Skip to main content

Jaarverslag_commissie_hoger_onderwijs_2019.pdf

Page 1

werkjaar 2019

JAARVERSLAG VAN DE COMMISSIE HOGER ONDERWIJS

-1-


-2-


Inhoudstafel

Vooraf 5 1. Samenstelling van de Commissie Hoger Onderwijs 7 2. Taken van de Commissie Hoger Onderwijs 3. Concrete werkzaamheden uitgevoerd tijdens het werkjaar 2019 3.1. Dossiers toets macrodoelmatigheid bij aanvraag nieuwe opleidingen 3.1.1. Decretale context met korte situering van de procedure 3.1.2. Aanvragen toets macrodoelmatigheid 3.1.3. Evaluatie 3.2. Taaldossiers: aanvragen anderstalige initiĂŤle bachelor- en masteropleidingen, aanvragen vrijstelling equivalentievoorwaarde 3.2.1. Decretale context met korte situering van de procedure 3.2.2. Ingediende dossiers 3.2.3. Evaluatie 3.3. Dossiers aanvragen studiefinanciering in het kader van verticale mobiliteit buiten de Europese Hogeronderwijsruimte 27

8 9 10

15

3.3.1. Decretale context en korte omschrijving van de procedure 3.3.2. Evaluatie Overzicht van de bijlagen bij dit verslag 29

-3-


“Onderwijs is niet het leren van feiten, maar het trainen van de geest om te denken.� Albert Einstein

-4-


Vooraf Dit verslag geeft een overzicht van de werkzaamheden van de Commissie Hoger Onderwijs voor de periode begin februari van het jaar 2019 tot einde van de maand januari van het jaar 2020. Omwille van de werkzaamheden rond de taalregeling werd de maand januari 2019 meege-nomen in het vorige jaarverslag. Om dezelfde redenen loopt dit jaarverslag tot einde januari 2020. De Commissie Hoger Onderwijs vormt de samenvoeging van de voormalige Commissie HBO (bevoegd voor dossiers van graad 5 van de Vlaamse kwalificatiestructuur) en de voormalige Erkenningscommissie Hoger Onderwijs (bevoegd voor dossiers van graad 6 en 7 van de Vlaamse kwalificatiestructuur). De Commissie Hoger Onderwijs bestaat uit een vaste kern en twee cellen met experten voor de behandeling van de specifieke dossiers; m.n. de cel macrodoelmatigheid en de cel taalregeling hoger onderwijs. In dit verslag wordt een overzicht gegeven van de verschillende taken die decretaal aan de Commissie Hoger Onderwijs zijn toegewezen. De samenstelling en de werking van de Commissie is vastgelegd in het Besluit van de Vlaamse Regering van 29 november 2013 betreffende de oprichting, de samenstelling en de werking van de Commissie Hoger Onderwijs. De benoeming van de voorzitter en de leden van de Commissie Hoger Onderwijs ligt vast in het Ministerieel Besluit van 22 november 2017 betreffende de benoeming van de voorzitter en de leden van de Commissie Hoger Onderwijs. De decretale basis voor dit verslag is vastgelegd in artikel II. 25 van de Codex Hoger Onderwijs van 20 december 2013, zoals gewijzigd, dat stelt: “De Commissie Hoger Onderwijs rapporteert jaarlijks vóór 1 mei aan het Vlaams Parlement over haar werkzaamheden van het voorgaande kalenderjaar”. Peter Michielsens, voorzitter van de Commissie Hoger Onderwijs

-5-


-6-


Samenstelling Commissie Hoger Onderwijs 1

Tijdens het werkjaar 2019 werd de Commissie Hoger Onderwijs als volgt samengesteld: De voorzitter De heer Peter Michielsens De leden van de kern De heer Michel FlamĂŠe Mevrouw Ann Stael De heer Jan Trommelmans Mevrouw Marleen Verdonck De leden van de cel macrodoelmatigheid Mevrouw Lieselot Declercq De heer Peter Degadt Mevrouw Nele Muys De heer Willy Sleurs Mevrouw Anne Van Beneden De heer Piet Vanden Abeele De leden van de cel taalregeling De heer Jean Surmont De heer Alex Vanneste De heer Wilfried Van Rompaey Mevrouw Lieteke van Vucht Tijssen

Het besluit van de Vlaamse Regering van 29 november 2013 betreffende de oprichting, de samenstelling en de werking van de Commissie Hoger Onderwijs gaat als bijlage 1 bij dit verslag. Het Ministerieel Besluit van 22 november 2017 betreffende de benoeming van de voorzitter en de leden van de Commissie Hoger Onderwijs gaat als bijlage 2.

-7-


Taken van de Commissie Hoger Onderwijs 2

Taken die binnen de huidige regelgeving aan de Commissie Hoger Onderwijs zijn toegewezen: 1° een oordeel uit te brengen over de macrodoelmatigheid van nieuwe bachelor- of masteropleidingen en graduaatsopleidingen overeenkomstig artikel II.153, §3 van de Codex Hoger Onderwijs; 2° een oordeel uit te brengen over het aanbieden van een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding overeenkomstig artikel II.263, §3 van de Codex Hoger Onderwijs; 3° een oordeel uit te brengen over een vrijstelling van een equivalentievoorwaarde voor een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding overeenkomstig artikel II.264 van de Codex Hoger Onderwijs; 4° een oordeel uit te brengen over een afwijking op de voorwaarde tot het aanbieden van een equivalente opleiding overeenkomstig artikel II.268 van de Codex Hoger Onderwijs; 5° het verlenen van advies aan de Vlaamse Regering over het al dan niet bijdragen van een opleiding en instelling buiten de Europese Hoger Onderwijsruimte, aan de uitbouw van een wetenschappelijke discipline, vermeld in artikel 30 van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap. 6° een oordeel uit te brengen over het voorstel tot wijziging van de vestigingsplaats van een hogeschoolopleiding overeenkomstig artikel II.154 van de Codex Hoger Onderwijs. De taken van de commissie worden als volgt over de verschillende cellen verdeeld:

Taak

Uitgevoerd door

1. een oordeel uit te brengen over de macrodoelmatigheid van alle opleidingen van het hoger onderwijs in Vlaanderen (bachelor, master, graduaatsopleidingen); 6. een oordeel uit te brengen over het voorstel tot wijziging van de vestigingsplaats van een hogeschoolopleiding

Kern + cel macrodoelmatigheid

2,3 en 4. een oordeel uit te brengen over het aanbieden van een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding en de Vlaamse Kern + cel taalregeling Regering te adviseren over vrijstelling van de equivalentievoorwaarde 5. een advies te bezorgen aan Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenen-onderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen - Afdeling Studietoelagen bij aanvragen studietoelagen studenten bij vertikale mobiliteit buiten de Europese Hogeronderwijsruimte

-8-

Kern


Concrete werkzaamheden uitgevoerd tijdens het werkjaar 2019 3

maatschappelijke relevante

studentenaantallen

diploma’s

-9-


3.1. Dossiers toets macrodoelmatigheid bij aanvraag nieuwe bachelor- en masteropleidingen aan hogescholen en universiteiten Dossiers m.b.t. de graden 6 en 7 van de Vlaamse kwalificatiestructuur; tijdens deze periode konden nog geen reguliere dossiers macrodoelmatigheid van graduaatsopleidingen worden ingediend, met als uitzondering hierop de aanvragen in het kader van de ‘jeton-procedure’ 3.1.1.

Decretale context met korte situering van de procedure

Reguliere procedure De Commissie Hoger Onderwijs heeft een welomschreven taak binnen de procedure voor toetsing van de aanvragen voor nieuwe bachelor- en masteropleidingen aan hogescholen en universiteiten. De eigenlijke toetsing van een nieuwe opleiding valt onder de bevoegdheid van de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO). Het behoort tot het takenpakket van de Commissie Hoger Onderwijs om een bepaald facet, voorafgaand aan de toetsing nieuwe opleiding, m.n. de toets macrodoelmatigheid, uit te voeren. Voorafgaand aan de eigenlijke toetsing van de macrodoelmatigheid bepaalt de commissie de ontvankelijkheid van de dossiers, i.e. de aanwezigheid van het advies van VLIR/VLHORA. Door wijziging aan de regelgeving werd voor de andere ambtshalve geregistreerde instellingen de voorwaarde van een advies, van VLIR in dit geval, geschrapt. De macrodoelmatigheidstoets houdt een onderzoek in waarin de gevraagde opleiding getoetst wordt aan het reeds bestaande aanbod en de eventuele andere aanvragen voor nieuwe opleidingen; tevens wordt de te verwachte vraag naar afgestudeerden binnen de branche van de gevraagde opleiding bekeken; ook wordt de maatschappelijke relevantie van de nieuwe opleiding nagegaan. Tenslotte wordt nagekeken of de verplicht op te stellen domeinspecifieke leerresultaten aan het dossier werden toegevoegd. De commissie onderzoekt tevens de decretale criteria voor de verplichte afbouw bij aanvragen voor initiële bachelor- of masteropleidingen. Art. II. 153 van de Codex Hoger Onderwijs legt deze taak decretaal vast. De volledige procedure gaat als bijlage 3 bij dit verslag. ‘Jeton-procedure’ Deze procedure werd vastgelegd in artikel 36 van het Decreet van 1 maart 2019 tot wijziging van de regelgeving betreffende het toezicht op en bepaalde organisatorische aspecten van het hoger onderwijs (Codex Hoger Onderwijs artikel II. 395). De procedure voorziet voor de Karel de Grote Hogeschool, Katholieke Hogeschool Antwerpen in de mogelijkheid tot het indienen van maximaal vier aanvragen en voor de Hogeschool West-Vlaanderen in de mogelijkheid tot het indienen van maximaal één aanvraag voor een toets nieuwe opleiding bij de accreditatieorganisatie voor een graduaatsopleiding zonder de verplichting om een bestaande HBO5-opleiding om te vormen, maar met de verplichting om een aanvraag macrodoelmatigheidstoets bij de Commissie Hoger Onderwijs in te dienen. Hier geldt bij de aanvraag geen verplichte afbouw van een bestaande opleiding.

- 10 -


De sjabloon die de Commissie Hoger Onderwijs heeft opgesteld t.b.v. indieners gaat als bijlage 4 bij dit verslag. 3.1.2. Aanvragen toets macrodoelmatigheid In het werkjaar 2019 werden vier aanvragen voor de reguliere toets macrodoelmatigheid ingediend, en werden tevens vier aanvragen in het kader van de ‘jeton-procedure’ ontvangen. Reguliere aanvragen (4): De Commissie Hoger Onderwijs formuleerde haar oordelen op 24 mei 2019 I.

ANDERE AMBTSHALVE GEREGISTREERDE INSTELLINGEN (1)

INSTITUUT VOOR TROPISCHE GENEESKUINDE (1) Gevraagde nieuwe opleiding

Oordeel CHO

Master (of Science in) of Tropical Medicine Master na master

Positief oordeel

II.

UNIVERSITEITEN (3)

ASSOCIATIE UGENT (2) UNIVERSITEIT GENT (2) Gevraagde nieuwe opleiding Master (of Science) in de bio-industriële wetenschappen: circulaire bioprocestechnologie Master (of Science) in de industriële wetenschappen: machine- en productieautomatisering

Oordeel CHO Positief oordeel macrodoelmatigheid Inruil: MSc in de industriële wetenschappen: milieukunde Positief oordeel macrodoelmatigheid en vrijstelling afbouw

ASSOCIATIE UNIVERSITEIT EN HOGESCHOLEN ANTWERPEN (1) UNIVERSITEIT ANTWERPEN (1) Gevraagde nieuwe opleiding Bachelor (of Science) in de opleidings- en onderwijswetenschappen

Oordeel CHO Negatief oordeel macrodoelmatigheid en vrijstelling afbouw

- 11 -


Aanvragen in het kader van de ‘jeton-procedure’ (4): Decretale indieningsmogelijkheden: Uiterlijk 15 februari: Karel de Grote Hogeschool, Katholieke Hogeschool Antwerpen Gevraagde nieuwe opleiding Graduaat in de voertuigtechnieken Graduaat in het Internet of Things

Gevraagde nieuwe opleiding Graduaat in de orthopedagogie

Oordeel CHO Positief oordeel – 26 maart 2019 Positief oordeel – 26 maart 2019 Hogeschool West-Vlaanderen Oordeel CHO Positief oordeel – 26 maart 2019

Uiterlijk 31 mei: Karel de Grote Hogeschool, Katholieke Hogeschool Antwerpen Gevraagde nieuwe opleiding Graduaat in het maatschappelijk werk

Oordeel CHO Positief oordeel – 16 juli 2019

Uiterlijk 30 november: Karel de Grote Hogeschool, Katholieke Hogeschool Antwerpen Gevraagde nieuwe opleiding Oordeel CHO Graduaat in de marketing- en de communicatiesupTijdens de redactie van dit verslag is het oordeel nog port in voorbereiding

- 12 -


3.1.3. Evaluatie Reguliere procedure Ambtshalve geregistreerde instellingen: moratorium VLHORA De Commissie Hoger Onderwijs werd in kennis gesteld van de beslissing van de Raad van Bestuur van VLHORA voor het academiejaar 2019-2020 om intern een moratorium af te kondigen voor de aanvragen macrodoelmatigheid voor professionele bacheloropleidingen. De Commissie Hoger Onderwijs heeft hier akte van genomen en vastgesteld dat het moratorium werd nageleefd. Andere ambtshalve geregistreerde instellingen Bij aanvragen voor de macrodoelmatigheidstoets voor andere ambtshalve geregistreerde instellingen vormden de raadpleging/het advies van de bevoegde hogeronderwijskoepel, i.e. de VLIR, reeds jaren voor onduidelijkheden. Immers, de andere ambtshalve geregistreerde instellingen zijn geen lid van een hogeronderwijskoepel. Binnen de huidige regelgeving vallen de instellingen voor post-initieel onderwijs onder de bepalingen geldend voor alle aanvragen voor nieuwe bachelor- en masteropleidingen. Anderzijds wordt de werking van deze instellingen geregeld bij Convenant/Beheersovereenkomst met de Vlaamse Regering. Voor het macrodoelmatigheidsonderzoek dient de commissie dezelfde criteria te hanteren zoals deze voor alle bachelor- en masteropleidingen. Toch zijn er fundamentele verschillen met de bachelor- en masteropleidingen aan hogescholen en/of universiteiten. Het Instituut voor Tropische Geneeskunde (zoals de andere instellingen voor post-initieel onderwijs) behoort niet tot een associatie. De instelling is ook geen lid van de Vlaamse Interuniversitaire Raad. De instelling kent geen studiegebieden, noch vestigingsplaatsen zoals decretaal omschreven. De domeinspecifieke leerresultaten worden door een internationaal orgaan (AACSB) goedgekeurd en worden als dusdanig door de NVAO aanvaard. De instelling organiseert voor kandidaat-studenten een verplichte toelatingsproef. Anderzijds valt de instelling wel onder de decretale bepaling tot verplichte inruil van een bestaande opleiding bij organisatie van een nieuwe opleiding. In het Decreet van 1 maart 2019 tot wijziging van de regelgeving betreffende het toezicht op en bepaalde organisatorische aspecten van het hoger onderwijs wordt in art. 27 een wijziging aan de Codex Hoger Onderwijs ingevoerd (art. 153) die alvast de kwestie van de advisering door VLIR regelt: De andere ambtshalve geregistreerde instellingen dienen hun aanvraagdossier voor de macrodoelmatigheidstoets rechtstreeks in bij de Commissie Hoger Onderwijs, die bijgevolg in haar onderzoek geen rekening moet houden met het criterium dat naar het VLIRadvies verwijst.

- 13 -


‘Jeton-procedure’

Zoals hoger gesteld voorziet deze procedure voor de Karel de Grote Hogeschool, Katholieke Hogeschool Antwerpen in de mogelijkheid tot het indienen van maximaal vier aanvragen en voor de Hogeschool West-Vlaanderen in de mogelijkheid tot het indienen van maximaal één aanvraag voor een toets nieuwe opleiding bij de accreditatieorganisatie voor een graduaats-opleiding zonder de verplichting om een bestaande HBO5-opleiding om te vormen, maar met de verplichting om een aanvraag macrodoelmatigheidstoets bij de Commissie Hoger Onderwijs in te dienen. Hiervoor zijn decretaal verschillende indieningsmogelijkheden voorzien. Deze procedure houdt in dat de aanvragers op hetzelfde ogenblik hun dossier indienen bij de accreditatieorganisatie (voor de Toets Nieuwe Opleiding), de Commissie Hoger Onderwijs (voor de macrodoelmatigheidstoets) en de VLHORA (voor gebeurlijk advies); daar waar in de reguliere procedure de Toets Nieuwe Opleiding slechts na het met goed gevolg doorlopen (bij de commissie Hoger Onderwijs of door beroep bij de Vlaamse Regering) van de macrodoelmatigheidstoets kan worden aangevraagd bij de NVAO (accreditatieorganisatie). Bovendien doorkruist deze procedure de reguliere omvormingsprocedure en het actualisatie-proces, en dit op verschillende tijdsstippen. De timing van de procedure liet de aanvrager toe om al aanvragen in te dienen vooraleer reguliere graduaatsopleidingen konden worden ingevuld. Dit vormt geen optimale context voor het te voeren onderzoek naar de doelmatigheid van het aanbod.

- 14 -


3.2. Taaldossiers: aanvragen anderstalige initiële bachelor- en masteropleidingen, aanvragen vrijstelling equivalentievoorwaarden

3.2.1. Decretale context met korte omschrijving van de procedure

De Codex Hoger Onderwijs legt in Deel 2, Titel 4, Hoofdstuk 8 de taalregeling binnen het hoger onderwijs vast. Dit houdt enkele opdrachten voor de Commissie Hoger Onderwijs in, m.n. oordelen over de aanvragen voor anderstalige equivalenten, regularisaties van de facto anderstalige opleidingen die de procedure hiervoor nog niet doorlopen hebben en advies verlenen t.b.v. de Vlaamse Regering over de aanvraag tot vrijstelling van de equivalentievoorwaarde. Dit laatste houdt de verplichting in dat voor iedere niet-Nederlandstalige initiële opleiding er binnen Vlaanderen minstens één equivalente Nederlandstalige opleiding wordt aangeboden waarin de student een volledig Nederlandstalig traject kan volgen. De Commissie Hoger Onderwijs toetst de aanvragen voor anderstalige equivalente opleidingen en regularisaties aan decretaal omschreven garanties inzake kwaliteit en democratisering voor alle betrokken, m.n. het docentenkorps en de studenten. Het betreft hier vereisten aangaande de kennis van de onderwijstaal en de door de instelling aangeboden faciliteiten voor testing, bijschaving en onderhoud van de kennis van de onderwijstaal. Ook wordt nagegaan of de keuze voor een andere onderwijstaal dan het Nederlands een meerwaarde biedt voor de student, het afnemend veld en voor de functionaliteit van de opleiding. Tevens wordt nagegaan of het aanbod anderstalige initiële opleidingen t.a.v. het gehele aanbod binnen de decretaal bepaalde grens blijft. Indien de Vlaamse Regering geen andere beslissing neemt conform de decretaal uitgeschreven procedure, kan de instelling -voor wat betreft de aanvragen anderstalige equivalenten bij bestaande opleidingen- bij positieve oordelen van de Commissie Hoger Onderwijs na een vervaltermijn van 45 kalenderdagen van rechtswege de anderstalige initiële bachelor- en/of masteropleidingen organiseren. Bij gecombineerde aanvragen met macrodoelmatigheid kan de instelling na deze vervaltermijn binnen een nieuwe vervaltermijn van 15 kalenderdagen de procedure TNO bij de NVAO starten. Het decreet van 1 maart 2019 tot wijziging van de regelgeving betreffende het toezicht op en bepaalde organisatorische aspecten van het hoger onderwijs stipuleert voor het eerst criteria voor de aanvraag tot vrijstelling.

- 15 -


De Commissie Hoger Onderwijs brengt een oordeel uit over de aanvraag van vrijstelling van de equivalentievoorwaarde op basis van de volgende criteria, waaraan cumulatief voldaan moet worden : 1° de anderstalige opleiding is internationaal georiënteerd, doordat : a) het beheersen van algemene en specifieke beroepsgerichte competenties, samen met de vakinhoudelijke competenties niet kan worden bereikt in een Nederlandstalige opleiding; b) de afgestudeerden in hoofdzaak op de internationale arbeidsmarkt terechtkomen; 2° de opleiding heeft geen betrekking op het erfgoed van de Nederlandse taal of cultuur, of de afgestudeerden van de opleiding komen niet in hoge mate in aanraking met Nederlandstalige burgers; 3° de aanwezige expertise en capaciteit in Vlaanderen is te beperkt om een dubbel aanbod te creëren. In het geval het een aanvraag als vermeld in artikel II.264, § 1, eerste lid, 2°, betreft (i.e. de instelling(en) wil(len) de betrokken equivalente opleiding stopzetten), geldt naast de criteria, vermeld in het eerste lid, als bijkomend criterium dat het aantal studenten in de Nederlandstalige opleiding onvoldoende is om een dubbel aanbod te creëren. Het aanvraagdossier stelt de Commissie Hoger Onderwijs in staat de toetsing aan de criteria, vermeld in paragraaf 2, uit te voeren, De decretale tekst die de procedures vastlegt, gaat als bijlage 5 bij dit verslag. De aanvraagsjablonen t.b.v. de instellingen (anderstalige opleiding, vrijstelling equivalentievoorwaarde) gaan als bijlage 6 en 7 bij dit verslag. 3.2.2. Ingediende dossiers

Tijdens het werkjaar 2019 werden 14 taalaanvragen ingediend bij de Commissie Hoger Onderwijs: 13 aanvragen voor anderstalige opleiding, waarvan 1 geclusterde aanvraag met aanvraag vrijstelling van de equivalentievoorwaarde. De Commissie formuleerde haar oordelen op 6 januari 2020

- 16 -


Universiteiten (6 aanvragen: 5 anderstalige equivalenten, waarvan 1 met vrijstelling equivalentievoorwaarde) KATHOLIEKE UNIVERSITEIT LEUVEN (1 aanvraag: 1 anderstalige equivalent) Bestaande Nederlandsta- Gevraagde Engelstalige lige opleiding opleiding Master of Science in de sociologie

Master (of Science in) of Sociology

100% NederlandstaliOordeel CHO ge opleiding, wie biedt deze aan De instelling biedt de Mas- Positief ter of Science in de sociologie aan met een 100% Nederlandstalig traject.

UNIVERSITEIT GENT (2 aanvragen: 1 anderstalige equivalent, gecombineerd met aanvraag vrijstelling) Aanvraag anderstalige equivalent (1): Bestaande Nederlandstalige opleiding

Gevraagde Engelstalige opleiding

Oordeel CHO aanvraag anderstalige opleiding

Master of Science in de bio-ingenieurswetenschappen: cel- en genbiotechnologie

Master (of Science in) of Bioscience Engineering: Cell and Gene Biotechnology

Er wordt vrijstelling gevraagd.

Oordeel CHO vrijstelling equivalentie-voorwaarde Positief

Aanvraag vrijstelling equivalentievoorwaarde (1):

Bestaande Nederlandstalige opleiding

Gevraagde vrijstelling Gevraagde / of equivalentievoorwaarbestaande Engels- de (om een opleidingstalige opleiding traject volledig in het Nederlands te hebben)

Master of Science in de bio-ingenieurswetenschappen: cel- en genbiotechnologie

Samen met aanvraag Engelstalige opleiding

Er wordt vrijstelling gevraagd. Huidige Nederlandstalige opleiding blijft behouden.

- 17 -

Oordeel CHO aanvraag anderstalige opleiding

Oordeel CHO vrijstelling equivalentie-voorwaarde

Positief

Positief


UNIVERSITEIT ANTWERPEN (3 aanvragen: anderstalige opleiding) Bestaande Nederlandstalige opleiding

Gevraagde Engelstalige opleiding

Master of Arts in de taalkunde

Master (of Arts in) of Linguistics

Master of Science handelsingenieur

Master (of Science in) of Business Engineering

Master (of Science in) of Master of Science handelBusiness Engineering: singenieur in de beleidsinManagement Information formatica Systems

100% Nederlandstalige opleiding, wie biedt deze aan De instelling biedt de Master of Science in de taalkunde met een 100% Nederlandstalig traject aan. De instelling biedt de Master of Science handelsingenieur met een 100% Nederlandstalig traject aan. De instelling biedt de Master of Science handelsingenieur in de beleidsinformatica met een 100% Nederlandstalig traject aan.

Oordeel CHO Positief

Positief

Positief

HOGESCHOLEN (8 aanvragen anderstalige equivalenten) LUCA School of Arts (1 aanvraag anderstalige equivalent) Bestaande Nederlandstalige opleiding

Gevraagde Engelstalige opleiding

Master of Arts in de muziek

Master (of Arts in) of Music

100% Nederlandstalige opleiding, wie biedt deze aan De instelling biedt de Master of Arts in de muziek aan met een 100% Nederlandstalig traject.

Oordeel CHO

Positief

ERASMUSHOGESCHOOL (4 aanvragen anderstalige equivalent) Bestaande Nederlandstalige opleiding

Gevraagde Engelstalige opleiding

Bachelor of Arts in de muziek

Bachelor (of Arts in) of Music

Master of Arts in de muziek

Master (of Arts in) of Music

Bachelor of Arts in het drama

Bachelor (of Arts in) of Drama

100% Nederlandstalige opleiding, wie biedt deze aan

Oordeel CHO

De instelling biedt de Bachelor of Arts in de Positief muziek aan met een 100% Nederlandstalig traject. De instelling biedt de Master of Arts in de muPositief ziek aan met een 100% Nederlandstalig traject De instelling biedt de Bachelor of Arts in het Positief drama aan met een 100% Nederlandstalig traject

- 18 -


Master of Arts in het drama

Master (of Arts in) of Drama

De instelling biedt de Master of Arts in het Positief drama aan met een 100% Nederlandstalig traject

HOGESCHOOL WEST-VLAANDEREN (3 aanvragen anderstalige equivalent) 100% Nederlandstalige opleiding, wie biedt deze aan De instelling biedt de Bachelor in digital design Bachelor in digital design Bachelor of Digital Design & development aan met & development and Development een 100% Nederlandstalig traject. De instelling biedt de Bachelor in het industrieel Bachelor in het industrieel Bachelor of Industrial productontwerpen aan productontwerpen Product Design met een 100% Nederlandstalig traject De instelling biedt de Bachelor in de toegepasBachelor in de toegepaste Bachelor of Applied Comte informatica aan met informatica puter Science een 100% Nederlandstalig traject Bestaande Nederlandstalige opleiding

Gevraagde Engelstalige opleiding

- 19 -

Oordeel CHO

Positief

Positief

Positief


- 20 -


3.2.3. Evaluatie VLHORA: moratorium De Commissie Hoger Onderwijs werd in kennis gesteld van de beslissing van de Raad van Bestuur van VLHORA voor het academiejaar 2019-2020 om intern een moratorium af te kondigen voor de aanvragen voor anderstalige professionele bacheloropleidingen. Het moratorium geldt dus niet voor de academische opleidingen binnen de hogescholen, e.g. de kunstopleidingen. In dit verband wijst de Commissie Hoger Onderwijs op de -niet benutte- mogelijkheden van art. II. 265 §2 van de Codex Hoger Onderwijs: ‘In afwijking van art. II.262, §2, kan de Vlaamse Regering een lijst opstellen van anderstalige initiële bachelor- of masteropleidingen of van afstudeerrichtingen van initiële bachelor- of masteropleidingen die in het kader van een School of Arts worden aangeboden, waarbij niet moet voorzien worden in een equivalente opleiding’. De Commissie Hoger Onderwijs heeft hier akte van genomen en heeft vastgesteld dat in deze het moratorium intern niet werd nageleefd. Anderstalige equivalenten: repercussies opleidingsaanbod De Commissie Hoger Onderwijs merkte in eerdere rapporteringen reeds op dat bij aanvragen voor anderstalige equivalenten, bij positief oordeel van de Commissie Hoger Onderwijs en bekrachtiging door de Vlaamse Regering, in wezen een soort ‘ontdubbeling’ van de opleidingen plaatsvindt, zonder het doorlopen van de macrodoelmatigheidstoets bij de Commissie Hoger Onderwijs en de Toets Nieuwe Opleiding bij de NVAO. Rangorde bij mogelijke overschrijding van het decretale bepaalde percentage anderstalige bachelor-/ masteropleidingen t.o.v. het volledige aanbod bachelor-/masteropleidingen Bij de behandeling van de aanvraagdossiers voor anderstalige bacheloropleidingen tijdens het najaar 2019 - januari 2020 bleek dat het aantal door de Commissie Hoger Onderwijs positief beoordeelde dossiers voor anderstalige bacheloropleidingen zou kunnen leiden tot een overschrijding van de decretale vastgestelde norm van 6% t.o.v. het volledige aanbod bacheloropleidingen. In dergelijk geval bepaalt de decreetgever een bijkomende taak voor de Commissie Hoger Onderwijs, namelijk het opstellen van een rangorde. De decreetgever voorziet hiervoor noch in de decretale bepalingen, noch in de Memorie van Toelichting in criteria of richtlijnen om deze opdracht te sturen. Hiertoe heeft de Commissie Hoger Onderwijs de door haar positief beoordeelde dossiers van bacheloropleidingen met start in het academiejaar 2020-2021 uitdrukkelijk onderzocht om op basis van zich onderscheidende kwalitatieve elementen een inhoudelijk onderscheid te kunnen motiveren. De Commissie vond in de voorliggende dossiers geen kwalitatieve elementen die een dergelijk onderscheid, dat tot een rangorde zou moeten kunnen leiden, kunnen verantwoorden. Binnen het huidige decretale kader en met de de facto elementen zoals geschetst kon enkel de ex aequo positionering van alle positief beoordeelde aanvragen voor anderstalige bacheloropleidingen een invulling zijn voor de taak tot het opstellen van een rangschikking. Enkele bedenkingen hierbij: • Zoals hierboven reeds werd opgemerkt, is de uitbreiding van het opleidingsaanbod met anderstalige opleidingen niet het resultaat van een procedure van macrodoelmatig-heid, noch van een Toets Nieuwe Opleiding

- 21 -


•

• • • •

door een accreditatie-organisatie. De procedure voor de aanvraag van anderstalige opleidingen is beduidend ‘lichter’. De decretale criteria voor het anderstalig aanbod zijn ofwel eerder administratief (bestaan binnen Vlaanderen van een Nederlandstalige opleiding met volledig Nederlandstalig traject), voorwaardelijk (e.g. samenstelling docentenkorps, behalen vereist taalcertificaat) en/of algemeen (e.g. verrijkende elementen bij leren in een interculturele omgeving) van aard. Hierbij met nadruk opmerkend dat dit geen afbreuk doet aan de inhoudelijke waarden (cf. ook waarden van het Mobiliteitsplan ‘Brains on the move’). Het gaat om algemene waarden die geënt worden op een individuele opleiding. De selectie op basis van een rangorde dringt in de procedure binnen omwille van kwantitatieve elementen. Deze hebben een uitsluitend karakter voor opleidingen die van de Commissie Hoger Onderwijs wel een positieve beoordeling kregen, en dus het voorwerp van een rangschikking kunnen zijn. Opleidingen uit het verleden werden dus niet volledig identiek behandeld. Snelheid kan toch geen inhoudelijke afweging vormen met erg drastische gevolgen. Bovendien heerst er ook geen volledige transparantie wat het tot stand komen van de percentages betreft: quid de zg. ‘slapende’ 1 of ‘bevroren’ 2 opleidingen. Ook hier vormt de chronologie in de procedure een storend element: de Vlaamse Regering beschikt over 45 kalenderdagen om het oordeel van de Commissie Hoger Onderwijs a.h.w te ‘overrulen’. De rangorde zou dus op verkeerde basis kunnen gebeuren. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen professionele en academische bacheloropleidingen met toch een volledig andere finaliteit. Ook wordt er geen onderscheid gemaakt wat het percentage anderstalige opleidings-onderdelen betreft eens dit boven de 18,33% (voor de bacheloropleidingen) reikt.

Vrijstelling I.

Decretale opdracht Commissie Hoger Onderwijs

Verwijzing naar de decretale teksten met gevolgde interpretatie bij onduidelijke passages. De decreetgever stipuleert in de Codex Hoger Onderwijs in: “Art. II.262. §1. Een instelling kan enkel een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding aanbieden als het om opleidingsprogramma’s gaat die specifiek voor buitenlandse studenten zijn ontworpen of als de meerwaarde voor de studenten en het afnemende veld en de functionaliteit voor de opleiding op voldoende wijze aangetoond kunnen worden. §2. De instelling kan een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding aanbieden op voorwaarde dat er in de Vlaamse Gemeenschap een equivalente initiële bachelor- of masteropleiding wordt aangeboden waarbij de student een opleidingstraject volledig in het Nederlands kan volgen. De opleidingsonderdelen, vermeld in artikel II.261, §2, 1° en 3°, worden hierbij buiten beschouwing gelaten. Behoudens in de gevallen dat er een vrijstelling van de equivalentievoorwaarde werd verleend, moeten de studenten op elk moment de garantie hebben dat er binnen de Vlaamse Gemeenschap een equivalente initiële bachelor-of masteropleiding wordt aangeboden. … Art. II.263. §1. Als een instelling een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding wil aanbieden, dient ze een aanvraag in bij de Commissie Hoger Onderwijs.

1 en²2 Het betreft opleidingen waar geen nieuwe inschrijvingen worden toegelaten of waar de facto al enkele jaren geen inschrijvingen meer zijn.

- 22 -


De aanvragen en het bijbehorende dossier worden ingediend: 1° in het geval het een bestaande initiële bachelor- of masteropleiding betreft, uiterlijk op 1 oktober van het academiejaar dat voorafgaat aan het academiejaar waarin de anderstalige initiële bachelor- of master georganiseerd zal worden; 2° in het geval het een nieuwe initiële bachelor- of masteropleiding betreft zoals vermeld in artikel II.150, samen met het aanvraagdossier macrodoelmatigheid nieuwe opleiding zoals vermeld in artikel II.153, §2. (lid verv. bij OD XXIV, art. VI.10, inw. 01.09.2014) §2. De Commissie Hoger Onderwijs brengt een oordeel uit op basis van de volgende criteria waaraan cumulatief voldaan moet worden: 1° binnen de Vlaamse Gemeenschap wordt een equivalente initiële bachelor- of masteropleiding aangeboden als vermeld in artikel II.262, §2, tenzij er een positief oordeel is van de Commissie Hoger Onderwijs of een positieve beslissing van de Vlaamse Regering over de vrijstelling van de equivalentievoorwaarde, vermeld in artikel II.264; 2° de aanwezigheid van voldoende garanties inzake kwaliteit en democratisering, vermeld in artikel II.270 en II.271; 3° de aanwezigheid van een verantwoording die de meerwaarde voor de student en het afnemende veld en de functionaliteit voor de opleiding aantoont; 4° de naleving van het maximumpercentage van 6% c.q 35%, vermeld in artikel II.266, op basis van het overzicht van de anderstalige initiële bachelor- c.q masteropleidingen die in het lopende academiejaar worden aangeboden. …… Art. II.264. §1. Een instelling of meerdere instellingen samen kan/kunnen bij de Commissie Hoger Onderwijs een aanvraag tot vrijstelling van de equivalentievoorwaarde indienen voor een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding. Deze aanvraag, samen met het bijhorende dossier, wordt bij de Commissie Hoger Onderwijs ingediend: 1° samen met de aanvraag voor een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding overeenkomstig de voorschriften vastgelegd in artikel II.263; ofwel 2° in het geval van een bestaande equivalente opleiding uiterlijk op 1 oktober van het academiejaar voorafgaand aan het academiejaar waarop de instelling(en) de betrokken equivalente opleiding wil(len) stopzetten. “Het aanvraagdossier stelt de Commissie Hoger Onderwijs in staat de toetsing aan de criteria, vermeld in paragraaf 2, uit te voeren.”; “Samen met het aanvraagdossier wordt aan de Commissie Hoger Onderwijs een advies bezorgd van de VLIR, voor de aanvragen van de universiteiten, of de VLHORA, voor de aanvragen van de hogescholen, over de gevraagde vrijstelling van de equivalentievoorwaarde. Als het advies van de VLIR of de VLHORA niet opgenomen is in het aanvraagdossier dat aan de Commissie Hoger Onderwijs wordt bezorgd, verklaart de Commissie Hoger Onderwijs de aanvraag voor de opleiding in kwestie onontvankelijk. De Commissie Hoger Onderwijs kan binnen een termijn van 15 dagen aan de VLIR of de VLHORA verduidelijkingen vragen over het door hen geleverde advies.”; §2. De Commissie Hoger Onderwijs brengt een oordeel uit over de aanvraag van vrijstelling van de equivalentievoorwaarde op basis van de volgende criteria, waaraan cumulatief voldaan moet worden: 1° de anderstalige opleiding is internationaal georiënteerd, doordat: a) het beheersen van algemene en specifieke beroepsgerichte competenties, samen met de vakinhoudelijke competenties niet kan worden bereikt in een Nederlandstalige opleiding;

- 23 -


b) de afgestudeerden in hoofdzaak op de internationale arbeidsmarkt terecht komen; 2° de opleiding heeft geen betrekking op het erfgoed van de Nederlandse taal of cultuur, of de afgestudeerden van de opleiding komen niet in hoge mate in aanraking met Nederlandstalige burgers; 3° de aanwezige expertise en capaciteit in Vlaanderen is te beperkt om een dubbel aanbod te creëren. In het geval het een aanvraag als vermeld in artikel II.264, §1, eerste lid, 2°, betreft, geldt naast de criteria, vermeld in het eerste lid, als bijkomend criterium dat het aantal studenten in de Nederlandstalige opleiding onvoldoende is om een dubbel aanbod te creëren. De Commissie Hoger Onderwijs onderzoekt expliciet alle criteria, omschrijft per criterium haar bevindingen, antwoordt op alle argumenten die worden aangebracht in het aanvraagdossier en in het advies van de VLIR de VLHORA, en motiveert haar positieve of negatieve oordeel over het ingediende dossier. §3. De Commissie Hoger Onderwijs brengt haar oordeel uit: 1° als de aanvraag van vrijstelling van de equivalentievoorwaarde samen ingediend wordt met een aanvraag van een anderstalige opleiding voor een bestaande initiële bachelor- of masteropleiding: samen met het oordeel, vermeld in artikel II.263, §3, eerste lid, 1°; ….” Bedenkingen van de Commissie Hoger Onderwijs: Het samenlezen van de hierboven vetgedrukte passages kan enkel leiden tot de volgende duiding: ‘vrijstelling equivalentie van een traject’ (i.e. een 100 % Nederlandstalige traject binnen een zoals door de decreetgever bepaalde niet-anderstalige opleiding met het decretaal toegestane aantal anderstalige opleidingsonderdelen) versus ‘stopzetting van een opleiding’. Bovendien: • het gebruik van de bepaling ‘equivalente opleiding’, en dit al dan niet zonder precisering ‘met mogelijkheid van een 100% Nederlandstalig traject’ laat interpretatie toe: volledig Nederlandstalige opleiding, Nederlandstalige opleiding met een 100% Nederlandstalig traject, Nederlandstalige opleiding met het decretaal toegestane aantal anderstalige opleidings-onderdelen. • ‘dubbel aanbod’ – art.II.264 §2, tweede lid: “In het geval het een aanvraag als vermeld in artikel II.264, §1, eerste lid, 2°, betreft, geldt naast de criteria, vermeld in het eerste lid, als bijkomend criterium dat het aantal studenten in de Nederlandstalige opleiding onvoldoende is om een dubbel aanbod te creëren”. De decreetgever voert een bijkomend criterium in voor een specifiek geval, m.n. de aanvrager wil een opleiding stopzetten. Hieruit kan men afleiden dat met ‘vrijstelling’ iets anders bedoeld wordt dan ‘stopzetten’, nl. het 100% Nederlandstalig traject binnen de niet-anderstalige opleiding vormt het voorwerp van de vrijstelling: als men niet wenst stop te zetten, blijft de Nederlandstalige opleiding behouden (met het decretaal maximaal toegestane aantal anderstalige opleidingsonderdelen). Bijkomend: er bestaat geen particuliere procedure voor het stopzetten van een opleiding (wel voorwaarden e.g. voor het voortzetten van de opleiding door de student). Door de huidige taalregeling wordt er een inhoudelijke voorwaarde (los van de indieningsvoorwaarden voor de aanvragende instelling (bestaande niet-anderstalige opleiding aan de instelling ofwel aanvraag van een nieuwe opleiding (criteria macrodoelmatigheid) die men in een andere onderwijstaal wenst in te richten (criteria anderstalige opleiding)) gesteld bij de aanvraag van een anderstalige opleiding, m.n. de vereiste dat binnen Vlaan-

- 24 -


deren een Nederlandstalige opleiding bestaat met mogelijkheid tot volgen van een 100% Nederlandstalig traject binnen een Nederlandstalige opleiding. Een traject binnen een opleiding kan bezwaarlijk als ‘dubbel aanbod’ gezien worden, het gaat immers om ‘de interne samenstelling van opleidingsonderdelen’ binnen één en dezelfde opleiding. Het ‘dubbel aanbod’ zoals gesteld door de decreetgever betreft dus enkel een aanvraag voor vrijstelling met stopzetten. Het derde criterium en de bijkomende bepaling bij stopzetting spreken beide van ‘dubbel aanbod’. Dit kan tot verwarring leiden bij het derde criterium (van toepassing als de Nederlandstalige opleiding behouden blijft, met het decretaal toegestane aantal anderstalige opleidingsonderdelen), m.n. als zou dit slaan op de anderstalige en de niet-anderstalige opleiding; wat niet strookt met de situering in de tekst, nl. het stipuleren van criteria voor vrijstelling met behoud van de Nederlandstalige opleiding. II.

Decretale criteria voor beoordeling van de vrijstellingsaanvraag

II.A. Decretale bepalingen: Codex Art. II.264 §2. De Commissie Hoger Onderwijs brengt een oordeel uit over de aanvraag van vrijstelling van de equivalentievoorwaarde op basis van de volgende criteria, waaraan cumulatief voldaan moet worden: 1° de anderstalige opleiding is internationaal georiënteerd, doordat: a) het beheersen van algemene en specifieke beroepsgerichte competenties, samen met de vakinhoudelijke competenties niet kan worden bereikt in een Nederlandstalige opleiding; b) de afgestudeerden in hoofdzaak op de internationale arbeidsmarkt terecht komen; 2° de opleiding heeft geen betrekking op het erfgoed van de Nederlandse taal of cultuur, of de afgestudeerden van de opleiding komen niet in hoge mate in aanraking met Nederlandstalige burgers; 3° de aanwezige expertise en capaciteit in Vlaanderen is te beperkt om een dubbel aanbod te creëren. In het geval het een aanvraag als vermeld in artikel II.264, §1, eerste lid, 2°, betreft, geldt naast de criteria, vermeld in het eerste lid, als bijkomend criterium dat het aantal studenten in de Nederlandstalige opleiding onvoldoende is om een dubbel aanbod te creëren. II.B. Bespreking bij iedere decretale vereiste Voorafgaand aan het eigenlijke onderzoek, i.e. de aftoetsing van de decretale criteria, gaat de Commissie Hoger Onderwijs na of het dossier ontvankelijk is, m.n. of er een advies is van de bevoegde hogeronderwijskoepel, VLIR of VLHORA. De decretale criteria: 1° de anderstalige opleiding is internationaal georiënteerd, doordat: a) het beheersen van algemene en specifieke beroepsgerichte competenties, samen met de vakinhoudelijke competenties niet kan worden bereikt in een Nederlandstalige opleiding: b) de afgestudeerden in hoofdzaak op de internationale arbeidsmarkt terecht komen; Bedenking van de Commissie Hoger Onderwijs: Door de formulering ‘niet kan worden bereikt in een Nederlandstalige opleiding’ zou men kunnen besluiten dat iedere hier bedoelde Nederlandstalige opleiding (dus ook deze met het maximale toegestane aantal anderstalige opleidingsonderdelen) de facto niet voldoet aan de kwaliteitsvereisten. Een meer genuanceerde formulering is aangewezen.

- 25 -


Overigens wordt het begrip ‘Nederlandstalige opleiding’ hier voor het eerst ingevoerd door het decreet tot wijziging van de regelgeving betreffende het toezicht op en bepaalde organisatorische aspecten van het hoger onderwijs. 2° de opleiding heeft geen betrekking op het erfgoed van de Nederlandse taal of cultuur, of de afgestudeerden van de opleiding komen niet in hoge mate in aanraking met Nederlandstalige burgers; Bedenking van de Commissie Hoger Onderwijs: Ook hier lijkt een meer genuanceerde formulering aangewezen: ‘Nederlandse taal of cultuur’: ‘Nederlandstalige’, i.e. hier eerder de ‘Vlaamse’ cultuur - lijkt meer de bedoeling weer te geven. 3° de aanwezige expertise en capaciteit in Vlaanderen is te beperkt om een dubbel aanbod te creëren. Bedenking van de Commissie Hoger Onderwijs: De Commissie Hoger Onderwijs wijst op een mogelijke verwarring, ontstaan vanuit de decretale formulering, zoals reeds hoger opgemerkt en hier hernomen: Een traject binnen een opleiding kan bezwaarlijk als dubbel aanbod gezien worden, het gaat immers om ‘de interne samenstelling van opleidingsonderdelen’ binnen één en dezelfde opleiding. De Commissie pleit met aandrang ook hier voor meer duidelijkheid (definiëring, eenduidigheid van gebruikte terminologie, e.g. ‘equivalente opleidingen’) en transparantie in de regelgeving. Aanvraagmodaliteiten De decreetgever voorziet in drie aanvraagmodaliteiten voor vrijstelling van de equivalentieregel: • bij aanvraag anderstalig equivalent; • bij macrodoelmatigheid, gecombineerd met anderstalig equivalent; • bij afbouw van de bestaande Nederlandstalige opleiding. Gegeven: • Een instelling kan slechts een anderstalige opleiding aanvragen, indien ze de Nederlandstalige opleiding (met het decretaal toegestane percentage anderstalige opleidingsonderdelen) reeds aanbiedt én er binnen Vlaanderen een Nederlandstalige opleiding bestaat waarin de student een volledig Nederlandstalig traject kan volgen. • De vrijstelling werd door de Commissie Hoger Onderwijs en door de Vlaamse regering steeds beschouwd als ‘vrijstelling van het volledig Nederlandstalige traject’. Anders zou de mogelijkheid tot aanvraag ‘vrijstelling met afbouw’ van de Nederlandstalige opleiding zonder grond zijn. • De afbouw voorziet niet in een specifieke procedure (ook of zeker niet bij de commissie Hoger Onderwijs). De instelling beslist hier autonoom over, mits de studenten hun aangevatte studie op redelijke wijze kunnen verderzetten. Dit betekent: Aangezien de aanvrager, althans op het ogenblik van de aanvraag een Nederlandstalige opleiding van de gevraagde anderstalige variant moet aanbieden, dit echter niet noodzakelijk met een volledig Nederlandstalig traject hoeft (dit volstaat op instellingsniveau binnen Vlaanderen), de instelling de Nederlandstalige opleiding kan stopzetten (eventueel met aanvraag vrijstelling van het volledige Nederlandstalige traject), betekent dit dat er na verloop van tijd één instelling een Nederlandstalige opleiding mét volledig Nederlandstalig traject in het aanbod zal moeten blijven hebben.

- 26 -


De Commissie Hoger Onderwijs zal de door haar geformuleerde bedenkingen bij gebeurlijke (wenselijke) herziening van de taalregeling zeker signaleren aan de beleidsvoerders. 3.3. Dossiers aanvragen studiefinanciering in het kader van verticale mobiliteit buiten de Europese Hogeronderwijsruimte 3.3.1. Decretale context en korte omschrijving van de procedure Het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap regelt o.m. in artikel 30 §2 de studiefinanciering van studenten die in het kader van verticale mobiliteit studies wensen te volgen buiten de Europese Hogeronderwijsruimte. De beslissing hierover door de Vlaamse Regering is gebaseerd op twee cumulatieve criteria: 1° voor de te volgen opleiding bestaat geen gelijkwaardige opleiding tussen de volgens de bepalingen van de Codex Hoger Onderwijs geaccrediteerde, als nieuw erkende of tijdelijk erkende opleidingen. Hierbij wint de Vlaamse Regering het advies in van het Agentschap voor Kwaliteitszorg in Onderwijs en Vorming (Naric); 2° de opleiding en de organiserende instelling draagt bij aan de verdere uitbouw van de wetenschappelijke discipline. Hierbij wint de Vlaamse Regering het advies in van de Commissie Hoger Onderwijs. 3.3.2. Evaluatie Tijdens het werkjaar 2019 werd hierover geen dossiers ingediend bij de Commissie Hoger Onderwijs. De Commissie Hoger Onderwijs wenst wel haar eerder gemaakte bedenkingen te herhalen omdat ook voor deze opdracht het decretale criterium niet onproblematisch is. • De Commissie Hoger Onderwijs heeft hier een adviesfunctie t.b.v. de dienst Studietoelagen van het Agentschap Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen. De aanvragen betreffen zowel bachelor- als masteropleidingen. De Commissie Hoger Onderwijs moet advies verstrekken over de bijdrage van de opleiding en de organiserende instelling aan de verdere uitbouw van de wetenschappelijke discipline. Het gaat dus niet over het belang als dusdanig van de opleiding voor de maatschappij of voor de ontwikkeling van de persoon die deze opleiding volgt. De opleiding op zich kan uiterst waardevol zijn, zonder daarom expliciet bij te dragen tot de uitbouw van de wetenschappelijke discipline. • De aanvragen betreffen vaak bacheloropleidingen. Het decretaal bepaalde aftoetsingscriterium ‘de opleiding en de organiserende instelling bijdraagt aan de verdere uitbouw van de wetenschappelijke discipline’ hierop toepassen is zowieso niet evident. Bovendien kan het gebeuren dat de organiserende instelling ook masteropleidingen organiseert. Het ‘wetenschappelijke’ gehalte van de instelling zal dan inzonderheid betrekking hebben op de masteropleidingen, die in wezen niets met de aanvraag te maken hebben. • Naric dient vast te stellen dat voor de aanvragen geen gelijkwaardige opleiding bestaat tussen de volgens de bepalingen van de Codex Hoger Onderwijs geaccrediteerde, als nieuw erkende of tijdelijk erkende opleidingen in Vlaanderen. Hoewel de Commissie Hoger Onderwijs strikt genomen over deze kwestie geen beslissing dient te nemen, heeft zij er toch meermaals vastgesteld dat er weldegelijk gelijkwaardige opleidingen bestaan.

- 27 -


- 28 -


OVERZICHT VAN DE BIJLAGEN BIJ DIT VERSLAG

Bijlage 1: Besluit van de Vlaamse Regering van 29 november 2013 betreffende de oprichting, de samenstelling en de werking van de Commissie Hoger Onderwijs Bijlage 2: Ministerieel besluit van 22 november 2017 betreffende de benoeming van de voorzitter en de leden van de Commissie Hoger Onderwijs Bijlage 3: Uittreksel uit de Codex Hoger Onderwijs betreffende de macrodoelmatigheidstoets en de toets nieuwe opleiding Bijlage 4: Sjabloon ‘Aanvraagdossier ambtshalve geregistreerde opleidingen: toets macrodoelmatigheid, toets nieuwe opleidingen’ Bijlage 5: Uittreksel uit de Codex Hoger Onderwijs betreffende de aalregeling in het hoger onderwijs Bijlage 6: Sjabloon ‘Aanvraag voor het aanbieden van een anderstalige initiële bachelor- en/of masteropleiding’ Bijlage 7: Sjabloon ‘Aanvraag vrijstelling equivalentievoorwaarde’

- 29 -


Bijlage 1:

Besluit van de Vlaamse Regering van 29 november 2013 betreffende de oprichting, de samenstelling en de werking van de Commissie Hoger Onderwijs


Bijlage 2:

Ministerieel besluit van 22 november 2017 betreffende de benoeming van de voorzitter en de leden van de Commissie Hoger Onderwijs


Bijlage 3:

Uittreksel uit de Codex Hoger Onderwijs betreffende de macrodoelmatigheidstoets en de toets nieuwe opleiding


Codex Hoger Onderwijs: procedure macrodoelmatigheid- TNO

Art. II.152.1 Een instelling kan een nieuwe opleiding van het hoger beroepsonderwijs of een nieuwe bachelor- of masteropleiding aanbieden als de betreffende opleiding bij besluit van de Vlaamse Regering erkend is als nieuwe opleiding. Ze dient daartoe een aanvraag in. Voor de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs kan die aanvraag pas worden ingediend na de beslissing van de Vlaamse Regering tot ontwikkeling van een opleiding van het hoger beroepsonderwijs die leidt tot een onderwijskwalificatie, vermeld in artikel 15/1, §6, van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur. De Vlaamse Regering kan een besluit als vermeld in het eerste lid nemen als aan de volgende voorwaarden is voldaan: 1° het voorgelegde dossier bevat de volgende informatie: a) de bevoegde instelling die de opleiding verzorgt en de vestiging(en) waar de opleiding wordt aangeboden; b) de naam van de opleiding (de graad en de kwalificatie van de graad); c) in voorkomend geval de afstudeerrichtingen; d) de vermelding dat het een Nederlandstalige of een anderstalige opleiding is. In geval van een anderstalige opleiding wordt de taal van de opleiding vermeld; e) de studieomvang van de opleiding, uitgedrukt in studiepunten; f) in voorkomend geval de studieomvang van de afstudeerrichtingen, uitgedrukt in studiepunten; g) in voorkomend geval de specificatie van de graad; h) in voorkomend geval de titel die de houders van de graad van die opleiding kunnen voeren; i) de opleidingsspecifieke leerresultaten; j) als het een opleiding van het hoger beroepsonderwijs betreft, de mogelijke vervolgopleidingen; k) als het een bacheloropleiding betreft: de aansluitingsmogelijkheden en de mogelijke vervolgopleidingen, rekening houdend met de toelatingsvoorwaarden, vermeld in deel 2, titel 4, hoofdstuk 1; l) als het een masteropleiding betreft: de vereiste vooropleidingen en toegangsvoorwaarden, rekening houdend met de toelatingsvoorwaarden, vermeld in deel 2, titel 4, hoofdstuk 1; m) de door de instellingen gezamenlijk beschreven domeinspecifieke leerresultaten, vermeld in artikel II.68;

2° het voorgelegde dossier bevat een advies van de VLIR voor de dossiers die ingediend zijn door de universiteiten, of van de VHLORA voor de dossiers die ingediend zijn door de hogescholen, over het aanbieden van de nieuwe opleiding; 3° de opleiding heeft de macrodoelmatigheidstoets, als dat van toepassing is, en de “toets nieuwe opleidingen” door de accreditatieorganisatie met positief gevolg ondergaan; Vanaf 1 september 2019 wordt punt 3° vervangen door: 3° de opleiding heeft de macrodoelmatigheidstoets, als die van toepassing is, met positief gevolg ondergaan en heeft een positief toetsingsbesluit ontvangen van de accreditatieorganisatie; (verv. bij Decreet kwaliteitszorg HO, art. 26, inw. 01.09.2019)

4° de nieuwe opleiding kan in een of meer studiegebieden of delen van 1

Artikel II.152. : Structuurdecreet, artikel 61, §1.


studiegebieden worden gerangschikt waarin de betrokken instelling onderwijsbevoegdheid bezit. De nieuwe opleiding kan eventueel ook worden gerangschikt in een studiegebied waarin de betrokken instelling onderwijsbevoegdheid bezit en een of meer andere studiegebieden waarin andere instellingen die tot de associatie behoren waarvan de instelling lid is, onderwijsbevoegdheid bezitten; 5° in geval van een nieuwe initiële bachelor- of masteropleiding wordt er parallel met de uitbouw van de nieuwe opleiding een bestaande initiële bachelor- of masteropleiding afgebouwd, tenzij de Commissie Hoger Onderwijs een positief oordeel heeft gegeven over de aanvraag tot vrijstelling van die verplichte afbouw. De VLIR of de VLHORA geeft in het advies, vermeld in het tweede lid, 2°, ten minste aan dat de aangevraagde opleiding binnen de Vlaamse Gemeenschap ofwel een nieuwe en unieke opleiding is, ofwel een bestaande opleiding is die in dezelfde of in een verwante vorm al aangeboden wordt in de Vlaamse Gemeenschap. In geval van een bestaande opleiding motiveert de VLIR of de VLHORA waarom meerdere instellingen die opleiding kunnen aanbieden, daarbij rekening houdend met de regionale spreiding en wenselijke fijnmazigheid van het aanbod. In het erkenningsbesluit, vermeld in het eerste lid, worden de volgende punten opgenomen: 1° de informatie, vermeld in het tweede lid, 1°, a) tot en met h); 2° in geval van een nieuwe initiële bachelor- of masteropleiding de naam (de graad en de kwalificatie van de graad) van de opleiding die afgebouwd wordt of de vermelding dat de Commissie Hoger Onderwijs een positief oordeel heeft gegeven over de aanvraag tot vrijstelling van de verplichte afbouw; 3° het academiejaar vanaf wanneer de nieuwe opleiding aangeboden kan worden. Vanaf het academiejaar wanneer de nieuwe opleiding aangeboden wordt, kan het instellingsbestuur geen nieuwe studenten meer inschrijven in de opleiding die afgebouwd wordt. (artikel verv. bij decreet hoger onderwijs, art. 14, inw. 01.01.2018)

Art. II.153.2 §1. Een in artikel II.152, eerste lid bedoeld besluit van de Vlaamse Regering komt tot stand overeenkomstig de procedure die in dit artikel chronologisch wordt omschreven. De regelen bepaald in paragraaf 2, 3, 3/1, 4, 5 en 6, eerste lid zijn niet van toepassing op de geregistreerde instellingen. Zij dienen onmiddellijk een dossier in bij de accreditatieorganisatie, rekening houdend met het bepaalde in paragraaf 6, derde lid. Dit geldt ook voor de ambtshalve geregistreerde instellingen die in overeenstemming met artikel II.103 een nieuwe opleiding buiten het Belgische grondgebied willen starten. Dat geldt ook voor de educatieve graduaatsopleidingen, vermeld in artikel II.112, en de educatieve masteropleidingen, vermeld in artikel II.114, die met ingang van het academiejaar 2019-2020 aangeboden worden door de hogescholen en universiteiten. De hogescholen en universiteiten dienen hun dossier bij de accreditatieorganisatie in uiterlijk vóór 15 oktober van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het academiejaar waarin de instelling de opleiding op zijn vroegst wil aanbieden. De Vlaamse Regering kan het gehanteerde toetsingskader, vermeld in 2

Artikel II.153. : Structuurdecreet, artikel 62.


paragraaf 7, voor deze opleidingen aanpassen. (gew. bij OD XXV, art. IV.53, inw. 01.10.2013, bij decreet hoger onderwijs, art. 15, 1°, inw. 01.01.2018 en bij Decreet graduaats- en LO, art. 120, inw. dag na bekendmaking decreet in B.S.)

De Vlaamse Regering kan het nadere verloop van de in dit artikel omschreven procedure uitwerken. §2. Het universiteits- of het hogeschoolbestuur bezorgt de volgende informatie en documenten aan respectievelijk de VLIR of de VLHORA: 1° de informatie, vermeld in artikel II.152, tweede lid, 1°, a) tot en met m); 2° een dossier dat de Commissie Hoger Onderwijs in staat stelt de toetsing aan de criteria, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, uit te voeren; 3° in voorkomend geval een aanvraag tot vrijstelling van de verplichte afbouw van een bestaande initiële bachelor- of masteropleiding als vermeld in artikel II.152, tweede lid, 5°. Het aanvraagdossier stelt de Commissie Hoger Onderwijs in staat de toetsing, vermeld in paragraaf 3/1, uit te voeren.

De VLIR, voor de aanvragen van de universiteiten, en de VLHORA, voor de aanvragen van de hogescholen, stellen voor iedere aanvraag een advies als vermeld in artikel II.152, tweede lid, 2°, op. Ze bezorgen de aanvragen met het bijbehorend dossier, het advies, en in voorkomend geval, de aanvraag tot vrijstelling van de verplichte afbouw aan de Commissie Hoger Onderwijs vóór 1 april van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het academiejaar waarin de instelling de opleiding op zijn vroegst wil aanbieden. Vanaf 1 september 2019 wordt de zinsnede “vóór 1 april” vervangen door de zinsnede “voor 1 maart”. (gew. bij Decreet kwaliteitszorg HO, art. 27, 1°, inw. 01.09.2019)

Als het advies van de VLIR of de VLHORA niet opgenomen is in het aanvraagdossier dat aan de Commissie Hoger Onderwijs bezorgd wordt, verklaart de Commissie Hoger Onderwijs de aanvraag voor de betrokken opleiding onontvankelijk. Om dit advies aan te leveren stellen de VLIR en de VLHORA een procedure vast, afgestemd binnen de VLUHR, met de eigen beslisregels en een timing waarbij rekening gehouden wordt met de indiendatum bij de Commissie Hoger Onderwijs. (§2 verv. bij decreet hoger onderwijs, art. 15, 2°, inw. 01.01.2018)

§3. De Commissie Hoger Onderwijs brengt een oordeel uit over de macrodoelmatigheid van de opleiding op basis van de volgende criteria: 1° de maatschappelijke relevantie van de opleiding; 2° het verwachte aantal studenten in de opleiding en de impact daarvan op dezelfde of andere al bestaande opleidingen; 3° de verwachte vraag naar afgestudeerden uit de opleiding en de verhouding met afgestudeerden uit andere al bestaande opleidingen; 4° de domeinspecifieke leerresultaten en de naamgeving van de opleiding; 5° een inschatting van de mate van verwevenheid en verwantschap van de nieuwe opleiding ten aanzien van het bestaande aanbod; 6° de inhoud van het advies van de VLIR of de VLHORA, met aandacht voor de regionale spreiding en wenselijke fijnmazigheid van het aanbod.


De Commissie Hoger Onderwijs onderzoekt expliciet alle criteria, omschrijft per criterium haar bevindingen en motiveert haar positieve of negatieve oordeel over de macrodoelmatigheid van het ingediende dossier. De Commissie Hoger Onderwijs brengt haar oordeel over de ingediende aanvragen uiterlijk uit op 1 juni van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het academiejaar waarin de instelling de opleiding op zijn vroegst wil aanbieden. Vanaf 1 september 2019 wordt de zinsnede “op 1 juni” vervangen door de zinsnede “op 1 mei”. (gew. bij Decreet kwaliteitszorg HO, art. 27, 2°, inw. 01.09.2019)

De Commissie Hoger Onderwijs bezorgt het oordeel aan het instellingsbestuur. (§3 verv. bij decreet hoger onderwijs, art. 15, 3°, inw. 01.01.2018)

§3/1. De Commissie Hoger Onderwijs brengt een oordeel uit over de aanvraag tot vrijstelling van de afbouw van een initiële bachelor- of masteropleiding. Ze neemt in haar oordeel de volgende elementen in overweging: 1° 2° 3° 4° 5°

de graad van interne rationalisatie binnen de instelling; de graad van saturatie in het betreffende opleidingsdomein; het innovatieve of unieke karakter van de voorgestelde opleiding; in voorkomend geval, het verzelfstandigen van een afstudeerrichting; in voorkomend geval, de initiële bachelor- of masteropleidingen die de instelling in het verleden heeft afgebouwd; 6° de uitbouw van het aanbod van graduaatsopleidingen en de afstemming ervan op de professionele bacheloropleidingen.

De Commissie Hoger Onderwijs brengt haar oordeel over de ingediende aanvragen uiterlijk uit op 1 juni van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het academiejaar waarin de instelling de opleiding op zijn vroegst wil aanbieden. Vanaf 1 september 2019 wordt de zinsnede “op 1 juni” vervangen door de zinsnede “op 1 mei” (gew. bij Decreet kwaliteitszorg HO, art. 27, 3°, inw. 01.09.2019)

De Commissie Hoger Onderwijs bezorgt het oordeel aan het instellingsbestuur. (§3/1 ing. bij decreet hoger onderwijs, art. 15, 4°, inw. 01.01.2018)

§4. Als het oordeel van de Commissie Hoger Onderwijs over de macrodoelmatigheid van de opleiding, vermeld in paragraaf 3, of over de aanvraag tot vrijstelling van de afbouw, vermeld in paragraaf 3/1, negatief is of niet tijdig wordt verstrekt, kan het instellingsbestuur binnen een vervaltermijn van vijftien dagen beroep instellen bij de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering beoordeelt de macrodoelmatigheid van de opleiding op definitieve wijze op grond van de criteria, vermeld in paragraaf 3, eerste lid. De Vlaamse Regering beoordeelt de aanvraag tot vrijstelling van de afbouw op definitieve wijze op grond van de elementen, vermeld in paragraaf 3/1. De termijn voor het beroep bij de Vlaamse Regering gaat in op een van de onderstaande momenten: 1° de dag na de dag van de ontvangst van het negatieve oordeel; 2° de dag waarop de beoordelingstermijn voor de Commissie Hoger Onderwijs is verstreken.


(§4 verv. bij decreet hoger onderwijs, art. 15, 5°, inw. 01.01.2018)

§5. De Vlaamse Regering deelt het oordeel, vermeld in paragraaf 4, aan het instellingsbestuur mee binnen een ordetermijn van dertig dagen, die ingaat de dag na de dag van de ontvangst van het beroep. (§5 verv. bij decreet hoger onderwijs, art. 15, 6°, inw. 01.01.2018)

§6. Het instellingsbestuur vraagt de “toets nieuwe opleidingen” aan bij de accreditatieorganisatie, binnen een vervaltermijn van vijftien dagen, die ingaat de dag na de dag van de ontvangst van het positieve oordeel van de Commissie Hoger Onderwijs of, in voorkomend geval, van de Vlaamse Regering over de macrodoelmatigheid van de opleiding. (verv. bij decreet hoger onderwijs, art. 15, 7°, inw. 01.01.2018)

[De in het eerste lid vermelde vervaltermijn geldt niet ingeval van een herindiening van een aanvraag toets nieuwe opleiding bij de accreditatieorganisatie, nadat een initiële aanvraag, ingediend overeenkomstig de bepalingen van dit artikel, op initiatief van het instellingsbestuur werd ingetrokken. Het positieve macrodoelmatigheidsoordeel van de Commissie Hoger Onderwijs of, desgevallend, de Vlaamse Regering blijft in voorkomend geval slechts geldig onder 1 van de volgende voorwaarden: 1° als de intrekking is gebeurd binnen de in paragraaf 7, derde lid, vermelde termijn om na de ontvangst van het ontwerp van toetsingsrapport bezwaren en opmerkingen te formuleren, beschikt het instellingsbestuur over een vervaltermijn van 60 kalenderdagen om de aanvraag toets nieuwe opleiding opnieuw in te dienen bij de accreditatieorganisatie. De vervaltermijn gaat in op de dag na de betekening van het ontwerp van toetsingsrapport; 2° als de intrekking is gebeurd voor de betekening van een in paragraaf 7, derde lid, vermeld ontwerp van toetsingsrapport, beschikt het instellingsbestuur over een vervaltermijn van 60 kalenderdagen om de aanvraag toets nieuwe opleiding opnieuw in te dienen bij de accreditatieorganisatie. De vervaltermijn gaat in op de dag na de intrekking van de initiële aanvraag toets nieuwe opleiding.] (opgeh. bij Decreet kwaliteitszorg HO, art. 27, 4°, inw. 01.09.2019)

[De accreditatieorganisatie bepaalt bij reglement de vorm en inhoud van het dossier dat bij de aanvraag moet worden gevoegd.] (opgeh. bij Decreet kwaliteitszorg HO, art. 27, 4°, inw. 01.09.2019)

[Indien een aanvraag niet voldoet aan deze regelen, biedt de accreditatieorganisatie de gelegenheid binnen een daartoe gestelde termijn het verzuim te herstellen. Indien van deze gelegenheid geen dan wel op niet afdoende wijze gebruik wordt gemaakt, wordt de aanvraag niet-ontvankelijk verklaard. De accreditatieorganisatie kan nadere regelen omtrent deze procedure vaststellen in het in het tweede lid bedoelde reglement.] (opgeh. bij Decreet kwaliteitszorg HO, art. 27, 4°, inw. 01.09.2019)

§7. [De accreditatieorganisatie behandelt de ontvankelijke aanvragen binnen een ordetermijn van 4 maanden, die ingaat de dag na deze van ontvangst. De termijn wordt berekend van maand tot maand en van dag tot dag. De dag van ontvangst van de aanvraag is in de termijn begrepen.


De bevindingen van de accreditatieorganisatie worden neergelegd in een toetsingsrapport. Een toetsingsrapport is positief indien de accreditatieorganisatie in redelijkheid uit de aanvraag meent te kunnen opmaken dat de nieuwe opleiding de toets inzake de aanwezigheid van voldoende generieke kwaliteitswaarborgen met goed gevolg zal kunnen doorstaan. De methodologische regelen die daarbij benevens het krachtens het in artikel II.26 bedoelde verdrag vastgestelde toetsingskader worden gehanteerd, worden vastgelegd in een reglement, dat, vooraleer het van toepassing wordt, door de Vlaamse Regering moet worden bekrachtigd. De accreditatieorganisatie bezorgt vóór het verstrijken van de ordetermijn van 4 maanden een ontwerp van toetsingsrapport aan het instellingsbestuur, dat in staat wordt gesteld om bezwaren en opmerkingen te formuleren binnen een vervaltermijn van 10 kalenderdagen, die ingaat de dag na deze van ontvangst van het ontwerp. De accreditatieorganisatie bepaalt in het in artikel II.27 bedoelde reglement de procedurele regelen overeenkomstig dewelke de bezwaren en opmerkingen worden behandeld. De ordetermijn van 4 maanden, vermeld in het eerste lid, wordt verlengd tot 6 maanden ingeval de opmerkingen en de bezwaren van het instellingsbestuur van die aard zijn dat de accreditatieorganisatie tot een bijkomend advies van deskundigen wordt genoopt. De ordetermijn van 4 maanden, vermeld in het eerste lid, wordt ingeval van intrekking van een aanvraag toets nieuwe opleiding geschorst vanaf de intrekking van de aanvraag tot en met de datum van de betekening van de herindiening ervan.] (opgeh. bij Decreet kwaliteitszorg HO, art. 27, 5°, inw. 01.09.2019)

§8. De Vlaamse Regering neemt het besluit houdende erkenning van een nieuwe opleiding binnen een ordetermijn van 30 kalenderdagen, die ingaat de dag na deze van ontvangst van het toetsingsrapport van de accreditatieorganisatie. Het besluit treedt in werking met ingang van de bekendmaking ervan aan de instelling. De nieuwe opleiding wordt geacht geaccrediteerd te zijn tot en met het einde van het tweede academiejaar volgend op het einde van het academiejaar waarin voor de eerste maal de voor de nieuwe opleiding bepaalde studieomvang geheel doorlopen werd. Vanaf 1 september 2019 wordt het eerste lid vervangen door: De Vlaamse Regering neemt het besluit houdende erkenning van een nieuwe opleiding binnen een ordetermijn van dertig dagen, die ingaat de dag na de dag van de ontvangst van het positief toetsingsbesluit en het onderliggende beoordelingsrapport van de accreditatieorganisatie, vermeld in afdeling 3/1, onderafdeling 4. Het besluit treedt in werking met ingang van de bekendmaking ervan aan de instelling. (verv. bij Decreet kwaliteitszorg HO, art. 27, 6°, inw. 01.09.2019)

De nieuwe opleiding krijgt een erkenning als nieuwe opleiding tot en met het einde van het tweede academiejaar dat volgt op het einde van het academiejaar waarin de studieomvang die bepaald is voor de nieuwe opleiding, voor de eerste keer geheel doorlopen werd. (ing. bij Decreet kwaliteitszorg HO, art. 27, 7°, inw. 01.09.2019) In afwijking van het eerste lid, vervalt een positief besluit over de aanvraag van een graduaatsopleiding van het hoger beroepsonderwijs op het einde van het vijfde academiejaar


dat volgt op de dag van de start van de opleiding in kwestie. (ing. bij Decreet graduaats- en LO, art. 120, inw. dag na bekendmaking decreet in B.S.) Vanaf 1 september 2019 worden de woorden “eerste lid” vervangen door de woorden “tweede lid” (gew. bij Decreet kwaliteitszorg HO, art. 27, 8°, inw. 01.09.2019)

Een positief besluit over de aanvraag van een graduaatsopleiding van het hoger beroepsonderwijs vervalt automatisch als het instellingsbestuur de opleiding niet start in het derde academiejaar dat volgt op de bekendmaking aan het instellingsbestuur. Voor de besluiten die zijn bekendgemaakt tijdens het academiejaar 2017-2018, start de voormelde periode van drie jaar in het academiejaar 2019-2020. (ing. bij Decreet graduaats- en LO, art. 120, inw. dag na bekendmaking decreet in B.S.)

De Vlaamse Regering kan op basis van een advies van de accreditatieorganisatie de geldigheidsduur van een positief besluit over de aanvraag van een opleiding verlengen ter vrijwaring van de gelijktijdige en geclusterde organisatie van externe beoordelingen. De totale duur van de erkenning als nieuwe opleiding kan nooit meer dan acht academiejaren zijn. (ing. bij Decreet graduaats- en LO, art. 120, inw. dag na bekendmaking decreet in B.S.) In afwijking van het tweede lid bedraagt de geldigheidsduur van de positieve besluiten over de aanvragen van de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs die zijn verleend tijdens het academiejaar 2014-2015, zes jaar vanaf het academiejaar dat volgt op de bekendmaking aan het instellingsbestuur. (ing. bij Decreet graduaats- en LO, art. 120, inw. dag na bekendmaking decreet in B.S.) Vanaf 1 september 2019 worden de woorden “tweede lid” vervangen door de woorden “derde lid” (gew. bij Decreet kwaliteitszorg HO, art. 27, 9°, inw. 01.09.2019)

§9. Aanvragen voor nieuwe opleidingen ingediend voor 1 maart 2017 bij de Commissie Hoger Onderwijs worden erkend volgens de vereisten van artikels II.152 en II.153 zoals van toepassing voor 1 januari 2018. (ing. bij Decreet kwaliteitszorg HO, art. 27, 10°, inw. 01.01.2018)

***************** [Hoofdstuk 9 Overgangsbepalingen voor de inbedding van de graduaatsopleidingen in de hogescholen (ing. decr. 4 mei 2018, art. 152, I: 1 september 2019)] Artikel II.394. (01/09/2019- ...) § 1. Met ingang van het academiejaar 2019-2020 dragen de centra voor volwassenenonderwijs hun bevoegdheid voor het aanbieden van opleidingen van het hoger beroepsonderwijs en het verlenen van de overeenstemmende studiebekrachtiging over aan de hogescholen. De hogeschool waaraan een centrum voor volwassenenonderwijs de bevoegdheid, vermeld in het eerste lid, heeft overgedragen, oefent die bevoegdheid uit conform artikel II.83 tot en met II.100. § 2. De hogeschool treedt na de overdracht van de bevoegdheden, vermeld in het eerste lid, voor de overgedragen bevoegdheden in de rechten en verplichtingen van het centrum voor volwassenenonderwijs die zijn bevoegdheden heeft overgedragen aan de hogeschool. Naar aanleiding van de overdracht van de desbetreffende opleidingen sluiten de hogeschool en het centrum voor volwassenenonderwijs een overeenkomst waarin ten minste afspraken gemaakt worden over de overdracht, de terbeschikkingstelling en het gebruik van infrastructuur en


onroerende goederen, en over financiële aangelegenheden. § 3. De hogescholen voorzien in aangepaste overgangs- en begeleidingsmaatregelen opdat studenten die vóór het academiejaar 2019-2020 gestart zijn in een opleiding van het hoger beroepsonderwijs aan een centrum voor volwassenenonderwijs, dat met ingang van het academiejaar 2019-2020 overgedragen wordt aan een hogeschool, hun opleiding kunnen voltooien. Dat betekent minimaal dat : 1° de hogeschool de studiebewijzen en de punten die de student verworven heeft in de desbetreffende opleiding in het centrum voor volwassenenonderwijs, overneemt. Die studiebewijzen worden geacht verworven te zijn in de ontvangende hogeschool; 2° de hogeschool de vrijstellingen voor een module, een opleidingsonderdeel of voor een deel ervan, die de student verkregen heeft voor de desbetreffende opleiding, overneemt. Artikel II.395. (01/01/2019- ...) § 1. De accreditatieorganisatie adviseert over de toets nieuwe opleiding voor de omvorming van bestaande hbo5-opleidingen uiterlijk op 15 april voor de aanvragen die uiterlijk op 30 november van het voorafgaande kalenderjaar zijn ingediend, en uiterlijk op 30 oktober voor de aanvragen die uiterlijk op 31 mei van hetzelfde kalenderjaar zijn ingediend. De accreditatieorganisatie adviseert over de toets nieuwe opleiding voor de omvorming van bestaande hbo5-opleidingen uiterlijk op 15 juni 2019 voor de aanvragen die uiterlijk op 15 februari 2019 zijn ingediend. § 2. De Karel de Grote Hogeschool, Katholieke Hogeschool Antwerpen kan uit de lijst van bestaande hbo5-opleidingen op de data vermeld in de eerste paragraaf in totaal maximaal 4 aanvragen indienen voor een toets nieuwe opleiding bij de accreditatieorganisatie voor een graduaatsopleiding zonder de verplichting om een bestaande hbo5-opleiding om te vormen, maar met de verplichting om een aanvraag macrodoelmatigheidstoets bij de Commissie Hoger Onderwijs in te dienen. In deze vier gevallen bevat het aanvraagdossier voor de macrodoelmatigheidstoets de volgende informatie en documenten : 1° de informatie, vermeld in artikel II.152, tweede lid, 1°, a) tot en met m); 2° een dossier dat de Commissie Hoger Onderwijs in staat stelt de toetsing aan de criteria, vermeld in artikel II.153, § 3, eerste lid, uit te voeren. De Karel de Grote Hogeschool, Katholieke Hogeschool Antwerpen bezorgt voor elke van de in het eerste lid bedoelde aanvragen het aanvraagdossier voor de macrodoelmatigheidstoets tevens aan de VLHORA. De VLHORA stelt voor iedere aanvraag een advies als vermeld in artikel II.152, tweede lid, 2°, op. Ze bezorgt het advies aan de Commissie Hoger Onderwijs uiterlijk : 1° op 31 januari voor de aanvragen die uiterlijk op 30 november bij de accreditatieorganisatie zijn ingediend; 2° op 15 juli voor de aanvragen die uiterlijk op 31 mei bij de accreditatieorganisatie zijn ingediend; 3° 30 dagen na de indiening van de aanvraag voor de aanvragen die uiterlijk op 15 februari 2019 bij de accreditatieorganisatie zijn ingediend. De Commissie Hoger Onderwijs brengt over de in het eerste lid bedoelde aanvragen een oordeel uit over de macrodoelmatigheid overeenkomstig artikel 153, § 3, eerste, tweede en vierde lid. Indien het advies van de VLHORA niet tijdig wordt verstrekt, dan brengt de Commissie Hoger Onderwijs een oordeel over de macrodoelmatigheid uit op basis van de criteria, vermeld in artikel II.153, § 3, eerste lid, 1° tot en met 5°. De Commissie Hoger Onderwijs brengt haar oordeel over de in het eerste lid bedoelde aanvragen uit uiterlijk : 1° op 28 februari voor de aanvragen die uiterlijk op 30 november bij de accreditatieorganisatie


zijn ingediend; 2° op 1 september voor de aanvragen die uiterlijk op 31 mei bij de accreditatieorganisatie zijn ingediend; 3° binnen de 60 dagen na de indiening van de aanvraag voor de aanvragen die uiterlijk op 15 februari 2019 zijn ingediend. Als het oordeel van de Commissie Hoger Onderwijs over de macrodoelmatigheid van een in het eerste lid bedoelde aanvraag negatief is of niet tijdig wordt verstrekt, kan de beroepsprocedure, vermeld in artikel II.153, § 4 en § 5, gevolgd worden. Als het oordeel van de Commissie Hoger Onderwijs over de macrodoelmatigheid van een in het eerste lid bedoelde aanvraag of de beslissing van de Vlaamse Regering na het beroep, vermeld in het zesde lid, positief is, evenals het toetsingsbesluit van de accreditatieorganisatie, dan neemt de Vlaamse Regering het besluit houdende erkenning van deze nieuwe opleiding binnen een ordetermijn van 30 dagen, die ingaat de dag na de dag van de ontvangst van het positief toetsingsbesluit en het onderliggende beoordelingsrapport van de accreditatieorganisatie. § 3. De Hogeschool West-Vlaanderen kan uit de lijst van bestaande hbo5-opleidingen op de data, vermeld in de eerste paragraaf, in totaal maximaal één aanvraag indienen voor een toets nieuwe opleiding bij de accreditatieorganisatie voor een graduaatsopleiding zonder de verplichting om een bestaande hbo5-opleiding om te vormen, maar met de verplichting om een aanvraag macrodoelmatigheidstoets bij de Commissie Hoger Onderwijs in te dienen. In dit geval bevat het aanvraagdossier voor de macrodoelmatigheidstoets de volgende informatie en documenten : 1° de informatie, vermeld in artikel II.152, tweede lid, 1°, a) tot en met m); 2° een dossier dat de Commissie Hoger Onderwijs in staat stelt de toetsing aan de criteria, vermeld in artikel II.153, § 3, eerste lid, uit te voeren. De Hogeschool West-Vlaanderen bezorgt voor de in het eerste lid bedoelde aanvraag het aanvraagdossier voor de macrodoelmatigheidstoets tevens aan de VLHORA. De VLHORA stelt voor deze aanvraag een advies als vermeld in artikel II.152, tweede lid, 2°, op. Ze bezorgt het advies aan de Commissie Hoger Onderwijs uiterlijk : 1° op 31 januari voor de aanvraag die uiterlijk op 30 november bij de accreditatieorganisatie is ingediend; 2° op 15 juli voor de aanvraag die uiterlijk op 31 mei bij de accreditatieorganisatie is ingediend; 3° 30 dagen na de indiening van de aanvraag voor de aanvraag die uiterlijk op 15 februari 2019 bij de accreditatieorganisatie is ingediend. De Commissie Hoger Onderwijs brengt over de in het eerste lid bedoelde aanvraag een oordeel uit over de macrodoelmatigheid overeenkomstig artikel 153, § 3, eerste, tweede en vierde lid. Indien het advies van de VLHORA niet tijdig wordt verstrekt, dan brengt de Commissie Hoger Onderwijs een oordeel over de macrodoelmatigheid uit op basis van de criteria, vermeld in artikel II.153, § 3, eerste lid, 1° tot en met 5°. De Commissie Hoger Onderwijs brengt haar oordeel over de in het eerste lid bedoelde aanvragen uit uiterlijk : 1° op 28 februari voor de aanvraag die uiterlijk op 30 november bij de accreditatieorganisatie is ingediend; 2° op 1 september voor de aanvraag die uiterlijk op 31 mei bij de accreditatieorganisatie is ingediend; 3° binnen de 60 dagen na de indiening van de aanvraag voor de aanvraag die uiterlijk op 15 februari 2019 is ingediend. Als het oordeel van de Commissie Hoger Onderwijs over de macrodoelmatigheid van een in het eerste lid bedoelde aanvraag negatief is of niet tijdig wordt verstrekt, kan de beroepsprocedure, vermeld in artikel II.153, § 4 en § 5, gevolgd worden.


Als het oordeel van de Commissie Hoger Onderwijs over de macrodoelmatigheid van een in het eerste lid bedoelde aanvraag of de beslissing van de Vlaamse Regering na het beroep, vermeld in het zesde lid, positief is, evenals het toetsingsbesluit van de accreditatieorganisatie, dan neemt de Vlaamse Regering het besluit houdende erkenning van deze nieuwe opleiding binnen een ordetermijn van 30 dagen, die ingaat de dag na de dag van de ontvangst van het positieve toetsingsbesluit en het onderliggende beoordelingsrapport van de accreditatieorganisatie. § 4. De accreditatieorganisatie bezorgt uiterlijk één maand vóór het verstrijken van de termijn een ontwerp van toetsingsrapport aan de instelling, die de mogelijkheid krijgt om opmerkingen te formuleren. Het instellingsbestuur kan het onderdeel van de aanvraag voor de toets nieuwe opleiding intrekken uiterlijk binnen een termijn van 20 dagen, die ingaat de dag na de ontvangst van het ontwerp. Het instellingsbestuur beschikt over een termijn van 60 dagen om het onderdeel van de aanvraag voor de toets nieuwe opleiding opnieuw in te dienen bij de accreditatieorganisatie. De termijn van 60 dagen gaat in op de dag na de intrekking van de initiële aanvraag. De termijnen, die lopen vanaf de datum waarop de aanvraag uiterlijk ingediend moet zijn tot en met de datum waarop de accreditatieorganisatie uiterlijk haar advies uitbrengt, worden in geval van intrekking van het onderdeel van de aanvraag voor de toets nieuwe opleiding geschorst vanaf de intrekking van het onderdeel van de aanvraag tot en met de datum van de betekening van de herindiening ervan. § 5. De Vlaamse Regering neemt het besluit houdende erkenning van een nieuwe opleiding binnen een ordetermijn van 30 kalenderdagen, die ingaat de dag na deze van ontvangst van het toetsingsrapport van de accreditatieorganisatie. Het besluit treedt in werking met ingang van de bekendmaking ervan aan de instelling. § 6. Als het besluit over de toets nieuwe opleiding in het kader van een omvorming als vermeld in artikel II.150/1, § 2, negatief is, kan het instellingsbestuur nog maximaal één academiejaar de om te vormen hbo5-opleiding aanbieden en hiervoor studenten inschrijven. Het programma van deze opleiding wordt ingericht conform de artikelen II.67 en II.69. Een instelling kan na een negatief toetsingsbesluit voor een identieke opleiding nog een keer een aanvraag voor een toets nieuwe opleiding indienen. Als het besluit over de toets nieuwe opleiding in het kader van een omvorming als vermeld in artikel II.150/1, § 2, opnieuw negatief is, bouwt de instelling de opleiding af of zet ze die stop. Het instellingsbestuur garandeert de voorzieningen die nodig zijn om de ingeschreven studenten hun opleiding te kunnen laten voltooien.


Bijlage 4:

Sjabloon ‘Aanvraagdossier ambtshalve geregistreerde opleidingen/andere ambtshalve geregistreerde instellingen: toets macrodoelmatigheid, toets nieuwe opleidingen'


COMMISSIE HOGER ONDERWIJS SJABLOON T.B.V. DE AANVRAGENDE INSTELLINGEN EN VLIR EN VLHORA VOOR AANVRAAGDOSSIER MACRODOELMATIGHEIDSTOETS M.H.O. OP TOETS NIEUWE OPLEIDING /VRIJSTELLING VERPLICHTE AFBOUW Opzet en structuur Dit sjabloon met richtlijnen voor het aanvraagdossier voor de hogeronderwijsinstellingen en VLIR en VLHORA is bestemd voor de aanvraag van de Macrodoelmatigheidstoets bij de Commissie Hoger Onderwijs (Codex Hoger Onderwijs, art. II. 153). Voor het verder verloop van de procedure, e.g. de toets nieuwe opleiding wordt verwezen naar het Kader Toets Nieuwe Opleiding - Vlaanderen 2015-2021 van de NVAO. Voor de aanvraag van de Macrodoelmatigheidstoets/vrijstelling verplichte afbouw bestaande opleiding moet volgende informatie worden verstrekt: • de informatie vermeld onder rubriek I - DE INSTELLING EN DE NIEUWE OPLEIDING • de informatie gevraagd onder rubriek II – INFORMATIE ENKEL BESTEMD VOOR DE MACRODOELMATIGHEIDSTOETS, en in voorkomend geval voor de aanvraag tot vrijstelling van de VERPLICHTE AFBOUW VAN EEN BESTAANDE OPLEIDING bij aanvraag van een initiële opleiding;

A. INDIENINGSMODALITEITEN

Aanvragen met een begeleidend schrijven ondertekend door de secretarisgeneraal van VLIR/VLHORA, met het bijhorende dossier, het advies, en in voorkomend geval, de aanvraag tot vrijstelling van de verplichte afbouw worden door VLIR/VLHORA bij de Commissie Hoger Onderwijs ingediend vóór 1 maart van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het academiejaar waarin de instelling de opleiding op zijn vroegst wil aanbieden. De andere ambtshalve geregistreerde instellingen dienen hun aanvraag rechtstreeks bij de Commissie Hoger Onderwijs in vóór 1 maart van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het academiejaar waarin de instelling de opleiding op zijn vroegst wil aanbieden. Aanvragen worden per aangetekend schrijven of drager én elektronisch ingediend bij de Commissie Hoger Onderwijs.

De papieren versies worden in drie exemplaren gericht aan:


Commissie Hoger Onderwijs p.a. Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming Departement Onderwijs en Vorming Commissie Hoger Onderwijs de heer Peter Michielsens, voorzitter van de Commissie Hoger Onderwijs (t.a.v. de secretaris Beatrijs Craps) Hendrik Consciencegebouw Koning Albert II-laan 15, toren A 1210 BRUSSEL Aanvragen moeten tegelijk ingediend worden per mailbericht, te richten aan het secretariaat van de Commissie Hoger Onderwijs: Beatrijs.craps@ond.vlaanderen.be B. MEDELEN DOOR DE COMMISSIE HOGER ONDERWIJS VAN HAAR OORDEEL De Commissie Hoger Onderwijs bezorgt haar oordeel per mailbericht aan het instellingsbestuur, uiterlijk op 1 mei van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het academiejaar waarin de instelling de opleiding op zijn vroegst wil aanbieden. De oordelen worden ter informatie, per mailbericht, aan VLIR en VLHORA en aan de Administratie Hoger Onderwijs en Volwassenenonderwijs bezorgd.

I. DE INSTELLING EN DE NIEUWE OPLEIDING 1. de instelling3 die de nieuwe opleiding aanvraagt en de vestiging(en) waar de opleiding zal worden aangeboden in geval van erkenning a. naam instelling: b. aard instelling (ambtshalve geregistreerd / niet-ambtshalve geregistreerd): c. adres instelling: d. vestiging(en) opleiding: e. tel/fax instelling: f. e-mailadres instelling: g. website: h. naam en functie contactpersoon: i. tel contactpersoon: j. e-mail contactpersoon: 2. de naam van de nieuwe opleiding 3. de afstudeerrichtingen in voorkomend geval 4. in voorkomend geval de opleidingsvarianten zoals decretaal omschreven, Codex Hoger Onderwijs, art. II. 144 §1) 5. de onderwijstaal gebruikt in de nieuwe opleiding Als meerdere instellingen bij de nieuwe opleiding worden betrokken, dan moeten de gegevens van alle instellingen worden vermeld. Bij voorkeur wordt slechts één contactpersoon genoemd.

3


6. niveau en oriëntatie: a. professioneel gerichte bachelor b. bachelor na bachelor c. academisch gerichte bachelor d. master e. master na master f. graduaat 7. de domeinspecifieke leerresultaten van de nieuwe opleiding c.q. referentiekader in het jongste visitatierapport met vermelding status VLUHR/NVAO (geen verdere bijkomende inlichtingen, e.g. over beraadslagende commissies et) 8. de opleidingsspecifieke leerresultaten van de nieuwe opleiding (indien verschillend van de domeinspecifieke leerresultaten) 9. het studiegebied of (delen van) studiegebieden 10. nieuwe opleiding voor Vlaanderen: ja/neen. 11. geef - behoudens gemotiveerde vraag tot vrijstelling (zie onder) - aan welke bestaande opleiding zal worden afgebouwd 12. de studieomvang van de nieuwe opleiding uitgedrukt in studiepunten 13. de graad waartoe de nieuwe opleiding leidt, de kwalificatie van de graad en in voorkomend geval de specificatie van de graad 14. in voorkomend geval de titel die houders van de graad van deze nieuwe opleiding kunnen voeren 15. de aansluitingsmogelijkheden en de mogelijke vervolgopleidingen, de vereiste vooropleidingen en toegangsvoorwaarden, zoals bedoeld in het Hoger Onderwijsregister en rekening houdend met de toelatingsvoorwaarden voorgeschreven in Titel 4, onderafdeling 3 en 4 van de Codex Hoger Onderwijs : a) wat de opleidingen betreft aangevraagd door universiteiten en hogescholen: a) voor een bacheloropleiding in het hoger professioneel onderwijs: a) de bacheloropleiding(en) (Banaba’s) die er rechtstreeks op volgen met de bijkomende voorwaarden; b) de masteropleidingen die erop volgen met de bijkomende voorwaarden bedoeld in artikel II. 183; c) de vermelding: “geen vervolgopleiding”; b) voor een bacheloropleiding in het academisch onderwijs c.q. afstudeerrichting binnen een bacheloropleiding in het academisch onderwijs: a) de masteropleiding(en) die er rechtstreeks op aansluiten overeenkomstig artikel II. 182 §2, eerste volzin; b) c.q. de masteropleiding(en) die er op aansluiten overeenkomstig artikel II. 182, § 2, tweede volzin; c) eventueel de andere masteropleiding(en); d) c.q. de vermelding “geen rechtstreekse vervolgopleiding”; c) voor een masteropleiding :


a) de bacheloropleiding c.q. afstudeerrichting waarop de masteropleiding rechtstreeks aansluit; b) in voorkomend geval: de bacheloropleiding(en) c.q. afstudeerrichting(en) waarop de masteropleiding aansluit overeenkomstig artikel II. 182, ยง2, tweede volzin; c) in voorkomend geval: de bacheloropleiding(en) bedoeld in artikel II. 183; d) eventueel de andere bacheloropleiding(en); e) in voorkomend geval: de masteropleidingen die erop volgen overeenkomstig artikel II. 190 ยง2, eerste volzin; f)

in voorkomend geval: de masteropleidingen die erop volgen met de bijkomende voorwaarden bedoeld in artikel II. 190, ยง2, tweede volzin;

d) voor een masteropleiding die volgt op een andere masteropleiding: a) de masteropleiding(en) waarop de masteropleiding volgt; b) eventueel de andere masteropleidingen met de bijkomende voorwaarden; e) voor een bacheloropleiding die volgt op een bacheloropleiding: a) de bacheloropleiding(en) waarop de bacheloropleiding volgt; b) eventueel de voorwaarden.

andere

bacheloropleidingen

met

de

bijkomende

f) als het een opleiding van het hoger beroepsonderwijs (graduaat) betreft, de mogelijke vervolgopleidingen; b) wat de nieuwe opleidingen betreft aangeboden door de andere instellingen voor hoger onderwijs: de voor de studenten nuttige gegevens met betrekking tot de vooropleidingseisen en de mogelijke vervolgopleidingen binnen de instellingen zelf. 16. het academiejaar waarin de opleiding in geval van erkenning voor het eerst zal worden aangeboden


II. INFORMATIE BESTEMD VOOR DE MACRODOELMATIGHEIDSTOETS Geef bondig (1 à 2 pagina’s) een algemene samenvatting van uw argumentatie bij invulling van de decretale criteria.

De aanvraag toont aan en motiveert omstandig hoe de volgende decretale criteria ingevuld worden. Geef hierbij telkens bijzondere aandacht aan de aangegeven aandachtspunten. Bij het verwijzen naar gegevens over opleidingen, hun afstudeerrichtingen, hun vestigingsplaatsen en hun precieze benamingen worden enkel gegevens gebruikt uit de meest recente versie van het ‘Besluit van de Vlaamse Regering tot vastlegging van de lijst van bachelor- en masteropleidingen die per instelling worden aangeboden in het hoger onderwijs in Vlaanderen’. Het dossier bevat geen nodeloos fotografisch materiaal, enkel de inhoudelijk relevante schema’s, tabellen, kaarten,…

1. De maatschappelijke relevantie van de opleiding 1.A. Toon op basis van aantoonbaar materiaal (e.g. VDAB,...) aan dat er een voldoende en naar verwachting duurzame behoefte op de arbeidsmarkt bestaat voor deze opleiding. 1.B. Geef een beschrijving van eventuele andere elementen van maatschappelijke relevantie buiten deze van de arbeidsmarktbehoefte. 1.C. Toon aan dat er eventuele belangrijke wetenschappelijke ontwikkelingen bestaan waarvan de voortzetting en verspreiding deze opleiding verantwoordt. 1.D. Geef hierbij aan of er bijzondere motieven tot internationale samenwerking bestaan (studentenuitwisseling,..).

2. Het verwachte aantal studenten in de opleiding en de impact daarvan op dezelfde of andere al bestaande opleidingen 2.A. Geef een zo precies mogelijke raming van studentenaantallen die kunnen verwacht worden (minimum- en maximumverwachting) voor de opleiding of aanverwante opleidingen, met nauwkeurige aanduiding van hypotheses en werkwijze. Vermeld hierbij in te schatten mogelijke gevolgen voor de inschrijvingen voor andere opleidingen. 2.B. Geef een raming van te verwachte aantallen diploma’s.

3. De verwachte vraag naar afgestudeerden uit de opleiding en de verhouding met afgestudeerden uit andere al bestaande opleidingen 3.A. Toon (aan de hand van de ontwikkelingen op niveau van de sector of binnen dit domein) aan dat er een voldoende belangstelling voor de opleiding kan worden


verwacht. Geef hierbij een zo precies mogelijke raming van de te verwachte vraag naar afgestudeerden hoger onderwijs in het algemeen en in de betreffende of aanverwante opleidingen in het bijzonder. Geef hierbij een beschrijving voor welke (groepen van) bedrijven dit relevant kan zijn en hoe hun economische situatie/groei wordt ingeschat. 3.B. Toon tevens de mogelijke effecten aan op de aantallen afgestudeerden in gelijkaardige en verwante opleidingen. 3.C. Indien van toepassing, geef bijkomende bijzondere motiveringen , zoals bv. levensbeschouwelijke aspecten, om de aanvraag bijkomend te motiveren.

4. De domeinspecifieke leerresultaten en de naamgeving van de opleiding 4.1. Domeinspecifieke leerresultaten Het dossier dient de door de opleiding voorgestelde domeinspecifieke leerresultaten te bevatten (indien de validatie nog niet heeft plaatsgehad –, opgesteld conform de handleiding van de hogeronderwijskoepels).– met vermelding van de stand van zaken van goedkeuring/validering door VLUHR/NVAO 4.1.A. Beschrijving van de domeinspecifieke leerresultaten eigen aan de voorgestelde nieuwe opleiding. Indien het dossier een bestaande opleiding betreft, evenwel nieuw aan een instelling, en waarvan de domeinspecifieke leerresultaten reeds door de NVAO gevalideerd zijn, moeten deze overgenomen worden. Indien het dossier een in Vlaanderen nieuwe opleiding betreft, of indien de domeinspecifieke leerresultaten van een reeds bestaande opleiding nog niet door de NVAO gevalideerd zijn, dan moeten de domeinspecifieke leerresultaten opgesteld zijn conform de handleiding van de hogeronderwijskoepels c.q. referentiekader in het jongste visitatierapport; 4.1.B. Vermeld indien van toepassing de opleidingsspecifieke leerresultaten. 4.2. Naamgeving van de gevraagde nieuwe opleiding Het dossier motiveert de naamgeving van de gevraagde opleiding en de transparantie hiervan en houdt hiermee zeker rekening met de argumentatie die gebruikt wordt bij de invulling van punt 5 Een inschatting van de mate van verwevenheid en verwantschap van de nieuwe opleiding ten aanzien van het bestaande aanbod.

5. Een inschatting van de mate van verwevenheid en verwantschap van de nieuwe opleiding ten aanzien van het bestaande aanbod Geef een situering van de voorgestelde opleiding in het bestaande aanbod op instellingsniveau, associatie- en binnen Vlaanderen, met aanduiding van differentiĂŤring tegenover / verwevenheid t.a.v. andere gelijkaardige of verwante opleidingen. Geef een situering van de DRL van de gevraagde opleiding t.o.v. de DRL van het bestaande aanbod en geef hierbij bijzondere aandacht aan de DRL van verwante opleidingen. M.a.w. Geef aan of de leerresultaten en het curriculum van de gevraagde opleiding al dan niet overlappen met deze van andere opleidingen. Dit


moet toelaten te besluiten of de gevraagde opleiding t.o.v. bestaande opleidingen ‘nauwelijks’(in hoge mate vernieuwend en uniek), ‘beperkt’(verwevenheid is minder dan de helft), ‘sterk’(verwevenheid is meer dan de helft) verwant is; of dat de gevraagde opleiding de facto reeds bestaat in Vlaanderen.

6. De inhoud van het advies van de VLIR of de VLHORA, met aandacht voor de regionale spreiding en wenselijke fijnmazigheid van het aanbod Niet van toepassing voor aanvragen van andere ambtshalve instellingen. 6.A.. Het advies van VLIR/VLHORA geeft aan waarom de opleiding hetzij moet worden gezien als relatief nieuw en uniek binnen het hogeronderwijslandschap, hetzij reeds als bestaand in dezelfde of een verwante vorm. 6.B. In geval van een bestaande opleiding motiveert de VLIR of de VLHORA waarom meerdere instellingen die opleiding kunnen aanbieden, daarbij rekening houdend met de regionale spreiding en wenselijke fijnmazigheid van het aanbod.

***** INDIEN DE AANVRAAG VOOR MACODOELMATIGHEID TEVENS EEN AANVRAAG BETREFT TOT VRIJSTELLING VAN DE VERPLICHTE AFBOUW VAN EEN INITIËLE BACHELOR- OF MASTEROPLEIDING TOONT EN MOTIVEERT HET DOSSIER OMSTANDIG HOE DE VOLGENDE DECRETALE ELEMENTEN WORDEN INGEVULD:

1. DE GRAAD VAN INTERNE RATIONALISATIE BINNEN DE INSTELLING 1.A. Geef een overzicht van de reeds genomen initiatieven van interne rationalisatie met een omstandige verantwoording van de laatste 10 jaren;

1.B. Toon de graad van interne rationalisatie aan door de gemiddelde schaalgrootte van de bestaande initiële bachelor- en masteropleidingen, uitgedrukt als ratio tussen het aantal georganiseerde initiële bachelor- en masteropleidingen en het gemiddeld aantal opgenomen studiepunten in die opleidingen over de academiejaren t-7 en t-2 te bekijken. 2. DE GRAAD VAN SATURATIE IN HET BETREFFENDE OPLEIDINGSDOMEIN 2.A.Situeer de gevraagde nieuwe opleiding in het bestaande aanbod van gelijkaardige en/of verwante opleidingen in het opleidingsdomein.

2.B. Het dossier geeft aan dat de opleiding reeds bestaat in dezelfde of een verwante vorm en verantwoordt van hieruit de aanvraag voor de nieuwe opleiding.


3. HET INNOVATIEVE OF UNIEKE KARAKTER VAN DE VOORGESTELDE OPLEIDING 3.A. Het dossier geeft aan en verantwoordt waarom de gevraagde opleiding moet worden gezien als -relatief- nieuw en uniek binnen het hogeronderwijslandschap. 4. IN VOORKOMEND GEVAL, HET VERZELFSTANDIGEN VAN EEN AFSTUDEERICHTING 4.A. Het dossier geeft aan hoe de gevraagde verzelfstandigde afstudeerrichting zich als nieuwe opleiding zal verhouden tot verwante opleidingen in het bestaande opleidingsaanbod

5. IN VOORKOMEND GEVAL, DE INITIËLE BACHELOR- OF MASTEROPLEIDINGEN DIE DE INSTELLING IN HET VERLEDEN HEEFT AFGEBOUWD 5.A. Geef een overzicht van de laatste 10 jaren. 6. DE UITBOUW VAN HET AANBOD VAN GRADUAATSOPLEIDINGEN EN DE AFSTEMMING ERVAN OP DE PROFESSIONELE BACHELOROPLEIDINGEN 6.A. Situeer de aanvraag binnen hogervermeld aanbod. ************


Bijlage 5:

Uittreksel uit de Codex Hoger Onderwijs betreffende de taalregeling in het hoger onderwijs


Codex Hoger Onderwijs: taalregeling hoger onderwijs Hoofdstuk 8 Taalregeling Afdeling 1 Algemene bepaling Artikel II.260. (01/10/2013- ...) De bestuurstaal in de hogescholen en universiteiten is het Nederlands. [Afdeling 1/1 Onderwijstaal in graduaatsopleidingen (ing. decr. 4 mei 2018, art. 142, I: 1 september 2019)] Artikel II.260/1. (01/09/2019- ...) § 1. De onderwijstaal in de graduaatsopleidingen is het Nederlands. In de graduaatsopleidingen kan evenwel een andere onderwijstaal dan het Nederlands worden gebruikt, conform de bepalingen in deze afdeling. Als een instelling gebruik wil maken van die mogelijkheid, moeten de waarborgen inzake kwaliteit en democratisering, vermeld in artikel II.270 en II.271, vervuld zijn voorafgaand aan de start van de opleiding. § 2. Een instelling kan in de volgende gevallen beslissen dat in graduaatsopleidingen voor opleidingsonderdelen een andere onderwijstaal dan het Nederlands wordt gebruikt : 1° de opleidingsonderdelen die een vreemde taal tot onderwerp hebben en die in die taal worden gedoceerd; 2° de opleidingsonderdelen die gedoceerd worden door anderstalige gastprofessoren; 3° de anderstalige opleidingsonderdelen die, op initiatief van de student en met instemming van de instelling, worden gevolgd aan een andere instelling voor hoger onderwijs; 4° de opleidingsonderdelen waar uit de expliciet gemotiveerde beslissing de meerwaarde voor de studenten en het afnemende veld en de functionaliteit voor de opleiding blijkt. § 3. De omvang van de opleidingsonderdelen, uitgedrukt in studiepunten, aangeboden in een andere onderwijstaal dan het Nederlands in het modeltraject van die opleiding mag niet hoger zijn dan 18,33% van de totale omvang van de in die opleiding aangeboden opleidingsonderdelen, uitgedrukt in studiepunten, in het modeltraject. § 4. Voor de berekening van de grenzen, vermeld in paragraaf 3, worden de opleidingsonderdelen, vermeld in paragraaf 2, 1° en 3°, niet meegeteld. Afdeling 2 Onderwijstaal in initiële bachelor- en masteropleidingen Artikel II.261. (01/10/2013- ...) §1. De onderwijstaal in de hogescholen en universiteiten is het Nederlands. In de initiële bachelor-en masteropleidingen kan evenwel een andere onderwijstaal dan het Nederlands worden gebruikt, conform de bepalingen in deze afdeling. Als een instelling gebruik wil maken van die mogelijkheid, moeten de waarborgen inzake kwaliteit en democratisering, vermeld in artikel II.270 en II.271 vervuld zijn voorafgaand aan de start van de opleiding. §2. Een instelling kan in de volgende gevallen beslissen dat in initiële bachelor-en masteropleidingen voor opleidingsonderdelen een andere onderwijstaal dan het Nederlands wordt gebruikt: 1° de opleidingsonderdelen die een vreemde taal tot onderwerp hebben en die in die taal worden gedoceerd;


2° de opleidingsonderdelen die gedoceerd worden door anderstalige gastprofessoren; 3° de anderstalige opleidingsonderdelen die, op initiatief van de student en met instemming van de instelling, worden gevolgd aan een andere instelling voor hoger onderwijs; 4° de opleidingsonderdelen waar uit de expliciet gemotiveerde beslissing de meerwaarde voor de studenten en het afnemende veld en de functionaliteit voor de opleiding blijkt. §3. Een anderstalige initiële bacheloropleiding is een initiële bacheloropleiding waarvan de omvang van de opleidingsonderdelen, uitgedrukt in studiepunten, aangeboden in een andere onderwijstaal dan het Nederlands in het modeltraject van die opleiding hoger is dan 18,33% van de totale omvang van de in die opleiding aangeboden opleidingsonderdelen, uitgedrukt in studiepunten, in het modeltraject. Een anderstalige intiële masteropleiding is een initiële masteropleiding waarvan de omvang van de opleidingsonderdelen, uitgedrukt in studiepunten, aangeboden in een andere onderwijstaal dan het Nederlands in het modeltraject van die opleiding hoger is dan 50% van de totale omvang van de in die opleiding aangeboden opleidingsonderdelen, uitgedrukt in studiepunten, in het modeltraject. §4. Voor de berekening van de grenzen, vermeld in paragraaf 3, worden de opleidingsonderdelen, vermeld in paragraaf 2, 1° en 3°, met meegeteld. §5. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, wordt het onderwijs in de professioneel gerichte bacheloropleiding in de scheepswerktuigkunde en de academisch gerichte bachelor- en masteropleiding in de nautische wetenschappen in het Nederlands en het Frans gegeven Artikel II.262. (01/10/2013- ...) §1. Een instelling kan enkel een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding aanbieden als het om opleidingsprogramma's gaat die specifiek voor buitenlandse studenten zijn ontworpen of als de meerwaarde voor de studenten en het afnemende veld en de functionaliteit voor de opleiding op voldoende wijze aangetoond kunnen worden. §2. De instelling kan een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding aanbieden op voorwaarde dat er in de Vlaamse Gemeenschap een equivalente initiële bachelor- of masteropleiding wordt aangeboden waarbij de student een opleidingstraject volledig in het Nederlands kan volgen. De opleidingsonderdelen, vermeld in artikel II.261, §2, 1° en 3°, worden hierbij buiten beschouwing gelaten. Behoudens in de gevallen dat er een vrijstelling van de equivalentievoorwaarde werd verleend, moeten de studenten op elk moment de garantie hebben dat er binnen de Vlaamse Gemeenschap een equivalente initiële bachelor-of masteropleiding wordt aangeboden. De instellingen kunnen de equivalente initiële bachelor-of masteropleiding aanbieden als een gezamenlijk georganiseerde opleiding. Alle opleidingsonderdelen van deze gezamenlijk georganiseerde equivalente bachelor- of masteropleiding worden door de studenten op 1 vestiging gevolgd. De voorwaarde vermeld in het derde lid is niet van toepassing op de volgende opleidingen: 1° de equivalente opleiding master in de ingenieurswetenschappen, fotonica, gezamenlijk aangeboden door de Universiteit Gent en de Vrije Universteit Brussel; 2° de equivalente opleiding master in de geografie, gezamenlijk aangeboden door de Katholieke Universiteit Leuven en de Vrije Universiteit Brussel; 3° de gezamenlijk georganiseerde equivalente opleidingen die van de Commissie Hoger Onderwijs de toelating hebben gekregen om het volgen van de onderwijsactiviteiten te spreiden over meer dan 1 vestiging. De aanvragen tot afwijking worden door de Commissie Hoger Onderwijs behandeld overeenkomstig de procedure beschreven in artikel II.263;


4° de equivalente opleiding master in de ingenieurswetenschappen : biomedische ingenieurstechnieken, gezamenlijk aangeboden door de Universiteit Gent en de Vrije Universiteit Brussel. De instelling kan in het kader van de procedure, vermeld in artikel II.264, een vrijstelling van de equivalentievoorwaarde aanvragen. Artikel II.263. (01/09/2019- ...) §1. Als een instelling een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding wil aanbieden, dient ze een aanvraag in bij de Commissie Hoger Onderwijs. De aanvragen en het bijbehorende dossier worden ingediend: 1° in het geval het een bestaande initiële bachelor- of masteropleiding betreft, uiterlijk op 1 oktober van het academiejaar dat voorafgaat aan het academiejaar waarin de anderstalige initiële bachelor- of master georganiseerd zal worden; 2° in het geval het een nieuwe initiële bachelor- of masteropleiding betreft zoals vermeld in artikel II.150, samen met het aanvraagdossier macrodoelmatigheid nieuwe opleiding zoals vermeld in artikel II.153, § 2. §2. De Commissie Hoger Onderwijs brengt een oordeel uit op basis van de volgende criteria waaraan cumulatief voldaan moet worden : 1° binnen de Vlaamse Gemeenschap wordt een equivalente initiële bachelor- of masteropleiding aangeboden als vermeld in artikel II.262, § 2, tenzij er een positief oordeel is van de Commissie Hoger Onderwijs of een positieve beslissing van de Vlaamse Regering over de vrijstelling van de equivalentievoorwaarde, vermeld in artikel II.264; 2° de aanwezigheid van voldoende garanties inzake kwaliteit en democratisering, vermeld in artikel II.270 en II.271; 3° de aanwezigheid van een verantwoording die de meerwaarde voor de student en het afnemende veld en de functionaliteit voor de opleiding aantoont; 4° de naleving van het maximumpercentage van 6% c.q 35%, vermeld in artikel II.266, op basis van het overzicht van de anderstalige initiële bachelor- c.q masteropleidingen die in het lopende academiejaar worden aangeboden. § 3. De Commissie Hoger Onderwijs brengt haar oordeel uit: 1° in het geval het een bestaande initiële bachelor- of masteropleiding betreft, uiterlijk op 31 januari van hetzelfde academiejaar; 2° in het geval het een nieuwe initiële bachelor- of masteropleiding betreft, samen met het oordeel over de macrodoelmatigheid van de opleiding zoals vermeld in artikel II.153, § 3. De Commissie Hoger Onderwijs bezorgt haar oordeel aan het instellingsbestuur en aan de Vlaamse Regering. Bij een negatief oordeel van de Commissie Hoger Onderwijs kan de instelling binnen een vervaltermijn van 15 kalenderdagen die ingaat op de dag na ontvangst van de beslissing van de Commissie Hoger Onderwijs, beroep instellen bij de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering neemt een beslissing binnen een vervaltermijn van 30 kalenderdagen die ingaat op de dag na ontvangst van het beroepschrift. Bij een positief oordeel van de Commissie Hoger Onderwijs, tenzij de Vlaamse Regering binnen een vervaltermijn van 45 kalenderdagen alsnog negatief oordeelt, of bij een positieve beslissing van de Vlaamse Regering: 1° krijgt de instelling in het geval het een bestaande initiële bachelor- of masteropleiding betreft, van rechtswege de toelating om de anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding te organiseren; 2° vraagt de instelling in het geval het een nieuwe initiële bachelor- of masteropleiding betreft, de toets nieuwe opleiding aan bij de accreditatieorganisatie, binnen een vervaltermijn van 15


kalenderdagen, die ingaat de dag na het verstrijken van de vervaltermijn van 45 kalenderdagen na het positief oordeel van de Commissie Hoger Onderwijs. Indien de Commissie Hoger Onderwijs geen oordeel velt uiterlijk op de data vermeld in deze paragraaf of indien de Vlaamse Regering geen beslissing neemt naar aanleiding van een beroepschrift op de in deze paragraaf vastgestelde momenten, wordt het oordeel of de beslissing geacht negatief te zijn. §4. Als het aantal positieve beoordelingen zou kunnen leiden tot een overschrijding van de maximumpercentages, vermeld in artikel II.266, legt de Commissie Hoger Onderwijs de beoordeelde dossiers voor aan de Vlaamse Regering, samen met een ranglijst. De Vlaamse Regering neemt in voorkomend geval de beslissing. In geval de Vlaamse Regering afwijkt van de ranglijst voorgesteld door de Commissie Hoger Onderwijs, geeft ze in haar beslissing de redenen daarvoor aan. Artikel II.264. (01/09/2019- ...) § 1. Een instelling of meerdere instellingen samen kan/kunnen bij de Commissie Hoger Onderwijs een aanvraag tot vrijstelling van de equivalentievoorwaarde indienen voor een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding. Deze aanvraag, samen met het bijhorende dossier, wordt bij de Commissie Hoger Onderwijs ingediend: 1° samen met de aanvraag voor een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding overeenkomstig de voorschriften vastgelegd in artikel II.263; ofwel 2° in het geval van een bestaande equivalente opleiding uiterlijk op 1 oktober van het academiejaar voorafgaand aan het academiejaar waarop de instelling(en) de betrokken equivalente opleiding wil(len) stopzetten. Het aanvraagdossier stelt de Commissie Hoger Onderwijs in staat de toetsing aan de criteria, vermeld in paragraaf 2, uit te voeren. Samen met het aanvraagdossier wordt aan de Commissie Hoger Onderwijs een advies bezorgd van de VLIR, voor de aanvragen van de universiteiten, of de VLHORA, voor de aanvragen van de hogescholen, over de gevraagde vrijstelling van de equivalentievoorwaarde. Als het advies van de VLIR of de VLHORA niet opgenomen is in het aanvraagdossier dat aan de Commissie Hoger Onderwijs wordt bezorgd, verklaart de Commissie Hoger Onderwijs de aanvraag voor de opleiding in kwestie onontvankelijk. De Commissie Hoger Onderwijs kan binnen een termijn van 15 dagen aan de VLIR of de VLHORA verduidelijkingen vragen over het door hen geleverde advies. § 2. De Commissie Hoger Onderwijs brengt een oordeel uit over de aanvraag van vrijstelling van de equivalentievoorwaarde op basis van de volgende criteria, waaraan cumulatief voldaan moet worden : 1° de anderstalige opleiding is internationaal georiënteerd, doordat : a) het beheersen van algemene en specifieke beroepsgerichte competenties, samen met de vakinhoudelijke competenties niet kan worden bereikt in een Nederlandstalige opleiding; b) de afgestudeerden in hoofdzaak op de internationale arbeidsmarkt terechtkomen; 2° de opleiding heeft geen betrekking op het erfgoed van de Nederlandse taal of cultuur, of de afgestudeerden van de opleiding komen niet in hoge mate in aanraking met Nederlandstalige burgers; 3° de aanwezige expertise en capaciteit in Vlaanderen is te beperkt om een dubbel aanbod te creëren. In het geval het een aanvraag als vermeld in artikel II.264, § 1, eerste lid, 2°, betreft, geldt naast de criteria, vermeld in het eerste lid, als bijkomend criterium dat het aantal studenten in de Nederlandstalige opleiding onvoldoende is om een dubbel aanbod te creëren. De Commissie Hoger Onderwijs onderzoekt expliciet alle criteria, omschrijft per criterium haar bevindingen, antwoordt op alle argumenten die worden aangebracht in het aanvraagdossier en in het advies van de VLIR de VLHORA, en motiveert haar positieve of negatieve oordeel over het


ingediende dossier. § 3. De Commissie Hoger Onderwijs brengt haar oordeel uit : 1° als de aanvraag van vrijstelling van de equivalentievoorwaarde samen ingediend wordt met een aanvraag van een anderstalige opleiding voor een bestaande initiële bachelor- of masteropleiding : samen met het oordeel, vermeld in artikel II.263, § 3, eerste lid, 1° ; 2° als de aanvraag van vrijstelling van de equivalentievoorwaarde samen ingediend wordt met een aanvraag van een anderstalige opleiding voor een nieuwe initiële bachelor- of masteropleiding : samen met het oordeel, vermeld in artikel II.263, § 3, eerste lid, 2° ; 3° als de aanvraag van vrijstelling van de equivalentievoorwaarde betrekking heeft op de afbouw of stopzetting van een bestaande equivalente opleiding : uiterlijk op 31 januari van het academiejaar dat voorafgaat aan het academiejaar waarin de equivalente opleiding wordt afgebouwd of stopgezet. De Commissie Hoger Onderwijs bezorgt haar oordeel aan het instellingsbestuur en aan de Vlaamse Regering. Bij een negatief oordeel van de Commissie Hoger Onderwijs kan de instelling binnen een vervaltermijn van 15 dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van de beslissing van de Commissie Hoger Onderwijs, beroep instellen bij de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering neemt een beslissing binnen een vervaltermijn van 30 dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van het beroepschrift. Bij een positief oordeel van de Commissie Hoger Onderwijs, tenzij de Vlaamse Regering binnen een vervaltermijn van 45 dagen, die ingaat op de dag waarop de Commissie Hoger Onderwijs haar oordeel aan de Vlaamse Regering bezorgt, alsnog negatief oordeelt, of bij een positieve beslissing van de Vlaamse Regering, wordt voor de anderstalige bachelor- of masteropleiding die in het aanvraagdossier is vermeld, van rechtswege een vrijstelling van equivalentie verleend : 1° in het geval het een bestaande initiële bachelor- of masteropleiding betreft : na het positief doorlopen van de procedure, vermeld in artikel II.263; 2° in het geval het een nieuwe initiële bachelor- of masteropleiding betreft : na het positief doorlopen van de programmatieprocedure, vermeld in artikel II.153. Als de Commissie Hoger Onderwijs geen oordeel velt uiterlijk op de data, vermeld in deze paragraaf, of als de Vlaamse Regering geen beslissing neemt naar aanleiding van een beroepschrift op de momenten, vermeld in deze paragraaf, wordt het oordeel of de beslissing geacht negatief te zijn. Artikel II.265. (01/09/2017- ...) § 1. In afwijking van artikel II.262, § 2, kan het instellingsbestuur vrij initiële anderstalige bachelorof masteropleidingen aanbieden enkel en alleen als het gaat om : 1° opleidingsprogramma's die specifiek in het kader van het International Course Programme van ontwikkelingssamenwerking voor buitenlandse studenten zijn ontworpen; 2° anderstalige initiële bachelor- of masteropleidingen die geselecteerd zijn overeenkomstig de bepalingen van een Europees programma ter bevordering van de internationale samenwerking in het hoger onderwijs en waarbinnen multidiplomering of gezamenlijke diplomering wordt vooropgesteld; 3° onderzoeksmasters, vermeld in artikel II.157. Voor de opleidingen, vermeld in punt 1° en 2°, loopt deze afwijking door wanneer de opleiding na afloop van de erkenning wordt voortgezet. §2. In afwijking van artikel II.262, §2, kan de Vlaamse Regering een lijst opstellen van anderstalige initiële bachelor- of masteropleidingen of van anderstalige afstudeerrichtingen van initiële bachelor- of masteropleidingen die in het kader van een School of Arts worden aangeboden, waarbij niet moet voorzien worden in een equivalente opleiding.


§3. In afwijking van artikel II.262, §2, kan een instelling voor een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding die gezamenlijk wordt georganiseerd met een instelling buiten de Vlaamse Gemeenschap een afwijking van de equivalentieregel vragen bij de Vlaamse Regering. De instelling dient daartoe een aanvraag in uiterlijk op 1 maart van het academiejaar voorafgaand aan het academiejaar dat de instelling de gezamenlijke anderstalige opleiding voor het eerst wil organiseren. In het aanvraagdossier geeft de instelling duidelijk aan dat de gezamenlijke anderstalige opleiding een gezamenlijk programma bevat, bekrachtigd wordt met een gezamenlijk diploma en dat de expertise van de opleidingsonderdelen die buiten de Vlaamse Gemeenschap georganiseerd worden, niet in Vlaamse Gemeenschap aanwezig is. De Vlaamse Regering neemt een beslissing uiterlijk op 1 juni van hetzelfde academiejaar. Afdeling 3 Anderstalig aanbod Artikel II.266. (01/10/2013- ...) §1. Anderstalige initiële bacheloropleidingen kunnen aangeboden worden binnen een maximumpercentage van 6%, berekend op alle initiële bacheloropleidingen, rekening houdend met de in dit artikel bepaalde voorschriften. Anderstalige initiële masteropleidingen kunnen aangeboden worden binnen een maximumpercentage van 35%, berekend op alle initiële masteropleidingen, rekening houdend met de in dit artikel bepaalde voorschriften. Bij de bepaling van de breuk wordt geen rekening gehouden met de opleidingen, vermeld in artikel II.265. Bij de bepaling van de breuk wordt voor een opleiding die door een instelling aangeboden wordt in verschillende vestigingen, het aantal vestigingen waar de opleiding aangeboden wordt, zowel geteld in de teller als in de noemer. Bij de bepaling van de noemer van de breuk worden gezamenlijk georganiseerde opleidingen slechts eenmaal geteld. Bij de bepaling van de teller van de breuk wordt voor de anderstalige initiële bacheloropleidingen rekening gehouden met : 1° de anderstalige initiële bacheloropleidingen, als vermeld in artikel II.261, §3; 2° de in het academiejaar 2012-2013 aangeboden anderstalige bacheloropleidingen met taalequivalent, voor zover deze nog aangeboden worden in het desbetreffende academiejaar; 3° de initiële bacheloropleidingen die overeenkomstig artikel II.268 beschouwd worden als een anderstalige initiële bacheloropleiding. Bij de bepaling van de teller van de breuk wordt voor de anderstalige initiële masteropleidingen rekening gehouden met: 1° de anderstalige initiële masteropleidingen, als vermeld in artikel II.261, §3; 2° de in het academiejaar 2012-2013 aangeboden anderstalige masteropleidingen met taalequivalent, voor zover deze nog aangeboden worden in het desbetreffende academiejaar; 3° de in het academiejaar 2012-2013 aangeboden anderstalige initiële masteropleidingen, als vermeld in paragraaf 2, voor zover deze nog aangeboden worden in het desbetreffende academiejaar; 4° de initiële masteropleidingen die overeenkomstig artikel II.268 beschouwd worden als een anderstalige initiële masteropleiding. §2 De Vlaamse Regering bepaalt het percentage van de omvang aan opleidingsonderdelen, uitgedrukt in studiepunten, aangeboden in een andere onderwijstaal dan het Nederlands in de in het academiejaar 2012-2013 aangeboden initiële masteropleidingen als voorwaarde om als


anderstalige initiële masteropleiding beschouwd te worden voor de toepassing van de bepaling van het maximumpercentage van 35%. Het vast te stellen percentage ligt tussen 50% en 66%. Afdeling 4 Postinitiële opleidingen Artikel II.267. (01/10/2013- ...) De instelling bepaalt vrij de onderwijstaal in de bachelor-na-bacheloropleidingen, de master-namasteropleidingen, de postgraduaatsopleidingen en in de onderwijs- en andere studieactiviteiten die in het kader van permanente vorming als nascholing of bijscholing worden georganiseerd.

Afdeling 5 Monitoring van het anderstalige aanbod Artikel II.268. (01/10/2013- ...) §1. De Vlaamse Regering maakt jaarlijks een evaluatie van: 1° de verhouding van de omvang van het aantal aangeboden anderstalige opleidingsonderdelen, uitgedrukt in studiepunten, ten opzichte van de totale omvang van het aantal aangeboden opleidingsonderdelen, uitgedrukt in studiepunten, in de niet-anderstalige initiële bachelor- en masteropleidingen; 2° het aandeel van de omvang van anderstalige opleidingsonderdelen, uitgedrukt in studiepunten, in het gevolgde opleidingstraject van afgestudeerden in de niet-anderstalige initiële bachelor- en masteropleidingen. §2. Als uit de evaluatie, vermeld in paragraaf 1, blijkt dat meer dan 33% van het aantal afgestudeerden in een niet-anderstalige initiële bachelor- c.q. masteropleiding meer dan 18,33% c.q. 50% van hun studiepunten verworven hebben in opleidingsonderdelen in een andere taal dan het Nederlands, dan wordt deze opleiding beschouwd als een anderstalige initiële bachelorof masteropleiding. Als uit de evaluatie, vermeld in paragraaf 1, blijkt dat gedurende 2 opeenvolgende academiejaren ten minste 25% en ten hoogste 33% van het aantal afgestudeerden in een niet-anderstalige initiële bachelor- c.q. masteropleiding meer dan 18,33% c.q. 50% van hun studiepunten verworven hebben in opleidingsonderdelen in een andere taal dan het Nederlands, dan wordt deze opleiding beschouwd als een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding. Voor de berekening van de grenzen van 18,33% c.q. 50% worden de opleidingsonderdelen vermeld in artikel II.261, §2, 1° en 3°, niet meegerekend. §3. Vanaf het academiejaar volgend op het academiejaar waarin de resultaten van de evaluatie beschikbaar zijn, moet de instelling een equivalente initiële bachelor- of masteropleiding aanbieden. Deze equivalente opleiding komt gedurende 3 academiejaren niet in aanmerking als enige equivalente opleiding in de Vlaamse Gemeenschap, als vermeld in artikel II.262. Van deze voorwaarde kan afgeweken worden als de Commissie Hoger Onderwijs, op basis van een aanvraag van de instelling, oordeelt dat een dergelijke curriculumopbouw in de toekomst niet langer mogelijk is De eerste evaluatie heeft betrekking op de afgestudeerden in het academiejaar 2013-2014 voor de masteropleidingen met een studieomvang van 60 studiepunten en op de afgestudeerden in het academiejaar 2014-2015 voor de masteropleidingen met een studieomvang van meer dan 60 studiepunten. Voor de bacheloropleidingen heeft de eerste evaluatie betrekking op de afgestudeerden in het academiejaar 2015-2016.


Artikel II.269. (01/10/2013- ...) De Vlaamse Regering houdt een bestand bij van het aantal initiële bachelor- en masteropleidingen en van het aantal anderstalige initiële bachelor- en masteropleidingen. De Vlaamse Regering rapporteert daarover jaarlijks aan het Vlaams Parlement. Afdeling 6 Voorwaarden inzake kwaliteit en democratisering Artikel II.270. (01/09/2017- ...) §1. Elk lid van het onderwijzend personeel en van het academisch personeel, belast met een onderwijsopdracht, moet de onderwijstaal waarin hij een opleidingsonderdeel doceert op adequate wijze beheersen. Dit betekent dat het personeelslid die taal moet beheersen op het ERK-niveau C1. Dit vereiste beheersingsniveau van de onderwijstaal wordt aangetoond aan de hand van kwalificatiegetuigschriften uitgereikt door officieel erkende instellingen waaruit blijkt dat het personeelslid de onderwijstaal op het vereiste niveau beheerst. Het vereiste beheersingsniveau wordt vermoed aanwezig te zijn als het betrokken personeelslid een diploma secundair onderwijs of een bachelor- of masterdiploma of doctoraat behaald heeft in de onderwijstaal waarin hij doceert, in een instelling waarin die taal de onderwijstaal is. In afwijking van het tweede lid is voor een personeelslid dat doceert in een opleiding in het studiegebied Muziek en podiumkunsten of Audiovisuele en beeldende kunst de beheersing van het Frans of Engels op ERK-niveau B1 voldoende. Aan de voorwaarden vermeld in deze paragraaf moet voldaan zijn vóór 15 februari 2015. §2. Elk lid van het onderwijzend personeel en van het academisch personeel, belast met een onderwijsopdracht, dat geen opleidingsonderdelen in het Nederlands doceert, moet de Nederlandse taal beheersen op ERK-niveau B2. Het instellingsbestuur voorziet een verplicht integratietraject dat garandeert dat het personeelslid na twee jaar minstens de Nederlandse taal beheerst op ERK-niveau A2, dat wordt afgesloten met het vereiste beheersingsniveau op ERKniveau B2, en dat door het betrokken personeelslid wordt afgerond binnen de vijf jaar na zijn aanstelling of op het moment van zijn benoeming. Het vereiste beheersingsniveau van de Nederlandse taal wordt aangetoond aan de hand van kwalificatiegetuigschriften uitgereikt door officieel erkende instellingen waaruit blijkt dat het personeelslid de Nederlandse taal op het vereiste niveau beheerst. Het vereiste beheersingsniveau van de Nederlandse taal wordt vermoed aanwezig te zijn als het betrokken personeelslid een Nederlandstalig bachelor- of masterdiploma of doctoraat behaald heeft in een niet-anderstalige opleiding. §3. De instellingen voorzien voor de leden van het onderwijzend personeel en van het academisch personeel in aangepaste voorzieningen, waaronder een toegankelijk en behoeftedekkend aanbod van Nederlandstalige en anderstalige taalcursussen en taalbegeleidingsmaatregelen. Artikel II.271. (01/09/2019- ...) §1. Met behoud van de toepassing van het bepaalde in artikel II.193 en II.194, voorziet de instelling in de mogelijkheid dat studenten die een initiële graduaats-, bachelor- of masteropleiding volgen met anderstalige opleidingsonderdelen of een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding, hun taalkennis van deze andere taal kunnen testen. De instelling voorziet in het opleidingsprogramma van initiële graduaats-, bachelor- of masteropleidingen met anderstalige opleidingsonderdelen of van anderstalige initiële bachelor- of masteropleidingen in taalbegeleidingsmaatregelen. Deze taalbegeleidingsmaatregelen kunnen bestaan uit:


1° taalopleidingsonderdelen (met inbegrip van taalvakken) die aangeboden worden binnen het pakket van verplichte opleidingsonderdelen of als een verplicht keuzevak; 2° taalbegeleidingsmaatregelen die geïntegreerd worden in de anderstalige opleidingsonderdelen. Deze taalbegeleidingsmaatregelen voorzien in een actieve begeleiding van de studenten en zijn als dusdanig voor de studenten duidelijk herkenbaar in het opleidingsonderdeel. Van deze voorwaarde kan afgeweken worden in de volgende gevallen: 1° als in het geval van een aansluitende masteropleiding de taalbegeleidingsmaatregelen opgenomen zijn in de voorafgaande bacheloropleiding; 2° als in het geval van een niet-aansluitende masteropleiding de taalbegeleidingsmaatregelen opgenomen zijn in het voorbereidingsprogramma of in het schakelprogramma. §2. De instellingen voorzien voor studenten in aangepaste voorzieningen, waaronder een kosteloos toegankelijk en behoeftedekkend aanbod van Nederlandstalige en anderstalige taalcursussen en taalbegeleidingsmaatregelen. §3. Studenten hebben het recht over een opleidingsonderdeel waarin een andere onderwijstaal dan het Nederlands wordt gebruikt en waarvoor in dezelfde opleiding geen equivalent in het Nederlands wordt gedoceerd, het examen in het Nederlands af te leggen, met uitzondering van de opleidingsonderdelen, vermeld in artikel II.261, §2, 1° en 3°. Deze regeling is niet van toepassing op anderstalige initiële bachelor- en masteropleidingen. Artikel II.272. (01/10/2013- ...) Het instellingsbestuur stelt een gedragscode op na raadpleging van de studenten en legt een taalregeling vast voor studenten en docenten in het onderwijs- en examenreglement.


Bijlage 6:

Sjabloon ‘Aanvraag voor het aanbieden van een anderstalige initiële bachelor- en/of masteropleiding’


Sjabloon aanvraag voor het aanbieden van een anderstalige initiële bachelor- en/of masteropleiding Decretale context De aanvraag voor het aanbieden van een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding kadert in de taalregeling hoger onderwijs, opgenomen in hoofdstuk 8 van titel 4 van de Codex Hoger Onderwijs. Artikel II. 263 stelt onder meer dat de hoger onderwijsinstellingen een aanvraag bij de Commissie Hoger Onderwijs moeten indienen als zij een anderstalige initiële bachelor- of masteropleidingen willen aanbieden. Definitie anderstalige initiële bachelor- en masteropleidingen (artikel II.261, § 3): Een anderstalige initiële bacheloropleiding is een initiële bacheloropleiding waarvan de omvang van de opleidingsonderdelen, uitgedrukt in studiepunten, aangeboden in een andere onderwijstaal dan het Nederlands in het modeltraject van die opleiding hoger is dan 18,33% van de totale omvang van de in die opleiding aangeboden opleidingsonderdelen, uitgedrukt in studiepunten, in het modeltraject. Een anderstalige initiële masteropleiding is een initiële masteropleiding waarvan de omvang van de opleidingsonderdelen, uitgedrukt in studiepunten, aangeboden in een andere onderwijstaal dan het Nederlands in het modeltraject van die opleiding hoger is dan 50% van de totale omvang van de in die opleiding aangeboden opleidingsonderdelen, uitgedrukt in studiepunten, in het modeltraject. Voor de berekening van de grenzen worden de volgende opleidingsonderdelen niet meegeteld: - de opleidingsonderdelen die een vreemde taal tot onderwerp hebben en die in die taal worden gedoceerd; - de anderstalige opleidingsonderdelen die, op initiatief van de student en met instemming van de instelling, worden gevolgd aan een andere instelling voor hoger onderwijs. Aanvraag Een aanvraag voor het aanbieden van een anderstalige initiële bachelor- en of masteropleiding heeft betrekking op: - de organisatie van een anderstalige initiële bachelor of masteropleiding, dit in het geval dat er binnen de instelling op het ogenblik van de aanvraag de niet-anderstalige initiële bachelorof masteropleiding aangeboden wordt; - een aanvraag voor een nieuwe opleiding binnen de instelling, in dit geval anderstalig. Dit kan een volledig nieuwe opleiding zijn binnen Vlaanderen, of een nieuwe opleiding binnen de instelling. Uiteraard moet hier de procedure nieuwe opleiding gevolgd worden (macrodoelmatigheid, toets nieuwe opleiding, erkenning Vlaamse Regering). De nieuwe anderstalige opleiding kan pas aangeboden worden als de Commissie Hoger Onderwijs een positief oordeel gegeven heeft over het aanbieden van de anderstalige opleiding en de gehele procedure nieuwe opleiding met succes doorlopen is. Het aanvraagdossier voor het aanbieden van een anderstalige opleiding wordt dan ook toegevoegd aan het aanvraagdossier macrodoelmatigheid.


Modaliteiten van indiening Aanvragen worden per aangetekend schrijven of drager en elektronisch ingediend bij: Commissie Hoger Onderwijs Peter Michielsens, voorzitter t.a.v. Beatrijs Craps, secretaris p.a. Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming Departement Onderwijs en Vorming Commissie Hoger Onderwijs Hendrik Consciencegebouw Koning Albert II-Laan 15, toren A 1210 BRUSSEL De aanvraag moet ingediend worden in drie exemplaren. Aanvragen moeten tegelijkertijd ook ingediend worden per mailbericht, te richten aan het secretariaat van de Commissie Hoger Onderwijs: beatrijs.craps@ond.vlaanderen.be Voor opleidingen die door meerdere instellingen gezamenlijk worden aangeboden, moet de aanvraag ondertekend worden namens alle aanbiedende instellingen of moet de instemming van alle instellingen blijken uit een schriftelijke bevestiging. •

•

Een aanvraag die betrekking heeft op de organisatie van een anderstalige initiële bachelor of masteropleiding, dit in het geval dat er binnen de instelling op het ogenblik van de aanvraag de niet-anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding aangeboden wordt, wordt ingediend uiterlijk op 1 oktober van het academiejaar voorafgaand aan het academiejaar waarop de instelling(en) de anderstalige opleiding willen organiseren. Een aanvraag voor een nieuwe opleiding binnen de instelling, in dit geval anderstalig, wordt samen met het macrodoelmatigheidsdossier ingediend, zoals vermeld in artikel II. 153, §2.

Inhoud van het dossier 1) Algemene gegevens 1.1 Contactgegevens a) naam van de instelling(en) b) adres van de instelling(en) – vestiging(en) waar de opleiding wordt georganiseerd c) naam en functie contactperso(o)n(en) d) tel nr. contactperso(o)n(en) e) e-mailadres van contactperso(o)n(en) 1.2. Gegevens opleiding f) aanvraag betreft: geef benaming van de gevraagde anderstalige opleiding, en van de bestaande equivalente niet-anderstalige opleiding, telkens met de afstudeerrichtingen g) aanvraag betreft:


-

de organisatie van een anderstalige initiële bachelor of masteropleiding, dit in het geval dat er binnen de instelling op het ogenblik van de aanvraag de niet-anderstalige initiële bachelorof masteropleiding aangeboden wordt; of - een nieuwe initiële bachelor- of masteropleiding, in dit geval anderstalig, waarbij de erkenningsprocedure “nieuwe opleiding” moet doorlopen worden; h) graad en kwalificatie van de anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding; i) graad en kwalificatie van de bestaande initiële bachelor- of masteropleiding die zal georganiseerd worden als een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding (indien van toepassing – 1ste en 2de streepje onder punt f); j) studieomvang van de anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding k) studieomvang van de bestaande initiële bachelor- of masteropleiding die zal georganiseerd worden als een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding (indien van toepassing – 1ste en 2de streepje onder punt f); l) academiejaar wanneer de anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding voor het eerst zal worden georganiseerd. 2) Criteria op basis waarvan de aanvraag beoordeeld wordt: 2.1 Opleidingsprogramma Voeg het vooropgestelde programma met de verschillende opleidingsonderdelen van de anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding toe, evenals het programma met de verschillende opleidingsonderdelen van de bestaande initiële bachelor- of masteropleiding4 die zal georganiseerd worden als een anderstalige opleiding. Toon aan de hand van de volgende tabel aan dat de aanvraagde anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding voldoet aan de decretale definitie van een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding (voor toelichting bij de verschillende kolommen zie bijlage). Studiegebied

vpl

graad en kwalificatie

officiële studieomvang

A. totale omvang

B. omvang anderstalige OO

C. omvang OO vreemde taal als onderwerp

D. omvang van de AOO gevolgd aan andere instelling

E. OO vrij te kiezen

% (B/A)

2.2. Motivering aanvraag: Toon aan dat de beoogde anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding een opleidingsprogramma is dat specifiek voor buitenlandse studenten is ontworpen (onder meer aan de hand van de instroom van buitenlandse studenten); en/ of Toon de meerwaarde aan voor het aanbieden van de anderstalige initiële bachelor- of master opleiding voor: o de studenten o het afnemend veld o de functionaliteit voor de opleiding Voeg toe (indien relevant): - het advies van de studentenraad (in overeenstemming met de bepalingen van de Codex Hoger Onderwijs, Titel 5. Rechtspositie en medezeggenschap van de student ) - het advies van de permanente opleidingscommissie 4

Dit laatste niet in het geval van een nieuwe opleiding


-

de resultaten van een raadpleging van en een validatie door het afnemend veld eventueel andere documenten die de meerwaarde aantonen voor het aanbieden van de anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding

2.3. Equivalente bachelor- of masteropleiding waarbij de student een opleidingstraject volledig in het Nederlands kan volgen (art. II. 262 §2) Indien de instelling tegelijkertijd een aanvraag indient tot vrijstelling van de equivalentievoorwaarde wordt het sjabloon “aanvraag tot vrijstelling van de equivalentievoorwaarde” ingevuld en toegevoegd aan het dossier. Equivalente opleiding: (niet in te vullen als er gelijktijdig een aanvraag tot vrijstelling van de equivalentievoorwaarde is ingediend of als de vrijstelling inzake equivalente opleiding verleend is door de Vlaamse Regering / Commissie Hoger Onderwijs) Gegevens • Graad en kwalificatie van de equivalente opleiding • Studieomvang van de equivalente opleiding • Wordt de equivalente opleiding gezamenlijk aangeboden: ja / neen • Instelling5(en) die de equivalente opleiding aanbieden • Vestiging(en) waar de opleidingsonderdelen van de equivalente opleiding door de studenten gevolgd worden Toon duidelijk aan dat een student in de equivalente opleiding een opleidingstraject volledig in het Nederlands kan volgen. In het geval de equivalente opleiding gezamenlijk wordt aangeboden en de opleidingsonderdelen door de studenten op meer dan één vestiging moeten gevolgd worden, motiveer de keuze om het volgen van de opleidingsonderdelen te spreiden over meer dan één vestiging. Toon duidelijk aan dat de spreiding van de opleidingsonderdelen over meerdere vestigingen de studeerbaarheid van de opleiding voor de studenten niet in het gedrang brengt. Elementen die hier in aanmerking kunnen genomen worden zijn het aantal verplaatsingen tussen de verschillende vestigingen, de bijkomende kosten voor studenten, het mogelijke tijdsverlies, …. Voeg het programma met de verschillende opleidingsonderdelen van de equivalente opleiding toe. Vrijstelling equivalente opleiding • • • •

Is er een vrijstelling inzake equivalente opleiding verleend door de Vlaamse Regering/ Commissie Hoger Onderwijs: ja / neen Indien ja – datum van het besluit/beslissing Commissie Hoger Onderwijs Is er een dossier inzake vrijstelling equivalentievoorwaarde ingediend bij de Commissie Hoger Onderwijs: ja / neen Is er – in het kader van een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding die gezamenlijk georganiseerd wordt met een instelling buiten de Vlaamse Gemeenschap - een aanvraag tot afwijking van de equivalentieregel ingediend bij de Vlaamse Regering: ja / neen

2.4. Garanties inzake kwaliteit en democratisering (art. II. 270 en 271) Dit is niet noodzakelijk de indienende instelling. De equivalente opleiding moet minstens 1 maal aangeboden worden in de Vlaamse Gemeenschap.

5


Onderwijzend/ academisch personeel: • •

•

toon aan dat het onderwijzend/ academisch personeel de onderwijstaal op een adequate wijze beheerst (overzicht van de personeelsleden met de behaalde attesten, diploma’s) toon aan welke maatregelen de instelling(en) bijkomend ne(e)m(t)(en) om te garanderen dat het onderwijzend/academisch personeel de onderwijstaal op een adequate wijze beheerst (in het kader van evaluaties door studenten, in het kader van kwaliteitszorg, ….) vermeld de voorzieningen inzake taalcursussen en taalbegeleidingsmaatregelen die de instelling (en) aanbied(t)(en) aan de leden van het onderwijzend/ academisch personeel .

Studenten: • • •

vermeld de mogelijkheden die de instelling aanbiedt om de taalkennis van de onderwijstaal te testen van de studenten die de anderstalige opleiding willen volgen; vermeld de taalbegeleidingsmaatregelen in het opleidingsprogramma van de aangevraagde opleiding, bij afwijking van deze maatregelen vermeld de reden; vermeld de aangepaste voorzieningen, waaronder kosteloos toegankelijk en behoeftedekkend aanbod van taalcursussen en –begeleidingsmaatregelen.


Bijlage Bepalen van een anderstalige opleiding (artikel II. 261 §3): A. Totale omvang: hier komt de totale omvang van de aangeboden opleidingsonderdelen, zowel van de Nederlandstalige als van de anderstalige opleidingsonderdelen, uitgedrukt in studiepunten. Het betreft hier niet de officiële studieomvang van een opleiding maar het totale aantal unieke opleidingsonderdelen, uitgedrukt in studiepunten, die de instelling in de desbetreffende opleiding aanbiedt en waaruit een student zijn studietraject kan samenstellen. Dit betekent dat zowel de verplichte opleidingsonderdelen meegenomen worden, als de keuzevakken die de instelling in de desbetreffende opleiding aanbiedt en dit in de verschillende afstudeerrichtingen/ opties/ majorsminors/….. In het geval een opleidingsonderdeel meermaals in het programma voorkomt (bijvoorbeeld als het in het onderwijsprogramma opgenomen is in 3 afstudeerrichtingen), wordt dit opleidingsonderdeel slechts één maal geteld (= uniek opleidingsonderdeel). De totale omvang van de opleidingsonderdelen, uitgedrukt in studiepunten, opgenomen in deze kolom is gelijk aan de omvang van de Nederlandstalige opleidingsonderdelen + de omvang van de anderstalige opleidingsonderdelen (kolom B) + de omvang van de anderstalige opleidingsonderdelen die een vreemde taal als onderwerp hebben (kolom C) + de omvang van de anderstalige opleidingsonderdelen die op initiatief van de student en met toestemming van de instelling worden gevolgd aan een andere hoger onderwijsinstelling (kolom D) + de omvang van de opleidingsonderdelen die in het programma opgenomen zijn als vrij te kiezen (kolom E). B. Omvang anderstalige OO: in deze kolom komt de omvang van de anderstalige opleidingsonderdelen, uitgedrukt in studiepunten. De opleidingsonderdelen die een vreemde taal tot onderwerp hebben (kolom C) en de anderstalige opleidingsonderdelen die op vraag van de student en met instemming van de instelling gevolgd worden aan een andere instelling (kolom D) worden hier niet meegenomen. Ook hier worden zowel de verplichte anderstalige opleidingsonderdelen als de anderstalige keuzevakken opgenomen die de instelling in de desbetreffende opleiding aanbiedt en waaruit de student zijn studietraject kan samenstellen. Anderstalige opleidingsonderdelen die meermaals opgenomen worden in het programma (bijvoorbeeld in 3 verschillende afstudeerrichtingen), worden slechts één maal meegerekend. C. Omvang OO vreemde taal als onderwerp: bij de definiëring van anderstalige opleidingen (artikel II. 261 §3) worden voor de berekening van de grenzen “de opleidingsonderdelen die een vreemde taal tot onderwerp hebben en die in die taal worden gedoceerd”, niet meegenomen. In deze kolom komt dan ook de omvang van deze opleidingsonderdelen, uitgedrukt in studiepunten. Ook hier worden de verplichte opleidingsonderdelen en de keuzevakken die de instelling aanbiedt in de desbetreffende opleiding meegenomen voor de berekening. Anderstalige opleidingsonderdelen met een vreemde taal als onderwerp die meermaals opgenomen worden in het programma (bijvoorbeeld in 3 verschillende afstudeerrichtingen), worden slechts één maal meegerekend. D. Omvang van de AOO gevolgd aan andere instelling: bij de definiëring van anderstalige opleidingen (artikel II. 261 §3) worden voor de berekening van de grenzen “de anderstalige opleidingsonderdelen die, op initiatief van de student en met instemming van de instelling, worden gevolgd aan een andere instelling voor hoger onderwijs”, evenmin meegenomen. Conform de decretale bepalingen is dit punt opgenomen in de tabel. Deze opleidingsonderdelen zijn in veel gevallen niet structureel als dusdanig opgenomen in het studieprogramma van een opleiding, maar zijn eerder afhankelijk van de keuze van de studenten. Als dat het geval is, wordt deze kolom voor de desbetreffende opleiding niet ingevuld.


De omvang van deze opleidingsonderdelen, uitgedrukt in studiepunten, wordt enkel opgenomen als dergelijke opleidingsonderdelen deel uitmaken van het programma van de opleiding. Enkele voorbeelden: In het programma is binnen een bepaalde afstudeerrichting/ optie/ major-minor opgenomen: “12 studiepunten aan een buitenlandse instelling op te nemen in het kader van een Erasmusuitwisseling”. Deze 12 studiepunten worden opgenomen in kolom D In het programma is bij de keuze opleidingsonderdelen opgenomen “Uitwisselingsprogramma Georgetown University – taal Engels – studiepunten 3”. Deze 3 studiepunten worden opgenomen in kolom D. E. OO vrij te kiezen: in een aantal opleidingen voorziet het studieprogramma dat de student een aantal vakken vrij kan kiezen binnen het globale opleidingsaanbod van de instelling of zelfs binnen een andere hogeronderwijsinstelling. In de studieprogramma’s wordt dit meestal aangeduid als “opleidingsonderdelen vrij te kiezen binnen de instelling” en wordt daar een aantal studiepunten aan gekoppeld. Het is in dat geval dan ook onmogelijk om een taal te koppelen aan deze “opleidingsonderdelen”, aangezien de student hier de keuzevrijheid heeft (hij kan zowel een Nederlandstalig opleidingsonderdeel als een anderstalig opleidingsonderdeel volgen). In deze kolom worden de studiepunten opgenomen van “de vrij te kiezen opleidingsonderdelen”. In het geval het studieprogramma de opleidingsonderdelen opsomt waaruit de student kan kiezen, met daaraan gekoppeld de studiepunten en de taal van de verschillende opleidingsonderdelen, dan valt dit in deze context niet onder de kolom “vrij te kiezen”, maar worden deze opleidingsonderdelen opgenomen in de andere kolommen, afhankelijk van de taal.


Bijlage 7:

Sjabloon ‘Aanvraag vrijstelling equivalentievoorwaarde’


Sjabloon aanvraag tot vrijstelling van de equivalentievoorwaarde Decretale context: De aanvraag tot vrijstelling van de equivalentievoorwaarde kadert in de taalregeling hoger onderwijs, opgenomen in hoofdstuk 8 van titel 4 van de Codex Hoger Onderwijs. Artikel II. 264 stelt onder meer dat de hoger onderwijsinstellingen een aanvraag tot vrijstelling van de equivalentievoorwaarde kunnen indienen bij de Commissie Hoger Onderwijs voor een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding Een aanvraag tot vrijstelling van de equivalentievoorwaarde kan bij de Commissie Hoger Onderwijs ingediend worden hetzij: - samen met de aanvraag voor een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding overeenkomstig de voorschriften vastgelegd in artikel II.263: - in het geval het een bestaande initiële bachelor- of masteropleiding betreft, uiterlijk op 1 oktober van het academiejaar dat voorafgaat aan het academiejaar waarin de anderstalige initiële bachelor- of master georganiseerd zal worden; - in het geval het een nieuwe initiële bachelor- of masteropleiding betreft zoals vermeld in artikel II.150, samen met het aanvraagdossier macrodoelmatigheid nieuwe opleiding zoals vermeld in artikel II.153, §2. ofwel -

in het geval van een bestaande equivalente opleiding uiterlijk op 1 oktober van het academiejaar voorafgaand aan het academiejaar waarop de instelling(en) de betrokken equivalente opleiding wil(len) stopzetten.

Een aanvraag tot vrijstelling van de equivalentievoorwaarde moet niet ingediend worden als er ergens in de Vlaamse Gemeenschap een equivalente opleiding (met volledig Nederlandstalig traject) van de betrokken anderstalige bachelor-of masteropleiding blijft bestaan. Modaliteiten van indiening Aanvragen worden per aangetekend schrijven of drager én elektronisch ingediend . Indieningsdata: Een aanvraag tot vrijstelling van de equivalentievoorwaarde kan bij de Commissie Hoger Onderwijs ingediend worden hetzij: -uiterlijk op 1 oktober van het academiejaar dat voorafgaat aan het academiejaar waarin de opleiding met vrijstelling van de equivalentievoorwaarde zal worden georganiseerd, dit in het geval dat de aanvraag gezamenlijk ingediend wordt met een aanvraag voor het aanbieden van een anderstalige bachelor- en/ of masteropleiding; - indien de aanvraag tevens een aanvraag voor nieuwe anderstalige opleiding betreft, wordt het vrijstellingsdossier ingediend samen met de aanvraag voor nieuwe anderstalige opleiding;


-uiterlijk op 1 oktober van het academiejaar dat voorafgaat aan de start van het afbouwen/stopzetten van de bestaande niet-anderstalige (equivalente) opleiding in het geval dat de instelling een bestaande equivalente opleiding wil afbouwen/ stopzetten. Het dossier wordt bezorgd aan: Commissie Hoger Onderwijs Peter Michielsens, voorzitter t.a.v. Beatrijs Craps, secretaris p.a. Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming Departement Onderwijs en Vorming Commissie Hoger Onderwijs Hendrik Consciencegebouw Koning Albert II-Laan 15, toren A, verdieping 3 1210 BRUSSEL De aanvraag moet ingediend worden in drie exemplaren. Aanvragen moeten tegelijkertijd ook ingediend worden per mailbericht, te richten aan het secretariaat van de Commissie Hoger Onderwijs: beatrijs.craps@ond.vlaanderen.be Voor opleidingen die gezamenlijk worden aangeboden, moet de aanvraag ondertekend worden namens alle organiserende instellingen of moet de instemming van alle instellingen blijken uit een schriftelijke bevestiging. Inhoud van het dossier 1) Algemene gegevens 1.1.Contactgegevens m) naam van de instelling(en) n) adres van de instelling(en) – vestiging waar de opleiding wordt georganiseerd o) naam en functie contactperso(o)n(en) p) tel nr. contactperso(o)n(en) q) e-mailadres van contactperso(o)n(en)

1.2.Gegevens opleiding r) betreft het een aanvraag tot vrijstelling van equivalentie in het kader van een aanvraag voor het aanbieden van een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding: ja/ nee s) indien ja: graad- en kwalificatie van de aangevraagde anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding t) betreft het een aanvraag tot stopzetting van een bestaande equivalente opleiding: ja/nee u) Indien ja – graad en kwalificatie van de bestaande equivalente opleiding v) graad en kwalificatie van de anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding


w) academiejaar vanaf wanneer de bestaande equivalente opleiding afgebouwd/ stopgezet wordt. 2) Advies van de Vlaamse Universitaire Raad of Vlaamse Hogescholenraad Samen met het aanvraagdossier wordt aan de Commissie Hoger Onderwijs een advies bezorgd van de VLIR, voor de aanvragen van de universiteiten, of de VLHORA, voor de aanvragen van de hogescholen, over de gevraagde vrijstelling van de equivalentievoorwaarde. Als het advies van de VLIR of de VLHORA niet opgenomen is in het aanvraagdossier dat aan de Commissie Hoger Onderwijs wordt bezorgd, verklaart de Commissie Hoger Onderwijs de aanvraag voor de opleiding in kwestie onontvankelijk. De Commissie Hoger Onderwijs kan binnen een termijn van 15 dagen aan de VLIR of de VLHORA verduidelijkingen vragen over het door hen geleverde advies.”. 3) Motivering aanvraag tot vrijstelling van de equivalentievoorwaarde: Motiveer de aanvraag tot vrijstelling van de equivalentievoorwaarde op basis van de volgende decretale criteria: 1. De opleiding is internationaal georiënteerd omdat: a) het beheersen van algemene en specifieke beroepsgerichte competenties, samen met de vakinhoudelijke competenties niet kan worden bereikt in een Nederlandstalige opleiding ; b) de afgestudeerden in hoofdzaak op de internationale arbeidsmarkt terecht komen; 2. Toon aan dat de opleiding geen betrekking heeft op het erfgoed van de ‘Nederlandse’ taal of cultuur6, of dat de afgestudeerden van de opleiding niet in hoge mate in aanraking komen met Nederlandstalige burgers; 3. Toon aan dat de aanwezige expertise en capaciteit in Vlaanderen te beperkt is om een dubbel aanbod te creëren. 4. Als de aanvraag tot vrijstelling een bestaande Nederlandstalige opleiding betreft die de instelling(en) wil(len) stopzetten geldt bijkomend: toon aan dat het aantal studenten in de Nederlandstalige opleiding onvoldoende is om een dubbel aanbod te creëren.

6

De Commissie Hoger Onderwijs acht bet billijk de term ‘Nederlandse’ te interpreteren binnen de context van dit decreet dat Vlaamse onderwijsmateries vastlegt als zijnde ‘Nederlandstalige, i.e. Vlaamse cultuur’.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook