februari 2004 gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad en is sinds 13 februari in werking. In uitvoering ervan keurde de Vlaamse Regering op 11 juni 2004 het Binnenmilieubesluit en het Legionellabesluit goed. In overleg met alle betrokken diensten werd een draaiboek opgesteld dat als gemeenschappelijke basis kan dienen voor het opmaken en evalueren van milieukwaliteitsnormen voor lucht, water en bodem. Aandacht gaat hierbij naar transparantie en de bescherming van kwetsbare groepen zoals ouderen en kinderen. De doorwerking van emissieplafonds inzake milieukwaliteitsnormen op de bronnencontrole voor de compartimenten lucht en bodem wordt momenteel in kaart gebracht. Verschillende initiatieven rond binnenhuisproblematiek werden gebundeld in een voorstel voor een meer performant Vlaams beleid inzake binnenhuismilieu. Een informatiebrochure waarin een aantal basisprincipes voor gezond bouwen en verbouwen worden aangereikt, werd opgemaakt in samenwerking met de administraties Gezondheidszorg en Economie (anre) en ter beschikking gesteld aan de doelgroep bouwers en verbouwers, o.a. via batibouw en de bevoegde gemeentelijke ambtenaren. Met het oog op de evaluatie van de blootstelling aan pak’s in Vlaanderen werd begin 2004 een inventarisatiestudie opgestart. De administratie Gezondheidszorg zorgde voor de medisch milieukundige uitbouw van de logo’s (loco-regionale overlegplatforms). Dertien medisch-milieukundigen werden opgeleid en staan onder meer in voor eerste klachtenopvang. Ze worden ook mee ingeschakeld in risicocommunicatie, en ze staan in voor het signaleren van loco-regionale medisch milieukundige problemen aan de Vlaamse overheid en voor platformontwikkeling op het vlak van gezondheid en milieu. Zij ondersteunen burgers en intermediairen zoals huisartsen.


mjp2005 deel 5corr

19-05-2005

23:34

Pagina 156

Milieujaarprogramma

156 2005

Met het optimaliseren van het milieuklachtenregistratie opvolgingssysteem (mkros), dat in testfase ter beschikking staat van de gemeentelijke milieuambtenaren, kwam ook op dit vlak een samenwerking inzake milieu- en gezondheidsadministraties tot stand. Voor de wetenschappelijke beleidsondersteuning werd in 2001 het Steunpunt Milieu en Gezondheid opgericht. Een biomonitoringsprogramma met als doel inzicht te verwerven in de impact van leefmilieuverstoringen op de gezondheid door gegevensverzameling, -opvolging en -verwerking over blootstelling van de bevolking aan milieupolluenten is op kruissnelheid. Parallel loopt ook een vervolgstudie rond astma en allergie bij pasgeborenen. Het onderzoek naar een optimale set van biomerkers loopt volop. De creatie van de milieugezondheidskruispuntdatabank werd voorbereid door harmonisering van bestaande gezondheidsdatabanken en milieudatabanken. Een inventarisatierapport van milieu-gezondheidsindicatoren op nationaal en internationaal vlak is klaar voor toepassing. Enkele van de indicatoren worden getoetst in de pilootstudie ‘Gezondheid en groene ruimten’. In het kader van de vraagbaak werden nog meer literatuurstudies uitgevoerd. In het kader van risico- en perceptieonderzoek werd een gevalstudie uitgewerkt. Meer informatie over deze onderwerpen en over het Steunpunt is te vinden op de website: http://www.milieu-en-gezondheid.be. Verder werd ook actief gewerkt aan een nationaal milieu- en gezondheidsbeleid. Het samenwerkingsakkoord Milieu en Gezondheid tussen de federale overheid, de gewesten en de gemeenschappen ging van kracht bij wet van 1 september 2004, gepubliceerd op 30 september 2004. Via dit samenwerkingsakkoord wordt onder meer uitvoering gegeven aan het in april 2003 goedgekeurde nationaal actieplan Milieu en Gezondheid (nehap). Eind 2003 werden in dit kader vier projecten goedgekeurd door de Gemengde Interministeriële Conferentie Leefmilieu verruimd tot de Gezondheid (giclg). Zij behandelen het bepalen van indicatoren voor milieu en gezondheid, een vergelijkende studie inzake productnormen voor binnenhuismilieu, deelname aan het stedelijk Europees epheis-project en ook de creatie van een gemeenschappelijke website. Ruimtelijke ordening

Vanuit de milieuadministratie werd inbreng verzorgd rond onder meer de afbakening van de Vlaamse zeehavens (Antwerpen, Gent, Zeebrugge en Oostende), de stedelijke gebieden en het economisch netwerk Albertkanaal. Voor het Albertkanaal werd een eindrapport bezorgd aan de Vlaamse regering waar de invulling van het economisch netwerk versterkt wordt. Naast een aantal nieuwe locaties voor bedrijventerreinen en herstructureringen voor bestaande terreinen werden ook maatregelen voorzien voor een duurzame bescherming van open ruimtestructuren die door het kanaal doorsneden worden. Ook inzake havens werd vooruitgang geboekt om complexe problemen inzake verweving van economische en ecologische functies op te lossen. De toepassing van de nieuwe plan-mer regeling en de opmaak van een ruimtelijk veiligheidsrapport maken een nauwkeurige inschatting van de milieu- en veiligheidsgevolgen mogelijk. Natuurdoelstellingen werden opgemaakt om de aanwezige natuurwaarden, beschermd via de Europese Speciale Beschermingszones en het decreet Natuurbehoud, duurzaam te behouden. De specifieke geïntegreerde gebiedsgerichte benadering die wordt gehanteerd in de opmaak van de strategische plannen voor de havens, schept een beleidskader om dergelijke complexe vraagstukken in interactie met een grote groep betrokkenen aan te pakken.


mjp2005 deel 5corr

19-05-2005

23:34

Pagina 157

geïntegreerd overheidsbeleid

157 deel 5

In 2004 werden tevens de eerste afbakeningen van stedelijke gebieden (Aalst) goedgekeurd door de Vlaamse Regering. Naast een eigenlijke afbakeningslijn bevat de beslissing ook een strategisch actieprogramma. Bij de voorbereiding van de evaluatie en herziening van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (rsv) werd ruimte voor water als specifiek aandachtspunt naar voor geschoven. Als aanloop naar concrete invulling bij het tweede rsv werd gestart met de visie-ontwikkeling. Vanuit de milieu-administratie werd een visienota voorbereid over het rsv en werden de eerste gesprekken gevoerd over de mogelijke inhoud van het rsv ii. Grote inspanningen werden ondernomen om de kaart met de recent overstroomde gebieden (rog) te corrigeren en te actualiseren. Op basis van dit materiaal en van modelleringen, gebeurde een eerste afbakening van risicozones voor overstromingen. Een eerste uitvoeringsbesluit van het decreet Integraal Waterbeleid werd voorbereid en principieel goedgekeurd door de Vlaamse Regering. Dit uitvoeringsbesluit zorgt voor een verdere operationalisering van het instrument watertoets. Tevens werd een omzendbrief over het toepassingsgebied en de toepassing van de watertoets voorbereid. Een studie die richtlijnen voor de toepassing van de watertoets moet voorbereiden werd opgestart. Deze studie zal begeleid worden door een nieuw opgerichte werkgroep in het kader van de Coördinatiecommissie Integraal Waterbeleid (ciw). Ter voorbereiding van de tussentijdse evaluatie van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen werd een interne werkgroep opgericht. Deze heeft op korte termijn een evaluatie gemaakt van de voornaamste knelpunten. Ook werden een aantal nieuwe aandachtspunten naar voren gebracht. Duidelijk is alvast dat de huidige tekst van het rsv op een aantal punten voor verbetering vatbaar is. Globaal gezien blijft de milieuadministratie het rsv hanteren als kader voor het ruimtelijk milieubeleid. Weliswaar dient vastgesteld dat bepaalde processen (bv. afbakening ven) meer tijd in beslag nemen, maar dit mag niet leiden tot het in vraag stellen van de vastgestelde doelstellingen. De milieuadministratie participeert in talloze processen die uitvoering geven aan het rsv, zoals de afbakening van de stedelijke gebieden, de Vlaamse zeehavens,... Op deze manier kunnen de doelstellingen van het milieubeleid zo vroeg mogelijk in het proces ingepast worden in de visievorming rond bepaalde gebieden. Ook de toepassing van de plan-mer en het ruimtelijk veiligheidsrapport bieden houvast om een deskundige afweging te maken tussen milieu- en ruimtelijke doelstellingen. Voor het Economisch Netwerk Albertkanaal werd door de Vlaamse administratie een geïntegreerde visie rond de toekomstige ontwikkeling opgemaakt. Het eindrapport bevatte naast de afbakening van een aantal nieuwe bedrijvenzones ook maatregelen voor ontsnippering, het veilig stellen van een aantal belangrijke natuurgebieden,... Tenslotte wordt verder werk gemaakt van de mogelijkheden om het instrumentarium van beide beleidsdomeinen beter op mekaar af te stemmen. De werkgroep rond kennisbeheer ruimtelijke uitvoeringsplannen was ook in 2004 actief rond dit thema. Landbouw

De begin 2003 opgerichte beleidsdomeinoverschrijdende Werkgroep Doelgroepenbeleid Landbouw (wdl) werkte in 2004 aan een uitvoeringsplan doelgroepenbeleid landbouw, met aandacht voor een verdere overheidsinterne afstemming van het Vlaamse (milieugerelateerde) beleid naar de doelgroep landbouw. Dit gebeurde op basis van een aantal gedragen actievoorstellen omtrent een optimale betrokkenheid van de doelgroep landbouw in de ganse beleidscyclus. Verschillende administratieoverschrijdende overlegstructuren voor beleidsafstemming rond bepaalde thema’s of instrumenten functioneren reeds, maar er bleek een nood te bestaan aan een verdere


mjp2005 deel 5corr

19-05-2005

23:34

Pagina 158

Milieujaarprogramma

158 2005

afstemming, structurering, en actieve samenwerking bijvoorbeeld als voorbereiding voor overleg met de doelgroep zelf. De actievoorstellen speelden specifiek in op een optimalisatie van (gezamenlijke) kennisopbouw over, communicatie naar, betrokkenheid van en overleg met de doelgroep landbouw. Eind 2004 werden de aanbevelingen in een overheidsintern overleg bekrachtigd door de leidinggevenden. Beide beleidsdomeinen werkten verder samen in het kader van Actie 18 (Landbouwklimaatplan) van het Vlaams Klimaatplan 2002-2005. Ook rond waterbesparing op landbouwbedrijven of vermindering van gewasbeschermingsmiddelen werd interbestuurlijk gewerkt. Naar aanleiding van de opmaak van het Federaal Reductieprogramma voor gewasbeschermingsmiddelen en biociden, werd een gezamenlijk standpunt bepaald tussen de beleidsdomeinen Landbouw en Leefmilieu. Een tussentijdse evaluatie van het pdpo (mid-term evaluatie), met aandacht voor de economische, sociale en milieukundige effecten van het Vlaams plattelandsbeleid, werd eind 2003 afgerond. De globale beoordeling van de evaluatoren is tweeledig. Enerzijds scoren de maatregelen op zich vrij goed ten opzichte van hun eigen doelstellingen, anderzijds scoort het programma vrij zwak inzake een coherent beleid en een duidelijke visie voor de ontwikkeling van de Vlaamse landbouw en het Vlaamse platteland, door het ontbreken van het dynamisch ontwikkelingsaspect. Met betrekking tot de impact van het programma op het milieu wordt het volgende geconstateerd: (1) De effecten op het milieu van de acties gericht op milieubescherming en op productie/ ontwikkeling zijn matig positief. De onderzoekers stelden hierbij vast dat het pdpo in eerste instantie een landbouwprogramma blijft, en geen milieuprogramma is (dit was ook niet de bedoeling). Naast de directe effecten zijn de indirecte effecten wellicht ook belangrijk bij het pakket milieumaatregelen, die er toe bijgedragen hebben dat milieuzaken bespreekbaarder worden in de landbouwsector. Deze mentaliteitswijziging is belangrijk in de Vlaamse context, (2) De impact van het pdpo op de patronen van landgebruik en de mate waarin dit in een voor milieu gunstige richting is geëvolueerd, is zeer beperkt positief. Er zijn directe positieve bijdragen door milieumaatregelen en de maatregelen voor plattelandsontwikkeling/ landschapsbeheer. Er werden echter ook patronen van landgebruik in stand gehouden in een voor milieu minder gunstige zin, (3) Het effect van het pdpo op het niet duurzaam gebruik of verontreiniging van natuurlijke hulpbronnen is beperkt postief te noemen en (4) Het effect van het pdpo op het instandhouden van de plattelandslandschappen is matig positief. Hierbij mag verwacht worden dat het pdpo een gunstigere invloed heeft op het milieu dan hier wordt gesteld, daar de evaluatie slechts de eerste drie jaar omvat (2000-2003) en heel wat maatregelen maar nadien volledig tot uitvoering komen. De ex-post evaluatie moet hier meer duidelijkheid over verschaffen, maar deze is pas klaar na de uitvoering van het pdpo 2000-2006. De belangrijkste uitdaging bestaat er volgens het evaluatieteam sowieso in om van deze tweeledigheid van het programma over te schakelen naar een echt geïntegreerd plattelandsbeleid over de verschillende beleidsdomeinen en programma’s heen. Het in 2004 opgerichte Interbestuurlijk Overleg Platteland is het potentiële instrument om de afstemming tussen bestuursniveaus en beleidsdomeinen te realiseren. Het bijsturen van het Europese landbouwbeleid door de Raad leidt tot de verplichte invoering van cross-compliance tussen bedrijfstoeslag en de naleving van vijf milieuen natuurrichtlijnen (steeds om te zetten in Vlaamse wetgeving). In 2004 werd na intensief overleg tussen en binnen de beleidsdomeinen Leefmilieu en Landbouw een controlesysteem met meetbare indicatoren voor deze cross-compliance (aspect milieu) uitgewerkt. Eveneens werden hier voorwaarden besproken die betrekking hebben op het bewaren van de bodem in een goede landbouw- en milieuconditie en de indicatoren daarvoor (in te vullen door de lidstaten zelf).


mjp2005 deel 5corr

19-05-2005

23:34

Pagina 159

geïntegreerd overheidsbeleid

159 deel 5

Mobiliteit

Het ontwerp Mobiliteitsplan Vlaanderen werd afgestemd op de milieudoelstellingen en maatregelen uit diverse thema’s van het Milieubeleidsplan. Milieu- en sociale effecten van het ontwerp Mobiliteitsplan Vlaanderen werden onderzocht via een plan-mer. Het ontwerp Mobiliteitsplan mondde uit in het Mobiliteitsplan Vlaanderen – beleidsvoornemens, dat op 17 oktober 2003 door de Vlaamse Regering principieel werd goedgekeurd. serv en MiNa-Raad brachten hierover een advies uit. Ontsnipperingsprojecten, ecologisch bermbeheer en een reductie van het biocidengebruik maken meer en meer deel uit van wegen- en waterwerken en -onderhoud. Dit uit zich onder meer in de opmaak van bermbeheersplannen en de aanleg van natuurvriendelijke oevers, vispaaiplaatsen en vistrappen. Emissie- en mobiliteitsmodellering voor het wegverkeer werden op mekaar afgestemd. Een verkennende studie voor een uitbreiding naar spoor en binnenvaart werd uitgevoerd. Er werd een cluster mobiliteit opgenomen in de Samenwerkingsovereenkomst met gemeenten waardoor milieubeleids- en mobiliteitsbeleidplanning, en de bijhorende maatregelen op elkaar worden afgestemd op lokaal niveau. Een plan-mer werd opgestart voor de mobiliteitsproblematiek in Antwerpen. Wat betreft de externe integratie met het beleidsdomein economie was er voornamelijk op het vlak van het energiebeleid sprake van een sterk contact tussen anre (de afdeling Natuurlijke Rijkdommen en Energie van de administratie Economie) en de sectie Lucht (afdeling aminabel van aminal). Zo zijn er de Taskforce Klimaatbeleid en nog een aantal andere stuurgroepen m.b.t. energiegerelateerde dossiers (bv. ter ontwikkeling van energie- en broeikasgasscenario’s of van een kosteneffectiviteitsmodel voor toepassing op het Vlaams Klimaatbeleidsplan) waarin (o.a.) vertegenwoordigers van beide afdelingen intensief met elkaar contact hadden.

Opvolging mijlpalen en indicatoren Mijlpalen

Oorspronkelijke verwachting

Status

2004 MIDDEN

gerealiseerd

2004 MIDDEN

gerealiseerd

2004 EINDE

vertraagd

2005 EINDE

2004 MIDDEN

vertraagd

2005 BEGIN

Convenant mobiliteit en milieu met bedrijven opgesteld

2004 EINDE

op schema

Nieuwe emissieplafonds 2015-2020 voor PM10, NOx, VOS, SO2 en NH3

2006 BEGIN

op schema

Afgewerkte evaluatie Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen

2004 BEGIN

vertraagd

Voorontwerp grondbeleidsplan afgewerkt

2005 EINDE

op schema

Afgewerkte inventarisatie blootstellingniveaus van niet-

Huidige verwachting

ioniserende elektromagnetische straling voor de bevolking in Vlaanderen Voorstel voor EU-biomonitoringprogramma 2004-2010 in het Europees actieplan M&G klaar Inrichting overstromingsgebieden en vispassage Zwalm wordt gefinaliseerd Voorbereiden van nadere regels en richtlijnen met betrekking tot de watertoets

2005 EINDE


mjp2005 deel 5corr

19-05-2005

23:34

Pagina 160

Milieujaarprogramma

160 2005

Mijlpalen (vervolg)

Oorspronkelijke verwachting

Status

2005 BEGIN

op schema

E-loket agromilieumaatregelen operationeel

2005 EINDE

op schema

Afwerking kosteneffectiviteitsmodel voor Vlaams

2004 EINDE

op schema

2004 EINDE

op schema

Cross compliance-maatregel (milieu) uitgewerkt

Huidige verwachting

en operationeel

Klimaatbeleidsplan Afwerking studie energie- en broeikasgasscenario’s

Indicatoren Aantal biologische landbouwbedrijven Aantal acties jaarlijks opgestart in uitvoering van NEHAP Beheersovereenkomsten milieumaatregelen plattelandsbeleid

Realisatie

Doelstelling

233 (2003)

4 .000 (2010)

4 (2004)

1 (2005)

4 .772 (2003)

5.800 (2005)

Aanpak jaar 2005 Project: Milieu en gezondheid

Om de koppeling tussen milieukwaliteitsnormen en de bronnencontrole voor lucht en bodem in praktijk te brengen zullen concrete afspraken tussen de actoren worden gemaakt. Een evaluatie van de geldende milieunormen naar hun doelstelling van bescherming van de bevolking, inbegrepen gevoelige subpopulaties, zal een aanzet geven voor een eventuele herformulering van normen op basis van het uitgewerkte draaiboek voor bepaling van milieukwaliteitsnormen. Het Vlaamse beleid rond binnenhuismilieu wordt in 2005 verder uitgewerkt en geconcretiseerd. Na de inventarisatie van niet-ioniserende elektromagnetische straling in Vlaanderen (afgewerkt juli 2004) volgt begin 2005 een gebiedsgerichte meetcampagne. De afstemming van milieumeetnetten en -strategieën loopt zoals gepland. Een strategie voor het verzamelen van incidentiegegevens i.v.m. mogelijke hormoonverstoring bij de mens wordt uitgewerkt, evenals een voorstel voor het gebruik van relevante en bruikbare biologische methodes om extracten van atmosferische pollutie te meten op biologische activiteit. De inventarisatiestudie van de blootstelling aan pak’s en de uitvoering van een onderzoek inzake blootstelling aan pm2,5 in Vlaanderen loopt verder. Een communicatiestrategie op vlak van milieu en gezondheid wordt uitgewerkt in samenwerking met alle betrokken partijen, in de eerste plaats het zich ontwikkelende medisch milieukundig netwerk in Vlaanderen, met de logo’s als eerste trap. De resultaten van de uitgevoerde onderzoeken zullen op deze manier gevaloriseerd worden. In samenwerking met alle actoren wordt gezorgd voor de realisatie van aanbevelingen uit de diverse opgestelde onderzoeksrapporten, o.a. met betrekking tot binnenhuismilieu en milieukwaliteitsnormen.. De activiteiten van het Steunpunt Milieu en Gezondheid zullen verder nauw opgevolgd worden. De beheersovereenkomst tussen de overheid en het Steunpunt loopt tot 2006. Het Steunpunt voert het geplande programma verder uit. De samenwerkingsovereenkomst met de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten trad in werking en vier concrete projecten ter uitvoering van de aanbevelingen van het nehap worden uitgevoerd.


mjp2005 deel 5corr

19-05-2005

23:34

Pagina 161

geïntegreerd overheidsbeleid

161 deel 5

Ook Europese en internationale ontwikkelingen inzake milieu en gezondheid worden op de voet gevolgd. Het pan-Europees plan op het gebied van transport, gezondheid en milieu wordt mee opgevolgd. Project: Integratie waterbeleid

Voor de realisatie van het project “Integratie waterbeleid” is een intense samenwerking tussen de waterbeheerder enerzijds en de ruimtelijke planner, de planologische ambtenaar en de vergunningverlener anderzijds essentieel. De projectorganisatie vindt plaats binnen de Coördinatiecommissie Integraal Waterbeleid. Doel is zowel via de instrumenten van het integraal waterbeleid (beheerplannen, watertoets, ...) als via de instrumenten van het ruimtelijk beleid (ruimtelijk structuurplan, ruimtelijk uitvoeringsplan, ....) de integratie na te streven. Tegen begin 2005 worden nadere regels met betrekking tot het instrument watertoets binnen de ciw uitgewerkt. Project: Milieu en mobiliteit

Naast de bestaande kwantitatieve doelstellingen voor de verkeersemissies van stikstofoxiden, vluchtige organische stoffen, zwaveldioxide en koolstofdioxide in het Mobiliteitsplan zal ook voor fijn stof een kwantitatieve doelstelling worden uitgewerkt. In 2005 zullen beide beleidsdomeinen gezamenlijk de indicatoren en mogelijke modellen om de milieueffecten van het mobiliteitsbeleid in kaart te brengen verder uitwerken. Ook inzake milieuvriendelijk en veilig rijgedrag staat het gezamenlijk uitwerken van maatregelen centraal. Een reductieprogramma en nationale emissieplafonds voor 2015 en 2020 voor emissies van stikstofoxide, zwaveldioxide, vluchtige organische stoffen en fijn stof zullen worden voorbereid (zie ook thema ‘Verontreiniging door fotochemische stoffen’). Het behalen van internationale luchtkwaliteitsnormen voor fijn stof en stikstofoxiden en het belang van verkeer hierbij is een ander aandachtspunt. Er zal gewerkt worden aan een verdere ontwikkeling van emissiemodules (zie ‘Verontreiniging door fotochemische stoffen’) en de afstemming met mobiliteitsmodellering. Hiertoe wordt de werkgroep transportemissies verder gezet. In 2005 wordt de optimalisatie van het model mimosa afgewerkt en start de uitwerking van een model voor spoor- en binnenvaart. Daarnaast wordt verder gewerkt aan de implementatie van het nieuwe mer-decreet voor mobiliteitgerelateerde dossiers. Criteria voor de mer-plicht hebben o.m. betrekking op de verkeersgenererende werking, de cumulatieve effecten t.o.v. bestaande of nieuw geplande projecten of acties, de verwachte hinder van die mobiliteit inzake emissies, geluid, veiligheid en ook de kwetsbaarheid van de gebieden of locaties waarop de mobiliteitseffecten invloed kunnen hebben. Verder worden er concrete voorstellen geformuleerd voor het bijsturen van mobiliteitsmaatregelen of het implementeren van nieuwe maatregelen voor het behalen van de luchtkwaliteitsnormen voor pm10 en NO2. Voor het meer concreet uitgewerkt ntmb-programma wordt verwezen naar het thema ‘Versnippering’. Verbindingsambtenaren bij de betrokken administraties zullen zorgen voor een directe link met de mobiliteitssector. Specifieke aandacht zal gaan naar het reductieprogramma voor biocidengebruik. Ruimtelijke ordening

De samenwerking met de diensten van de afdeling Ruimtelijke Planning van arohm wordt verder versterkt. Naast de verdere uitvoering van het huidige rsv i, dient ook reeds aandacht geschonken aan de voorbereiding van een nieuw Ruimtelijk Structuur-


mjp2005 deel 5corr

19-05-2005

23:34

Pagina 162

Milieujaarprogramma

162 2005

plan Vlaanderen (goedkeuring voorzien medio 2007). Daarom zal vanuit het beleidsdomein Leefmilieu verder gewerkt worden aan het onderbouwen en positioneren van de eigen beleidsdoelstellingen. Ter uitvoering van het decreet Ruimtelijke Ordening dient ook een grondbeleidsplan opgemaakt. Dit plan heeft tot doel het noodzakelijke grondbeleid vanuit ruimtelijke ordening te realiseren en te coördineren en beoogt de doeltreffendheid, de efficiëntie en de interne samenhang van het grondbeleid van de diverse overheden te bevorderen. Het proces ter opmaak van een voorontwerp wordt getrokken door arp en zal ondersteund worden via een externe studieopdracht. Een stuurgroep, met ook vertegenwoordigers van aminal, bewaakt de voortgang. Ook voor het milieu- en natuurbeleid is een efficiënt grondbeleid immers essentieel om de eigen doelstellingen te realiseren. De afdeling Ruimtelijke Planning onderzoekt via een externe studieopdracht ook de impact van alle sectorale wetgeving op de ruimtelijke planning en vergunningverlening. In een eerste fase via een inventarisatie, in een tweede fase ook met een aantal voorstellen van vereenvoudiging van wetgeving, inclusief een maatschappelijke kosten-baten analyse. Omdat het Europese niveau steeds belangrijker wordt, zal in 2005 ook toenemende aandacht geschonken worden aan grensoverschrijdende ruimtelijke initiatieven. De vlaned (Vlaams-Nederlandse Grenscommissie) is het ideale forum voor de uitwisseling van plannen, programma’s en projecten die een grensoverschrijdende impact hebben. In diverse gebiedsgerichte processen (Vlaamse zeehavens,...) wordt gewerkt naar het bereiken van een consensus in 2005 over een pakket van maatregelen om de lange termijnvisie van deze gebieden stapsgewijs te realiseren. Het maatregelenpakket zal ook een aantal milieu- en natuurgerichte acties bevatten die stapsgewijs de komende jaren geïmplementeerd worden. Landbouw

Het uitbouwen en organiseren van gestructureerd overleg Voorstellen voor betere afstemming en betere structuren van overleg en coördinatie zijn vanuit de Werkgroep Doelgroepenbeleid Landbouw intern met vertegenwoordigers van de beleidsdomeinen Leefmilieu en Landbouw besproken. In de loop van 2005 worden deze structuren toegepast en geëvalueerd. Binnen deze structuren zal er zowel over hoofdlijnen als over details van beleid overlegd worden. Overlegstructuren met de doelgroep worden geënt op deze overheidsinterne structuren. Verdere uitvoering en bijsturing van het pdpo 2000-2006, voorbereiding van het het pdpo 2007-2013 Binnen de bestaande overlegstructuren (Managementcomité en Comité van Toezicht) zal voorts aandacht besteed worden aan afstemming tussen landbouwmaatregelen met impact op milieu en milieumaatregelen met impact op de landbouw. Een e-loket agro-milieumaatregelen als portaal waar iedereen die informatie over agro-milieumaatregelen zoekt terecht kan, waar informatie op maat aangeboden wordt en waar online aanvragen voor steun kunnen worden ingediend, zal tegen eind 2005 voltooid zijn. Dit e-loket zal eveneens een aantal taken uitvoeren voor de kruiscontroles. De mid-term evaluatiestudie van het pdpo levert nuttige input voor de lopende grote wijzigingen van het programma en voor de opmaak van het pdpo 2007-2013. De voorbereiding van het volgend programma dient, gezien de nood aan integratie, minstens in overleg tussen de beleidsdomeinen Landbouw en Leefmilieu te gebeuren. Nieuw aan het volgend pdpo is dat het allesomvattend is en ook leader en de structuurfondsen integreert.


mjp2005 deel 5corr

19-05-2005

23:34

Pagina 163

geïntegreerd overheidsbeleid

163 deel 5

De gefaseerde invoering van het systeem van cross compliance (voldoen aan de voorschriften van achttien richtlijnen) voorziet dat vanaf 1 januari 2005 naleving van de richtlijnen die betrekking hebben op milieu en de identificatie van dieren zal gekoppeld worden aan de hoogte van de bedrijfstoeslag. In 2006 wordt deze lijst aangevuld met richtlijnen over volksgezondheid, diergezondheid en de gezondheid van planten. In 2007 volgen de richtlijnen rond dierenwelzijn. De concrete toepassing van de cross compliance maatregel met o.a. controle van parameters, beroepsprocedures e.d. is voorzien vanaf 1 januari 2005. De controleautoriteiten binnen het beleidsdomein Leefmilieu willen instaan voor de controle van deze maatregel. De (organisatie van) de uitbetaling is een verantwoordelijkheid van de landbouwadministraties. Gelet op de toelating voor het telen van ggo-maïs in de eu zullen in de loop van 2005 coëxistentiemaatregelen worden uitgewerkt. Bij wijzigingen aan het mestbeleid zal de bestaande instrumentenmix voor beide beleidsdomeinen in dit kader op mekaar worden afgestemd. Economie en energie

De bilaterale overleggroep Leefmilieu/Economie zal samenkomen in functie van de vraag. Wat betreft energiegebonden dossiers zal voor begin 2005 zowel de studie over de energie- en broeikasgasscenario’s, als de studie over de opmaak van een kosteneffectiviteitsmodel voor prioritering van de maatregelen uit het Vlaams Klimaatbeleidsplan, afgerond worden. Tot slot zal de Taskforce Klimaatbeleid (zie thema ‘Verandering van het klimaat door het broeikaseffect’) in 2005 voornamelijk werken aan de effectieve implementatie van de eu-richtlijn Verhandelbare emissierechten, die begin 2005 van kracht wordt.

Begroting Een deel van de voorziene middelen wordt ingezet in het kader van de uitvoering van het samenwerkingsakkoord milieu & gezondheid. Wat de samenwerking met het beleidsdomein Landbouw betreft, geldt dat - gelet op de gemengde bevoegdheden landbouw/leefmilieu - de middelen verspreid zijn over zowel de landbouw- als de leefmilieubegroting. Vanuit het beleidsdomein Leefmilieu was er een vraag naar versterking van de controleautoriteiten binnen het beleidsdomein leefmilieu, maar hiervoor zijn in 2005 geen extra middelen voorzien.


mjp2005 deel 5corr

19-05-2005

23:34

Pagina 164

Milieujaarprogramma

164 2005

3. Samenwerking met de andere gewesten en gemeenschappen en de federale overheid Inleiding Het overgrote deel van de milieu- en natuurbevoegdheden ligt bij de gewestelijke overheden. De federale overheid is evenwel onder meer bevoegd voor zaken als productnormering, ioniserende stralingen en radioactief afval, de Noordzee, de doorvoer van afvalstoffen en de in- en doorvoer van niet-inlandse planten en dieren. Gelet op de samenhang met de gewestelijke milieubevoegdheden is afstemming wenselijk. Recent kwam hierbij ook de nood tot een veel ruimere nationale afstemming in het kader van het beleid rond duurzame ontwikkeling. Daarnaast werd door de Interministeriële Conferentie voor Buitenlands Beleid beslist dat de gewestelijke milieuministers sinds juli 2003 de lidstaat België vertegenwoordigen in de Europese Leefmilieuraad. Dit impliceert een optimalisatie van de overlegstructuren met de federale overheid en de andere gewesten ter voorbereiding van de standpunten van België op Europees en internationaal niveau. Ook voor de coördinatie van de uitvoering van internationale verplichtingen zijn slagkrachtiger coördinatiestructuren nodig.

Opvolging van de plandoelstellingen

| Streven naar een grotere rol voor het Vlaams Gewest in internationale netwerken en regimes

| Streven naar toegevoegde waarde bij de uitvoering van het Vlaamse Milieubeleidsplan en het federaal plan voor Duurzame Ontwikkeling

| Uitbouwen van een continue intergewestelijke samenwerking voor een geïntegreerde aanpak van intergewestelijke vraagstukken

| Werken aan een betere inzet van federale instrumenten om de Vlaamse milieudoelstellingen te behalen

Projecten en maatregelen Toelichting en evaluatie tot 2004 Begin 2004 werd op Vlaams niveau een ambtelijke werkgroep voor duurzame ontwikkeling opgericht. Deze werkgroep bewaakt de bovengewestelijke (federale en internationale) tendensen inzake duurzame ontwikkeling en coördineert de inbreng van de Vlaamse standpunten in deze bovengewestelijke discussies. De werkgroep bereidde zo het Vlaams advies voor over het tweede federaal plan Duurzame Ontwikkeling en gaf ook input naar de twee Vlaamse vertegenwoordigers in de Interdepartementale Commissie Duurzame Ontwikkeling (icdo). De Vlaamse milieuadministratie werkte actief mee in de icdo in de aanloop naar dit tweede federaal plan. De Vlaamse Regering bracht haar advies over dit plan uit op 15 mei 2004. De Vlaamse milieuadministratie neemt actief deel aan de algemene vergadering van de federale Raad Duurzame Ontwikkeling (frdo) en aan de werkgroep duurzaamheidstrategieën.


mjp2005 deel 5corr

19-05-2005

23:34

Pagina 165

geïntegreerd overheidsbeleid

165 deel 5

Vanaf juli 2003 is leefmilieu overgeheveld van raadscategorie ii naar iii. Dat betekent dat niet langer de federale overheid, maar wel de gewesten de lidstaat België vertegenwoordigen in de Europese Leefmilieuraad. Via het Vademecum (zie hoofdstuk Internationaal beleid) werden binnen de legale krijtlijnen werkafspraken gemaakt om deze overgang praktisch op te vangen. De gewesten nemen steeds meer coördinatietaken over van de federale overheid die in principe (via ccim) de Belgische coördinatie moet organiseren. Om de werking te versterken onderging ook de ccim zelf een eerste hervorming, in hoofdzaak betreffende stroomlijning en taakverdeling van de werkgroepen. In de praktijk is er nog geen einde gekomen aan de te late consultatie van de gewesten via de icl, (bv. over ontwerp-productnormen). Hierdoor worden kansen gemist om het Vlaams en federaal beleid goed op elkaar af te stemmen. Er werden in het verleden nochtans een aantal beslissingen genomen om voor bepaalde deeldomeinen tot een betere ‘nationale’ coördinatie te komen: • de icl-beslissingen van oktober 2002 en oktober 2003 om via de ccim-Stuurgroep Duurzame Productie- en Consumptiepatronen op structurele basis, tijdig en constructief overleg over ‘productgerelateerde initiatieven’ te verzekeren; • de Nationale Klimaatcommissie (nkc) is actief maar het secretariaat (met gedetacheerde Vlaamse medewerkers) is nog niet operationeel. De nkc behandelt de meest dringende politieke problemen inzake klimaatbeleid (o.a. lastenverdeling, flexibele mechanismen) maar heeft nog geen volwaardig werkprogramma; • bovendien dienen er zich steeds meer onderwerpen aan die nationale coördinatie behoeven. Bijvoorbeeld het pesticidenbeleid (cf. de nieuwe federale wet op het productbeleid) en een aantal nieuwe eu-richtlijnen waarvan de uitvoering ook een blijvende nationale coördinatie vereist zoals bijvoorbeeld m.b.t. ozon. De bestaande ccim-werkgroepen fungeren in de praktijk soms als nationaal overlegforum, ook voor dossiers die strikt genomen niet onder de bevoegdheid van de ccim vallen omdat ze geen direct verband hebben met internationaal of eu milieubeleid. De icl-werkgroepen zijn zeer divers van aard en missen een centrale, permanente aansturing om efficiënt resultaat te boeken. Beide soorten werkgroepen worden in de praktijk via voorzitterschap en secretariaat vaak getrokken door de gewesten. Dit betekent dat er op dit moment geen algemeen structureel en formeel forum bestaat om efficiënt te overleggen tussen de gewesten en/of de federale overheid. Toch is dit nodig voor de aanpak van milieuthema’s die een geïntegreerde ‘nationale’ aanpak vereisen door de diverse bevoegdheidsniveau’s b.v.: ozonbeleid, pesticiden, gevaarlijke stoffen enz., en ook om de doelstellingen van het mbp te realiseren. Deze problematiek is door het Vlaams Gewest op icl aangekaart en doorverwezen naar de ccim, die tegen eind 2004 concrete voorstellen voorbereidde. Het intergewestelijk overleg loopt op informele basis. Naar aanleiding van de Marly-brand eind 2003, heeft het Overlegcomité op vraag van het Vlaams Gewest beslist dat er een intergewestelijk samenwerkingsakkoord moet komen, o.a. om in crisissituaties de vlotte communicatie te verzekeren tussen de gewesten. Er is herhaald overlegd met de andere gewesten op basis van een concrete ontwerptekst die echter nog geen instemming kon vinden bij het Waals Gewest.


mjp2005 deel 5corr

19-05-2005

23:34

Pagina 166

Milieujaarprogramma

166 2005

Opvolging mijlpalen en indicatoren Mijlpalen

Oorspronkelijke Ve r w a c h t i n g

Status

2004 BEGIN

gerealiseerd

Vlaamse strategie voor Duurzame Ontwikkeling

2004 EINDE

vertraagd

Goedgekeurde nationale strategie voor Duurzame

2005 EINDE

op schema

2004 MIDDEN

vertraagd

Overheveling van leefmilieu van raadscategorie II naar III

2003 MIDDEN

gerealiseerd

Vademecum voor Belgische coördinatie van EU- en

2004 MIDDEN

gerealiseerd

Goedkeuring tweede federaal plan voor Duurzame

Huidige verwachting

Ontwikkeling, met voldoende Vlaamse accenten 2005 MIDDEN

Ontwikkeling Structuur voor overleg en samenwerking ter uitvoering

2005 MIDDEN

van milieubeleidsplannen (productbeleid)

multilateraal beleid

Aanpak jaar 2005 Deelname aan de Interdepartementale Commissie Duurzame Ontwikkeling

De ambtelijke werkgroep voor duurzame ontwikkeling zal verder input leveren naar de twee Vlaamse vertegenwoordigers in de icdo, in het bijzonder inzake de uitvoering van het tweede federaal plan voor Duurzame Ontwikkeling (fpdo). De discussie inzake dit fpdo vergt een niet aflatende inzet binnen de icdo. Minister Vandenbossche nam het initiatief tot oprichting van een intergouvernementele werkgroep voor de voorbereiding van een nationale strategie. De icdo zal het secretariaat van deze werkgroep verzorgen. Actieve deelname aan de Federale Raad Duurzame Ontwikkeling

Deelname aan frdo en zijn werkgroepen zal worden verder gezet, dit onder de vorm van actieve opvolging van de algemene vergadering en de werkgroepen Duurzaamheidstrategieën en Internationale Betrekkingen. In de toekomst zal systematisch aandacht besteed worden aan de werking rond productnormen, sensibilisatie en klimaat. Er is nood aan een coördinatie van de Vlaamse inbreng in deze diverse werkgroepen. Overleg over uitvoeringsaspecten van het milieubeleidsplan opstarten

Er wordt een lijst opgemaakt met de doelstellingen en maatregelen uit het mina-plan 3 die verwijzen naar samenwerking met de federale overheid en/of andere gewesten. Na prioritering van deze dossiers zal door de betrokken Vlaamse diensten via de meest efficiënte kanalen, overleg opgestart worden met de andere overheden. Samenwerking met federale overheid en andere gewesten

Het Vlaams Gewest zal er binnen de ccim en de icl blijven op aandringen dat aansluitend op de wetgeving op de staatshervorming en op de bestaande algemene samenwerkingsakkoorden, een nieuw nationaal samenwerkingsakkoord nodig is voor de coördinatie van het Nationaal Milieubeleid. Omwille van de eenvoud kan voortgebouwd worden op het samenwerkingsakkoord inzake de ccim. Het ccim zou duidelijk gemandateerd worden om – zowel internationale als eu-dossiers voor te bereiden en uit te voeren – in te staan voor de voorbereiding en uitvoering van alle icl beslissingen, ook deze die niet direct met eu en internationale organisaties te maken hebben.


mjp2005 deel 5corr

19-05-2005

23:34

Pagina 167

geïntegreerd overheidsbeleid

• • • •

167 deel 5

Dit betekent dat de ccim wordt omgevormd tot een Nationaal Coördinatie Comité Milieubeleid (nccm) met als opdracht: de coördinatie van Belgische posities binnen eu en internationaal milieubeleid de coördinatie van de uitvoering van eu en internationaal milieubeleid de voorbereiding en de uitvoering van de beslissingen van de icl overleg en coördinatie van het milieubeleid van de federale overheid en de drie gewesten De nccm zou voornamelijk blijven bestaan uit vertegenwoordigers van de ministers bevoegd voor leefmilieu en buitenlandse zaken van de federale overheid en de gewesten. Er kan nader onderzocht worden in hoeverre de bestaande nationale, sectorale coördinatiestructuren inzake milieubeleid (bijvoorbeeld inzake mer, vr, verpakkingen, ...) in de nccm kunnen geïntegreerd worden. Het is nodig om (cf. ircel en de Nationale Klimaat Commissie) over te gaan tot de oprichting van een secretariaat bestaande uit gedetacheerden van de diverse overheden. Het voorzitterschap zou kunnen roteren tussen de diverse overheden. De nccm zou verder kunnen blijven werken met thematische werkgroepen en stuurgroepen met experts, die per thema tegelijk de diverse opdrachten kunnen afhandelen.

Begroting De middelen die aan dit deel worden besteed zijn beperkt in omvang. Er is een verhoging van 16.000 euro doorgevoerd voor de financiële bijdragen in de werking van intern Belgische samenwerkingsakkoorden en voor de bijdragen in multilaterale verdragen.


mjp2005 deel 5corr

19-05-2005

23:34

Pagina 168

Milieujaarprogramma

168 2005

4. Samenwerking met lokale overheden Inleiding Lokale overheden spelen een belangrijke rol in de uitvoering van het milieubeleid. Ze kunnen hierbij eigen accenten leggen. De Vlaamse overheid tracht, door een gerichte samenwerking met de lokale overheden, specifieke stimulansen te geven om een duurzaam lokaal milieubeleid mogelijk te maken. Een belangrijk aandachtspunt hierbij is de horizontale-integratiegedachte. Om dit mogelijk te maken worden de lokale besturen ondersteund en worden milieu- en natuurverenigingen of verenigingen die zich bezig houden met milieurelevante beleidsdomeinen aangemoedigd hun expertise in te brengen in het lokale beleid. In dit kader is een belangrijke rol toebedeeld aan de Samenwerkingsovereenkomst ‘Milieu als opstap naar duurzame ontwikkeling’, die tot doel heeft lokale overheden te ondersteunen bij het voeren van een lokaal milieubeleid.

Opvolging van de plandoelstellingen

| Een algemene verbetering van het stedelijk milieu en het milieu in het buitengebied

| Het lokale milieu- en natuurbeleid versterken zodat de lokale overheden in staat worden gesteld een coherent en duurzaam milieubeleid te voeren

Projecten en maatregelen Toelichting en evaluatie tot 2004 Via het project ‘Aanspreekpunt lokale overheden’ werd werk gemaakt van de opvolging van het algemene lokale milieubeleid met bijzondere aandacht voor de Samenwerkingsovereenkomst ‘Milieu als opstap naar duurzame ontwikkeling’ en een betere communicatie tussen Vlaams Gewest en lokale overheden. Daartoe werd op Vlaams niveau een Aanspreekpunt Lokale Overheden opgericht. Dit aanspreekpunt bestaat uit een centrale cel die instaat voor de coördinatie van de samenwerking, met antennes naar de verschillende betrokkenen binnen en buiten de milieuadministratie) voor de opvolging van themaspecifieke onderdelen. Op 1 januari 2002 ging de Samenwerkingsovereenkomst ‘Milieu als opstap naar duurzame ontwikkeling’ van start. De communicatie over de uitvoering van de Samenwerkingsovereenkomst werd gestroomlijnd door het Aanspreekpunt Lokale Overheden. De website (www.samenwerkingsovereenkomst.be) werd verder onderhouden en er werden specifieke ad-hoc communicaties gedaan (mailing, hoe|so?nieuwsbrief, Milieuprijs ‘Creatief met milieu’, vormingsmomenten bijvoorbeeld i.v.m. milieubeleidsplanning, visitatiecommissie). De werking van het bestaande Milieuoverleg Lokale Overheden (milo) werd verder uitgebouwd met specifieke thematische werkgroepen voor elk onderdeel van de Samenwerkingsovereenkomst. De Samenwerkingsovereenkomst werd geëvalueerd in voorbereiding van de tweede fase (2005-2007). Op basis van deze evaluatie werden de overeenkomsten bijgestuurd. De Samenwerkingsovereenkomst 2005-2007 werd op 28 mei 2004 door de Vlaamse Regering goedgekeurd.


mjp2005 deel 5corr

19-05-2005

23:34

Pagina 169

geïntegreerd overheidsbeleid

169 deel 5

Via deze overeenkomst wordt integrale milieubeleidsplanning gestimuleerd. Alle gemeenten dienen op basis van het UB op het dabm (augustus 2002) in de loop van 2005 een milieubeleidsplan te hebben. In 2003 en 2004 werd ter ondersteuning van de beleidsplanning het Kader Gemeentelijk Milieubeleidsplan geactualiseerd en toegelicht bij de lokale overheden. Verder maken ook thema’s als tewerkstelling, ruimtelijke ordening, mobiliteit en energie deel uit van deze overeenkomst. Via gebiedsgerichte en/of doelgroepgerichte werking wordt de samenhang tussen al deze thema’s en beleidsdomeinen bevorderd. Via de overeenkomst worden lokale overheden ook gestimuleerd en ondersteund in het werken met indicatoren. Midden 2004 zijn al ongeveer 1 op 4 gemeenten die de overeenkomst ondertekenden bezig met het gebruik van indicatoren voor de opvolging van hun milieubeleid. Met oog op het stimuleren van projecten in het kader van externe integratie werden ook de samenwerkingsovereenkomsten met de lokale overheden en de ngo’s (bbl en vodo) uitgeschreven ter ondersteuning van de overeenkomsten met lokale overheden. (zie deel ‘Samenwerking met maatschappelijke organisaties’). Verder werden ook initiatieven van andere beleidsdomeinen opgevolgd met het oog op afstemming van het beleid (bv. de stadsmonitor voor het stedelijk beleid). Ook werd een inventaris ‘Milieutaken lokale overheden’ voorbereid, als aanzet naar een kader binnen hetwelk gemeenten en provincies hun milieubeleid voeren.

Opvolging mijlpalen en indicatoren Mijlpalen

Oorspronkelijke verwachting

Goedkeuring van Samenwerkingsovereenkomst

Status

2004 MIDDEN

gerealiseerd

2004 EINDE

gerealiseerd

Operationeel projectenfonds (projecten van verenigingen)

2004 BEGIN

gerealiseerd

Bijgewerkte handleiding is klaar

2005 BEGIN

op schema

Bijgewerkte databank is klaar

2005 BEGIN

op schema

Website voor opvolging algemeen lokaal milieubeleid

2004 EINDE

op schema

Huidige verwachting

2005-2007 door Vlaamse Regering Nieuwe Samenwerkingsovereenkomst (fase 2) lokale overheden en NGO’s ter beschikking.

verder uitgebouwd

Indicatoren

Realisatie

Doelstelling

Aantal jaarlijks georganiseerde overlegmomenten

20 (2004)

20 (2005)

Aantal jaarlijks georganiseerde vormingsmomenten

15 (2004)

15 (2005)

% gemeenten die Samenwerkingsovereenkomst ondertekend hebben

75 (2004)

75 (2005)

% provincies die Samenwerkingsovereenkomst ondertekend hebben

100 (2004)

100 (2005)


mjp2005 deel 5corr

19-05-2005

23:34

Pagina 170

Milieujaarprogramma

170 2005

Aanpak jaar 2005 Project: Aanspreekpunt lokale overheden

De werking van het aanspreekpunt zal indien nodig bijgestuurd worden en verder uitgebouwd. De Samenwerkingsovereenkomsten worden verder opgevolgd. De bijgewerkte Samenwerkingsovereenkomst (fase 2) zal toegelicht worden bij de lokale overheden. Een inventaris van milieutaken voor lokale overheden zal afgewerkt worden en zal op een toegankelijke manier worden aangeboden. Bijkomend onderzoek wordt verricht m.b.t. het statuut van de milieudiensten en hun personeel. De modellijsten die opgemaakt werden i.v.m. indicatoren worden verder aangevuld en geactualiseerd. Hierbij is de afstemming met de Vlaamse indicatoren een belangrijk aandachtspunt. De milieubeleidsplannen van de lokale overheden zullen worden geadviseerd met oog op de afstemming van deze plannen op de Samenwerkingsovereenkomst en het mina-plan 3. Specifieke aandacht zal gaan naar de ondersteuning van doelgroepenbeleid en communicatie. In functie van de vraag naar bijkomende ondersteuning zal de handleiding verder worden geactualiseerd en uitgewerkt. De huidige website wordt verder uitgebouwd tot een instrument voor de opvolging van het gehele algemene lokale milieubeleid. Ook het bestaande overleg zal in die zin verder uitgebouwd worden. Er zal nagegaan worden op welke manier Europese/internationale initiatieven die relevant zijn voor lokale overheden het best kunnen worden opgevolgd en gecommuniceerd naar de lokale overheden. Participatie op lokaal vlak bevorderen

Zie project ‘Samenwerking met milieu- en natuurverenigingen en andere maatschappelijke organisaties’. Werking van milieu- en natuurverenigingen ondersteunen

Zie project ‘Samenwerking met milieu- en natuurverenigingen en andere maatschappelijke organisaties’.

Begroting Tengevolge van het goedkeuren door de Vlaamse Regering op 28/5/2004 van de nieuwe samenwerkingsovereenkomsten met gemeenten en provincies voor de periode 20052007 is in 2005 een verhoging van de middelen met 14.000 keuro doorgevoerd, o.m. om werkzekerheid te verschaffen voor de duurzaamheidsambtenaren.


mjp2005 deel 6corr

19-05-2005

23:36

Pagina 171

deel 6

internationaal beleid


mjp2005 deel 6corr

19-05-2005

23:36

Pagina 172


mjp2005 deel 6corr

19-05-2005

23:36

Pagina 173

173 deel 6

Internationaal beleid Inleiding Het grensoverschrijdende of mondiale karakter van milieudruk en de globalisering van de economie maken het voor het Vlaamse milieubeleid cruciaal om internationaal een hoog beschermingsniveau na te streven en voor tal van thema’s een internationale norm af te spreken. Een duurzame ontwikkeling staat hierbij centraal. Prioritaire maatregelen zijn het integreren van milieu, ontwikkelingssamenwerking en armoedebestrijding, de structurele uitbouw van de participatie aan het multilaterale, het Europese en interregionale niveau en de interne Vlaamse afstemming.

Opvolging van de plandoelstellingen

|

Bereiken van een zo hoog mogelijk milieubeschermingsniveau op mondiaal, Europees,federaal en Vlaams niveau, rekening houdend met het streefdoel van duurzame ontwikkeling

Projecten en maatregelen Toelichting en evaluatie tot 2004 Een belangrijke basis voor het internationale milieubeleid voor de komende jaren werd gelegd tijdens de Wereldtop over Duurzame Ontwikkeling in Johannesburg (augustus 2002). De resultaten van deze wereldtop werden geconcretiseerd tijdens de elfde bijeenkomst van de Commission on Sustainable Development (csd 11, maart 2003). Tijdens csd 11 werd beslist dat de csd voortaan via tweejaarlijkse cycli zal functioneren, waarbinnen het eerste jaar bestemd is voor evaluatie, uitwisseling van ervaring en reflectie en het tweede jaar voor onderhandelingen op basis van de bevindingen uit het eerste jaar. Gedurende de eerste csd-cyclus (csd 12 in 2004 en csd 13 in 2005) wordt gefocust op de stand van implementatie voor de thema’s water, sanitaire voorzieningen en menselijke nederzettingen. Het staat vast dat de agendasetting van de csd doorwerkt in de agenda’s en begrotingen van andere vn-organen, financiële instellingen en van overheden op verschillende niveaus. Met het oog op de toekomstige thematische cycli (waaronder klimaat, landbouw, biodiversiteit, ...) is het zinvol dat Vlaanderen deze internationale kalender mee in rekening brengt, ook budgettair. De afspraken op de Wereldtop Duurzame Ontwikkeling hebben ertoe geleid dat het implementatieniveau meer op de voorgrond treedt in multilaterale processen. Het Vlaams Gewest, met zijn bevoegdheid voor geïntegreerd waterbeleid, sanitatie en menselijke nederzettingen speelt hierop in door actief te participeren aan het csd- en aanverwante processen. Om op Vlaams niveau uitvoering te geven aan de engagementen die werden genomen tijdens de Top in Johannesburg en tijdens csd 11 en 12, werden twee concrete initiatieven genomen. Vooreerst heeft de Vlaamse Regering een Vlaamse Werkgroep Duurzame Ontwikkeling opgericht die als taak heeft de bovengewestelijke tendensen terzake te bewaken en de voorbereiding van een Vlaamse Strategie voor duurzame Ontwikkeling aan te vatten. Ten tweede, werd, omwille van de thematische focus van csd op het thema water en om tegemoet te komen aan de Millenniumdoelstelling inzake zuiver water, op 22 maart 2004 (Wereldwaterdag) het Vlaams Partnerschap Water voor


mjp2005 deel 6corr

19-05-2005

23:36

Pagina 174

Milieujaarprogramma

174 2005

Ontwikkeling opgericht. Dit forum streeft naar versterkte samenwerking tussen alle betrokkenen bij de watersector en de internationale samenwerking en concentreerde zich in eerste instantie op het ondernemen van eerder kleinschalige, ondersteunende activiteiten en voorbereidend werk. Dit Partnerschap werd aan de internationale gemeenschap voorgesteld tijdens csd 12 (New York, april 2004). Een ander aspect dat voortvloeit uit de Wereldtop in Johannesburg is het interregionaal netwerk voor duurzame ontwikkeling (nrg4sd). Na Johannesburg kwam het Netwerk reeds verschillende keren bijeen voor het uitwisselen van ervaringen over o.m. bilaterale (ontwikkeling)samenwerking en het opstellen van strategieën voor duurzame ontwikkeling. Vlaanderen speelde een sturende rol bij het opmaken van de statuten van het Netwerk die werden onderschreven tijdens de bijeenkomst in Cardiff (maart 2004). Door een actieve participatie op ministerieel niveau aan csd 12, slaagde Vlaanderen er voor het eerst op dit vn forum in om het subnationaal niveau formeel in het daglicht te stellen. Eind 2004 werd het nrg4sd geformaliseerd door de registratie van het Netwerk in Brussel. Een ander heet hangijzer op multilateraal niveau was en is de herstructurering en het budget van unep, wat werd besproken tijdens Governing Council en het mondiale milieuforum op ministerieel niveau (gmef). Tijdens de oeso ministerconferentie leefmilieu (april 2004) was er o.m. een follow-up van de nationale implementatie van de ‘oecd environmental strategy for the first decade of the 21st century’. Er werd aandacht besteed aan Vlaamse realisaties zoals het Vlaams Partnerschap Water voor Ontwikkeling. De conferentie leverde veel nuttige suggesties voor het nieuwe werkprogramma van de oeso. Er is gezorgd voor een vlottere doorstroming van de documenten van de oeso naar de betrokken experten binnen de Vlaamse milieuadministratie. Wat het Europese milieubeleid betreft, vertegenwoordigen de Gewesten (i.p.v. de federale overheid) sinds juli 2003 België tijdens de Europese ministerraden Milieu. Ter voorbereiding van deze gewijzigde situatie werden een aantal succesvol gebleken werkwijzen en structuren – ontwikkeld tijdens het Belgisch voorzitterschap van de Europese Unie (tweede helft 2001) – verder uitgebouwd. Zo werd in januari 2004 het ‘Belgisch Vademecum – Onderhandelingen van Europese en multilaterale leefmilieudossiers en de rol van de piloten en de experten’ door de Interministeriële Conferentie Leefmilieu (icl) goedgekeurd. Via het Coordinatie Comitee Internationaal Milieubeleid (ccim) wordt nu veel aandacht besteed aan de correcte uitvoering van het Vademecum, vooral voor wat betreft de uitwerking van de overzichtslijsten met dossiers en experten. De langverwachte uitbreiding van de Europese Unie met tien nieuwe lidstaten (mei 2004) was reeds enige tijd voelbaar binnen de unece, die qua samenstelling nu zeer nauw overeenkomt met de eu. Om die reden dringt zich een heroriëntatie van het takenpakket van de unece op. Momenteel loopt binnen de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (unece) een reflectiemoment waarbij de sterktes en zwaktes van de verschillende werkgroepen en comités van unece worden onderzocht. Een andere regio die aan belang wint is de Azië. In oktober 2003 vond in het kader van de asem (Asia – Europe Meeting) een ontmoeting plaats tussen de milieuministers van eu-lidstaten en Aziatische staten. Tevens werden eerste gesprekken opgestart met Environmental Protection Agency van de Verenigde Staten en het Milieudepartement van Maryland (vs) om een eventuele bilaterale samenwerking uit te bouwen.


mjp2005 deel 6corr

19-05-2005

23:36

Pagina 175

internationaal beleid

175 deel 6

Opvolging mijlpalen en indicatoren Mijlpalen

Oorspronkelijke verwachting

Status

Oprichting Vlaams Partnerschap Water voor Ontwikkeling

2004 BEGIN

gerealiseerd

Aanname van het vademecum voor piloten en experten

2004 BEGIN

gerealiseerd

2004 EINDE

gerealiseerd

2004 BEGIN

gerealiseerd

2004 BEGIN

gerealiseerd

2006 MIDDEN

op schema

2004 BEGIN

gerealiseerd

2004 MIDDEN

gerealiseerd

Huidige verwachting

i.k.v. opvolging leefmilieudossiers Formalisering van de overgang van de Raad Leefmilieu van raadscategorie II naar III Formele oprichting ambtelijke werkgroep voor duurzame ontwikkeling (WGDO) Start werking stakeholder Forum-CCIM Verdediging in Parijs van het Belgisch milieubeleid t.a.v. OESO-lidstaten Oprichting UNECE Regional Implementation Forum voor een regionale opvolging van de wereldtop van Johannesburg Vlaamse (ambtelijke en ministriële) deelname aan CSD 12

Indicatoren

Realisatie

Aantal milieuprojecten of samenwerkingsprogramma’s dat Vlaanderen (mee) opstart

Doelstelling

8 (2004)

in andere regio’s in het kader van ontwikkelingssamenwerking Vlaamse achterstand (%) in aantal om te zetten Europese Internemarktrichtlijnen

1,5 (2004)

1,0 (2007)

tussen 0 en 1 jaar oud

Aanpak jaar 2005 Project: Internationaal milieubeleid

In navolging van de wereldtop Duurzame Ontwikkeling (Johannesburg, 2002) wordt onderzocht aan welke bestaande partnerschappen Vlaanderen zal deelnemen en welke nieuwe partnerschappen kunnen worden opgestart. Het implementatieplan, de Europese en oeso-strategie voor Duurzame Ontwikkeling (do) zullen worden omgezet in een Vlaamse strategie voor do. Verder zal Vlaanderen deelnemen aan de jaarlijkse vn-Commissie voor do (csd), waar net zoals in 2004 ook in 2005 de toegang tot sanitaire basisvoorzieningen, het beschikken over veilig drinkwater en menselijke nederzettingen de topprioriteiten vormen. Het opgerichte Vlaams Partnerschap Water voor Ontwikkeling kan uitgroeien tot een precedent bij de voorbereiding van elke nieuwe csd-cyclus. De volgende stap is de verdere uitbouw van de werking en kwaliteitsvol beheer van de activiteiten van het Partnerschap, evenals het mobiliseren van middelen om de internationale doelstellingen inzake water en sanitatie mee te helpen realiseren. Dit partnerschap kan tevens als aanknopingspunt dienen om een samenwerking met unep op te starten en Vlaamse expertise i.v.m. water ter beschikking te stellen aan de unep. De opvolging van de onderhandelingen inzake een nieuwe “Strategie inzake capacity building en technologie-overdracht” in het kader van unep zal van nabij opgevolgd worden. Een eventuele inschakeling in het unesco-waterprogramma en een eventuele samenwerking met undp en un-Habitat zal verder onderzocht worden.


mjp2005 deel 6corr

19-05-2005

23:36

Pagina 176

Milieujaarprogramma

176 2005

Met een nieuwe csd cyclus over energie, klimaat en industriële ontwikkeling in het vooruitzicht (2006-2007) moeten in 2005 reeds eerste stappen ondernomen worden om een degelijke Vlaamse coördinatiestructuur op punt te zetten. Vlaanderen zal ook meewerken aan de ontwikkeling van de indicatoren voor milieu en do. Het internationale proces m.b.t. duurzame ontwikkeling wordt verder opgevolgd in samenspraak met de diensten van de minister-president. De bilaterale samenwerking inzake expertise-uitwisseling met Chili wordt in 2005 voortgezet in de lijn van het samenwerkingsprogramma dat tijdens de Vaste Gemengde Commissievergadering met Chili werd overeengekomen in november 2004. Vlaanderen zal haar participatie aan multilaterale instellingen en verdragen waar mogelijk versterken door nauwere banden aan te halen met unep en te voorzien in een gestructureerde deelname aan o.a. de Governing Council (high-level vergadering) van de unep (United Nations Environment Programme), csd (Commission on Sustainable Development), unff (United Nations Forum on Forests), cep (Committee on Environment Policy van de unece (Economic Commission for Europe), en de epoc (Environmental Policy Committee van de oeso). De mogelijkheden van (een deelname aan of) de opvolging van de milieuactiviteiten van unesco (United Nations Educational Scientific and Cultural Organization), fao (Food and Agriculture Organisation) en andere relevante multilaterale organisaties wordt verder onderzocht. Naast de opvolging van de thematische items zal er ook een structuur uitgebouwd worden voor de opvolging van processen (cf. “Environment for Europe”, “Health & Environment”), transversale items (cf. openbaarheid van milieu-informatie, naleving, aansprakelijkheid, ...) en integratiedomeinen (milieu-economie, milieu-transport, ...). In dit kader wordt ook de opvolging voorzien van de unece/who-conferentie ‘Gezondheid en leefmilieu’ die in juni 2004 plaatsvond te Boedapest. Ook wordt de vraag naar technische ondersteuning van het Luxemburgse euvoorzitterschap bij grote multilaterale (leefmilieu-)evenementen onderzocht. Onder meer i.f.v. de periodieke vertegenwoordiging van de Vlaamse minister voor leefmilieu in de Europese ministerraad milieu (onder meer eerste semester van 2005) worden de Belgische en Vlaamse overlegfora verder aangepast (zie verder in dit hoofdstuk en ook in deel ‘Geïntegreerd overheidsbeleid’): samenwerking met de federale overheid. Voor Vlaanderen is de door het federale beleidsniveau aangekondigde hervorming van ccim van prioritair belang. Daarnaast wordt op het interne Vlaamse niveau een aanvang genomen met het uitwerken van kanalen voor versterkte samenwerking met eu-coördinatoren van andere departementen. De nodige dossiervoorbereidingen vinden plaats. Om de (vooral Europese, maar ook multilaterale) leefmilieudossiers op een meer proactieve wijze aan te pakken wordt het zgn. early warning-systeem geïmplementeerd, waardoor de relevante milieudossiers in een zeer vroege fase geregistreerd en opgevolgd worden door de juiste Vlaamse experten. Er wordt ook gewerkt aan een verbeterde opvolging en inventarisatie van de expertencomité’s in de schoot van de Commissie en van de comitologie (geheel van comités die samen met de Commissie bepalen hoe de Europese regelgeving moet worden uitgevoerd). Belangrijk voor Vlaanderen inzake inhoudelijke opvolging zijn onder meer: reach (Registration, Evaluation and Authorisation of Chemicals), het Lissabon-proces, de eerste informele post-Kyoto besprekingen op Europees niveau, Aarhus, de hervorming van de eu-financiering, Better Regulation, en de vier thematische strategieën rond bodem, marien milieu, pesticiden en stedelijk leefmilieu.


mjp2005 deel 6corr

19-05-2005

23:36

Pagina 177

internationaal beleid

177 deel 6

De Vlaamse milieuadministratie schakelt zich ook in bij de uitvoering van de beslissing van de Vlaamse Regering waarin wordt gevraagd om maandelijks over bepaalde priortaire dossiers te rapporteren aan de Vlaamse Regering. De interregionale samenwerking in het kader van het netwerk nrg4sd (Network of Regional Governments for Sustainable Development), dat de uitwisseling van ervaringen beoogt over ondermeer bilaterale (ontwikkelings)samenwerking en over het opstellen van strategieën voor duurzame ontwikkeling, zal dienen als ondersteuning bij de verdere uitbouw van een Vlaams beleid voor (milieu-)ontwikkelingssamenwerking, de samenwerking met andere regio’s zoals Noord-Rijn-Westfalen en voor de eigen voorbereidingen voor het opstellen van de Vlaamse Strategie voor Duurzame Ontwikkeling. Vlaanderen speelt een sturende rol in dit uitgebouwd netwerk door de modaliteiten en aandachtspunten voor de verdere uitbreiding van het netwerk vast te leggen, presentaties van het netwerk op internationale fora te ondersteunen, budgetcontrole, de voorbereiding van volgende conferenties en de finalisering van de statuten van het netwerk en het bijhorende werkprogramma. In februari 2005 vindt de eerste plenaire vergadering van het netwerk na de publicatie van de statuten plaats. De mogelijkheden van een interregionale samenwerking met Noord-Frankrijk worden onderzocht. Via het voim (Vlaams Overleg Internationaal Milieubeleid) wordt gezorgd voor het voorbereiden van en debriefen over de ccim, voor het voorstellen van prioritaire dossiers en experten die deze dossiers kunnen opvolgen, en voor een halfjaarlijkse rapportage over het internationale milieubeleid aan de Beleidsraad. Deze rapportage zal uitgebreid worden met milieurelevante dossiers die behoren tot de bevoegdheid van andere departementen (bv. landbouw, energie, transport, ...) en er wordt gezocht naar een koppeling tussen de coördinatiestructuren voor eu- en multilateraal beleid van de diverse departementen. In het kader van de studie m.b.t. ‘de Vlaamse participatie aan het supra- en internationaal milieugebeuren’ wordt de opportuniteit van een Kenniscentrum Internationaal Milieubeleid onderzocht, waardoor een permanente samenwerkingsstructuur wordt opgezet tussen verschillende onderzoeksgroepen. Op die manier wordt expertise samengebracht en worden internationale trends grondig gescreend. Op voorstel van het Vlaams Gewest is de ccim gestart met een zesmaandelijks overleg met de belangrijkste maatschappelijke betrokkenen over de prioritaire internationale dossiers (Stakeholder Forum). De ccim onderzoekt hoe de stakeholders ook efficiënt kunnen betrokken worden bij de opmaak van de Belgische positie over individuele dossiers. Er wordt bekeken in hoeverre er een gelijkaardig aanvullend overleg op Vlaams niveau nuttig is. Hierbij wordt een koppeling voorzien met het project ‘Doelgroepenbeleid’ en met de MiNa-raad. De Vlaamse achterstand in aantal om te zetten Europese Interne-marktrichtlijnen (met nagenoeg alle nieuwe milieurichtlijnen) wordt verder verkleind. Ook zal de ratificatie van de multilaterale leefmilieuverdragen en hun protocollen worden geïntensifieerd. In 2005 wordt de twol-studie over de correcte implementatie van een aantal multilaterale leefmilieuverdragen afgerond. In deze studie worden de implementatiewijzen binnen het Vlaamse Gewest beschreven, geanalyseerd, en aan de hand van concrete voorstellen geoptimaliseerd. Tenslotte doet de oeso geregeld een landenonderzoek, waarbij het milieubeleid van de lidstaten van de oeso wordt doorgelicht. Voor België zal dit midden 2006 plaatsvinden. Daartoe wordt binnen de ccim een ad hoc coördinatiewerkgroep opgericht. Onder coördinatie van deze werkgroep worden in 2005 gegevens verzameld over de Belgische milieuprestaties, wordt eveneens in 2005 een doorlichtingscommissie van de oeso


mjp2005 deel 6corr

19-05-2005

23:36

Pagina 178

Milieujaarprogramma

178 2005

ontvangen, en worden midden 2006 tijdens een bijeenkomst in Parijs de Belgische milieuprestaties verdedigd ten aanzien van de andere oeso-lidstaten. De oeso herziet momenteel de methode waarmee zij landen doorlicht. Ook dat aspect wordt door Vlaanderen opgevolgd. Ondersteunen van internationaal institutioneel kader voor leefmilieu

De verdere uitwerking van het zgn. Cartagena pakket inzake versterking van unep wordt van nabij opgevolgd. De door Frankrijk opgestarte denkgroep over de oprichting van een vn Organisatie voor Leefmilieu wordt door Vlaanderen mee opgevolgd. Daarnaast wordt nauw samengewerkt met de Vlaamse Administratie Buitenlands Beleid rond de studie om te komen tot een beleidsadvies over governance in multilateraal perspectief. Relatie milieu - handel - investeringen uitklaren

De studie ‘Integratie van leefmilieu in handel en investeringen: voorbereiding en follow-up van de vijfde who-ministeriële conferentie Cancún’ geeft een ondersteuning bij de toekomstige positionering van het Vlaams Gewest. Het voornaamste doel van de studie is immers de ontwikkeling van een lange termijn concept die de mogelijkheden voor het Vlaams Gewest inzake de integratie van leefmilieu in handel en investeringen in kaart brengt. Hierbij is een actieve inbreng vanuit bv. de ngo’s en het bedrijfsleven voorzien middels de organisatie van ronde tafels. In opvolging van een eerste dergelijke bijeenkomst in het kader van bovengenoemd twol onderzoek zijn reeds contacten gelegd welke op termijn eventueel geformaliseerd kunnen worden tot de oprichting van een zogenaamd hil-forum (Forum voor Handel, Investeringen en Leefmilieu) De mislukking van de vijfde ministeriële conferentie schept tevens de behoefte aan heroriëntatie van de Vlaamse strategie. Een hil-forum zou hieromtrent belangrijke denkoefeningen kunnen uitvoeren. Initiatieven voor duurzame consumptie - en productiepatronen

De expertise inzake duurzame productie en consumptie zal verder worden uitgebouwd door de actieve deelname aan de verschillende initiatieven hieromtrent op alle niveaus. Zo zal het Marrakech-proces dat een 10-jarenkader ontwikkelt voor duurzame consumptie en productiepatronen actief opgevolgd worden (inclusief de eu activiteiten in dit kader). Concreet zal worden deelgenomen aan de pan-europese stakeholdersmeeting (de regional meeting voor Europa in deze context) die gezamenlijk door de Europese Commissie en unep wordt georganiseerd (Oostende, november 2004), en wordt de tweede bijeenkomst in het kader van het Marrakech-proces nauw opgevolgd (Costa Rica, september 2005). Ook worden de internationale strategie inzake beheer van chemische stoffen (saicm), het life cycle-initiatief van unep, de thematische strategie inzake natuurlijke hulpbronnen van de Europese Commissie en het streven van de eu naar de verdere toepassing van een geïntegreerd productbeleid (zie bv. ook de eu-voorstellen in het kader van de ecodesign) opgevolgd. Via het federale niveau zal een bijdrage geleverd worden aan de inventaris waarvan het initiatief van de Europese Commissie uitgaat. Nagegaan zal worden of de hierin vermelde best practices ook voor ons land en Vlaanderen in het bijzonder bruikbare beleidspistes kunnen bieden. In dit kader zullen relevante federale onderzoeksprojecten van nabij worden gevolgd (zie o.a. onderzoeksprojecten van de Federale Leefmilieudiensten, en van Federaal Wetenschapsbeleid bv. podo ii- Deel i “Duurzame productie- en consumptiepatronen”).


mjp2005 deel 6corr

19-05-2005

23:36

Pagina 179

internationaal beleid

179 deel 6

Realiseren van samenwerkingsakkoorden met Centraal- en Oost-Europa

Met de uitbreiding van de eu wordt een nieuw gebied, waarin Vlaanderen diverse projecten in het kader van bilaterale samenwerking had lopen, opgevangen door financieringsprogramma’s van de eu. Daarom wordt in Vlaanderen een studie gevoerd naar een mogelijke heroriëntering van het buitenlands beleid naar de eecca-regio (Eastern Europe, Caucasus and Central Asia). Nieuwe samenwerkingsverbanden met landen uit die regio kunnen mogelijk worden uitgewerkt binnen de zgn. eecca-milieustrategie. Deze strategie vormt een kader voor samenwerkingsverbanden (bilateraal, partnerschappen, via internationale instellingen etc.) en werd binnen het Environment for Europe proces (Kiev, mei 2003) goedgekeurd. Binnen deze strategie werd door de eu reeds een waterinitiatief uitgewerkt om het aantal mensen dat toegang heeft tot drinkbaar water en sanitaire voorzieningen te verhogen Dit impliceert de ontwikkeling van duurzame oplossingen voor de waterbeheerproblematiek in samenwerking met landen en regio’s door onder meer publiek en privé-kapitaal ter beschikking te stellen. Onderzocht wordt in welke mate Vlaanderen concrete projecten in dit verband kan ondersteunen.

Begroting Voor het deel in zijn globaliteit wordt in 2005 voorzien in iets meer dan 1.600 keuro aan beleidskredieten.


mjp2005 deel 6corr

19-05-2005

23:36

Pagina 180


mjp2005 deel 7corr

19-05-2005

23:37

Pagina 181

deel 7

instrumenten


mjp2005 deel 7corr

19-05-2005

23:37

Pagina 182


mjp2005 deel 7corr

19-05-2005

23:37

Pagina 183

instrumenten

183 deel 7

1. Beleidsvoorbereiding, -evaluatie en -opvolging Inleiding De basis voor een gecoĂśrdineerde planningscyclus wordt gelegd met het decreet Algemene Bepalingen inzake Milieubeleid (dabm, 1995). De drie pijlers van de planning (plan, rapport, programma) werden sindsdien verder uitgebouwd. Vrij onafhankelijk daarvan evolueerde de wijze waarop begrotingen en beleidsbrieven worden opgesteld en de wijze waarop het beleid in grote lijnen wordt geĂŤvalueerd. Het decreet op het Natuurbehoud voegde nog de opmaak van een natuurrapport toe. Op vraag van de beleidsraad werden de mogelijkheden onderzocht om de planningscyclus en de begrotingscyclus beter op mekaar af te stemmen, en dit vanaf de opmaak van de begroting 2004 en het mjp 2004. Het beleid concentreert zich op de uitvoering van minaplan 3, de afstemming van mjp en begroting en de toepassing van beleidsevaluaties en indicatoren in de planningscyclus.

Opvolging van de plandoelstellingen +

| Afstemmen en uitbouwen van de gehanteerde kaders in de beleidscyclus en verbeteren van de doorwerking ervan

Het afgelopen jaar werd vooruitgang geboekt m.b.t. de afstemming binnen de beleidscyclus, maar de vooruitgang is beperkt. De koppeling met indicatorensets werd sterk verbeterd en een eerste aanzet voor de afstemming met de begroting werd gegeven. De afstemming met beleidsnota en beleidsbrieven en met de meer operationele plannen is zeker nog geen feit.

Projecten en maatregelen Toelichting en evaluatie tot 2004 Het deďŹ nitief ontwerp van het mina-plan 3 werd reeds in 2002 voorgelegd aan de Vlaamse Regering. Voor de eerste maal werd het volledige milieubeleid opgenomen en bijgevolg de volledige leefmilieubegroting. Het plan en de bijhorende behoeftenramingen werden zo opgebouwd dat zij vlot konden dienen als kader voor de jaarlijks weerkerende rapporteringen en programmeringen. Op 19 september 2003 werd het mina-plan 3 goedgekeurd. In het mina-plan 3 wordt voor het eerst een set van dertig sleutelindicatoren opgenomen, voorzien van een stand van zaken. Voor de themahoofdstukken werden plandoelstellingen beter opvolgbaar gemaakt door er operationele indicatoren aan te koppelen. Een overlegforum rond beleidsindicatoren werd opgestart. Per thema werden discussiegroepen georganiseerd om tot afgestemde indicatorensets te komen. De resultaten hiervan zijn deels terug te vinden in het mjp 2005. In 2004 werd een nieuwe Vlaamse Regering gevormd. Een goede afstemming tussen het mina-plan en het regeerakkoord en de beleidsnota van de minister is een belangrijke voorwaarde voor het halen van de doelstelling uit dit hoofdstuk. De planningsgroep nam hiertoe een aantal initiatieven. De resultaten vallen nog af te wachten.


mjp2005 deel 7corr

19-05-2005

23:37

Pagina 184

Milieujaarprogramma

184 2005

De opbouw en opmaak van het milieujaarprogramma werden in de loop van 2003 gewijzigd om een kort, duidelijk en werkbaar milieujaarprogramma te krijgen. De nieuwe stijl is gekenmerkt door de opname van de plandoelstellingen en indicatoren om de plandoelstelling te evalueren. In de structuur wordt een aanzet gegeven om de afstemming tussen mjp/beleidsbrief/begroting te realiseren. In 2004 werden bovendien de instructies voor het opmaken van de begroting aangepast aan het mina-plan 3. Dit moet toelaten de koppeling met de begrotingsteksten én de economische onderbouwing van het mjp te verbeteren. Begin 2004 werden de uitgangspunten voor de organisatie van de uitvoering van het mina-plan 3 goedgekeurd. Bovendien werden projectleiders en themacoördinatoren aangeduid. Een eenvormige aansturing en uitvoering van de 41 projecten uit het Milieubeleidsplan is hierbij een belangrijk element. Ontwerpprojectplannen werden opgesteld en projectgroepen samengesteld. Een gestandaardiseerd rapporteringssysteem werd in de loop van 2004 op punt gesteld. Het systeem wordt vanonderuit met gegevens gevoed en is intern ruim toegankelijk. Op het vlak van beleidsevaluatie werden een aantal projecten opgestart vanuit het Steunpunt Milieubeleidswetenschappen. Er wordt gewerkt rond een algemene methodologie. Tegelijkertijd werden een aantal gevalstudies afgerond. Een deel van de bekomen informatie werkt door in het eerste mira-be dat midden 2003 gepubliceerd werd. Daarnaast werd een voorafgaand onderzoek uitbesteed om tot een meer in de planningscyclus geïntegreerde evaluatie te komen voor het volledige beleidsdomein.

Opvolging mijlpalen en indicatoren Mijlpalen

Oorspronkelijke verwachting

Status

Alle projecten hebben een goedgekeurd projectplan

2004 MIDDEN

gerealiseerd

Bijdrage aan het regeerakkoord van de Vlaamse Regering

2004 MIDDEN

gerealiseerd

Volledige afstemming MJP/beleidsbrief

2004 EINDE

vertraagd

Opmaak basisset beleidsindicatoren

2004 EINDE

op schema

Indicatoren

Huidige verwachting

2006 EINDE

Realisatie

Doelstelling

Aantal thema’s/delen met volwaardige set outputindicatoren in het MJP

35 (2004)

100 (2005)

Percentage leefmilieukredieten via een geïntegreerde planningscyclus

20 (2004)

100 (2006)

Aanpak jaar 2005 Project: Planningscyclus

Het project wordt volledig gerealiseerd d.m.v. vier projectmaatregelen. In de nabije toekomst zullen er alleszins voor water, natuur, afval en klimaat beleidsplannen worden uitgewerkt. Het is de bedoeling om deze, althans voor wat het aspect leefmilieu betreft, te kaderen in het mina-plan 3. Bij uitbreiding moet in 2005 verder gewerkt worden aan het inbedden van alle meer operationele plannen in een geïntegreerde planningscyclus. Dit principe werd ingeschreven in de voorbereidingen van het project ‘Beter Bestuurlijk Beleid’ (bbb) voor het beleidsdomein Leefmilieu. Het zal echter nog moeten blijken hoe alle diverse onderdelen op een goede manier in elkaar geschoven kunnen worden. Het gaat hier dan niet alleen meer over de globale plan-


mjp2005 deel 7corr

19-05-2005

23:37

Pagina 185

instrumenten

185 deel 7

ningscycli, maar ook over de beheersovereenkomsten en de daaraan gebonden indicatoren en de diverse operationele plannen van de onderscheiden entiteiten. In het netwerk voor de uitvoering van het mina-plan 3 zullen zich ongetwijfeld opstartproblemen voordoen, waaraan verholpen moet worden. Het opstarten en stroomlijnen van de projectwerking in het kader van het mina-plan 3 is hierbij een belangrijke stap. Het gestandaardiseerd rapporteringssysteem zal zijn waarde moeten bewijzen in 2005. Na het verschijnen van de nieuwe beleidsnota zal het belangrijk zijn om op zoek te gaan naar mechanismen om de uitvoering ervan zo goed mogelijk te laten samenlopen met de uitvoering van het mina-plan 3. De aard en de inhoud van de beleidsnota zullen bepalen in welke richting geëvolueerd kan worden. Ondertussen worden de eerste stappen gezet om een betere afstemming in de tijd te bereiken. Het mina-plan 3 wordt hierbij verlengd tot eind 2010. Bij de voorbereidingen van de beleidsnota in 2009 wordt ook een nieuw milieubeleidsplan voorbereid. Na de afwerking van de beleidsnota wordt deze verder gedetailleerd in een ontwerp-milieubeleidsplan dat in de loop van 2010 in openbaar onderzoek kan gaan. Op die manier kan er begin 2011 een nieuw vastgesteld milieubeleidsplan zijn dat in de lijn ligt van de beleidsnota leefmilieu. Vermits de meeste doelstellingen van het huidige plan maar lopen tot eind 2007 wordt op dat vlak een oplossing gezocht voor de periode 2008-2010. De nodige bijsturingen van de aflopende doelstellingen zullen worden voorzien in het mjp 2008. Om het mjp de rol van basisdocument voor de volledige breedte van het beleidsdomein te laten vervullen, is een verdere afstemming tussen begrotingscyclus en milieujaarprogramma nodig. Idealiter biedt het ontwerp-mjp het inhoudelijk en budgettair kader voor de opmaak van de begroting, sporen de cijfers in de begroting en de tekst van het mjp samen en hanteert de toelichting bij de begroting de terminologie uit het minaplan. De informatie, die gevraagd werd bij het opmaken van de begroting 2005, laat toe om weer een stap dichterbij te komen voor wat de koppeling tussen maatregelen uit het mina-plan 3 en de middelen uit de leefmilieubegroting betreft. In 2005 zal deze informatie worden gebruikt in een nieuwe poging om tot een geïntegreerde planningsen begrotingscyclus te komen. Tot het in werking treden van bbb zullen de huidige inspanningen rond beleidsevaluatie op een gelijkaardige wijze verder worden gezet. Ter voorbereiding van een meer in de planningscyclus geïntegreerde evaluatie zullen ook in 2005 verkennende oefeningen uitgevoerd worden en zal gezocht worden naar een toepasbare methodologie. Een globale coördinatie van alle evaluatie-initiatieven en de eerste aanzetten voor beleidseffectenrapporten kunnen maar hun ingang vinden na een eventuele reorganisatie. Teneinde de afstemming inzake beleidsindicatoren (mina-plan, beleidsnota, mjp, begrotingsdocument) te optimaliseren, wordt de basisset van beleidsindicatoren voor het domein leefmilieu verder uitgewerkt. Een relevante selectie van indicatoren uit de basisset moet toelaten om op grote lijnen te rapporteren over het leefmilieubeleid, o.a. concreet toegepast in het mjp 2005. Deze set zal tevens als insteek fungeren voor de opmaak van een indicatorenset bij de beleidsnota. Verder zullen initiatieven genomen worden om de leemten in de basisset op te vullen. In het bijzonder zal de aandacht gaan naar de output-indicatoren en de indicatoren bij de deelhoofdstukken van het mina-plan 3. Parallel zal onderzocht worden hoe op basis van de beleidsindicatoren kan gerapporteerd worden over de beleidsuitvoering en hoe de rapportering en analyse van de indicatoren een volwaardig onderdeel van de jaarcyclus kunnen worden. Aan de hand van een drietal casestudies zal nagegaan worden wat de mogelijkheden zijn, gegeven het


mjp2005 deel 7corr

19-05-2005

23:37

Pagina 186

Milieujaarprogramma

186 2005

huidig aanbod aan beleidsinformatie. Deze oefening zal ook zicht geven op de wijze waarop de huidige indicatorensets kunnen verbeterd worden met het oog op huidige (decretale planningscyclus) en toekomstige (bepalingen uit het Comptabiliteitsdecreet en het Kaderdecreet Bestuurlijk Beleid) vraag naar beleidsinformatie.

Begroting Een deel van de middelen voor strategisch onderzoek zullen worden ingezet voor voorbereidend werk inzake de afstemming van beheers- beleids- en ďŹ nanciĂŤle cycli. Deze middelen zullen worden gebruikt voor beperkte uitbesteding van speciďŹ eke opdrachten in dit kader. Een geregelde inzet van beperkte middelen is ook nodig voor het in stand houden van het plannings- en uitvoeringsnetwerk, o.m. van de gmo-databank.


mjp2005 deel 7corr

19-05-2005

23:37

Pagina 187

instrumenten

187 deel 7

2. Beleidsonderbouwing: kennisverwerving Inleiding Om het geplande wetenschappelijk onderzoek binnen het domein leefmilieu op een systematische wijze bijeen te brengen wordt sinds 1994 een globaal onderzoeksprogramma opgemaakt (twol). Hierbij wordt een poging gedaan om alle door aminal, vmm, ovam, vlm, in en ibw uit te besteden studies op te nemen in één onderzoeksprogramma. Vanaf 1999 wordt een verdere stroomlijning van het wetenschappelijk onderzoek in het domein leefmilieu beoogd. Het toen opgestarte project heeft drie doelstellingen: een meer planmatige aansturing van het wetenschappelijk onderzoek (1), een verbetering van de coördinatie en de procedures (2) en een toename van de bruikbaarheid van de onderzoeksresultaten (3). Het project bevat acht deelprojecten, die alle lopen. Vanuit de opgedane ervaringen is de nood ontstaan om de stroomlijning te verruimen in de richting van eigen onderzoek en datavergaring (bv. monitoring en meetnetten).

Opvolging van de plandoelstellingen ++

| Kennis ontwikkelen die zo goed mogelijk beleidsonderbouwend kan werken en in die zin ook wordt gebruikt

De afgelopen jaren werd een vernieuwde overlegstructuur rond onderzoek opgericht waarbij onderzoeksvoorstellen op hun beleidsrelevantie en -prioriteit worden beoordeeld. Dit resulteert jaarlijks in een inhoudelijk afgelijnd onderzoeksprogramma waarbij zowel strategische als meer operationele onderzoeksvragen aan bod komen. Daarnaast bevat een uitgebreid databeheersysteem al de beleidsrelevante onderzoeksprojecten die door de milieu-overheid de afgelopen jaren werden geprogrammeerd.

+

| De kloof verkleinen tussen de producenten en de gebruikers van wetenschappelijke kennis, zodat op termijn de vraag accurater kan worden gesteld en het aanbod daar beter kan op inspelen

Intern worden de geplande onderzoeksvoorstellen en de onderzoeksresultaten van afgeronde studies via het daarvoor ontworpen databeheersysteem voor alle beleidsmedewerkers beschikbaar gemaakt. Extern worden de belangrijkste onderzoeksgegevens (o.m. doel en -resultaten van het onderzoek) via het internet ontsloten. Voor sommige instellingen is er een probleem omtrent de actualisatie van de onderzoeksgegevens.

Projecten en maatregelen Toelichting en evaluatie tot 2004 Eind 2002 werd voor de stroomlijning van het wetenschappelijk onderzoek een nieuwe coördinatie- en overlegstructuur opgestart. Aan de hand van acht thematische en themaoverschrijdende overlegorganen worden de ingediende onderzoeksvoorstellen


mjp2005 deel 7corr

19-05-2005

23:37

Pagina 188

Milieujaarprogramma

188 2005

ex ante geëvalueerd en wordt gezocht naar synergieën. Het geheel wordt overkoepeld door een stuurgroep Onderzoek. Ook de MiNa-Raad wordt als adviesorgaan ingeschakeld in het nieuwe overlegproces. Het overlegproces voor twol 2003 vertoonde de nodige kinderziektes, maar maakte alleszins het nut van een dergelijke oefening duidelijk. Het overleg voor twol 2004 was duidelijk beter gestructureerd en voorbereid. Men kan vaststellen dat een dergelijk overlegproces noodzakelijk is om een coherent onderzoeksprogramma op te maken. Vertegenwoordigers van andere Vlaamse en federale onderzoeksprogrammerende instanties zijn met het oog op afstemming in de stuurgroep Onderzoek opgenomen. In de voorbije jaren werden enkele voorbereidende studies afgerond die voor een aantal thema’s (natuur, bodem en milieugevaarlijke stoffen) de leemten in de kennis blootleggen en een voorstel doen voor de inhoudelijke krijtlijnen waarbinnen het toekomstig onderzoek zich zou moeten situeren. Ook worden organisatorische aanbevelingen gedaan, die kunnen bijdragen tot een optimale programmering en uitvoering van het onderzoek. Een uitgebreid databeheersysteem (gmo-databank) bevat alle uitbestede en uit te besteden onderzoeksprojecten. De informatie opgenomen in de databank heeft zowel betrekking op gegevens nodig voor de onderzoeksprogrammering als voor de ontsluiting van de onderzoeksresultaten. Recentelijk werd de databank gebruiksvriendelijker gemaakt. Bovendien werd de ontsluiting van een deel van deze gegevens (afgeronde onderzoeksprojecten) via het internet gerealiseerd. Tenslotte werd vorm gegeven aan een gemeenschappelijk begrippenkader en werd een definiëring overeengekomen over wat als onderzoek (in het kader van twol) moet worden gecatalogeerd en welke bijkomende categorieën hierin onderscheiden kunnen worden.

Opvolging mijlpalen en indicatoren Mijlpalen

Oorspronkelijke verwachting

Status

2005 BEGIN

op schema

2005 MIDDEN

op schema

Akkoord over voorwaarden BIP

2004 EINDE

vertraagd

Opmaak ontwerp TWOL-programma 2006

2005 EINDE

op schema

2005 MIDDEN

op schema

2005 EINDE

vertraagd

2006 EINDE

2004 MIDDEN

vertraagd

2004 EINDE

Realisatie

Doelstelling

Uitvoeringspercentage van het TWOL-programma

60 (2004)

85 (2007)

Aantal ontsloten afgeronde onderzoeksprojecten

150 (2004)

350 (2007)

0 (2004)

2 (2007)

(ontwerp)Inventaris meetnetten en monitoring Programma van aanpak meetnetten en monitoring

Opmaak en actualisatie onderzoekskaders Initiëren onderzoeksprogramma Afstemming met onderzoeksprogramma IN en IBW gerealiseerd

Indicatoren

Aantal opgestarte strategische onderzoeksprogramma’s

Huidige verwachting

2005 MIDDEN


mjp2005 deel 7corr

19-05-2005

23:37

Pagina 189

instrumenten

189 deel 7

Aanpak jaar 2005 Project: Wetenschappelijk onderzoek

Net als andere jaren zal de noodzakelijke tijd besteed worden aan de opmaak van het twol-programma. Het voorziene tussentijdse evaluatiemoment zal gehanteerd worden om in overleg het lopende onderzoeksprogramma waar nodig bij te stellen. De directe opvolging van de uitvoering zal ook hiertoe versterkt worden. Het Globaal Onderzoekskader, dat de grote onderzoekslijnen bevat die inhoudelijk richting geven aan de ingediende onderzoeksvoorstellen, zal worden geactualiseerd. Dit onderzoekskader vult de huidige bottom-up benadering van twol aan. Zij vormt het kader waarbinnen projectvoorstellen worden geformuleerd en op een logische wijze met de beleidsplanning en -rapportering samenhangen. In het zoeken naar dergelijke onderzoekslijnen dienen zo veel mogelijk actoren te worden betrokken (opdrachtgevers, dienstverleners en gebruikers). Deze onderzoekslijnen dienen als een logisch geheel o.m. voort te vloeien uit de milieubeleidsplanning en -rapportering. Het onderzoekskader zal worden gehanteerd bij de beoordeling van de ingediende onderzoeksvoorstellen tijdens het overlegproces in het kader van de opmaak van het twolprogramma 2006. Bij de initiatieven tot stroomlijning wordt best een onderscheid gemaakt tussen het meer strategisch versus het operationeel onderzoek, ook al is dit onderscheid niet altijd even duidelijk. Het meer strategisch onderzoek zal zich beter lenen tot een inbedding in beleidslijnen, het samenstellen van een coherent programma en het uitwerken van een budgettair implementatieplan (BIP). Dit laatste kan ertoe leiden dat de procedures voor uitbesteding worden vereenvoudigd, indien de programmering vooraf duidelijk is. Het initiëren van thematische en/of themaoverschrijdende strategische onderzoeksprogramma’s is een van de beoogde prioriteiten. Hierbij is het de bedoeling om de onderzoekscapaciteit in een bepaald domein te stimuleren en de beleidsvoorbereiding te ondersteunen. De klemtoon zal hierbij o.m. liggen op beleidsverkennend langetermijnonderzoek. In 2006 zal, indien dit financieel haalbaar is, dit voor een thema ofwel themaoverschrijdend worden uitgewerkt. Bij de opmaak van het onderzoeksprogramma 2005 werden de werkprogramma’s van het in en het ibw mee in de programmering betrokken. Doel is een optimale afstemming in de onderzoeksprogrammering te bekomen. Er werd gepoogd om de timing van de mira-onderzoeksprogrammering te laten aansluiten bij de globale twol-programmering. Met het vito zal, in het kader van de strategische onderzoeksprogrammering, overlegd worden. Inmiddels werden diverse in de gmo-databank aanwezige onderzoeksgegevens beschikbaar gemaakt voor derden via het internet. De gegevens dienen hiertoe voldoende kwaliteitsvol te zijn én volledig, wat dikwijls een knelpunt is. De interne verspreiding en consulteerbaarheid van de onderzoeksgegevens wordt via de gmodatabank en het extranet continu geoptimaliseerd. Project: Meetnetten en monitoring

Het project is effectief van start gegaan in het najaar van 2004. In een eerste fase werd de overlegstructuur geconcretiseerd. In 2005 zal verder aansluiting gezocht worden met reeds bestaande overlegplatformen, initiatieven en het (lopende) onderzoek. In het voorjaar zal gestart worden met de opmaak van een inventaris van bestaande meetnetten, inventarissen, monitoring en surveys. In een eerste fase zal dit gebeuren


mjp2005 deel 7corr

19-05-2005

23:37

Pagina 190

Milieujaarprogramma

190 2005

voor de watermeetnetten. Hierbij zal zoveel mogelijk beroep worden gedaan op bestaande overzichten. Doel is om het huidig aanbod aan gegevensverzameling te toetsen aan de behoeften en hieruit aanbevelingen te doen naar de verdere verfijning en/of uitbouw van inventarissen, meetnetten en monitoring. Met betrekking tot de verder uitbouw van meetnetten en inventarissen, zal het project in 2005 vooral ondersteunend werken bij de initiatieven die in kader van de uitvoering van het mina-plan 3 worden opgestart. Via de overlegstructuur zal er tevens over gewaakt worden dat de output van een aantal op te starten studies bijdraagt tot de projectdoelstelling. Dit is o.a. het geval voor de studies “afwegingskader en rekenmodel bij de bepaling van de steekproefgrootte in beleidsgerichte monitoring”, “Geïntegreerde monitoring van de biodiversiteit van de terrestrische natuur” en de lopende studies ter voorbereiding van de monitoring voor de kaderrichtlijn Water. Rol van de interne kennisopbouw verduidelijken

In 2005 zal vanuit het project “Wetenschappelijk onderzoek” (zie hoger) verder richting worden gegeven aan de opmaak van een beleidsgericht onderzoeksprogramma, dat het kader vormt waarbinnen onderzoeksvoorstellen worden uitgeschreven. De specifieke overlegstructuren worden daartoe verder uitgebouwd. Verder dient erover gewaakt dat de onderzoeksoutput maximaal gevaloriseerd kan worden voor gebruik in de fasen van voorbereiding, uitvoering en evaluatie van het beleid. Deze bekommernis zal ook worden meegenomen bij de opvolging van het Steunpunt Milieubeleidswetenschappen. Tenslotte moet er meer aandacht zijn voor de kwaliteit van het eigen onderzoek (b.v. modelleringen) en gegevensverzameling. Wat betreft de monitoring van milieu en natuur, zullen de activiteiten in uitvoering van het project “Meetnetten en monitoring” hiertoe bijdragen (zie hoger).

Begroting 10% van het artikel, in het leven geroepen om thema-overschrijdend en strategisch onderzoek te financieren wordt besteed aan het project ‘Meetnetten en monitoring’, niet voor de financiering van de monitoring op zich, wel voor verkennende opdrachten ter onderbouwing van gemeenschappelijke vraagstukken en van het project in zijn geheel.


mjp2005 deel 7corr

19-05-2005

23:37

Pagina 191

instrumenten

191 deel 7

3. Beleidsonderbouwing: informatiebeheer Inleiding Milieukennis en milieu-informatie zijn elementaire bouwstenen voor de voorbereiding, de uitvoering, de evaluatie en de onderbouwing van het milieubeleid. Het proces om tot bruikbare en geïntegreerde milieu-informatie te komen vergt afstemming en koppeling van alle mogelijke informatielagen. Naast informatie uit de milieumeetnetten of de monitoring van het milieu in het algemeen komt er ook geschikte informatie uit instrumentengebonden dossieropvolging. Tevens is een belangrijk deel van de milieu-informatie en daaruit voortvloeiende beleidsmaatregelen lokatiegebonden en kan deze gesitueerd worden op een kaart en via een geoloket beschikbaar worden gesteld. Dergelijke geoloketten kunnen tevens milieu-informatie integreren en combineren, wat ze zeer geschikt maakt als beleidsonderbouwend instrument.

Opvolging van de plandoelstellingen

| Geïntegreerde milieu-informatie ontsluiten voor specifiek afgelijnde doelgroepen, instellingen en bestuursniveaus

Projecten en maatregelen Toelichting en evaluatie tot 2004 Het project “Milieu Management InformatieSysteem” (mmis) is sinds maart 2000 operationeel. Dit project wordt opgevolgd door de Milieuinfostuurgroep. Momenteel wordt het merendeel van het voorziene budget van de Milieuinfostuurgroep besteed aan mmis-projecten. De mmis-projecten kunnen naargelang hun karakteristieken opgedeeld worden in: • projecten die werken aan de basis-databanken als onderdeel van één logische milieudatabank en het koppelen en/of raadpleegbaar maken van milieu-informatie tussen de milieu-instanties; • het opzetten van referentiedatabanken om milieu-informatie die aanwezig is bij de milieu-instanties aan elkaar te koppelen; • het ontsluiten van al deze milieu-informatie naar burgers en ondernemingen en het opzetten van internetloketten voor dossieropvolging en de uitwisseling van milieu-informatie. Het faciliteren van basisinformatiesystemen bij milieu-instanties wordt verzorgd. De databanken en informatiesystemen (visinformatiesysteem, natuurgebiedendatabank, databank watersysteemkennis, databank ondergrond Vlaanderen, codering stilstaande wateren, rioleringsinfrastructuur, databank fauna en flora, monitoringsdatabank natuur en indicatorendatabank) werden opgestart en worden stapsgewijs in productie gebracht.


mjp2005 deel 7corr

19-05-2005

23:37

Pagina 192

Milieujaarprogramma

192 2005

Opvolging mijlpalen en indicatoren Mijlpalen

Oorspronkelijke verwachting

Status

Huidige verwachting

2004 EINDE

vertraagd

2005 EINDE

Opzetten van de nieuwe milieuvergunningendatabank

2005 MIDDEN

op schema

Prototype CAB (ten behoeve van loket

2005 MIDDEN

op schema

Geoloket milieuvergunningen

2004 EINDE

vertraagd

2005 MIDDEN

Oplevering definitieve versie van het Vis Informatie

2004 EINDE

vertraagd

2005 MIDDEN

Operationeel CBB met conversie

‘Integraal Milieujaarverslag’)

Systeem met alle noodzakelijke functionaliteit Internet-toepassing voor de opvraging van alle gegevens

2005 EINDE

van de milieuvergunningen (incl. ingescande voorwaarden) Internettoepassing begeleiding milieuvergunningen Koppeling register digitale IMJV’s aan het

2004 MIDDEN

2005 MIDDEN

2006 EINDE

op schema

2005 EINDE

op schema

2005 EINDE

op schema

Milieuvergunningenregister Operationeel IMJV-loket scenario 2006 (zowel organisatie, communicatie als ICT-luik) Opzetten van het milieuvergunningenloket (incl. koppeling met CBB en CAB) fase 1

Indicatoren

Realisatie

Doelstelling

Gebruik van het CBB in alle milieudossiers: Gewestelijke instanties

100 (2005)

Gebruik van het CBB in alle milieudossiers:Gemeenten

100 (2005)

Geoloketten Leefmilieu en Natuur

4 (2003)

Aandeel gemeenten die het digitale loket Natuurvergunningen gebruiken

10 (2004)

75 (2005)

Aanpak jaar 2005 Project: Milieu-informatie

1. 2. 3. 4. 5.

Opzetten en beheer van referentiedatabanken voor het beleidsdomein Leefmilieu en Natuur (o.a. Centraal bedrijvenbestand cbb en Centraal Activiteitenbestand cab). Het opzetten van het cbb heeft reeds een heel traject achter de rug. Het werk in 2005 omvat: vervolg conversie van alle beschikbare gegevens in het cbb (Graydon/ewbl-bestanden), databanken van vmm en ovam vervolg matching van het cbb met de databanken van ovam, vmm, vlm en aminal (Vergunningendatabank, Databank Ondergrond Vlaanderen) implementatie van de communicatiemodules tussen het cbb en de koepeldatabanken van vmm, ovam, vlm en aminal. Implementatie van het cab ten behoeve van het Integraal Milieujaarverslag en het Milieuvergunningenloket Koppeling van het cbb aan de Vlaamse Kruispuntbank Ondernemingen (vkbo)


mjp2005 deel 7corr

19-05-2005

23:37

Pagina 193

instrumenten

193 deel 7

Opzetten van een gemeenschappelijk georeferentiesysteem: In 2005 worden een aantal generieke geografische databanken zoals het kadaster, het Centraal Referentie Adressenbestand, het gewestplan/Ruimtelijk Uitvoeringsplan via een uniform uitwisselingssysteem beschikbaar gesteld aan alle gewestelijke milieuinstanties. Dit gebeurt in het kader van gis Vlaanderen en in samenwerking met arohm en het Ondersteunend Centrum gis Vlaanderen. Beheer van het milieu-extranet en de uitbouw van een operationele back-office voor het beleidsdomein: Optimaliseren van de monitoring van het milieu-extranet (bandbreedte, gebruikstatistieken), realiseren van de toegang tot het milieu-extranet voor nieuwe partners (aminal, afdeling Water, ahrom, awz) via huurlijnen of vpn-technologie en integratie van het milieu-extranet binnen gelijklopende initatieven van de Vlaamse overheid. Verder beheren van de extranetwebsite http://extranet.milieuinfo.be gericht naar de ambtenaren van de aangesloten (milieu-) instanties voor het uitwisselen van ‘interne’ informatie. Synchroniseren van de milieu-ldap (toegangsbeheer via één gebruikersnaam en wachtwoord) met de ldap-systemen van de gewestelijke milieu-instanties voor de toegang tot de generieke toepassingen van het beleidsdomein (zoals website-beheer, beheer Centraal bedrijvenbestand, Milieuvergunningenloket, document-sharing systeem Circa,...). Optimaliseren van processen, informatiebehoeften en informatiestromen binnen het beleidsdomein Leefmilieu en Natuur: De behoefteanalyse m.b.t. de toegang tot milieu-informatie die in 2004 werd opgesteld zal als basis dienen voor de heroriëntering van een aantal mmis-projecten in 2005.

1. 2.

3.

4.

5. 6.

Beschikbaar stellen van informatie over leefmilieu en natuur via geïntegreerde informatiesystemen en geoloketten, optimaliseren van uitwisseling van geo-informatie betreffende leefmilieu en natuur. In 2005 worden de volgende projecten opgevolgd: verdere implementatie van het Vis Informatiesysteem: verspreiding visgegevens en in Vlaanderen Prototype geoloket exploitaties (milieuvergunningen, klasse 1 en 2) in Vlaanderen: metainformatie over vergunningen, koppeling met milieuvergunningenregister, o.a. milieuvergunningsvoorwaarden (klasse 1) Oppervlaktewaterinformatiesysteem owis (aminal, vmm, ibw/in, awz) - Koppeling Hydronet (aminal afdeling Water) - Hydra (awz, Waterbouwkundig Laboratorium): databanken kwantiteitsgegevens waterlopen - Uitbreiden van de Vlaamse Hydrografische Atlas met een coderingsysteem voor stilstaande waters - Afvalwaterinformatiesysteem (awis, vmm): Ondersteuning rioleringsdatabank bij de gemeenten via geïntegreerde toepassingen. Ondersteuning in de uitbouw van een geïntegreerd informatiesysteem voor indicatoren m.b.t. leefmilieu en natuur (rapportage mira-nara, beleidsevaluatie), in overleg met de Administratie Planning en Statistiek (Vlaamse indicatorendatabank). Gegevens uit de Natuurgebiedendatabank beschikbaar stellen via een geoloket Een nieuwe versie van de Milieunavigator (geïntegreerde databank Milieuwetgeving): Implementatie bij het vito.

Optimaliseren van de toegang naar de verschillende informatiesystemen bij de milieuinstanties, o.a. ten behoeve van entiteitsoverschrijdende processen. In 2005 worden de volgende projecten opgevolgd: 1. Implementeren van de ontsluiting avos (dossieropvolging vergunningsadviezen vmm) naar aminal (afdelingen milieuvergunningen en milieu-inspectie) via het milieu-


mjp2005 deel 7corr

19-05-2005

23:37

Pagina 194

Milieujaarprogramma

194 2005

extranet. Toegang verlenen voor de diensten van aminal tot de emissie- en immisiegegevens van waterkwaliteit van de vmm in het kader van de adviezen voor lozingsvergunningen. 2. Implementatie van projecten die resulteren uit de geactualiseerde behoefte-analyse Beheren van de internetwegwijzer milieuinfo.be en andere overkoepelende websites voor het beleidsdomein. In 2005 worden de volgende activiteiten uitgevoerd: • betere integratie van de verschillende websites naar de wegwijzer www.milieuinfo.be en afstemmen van de categorisering (ten behoeve van de navigatie), zowel intern (binnen het beleidsdomein Leefmilieu en natuur) als extern (ten behoeve van de portaal vlaanderen.be) • uitbreiden van diverse websites met specifieke databanktoepassingen, fora, documentensystemen e.a. • betere ondersteuning van het inhoudsbeheer (Content Management System) van de diverse websites.

• • • •

Opzetten en beheren van het Milieuvergunningenloket. In 2005 wordt de volgende onderdelen van het Milieuvergunningenloket (eMIL) uitgebouwd: interactieve internettoepassing voor het invoeren van de aanvraag van een milieuvergunning via internet analyse van het databank-model en functionaliteit voor de milieuvergunningendatabank (het register) in het kader van het milieuvergunningenloket uitbouwen van de backoffice voor alle procedures m.b.t. milieuvergunningen (aanvraag, wijziging, beroep,...), samen met provincies en gemeenten. implementeren van een internettoepassing voor het bevragen van alle informatie over milieuvergunningen via internet (incl. de vergunningsvoorwaarden, ...).

Opzetten en beheren van een gemeenschappelijk Milieuloket, piloot imjv-loket (Integraal Milieujaarverslag). In 2005 worden alle deelprojecten verder afgewerkt: 1. de evaluatie van het imjv zelf gebeurt verder door interne consolidatie met alle betrokken milieu-instanties; tegelijkertijd wordt via een externe opdracht de evaluatie van alle meet-, registratie- en informatieplichten verder gezet voor alle sectoren 2. stapsgewijs uitbouwen van de backoffice die noodzakelijk is voor de verwerking van de binnengekregen imjv’s van de bedrijven. Dit werk wordt voorbereid met een impactstudie (uitgevoerd voor vmm eind 2004), voor ovam en aminal begin 2005 3. optimaliseren van het internetloket voor het imjv. De backoffice voor het imjv zal pas in 2007 volledig operationeel zijn.

• • • • •

Opzetten van het natuurvergunningenloket en integreren van vergunningsadviezen. Uitbreiden van het Natuurvergunningenloket met extra functionaliteit: toegang van het internetloket tot de burger (aanvrager): indienen aanvraag, opvragen van de status van het aanvraagdossier, openbaar onderzoek via internet extra beheerfunctionaliteit (ondersteunend geoloket en extra rollen voor natuurwachters) detaillering van de rollen voor de dossierafhandeling door gemeenten en provincies aanvullen van de databank met historische gegevens (oude dossiers) digitale uitwisseling met de dossiers van de bouwvergunningen waarvoor een advies van afdeling Natuur, Bos&Groen of Land nodig is. Integratie van de verschillende vergunningenstelsels (milieuvergunningen, bouwvergunningen en natuurvergunningen).

Begroting Er zijn specifiek kredieten voorzien voor het project uit dit hoofdstuk. Zij bedragen in 2005 nog ca. 450 keuro.


mjp2005 deel 7corr

19-05-2005

23:37

Pagina 195

instrumenten

195 deel 7

4. Beleidsonderbouwing: rapportering Inleiding In dit deel bespreken we de maatregelen met betrekking tot de ontwikkeling en verbetering van de rapporteringssystemen mira (milieurapport) en nara (natuurrapport). Deze maatregelen werden opgenomen met als doel de huidige rapporteringen te optimaliseren en te integreren als volwaardig beleidsondersteunend instrument voor de verschillende beleidsniveaus. De rapportering van milieu en natuur is een cruciaal instrument om zowel het gevoerde als geplande beleid (wetenschappelijk) te onderbouwen en te evalueren. Een verdere afstemming met de beleidsplanning is hiertoe noodzakelijk. De rapportering vormt aldus een antwoord op vragen van interne beleidsmakers binnen het beleidsdomein leefmilieu, maar ook van externe beleidsmakers en internationale organisaties. Bovendien vervult de rapportering ook een belangrijke rol in de informatieverstrekking van de geïnteresseerde burger. Voor een goede rapportering moet de kennis continu uitgebreid en aangescherpt worden. Ook is een vlotte doorstroming en harmonisatie van de databestanden van de verschillende Vlaamse instellingen en instituten noodzakelijk. De stroomlijning van het wetenschappelijk onderzoek (zie ‘Kennisverwerving’) en de uitbouw van de milieudatabank (zie ‘Informatiebeheer’) moeten hiertoe bijdragen. Anderzijds worden vanuit de rapportering ook behoeften geformuleerd, b.v. naar beschikbaarheid van (meet)gegevens, de kwaliteit van de gegevens, doelstellingen en normering. Bij de uitwerking van het project “Meetnetten en monitoring” kunnen deze behoeften meegenomen worden.

Opvolging van de plandoelstellingen

| De rapportering optimaliseren en integreren als beleidsondersteunend instrument voor de verschillende bestuursniveaus

Naast de interne optimalisatie wordt meer en meer overleg gepleegd teneinde de rapporteringen beter af te stemmen o elkaar en deze beter te laten aansluiten bij de beleidsplanning, -opvolging en -evaluatie.

Projecten en maatregelen Toelichting en evaluatie tot 2004 mira verstrekt informatie over de toestand en de evolutie van de milieukwaliteit aan beleidsverantwoordelijken en geïnteresseerde burgers. Het eerste milieurapport “Leren om te keren” werd gepubliceerd in 1994, gevolgd door een tweede editie in 1996. In 1998 werd beslist om drie soorten rapporten uit te werken, dit om een betere afstemming met de mieubeleidsplanning te bewerkstelligen. Ter onderbouwing van het milieujaarprogramma worden jaarlijks themarapporten opgesteld (mira-t). Ter voorbereiding van het milieubeleidsplan, worden scenariorapporten (mira-s) opgemaakt, met een eerste editie in 2000. In 2003 werd het eerste milieubeleidsevaluatierapport mira-be 2003 gepubliceerd. In dit rapport zijn vier afgebakende delen van de belangrijke beleidsdomeinen Water en Afval geanalyseerd en geëvalueerd. Eind 2003 werd het jaarlijkse themarapport (mira-t 2003) gepubliceerd. Sinds de eerste editie in 1998 is er een duidelijke evolutie naar een meer indicatorgerichte rapportering van de


mjp2005 deel 7corr

19-05-2005

23:37

Pagina 196

Milieujaarprogramma

196 2005

milieukwalitei in de jaarlijkse themarapporten zichtbaar. Bij de voorbereiding van mira-t 2004 (publicatie in december 2004) is aan de auteurs gevraagd bijzondere aandacht te besteden aan de selectie van beleidsrelevante indicatoren en de laatste stand van zaken in de wetenschappelijke kennis. Sinds het Natuurdecreet van 1997, brengt het Natuurrapport (nara) tweejaarlijks informatie over de toestand van de natuur in Vlaanderen en het beleid terzake (1999, 2001, 2003). In 2004 werd een onderzoek naar de impact van het nara uitgevoerd. Hieruit bleek onder andere dat de verwachtingen van het beleid ten aanzien van het nara zeer divers zijn. De resultaten uit de analyse werden meegenomen in de voorbereidingen voor nara 2005. Bij de vorbereiding van het nara 2005 lag het accent op veelvuldige communicatie en een brede participatie, om de diverse behoeften zo goed mogelijk in de producten mee te nemen. De stuurgroep werd in die zin ook hervormd. Met betrekking tot de afstemming tussen de verschillende rapporteringen, zowel binnen Vlaanderen als internationaal, kunnen twee initiatieven worden vermeld. In 2002 werd de werkgroep indicatoren (mira, nara, aminal, vmm, vlm, ovam en aps) opgericht en dit naar aanleiding van de opmaak, de opvolging en de rapportering van een set van indicatoren bij de Beleidsnota Leefmilieu en Natuur. Begin 2004 ging tevens de voim-werkgroep milieugegevens (vmm, ovam, vlm, aminal, aps en in) van start met als doel de uitwisseling van milieu-informatie (o.a. internationale rapporteringen, indicator-initiatieven, ...) van en naar de internationale instellingen op te volgen. Beide initiatieven bieden een overlegplatform om verdere afstemming tussen de rapporteringssystemen binnen Vlaanderen te bewerkstelligen.

Opvolging mijlpalen en indicatoren Mijlpalen

Oorspronkelijke verwachting

Status

Publicatie jaarlijks milieurapport MIRA-T 2004

2004 EINDE

op schema

Publicatie tweejaarlijks milieubeleidsevaluatierapport

2005 EINDE

op schema

2005 MIDDEN

op schema

Huidige verwachting

MIRA-BE 2005 Publicatie tweejaarlijks natuurrapport NARA 2005

Aanpak jaar 2005 Aftstemmen tussen rapporteringssystemen

Ter bevordering van de inhoudelijke afstemming tussen mira en nara wordt het overleg in 2005 gecontinueerd. Daarnaast worden binnen de werkgroep indicatoren ook initiatieven genomen om de rapportering over milieu en natuur in het vrind-rapport beter af te stemmen met de mira- en nara-rapporten. SpeciďŹ ek overleg zal georganiseerd worden naar aanleiding van de opmaak van vrind-2004 in het voorjaar van 2005. Op niveau van de eu (dg-env) wordt een proces tot herziening van de huidige monitoring en rapportering voorbereid. Ook bij andere internationale instellingen zijn initiatieven lopende ter verbetering van de rapportering (oeso, ema). De voim-werkgroep milieugegevens volgt deze initiatieven op de voet op zodat, waar relevant, er een doorvertaling naar de Vlaamse milieu- en natuurrapportering kan geschieden. Teneinde de milieu- en natuurrapportering beter te laten aansluiten bij de milieubeleidsplanning zal regelmatig overlegd worden. Meer in het bijzonder zal in het voorjaar van 2005 in samenspraak met de werkgroep indicatoren en de planningsgroep nagegaan worden hoe het aanbod aan beleidsinformatie (rapportering) nog beter kan


mjp2005 deel 7corr

19-05-2005

23:37

Pagina 197

instrumenten

197 deel 7

afgestemd worden op de vraag (planning, evaluatie van beleidsmaatregelen, formulering van beleidsopties). MIRA verder ontwikkelen en verbeteren

Binnen de milieurapportering is het nodig om, naast de ontwikkeling van beleidsrelevante indicatoren, ook de kennis over de verbanden tussen de verschillende schakels van de milieuverstoringsketen verder uit te breiden. Deze informatie moet toelaten om de toekomstverkenningen van het eerstvolgende scenariorapport mira-s 2006 beter te onderbouwen. In de voorbereiding van mira-be 2005 (publicatie najaar 2005) wordt afstemming gezocht met onderzoek uitgevoerd door het Steunpunt Milieubeleidswetenschappen. NARA verder ontwikkelen en verbeteren

Midden 2005 zal het vierde Natuurrapport verschijnen. Dit zal bestaan uit een digitaleindicatorenset, het rapport (met aandacht voor enerzijds vlotte consulteerbaarheid, en anderzijds diepteanalyse) en een aantal samenvattingen voor speciďŹ eke doelgroepen (Vlaams beleid, internationaal beleid, onderzoeksprogrammering, breed publiek). Er zal ook getracht worden om de informatie uit het Natuurrapport in andere beleidsdomeinen toe te lichten. Ondertussen wordt verdergewerkt aan de optimalisatie en versterking van de monitoring die de natuurrapportering ondersteunt.

Begroting Het betreft hier in hoofdzaak budgetten, ingezet door vmm en in, voor opmaak van mira en nara. Deze middelen lijven ongeveer constant (ca. 700 keuro voor mira).


mjp2005 deel 7corr

19-05-2005

23:37

Pagina 198

Milieujaarprogramma

198 2005

5. Beleidsuitvoering: sociale instrumenten Inleiding Sociale instrumenten kenmerken zich doordat hun werking gebaseerd is op informatieverspreiding, educatie en communicatie en doordat ze uitgaan van vrijwilligheid en overreding. De overheid zet sociale instrumenten in het leefmilieubeleid in om het milieubewustzijn van individuen of groepen te vergroten met het oog op de vermindering van de milieubelasting van hun activiteiten. Sinds de Vlaamse overheid pleit voor milieuvriendelijk gedrag en maatregelen naar doelgroepen toe (bv. het stimuleren van de invoering van milieuzorgsystemen bij bedrijven) kan ze zelf niet achterblijven en moet ze minstens de ambitie hebben om het even goed te doen. Prioritair in het Vlaamse beleid is het verbeteren van de coördinatie en de planning van het communicatiebeleid en van de interne milieuzorg binnen de overheid. In het regeerakkoord van de huidige Vlaamse Regering wordt de noodzaak tot milieuzorg binnen de Vlaamse overheid en haar overheidsinstellingen onderschreven.

Opvolging van de plandoelstellingen

| De transparantie, de efficïentie en de effectiviteit van milieucommunicatie verhogen

Projecten en maatregelen Toelichting en evaluatie tot 2004 In opvolging van het Vlaamse regeerakkoord besliste de Vlaamse Regering in 2002 dat alle entiteiten van de Vlaamse overheid vanaf 2003 milieuzorg verplicht dienen in te voeren. Voor de invoering werd een implementatieplan uitgewerkt vertrekkende vanuit een centrale aansturing en een decentrale invulling op niveau van de entiteiten. Er werden vier milieuzorgniveaus gedefinieerd die gebaseerd zijn op het principe van zelfcontrole en de hierop volgende bijsturing door het management. Op basis van de resultaten van het vooronderzoek en na overleg met de betrokken entiteiten werd in een nieuwe beslissing van de Vlaamse Regering voor elke entiteit een milieuzorgniveau vastgelegd. Op niveau van de entiteiten: De entiteiten voeren hun eerste actieplan milieuzorg (2004) uit. Er werden verschillende vormingen georganiseerd voor de aanspreekpunten. Er wordt een evaluatie verwacht van dit actieplan door elke entiteit, die tevens de basis vormt voor de opmaak van het volgende actieplan. Op centraal niveau: In augustus werd de opdracht voor de evaluatie van het gehele project opgestart. Daarnaast vindt ook een evaluatie van de communicatieacties plaats ter voorbereiding van de communicatiecampagne 2005. De opdracht voor de optimalisatie van imas voor de volgende cyclus werd begin september afgerond. In april ging de themacampagne 2004 rond afval van start, momenteel wordt de derde fase voorbereid. De eerste stappen werden gezet i.s.m. de administratie Personeelsontwikkeling voor de opname van milieuzorg in de functiebeschrijvingen van de (leidend) ambtenaren en alle entiteiten werden opnieuw uitgenodigd om lid te worden van de adviesgroep


mjp2005 deel 7corr

19-05-2005

23:37

Pagina 199

instrumenten

199 deel 7

interne milieuzorg. Tot slot werden in drie grote administratieve gebouwen in Brussel werkgroepen milieuzorg opgericht en werd met de dab catering samengewerkt rond de opname van milieucriteria in de bestekken. Sinds een aantal jaren coördineert het Communicatie-overleg Leefmilieu Vlaanderen (colev) de jaarlijkse opmaak van een communicatieplan voor het Beleidsdomein Leefmilieu en Natuur. Dit plan is een gecoördineerde lijst van externe communicatieacties van aminal, vmm, vlm, ovam en de wetenschappelijke instituten (hierna ‘partners’ genoemd). Het communicatieplan 2004 werd verbeterd door de acties te kaderen in het mina-plan 3 en te situeren t.a.v. het aida concept (Attention, Interest, Desire, Action). Alle partners namen deel aan beurzen als Agribex, Agriflanders, Ifest, Internationale werktuigdagen via een Vlaams milieupaviljoen. Een eerste ontwerpnota voor een gestroomlijnde communicatie met de lokale overheden werd opgesteld. Deze nota geeft de motivering, een stand van zaken, het beleidskader, rol van de strategie, criteria waaraan de strategie moet voldoen, kritische succesfactoren en een timing voor de ontwikkeling van de strategie. Het colev zal dit verder concreet uitwerken in overleg met het Centraal Aanspreekpunt Lokale Overheden (caplo) dat instaat voor de coördinatie van een duurzaam lokaal beleid op Vlaams niveau. De wegwijzersite www.milieuinfo.be ontsluit sinds 2003 de informatie op de websites van de verschillende entiteiten van het beleidsdomein en fungeert op die manier als on line informatieloket milieu en natuur. De wegwijzerfunctie wordt, rekening houdend met verdere ontwikkelingen van de Vlaamse portaalsite www.vlaanderen.be, verder uitgebouwd. In het kader van nme werd een beleidsplan opgesteld. Bij de doelgroep onderwijs stijgt het aantal mos-scholen (Milieuzorg op School) dat werkt aan milieuthema’s afvalpreventie, water, energie, mobiliteit, natuur op school, materialen en keuken kantine. Tevens werd een werking ‘Milieuzorg op de hogescholen’ op de sporen gezet. Daarnaast werd het project ‘Vergroening van de schoolomgeving’ heropgestart. Voor de doelgroep buitenschoolse jeugd bracht de werking JeROM (Jeugd, Ruimte, Omgeving en Milieu) i.s.m. het Steunpunt Jeugd de publicatie ‘Loslopend Wild’ op de markt, met tips en activiteiten om milieusparend te kamperen, en werd het milieuzorgproject ‘Ecospot’ opgestart voor jeugdhuizen. Voor de doelgroep socioculturele verenigingen werden vormingspakketten rond voeding, energie en milieuvriendelijk huishouden gerealiseerd en werden de noden van de socioculturele sector in enkele potentiële acties verder afgetast. In de nme-centra De Helix en De Vroente werd de geleidelijke verbreding naar andere dan schoolse doelgroepen verdergezet, werd er verder gewerkt aan de ontwikkeling van een innoverend educatief aanbod en kreeg het vormingsaanbod naar intermediairen meer aandacht om het multiplicatoreffect te realiseren. Wat de themawerking ‘Landbouw en milieu’ betreft, werden enkele projecten rond draagvlakverbreding opgestart. In het kader van het thema Durzame consumptie- en productiepatronen is de Schoolkoopwijzer verbreed tot een Milieukoopwijzer die zich naast scholen ook richt naar openbare besturen en administraties. In het kader van het Subsidiebesluit werden negen nme-projecten geselecteerd. In het najaar werd het nme-overlegplatform als voornaamste overlegorgaan gestroomlijnd om de doorstroming met het brede nme-veld te optimaliseren.


mjp2005 deel 7corr

19-05-2005

23:37

Pagina 200

Milieujaarprogramma

200 2005

Opvolging mijlpalen en indicatoren Mijlpalen

Oorspronkelijke verwachting

Status

Opmaak milieucommunicatiestrategie

2004 EINDE

op schema

Start uitvoering milieucommunicatiestrategie leefmilieu

2005 EINDE

op schema

Meerjarenactieplan volwassenen/gezinnen/socioculturele

2004 EINDE

gerealiseerd

Milieukoopwijzer operationeel

2004 EINDE

gerealiseerd

Modernisering NME-inventaris Vlaanderen

2005 BEGIN

op schema

Opstart project ‘Vergroening van de schoolomgeving’

2004 EINDE

op schema

2005 MIDDEN

op schema

2004 EINDE

op schema

2005 BEGIN

vertraagd

2004 EINDE

op schema

Huidige verwachting

verenigingen

Afronden van ontwerpnota met voorstel van beslissing van de

2005 BEGIN

Vlaamse Regering voor de verdere opvolging van de invoering van milieuzorg in de entiteiten van de Vlaamse overheid Beslissing van de Vlaamse Regering interne milieuzorg doelstellingen 2005 Beslissing van de Vlaamse Regering interne milieuzorg

2005 MIDDEN

na 2005 Evaluatie rond interne milieuzorg in de entiteiten

Indicatoren

Realisatie

Doelstelling

32 (2004)

40 (2005)

50 (2004)

65 (2005)

Aantal (sub)entiteiten met actieplan milieuzorg: milieuzorgniveau 1

9 (2004)

11 (2005)

Aantal (sub)entiteiten met actieplan milieuzorg: millieuzorgniveau 2

51 (2004)

62 (2005)

Aandeel scholen die deelnemen aan het educatieve project ‘Milieuzorg op school’: basisscholen Aandeel scholen die deelnemen aan het educatieve project ‘Milieuzorg op school’: secundair

Aanpak jaar 2005 Project: Interne milieuzorg

Op centraal niveau loopt een evaluatie van het gehele project. Die evaluatie moet de aanzet geven tot een voorstel van beslissing van de Vlaamse Regering over de verdere ondersteuning van de invoering van milieuzorg in de entiteiten en de voortgangscontrole ervan. Ook de rol en plaats van de Centrale Coördinatiecel Milieuzorg (ccm) zal verder bekeken worden. Streefdoel is om voor het zomerreces 2005 hierover duidelijkheid te hebben. Op basis van die beslissing worden in 2005 de nodige voorbereidingen getroffen voor de verdere ondersteuning van milieuzorg na afloop van het huidige project (imas, rol, plaats en samenstelling ccm,...). In 2005 zullen de thema’s energie en mobiliteit centraal staan. Voor beide thema’s zal met alle betrokkenen binnen de Vlaamse overheid een vijfjarenplan opgesteld worden. De reeds in 2005 opgestarte activiteiten zullen verder gezet worden: vorming, communicatie rond het nieuwe jaarthema, begeleiding van entiteiten. De ondersteuning van de drie werkgroepen milieuzorg in de Brusselse gebouwen en de logistieke diensten wordt verder gezet.


mjp2005 deel 7corr

19-05-2005

23:37

Pagina 201

instrumenten

201 deel 7

De entiteiten moeten tegen eind januari 2005 hun tweede jaaractieplan milieuzorg indienen. Zij doen dit onder meer op basis van een evaluatie van hun actieplan milieuzorg 2004. Coördinatie en planning van het communicatiebeleid verbeteren

In 2005 wordt het plan van aanpak voor de opmaak van een communicatiestrategie voor de Vlaamse milieuoverheid verder uitgewerkt en zal de communicatieplanning daarop worden afgestemd, zodat deze laatste het niveau van een lijst van acties overstijgt. Deze strategie zal ook de basis vormen voor Samenwerkingsinitiatieven met ngo’s op vlak van communicatie (zie ook ‘Maatschappelijke actoren’ – deel ‘actoren’) Kennis vergroten

In 2005 zijn onderzoeken gepland naar de behoefte van de doelgroepen gemeenten en industrie voor wat betreft milieucommunicatie (zie project 25). In de tweede helft 2004 en eerste helft 2005 wordt een onderzoek uitgevoerd naar de verkenning van actoren en doelgroepen m.b.t. het opstellen van een communicatiestrategie Milieu en Gezondheid (zie project 28). Informatieverstrekking afstemmen

Naast de inhoudelijke uitbouw van de website www.mina.be staat ook de integratie van tot op heden zelfstandig bestaande websites op het programma. Daarnaast wordt gewerkt aan de creatie van één visuele identiteit van de Vlaamse milieuoverheid d.m.v. het uitwerken van een huisstijl (maximale invulling), of een logo en/of een slagzin (minimale invulling). Natuur- en milieueducatie uitbreiden naar nieuwe doelgroepen

Een gemoderniseerde en interactieve nme-inventaris wordt begin 2005 operationeel. Een hervorming van het nme-overlegplatform is voorzien en in overleg met provincies en middenveld wordt de taakverdeling in het licht van het kerntakendebat verder verfijnd. Een coördinatie wordt opgezet voor de werking van de nme-centra van het Vlaams Gewest met duidelijke taakverdeling t.o.v. de provinciale netwerken. Inhoudelijk wordt in de diverse deelwerkingen aanknopingspunten gezocht naar een geleidelijke verbreding naar duurzame ontwikkeling. In samenwerking met het beleidsdomein Onderwijs wordt een implementatieplan uitgewerkt voor de Decade van Educatie voor Duurzame Ontwikkeling van de Verenigde Naties (2005-2015). De werking naar de reeds aangesproken doelgroepen wordt verdergezet: het mosproject realiseert de mos-themabundels ‘Natuur op school’ en ‘Energie’ ten behoeve van het basisonderwijs en wordt voor een langere periode verlengd. ‘Vergroening van de schoolomgeving’ wordt met een permanente technische en educatieve ondersteuning volledig operationeel. Naast begeleiding aan de hogescholen inzake het opstellen van een milieuvergunning, krijgt ‘Milieuzorg in de hogescholen’ een eerste concretisering in de uitwerking van een educatief pakket voor het opleidingsgebied gezondheidszorg. Voor de doelgroep buitenschoolse jeugd (JeROM) wordt nme in het jaarthema van Chiro geïntegreerd, worden initiatieven m.b.t. milieuzorg en infrastructuren afgetast en wordt actief ingespeeld op het gemeenschappelijk jaarthema ‘Duurzame Ontwikkeling’ van het jeugdwerk. Specifiek voor laaggeschoolden wordt een programma nme opgestart. Daarnaast wordt in overleg met alle actoren uit het nme-veld voorbereidend werk geleverd voor de uittekening van een modulair vormingstraject voor nme-lesgevers ter bevordering van de professionele deskundigheid omtrent nme.


mjp2005 deel 7corr

19-05-2005

23:37

Pagina 202

Milieujaarprogramma

202 2005

In het kader van de themawerking ‘Landbouw en milieu’ wordt een educatief pakket voor natuurgidsen uitgewerkt met cvn en vilt, wordt voor jeugdkampen een netwerk voor lokale aankoop van duurzame landbouwproducten uitgewerkt en gaat het samenwerkingsverband verder van alt, vlm en aminal omtrent ontmoetingsdagen tussen landbouwers en natuurbeschermers. Verder wordt de Milieukoopwijzer als aankoopgids bestendigd in een permanente formule. De beide gewestelijke centra De Helix en De Vroente worden uitgebouwd als een gewestelijk vormings- en expertisecentrum inzake nme. In de Helix wordt het thema ‘Geluid en Stilte’ als meerjarenproject uitgewerkt. Ter ondersteuning van de globale nme-werking wordt een eerste luik van een gefaseerd onderzoekstraject zowel inzake beleidsvoorbereiding als inzake evaluatie i.s.m. het Steunpunt Milieubeleidswetenschappen voorbereid. Verder wordt een Benelux-conferentie georganiseerd omtrent het thema ‘Strategieën voor een beter bereik van de ‘burger’.


mjp2005 deel 7corr

19-05-2005

23:37

Pagina 203

instrumenten

203 deel 7

6. Beleidsuitvoering: economische instrumenten Inleiding Economische instrumenten kunnen door de overheid worden ingezet om via financiële prikkels het gedrag van de doelgroepen zodanig te sturen dat voldaan kan worden aan bepaalde (milieu)kwaliteitsdoelstellingen. Het Vlaamse economische instrumentarium is op te delen in financiële instrumenten (i.e. milieuheffingen en subsidies) en marktcreërende instrumenten (i.e. verhandelbare emissierechten, verhandelbare plichten). Momenteel is het gebruik van economische instrumenten, in het Vlaamse milieubeleid aan een sterke opmars bezig.

Opvolging van de plandoelstellingen

| De kosteneffectiviteit van het gebruik van economische instrumenten binnen het milieubeleid maximaliseren

Projecten en maatregelen Toelichting en evaluatie tot 2004 Wat betreft de milieuheffingen werd er in het kader van de engagementen die de Vlaamse Regering heeft gemaakt op de Ondernemingsconferentie eind 2003 bekeken wat de mogelijkheden zijn om de bestaande afvalwaterheffing om te vormen tot een aftrekbare kostenpost voor de bedrijven. Met de goedkeuring van het programmadecreet van 24 december 2004 zullen de drinkwatergebruikers vanaf 1 januari 2005 nog slechts één waterfactuur dienen te betalen en dit rechtstreeks aan de drinkwatermaatschappijen, die een saneringsplicht opgelegd hebben gekregen. Dit maakt dat vanaf 1 januari 2005 de waterfactuur voor rioollozende bedrijven aftrekbaar zal zijn, aangezien het gaat om een vergoeding voor een dienst (zijnde collectie en zuivering van afvalwater). Voor oppervlaktewaterlozers blijft de situatie ongewijzigd. Zij betalen nog steeds een regulerende heffing die niet aftrekbaar is. Op het vlak van de marktcreërende instrumenten werd er begin 2004 door de Taskforce Klimaatbeleid hard gewerkt aan de gewestelijke insteek voor de opmaak van het Nationaal Allocatieplan en aan de uitwerking van het Vlaams beleid rond de flexibiliteitsmechanismen ji en cdm. Beide taken kaderen in de uitvoering van de eu-richtlijn Verhandelbare Emissierechten voor CO2 (zie thema ‘Verandering van het klimaat door het broeikaseffect’). Begin 2004 werd er verder een symposium gehouden naar aanleiding van een studie naar de mogelijke inzetbaarheid van economische instrumenten (financiële of marktcreërende) voor het luchtbeleid in Vlaanderen. De actoren (serv, bbl, aminal, vev) gaven hierbij hun opinie over de haalbaarheid van de verschillende voorgestelde beleidsopties ter reductie van de uitstoot van de luchtpolluenten NOx, SO2 en vos (zie thema’s ‘Verzuring’ en ‘Verontreiniging door fotochemische stoffen’).


mjp2005 deel 7corr

19-05-2005

23:37

Pagina 204

Milieujaarprogramma

204 2005

In de eerste helft van 2004 is er relatief veel aandacht gegaan naar de evaluatie van milieusubsidies. Midden 2004 werd de evaluatie van het vroegere ondersteuningssysteem gericht op de subsidiëring van de aankoop van parken door lokale overheden afgerond, en werden er eveneens aanbevelingen gedaan naar een eventueel toekomstig ondersteuningsbeleid terzake vanwege de Afdeling Bos en Groen. Hiernaast werden verder met het oog op een toekomstige evaluatie van de samenwerkingsovereenkomst reeds verdergaande inzichten verkregen in de financiële aspecten van dit belangrijke ondersteuningssysteem. Eveneens in het begin van 2004 werd er nog van start gegaan met een onderzoek gericht op de ontwikkeling van geschikte indicatoren voor de mate waarin Vlaanderen kan spreken van een vergroening van de fiscaliteit.

Opvolging mijlpalen en indicatoren Mijlpalen

Oorspronkelijke verwachting

Status

2004 MIDDEN

gerealiseerd

2005 EINDE

op schema

2004 EINDE

op schema

Implementatie EU-richtlijn Verhandelbare Emissierechten

2004 BEGIN

vertraagd

Opstart studie ter voorbereiding van de (eventuele)

2005 EINDE

op schema

Evaluatie subsidiesysteem ABG m.b.t. de aankoop van

Huidige verwachting

parken door lokale overheden Opmaak en toepassing van een evaluatiekader voor financiële tegemoetkomingen vanwege leefmilieu Eindrapport verkennende studie economische instrumenten in het luchtbeleid (NOx, SO2, VOS) 2004 MIDDEN

effectieve inzet van economische instrumenten in het luchtbeleid Vervolgonderzoek naar indicatoren voor vergroening

2004 EINDE

van fiscaliteit (MIRA-T)

Aanpak jaar 2005 Zie deel ‘Kosten en financiering’, project Milieu-economie en financiering milieubeleid.

Begroting Zie deel ‘Kosten en financiering’.


mjp2005 deel 7corr

19-05-2005

23:37

Pagina 205

instrumenten

205 deel 7

7. Beleidsuitvoering: juridische instumenten Inleiding Het overheidsoptreden is haast altijd juridisch verankerd en het milieubeleid vormt daarop geen uitzondering. In het huidige milieubeleid vervullen de milieuvergunning en de -inspectie een centrale rol. Analoog met andere rechtstakken is het Vlaamse milieurecht het voorbije decennium sterk toegenomen. Veel nieuwe milieuregelgeving ontstaat op hogere beleidsniveaus en moet een plaats krijgen in het Vlaamse milieurecht. Daarnaast dient de vlarem wetgeving worden bijgeschaafd om te voldoen aan de steeds evoluerende Europese wetgeving. De Vlaamse prioriteiten worden gelegd bij de uitbouw van een centraal coördinerend milieureguleringsteam en bij de bijsturing van het milieuvergunningenbeleid en het handhavingsbeleid.

Opvolging van de plandoelstellingen De kwaliteit van het milieurecht verbeteren door meer interne samenhang, onderlinge afstemming en doeltreffendheid, vereenvoudiging en door de verhoging van de technische uitvoerbaarheid, de rechtszekerheid en de handhaafbaarheid

Projecten en maatregelen Toelichting en evaluatie tot 2004 Ter voorbereiding van het project ‘Fundamentele principes en instrumentenontwikkeling’ en van de hervorming van de administratie werd in het voorbije jaar nagedacht over de mogelijke taken van een toekomstige subentiteit ‘Optimalisatie van het Instrumentarium’. Er werd wetenschappelijke en beleidsliteratuur verzameld inzake reguleringsimpactanalyse en in het kader van het Steunpunt Milieubeleidswetenschappen werd een ontwerptekst opgesteld over strategisch wetgevingsbeleid. Een ander onderzoeksproject van het Steunpunt betreft de juridische randvoorwaarden voor de invoering van emissiehandel in Vlaanderen. Door de werkgroep reguleringsmanagement werd een bijdrage geleverd aan de activiteiten van de Kenniscel Wetsmatiging. Wat het project ‘Milieuvergunningenbeleid’ betreft, werden de verschillende stappen betreffende de implementatie van de ippc-richtlijn verder gezet. In de Vlaamse aanpak worden de bedrijven opgesplitst in drie types prioritaire bedrijven (P-bedrijven) waarvan de eerste twee types lozen naar het aquatisch milieu en het laatste type lozingen heeft naar verschillende milieucompartimenten. Een gedetailleerde inventarisatie leverde 376 ippc bedrijven van het laatste type op waarvoor een herziening van de vergunning nodig is en 636 veehouderijen waarvan de vergunningsvoorwaarden kunnen worden aangepast door aanpassing van de sectorale voorwaarden of met bijzondere exploitatievoorwaarden. Gedurende de jaren 2000, 2001 en 2002 werden van 285 bedrijven en van 254 landbouwbedrijven één of meerdere gpbv-dossiers behandeld. De herzieningen van de vergunningen dienen te worden afgerond tegen eind 2007. Indien sectoren voldoende homogeen en voldoende in aantal zijn, wordt ook gewerkt via de aanpassing van de sectorale milieuvergunningsvoorwaarden. Bij de


mjp2005 deel 7corr

19-05-2005

23:37

Pagina 206

Milieujaarprogramma

206 2005

herziening van de vergunningen worden de vergunningen getoetst aan o.a. de bbt- of de bref-studies, voorkoming van ontstaan van afvalstoffen, doelmatig gebruik van energie, voorkomen van ongevallen, emissiereductieprogramma’s. Midden 2004 werd de werking van het tom (Technisch Overleg Milieu) overlegplatform geëvalueerd. De ontwikkeling van een decreet Bronnenbeheersing heeft geleid tot een voorontwerp, maar wordt niet verdergezet. Met het decreet van 6 februari 2004 tot wijziging van het decreet houdende Algemene Bepalingen inzake Milieubeleid voor wat betreft de milieuaudit en tot aanvulling ervan met een titel milieuvoorwaarden (b.s. 09-03-04) werd het mogelijk om met integrale voorwaarden te werken. Daarnaast werd gestart met de opmaak van voorwaardenpakketten voor de sectoren schrijnwerkerij en de garages. Betreffende de uitvoering van een kleine herziening vlarem i en ii werd een klein deel dat betrekking had op omzetting van Europese reglementering (richtlijn Luchtkwaliteit CO/Benzeen en verordening Ozonafbrekende Stoffen) definitief goedgekeurd begin 2003, terwijl het tweede deel van de voorstellen werd gepubliceerd op 28 november 2003. De uitvoering van een grote herziening vlarem i en ii werd afgelast. Op 20 februari 2004 werd het decreet tot wijziging van de regelgeving betreffende het meedelen van milieu-informatie en tot opheffing van het systeem van de stilzwijgende milieuvergunningen in het staatsblad gepubliceerd. Op 1 april 2004 werd het besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van vlarem en dabm inzake het ingeperkt gebruik van ggo’s gepubliceerd in het staatsblad. Op 9 maart 2004 werd de wijziging van het decreet houdende Algemene Bepalingen inzake Milieubeleid voor wat betreft de milieuaudit en tot aanvulling ervan met een titel milieuvoorwaarden gepubliceerd. Op 4 juni 2004 werd het besluit van de Vlaamse Regering tot invoering van het integrale milieujaarverslag (Uniek loket voor milieuformulieren) gepubliceerd. In het kader van het project ‘Handhaving’ wordt beoogd de effectiviteit van het handhavingsbeleid te verhogen door het creëren van een duidelijker juridisch kader en het realiseren van een meer planmatige en gecoördineerde handhaving. Een voorontwerp van decreet Handhaving Milieurecht werd opgesteld en doorliep tijdens de vorige legislatuur gedeeltelijk het politieke besluitvormingsproces. Dit proces wordt deze legislatuur vermoedelijk hernomen. Jaarlijks wordt een Milieu-inspectieplan opgesteld als noodzakelijk instrument voor een doelmatig, deskundig, uniform, integraal en sturend handhavingsbeleid dat moet leiden naar een hoog beschermingsniveau voor mens en milieu. Hierbij wordt zowel invulling gegeven aan de beleidslijnen van de Vlaamse Regering als aan de aanbeveling van het Europees Parlement en de Europese Raad inzake minimumcriteria voor milieu-inspecties. Voor 2004 werd het achtste Milieu-inspectieplan integraal goedgekeurd door de Vlaamse minister van Leefmilieu. Ook werd handhavingsexpertise uitgedragen naar de lokale overheden. Zo werd in 2003 gestart met een gecoördineerde inspectiecampagne in de droogkuissector. De verdere opvolging en globale evaluatie van deze campagne gebeurt in 2004. Het ontwerp van het decreet voor de erkenning van de deskundigen en laboratoria werd afgerond en doorloopt momenteel het politieke besluitvormingsproces. Het decreet beoogt de integratie van tientallen besluitvormingsprocedures voor afleveren van erkenningen aan deskundigen en aan laboratoria. Het decreet Milieueffect- en Veiligheidsrapportage van 18 december 2002 reorganiseert het bestaande mer/vr-instrumentarium.


mjp2005 deel 7corr

19-05-2005

23:37

Pagina 207

instrumenten

207 deel 7

Naast de project-mer (= vroegere mer) wordt een nieuw type mer-rapportage ingevoerd: nl. de plan-mer, die wordt opgesteld bij de opmaak van strategische plannen. Het opstellen van de plan-mer wordt verplichtend vanaf 21 juli 2004, doch in de praktijk zijn er reeds plan-mer’s in opmaak voor de strategische projecten voor de zeehavengebieden. In het kader van een transparant mer-beleid organiseert de cel mer sinds 2001 twee maal per jaar bijeenkomsten met mer-deskundigen teneinde info door te geven i.v.m. toekomstige evoluties, uitwisseling van ervaringen, toelichtingen over nieuwe analysetechnieken enz. Tevens werd de site ‘www.mer.vlaanderen.be’ ontworpen en in werking gesteld ter ondersteuning van de mer deskundigen. Voor wat betreft het vr-gedeelte van het decreet Milieueffect- en Veiligheidsrapportage, is een gelijkaardige heroriëntatie in voorbereiding om te komen tot één integrale vr. In 2003 werd een studie uitgevoerd aangaande de herverdeling van Seveso-heffingen naar de gewesten toe. De resultaten van de studie moeten nu nog de politieke besluitvormingscyclus doorlopen. Een knelpunt in het veiligheidsbeleid is de veiligheid van transporten (federale bevoegdheid) van gevaarlijke producten. Verder zijn nog een aantal uitvoeringsbesluiten betreffende mer en vr in opmaak.

Opvolging mijlpalen en indicatoren Mijlpalen

Oorspronkelijke verwachting

Status

Huidige verwachting

2004 EINDE

vertraagd

2005 EINDE

2004 MIDDEN

vertraagd

2005 MIDDEN

Opstart TWOL-studie

2004 EINDE

op schema

Voorwaardenpakketten inzake milieuvergunningen voor

2004 EINDE

op schema

Maximale uitvoering MIP 2004 en opmaak MIP 2005

2004 EINDE

op schema

Opvolging en globale evaluatie gezamenlijke inspectie-

2004 EINDE

op schema

2004 EINDE

vertraagd

2004 MIDDEN

op schema

Uitvoeringsbesluiten Milieueffect- en Veiligheidsrapportage

2003 EINDE

vertraagd

VR: richtlijnenboeken opstellen en publiceren

2004 EINDE

op schema

Invoering van een centraal coördinerend milieureguleringsteam Onderzoek naar de basiselementen voor een concept van milieureguleringseffecten-rapportage in Vlaanderen

twee pilootsectoren (schrijnwerkerij en garages)

campagne met lokale overheden in de droogkuissector MER: bestaande richtlijnenboeken actualiseren en publiceren Rapport strategisch wetgevingsbeleid

2005 EINDE

2005 EINDE

Aanpak jaar 2005 Project: Fundamentele principes en instrumentenontwikkeling

Na de afronding van het rapport strategisch wetgevingsbeleid worden de aanbevelingen m.b.t. evolutie van het milieurecht op middellange termijn en m.b.t. de verbetering van de processen benut om te komen tot nieuwe regelgeving of wijziging van bestaande regelgeving. Met de opstelling van een milieureguleringsmethodiek wordt beoogd een soort basishandleiding of code van goede praktijk voor de bij een wetgevingsproject betrokken


mjp2005 deel 7corr

19-05-2005

23:37

Pagina 208

Milieujaarprogramma

208 2005

ambtenaren ter beschikking te stellen. Uiteraard dient het nut van dergelijke aanpak getoetst te worden in de praktijk. Bij de toetsing via ria (reguleringsimpactanalyse) worden concrete afspraken vastgelegd (b.v. in de vorm van een protocol) met betrokkenen van zowel binnen als buiten het beleidsdomein leefmilieu. Op basis van het studiewerk en de rapporten van de Kenniscel Wetsmatiging zal in 2005 onderzoek naar de basiselementen voor een concept van milieureguleringseffecten-rapportage in Vlaanderen worden uitgevoerd. Project: Milieuvergunningenbeleid

Bij de herziening van de vergunningen in het kader van de ippc-richtlijn worden de vergunningen verder getoetst aan nieuwe bbt- of bref-studies (waaronder een horizontale bref voor reg (rationeel energiegebruik)), aan de resultaten van de sectorstudies inzake emissiereductieprogramma’s (zie o.m. thema “Verontreiniging door fotochemische stoffen”), reductieprogramma’s milieugevaarlijke stoffen en sectorstudies geurnormering. Het opstellen van sectorale voorwaarden voor zeehandelshavens wordt verder uitgewerkt. Project: Handhaving

De politieke besluitvorming m.b.t. het voorontwerp van decreet Handhaving Milieurecht zal worden hernomen. In functie van een planmatige en gecoördineerde handhaving wordt in 2005 een maximale uitvoering van het milieu-inspectieplan (mip) 2005 gepland evenals de opmaak van het mip voor 2006. Hierbij wordt m.b.t. handhavingsprioriteiten en suggesties een insteek voorzien van de verschillende betrokken toezichthouders afdeling Milieu-inspectie, burgemeester en aangestelde gemeentelijke ambtenaren, de afdeling Natuurlijke Rijkdommen en Energie, de afdeling Preventieve en Sociale Gezondheidszorg (Gezondheidsinspectie), ovam, vlm en het Voedselagentschap. Er zal ook getracht worden om bepaalde inspecties, in de mate dat het een meerwaarde oplevert, gezamenlijk uit te voeren. Een goed afgestemde coördinatie en informatie-uitwisseling is hierbij essentieel. Tevens wordt het mip maximaal afgestemd op het mina-plan 3. In eerste instantie kan dit enkel voor de handhaving van het milieuhygiënerecht. Pas na implementatie van bbb kan dit ook gebeuren voor het milieubeheerrecht. Verder dient de bestaande expertise binnen de afdeling Milieu-inspectie inzake de aanpak van handhavingsproblemen maximaal aan de toezichthoudende ambtenaren van de gemeenten worden overgebracht. Een nieuwe gezamenlijke inspectiecampagne met de lokale overheden dringt zich op. Het thema van de inspectiecampagne zal worden bepaald in overleg tussen de afdeling Milieu-inspectie en vertegenwoordigers van de lokale overheden. Organisatiestructuur opzetten

In afwachting van de uitvoering van het project ‘Beter Bestuurlijk Beleid’ worden op dit vlak voorlopig geen initiatieven genomen. Evaluatie en bijsturing thematisch en horizontaal regelgevend kader

Er wordt een entiteit Erkenningen opgericht die zal functioneren als uniek loket erkenningen en als procesbewaker. Er komt een uitvoeringsbesluit waarin algemene erkenningsvoorwaarden en voorwaarden per erkenning zullen worden ontwikkeld. Vanaf de publicatie van de nieuwe uitvoeringsbesluiten mer/vr zal worden gewerkt met twee nieuwe lijsten van mer-plichtige activiteiten. Voor de mer dienen lijsten te worden opgesteld van de activiteiten of plannen die mer-plichtig zijn en nieuwe procedures voor o.a. erkenningen, inspraak bij het begin van de mer-procedure. Voor


mjp2005 deel 7corr

19-05-2005

23:37

Pagina 209

instrumenten

209 deel 7

vr dienen objectieve criteria te worden uitgewerkt teneinde te bepalen wanneer een plan al dan niet vr-plichtig is. Daarnaast worden voor mer de bestaande richtlijnboeken per discipline en de ontwerp-richtlijnen per activiteit voor de project-mer geactualiseerd. Nadien volgt het opstellen van richtlijnenboeken voor de plan-mer. Tenslotte worden de richtlijnen opgesteld teneinde de onthefďŹ ngsaanvragen voor project-mer te kunnen beoordelen. Voor de vr wordt er verder gewerkt aan het opstellen van een reeks criteria, die omschrijven wat een aanvaardbaar risico is bij rampen. Het opstellen van richtlijnenboeken voor de omgevings-vr, de ruimtelijke vr en de vr i.k.v. de samenwerkingsakkoord tussen de federale staat en de gewesten werd afgerond tegen midden 2004, daarna worden de richtlijnenboeken gepubliceerd. Er wordt gestart met de uitwerking en de introductie van de milieurisico-analyse binnen de vr.


mjp2005 deel 7corr

19-05-2005

23:37

Pagina 210


mjp2005 deel 8corr

19-05-2005

23:38

Pagina 211

deel 8

kosten en ďŹ nanciering


mjp2005 deel 8corr

19-05-2005

23:38

Pagina 212


mjp2005 deel 8corr

19-05-2005

23:38

Pagina 213

213 deel 8

Kosten en financiering Inleiding Via het inzetten op de maatregelen uit het deel ‘Kosten en financiering van het Milieubeleidsplan 2003-2007 wil de Vlaamse milieuadministratie komen tot een sterke(re) milieueconomische onderbouwing van het milieubeleid. Dergelijke onderbouwing kan ertoe bijdragen dat de middelen van de samenleving zo efficiënt mogelijk ingezet worden voor een beter leefmilieu. In de eerste plaats is kennis van de milieukosten en -uitgaven van de overheid en de doelgroepen belangrijk voor het voeren van een efficiënt en doelmatig milieubeleid. Daarnaast moet echter ook bekeken worden hoe de financiering van de inspanningen van overheden en doelgroepen ter verbetering van het leefmilieu aangepakt dient te worden.

Opvolging van de plandoelstellingen +

| Een milieueconomische onderbouwing van goede kwaliteit van het

milieubeleid leveren die ertoe bijdraagt de middelen van de samenleving (overheid, privé-sector en burgers) zo efficiënt mogelijk in te zetten voor een beter leefmilieu Steeds meer afdelingen van aminal (sectie Lucht aminabel, cel Groenbeleid Afdeling Bos en Groen) en de voi (Economische analyse Kaderrichtlijn Water) doen in de fase van de beleidsvoorbereiding een beroep op milieueconomische tools, zoals waarderingsstudies en kosteneffectiviteitsstudies.

Projecten en maatregelen Toelichting en evaluatie tot 2004 Beleidsondersteunende statistieken werden opgesteld over de overheidsuitgaven voor leefmilieu in Vlaanderen. Hierbij werden tijdsreeksen bekomen die de evolutie en de verdeling van de beleids- en ordonnanceringskredieten over de verschillende thema’s en delen van het milieubeleidsplan aangeven, net zoals de evolutie van de eigen inkomsten van het beleidsdomein leefmilieu. Begin 2004 werden verder de middelen die het beleidsdomein leefmilieu in de periode 2000-2004 ontving vanwege de eu in kaart gebracht, dit met het oog op de onderhandelingen tussen België en de Europese Commissie over de hervorming van de geldstromen richting lidstaten van de eu. In 2004 is er verder nog speciale aandacht uitgegaan naar het opstellen van overzichtelijke uitgavenstatistieken (inclusief toekomstprognoses) m.b.t. de budgettair zeer belangrijke dossiers van Aquafin en het aankoopbeleid inzake natuurdomeinen en bossen. In 2001 werd het project ‘Milieukostenmodel’ (mkm) voor Vlaanderen opgestart (via het bbt-kenniscentrum van vito). In 2003 werden de eerste belangrijke resultaten geboekt, met de publicatie van het achtergronddocument milieukostenmodel en de ontwikkeling van de eerste modelversies. In 2004 werd veel energie gestoken in het bepalen van de methodiek om de databank van het mkm-Vlaanderen-lucht in te vullen. Uiteindelijk is gekozen om maximaal gebruik te maken van de Europese techno-economische databank Ecodat (ontwikkeld door egtei) voor vos, en zal voor NOx en SOx gebruik gemaakt worden van de data uit de sectorstudies Lucht. Eind 2004 dient via het mkm-Vlaanderen-lucht gekomen te worden tot de meest kosteneffectieve verde-


mjp2005 deel 8corr

19-05-2005

23:38

Pagina 214

Milieujaarprogramma

214 2005

ling van de inspanningen gerelateerd aan de nec-richtlijn over de verschillende betrokken sectoren. Begin 2004 is verder de uitbestedingsprocedure opgestart van het tweede deel van de pilootstudie mkm-water voor het Netebekken. In dit tweede deel worden referentiescenario’s uitgewerkt voor de verschillende doelgroepen waaraan de resultaten van het mkm-water getoetst kunnen worden, en zullen eveneens de (kosten van de) toekomstige potentiële maatregelen geïnventariseerd worden en zal de databank met de huidige toestand en maatregelen voor het Netebekken vervolledigd worden. Uiteindelijk is het de bedoeling dat de pilootstudies van het project mkm-water voor de case van het Netebekken leiden tot het samenstellen van een kosteneffectief maatregelenpakket voor de verschillende doelgroepen. Indien de gevolgde methode haalbaar blijkt, zal deze methode bij uitbreiding ook toegepast kunnen worden op de andere Vlaamse bekkens. Wat betreft de verbetering van de economische onderbouwing van het milieubeleid werd er een methodologie ontwikkeld ter economische waardering van parken, en werd de uitbestedingsprocedure opgestart voor een onderzoek dat dient te leiden tot de monetaire waardering van geurhinder.

Opvolging mijlpalen en indicatoren Mijlpalen

Afgewerkte statistiek milieu-uitgaven Vlaamse bedrijven

Oorspronkelijke verwachting

Status

Huidige verwachting

2004 EINDE

op schema

2005 MIDDEN

vertraagd

2005 EINDE

2003 EINDE

vertraagd

2005 MIDDEN

2005 MIDDEN

nieuw

2004 EINDE

op schema

2005 MIDDEN

nieuw

2004 EINDE

nieuw

2005 EINDE

nieuw

2005 MIDDEN

nieuw

2005 EINDE

nieuw

voor 2002 Afronding tweede pilootstudie MKM-water Koppeling MKM-EGTEI-databank MKM-water operationeel voor één testcase Operationeel MKM voor het compartiment lucht en de doelgroep industrie Toepassing van het MKM als instrument ter bepaling van de intersectorale afweging van de lasten tussen de verschillende industriële sectoren in het kader van de NEC-richtlijn Afwerking van het onderzoek ter prioritering van de maatregelen (o.b.v. kosteneffectiviteit) uit het Vlaams Klimaatbeleidsplan Eindrapport studie naar monetaire waardering van de milieuschade door geurhinder Eindrapport studie naar inzetbaarheid van economische instrumenten in het luchtbeleid Operationeel algemeen evenwichtmodel voor Vlaanderen


mjp2005 deel 8corr

19-05-2005

23:38

Pagina 215

kosten en financiering Indicatoren

215 deel 8

Realisatie

Doelstelling

Aandeel van de totale NOx -uitstoot van de Vlaamse industriële sectoren waarvoor het MKM operationeel is

90 (2004)

100 (2004)

Aandeel van de totale SOx -uitstoot van de Vlaamse industriële sectoren waarvoor het MKM-operationeel is

80 (2004)

100 (2004)

Aandeel van de totale VOS-uitstoot waarvoor het MKM-operationeel is

0 (2004)

100 (2004)

Aantal Vlaamse waterbekkens waarvoor het MKM operationeel is

0 (2004)

12 (2009)

Aanpak jaar 2005 Project: Milieu-economie en financiering milieubeleid

De kenniscapaciteit uitbreiden en verdiepen is een continu proces dat gedurende de gehele planperiode wordt verdergezet. De discussienota ‘Langetermijnvisie op de financiering van het milieubeleid’ wordt weer op de politieke agenda gebracht. Belangrijke aspecten in deze nota blijven de hervorming van de afvalwaterheffing in een regulerende heffing voor oppervlaktewaterlozers enerzijds en een vergoeding voor afvalwaterzuivering voor rioolwaterlozers anderzijds. In uitvoering van het engagement van de Vlaamse Regering om de bestaande afvalwaterheffing om te vormen tot een aftrekbare kostenpost voor de bedrijven, zal werk gemaakt worden van een nieuwe structuur voor de watersector. Dit probleem hangt samen met de Aquafinproblematiek en de oplossing van het probleem wordt dan ook zeer bemoeilijkt door de vele andere aspecten (o.a. ingebrekestellingen vanwege de eu, hernegotiatie Aquafincontract en de btw-problematiek) die komen kijken bij de discussies rond de toekomstige rol van Aquafin. De beleidsnota van 2005-2009 benadrukt sterk het gebruik van economische instrumenten. Zo is onder meer de uitbouw van een langetermijnvisie op de financiering van het milieubeleid in de beleidsnota opgenomen. Verder stelt de nota dat er werk gemaakt zal worden van de hervorming van de afvalwaterheffing. De huidige heffing zal vanaf 1 januari 2005 uitgesplitst worden in enerzijds fiscaal aftrekbare vergoedingen voor rioollozers en anderzijds regulerende heffingen voor oppervlaktewaterlozers. Deze regeling werd via het programmadecreet van 24 december 2004 door de Vlaamse Regering bekrachtigd. Verder zal de aandacht sterk uitgaan naar de opzet van een studie ter evaluatie van de financiële tegemoetkomingen vanwege het beleidsdomein leefmilieu. In eerste instantie zullen de leefmilieusubsidies geëvalueerd worden op o.m. de criteria effectiviteit, efficiëntie en billijkheid. In tweede instantie (op langere termijn) zullen subsidies, uitgekeerd in andere beleidsdomeinen (bv. economie), geëvalueerd worden op hun milieu-effecten. De studie economische instrumenten voor het luchtbeleid (SOx, NOx en vos) zal afgewerkt worden tegen eind 2005. In de volgende fase zal dan werk moeten gemaakt worden van de effectieve implementatie van het beste instrument. Dit zal gebeuren via de opzet van een nieuwe uitbesteding in de loop van 2005. De Taskforce Klimaatbeleid werkt intensief verder aan de voorbereiding van de inwerkingtreding van de richtlijn verhandelbare emissierechten begin 2005 (zie thema ‘Verandering van het klimaat door het broeikaseffect’). Ook in het kader van het bodembeleid wordt verder geïnvesteerd in de ontwikkeling van nieuwe economische instrumenten. Meer specifiek gaat het over financiële instrumenten gericht op (1) de financiering van de ambtshalve bodemsaneringen (via de oprichting van het algemeen


mjp2005 deel 8corr

19-05-2005

23:38

Pagina 216

Milieujaarprogramma

216 2005

bodemsaneringsfonds of het ecologisch fonds), (2) de erosiebestrijding, (3) de beperking van de sedimenttoevoer in waterlopen en (4) de stimulering van het hergebruik van bagger- en ruimingsspecie als bodem. In de beleidsnota 2005-2009 wordt melding gemaakt van speciale interesse voor het onderzoek rond de haalbaarheid van een algemene heffing op luchtemissies, waarbij men m.b.v. het milieukostenmodel de optimale hoogte van de milieuheffingen wil bepalen. Het onderzoek naar geschikte indicatoren voor de mate van vergroening van de fiscaliteit in Vlaanderen wordt afgerond. Dit onderzoek van mira is in de eerste plaats gericht op de productie van een aantal indicatoren ter beschrijving van de mate van vergroening van de fiscaliteit in Vlaanderen, maar zal zeker ook input kunnen leveren voor de Vlaamse standpuntvorming inzake vergroening. Verder vindt er in het kader van het steunpuntproject ‘Algemeen evenwichtsmodel’ nog onderzoek plaats naar de effecten van bepaalde maatregelen ter vergroening van de fiscaliteit op de federale en gewestelijke geldstromen. Binnen het kader van het Steunpunt mbw zal hiertoe door de KU-Leuven een fiscaliteitsmodel gebouwd worden waarbij de effecten van bepaalde vergroenende fiscaliteitsmaatregelen op de federale en regionale begrotingen becijferd kunnen worden. De statistieken (vanaf 1996 tot op heden) met de thematische verdeling van de overheidsuitgaven voor leefmilieu op Vlaams niveau worden jaarlijks aangevuld, zowel in termen van beleidskredieten als in termen van ordonnanceringen. In 2005 zal ook meer aandacht gaan naar de inkomstenzijde van het beleidsdomein Leefmilieu. Wat de uitgaven voor milieu door de doelgroepen betreft, zal de Belgische structuurenquête ondernemingen (seo) in de toekomst een vrij correcte regionale desaggregatie toelaten. Naast de investeringen zal de nieuwe seo waarschijnlijk ook de lopende uitgaven voor milieubescherming opvragen. Ook het werk van het Federaal Planbureau inzake milieurekeningen zal verder opgevolgd worden, zodat de resultaten voor de Vlaamse milieubeleidsvoorbereiding gebruikt kunnen worden. Overheid Er wordt verder werk gemaakt van de afstemming tussen milieujaarplanning en begroting, en dit door er bij de begrotingsrondes op aan te dringen dat de begrotingsverantwoordelijken hun vraag naar middelen koppelen aan de maatregelen uit het Milieubeleidsplan. Doelgroepen Midden 2005 dient het mkm Vlaanderen-lucht operationeel te zijn voor de polluenten vos, NOx en SOx en voor alle sectoren beschreven in de sectorstudies, aangezien het de bedoeling is dit model te gebruiken voor de bepaling van de (meest kosteneffectieve) intersectorale afweging van de reductielasten tussen de vervuilende sectoren. De pilootstudie mkm-water voor het Netebekken zal vervolgd worden met een baselinescenario en een inventarisatie van de potentiële toekomstige maatregelen met hun kosten en reductiepotentieel. Deze pilootstudie, die focust op de polluenten czv, N en P, zal afgerond worden tegen midden 2005 en zou moeten toelaten tegen 2009 kosteneffectieve maatregelenpakketten op te stellen voor alle Vlaamse waterbekkens (cfr. de Kaderrichtlijn Water). Naast de opmaak van ontvangstenstatistieken over de eu-inkomsten die Vlaanderen in de periode 2000-2004 ontvangen heeft voor leefmilieu, wordt er hier op korte termijn weinig gepland. Wel werd nog een overzicht bekomen van de eu-inkomsten die Vlaanderen in het kader van life nog mogelijk kan ontvangen de komende jaren.


mjp2005 deel 8corr

19-05-2005

23:38

Pagina 217

kosten en financiering

217 deel 8

Het binnen het beleidsdomein leefmilieu geplande onderzoek met een milieu-economisch aspect zal zo goed mogelijk centraal worden opgevolgd. Er zal methodologische inbreng gebeuren en gezorgd worden voor kennisopbouw en informatie-uitwisseling. Er zal een gebruiksvriendelijk kosteneffectiviteitsmodel ontwikkeld worden dat het mogelijk moet maken om de maatregelen uit het Vlaams Klimaatbeleidsplan te rangschikken naar de mate van kosteneffectiviteit. Verder zal een studie ter monetaire waardering van de milieuschade door geurhinder afgerond worden tegen begin 2005. Dat kan een belangrijke pilootstudie blijken voor wat de andere hinderproblemen betreft. In afwachting van de finale goedkeuring van het comptabiliteitsdecreet werd in 2003 in kaart gebracht wat de gevolgen van het decreet Beter Bestuurlijk Beleid (ook het spiegeldecreet van het Comptabiliteitsdecreet genoemd) zullen zijn op de begrotingen van de verschillende leefmilieu-instanties (i.h.b. van de toekomstige beleidskern). Verder zal er in het kader van het project ‘Planninscyclus’ werk gemaakt worden van de verdere afstemming tussen de opmaak van het mjp en de opmaak van de begroting, en dit via het opstellen van aangepaste begrotingsinstructies. In afwachting van politieke keuzes over de langetermijnvisie of de financiering van het milieubeleid, zal het accent in deze maatregel enerzijds liggen op het opvolgen van de reeds opgestarte initiatieven (zoals de ontwikkeling van ecologische fondsen voor bodemsanering). Op het vlak van pps, een financieringsmechanisme dat de nodige steun geniet op politiek niveau, zal het recent goedgekeurde decreet en het Europese groenboek een positieve stimulans betekenen voor het gebruik van dit alternatief financieringsmechanisme binnen Vlaanderen. Zeer belangrijk in deze optiek is het herbekijken van de Aquafinconstructie, die momenteel bijna de helft van het leefmilieubudget opslorpt. Via een hervorming van de watersector kan de waterzuiveringsfactuur voor het Vlaams Gewest immers gevoelig gereduceerd worden. Op 17 september 2004 keurde de Vlaamse Regering principieel de reorganisatie van de Vlaamse watersector goed. Deze reorganisatie zal gepaard gaan met het uitkopen van de huidige private aandeelhouder van Aquafin, het opstellen van een nieuwe beheersovereenkomst met Aquafin, het opnieuw op de markt brengen van de ingekochte (private) aandelen van Aquafin, een saneringsplicht voor de drinkwatermaatschappijen en een ééngemaakte waterfactuur met de mogelijkheid voor de gemeenten om een bijkomende rioleringsbijdrage te vragen aan de drinkwatergebruikers voor de uitbouw en beheer van het gemeentelijke rioleringsnetwerk. Aandacht gaat ook uit naar het beter benutten van de financieringsmiddelen die door de eu beschikbaar gesteld worden. Het gaat hier om het beter inspelen op de middelen die de eu ter beschikking stelt van specifieke projecten zoals life en ppo, maar ook om het trachten te vergroten van de totale hoeveelheid aan middelen die België als land ontvangt via de verdeling van de globale enveloppes over de verschillende lidstaten. Algemeen evenwichtsmodel voor milieubeleid in Vlaanderen ontwikkelen

Voor deze maatregel wordt enerzijds het deelproject aem van het Steunpunt Milieubeleidswetenschappen van nabij opgevolgd, waarbij gemikt wordt op de ontwikkeling van een gem-e3 evenwichtsmodel, dat reeds door de Europese Commissie gebruikt werd in de beleidsvoorbereiding. Anderzijds wordt het dwtc-project ‘Greenmod’ (een algemeen evenwichtsmodel dat ontwikkeld wordt voor België en dat regionaal opgesplitst is) gevolgd via de gebruikersgroep. Beide projecten zijn momenteel druk lopende. Eén van de knelpunten op dit onderzoeksdomein is het ontbreken van een volwaardige input-outputtabel van de Vlaamse economie. De administratie Planning en Statistiek is hiermee bezig, maar resultaten worden pas op middellange termijn verwacht.


mjp2005 deel 8corr

19-05-2005

23:38

Pagina 218

Milieujaarprogramma

218 2005

Begroting De middelen voor 2005 blijven constant en zullen opnieuw integraal voor studies gebruikt worden. Deze studies hebben o.m. betrekking op het operationaliseren van Milieukostenmodel onder de maatregel ‘Toekomstige milieukosten en -uitgaven ramen’.


mjp2005 bijlagen

19-05-2005

23:40

Pagina 219

bijlagen


mjp2005 bijlagen

19-05-2005

23:40

Pagina 220


mjp2005 bijlagen

19-05-2005

23:40

Pagina 221

221 bijlagen

Bijlage 1 Overzicht geplande studies (TWOL 2005) Overzicht van de gevonden onderzoeken Nr OL200400

113

Lange titel

Hoofdthema

Stakeholder- en krachtenveldanalyse in het kader van een verruiming

Andere

en vernieuwing van afvalstoffenbeheer naar een integraal of duurzaam materialenbeheer OL200400

069

Selectie van prioritaire doelgroepen in het kader van het verruimen van

Doelgroepen

gestructureerd doelgroepenbeleid OL200400

034

Impact van verschillende soorten milieubeleidsinstrumenten en

Gebruik van grondstoffen

instrumentenmixen op milieu-innovatie OL200400

070

Boom- en houtkwaliteitsonderzoek voor de Vlaamse bos-houtkolom:

Gebruik van grondstoffen

evaluatie van eigenschappen en gebruiksmogelijkheden van hout afkomstig uit duurzaam beheerde bestanden OL200400

077

Implementatie van de strategie voor het verzamelen van incidentiegegevens

Gezondheidsaspecten

i.v.m. aandoeningen die mogelijks wijzen op endocriene verstoring bij de mens en berekening van de maatschappelijke kost van een aantal geïdentificeerde prioritaire aandoeningen OL200300

168

Vergelijkende studie van de volledige milieulasten in Vlaanderen en

Instrumenten

in de belangrijkste concurrerende regio’s OL200400

035

Prioriteiten uitbouw monitoring - case study waterkwaliteit

Instrumenten

OL200400

078

Ambities voor eco-efficiëntie

Instrumenten

Het concept eco-efficiëntie als opstap naar een duurzame economie: onderzoek naar de haalbaarheid van sectoriële grens-, richt- en streefwaarden OL200400

085

Verkennend onderzoek naar het voorkomen van populatiebeïnvloedende

Instrumenten

ziekten (met speciale aandacht voor RHD en EBHS), bij konijn en haas in Vlaanderen OL200400

097

Evaluatie steunpunt Milieubeleidswetenschappen

Instrumenten

OL200400

119

Toepassing van het evaluatiekader voor leefmilieugerelateerde financiële

Instrumenten

tegemoetkomingen op een aantal cases OL200300

024

Studie van gemeenschappelijke (internationale) beleidsscenario’s in het

Integraal Waterbeleid

Scheldestroomgebied met behulp van het PEGASE waterkwaliteitsmodel ter sanering van de waterlopen in Vlaanderen in het kader van de Europese Kaderrichtlijn Water OL200300

040

Afstemmen biologische referentiecondities en evaluatiesystemen in functie

Integraal Waterbeleid

van KRLW (deel 2) OL200400

032

Functietoekenningen voor waterlichamen

Integraal Waterbeleid

OL200400

115

Ondersteuning voor ontwikkeling rekenalgoritme voor MKM-water

Kosten en financiering

OL200400

091

Uit- en doorwerking van langetermijndoelstellingen leefmilieu (vervolg)

Milieuplanning

OL200400

099

Beleidsopvolging en prestatiemeting in functie van een geïntegreerde

Milieuplanning

beleids- en beheerscyclus (vervolg)


mjp2005 bijlagen

19-05-2005

23:40

Pagina 222

Milieujaarprogramma Nr OL200200

OL200400

222 2004

Lange titel 018

079

Hoofdthema

Versterking milieubeleidskader lokale besturen (deelproject DULO):

Samenwerking

randvoorwaarden voor een slagkrachtig milieubeleid

met overheden

Optimalisatie van milieu- en gezondheidsgegevens ter invulling van de

Samenwerking

leemten in data, nodig voor de opvolging van milieu- en gezondheids-

met overheden

indicatoren in Vlaanderen OL200400

110

Evaluatie van de Samenwerkingsovereenkomst ‘Milieu als opstap

Samenwerking

naar duurzame ontwikkeling’

met overheden

OL200400

057

Actualisering van de faalkansen in risicoberekeningen van Sevesobedrijven

Veiligheidsrapportering

OL200400

067

Risicoberekening van Magazijnbranden van Sevesobedrijven

Veiligheidsrapportering

OL200400

060

Reductiepotentieel voor CO2 bij procesemissies in industriĂŤle sectoren

Verandering van

door broeikaseffect

het klimaat

Kennisstroom van vraag naar aanbod naar gebruik binnen het beleids-

Verlies aan biodiversiteit

OL200300

228

domein leefmilieu en natuurbehoud Analyse van enkele kennisstromen naar, binnen en van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (communicatiewetenschappelijk onderzoek) OL200400

063

Onderzoek naar de landinwaartse migratie van rivierprik (Lampetra fluviatilis)

Verlies aan biodiversiteit

in het stroomgebied van de Schelde OL200400

064

Soortbeheer- en beschermingsplan voor de Europese paling in het kader

Verlies aan biodiversiteit

van het Europees beleid OL200400

065

Onderzoek naar de populatiegenetica van serpeling, riviergrondel en

Verlies aan biodiversiteit

kleine modderkruiper in het kader van het behoud en herstel van de natuurlijke populaties OL200400

075

Uitbreiding en aanpassing van de methodiek voor de monitoring van

Verlies aan biodiversiteit

beheerovereenkomsten OL200400

086

Bosuitbreiding en -ontwikkeling in begraasde landschappen

Verlies aan biodiversiteit

OL200300

058

Bepalen van een methodiek voor het opmaken van een praktisch

Vermesting

uitvoerbare en controleerbare bodembalans op perceelsniveau OL200300

225

Ammoniakemisies bij mestscheidingstechnieken

Vermesting

OL200200

137

Zwerfvuilanalyse in Vlaanderen aan de hand van proefstroken

Verontreiniging door afvalstoffen

OL200200

153

Afvalbeheer optimaliseren in een grootstad

Verontreiniging door afvalstoffen

OL200300

175

Pilootproject verpakkingsafval bij kustgemeenten

Verontreiniging door afvalstoffen

OL200300

OL200400

230

033

Onderzoek naar de economische factoren die de recyclage van Vlaams

Verontreiniging

kunststofafval bepalen binnen een internationaal opererende markt

door afvalstoffen

Evaluatie van voorbehandelingstechnieken voor medisch afval

Verontreiniging door afvalstoffen

OL200400

OL200400

038

039

Zuren, basen en slib van oppervlaktebehandeling van metalen:

Verontreiniging

scenario ontwikkeling en programmering

door afvalstoffen

Textielafval en productiegebonden slib : scenario ontwikkeling

Verontreiniging

en programmering

door afvalstoffen


mjp2005 bijlagen

19-05-2005

23:40

Pagina 223

223 bijlagen Nr OL200400

Lange titel 040

Hoofdthema

Proefproject gescheiden inzameling voor recyclage van het bedrijfsafval

Verontreiniging

van voedselkleinhandelaars binnen GISTI (gescheiden inzameling stimuleren)

door afvalstoffen

fase 1 OL200400

042

Proefproject gescheiden inzameling voor recyclage van incontinentiemateriaal

Verontreiniging

en luiers van Rust- en Verzorgingstehuizen en kinderdagverblijven binnen GISTI

door afvalstoffen

(gescheiden inzameling stimuleren) fase 21. OL200400

OL200400

049

052

Opvolgen van de ontplooiing van het netwerk hergebruikcentra in Vlaanderen

Verontreiniging

anno 2005 (inclusief financiĂŤle staalkaart)

door afvalstoffen

Pilootprojecten verpakkingsafval

Verontreiniging door afvalstoffen

OL200400

054

Sorteeranalyse-onderzoek huisvuilzak Vlaanderen 2005

Verontreiniging door afvalstoffen

OL200400

055

Actualisatie van het typologie onderzoek Vlaanderen

Verontreiniging door afvalstoffen

OL200400

056

Zwerfvuil analyseonderzoek in Vlaanderen

Verontreiniging door afvalstoffen

OL200400

062

Verwerking van afvalstoffen, voor nuttige toepassing, in AziĂŤ

Verontreiniging door afvalstoffen

OL200400

080

Evaluatie van het instrument aanvaardingsplicht

Verontreiniging door afvalstoffen

OL200400

OL200400

OL200400

OL200400

081

082

090

132

Beleidsondersteunend onderzoek met het oog op een nieuw Uitvoeringsplan

Verontreiniging

Organisch-Biologisch Afval

door afvalstoffen

Beleidsondersteunend onderzoek in het kader van het project prioritaire

Verontreiniging

afvalstromen, partim dierlijk afval

door afvalstoffen

Onderzoek naar bouwtechnische maatregelen voor het isoleren

Verontreiniging

van wegen bedekt met assen en slakken uit de non-ferro industrie

door afvalstoffen

Evaluatie van de selectieve inzamelingen

Verontreiniging door afvalstoffen

OL200300

OL200400

OL200400

142

016

025

Evaluatie van de inschatting van NMVOS - emissies door verbrandings-

Verontreiniging door

processen in Vlaanderen

fotochemische stoffen

Optimalisatie methodologie en inschatting van de NMVOS-emissies

Verontreiniging door

door tapijtlatexeren en solventcoating

fotochemische stoffen

Ruimtelijke Interpretatie van ozongegevens (RIO 2005)

Verontreiniging door fotochemische stoffen

OL200400

026

VMM - SMOGSTOP 2005

Verontreiniging door fotochemische stoffen

OL200300

277

Studie naar het ecologische herstel in een gesaneerde waterbodem

Verontreiniging en aantasting van de bodem

OL200400

101

Ontwikkelen van een hellingskaart voor Vlaanderen

Verontreiniging en aantasting van de bodem

OL200400

102

Verfijning bodemerosiekaart

Verontreiniging en aantasting van de bodem


mjp2005 bijlagen

19-05-2005

23:40

Pagina 224

Milieujaarprogramma Nr OL200400

121

224 2004

Lange titel

Hoofdthema

Onderzoek naar verkorting van onderzoeksprocedures

Verontreiniging en aantasting van de bodem

OL200400

122

Grijs water

Verontreiniging en aantasting van de bodem

OL200400

OL200400

OL200200

OL200400

123

124

183

043

Toepassing van elektromagnetische inductiemetingen in het kader van

Verontreiniging en aan-

bodemonderzoek en -sanering

tasting van de bodem

Bio-augmentatie voor het induceren van aërobe bioremediatie van

Verontreiniging en aan-

MTBE en TBA

tasting van de bodem

Ecotoxicologische karakterisatie van effluenten: TIE-methodologie op

Verontreiniging van

RWZI Oudenaarde

oppervlaktewater

Kwantificering van oppervlaktewater met BZV en CZV door de landbouw

Verontreiniging van oppervlaktewater

OL200400

OL200400

044

046

Onderzoek op de mogelijkheid om poldergebieden op hun waterkwaliteit

Verontreiniging van

te modelleren

oppervlaktewater

Verkennend onderzoek over eutrofiëring in Vlaanderen

Verontreiniging van oppervlaktewater

OL200400

058

Verdere verfijning van de kwantificering van het aandeel van de diffuse

Verontreiniging van

bronnen op de emissies naar oppervlaktewater en van het stedelijk

oppervlaktewater

(bewoond) gebied OL200400

OL200300

072

272

Voortzetting aanpassing van de omzettingscoëfficiënten van groot-

Verontreiniging van

verbruikers

oppervlaktewater

Het gebruik van zeer hoge resolutie satellietbeelden ten behoeve van

Versnippering

ecotoopkartering in Vlaanderen OL200300

178

Stofstroomanalyse PAK’s

Verspreiding van milieugevaarlijke stoffen

OL200400

011

Voorstellen milieukwaliteitsnormen voor dioxine en dioxine- achtige PCB’s

Verspreiding van milieugevaarlijke stoffen

OL200400

OL200400

015

037

Evaluatie Radiello diffusieve monsternametechniek voor toepassing

Verspreiding van

in het VOC-meetnet in Vlaanderen

milieugevaarlijke stoffen

De aanwezigheid van bioaccumulerende stoffen in industriële effluenten

Verspreiding van milieugevaarlijke stoffen

OL200400

073

Bepaling van kritische lasten voor zware metalen in Vlaanderen

Verspreiding van milieugevaarlijke stoffen

OL200400

076

Onderzoek naar de invloed van het voorkomen van gevaarlijke stoffen

Verspreiding van

voor mens en milieu in de buitenlucht op de kwaliteit van de binnen-

milieugevaarlijke stoffen

omgeving – deel 2 OL200400

OL200400

114

126

Onderzoek naar de kostprijs van een pesticidenvrij beheer door openbare

Verspreiding van

diensten in Vlaanderen

milieugevaarlijke stoffen

Evaluatie Steunpunt Milieu & Gezondheid

Verspreiding van milieugevaarlijke stoffen

OL200400

127

Bijdrage aan de gezondheidsenquÍte 2007 - opmaken van een module

Verspreiding van

Milieu & Gezondheid

milieugevaarlijke stoffen


mjp2005 bijlagen

19-05-2005

23:40

Pagina 225

225 bijlagen Nr

Lange titel

Hoofdthema

OL200400

017

Optimalisatie emissie-inventaris lucht: fijn stof

Verspreiding zwevend stof

OL200400

022

Model fijn stof

Verspreiding zwevend stof

OL200400

024

Operationeel Model voorspelling luchtkwaliteit (OVL 2005)

Verspreiding zwevend stof

OL200400

130

Onderzoek naar de bronnen van PM10 in de haven van Antwerpen

Verspreiding zwevend stof

die bijdragen tot overschrijdingen in 2003 van de grenswaarde + overschrijdingsmarge zoals bepaald in de Europese richtlijn 1999/30/EG, voorstellen tot reductiemaatregelen, doorrekening en evaluatie OL200100

539

Geluidskaarten: voorbereidend onderzoek en opmaak

Verstoring door geluidshinder

OL200300

054

Inschatten van repercuties van implementatie van geurnormering voor

Verstoring door

sommige sectoren

geurhinder

OL200300

226

OPS validatie en correctie

Verzuring

OL200400

007

Modelvergelijking Vlaanderen - Nederland

Verzuring

OL200400

047

Impact van ambitieuze internationale emissiereductiedoelstellingen op

Verzuring

de concurrentiekracht van de ondernemingen OL200400

048

Prognoses en scenario’s voor luchtverontreinigende stoffen

Verzuring

OL200400

071

Bepaling van targets loads voor verzuring in Vlaanderen met dynamische

Verzuring

modellering


mjp2005 bijlagen

19-05-2005

23:40

Pagina 226

Milieujaarprogramma

226 2004

Bijlage 2 Overzicht lopende studies MINA-plan Overzicht van de gevonden onderzoeken Lange titel

Hoofdthema

Vo o r z i e n b e d r a g EUR

Status

Integrale bekkenbeheerplannen opmaken : methodologie planfase

Gebiedsgerichte

123.946,7624

Lopend

124.000

Lopend

benadering Methodologie voor monitoring beheerovereenkomsten

Gebiedsgerichte benadering

Evaluatie van de naleving van de wet- en regelgeving m.b.t. de zorgplicht

Instrumenten

24.789,3525

Lopend

Opstellen van een voorontwerp decreet & ontwerp uitvoeringsbesluit

Instrumenten

37.184,0287

Lopend

Opstellen van paketten integrale voorwaarden hinderlijke inrichtingen

Instrumenten

247.893,5248

Lopend

Steunpunt milieubeleidswetenschappen

Instrumenten

371.840,2872

Lopend

Integratie milieubeheersrecht in een nieuw decreet

Instrumenten

495.787,0495

Lopend

Stroomlijning informatiestromen bedrijfsleven - overheid (MRI-project) fase 2

Instrumenten

148.736,1149

Lopend

Steunpunt Milieubeleidswetenschappen

Instrumenten

743.680,5743

Lopend

75.000

Lopend

124.000

Lopend

75.000

Lopend

Verdroging

121.000

Lopend

Verdroging

99.157,4099

Lopend

Wateraudits - perceel 2 - Wasserijen

Verdroging

86.762,7337

Lopend

Wateraudits - perceel 3 - Textiel

Verdroging

867.627.337

Lopend

Wateraudits - perceel 4 - Slachterijen

Verdroging

100.872,8579

Lopend

Wateraudits: perceel 1 - melkveehouderij

Verdroging

61.973,3812

Lopend

Wateraudits: perceel 2 - varkenshouderij

Verdroging

61.973,3812

Lopend

inzake de harmonisatie / integratie van besluitvormingsprocedures erkenningen deskundigen / labo’s.

Opstellen procedure voor het meten van lachgas- en ammoniakemissies

Verandering van

bij verschillende mestverwerkingstechnieken

het klimaat door broeikaseffect

Opstellen van prognoses van broeikasgasemissies in Vlaanderen

Verandering van

voor 2012

het klimaat door broeikaseffect

Beleidsvoorbereidend onderzoek naar de financiële, ecologische en

Verandering van

juridische aspecten van participatie in een klimaatfonds, gericht op

het klimaat door

het verwerven van emissiekredieen via de flexibiliteitsmechanismen

broeikaseffect

van het Kyotoprotocol Uitwerken van een monitoringstrategie en ontwikkelen van een index voor stromende wateren voor het kwaliteitselement hydromorfologie in uitvoering van de KRLW Uitwerking van geïntegreerde monitoring ‘natte natuur’ i.f.v. een betere onderbouwing van de effecten van verdroging, verzuring en vermesting op natuurkwaliteit


mjp2005 bijlagen

19-05-2005

23:40

Pagina 227

227 bijlagen Lange titel

Hoofdthema

Vo o r z i e n b e d r a g EUR

Status

Wateraudits: perceel 3 - intensieve open lucht groententeelt

Verdroging

61.973,3812

Lopend

Wateraudits: perceel 4 - glasgroenteteelt op substraat

Verdroging

61.973,3812

Lopend

Wateraudits: perceel 5 - sierteelt in open lucht sierteelt in volle grond

Verdroging

61.973,3812

Lopend

Wateraudits: perceel 6 - sierteelt op containervelden

Verdroging

61.973,3812

Lopend

Onderzoeken en inventariseren van oorzaken van lekkage van

Verdunning van

62.000

Lopend

ozonafbrekende stoffen en gefluoreerde broeikasgassen uit

de ozonlaag

49.578,705

Lopend

koelinstallaties en voorstellen van emissiereducerende maatregelen Het opstellen van een afwegingskader ter bevordering van de integratie

Verlies aan

tussen de verschillende wetten en reglementeringen die het gebruik

biodiversiteit

van het buitengebied regelen Gebiedsvisies uitwerken voor gewestgrensoverschrijdende natuurgebieden

Verlies aan biodiversiteit

24.789,3525

Lopend

Haalbaarheidsonderzoek natuurinrichting

Verlies aan biodiversiteit

155.212,1349

Lopend

Haalbaarheidsstudie inzake natuurbehoud en -ontwikkeling in

Verlies aan biodiversiteit

148.736,1149

Lopend

Verlies aan biodiversiteit

148.736,1149

Lopend

Hydrologische studie Westbroek

Verlies aan biodiversiteit

656.917,8406

Lopend

Digitalisatie VEN/IVON Antwerpen

Verlies aan biodiversiteit

61.973,3812

Lopend

Digitalisatie Natuurlijke Structuur Vlaanderen

Verlies aan biodiversiteit

35.004,301

Lopend

Ontwerp van een ecosysteemvisie voor heiden en bossen

Verlies aan biodiversiteit

123.946,7624

Lopend

Verlies aan biodiversiteit

148.736,1149

Lopend

Verlies aan biodiversiteit

88.129,39

Lopend

Geïntegreerd watervoorzienings- en natuurontwikkelingsplan voor de Westkust

Verlies aan biodiversiteit

656.917,8406

Lopend

Ruimtelijk verbinden t. b. v. natuurherstel D’Heye

Verlies aan biodiversiteit

656.917,8406

Lopend

Kraenepoel te Aalter: ontwikkeling flora en vegetatie na herstel- en

Verlies aan biodiversiteit

30.494,3245

Lopend

Kraenepoel te Aalter: hydrologie - opvolging na herstel- en beheersmaatregelen

Verlies aan biodiversiteit

42.233,124

Lopend

Kraenepoel te Aalter: ontwikkeling zoˆplankton en visfauna na herstel- en

Verlies aan biodiversiteit

122.707,2948

Lopend

Verlies aan biodiversiteit

326.963,701

Lopend

Verlies aan biodiversiteit

743.680,5743

Lopend

Verlies aan biodiversiteit

123.946,7624

Lopend

de brongebieden van de Westflank van het Kempens plateau Bouwstenen voor monitoring (3). Onderbouwing en uitwerking van een basismonitoring van de natuurreservaten in Vlaanderen

van zandig Vlaanderen Opmaak van een ontwerp- ecosysteemvisie voor de vallei van de Visbeek-Kindernouwbeek Het maken van vegetatiekaarten van enkele Vlaamse natuurreservaten in Limburg

beheersmaatregelen

beheersmaatregelen Uitwerken van gebiedsvisies en voorbereiding van de opmaak van de natuurrichtplannen VEN gekoppeld aan pilootprojecten (minimaal 1 of 2 per provincie) Opstellen van richtlijnen voor de invulling van natuurverwerving zowel procesmatig (aanpak) als inhoudelijk (richtplannen)* + proefprojecten – deel 1 Demonstratieproject: ‘aanleg buffer tussen het Dorentgebied en het industriegebied Cargovil te Zemst’


mjp2005 bijlagen

19-05-2005

23:40

Pagina 228

Milieujaarprogramma

228 2004

Lange titel

Hoofdthema

Vo o r z i e n b e d r a g EUR

Status

Natuurinrichtingsproject West-Vlaamse Scheldemeersen:

Verlies aan biodiversiteit

637.086,3587

Lopend

Verlies aan biodiversiteit

4.161,81

Lopend

Natuurinrichtingsproject Uitkerkse Polders: ecohydrologische studie

Verlies aan biodiversiteit

60.866,1648

Lopend

Natuurinrichtings- en beheersplannen VMW

Verlies aan biodiversiteit

37.142,0603

Lopend

Opmaak projectuitvoeringsplan natuurinrichting Smeetshof

Verlies aan biodiversiteit

159.871,2441

Lopend

Opmaak projectuitvoeringsplan natuurinrichting Het Vinne

Verlies aan biodiversiteit

64.924,4297

Lopend

Vegetatiekartering en trendanalyse Vijvergebied Midden-Limburg

Verlies aan biodiversiteit

51.877,4464

Lopend

Atlas van de waadvogels (AEWA) - Projecten internationale overeenkomsten

Verlies aan biodiversiteit

127.175,0054

Lopend

Kraenepoel te Aalter: macro-invertebraten: monitoring van het herstel

Verlies aan biodiversiteit

138.822,8528

Lopend

Kraenepoel te Aalter: zaadvoorraadanalyse en protistenonderzoek:

Verlies aan biodiversiteit

156.172,9206

Lopend

Verlies aan biodiversiteit

125.000

Lopend

Verlies aan biodiversiteit

0

Lopend

224.965,88

Lopend

223.104,1723

Lopend

200.000

Lopend

110.285,45

Lopend

12.747,9245

Lopend

50.000

Lopend

65.310,9948

Lopend

50.000

Lopend

topografische opmetingen Natuurinrichtingsproject West-Vlaamse Scheldemeersen: topografische opmetingen – bijkomende opdrachten

monitoring van het herstel Initieel onderzoek naar de volledige abiotiek van verschillende beekbegeleidende Alno-padion-gemeenschappen met de bedoeling het areaal van dit type uit te breiden in welbepaalde Oostvlaamse Speciale Beschermingszones van de Habitatrichtlijn Opstellen van een beheersplan voor het Vlaams Natuurreservaat Mangelbeek Evalueren van de mestuitscheidingscijfers en de mestsamenstellings-

Vermesting

cijfers voor pluimvee Evaluatie van het reductiepotentieel voor diverse polluentemissies

Verontreiniging door

naar het compartiment lucht in een aantal homogene subsectoren

fotochemische stoffen

van de chemische industrie in Vlaanderen deel 2. Project intersectoraal emissiereductieprogramma

Verontreiniging door fotochemische stoffen

Wetenschappelijke beoordeling van een gecombineerde de NOx katalysator met CRT roetfilter voor bussen

Verontreiniging door

Onderzoek naar de ecologische relevantie en betekenis van

Verontreiniging van

de groepsparameters “VOX, AOX en EOX”

oppervlaktewater

fotochemische stoffen

Ontwikkelen van een index voor het biologisch kwaliteitselement vis

Verontreiniging van

voor de Vlaamse rivieren, meren en overgangswateren overeenkomstig

oppervlaktewater

de Europese Kaderrichtlijn Water - Uittesten van de Europese ontwerphandleiding ‘Refcond’ voor het kwaliteitselement vis Toepassing van de Europese Kaderrichtlijn Water op de Dender

Verontreiniging van

en zijbeken

oppervlaktewater

Ontwikkelen van een score of index voor het biologisch kwaliteitselement

Verontreiniging van

‘bentische ongewervelde fauna’ voor de Vlaamse rivieren en meren

oppervlaktewater

overeenkomstig de Europese Kaderrichtlijn Water – Uittesten van de Europese handleiding ‘Refcond’ voor dit kwaliteits


mjp2005 bijlagen

19-05-2005

23:40

Pagina 229

229 bijlagen Lange titel

Hoofdthema

Ontwikkelen van een score of index voor het biologisch kwaliteitselement

Verontreiniging van

‘macrofyten’ voor de Vlaamse rivieren en meren overeenkomstig de

oppervlaktewater

Vo o r z i e n b e d r a g EUR

Status

62.000

Lopend

170.000

Lopend

75.000

Lopend

75.000

Lopend

20.000

Lopend

157.500

Lopend

54.536,5755

Lopend

Europese Kaderrichtlijn Water Monitoringsproject: Toepassing van verschillende biologische

Verontreiniging van

beoordelingssystemen op Vlaamse potentiële interkalibratielocaties

oppervlaktewater

ten behoeve van de Europese Kaderrichtlijn Water (bestaande uit 5 deelstudies) Aanduiding van kunstmatige en sterk veranderde waterlichamen

Verontreiniging van

voor de Vlaamse rivieren, meren en overgangswateren ten behoeve

oppervlaktewater

van de Europese Kaderrichtlijn Water. PEGASE Albertkanaal, Zuid-Willemsvaart (in het Vlaamse gewest)

Verontreiniging van

en de Kempische kanalen : studie over de waterkwaliteit en

oppervlaktewater

de kwantificatie van vrachtfluxen tussen de Maas en de Schelde Evaluatie van 4 jaar meten overstortfrequenties en -debieten

Verontreiniging van oppervlaktewater

PEGASE Scheldestroomgebied : pilootstudie ter ondersteuning van

Verontreiniging van

de implementatie van de Europese Kaderrichtlijn Water.

oppervlaktewater

Evaluatie Ecotunnel Teut-Ten Haagdoornheide

Versnippering

Een grondwatermeetnet voor bestrijdingsmiddelen uitwerken

Verspreiding van

0

Lopend

Verspreiding van

37.184,0287

Lopend

25.000

Lopend

111.552,0861

Lopend

Verzuring

128.904,6329

Lopend

Verzuring

247.893,5248

Lopend

Bepaling van de nulvlaksverplaatsing.

Verzuring

50.000

Lopend

Onderzoek naar de bepaling van Vd (depositiesnelheid) d.m.v.

Verzuring

50.000

Lopend

milieugevaarlijke stoffen Validatie meet- en analysemethode voor HF en formaldehyde dmv Chemcomb

milieugevaarlijke stoffen

Studie voor de ontwikkeling van een integrale beleidsvisie voor

Verstoring door

het proefproject stiltegebied Dender-Mark ter vrijwaring en/of

geluidshinder

verbetering van het stiltekarakter van het gebied Valideren van de meetprocedure voor de bepaling van geur- en

Verstoring door

ammoniakemissies van referentieveestallen als voorbereiding

geurhinder

op de implementatie van de beoordelingsrichtlijn voor emissie-arme stalsystemen Evaluatie van de inzetbaarheid van economische instrumenten in het emissiereductiebeleid voor luchtverontreinigende stoffen Opstarten van een verkort onderzoeksprogramma voor milieu- en dierverantwoorde (ammoniakarme) stalsystemen voor de Vlaamse situatie

een ‘inferential method’.


mjp2005 bijlagen

19-05-2005

23:40

Pagina 230

Milieujaarprogramma

230 2004

Bijlage 3 Stand van uitvoering van de Europese milieuwetgeving Europese milieuwetgeving

De normeringsinstrumenten inzake milieu waarover (1) de Raad, (2) de Commissie en – overeenkomstig de medebeslissingsprocedure – (3) het Europese Parlement samen met de Raad beschikken, zijn ook diegene die in artikel 189 van het eg-verdrag worden gedefinieerd: verordeningen, richtlijnen, beschikkingen, aanbevelingen en adviezen. Deze instrumenten hebben niet dezelfde rechtsgevolgen. • Een verordening heeft een algemene strekking, is bindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks van toepassing in elke lidstaat. • Een richtlijn is bindend ten aanzien van het te bereiken resultaat voor elke lidstaat waarvoor ze bestemd is. Aan de nationale instanties wordt de bevoegdheid gelaten vorm en middelen te kiezen. In tegenstelling tot de verordening is de richtlijn dus niet rechtstreeks van toepassing; ze verkrijgt haar volwaardige normatieve status in de interne (lees Vlaamse) rechtsorde slechts na omzetting in nationaal (lees Vlaams) recht. • Een beschikking is bindend in al haar onderdelen voor degenen tot wie ze uitdrukkelijk is gericht; aanbevelingen en adviezen daarentegen zijn niet bindend. Stand van de uitvoering van Europese richtlijnen

De richtlijnen dienen te worden “omgezet ”in intern Vlaams recht binnen de omzettingstermijnen voorzien in elke richtlijn zelf. Deze omzetting gebeurt of gebeurde via decretale weg en/of (meestal) via besluiten van de Vlaamse regering. Telkens als er een omzetting in intern Vlaams recht gebeurt, wordt deze via de Permanente Vertegenwoordiging bij de eu medegedeeld aan de Commissie. De Commissie gaat de correctheid van de omzetting na en signaleert welke correcties er moeten gebeuren. De stand van zaken die hierna wordt gegeven, werd afgesloten op 1 oktober 2004. Bij het overzicht van de uitvoering wordt een onderscheid gemaakt tussen: 1. de bestaande Europese richtlijnen die reeds zijn omgezet; 2. de bestaande Europese richtlijnen die nog dienen te worden omgezet; 3. de Europese richtlijnen die nog in voorbereiding zijn en die later zullen moeten worden omgezet. Naast de titel wordt voor elke richtlijn eveneens de volgende informatie gegeven: • de officiële referentie (jaar/volgnummer id = interinstitutioneel dossier, pbc = Publicatieblad ec met mededelingen); • de publicatiedatum; • de referentie in het Europese Publicatieblad (pbl =Publicatieblad ec met wetgeving). De verordeningen werden niet opgenomen in de overzichtslijst omdat ze immers geen “omzetting” behoeven en in de regel, behoudens voor specifieke Vlaamse behoeften en toepassingen, geen wetgevend initiatief van de Vlaamse overheid vereisen.


mjp2005 bijlagen

19-05-2005

23:40

Pagina 231

231 bijlagen

Overzicht van de omgezette Europese richtlijnen (stand op 01.10.2004) Ref.

Publicatie-

Titel richtlijn

datum

Ref. Publicatieblad

75/0439

25.07.75

Richtlijn van de Raad van 16 juni 1975 inzake de verwijdering van afgewerkte olie

PBL 194 p. 31

75/0440

25.07.75

Richtlijn van de Raad van 16 juni 1975 betreffende de vereiste kwaliteit van het

PBL 194 p. 34

oppervlaktewater dat is bestemd voor de productie van drinkwater in de Lid-Staten 75/0442

25.07.75

Richtlijn van de Raad van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen

PBL 194 p. 47

76/0160

05.02.76

Richtlijn van de Raad van 8 december 1975 betreffende de kwaliteit van

PBL 31 p. 1

het zwemwater 76/0403

26.04.76

Richtlijn van de Raad van 6 april 1976 betreffende de verwijdering van polychloor-

PBL 108 p. 41

bifenylen en polychloortefenylen [sedert 16.09.96 vervangen door Richtlijn 96/59] 76/0464

18.05.76

Richtlijn van de Raad van 4 mei 1976 betreffende de verontreiniging veroorzaakt

PBL 129 p. 23

door bepaalde gevaarlijke stoffen die in het aquatisch milieu van de Gemeenschap worden geloosd 78/0176

26.02.78

Richtlijn van de Raad van 20 februari 1978 betreffende de afvalstoffen

PBL 54 p. 19

afkomstig van de titaandioxyde-industrie 78/0319

31.03.78

Richtlijn van de Raad van 20 maart 1978 betreffende toxische en gevaarlijke

PBL 84 p. 49

afvalstoffen [sedert 12.12.93 vervangen door Richtlijn 91/869] 78/0659

14.08.78

Richtlijn van de Raad van 18 juli 1978 betreffende de kwaliteit van zoet water dat

PBL 222 p. 1

bescherming of verbetering behoeft teneinde geschikt te zijn voor het leven van vissen 79/0409

25.04.79

Richtlijn van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de Vogelstand

PBL 103 p. 1

79/0869

29.10.79

Richtlijn van de Raad van 9 oktober 1979 inzake de meetmethoden en

PBL 271 p. 44

de frequentie van de bemonstering en de analyse van het oppervlaktewater dat bestemd is voor de productie van drinkwater in de Lid-Staten 79/0923

10.11.79

Richtlijn van de Raad van 30 oktober 1979 inzake de vereiste kwaliteit van

PBL 81 p .47

schelpdierwater 80/0068

26.01.80

Richtlijn van de Raad van 17 december 1979 betreffende de bescherming

PBL 20 p. 43

van het grondwater tegen verontreiniging veroorzaakt door de lozing van bepaalde gevaarlijke stoffen 80/0778

30.08.80

Richtlijn van de Raad van 15 juli 1980 betreffende de kwaliteit van voor

PBL 229 p. 11

menselijke consumptie bestemd water 80/0779

30.08.80

Richtlijn van de Raad van 15 juli 1980 betreffende de grens- en richtwaarden

PBL 229 p. 30

van de luchtkwaliteit voor zwaveldioxyde en zwevende deeltjes 82/0176

27.03.82

Richtlijn van de Raad van 22 maart betreffende de grenswaarden en kwaliteits-

PBL 81 p. 29

doelstellingen voor kwiklozingen afkomstig van de sector electrolyse van alkalichloriden 82/0501

05.08.82

Richtlijn van de Raad van 24 juni 1982 inzake de risico’s van zware ongevallen

PBL 230 p. 1

bij bepaalde industriĂŤle activiteiten 82/0883

31.12.82

Richtlijn van de Raad van 3 december 1982 betreffende de voorschriften voor het toezicht op en de controle van de milieus die betrokken zijn bij de lozing van de titaandioxyde-industrie

PBL 378 p. 1


mjp2005 bijlagen

19-05-2005

23:40

Pagina 232

Milieujaarprogramma

Ref.

Publicatie-

232 2004

Titel richtlijn

datum 82/0884

31.12.82

Ref. Publicatieblad

Richtlijn van de Raad van 3 december 1982 betreffende een grenswaarde

PBL 378 p. 15

van de luchtkwaliteit voor lood 83/0029

03.02.83

Richtlijn van de Raad van 24 januari 1983 tot wijziging van Richtlijn 78/176/EEG

PBL 32 p. 28

betreffende afvalstoffen afkomstig van de titaandioxyde-industrie 83/0513

24.10.83

Richtlijn van de Raad van 26 september 1983 betreffende de grenswaarden

PBL 291 p. 1

en kwaliteitsdoelstellingen voor lozingen van cadmium 84/0156

17.03.84

Richtlijn van de Raad van 8 maart 1984 betreffende de grenswaarden voor

PBL 74 p. 49

kwiklozingen in het aquatisch milieu afkomstig van andere sectoren dan de electrolyse van alkalichloriden 84/0360

16.07.84

Richtlijn van de Raad van 28 juni 1984 betreffende de bestrijding van door

PBL 188 p. 20

industriële inrichtingen veroorzaakte luchtverontreiniging 84/0491

17.10.84

Richtlijn van de Raad van 9 oktober 1984 betreffende de grenswaarden en

PBL 274 p. 11

kwaliteitsdoelstellingen voor de lozing van hexachloorcyclohexaan 84/0631

13.12.84

Richtlijn van de Raad van 6 december 1984 betreffende toezicht en controle

PBL 326 p. 31

in de Gemeenschap op de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen [sedert 06.05.94 opgeheven door Verordening van 01.02.93] 85/0203

27.03.85

Richtlijn van de Raad van 7 maart 1984 inzake luchtkwaliteitsnormen

PBL 87 p. 1

voor stikstofdioxyde 85/0337

05.07.85

Richtlijn van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieu-effectbeoordeling

PBL 175 p. 40

van bepaalde openbare en particuliere projecten 85/0411

30.08.85

Richtlijn van de Commissie van 25 juli 1985 tot wijziging van Richtlijn

PBL 233 p. 33

79/409/EEG van de Raad inzake het behoud van de vogelstand 86/0278

04.07.86

Richtlijn van de Raad van 12 juni 1986 betreffende de bescherming van het milieu,

PBL 181 p. 6

in het bijzonder de bodem, bij gebruik van zuiveringsslib in de landbouw 86/0280

04.07.86

Richtlijn van de Raad van 12 juni 1986 betreffende grenswaarden en kwaliteits-

PBL 181 p. 16

doelstellingen voor lozingen van bepaalde onder lijst I van de bijlage van Richtlijn 76/464/EEG vallende gevaarlijke stoffen 87/0101

12.02.87

Richtlijn van de Raad van 22 december 1986 tot wijziging van RLR 75/349

PBL 42 p. 43

inzake de verwijdering van afgewerkte olie 7/0216

28.03.87

Richtlijn van de Raad van 19 maart 1987 tot wijziging van Richtlijn 82/501/EEG

PBL 85 p. 36

inzake de risico’s van zware ongevallen bij bepaalde industriële activiteiten 87/0217

28.03.87

Richtlijn van de Raad van 19 maart 1987 inzake voorkoming en vermindering

PBL 85 p. 40

van verontreiniging van het milieu door asbest 88/0347

25.06.88

Richtlijn van de Raad van 16 juni 1988 tot wijziging van bijlage II van Richtlijn

PBL 158 p. 35

86/280/EEG betreffende grenswaarden en kwaliteitsdoelstellingen voor lozingen van bepaalde onder lijst I van de bijlage van Richtlijn 76/464/EEG vallende gevaarlijke stoffen 88/0609

07.12.88

Richtlijn van de Raad van 24 november 1988 inzake beperking van de emissies

PBL 336 p. 1

van bepaalde stoffen in de lucht door grote stookinstallaties 88/0610

07.12.88

Richtlijn van de Raad van 24 november 1988 tot wijziging van Richtlijn 82/501/EEG inzake de risico’s van zware ongevallen bij bepaalde industriële activiteiten

PBL 336 p. 14


mjp2005 bijlagen

19-05-2005

23:40

Pagina 233

233 bijlagen Ref.

Publicatie-

Titel richtlijn

datum 89/0369

14.06.89

Ref. Publicatieblad

Richtlijn van de Raad van 8 juni 1989 ter voorkoming van door nieuwe installaties

PBL 196 p. 32

voor de verbranding van stedelijk afval veroorzaakte luchtverontreiniging 89/0427

14.07.89

Richtlijn van de Raad van 21 juni 1989 tot wijziging van Richtlijn 80/779/EEG

PBL 201 p. 53

betreffende de grenswaarden en richtwaarden van de luchtkwaliteit voor zwaveldioxyde en zwevende deeltjes 89/0428

14.07.89

Richtlijn van de Raad van 21 juni 1989 tot vaststelling van de procedure voor

PBL 201 p. 56

de harmonisering van de programma’s tot vermindering en uiteindelijke algehele opheffing van de verontreiniging door afval van de titaandioxyde-industrie [vernietigd door Arrest Hof van Justitie dd. 11.06.91 en vervangen door Richtlijn 92/112] 89/0429

15.07.89

Richtlijn van de Raad van 21 juni 1989 ter voorkoming van door bestaande

PBL 203 p. 50

installaties voor de verbranding van stedelijk afval veroorzaakte luchtverontreiniging 90/0219

08.05.90

Richtlijn van de Raad van 23 april 1990 inzake het ingeperkt gebruik van genetisch

PBL 117 p. 1

gemodificeerde micro-organismen 90/0220

08.05.90

Richtlijn van de Raad van 23 april 1990 inzake de doelbewuste introductie van

PBL 117 p. 15

genetisch gemodificeerde organismen in het milieu 90/0313

23.06.90

90/0415

18.08.90

Richtlijn van de Raad van 7 juni 1990 inzake de vrije toegang tot milieu-informatie

PBL 158 p. 56

Richtlijn van de Raad van 27 juli 1990 tot wijziging van bijlage II bij Richtlijn

PBL 219 p. 49

86/280/EEG betreffende grenswaarden en kwaliteitsdoelstellingen voor lozingen van bepaalde onder lijst I van de bijlage bij Richtlijn 76/464/EEG vallende gevaarlijke stoffen 90/0667

27.12.90

Richtlijn van de Raad van 27 november 1990 tot vaststelling van gezondheids-

PBL 363 p. 51

voorschriften voor de verwijdering en verwerking van dierlijke afvallen, voor het in de handel brengen van dierlijke afvallen en ter voorkoming van de aanwezigheid van ziekteverwekkers in diervoeders van dierlijke oorsprong (vissen daaronder begrepen) en tot wijziging van Richtlijn 90/425/EEG 91/0156

26.03.91

Richtlijn van de Raad van 18 maart 1991 tot wijziging van Richtlijn

PBL 78 p. 32

75/442/EEG van de Raad van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen 91/0157

26.03.91

Richtlijn van de Raad van 18 maart 1991 inzake batterijen en accu’s die

PBL 78 p. 38

gevaarlijke stoffen bevatten 91/0244

08.05.91

Richtlijn van de Commissie van 6 maart 1991 tot wijziging van Richtlijn

PBL 115 p. 41

79/409/EEG van de Raad inzake het behoud van de vogelstand 91/0271

30.05.91

Richtlijn van de Raad van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk

PBL 135 p. 40

afvalwater 91/0676

31.12.91

Richtlijn van de Raad van 12 december 1991 inzake de bescherming van water

PBL 375 p. 1

tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronneni 91/0689

31.12.91

Richtlijn van de Raad van 12 december 1991 betreffende gevaarlijke afvalstoffen

PBL 377 p. 20

91/0692

31.12.91

Richtlijn van de Raad van 23 december 1991 tot standaardisering en rationalisering

PBL 377 p. 48

van de verslagen over de toepassing van bepaalde richtlijnen op milieugebied 92/0043

22.07.92

Richtlijn van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van

PBL 206 p.7

de natuurlijke habitats en de wilde fauna en flora 92/0072

13.10.92

Richtlijn van de Raad van 21 september 1992 betreffende de verontreiniging van de lucht door ozon

PBL 297 p. 1


mjp2005 bijlagen

19-05-2005

23:40

Pagina 234

Milieujaarprogramma

Ref.

Publicatie-

234 2004

Titel richtlijn

Ref.

datum 92/0112

31.12.92

Publicatieblad Richtlijn van de Raad van 15 december 1992 tot vaststelling van de procedure

PBL 409 p. 11

voor de harmonisatie van de programma’s tot vermindering en uiteindelijke algehele opheffing van de verontreiniging door afval van de titaandioxyde-industrie 93/0076

22.09.93

Richtlijn van de Raad van 13 september 1993 tot beperking van kooldioxide-

PBL 237 p. 28

emissies door verbetering van de energie-efficiëntie (SAVE) 94/0015

22.04.94

Richtlijn van de Commissie van 15 april 1994 betreffende aanpassing voor

PBL 103 p. 20

de eerste maal, van de technische vooruitgang van Richtlijn 90/220 94/0024

30.06.94

Richtlijn van de Raad van 8 juni 1994 tot wijziging van bijlage II bij Richtlijn

PBL 164 p. 9

79/409/EEG inzake het behoud van de vogelstand 94/0031

02.07.94

Richtlijn van de Raad van 27 juni 1984 tot wijziging van Richtlijn

PBL 168 p. 28

91/689/EEG betreffende gevaarlijke afvalstoffen 94/0051

18.11.94

Richtlijn van de Commissie van 7 november 1994 betreffende aanpassing

PBL 297 p. 29

aan de technische vooruitgang van Richtlijn 90/219/EEG van de Raad inzake het ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde micro-organismen 94/0062

31.12.94

Richtlijn van het Europees parlement en de Raad van 20 december 1994

PBL 365 p. 10

betreffende verpakking en verpakkingsafval 94/0063

31.12.94

Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 1994

PBL 365 p. 24

betreffende de beheersing van de uitstoot van vluchtige organische stoffen (VOS) als gevolg van de opslag en de distributie van benzine vanaf terminals naar benzinestations 94/0066

24.12.94

Richtlijn van de Raad van 15 december 1994 tot wijziging van Richtlijn

PBL 337 p. 83

88/609/EEG inzake beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door grote stookinstallaties 94/0067

31.12.94

Richtlijn van de Raad van 16 december 1994 betreffende verbranding van

PBL 365 p. 34

gevaarlijke afvalstoffen 96/0059

24.09.96

Richtlijn van de Raad van 16 september 1996 betreffende de verwijdering van

PBL 243 p. 31

polychloorbifenylen en polychloorterfenylen (PCB’s/PCT’s) 96/0061

10.10.96

Richtlijn van de Raad van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie

PBL 257 p. 26

en bestrijding van verontreiniging 96/0062

21.11.96

Richtlijn van de Raad van 27 september 1996 inzake de beoordeling en

PBL 296 p. 55

het beheer van de luchtkwaliteit 96/0082

14.01.97

Richtlijn van de Raad van 9 december 1996 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn

97/0016

06.05.97

PBL 10 p. 13

betrokkenii

Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 10 april 1997 betreffende

PBL 116 p. 31

de beperking van het op de markt brengen en het gebruik van hexacloorethaan 97/0035

27.06.97

Richtlijn van de Commissie van 18 juni 1997 houdende tweede aanpassing van

PBL 169 p. 72

de vooruitgang van de techniek van Richtlijn 90/220 98/0083

05.12.98

Richtlijn van de Raad van 3 november 1998 betreffende de kwaliteit van voor

PBL 330 p. 32

menselijke consumptie bestemd drinkwater 99/0049

13.08.97

Richtlijn van de Commissie van 29 juli 1997 tot wijziging van Richtlijn 79/409 van de Raad inzake het behoud van de vogelstand

97/0062

08.11.97

Richtlijn van de Raad van 27 oktober 1997 tot aanpassing van de technische en wetenschappelijke voortuitgang van Richtlijn 92/43

PBL 305 p. 42


mjp2005 bijlagen

19-05-2005

23:40

Pagina 235

235 bijlagen Ref.

Publicatie-

Titel richtlijn

datum 98/0015

07.03.98

Ref. Publicatieblad

Richtlijn van de Commissie van 27 februari 1998 houdende wijziging van

PBL 67 p. 29

Richtlijn 91/271 ten aanzien van enkele in bijlage I vastgestelde voorschriften 98/0083

5.12.98

Richtlijn van de Raad van 3.11.98 houdende herziening van richtlijn 80/779

PBL 330

i.v.m. de kwaliteit vzan voor menselijke consumptie bestemd water 99/0013

29.03.99

Richtlijn van de Raad van 11 maart 1999 inzake de beperking van emissie

PBL 85 p. 1

van vluchtige organische stoffen ten gevolge van het gebruik van organische oplosmiddelen bij bepaalde werkzaamheden en in installaties 99/0030

29.06.99

Richtlijn van de Raad van 22 april 1999 betreffende de grenswaarden voor

PBL 163 p. 41

zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes en lood in de lucht 99/0031

16.07.99

Richtlijn van de Raad van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen

PBL 182 p. 1

99/0032

11.05.99

Richtlijn van de Raad van 26 april 1999 betreffende een vermindering van

PBL 121 p. 13

het zwavelgehalte van bepaalde vloeibare brandstoffen en tot wijziging van Richtlijn 93/0012 00/0053

21.10.2000

Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 18 september 2000

PBL 269 p. 34

betreffende autowrakken 00/0059

28.12.2000

Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 27. November 2000

PBL 332 p.81

betreffende havenontvangstvoorzieningen voor scheepsafval en ladingresiduĂŤn 00/0060

22.12.2000

Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000

PBL 327 p. 1

tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid 00/0069

13.12.2000

Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2000

PBL 313 p.12

betreffende grenswaarden voor benzeen en koolmonoxide in de lucht 00/0076

28.12.2000

Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 4 december 2000

PBL 332 p. 91

betreffende de verbranding van afval 01/0080

27.11.2001

Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2001 inzake

PBL 309 p.1

de beperking van de emissiesvan bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door grote stookinstallaties 01/0081

27.11.2001

Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 23.10.2001 inzake

PBL 309 p. 22

nationale emissieplafonds voor bepaalde luchtverontreinigende stoffen 02/003

09.03.2002

Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 12 februari 2002

PBL 67 p.14

betreffende ozon in de lucht 02/0096

13.2.03

Richtlijn van het EP/R van 27.3.03 betreffende afgedankte elecktrische en electronische apparatuur

PBL 37


mjp2005 bijlagen

19-05-2005

23:40

Pagina 236

Milieujaarprogramma

236 2004

Overzicht van de nog om te zetten Europese richtlijnen (stand op 1.10.2004) Ref.

Publicatie-

Titel richtlijn

datum 97/0011

14.03.97

Ref. Publicatieblad

Richtlijn van de Raad van 3 maart 1997 tot wijziging van Richtlijn 85/337/EEG

PBL 73 p. 5

betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten 01/0018

17.04.2001

Richtlijn van het europees Parlement en de Raad van 12 maart inzake

PBL 106 p. 1

de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu en tot intrekking van Richtlijn 90/220 van de Raad 01/0042

21.07.2001

Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 27 Juni 2001 betreffende

PBL 197 p. 30

de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s 02/0049

18.07.2002

Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2002 inzake

PBL 189 p.12

de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai 02/0004

14.2.03

Richtlijn van het EP/R van 28.1.03 betreffende de vrije toegang tot

PBL41

de milieu-informatie 03/0035

25.6.03

Richtlijn van het EP/R van 26.5.03 tot voorziening in inspraak van het publiek

PBL 157

in de opstelling van bepaalde plannen en programma’s betreffende het milieu, en met betrekking tot inspraak van het publiek en toegang tot de rechter en wijziging RL 95/337 en 91/61 03/0087

25.12.03

Richtlijn van het EP/R van 13.10.03 tot vaststelling van een regeling voor

PBL 275

broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap entot wijziging van Richtlijn 96/61 04/0012

18.2.04

Richtlijn van het EP/R tot wijziging van Richtlijn 94/62 (verpakkingsafval)

PBL 47

04/0035

30.4.04

Richtlijn van het EP/R betreffende Milieu-aansprakelijkheid i.v.m. het voorkomen

PBL 143

en herstellen van milieuschade 04/0042

30.4.04

Richtlijn van het EP/R tot wijziging van Richtlijn 99/13 (VOS)

PBL 143

---

---

Richtlijn va n het EP/Rtot wijziging van Richtlijn 03/0087 van 25.12.04

---


mjp2005 bijlagen

19-05-2005

23:40

Pagina 237

237 bijlagen

Overzicht van de Europese richtlijnen in voorbereiding (stand op 1.10.2004) Ref.

Titel richtlijn

Ref. Publicatieblad

ID 02/123

Voorstel van RL van EP/Rinzake hergebruik en commerciële exploitatie van overheidsdocumenten

ID 03/242

Voorstel van RL van EP/R betreffende toepassing van de bepalingen van het Verdrag van Aarhus betreffende toegang tot de informatie, inspraak bij de besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden op EU-instellingen en organisaties

ID 03/246

Voorstel van RL van het EP/R betreffende toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden

ID 03/173

Voorstel van RL houdende wijziging van de RL2003/87 tot vaststelling van een regeling voor de handel inbroeikasgasemissierechten binnen de gemeenschap met betrekking tot de projectmechanismen van het Protocol van Kyoto

PBC 45

Voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende de kwaliteit van

25.02.2003

het zwemwater (vervanging richtlijn 76/160) ID 04/2

Voorstel van RL van EP/R betreffende kwaliteit van zoet water dat bescherming of verbetering behoeft teneinde geschikt te zijn voor het leven van vissen

ID 03/210

Voorstel van RL van EP/R betreffende de bescherming van het grondwater

03/333

Voorstel voor een richtlijn van EP/R betreffende de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stofffen die in het aquatisch milieu van de gemeenschap worden geloosd (gecodificeerde versie)

ID 03/107

Voorstel voor een richtlijn van het EP/R betreffende het beheer van afvalstofffen van de winningsindustriën

ID 03/283

Voorstel voor een nrichtlijn van het EP/R betreffende afvalstoffen (gecodificeerde versie)

ID 03/282

Voorstel voor een RL van het EP/R inzake batterijen en accu’s, alsook gebruikte batterijen en accu’s

ID 97/314

Voorstel van een Richtlijn van de Raad tot wijziging van de Richtlijn 94/67 betreffende de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen

PBC 382 en ID 96/123

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake merktekens op verpakkingen en inzake de vaststelling van een procedure voor de overeenstemmingsbeoordeling van verpakkingen

ID03/139

Voorstel voor een richtlijn van het EP/R betreffende het transport van afvalstoffen

ID 01/245

Voorstel voor een richtlijn van EP/R tot vasstelling van een kader voor de verhandeling van broeikasgas-emissierechten in EU en wijziging van richtlijn 96/61 (IPPPC)

ID 03/164

Voorstel voor een richtlijn van EP/R betreffende arseen, cadmium,kwik, nikkel en polycyclische aromatische KW in de lucht

i Richtlijn 91/676 is gedeeltelijk omgezet door MAP; thans ter aanvulling en herziening. ii Implementering via verplicht samenwerkingsakkoord, thans in behandeling bij federale overheid.

18.12.96


mjp2005 bijlagen

19-05-2005

23:40

Pagina 238

Milieujaarprogramma

238 2004

Bijlage 4 Stand van zaken aangaande de goedkeuring van internationale overeenkomsten Toelichting bij tabel

De gegevens in de tabel werden bijgehouden tot oktober 2004. Zoals de voorgaande jaren reeds het geval was, werden de gegevens overgenomen uit het “repertorium” bijgehouden door de administratie Buitenlands Beleid (abb). De lezers, die geïnteresseerd zijn in de procedurele aspecten van de ratificatiegang, worden doorverwezen naar de inleiding bij betrokken repertorium. Vindplaats in het reper torium Nummer

Kwalificatie

1

II. Exclusief - Bilateraal

2

Idem

3

Idem

4

II. Exclusief - Multilateraal

5

Idem

6

Idem

7

Idem

8

III.4.C. Gemengd – EU

9

III.5. Gemengd - RVE

10

Idem

11

III.6. Gemengd - IAO

12

III.8.A. Gemengd - Multilateraal Milieu

13

Idem

14

Idem

15

Idem

16

Idem

17

Idem

18

Idem

19

Idem

20

Idem

21

Idem

22

Idem

23

Idem

24

Idem


mjp2005 bijlagen

19-05-2005

23:40

Pagina 239

239 bijlagen Nummer

Kwalificatie

25

Idem

26

Idem

27

Idem

28

Idem

29

Idem

30

Idem

31

Idem

32

Idem

33

Idem

34

Idem

35

Idem

36

Idem

37

Idem

38

Idem

39

Idem

40

Idem

41

Idem

42

Idem

43

Idem

44

Idem

45

Idem

46

Idem

47

Idem

48

Idem

49

Idem

50

Idem

51

Idem

52

III.8.D. Gemengd – Multilateraal Scheepvaart

53

Idem

54

III.8.F. Gemengd – Multilateraal Varia


7

6

5

4

27/03/1996

20/06/1996

20/06/1996

14/05/2003

24/07/1996

20/06/1996

01/01/1998

Inwerking getreden op

notificatie: BS 02/06/2003

Mededeling VR over

Inwerkingtreding 13/06/2003

Inwerkingtreding 24/10/1996

01/07/1996

In werking getreden op

en machtigt te ondertekenen.

15/12/1998: VR keurt goed

ming vaarweg Westerschelde.

art. 9 van het verdrag verrui-

overeenkomst in uitvoering van

01/07/1996. HYMEDIS-

In werking getreden op

Actieprogramma door de VR

01/01/1998

Inwerking getreden op

op 8/12/1998 goedgekeurd

(BS : 29/05/1996)

stedelijk en Waals Gewest,

Antwerpen

Frankrijk, Nederland)

Schelde (Vlaams, Brussels Hoofd-

Bescherming waterkwaliteit

16/04/1996

(BS 29/05/1996)

16/04/1996

(BS 26/04/2001)

23/03/2001

(BS 05/08/1994)

01/06/1994

BS 06/03/1996

22/12/1995

20/06/1996

op 08/12/1998 goedgekeurd 15/11/1995

22/12/1995 (BS 06/03/1996)

Inwerkingtreding 1/4/2000

Actieprogramma door de VR

17/01/1995,

27/03/1996

14/03/2001

19/05/1994

21/12/1995

21/12/1995

4/2/2000

Nederland)

Antwerpen

(Vlaams, Brussels Hoofdstedelijk

15/11/1995

31/03/2000

12/01/1994

28/07/1995

28/07/1995

(BS 26/05/1999)

13/04/1999

regering

door Vlaamse

opmerkingen

en Waals Gewest, Frankrijk,

17/01/1995,

Londen

4/12/1991,

Parijs

16/11/1972,

Antwerpen

17/01/1995,

Bescherming waterkwaliteit Maas

(04/12/1991, Londen)

van vleermuizen in Europa

Overeenkomst ter bescherming

(16/11/1972, Parijs).

natuurlijk erfgoed in de wereld

bescherming van het cultureel en

UNESCO-conventie inzake de

(Vlaanderen, Nederland)

Afvoer Maaswater

Antwerpen

17/01/1995,

Parlement

regering

Bekrachtiging en afkondiging

ratificatie

internationale

Milieujaarprogramma

3

(Vlaanderen, Nederland)

Verruiming vaarweg Westerschelde

tegen inscharing

door Vlaams

door Vlaamse

31/03/1999

decreet

29/09/1998

Goedkeuring

Goedkeuring ontwerpdecreet

goedkeuringsdecreet

23:40

2

Brussel

inzake de verdediging van de

oevers langs de Westerschelde

06/01/1993

Overeenkomst met Nederland

verdrag

fase

19-05-2005

1

onder tekening

preliminaire

mjp2005 bijlagen Pagina 240

240 2004


Parlement

regering

09/06/2004

16/4/1998

Fed. Instemmingswet

01/03/2002

Regina

inzake watergebieden van inter-

(28/05/1987, Regina)

verblijfplaats voor watervogels)

nationale betekenis (i.h.b. als

28/05/1987,

13 Amendement op de overeenkomst

(03/12/1982, Parijs)

plaatsvoor watervogels)

(BS 22/8/1998)

14/7/1998

(BS 22/8/1998)

14/7/1998

(BS 12/04/2002)

28/10/1998

28/10/1998

10/5/1994

Fed. Instemmingswet

06/09/1996

Fed instemmingswet

Inwerkingtreding 1/2/1999

10/05/1994

Fed. Instemmingswet

28/10/1998

08/07/1998

08/07/1998

06/02/2002

Inwerkingtreding:

13/01/1998

13/01/1998

01/06/2001

betekenis ( i.h.b. als verblijf-

Parijs

03/12/1982,

Genève

(BS 05/09/2003)

gebieden van internationale

overeenkomst inzake water-

12 Protocol tot wijziging van de

gemengd verklaard

22/06/1993,

WGV 25/03/1996:

11 Verdrag nr. 174 inzake voorko-

ming van industriële ongevallen

Florence

20/10/2000,

landschappen (ETS 176)

10 Europees verdrag inzake

gemengd verklaard

Straatsburg

20/06/1996

+ 14/10/1998:

ming van het leefmilieu door

het strafrecht (4/11/1998,

Straatsburg) (ETS 172)

07/05/1999,

WGV op

Conventie inzake de bescher-

in juridisch afdwingbare regels

Haag op 17/12/1991) om

verklaring, ondertekend in Den

23:40

handvest (= een politieke

van het Europees Energie-

18/07/2003

08/05/1998

efficiëntie

(BS 10/02/1998)

19/12/1997

regering

door Vlaamse

Inwerkingtreding 6/8/1998

09/07/2003

Bekrachtiging en afkondiging

opmerkingen

Dit verdrag zet de principes

14/03/2003

18/12/1997

door Vlaams

door Vlaamse

03/06/1997

decreet

ratificatie

internationale

+ protocol i.v.m. energie-

Lissabon

17/12/1994,

Goedkeuring

Goedkeuring ontwerpdecreet

goedkeuringsdecreet

+ amendementen

Energiehandvest

Verdrag inzake het Europees

verdrag

fase

19-05-2005

9

8

onder tekening

preliminaire

mjp2005 bijlagen Pagina 241

241 bijlagen


gemengd verklaard

overschrijdende luchtveront-

overschrijdende gevolgen

(17/03/1992, Helsinki)

van industriële ongevallen

WGV 17/12/1997

gemengd verklaard

18 Verdrag inzake de grens-

reiniging (Genève 1979)

overschrijdende luchtveront-

bij het verdrag inzake grens-

stromen (Genève, 18/11/1991)

of hun grensoverschrijdende

organische koolwaterstoffen

van emissies van vluchtige

reiniging inzake beheersing

WGV 17/12/1997:

17 Protocol betreffende grens-

– verdrag (04/10/1991, Madrid)

bescherming bij het Antarctica

16 Protocol betreffende milieu-

verband (25/02/1991. Espoo)

Helsinki

17/03/1992,

Genève

18/11/1991,

Madrid

4/10/1991,

Espoo

25/02/1991,

Parlement

regering

01/06/2001

11/03/1997

15/11/1995

25/03/1997

06/02/2002

09/07/1997

21/12/1995

09/07/1997

Bekrachtiging

(BS 12/04/2002)

01/03/2002

(BS. 29/08/1997)

15/07/1997

(BS 06/03/1996)

22/12/1995

(BS 01/10/1997)

15/07/1997

(BS 12/08/2000)

17/07/2000

regering

door Vlaamse

en afkondiging

08/11/2000

25/04/1996

02/07/1999

08/11/2000

ratificatie

internationale

Inwerkingtreding 06/02/2001

24/06/2000

Fed. Instemmingswet

14/1/1999

In werking getreden op

19/05/1995

Fed. Instemmingswet

Inwerkingtreding 30/09/1999

09/06/1999

Fed. Instemmingswet

Inwerkingtreding 06/02/2001

25/03/1999

Fed. Instemmingswet

opmerkingen

Milieujaarprogramma

rapportering in grensoverschrijdend

15 Verdrag inzake milieu-effect-

(Sofia, 31/10/1988)

of hun stromen

Sofia

door Vlaams

door Vlaamse

05/07/2000

decreet

19/05/2000

Goedkeuring

Goedkeuring ontwerpdecreet

goedkeuringsdecreet

23:40

van uitstoot van stikstofdioxiden

verontreiniging i.v.m. de reductie

van 1979 betreffende de lucht-

31/10/1988,

verdrag

fase

19-05-2005

14 Protocol bij de Overeenkomst

onder tekening

preliminaire

mjp2005 bijlagen Pagina 242

242 2004


WGV 04/05/1994

05/07/2000

19/04/1995

(10/12/1982, Montego Bay

inzake het recht van de zee

deel XI van het VN-verdrag

24 Akkoord inzake toepassing

verontreiniging (Genève, 1979)

grensoverschrijdende lucht-

bij het verdrag inzake

tot VI (Oslo, 14/06/1994)

zwavelemissies en bijlagen I

betreffende de verlaging van

schrijdende luchtverontreiniging

23 Protocol inzake grensover-

(22/09/1992, Parijs)

gemengd verklaard

New York

28/07/1994,

Oslo

12/05/1998

08/07/1998

(BS 22/08/1998)

14/07/1998

(BS 12/08/2000)

17/07/2000

(BS 04/10/1995)

08/11/2000

06/09/1996

22/11/1996

16/01/1996

11/05/1995

Fed. Instemmingswet

Inwerkingtreding 20/02/1997

11/5/1995

Fed. Instemmingswet

Inwerkingtreding 15/04/1996

11/05/1995

Fed. Instemmingswet

Inwerkingtreding 06/02/2001

29/09/2000

Fed. Instemmingswet

13/11/1998

Inwerkingtreding 13/12/1998

18/06/1998

Fed. Instemmingswet

Inwerkingtreding 06/02/2001

24/06/2000

Fed. Instemmingswet

In werking getreden op

19/05/2000

04/04/1995

(BS 24/05/1996)

19/03/1996

(BS 7/07/1995)

19/04/1995

08/11/2000

06/10/1996

14/06/1994,

21/12/1994

28/02/1996

04/04/1995

(BS 13/08/1996)

08/07/1996

regering

door Vlaamse

Oceaan – OSPAR-verdrag

Parijs

18/10/1995

22/02/1995

Bekrachtiging en afkondiging

opmerkingen

de Noord-Oostelijke Atlantische

03/11/1992,

van het mariene milieu van

Rio de Janeiro

22 Verdrag inzake de bescherming

(05/06/1992, Rio de Janeiro)

diversiteit

21 Verdrag inzake biologische

05/06/1992,

Rio de Janeiro

klimaatverandering

(09/05/1992, New York)

04/06/1992,

20 VN-raamverdrag inzake

Parlement

regering 19/06/1996

door Vlaams

door Vlaamse

28/02/1996

decreet

ratificatie

internationale

23:40

(17/03/1992, Helsinki)

en internationale meren

Helsinki

17/03/1992,

Goedkeuring

Goedkeuring ontwerpdecreet

goedkeuringsdecreet

19-05-2005

overschrijdende waterlopen

WGV 25/03/1996

gemengd verklaard

en het gebruik van grens-

verdrag

fase

19 Verdrag inzake de bescherming

onder tekening

preliminaire

mjp2005 bijlagen Pagina 243

243 bijlagen


gemengd verklaard

de verontreiniging van de

storten van afvalstoffen

gemengd verklaard

(Genève 1979)

reiniging over lange afstand

overschrijdende luchtveront-

bij het verdrag inzake grens-

WGV 13/05/1998:

organische stoffen (POP’s)

gemengd verklaard

29 Protocol m.b.t. persistente

BS 19/03/1996)

(09/05/1992, New York,

klimaatverandering

raamverdrag inzake

28 Protocol bij het

(29/12/1972, Londen)

WGV 17/12/1997:

17/12/1997

+ 14/01/1998:

komst ter voorkoming van

zeeën ten gevolge van het

Straatsburg

Aarhus

24/06/1998,

Kyoto

29/04/1998,

Londen

WGV op 23/10/1996 27/03/1998,

de internationale overeen-

27 Protocol tot wijziging van

+ 20/06/1996:

gemengd verklaard

afgifte en inname van afval

09/09/1996,

Parlement

regering

14/11/2003

14/09/2001

17/03/2004

30/01/2002

27/11/2002

door Vlaams

door Vlaamse

18/05/2001

decreet

Bekrachtiging

(BS 21/05/2004)

26/03/2004

(BS 23/03/2002)

22/02/2002

(BS 31/12/2002)

06/12/2002

regering

door Vlaamse

en afkondiging

31/05/2002

20/06/2003

ratificatie

internationale

26/09/2001

Federale instemmingswet

06/03/2003

Federale instemmingswet:

opmerkingen

Milieujaarprogramma

in de Rijn- en binnenvaart

26 Verdrag inzake verzameling,

ervan (Bazel, 22/03/1998)

stoffen en de verwijdering

Genève

22/09/1995,

Goedkeuring

Goedkeuring ontwerpdecreet

goedkeuringsdecreet

23:40

brenging van gevaarlijke afval-

WGV 14/05/1996

gemengd verklaard

inzake de beheersing van de

grensoverschrijdende over-

WGV 17/12/1997

verdrag

fase

19-05-2005

25 Amendement op het verdrag

onder tekening

preliminaire

mjp2005 bijlagen Pagina 244

244 2004


lange afstand (Genève 1979)

dende luchtverontreiniging over

verdrag inzake grensoverschrij-

in de omgevingslucht bij het

verzuring, eutrofiëring en ozon

35 Protocol ter bestrijding van

gemengd verklaard

Aarhus

25/06/1998,

Sintra

gemengd verklaard

WGV 22/09/2000:

gemengd verklaard

WGV 13/06/1995:

gemengd verklaard

New York

04/02/2000

Den Haag

29/10/1999,

Londen

WGV op 17/03/1999: 17/06/1999,

gemengd verklaard

WVG op 17/06/1998: 23/07/1998,

vogels (15/08/1996, Den Haag)

Euraziatische trekkende water-

bescherming van Afrikaans-

34 Overeenkomst inzake de

lopen en internationale meren

grensoverschrijdende water-

bescherming en het gebruik van

van Helsinki betreffende de

Gezondheid bij de Conventie

33 Protocol inzake Water en

bij het OSPAR-verdrag

32 Bijlage V en aanhangsel 3

inzake milieu-aangelegenheden

en toegang tot de rechter

bevolking in de besluitvorming

informatie, inspraak van de

31 Verdrag over toegang tot

Aarhus

24/06/1998,

Parlement

regering

05/03/2004

31/01/2003

13/02/2004

23/04/2004

19/07/2002

29/04/2004

14/05/2003

29/04/2004

27/11/2002

17/03/2003

door Vlaams

door Vlaamse

14/11/2003

decreet

Bekrachtiging

(BS 13/07/2004)

07/05/2004

(BS 18/06/2003)

23/05/2003

(BS 16/07/2004)

07/05/2004

(BS 07/01/2003)

06/12/2002

(BS 21/05/2004)

26/03/2004

regering

door Vlaamse

en afkondiging

29/06/2004

21/01/2003

ratificatie

internationale

13/05/2003

Federale instemmingsweg

06/03/2002

Federale instemmingsweg

Inwerkingtreding 21/04/2003

17/12/2002

Federale instemmingswet:

opmerkingen

23:40

(Genève 1979)

reiniging over lange afstand

WGV 13/05/1998:

gemengd verklaard

Goedkeuring

Goedkeuring ontwerpdecreet

goedkeuringsdecreet

19-05-2005

overschrijdende luchtveront-

WGV 13/05/1998:

bij het verdrag inzake grens-

verdrag

fase

30 Protocol over zware metalen

onder tekening

preliminaire

mjp2005 bijlagen Pagina 245

245 bijlagen


29/11/2002:

14/11/2003

17/03/2004

15/03/2004

Federale instemmingsweg

en machtigt tot

ondertekening

lijke aangroeiwerende systemen

op schepen (TBT-verdrag)

VR keurt goed

en machtigt tot

ondertekening

rapportage in grensover-

schrijdend verband

(SEA-protocol)

25/04/2003:

gemengd verklaard

milieubeoordeling bij het

Verdrag inzake milieueffect-

WGV 13/01/2003

41 Protocol inzake strategische

(Londen, 5 oktober 2001)

VR keurt goed

22/11/02:

ondertekening

Kiev

21/05/2003,

Londen

23/12/2002,

Gent

en machtigt tot

03/12/2002,

29/11/2002:

Gent

VR keurt goed

ondertekening

fende de controle van schade-

40 Internationaal verdrag betref-

39 Maasverdrag

VR keurt goed

en machtigt tot

03/12/2002,

Stockholm

06/02/2004

06/02/2004

29/04/2004

29/04/2004

(BS 08/06/2004)

30/04/2004

(BS 08/06/2004)

30/04/2004

(BS 21/05/2004)

Milieujaarprogramma

38 Scheldeverdrag

polluenten (POP's)

persistente organische

23:40

37 Overeenkomst inzake

26/03/2004

15/04/2004

(BS 27/04/2004)

(BS 09/03/2004)

20/02/2004

regering

door Vlaamse

opmerkingen

Inwerkingtreding 14/07/2004 23/05/2001,

Parlement

regering

Bekrachtiging en afkondiging

ratificatie

internationale

("Cartagena Protocol")

Nairobi

door Vlaams

door Vlaamse

11/02/2004

decreet

14/11/2003

Goedkeuring

Goedkeuring ontwerpdecreet

goedkeuringsdecreet

inzake biologische diversiteit

bioveiligheid bij de Conventie

26/05/2000,

verdrag

fase

19-05-2005

36 Protocol betreffende

onder tekening

preliminaire

mjp2005 bijlagen Pagina 246

246 2004


VR keurt goed

en machtigt tot

van verontreinigende

stoffen (PRTR-protocol)

25/04/2003:

VR keurt goed

en machtigt tot

ondertekening

door schade veroorzaakt door

de grensoverschrijdende

effecten van industriĂŤle

ongevallen op grensover-

gemengd verklaard

heid voor een vergoeding

(26/09/1997, Londen)

daarbij van 1978

gewijzigd door het protocol

door schepen, 1973, zoals

ter voorkoming van verontreiniging

Gemengd verklaard

einden dan de scheepvaart WGV 22/03/2002:

ondertekening

waterlopen voor andere doel-

van het internationaal verdrag

en machtigt tot

het gebruik van internationale

Kiev

21/05/2003,

46 Protocol van 1997 tot wijziging

19/05/2000:

VR keurt goed

45 VN-verdrag over het recht inzake

Bazelverdrag

afvalstransferten, onder

van schade uit internationale

WGV 08/12/1999:

44) Protocol inzake aansprakelijk-

schrijdende waterlopen

gemengd verklaard

WGV 13/01/2003:

aansprakelijkheid en vergoeding

Kiev

decreet door Vlaams Parlement

door Vlaamse regering

Bekrachtiging

regering

door Vlaamse

en afkondiging

ratificatie

internationale

Toetreding

opmerkingen

23:40

43 Protocol inzake burgerlijke

25/04/2003:

de emissie en verplaatsing

21/05/2003,

Goedkeuring

Goedkeuring ontwerpdecreet

goedkeuringsdecreet

19-05-2005

ondertekening

gemengd verklaard

WGV 13/01/2003:

verdrag

fase

registratiesystemen inzake

42 Protocol betreffende

onder tekening

preliminaire

mjp2005 bijlagen Pagina 247

247 bijlagen


gemengd verklaard

Helsinki van 17 maart 1992

gemengd verklaard

gemengd verklaard

de voorbereiding op,

(15/03/2000, Londen)

en schadelijke stoffen

reiniging door gevaarlijke

voorvallen van veront-

samenwerking bij de

de bestrijding van en de

WGV 24/03/2004:

51 Protocol van 2000 inzake

(28/08/2003, Joensuu)

WGV 24/03/2004:

Europees Woudinstituut

gemengd verklaard

50 Verdrag betreffende het

Londen) + Protocol

verontreiniging (30/11/1990,

de samenwerking bij olie-

op, de bestrijding van en

1990 inzake de voorbereiding

49 Internationaal verdrag van

in grensoverschrijdend verband

WGV 24/03/2004:

gemengd verklaard

Espoo van 25 februari 1991

decreet door Vlaams Parlement

door Vlaamse regering

Bekrachtiging

regering

door Vlaamse

en afkondiging

Toetreding

Toetreding

ratificatie

internationale

opmerkingen

Milieujaarprogramma

inzake milieu-effectrapportering

WGV 02/12/2003:

48 Wijziging van het Verdrag van

internationale meren

schrijdende waterlopen en

Goedkeuring

Goedkeuring ontwerpdecreet

goedkeuringsdecreet

23:40

het gebruik van grensover-

inzake de bescherming en

WGV 02/12/2003:

verdrag

fase

19-05-2005

47 Wijziging bij het Verdrag van

onder tekening

preliminaire

mjp2005 bijlagen Pagina 248

248 2004


Parijs

(13/01/1993, Parijs)

13/01/1993,

chemische wapens

gemengd verklaard

54 Verdrag inzake verbod op

(13/02/2004, Londen)

scheepsballast

en het beheer van

WGV 24/03/2004:

06/06/1996

Londen

28/04/1989,

door Vlaams Parlement

door Vlaamse regering

09/10/1996

24/10/1996

29/04/2004

decreet

03/03/2004

Goedkeuring

Goedkeuring ontwerpdecreet

Bekrachtiging

(BS 29/11/1996)

27/01/1997

07/05/2004

regering

door Vlaamse

en afkondiging

goedkeuringsdecreet

20/12/1996

instemmingswet

Federale

28/06/2004

ratificatie

internationale

29/04/1997

Inwerkingtreding

Federale instemmingswet:

Toetreding

opmerkingen

23:40

betreffende de controle

53 Internationaal verdrag

gemengd verklaard

WGV 02/10/2001:

verdrag

fase

19-05-2005

13/05/2003

inzake hulpverlening op zee

52 Internationaal verdrag

onder tekening

preliminaire

mjp2005 bijlagen Pagina 249

249 bijlagen


mjp2005 bijlagen

23-05-2005

10:58

Pagina 250

Colofon Milieujaarprogramma 2005 D/2005/3241/140 Verantwoordelijk uitgever Jean-Pierre Heirman Voorzitter Gewestelijk Milieuoverleg p/a Graaf de Ferrarisgebouw Koning Albert II-laan 20 bus 8 1000 Brussel Vormgeving SignBox, Meise-Wolvertem Druk Sintjoris nv, Merendree Gedrukt op 100% gerecycleerd papier


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
milieujaarprogramma_2005.pdf by Vlaanderen-be - Issuu