Skip to main content

MENC006-001.pdf

Page 1

P-

K

o. 3 K x: 3" a "o

»9

i<

3

D- E' re B,

Historische

ro

n

O

J/l


Historische tuinen en parken van Vlaanderen Inventaris Vlaams-Brabant Holsbeek, Lubbeek en Tielt-Winge


Historische tuinen en parken van Vlaanderen Inventaris Vlaams-Brabant Holsbeek, Lubbeek en Tielt-AA/inge

Roger Deneef, Herlinde De jaeck, jo Wijnant, Jacques Halflants, Lydie Mondelaers, Greta Paesmans, Chris De Maegd, Georges Buelens, Amory de Troostembergh

Eindredactie:

SgRS ^ ^

Roger

Deneef

Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Afdeling Monumenten en Landschappen Brussel 2002


©

Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap - Afdeling Monumenten en Landschappen Koning Albert Il-laan 20, 1000 Brussel - tel. (02) 553.82.34 - fax (02) 553.82.05 Niers uir deze uitgave mag op enigerlei wij/e worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt zonder voorafgaande schriftelijke roestemming van de auteurs en de uirgever

D/2OO2/3241/2IO ISBN 90-403-0154-9 N U R 648


Dit boek verscheen in juli 2002 en werd uitgegeven door het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap - Afdeling M o n u m e n t e n en Landschappen

Auteurs Georges Buelens, Roger Deneef, Herlinde De Jaeck, Chris De Maegd, Amory de Troostembergh, Jacques Halflants, Lydie Mondelaers, Greta Paesmans en Jo Wijnant Met medewerking van: Louis Blockx, Julia Meulemans, Emile Notschaele

Coördinatie Luc Tack

Eindredactie Roger Deneef

Fotografie Oswald Pauwels &: Kris Vandevorst

Concept en vormgeving Luc Tack

Tekeningen Jacques Halflants en Rufin De Meerleer

Leescomité Marijke Hoflack

Ik kan geen tuin b e t r e u r e n die ik n i e t ken JAN VAN

NIJLEN

M&L


iNHniin

Voorwoord

Inleiding

n

DEFINITIES

II

BRONNEN, INTERNE VERWIJZINGEN EN AFKORTINGEN

II

WAT ZIJN MERKWAARDIGE BOMEN?

I 2

INVALSHOEKEN EN WERKWIJZE

13

BEVINDINGEN

I5

HOLSBEEK ( H o l s b e e k ) D O M E I N VAN TILL

DOMEIN D E BRUYN

HOLSBEEK ( N i e u w r o d e ) PASTORIE VAN DE SINT-LAMBERTUSKERK

HOLSBEEK ( S i n t - P i e t e r s - R o d e )

20 20

3 o

34 3 4

36

PASTORIE VAN DE SINT-PIETERSKERK

3 6

KASTEEL VAN HORST

38

LUBBEEK ( B i n k o m ) PASTORIE VAN DE SINT-JAN-DE-DOPERKERK

LUBBEEK ( L i n d e n )

41 41

43

KASTEEL VAN LINDEN (DE BEAUFFORT)

43

ROOD KASTEEL

51

LUBBEEK ( L u b b e e k )

55

"WATERHOF

55

KASTEEL GELLENBERG

59

GEMEENTEHUIS, VOORMALIG GOED HEPS

67

ROZENHOF (PINETUM ICKX)

69

'VILLA RAPHAEL', GELLENBERG 40

71

GELLENBERG 51

72

KLINIEK SINT-ANDRÉ (KLOOSTER ONZE-LIEVE-VROUW ROZENKRANS)

73

KASTEEL DE BIOLLEY-T'SERCLAES

76

KASTEEL BRAKUM

84

LEENBERG, VERLOREN HOEK, SINT-GERTRUDENHOF &

87

'SAINT-GERMAIN' HOEVE, DROGENHOF 40 PASTORIE VAN DE SINT-MARTINUSKERK

98 9 9


LUBBEEK ( P e l l e n b e r g )

ioi

KASTEEL DE MAURISSENS

IOI

KASTANJEHOF

109

T1ELT-W1NGE ( H o u w a a r t )

112

KASTEEL VAN KLEERBEEK

112

T1ELT-W11MGE ( M e e n s e l - K i e z e g e m ) Huis KENES, BINKOMSTRAAT 6-8

123 123

T1ELT-W1NGE ( S i n t - J o r i s - W i n g e )

125

KASTEEL VAN GEMPE

125

KASTEEL VAN SINT-JORIS-WINGE

I 31

T1ELT-W1NGE ( T i e l t )

141

DOMEIN HAKSBERG

141

PASTORIE VAN DE ONZE-LIEVE-VROUWEKERK

143

PASTORIE VAN DE SINT-MARTINUSKERK IN OPTIELT

145

Résumés

147

Summaries

151

Kaart met situering van de b e s p r o k e n t u i n e n en Overzicht van kwaliteiten Dankwoord

156 parken

en k e n m e r k e n

158 159


vnnRwnnRD

Wat Vlaanderen bezit aan historische parken en tuinen is onvoldoende bekend. De geschiedenis van de tuinkunst moet hier nog worden geschreven. In 7 994, kort nadat het Ministerie van het Waalse Gewest een eerste deel had uitgegeven van de reeks 'Pares et lardins de Wallonië', werd het plan opgevat om ook voor Vlaanderen zoiets te doen. Het opzet was enigszins verschillend. In tegenstelling tot het 'fiche'-concept met vaste rubrieken van de Waalse inventaris, zou per tuin of park een kort verhaal of essay worden geschreven met historische gegevens, een analyse van hun aanleg - of van de opeenvolgende aanlegconcepten - en van hun actuele waarde en betekenis. Deze inzichten zijn van primordiaal belang voor hun behoud en beheer. De Waalse inventaris was bovendien bijna uitsluitend beperkt tot 'kasteelparken' in de gangbare zin van het woord: min of meer grote domeinen in een landelijke omgeving. De Vlaamse inventaris zou ruimer worden opgevat en ook openbare plantsoenen, stadstuinen, tuinwijken, mljncités, pastorie- en villatuinen en begraafplaatsen in de kijker brengen.

Bij het onderzoek waren vier ambtenaren betrokken, die daar bovendien slechts deeltijds aan werkten. Zij konden echter niet alleen putten uit hun professionele achtergrond, maar ook uit hun ervaring en terreinkennis als 'erfgoedconsulenten'. Bovendien waren heel wat buitenstaanders bereid tot medewerking. Momenteel zijn er circa 630 'objecten' geïnventariseerd aan de hand van terreinbezoeken en archiefonderzoek en voor circa 430 ervan is het manuscript voltooid. Het eerste, nu gepubliceerde inventarisdeel beschrijft drie Interessante gemeenten in het oosten van Vlaams-Brabant, met name Holsbeek, Lubbeek en Tielt-Winge. Een volgende deel zal betrekking hebben op Zuid-Llmburg, met name Sint-Truiden, Nieuwerkerken en Cingelom.


Veel van wat in de inventaris wordt beschreven staat op verdwijnen of verkeert in een alarmerende toestand: het hekwerk van giet- en smeedwerk, de enkel nog in beperkte mate gebruikte moestuinen met hun nutsgebouwen, hun hagen en fruitmuren, de rustieke paviljoenen en bruggetjes, al wat als architectura minor of parkarchitectuur doorgaat, maar ook elementen als hoogstamfruitbomen, leifruit, charmilles, hagen, paden, vijvers, grachten. Vergankelijkheid en cyclische veranderingen zijn eigen aan tuin en park. Bedreiging, verminking en verlies zijn het gevolg van onomkeerbare maatschappelijke evoluties. Het verzamelen van kennis, de toestand in woord en beeld vastleggen, inventariseren en beschrijven is daarom een belangrijke, misschien wel de belangrijkste vorm van bewaren.

Historische tuinen en parken moeten gezien worden als bouwkundig erfgoed in de strikte zin van het woord, architectuur met planten, verlenging van de leefruimte, complement bij de woning en daarmee vaak onverbrekelijk verbonden. Deze inventaris moet dan ook beschouwd worden als een noodzakelijke aanvulling of vervollediging van de inventarissen - 'Bouwen door de eeuwen heen' - waarin sinds meer dan dertig jaar gebouwen worden beschreven en geëvalueerd.

Paul Van Grembergen Vlaams minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Buitenlands Beleid

M&L


A Een veelstammig exemplaar van gecihout (Cladastris lutea) In de bocht van de zogenaamde rivier, voor het kasteel van het domein Van Tilt in Holsbeek (foto 0. Pauwels. 1998)

1VI&L


i^i Fim^G

Definities Voor ons is "tuin: omheind stuk grond waar bloemen gekweekt of groenten enz. geteeld worden" (1ste betekenis in: http://www.vandale.nl/current). in eerdere edities van het Groot Woordenboek der Nederlandse taal (bijvoorbeeld die van 1984) werd ook het behoren "bij een huis en daaraan sluitende, of het omgevende" als essentieel onderdeel van de definitie gegeven. In dat geval zouden volkstuintjes, kerkhoven, begraafplaatsen... ten onrechte buiten de definitie vallen. Voor de definities van park en plantsoen verlaten we ons echter op de oude uitgaven: "Park: terrein bij of om een kasteel of landhuis, bestaande uit bos en weiland, meestal door vijvers en kunstmatige aanleg verfraaid." (2de betekenis in: Van Dale, Croof Woordenboek der Nederlandse taal, 1992). "Plantsoen: aanleg met bomen en planten als openbare tuin, publieke wandelplaats" (3de betekenis in: Van Dale, Croof Woordenboek der Nederlandse taal, 1992). Deze definities van tuin en park sluiten nauw bij elkaar aan en we vinden ze niet alleen in Franse en Engelse taaiwoordenboeken terug, maar ook in de vakliteratuur, zowel in de oudere, bijvoorbeeld bij j . Vacherot {Les pares et jardins au commencement du XXe siècle, 1908) als in recente, zoals in de Clossary of Garden history van M. Symes (1 993), in de Dictionnaire historique de l'art des jardins van M. Conan (z.d., 1997?) en in jardin - Vocabulaire typologique et technique van M.-H. Bénetière (2000). Wij zullen 'tuin' en 'park' zo consequent mogelijk gebruiken om een verschil in schaal en intensiteit (of intensiviteit) aan te geven: intensief, min of meer kleinschalig (tuin) versus extensief, grootschalig (park). Voor 'historisch' verkiezen we de - sterk subjectief geladen - definitie (3de betekenis) van de 'Petit Robert' (uitgave 1983): "Qui est ou mérite d'etre conserve par l'histoire". Het moet dus de moeite waard zijn.

Bronnen, interne verwijzingen en afkortingen Een eerder gepubliceerde tekst (over het domein Van Tielt te Holsbeek) werd in min of meer gewijzigde vorm hergebruikt. Alle vermelde kadastrale documenten werden geraadpleegd in het archief van het KadasterDirectie Brabant, Stevensstraat 7 te 1000 Brussel. Soms wordt verwezen naar de beschrijving van een ander domein dat aan bod komt in dit inventarisdeel: in dat geval wordt de naam van het domein gevolgd door een asterisk (*).


- BEH: GENICOT L. e.a.. Bouwen door de Eeuwen heen - Inventaris van het cultuurbezit in Vlaanderen, deel 1: arrondissement Leuven, Brussel, het Ministerie van Nederlandse Cultuur, 1971, 462 p. - BIB: BAUDOUIN J.C, DE SPOELBERCH Ph., VAN MEULDER J. & JACOBS R., Bomen in België. Dendrologische inventaris 1987-1992, Stichting Spoelberch-Artois i.s.m. de Belgische Dendrologische Vereniging, 1992, 512 p. - ICM: Institut Cartographique Militaire - KL: kadastrale legger - /COS: kadastrale opmetingsschets.

Wat zijn merkwaardige bomen? Onder de titel 'Merkwaardige bomen' worden voor een aantal domeinen bomen opgesomd gevolgd door hun stamomtrek. Het meest recente meetgetal wordt in het vet afgedrukt. In België wordt de stamomtrek doorgaans gemeten op 150 centimeter boven het maaiveld. Door de aanwezigheid van gesteltakken, knobbels, aanwassen... moet hij soms op een andere, meestal lagere, hoogte worden gemeten. In dat geval wordt het stamomtrekcijfer gevolgd door een tweede getal tussen haakjes, dat staat voor de afwijkende meethoogte. De regels die gevolgd werden bij het meten van bomen - ook op hellingen of bij scheefgezakte, vanaf de grond vertakte exemplaren... - worden uiteengezet in:

• Het kasteel van Gellenberg vanuit het noorden; naast het kasteel

R. DENEEF & A. DE HAECK, Borsthoogten en stamomtrekken door de eeuwen heen, p. 26-48 in: Jaarboek van de Belgische Dendrologische Vereniging 1996.

de kruinen van een merkwaardige groep van vijf bontbladige esdoorns (Acer pseudoplatanus

Bij dit inventarisdeel horen 9 plannen van domeinen, waarop naast de gebouwen en de voornaamste aanlegelementen ook de merkwaardigste bomen worden gesitueerd. Deze bomen worden merkwaardig geacht wegens hun afmetingen, ouderdom en/of de zeldzaamheid van de soort of variëteit - vaak

'Lcopoldii')

cultuurvariëteit ('cultivar'). Deze plannen zijn geen exacte weergave van de topografie. Het gaat

(foto 0. Pauwels,

om situatieschetsen, meestal gebaseerd op uitvergrote topografische kaarten, die op zicht werden

1999)

aangevuld en normaliter volstaan om de aangeduide bomen op het terrein terug te vinden. Bij de determinatie van bomen en struiken werd meestal gebruikgemaakt van: - BOOM B.K., Nederlandse dendrologie (12de druk), Wageningen, Veenman & zonen, 1982. - KRÜSSMANN C , Handbuch der Laubgehölze (3 delen), Berlin-Hamburg, Verlag Paul Parey,

M&L

1976-1978.


- KRÜSSMANN C , Handbuch der Nadelgehölze, Berlin-Hamburg, Verlag Paul Parey, 1972. Soms van: - RENDER A., Manual of cultivated trees and shrubs (2nd ed.), New-York, MacMillan Publishing Co, 1974. - MITCHELL A., A field guide to the trees of Britain and northern Europe, London, Collins, 1992.

Invalshoeken en werkwijze Cultuurhistorische, artistieke, architecturale, esthetische, sociaal-economische, dendrologische, horticulturele, en zelfs ecologische aspecten (bijvoorbeeld de aanwezigheid van een min of meer authentieke bosflora) werden in de inventaris verrekend. Ook gedeeltelijk of zelfs geheel verdwenen tuinen en parken (zie verder: het overzicht van kwaliteiten en kenmerken) werden opgenomen. De schaal en de functie van de objecten kunnen zeer uiteenlopend zijn, van kleine moes- of villatuinen tot parken en (niet in dit inventarisdeel) tuinwijken van bij de 100 hectares. Ook interessante 20steeeuwse creaties kregen de aandacht, bijvoorbeeld de aanleg rond het Sint-Certrudenhof te Lubbeek. De te inventariseren objecten werden opgespoord aan de hand van literatuuronderzoek, luchtfoto's, oude kaarten (bijvoorbeeld de zogenaamde Ferrariskaart, oude stafkaarten), terreinervaring en overleg met gespecialiseerde personen en verenigingen zoals de 'Vereniging Belgische Dendrologie', 'Natuurpunt' en heemkundige of historische verenigingen.


Het terreinonderzoek omvatte een gedetailleerde Inventaris van bomen, architecturale kenmerken en elementen (bijvoorbeeld zichtassen of vista's, parkmeubilair, paviljoens, architecturaal microreliëf). Ook de spontane plantengroei (flora, vegetatie) kreeg aandacht. Aan het opmeten en het beschrijven van bomen werd relatief veel tijd besteed, voor sommige domeinen twee dagen; bomen zijn immers een interessant dateringsmiddel als de stamomtrek als parameter wordt gebruikt. Meestal kon een verband gelegd worden tussen de diverse generaties van aanplantingen en de opeenvolgende aanlegen bouwcampagnes. Het belang van dit soort 'dendrochronologie' bij park- en tuininventarisatie werd al eerder benadrukt door Tom Williamson (Garden history and systematic survey, in: Garden history. Issues, approaches, methods. Washington D.C., 1992, p. 59-78). Bij het onontbeerlijke archiefonderzoek werd minstens het archief van het kadaster doorgenomen. In veel gevallen was dit de gemakkelijkst toegankelijke, zoniet de enig beschikbare bron. Bij de datering van gebouwen, landschapselementen, afbraak en heropbouw speelden de kadastrale opmetings- of mutatieschetsen (beschikbaar vanaf 1830) een belangrijke rol. Normaliter worden die opgemaakt binnen het jaar na de wijziging in de toestand van een perceel, maar enkele keren (onder meer voor het niet in dit deel besproken Hof van Kerkom te Boutersem) kwam het voor dat er veel meer dan één jaar verliep tussen een belangrijke verbouwing en haar registratie. Bovendien stelden we vast dat bepaalde wijzigingen in het landschap, bijvoorbeeld van contouren van vijvers of padentracés, in het geheel niet of pas veel later tot het kadastrale beeld zijn doorgedrongen (onder meer de vijver van het kasteelpark van Kleerbeek te Houwaart). De datering aan de hand van kadastrale gegevens werd dus zoveel mogelijk gecontroleerd en gecorrigeerd aan de hand van andere bronnen, bijvoorbeeld datumstenen in de gevel, militaire topografische kaarten of notariële akten. Met 'primitieve' kadasterkaart wordt de eerste kadasterkaart met de hedendaagse nummering (zonder exponenten) bedoeld, opgesteld tussen 1815 en 1830. Het gaat dus niet noodzakelijk om de oudste kadasterkaarten, zoals de niet genummerde 'plans géométriques' uit de Franse periode die we voor de gemeente Holsbeek hebben teruggevonden. De 'primitieve legger' en 'primitieve eigenaar' refereren aan de eigendomstoestand en de perceelsbeschrijving, die in 1830 het uitgangspunt vormde voor het nog steeds vigerende systeem. Om 'primitief' in kadastrale zin te onderscheiden van de meer gangbare betekenissen, zullen we het woord met een hoofdletter schrijven: Primitieve kadasterkaart. Onderzoek van oud beeldmateriaal zoals prentbriefkaarten, familiekiekjes, factuurhoofdingen, etsen, litho's... bleek bijzonder vruchtbaar, omdat het een inkijk geeft in het dagelijkse leven tijdens de hoogdagen van tuinen en parken. Slechts in drie gevallen - de domeinen Gellenberg en Leenberg te Lubbeek (Lubbeek) en het domein Kleerbeek te Tielt-Winge (Houwaart) - was er een familiearchief voorhanden met aanlegplannen en andere gegevens betreffende de tuin of het park, en kwam ook de naam van de ontwerper naar boven.


Bevindingen De inventarisatie van dit beperkte, tot voor kort landelijke gebied - drie gemeenten tussen Leuven, Tienen en Aarschot, een gebied met een totale oppervlakte van 12 848 hectare - leidde tot de selecties van 29 parken, tuinen, tuintjes, plantsoenen... van uiteenlopende schaal, aard, functie en historische achtergrond. Al kunnen de conclusies van een dergelijk onderzoek slechts een beperkte draagwijdte hebben, toch is een eerste poging tot synthese gewettigd, ook omdat er een veel ruimer gebied werd onderzocht dan wat in dit inventarisdeel aan bod komt. In de eerste plaats groeide de overtuiging dat het uitzicht en de vorm van de meeste tuinen en parken - zelfs na een ingrijpende (romantische of landschappelijke) '19de-eeuwse fase' - in hoge mate schatplichtig zijn aan de primitieve vorm of de functie van het object waaromheen ze aangelegd werden of gegroeid zijn: feodale motte, hoeve, hof van plaisantie, molenvijver... Landschapsgenetische aspecten wogen minstens even sterk door als stijl- of modetrends. Evolutielijnen die zich vertakken, muteren, afgebroken of teruggebogen worden... We hebben dan ook een rudimentaire genetische typologie en classificatie uitgewerkt die in tabelvorm wordt weergegeven. De onregelmatige, landschappelijke heraanleg in de loop van de 19de eeuw is in een aantal gevallen niet veel meer dan recyclage van oude elementen, niet alleen van gebouwen (of minstens hun funderingen) maar ook van belangrijke landschapselementen: een beek die wordt verbreed en opgestuwd, of een slotgracht die wordt uitgediept en verbreed tot 'rivier' zoals in het domein Van Tilt te Holsbeek. Op het eerder beperkte belang van brede cultuurstromingen, literaire teksten en essays over tuinaanleg ('high cultural texts') om veranderingen in de tuin- en parkaanleg te verklaren, werd - in een Engelse context - reeds gewezen door Tom Williamson (eerder geciteerd). In parken en tuinen wordt in de eerste plaats geleefd; financiële overwegingen, kostenafwegingen, ontspanningsbehoeften, landbouwpatronen en de economische en sociale structuur van de plaatselijke gemeenschap waren - en zijn nog steeds - belangrijke vormdeterminanten. Deze overweging geldt des te meer voor het gebied dat in dit inventarisdeel wordt besproken: de financiële draagkracht (en culturele horizon) van de bouwers van parken en tuinen in de 19de eeuw (nazaten van de oude feodale landadel of opkomende industriële bourgeoisie) was - vergeleken met Engeland - vrij beperkt. België heeft nooit een bloeiende slavenhandel gekend en kreeg pas in 1908 een kolonie. Desondanks hebben internationale stijlveranderingen een onbetwistbare invloed uitgeoefend. Verrassend was de vaststelling dat tussen 1800 en 1820 (zwaartepunt rond 1810) een hele reeks tuinen en parken - beperkt in oppervlakte en formeel, regelmatig, klassiek-geometrisch, 'Frans' of hoe ook genoemd - een ingrijpende mutatie ondergaat. Het nieuwe patroon met golvende contouren, verbredingen, aanzwellingen en plotse vernauwingen - vaak opgestuwde en verbrede beken en grachten - doet zo'n beetje denken aan de schematische voorstelling van een spijsverteringsstelsel in een schoolboek en is typisch voor een aantal domeinen in een vroeg-romantische of vroeglandschappelijke fase. Het overmatige gekronkel van de padentracés binnen een strakke omkadering en de 'onnatuurlijke natuurlijkheid' in het algemeen duiden bovendien op het rococokarakter van


deze 'jardins a l'anglaise'. De strak geometrische patronen van de 18de-eeuwse aanleg (dreven, lanen, terrassen, tuinperimeter) werden zelden volledig uitgewist; de deformalisering betrof in de eerste plaats de waterpartijen. Dit inventarisdeel bevat enkele voorbeelden van parken waar deze vroege landschappelijke fase nog herkenbaar is, met name de kasteeldomeinen Gellenberg te Lubbeek en Kleerbeek te Tielt-Winge (Houwaart). In de meeste gevallen wordt ze echter verdoezeld door een latere aanleg, die we uiteraard dan ook als laat-landschappelijk omschrijven: weidse ellipsen of parabolen die naar binnen toe vertakken, royale vista's, een meer centrale opstelling van een nieuw kasteel, meestal in eclectische stijl. De sobere neoclassicistische landhuizen worden vanaf 1850-1860 vervangen door - in de ogen van de controleurs van het kadaster - echte 'kastelen'. Samen met de vroeg-landschappelijke aanleg verdween dikwijls een belangrijk relict van de feodale structuur, met name de slotgracht, vooral wanneer het water tot tegen de gebouwen kwam, zoals bij de kastelen van Linden en Sint-joris-Winge. Vermoedelijk was dit niet alleen een gevolg van esthetische of stijlbekommernissen, maar ook van milieu-hygiënische: de angst voor stilstaand water, bron van "ongezonde uitwasemingen en funeste epidemieën", zoals gesteld wordt in een ambtelijk stuk van 1810. Het aseptische tijdvak was aangebroken. Vanaf omstreeks 1850 komen rond enkele welvarende boerderijen kleine tuinen tot ontwikkeling. In een aanval van welvaart, vaak ondersteund door niet-agrarische nevenactiviteiten zoals een brouwerij of een paardenfokkerij, wordt de woonvleugel omgebouwd tot villa of 'kasteel' en wordt in de schaduw daarvan een embryo van landschappelijke tuin aangelegd. Dit type hebben we 'herenboerenparkjes' genoemd. Van dit type dat in de leemstreek, meer zuidelijk, veelvuldig


voorkomt, hebben we binnen de drie behandelde gemeenten slechts één voorbeeld gevonden te Tielt-Winge (Meensel-Kiezegem). De kleine villatuin (zelden groter dan één hectare) is een type dat tijdens het eerste kwart van de 20ste eeuw aan belang wint en waarvan in Lubbeek enkele voorbeelden voorkomen. De meeste van deze tuinen zijn een verkleinde versie van de laat-landschappelijke tuin, maar na 1900 doet de moderniteit haar intrede in de vorm van een garage (in plaats van een remise met stallen) of een zwembad. Soms - vooral in de moes- en bloementuinen - zijn invloeden merkbaar van de 'Nouveau jardin pittoresque', vaak gecombineerd met cottage-architectuur, zoals bij de 'Villa Raphael' te Lubbeek (Lubbeek). Neoformele stijlen of ideeën uit de 'Arts and Crafts' beweging of de specifiek Belgische 'Nouveau jardin pittoresque' (opgericht in 1913) spelen bij het hertekenen van parken en tuinen aan het einde van de 19de eeuw of tijdens de eerste helft van de 20ste eeuw overigens een beperkte rol; ze betreffen alleen de onmiddellijke omgeving van het huis of kasteel, de toegangspartij of het ereplein, zoals op de Leenberg en bij het Sint-Gertrudenhof te Lubbeek. De domeinen rond de Leenberg te Lubbeek (Leenberg, Verloren Hoek, Sint-Gertrudenhof en 'Saint-Germain') vormen het enige voorbeeld van een 'totaalsite' van circa 100 hectare, ontstaan vanaf 1911 dankzij de bloei van de Tiense suikerindustrie en rond 1930 herwerkt en uitgebreid door jean Galoppin (niet dezelfde als Emile-Edmond Galoppin, de ontwerper van het josaphatpark te Schaarbeek en van het domein Groenenberg te Sint-Pieters-Leeuw). De schaal van de andere parken en tuinen was aanzienlijk kleiner. Een apart genre zijn de pastorietuinen. In de loop van de 18de eeuw worden diverse pastorieën herbouwd. Voor ons gebied zijn dat Binkom, Lubbeek en Optielt. Deze heropbouw ging meestal gepaard met een herschikking van het hele pastoriegoed. Opvallend hierbij is dat deze herstructurering beantwoordde aan het vigerende model van het 'vivre entre cour et jardin'. In de loop van de 19de eeuw wordt nogmaals op een bestaande trend ingespeeld door de aanleg van een landschappelijk parkje, naast de oude, vlakke, rechthoekige, bij het huis aansluitende tuin voor 'nut en sier' (groenten en bloemen), die meestal kruisgewijs was ingedeeld. Hiervoor werd het traditionele 'pastoorsbosje' - soms 'warande van de pastoor' genoemd - aangesproken. Deze bosjes hadden in het nieuwe regime (nieuw statuut van de parochiegeestelijkheid, steenkool als energiebron...) hun economische bestaansreden verloren. Het is duidelijk dat het hier gaat om miniatuurversies van de kasteelparken in landschappelijke stijl: enkele rode beuken, een kronkelpad, een paar bloemperken of corbeilles, een taxusbosje en, als het kon, een vijvertje met een eilandje (soms de vervormde ringgracht). Van hak- of schaarhout is geen spoor meer te bekennen; de onderplanting bestaat uit typische parkheesters als sneeuwbes, boerenjasmijn, deutzia... De details van deze pastorietuinen zijn onherroepelijk verdwenen maar de structuur en de bomen zijn meestal nog aanwezig. Van het tuinmeubilair, de tuinvazen, beelden, prieeltjes... is in de meeste parken en tuinen weinig overgebleven. Dit is uiteraard niet alleen een gevolg van verwaarlozing. Enkele jaren geleden werd bij nacht en ontij in het centrum van Lovenjoel het monumentale smeedijzeren toegangshek van


het (in een volgend deel behandelde) Groot Park uit zijn hengsels gelicht en opgeladen. Bij de situering, beschrijving en evaluatie van deze dingen werd daarom een zekere discretie aan de dag gelegd. Verbredingen en rechttrekkingen van wegen zijn voor een aantal tuinen en parken nefast geweest. Ze gingen vaak ten koste van de randbeplanting - oude hagen of bomenrijen, dikwijls bruine beuken en, soms, van oude tuinmuren en hekken. Een vroege golf van rechttrekkingen en verbredingen in het gebied is rond 1840 merkbaar. De jaren na de Eerste Wereldoorlog, bij de opkomst van het autoverkeer, kenden eveneens een belangrijke piek. De pas uitgebroken iepenziekte werd toen volgens sommigen niet zelden als alibi gebruikt om, door massale rooiingen van iepen, aanpassingen van het wegennet mogelijk te maken en ze bovendien, dankzij de houtverkoop, te financieren. Een verbolgen commentator in het 'Maandelijks Bulletin van de Vereeniging voor Natuur- en Stedenschoon' (maart 1927, p. 33-34) was daar alleszins van overtuigd. Een bijzonder destructief moment was de 'macadamizering' van het wegennet aan het einde van de jaren 1940 en in de eerste helft van de jaren 1950, toen ook talloze secundaire wegen op een standaardbreedte van 5 of 6 meter werden gebracht en bochten werden afgesneden. Sommige parken werden op die manier ernstig verminkt, maar de schrijnendste voorbeelden liggen buiten het hier behandelde gebied. Door het toenemende snelverkeer en de risico's die objecten langs de wegbermen vertegenwoordigen (bijvoorbeeld voor ondergrondse en bovengrondse leidingen), is men bovendien steeds minder tolerant geworden ten opzichte van bomen, zoals we onlangs nog bij het kasteel van Sint-joris-Winge mochten ondervinden. Het is niet eenvoudig om zich een beeld te vormen van de veranderingen en verwoestingen die de opeenvolgende uitbarstingen van de iepenziekte sinds 1919 in de parken en het landschap in het algemeen hebben aangericht. De laatste, ons bekende iependreef in Vlaams-Brabant - bij het kasteel van Snoy te Steenokkerzeel (Meisbroek) - is doodgegaan in 1983. Nu komt iep nog uitsluitend voor in de vorm van jonge wortelopslag of als cultivar (Ulmus carpinifolia 'Variegata', Ulmus glabra 'Exoniensis'). In het domein Gellenberg te Lubbeek komt bonte Engelse iep (Ulmus procera 'Argenteovariegata') nog voor in de vorm van uitbundige wortelopslag, relict van een oude bomengroep. De aandacht ging ook uit naar sociaal-economische aspecten. Er werd getracht een beeld te schetsen van de sociaal-economische context waarin de beschreven landgoederen zich hebben ontwikkeld. Waar mogelijk werd de sociale, professionele en financiële status belicht van de eigenaar of initiatiefnemer, niet zelden grootgrondbezitter en burgemeester. De uitbouw van een esthetisch-landschappelijk 'cordon sanitaire', het zich opsluiten in een arcadisch coulissenlandschap, de ruimtelijke scheiding die ook de uitdrukking is van de groeiende afstand tussen de sociale klassen in de loop van de 19de eeuw, bepalen vooral vanaf 1850 de aanleg of heraanleg van landgoederen. Zogenaamde 'enclosures' waren in de 19de eeuw een belangrijk middel om grote landschappelijke parken te vormen. Stukken openbaar en klein privé-domein werden ingepalmd om een gesloten blok te kunnen vormen, openbare wegen werden omgeleid, keuter- en daglonerboerderijtjes werden aangekocht en afgebroken. In Frankrijk en Engeland kon dit spectaculaire vormen aannemen, maar ook in het hier beschouwde gebied is er een noemenswaardig voorbeeld: het kasteel van Linden te Lubbeek (Linden).


^p^ >^^i W ***

.•'

'

V:-^.-' r»<r •

-•

A Teloorgang van

bij het

een leefpatroon:

Sint-Gertrudenhof

de serres en

te lubbeek

broeibakken

(foto R. Deneef, 1997)

Het onderzoek van historische tuinen en parken is tot op zekere hoogte een vorm van archeologie: de archeologie van een levenswijze die, hoe interessant ook, onderdeel vormde van een sociaaleconomisch bestel dat sinds de Tweede Wereldoorlog (hopelijk voorgoed) tot het verleden behoort. Verwaarlozing en verval - vooral van de nutsgedeelten en subtiliteiten zoals hagen en prielen is dan ook de regel. De naoorlogse 'superette' heeft bovendien een fatale slag toegebracht aan de groenten- en fruittuinen, die een belangrijk onderdeel vormden van nagenoeg alle tuinen en parken.

Roger Deneef

1VI&L


Roger Herlinde

Deneef,

De Jaeck

& Jo

Wijnant

HOLSBEEK (Holsbeek) DOMEIN VAN TILT 'CHATEAU D'ATTENHOVEN',

LANCEVELD 93, 3220

HOLSBEEK

(PRIVE-BEZIT, N I E T TOEGANKELIJK V O O R HET PUBLIEK)

De cense du

.feSglF

grand College' op de ferranskaart (1771-1775); links onderaan het feodale kasteel van Attenhoven

Park, circa 22 hectare, aangelegd in de 18de en eerste helft van de 19de eeuw rond voormalige hoeve met huis van plaisantie, heraangelegd tijdens derde kwart 19de eeuw in landschappelijke stijl, met rivierlandschap als hoofdmotief; na brand (1914) en heropbouw (1921) van het kasteel, aanzienlijke uitbreiding van het park;

talrijke

oude en/of zeldzame bomen; één van de Interessantste landgoederen van de regio.

PACHTHOF VAN HET -GROOT COLLEGF' De kern van het domein werd aan het einde van het Ancien Régime gevormd door een hoevecomplex, op de Ferrariskaart (1771-1775) omschreven als "Cense du Grand College", eigendom van één van de universiteitscolleges, het 'Groot' College van de Heilige Geest in de Naamsestraat te Leuven. Dit complex bestond uit twee delen: een semi-gesloten hoeve aangeduid als "ferme du

College" en, iets meer naar het noorden, een klein gebouw op een perceel dat door een brede gracht wordt omgeven, ongetwijfeld een buitenhuis of huis van plaisantie. De combinatie hoerenhof 'speelhof' vinden we terug op tal van andere plaatsen, vaak in een klerikale context, onder meer het WaterhoP en het kasteel de Biolley-T'Serclaes* te Lubbeek of het Jezuïetenhof te HeverleeEgenhoven. O p een oud kadastraal verzamelplan ('Plan géométrique de la commune de Holsbeek') uit 1807 is de ringgracht verdwenen op de noordelijke arm na. O p datzelfde perceel, maar buiten de omgrachting, blijkt nog een tweede gebouwtje te staan. De percelen die de gebouwen omringen worden als "jardin omschreven en het geheel wordt omgeven door boomgaarden. Van een grootschalige parkaanleg is bij het begin van de 19de eeuw geen sprake. Het ruimere kader wordt uitsluitend gevormd door grote weide-, veld- en bospercelen {"Bots du Gasthuys", "Bois Rouge"). Dit Gasthuisbos valt min of meer samen met één van de grootste oppervlakten veenbodem in de Wingevallei, wegens de historische ontginningen


Van het oude, rond 1800 afgebroken kasteel van Attenhoven, rest slechts de monumentale poort en de grachtengordel (foto S. Van Aerschot, 1967); bi] de heropbouw van het kasteel van Van Tilt in 1920 zal boven de ingangspartij een steen worden aangebracht

A De 'ferme du

d'Holsbeek', 1807;

noordelijke arm

College' op

van de ringgracht

(archief Kadaster

een kadastraal

rond het huis van

Brabant, Brussel)

'Plan géométrique

plaisantie bestaat

de la commune

nog slechts de

van turf en moerasijzererts ook als "Puttebroek" aangeduid. De bodems in de onmiddellijke omgeving bestaan uit erg vochtige, humusrijke leemgronden, volgens de toelichting bij de bodemkaart: "te nat voor akker- en weidebouw; geschikt voor populier1' (1). De Primitieve kadasterkaart (1820) geeft ongeveer dezelfde toestand weer, behalve dat ook het laatste relict van de grachtengordel rond het buitengoed verdwenen is. Het perceel dat het gebouwencomplex ten noorden van de hoeve omsluit (nr. 108, 1 ha 79 a 10 ca), vroeger tuin en boomgaard, wordt nu echter in zijn geheel als "lusthof aangeduid. De reeds genoemde twee kleine gebouwen (de perce-

met de inscriptie 'chateau

len nrs. 109 en 110) worden in de bijbehorende legger als "huif vermeld. Deze goederen zijn rond 1830 eigendom van de weduwe van Jacques Van Tilt, brouwer uit Leuven (2). Zij laat bij de erfopvolging in 1839 aan Ludovicus Josephus Van Tilt in de gemeente Holsbeek in het totaal ongeveer 94 hectare na, een grondbezit dat in de loop van de jaren gestadig toeneemt en in 1878 ongeveer 165 hectare zal bedragen, dit is zowat één zesde van de gemeentelijke oppervlakte. Het grondbezit, dat oorspronkelijk de onmiddellijke omgeving van de hoeve omvatte én bijna de hele Attenhovenberg, zal zich in de loop van de 1 9de eeuw vooral in westelijke richting uitbreiden. Dat gebeurt ten koste van de eigenaar van het oude, rond 1800 afgebroken kasteel van Attenhoven (3). Volgens de kadastrale legger: "de Gaethovius baron d'Attenhoven (4), zonder twijfel een nazaat van Louis Joseph Jean Baptiste Gaethoven of Gaethovius, de laatste heer van Attenhoven. Dat kasteel lag ongeveer 1 kilometer verder naar het westen. Daarmee verdwijnen de laatste sporen van de feodale landadel in Holsbeek. Van het oorspronkelijke kasteel van Attenhoven blijven nog enkel de monumentale poort (5) en de grachtengordel over.

d'Attenhoven'

•4 Het kasteel van Van Tilt - het oude 'Hof van Plaisantie' - in de 'Atlas cadastral de Belgique' van

DE LANDSCHAPPELIJKE AANLEG

P.C. Popp (ca. I860); op enkele details

Het jaar 1868 luidt een reeks verbouwingen in, met als belangrijkste momenten: de volledige afbraak van de oude hoevegebouwen van het College (1873) en hun vervanging door een "koetshuis en stat\ en een aanzienlijke vergroting van het "lusthuis" (1883), dat in de kadastrale legger voortaan als "kasteel' zal worden omschreven (6). Dit eerste, sobere kasteelgebouw bestond uit twee bouwlagen en vijf traveeën, bekroond door een attiek met balustrade, en werd later - wanneer precies is onbekend - vergroot door de bouw van

na (m.n. de opsplitsing van perceel 77 door het ontstaan van het T-vormige dreefperceel 114b) is er nog geen verschil met de Primitieve kadasterkaart van 1820

M&L


•

'^WbZMkïM

S§P|jnf ,, ArBAIrrft-A.

De eerste versie van het aanzienlijk vergrote 'lusthuis'.

• 1/,,-IWWfï' 'Hnm ICAr/,.

vanaf I In de kadastrale legger als 'kasteel' omschreven (archief familie Springuel-Van Tilt. Holsbeek)

• Het domein Van Tilt met een klem landschapspark,

op de stafkaart van 1864 „ r u ,„„„, (ICM, 1880) ICM, 1880

Het domein ïan Tilt op de stafkaart ^ |903 (ICM, 1925)

een mansardedak. In 1883 wordt ook het dienstgebouwencomplex herbouwd en vijf jaar later wordt naast het koetshuis-stalcomplex een sierlijke tuinierswoning opgetrokken. In 1892 wordt het koetshuiscomplex vergroot met een "zadelmakerij' en een " hroeikas" (7). Vermoedelijk worden rond 1840 de eerste pogingen ondernomen om de parkaanleg tot de ruimere omgeving uit te breiden. Dit kan worden afgeleid uit de vorming van een T-vormig perceel (nr. 114b op de Popp-kaart), dat expliciet als dreef werd omschreven en dat gedeeltelijk samenvalt met de huidige 'charmille' of loofgang van gesnoeide haagbeuken ten westen van het kasteel, zichtbaar op de eerste stafkaart (1864). Een van de aanpalende percelen wordt vanaf dat moment ook niet meer als weiland maar als "lusthof omschreven. In 1892 wordt bijna parallel met de oude toegangsweg (de Grote Daalputstraat) een nieuwe toegangsdreef aangelegd vanaf de Leuvensebaan, ongeveer recht op het kasteel gericht, en beplant met bruine beuken (Fagus sylvatica 'Atropunicea'), waarvan sommige nu stamomtrekken hebben bereikt van meer dan 4 meter. O p de militaire topografische kaart van 1903 wordt een park in landschappelijke stijl getoond van net geen 14 hectare groot, met verspreide, naar de rand toe

verdichte beplantingen. Twee waterpartijen, een grote vijver ten noordwesten van het kasteel en een kleine ten zuidwesten ervan, zijn met elkaar verbonden door een gerecycleerde arm van de oude ringgracht rond het voormalige huis van plaisantie. Bochtige wegen of paden doorkruisen het park en vier nog bestaande dreven bepalen de hoofdstructuur: 1° de reeds genoemde bruine beukendreef uit 1892; 2° de reeds genoemde, lichtjes gebogen 'charmille', die westwaarts naar het 'Hagenbos' loopt; 3° ten noorden van de 'charmille' en ongeveer parallel hiermee: een bruine beukendreef van hetzelfde kaliber als de toegangsdreef; 4° een dreef die de grens vormt tussen het park en het Langveld en momenteel bestaat uit witte paardekastanjes [Aesculus hippocastanum) met stamomtrekken tot 2,72 meter.


s

;^-i-;

%m

-•

\ %<i

JS j. :

4të

De rond I

HET 'KASTFEL VAN ATTENHQVEN' HERRE7FN

aangeplante toegangsdreef van het domein Van Tilt met bruine beuken

Zoals verschillende andere kastelen in de regio (het kasteel van Pellenberg, het Vijverhof en het kasteel van Korbeek-Lo), wordt in 1914 ook het kasteel van Van Tilt door de Duitsers in brand gestoken. Iets meer oostelijk, net buiten de as van de toegangsdreef (8), wordt in 1921 een nieuw kasteel opgetrokken, in de onbestemde Lodewijkstijl (mansardedak, boogfronton, attiek met balustrade...) die typisch is voor tal van naoorlogse wederopbouwprojecten, ook bij de heropbouw van de andere afgebrande kastelen uit de regio. Ook de dienstgebouwen werden gedeeltelijk heropgebouwd en zo ontstond boven het "koetsen woonhuis" het bakstenen torengebouw, een van de voornaamste blikvangers van het domein, in feite een watertoren. Naast de serre die in 1892 tegen het koetshuis was aangebouwd, kwamen nog twee losstaande serres. O p de vlakte voor (ten zuiden van) het kasteel werd een grote rozenparterre aangelegd, die tijdens de Tweede Wereldoorlog plaats moest ruimen voor meer utilitaire teelten. De heropbouw van het kasteel " Chciteau d'Attenhoven in de voorgevel gebeiteld ging ook gepaard met een forse uitbreiding van het eigenlijke park in noordelijke en, vooral, oostelijke richting. De strook tussen de toegangsweg en de Daalputstraat werd bij het park ingelijfd. De vijvers werden bovendien vergraven tot een brede 'riviermeander' met serpentinevormige uitlopers tot in de uithoeken van het park, waar ze aansluiten op het oude leigrachtensysteem.

(foto 0. Pauwels, 1

M&L


• Ruïnes van het in

Louis Van Tilt

1914 afgebrande

(1875-1942)

kasteel van Van Tilt (archief familie Springuel-Van Tilt,

(archief familie Springuel-Van Tilt, Holsbeek)

Holsbeek)

-4 De in 1940 verdwenen rozenperken • Het huidige 'Chateau d'Attenhoven' werd in 1921 gebouwd vlak naast het in 1914 door de Duitsers afgebrande kasteel: in diezelfde periode werd het park aanzienlijk uitgebreid (archief familie Springuel-Van Tilt, Holsbeek)

• Het in 1921 verbouwde koetshuis met watertoren, serre en kassen (foto 0. Pauwels. I

M&L

(archief familie Springuel-Van Tilt, Holsbeek)


Aanplantingen van

het domein Van Tilt

(archief familie

canadapopulieren

tijdens de |aren

Springuel-Van Tilt,

in het westelijke

1930

Holsbeek)

gedeelte van

• Het kasteel van Van Tilt

De drijvende kracht achter de naoorlogse heropbouw was Louis Van Tilt, die in 1914 na een verdeling eigenaar geworden was van de familieeigendommen in het westelijke gedeelte van Holsbeek, inclusief het kasteel en het park (9). Ook de ruime omgeving van het domein onderging in de loop van de jaren 1920 en 1930 een diepgaande, structurele wijziging waarin, naast het opbrengstmotief, ook de persoonlijke belangstelling van kolonel Van Tilt een rol speelde. In de jaargangen 1928-1930 van het Bulletin de la Société Centrale Forestière de Belgique publiceerde hij diverse, niet onverdienstelijke bijdragen over uiteenlopende aspecten van de populierenteelt: vermeerdering, plantwijze, bemesting, aanwas- en opbrengsttabellen. Uit deze artikelen blijkt ook dat de beplanting met populieren van het open broekgebied rond het domein al was ingezet in 1904, vroeg in vergelijking met andere alluviale gebieden in de regio. De bijdrage van 1928 bevat foto's van aanplantingen die ongetwijfeld in de omgeving van het kasteel genomen zijn. Door deze aanplantingen zullen de open ruimten — hooilanden en beemden - rond het park geleidelijk aan verdwijnen, een proces dat ongetwijfeld in de hand werd gewerkt door de opkomende lucife-

rindustrie, vooral na de oprichting in 1929 van de 'Société anonyme Allumettière de Ninove', die in de jaren 1930 jaarlijks al circa 45.000 populieren verbruikte (10). Zoals verder zal blijken, beperkte de dendrologische belangstelling van 'kolonel' Van Tilt zich niet tot populieren en is de uitzonderlijke dendrologische waarde van het park vooral aan hem te danken. In de inventaris Bomen in België (11) krijgt het domein niet minder dan acht vermeldingen en tussen de twee wereldoorlogen vormde het, samen met het Arenbergpark en de parken van Lovenjoel, een uitgelezen excursiedoel en studieobject voor de studenten bosbouw en dendrologie van de universiteit van Leuven.

weerspiegeld in de serpentinevijver, gezien vanaf de grote boogbrug (foto 0. Pauwels, 1998)

DE HUIDIGE TOESTAND Het park omvat enkele belangrijke visuele assen, die op de bijgaande kaart worden gesitueerd: Al Als men het kasteel bereikt via de toegangsdreef vanaf de Leuvensebaan, wordt de blik als het ware in westelijke richting aangezogen, langs de zuidelijke arm van de serpentinevijver. De inspiratie of het streefbeeld is duidelijk: een riant rivierland-

M&L


XAl-

. • / /

-

U

^*i

••'iif^l

-.k

• m

r / > w-

'J i

••

"

"

«?<

• i^rf•''• *'

j&.

1

•éf '*'

^E^p^.^ •

-. * *• FSP

IL^A 5

p*'

•••

^ ,«»»

\ ' * •

f

~^>.

/»


meer opgaande twijgen en takken), maar niet uitgesproken genoeg om door te gaan voor een echte Quercus ro^«r'Fastigiata' - en een mammoetboom {Sequoiaden-dron giganteum) met een stamomtrek van 404 centimeter. C/ Loodrecht op zichtlijn B is de reeds vermelde 'charmille' of dreef van (al een aantal jaren niet meer) gesnoeide, op 2,20 meter hoog geknotte, haagbeuken {Carpinus betulus), die vermoedelijk rond 1840 werd aangelegd. Uit een foto van rond 1900 blijkt dat deze 'charmille' oorspronkelijk gewelfd was; het ging om een echte groentunnel. Aan het einde hiervan wacht een ander dendrologisch curiosum: een vleugelnoot {Pterocarya fraxinifolid) die een oppervlakte beslaat van 40 bij 30 meter, met talloze uitlopers, waaronder een tiental dikke stammen, de vermoedelijke moederstam met een omtrek van 394 centimeter.

Tuinvaas op

Het 'Chateau

middenplan.

het snijpunt van

d'Attcnhoven' met,

een gehavende

twee zichtassen

op de voorgrond,

In het domein

zomereiken met

zomeriinde

Van Tilt

stamomtrekken

(foto 0. Pauwels

(foto R Deneef.

tot bijna 5 m;

1998)

1997)

links op het

'wingerdbladige'

D / Min of meer evenwijdig met de haagbeukendreef loopt de reeds genoemde bruine beukendreef die, afgaande op de stamomtrekken (tot 435 centimeter, gemiddeld 280 centimeter), ergens tussen 1880 en 1900 moet zijn aangeplant, gelijktijdig met de dreef die de hoofdtoegang vormt. Door zijn breedte (15 meter) heeft deze dreef het karakter van een ware vista die in oostwaartse richting eindigt bij de voormelde vaas.

T De vermoedelijke hoofdstam van een Kaukasische vleugelnoot die een oppervlakte

schap met het kasteel aan de buitenbocht van een weidse meander. Een goed uitzichtpunt is de in 1921 gebouwde boogbrug met smeedijzeren leuningen: het spiegelbeeld van het kasteel in het water en, rechts in beeld, een groep bijzondere bomen: een veelstammig exemplaar Amerikaans geelhout {Cladrastis luted), naast een zwaar gehavende maar oude en pittoreske wingerdbladige zomeriinde (Tilia platyphyllos 'Vitifolia') en verschillende zomereiken {Quercus robur) die, gezien hun stamomtrekken (respectievelijk 418, 349 en 495 centimeter) vermoedelijk nog uit de tijd van het Geestcollege dateren. In een excursieverslag (12) van 1932 wordt een zomereik opgemerkt met een stamomtrek van 375 centimeter; mogelijk gaat het om de laatstgenoemde van de drie.

E/ Een tweede, vermoedelijk 19de-eeuwse, meer gekromde boogburg overspant ter hoogte van het kasteel een versmalling in de serpentinevijver. Deze brug ligt min of meer verscholen tussen

beslaat van 40 op 30 m, met talloze uitlopers, waaronder een tiental dikke stammen (foto R. Deneef, 1997)

B/ Vanaf de boogbrug wordt, loodrecht op de eerste zichtas, een tweede perspectief geboden, dat eindigt op een grote arduinen tuinvaas, tegen de achtergrond van een grote zomereik (stamomtrek 420 centimeter) — die, zoals nog andere oude eiken in het park iets 'fastigiaats' heeft (min of

A/l&L


enkele merkwaardige oude bomen: een monumentale, laagvertakte Amerikaanse tulpenboom {Liriodendron tulipiferd) met 620 centimeter stamomtrek op 20 centimeter hoogte, een tweestammige gewone es {Fraxinus excelsior) met respectieve stamomtrekken van 334 en 93 centimeter, een laagvertakte taxus {Taxus baccatd) met takomtrekken tot 342 centimeter en twee zomereiken {Quercus robur) met omtrekken tot 353 centimeter. Vanop deze brug wordt uitzicht geboden op zowel de zuidelijke als de noordelijke arm van de vijver, onder meer op een eilandje met een zeldzame cultivar van gewone moerascipres met hangende twijgen ( Taxodium distichum 'Pendens') met een stamomtrek tussen 4 en 5 meter. De naoorlogse parkuitbreiding ten noorden en ten oosten van het kasteel bevat geen echte zichtassen, maar wel een aantal vermeldenswaardige bomen (stamomtrekken tussen 150 en 300 centimeter): een varenbeuk {Fagus sylvatica 'Asplenifolia', een prachtig laagvertakt exemplaar van 'eikbladige'

• Het domein Van Tilt te Holsbeek: situering van de gebouwen, sommige aanlegelementen, vista's en merkwaardige bomen (tekening R. De Meerleer)

beuk {Fagus sylvatica 'Quercifolia), een zomerlinde met ingesneden blad {Tilia platyphyllos 'Laciniata'), een groepje van drie Japanse witte dennen {Pinus parviflord) en drie moeraseiken (Quercus palustris).

MERKWAARDIGE BOMEN (opname 30 september en 1 oktober 1997) 3. 4. 5. 6. 7. 10. 11. 12. 14.

zomerlinde met ingesneden blad {Tilia platyphyllos''\J-i<z\mzx.z.) 162; zomereik {Quercus robur) 418; zomereik {Quercus robur) 349; zomereik {Quercus robur) 465; wingerdbladige zomerlinde {Tilia platyphyllos 'Vitifolia') 280 (20); zomereik {Quercus robur) 368; zomereik (Quercus robur) 367; oosterse plataan {Platanus orientalis) 280; Kaukasische vleugelnoot {Pterocarya fraxinifolia) vele stammen, tot 394;


17. 20. 21. 25. 39. 58. 59. 60. 64. 65. 67. 69.

78. 80. 81. 82. 83. 86. 87. 88. 89. 98. 99. 104. 114. 115. 117. 119.

zuilvormige zomereik [Quercus robur 'Fastigiata') 257; gele bindwilg {Salix x rubens) 446; zuilvormige zomereik {Quercus robur 'Fastigiata') 254; bruine beuk {Fagus sylvatica 'Atropunicea') 435; bruine beuk {Fagus sylvatica 'Atropunicea') 373; zomereik {Quercus robur) 420; mammoetboom {Sequoiadendron giganteuni) 404; tamme kastanje {Castanea sativd) 412; zuilvormige zomereik {Quercus robur 'Fastigiata') 353 (130); Amerikaanse tulpenboom {Liriodendron tuliptfera) 620 (20); gewone es {Fraxinus excelsior) 334, 93 gewone moerascipres, cultivar met hangende twijgen ( Taxodium distichum Tendens') <400; zuilvormige zomereik {Quercus robur 'Fastigiata') 375; Japanse witte den (/"/««.f/wm/7ora) 110; Japanse witte den (Pzww/)^rz///7ora) 122; Japanse witte den (P/WM.f^m/Zora) 149; zomereik {Quercus robur) 378; moeraseik {Quercuspalustris) 335; moeraseik {Quercuspalustris) 291; moeraseik {Quercuspalustris) 278; varenbeuk {Fagus sylvatica 'Asplenifolia') 196(160); gewone plataan {Platanus x hispanicd) 418; zomerlinde met ingesneden blad {Tiliaplatyphyllos 'Laciniata') 132; eikbladige beuk {Fagus sylvatica 'Quercifolia') 2 7 5 ; bruine beuk {Fagus sylvatica 'Atropunicea') 378; bruine beuk {Fagus sylvatica Atropunicea') 401; zilverlinde {Tilia tomentosd) 344 (70); Amerikaans geelhout {Cladrastis luted) div. stammen.

NOTEN (1)

BAEYENS L, Bodemkaart van België. Verklarende tekst bij het kaartblad Rotselaar 74E, 1960, p. 31. Het huidige park wordt in zijn geheel als "vergraven terrein aangeduid.

(2)

Primitieve KL Holsbeek, art. 283.

(3)

LIBBOTON J., Historische schets van Holsbeek. Oost-Brabant,

(4)

Primitieve KL Holsbeek, art. 55.

(5)

Zie BEH, p. 169. In het fronton wordt het jaartal 1664 aange-

21(4), speciaal nummer Holsbeek, 1984, p, 153.

geven. (6)

KOS Holsbeek 1868, nr. 3; 1873, nr. 4; 1874, nr. 2; 1883,

(7)

KOS Holsbeek 1888, nr. 1; 1892, nr. 1.

nr. 1. (8) Te oordelen naar de KOS van 1921 (1ste halfjaar nr. 4, 2de halfjaar nr. 2) zou het precies om dezelfde plaats gaan, maar zowel uir foto's als uit getuigenissen blijkt dat dit niet het geval was. Het eerste kasteel lag precies in het verlengde van de toegangsdreef, het huidige niet. (9)

KL Holsbeek, arts. 835 en 835/bis.

(10) PETITJEAN O., Uneflorissanteindustrie beige. La fabrication des allumettes. Revue du Touring-Club de Belgique A2(%), 1936, p. 117-122. (11) BIB, p. 478. (12) Bulletin de la Soeiété Centrale Forestière de Belgique 35, 1932, p. 623-626.


Roger Deneef & Jo

Wijnant

HOLSBEEK (Holsbeek): DOMEIN DE BRHYN CHARTREUZENBERC (PRIVÉ-BEZIT,

39, 3220

HOLSBEEK

NIET TOEGANKELI|K

VOOR

HET PUBLIEK)

• Het jachthuis op de Chartreuzenberg, voorloper van het huidige kasteel van De Bruyn (blokvormig perceeltje 190), op het Primitieve kadasterplan van Holsbeek, 1820 (archief Kadaster Brabant, Brussel)

Park in landschappelijke stijl, circa 10 hectare, aangelegd tijdens de tweede helft van de 19de eeuw rond een in 1800-1820 gebouwd buitenhuls, herbouwd tot 'kasteel' In 1894; belangrijke uitbreiding

in jaren

1920; diverse oude en zeldzame bomen.

BUITENGOED QP DE CHARTRFUZENBERfl Het buitenhuis, volgens het Primitief kadaster eigendom van de weduwe van Lievin De Bruyn uit Leuven, moet gebouwd zijn ergens tussen 1807 en 1820. O p het 'Plan géométrique de la commune de Holsbeek' uit 1807 komt het nog niet voor, maar op de Primitieve kadasterkaart van 1820 staat het ingetekend als "maison de campagne" op ongeveer 150 meter van de voorliggende straat, omgeven door 2,5 hectare "jardin d'agrémenf. De

weduwe De Bruyn bezat op de Chartreuzenberg een min of meer aaneengesloten blok van 51 hectare, waarvan naast een buitenhuis nog elf andere kleine huizen of keuterboerderijtjes met bijbehorende tuintjes deel uitmaakten. Het toponiem Chartreuzenberg geeft een aanduiding van wie vóór 1796 de eigenaar was. O p de kaart van Vander Maelen (1845-1850) en op de kadasterkaart van Popp (1860) wordt het buitenhuis van De Bruyn vereerd met de term "chateau . De verbouwingen van het voormalige buitenverblijf, die nog grotendeels het huidige uitzicht van het kasteel bepalen (een sober, witbepleisterd dubbel huis onder schilddak), dateren vooral uit de jaren 1890 (1). Het nog maar enkele jaren oude dienstgebouwencomplex ten noordwesten van het kasteel werd afgebroken en iets verderop vervangen door het nog bestaande bakstenen gebouw - in de kadastrale legger omschreven als "orangiehof.


DE OUDSTE BEPLANTINGEN

•*

Het kasteel van

Tot in 1920 was de lusttuin beperkt gebleven tot het Primitieve lusthofperceel (nr. 189). Het grootste gedeelte van het blok landbouwgrond (circa 4 hectare) ten westen van het kasteel (de Primitieve percelen 197 en 198) was reeds rond 1850 omgezet in tuin (moestuin) (4) of- volgens de topografische kaart van 1893 - boomgaard. Het kasteel stond centraal opgesteld, ongeveer op het hoogste punt van de Chartreuzenberg (nabij de hoogtelijn 75), de oostelijke uitloper van het Diestiaan massief dat soms globaal als 'Kesselse Bergen' wordt aangeduid. De aanwezigheid van een watervoerende kleilaag (5) maakte het mogelijk om halverwege tussen de straat en het kasteel een langwerpige vijver aan te leggen, met uiteraard een boogbrugje (met smeedijzeren leuningen). Het park werd ontsloten door een perifere ellips met enkele aftakkingen en lussen, soms aansluitend op het geometrische wegenpatroon in het aanpalende bos op de noorderhelling van de Chartreuzenberg.

remise en staF (2) - met een paar opvallende sierelementen (tegel- en rondboogfriezen). Een ansichtkaart die vermoedelijk dateert uit het begin van de 20ste eeuw, geeft een sfeerbeeld uit die jaren: de noordzijde van het kasteel, bakken en potten met grote oranjerieplanten {Phoenix, Tmchycarpus, Agave..^, een tuinbeeld (Apollo, Herculus?) en, links van het kasteel, het platte kegeldak van nog bestaande, ronde gebouwtje waarvan de bouw in 1867 werd geregistreerd. Een van de keuterboerderijtjes of daglonerswoningen langs de Chartreuzenstraat was al in de loop van de 19de eeuw volgens een L-vormig grondplan uitgebouwd tot 'kasteelboerderij'. Het landgoed was op dat ogenblik eigendom van Victor De Bruyn (1858-1931), de voornaamste grootgrondbezitter van Holsbeek (bijna één vierde van het gemeentelijke grondgebied), gedurende nagenoeg een halve eeuw burgemeester, en financier van enkele belangrijke gemeentelijke bouwprojecten (lagere meisjesschool, rusthuis)(3).

De Bruyn vanuit het noorden, bij het begin van de 20ste eeuw (Collectie BlockxMeulemans, Lubbeek)

De dorpskern van Holsbeek en het domein van De Bruyn in 1908 (ICM, 1925)

De oudste beplantingen komen in dit gedeelte van het park voor. Opvallend is de architecturale heuvel ten noordwesten van het kasteel met vijf bruine beuken {Fagus sylvatica 'Atropunicea') met stamomtrekken tussen 350 en 450 centimeter. De meeste oude bomen bevinden zich echter aan de straatzijde, ten zuiden van het kasteel. De blikvanger bij uitstek is een 30 meter hoge Amerikaanse tulpenboom {Liriodendron tulipiferd) op het gazon voor de vijver, met 416 centimeter stamomtrek. In deze zone bevinden zich ook enkele bruine beuken met stamomtrekken tussen 350 en 400 centimeter en enkele bijzonder zeldzame bomen, in de eerste plaats een mispelbladige wintereik {Quercus petraea 'Mespilifolia'), met 325 centimeter stamomtrek de dikste van België (6), mogelijk een van de eerste die in cultuur werd gebracht (7). In dezelfde groep staan er ook een prachtig exemplaar moseik

A Het kasteel van De Bruyn vanuit het westen in de jaren 1930 (Collectie BlockxMeulemans, Lubbeek)


{Quercus cerris) en een gele paardekastanje (Aesculus flavd) met respectieve omtrekken van 378 en 245 centimeter. Het merendeel van deze bomen werd waarschijnlijk aangeplant tijdens het derde kwart van de 19de eeuw, onmiddellijk na de overname van het domein in 1854 door notaris Jacques De Bruyn. Vermoedelijk nog ouder doorgeschoten hakhout? — is de driestammige tamme kastanje {Castanea sativa) niet ver van de inrijpoort, met takken die elk een omtrek van bijna 300 centimeter bereiken.

HET INTERBELLUM

• Het kasteel van De Bruyn en de vijver vanuit het zuiden (foto J. Wljnant,

M&L

Rond 1920 wordt het park door Victor De Bruyn fors uitgebreid in westelijke richting. De oppervlakte 'lusthof' neemt aldus toe van 2,6 tot bijna 7 hectare en het park krijgt daardoor grosso modo zijn huidige structuur en vorm (8). Het kasteel neemt in deze nieuwe configuratie een excentrische positie in. De nutstuin en de boomgaard worden ingericht in het grote driehoekige perceel ten zuidwesten van het kasteel (Primitief perceel nr. 202). In het oude parkgedeelte verdwijnt bijna elke rechtlijnigheid en in het nieuwe gedeelte

wordt een perifeer slingerpad aangelegd dat aansluit op de rechtlijnige boswegen ten noorden van het park. In het bos, vanaf het Kapellekenspad, tegenover de kapel, wordt een nieuwe toegangsdreef gecreëerd en beplant met beuken, momenteel met stamomtrekken tot 250 centimeter. De bedoeling van De Bruyn om op het ruimere landschap zijn stempel te drukken blijkt ook uit een tweede dreef waarvan ten westen van het eigenlijke park nog restanten voorkomen. In dit westelijke gedeelte van het park komen geen oude bomen voor, met uitzondering van een zilveresdoorn [Acer saccharinuni) met 359 centimeter stamomtrek. Een mammoetboom {Sequoiadendron giganteurri) met 555 centimeter omtrek zou men ook tot een oudere generatie kunnen rekenen, maar een jong exemplaar dat vlak ernaast in 1953 werd aangeplant en op 45 jaar tijd een stamomtrek bereikte van 282 centimeter en een hoogte van 25 meter, maant tot enige voorzichtigheid bij dit soort van 'dendrochronologische' duidingen. In 1931 stierf Victor De Bruyn kinderloos. Het goed werd gaandeweg intern verkaveld, zodat het kasteel, de voormalige boerderij, het dienstgebouw... momenteel verschillende eigenaars heb-


ben, wat stilaan tot uiting komt in nieuwe afsluitingen en kavelmarkeringen. Onder de recente aanplantingen zit gelukkig heel wat dendrologisch interessant, minder courant materiaal, onder meer Cappadocische esdoorn {Acer cappadocicuni), rode esdoorn {Acer rubrum), gele trompetboom {Catalpa ovatd), grote pagodekornoelje {Cornus controversd), Oost-Aziatische kopkornoelje {Cornus kousa 'Chinensis), ginkgo {Ginkgo hilobd), Perzische eik {Quercus macrantherd), scharlakeneik {Quercus coccined), sequoia {Sequoia sempervirens), zilveresdoorn {Acer saccharinuni).

NOTEN KOS Holsbeek 1894 en 1897, nr. 10. (2)

KL Holsbeek, artikel 912, nr. 172.

(3)

CRAB P., Kijk Holsbeek 1987, p. 60-61.

(4)

KL Holsbeek, art. 561, nrs. 18 en 19.

(5)

Het zuidelijke gedeelte van het kasteelpark is gelegen op "zwak gleyige zandleemgrond met sterk gevlekte textuur B horizont, kleizandsuhstraat beginnend op geringe diepte" (wLcc), volgens: SCHEYS G., Bodemkaart van België: kaartblad Lubheek 90W, 1957, p. 34-35.

(6) Volgens de 'kampioenenlijst' in BIB, p, 385. (7)

Volgens BOOM B.K., Nederlandse dendrologie, 1975, p. 130, werd deze in Frankrijk ontstane cultivar vanaf 1843 aangebo-

MFRKWAARDIGE BQMFN (opname 16 j u n i 1998; vergelijk met de opnamen in het bestand 'Beltrees' onder de nrs. 8960, 8 9 6 1 , 8962, 8963) 1.

9. 10. 12. 13. 16. 20.

21. 22. 25. 28. 29. 42. 44. 45.

b r u i n e b e u k {Fagus sylvatica

den. (8)

Cf. de militaire topografische kaarten 24/6 en 32/2 van 19301931 (ICM, 1937).

'Atropunicea')

388; Amerikaanse tulpenboom {Liriodendron tulipiferd) 416; moseik {Quercus cerris) 378; mispelbladige wintereik {Quercuspetraea 'Mespilifolia') 325; tamme kastanje {Castanea sativd) 364; gewone trompetboom {Catalpa bignonioides) 283; bruine beuk {Fagus sylvatica Atropunicea') 417; gewone beuk {Fagus sylvatica) 442; bruine beuk {Fagus sylvatica Atropunicea') 361; bruine beuk {Fagus sylvatica Atropunicea'), 363, onderstam 690 (30); bruine beuk {Fagus sylvatica Atropunicea') 381; tamme kastanje {Castanea sativd), driestammig, oud hakhoutexemplaar, dikste stam 295 (220); gele paardekastanje {Aesculus flavd) 245; gewone plataan {Platanus x hispanicd) 4 4 3 ; gewone beuk {Fagus sylvatica) 395; gewone beuk {Fagus sylvaticd) 382; gewone beuk {Fagus sylvaticd) 3 7 3 ; mammoetboom {Sequoiadendron giganteum) 555; zilveresdoorn {Acer saccharinuni) 359; Oostenrijkse den {Pinus nigra swhsp. nigra) 246.

Het domein

elementen en

De Bruyn:

merkwaardige

situering van

bomen

gebouwen.

(tekening

diverse aanleg-

R De Meerleer) T


Roger Deneef & Jo

Wijnant

HOLSBEEK (Nieuwrode): PASTORIE VAN DE SINT-LAMBERTUSKERK SINT-LAMBERTUSSTRAAT 1 1 , 3221 NIEUWRODE (PRIVÉ-BEZIT, NIET TOEGANKELI)K VOOR HET PUBLIEK)

Pastorietuin met tweeledige indeling, 63 are; op enkele oude bomen en een beplantingsheuveltje na zijn alle aanlegdetails verdwenen; heraanleg in 1999. De pastorie van Nieuwrode ligt al sinds 1974 verlaten en de bescherming als m o n u m e n t in 1976 heeft ze niet voor verval kunnen behoeden (1). Het gebouw (2) heeft een tweeledige structuur: een vroeg-18de-eeuws dubbelhuis (1707 volgens de muurankers) in traditionele bak- en zandsteenstijl, dat naar de tuin (zuiden) is toegekeerd en, tegen de voorgevel van dit gebouw, een voorbouw uit het midden van de 19de eeuw (3), met een gecementeerde puntgevel aan de straatzijde. O p het ogenblik van de bescherming leek de tuin rond de pastorie op een braakveld. O p een ansichtkaart van omstreeks 1930 is nog de omheiningsmuur aan de straatzijde te zien, die naar aanleiding van

een wegverbreding (vermoedelijk in de jaren 1950) werd afgebroken. Daardoor verdween de voortuin. Er blijven echter nog belangrijke stukken van de 19de-eeuwse ommuring over. De oude kadastrale indeling, nog onveranderd weergegeven op de kaart van Popp, en datgene wat er nog van de beplanting rest wijzen op een tweeledige indeling, die typisch is voor de meeste andere pastorietuinen in de regio: een klein (12,5 are), rechthoekig perceel (sectie C nr. 30) dat in het verlengde ligt van het pastoriegebouw en vermoedelijk ooit een kruisgewijze indeling kende; en een groot (40 are) perceel (sectie C nr. 31a) dat ook de boomgaard omvatte, met een sierbeplanting aan de rand daarvan. De ommuring omvatte beide percelen. In de - tot voor kort - schaarse beplanting zijn nog enkele elementen met een structurele beteke-


-4 De pastorie van Nieuwrode in betere tijden: de achterzijde van de pastorie op een ansichtkaart uit het interbellum; de bomen en het rododendronmassief rechts op de foto zijn verdwenen (collectie BlockxMeulemans, Lubbeek)

nis aanwezig: een haagbeuk (Carpinus betulus) met 127 centimeter stamomtrek, ongetwijfeld een relict van een oude haag aan de noordoostelijke zijde van de tuin; twee oude, meerstammige reuzenlevensbomen {Thuja plicatd) met omtrekken tot 168 centimeter; een heuveltje in de zuidoosthoek van de tuin met daarop een zomerlinde [Tilia platyphyllos) met 208 centimeter omtrek; een bruine beuk {Fagus sylvatica 'Atropunicea') met 288 centimeter omtrek. Vermeldenswaardig is ook een ongewoon dikke treur-es [Fraxinus excelsior 'Pendula')- 212 centimeter omtrek - rechts van het gebouw (4).

NOTEN (1) Door de gemeente openbaar verkocht op 9 maart 1999 ('Vervallen pastorij eindelijk verkocht', Het Laatste Nieuws 103-1999).

(2) BEH, p. 319; DIRKX G., HENNEQUIN L, LANNOO J. & MARTENS E, Studie van de voormalige pastorie te Nieuwrode. Constructie en architectuur, Antwerpen, Hogere Opleidingen voor Stedebouw, Monumentenzorg, Technologie en Economie van het Gemeenschapsonderwijs.

(3) KOS Nieuwrode, 1849. (4) Met 212 centimeter stamomtrek op de 11de plaats in de 'kampioenenlijst' van België, volgens BIB, p, 358.

In 1999-2001 werd het gebouw gerestaureerd en werd het achterliggende tuingedeelte heraangelegd: een traditionele kruisvormige indeling in de bij het gebouw aansluitende helft van het perceel, een hoogstammige boomgaard in de andere helft.

M&L


Roger Deneef

& Jo

Wijnant

HOLSBEEK (Sint-Pieters-Rode): PASTORIE VAN DE SINT-PIETERSKERK PASTORIEDREEF

10, 3220

SINT-PIETERS-RODE

• Het omwalde

t/rp/>/

tl/tja&ft

Wtji ./ie,,/,„

pastoriegoed en de dorpskern van

/(f

liroï/c'

Sint-Pleters-Rodc op de Primitieve

4{ ü_^ ^ f

kadasterkaart,

1822 (archief Kadaster Brabant, Brussel)

\n paj&mj

rJ

/^c/o'r/^f

Omwalde tuin, 70 are, rond in 1690 gebouwde pastorie; oeverbeplanting met oude knoteiken op de buitenzijde van de ringgracht. De vroegste afbeelding van de pastorie van SintPieters-Rode (1) komt voor op een figuratieve kaart van de cijnsgoederen van de abdij van 't Park te Heverlee van 1659 [afgebeeld op blz. 38]. Het pastoriegoed was omringd door een brede gracht die ongeveer dezelfde vorm en afmetingen had als de huidige. Een smalle, rechte gracht doorsneed het 'eiland'. De toegangsweg door het "Pastorye veldeken" lag op dezelfde plaats als de huidige en de pastoriemotte werd omringd door boomgaarden. In 1690 werd de pastorie heropgebouwd in haar huidige vorm. Een stenen brug en een poortgebouw (1694) met een duiventil aan de binnenzijde

van de gracht geven toegang tot het 'eiland'. De voorgevel van het pastoriegebouw, dat zich in het oostelijke gedeelte van het eiland bevindt, draagt in ankers het jaartal 1690, maar de sluitsteen van de deurlijst vermeldt 1771. In het trapgeveltje van de dakkapel boven de middentravee bevindt zich een steen met het wapenschild van Van Tuycom, de abt van 't Park te Heverlee ten tijde van de heropbouw (2). Sint-Pieters-Rode vormt een uitzondering op de dualiteit die de meeste pastorietuinen in de regio kenmerkt; een vlak, rechthoekig perceel in de 'schaduw' van het pastoriegebouw, duidelijk afgescheiden - soms door de ringgracht (3) - van een informeel aangelegd perceel, dikwijls een bosplantsoen, waarin in de loop van de 19de eeuw een bescheiden, klerikale variante op de landschappelijke tuin werd aangelegd. In Sint-PietersRode is er alleen het 'eiland' met de pastorie, ongeveer een halve hectare groot.


O p de Ferrariskaart (1771-1775) wordt het tuinperceel, dat ongeveer de westelijke twee derden van het eiland in beslag neemt, kruisvormig ingedeeld, wat in pastorietuinen vaak het geval was, maar bij de Ferrariskaart is het nooit duidelijk of het om een realistische dan wel een generische voorstelling van het fenomeen tuin gaat. Sporen van geometrische aanleg of structuur zijn niet (meer) aanwezig, tenzij een relatief jonge rijaanplanting langs de westelijke arm van de ringgracht van bruine beuken (vermoedelijk eerste kwart 20ste eeuw), die zowat de oudste elementen in de beplanting van het 'eiland' uitmaken. Links van de voordeur staat een mooi exemplaar reuzenlevensboom {Thuja plicata, 192 centimeter stamomtrek). Onder de recentste aanplantingen is er een zeldzaamheid, met name een rijzige moerascipres {Taxodium ascendens). Het meest opzienbarende element - en ook het meest archaïsche - bevindt zich op de buitenoevers van de ringgracht, namelijk een rijaanplanting van op 170 a 180 centimeter hoogte geknotte zomereiken {Quercus robur) met stamomtrekken tot 280 centimeter.

'if.j.y.n inM'f.

^ mm

Sint-Pieters-Rode op de Ferrariskaart (1771-1775); in de beemden langs de Winge ten noorden van de dorpskern bevindt zich de omwalde pastorie: ten oosten van het dorp. het kasteelgoed van Horst

^PEtTElV^RHOlil

met de vijvers

NOTEN (1)

Pastorie met ingangspoort en brug, beschermd als monument op 30 oktober 1963.

(2)

HALFLANTS J., Architecturaal patrimonium van de fusiegemeente Holsbeek, p. 188-218 in: Speciaal nummer Holsbeek. Oost-Bmbant 21(4), 1984; - Norbertijnse pastorieën in het Hageland. Meer Schoonheid 10(2), 1963, p. 12-14; BF.H. p. 357.

(3)

zoals te Bierbeek (Korbeek-Lo).

•4 De pastorie van Sint-Pieters-Rode (foto S.Van Aerschot, 1967)


Roger Deneef

& Jacques

Halflants

HOLSBEEK (Sint-Pieters-Rode) KASTEEL VAM HORST HORSTSTRAAT 2 8 , 33220

SINT-PIETERS-RODE

Omwald feodaal kasteel met relicten van laat-mlddeleeuwse

omgevingsaanleg;

site gefossiliseerd In de late 17de eeuw: geen sporen barokke, classicistische of landschappelijke aanleg. Het kasteel van Horst - volgens Edouard Van Even "Ie seul specimen important d'une grande construction rurale du XVe siècle existant dans nos contrées" {\) - heeft altijd tot de verbeelding gesproken en er is vrij veel over geschreven. Het huidige uitzicht van deze waterburcht, een onregelmatige polygonale aanleg in baksteenbouw met zandstenen speklagen, wordt — met uitzondering van de toegangspoort en de vierkante zandstenen donjon

• Het kasteel van Horst (boven) en de omwalde pastorie (onder) van Sint-Pieters-Rode in 1659, op de kaart van de cijnsgoede-

(„(GpuJtWetri

ren van de abdij van 't Park onder Sint-Pieters-Rode, in 1659 opgemeten door Guillaume

Subil (Typographieboeck TB, F. 174, archief Abdij van t' Park. Heverlee)

1VI&L

-•<•• « j

Lr il Mot,

- voornamelijk bepaald door een bouwcampagne aan het einde van de 15de eeuw of het begin van de 16de eeuw, maar het gebouw heeft vermoedelijk een 13de-eeuwse kern (2). Het is een uitzonderlijk geval. Sinds het midden van de 17de eeuw tot zeer recent onbewoond en ondanks een onrustwekkende beschrijving uit 1848 (3), staat het er nog steeds. Bovendien bleef een belangrijk gedeelte van het interieur bewaard (ondanks een recente aanslag), met name de prachtige barokke zolderingen van de hand van Jan-Christiaen Hansche. Elders werden kastelen uit die periode minstens van binnen grondig gewijzigd en verbouwd. Ook voor de onmiddellijke omgeving is de tijd sinds de van de Tympels (4), de laatste bewoners in het midden van de 17de eeuw, grotendeels blijven stilstaan: geen barokke of classicistische tuin, geen 'landschappelijke' fase. Tot in de 19de eeuw was de slotgracht (Primitief perceel 95) nog herkenbaar maar toen al geruime tijd droog of verland (5). Pas in 1920 zal ze uit het kadastraal beeld worden afgevoerd (6). De grote, rechthoekige omgrachting die — zoals in het kasteel van SintJoris-Winge*, het O u d Kasteel van Boutersem of het kasteel van Rivieren te Aarschot (Gelrode) — ook het neerhof omvatte, is nog steeds voor een groot gedeelte aanwezig. Het wagenhuis, dat ook de watermolen (op de Winge) herbergde en recentelijk tot café-restaurant werd verbouwd, is waarschijnlijk een 17de-eeuwse recuperatie (1658 volgens de muurankers) van een van de vleugels van het primitieve neerhof. Het kasteel vormt het brandpunt van een net van wegen, dreven en dijken, dat erg archaïsch overkomt, dat ontworpen en aangelegd lijkt in een periode dat de landmeetkunde nog in de kinder-


Het kasteel van

voorgrond te oorde-

van de buitenste

Horst vanuit het

len, in het eerste

gracht (collectie

zuiden; aan de

kwart van de 2üste

Blockx-Meulemans,

afmetingen van de

eeuw; op de voor-

Lubbeek)

zomereiken op de

grond een relict

Het kasteel van Horst op de

schoenen stond. De kaart van Sint-Pieters-Rode die in 1659 door Guillaume Subil werd opgemaakt, toont ongeveer hetzelfde beeld als de Ferrariskaart, meer dan een eeuw later. O p het moment dat de Ferrariskaart werd opgemaakt (1771-1775) [afgebeeld op blz. 37\ was het kasteel al meer dan een eeuw niet meer bewoond. Alleen de watermolen op de Winge, deel van het wagenhuis, en de kasteelhoeve, 300 meter ten oosten van het kasteel, waren nog in gebruik. Van elementen die naar 'lust' of 'plaisantie' verwijzen is elk spoor verdwenen. De componenten van het landschap, voor zover ze op de Ferrariskaart geïdentificeerd kunnen worden, hebben een utilitair karakter: de vier grote vijvers ten noorden van het kasteel (bekend als 'De Vijvers' op het grondgebied Nieuwrode), in de 19de eeuw omgezet in bos, maar de dijken zijn nog duidelijk herkenbaar; vervolgens de beemden op de rechteroever van de Winge (eveneens Nieuwrode); en tenslotte diverse boomgaarden, waaronder de "notelaren boomgaard', zoals de plek ten zuidwesten van het kasteel (waar het huidige parkeerterrein ligt) kadastraal wordt genoemd.

momenteel gevormd door de dreven. De reeds geciteerde tekst van 1848 beschrijft de benadering van het kasteel vanuit het dorp Sint-Pieters-Rode via een weg " bordé d'une double plantation de chênes séculaires, vieux témoins de son ancienne spiendeur'. Dit moet juist vóór hun velling geweest zijn, want de 64 zomereiken {Quercus robur) en één wintereik {Quercus petraed) die we in 1995 hebben geregistreerd langs de Horststraat, het toegangsdreefje naar het kasteel en een van de armen van de oude buitengracht, met stamomtrekken tussen 200 en 305 centimeter, werden waarschijnlijk aangeplant in 1860-1870. Dit konden we vaststellen naar aanleiding van de velling in 1997 van een vijftiental gevaarlijke bomen. Een van de zomereiken heeft een uitzonderlijke stamomtrek van 387 centimeter en behoort misschien tot een oudere generatie (8).

Primitieve kadasterkaart, 1822; de feodale opperhof-necrhofstructuur is duidelijk herkenbaar (archief Kadaster Brabant, Brussel)

T Vroeger dijken tussen vijvers, nu bcukendreven in het bos ten noorden van Horst (foto R Deneef, 1993)

De grote vijver die het kasteel omsluit en die - in tegenstelling tot 1770, toen er een dijk liep tussen de slotgracht en de vijver — vandaag ook de oude (ronde) slotgracht incorporeert, werd pas in de jaren 1930 heraangelegd (7). De periodieke drooglegging van de vijver voor visteelt of onderhoud zou de stabiliteit van het kasteel beïnvloed kunnen hebben en is mogelijk (mede)oorzaak van de barst in de donjon. De meest opvallende aanlegcomponent wordt

M&L


NOTEN (1)

VAN EVEN E., Notice historique [over het kasteel van Horst, annex bij verslag van de zitting van 12-10-1900 van het provinciaal Comité van Briefwisselcnde Leden Brabant van de Koninklijke Commissie voor Monumenren], Bulletin du Comité da Correspondants 1900-1901. Commission Royale des Monumenrs. Bruxelles, E. Guyot, 1902, p. 14-16.

(2)

BEH, p. 355-357; HALFLANTS ]., Architecturaal patrimonium van de gemeente Holsbeek, Oo^-firafe«f 21(4) (speciaal nr. Holsbeek), 1984, p. 207-209.

(3)

"abandon miserable" en "Nousparcourümes ainsi, saus rencontrer autre chose que les poules du fermier. tous les apartements du chateau . citaten uit: GENS E., Ruines et paysages en helgique. Bruxelles, A. Jamar, z.d., p. 50.

(4)

Uir de boedelbeschrijving zou kunnen worden afgeleid dat het kasteel tot het einde van de 17de eeuw. tot de dood van de laatste van den Tympel, Maria-Anna (1713), nog regelmatig door

De dorpskern en de

de eigenaars werd bewoond (cf. OP DE BEECK E., De heren

omwalde pastorie van Sint-PietersRode en het kasteel van Horst met de

Na het verlaten van het kasteel, bereikten

de

van Horst uit het geslacht der prinsen van Rubempré. De

bezoekers van 1848 via een lange dreef met linden

beboste 'Vi|vers'

het dorp "Oplinter",

in 1893

want Oplinter ligt in vogelvlucht 18 kilommeter

(ICM, 1896)

verwijderd

van

wat natuurlijk onmogelijk is Horst;

vermoedelijk

Brabantse Folklore m. 210, 1976, p. 155-165). (5)

rer niet meer als watet omschreven of ingekleurd, maar al in

werd

1848 berreurde GENS, op. cit., p. 46, al"ses fossés. tnstes main-

Nieuwrode bedoeld en gaat het om de weg die langs het kasteel doorheen 'de Vijvers'

Vanaf 1880 wordt het slotgrachtperceel (nr. 95) door her kadas-

tenant et sans eati'.

noord-

(6)

KOS Holsbeek 1920, nr. 13.

waarts loopt. O o k in een artikel uit 1938 is er nog

(7)

De wijziging wordt pas aangegeven op KOS Sint-Pieters-Rode

sprake van "une route particuliere, qui, veuve de ses tilleuls, fut

manifestement,

aujourd'hui jadis,

1938, nr. 8, maar was zeker al in 1934 uitgevoerd, gezien de

la

foto in: MOERS E.. Het kasteel van Horst te Sint-Pieters-

drêve seigneurale" (9). De holle stronk linde (Tilia platyphyllos) voor het wagenhuis is hier ongetwij-

Rode. Toerisme - Orgaan van de VTB 13, 1934, p. 627-630. (8)

Verslag door A. De Haeck en R. Deneef d.d. 24-4-1995

(9)

PETITJEAN O , Le chateau fort de Hotst, a Rhode-Saint-

feld een overblijfsel van.

(Archief Monumenten & Landschappen, Leuven). Pierre. Revuedu Touring Club deBelgiquey)(\(>), 1933, p. 241245.

M&L


Roger

Deneef

LUBBEEK (Binkom): PASTORIE VAN DE S1NT-JAN-ÜE-DOPERKERK KERKSTRAAT 4 , 3 2 1 1

BINKOM

(PRIVÉ-BEZIT, NIET TOEGANKELIJK V O O R

HET PUBLIEK)

• De pastorie van Binkom (de percelen 70,71, 72 en 73) in de 'Atlas cadastral de Belgique' door P.C. Popp, I860

Pastorietuin van 22,5 are, oorspronkelijk bestaande uit drie percelen met specifieke bestemming, rond 1870 vermoedelijk heraangelegd, met een 'landschappelijk' gedeelte. in 1988 opnieuw aangelegd met behoud van oude elementen en respect voor de oude indeling. Het pastoriegoed van Binkom omvatte rond 1830 volgens het Primitief kadaster vier percelen: het pastoriegebouw (perceel 70), een dubbel huis van baksteen met zandstenen sokkel en hoekkettingen, twee verdiepingen en een laag bijgebouw, opgetrokken in 1788-1791 (1); het rechthoekige, licht hellende perceel 72, dat onmiddellijk bij de pastorie aansluit; een rechthoekig boomgaardperceel (nr. 73) in het verlengde van het voorgaande; en een min of meer driehoekig boomgaardperceel

(nr. 71), naast de percelen 70 en 72. In 1872 worden boomgaarden en tuin tot één "pastorijhof van 22,5 are versmolten (2). In 1976 verdween de laatste pastoor. Toen in 1988 de pastorie door de huidige bewoner werd aangekocht, verkeerde ze in een ruïneuze staat. Vlak voor de verkoop was daarenboven een oude aanbouw aan de rechterzijde van het hoofdgebouw afgebroken. De huidige eigenaar heeft het gebouw gerestaureerd en de tuin heraangelegd. Bij deze heraanleg werden oude elementen zoveel mogelijk gespaard - en aangevuld - zodat wij ons toch een beeld kunnen vormen van de pastorietuin in betere dagen. Het rechthoekige perceel (nr. 72) in de schaduw van het gebouw is een vast gegeven bij elke pastorietuin; traditiegetrouw was dit perceel kruisgewijze ingedeeld en werd het gebruikt voor 'nut en sier'. De oorspronkelijke symmetrie van dit perceel is nog afleesbaar uit twee oude taxussen ( Taxus

M&L


2000)

steld ten opzichte van de achterdeur van de pastorie. Het perceel wordt aan de westzijde afgezoomd door een jonge aanplanting van leilinden. Het gecementeerde dubbele waterbekken in het centrum van het perceel is een creatie uit de jaren 1940 of 1950. Achter de leilinden bevindt zich het oude driehoekige boomgaardperceel (nr. 71) dat, conform het historisch gebruik, opnieuw met fruitbomen werd beplant. Vlak bij het huis werd echter een omhaagd parterretuintje aangelegd.

gevoegd, signaleert vermoedelijk dat de tuin toen heringericht werd. Dankzij het achterste rechthoekige perceel (nr. 73) kunnen we ons daarbij iets voorstellen dat ook min of meer overeenstemt met een algemeen modeverschijnsel: de 'verlandschappelijking' van tuinen die vanaf 1840-1850 ook tot pastorietuinen doordringt. O p dit perceel staan enkele bomen, onder meer een zilverlinde {Tilia tomentosa), die ooit op 3 meter hoogte is afgebroken, waarvan vervolgens de kern is weggerot maar die een nieuwe kruin gevormd heeft op tot stammen uitgegroeide gedeelten van de periferie; de stamomtrek van deze linde bedroeg minstens 380 centimeter en dat zou kunnen overeenstemmen met een leeftijd van ongeveer 130 jaar. Dit landschappelijk aangelegd perceel eindigt min of meer in een ophoging, die plaatselijk het karakter aanneemt van een heuveltje, mogelijk bedoeld als uitkijk- of rustpunt. In deze zone bevinden zich enkele oudere gewone esdoorns [Acerpseudoplatanus) en een mooie gewone robinia {Robinia pseudoacacid). Het poeltje op de grens van de percelen was vermoedelijk ook bedoeld als landschappelijk element.

NOTEN (1)

BEH, p. 46; WAUTERS A., Géographii et histoire des communes heiges. Arrondissement de Louvain - canton de Glabbeek, Bruxelles, Culture et Civilisation (facsimile van editie 1882),

De kadastrale mutatie van 1872, waarbij de drie tuinpercelen tot een groot perceel worden samen-

1VI&L

1963, p. 85. (2)

KOSBinkom, 1872nr. 2bis.


Roger Deneef, Herlinde Jacques

De Jaeck,

Haljlants

& Jo

Chris De

Maegd,

Wijnant

LUBBEEK (LiTiden): KASTEEL VAM LINDEN (DE BEAUEEORT) DIESTSESTEENWEG 27, 3210 LINDEN (PRIVE-BEZIT, NIET TOEGANKELI|K VOOR HET PUBLIEK)

Oorspronkelijk dorpskasteel met opperhofneerhofstructuur en beperkte geometrische tuinaanleg, omgevormd begin 19de eeuw tot vroege landschappelijke tuin; heraangelegd rond neoclassicistisch kasteel tot landschappelijk park van circa 30 hectare (samen met het aanpalende 'Rood Kasteel', 38 hectare) omstreeks 1870;

aanlegpatroon

in hoge mate bepaald door historische evolutie van de eigendomsperimeter; opvallend veel oude en dikke bomen.

HET KASTEEL VAN I INDFN IN DE DQRPSTOPOGRAFIF Bij het begin van de 19de eeuw bezat baron Maximilien Henri Ghislain de Beeckman (1), een notoir opkoper van voormalige kerkelijke eigendommen (2), zowat 320 hectare eigendommen te

Linden, meer dan de helft van het gemeentelijke grondgebied. Tot dit grondbezit behoorden 14 huizen met bijbehorende tuin en boomgaard, verspreid over de gemeente, maar het grootste gedeelte bestond uit akkers (bijna 250 hectare) en bos (50 hectare), grotendeels dennenbos, op de flanken en de toppen van de Diestiaan heuvels. De weilanden besloegen nog geen 4 hectare en waren beperkt tot het enige beekdal van Linden, dat van de Abdijbeek (op sommige kaarten Molenbeek of Roosveldebeek genoemd). Tussen de Abdijbeek en de dorpskerk, die tot haar afbraak in 1878 in het midden van het huidige kerkhof stond, bevond zich het feodale dorpskasteel, eveneens eigendom van de Beeckman. De vroegste vermeldingen van het kasteel gaan terug tot 1382, maar de huidige bouwfysische kern wordt waarschijnlijk gevormd door een gebouw dat in 1661-1663 werd opgetrokken (3). In de loop der tijd vervaagde de oorspronkelijke opperhof-neerhofstructuur en de Houwaartse Baan, die


Het kasteel van Het kasteel van

Het kasteel van

lijke heraanleg, nog

contouren van een

Linden op de

duidelijk zichtbaar.

splegelboogvormlge

dreef zal in de

oudste versie van

links onderaan het

terrastuln of vijver,

{aren I860 plaats

de Primitieve

kerkhof wordt het

typisch element uit

ruimen voor het

kadasterkaart

tuinpavll{oen

de baroktuln; de

Rood Kasteel

(gedateerd 1813);

(nu grafkapel) aan-

pas aangelegde toe-

(archief Kadaster

de feodale opper-

geduid; de rode lijn

gangsdreef verbindt

Brabant)

hof-neerhofstmctuur

tussen het kasteel

het kasteel met de

Is, ondanks de

en het kerkhof

steenweg Lcuven-

prille landschappe-

suggereert de

Diest. het landhuis

ee

f^? j e

' \

v

i-^"" ^7

• '

Ji*j£u

«HL 1' ."'••-

•

•

vÓ

v

^

•

'

i

j

1.7

i/Pun^erJ. i

1

Chateaux et womi-

1830, vanuit het

mem [ . . . ] door

zuiden, (litho door

De Cloet; collectie

Jobard, getekend

Emile Notschaele.

door A. De Harbalx,

Kessel-Lo)

tussen de kerk en het kasteel liep, werd omgeleid ten noorden van de kerk. O p de Ferrariskaart (1771-1775) is een van de dreven (rechtsboven op de reconstructietekening met vogelperspectief) nog als relict van het oude tracé herkenbaar. In 1782-1784 werd het kasteel vergroot met twee traveeën aan weerszijden en de drie middelste traveeën met inkompartij en bordes werden bekroond door een driehoekig fronton. Het kasteel werd bovendien geheroriënteerd naar het zuiden en verbonden met de pas aangelegde steenweg Leuven-Diest via een lijnrechte, 500 meter lange dreef.

links van deze

I

plaat nr. 33 in:

Linden In 1820-

il 'S

Een litho van 1820-1830 geeft hoogstwaarschijnlijk een natuurgetrouw beeld van de zuidgevel van het kasteel tijdens het eerste kwart van de 19de eeuw. Links op de achtergrond is de achthoekige grafkapel zichtbaar die vermoedelijk in de tweede helft van de 18de eeuw tegen de kerkhofmuur werd aangebouwd (4) en - afgaande op het type van architectuur en de verhoogde ligging — oorspronkelijk misschien wel als tuinpaviljoen was bedoeld. De kapel van witte zandsteen is gebouwd in Lodewijk-XVI-stijl, met gekleurde glasramen en een houten altaartje. De twee kleine naaldbomen aan weerszijden van het kasteel zijn mogelijk de nog bestaande, nu tot monumentale bomen uitgegroeide moerascipressen (Taxodium distichurri). Rechts op de achtergrond is de oude hoeve zichtbaar en het gebouwtje met het schilddak rechts op de voorgrond is de remise waarvan de afbraak in 1870 kadastraal wordt geregistreerd (5). Het hek tussen de twee pilaren geeft toegang tot een omheinde tuin van meer dan één hectare.


• De achthoekige

eeuw tegen de

tuinpaviljoen

grafkapel, vermoede-

kerkhofmuur aangc-

bedoeld

lijk in de tweede

bouwd en oorspron-

(foto J. Wijnant,

helft van de 18de

kelijk misschien als 1998)

Het park vanuit de grafkapel gezien

die volgens het Primitief kadaster (6) gedeeltelijk "Jardin d'agrément" en gedeeltelijk "terrain d'agrémenf is. De groene omkadering wordt gedomineerd door zuilvormige bomen, ongetwijfeld Italiaanse populieren {Populus nigra 'Italica') en ook treurbomen, vermoedelijk gele treurwilg (Salix alba 'Tristis'). O p de verre achtergrond: de beboste hellingen van Hoog Linden. Deze litho beantwoordt nagenoeg perfect aan de situatie op de Primitieve kadasterkaart (de kladversie is 1813 gedateerd). O p deze kaart zijn nog tal van elementen (onder andere het kasteeleilandje) herkenbaar uit de IBde-eeuwse situatie, die hier geëvoceerd wordt aan de hand van reconstructietekeningen op grond van de Ferrariskaart. De kerk, omringd door een kerkhof, neemt een topografisch dominante positie in; tegen de kerkhofmuur leunt de semi-gesloten kasteelhoeve aan (7) en 50 meter zuidwaarts ligt het eiland met het kasteel. In 1813 is het 'lustaspect' beperkt tot iets meer dan 2,5 hectare (de vijver inbegrepen), niet veel meer dan op de Ferrariskaart, maar conceptueel

erg verschillend. Zowel in de contouren van het vijverperceel (waarin de oude ringgracht nog doorschemert) op de Primitieve kadasterkaart, als in het beplantingsbeeld op de litho kan men een weifelend begin zien van een landschappelijke aanleg. De Primitieve kadasterkaart geeft enkele belangrijke landschapsarchitecturale aanduidingen, die op latere edities van de kadasterkaart worden gepreciseerd: de "drève" die het smalle westelijke gedeelte van het domein aan de zuidzijde afsluit en de grens vormt tussen het Abdij beekdal en de kouter van 'Sprengel' wordt in 1860, op de collages in de 'Atlas cadastral' van Popp, omschreven als "Bueken Dreef. Opmerkelijk is dat een gedeelte van het grote lusthofperceel (nr. 82) tussen het kasteel en het kerkhof wordt afgebakend door een rode lijn, die een spiegelboogvormige terrastuin suggereert, een typisch element uit de baroktuin, waarover geen verdere aanduidingen werden gevonden.

(foto R. Deneef, 1998)

Baron de Beeckman bezat het grootste gedeelte van Linden, maar tussen de nieuwe steenweg

M&L


HET KASTEFL DF RFAIIFFQRT EN DE DQRPSKFRN VAN LINDEN

• Het kasteel van Linden, bepleisterd en wit geschilderd, na het hooien, vóór 1914; de twee moerascipressen voor het kasteel in een juveniel stadium (collectie BlockxHeulemans, Lubbeek)

Leuven-Diest en het kasteel was hij slechts eigenaar van de 'Negen Bunders', een perceel landbouwgrond van 13 hectare ten oosten van de nieuwe toegangsdreef. Links (ten westen) van de dreef, op de 'Springel' (of 'Sprengel'), lag een hoeve omringd door een blok van bijna 15 hectare, die eigendom was van de Leuvense advocaat Pierre Joseph Gilbert (8). In 1859 zal dit eigendom verkocht worden aan de Leuvense brouwer Carleer, die er zijn eigen 'Rood Kasteel'* zal optrekken en met een landschappelijk park omringen, Pas in 1881, twee jaar na de dood van Carleer, zal de eigenaar van het 'oud' kasteel - op dat ogenblik graaf Jules-Emmanuel de Beauffort (9) — ook dit gedeelte verwerven en vervolgens een aanvang maken met de heraanleg van de ruimte rond het oude kasteel, voortaan 'de Beauffort' genoemd. Beide domeinen vormen voortaan nagenoeg één organisch geheel.

In 1870, het jaar waarin de bouw van het Rood Kasteel door het kadaster wordt geregistreerd (maar volgens de militaire topografische kaart stond het er al in 1865), krijgt het kasteel de Beauffort grosso modo zijn huidige vorm: een sober neoclassicistisch gebouw van negen bij vijf traveeën, met drie bouwlagen op een hoge kelderverdieping. O p een gekleurde pentekening van circa 1880 door G.I.D. Declerck [afgebeeld op blz. 5Ï\ heeft elk bouwlichaam nog een eigen dak, waardoor een complex dakenspel ontstaat; de drie middelste traveeën hebben bovendien een hoger uitstekend dak en een driehoekig fronton met oculus. O p een prentbriefkaart die vermoedelijk in 1910-1914 werd uitgegeven, zien we dat de dakconstructie werd vereenvoudigd tot één groot gemansardeerd schilddak, waarin de bovenste verdieping werd opgenomen. Het risaliet is versmald tot de deurtravee en wordt bekroond door een gebroken segmentfronton. De zuidgevel, waar zich ook het centrale ingangsbordes bevindt, wordt geflankeerd door twee hoekrisalieten van drie bouwlagen. Aan de westzijde werd een polygonale uitstekende traptoren met dienstingang gebouwd onder een hoog leien dak. O p oude foto's zijn de gevels bepleisterd en wit geschilderd, momenteel zijn ze gecementeerd met nagetrokken voegen en natuursteenimitatie voor de plint, de hoekkettingen, de pilasters, de lijsten en de kroonlijstdecoratie. Het is duidelijk dat het neoclassicistische gebouw van 1782 in de nieuwe toestand werd geïntegreerd.

De zuidgevel van het kasteel van Linden (foto J. Wi|nant,

M&L

Zowel op de pentekening van Declerck als op de ansichtkaarten uit het begin van de 20ste eeuw vallen de symmetrisch opgestelde kuipplanten (mogelijk laurier) op. O p een van de ansichtkaarten zijn op het ere-erf ook drie bloemencorbeilles zichtbaar. O p een andere ansichtkaart kan men vaststellen dat het sieraspect nauw met het nut verweven was, getuige hiervan de hooioppers op de gazons rond het kasteel. In de daaropvolgende jaren wordt onder impuls van (en gedeeltelijk gefinancierd door) graaf de Beauffort (10), die ook burgemeester was, de hele dorpskern vertimmerd: na een blikseminslag in 1874 wordt beslist om de oude Sint-Kwintenskerk af te breken en 350 meter oostwaarts terug op te bouwen in neo-Romaanse gedaante, naar ontwerp van de L. Jaminé, architect van de provincie


Het kasteel van

Het kasteel van

Linden, nog groten-

Linden en het Rood

deels in primitieve

Kasteel omringd

staat, en het Rood

door één groot

Kasteel, omgeven

landschappelyk

door een landschap-

park, op de mili-

pelijk park, op de

taire topografische

eerste militaire

kaart van 1891

topografische kaart

(ICM, 1899)

van 1865 (Depot de la Guerre, 1876);

Limburg en ontwerper van talrijke kerken - meestal in dezelfde neo-Romaanse, Rijnlandse stijl - niet alleen in Limburg (Zelem, Zolder, Lummen, Paal...) maar ook in Hoeilaart (11). Naast de oude, 1 Sde-eeuwse kasteelhoeve wordt bovendien een nieuw dienstgebouwencomplex {"remise en stallingen) gebouwd, waarin op de verdieping ook het logies voor het personeel is voorzien. Het complex heeft min of meer het uitzicht van een vierkanthoeve met twee bouwlagen, in baksteen met cementen speklagen en lijsten en is beeldbepalend voor de nieuwe dorpskern. Typisch voor de 'rustieke' architectuur uit die periode zijn de gepunte metalen bollen op de puntgevels, de versierde nokpannen en de uitgesneden sierlijst onder de dakgoot. Tijdens deze transformatiecampagne worden alle percelen in de omgeving en ten oosten van het kasteel ^'lustvijver", "lusthof, "lustgrond', "weide".

"land') versmolten tot een groot perceel "lustgrond" (nr. 96a) van bijna 6 hectare; tegen de noordelijke omheiningsmuur worden serres gebouwd (12). Volgens het kadaster (13) verdwijnt ook de oude slotgracht, maar op de militaire topografische kaart van 1876 wordt ze nog afgebeeld. In 1884 wordt bij het begin van de toegangsdreef aan de steenweg Leuven-Diest een kleine, pittoreske portierswoning gebouwd met verzorgde detaillering: sierankers, met uitspringende bakstenen lijsten, ingangsperron met arduinen treden en een smeedijzeren leuning, een overkragend dak met geschubde en geperforeerde houten gootlijsten... Bijzonder vreemd is dat nog in 1901, op 50 meter ten westen van het kasteel, een ijskelder wordt geregistreerd (14), maar vermoedelijk ging het om een regularisatie, want ook de grafkapel, die al minstens een eeuw oud was, verschijnt nu pas op de kaart. Het kadaster geeft nog andere tekenen van achterstand, want het grote complex van akkers en weiden langs de Abdijbeek ten westen van het kasteel wordt niet als "lustgrond' omschreven, terwijl de topografische kaart van 1891 (ICM, 1899) een ge-'landscaped' geheel toont: golvende bosranden, slingerpaden, bomengroepjes. Het perceel landbouwgrond van 13 hectare ten oosten van de nieuwe toegangsdreef, de 'Negen Bunders' genaamd, wordt omgezet in boomgaard, ter vervanging van het oude, veel kleinere boomgaardperceel (Nr. 88) dat vlakbij het kasteel lag. De structuur die getoond en het beeld dat gesuggereerd wordt op de kaart van 1891, bleven tot op de dag van vandaag in grote lijnen behouden.

•*

Naast de oude, I8de-eeuwse kasteelhoeve wordt rond 1870 een nieuw dienstgebouwencomplex opgetrokken (foto J. Wijnant, 1998)

M&L


kasteel. Dit eindpunt wordt gevormd door een bosrand met een groep bruine beuken {Fagus sylvatica Atropunicea') en een paar monumentale, laag vertakte zilverlinden (Tilia tomentosa). In oostelijke richting is het uitzicht in de richting van de nieuwe dorpskern verdwenen door de uit de hand gelopen bosschages en bomengroepjes, die aanvankelijk een meer beperkte oppervlakte innamen.

• De in 1884 gebouwde portierswoning bij het begin van de toegangsdreef aan de

BQDEMGESTFLDHFID, TOPOGRAFIF EN PARKSTRUCTtJUR

Diestsesteenweg (foto R. Deneef,

De contouren van het park worden grotendeels bepaald door de topografie en de bodemgesteldheid, met name het zeer vochtige, 'hydromorfe' dal van de Abdijbeek, in de termen van de bodemkaart: "zeer sterk gleyige gronden met reductiehorizont en textuur B horizont" (Afa) (15). Het kasteel de Beauffort bevindt zich bij de monding van een colluviaal zijdal, dat afdaalt vanuit het zandleemplateau van Pellenberg. De voornaamste as van het kasteelpark de Beauffort wordt gevormd door de dalbodem van de Abdijbeek. Na het dempen van de resten van de oude slotgracht, werd ongeveer 50 meter ten westen van het kasteel een nieuwe, spoelvormige vijver met een eilandje aangelegd, die — samen met een groep opvallend (tot 37,50 meter) hoge moerascipressen ( Taxodium distichum) — de voorgrond vormt van de belangrijkste vista. Recente aanplantingen - fijnspar (Picea abies) en canadapopulier {Populus x canadensis) — hebben deze ruimte versnipperd, zodat het oorspronkelijke eindpunt, 500 meter westwaarts, niet meer zichtbaar is vanuit het

Het kasteel van Linden geflankeerd door twee moeras-

• . 1910-1920? (collectie BlockxHeulemans, Lubbeek)

•

uu

D V-D. 1IM* Druk. Van Nmiwerbuitfi Diest. SlcsDvea, U.

Chéteaa de Linden Kutteel nmn

Linden.

'n É

—J

3 n H ÏÏ n 1 IR,

Linden

M&L

•

11

£9

ij | J v r

Een tweede as, loodrecht op de eerste, valt samen met de rechte, brede dreef die op het einde van de 18de eeuw werd aangelegd en die vanuit het zuiden (Diestsesteenweg) recht op het kasteel toeloopt. Tot voor kort was het een lindendreef, met zomerlinden ( Tilia platyphyllos) met stamomtrekken rond 3 meter, maar slechts enkele exemplaren hebben de stormen van het voorjaar 1990 overleefd. Deze dreef volgt de rand van het nauwelijks verzonken colluviale dal waarin het domein van het Rood Kasteel ligt. Ten oosten van de dreef liggen de 'Negen Bunders', tot enkele decennia geleden boomgaard, nu grotendeels braak en versmald door de lintbebouwing langs de Wolvendreef na de Tweede Wereldoorlog. Ten westen van de dreef ligt het park van het Rood Kasteel*, verscholen achter een dichte randbeplanting.

BOTANISCHE EN DFNDRQLQGISCHE WAARDE Als het park de Beauffort, ondanks de al jaren aanslepende lamentabele staat van onderhoud, een uitzonderlijke waarde mag worden toegekend, dan is dat niet zozeer om zijn dendrologische verscheidenheid, dan wel om de talrijke oude bomen die over het hele domein verspreid staan, sommige ongetwijfeld uit de tijd van de Beeckman. Het aantal zomereiken {Quercus robur), bruine beuken en platanen {Platanus x hispanica) met stamomtrekken van meer dan 350 centimeter, is opvallend hoog. Het meest in het oog springend zijn de twee gewone moerascipressen (Taxodium distichum) met een omtrek van respectievelijk 549 en 562 centimeter, die aan de zuidzijde en symmetrisch ten opzichte van het kasteel staan opgesteld en mogelijk al afgebeeld zijn op de voornoemde litho van 1820-1830. In de onmiddellijke nabijheid bevindt zich een gewone haagbeuk (Carpinus betulus) met een stamomtrek van 250 centimeter. Imponerend is de canadapopulier {Populus x canadensis) met 613 centimeter stamomtrek, verborgen in het bosplantsoen ten zuidwesten van het kasteel, die de tweede plaats inneemt op de 'kam-


dalen {Convallaria majalis), gewone salomonszegel •* {Polygonatum multifloruni), ijle zegge {Carex remotd), bosgierstgras {Milium effusum), adelaarsvaren miin van ^ {Pteridium aquilinum), smalle stekelvaren {Dryop- taeel van Linden teris carthusiand) en boszegge {Carex sylvaticd)-

MERKWAARDIGF BOMFN (opname 4 Juni 1998; vergelijk met de opnamen uit 1990 in het bestand 'Beltrees' onder de nrs. 8960, 8 9 6 1 , 8962, 8963) 2. 3. 4. 5. 10. 14. 15. 22.

pioenenlijst' van België (16). De tweede oude haagbeuken ten noordwesten van het kasteel hebben voor Carpinus betulus een opvallend langwerpig blad.

29. 30. 33. 34. 40. 42.

Vermeldenswaardig en waarschijnlijk architecturaal bedoeld zijn enkele grote, dendrologisch interessante struikmassieven die opgesteld staan langs het ringpad in de westzijde van het domein: herfstpaardekastanje {Aesculus parviflord) en, vooral. Viburnum lentago. De rest van de 'struikétage' bestaat afwisselend uit vermoedelijk aangeplante en verwilderde soorten als sneeuwbes {Symphoricarpos albus), boerenjasmijn {Philadelphus coronarius), alpenbes {Ribes alpinuni), witte kornoelje {Cornus albd), vermengd met heestersoorten uit de lokale flora — gewone hazelaar {Corylus avellana), Gelderse roos {Viburnum opulus), Europese vogelkers {Prunus padus), rode kornoelje {Cornus sanguined), gewone aalbes {Ribes rubrum). Opmerkelijk is ook dat soorten die 'socio-ecologisch' als 'echte bosplanten' (17) of zelfs als indicatoren voor 'oud bos' worden aangezien (18), een belangrijke rol spelen in de kruidenflora van het domein, ondanks het feit dat deze bebossing nauwelijks een eeuw oud is. Het gaat om bosanemoon {Anemone nemorosa), lelietje-van-

43. 46. 47. 48. 49. 53. 56. 57. 59. 60. 61. 64. 65. 67. 68.

gewone moerascipres (Taxodium distichuni) (hoogte 37,5 m) 412; gewone moerascipres {Taxodium distichuni) 365; gewone moerascipres (Taxodium distichuni) 381; gewone moerascipres {Taxodium distichuni) 368; T.'èxhx.thzxV {Betuia pubescens) 155; zilverlinde {Tilia tomentosd) 4 4 8 (50) Viburnum lentago (massief) herfstpaardekastanje {Aesculus parviflord) (massief) zomereik {Quercus robur) 357; zomereik {Quercus robur) 363; zomereik {Quercus robur) 4 2 8 ; hangende zilverlinde {Tilia xpetiolaris) 347; bruine beuk {Fagus sylvatica 'Atropunicea') 413; bruine beuk {Fagus sylvatica 'Atropunicea') 357; oosterse plataan {Platanus orientalis) 312; canadapopulier {Populus x canadensis) 613; gewone moerascipres (Taxodium distichuni) 549; gewone moerascipres {Taxodium distichuni) 562; gewone haagbeuk {Carpinus betulus) 250; gewone plataan {Platanus x hispanicd) 3 9 1 ; zomereik {Quercus robur) 399; gewone robinia {Robinia pseudoacacid) 355; gewone robinia {Robinia pseudoacacid) 355; gewone haagbeuk {Carpinus betulus) met opvallend langwerpig blad 207; gewone haagbeuk (Carpinus betulus) met opvallend langwerpig blad 237; Amerikaanse eik {Quercus rubra) 4 2 1 ; zomereik {Quercus robur) 370; bruine beuk {Fagus sylvatica 'Atropunicea') 419; hinokischijncipres {Chamaecyparis obtusd) 301 (50);


72.

(Acerpseudoplatanus 73.

(6)

bontbladige cultivar van gewone esdoorn

De percelen sectie C nrs. 93 en 94, resp. 'terrain d'agrément' en 'jardin d'agrément' (KL Linden, art. 19, nrs. 163 en 164).

'Leopoldii') 305;

gewone plataan [Platanus x hispanicd) 452;

(7)

BEH, p, 296.

78.

tamme kastanje {Castanea sadva) 363;

(8)

KL Linden, art. 53.

79.

zomereik {Quercus robur) 386;

(9)

ANNE DE MOLINA J. e.a., Etat présent de la noblesse du

80.

gewone haagbeuk {Carpinus betulus) 208;

royaume de Belgique (A-B), Bruxelles, Tradition & Vie, 1960,

82.

zomereik {Quercus robur) 370;

p. 63.

83.

zomereik [Quercus robur) 390;

94.

(10) Zie diverse stukken 1875-1883 in dossier Lubbeek (Linden):

Oostenrijkse den [Pinus nigra subsp. nigra)

Kerkdreef - Sint-Kwintenskerk (historisch dossier nr. 6171,

247;

Commission royale des Monuments, in: archief Monumenten

105. Oostenrijkse den {Pinus nigrasuhsp.

& Landschappen Vlaams-Brabant, Leuven).

nigra)

(11) HALFLANTS J. e.a.. Linden, vergeten dorp (tentoonstelling 20-

2 5 2 (100); 110. grootbladige linde {Tiliaplatyphyllos)

330;

167. grootbladige linde {Tiliaplatyphyllos)

393.

25 maart 1990), Heemkring Libbeke, 1990, p. 16-18. (12) KL Linden, art. 85, nr. 175; KOS Linden 1878. (13) KOS Linden 1870, nr. 5; zie ook GEUENS R. & R., Linden, p. 156-158 in: Oost-Brabant(l), Het mooie Hageland. Heverlee,

NOTEN

Renova, 1965. (14) KOS Linden 1901, nr. 11.

(i)

'Debeckman' uit Brussel, volgens an. 19 van de Ptimitieve KL.

(15) BAEYENS L., Bodemkaart van België: kaartblad Leuven 89W,

VERBIST H., Geschiedenis van Linden. Het verloren dorp (2de (2) (3)

(16) BIB, p. 377.

VERBIST H., op. at., p. 43, p. 75; HALFLANTS J. e.a.,

(17) Cf. STIEPERAERE H. & FRANSEN K., Standaardlijst van de

Algemeen overzicht van de geschiedenis van de gemeenten Binkom,

Belgische vaatplanten, met aanduiding van hun zeldzaamheid

Linden, Luhbeek, Pellenherg, Feestcomité Lubbeek i.s.m. het

en socio-oecologische groep. Dumortiera 22, 1982, p. 1-41.

gemeentebestuur Lubbeek, 1978. (4)

HALFLANTS J. e.a., op. rit, p. Li 4.

(5)

Het perceel sectie C nr. 92, "remise dépendance' (KL Linden, art. 19, nr. 162).

• Situering van de gebouwen, merkwaardige bomen en bepaalde aanlegelementen in de domeinen bi| het kasteel de Beauffort en het Rood Kasteel te Linden (tekening R. De Meerleer)

TV1&L

1959.

druk). Linden, Culturele Raad, 1974, p. 43, p. 137.

(18) Zie de lijst in: TACK G., VAN DEN BREMT P. & HERMY M., Bossen van Vlaanderen, Leuven, Davidsfonds, 1993, p. 267.


Roger Deneef, Jacques

Halflants,

Herlinde

De Jaeck,

Chris De Maegd

& Jo

Wijnant

LUBBEEK (Linden): ROOD KASTEEL DIESTSESTEENWEG 2 9 , 3 2 1 0 L I N D E N ( P R I V É - B E Z I T , N I E T T O E G A N K E L I J K V O O R HET P U B L I E K )

• Een gekleurde pentekening uit het manuscript Dictioniain

des

communes van G.I.D. Declerck, circa 1880, waarop naast elkaar weergegeven. links: het Rood Kasteel te Linden, met door de tekenaar uitgeklapte zijgevels, en rechts: het kasteel de Beauffort (collectie Emile Notschaele, Kessel-Lo)

Park van circa 8 hectare met twee vijvers, aangelegd in landschappelijke stijl in 18601870 rond fraai eclectisch-neogotisch kasteeltje; vormt min of meer een geheel met het kasteeldomein van Linden (de Beauffort); verschillende zeldzame en oude bomen.

HFT BUITENGOED VAN CARLEER In 1859 kocht de Leuvense brouwer Jean-Baptiste Carleer (1803-1879), eigenaar van de brouwerij 'DenTemst' in de Drinkwaterstraat te Leuven (1), een landgoed van circa 14 hectare van de Leuvense advocaat Pierre Joseph Gilbert (2). Het was gesitueerd in een colluviaal zijdal dat afdaalt uit het zandleempiateau van Pellenberg (3) en het noor-

delijke uiteinde van dit goed vormde een enclave in de eigendommen van baron de Beeckman, de kasteelheer van Linden. Volgens het Primitief kadaster bestond het uit een "huis" (in feite een viertal losse gebouwen), gelegen aan de rand van een parkachtig blok van 2,5 hectare, dat een vijver, een perceel "jardin d'agrémenf, een perceel "terre d'agrément" en een perceel "bots d'agrément" omvatte. Het was toegankelijk vanaf de steenweg Leuven-Diest via een dreef, die ook naar het kasteel van Linden leidde. De gebouwen werden door Carleer afgebroken, maar op de funderingen van het grootste werd vermoedelijk een nieuw dienstgebouw (tuinierswoning of remise) opgetrokken (4). Zowat 50 meter meer in de richting van de steenweg bouwde Carleer een eclectisch kasteeltje, een baksteenbouw — vandaar de naam 'Rood Kasteel' met witte hardsteen voor de plint, de hoekkettin-


Dit kasteel wordt kadastraal geregistreerd in 1870, maar komt al voor op de militaire topografische kaart van 1865 [afgebeeld op blz. 47\. Volgens sommigen werd het ontworpen door de Gentse neoclassicistische architect Louis Minard (18011875), die zijn naam gaf aan de bekende Gentse schouwburg en zich vanaf omstreeks 1850 ook waagde aan meer pittoreske bouwsels in neogotiek of neo-Vlaamse-renaissance, zoals het kasteel van Olsene (Hof ter Wallen) (5), maar deze toeschrijving wordt door geen enkel document gestaafd.

D.V.D. 12589 Druk. Van Nieuwerburgli, Diest, Steouweg,!

Linden - Chêteau du Beau-Séjoar. Kasteel

Beau-Séjour.

Het Rood Kasteel vóór 1914; tegen de westgevel van het gebouw stond een serre (collectie Blockx-Keulemans, Lubbeek)

• Het Rood Kasteel tijdens het interbellum; de serre is vervangen door een nieuwe inkompartij; links in beeld, op een eilandje: een moerascipres met opgaande twijgen

(faxodim

ascendens) (collectie BlockxMeulemans, Lubbeek)

IVI&L

gen, kordons, omlijstingen, pinakels, kraag- en afdekstenen. Het heeft een nagenoeg vierkant volume van drie bouwlagen onder een afgeknot piramidedak, maar met in de hoogte en de diepte uitbundig uitspringende bouwonderdelen als terrassen, balkons, erkers of arkels, loggia's, portalen, trapgevels en hoek- en daktorentjes. Het neogotische aspect ligt vooral in het spitsboogvormig maaswerk in de bovenwaaiers van ramen en deuren. Tegen de westgevel van het kasteel was een prachtige serre aangebouwd, gedeeltelijk onder een balkon of een terras en met een koepelvormige uitbouw. Deze serre werd tijdens het interbellum afgebroken en vervangen door een erkerachtige uitbouw, bedoeld als inkompartij. Voorheen viel men als het ware met de tuindeur in huis en dit zegt misschien iets over het gebruik. De neogotische binnendecoratie is ongemeen rijk en merkwaardig.

Carleer gebruikte het Rood Kasteel alleen als buitengoed, want hij woonde tot aan zijn dood in de Parijsstraat 32 te Leuven. Het gebouw is enkel zichtbaar door het toegangshek vanaf de steenweg Leuven-Diest, maar het contrast met de drukte en de eindeloze, banale lintbebouwing langs de steenweg is - zelfs bij 70 kilometer per uur - aangrijpend. Het heeft iets van een droombeeld - irreëel, speels, sprookjesachtig - en dit wordt nog versterkt door het spiegelbeeld in de nieuwe, tweede vijver die Carleer voor het kasteel liet graven. Het park dat Carleer liet aanleggen omvatte niet alleen de oude 'lustgronden' maar strekte zich ook uit over de aanpalende akkers van de 'Sprengel'. Het vormde een rechthoekig blok van 200 meter breed en 500 meter diep en reikte bijna tot aan het kasteel de Beauffort. Uit de militaire topografische kaart van 1865 [afgebeeld op blz. 47\ kan worden opgemaakt dat het oude " bois d'agrémenf (perceel 79) als bosplantsoen (6) in de nieuwe tuin werd geïntegreerd. Het kasteel stond centraal opgesteld in een grotendeels open, met bomengroepjes of struikmassieven gestoffeerde ruimte, omgeven door een dichte randbeplanting. Een lusvormig patroon van wegen ontsloot het domein. Aan de noordwestzijde bevond zich een omheind perceel, de moestuin-boomgaard, waarin in 1878 serres werden gebouwd. Het nog bestaande prieel Hollandse linden (Tilia x europaea) - herkenbaar op de ansichtkaarten, momenteel bomen met stamomtrekken tot 259 centimeter - op een heuveltje rechts (ten oosten) van het kasteel en uitkijkend over de oude én de nieuwe vijver en de ruimten voor én achter het kasteel, nam een strategisch uitzichtpunt in. O f de hoofdtoegang zich op zijn huidige plaats (in de zuidwesthoek van het domein) bevond, is niet duidelijk. Een gefragmenteerde dubbele rij bruine beuken {Fagus sylvatica 'Atropunicea') met stamomtrekken tot 336 meter laat vermoeden dat er een andere of tweede toegang was in de zuidoosthoek.


In 1879 overleed Carleer; twee jaar later werd "Beau Séjour" - deze naam zal echter pas na 1945 opduiken, wanneer het kasteeltje wordt verhuurd als opvangcentrum voor kinderen (7) - aangekocht door graaf Jules-Emmanuel de Beauffort (8) en tot één geheel samengesmolten met het kasteeldomein van Linden, waar ook een groot landschappelijk park werd aangelegd. In de daaropvolgende jaren werd het voornamelijk verhuurd. De laatste sporen van het landhuis van Gilbert - door Carleer hergebruikt als dienstgebouw - werden opgeruimd in 1894; 150 meter naar het noordwesten, buiten de ruimte en het gezichtsveld rond het kasteel, werd een nieuw U-vormig, bakstenen dienstgebouw opgetrokken van twee bouwlagen onder een uitgesproken stomp dak, met als opvallendste ornamenten gesinterde stenen en lisenen onder de gootlijst.

DENDROLOGISCHF WAARDE

Het Rood Kasteel gezien van over

Uit de tijd van Gilbert stamt mogelijk de monumentale bruine beuk {Fagus sylvatica 'Atropunicea') met 476 meter stamomtrek, die zich in de noordwesthoek van het domein bevindt. De opmerkelijkste curiosa duiken echter op in de aanleg van Carleer. Uniek zijn de wingerdbladige zomerlinde [Tilia platyphyllos 'Vitifolia') halverwege de oprit, met 365 centimeter stamomtrek veruit de 'kampioen' van België (9) voor deze in 1875 geïntroduceerde, uiterst zeldzame cultivar (10). Verborgen in de wildgroei rond de achterste vijver staat een eenbladige es {Fraxinus excelsior 'Diversifolia') met 388 centimeter omtrek op de tweede plaats (11), na een exemplaar in de Nationale Plantentuin te Meise. In de door Carleer gewilde architectuur speelde vermoedelijk het silhouet van de monumentale Oostenrijkse dennen {Pinus nigra subsp. nigra) in de noordelijke hoeken van zijn domein een structurele rol als eindpunt van een vista. Links van het kasteel staat een groep platanen {Platanus x hispanicd) met stamomtrekken tot 422 centimeter en een haagbeuk {Carpinus betulus) met 253 centimeter omtrek en een voor gewone haagbeuk ongewoon lang en smal blad, die we ook bij het Kasteel van Linden* aantroffen. Tot de beplantingen van Carleer behoren waarschijnlijk ook een varenbeuk {Fagus sylvatica 'Asplenifolia') met 248 centimeter stamomtrek, en de taxus (Taxus baccata) met 263 centimeter stamomtrek nabij het lindenprieel ten oosten van het kasteel.

de vi|ver (foto J. Wljnant,

Onder de jongere generatie aanplantingen treffen we onder meer een zomerlinde met ingesneden blad (Tilia platyphyllos 'Laciniata') aan en een zeldzame rijzige moerascipres (Taxodium ascendens) met een sculpturaal, door golfslag bloot gespoeld wortelgestel op het eilandje in de vijver ten zuiden van het kasteel. De aanplantingen achter (ten noorden van) het kasteel werden tot voor kort in belangrijke mate verdoezeld door allerlei opslag en wildgroei.

1999)

MERKWAARDIGE BOMEN (opname 4 j u n i 1998; vergelijk met de opnamen in het bestand 'Beltrees' onder de nrs. 8960, 8 9 6 1 , 8962, 8963) 31. 32. 35. 109. 113. 114. 120. 125.

Oostenrijkse den {Pinus nigra sxxhs'p. nigra) 404; bruine beuk {Fagus sylvatica 'Atropunicea') 476; Oostenrijkse den {Pinus nigra subsp. nigra) 230; bruine beuk {Fagus sylvatica 'Atropunicea') 427 (100); Noorse esdoorn {Acerplatanoides) 278; zomerlinde met ingesneden blad {Tilia platyphyllos 'Laciniata') 139; gewone taxus {Taxus baccata) 263 (80); rijzige moerascipres {Taxodium ascendens) op eilandje, merkwaardig wortelgestel, circa 200;

M&L


• Situering van de gebouwen, merkwaardige bomen en bepaalde aanlegelementen in de domeinen bij het kasteel de Beauffort en het Rood Kasteel te Linden (tekening R De Meerleer)

140. wingerdbladige zomerlinde {Tilia platyphyllos 'Vitifolia') 365; 141. gewone haagbeuk {Carpinus betulus) met merkwaardig groot blad, 253; 142. gewone plataan {Platanus x hispanicd) 4 2 2 ; 146. zuilvormige zomereik (Quercus robur 'Fastigiata') 301; 147. bruine beuk {Fagus sylvatica 'Atropunicea') 379; 151. bruine beuk (Fd^tf JTJ/ZM/KVZ'Atropunicea') 367; 152. zomereik {Quercus robur) 415; 154. gewone beuk {Fagus sylvatica) 358; 155. gewone moerascipres {Taxodium distichum) 407; 156. varenbeuk {Fagus sylvatica Asplenifolia') 248; 157. eenbladige es {Fraxinus excelsior 'Diversifolia') 388; 159. gewone beuk {Fagus sylvatica) 372; 161. vederesdoorn {Acer negundó) 218.

NOTEN

(1) GOOSSENS J., De Leuvense brouwer Jean-Baptiste Carleer (1803-1879), p. 139-163 in: Jaarboek Geschied- en Oudheidkundige Kring voor Leuven en omgeving (deel XVI), 1976. (2) Primitieve KL Linden, artikel 53. (3) BAEYENS L., Bodemkaart van België: kaartblad Leuven 89W, 1959. (4) KOS Linden 1870, nr. 5. (5) Bouwen door de eeuwen heen, 12n3, kantons Deinze-Nazaret 1991, p. 232-233. (6) waar zich de monumentale canadapopulier bevindt die we onder inv. 46 bij het kasteel van Linden (de Beauffort)* hebben beschreven. (7) VERBIST H., Geschiedenis van Linden, het verloren dorp (2de druk). Linden, Culturele Raad, 1974, p. 164. ANNE DE MOLINA J. e.a., Etat présent de la noblesse du (8) royaume de Belgique (A-B). Bmxelles, Tradition & Vie, 1960, p. 63. (9) BIB, p. 398. (10) KRÜSSMANN G., Handbuch der Laubgehöke (III), 1978, p. 422. ( 1 1 ! BIB., p. 357.


Herlinde

Roger

Deneef,

De Jaeck

& Lydie

Mondelaers

LUBBEEK (Lubbeek) WATERHOE STAATSBAAN 1 5 9 , 3 2 1 0

LUBBEEK

( P R I V É - B E Z I T , N I E T T O E G A N K E L I J K V O O R HET PUBLIEK)

Eclectische villa (1869) met mooie, kleine tuin (1,5 hectare) in landschappelijke stijl; vijver met eilandje (gevormd door de rlnggracht van het In 1902 verdwenen huls van

"plaisir tuin", de percelen omgeven als "boomgaard', Oratoriënbos aan - "land'. de steenweg Leuven-Diest, 1778, lag het zogenaamde

die het grote gebouw "hof en — tegen het Aan de overzijde van die werd aangelegd in Oratoriënhof.

plaisantie); enkele zeldzame oude bomen.

Toen in 1824 het Primitief kadaster van de gemeente Lubbeek werd opgemaakt, bezat Jan Baptist Van Roost, "hoedemaeker" uit Leuven, te Lubbeek circa 28 hectaren (1), waaronder een blok van 4 hectare op de hoek van de Gellenbergstraat en de Diestsesteenweg, aan de voet van de Oratoriënberg. De kern hiervan werd gevormd door een huisje (perceel nr. 367) op een omgracht perceel (nr. 366) en, 40 meter naar het westen, een tweede, groter huis (nr. 262). De percelen waarop dit tweede gebouw zich bevond (nrs. 360, 3 6 1 , 363 en 359) waren eveneens door een (nu gedeeltelijk verdwenen) ringgracht omgeven. H e t eilandje (perceel 366) en het perceel ten zuiden hiervan (perceel 364) werden omschreven als

Tijdens het Ancien Régime behoorde dit goed toe aan het Oratoriënklooster in de Mechelsestraat te Leuven. Het werd in 1800 opgekocht door Charles-Fran^s Laffilé uit Brussel en later doorverkocht aan Van Roost (2). Het gebouwtje op het eiland werd door de oratorianen gebruikt als buitenhuis of 'speelhof'. Dergelijke situatie (hoerenhof versus huis van plaisantie) vinden we terug op tal van andere plaatsen in de regio, vaak in een klerikale context, onder meer te Holsbeek (het Groot College van de Heilige Geest, nu kasteel Van Tilt*), Heverlee-Egenhoven (Jezuïetenhof), Lubbeek (het speelhof van de Sint-Geertruiabdij, nu kasteel de Biolley-T'Serclaes*)... Ten westen hiervan strekte zich het Oratoriënbos uit, een langgerekt blok van ongeveer 5 hectare, waarvan slechts één vijfde tot het eigendom Van Roost behoorde, maar dat his-

Het Waterhof met omwald perceel - "Cense Water" en, naar het zuiden toe, het domein Gellenbcrg - "Gelibergh" - op de Ferrariskaart, 1771-1775; de steenweg LeuvenDiest zal in 1778 worden aangelegd


:

'li

LUBBEEK - Waterhof.

^ÊÊ

Lubbeek - •Waierhof

J ^ ^ K K L

Chateau d'êau

.. ÊL

: i

w

•li ïuW-r:

Bra|

jR

£*$

LM

.

1 fjjBjSt • Het Waterhofkasteel

prentbrlefkaart

Noordgevel van het

(collectie Blockx-

vanuit het zuiden

(collectie Block»

Waterhofkasteel op

Meulemans,

en de vijver, restant

Meulemans,

een oude prent-

Lubbeek)

van de oude ring-

Lubbeek)

briefkaart

gracht, op een oude

torisch één geheel vormde met het Waterhof. Het werd ontsloten door een centrale en een perifere weg, die aansloten bij de gracht rond het Waterhof en het is niet uitgesloten dat het Oratoriënbos als 'lustbos' of 'bosquet' ooit deel uitmaakte van de 'lusthof' rond het Waterhof.

Het Waterhofkasteel gezien van over de vijver, restant van de oude nnggracht rond het verdwenen

IVI&L

In 1869 wordt midden in het grote perceel tussen het eilandje en de Diestsesteenweg (nr. 370), door de weduwe van een van de nazaten Van Roost, een nieuwe villa gebouwd (3), een eclectisch gebouw met neo-Lodewijk-XV-inslag, in baksteen op een rustica-sokkel, volgens een vierkant grondplan en met een tentdak. Opvallend en in sterk contrast met het rode bakstenen metselwerk zijn de witgeschilderde geblokte hoekpilasters, de horizontale

muurbanden en kordons en bandomlijstingen van de steekboogvensters. Het kasteel is toegankelijk via een bordestrap met een ijzeren leuning. Uit dezelfde bouwcampagne dateert waarschijnlijk ook de boogbrug met prachtige smeedijzeren leuningen, die het eilandje met het 'vasteland' verbindt. Bij de Gellenbergstraat wordt ten slotte ook een koetshuis gebouwd. Het oude huis van plaisantie wordt in 1870 (in kadastrale termen) gedegradeerd tot "landgebouw', in 1902 tot "paviljoen , om tenslotte helemaal te verdwijnen. In 1902 wordt tegen de oost-

Het Waterhofkasteel vanuit het

huis van plaisantie

noordwesten

(foto 0. Pauwels,

(foto 0. Pauwels,

1999)

1999)


gevel van de villa ook een traptoren gebouwd met een bijkomende ingang, toegankelijk via een steektrap (4). Het andere gebouw, mogelijk een vroegere hovenierswoning, wordt in 1891 omgebouwd tot een semi-gesloten hoeve met een losstaand bakhuis (perceel nr. 371b) (5).

Restant van de oude rlnggracht ïan T het Waterhof en de * * » ' »

boogbrug

;

(foto R Deneef,

^ f 7

1997)

De toegang die zich oorspronkelijk aan de Diestsesteenweg bevond, werd in een recent verleden verlegd naar de minder drukke Gellenbergstraat, maar de lusvormige ontsluitingsweg naar het kasteel is nog zichtbaar. De bomen die deze ruimte omringen vormen een scherm waarin qua textuur, opbouw en kleur sterke contrasten voorkomen. Het meest in het oog springend is een cultivar van Japanse vingeresdoorn {Acer palmatum 'Matsumurae'), dat als enige exemplaar van deze esdoorn-cultivar vermeld staat in Bomen in België (6). Opvallend zijn ook de zware exemplaren hemelboom [Ailanthus altissimd), zomereik {Quercus robur), reuzenlevensboom (Thuja plicata) en, enigszins verscholen, een zeldzame 'Borneyensis' treurbeuk {Fagus sylvatica 'Borneyensis') en een van de laatste in de regio overlevende iepen (Ulmus x hollandicd).

1VI&L


Het perspectief dat zich achter het kasteeltje aandient is bescheiden van afmeting maar verrassend. Men kijkt uit op de brede arm van de gracht rond het speelhuis-eilandje. Het interessantste waarnemingspunt bevindt zich wellicht aan de zuidwestelijke rand van de gracht: het kasteel met zijn spiegelbeeld, omlijst door de robinia's op het eilandje, een monumentale bruine beuk en het silhouet van een oude vertakte Thuja. Van op hetzelfde punt is ook de grachtarm met de boogbrug zichtbaar. In het zuidelijke gedeelte van het park, aan de rand van een bosplantsoen, bevindt zich een reusachtige tamme kastanje {Castanea sativd), die mogelijk uit de tijd van de oratorianen dateert.

26. 28. 29. 30. 34. 35. 43. 44.

gewone taxus (Taxus haccatd) 200; Japanse vingeresdoorn cultivar {Acer palmatum'Matsumurze) 113 (15); gewone trompetboom, cultivar met geel blad {Catalpa bignonioides'Aurez) 208 (40); reuzenlevensboom {Thujaplicata) 406 (30); treurbeuk {Fagus sylvatica 'Borneyensis') 222; Hollandse iep {Ulmus x hollandicd) 312; zilverlinde {Tilia tomentosd) 274; pruim {Prunus domesticd) 191.

NOTEN MFRKWAARDIGF BOMFN

(1)

Primitieve KL Lubbeek, art. 552.

(opname 23 september 1997]

(2)

WAUTERS A., Geographic et histoire des communes belges arrondissement de Louvain, canton de Glabheek, Bruxellcs,

3. 4. 8. 19. 21. 22.

tamme kastanje {Castanea sativd) 459; zomereik {Quercus robur) 344; gewone robinia {Robinia pseudoacacid) 284; bruine beuk {Fagus sylvatica 'Attopunicea') 364; hemelboom {Ailanthus altissimd) 335; zomereik {Quercus robur) 355;

Culture et Civilisation, facsimile van editie 1882), 1963, p. 73; HALFLANTS J., Oost-Brabant. 1. Het mooie Hageland (2de druk), Leuven, Renova, 1965, p. 174. (3)

KOS Lubbeek 1869, nr. 5.

(4)

KOS Lubbeek 1902, nr. 10.

(5)

KOS Lubbeek 1891, nr. 26.

(6)

BIB, p. 329.


Roger Deneef, Jacques

Halflants,

Herlinde

Jo Wijnant

& Greta

Paesmans

De Jaeck,

LUBBEEK (Lubbeek): KASTEEL GELLENBERG GELLENBERG 9 3 , 3 2 1 0 LUBBEEK ( P R I V É - B E Z I T , N I E T T O E G A N K E L I J K V O O R HET PUBLIEK)

Domein van bijna 6 hectare in vroeg-landschappelijke stijl, aangelegd begin 19de eeuw, maar met de terrassen en taluds van de 18de-eeuwse geometrische aanleg nog duidelijk herkenbaar; historisch gegroeid rond hofstede met huis van plaisantie; opmerkelijke collectie (tot 250 jaar) oude en - vooral wat de recentere

aanplantingen

betreft - zeldzame bomen; interessante flora.

VAN HOEVE TOT HUIS VAN PLAISANTIE Het domein Gellenberg, sinds 1911 eigendom van de notarissenfamilie Halflants, is een van de weinige landgoederen in de regio waar de opeenvolgende transformaties de oudere structuren niet hebben uitgewist en waar de historische 'leesbaarheid' nog groot is. In 1753 kocht Claire-Hélène van der Noot, weduwe van Pierre-Léonard Baelmans, gewezen opperburgemeester van Leuven, het hof van Gellenberg ^den Guldenbergh") van het klooster der oratorianen te Leuven. Dit hof behoorde in de 14de en de 15de eeuw toe aan de adellijke familie van Hofstadt, later aan de oratorianen, die ook het nabijgelegen Waterhof* bezaten. Baelmans liet de hoeve en de aanpalende landerijen ombouwen tot buitengoed met park en vijvers (1). De toenmalige pastoor van Lubbeek, norbertijn van de Parkabdij, becommentarieerde de aanleg van een lusttuin als volgt in het 'Thiendeboek': "Mijnheer Baelemans heeft sijnen boomgaerd oft Hoye Weiye in sijn speel-

goed met dreven en plantsoenen beplant in 1775, ende hebbe voor thiende voor den eersten keer 't buys gebracht 50 schoven" (2). O p de Ferrariskaart (1771-1775) [afgebeeld op blz. 55] wordt op de helling van de Gellenberg {" Gelibergh") een complex van tuinen en vijvers afgebeeld, dat een oppervlakte beslaat van ongeveer 6 hectare. De bodemkaart geeft deze helling weer als een ongerepte vochtige zandleembodem — "zwak gleyige zandleemgronden met textuur B horizont" {5) —, maar in feite gaat het om de sterk vergraven noordrand van het zandleemplateau van Pellenberg. Aan de voet van de helling wordt ook een kleirijke ontsluiting van het Diestiaan gesitueerd - "zwak of matig gleyige kleigronden met niet bepaalde profielontwikkeling" — die de aanwezigheid van bronnen verklaart. De Ferrariskaart beeldt boven aan de helling een groep gebouwen af, die uitkijken over twee kleine vijvers en een omgracht perceeltje. Dit gebouwencomplex omvat een U-vormige, semi-gesloten hoeve en, hierop aansluitend aan de oostzijde, het

•* Het domein van Gellenberg rond "' , .' - jU^y

;

m • 1, • . : , •

1770 in vogelperspectief vanuit het noorden (reconstructie-

iilpit ^im ^ ^MÉF ^J4f=z

tekening naar de Ferrariskaart, 1771-1775, door J. Halflants)


at • Het domein van Gellenberg rond 1770 vanuit oostnoord-oost (reconstructietekening naar de Ferrariskaart, 1771-1775, door J. Halflants)

huis van plaisantie, bestaande uit drie gebouwen. De lusttuin omvat twee rechthoekige vijvers in het noordoosten van het domein en, tegen de gebouwen aan, twee langwerpig-rechthoekige perceeltjes die vermoedelijk parterres voorstellen. De donkergroene vlek ten noorden hiervan is eveneens een kruisvormig ingedeelde parterre. De westelijke, beboomde helft van het domein wordt ontsloten door twee evenwijdige dreven. In dit gedeelte worden drie kleine waterpartijen weergegeven, onder meer de nog bestaande poel.

• De bron met het

SPOREN VAN DE 1RDE-EEUWSE TUIN

prieel in het bosgedeelte van het domein Gellenberg circa 1900; het prieel werd in 1940 door een storm verwoest (reconstructie-

Opmerkelijk is dat de westelijke grens van het park wordt gevormd door een aarden wal van circa 1 meter hoog, met relicten van een oude haagbeukhaag (Carpinus betulus) en, om de 7 a 9 meter, een oude zomereik (Quercus robur). In een

tekening door J. Halflants)

' . In

De westelijke grens

aarden wal van

7 a 9 m, een oude

van het park wordt

circa I m hoog,

zomereik

gevormd door een

met resten van een (foto R. Deneef,

oude veckering of

oude haagbeukhaag 1998)

'boswal', d.i. een

en, om de

meer natuurlijke omgeving zou zoiets ongetwijfeld als een historische veekering of 'boswal' geïnterpreteerd worden, zoals die aan de oostrand van het Bertembos wordt aangetroffen. In het westelijke, nu beboste gedeelte van het park komen ook de dikste en vermoedelijk oudste bomen van het domein voor, met name twee tamme kastanjes (Castanea sativa) met respectieve stamomtrekken van 485 en 453 centimeter. O p grond van het aantal jaarringen van drie, in 1945 afgestorven exemplaren die ongeveer dezelfde afmetingen vertoonden, zouden deze kastanjes rond 1760 geplant zijn. Naast de nog herkenbare terrasvorm in het bosgedeelte is ook het brongebied in de vorm van een ronde poel van bijzonder architecturaal belang. Aan de oever van deze poel stond een achthoekig metalen prieel met sierbogen en een uit driehoekjes bestaande fries rond de dakrand. De acht ronde pilaren waarop het dak rustte waren bevestigd in vierkante arduinen blokken, die later - na de verwoesting van het prieel door een storm op 14 november 1940 - werden hergebruikt bij de constructie van het 'kinderdorp' (zie verder). De achtkantige arduinen tafel die in het prieeltje stond, belandde eveneens in een ander gedeelte van het park. In de westelijke, nu beboste helft is de 18deeeuwse, vóór-landschappelijke tuinaanleg nog het duidelijkst aanwezig. O p de Primitieve kadasterkaart (1824) worden - zeer uitzonderlijk voor kadasterkaarten - met stippellijn de details weergegeven van de aanleg van dit 'bosquet': twee

1VI&L


hoogtelijnen en de as van het kasteel ten westen van de vijver naar beneden. Loodrecht op deze beukendreef vertrekken op hun beurt de twee evenwijdige dreven met respectievelijk Amerikaanse eiken (Quercus rubra) en veel oudere linden (Tilia spec.J met stamomtrekken van 240 tot 345 centimeter. De Amerikaanse eiken werden eveneens in 1909 tussen oude tamme kastanjes aangeplant. De oorspronkelijke tamme kastanjes van de twee andere dreven werden tussen de jongere bomen gerooid in 1925. Parallel met de taluds stond een rij zomereiken, waarvan de laatste drie werden gekapt in 1960 en die, net als de tamme kastanjes, 200 jaar oud bleken te zijn. Het gaat dus om bomen uit de 'Franse' tuin die de weduwe Baelmans of haar zoon na 1753 liet aanleggen. parallelle oost-west lopende dreven, halverwege verbonden door een loodrechte dwarsweg, die hellingopwaarts op de reeds genoemde ronde poel met het prieel uitmondt. Het bosgedeelte tussen de dreven, de dwarsweg en de vijver vertoont een stervormige indeling, het 'sterrenbos' uit de klassieke parkaanleg. Aan de voet van de helling tussen de poel en het kasteel, loopt nog een derde evenwijdige weg, die op een 20-tal meter van de poel in een soort van rotonde eindigt. In tegenstelling tot de paralleldreven, zijn de 'ster' en het rotondelaantje verdwenen. Een weg - momenteel beplant met groene beuken - die in 1909 tussen de veel oudere tamme kastanjes werd aangeplant, loopt loodrecht op de

•*

Het domein Gellcnberg op de Primitieve kadasterkaart. 1824; in stippellijn het aanlegpatroon van het 'bosquet', in feite een 'sterrenbos' (archief Kadaster Brabant)

GELLENBFRG IN VROEGLANDSCHAPPELIJKE STIII O p de Primitieve kadasterkaart omvat het domein vijf percelen, waarvan het grootste (nr. 365, 4 ha 16 a 60 ca) als "plaisir tuin" wordt aangemerkt. Karel Deweyls (4), burgemeester van Loonbeek, was op dat moment eigenaar, en bleef dat tot 1842. Het complex van gebouwen aangeduid als "huis" (nr. 364) omvat drie losstaande blokken: twee kleinere gebouwen, vermoedelijk restanten van de hoeve, en het door Baelmans rond 1775 opgetrokken woonhuis, een Lodewijk-XVI-achtig gebouw op een rechthoekig grondplan, aan de

• Het kasteel van Gellenberg vanuit het noorden; de I9de-eeuwse terrasvorm is nog herkenbaar (foto 0. Pauwels. 1999)

>• iii

SSSM* C-^sS-

ii


sicistische stijl vergroot en verlengd, met aan de zuidzijde uitspringende hoekpartijen, middenrisaliet en driehoekige frontons en pilasters (5).

De bij het begin van de 19de eeuw aangelegde vijver in het domein Gellenberg (foto 0. Pauwels. 1999)

noordzijde bestaande uit twee bouwlagen en tien traveeën, waarvan de vier middelste aan de tuinzijde bekroond worden door een boogfronton met oeil-de-boeuf. Onder dit fronton bevindt zich een dubbele boogdeur die op een klein terras uitgeeft. Het gebouw werd in 1907 en in 1930 in neoclasT Het domein

wordt niet correct

aan de overzijde.

dorpskern, de pas

Gellenberg (als

weergegeven; langs

300 m meer naar

aangelegde tuin van

"ch[atc]au rfe

de Gellenbergstraat:

het dorp toe.

het klooster Onze-

Wiels", links boven)

de pas gebouwde

de eveneens pas

Lieve-Vrouw van de

op de militaire

villa van priester

gebouwde villa van

Rozenkrans

topografische kaart

Aerts (Gellenberg

Heps - nu gemeen-

(ICH. 1923)

van 1908. maar het

51) halverwege het

tehuls - met land-

tracé van de wegen

dorp aan de west-

schappelijke tuin;

in het domein

zijde van de weg;

ten oosten van de

De overgang van regelmatig-geometrische naar informele, vroeg-landschappelijke tuinen doet zich voor in diverse parken in de regio; 1810 kan daarbij min of meer als spiljaar worden aangeduid. Tussen 1775 en 1824 - mogelijk bij het begin van Deweyls' eigenaarschap in 1821 - gebeurde dit in Gellenberg, vooral in het oostelijke gedeelte. De vierkante vijvers maakten plaats voor een kleine ronde vijver (perceel nr. 367) en een grote serpentinevijver (perceel nr. 366) die min of meer de hoogtelij nen volgt, naar het westen aanzienlijk verbreed en daar opgehouden wordt door een 4 meter hoge, nog bestaande dijk. In Gellenberg zijn de oude terrassen echter duidelijk zichtbaar gebleven, niet alleen in het westelijke, beboste gedeelte, maar ook ten noorden van de grote vijver, waar nog een terras met een eigen talud zichtbaar is.

DE HUIDIGE TDFSTAND In 1842 wordt het domein aangekocht door Isidore Nelis, hoogleraar in Gent, en in 1911 komt het ten slotte in handen van de notarissenfamilie Halflants. Aan het park van Deweyls worden echter geen fundamentele wijzigingen meer aangebracht. Zoals in de meeste vroeg-landschappelijke parken zijn er geen sterke, grootschalige structuren of perspectieven aanwezig. Het heeft een vrij intimistisch karakter. De relatie vijver-kasteel, de reflectie van de T8de-eeuwse' zijde van het kasteel in de vijver, vormt de belangrijkste visuele attractie. Hoewel het domein Gellenberg op de 'Biologische waarderingskaart van België' (6) zonder veel egards als "kasteelpark (kpk) " tot de tweede waardeklasse ("biologisch waardevol") wordt gerekend, bevat het bosgedeelte plekken met interessante vegetaties, uitgebreide groeiplaatsen met bosanemoon (Anemone nemorosa), kleine maagdenpalm (Vinca minor), bosgierstgras (Milium effusum), eenbloemig parelgras (Melica uniflora) en zijn er ook interessante oeverplanten zoals poelruit (Thalictrum flavum). Het meest opvallend in het bronrijke bosgedeelte is een uitbundige groeiplaats van bolletjesvaren (Onoclea sensibilis), hoogstwaarschijnlijk ooit aangeplant. Een andere verwilderde introductie groeit verspreid over de gazons, met name een grote, op alant lijkende composiet

M&L


Het kasteel van Gellenberg vanuit het noorden op een oude ansichtkaart (collectie J. Halflants. Lubbeek)

Reconstructie van

1909-1910 beplant

de toestand in het met respectievelijk

ren, sparren, twee grote moeras-

domein van

Amerikaanse eik en cipressen, drie

Gellenberg

beuk; de veel

circa 1920 (zuiden

oudere lindendreef

bomen (esdoorn,

boven): de noorde-

bleef behouden; het

tulpenboom, linde),

lijke bosdreef en

park bevatte een

alle thans verdwenen

noord-zuid gerichte

aantal grote

(Aquarel

dreef waren in

Italiaanse populie-

meerstammige

]. Halflants)

Telekia speciosa, soms ook koeieoog genoemd. Bij de vijverbrug groeit wilde hyacint (Hyacinthoides non-scripta), eveneens geïntroduceerd. Maar vooral uit dendrologisch oogpunt heeft het domein een uitzonderlijke waarde, niet alleen wegens een aantal buitengewoon dikke bomen, maar ook wegens de zeldzaamheid van sommige soorten en variëteiten. Het Gellenbergpark krijgt dan ook een bijzondere vermelding in het boek Bomen in België (7). De helling rechts van de oprijlaan wordt gestoffeerd met diverse interessante bomen, bomengroepen of struikmassieven, bijvoorbeeld een kampioenexemplaar met 293 meter stamomtrek van Liriodendron tulipifera 'Integrifolium', een cultuurvariëteit van Amerikaanse tulpenboom met een bijna vierkant blad. Deze boom, die in 1995-1996 stierf, werd vermoedelijk aangeplant in het begin van de 19de eeuw, want bij het verzagen werden op 18 meter hoogte 145 jaarringen geteld. Een stek hiervan werd aangeplant aan de noordrand van de vijver, naast een andere cultivar van deze soort: Liriodendron tulipifera Aureomarginatum'. Langs de oprijlaan staat een oude (280 centimeter stamomtrek) zuilvormige zomereik met bolvormig blad Quercus robur 'Fastigiata Cucullata', een zeldzame combinatie die in 1865 in Duitsland in cultuur werd gebracht (8). In de omgeving van de oprijlaan bevinden zich nog een Mammoetboom (Sequoiadendron giganteum) met een stamomtrek van 611 centimeter (9), een weymouthden (Pinus strobus) van 316 centimeter en diverse oude bruine beuken (Fagus sylvatica AtropuniceaV met stamomtrekken van

ü^dl •3|ip|É

i^ggjwgife" •JBB

il

Een van de dreven in het bosgcdcelte van het kasteel-

Pi liiiiMi

Edit 1 IK Blende, A n « . t .

mi

domein Gellenberg

^KillFs

Lubbeek — Gellenberg.

vóór de eerste wereldoorlog

m

meer dan 300 centimeter. Langs de zuidrand van het park staan enkele monumentale tamme kastanjes (Castanea sativa), bruine beuken en zomereiken. Een van de kastanjes (inv. 19), die zich overigens buiten het domein van Baelmans bevond, heeft een stamomtrek van 492 centimeter en vormt, samen met de reeds vermelde kastanjes in het bosgedeelte, het 18de-eeuwse generatierestant.

(collectie J. Halflants, Lubbeek)

• De recente aanplantingen in het oostelijke gedeelte van het park van Gellenberg

Aan de zuidoosthoek van het kasteel stond een monumentale zesstammige gewone esdoorn (Acer pseudoplatanus), met 780 centimeter stamomtrek

bestaan voornamelijk uit zeldzame soorten (foto 0. Pauwels, 1999)

M&L


Een van de tamme kastanjes, oorspronkelijk plantsoen uit de 'Franse' tuin die de weduwe Baelmans of haar zoon na 1753 op de Gellenberg liet aanleggen (foto It. Deneef, 1997)

vermeld in Bomen in België (10) als 'kampioen' die, toen hij in 1993 omwaaide, 160 jaar oud bleek te zijn. Aan de westzijde van het kasteel bevindt zich een merkwaardige groep van vijf bontbladige esdoorns (Acer pseudoplatanus 'Leopoldii'A een in 1864 door de Gentse kweker D o m i e n Vervaene naar koning Leopold I genoemde cultivar (11). O p twee plaatsen (inv. 47 en 78) komt wortelopslag voor van rond 1950 gesneuvelde bonte Engelse iepen (Ulmus procera ArgenteovariegataV, een zeldzame soort die we in de regio verder alleen in het Klein Park (Ave Regina) te Bierbeek (Lovenjoel) hebben waargeno-

Oe vijver vanuit het kasteel, vóór de eerste wereldoorlog (collectie J. Halflants, Lubbeek)

1VI&L

-.

Het 'kinderdorp' van

met bas-reliéfs

Gellenberg herinnert

versierde klokken-

aan de 'hameau' in

toren in leem- en

de Franse tuinen:

vakwerkbouw

vier gebouwtjes

(foto 0. Pauwels,

waaronder een

1999)

men. Verspreid over het domein staan oude taxussen (Taxus baccata) met stamomtrekken tot bijna 2 meter. Door de recente aanplantingen, vooral vanaf 1980, die zich hoofdzakelijk in het oostelijk gedeelte van het park concentreren, heeft het park het karakter van een arboretum gekregen. De hiernavolgende opsomming is niet exhaustief maar toch indrukwekkend: rode slange-esdoorn (Acer capillipes), Cappadocische esdoorn met geel blad (Acer cappadocicum AureumV, variëteit van Chinese slange-esdoorn (Acer grosseri vai. Hersii), cultivars van Japanse vingeresdoorn (Acer japonicum 'Vitifolium' en 'Osakazuki', Davidia involucrata), tulpenboom met geelgerand blad (Liriodendron tulipifera AureomarginatumV, Magnolia grandiflora. Magnolia x soulangeana 'Brozzonii', Magnolia obovata. Magnolia sieboldii; en vooral zeldzame soorten of vorm- en kleurvariëteiten van coniferen: een dwergvorm van colo-


•*

Situering van de gebouwen, aanlegelementen en merkwaardige bomen in het domein Gellenberg te Lubbeek (tekening R. De Meerleer)

radozilverspar (Abies concolor), momizilverspar (Abies firma), Koreaanse zilverspar (Abies koreana 'Silber lockeV> himalayaceder met witachtige twijguiteinden (Cedrus deodara 'Albospica'j, OostAziatische spar (Picea jezoensis), Kaukasische spar met gele naalden (Picea orientalis Aurea'j. cultivar van Japanse rode den (Pinus densiflora 'Tanyosho compacta'j, een treurvorm van weymouthden (Pinus strobus 'PendulaV, watercipres (Metasequoia glyptostroboides)... Naast een oud en nog vitaal massief van Pontische rododendron (Rhododendron ponticum) herbergt het domein ook een zeer gevarieerd, min of meer recentelijk aangeplant assortiment rododendrons. Ter vervanging van de tijdens het interbellum door stormen omgewaaide, monumentale Italiaanse populieren (Populus nigra 'Italica'j, werd rond 1945 aan de zuidrand van het park een rij van 18 nieuwe Italiaanse populieren aangeplant; zij zijn aspectbepalend voor dit gedeelte van het domein. In 1998 werd een nieuwe rechtlijnige weg evenwijdig met de zuidgevel van het kasteel aangelegd, en versierd met vijf grote stenen vazen, die afkomstig zijn van een afgebroken villa te Laken, gebouwd door Leopold II voor barones Vaugan.

Ten zuidwesten van het kasteel, verscholen in een oud taxusmassief, staat er een merkwaardige tuinfolly die in een wandelgids als "kinderdorp" omschreven wordt en herinneringen oproept aan de 'hameau' in de Franse tuinen: vier gebouwtjes waaronder een met bas-reliëfs versierde klokkentoren in leem- en vakwerkbouw, qua schaal en atmosfeer ergens tussen Breugel, het Zwarte Woud en M a d u r o d a m , jeugdwerk van de kinderen Halflants in 1946-1953, maar merkwaardig goed gemaakt en onderhouden.

MFRKWAARDinF ROMEN (opname 23 september 1997) 1. 2. 4. 6. 8.

mammoetboom (Sequoiadendron giganteum) 611; ginkgo (Ginkgo biloba) 234; bruine beuk (Fagus sylvatica AtropuniceaV 362; bruine beuk (Fagus sylvatica AtropuniceaV 368; bruine beuk (Fagus sylvatica AtropuniceaV 405;

M&L


10.

12. 13. 19. 20. 28. 30. 33. 41.

Amerikaanse tulpenboom, cultivar met weinig ingesneden blad (Liriodendron tulipifera 'IntegrifoIium'Xdood in 1996) 2 9 3 ; zuilvormige zomereik met bolstaand blad (Quercus robur 'Fastigiata CucullataV 280; weymouthden (Pinus strobus) 31S; tamme kastanje (Castanea sativa) 492; tamme kastanje (Castanea sativa) 383; zomereik (Quercus robur) 3 6 1 ; hazelaar met veerspletig blad (Corylus avellana 'HeterophyüaV Magnoliagrandiflora 43(20); bontbladige cultivar van gewone esdoorn (Acerpseudoplatanus 'Leopoldii'j 252;

81.

bruine beuk (Fagus sylvatica 'AtropuniceaV

85. 86.

351; gewone plataan (Platanus x hispanica) 325. zomereik (Quercus robur) 358.

NOTEN (1)

HALFLANTS ]., Oost-Brabant. I. Het mooie Hageland (2de druk), Leuven, Renova, 1965, p. 173-174.

(2)

Archief Kerkfabriek Lubbeek.

(3)

SCHEYS G., Bodmkaart van België: kuartblad Lubbeek 90W,

(4)

Andere schrijfwijzen: 'DeWies' op de Popp-kaart, 'Dewiels' op

1957, toelichting p. 43-44.

42.

Acer pseudoplatanus ^S.O'PQX&VL 2 2 1 ;

latere kadastrale bescheiden. Cf. Primitieve KL Lubbeek, art.

43. 44. 45. 47.

Acer pseudoplatanus'Y^e.o'pciX&VL 2 1 8 ; Acer pseudoplatanus'\Je.o,pc)\&\\ 2 2 7 ; Acer pseudoplatanus'\Je.o'pc\&\\ 320; bonte Engelse iep (Ulmus procera 'ArgenteovariegataV, wortelopslag tot 86; zomereik (Quercus robur) 396; tamme kastanje (Castanea sativa) 4 8 5 ; tamme kastanje (Castanea sativa) 4 5 3 ; tamme kastanje (Castanea sativa) 352; bonte Engelse iep (Ulmus procera 'ArgenteovariegataV (wortelopslag) bruine beuk (Fagus sylvatica 'AtropuniceaV 344;

168.

50. 60. 67. 68. 78. 79.

(5)

KOSLubbeekl908, nr. 29.

(6)

JANSSEN M. e.a.. Biologische waarderingskaart van België kaartblad 32 & verklarende tekst, Brussel, Instituut voor Hygiëne en Epidemiologie, 1985.

(7)

BIB, p. 311.

(8)

KRÜSSMANN G., Handbuch der Laubgehölze (III), 1978,

(9)

Niet vermeld in Bomen in België, maar zou op de 18de plaats in

p. 107. de lijst van de Belgische 'kampioenbomen' staan. (10) BIB, p. 330. (11) KRÜSSMANN G, Handbuch der Laubegehoke (I), 1976, p. 101.


Roger Deneef, & Jo

Lydie

Mondelaers

Wijnant

LUBBEEK (Lubbeek): GEMEENTEHUIS, VOORMALIG GOED HEPS GELLENBERC

1 6 , 3 2 1 0 LUBBEEK

• Het kasteel van Heps op een

I

oude ansichtkaart.

|

vermoedelijk rond 1920 (collectie Blocb-Meulemans, Lubbeek)

Tuin van circa 3 hectare in late landschappelijke stijl, aangelegd rond een in 190S gebouwde eclectische villa, op twee bomen na vernietigd in 1970 naar aanleiding van de bouw van een nieuw gemeentehuis. In 1905 bouwde Antoine Joseph Frederic Heps een grote villa in het 'Kerkveld' langs de Gellenberg (1). Vijfenveertig jaar later werd ze verkocht aan de gemeente en als gemeentehuis in gebruik genomen. Tot het begin van de jaren 1970, toen ze werd afgebroken om plaats te ruimen voor een nieuw gemeentehuis en een gemeenteschool, vormde ze de kern van een domein van circa 3 hectare, dat naast een 'kasteel' ook een koetshuis en stallingen omvatte. Dankzij getuigenissen, ansichtkaarten en de militaire topografische kaarten van 1908 [afgebeeld op blz. 62]

en 1936 kunnen we ons een beeld vormen van zowel het gebouw als de tuin. Het eclectisch kasteeltje met neo-Vlaamse-renaissance-inslag werd opgetrokken uit baksteen met kleurrijke verwerking van andere materialen. De voorgevel werd geritmeerd door hoekpilasters en een middenrisaliet, dat geaccentueerd werd door een tweeledig halsgeveltje, een erker en een uitgebouwde trappenpartij. De bakstenen gevels waren doorspekt met muurbanden en afgelijnd door een getande fries. Opvallend was de flankerende toren met een peervormige spits. De tuin vormde een besloten ruimte met het kasteel als centraal element en werd ontsloten door een grote, perifere ellips die een kleine cirkel — de op- en afrit naar en van het kasteel — omsloot. Er werd geen poging ondernomen om visuele relaties met de ruimere omgeving te scheppen ofte accen-


Het kasteel van Heps m een verschraalde omkadering op een

-

4

oude ansichtkaart. 1945-1950?

iM

Blockx-Heuiemans. Lubbeek)

,:-!

H J M n j R u i ^ l fvl

B^^

(collectie

-HJÊ

*

ieé-

•JstolJB 1 '

^-^^

ÜH

HH ' OLfloJSHi^n __,_

.-^ejJsÉ!

^

tueren, ook niet met de achterliggende vallei van de Molenbeek. Aan de straatkant werd het domein afgesloten door een bakstenen muur. Hoge Italiaanse populieren (Populus nigra 'Italica'j vormden de randbeplanting van het domein. De ruimte binnen de grote ellips was grotendeels open, gestoffeerd met enkele bomen, solitaire of in groepjes. O p een ansichtkaart die — aan de grootte van de bomen te oordelen — vermoedelijk in de vroege jaren 1920 werd opgenomen, zien we

opvallend veel zuilvormige bomen, met name Italiaanse populieren en, links van het kasteel, een mammoetboom (Sequoiadendron giganteum). De voorgrond wordt gevormd door een rozenperk. De naam op de ansichtkaart " Frederikx hof refereert vermoedelijk aan één van de voornamen van de bouwheer. O p een latere opname, mogelijk in de late jaren 1940 (de mammoetboom is bijna twee keer zo hoog), wordt een sterk uitgedund beeld getoond: de Italiaanse populieren zijn verdwenen. O p de voorgrond staat een relatief jonge maar hoog opgeschoten wierookcipres (Calocedrus decurrens). Na de bouw van het nieuwe gemeentehuis en de school werd het grootste gedeelte van de tuin aangelegd als parkeerterrein, maar twee bomen overleefden het, met name een hangende zilverlinde (Tilia x petiolaris) en een treurbeuk (Fagus sylvatica 'PendulaV met respectieve stamomtrekken van 364 en 257 centimeter.

NOOT (1) Volgens gevelsteen met jaartal; KOS Lubbeek 1906, nr. 17.


Herlinde

De Jaeck

& Roger

Deneef

LUBBEEK (Lubbeek): ROZENHOF (PINETUIVI 1CKX) GELLENBERG

7, 3 2 1 0 L U B B E E K

(PRIVÉ-BEZIT, NIET TOEGANKELI|K V O O R

HET PUBLIEK)

• Het Pinetum Jean Ickx te Lubbeek: vanaf 1954 werd bi{ het Rozenhof een unieke collectie uitgebouwd, momenteel circa 500 soorten en variëteiten op een oppervlakte van één hectare (foto R. Deneef, 1996)

Tuin van ongeveer 1 hectare, aangelegd vanaf 1954, zonder groot historisch of tuinarchitecturaal belang, maar met uitzonderlijke collectie coniferen, vooral Pinus en Picea en treurvariëteiten, in totaal circa 500 taxa.

Het Rozenhof dankt zijn naam aan het grote, nu verdwenen rozenperk, dat tijdens het interbellum de ruimte naast het 18de-eeuwse huis (1) besloeg. Langs de Gellenbergstraat staan nog enkele oude bruine beuken (Fagus sylvatica lAtropunicea) en een bontbladige esdoorn (Acer pseudoplatanus 'LeopoldiiV, die getuigen van het feit dat het Rozenhof lange tijd meer geweest is dan een ordinaire dorpswoning - vanaf 1827 werd het bewoond door 'chirurgijn' Peter Ickx (2). Maar

tuinhistorisch of tuinarchitecturaal is het nooit erg belangrijk geweest, tot 1954, toen het goed in handen kwam van Jean Ickx, een nazaat van de chirurgijn. In de loop van de jaren kwam een unieke collectie van coniferen tot stand, die momenteel circa 500 taxa (soorten en/of variëteiten) omvat op een oppervlakte van nauwelijks meer dan één hectare. Ter vergelijking: het 'national pinetum' van Bedgebury (Goudhurst, Kent), " the finest collection of conifers in the world', herbergt 'slechts' 1500 soorten en variëteiten verspreid over 121,5 hectare... (3) Bij het uitbouwen van de verzameling ging de belangstelling in de eerste plaats uit naar de geslachten Pinus en Picea en, in tweede instantie, naar treurvariëteiten. Zoals in dergelijke tuinen meestal het geval is, neemt ook hier de graad van zeldzaamheid toe naarmate men zich van het oudst aangeplante gedeelte — de omgeving van het


'Weeping Dwarf' (1982); Podocarpus nivalis (1989); Tsuga caroliniana 'Labar's weeping' (1984); Abies grandis 'Aurea' (1984); Abies nebrodensis (1990); Abies veitchii 'Pendula' (1988); Cedrus libani var. stenocoma (1975 & 1984); Chamaecyparis lawsoniana'\nKttexta Pendula' (1991); Cunninghamia lanceolata 'Glauca' (1985); Larix gmelinii vai. principis-rupprechtii (1986 & 1988); Picea abiesvar. phylicoides (1988); Piceaasperatavai. aurantiaca [1994); Picea asperata'Gemmztz (1991 & 1994); Picea asperata 'Meyeri' (1994); Picea glauca 'Caerulea' (1984); Picea glehnii (1987); Picea shirasawae [P. bicolor var. acicularisJ(l9S8); Picea brachytylawix. rhombisquamea [P. ascendens] (1986); Picea chihuahuana (1991 & 1993); Picea koyamai (1987); Picea likiangensis {1988, 1990 & 1994); Picea montigena (1993 & 1995); Picea neoveitchii (1995); Picea omorika 'Pendula' (1986); Picea watsoniana [P. wilsonii] (1991); Pinus balfouriana (1988); Pinus johannis (1996); Pinus contorta 'Pendula' (1985); Pinus pithyusa (P. halepensis vsi. pithyusa) (1984); Pinusx hunnewellii (1991); Pinus montezumaewzr. rudis (1996); Pinus muricata 'Borealis' (1987); Pinus patula (1993); Pinus parviflora 'Shikoku' (1988); Pinus ponderosa 'Pendula' (1988); Pinus pungens (1988 & 1994); Pinus sabiniana (1991, 1995 & 1996); Pinus strobiformis (circa 1980 & circa 1995); Pinus virginiana (circa 1986); Pinus washoensis (1990); Sequoia sempervirens 'Glauca'; Pinus attenuata (1997); Picea tianshanica [subsp.] (1997); Torreya grandis (1988); Larix x pendula (1988). Het Pinetum Jean Ickx te Lubbeek: de belangstelling ging vooral uit naar soorten, bij voorkeur de geslachten Pinus en Picea, en treurvariêteiten (foto R. Denecf, 1996)

huis - verwijdert. In 1982 werd de beschikbare oppervlakte verdubbeld door de aankoop van een perceel landbouwgrond, dat door een smalle, 60 meter lange strook met het oorspronkelijke huisperceel verbonden is. De zeldzaamste exemplaren zijn in deze uitbreiding te vinden. Hierna volgt een lijst van de 50 zeldzaamste taxa uit de collectie, gevolgd door hun jaar van aanplanting.

MFRKWAARDIGF RDMFN (opgave 1999 door Jean Ickx] Picea abies 'Pachyphylla' (1978-1979); Picea abies 'Virgata' (1975-1976); Cedrus libani 'Comte de Dijon' (1975-1976); Cupressus abramsiana {\99G)\ Juniperus recurvavis. coxii (1985); Picea orientalis

M&L

NOTEN (ii

Gebouwd in 1748, volgens HALFLANTS J., Lubbeek. p. 166178 in: Oost-Brahant (I), Het mooie Hageland (2de druk), Heveriee, Renova, 1965.

(2)

Primitieve KL Lubbeek, art. 244.

(3)

Informatie afkomstig van de website 'Bedgebury Pinetum and Forest Gardens'.


Roger

Deneef

LUBBEEK (Lubbeek) 'VILLA RAPHAEL' GELLENBERC 4 0 , 3 2 1 0

LUBBEEK

( P R I V É - B E Z I T , N I E T T O E G A N K E L I J K V O O R HET PUBLIEK)

Tuin (90 are) in landschappelijke stijl, in 1910 aangelegd rond een eclectische villa met cottage-allures.

Dokter Raphael Boey bouwde in 1910 langs de Gellenbergstraat, op een stuk grond van ongeveer 90 are, een eclectische villa met cottage-allures, in baksteen en pseudovakwerk, met een vierkant torentje met een spits (1). Rechts achter de villa werd na de Eerste Wereldoorlog nog een kleine remise gebouwd (2). De structuur van de tuin die hierrond werd aangelegd werd grotendeels gedicteerd door de langwerpig-rechthoekige vorm van het perceel en heeft een achtvormig ontsluitingspatroon. De villa ligt binnen de eerste, dichtst bij de straat gelegen lus, waarin of waaromheen zich ook de 'lusthof' bevindt. De tweede lus omvat het nutsgedeelte; op de militaire topografisch kaart van 1930 (ICM, 1936) wordt het boomgaardsymbool gebruikt. Een oude ansichtkaart, waarschijnlijk uit de jaren 1920, geeft een idee van de ambiance tijdens de gloriejaren, de dichte stoffering met perken, struikmassieven en borders, die nu grotendeels verdwenen is. Links op de voorgrond is loof zichtbaar van een van de (momenteel nog drie) rode bastaardpaardekastanjes (Aesculus x earned) die de beplanting aan weerszijden van het toegangshek vormen en waarvan de stamomtrekken tot circa 220 centimeter zijn aangegroeid. Uit getuigenissen van omwonenden kon worden opgemaakt dat vroeger ook Italiaanse populieren in de randbeplanting een belangrijke rol speelden, maar daar is niets van overgebleven. Bomen uit de oorspronkelijke aanplanting zijn ongetwijfeld een moeraseik (Quereus

palustris) en een bruine beuk (Fagus sylvatiea 'Atropunicea'j met stamomtrekken van bijna 300 centimeter. Rechts van de villa, aan de zuidgrens van het perceel, staat een gemengde rij bomen met stamomtrekken tussen 200 en 250 centimeter, met gewone plataan (Platanus x hispanica), zomerlinde (Tilia platyphyllos), gewone esdoorn met purperrode bladonderzijden (Aeer pseudoplatanus 'PurpureumV en een minder courante cultivar van gewone esdoorn met rood en geel gemarmerd blad (Acerpseudoplatanus 'Prinz HandjeryV.

De 'Villa Raphael'

NOTEN

op een oude ansichtkaart, 1920-1930

(1) (2)

KL Lubbeck, artikel 2537; KOS Lubbeek 1911, n t 26. KOS Lubbeek 1922, nr. 10.

(collectie Blockx-Meulemans, Lubbeek)

1VI&L


Roger

Deneef

LUBBEEK (Eubbeek) GELLE1MBERG 51 CELLENBERC 5 1 , 3210 LUBBEEK (PRIVÉ-BEZIT, NIET TOEGANKELI|K VOOR HET PUBLIEK)

Langwerpige villatuin (85,5 are) aangelegd in 1905, met enkele interessante bomen.

Armand Aerts, priester en tijdens de Eerste Wereldoorlog aalmoezenier bij een Canadees bataljon van het Britse leger, bouwde in 1905 een kleine villa op de 'Hertswinkel' aan de Gellenbergstraat (1). Het gaat om een eenvoudig dubbelhuis, drie traveeën breed, in baksteenbouw verlevendigd met De turn bij de villa van priester Aerts, Gellenberg 51: c een ra e umpa afgezootnd met boiietiesvaren (foto R. Deneef,

0

s p e k l a g e n v a n w i t t e tegeltjes. H a a k s o p h e t h o o f d gebouw werd ook een kleine dienstvleugel opgej ^ e t 0g e bouw staat opgesteld aan het trolclcen r D straatuiteinde van een perceel dat 40 tot 50 meter breed is en zich zowat 200 meter bergopwaarts in de achterliggende zandleemkouter uitstrekt. De opgaande beplanting is dus voor het grootste gedeelte een randbeplanting en de ontsluiting gebeurt door een centrale weg die de tuin overlangs in ongeveer twee gelijke delen verdeelt. Zoals bij de andere tuinen langs de Gellenbergstraat speelden Italiaanse populieren (Populus nigra 'Italica'j in de oorspronkelijke randbeplanting een dominerende rol. Aan het velduiteinde van de tuin is er nog een exemplaar (stamomtrek 283 centimeter) van overgebleven. In de randbeplanting vinden we ook enkele bomen die na amper 93 jaar verbazende aanwascijfers vertonen, onder meer twee zilverlinden

(Tilia tomentosa) met stamomtrekken van respectievelijk 366 en 331 centimeter. Links van het huis staan een mooie bontbladige esdoorn (Acerpseudoplatanus 'LeopoldiiV en een vederesdoorn met opvallend blauw berijpte twijgen, vermoedelijk Acer negundo var. violaceum. Een van de latere eigenaars, Louis Janssens, legde halverwege de helling een vijvertje met een stenen boogbrugje aan, dat recentelijk werd hersteld. Voor de watervoorziening zorgt waarschijnlijk dezelfde kleilaag die ook 700 meter naar het noorden in het kasteeldomein Gellenberg* de aanwezigheid van bronnen verklaart (2). Opmerkelijk is ook hier de vermoedelijk geïntroduceerde maar vitale aanwezigheid van bolletjesvaren (Onoclea sensibilis), een zeldzame soort die ook in het brongebied van het Gellenbergdomein groeit.

MERKWAARDIGE BOMEN (opname 16 oktober 1998) 1. 2. 4.

vederesdoorn met blauw berijpte twijgen (Acer negundo var. violaceum) 224; bontbladige cultivar van gewone esdoorn (Acer pseudoplatanus 'LeopoldiiV 247; zilverlinde (Tilia tomentosa) 366.

NOTEN (1) KOS Lubbeek 1906, nr. 8. (2) SCHEYS G., Bodemkaart van België: kaartbladLubbeek 90W.


Roger Deneef, Jacques & Jo

Halflants

Wijnant

LUBBEEK (Lubbeek): KEIIMIEK S1NT-ANÜRÉ (KLOOSTER ONZE-L1EVE-VROUW VAM ÜE ROZENKRANS) BINKOMSTRAAT

2, 3 2 1 0 LUBBEEK

Het domein van de Dominicanessen te Lubbeek vóór de eerste wereldoorlog: schilderachtige holle weg met boogbrug langs de oude Kerkrlng bij de villa 'Salnte-Rose' (collectie Blockx-Meulemans, Lubbeek)

Kloostertuin aangelegd in landschappelijke stijl in 1905-1910, oorspronkelijk

bijna

3 hectare, met vijver (relict van oude motte) en grote Lourdesgrot; sinds 1950 sterk aangetast door de bouw van een kliniek en de uitbreiding van het schoolcomplex.

O p 24 september 1866 werd het Dominicanessenklooster te Lubbeek plechtig ingewijd door kardinaal Sterckx. Elisabeth Scheys werd aangesteld als priorin; Amelia De Ruyter, eigenares volgens het kadaster (1), werd onderpriorin. Het nieuwe kloosterdomein ontstond uit de samensmelting van een aantal huizen en tuintjes aan de zuidoostelijke rand van het dorpsplein (2). In de daaropvolgende jaren werden vanuit het Lubbeekse klooster in de omliggende dorpen verschillende bijhuizen gesticht, in combinatie met schooltjes

of bejaardentehuizen. Uit de met het klooster verbonden school en pensionaat voor meisjes ('Notre-Dame du Saint-Rosaire') stamt de huidige school 'Onze-Lieve-Vrouw van de Rozenkrans' (3). Naast het onderwijs ontplooiden de dominicanessen activiteiten in de caritatieve sfeer, met name een weeshuis en een tehuis voor bejaarde vrouwen. Rond 1940 werd ook met ziekenzorg begonnen; dit groeide uit tot de huidige kliniek Sint-André (4). In 1905 werden drie achterliggende percelen aan het kloosterdomein toegevoegd: het herenhuis van de notarissen Verstraeten en de bijbehorende 'lusthof', een perceel 'hof' en een perceel hooiland. In het herenhuis werden huurkamers ingericht voor welgestelde dames. De voormalige tuin van Verstraeten werd vanaf 1910 samen met enkele percelen hooiland in de kadastrale legger als 'lustgrond' aangeduid, voor een oppervlakte van bijna 3 hectare. De militaire topografische kaart van


[afgebeeld op blz. 77] en is ook op de Popp-kaart [zie artikel over de pastorie] nog kadastraal herkenbaar als perceel 64b.

• De 'jardin anglais' in de tuin van de Dominicanessen te Lubbeek vóór de eerste wereldoorlog (collectie Blockx-Meulemans, Lubbeek)

1908 [afgebeeld op blz. 62] geeft een typisch beeld van een tuin in een late landschappelijke stijl, het vlakke, laaggelegen gedeelte ontsloten door een grote ellips, het hellend gedeelte door een afgeknotte sikkel die een vijver omsluit. De vijver was een relict van een grotere vijver met omgracht domein, waarop zich in de late Middeleeuwen het 'Hof van Nethen' bevond (5); deze motte is nog zichtbaar op de tiendenkaart van de abdij van 't Park [afgebeeld op blz. 99] en op de Ferrariskaart

Lourdesgrot in de tuin van de kliniek Sint-André (foto 0. Pauwels, 2000)

Tegen de kloostergebouwen aan lag een besloten, ommuurde tuin, ongetwijfeld de moestuin. Aan de overzijde van de weg naar Boutersem (die het dorpscentrum in zuidoostelijke richting verlaat) lagen nog andere kloostereigendommen, met name de 'Villa Sainte-Rose', dit is de nog bestaande woning van de aalmoezenier (Dorpsstraat 18) met bijbehorende tuin. De twee ansichtkaarten van 'Notre-Dame du Saint-Rosaire' uit het begin van de 20ste eeuw, die een beeld geven van de 'jardin anglais' zoals op een van de kaarten uitdrukkelijk wordt vermeld, moeten in de omgeving van 'Sainte-Rose' gesitueerd worden. De foto met de metalen boogbrug en de holle weg heeft ongetwijfeld betrekking op deze 'overtuin'; de stafkaart van 1908 [afgebeeld op blz. 62] geeft daar een overbrugging van de oude kerkring te zien; brug en holle weg verdwenen rond 1950. De foto van de 'jardin anglais' met het getrapte pad, de borstwering van zandsteenknollen en, links,


zoiets als een paviljoentje, moet gesitueerd worden in het hoger gelegen gedeelte van 'Sainte-Rose'. De zandsteenknollen vindt men in de grote tuin achter het klooster aan de overzijde van de Dorpsstraat terug in de vorm van een nog bestaande, spectaculaire, bijna Gaudiaanse Lourdesgrot.

NQTEN (1) K L Lubbeek, art. 1032 en 2170. (2) K O S Lubbeek 1868, nr. 21; 1870, nr. 16; 1875, nr. 14; 1879, nr. 14; 1883, nr. 9; 1885, nr. 16; 1895, nr. 6; 1901, nr. 17; 1908, nr. 55. (3)

Door de bouw van de kliniek aan de Binkomstraat in de jaren 1950 en, recentelijk, van een sportzaal voor de school, ging een belangrijk gedeelte van de tuin verloren. Het merendeel van de bomen is waarschijnlijk niet ouder dan 1900 (de periode waarin de kloostertuin werd aangelegd), met uitzondering van een monumentale tamme kastanje (Castanea sativa) en een haagbeuk (Carpinus betulus). Het vlakke, lage gedeelte werd volgepoot met canadapopulieren (Populus x canadensis). In de tuin van 'Sainte-Rose' valt vooral een aantal oude taxussen (Taxus baccata) en reuzenlevensbomen (Thuja plicata) op.

MERKWAARDIGF BOMFN (opname 14 mei 1998) In de grote tuin: 2. bontbladige cultivar van gewone esdoorn (Acerpseudoplatanus 'LeopoldiiV 2 6 1 ; 5. bruine beuk (Fagus sylvatica 'AtropuniceaV 250, onder de ent 362(60); 9. tamme kastanje (Castanea sativa) 418; 10. gewone haagbeuk (Carpinus betulus) 266. Bij 'Villa Sainte-Rose', Dorpsstraat 18 1. reuzenlevensboom (Thuja plicata) 27^(50), dikste stam 148. 4. gewone taxus (Taxus baccata) 241(40).

De middelbare afdeling werd in juli 1998 gesloten bij gebrek aan leerlingen.

(4)

SCHEYS K., Het klooster, p. 56 in: Lubbeek Sint-Maninus. Cataloog tentoonstelling 11 tot 19 september 1999, Lubbeek, Heemkring Libbeke, 1999; HALFLANTS J. e.a.. Algemeen overzicht van de gemeenten Binkom, Linden, Lubbeek, Pellenberg, 1978, p. Lu.12

(5)

HALFLANTS J., Oost-Bmhant, kennismaking met Lubbeek, Leuven, Opbouwwerk Interleuven, 1990, p. 22-23.


Roger Deneef, Jacques

Herlinde

Halflants

& Jo

De

Jaeck, Wijnant

LUBBEEK (Lubbeek): KASTEEL DE BIOLLEY-T'SERCLAES BINKOMSTRAAT

1 0 , 3 2 1 0 LUBBEEK

(PRIVÉ-BEZIT, NIET TOEGANKELIJK V O O R HET PUBLIEK)

Het Kasteel van Lubbeek en, links, half verscholen, de hoevegebouwen (foto 0. Pauwels. 1999)

Klassieke, strak geometrische vijvertuin met sterrenbos en dreven naar wijdere omgeving, ontstaan rond hof van plaisantie: rond 1810 heraangelegd In vroeg-landschappelljke stijl, na 1860 opnieuw aangelegd; circa 14 hectare, zonder de Calvarieberg circa 7 hectare; kenmerken van vroegere regelmatlg-geometrische aanleg bleven min of meer bewaard; enkele monumentale bomen.

SPEELHQF VAN DE SINT-GEERTRUIABDIJ TE LEUVEN Het goed vindt zijn oorsprong in het Hof ter Capelle, dat aan het einde van de 14de eeuw, toen het in handen kwam van de abdij van SintGeertrui te Leuven, deel uitmaakte van een domein van 300 bunders (1). Bij dit hof werd achteraf een huis van plaisantie gebouwd. O p de kadasterkaart wordt de hele kadastrale sectie nog steeds als "Speelhof aangeduid. Een dergelijke situatie (hoerenhof naast hof van plaisantie) vindt


LUDBEEK

'

•

C!:,

^

:-%-

/ / • > •

nRIK-KEMlAl*

JP Lubbeek op de

pastorie, het water-

Lubbeek');

Het Kasteel van de

T'Serclaes in 1891

in beeld zijn de

Ferrariskaart,

rijke 'speelhof' van

het omwalde

Blolley-T'Serclacs bij

heropgebouwde

potten met

1771-1775, met

de Slnt-Geertrul-

domein Brakum

het begin van de

kapel van

oran|eneplanten

van links naar

abdlj en de kapel

tussen "Sim-Oitteren

20ste eeuw; rechts

Onze-Lleve-Vrouw

(collectie

rechts: de dorpskern

van Lubbeek

Dril" en

van het kasteel: de

van Lubbeek; de rij

Blockx-Meulemans,

van Lubbeek. de

("C[hap]elle

"Brockem Oris"

door Evrard de

witte stippen rechts

Lubbeek)

*

men terug op tal van andere plaatsen in de regio, niet zelden in een klerikale context, onder meer te Holsbeek (domein Van Tilt*), Heverlee (het Jezuïetenhof te Egenhoven) en in Lubbeek zelf (het OratoriënhoP). Het domein, een bijzonder riant geheel, volgens Wauters "plus convenable pour un homme du monde que pour des cénobites"{2), zag er aan het einde van het Ancien Régime als volgt uit (3): in het dal van de Molenbeek, aan de rand van een complex van vijvers, lag het Speelhof met de aanhorigheden. Tot het gebouwencomplex hoorde ook de vrij grote kapel van Onze-Lieve-Vrouw van Lubbeek (4). De meest zuidelijke, paraboolvormige vijver mat zowat 3 hectare; de zeven andere waren rechthoekig en merkelijk kleiner; twee van de vijvers waren opmerkelijk lang en smal. Het dal werd loodrecht gekruist door een 1300 meter lange dreef, die de Hensberg in het noordoosten verbond met de Hooiberg in het zuidwesten. Eén van de vijvers bevond zich op het snijpunt van dreef en dalbodem. Vanuit het hof vertrok een tweede dreef naar de top van de Hensberg. Naast een voor die tijd typisch 'sterrenbos' ten zuidwesten van het hof, was er nog een tweede, veel kleiner stervormig patroon - in feite een patte-d'-oie tussen de 'snijpuntvijver', de kapel en het hof, met als middelpunt de plaats waar zich momenteel een cirkelvormig haagbeukprieel bevindt. De configuratie van gebouwen en vijvers op de Ferrariskaart wekt de indruk dat viskweek minstens even belangrijk was als de 'plaisantie', de symmetrie eerder opgeplakt dan principieel.

DE VROEG-L ANDSrHAPPFI IJKE AANLEG In 1798 werd het goed verkocht aan een zekere Jacques de l'Estrieux uit Lubbeek (5), die het later doorverkocht aan Louis van den Berghe de Binckom. In 1809, toen van den Berghe (waarschijnlijk naar aanleiding van de aankoop) een figuratieve kaart van het domein liet opmaken, had de omvorming van een geometrische, rechtlijnige aanleg naar een 'jardin a l'anglaise' zich nog niet voltrokken. De kaart van Van den Berghe bevestigt min of meer de Ferrariskaart, maar het sieraspect en de klassieke symmetrie zijn meer geprononceerd. Opmerkelijk is het lepelvormige schiereilandje in de grootste van de vijvers bij het kasteel, op een plaats waar bij Ferraris een spiegelboogvormig uiteinde wordt gesuggereerd.

e op een 'caerte figuratieve' uit 1809 (archief Gravin Y. de Biolley. Lubbeek)


Het 'SpeelhoC van

Het landgoed van

Lubbeek na de

Louis van den Berghe, anno 1809

landschappelijke

(reconstructie-

heraanlcg door

tekening door

Louis van den Berghe de Bmckom,

J. Halflants naar

op de Primitieve

'caerte figuratieve

kadasterkaart, 1824 (archief Kadaster Brabant, Brussel)

• Het ronde haag-

• De oude beukcnrotonde op de Calvarieberg, die ook weergegeven wordt op de figuratieve kaart van 1809; op sommige van deze bomen zijn inscripties herkenbaar uit de {aren 1890 (foto 0. Pauwels, 1999)

M&L

Vijftien jaar later, op de Primitieve kadasterkaart (1824), blijft van symmetrie en rechtlijnigheid niet veel meer over, behalve de dreven naar de Hensberg en de Hooiberg. De grote paraboolvormige vijver is niet meer. De vijvers, op de kanaalvormige vijver ten noordwesten van het kasteel na, hebben golvende omtrekken gekregen. Enkele vijvers ter hoogte van het kasteel werden samengesmolten tot één vijver van bijna twee hectare met twee eilandjes. Ter hoogte van het kasteel overspant een brugje de overloop van deze vijver naar

vermoedelijk lit-

beukprieel met

teken van de 18de-

zomerlinde en een

eeuwse 'Franse' tuin

in 1908 opgetrok-

(foto R. Deneef,

ken tuinpaviljoen.

1997)

de Molenbeek en het lijdt geen twijfel dat J.G. Voncken, de landmeter-cartograaf van het kadaster, getracht heeft een boogbrug weer te geven. Het geheel ademt de gekunsteld-natuurlijke sfeer van een vroeg-landschappelijk, romantisch park. De meeste landgoederen van enige omvang in de regio - Kwabeek te Boutersem-Vertrijk, het Groot en het Klein Park van Bierbeek (Lovenjoel), het domein Gellenberg* te Lubbeek, Kleerbeek* te Tielt-Winge (Houwaart)... — ondergaan tijdens het eerste kwart van de 19de eeuw een soortgelijke mutatie. Enkele grote percelen die vlakbij de vijvers liggen en op minder dan 100 meter van het kasteel, zijn gewoon weide of beemd en één ervan (nr. 78) hoort zelfs niet tot het domein. De vlakke percelen ten noordwesten van het kasteel zijn boomgaard (perceel 80) of land (perceel 83). Het gebouwencomplex ligt dus tamelijk excentrisch en omvat volgens de Primitieve kadastrale legger (circa 1830), naast het kasteel (perceel 87), ook


grote vijver. De dikste bomen van het domein, gewone moerascipressen met respectieve stamomtrekken van 621 en 526 centimeter, bevinden zich dichter bij het kasteel. Bovendien gaat het om specimens van een minder courante cultuurvariëteit met hangende twijgen (Taxodium distichum 'Pendens' (8), die pas in 1855 werd geïntroduceerd (9). Zij werden dus vermoedelijk aangeplant door degene die het domein in 1853 aankocht: Théodore-Emile de T'Serclaes de Wommersom, die enkele jaren later provinciegouverneur van Limburg zou worden (10).

4 De dikste bomen van hel domein van de BlolleyT'Serclaes, vermoedelijk aangeplant rond I860: moerascipressen specimens van een minder courante cultivar met hangende twijgen, Taxodium distichum 'Pendens' (foto R. Deneef, 1997)

BEELDENSTORM EN HERKERSTENING Het kasteel in zijn huidige vorm is gebouwd volgens een rechthoekig grondplan met uitspringende hoekpartijen, twee bouwlagen en een mansardedak, in het zuidoosten verlengd met een uitbouw met terras en balustrade. Er zijn sporen van aanpassingen of verbouwingen uit het begin van de 20ste eeuw, met name de toegangsdeur en het balkonnetje erboven. Haaks op het hoofdgebouw

•

een niet nader gespecificeerd "huis" (perceel 85) en een schuur (perceel 86). De kapel, die zich volgens de Ferrariskaart op het perceeltje 88 bevond, wordt in 1816 afgebroken en het perceel wordt in de kadastrale legger als "kwekerij" omschreven (6). De percelen die door de inspecteurs van het kadaster als "/•«/'«"zonder meer werden aangezien sluiten onmiddellijk aan bij de gebouwen; het grootste hiervan ligt ten zuidoosten van het kasteel (op perceel 89), rond de reeds genoemde 'snijpuntvijver' en het merkwaardige, ronde haagbeukprieel met zomerlinde en een in 1908 opgetrokken paviljoentje. Dit prieel bevindt zich ongeveer op het middelpunt van de reeds genoemde 'ster' en zou een litteken kunnen zijn van de 18de-eeuwse 'Franse' tuin (7).

Het kasteel van de

1858": de vleugel

Biolley-T'Serclaes bi{

tussen het wagen-

gotische kapel (tekening door

de aankoop door

huis en het kasteel

J. Halflants, naar

Théodore-Emile

zal in 1890

afbeelding in het

T'Serclaes in 1853,

vervangen worden

archief Gravin Y. de

getekend ' ï . di f.

door een neo-

Biolley)

Het kasteel van de

Het grote perceel 100, bijna 2,5 hectare, dat zich in het verlengde van de grote vijver bevindt en op de kaart van Ph. Vander Maelen (1845-1850) als weiland wordt weergegeven, staat in de Primitieve kadastrale legger aangeduid als "plaisir tuin . O p dit perceel komen een aantal monumentale bruine beuken voor, maar vermoedelijk is geen ervan ouder dan 1850, behalve de beuk met 423 centimeter stamomtrek aan de zuidelijke oever van de

Biolley-T'Serclaes op vanuit het zuidwesten in 1877 (tekening door J. Halflants, naar een aquarel, gedateerd 30 september 1877, m het archief Gravin Y. de / \'.A >J'/ _


mm staat een vleugel met een neogotische kapel (jaarsteen 1890) en een koetshuis met rondboogpoorten. De kapel werd blijkens een gedenksteen door Evrard de T'Serclaes ter inlossing van een gelofte in 1882 "in honorem Matris Dei M^mV opgetrokken, ter vervanging van een in 1866 afgebroken kapel. Met dezelfde neogotische ijver werd in 1891 ook de kapel van Onze-Lieve-Vrouw van Lubbeek heropgebouwd op de site van de in 1816 afgebroken kapel, maar dan in een aanmerkelijk kleinere versie. Sporen van neogotiek vinden we ook aan de zuidrand van het sterrenbos in de vorm van een veldkapel. In de mondelinge overlevering worden de overname en de 'herkerstening' van het domein door T'Serclaes verbonden met een ultramontaanse variante op de beeldenstorm: de vernietiging en teraardebestelling van een groot aantal op de klassieke oudheid geïnspireerde en min of meer naakte beelden die over de tuin verspreid stonden.

Het kasteel van de Biolley-T'Serdaes vanuit het zuidoosten rond de eerste wereldoorlog (collectie Blockx-Meulemans, Lubbeek)

A Haaks op bet

de neogotische

hoofdgebouw van

kapel uit 1890 en

bet kasteel van de

het koetshuis

Biolley-T'Serclaes:

(foto 0. Pauwels, 1999)

M&L

Het park van de

uiterst rechts in

kloostertuin van

Biolley-T'Serclaes op

beeld is het

Onze-Lieve-Vrouw

de stafkaart van

landgoed

van de Rozenkrans

1908; rechts onder-

'Saint-Germam';

met. daarnaast.

aan het landgoed

uiterst links.

de pastorie

Brakem: de drie-

de dorpskern van

(ICM, 1923)

lobbige aanleg

Lubbeek en de


De in 1891 door Evrard de T'Serclaes heropgebouwde neogotische kapel van Onze-LieveVrouw van Lubbeek (foto 0. Pauwels. 2000)

Het park van de

meer naar het

voor de heraanleg

Onze-Lieve-Vrouw

Biolley-T'Serclaes op

noorden:

door J. Galoppin:

van de Rozenkrans

de stafkaart van

het domein van

uiterst links, de

(ICM, 1937)

1930: ten zuid-

Beaudum op de

dorpskern van

oosten daarvan het

Leenberg-Sint-

Lubbeek en de

landgoed Brakem

Gertrudenhof. vlak

kloostertum van

Het park zou in die periode ook heraangelegd zijn naar de plannen van tuinarchitect Louis Fuchs (1818-1896) (11), maar een bevestiging van het auteurschap van Fuchs kon niet worden gevonden. Overigens kan het weinig meer dan een facelift geweest zijn, want de door Louis van den Berghe vastgelegde structuur bleef grosso modo behouden. De kleinere vijvers of reservoirs aan de noordzijde van het domein werden dichtgegooid (12), de 'snijpuntvijver' werd teruggebracht tot

De Calvarie op de Hensberg in het begin van de 20ste eeuw (collectie BlockxHeulemans, Lubbeek)

De overloopconstructie van de grote vijver naar het stroomafwaartse gedeelte van de Molenbeek werd geconcipieerd als een grot of rotspartij - een kern uit baksteen bekleed met natuursteen (foto R. Deneef, 1997)

1VI&L


De ijskelder in het kasteeldomein de Biolley-T'Serclaes, naast de kapel van Onze-Lieve-Vrouw van Lubbeek (foto 0. Pauwels,

een soort van estuarium dat in de grote vijver uitmondt. De overloopconstructie van de grote vijver naar het stroomafwaartse gedeelte van de Molenbeek werd geconcipieerd als een grot of rotspartij - een kern uit baksteen bekleed met natuursteen, die mettertijd is afgebrokkeld, zodat momenteel de kern blootligt. De talrijke bruine beuken met stamomtrekken van 3 a 4 meter, alleen of in groeps- of dreefverband, werden in die periode aangeplant.

(Vertrijk) — een spiraalvormig sas heeft dat eindigt in een omgekeerd-eivormige bewaarruimte. Vermoedelijk dateert hij uit de eerste helft van de 19de eeuw.

Een belangrijke component van de parkstructuur, die vandaag echter minder in het oog springt omdat de Binkomstraat gaandeweg tot een echte barrière is uitgegroeid, vormen de dreven die convergeren naar de top van de Hensberg. Niet ver van de top, die bekroond wordt door een calvariebeeldengroep, bevindt zich een bijzonder merkwaardige beukenrotonde, bestaande uit 43 vlak naast elkaar geplante beuken met stamomtrekken die variëren tussen 65 en 300 centimeter. O p sommige van deze bomen zijn inscripties herkenbaar uit de jaren 1890. Deze rotonde wordt ook weergegeven op de figuratieve kaart van 1809 — in elk geval wordt op ongeveer dezelfde plek een cirkeltje afgebeeld.

(Fagus sylvattca 'AtropuniceaV

Vrij uitzonderlijk is ook de ijskelder die zich aan de noordrand van het park bevindt, vlakbij de kapel. Het gaat om een zeldzaam type dat — zoals in het domein van Kwabeek te Boutersem

MERKWAARDIGE BOMEN opname 23 september 1997 3.

bruine beuk 401; 4. bruine beuk 401; 6. bruine beuk 336; 7. bruine beuk 361(90); 8. bruine beuk 328; 9. bruine beuk 350; 1 1. bruine beuk 12. 15. 19. 22. 23.

(Fagus sylvattca 'Atropunicea'j

(Fagus sylvattca 'Atropunicea'j (Fagus sylvattca Atropunicea'j (Fagus sylvattca AtropuniceaV (Fagus sylvattca AtropuniceaV (Fagus sylvattca AtropuniceaV

423; kleinbladige linde (Tilia cordata) 533(80); moerascipres met hangende twijgen (Taxodium distichum 'Pendens'^ 526; gewone taxus (Taxus baccata) 196; gewone taxus (Taxus baccata) 208; grootbladige of zomerlinde (Tilia platyphyllos) 326;


24. 25. 39. 40. 41.

hangende zilverlinde (Tilia^petiolaris), merkwaardige etageboom, 284; witte paardekastanje (Aesculus hippocastanum) 327; gewone taxus (Taxus baccata) 200; ruwe arizonacipres {Cupressus arizonica 'GlaucaV 105 (80); moerascipres met hangende twijgen (Taxodium distichum 'Pendens'^), kampioen van België, 621.

NOTEN (1)

WAUTERS A., Géogmphie et histoire des communes heiges arrondissement de Louvain, canton de Glahbeek, 1882, Bruxelles, Culture et Civilisation, heruitgave 1963, p. 70-71; HALFLANTS J., Lubbeek, p. 173 in: Oost-Brabant. I. Het mooie Hageland{2de druk), Leuven, Renova, 1965, p. 173.

(2) (3)

WAUTERS, o/>.ri(.,p. 71. Reconstructie gebaseerd op de Ferrariskaart (1770-76), de 'caerte figurative' van Louis van den Berghe uit 1809, de Primitieve kadasterkaart en, met enige omzichtigheid, de beschrijving in WAUTERS, op. cit., p. 71.

(4)

HALFLANTS J. (1965) op. at., p. 169-170.

(5)

"Jacques l'Estryeux" volgens WAUTERS, op. cit.. p. 7 1 .

(6)

Primitieve KL Lubbeek, art. 464, nrs. 85-95.

(7)

Cf. HALFLANTS (1965) op. at., p. 173

(8)

In beide gevallen gaat het voor deze cultivar om 'kampioen-

^

bomen' voor België, cf. BIB, p. 394. (9)

KRÜSSMANN G. (1972) Handbuch der Nadelgehöke. p. 303.

(10) Theodore de T'Serclaes de Wommersom (1809-1880), gehuwd met M A . de Biolley, was van 1855 tot 1871 gouverneur van Limburg, sterk geïnteresseerd in drooglegging van moerassen,

Het kasteeldomein

legelementen

de Biolley-T'Serclacs

en merkwaardige

te Lubbeek:

bomen

situering ïan

(tekening

gebouwen, aan-

R. De Heerleer)

irrigatie van zandgronden, verkeersinfrastructuur etc. (cf. De gouverneurs in de heide Lmburgen,

1815-1989,

Maastrichr,

1989). (11) Volgens: NEUTS M., Van geometrische strakheid naar natuurlijke expressie: de Kr* eeuwse tuinkultuur in de Zuidelijke Nederlanden meer speciaal in Midden-Brabant (niet gepubliceerde licentiaatsthesis), K U . Leuven, Faculteit Wijsbegeerte & Letteren, Departement Geschiedenis, 1980, p. 160-163. (12) Hoewel twee ervan (sectie F nrs. 94 en 95) nog lang als vijvers worden aangeduid (cf. KL Lubbeek, art. 1914, nrs. 27 en 28).

M&L


Roger Deneef, Jacques & Jo

Halflants

Wijnant

LUBBEEK (Lubbeek) KASTEEL BRAKUM BRAKUMDREEF (PRIVÉ-BEZIT,

16, 3210

LUBBEEK

NIET TOEGANKELIJK

VOOR

Begin 18de eeuw tot hof van plaisantie omgebouwde, omwalde hoeve met kleine rechtiijnig-geometrische tuin; herwerkt rond 1800 in vroeg-landschappelijke stijl; rond 1900 oppervlakkig heraangelegd en uitgebreid tot circa 25 hectare.

Het domein Brakum in 1771-1775 in vogelperspectief vanuit het westen; links op de tekening het gehucht Brakem (reconstructietekening door

Het kasteel van Brakum, genoemd naar het nabijgelegen gehucht Brakum of Brakem, gaat terug tot het 'hof te Roypoorte', dat tussen 1710 en 1720 tot kasteel of hof van plaisantie werd omgebouwd, volgens Wauters (rond 1880) "l'une des plus belles propriétés de Lubbeek" (1). In 1729 werd het aangekocht door Herman Poringo, hoogleraar theolo-

j . Halflants naar de Ferrariskaart)

HET PUBLIEK)

gie te Leuven (2). Een van zijn nazaten, ridder Henri Sigismond de Liem, burgemeester van Lubbeek, treedt in 1830 als eigenaar op in de Primitieve kadastrale legger (3). Het goed dat kadastraal bij het kasteel van Braekem hoorde omvatte - naast het kasteel waarin men nog het oude, semi-gesloten hof herkent - vijf percelen vijver, waarvan er twee in feite overblijfsels van de oude ringgracht zijn. De grote vijver (circa 32 are) vormde het middelpunt van een 'lusthof' (1 hectare en 10 are), gelegen langs de noordoostzijde van het kasteel. De dienstwoning ten noorden van het kasteelcomplex, bij de Brakumdreef (op de 19de-eeuwse kadasterkaarten nog de " Rodepoorte weg genoemd, als verwijzing naar het oude hof), werd omgeven door percelen moestuin en boomgaard, samen 70,5 are. Via dreven in noordoostelijke en noordwestelijke richting waren ook het Brakumveld en het gehucht Brakum in de aanleg betrokken.

£)I^flKUM

•<

M&L

—--"

^"T»"".'-^ • • • -

•••jL»

De structuur van het domein op de Primitieve kadasterkaart (1824) en de 'Atlas cadastral' van Popp (1860) sluit nog in hoge mate aan bij de situatie die getoond wordt op de Ferrariskaart (1771-1775) [afgebeeldop blz. 77]-de brede ringgracht blijft voor de helft behouden (perceel 239), de gebouwen staan nog op dezelfde plaats - maar ten oosten van het kasteel werd een min of meer elliptische waterpartij uitgegraven (de reeds vermelde grote vijver); de gecompartimenteerde lusttuin van de Ferrariskaart is uit het beeld verdwenen. De 'erosie van de contouren' als aanzet tot een vroeg-landschappelijke tuinaanleg, die omstreeks 1800 bij tal van andere geometrisch aangelegde domeinen kon worden vastgesteld en soms, op enkele jaren na, kon worden gedateerd


Het domein Brakem

Het kasteel van

op de Primitieve

Brakum na de

kadasterkaar I, 1824;

tweede wereld-

een gedeelte van

oorlog; nadien werd

de oorspronkelijke

het dak verhoogd

nnggracht bestaat

en van dakkapellen

nog; de grote vijver

voorzien

(perceel 230) werd

(collectie

waaischi|nli|l(

Blockx-Neulemans,

omstreeks 1800

Lubbeek)

gegraven (Archief Kadaster Brabant, Brussel)

(bijvoorbeeld in het Klein Park te Lovenjoel) heeft zich ook hier in bescheiden mate voltrokken. Enkele geometrische elementen zoals het grachtrelict hebben kadastraal waarschijnlijk langer geleefd dan in werkelijkheid. De gracht (perceel 239) wordt pas officieel afgevoerd in 1913 (4), terwijl zij op de eerste militaire topografische kaart (1864) al niet meer wordt afgebeeld. O p diezelfde

kaart heeft de grote vijver ook een andere, nog onregelmatiger vorm gekregen, die sterk van deze op de kadasterkaart afwijkt. In 1894 (5), zes jaar na de dood van de laatste de Liem, wordt een gedeelte van het kasteel afgebroken, zodat alleen de westelijke vleugel overblijft en het grosso modo tot zijn huidige grondplan en volume wordt herleid (6). O p de militaire topografische kaart van 1908 [afgebeeld op blz. 80] verschijnt een meer gesofisticeerd aanlegpatroon, dat hoofdzakelijk uit gebogen lijnen bestaat en waarvan een ovaal omlooppad rond een zandige verhevenheid - niet merkbaar in de hoogtelijnen maar duidelijk in het microreliëf — het sluitstuk vormt. Deze beboste

•4

Een haag met rode meidoorn

(Crataegus laevigata 'Paul's scarlet') bij het kasteel van Brakum (foto J. Wi)nant, 1998)

M&L


ovalen heuvel (grootste diameter 200 meter) is vermoedelijk - te oordelen naar de vegetatie met adelaarsvaren (Pteridium aquilinum) en opslag van Amerikaanse vogelkers (Prunus serotina) — een natuurlijke verhevenheid, mogelijk een opbolling van tertiair materiaal (7). Het patroon dat getoond wordt op de kaart van 1908 stemt nog grotendeels overeen met de huidige toestand.

azalea (Rhododendron luteum), die - zoals in het domein De Bruyn te Holsbeek* en om dezelfde reden (familiale banden) - afkomstig zijn uit het kasteelpark van Vorselaar (provincie Antwerpen).

In 1913 wordt het domein aangekocht door de familie de Néeff, die nog steeds eigenaar is. De huidige beplantingen dateren hoofdzakelijk van na die overname. De vijver is zowat de etalage waaromheen het merendeel van de sierbeplantingen staat uitgestald. Soorten met sierwaarde zoals bruine beuk of roodbloemige meidoorn (Crataegus laevigata 'Paul's scarletV vinden we echter ook in de ruimere omgeving terug als solitair, in groepjes of in lijnbeplantingen of - wat laatstgenoemde betreft - als haag. Het "Ronde Bos", zoals de bovengenoemde heuvel wordt genoemd, is beplant met Amerikaanse eik (Quercus rubra), grove den (Pinus sylvestris) en douglasspar (Pseudotsuga rnenziesü), waarvan één met respectabele afmetingen (239 centimeter stamomtrek).

2.

Van een 19de-eeuwse generatie van bomen is weinig of niets overgebleven. De enkele bruine beuken (Fagus sylvatica AtropuniceaV met stamomtrekken van circa 300 centimeter werden vermoedelijk na 1900 aangeplant. Dit geldt ook voor de restanten van de oude dreef met Amerikaanse eiken (stamomtrekken van 285, 293 en 362 centimeter) langs de Brakumdreef. Wat betreft de twee laag vertakte beuken die de toegang tot het 'ronde bos' flankeren - stamomtrekken van respectievelijk 425 en 359 centimeter - is er reden om aan te nemen dat het in beide gevallen gaat om verschillende, met elkaar vergroeide of ineengevlochten stammen. Eén ervan heeft bovendien een ongewoon gegroefde stam en zou tot de cultivar 'Quercoides' gerekend kunnen worden.

MERKWAARDIGE BOMEN opname 14 mei 1998

3.

5. 6. 8. 9. 14.

gewone beuk (Fagus sylvatica) 359, vermoedelijk verschillende stammen door elkaar gevlochten; gewone beuk (Fagus sylvatica) 425, vermoedelijk verschillende stammen door elkaar gevlochten; vederesdoorn met geel blad (Acer negundo Aurea'; 155(30); Amerikaanse eik (Quercus rubra), 362, restant van vroegere dreef); Noorse esdoorn met bolstaand blad (Acer platanoides 'CucullatumV 199; Cappadocische esdoorn (Acer cappadocicum) 287; gewone douglasspar (Pseudotsuga rnenziesü) 239.

NOTEN (1)

WAUTERS A., Géographie et histoire des communes heiges. Arrondissement de Louvain - canton de Glabbeek, Bruxelies, Culture et Civilisation (facsimile van editie 1882), 1963, p. 7374; HALFLANTS J., Lubbeek. p. 166-178 in: Oost-Bmhant(\), Het mooie Hageland (lAt druk), Heverlee, Renova, 1965.

(2)

Voluit: Poringo, Hermannus Theobaldus, auteur van een thesis over het nut van de theologie: De beneficiis theologicis, Leuven, Fr. vande Velde, 17I5(?)-

(3)

Een van zijn zonen, generaal Henri-Félix-Prosper de Liem, was in 1842-1843 minister 'van oorlog' (WAUTERS, op. cit., p. 74).

(4)

KL Lubbeek, art, 2438, nr. 33.

(5)

KOS Lubbeek, 1895, nr. 7 & legger art. 1104, nr. 83.

(6)

Volgens artikel 1104 van de KL was de toenmalige eigenaar Clément de Jacquier de Rosée, 'nijveraar' en burgemeester te

In de jongere generatie aanplantingen komen, naast courante of wat minder courante bomen zoals gele treurwilg (Salix alba 'TristisV, gewone moerascipres (Taxodium distichum) of vederesdoorn met geel blad (Acer negundo 'AuratumV, ook enkele zeldzaamheden voor, die ondanks hun relatief bescheiden afmetingen tot de dikste exemplaren van België behoren: Noorse esdoorn met bolstaand blad (Acer platanoides 'Cucullatum'j en Cappadocische esdoorn (Acer cappadocicum){%). Opmerkelijk zijn ook de massieven met Pontische

Moulin-Warnanr. (7)

Volgens SCHEYS C , Bodemkaart van België: kaarthlad Lubbeek 90W, 1957, p. 52-53: vergraven of opgehoogd terrein, maar in de omgeving komen diverse vlekken "droge tot matig natte lemige zandgronden met weinig duidelijk humus often ijzer B horizont" (SAfd) voor.

(8)

Bij de eerste zes volgens BIB, p. 326 & 329.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
MENC006-001.pdf by Vlaanderen-be - Issuu