Skip to main content

Werkbaarheidsprofiel_voedingsnijverheid_2019.pdf

Page 1

Rapport Werkbaarheidsprofiel voedingsnijverheid 2019 Sectorale analyse op de Vlaamse werkbaarheidsmonitor 2004 - 2019

Brussel, juli 2020

Ria Bourdeaud’hui, Frank Janssens, Stephan Vanderhaeghe

Stichting Innovatie & Arbeid  Wetstraat 34-36, 1040 Brussel  T +32 2 209 01 11 info@serv.be  www.serv.be/stichting  www.werkbaarwerk.be


Werkbaarheidsprofiel voedingsnijverheid 2019

Een onderzoek met financiĂŤle ondersteuning van de Vlaamse minister bevoegd voor Werk

De Vlaamse werkbaarheidsmonitor is een initiatief van de Vlaamse sociale partners en werd ontwikkeld door de Stichting Innovatie & Arbeid. Alle publicaties kunnen geraadpleegd worden en werkbaarheidscijfers interactief opgevraagd op www.werkbaarwerk.be Bij gebruik van gegevens en informatie uit deze publicatie wordt een correcte bronvermelding op prijs gesteld.

2


Werkbaarheidsprofiel voedingsnijverheid 2019

Inhoud Inhoud ................................................................................................................................ 3 Samenvatting....................................................................................................................... 5 Inleiding ............................................................................................................................... 7 1

De werkbaarheidsgraad in de voedingsnijverheid .............................................. 8

2

Werkbaarheidsknelpunten in de voedingsnijverheid .......................................... 10

2.1

Werkstress en burn-out ........................................................................................... 11

2.2

Motivatie .................................................................................................................. 12

2.3

Leermogelijkheden .................................................................................................. 13

2.4

Werk-privé-balans.................................................................................................... 14

3

Determinanten van werkbaarheidsknelpunten in de voedingsnijverheid ................................................................................................ 16

3.1

Werkbaarheidsrisico’s in de voedingsnijverheid ....................................................... 17

3.1.1

Werkdruk ................................................................................................................. 17

3.1.2

Emotionele belasting ............................................................................................... 18

3.1.3

Taakvariatie ............................................................................................................. 19

3.1.4

Autonomie ............................................................................................................... 20

3.1.5

Ondersteuning door de directe leiding ..................................................................... 21

3.1.6

Arbeidsomstandigheden .......................................................................................... 22

3.2

Risicoprofielen voor de voedingsnijverheid .............................................................. 23

3.2.1

Risicoprofiel voor werkstress ................................................................................... 23

3.2.2

Risicoprofiel voor motivatie ...................................................................................... 25

3.2.3

Risicoprofiel voor leermogelijkheden ....................................................................... 26

3.2.4

Risicoprofiel voor werk-privé-balans ........................................................................ 27

4

Aanvullende informatie over de arbeidssituatie van werknemers in de voedingsnijverheid ....................................................................................... 28

4.1

Opleidingsparticipatie .............................................................................................. 28

4.2

Atypische werktijden ................................................................................................ 28

4.3

Telewerken .............................................................................................................. 30

4.4

Woon-werk-verkeer en pendeltijden ........................................................................ 31

4.5

Grensoverschrijdend gedrag .................................................................................... 31

4.6

Indicatoren voor duurzame inzetbaarheid ................................................................ 32

Referentielijst ...................................................................................................................... 34

3


Werkbaarheidsprofiel voedingsnijverheid 2019

4


Werkbaarheidsprofiel voedingsnijverheid 2019

Samenvatting Dit rapport is gebaseerd op de werkbaarheidsmeting 2019 en levert geen informatie over de gevolgen van de Corona-crisis (voor de jobs) in de sector. De werkbaarheidsgraad in de voedingsnijverheid bedraagt 43,6% in 2019. Tussen de opeenvolgende werkbaarheidsmetingen en over de volledige meetperiode 2004-2016 registreren we geen significante verschuivingen in het aandeel werknemers met een werkbare job. De voor de voedingsnijverheid geregistreerde werkbaarheidsgraad ligt voor alle meetpunten sinds 2007 significant lager dan het Vlaamse sectorgemiddelde. Een blik op de onderliggende werkbaarheidsindicatoren geeft een duidelijk zicht op (het voorkomen van) knelpunten in de werksituatie van werknemers in de voedingsnijverheid in 2019: 38,7% wordt geconfronteerd met werkstressklachten, bij 14,6% is de situatie acuutproblematisch en is er sprake van burn-outsymptomen; 28,0% kampt met motivatieproblemen, bij 14,1% gaat het om ernstige demotivatie; 26,0% heeft onvoldoende leermogelijkheden in de job, bij 11,6% is er een ernstig leerdeficit; 14,0% signaleert problemen in de werk-privé-combinatie, bij 4,4% gaat het om een acuut werk-privé-conflict. Enkel voor werkstress registreren we een (significante) verschuiving tussen de werkbaarheidsmetingen: het aandeel werknemers in de voedingsnijverheid met werkstressproblemen nam toe van 25,9% in 2004 naar 38,7% in 2019. In vergelijking met de kengetallen voor de Vlaamse arbeidsmarkt laat de sector in 2019 ongunstiger scores optekenen voor motivatie en leermogelijkheden, voor werkstress en werk-privébalans wijken de sectorindicatoren niet significant af van het Vlaamse sectorgemiddelde. De opgemaakte risicoprofielen voor de voedingsnijverheid leren ons ons dat een hoge werkdruk een belangrijke determinant vormt van werkstressklachten, werk-privé-combinatiemoeilijkheden en (in mindere mate) motivatieproblemen. In 2019 wordt 43,2% van de werknemers met een hoge werkdruk geconfronteerd: dit is een substantiële toename in vergelijking met 2013 (29,4%) en met de nulmeting 2004 (34,3%). De werkdrukscore voor de voedingsnijverheid ligt in 2019 significant hoger dan het Vlaamse sectorgemiddelde. Daarnaast zijn nog twee andere belastingsfactoren van belang voor werkstress en werkprivébalans: (fysieke) arbeidsomstandigheden en emotionele belasting. Het aandeel van de werknemers in de voedingsnijverheid dat in 2019 geconfronteerd worden met fysiek belastend werk ligt met 27,3% 12 procentpunt boven het kengetal voor de Vlaamse arbeidsmarkt. Een beperkte groep van 11,9% van de werknemers uit de sector heeft in 2019 te maken met emotioneel belastend werk: dit percentage ligt ver beneden het kengetal voor de Vlaamse arbeidsmarkt. Routinematig werk en onvoldoende autonomie bij de taakuitvoering blijken doorslaggevende risicofactoren voor onvoldoende leermogelijkheden en motivatieproblemen. Het aandeel werknemers in de voedingsnijverheid met routinematig werk ligt in 2019 op 33,5%: we registreren over het voorbije decennium geen significante verschuivingen in deze indicatorscore, die evenwel voor alle meetpunten significant boven het Vlaamse sectorgemiddelde ligt. Voor autonomie in het werk noteren we een significante daling van het aandeel werknemers in een problematische situatie van 33,7% in 2004 naar 26,1% in 2019, maar de sector scoort daarmee nog steeds ongunstiger dan het Vlaamse sectorgemiddelde.

5


Werkbaarheidsprofiel voedingsnijverheid 2019

Ook het gebrek aan ondersteuning door de directe leiding vormt een belangrijk risico voor (alle) werkbaarheid(sknelpunten), maar is in het profiel van de voedingsnijverheid minder kritisch omdat een kleinere groep van 16,6% er mee te maken heeft. Met deze indicatorscore wijkt de sector in 2019 niet (significant) af van het Vlaamse sectorgemiddelde. De monitor 2019 brengt niet alleen de werkbaarheidsgraad en -indicatoren in kaart, maar peilt ook naar aanvullende informatie over jobkenmerken en werkbeleving. We zetten een aantal opvallende vaststellingen voor de voedingsnijverheid op een rijtje: 48,5% van de werknemers in de sector nam in het voorbij jaar deel aan een bijscholing of bedrijfstraining (Vlaamse arbeidsmarkt: 60,0%); 20,4% werkt deeltijds (Vlaamse arbeidsmarkt: 31,6%); 12,8% wordt frequent geconfronteerd met wijzigingen in het uurrooster (Vlaamse arbeidsmarkt 16,6%); 19,7% verricht regelmatig nachtarbeid (Vlaamse arbeidsmarkt: 13,0%); 20,6% werkt structureel over, d.w.z. presteert frequent overuren zonder inhaalrust (Vlaamse arbeidsmarkt 24,1%); 16,3% (tele)werkt sporadisch of regelmatig van thuis uit (Vlaamse arbeidsmarkt: 21,2%); 6,5% besteedt dagelijks twee uur of meer aan het woon-werk-verkeer (Vlaamse arbeidsmarkt: 10,3%); 15,5% krijgt sporadisch of regelmatig af te rekenen met verbale agressie, intimidatie of bedreiging (niet significant verschillend van het Vlaamse referentiecijfer); 2,5% is slachtoffer van systematisch pestgedrag (niet significant verschillend van het Vlaamse referentiecijfer); 8,1% was in het voorbije jaar drie keer of meer afwezig op het werk door ziekte of ongeval (niet significant verschillend van het Vlaamse referentiecijfer); 10,2% is actief op zoek naar een andere job (niet significant verschillend van het Vlaamse referentiecijfer); 53,1% schat doorwerken in de huidige job tot het pensioen als een haalbare opdracht in, 40,8% is vragende partij voor aangepast werk om langer te kunnen doorwerken, 6,1% beoordeelt doorwerken tot de pensioenleeftijd als onhaalbaar (niet significant verschillend van de Vlaamse referentiecijfers).

6


Werkbaarheidsprofiel voedingsnijverheid 2019

Inleiding De Vlaamse sociale partners dragen al vele jaren de boodschap uit dat langer werken maar kan lukken als dit ook haalbaar is voor de betrokkenen en banen voldoende kwaliteitsvol zijn. Ze zetten daarom resoluut in op ‘werkbaar werk’: jobs waarvan je niet overspannen of ziek wordt, die boeiend en motiverend zijn, kansen bieden op bijblijven/bijleren en voldoende ruimte laten voor gezin en privéleven. Om de vinger aan de pols te houden brengt de Stichting Innovatie & Arbeid sinds 2004 de werkbaarheid van de jobs in Vlaanderen in kaart via een grootschalige, driejaarlijkse schriftelijke bevraging. Met de zopas opgeleverde resultaten van de enquête 2019 (Bourdeaud’hui, Janssens, Vanderhaeghe, 2019a) is de werkbaarheidsmonitor voor werknemers inmiddels aan zijn zesde editie toe. Werkbaarheid wordt - conform de vermelde beleidsdefinitie – in de monitor geoperationaliseerd aan de hand van vier werkbaarheidsindicatoren: psychische vermoeidheid (werkstress), welbevinden in het werk (motivatie, werkbetrokkenheid), leermogelijkheden en werk-privébalans. De werkbaarheidsmonitor beoordeelt niet enkel in welke mate jobs werkbaar zijn voor de betrokken werknemers, maar registreert ook een aantal achterliggende risicofactoren. Daartoe werden zes risico-indicatoren ontwikkeld: werkdruk, emotionele belasting, taakvariatie (afwisseling in het werk), autonomie (zelfstandigheid in het werk), ondersteuning door de directe leiding en (belastende fysieke) arbeidsomstandigheden. Daarnaast levert de werkbaarheidsbevraging ook aanvullende informatie op over de arbeidssituatie en de werkbeleving: participatie aan opleiding en bijscholing, arbeidstijdregelingen, telewerk, woon-werk-verkeer, confrontatie met grensoverschrijdend gedrag, ziekteverzuim, verloopintentie, werkonzekerheid en inschatting van de haalbaarheid om door te werken tot de pensioenleeftijd. Dit rapport brengt - op basis van de databank van de zes opeenvolgende werkbaarheidsmetingen - de werkbaarheidssituatie van de werknemers uit de voedingsnijverheid in beeld en is opgedeeld in vier hoofdstukken: het eerste hoofdstuk bekijkt de evolutie van de werkbaarheidsgraad in de voedingsnijverheid en vergelijkt de sectorgegevens met de werkbaarheid(sevolutie) op de Vlaamse arbeidsmarkt; het tweede hoofdstuk zoomt in op de afzonderlijke werkbaarheidsdimensies en de aanwezigheid van specifieke werkbaarheidsknelpunten in de sector; in het derde hoofdstuk worden op basis van de kengetallen voor de risico-indicatoren sectorspecifieke risicoprofielen opgemaakt voor werkstress, motivatie, leermogelijkheden en werk-privébalans; het vierde hoofdstuk inventariseert de aanvullende informatie over de arbeidssituatie en werkbeleving van werknemers uit de voedingsnijverheid.

7


Werkbaarheidsprofiel voedingsnijverheid 2019

1

De werkbaarheidsgraad in de voedingsnijverheid

De Vlaamse sociale partners hebben de beleidsnotie ‘werkbaarheid’ concreet gemaakt aan de hand van vier kwaliteitscriteria: psychische vermoeidheid (werkstress), welbevinden in het werk (motivatie, werkbetrokkenheid), leermogelijkheden en werk-privé-balans. De werkbaarheidsgraad verwijst dan naar het percentage werknemers dat een kwaliteitsvolle job heeft/geen knelpunten signaleert voor alle vier genoemde werkbaarheidsdimensies. De werkbaarheidsgraad in de voedingsnijverheid bedraagt 43,6% in 2019 (zie tabel 1). Tussen de opeenvolgende werkbaarheidsmetingen en over de volledige meetperiode 2004-2019 registreren we voor de sector geen significante verschuivingen in het aandeel werknemers met een werkbare job. Tabel 1:

Evolutie van de werkbaarheidsgraad 2004-2019 in de voedingsnijverheid en op de Vlaamse arbeidsmarkt

werkbaarheidsgraad

voedingsnijverheid N

Vlaamse arbeidsmarkt verschiltoetsing

2004

2007

2010

2013

2016

2019

%

%

%

%

%

%

47,6

45,0

43,9

46,1

43,3

43,6

275

242

223

388

289

351

52,3

54,1

54,3

54,6

51,0

49,6

ns

s

s

s

s

s

Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2004-2019 Leeswijzer: Cijfers in het groen resp. in het rood wijzen op een significante (Pearson chi²; p < 0,05) toename resp. afname van de werkbaarheidsgraad ten opzichte van het vorige meetpunt. Cijfers in een groen kader resp. rood kader wijzen op een significante (Pearson chi²; p < 0,05) toename resp. afname van de werkbaarheidsgraad bij een vergelijking van de meetpunten 2004 en 2019. De verschiltoetsing (s versus ns) vergelijkt het sectorkengetal met het (ongewogen) gemiddelde voor alle sectoren op de Vlaamse arbeidsmarkt en besluit op basis van effectcoderingen en logistische regressie tot een al dan niet significante afwijking (Wald chi², s indien p < 0,05 versus ns indien p ≥ 0,05).

Uit tabel 1 kunnen we eveneens afleiden dat de voedingsnijverheid voor alle meetpunten sinds 2007 een significant lagere werkbaarheidsgraad laat optekenen dan het Vlaamse sectorgemiddelde. Figuur 1 brengt met de vergelijking van de werkbaarheidscurves voor de sector en de globale arbeidsmarkt laatstgenoemde vaststelling visueel in beeld.

8


Werkbaarheidsprofiel voedingsnijverheid 2019

Figuur 1:

Evolutie van de werkbaarheidsgraad 2004-2019 in de voedinsgnijverheid en op de Vlaamse arbeidsmarkt

60%

54,1%

55%

54,3%

54,6%

52,3% 51,0%

50%

49,6%

47,6% 45%

45,0%

46,1% 43,9%

43,3%

43,6%

40%

2004

2007

2010

2013

voedingsnijverheid

2016

2019

Vlaamse arbeidsmarkt

Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2004-2019

9


Werkbaarheidsprofiel voedingsnijverheid 2019

2

Werkbaarheidsknelpunten in de voedingsnijverheid

De beoordeling van de werkbaarheid van een job (en daarmee de werkbaarheidsgraad) wordt afgeleid uit informatie van de vier werkbaarheidsindicatoren: psychische vermoeidheid (werkstress), welbevinden in het werk (werkbetrokkenheid, motivatie), leermogelijkheden in de job (kansen op bijblijven en competentie-ontwikkeling) en werk-privé-balans (combinatie van arbeid met gezin en sociaal leven). Tabel 2:

Overzicht en omschrijving werkbaarheidsindicatoren Vlaamse werkbaarheidsmonitor Indicator

Omschrijving

Psychische vermoeidheid

de mate waarin de door psychosociale arbeidsbelasting opgebouwde (mentale) vermoeidheid recuperabel is dan wel leidt tot spanningsklachten en verminderd functioneren (problemen met) werkstress

Welbevinden in het werk

de mate waarin werknemers door de aard van de job(inhoud) werkbetrokken zijn/blijven dan wel gedemotiveerd raken (problemen met) werkbetrokkenheid en motivatie

Leermogelijkheden

de mate waarin werknemers door formele opleidingskansen en de dagdagelijkse ervaring op de werkplek hun competenties al dan niet op peil kunnen houden en verder ontwikkelen i.f.v. hun inzetbaarheid op langere termijn (onvoldoende) kansen op bijblijven/competentieontwikkeling

Werk-privébalans

de mate waarin de taakeisen in de werksituatie al dan niet belemmerende effecten hebben op de handelingsmogelijkheden in de ‘thuis’situatie (problemen met) combinatie van arbeid met privé-leven

Voor elk van de vier werkbaarheidsdimensies en -indicatoren zijn grenzen bepaald die aangeven of de situatie al dan niet (acuut) problematisch is (Bourdeaud’hui, Janssens, Vanderhaeghe, 2019b). Bij een problematische situatie spreken we over een werkbaarheidsknelpunt, bij een acuut-problematische situatie over een acuut werkbaarheidsknelpunt. In de werkbaarheidsmonitor wordt met andere woorden met ‘gelede kengetallen’ gewerkt. Naar analogie met de kleurensymboliek van een verkeerslicht, wordt niet enkel een problematische groep afgebakend en becijferd (‘oranje knipperlicht’ - knelpunt), maar daarbinnen ook een subgroep die als ‘acuut problematisch’ kan gelabeld worden (‘rood alarmsignaal’ - acuut knelpunt). Niet problematische, problematische en acuut-problematische situaties worden voor de onderscheiden werkbaarheidsdimensies als volgt benoemd: Tabel 3:

Terminologie voor de kengetallen voor de werkbaarheidsindicatoren Niet problematisch

Problematisch

Acuut-problematisch

= geen knelpunt

= knelpunt

= acuut knelpunt

geen werkstress

werkstressproblemen

symptomen burn-out

geen motivatieproblemen

motivatieproblemen

ernstige demotivatie

Leermogelijkheden

voldoende leermogelijkheden

onvoldoende leermogelijkheden

ernstig leerdeficit

Werk-privé-balans

haalbare werk-privécombinatie

problemen werk-privécombinatie

acuut werk-privé-conflict

Psychische vermoeidheid Welbevinden in het werk

10


Werkbaarheidsprofiel voedingsnijverheid 2019

In dit hoofdstuk nemen we de (evolutie in de) kengetallen voor de vier werkbaarheidsindicatoren onder de loep en vergelijken we de sectorgegevens met de referentiecijfers voor de Vlaamse arbeidsmarkt.

2.1

Werkstress en burn-out

In 2019 wordt 38,7% van de werknemers in de voedingsnijverheid geconfronteerd met werkstressproblemen, bij 14,6% is de situatie acuut-problematisch en is er sprake van burnoutsymptomen. In vergelijking met de nulmeting 2004 registreren we voor de sector een significante toename in het aandeel werknemers met werkstressklachten (van 25,9% naar 38,7%). Tabel 4

Evolutie 2004-2019 van het aandeel werknemers met werkstressproblemen en burn-outsymptomen in de voedingsnijverheid en op de Vlaamse arbeidsmarkt

werkstressproblemen

voedingsnijverheid

symptomen burn-out N

Vlaamse arbeidsmarkt verschiltoetsing

werkstressproblemen symptomen burn-out werkstressproblemen symptomen burn-out

2004

2007

2010

2013

2016

%

%

%

%

%

%

25,9

32,4

29,9

29,5

34,9

38,7

11,9

9,9

9,4

10,6

13,9

2019

14,6

286

272

244

397

295

362

28,9

28,8

29,8

29,3

34,2

36,8

10,2

9,7

9,4

9,6

12,3

13,6

ns

ns

ns

ns

ns

ns

ns

ns

ns

ns

ns

ns

Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2004-2019 Leeswijzer: De categorie met het rode balkje ‘symptomen burn-out’ is een subgroep binnen de groep ‘werkstressproblemen’ maar het aandeel wordt berekend op de totale populatie. Cijfers in het groen resp. in het rood wijzen op een significante (Pearson chi²; p < 0,05) afname resp. toename van het aandeel werknemers met werkstressproblemen/burn-outklachten ten opzichte van het vorig meetpunt. Cijfers in een groen resp. rood kader wijzen op een significante (Pearson chi²; p < 0,05) afname resp. toename van het aandeel werknemers met werkstressproblemen/burn-outklachten bij een vergelijking van de meetpunten 2004 en 2019. De verschiltoetsing (s versus ns) vergelijkt het sectorkengetal met het (ongewogen) gemiddelde voor alle sectoren op de Vlaamse arbeidsmarkt en besluit op basis van effectcoderingen en logistische regressie tot een al dan niet significante afwijking (Wald chi², s indien p < 0,05 versus ns indien p ≥ 0,05).

Uit tabel 4 en figuur 2 kunnen we afleiden dat - voor alle meetpunten - de voor de voedingsnijverheid opgetekende kengetallen voor werkstress en burn-out niet significant verschillen van het Vlaamse sectorgemiddelde.

11


Werkbaarheidsprofiel voedingsnijverheid 2019

Figuur 2:

Evolutie 2004-2019 van het aandeel werknemers met werkstressproblemen en burn-outsymptomen in de voedingsnijverheid, met aanduiding van significante afwijkingen t.o.v. het Vlaamse sectorgemiddelde

50%

38,7%

40%

32,4% 30%

34,9%

29,5%

29,9%

25,9%

20%

9,9%

10%

0%

14,6%

13,9%

11,9%

2004

2007

10,6%

9,4%

2010

2013

werkstressproblemen afwijkend sectorgemiddelde Vlaanderen

2016

2019

symptomen burn-out afwijkend sectorgemiddelde Vlaanderen

Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2004-2019

2.2

Motivatie

In 2019 registreren we bij 28,0% van de werknemers in de voedingsnijverheid motivatieproblemen, bij 14,1% is er zelfs sprake van ernstige demotivatie. Tussen de opeenvolgende werkbaarheidsmetingen en over de volledige meetperiode 2004-2019 tekenen we voor de sector geen significante verschuivingen op in het aandeel werknemers met (ernstige) motivatieproblemen. Tabel 5:

Evolutie 2004-2019 van het aandeel werknemers met motivatieproblemen in de voedingsnijverheid en op de Vlaamse arbeidsmarkt

motivatieproblemen

voedingsnijverheid

ernstige demotivatie N

Vlaamse arbeidsmarkt verschiltoetsing

motivatieproblemen ernstige demotivatie motivatieproblemen ernstige demotivatie

2004

2007

2010

2013

2016

%

%

%

%

%

%

25,7

23,3

23,4

24,2

30,6

28,0

2019

12,7

10,7

7,7

9,8

12,6

14,1

284

270

248

397

294

361

18,7

18,1

16,6

18,1

19,8

21,1

8,0 s s

7,9

7,5

8,1

8,5

ns

s

s

s

ns

ns

ns

10,0 s s

s

Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2004-2019 Leeswijzer: De categorie met het rode balkje ‘ernstige demotivatie’ is een subgroep binnen de groep ‘motivatieproblemen’ maar het aandeel wordt berekend op de totale populatie. Voor de betekenis van de kleurencodes (groene/rode cijfers en kaders) en de verschiltoetsing (s versus ns): zie tabel 4 onder 2.1 ‘Werkstress en burn-out’.

12


Werkbaarheidsprofiel voedingsnijverheid 2019

Uit tabel 5 en figuur 3 kunnen we afleiden dat het aandeel werknemers met motivatieproblemen in de voedingsnijverheid - met uitzondering voor de meting 2007 - hoger ligt dan het Vlaamse sectorgemiddelde. Voor 2016 en 2019 ligt ook de omvang van de acute probleemgroep (‘ernstige demotivatie’) in de sector significant boven dit sectorgemiddelde. Figuur 3:

Evolutie 2004-2019 van het aandeel werknemers met motivatieproblemen in de voedingsnijverheid, met aanduiding van significante afwijkingen t.o.v. het Vlaamse sectorgemiddelde

40%

30,6%

30%

28,0%

25,7%

24,2%

23,4%

23,3%

20%

12,7% 10%

0%

9,8%

7,7%

2004

2007

14,1%

12,6%

10,7%

2010

2013

motivatieproblemen afwijkend sectorgemiddelde Vlaanderen

2016

2019

ernstige demotivatie afwijkend sectorgemiddelde Vlaanderen

Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2004-2019

2.3

Leermogelijkheden

In 2019 hebben 26,0% van de werknemers in de voedingsnijverheid af te rekenen met onvoldoende leermogelijkheden, bij 11,6% is er sprake van een ernstig leerdeficit. Tussen de opeenvolgende werkbaarheidsmetingen en over de volledige meetperiode 2004-2019 tekenen we voor de sector geen significante verschuivingen op in het aandeel werknemers met een (ernstig) leerdeficit. Tabel 6:

Evolutie 2004-2019 van het aandeel werknemers met onvoldoende leermogelijkheden en een ernstig leerdeficit in de voedingsnijverheid en op de Vlaamse arbeidsmarkt

voedingsnijverheid

2004

2007

2010

2013

2016

%

%

%

%

%

%

onvoldoende leermogelijkheden 30,4

31,7

27,5

26,2

27,9

26,0

ernstig leerdeficit

12,7

13,4

10,3

10,7

11,6

306

246

233

401

294

361

onvoldoende leermogelijkheden 22,6

19,9

18,2

18,0

17,5

16,6

N

Vlaamse arbeidsmarkt verschiltoetsing

2019

ernstig leerdeficit onvoldoende leermogelijkheden ernstig leerdeficit

8,4

7,3

s

6,6

s s

6,3

s s

6,1

s s

11,6

5,5

s s

s s

s

Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2004-2019 Leeswijzer: De categorie met het rode balkje ‘ernstig leerdeficit’ is een subgroep binnen de groep ‘onvoldoende leermogelijkheden’ maar het aandeel wordt berekend op de totale populatie. Voor betekenis van de kleurencodes (groene/rode cijfers en kaders) en de verschiltoetsing (s versus ns): zie tabel 4 onder 2.1 ‘Werkstress en burn-out’.

13


Werkbaarheidsprofiel voedingsnijverheid 2019

Uit tabel 6 en figuur 4 kunnen we afleiden dat het aandeel werknemers met een (ernstig) leerdeficit in de voedingsnijverheid bij alle metingen hoger ligt dan het Vlaamse sectorgemiddelde. Figuur 4:

Evolutie 2004-2019 van het aandeel werknemers met onvoldoende leermogelijkheden en een ernstig leerdeficit in de voedingsnijverheid, met aanduiding van significante afwijkingen t.o.v. het Vlaamse sectorgemiddelde

40%

30%

31,7%

30,4%

27,5%

27,9%

26,2%

26,0%

20%

13,4%

12,7%

10,3%

0%

2004

2007

11,6%

10,7%

10%

2010

2013

onvoldoende leermogelijkheden afwijkend sectorgemiddelde Vlaanderen

11,6%

2016

2019

ernstig leerdeficit afwijkend sectorgemiddelde Vlaanderen

Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2004-2019

2.4

Werk-privé-balans

In 2019 wordt 14,0% van de werknemers in de voedingsnijverheid geconfronteerd met problemen met de combinatie werk-privé, bij 4,4 % is er sprake van een acuut werk-privé-conflict. Tussen de opeenvolgende werkbaarheidsmetingen en over de volledige meetperiode 2004-2019 registreren we voor de sector geen significante verschuivingen in het aandeel werknemers dat kampt met een (acuut) onevenwicht in de werk-privé-balans. Tabel 7:

Evolutie 2004-2019 van het aandeel werknemers met een (acuut) problematische werk-privé-balans in de voedingsnijverheid en op de Vlaamse arbeidsmarkt

voedingsnijverheid

2004

2007

2010

2013

2016

%

%

%

%

%

%

problemen werk-privé-combinatie 12,9

11,4

11,8

12,8

13,9

14,0

acuut werk-privé-conflict

4,0

1,8

2,0

3,5

3,1

4,4

302

273

246

398

295

363

problemen werk-privé-combinatie 11,8

10,8

10,6

10,8

12,2

12,8

N

Vlaamse arbeidsmarkt verschiltoetsing

2019

acuut werk-privé-conflict problemen werk-privé-combinatie acuut werk-privé-conflict

3,1

2,4

2,3

2,7

3,2

3,5

ns

ns

ns

ns

ns

ns

ns

ns

ns

ns

ns

ns

Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2004-2019 Leeswijzer: De categorie met het rode balkje ‘acuut werk-privé-conflict’ is een subgroep binnen de groep ‘problemen met de werk-privé-combinatie’ maar het aandeel wordt berekend op de totale populatie. Voor betekenis van de kleurencodes (groene/rode cijfers en kaders) en de verschiltoetsing (s versus ns): zie tabel 4 onder 2.1 ‘Werkstress en burn-out’.

14


Werkbaarheidsprofiel voedingsnijverheid 2019

Uit tabel 7 en figuur 5 kunnen we afleiden dat - voor alle meetpunten - de voor de voedingsnijverheid opgetekende kengetallen voor (acute) werk-privé-combinatieproblemen niet significant verschillen van het Vlaamse sectorgemiddelde. Figuur 5:

Evolutie 2004-2019 van het aandeel werknemers met een (acuut) problematische werk-privé-balans in de voedingsnijverheid, met aanduiding van significante afwijkingen t.o.v. het Vlaamse sectorgemiddelde

20%

12,9%

11,8%

11,4%

14,0%

13,9%

12,8%

10%

4,0%

3,5%

1,8% 0%

2004

2007

2,0%

2010

problemen werk-privé-combinatie afwijkend sectorgemiddelde Vlaanderen

2013

4,4% 3,1%

2016

2019

acuut werk-privé-conflict afwijkend sectorgemiddelde Vlaanderen

Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2004-2019

15


Werkbaarheidsprofiel voedingsnijverheid 2019

3

Determinanten van werkbaarheidsknelpunten in de voedingsnijverheid

Omdat het vanuit beleidsoogpunt uiteraard ook relevant is om de werkbaarheid van jobs oorzakelijk te kunnen duiden (wat maakt werk (on)werkbaar?), wordt in de werkbaarheidsmonitor ook gepeild naar een aantal kenmerken van de arbeidssituatie die de kwaliteit van jobs bedreigen dan wel bevorderen. In de monitor voor werknemers worden zes jobkenmerken via zogenaamde risico-indicatoren in kaart gebracht: werkdruk, emotionele belasting, taakvariatie (afwisseling in het werk), autonomie (zelfstandigheid in het werk), ondersteuning door de directe leiding en (belastende fysieke) arbeidsomstandigheden. Tabel 8:

Overzicht en omschrijving risico-indicatoren Vlaamse werkbaarheidsmonitor Omschrijving

Indicator Werkdruk

de mate van arbeidsbelasting vanuit kwantitatieve taakeisen, zoals werkvolume, werktempo, deadlines

Emotionele belasting

de mate van arbeidsbelasting vanuit contactuele taakeisen, inz. bij omgang met klanten (patiënten, leerlingen) of coördinatieopdrachten

Taakvariatie

de mate waarin de functie-inhoud een afwisselend takenpakket omvat en beroep doet op vaardigheden van werknemers

Autonomie

de mate waarin werknemers invloed hebben op de planning en organisatie van hun eigen werk – ‘regelmogelijkheden’

Ondersteuning directe leiding

de mate waarin werknemers door hun rechtstreekse chef adequaat gecoacht en sociaal gesteund worden

Arbeidsomstandigheden

de mate waarin werknemers blootgesteld worden aan fysieke inconveniënten in de werkomgeving en lichamelijke belasting

Ook voor deze zes werkbaarheidsrisico’s zijn grenzen bepaald die aangeven of de situatie al dan niet (acuut) problematisch is (Bourdeaud’hui, Janssens, Vanderhaeghe, 2019b). Niet problematische, problematische en acuut-problematische situaties worden voor de onderscheiden werkbaarheidsrisico’s als volgt benoemd: Tabel 9:

Terminologie voor de kengetallen voor de risico-indicatoren Niet problematisch

Problematisch

Acuut-problematisch

geen hoge werkdruk

hoge werkdruk

zeer hoge werkdruk

geen emotioneel belastend werk

emotioneel belastend werk

emotionele overbelasting

Taakvariatie

geen routinematig werk

routinematig werk

extreem routinematig werk

Autonomie

voldoende autonomie

gebrek aan autonomie

acuut gebrek aan autonomie

Ondersteuning door de directe leiding

voldoende steun door de directe leiding

onvoldoende steun door de directe leiding

negatieve relatie met de directe leiding

Arbeidsomstandigheden

geen belastende arbeidsomstandigheden

belastende arbeidsomstandigheden

zeer hoge fysieke belasting

Werkdruk Emotionele belasting

16


Werkbaarheidsprofiel voedingsnijverheid 2019

In dit hoofdstuk tekenen we op basis van de kengetallen voor de risico-indicatoren in de voedingsnijverheid sectorspecifieke risicoprofielen uit voor de onderscheiden werkbaarheidsdimensies (werkstress, motivatie, leermogelijkheden en werk-privé-balans).

3.1

Werkbaarheidsrisico’s in de voedingsnijverheid

In een eerste stap analyseren we de kengetallen voor de zes risicovelden, die voor de voedingsnijverheid werden berekend. We bekijken daarbij de evolutie in de risico-indicatoren en vergelijken de sectorgegevens met de referentiecijfers voor de Vlaamse arbeidsmarkt.

3.1.1

Werkdruk

In 2019 heeft 43,2% van de werknemers in de voedingsnijverheid af te rekenen met een (problematisch) hoge werkdruk, bij 20,5% is de situatie acuut-problematisch en is er sprake van een zeer hoge werkdruk. Ten opzichte van het meetpunt 2013 en van de nulmeting 2004 - zo blijkt uit tabel 10 - gaat het om een gevoelige toename van het aandeel werknemers dat geconfronteerd wordt met een (zeer) hoge werkdruk. Tabel 10:

Evolutie 2004-2019 van het aandeel werknemers geconfronteerd met een (zeer) hoge werkdruk in de voedingsnijverheid en op de Vlaamse arbeidsmarkt

hoge werkdruk

voedingsnijverheid

zeer hoge werkdruk N

Vlaamse arbeidsmarkt verschiltoetsing

hoge werkdruk zeer hoge werkdruk hoge werkdruk zeer hoge werkdruk

2004

2007

2010

2013

2016

%

%

%

%

%

%

34,3

34,6

31,8

29,4

45,8

43,2

2019

12,7

11,8

14,6

11,5

21,0

306

246

233

401

295

361

31,0

30,6

30,9

29,0

36,8

37,6

12,8

12,5

12,3

11,1

ns

ns

ns

ns

ns

ns

ns

20,5

16,3

16,9

s ns

s s

ns

Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2004-2019 Leeswijzer: De categorie met het rode balkje ‘zeer hoge werkdruk’ is een subgroep binnen de groep ‘hoge werkdruk’ maar het aandeel wordt berekend op de totale populatie. Cijfers in het groen resp. in het rood wijzen op een significante (Pearson chi²; p < 0,05) afname resp. toename van het aandeel werknemers in een (zeer) hoge werkdruk-situatie ten opzichte van het vorig meetpunt. Cijfers in een groen resp. rood kader wijzen op een significante (Pearson chi²; p < 0,05) afname resp. toename van het aandeel werknemers in een (zeer) hoge werkdruk-situatie bij een vergelijking van de meetpunten 2004 en 2019. De verschiltoetsing (s versus ns) vergelijkt het sectorkengetal met het (ongewogen) gemiddelde voor alle sectoren op de Vlaamse arbedismarkt en besluit op basis van effectcoderingen en logistische regressie tot een al dan niet significante afwijking (Wald chi², s indien p < 0,05 versus ns indien p ≥ 0,05).

De voedingsnijverheid volgt daarmee de op de (ruimere) arbeidsmarkt vastgestelde trend voor werkdruk. Tabel 10 en figuur 6 leren ons evenwel dat in 2016 en 2019 het aandeel werknemers in een hoge werkdruksituatie in de sector significant hoger ligt dan het Vlaamse sectorgemiddelde.

17


Werkbaarheidsprofiel voedingsnijverheid 2019

Figuur 6:

Evolutie 2004-2019 van het aandeel werknemers in de voedingsnijverheid geconfronteerd met een hoge werkdruk, met aanduiding van significante afwijkingen t.o.v. het Vlaamse sectorgemiddelde

50%

45,8%

43,2%

40%

34,6%

34,3%

31,8%

29,4%

30%

21,0%

20%

12,7%

14,6%

11,8%

20,5%

11,5%

10%

0%

2004

2007

2010

2013

2016

2019

hoge werkdruk

zeer hoge werkdruk

afwijkend sectorgemiddelde Vlaanderen

afwijkend sectorgemiddelde Vlaanderen

Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2004-2019

3.1.2

Emotionele belasting

In 2019 heeft 11,9% van de werknemers in de voedingsnijverheid emotioneel belastend werk, bij 1,9% is er sprake van emotionele overbelasting. Tussen de opeenvolgende werkbaarheidsmetingen en over de volledige meetperiode 2004-2019 registreren we voor de sector geen significante verschuivingen op het vlak van emotionele belasting. Tabel 11:

Evolutie 2004-2019 van het aandeel werknemers met emotioneel belastend werk in de voedingsnijverheid en op de Vlaamse arbeidsmarkt

emotioneel belastend werk

voedingsnijverheid

emotionele overbelasting N

Vlaamse arbeidsmarkt verschiltoetsing

emotioneel belastend werk emotionele overbelasting emotioneel belastend werk emotionele overbelasting

2004

2007

2010

2013

2016

%

%

%

%

%

%

11,5

10,2

9,5

9,7

9,2

11,9

2019

2,3

1,2

0,4

1,2

0,7

1,9

304

245

231

403

293

361

20,5

20,7

20,4

20,0

23,0

24,9

4,0

4,3

4,1

4,0

5,0

5,9

s

s

s

s

s

s

ns

ns

ns

ns

ns

ns

Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2004-2019 Leeswijzer: De categorie met het rode balkje ‘emotionele overbelasting’ is een subgroep binnen de groep met ‘emotioneel belastend werk’ maar het aandeel wordt berekend op de totale populatie. Voor de betekenis van de kleurencodes (groene/rode cijfers en kaders) en de verschiltoetsing (s versus ns): zie tabel 10 onder 3.1.1 ‘Werkdruk’.

Uit tabel 11 en figuur 7 blijkt dat het aandeel werknemers met emotioneel belastend werk in de voedingsnijverheid substantieel lager ligt dan op de Vlaamse arbeidsmarkt.

18


Werkbaarheidsprofiel voedingsnijverheid 2019

Figuur 7:

Evolutie 2004-2019 van het aandeel werknemers in de voedingsnijverheid met emotioneel belastend werk, met aanduiding van significante afwijkingen t.o.v. het Vlaamse sectorgemiddelde

30%

20%

11,5% 10%

2,3% 0%

11,9%

10,2%

9,5%

1,2%

2004

9,7%

2007

9,2%

1,2%

0,4%

2010

2013

emotioneel belastend werk afwijkend sectorgemiddelde Vlaanderen

1,9%

0,7%

2016

2019

emotionele overbelasting afwijkend sectorgemiddelde Vlaanderen

Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2004-2019

3.1.3

Taakvariatie

In 2019 heeft 33,5% van de werknemers in de voedingsnijverheid routinematig werk, bij 18,3% is de situatie acuut-problematisch en is er sprake van extreem routinematig werk . Tabel 12:

Evolutie 2004-2019 van het aandeel werknemers met routinematig werk in de voedingsnijverheid en op de Vlaamse arbeidsmarkt

routinematig werk

voedingsnijverheid

extreem routinematig werk N

Vlaamse arbeidsmarkt verschiltoetsing

routinematig werk extreem routinematig werk routinematig werk extreem routinematig werk

2004

2007

2010

2013

2016

%

%

%

%

%

%

31,7

34,3

29,3

29,2

35,0

33,5

2019

14,7

18,0

15,5

12,5

16,3

18,3

306

245

232

401

294

361

23,8

23,5

22,8

23,7

24,0

23,0

11,5 s

10,5

10,5

s ns

10,3

s s

s s

10,5

10,2

s ns

s s

s

Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2004-2019 Leeswijzer: De categorie met het rode balkje ‘extreem routinematig werk’ is een subgroep binnen de groep met ‘routinematig werk’ maar het aandeel wordt berekend op de totale populatie. Voor de betekenis van de kleurencodes (groene/rode cijfers en kaders) en de verschiltoetsing (s versus ns): zie tabel 10 onder 3.1.1 ‘Werkdruk’.

Tussen de opeenvolgende werkbaarheidsmetingen en over de volledige meetperiode 2004-2019 registreren we voor de sector geen significante verschuivingen op het vlak van taakvariatie. Tabel 12 en figuur 8 laten tevens zien dat het aandeel werknemers met routinematig werk in de voedingsnijverheid systematisch hoger ligt dan het Vlaamse sectorgemiddelde: enkel voor de meetpunten 2004 en 2013 en voor ‘extreem routinematig werk’ registreren we geen significant afwijkend sectoraal kengetal.

19


Werkbaarheidsprofiel voedingsnijverheid 2019

Figuur 8:

Evolutie 2004-2019 van het aandeel werknemers in de voedingsnijverheid met routinematig werk, met aanduiding van significante afwijkingen t.o.v. het Vlaamse sectorgemiddelde

40%

35,0%

34,3%

31,7%

29,3%

30%

20%

18,0%

14,7%

33,5%

29,2%

18,3%

16,3%

15,5% 12,5%

10%

0%

2004

2007

2010

2013

2016

2019

routinematig werk

extreem routinematig werk

afwijkend sectorgemiddelde Vlaanderen

afwijkend sectorgemiddelde Vlaanderen

Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2004-2019

3.1.4

Autonomie

In 2019 wordt 26,1% van de werknemers in de voedingsnijverheid geconfronteerd met een gebrek aan autonomie bij de taakuitvoering, bij 12,2% is er sprake van een acuut gebrek aan autonomie. Tabel 13 laat een aantal (significante) schommelingen in de indicatorscores voor autonomie sinds 2010 zien. Over de volledige meetperiode 2004-2019 is er evenwel sprake van een significante daling in het aandeel werknemers dat met een autonomiedeficit kampt. Voor de acuut problematische categorie registreren we geen significante verschuivingen. Tabel 13:

Evolutie 2004-2019 van het aandeel werknemers geconfronteerd met een gebrek aan autonomie in de voedingsnijverheid en op de Vlaamse arbeidsmarkt

gebrek aan autonomie

voedingsnijverheid

acuut gebrek aan autonomie N

Vlaamse arbeidsmarkt verschiltoetsing

gebrek aan autonomie

2004

2007

2010

2013

2016

%

%

%

%

%

33,7

31,8

32,6

24,4

32,3

2019 %

26,1

14,7

16,3

16,3

11,9

15,0

306

245

233

402

294

360

20,8

20,2

19,5

19,0

19,4

18,5

acuut gebrek aan autonomie

7,3

gebrek aan autonomie acuut gebrek aan autonomie

s

7,5

6,5

s s

6,4

s s

6,2

s s

12,2

5,7

s s

s s

s

Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2004-2019 Leeswijzer: De categorie met het rode balkje ‘acuut gebrek aan autonomie’ is een subgroep binnen de groep met ‘autonomieproblemen’ maar het aandeel wordt berekend op de totale populatie. Voor de betekenis van de kleurencodes (groene/rode cijfers en kaders) en de verschiltoetsing (s versus ns): zie tabel 10 onder 3.1.1 ‘Werkdruk’.

Uit tabel 13 en figuur 9 kunnen we bovendien afleiden dat de risico-indicator ‘autonomie’ in de voedingsnijverheid systematisch en significant negatiever scoort dan het Vlaamse sectorgemiddelde.

20


Werkbaarheidsprofiel voedingsnijverheid 2019

Figuur 9:

Evolutie 2004-2019 van het aandeel werknemers in de voedingsnijverheid geconfronteerd met een gebrek aan autonomie, met aanduiding van significante afwijkingen t.o.v. het Vlaamse sectorgemiddelde

40%

33,7%

32,6%

31,8%

32,3%

30%

26,1%

24,4% 20%

14,7%

16,3%

16,3%

15,0% 12,2%

11,9% 10%

0%

2004

2007

2010

2013

gebrek aan autonomie afwijkend sectorgemiddelde Vlaanderen

2016

2019

acuut gebrek aan autonomie afwijkend sectorgemiddelde Vlaanderen

Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2004-2019

3.1.5

Ondersteuning door de directe leiding

In 2019 krijgt 16,6% van de werknemers in de voedingsnijverheid onvoldoende steun van de directe leiding, bij 5,2% is er zelfs sprake van een negatieve relatie met de leiding. Tussen de opeenvolgende werkbaarheidsmetingen en over de volledige meetperiode 2004-2019 registreren we voor de sector geen significante verschuivingen in de indicatorscores.

Tabel 14:

Evolutie 2004-2019 van het aandeel werknemers geconfronteerd met onvoldoende steun vanuit/negatieve relatie met de directe leiding in de voedingsnijverheid en op de Vlaamse arbeidsmarkt

onvoldoende steun leiding

voedingsnijverheid

negatieve relatie met leiding N

Vlaamse arbeidsmarkt verschiltoetsing

onvoldoende steun leiding

2004

2007

2010

2013

2016

%

%

%

%

%

2019 %

18,1

19,7

15,5

17,4

14,7

16,6

8,9

7,0

7,8

5,7

5,1

5,2

304

244

232

402

293

362

16,1

16,0

14,8

14,4

14,3

14,4

negatieve relatie met leiding

6,1

6,2

5,4

5,3

5,0

5,5

onvoldoende steun leiding negatieve relatie met leiding

ns

ns

ns

ns

ns

ns

ns

ns

ns

ns

ns

ns

Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2004-2019 Leeswijzer: De categorie met het rode balkje ‘negatieve relatie met de directe leiding’ is een subgroep binnen de groep ‘onvoldoende steun vanuit de directe leiding’ maar het aandeel wordt berekend op de totale populatie. Voor de betekenis van de kleurencodes (groene/rode cijfers en kaders) en de verschiltoetsing (s versus ns): zie tabel 10 onder 3.1.1 ‘Werkdruk’.

Uit tabel 14 en figuur 10 kunnen we tevens afleiden dat - voor alle meetpunten - de voor de voedingsnijverheid opgetekende kengetallen voor ondersteuning door de directe leiding niet significant verschillen van het Vlaamse sectorgemiddelde.

21


Werkbaarheidsprofiel voedingsnijverheid 2019

Figuur 10: Evolutie 2004-2019 van het aandeel werknemers in de voedingsnijverheid geconfronteerd met onvoldoende steun vanuit/negatieve relatie met de directe leiding, met aanduiding van significante afwijkingen t.o.v. het Vlaamse sectorgemiddelde 30%

20%

19,7%

18,1%

15,5%

8,9%

10%

7,0%

0%

2004

2007

17,4%

16,6% 14,7%

7,8% 5,7%

2010

2013

onvoldoende steun door directe leiding afwijkend sectorgemiddelde Vlaanderen

5,2%

5,1%

2016

2019

negatieve relatie met directe leiding afwijkend sectorgemiddelde Vlaanderen

Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2004-2019

3.1.6

Arbeidsomstandigheden

In 2019 wordt 27,3% van de werknemers in de voedingsnijverheid geconfronteerd met belastende arbeidsomstandigheden, bij 10,9% is er sprake van een zeer hoge fysieke belasting. Over de volledige meetperiode 2004-2019 registreren we in de sector een significante toename van het aandeel werknemers die met belastende arbeidsomstandigheden in de werksituatie te maken hebben. Tabel 15:

Evolutie 2004-2019 van het aandeel werknemers geconfronteerd met arbeidsomstandigheden in de voedingsnijverheid en op de Vlaamse arbeidsmarkt

belastende arbeidsomstandigheden

voedingsnijverheid

zeer hoge fysieke belasting N

Vlaamse arbeidsmarkt verschiltoetsing

belastende arbeidsomstandigheden zeer hoge fysieke belasting belastende arbeidsomstandigheden zeer hoge fysieke belasting

belastende

2004

2007

2010

2013

2016

%

%

%

%

%

%

20,6

24,1

21,4

21,3

27,4

27,3

2019

6,6

9,8

8,1

7,3

301

266

248

399

296

366

12,1

13,7

13,0

12,9

14,9

15,3

4,5

5,3

s

4,4

s s

4,5

s s

11,8

5,7

s s

10,9

5,7

s s

s s

s

Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2004-2019 Leeswijzer: De categorie met het rode balkje ‘zeer hoge fysieke belasting’ is een subgroep binnen de groep ‘belastende arbeidsomstandigheden’ maar het aandeel wordt berekend op de totale populatie. Voor de betekenis van de kleurencodes (groene/rode cijfers en kaders) en de verschiltoetsing (s versus ns): zie tabel 10 onder 3.1.1 ‘Werkdruk’.

De ontwikkeling in de voedingsnijverheid volgt daarmee de op de (ruimere) arbeidsmarkt vastgestelde trend. Uit tabel 15 en figuur 11 kunnen we evenwel afleiden dat de risico-indicator ‘arbeidsomstandigheden’ in de voedingsnijverheid systematisch en substantieel negatiever scoort dan het Vlaamse sectorgemiddelde.

22


Werkbaarheidsprofiel voedingsnijverheid 2019

Figuur 11: Evolutie 2004-2019 van het aandeel werknemers in de voedingsnijverheid geconfronteerd met belastende arbeidsomstandigheden, met aanduiding van significante afwijkingen t.o.v. het Vlaamse sectorgemiddelde 30%

27,4%

27,3%

24,1% 20%

21,3%

21,4%

20,6%

11,8%

9,8%

10%

8,1%

6,6%

0%

2004

2007

2010

belastende arbeidsomstandigheden afwijkend sectorgemiddelde Vlaanderen

10,9%

7,3%

2013

2016

2019

zeer hoge fysieke belasting afwijkend sectorgemiddelde Vlaanderen

Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2004-2019

3.2

Risicoprofielen voor de voedingsnijverheid

Op basis van de kengetallen voor de onderscheiden risico-indicatoren en de recent gepubliceerde analyses over de samenhang tussen werkbaarheids- en risico-indicatoren (Bourdeaud’hui, Janssens, Vanderhaeghe, 2020), kunnen we een aantal risicoprofielen ‘op maat van de voedingsnijverheid’ construeren. Deze risicoprofielen verschaffen ons inzicht in de relevantie van diverse risicofactoren in de arbeidssituatie van specifieke werknemersgroepen: een risico is ernstiger naarmate er meer werknemers mee geconfronteerd worden én er een grotere kans bestaat dat werknemers door dit risico met een specifiek werkbaarheidsknelpunt af te rekenen krijgen. In wat volgt bespreken we achtereenvolgens de sectorspecifieke risicoprofielen voor werkstress, motivatie, leermogelijkheden en werk-privé-balans.

3.2.1

Risicoprofiel voor werkstress

Werkstress kan uiteraard allerlei oorzaken hebben. Standaard wordt daarbij gewezen in de richting van personele onderbezetting. Maar psychosociale overbelasting kan ook een gevolg zijn van afstemmingsproblemen door een onaangepaste arbeidsorganisatie en een gebrekkige communicatie op de werkplaats of samenhangen met een weinig adequate aansturing en ondersteuning van het personeel door leidinggevenden. In figuur 12 wordt de ‘ernstgraad’ van zes werkstressrisico’s in de arbeidssituatie geïllustreerd voor de werknemers in de voedingsnijverheid.

23


Werkbaarheidsprofiel voedingsnijverheid 2019

Figuur 12: Risicoprofiel voor werkstressproblemen in de voedingsnijverheid 2019

5 hoge werkdruk

impact op w erkstress

4,5 4 3,5 3 onvoldoende emotioneel ondersteuning belastend leiding werk

2,5 2

gebrek aan autonomie

1,5

belastende arbeidsomstandigheden routinematig werk

1 0%

10%

20%

30%

40%

50%

% werknemers Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2019 Leeswijzer: De figuur verschaft ons inzicht in de relevantie van diverse risicofactoren voor het ontstaan van werkstressproblemen in de voedingsnijverheid. De ernstgraad van specifieke risicofactoren wordt bepaald door 2 elementen: De impact van een specifieke risicofactor (verticale positionering van de onderscheiden buttons, berekend o.b.v. een logistische regressie-analyse en de daaruit resulterende odds ratioâ&#x20AC;&#x2122;s). Zo vormt een hoge werkdruk (ruim verviervoudiging van de kansverhouding werkstress/geen werkstress) duidelijk een hoger risico voor het ontstaan van werkstress dan een gebrek aan autonomie in het werk (de kansverhouding werkstress/geen werkstress verhoogt met factor anderhalf). Het aandeel werknemers dat zich in een problematische situatie voor een specifieke risicofactor bevindt (horizontale positie van de onderscheiden buttons). Zo zijn er in de sector beduidend meer werknemers die met een hoge werkdruk (43,2%) dan met emotioneel belastend werk (11,9%) worden geconfronteerd.

Hoge werkdruk is duidelijk de meest ernstige risicofactor voor werkstress in de voedingsnijverheid. Hoge werkdruk komt niet alleen vaak voor (43,2% van de werknemers wordt er mee geconfronteerd), maar verhoogt ook aanzienlijk de kans op werkstressproblemen. Ook emotionele belasting en het gebrek aan een ondersteuning door de directe leiding manifesteren zich als belangrijke risicoâ&#x20AC;&#x2122;s, maar zijn in het profiel minder kritisch omdat een kleinere groep hiermee geconfronteerd wordt (11,9% resp. 16,6%). Verder valt op dat een ruime groep van werknemers routinematig werk uitvoert (33,5%), onvoldoende autonomie meekrijgt bij de taakuitvoering (26,1%) of onder belastende arbeidsomstandigheden werkt (27,3%). Ook dat zijn, in beperktere mate, risicofactoren voor werkstress.

24


Werkbaarheidsprofiel voedingsnijverheid 2019

3.2.2

Risicoprofiel voor motivatie

In figuur 13 wordt de ‘ernstgraad’ van zes motivatierisico’s in de arbeidssituatie van werknemers in de voedingsnijverheid geïllustreerd. Figuur 13: Risicoprofiel voor motivatieproblemen in de voedingsnijverheid 2019

5

impact op motivatie

routinematig werk

onvoldoende ondersteuning leiding

4,5 4 3,5 3 2,5

hoge werkdruk

2

emotioneel belastend werk

1,5

gebrek aan autonomie belastende arbeidsomstandigheden

1 0%

10%

20%

30%

40%

50%

% werknemers Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2019 Leeswijzer: De figuur verschaft ons inzicht in de relevantie van diverse risicofactoren voor het ontstaan van motivatieproblemen in de voedingsnijverheid. De ernstgraad van specifieke risicofactoren wordt bepaald door 2 elementen: De impact van een specifieke risicofactor (verticale positionering van de onderscheiden buttons, berekend o.b.v. een logistische regressie-analyse en de daaruit resulterende odds ratio’s). Zo vormen routinematig werk en onvoldoende ondersteuning vanuit de directe leiding (ruim verviervoudiging van de kansverhouding motivatieproblemen/geen motivatieproblemen) duidelijk een hoger risico voor het ontstaan van motivatieproblemen dan fysiek belastende arbeidsomstandigheden (de kansverhouding motivatieproblemen/geen motivatieproblemen verhoogt met een factor kleiner dan anderhalf). Het aandeel werknemers dat zich in een problematische situatie voor een specifieke risicofactor bevindt (horizontale positie van de onderscheiden buttons). Zo zijn er in de sector beduidend meer werknemers die met routinematig werk (33,5%) dan met onvoldoende ondersteuning vanuit de directe leiding (16,6%) worden geconfronteerd.

Routinematig werk en een gebrekkige ondersteuning door de directe leiding halen het motivatiepeil sterk naar beneden. In de voedingsnijverheid heeft 33,5% van de werknemers routinematig werk en krijgt 16,6% onvoldoende steun van de directe leiding. Omwille van het groot aantal betrokken werknemers vormt ook hoge werkdruk (43,2%) een relevante risicofactor voor het motivatievraagstuk in de sector. Gevarieerd werk en een voldoende ondersteuning door de directe leiding zijn noodzakelijke maar geen voldoende voorwaarde om werknemers te motiveren. Wanneer de prestatiedruk bepaalde grenzen overschrijdt, dan neemt ook het risico op motivatieproblemen toe.

25


Werkbaarheidsprofiel voedingsnijverheid 2019

3.2.3

Risicoprofiel voor leermogelijkheden

In figuur 14 wordt de ‘ernstgraad’ van de vijf risicofactoren voor het ontstaan van een leerdeficit bij werknemers in de voedingsnijverheid in beeld gebracht. Figuur 14: Risicoprofiel voor onvoldoende leermogelijkheden in de voedingsnijverheid 2019

7 routinematig werk

6,5

impact op leermogelijkheden

6 5,5 5

onvoldoende ondersteuning leiding

4,5 4 3,5

3

gebrek aan autonomie

2,5 2

belastende arbeidsomstandigheden

1,5 1 0%

10%

20%

30%

hoge werkdruk

40%

50%

% werknemers Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2019 Leeswijzer: De figuur verschaft ons inzicht in de relevantie van diverse risicofactoren voor het ontstaan van een deficit op het vlak van leermogelijkheden in de voedingsnijverheid. De ernstgraad van specifieke risicofactoren wordt bepaald door 2 elementen: De impact van een specifieke risicofactor (verticale positionering van de onderscheiden buttons, berekend o.b.v. een logistische regressie-analyse en de daaruit resulterende odds ratio’s). Zo vormt routinematig werk (ruim verzesvoudiging van de kansverhouding onvoldoende leermogelijkheden/voldoende leermogelijkheden) duidelijk een hoger risico voor het ontstaan van een leerdeficit dan een hoge werkdruk (de kansverhouding onvoldoende leermogelijkheden/voldoende leermogelijkheden verhoogt met een factor 1,14). Het aandeel werknemers dat zich in een problematische situatie voor een specifieke risicofactor bevindt (horizontale positie van de onderscheiden buttons). Zo zijn er in de sector beduidend meer werknemers die met routinematig werk (33,5%) dan met onvoldoende ondersteuning vanuit de directe leiding (16,6%) worden geconfronteerd.

Routinematig werk is een belangrijke risicofactor voor problemen op het vlak van leermogelijkheden in de voedingsnijverheid. Dat men van het ‘steeds herhalen van korte, eenvoudige handelingen’ niet veel bijleert verrast uiteraard niet. In de voedingsnijverheid heeft 33,5% van de werknemers een routinematige job. Verder valt ook op dat een ruime groep van werknemers kampt met problemen op het vlak van autonomie (26,1%), een andere belangrijke risicofactor voor leermogelijkheden. Ook onvoldoende ondersteuning vanuit de directe leiding is een aandachtspunt voor de sector: 16,6% wordt hiermee geconfronteerd en de impact op de leerkansen in de job is relatief groot.

26


Werkbaarheidsprofiel voedingsnijverheid 2019

3.2.4

Risicoprofiel voor werk-privé-balans

Figuur 15 evalueert de relevantie van de vijf risicofactoren voor een problematische werk-privébalans bij werknemers in de voedingsnijverheid. Figuur 15: Risicoprofiel voor problemen met de werk-privé-combinatie in de voedingsnijverheid 2019

6

hoge werkdruk

impact op w erk-privé-balans

5,5 5 4,5 4 3,5 3

emotioneel onvoldoende belastend steun directe werk leiding

2,5 2

gebrek aan autonomie

1,5

belastende arbeidsomstandigheden

1 0%

10%

20%

30%

40%

50%

% werknemers Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2019 Leeswijzer: De figuur verschaft ons inzicht in de relevantie van diverse risicofactoren voor het ontstaan van problemen met de werk-privé-combinatie in de voedingsnijverheid. De ernstgraad van specifieke risicofactoren wordt bepaald door 2 elementen: De impact van een specifieke risicofactor (verticale positionering van de onderscheiden buttons, berekend o.b.v. een logistische regressie-analyse en de daaruit resulterende odds ratio’s). Zo vormt een hoge werkdruk (ruim vervijfvoudiging van de kansverhouding problemen met de werk-privé-combinatie/haalbare werk-privé-combinatie) duidelijk een hoger risico voor het ontstaan van een problematische werk-privé-balans dan een gebrek aan autonomie (de kansverhouding problemen met de werk-privé-combinatie/haalbare werk-privé-combinatie verhoogt met een factor kleiner dan anderhalf). Het aandeel werknemers dat zich in een problematische situatie voor een specifieke risicofactor bevindt (horizontale positie van de onderscheiden buttons). Zo zijn er in de sector beduidend meer werknemers die met een hoge werkdruk (43,2%) dan met emotioneel belastend werk (11,9%) worden geconfronteerd.

Als we het werk inhoudelijk evalueren dan blijkt werkdruk veruit de belangrijkste risicofactor voor de werk-privé-balans in de voedingsnijverheid. Een hoge werkdruk komt niet alleen vaak voor (43,2% van de werknemers uit de sector wordt er mee geconfronteerd), maar verhoogt ook aanzienlijk het risico op een onevenwicht in de werk-privé-balans. Ook onvoldoende ondersteuning vanuit de directe leiding is een relevant aandachtspunt voor het werk-privécombinatievraagstuk in de sector: 16,6% van de werknemers wordt hiermee geconfronteerd en de impact op de werk-privébalans is relatief groot.

27


Werkbaarheidsprofiel voedingsnijverheid 2019

4

Aanvullende informatie over de arbeidssituatie van werknemers in de voedingsnijverheid

In de werkbaarheidsenquêtes wordt - naast de besproken indicatoren - ook aanvullende informatie opgevraagd over de arbeidssituatie en werkbeleving. Bij de meting 2019 werden gegevens verzameld over opleidingsparticipatie, arbeidstijdregelingen, telewerk, pendeltijden, grensoverschrijdend gedrag, ziekteverzuim, verloopintentie en de haalbaarheid om door te werken tot de pensioenleeftijd. We brengen in dit hoofdstuk deze informatie voor de voedingsnijverheid bijeen en vergelijken daarbij de sectorscores met de situatie op de Vlaamse arbeidsmarkt.

4.1

Opleidingsparticipatie

Tabel 16 bevat cijfergegevens over opleidingsparticipatie. Het aandeel werknemers uit de voedingsnijverheid, dat in het afgelopen jaar deelnam aan een bijscholing of bedrijfstraining, bedraagt 48,5%. Deze participatiegraad ligt ruimonder het niveau van de Vlaamse arbeidsmarkt, waar een percentage van 60,0% wordt opgetekend. Tabel 16:

Opleidingsparticipatie van werknemers in de voedingsnijverheid en op de Vlaamse arbeidsmarkt 2019 voedingsnijverheid

deelnam e aan bijscholing of bedrijfstraining in het afgelopen jaar

Vlaam se arbeidsm arkt

%

%

verschiltoetsing

48,5

60,0

s

Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2019 Leeswijzer: De codering s/ns wijst er op dat bij toetsing een al dan niet significant verschil werd vastgesteld (Pearson chi²; p < 0,05) tussen de meetgegevens voor de voedingsnijverheid en (de rest van) de Vlaamse arbeidsmarkt.

4.2

Atypische werktijden

De informatie over het aandeel werknemers in specifieke arbeidstijdregelingen (deeltijds werk, onvoorspelbare werkroosters, nachtarbeid, overwerk, behandeling e-mails of telefonische bereikbaarheid buiten de werkuren) wordt opgelijst in tabel 17. In 2019 werkt 79,6% van de werknemers in de voedingsnijverheid voltijds en 20,4% deeltijds (met 16,8% ‘grote’ en 3,5% ‘kleine’ deeltijdse contracten). Het aandeel deeltijders ligt daarmee lager dan op de Vlaamse arbeidsmarkt (31,6%, met 22,7% ‘grote’ en 8,9% ‘kleine’ deeltijdse contracten). Van de werknemers in de voedingsnijverheid wordt 30,9% sporadisch en 12,8% frequent met wijzigingen in het uurrooster geconfronteerd. Het aandeel werknemers in de sector dat met onvoorspelbare werkroosters te maken krijgt, ligt beneden de referentiecijfers voor de Vlaamse arbeidsmarkt (35,7% en 16,6%).

28


Werkbaarheidsprofiel voedingsnijverheid 2019

Tabel 17: Arbeidstijdregimes van werknemers uit de voedingsnijverheid en op de Vlaamse arbeidsmarkt 2019 voedingsnijverheid

Vlaam se arbeidsm arkt

%

%

voltijders

79,6

68,4

deeltijders ≥ 60%

16,8

22,7

deeltijders < 60%

3,5

8,9

geen

56,3

47,7

sporadisch

30,9

35,7

frequent

12,8

16,6

geen nachtw erk

80,3

87,0

1-2 nachtprestaties/m aand

4,4

4,6

3-10 nachtprestaties/m aand

11,0

6,7

>10 nachtprestaties/m aand

4,4

1,7

geen/sporadisch overw erk

60,7

57,9

frequent overw erk m et recuperatie

18,7

18,0

frequent overw erk zonder recuperatie

20,6

24,1

verschiltoetsing

verdeling voltijders - deeltijders s

roosterw ijzigingen

s

nachtarbeid

s

overw erk

ns

behandeling e-m ails buiten de w erkuren neen

57,4

40,9

sporadisch

22,8

26,3

regelm atig

19,8

32,8

neen

32,6

26,0

sporadisch

30,4

33,3

regelm atig

37,0

40,7

s

telefonische bereikbaarheid buiten de w erkuren s

effectieve gem iddelde w ekelijkse arbeidsduur voltijders ( aantal uren per week ) 40,9

41,5

ns

Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2019 Leeswijzer: De codering s/ns wijst er op dat bij toetsing een al dan niet significant verschil werd vastgesteld (Pearson chi² of ANOVA-F; p < 0,05) tussen de meetgegevens voor de voedingsnijverheid en (de rest van) de Vlaamse arbeidsmarkt.

In de voedingsnijverheid doet 19,7% van de werknemers op regelmatige basis nachtwerk (dit zijn prestaties tussen 23u00 en 5u00). Bij 4,4% gaat het om gemiddeld 1 à 2 nachtprestaties per maand, bij 11,0% om 3 tot 10 nachtprestaties per maand en bij 4,4% om meer dan 10 nachtprestaties per maand. Het percentage werknemers in de sector dat maandelijks drie of meer nachtshifts presteert ligt significant hoger dan op de (rest van de) Vlaamse arbeidsmarkt.

29


Werkbaarheidsprofiel voedingsnijverheid 2019

Vier op de tien (39,3%) van de werknemers uit de voedingsnijverheid werkt regelmatig over: bij 18,7% wordt dit overwerk via inhaalrust gerecupereerd, bij 20,6% is dit niet het geval. Er worden geen significant verschil geregistreerd tussen de overwerksituatie in de sector en deze op de (rest van de) Vlaamse arbeidsmarkt. Het aandeel werknemers in de voedingsnijverheid dat buiten de werkuren thuis sporadisch (22,8%) of regelmatig (19,8%) e-mails behandelt ligt beduidend lager dan op de Vlaamse arbeidsmarkt (waar respectieve percentages van 26,3% en 32,8% worden opgetekend). Ook het aandeel werknemers in de sector, die buiten de werkuren telefonisch bereikbaar (moeten) zijn, ligt met 67,4% significant lager dan het overeenstemmende arbeidsmarktpercentage (74,0%). De gemiddelde effectieve arbeidsduur van voltijdse werknemers wijkt met 40,9 uur per week niet significant af van het arbeidsmarktgemiddelde.

4.3

Telewerken

Tabel 18 bevat informatie over de verspreiding van telethuiswerk in de voedingsnijverheid in 2019 en vergelijkt deze gegevens met de andere bedrijfstakken en de Vlaamse arbeidsmarkt. Tabel 18:

Aandeel telethuiswerkers in de voedingsnijverheid en op de Vlaamse arbeidsmarkt 2019 voedingsnijverheid

Vlaam se arbeidsm arkt

%

%

geen telethuisw erk

83,7

78,8

sporadisch telethuisw erk (< 1 dag/w eek)

8,7

9,8

system atisch telethuisw erk (â&#x2030;Ľ 1 dag/w eek)

7,6

11,4

verschiltoetsing

s

Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2019 Leeswijzer: De codering s/ns wijst er op dat bij toetsing een al dan niet significant verschil werd vastgesteld (Pearson chi²; p < 0,05) tussen de meetgegevens voor de voedingsnijverheid en (de rest van) de Vlaamse arbeidsmarkt.

De telethuiswerkformule is in de voedingsnijverheid (met 8,7% sporadische en 7,6% systematische telethuiswerkers) minder breed ingeburgerd dan op de ruimere arbeidsmarkt (waar 9,8% sporadische en 11,4% systematische telethuiswerkers worden opgetekend).

30


Werkbaarheidsprofiel voedingsnijverheid 2019

4.4

Woon-werk-verkeer en pendeltijden

Bijna vier op de tien (39,6%) van de werknemers in de voedingsnijverheid is dagelijks minder dan een half uur op weg ‘van en naar het werk’, 31,5% besteedt tussen een half uur en een uur aan het woon-werk-verkeer, bij 22,5% ligt de dagelijkse pendeltijd tussen een uur en twee uur en 6,5% is dagelijks twee uur of langer onderweg. Tabel 19:

Dagelijkse pendeltijd van werknemers in de voedingsnijverheid en op de Vlaamse arbeidsmarkt 2019 voedingsnijverheid

Vlaam se arbeidsm arkt

%

%

m inder dan een half uur

39,6

35,4

m instens een half uur m aar m inder dan een uur

31,5

29,5

m instens een uur m aar m inder dan tw ee uur

22,5

24,7

tw ee uur of m eer

6,5

10,3

verschiltoetsing

s

Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2019 Leeswijzer: De codering s/ns wijst er op dat bij toetsing een al dan niet significant verschil werd vastgesteld (Pearson chi²; p < 0,05) tussen de meetgegevens voor de voedingsnijverheid en (de rest van) de Vlaamse arbeidsmarkt.

Tabel 19 leert ons dat de pendeltijden in de voedingsnijverheid en de andere bedrijfstakken significant verschillen: het aandeel werknemers met een dagelijkse verplaatsingstijd van een uur of langer ligt in de sector met 29,0% beneden het cijfer op de Vlaamse arbeidsmarkt (35,0%).

4.5

Grensoverschrijdend gedrag

Tabel 20 inventariseert de informatie uit de werkbaarheidsenquête 2019 over het voorkomen van verschillende vormen van grensoverschrijdend gedrag in de voedingsnijverheid en op de Vlaamse arbeidsmarkt: (fysieke) agressie, (verbale) intimidatie of bedreiging, ongewenst seksueel gedrag en pesten. Het aandeel werknemers uit de voedingsnijverheid dat in het afgelopen jaar bij de jobuitoefening sporadisch of systematisch slachtoffer was van lichamelijk geweld (1,0%) ligt ruim onder het arbeidsmarktcijfer (slachtofferscore van 6,2%). Voor de andere vormen van grensoverschrijdend gedrag registreren we geen significante verschillen tussen de voedingsnijverheid en de andere bedrijfstakken: 15,5% van de werknemers in de sector was in het afgelopen jaar (sporadisch of systematisch) slachtoffer van verbale intimidatie of bedreiging, 2,7% van ongewenst seksueel gedrag en 13,1% van pestgedrag.

31


Werkbaarheidsprofiel voedingsnijverheid 2019

Tabel 20:

Aandeel werknemers slachtoffer van grensoverschrijdend gedrag in de voedingsnijverheid en op de Vlaamse arbeidsmarkt 2019 voedingsnijverheid

Vlaam se arbeidsm arkt

%

%

nooit

98,9

93,7

sporadisch

0,5

5,4

regelm atig

0,5

0,8

nooit

84,5

81,4

sporadisch

14,4

15,7

regelm atig

1,1

2,9

verschiltoetsing

slachtoffer van licham elijk gew eld s

slachtoffer van intim idatie of bedreiging

ns

slachtoffer van ongew enst seksueel gedrag nooit

97,3

96,2

sporadisch

2,4

3,6

regelm atig

0,3

0,2

nooit

86,9

89,0

sporadisch

10,6

9,0

regelm atig

2,5

1,9

ns

slachtoffer van pesten ns

Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2019 Leeswijzer: De codering s/ns wijst er op dat bij toetsing een al dan niet significant verschil werd vastgesteld (Pearson chi²; p < 0,05) tussen de meetgegevens voor de voedingsnijverheid en (de rest van) de Vlaamse arbeidsmarkt.

4.6

Indicatoren voor duurzame inzetbaarheid

Tabel 21 bevat een aantal indicatoren van duurzame inzetbaarheid voor 2019, met gegevens over (frequent en langdurig) ziekteverzuim, de verloopintentie en werkonzekerheid bij werknemers en hun inschatting van de haalbaarheid om (in de huidige job) door te werken tot de pensioenleeftijd.

32


Werkbaarheidsprofiel voedingsnijverheid 2019

Tabel 21:

Gerapporteerd ziekteverzuim, verloopintentie, inschatting werkonzekerheid en haalbaarheid om door te werken tot het pensioen bij werknemers in de voedingsnijverheid en op de Vlaamse arbeidsmarkt 2019 voedingsnijverheid %

Vlaam se arbeidsm arkt %

verschiltoetsing

ziekteverzuim frequent ziekteverzuim ( â&#x2030;Ľ 3 keer afw ezig/in afgelopen jaar)

8,1

10,3

ns

langdurig ziekteverzuim ( > 20 dagen afw ezig/in afgelopen jaar)

11,8

10,0

ns

regelm atig op zoek naar ander w erk

10,2

10,5

ns

kans op jobverlies groot

3,0

2,9

ns

doorw erken in huidige job tot pensioen haalbaar

53,1

57,9

doorw erken tot pensioen haalbaar, m its aangepast w erk

40,8

36,5

doorw erken tot pensioen niet haalbaar

6,1

5,7

verloopintentie en w erkonzekerheid

haalbaarheid pensioen ns

Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2019 Leeswijzer: De codering s/ns wijst er op dat bij toetsing een al dan niet significant verschil werd vastgesteld (Pearson chi²; p < 0,05) tussen de meetgegevens voor de voedingsnijverheid en (de rest van) de Vlaamse arbeidsmarkt.

Op het vlak van frequent en langdurig ziekteverzuim registreren we geen significante verschillen tussen de voedingsnijverheid en de (rest van de) Vlaamse arbeidsmarkt: 8,1% van de werknemers uit de sector bleef in het afgelopen jaar drie of meer keer afwezig op het werk door ziekte of ongeval, 11,8% was in het afgelopen jaar meer dan 20 dagen afwezig. Ook voor verloopintentie en werkonzekerheid wijken de indicatoren voor de voedingsnijverheid niet significant af van de arbeidsmarktcijfers: bij 10,2% van de werknemers uit de sector registreren we een hoge verloopintentie, 3,0% schat de kans om in de nabije toekomst werkloos te worden hoog in. Gepeild naar de haalbaarheid om in de huidige job door te werken tot het pensioen, beoordeelt 53,1% van de werknemers uit de voedingsnijverheid daartoe in staat te zijn is, geeft 40,8% aan dat langer doorwerken enkel kan mits aangepast werk (lichter werk, deeltijds werk) en schat 6,1% dit in als een onhaalbare opdracht. Deze cijfers liggen in lijn met de resultaten voor de Vlaamse arbeidsmarkt.

33


Werkbaarheidsprofiel voedingsnijverheid 2019

Referentielijst Bourdeaud’hui, R., Janssens, F., & Vanderhaeghe, S. (2017). Werkbaar werk in de voedingsnijverheid. Sectorale analyse op de Vlaamse werkbaarheidsmonitor 2004 - 2016. Brussel: SERV-Stichting Innovatie & Arbeid. Geraadpleegd op http://www.serv.be/node/12126 Bourdeaud’hui, R., Janssens, F., & Vanderhaeghe, S. (2019a). Vlaamse werkbaarheidsmonitor 2019 - werknemers. Brussel: SERV-Stichting Innovatie & Arbeid. Geraadpleegd op http://www.serv.be/node/13448 Bourdeaud’hui, R., Janssens, F., & Vanderhaeghe, S. (2019b). Methodologie Vlaamse werkbaarheidsmonitor. Brussel: SERV-Stichting Innovatie & Arbeid. Geraadpleegd op http://www.serv.be/node/13437 Bourdeaud’hui, R., Janssens, F., & Vanderhaeghe, S. (2020). Wat maakt werk werkbaar voor werknemers? Onderzoek naar determinanten van werkbaar werk op basis van de Vlaamse werkbaarheidsmonitor 2004-2019. Brussel: SERV-Stichting Innovatie & Arbeid. Geraadpleegd op http://www.serv.be/node/13638

34


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook